-ocr page 1-
-ocr page 2-

GUNNING

i .H.iq.

AH 14

EA-LiflRQ

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Aan den Eaphpaat.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

GUNNING

flan den Eupbraat.

Een verhaal uit Armenië

boor

D. ALCOCK,

Schrijfster van : „De Spaansche Broeders,quot; „Rükskinderen,quot; „Dr. Adriaan,quot; enz.

Vertaald door ADELPHA.

1434 5056

N IJ K E R K,

G. F. CALLENBACH.

bibliotheek der

rtloKöüNiVtRSITÊIT

1

U T R E C h T.

-ocr page 8-

Stoom-boekdrutkery — C. C. Callentach — Nykerk.

-ocr page 9-

HOOFDSTUK I.

2)e donkere rivier.

„Zyn niet de rivieren van Damaskus beter dan alle wateren van Israël?quot;

2 Kon. V ; 12.

De zon, die den ganschen warmen, Oosterschen dag had gestraald, neigde ter kimme. Zoover de menschelijke blik reikte, zag men niets dan een dorre, eentonige vlakte, bleek geel-bruin zand, met zacht glooiende heuvels zonder eenigen plantengroei. Het geheele landschap bevatte niets waar het oog met welgevallen op kon rusten, dan een groepje plataanboomen, waaronder eenige reizigers hunne tenten hadden opgeslagen. Zij hadden den ganschen dag daar in rust doorgebracht, om gedurende den nacht verder te reizen, want hoewel de zomer voorbij was en de herfst reeds was ingetreden, bleef de hitte groot.

De middelste tent werd bewoond door een Engelsch-man met zijn zoon, terwijl al de overige in gebruik waren genomen door hunne gidsen en bedienden, benevens eenige soldaten, hun als verdedigers in het onveilige land medegegeven. De Syriörs, Arabieren en Turksche zaptiehs, die deze betrekkingen vervulden, ge-

-ocr page 10-

6

noten ook juist van hunne rust en hadden hunne paarden aan de boomen vastgebonden.

Het begon voor hen nu tijd te worden om op te breken, hunne rijdieren te verzorgen, koffie te zetten en al de toebereidselen te maken voor de reis. Zij waren echter gewoon om daarmede te wachten op een teeken van hun meester, en daar deze, — de heer Grayson, of zooals zij hem noemden Grayson Effendi, — hen nog niet tot hun plicht geroepen had, zagen zij geen enkele reden om hunne rust reeds op te geven, hoewel eenigen van hen zich toch geeuwend oprichtten en hunne tabakzakken voor den dag haalden om cigaretten te rollen.

Weldra trad uit de tent van den Effendi zei ven een jeugdige gestalte te voorschijn. „Hohannes Effendiquot;, de Turksche en Arabische benaming voor „jongenheer Johnquot;, was een levendige Engelsche knaap met blond haar en blauwe oogen, die ongeveer vijftien jaar kon tellen. Hij droeg een wit dril zomerpak, dat blijkbaar reeds goede diensten bewezen had, en zijn hoofddeksel bestond uit eene soort van helm met kleppen van voren en van achteren, zoodat ook zijn hals en zijne wangen werden beschermd tegen de verzengende hitte, die van den bodem uitstraalde, en die haast even hinderlijk was als de gloed der zonnestralen zelf. Met langzamen tred liep hij voort zoolang hij zich nog te midden der luierende bedienden bevond, maar eenmaal buiten het kleine kamp, verhaastte hij zijne schreden en als een pijl uit een boog ijlde hij in rechte lijn over de lage heuvels in de richting van het Oosten.

Daar toch, zoo hadden de Arabieren hem verhaald, „op een steenworp afstands,quot; „een boogschot ver,quot; „zoo lang als een man kan rijden onderwijl hij zijn ,La ilaha ill Allah' kan opzeggen,quot; stroomde de groote rivier tusschen

-ocr page 11-

7

hare oevers voort. Toen hij een paar uur geleden uitzijn diepen slaap ontwaakte, had hij zijne oogen niet weer kunnen sluiten uit verlangen om die beroemde wateren te aanschouwen. Dit toch was de eeuwenoude stroom, de eenig overgeblevene van het geheimzinnige viertal, dat den hof van Eden besproeide, en die de zwijgende getuige was geweest van koninkrijken, wier bestaan thans was uitgewischt, de oude, historische Euphraat. Niet dat de knaap zich juist van dit alles zoo wel bewust was; doch hij had van zijn vader de eigenschap geërfd om veel belang te stellen in „plaatsen waar iets bijzonders gebeurd was,quot; en die hij dan met zijne jeugdige verbeeldingskracht met een buitengewonen glans omstraald zag.

Steeds voort spoedde hij zich, want de eentonigheid van het uitgestrekte landschap bedroog het oog en de rivier was in werkelijkheid veel verder verwijderd dan hij zich voorstelde. Hij moest zich een weg banen door hooge biezen die hem soms alle uitzicht benamen, hoewel hij ook af en toe er over heen kon zien, — om echter niets anders te ontdekken dan nieuwe uitgestrektheden van biezen en gras en weer andere golvende heuvels, alle overdekt door denzelfden wolkeloozen, purperen avondhemel. Het eenige stipje dat de eentonigheid verbrak, was een donkere streep aan den horizon, die, zooals hij wist, de boomgroep aanduidde, vanwaar hij zijn tocht was begonnen.

Een paar maal kwam de gedachte bij hem op of hij ook terug zou keeren, niet omdat hij moe was, en zeker niet omdat hij eenige vrees gevoelde, tenzij dan de vrees, dat zijn vader zich over zijn wegblijven zou verontrusten. Maar als een echte Engelschman, gaf hij niet gaarne op wat hij zich eenmaal had voorgenomen en dus zette hij zijn tocht voort.

-ocr page 12-

8

Eindelijk werd zijn oor getroffen door een dof gemurmel, het geruisch van altijd door vlietend water op zijn weg naar de zee. Hij spoedde zich voort, nu eens door dik, hoog opgaand riet en dan over lang gras, totdat hij eindelijk, zich door de laatste biezen heenwerkend, aan den rand van een steilen oever stond en hij waarlijk den Euphraat aan zijne voeten zag kronkelen.

Bijna ontsnapte hem een kreet van verbazing en teleurstelling. Was dat waarlijk de beroemde Euphraat, de groote rivier, die hij zoolang gewenscht had te zien? Had deze modderige, saaie, levenlooze stroom, het Paradijs besproeid? Hoe donker en levenloos lag hij daar beneden hem! „Donker?quot; zeide hij bij zichzelf: „het is niet donker, het is zwart!quot; En hoe langer hij er naar staarde, hoe zwarter het troebele water hem leek.

Waarom zou hij langer blijven bij die „leelijke oude rivier,quot; zooals hij haar nu noemde? Er was hier niets te doen, niets te zien. Hij wendde zich af, om den terugtocht aan te nemen, en de eenzaamheid en verlatenheid van het geheel vervulde op eenmaal zijn jonge ziel met nameloozen weemoed. De rivier, inplaats van eenig leven aan te brengen in de doodsche omgeving, scheen zelve een doode, vlietende uit een land

„door mensch noch dier betreden, ■

Sinds 's werelds aanvang eenzaam, onbekend.quot;

Daarop, door een vaak voorkomend spel der verbeelding, was het John Grayson opeens alsof hij weer thuis was, in zijn eigen gelukkig thuis, in Engeland. Zijne moeder, die een jaar geleden gestorven was, leefde nog. Hij zag hare kamer; de tafel met hare boeken en haar naaiwerk, en haar geliefkoosd klokje op den hoek; zij droeg zooals

-ocr page 13-

9

gewoonlijk een doekje van zachtblauwe, zijdeachtige stof; het was hem alsof hij haar gelaat zag. Plotseling was het visioen weer verdwenen: hij wist dat zij was heengegaan en dat hij alleen was, geheel alleen onder dien zwijgenden hemel, in die verlaten landstreek, met de sombere rivier; het eenige levende wezen temidden van dit uitgestrekt gebied van den dood. En voordat hij het wist, druppelde er een heete traan over zijne wang.

Zooiets mocht hij niet toelaten. Hij schaamde zich over zichzelf, hoewel er niemand was die hem zag, en met een vastbesloten trek om den mond nam hij den terugweg aan.

Zoodra het hooge riet hem toeliet weer om zich heen te zien, trachtte hij te ontdekken hoe ver het groepje boomen, vanwaar hij was uitgegaan, van hem verwijderd was. Het scheen nog heel ver en de weg was niet gemakkelijk; hij begon te zien, dat zijn terugtocht niet zoo'n lichte zaak zou wezen als hij wel dacht. Een oogenblik was het alsof moedeloosheid zich van hem meester zou maken; hij zette zich neer om wat te rusten, want hij begon zich moe te voelen.

Weldra echter sprong hij op met een vroolijken kreet. Een bekend geluid had zijn oor getroffen, het lang uitgerekte Australische „Koe-ie-en!quot; dat zijn vader zich had aangewend als het verst reikende van alle signalen. Zoo hard hij kon, beantwoordde hij de roepstem, terwijl hij met zijn zakdoek in de lucht zwaaide.

Het duurde niet lang of hij zag zijn vader, gevolgd door twee Arabieren, naderen. Vol opgetogenheid snelde hij naar hem toe, al zijn treurige overpeinzingen van zooeven vergetend. „Vader! Vader! Ik heb den Euphraat gevonden!quot; klonk zijne stem vol opgetogenheid.

-ocr page 14-

10

„Ja mijn jongen? Maar het heeft lang geduurd, voordat ik u gevonden heb!quot;

Daar stonden zij te zamen, vader en zoon, in die groote eenzaamheid, gelijk zij in zekeren zin ook alleen stonden in de nog grooter eenzaamheid van het aardsche leven. De vader was een dier mannen, van wie men onmogelijk kan zeggen, dat zij tot het een of ander type behooren; het was alsof hij afzonderlijk door de hand van den grooten Meester zeiven uit steen gehouwen was. Lang, hoekig, maar lenig, met een tint zoo bruin als de Zuidelijke zon hem kon verleenen, donkere haren, en een baard die reeds hier en daar een grijzen draad begon te ver-toonen, de zwarte oogen schitterend van ingehouden vuur en de mond zacht en gevoelvol als van eene vrouw. De knaap had zijn moeders blauwe oogen geërfd, maar verder geleek hij veel op zijn vader, zoowel wat de uitdrukking, als wat den vorm zijner gelaatstrekken betrof. Hoe zacht het verwijt ook klonk in zijns vaders woorden, hij gevoelde het toch, daar de geringste schaduw van misnoegen tusschen hen zoo zeldzaam was.

„Het spijt mij zeer,quot; zei hij eenvoudig.

„Vindt gij den Euphraat de moeite van uwen tocht waard?quot; vroeg zijn vader, die den wijdgeroemden, maar , teleurstellenden stroom reeds van vroeger kende.

„In het geheel niet, Vader. Ik heb nog nooit zulk leelijk, modderig zwart water gezien als dit.quot;

^„Wij zijn er nu zeker heel dicht bij? Dan zal Ik er toch even een kijkje gaan nemen, want we hebben nog geen haast om te vertrekken. Blijf gij maar zoolang hier, als ge moede zijt, met een van de Arabieren.quot;

„li ga liever met u terug, als u het goed vindt.quot;

„Ga dan maar mede.quot;

-ocr page 15-

11

Eenige minuten loopen brachten hen aan den oever,, terwijl de Arabieren met het onverschilligste gelaat van de wereld op eenigen afstand volgden.

Juist ging de zon onder en zie, een vreemde aanblik trof hun oog. Het donkere water was geheel van aanzien veranderd, alsof het door den staf eens engels was aangeraakt. Vol leven en licht kabbelde het voort, als een stroom van vloeiend goud; want het had de stralen der zon opgevangen en weerkaatste die nu, in duizendvoudige prisma's, voor het bewonderende oog van elk die het aanschouwde. Zóó zal voor onze onsterfelijke oogen de rivier Gods, het levende water, dat door de gouden straten van het Nieuwe Jeruzalem stroomt, éene zee van licht schijnen. De knaap uitte een kreet van bewondering en verrukking, terwijl zijn vader in stilte voor zich uit staarde. Eindelijk zeide deze zacht; „Zoo verandert de donkere rivier in enkel licht!quot;

„Maar kom, mijn jongen,quot; voegde hij er na eenige oogenblikken bij: „laat ons terugkeeren voordat de zon ondergaat, opdat deze aanblik van den Euphraat ons bij-blijve.quot;

-ocr page 16-

HOOFDSTUK II.

Vader en Zoon.

„Zoo het zonlicht u beschijn/

Open venster en gordijn!

Laat de stralen In uw huls en harte dalen.

't Zal wel gauw weer avond z(ja.quot;

Heye.

Terwijl de reizigers zich naar hun kamp terug begeven ■om nu met ernst aanstalten te maken voor hun vertrek, kunnen wij van de gelegenheid gebruik maken, om hen in alle vormen aan u voor te stellen. In naam waren zij elkaar volkomen gelijk; zoowel vader als zoon droeg den naam van John Prederik Pangbourne Grayson. De laatste echter werd in den regel gewoonlijk Jack genoemd, een gebruik waaraan wij ons ook zullen houden.

De heer Pangbourne had zich reeds in zijne jeugd doen kennen als een stoutmoedig, ondernemend reiziger, die zich gewaagd had op plaatsen en onder volken, aan de meeste menschen nauwelijks bij name bekend. Menigmaal had hij zich in allerlei gevaren bevonden, maar nog altijd had hij er zich uit weten te redden, dank zij zijne koelbloedigheid, zijne vindingrijkheid, zijn tact om met menschen

-ocr page 17-

18

om te gaan en bovenal zijn groote vriendelijkheid en medegevoel voor degenen, die met hem waren. Zoo althans spraken anderen over hem; zelf zeide hij, als iemand over zijne gevaren en uitreddingen sprak, met den grootsten eenvoud: „Zoo werd ik gered,quot; of „zij gingen heen,quot; of „zij deden mij geen kwaad,quot; al naar de toedracht der zaak was en hij voegde er steeds bij: „ Gode zij dank!quot; Want hij vreesde God, en hoewel hij er geene bepaalde moeite voor deed, om dit de wereld te doen weten, toonde hij het toch overal waar het tepas kwam.

Behalve zijn echt Engelschen lust tot reizen, die even sterk of nog sterker is dan de zucht van den Kelt om zich over de aarde te verspreiden, bezat Pangbourne nog een andere drijfveer tot zijne omzwervingen. Zijn hart was ontvlamd in liefde voor oude Grieksche handschriften, of dergelijke geel geworden antiquiteiten, in welke taal ook. Keeds had hij een paar mooie vondsten gedaan op dat gebied, hoofdzakelijk in afschriften van de oude Christelijke Apologeten. Deze vondsten hadden echter slechts zijn lust naar meer ontdekkingen opgewekt. Hij had toen gehoord van handschriften, die in de nabijheid van den berg Ararat te vinden moesten zijn en juist maakte hij zich op om daarnaar te gaan zoeken, toen twee groote gebeurtenissen in zijn leven hem zijne plannen deden veranderen: hij kreeg eene erfenis en trad in 't huwelijk.

Daar hij een jongere zoon was, waren de familiebezittingen op zijn oudsten broeder, Ealph Pangbourne overgegaan, en deze woonde nu op het landgoed zijner voorvaderen in een der lieflijkste Engelsche graafschappen. Zijne bezittingen brachten echter niet veel op; evenals anderen leed hij onder de veranderingen op economisch gebied; er was een zware hypotheek op het landgoed en

-ocr page 18-

14

liij had een talrijk gezin, dat hem veel kostte, zoodat hij ■er in betrekkelijk bekrompen omstandigheden leefde.

Het was hem dan ook niet bijzonder welkom toen eene verre nicht van hem, mejonkvrouwe Mathilda Grayson, haar aanzienlijk fortuin aan zijn jongeren broeder, inplaats van aan hem zeiven, vermaakte. Eene reden daartoe had zij waarschijnlijk gevonden in de verplichting van den erfgenaam, om den naam Grayson bij den zijnen aan te nemen, ■een eisch, waaraan zij meende, dat het hoofd der familie Pangbourne waarschijnlijk niet gaarne zou voldoen. „Ik wou toch wel, dat zij een van mijn jongens voor die keus had gesteld!quot; dacht Kalph Pangbourne, doch gelukkig ontstond er tusschen de beide broeders geen verkoeling.

Frederik, zooals hij gewoonlijk door zijne familieleden genoemd werd, toonde zich zeer vrijgevig. Hij loste de hypotheek en nam zelfs een van zijns broeders zoons, die toch reeds zijn petekind was, als kind aan. Maar het fortuin bleef zijn eigendom.

Dit zou hem echter niet in Engeland hebben doen blijven, als hij niet juist nu, tijdens zijn verblijf in een der universiteitssteden, had kennis gemaakt met de dochter van een professor, die zeer veel belang stelde in zijn oudheidkundige onderzoekingen. Zijne liefde voor haar werd beantwoord en daar er niets was om hen te doen wachten, traden zij weldra in het huwelijk en zag hij voorloopig van verdere reizen af. Hij kocht een fraai landgoed in het Zuiden van Engeland en leidde daar met zijn gade een zeer gelukkig leven. Mocht het al zijn, dat toch nog somwijlen de lust tot verre tochten en avontuurlijke tooneelen in hem wakker werd, hij hield die wenschen in zijn binnenste besloten, temeer toen de geboorte van ■een zoon zijn geluk de kroon opzette.

-ocr page 19-

IB

Na vijftien gelukkige huwelijksjaren stierf zijne vrouw zeer plotseling. Geen man betreurde zijn verlies meer van harte dan hij, doch het was niet te verwonderen, dat toen de eerste schok voorbij was en hij zijn stille buitenleven, thans zoo eentonig geworden, moest hervatten, hij begon te verlangen naar de afleiding, die zijne reizen hem vroeger verschaften.

Zijne studiën van den laatsten tijd gaven hem als vanzelf een leiddraad voor de volvoering zijner wenschen. De oude legende van den brief van koning Abgarus van Edessa aan onzen Heer en het antwoord daarop, hoe klaar zij ook niets dan eene legende bleek, had zijne aandacht geboeid en hij verkeerde in de stellige overtuiging, dat er in de nabijheid van Edessa, immers zoo vroeg reeds voor het Christendom gewonnen, nog wel oude handschriften zouden te vinden zijn. Die hoop deed hem zijne blikken opnieuw naar het Oosten wenden, dat toch steeds zijne liefde bezeten had, en thans was er niets om hem van de uitvoering zijner plannen terug te houden.

Niets althans dan de eenige plicht, die hem aan zijn huis bond, — de zorg voor zijn zoon. Hoewel zij altijd reeds zeer nauw aan elkaar verbonden waren geweest, waren vader en zoon door hun gezamenlijk verdriet dichter tot elkander gebracht dan ooit, en nu, ofschoon iedereen hem aanried Jack op eene goede kostschool achter te laten, luisterde hij niet naar dien raad. Jack zelf smeekte vurig om medegenomen te worden en zijn eigen hart beaamde dien wensch. Waarom zou hij het niet doen? Hij was een flinke, gezonde, zoowel geestelijk als lichamelijk zeer ontwikkelde knaap: zouden buitenlandsche reizen, onder vaderlijk toezicht, wellicht niet de beste leerschool voor hem zijn? Voor Jack zelf scheen het vooruitzicht

-ocr page 20-

16

van deze zwerftochten het heerlijkste wat hij zich kon voorstellen. Was de heer Grayson alleen geweest, dan zou hij zeker met de grootste opgewektheid allerlei gevaren hebben getrotseerd en ontberingen geleden, doch ter wille van zijn zoon reisde hij nu op eene wijze, die de minste bezwaren, zoowel voor hunne veiligheid, als voor de gezondheid opleverde. Tot dusver hadden zij dan ook nog weinig avontuurlijks ontmoet. Zij hoopten nu den volgenden morgen het stadje Biridjik aan den Euphraat te bereiken, om daar een paar dagen rust te houden, waarvoor zij dan zooals gewoonlijk in een geschikt huis kamers dachten te huren.

De reis bij nacht, in een land waar nacht geen duisternis beteekent, was een genot. De stralen der volle maan verleenden zelfs dit eentonige landschap een zilveren glans en zij verstrekten licht genoeg om bij te reizen. Het leek meer alsof men plotseling in een ander klimaat was verplaatst, waarin de dag koeler en de geheele atmosfeer veel weldadiger was.

De vroege ochtend vond onze reizigers dicht bij de rivier. Aan de overzijde van de plek, waar zij haar hoopten over te steken, was een soort van amphitheater door de natuur zelve gevormd. Een schilderachtige heuvel verhief zich terrasvormig, en op zijn kruin zag men nog de bouwvallen van een ouden burcht. Een half-ronde muur, die eenmaal tot den burcht behoord had, vormde een boog, waarvan de rivier de beide einden begrensde, en omsloot, in haar hal ven cirkel, het stadje met zijn huizen, tuinen en boomgaarden.

Toen zij de rivier naderden, zagen zij aan beide zijden van den weg een groot Turksch kerkhof met staande grafsteenen; daarop volgden een eenzame plataanboom en

-ocr page 21-

17

een kleine khan of herberg, die er niet zeer uitlokkend uitzag. Eondom de laatste verdrong zich eene schreeuwende en tierende menigte, allen even luidruchtig hun verlangen uitend, om aan den overkant der rivier te komen. Daar zag men zwaar beladen kameelen uit Aleppo, met hun vloekende en krijschende drijvers; khartijes of muilezeldrijvers, met hunne rijdieren; statige Arabieren; Zaptiehs, in hun met goud bestikte uniformen, die, met het onverschilligste gelaat van de wereld, al de drukte en het gewoel om hen heen aanzagen; Koerden te paard en op ezels, die zich in alle kleuren van den regenboog hadden uitgedost. Met jongensachtig vermaak zag Jack hoe een Koerdische vrouw met groote moeite twee kleine ezels bestuurde, op een van welke haar heer en meester in kalme waardigheid troonde. Maar zelfs dit schouwspel verloor zijne aantrekkelijkheid voor hem, toen hij in de verte iemand te paard zag zitten, in Europeesche kleeding, en aan zijne zijde, — hij kon zijne oogen bijna niet ge-looven! — eene gestalte, die hij voor eene Europeesche dame hield.

Langzamerhand echter was iedereen de rivier genaderd en aller oog vestigde zich nu op de twee booten, die het gezelschap naar den overkant moesten brengen. Zij kwamen met groote snelheid stroomafwaarts drijven, slechts nu en dan, door een slag met de riemen van een der roeiers, bestuurd. Thans begon een algemeene opschudding; allen wilden tegelijk een plaatsje in dezelfde boot veroveren en ieder vreesde achtergelaten te worden. Zoodra de booten aan wal kwamen, werd de verwarring onbeschrijfelijk; het leek wel een hoop krankzinnigen, de mannen allen door elkaar schreeuwend en elkander op zijde dringend, terwijl de rijdieren, die om het hardst tegen deze

Aan den Euphraat. 2

-ocr page 22-

18

wijze van vervoer protesteerden, door hunne verwoede of verschrikte drijvers werden aangezet op eene wijze, die weinig geschikt was om hen tot kalmte te brengen.

Jack werd van zijn vader gescheiden, en bijna raakte hij zelfs onder den voet, maar eindelijk bevond hij zich toch in eene der booten, die op angstwekkende wijze naar eene zijde overhelde. De beangstigde paarden, alle in eene nauwe ruimte bij elkaar gedreven, steigerden en schopten om zich heen tot groot gevaar voor allen, die zich in hunne nabijheid bevonden. Jack zag hoe een van hun eigen zaptiehs tegen een der zijden van de boot dreigde platgedrukt te worden, maar de man maakte flink gebruik van zijne vuisten en had, onder het aanroepen van Allah, zich weldra losgewrongen en zich een veilige zitplaats op het hoogstgelegen gedeelte der boot veroverd.

De knaap bemachtigde een plaatsje naast hem, verlangend om te zien waar zijn vader gebleven was en gelukkig ontdekte hij hem weldra, aan het andere eind van de boot, waar hij zich verdienstelijk maakte, door de verschrikte paarden in bedwang te houden. Het was hem echter onmogelijk door de menigte heen te dringen om zich bij hem te voegen.

Toen hij achter zich keek, zag hij de andere boot dichtbij komen. Daar, te midden van eene even opeengehoopte menigte, stond de Engelsche dame (zooals Jack haar in zijne gedachten noemde), eene lange, slanke gestalte, die zelve den teugel van haar paard vasthield. Het dier trilde blijkbaar van angst over zijne ongewone positie, het had de ooren achterover geworpen en zijne neusgaten waren wijd gespalkt en bloedrood. Jack zag het oogenblik naderen waarop het dier dol zou worden en haar zou bijten of trappen. Doch neen, daar scheurde zij den sluier van haar

-ocr page 23-

19

hoed, in minder dan een oogwenk had zij het dier geblinddoekt en kwam het tot rust. Blijkbaar was zij gered en Jack kon tot zijn voldoening een blik werpen op haar gelaat; zij was blijkbaar nog zeer jong, en haar gezichtje werd omlijst door weelderige massa's goudblond haar. Daarop zwenkte eene der booten en hij kon haar niet langer zien.

Na een half uur op het water gedobberd te hebben, bereikten zij den overkant. Daar begon het rumoer en getier opnieuw en zoo betrad men ongemerkt de steile, onregelmatige treden, die de straten van Biridjik vormden. Hier wierp Jack nog een laatsten blik op de dame met het goudblonde haar, die nu weer behoorlijk gesluierd te paard zat, en naar hij vreesde, bij eiken stap groote kans had daarvan af te glijden.

Het gezelschap waartoe zij behoorde, zette echter dade-lijd de reis voort, terwijl de heer Grayson en zijn zoon in Biridjik bleven.

-ocr page 24-

HOOFDSTUK III.

Eerste indrukken.

„Beschaving is geen ydle schijn, maar vrucht van een beschaafd gemoed, en koninklijken geest.quot; Tennyson.

Jack Grayson stond alleen voor een der vensters in de groote bovenkamer, die zijn vader en hem ten gebruike was afgestaan. De heer Grayson had zich naar beneden begeven om de zaptiehs en Arabieren, die hem tot dusverre hadden begeleid, af te betalen en te ontslaan en nieuwe schikkingen te treffen met de Syrische bedienden, die hij bij zich wenschte te houden; maar Jack verwachtte van oogenblik tot oogenblik zijne terugkomst, opdat zij te zamen het ontbijt zouden gebruiken, dat juist was binnengebracht. Eene soort van tabouret was daartoe middenin de kamer geplaatst en een veel grooter presenteerblad, met al de benoodigdheden, daarop gezet. Eenige fraai geborduurde kussens, die er naast lagen, toonden aan waar en op welke wijze men verwachtte, dat de gasten zouden aanzitten.

Behalve deze kussens en eenige kleine vloerkleedjes bestond al het huisraad van de kamer uit een met Turksch

-ocr page 25-

21

rood bekleede rustbank, die langs al de muren liep en waarop ter versiering witte, geborduurde antimacassars hingen. In een nis van den muur bevonden zich nog een paar bedden of liever matrassen, terwijl de valiezen en pakjes, die de reizigers toebehoorden, door de kamer verspreid lagen.

De kamer bevatte verscheidene groote ramen, die alle zeer dicht bij elkaar gelegen waren, en dat waarvoor Jack stond, zag uit op eene soort binnenhof, waaromheen het huis in den vorm van een vierkant gebouwd was. Het moest heel wat kamers bevatten en Jack verdiepte zich in de vraag of die alle door éen gezin bewoond zouden worden. De hof waarop hij uitzag, was als een tuin aangelegd; onder de enkele vruchtboomen, die hij bevatte, bloeiden nog late crócussen, terwijl een stroomend beekje, dat er doorheen kronkelde, de lucht van zijn geruisch vervulde.

De oogen van den hongerigen knaap wendden zich echter spoedig van den tuin weer naar den weltoebereiden disch, waarop zijn blik met welgevallen rustte. Het ontbijt bestond uit een smakelijk inlandsch gerecht, pillav genaamd, uit tarwemeel of bulghour bereid en met gesmolten boter overgoten,: terwijl de hoofdschotel werd gevormd door een gekookten eendvogel, die er in al zijn heerlijkheid op troonde. Er omheen lagen uiterst dunne sneden eigengebakken brood, als servetjes opgevouwen; een groote koperen schaal, van binnen zilverachtig glanzend, vol madzoun, (een soort van koude, zure, gekookte melk) en een kan met heerlijk geurende, lichtroode sorbet met twee drinkglazen, stonden er naast. Het geheel scheen Jack zeer uitlokkend en verlangend riep hij uit: „Ik wou maar, dat vader nu kwam, voordat die eend koud wordt!quot;

-ocr page 26-

99

Juist op dit oogenblik trad de heer Grayson binnen; hij zag er bleek en afgemat uit, iets wat voor hem zeer ongewoon was.

„Zullen wij maar dadelijk beginnen, Vader?quot; vroeg Jack: „ik heb een honger als een paard, dat kan ik u verzekeren!quot;

Het deel dat hij nam aan den maaltijd, bewees de waarheid zijner woorden; zijn vader at echter zeer weinig.

„G-ij eet niets. Vader,quot; zei de knaap na eene poos.

„Ik heb geen honger. Hoewel de zon nog maar zoo kort geleden is opgegaan, heb ik reeds hoofdpijn van de warmte. Ik zal maar eens flink gaan uitslapen, dan zal het wel beter worden. Gij hebt ook behoefte aan slaap: ik zie het aan uwe oogen.quot;

„Niet in het minst. Vader. Ik zou nog niet kunnen slapen; ik zou graag eerst eens even uitgaan en iets van dit wonderlijke oude stadje zien: dan zal ik des te beter slapen als ik terugkom.quot;

„Goed, doe dat dan; maar pas op, dat gij niet in de zon loopt en neem een van de bedienden mede. Gij zult hen wel ergens beneden vinden.quot;

De heer Grayson sprak op afgematten, lusteloozen toon, geheel verschillend van zijne gewone opgewekte wijze van doen.

„Hij heeft ergen slaap,quot; dacht Jack, terwijl hij zijn be-i schermend hoofddeksel opzette en zich vroolijk naar beneden spoedde.

Hij keek om zich heen of hij een van de bedienden zag, maar hij ontdekte niemand. Terwijl hij daar wacntte, viel zijn oog op eene openstaande deur en hij kon niet nalaten eens naar binnen te zien. Er was eene vrouw aan het broodbakken in een oven, die gevormd werd door

-ocr page 27-

23

een groot rond gat in het midden van den leeman vloer; zij maakte kleine koekjes van een klomp deeg, die naast haar lag, schoof ze in den oven en verwijderde met groote handigheid die welke reeds gaar waren. Twee zwartoogige kleine jongens speelden rustig bij haar op den grond en een oudere knaap stond met haar te praten, blijkbaar over een in een doek geknoopt bundeltje, dat hij bij de vier hoeken vasthield.

Toen de vrouw een oogenblik van haar werk opzag, bemerkte zij den vreemdeling aan hare deur. Hij kende geen woord Armenisch, noch zij Engelsch, maar zij groette hem met de grootste beleefdheid, door bijna tot op den grond voor hem te buigen, en daarna, langzaam oprijzende, haar hart, hare lippen en haar voorhoofd aan te raken. De kinderen volgden haar voorbeeld en de kleinste jongen deed dit reeds zoo netjes en aardig, dat hij Jack's hart stormenderwijze innam. Daar de vrouw hem door allerlei teekens uitnoodigde om binnen te komen, gaf hij daaraan gehoor en dadelijk plaatsten de kinderen een kussen voor hem in den hoek die het verst van de deur verwijderd was. De oudste knaap bracht hem wat sorbet, met rozenwater vermengd.

„Dat is nu alles heel aardig,quot; dacht Jack bij zichzelf: „maar als men een bezoek brengt, dient men toch ook wat te praten. Wat kan ik echter zeggen, tot menschen, die even weinig van mijne taal verstaan als ik van de hunne?quot;

Hij trachtte deze moeilijkheid op te lossen, en zichzelf voor te stellen door op zijn borst en voorhoofd te wijzen terwijl hij herhaaldelijk zeide; „John, — John Grayson,quot; — eene proefneming die gedeeltelijk gelukte, daar zijne nieuwe vrienden er door leerden hem „Yon Effendiquot; te noemen.

-ocr page 28-

24

Daarna haalde hij, tot hunne stichting, zijn zilver schooljongens horloge te voorschijn, maar de twee kleine jongens, die hem met hunne groote zwarte oogen stonden aan te kijken, beschouwden hemzelf blijkbaar als een veel grooter wonder. De oudste echter bezag het met belangstelling, als iemand, die de werking ervan volkomen begreep.

Vervolgens trachtte hij hunne namen te weten te komen, door met een vragenden blik elk van hen afzonderlijk aan te wijzen. Voor zoover hij uit de ongewone geluiden kon opmaken, dacht hij dat de oudste knaap zooiets als Kevork heette, de tweede was bepaald Gabriël en de jongste waarschijnlijk Hagop. Hij nam Gabriel's kleine bruine handje in de zijne, waarop het kind zich bukte, zijne hand kuste en die met zijn voorhoofd aanraakte.

Daar hij vreesde, dat hij zijne gastvrouw van haar werk hield, stond hij spoedig weer op om heen te gaan. Zijn blik viel nu op eene plaat aan den wand, of liever een kladschildering in de schreeuwendste kleuren, die een on-mogelijken krijgsman voorstelde op het oogenblik, dat hij een onmogelijk zwaard stootte door het hart van een ondier, ongeveer drie of viermaal zoo groot als hij zelf. Toen zij zagen dat hij er naar keek, begonnen de vrouw en de oudste jongen hem eene zeer onbegrijpelijke uitlegging er van te geven, waarvan hij niets verstond dan een van de namen, die hij zooeven gehoord had: „Kevork.quot; Hij dacht dus, dat zij meenden, dat de plaat aan Kevork toebehoorde; eerst veel later ontdekte hij, dat „Kevcrkquot; de Armenische vorm van „Georgequot; is en dat hij dus hier eene afbeelding voor zich zag van den schutspatroon van zijn eigen land, St. Joris met den draak.

Na eene zwijgende wisseling van beleefdheden verliet

-ocr page 29-

25

hij zijne nieuwe vrienden, en daar hij niet meer dacht aan de bedienden, die hij had moeten meenemen, begon hij de nauwe kronkelende straat af te dalen, die naar de rivier leidde. Weldra hoorde hij het getrappel van kleine voetjes achter zich, en omziende bemerkte hij Gabriel, die hem gevolgd was. Het kind naderde hem en reikte hem een rolletje toe met iets geels er in, dat blijkbaar bestemd was om te worden gegeten, want Gabriël wees glimlachend op zijn mond. Jack zette zich dus op eene der treden, die de straat vormden, neer, en maakte zoo voor het eerst kennis met hastuc, eene Armenische lekkernij, bestaande uit druivensuiker, waar men soms de kern eener noot in rolt. Hij vond het eerst nogal smakelijk, maar weldra begon het hem tegen te staan en hij meende zelfs, dat hij er onwel van werd. Wat dan ook de oorzaak zij, eene ongekende duizeligheid maakte zich van hem meester en hij vreesde, dat hij flauw zou vallen. „Het is hier te warm,quot; dacht hij: „ik moet zorgen, dat ik thuiskom.quot;

Hij stond op, maar het kostte hem moeite om op de been te blijven; een paar maal was hij zelfs genoodzaakt even te gaan zitten, voordat hij de steile straat weer geheel beklommen had. Het was maar goed, dat de kleine Gabriël voortdurend aan zijne zijde bleef, want zonder hem zou hij zeker niet dadelijk den ingang hebben gevonden van het huis, waar zij hun intrek hadden genomen, daar al die groote vierkante gebouwen zoo sprekend op elkander geleken. Terwijl hij zich van oogenblik tot oogenblik zieker voelde worden, strompelde hij nog juist de trappen op, wierp de deur open en viel toen met een diepen zucht bewusteloos op den vloer.

. Toen hij weer bijkwam, lag hij op eene matras en hield zijn vader,' angstig over hem heengebogen, hem

-ocr page 30-

26

een glas voor, waaruit hij gretig eenige teugen dronk.

„Hoe gevoelt gij u nu, mijn jongen?quot; vroeg deze.

„O, weer beter,quot; sprak Jack. „Ik weet niet, wat mij zooeven overkwam; ik denk dat het was van de warmte. Maar nu is het weer over, en kan ik best opstaan.quot;

„Doe dat niet. Blijf stil liggen en geef mij uwe hand: ik wil uwe pols eens voelen.quot;

Jack strekte zijne hand uit.

„Vader,quot; zei hij, opziende: „uw eigen hand beeft ook. Is er iets verkeerds?quot;

„Ik hoop van niet. Gij hebt wat koorts, vrees ik, gij zijt zoo warm: wat quinine zal u goed doen.quot;

„Warm!quot; zei Jack; „o neen, ik ril van koude: ik kan niet stil liggen.quot;

Zijn vader gaf hem eenige pillen, en Jack, die zijne bewegingen met de oogen volgde, zag dat hij er zelf ook nam.

„Kom mijn jongen,quot; zei de heer Grayson nu: „gij zijt nu bijna vier en twintig uur zonder slaap geweest en ge hebt den geheelen nacht te paard gezeten. Als gij niet eens flink rust neemt, zult gij ziek worden. Blijf nu zoo stil liggen als ge kunt, dan zult ge wel slapen.quot;

„Ik zal mijn best doen, Vader, maar ik heb zoo'n dorst.quot;

Zijn vader gaf hem nog wat te drinken, en dekte hem zoo luchtig mogelijk met een zijden deken toe. Daarop zette hij zich neer, haalde zijn opschrijfboekje en potlood voor den dag en schreef met bevende hand eenige moeilijk te ontcijferen woorden: „Ik hoor van Jacob, mijn Syriër, dat -de vlakte, die wij juist zijn doorgetrokken, bekend is om haar doodelijke malaria — een ware kweekplaats van koortsen. Ik vrees dat John is aangetast.quot;

Na eenigen tijd viel Jack in een onrustige sluimering. Hij had allerlei benauwde droomen, die gewoonlijk eindigden

-ocr page 31-

27

met het een of andere ongeval, dat hem in angst deed; wakker worden. Eens meende hij, dat hij langs de rivier liep en in het water viel, en hij vloog op met den kreet: „Het water is zoo koud, — zoo donker!quot;

Zijne vader was echter aan zijne zijde en zijne woorden brachten hem tot kalmte: „Weet gij niet meer,quot; zeide hij zacht: „hoe de donkere rivier veranderde in enkel licht?quot;

Maar zoodra zijn zoon weer tot rust was gekomen, voegde de heer Grayson nog eene aanteekening er bij in zijn boekje, en deze was bijna geheel onleesbaar; „Wij hebben beiden de koorts. God sta ons bij! Als ik kan, zal ik trachten

-ocr page 32-

HOOFDSTUK IV.

Een nieuw leven.

'k Zie andre trekken: andre stemmen zyn het, die ik hoor. Tennyson.

Na deze gebeurtenissen verliepen er in het leven van Jack Grayson dagen en weken, waarvan hij later nauwelijks eenig bewustzijn behield. Alles om hem heen gleed hem voorbij als waren het nevelachtige schaduwen, die in een spiegel weerkaatst, daarin geen duidelijk beeld vormen en geen indruk achterlaten. Geheel onbewust leed hij nu eens onder brandende hitte en dan weer onder ijzige koude, pijn, afmatting, maar bovenal namelooze, •onbeschrijfelijke gedruktheid en verlatenheid.

Eveneens onbewust zag hij de gestalten rondom zich, — vriendelijke, donker gekleurde aangezichten van men-schen, die hem wat te drinken gaven en tot hem spraken in eene taal, die hij niet verstond. Af en toe gevoelde hij eenige verlichting van zijn lijden, als zijn gloeiende ■slapen werden afgekoeld met sneeuw, die met de grootste voorzorgen, in stroo gepakt, van de bergen was meegebracht. Maar met hoe vriendelijke zorg hij ook verpleegd

-ocr page 33-

29

werd, er was toch altijd iets, of liever iemand, dien hij miste. In het begin wist hij dat het zijn vader was en klagend riep hij dan om hem. Doch na verloop van tijd begaf hem ook dat bewustzijn; hij werd te zwak om nog eenig verlangen te koesteren. Als men zeer zwak en ziek is, gaat het ons als den ouden van dagen, dan begeeft ons zelfs de kracht tot wenschen.

Toch, ten spijt van alles, keerde hij langzaam tot het leven terug. Op zekeren dag voelde hij zich wegdragen uit zijne ziekenkamer, en het was hem alsof hij, na zijn leven in een brandenden oven te hebben gesleten, plotseling in eene heerlijke koelte werd overgebracht. Toen zijne krachten hem toelieten de oogen te openen en hij om zich heen zag, bemerkte hij, dat hij in een groot ledikant lag, een zooals onze vaderen ze maakten, met vier flinke houten stijlen, doch in de open lucht. De witte gordijnen rondom hem, werden door een zacht windje heen en weer bewogen, en boven zijn hoofd bevond zich geen dak, zelfs niet de linnen zeilen eener tent, maar enkel het diepe, rijke blauw van den Oosterschen hemel. Hij bevond zich op het dak van het huis.

Eenigen tijd scheen het, alsof zijne beterschap snelle vorderingen maakte. Maar het warme weder, hetwelk dat jaar buitengewoon vroeg inviel, deed hem weer instorten en opnieuw twijfelde men aan het behoud van zijn leven. Meer dan eens dachten zij, die aan zijne legerstede waakten, dat hij reeds was heengegaan, of dat het althans over weinige uren met hem gedaan zou zijn. Toch eindigde de strijd tusschen leven en dood in eene overwinning van het eerste.

Hij keerde tot het leven terug, even zwak en hulpeloos als een klein kind, dat het pas begint. Gedurende ge-

-ocr page 34-

30

iruiinen tijd was zijn geheele verleden volkomen voor hem . uitgewischt. Te zwak naar lichaam en geest om helder door te denken, nam hij alles wat er rondom hem voorviel aan, alsof het vanzelf sprak. Het was hem alsof hij zijn geheele leven had doorgebracht onder die vriendelijke menschen met hunne donkere oogen, die op den grond zaten, rijst en „bulghourquot; aten en gestreepte katoenen „zebounsquot; en veelkleurige kielen droegen. Hij sprak weldra hunne taal met hetzelfde gemak waarmede een kind zijne moedertaal aanleert, en een tijdlang was hij zelfs zijn Engelsch vergeten. De personen rondom hem kende hij spoedig allen bij name, hoewel het groote huis, waarin hij was opgenomen, wel twintig of dertig inwoners telde. Deze behoorden allen tot ééne familie: de zoons en schoonzoons, dochters en schoondochters en eene menigte kleinkinderen van een aartsvaderlijken grijsaard, Hohannes Meneshian. Al de huisgenooten waren weldra Jack's warme vrienden, maar het meest gevoelde hij zich toch aangetrokken tot de drie jongens met wie hij het eerst had kennisgemaakt en hunne moeder, Mariam Hanum, die hem gedurende zijne ziekte met de grootste toewijding had opgepast. De zachte aanraking harer hand was hem altijd welkom en haar vriendelijke blik deed hem vaak goed. Soms noemde hij haar Mya - „Moeder,quot; zooals de anderen deden.

Van deze drie knapen, - Kevork, Gabriel en de kleine Hagop, — was Gabriël zijn lieveling. Deze volgde hem dan ook steeds als zijn schaduw en wijdde zich nagenoeg uitsluitend aan zijn dienst; nu eens bracht hij hem de schoonste bloemen, dan weer schitterende granaatappels, of de grootste verscheidenheid van rozen, waarvan de geur het geheele huis vervulde. Een ander maal verraste

-ocr page 35-

31

hij hem met allerlei vruchten, heerlijke druiven, peren, pruimen en perziken, of zette hij zich zwijgend aan zijne zijde, om liefkoozend nu en dan zijne hand te kussen en die met zijn voorhoofd aan te raken, of op zijne minste wenken te letten.

Eén gebruik was er bovenal, dat hem altijd weldadig aandeed, hoewel hij het evenals al het andere om hem heen aannam en opvolgde zonder er veel over te denken. Als Mariam en de andere vrouwen hare huishoudelijke bezigheden verrichtten, iets waarnaar hij gaarne lag te kijken, toen hij wat beter werd, begonnen zij steeds met een „Hesoos ockna menkquot; — „Jezus;, help ons.quot; Als zij gereed waren met iets zeiden zij „Park Derochaquot; — „Prijs den Heer.quot; Hun geheele leven getuigde van dankbare toewijding aan God; en de beste Naam, Die onder den hemel gegeven is, was vaak op hunne lippen en werd steeds met eerbied en liefde uitgesproken. Iets, dat nog onbewust in John Grayson voortleefde tijdens deze periode van zijn voortbestaan, maakte hem voor dezen invloed bijzonder vatbaar en zijne gedachten en gebeden richtten zich onwillekeurig hemelwaarts.

Zoo ging de tijd ongemerkt voorbij, en toen hij wat sterker werd, begon hij opnieuw een onbestemd gevoel te koesteren van wat hem ontbrak. Hij kon het niet duidelijk uitdrukken, maar hij wist toch, dat er iets niet was zooals het behoorde, dat hij niet in zijne gewone omgeving was. Hij verlangde onuitsprekelijk naar iets, hij wist zelf niet wat, naar iets dat hij vroeger bezeten had, en dat hij nu miste.

Hij werd stil en droefgeestig en zijne vrienden begonnen te vreezen voor een nieuwe instorting zijner krachten, die nu zeker noodlottig zou zijn geweest. Gelukkig

-ocr page 36-

32

was nu echter de herfst ingetreden en was de grootste hitte voorbij. Op zekeren dag-werd hij dus met zorg door zijne nieuwe vrienden naar beneden gedragen, door kussens ondersteund, op den rug van een ezel gezet, en zóo vervoerd naar een wijngaard, dien Hohannes bezat op een helling van een der bergen rondom Biridjik. Hij bleek een tamelijk welgesteld man, eveneens eigenaar van verscheidene kudden runderen en schapen.

Het was juist in den tijd dat de druiven rijp werden en de zware purperen en goudgele trossen hingen in rijken overvloed neer van de lage takken, die onder hun gewicht bijna bezweken. Jack at er van zooveel hij wilde, strekte zich toen uit in de weldoende schaduw van een vijgeboom en zag toe hoe de andere jongelieden de vruchten inzamelden om voor verschillende doeleinden gebruikt te worden. Er waren tenten mee naar buiten gebracht en opgeslagen en hij gevoelde zich gelukkiger dan hij in langen tijd geweest was, toen hij in een van deze lag te slapen; het gaf hem een onverklaarbaar gevoel van rust en scheen hem weer te verplaatsen in den tijd, dien hij tevergeefs trachtte zich te herinneren. Het scheen hem echter ondoenlijk zich dien weer in 't geheugen terug te roepen; soms was het alsof onverwachts eene flauwe schaduw van wat hij zocht, voor zijn geestesoog voorbijgleed, maar als hij trachtte die beelden vast te houden en nader te bezien, ontgleden ze hem weer, en lieten hem met een vermoeid en afgetobd brein achter.

Zijne krachten namen echter in deze koele en gezonde atmosfeer snel toe, en weldra had hij eene gelegenheid om dat te toonen. Op zekeren dag, toen hij toevallig alleen onder zijn geliefden vijgeboom lag, hoorde hij een geweldig getrappel, alsof er plotseling een heele bende den

-ocr page 37-

38

wijngaard was binnengestormd om dien te verwoesten. Hij zag op en bemerkte eene kudde geiten, die binnendrongen en groote schade aanrichtten, niet alleen aan de rijpe vruchten, maar ook aan de planten, die ze vertrapten en van elkaar scheurden. Hij stond op en riep om hulp, maar niemand sloeg acht op zijne kreten en hij meende dus, dat niemand hem hoorde. De verwoesting om hem heen werd vreeselijk en hij kon niet langer lijdelijk toezien; hij raapte dus al zijne krachten bijeen en voor het eerst sinds zijne ziekte spoedde hij zich voort, zoo hard als hij maar kon. Door de ongewone beweging beefde hij over al zijne leden; zijne knieën knikten; eens zelfs viel hij op den grond, maar in een oogwenk was hij weer op de been. De inspanning, die het hem kostte, scheen zijne spieren te stalen en al zijne krachten te hernieuwen. Hij schreeuwde uit al zijne macht, nam steenen op en wierp die naar de indringers, totdat zij over den lagen steenen muur de vlucht namen. Daarop, daar hij, echt jongensachtig, pleizier in den strijd begon te krijgen, zette hij ze nog na zoo snel als zijne beenen hem konden dragen.

Hij hoorde wel, dat de anderen hem iets toeriepen, maar hij meende, dat zij zijne pogingen aanmoedigden. Zelfs toen zij hem volgden, blijkbaar met het doel om hem tegen te houden, dacht hij, dat zij hem wilden weerhouden zichzelf kwaad te doen door zich al te zeer in te spannen. Eindelijk echter nam de jongste zoon van Hohan-nes hem zoo groot als hij was in zijne armen, wrong hem de steenen uit de hand en riep ademloos: „Doe dat niet! Doe dat toch niet!quot;

Jack had middelerwijl heel wat Armenisch geleerd. „Inchii? Inchu? — Waarom? Waarom?quot; hijgde hij: „zij vernielden uw wijnberg.quot;

Aan eten Eupkraat. 3

-ocr page 38-

34

De jonge man, die den naam droeg van Avedis, of „goede tijding,quot; wierp een droevigen blik op de beschadigde planten, maar zeide alleen: „Die geiten behooren aan de Koerden.quot;

In zijne opwinding kon Jack nauwelijks de woorden vinden, die hij zocht: „Wat doet dat er toe?quot; stootte hij uit: „Wat voor recht hebben de Koerden om uwe wijngaarden te vernielen?quot;

„Weet gij dan niet, Yon Effendi, dat, indien wij het wagen hun dat te verhinderen, of zelfs maar wanneer wij hunne schapen of geiten uit onze akkers of wijnbergen verjagen, zij er heel wat minder in zien een van ons neer te stoeten of te schieten, dan gij het leven zoudt tellen van een kat, die u hinderde?quot;

„Maar dan zouden zij toch worden opgehangen?quot; riep Jack: „Hebt gij geen, — o, hoe noemt gij het bij u? — Hebt gij geen politie?quot; Hij zeide het woord in het Engelsch en een vloed van oude herinneringen en nieuwe indrukken overweldigde hem plotseling.

„Politie? Wat meent gij?quot;

„Wel, de mannen, die de orde bewaren en de misdadigers naar de gevangenis sleepen.quot;

„Bedoelt gij de zaptiehs? Die zijn nog erger dan de Koerden. De Turken en de Koerden vormen samen de molensteenen, waartusschen wij vermaald worden. Als een van ons zoo dwaas is om zijn beklag te doen over een Turk of een Koerd, dan zegt de Kamaikan, — ik bedoel den gouverneur, — dat hij de zaak zal onderzoeken. En dat doet hij ook. Hij werpt den man, die de aanklacht heeft ingediend in de gevangenis en laat hem daar zoolang totdat hij erkent, dat het onrecht aan zijne zijde was, of misschien totdat zijne familie een flinke som gelds

-ocr page 39-

35

voor hem betaald heeft. Soms echter ook, wordt er nooit meer iets van hem vernomen.quot;

Avedis deed deze woorden niet vergezeld gaan van verwoede blikken en verontwaardigde gebaren, neen hij sprak ze zoo kalm alsof hij de gewoonste dingen ter wereld zeide, die altijd zoo geweest waren en immer zoo blijven zullen. Jack verstond niet elk zijner woorden, maar éene zaak werd hem toch duidelijk: zij moesten allen lijdelijk toezien, hoe hunne mooie wijnbergen vernield werden. En daar was niets aan te doen, — waarom niet? Omdat hij hier niet in Europa was, — niet in Engeland. Engeland! Nu herinnerde hij zich eensklaps alles. Hij was een Engelsche knaap, door zijn vader alleen in dit vreemde land achtergelaten. En zijn vader, — o waar was zijn vader ?

„Waar is mijn vader?quot; riep hij luidkeels in het Engelsch.

„Wat zegt gij toch?quot; vroeg Avedis, en Jack herhaalde zijne vraag in het Armenisch.

„Kom maar eens hier bij mij onder den boom zitten,quot; sprak Avedis plechtig.

Jack gehoorzaamde hem, zwijgend en over al zijne leden bevende, terwijl Avedis hem vol droefheid aanzag. „Zeg mij toch, waar is mijn vader?quot; herhaalde Jack met een smeekenden blik, waarin langzamerhand een geheel nieuwe uitdrukking zichtbaar werd.

„Gij weet, Yon Effendi, dat gij zeer ziek zijt geweest,quot; begon Avedis: „uw vader, een groot en geleerd Engelsch Effendi, werd ook ziek. Gij zijt hersteld; uw vader is niet hersteld. Hij is tot God gegaan. Begrijpt gij mij, Yon Effendi?quot;

Jack begreep hem zoo goed, dat hij zich, met zijn gelaat in zijne handen verborgen, voorover op den grond wierp

-ocr page 40-

36

en in een hartstochtelijk geween losbarstte. Tevergeefs trachtte Avedis hem te troosten. „God vergeve het mij,quot; dacht hij bij zichzelf: „ik had het hem niet moeten vertellen; ik vrees, dat ik hem den dood aandoe.quot; En zeker had hij zijn naam ditmaal al zeer weinig eer aangedaan. De andere leden van het gezin laakten zijne wijze van doen ernstig, toen zij er van hoorden, want het was juist eene gewoonte bij hun volk, om zeer voorzichtig te werk te gaan, als men iemand eene slechte tijding had mede te deelen.

Toch was deze schok, inplaats van Jack Grayson den dood aan te doen, een middel om hem tot het leven te doen weerkeeren. Tot hiertoe had er altijd nog eenige vrees bestaan, dat zijne hersenen de gevolgen van de lange ernstige ziekte niet zouden te boven komen, en dat, indien zijn leven al gespaard werd, hij toch zijne verdere dagen zou slijten als iemand uit wiens herinnering een belangrijke bladzijde weggevaagd is. Maar de hartstochtelijke droefheid van dien dag en van de dagen en nachten, die er op volgden, was een bewijs, dat hij of zou sterven, of wel, dat hij, in het leven weergekeerd, tot zijn volle bewustzijn zou terugkeeren en zijn verleden hem weer helder voor den geest zou staan. Er zou echter wel een geruime tijd voorbijgaan eer hij volkomen hersteld zou zijn.

De tijding, dat de Engelsche knaap kennis droeg van den dood zijns vaders, drong ook door tot den ouden Hohannes. En toen deze hoorde van zijne hopelooze droefheid, besloot hij met hem naar de stad terug te keeren.

Reeds den volgenden dag werd dit besluit ten uitvoer gebracht en in zijne woning aangekomen, leidde de grijsaard Jack bij de hand, naar een laag, donker vertrek op den beganen grond, waar rijst en bulghour bewaard

-ocr page 41-

37

werden. Toen zij er waren binnengetreden, sloot hij de deur zorgvuldig achter zich dicht en schoof er de grendels voor.

„Ga zitten,quot; zei hij rustig. Jack gehoorzaamde en zag eenigszins verwonderd toe, terwijl de oude man een gat in den grond begon te graven, met een werktuig, dat veel had van een troffel.

Eindelijk werd de knaap ongeduldig en verlangend vroeg hij: „Hebt gij mij iets van mijn vader te vertellen?quot;

Hohannes zag op. „Er is niet veel te vertellen,quot; begon hij: „Daar de Engelsche Effendi zichzelf zeker zeer ziek gevoelde, liet hij mij bij zich roepen en ik kwam. Hij vroeg mij om voor u te willen zorgen en, als gij mocht herstellen, te trachten u terug te zenden naar uwe familie in Engeland. Hij gaf mij daarop, om voor u te gebruiken zooals mij zou goeddunken, de zaken, die ik hier verborgen heb. Hij sprak ook nog van zekere papieren, maar voordat hij mij duidelijk kon maken wat hij bedoelde, steeg de koorts weer en begon hij te ijlen. Wat die papieren aangaat, wij hebben ze nergens gevonden: ze zijn zeker met de andere bagage gestolen door uw beide Syrische bedienden, twee broers, die echte schurken waren. Maar dit heb ik nog gered.quot;

Hij bukte zich en haalde uit de opening een pakje in een dierenvel gewikkeld en zorgvuldig met touw omwonden. Hij maakte het voorzichtig los en overhandigde Jack twee boeken en een gemsleeren gordel. Met een mengeling van blijdschap en weemoed herkende de knaap zijns vaders Bijbel en het zakboekje, waarin hij zijne reisaanteekeningen maakte en dankbaar drukte hij ze aan zijn hart.

„Behoud die zelf,quot; zei Hohannes. „Dezen echterquot; vervolgde hij, op den riem wijzende: „moet ik nog maar

-ocr page 42-

38

bewaren.quot; En op nog zachter toon, alsof hij bang was, dat zelfs de muren ooren hadden, vervolgde hij: „Er zit geld in.quot;

„Daar ben ik blij om,quot; sprak Jack openhartig, want voor het eerst drong het tot hem door, dat deze lieden, die geen de minste betrekking op hem hadden, in al zijne behoeften hadden voorzien. „Vader Hohannes, gij en de uwen hebt mij al dezen tijd verzorgd alsof ik uw eigen kind was. Dit moet alles uw eigendom zijn.quot;

„Gij hebt een edelmoedig hart, Yon EfFendi. Ik heb er inderdaad reeds van gebruikt wat hoog noodzakelijk was en mij recht voorkwam: de medicijnen en andere zaken tijdens uwe ziekte en ook de belasting, die voor u moest betaald worden.quot;

„De belasting voor mij?quot; herhaalde Jack: „Welke belasting ?quot;

„Weet gij dan niet, dat bij ons al wat mannelijk is, knaap of grijsaard, van zijne geboorte af belasting heeft te betalen voor het recht om te leven? Zelfs van den pasgeboren zuigeling eischt de Turk dit reeds. Er moet dus even goed belasting voor u worden opgebracht als voor ons, elk jaar opnieuw. Daarenboven erken ik, dat een paar goudstukken reeds hun weg hebben gevonden als bakshies ') voor de Koerden, opdat zij onze kudden met rust zouden laten.quot;

„Waarlijk, vader,quot; herhaalde Jack: „Ik wilde dat gij alles naamt: het behoort u rechtens toe.quot;

Hohannes schudde het hoofd. „En indien gij dan eens mocht verlangen naar huis te gaan?quot; zeide hij; „Of als zich eene gelegenheid daartoe mocht voordoen? Daar-

^ Fooi, drinkgeld.

-ocr page 43-

39

enboven zou het hoogst gevaarlijk zijn om iemand te laten weten, dat wij zooveel geld in huis hebben. De Koerden zouden van hunne bergen komen en ons berooven, of de Turken zouden het ons afnemen onder voorwendsel, dat wij onze belastingen niet opgebracht hadden. Het beste wat ik voor u doen kan, is het hier bewaren. Ziet gij, waar ik het leg?quot;

„Ja, vader Hohannes, het is goed zooals gij doet,quot; sprak Jack.

De knaap verlangde niets dan zich naar een eenzaam plekje te spoeden, om ten volle te genieten van zijn vaders aanteekeningen en van de bekende Bijbelwoorden, die hij zoo liefhad. Maar toen hij zich afwendde om heen te gaan, kwam er eene gedachte in hem op, die hem even deed terugkeeren. Eenige dingen, die hij Kevork had hooren zeggen, toen hij wat begon aan te sterken en hij veel met hem verkeerde, maar waar hij toen geen acht op had geslagen, schoten hem nu eensklaps te binnen.

„Vader Hohannes,quot; zeide hij; „Kevork, uw kleinzoon, verlangt zoo zeer om naar Aintab te gaan, naar de groote school, die de Amerikanen voor uw volk hebben opgericht. Kevork houdt zooveel van leeren. Zou hij niet wat van dit geld mogen gebruiken om daarheen te gaan?quot;

Opnieuw schudde Hohannes het hoofd. „Kevork is een dwaze knaap,quot; sprak hij ernstig: „de kip, die zat te droomen van een vollen graanzolder, viel van haar stok, toen ze trachtte er heen te vliegen. Laat hem thuisblijven en op het vee passen, of als hij dat liever wil, zich aan het weefgetouw zetten.quot;

Het speet Jack voor Kevork, maar het bezit van zijn kostbare boeken deed hem weldra al het andere vergeten. Hij spoedde zich weg met zijn schat; en de vreugde er

-ocr page 44-

40

over bleek niet van voorbijgaanden aard, want in den tijd, die nu volgde, had hij alles wat zijn leven meer dan dragelijk maakte, aan den inhoud dier boeken te danken.

Langzamerhand werd hij weer zichzelf, maar ach, hoeveel verschilde hij van den flinken, ondernemenden knaap vol geestdrift en levenslust, die met zijn vader te Biridjik was gekomen! Zijne ziekte en de gevolgen daarvan hadden zoowel zijne lichamelijke als geestelijke ontwikkeling doen stilstaan en het was alsof hij, voor het tegenwoordige althans, allen moed om eenig besluit te nemen, verloren had. Hij liet zich drijven op den stroom van de omstandigheden en zoo ging er week op week, en maand na maand voorbij, zonder dat hij er aan dacht zijne nieuwe vrienden te verlaten.

Er was ook niemand, die hem eenige werkelijke hulp kon verleenen. Hoe hij de reis naar Engeland zou moeten afleggen, was een vraagstuk, dat niemand in Biridjik bij machte scheen op te lossen. Zelfs het verzenden van een brief was eene onderneming, die bij veel moeite, zeer weinig kans tot slagen had. Wel is waar bezat de stad een Turksch postkantoor, maar, ten opzichte van brieven met bestemming voor het buitenland, was dit onherroepelijk een „graf.quot;

In antwoord op zijne vragen, verhaalden zijne vrienden hem van een zekeren „Neef Muggurditch,quot; een bloedverwant van Hohannes, die te „Yeatessaquot; woonde, maar veel reisde, soms zelfs naar Constantinopel ging; hij zou wel bij machte zijn een brief naar Engeland te verzenden. Jack begreep uit de beschrijvingen, die men hem gaf, dat Yeatessa de plaats moest zijn, waarheen zijn vadsr op weg was, en die in zijn opschrijfboekje vermeld stond als Edessa, de stad van koning Abgarus uit de legende.

-ocr page 45-

41

Het bleek hem al spoedig, dat deze gevolgtrekking juist was, want ook de Armeniërs bleken dit verhaal te kennen; zij verzekerden hem, dat het op goede gronden rustte, want dat het graf van koning Abgarus nog steeds te zien was, even buiten de stad, die door de „Frankenquot; (vreemdelingen) Urfa werd genoemd en die maar twee dagreizen ver van Biridjik verwijderd was.

„Ik zal er wel eens heengaan,quot; zei Jack; maar het bleef bij deze woorden. Langzamerhand scheen het alsof hij alle gedachte aan verandering had laten varen, en meer en meer nam hij de gewoonten en leefwijze van zijne omgeving aan. Kleeren, die hij uit Europa had medegebracht, raakten versleten of werden hem te klein en toen hij die niet meer dragen kon, nam hij zelfs de Armenische kleederdracht aan, de gestreepte zeboun of pantalon, de kleurige kiel en de scharlakenroode fez, het bekende hoofddeksel. Mariam Hanum (vrouwe Maria) nam de zorg voor zijne kleeren op zich en eiken Zaterdag kon men hem met de andere mannen en knapen naar het bad zien gaan, met zijn schoone linnengoed in een bundeltje in een badhanddoek geknoopt.

Op zekeren dag gevoelde hij behoefte aan een doekje om onder zijn fez te dragen en de zon af te weren, en hij begaf zich alleen naar een winkel om er een te koopen. Hij koos er een van heldergroene kleur, dat hij heel netjes vond; maar toen hij terugkeerde, trok, tot zijne verbazing, Kevork het hem van het hoofd en Avedis wierp het in het vuur, eene daad die blijkbaar aller goedkeuring wegdroeg.

„Weet gij niet, dat groen de kleur is der Mahomedanen ?quot; zeiden zij.

„Dan zal ik haar nimmer dragen, dat verzeker ik u,quot; sprak Jack ernstig: „ik ben een Christen.quot;

-ocr page 46-

42

Hij ging op Zon- en feestdagen geregeld met zijne vrienden naar de Gregoriaansche kerk en bezocht die ook vaak 's morgens vóór zonsopgang of 's avonds na den ondergang der zon. Wel is waar begreep hij niet veel van den dienst, maar in dit opzicht hadden de Armeniërs niet veel op hem voor, daar in de liturgie hunner volkskerk nog het oud-Armenisch gebruikt wordt en niet velen dat verstaan. Op het kerkhof, dat rondom de kerk was gelegen, toonde men hem het graf van zijn vader, hetwelk evenals al de anderen werd aangeduid door een liggenden steen. Hij schreef nu zorgvuldig in Engelsche drukletters zijns vaders vollen naam op een papier en bracht dat aan den besten steenhouwer in de stad, met verzoek die woorden voor hem uit te houwen.

„Ik zou graag een anderen steen willen hebben,quot; •vervolgde hij: „een opstaanden, zooals wij in Engeland hebben.quot;

De steenhouwer kon echter niet aan dat laatste verzoek voldoen. Hij mocht zooiets niet maken; dat was tegen de wet. Mahomedanen hadden staande grafzerken, maar een Christen mocht de rustplaats zijner dooden enkel aanduiden door een liggenden steen. „Maar,quot; voegde de man er met een glimlach bij: „dat zal ons niet verhinderen op den jongsten dag weer op te staan.quot; En Jack, die de waarheid van dit argument gevoelde, legde er zich bij neer.

Kevork en zijne broeders bleven Jack's grootste vrienden. Kevork sprak veel met hem en vertelde hem allerlei dingen. Zoo zeide hij hem ook eens, dat hij zoo gaarne naar Yeatessa, of Urfa, zou gaan, omdat hij daar nog eene zuster had.

„Zeker een getrouwde zuster?quot; vroeg Jack, die zich

-ocr page 47-

43

eenigszins verbaasde, dat hij nog nooit van haar gehoord had.

„Neen,quot; zei Kevork, en hij liet zijne stem op geheimzinnige wijze dalen. „Grootvader moest haar van huis wegzenden naar onze familie in de stad, omdat onze vorige Kamaikan haar verlangde voor zijn harem. Wij praten nimmer over haar, waar Gabriël of Hagop bij zijnr opdat zij zich nooit zouden verspreken, want als de Turken te weten kwamen waar zij is, zou zij daar niet meer veilig zijn. Maar ik voor mij zou nog liever naar Aintab gaan dan naar Urfa, want ik zou zoo gaarne Engelsch en Grieksch en Latijn en wiskunde en aardrijkskunde en van alles leeren.quot;

„Wel, en wat dan?quot; lachte Jack.

„Dan zou ik als ik kon naar Amerika of naar Engeland gaan en altijd nog meer leeren, totdat ik eindelijk een beroemd professor aan de eene of andere Hoogeschool in een Christenland kon worden.quot;

Kevork had reeds van een bevrienden priester. Der Garabed, Armenisch en Turksch leeren lezen en schrijven. De Turken, en dit is veelzeggend voor het peil hunner ontwikkeling, hebben zich nooit de moeite gegeven hunne spreektaal in letterschrift over te brengen; hunne boeken worden gedrukt in Armenische of Arabische letters. Kevork was dus opgetogen toen Jack aanbood hem Engelsch te leeren en de beide knapen begonnen alras hunne studie,, als leerboek den Bijbel van Jack's vader gebruikend. Deze toch was het eenige boek, dat hij bezat, met uitzondering van Kingsley's „Naar het Westen,quot; dat hij toevallig bij zich droeg toen zij te Biridjik kwamen.

Uit dankbaarheid leerde Kevork hem Armenisch lezen en schrijven, welke lessen door Gabriel en Hagop werden

-ocr page 48-

44

gedeeld. Gabriel was een buitengewoon vlugge en schrandere knaap, terwijl Hagop daarentegen stil en droomerig was, meer thuis aan zijns vaders weefgetouw, dan in de boeken van zijn broeder. Beiden luisterden echter met de grootste belangstelling naar Jack, als deze, hoofdzakelijk tot eigen oefening, het een of ander eenvoudig Bijbelsch verhaal hardop in het Armenisch vertaalde.

Dit was niet het eenige gebruik, dat Jack van zijns vaders Bijbel maakte. Uitwendig scheen hij nog een ongevormde knaap, die lijdelijk zijn lot droeg; maar inwendig werd zijn karakter gevormd en gestaald en geheiligd. Hij trad niet handelend op, doch hij dacht veel en diep na over alles. Het ging hem als eene rivier, die onder den grond voortstroomend steeds in kracht toeneemt, zot zij eindelijk als een krachtige stroom hare plaats in de wereld zal hernemen. Eene fljne opmerkingsgave, voor alles wat hem omringde, stelde hem in staat zijn geestelijk leven, dat dieper geworden was door het zich inleven in het verleden, met nieuwe indrukken te verrijken. Maar bovenal werd het gevoed door het beste voedsel voor verstand en hart beide, den Bijbel.

-ocr page 49-

HOOFDSTUK V.

Baron Muggurditch Tfiomassian.

„Grootheid wordt gewoonlijk gewaardeerd naar den maatstaf van een gegeven tyd en omgeving.quot;

Het was zeker nog een overblijfsel van zijne ziekte en een bewijs van de zwakheid zijner zenuwen, dat de jonge John Grayson zoo weinig geneigd scheen eenig besluit te nemen. Het verlies van zijn vader, dien hij zoo vurig liefhad, had hem ten diepste geschokt. Toen hij Engeland verliet, was de dood zijner moeder nog maar kort geleden, en hij was een eenig kind. Onder zijne naaste bloedverwanten waren er weinigen om wie hij veel gaf; eigenlijk was de eenige van wien hij bepaald hield, zijns vaders petekind, de neef met wien hij op school was geweest en die vijf jaar ouder was dan hij.

Wat was er eigenlijk, dat hem zou aandrijven terug te gaan naar Engeland? Hij verontschuldigde zijne besluiteloosheid met zulk soort gedachten, als het in hem opkwam zichzelf af te vragen, of hij van plan was zijn leven lang wijngaarden te blijven verzorgen, Engelsch te onder-

-ocr page 50-

46

wijzen en Armenisch te leeren, in een vergeten klein ■stadje aan den oever van den Euphraat.

Eenige maanden gingen voorbij zonder dat hij veel acht sloeg op hunne vlucht. De Meneshians waren hem als ■bloedverwanten en met al de leden der Armeensche gemeente werd hij bevriend. Hij stelde meer en meer belang in hun leven en deelde in al hunne zorgen. Het meest van alles interesseerde hij zich voor den wijnbouw, waarvan hij gaarne alles wilde weten. Eens, — toen hij •er nog niet lang was, — stelde hij voor om Kevork en •eenige andere knapen met zich mede te nemen naar de wijnbergen en daar, reeds lang vóór het begin van den druivenoogst, hunne tenten op te slaan. „Wij zouden den wijnberg veel beter kunnen bewaken dan die luie Turk, die den ganschen dag niets anders doet dan op zijn rek ') cigaretten liggen rooken en die altijd bakshies vraagt.quot;

„Gij zoudt het volstrekt niet kunnen doen,quot; antwoordde Boghos, de oudste zoon van Hohannes en de echtgenoot van Mariam Hanum, „gij zoudt het niet kunnen, juist omdat gij geen Turk zijt. Het is zoo dwaas niet bakshies uit te geven, om daarmede een Turk te betalen, die de wijngaarden tegen de Koerden bewaakt; deden wij het niet, dan zouden zij beiden ons berooven. Weet gij dat nog niet, Yon Effendi?quot;

Allen bleven hem den naam geven, dien hij het eerst aan Kevork en zijne broeders had geleerd. In hun aller oogen was hij iets onbegrijpelijks, aan de eene zijde een geliefkoosd speelgoed, waarvoor trouw moest worden zorggedragen, aan de andere een voornaam persoon, wien men

') Het „rekquot; waarop de Turksche wacht rustte, was een soort van hut op vier palen, van twaalf a vflftien voet hoog, die stevig in den grond waren gezet.

-ocr page 51-

47

eerbied schuldig was. Zoo trok hij — hoe ook beschouwd — steeds aller aandacht en werd in zijne behoeften over-vloediglijk voorzien. Hij stond er echter op, datHohannes voor dat doel iets zou gebruiken van zijns vaders goud en ook nu en dan een kleine som zou schenken aan Boghos en Hanum, bij wie hij inwoonde. Het geld was in die streken zóó schaarsch, dat een kleine som volkomen voldoende was.

Op zekeren dag heerschte er groote opwinding in de familie Meneshian, ja in de gansche Armenische wijk van Biridjik, door het bericht, dat baron Muggurditch Tho-massian, dien wij in Europa den heer Baptist Thomson zouden noemen, hun de eer zou aandoen van een bezoek. Hij reisde van ürfa naar Aintab en was van plan een paar dagen door te brengen bij zijne verwanten, de familie Meneshian.

Jack deelde in de algemeene opwinding. Hij was zeer verlangend dezen rijken, bereisden en welopgevoeden Armeniër te ontmoeten, van wien hij zich voorstelde, dat deze een geheel ander man zou zijn als het eenvoudige volkje te Biridjik. Bovenal verblijdde hem de gedachte dat hij thans eene gelegenheid zou vinden, om door hem in aanraking te komen met zijne vrienden in Engeland, want al trokken deze hem niet bijzonder aan, toch gevoelde hij, dat hij hen niet geheel mocht veronachtzamen.

De. verwanten van baron Thomassian, die zeer trotsch op hem waren, konden, volgens hunne opvatting van wellevendheid, niet minder doen dan de beleefdheid bewijzen, hem drie uur afstands tegemoet te rijden, en dat hoewel het midden in den winter was, de regens zwaar waren en men tot de enkels in de modder wegzonk. Boghos was aanvoerder van de ruitergroep en Jack ging

-ocr page 52-

48

met de anderen mede. De oude Hohannes bezat enkele fraaie paarden, op welke hij zeer trotsch was, en een van deze had hij aan Jack gegeven, die zich daarin ontzaglijk verheugde.

In dat deel van het land valt er zeer zelden sneeuw, en daar de regen had opgehouden, schaarde zich een wel bemodderd, maar toch gelukkig niet doornat, gezelschap langs den weg, om de aankomst der reizigers af te wachten.

Eindelijk kondigde het gerinkel van muilezelbellen de nadering van de karavaan aan. Deze bestond uit een lange rij khartyes, of muilezeldrijvers, een aantal bedienden te paard, en enkele zaptiehs, die ter beveiliging medegingen. Deze waren natuurlijk van top tot teen gewapend; in hun midden reed baron Thomassian op een zeer fraai paard, aan welks zadel een geweer bevestigd was, dat de eigenaar, met speciale vergunning van het gouvernement, mocht dragen. Hij was een man van middelbaren leeftijd, met een flink uiterlijk, a la Frank, d. w. z. geheel Euro-peesch gekleed; alleen droeg hij een fez in plaats van een hoed, daar den Armeniërs verboden was, dit hoofddeksel te dragen.

Eene onverwachte gast aan zijne zijde verbaasde de lieden uit Biridjik zeer. Naast baron Thomassian reed een slank jong meisje, gehuld in een lange „ezharquot; van gestreepte zijde, die als een sluier over haar gelaat was getrokken, waarvan alleen de fraaie donkere oogen zichtbaar bleven. Hoewel zij gesluierd was, had Boghos toch zijne dochter herkend, en Kevork giste althans dat het zijne zuster was. Zij waren zoo verrast, dat zij ter nau-wernood de gewone begroeting konden uitspreken; „Paré yejock (uw komst verblijdt ons), of te wachten op het ant-

-ocr page 53-

49

woord „Paré dessackquot; (wrj zien u met vreugde). Thomas-sian haastte zich te zeggen: „Op verzoek van uw neef baron Vartonian heb ik uwe dochter tot u teruggebracht. Later zal ik u wel verklaren wat de oorzaak is.quot; Toen kuste Boghos zijne dochter op beide wangen en zij kuste zijn hand en vraagde om zijn zegen. Kevork kuste haar ook en aan Jack, die zich bescheiden op den achtergrond hield, scheen het een zeer aangename zaak toe, een zuster te hebben. Hij had reeds vele lieve gezichtjes gezien onder de meisjes en vrouwen van Biridjik, maar nooit, zoo dacht hij, had hij zulke zachte en donkere oogen, zulke rozige lippen, of wangen zoo fraai gevormd en zoo flu-weelig getint, aanschouwd.

Al de anderen, die oude kennissen waren, kwamen nu naar haar toe, en Boghos, die thans weder aan Jack dacht, stelde hem met groote wellevendheid en inachtneming van alle vormen aan Thomassian voor, als hun Engelschen vriend, John Grayson Effendi.

Na al deze plichtplegingen namen zij den terugrit aan naar Biridjik, en Boghos wijdde zich uitsluitend aan den heer Thomassian. Het verbaasde Jack eenigszins, dat zij zich allen zoo weinig verheugd toonden over de terugkomst van Shushan; integendeel, het scheen alsof door hare tegenwoordigheid een sombere schaduw over het ge-heele gezelschap gedaald was. Kevork, tot wien hij er over sprak, scheen hem geene uitleggingen te willen geven. Zelfs toen hij zeide: „het verwondert mij, te zien, dat uwe zuster nog zoo jong is; zij ziet er uit alsof zij nauwlijks veertien jaar is. Natuurlijk meende ik, na wat gij mij verteld hebt, dat zij ouder zou zijn,quot; sprak Kevork alleen, met een haastigen blik rondom zich: „Zij was pas tien jaar toen zij ons verliet.quot;

Aan den Euphraat 4

-ocr page 54-

50

Na den feestmaaltijd, dien men ter eere van den gast had toebereid, trokken Hohannes en Boghos zich met hun gast in de eenzaamheid terug en deze verklaarde hun de toedracht der zaak.

„Uw vorige Kamaikan, Mehmed Ibrahim,quot; zeide hij : „is tegenwoordig te Urfa. Hij heeft daar eene goede regeerings-betrekking gekregen. Hoe, weten wij niet, maar hij heeft ontdekt, dat Shushan daar bij de familie Vartonian woonde en — hij was haar nog niet vergeten. Om kort te gaan, zij moest daar weg. Er was niets aan te doen.quot;

„Amaan!quot; („Ach, ach!quot;) was alles wat haar vader zeide. Op zijn gelaat was echter diepe verslagenheid te lezen, want hij voorzag groote zorgen en droefheid voor zijn geheele gezin.

Hohannes bracht zijne gedachten onder woorden. „Hij zal uitvinden waar zij is en haar hier laten halen.quot;

„Vartonian hoopte van niet. Gij moet haar zoo streng bewaken als gij maar kunt, of haar in eene vermomming naar een van de dorpen in de buurt zenden.quot;

„Hoe zouden wij dat durven, met het oog op de Koerden!quot; Onlangs is er nog eene bruid geroofd op haar weg naar de kerk, en de bruidegom, benevens haar vader, die haar trachtten te verdedigen, werden gedood. Onze dochters zijn nergens veilig als in haar graf.quot; Hoewel de deuren -zorgvuldig gesloten waren, spraken allen zeer zacht en met angstige blikken om zich heen ziende.

„Onze eenige kans op veiligheid,quot; zei Thomassian „ligt in onze schranderheid om vooruit te komen in de wereld en veel geld te verdienen. De Turken en Koerden willen ons wel met rust laten, als we hun daarvoor maar een flinken prijs betalen.quot;

„Ja,quot; zei Hohannes droevig: „zoo gaat het, totdat wij

-ocr page 55-

51

niets meer hebben om te betalen en het hun gelegen valt onszelf te nemen.quot;

Thomassian, die blijkbaar over deze zaken niet gaarne sprak, zeide, dat hij vermoeid was en hij zich gaarne vroeg ter ruste zou begeven.

Kevork scheen op dat oogenblik gewacht te hebben en zoodra de deur geopend werd en de drie mannen te voorschijn traden, was hij bij de hand om den gast met veel beleefdheid aan te bieden hem naar zijn slaapvertrek te geleiden.

Een poosje later kwam hij haastig en met groote opgewondenheid de kamer binnen, waar Shushan met hare moeder en verscheidene andere vrouwelijke familieleden, die haar waren komen begroeten, bij elkaar zaten.

„Moeder, ik heb het gedaan!quot; riep hij.

„Wat gedaan, mijn zoon?quot; vroeg zijne moeder, met een treurig gelaat.

Zij zat, als naar gewoonte, aan haar spinnewiel, dat echter heden geen lustig gesnor deed hooren. Vandaag kon zij niets doen dan Shushan's hand vasthouden en hare pas herkregen dochter met diepe droefheid in het lieftallige gelaat zien.

„Ik heb neef Muggurditch weten te vangen!quot; zei Kevork op zegevierenden toon: „Hij zal mij medenemen naar Aintab en mij daar op de school van de vreemdelingen eene plaats bezorgen.quot;

Er ging een zacht gemompel door het vertrek en uitroepen van verbazing werden gehoord. Kevorks moeder vroeg alleen, het karakter van haar neef kennend:

„Wat hebt gij hem gegeven?quot;

„Wat gij mij gegeven hebt. Moeder. Ik heb het alles aan u te danken. Uwe gouden munten hebben het gedaan.quot;

De andere vrouwen zagen Mariam veelbeteekenend aan. De

-ocr page 56-

52

gouden halsketen, die de Armenische vrouw gewoonlijk draagt, is het eenige dat haar onverdeeld en onbetwistbaar eigendom is. Zij maakt haar bruidsschat en inderdaad al haar rijkdom uit; het moet dus wel voor een zeer gewichtige zaak zijn, indien zij er afstand van doet.

„Hij deed eerst alsof de munten niet veel waard waren,quot; zei de schrandere knaap: „maar dat was alleen zijne wijze van zaken doen. Ik zag wel, dat hij ze heel mooi vond en dat hij ze gaarne wilde hebben.quot;

„Voor hoeveel hebt gij ze verkocht?quot; vroeg Mariam.

„Ik heb ze niet verkocht. Zoo dwaas ben ik niet! Ik hoop ze u nog eens terug te geven. Moeder, 'k Heb ze hem alleen in pand gegeven, daarvoor zal hij het schoolgeld betalen, — totdat ik in staat ben ze te lossen.quot;

„Maar dat zal wel nooit gebeuren,quot; sprak een der andere vrouwen.

„Dat zal het wel, — en het zal niet al te lang duren ook hernam Kevork vol overtuiging. Als ik twee jaar in Ain-tab ben, kan ik reeds kweekeling en daarna onder wij zei-worden en dan verdien ik al geld.quot;

Niemand zeide iets hierop; er heerschte een geruime poos stilte, totdat Shushan die verbrak. Zij was inderdaad zeer schoon en dat niet alleen met die schoonheid, die zoo velen vrouwen van haar volk eigen is, — de groote donkere oogen, waarboven de zwarte wenkbrauwen zoo fraai zijn afgeteekend, lange oogwimpers en olijfkleurige, regelmatige gelaatstrekken, maar ook door de zachte reine uitdrukking van haar blik, die goed paste bij haar naam Shushan, de Lelie. Gedurende de vier jaren, die zij van huis afwezig was geweest, waren velen harer verwanten haar bijna vreemd geworden en zij scheen verlegen om zich te uiten.

-ocr page 57-

53

„Broeder,quot; zeide zij, smeekend opziend tot den slanken jongeling, dien zij als een kind had achtergelaten: „broeder wilt gij iets voor mij doen als gij naar Aintab gaat?quot;

Kevork, hoewel eenigszins verbaasd, gaf zijne bereidwilligheid te kennen.

„Mijn beste vriendin,quot; vervolgde Shushan: „degene van wie ik na vader en moeder en mijne broeders, het meeste houd, is juist op reis naar Aintab om daar op de meisjesschool te worden geplaatst. Zij hebben mij met zoo groote haast weggevoerd uit Urfa, dat ik haar niet eens heb kunnen goedendag zeggen. En nu kan ik haar ook niet meer zien, want hoewel zij hierlangs moet reizen, zouden zij niet in de stad komen, maar in de khan buiten de poort vernachten. Zoudt gij haar van mij willen groeten en haar dit geven als een aandenken aan hare vriendin, de arme Shushan Meneshian?quot; Dit zeggende ontdeed zij zich van een keten van barnsteenen kralen en overhandigde die aan haar broeder.

Kevork boog zich over haar heen om haar aan te nemen, en vroeg vol belangstelling: „Gaarne, zuster, en hoe heet het meisje?quot;

„Elmas Stepanian; zij is de dochter van den Badvellie.quot;

„Badvelliequot; beteekent „eerwaardequot;, en de Armeniërs gebruiken gewoonlijk dien titel, als zij vol eerbied over hunne priesters en predikanten spreken.

„Wacht, Kevork,quot; zeide zijne moeder: „Neem die tehish liever niet mee. Shushan is nog een kind en zij weet niet hoe het in de wereld toegaat. Maar gij, die beter weet, kunt toch niet denken, dat de vreemdelingen jongens en meisjes zouden toestaan met elkaar te spreken? Ik heb altijd gehoord, dat het vertrouwbare, brave menschen zijn, en indien zij dit niet waren, hadden onze neven ook

-ocr page 58-

54

Shushan en hunne eigene kinderen niet bij hen op school laten gaan.quot;

Dit was zonder twijfel een bezwaar en zelfs Shushan zag verslagen voor zich. Maar Kevork liet zich niet spoedig uit het veld slaan. „Yon Effen di heeft mij gezegd, dat de vreemde Effendi's, mannen en vrouwen, elkaar zoo vaak spreken als zij maar wenschen,quot; sprak hij: „Shushan, zuster, ik zal aan den Effendi, die mij les geeft, vragen om aan den Effendi, die Oriort ') Elmas Stepanian onderwijst, haar uw geschenk te overhandigen, en hij zal daar wel een manier op weten, daar ben ik zeker van.quot;

„Doe dat, Kevork, ik ben u zeer, zeer dankbaar.quot; Zij gaf hem hare kralen en barstte toen los in een lofzang op hare vriendin.

„Elmas is zoo goed, en zoo knap,quot; zeide zij: „zij kent van alles! Zij spreekt en schrijft Engelsch, niet maar een beetje, zooals ik, maar als een echte Amerikaan! Zij kent taalkunde en aardrijkskunde en cijfers optellen en wereldgeschiedenis, en zij heeft nooit een gedachte-ketting noodig.quot; (Zoowel de Armeniërs als de Turken zijn gewoon, als zij spreken of denken, kralen door hunne vingers te laten glijden, die zij tebischen noemen, van welke handelwijze zij een geheimzinnigen bijstand verwachten.)

„O! neen. Op school wilde zij er nooit een gebruiken, en bijna niemand van ons deed het. Maar nu gaat zij ergens heen, waar zij zulke moeielijke lessen zal moeten leeren, dat zij er misschien heel blijde mee zal zijn. In elk geval zal zij haar aan heur arme kleine Shushan herinneren. Zeg haar, Kevork, dat elke kraal, die Shushan haar zendt, een gebed is, dat zij voor haar bidt.quot;

l) Oriort beteekent mejuffrouw.

-ocr page 59-

55

„Ik vind het heel dwaas, dat alles aan meisjes te onderwijzen,quot; merkte eene der vrouwen op. „Straks kennen zij niets als boeken lezen en wie zal dan op de kleine kinderen passen ? Wie zal dan koken en wasschen en brood bakken, om nog niet eens van het spinnen en naaien te spreken ?quot;

„De meisjes van de Amerikaansche school te TJrfa,quot; riep Shushan, die in hare eer gekrenkt was door deze opmerking, „kunnen voor hare jaren heel goed bakken en spinnen en naaien. En die naar Aintab gaan, zooals Elmas, leeren het daar nog veel beter. Ik wilde, dat gij het eens kondet zien hoe Elmas thuis hare moeder bij het werk helpt, en op haar broertjes en zusjes past; dan zoudt gij eerst eens weten wat zij waard is.quot;

Dit was niet voor doove ooren gesproken. De jonge Kevork had er met aandacht naar geluisterd en wendde zich toen plotseling tot zijne moeder met de vraag: welke kleeren zij hem zou kunnen verschaffen, daar zijn neef reeds overmorgen dacht te vertrekken.

Jack was in dien tusschentijd druk bezig met aan zijn oom en zijn neef te schrijven. Vrij kort deelde hij zijn oom mede, dat zijn vader gestorven en hij een langen tijd ziek geweest was, terwijl hij niet verzuimde te melden, met hoeveel zorg en liefde de menschen, bij wie hij was ziek geworden, hem hadden verpleegd. Hij verzocht hem of hij geld wilde overzenden voor de terugreis en om hen te beloonen, die zoo goed voor hem waren geweest. Hij wist natuurlijk, dat hij een vrij aanzienlijk inkomen het zijne mocht noemen, waarom hij er ook geen bezwaar in vond dit verzoek te doen. Aan zijn neef schreef hij wat vrijer en dien deelde hij meerdere bijzonderheden mede. Maar zelfs aan hem viel het schrijven hem niet gemakkelijk. Hij kon zich niet plaatsen buiten zijn eigen

-ocr page 60-

56

leven en dat beschrijven alsof hij in al die gewichtige gebeurtenissen der laatste dagen een bloot toeschouwer was geweest. Hij deelde slechts het een en ander mede van zijne omgeving en dat vermoeide hem reeds spoedig, daar hij het schrijven ontwend was en het hem vooral zwaar viel dit in het Engelsch te doen. Hij brak daarom spoedig af, vouwde de beide brieven in elkaar, verzegelde het paket, adresseerde het aan zijn oom en bracht het aan Thomassian.

Baron Muggurditch Thomassian was een hoffelijk, welopgevoed Armeniër, die veel gereisd had. In zijne zaken, hij handelde in drogerijen, had hij een aanmerkelijk fortuin verdiend; maar vooral was hij rijk geworden door op verstandige en voorzichtige wijze als geldschieter op te treden. Hij sprak verscheidene talen, althans voldoende om met vreemdelingen handel te drijven, en hij verstond zoowel de kunst van geld uitgeven als van geld verdienen. Hij was evenzeer een liefhebber van muziek, dicht- en schilderkunst als van een meer stoffelijke weelde. Toch voelde Jack, dat hij hem nooit zoo zou kunnen liefhebben of zelfs vertrouwen als zijne vrienden te Biridjik. „Ik weet niet wat het is,quot; zeide hij bij zichzelven; „hij ziet er wel goed uit, maar er is toch iets in zijne oogen, dat ik niet vertrouw.quot;

Zijne beleefdheid was echter onovertroffen, toen Jack hem vroeg of hij zich zou willen belasten met zijn brief en dien in een vertrouwbare brievenbus bezorgen.

„Het is eene vraag aan mijne vrienden om mij geld over te zenden voor de reis naar Engeland,quot; voegde hij er ter verklaring bij.

„Hebt gij hun ook gezegd op welke wijze zij het kunnen overmaken, mijnheer Grayson?quot; vroeg Thomassian.

-ocr page 61-

57

„Daar heb ik niet over gedacht. Ik meende, dat zij dat zelf wel wisten,quot; antwoordde Jack eenvoudig.

„Dat is niet zoo'n eenvoudige zaak als gij wel zoudt denken,quot; zei Thomassian.

„Wat moet ik dan doen? Wacht eens, — zou het niet kunnen zijn.... gij gaat immers naar Aleppo ?quot;

„Jawel, Effendi.quot;

„De Engelsche Consul daar was een vriend van mijn vader, een zeer welwillend man. Hij zou mijn oom wel kunnen helpen mij geld te zenden en zou het mij wel doen toekomen. Ik denk, dat hij ook wel zelf aan mijn oom zou willen schrijven. Zoudt gij hem dat voor mij willen vragen. Baron Thomassian?quot;

„Ik zal er voor zorgen.quot;

„Ik ben u zeer dankbaar,quot; zei Jack, die hem op Engelsche wijze de hand reikte, hoewel de hoffelijke Oosterling niet naliet er zich diep over te buigen.

Den volgenden morgen ging Muggurditch Thomassian zijns weegs. Jack's brief en Jack's besten vriend, Kevork medevoerende. Hij liet echter achter, wat bestemd was van nog veel meer belang te worden in het leven van den Engelschen jongeling.

-ocr page 62-

HOOFDSTUK VI.

I^ozen en Badhanddoeken.

„Hü ging door 't leven blfl van hart En met den tred eens mans.quot;

Tennyson.

„Goedenmorgen, mijnheer John, ik breng u mijn ochtend-groet.quot;

Het gebroken Engelsch, dat Shushan sprak, klonk Jack van die lippen bijzonder liefelijk in de ooren. Jack stond vóór haar, (het was onderwijl lente geworden) met een groote mand voorjaarsbloemen, — schitterend roode anemonen, geurige wilde rozen, rose en gele, — wilde heliotrope, boschhyacinthen en andere bloemen, waarvoor wij geen naam hebben. Zij waren natuurlijk niet alleen; Mariam Hanum en nog een paar andere vrouwen en meisjes zaten te spinnen of te naaien. Shushan zelve boog zich over een fraai stuk zijde, waarop zij allerlei van de schoonste bloemen borduurde, hetgeen zij te Urfa geleerd had, toen het binnentreden van den jongen Engelsch-man, met de voorjaarskinderen, die zij allen zoo liefhadden, hen deed opzien. Alleen de mannen en knapen, die tot de leden van het gezin behoorden, mochten zoo ongehinderd

-ocr page 63-

59

het vrouwenvertrek binnentreden; voor eiken vreemdelingzouden de jongere meisjes zich hebben teruggetrokken of althans zich zedig hebben gesluierd. Toen Shushan pas-was thuisgekomen, deed zij dat ook wanneer Jack binnentrad, maar langzamerhand was die gewoonte in onbruik geraakt en nu bleef die steeds achterwege. Op school in Urfa had zij Engelsch geleerd, en het was tegenwoordig een van de grootste genoegens, die Jack in zijn leven hadr haar dat te hooren spreken. Zij deed het zelve ook gaarne,, want zij was er zeer op gesteld niets te vergeten van wat zij eenmaal geleerd had.

„Is dat goed gezegd, zoo, mijnheer Yon?quot; vroeg zij.

„Het klinkt heel aardig. En nu, als mijn groet, breng ik u deze bloemen. Er zijn er genoeg voor u allen.quot;

Hij zette de mand naast Mariam neer, nadat hij er eerst een ruiker van de schoonste rozen en heliotrope, zorgvuldig met gras te zamen gebonden, uit had genomen.

„Dat is als belooning voor eene goed gekende les,quot; zei hij, terwijl hij de bloemen aan Shushan overreikte.

Jack was thans een lang opgeschoten, knap uitziende-jonge man van achttien jaar. Sinds eenigen tijd was hij weer even sterk en flink als vroeger en nam hij zooveel mogelijk deel aan alle werk, dat er buitenshuis te doen was, vooral als het in paardrijden bestond. Eenmaal in het zadel kende hij geen gevaar en hij was Hohannes-reeds van grooten dienst bij het dresseeren der jonge paarden.

Eene maand na het vertrek van Thomassian begon hij uit te zien naar antwoord op zijne brieven. Hij wachtteen wachtte echter tevergeefs; hij hoorde niets. Weken gingen voorbij en werden tot maanden, maar de stilte-werd niet verbroken. Eerst verbaasde het Jack; daarna

-ocr page 64-

60

stelde het hem teleur en ten slotte maakte hij er zich af en toe boos over. Het scheen wel, dat zijne Engelsche familieleden zich zeer weinig meer om hem bekommerden en alsof zij hem geheel vergaten. Als het niet zoo was, waarom hadden zij dan al dien tijd niet de geringste moeite gedaan om te weten te komen, wat er van zijn vader en hemzelven geworden was. Nu, zij moesten het zelf weten, hij kon het buiten hen stellen. Hij gevoelde op dit oogenblik nog volstrekt geen groot verlangen om Biridjik te verlaten, al lag het ook in zijn plan, den een of anderen tijd wel naar Engeland terug te keeren. Als hij meerderjarig was, zou hij zeker gaan, want dan kon hij zijne erfenis opeischen.

Thans was het hier nog te aangenaam! Hoe heerlijk straalde die oostersche hemel! En welk een rijkdom van kleuren spreidden de tallooze rozen ten toon! Terwijl hij voorbij de wijngaarden op de heuvels reed, kwam de zachte geur der bloesems hem tegemoet.

Eindelijk brak de druivenoogst opnieuw aan.

Op een fraaien najaarsmorgen stond een aantal paarden, muilen en ezels voor de deur van het huis waarin de familie Meneshian woonde. Op de lastdieren waren twee tenten van ruw zwart cilicisch doek gepakt, van datzelfde doek, dat de tenten maker van Tarsen weefde. Kussens en paardendekken werden over de veelkleurige zadels geworpen en in de, aan de zadels vastgehechte valiezen, waren de benoodigde levensbehoeften, keukengereedschappen, en kleederen gepakt. Toen ging de gansche familie, van den ouden Hohannes af tot het jongste kind toe, in den zadel zitten of werd er op geplaatst, en men aanvaardde den jaarlijkschen tocht naar de wijngaarden, waarmede de herfstvacantie der Armeniërs begint.

-ocr page 65-

61

In die heerlijke dagen van den druivenoogst verdween uit hun blik die droeve melancholie, waarmede eeuwen van onderdrukking hun ras geteekend hadden^

De dagen waren hun te kort, daarom vingen zij ze zeer vroeg aan, met het gezamenlijk zingen van een psalm of een lied, waarna zij zich verspreidden en elk zich begaf tot het werk, dat hem was aangewezen. Eenigen plukten de rijpe vruchten van de lage takken, anderen persten het sap uit in de houten bakken; weer anderen bereidden er sorbet van, of vermengden het met eene soort van stijfsel en notepitten om er bastuc van te maken. Een groepje vroolijke kinderen plukte de druiven van hun stelen en spreidden ze op groote witte lakens uit, om in de zon te drogen, totdat ze rozijnen werden. Al het werk werd onder opgewekte gesprekken en gezang verricht en af en toe hoorde men zelfs vroolijke scherts of gelach.

Terwijl John Grayson op zekeren morgen een eind van de anderen verwijderd aan het plukken was, hoorde hij plotseling een angstig hulpgeschrei. Hij herkende de stem van Shushan; zij was blijkbaar in gevaar. Zijn mand op den grond werpende, spoedde hij zich in allerijl, dwars over de lage wijnstruiken heenspringende, naar de plek, waar de kreten weerklonken en waar hij nu nog andere vreeselijke geluiden hoorde, — het huilen, brullen en janken van wilde honden.

In een hoek van den wijngaard drongen Shushan en de kleine Hagop zich in doodsangst tegen elkaar aan, terwijl zij zich nog juist met de grootste moeite een vijf of zestal half uitgehongerde wolfshonden, met de losse steenen die op de muren lagen, van 'tlijf hielden. Hunne kracht was echter bijna uitgeput. Nog weinige minuten en zij zouden in stukken worden gescheurd.

-ocr page 66-

62

Op dit oogenblik echter was Jack met een laatsten reuzensprong in hun midden, en zonder zich te bedenken •deelde hij rechts en links de vreeselijkste slagen uit. Hij had slechts ééne gedachte, om Shushan te redden.

„Gauw, zorg, dat ge in de tent komt!quot; riep hij tot haar •en tot Hagop.

Daar de ondieren zich voor het oogenblik om hem heen verzamelden, was het hun mogelijk te ontsnappen, en zij •deden het.

Op dit oogenblik flikkerde de zonneschijn op iets schitterends in den riem van zijn zeboun, — de groote schaar, •die hij had gebruikt om de druiven af te knippen. Hij greep haar en stak haar met alle macht in den nek van •den hond, die het dichtst bij hem was. Jankend van pijn droop het beest af. Maar het oogenblik, waarop hij zich gebukt had, werd hem bijna noodlottig; drie andere besprongen hem van de andere zijde; — hij voelde do scherpe tanden in zijn vleesch.

Hij kermde van pijn, en gedurende eenige oogenblikken was alles zwarte duisternis om hem heen. Maar een oogwenk later klonken bekende kreten en stemmen, en de honden vluchtten in alle richtingen voor de hagelbui van steenen, die op hen neerkletterde, nu de anderen, die een •eind verder in den wijnberg waren, hem te hulp snelden. Zij hadden het janken en huilen der woedende dieren reeds gehoord, nog voordat Shushan en Hagop, die over al hunne leden beefden, hen bereikt hadden, en door hun vereende krachten waren de aanvallers spoedig teruggedreven. Zij behoorden aan eenige Koerdische herders, die met hunne kudden toevallig langs dien weg gingen •en de lage muur rondom den wijnberg leverde geen beschutting tegen hen.

-ocr page 67-

63

Terwijl het geheele gezelschap zijn moed prees en medelijden betuigde met zijne wonden, werd hij naaide tent teruggeleid. Mariam Hanum verbond de beten, tranen van dankbaarheid stortende, terwijl menig, „Park Derocha!quot; (De Heer zij geprezen,) voor de redding harer kinderen haar ontsnapte.

Shushan zeide niet veel; maar toen zij weer tehuis kwamen na den wijnoogst, kon men haar vaak lang over een fraai borduurwerk gebogen zien. Zij nam den tijd er voor niet van haar gewone werk of van hare huishoudelijke bezigheden, maar besteedde er al hare vrije uren aan en werkte soms tot laat in den nacht.

Eindelijk was het gereed, en toen legde zij een pak van tamelijken omvang aan de voeten van den verwonderden Engelschen jongeling, met eene verlegen stem zeggende; „Yon Effendi, gij hebt mij het leven gered, ik wilde u graag daarvoor danken.quot;

Het pak bevatte, wat in het oog van eene Armenische jonge dame het meest geschikte en welkome geschenk is, dat zij een heer kan aanbieden, voornamelijk indien zij het zelf gewerkt heeft, een stel fraai geborduurde badhanddoeken !

Er zou echter eens een dag komen, waarop John Grayson alles zou hebben gegeven wat hij bezat, ja zelfs zijn eigen leven, als hij dien kreet om hulp van Shushan Meneshian maar niet, of te laat gehoord had.

-ocr page 68-

HOOFDSTUK VII.

dreigende wolken.

„Indien g;j de onderdrukking des armen, en de berooving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hooger is dan de hooge, neemt er acht op. en daar zijn hoogen hoven henlieden.

Pred. 5 : 7.

Na dit avontuur ontwikkelde Jack zich snel, naar lichaam en naar geest. Hij werd in alle opzichten een man, en zijn moed en ondernemingsgeest wiessen met den dag. Dikwerf verwijlden zijne gedachten in Engeland, en hij begreep niets van het stilzwijgen zijner bloedverwanten aldaar. Dat zij niets van zich hadden laten hooren, voordat hij hun schreef, zou hem niet verbaasd hebben, indien hij alles geweten had. De Syrische bedienden van zijn vader, die hem in zijne ziekte hadden verlaten en bestolen, hadden te Aleppo de mare verspreid, dat zoowel vader als zoon, aan de koorts bezweken waren. Om redenen, die wel te doorzien waren, bleven zij niet lang in die stad, doch het gerucht kwam den Consul ter oore en hij had geen reden om er aan te twijfelen. Hij opende eenige

-ocr page 69-

65

brieven, die aan hem waren gezonden voor den heer Grayson, en toen hij daardoor het adres van diens broeder had ontdekt, schreef hij hem wat er gebeurd was.

Daar Jack van dit alles niet af wist, was hij soms geneigd allerlei bittere gevoelens te koesteren jegens zijne familie in Engeland. De gedachte kwam zelfs in hem op, dat het geld van de Graysons hun zeker niet onwelkom was, en dat het hun misschien niet eens aangenaam zou zijn het weer af te geven, als hij opnieuw op het tooneel verscheen. Maar die gedachte verdween toch weer als sneeuw voor de zon, want Jack bezat van nature een edelmoedig hart en hij liet zulke bittere gevoelens geen wortel schieten. Toch verbaasde het hem meer en meer, dat hij nooit antwoord ontving op den brief, dien hij door Thomassian had verzonden.

Maar zich verbazen en afwachten was geen werk voor een man en, nu Jack eenmaal een man was geworden,, begon hij zich af te vragen, waarom, als hij werkelijk verlangde naar Engeland terug te keeren, hij niet zou gaan! Het zou een moeilijke, misschien een gevaarvolle tocht zijn, — maar dat schrikte hem niet af; integendeel, het lokte hem eerder aan. Wat zou hem verhinderen een paard te leenen, Hohannes te vragen hem te geven wat er overschoot van zijns vaders geld, — als er nog iets van over was, — een Turkschen bediende te huren en zich naar Aleppo te begeven? Als hij maar eenmaal daar was, zou de Consul hem wel verder helpen; en spoedig na zijn terugkeer in Engeland zou hij meerderjarig zijn en in staat voor zichzelf te handelen.

Wat zou hem nog weerhouden? De gedachte aan de gevaren der reis deden hem het bloed in de aderen tintelen en gaarne had hij ze onder de oogen gezien. Wat

Aan den Euphraat 5

-ocr page 70-

66

■was het dan, dat hem weerhield? Hij was een geboren Engelschman, en hij had nog een rijk leven vóór zich, hij moest zijne erfenis gaan opeischen en zijn geboorterecht doen erkennen. En toch was er iets, — iets, dat hij zichzelf niet bekend had en dat nog diep in zijn hart lag verscholen, maar dat hem toch met hechte banden aan het kleine stadje aan den Euphraat hield gekluisterd.

Toen Shushan pas thuiskwam, was hij zeer verlegen geweest tegenover haar. Doch in den broederlijken omgang was _ de verlegenheid geweken, om plaats te maken voor eene prettige vertrouwelijkheid. Hij las Engelsch mei; haar, waartoe hij de twee boeken gebruikte die hij bezat, zijns vaders Bijbel, en „Naar het Westen;quot; zij bezat een Armenischen Bijbel, waarmede zij dan den Engelschen tekst vergeleken. Shushan had die woorden van troost en bemoediging zeer lief en vaak besprak zij ze met Jack en met Gabriel, die gewoonlijk de lessen deelde. Hunne gesprekken waren echter volstrekt niet altijd even ernstig; menigmaal lachten zij samen over haar gebroken Engelsch en soms verhaalde Jack haar allerlei van zijn eigen land en wat daar gebeurde.

Zij van haar kant verhaalde hem van ürfa: van de geliefde Amerikaansche school, van haar dierbare Elmas Stepanian en hare andere vriendinnen. Zoo beschreef zij hem ook de Amerikaansche dames, die er als zending-zusters werkzaam waren; de statige, ernstige zustor Celandine, die als eene moeder door allen vereerd werd, en haar opgewekte jeugdige helpster, zuster Fairchild, — het blonde jonge meisje, dat Jack op de veerpont te Biridjik gezien had, maar dat hij uit hare beschrijving niet herkende.

Sinds zijn strijd met de honden echter, en het geschenk

-ocr page 71-

van de badhanddoeken, was zijne verlegenheid in dubbele mate teruggekeerd. Het kostte hem dan ook heel wat, toen hij met groote moeite een van de mooie kleine gazellen, die de Armeniërs zoo gaarne als huisdieren bij zich houden, gevangen had, haar die aan te bieden. Maar zijne moeite werd ruimschoots beloond door den glans van vreugde op Shushan's lief gelaat en den glimlach, waarmede zij haar dankbaar: „Mijn velen dank, mijnheer John,quot; uitsprak.

De liefde, die in het hart van John Grayson begon te ontwaken, was tweeledig. Zij ging gepaard met gloeiende verontwaardiging en was zoo nauw daarmee verbonden, dat hij ze niet van elkaar had kunnen scheiden, al had hij het gewild. Zijn verstandelijke ontwikkeling sinds zijne ziekte was langzaam gegaan, en dus kwam hij ook maar langzamerhand tot een goed begrip van den toestand waarin Shushan en al de anderen verkeerden. Maar toen hij dien recht begon te beseffen, was zijn eerste aandrang om te ontvluchten en, hoe dan ook, dit verschrikkelijke land te ontkomen. Later echter verlangde hij niets liever dan schouder aan schouder te staan met deze arme, zwaar geplaagde en verdrukte lieden, die hij zoozeer begon lief te hebben.

Het Turksche juk had misschien nog nooit zoo zwaaien pijnlijk gedrukt als in dezen tijd. Het zwaard drong tot diep in hunne zielen en tegelijkertijd werden hunne handen gekwetst door ontelbare speldenprikken. Reeds menigmaal had Jack, zonder er op te letten, de ruw houten ploegen gezien, waarmede de Armeniërs hun land moesten bewerken, eigenlijk niets dan een paar stokken met een ijzeren pin aan het einde; op zekeren dag had hij er bijzonder veel moeite mede en hij ergerde zich zoo, dat hij

-ocr page 72-

68

vol verontwaardiging vroeg of er dan geen smid in het land was, die een fatsoenlijken ploeg kon maken.

„Onze smids kunnen alles maken, even goed als de uwe,quot; zei Avedis met wien hij juist liep.

„Waarom doen zij het dan niet?quot;

„Ik dacht, dat gij dat wel wist.quot; Hij liet zijne stem dalen en fluisterde: „Daajekquot; — de Turken.

„Bedoelt gij, dat zij het u beletten?quot;

Avedis knikte. „Wacht maar. totdat wij thuiskomen,quot; zei hij.

Het gesprek werd hervat, waar zulke gesprekken alleen veilig zijn, — en soms zijn zij het daar niet eens, — achter gesloten deuren.

„Ik weet wel,quot; zei Jack: „dat de Turken alle machinerieën haten.quot;

„Zij haten ze, omdat ze er bang voor zijn. Zij denken, dat alle machinerieën het werk zijn van Shaytan — den Duivel.quot;

„Ik moet hier telkens denken.quot; zei Jack: „aan de Duistere Middeleeuwen en wat ik daarvan gelezen heb voordat ik hier kwam. .Hier ziet men de mannen der twaalfde eeuw, welke die der negentiende vertrappen en ten onder houden. Het is slecht voor beiden. Zij moeten even weinig van u begrijpen en even bang voor u zijn, als een Noorsch plunderaar zou zijn geweest voor zijn Saksische lijfeigenen, als zij met stoom en electriciteit hadden omgegaan, terwijl hij al die dingen voor geheimzinnige zwarte kunst van den satan aanzag. Ik vraag mij alleen af, hoe lang hij hen als lijfeigenen zou hebben behouden?quot;

„Zoo lang als hij wapenen had en zij niet. Vooral, als hij van buiten af gesteund werd,quot; antwoordde Avedis

-ocr page 73-

69

droevig. En zacht, als in zichzelf, zong hij twee regels van een oud Armenisch volkslied:

„Berooft men my hier van eens Christens huis,

My wacht toch eens Christens graf.quot;

quot; „Yon Effendi,quot; hervatte hij na eenige oogenblikken: „hun haat tegen ons groeit met den dag. En ik vrees, dat zij nu voorhebben, voorgoed een einde aan ons volksbestaan te maken.quot;

Geruchten toch van allerlei afschuwelijke moorden en plunderingen bereikten hen eiken dag. Nu eens hoorden zij van vreeselijke gruwelen te Sassoun, dan weer te Zeitoun, of te Marash en te Trebizond, maar zulke geruchten gingen slechts fluisterend van mond tot mond: niemand wist er het rechte van en niemand wist, wat hij gelooven moest.

Hoe verkeerd men in Europa ook steeds ingelicht zij, toch is het nog gemakkelijker om op de hoogte te komen van wat er in Armenië omgaat, dan voor de bewoners van Armenië zelf, om te weten wat er met hunne broederen in eene andere stad van hun land gebeurt. De Turken in Biridjik triomfeerden openlijk; en enkelen van hen pochten er op, tegenover hun Giaoursche') buren, dat weldra al hunne bezittingen hun eigendom zouden zijn. Sommige Christenen vreesden dat zij allen vermoord zouden worden; anderen herinnerden zich, dat zeventien of achttien jaar geleden ook zulk eene vervolging had gedreigd, die toch op niets was uitgeloopen. Zij hoopten dus dat alles nog wel bij het oude zou blijven en hun toestand niet erger zou worden dan die reeds was. Anderen weer waren

') Giaour: heiden, — de scheldnaam van de Turken voor de Christenen

-ocr page 74-

70

vol angst en stelden zich alle mogelijkheden voor, die de vrees of de fantasie hun konden voorspiegelen.

Wat John Grayson betrof: nu de zaken zoo stonden, was hij vastbesloten voor het oogenblik te blijven waar hij was. „Het is niet in de ure des gevaars, dat men weggaat en zijne vrienden achterlaat,quot; zei hij bij zichzelf.

Er waren nu vier jaren voorbijgegaan, sinds hij in Armenië kwam. Hij was nu twintig jaar, en volle zes voet lang, met lichtbruin haar en baard, door de zon gebruinde gelaatstrekken en een vrijen oogopslag, waaruit duidelijk sprak, dat hij gevaar kende noch vreesde.

-ocr page 75-

HOOFDSTUK VIII.

Een huwelijksaanzoek.

„Liefde maakt rijker dan goud: hoe meer men er van geeft, hoe meer men er van houdt.quot;

Jack ging dikwijls den dienst bijwonen, die dagelijks, kort na zonsopgang, in de Gregoriaansche kerk werd gehouden, en vele leden van het huisgezin deden desgelijks. Mariam, Shushan en vooral Gabriel waren trouwe kerkgangers.

Op zekeren dag kwam Hagop, bitter weenende, de kerkgangers bij de deur tegemoet.

Toen zij hem vraagden wat er aan scheelde, snikte hij, „het vee! het vee!quot;

„Wat is er met het vee?quot;

„Alles is weg. De Koerden hebben het weggenomen — alles.quot;

„Alles? De koeien en de schapen en de geiten ook?quot;

„Geen koe, zelfs geen lammetje is achtergebleven. De herders kwamen gewond en geslagen thuis om ons te zeggen, Grootvader, dat zij geen schuld hebben; zij deden

-ocr page 76-

72

genoeg hun best om de kudde te beveiligen. Amaan! Amaan Iquot;

De vrouwen begonnen zenuwachtig te snikken, want dit verlies bracht hongersnood in het vooruitzicht. Gabriel liefkoosde de hand zijner moeder en fluisterde een woord uit den psalm, dien zij j uist in de kerk hadden gezongen: „Het vee op duizend bergen is zijne.quot;

„Maar dat is niet te dragen!quot; barstte Jack los.

„Het moet gedragen worden,quot; zeide Mariam droevig.

„Wij zullen zien! Ik kan niet gelooven, dat — zelfs hier — zulke dingen kunnen gebeuren, zonder dat er iets aan te doen zou zijn. Iemands gansche bezitting cp eenmaal weg te nemen! Hagop, waar zijn de mannen?quot;

„In de groote voorkamer.quot;

„Dan ga ik er ook heen. Kom Gabriel, ga mee.quot;

Maar Hagop trok zijn broeder terug. „Zij zullen u niet binnen laten. Ik mocht er ook niet bij zijn.quot;

„Ik ben twee jaar ouder.quot;

„Maar gij zijt geen man. Vader zeide: „wij kunnen hier alleen mannen gebruiken,quot; hij pakte mij bij den schouder en zette mij buiten het vertrek.quot;

Jack begreep niet, wat daar kon besproken worden, dat ontwikkelde jongens van twaalf en veertien jaar niet mochten hooren, maar hij zeide niets en ging de kamer binnen.

Alle mannen uit het huis vond hij, met enkelen van hunne beste vrienden, in de groote kamer van welke Hagop had gesproken. Toen hij binnentrad, hield het gesprek op eenmaal op. In doffe vertwijfeling stonden zij bij elkaar, als schapen, voordat een onweer losbarst. Diepe droefheid en angst spraken uit hun gelaat. Jack zag hen rondom aan en riep heftig: „Moeten wij zulk

-ocr page 77-

73

een schandelijke plundering nu maar kalm verdragen? Kan daar niets aan gedaan worden?quot;'

Niemand antwoordde. Enkelen lieten hun hoofd in wanhoop op de borst zinken; anderen legden de hand op het hart, en zeiden, „Amaanlquot; terwijl sommigen naar boven blikten en mompelden: „God helpe ons!quot;

Jack wendde zich tot Hohannes. De oude man weende met zijn gelaat verborgen in zijn kleed. Die aanblik ontroerde hem.

„Vader, ween niet,quot; zeide hij vriendelijk. „Wij zullen ten minste trachten iets er van terug te krijgen.quot;

Hohannes sloeg zijn kleed ter zijde met een gebaar van hartstochtelijke smart. „Meent gij dat ik om de schapen en ossen ween?quot; zeide hij, „Vrienden, deze jonge man is mij als een zoon, en als een broeder voor Shushan. Zegt gij het hem — ik kan het niet.quot;

Bleek van schrik bij het hooren van een nieuw, onbekend gevaar, wendde Jack zich tot de anderen: „ Wat is er? In Gods naam spreek!quot;

Zwijgend zagen zij elkander aan. Ten laatste sprak Avedis, wiens lot het scheen steeds in tegenspraak met zijn naam te moeten handelen, met heesche stem; „Juist toen de herders ons kwamen vertellen wat er met de kudden gebeurd is, werd vader geroepen. De Kamaikan, die niet zoo slecht is als de anderen, zond hem, in 't geheim, een bericht om ons te waarschuwen, dat Mehmed Ibrahim is te weten gekomen waar Shushan is. Hij zal haar laten opeischen voor zijn harem en dan moeten wij haar afstaan.quot;

Jack kreunde, en wendde zijn gelaat af. Een voelbare stilte heerschte in het vertrek. Na een oogenblik zeide iemand: „Hij heeft haar nog niet opgeëischt. De

-ocr page 78-

74

waarschuwing van den Kamaikan was welgemeend.quot;

„Ja,quot; zeide Avedis, „wij hebben goud gegeven. Hij zal ons wel eenig uitstel bezorgen als. hij kan.quot;

„Wat hebben wij aan uitstel,quot; mompelde Boghos, de vader van Shnshan. — „Uitstel krijgen wij slechts om de bruid te kleeden.quot;

„De bruid!quot; herhaalde een jonge man, met woede, haat en schaamte in zijne stem.

Er heerschte een langdurige stilte. Toen trad John Grayson naar het midden van de kamer en stond daar rechtop, met schitterende oogen en uitgestrekten arm. „Luistert!quot; riep hij met eene stem, hard en scherp als 't geklikklak van een geweerslot.

Iedereen zag hem aan, maar de oude Hohannes sprak hopeloos, „Het baat niet; doch spreek, Yon Effendi; wat gij zegt, is altijd verstandig.quot;

„Daar is een weg om Shushan te redden.quot;

„Laat mij eerst iets zeggen,quot; viel een der mannen, even oud als Hohannes, hem haastig in de rede. „Engelschman, gij hebt langen tijd onder ons geleefd, maar gij behoort niet tot ons ras. Gij begrijpt nog niet, dat wij geboren zijn om te lijden, en we geen ander verweermiddel hebben dan geduld. Gij wilt ons aansporen tot vechten en tegenstand, want gij zijt jong en uw bloed is warm. Maar ik ben oud en mijn hoofd is grijs. Dikwijls genoeg — o, God weet, te dikwijls heb ik dat zien beproeven. Stierf mijn zoon niet in een Turksche gevangenis, en mijne dochter, voor wie hij den strijd aanving, — zij is nu dood, en Shushan zal, naar wij hopen, ook wel spoedig sterven, want God is genadig. Laat hier echter met geen enkel woord gesproken worden van tegenstand, want die doet den angst en de ellende slechts toenemen.quot;

-ocr page 79-

75

Zonder van stem of houding te veranderen, herhaalde Jack zijne woorden: „Daar is een weg om Shushan te redden.quot;

Met meer moed in zijne stem zeide Avedis: „Laat ons hooren wat Yon Effendi te zeggen heeft. Reeds eenmaal heeft hij haar van de wilde honden gered.quot;

Jack liet zijne oogen door de kamer weiden. „Is er hier geen priester? Ja, Der Garabed.quot;

De priester was ziek geweest, doch nu was hij toch uitgegaan, gedreven door medelijden met het verdriet van de familie Meneshian. Hij zat op kussens in een hoek, maar toen zijn naam genoemd werd, stond hij op, gehuld in zijn lang zwart kleed met wijde mouwen, dat aan het gewaad van een Engelsch geestelijke deed denken. „Wat verlangt gij van mij, Yon Effendi?quot; vroeg hij.

„Ik verlang dat gij mij morgen in het huwelijk zult verbinden met Shushan Meneshian.quot;

Verbazing was op aller gelaat te lezen. De oude Hohan-nes was de eerste die sprak. „Mijn beste jongen, gij zijt buiten uzelven. Vergeet uwe dwaze woorden en wij zullen ze ook vergeten.quot;

„Ik ben niet buiten mij zei ven, en ik spreek woorden van wijsheid en van gezond verstand,quot; zeide Jack, die onwillekeurig in Bijbeltaal antwoordde. „Daar is geen andere weg.quot;

„Dat kan men toch zoo maar niet doen,quot; zeide de priester, door dit voorstel geheel in de war gebracht, als tot zichzelven sprekende. „Men moet er wel voor waken een sacrament der Kerk niet door haasten te ontheiligen.quot;

„Is dat ontheiligen? Ik heb haar meer lief dan mijn leven.quot; Blozend tot aan de wortels van zijn haar en met een bonzend hart, stond John Grayson daar. Als eene openbaring van den hemel was dit middel, om Shushan

-ocr page 80-

76

te redden, in zijn hart gezonken en nu stond hij gereed om al die bezorgde, wanhopige mannen te bezielen met den moed, die woonde in zijn hart.

„Het is ongewoon, zeer ongewoon,quot; zeide Hohannes langzaam met de hand over zijn baard strijkende.

Hij gaf uiting aan de meening van de gansche vergadering. Het voorstel was volkomen in strijd met de gewoonten van hun geslacht, waarbij een huwelijk, zonder voorafgaande verloving, ondenkbaar was. „Het Is onmogelijk het zoo te doen,quot; dat was aller gevoelen.

Jack kende hunne gewoonten zoo goed als zij; maar, als Engelschman, was hij van meening, dat de nood de gewoonte mocht en moest breken. Hij begon wederom te spreken met die wonderbare kalmte, die somtijds het kenmerk is der diepste zielsontroering, het stille punt in het midden van een draaikolk. „Als de gehuwde vrouw van een Engelschman zal geen Turk het wagen haar overlast aan te doen. Ik zou den man wel willen zien, die het dorst! Hij zou met Engeland te doen krijgen, en Engeland laat niet met zich spelen.quot;

Nu was de eenige hoop, die nog leefde in de harten dezer benauwde, vertrapte Armeniërs, de hoop op Engeland. De Engelschen waren Christenen, zij moesten dus verlangend zijn hen te helpen; zij vormden een natie, die overwinnende legers in het veld kón brengen, zij hadden dus ook de macht. Zeiven gebogen onder het juk van een kwaadwillige en wederstaanbare overmacht, stelden zij zich voor, dat macht, verbonden met welwillendheid, schier alles kon te weeg brengen.

Het was voorwaar, sinds de dagen van St. Gregoiius eene ongehoorde zaak, dat een man een meisje zou huwen, zonder voorafgaande verloving, ja zelfs zonder dat er tijd

-ocr page 81-

77

was de bruidskleeren te maken; maar als dat nu eens de eenige weg was om Shushan te redden?

Hohannes zeide ten laatste; „Yon Effendi rnoogt gij aldus handelen? Is er in uw land geen hoofd van uw huis, geen bloedverwant zonder wiens voorkennis gij geen huwelijk moogt aangaan? Antwoord mij als in Gods tegenwoordigheid.quot;

Jack hield zijn hoofd trots omhoog; „Er is niemand, die daarin iets te zeggen heeft. Ik ben mijn eigen meester.quot;

„Dan,quot; zoo vervolgde Hohannes, „wil ik u zeggen: doe wat uw hart u ingeeft en God schenke er zijnen zegen op.quot;

„Zoo heb ik haar, met uwe toestemming, alleen nog te vragen.quot;

„En ik, het hoofd van haar huis, geef haar u in den naam des Heeren.quot;

Jack zag hem niet zonder verbaasdheid aan. „Maar ik moet haar toch nog vragen.quot; Al had hij Engeland als een jongen verlaten, toch wist hij wel, dat, als een man wilde huwen, hij voor alle dingen het meisje zijner keuze „vragenquot; moest.

Toen stond Boghos op, die tot nu toe zwijgend had gezeten, gedrukt door zijn verdriet, dat zich in woorden noch tranen kon uiten. „Ook ik, haar vader, geef haar u in den naam van God,quot; sprak hij plechtig.

„Maar ik moet haar toch nog vragen,quot; hield Jack vol.

„Gij hebt gevraagd, en wij hebben haar gegeven.quot; Het was Hohannes die nu sprak. „Wat moet er nog verder gedaan worden?quot;

Het kostte Jack ontzaglijke moeite het duidelijk te maken. „Maar als zij — niet van mij houdt — begrijpt gij wel — dan kan het niet. — Ik moet haar spreken en haar vragen of zij mij wil hebben.quot;

-ocr page 82-

De mannen zagen elkaar zwijgend aan. Zoo zij hunne gedachten hadden uitgesproken, zouden zij gezegd hebben: „heeft iemand ooit iets dergelijks gehoord?quot; Zij konden niet meer verbaasd zijn geweest, als Jack hun had medegedeeld, dat hij zijn paard niet kon verkoopen zonder toestemming van het beest zelf.

Avedis uitte ten slotte het vermoeden: „Wellicht is dit een gewoonte bij het Engelsche volk, die wij niet begrijpen. Zij hebben ook hunne gewoonten zooals wij de onze.quot;

Dankbaar zag Jack hem aan: „Gij hebt gelijk Avedis. Het is een gewoonte in ons land om slechts van de lippen zijner geliefde het „neenquot; of het „jaquot; te hooren.quot;

„Een vreemde gewoonte,quot; mompelde Boghos.

„Maar als het de gewoonte is, dan moeten wij er ons aan houden, hoe vreemd of ongepast het ons ook toeschijne,quot; raadde Der Garabed. „Alle dingen moeten met orde geschieden; en als wij hierin iets verzuimden, dan zou wellicht het huwelijk in Engeland niet worden erkend. Daarom stel ik voor: laat ons het meisje doen hier komen, dan kan de Engelschman, in onze tegenwoordigheid, doen naar de gewoonte van zijn land.quot;

Dit was te erg! Jack kookte bij de gedachte, hoe onaangenaam dit voor Shushan moest zijn en voor hemzelven. „Dat kan ik niet doen! Laat mij in 's hemels naam naar haar toegaan,quot; zeide hij.

„Als dat de gewoonte is, zullen wij haar behoorlijk in acht nemen,quot; zeide Hohannes, met de uitdrukking van iemand, die een zieke iets toegeeft. „Laat ons dan gaan.quot;

Gelukkig voor Jack, bedachten sommigen, dat het vrouwenverblijf hen niet allen kon bevatten, waarom zij meenden dat hunne aanwezigheid kon gemist worden. Toch achtten de grootvader en de vader van het meisje.

-ocr page 83-

79

twee van hare ooms, de priester en drie andere personen het behoorlijk mee te gaan, om zich te overtuigen, dat de Engelschman de ceremonie op behoorlijke wijze verrichtte.

Dit plechtige gevolg geleidde Jack naar de kamer, waar Shushan met hare moeder was gezeten. Met sidderenden tred naderde hij haar, de anderen schaarden zich in een halven cirkel achter hem, luisterend naar ieder woord, terwijl zij met scherpen blik elke beweging bespiedden.

„Wat moet ik doen,quot; dacht Jack, „wie heeft ooit onder zulke omstandigheden een meisje gevraagd?quot; Hij kou geen woord uitbrengen, hij was zijn hoofd kwijt zoowel als zijn spraak.

In de stilte hoorde hij het bonzen van zijn hoofd — hij wist, dat hij die vreeselijke stilte moest verbreken en toch hij kon het niet. geen woord kwam over zijne lippen.

Shushan, die niet begreep, wat dit alles beduidde, sloeg haastig den sluier voor het gelaat en greep den arm harer moeder. Mariam liet een koperen schotel, dien zij juist oppoetste, uit haar hand glijden, en deze viel kletterend op den grond.

In de spannende stilte schrikten al de aanwezigen en Shushan sloeg haar sluier met een kreet op zijde.

Jack zag haar vriendelijk gelaat bleek van angst, terwijl hare donkere zachte oogen zich met tranen vulden. Hij moest haar uit dezen spannenden toestand verlossen. „Wilt gij mij toestaan u te redden Shushan?quot; pleitte hij, terwijl hij haar naderde, met eene stem waarin de teeder-heid van een sterk man trilde.

Shushan stond op, keek om zich heen, zag haar vader, grootvader en al de anderen aan, richtte kalm en

-ocr page 84-

80

rustig haar blik op het gelaat van den Engelschman; en zeide „ja.quot;

Zij wist dat er voor een Christenmeisje in haar toestand één weg ter ontkoming was. Daar waren meermalen in Armenië Christenvaders sterk genoeg geweest om met Virginius te zeggen:

„En nu myn dierbaar kind, daar is geen andere weg.quot;

Wat was meer begrijpelijk, dan dat de vriendelijke Engelschman, wien het niet zoo hard zou vallen, daar hij geen bloedverwant was, voor haar zou willen doen, wat haren bloedverwanten te hard zou vallen? Daar was eene zonderlinge bekoring in de gedachte door zijne hand te sterven. „Ik ben niet bevreesd,quot; zeide zij met een vriendelijken en vasten blik, — niet bevreesd om te sterven.quot;

„Te sterven!quot; riep Jack verschrikt uit. „Wie spreekt van sterven? Neen, gij zult niet sterven, maar leven. Gij zult leven, leven met mij als mijn eigen lieve vrouw, in ons heerlijk Engeland. O, Shushan, zeg ja.quot;

Met verbazing zag zij hem aan. Hare bleeke wangen begonnen zich te kleuren, hare lippen openden zich, en zacht lispelde zij-; „als God 'het wil.quot;

Hohannes wendde zich plechtig tot de anderen. „Zonder twijfel,quot; zeide hij, met de hand zijn baard streelende, „heeft Yon Effendi nu al de gewoonten der Engelschen gevolgd, als zij hunne vrouwen nemen. Zoo hij voldaan is, kunnen wij weggaan en God danken. Die hem gezonden heeft, om ons kind in haren nood bij te staan.quot;

Jack's hart klopte luide, toen zij een voor een weggingen, en hij alleen gelaten werd met Shushan en hare moeder. Hohannes zag achter zich, om te zien of hij volgde; maar neen hij bleef staan. „De gewoonte van zijn land,quot; dacht de oude man, en ging door.

-ocr page 85-

81

Jack fstond daar met neergeslagen oogen, hij dorst ze niet opheffen om Shushan aan te zien. Toen de voetstappen der vertrekkenden waren weggestorven, keek hij op en zij zag iets in zijn gelaat, dat zij nooit tevoren daarin had gezien. In zijn hart leefde de vraag: „Houdt zij van mij, of ben ik alleen maar beter dan een Turk?quot; Het sprak uit zijne oogen en doortrilde haar met een besef van iets nieuws, iets ongekends, dat onuitsprekelijk zoet was. Hij was altijd zoo goed en vriendelijk voor haar geweest, — maar dit — wat was dit?

Instinktmatig wendde zij zich van hem tot hare moeder. Mariam stortte tranen van dankbaarheid en zij zou zich volgaarne aan de voeten van den bevrijder van haar kind hebben geworpen. Doch, getrouw aan de gewoonte van haar volk, die verlangt, dat een meisje zich in de tegenwoordigheid van haren aanstaande het aangezicht bedekt, sloeg zij den sluier over haar dochters gelaat neer.

„Och!quot; riep Jack onwillekeurig uit. Doch hij had genoeg gezien, — genoeg althans om zeker te zijn, dat hij Shushan wel zou kunnen leeren om hem lief te hebben op een wijze zooals hij haar liefhad. „Lieve Moeder,quot; sprak hij: „gij zijt reeds zoolang eene moeder voor mij geweest, en nu zal ik werkelijk uw zoon zijn en uwe Lelie verzorgen.quot;

Nauwelijks hadden de mannen de binnenplaats weer bereikt, of de priester sprak op ernstigen toon: „Er is een zaak, die wij vergeten hebben, en die wij toch in geen geval uit het oog mogen verliezen. Een Engelschman mag geen onderdane van den Sultan huwen zonder een geschreven permissie van zijn eigen Consul; — zelfs mag het huwelijk eigenlijk niet plaats hebben, tenzij dan in de tegenwoordigheid van den Consul zelf. Onder deze

Aan den Evphraat 6

-ocr page 86-

82

omstandigheden durf ik dus de plechtigheid niet voltrekken; er zouden groote moeilijkheden uit voortkomen en daarenboven zou het wellicht in Engeland niet geldig zijn.quot;

De meesten der aanwezigen wisten dit wel, doch in hunne opwinding hadden zij het geheel over het hoofd gezien. De woorden van den priester brachten dus eene groote verslagenheid over het geheele gezelschap.

„Roep Yon Effendi hier, en zeg het hem,quot; beval Hohannes.

Avedis riep hem en Jack verscheen, zijn gelaat stralend van innerlijke verrukking.

Der Garabed verklaarde hem de moeilijkheid waarin zij zich bevonden, en ongeduldig wierp Jack het hoofd in den nek, als een jong paard, dat onwillig is zich door toom en gebit te laten breidelen. „Wat een onzin!quot; riep hij eerst met jongensachtige verontwaardiging. Daarop echter gleed er eene schaduw over zijn gelaat en het was plotseling alsof hij eenige jaren ouder was geworden; op kalmen, beslisten toon sprak hij: „ik weet, wat wij doen moeten. Breng Shushan goed vermomd naar een van de Christendorpen in de buurt, — gij kent ze alle en weet welk het meest geschikt is, — en verbergt haar daar gedurende eenige dagen. Onderwijl stijg ik dadelijk te paard en begeef mij naar üïfa. Gij weet hoe het gerucht loopt dat de Consul zich op 't oogenblik daar bevindt. Als hij er is, kan ik hem daar spreken; zoo niet, dan reis ik hem achterna. Ik ben er zeker van, dat hij mij wel eenige papieren kan geven, waardoor alles voor ons in orde komt. Indien hij dat echter niet kan, en ons huwelijk in zijne tegenwoordigheid voltrokken moet worden, welnu dan zal ik Shushan tot hem brengen, al was hij ook aan het andere eind van de wereld. Want ik zal deze zaak tot

-ocr page 87-

83

een goed einde brengen, of wel sterven onder de poging daartoe, — zoowaar helpe mij God!quot;

„Goed. En voordat gij gaat, zullen wij uwe verloving met haar vieren,quot; sprak Hohannes.

Daarop voerde hij hem alleen naar het vertrek waarin het geld zijns vaders verborgen was, gaf hem alles wat daarvan nog was overgebleven en haalde toen met een groot vertoon van geheimzinnigheid een ander pak uit het gat in den vloer te voorschijn. Na het van zijn vele omhulsels te hebben ontdaan, zag Jack tot zijne groote verwondering een kleine revolver en een gordel met een patroontasch voor zich.

„Ik wist niet. dat gij zooiets bezat,quot; zei hij ze bewonderend.

„Neen; ik durfde het u niet vertellen terwijl gij nog een knaap waart, uit vrees, dat een ondoordacht woord tot een uwer kameraden zou verraden, dat wij vuurwapenen in huis hadden, want dat zou ons aller ondergang zijn. Ik wist ook niet, of gij wel het geduld zoudt hebben te wachten totdat gij ze zoudt mogen en moeten gebruiken; dus hield ik ze verborgen. Nu zijt gij echtereen man en weet gij wat u wacht indien gij onvoorzichtig zijt; op den weg naar Urfa bevinden zich rooverbenden en daar kunnen ze u van grooten dienst zijn.quot;

Jack nam de revolver met groote verrukking aan en nam haar mee om haar te bekijken en te probeeren. In Engeland was hij, voor een jongen van zijn leeftijd, een bijzonder goed schutter geweest, al had hij daar slechts een gewoon geweer bezeten; hij had de revolver echter vaak voor zijn vader schoongemaakt, dus wist hij wat hij nu doen moest. Zij verkeerde in een vreeselijken toestand, daar zij door de vochtigheid geheel verroest

-ocr page 88-

84

was, en in het eerst vreesde hij, dat hij er niets mee zou kunnen doen. Met groote moeite echter gelukte het hem twee van de zes loopen schoon te maken en te laden; met de a/ndere was niets aan te vangen.

Terwijl hij nog bezig was, werd er op de deur getikt. Daar hij wist, dat hij gevaarlijk en verboden werk verrichtte, zei hij niet zooals gewoonlijk: „Binnenquot;, maar ging hij naar de deur en opende die. Het was Gabriël, die op den drempel stond.

„Yon Effendi,quot; zei deze: „de post rijdt nog van nacht af.quot;

„Welnu, wat beteekent dat?quot;

„Dat beteekent, dat gij in negen uur inplaats van in twee dagen Urfa kunt bereiken, want gij weet, dat de postpaarden den geheelen weg in galop afleggen. Het is meteen een veilige wijze van reizen ook, want zij krijgen zaptiehs mede om hen te beschermen.quot;

„Goed, Gabriel. Gij mocht wel Avedis (goede tijding) heeten! Ik zal dadelijk naar den postmeester gaan en eene plaats voor mij bespreken.quot;

„Zult gij die goed wegstoppen?quot; vroeg Gabriël, met een angstigen blik op de revolver: „dat zou uw dood zijn. En, o, Yon Effendi, nog éen ding, als 't u belieft,quot; voegde hij er smeekend bij, terwijl hij Jacks hand kuste en haar aan zijn voorhoofd drukte: „bespreek ook eene plaats voor een jongen, dien gij mee moet nemen: laat mij met u meegaan, Yon Effendi, ik smeek het u?quot;

Jack aarzelde. „Het zou u in gevaar kunnen brengen,quot; zei hij.

„Niet meer dan u zelf,quot; zei de knaap.

„Maar uw vader en moeder, — en uw grootvader, — wat zouden die wel zeggen, Gabriël?quot;

„Zij hebben mij hunne toestemming gegeven, ja zij

-ocr page 89-

85

vinden het zelfs heel goed. Zij zeggen dat het alles is terwille van mijne zuster, wat gij nu doen gaat, en dat ik u daarom mag helpen, — als ik kan. Ik ken heel goed Turksch, en dat zal heel nuttig zijn. Ook ken ik beter de manieren van de Turken dan gij. En ik heb u zoo lief, Yon Effendi.quot;

Hij had gelijk en ten slotte kreeg hij zijn zin.

Dien avond verzamelde de geheele familie Meneshian zich in de grootste kamer van het huis, de mannen en knapen aan de eene zijde plaatsnemend en de vrouwen aan de andere. Op gewone tijden zouden zij hunne „ge-buren en vriendenquot; ook uitgenoodigd hebben tegenwoordig te zijn, doch thans durfden zij dat niet doen. Der Garabed was nu dus de eenige, die niet tot de familie behoorde en hij was er in al de waardigheid van zijn ambt, want hij moest de officieele gebeden der Kerk en eenige schriftuurplaatsen voorlezen. Nadat dit gebeurd was, stond Jack op van zijne zitplaats en begaf zich tot Shushan, die naast hare moeder zat. In zijne hand had hij zijns vaders Bijbel en een Armenisch gezangboek. Toen hij haar naderde, stond Shushan eveneens op, doch haar hoofd bleef gebogen en haar gelaat gesluierd, terwijl hij haar met eenige gefluisterde woorden de boeken overreikte. Zwijgend nam zij ze aan en legde ze op de tafel. Zij behoefde niets te zeggen; door ze aan te nemen had zij hare toestemming te kennen gegeven en was de verloving bezegeld.

Volgens landsgebruik deelden de jongste knapen nu bastuc en paclava (een soort van honingdeeg) rond en werd er koffie en sherbet gepresenteerd. Het was echter meer uit kracht van gewoonte, dat dit laatste gebeurde, dan wel omdat men eenige feestelijkheid wenschte te

-ocr page 90-

86

vieren, want de stemming der aanwezigen was alles behalve feestelijk. Al spoedig ook ging het kleine gezelschap uiteen, want Jack en Gabriel moesten zich reisvaardig maken.

Zoodra de nacht inviel, zeiden zij hunnen vrienden vaarwel met het gebruikelijke „Paree menacquot; (blijf in vrede) dat ditmaal nog meer van harte dan gewoonlijk met een „Paree yetacquot; (ga in vrede) werd beantwoord.

-ocr page 91-

HOOFDSTUK IX.

Strijd en Yrede.

„Geen enkele ware gedachte, niet één heilig voornemen, geen enkele liefdedaad heeft vergeefs bestaan.quot; Bobertson.

John Grayson en Gabriel Meneshian zochten hun weg door de nauwe, onwelriekende straten van Urfa, waar de goten die er midden door liepen, hun af en toe niet eens toelieten om naast elkander te gaan. Zij hadden hunne paarden in een khan achtergelaten en zochten nu de woning van de Vartonians, waarheen zij beloofd hadden te gaan. Eindelijk kwamen zij op een plein, waar een kerk stond, omgeven door een kerkhof, waarvan het hek open was. „O, we zijn zeker in onze eigen wijk,quot; riep Gabriël verrukt uit: „want dit is een Christelijke kerk.quot;

Jack ging het hek binnen en bekeek alles met veel belangstelling. De deur van de kerk was ook open en Gabriël, ziende, dat John daarnaar keek, zeidetothem: „Gij moest daar even wat gaan rusten, Yon Effendi, want ge zijt doodmoe. Ik zal onderwijl naar het huis zoeken; het kan niet ver van hier zijn.quot;

-ocr page 92-

88

„Doch gij zijt ook vermoeid,quot; zeide John.

„O, neen volstrekt niet. Als ik maar iets te drinken had, zou ik tot alles in staat zijn. Kijk, dat is een buitenkansje, daar gaat juist een Turk voorbij met eene groote kan vol iran.quot;

De Turk, die met luider stem zijne waar te koop aanbood, hield juist stil, want hij zag een Armenischen knaap de straat afkomen met een grooten, leegen emmer in de hand. „Hebt ge dit noodig?quot; vroeg hij. terwijl hij er zijne zure melk al in wilde gieten.

De jongen zeide, dat hij volstrekt geen iran wilde hebben; hij was uitgezonden om water te halen en dat moest hij dus meebrengen. Zijn meester wachtte er op en zou heel boos zijn, als hij het niet bracht. Dus beproefde hij om vei dei te gaan, doch de Turk hield hem vast, greep zijn emmer en ledigde er zijn kan iran in, niet zonder een groot deel er van op de straat te morsen. „Geef mij nu mijn geld, zeide de Turk daarop tot den verschrikten jongen.

„Maar ik kan dat goed niet gebruikenquot; herhaalde de knaap met tranen in de oogen.

„Wat kan mij dat schelen, gij hond van een Giaour! Gij hebt het nu, en bij den baard van den Profeet: ge zult het betalen ook!quot;

Terwijl de knaap, bitter schreiend, naar de weinige piasters zocht, die hij bij zich had, werd Jack rood van toorn en Gabriel wilde in zijne verontwaardiging naar de straat snellen om het kind te verdedigen, toen Jack, die reeds geleerd had zich in te houden, hem terughield en hem in 't oor fluisterde „wacht even.quot;

Dit deden zij, totdat de Turk een zijstraat was ingeslagen, en toen riep Jack den jongen, die nog onbewegelijk

-ocr page 93-

89

met treurige blikken op zijn nuttelooze emmervol iran stond te staren. „Wilt gij ons wat te drinken geven?quot; vroeg hij hem vriendelijk, „wij versmachten van dorst.quot;

De knaap hield op met weenen en reikte als eenig antwoord zijn emmer over aan de beide vreemdelingen. Jack dronk er eerst uit en gaf hem toen over aan Gabriël, terwijl hij het kind gelukkig maakte met nog meer piasters, dan de Turk hem ontnomen had. Alle tranen waren nu spoedig verdwenen en de knaap liep vroolijk weg, na de vreemde heeren van harte bedankt en den zegen des hemels over hun hoofd ingeroepen te hebben.

„Luister eens even,quot; zeide Gabriël, „wat voor een kerk is dat?quot;

„Dat is de Protestantsche kerk,quot; was het antwoord.

„Is het dan eene Engelsche?quot; vroeg Jack, terwijl zijn hart al van vreugde klopte.

„Neen, mijnheer, het is een Armenische, doch van denzelfden godsdienst als de vreemdelingen, die Engelsch spreken. Het zijn goede menschen, die veel voor de armen doen.quot;

„Misschien is er wel een dienst aan den gang, omdat de deur open staat,quot; zeide Jack, „ik ga eens even kijken.quot;

„Goedquot; antwoordde Gabriël, „intusschen zal deze jongen mij wel helpen om het huis van de Vartonians te vinden, en dan kom ik u halen.quot;

Jack liep het kerkhof over en trad de kerk binnen, na zijne schoenen op den drempel neergezet te hebben. Van binnen was zij zeer fraai, geheel van witten steen, gestut door slanke pilaren en versierd met fijn snijwerk. Zij geleek wel wat op een Gregoriaansche kerk, uitgenomen het volkomen gemis aan schilderijen. In het venster boven wat de Gregorianen het Altaar en de Protestanten

-ocr page 94-

90

der Engelsche kerk, de Tafel des Heeren noemen, hing een smal rood kruis. Een laag houten beschot scheidde de plaatsen van de mannen en vrouwen, de vloer was met rietmatten bedekt.

Voor de Tafel des Heeren, op een soort rustbed, behangen met sneeuwwit linnen en met bloemen bedekt, lag eene menschelijke gestalte. Jack begreep wat het was, want in Biridjik had hij ook meermalen gezien, hoe de Armeniërs hunne dooden eerst in de kerk neerlegden, voordat zij hen naar hunne laatste rustplaats brachten. Met gebogen hoofd en vol eerbied naderde hij de baar, en toen hij voorzichtig den linnen doek oplichtte, die over het gelaat lag, zag hij, dat het eene vrouw was. Niet een lieftallige jeugdige verschijning zooals Shushan, maar eene, die het leven gekend had en de hitte des daags doorgemaakt, en die wellicht thans dankbaar was, tot hare rust te zijn ingegaan. Gisteren waren er misschien nog rimpels op dat voorhoofd geweest; heden echter had de dood, -voor velen hier de „vriendelijke doodsengel,quot; die alle uitgewischt en in de plaats daarvan zijn stempel van Vrede op haar aanschijn gedrukt. Om de gesloten witte lippen speelde een trek, dien wij wel meer zien op het aangezicht onzer dooden, alsof „God hen in't oor fluistertquot; de geheimen, die zij thans weten, doch die zij ons nog niet kunnen meedeelen. Woorden, die hij lang geleden gehoord had, kwamen John Grayson te binnen: „De vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.quot; Het was hem alsof hij zich weer in eene kerk in zijn vaderland bevond, terwijl eene ernstige stem de zegenbede over de vergaderde gemeente uitsprak. Daarop, tot het tegenwoordige terugkeerend, sprak hij bij zichzelf: „Het neemt de vreeze des doods weg, als men eene doode ziet zooals deze.quot; Vol

-ocr page 95-

91

eerbied bedekte hij het gelaat weer en zich in de schaduw van een pilaar terugtrekkend, knielde hij neer om te bidden.

Terwijl hij nog geknield lag, hoorde hij de voetstappen van iemand, die naar de doode kwam zien. Toen hij geruisch-loos opstond, zag hij een slank man met een nobel uiterlijk, a la Frank gekleed, de baar naderen. Het haar van zijn gebogen hoofd begon grijs te worden; zijn rustig, bleek gelaat teekende diepe zorg. John G-rayson wist, toen hij hem stil naast zijne doode zag nederknielen, als bij instinct, dat de liefde dezer twee geweest was, wat zijne en Shushan's liefde zou kunnen worden, zoo God hen het verdere van hun leven samenliet.

Gedurende enkele minuten duurde de stilte, toen vernam hij het pijnlijkste geluid, dat op aarde kan worden gehoord, het snikken van een krachtig man. Jack bleef stil in de schaduw van zijn pilaar staan, vol eerbied en ontroering; voor niets ter wereld zou hij zijne tegenwoordigheid hebben bekendgemaakt.

Bevreesd dat Gabriël hem zou komen zoeken, zag hij rond of er ook gelegenheid was om weg te komen. Zijn oog viel op een smalle zijdeur, waarnaast hij stond. Zonder geruisch te maken sloop hij er heen; zij was niet gesloten, hij opende haar en kwam door de studeerkamer van den dominé op het kerkhof om op Gabriël te wachten. Ja, daar kwam hij juist aan door het hek. Hij ging naar hem toe.

„Ben ik lang weggebleven, Yon Effendi?quot; vraagde de knaap „Ik heb de familie Vartonian gevonden, en ik zal u dadelijk naar haar toe brengen. Baron Vartonian is zelf niet te huis, maar een van zijne zonen zou met mij medegekomen zijn om u te verwelkomen, doch zij zitten vandaag in groote zorg, want dominé Stepanian, hun Badvellie, dien zij zeer liefhebben, heeft pas zijne vrouw

-ocr page 96-

92

verloren. Shushan zal er zeer bedroefd over zijn, want Oriort Elmas Stepanian, de dochter van den Badvellie, is haar groote vriendin.quot;

„Ik weet het.quot; antwoordde Jack zachtjes. ,.Ik heb het gelaat van de doode gezien, en nu begrijp ik, Gabriël. dat sterven toch niet zoo heel moeilijk moet zijn.quot;

„Neen, zeide Gabriël. „Het valt niet zwaar voor de zaak des Heeren te sterven, Yon Effendi.quot;

„Het doet mij denkenquot; ging Jack voort, als sprak hij tot zichzelven, „aan de laatste woorden, die ik mijn vader hoorde zeggen: de donkere rivier wordt licht.quot;

Door de gansche familie Vartonian werd Jack met open armen ontvangen. Het huishouden was nog grooter dan dat van de Meneshians te Biridjik. Het hoofd van het gezin, een welvarend koopman, was op reis naar Aleppo, maar zijn oude, zwakke vader was thuis, en evenzoo zijne vele kinderen, waarvan een drietal gehuwd was en met hunne kinderen bij hem inwoonde; ook telde het gezin een aantal bedienden. Sommigen van de familie waren Protestantsch, anderen Gregoriaansch, maar dit wekte onder hen geen twist of jaloerschheid. Daar zij vermogende menschen waren, was hun huis, dat gelijk al de andere om een binnenplaats gebouwd was, zeer ruim, en fraai gemeubeld. Het houtwerk was versierd met fraai beeldhouwwerk, terwijl schoon bewerkte gordijnen, tapijten en kleedjes aan het geheel een gezelligen aanblik gaven.

De Vartonians beschouwden Jack als een held. Maar zij gevoelden zich niet gerust over Shushan, die achtergebleven was in een dorp, dat ieder oogenblik door de Koerden kon worden aangevallen; want te Urfa wist men veel beter dan te Biridjik hoe verward de toestand in het land was en men had daar gehoord van de gruwelijke

-ocr page 97-

93

slachtingen, die in vele steden en dorpen waren voorgekomen. De Armenische wijk was immers nog vol ellendige vluchtelingen uit Sassoun, die daar gedurende den winter ■eene wijkplaats hadden gezocht, — arme uitgeputte, half verhongerde, gewonde en verminkte schepsels, die allen de afschuwelijkste verhalen deden van het lijden, dat ze hadden doorgemaakt.

Allen waren het er over eens, dat Jack niet beter kon doen, dan zijn geval meedeelen aan de dame, die aan het hoofd stond van de Amerikaansche Zending, waarvan Shushan eenigen tijd de school bezocht had. Wij zullen deze heldhaftige vrouw, die gelukkig nog in leven is, Zuster Celandine noemen. Zij meende, dat het beste plan was, om Shushan, zoodra het huwelijk was voltrokken, vermomd te Urfa te brengen, daar zij onder hare bewaking en op de gronden van het zendingshuis voor het oogen-blik volkomen veilig zou zijn. Volgens haar zou de Engel-sche Consul wel in staat wezen, zijne toestemming tot het huwelijk te geven, en behoefde hij er niet in persoon bij tegenwoordig te zijn. Zij wist echter niet, waar de Consul te vinden was: waarschijnlijk gebruikte hij de baden te Haran, daar het in Augustus was en zeer warm. Zij zou trachten het zoo gauw mogelijk uit te vinden en zou er dan den heer Grayson kennis van geven.

Een paar dagen later was Jack juist op het punt, met een van de zonen van zijn gastheer uit te gaan om de bergen rondom Urfa te bestijgen en de oude citadel en andere belangrijke ruïnes te bezien, — toen Kevork Meneshian binnentrad. Zoodra de gewone begroetingen waren afge-loopen, vroegen Barkev Vartonian en Jack hem als uit éen mond: „Wat heeft u hier gebracht?quot; En Barkev voegde er bij: „Het is nu toch geen vacantie.quot;

-ocr page 98-

94

„Neen,quot; antwoordde de jonge man, met een glimlach: „Ik deed zeer verkeerd met Yeatessa te verlaten, maar ik ben toch heel blij, dat ik het gedaan heb.quot;

„Gij spreekt in raadsels,quot; zei Jack.

„Ik zal ze oplossen,quot; antwoordde Kevork. „Toen de vrouw van Ds. Stepanian gestorven was, kwam die tijding per telegraaf te Aintab bij Oriort Elmas. Haar hart gaf haar in, zich dadelijk naar huis te begeven, waar haar vader en haar kleine broertjes haar wel zeer noodig zouden hebben. Maar wat een reis voor een jong meisje, en dat nog wel geheel alleen met niets dan khartijen als gezelschap en bescherming! Denkt het u in: vier lange dagen te paard en drie nachten in de khans langs den weg. En dan de gevaren van den weg, — overal wilde Koerden, om van andere nog verraderlijker, al zijn het niet zulke woeste vijanden, niet te spreken. Ik kon die gedachte niet verdragen. Ik zei dus niets, maar schreef alleen een briefje van verontschuldiging aan het Hoofd der school, begaf mij heimelijk op weg zonder op zijne toestemming te wachten en volgde haar als haar schaduw van het oogenblik af, dat hare onderwijzeres te Aintab haar vaarwel zeide, totdat zij zich gisteravond hier te Urfa in haars vaders armen wierp.quot;

„Gij zijt nogal een geschikt persoon om u als ridder van eene jonge dame op te werpen!quot; zei Barkev lachend.

„Ik zei niet „ridder,quot; ik zei „schaduw,quot; antwoordde Kevork koeltjes: „Een schaduw is altijd vlak voor of vlak achter iemand: ik zorgde dus mij zoo te houden, en liet haar alleen weten, dat ik er was, als zij mij noodig had. Op' verschillende manieren heb ik haar van dienst kunnen zijn. Zoo komt het, dat ik nu hier ben, en ik denk dat de zendelingen in Aintab wel niets meer van mij zullen

-ocr page 99-

95

willen weten, daar ik zoo tegen hunne regels gezondigd heb. Maar ik heb al heel wat van hen geleerd,quot; voegde hij er met groote gelijkmoedigheid bij; ,,,Yon Effendi, hoe gaat het met mijn vader en mijne moeder, en allen te Biridjik, want wij hebben daar niet stil gehouden op onze reis. En wat ter wereld heeft u hier gebracht?quot;

Jack beantwoordde zijne vragen, zich onderwijl verbazend over den nieuwen blik, dien hij op Kevork's karakter kreeg. Scherpzinnig, praktisch en bijna zelfzuchtig in het najagen zijner plannen, zooals hij hem tot hiertoe gekend had, zag hij hem thans Elmas ^tepanian dienen met een teedere toewijding en zelfverloochening, waarop elk waar ridder trotsch zou zijn geweest.

„Gij zult verstandig doen met u tot den Badoelli te begeven,quot; sprak Barkev: „hij is heel knap en hij zal u wel willen voorthelpen met uwe lessen.quot;

„Ik zal Ds. Stepanian thans nog niet lastig vallen,quot; zei Kevork beslist — „niet voordat ik hein om iets anders kan komen vragen. Neen, ik zal Zuster Celandine verzoeken, mij werk te geven; ik zou de jongens van hare school les kunnen geven en 's avonds voor mijzelf doorstudeeren.quot;

„Gij zult uw weg wel maken,quot; zei Barkev met een goedkeurend hoofdknikje: „gij weet althans wat gij wilt.quot;

„Dat zou ik ook, — in een ander land. Maar,quot; vervolgde hij op zachter toon: „wat hoor ik hier van nieuwe moorden ?quot;

„O, geruchten, - geruchten! Niets dan geruchten. Ik zou er maar niet te veel aan hechten, voordat wij er meer van hooren.quot;

„Ik hoop maar, dat het slechts geruchten zijn,quot; sprak Kevork: „men hoort althans dingen zeggen, die te dwaas zijn om over te vertellen. Verbeeldt u, dat ik te Aintab

-ocr page 100-

96

hoorde vertellen, hoe sommigen in Europa gelooven, dat ivij het zijn, die de Turken vermoorden? Alsof wij het konden, gesteld, dat wij het wilden! Zonder vuurwapenen, zonder middelen zelfs, om ons goed tegen de Koerdische roovers te verdedigen, zou het voor ons nogal een geschikt ding zijn om de Turken te willen aanvallen! Het zou er iets van hebben alsof we een bajonet wilden tegenhouden met onze vuisten.

„De wolf eet het lam op en roept luide, dat het lam hem opeet,quot; zei Barkev. „Maar,quot; voegde hij er bij, voorzichtig om zich heen blikkende: „hoort men er nog iets van of de Engelschen ons zullen komen helpen?quot;

„Er wordt wel gezegd, dat de Sultan, die daartoe zeker is overgehaald door de Engelschen en andere Christenen, ons enkele voorrechten zal toestaan.quot;

„Wij verlangen geen voorrechten,quot; sprak Barkev: „wat wij eischen is recht. Wij wenschen niets dan veiligheid voor ons en onze bezittingen, bovenal voor onze vrouwen.quot;

„Dat schijnen die nieuwe wetten ons te waarborgen.quot;

„Ik voor mij zal daar pas aan gelooven, zoodra ik eens een Mahomedaan gestraft zie voor eene misdaad jegens ons misdreven. Dat is iets, wat mijn grootvader, die nu zeven en tachtig jaar is, nog nooit gezien heeft, en dat de kleine Nerses, die nog niet gespeend is, ook wel nimmer zien zal.quot;

„Wat helpt het, over die dingen te spreken, al zijn ze ook nog zoo waar?quot; sprak Kevork: „Het doet niemand goed en 't kan wel kwaad.quot;

Het hart van Kevork Meneshian was in deze dagen niet geneigd om zich in droevige waarheden te verdiepen. Zelfs de donkerste kloven in de Alpen vangen eiken dag hun zonnestraal op, zij het ook slechts gedurende één kort

-ocr page 101-

97

uur; en zoo heeft ook het somberste leven gewoonlijk wei eenige vluchtige oogenblikken van gouden zonneschijn, gedurende welke de blik van een geliefd oog of de glimlach om een zachten mond, meer waard is dan het lot van volken en koninkrijken. Zulk een oogenblik was er nu aangebroken voor Kevork; en het had zulk een oogenblik kunnen zijn voor John Grayson, verkeerde het voorwerp zijner liefde niet juist in zulk een gevaar, dat al zijn levensgeluk er door bedreigd werd.

Het scheen wel, dat alles tegen hem samenspande. De rit van Biridjik naar ürfa was in vliegenden galop afgelegd en hij had het doel der reis pas bereikt tegen den middag, toen de zonnehitte bijna overweldigend was. Toen hij zich daarna zoo ellendig voelde, meende hij, dat dit slechts een gevolg was van de vermoeienis en hij hield zich op, hoeveel het hem ook kostte, tot aan de komst van Kevork, doch toen werden koorts en hoofdpijn hem te machtig. Nog juist slaagde hij er in, een brief gereed te krijgen voor den Consul, dien een der zonen van Yartonian aan zuster Celandine bezorgde, met verzoek hem, indien het mogelijk was, zijne bestemming te doen bereiken. Nu echter moest hij het opgeven. Acht dagen lag hij ter prooi aan hevige koortsen, met Kevork als zijn trouwe verpleger, terwijl ook zijn vriendelijke gastheer en vrouw met de hunnen hem alle zorg wijdden, die in hun vermogen was.

Toen de koorts hem eenmaal had verlaten, was hij zoo

i

gelukkig tamelijk spoedig zijne krachten te herwinnen, iets waartoe zijn gezond gestel, zoowel als het eenvoudige, geregelde leven, dat hij geleid had, veel bijdroegen. Zoodra hij weer uit kon gaan, zeide hij, dat hij zich naar het Zendingshuis wilde begeven, om zuster Celandine te

Aan den Euphrmt 7

-ocr page 102-

98

vragen of zij eenig nieuws voor hem had. Terwijl hij dit zeide, stond hij dicht bij een der weinige ramen, die uit het huis van den heer Vartonian uitzicht verleenden op de straat, en iets dat hij daar zag, deed hem plotseling zijn zin afbreken en een uitroep van afschuw en medelijden slaken.

„Wat is er?quot; vroeg Kevork, en hij naderde het raam, gevolgd door Barkev en een paar der dames, die juist in de kamer waren.

Langzaam, bij groepjes van twee en drie, toog daar voorbij een vreemde verzameling van de ellendigste men-schelijke gedaanten, die Jack ooit gezien had. Vermagerd en uitgeteerd, met ledematen die hun bijkans eiken dienst weigerden, of wel gezwollen en vormloos door afzichtelijke ziekten, waggelden zij met ongeregelden tred langzaam voort. Hunne kleeding bestond slechts uit vuile lompen; sommigen hadden met bloed doorweekte windsels om hoofd of armen en de meesten konden zich slechts staande houden door middel van stokken en krukken. Vlak voor het raam was eene vrouw midden op de straat neergevallen en het scheen wel, dat zij dood was. De man, die naast haar had voortgestrompeld, stond er bij en zag toe, zonder iets te doen tot hare hulp. Hoe kon hij ook? Hij miste beide handen.

Als door eene ingeving snelden de drie jonge mannen tegelijkertijd de straat op. Jack was er het eerst en reeds was hij bij de arme vrouw neergeknield en trachtte hij haar op te heffen, toen de anderen aankwamen. „Het geeft niets,quot; zei de man naast haar op doffen, bijna onverschilligen toon: „Zij is dood.quot;

„Dat weet ik nog niet,quot; sprak Jack. „Geef haar lucht; om 's hemels wil, Kevork, houd die menschen wat van

-ocr page 103-

99

haar af. Barkev, wilt gij niet een opwekkenden drank voor haar halen?quot;

Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, want vanzelf verzamelden zich dadelijk vele toeschouwers om het geval, waaronder velen der vreemdelingen, maar ook enkele Armeniërs uit Urfa zelf. Een van deze laatsten drong de anderen op zijde met een vertoon van macht. „Laat mij door, vrienden,quot; sprak hij kalm maar gebiedend: „ik ben dokter.quot;

Naar zijn uiterlijk te oordeelen, scheen hij geen zeer voorspoedig lid van het gilde; doch hij was nog jong en hij had de geheele wereld voor zich. Hij voelde de pols en den hartslag der vrouw en zei weldra: „Zij is niet dood, maar zij zal het gauw genoeg zijn, indien zij niet de noodige zorg en goed voedsel krijgt. Wie wil mij helpen om haar in mijn apotheek binnen te dragen, die hier dicht bij is?quot;

Jack was dadelijk bereid tot helpen, geheel vergetend hoe ziek hij nog pas geweest was; maar Barkev had bezwaren. „Was het niet beter haar naar het Zendingshuis te brengen?quot; vroeg hij: „Zuster Celandine heeft voedsel en medicijnen en daar zal zij goed verzorgd worden.quot;

„Zuster Celandine heeft de handen reeds vol genoeg. Daarenboven is mijn huis veel dichterbij: — Goed, mijnheer, neem gij haar maar bij de voeten,quot; vervolgde hij tot Jack: „ik zal wel voor de rest zorgen.quot;

„Gij zijt een braaf man. Meikon Effendi, en misschien hebt gij wel gelijk,quot; zei Barkev, wiens aandacht werd afgeleid door eenige anderen van het ongelukkige troepje, die hem in Gods naam smeekten hun wat eten te geven, daar zij sinds verscheidene dagen niets hadden genuttigd dan wat gras en wortels.

-ocr page 104-

100

Jack hielp Meikon om zijn patient op de operatietafel neer te leggen en zag daarna toe, hoe deze trachtte haar weer bij te brengen. „Wat zijn dat voor menschen ?quot; vroeg hij vol belangstelling.

Zonder met zijn werk op te houden, antwoordde de jonge dokter hem in afgebroken woorden. „Van een der dorpen, — Rhoemkali, — vluchtelingen, — er is weer een slachting geweest, — ons volk is door Turken en Koerden uitgemoord.quot;

„'t Is gruwelijk.quot;

„Gruwelijk? Als gij de vluchtelingen uit Sassoen hadt gezien, die hier dezen winter aankwamen, dan zoudt gij pas kunnen spreken van gruwelen. Ik geloof, dat de jonge zendelinge, zuster Fairchild, haar leven voor hen heeft opgeofferd.quot;

„Zuster Fairchild, de vriendin van Shushan! „Is zij dan dood?quot; vroeg Jack vol angst.

„Zij hebben haar weggezonden, zwevend tusschen dood en leven, en wij weten nog niet wie van de twee de overwinning zal behalen. En wat die moorden betreft, — ze zijn heden ginds en morgen hier.quot;

„Kom, niet hier, in eene groote stad als deze, — zeker niet hier!quot; zei Jack op stelligen toon: „Maar voor de dorpen, en de kleine stadjes zooals Biridjik, daarvoor houdt men het hart vast.quot; En zijne gedachten vlogen naar Shushan.

„Zij komt bij,quot; zei Meikon opgewekt, daar voor hem de plicht van het oogenblik de verschrikkingen der toekomst op den achtergrond drong.

„Wel, mijn jongen, wat verlangt gij?quot; voegde hij erbij tot een knaap, die zich op den drempel vertoonde: „O, ik zie het al, gij zijt een der bedienden van Baron Thomassian

-ocr page 105-

101

en gij komt zeker mijne boodschappen halen. Gij zijt juist bijtijds: hier hebt gij een lijstje van de medicijnen, die ik weer noodig heben hij overhandigde hem een papier.

„Ik zal er voor zorgen, Meikon Effendi,quot; zei de jongeling: „ik had echter ditmaal eene boodschap voor dien anderen heer. Baron Barkev Vartonian, dien ik zooeven sprak, heeft mij gezegd, dat ik hem hier zou vinden.'quot;

„Voor mijT' vroeg Jack eenigszins opgewonden; want waartoe zou Thomassian hem laten zoeken, dan om hem een brief uit Engeland, of althans een boodschap van den Consul over te brengen?quot;

„Voor u, mijnheer. Mijn meester zendt u zijne eer-biedigste groeten en verzoekt u zijne nederige woning wel te willen vereeren met een bezoek, en bij hem een kop zwarte koffie te gebruiken.quot;

Nog onder den indruk van blijde visioenen, waarbij hij zichzelf in triomf zijne jeugdige bruid naar Engeland zag voeren, wachtte Jack slechts zoolang, totdat hij de arme vrouw volkomen bij haar bewustzijn gezien had. Hij gaf Meikon eenig geld om in hare eerste behoeften te voorzien en volgde toen met een kloppend hart den bediende naar het huis van Thomassian, onderweg een boodschap achterlatend bij zijn gastheer om te zeggen, waar hij was heengegaan.

Wat hem wachtte was een aanblik van echt Oostersche weelde en pracht, die hij nog nimmer in Armenië had aanschouwd. Het huis van de familie Vartonian had hem reeds zeer weelderig toegeschenen, maar dit was een toover-paleis! Muggurditch Thomassian zelf, in een onberispelijk Europeesch costuum, trad hem aan de deur tegemoet. Hij had blijkbaar niets vernomen van Jack's ziekte, wat niet

-ocr page 106-

102

te verwonderen was, daar hij zijne bloedverwanten, de familie Vartonian, slechts zelden zag. Met de uiterste beleefdheid verklaarde hij zijn gast, dat hij de vrijheid had genomen hem tot een bezoek uit te noodigen, omdat zijne vrouw zoo gaarne weer eens een Engelschman zou ontmoeten. „Zij komt uit Konstantinopel,quot; zei hij niet zonder eenigen trots: „daar was zij gewoon veel om te gaan met Franken, vooral met Engelschen, wien zij groote achting toedraagt.quot;

Daarop leidde hij zijn gast door de ruime marmeren binnenplaats met de fraaie fontein in het midden, de bloeiende rozenstruiken en de keur van zeldzame bloemen, die een heerlijken geur verspreidden. Sommige waren nog zeer nieuw en eerst kort geleden ingevoerd, en deze wees hij den Engelschman vol ingenomenheid aan.

Jack bewonderde ze plichtmatig, en gaf te kennen, dat het hem een groot genoegen zou wezen, zijne opwachting te maken bij „mevrouw,quot; — doch toen hij aldus aan de eischen der beleefdheid had voldaan, kon hij niet nalaten er bij te voegen, „ik hoopte, dat gij mij een brief uit Engeland of althans eene mededeeling van den Consul hadt te geven.quot;

„Hebt gij dan zelf geen antwoord ontvangen op uw brief, Effendi?quot; vroeg Thomassian, terwijl hij zich bukte om voor zijn gast eenige rozen te plukken, die deze bijzonder mooi had gevonden.

„Geen letter.quot;

„Djanum!quot; (mijn ziel! een gewone uitroep.) „Dan vrees ik dat hij op de post verloren is geraakt. Gij weet hoe vaak dat hier helaas gebeurt.quot;

„Maar de Consul?quot; vroeg Jack gretig: „gij hebt hem toch gesproken, nietwaar?quot;

-ocr page 107-

103

„Neen, hij was niet te Aleppo, toen ik daar kwam,quot; antwoordde Thomassian: „ik heb hem toen wel over uwe belangen geschreven, doch ik vrees, dat die brief evenmin als de uwe zijne bestemming bereikte.quot;

„De Consul is altijd ergens anders,quot; dacht Jack moedeloos, terwijl hij zich van zijne schoenen ontdeed voor de fraai gebeeldhouwde en gepolitoerde deur, die naar het vrouwenvertrek leidde. De kamer, die hij nu binnentrad was zwaar geparfumeerd. Zijden stoffen, rijk geborduurd, waren in sierlijke plooien langs de muren gedrapeerd, terwijl zijden en satijnen kussens in alle kleuren, dikwerf rijk met goud en zilver versierd, in achteloozen overvloed overal verspreid lagen. Het eenige meubelstuk, dat de kamer buiten deze kussens bevatte, was de lange, met satijn bekleede rustbank, die langs een der zij muren liep en waarop eene zeer bekoorlijke dame in half zittende houding neerlag. Hare kleeding bestond uit de kostbaarste stoffen en was eene vermenging van Europeesche en Oostersche modes. Jack maakte zijn compliment met zooveel plichtplegingen als hij kon, waarop hij werd uit-genoodigd op de weelderige kussens plaats te nemen en gebruik te maken van de geurige koffie, sorbet en zoetigheden, die op zilveren blaadjes door nette donkeroogige meisjes, in zijden zebouns, werden rondgediend.

Zijn gastheer hield hem ondertusschen bezig met allerlei gesprekken, die hij in zijne teleurstelling al zeer ijdel en onbeduidend vond, terwijl de vrouw des huizes er af en toe op kwijnenden toon een vriendelijk woordje tusschen-voegde. Daar Jack echter nog vol was zoowel van zijn eigen lot als van de ellende der vluchtelingen uit Ehoem-kali, die hij zoo juist gezien had, waagde hij eene vraag naar de berichten vandaar, doch met een waarschuwenden

-ocr page 108-

104

wenk in de richting zijner vrouw, wist Thomassian dat gesprek dadelijk af te wenden. Jack begreep best, dat hij haar liever niet verontrustte als het niet noodig was, te meer, daar zij er verre van sterk uitzag.

De tijd viel hem echter lang en zoo gauw hij het met inachtneming der vormen doen kon, stond hij op om afscheid te nemen.

De dame riep nu een harer kamermeisjes en fluisterde haar iets in. Het meisje verliet de kamer en kwam weldra terug met een mooie kartonnen doos, ongeveer een voet in het vierkant, die met stroo, in verschillende kleuren gevlochten, bedekt was. „Wilt gij mij een dienst bewijzen, mijnheer Grayson,quot; zeide mevrouw Thomassian: „wilt gij u belasten met deze doos Turksche lekkernijen uit Konstantinopel en haar met mijne groeten overhandigen aan mijne neefjes en nichtjes Vartonian ? Maar wat ik u bidden mag, vergeet uwe eigene belangen niet. Open de doos zoodra gij thuiskomt en neem het eerste stukje voor uzelf.quot; Dit zeggende sloeg zij hare donkere oogen op en voor één oogenblik zag zij John Grayson met een veel zeggen den blik diep in het gelaat; dadelijk daarop sloeg zij haar blik weer neer en groette zij hem met volmaakte Oostersche beleefdheid, vermengd met iets van de gewilde achteloosheid onzer hooggeplaatste dames.

Toen Jack zich weer alleen bevond met Thomassian, begon hij over de gruwelen te Rhoemkali, maar Thomassian haalde de schouders op. „Het is vreeselijk,quot; zei hij.

„Is er niets aan te doen?quot;

„Niets, mijnheer Grayson, „n de dwazen, die altijd willen meespreken over zaken, waarvan zij geen het minste verstand hebben, bewerken niets, dan dat zij

-ocr page 109-

105

zichzelf en anderen in gevaar brengen. Weet gij hoe het menigmaal gaat? Er loopt een praatje, dat Engeland ons zal bijstaan, of een dergelijk los gerucht, en op grond daarvan durft de een of andere heethoofd een zaptieh het hoofd bieden, of doodt hij een Koerd en dan is de geheele hel tegen ons allen losgebroken.quot;

„Maar, als de zaptieh zijn vader martelt om hem eene belasting te doen betalen, die hij niet schuldig is, of een wapen te doen uitleveren, dat hij niet bezit? Of, als de Koerd hem ontrooft wat hem dierbaarder is dan het leven, — zijne, — wel, gij weet wat ik meen, — ik kan het niet onder woorden brengen,quot; zei Jack, met de gedachte aan Shushan.

„Spreek het maar niet uit! Spreken is zilver en zwijgen is goud. „Het hart van den dwaas ligt hem op de tong, de tong van den wijze is verborgen in zijn hart.quot; Mijnheer Grayson, ik dank u zeer voor de eer van uw bezoek. Wees zoo goed mijne familie van mij te groeten. Ik hoop dat de oude vader Hagop niet meer zooveel last heeft van zijn hoest? En hoe gaat het met den kleinen jongen ? Loopt hij al ? Ik hoop binnenkort het genoegen te hebben hen te bezoeken, maar de zaken zijn nu juist zeer druk.quot; Onder allerlei zulke praatjes leidde hij Jack naar de buitendeur, en met een gevoel van verlichting verliet Jack de omgeving, die hem zoo weinig sympathiek was.

Thuisgekomen opende hij de doos en zag eenigszins nieuwsgierig uit naar wat de geefster bedoeld mocht hebben, door zoo over „het eerste stukjequot; te spreken. Elk der bonbons was in een vloeipapiertje gewikkeld, maar bij zorgvuldige beschouwing zag hij, dat een ervan blijkbaar was losgewikkeld en weer ingepakt. Hij nam het er uit, en las toen, in uiterst fijn schrift, de volgende woorden:

-ocr page 110-

106

„Mijnheer John Grayson, Shushan is in gevaar. De eerste vrouw van Mehmed Ibrahim is eene goede kennis van mij. Zij verlangt niet, dat Shushan gevonden zal worden. Zij heeft mij verteld, hoe Mehmed heeft ontdekt in welk dorp zij verborgen is en dat hij de Koerden zal aanzetten het aan te vallen en haar gevangen te nemen. Zij is nergens veilig dan in het huis van de Amerikaansche zendelingen hier, — als gij haar maar in eene goede vermomming kunt overbrengen, — want de Turken durven daar niet binnendringen. Ik kan niet zelve aan de zendingszusters schrijven, want mijn echtgenoot heeft mij allen omgang met hen verboden, daarom wend ik mij tot u.

Gij zult wel weten wat u te doen staat. God zegene u.

Yevnega Thomassian.quot;

-ocr page 111-

HOOFDSTUK X.

Eene Armenische bruiloft.

„Totdat de dood ons scheide, — armlyk woord voor liefde, wie de onsterüükheid behoort.quot; E. B, Browning.

Te Biridjik, in het huis van Hohannes Meneshian, en in dezelfde kamer waar John Grayson het eerst kennis maakte met het huiselijk leven der Armeniërs, zaten twee vrouwen te arbeiden. Mariam, die er oud en door zorgen nedergedrukt, uitzag, zat als gewoonlijk achter haar spinnewiel, terwijl Shushan zich over een fraai borduurwerk heen-boog. De kamer zag er veel minder gezellig uit dan voorheen, de meeste der gordijnen en kleeden waren verdwenen, en niets toonde aan dat de maaltijd werd gereedgemaakt. Dit laatste kwam er echter minder op aan, daar het nu juist de druiventijd was, en er stond dan ook een mand vol met groote, wazige trossen in een hoek, om, met een stuk roggebrood, het avondmaal der familie te vormen.

De dorpelingen bij wie Shushan had vertoefd, hadden haar den vorigen dag naar huis gebracht. Shushan was niet langer veilig bij hen. Een Koerd, die hun eenige

-ocr page 112-

108

vriendelijkheid had betoond, en wien zij vaak bakshies hadden gegeven, had een der mannen over den wijngaardmuur toegeroepen: „pas op! gij hebt een lelie in uw dorp, die de sheikh wil plukken.quot; Zij hadden op dien wenk acht gegeven en zoo was Shushan opnieuw bij hare familie en in haar geboorteplaats. De ontmoeting had hen echter weinig blijde gemaakt.

Hare tegenwoordigheid was een gevaar voor hare vrienden. Van plaats tot plaats was zij gedreven, als een vogel door de honden uit zijn schuilplaats opgejaagd, opdat hij onder het bereik mocht komen van het geweer van den jager. Gelukkige vogel, die althans weldra zou vallen, om zijn leven uit te ademen op het gras en daar rust te vinden! Zulk een rust zou niet eenmaal het deel zijn van het slachtoffer, waarop de Moslem het oog had geslagen!

Meer dan eens had een gulden zonnestraal haar vriendelijk licht doen vallen over Shushans leven. Wat was haar leven gelukkig geweest, toen zij te Urfa met hare nichtjes naar de Zendingsschool ging, om zooveel heerlijks van de vreemde dames te leeren. Daarna had zij te Biridjik een wel heel ander, maar toch nog hooger geluk leeren kennen. De krachtige jonge Engelschman had een plaats gekregen in haar leven en het geheel veranderd. Hij had haar gered van de wilde honden, en hij had oneindig meer gedaan dan dat, toen hij, in den diepsten nood, haar te hulp was gekomen als hij haar koos om zijn eigen te zijn, opdat hij zijn rechten op haar mocht doen gelden. Haar hart klopte als zij dacht aan de verrukking van dien wonderen dag in haar leven, dien dag van haar huwelijk.

Maar nu was Yon Effendi van haar weggegaan. Met hem was al hare vreugde verdwenen, als de sneeuw die

-ocr page 113-

109

wegsmelt op de bergen, of als een droom in den nacht. In hare ziel was overgebleven een verlangen, pijnlijk bij al zijn liefelijkheid, naar hem, die het middelpunt was van heel haar denken. Yon Effendi was heengegaan, terwijl Mehmed Ibrahim, dien zij nooit had gezien, maar aan wien zij dacht met onuitsprekelijken afkeer, door zijne agenten en instrumenten, alomtegenwoordig scheen te zijn, en op haar aan te dringen van eiken kant. Voor den dood was zij minder bevreesd dan voor hem, maar zij was nog geen zestien jaar, en sinds zij Yon Effendi had leeren kennen, verlangde zij te leven.

De wel onderwezen leerlinge van de Zendingsschool dacht helderder, voelde dieper dan haar zooveel minder ontwikkelde moeder; haar hart vloeide over van diepe smart. Eens of tweemalen moest zij haar hoofd omwenden, opdat de tranen niet op haar werk zouden vallen en het bederven.

„Moeder,quot; zeide zij ten slotte, „zoo het Gods wil was, zou het toch maar veel beter zijn als ik stierf. Daar schijnt voor mij op aarde geen plaats te zijn.quot;

„Kind, zoo moogt gij niet spreken,quot; antwoordde Mariam. „Wij moeten in de wereld leven zoolang het God behaagt. Haar eigenwillig te verlaten zou eene groote zonde zijn.quot;

„Behalve als ik het deed om een zonde te vermijden,quot; zeide Shushan ernstig, hare moeder met droeve oogen aanziende.

Beiden zwegen een oogenblik. Toen zeide de moeder:

„Mijn kind, voordat gij van ons heengingt, hebt gij zoo dikwijls de heerlijke teksten, die gij op school geleerd hebt, voor mij opgezegd. Ik hoorde ze zoo gaarne, want ze schoten mij weer te binnen, als ik in zorg of in gevaar was. Weet gij nog welk een angst wij uitstonden op den

-ocr page 114-

110

dag toen de zaptiehs kwamen om de belastingen te innen ? Uw vader - had wel voor Gabriël en Hagop het bedrag klaar liggen, maar hij meende dat er voor Kevork te Aintab zou worden betaald en het was dus niet in hem opgekomen, daar hier voor te zorgen. Zij eischten het echter toch, „en,quot; dacht ik: „nu zullen zij zeker vaderen grootvader slaan en martelen, want wij hebben waarlijk niets meer om te betalen.quot; Maar opeens herinnerde ik mij de woorden uit den brief van den Heiligen Petrus, die gij voor mij opgezegd hadt: „Werpt al uwe bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u.quot; Ik smeekte dus uit den grond van mijn hart: „O, Heere Jezus, help ons!quot; — en Hij hielp ons. Want hoewel de Turken al onze rijst vonden en meenamen, zagen zij de gerst en de bulghour niet, zoodat wij die nu nog hebben om van te leven. En toch gingen zij tevredengesteld heen.quot;

Het duurde eenige oogenblikken voordat Shushan antwoordde. Hare vlugge vingers tooverden met donkerroode zijde het hart eener roos op een fraai gekleurden zijden doek, maar uit haar'eigen leven scheen alle kleur te zijn geweken. Tot hiertoe was zij de sterke geweest en had zij hare moeder steun verleend, doch thans waren de rollen omgekeerd en wendde zij zich tot hare moeder om troost en opbeuring.

„Ach, Moeder,quot; zeide zij; „mijn hart is zoo vol, zoo bezwaard! Soms vraag ik mij wel eens af, — en het schijnt, dat ik geen antwoord krijg: „Zorgt Hij wel voor ons, Armeniërs?quot;

Zorgt Hij wel voor de Armeniërs? Niet alleen uit het verdrukte land zelf is die kreet opgerezen tot de ooren van den Heere Zebaoth, — ook uit menig huis in verre landen, waar het verhaal van hun lijden wordt vernomen)

-ocr page 115-

Ill

heeft die vraag tallooze malen weerklonken. En nog hebben wij geen ander antwoord er op te geven, dan „Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het hiernamaals verstaan.quot;

Mariam kon hare dochter dan ook niet met allerlei wijze redeneeringen opbeuren, maar zij bezat het geheim van ware moederliefde, die vaak beter troost dan woorden. Vol teederheid sloot zij Shushan in hare armen en kuste haar. Het jonge meisje scheen er door bemoedigd.

„Ik moest niet zoo tot u spreken, Moeder,quot; zeide zij beschaamd: „Wij weten immers, dat Hij voor ons zorgt.quot;

„Amaan! God is goed,quot; zei Mariam; „Hij zorgt voor iedereen; zelfs, denk ik voor de Turken.quot;

Er heerschte eene korte poos stilte, en beiden hervatten haar werk.

„Ik ben niet geheel gerust omtrent grootvader,quot; zei Mariam na eenigen tijd. „Als hij maar wat meer voedsel wilde gebruiken! Sinds dien schrik over u en het verlies der kudden, is hij nooit meer dezelfde geweest. En het laatste bezoek der zaptiehs heeft hem geen goed gedaan, Maar wat beteekent dat leven op de plaats ? Er is iemand binnengekomen.quot;

Het snorren van het spinnewiel hield op en Shushan liet het werk uit hare handen vallen en verbleekte merkbaar. Geen van beiden verwachtte iets goeds van een vreemd bezoek. Shushan had zich wel willen verbergen, maar daartoe scheen geen tijd meer te zijn; daarom bleef zij zwijgend zitten luisteren naar een verward rumoer van stemmen, dat buiten gehoord werd. Maar eensklaps riepen beiden:

„Het is de stem van Kevork, mijn zoon.quot;

„De stem van mijn verloofde, van Yon Effendi.quot;

-ocr page 116-

112

„Doe uw sluier neer, mijne dochter,quot; zeide Mariam haastig. En Shushan sluierde haar gelaat en bleef op hare plaats zitten, terwijl hare moeder opstond om heur zoon te verwelkomen, dien zij sinds achttien maanden niet had gezien.

Voor eene enkele maal werd althans dien nacht de stem van vreugde en dankbaarheid gehoord in het huis van Hohannes Meneshian.

Jack had met Kevork beraadslaagd over hetgeen de vrouw van Thomassian hem had medegedeeld. De beide jonge mannen waren overeengekomen, om zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Biridjik en Shushan met zich mede te nemen naar Urfa, al zouden zij haar daarvoor ook als een jongen moeten verkleeden. Daar zij vreesden, dat het de Vartonians in gevaar zou kunnen brengen, zoo zij van hun plan afwisten, hadden zij er hen onkundig van gelaten. Met niemand spraken zij er over als met Zuster Celandine, die gaarne beloofde Shushan te ontvangen en te beschermen.

Jack begaf zich toen naar Muggurditch Thomassian, en vroeg hem eene som gelds ter leen. De koopman had hier niets tegen, want hij was overtuigd, dat de jonge Engelsch-man fondsen te zijner beschikking had. Deze gaf hem eene schriftelijke schuldbekentenis, waarin eene vrij hooge rente was gestipuleerd, en vroeg hem tevens over deze zaak niet te spreken met de Vartonians, die het wellicht onaangenaam zouden vinden, dat hij zich niet allereerst tot hen had gewend. Er bestond niet veel gevaar, dat dit zou geschieden, want de neven verkeerden te dezer tijd niet op zulk een voet met elkander, dat zij elkaar veel spraken. De Vartonians hadden, gelijk andere Armeniërs, rijken zoowel als armen, ruimschoots bijgedragen

-ocr page 117-

113

tot de behoeften der ongelukkige vluchtelingen van Rhoem-kali, zelfs hadden zij enkelen van hen een onderkomen bezorgd in hunne huizen. Zij waren verontwaardigd over hun rijken landgenoot, die wel ruim had bijgedragen voor de ongelukkigen, maar zich thans scheen schadeloos te stellen door grove winsten te nemen op de drogerijen en medicijnen, die voor de slachtoffers noodig waren; en de jongere leden der familie verborgden hun meening niet, over deze wijze van handelen.

Met een deel van Thomassians geld kocht Jack Koerdische kleederen voor zich en voor Kevork, en ook een kleiner kostuum, voor een jongen van omtrent veertien laren. Hij had nog de goede paarden, waarop hij en Gabriël naar Urfa waren gereden. Lang stond hij met zichzelven in tweestrijd, of hij wachten zou op bericht van den consul, maar hij besloot dit niet te doen. Shushan kon vooreerst zijne verloofde blijven; als zoodanig konden Kevork en hij haar naar Urfa brengen en haar plaatsen onder de bescherming van zuster Celandine. Het huwelijk kon later plaatsgrijpen.

Tot zijne groote blijdschap kwamen echter, juist toen zij op het punt stonden te vertrekken, de noodige papieren. De invloed van zuster Celandine had ze verschaft en zij wist den reizigers ook een zaptieh te bezorgen, om hen op den weg te beschermen. Zij namen een hartelijk afscheid van de Vartonians, wien zij niets anders zeiden, dan dat zij terugkeerden naar Biridjik, en van Gabriel, nu een vlijtig en vroolijk leerling in de zendingsschool.

Op hun reis naar Biridjik viel er niets bijzonders voor. Zij kwamen overeen hunnen vrienden niets te vertellen van de moorden; maar die voorzorg was niet noodig, want zij wisten reeds alles.

Aan den Euphraat ' 8

-ocr page 118-

114

Daar de maand September was aangebroken en het weder zeer warm was, reisden zij bij nacht en kwamen op den morgen van den tweeden dag te Biridjik aan. De overblijvende uren werden gebruikt om elkander allerlei te vertellen, en schikkingen te maken voor de toekomst.

Ondanks alle gevaren, die hen omringden, voelde Kevork zich toch niet ongelukkig, als hij met zijn moeders hand in de zijne zat, terwijl zijn vader hem met belangstelling en zijn broeder Hagop hem met groote bewondering aanzagen, als hij verhaalde van de heerlijke achttien maanden, die hij in de zendingsschool te Aintab had doorgebracht. En wanneer zoo nu en dan de naam van Elmas Stepanian in zijn verhaal genoemd werd, dan stak daar toch niets in? Eiken Zondag zag hij haar immers in de kerk, en hoorde hij niet hoe uitnemend zij bij het examen geantwoord had en welke prijzen haar waren ten deel gevallen ? Had hun onderwijzer er zelf niet over gesproken om hem en de andere jongens aan te sporen tot vlijt, door hen te wijzen op den ijver door de meisjes betoond ?

Voor Jack was dien dag nog grooter vreugde weggelegd. quot;Weliswaar mocht hij Shushan slechts gesluierd en in gezelschap van hare moeder of eene der andere vrouwen zien; maar hij kon haar toch toefluisteren, hoe heerlijk het zou zijn in hun eigen huis, in het vrije en gelukkige Engeland. En toen zij aarzelend zeide: „Maar mijne familie, Yon Effendi,quot; zeide hij, dat de geheele familie met hen naar Engeland moest gaan. Kevork zou daar een werkkring vinden, de jongere knapen konden er eene goede opvoeding ontvangen, en allen zouden zij daar in vrede en veiligheid leven. Was hij wat kalmer geweest, dan hadden de bezwaren, die op dien weg zich aan hem zouden voordoen, hem misschien onoverkomelijk toegeschenen; maar

-ocr page 119-

115

daar zijn oogenblikken, waarin de bezwaren zich als van zelve schijnen op te lossen.

Dien dag was er heel wat te doen, om alles gereed te maken voor het huwelijk, dat den volgenden dag zou plaatsvinden. De gewoonte eischte, dat Jack zou gezorgd hebben voor de bruidskleederen, maar in de bestaande omstandigheden kon hij dat niet doen. Avedis echter kwam tot hem en bracht hem een fraai kleed van blauw satijn, met lange mouwen, bestikt met goud borduurwerk. „Gij weet,quot; zeide hij, „dat ik zou gehuwd zijn met Ala Krikorian. Somtijds denk ik, dat het voor haar goed was voor dien tijd te sterven, want zoo werd zij gespaard voor de verschrikkingen, die over ons volk staan te komen. Het bruidskleed had ik echter reeds gekocht; neem gij het nu, daar ik toch nimmer eene andere zal huwen, beschouw het als mijn geschenk, en geef het aan Shushan; en God moge u beiden zegenen.quot;

Jack legde met zorg zijne eigene beste kleederen voor den volgenden dag gereed. Hij stond vroeg op, trok zijn gewone pak aan, en wachtte zoo Der Garabed af, die volgens gebruik eerst het gewaad van den bruidegom moest zegenen. Toen deze ceremonie was volvoerd, kleedde Jack zich voor het huwelijk, en ging met Hohannes en de andere mannen van de familie naar de kerk. In de rijen der mannen nam hij zijne eigene plaats in, terwijl Shushan, die later binnentrad, met hare moeder en andere vrouwelijke verwanten, tusschen de vrouwen ging zitten. De dienst verliep als naar gewoonte totdat, op den bestemden tijd. Jack, met een kloppend hart, van zijn plaats opstond, en voor het altaar ging staan. Shushan werd er van hare plaats naar toe geleid, en stond daar naast hem. Geen van beiden dorst opzien.

-ocr page 120-

116

Der Garabed las nu uit de Heilige Schrift voor van de eerste bruiloft in het paradijs en vervolgens uit het Nieuwe Testament, van de plichten die Christelijke vrouwen en mannen jegens elkaar hadden. Daarna, toen zij zich omkeerden en tegenover elkaar kwamen te staan, zagen zij elkander voor een oogenblik in de oogen, en lazen daar het geheim eener liefde, die sterker is dan de dood. Nu moesten zij elkander de hand reiken en hunne hoofden buigen, totdat hunne voorhoofden elkaar aanraakten. De oude Hohannes nam thans een kruis uit de hand van den priester en legde het, bevend van aandoening, op de beide gebogen hoofden. Daarop las de priester enkele gebeden voor, en deed de plechtige vragen, die in elke Christelijke kerk bij zulk eene gelegenheid gedaan worden. Toen hieven zij hunne hoofden op en stonden daar, met het recht om thans, voor God en menschen, samen door het leven te gaan, totdat de dood hen zou scheiden. De laatste psalm werd gezongen, de zegen gegeven, en John Grayson leidde zijne Lelie weg, — nu eindelijk de zijne. Daar was eene diepe, innige blijdschap in zijn hart; hij had een gevoel alsof dé meest beslissende stap op zijn levensweg nu was afgelegd.

Het kon wezen, dat, wanneer hij voortging, gevaren hem van alle zijden zouden omringen, maar dit éene uur moest hij van zijn geluk genieten, 't Was waar, dat hij geene moeder meer had om hem op zijn huwelijksdag geluk te wenschen, geen vader om hem zijn zegen te geven, en pijnlijk gevoelde hij dat gemis. Maar hij geloofde in een Goddelijken zegen en was vol moed voor de toekomst. Hij meende, dat het niet moeilijk zou wezen, zijne bruid in veiligheid naar zijn, — en haar Engelsch tehuis te voeren. Eenmaal daar aangekomen, zouden zij

-ocr page 121-

117

te zamen kunnen arbeiden voor de bevrijding van haar volk; — van „ons volk,quot; dacht John G-rayson, met eene mengeling van blijdschap, medegevoel, — en, al klinkt het vreemd, — zelfs van trots!

-ocr page 122-

HOOFDSTUK XL

Een avontuurlijke rit.

„Eén oogenblik heeft ons vereend,

En niets kan ons meer scheiden.quot;

E. Browning.

Eenige uren na de voltrekking van het huwelijk trad Kevork met een bleek, beangst gelaat bij Jack binnen. „Gij ziet hoe de menschen hier gestemd zijn,quot; zei hij op bezorgden toon.

„Dat is maar al te goed te zien,quot; antwoordde Jack.

„Hebt gij opgemerkt, hoe bekommerd iedereen in de kerk er uitzag?quot; ging Kevork voort. „Onder ons eigen volk hoort men over niets spreken dan over moord en doodslag; en de Turken hebben het er druk over, hoe zij ons zullen dooden en ons alles ontnemen wat wij hebben. Ons eigen huis is in het grootste gevaar van alle: wij vreezen, dat wij verantwoordelijk zullen worden gehouden voor Shushan en de Hemel weet, wat de Turken ons zullen aandoen als zij bemerken, dat zij ontsnapt is. In éen woord, iedereen zegt, dat als gij haar wegvoert naar Urfa, het geheele huisgezin mede moet trekken. Zij denken daar veel veiliger te zijn dan hier.quot;

-ocr page 123-

119

„Maar zijn zij niet bang om zoo dicht in de buurt van Mehmed Ibrahim te komen?quot;

„Zij rneenen, dat juist die nabijheid hen redden zal. Hij zal hen niet licht zóo vlak bij zich zoeken. Zij zijn het dan ook allen eens, dat zij willen vertrekken, behalve grootvader, die er zich niet over uitlaat en vader, die niet zeker is, wat het beste is. Deze zijn er echter niet bepaald tegen en zij zullen dus medegaan, wanneer de anderen het verlangen. Grootvader zegt: „De hemel is even dichtbij in Urfa als te Biridjik.quot;

„Best,quot; zei Jack; „maar kunnen zij dan van avond reeds medegaan?quot;

„Van avond?quot; riep Kevork uit: „Waar denkt gij aan! Zij hebben minstens veertien dagen of drie weken noodig om klaar te komen; zij moeten alles in de grootste stilte doen uit vrees voor de Turken.quot;

„Heel goed, Kevork,quot; zei Jack op beslisten toon: „maar ik laat Shushan geen dag langer hier; de anderen moeten dan maar volgen zoodra zij kunnen.quot;

„Gij hebt gelijk,quot; antwoordde Kevork: „Doch wat mij betreft, ik moet blijven. Denk eens aan: wij hebben hier drie en twintig zielen, meest vrouwen en kinderen, die naar Urfa moeten gebracht worden: en geen van hen zijn nog ooit twintig mijlen van huis geweest — zelfs oom Avedis niet, die toch zoo schrander en knap is. Wij zullen alles moeten verkoopen wat wij kunnen, maar in de grootste stilte, want als de Turken het bemerken, zullen zij ons beletten om weg te gaan. Ja, ik moet hier blijven. Gij kunt de paarden nemen.quot;

Jack knikte toestemmend. „Wij moeten tegen middernacht vertrekken,quot; zeide hij: „ik zal nu voor alles gaan zorgen en de vrouwen waarschuwen.quot;

-ocr page 124-

120

Hij verliet de kamer en was zoo gelukkig Shushan voor het oogenblik alleen te vinden. Hij had een groot pak voor haar medegebracht, dat hij op den grond naast haar legde.

„Mijn eigen Shushan,quot; zei hij, haar vol teederheid bij de hand vattende: „ik weet, dat gij mij volkomen vertrouwt. Ik ga u nu een bewijs daarvan vragen.quot;

Vol liefde zag zij tot hem op en hare oogen gaven ten antwoord: „Zie, wat ik niet voor u doen zou.quot;

„Liefste, ik moet u vragen deze kleederen aan te trekken, die ik voor u gekocht heb, afscheid te nemen van uw vader en moeder en u gereed te houden om te middernacht met mij naar Urfa te rijden.quot;

Zij bezag de kleeren terwijl hij het pak opende en onwillekeurig liep er een rilling door hare leden, toen zij zag, dat het een Koerdisch gewaad was.

Jack glimlachte. „Zij zijn in elk geval schoon,quot; antwoordde hij. „Zij zijn nooit gedragen. En voor zoover ik weet, bestaat er geen enkel woord, dat schapen verbiedt een wolfsvel te dragen.quot;

„O, maar allen moeten gaan, vader en moeder en Hagop — wij allen.quot;

„Zij zullen ons volgen, Shushan.quot;

„Maar hoe kunnen wij hen in zulk een gevaar achterlaten ! En ik, Yon Effendi, ik heb het over hen gebracht.quot;

„Neen, dat is niet waar, lieveling. Het is niet alsof er slechts hier en daar een vervolgd wordt; het gevaar bedreigt geheel uw ras - ons ras,quot; zeide hij, terwijl eene hartstochtelijke liefde, vol van medelijden, voor het volk, dat zijn volk geworden was, uit zijne stem sprak. Zoo gij niet meer hier zijt,quot; voegde hij er bij, „zal hun gevaar zeker niet zoo groot zijn. En, zoo de Heer wil, zullen wij elkander allen in Urfa wederzien.quot;

-ocr page 125-

121

■ „Alles wat gij mij zegt zal ik doen, — gij zijt mijn echtgenoot,quot; zeide Shushan, en uit de woorden, hoe zacht ook uitgesproken, sprak kloeke vastberadenheid. Met heel haar hart hing zij hem aan, en hoewel zij zeer zacht en bescheiden was, toch droeg zij een hartstochtelijk, voor diepe indrukken vatbaar, Oostersch hart in haren boezem.

Tegen middernacht stond er een groep menschen op de binnenplaats van het huis der familie Meneshian. De maan scheen niet, — des te beter voor hun plan! — maar groote, schoone sterren straalden van den hemel op hen neer. Avedis bracht een lantaarn mede, die twee vreemde figuren bescheen. In het midden stond een Koerdisch krijgsman; zijn hoofd was bedekt met een kleurige „kaflehquot; van gele zijde, waaromheen koorden gewonden waren en waarvan het voorste deel was opgeslagen, zoodat een gelaat, zoo donker als van een mulat, zichtbaar werd. Zijn „zebounquot; was van schitterend scharlaken, zwierig hingen daarover vier losse strepen en daaronder kwam een helblauwe Turksche broek te voorschijn, terwijl een donkerroode gordel de revolver bevatte, met haar twee nog bruikbare loopen. Het was niet noodig deze nog langer te verbergen, want zij behoorde nu bij de uitrusting.

Een Koerdische knaap, op dezelfde wijze gekleed en wiens gelaat en handen even zorgvuldig waren donker gekleurd, had de armen om Mariams hals geslagen alsof zij nooit zouden scheiden.

„Kom mijne dochter,quot;, zeide Boghos ten slotte; „de oogenblikken zijn kostbaar.quot;

„Wij gaan niet voor lang van elkaar,quot; zeide Kevork opgewekt. „Over enkele weken volgen wij u naar Urfa.quot;

„Zooals de zaken nu staan,quot; zeide de oude Hohannes

-ocr page 126-

122

plechtig, „kan elke scheiding er een zijn voor het leven; maar wij Christenen zijn niet bevreesd voor den dood. Shushan, mijne lelie, ik zegen u in den naam des Heeren en God moge u geleiden.quot;

Haar vader wachtte haar nu om haar zijn zegen te geven en terwijl hij dit onder tranen deed, wendde Jack zich tot Hohannes: „Gij zijt steeds een vader voor mij geweest,quot; sprak hij: „zegen mij nu ook als uw zoon.quot;

Met bevende stem sprak de oude Armeniër de woorden van de gebruikelijke zegenbede en de Engelschman boog vol eerbied zijn jeugdig hoofd. Daarna drukte hij al de aanwezigen de hand en richtte zich toen tot het bevende meisje in jongenskleeren, om haar in het zadel te helpen. Toen zij gezeten was, sprong hij vlug op zijn eigen paard, dat Kevork zoolang had vastgehouden. „Vaarwel, broeder,quot; zei hij tot dezen, terwijl hij zich voorover boog, om hem een krachtigen handdruk te geven.

Langzaam en in de grootste stilte bestegen de goed gedresseerde paarden de terrassen, die hen naar de buitenzijde der stad voerden. De oude Hohannes, die zijn levenlang de gelegenheid had gehad, zich in zulke zaken te oefenen, had door een handige omkooperij gezorgd, dat zij de oude stadspoort van Biridjik open vonden, en dus bevonden zij zich weldra op den grooten weg daarbuiten.

„Zachtjes aan, zachtjes aan,quot; fluisterde Jack tot zijn ros, dat hem volkomen scheen te verstaan. Verbaasd vroeg hij zich af, of in dit wonderlijke land zelfs de redelooze dieren zich leerden schikken naar de omstandigheden van een leven vol vervolgingen en gevaren. Het leek wel alsof hunne paarden beide met vilt waren geschoeid, zoo weinig leven maakten zij.

Toen zij de terrassen en tuinen achter zich hadden.

-ocr page 127-

123

moesten zij een paar stroompjes doorwaden, en kwamen daarop bij de oude bron, die de stad van water voorzag. Even verder kruisten drie wegen elkaar, en op dat punt bevond zich altijd een Turksche wacht. Dit kon een ernstig gevaar voor hen opleveren, want indien hij hun naar hunne passen vroeg, hadden zij er geen te vertoonen.

„Wat zullen wij doen, als hij er naar vraagt?quot; fluisterde Shushan. — Jack wees op zijne beurs. Gelukkig bezorgde de Turk hun echter niet veel last, want hij lag vast te slapen in zijn wachthuisje aan den weg.

Zoodra zij in het open veld waren, leidde hun weg langs rotsen, die het getrappel hunner paarden luide weerkaatsten. In het begin joeg hun dit geluid een hevigen schrik aan, maar gelukkig bemerkten zij weldra, dat er niemand meer was, die hen hooren kon en dus wenden zij er spoedig aan.

Zoo reden zij voort in den stillen nacht, zonder nevel of dauw, terwijl de sterren op hen neerblikten en de groote planeten licht genoeg gaven om duidelijke schaduwen op hun pad te werpen! Het gevoel van vrijheid en eenzaamheid deed Jack weer welgemoed ademhalen. Hij zette de beide paarden tot spoed aan en het was alsof ze over den grond vlogen zonder den bodem te raken, terwijl de frissche nachtlucht verkoelend hunne slapen streelde.

„Gij zijt toch niet bang, liefste? Gaan wij te snel?quot; vroeg hij, toen hij meende een lichten zucht te hooren en hij dus zijn paard wat inhield.

„O neen, maar ik heb toch nooit zoo hard gereden. Toen Neef Thomassian mij te Biridjik bracht, klonk het maar steeds „Jevash! Jevash!quot; (Een Turksche uitdrukking voor „op uw gemak!quot;)

-ocr page 128-

124

„Vindt gij het niet onaangenaam, mijne Lelie?quot;

„Ik vind het heerlijk,quot; antwoordde zij, naar adem hijgend, maar met stralenden blik, „rijd maar gerust hard, ik kan u best bijhouden.quot;

Hoe Jack het zelf vond? Een vroolijk licht flikkerde in zijn oog en er scheen nieuw bloed door zijne aderen te tintelen, terwijl zij zich samen door de eenzame woestijn spoedden, die hun een bloeiende Hof van Eden leek.

Na eenigen tijd hielden zij de teugels wat in, zoodat zij samen konden praten. „Men zegt,quot; — begon Jackoppein-zenden toon, alsof hij zijn geluk maar half besefte, — men „zegt, dat hier, in uw land, de Hof van Eden gelegen was.quot;

„Dat beweren onze vaderen,quot; antwoordde Shushan: „en het is schoon en lieflijk genoeg, althans in het voorjaar, als de bloemen bloeien. Indien wij maar niet altijd in vrees en angst behoefden te leven, —quot;

„Ja, dat was het, wat mij het meest trof, toen ik begon te herstellen na mijne ernstige ziekte en ik weer acht ging slaan op wat er om mij heen gebeurde. Het was alsof er altijd over alle menschen en dingen een schaduw zweefde van een onbestemden angst.quot;

„Ik denk, dat er in Engeland toch ook wel zonde en verdriet woont.quot;

„Dat is er zeker, liefste. Doch in Engeland is de wet tegen zonde en wreedheid en maakt zij er een eind aan waar zij kan. Ook is er in Engeland eenzelfde wet voor allen. Er zijn daar niet twee soorten van menschen, de eene gespoord en gelaarsd om te rijden en de ander gezadeld en belast om bereden te worden. Het duurde een heele poos, voordat ik die verhouding hier goed begreep, en voordat het mij duidelijk was, dat ik tot de gezadelden en belasten behoorde.quot;

-ocr page 129-

125

„Dat komt omdat gij niet hier geboren zijt. Weet gij, Yon Effendi, wij verwachten nooit iets anders dan lijden en moeite, omdat wij Christenen zijn. Zoolang ik mij herinneren kan, hebben wij altijd in angst geleefd, — in angst voor de Turken op straat, in angst voor den Kamaikan, in angst voor de Zaptiehs, en in angst voor de Koerden. Kevork en ik waren altijd samen toen wij klein waren, maar ik geloof niet. dat wij ooit echt vroolijk speelden, zooals gij wel vertelt van uwe jeugd. Soms speelde ik later wel eens met de kleintjes; maar ik hield er meer van om moeder te helpen, of te luisteren naar het gesprek der ouderen. Toen kwam al heel spoedig die vreeselijke tijd toen Mehmed Ibrahim, onze Kamaikan,

„Stil, spreek daar niet van. Gij zult zijn aangezicht nooit weerzien, indien ik het verhoeden kan, Shushan.quot;

„Voor zoover ik weet, heb ik het nooit gezien. Ik was nog maar tien jaar oud.quot;

„Als een klein meisje bij ons in Engeland nog met haar poppen speelt! Arm kind!quot;

„Mijne kinderjaren waren toen ten einde. Mijne ouders zonden mij, met eenige kooplieden uit ons stadje, die juist daarheen reisden, naar Urfa. Daar ben ik gelukkig geweest. Ik ging er op school en maakte er kennis met die lieve vreemde dames, en met de familie Vartonian en boven alles met Elmas Stepanian, mijne vriendin.quot;

„quot;Weet gij wel, mijne Lelie, dat Kevork zooveel van Elmas houdt, — op dezelfde wijze als ik van u?quot;

„Hoe zou hij anders kunnen?quot; zei Shushan met een stralenden blik: „Het was zoo heerlijk op school,quot; vervolgde zij na eenige oogenblikken: „ik leerde er zooveel uit den Bijbel en van onzen Heer Jezus, waar ik vroeger niets van wist, hoewel ik Hem altijd wel liefgehad heb.

-ocr page 130-

126

Dat heeft mij geholpen om te begrijpen waarom al deze ellende ons overkomt. Heeft Hij niet gezegd; „In de wereld zult gij verdrukking hebben?quot; Maar Hij heeft ook gesproken: „Ik ben met ulieden al de dagen.quot; Als het eene waar is, moet het andere het ook zijn.quot;

„Ja,quot; zei Jack ernstig: „ik geloof, dat ik het nu ook kan aannemen.quot;

„Het scheen alles zoo waar en zoo duidelijk, dien gelukkigen tijd op school; en naderhand, toen ik pas terug was in Biridjik, was het mij alsof Hij altijd vlak bij mij was, en kende ik geen angst of vrees. Er was er daarvoor toen geen plaats in mijn hart, want Hij vervulde het geheel.quot;

Jack zweeg. Ook hij vreesde God, hij ging met al zijne nooden tot Hem, en verlangde niets zoo vurig als Zijn wil te doen, doch deze ervaring van Zijne persoonlijke nabijheid was hem nog vreemd.

„Langzamerhand echter begon ik te zien, wat er om mij heen voorviel,quot; vervolgde Shushan: „en het scheen steeds erger te worden. Ik sprak er maar niet veel over, want daar werd het niet beter door; wij konden er toch niets aan doen, wij waren volkomen machteloos. Maar dat alles maakte diepen indruk op mij. Daarop kwam die ergste angst van alles, — Mehmed Ibrahim, — opnieuw terug. Toen begon ik te vreezen, dat God ons had begeven. Weet gij niet welke vreeselijke dingen daaromtrent staan in een der Psalmen? „Maar nu hebt gij ons

verstooten en te schande gemaakt.....en onze haters

berooven ons voor zich. Gij geeft ons over als schapen ter spijze. Gij verkoopt uw volk om geene waardij; en Gij verhoogt hunnen prijs niet. Gij stelt ons onzen naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons

-ocr page 131-

127

zijn. Om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.quot;

„O Shushan, stil! Het is te vreeselijk.quot;

„Nog slechts éen woord: hoor! „waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere? Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid. Waarom zoudt Gij uw aangezicht verbergen ? onze ellende en onze onderdrukking vergeten?quot; Dat was het, waar ik voor vreesde: dat Hij ons vergat, — dat Hij niet langer voor ons zorgde.quot; Shushan liet het hoofd hangen. Vol verlangen om haar te troosten, strekte Jack zijne hand uit, om de hare aan te raken; zij zag op en in het schemerlicht zag hij hoe hare oogen vochtig werden, terwijl zij met zachte, gevoelvolle stem vervolgde: „Maar Hij heeft mij niet vergeten: Hij heeft mij u geschonken. En het is toch niet waarschijnlijk, dat Hij Shushan Meneshian zou gedenken en den anderen niet.quot;

Onder dergelijke gesprekken reden zij, nu eens wat sneller, dan wat zachter, voort, zoodat zij weldra een heel eindweegs hadden afgelegd. Shushan, die geen andere tochten gewend was, dan de ritjes op haar ezel van en naar de wijnbergen, begon zeer moede te worden, hoewel zij dat niet gaarne zou hebben toegegeven. Hun weg leidde nu over een bergpas, die zoo smal was, dat zij achter elkaar moesten voortgaan langs een steilen bergrug aan de eene zijde en een diep dal, bijna een afgrond, aan de andere. Eén misstap en de ongelukkige reiziger lag als een verminkt lijk tusschen de rotspunten en kloven daar beneden. Zij hadden niets dan het schijnsel der sterren om hun pad te verlichten en de schaduw van den berg maakte de duisternis nog grooter.

„Vertrouw uzelf maar aan uw paard, Shushan,quot; zei Jack: „het instinct dezer dieren zal ons hier beter helpen dan al onze voorzichtigheid.quot;

-ocr page 132-

128

Shushan zei niets, en hoewel zij inwendig beefde van angst, kwam er geen kreet of zucht over hare lippen; alleen fluisterde zij af en toe de geliefde bede van haar volk: „Hesoos okné menk,quot; — Jezus, help ons.

Haar gebed werd verhoord; zij kwamen veilig langs de gevaarlijke punten en waren weldra aan de andere zijde. Daar werd hun oor plotseling getroffen door het welluidend gezang van een vogel; — het was alsof de zachte, volle tonen nu eens in hooge jubelklanken, dan in de zuiverste trillers, de geheele lucht vervulden. „De nachtegaal!quot; fluisterde Shushan: „o, luister toch eens!quot;

Tot hiertoe had geen enkele boom de eentonigheid verbroken van hun weg, die eerder een spoor van muilezels dan een voetpad leek. Nu echter kwamen zij bij een boschje van doornstruiken, in een waarvan de lieflijke zanger was verscholen.

„Hier moet ergens eene bron zijn,quot; zei Jack: „Kevork heeft mij gezegd, dat dit de plek is, waar reizigers gewoon zijn halt te houden en iets te gebruiken. Kijk, daar is zij!quot;

Dit zeggende sprong hij van zijn paard en hielp Shushan eveneens afstijgen. Hij trachtte alles voor zijn vrouwtje zoo gemakkelijk mogelijk te maken door de zadelkussens op den grond te spreiden en haar daarop te doen neerzitten; daarna ontpakte hij het valiesje dat zijn paard gedragen had en haalde den teerkost te voorschijn, — brood, smakelijke witte kaas, die in kleine dobbelsteenen was gesneden, appelen, peren en perziken. Hij had zijns vaders veldflesch en glaasje bij zich, een van de weinige zaken, die aan de roofzuchtige blikken van de Syriërs waren ontgaan; en zij verlangden geen heerlijker drank, dan het frissche, zuivere water uit de bron, die naast hen opwelde. Beiden

-ocr page 133-

129

gevoelden zich dankbaar en gelukkig, terwijl zij in het zachte sterrenlicht hun maaltijd gebruikten.

Shushan was het eerst verzadigd en zij weigerde een der perziken, die Jack haar aanbood met de woorden: „Dank u, ik zal niet meer gebruiken, Yon Effendi.quot;

„Mijne Lelie moet mij nu niet meer zoo noemen. Engelsche vrouwtjes spreken niet zoo tot haar man. „Mijnheer John,quot; — hoe vreemd zou dat klinken!quot;

„Ik vind, dat het heel aardig klinkt: — Mijnheer John!quot;

„Neen liefste, gij moet mij nu noemen zooals mijn vader deed: eenvoudig John, — of nog beter Jack.quot;

„Jack? O, dat is zoo kortaf, — in 't geheel geen naam voor een deftigen grooten Effendi zooals gij.quot;

„Maar ik hoor dien het liefst, Shushan. En ik zal hem nog o zooveel liever hooren van uwe lippen.quot;

„Dan zal ik trachten er aan te wennen, — Jack.quot; En hoewel hij haarzelve nog verre van eerbiedig genoeg leek, klonk de vertrouwelijke naam Jack voortaan als muziek in de ooren, zoo vaak zij dien uitsprak.

„Moeten wij eigenlijk niet doorrijden?quot; vroeg zij na eenige oogenblikken.

„Zoo dadelijk. In drie of vier uur komen wij nu bij dat wonderlijke dorpje met zijn zwarte leemen hutten, die den vorm hebben van bijenkorven. Het wordt bewoond door Koerden, die zeker met ons zullen willen praten. Wat zullen wij dan doen ? G-ij kent evenmin Koerdisch als ik.quot;

„Neen, maar ik ken Turksch. Gij weet wel, dat er enkele stammen van de Koerden zijn, die Turksch spreken, en wij kunnen hun te kennen geven, dat wij tot een van die behooren. Ik zal wel voor ons beiden het woord doen,quot; zei Shushan, wier moed herleefde nu zij zich voor eene moeilijkheid geplaatst vond. Zij wist toch, dat Jack nog

Aan den Euphraat 9

-ocr page 134-

130

slechts gebroken Turksch kende, niet veel meer dan de woorden, die hij zich wel eigen moest maken in eene stad, die gedeeltelijk door Turken bewoond werd.

„Zij zullen dat al heel vreemd vinden,quot; zei hij: „of ik moest wel doofstom zijn.quot;

„Welnu, wees dan doofstom,quot; antwoordde zij na een oogenblik van nadenken. „Wij zullen zeggen, dat gij op weg zijt naar Urfa, om daar genezen te worden door een geleerden Frankischen hakim, en dat ik, uw jongere broeder, u vergezel om u tot mond en ooren te dienen.quot;

„Dat is een uitstekend idéé!quot; zei Jack. Het was niet de eerste maal, dat hij in de gelegenheid was om de scherpzinnigheid en tegenwoordigheid van geest der Armeniërs in 't ontwijken van gevaren te bewonderen. Het waren de wapenen, die de natuur zelve hun verleend had om zich te verdedigen, — doch die wapenen hadden ook hunne eigenaardige bezwaren. Begrijpt de wereld wel hoe moeilijk, — ja, hoe onmogelijk, — het is, voor de verdrukten en vervolgden om altijd volkomen oprecht te blijven?

Juist terwijl zij hun tocht hervatten, ging de zon op, met tropische pracht en tropische snelheid. Het was reeds op 't eind van September; de hitte was nog groot en het was den reizigers verre van onaangenaam, toen zij eindelijk in de verte de zwarte hutten van Channelik, de muren van de khan en de minaret van de kleine moskee zagen. Hoe moede zij ook was, toch scheen het alsof Jack en Shushan nu van rollen verwisseld waren. Zij was het, die alles bedacht en in orde maakte; hij luisterde toe en volgde lijdelijk. In een eerlijken strijd kan een Engelschman voor-aangaan ; waar het op slim overleg aankomt, de Armeniër. „Denk er nu aan. Yon Effendi, — Jack, bedoel ik, — gij moogt niets zeggen; en wat nog moeilijker is, gij moogt

-ocr page 135-

131

niets hooren, — zelfs niet, al werd er vlak naast u een geweer afgeschoten. Tegen mij moogt gij slechts door teekenen op uwe vingers spreken.quot;

Jack beloofde gehoorzaamheid, en daar hun beider leven van het houden dier belofte afhing, bestond er niet veel gevaar dat hij haar zou verbreken. Eerst meenden zij, dat het veiliger zou wezen in de khan dan in het dorp zelf, maar er was juist eene karavaan van Urfa aangekomen en zoowel de open binnenplaats als de kamers eromheen (als men het kamers mocht noemen) waren propvol. Daarbij kwamen de Koerden uit het dorp, door hunne kleederdracht misleid, hen dadelijk tegemoet met allerlei vragen en aanbiedingen van gastvrijheid; dit althans maakte Jack op uit de uitdrukking van hun gelaat en hunne gebaren. Hij bleef roerloos staan, zoo onnoozel rondkijkende als hij maar kon, terwijl hij eene stille bede opzond, dat zij niet ruw mochten optreden tegen Shushan, want, hoewel hij reeds vele Koerden had bijgewoond, had hij nog nooit zulk een woest uitziende horde gezien als deze.

Na eene poos raakte Shushan zijn arm aan en wenkte hem om haar te volgen. Een der Koerden ging hen voor naar eene hut en uit zijne gebaren maakte Jack op, dat hij hen noodigde die als hun eigen huis te beschouwen, ongeveer op dezelfde neerbuigende wijze als waarop een Spaansche grande kon hebben gezegd „Dit is uw tijdelijke woning, Senor.quot;

Zoodra hij de paarden verzorgd en de bagage binnengebracht had, nam Jack het ellendige krotje in oogen-schouw, — niet meer dan twaalf voet in doorsnede en met geen ander huisraad dan een paar vuile matjes en kussens, — en hij wenschte zich van heeler harte in een fatsoenlijken Engelschen varkensstal!

-ocr page 136-

132

„Gfij moet nu wat gaan slapen, Shushan,quot; zei hij hardop. „Maar hoe ter wereld zal ik het u hier dragelijk maken ?quot;

„Stil!quot; fluisterde Shushan nauwelijks hoorbaar, terwijl zij hare hand waarschuwend op zijn arm legde.

„Wat is er?quot; vroeg Jack zacht, doch verwonderd over haar verschrikten toon.

Zij wees naar het kleine ronde gat in den leemen muur, dat, hoewel zonder glasruit, tot venster diende. „Daar zitten zij onder te luisteren,quot; fluisterde zij: „ik ken hunne gewoonten.quot;

Van nu aan werd er dus slechts zeer zachtjes tusschen hen gefluisterd. Zij deden hun maal met pillav en kabobs (kleine stukjes geroosterd vleesch) dat door hun gastheer werd opgediend, en nadat dit afgeloopen was, bemerkte Shushan tot hare groote geruststelling, dat al de dorpelingen gezamenlijk schenen uit te trekken, — zeker naar een nabijzijnden wijnberg om druiven te pukken.

ISTadat zij gegeten hadden, spreidde Jack de twee paardendekens op den grond en drong hij haar om daarop neer te liggen en gerust te gaan slapen. Hij meende, dat hijzelf veel te veel in angst was om een oog dicht te kunnen doen. Hij begon dan ook met manhaftig op den grond te blijven zitten met zijn rug tegen de deur uit vrees voor een onverwachten overval; maar moeder natuur was hem te sterk en zelfs in die weinig verkwikkende houding zonk hij weldra in een diepen, droomloozen slaap.

-ocr page 137-

HOOFDSTUK XII.

Ket nut van een revolver.

,,In Godes kracht, in naam van 't recht, Zoo gorden we ons tot het gevecht.quot;

Whittier.

Het was Shushan die het eerst wakker werd, en die tegen zonsondergang haar beschermer wekte. „Jack,quot; fluisterde zij: „Iaat ons de paarden zadelen en trachten weg te komen. Ik vertrouw die menschen niet recht. Er zijn er eenigen uit de wijnbergen teruggekomen, en ik heb ze, onder elkaar fluisterend, door het venster zien gluren.quot;

Jack rekte zich geeuwend uit: „Heb ik geslapen?quot; zei hij verwonderd: „Dat was ik niet van plan. Hoe laat is het?quot;

Zij aten wat van het voedsel, dat zij meegenomen hadden, en gingen toen samen hunne paarden zadelen, waarna zij hun gastheer eenig zilvergeld schonken en wegreden. Zoodra zij buiten het gehoor waren, vroeg Jack of Shushan soms meende, dat de Koerden niet tevreden waren met hun bakshies.

„O ja, dat was meer dan genoeg,quot; zeide zij: „maar ik

-ocr page 138-

184

vertrouw hen toch niet. Laat ons maar zoo hard doorrijden als we kunnen.quot;

Zij legden weldra een goed eindweegs af over den dorren, verschroeiden grond, waar geen grassprietje of struik te zien was, en kwamen daarna weer aan een bergpas. De zon was nu geheel onder, een groote verkwikking, want het was zeer warm geweest. Shushan, die nauwelijks iets geslapen had, was uitgeput van vermoeienis; en hoewel zij haar best deed om opgewekt te antwoorden als Jack tot haar sprak, was zij blijkbaar zeer gedrukt. Vol teederheid vroeg hij haar wat haar scheelde.

„Niets,quot; zeide zij, — „althans niets, waardoor ik mij moest laten neerslaan, want ik weet niets met zekerheid. Maar dezen morgen vroeg een dier Koerden mij, of wij van onze bergen kwamen om mede te doen aan het vermoorden der G-iaours en het plunderen hunner huizen. Ik antwoordde, waarom wij hen zouden dooden, daar zij ons immers geen kwaad hadden gedaan. Toen vroegen zij mij waar wij dan vandaan kwamen, zoodat wij niet wisten dat het de wil van Allah en den Sultan was, en dat de ware Geloovigen, die in dat — heilige werk hielpen, hun goud en zilver en al hunne bezittingen zouden krijgen. Daarop vertelden zij mij iets, dat mij nog doet rillen als ik er aan denk, ik kan het u niet oververtellen. Maar, Jack, ik vrees het ergste, — vooral voor de mijnen te Biridjik.quot;

„Laat ons rnaar doorrijden,quot; zei Jack na eenige oogen-blikken van droevig stilzwijgen: „het is niet goed om te veel over die dingen na te denken, en dat zeker niet op eene plaats als deze.quot;

De duisternis, of liever de zachte schemering van den

-ocr page 139-

135

Oosterschen nacht met zijn helderen sterrenhemel, was bijna plotseling, als een sluier, over hen nedergedaald, juist terwijl zij de bergen bereikten en het nauwelijks gebaande paadje, dat de rijweg heette, werd hoe langer hoe moeilijker te onderscheiden.

Weldra kwamen zij opnieuw aan een bergpas, nog veel steiler en donkerder dan die voor Charmelik. Als zij niet zoo vast hadden vertrouwd op hunne paarden, zouden zij het nooit hebben gewaagd hem in te gaan, zoo nauw was het pad, zoo steil en diep de afgrond beneden en zoo donker en dreigend de rotsen rondom hen.

Maar zelfs hunne paarden schenen hier in de war te raken. Het pad werd steeds onbegaanbaarder, totdat de reizigers zich eindelijk op eene helling bevonden, waar het moeilijk was in het zadel te blijven.

Al Shushan's zelfbeheersching kon haar niet weerhouden een angstig gilletje te uiten en „O Jack, help mij! Ik zal vallen,quot; klonk het vol schrik door de lucht.

Jack wendde zich om tot hare hulp, hij hoorde het geluid van paardenhoeven, die schenen uit te glijden in de droge losse klei, en gedurende éen ontzettend oogenblik vreesde hij, dat beiden verloren waren. Maar zonder dat hij wist hoe, had het paard zijn evenwicht herkregen, en Shushan's dankbaar „Park Derocha!quot; gaf hem kracht om weer om zich heen te zien. Nu zag hij duidelijk vóór zich een anderen pas, die bijna rechthoekig het pad kruiste waarop zij zich nu bevonden en die naar het scheen hun den weg volkomen afsneed. Hoe zouden zij dien oversteken? Hoe had hij dat gedaan toen hij in vliegende vaart dien weg aflegde met de zaptiehs en den postwagen, of terug met Kevork ? Het werd hem duidelijk, dat zij verdwaald waren.

-ocr page 140-

136

Maar waar was het pad, waarvan zij waren afgedwaald, — hij wist niet hoe lang geleden reeds? De planeet Jupiter stond vlak boven hen, helder genoeg om hunne gedaanten in flauwe schaduwlijnen op den dorren bruinen bodem af te teekenen; en zorgvuldig om zich heen ziende, bemerkte hij een smallen kronkelenden witten draad langs den bergwand, ongeveer dertig voet beneden de plek waar zij stonden. „Daarheen moeten we terug,quot; zei hij kortaf.

Shushan haalde diep adem en zag met ernstigen blik, niet naar de gevaarlijke helling, maar op hem. „Ja,quot; zeide zij, — en dat was genoeg.

Het liefst had Jack voorgeslagen van hunne paarden af te stijgen, op hunne eigene voeten te vertrouwen en de paarden te laten volgen, maar hij wist dat dit niet verstandig was. Hij wist ook, dat hij zijn verlangen moest bedwingen om Shushan's paard bij den toom te nemen en te leiden, — dat was evenmin verstandig. Hoe zij kracht had om te blijven zitten, wist hij niet, en zij zelve wist het evenmin.

Zij daalden de gevaarlijke helling af met minder moeite dan zij hadden verwacht en bijna waren zij weer op het rechte pad, toen Shushan plotseling uitriep; „Jack, ik hoor stemmen.quot;

Een oogenblik later lagen paard en berijdster beiden op den grond. Jack wist zich later nooit te herinneren wat er nu gebeurd was of wat hijzelf deed, totdat hij zichzelf op het pad vond zitten met Shushan's hoofd op zijne knie en niets ziende dan haar doodsbleek gelaat, in de donkere omlijsting van heur zwarte haren. Blijkbaar was haar paard maar juist ontsnapt aan het gevaar van in den afgrond te storten en nu stond het, alsof het zelf diep

-ocr page 141-

137

onthutst was, vol ernst op de twee afgestegen ruiters te staren.

Gelukkig had Jack zijne veldflesch in zijn breeden gordel. Hij nam haar en besprenkelde Shushan's gelaat met water, waarna hij trachtte eenige droppels tusschen hare bleeke lippen te gieten. Na eenige oogenblikken, — die hem een eeuw toeschenen, — zag zij op. Hij overstelpte haar met teedere woordjes en liefkoozingen, terwijl hij haar vol angst afvroeg, waar zij zich bezeerd had, maar zij viel hem haastig in de rede.

„O, wat doet dat er toe?quot; vroeg zij. „Hoor eens. Jack!quot;

Hij was doof zoowel als blind geweest voor alles behalve haarzelve. Nu echter luisterde hij toe. De echo's der bergen weerkaatsten allerlei woeste, schelle geluiden.

„De Koerden! Zij zetten ons na,quot; zei Shushan, zich oprichtende. De vrees deed voor haar, wat alle liefdesbetuigingen niet hadden kunnen bewerkstelligen, en hergaf haar heur bewustzijn.

„Een andere stam zeker?quot; vroeg Jack, geheel in de war gebracht.

„Neen, de Koerden van Charmelik,quot; fluisterde Shushan in den grootsten angst. „Ik was er al bang voor. Zij hebben ons samen hoeren spreken en weten daardoor, dat wij geen Koerden zijn.quot;

Zelfs in den doodsangst van dat oogenblik zeide zij: „hoorden ons spreken,quot; — Jack herinnerde zich dat latei-vol weemoed, — opdat hij zichzelf niet te zeer zou beschuldigen.

„Ik zal eens even om den hoek gaan zien,quot; zeide hij: „gij zijt toch niet bang om een oogenblik alleen te blijven, liefste?quot;

„Neen, maar wees voorzichtig: blijf zooveel mogelijk in de schaduw van den berg.quot;

-ocr page 142-

138

Jack haastte zich naar eene bocht van het pad, vanwaar hij den weg naar Charmelik kon overzien. Zoo ver hij iets kon onderscheiden, was er geen levend schepsel zichtbaar. Maar hooger op den berg zag hij donkere gedaanten neerdalen langs een paadje, dat enkel voor berggeiten bestemd scheen en dat waarschijnlijk hun alleen bekend was. Zij zonden bijna even gauw Shushan bereikt hebben als hijzelf.

Sneller dan hij nog ooit geloopen had, in enkele woeste sprongen, was hij bij haar terug, met het voornemen haar op zijn paard te tillen en te trachten zoo met haar te ontkomen, doch toen hij naderbij kwam, zag hij, dat de beide paarden waren weggeloopen en uit het gezicht verdwenen waren.

De geluiden kwamen nader en nader; hij zag den loop van een geweer flikkeren en hoorde een schot.

„Jack!quot; zei Shushan. Zij zat nog op den grond, daar zij haar enkel had verzwikt door den val. „Jack!quot;

Hij boog zich over haar heen. Hij had zijn revolver geladen en hield die nu in de hand. „Als het tot het uiterste komt,quot; zeide zij, „moet gij mij daarmede dooden, beloof mij dat.quot;

Een oogenblik klemde Jack zijne tanden op elkaar; toen zeide hij met trillende stem: „Daartoe helpe mij God.quot;

Weer een pistoolschot, maar nog niet dichtbij genoeg om hen te schaden. De Koerden hadden hen nu echter bereikt. Jack herkende het gelaat van den man, die hun zijne hut had afgestaan, — een gezicht met een duivelsche uitdrukking. — Hij mikte, vuurde, en de Koerd stortte neer en rolde van de helling naar beneden, totdat hij vlak voor zijne voeten neerviel.

Er waren er echter wel twintig achter hem en de

-ocr page 143-

139

meesten van hen bezaten geweren, terwijl Jack geen schot meer had, — voor hen. Hij stond vlak tusschen zijne vrouw en de rooverbende, met de hand op den loop van zijn revolver, alsof hij op het punt was om te schieten.

Nu zijn Koerden er evenmin als andere menschen op gesteld om zoo in onmiddellijke nabijheid van een geweerschot te komen. Zij wankelden een oogenblik, en aarzelden blijkbaar om te naderen. Een van hen, dapperder dan de rest, waagde het, schoot zijn geweer af zoodat de kogel rakelings langs Jack's oor floot, sprong naar voren en wierp zich op hem. Zij omvatten elkaar in een doodelijke omarming, — ééne seconde lang, maar eer de anderen tijd hadden daarvan gebruik te maken, had Jack met de kracht der wanhoop zijn vijand naar den rand van den afgrond gesleept, met bijna bovenmensche-lijke inspanning zich van hem losgerukt en hem naar beneden geslingerd. Dieper, steeds dieper stortte hij, totdat hij eindelijk geheel verpletterd en onherkenbaar tusschen de rotsen bleef hangen. Jack zou hem zeker gevolgd zijn, als hij zich niet in zijne volle lengte achterover op het pad had laten vallen. Terwijl hij daar lag, floten er nog eenige kogels over hem heen, doch die waren slechts afscheidsgroeten van den aftrekkenden vijand. De Koerden hadden er blijkbaar genoeg van, en waren nog sneller verdwenen dan zij gekomen waren. Toen zij bemerkt hadden, dat hunne gasten niet waren wat zij voorgaven te zijn, hadden zij gemeend dat het Armeniërs waren, die tijdingen overbrachten van de opstandelingen te Zeitoen ') naar Urfa, en dat het daarom de moeite waard zou zijn hen aan te houden. Doch nu begonnen zij te vreezen, dat zij

l) Zie het Naschrift.

-ocr page 144-

140

te goed gewapend waren, om hen verder lastig te vallen.

Het duurde geruimen tijd, voordat Jack en Shushan weer vrij durfden ademhalen. „Park Derocha!quot; zei Shushan eindelijk. „Goddank!quot; antwoordde Jack uit den grond van zijn hart. Hij had zich opgericht en zag naar alle zijden om zich heen.

„Jack,quot; hijgde Shushan, „mijn voet doet mij veel pijn, -de Heer zij geloofd!quot;

Jack had geen linnen bij zich, doch hij scheurde zijn gordel aan reepen, drenkte die met al het water, dat hij nog in zijne veldflesch had en zwachtelde daarmede den enkel, die reeds begon op te zwellen. „Ik meende wat ik daar zei,quot; vervolgde zij met een glimlach: „want men gevoelt geen pijn voordat het gevaar voorbij is, en gevaar is — ozooveel erger dan pijn! Maar Jack, de paarden!quot;

„Ja, we moeten zien hen terug te krijgen; zij zullen wel niet ver weg zijn. Durft gij hier alleen blijven, terwijl ik hen ga zoeken?quot;

„Het moet wel. Ons leven hangt er van af. God zal over mij waken.quot;

Jack droeg haar zachtjes naar een beschut hoekje tegen de rots en haastte zich toen snel naar beneden, zonder zich den tijd te gunnen om na te denken of het ook nog gevaarlijk was haar alleen te laten, hoewel hij inwendig den vreeselijksten angst om haar uitstond.

Het duurde veel langer dan hij had verwacht, eer hij de paarden terugvond, want zij waren geheel uit het gezicht verdwenen. Toch ging hij moedig voorwaarts, nu en dan den kreet uitend, dien hij wist dat zij zouden herkennen en gehoorzamen als zij hem hoorden.

Het pad daalde bijna geheel af tot in het dal, waardoor een smalle bergstroom zich een weg baande, die aan beide

-ocr page 145-

141

oevers door eenige kwijnende struiken en wat dor gras was omzoomd. Hun instinkt had de paarden hierheen gevoerd, en nadat zij aan het water hun dorst hadden ge-lescht, stonden zij zich nu te goed te doen aan het korte gras. Gelukkig dat de Koerden hen in deze houding niet zien konden.

Jack verloor geen oogenblik om hun onwillige schreden van deze genotvolle oase terug te leiden op het uiterst steile en gevaarlijke pad van hunnen plicht. Vol blijdschap voerde hij ze tot Shushan terug en vol blijdschap werd hij door haar verwelkomd.

„Is de pijn nog heel erg, Shushan, liefste?quot; vroeg hij.

„Neen,quot; zeide zij met een stralenden glimlach: „het is nog maar een klein beetje erg, zooals gij Engelschen zegt: is het zoo niet goed? Help mij nu maar op mijn paard, dan kunnen wij verder gaan!quot;

Eenige oogenblikken later waren zij weer op weg. Toen zij bij den bergstroom kwamen, hielden zij even halt en Jack schepte wat water om Shushan te laten drinken en haar voet te deppen. Zij was zeer moede en hij zag best, dat zij veel pijn had, maar zij hield zich dapper en liet geen enkele klacht hooren. „Dat zou al heel ondankbaar zijn,quot; dacht zij bij zichzelve: „nu God ons zoo genadig heeft uitgered.quot;

„Shushan,quot; zei Jack terwijl zij verder reden: „weet gij hoe deze bergpas heet, dien wij nu achter ons hebben? Men noemt hem den Bloedigen Pas, vanwege de vele rooverijen en moorden, die er altijd plaatshebben. Kevork had mij dat reeds gezegd toen wij samen dezen weg gingen, maar ik wilde het u liever niet vertellen voordat wij er doorheen waren.quot;

„De Koerden hadden mij dat gisteren ook gezegd,quot; zei

-ocr page 146-

142

Shushan rustig: „maar ik wilde het u niet vertellen.quot;

Eindelijk lieten zij de bergen achter zich en bereikten zij een Romeinschen straatweg, die naar de vlakte leidde, waar zich nu althans eenige sporen van menschelijke beschaving begonnen te vertoonen, daar men toch hier en daar iets zag, dat naar bebouwde akkers leek. Het waren meest tarwevelden en mooie wijngaarden vol heerlijke druiven. Maar al was de omgeving hier wat . aangenamer, de weg was slecht. De groote steenen, die de Romeinen zoo gaarne gebruikten, waren uit elkaar gezakt en de klei en kiezelsteenen er tusschen, waren in een beklagenswaardigen toestand. Zelfs het best gedresseerde paard kon niet vermijden nu en dan uit te glijden of te struikelen en al deze schokken voltooiden de maat van Shushan's ellende.

Haar moed herleefde eenigszins toon de zon met volle pracht aan den horizon opging. Zij bereikten nu juist een beter gedeelte van den weg en weldra zei Jack;

„Shushan, mijne Lelie, zijt gij te moede om op te zien en het oude Edessa in het morgenlicht te aanschouwen ?quot;

Shushan zag op: „Dat is een aanblik, die alle vermoeidheid zou doen verdwijnen,quot; sprak zij zacht maar blijde.

Voor hen verhief zich een heuvel, op den top waarvan men de fraaie bouwvallen van een mooi oud kasteel zag, — terwijl de helling bedekt was met gebouwen, waar tusschen groene weiden met schaduwrijke hoornen spraken van koele, lommerrijke hoekjes. Onwillekeurig werd echter het oog altijd weer getrokken tot de schilderachtige lijnen der ruïne, wier hooge pilaren, waarvan niemand wist waartoe zij gediend hadden, in de lucht rezen. Daar waren ook brokstukken overgebleven van een groeten muur, die niet alleen het kasteel omringde, maar den ganschen

-ocr page 147-

143

heuvel waarop de stad was gebouwd, boven wier zware massa's van platte daken, de slanke minarets en de koepels der moskeeën uitstaken. De kleur van bijna alle muren en torens was wit, zoodat de stad van Koning Abgarus, in het heldere morgenlicht er uitzag, als was zij met een kleed van ongerepte sneeuw omhangen.

Een buitengewoon hoog en zeer breed wit dak trok de aandacht tot zich. Het was dat van de Gregoriaansche Cathedraal, een groot gebouw, waarvan de bouworde bewondering afdwingt. Jack keerde zich om, daar hij het Shushan wilde wijzen, maar toen hij haar aanzag, riep hij verschrikt uit: „Shushan wat scheelt u; ge valt bijna flauw! Willen wij hier eerst een oogenblik rusten? Zal ik u helpen afstijgen?quot;

„Neen, Jack, dat is niet noodig. Wij zijn nu bijna thuis. Ik zal het wel uithouden tot ik Zuster Celandine's lieve gezicht weder zie.quot;

Ongehinderd reden zij de stadspoort door. Vervolgens staken zij het kleine marktplein over, reden door nauwe straatjes, langs de Protestantsche kerk met het kerkhof, totdat zij bij de voorpoort kwamen van het zendingshuis. Liefhebbende oogen hadden hen zeker zien aankomen, want nauwelijks had Jack met bevende hand geklopt en Shushan uit het zadel gelicht, of de deur ging open en eene slanke gestalte stond voor hen. Haar gelaat was dat van iemand die veel had gedacht, gedaan en geleden, maar die bovenal veel had liefgehad. Jack gaf Shushan over aan de moederlijke armen, die zoo wijd zich uitbreidden om haar te ontvangen; zij liet haar vermoeid hoofdje zinken op die sterke schouders en viel in zwijm.

„Heb geen angst voor haar, mijnheer Grayson,quot; zeide Zuster Celandine. „De rust en het bewustzijn, dat zij hier veilig is, zullen haar spoedig doen genezen.quot;

-ocr page 148-

HOOFDSTUK XIII.

Een ftrmeniscfi predikant

Hoog boven 't aardsch gewoel verheven, Als een, die, voor de doodstrijd naakt. Heiige mysteriën aan ziet zweven, Zoo schreed hjj voort.

E. B. Browning.

John Grayson liet zijne jeugdige bruid in de hoede van Zuster Celandine achter. „Zij is in veiligheid, zij is in veiligheid,quot; herhaalde hij telkens bij zichzelf en die gedachte verdrong voor het oogenblik al het andere. Hij kon haar telkens bezoeken en tot zijne dankbaarheid bemerkte hij, dat zij zeer spoedig herstelde van de vermoeienissen der reis en dat de kwetsuur aan haar enkel ook niet van ernstigen aard bleek. Zelf nam hij zijn intrek bij de familie Vartonian en zag daar verlangend uit naar eenig bericht van de komst der familie Meneshian uit Biridjik. Voordat hij deze goed en wel te Urfa gevestigd zag, wilde hij geen werk maken van een paspoort voor hemzelven en Shushan, of, zooals zij dan zou heeten, Lily Grayson.

Het was inmiddels October geworden. Het scheen alsof er een donkere schaduw van komend onheil over de

-ocr page 149-

145

stad broedde. Jack was echter reeds zoo aan het koesteren van voorgevoelens en vermoedens gewend, dat dit hem zelfs niet meer als iets vreemds voorkwam. Het kon echter niet anders of het moest hem treffen, hoe er plotseling te midden van die sombere stemming eene losbarsting van vreugde en blijdschap plaatshad. Zooals vaak op een dag, wanneer een hevig onweer dreigt en de lucht zwanger is van donkere wolken, de zon voor een oogen-blik daar doorheen dringt en een lichtstraal door de duisternis werpt, — zoo ook hier, waar, toen juist aller hart met angst vervuld was, plotseling de blijde mare van mond tot mond ging — „De Sultan heeft eene herziening toegestaan.quot;

En de Armeniërs te Urfa fluisterden elkaar die blijmare-niet slechts toe in hunne binnenkamers, met gesloten deuren en vensters, zooals zij gewoon waren alles te verhandelen wat maar in 't minst op staatkunde betrekking had, — neen, de mannen riepen het elkaar toe op straat en in de winkels; en de vrouwen bespraken het samen terwijl zij haar brood bakten, of water haalden aan de bron. Wat beteekende deze herziening? Beteekende zij, — iedereen zei, dat zij dit bedoelde: — geen plunderende Koerden meer, en geen tyranniseerende zaptiehs, geen kerkers en martelingen voor onschuldige mannen en, — nog het best van alles, — niet meer dien nameloozen angst, die het leven van elke Armenische vrouw tot een voortdurende pijniging maakte? Als zij inderdaad dit insloot, zou het gansche volk dan niet buiten zichzelf zijn van vreugde?

De berichten waren officieel, zij kwamen als telegrammen uit de hoofdstad en werden afgekondigd in de Gregori-aansche Cathedraal.j ln de geheele Armenische wijk heerschte

Aan den Euphraat 10

-ocr page 150-

146

een uitbundige blijdschap en tallooze bid- en dankstonden tot den Almachtige, Die zoo het hart van den tiran geneigd had, werden in al de kerken gehouden.

Op zekeren dag, terwijl de vreugde nog algemeen was, liep Jack door een der nauwe straten der stad. toen hij daar een jong meisje en een knaap van Gabriels leeftijd tegenkwam. Het meisje was van het hoofd tot de voeten in een ezhar gewikkeld en dicht gesluierd, maar den knaap kende hij wel, want hij had hem vaak ontmoet bij de familie Vartonian in gezelschap van Gabriël, — het was Vartan Stepanian, de oudste zoon van den predikant. Hij begreep dus dat het meisje Oriort Elmas, Shushan's vriendin, moest zijn en hij groette beiden zeer vriendschappelijk.

Nog geen twintig pas had hij zijn weg vervolgd, toen een kreet van Vartan hem deed omzien. Een lange, stevige Turk was plotseling te voorschijn getreden door eene deur in den muur, en terwijl hij vlak voor Elmas stond, want de straat was geen twee meter breed, trachtte hij haar heur sluier af te rukken. Vartan wierp zich op hem en poogde het hem te beletten, maar zijne krachten waren ontoereikend.

„Dat zult ge laten!quot; riep Jack, onwillekeurig in zijne moedertaal. Hij had geene wapenen bij zich, maar zijne gebalde vuist kwam met zóóveel kracht en juistheid tusschen de oogen van den Turk neer, dat deze zwaaiend tegen den tegenovergestelden muur aanviel.

„Bij Allah!quot; riep de uit het veld geslagen volger van Mahomed, hem verbaasd en verslagen aanziende. Een Armeniër die zulk een slag durfde toedienen! Die was zeker bezeten door Shaytan!

„Kom mee, — gauw!quot; zei Vartan, zijne zuster voortdrijvende uit vrees van achtervolgd te worden. „Erkenden

-ocr page 151-

147

wel meer Dajeeks komenquot;, zeide hij verklarend tot Jack, die tot bescherming van Elmas aan hare andere zijde voortging. „Laat ons maar de kerk ingaan, daar zijn we het veiligst.quot;

„Wat, in de Cathedraal?quot;

„Neen, die is te ver weg. Ik bedoel mijn vaders kerk.quot;

Haastig liepen zij voort en weldra hadden zij het bedoelde kerkgebouw bereikt. Sinds hij te Urfa was, had Jack altijd den dienst in de Cathedraal bijgewoond; de Protestantsche Armenische kerk was hij niet meer binnengetreden sinds dien morgen van zijne eerste komst, toen hij er de lieflijke doode in haar vredige rust had aanschouwd.

Vartan ging hen nu door de kerk vóór naar eene kleine zijdeur, die in zijn vaders studeerkamer uitkwam. De vier wanden van deze kamer waren bezet met boekenplanken, die alle overvol stonden met boeken in onderscheidene talen. De predikant zat op een stoel voor eene kleine grenenhouten tafel te lezen. Hij droeg de Europeesche kleederdracht — „a la Frankquot; zooals men het noemde, — en toen hij, na eenige woorden van Vartan in het Arme-nisch, opstond en zijn bezoeker in uitstekend Engelsch welkom heette, waande Jack zich voor een oogenblik in zijn vaderland verplaatst. Bijna zag hij zichzelf weer in de studeerkamer van den goeden ouden geestelijke, die hem in zijne kinderjaren had onderwezen.

De illusie werd een weinig verbroken toen de statige gestalte voor hem zich boog om de hand te kussen, die Jack hem toereikte, inplaats van die broederlijk te drukken. Dit was echter eene welgemeende dankbetuiging voorden dienst aan zijne kinderen bewezen, gelijk hij er met eenige ernstig gemeende woorden, met juist genoeg Oostersche hoffelijkheid getint om ze welluidend te maken, bijvoegde.

-ocr page 152-

148

De predikant zei nu iets tot Elmas en Vartan, die dadelijk daarop het vertrek verlieten. Toen bood hij Jack zijn eigen stoel aan en nam zelf plaats op den kleinen divan onder het venster.

Opgetogen, dat hij zijne moedertaal zoo uitstekend hoorde spreken, zei Jack in het Engelsch;

„Maar Dominé, gij zijt meer dan half een Engelschman.quot;

Ds. Stepanian schudde het hoofd eenigszins droevig, maar zeide niets.

Jack herinnerde zich nu plotseling de nationaliteit van zijne vrienden, de zendelingen.

„Vergeef mij,quot; zei hij, „ik bedoel, gij zijt meer dan half een Amerikaan.quot;

„Noch Engelschman, noch Amerikaan,quot; sprak Hagop Stepanian vol trots. „Al mijn denken en al mijn streven behoort aan mijn volk. Dit neemt niet weg, dat ik veel dankbaarheid koester voor de Amerikanen, onze weldoeners.quot;

Het bloed steeg John Grayson naar de wangen. „Ik vrees,quot; zeide hij, „dat gij niet veel reden hebt tot dankbaarheid aan ons.quot;

De predikant maakte een afwijzend handgebaar. „Ik zeg niets tegen de Engelschen,quot; sprak hij. — „Excuseer mij een oogenblik.quot;

Hij stond op, blikte zorgvuldig om zich heen, en opende de beide deuren der studeerkamer, zoodat hij zeker was, dat er niemand was, die hen kon beluisteren, in de kerk noch op het kerkhof. Daarop sloot hij de deuren weer, hernam zijne plaats en hervatte op zachten toon: „Zijt gij lang genoeg in dit land geweest, mijnheer Grayson, om wel eens een dood paard te hebben gezien, waar een half dozijn hongerige honden omheen azen ? Ieder van hen verlangt er zich aan te vergasten, maar toch is elk zoo

-ocr page 153-

149

jaloersch op al de anderen, dat, als een van hen er maar de tanden inzet, de overigen alle op hem aanvallen en hem verjagen. Begrijpt gij mijne beeldspraak?quot;

„Ja. Gij meent dat de Mogendheden, Engeland en de andere landen, zoo op Turkije vlassen. Gave God, dat het dood ware, Dominé!quot;

„Zacht wat, mijn jonge vriend; laat zulk een woord u niet ontsnappen terwijl gij over straat gaat, of door de wijnbergen rijdt, of met uw vriend koffie drinkt in uw eigen kamer, waar de behangsels zelfs een spion kunnen verbergen.quot;

„O, ik ben voorzichtig genoeg, dat verzeker ik u. Ik ben reeds bijna vijf jaar hier.quot;

„Al was het vijftig inplaats van vijfjaar, dan zoudtgij toch die les nog niet voldoende geleerd hebben. Een nauwelijks gesproken, een gefluisterd woord, een snipper papier, die bij u gevonden wordt, ja de bloote verzekering van den een of ander, dat gij hem een beschreven stukje papier hebt gegeven, is genoeg om u in de akeligste gevangenis te brengen, waar gij zoolang wordt gekweld, totdat gij alles erkent wat uwe aanklagers verlangen te hooren. En dat is nog niet eens het ergste. Daar zijn menschen in de gevangenis geworpen en ter dood toe gemarteld, zonder dat zij ook maar konden gissen, waarvan zij beschuldigd werden. Ik ken iemand, die allergruwelijkst is mishandeld, totdat ten slotte bleek, dat men hem had verwisseld met een ander, die denzelfden naam droeg. Half dood werd hij voor den kadi gebracht, die op den kalmsten toon tot hem zeide: „Mijn zoon, trek het u niet aan, het was eene vergissing, ga in vrede.quot;

„De domheid van dat volk zou belachelijk zijn, indien zij niet zoo verschrikkelijk was,quot; zeide Jack.

-ocr page 154-

150

„Neen, mijnheer Grayson, het is geen domheid. Het is wreedheid, die het een genot vindt de beschaving te vertrappen, en deze wreedheid gaat gepaard met eene duivel-sche sluwheid, die elk harer plannen weet ten uitvoer te brengen. Met alle bijzondere kwellingen, die de Christenen worden aangedaan, wacht men totdat de oogen van het Christelijk Europa door allerlei dingen van Armenië worden afgetrokken. Zoo heeft men ons volk er toe gebracht zijne wapenen af te geven, door hen te vleien met allerlei beloften van volkomene zekerheid; men heeft hen aangezet, soms zelfs gedwongen, elkander aan te klagen van het koesteren van oproerige plannen, waaraan zij zelfs niet hadden gedacht.quot;

„Zijn dan al die verhalen van geheime samenzweringen louter verzinsels?quot;

„Daar worden zonder twijfel buiten Armenië allerlei plannen gesmeed. Ballingen in de groote steden van Europa verspreid, hebben comités gevormd, die samenkomsten houden, waarin menige revolutionaire voorslag vernomen wordt. Ik zal ook niet ontkennen, dat hunne zendelingen niet somtijds gehoor vinden in enkele onzer steden, voornamelijk in die aan de Russische grenzen. Maar ik weet van deze dingen niets af. Wat hier echter kort geleden voorviel, is mij geenszins onbekend. Een jonge man, in Europeesche kleeding, wiens houding de aandacht trok, trad onze Cathedraal binnen. De bisschop merkte hem op, liet hem bij zich komen en vraagde hem met welk doel hij de stad bezocht. Hij zeide dat hij kwam om hulp te vragen voor de inwoners van Zeitoen en om een geheime verstandhouding te scheppen tusschen hen en de inwoners van Urfa. De bisschop antwoordde hem: „Binnen twee uur moet gij de stad hebben verlaten, of gij zult naar

-ocr page 155-

151

de gevangenis worden gebracht. Naar niets smacht mijn hart zoozeer als naar de bevrijding van mijn volk; maar op dezen weg wordt die nooit verkregenquot;. Zóo is de geest in deze stad, mijnheer Grayson.quot;

„Gelooft gij niet, dat nu het ergste geleden is? De herzieningquot;....

De predikant schudde het hoofd. „Er schuilt hier een adder onder 't gras, dat vermoed ik althans. De Sultan geeft ons wetsherziening op 't papier, om ons in slaap te wiegen, en onze Europeesche vrienden om den tuin te leiden, terwijl hij den dolk slijpt voor onze kelen.quot;

„Gij houdt het er voor, dat die hervormingen niet veel waard zijn.quot;

„Nog minder dan het papier waarop zij werden geschreven. Al was de Sultan in deze oprecht — wat hij niet is — wie zullen ze dan uitvoeren? De Pacha's, de Kalifs, de Kamaikans? Zij zijn onze doodelijkste vijanden. Zij verlangen onze akkers, onze huizen, ons goud, ja, laat ons het maar zeggen, onze vrouwen en dochters te bezitten. En de Zaptiehs, de Rediefs, de Hamidiehs, de Koerden en het Turksche gepeupel van elke stad, verlangt mede te deelen in den buit.quot;

„Meenen zij ook niet, dat zij God een dienst bewijzen als zij ons dooden ?quot; Geheel vanzelf sprak Jack thans van „ons.quot;

„Dat gelooven zij zoo absoluut mogelijk. Hebt gij nooit het gebed gehoord, dat zij eiken dag in hunne moskeeën opzeggen? „Bij Allah zoek ik bescherming tegen den aanklager, tegen Satan. In den naam van Allah den barmhartige, den genadigen! O Heer van al het geschapene! O Allah! verdelg de ongeloovigen en de dienaars van vele goden, uwe vijanden, de vijanden van den godsdienst! O Allah! maak hunne kinderen tot weezen, en verniel

-ocr page 156-

152

hunne woningen! Laat hunne voeten uitglijden, geef hen, hunne huisgezinnen, hunne vrouwen, hunne kinderen, en hunne verwanten, hunne broeders en hunne vrienden, hunne bezittingen en hun geslacht, hunne rijkdommen en hunne akkers, ten buit aan de geloovigen; Gij aller schepselen Heer!quot;

Dat vormt wel een schrikkelijke tegenstelling met het „Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot;

„Zouden zij nu waarlijk denken, dat God zulk een gebed verhoort?quot; vroeg Jack.

„Zeker denken zij dat. Gij moet niet vergeten, dat hun God niet de God en Vader van onzen Heer Jezus Christus is, noch „Onze Vader, die in de hemelen is.quot; Hun God is een Machtige, Wiens Wil geen liefde of rechtvaardigheid kent. „De wil van Allah,quot; is voor hen alles, maar die sluit voor hen geene gedachte aan heiligheid of liefdein.quot;

„Toch zijn de menschen wel eens beter dan hun leer: komt dat hier nooit voor?quot;

„O jawel. Daarenboven bevat Mahomed's leer enkele groote grondwaarheden. Zij erkennen een God, en zij ge-looven in den plicht en de kracht van het gebed. Er zijn zelfs enkele goede, edelmoedige Turken, die zoo vriendelijk voor ons zijn als zij maar durven. Ik heb er wel gekend. Wij hadden hier bijvoorbeeld eens een Pacha, die trachtte te regeeren volgens de openbare lastgeving van den Sultan en niet volgens diens verborgen, geheime bedoelingen. Hij werd van zijn post ontheven en verbannen naar een afgelegen deel van het rijk. Een vriend van mij, een zendeling, bezocht hem daar onlangs. In het eerst was mijn vriend zeer teleurgesteld, want hoewel de Turk hem vriendelijk ontving, kon hij geen woord uit hem krijgen. Toen hij echter het bezoek van den zendeling terugbracht,

-ocr page 157-

153

en hij zich in diens huis veilig gevoelde, vertelde hij hem, dat elke stap, dien hij deed, bespied werd, en ieder woord, dat hij sprak, werd overbracht door de spionnen van den Sultan; zelfs in zijne eigene vertrekken was hij nooit veilig, er kon altijd een spion schuilen achter het behang of buiten de deur. „Ik tel mijn leven,quot; zeide hij: „bij dagen en uren. Hetzij nu, of later, — ik zal zeker vermoord worden. Wanneer dat gebeurt, ben ik zeker, dat Hij, die sprak „voor zooveel gij dit een van dezen minsten gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaanquot; ook tot hem iets te zeggen zal hebben.quot;

„Het schijnt wel, dat in dit land.quot; merkte Jack op; „wie van het kwade afwijkt, een prooi wordt der boosdoeners. Maar wat denkt gij op het oogenblik van den toestand, Dominé?quot;

„Verlangt gij de waarheid te hooren, mijnheer Grayson?quot;

„Natuurlijk.quot;

„Dan vrees ik u te moeten zeggen, dat het er donkerder uitziet dan ooit voor mijn arme volk.quot;

„Donkerder dan ooit? Is dat mogelijk?quot; vroeg Jack.

„Ja; tot hiertoe hebben wij slechts verdrukking en vervolging ondervonden, maar ik vrees, dat het er nu op toegelegd is ons geheel uit te roeien.quot;

„Maar,quot; zei Jack, verschrikt opziende, terwijl er een nieuw licht in zijne oogen straalde: „er is toch nog een God, waarmede gerekend moet worden: zal Hij dat toelaten ?quot;

„Zijn weg is in de zee, en Zijn pad in groote wateren, en Zijne voetstappen worden niet bekend,quot; sprak de predikant ernstig: „Hebt gij opgelet,quot; vervolgde hij na eenige oogenblikken: „hoe mijn jongen, dien gij zooeven zoo vriendelijk hebt bijgestaan, heet?quot;

-ocr page 158-

154

„Vartan, — dat beteekent immers Paschen?quot;

„De naam Vartan is eiken Armeniër dierbaar, het is die van onzen grootsten held, dien ons volk als een heilige vereert. Toch stierf hij in een slag, dien wij verloren. Hij vocht tegen de Perzen, toen zij de Armeniërs tot onderwerping wilden brengen en ze hen wilden dwingen hun geloof in Christus te verloochenen om vuuraanbidders te worden. De Perzen bezaten eene aanzienlijke macht en waren velen in aantal; de Armeniërs waren in vergelijking met hen eene machtelooze bende, doch Vartan's antwoord was: „Wij zijn niet beter dan onze voorvaderen, die goed en bloed hebben veil gehad voor hun geloof. Herhaal uwe vraag niet, want ons verbond is niet met menschen, doch met den Eeuwigen God, bij Wien geene scheiding of verandering is, maar die dezelfde blijft nu en tot in eeuwigheid, - van eeuwigheid tot eeuwigheid.quot; Zoo sprak ons volk vijftienhonderd jaar geleden, en zoo spreken wij nog, nu de donkerste ure van den donkeren nacht voor ons land is aangebroken.quot;

Er heerschte eenige oogenblikken stilte; toen vervolgde Stepanian: „Hij stierf in een slag, dien wij verloren. — De slag werd verloren, maar de zaak zegeviert.quot;

Jack had zijn gelaat in zijne handen verborgen, doch bij deze woorden zag hij op. „Ziet gij dan door deze dikke duisternis heen toch een lichtstraal ?quot; vroeg hij verlangend.

„Mijnheer Grayson, laat mij een beeld gebruiken. In de vorige lente vergezelde mijn zoontje Armenag mij eens naar onzen wijngaard. Ik toonde hem twee wijnstokken. De een was schoon om aan te zien, vol weelderige bladeren en ranken, de ander een dorre, kale stronk, waarvan de bladeren en knoppen met meedoogenlooze hand waren weggesneden. „Welk van deze twee wilt gij hebben als uw eigen-

-ocr page 159-

155

dom, om dezen zomer de vruchten van te mogen plukken?quot; vroeg ik mijn zoontje. Natuurlijk koos hij den mooienr bladrijken struik. Maar nu het de tijd der inzameling geworden is, nam ik hem ophieuw mede, en zie, de wijnstok, die zoo schoon geschenen had, droeg slechts enkele armelijke druiven, terwijl degene, die zoo gesnoeid en gesneden was, nu boog onder het gewicht van zware trossen der heerlijkste vruchten.quot;

„En?quot; zei Jack, den predikant verlangend aanziende, om de uitlegging zijner gelijkenis eveneens te vernemen.

„Ik zie ook hier schoone vruchten rijpen. Denkt gij dat het niets is, wanneer mannen en vrouwen, ja zelfs kinderen, onbevreesd in den dood gaan voor den Heer, Dien zij liefhebben? Zijn zij niet, evenals de martelaars in vroegere tijden, gepijnigd, geene genade aannemende, als die eene verloochening van hun geloof in zich sloot? Velen reeds zijn ingegaan tot de rijen der heilige martelaars, — en velen nog zullen er aan toegevoegd worden, ook uit deze stad. In den laatsten tijd ben ik nimmer voor mijne gemeente opgetreden, zonder de gedachte dat allen, die ik voor mij zag, weldra in de tegenwoordigheid van Christus zouden verschijnen. En ik zelf ook, — ik zal Hem spoedig zien.quot;

„Zijt gij een profeet?quot; riep John Grayson, verbaasd opziende tot het kalme, beschaafde gelaat van dezen negen-tienden-eeuwschen prediker, die even bedaard en onbevreesd over zijn aanstaand martelaarschap sprak, alsof hij gezegd had: „ik ga op reis naar Frankrijk, of naar Engeland.quot;

„Ik ben geen profeet, mijnheer Grayson, maar ik meen wel, dat ik de teekenen der tijden vermag te onderscheiden. En hoewel het onze plicht is voor ons zelf te zorgen, zijn er toch ook dingen, die men aan God mag over-

-ocr page 160-

154

„Vartan, — dat beteekent immers Paschen?quot;

„De naam Vartan is eiken Armeniër dierbaar, het is die van onzen grootsten held, dien ons volk als een heilige vereert. Toch stierf hij in een slag, dien wij verloren. Hij vocht tegen de Perzen, toen zij de Armeniërs tot onderwerping wilden brengen en ze hen wilden dwingen hun geloof in Christus te verloochenen om vuuraanbidders te worden. De Perzen bezaten eene aanzienlijke macht en waren velen in aantal; de Armeniërs waren in vergelijking met hen eene machtelooze bende, doch Vartan's antwoord was: „Wij zijn niet beter dan onze voorvaderen, die goed en bloed hebben veil gehad voor hun geloof. Herhaal uwe vraag niet, want ons verbond is niet met menschen, doch met den Eeuwigen God, bij Wien geene scheiding of verandering is, maar die dezelfde blijft nu en tot in eeuwigheid, - van eeuwigheid tot eeuwigheid.quot; Zoo sprak ons volk vijftienhonderd jaar geleden, en zoo spreken wij nog, nu de donkerste ure van den donkeren nacht voor ons land is aangebroken.quot;

Er heerschte eenige oogenblikken stilte; toen vervolgde Stepanian: „Hij stierf in een slag, dien wij verloren. — De slag werd verloren, maar de zaak zegeviert.quot;

Jack had zijn gelaat in zijne handen verborgen, doch bij deze woorden zag hij op. „Ziet gij dan door deze dikke duisternis heen toch een lichtstraal ?quot; vroeg hij verlangend.

„Mijnheer Grayson, laat mij een beeld gebruiken. In de vorige lente vergezelde mijn zoontje Armenag mij eens naar onzen wijngaard. Ik toonde hem twee wijnstokken. De een was schoon om aan te zien, vol weelderige bladeren en ranken, de ander een dorre, kale stronk, waarvan de bladeren en knoppen met meedoogenlooze hand waren weggesneden. „Welk van deze twee wilt gij hebben als uw eigen-

-ocr page 161-

155

dom, om dezen zomer de vruchten van te mogen plukken ?'* vroeg ik mijn zoontje. Natuurlijk koos hij den mooien, bladrijken struik. Maar nu het de tijd der inzameling geworden is, nam ik hem ophieuw mede, en zie, de wijnstok, die zoo schoon geschenen had, droeg slechts enkele armelijke druiven, terwijl degene, die zoo gesnoeid en gesneden was, nu boog onder het gewicht van zware trossen der heerlijkste vruchten.quot;

„En?quot; zei Jack, den predikant verlangend aanziende, om de uitlegging zijner gelijkenis eveneens te vernemen.

„Ik zie ook hier schoone vruchten rijpen. Denkt gij dat het niets is, wanneer mannen en vrouwen, ja zelfs kinderen, onbevreesd in den dood gaan voor den Heer, Dien zij liefhebben? Zijn zij niet, evenals de martelaars in vroegere tijden, gepijnigd, geene genade aannemende, als die eene verloochening van hun geloof in zich sloot? Velen reeds zijn ingegaan tot de rijen der heilige martelaars, — en velen nog zullen er aan toegevoegd worden, ook uit deze stad. In den laatsten tijd ben ik nimmer voor mijne gemeente opgetreden, zonder de gedachte dat allen, die ik voor mij zag, weldra in de tegenwoordigheid van Christus zouden verschijnen. En ik zelf ook, — ik zal Hem spoedig zien.quot;

„Zijt gij een profeet?quot; riep John Grayson, verbaasd opziende tot het kalme, beschaafde gelaat van dezen negen-tienden-eeuwschen prediker, die even bedaard en onbevreesd over zijn aanstaand martelaarschap sprak, alsof hij gezegd had: „ik ga op reis naar Frankrijk, of naar Engeland.quot;

„Ik ben geen profeet, mijnheer Grayson, maar ik meen wel, dat ik de teekenen der tijden vermag te onderscheiden. En hoewel het onze plicht is voor ons zelf te zorgen, zijn er toch ook dingen, die men aan God mag over-

-ocr page 162-

156

laten; — en dingen, die Hij niet van ons vraagt. Hij vraagt bijvoorbeeld niet van den herder, dat hij zijne schapen verlate, wanneer zij vervolgd worden.quot;

„Maar de dood is niet het ergste wat ons hier kan overkomen,quot; zei Jack met bijna toonlooze stem; „zelfs niet pijniging - gave God, dat het zoo ware!quot;

„Denkt gij, dat ik dit niet weet?quot; sprak de predikant, met bevende lippen, terwijl een trek van nameloos lijden over zijn gelaat vloog; „denkt gij niet, dat ik elk uur van mijn leven God dank voor mijne Dooden, — mijne Dooden, die door Zijne hand gestorven zijn?quot;

Jack herinnerde zich het tafereel, dat hij eenmaal in de kerk gezien had, en hij zweeg. Eene langdurige stilte heerschte in het vertrek. Eindelijk verbrak Hagop Stepanian die met de woorden; „Mijnheer Grayson, vertrouwt gij God?quot;

Jack sloeg zijne eerlijke blauwe oogen neer voor den doordringenden blik uit die vurige zwarte, waarvan het hem scheen, dat ze in onpeilbare diepten van doodsangst hadden geblikt, doch thans vollen vrede hadden met alles wat ze zagen. „Ik vertrouw op God,quot; zei hij zeer zacht.

„Daar twijfel ik niet aan. Maar in onzen toestand hebben we meer noodig. Om in dezen strijd te zegevieren, moet men geheel en zonder voorbehoud, lichaam en ziel, en de lichamen en zielen van hen, die ons dierbaarder zijn dan ons leven, in de handen hebben gegeven van zijn getrouwen Schepper en Verlosser.quot;

„Meent gij, dat wij niet alleen bereid moeten zijn om zelf te lijden, maar ook om hen te zien lijden?quot; vroeg Jack met haperende stem. „Maar dat is tegennatuurlijk, — onmogelijk!quot;

-ocr page 163-

157

„Daarom vraagt God dat ook niet van ons. Alles wat Hij van ons vraagt, is dat wij zullen zijn — eens willend met Zijn wil!quot;

„O, niet Zijn wil, — niet Zijn wil!quot; riep Jack bijna als een wanhoopskreet: „het is de wil van verdorven booswichten, — van duivels!quot;

„Helaas ja; — maar Hij is sterker dan zij, en Zijn wil zal zegevieren. Mijnheer Grayson, mag ik u een raad geven?quot;

„Mits het niet zij om deze plaats te verlaten en voor mijne eigene veiligheid te waken, want dat kan ik op 't oogenblik niet doen.quot;

„Dat weet ik; gij hebt anderen, gij hebt éene andere, voor wie gij hebt te zorgen. Neen, gij deelt onze gevaren, en tenzij gij ook onze sterke vertroosting deelt, zult gij zijn als zij, die in een zeer diepen afgrond verzinken, en uw hart zal bezwijken binnen in u. Herinner u, dat gij God moet vertrouwen, geheel en volkomenlijk. Nimmer heeft Hij 't verbond verbroken met een enkelen, die op Hem vertrouwde. Hij zal u weder opvoeren uit de diepte en gij zult Zijne gerechtigheid aanschouwen, en dan zult gij vol vreugde tot Hem opzien, en gij zult weten, waarom Hij deze dingen over u komen liet.quot;

Het gesprek werd afgebroken door het binnenkomen van Vartan en een jongeren knaap, die koffie en koekjes brachten. De predikant trok den kleine tot zich, en zeide in het Armenisch. „Vertel den Engelschen Effendi eens, Armenag, wat onze vaderen in de dagen van St. Vartan zeiden tot de Perzen, toen die hen dwingen wilden den Heere Jezus te verloochenen.quot;

Duidelijk en met nadruk op ieder woord antwoordde het kind: „Herhaal uwe vraag niet, want ons verbond is

-ocr page 164-

158

niet met menschen, doch met den eeuwigen God, bij wien geene scheiding of verandering is, maar die dezelfde blijft nu en tot in eeuwigheid, — van eeuwigheid tot ■eeuwigheid.quot;

„En wat heeft God zoowel tot hen als tot ons gezegd ?quot;

De stem van den knaap klonk helder en klaar toen hij de welbekende woorden herhaalde: „Bergen zullen wijken •en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw ontfermer. Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnsteenen, en uwe gansche landpalen van aangename steenen.quot;

„Ik laat mijne kinderen dergelijke woorden leeren,quot; zeide de predikant, terwijl hij in het Engelsch voortging, „opdat zij weten mogen dat wij een morgen verwachten, dien onze oogen zeker zien zullen, hier of hiernamaals.quot;

Een oogenblik bleef Jack zwijgend zitten. Toen vatte hij, opstaande, de hand van den predikant en schudde die op trouwhartige Engelsche wijze. „Ik dank u voor wat gij mij zeidet over het vertrouwen op God.quot;

„God is niet alleen boven u in den hemel, maar evenzeer in de diepte beneden u,quot; zeide de predikant. „Geen afgrond is 200 diep of gij kunt er Hem vinden. En, mijn vriend,quot; zoo ging hij glimlachend voort, „ik twijfel er niet aan of gij zult met uwe Shushan, de dochter van ons volk, uw geboorteland veilig bereiken. Gij zijt een Engelschman en vreemdelingen worden hier altijd beschermd. En als God u de vrijheid geeft, denk dan aan •deze verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste

-ocr page 165-

159

kerk. Zoo gij eens het middel mocht zijn, dat God wilde gebruiken om haar te vertroosten!quot; Toen vervolgde hij in het Armenisch: „Vartan, ga met mijnheer Grayson mede en breng hem langs den kortsten weg naar huis.quot;

„Ja, vader, maar ik moet u nog zeggenquot; — onwillekeurig begon de knaap te fluisteren: — „Osman is hier geweest om ons te waarschuwen, dat wij niet moesten trachten van avond een dankstond te houden. De zaptiehs zouden dien met geweld verstoren.quot;

„Ik zal zien wat er te doen is. Zooveel heeft die herziening té beduiden, mijnheer Grayson. Doch spreek niet hierover. Osman is een jonge Turk, die ons goed gezind is, zooals ik u heb verteld, dat er enkelen zijn; en éen ondoordacht woord zou hem in moeilijkheden kunnen brengen. Nogmaals vaarwel. God zegene u!quot;

-ocr page 166-

HOOFDSTUK XIV.

Een hedendaagscfi Tfiermopylae.

„Wie waagt zfln leven hier met mij En schaart zich aan mijn zjj ?quot;

T. B. Macaulay,

Na deze ontmoeting begaf Jack zich dikwijls naar de Protestantsche kerk, om Ds. Stepanian te hooren preeken. Hij had een diepen indruk ontvangen van zijne woorden en nog meer van zijne persoonlijkheid en daarenboven werd de aantrekkelijkheid van dezen kerkgang verhoogd, door het bijzijn van Shushan, die zedig bij Zuster Celandine zat in het gedeelte, dat voor de vrouwen bestemd was.

Oriort Elmas was er ook eene getrouwe bezoekster. Zij had een edel uiterlijk; zij was langer dan Shushan en veel minder regelmatig mooi dan deze, maar zij had ieis zeer beschaafds en ontwikkelds. Jack hoorde veel spreken over haar moed en hare toewijding in het bezoeken en helpen van armen en zieken, zoowel als over haar liefdevolle zorg voor haar jongere broertjes en zusjes te huis. Hij ontmoette haar een paar maal bij de famüie Varto-

-ocr page 167-

161

nian en hij achtte Kevork een gelukkig man, — met de onuitgesproken bijgedachte, dat hij nog veel gelukkiger was — een aangenaam gevoel, dat het gemakkelijk maakt, zich te „verblijden met de blijden.quot;

Toen Jack zijne vrouw bezocht, hoorde hij van haar vele klachten over het vertrek van haar geliefde jeugdige onderwijzeres, zuster Fairchild. Ook van de Vartonians en anderen hoorde hij met veel lof gewagen van haar liefdewerk onder de armen en voornamelijk onder de vluchtelingen uit Sassoen, dat de jonge zendingszuster bijna het leven had gekost. Van alle kanten ook verhaalde men hem van de dankbaarheid en liefde, die men haar toedroeg. Eens, gedurende hare ziekte, toen men bijna wanhoopte aan haar leven, hoorde een arme man, een uitdrager, dat zij gevraagd had om visch. Het scheen wel onmogelijk haar die te bezorgen, want het was in den zomer en de Euphraat, vanwaar men in den winter wel visch aanvoert,, was twee dagreizen veraf. Doch midden in de stad is de mooie vijver van Abraham, waar de heilige visschen in zwemmen, die iedereen voedt, en die de Mahomedanen zoo hoog in eere houden, dat het met den dood gestraft wordt, wanneer men er een aanraakt.

De arme Armeniër hield de wacht bij deze bron tot in het hartje van den nacht. Toen waagde hij het met levensgevaar een paar visschen te vangen en naar het Zendingshuis te brengen. David's drie sterke mannen, die het water aanvoerden uit de bornputten van Bethlehem, verrichtten zeker geen grooter heldendaad dan deze.

Het verhaal van den dienst, die in de Cathedraal gehouden was om te bidden voor haar herstel, was bepaald hartroerend. De Gregoriaansche Bisschop en al de priesters uit de stad hadden er aan deelgenomen en het groote

Aan den Euphraat 11

-ocr page 168-

162

gebouw was stampvol geweest. „God moet haar aan ons teruggeven,quot; zeiden de Armeniërs.

Zondag, den 27st611 October, woonde Jack den dienst bij in de kerk van Ds. Stepanian. Na afloop ging hij zijne vrienden tegemoet, die meest allen in de Cathedraal kerkten. Reeds voordat hij die bereikte, zag hij, dat er iets ongewoons aan de hand was. Al de Armeniërs, die hij tegenkwam, zagen er buitengewoon gejaagd en opgewonden uit; de meesten schenen zich in groote haast naar hetzelfde doel te spoeden. Wat hen echter bezielde, was ditmaal zeker geen vrees. De enkele gezegden, die hij kon opvangen, klonken hoopvol en spraken van vertrouwen op de wet. „Naar de rechtbank er mee!quot; — „Nu zullen wij eens zien. wat ze doen!quot; — „Vooruit met hem!quot; en meer zulke woorden troffen zijn oor.

„Wacht, Gabriël, zijt gij daar?quot; riep hij, den knaap tegenkomend: „vertel gij mij toch eens wat er gebeurd is!quot;

Gabriël, die in de Cathedraal geweest was, hijgde nog naar adem. „Gij moet weten,quot; begon hij: „dat, na afloop van den dienst, velen van ons op het kerkhof bleven staan, toen daar een Turk binnenkwam. Hij zag ons allen onderzoekend aan, maar niemand had lust iets tot hem te zeggen, — hoewel hij daar niets te maken had, — totdat hij ten laatste den ouden Baghas, den geldschieter, in het oog kreeg. Hij begon met hem in naam van den Profeet te vervloeken en hem allerlei verwenschingen naar het hoofd te slingeren. Hoe had hij, een hond van een Giaour als hij, aan zijn huis durven komen en hem om geld vragen? Baghas stond hem met een moed, die ons allen verwonderde. Hij zei den Turk eenvoudig, dat het geheel zijn eigen schuld was. Waarom had hij goudstukken van hem gekocht, als hij ze niet kon betalen?

-ocr page 169-

168

Indien hij hem voldeed, wat hij schuldig was, dan was de zaak uit. Een groepje der omstanders verzamelde zich rondom hem; toch was niemand van hen vlug genoeg om den Turk te weerhouden, toen hij zijn scimitar uithaalde en den armen Baghas doorstak, zoodat hij ontzield op den grond viel. „Daar hebt gij uwe betaling. Giaour,quot; zeide hij. Meer kon hij niet zeggen, want met een verwoeden kreet had ons volk zich op hem geworpen, onder uitroepen als; „Nu zullen wij eens zien wat die herziening uitwerkt!quot; „Nu zullen wij recht krijgen!' „Djanum! ') moeten wij ons zoo, als honden laten doodslaan?quot; en meer andere.quot;

„De hemel geve, dat zij den Turk geen kwaad gedaan hebben!quot; zei Jack ontsteld: „dat zou ons duur te staan komen.quot;

„Ik geloof niet, dat zij dat deden. Zij hebben hem in hun midden genomen en ze voeren hem nu naar het gebouw van de rechtbank, om een aanklacht tegen hem in te dienen.quot;

„Ik herinner mij eens in Engeland gezien te hebben hoe eene musch een kat aanvloog om haar jong te verdedigen ; deze zaak doet mij daaraan denken,quot; sprak Jack somber: „Gabriel,quot; vervolgde hij: „ik moet zien hoe dit eindigt, maar ik wou liever niet, dat gij er bij waart. Ik vrees dat het een gevaarlijke geschiedenis wordt.quot;

„O, ik zou zóó gaarne komen. Ik ben niets bang.quot;

„Maar als gij gewónd werdt, zou het Shushan verdriet doen. Daar moeten wij ook aan denken.quot;

■ „Ja,quot; zei Gabriël langzaam; „ik zal naar huis gaan, Yon Effendi.quot;

') Djanum! = „bti m\)n ziel!quot; een veelgebruikte uitroep.

-ocr page 170-

164

Met eene zelfverloochening, die Jack nauwelijks genoeg kon waardeeren, wendde hij zich om en begaf zich door eene zijstraat huiswaarts. Jack vervolgde zijn weg, en het kostte hem niet veel moeite om het tooneel van den strijd te vinden, want het geluid van haastige voetstappen en verwarde stemmen, leidde hem naar een marktplein op eenigen afstand. Hier kon hij in 't eerst het bosch niet zien vanwege de boomen. Het geheele plein was vol Turken en Armeniërs, die verward en ordeloos door elkaar heen drongen, schreeuwden, joelden en nu eens den eenen, dan den anderen kant uit liepen. Het leek wel een algemeen gevecht, maar het doel van den strijd was voor een toeschouwer niet recht duidelijk. Om toch zijn aandeel in zulk een goede zaak niet te ontgaan, greep Jack een Turk het mes uit de hand, waarmee hij een Armeniër dreigde.

Weldra kwam eene kleine afdeeling Turksche ruiterij, met een schitterend uitgedosten officier aan het hoofd, het plein opdraven, en joeg zoowel Turken als Christenen verschrikt voor zich , uit. Eén Turk slechts bewoog zich niet, want hij lag op den grond te sterven. Het was de moordenaar van Baghas. De soldaten namen den zwaargewonden man op en tilden hem op een paard. Toen keerden velen der Turken en enkele Christenen terug en verzamelden zich om hen heen. Jack hoorde hen roepen, dat de man stervende was.

„Hoe zijt gij hier gekomen, YonEffendi?quot; zei plotseling de stem van Barkev Vartonian naast hem.

„Ik ontmoette Gabriël en hoorde wat er gebeurd was. Wat gaat men nu doen?quot;

„Den man voor de rechtbank sleepen, denk ik. Zij zullen hem er niet meer levend brengen.quot;

-ocr page 171-

165

„Barkev, wie heeft hem gedood?quot;

„De zaptiehs natuurlijk, toen zij hem niet uit onze handen konden krijgen. Ik heb met mijn eigen oogen gezien, dat een van hen hem met een bajonet doorstak.quot;

„Ik vreesde, dat een der onzen het had gedaan, ziende dat zij hem wilden ontzetten.quot;

„Hoe zou dat kunnen, tenzij dan met stokken of steenen. Andere wapens bezitten wij niet, zooals gij weet. Maar de Turken zullen natuurlijk trachten het ons ten laste te leggen. Kom maar mede naar het gebouw van de rechtbank, dan kunnen wij zien hoe het afloopt.quot;

Toen zij de bedoelde plaats bereikten, riep Barkev plotseling uit: „Djanum! daar hebt ge waarlijk Dr. Meikon in handen van de zaptiehs! Wat kan hij gedaan hebben?quot;

„Ik denk dat hij niet als misdadiger is gevat, maar als dokter wordt binnengeroepen,quot; sprak Jack, terwijl zij voortgingen.

Indien dat zoo was, bleek het reeds te laat. De Turk was reeds dood. Zij hoorden dat de omstanders zeggenen vernamen tevens de duidelijke, heldere stem van Meikon, die de Turken smeekte hem door te laten, daar hij nu toch niets verrichten kon en hij een dringend geval had in zijne praktijk. Hij was juist op weg naar een Muzelman Effendi.

Neen; hij moest blijven en de oorzaak van den dood constateeren. Barkev en Jack volgden de menigte, die het gebouw binnenstroomde en daar de rechtzitting op de groote open plaats werd gehouden, konden zij alles gadeslaan wat er gebeurde.

Zij zagen hoe het lijk op een divan werd neergelegd en hoe Meikon naderde om het te onderzoeken. Een Turksch beambte stond er met uitgetrokken zwaard naast.

-ocr page 172-

166

„Deze man is gedood door de slagen van stokken en knuppels,quot; sprak de Turk met luide stem. Meikon boog zich over het lijk heen; de beambte boog zich eveneens, en fluisterde hem iets in.

Bijna oogenblikkelijk richtte Meikon zich weer op en zijn gelaat was even bleek als dat van den vermoorden man aan zijne voeten. Voor een oogenblik hield de bewegelijke, luidruchtige Oostersche menigte zich volkomen stil. Melkon's duidelijke, vastberaden stem werd door allen verstaan;

„Deze man is gestorven aan wonden met de bajonet toegebracht.quot;

„Dus geen beschuldiging tegen ons,quot; zei Barkev.

Doch Meikon had zijn eigen doodvonnis geteekend, en dit wist hij. Een enkel oogenblik zag hij de menigte strak aan; toen zei hij:

„Ik kan sterven, maar ik kan geen leugen uitspreken.quot;

Hij werd overschreeuwd door een stroom van Turksche vloeken en verwenschingen en een tiental ruwe handen maakte zich tegelijk van hem meester.

„Te hulp!quot; riepen Jack en Barkev als uit éen mond, zich met hunne vuisten een weg banend.

„Houdt u stil,quot; bromde eene stem naast hen, en een Turk dien zij wel kenden, legde zijne hand op Barkev's schouder: „stil dan, en maakt dat ge thuis komt,quot; vervolgde hij fluisterend: „het zijn mijne broeders, die den dokter beet hebben en zij zullen wel trachten hem te verbergen. Hij heeft ons eens behandeld; we houden van hem en we zullen niet toelaten, dat hij gedood wordt.quot;

Eenigszins getroost begaven de jonge mannen zich huiswaarts. De Muzelmannen, die zij op straat tegenkwamen, begroetten hen met dreigementen en beleedigingen.

-ocr page 173-

167

„Wij zullen spoedig korte metten met u maken, gij honden van Giaours, die ge zijt,quot; krijschten zij. Jongens wierpen hen met steenen en vrouwen schreeuwden hen zoo hard zij konden, vloeken na, — leelijke Turksche vloeken, die zoo laag mogelijk zijn.

„Ik vrees, dat het er slecht voor ons uitziet,quot; zei Barkev, toen zij in hun eigen wijk waren teruggekeerd.

„Ik ook,quot; antwoordde Jack: „ik denk dat het geen kwaad kon als eenigen onzer dezen nacht opbleven: wat mij betreft, ik ben daartoe bereid.quot; Met deze woorden begaf hij zich naar zijn eigen vertrek om zijn kostbare revolver schoon te maken en de twee bruikbare loopen te laden. Hij had niet gewaagd haar in orde te laten maken; dat ware veel te gevaarlijk geweest.

Voor zoover zij wisten, ging de nacht echter rustig voorbij. Verschillende Armeniërs hadden winkels of werkplaatsen buiten hun eigen kwartier, en ook met enkele leden van de familie Vartonian was dit het geval. Dien Maandagmorgen smeekten de vrouwen hen om thuis te blijven, en de meesten van hen gaven ook aan dien wensch gehoor. Anderen echter meenden, dat het verstandiger was, hun moed te toonen door hun gewonen gang te gaan. Barkev Vartonian behoorde tot deze laatsten, en Jack ging met hem om hem gezelschap te houden.

Ze waren nog niet ver buiten hun eigen wijk, toen een knaap, schreiend van angst op hen toeliep en zich aan Jack's zeboun vastklemde.

„Wat is er? Wat scheelt er aan, arm kind?quot; vroeg hij. Daarop, toen hij nauwkeuriger toezag, riep hij; „Hagop!: Hagop Meneshian! Wat beteekent dat? Hoe komt gij, hier? Waar zijn al de anderen?quot;

„Wij zijn allen de poort binnengekomen,quot; hijgde

-ocr page 174-

168

Hagop; „maar de Dajeeks hebben ons met stokken en steenen en messen nagezeten. O, zij zullen ons zeker dooden! Wat moeten wij doen?quot;

„Wees maar niet bang; wij zullen u wel beschermen. Waar zijn uwe ouders?quot;

„Daar ginds, op het marktplein, — in den hoek bij dien blinden muur. Kevork en de anderen verdedigen de vrouwen en kinderen zoo goed als zij kunnen. Ik ben ontkomen, ik weet zelf niet hoe, en 'k zocht nu onze wijk om u te waarschuwen.quot;

„Ga maar niet met ons terug. Loop liever deze nauwe straat door, dan zijt ge dadelijk in onze wijk. Als ge daar naar het huis van Baron Vartonian vraagt, zal elk kind het u wijzen en dan kunt ge ons vandaar hulp zenden.quot;

Zoo snel zij konden, spoedden Barkev en Jack zich voort om hunne vrienden te hulp te komen. Weldra ontmoetten zij op hun weg een tierende menigte Turksche mannen en jongens, het uitvaagsel, zelfs van die maatschappij, die onder duivelsch gelach aan een touw iets voortsleepten. Iets, — wat was het ? Kon dat eene men-schelijke gestalte zijn, zoo afschuwelijk misvormd en verminkt? Was dat een menschelijk gelaat ?.... Was dat het gelaat, hetwelk zij, nog geen vier en twintig uur geleden, zoo doodsbleek, maar kalm in zijne vastberadenheid, vóór zich zagen?

„Het is Meikon,quot; fluisterde Jack vol afschuw: „Zij hebben hem vermoord. O G-od, wat gebeuren er hier ontzettende dingen!quot;

„Kom mee! Gauw, — kijk er niet langer naar: wij hebben de onzen te redden van een dergelijk lot.quot;

Zij vonden de familie Meneshian in den aangeduiden hoek op het marktplein. Het was hun tot nu toe gelukt

-ocr page 175-

169

zich den vijand van het lijf te houden. Zij hadden iets boven hen voor, daar de meesten van hen te paard of op muildieren zaten, maar het aantal hunner vijanden was zoo groot en zij hadden zooveel vrouwen en kinderen bij zich, dat het hun onmogelijk was door den vijand heen te breken, terwijl zij zelf voortdurend een mikpunt vormden voor de steenen en de modder, waarmede de Turken wierpen.

Hunne vervolgers schenen echter reeds genoeg te hebben van deze soort van sport, die hun zoo weinig voordeel aanbracht. Het was bijna jammer hieraan hun tijd te verspillen, terwijl hunne broeders op weg waren om de welvoorziene winkels en magazijnen der Armeniërs te plunderen! De Turken dropen dus langzamerhand af, zoodat het Jack en Barkev niet veel moeite kostte om hunne vrienden te ontzetten en het verschrikte troepje in veiligheid naar de Armenische wijk te geleiden. Eenigen van hen bloedden op verscheidene plaatsen uit wonden door de steenworpen veroorzaakt; allen droegen gescheurde en met modder bedekte kleederen. De kinderen schreiden om het hardst en een paar vrouwen schenen op het punt van in zwijm te vallen.

Ondertusschen hoorden zij achter zich een geluid als het gedruisch van vele wateren, als ze heftig door den stormwind gedreven tegen de rotsen beuken. Het gepeupel, — het toomeloos woeste gepeupel van een Ooster-sche stad, was „losgebroken.quot; „Weg met de Giaours!quot; was de kreet, die als eindeloos golfgeklots door de stad bruiste. De ongelukkige Armeniërs, die zich in de Turk-sche straten hadden gewaagd, vloden voor den storm, — vloden met levensgevaar, velen van hen reeds bloedende uit vele wonden.

-ocr page 176-

170

Zou dat gepeupel, als de golven tijdens den storm door de dijken heenbreken en zich een weg banen in de nauwe straten van de Armenische wijk? Zouden zij werkelijk jong en oud, mannen en vrouwen en kleine kinderen vermoorden? Neen de zwakken zouden niet sterven als de sterkeren hen konden beschermen. Barkev, Kevork, Jack en eenige andere jongelieden zonden de anderen naar huis en hielden zelf stand in eene nauwe straat aan den ingang der Armenische wijk. Het had er alles van, alsof dit een hedendaagsch Thermopylae zou worden, en zeker hebben Grieken noch Romeinen ooit in een heiliger zaak of voor dierbaarder belangen, met meer moed tegen sterker overmacht gestreden.

Gabriel, die juist thuiskwam uit school, wilde zich bij hen voegen, doch Jack zond hem weg om zijn revolver te halen. „Gij weet waar zij is,quot; zei hij. De anderen wapenden zich zoo goed en zoo kwaad zij konden met stokken en steenen: er was geen enkel ander vuurwapen als dat van Jack.

De Turken hadden overvloed van geweren. Gewone soldaten, zaptiehs, Rediefs, Hamidiehs en Koerden hadden zich bij de menigte aangesloten, belust op roof en plunder. De Armeniërs hadden zeker geen stand kunnen houden, indien zij niet zulke goede bondgenooten hadden gehad op de platte daken hunner huizen. Deze hadden alle borstweringen van groote, losliggende steenen, die nu ware schatkamers waren van doeltreffende wapenen voor de mannen en knapen, die ze van boven af op de hoofden der Muzelmannen wierpen.

Jack's twee schoten waren spoedig gelost, zooals twee Turken, tot hun schade, bemerkten. Hij kon niet weer laden, maar een vriend achter hem rukte hem het wapen

-ocr page 177-

171

uit de hand en gaf hem in de plaats daarvan een stevigen knuppel aan, waarmee hij weldra aan alle kanten om zich heen hieuw. Hij vocht voor zijn leven, — voor een leven dierbaarder dan het zijne. Duurde die wanhopige strijd eenige minuten, uren of jaren? Hij wist het niet. Gaven de Turken het eindelijk op? Wat beteekende dat? Zij schenen werkelijk te wijken ; er was althans nu ruimte om zich te bewegen. Twee of drie Turken lagen dood of stervende op den grond, anderen waren hevig gewond door knuppels of steenworpen. Zij schenen bang te worden. En weldra, — want een Oostersche volksoploop doet nooit half werk, — was de straat voor hen verlaten. In een overhaaste vlucht joeg alles door elkaar terug, den weg dien zij gekomen waren.

De Christenen haalden diep adem en zagen elkaar aan. „Eindelijk veilig!quot; zei Jack.

„Voor het oogenblik,quot; sprak Kevork, zijn voorhoofd afwisschend. Een oogenblik later om zich heenziend, riep hij in grooten angst uit: „O zie, mijn vader! Hij sterft!quot;

De Christenen hadden natuurlijk ook vele verliezen geleden. Er lagen enkele dooden en verscheidene gewonden. Onder hen was Boghos, die, hoewel hij niet jong meer was, zich toch onder de verdedigers had geschaard. Met diepe smart droegen Jack en Kevork hem naar het naaste huis. De eigenaar, een timmerman, Selferian ge-heeten, noodigde hen dadelijk binnen te komen en zijne vrouw, Josephine Hanum, eene flinke, mooie verschijning, bracht hun linnen en koud water, terwijl hun zoontje den naastbijzijnden dokter riep. Toen deze kwam, bevond hij dat de wond gelukkig niet levensgevaarlijk was, hoewel in elk geval ernstig.

Zoodra de Armeniërs zich konden vergewissen hoe het

-ocr page 178-

172

in de andere gedeelten hunner wijk stond, bleek het, dat al de hoofdingangen met gelijken moed en denzelfden goeden uitslag waren verdedigd. Zij hadden vele dooden en gewonden, hetgeen wel onvermijdelijk was, daar hunne aanvallers geweren bezaten en zij niet, maar voor het oogenblik waren de overgeblevenen toch, met vrouwen en kinderen, veilig in hunne eigene huizen.

Dat wil zeggen, zij waren veilig binnen de grenzen van hun eigen wijk. Er buiten, al was het maar aan den ingang, werden zij zonder uitzondering allen vermoord, — de mannen en knapen althans. De Armenische winkels, en er waren er vele, waaronder de beste en rijkstvoor-ziene in de stad, werden geplunderd, en de huizen dei-Armeniërs deelden hetzelfde lot.

Toch was de eerste indruk in de Armenische wijk, na afloop van den strijd, een gevoel van verademing. Als een ontbloot zwaard, waarvan gij reeds de scherpte voelt, plotseling wordt weggenomen, is uw eerste gewaarwording dankbaarheid, wat daarna ook moge volgen. Het duurde eenige dagen, voordat de Armeniërs tot het besef kwamen van twee ontzettende feiten; dat hunne vrienden en verwanten buiten hunne wijk reddeloos verloren waren, en dat zijzelf aan alle zijden ingesloten en in een staat van beleg verkeerden.

Als de familie Meneshian twaalf uur later de stad was binnengetrokken, dan zou waarschijnlijk geen enkele van hen in het leven zijn gebleven. Hunne reis van Biridjik naar Urfa was reeds eene aaneenschakeling van gevaren geweest, daar al de Muzelmannen in het land de wapenen tegen hen schenen op te vatten. Zij zouden haar zeker niet zonder ongelukken hebben volbracht, hadden zij Kevork niet bij zich gehad. Jack had ook hem voor-

-ocr page 179-

173

zien van een stel Koerdische kleederen, in de gedachte, dat hij met Shushan en hem zou terugkeeren naar Urfa; en deze had hij gedurende de reis gedragen, steeds voor het gezelschap uit rijdend, alsof hij alleen hun gids en beschermer was. Voordat hij de stad binnenkwam, had hij zich juist verkleed, want daar verwachtte hij geen gevaar en hij meende, dat het hem daar slechts aan bespotting zou blootstellen.

Allen waren zeer bezorgd over het lot van zuster Celandine en de andere bewoners van het zendingshuis. Voor zoover Jack betrof, was die angst spoedig geweken; echter op eene wijze, die zijnen vrienden een grooten schrik aanjoeg. Op zekeren dag toch vervoegden zich twee zap-tiehs aan het huis der familie Vartonian, met de vraag of zekere Grayson Effendi zich daar bevond. Ieder vreesde niet meer of minder, dan dat hij op den dag van het gevecht bij de poort was opgemerkt als de man, die de revolver gebruikte, en dat men hem dus zocht om hem gevangen te nemen, — een lot meer gevreesd dan de dood zelf. Groot was de verademing, toen het alleen een beleefd verzoek bleek om zuster Celandine te bezoeken. Getrouw aan zijn systeem, — en hij handelt altijd volgens systeem, — zal de Turk niet gaarne een vreemden onderdaan noodeloos benadeelen. Zuster Celandine werd dus niet alleen met rust gelaten, maar zelfs kreeg zij eene wacht van zaptiehs om haar grondgebied te beschermen.

Deze zaptiehs volbrachten trouw hun plicht; van enkelen hunner schijnt het zelfs, dat zij op 't laatst eenige achting en liefde voor hunne beschermelingen begonnen te koesteren.

Jack begaf zich dus naar het zendingshuis, even veilig alsof hij door de straten van Londen wandelde, hoewel zijn

-ocr page 180-

172

in de andere gedeelten hunner wijk stond, bleek het, dat al de hoofdingangen met gelijken moed en denzelfden goeden uitslag waren verdedigd. Zij hadden vele dooden en gewonden, hetgeen wel onvermijdelijk was, daar hunne aanvallers geweren bezaten en zij niet, maar voor het oogenblik waren de overgeblevenen toch, met vrouwen en kinderen, veilig in hunne eigene huizen.

Dat wil zeggen, zij waren veilig binnen de grenzen van hun eigen wijk. Er buiten, al was het maar aan den ingang, werden zij zonder uitzondering allen vermoord, — de mannen en knapen althans. De Armenische winkels, en er waren er vele, waaronder de beste en rijkstvoor-ziene in de stad, werden geplunderd, en de huizen dei-Armeniërs deelden hetzelfde lot.

Toch was de eerste indruk in de Armenische wijk, na afloop van den strijd, een gevoel van verademing. Als een ontbloot zwaard, waarvan gij reeds de scherpte voelt, plotseling wordt weggenomen, is uw eerste gewaarwording dankbaarheid, wat daarna ook moge volgen. Het duurde eenige dagen, voordat de Armeniërs tot het besef kwamen van twee ontzettende feiten: dat hunne vrienden en verwanten buiten hunne wijk reddeloos verloren waren, en dat zijzelf aan alle zijden ingesloten en in een staat van beleg verkeerden.

Als de familie Meneshian twaalf uur later de stad was binnengetrokken, dan zou waarschijnlijk geen enkele van hen in het leven zijn gebleven. Hunne reis van Biridjik naar Urfa was reeds eene aaneenschakeling van gevaren geweest, daar al de Muzelmannen in het land de wapenen tegen hen schenen op te vatten. Zij zouden haar zeker niet zonder ongelukken hebben volbracht, hadden zij Kevork niet bij zich gehad. Jack had ook hem voor-

-ocr page 181-

173

zien van een stel Koerdische kleederen, in de gedachte, dat hij met Shushan en hem zou terugkeeren naar Urfa; en deze had hij gedurende de reis gedragen, steeds voor het gezelschap uit rijdend, alsof hij alleen hun gids en beschermer was. Voordat hij de stad binnenkwam, had hij zich juist verkleed, want daar verwachtte hij geen gevaar en hij meende, dat het hem daar slechts aan bespotting zou blootstellen.

Allen waren zeer bezorgd over het lot van zuster Celandine en de andere bewoners van het zendingshuis. Voor zoover Jack betrof, was die angst spoedig geweken; echter op eene wijze, die zijnen vrienden een grooten schrik aanjoeg. Op zekeren dag toch vervoegden zich twee zap-tiehs aan het huis der familie Vartonian, met de vraag of zekere Grayson Effendi zich daar bevond. Ieder vreesde niet meer of minder, dan dat hij op den dag van het gevecht bij de poort was opgemerkt als de man, die de revolver gebruikte, en dat men hem dus zocht om hem gevangen te nemen, — een lot meer gevreesd dan de dood zelf. Groot was de verademing, toen het alleen een beleefd verzoek bleek om zuster Celandine te bezoeken. Getrouw aan zijn systeem, — en hij handelt altijd volgens systeem, — zal de Turk niet gaarne een vreemden onderdaan noodeloos benadeelen. Zuster Celandine werd dus niet alleen met rust gelaten, maar zelfs kreeg zij eene wacht van zaptiehs om haar grondgebied te beschermen.

Deze zaptiehs volbrachten trouw hun plicht; van enkelen hunner schijnt het zelfs, dat zij op 't laatst eenige achting en liefde voor hunne beschermelingen begonnen te koesteren.

Jack begaf zich dus naar het zendingshuis, even veilig alsof hij door de straten van Londen wandelde, hoewel zijn

-ocr page 182-

174

vrijgeleide bestond uit mannen, die hem op éen woord van hun kapitein met het grootste genoegen lid voor lid aan stukken hadden gescheurd. Hij vond het geheele gebouw overvol met ongelukkigen, die er gedurende de laatste ongeregeldheden eene toevlucht hadden gezocht. Velen van hen waren gewond en allen hadden alles verloren wat zij bezaten. Zoowel de binnenplaats als de meeste kamers van het huis waren door hen bezet. Zuster Celandine, — die sinds het vertrek van hare jeugdige mede-arbeidster geheel alleen had gestaan voor hare moeilijke taak, — zag er tien jaar ouder uit, dan toen hij haar het laatst bezocht had. Magerder kon zij moeilijk meer worden, maar onder hare oogen had zij donkere kringen en haar gelaat droeg de uitdrukking van diepe droefheid. Zij geleidde hem naar het eenige vertrek, dat zij nog het hare kon noemen, en vroeg hem vol angst naar den toestand der Armeniërs in hunne wijk, want hoewel die vlak bij haar gebouw was, werd haar tosh niet toegestaan die te bezoeken. Daarop vervolgde zij: „Mijnheer Grayson, ik ga den Pacha verzoeken om een paspoort.quot;

„Dat is wat iedereen doen zou in uwe plaats, — wat elk ander al lang geleden zou gedaan hebben,quot; antwoordde hij.

„Ik heb er mijne redenen voor. Het gevaar schijnt hier voorbij. Het moorden heeft een einde genomen. Toch kan ik mijn werk onder het volk niet hervatten; het wordt mij niet toegestaan. Hier ben ik nutteloos; ik ben slechts getuige van eene ellende, die ik niet vermag te lenigen. In Engeland of Amerika echter zou ik heel wat kunnen uitrichten. Ik zou er de waarheid, — de volle waarheid, — van wat hier wordt verricht, kunnen bekendmaken. Ik ben overtuigd, dat mijne mede-Christenen niet zullen

-ocr page 183-

Ine One O

blijven stil zitten en toelaten dat een Christenvolk, alleen omdat het een Christenvolk is, wordt uitgemoord en verdelgd met al de verfijnde, duivelsche wreedheid, die men hier om zich heen ziet.quot;

Zuster Celandine sprak zich maar zelden zoo sterk uit, doch haar hart brandde binnen in haar; zij had juist een verhaal van gruwelen aangehoord, die in deze bladen niet kunnen worden vermeld, en zij gevoelde geen noodzaak om zich in te houden.

De haat der Turken tegen de Armeniërs is eene zaak van eeuwen en hij heeft zijn oorsprong in verschillende redenen. Het feit echter, dat zij Christenen zijn, ontheft de Turken van alle besef van verkeerdheid in hunne handelingen, en maakt de verdelging der „ongeloovigenquot; een heiligen plicht. En daar deze, door den Islam te omhelzen, zich onder de bescherming van den Profeet zouden bevinden, is het feitelijk door hunne trouw aan hun geloof, dat de ongelukkigen gedoemd zijn ten doode, — en erger.

„Gij hebt gelijk, dat gij gaat,quot; zei Jack eenvoudig. „En o,quot; vervolgde hij eensklaps, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat opeens veranderde en zijne oogen van blijdschap straalden: „gij zult Shushan meenemen, nietwaar? Dat is uwe bedoeling, — daarom hebt gij mij hier laten komen. God zegene u duizendmaal!quot;

De glimlach, die de vervallen gelaatstrekken verhelderde, verleende hun een lieflijken glans. „Ja, mijn jongen,quot; sprak zij; „dat is mijne bedoeling. Maar ik durf haar niet meevoeren onder den naam van Shushan Meneshian, noch onder dien, welken zij nu het recht heeft te dragen. Dat zou tot te veel navraag leiden. Zij moet mij eenvoudig vergezellen als eene mijner bedienden, want ik heb het recht een zeker aantal van die met mij te nemen. Ik heb

-ocr page 184-

176

u echter laten komen om u te vragen, of gij thans ook niet een pas zoudt aanvragen en ons vergezellen?quot;

Jack zweeg eenige oogenblikken. Het was hem eigenlijk onmogelijk een woord te uiten, want de gedachte, de hartstochtelijke begeerte, om vrij te zijn, — vrij met Shushan op Engelands vrijen bodem te staan, werd hem bijna te sterk.

Maar weldra kwamen andere gedachten bij hem op. Het kon niet gebeuren. Plotseling wierp hij zijn hoofd achterover, met een haastig, scherp uitgesproken: „Neen,quot; dat de zenuwen der oudere dame, die toch in deze dagen reeds tot het uiterste gespannen waren, bijna pijnlijk aandeed.

„Ten eerste zou alles uitkomen. Ik zou herkend worden als de Engelschman, John Grayson, die te Biridjik een Armenisch meisje huwde en die daarna Koerden doodde en op Muzelmannen vuurde met een revolver, — een doodzonde zooals gij weet.quot;

„Zij zouden een Engelschman waarschijnlijk niet durven aantasten.quot;

„Misschien niet openlijk. Maar gij kent hunne manieren nog beter dan ik zelf, en ik denk, dat zij er wel iets op zouden vinden om mij mijne revolverschoten in gelijke munt te betalen, eer ik het land verliet. En zelfs, gesteld, dat ik in veiligheid was en Shushan ook, — wat zou dan het lot zijn van hare ouders en andere bloedverwanten ! Zou er geen zevenvoudige wraakneming op hun hoofd neerdalen, en zou hun lot niet te vreeselijk zijn om mij, — ik zwijg nog van Shushan, — nog een oogenblik geluk te doen kennen? — Daarbij komt nog iets, hoewel ik het niet gaarne uitspreek,quot; — en Jack's toon bezat plotseling weer iets van het jongensachtige.

-ocr page 185-

177

dat hem zoo vaak kenmerkte, „het is alsof de rnenschen hier, — de Meneshians, de Vartonians en de anderen — ik weet zelf niet waarom, zich aan mij vastklemmen. Zij schijnen zich te verbeelden, dat ik hen kan beschermen en helpen. Ik denk dat het is, omdat ik een Engelschman ben, een zoon van vaders en moeders, die geene vrees gekend hebben, omdat zij niets te vreezen hadden. Ik moet dus in elk geval hier blijven totdat deze uitbarsting voorbij is.quot;

„John Grayson, gij zijt een nobele knaap,quot; zei zuster Celandine, hem hare vermagerde hand reikende.

Jack drukte die vol eerbied aan zijne lippen. Hoe veel daden van liefde en medelijden, van heldhaftig meegevoel had die vrouwenhand verricht! Na eenige oogenblikken hervatte hij, op een geheel anderen toon dan zooeven, met een blijden glimlach: „Maar ik ben thans ook een man. Wanneer het u gelegen komt, zuster Celandine, zou ik dan nu mijne vrouw mogen zien?quot;

„Zeker; ik zal haar hier halen.quot;

Eenige minuten later trad Shushan binnen. Zij was wat bleeker geworden door de uitgestane angsten van de laatste dagen, maar in Jack's oogen was zij schooner dan ooit; zij had hem veel te vragen omtrent hare bloedverwanten en gelukkig kon hij haar betere berichten geven omtrent haar vader.

De tijd vloog voorbij onder ernstige gesprekken; maar geen van beiden sprak later ooit over dit uur. Toen het oogenblik van heengaan aanbrak, durfde geen van hen er aan denken, voor hoelang de scheiding zijn zou. Shushan was nu de moedigste. „Gij weet. Jack,quot; zei zij, met bevende stem: „het kruis van Christus is op ons beider hoofden gelegd. Niets kan ons nu meer scheiden.quot;

Aan den Ewphraat 12

-ocr page 186-

178

„Het kruis is ons opgelegd,quot; herhaalde Jack mat: „ja, dat is het. Doch laat uw hoofd niet hangen, mijne Lelie. Met Gods hulp zullen wij overwinnen en gaan wij nog blijde dagen tegen.quot;

Eene onverklaarbare stem in zijn hart scheen echter die hoopvolle woorden te logenstraffen, toen hij zich na een laatsten, langen blik afwendde om heen te gaan.

„Yertaak paré,quot; zei Shushan zacht.

„Menaak paré,quot; antwoordde hij met nauw verstaanbare stem, en ging heen.

-ocr page 187-

HOOFDSTUK XV.

Donkere uren.

De Armeniërs waren dus voor het oogenblik veilig in hun eigen wijk; d. w. z. zij behoefden daar niet te vreezen voor moord en doodslag, maar dat was ook alles wat er van gezegd kon worden. Zij durfden geen voet zetten buiten hunne eigene straten, en de Redifen, die hun, naar het heette tot hunne bescherming, maar eigenlijk als spionnen, waren opgedrongen, bedreven afschuwelijke wandaden.

Zij werden onophoudelijk gedrongen tot het uitleveren van vuurwapenen, die zij niet bezaten. Om de overheid te bevredigen, werd werkelijk alles wat door de strengste huiszoekingen aan het licht werd gebracht, afgegeven. Slechts zeer weinig was dat, want niet velen hadden het gewaagd zulk een streng verbod te trotseeren, maar onder dit weinige bevond zich, tot Jack's groote verdriet, ook zijn revolver. Nog altijd hielden de Turken aan met de bewering, dat de Armeniërs een groot aantal Martinigeweren bezaten, die hun door buitenlanders waren geleverd, en dat zij niet voor de veiligheid van hun leven en hunne bezittingen konden instaan, voordat zij die

-ocr page 188-

180

hadden uitgeleverd. Geheel nutteloos waren hunne verklaringen, dat deze geweren niet bestonden, — dat zij er nooit van hadden gehoord. Ten laatste kwam het arme verdrukte volk er toe, wapenen van de Turken zelf te koopen, die zij dan daarna aan de Regeering teruggaven. Op het eerste gezicht scheen dit enkel een der vele kunstgrepen van de ambtenaren om een oneerlijke winst te behalen. Er school echter veel meer achter; het maakte een deel uit van het listig overlegde, sluw gesmeede plan, dat het geheele ten doode gedoemde ras met fijn gesponnen netten omgaf, zoodat het in de oogen van hen, die hun anders wellicht gunstig gestemd zouden zijn, zou lijken alsof zij de aanvallers en niet de verdrukten waren.

In een onzer Europeesche bladen zou een verslag van de zaak aldus geklonken hebben: „Te Urfa, eene stad aan den Euphraat, vielen ongeregeldheden voor, veroorzaakt door de Armeniërs, die eene afdeeling zaptiehs aanvielen, terwijl deze een gevangene vervoerden naar het rechthuis. Met hunne overmacht verjoegen zij de zaptiehs en doodden den gevangene, tegen wien zij iets hadden. Ongeregeldheden volgden; winkels werden geplunderd en verscheidene slachtoffers vielen, zoowel Armeniërs als Muzelmannen. Daar de Armeniërs thans echter hunne vuurwapenen hebben uitgeleverd en zij voor het oogenblik binnen de grenzen hunner eigen wijk worden gehouden, is de rust weer hersteld, dank zij het krachtig optreden van de Regeering.quot; Eene dergelijke beschrijving zou John Grayson gelezen hebben, als hij in Engeland was gebleven, en waarschijnlijk had hij er dan niet veel langer over nagedacht en was het geheele voorval uit zijne gedachten verbannen met de onverschillige opmerking: „De menschen schijnen altijd te moeten moorden

-ocr page 189-

181

en vechten in die afgelegen oorden,quot; — waarna hij met verdubbelde belangstelling zijn courant zou hebben omgeslagen om op het volgende blad den uitslag van de groote cricket-match te lezen.

Nu echter bevond hij zelf zich midden in de „ongeregeldheden,quot; en dat veranderde de zaak geheel en al. Hij leed mede met de duizenden, die dicht opeengepakt in de nauwe, ongezonde straten verhongerden. Reeds spoedig bedreigde hun daar een gevaar, bijna even vreeselijk als het Turksche zwaard. Het water in|hunne bronnen vloeide hun toe door de groote, eeuwenoude waterleiding; en dezen toevoer konden de Turken afsluiten, hetgeen zij dan ook deden. Wel bevonden zich in hunne wijk nog enkele oude, in onbruik geraakte putten, die zij schoonmaakten en in gebruik namen, maar het water, dat zij daardoor verkregen, was evenmin zuiver als gezond. De wintervoorraad van rijst, bulghour en andere graansoorten, dien zij juist hadden opgedaan, werd met de uiterste zorg beheerd.

Jack nam een levendig aandeel in alles wat er geschiedde. Zijn vrijen tijd gebruikte hij om Turksch te leeren, want hij zag hoezeer hij zijn eigen en Shushan's gevaren vergroot had, door het niet vloeiend te kennen. Het viel hem niet zeer moeilijk; verscheidene der meest gebruikelijke zinswendingen kende hij reeds; daarenboven is het Turksch een bijzonder arme taal: men zegt, dat het niet meer dan zevenhonderd zelfstandige woorden bevat.

Hij bleef bij de familie Vartonian in huis; het gelukte zelfs dezen gastvrijen lieden al hunnen verwanten uit Biridjik ook nog een onderkomen te verschaffen, met uitzondering van den gewonden Boghos en diens vrouw, die

-ocr page 190-

182

voor het oogenblik nog bij de familie Selferian bleven.

Men had kunnen verwachten, dat Thomassian ook eenigen van onze vrienden Meneshian bij zich had ontvangen, daar deze toch ook tot zijne bloedverwanten behoorden, maar hij scheen geheel op te gaan in zijne smart over het verlies van al zijn rijkdommen. Zijn gansche, rijkvoorziene magazijn was geplunderd, en een nieuwe voorraad goederen, dien hij juist uit Aleppo verwachtte, was onderschept en eveneens geroofd. Geheel van streek gebracht door al deze ongelukken en gedrukt door sombere voorgevoelens, verkeerde hij in een toestand van de grootste neerslachtigheid, waaruit hij alleen was op te wekken tot het bijwonen van een der geheime beraadslagingen, die de Armenische „notabelenquot; met de grootste omzichtigheid af en toe hielden. Daar gaf hij vaak menigen goeden raad, — iets anders was echter zelden van hem te krijgen.

„Men kan evengoed trachten een gat te boren in het water, als hem om hulp te vragen,quot; zei een der jongere Vartonians. „Hij kon zich anders bij al zijn verliezen troosten met de gedachte, dat de Turken zich zeker zullen vergiftigen met zijn drankjes, waarvan zij het gebruik niet kennen.quot;

Het was uiterst moeilijk geworden om gemeenschap te oefenen met het zendingshuis, hoewel de Armeniërs wisten, dat hunne vrienden daar zich in veiligheid bevonden. Ook was het niet langer mogelijk den dienst in de Protestantsche kerk bij te wonen, zoodat Jack en Kevork niet meer in de gelegenheid waren om Shushan en Elmas te zien. Af en toe slechts nog gelukte het zuster Celandine om door hare zaptiehs Jack eenig bericht omtrent zijne vrouw te doen toekomen en wederzijds iets omtrent de haren voor Shushan te vernemen. Op deze

-ocr page 191-

183

wijze liet zij hem ook weten, dat zij er nog niet in geslaagd was een pas machtig te worden. De Pacha deed mooie beloften, maar verschoof de uitvoering er van voortdurend, onder het voorwendsel van den verwarden toestand, waarin het geheele land verkeerde.

De Gregorianen kwamen vaak samen in hunne Cathe-draal om den troost en de opbeuring, die zij zoozeer behoefden, te zoeken in het gemeenschappelijk gebed; en na afloop van deze godsdienstoefeningen bleven zij gewoonlijk nog wat samen om den staat van zaken te bespreken.

In een dier beraadslagingen klaagden zij over de onmogelijkheid om eenig bericht omtrent hun toestand te doen toekomen aan de vreemde mogendheden, die hen wellicht zouden willen of kunnen helpen. Post en telegraaf waren voor hen, en naar zij vermoedden ook voor zuster Celandine, gesloten. Eeeds hadden, met gevaar van hun leven, drie geheime boodschappers het gewaagd, zich buiten hun gebied te begeven om brieven over te brengen, maar er was niets meer van hen gehoord en men vermoedde dat zij in handen der Turken waren gevallen. Wat stond hun dan nu nog te doen ?

Bij deze vraag rees John Grayson, die tusschen Kevork en Avedis gezeten, de vergadering bijwoonde, op, met de woorden:

„Vrienden, ik wil uw eerstvolgende bode zijn. Vertrouwt gij mij?quot;

Een gemompel van verbazing ging door de vergadering. Jack's persoonlijke vrienden, en hij had er velen, protesteerden er tegen, dat hij zich in zulk een groot gevaar zou begeven; en allen waren het met elkaar eens, dat zijn leven te kostbaar was om lichtvaardig gewaagd te worden.

-ocr page 192-

184

„Wat zou Shushan wel zeggen?quot; fluisterde Kevork hem in.

„Zij zou zeggen „Der-ah haadet aliaquot; (De Heer zij met u), gaf Jack ten antwoord. Daarop, zijne stem verheffende, vervolgde hij: „Het is in alle opzichten het best, wanneer gij het goed beschouwt. Gij behoeft mij, noch uzelf in gevaar te brengen door mij eenig schrift mede te geven, want ik weet alles en kan dus alles vertellen. Word ik gevangen genomen, dan heb ik nog een goede kans om te ontkomen, want ik kan den Turken zeggen, dat ik een Engelschman ben, en dat het hun duur te staan zal komen, indien zij de hand tegen mij opheffen.quot;

„Zij zullen u niet gelooven en gij hebt geen enkel bewijs,quot; sprak de oude Hohannes diep verslagen, want hij had Yon Effendi lief als zijn eigen zoon.

„Ik heb wel een bewijs, Vader. Ik kan om hen te overtuigen, Engelsch spreken en schrijven en ik beloof u, dat ik hen zal stichten met heel wat groote woorden omtrent Consuls en Internationaal Recht, en de macht van Engeland. Daarentegen heben wij, indien ik niet gevangen genomen word, ontegenzeggelijk veel gewonnen. Een Engelschman, die gezien heeft, wat ik gezien heb, kan dingen zeggen, die de Engelschen, — en de geheele wereld met hen, moesten weten, en die niemand hun nu meedeelt.quot;

„Amaan! Dat is waar!quot; riepen verscheidene stemmen.

„En vergeet niet,quot; ging Jack voort; „hoeveel ik er zelf bij win. Als ik eenmaal vrij ben, zal ik zoowel mijzelf als ulieden beter kunnen helpen, dan wanneer ik hier blijf. Wanneer het was om u aan uw lot over te laten, zou ik niet heengaan. Hier of ginds, hoop ik aan uwe zijde te staan. Maar het schijnt mij toe, dat ik meer voor u kan doen door gaan dan door blijven.quot;

-ocr page 193-

185

„Hoe wilt gij u vermommen ?quot; vroeg een der aanwezigen.

„Ik kan het Koerdische pak dragen, dat mij reeds eenmaal goede diensten bewezen heeft.quot;

„Maar gij kent den weg niet,quot; wierp een ander hem tegen.

„Tot Biridjik ken ik hem zeer goed, en verder zal ik hem wel vinden.quot;

Eindelijk werd zijn voorslag eenstemmig goedgekeurd; alleen de oude Hohannes zweeg, want hij was niet van inzicht veranderd. De vergadering ging nu uiteen, nadat de hoofden met Jack hadden afgesproken, dat hij zich nog ten hunnen huize zou vervoegen om nadere instructies te ontvangen, voordat hij zijn gevaarvollen tocht zou ondernemen.

Toen zij zich samen huiswaarts begaven, lei Kevork de hand op zijn schouder: „Broeder,quot; zei hij: „verlangt gij niet om Shushan nog eens te zien voor uw vertrek? Ik denk, dat daar met wat bakshies voor de zaptiehs wel kans op zou zijn.quot;

Jack zweeg eenige oogenblikken. Toen antwoordde hij met een beslist: „Neen. Wij hebben reeds afscheid genomen van elkaar.quot; En zachter voegde hij er bij: „Het is beter haar niet ongerust te maken.quot; In zijn hart klonk het: „Ik wil het liefst hare laatste woorden als aandenken bewaren: Het kruis van Christus is op ons beider hoofden gelegd. Nu kan niets ons meer scheiden.quot; Toch nam hij zijns vaders dagboek, het kostbaarste, dat hij bezat, schreef er eenige liefdevolle woorden in en gaf het zorgvuldig ingepakt aan Kevork, om haar ter hand te stellen ingeval hem iets overkwam.

Bij nader inzien werd er besloten, dat Jack geen Koerdische vermomming zou dragen, daar men meende dat hij deze rol niet goed genoeg zou kunnen volhouden om

-ocr page 194-

186

alle verdenking af te weren. Een voorstel, dat hij a la Frank gekleed zou gaan, werd eveneens afgestemd, daar iemand in die kleeding nooit alleen op reis zou gaan. Eindelijk werd er eene vermomming voor hem gevonden, — de dracht van een Armenischen boer, veldarbeider, uit de laagste rangen der maatschappij. Men hoopte, dat de schijn van volslagen onkunde en armoede hem beveiligen zou.

Het was nu December, en de nachten waren donker, zoo donker als ze in dat zuidelijke land ooit worden. De oude stadsmuur van Urfa is zeer bouwvallig; op sommige plaatsen is hij slechts drie voet hoog en liggen de losse steenen er om heen verspreid. Met de grootste voorzichtigheid sloop Jack naar een van deze plaatsen, en het kostte hem ook niet de minste moeite om zich over den muur heen te slingeren. Het afdalen was nu echter een groot bezwaar, daar de muur aan de buitenzijde op een natuurlijke rots rustte, die bijna loodrecht naar beneden daalde.

Hij volbracht den tocht gelukkig zonder ongevallen en weldra stond hij veilig en wel op den rijweg. Een nieuwe moeilijkheid was het, de Turksche wacht te ontkomen, die gedurende den nacht herhaaldelijk de ronde deed. Toen hij haar in de verte zag naderen, wierp hij zich voorover tusschen de steenen op den grond, totdat de mannen voorbij waren en alles weer volkomen rustig was. Daarna zette hij met de grootste voorzichtigheid zijne reis voort door velden en wijngaarden heen, totdat hij den Eomeinschen heirweg bereikte, waarlangs hij drie maanden geleden met Shushan de stad was binnengekomen. Hoewel het nu in het koude jaargetijde was, wilde hij toch 's nachts reizen en over dag rust houden om zoo de kans van ontdekking te verminderen.

-ocr page 195-

187

Toch was drie uur later de teerling geworpen en zijn lot beslist. Eene afdeeling Turksche ruiterij, die eenige gevangenen naar de stad geleidde, zag reeds in de verte zijn zwarte gedaante tegen den witten straatweg afsteken. Hij wist dat men hem gezien had, en er was ■ geen plekje in de nabijheid, waar hij zich met mogelijkheid kon verbergen; er bleef hem dus niets over dan zoo goed mogelijk zijn rol vol te houden en flink weg door te stappen.

De aanvoerder van de bende vond hem blijkbaar te ver beneden zich om acht op hem te slaan en wierp hem slechts in 't voorbijgaan een vloek toe.

Helaas echter zag Jack tusschen de arme ongelukkige gevangenen, — te ongelukkiger, daar zij te voet de Turksche ruiters moesten bijhouden, — een gelaat dat hij kende; Der Garabed, den priester uit Biridjik. Het was hem onmogelijk een blik van medelijden en droefheid te weerhouden. Deze werd opgemerkt, zoowel als de blik van verstandhouding van den gevangene, hoewel die dadelijk weer zijne uitdrukking van doffe onverschilligheid hernam, die zijn ras zoo wonderbaar juist weet voor te wenden.

De kapitein sprak een enkel woord en Jack was omsingeld en gevat. Op de vraag naar zijn naam antwoordde hij stoutweg: „John Grayson. Ik ben een Engelschman.quot;

Deze mededeeling werd met gelach ontvangen.

„Bij den Profeet, dat ziet er nogal naar uit!quot; riep de kapitein. „Engelsche Effendi's reizen niet alleen, in zulke lompen door het land. Ik denk eerder, dat gij uit Zeitoen komt om oproer te prediken.quot;

„Ik kan u bewijzen, dat ik de waarheid spreek,quot; zei Jack, „ik ben een Engelschman. Ik draag deze kleeren, om ongehinderd de kust te bereiken, daar het land zoo onveilig is. Ik ben nimmer te Zeitoen geweest, dat kan ik

-ocr page 196-

188

u bewijzen. Zij, die de Engelschen overlast aandoen, zullen er voor boeten, terwijl zij die hen voorthelpen, goed betaald zullen worden in klinkende medjidis.quot;

Het laatste woord had blijkbaar een verzachtenden invloed. „Tot welken godsdienst behoort gij?quot; vroeg de kapitein.

„Tot den godsdienst der Engelschen,quot; antwoordde Jack zonder aarzelen. De kapitein aarzelde een oogenblik.

„Kapitein,quot; riep een Turk uit zijn gevolg: „de Giaour liegt. Hij is geen Engelsch Effendi, maar een Armeniër uit Urfa. Ik herken hem, want ik heb hem onder de vechtenden gezien, dien dag van den aanval. Hij had een revolver en schoot daarmee op de ware Geloovigen.quot;

„Is dat zoo? Dan gaat hij naar den Kadi,quot; zei de kapitein, niet langer aarzelend. „Bind hem, mannen, in naam van Allah, den Genadige. — Gij zijt een vervloekte leugenaar, zooals uw geheele volk.quot; En met een vloek wendde hij zich van hem af.

Jack hoopte, dat hij nu althans met den priester zou kunnen spreken, maar zelfs die geringe troost was hem ontzegd. Hij werd juist aan het andere uiteinde der rij gevangenen geplaatst, en de man aan wien hij werd vastgebonden, scheen óf bevreesd, of te neerslachtig om met hem te praten. Zijn eigen gemoedstoestand was verre van benijdenswaard. Hij verweet zich, dat zijne zending mislukt was. Hij had gehoopt zulke groote dingen te volbrengen, hij was uitgegaan vol moed en vol hoop, als een, die wat zal uitwerken op de wereld, — en nu? — En nu? Wat zouden zij wel denken, de vrienden die hem zoo liefhadden en zoo op hem vertrouwden? Zij zouden vol zorg op zijne terugkomst wachten, — en langzamerhand zou hun angst overgaan in droevige zekerheid. Toch

-ocr page 197-

189

zouden zij waarschijnlijk nooit het rechte omtrent hem te weten komen. En Shushan? De gedachte aan haar deed hem al zijn andere zorgen vergeten. Ach, Shushan! Om harentwille zou hij den moed niet laten zakken, en zou hij den strijd volhouden tot het einde toe. Zijn Engelsche naam en afkomst konden hem wellicht nog redden.

Dit was echter niet waarschijnlijk na die noodlottige revolverschoten. En ondertusschen, — waar was hij nu? Waar ging hij heen? Al de verhalen, die hij de laatste vijf jaar fluisterend had hooren vertellen van de gruwelen der Turksche gevangenis, overstelpten zijne ziel met nameloozen angst. Voor het eerst gevoelde hij, wat het zeggen wilde een alles overweldigende, afschuwelijke wees te kennen.

Een onbeschrijfelijke doodsangst maakte zich van hem meester; groote droppels, die hij voelde als de aanraking van ijskoude vingertoppen, stonden op zijn A'oorhoofd; hij rilde over zijn geheele lichaam. Reeds meer dan eens had hij den dood voor oogen gehad, en dat had hem nooit zoo vreeselijk geschenen. „Daarna hebben zij geene macht meer.quot; Daarna; — maar hoeveel daarvóór — o. God in den hemel, hoeveel daarvóór!

Opeens was het hem, alsof hij Stepanian's stem hoorde, die tot hem zeide: „Gij moet God vertrouwen, geheel en al.quot; Waar zij hem ook zouden brengen, wat zij ook met hem mochten doen. God zou daar zijn. Hij kon niet aan die Tegenwoordigheid ontkomen, evenmin als zijne vijanden. Een straal van hoop lichtte door zijne ziel; hij zag iets van het einde van den strijd, en de overwinning, die er op volgde. Als een kreet tot Eén van Wien hij wist, dat Hij hem hoorde, rees het gebed uit zijne ziel: „O God mijner vaderen, ik smeek U, geef, dat ik niet door eenige pijn quot;of lijden van U worde afgetrokken. Laat niet toe, dat

-ocr page 198-

190

ik mijn geloof verloochene of dat ik mijne broederen zou beschuldigen; in den naam van Jezus Christus, mijn Verlosser!quot;

Zoolang hij zijne gedachten bepaalde bij zijn God en Diens macht, was hij kalm. Dacht hij echter weer aan zijn eigen lot en wat hem overkomen kon, dan maakte die vreeselijke angst zich opnieuw van hem meester. Zelfs aan Shushan durfde hij niet te veel denken, — hij kon haar alleen opdragen aan den Heer. Van nature was hij moedig en kende hij geen vrees. Maar om zonder siddering aan een Turksche gevangenis te denken, heeft men meer noodig dan den heldenmoed die op het slagveld staande houdt, — hetzij zenuwen van ijzer en staal, of wel een geloof dat bergen verzet. En misschien zijn zelfs deze niet in staat om het vooruitzicht van zulke gruwelen dragelijk te maken, al is het ook mogelijk, dat zij kracht geven om ze te dragen wanneer zij eenmaal daar zijn.

In Urfa teruggekomen, en in het gebouw van de rechtbank, waar hij Meikon zijn moedig getuigenis had hooren afleggen, zag Jack, dat zijn verhaal geen oogenblik geloof vond. Eenigen der gevangenen werden weggeleid, hij wist niet waarheen; anderen, waaronder ook hij, voerde men naar de sombere poort der gevangenis, waar zij, na verscheidene donkere gangen te zijn doorgegaan, in een kamer of cel werden binnengeduwd. Voor zoover hij kon onderscheiden bij het schemerlicht, dat door een venster hoog in den muur binnendrong, was deze cel reeds overvol, — de bewoners stonden op elkaar gedrongen als eene menigte, die wacht vóór het openen eener deur, waardoor zij zal worden toegelaten tot een groot schouwspel. „Dit is zeker de wachtkamer,quot; dacht hij, „waaruit men ons zoo aanstonds zal oproepen om ondervraagd te worden. Maar wat

-ocr page 199-

191

een ontzettend benauwde, bedorven lucht! Dat is niet uit te houden, — dat moet besmettelijke ziekten kweeken!quot;

Het was volslagen onmogelijk te gaan zitten, moeilijk zelfs om een hand of voet te bewegen, zoo dicht was de menigte opeengepakt. Af en toe zocht de een of ander wat meer ruimte rondom zich te maken, om ten minste een oogenblik lucht te krijgen, maar deze pogingen werkten niets anders uit, dan dat de ellende der anderen nog grooter werd.

Niet zonder moeite wendde Jack zich tot een zijner lot-genooten in het ongeluk; „Hoe lang zullen zij ons hier opgesloten houden?quot;

Hij ontving geen ander antwoord, dan een somber „Amaan!quot; gevolgd door droeve zuchten.

Hij herhaalde zijn vraag. — „Hoe lang willen zij ons in deze afschuwelijke plaats laten blijven?quot;

„Zoo lang als zij kunnen,quot; kreunde de man, dien hij had aangesproken; — „totdat de dood ons bevrijdt. - Waarom niet? — Wij zijn in de gevangenis.quot;

Maar een ander siste in zijn oor: „De gevangenis? — Het is de hel, de hel.quot;

„Bedde ik mij in de hel, zie, gij zijt daar,quot; deze woorden kwamen John Grayson plotseling in de gedachte. Met een heldhaftige poging om zich op te heffen aan zijn geloof en zijn God, riep hij luide uit; „God is hier, laat ons tot hem roepen.quot;

„God heeft ons verlaten,quot; zeide de laatste spreker. Een twee- of drietal echter hoorde men zachtjes bidden: „Jezus, help ons!quot; „Jezus, help ons!quot;

Het begon laat te worden. Hoe gaarne zou Jack al hetgeen hij in Engeland bezat, gegeven hebben voor een vierkanten meter van den morsigen grond onder zijne voeten, om daarop te mogen rusten. In zijn ledematen, die eerst als lood waren

-ocr page 200-

192

tengevolge van de uitgestane vermoeienissen, gevoelde hij nu eene stekende pijn. Hij was te ellendig om honger te gevoelen, maar de dorst was onuitstaanbaar. Het gevoel van stikkende benauwdheid greep hem somwijlen zoo vreeselijk aan, dat hij zich inspannen moest om niet te trachten, zich met nagels en tanden een doorgang te banen door de levende massa, die hem omringde. De drukking rondom hem werd immer heviger, hij trachtte de oorzaak daarvan te ontdekken, maar hij zag slechts hoe een man in zijn nabijheid was flauw gevallen. Was het eene flauwte, of was hij gestorven ? Wie zou het zeggen ? Hij aanschouwde slechts het bloedelooze gelaat tusschen twee andere gezichten; want zoowel de in zwijm gevallenen als de dooden, konden niet anders dan blijven staan in de dicht opeengepakte menigte.

Het werd later. Hij gevoelde, dat zijne krachten hem begaven. Hij trachtte te spreken, maar zijne stem klonk vreemd en hol. Was zijn stervensuur aangebroken? Daarom was hij wellicht zoo zwak en zoo dof! Misschien dacht hij het wel, omdat hij het zoo zeer verlangde. Hij was echter jong en sterk en de dood was nog ver.

Het werd later. Shushan week niet uit zijne gedachte. Hij wenschte, — ja meermalen bad hij, dat zij nooit iets zou hooren van dit lijden. Gode zij dank, zij wist er althans niets van. Zuster Celandine zou voor haar zorgen, — en eenmaal, ja eenmaal, als deze doodsangsten geleden waren, zouden zij elkander wederzien. Was dit het kruis van Christus?

Het werd later. Zijne ledematen werden meer en meer gevoelloos. Telkens kwamen er oogenblikken, waarin hij het heden vergat. Nu eens waande hij zich in de kerk van dominé Stepanian, — dan te Biridjik, — een oogen-

-ocr page 201-

193

blik later in Engeland; maar, na die korte oogenblikken van vergetelheid, kwam de vreeselijke werkelijkheid, met. haar benauwdheid en angst, terug met nieuwe kracht. Dit waren geen hallucinaties, hij was zelfs niet eens flauw gevallen, het waren — hoe vreemd dit ook klinken moge — korte oogenblikken waarin hij sliep. Zelfs aan het kruis zijn sommigen ingeslapen. Ten slotte viel er geen licht meer door het enge tralievenster. Het was nacht.

Het werd later. Een dieper slaap dan te voren, ontrukte hem voor een poos aan de ellende van het oogenblik. Hij was in Engeland, in zijns vaders huis. Daar was in den boomgaard éen boom, waarin hij altijd zoo bijzonder gaarne klom, al waarschuwde zijn vader hem ook telkens: „pas op, jongen, gij zult er nog eens uitvallen en al uwe beenen breken.quot; Hij dacht, dat hij nu gevallen was van den hoogsten tak en gekneusd en gewond neergelegd op zijn bed. Hij zag de geneesheeren rondom zijn bed staan, zij wilden hem chloroformiseeren. Waarom was hij zoo kinderachtig om thans zoo luid te schreeuwen?

Met een schrik werd hij wakker. Gil op gil weerklonk door de gevangenis, maar zij kwamen niet van zijne lippen. Wie alleen kreten van pijn van kinderlippen heeft gehoord, kan zich niet voorstellen hoe vreeselijk het gillen is van een man in doodsangst. „Wat is dat?quot; riep Jack luide, terwijl zijn eigen stem klonk als een angstkreet.

„Er wordt iemand gepijnigd in de cel hiernaast,quot; antwoordde een klanklooze, onverschillige stem.

De kreten hielden aan, nu en dan afgebroken door eene korte stilte en diepe, zware zuchten. Ook enkele afgebroken woorden, een roepen om genade en onsamenhangende smeekbeden werden gehoord. Daarna weerklonk plotseling weer dezelfde doordringende gil van zooeven. „Ik weet

Aan den Euphraat. 13

-ocr page 202-

192

tengevolge van de uitgestane vermoeienissen, gevoelde hij nu eene stekende pijn. Hij was te ellendig om honger te gevoelen, maar de dorst was onuitstaanbaar. Het gevoel van stikkende benauwdheid greep hem somwijlen zoo vreeselijk aan, dat hij zich inspannen moest om niet te trachten, zich met nagels en tanden een doorgang te banen door de levende massa, die hem omringde. De drukking rondom hem werd immer heviger, hij trachtte de oorzaak daarvan te ontdekken, maar hij zag slechts hoe een man in zijn nabijheid was flauw gevallen. quot;Was het eene flauwte, of was hij gestorven ? Wie zou het zeggen ? Hij aanschouwde slechts het bloedelooze gelaat tusschen twee andere gezichten; want zoowel de in zwijm gevallenen als de dooden, konden niet anders dan blijven staan in de dicht opeengepakte menigte.

Het werd later. Hij gevoelde, dat zijne krachten hem begaven. Hij trachtte te spreken, maar zijne stem klonk vreemd en hol. Was zijn stervensuur aangebroken ? Daarom was hij wellicht zoo zwak en zoo dof! Misschien dacht hij het wel, omdat hij het zoo zeer verlangde. Hij was echter jong en sterk en de dood was nog ver.

Het werd later. Shushan week niet uit zijne gedachte. Hij wenschte, — ja meermalen bad hij, dat zij nooit iets zou hooren van dit lijden. Gode zij dank, zij wist er althans niets van. Zuster Celandine zou voor haar zorgen, — en eenmaal, ja eenmaal, als deze doodsangsten geleden waren, zouden zij elkander wederzien. Was dit het kruis van Christus?

Het werd later. Zijne ledematen werden meer en meer gevoelloos. Telkens kwamen er oogenblikken, waarin hij het heden vergat. Nu eens waande hij zich in de kerk van dominé Stepanian, — dan te Biridjik, — een oogen-

-ocr page 203-

193

blik later in Engeland; maar, na die korte oogenblikken van vergetelheid, kwam de vreeselijke werkelijkheid, met: haar benauwdheid en angst, terug met nieuwe kracht. Dit waren geen hallucinaties, hij was zelfs niet eens flauw gevallen, het waren — hoe vreemd dit ook klinken moge — korte oogenblikken waarin hij sliep. Zelfs aan het kruis zijn sommigen ingeslapen. Ten slotte viel er geen licht meer door het enge tralievenster. Het was nacht.

Het werd later. Een dieper slaap dan te voren, ontrukte hem voor een poos aan de ellende van het oogenblik. Hij was in Engeland, in zijns vaders huis. Daar was in den boomgaard éen boom, waarin hij altijd zoo bijzonder gaarne klom. al waarschuwde zijn vader hem ook telkens: „pas op, jongen, gij zult er nog eens uitvallen en al uwe beenen breken.quot; Hij dacht, dat hij nu gevallen was van den hoogsten tak en gekneusd en gewond neergelegd op zijn bed. Hij zag de geneesheeren rondom zijn bed staan, zij wilden hem chloroformiseeren. Waarom was hij zoo kinderachtig om thans zoo luid te schreeuwen?

Met een schrik werd hij wakker. Gil op gil weerklonk door de gevangenis, maar zij kwamen niet van zijne lippen. Wie alleen kreten van pijn van kinderlippen heeft gehoord, kan zich niet voorstellen hoe vreeselijk het gillen is van een man in doodsangst. „Wat is dat?quot; riep Jack luide, terwijl zijn eigen stem klonk als een angstkreet.

„Er wordt iemand gepijnigd in de cel hiernaast,quot; antwoordde een klanklooze, onverschillige stem.

De kreten hielden aan, nu en dan afgebroken door eene korte stilte en diepe, zware zuchten. Ook enkele afgebroken woorden, een roepen om genade en onsamenhangende smeekbeden werden gehoord. Daarna weerklonk plotseling weer dezelfde doordringende gil van zooeven. „Ik weet

Aan den Euphraat. 13

-ocr page 204-

194

niets, — niets. G-ij doodt mij!quot; En opnieuw: „Dood mij lt;Jan, in Godsnaam, ik bezweer u mij te dooden!quot; En, alsof het met al de voor het laatst verzamelde krachten van stervende lippen werd geuit, hoorde Jack een hartverscheurend; „Neen! — Neen! — Neen! — Neen!quot;

„Het is,quot; sprak de man naast hem: „slechts iemand, die weigert zijne vrienden te beschuldigen.quot;

„God sta hem bij!quot; stamelde Jack duizelig. Gedurende eenige oogenblikken stierven de kreten weg; toen begonnen zij weer, eindigend met zulk een alles doordringenden gil, dat Jack's bewustzijn hem begaf en een diepe flauwte hem uit zijne ellende verloste.

Een koele tocht, die over zijn gelaat streek, deed hem tot zijn bewustzijn wederkeeren. Toen hij om zich heen trachtte te zien, bemerkte hij dat hij te midden van andere gevallen lichamen op den grond lag. Daarop sleepte iemand hem naar het scheen door een donkere gang naar het licht. „Waar ben ik?quot; vroeg hij, terwijl hij werktuigelijk trachtte de hand, die hem vasthield, af te schudden. Nu zag hij, dat hij gedragen werd door twee zaptiehs, die met elkaar spotten over zijn krachtelooze pogingen om zich te bevrijden. Hij dacht, dat zij op weg waren om hem ter dood te gaan brengen en hij was er geheel onverschillig onder.

Maar voor het oogenblik scheen dat hunne bedoeling nog niet. Een van hen wees hem op eene plaats bij den muur en beval hem daar te gaan zitten: de ander haalde hem een dronk water, wat op dat oogenblik ongetwijfeld de grootste weldaad was, die men hem had kunnen bewijzen. Daarop leidden zij hem naar een open rechtszaal, waar vele andere gevangenen reeds stonden te wachten.

Droomerig zag hij om zich heen, terwijl enkelen voor

-ocr page 205-

195

den Kadi werden gebracht, die statig op een divan aan het einde der zaal zat, en hen na een korte ondervraging, soms zelfs na enkele woorden, weer door de zaptiehs deed wegvoeren. Eindelijk kwam ook zijn beurt. Hij kon nu weer alleen staan, hoewel hij zich nog steeds verward en duizelig voelde. Men vroeg hem naar zijn naam en hij zeide dien voluit. Maar nu was het hem, alsof zijne krachten en zijn geheugen hem verder begaven. Hij wist dat er iets was, dat hij wilde zeggen, maar hij kon zich niet herinneren wat het was. Hij staarde wezenloos om zich heen — en zou op den grond zijn gevallen, zoo een der zaptiehs hem niet had gegrepen en staande gehouden. — Het eerste wat hij weder hoorde, was de stem van den Kadi, die zich tot hem richtte. „Luister,quot; zeide de zap-tieh; „het behaagt Zijne Excellentie u te vragen of gij een geloovige zijt.quot;

„Dat ben ik,quot; zeide Jack.

„Behoort gij tot de volgelingen van den profeet?quot;

Hij stond rechtop, zag den Kadi in het gelaat, en antwoordde „neen.quot;

„Wilt gij u tot den Islam bekeeren?quot;

„Neen,quot; klonk zijn antwoord, kort en beslist.

„Daar wij gaarne genade willen bewijzen, geven wij u eene week om over deze zaak na te denken. Blijft gij dan weigerachtig, zoo moet gij sterven.quot;

„ Dan kunt gij mij evengoed nu terstond dooden,quot; zeide Jack.

„Dat is niet de wil van Allah,quot; antwoordde de Kadi; „Wachters, leidt den gevangene weg.quot;

Hij werd nu naar een anderen kerker gebracht, waar althans ruimte genoeg was om zijne vermoeide leden op den grond uit te strekken, en waar hij, uitgeput als hij was, bijna onmiddellijk in slaap viel.

-ocr page 206-

HOOFDSTUK XVI.

2)e donkere rivier wordt licht

„En anderen hebben bespottingen en geeselen beproefd, en ook banden en gevangenis; zyn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht... verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zflnde; welker de wereld niet waardig wasquot;....

Hebr. 11 : 36-38.

John Grayson ontwaakte uit zijn diepen slaap. Hoewel al zijne leden hem nog pijn deden, gevoelde hij zich toch verfrischt en versterkt. De natuur is voor zulk een jong en krachtig gestel de beste heelmeesteres. Een geruime poos bleef hij roerloos liggen. Hij kon niet veel onderscheiden in het flauwe schemerlicht, en hij zag geen schijn van huisraad, zelfs geen mat op den morsigen vloer liggen. Weldra bemerkte hij, dat hij niet alleen was. Er bevonden zich nog verscheidene personen in zijne cel, die zacht samen spraken. In het eerst kon hij niet veel van hun gesprek verstaan en ving hij slechts klanken op als „Amaanquot; of „Jezus, help ons!quot; Langzamerhand wende hij aan de doffe stemmen en hoorde hij hoe de een sprak

-ocr page 207-

197

over zijn groote gezin, met al zijn kleine kinderen, — en hoe hard het was die allen onverzorgd achter te laten! Een ander zuchtte over het lot zijner vrouw; een derde over zijn bejaarden vader, die blind was; weer een ander over zijn broeders en zusters; en dezen laatsten herkende Jack als een vriend van de Vartonians, die juist uit de stad geweest was terwijl de storm losbarstte.

Hij richtte zich halfop. „Zijtgij dat, Kasper Hohanian?quot; vroeg hij.

„Djanum!quot; riep de aangesprokene, hem naderend en hem scherp in het gelaat ziende. „Vrienden, dit is Yon Effendi, de Engelschman, die met Oriort Shushan Meneshian getrouwd is.quot;

De meesten der twaalf of vijftien gevangenen, die hier samen opgesloten waren, kenden zijne geschiedenis, en allen verzamelden zich nu om hem, vol belangstelling en medegevoel. Onder den vreeselijken druk van hun eigen lijden, was de kleinste afleiding hun een ware verlichting. „Hoe was hij in de gevangenis gekomen?quot; vroegen zij allen. Wat hen betreft, zij waren allen reeds gevat, voordat hij zijn gevaarvollen tocht aanving; sommigen, zooals Kaspar, hadden zich buiten de Armenische wijk bevonden; anderen waren onder verschillende voorwendsels in hunne huizen gearresteerd.

Voordat Jack zijn verhaal begon, vroeg hij hun echter of zij hem eenig voedsel konden bezorgen, want hij was bijna flauw van honger. Alles wat zij hem konden aanbieden, was een hard stuk zwart brood, verontreinigd door de modder en vuilnis, waarin de cipier het met opzet had neergeworpen; en een slok water, dat evenmin frisch of helder kon heeten. Maar zelfs voor deze lafenis was hij dankbaar en hij gebruikte er van met graagte.

-ocr page 208-

198

Easpar Hohanian herinnerde hem aan een spreekwoord van hun volk. „Eet en drink, en spreek naderhand,quot; zegt de Turk. „Eet en drink, en spreek onderwijl,quot; zegt de Armeniër.quot;

„In elk geval kunt gij wel tot mij spreken, terwijl ik eet,quot; zei Jack, met zijn mond vol. „Uwe familie dacht, dat gij dood waart. Baron Kaspar.quot;

„De Turken hebben ook allen vermoord, die met mij waren, — en o — op zoo wreede wijze!quot; antwoordde de aangesprokene met eene rilling van afgrijzen. „Maar een kennis, dien ik onder hen had, haalde hen over om mij, inplaats van mij opeens te dooden, aan een van hun hoog-opstaande grafzerken op hun kerkhof buiten de poort vast te binden. Zij meenden mij daar te laten verhongeren, maar mijn vriend fluisterde mij in, dat hij dien nacht hoopte weer te keeren om mij te bevrijden. Helaas echter deed de patrouille de ronde, vóórdat hij kwam, en bracht mij hier. En nu heb ik eene week bedenktijd gekregen om te kiezen tusschen den Islam en den dood. Het is hard.quot;

Allen verkeerden blijkbaar in dezelfde omstandigheden, alleen was voor den een de bedenktijd wat langer dan voor den ander. Het verlichtte nu de vreeselijke spanning, waarin zij verkeerden, eenigszins om eikaars verhalen aan te hooren. Jack deed thans ook zijne mededeelingen en vroeg hun of een hunner ook iets wist omtrent het lot van Der Garabed, den priester van Biridjik.

Niemand wist echter iets van hem, en terwijl zij nog over hem spraken, werd de deur geopend en een nieuwe gevangene binnengebracht, of liever binnengeworpen. Het was iemand van middelbaren leeftijd, in Europeesche kleederdracht, die er uitzag als een welgesteld man. Hij

-ocr page 209-

199

zag er echter diep klagenswaardig uit, zijn geheele houding gaf de grootste neerslachtigheid te kennen.

Met een uitroep van verbazing sprong Jack op, en hem de hand reikend zei hij: „Baron MuggurditchThomassian! Gij hier!quot;

„Spreek niet tot mij,quot; sprak Thomassian met heesche stem, zich met onbeschrijfelijken zielsangst van hem afwendend.

Allen maakten plaats voor hem, terwijl hij zich met knikkende knieën naar den versten hoek der cel sleepte en daar op den grond neerzonk. Niemand waagde het meer hem te naderen om hem zijn medegevoel te kennen te geven, hoewel allen hem van aanzien en enkelen zelfs meer persoonlijk kenden. Met naar den muur gewend gelaat bleef hij roerloos neerliggen.

Slechts fluisterend durfden de anderen zich nu onderhouden.

„En hij heeft zooveel te verliezen! Wat heeft hij nu aan al zijn geld?quot;

„Had hij het maar liever aan de armen gegeven!quot;

Zulke uitingen werden echter dadelijk tot zwijgen gebracht, uit vrees dat hij er iets van zou verstaan. Men zou den ongelukkige niet gaarne gekwetst hebben terwijl hij toch reeds zoo diep ellendig was; integendeel, allen hadden gaarne gedaan wat zij konden om hem te troosten, als zij maar hadden geweten hoe het aan te vangen. Daar dit echter onmogelijk scheen, lieten zij hem aan zijn lot over en hunne gesprekken liepen weldra weer over hun eigen lot en de keus, waarvoor zij geplaatst waren.

Sommigen waren vol heldenmoed, en betrekkelijk kalm. Anderen weifelden, en een paar schenen zelfs geneigd om

-ocr page 210-

200

toe te geven. Allen stortten vaak hunne ziel uit in dringende, vurige smeekgebeden om kracht en uitredding. De meesten konden zingen en door de sterkeren aangevuurd, deden zij de sombere kerkerwanden weerklinken van psalmen en gezangen, vooral van het lievelingslied der Armeniërs:

'k Heb mijn kruis, Heer, opgenomen.

Eens begaf Jack's stem hem terwijl hij dit zingen wilde, want het was hem alsof hij Shushan nog hoorde zeggen; „Het kruis van Christus is op ons beider hoofden gelegd.quot; Ach, indien het maar wezen mocht, dat hij althans het zwaarste deel er van kon dragen en zij nooit van deze ellende behoefde te weten!

Ondertusschen bleef Thomassian steeds roerloos in dezelfde houding, met afgewend gelaat, liggen. Hij at bijna niets en nooit zag men dat hij sliep. Een paar maal bemerkte men, dat er tranen over zijne wangen druppelden, die hij zwijgend afwischte, maar geen enkele zucht zelfs verried iets van zijn zielsangst.

De dagen schenen eindeloos, maar toch was ten laatste de week verloopen. Ach, nog veel te snel voor hen, die met onuitsprekelijken angst dachten aan wat hun nu wachtte! Het eenige dat de eentonigheid verbrak, waren de dagelijksche bezoeken van den cipier, als hij hun brood en water bracht. Gewoonlijk kwam en ging hij zonder een woord te spreken, maar den avond van den laatsten dag verbrak hij het zwijgen.

„Gij Giaours deedt wèl met uw „La illaha ill Allahquot; vast te leeren van avond,quot; zei hij: „want als gij het morgenochtend niet kent, zult gij sterven als honden, want dat zijt gij toch!quot;

-ocr page 211-

201

Daarop sloot hij de deur weer en liet hen aan hun lot over.

Eene lange stilte volgde, slechts afgebroken door een droevig „Amaan!quot;

Het zwijgen werd ten laatste verbroken door den jongste der aanwezigen, een knaap van achttien jaar. „Ik zou niet zoo bang zijnquot;, zei hij klagend: „als ik dacht dat zij ons ineens wilden dooden. Als het enkel een schot of een doodssteek was, zou het gemakkelijk te dragen zijn. Maar om zoo langzaam te moeten sterven, — in kleine stukken te worden gehakt — of misschien zooals sommigen.....quot;

„Stil, knaap!quot; viel Kaspar Hohanian hem in de rede. „Wat zij ook met ons doen, er komt toch eenmaal een einde aan. En dan — aan de overzijde wacht ons de hemel!quot;

„Ja,quot; sprak een der ouderen: „na een korten doodsstrijd voor ons de hernel, maar wij mogen niet alleen aan onszelf denken; wij hebben ook onze vrouwen en kinderen.quot;

„Dat is waar,quot; stemde een ander toe: „als wij sterven, verhongeren zij.quot;

„Als wij sterven, wacht hun een erger lot dan de hongerdood,quot; hernam de eerste spreker: „wij weten helaas maar al te goed, broeders, waaraan wij onze vrouwen en meisjes dan blootstellen. Daarentegen als wij Mahomedaan worden, zijn zij veilig en onder bescherming der wet.quot;

„Gij hebt gelijk,quot; merkte een derde op: „en ik voor mij geloof niet, dat de Heer Jezus, die alles weet, toornig op ons zal neerzien. Heeft Hij ons niet onze huisgezinnen gegeven om te verzorgen? Zegt Zijn heilige Apostel niet zelf in Zijn brief; „Doch zoo iemand de zijnen, en voornamelijk zijne huisgenooten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een onge-

-ocr page 212-

202

loovige.quot; Indien wij dan toch ons geloof verloochenen en we ongeloovigen zijn, kunnen wij evengoed de eene wijze kiezen als de andere.quot;

„En ik heb te denken aan mijn ouden vader; hij zal sterven van verdriet,quot; mompelde een ander.

„Die vader of moeder liefheeft boven mij is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij is mijns niet waardig,quot; sprak op eenmaal eene stem, die tot dusverre nog niet vernomen was. Thomassian rees op uit zijne liggende houding en zag om zich heen. Zijn ge-heele voorkomen was veranderd — verheerlijkt; hij stond daar kalm en onbevreesd, en zijne oogen straalden van een inwendig licht.

„Broeders,quot; vervolgde hij: „gij denkt, dat ik geen recht heb om tot u te spreken, en dat het mij niet past, de woorden van mijn Zaligmaker op mijne lippen te nemen. En gij hebt gelijk.quot;

„O neen, neen,quot; stamelden enkelen, die op zulk een oogen blik niet gaarne een lotgenoot in hun lijden nog zouden kwetsen.

Kasper echter sprak rondborstig; „Om u de waarheid te zeggen, dachten wij geen van allen, dat gij een godsdienstig man waart. Baron Thomassian.quot;

„Dat was ik ook niet. Ik leefde voor de zienlijke dingen en niet voor de onzienlijke, welke eeuwig zijn. Reeds in mijne jeugd zeide ik bij mij zelf: „Ik ben een Armeniër, ik behoor tot een verdrukte, vertrapte natie. Het is mij dus onmogelijk vooruit te komen in de wereld, en een naam te maken. Toch heb ik hersenen en werkkracht. Waartoe kan ik die gebruiken? Er was slechts éen antwoord: „Ik kan rijkdommen verzamelen, want alleen geld kan mij veiligheid, genot, invloed verschaffen.quot;

-ocr page 213-

203

Ik deed dus mijn best om rijk te worden, en ik gebruikte eerlijke middelen. Althans in het begin, waren mijne handen zuiver van elke smet. Het ging mij goed: alles gelukte mij en ik kon mij baden in al de weelde, waarnaar mijn hart uitging. Ik huwde, en God weet, dat ik mijn vrouw even liefheb als een uwer. Maar helaas, — ik vergat God.quot;

„Dat hebben wij zeker wel allen min of meer gedaan,quot; zei Kaspar Hohanian.

„Indien er zich iemand hier bevindt, die zich daaraan schuldig weet,quot; ging Thomassian voort: „laat hem dan opzien en goeden moed hebben. Want niemand uwer is zoo ver van Hem afgedwaald als ik. En hoewel ik Hem vergeten heb, heeft Hij mij niet vergeten. Ik kwam van het een tot het ander, totdat ik door mijn zucht om steeds meer winsten te behalen, geraakte tot handelwijzen, waaraan de herinnering mij zelfs nu nog vervolgt. Ik was hardvochtig voor de armen en jegens mijne schuldenaars. Op verschillende manieren week ik van het rechte pad af, en zelfs bedroog ik hen, die vertrouwen in mij stelden. Mijnheer Grayson, ook u heb ik onrecht aangedaan.quot;

Jack schrikte op bij het hooren van zijn naam.

„Het is nu de tijd niet om aan voorbijgegaan onrecht te denken,quot; zei hij zacht.

„Met voor hem, die er onder leed, maar wel voor dengene, die het bedreef. Nadat ik u te Biridjik gezien had, begaf ik mij wel naar Aleppo, maar ik nam uw brief niet mee en sprak evenmin over u met den Consul, want ik was te dien tijde op een zeer gespannen voet met hem. Ik had zijn naam en invloed en de tegenwoordigheid van zijn tolk misbruikt om eenige verboden medicijnen over

-ocr page 214-

202

loovige.quot; Indien wij dan toch ons geloof verloochenen en we ongeloovigen zijn, kunnen wij evengoed de eene wijze kiezen als de andere.quot;

„En ik heb te denken aan mijn ouden vader; hij zal sterven van verdriet,quot; mompelde een ander.

„Die vader of moeder liefheeft boven mij is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij is mijns niet waardig,quot; sprak op eenmaal eene stem, die tot dusverre nog niet vernomen was. Thomassian rees op uit zijne liggende houding en zag om zich heen. Zijn ge-heele voorkomen was veranderd — verheerlijkt; hij stond daar kalm en onbevreesd, en zijne oogen straalden van een inwendig licht.

„Broeders,quot; vervolgde hij: „gij denkt, dat ik geen recht heb om tot u te spreken, en dat het mij niet past, de woorden van mijn Zaligmaker op mijne lippen te nemen. En gij hebt gelijk.quot;

„O neen, neen,quot; stamelden enkelen, die op zulk een oogenblik niet gaarne een lotgenoot in hun lijden nog zouden kwetsen.

Kasper echter sprak rondborstig: „Om u de waarheid te zeggen, dachten wij geen van allen, dat gij een godsdienstig man waart. Baron Thomassian.quot;

„Dat was ik ook niet. Ik leefde voor de zienlijke dingen en niet voor de onzienlijke, welke eeuwig zijn. Reeds in mijne jeugd zeide ik bij mij zelf: „Ik ben een Armeniër, ik behoor tot een verdrukte, vertrapte natie. Het is mij dus onmogelijk vooruit te komen in de wereld, en een naam te maken. Toch heb ik hersenen en werkkracht. Waartoe kan ik die gebruiken? Er was slechts éen antwoord: „Ik kan rijkdommen verzamelen, want alleen geld kan mij veiligheid, genot, invloed verschaffen.quot;

-ocr page 215-

203

Ik deed dus mijn best om rijk te worden, en ik gebruikte eerlijke middelen. Althans in het begin, waren mijne handen zuiver van elke smet. Het ging mij goed: alles gelukte mij en ik kon mij baden in al de weelde, waarnaar mijn hart uitging. Ik huwde, en God weet, dat ik mijn vrouw even liefheb als een uwer. Maar helaas, — ik vergat God.quot;

„Dat hebben wij zeker wel allen min of meer gedaan,quot; zei Kaspar Hohanian.

„Indien er zich iemand hier bevindt, die zich daaraan schuldig weet,quot; ging Thomassian voort: „laat hem dan opzien en goeden moed hebben. Want niemand uwer is zoo ver van Hem afgedwaald als ik. En hoewel ik Hem vergeten heb, heeft Hij mij niet vergeten. Ik kwam van het een tot het ander, totdat ik door mijn zucht om steeds meer winsten te behalen, geraakte tot handelwijzen, waaraan de herinnering mij zelfs nu nog vervolgt. Ik was hardvochtig voor de armen en jegens mijne schuldenaars. Op verschillende manieren week ik van het rechte pad af, en zelfs bedroog ik hen, die vertrouwen in mij stelden. Mijnheer Grayson, ook u heb ik onrecht aangedaan.quot;

Jack schrikte op bij het hooren van zijn naam.

„Het is nu de tijd niet om aan voorbijgegaan onrecht te denken,quot; zei hij zacht.

„Niet voor hem, die er onder leed, maar wel voor dengene, die het bedreef. Nadat ik u te Biridjik gezien had, begaf ik mij wel naar Aleppo, maar ik nam uw brief niet mee en sprak evenmin over u met den Consul, want ik was te dien tijde op een zeer gespannen voet met hem. Ik had zijn naam en invloed en de tegenwoordigheid van zijn tolk misbruikt om eenige verboden medicijnen over

-ocr page 216-

204

de grenzen te krijgen. Hij was boos en niet zonder reden, zoodat ik mij niet aan hem durfde vertoonen. Uit vrees van met hem in aanraking te komen, wilde ik uw brief liever niet aan hem bezorgen, en ik deed hem dus in de bus van het postkantoor te Tel Bascher, waar hij naar ik veronderstel ten huldigen dage nog ligt.quot;

„Dus heeft mijne familie mij niet opzettelijk aan mijn lot overgelaten,quot; zei Jack diep ontroerd. „En als zij mijn brief ontvangen hadden, zouden zij mij misschien hebben gered,quot; — „en Shushan ookquot;, voegde hij er in zijn hart bij.

Thomassian naderde hem en strekte zijne hand uit: „Kunt gij het mij vergeven?quot; vroeg hij.

Een enkel oogenblik zweeg Jack. Toen zei hij ernstig: „Gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.quot; „Ja, Baron Thomassian, ik vergeef u, in den naam van Hem, Dien wij zoo spoedig van aangezicht tot aangezicht hopen te zien.quot; — „Maar o, — hadt gij maar gesproken!quot; kon hij niet nalaten er in zijn hart bij te voegen, hoewel hij de woorden nog bijtijds inhield. „Denk toch niet, dat het zulk een verschil zou gemaakt hebben,quot; zei hij overluid: „ik vergeef u van ganscher harte.quot;

„Het had misschien alle verschil voor u uitgemaakt, maar misschien ook niet,quot; zei Thomassian berouwvol: „nu staat het echter niet meer in mijne macht, dit of eenig ander onrecht te herstellen. — Vrienden, terwijl ik ginds neerzat, mijn gelaat van u afgewend, zag ik al de zonden die ik in mijn geheele leven bedreven heb, voor mij voorbij gaan. Zij golfden over mij heen als donkere waterstroomen en ik dreigde er in te verstikken. De gedachte aan den dood was mij vreeselijk. Ik kon zoo niet sterven en in Gods tegenwoordigheid verschijnen. En toch zou het slechts een nieuwe zonde zijn geweest en een waarvoor ik geen

-ocr page 217-

205

vergeving zou kunnen erlangen, indien ik Zijn Naam verloochend had.quot;

„O, zeg dat niet,quot; viel Jack in: „gij oordeelt uzelven te hard!quot;

„Zekerlijk,quot; hernam Thomassian; „indien men zich van het licht afwendt, blijft men in de duisternis; als men Christus verloochent, kan men geene vergiffenis verwachten. Dat werd mij recht duidelijk in die bange dagen. Ik gevoelde, dat ik Christus niet kon loslaten. Nu weetik, dat Hij zelf het was, die mij niet los wilde laten. Broeders, al dien tijd terwijl ik daar zoo stil lag, zonder deel te nemen aan uwe gebeden of liederen, leefde er in mijn hart niets, dan de ééne wanhoopskreet: „O Heere! vergeef mij. Gedenk mijner, en wil mij ook nu, ter elfder ure, in uw Koninkrijk opnemen!quot;

Er volgden eenige oogenblikken van stilte.

„En heeft Hij u verhoord?quot; vroeg Kaspar eindelijk.

Thomassian bedekte zijn gelaat met de handen. „Ik durf mijn aangezicht nauwelijks onder u opheffen,quot; sprak hij eindelijk zacht.

„Omdat God u niet verhoord heeft?quot; zei de knaap Dikran, de jongste van het gezelschap, op medelijdenden toon.

„Omdat God mij wel verhoord heeft!quot; antwoordde Thomassian, hen aanziende met een blik, stralend van verheven blijdschap: „omdat Hij mij, den minste onder u, mij, die Hem vergeten had, en die zoozeer tegen Hem had gezondigd, zooveel van Zijne heerlijkheid heeft doen zien.quot;

„Hoe dat?quot; vroegen een paar stemmen tegelijk, vol eerbied tot hem opziend.

„Hoe, kan ik u niet zeggen. Dat kan niemand uitspreken of begrijpen, ik zelf het minst van al. „Uit de diepte riep

-ocr page 218-

206

ik tot U, o Heere! In den dag mijner benauwdheid heb ik U aangeroepen, want Gij hebt mij verhoord; Gij hebt gezegd: Vrees niet.quot; „En hoewel niemand het misschien recht begrijpt, is het toch zulk een eenvoudige zaak; ik, de minste onder ulieden, heb God aan Zijn woord gehouden en Hem in Christus' Naam om genade gesmeekt. Er was zooveel, waarvoor ik vergeving had te vragen; ik had niet anders kunnen doen. Nu heeft Hij mij vergeven. En Hij heeft meer gedaan dan dat; Hij heeft mij vrede geschonken; een vrede, waarvan ik mij nimmer eene voorstelling had kunnen maken. Ik zal nu gaarne voor Hem sterven. Ik ken nu geene menschenvrees meer, - niet uit vrees voor, maar uit liefde tot Hem. Niet omdat, wanneer ik Hem verloochen. Hij mij ook verloochenen zal. maar omdat ik weet, dat Hij mij nooit zal begeven of verlaten, in leven noch in sterven, in tijd noch eeuwigheid.quot;

Toen hij ophield met spreken, zwegen allen. Eindelijk reikte de oudste der gevangenen, een eerwaardig grijsaard, hem de hand, en zeide; „Baron Thomassian, wij hebben veel van u geleerd.quot;

„Gij zijt de verstgevorderde Christen onder ons,quot; zei een ander hartelijk.

„De verstgevorderde? O neen, de minste en geringste van u allen. Ik ben niet waardig in uwe rijen te staan als een van Christus' bloedgetuigen. Maar daar Hij mij reeds zulk een onuitsprekelijke kracht en vrede geeft, welk een vreugde moet dan wel het deel zijn van u. Zijn goede en getrouwe dienstknechten!quot;

„Hij zal ons zekerlijk niet begeven in de ure des doods,quot; zei Kaspar; „Baron Thomassian, ik neem deze verhooring van uw gebed aan als een teeken ten goede voor ons allen.quot;

-ocr page 219-

207

„Mijn besluit staat vast,quot; sprak een stil, bejaard man, die tot dusverre nog niets gezegd had: „Laat hen doen wat zij willen. Ik sta aan de zijde van Christus, en ik vertrouw dat Christus mij bij zal staan.quot;

Nu nam Dikran het woord, en ook zijne aarzeling scheen overwonnen: „Het is voor mij misschien minder hard dan voor u allen, want ik ben een wees, en mijn eenige broeder viel in den strijd twee maanden geleden. Ik was ook niet zoozeer bang voor den dood, als wel voor het lijden. Maar nu weet ik, dat Christus mij ook daar doorheen zal dragen.quot;

„En Hij zal zorgen voor hen, die wij achterlaten,quot; sprak een ander met zachte stem.

„Yon Effendi, gij hebt nog niets, gezegd,quot; zei Kaspar.

John Grayson schrikte op als uit een droom. „Er is maar éen ding te zeggen,quot; antwoordde hij: „Ik sta aan de zijde van Christus.quot;

Zoo waren zij allen eenstemmig en ging onder vurige gebeden en onderlinge bemoediging de lange nacht voorbij. Onder hen allen was er slechts éen, die sliep. Uitgeput door zijn langen en bangen strijd, en rustend in den on-uitsprekelijken vrede, die er op gevolgd was, viel Thomassian in een droomloozen slaap, zijn hoofd op John Grayson's knie gerust. Jack zelf durfde niet slapen uit angst voor het ontwaken, dat er op volgen moest. Hij bad veel en hij dacht aan het leven, dat achter hem lag; aan zijn vader en al zijne vrienden, maar bovenal aan Shushan. Af en toe dwaalden zijne gedachten af naar allerlei lang vergeten kleinigheden, maar altijd weer keerden ze met een schok terug tot zijn tegenwoordig lot.

Eindelijk drongen de flauwe stralen van de morgenschemering door hun smal, getralied venster. Thomassian

-ocr page 220-

208

ontwaakte en richtte zich op. Hij zag zijne medegevangenen aan met een glimlach, maar toen zijn blik op John Grayson viel, bleef zijn oog lang en ernstig op dezen rusten.

„Yon Effendi,quot; sprak hij: „Zijt gij bereid om te sterven ?quot;

Jack, die juist verdiept was in, wat hij meende zijn laatste gebed voor Shushan te zijn, zag hem een oogen-blik kalm in het gelaat en boog toen zwijgend het hoofd.

„Maar gij zoudt toch liever willen leven, indien het Gods wil ware, is het niet zoo?quot;

„Het is mij, alsof dat mij voor het oogenblik onverschillig is,quot; sprak Jack; „ik vrees den dood niet. Maarquot; — en zijne stem daalde nog dieper: — „als ik denk aan Shushan,quot; —

„Indien ik dus op eenige wijze iets kon uitdelgen van het onrecht, dat ik u heb aangedaan, zoudt gij toch blijde zijn om harentwil, nietwaar? Maar reken er niet op, — ik weet niet of ik nog iets voor u doen kan. Het zal zijn zooals God wil.quot;

„Stil!quot; riepen enkelen plotseling.

De sleutel knarste in het slot. Nog een oogenblik en de deur werd geopend om den cipier binnen te laten. Deze verspilde geene woorden. „Komt mede,quot; gebood hij kortaf.

De kleine groep belijders stond zwijgend op en allen zagen elkaar in het gelaat.

„Een oogenblik, bid ik u,quot; sprak Kaspar in het Turksch tot den cipier; daarop, zich in het Armenisch tot zijne broederen wendend, zei hij: „Laat ons afscheid nemen van elkander.quot;

„Waartoe dat?quot; vroeg Thomassian met een glimlach; „wij zullen elkander immers zoo spoedig weerzien, als wij

-ocr page 221-

209

elkaar vol blijdschap begroeten in de tegenwoordigheid van, onzen Heer.quot;

En terwijl zij de cel verlieten, dacht John Grayson opnieuw aan de laatste woorden, die hij zijn vader had hooren spreken; „De donkere rivier wordt licht.quot;

Dit gebeurde op Kerstochtend van het jaar 1895.

14

Aan Hen Euphraat.

-ocr page 222-

HOOFDSTUK XVII.

Een groots Misdaad.

„Hü pooght d'ormoosle te vernielen,

Door 't moorden van onnoosle zielen, En weckt een stad- en landgeschrü. In Bethlehem, en op den acker.

En maeckt den geest van Rachel wacker Die waeren gaat door beemd en weij.quot;

Vondel.

Langzaam en treurig kropen de dagen voorbij, voor al de ongelukkigen, die een toevlucht in het Zendingshuis gevonden hadden. Shushan vooral kon maar geen rust vinden; de angst, dat haren man een ongeluk overkomen was, verliet haar geen oogenblik, en bovendien werd zij voortdurend gekweld door sombere voorgevoelens, dat ook haren vader onheil dreigde. Bijna geen dag ging voorbij zonder dat haar het een of ander, weinig goeds voorspellende gerucht ter core kwam.

Nadat zij er zuster Celandine herhaaldelijk om gesmeekt had, stond deze haar eindelijk toe, eenige zaptiehs uit te zenden, opdat die zoo mogelijk inlichtingen zouden verkrijgen. Eeeds heel spoedig keerden deze terug met de tijding, dat Boghos Meneshian stervende was, en dat hij

-ocr page 223-

211

zijn verlangen te kennen had gegeven, om nog éénmaal zijne dochter te mogen zien, opdat hij niet zou heengaan zonder haar gezegend te hebben. Nauwelijks had men zijn verzoek aan zuster Celandine overgebracht, of zij zond Shushan onder geleide van een vertrouwden Armeniër en vier zaptiehs tot hem. Dat was in den vroegen morgen van Zaterdag, 28 December.

Bij het huis waar de familie Selferian woonde, bij wie zij wist dat haar vader geweest was, en zij veronderstelde dat hij nog verpleegd werd, namen Shushan's begeleiders afscheid. De zaptiehs beloofden na een uur terug te komen, terwijl de Armeniër er bijvoegde, dat hij bij de hand zou blijven, en hij slechts even een vriend ging opzoeken, die in de onmiddellijke nabijheid woonde.

„Maar mijn beste Oriort Shushan,quot; riep Hanum (vrouwe) Selferian uit, terwijl zij haar tegemoetsnelde. „Watbrengt u in Godsnaam hier?quot;

Shushan staarde haar verbaasd aan. „Ik ben gekomen om mijn vader te zien,quot; zeide zij eindelijk. „Zeg mij toch, wat ik u bidden mag, hoe het hem gaat.quot;

„Heel goed, voor zoover ik weet. Hij is reeds eene week geleden met uwe moeder, Mariam Hanum, naar de Var-tonians gegaan; hij was geheel hersteld, toen hij ons verliet.quot;

„Gode zij dank!quot; riep Shushan met een zucht van verlichting uit. „Men had mij gezegd, dat mijn vader stervende was.quot;

„Wie heeft u dat verteld? Hij verkeert in geen grooter levensgevaar dan wij allen in deze dagen.quot;

Shushan's verbazing ging nu in ontsteltenis over, ofschoon zij nog niet inzag, en zij misschien ook later nooit met zekerheid geweten heeft, dat zij het slachtoffer was

-ocr page 224-

212

van een laaghartig komplot. „Maar zou het ook mogelijk zijn,quot; vroeg zij, terwijl haar gelaat weer zijn bezorgde uitdrukking hernam,- „dat men mij verkeerd heeft ingelicht omtrent het huis? Ik heb een gevoel, alsof ik toch naar mijne familieleden moet gaan.quot; —

„Wat zegt gij? U op straat begeven ? Dat is onmogelijk, zelfs indien mijn man u vergezelt. Daarenboven, wat zou ik den zaptiehs moeten zeggen, wanneer zij u hier kwamen halen, en gij vertrokken waart! Neen, Oriort Shushan; dan weet ik iets beters — laat mijn man naar de Var-tonians gaan, en indien het mogelijk is, uw vader mede terugbrengen, om u te zien.quot;

„Is het wel goed, hem van zijn arbeid weg te halen, Josephine Hanum?quot;

„Wat heeft zijn werk tegenwoordig te beduiden? Er is immers haast niets te doen en hij heeft tijd in overvloed.quot;

Hagop Selferian, die nog bezig was, stond van zijn werktafel op, veegde met de hand zijn gelaat af, en sloeg zijn mantel om. „Ja, ja, dat is het beste, ik zal gaan,quot; zeide hij.

Shushan bleef dus bij de vrouwen en kinderen. Nadat zij aan hun sober maal had deelgenomen, hielp zij Josephine Hanum bij het verrichten van hare huishoudelijke plichten. Ongemerkt ging zoo de tijd voorbij.

Maar toen het al later en later werd, begon Shushan zich ernstig ongerust'te maken. „Ik begrijp volstrekt niet, waarom de zaptiehs niet terugkomen,quot; zeide zij eindelijk, toen de klok elf uur sloeg.

Josephine Hanum stond op en begaf zich naar het venster, dat op de straat uitzag.

„Ik zie nog geen zaptiehs,quot; zeide zij. „Doch ginds komt mijn man aan.quot;

»

-ocr page 225-

213

Werkelijk trad Hagop Selferian bij deze woorden de poort binnen; hij zag doodsbleek en was geheel ontdaan. „Mijn vader!quot; riep Shushan, „wat is hem overkomen?quot; Zij kon aan geen ander onheil denken op dat oogenblik.

„Hij maakt het goed. Doch ik heb een groote strijdmacht gezien tegen de helling van gindschen heuvel. In de stad zijn alle herbergen overvol, en op de daken der Turksche huizen wemelt het van vrouwen en kinderen. De Heere Jezus moge ons bijstaan! Wie kan zeggen, wat er nu zal gebeuren?quot;

„Ik zou er alles voor willen geven, tot mijn rechterhand toe, om u weer veilig binnen de muren van het zendingshuis te weten, Oriort Shushan,quot; zeide Josephine Hanum, met een wanhopenden blik haar gast aanziende. „Zou het mogelijk zijn, Hagop, dat gij haar zonder gevaar daarheen terugbracht ?quot;

Selferian schudde het hoofd.

„Het is niet voor mijn leven, dat ik vrees,quot; antwoordde hij. „Vrouw, toen ik op straat was, ontmoette ik dien Syriër, met wien ik langen tijd samen gewerkt heb. Mar Tomas. Hij droeg een zwarten tulband op het hoofd, en liep zoo haastig hij kon naar zijne kerk. Zooals gij weet is hij Roomsch-Katholiek. Naar het schijnt, is er een bevel uitgevaardigd, dat alle Christenen, die geen Armeniërs zijn, zich naar hunne kerken moeten begeven, en daar den geheelen dag blijven. Het is hun echter ten strengste verboden, met bedreiging van zware straffen, om één enkelen Armeniër in hunne kerken binnen te laten.quot;

Juist op dit oogenblik kwam Krikor, het oudste zoontje, het vertrek binnenstormen. Hij was al dien tijd boven op het dak geweest.

„Vader! Moeder! Komt eens gauw boven!quot; riep hij hun

-ocr page 226-

214

buiten adem toe. „Gauw, komt u toch kijken. Hetiszoo'n prachtig schouwspel, als ik nog nooit gezien heb.quot;

„Zeker een schouwspel, dat ons geen goeds voorspelt. quot;Wat hebt gij dan toch gezien, jongenlief?quot;

„O! zooveel moois. Vader. Te veel om het u te kunnen vertellen. Komt u eens gauw zelf kijken!quot;

Allen klommen de trappen op, die naar het platte dak voerden. De jongere kinderen volgden hen, nieuwsgierig wat zij zouden zien.

De zachte helling van den heuvel was geheel bedekt met Turksche en Koerdische soldaten, wier schitterende uniformen met hare heldere kleuren een schilderachtig effect maakten, dat nog verhoogd werd door het glinsteren der zwaarden en bajonetten, waarop de zon hare stralen liet spelen. Overal waar men de Armenische wijk kon binnenkomen, wemelde het van soldaten in slagorde geschaard. Achter hen bewoog zich eene dichte volksmenigte; meest mannen met woeste, wreede gelaatstrekken en jongelieden; zelfs bespeurde men hier en daar kinderen onder hen. Allen waren gewapend; de meesten met geweren, de overigen met dolken, messen en knuppels. In de Turksche wijk zag men overal de platte daken vol vrouwen; en boven al de verwarde geluiden, die men in iedere groote stad verneemt, het doffe gemompel der soldaten en de uitroepen van het volk uit, hoorde men duidelijk dat bijzondere keelgeluid, dat men het „zilghit,quot; noemt: „Tok, Tck, Tck, Tck,quot; en dat beteekent: „Gaat, mannen, en vecht voor Mahomed. Wij zijn met u.quot;

Doodsbleek en met saamgeperste lippen wendde Selferian zich tot de vrouwen. „Dat beteekent den dood voor or.s,quot; bracht hij met moeite uit.

Terwijl hij sprak, zag men plotseling de schitterende

-ocr page 227-

215

halve maan glinsteren boven het fort op den heuvel, vanwaar zij de zonnestralen, in hare heldere schijf opgevangen, overal heen weerkaatste; en op hetzelfde oogenblik werd ook op eene minaret tegenover de Armenische wijk gelegen, eene groene vlag geheschen. Van een andere minaret hoorde men een Muzelman met luider stem eene oproeping tot het gebed aan alle Mahomedanen richten.

„La üaha UI Allah, Mahommed resoul oullah.quot; Daarop volgde de schrille klank eener trompet, en kon Shushan, die juist stond te kijken naar een troepje soldaten in hare nabijheid, duidelijk zien, hoe allen vastberaden hunne rangen verbraken, en zoo de woeste volksmenigte in de gelegenheid stelden om door hunne gelederen heen, de Armenische wijk binnen te dringen.

Haastig daalden alle huisgenooten van het dak af, en begaven zich naar de benedenvertrekken. Selferian grendelde zelf de deuren, terwijl zijne vrouw de luiken voor de ramen sloot. De kinderen huilden van angst; ofschoon geen hunner, Krikor wellicht uitgezonderd, besefte, welk gevaar hun boven het hoofd zweefde. Ook de oude moeder van Selferian, die bij hen inwoonde, liep luid weenend en handenwringend het vertrek op en neer.

Na weinige oogenblikken reeds weerklonken geweerschoten en kon men uit de haastige voetstappen der vluchtenden, de angstkreten en het gegil opmaken, dat het moorden een aanvang had genomen.

En hoe werden die mannen, vrouwen en kinderen in hunne laatste oogenblikken nog behandeld ? Gode zij dank, dat wij het niet weten en we het waarschijnlijk ook nimmer weten zullen.

„O! God, help ons, en geef dat men ons niet doodt,quot; snikten de arme kinderen in hun angst. „O! God! geef.

-ocr page 228-

216

dat men ons tenminste dadelijk doodt!quot; smeekten de mannen en vrouwen, met trillende lippen, sidderend bij de gedachte, wat méér men hen kon doen lijden.

Het was een wel overlegde, goed geordende moord op groote schaal. Eerst kwamen de soldaten — Zaptiehs, Kediefs, Hamidiehs, — dan de Turken van allerlei rangen en standen, maar vooral uit de laagste en ruwste klasse der maatschappij, allen voorzien van vuurwapenen en messen. Kleine jongens liepen voor hen uit en hielpen als spionnen de slachtoffers vangen. „Zie, vader, daar is nog een Giaour,quot; riepen zij luide, zoodra zij den een of anderen ongelukkigen Armeniër ontdekten, die nog vergeefsche moeite deed zich te verbergen in een regenbak of achter eene deur. En dan gebeurde het niet zelden, dat de Muzelman den Christenhond vasthield, terwijl hij zijn zoontje het mes in de hand gaf om den doodsteek toe te brengen, waardoor hij dan voor zijn geheele leven den eeretitel van Ghazi verkreeg.

Na de moordenaars kwamen de plunderaars bij stroomen, een woest gepeupel van de ergste soort, die alles meenamen wat van hunne gading was, en vernielden wat zij moesten achterlaten. Ook waren er, die alles wat zij in huis vonden in een der benedenvertrekken bijeenbrachten, het opstapelden met hout, steenkool en andere brandstoffen om het daarna met olie te overgieten en alles te verbranden.

Alle Vartonians, Meneshians en eenigen hunner trouwste vrienden waren samengekomen op de groote binnenplaats van de woning der eerstgenoemden. Beide huisgezinnen waren voltallig, behalve Baron Vartonian, die nog in Aleppo vertoefde, de oude Hohannes Meneshian, die eenige vrienden was gaan opzoeken, Kevork, die uitgegaan was

-ocr page 229-

217

om hem te zoeken, — en Shushan. Zij allen stonden zoo dicht mogelijk bij elkaar, de vrouwen en kinderen weenende, de mannen zwijgend voor zich uitstarend. Op aller gelaat stond de grootste angst te lezen, tot zich een hunner verhief en met luide stem, zoodat zijn woorden duidelijk hoorbaar waren, zeide:

„Laat ons tenminste biddende sterven.quot; Onmiddellijk knielden allen neer, en vereenigden zich aller harten in dat ééne, hun laatste gebed, dat ten hemel steeg, en dat niet was een wanhoopskreet over het lijden, dat hen wachtte, maar veeleer een juichkreet, een hoopvol overgeven, dat hen als het ware over het graf heenvoerde.

Zoo vonden de moordenaars hen, toen zij eindelijk na de poort te hebben opengebroken, binnenstormden. Zelfs te midden van hunne vreeselijks opgewondenheid en bloeddorstigheid, deinsden de hardvochtigsten één oogenblik terug bij den aanblik van dat schouwspel. Zoo baden de G-iaours dan! Welnu, dat zij dan tot Allah bidden en zijn profeet erkennen, dan zou men hun het leven schenken. Alom werden kreten gehoord: „Zeg dan „La ilaha ill Allah.quot; Neen gij behoeft zelfs niet te spreken. Indien gij slechts één vinger opsteekt, zullen wij dat beschouwen als uw „Jaquot;.quot;

Fier en moedig klonken de verschillende antwoorden.

„Ik zal mijn vinger niet opsteken.quot; „Ik wil geen Mahomedaan worden.quot; „Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus —quot; en vóórdat de belijder nog den zin had kunnen eindigen, stond hij reeds in de aanwezigheid van Hem, in Wien hij geloofde.

Boghos en Mariam Meneshian stierven in eikaars armen, gedood door één slag. Voor Mariam vooral had het leven

-ocr page 230-

218

veel van zijn waarde verloren; had men niet Hagop, haar jongsten lieveling, reeds voor hare oogen ter dood gebracht, terwijl hij vergeefs de hulp van zijn vader inriep? Gabriël alleen was nog overgebleven, — er was iets in het gelaat en de houding van den knaap, dat zelfs de Mahomedanen scheen te treffen. Men waagde nog eene uiterste poging om hem te redden.

„Erken dan toch den Profeet, hef slechts één vinger op,quot; riep men hem toe.

Onbeweeglijk stond de knaap voor hen, en keek hen fier en zonder een zweem van vrees in het gelaat.

„Ben ik dan beter dan mijn vader en mijne moeder, die gij gedood hebt? Hebben zij mij door hun voorbeeld niet geleerd, wat ik doen moest, mij niet den weg gewezen naar Boven? Neen; duizendmaal neen! Ik wil geen Mahomedaan worden; ik wil mijn Zaligmaker niet verloochenen.quot; En zich zelf de kleederen van het lichaam scheurend, stond hij moedig voor hen om den genadeslag te ontvangen. Maar zijne woorden hadden helaas hun toorn opgewekt; nu waren zij veel te verbolgen om hem in één slag te dooden. Het regende slagen op hem; van alle kanten trachtte men hem met messen te steken, tot hij ten laatste voor hunne voeten neerzeeg, bloedende uit een en twintig wonden.

Maar genoeg. Het is niet mogelijk nóg verder te gaan. Wij lezen het misschien vaak in poëzie of verdichting:

„Hoog opgestapeld waren de lijken der verslagenenquot;; en het moge niet zóó vreeselijk zijn zich zulk een toestand in te denken, na een gelijken strijd, waar man tegen man

vocht, en vele dapperen sneuvelden____Maar hier! — al

die ongelukkige, weerlooze slachtoffers, in koelen bloede vermoord, waarna men hen in hun bloed badende, met

-ocr page 231-

219

het gezicht ten hemel gewend op straat liet liggen, — hier is het beter de oogen te sluiten, en te trachten hen niet te zien, op deze aarde althans. — Want misschien zal éénmaal de dag aanbreken, waarop wij hen zullen aanschouwen, die gestorven zijn voor Gods Woord, en als Getuigen van Jezus Christus, wanneer zij zullen deelnemen aan de eerste opstanding.

In een der volgende huizen was op de binnenplaats eene menigte mannen bij een vergaderd. Hunne vrouwen bevonden zich allen in een groot vertrek, dat op de binnenplaats uitkwam. Velen van hen poogden nog zich te verbergen, de een in een leegen regenbak, een ander op het dak, weer een ander in de binnenkamer. Eén hunner slechts bleef, en wendde geen enkele poging aan om te ontsnappen of zich te verschuilen. Rustig stond hij boven aan de trap, die naar het vertrek der vrouwen voerde. Het was Stepanian, de predikant. Op zijn aanraden had men de poort der binnenplaats opengelaten, ten einde den Turken een duidelijk bewijs te geven, dat men er niet aan dacht zich te verzetten of tegenstand te bieden.

Al nader en nader kwam het razende en tierende gepeupel. Zij stormden de poort binnen, en daar de meesten onder hen zijne stadgenooten waren, herkenden zij den predikant bij den eersten oogopslag.

„Daar is Stepanian, weg met hem,quot; klonk het van alle kanten.

„Broeders, stadgenooten, waarom zoudt gij onsdooden?quot; sprak hij met kalme stem. „Nimmer hebben wij u benadeeld of kwaad gedaan. Wij zijn zonder wapenen, en geheel weerloos. Denkt aan onze arme kinderen, die onbezorgd achterblijven en van gebrek zullen omkomen.quot;

„Weg met hem,quot; gilde het volk. „Het is Allah's wil!quot;

-ocr page 232-

220

„Laat ons eerst nog eens hooren hoe fraai gij preeken kunt,quot; spotte een ander uit de menigte.

„Welnu, ik zal tot u komen, maar bewijst mij ééne gunst, en doodt mij niet hier,quot; zeide de predikant waardig en kalm, terwijl hij rustig de trap afdaalde.

Voordat hij echter de laatste trede bereikt had, trof hem een kogel in de borst, en stortte hij neer. Geen enkel geluid hoorde men, en geen druppel bloed vloeide.

Elmas, die bij het raam stond, had zwijgend het gansche tooneel aangezien. Zóó groot was de liefde die zij haren vader toedroeg, dat, zonder zich een oogenblik te bedenken, het jonge, tengere meisje' uit haar schuilplaats te voorschijn trad, en moedig te midden van het razende gepeupel naast haren vader neerknielend, zijn hoofd op haar schoot legde, terwijl zij voorzichtig zijn gelaat afwischte.

Hij opende de oogen, en zag haar glimlachend aan.

„Vader,quot; smeekte zij, „Vader, spreek tot mij. Eén woord, een enkel woord tot afscheid!quot;

Hij kreeg de kracht om haar te antwoorden, en sprak blijmoedig „Vrees niet, de Heer is met u. Ik ken geen angst of vrees meer, want ik ga naar mijnen Heiland.quot;

Weer vielen zijne oogleden toe, en na eenige seconden was hij zonder strijd of lijden heengegaan, en zag hij Hem van aangezicht tot aangezicht.

Elmas bleef achter, alleen met haar leed, en „de ge-heele wereld scheen haar donker en ledig,quot; (zoo waren hare eigene woorden). Zij was voor het oogenblik geheel onbewust van alle gruwelen, die om haar heen bedreven werden, en kwam pas tot zichzelf, toen zij haar jongste broertje, een aardig knaapje van drie jaar, luid jammerend om „Vaderquot; hoorde roepen. Het ventje was haar gevolgd, toen zij de trap afging. Zij nam hem in hare armen,

-ocr page 233-

221

opdat hij zijn vader zou kunnen zien. Dadelijk hield zijn gesnik op. „Vader slaapt,quot; hoorde men zijn kinderstemmetje fluisteren. Zóó geeft Hij Zijnen beminden rust.

O! hadden zij allen met hem de eeuwige rust mogen ingaan! Maar nog was hun tijd niet daar. Steeds meer Mahomedanen drongen de plaats binnen, alle Armeniërs die zij vinden konden, doodend. Toen grepen zij de vrouwen, de jonge meisjes en de kinderen, rukten hun de kleederen en sieraden van het lijf, sleepten hen de straat op, en voerden hen weg als lammeren ter slachtbank. Het laatste wat Elmas van den geliefden doode zag, was hoe een Turk een ezel binnenbracht en hem voorzichtig daarop legde.

Men sleurde haar letterlijk weg van het lijk haars vaders; en zoo ging zij al het ontzettende tegemoet, dat haar nog wachtte. O! die eindelooze tocht met bloote, gewonde voeten, door de van bloed glibberige straten! Mets dan handenwringen en gejammer overal, en het vreeselijke gesnik en gekreun der kinderen! Zoo werden al die vrouwen en meisjes, de meesten haast zonder kleeren aan, tusschen ruwe soldaten door de stad gevoerd, en telkens gebeurde het, dat enkelen barer werden vastgegrepen en medegesleept niettegenstaande al haar smeekingen en tegenstand.

Vartan wist eindelijk door de menigte heen te dringen en zijne zuster te bereiken.

„Wees niet bang Elmas, ik heb het mes hier, dat vader mij gegeven heeft. Het is verborgen in mijn zeboun; en in het uiterste geval kan ik er u mee dooden.quot;

Dat was alles, wat Elmas zich later nog herinnerde, — dat, en hoe haar jongste broertje, zijn armen kramp-

-ocr page 234-

222

achtig om haren hals geslagen, zich snikkend aan haar vastklemde.

Eindelijk bereikte men de straten waar geen bloed gevloeid had, waar niemand angst had gevoeld.

Men was in de Moorsche wijk. Maar verder en verder werden zij gevoerd, totdat het doel van den tocht bereikt was — een der grootste Moskeeën der stad, de Moskee van Kusseljohme.

Knarsend gingen de zware ijzeren deuren open om de ongelukkigen binnen te laten; knarsend vielen zij weer dicht, alle ellende en wanhoop van de wereld afsluitend, en alle genade buitensluitend, behalve de genade Gods.

-ocr page 235-

HOOFDSTUK XVIII.

Slechte tijdingen.

„'t Is niet in het woeden van den orkaan, of in 't het heetst van het gevecht, dat wij den dood nabij wenschen: maar in de hope-looze stilte, die daar volgt aan het eenzame strand, als alles verloren is behalve een quot;waardeloos leven.quot; Byron.

John Grayson zat eenzaam in zijne cel. Er quot;was een groot verschil tusschen zijn tegenwoordig verblijf, en de twee hokken, waarin men hem eerst gebracht had. Zijn tegenwoordig verblijf was een vrij groot vertrek, tamelijk zindelijk, met een divan langs den eenen muur, tegenover het getraliede venster, verder een goede matras om op te slapen, een deken en eenige kussens. Een smakelijk maal, dat echter meestal onaangeroerd weer werd weggehaald, stond ook nu op een laag tafeltje voor hem gereed.

Daarenboven had men hem doen meedeelen, dat hij een bad kon krijgen, en hij zich kleeren mocht aanschaffen, zooals hij wenschte. Hij had daarop een gewoon jasje uitgekozen, een eenvoudige zeboun, en een karmozijnkleurige fez.

Uit geheel zijn houding zooals hij daar op den divan zat, het gelaat bedekt met beide handen, sprak diepe

-ocr page 236-

224

neerslachtigheid. Nog steeds had hij de afgrijselijke too-neelen, die hij gedurende de laatste vier dagen had bijgewoond, voor oogen; het was hem onmogelijk ze uit zijne gedachten te bannen. Hij doorleefde alles opnieuw, en hij had een gevoel alsof hij ze voortaan altijd vóór zich zou zien, die bloedige tooneelen; altijd, — tot zijn stervensdag toe. Weer zag hij, hoe de trouwe belijders uit den kerker gehaald werden, hoe zij voor den Turkschen Kadi stonden, waar één enkele vraag hun slechts werd gesteld: „Wilden zij Mahomedaan worden, of niet?quot;

Thomassian, die hen in alles voorging, had ook nu het woord genomen. Uit aller naam had hij geantwoord: „Wij zijn volgelingen van Jezus en volkomen bereid voor Hem te sterven.quot; Allen hadden teekenen van instemming met deze woorden te kennen gegeven.

Daarop was de beul naar voren getreden. Dikran, de jongste, was het eerst aan de beurt geweest. John G-rayson had zijn gelaat bedekt, maar niet voordat hij reeds veel te veel gezien had. Zou hij het ooit kunnen vergeten? Een gevoel van doffe wanhoop was hem overvallen, tot hij was opgeschrikt bij het hooren van Thomassian's stem, die woorden van opbeuring en bemoediging tot het slachtoffer richtte.

„Wees sterk, mijn zoon, uw einde nadert: dan is alle leed geleden, dan zult gij bij Christus zijn.quot;

Daarna hoorde hij, hoe de arme knaap op fluisterenden toon zijn laatste gebed deed, en hoe hij eindigde met een krachtig, bijna jubelend: „Geloofd zij Jezus Christus.quot;

Bij die woorden hief John Grayson het hoofd op. Het was -tijd; juist was de beurt aan hem. Op dat uiterste oogenblik week alle angst en vrees, ja, ieder gevoel van zwakte van hem. Slechts ééne gedachte vervulde zijn

-ocr page 237-

225

gansche ziel — God was daar, God was met hem.

Toch voer eene rilling hem door de leden, toen hij geheel onverwachts Thomassian den scherprechter hoorde toeroepen: „Halt! vóórdat gij voortgaat, heb ik u iets mede te deelen.quot;

Volkomen bereid om alle martelingen te ondergaan, schenen de oogenblikken van spanning, die nu volgden, hem haast ondragelijk. Slechts flauw herinnerde hij zich, wat Thomassian, in zijne pogingen om hem te redden, gezegd had.

„Het zal u duur te staan komen, indien gij dezen man kwaad doet,quot; waren zijne woorden: „Hij is Engelsch onderdaan, dat weet ik. Indien gij hem slechts den tijd laat, zal hij het u kunnen bewijzen. In uw eigen belang raad ik u aan, dat te doen.quot;

Wanneer Jack zelf hun dit gezegd had, zelfs al had hij het tot in het oneindige toe herhaald, zouden de Turken, in hun tegenwoordigen toestand van opwinding, toch niet naar hem geluisterd hebben, nog veel minder eenig geloof geslagen hebben aan zijne woorden. Het maakte echter een groot verschil, toen iemand, zoo gezien als Thomassian, terwijl hij zelf op het punt stond de eeuwigheid in te gaan, zooiets plechtig verzekerde.

Het bevel om geen vreemdelingen te dooden, was streng en duidelijk; tot nu toe had men er zich ook verwonderlijk goed aan gehouden. De grootste moeilijkheden stonden hun te wachten, indien zij het overschreden. Men deelde Jack dus plechtig mede, dat het niet de wil van Allah was, dat hij dien dag zou sterven; en tot zijn groote teleurstelling werd hij weggevoerd, zonder dat het hem vergund was te vernemen, wat het einde zijner lotgenooten zou zijn.

Aan den Euphraat 15

-ocr page 238-

226

Dienzelfden avond werd hij naar een ruim, goed gemeubileerd vertrek overgebracht, en deelde men hem mede, dat hij zich alles wat hij wenschte of noodig had, kon aanschaffen. Hij smeekte toen, dat men hem niet langer onkundig zou laten omtrent het lot zijner vrienden, waarop men hem mededeelde, dat velen van hen gestorven waren, volhardende in hunne koppigheid; de overigen waren daarop weggevoerd tot een volgende maal.

„Behoort Baron Thomassian tot de dooden?quot;

— „Neen,quot; antwoordde de cipier met een wreeden lach, „Hij was een der hardnekkigsten; hij wordt tot het laatste bewaard.quot;

— „En wat hem zelf betrof, wat was men voornemens met hem te doen?quot;

Daarover behoefde de Effendi zich volstrekt niet ongerust te maken. Men had Zijne Excellentie den Pacha alles omtrent zijn toestand medegedeeld, en die zou verder beslissen, wat gedaan moest worden. Waarschijnlijk zou men hem, onder sterk geleide, over de grenzen brengen. Maar zeker zou er niets beslist worden voordat de orde hersteld was, en de stad tot hare vorige rust was teruggekeerd. „De Effendi moest maar geduldig afwachten en op Allah vertrouwen. Men moest de zaken hun beloop laten — Jevash — Jevash.quot;

Jack gevoelde zich diep rampzalig. Hoe zou het ook mogelijk zijn, dat hij een oogenblik rust kon hebben, of genieten kon van zijn verbeterde omstandigheden, terwijl hij wist hoeveel zijn vrienden geleden hadden, en welk vreeselijk lijden hun, die waren overgebleven, nog wachtte. Indien het niet om Shushan geweest ware, zou hij geen waarde meer aan zijn leven gehecht hebben. Hij vroeg of zuster Celandine reeds vertrokken was.

-ocr page 239-

227

I

„Neen, nog niet.quot; Zijn berichtgever meende, dat zich eenige moeilijkheden hadden voorgedaan bij het uitreiken van haar paspoort, waardoor er vertraging ontstaan was. Doch zonder eenigen twijfel zou alles spoedig geregeld zijn, en zou niets haar verhinderen te vertrekken. Wenschte de Effendi ook eenige beweging te nemen in den tuin der gevangenis? Zoo ja, dan was hij volkomen vrij zulks te doen. Men wenschte het den Effendi zoo aangenaam mogelijk te maken, het was ook alleen ter wille van zijne eigene veiligheid, dat men hem in verzekerde bewaring hield totdat de opstand gedempt was en de Armeniërs ten onder gebracht waren.

Langzaam kropen de twee volgende dagen. Donderdag en Vrijdag, voorbij. Den daaropvolgenden morgen, 's Zaterdags, bemerkte hij duidelijk, dat er een buitengewone opschudding op de binnenplaats der gevangenis heerschte. De aanwezige gevangenen, allen Mahomedanen, stonden in groepen bijeen luidruchtig te praten, en meer dan eens meende Jack woorden te verstaan over het „vermoorden der Giaours.quot; Bovendien drong van de straten een vreeselijk gegil en gejammer tot hem door, totdat de kreten bepaald tot een oorverdoovend rumoer stegen. En dan hoorde hij weer te midden van alles, dat eigenaardige geluid van de „Zilghit,quot; zonder dat hij kon nagaan, wat er de oorzaak van was.

De beide gevangenbewaarders, die hem zijn eten kwamen brengen, waren ook bijzonder opgewonden en luidruchtig. Na hun gewonen groet of „ salaamsquot; te hebben beantwoord, zeide hij als terloops: „Wat een prachtige dag, heden.quot;

„Maar het zal een slechte dag voor de „G-iaoursquot; zijn,quot; gaf een hunner hem ten antwoord.

„De straten in de Armenische wijk zullen nat zijn

-ocr page 240-

228

vandaag, maar de regen, die ze kleurt, is rood,quot; voegde de ander er aan toe.

Hij smeekte hun er hem meer van te vertellen; maar te vergeefs, zij weigerden beslist. Klaarblijkelijk had men het hun verboden. Verlangde de Effendi nog iets anders? Neen. Dan wenschten zij hem vrede.

Hierop verlieten zij hem, en sloten zij de deur, naar hij meende, nog zorgvuldiger dan gewoonlijk.

Doch de vrede bleef verre van hem. Integendeel; zijn geheele hart kwam in opstand. Op dien gedenkwaardigen Kerstmorgen, toen hij meende op het punt te staan om voor den naam van Jezus Christus te sterven, was hij kalm geweest en hoewel hij het zichzelf niet verklaren kon, had hij toen een vrede gekend, die onbeschrijfelijk was. De strijd gold niet hemzelven maar God. God had hem ten strijde opgeroepen, en Hij zou hem helpen dien te voeren. Hij voelde de Goddelijke nabijheid, en wist dat tot het einde toe. God hem zou bijstaan.

Maar de strijdwagens en vurige paarden, die de profeet rondom zich zag, bleven niet. Toen de vijandelijke machten verdwenen, was het alsof ook het heerlijke visioen met hen wegzonk. Ziet men het martelaarschap in het verre verschiet, dan is ook vaak de moed er toe ver te zoeken; ja er zijn oogenblikken, dat het bijna onmogelijk schijnt, dien ooit te bezitten. Geduldig afwachten, terwijl men zich tot handelen machteloos voelt, is dikwijls oneindig veel moeilijker dan dapper handelend optreden. Het zwaarste van alles valt echter zonder eenigen twijfel om dapper en sterk te blijven bij het lijden van anderen, — wanneer zij, die wij liefhebben in gevaar en droefheid verkeeren, en wij, zij het ook tegen onzen zin, ons zelf veilig geborgen voelen.

-ocr page 241-

229

Maar zelfs aan den langsten dag komt eenmaal een eind. Tegen den avond bracht men John Grayson, of het hem aangenaam was of niet, een lotgenoot. Het was een jonge Turk, met aangenaam uiterlijk. Hij scheen uiterst verbaasd, maar nog meer verbitterd over den toestand, waarin hij zich bevond. Zonder in het minst acht te slaan op Jack, liep hij het vertrek op en neer, luid vloekende, en met ware Oostersche welbespraaktheid eenige personen, blijkbaar zijne familieleden, verwenschende in naam van Allah en den Profeet.

Terwijl hij zoo heen en weer liep, stootte hij bij ongeluk met den voet tegen de schaal met eten, die voor Jack gereed stond. Dadelijk wendde de jonge Turk zich nu tot hem, en verontschuldigde zich zoo beleefd mogelijk, natuurlijk in de Turksche taal.

„Ik geloof,quot; zeide hij. Jack nauwkeurig opnemend, „ik geloof, dat gij een Christen zijt.quot;

„Ja,quot; gaf deze ten antwoord. „Eigenlijk ben ik Engelsch onderdaan, ofschoon ik reeds vele jaren in dit land woon.quot;

„O! dan zijt gij zeker de heer Grayson, over wien ik mijne vrienden zooveel heb hooren spreken.quot;

Jack boog toestemmend, en vervolgde na eenig nadenken, „Ik verkeer in den grootsten angst over mijne goede vrienden in de Armenische wijk. Kunt gij mij niet op de hoogte brengen, hoe het daar heden is toegegaan?quot;

De jonge man wendde het gelaat af, maar gaf geen antwoord.

„In Godsnaam, zeg dan toch iets,quot; riep Jack uit. „Zeg, wat gij wilt, maar deel mij de waarheid mede!quot;

„Het was de wil van Allah,quot; sprak de Turk ontwijkend.

„Hebt gij hen vermoord?quot; hijgde Jack.

„Ja, velen onder hen. Hoofdzakelijk mannen en jongens.

-ocr page 242-

230

Maar het einde heb ik niet meer bijgewoond. Die oom van mij, — Allah moge het hem vergelden! — heeft mij laten gevangennemen en hierheen doen brengen.quot;

„Waarom? Omdat gij hielpt de onzen te dooden?quot;

Verbaasd zag de Turk hem aan.

„Dat zou ons als verdienste worden toegerekend,quot; zeide hij. „Neen; wat ik gedaan heb, was erger. Ik heb mij tegen een soldaat, een Hamidieh verzet. Of liever ik heb hem geslagen. Maar wat wilt gij? Men heeft nu eenmaal zijn vrienden.quot;

Bij deze woorden zette hij zich neer, haalde zijn tabakszak te voorschijn en begon doodkalm sigaretten te rollen; waarschijnlijk in de hoop, zoodoende zijn bedaardheid terug te krijgen; want bij de herinnering aan het onrecht, dat men hem had aangedaan, had hij zijne zelfbeheersching weer geheel verloren.

„De zaak was deze,quot; hervatte hij. „Ik kwam langs een onafzienbare rij Giaours, allen schoone jongelingen, dis op den grond lagen, met afgesneden hals. In een hunner herkende ik een vriend van mij; — mij over hem heenbuigend, zag ik, dat hij niet dood was; men had het werk heel slecht gedaan. Juist op dat oogenblik trad die Hamidieh op ons toe, en wilde hem verder afmaken. En ik, dwaas, die ik ben, gaf hem in plaats van een paar medjids, een slag met mijn geweer. Daarop nam ik mijn vriend op, bracht hem naar mijne woning, en dacht over het geheele geval niet meer. Maar, bij den baard van den Profeet, wat denkt gij, dat die schurk van een Hamidieh doet ? Niets meer of minder, dan zich bij zijn overste over mij beklagen; die kende ongelukkig mijn oom en begaf zich tot hem, om hem het geheele geval te vertellen. Mijn oom heeft toen een onderzoek ingesteld, waarvan het ge-

-ocr page 243-

231

volg geweest is, dat men mij hierheen voerde, zoogenaamd om mij de gelegenheid te benemen nog meer kwaad te doen. Vervloekt zij hij zelf, zijne moeder, zijne grootmoeder, zijne vrouw en zijne dochters; vervloekt zijn al zijne verwanten, zoowel mannen als vrouwen, tot in het vierde en vijfde geslacht!quot;

't Scheen wel, dat de opgewonden Turk geheel vergat, hoe hij met deze verwanten zichzelf ook vervloekte.

Jack had met zichtbaren afschuw naar het verhaal geluisterd.

„Vertel mij slechts, wie er vermoord zijn,quot; sprak hij. „En hoeveel?quot;

„Hoe zou ik u dat kunnen zeggen? Ik weet alleen, wat ik met mijn eigen oogen aanschouwde.quot;

„Kunt gij mij dan ook niets meedeelen omtrent de Meneshians? — Weet gij iets van de Vartonians?quot;

„Ja, helaas; ik vrees dat beide families geheel zijn uitgemoord, op één na; misschien dat die gered is,quot; voegde hij er bij, langzaam met de hand over zijnen baard strijkend. „Ik zag het gepeupel het huis binnendringen.quot;

„O God! het is vreeselijk!quot; kreunde Jack, en bedekte het gelaat met zijne handen. Na eenige oogenblikken vroeg hij verder. „En de Stepanians?quot;

„Van hen kan ik u meer vertellen. Met eigen hand heb ik den dominé neergeschoten.quot;

Jack vloog op hem toe; zijne oogen schoten vuur en reeds had hij den Turk bij de keel gegrepen, want hij was Engelschman, en wat meer zegt, een Engelschman met veel liefde voor zijne medemenschen.

„Wacht eens even,quot; hijgde de Turk; ofschoon bijna gestikt, verloor hij zijne kalmte niet. „Een oogenblik, als het u belieft.quot; Jack liet hem los.

-ocr page 244-

232

„Gij kunt mij natuurlijk worgen, als zulks de wil van Allah is,quot; vervolgde de Turk. „Maar medunkt, dat gij even goed eerst kunt luisteren naar hetgeen ik u te vertellen heb. Want indien gij uwe vrijheid terugkrijgt, kunt gij later aan de uwen meedeelen, wat Osman u gezegd heeft.quot;

„Osman! Zijt gij dan de jonge Turk over wien ik Ds. Stepanian zoo menigmaal met liefde hoorde spreken? En kunt gij hier rustig tegenover mij zitten, en mij doodkalm vertellen, dat gij hem vermoord hebt! — Vermoord! Hoe is het mogelijk!quot;

„Kunt of wilt gij mij dan niet begrijpen?quot; hernam de Turk met een veelbeteekenenden blik. „Zijne dochter en al de andere kinderen stonden rondom hem, en konden alles zien. Zijne laatste gedachte was ook voor hen. „Niet hier!quot; smeekte hij, „niet voor hunne oogen.quot; En moest ik dan toelaten, dat men hem letterlijk zou verscheuren, terwijl zij er om heen stonden? Dat tenminste kon ik hem besparen. Hij heeft nu geen enkel oogenblik geleden.quot;

Onwillekeurig stak Jack hem de hand toe, maar dadelijk trok hij die weer terug.

„Mijne hand kan ik u niet geven,quot; sprak hij, „maar uit het diepst van mijn hart kan ik zeggen: „God zegene u.quot;

De Turk vervolgde: „Nog zag ik gelegenheid het lijk voor alle beleedigingen te behoeden, en dat heb ik ook gedaan. Ik wenschte zoo vurig ook zijne kinderen te redden, en werkelijk zou mij dat gelukt zijn, indien mijn oom niet zoo dwaas geweest ware om tusschenbeide te treden.quot;

„Is zuster Celandine, — en allen met haar in het zendingshuis, zijn zij veilig?quot; vroeg Jack verder. Ofschoon hij daar vrij zeker van was, voelde hij toch zijn hart kloppen toen hij er over sprak.

-ocr page 245-

233

„O ja, geheel veilig. Men heeft haar zelfs onder de bijzondere hoede van eene wacht zaptiehs gesteld. Juist een uur vóórdat de slachting begon, liet de Pacha zuster Celandine weten, dat hare papieren in orde waren, en dat zij vrij was om de stad te verlaten; zelfs voegde hij er bij, dat het overal veilig en rustig was. Maar zij ging niet. Waarschijnlijk hoopte zij nog meer Giaours te kunnen helpen, indien zij bleef. Maar dat is onmogelijk. Hare eigen huisgenooten zijn niet eens veilig, zoodra zij buiten de grenzen van het zendingshuis komen. Een der jonge meisjes, die zij onder hare hoede had genomen, is door eene wacht van zaptiehs begeleid, haar stervenden vader, die bij de Selferians in huis was, gaan opzoeken. Maarzij keerde niet weer. Daarvoor heeft Mehmed Ibrahim, die al lang zijn oog op haar had laten vallen voor zijn harem, wel gezorgd. Ik voor mij ben zelfs overtuigd, dat het ge-heele verhaal van haar stervenden vader een leugen was, en een laaghartig complot om haar in handen te krijgen. Ik heb met eigen oogen gezien, hoe men haar wegvoerde. — Bij Allah!quot;

Met een wanhoopskreet, die door merg en been ging, viel John Grayson bij die woorden bewusteloos neer.

De Turk bleef kalm zitten, en staarde hem aan zonder eene hand uit te steken. Geen oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat hij iets kon of moest doen om den ongelukkige bij te brengen. Allah had hem terneer geslagen, en Allah zou hem weer doen oprijzen — indien zulks zijn wil was. Het zou niet onlogisch geweest zijn hem te vragen, waarom hij in het geval van zijn Armenischen vriend niet evenzoo geredeneerd had, of in dat van den predikant en diens huisgezin; doch gelukkig is het hart des menschen somtijds beter dan zijn verstand.

-ocr page 246-

234

Eindelijk kwam Jack tot bewustzijn, en trachtte hij op te staan. Osman wist niets van zijn huwelijk, maar wat hij nu gezien had, deed hem iets vermoeden.

„Wat trekken die Franken zich toch alles vreeselijk aan,quot; begon hij, bij wijze van vertroosting. „Er zijn toch zoo veel meisjes en vrouwen in de wereld, met wie men in het huwelijk kan treden, als men dat verlangt.quot;

„Zwijg, wat ik u bidden mag,quot; klonk het heesch van Jack's lippen.

„Mijn goede vriend,quot; vervolgde de Turk meewarig: „het spijt mij vreeselijk voor u, geloof mij. Nu ziet gij zelf, welk een voorrecht het thans voor u zou zijn, tot de ware geloovigen te behooren. Wanneer wij eene vrouw verliezen, betreuren wij haar natuurlijk wel, — o ja! Maar och! wij hebben er zoo velen, het is haast hetzelfde alsof men eene koe verliest. Men kan dadelijk eene andere nemen, die even goede eigenschappen heeft.quot;

Gelukkig voor hem, had Jack geen enkel woord verstaan, van hetgeen Osman zeide. Verwilderd stond hij gedurende eenige minuten voor zich uit te staren, vloog toen als een waanzinnige naar de deur, en begon tegen haar te duwen, schoppen, en slaan uit alle macht.

„Wat doet ge nu?quot; vroeg de Turk doodbedaard.

„Ik moet er uit!quot; riep Jack. „Ik moet weg om haar te redden.quot;

„Gij kunt haar niet redden. Wanneer zij in den hemel was, zou zij niet meer onbereikbaar voor u zijn dan nu. Volg mijn raad en wees kalm. Het is de wil van Allah.quot;

„Ik moet weg. Ik wil naar buiten!quot; herhaalde Jack, met al zijn kracht aan de deur rukkend.

„Het is veel beter voor u, dat gij blijft, waar gij zijt. Wanneer gij buiten waart, zoudt gij in uwe opgewonden-

-ocr page 247-

235

heid allerlei dingen doen, die u in de grootste moeilijkheid zouden brengen.quot;

„Die mij in groote moeilijkheid zouden brengen!quot; riep Jack wanhopend uit. „Voor mij bestaan geen moeilijkheden meer.quot;

„Ik zou u wel kunnen zeggen, hoe gij buiten zoudt kunnen komen, indien ik werkelijk meende, dat het goed voor u was,quot; sprak Osman bij zichzelf, „maar om de waarheid te zeggen, wil ik er niet aan meehelpen, nog meer van de uwen te dooden. Ik walg van al die ellende, en van zulk een bloedbad.quot;

„Osman Effendi, ik voel dat uw hart goed is, en dat gij met ons mede lijdt; daarom smeek ik u, mij ditmaal te helpen; God zal het u vergelden, indien gij ooit zeifin moeielijke tijden komt. Ik moet weg, naar buiten, of ik word krankzinnig.quot;

„Ik wilde wel, dat ik u een beteren dienst bewijzen kon, — maar indien gij er op staat het te wagen, wacht dan in elk geval tot morgenochtend. Dan begint het moorden opnieuw. Men is voornemens, alle Mahomedaansche gevangenen los te laten, om hen in de gelegenheid te stellen mede te moorden en op die wijze hunne vergiffenis van God en den Sultan te verdienen. Wanneer de cipier straks hier komt, moet gij uwen wensch te kennen geven om morgenochtend in den tuin te wandelen. Men zal het u toestaan. Eenmaal daar, kan het u niet moeilijk vallen in het gewoel der anderen, u uit de voeten te maken. Neem mijn scharlaken fez in plaats van de uwe, die karmozijn is, en neem dan dezen groenen doek om er over te binden, zie: zoo.quot;

„De fez neem ik dankbaar van u aan, maar den doek niet.quot;

„Zooals gij wilt. Mijn beste wenschen volgen u, Grayson

-ocr page 248-

236

Effendi; indien ik u in eenig opzicht helpen kan, zult gij mij steeds bereid vinden. Mocht gij een veilige schuilplaats noodig hebben, ga dan naar het huis mijner moeder. Gij weet het te vinden. Werkelijk, dat is het verstandigste, wat gij doen kunt,quot; voegde hij er bij. „Mijn huisgenooten zullen zorgen, dat iedereen weet, dat gij een Engelschman zijt, en dan zal niemand het wagen u iets te doen. Gij zult zoo veilig zijn, alsof er een teeken op uw voorhoofd stond.quot;

„Wee mij!quot; riep Jack, woest om zich heenslaande — „het teeken van Kaïn — „opdat hem niet versloeg, al wie hem vond.quot; Mijn eigen ellendig bestaan te rekken, en allen, die mij dierbaar zijn om mij heen te zien vallen! Bedoelt gij dat met een teeken op het voorhoofd? Kaïn ook redde zichzelf; anderen redde hij niet.quot;

„Ik begrijp u niet.quot;

„Hoe zou men dat ook kunnen vergen? Ik begrijp mij zelf niet. Ik geloof, dat ik krankzinnig word. Doch één ding is zeker; het was niet dit teeken, dat haar en mij cp het voorhoofd gelegd werd. Het was het kruis van Christus en dat is juist het tegenovergestelde — „Hij verloste anderen, zichzelven heeft Hij niet verlost.quot;

De jonge Turk nam zijn sigaret uit den mond en staarde Jack verbaasd aan. Een oogenblik schemerde er iets in zijn groote zwarte oogen, alsof hij zich inspande om te begrijpen wat hij hoorde. Maar zuchtend moest hij zijn verlangen opgeven; het ging boven zijne macht.

Eindelijk begon hij met zachte stem: „Wanneer ik uit dit vervloekte huis weg kom, zal ik met de hulp van Allah en eenige goede medjids doen wat ik kan, om uwe vrienden te helpen. Maar nu is het uur des Gebeds aangebroken. Ik ga bidden, en dan zal ik trachten wat te slapen. Grayson Effendi, gij moest ook bidden. Misschien zal Allah

-ocr page 249-

237

in zijne genade uw gebed verhoeren, ook al neemt gij zijn Profeet niet aan. Hij zal er mogelijk rekening mede houden, dat gij een Frank zijt.quot;

Maar dien avond was het John Grayson niet mogelijk te bidden. Zijn zielsangst ging alle beschrijving te boven; geen enkele traan drong door zijn brandende oogleden. Zelfs scheen het alsof zijn noodkreet tot God hem op de lippen bestierf. Wat hielp het ook? Hij had gebeden, vurig gebeden met zijn geheele hart en ziel, maar God had hem niet verhoord.

Hoe er ooit een einde kwam aan dien vreeselijken nacht, met hoeveel spanning hij naar het eerste morgenlicht uit zag, zal niemand ooit kunnen beseffen. Maar eindelijk brak de dag aan, ofschoon geen rust of vrede met zich brengend. Jack trachtte voor een oogenblik zijn zielsangst van zich te werpen, terwijl hij poogde zich zooveel noodig het uiterlijk van een Muzelman te geven; alleen de groene kafleh liet hij ter zijde liggen, dat was hem eene gewetenszaak. Op den meest onverschilligen toon richtte hij zijn verzoek tot den cipier; gelukkig was deze zoo vervuld van de gedachte, dat het moorden der Giaours weldra hervat zou worden, dat hij er geen bezwaar tegen maakte.

Langen tijd liep Jack den tuin op en af, zich nu bij een groep voegend, dan bij een ander, om zoodoende alle achterdocht te voorkomen. Eindelijk werden de poorten der gevangenis geopend, en, uit het oog verloren te midden dei-woeste bende Mahomedaansche gevangenen, die met luidruchtige vreugdekreten de straat opstormden, overtuigd, dat zij tegelijkertijd het Paradijs en de vergiffenis van den Sultan zouden verdienen, indien zij genoeg Giaours vermoordden, gelukte het John Grayson zonder moeite de straat te bereiken.

-ocr page 250-

HOOFDSTUK XIX.

2)e groote Misdaad volvoerd.

„Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hjj Zyne barmhartigheden door toorn toegesloten? .... Uw weg was in do zee, en uw pad in groote wateren, en uwe voetstappen werden niet bekend.quot; Ps. 77 : 10, 20.

Ontzettend waren deze Decembernachten voor hen, die in doodsangst afwachtten, wat de morgen brengen zou,. In de geheele Armenische wijk sliepen slechts zij rustig, die — benijdenswaardig lot! — niet meer ontwaken zouden voor den jongsten dag.

Er waren er ontelbaar velen gevallen, evenals na een grooten veldslag, die beslissend is geweest voor het lot van twee volken. Overal lagen de lijken opgehoopt; midden in de straten, op de binnenplaatsen der huizen en in de huizen zelf. Vrouwen, met brandend droge oogen en verwilderde gelaatstrekken, kwamen, door hare groote liefde gesterkt, hunne bloedverwanten zoeken onder de verslagenen. Een enkele maal zag men eene vrouw, die haren echtgenoot, of eene moeder, die haren zoon gevonden had in luide jammerklachten uitbreken, maar de meesten droegen haar leed in stilte. Ja, zelfs kwam het voor, dat

-ocr page 251-

239

zij God dankten, als zij hen, die zij zochten, daar mochten vinden.

Nog erger was het gesteld met de armen, die in hunne verlaten huizen waren achtergebleven, en die daar trachtten de laatste uren der stervenden te verzachten. Het aantal gewonden was niet te bepalen. Ten eerste waren de moordenaars slechts al te dikwerf onhandig geweest, — of wat nog erger was, gebeurde het niet zelden, dat zij met wel overdachte en duivelsche wreedheid te werk waren gegaan. Daarenboven vonden zij het goedkooper om de Giaours eenvoudig in stukken te hakken, of met ontelbare messteken te vermoorden, dan hen neer te schieten. Elk schot kostte immers twee piasters!

Het lot der vrouwen, meisjes en kinderen, was echter het meest beklagenswaardige. Zij werden gesleept naar de moskeeën, daar opgesloten in barre koude, zonder voedsel en ter prooi aan allerlei ellende, totdat het den moordenaars van hun vaders, echtgenooten en broeders, behagen zou zich met hun lot bezig te houden, en hen naar hun welgevallen te mishandelen. O! God van liefde en genade, hoe is het mogelijk, dat al deze dingen in Uw rijk geschieden kunnen!

Liet Hij de arme stad dan geheel aan haar lot over? Niet immer kunnen zij, die buiten den vurigen oven staan, daarin de gestalte zien van den Engel Gods. Maar zij, die zelf in de vlammen verkeeren, weten beter.

Dien nacht was een talrijke schare in de groote Gre-goriaansche Cathedraal samengekomen. Menigeen meende nog, dat daar veiligheid te vinden was, en hoopte, dat de Mahomedanen eerbied voor die heilige plaats zouden gevoelen. De meesten der aanwezigen waren echter gekomen om, misschien voor de laatste maal hier op aarde. God

-ocr page 252-

240

te aanbidden. Een groep Gregoriaansche priesters, ware helden, — mannen, die volkomen bereid waren om hun leven op te offeren, en die overtuigd waren, dat hun laatste uur weldra zou aanbreken — hield voor de laatste maal hun godsdienstoefening, een plechtige, heilige avondmaalsviering. Zij spraken voor het laatst over den dood des Heeren, braken het Brood, en gaven den Wijn, zooals Hij hun opdroeg dit ten allen tijde te doen tot Zijne nagedachtenis, aan de knielende, verslagen gemeente. Mannen, vrouwen en kinderen werden op deze wijze, terwijl zij gedachten aan den dood, dien Hij voor hen ondergaan had, gesterkt om geduldig en met moed voor Hem te sterven. Op een der pilaren in die kerk, waarvan nu nog slechts de bouwvallen zijn overgebleven, heeft een der toen aanwezigen, die thans reeds lang is heengegaan, neergeschreven dat in dien nacht achttien honderd personen aan het Heilig Avondmaal hebben deelgenomen. Nimmer meer zouden zij van dat Brood eten of uit dien Beker drinken, vóór den dag

Als 't laatst Bazuingeschal weerklinkt.

Welks klank tot in de graven dringt,

En allen rijzen op dit woord,

Door levenden en doön gehoord.

De Meester komt!

De Armeniërs die nog in de rampzalige stad waren overgebleven, meenden allen, dat op Zondag 29 December hun laatste dag was aangebroken. Het werd hun koud om het hart. Zij wisten, toen zij het trompetgeschal hoorden, dat dit het sein was, om het moorden te hervatten, en het bloedbad van den vorigen dag, dat nog niet afdoende geweest was, te voleindigen.

-ocr page 253-

241

Een moordtooneel, ontzettender dan ooit te voren, begon. Ontelbare Mahomedanen van het geringste allooi, die zich gedurende de eerste dagen op den achtergrond gehouden hadden uit vrees, dat de Christenen zich misschien nog zouden kunnen verdedigen, sloten zich nu bij de moordenaars aan. Daarenboven is het een bekend feit, dat hartstochten, waaraan men eenmaal heeft toegegeven, weldra niet meer in toom te houden zijn; zij verlangen steeds sterker prikkel. Wreedheid maakt daarop geen uitzondering. Waar zij in waarheid bestaat, waar menschen moorden en martelen — niet uit woede en haat, uit roofzucht of vrees — maar alleen om de voldoening, die het dooden en martelen zelf hun geeft, daar is het alsof de geheele ziel beheerscht wordt door den duivel zelf. Daar ontwikkelt zich in hen iets dat leeft, dat groeit, men zou haast zeggen, dat dorst en snakt naar offers, die steeds grooter, steeds wreeder moeten worden. Zij ontwikkelen een vreeselijke, Satanische wreedheid. Die hartstocht prikkelt tot daden, waarvan het verhaal alleen de geheele menschheid doet sidderen. Wij kunnen ze niet mededeelen, ja het is ons zelfs onmogelijk er aan te denken. Onwillekeurig sluiten wij oog en oor er voor. Maar is het daarom toch niet onze plicht om het feit onder de oogen te durven zien, dat menschen als wij, onze broeders en zusters, dat alles in werkelijkheid geleden hebben?

Hanum Selferian bevond zich in het vertrek, dat tot den vorigen dag toe steeds de pronkkamer in haar gezellig, net ingericht huis geweest was. Nu was er geen enkel ongeschonden meubel meer te vinden. Gordijnen waren afgerukt; de kasten had men openbreken, en haren inhoud medegenomen of vernield; hier en daar lagen nog eenige stukken, die men waarschijnlijk vergeten,

Aan den Euphraat. 16

-ocr page 254-

242

of de moeite van het medenemen niet waard gekeurd had, op den grond verspreid. Midden in de kamer lag alles wat het huis aan eetwaren bevatte — bulghour, rijst, meel, koffie, groente, brood — op een hoop gesmeten; men had er eerst nog steenkolen overgeworpen en het daarna met petroleum overgoten. Maar het was niet op al die verwoestingen, dat de arme vrouw thans zag. Haar hart was gebroken; lag niet haar echtgenoot te sterven in gindschen hoek van het vertrek? Vreeselijk was het om aan te zien, zooals men den lijder had verminkt. Alles wat mogelijk was, om de pijnen te verzachten en de wonden te verbinden, was gedaan, maar wat hielp dat? Gedurende den geheelen nacht had zij aan de lijdenssponde gewaakt; de jongste kinderen klemden zich angstig a,an haar vast, terwijl de ouderen trachtten haar, zooveel in hun vermogen was, te helpen. De morgen bracht geen vreugde of uitkomst, maar slechts nieuwe angsten. quot;Wat moesten zij beginnen, wanneer de Turken terugkeerden? Vluchten, zoowel als zich verbergen, was mi eene onmogelijkheid.

De huisdeur had men den vorigen dag reeds vernield, en thans vernamen zij hoe iemand er door binnenstapte en de deur van het vertrek, waarin zij zich bevonden, openduwde. Verschrikt vloog Hanum Selferian van haren stoel op. Voor haar stond een man; zijne oogen waren verwilderd en met bloed beloopen, zijn geheele gelaat teekende onuitsprekelijke afschuw en walging.

Slechts een klein uur was verstreken sedert John Grayson uit de gevangenis ontsnapt was. In dien korten tijd had hij dingen gezien, zóó ontzettend dat het hem nimmer mogelijk was er over te spreken; hij zou alles gegeven hebben wat hij bezat, om het te kunnen vergeten.

-ocr page 255-

243

Nu, als in een droom — zonder iets te zien of te hooren, trad hij op haar toe en vroeg slechts, „Waar is mijne vrouw ?quot;

Meermalen had Hanum Selferian hem gezien, en zij kende zijne geheele geschiedenis. Maar hoe kon zij in dezen gebroken man met verwilderde gelaatstrekken, den vroolijken, knappen jongen Engelschman herkennen? Hij leek minstens vijftig jaar oud. Daarbij kwam nog, dat zij zóó vervuld was van hare eigen zorgen en leed, dat zij geheel versuft scheen.

„Spreek zacht,quot; was haar eenig antwoord: „mijn echtgenoot ....quot;

„Ja, het is heel treurig, dat weet ik wel,quot; antwoordde Jack werktuigelijk. „Maar waar is mijne vrouw, Shushan Meneshian?quot;

„Shushan?quot; Verbaasd keek zij op; voor één oogenblik namen hare gedachten een andere richting. „Maar gij zijt toch niet de Engelschman?quot;

„Was ik dat maar niet! Nu wil niemand mij dooden. Het is alsof mij een teeken op het voorhoofd staat, dat niemand mijne ziel zoeke. Het is het teeken van Kaïn. — Maar waar is mijne vrouw? Men heeft mij verteld, dat zij hierheen gegaan was.quot;

„Dat is ook zoo; om haren vader, Boghos, die in het geheel niet hier was, op te zoeken. Het is alles een laaghartig komplot geweest,quot; snikte de arme vrouw. „Amaan! Vraag mij nu niet meer.quot;

„Ween zoo niet — wees toch niet zoo bedroefd, arme Effendi,quot; zei een der kleinste meisjes zacht, terwijl zij liefkoozend zijne hand in de hare nam en haar aan heur voorhoofd bracht. „Moeder had mij in een kast verstopt, toen de Turken kwamen, maar ik heb door de reet

-ocr page 256-

244

van de deur gekeken en o! ik heb zulke vreeselijke dingen gezien. Zij hebben mijn armen vader zooveel pijn gedaan! Maar Oriort Shushan heelemaal niet; voor haar was men heel vriendelijk. Alleen heeft men haar weggevoerd. Maar zeker zal men haar geen kwaad doen. Zij is zoo lief en zoo mooi, weet ge!quot;

„Zwijg toch!quot; viel een der andere meisjes, die iets ouder was, haar in de rede. Op dat oogenblik kwam Krikor, de oudste zoon, het vertrek binnenstormen.

„Moeder! Moeder! Gauw! laat ons allen naar de kerk vluchten. De buren — tenminste zij, die nog zijn overgebleven, — zeggen, dat dat het eenige is, wat we doen kunnen. De Turken zullen den moed niet hebben, ons daar kwaad te doen.quot;

Tot eenig antwoord wierp Hanum Selferian slechts een blik vol liefde op haren echtgenoot; toen zag zij Jack aan en zeide: „Misschien wil de Engelsche Effendi zoo goed zijn, kinderen, u allen daar te brengen, en ook uwe oude grootmoeder, Parooz. — Maar waar is zij ?quot;

„Geen enkel onzer denkt er aan om heen te gaan zonder u. Moeder; het is nuttelooze moeite daarover te spreken. Wij leven of sterven te zamen.quot; sprak de knaap beslist, zonder te letten op de teekenen, die zijne moeder hem gaf om te zwijgen.

Toen hoorde men eene zwakke stem van het bed zeggen:

„In Godsnaam, laten wij er allen heengaan. Ik geloof wel, dat ik zal kunnen loopen, — met eenigen steun tenminste!quot;

Te midden van al zijn smart voelde John Grayson öoch instinktmatig, dat hij hier helpen moest. Het was hem alsof zijne ziel binnen in hem gestorven was; alleen zijn lichaam was blijven leven, en volbracht nu werktuigelijk alles, wat hij zou gedaan hebben, indien hij geleefd had.

-ocr page 257-

245

„Ik zal u steunen,quot; sprak hij, op het bed toetredend en zich inspannend om den gewonde te helpen opstaan. Ofschoon stervende, vond deze toch de kracht om zich staande te houden en zelfs eenige stappen voorwaarts te doen.

Parooz, de oudste dochter, had het vertrek verlaten om de grijze grootmoeder, die zich had afgezonderd om haren tranen den vrijen loop te laten, op te zoeken. Zij vond haar slapende in een der bovenvertrekken. Alle kinderen waren nu bijeen. Jack had den stervende stevig bij den eenen arm genomen; zijne vrouw ondersteunde hem aan den anderen kant, en zoo begaven allen zich langzaam naar buiten. Het is onmogelijk het tooneel, dat zij thans voor oogen hadden, te beschrijven. De straten waren vol ongelukkigen, die kermend, jammerend, en steeds om hulp smeekend, verward dooreen liepen. Overal waar men ging, moest men over lijken heenstappen en zoover het oog reikte, lagen er dooden en gewonden. Gelukkig was de Cathedraal dicht in de nabijheid; één hunner wachtte echter nog vroeger rust en veiligheid. Juist toen men de Kerk in het gezicht kreeg, begaven Selferian zijne laatste krachten.

„Laat mij even rusten,quot; smeekte hij. Haastig ontdeden zij, die hem begeleidden, zich van mantels en bovenkleeren, en werd hij zacht daarop neergelegd. Zoo ging hij in tot zijne rust, — voor immer bevrijd van angst en pijnen.

Er was geen tijd te verliezen, men mocht niet bij den lieven doode dralen. De oude grootmoeder was de eerste, die besloot voort te gaan, den onwilligen Krikor met zich voerend. Toen wendde Jack zich tot de treurende weduwe, en op de kerk wijzend, zeide hij slechts tot haar: „Ter wille van uwe kinderen.quot;

-ocr page 258-

246

De vreeselijke tooneelen, die men overal op straat zag, deed hun hunne stappen verhaasten. Bij aankomst vonden zij het kerkhof en de bijgebouwen, zoowel als de woningen der geestelijken en de daarbij liggende scholen, reeds vol vluchtelingen. Het gelukte hun echter zich een weg door het gedrang te banen en veilig de kerk zelf te bereiken; na lang oponthoud begaven zij zich naar een der galerijen, waar zij zagen dat reeds velon hunner vrienden zich bevonden.

Jack bleef bij hen; uiterlijk was er niets vreemds aan hem te bespeuren, maar hij zelf voelde slechts al te goed, hoe onmogelijk het hem was, zijne gedachten in bedwang te houden. Bij oogenblikken waande hij zich terug in Engeland, en smeekte hij de Koningin, de regeering en het geheele volk, om toch een leger naar Armenië te zenden — niet om de ongelukkigen te redden, maar om hen te dooden — in eens te dooden, zoodat zij heen zouden gaan zonder strijd of lijden, en er voor goed een einde kwam aan al die gruwelen. In zijn brein bestond er geen onderscheid meer tusschen Shushan, en Shushan's volk.

„En in die dagen,quot; mompelde hij bij zichzelf, „zullen de menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden.quot;

Gedurende al dien tijd stroomden nog vluchtelingen de kerk binnen; langzamerhand was het gebouw zoo vol geworden, dat men ternauwernood plaats had om te staan, en men eindelijk moest besluiten de groote ijzeren deuren dicht te doen.

Geen oogenblik te vroeg. Eeeds stond het gepeupel voor de poorten en begon men ze met steenen te bombardeeren. Het gehuil en geschreeuw van het half waan-

-ocr page 259-

247

zinnige volk daar buiten, overstemde geheel de angstkreten der verschrikte menigte er binnen. Op hetzelfde oogenblik reeds drongen schoten door de ruiten. Eenigen werden gewond, enkelen zelfs gedood.

Het duurde niet lang, of de woestelingen hadden hun doel bereikt; de ijzeren deur begon te wijken, en de Turken stormden naar binnen; toen begon het moorden opnieuw in vreeselijken ernst. Maar juist doordat de slachtoffers zoo dicht opeengepakt stonden, vorderden de moordenaars slechts langzaam. Het was bijna onmogelijk om zulk een ontelbare menigte neer te houwen. Eén voorval zag Jack, dat hem steeds bijbleef, ofschoon hij op het oogenblik zelf zich hoegenaamd geen rekenschap gaf, van al wat om hem heen voorviel.

Een Turk die op een der banken geklommen was, ontdekte te midden der slachtoffers het gelaat van iemand, dien hij kende — een jong Armenisch zanger, die zich door zijne buitengewoon mooie stem reeds veel geld en roem verworven had, en die bij de Mahomedanen ook zeer gezien was. De Turk, en eenigen zijner vrienden, riepen hem bij zijn naam. Dit hoorende, sprong de jongeling op eene kleine verhevenheid en begon op zachten toon, maar met onbeschrijflijk diep gevoel een Armenisch klaaglied te zingen.

Toen werd er iets ongewoons aanschouwd, — tranen in de oogen van velen der Mahomedanen. Maar dat mocht niet. Van verscheidene kanten werden vuurwapenen op den jeugdigen zanger gericht.

„Zwijgquot;, riep een der machthebbenden hem gebiedend toe. „Waarom zoudt gij geen volgeling van Mahomed worden? Wij zullen u dan niet alleen het leven laten, maar u rijkdom en eer geven, zooveel gij maar wilt.quot;

-ocr page 260-

246

De vreeselijke tooneelen, die men overal op straat zag, deed hun hunne stappen verhaasten. Bij aankomst vonden zij het kerkhof en de bijgebouwen, zoowel als de woningen der geestelijken en de daarbij liggende scholen, reeds vol vluchtelingen. Het gelukte hun echter zich een weg door het gedrang te banen en veilig de kerk zelf te bereiken; na lang oponthoud begaven zij zich naar een der galerijen, waar zij zagen dat reeds velon hunner vrienden zich bevonden.

Jack bleef bij hen; uiterlijk was er niets vreemds aan hem te bespeuren, maar hij zelf voelde slechts al te goed, hoe onmogelijk het hem was, zijne gedachten in bedwang te houden. Bij oogenblikken waande hij zich terug in Engeland, en smeekte hij de Koningin, de regeering en het geheele volk, om toch een leger naar Armenië te zenden — niet om de ongelukkigen te redden, maar om hen te dooden — in eens te dooden, zoodat zij heen zouden gaan zonder strijd of lijden, en er voor goed een einde kwam aan al die gruwelen. In zijn brein bestond er geen onderscheid meer tusschen Shushan, en Shushan's volk.

„En in die dagen,quot; mompelde hij bij zichzelf, „zullen de menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden.quot;

Gedurende al dien tijd stroomden nog vluchtelingen de kerk binnen; langzamerhand was het gebouw zoo vol geworden, dat men ternauwernood plaats had om te staan, en men eindelijk moest besluiten de groote ijzeren deuren dicht te doen.

G-een oogenblik te vroeg. Eeeds stond het gepeupel voor de poorten en begon men ze met steenen te bombar-deeren. Het gehuil en geschreeuw van het half waan-

-ocr page 261-

247

zinnige volk daar buiten, overstemde geheel de angstkreten der verschrikte menigte er binnen. Op hetzelfde oogenblik reeds drongen schoten door de ruiten. Eenigen werden gewond, enkelen zelfs gedood.

Het duurde niet lang, of de woestelingen hadden hun doel bereikt; de ijzeren deur begon te wijken, en de Turken stormden naar binnen; toen begon het moorden opnieuw in vreeselijken ernst. Maar juist doordat de slachtoffers zoo dicht opeengepakt stonden, vorderden de moordenaars slechts langzaam. Het was bijna onmogelijk om zulk een ontelbare menigte neer te houwen. Eén voorval zag Jack, dat hem steeds bijbleef, ofschoon hij op het oogenblik zelf zich hoegenaamd geen rekenschap gaf, van al wat om hem heen voorviel.

Een Turk die op een der banken geklommen was, ontdekte te midden der slachtoffers het gelaat van iemand, dien hij kende — een jong Armenisch zanger, die zich door zijne buitengewoon mooie stem reeds veel geld en roem verworven had, en die bij de Mahomedanen ook zeer gezien was. De Turk, en eenigen zijner vrienden, riepen hem bij zijn naam. Dit hoerende, sprong de jongeling op eene kleine verhevenheid en begon op zachten toon, maar met onbeschrijflijk diep gevoel een Armenisch klaaglied te zingen.

Toen werd er iets ongewoons aanschouwd, — tranen in de oogen van velen der Mahomedanen. Maar dat mocht niet. Van verscheidene kanten werden vuurwapenen op den jeugdigen zanger gericht.

„Zwijgquot;, riep een der machthebbenden hem gebiedend toe. „Waarom zoudt gij geen volgeling van Mahomed worden? Wij zullen u dan niet alleen het leven laten, maar u rijkdom en eer geven, zooveel gij maar wilt.quot;

-ocr page 262-

248

„Nooit.quot; Fier weerklonk dat woord door de hooge gewelven, al klonk de stem zacht en welluidend als het schoonste lied of het liefelijkste harpspel.

Het was des zangers laatste woord, — zijn einde was daar.

En weer werd het moorden voortgezet, de woestelingen hieuwen zich, als het ware een weg door de levende menschenmassa. Op de groote galerij, die rondom de kerk liep, en waarheen de meeste vrouwen en kinderen gevlucht waren, hoorde men luid geween en geklaag, bij oogen-blikken overstemd door gebeden en het aanroepen van Jezus' Naam.

Eenige mannen wendden nog pogingen aan om door de ramen te ontkomen, maar dat bleek onmogelijk, en het zou trouwens ook nutteloos geweest zijn, daar het geheele gebouw omringd was door eene razende en tierende menigte, die met vuurwapenen en messen gewapend, allen die wilden ontvluchten, doodden. Jack stond als vastgenageld aan zijne plaats; aan zijn eigen leven hechtte hij niet de minste waarde; de mogelijkheid, dat hij de Selferians nog zou kunnen bijstaan, indien hij bij hen bleef, deed hem daartoe besluiten. Zoo was hij getuige van het vreese-lijke bloedbad beneden in de kerk. De Mahomedanen hadden nu het altaar bereikt. Eenigen hunner sprongen er boven op; anderen rukten de schilderijen van den muur, sloegen het beeldhouwwerk stuk, en braken alles open, waar zij vermoeden konden, dat zich schatten bevonden.

Op den lessenaar van den preekstoel lag een kostbare ouderwetsche Bijbel, met zilveren sloten. Een der Mahomedanen liep er met luiden juichkreet heen, nam hem op, scheurde de bladen er uit en wierp het zoo ontheiligde boek naar beneden.

„Welnu, Profeet Jezus!quot; gilde hij door de kerk, „red thans

-ocr page 263-

249

de Uwen, als Gij kunt! Toon nu, of Gij machtiger zijt dan Mahomed.quot;

Voor één kort oogenblik voelde John Grayson zijne hoop herleven. Hij hief het hoofd op, alsof hij verwachtte dat er een wonder zou gebeuren, dat het zware dak zich openen zou om Gods hemel, met het „teeken van den Zoon des menschen,quot; aan allen te toonen. En meer dan éen Christen herhaalde met bevende lippen de bede der Mahomedanen; „Red de Uwen! Toon nu, dat Gij machtiger zijt dan Mahomed.quot;

„Maar er was geene stem en geen antwoorder.quot;

De stilte der eeuwen — dat vreemde, onverklaarbare, vreeselijke zwijgen — werd niet verbroken. Het duurde voort, toen, als nu.

Toen had John Grayson een gevoel, alsof er iets knapte in zijn overspannen brein.

„Er is geen God,quot; zeide hij. „Hij kan ons niet hooren. Hij is al lang geleden gestorven. Neen, er is geen God; dat is slechts een droombeeld — een droom van gelukkige menschen, die rustig thuis zitten, en geen gevaren kennen.quot;

Hij was zich geheel onbewust, dat hij deze woorden hardop gesproken had; eene vrouw naast hem had ze echter gehoord.

„Hoe kunt gij zeggen, dat er geen God is,quot; begon zij. „Dat is niet waar; — maar God is waanzinnig geworden.quot;

Op hetzelfde oogenblik trof een schot van beneden de spreekster, en zij viel stervende in Jack's armen. De Turken begonnen nu hun vuur te richten op allen, die naar de galerij gevlucht waren.

Maar zelfs dat ging hun nog te langzaam.

Uit de nabijliggende huizen der priesters, werden in allerijl matrassen, dekens, gordijnen en hout aangedragen;

-ocr page 264-

250

men maakte van dat alles groote stapels midden tusschen de dooden en stervenden in het ruim der kerk. Toen bracht men eenige vaten petroleum, ledigde den inhoud over de opeengehoopte goederen, en stak de hoopen aan alle kanten in brand. Overal tegelijk stegen de vlammen omhoog. Van de galerij weerklonk een alles overstemmende angstkreet der slachtoffers, die nu eerst begonnen te beseffen, welk vreeselijk einde men voor hen bestemd had.

Intusschen stormden de Turken de trappen der galerijen op, grepen de jonge meisjes en vrouwen, die zich daar bevonden en sleurden haar met geweld naar buiten. Een Turk drong door tot de plaats waar Jack en Hanum Selferian stonden.

„Herkent gij mij?quot; vroeg hij haar. „Gisteren heb ik met eigen hand uw echtgenoot gedood, omdat ik u tot mijne vrouw begeer. Indien gij mij volgt, zal ik u en al uwe kinderen redden.quot;

Hij greep haar vast bij haar zeboun, maar met een ruk wist zij zich los te maken. Geholpen door Jack en met al hare kinderen om zich heen, drong zij naar den voorkant der galerij en staarde naar beneden. Eén vuurzee zag zij plotseling onder zich; reeds voelde zij hoe de ondragelijke hitte haar het gelaat verschroeide, maar nog steeds volgde de Turk haar. Toen hief de Armenische vrouw haar jongste kind, een knaapje van acht jaren, op in hare armen, en zag met een blik vol liefde op hare drie dochtertjes, die zich angstig aan hare rokken vastklemden.

„Kinderenquot; sprak zij tot hen, „wilt gij met dezen man medegaan en Mahomedaan worden, of wilt gij met mij sterven voor Jezus Christus?quot;

„Wij willen met u sterven. Moeder,quot; snikten de kleinen allen als uit éen mond.

-ocr page 265-

251

Nog één ding kon zij voor hen doen. Zij zou tenminste zorgen, dat hun lijden kort was. Binnen weinige oogen-blikken zouden zij bij bun Heer zijn. Met de kracht der wanhoop scheurde zij haar jongste kind van zich af en wierp het, van eene hoogte van twintig voet, midden in het heetste der vlammen. Toen volgden de meisjes, en juist op het oogenblik, dat de Turk zijne hand uitstrekte om haar te weerhouden, stortte zij zelf in den vuurpoel, en vond de rust die zij zocht.

Dat was het laatste, wat Jack zich herinnerde van al hetgeen hij in de brandende kerk had bijgewoond.

O, God! Gij die dien dag dat alles hebt gadegeslagen en toch bleeft zwijgen, help Gij ons steeds in gedachten houden dien anderen dag, toen de spottende menigte zich verzameld had om Uw kruis en U toeriep; „Indien Gij de Zone Gods zijt, verlos Uzelven — en toen Gij ook zweegt. Help ons, om ons aan U te blijven vastklemmen, opdat wij niet alle geloof verliezen zouden. Laat ons voelen, dat Uw volgelingen werkelijk ledematen zijn van Uw zinnebeeldig Lichaam. Niet Uw medegevoel alleen doet U lijden, maar Gij lijdt met hen in den waren zin van het woord. Door hen duurt ook Uw lijden tot aan de voleinding der wereld; totdat het laatste lid U toegevoegd zal zijn en de laatste schoof van den grooten Oogst zal zijn binnengehaald. Uwe liefde voor hen is te groot, dan dat de spot Uwer vijanden of zelfs de vurigste gebeden Uwer volgelingen, U kunnen bewegen van het kruie neer te dalen, vóórdat het Groote Werk volbracht is, en het zwaar beproefde geloof van Uwe lijdende gemeente is veranderd in de onuitsprekelijke vreugde van het aanschouwen der heerlijkheid der kinderen Gods.

-ocr page 266-

HOOFDSTUK XX.

Bij Htraham's Vijver en elders.

„Gij waart verreisd, verreisd van 't droeve land Door onweersvlaag en stormwind steeds beloerd, Geleid door 't zachte drukken van een hand, Die u in de onbekende verte voert.quot;

Bayard Taylor.

Bij den fraaien „Vijver van Abrahamquot; drentelde een troepje Mahomedanen heen en weer, zich vermeiend met naar de heilige visschen te kijken en graankorrels of kruimpjes brood voor deze in het water te strooien. Men sprak over de gebeurtenissen der laatste dagen. Eenigen hunner, — die voor niets ter wereld eenig kwaad aan een van die visschen zouden gedaan hebben — pochten er op, hoeveel Christenhonden zij gedood hadden, en voogden er nog een uitvoerige beschrijving bij van de vreeselijkste wandaden en wreedheden, die zij hadden begaan, als bewijs van hunne toewijding.

„Maar nu,quot; waagde een der aanwezigen aan te merken, „nu is het uit met het moorden. De „Paydossquot; is begonnen.quot;

„Om de waarheid te zeggen,quot; voegde een tweede er bij: „er zijn er niet veel overgebleven om te dooden. Die nu

-ocr page 267-

253

nog leven, zijn haast alleen oude vrouwen en kleine kinderen.quot;

„Het zou niet kwaad zijn,quot; opperde een derde, „wanneer men spoedig besliste, welke maatregelen er genomen kunnen worden, om alle dooden te begraven. Wanneer dat niet heel gauw gebeurt, zullen wij nog epidemieën krijgen, en daartegen hebben de ware geloovigen al evenmin een middel als de christenen. Bij Allah! wie komt daar aan?quot;

Een spookachtige gestalte naderde hen zonder het minste gedruisch, en trad tot op den uitersten rand van den vijver. Zijne kleederen waren gezengd en gescheurd, zijn haar was grijs — bijna wit, — terwijl zijn ingevallen gelaat, en de doodelijke bleekheid, die er over verspreid was, slechts te meer de verwilderde uitdrukking in zijne onnatuurlijk groote oogen deden uitkomen. Hij staarde eenige oogenblikken in het heldere frissche water der fontein.

„Hier is water genoeg,quot; zeide hij, „maar dat zal den brand niet meer blusschen. Niets kan dat vuur uitdooven, het blijft eeuwig, eeuwig branden.quot;

Een der aanwezigen strekte de hand uit om hem te grijpen, een ander trok een dolk uit zijn vest. Maar slechts een lachje van diepe minachting speelde om de bleeke lippen.

„Gij kunt mij toch niet dooden,quot; zeide hij, „want ik ben een Engelschman. Er staat een teeken op mijn voorhoofd, opdat niemand mij aanraken zal. Het beteekent „Hij redde zichzelf; maar anderen heeft hij niet kunnen redden.quot;

„Steek uw mes maar weer bij u,quot; sprak een der Turken tot zijn buurman, die nog steeds zijn dolk in de hand hield. „Ziet gij niet, dat de man krankzinnig is?quot;

Mahomedanen beschouwen het als eene misdaad, een

-ocr page 268-

254

waanzinnige te dooden; zij vereeren hem zelfs als een, die bijzonder door Allah begunstigd wordt. Ook staat de wet hun niet toe, tè trachten een krankzinnige tot den Islam te bekeeren.

„Engelschman?quot; vroeg een ander: „Wat praat gij van Engelschman ? Er zijn hier geen Engelschen!quot;

„Dat is ongetwijfeld ook een bewijs van zijn waanzin. Hij is een Giaour, dien het Allah beliefd heeft in het leven te laten.quot;

Een jonge man, „a la Frankquot; gekleed, voegde zich nu bij de groep.

„Wien hebt ge daar?quot; vroeg hij.

„Den een of anderen Giaour, die gek geworden is, dooiden dood van zijne vrienden,quot; gaf men hem onverschillig ten antwoord.

Bij deze woorden keerde de Giaour zich om, en keek den nieuwaangekomene strak in het gelaat.

De Turk van zijn kant bleef hem ook met een onderzoekenden blik, verbaasd, aanstaren.

„Osman Effendi, hoeveel Giaours hebt gij gedood?quot; vroeg de Christen hem.

„Eén,quot; antwoordde Osman, „maar hij was een vorst onder hen. Het was genoeg. Maar, arme Wezenlooze, ik geloof, dat ik uwe oogen meer heb gezien. Wie zijt gij?quot;

Weer keek hij hem lang en onderzoekend aan en vervolgde toen ontsteld: „Kan het waar zijn ? Is het mogelijk? Zijt gij Grayson Effendi? Hoe zijt gij hier gekomen? Ik heb u overal gezocht en 'k hoorde, dat gij naar de kerk gegaan waart. Toen waande ik u verloren.quot;

„Ik ben ook verloren,quot; zeide Jack.

„Neen, mijn beste vriend, gij zijt gered, dank zij Allah, den Goedertierene. Maar hoe, in Zijn heiligen naam, is

-ocr page 269-

255

het u mogelijk geweest, uit de kerk te ontvluchten?quot;

„Ik weet het niet,quot; zeide Jack. „Het laatste, wat ik gezien heb, waren die arme kinderen, die in de vuurzee vielen. Het eenige, wat ik mij daarna herinner, is, dat ik te midden der dooden op het kerkhof ronddoolde. Er waren genoeg Turken aanwezig, maar geen hunner poogde zelfs mij te dooden. Niemand wil mij aanraken!quot;

„Ik vrees maar al te zeer, dat gij gelijk hebt,quot; wendde Osman zich tot de anderen. „Het is jammer!quot; En zich daarop tot Jack keerend, vervolgde hij: „Ga met mij naar mijn huis, Grayson Effendi. Ik zal voor u zorgen, en u wat te eten en te drinken bezorgen. Daarna kunt gij trachten te slapen —

„Neen; ik wil niet meer slapen. Ik kan niet, enikcZwr/ niet. Ik zou telkens weer de brandende kerk voor mij zien en die vrouw, die hare kinderen in de vlammen wierp.quot;

„Arme man! Zeker is hij gek,quot; mompelde een der omstanders. Jack keerde zich om en zag hem aan.

„Ik ben niet gek,quot; zeide hij. „Ik herinner mij duidelijk alles uit mijn vroeger leven. Ik ben een Engelschman. Mijn naam is John Grayson. Gij hebt mij mijne vrouw ontstolen.quot;

„Bat tenminste is waanzin,quot; merkte een hunner op.

„Niet geheel,quot; fluisterde Osman. „Hij was werkelijk gehuwd met een mooi Armenisch meisje. Die Franken trekken zich alles zoo aan.quot; Toen hardop tot Jack, „kom, ga nu met mij, Grayson Effendi; ik verzeker u, dat gij bij mij veilig zijt.quot;

Jack gaf tenminste in zoo verre gehoor aan zijn verzoek, dat hij hem een eindweegs vergezelde. Maar toen men een poosje geloopen had, stond hij stil en zeide zoo kalm mogelijk: „Osman Effendi, ik dank u. Maar het is mij niet

-ocr page 270-

256

mogelijk het huis van een Turk te betreden. Ik moet teruggaan, naar de verwoeste woningen, waarin mijne vrienden gewoond hebben. Ik zou u gaarne een „God zegene uquot; toeroepen, indien ik, na al hetgeen ik heb bijgewoond, nog aan een God kon gelooven. Maar dat is mij niet mogelijk. Vaarwel.quot;

Hij sloeg den kortsten weg in naar de Armenische wijk en bevond zich weldra te midden van de afgrijselijkste tooneelen, erger dan men ooit na eenig beleg of eenigen veldslag had kunnen aanschouwen. De dooden — en ook de stervenden, die haast niet van hen te onderscheiden waren, — werden weggesleept naar de groote kuilen buiten de stad, die de Mahomedanen daar hadden gereedgemaakt om hen te begraven. Van vele huisgezinnen, zooals onder meer dat van de Vartonians, was geen enkel lid, grijsaard noch zuigeling, in het leven gebleven.

Steeds verder liep Jack voort, van het eene ontzettende schouwspel naar het andere. Wat hij toen zag in al zijn vreeselijke bijzonderheden, is beter maar niet te vermelden. Hij was niet krankzinnig, en met ieder oogenblik kwam het verleden hem weer helderder en duidelijker voor den geest. Zooals het menschelijk hart maar al te zeer geneigd is, om in alle omstandigheden te doen, kwam ook hij telkens weer terug op zijn eigen verliezen.

„Shushan! Shushan!quot; was de eenige kreet, die hem over de lippen kwam, terwijl hij wanhopend ronddoolde tusschen de rookende puinhoopen van de verwoeste wijk. De mensch blijft altijd en overal dezelfde Het is niet de menschheid in 't algemeen, waarvoor men het meeste gevoelt, maar één persoon in het bijzonder. Dat ligt nu eenmaal in onze natuur.

Hij droeg zijn vreeselijken last alleen; — alleen in

-ocr page 271-

257

de eenzaamheid van zijn ongeloof, dat zijn toestand nog* zooveel troosteloozer maakte.

Koud, gevoelloos, maar daarom niet minder onvermurwbaar als de omarming van een doode, was het gevoel dat zijn hart omknelde en het dreigde te verstikken. Mets om hem heen, dan een vreeselijke, eeuwige duisternis. Geen hoop, geen liefde, geen God, geen Christus.

Hoe lang hij zoo ronddwaalde op dien onmetelijken doodenakker, zou het hem onmogelijk zijn te zeggen. Nog was de plundering niet geheel afgeloopen; hier en daar ontmoette hij troepen Turken, meestal van de allerlaagste klasse, die het werk van den vorigen dag voltooiden; niemand hunner dacht er echter aan om hem eenig leed te doen. Het moorden was afgeloopen, en zelfs indien dit niet zoo geweest ware, zou zijne zoogenaamde waanzinnigheid hem reeds tegen alle aanslagen beveiligd hebben. Een enkele maal zag hij in de verte een Armeniër, die angstig, als een spookgestalte onhoorbaar, langs de muren voortsloop; probeerde Jack echter hem te naderen, dan verdween de arme vluchteling onmiddellijk in de een of andere schuilplaats, die zich in zijne nabijheid bevond. Zoo verdiept was hij in zijne sombere gedachten, dat hij ternauwernood den overgang van den dag in nacht of van den nacht in dag opmerkte. Wanneer hij voelde, dat zijn lichaam er behoefte aan had, gebruikte hij werktuigelijk iets van het voedsel, dat in de verlaten huizen nog in overvloed te vinden was. Het eenige, waartoe hij echter niet besluiten kon, was om te gaan slapen. Hij vreesde niet alleen de vreeselijke droomen, die hem ongetwijfeld achtervolgen zouden, maar nog meer het ontzettende ontwaken.

Na eindelooze uren, zoo althans scheen het hem, te

Aan den Euphraat 17

-ocr page 272-

258

bebben rondgedoold, meende hij een zacht gekreun te hooren, dat tot hem doordrong uit het huis. waar hij voor stond. Hij trad naar binnen en op het geluid afgaande, bevond hij zich weldra voor eene soort provisiekast, waar blijkbaar iemand eene schuilplaats had gezocht. Daar lag eene jonge vrouw op den grond uitgestrekt, met het hoofd tegen een zak bulghour; zij was dood en naast haar lag een klein kindje, dat naar allen schijn ook stervende was.

Wie alleen naar de stem van het verstand luisterde, zou 'moeten toegeven, dat de beste dienst, dien men het arme kind bewijzen kon, was, het daar te laten omkomen. Die gedachte alleen streed echter zoo tegen alle menschelijk gevoel, dat Jack er niet toe besluiten kon. Voorzichtig boog hij zich voorover en nam het kindje in de armen, vergeefsche pogingen aanwendend om het te sussen. Het zag er uit alsof het ieder oogenblik van gebrek zou kunnen omkomen. Wat moest hij doen? Hij kon het toch geen rijst of bulghour geven; zelfs het harde, droge brood, al probeerde hij het in vruchtensap te weeken, bleek geheel ongeschikt. Hoe zou hij het uitgehongerde wichtje eenig voedsel verschaffen? Plotseling dacht hij aan het zendingshuis. Zuster Celandine zou zeker raad weten. De gedachte aan haar was reeds meermalen bij hem opgekomen, maar tot nu toe had hij niet den moed gehad tot haar te gaan; hij kon die plaats waar hij Shushan zoo menigmaal had opgezocht, nog niet weerzien. Daarenboven was het zeer wel mogelijk, dat zij reeds vertrokken was. Hij meende zich te herinneren hoe Osman hem verteld had, dat zij ten kaatste toch haar paspoort had ontvangen.

Hoe het ook zij, na weinige oogenblikken bevond hij zich reeds op den weg, dien hij zoo dikwijls was inge-

-ocr page 273-

259

slagen om naar Shushan te gaan. Hoe duidelijk zag hij haar nu voor zich, in al hare bekoorlijkheid, zooals zij hem met stralende oogen tegemoetkwam en hem op Engelsche wijze de handen toestak, met geen anderen welkomstgroet, dan dat ééne „JacA:/quot; Sedert het afgrijselijke verhaal, dat Osman hem gedaan had, had zij hem niet zoo duidelijk voor oogen gestaan.

Terwijl hij zoo voortliep, hield hij het kindje vast tegen zich aan om het warm te houden, voortdurend bevreesd, dat het onderweg bezwijken zou.

De groote poort van het zendingshuis stond open; voortdurend zag men ongelukkige slachtoffers angstig er in en er uit sluipen, de meesten aan hoofd en ledematen verbonden. Het geheele voorplein was in een hospitaal herschapen; mannen, vrouwen en kinderen, enkelen met de vreeselijkste wonden, wachtten daar hun beurt af om verbonden te worden. Toen hij aan een hunner vroeg, waar hij zuster Celandine zou kunnen vinden, gaf men hem ten antwoord, dat zij zich in de kerk bevond.

Wat was ook het inwendige van die fraaie kerk veranderd, sedert hij haar de laatste maal betreden had! Kreeg men reeds buiten op het voorplein den indruk van zich in een hospitaal te bevinden, hier was de toestand nog droeviger; men had er slechts die lijders gebracht, die niet meer vervoerd konden worden. Van het begin tot het einde zag men niets dan zwaar gewonde of stervende mannen en knapen. De matten, waarop men hen had neergelegd, lagen zoo dicht naast elkaar, dat het bijna onmogelijk was er tusschen door te loopen.

En toch gevoelde Jack bij dien aanblik voor het eerst weer eenige zachtere gevoelens in zijn hart ontwaken. Hier tenminste heerschte liefde, niet haat. Nu bevond

-ocr page 274-

260

hij zich weer temidden van menschelijke wezens, die met elkander voelden en elkaar hielpen.

Hij zocht zuster Celandine vergeefs, ofschoon hij overal rondzag, maar weldra trad eene Armenische vrouw, met innemend zacht gelaat, op hem toe, en vroeg, wat hij wenschte.

Hij wees op het kind in zijne armen.

„Kunt gij het helpen?quot; vroeg hij.

„Wij zullen ons best doen,quot; antwoordde zij, het voorzichtig van hem overnemend. „Arm klein ding! Ik vrees, dat het te laat is. — Is het uw kind? Of misschien uw kleinkind?quot; vroeg zij, hem nauwkeurig opnemend.

Wel kwam het Jack voor, dat dit een vreemde vraag was, maar alles was tegenwoordig vreemd, en niets verwonderde hem meer. Hij antwoordde ook slechts; „Neen, ik heb het daarjuist gevonden; het lag naast zijne moeder, die gestorven was. Ik weet echter volstrekt niet, wie het zijn kan.quot;

„Waar is zuster Celandine, Anna Hanum?quot; stoorde hen hier eene dienstmaagd. „Ginds is een knaap, die zoozeer bedroefd is, en dringend verlangt haar te spreken.quot;

„Zij zal wel dadelijk hier komen,quot; antwoordde de vrouw, tot wie Jack had gesproken. „Waar is de jongen?quot;

Terwijl zij het vroeg, kwam hij reeds aanloopen; de tranen stroomden hem over het bleeke, ontstelde gelaat. Hij scheen Anna Hanum te kennen en begon zijn hart voor haar uit te storten.

„Ik heb mijn God verloochend!quot; snikte hij; „Ik heb den Heer Jezus Christus verloochend! Zal Hij mij ooit kunnen vergeven?quot;

„Hoe zijt gij daartoe gekomen?quot; vroeg de vrouw deelnemend.

-ocr page 275-

261

„Zij hadden mijn vader en mijne moeder vermoord,quot; snikte hij. „Toen hield men mij het mes op de keel, en vroeg of ik Mahomedaan wilde worden, dan zou men mij het leven schenken. In mijn grooten angst heb ik gezegd — ik weet zelf niet wat. Maar het moet wel „jaquot; geweest zijn, want men liet mij dadelijk vrij, bracht mij naar een Turksch huis en gaf mij daar te eten. Men hield er mij opgesloten tot nu toe, maar gelukkig kon ik ontsnappen en hierheen komen. O, Anna! zal Christus het mij ooit kunnen vergeven? Zeg mij toch, kan Hij het mij vergeven?quot;

Voordat zij nog antwoorden kon, sprak een der gewonden, die aan hunne voeten lag, met matte, zwakke stem; „Christus zal het u wel vergeven. Maar gij hebt eene heerlijke gelegenheid ongebruikt laten voorbijgaan.quot;

Er was iets in die stem, dat allerlei liefelijke herinneringen in het hart van John Grayson opriep. Haastig wendde hij zich naar de plaats vanwaar zij kwam. „Wie zeide dat?quot; vroeg hij. Een man, zelf vreeselijk verminkt, wees hem op een knaap, die naast hem lag, half bedekt door een kleine wollen shawl. Met moeite trad Jack voorwaarts tusschen de dicht naast elkaar liggende patienten, en knielde bij den jeugdigen spreker neer. Hij zag een smal, doodsbleek gelaat vóór zich, geheel uitgeteerd en door pijn verwrongen, maar toch overtogen met een glans van onuitsprekelijk geluk. En opeens' wist hij, dat dit het gelaat was, dat hem het liefste van allen geweest was in het huisgezin te Biridjik, het liefste na datééne, waardoor zijn hart thans zulk eene diepe wonde was toegebracht.

„Gabriel!quot; riep hij uit.

„Wie is dat?quot; vroeg de knaap. „Zijt gij —, neen dat kan niet, dat is onmogelijk! En toch, gij hebt de oogen van Yon EfFendi.quot;

-ocr page 276-

262

„Zoo placht gij mij in vroegere dagen te noemen. O! Gabriël! ik meende, dat men u allen vermoord had.quot;

„Ja, allenquot;, sprak Gabriël, maar in plaats dat bij die woorden zijne oogen zich met tranen vulden, blonk er een bovenaardsch licht in, vol onbeschrijfelijke gelukzaligheid. „Allen zijn reeds in het Vaderhuis, behalve ik. Maar ik ben alleen wat laat voor het eerste heerlijke wederzien, — ik ga ook weldra! Ik vergeet haast al mijne pijnen, wanneer ik er aan denk, hoe gelukkig zij nu zijn, allen vereenigd voor het aangezicht van Christus. Ik voel dat Hij ook hier met mij is, en zeker zal Hij mij spoedig tot hen allen laten gaan.quot;

Toen overviel John Grayson eene vlaag van bittere smart. Hij meende, dat Gabriël haar, die men in de aardsche woning zoozeer had liefgehad, niet meer tot de hunnen telde. Was het mogelijk, dat hij zeggen kon, dat allen bijeen waren in het Vaderhuis, als zij er niet bij was?

„Wat moet gij veel geleden hebben, Yon Effendi!quot; vervolgde Gabriël, toen hij hem langer in het verouderde gelaat zag, en hij zijne grijze haren opmerkte. „Ik had nooit gedacht, dat ik u zou weerzien! Wij waren allen vast overtuigd, dat de Turken u gevangengenomen en vermoord hadden.quot;

„Hadden zij dat maar gedaan!quot; riep Jack uit. „Maar Gabriël, hoe is het u gelukt te ontkomen, terwijl alle anderen den dood vonden?quot;

„Toen men al mijne huisgenooten, ook onze verwanten de Vartonians, gedood had, heeft men mij zwaar gewond en voor dood achtergelaten. Ik geloof, dat ik langen tijd bewusteloos geweest ben. Toen ik bij kennis kwam, lag ik midden onder de gestorvenen. Ik deed mijn best, er onder uit te komen, om te zien waar ik was.

-ocr page 277-

263

Niet, omdat ik verlangde in het leven te blijven; maar ik wist, dat men de lijken — en ook de stervenden, die zich nog onder hen bevonden, — zou komen halen, om hen buiten de stad te brengen en in de kuilen onder de wallen te werpen. Dat schrikte mij af. Ik hield mij dus zoo stil mogelijk, totdat de nacht was gevallen, en alles om mij heen rustig was. Toen is het mij gelukt, ik weet zelf niet hoe, mij te bevrijden. Langzaam en met veel moeite kroop ik weg; ik geloof, dat ik méér dan eenmaal onderweg ben flauw gevallen, maar eindelijk ben ik toch hier, in dit aardsch Paradijs van rust en vrede, aangekomen. En hier zal men mij wel met rust laten, totdat ik naar den Hemel ga.quot; De arme knaap kon door zwakte en uitputting niet verder spreken.

„Tracht nu niets meer te zeggen,quot; bad Jack hem.

„O! maar ik heb u nog zooveel te vertellen. — Kunt gij mij wat te drinken geven?quot;

Jack zag niet ver van hem een kan met water staan, met een beker er naast. Hij schonk wat water in en bracht het den lijder.

„Wilt gij mijn hoofd een weinig opheffen, en den beker aan mijne lippen brengen?quot; vroeg Gabriel. „Mijn beide handen zijn afgehakt. Dank u. Dat doet goed. Nu moet ik u vertellen, hoe God dien dag de drie familieleden, die niet bij ons waren, ook tot Zich genomen heeft.quot;

„De drie?quot;

„Wist ge dan niet, dat Grootvader den avond te voren was uitgegaan om zijne oude vrienden de Nazarians op te zoeken? Daar aangekomen, zag hij, dat zij allen in den grootsten angst verkeerden, omdat er alleen weerlooze vrouwen in huis waren, zoodat hij besloot om bij hen te blijven. Toen wij echter 's morgens hoorden, welk lot

-ocr page 278-

264

ons te wachten stond, werd Kevork uitgezonden om hem terug te halen, opdat wij allen samen zouden sterven. Doch geen van beiden keerde tot ons weer. Eerst gisteren heb ik gehoord, wat het lot van Kevork geweest is. Een van de Sheiks had zijnen bedienden bevolen, alle jonge, knappe Armenische jongelingen, die zij slechts vinden konden, te grijpen en bij hem te brengen. Ongeveer honderd werden voor hem gebracht. Hij liet hen daarop door zijne dienaars aan handen en voeten vasthouden en sloeg toen hun met eigen hand, éen voor éen het hoofd af, terwijl hij gedurende al dien tijd bij zichzelven verzen uit den Koran opzeide. Kevork was een van.hen.quot;

„En onze goede vader Hohannes?quot;

„Zooals ik u reeds gezegd heb, was hij in het huis der Nazarians. Hij hoopte, dat de Turken tevreden zouden zijn, wanneer zij de mannen gedood hadden, en zij dan zouden heengaan. Daarom ried hij de vrouwen aan zich te verbergen, en ging hij zelf rustig voor de deur in den Bijbel zitten lezen. Toen men hem daar vond, voegde men hem toe, „Gij zijt een oud man, uw haar is wit, daarom zullen wij u sparen, wanneer gij den Profeet wilt aanroepen. G-ij behoeft niet te spreken, gij hebt slechts een uwer vingeren op te steken.quot; „Maar ik wil geen vinger opsteken,quot; sprak hij. Toen sleurde men hem de straat op om hem te dooden, en — en — Yon Effendi, ik kan het u niet verder vertellen. Spaar mij dat!quot; Met een blik vol zielsangst wendde hij het bleeke gelaat af,

„Mijn liefste jongen! Arm kind! Vertel mij niets meer, wanneer het u zooveel moeite kost,quot; fluisterde John hem geruststellend toe. „Bedenk echter, dat, hoe vreeselijk hun lijden ook geweest moge zijn, nu alles voorbij is.quot;

„Och! zoo vreeselijk was het ook niet,quot; hernam G-abriël

-ocr page 279-

265

na eene pauze. „Het duurde slechts kort. Maar o! Yjh Effendi, dat is nog niet alles, er is méér. Ik zeide immers dat drie onzer afwezig waren.quot; Met innig medelijden in de groote donkere oogen keek hij bij die woorden Jack, die zich vol spanning over hem heenboog. aan.

Nu eerst voelde John Grayson een flauw vermoeden, wie de derde afwezige kon geweest zijn.

„Gij zeidet, dat God drie uwer tot zich nam. — Hohan-nes, Kevork, en —quot;

„Shushan.quot;

Om zijn onbeschrijflijken zielsangst te verbergen, wendde John Grayson zijn gelaat af. „Neen,quot; prevelde hij heesch, „Shushan is niet in den Hemel, maar — in de Hel.quot;

In de opwinding van het oogenblik, trachtte Gabriël eene poging te doen om zich op te heffen. „Weet ge dan niet —quot;

„Neen, gij zijt zoo gelukkig nog onwetend te zijn omtrent haar lot,quot; viel Jack hem bitter in derede: „voor haar is er geen sprake van de gezegende rust des doods — evenmin als voor mij.quot;

„O! maar dan weet gij nog niet alles,quot; hernam Gabriël dringend: „Yon Effendi. luister, — gij moet luisteren naar hetgeen ik u te zeggen heb. Ik heb troost voor u.quot;

„Welke troost zou er voor mij nog kunnen bestaan?quot;

„De troost van God zelf: onze Shushan is bij Hem.quot;

Jack wendde zich om, en zag Gabriël lang in het gelaat; zijn eigen trekken waren strak en hard door den vreese-lijken angst en de spanning waarin hij verkeerde, zijne lippen bewogen zich, maar slechts één woord kon hij uitbrengen: — „Spreek.quot;

„Terwijl men nog bezig was Grootvader te dooden, kwam juist een troep zaptiehs voorbij, met Shushan als

-ocr page 280-

266

gevangene in hun midden. Nauwelijks had zij zijn eerwaardige witte haren, — zijn dierbaar aangezicht, — herkend, of zij wist zich vrij te maken, brak door de rijen harer geleiders heen, en vloog op Grootvader toe. De armen om zijn hals slaande, smeekte zij, hem het leven te laten. Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat niemand er in de eerste oogenblikken aan dacht om haar te weerhouden. Hoe het kwam, kan ik u ook niet zeggen, maar toch is het gebeurd. Te midden van het gedrang, trof een dolksteek, voor hèm bestemd, haar midden in het hart.. ..quot;

Toen John Grayson dat hoorde, sprong hij op en uitte hij een kreet, zóó doordringend, dat alle gewonden in de nabijheid opschrikten en hem verbaasd aanzagen. Hij hoorde zelfs niet meer wat Gabriël er nog bijvoegde: — „Dus is het, zooals ik u zeide, en zijn nu allen voor Gods troon vereenigd, behalve ik.quot;

Het volgend oogenblik echter lag hij geknield naast de mat van den lijder, — zijn geheele lichaam geschokt door harde, droge snikken, die hem als uit de ziel gewrongen werden. Maar na dat vreeselijke snikken kwamen eindelijk tranen — de eerste tranen die 't hem mogelijk was te storten. Hij had niet meer het gevoel alsof de gansche hemel als lood op hem drukte, en met een besef van innige dankbaarheid liet hij de verkwikkende droppels ongestoord vloeien.

Alle bewustzijn van de plaats waar hij zich bevond, had hij verloren, totdat zuster Celandine nader trad en hare hand op zijn arm legde.

„Vriend,quot; sprak zij, „ik ken u niet, en ik kan dus niet gissen welk verdriet uw deel is. Maar ik mag niet toestaan, dat gij al deze ongelukkigen zoo verontrust. Ziet gij zelf niet, hoeveel kwaad gij mijnen patient hier doet?quot;

-ocr page 281-

267

,Herkent gij mij dan niet, zuster Celandine?quot; stamelde Jack, met alle kracht pogende zich te beheerschen. „Herinnert gij u John G-rayson niet?quot;

„John Grayson! Maar hij was nog zoo jong en uw haar is wit.quot;

„Door al de angsten, die ik uitstond. Maar nu is mijn grootste zieleleed van mij genomen, want God is mij genadig geweest. Mijne Shushan is bij Hem!quot;

„Ja, dat weten wij. Van ganscher harte hebben wij allen God voor haar gedankt.quot;

-ocr page 282-

HOOFDSTUK XXI.

Met Sod verzoend.

„Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard? Maar in dit alles zyn wü meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.quot; Bom. 8 : 35, 37.

Zuster Celandine had Jack dringend verzocht zich naar de zitkamer, hetzelfde vertrek, waarin hij voor het laatst van Shushan afscheid genomen had, te begeven en haar daar op te wachten. Aan alles kon men duidelijk zien, dat de eertijds zoo gezellige kamer sinds dien tijd vele bewoners gehad had. Op dat oogenblik echter bevond Jack er zich alleen, een ongewoon iets in het overvolle zendingshuis.

Een onbeschrijfelijke rust vervulde zijn ziel, en weldra volgde een gevoel van groote dankbaarheid. Langzaam begonnen weer zijne tranen te vloeien en met hen maakte zich een weldadige gewaarwording van troost en berusting van hem meester.

Hij gevoelde, terwijl hij daar neerzat, dat de hoop begon te herleven in zijn hart; nu kon hij weer in God

-ocr page 283-

269

gelooven en op Hem vertrouwen. Nu wist hij, dat Christus geen droombeeld was, maar dat Hij leefde, dat Hij wilde en kon redden. Hij wist nu ook, dat C od geweest was met, haar, die hem zoo dierbaar was, dat Hij haar had gesterkt en bevrijd. Ten tweede male in zijn leven, voelde hij zich, te midden der duisternis, die hem omringde, vastgehouden door die Hand, tegelijk zoo zacht en krachtig, dat zij zoowel het gansche Heelal bestuurt, als zij den eenzamen strijder, die worstelt totdat de dageraad hem opgaat, ondersteunt.

Zoo was dan het kruis van Christus, dat op hunne hoofden gelegd was, reeds van een hunner afgenomen, en Shushan had inplaats daarvan de kroon des Levens ontvangen! En hij, die haar zoo had liefgehad, — en haar steeds zou blijven liefhebben, — hij zou het kruis voortaan alleen dragen. Maar Goddank, — het ivas het kruis van Christus, en geen Kaïnsteeken. Dat niet tenminste. Nooit zou het dat meer zijn. Nimmer weer zou hij doelloos tusschen de dooden en gewonden rondwaren, terwijl

„Zyn moede en afgemarteld brein

Gepynigd werd door één refrein,quot;

— die ontzettende omzetting van het heerlijk getuigenis door den vijand aangaande onzen gekruisigden Heer afgelegd; „Anderen heeft Hij verlost, Zichzelven kan Hij niet verlossen.quot;

r

Misschien zou het hem thans vergund worden, zij het ook op nederige wijze, zijn Heer te volgen en anderen te helpen en bij te staan. Eigen belangen scheen hij niet meer te hebben. De reiziger, die een leege beurs heeft, kan zingen in tegenwoordigheid van de roovers; en wanneer hij juist van een zwaren, drukkenden last is ontheven, is het zelfs mogelijk, dat zijn lied van dankbaarheid overvloeit.

-ocr page 284-

270

Hoe lang hij zoo in de kamer had gezeten, wist hij niet; hij gaf zich van niets rekenschap, tot nog een ander het vertrek binnentrad en zich eveneens op een der banken neerzette om te wachten. Zij was vergezeld van drie kleine kinderen, met bleeke, verschrikte gezichtjes. Naar hare kleeding te oordeelen, zou hij haar voor eene Armenische vrouw uit de armste volksklasse hebben gehouden, maar een enkele blik op haar gelaat was voldoende om hem te doen zien, dat hij eene beschaafde dame voor zich had. Haar gelaat was overtogen met een waas van droefgeestigheid, - welke Armenische zou in deze dagen niet droevig zijn ? — inaar het was tevens bijzonder regelmatig en het droeg den stempel, van ware beschaving en ontwikkeling. Jacjc was overtuigd, dat hij haar vroeger gezien had; zelfs meende hij, dat zij iets had te maken met eene doos bonbons; een dwaze gedachte, waarvan hij zich in het geheel geen rekenschap kon geven.

„Thomassian Effendi,quot; begon een der kinderen op klagen-den toon, „Mag ik op uw schoot komen zitten? Ik ben zoo moe.quot;

Verbaasd keek Jack op. Kon het werkelijk zijn, dat deze vrouw, de schoone, beminde gade was van Muggurditch Thomassian, die aan zooveel weelde gewoon was? Hij kon zich niet weerhouden het haar te vragen.

„Mevrouw,quot; zoo wendde hij zich tot haar, „heb ik het genoegen de vrouw van Baron Thomassian voor mij te zien ?quot;

„Zijne weduwe, ja,quot; antwoordde zij kalm.

Zooveel wist Jack reeds; hij vroeg zich alleen af, of zij meer weten zou.

„Hebt gij eenig betrouwbaar bericht van zijn —hier hield hij een oogenblik op, alsof het hem moeite kostte het woord uit te spreken.

-ocr page 285-

271

„Van zijn martelaarschap?quot; hernam zijne weduwe vol trots: „Ja; hij is tot zijnen God gegaan. De weg was lang en zwaar, maar het einde was vrede.quot;

„Dus gij weet, hoe edel en groot hij van zijnen Heer getuigde ?quot;

„Wij weten, dat hij getrouw bevonden is.quot;

„Ik ben bij hem geweest, bijna tot het einde toe,quot; zeide Jack. Daarop vertelde hij haar alles van zijne gevangenschap, en4 van Thomassian's moed en standvastigheid. Ieder woord, dat hij sprak, was als balsem voor het gewonde hart der arme weduwe.

„En u, mevrouw,quot; eindigde hij, „hoe gaat het u in uwe eenzaamheid ?quot;

„Ik veronderstel, dat gij wel weten zult, hoe men ons van alles beroofd heeft. Mijn echtgenoot stond algemeen bekend als rijk, dus was ons huis een der meest aantrekkelijke om te plunderen. Maar wat geeft dat ? Wanneer men door een schorpioen gebeten is, voelt men den steek van eene mug niet meer. Alles, wat ik nu verlang, is een handje vol rijst om den honger van deze stumpertjes te stillen.quot;

„Zijn het verwanten van u?quot; vroeg Jack. Hij wist dat zij zelve geen kinderen had.

„Neen, het zijn arme weesjes, die ik op straat tegenkwam. Zij riepen om hunne moeders. Het geeft mij steun, om voor hen te moeten zorgen en aan hunne veiligheid te moeten denken. Daarom ben ik nu ook tot zuster Celandine gekomen. Ik hoop, dat zij mij eenige bezigheid kan geven; het is mij onverschillig wat. Ik wil alles doen, wat deze kinderen voor den hongerdood bewaren kan, en mij zelve trouwens ook — ofschoon in anderen zin.quot;

„Waarschijnlijk zult gij haar kunnen helpen bij het verplegen der gewonden.quot;

-ocr page 286-

272

„Ik vrees, dat het mij daarvoor aan handigheid ontbreekt. Ik ben niet zooals Anna Hanum, die gij zeker bezig hebt gezien. Zij is de rechterhand van zuster Celandine.quot;

Plotseling herinnerde Jack zich, niet zonder hevige gewetenswroeging, dat hij nog geld schuldig was aan Baron Thomassian, en het hem voor het oogenblik onmogelijk was, dit terug te betalen. Het vertrek had zich langzamerhand gevuld met vluchtelingen, die allen de hulp van zuster Celandine kwamen inroepen; men verdiepte zich in allerlei gissingen, wat haar zoo lang kon ophouden.

„Amaan! er is zeker weer iets gebeurd,quot; zeide men. Natuurlijk werd daarmede een nieuw onheil bedoeld. Wat anders zou er kunnen gebeuren?

Eindelijk werd er tenminste iets te eten binnengebracht. Groote schotels met „pillavquot; en soep; brood was er bijgevoegd, maar vleesch was er niet te krijgen.

„Ik wenschte maar, dat zuster Celandine zelve kwam,quot; zeide mevrouw Thomassian tot Jack. „Ik ben overtuigd, dat zij geen voedsel gebruikt heeft sedert van morgen vroeg. Indien God haar geen bovenmenschelijke kracht verleende om onzentwille, had zij het al lang niet meer kunnen volhouden.quot;

Juist op dat oogenblik ontstond er een algemeene beweging onder de aanwezigen.

„Daar komt zij,quot; zweefde op aller lippen.

Zij kwam ook werkelijk, maar niet alleen: haar arm ondersteunde een lang, slank jong meisje, dat zonder dezen steun geen kracht genoeg had om zich op te houden. Aan hare andere zijde klemde zich een veel jonger meisje vast, terwijl zij gevolgd werd door twee knapen, van wie de oudste een kleinen jongen van drie jaar in de armen droeg.

-ocr page 287-

273

„Wij hebben ze nu allen gevonden;quot; riep zij uit.

Elk der in het vertrek aanwezigen stond op en trad opbaar toe. Enkelen riepen, „Park Derocha!quot; Weer anderen stortten tranen van vreugde, want allen kenden de kinderen van hun predikant.

„O! als de Badvellie eens zien kon, hoe zij allen veilig hier zijn!quot; riep een hunner uit.

„Dat is voor hem niet meer noodig,quot; zeide mevrouw Thomassian rustig: „Hij ziet nu het einddoel van des Heeren wegen.quot;

Men had zich gehaast de kinderen op den divan te doen plaatsnemen. Iedereen wilde hen omhelzen, of de hand,, ja zelfs de voeten kussen. Hunne kleederen waren een vreemd mengelmoes; Elmas had eene japon van zuster Celandine aan, de overigen had men maar aangetrokken wat men krijgen kon, daar de Turken hen van bijnaailes beroofd hadden.

„Mijne zaptiehs hebben hen nu eerst opgespoord,quot; verklaarde zuster Celandine. „Zij vonden ze in een moskee en brachten hen dadelijk hierheen. De armen sterven haast van honger en dorst.quot;

Werkelijk waren de lipjes van den kleinen Ozmo al geheel blauw; het scheen zelfs alsof hij te zwak was om te kunnen schreien. Een der omstanders vloog weg om melk voor hem te halen, en na weinige minuten was iedereen bezig de arme kinderen te voeden, en van alles toe te stoppen.

Daarna zetten zij zich zelf neer om te eten, al was het ook niet mogelijk om ook maar de eenvoudigste vormen in acht te nemen. Jack ontving zijn handjevol rijst en een stuk brood, evenals de anderen; in geen tijden had eenig maal hem zoo goed gesmaakt. Hij at nu ten minste weer in gezelschap van Christenen. Ginds zat zuster Celandine,

Aan den Euphraat 18

-ocr page 288-

274

zoo zwak van lichaam en toch een krachtige steun voor allen in deze dagen; ginds waren de geredde kinderen van hunnen dierbaren voorganger; wel waren zij bleek en uitgeteerd en nog terneergedrukt door al het verdriet, dat hun deel geweest was, maar zij waren er allen, niet één ontbrak. Daar zat zij, vlak bij hem, de bekoorlijke Elmas, Shushan's beste vriendin. En Shushan zelve ook was in veiligheid. G-od had hem niet vergeten in Zijne groote genade. Hij had Zich niet in toorn van hem afgewend. Door zijn gevoel overmand stond Jack op, en trad op Elmas toe.

„Oriort Elmas,quot; zeide hij, „herkent gij mij? Ik ben John Grayson. Mijne Shushan had u zoo lief. En ik weet, dat het u gelukkig zal maken, te weten, dat zij veilig is; zij zijn allen Boven, alleen Gabriël is nog voor korten tijd bij ons achtergebleven.quot;

Doch nu kwam zuster Celandine tusschenbeide; zij verzocht allen de kamer te verlaten, opdat de kinderen van den Badvellie de rust konden nemen, die zij zoo noodig hadden. In het overvolle zendingshuis was verder geen plekje te vinden, waar zij zich zouden kunnen neerleggen. Indien iemand der aanwezigen haar iets te vragen had, zou zij hem in de gang te woord staan.

Geduldig wachtte Jack zijne beurt af, tot hij haar kon spreken. Het was voor die eenzame vrouw in den vreemde een waar genot zich in hare moedertaal te kunnen uitdrukken; zij rekte het gesprek dan ook zoo lang mogelijk, door hem uitvoerig te vertellen, hoe de kinderen van den predikant gered waren.

„De overste van mijn zaptiehs,quot; verhaalde zij, „had opgemerkt hoe angstig het mij te moede was in die vreeselijke dagen. Hij was er door getroffen en vroeg, of er wellicht

-ocr page 289-

275

iets was, dat hij voor mij doen kon. Ik zeide natuurlijk „Maak een eind aan al die gruwelen,quot; maar dat was buiten zijn macht. Zooals allen, herhaalde hij ook dat eeuwige: „Het is de wil van Allah.quot; Toen sprak ik tot hem: „Tracht dan tenminste die kinderen voor mij te vinden en breng ze hier bij mij. Ik heb recht op hen; zij behooren tot onze zending.quot; Daarbij gaf ik hem eene nauwkeurige beschrijving van hen allen. Ik geloof, dat hij zich werkelijk veel moeite gegeven heeft, om hen te vinden; en nu zijn zij Goddank hier, na menigen dag en nacht in koude en honger te hebben doorgebracht, altijd achtervolgd door de vreeselijkste angsten. Maar God heeft over hen gewaakt. — En nu wat uzelven betreft, mijnheer Grayson; wilt gij mij even volgen? Ik heb u iets te geven.quot;

Hij ging met haar naar een ander vertrek; het was daar zoo mogelijk nog voller dan in de vorige kamers, die hij gezien had, en men was er druk bezig met was-schen en koken. Na hem gewenkt te hebben even aan de deur op haar te wachten, stapte zij vlug en behendig over bedden, matten, rondkruipende kinderen en kook-gereedschap heen, naar een boekenrek, nam er een boek af, en kwam daarmede terug. Zwijgend begaven zij zich daarop naar den tuin, en daar, onder een verdorden vijgenboom, ontving John Grayson zijns vaders Bijbel, het boek zijner verloving, uit hare handen terug.

„Shushan vroeg mij op zekeren dag, of ik het u wilde geven, indien het mocht gebeuren, dat haar het eerst het kruis van de schouders genomen werd. Ziet gij dat zijden lintje? Zij zelve heeft dit er in gelegd op de plaats, waar zij bezig was te lezen, toen men haar kwam halen om tot haren vader te gaan.quot;

Jack sloeg het boek open, en zijn oog viel op de woorden:

-ocr page 290-

274

zoo zwak van lichaam en toch een krachtige steun voor allen in deze dagen; ginds waren de geredde kinderen van hunnen dierbaren voorganger; wel waren zij bleek en uitgeteerd en nog terneergedrukt door al het verdriet, dat hun deel geweest was, maar zij waren er allen, niet één ontbrak. Daar zat zij, vlak bij hem, de bekoorlijke Elmas, Shushan's beste vriendin. En Shushan zelve ook was in veiligheid. God had hem niet vergeten in Zijne groote genade. Hij had Zich niet in toorn van hem afgewend. Door zijn gevoel overmand stond Jack op, en trad op Elmas toe.

„Oriort Elmas,quot; zeide hij, „herkent gij mij? Ik ben John Grayson. Mijne Shushan had u zoo lief. En ik weet, dat het u gelukkig zal maken, te weten, dat zij veilig is; zij zijn allen Boven, alleen Gabriel is nog voor korten tijd bij ons achtergebleven.quot;

Doch nu kwam zuster Celandine tusschenbeide; zij verzocht allen de kamer te verlaten, opdat de kinderen van den Badvellie de rust konden nemen, die zij zoo noodig hadden. In het overvolle zendingshuis was verder geen plekje te vinden, waar zij zich zouden kunnen neerleggen. Indien iemand der aanwezigen haar iets te vragen had, zou zij hem in de gang te woord staan.

Geduldig wachtte Jack zijne beurt af, tot hij haar kon spreken. Het was voor die eenzame vrouw in den vreemde een waar genot zich in hare moedertaal te kunnen uitdrukken; zij rekte het gesprek dan ook zoo lang mogelijk, door hem uitvoerig te vertellen, hoe de kinderen van den predikant gered waren.

„De overste van mijn zaptiehs,quot; verhaalde zij, „had opgemerkt hoe angstig het mij te moede was in die vreeselijke dagen. Hij was er door getroffen en vroeg, of er wellicht

-ocr page 291-

275

iets was, dat hij voor mij doen kon. Ik zeide natuurlijk „Maak een eind aan al die gruwelen,quot; maar dat was buiten zijn macht. Zooals allen, herhaalde hij ook dat eeuwige: „Het is de wil van Allah.quot; Toen sprak ik tot hem: „Tracht dan tenminste die kinderen voor mij te vinden en breng ze hier bij mij. Ik heb recht op hen; zij behooren tot onze zending.quot; Daarbij gaf ik hem eene nauwkeurige beschrijving van hen allen. Ik geloof, dat hij zich werkelijk veel moeite gegeven heeft, om hen te vinden; en nu zijn zij Goddank hier, na menigen dag en nacht in koude en honger te hebben doorgebracht, altijd achtervolgd door de vreeselijkste angsten. Maar God heeft over hen gewaakt. — En nu wat uzelven betreft, mijnheer Grayson; wilt gij mij even volgen? Ik heb u iets te geven.quot;

Hij ging met haar naar een ander vertrek; het was daar zoo mogelijk nog voller dan in de vorige kamers, die hij gezien had, en men was er druk bezig met was-schen en koken. Na hem gewenkt te hebben even aan de deur op haar te wachten, stapte zij vlug en behendig over bedden, matten, rondkruipende kinderen en kook-gereedschap heen. naar een boekenrek, nam er een boek af, en kwam daarmede terug. Zwijgend begaven zij zich daarop naar den tuin, en daar, onder een verdorden vijgenboom, ontving John Graj^son zijns vaders Bijbel, het boek zijner verloving, uit hare handen terug.

„Shushan vroeg mij op zekeren dag, of ik het u wilde geven, indien het mocht gebeuren, dat haar het eerst het kruis van de schouders genomen werd. Ziet gij dat zijden lintje? Zij zelve heeft dit er in gelegd op de plaats, waar zij bezig was te lezen, toen men haar kwam halen om tot haren vader te gaan.quot;

Jack sloeg het boek open, en zijn oog viel op de woorden:

-ocr page 292-

276

„Troost, troost mijn volk, zal ulleder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al hare zonden.quot;

Zwijgend wees hij ze aan zuster Celandine, die er alleen op antwoordde: „Van de hand des Heeren,quot; — dat alleen maakt het mogelijk het leven weer op te vatten. — Maar, wat zijn nu uwe plannen voor de toekomst, mijnheer Grayson ?quot;

„Beslis gij voor mij; ik ben tot alles bereid.quot;

„Voor het oogenblik moet gij hier bij ons blijven, — totdat zich eene veilige gelegenheid voor u aanbiedt om naar uw vaderland terug te keeren.quot;

„Zuster Celandine, gij zijt ook niet heengegaan.quot;

„Het paspoort, waarom ik twee maanden geleden gevraagd had, werd mij pas toegezonden op dien bewusten Zaterdag, één uur voordat het moorden begon. Toen was het den Pacha blijkbaar veel waard mij uit den weg te hebben; hij gaf mij tenminste den raad te vertrekken, en drong er zelfs ten sterkste op aan, dat ik dadelijk gaan zou. Daaruit begreep ik, dat allerlei onheil onzen vrienden wachtte, en besloot ik natuurlijk juist te blijven.quot;

„Indien gij gegaan waart, geloof ik niet, dat één van al deze ongelukkigen nog in het leven zou zijn,quot; sprak Jack.

„Zeer zeker geen enkele van de driehonderd, die zich binnen de grenzen van ons zendingshuis bevonden,quot; antwoordde zuster Celandine kalm. „Mijnheer Grayson, het verblijf dat ik u aanbieden kan, is niet schitterend. Zelfs geen kamer kan ik u geven, hoogstens een klein stukje grond om u des nachts op neer te leggen, en naar ik hoop dagelijks een bete broods.quot;

-ocr page 293-

277

„Èn veiligheid, en vrede,quot; voegde Jack er bij. „Indien gij liet mij wilt toestaan, zuster Celandine, zou ik des nachts in de kerk kunnen rusten, en wanneer het noodig is, bij de verpleging behulpzaam zijn. Ik zou dan meteen in de nabijheid van Gabriël zijn; hij is de eenige van al de mijnen, die mij gebleven is.quot;

„Dat vind ik uitstekend. Hier moet men aan 't werk, anders bezwijkt men onder de ellende. Maar ook, indien gij hier Christus dient in Zijne broederen, vindt gij er Hemzelven. Er is allerlei, dat gij voor ons doen kunt; wij hebben sterke armen noodig om de gewonden, die nog buiten zijn, naar binnen te dragen, en ook om hen, die hier verbonden zijn, naar hunne woningen, of liever naar de verlaten overblijfselen van hunne woningen, terug te geleiden.quot;

Trouw deed John Grayson alles, wat van hem verlangd werd. Naar het uiterlijk te oordeelen, was hij nimmer een oogenbhk alleen; dag en nacht, altijd was hij temidden van gewonden en stervenden. Maar innerlijk voelde hij zich nog vaak eenzaam en verlaten; toch droeg hij zijn last in stilte, — het kruis dat Jezus hem op de schouders gelegd had. Hij „stak zijnen mond in het stof, — misschien was daar hoop.quot; En er was hoop voor hem, ook al vond hij die niet in aardsche vertroostingen.

Zijn grootste vreugde was, voor Gabriël te mogen zorgen; alleen kon deze er zich niet mede vereenigen, dat men zooveel tijd en zorgen aan hem besteedde.

„Dat is verkwisting,quot; zeide hij vaak tot Jack; „er zijn er zoo velen, die uwe hulp noodig hebben, en die tenminste handen hebben, waarmede zij later kunnen werken; help hen liever eerst, want wat zou ik moeten beginnen, zelfs indien ik beter werd.quot;

-ocr page 294-

278

„Daarvoor zal God wel zorgen, broeder.quot;

„Dat weet ik wel; maar wanneer gij een handvol munten op straat laat vallen, zult gij het eerst die oprapen, welke het meeste waard zijn.quot;

Ook Elmas Stepanian deed niets liever dan, wanneer zij hare eigen broertjes en zusjes bezorgd had, bij Gabriël komen zitten om hem te helpen en op te beuren. Zijne oogen glinsterden van genoegen, als hij haar zag naderen.

„Gij zijt zoo goed en lief,quot; zeide hij menigmaal tot haar. En eenmaal voegde hij er bij, „O! Oriort Elmas, onze Kevork had u zoo lief!quot;

Geen verhoogde blos kleurde hare bleeke wangen bij die woorden, ook wendde zij het gelaat niet af; zij antwoordde eenvoudig: „Mijn vader hield ook veel van hom.quot;

In waarheid voelden zij allen den dood zóó nabij, dat niets in dit leven hen meer kon opwinden of eenigen hartstocht bij hen kon opwekken.

Geheel tegen alle verwachting in, bleef het kleine kindje, dat John Grayson gered had, in het leven. Twee of driemaal meende men dat het zou sterven, maar telkens was het weer bijgekomen en het toonde zelfs eene hardnekkigheid om in het leven te blijven, die iedereen verbaasde. Niettegenstaande de bedorven lucht, het ge. brekkige voedsel, en alle andere nadeelige invloeden, waaraan het was blootgesteld, ontwikkelde het zich tot een vroolijk, gezond knaapje. Anna Hanum, de helpster van zuster Celandine, die het kindje het eerst uit John Grayson's armen had overgenomen, bracht het op zekeren dag vol trotsche voldoening bij hem. Maar toen zij het wichtje hoog ophief, om het hem beter te laten zien, trof de uitdrukking van haar gelaat Jack veel meer, dan het kindergezichtje. Er lag een waas over, van zulk eene

-ocr page 295-

onbeschrijflijke rust en gelukzaligheid, als hij tot nu toe alleen gezien had op het gelaat van dooden. Maar dit gezicht leefde, en uit de oogen blonk hem eene zee van liefde en vrede tegen. Toen zij heengegaan was, wendde hij zich tot mevrouw Thomassian, die zich juist in zijne nabijheid bevond, om haar werk te halen.

„Het doet mij altijd goed het gelaat van Anna Hanum te zien,quot; zeide hij tot haar. „Het is alsof een lichtglans haar omgeeft, wanneer zij aan de sponde der gekwetsten treedt; altijd opgewekt, en bereid om anderen te troosten en moed in te spreken; men zou bijna zeggen, dat zij de eenige is onder alle hier aanwezigen, die zelf geen verlies te betreuren heeft.quot;

„Zij zou geen verlies te betreuren hebben! O! Mijnheer Grayson, dan zijt gij al heel weinig op de hoogte! Heeft men u nooit hare levensgeschiedenis verteld?quot;

„Neen, die heb ik nimmer gehoord.quot;

„Haar echtgenoot was langen tijd ziek; — hij was geheel verlamd. Jaren gingen voorbij, gedurende welke zij hem dag en nacht verpleegde, en in beider levensonderhoud voorzag. Het was een beklagenswaardig bestaan voor haar, te meer daar haar man het haar niet gemakkelijk maakte door eenig bewijs van liefde of dankbaarheid. Zij klaagde nooit, maar hare buren wisten heel goed, dat het humeur van den zieke door de uitgestane pijnen zeer had geleden, en dat alles haar zeer moeielijk gemaakt werd. Eéne vreugde kon men haar echter niet ontnemen; hare „Godsgave,quot; zooals zij haar altijd noemde.quot;

De kinderlooze weduwe brak hier haar verhaal af met een diepen zucht, om na eenige oogenblikken te vervolgen:

„Haar vroolijk, mooi en begaafd zoontje was de trots van hare geheele omgeving. Hare liefde voor hem was

-ocr page 296-

280

grooter dan eenig ander gevoel: zij werkte, zwoegde, en ontzegde zich alles om hem in de gelegenheid te stellen, het onderricht waarnaar hij zoo smachtte, en dat ook zij hem zoo gaarne gunde, te kunnen genieten. Hij was de beste en vlugste van alle scholieren hier; later ging hij naar Aintab en Marash, waar ook iedereen de grootste verwachtingen van hem koesterde. Gij kunt u dus eenigs-zins den trots zijner moeder voorstellen, toen hij met lauweren en eer overladen, vandaar tot haar terugkeerde, om nu het leven in te gaan. Hij kwam juist bijtijds om den zegen van zijn vader te ontvangen en diens oogen toe te drukken. Daarna bleef hij nog eenigen tijd bij haar, en God beschikte het zóó, dat hij nog hier was, toen de storm over onze hoofden losbrak. O! mijnheer Grayson, langzaam, onder de wreedste, afschuwelijkste folteringen heeft men hem gedood, voor de oogen zijner moeder zelve. Tot het laatste toe, is zij niet van zijne zijde geweken, hem steeds moed en troost insprekend en biddende, dat hij zijn geloof en zijnen God getrouw mocht blijven.quot;

„En dat heeft zij alles doorgemaakt!quot; zeide Jack hevig ontroerd.

„Zij heeft dat alles doorgemaakt en geheiligd is zij uit den smeltkroes te voorschijn getreden. God zelf vervult haar nu geheel en al. Nu zij allen, die haar dierbaar waren, heeft zien heengaan, heeft zij zich met den Hemel in het hart en den Hemel op het gelaat, aan het leven van anderen gewijd.quot;

„Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld,quot; herhaalde John zacht bij zichzelven. „Ja, Hij heeft de macht daartoe. Dit zijn de wonderen, die Hij thans werkt, al doet Hij niet meer

-ocr page 297-

281

de zichtbare teekenen, die ons geloof zoo gaarne zien zou.quot;

Terwijl zij nog sprak, had mevrouw Thomassian het naaiwerk, dat zij kwam halen — grove, ruwe kleedingstuk-ken, bestemd voor ongelukkigen, die aan alles gebrek leden, — opgenomen. Jack kon niet nalaten haar te vergelijken zooals hij haar nu zag, en zooals zij was, toen hij haar voor de eerste maal ontmoette: in weelde badend, en omgeven door een stoet van bedienden. Nu werkte zij zoo hard zij kon, van den vroegen morgen tot den laten avond, dankbaar voor het karige maal, het eenige wat zuster Celandine haar als loon kon aanbieden.

En terwijl zij heenging, hoorde Jack hoe zij zacht, als in zichzelf, het geliefkoosde gezang der vervolgde Armeniërs zong;

'k Heb mijn kruis, Hoer, opgenomen,

'k Wil U volgen, waar ook heen,

Ben 'k verguisd, vervolgd, verlaten,

'k Bouw mijn hoop op U alleen.

Wat ik liefheb, moog verdwijnen,

Donker zij myn aardsche lot,

Beter rijkdom is de mijne,

'k Heb mijn Hemel en mijn God.

-ocr page 298-

HOOFDSTUK XXII.

Uit den dood weergekeerd.

„Wanneer wü aifere kunnen liefhebben, en we voor allen kunnen bidden, dan is de strijd voorby en de overwinning behaald; - God zij geloofd. „De Neoerhut.quot;

Het duurde geruimen tijd, voordat Jack er toe kon besluiten, zich naar het verlaten huis der familie Vartonian te begeven. Slechts zeer weinigen der overgebleven Armeniërs durfden zich openlijk in hunne wijk vertoonen; een ooggetuige verhaalt ons, dat men er in die dagen nooit iemand zag, die zich in rechtopgaande houding durfde voortbewegen. Met gebogen hoofden, vlak langs de huizen, slopen zij van den eenen schuilhoek naar den anderen, bevreesd voor het daglicht en voor de blikken hunner medemenschen.

Wat Jack eindelijk drong zich in de ontvolkte wijk te wagen, was zijne vurige begeerte om het dagboek van zijn vader terug te vinden. Hij had het achtergelaten in de bewaring van Kevork, die hem beloofd had, het Shushan ter hand te stellen, in het geval, dat hij vóór haar den dood mocht vinden. Voor hèm bezat het boek eene onbe-

-ocr page 299-

283

rekenbare waarde, maar daar er niets was aan den band noch in den inhoud, dat de begeerlijkheid der plunderaars kon opwekken, hoopte hij, dat het wellicht hunne aandacht zou zijn ontgaan.

Het kostte hem eehige oogenblikken van bittere smart, voordat hij er toe kon besluiten den met bloed bevlekten voorhof binnen te gaan. Allerlei herinneringen overweldigden hem en de aanblik der welbekende kamers, nu zoo geheel verlaten, was hem bijna te veel. Niets sprak hem daar meer van het vriendelijk, gastvrij huisgezin, waarvan hij zoo lang een deel had uitgemaakt; hij kon de gedachte niet verdragen, dat al die welbekende aangezichten thans tot stof waren vergaan, — en dat zelfs het aardsche omhulsel van allen, die hem zoo dierbaar waren, geen waardige rustplaats gevonden had in de schaduw eener Christelijke kerk. Uit die vreeselijke kuilen buiten de wallen der stad, nu broeinesten van kwaadaardige koortsen en epidemieën, steeg, al zwegen de levenden, een kreet op, die ten hemel schreide over de gruwelen, aan dien ontheiligden bodem toevertrouwd.

Treurig en terneergeslagen doolde Jack door al die welbekende vertrekken, nu ternauwernood herkenbaar, doch vergeefs keek hij uit naar het boek, dat hij zocht. Zoo bereikte hij eindelijk een der bovenkamers; de deur openend, deinsde hij ontzet achteruit bij het zien van een menschelijke gedaante, die languit op den grond lag uitgestrekt. Indien de man, die daar lag, dood was, kon het in geen geval lang zijn; doch toen hij dichter op hem toetrad, bespeurde hij dadelijk, dat van dood zijn hier geen sprake was, maar dat hij blijkbaar in een diepen, vasten slaap was verzonken. Hij was a la Frank gekleed; alles wat hij droeg, was nieuw en goed; hij lag met het gelaat voor-

-ocr page 300-

284

over op den grond, maar voor zoover Jack het zien kon, zag hij er volstrekt niet lijdend, veeleer gezond en wel uit.

Toen hij nadertrad en het gelaat beter zien kon, riep Jack onwillekeurig in de hoogste verbazing uit: „Kevork! — Broeder!quot; Het geluid zijner stem deed den slapende ontwaken. Hij richtte zich op en zag met verwonderde blikken om zich heen.

„Wie is dat?quot; vroeg hij, en vervolgde na een onderzoekenden blik op Jack geworpen te hebben: „Als Yon Effendi's vader niet dood was, zou ik bepaald zeggen dat hij hier gekomen was om zijn zoon in dit doodenhuis op te zoeken.quot;

„Broeder, ik ben Yon Effendi zelf. Hoe zijt gij van de dooden weergekeerd?quot;

„Wat komt dat er op aan? Zijn zij niet allen dood ? Van u ook vertelde men mij, dat gij in de brandende kerk waart omgekomen.quot;

„En ons vertelde men, dat gij onthoofd waart.quot;

Kevork bracht zijne hand aan den hals, waar men nog duidelijk eene donkerroode striem als litteeken zag.

„Men heeft het wel geprobeerd, doch men deed het werk slechts ten halve,quot; zeide hij. „Had msn mij maar gedood! Waarom mij alleen te sparen, wanneer toch al mijn familieleden zijn heengegaan?quot;

„Maar dat is niet zoo, Kevork. Gabriël leeft nog.quot;

„Gabriel! Hoe is het hem gelukt te ontkomen? Toch — neen — dat kan niet — hij heeft zijn geloof toch niet verloochend? — Dat zou Gabriël niet mogelijk zijn.quot;

„Neen; hij is getrouw gebleven tot het laatst. Men liet hem voor dood achter, maar nog leeft hij. Wat zal hij gelukkig zijn u weer te vinden, broeder.quot;

-ocr page 301-

285

Een diepe schaduw gleed over het gelaat van Kevork, terwijl hij Jack zijne beide handen toestak. „Broeder,quot; herhaalde hij en bleef toen geruimen tijd zwijgen. Eindelijk vervolgde hij, met heescho stem: „Ik weet alles — ook het ergste; — uwe smart en de mijne zijn hetzelfde. Onze Shushan en Oriort Elmasquot; —

„Zijn veilig! — beiden veilig!quot; riep John uit, Kevorks hand in de zijne nemend en haar stevig drukkend, terwijl een glans van vrede en dankbaarheid zijn gelaat verhelderde: „Mijn lieveling is veilig daar Boven; de uwe hier op aarde — in het zendingshuis bij zuster Celandine. Al de kinderen van den Badvellie zijn gered en zijn daar in veiligheid; Gode zij dank.quot;

Kevork Meneshian boog het hoofd en deed hetzelfde wat John Grayson gedaan had in de ure, toen zijn grootste zielsangst van hem was weggenomen, en hij voor het eerst zijne tranen kon laten vloeien. Jack liet hem ongestoord uitweenen, en zeide toen zacht tot hem: „Kom, broeder, laat ik u nu bij onze vrienden bmigen; zij zullen zich verheugen, alsof gij uit de dooden tot hen waart teruggekeerd!quot; — Op weg naar het zendingshuis vertelde Kevork zijne geschiedenis.

„Toen wij dien morgen hoorden, wat ons te wachten stondquot; begon hij, „ging ik uit om Grootvader te halen, opdat wij allen samen zouden sterven. Het gevaar was op straat volstrekt niet grooter dan binnenshuis; maar toch werd ik heel spoedig door eenige Turken gevangen genomen.quot;

„Juist,quot; zeide Jack, „dat hadden wij ook gehoord, en dat men u daarna onthoofd had.quot;

„Daar ziet gij er nog het litteeken van. Maar er waren er honderd, dus is het niet te verwonderen, dat de hand

-ocr page 302-

286

van den sheik moe was, lang voordat hij bij den laatste kwam. Ik stond geheel op het einde van de rij en kreeg slechts in der haast een sabelhouw, 'k Verloor zelfs niet het bewustzijn; ik durfde mij echter niet bewegen, en bleef zoo stil mogelijk liggen onder de hevigste pijnen, niets anders verwachtend, dan dat ik langzaam zou dood bloeden. Na eenigen tijd kwam een troepje soldaten voorbij; enkelen hunner gaven zich de moeite om te zien of wij wel allen dood waren. Daar men zag, dat ik nog leefde, wilde men mij juist afmaken, toen een andere Turk tusschenbeiden trad, en hun beval van mij af te laten. Het kostte hem niet weinig moeite mij tegen hen te beschermen, en het gelukte hem clan ook niet voordat hij een der soldaten een hevigen slag met de kolf van zijn geweer had gegeven. Toen-ik hem aanzag, herkende ikin hem dien Osman, dien wij een paar maal ontmoet hebben bij den Badvellie. Gij zult u herinneren, hoezeer deze aan hem gehecht was.quot;

„Osman! Hij heeft mij wel verteld, dat hij een Armeniër, dien hij kende, had gered. Het verwondert mij echter, dat hij mij uwen naam niet gezegd heeft.quot;

„Waar hebt gij hem ontmoet?quot;

„Wij waren samen in de gevangenis.quot;

„Dan veronderstel ik, dat hij een spion in de buurt vermoedde. Welnu, hij bracht mij naar zijn huis, verbond mijne wonden, en bezorgde mij eene schuilplaats in een dei-binnenkamers. Toen verliet hij mij met de belofte van spoedig weer te keeren; maar gedurende drie dagen en drie nachten zag ik noch hem, noch een der anderen. Gij kunt u voorstellen wat ik in die dagen doormaakte, afgesloten van de geheele buitenwereld, en in den vreeselijksten angst over het lot van allen, die mij lief waren.quot;

-ocr page 303-

287

„En gij moet daarenboven ergen honger geleden hebben!quot;

„Neen; hij had mij voedsel achtergelaten, doch ik voelde mij te ongelukkig om daarvan te gebruiken. Eindelijk kwam hij terug en deelde mij mede, dat hij zelf gevangen gezeten had, omdat hij den soldaat, die mij wilde dooden, had aangevallen; hij veronderstelde, dat hij zijne gevangenneming aan zijne, bloedverwanten te danken had, en dat zij hem op deze wijze wilden verhinderen zich in moeilijkheden te brengen, waarvoor men te meer vreesde, daar het algemeen bekend was, dat zijn ijver voor den Islam niet groot is. Om mijnentwille, en nog meer ter wille van de kinderen van den Badvellie, die hij tot eiken prijs wilde redden, had hij al het mogelijke in het werk gesteld om zijne vrijheid terug te krijgen. Eindelijk was het hem, dank zij vele bakshiesh gelukt. Hij vertelde mij al de treurige tijdingen; zoowel van hen die gestorven waren, als van hen, die — nog vreeselijker — in het leven gebleven zijn.quot;

3STa eene sombere stilte vervolgde hij; „Ik voor mijzelf, kan hem niet anders dan dankbaar zijn. Hij heeft in al mijne behoeften voorzien en mij gedurende vele dagen een goede schuilplaats bezorgd. Gisteren eindelijk kwam hij bij mij, en zeide, „Nu kan ik u tot mijne spijt niet langer verbergen. Mijne buren beginnen achterdocht te krijgen. Wanneer men u hier vindt, zal men u zeker dooden, en mij eveneens, omdat ik u eene schuilplaats verleend heb.quot; Ik antwoordde hem: „Voor mijzelf is alles mij onverschillig, want wat is mij overgebleven, waardoor ik nog waarde aan het leven zou hechten?quot; Doch ik voegde er bij, dat ik voor niets ter wereld zou willen, dat men hem om mijnentwille eenig leed deed. Hij zeide mij daarop, dat het eenige, wat hij nog voor mij doen kon,

-ocr page 304-

288

was, mij een pak kleeren a la Frank, zooals de Mahome-danen dat dragen, te geven, en mij geld te bezorgen om gedurende den eersten tijd in mijn onderhoud te voorzien. Dat heeft hij gedaan, en moge God het hem vergelden en hem eenmaal — indien het tenminste voor een Mahomedaan mogelijk is, — onder Zijne verlosten tellen.quot;

„Amen!quot; sprak Jack. Hij kon het niet over zich verkrijgen Kevork mede te deelen, wat Osman hem waarschijnlijk niet gezegd had, dat de vader van Oriort Elmas door zijne hand gevallen was. Er was trouwens ook geen gelegenheid meer om nog iets te zeggen, want reeds stonden zij voor de poort van het zendingshuis.

„Het zal dunkt mij, het beste wezen,quot; zeide Jack, „dat ik u eerst bij zuster Celandine breng; zij zal wel weten, wat wij verder moeten doen. Wij mogen u niet onverwachts bij G-abriöl brengen; hij is zwak en ziek. Gij moe': er u helaas op voorbereiden, Kevork, hem erg veranderd terug te zien.quot;

Toch scheen althans in het begin de ontmoeting der beide broeders een gunstige wending aan Gabriels toestand te geven, en leek het alsof de zwakke levensvlam met kracht opflikkerde. Het was een nieuwe band, die hem aan de aarde hechtte, te weten, dat hem nog een broeder gebleven was. — „Nog tivee broeders,quot; zeide hij, met een blik vol liefde op Jack.

Eenigen tijd later kreeg Jack eene boodschap om hem ijlings bij zuster Celandine te ontbieden. „Er waren Franken bij haar gekomen uit Aintab,quot; deelde de bode hem vol opgetogenheid mede.

Met een verheugd hart, bij de gedachte, dat zuster Celandine nu voortaan niet meer geheel op zichzelve zou staan, begaf Jack zich dadelijk tot haar. Hij trof haar

-ocr page 305-

289

aan in ernstig gesprek met een eerwaardig grijsaard, een Anaerikaansch zendeling, dien zij aan Jack voorstelde als Dr. Sandeman. Zij wendde zich daarop tot Jack: ■

„Ik heb u laten roepen, mijnheer Grayson, omdat ik dringend naar uwe tegenwoordigheid verlangde. Baron Vartonian is hier,quot; vervolgde zij met een wenk naar een der aangrenzende vertrekken. „Hij is met Dr. Sandeman medegekomen, en hij heeft nu pas vernomen, dat van zijn geheele talrijke gezin, niet één is overgebleven. Gij zijt, behalve Gabriel, de eenige persoon die hem alle bijzonderheden vertellen kunt. Wilt gij nu tot hem gaan om hem alles mede te deelen en zoo mogelijk hem eenigszins te troosten?quot;

Ofschoon het hart hem ontzonk bij de gedachte aan zooveel lijden, begaf Jack zich toch naar de kamer, waarin hij zijn voormaligeu gastheer zou vinden. Twee personen waren aanwezig. De oude Baron Vartonian zat op den divan, het hoofd voorovergebogen, terwijl hij het gelaat met beide handen bedekte. Yan tijd tot tijd verbrak een diepe zucht, — zooals die slechts kunnen voortkomen uit het diepst van een geheel verslagen menschenziel, — of een zacht gekreun, de sombere stilte.

Naast hem stond een jonge man met doodsbleek, en vervallen gelaat. Uit zijn geheele wezen sprak onbeschrijfelijk groote zielesmart, maar in zijne oogen blonk een licht, alsof zijn zwaarste strijd gestreden was, en hij het leed had overwonnen.

Met een liefkoozend gebaar had hij zijne hand op den schouder van den grijsaard gelegd; dat was voor het oogenblik het eenig bewijs van deelneming, dat de ongelukkige verdragen kon. Hij gaf Jack een wenk om naast hem op den divan plaats te nemen.

Aan den Euphraat 19

-ocr page 306-

290

„Gij hebt hen gekend en liefgehad,quot; zeide hij.

„En vele bewijzen van vriendschap van hen ondervonden,quot; vulde Jack aan, met zachte stem. Na eene korte pauze vervolgde hij: „Zij, die mij dierbaarder was dan mijn leven, was als een kind in huis bij hen. Zij waren, het, die haar naar de zendingsschool gebracht hebben, waar zij zooveel liefde en hulp mocht ondervinden.quot;

„O! Waarom moet ik nog leven!quot; riep de oude man plotseling wanhopend uit. „Het is slecht! Het is wreed! Het strijdt tegen alle natuur in! Geen maaier, die ooit het pas ontloken groen maait en de rijpe vrucht spaart. Geen tuinman, die den dorren stronk laat staan, en den bloeienden heester uitroeit. En ik blijf alleen — alléén — alléén! Na al die lange maanden te hebben rondgezworven en geleden, kwam ik terug met de hoop, toch nog eenigen weer te vinden en mijne laatste dagen in vrede door te brengen in mijn eigen huis met hen, die mij zoo lief zijn. „Mijn zoon — mijn eerstgeborene — zal mij wellicht nog de oogen sluiten, en mijne kinderen en kleinkinderen zullen mij in mijne laatste; dagen omringen, en mij ten grave dragen.quot; En nu vind ik allen heengegaan. — Mijne zonen, mijne dochters en mijne kindskinderen, allen, — zelfs de zuigeling, die ik nog nimmer gezien had. O, mijn God! o, mijn God!quot;

Toen, het gelaat uit de handen opheffend, zag hij de beide jongelieden naast hem aan: „Maar ik geloof het niet; ik kan het niet gelooven. Het is niet mogelijk. Eén tenminste zal God mij gelaten hebben. Laat ons overal zoeken, komt.quot; De bleeke jonge man stond op.

„Het zou wellicht het beste zijn, hem naar zijn huis te brengen;quot; zeide hij tot Jack. „Misschien zal het hem daar mogelijk zijn te weenen.quot;

-ocr page 307-

291

En zoo gebeurde het, dat Jack zich ten tweede male naar het huis der Vartonians begaf. Daar aangekomen, smeekte de arme grijsaard, ternauwernood in staat om zich staande te houden onder den zwaren last, die hem op de schouders gelegd was, de jongelieden hem eenigen tijd alleen te laten in de huiskamer, die steeds de verzamelplaats der geheele familie geweest was. Terwijl hij daar neerzat, alleen met zijne herinneringen en zijn God, zetten de beide anderen zich op de binnenplaats neer om op hem te wachten.

Jack kwam nu tot de ontdekking, dat zijn metgezel theologisch student was, die bijna het einde van zijne studies bereikt had. Vol verwachting was hij de toekomst tegengegaan, toen hij op zekeren dag plotseling door de zaptiehs gevangengenomen en in den kerker geworpen werd. Dr. Sandëman — die, zooals Mardiros Vahanian hem met een blik vol liefde vertelde, als een vader voor hem was,

— had alles gedaan wat in zijne macht stond om hem te helpen, of tenminste te weten te komen, van welke misdaad men hem beschuldigde. Na lang vergeefs gevorscht te hebben, bleek het, dat men bij een persoon die gearresteerd was, eene Engelsche courant had gevonden, waarin een verslag stond van den moord te Sassoen. Waarschijnlijk door pijniging daartoe gedwongen, verklaarde de man, dat hij het blad gekregen had van den jongen Vahanian; — dat was zijne geheele misdaad. Eens was het Dr. Sandeman gelukt toestemming te krijgen om hem te bezoeken, ofschoon hij hem alleen mocht zien in het bijzijn van Turken en zij slechts in het Turksch met elkaar mochten spreken. Bij het afscheid waagde hij hem in het Engelsch deze woorden toe te fluisteren: „Geef den moed niet opquot;

— en ongelooflijk haast was het, wat de arme jongeling

-ocr page 308-

292

terwille van die enkele woorden later moest lijden. Maar niet daar, en ook niet van hemzelven, hoorde Jack de ware geschiedenis van dat jaar in de gevangenis — die ondragelijke angsten, afschuwelijke folteringen en vreeselijke kwellingen, die hij daar onderging, en waarvan wij ons gelukkig zelfs geene voorstelling kunnen maken.

Op het laatst van zijn gevangenschap had hij voor korten tijd zijne cel gedeeld met Baron Vartonian, die ook om de een of andere denkbeeldige misdaad in de gevangenis geworpen was. Een hechte vriendschap was ontstaan tusschen den jongeling en den ouden man, die op zoo toevallige wijze waren samengebracht, en nu de arme grijsaard, van allen en alles beroofd, alleen op de wereld achtergebleven was, had Vahanian slechts één wensch, om de plaats van een zoon bij hem te mogen innemen en hem te steunen en te troosten.

Jack kon, toen hij hem in hetbleeke, uitgeteerde gelaat zag, den twijfel niet onderdrukken of hij nog wel lang op deze wereld vertoeven zou om anderen te troosten. Maar daar hij deze gedachte liever niet onder woorden wilde brengen, vergenoegde hij zich met te vragen, hoe het hem ten laatste gelukt was uit zijn kerker te ontkomen.

„Dat weet ik zelf niet recht,quot; gaf de jonge man ten antwoord. „Dr. Sandeman werd nooit moede te trachten mij recht te verschaffen; en ik geloof, dat het hem op de eene of andere wijze gelukt is, den Engelschen Consul voor mijne zaak te winnen, zoodat hij voor mij tusscften-beide gekomen is; ik weet althans zeker dat hij zulks voor Baron Vartonian gedaan heeft, tegen wien men zelfs geen beschuldiging had kunnen inbrengen, waaraan eenige Turk geloof sloeg. Op hem rustte een van die valsche aantijgingen, waartoe men ten allen tijde Turken bereid

-ocr page 309-

293

vindt, ze tegen Christenen uit te spreken, mits men hen maar een paar medjids geeft en genoeg geld om twee getuigen, die voor de waarheid van zijn verhaal moeten instaan, om te koopen. Daar het den Christenen verboden is om als getuigen voor de rechtbank op te treden, bestaat er ook niet de minste kans, dat de beschuldigde ooit zijne onschuld bewijzen kan. Maar, hoe het ook zij, dank zij de tusschenkomst van den consul, herkreeg Baron Vartonian zijne vrijheid en ik eveneens.quot;

Jack vroeg hem of hij voelde, dat zijne gezondheid voortuitging.

„O ja, ik word bij den dag sterker. Indien gij mij gezien had, toen ik pas uit de gevangenis kwam, zoudt ge zelf verbaasd staan over de verbetering.quot;

Jack zeide niets, maar verbaasd vroeg hij zichzelven af, hóe hij er dan toen wel uitgezien moest hebben!

„Zeker zult gij tijdens uwe gevangenschap menigmaal naar den dood hebben verlangd?quot; vroeg hij.

„Ja — wel eens,quot; antwoordde Vahanian met schitterende oogen — „niet alleen om van mijne pijnen verlost te zijn, maar wel om bij mijn Heiland te wezen. Maar over het algemeen voelde ik Hem in dien tijd zóó dicht bij mij, dat het mij dikwijls voorkwam, alsof de dood ons niet nader tot elkaar brengen kon.quot;

Onwillekeurig blonk een zachter licht in Jack's oogen.

„Gij hebt veel geleden, maar toch noem ik u gezegend,quot; zeide hij zacht. „Tochquot; — vervolgde hij vragend: „was het toen nog altijd een „aanschouwen door het geloof.quot; In den hemel zullen wij Hem zien gelijk Hij is.quot;

„Lat is natuurlijk iets geheel anders, en het moet wel veel heerlijker zijn, ofschoon ik nu nog niet begrijp, hoe dat mogelijk kan zijn. Ik meende vroeger altijd, dat ik

-ocr page 310-

294

wel eenigszins wist wat gemeenschap met God was, maar in die dagen had ik een gevoel, alsof ik nooit te voren begrepen had, wat het zeggen wilde te blijven in Hem. Nooit had ik geweten, dat zóóveel rust, en vrede en vreugde bestaan konden.quot;

„Hebt gij die steeds ondervonden, ook nadat gij uit de gevangenis waart ontkomen?quot; vroeg Jack benijdend.

„Neen, en toch ook weer, ja. Wanneer een klein kind zich heeft bezeerd, neemt zijne moeder het in de armen om het te troosten; wanneer het niets mankeert. Iaat zij het vrij naast zich rondloopen. Maar daarom heeft zij het toch even lief.quot;

„Toch moet het u vreemd zijn, weer in het gewone leven terug te keeren. Kost u dat geen moeite?quot;

„Gij denkt wellicht, dat ik liever zou sterven en tot Hem gaan? Voor het oogenblik niet. Er zijn nog te veel menschen in de wereld, die Hij wil, dat ik helpen zal.quot;

„Zooals de ongelukkigen hier, die zooveel hebben doorgemaakt !quot;

„Ja, doch er zijn anderen, die nog meer ons medelijden verdienen dan zelfs deze.quot;

„Nog meer medelijden dan deze? Mij schijnt het toe, alsof er op Gods ganschen aardbodem geen beklagenswaardiger schepselen zijn te vinden. Maar ik begrijp, wie gij bedoelt,quot; vervolgde Jack onwillekeurig zijne stem dempend. „Gij bedoelt haar, die in de harems of elders zijn — voor wie wij slechts één wensch mogen koesteren — dat de dood haar spoedig moge verlossen.quot;

Er toog een wolk over Vahanians gelaat. Eenige minuten verliepen, voordat hij sprak. Eindelijk zeide hij, „Er zijn nog beklagenswaardiger schepselen. Niemand gevoelt eenig medelijden, — niemand bekommert zich om de ziel van den Turk.quot;

-ocr page 311-

295

Jack sprong op, alsof hem een adder gebeten had.

„Hoe zou dat mogelijk zijn?quot; vroeg hij.

„En toch bidt gij iederen dag: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.quot;

„Ik geef u toe, dat ik het nimmer uit dat oogpunt heb beschouwd. En ik moet er bijvoegen, dat indien ik ooit in Engeland mocht terugkomen, ik den Turk niet zal vergeven. Dan zal ik zijne wandaden niet vergoelijken of verzwijgen, maar integendeel luide verkondigen wat ik hier gezien en gehoord heb.quot;

„Dat wordt ook niet van u gevergd. Gij zoudt hem juist eene weldaad bewijzen, wanneer gij hem kondt dwingen een einde aan deze gruwelen te maken. Alleen zou ik zoo vurig wenschen, dat het Gods wil mocht zijn hem op zijn weg staande te houden in Zijne Liefde en niet in Zijnen toorn.quot;

„Gelooft gij, dat dit mogelijk is?quot;

„Bedenk hoe Hij den Apostel Paulus tot inkeer heeft gebracht. En gelooft gij ook niet, dat Christus zoowel voor de Turken als voor de Christenen aan het kruis gestorven is?quot;

„Hij stierf voor allen,quot; gaf John vol eerbied toe. „En ik weet ook, dat Hij ons gebiedt onzen vijanden te vergeven. Maar voor het menschelijk hart is dat niet mogelijk. En toch, — het is vreemd: toen men mij, naar ik vast overtuigd was, ter dood leidde, gevoelde ik hoegenaamd geen wrok tegen hen — ja ik dacht nauwelijks aan hen. Maar later, — toen ik alles hoorde, wat zij gedaan hadden, zou ik hen met eigen hand hebben kunnen radbraken.quot;

„Gij hebt meer geleden, dan ik, mijn vriend, omdat gij leedt door anderen. Er staat ook alleen geschreven, „allen

-ocr page 312-

296

die U haten, en die U vervolgen.quot; Zou ik daarom moeten gelooven, dat God voor u niets beters heeft weggelegd dan voor mij ? Omdat ik eenige droppels uit Zijnen drinkbeker gedronken heb, zou ik daarom mogen denken, dat Hij uwen beker niet tot op den rand zou kunnen vullen? Het is voor onze grootste nooden, dat Hij de krachtigste geneesmiddelen bewaart. Maar nu moet ik tot Baron Vartonian terugkeeren. Hij is reeds lang genoeg alleen geweest.quot;

Hij ging, en Jack zag hem peinzend na. Een nieuwe les had hij geleerd; hij zag nu eerst, hoeveel Christus voor Zijn lijdende dienstknechten doen kan.

Dit gesprek bevat geen verdichting, maar de zuivere waarheid. Alleen zijn geen woorden in staat om de grootte en diepte dier liefde weer te geven, die de Goddelijke genade in dat jonge hart gewekt had voor hen, door wier toedoen hij zoo onbeschrijfelijk veel geleden had.

-ocr page 313-

HOOFDSTUK XXIII.

Eene Verloving.

„Zie ik sterf; maar God zal met u wezen.quot;

Genesis 48 : 21.

Zuster Celandine had, met de haar eigene fijngevoeligheid, alles zoo geschikt, dat het bed, waarop Gabriël lag, eenigszins afgescheiden van de anderen in een der hoeken van de kerk achter een scherm geplaatst was, met genoeg ruimte er om heen, om Kevork en John Grayson in de gelegenheid te stellen bij hem te komen zitten, en op die manier rustig samen te zijn, zoodra hunne bezigheden hun dat veroorloofden. Elmas kwam ook dikwijls om hem op te zoeken. En de eerste dagen na Kevork's terugkomst, was de toestand van den jeugdigen lijder zooveel verbeterd, dat zijn broeder alle hoop had hem te mogen behouden. Het was echter geen blijvende terugkeer der krachten geweest, en de groote opwinding ging weldra over in eene nieuwe inzinking; hij gevoelde zich veel zwakker en leed veel meer dan voorheen. Toch was het zoowel Jack als Kevork nog niet mogelijk de waarheid onder de oogen te zien; beiden, maar Kevork vooral, hoopten nog, zelfs tegen beter weten in, dat hij voor hen gespaard zou blijven.

-ocr page 314-

298

Op zekeren morgen, niet lang na de aankomst van Dr. Sandeman, schoof Jack het gordijn op zij en trad op het ledikant toe. Kevork was er reeds, en stond op, om plaats voor hem te maken.

Een glimlach gleed over het uitgeteerde gelaat van den zieke, maar werd spoedig gevolgd door een kommervolle, angstige uitdrukking in de oogen.

„Yon Effendi,quot; zeide hij, „er is iets, dat u hindert vandaag. Zeg mij wat het is.quot;

Jack glimlachte. „O! Gabriël, die vingers van u, daar is geen ontsnappen aan.quot;

Onder elkaar had men dikwijls de opmerking gemaakt, dat Gabriël, wiens handen voortaan onbruikbaar zouden blijven, in plaats daarvan „vingers in het hartquot; gekregen had; want indien een hunner eenige zorg of verdriet had, gevoelde de knaap dat instinktmatig dadelijk, en wist hij, in figuurlijken zin, altijd den vinger juist op de wonde plek te leggen. Voor zichzelven kende hij nu geen angst of vrees meer; zijn geheele hart was in rust, en het klopte slechts voor het leed van anderen. Hij glimlachte ook nu weer tot antwoord, in het geheel niet droevig of terneergeslagen. „Mijne vingers raken een teere plaats bij u aan,quot; zeide hij, „maar misschien is bij nader inzien die plaats zoo héél gevoelig niet. Gij hebt met den Amerikaanschen Badvellie gesproken.quot;

„Ja, en met zuster Celandine ook. Beiden geven mij den raad, om naar mijn land terug te gaan.quot;

Kevork zag hem ontsteld aan en zeide snel, „Maar het is geheel nutteloos daaraan te denken. Nooit zou men er toe overgaan u een paspoort te geven, na hetgeen gij gedaan hebt.quot;

„Dat is juist, wat ik zelf ook gezegd heb. Wel is mijn

-ocr page 315-

299

geweten vrij, maar mijne hand heeft niettemin bloed genoeg vergoten. Indien ik, zooals de zaken nu staan, om een paspoort vroeg, zou men zonder eenigen twijfel een onderzoek naar mijn verleden instellen, en zou men mij zeker niet toestaan te vertrekken.quot;

„Men zou nooit een Engelschman durven dooden,quot; zeide Gabriël.

„Niet in het openbaar, of bij daglicht, maar er zijn hier altijd genoeg middelen bij de hand om iemand te doen verdwijnen.quot;

„Dat zou ik ook zeggen,quot; zeide Kevork heftig. „G-ij moogt u niet vrijwillig aan zulk een gevaar blootstellen, broeder.quot;

„Dr. Sandeman heeft dan ook een ander plan,quot; zeide Jack. „Vahanian, die edele jongeling, wenscht niet anders dan hier te mogen blijven, om bij Baron Vartonian te zijn, en de gewonden te helpen verplegen. Wat dunkt u, wanneer ik zijnen pas gebruikte en in zijne plaats naar Aleppo ging?quot;

„Men zou u dadelijk herkennen.quot;

„Dr. Sandeman meent van niet. Hij durft op zijne verantwoording nemen, mij veilig over te brengen. Ik zou mijn haar moeten verven, en mijn gelaat ook een bruinere kleur geven. Veel zal echter niet noodigzijn; ik ben, dank zij uw feilen zonneschijn, genoeg verbrand.quot;

„Dus zijt gij werkelijk besloten, ons te verlaten, Yon Effendi?quot; vroeg Kevork somber, en niet zonder bitterheid.

„Het is niet mijn wensch, om u te verlaten,quot; antwoordde Jack. „Als ik maar wist, wat mijn plicht in deze was.quot; Hij zag Gabriël bij die woorden met een blik vol liefde aan. „Eenigen tijd geleden, zou het mij niet mogelijk geweest zijn, heen te gaan. Ik zou er nooit toe besloten hebben, Gabriël, om u alleen te laten — maar nu hebt

-ocr page 316-

300

gij Kevork. God heeft hem u uit den dood weergegeven.quot;

„God heeft mij Kevork weergegeven,quot; sprak Gabriël, „maar wat zal Hij aan Kevork geven? Want gij weet, dat ik nog slechts korten tijd bij hem blijven kan.quot;

„Zoo moogt gij niet spreken,quot; viel Jack hem haastig in de rede.

Ook Kevork was zichtbaar ontdaan. „Ik kan mijnen weg niet eenzaam gaan,quot; zeide hij, „ik kan niet. O! Gabriël, gij moogt mij niet verlaten.quot;

Dien nacht was Gabriël veel minder wel; des morgens reeds zeer in de vroegte ging Jack dan ook Kevork waarschuwen, die in een ander gedeelte van het overvolle zendingshuis geslapen had.

„Kom spoedig,quot; zeide hij. „Ik vrees, dat hij heengaat.quot;

Kevork vloog overeind, sloeg haastig een mantel over zijn zeboun en, met moeite een snik onderdrukkend, volgde hij zijn vriend in stilte. Een heerlijke frissche morgenwind, voorbode van de naderende lente, kwam hen tegemoet, toen zij het plein overstaken naar de kerk waar Gabriël zich bevond.

„Wie is er bij hem?quot; vroeg Kevork.

„Anna Hanum.quot;

Zij lag geknield naast het leger van den stervenden knaap, en bij hun binnentreden wendde zij haar zacht, lief gelaat tot hen.

„Hij is nu veel rustiger,quot; zeide zij.

„Zult gij trachten u voor mij te verblijden?quot; vroeg Gabriël fluisterend. „Gij weet, dat gij voor mij niets beters zoudt kunnen wenschen.quot;

„Gij zult nu weldra met allen samen zijn — met uw vader en moeder, en mijne dierbare Shushan,quot; zeide Jack.

„En ik zal — met Christus wezen,quot; vulde Gabriël aan.

-ocr page 317-

301

„Voor Wien gij uw leven gegeven hebt.quot;

„Die Zijn leven voor mij gegeven heeft.quot;

Maar nu wendde hij zijne donkere, peinzende oogen van Yon Effendi af, om ze op het gelaat van zijn broeder te laten rusten.

„Er is nog iemand, die ik gaarne zien zou,quot; prevelde hij. „Wilt gij even wat dichter bij mij komen, Anna Hanum ?quot;

Zij boog zich over hem heen en zacht fluisterde hij haar een naam in het oor.

Zij antwoordde slechts, „Zeker, mijn jongen,quot; en verdween.

„Hij wil zeker zuster Celandine zien,quot; dachten beide jongelingen. Vol droefheid nam Jack plaats naast het hoofdeinde. Gabriël lag nu stil met gesloten oogen te rusten. Slechts eenmaal sloeg hij ze op, toen een dof gekreun, uit een der andere zalen, waar gewonden lagen, zijn oor bereikte.

„Daar is zeker iemand, die lijdt, Yon Effendi,quot; zeide hij. „Wilt gij mij het pleizier doen hem te gaan helpen?quot;

Zoo bleef Kevork alleen bij hem achter. De tranen, die hij niet langer weerhouden kon, liepen hem langs de wangen.

„Ik bid u, Kevork,quot; fluisterde hij, „wees niet zoo bedroefd; er is voor u ook nog troost weggelegd.quot;

Na weinige minuten kwam Jack terug. Ook zuster Celandine, ofschoon zij het niet was, die Gabriël had laten roepen, verscheen, en met haar — Elmas Stepanian.

Bij het zien van zijne geliefde leermeesteres, deed Gabriel eene vergeefsche poging om zich op te heffen; doch zijne krachten schoten daartoe te kort. Hij zag haar smeekend aan.

-ocr page 318-

302

„De hand — die ons allen gered heeft — nog éénmaal — aan mijne lippenquot; — bracht hij met moeite uit.

In plaats van hem de hand te geven, boog zij zich tot hem voorover en drukte een kus op zijne bleeke lippen, aan Elmas een wenk gevend om haar voorbeeld te volgen. Haar zag Gabriël ernstig aan, en al zijne krachten inspannend, trachtte hij te spreken.

„Oriort Elmas, Kevork heeft u liefgehad van den eersten tijd af, dat hij op school in Aintab was. Allen, die hem dierbaar waren, zijn heengegaan, en ik ook moet hem nu verlaten. Het valt hem haast te zwaar, zoo geheel alleen te blijven. Wilt gij hem troosten, Oriort Elmas?quot;

„Zooveel ik kan,quot; sprak zij zacht tot den stervende.

„Maar ik wilde zoo gaarne, dat gij de belofte aflegdet — op het Boek — vóór ik heenga.quot;

Een oogenblik aarzelde zij, en werd haar gelaat door een hoogrooden blos overtogen; toen zag zij verlegen op tot zuster Celandine.

Nu trad ook Kevork eene schrede nader en sprak tot haar:

„Oriort Elmas, wat Gabriël tot u gezegd heeft, is waar. Doch ik zou den moed niet gehad hebben die woorden nü tot u te spreken, indien hij het niet voor mij gedaan had; want wij staan allen als met den voet in het graf. Indien echter onze goede vriendin hier, die als eene moeder voor ons geweest is, ons haren zegen wil geven, en indien gij bereid zijt de belofte voor mij af te leggen, dan is er mets ter wereld, dat eenig man kan doen,quot; — hier haperde zijn stem van ontroering — „niets, dat eenig man zou kunnen doen, dat ik niet bereid zou zijn voor u te volbrengen, want gij zijt mij dierbaarder dan het leven.quot;

Elmas Stepanian had van nature een sterken wil en een onafhankelijk karakter, dat nu door al haar lijden geheiligd

-ocr page 319-

303

was. Het doorgestane leed had haar ook doen breken met de conventioneele vormen, die anders door alle vrouwen van haar volk zoo streng in acht genomen worden. Op zachten, maar beslisten toon antwoordde zij nu: „Indien zuster Celandine het goedkeurt, ben ik bereid de belofte af te leggen.quot;

Jack stond naast zuster Celandine. Hij haalde uit zijn zak den Bijbel van zijn vader, dien hij altijd bij zich droeg en gaf haar dien, met een veelbeteekenenden blik op Kevork. Zij begreep de zwijgende bede dadelijk. Indien zij het Boek aan Kevork gaf, met het doel, dat zij nu voor oogen hadden, sloot die handeling in, dat zij hare goedkeuring schonk aan deze vreemde verloving.

Zij aarzelde even, en sprak toen plechtig; „De God uwer vaderen en uw God, zegene u beiden,quot; waarna zij den Bijbel in Kevork's uitgestrekte hand legde.

Kevork gaf hem aan Elmas. „ Hiermede beloof ik u trouw in dagen van voorspoed zoowel als van tegenspoed, in gezondheid en ziekte, in leven en sterven, en in het leven na dit leven,quot; sprak hij.

„Ik ook beloof u dat,quot; antwoordde Elmas hem.

„Dan is alles in orde,quot; zeide Gabriel, met een zucht van verlichting. „Ik zal het allen daar kunnen vertellen.quot;

„Maar gij zijt nu geheel uitgeput,quot; bracht Jack in het midden, toen hij de plotselinge verandering in zijn gelaat opmerkte. Hij haastte zich hem den opwekkenden drank, die altijd gereed stond, in te geven.

„Kevork,quot; fluisterde hij dezen in het oor. „Leid Oriort Elmas weg. Er zijn te veel menschen om hem heen.quot;

„Neen,quot; zeide zuster Celandine; „ik geloof, dat gij beter doet hier te blijven. Mijnheer Grayson, zet dat glas gerust neer; hij kan nu niets drinken.quot;

-ocr page 320-

304

Toen volgden eenige oogenblikken van zwaren strijd en lijden; een laatste worsteling van den geest met het lichaam. Maar spoedig was alles voorbij. De uitdrukking van hemel-schen vrede, op zijn uitgeteerd gelaat, keerde weer terug en ditmaal om er voor immer te blijven. Langzaam keek Gabriël om zich heen; hij herkende allen. En toen met een beweging aan zoo menigen stervende eigen, lichtte hij den rechterarm op, en bewoog zijne verbonden, machtelooze hand. Met moeite bracht hij nog deze woorden uit: „Vrees niet, want Ik ben met u.... ook ondersteun ik u met de rechterhand mijner gerechtigheid.quot; Toen zonk hij achterover en was niet meer.

Zijn broeder sloot hem de oogen, en weenend stonden allen om de legerstede, totdat zuster Celandine eindelijk met zachte stem de stilte verbrak.

„Kinderen, hij heeft onze hulp niet meer noodig; maar er zijn anderen, ontelbaar velen nog, daarbuiten, die er op wachten, en onzen steun niet missen kunnen.quot;

„Ik ga met u, om hen te helpen,quot; was Jack's antwoord. Samen gingen zij heen, terwijl Kevork en Elmas, geknield naast het rustbed van hun geliefden doode, achterbleven.

-ocr page 321-

HOOFDSTUK XXIV.

Onder de Engelsdie vlag.

„De vlag die zooveel eeuwen lang, In kruitdamp en bjj stormgeloei Haar banen heeft ontplooid.quot;

T. Campbell.

„Gij zijt nog jong, mijnheer Grayson,quot; zeide Dr. Sande-man, zelf eene statige verschijning, tot de vermagerde, afgetobde gedaante met het grijze haar, die voor hem stond.

„Zie ik er dan zoo jong uit?quot; gaf John Grayson ten antwoord. „Neen, ik ben oud, — heel oud. Dit laatste jaar heeft mij meer aangetast, dan zestig jaar een ander doen.quot;

„Ik weet, wat gij hebt bijgewoond en geleden.quot;

„O! Gij moet niet denken, dat ik alléén lijden gekend heb,quot; zeide Jack: „Ik heb geleefd. Ik heb het zoete zoowel als het bittere van het leven geproefd. Ik heb liefgehad, en wederliefde gevonden.quot;

„Dat weet ik,quot; hernam de zendeling en hij sprak de waarheid, — hij wist, wat dat was. „Maar gij hebt nog vele jaren voor u. En gedurende al dien tijd zal uwe liefde u een teedere herinnering blijven.quot;

Aan dm Euphraat 20

-ocr page 322-

306

„Zij zal mij meer dan eene herinnering zijn,quot; viel Jack hem in de rede, „daarvoor is zij te veel één met mijn geheele leven.quot;

Dr. Sandeman dacht er geen oogenblik aan den spot te drijven met de opvatting der jeugd, die alles als iets eeuwigs beschouwt, hare vreugde, hare smart en hare wanhoop. Hoe oud hij zelf ook reeds was, daarvoor was zijn hart toch te jong gebleven. Hij vervolgde dus slechts, „wanneer gij in uw eigen land zijt teruggekeerd, zult gij er nieuwe plichten, belangen en zorgen vinden, die op u wachten. Zij zullen al uwe krachten in beslag nemen en u opnieuw een levensdoel geven.quot;

„Geen ander levensdoel voor mij,quot; antwoordde Jack. „Toen ik Shushan trouwde, verbond ik mij tevens aan haar volk.quot;

„Wanneer gij werkelijk voelt, dat God u roept om de tranen te helpen drogen van de „Niobe onder de volkeren,quot; kan ik mij geen hoogere roeping voorstellen,quot; sprak Dr. Sandeman geroerd.

„Gelooft gij, dat het mij mogelijk zou zijn van hier te gaan, indien ik niet de hoop voor oogen had toch iets voor hen te kunnen doen?quot; vroeg Jack. „Gelooft gij, dat ik al die weerlooze slachtoffers aan hun lot zou kunnen overlaten, zoowel als deze moedige vrouw, die wel duizendvoud verdiend heeft, dat men haar tot Heilige verhief, als wij Protestanten er een heiligenkalender op nahielden ?quot;

„Dat zou ons onmogelijk zijn,quot; gaf de zendeling glimlachend ten antwoord. „Wij zouden een geheele bladzijde noodig hebben voor iederen dag van het jaar. Maai gij weet, dat zuster Celandine zelve op uw vertrek aandringt.quot;

„Het is waar, dat de toestand hier nu wel rustiger

-ocr page 323-

307

schijnt,quot; vervolgde Jack. „ Veilig kan niets en niemand zijn, in dit ellendige land. Het verheugt mij zeer, dat Vahanian hier blijft, hij zal een krachtige hulp zijn.quot;

„Ja,quot; stemde de zendeling toe, „en hij verlangt voor het oogenblik niet anders dan hier te mogen arbeiden, al geeft hij zijn hartewensch nog niet op en wordt zijn verlangen daarnaar niet minder sterk. Hij is vast overtuigd, dat God zijne begeerte eens zal vervullen, en hem zal toestaan van Zijne liefde en genade tot de Turken te spreken. Zuster Celandine is begonnen alle weezen, — zooveel zij er tenminste bereiken kan — bijeen te brengen. Arme, bedroefde en verhongerde schepseltjes! Hebt gij reeds gehoord, dat Baron Vartonian zijn huis als toevluchtsoord voor hen heeft afgestaan?quot;

„Neen, maar het is een heerlijke gedachte te weten, dat het huis, hetwelk ik zoo liefhad, voor dat doel gebruikt zal worden. En ik ben overtuigd, dat het hem zei ven ook troost zal geven.quot;

„Maar nu moeten wij over u zelf spreken, mijnheer Grayson. Zijt gij gereed voor de reis?quot;

„Ja,quot; gaf Jack met een weemoedigen glimlach ten antwoord. „Gij moet weten, dat ik niets heb in te pakken.quot;

„Best; hoe minder gij mede te nemen hebt, hoe beter.quot;

„Dit is de eenige schat, dien ik uit Armenië mede terugbreng; hier heb ik geleerd, zooals ik misschien nergens anders had kunnen leeren, welke waarde die schat heeft,quot; zeide Jack, terwijl hij den Bijbel van zijn vader te voorschijn haalde. „Rechtens komt hij Oriort Elmas toe,quot; voegde hij er bij, „want het is het boek harer verloving; maar zij en Kevork zeggen beiden, dat ik het terwille van de herinneringen, die er aan verbonden

-ocr page 324-

808

zijn, moet behouden. Ik wenschte wel, dat zij beiden met mij naar Engeland konden gaan.quot;

„Met u medegaan is onmogelijk. Maar ik ook vind het wenschelijk, dat ze u volgen zullen; vooral terwille van Kevork. Hij heeft bij den eersten aanval dapper geholpen zich tegen de Turken te verzetten, en zooiets vergeet men hier niet.quot;

„De Turken vergeten niets — behalve hunne beloften,quot; sprak Jack. „Doch er is nog iets, Dr. Sandeman, dat mij bezwaart. Ik heb hoegenaamd geen geld meer. Ik heb al dezen tijd geleefd ten koste van deze armen en 'k ben de laatste weken onderhouden door zuster Celandine.quot;

Dr. Sandeman glimlachte. „Het zou mij niets verwonderen, wanneer zij zeide, dat uwe diensten minstens evenveel waard waren, als de bete broods, die zij u gaf. En wat nu uwe reis betreft, zoo kunnen wij u zonder eenig bezwaar tot Aleppo rnedenemen. G-ij weet immers, dat ik mij ook daarheen begeef.quot;

„Gij zijt al te goed voor mij. De kosten kan ik u later wel vergoeden, doch al uwe liefde — nooit. Maar ik moet op de eene of andere wijze van Aleppo naar Alexandrette komen, en daar plaatsnemen op de eerste boot naar Engeland, die ik vinden kan. Hoe zal ik dat alles kunnen betalen ?quot;

„Wanneer gij in Aleppo zijt aangekomen, moet gij u tot den Engelschen Consul wenden en hem uwe geheele geschiedenis mededeelen. Ik twijfel geen oogenblik, of hij zal een veilig geleide tot Alexandrette voor u vinden, en gaarne de kosten voor uwen overtocht voorschieten.quot;

„Maar wat te doen, indien hij mij niet gelooft? Ik zou daar niet bang voor zijn, wanneer het nog dezelfde Consul was. die er woonde, toen ik jaren geleden met

-ocr page 325-

309

mijn vader daar vertoefde. Maar er is nu een ander.quot;

„Hij zal u zeker gelooven,quot; herhaalde de zendeling kalm. Om meer dan eene reden wilde hij er niet bijvoegen, dat hij zelf daar grooten invloed uitoefende. Ten eerste vond hij, dat het aanmatigend klonk, en dan kon het ook gevaarlijk zijn. „Uw geheele verhaal draagt den stempel van waarheid, en bovendien kunt gij alles met honderden bewijzen staven.quot;

„Dan zie ik mijn weg voor mij,quot; zeideJack. „Mijn eerste plicht is nu,quot; hier zuchtte hij diep, „om afscheid van al mijn lieve vrienden te nemen.quot;

Hij stond op om te gaan, maar wendde zich na eene lichte aarzeling weer tot den zendeling.

„Dr. Sandeman, zijt gij naar de Cathedraal geweest?quot;

„Ja,quot; sprak de Amerikaan, die onwillekeurig bij die herinnering huiverde. „Zelfs na al hetgeen ik in de laatste tijden heb bijgewoond, is dat het vreeselijkste tooneel, hetwelk ik ooit gezien heb. Het is niet alleen wat men er ziet, maar men voelt er zich tot in het diepst zijner ziel gekwetst en geschokt. Ik raad u, ga er niet meer heen, mijnheer Grayson.quot;

„En toch is dat de plaats vanwaar de martelaren voor Gods Woord, tot Hem zijn gegaan,quot; zeide Jack peinzend.

De geheele reis van John Grayson, die hij in gezelschap van Dr. Sandeman maakte, leverde zoo weinig belangrijks op als mogelijk was in dien tijd en die streken. Eén droevig tooneel wachtte hem nog. Zooals gewoonlijk werd te Biridjik overnacht. Van de geheele stad waren bijna niets dan bouwvallen overgebleven, alle huizen had men verwoest, de meeste verbrand, en slechts enkele alleen geplunderd. Het was haast onmogelijk zich een weg door

-ocr page 326-

310

de straten te banen; zij werden geheel versperd door de balken, deuren, ramen, overblijfselen van meubels en nog veel afschuwelijker herinneringsteeken aan de moord-tooneelen.

Alle overgeblevene inwoners had men gedwongen den Mahomedaanschen godsdienst te omhelzen, waarop men hun het leven geschonken had. Zij durfden zich echter nog niet op straat vertoonen, maar verschuilden zich angstig in hunne zorgvuldig gesloten huizen; enkelen die zich er buiten waagden, waarden rond als schimmen. Hun geheele uiterlijk sprak duidelijk van de angsten en gruwelen die zij doorstaan hadden. Het was hun ten strengste verboden, eenig verkeer met het reisgezelschap van den zendeling te hebben.

Toch waren er onder hen, die het waagden de reizigers aan te zien en hun met de oogen om hulp en bijstand te smeeken, terwijl zij met de hand haastig het teeken des kruises maakten.

Dikwijls voelde Jack het verlangen in zich opkomen om hun Gabriels woorden toe te roepen: „Christus zal het u wel vergeven, maar gij hebt eene heerlijke gelegenheid ongebruikt laten voorbijgaan.quot;

Eens sprak hij er dr. Sandeman over, die hem antwoordde : „ Gij hebt u het recht verworven, dat te zeggen, evenals Gabriel, maar het schijnt mij toe, dat geen mensch, die niet die vuurproef zelf doorgemaakt heeft, beseffen kan wat het inheeft, getrouw te zijn. En God zal oor-deelen als Een, Die alles iveet.quot;

„Ja. Het lot dezer ongelukkigen is zoo diep weemoedig!quot; riep Jack uit. En toen deden die beide sterke, moedige mannen, ofschoon zij Anglo-Saksers waren, hetzelfde wat de Israëlitische bannelingen zooveel eeuwen geleden gedaan

-ocr page 327-

311

hadden: „Zij zaten neer bij de rivieren van Babyion en weenden.quot;

Voordat zij Biridjik verlieten, ging John Grayson in den vroegen morgen nog het graf van zijn vader opzoeken. Het gaf hem eenigen troost te zien, dat daar tenminste geen wandaden gepleegd waren; slechts al te goed wist hij, hoe vaak men elders de graven der Christenen geschonden had. Hij knielde neder op de plaats die hem zoo heilig was en dankte God voor het heerlijke, edele voorbeeld dat zijn vader hem door zijn leven gegeven had, en voor de bewaring, die hijzelf had ondervonden in zoo vele gevaren.

Maar toen overviel hem weer die droevige gedachte, nu grievender dan ooit te voren, dat het stof van anderen, die hem zóó dierbaar geweest waren, zelfs geen rustplaats in gewijde aarde gegund was. Nimmer zou hij bij het graf zijner Shushan kunnen weenen, hij zou zelfs nooit de plaats vinden waar zij rustte, tot op den dag, dat allen in hunne graven de stem zullen hooren van den Zoon des Menschen. Het viel John Grayson wèl hard, dat hem voor altijd ontzegd was, wat toch het eerste recht is van iederen rouwdragende, hoe nederig ook.

Maar eensklaps stond hij op van zijne knieën; een nieuw licht was voor hem opgegaan. Hij zag om zich heen. Wel reikte zijn blik niet ver van de plaats, waar hij stond, maar zijn geestesoog overzag geheel het wonder-schoone land, nu zoo verlaten en doodsch, van Trebizonde aan de noordelijke kust, tot aan de uitgestrekte rijstvelden van Adama in het zuiden.

„Neen,quot; sprak hij luid, „mijne Shushan heeft een koninklijke rustplaats. Voor mij is geheel Armenië haar graf. En omdat haar stof daar rust, zal ik dezen bodem

-ocr page 328-

312

liefhebben, zal ik leven en werken voor dit land, zoolang ik leef, — daartoe helpe mij God.quot;

Op hun geheelen verderen doortocht vonden de reizigers overal hartverscheurende bewijzen van verwoesting en van de ellende onder het volk. Enkele dingen, die hun oogen aanschouwden gingen alle beschrijving te boven, en de herinnering ervan zal hun achtervolgen tot hun sterfdag toe. „Hoe lang nog, Heere, hoe lang!quot; kon dr. Sandeman zich niet weerhouden, telkens en telkens weer te vragen.

Toch was er op de geheele reis niemand, die hun eenigen overlast aandeed, of hun de geringste moeilijkheden in den weg legde. Eerst bereikte men Aintab en op den bepaalden tijd Aleppo. Voor het eerst na zoo vele jaren bevond John Grayson zich onder Engelschen. Hij had een gevoel alsof hij dood en begraven was geweest, om weer te herrijzen in eene nieuwe wereld die hij geheel vergeten was, en die hem vergeten had. Aan het consulaat had hij echter het geluk eenige personen te ontmoeten, die zijn vader gekend hadden, en eenmaal in hun kring opgenomen, begon langzamerhand zijn verleden hem helderder voor den geest te staan.

Dadelijk na aankomst schreef hij aan zijne vrienden in Engeland, ofschoon hij niet verwachtte dat hun antwoord hem voor zijne afreis zou kunnen bereiken.

De consul was hem persoonlijk onbekend, doch hij ontving hem bijzonder welwillend, wat men te meer in hem waardeeren moest, omdat hij, in het begin vooral, zich niet ontgeven kon, dat er iets vreemds en onverklaarbaars was, zoowel in het uiterlijk als in het optreden van den jongen Engelschman met zijn witte haar en

-ocr page 329-

313

droefgeestig gelaat. Hij vroeg zelfs eens in vertrouwen aan dr. Sandeman of de heer Grayson wel goed bij zijn verstand was. Maar toen hij op dat punt was gerustgesteld, deed hij ook alles, wat in zijne macht stond, om hem te helpen. Eerst bezorgde hij hem een paspoort, verstrekte hem het noodige reisgeld, en gaf hem een handigen en vertrouwbaren tolk met een paar „Kavassesquot; als geleide mede naar Alexandrette, terwijl hij hun uitdrukkelijk beval den heer G-rayson niet te verlaten, voordat hij veilig aan boord van de boot naar Engeland was.

Toen Jack eindelijk op het dek van het stoomschip Semaphore, bestemd naar Southampton, stond, leek alles hem even vreemd en verward toe. Hij stond droomerigte staren naar de saamgepakte menigte om hem heen — naar de matrozen, die alles voor het vertrek gereedmaakten en de passagiers, die zich met veel beweging en luidruchtigheid aan boord begaven. Zij konden het schip slechts in kleine bootjes bereiken, zoodat een heele vloot van sloepen zich bij de valreep bewoog, terwijl de roeiers elkaar van alles toeriepen, en ieder trachtte te zorgen, dat zijne passagiers het eerst aan boord kwamen. De tolk deelde Jack mede, dat gewoonlijk alle Franken hier aan wal gingen, om de plaats te bezoeken, waar, eeuwen geleden, Alexander de Groote een veldslag geleverd had, dien men den slag bij Issus noemde.

Aan de eene zijde van het schip bevond zich een beambte, die nauwkeurig het paspoort van eiken reiziger, die aan boord kwam, moest nazien. Naast hem stond de commandant, een ruwe Britsche zeeman, met trouwhartig gelaat. Door het gedrang en de groote drukte, die overal heerschte, was het geen wonder, dat de passen niet zóó precies werden nagezien, als wel voorgeschreven was. Het

-ocr page 330-

314

behoorde dan ook volstrekt niet tot de onmogelijkheden, dat een, of zelfs meer personen zonder papieren op de boot kwamen en zich daar verborgen hielden, zooals Jack den onder-hofmeester, een Ier, tot zijn vriend hoorde opmerken. Langzaam drong Jack door de menigte heen tot hij de verschansing bereikt had, vanwaar hij alles beter kon overzien. Plotseling zag hij eene sloep, bestuurd door zaptiehs — hoe duidelijk herinnerde hij zich hunne gehate uniform! — van wal steken, en naar een der schepen roeien. Of het de „Semaphorequot; was, die zij bereiken wilden of een ander schip, kon men nog niet duidelijk uitmaken. John Grayson wist dat zijne papieren in orde waren, maar hij kon zich toch niet ontveinzen, dat hun komst hem onaangenaam aandeed. Hij kon het nog niet in zich opnemen, dat hij niet meer in Turkije was, maar hij zich op vrij Engelsch terrein bevond en dat het de beveiligende Engelsche vlag was, die boven zijn hoofd wapperde.

Hij begaf zich dus uiterlijk zoo rustig mogelijk naar beneden in zijne hut, met het voornemen daar te blijven, tot het schip onder zeil was.

Incusschen naderde de Turksche sloep meer en meer, maar nóg vlugger kliefde een klein bootje voor haar uit de baren. Een jonge man, die er in stond, sprong op de trap, die men juist bezig was naar boven te halen, en stapte op het dek, een jong meisje en een knaap in het schuitje achterlatend.

„Te laat, mijn goede vriend,quot; zeide de kapitein hem een wenk gevend om terug te keeren. „Gij komt te laat.quot;

„O! mijnheer, neem ons mede!quot; riep de jongeman. Hij beefde van het hoofd tot de voeten, zijn gelaat was doodsbleek van angst. „Neem ons mede! — wij zullen betalen!quot;

„Onmogelijk. Ik kan niet. Er is geen plaats meer onbezet.quot;

-ocr page 331-

315

„Wij zullen u ruim beloonen, tien pond per hoofd.quot;

„Neen; alles is vol. Wij gaan weg.quot;

„Vijftien pond per hoofd.quot;

„Neen, zelfs voor geen twintig pond.quot;

„Heb medelijden! Wij zijn Armeniërs, die vluchten voor ons leven.quot;

„Alle Armeniërs zijn schurken,quot; zeide de kapitein ruw. — „Eenmaal neen, blijft neen,quot; en hiermede wendde hij zich van hem af.

„Om Christus' wil dan!quot; riep de arme vluchteling in doodsangst.

Bij die woorden keerde de kapitein terug.

„Waarom zeidet gij dat niet eerder?quot; vroeg hij met veel zachter stem. „Ik zelf ben een Christen, en kan dus die bede niet weigeren.quot;

„Gode zij dank!quot; snikte de arme man. — „Mijne zuster!quot;

In minder dan eene minuut waren het jonge meisje en de knaap door behulpzame handen de trap op geholpen en stonden zij veilig alle drie op het dek.

Toen begon het levendig te worden in de machinekamer en na weinig minuten stoomde de boot de haven uit.

John Grayson begaf zich naar het dek zoodra hij bemerkte dat de boot van wal was gestoken. Boven aan de trap gekomen, zag hij de drie Armeniërs bij de verschansing staan. Hij trad op hen toe, legde zijne hand op den schouder van den jongen man, en zag hem aan.

„Kaspar Hohanian!quot; riep hij verwonderd uit. „Is het mogelijk, dat gij het zijt?quot;

Het was Kaspar nog niet mogelijk een woord over de lippen te brengen. Diep haalde hij adem, en poogde zich geweld aan te doen, om te antwoorden. Op zijne beurt keek hij Jack onderzoekend aan.

-ocr page 332-

316

„Wie zijt gij?quot; vroeg hij eindelijk.

„Herkent gij mij niet? Herinnert gij u niet die vreese-lijke week, die wij samen hebben doorgebracht in de gevangenis te Urfa, met geen ander vooruitzicht dan den dood? Ik ben John G-rayson.quot;

„Maar uw haar is wit! Ik meende, dat gij dood waart.quot;

„Hetzelfde dacht ik van ti, en met meer gegronde reden. Ik had gehoord, dat van ons geheele troepje, dat samen gewaakt en gebeden had in die onvergetelijke dagen, niemand in het leven was gebleven dan ik.quot;

Gedurende eenige oogenblikken zwegen beiden. Het was Jack niet mogelijk zijn makker in het gelaat te zien, vóórdat hij meer gehoord had. Hij wist maar al te goed, dat er slechts ééne manier was, waarop men den dood ontgaan kon. Kaspar raadde zijn vermoeden en sprak:

„Neen, ik heb mijn geloof niet verloochend. Ofschoon ik toch niet voor mijzelf zou durven instaan, indien ik dezelfde proef nogmaals moest doorstaan. Het zal u vreemd klinken, maar ik heb mijn leven aan u te danken.quot;

„Hoe is dat mogelijk?quot;

„Ik zal het u later alles uitvoerig meedeelen. Nu moet ik zien eene plaats te vinden, waar mijne zuster wat kan uitrusten.quot;

„Is die jonge dame uwe zuster? Mag ik... .quot;

Maar hier werd hun gesprek gestoord door den kapitein, die zich bij hen voegde.

„Gaat maar met mij mede,quot; zeide hij met ruwe goedhartigheid. „Ik zal wel een plaatsje vinden, waar ik u stoppen kan. Gij behoeft niets meer te vreezen, jonge dame.quot; Zich toen tot den knaap wendend, vervolgde hij: „Kom, ga gij maar vast naar gindsche ladder, die naar beneden voert.quot;

Maar de arme jongen bleef onbewegelijk staan. Wezen-

-ocr page 333-

317

loos staarden zijne groote bruine oogen, naar de plaats, vanwaar de stem kwam.

„Hij is blind, mijnheer,quot; verklaarde Kaspar. „Gedurende de moordtooneelen had men hem in een leegen welput verborgen. Hij bleef er eenige dagen achtereen, en toen hij er eindelijk uitkwam, was hij blind geworden van den schrik en de angsten, die hij had doorgemaakt.quot;

„Arme jongen! Komt, gaat nu maar allen met mij mede. De dames hebben beloofd een plaatsje voor uwe zuster in te ruimen.quot;

„En ik, commandant,quot; bracht Jack in het midden, „ik wil mijne hut gaarne aan dezen knaap afstaan. Zijn broeder en ik, die oude vrienden zijn, kunnen heel goed op het dek slapen.quot;

De commandant stemde gaarne in deze schikking toe. Later hoorde men hem tot iemand zeggen, hoe „hij altijd gemeend had, dat Armeniërs halve wilden waren, maar dat hij nu had leeren inzien, dat het menschen waren, precies, zooals wij zeiven.quot;

Toen de nacht gevallen was, konden Jack en Kaspar eindelijk onder een prachtigen sterrenhemel hun gesprek hervatten. Zij hadden het zich zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt, en de lersche hofmeester had hun kussens en reisdekens gebracht; hij bleef nog even dralen na ze te hebben neergelegd, om te zeggen, hoe het hem verheugde, dat het den beiden heeren en de jonge dame gelukt was te ontsnappen aan de klauwen van dat „moordenaarsge-broed,quot; zooals hij de Turken betitelde. „Ik ben zelf in Constantinopel geweest in September van het vorige jaar,quot; voegde hij er bij, „en ik kan u, zoo waar als ik hier sta, verzekeren, dat Olivier Cromwell niets was, vergeleken bij hen.quot;

-ocr page 334-

318

„Ik voor mij zou wel wenschen, dat wij Olivier Cromwell weer in ons midden hadden, om hun een lesje te gevenquot; zeide Jack, die een eenigszins ander inzicht had in de geschiedenis van zijn land.

De groote boot gleed intusschen kalm en statig voort over de breede wateren. Overal rondom hen was alles in rust gedompeld. Alles scheen hen uit te noodigen om nog eenmaal over de doorgestane angsten en gevaren te spreken, en dan ten volle te genieten van hunne tegenwoordige veiligheid.

„Hoe kwaamt gij er toch toe te zeggen, dat gij uw leven aan mij te danken hadt?quot; vroeg John Grayson.

„Ik zal moeten beginnen met u uit te leggen, hoe het komt, dat men mij niet tegelijk met de anderen heeft ter dood gebracht,quot; antwoordde Kaspar. „Dat was iets ontzettends. Alle anderen waren doodgemarteld, zelfs Thomassian, ik alleen werd weer naar den kerker teruggevoerd. Daar aangekomen bracht men mij een papier dat ik moest teekenen en waarbij ik verklaarde, dat al de ongelukkigen die men in mijne tegenwoordigheid terdood gebracht had, schuldig bevonden waren aan eene samenzwering die ten doel had de Moskeeën aan te vallen, en de Mahomedanen te vermoorden, wanneer zij er dien Vrijdag hunne godsdienstoefening hielden. Wanneer ik dat stuk teekende, beloofde men mij niet alleen het leven en de vrijheid, maar zelfs zou men er niet verder op aandringen, dat ik mijn geloof zou afzweren.quot;

„En gij?quot;

„Denkt gij, dat ik daartoe in staat was, — om allen martelaars de kroon van het hoofd te rukken, opdat ieder hun naam naar welgevallen door het slijk zou kunnen sleuren? Eerst poogde men mij op allerlei wijze te

-ocr page 335-

319

overreden, zeggende, dat die mannen toch dood waren, dus dat ik er hun geen kwaad meer mede berokkende als ik teekende, terwijl zij, de Turken, mij nog heel veel kwaad konden doen, indien ik in mijne koppigheid volhardde, en bleef weigeren om het stuk te teekenen, — iets wat volkomen waar was.quot;

„En toen?quot;

„Toen ben ik neergedaald in de hel. Vraag mij niet meer. Van uur tot uur smeekte ik G-od, dat de dood mij verlossen mocht uit mijn lijden, maar vergeefs. Geheel onverwachts en tot mijn groote verbazing kwam men toen tot mij, niet om nieuwe folteringen te beproeven, maar integendeel, met vleesch en wijn; ook bracht men mij geheel nieuwe kleederen a la Frank, en werd mij gevraagd, of ik een bad wilde nemen. Ik vroeg mij reeds af, waartoe dit comediespel dienen moest, en welke nieuwe martelingen men voor mij had uitgedacht, toen een hunner mij het geval verklaarde. Hij begon met te vertellen, dat gij — de Engelschman — ontvlucht waart, en dat, juist nadat men dat bemerkt had, een bevel van den Pacha gekomen was om u voor hem te brengen. Natuurlijk zou het zijn toorn opwekken en zou hij hen van groote nalatigheid beschuldigen, wanneer hem ter oore kwam, dat gij weg waart. Men wist, dat ik Engelsch sprak, en bood mij het leven en mijne vrijheid aan, wanneer ik er in wilde toestemmen bij het onderzoek voor den Kadi voor u door te gaan. Waarschijnlijk achtte men er mij te beter voor geschikt, omdat ik grooter en slanker ben dan de meesten onzer geloofsgenooten, en ook mijn gelaat minder bruin is. Men bracht mij dus in een ruim, vroolijk vertrek, en gedurende vier dagen werd ik met de meeste onderscheiding behandeld. Daar bereikten mij de ver-

-ocr page 336-

320

halen van het afgrijselijke bloedbad. Eindelijk werd ik zonder nader onderzoek in vrijheid gesteld. Hoe dat eigenlijk in zijn werk gegaan is, weet ik niet, en zal ik ook wel nimmer vernemen. Ik veronderstel, dat de Pacha het veel te druk had, om zich verder over mij te bekommeren; hij liet mij tenminste niet meer vóór zich komen, maar zal wel bevel gegeven hebben, om den Engelschman, zoo stil en onopgemerkt als mogelijk was, in vrijheid te stellen. Waarschijnlijk zal hij echter ook door zijne boden hebben laten nagaan of zijn bevel ten uitvoer gebracht was, anders zou ik zeker mijne vrijheid niet zoo gemakkelijk herkregen hebben.quot;

„Hebt gij nog pogingen aangewend om uw ouderlijk huis terug te vinden?quot; vroeg Jack meelijdend.

Hohanian boog het hoofd. „Mijn twee oudste broeders, en mijn jongste zusje zijn allen dood. Artin, die zich verborgen had in den welput, is als door een wonder aan den dood ontsnapt, maar zooals ik u reeds vertelde, toen hij er uitkwam, was hij geheel blind, en zijn geheele verdere leven zal hij in nacht en ellende moeten doorbrengen. Toen ik hem terugvond, was hij uitgehongerd en in het begin vreesde ik, dat hij krankzinnig geworden was.quot;

„En uwe zuster?quot;

„Markeret? Door de goedheid en den moed van twee oude vrouwtjes, goede vriendinnen mijner moeder, is zij gered. Indien iemand kans had, aan de moordenaars te ontsnappen, waren het zulke oude menschen, die men het moorden niet waard vond, nog minder het gevangennemen. Zij hadden een haardkleed over mijne zuster heengespreid en hebben al den tijd, dat het moorden voortduurde, letterlijk boven op haar gezeten. Meer dan eens zijn de Turken het huis binnengedrongen,

-ocr page 337-

321

overal zoekend en vernielend wat zij vonden. Maar Goddank hebben zij niets méér kunnen doen. Gij kunt u echter voorstellen wat er in de ziel mijner zuster is omgegaan in die eindelooze uren. Toen eindelijk het gevaar eenigszins geweken was, heeft men haar opgeholpen en bijgebracht, waarna zij, meer dood dan levend, in de provisiekamer verborgen werd. Ik geloof echter niet, dat ooit die angstige uitdrukking van haar gelaat verdwijnen zal, maar vrees dat die er voor goed zal blijven zetelen.quot;

Jack kon niet nalaten op te merken, dat ook op het zijne dezelfde sporen van doorgestane angsten waren achtergebleven.

„Maar toch blijft het een wonder, dat het u gelukt is van Urfa hierheen te komen,quot; zeide hij. „Hoe is dat mogelijk geweest?quot;

„Men heeft mij geholpen. Ik heb u reeds gesproken van den Turk, een vriend van ons, die vroeger ook getracht had ons te redden. Ik ben tot hem gegaan en heb hem al onze ellende medegedeeld. Hij beloofde dadelijk mij te helpen, en heeft ook woord gehouden. Om te beginnen raadpleegde hij een zijner vrienden, zekeren Osman Effendi, dien gij ook kent. Samen hebben zij alles zoo goed geregeld, en zoo alle moeilijkheden uit den weg geruimd, dat wij veilig Alexandrette hebben bereikt. Het zou mij te ver voeren u alle bijzonderheden van onze reis te vertellen. Eenmaal daar aangekomen, hebben wij ons dadelijk gemengd onder de feestvierende Mahomedanen op het plein van Issus, en zoo getracht het schip te bereiken. Toch waren de zaptiehs ons op de hielen, zooals gij gezien hebt.quot;

„Kan ik u ook van dienst zijn, wanneer wij in Engeland zijn aangekomen?quot; vroeg Jack.

Aan den Euphraat 21

-ocr page 338-

322

„Zeer zeker, mettertijd zal ik gaarne uwe hulp aannemen. Maar voor den eersten tijd hebben wij goede vrienden, die ons gastvrijheid hebben aangeboden. Een broeder van mijne moeder is vele jaren geleden naar eene plaats — men noemt haar Manjester — gegaan, om handel te drijven in Turksche goederen. Hij zal ons met open armen ontvangen, daarvan ben ik overtuigd. De gouden munten, die het Markeret nog gelukt is bij zich te steken, zullen voldoende zijn om den overtocht te betalen, en misschien blijft er zelfs nog genoeg van over, om ons veilig bij onze bloedverwanten te brengen.quot;

„Beloof mij, u tot mij te wenden, zoodra gij ietsnoodig mocht hebben,quot; voegde John Grayson hem hartelijk toe.

Kaspar bedankte hem voor zijn aanbod en bleef toen het stilzwijgen bewaren. Zijn gelaat toonde duidelijk hoe vermoeid hij was, en hij voelde dit dubbel nu de reactie intrad na dien tijd vol verschrikkingen. Toch deed hij zich geweld aan, daar hij nog iets mede te deelen had.

„Ik moet u nog één ding vertellen, dat mij zoo verwonderd heeft. Op zekeren dag had Osman Effendi mij, ter wille van mijne veiligheid, in zijne eigen kamer opgesloten. Ik zag een boek op de tafel liggen, dat mijne aandacht trok, het was met Arabische letters gedrukt, naar ik bemerkte toen ik naderbij trad. Het was een Bijbel, in de Turksche vertaling. Osman kwam binnen terwijl ik er in zat te lezen. Naar ik denk om zijn ware gevoelens niet bloot te geven, sprak hij mij zoo onverschillig mogelijk toe.

„Och ja, ik heb dat boek ter leen gekregen. Ik wilde toch eens weten, waar die menschen hun geduld, onder alles wat zij te verdragen hebben, vandaan halen.quot;

„Ik vroeg hem, of hij dat ontdekt had.

-ocr page 339-

323

„Ja,quot; antwoordde hij daarop, „ik geloof het wel. Het is door den Geest van Hesoos, uw profeet. Hij was juist zoo.quot; — „Maar o!quot; vervolgde Kaspar: „wat ben ik moe! ik zal nu trachten wat te slapen.quot;

„Goddank, beste vriend, dat gij u gerust onder dezen prachtigen sterrenhemel kunt nederleggen, in de zekerheid dat geen uwer vijanden u, evenmin als uw zuster of broeder meer kan bereiken. Slaap rustig, onder de Engel-sche vlag! Zij brengt u in veiligheid.quot;

-ocr page 340-

HOOFDSTUK XXV.

Te Huis.

„Eén glimlach Gods, en 't aanzien is veranderd Van d' aarde, die ons eerst zoo hooploos

duister scheen.quot; E. Browning.

Het was een mooie Julimorgen, toen de Semaphore na een voorspoedige reis, tusschen de beide hoofden door, de haven van Southampton binnenstoomde. John Grayson stond op het dek; hij kon zijne oogen niet afwenden van de dierbare kusten van zijn vaderland, die hij niet had durven hopen ooit te zullen weerzien. Naast hem stond Kaspar Hohanian, zwijgend gelijk hijzelf; eenige passen achter hen zaten Markaret en Artin; het jonge meisje gaf een nauwkeurige beschrijving van alles wat zij zag, opdat de blinde knaap zou kunnen medegenieten. Alle drie waren juist teruggekeerd van een bezoek aan den kapitein, wien zij van ganscher harte hadden dankgezegd voor al zijne vriendelijkheid hun gedurende den overtocht bewezen, en voor zijne talrijke bewijzen van deelneming in hun lot.

Nu begon langzaam het schokken der machine te verminderen, en weldra lag de boot geheel stil; de dubbele

-ocr page 341-

325

brug werd aan den wal vastgemaakt, en haastig stroomden de reizigers, beladen met alle soorten van tasschen en valiezen, uit beleefdheid nog „lichte handbagagequot; genoemd, van het dek af naar den oever. Enkelen bleven de wacht houden bij hunne kolossale koffers, of riepen om kruiers, die met niet minder haast en ijver dan de passagiers, van den tegenovergestelden kant de brug oversnelden.

Tegelijk met de kruiers betrad een jong, breed geschouderd geestelijke, met zacht, innemend gelaat, in een eenvoudig gewaad, het dek. Overal liet hij zijne oogen rondwaren, achtereenvolgens iederen reiziger nauwkeurig opnemend, zoodat hij blijkbaar gekomen was, om iemand af te halen. Even keek hij Kaspar Hohanian doordringend aan, maar wendde zich dadelijk weer teleurgesteld van hem af. Toen trad hij haastig met eene blijde uitdrukking in de oogen op John Grayson toe, doch slechts om zich even spoedig met een vluchtig „Pardon!quot; terug te trekken.

Jack zag hem aan, met meer belangstelling dan gewoonlijk. Het was een bijzonder aangenaam, open, flink gelaat — kracht en zachtheid waren er beide op te lezen. Zijne gelaatskleur, van nature blank, was door weer en wind gebruind, zijne oogen waren blauw; haar en baard lichtbruin van tint.

„Nogmaals pardon!quot; zeide hij tot Jack, met dien eerbiedigen klank in de stem, die ieder welopgevoed jongmensch onwillekeurig daarin legt, wanneer hij tot ouden van dagen spreekt. „Ik zag u een oogenblik aan voor een neef van mij, die zich aan boord bevinden moet, en dien ik kwam afhalen.quot;

„Mag ik zoo vrij zijn u naar zijnen naam te vragen?quot;

-ocr page 342-

326

„Hij heet John Grayson. Ik heb hem sedert mijne schooljaren niet meer ontmoet. Gij ziet dus, dat het geen gemakkelijke taak is, hem nu terug te vinden onder al die vreemden.quot;

„Fred! — Fred Pangbourne, herkent gij mij dan niet?' riep Jack voorwaarts tredend uit, terwijl hij hem vol opgetogenheid beide handen toestak.

„Ik — ik zou het niet kunnen gelooven!quot; bracht Fred met moeite, en hevig ontsteld uit. „Mijn arme Jack! Wat heeft men u gedaan?quot;

Maar dat was geen vraag, die men zoo vluchtig beantwoorden kon.

„Hoe gaat het uwen vader? en hoe maken alle anderen het?quot; vroeg Jack om het antwoord te ontwijken.

„Dus hebt gij onze brieven niet ontvangen en weet ge nog niets van hetgeen hier is voorgevallen? Mijn goede vader is reeds jaren geleden van ons weggenomen. Alle verdere familieleden maken het best. Maar nu gaat gij met mij mede, regelrecht naar Gladescourt.quot;

„Waarheen, zegt gij ?quot;

„De plaats, waar ik predikant ben; ik woon er met mijne zuster. Maar waar is uwe bagage?quot;

„Alles in deze tasch.quot;

Even zag Fred hem verwonderd aan, maar dadelijk vervolgde hij: „Kom, laten wij dan maar dadelijk gaan.quot;

„Wacht even, Fred; ik moet eerst mijne vrienden helpen.quot; Hij wendde zich in het Armenisch tot hen. „Kaspar, als gij voor uwe zuster zorgt, dan neem ik Artin voor mijne rekening.quot;

Verbaasd vroeg Fred zich af, wie dat wel konden zijn, maar hij was van nature te wellevend, om niet dadelijk zijne hulp aan te bieden. De donkere oogen van

-ocr page 343-

327

het jonge meisje kon hij niet nalaten te bewonderen; de schijnbare onverschilligheid van den knaap voor al hetgeen hij zag, wekte echter eenigszins zijne ergernis op, totdat het Jack, aan wien dit niet ontgaan was, gelukte hem in te fluisteren, „De arme jongen is blind.quot;

Daarop wisselde hij eenige woorden in een vreemde taal met de Armeniërs en vroeg toen aan zijn neef: „Weet gij ook iets van de treinen naar Manchester, Fred ? Zouden mijn vrienden dat dezen avond nog kunnen bereiken ?quot;

„O! dat geloof ik zeker. Maar in elk geval zal ik het nazien. Kom nu maar gauw mede aan wal. Ik heb een ontbijt voor ons besteld in het hotel, en,quot; voegde hij er met zijne aangeboren goedhartigheid bij, „indien gij uwen vrienden wilt voorstellen, met ons mede te gaan, zal het mij zeer aangenaam zijn.quot;

„Waarom zoudt gij het hun zelf niet vragen?quot; opperde Jack glimlachend. „Zij spreken allen Engelsch — Kaspar zelfs uitstekend, de anderen redelijk.quot; Daarop stelde hij hen in alle vormen aan elkaar voor, zijn vriend Baron Kaspar Hohanian en zijn neef, den predikant Frederick Pangbourne.

Een uur of drie later bevonden de drie Armeniërs zich goed en wel bezorgd in den trein naar Londen, met duidelijke instructies, waar en hoe zij van trein moesten verwisselen, terwijl Jack en zijn neef in duizelingwekkende vaart in de tegenovergestelde richting voortstoom-den. Zooals gewoonlijk onder dergelijke omstandigheden het geval is, kon er van een geregeld gesprek geen kwestie zijn; men bepaalde zich dus tot oppervlakkige vragen en antwoorden, en liet alle dieper ingrijpende onderwerpen, die beiden bezighielden, voorloopig rusten, al brand-

-ocr page 344-

328

den zij van verlangen elkaar alles te kunnen meedeelen.

„Ik moet bekennen,quot; merkte Fred op, „dat die Armeniërs mij ten hoogste verbazen. Hunne manieren zijn onberispelijk. Zonder bezwaar zou men hen in alle Londensche kringen kunnen ontvangen. Maar ik veronderstel dan ook, dat deze personen tot den hoogsten stand behooren in hun land. Gij steldet hem tenminste voor als Baron Hohanian.quot;

„O, dat zegt in het geheel niets! Baron beteekent slechts mijnheer. Maar ik zou haast opmaken, ook uit alles wat ik zoo aan boord hoorde, dat gij Engelschen, de Armeniërs nog als barbaren beschouwt. In waarheid zijn zij uiterst beschaafd en ontwikkeld; hunne beschaving dateert zelfs van veel vroeger dan de onze, en ik verzeker u, dat hunne litteratuur een schat van belangrijke werken bevat.quot;

„Maar uw vriend ziet er uit als een schim. Is hij kort geleden van eene zware ziekte hersteld?quot;

„Neen, maar hij komt uit eene Turksche gevangenis, en dat is oneindig erger. Maar, beste Fred, er zijn zooveel dingen, die ik zou willen weten. G-ij zeidet, dat oom ?...quot;

Daarop deed Frederick Pangbourne hem een uitvoerig verhaal van wat wij hier in het kort kunnen samenvatten. Toen het bericht van den dood der beide heeren Grayson hen bereikte, was Ralph Pangbourne juist gestorven, en lag zijn oudste zoon zwaar ziek aan typheuse koortsen. Jong en zonder ondervinding, daarenboven door vele zorgen geplaagd, was het den jongen man na zijn herstel onmogelijk de waarheid van het verhaal, dat de consul uit Aleppo had geschreven, te onderzoeken. Maar er kwam ook bij, dat het bij geen hunner was opgekomen aan de juistheid ervan te twijfelen, ofschoon zij allen den dood hunner verwanten diep betreurden, en het hen

-ocr page 345-

329

niet weinig smartte te denken, dat zij nimmer met eenige zekerheid zouden weten, waar hun stof rustte.

Indien het mogelijk geweest ware, zou zeker een der jonge Pangbourne's bereid geweest zijn een pelgrimstocht (op zichzelf reeds aantrekkelijk door de avonturen en gevaren, er aan verbonden) naar het Oosten te ondernemen, om de plaats waar hun oom en neef rustten, op te zoeken. Maar Ralph, de jonge landheer, was overstelpt door bezigheden van allerlei aard; Tom, de tweede zoon, bevond zich in Indië, waar hij eene expeditie mede-maakte en Fred, de jongste van de drie broeders, was in Cambridge, waar hij juist hard aan het werk was voor zijn laatste theologisch examen.

Dan was er nog iets, waar men mee rekenen moest. Wat- zou men met de erfenis der Graysons doen? Het was volstrekt geen geheim voor hen, dat John Grayson, voor zijn vertrek uit Engeland een testament had gemaakt, waarbij hij, voor het geval dat zijn zoon vóór hem mocht komen te sterven, zijn geheele vermogen vermaakte aan zijn neef en naamgenoot, John Frederick Pangbourne. Ofschoon zij voor zich zeiven vast overtuigd waren, dat èn vader èn zoon in het verre Oosten waren omgekomen, ontveinsde de familie Pangbourne zich niet, dat het heel moeilijk zou zijn, hun dood voor de rechtbank te bewijzen. Fred, lie eigenlijk de eenige was, wien deze zaak persoonlijk gold, wist zijn broeders na veel moeite te overreden, de zaak tenminste te laten rusten, totdat de zeven jaren veiioopen waren, die iedere rechtbank, mits men in het verloop van dien tijd geen enkel teeken van leven van de afwezigen ontvangen heeft, aanneemt als wettig bewijs van hun overlijden. Zonder dat hij er zich rekenschap van geven kon, gevoelde hij een onver-

-ocr page 346-

330

klaarbaren afkeer van de gedachte om het geld der Graysons te gebruiken. Inwendig koesterde hij nog steeds de hoop, al sprak hij er ook nooit iemand over, dat het nog eens zou blijken, dat tenminste zijn neef nog onder de levenden behoorde. Toen Jack's brief uit Aleppo hem bereikte, verheugde hij zich dus van ganscher harte. Eene briefkaart, die spoedig op den brief was gevolgd, had hem gemeld, dat Jack de terugreis met het stoomschip Semaphore zou ondernemen, en van dien dag af, zag hij trouw in de nieuwsbladen de scheepstijdingen na, om hem op zijne reis te kunnen volgen; nauwelijks had hij den datum vernomen waarop het schip in Southampton verwacht werd, of hij haastte zich daarheen om de eerste te zijn, die zijn neef in het vaderland verwelkomde. Tevens had hij zich vast voorgenomen hem dadelijk met zich te voeren naar zijne gezellige pastorie in Surrey, waar zijne zuster het huishouden voor hem waarnam, en hem trouw ter zijde stond bij het vervullen van zijne werkzaamheden in de echt landelijke gemeente. Hij was er echter in het geheel niet op voorbereid, om in plaats van den vriend zijner jeugd, die bovendien vijf jaar jonger was dan hijzelf, een ouden, gebroken grijsaard weer te vinden.

Natuurlijk vertelde hij dit alles niet aan Jack, ofschoon zij toch samen heel wat bespraken. De eenige zinspeling, die hij op geldzaken maakte, was eene terloops uitgesproken raadgeving om den volgenden Maandag naar Londen te gaan en er de heeren Penn en Stamper op te zoeken. „Zij zullen u alles vertellen van oom's zaken. Gij weet zelf wel, Jack, dat gij een groot fortuin bezit. Denk dus eens na wat een belangrijke balans zij u na al die lange jaren te vertoonen zullen hebben.quot;

-ocr page 347-

331

Na een vrij lange reis, stapten zij uit aan een tusschen-station, en wandelden langs de lieflijke groene velden, die door een vroolijk zonnetje beschenen werden, totdat zij kwamen bij een hek, dat toegang gaf tot een goed onderhouden, maar niet al te groot park. Weinige minuten later stonden zij voor de vriendelijke, geheel met klimplanten begroeide pastorie. De geheele omgeving was schilderachtig mooi, en over alles lagen eene rust en kalmte, die ieder weldadig moesten aandoen. Even stond Fred stil om zijn gast den toren van zijn kerkje, die juist boven de boomen achter het huis te voorschijn kwam, te wijzen. Terwijl zij daar nog naar stonden te kijken, werd de voordeur geopend, en trad een allerliefst jong meisje naar buiten om hen te begroeten.

Haar groote blauwe oogen, prachtig goudblond haar, frissche blanke gelaatskleur en kersroode lippen, waarom een vriendelijk glimlachje speelden, vormden samen het bekoorlijkste geheel, dat men zich denken kan. Zelfs, Jack was getroffen door zooveel schoonheid en gratie, al gevoelde hij ook, dat zelfs de lieflijkste verschijning hem voortaan toch in het diepst zijner ziel slechts onverschillig kon zijn.

Na het middagmaal, dat vroeg gebruikt werd, gingen de beide jonge mannen een groote wandeling maken; Fred was niet weinig trotsch op de fraaie plekjes, die hij zijn neef in de omgeving zijner woning kon aanwijzen; hij voegde er bij, dat hij, naar hij hoopte, langen tijd op zijne tegenwoordige standplaats zou kunnen blijven, wat te waarschijnlijker was, omdat de Eector der plaats, om geldige redenen, meestal in het buitenland vertoefde.

„Het is een heerlijk vreedzaam tehuis,quot; zeide Jack, terwijl allerlei aandoeningen hem bestormden.

-ocr page 348-

332

Het gekras der kraaien in de hooge olmen, de zachte fluweelachtige paden, de bloemen en keurig onderhouden perken, ja zelfs een zeker iets in de lucht, en in den glans van den zonneschijn, voerden zijne gedachten terug naar lang vervlogen jaren, toen hij met zijne kleine voetjes, over juist zulke fluweelige grasvelden getrippeld had, terwijl zijn handje zich aan het kleed zijner moeder vastklemde! O! als zij nu nog met hem had mogen zijn! En zijn vader — in zijne oogen zoowel zijn held, als zijn speelmakker en zijn vertrouwde vriend! Opeens kwam een lieflijke gedachte in hem op, die hem weldra geheel vervulde, en de tranen in zijne oogen bracht. De engelen zouden er zeker wel voor gezorgd hebben, dat Shushan hen hierboven gevonden had! Zijn arm gewond hart, dat nog steeds verlangend dacht aan alles wat had kunnen zijn, werd stil bij die gedachte. Zijne lieflijke Lelie had nu eene betere woonplaats dan hij haar aanbieden kon, aan gindschen oever, waar de velden eeuwig groen blijven.

De beide neven keerden eindelijk huiswaarts. Lucy wachtte hen op achter de theetafel, en onder het inschenken, richtte zij vele belangstellende, maar toch luchthartige vragen tot Jack over de plaatsen en streken, die hij bezocht had, en de vreemde dingen, die hij er zeker had gezien. Hij antwoordde meestal ontwijkend, en uit zijn geheele houding sprak eene teruggetrokkenheid, die haar verbaasde, totdat zij bij zichzelf de uitlegging vond, dat deze nieuwe neef — die zoo jong zijnde er toch al zoo oud en afgeleefd uitzag, — zóólang onder de wilde, bar-baarsche volken had geleefd, dat hij, weer in de gewone beschaafde wereld teruggekeerd, zijne verlegenheid niet overwinnen kon.

-ocr page 349-

333

Het speet haar dan ook niet, toen Fred opstond en hem voorstelde met hem naar zijn „heiligdomquot; te gaan, zooals hij gewoon was zijne ruime, gezellige en vroolijke studeerkamer te noemen. Maar zij kon niet nalaten met het oog op de preek voor den volgenden dag, hen nog even op moederlijken toon in de gang na te roepen: „Denk er aan, Fred, dat het Zaterdagavond is.quot;

Boven gekomen, begon Jack eindelijk zijne belangrijke mededeelingen. In zijn brief uit Aleppo, had hij alleen den dood van zijnen vader vermeld, er bijvoegend, dat hij zelf veel had doorgemaakt en bijgewoond, en hij zich op weg naar het vaderland zou begeven, waar hij hun alles uitvoeriger verhalen kon. En thans deed hij zijn verhaal, waarnaar gretig en met veel deelneming geluisterd werd.

Toen Lucy zich dien avond naar bed begaf, vroeg zij zich af, of Fred en de nieuwe neef dan nooit uitgepraat zouden raken, en de gedachte dat de preek niet gereed zou komen, vervulde haar met angst voor den volgenden morgen. Hoe lang zij ook wakker bleef liggen, steeds hoorde zij de stemmen, die uit de kamer onder de hare tot haar doordrongen; eindelijk sliep zij echter in, nog steeds achtervolgd door de gedachte aan de niet geschreven preek.

Toen zij ontwaakte in den vroegen zomermorgen, hoorde 'zij voetstappen op het portaal en vernam tevens, hoe eene stem als het ware hare gedachten onder woorden bracht.

„En uwe preek?quot;

„Die is gereed. Goeden nacht — of eigenlijk, goeden morgen.quot;

-ocr page 350-

HOOFDSTUK XXVI.

Eene preek.

„De angstkreet uwer ziel wordt door uw God

gehoord,

Die troostend antwoordt in Zyn heilig woord.quot;

C. Pennefather.

Indien John Grayson dien Zondagmorgen al geslapen had, dan was het toch maar heel kort geweest. Was het hem vroeger menigmaal overkomen, dat hij niet slapen kon door den angst en de zorgen, die hem kwelden, — nu was het juist het heerlijke gevoel van rust, dat hem had wakker gehouden.

Die vreedzame kalmte rondom hem was nog te nieuw, te wonderlijk. Het duurde dan ook niet lang, of hij sprong uit zijn gemakkelijk Engelsch bed, met het helder witte linnen, om te genieten van den heerlijken zonneschijn, die, weerspiegelend in de duizenden dauwdruppels, alles in nieuw leven deed stralen. Luide zongen de vogels den nieuw aangebroken dag een welkomstlied toe, — dien langen, langen dag, waarvan ieder uur nieuwe, onschuldige vreugde zou aanbrengen. Een kleine merel bleef in het

-ocr page 351-

335

rozenboschje vlak bij hem rustig zitten zingen, als deed zij het alleen om zijnentwil. Die vogels kenden geen vrees of angst. In dit gelukkige land heerschte de angst niet. Wel was hij ook hier re vinden, — dikwerf genoeg, want Engeland was en bleef toch nog altijd van deze aarde, — het was geen Paradijs. Hier echter was hij slechts eene schaduw, die zich tot enkele plaatsen bepaalde, geen eklips, die de geheele zon verduisterde en alle licht wegnam. Een wolk, — geen nacht, waarin alle levensvreugde onder ging.

Maar juist de heerlijke vrede rondom hem, bracht Jack te helderder voor den geest alles wat hij gezien had in dat verre land vol angst en tranen.

„Indien ik u ooit vergete, Armenië!quot; sprak hij luid tot zichzelf: „zoo vergete mijne rechterhand zichzelve! Mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke, zoo ik u niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap.quot; — „Het hoogste mijner blijdschap,quot; — dus vervolgde hij peinzend: — „dat ligt daar begraven, — dat kan nooit voor mij herleven op deze aarde. Maar ter-wille van dat graf, van die gestorven liefde, of beter nog van die liefde, die nimmer sterven kan, omdat zij eeuwig is, — daarom is het mij niet mogelijk in mijn gelukkig Engeland te blijven en voel ik mij geroepen om voor het arme Armenië te werken, geduldig wachtende op dien rustdag, dien wij allen vereenigd in ons hemelsch Vaderhuis hopen te vieren.quot;

Hoe lang hij zoo gestaan had, wist hij niet; zijn neef kwam hem eindelijk roepen voor het ontbijt, dat zij 's Zondagsmorgens altijd wat vroeger dan gewoonlijk gebruikten. Het was alsof Fred's stem haren jeugdigen, vroolijken klank, die Jack bij hun eerste wederzien zoo

-ocr page 352-

336

bijzonder had getroffen, verloren had. De sporen van den doorwaakten nacht waren op zijn gelaat zichtbaar en hij maakte nu den indruk van een man in de kracht des levens, aan wien men juist een groot verlies heeft meegedeeld. Zelfs Lucy, die hen in haar frisch Zondagsgewaad opwachtte, voelde dat hun iets droevigs boven 't hoofd hing, maar hare gedachten waren te zeer in beslag genomen door hare Zondagsschool, om er lang bij te blijven stilstaan.

„Gaat gij mede naar de kerk?quot; vroeg Frederik zijn gast.

Jack zag hem verwonderd aan bij die vraag. „Natuurlijk,quot; zei hij: „waarom zou ik niet gaan?quot;

„Omdat ik moet spreken over een onderwerp, dat u slechts pijnlijk kan aandoen, maar ik kan het niet laten. Gij hebt mij zelf de stof voor mijn onderwerp van hedenmorgen gegeven.quot;

Niettegenstaande deze waarschuwing voegde John Grayson zich bij den stroom der kerkgangers: vaders en moeders, jongelingen en jongedochters, traden allen vol eerbied het gebouw binnen, terwijl de leerlingen der Zondagsschool vroolijk de voor hen bestemde plaatsen innamen. Hoeveel gemengde gewaarwordingen maakten zich van hem meester, toen hij in de oude dorpskerk om zich heenzag. Mooi was zij niet, ook ontbraken alle versieringen er aan, maar toch deed de kalmte binnen die gewijde muren hem weldadig aan. Wat hem het meeste trof, was het helderwitte kleed op de Tafel des Heeren, waaruit hij dadelijk bemerkte, dat heden het Avondmaal zou worden bediend. Nog nimmer had hij er in de kerk zijner vaderen aan deelgenomen, maar het kwam even weinig in hem op te twijfelen of hij wel het recht had mede aan te zitten,

-ocr page 353-

337

als een kind zal aarzelen aan zijns vaders tafel plaats te nemen, omdat die in een andere kamer gedekt is dan gewoonlijk. Met onuitsprekelijke vreugde zag hij de plechtigheid tegemoet, en zijne blijdschap was niet minder groot, toen hij zijne stem, ofschoon bevende van aandoening, weer met alle aanwezigen kon vereenigen in die bekende en geliefde gebeden, die in de ooren van elk Engelschman even welbekend klinken als het luiden der kerkklokken zelf.

Nu betrad zijn neef den kansel. Uit zijn geheele optreden sprak een ernst, die, hoe jong hij ook was in jaren, hem aanstonds deden kennen als een, die sprak van wat hij gezien had.

Hij las zijn tekst voor. „Een Naam welke is boven allen naam,quot; — en liet daarop eene heldere en eenvoudige uitlegging volgen, die van grondige studie getuigde.

Onwillekeurig dwaalden Jack's gedachten af van de woorden, die hij hoorde naar den spreker, en weer van den spreker naar alles wat hem omgaf. Het was hem vroeger zoo bekend geweest, en nu kwam alles hem zoo ongewoon en vreemd voor, totdat eensklaps zijn oor getroffen werd door dit woord:

„Broeders en zusters, hebt gij er u wel eens rekenschap van gegeven, welk een wondervol iets de liefde is, door Christus gewerkt? Verstaat mij wel. Ik bedoel hier niet de liefde, waarmede Christus ons liefgehad heeft, maar de liefde, waarmede wij Hem liefhebben, zooals ik zou spreken van de liefde voor ons vaderland, de liefde voor onze vrienden. Ik kan niet nalaten te erkennen, dat de liefde, die in een menschenhart voor Christus gewekt wordt, een mysterie is, nauwelijks minder groot en verheven, dan het grootste en verhevenste mysterie zelf, — de liefde van Christus voor den mensch. En dat verhevenste mysterie

Aan den Euphraat 22

-ocr page 354-

338

leeren wij eerst recht verstaan door het minder verhevene. De zon is te schitterend om rechtstreeks in haar licht te staren, daarom richt zich ons oog op haar spiegelbeeld in dauwdrop en stroom. De hoogte van een berg kunnen wij bepalen door zijne schaduw; zoo kunnen wij ons een flauw denkbeeld vormen, hoe „Hij ons eerst heeft liefgehad,quot; door gade te slaan hoe door alle eeuwen heen. Zijne martelaren Hem liefgehad hebben.

Denkt het u in. Jezus Christus heeft gedurende drie en dertig jaren, of iets korter, geleefd op een klein plekje van dezen aardbodem, welks grenzen Hij nimmer overschreden heeft. Van die weinige jaren heeft Hij er nog dertig: doorgebracht in alle stilte en verborgenheid; slechts gedurende drie jaren was Hij algemeen bekend, om toen Zijn loopbaan plotseling, door een gewelddadigen dood te eindigen. Nimmer heeft Hij iets neergeschreven, nooit genootschappen opgericht, en geene eigenlijke school gevormd; alleenlijk heeft Hij geleerd, geleden en liefgehad. En toch, wat is sedert die tijden, Zijn Naam geweest voor de gansche wereld? En wat is Hij thans nog op de geheele aarde ?

Gij zult mij misschien antwoorden: „Het is de Naam van den stichter van onzen godsdienst, en daarom houden wij Hem in eere.quot; Dat is gedeeltelijk waar; doch voor duizenden bij duizenden is Hij oneindig veel meer. Voor hen is het de Naam van hun liefsten, dierbaarsten, ge-trouwsten persoonlijken vriend, de Naam van Hem, Dien het hunne grootste vreugde is, te mogen dienen; en hun hoogste verlangen is Hem bij hun sterven te zullen aanschouwen.

En nu mijne vrienden: Er is een liefdeblijk, dat, terecht, het hoogste geacht wordt. „Niemand heeft meer liefde dan

-ocr page 355-

339

deze, dat iemand zijn leven stelle voor zijne vrienden.quot;

Vrijwillig, juichend zelfs, zijn velen in den dood gegaan voor den Naam van Christus. Zij, die Hem alzoo het hoogste bewijs hunner liefde geschonken hebben, noemen wij Zijne martelaren of Zijne bloedgetuigen. Gij zult zeggen, dat ook andere namen, andere godsdiensten en andere zaken zelfs, eveneens hunne martelaren gehad hebben. Ik weet het; en ik ben overtuigd, dat al het bloed der zelfopofferende liefdé, waarvan wij oppervlakkiglijk zouden meenen, dat het tevergeefs gevloeid heeft, zich nooit zoo diep in de aarde verliest, dat het onopgemerkt zou blijven voor het oog van Hem, die zoekt wat verloren gaat. Maar ik geloof ook, — neen, ik weet het zeker, — dat de martelaren voor Christus een zeer bijzondere plaats innemen door de grootheid van hun aantal, meer nog door den vrede en de blijdschap, die in lijden en sterven hun deel waren en door de bezielende kracht hunner liefde tot Hem, voor Wien zij hun leven gaven.

Meermalen heb ik tot u gesproken over de martelaren in vroegere eeuwen. Dikwerf gebeurde dit als ondanks mij zeiven, — omdat ik hen zoo liefheb. De verhalen van hun geloof en hun moed hebben sinds mijne vroegste kinderjaren mijn hart steeds zoo diep getroffen. Maar gt; nimmer heb ik gedacht, of zelfs kunnen vermoeden, dat terwijl ik zoo sprak, thans nog, ten huldigen dage, aan het einde onzer negentiende eeuw, die boogt op hare verlichting en beschaving, — in onzen tijd groot in werken van Christelijke liefde en barmhartigheid, — dat thans nog nieuwe legioenen door bloed en vuur voorwaarts treden om het heilige leger der martelaren voor Gods Woord te vergrooten.quot;

Bij deze woorden zag men, hoe het grijze hoofd, in de

-ocr page 356-

340

bank dicht bij den preekstoel, dat tot hiertoe onbewegelijk voor zich gestaard had, plotseling werd opgeheven; en de oogen, die zooveel ellende en zielsangsten aanschouwd hadden, wierpen den spreker een blik toe, die hem bijna de kracht benam om met bedaardheid voort te gaan. Na eene nauw merkbare pauze echter vervolgde hij:

„Het lezen der korte verslagen aangaande de gruwelen in Armenië, heeft velen van ons met diepe smart vervuld, - eene smart die te grooter werd door het gevoel onzer machteloosheid om te helpen. Thans, nu ik uit den mond van een ooggetuige, die mede hier aanwezig is, eene uitvoerige beschrijving gehoord heb van een der tal-looze moordtooneelen, voel ik mij gedrongen te verklaren dat, indien gij alles wist, uwe smart oneindig veel grooter zou zijn. Zelfs de vreeselijkste onder de aangrijpende verhalen die wij gehoord hebben, geven geen flauw denkbeeld van de werkelijkheid. Neen, niet de helft zelfs, van al die afschuwelijke tooneelen, heeft men ons aangezegd.quot;

Toen begon hij, zoo kort en zoo kalm als het hem mogelijk was, een overzicht te geven van alles, wat bij het bloedbad te Urfa was voorgevallen, waarna hij ook den brand in de Cathedraal beschreef, zooals John Grayson hem het verhaal er van gedaan had.

„Ik wil u niet noodeloos schokken,quot; vervolgde hij: „door langer bij die gruwelen stil te staan. Ik heb u alleen gesproken van den dood dier ongelukkigen, niet van de martelingen, die zij hebben ondergaan. Slechts vluchtig sprak ik u van wat mannen, wat onze broeders daarginds hebben geleden. Maar ach, als wij denken aan onze zusters, dan zijn geen woorden bij machte om u de ontzettende zielsangsten te beschrijven dier hulpelooze vrouwen. Ik durf zelfs niet zinspelen op de gruwelen, die mij werden

-ocr page 357-

341

medegedeeld, en die zij te lijden hebben. Maar éen ding wil ik nog zeggen tot de zusteren onder ons; dankt heden avond God op uwe knieën, dat Hij u als Engelsche vrouwen deed geboren worden!

Vergeet niet, dat ik rhans slechts van Urfa gesproken heb, en dat Urfa nog maar éene stad is onder de vele in Armenië. Dezelfde gruwelen hebben plaatsgehad in Sassoen, in Marasch, in Diarbekir, in Melatia, in Kharpoet, in Van, in Erzeroem, en in honderden andere steden en dorpen, waarvan gij de namen zelfs nimmer gehoord hebt.

Het land, dat door zijn buitengewone vruchtbaarheid en schoonheid een aardsch Paradijs zou kunnen zijn, zal nu weldra herschapen wezen in een verlaten, doodsche wildernis.

„Maar, prediker van het Evangelie,quot; zoo antwoordt gij mij; „die folteringen zijn gruwelijk, — die moord-tooneelen ongehoord, — doch al dat lijden alleen maakt deze ongelukkigen nog niet tot Christelijke martelaars. Daartoe behoort méér, dien eerenaam verkrijgen slechts zij, die hun leven opgeofferd hebben voor hun geloof in Christus.quot; Gij hebt gelijk. Doch gij geeft mij dan ook toe, dat hij die weigerde zijn leven te redden door de afzwering van dat geloof, de martelaarskroon verworven heeft. Welnu, talloos vele Armeniërs hebben die vuurproef doorstaan, en in het hevigste lijden zijn zij standvastig gebleven. Op enkele plaatsen verlangde men niet anders van hen, dan dat zij éen zin van de Mahomedaansche geloofsbelijdenis zouden nazeggen, zelfs is het voorgekomen, dat men hun niet anders voorstelde, dan het opheffen van éen vinger als teeken van instemming, maar toch zijn er overal mannen, vrouwen en kinderen gevonden, die liever den dood en de wreedste folteringen ondergingen, dan

-ocr page 358-

342

die enkele woorden uit te spreken of dat teeken te maken. Zal ik er u nog voorbeelden van aanhalen ? Moet ik u nog vertellen van dien ouden, eerwaardigen grijsaard, den Aartsbisschop der Oud-Armenische kerk, wien men eerst de handen, en daarop de armen afhieuw, maar dien niets kon scheiden van zijn Heiland, en die stervende nog de Geloofsbelijdenis opzei? Moet ik u verhalen van dien student in de Godgeleerdheid, die zijn beulen fler, zonder een oogenblik aarzelens, antwoordde: „Neen, het is niet buiten Gods voorzienigheid omgegaan, dat ik op dezen oogenblik voor u sta, — ik zweer mijn geloof niet af;quot; — en dien men toen langzaam, op de wreedste wijze, in stukken hakte? Moet ik u nog meedeelen hoe een klein meisje, nauwelijks twaalf jaar oud, tot den Muzelman zeide: „Ik geloof in Jezus Christus, Hij is mijn Heiland, Hem heb ik lief. Ik kan niet doen, wat gij mij vraagt, ook al zoudt gij er mij om dooden?quot; Of van een ander, van denzelfden leeftijd, dat haar jongere broertje omhelsde toen de moordenaars binnentraden en met een gezichtje van vreugde stralend, uitriep: „Wij gaan naar Jezus. Wij zullen dadelijk bij Hem zijn!quot;

De tijd zou mij ontbreken, wilde ik u al die voorbeelden van moed en trouw mededeelen; talloos velen gingen zoo hun einde tegemoet.Eén ding staat echter vast. Zoowel van hen, die in deze dagen voor den Naam van Christus lijden, als van hen die in de vroegste tijden, of in de zestiende eeuw, of welke eeuw ook, voor Hem geleden hebben, — van die allen geldt dit woord: „in het midden des vuurs is met hen Eén, den Zone Gods gelijk.quot;

Na eene korte pauze ging de prediker voort: „Bij het aanschouwen van zooveel lijden dringen zich onwillekeurig twee vragehjian ons hart op: „Wat doet Christus hier?quot; en

-ocr page 359-

343

„Wat kunnen wij doen?quot; Het helpt niets, dat die eerste vraag door ons niet gesteld mag worden. Wij weten allen bij ondervinding, dat het menigmaal geheel zonder gevolg is, of wij ons arm, lijdend menschenhart ook al voorhouden, dat wij tevreden moeten zijn met hetgeen wij weten en gelooven van Zijne geestelijke tegenwoordigheid bij Zijn volk. Gode zij dank. Hij bestrafte Zijn profeet niet, toen deze in de ure der beproeving zich aan Zijne voeten neerwierp met den wanhoopskreet; „Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere! Wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uwe oordeelen met U spreken.quot; Evenmin als dien anderen, die tot Hem sprak; „Gij zijt te rein van oogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, waarom zoudt Gij aanschouwen, die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddelooze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?quot;

Voorwaar, indien wij ons neerwerpen voor Zijne voeten, voor die voeten, om onzentwille doorboord, — dan is er geen enkele vraag, die wij niet tot Hem mogen richten.

Welaan, wat doet Christus dan nu? Hij die in heerlijkheid zit aan de rechterhand des Vaders, Hij ziet al deze ellende aan en Hij laat haar voortduren. Het is waar. Hij ondersteunt hen, die lijden; Hij sterkt en troost de onge-lukkigen telkens opnieuw, maar toch, — Hij laat al die gruwelen voortduren. „Hoe kan Hij het aanzien?quot; vragen wij ons onwillekeurig af. Naar mijn oordeel kan daarop slechts éen antwoord volgen, namelijk, dat eenmaal een dag zal aanbreken, waarop zij, die voor Hem geleden hebben, en ook wij, het „waaromquot; van dit alles zulleh zien. Dan zullen wij de wegen des Heeren kunnen doorgronden, want dan zullen wij zien het doel, waarheen ze voerden.

-ocr page 360-

344

Wat de martelaren, waarvan ik u verhaalde, aangaat: met hen is alles wèl. „Die uit de groote verdrukking komen, zijn voor den troon van God, en dienen Hem nacht en dag in Zijnen tempel.quot; Maar niet allen in dat ongelukkige land zijn reeds daar, en hebben den doodsstrijd volstreden. Duizenden bij duizenden leven er nog, van alles beroofd, worden gefolterd, lijden honger en dorst, kwijnen weg in de afschuwelijke Turksche gevangenissen, of, wat nog het ergste is van alles, worden gevangengehouden in de harems.

Mijdunkt, dat hiermede het antwoord gegeven is op de tweede vraag: „Wat kunnen wij voor hen doen?quot; — Wanneer wij bedenken, dat die ongelukkigen lijden om hun geloof in hunnen, — in onzen Heiland, — welk offer zou ons dan te groot zijn, — welke schatten te kostelijk, om niet met een gewillig hart aan te brengen en hen ter hulp te snellen ?

Wat kunnen wij doen? — Ik spreek hier niet tot hoog-geplaatsten, die door hun invloed op de regeering en regeeringspersonen, veel zouden kunnen doen, noch tot hen, die door woorden, tintelend van geestdriftige overtuiging de tot nu toe onverschilligen tot luisteren konden dwingen. Het is nutteloos hun voor te houden, wat zij hadden moeten doen, of nog in 't werk konden stellen! Dat hun geweten spreke! Ik richt mij tot de eenvoudigen onder ons, want ook van ons zal eenmaal worden afgevraagd, wat wij gedaan hebben.

Er zijn nog duizenden kleine kinderen, ouderloos achtergebleven, omdat hunne vaders en moeders, slechts al te vaak door de poorten van het martelaarschap, tot God gegaan zijn. Zij zwerven nu eenzaam, van alles beroofd, rond. Zij komen om, indien zij niet door den een of

-ocr page 361-

345

anderen Mahomedaan worden opgenomen, die hen het geloof zal leeren haten, waarvoor hunne ouders het leven gaven. Deze kunnen wij redden.

Er zijn duizenden arme weduwen eenzaam en van alles beroofd achtergelaten; elk harer heeft haar eigen lijdensgeschiedenis en wenscht wellicht voor zichzelve niets anders dan een rustig hoekje om het hoofd neerteleggen en hereenigd te worden, met hen, die haar dierbaar waren. Maar haar strijd is nog niet volstreden; zij moeten nog slaven en zwoegen voor haar dagelijksch brood, al was het alleen maar terwille van hen, die nog van haar afhankelijk zijn. Haar kunnen wij ter hulpe komen.

Dan zijn er nog duizenden rampzalige mannen, die alles verloren hebben, hun huis, hun werk, hunne gezondheid, en die der wanhoop nabij zijn door al wat zij hebben gezien en geleden. Aan 'hen kunnen wij trachten de hoop te hergeven.

Nog een enkel woord. Wij hebben gesproken over de heerlijkheid van den Naam van Christus, — dien Naam, Dien wij onzen kleinen leeren stamelen, dien Naam, Die ons dierbaarder is dan elke naam, — dien Naam, die op de lippen zweefde van allen, die om Zijnentwil gedood zijn, en die leeft in het hart van al de lijders, die er nog zijn overgebleven. En in Dien Naam nu, vragen zij onze deelneming en onze hulp.

De om Zijns Naams wil gedooden zijn bij God den Vader bekend, hun stof rust veilig in Zijne hoede, al ligt

het ook vaak onbegraven ten bodem.....Aan ons liet Hij

de levenden achter. Zij kunnen nog door ons gered worden. Zijt gij bereid u over hen te ontfermen, om Zijns Naams wil?quot;

Hierop sprak de predikant de gewone zegenbede uit.

-ocr page 362-

346

daalde van den preekstoel af, en begon naar de voorgeschreven volgorde der Engelsche kerk, de slotgebeden te lezen. Het eerst kwam dat schoone gebed „voor de geheele strijdende gemeente van Christus op deze aarde.quot; Bijzonder plechtig, met eene van aandoening trillende stem, las hij verder, totdat hij kwam bij de woorden: „Wij bidden U en smeeken van Uwe goedheid, o God, dat Gij troosten wilt en steunen, allen die in dit aardsche leven te kampen hebben met moeite, ziekte, honger, zorg of welken tegenspoed ook.quot; Even haperde zijn stem, maar weldra vervolgde hij met volle kracht: „En wij loven Uwen heiligen Naam, ook voor al Uwe dienstknechten, die in het geloof in U en in Uwen dienst uit dit leven zijn weggenomen.quot; Hier werd hij door zijn gevoel overmeesterd en éen oogenblik hield hij op. Voor zijn gehoor, reeds zoozeer onder den indruk zijner woorden, was dit te veel. Men hoorde een onderdrukten snik, — toen nog een en nog een, tot alle hoofden zich weenende bogen, als de korenaren, wanneer de wind daarover gaat.

Het duurde slechts eenige oogenblikken. Toen herstelde de spreker zich en vervolgde den dienst. Bijna de geheele gemeente schaarde zich dien dag om de Tafel des Heeren, en meer dan ooit te voren gevoelden zij in het breken des broods en het drinken van den drinkbeker, den band der gemeenschap met de verstrooide en lijdende leden van het lichaam dés Heeren.

Dienzelfden avond zeide John Grayson tot zijn neef: „Gij zult natuurlijk begrepen hebben, dat ik naar Armenië terugga; — ik zal echter een anderen naam moeten aannemen.quot;

„Ik ga met u,quot; antwoordde Frederick Pangbourne kalm.

-ocr page 363-

347

„Gij!quot; — Jack's hart sprong op van blijdschap bij die woorden.

„Zou ik niet? Hier zijn arbeiders genoeg. Reeds menigmaal heb ik er over gedacht mij aan het Zendingswerk te wijden, en ik zie thans, dat mijn weg daarheen leidt. Zou er wel eenig veld te vinden zijn, waar men zooveel behoefte aan werkkrachten heeft?quot;

Jack kon niet antwoorden; de overgroote blijdschap benam hem de spraak. Wat zouden zij beiden, schouder aan schouder, niet kunnen doen! Zijn fortuin, dat hij toch reeds besloten had, met Fred te deelen, zou dan geheel ten dienste der goede zaak komen!

Frederick vervolgde; „Herinnert gij u niet den kreet, die uit tien duizend harten opsteeg, toen Peter van Amiens de geheele Christenheid opriep om het Heilige Graf aan de handen der Muzelmannen te ontrukken? „Dieu le veut!quot; — „God wil het!quot; — Gorden ook wij ons niet evenzeer aan tot een strijd voor het Kruis, nu wij willen trachten, niet des Heeren ledig graf, maar de levende, lijdende leden Zijns lichaams uit de macht Zijner vijanden te bevrijden? — Zoo zeggen dan ook wij op onze beurt: „God wil het!quot; — en Hij zal met ons zijn!quot;

-ocr page 364-

NASCHRIFT.

Met de grootste zorg is er naar gestreefd, om in al het voorafgaande de feiten volmaakt naar waarheid weer te geven. Al hetgeen van de moordtooneelen en hunne bijkomende omstandigheden is medegedeeld, werd ontleend, bf aan openbaar gemaakte, volkomen vertrouwbare bronnen, bf aan de verhalen van geheel geloofwaardige ooggetuigen.

Bij het verhaal van de gruwelen te Urfa en van den brand in de Cathedraal, is gebruik gemaakt van de oiiicieele verslagen van den Vice-Consul Fitzmaurice; slechts aangevuld door de bijvoeging van eenige bijzonderheden, medegedeeld door personen, die daar ter plaatse aanwezig waren.

\ooral in één opzicht hebben wij gezorgd de striktste waarheid in acht te nemen. Alle voorbeelden die aangebracht zijn, van wat men met recht martelaarschaj) mag noemen, of van den moed, het geloof, het geduld en de toewijding der bloedgetuigen zijn volkomen waar. De geschiedenissen van Stepanian, van Thomassian en diens vrouw, van de Selferians, van Anna Hanum, van Gabriël, van Hohanian enz., geven alle de zuivere waarheid weer; alleen de namen zijn veranderd.

Die verandering van namen was uit den aard der zaak noodig. Maar iedereen, die op de hoogte is van de toestanden in Armenië, zij het ook nog zoo weinig, zal de heldhaftige vrouw herkennen, aan wie wij den naam gaven van zuster Celandine. Wij vreezen, dat wij niet voldoende recht konden doen wedervaren aan het merkwaardige karakter van den tot martelaar verheven predikant Stepanian. De bijzonderheden van zijn dood evenals die van het lot zijner kinderen zijn zoo juist en getrouw mogelijk weergegeven, terwijl de denkbeelden en zienswijze aan hem toegeschreven, ja zelfs de verklaringen, voorbeelden en ophelderingen, die daarbij gebruikt zijn, werkelijk

-ocr page 365-

349

de zijne waren. De eenige kleine afwijking van bekende feiten, is geweest, toen wij als waarheid hebben aangenomen, dat de plotselinge dood, zonder strijd of lijden — waarvoor zij, die hem liefhadden, Gode dankten — (een hunner stortte zelfs bij het vernemen er van de eerste tranen, die het haar mogelijk was te vergieten) hem werd toegebracht door de hand van een goed-gezinden Turk.

Nog moeten wij ons verontschuldigen wegens eene onvolledigheid. Het bestaan van eene Protestantsche kerk met een predikant te Biridjik, gedurende het tijdperk, waarvan deze bladen de geschiedenis bevatten, hebben wij verzwegen en dat niettegenstaande het lijden van dien predikant en van zijn huisgezin bij de daar gepleegde gruwelen op zich zelf reeds stof genoeg zou leveren voor een hartroerend verhaal. Maar wij wensehten hier een indruk te geven van de Gregoriaansche Kerk en van het Armenische volk, zooals zij op zichzelf staan, ook buiten den invloed van vreemdelingen om. Ons geheele streven was, voornamelijk te doen uitkomen, wat ook geheel overeenkomstig de waarheid is, dat de Gregorianen en Protestanten met juist denzelfden heldenmoed en dezelfde toewijding voor den naam van Christus gestorven zijn.

Toch is het ons niet mogelijk geweest, in één enkel opzicht de waarheid geheel getrouw weer te geven. Het is ten eenen-male ondoenlijk om de allerergste vormen van die afschuwelijke misdaden te beschrijven. Wanneer wij alles hadden medegedeeld, wat ons bekend is, dan zouden wij juist daardoor niet het doel hebben bereikt, waarvoor wij dit werk schrijven, — want geen mensch zou den moed hebben deze bladzijden ten einde toe te lezen. Daarom is het noodzakelijk geweest de martelingen —-de wreedste die men zich denken kan, de gruwelijkste en meest stuitende folteringen, — te omsluieren met een waas van algemeenheden; en schanddaden, erger dan de afgruwelijkste marteling, bijna geheel te verbergen achter den nog dichter sluier der stilzwijgendheid. Om onder woorden te brengen wat tal van onze zusters daarginds hebben doorgemaakt, zon vreese-lijker zijn, dan de beschrijving van haar doodstrijd; maar is

-ocr page 366-

350

het toch aan den anderen kant niet onvergeeflijk en laf, om er het zwijgen over te bewaren?

Wij hebben getracht in de voorgaande bladzijden zoo te spreken en zoo te zwijgen, en bovenal het afgrijselijke der begane wreedheden zoo ondergeschikt en dienstbaar te maken aan de glorie van het martelaarschap, dat het teederste, het meest fijngevoelige gemoed er niet te pijnlijk door getroffen wordt. Er is inderdaad veel ter verontschuldiging aan te voeren, voor teerhartige lezers, die zeggen/zooals helaas maar al te vaak gebeurt: „Wij willen over dit onderwerp niets meer lezen, wij willen er niet meer aan denken. Het is al te vreeselijk, ons leven is reeds vol van zorgen en plichten, misschien ook van Christelijke werkzaamheden. Wij kunnen dezen last er niet meer bij op de schouders nemen. Wij zouden er onder bezwijken!quot;

Dit alles is verklaarbaar en in enkele gevallen zelfs te billijken. Maar het is nimmer te rechtvaardigen, wanneer zij, die op deze gronden weigeren de zaak verder te onderzoeken, haar tegelijkertijd veroordeelen, zich met minachting van haar afwenden, en hetzij uit ongeloovigheid of onverschilligheid de getuigenis verwerpen van hen, die het wèl gewaagd hebben neer te dalen in dien poel van menschelijke ellende, en die thans vervuld zijn van zorg en smart, zoodat zij slechts troost en verlichting kunnen vinden in hunne pogingen, om althans de in leven gebleven slachtoffers ter hulp te komen.

Men behoort dus, of de getuigenissen en de feiten zelf te onderzoeken, of indien men daartoe niet geneigd is, de gevolgtrekkingen te aanvaarden, waartoe zij gekomen zijn, die zich wèl de moeite getroost hebben om alles te onderzoeken.

In het eerste tijdperk van dit groote treurspel werden velen misleid, door de verslagen afkomstig uit de officiëele Turksche bronnen, en zulks is volkomen verschoonbaar. Als bewijs daarvan halen wij slechts één voorbeeld aan. Het is eene proclamatie, in 1896 door den Sultan aan den Engelschen gezant toegezonden, toen het bloed der duizenden ongewapenden en weerloozen, die bij de slachting te ürfa vielen, nog ten hemel schreide:

-ocr page 367-

351

„Dat de Armeniërs overal en ten iillen tijde de aanvallers zijn geneest; dat de Muzelmannen in hunne moskeeën gedurende hunne gebeden werden aangegrepen; dat zij nameloos vele wreedheden hebben verduurd van de Armeniërs, daar dezen in het bezit waren van Martini geweren, dynamiet en bommen, terwijl de Mahomedanen tot hunne verdediging slechts over oude, verroeste vuurwapenen konden beschikken.quot;

Ware Pascal nog in ons midden, dau zou hij zeker zijn alom bekend „Mentiris Impudentissimequot; niet uitsluitend het Jesuitisme hebben toegevoegd.

Gelukkig is de waarheid thans bekend geworden. Kortelijk kan zij worden samengevat in de woorden van Victor Berard, een beroemd Franschman, grondig bekend met Oostersche toestanden, die zich gewijd heeft aan het onderzoek van den geheelen loop der gebeurtenissen, en de vruchten van dien arbeid heeft openbaar gemaakt in een werk genaamd „La Politique du Sultan.quot;

„Naar de vaste overtuiging,quot; zoo schrijft hij, „en volgens de uitspraak van allen, Christenen en Mahomedanen, jong en oud. Turken, Grieken en Bulgaren, inboorlingen en vreemdelingen, is en blijft de Sultan zelf de ontwerper en de aanvoerder van alles, wat in de laatste twee jaren werd bedreven.quot;

„Iedereen weet dit en iedereen spreekt het uit; „Hij heeft het verlangd, hij heeft het bevolen. De Meester heeft ons toegestaan de Armeniërs te dooden.quot; En deze vergunning heeft aan meer dan driemaal honderdduizend menschen het leven gekost. Want hoevelen zijn er voor en na de groote moordtooneelen nog in het geheim vermoord? Behalve „de fusillades en massequot;, hoeveel verborgen doodslag, sluipmoord, dolksteken en andere misdaden zijn er nog bedreven?quot;

„En hoevele vrouwen, kinderen en grijsaards, behalve zij die vermoord werden, komen om van gebrek temidden der verwaarloosde en onbebouwd gebleven akkers, of in de dorpen, besmet door de lucht der onbegraven lijken, of door de pesten cholera-epidemieën, die haast onafgebroken sedert 1895 Turksch-Armenië geteisterd hebben!quot;

-ocr page 368-

353

Zonder overdrijving kunnen wij de volgende berekening n»aken;

Sedert 1 Juli 1894 zijn meer dan 500 Armenische gemeenten uitgeroeid of hebben tenminste opgehouden te bestaan. Enkelen onder hen, zooals de gemeenten te Konstantinopel en te Sas-soen telden meer dan vijf duizend dooden. Het cijfer 3000 werd meermalen bereikt, zooals in Malatia, Diarbekir en Arab-kir, terwijl dat van 1000 bijna regel was en het getal 300 overal overschreden werd. Bovenaan de lijst staat Van met 10.000 slachtoffers. Wanneer wij een gemiddeld cijfer van 500 dooden aannemen, blijven wij verre beneden de werkelijkheid, en toch geeft dit voor de 500 gemeenten, die getroffen zijn, nog een aantal van 350.000 dooden.

Hoe ia het mogelijk, vragen wij ons af, dat iemand in een tijdperk van vollen vrede zulk een plan heeft kunnen beramen, en hoe is het mogelijk, dat hij het onder de oogen van geheel Europa heeft kunnen ten uitvoer brengen?

Wij behoeven er nog slechts op te wijzen, dat de personen daar ter plaatse aanwezig, deze cijfers verre heneden de waarheid achten.

Een gebruikelijke wijze'om zich met een paar woorden van de zaak af te maken, is het gezegde: „De Armeniërs zijn al even slecht als de Turken.quot; Of dit nu al dan niet de waarheid is, heeft, op dit oogenblik althans, met de zaak zelve niets te maken. Indien wij een man zien vermoorden, wachten wij niet om eerst een onderzoek naar zijn karakter of zijn verleden in te stellen, alvorens hem te hulp te komen. Zelfs al waren de Armeniërs het diepst gezonken ras ter wereld, en de Turken1' (oorspronkelijk) het edelste, dan nog zou er geen reden bestaan om den Turken te vergunnen de Armeniërs op allerlei wijzen te kwellen, te martelen en te vermoorden.

Doch indien men met de bovenaangehaalde woorden bedoelt, dat de Armeniërs evenzeer te laken zijn als de Turken, en dat zij minstens evenveel schuld hebben aan het ontstaan der onlusten als de Turken, dan zou daarin eenige verontschuldiging liggen als .... ze waarheid bevatten. Maar dit doen zij in geen enkel opzicht. Ziehier de getuigenis van Dr. Lepsius, die de geheele kwestie nauwkeurig bestudeerd heeft;

-ocr page 369-

353

„De Armeniërs zijn niet te laken. Zeker zou het geen wonder geweest zijn, wanneer het Armenische volk, dat reeds sedert jaren en jaren weerloos is blootgesteld aan de stelselmatige politiek van! verdelging van de zijde der 1'orte, dat is overgeleverd aan allerlei onrechtvaardigheid van den kant der Turksche overheid, aan alle soorten van geweld hunner Koerdische landeigenaren, aan alle mogelijke afpersing der belastingambtenaren en bovendien aan eene volslagen onwettige rechtspleging, ware opgestaan tot een laatste wanhopige worsteling tegen het ijzeren juk der dwingelandij. In werkelijkheid was het hun echter totaal onmogelijk een algemeenen opstand te bewerkstelligen. Ten eerste omdat de Armeniërs, hoewel zij in verscheidene districten een belangrijk deel der dichte bevolking uitmaken, geenszins overal in de meerderheid zijn, althans niet in de provinciën, waarvan hier sprake is; en zij daarenboven dooide wet, die aan de Christenen het dragen van wapenen verbiedt, terwijl zij dit aan de Mahomedanen wel toestaat, ten eenenmale weerloos gemaakt worden. Inderdaad heeft geen enkel Armeniër er ooit aan gedacht iets te vragen, dat ook maar geleek op zelf regeering. Het eenige, waarop zij hunne hoop gevestigd hadden was, dat de wetsherziening zou worden ingevoerd, die achttien jaar geleden door de Christen-mogendheden gewaarborgd was en welke aan de Armeniërs tenminste een dragelijk bestaan scheen te beloven. In het geheele uitgestrekte district, waar de gruwelen hebben plaatsgehad, is hot ons, niettegenstaande de uitvoerigste inlichtingen en het volledigste onderzoek, niet gelukt, eenige beweging (behalve die te Zeitoen) te ontdekken, die men eenigszins kon beschouwen als poging tot opstand.

Het is den regeeringscommissarissen niet mogelijk geweest eenige daad van uittarting van de zijde der Armeniërs op te sporen, en waar van zulke daden melding gemaakt werd door de Turksche overheid, heeft het officieele rapport steeds de onwaarheid dezer beweringen duidelijk bewezen.

Ziehier wat te Zeitoen gebeurd is. De Armenische bergbewoners van den Anti-Taurus, verschrikt door de geruchten, die Aan den L'uphraat 23

-ocr page 370-

354

hen bereikten, over de moorden in de naburige provincies, vluchtten bij duizenden, veiligheid zoekend, naar Zeitoen, eene natuurlijke vesting, temidden der bergen gelegen. In de omstreken van die stad liggen meer dan honderd dorpen, uitsluitend door Armeniërs bewoond, welke eveneens Zeitoen binnendrongen.

Niet ver van de stad verwijderd, was eene Turksche citadel, waar een garnizoen van ongeveer 600 man lag. Toen de Armeniërs vernamen, dat men voornemens was, dat garnizoen belangrijke versterkingen toe te zenden, en men een aanval beraamde op het weerlooze volk te Zeitoen, besloten zij hun zoo mogelijk voor te zijn.

Zij wapenden zich zoo goed als zij konden, (het was den Turken nooit gelukt de bergbewoners in dat district van hunne wapenen te berooven, en bovendien wisten zij, zoo goed en zoo kwaad als het ging, zelf allerlei middelen tot verdediging te vervaardigen) en bestormden de citadel. Zij dwongen het garnizoen zich over te geven, voordat de versterkingen, die op weg waren, hen bereikten. Daarop versterkten zij de vesting en verdedigden haar, gedurende den geheelen winter, tegen een leger van 80.000 man, dat tegen hen werd afgezonden.

De uitslag dezer worsteling heeft de Armeniërs volkomen gerechtvaardigd, wanneer wij tenminste bereid zijn hun recht van zelfverdediging te erkennen. De Europeesche consuls traden eindelijk tusschenbeide en verkregen voor de dappere Zeitoeners niet alleen eervolle vredesvoorwaarden, maar bovendien algeheele vergiffenis. Men dient hier echter aan toe te voegen, dat de plechtige beloften, door de Turken gegeven, op de schandelijkste wijze gebroken werden en dat niet minder dan 3730 inwoners van Zeitoen over de kling werden gejaagd.

Maar zijn er dan geen Armenische revolutionaire comités, geen Armenische omwentelingsgezinden, die in het geheim allerlei duistere plannen smeden, bommen werpen en meer zulke wanhopige daden bedrijven?

„Zeer zeker waren er enkele omwentelingsgezinden in Armenië,quot; zegt Dr. Lepsius wederom, „en in enkele steden in het buitenland bestaan ook nu nog revolutionaire Comités. De mensche-

-ocr page 371-

355

lijke natuur zou wel geheel veranderd moeten zijn, als er geene gevonden werden, en het is alleen te verwonderen, dat hun aantal zoo klein is, en dat hunne werkzaamheden van zoo weinig belang zijn.

In elk geval is de ïurksche Eegeering veel aan hun bestaan verplicht en is zij zeer tevreden, dat zij niet geheel uitsterven, want wie zou in dat geval tot geschikt voedsel strekken voor de gereedstaande kanonnen?

De uitgever der „Christliche Weltquot;, Igt;r. Rade, heeft reeds herhaaldelijk met nadruk gewezen op den onzin, die alom in de Europeesche bladen over de omwentelingscommités enz. wordt verspreid, en terecht heeft hij de onbegrijpelijke licht-geloovigheid van onze dagbladen en hunne lezers ten sterkste veroordeeld.quot; (Men verlieze hierbij niet uit het oog, dat Dr. Lepsius in het Duitsch en voor Duitschers schrijft.)

Waarlijk, de Armeniërs en hunne vrienden zouden gaarne willen weten, welken weg zij dan zouden moeten inslaan, om zich de sympathie van Europa te verzekeren. Wordt een volk aangevallen, dan staan drieërlei wegen open. Zij kunnen zich onderwerpen, weerstand bieden of vluchten. Vluchten is den Armeniërs onmogelijk gemaakt door het strenge verbod om het land te verlaten; de enkelen, die er in geslaagd zijn bijtijds weg te komen, deden het ten spijt van de Regeering. Bieden zij weerstand, dan worden zij beschouwd als oproerlingen, als revolutionairen en door hen ter dood te brengen maakt de Sultan slechts gebruik van zijn onbetwistbaar recht om zijne oproerige onderdanen te straffen. Onderwerpen zij zich, zooals zij (behalve te Zeitoen) bijna altijd gedaan hebben, dan zijn zij lafaards, die daardoor onze sympathie onwaardig geworden zijn. Lafaards? De grond van het Collosseum en de tuinen van Nero waren bezaaid met de beenderen en de asch van juist zulke lafaards; maar dit is niet de naam, dien wij hun thans geven, wanneer wij over hen spreken.

Nog wordt er somtijds aangevoerd; „Dc Armeniërs werden niet vervolgd en hebben niet geleden in hunne hoedanigheid van Christenen, maar in die van Armeniërs. Andere Christenen,

-ocr page 372-

356

die eveneens onderdanen van den Sultan waren, heeft men geen kwaad gedaan. Indien dit al waar is, dan is het toch slechts de halve waarheid. Christenen die geen Armeniërs waren, werden niet gedood; Armeniërs, die geen Christenen waren (hiermede worden bedoeld, zij die het Christendom verzaakten), werden niet vermoord. Het is dus duidelijk dat de Armeniërs niet alleen in hunne hoedanigheid van Christenen, en ook niet alleen in die van Armeniërs, geleden hebben, maar omdat zij Armenische Christenen waren. En die Armeniërs, wien het lijden bespaard gebleven zou zijn, indien zij er in toegestemd hadden hun Christelijk geloof af te zweren, deze hebben ontegenzeggelijk geleden, omdat zij Christenen waren.

Maar waardoor toch hebben de Armeniërs zich dien feilen haat op den hals gehaald? Waarom worden zij meer door de Turken vervolgd dan de Grieken of Syriërs? Daarvoor bestaan verschillende redenen. De Grieken genieten de bescherming eener vreemde mogendheid, ongeveer op dezelfde wijze als do Amerikanen en Engelschen, die in het Turksche rijk wonen. De Syriërs, behalve dat zij minder talrijk zijn, staan toch veel meer onder het toezicht, en de bescherming van vreemdelingen. De Armeniërs vormen nu toevallig het talrijkste Christelijke ras in Turkije, vandaar dat juist zij het brandpunt zijn voor den vervolgiugslust. De Jacobieten, de Chaldeeërs en de Nestorianen hebben echter ieder hun evenredig aandeel gehad.

Enkelen beweren, dat de Armeniërs zich bijzonder gehaat gemaakt hebben bij de Muzelmannen, als geldschieters en woekeraars, dat zij zich schraperig hebben betoond, allerlei uitzuiging hebben toegepast en steeds begeerig waren naar oneerlijke winsten. Dezelfde beschuldigingen worden ingebracht tegen de Joden in de Middeleeuwen en tegen de Kussische Joden van den tegenwoordigen tijd. Wellicht is in al die beschuldigingen evenveel grond van waarheid. Plaats een kundig, vlijtig en eerzuchtig volk onder het juk der heerschappij van een ras dat lui is en wars van allen vooruitgang of ontwikkeling, en het eerste zal zeker naar het eenige wapen grijpen dat binnen zijn bereik ligt: de macht van den geldbuidel; en er mogelijk

-ocr page 373-

357

een niet al te nauwgezet gebruik van maken. Wat nu den woeker betreft, beschouwde men in de duistere Middeleeuwen 33 percent niet algemeen als een rechtmatige en billijke winst? Men moet hierbij niet vergeten, dat de geldschieter dikwijls den kans had niets terug te krijgen, of wel, wat nog veel erger was, betaald te worden met pijnbank of kerkerstraf. Men kan gerust „onveiligheidquot; als de moeder van den woeker beschouwen.

Doch, aangenomen, dat de Armeniërs in andere deelen van het ïurksche rijk, en in enkele gevallen zelfs in Armenië zelf, op deze of op andere wijze den volkshaat hebben verdiend, de groote meerderheid der slachtoffers waren toch — geen woekeraars, geen vermogende kooplieden — maar nijvere handwerkslieden, kleine neringdoenden, landbouwers, met een gering aantal meer beschaafden, terwijl overal de felste haat was gericht tegen hen, die op eenige wijze in betrekking stonden tot den godsdienst, hetzij zij Gregoriaansche priesters of Protestantsche predikanten waren.

Bedreven ambachtslieden, die zeer talrijk waren onder de Armeniërs, zijn menigmaal zoo geheel uitgeroeid, dat er verschillende steden zijn zonder één enkeleu metselaar, timmerman of schoenmaker; op andere plaatsen hebben de Turken opzettelijk een klein aantal van deze handwerkslieden gespaard, om zich toch alle benoodigdheden, welke zij voor zichzelf niet kunnen of willen vervaardigen, te doen leveren.

Het is ook niet mogelijk van het karakter der Armeniërs af te stappen met een paar in der haast daarheen geworpen woorden. Het valt zelfs te betwijfelen of er eenig volkskarakter bestaat, waarvan men zich op die wijze kan afmaken; hoe hooger wij staan op den trap der organische ontwikkeling, destemeer verscheidenheid zullen wij aantreffen. „Ab uno disee omnes'' is al een zeer weinig zeggende regel, zelfs voor inboorlingen der Fidji eilanden of voor de bewoners van Samoa, maar wie zou dien regel willen toepassen op het Engelsche of Fransche volk ? De Armeniër, erfgenaam eener overoude beschaving, staat wel degelijk op ééne lijn met de laatsten, niet met de eerstgenoemden.

De slechtste Armeniërs, — en natuurlijk zijn het juist deze

-ocr page 374-

358

die het meest in vreemde landen worden aungetroffen — too-nen juist die ondeugden te bezitten, die bij elk volk voorkomen en die, door eeuwen van onderdrukking vooral worden opgewekt in een slim, vernuftig en ondernemend ras. Die ondeugden zijn gebrek aan waarheidsliefde en eerlijkheid, en een overdreven zucht naar winstbejag. Tegenover deze, die men zou kunnen noemen, nationale ondeugden staan echter vele en groote nationale deugden, — zooals reinheid van zeden, matigheid, bijzonder sterke huwelijkstrouw, dankbaarheid, gehechtheid aan het huisgezin, getrouwheid aan hunne overtuiging, vlijt en een buitengewone leergierigheid. De besten onder de Armeniërs — mannen zooals Ds. Stepanian, — die zieh aan de nationale ondeugden hebben ontworsteld en daarentegen de nationale deugden hebben behouden, toonen een bijzonder edel en aantrekkelijk karakter te bezitten; ook zijn zij buiten eenigen twijfel, en in den waren zin van het woord gentlemen.quot; Wij kunnen natuurlijk niet zeggen, dat dit diep beklagenswaardige volk geheel zonder gebreken is — welk ras is dat, of zal dat ooit wezen? — maar het is beslist waard om te worden gered. En nog is het in onze macht velen te redden; — verhongerde mannen, — verlaten vrouwen, die alle hoop voor de toekomst verloren hebben, — en hulpelooze kleine kinderen. Mocht eenige lezer van de voorafgaande bladzijden wenschen tot dit goede doel mede te werken — zelfs zij die weinig te missen hebben, kunnen toch allicht iets bijdragen, om zij het ook slechts ééne vrouw of één kindje te redden, —■ dan kan hij alle noodige inlichtingen omtrent hetgeen hij doen kan, verkrijgen, door zieh in verbinding te stellen met den Hooggeboren Heer Mr. F. Graaf van Bylandt, Alexanderstraat 31, te 's Gravenhage, die bereid is elke gave, hoe gering ook, in ontvangst te nemen, en die ook gaarne alle gewensehte inlichtingen wil verschaffen.

-ocr page 375-

11 p

INHOUD.

Hoolst, Bladz.

I. De donkere rivier............. 5

11. Vader en zoon..............12

III. Eerste indrukken.............20

IV. Een nieuw leven.............28

V. Baron Muggurditch ïhomassian......45

VI. Kozen en badhanddoeken.........58

VIL Dreigende wolken.............64

VIII. Een huwelijksaanzoek...........71

IX. Strijd en vrede..............87

X. Een Armenische bruiloft..........107

XI. Een avontuurlijke rit...........118

XII. Het nut van een revolver.........133

XIII. Een Armenisch predikant.........144

XIV. Een hedendaagsch Thermopylae......160

XV. Donkere uren...............179

XVI. De donkere rivier wordt licht.......196

XVII. Een groote misdaad............210

XVIII. Slechte tijdingen.............223

-ocr page 376-

Hoofdst. Bladz.

XIX. De groote misdaad volvoerd........238

XX. Bij Abraham's vijver en elders.......252

XXI. Met God verzoend ............268

XXII. Uit den dood weergekeerd.........282

XXIII. Eene verloving............. . 297

XXIV. Onder de Engelsche vlag.........305

XXV. Tehuis..................324

XXVI. Eene preek................3,34

Naschrift......................348

-ocr page 377-
-ocr page 378-
-ocr page 379-
-ocr page 380-