/
DE PAUSEN ALS VORST
EN HET BEGIN DER ' ^
ROMEINSCHE KWESTIE '
(PRO PETRI SEDE)
door A. NUYENS lid der orde van advocaten van st. pieter
EEN SCHETS VAN DEN OORSPRONG. ONTWIKKELING, ONVERVREEMDBAARHEID EN NOODZAKELIJKHEID DER TIJDELIJKE MACHT DER PAUSEN.
die het pan revolutionnai die nog vo den Pieniom In dat den lieldlia regiment Z( den in de 1 de tijdelijke raad der i 1870.toen 1
(1) Roermond,
3 « 1 e i d i n q.
u drie jaren geleden, omtrent hetzelfde tijdstip onire-veer, bezorgde ik u de uitgave van mijn „Gedenkboek ^er Pauselijke Zouaven.quot;(l) Het was ter gelegenheid van den vijfentwintigsten verjaardag van de overwinning die het pauselijke leger, op 3 November 1867. bij Mentana op de revolutionnaire benden van Garibaldi bevocht, eene overwinning die nog voor een drietal jaren de inbezitneming van Rome dooiden Piemontees zou tegen houden.
Ju dat werk heb ik niet slechts de wording, de ontwikkeling, den heldhaftigen moed en de overwinningen van het roemrijke regiment Zouaven beschreven, maar ook. met de officieele bescheiden in de hand, den laatsten strijd (1860-1870) om Eome en voor de tijdelijke macht der Pausen, benevens de kuiperijen en hot verraad der revolutie tot op den noodlottigen dag van 20 September 1870, toen het wapengeweld, met verkrachting van het volkenrecht.
(1) Roermond, Henri van der Marck, 1892.
VI
tijdelijk een einde maakte aan de wereldrijke sonvereiniteit der Pausen.
Weinige weken geleden heeft liet officieele Italië, d. w. z. liet Italië der vrijmetselarij en der revolutie, gemeend den vijfentwintig-sten verjaardag van dien Statenroof te moeten herdenken door optochten, redevoeringen, het onthullen van standbeelden van hen die tot dien roof het meest hadden meegewerkt, het plaatsen van een gedenkzuil bij de Porta Pia en van een gedenksteen in den muur waar de kanonnen van generaal Cadorna de beruchte bres schoten.
Het Italiaansche volk, reeds lang ontwaakt uit den zwijmelroes der vrijheids- en eenheidsstrevingen; ontgoocheld door de ellende en den steeds hooger stijgenden nood; teruggekeerd tot de aloude gehechtheid aan den godsdienst en aan den Stedehouder van Christus, heeft zich niet slechts onthouden van feestvieren, maar ook dooide ondubbelzinnigste blijken zijn afkeer daarvan te kennen gegeven, terwijl de katholieke wereld, met eene bewonderenswaardige eensgezindheid, op de meest spontane wijze en als door eene hoogere ingeving gedreven, uit alle hemelstreken en van de uiterste hoeken des aardbols, geprotesteerd heeft tegen de overweldiging en de hoonende gedachtenisviering daarvan; en dat in bewoordingen die zoowel Koning Humbert op zijn troon, als den Groot-meester Lemmi op zijn zetel deden verbleken en waggelen. En wat wel het meest de opmerkzaamheid verdient, wat een wonderbaar iets mag schijnen, is dat, op enkele uitzonderingen na, alle liberale bladen en zelfs die, welke 25 jaren geleden bij den val van Rome en van de tijdelijke macht des Pausen juichten en jubelden, nu die inneming van Rome veroordeelen en verfoeien en de wereldlijke sonvereiniteit onmisbaar achten voor den wereldvrede.
VII
In Mei 1868 schreef de bekende joodsche bankier Mh'ès in de Archives israélites het volgende:
..Ik beschouw die (tijdelijke) macht (der Pausen) als het laatste bolwerk der m o d e r n e m a a t s c h a p p ij e n. En wanneer het geoorloofd was door d e n w i 1 van het proletariaat, versierd niet den grooten naam van algemeen stemrecht, aan het pausdom zijne tien eeuwen oude bezittingen te ontrukken, dan zal diezelfde wettelijkheid zich ook n o o d z a k e 1 ij k e r w ij z e over alle e i g e ii d o m m en moet e n u i t s t r e k k e n zoodra het belang van het grootste aantal zulks eischt, d a t wil ze g g e n, a 1 s m en voorgeeft dat het zulks v o r d e r t.quot;
Die bekentenis, misschien door het eigenbelang in de pen gegeven, heeft door de geschiedenis van de laatste vijfentwintig jaren eene onloochenbare, maar treurige bevestiging gekregen, en de verkrachting van het recht van eigendom der Kerk is gevolgd door de ontkenning van allen eigendom.
De beroemde protestantsche geschiedsschijver Voigt zeirt in zijne „Geschiedenis van Gregorius VUquot; „de overheerscheude gedachte van dezen paus, do onafhankelijkheid van de Kerk. was onmisbaar voor het welzijn van de Kerk en voor de hervorming der maatschappij,quot; en deze uitspraak vinden wij bij alle onpartijdige geschiedschrijvers in alle tijdperken terug, en nu, als voor 800 jaren, moet de Kerk onafhankelijk zijn, zoowel in haar eigen belang als in dat der geheele maatschappij. En die vrijheid kan de Kerk alleen dan hebben, wanneer haar zichtbaar opperhoofd, de Paus, onafhankelijk vorst is. Dat begrepen reeds Pepijn en Karei de Groote, toen zij aan den Stoel van Petrus de bezittingen schonken
VIII
die de gTOiidslasr voriiidou voor dat wereldlijk bezit, voor dat vorstendom der Pausen.
En men zeifge niet dat de Avaarborg-emvet die vrijheid erkent, verzekert, handhaaft. Gedurend vijfentwintig jaren heeft elke dag de onbetrouwbaarheid, de logenachtigheid van die wet aangetoond. Eeeds in 1861 schreef prof. Döllinger (1) wiens eerste geschriften te moer zijn lateren. afval van de .Moederkerk doen betreuren, over de waarborgen wet door ('avour aan Pius IX voorgesteld wanneer deze zijne Staten wilde afstaan, het volgende: ...Maar hoe! zou eene regeering, die er roem op draagt de bezworen tractaten te hebben geschonden, die geen enkel openbaar recht, geen enkel wettig bezit meer erkent, maar alleen het brutaal geweld en het recht van den sterkste of het gezag der voldongen feiten; die door een decreet, de gedachtenis van een moordenaar (2) voor heilig verklaart, eene regeering, die door geen enkel recht, door geen enkelen zedelijken band wordt tegen gehouden, zulk eene regeering zou de vrijheid der Kerk waarborgen, aan den Paus zijne onafhankelijkheid, zijne onschenbaarheid verzekeren! Laat men de Brofteriö's de Gallenga's ondervragen die de Kerk als een stuk steen beschouwen, waar zij naar hun goeddunken, evenals de beeldhouwer van Horatius, een bank of een afgodsbeeld van maken, en zij zullen u kunnen zeggen welk lot zij der Kerk voorbehouden. Om do vrijheid van de Kerk te verzekeren zouden zij beginnen met haar van al hare goederen te berooven, met haar te ontslaan van den last der aardsche bezittingen. Wanneer zij niet meer dan eene bedelares zou zijn, zou
(1) Kirchc und Kirclicn. Münehcn 1861.
(2) Agislao Milano, die een aanslag op het leven van Ferdinand II van Napels deed.
IX
men haar alles kunnen doen onderdaan, wat de minaclitinu'. de haat, r- de dwingelandij kunnen ingeven. Men zou de godsdienstige genoot
schappen verstrooien, zich meester maken van de goederen der kloosters, de bisschoppen mishandelen. Dat zouden de eerstelingen zijn van het nieuwe tijdperk van vrijheid, der Kerke aangeboden.
..Het is bepaald onmogelijk dat de Heilige Stoel waarlijk vrij kan zijn in een rijk als het Piemonteesche. Wanneer zelfs de tegenwoordige en ook de toekomstige staatslieden van dat rijk den T vasten wil hadden om de vrijheid der Kerk onaangetast te laten,
dan zouden de omstandigheden sterker zijn dan zij. De dagbladpers zou onophoudelijk de booze hartstochten aanblazen.[Zij zou den Paus en zijne omgeving heden als eene geheime samenzweering. morgen als een opwiegelaar van het volk aanklagen, en volgens eene snelle progessie zou men tegen hem al het vertoon der politie, alle middelen eener onderdrukkende staatkunde aanwenden .... Hij de eerste gelegenheid zonden die dagbladschrijvers en die advocaten allo bepalinuen brutaalweg als spinnewebben wegvegen. Met ronkende phrasen zouden zij elke schending van het recht, elk misbruik van gezag weten te rechtvaardigen. Die Italiaansche Barère's zouden hunne voorgangers van de nationale Conventie van Parijs nog overtreffen. Evenals dezen tegenover het koningschap handelden, overeenkomstig- den stelregel: men moet eerst verlagen en dan vernietigen, zouden ook de conventioneelen van het Schiereiland tegenover het pausdom handelen.quot;'
Die woorden van Döllinger zijn letterlijk in vervulling geraakt. Daar ontbreekt niets aan: noch de berooving der kloosters, noch de inpalming der geestelijke goederen, noch de verwereldlijking
X
der godsdienstige instellingen, nocli de lasteringen en beschuldigingen door de joodsch-liberale pers; zelfs de stoffelijke overblijfselen van Pius IX z. g. werden gehoond en beleedigd. toen men ze in den nacht van 18 Juli 18S1 van St. Pieter naar St. Lauren-tius-buiten-de-muren overbracht. Eene zaak, evenwel, is niet gelukt: men heeft het Pausdom niet kunnen verlagen, niet kunnen vernietigen. De booze wil ontbrak er zeker niet toe; maar dat gaat boven de macht der menschen. God waakt over de Kerk, over het Pausdom, en in Leo XIII zijn het gezag, het prestige, de zedelijke invloed van het Pausdom tot eene hoogte gestegen, die de onge-loovige wereld met verbazing slaat, haar een kreet van bewondering afperst en haar voor die majesteit, de hoogste op aarde, doet buigen. Edoch dit neemt niet weg dat de Kerk niet vrij, de Paus niet zeker is onder eene waarborgenwet die eiken dag kan afgeschaft of overtreden worden. Bij de beruchte September-feestviering durfde toch de eerste minister Crispi in tegenwoordigheid des konings en voor geheel de wereld met de intrekking dier waarborgenwet dreigen, als hij zeide. ,.De bedienaren van den godsdienst weten dat zij onschendbaar zijn, zoolang zij binnen den kring van het recht blijven en de wetten van den Staat, waarin zij leven, niet beleedigen. En zij moeten er aan denken dat, wanneer zij tegen ons opstaan, het vaderland belasteren, de nationale instellingen bestrijden, zij de weldaad van deze waarborgen zullen verliezen, die wel aan den godsdienst en ter wille van den godsdienst zijn gegeven, maar niet aan den mensch. De bedienaren van den godsdienst weten, of zouden moeten weten, dat, wanneer zij den opstand tegen de wetten prediken, hun werk ten goede zal komen
XI
aan dc anarcliistcn, die God en den Koning ontkennen. Zulk een werk zou niet ongestraft knnnen blijven.quot;
Ziedaar de bedreiging eu terzelfder tijd liet voorwendsel ontsluierd, dat de opheffing der waarborgenwet voor liet oog der wereld zon moeten rechtvaardigen.
Toen l'ius IX in 1848 dc wijk naar Gaëta had moeten nemen en de tijdelijke macht des Pausen door de revolutie onderbroken was, riep Donoso Cortes den 4 Januari 1849 in de volle Kamer van Afgevaardigden te Madrid den liberalen en den begunstigers der revolutie toe: Zonder twijfel is de geestelijke macht bij den Paus de hoofdzaak, de tijdelijke macht nevenzaak; maar die nevenzaak is onmisbaar. De Katholieke Wereld heeft het recht te eischen, dat de onfeilbare godspraak in hare dogma's vrij en onathankelijk zij, en de Katholieke Wereld kan slechts dan de zekerheid hebben dat haar geestelijk opperhoofd vrij en onafhankelijk is, wanneer dat opperhoofd souverein is; alleen de souverein hangt van niemand af. Derhalve, mijne heeren, is de souvereiniteitskwestie, die overal elders een staatkundige kwestie is, te Rome bovendien eene godsdienstige kwestie; het volk, dat overal elders souverein kan zijn, kan het niet te Rome zijn. Rome en de Pauselijke Staten behooren niet aan Rome, zij behooren zelfs niet aan den Paus, zij behooren aan do Katholieke Wereld. De Katholieke Wereld heeft ze den Paus toegekend, opdat hij vrij en onafhankeiijk zou zijn, en do Paus zelf kan zich niet van die Souvereiniteit, van die onafhankelijkheid ontdoenquot;'.
Ziedaar de groote beteekenis van die tijdelijke de reden van het non possum us van Pius
XII
van Leo XIIJ. ..Wij kunnen nimmer afstaan wat aan de geheele Kerk, wat aan de uansche Katholieke Wereld toebehoortquot;. Dat was gedurende elf eeuwen het antwoord van alle pausen aan alle belagers van dat erfdeel der katholiciteit. Dat is ook de reden van het protest der Katholieke Wereld tegen dien roof der Pauselijke Staten.
In 1861 schreef de graaf De Montalembert aan Cavour. eerste Minister van Piemont, als antwoord op diens verzekeringen van onathankelijkheid des Pausen; ..Gij spreekt mij van eene vrije Kerk in een vrijen Staat, en ik zie niets anders dan eene bedreigde Kerk in een vijandigen Staat, eene beroofde Kerk in een beroo-venden Staat.
...Ta, de Paus zal vrij zijn als de overwonnen soldaat, wien men de krijgseer bewijst, terwijl men hem van zijne wapens berooft, en die leeft van de aalmoezen van zijn vijand, ontroostbaar voortleeft, omdat hij zijne zaak heeft overleefd; vrij op zijn eerewoord, maar onder voorwaarde van altijd te beven en zich nooit •te mogen bewegen.
,.Maar waartoe dient het zich in gissingen en beschouwingen te verdiepen over de uitkomsten van een droom? Ik weet dat alles in onzen tijd mogelijk is, en gij weet het beter dan ik, want alles, zelfs het onmogelijke, is n gelukt. Maar gij zult niet in uw nieuw plan gelukken. Gij zult den Paus kunnen berooven van datgene wat gij hem nog niet ontnomen hebt, maar gij zult hem de goedkeuring van uw roof niet kunnen afpersen. Gij kunt hem alles ontnemen, alles, behalve zijn recht. Maar gij zult hem nooit zoo vèr krijgen dat hij zal zeggen dat gij gelijk hebt. En zonder dat
XIII
hebt srij niets.quot; En een weinig verder zegt De Montalembert: „Xeen, gij kunt meester van Eome zijn zooals alle barbaren, alle vervolgers, van af Alarik tot Napoleon, liet geweest zijn; maar gij zult niet de vorst, niet de gelijke van den Paus zijn. Pius IX zal misschien uw gevangene, uw slachtoffer zijn maar nooit uw medeplichtige. Hij zal geen verdrag sluiten noch met de list, noch met de berooving, noch met het bedrog, noch met de diefstal. Als gevangene zal hij voor u de wreedste last, de onverbiddelijkste kastijding zijn; als balling zal hij, zonder zelfs den mond te openen do vreeselijkste beschuldiger zijn, dien ooit een opkomend koningschap, dien ooit een vrijgemaakt volk op aarde ontmoet hebben.'
Wat een voorspellingen, die letterlijk in vervulling zijn geraakt; wat een waarschuwingen des hemels aan Italië, die evenwel roekeloos in den wind werden geslagen en waarvoor het rampzalige land nu boet.
Een Protestantsch Duitsch schrijver, de Joux, zegt in zijne brieven over Italië: ..De groote macht welke de Kerk bezat, redde Europa van do barbaarschheid, de Kerk was het groote middenpunt van eenheid van alle naties, die toen tot het isolement waren veroordeeld. Zij plaatste zich tusschen den tiran en zijn slachtoffer, en terwijl zij tusschen de nog vijandige volken verhoudingen van belangen, van bondgenootschappen, van welwillendheid bracht, werd zij de toevlucht der families, der individuen, der volkenquot;.
Dat is de groote taak van de Kerk, van het Pausdom in de maatschappelijke orde gedurende alle eeuwen en allo tijdperken. Maar om die taak. haar door de Voorzienigheid opgelegd, te kunnen volbrengen, moet de Kerk vrij en onafhankelijk zijn. Daarom heeft
XIV
God ook aan zijn Stedehouder eene wereldlijke maelit gesreven. een koninkrijk, niet door geweld, niet dooi- onreehtvaardiglieid. niet door verkrachting van het recht van wien ook verkregen; maar een koninkrijk ontstaan uit de drie rechtvaardigste en eenige middelen die de koninkrijken kunnen vormen: den vrijen wil des volks, het welzijn van eene geheel maatschappij en de schenking van een vrij, door geen ander recht opgeeischt of opeischbaar goed.
In dit werk wil ik. naar mijne beste krachten, den oorsprong, de ontwikkeling, het onbetwistbaar en heilig recht van die tijdelijke souvereiniteit der Pausen uiteenzetten. Uit de behandeling der stof zal, door de kracht der feiten, de onmisbaarheid, de noodzakelijkheid van die wereldlijke maelit blijken; en tevens zal daaruit tot troost en bemoeding van alle katholieken duidelijk worden, hoe, na alle stormen en beroeringen, do Pausen zegevierend in hunne macht en in hun rijk hersteld werden.
MAASTRICHT, October 1895.
A. NUYENS.
ïlcrste ©edcelfe.
Do oerf-to coortoofonon ran t^olijfo macht en cV schotifiug Pan Pepijn bo (Brooto oan 512—754.
[6.^n
wnSW
De Overwinning van COXSTANTIJÏ op MAXENTILS. (28 October 312.)
Naar do Schilderij vau GIDLIO ROMANO, (teekening van Rafaël,) in het Vaticaan. quot;quot;
Hoofdstuk I.
IN HOC Sl(gt;NO VINCKS. I»e ovorwimiinu' van Constaiitijii «»|gt; Maxcntins. Ih- vriMlo aan de Kerk geschoiiktMi. l it de Katakoinhrn in liet lieht der Zon, De stirlitin-a:en van ('onstantijn en zijne selienkiiii;en aan de Kerk. He zetel van li«'t Ko-ineinseiie Itijk wordt van Koine naar Coiistantinopel verplaatst. Igt;e invallen der Itarbaren. Keizer Tlieodosins verdeelt het rijk ondrr zijne twee zonen. Ondrruran^ van liet Westerseli Komeinsflie Kijk. He Pausen redders van Italië. Iliin toenemende invloed op de staatknndise en hnrirerlijke zaken van Konic en Italië.
O /'
a r komen in de wei'eldgeschieclenis inoinenten en gebeurtenissen voor, die niet alleen den grootsten #^^2?invloed uitoefenen op de lorgevallen van een volk, ^ ~ niet alleen den stempel drukken op een gegeven tijdperk, maar ook op alle volken, op alle toekomende geslachten, ()[) alle eeuwen. Zulle een moment was de 28ste October van het jaar 312; zulle eene gebeurtenis de overwinning, door Constantijn den Groote dien dag op zijn tegenstander Maxentius behaald.
Rome had met alle schatten ook alle gruwelen uit de overwonnen provincies binnen zijne muren gebracht. Alle wreedheden, alle zedeloosheid, alle misdaden die de hei-densche wereld kenmerkten, hadden in de hoofdstad van het wereldrijk als 't ware een vereenigingspunt gevonden: daar vierden zij haar afschuwelijken triomf.
— 18 —
Het rijk was een speelbal geworden in de handen der Pretoriaansche lijfwacht, de keizerlijke waardigheid eene koopwaar, die vaak aan den meestbiedende werd toegewezen. De Pretorianen en de Legioenen stelden naar welgevallen keizers aan of zetten ze af, bekleedden ze met het purper of deden ze onder hunne zwaarden vallen. Monsters als Nero, Tiberius, Caligula, Heliogabalus onteerden door hunne misdaden niet alleen den troon, maar de geheele menschheid. Verbeurdverklaringen, verbanningen, terechtstellingen, moorden waren aan de orde van den dag en schreven de regeeringsjaren der keizers met bloedige letteren in de annalen der geschiedenis. Niet zelden dongen in de verschillende provincies twee, drie of meer veldheeren, door hunne legerscharen tot keizers uitgeroepen, om de alleenheerschappij en boden der wereld het jammerlijk schouwspel van bloedige burgeroorlogen aan.
Omstreeks het jaar 300 betwistten niet minder dan zes keizers elkander den bezoedelden troon der Ce.sars, totdat eindelijk het lot der wapenen tusschen Constantinus en Maxentius zou beslissen.
Op negen mijlen afstands van Rome, bij den Pons Milvius, den tegenwoordigen Ponte Molle en op de plaats genaamd Saxa rubra stonden de twee legers tegenover elkander. Dat van Maxentius telde honderd zeventig duizend man voetvolk en achttien duizend ruiters, terwijl Constantijn slechts negentig duizend man infanterie en acht duizend man ruiterij had; maar het waren keurtroepen en in den krijg gehard. Maxentius, op zijne overmacht vertrouwende, waande zich van de overwinning zeker; te meer daar de Sibellijn-sche boeken, die hij geraadpleegd had, voorspelden: ,.Op dezen dag zal de vijand van Rome omkomen.quot; Die vijand, meende hij, kon niemand anders dan Constantijn zijn.
De voorzienigheid Gods, die de wereldgebeurtenissen leidt en het lot der volken in hare hand heeft, gaf wel eene bevestiging aan de voorspelling der Sybille; maar in eene andere beteekenis als Maxentius er aan gehecht had.
19 —
Op den avond, die den slag voorafging, monsterde Constantijn zijne legerscharen, sprak hen moed in en spoorde hen aan manhaftig stand te houden. Terwijl hij nog tot zijne soldaten het woord richtte zag hij op de ondergaande zon een kruis verschijnen, omgeven door deze woorden: In hoe Signa vinces-, in dit teeken zult gij overwinnen. Constantijn begreep uit deze verschijning dat de God der Christenen, de God zijner moeder, de H. Helena, hem de overwinning zou schenken, wanneer hij onder liet teeken van liet kruis zou strijden. Nog gedurende den nacht liet hij het symbool dei-hoop en der belofte op zijne veldteekens aanbrengen en vol moed en vertrouwen vielen zijne legioenen, ouder de kruisbanier geschaard, de vijandelijke legerscharen aan. De strijd was hevig, maar kort. Het kruis verwon, en Constantijn keerde als overwinnaar uit den slag terug. Maxentius vluchtte met zijn in wanorde geraakt leger over de houten brug, die hij naast den Pons Milvius had laten slaan ; maar het houten gevaarte stortte onder den last der vluchtenden in een, en Maxentius, door zijne zware wapenrusting mede gesleept, eindigde in de gele wateren van den Tiber een leven dat slechts eene aaneenschakeling van misdaden en ondeugden was geweest.
De zegepraal van Constantijn was ook de zegepraal van het Christendom. Hij, die door het kruis beschermd was, door het kruis overwinnaar was gebleven, zou op zijne beurt de beschermer zijn van den godsdienst, die doorliet kruis de wereld zou veroveren. Xa meer dan drie eeuwen van vervolging en onderdrukking, na met het bloed van millioenen martelaren den bodem van Rome en der wereld gedrenkt en gezuiverd te hebben, zou het Christendom de donkere gangen, de kerken, de heilige graven van zoovele heldhaftige dooden in de Katakomben verlaten en vrij zich onder het licht der zon vertoonen. Weldra zou het kruis, dat den heidenen een voorwerp van bespotting en verachting was geweest, zich fier boven de tempels der afgoden, in tempels van den waren God veranderd, ten hemel ver-
1
20
heffen en op de kronen der vorsten schitteren; en overliet graf van den onder Xero op den Janicnlus aan het kruis geslagen eersten Paus Petrus, ging een tempel verrijzen, die de bewondering van alle komende eeuwen an geslachten zou opwekken. Waar eens de ten doode gedoemde zwaardvechters met de woede en de wanhoop in het hart voorbij de loye van den Cesar trekkende hem hun stervensgroet „Mo-
O v—'
rituri te salutanf' „zij die sterven gaan, groeten uquot; toeriepen, daar zouden gedurende eeuwen en eeuwen de nooit uitstervende kampvechters van het kruis voorbij den opvolger van Petrus trekken en hem ster vensblijde en met de hoop op het eeuwig leven in het hart hun levensgroet brengen: Mor Uur i te salutant, Petre! ,,Zij die voor Christus gaan sterven, groeten U, Petrus!quot;
Met dien uittocht int de Katakomben neemt het Christendom bezit van de wereld en de Paus bezit van Pome, om het te behouden tot aan de voleinding der eeuwen; en evenals in het oude Rome alle volken der aarde hunne blikken richtten naar het Rome der Republiek en der keizers, zouden zij nu niet alleen de blikken, maar ook de harten naar het Rome der Pausen wenden. Daar klopt de slagader der wereld, daar zetelt de hoop der volken, daar is de schuilplaats der verdrukten, de toevlucht van allen die troost, bemoediging, sterkte, opbeuring behoeven. Vandaar zouden heldenscharen naar alle oorden der wereld uittrekken om nieuwe veroveringen voor het kruis te maken. Rome is door de Voorzienigheid bestemd om altijd het middenpunt der wereldgeschiedenis te zijn, en, zooals een schrijver over de groote beteekenis van Rome zich uitdrukt: vanaf Romulus tot aan Leo XIII is er geen staking in den voortduur van het prestige van Rome.
„Wanneer wij den blik werpen op het moderne Italië, op het Italië der Pausen, zegt Donoso Cortes, dan merken wij hetzelfde verschijnsel op als in het Italië der Cesars. De wereld houdt slecht op de blikken op de Cesars te vestigen, om ze op de Roomsche pausen te richten. Die
21 —
pausen zijn het schild van Italië tegen de barbaren van het Noorden. De Stoel van den H. Petrus begint te spreken als het Kapitool verstomt. Van uit Rome verspreiden zich de orakels van het Evangelie, wanneer de orakels der Sy-billen niet meer antwoorden. Rome houdt slechts op wetgeefster der wereld te zijn, om de leermeesters der naties te worden. Alle barbaarsche volken, de eenen voor, de anderen na, trekken door Italië, als of er in de wereld geen andere uitdeeler van den roem ware, dan dat land van den roem. De overwinnaars brengen hulde aan de overwonnenen; hunne Koningen nemen het gewaad der consuls aan. De stroom dei* invallen keert in zijne bedding terug; zijne woeste wateren beginnen vreedzaam en kalm te vloeien, en Italië heft het eerst het hoofd op boven de wateren van dezen vruchtbaren zondvloed. Daar bloeien reeds de volleerde staatslieden, de groote dichters, de diepdenkende historieschrijvers als het barbaarsche Europa, het Europa van het leenstelsel, nog volkomen onbekend is met de verborgenheden der staatkunde, de geheimen der dichtkunst, de ideale schoonheid der kunsten, de heerlijkheden der geschiedenis. Constantinopel valt onder de slagen der Turken, en Rome ontvangt in zijn schoot de beschaving van het Oosten: Rome geeft het teeken voor de wereldhervorming, en de wereld wordt hervormd en hernieuwd.quot;
Heeft Constantijn deze hooge roeping van Rome en het Pausdom in den geest aanschouwd, is zij hem geopenbaard toen hij het besluit nam om den zetel des rijks naaide oevers van den Bosphoms over te brengen? Noch de geschiedenis, noch de overlevering zeggen het ons; maar wel moet het eene machtige, eene bovenmenschelijke drijfveer zijn geweest die hem er toe noopte om Rome te verlaten; dat Rome hetwelk aan het geheele wereldrijk zijn naam had gegeven, dat het middenpunt ervan was, waar zich de gulden mijlpaal bevond vanwaar de wegen uitgingen die over geheel de wereld liepen en die gedreund hadden onder den zwaren stap van de tot nieuwe overwinningen
22
uitgaande of van nieuwe zegepralen terugkeerende legioenen. Wat er ook van zij: Constantijn besloot den zetel van het rijk over te brengen naar het aan de oevers van den Bos-phorns gelegen Byzantium, dat naar hem Constantinopel, stad van Constantijn, genoemd zou worden. In deze daad van den Keizer lag een diep raadsbesluit van de Voorzienigheid verborgen, die den Paus wilde vrijmaken van eiken invloed van vorsten, ten einde hem die onafhankelijkheid te schenken, welke het vrije bestuur der Kerk vereischt. Vanaf dat oogenblik zouden de Pausen allengs dien overwegenden invloed ook op de wereldlijke zaken van Italië en de wereld verkrijgen, waaruit later hunne werkelijke souvereiniteit, hun wereldrijk Koninkrijk, hunne tijdelijke macht zouden ontstaan.
Constantijn liet Rome evenwel niet aan den Paus over dan na er, met waarlijk vorstelijke vrijgevigheid, reeds de eerste stad der Christenheid van gemaakt te hebben. Op den Vaticaanschen heuvel, waar Nero eens de naar hem genoemde renbaan had aangelegd, en waar hij, ter voldoening van zijn eigen wreed gemoed en tot vermaak van een op bloed en moord belust volk de Christenen in dierenhuiden liet wikkelen en door de honden verscheuren, of met pek en brandbare stoffen liet bestrijken opdat zij bij de invallende duisternis tot fakkels zonden dienen bij zijne wulpsche en gruwelijke uitspattingen, deed Constantijn, uit de bouwstoffen dier zelfde renbaan, de grondslagen leggen voor de eerste Vaticaansche Basiliek, waarheen liet eerbiedwaardige lichaam van den eersten Paus, van Petrus, zou worden overgebracht. Op die grondslagen verrees weldra de statige bouw naar het oud model der oud-romeinsche basilieken. Voor denzelven strekte zich een ruim plein uit, door hooge trappen met den voorhof verbonden, die een ruim vierkant uitmaakte van zeven en vijftig meter lengte en vijf en vijftig meter breedte en rondom met zuilengangen versierd. In het midden van dezen voorhof stond eene fontein, van wier pracht en marmer-rijkdom de oude ge-
— 23
schiedwerken gewagen. In dien zuilengang verrezen graven van Pausen en koningen, waarvan Lef) de Groote de reeks opende. Van uit den voorhof kwam men in de kerk, die door vier zuilenreien in vijf beuken was verdeeld. Zes en negentig zuilen van liet kostbaarste marmer, uit de tempels der afgoden afkomstig, droegen het dak: de bovenwand van de middenbeuk was met kostbare mozaïeken en fresco's versierd, terwijl twee reusachtige kolommen den boog schraagden, die tot het eigenlijk heiligdom voerde, waar zich, boven het graf van den eersten Paus, het hooggelegen altaar bevond. Boven dit altaar liet Paus Leo 111 een baldakijn van verguld zilver, ter zwaarte van 2704 pond oprichten, terwijl paus Adriaan het altaar-zelf met gouden platen ter zwaarte van 597 pond liet bekleeden en den bodem voor het altaar met zilver bedekken. Constantijn liet de heilige overblijfselen in een kist van verguld koper bergen, waarboven zich een kruis van gedegen goud verhief. De wanden rondom waren met kostbaar mozaïek versierd en een opschrift vermeldde den stichter in de volgende regels:
,,Aan U, wiens hand de wereld in zegepraal tot de sterren omhoog hief.
Heeft Constantijn de overwinnaar den verheven tempel gewijd.quot;
Gedurende verscheidene eeuwen wedijverden Pausen en Vorsten, volken en geslachten, geloovigen en pelgrims om den kostbaren tempel met nieuwe schatten te verrijken. Maar die schatten wekten vaak de rooflust van de barbaren en de oorlogvoerende partijen op, zoodat de kostbare basiliek, die nog buiten de muren van Rome stond, herhaalde malen van een gedeelte harer rijkdommen werd beroofd.
In de maand Augustus van het jaar 846 werd het slecht verdedigde Vaticaan door de Saracenen overrompeld en geheel geplunderd.
De overwinning bij Ostia verdreef hen uit Italië, en om voor de toekomst dergelijke onheilen te voorkomen, trok
Paus Leo IV de muren van Rome vanaf het Fort tot om het Vaticaan en Sint Pieter door; de daardoor ontstane nieuwe wijk van Rome ontving naar hem den naam van Cittd Leonina. Nicolaas V, die in 1447 den pauselijken troon besteeg, legde de eerste grondslagen voor de nieuwe Sint-Pieterskerk, wier majesteuze bouw, grootheid en rijkdom de oude basiliek nog zouden overtreffen en die, gedurende vijf eeuwen, millioenen en millioenen binnen hare muren zag neergeknield bij het graf van den Galileeschen Visscher, van Simon Bar Jona, die de steenrots werd waarop Christus Zijne Kerk lie eft gevestigd tot aan de voleinding der eeuwen.
In het Oosten der stad, aan den Coelischen heuvel, stond het prachtige paleis van de patricische familie Lateranus.
Het hoofd dezer familie, wegens eene samenzweering ter dood gebracht zijnde, werd het paleis tot staatsgoed verklaard en later het eigendom van Fausta, de gemalin van Constantijn. Deze schonk het aan paus Silvester en bouwde in de ruime hallen eene basiliek, die in rijkdom en schatten voor de Vaticaansche niet onderdeed. Naar den schenker werd zij ook de Constantijnsche, naar den vroe-geren bezitter van het paleis Lateraansche Basiliek genoemd. De H. Gregorius prees haar als de Gouden Basiliek, terwijl zij ook de basiliek des Allerheiligsten Verlossers werd ge-heeten, omdat, zooals de legende verhaalt, een door zwevende engelen gedragen beeld des Heilands daar aan den H. Silvester verscheen. Sinds de 9de eeuw werd zij, naar een in de nabijheid gelegen en aan den H. Joannes gewijd klooster, St. Jan van Lateranen genoemd.
In de Kerkelijke rangorde is deze kerk de eerste der wereld en gaat zij nog voor de St. Pieterskerk, want zij is de kathedraal, de domkerk van den Bisschop van Rome en het opschrift boven den hoofdingang noemt haar: ,.Het hoofd en de moeder van alle kerken van Rome en van de wereld.quot; Naast de kerk werd het paleis van Lateranus tot woning der Pausen ingericht en in dat paleis hielden zij dan ook in de eerste eeuwen hun verblijf.
25
Dicht bij de basiliek liet Constantijn een ander prachtig gebouw oprichten, dat den naam van doopkapel of Baptisterium van Constantijn droeg. Volgens de overlevering ontving Constantijn in deze kapel in bet jaar 337 het H. Doopsel. Volgens sommige geschiedschrijvers, echter, werd de keizer eerst veel later, en wel kort voor zijn dood, in Xikomedie gedoopt; de kapel evenwel is uit den tijd van Constantijn en de overlevering doet hem daar het Christendom omhelzen. Xog andere van de voornaamste kei-ken van Rome hadden haar eerste ontstaan aan Constantijn te danken, zooals Sint Paulas op den Ostiaanschen weg, van het H. Kruis van Jerusalem, van de 11. Agnes-buiten-de-muren, van den H. Laurentius in het Campo Verano. En niet alleen werden deze kerken met buitengewone pracht gebouwd, maar de grootmoedige keizer verrijkte ze ook met heerlijke versieringen, gewaden, vaten, kandelabres en beelden van goud en zilver, waarvan Anastatius in zijn leven van den H. Silvester de breedvoerige lijst vermeldt. Bovendien schonk hij aan zijne stichtingen, als blijvend erfdeel, groote bezittingen, bestaande in paleizen, gronden, uitgestrekte goederen, ia alle deelen des rijks verspreid en waarvan de jaarlijksche opbrengst op meer dan dertigduizend gouden solicit 1) geschat werd.
Ofschoon door de invallen der barbaren en andere gebeurtenissen vele van deze bezittingen wederom verloren gingen, kou de geschiedschrijver van Gregorius den Groote nog drie en twintig groote bezittingen in de verschillende deelen van Ttalie, Illyrië Dalmatië, Afrika en Frankrijk opnoemen, die aan de Kerk van Rome behoorden; en nog heeft hij ze niet alle opgesomd. Al deze erfgoederen der Kerk bestonden uit groote masse, die zeiven wederom andere goederen omvatten; niet slechts dorpen en gehuchten, maar ook gansche steden en zelfs landstreken met verscheidene
1) De gouden solidus was ecnc door Constanten ingevoerde munt. Zij woog 1/6 ons; nit liet Romeinsclie pond van 24 lood werden 72 solidi geslagen. In die dagen vertegenwoordigde dat eene ontzaggelijke som, daar de gouden solidus ongeveer aan een tientrank-stuk gelijk was.
9
2fi -
bisdommen. Die goederen werden toen reeds als het crf-goed van Sinf Piefer beschouwd, en do opbrengsten moesten niet alleen strekken tot onderhond der kerken, der geestelijken, dei' kloosters en tot luister der pauselijke waardigheid, maar ook tot ondersteuning der armen en der pelgrims, tot vrijkooping der slaven en tot ondersteuning der ballingen, die in Rome een toevluchtsoord zochten. Paus Gregorins de Groote, die Rome tot eene wijkplaats van alle vervolgden en ongelukkigen had gemaakt, noemde liet erfgoed der Kerk dan ook patrimonium paiipcrimi, res paxperum, het erfgoed, de bezitting der armen. Behalve de schatten, die deze H. Pans besteedde tot onderhoud van hospitalen in alle deelen der wereld, gaf hij ook groote sommen uit voor andere liefdewerken. Hij ontving de pelgrims aan zijne tafel, voorzag in het onderhoud van 3000 aan Godgewijde maagden, en zond alle dagen voedsel ten huize van de beschaamde armen. Pans Martinus I kon dan ook aan Demosthenes van Constantinopel, die hem vroeg hoe Theo-dorns, bisschop van Pirrus in Rome door des Pausen voorganger was onthaald, met alle recht antwoorden: „Kent gij dan de gewoonten van de Kerk van Rome niet? Ik zeg u dan, dat elke vreemdeling die de gastvrijheid van Rome inroept, hoe gering hij ook zij, van alles ruim voorzien wordt en van blank brood en verschillende wijzen quot;'ediend, zoowel hij als zijne lieden, en dat de H. Petrus niemand verwerpt en niemand zonder geschenken terugzendt. En wanneer dat reeds geschiedt ten opzichte van personen van geringen stand, dan kunt gij wel denken welk onthaal te beurt valt aan hen, die tot ons komen, gesierd met de bisschoppelijke waardigheid.quot;
j
Alvorens het Christendom evenwel al zijne weldaden, de pauzen al hun beschavenden invloed op de maatschappij konden doen gelden, zonden nog veel gebeurtenissen plaats hebben die de wey er toe voorbereidden.
i
I
— 27 —
Nadat Constautijn dan den zetel der regeering naar het nieuwe Constantinopel had overgeln'aeht, kwam hij oj» het denkbeeld het onmetelijke wereldrijk tusschen zijne drie zonen, Constantijn, Constantinus en Constans en zijne neven te verdeelen, hopende het daardoor beter tegen de steeds toenemende aanvallen der barbaarsche volken te vrijwaren. Maar zijne zonen, na hunne neven vermoord te hebben, deelden het rijk onder elkander. Onder de broeders brak weldra oneenigheid uit; Constantijn kwam in den oorlog tegen Constans om, en deze werd door een veldheer vermoord, zoodat Constantinus wederom alieenheerscher van het rijk werd. Hij nam zijn neef Juliaan als medeheerscher aan, die na den dood van Constantinus alleen keizer bleef. Deze Juliaan, algemeen in de geschiedenis bekend onder den naam van den Afvallige, poogde, hoewel hij Christen was gedoopt en opgevoed, opnieuw het heidendom in eere te herstellen en onder zijne regeering had het Christendom eene zware vervolging, misschien wel de zwaarste van alie, te lijden. Juliaan toch vervolgde het niet met folteringen en terdoodbrengingen, maar door spot, beschimping, achter-uitstellimr in ambten en waardigheden, die het niet den gloriekrans der martelaren, wel beschimping en verachting bezorgden. Maar de spot van Juliaan was al even onmachtig om het Christendom te dooclen, als de edicten van Nero, Diocletiaan en zoovele andere keizers. Juliaan sneuvelde en werd opgevolgd door Valentianus 11 en Valens, diens broeder; Valentianus stierf en Valens kwam in den slag bij Adrianopel om het leven. Gratianus volgde hen op en na diens dood kwam Theodosius aan de regeering. Voor zijn dood (395) verdeelde deze het rijk tusschen zijne beide zonen Honorins en Arcadius, en van nu af zou het niet meer dan in naam en slechts voor korten tijd onder één meester staan. Arcadius kreeg voor zijn deel Thracië, Klein-Azië, Syrië, Egypte, Dacië en Macedonië, dat den naam Oostersch, Grieksch-Romeinsch of Bysantijnsch keizerrijk aannam, met Constantinopel tot hoofdstad. Honorins
— 28
verkreeg Italië, Afrika, Gallië, Spanje, Bretanje, Norica, Pannonië en Dalmatië. Milaan was eerst, Ravenna, daarna, de hoofdstad van dit Westerseh Romeinsche Rijk. Illyrië werd tnsschen de beide rijken verdeeld.
De laatste stonde van dit Westersche Kijk zou evenwel spoedig slaan. Ofschoon Constantijn en de keizers na hem, met uitzondering van Juliaan, het Christendom beleden en Theodosius veel had gedaan om het heidendom uit te roeien, was dit evenwel nog met talrijke onuitrukbare vezelen in een groot gedeelte van de Romeinsche bevolking geworteld. Nog dagelijks werden offers aan de afgoden gebracht, nog tierden vele van de gruwelen die Rome berucht hadden gemaakt. De oude patricische families, nog slechts teerende op den roem en den naam hunner vaderen, brachten hun leven in buitensporige weelde, in zingenot, in luiheid door, omgeven door muzikanten, slaven, cliënten en allerlei vleiers en tafelschuimers, terwijl van een anderen kant een groot gedeelte van het volk in te grootere ellende en armoede verkeerde, nu de ruime uitdeelingen van brood en geld, waarmede de vroegere keizers het in toom hielden, niet meer plaats hadden. Er was een storm noodig om dien bedorven atmosfeer te zuiveren en God zond dien storm in de barbaarsche volken, die, uit de steppen van Mongolië en uit Azië komende, langzaam maar zeker zich voortbewogen, om eindelijk den begeerigen blik te slaan op de vruchtbare velden en de rijke steden van Italië.
Honorius was niet bij machte die, als een woeste bergstroom zich voortbewegende, horden tegen te houden en in het jaar 408 stond Alarik, de koning der West-Gothen, met zijne wilde legerscharen voor Rome. Men verhaalt, dat, toen een vroom kluizenaar Alarik smeekte Rome te sparen, deze hem ten antwoord gaf: ,,Dat kan ik niet; onophoudelijk roept eene stem mij toe; Op! Op! verwoest Rome!quot; Toen de uit Rome tot hem gezonden onderhandelaars er op wezen, hoe dicht Rome bevolkt was, zeide hij hun: ,,Hoe dichter het hooi staat, des te gemakkelijker wordt
29
het afgemaaid.quot; Alarik liet zich evenwel verbidden om tegen een losgeld van 5000 pond goud, 30.000 pond zilver, 3000 purperen en 4000 zijden gewaden en 3000 pond peper de stad te sparen. Om dezen ongehoorden losprijs te kunnen betalen, werden alle burgers op schatting gesteld en moesten de gouden en zilveren beelden uit de tempels gesmolten worden. Alarik trok dan af, maar ten gevolge van de trouweloosheid van Honorius keerde hij twee jaren later voor Rome terug; de stad werd genomen en gedurende zes dagen aan de plundering der woeste horden overgegeven; evenwel was hun streng geboden de Christenkerken en basilieken te sparen.
Te midden van den jammer, het wee en de gruwelen, welke eene aan de woede der vijanden overgeleverde stad aanbiedt, zag men evenwel een schouwspel, dat zeker wel eenig in de geschiedenis is. Een Goth was de woning eener vrome dochter van rijpen leeftijd binnen gedrongen en eischte haar goud op. Zij bracht hem voor eene kast waar zij, hem eene groote menigte kostbare vaten toonende, zeide: ,,Ik zal niet trachten te behouden wat ik niet kan verdedigen, maai' ik wil dat gij zult weten dat deze voorwerpen aan den H. Petrus zijn gewijd; als gij ze nu aanraakt, moge de heiligschennis op uw geweten rusten.quot; De Goth ging van zijne ontdekking kennis geven aan Alarik, die beval dat men ze ongeschonden in de kerk van den Prins der Apostelen zou terugbrengen. Toen zag men in eene zonderlinge processie die woeste Gothen, tusschen twee rijen gewapende soldaten en hunne wilde kreten vermengende met het psalmgezang der priesters, de gewijde vaten van den Quirinaalschen heuvel naar het Vaticaan terugvoeren.
Dat was de zegepraal van Christus op de aardsche wapenen; eene zegepraal die aantoonde dat te midden der puinhoopen een nieuw tijdperk zou aanbreken. Voor het eerst had het Christendom de woede der Barbaren beteueeld.
O
In 455 kwam de woeste koning der Vandalen, Genserik, voor Rome. Wie zou hem tegenhouden? Geen leger, geene
\ •v.
- 30
muren waren tegen den woedenden aanval bestand. Alleen op God en den H. Petrus vertrouwende trad Leo de Groote den koning tegemoet. AI wat hij vermocht was, dat de overwinnaar beloofde liet volk te zullen sparen, het niet met vuur of zwaard of martelingen te zullen straffen; maar hij eischte alle schatten die de stad inhield. Een jaar te voren had dezelfde groote I'ans dooi' zijne majesteit den Hunnenkoning Attila, die zich zeiven den Geesel Gods noemde, van de plundering van Rome afgehouden; maar door vijf andere plunderingen in de jaren 536, 54(5, 547, 549 en 552 werd de stad als 't ware vernietigd.
Bij het einde der oorlogen bezat zij, die meer dan een millioen inwoners had geteld, er nog slechts vijftigduizend. Alle bijzondere eigendom was verdwenen en de vroeger zoo weelderige Campagna aan eene woestenij gelijk. Wat Eome later is geworden heeft het geheelenal aan de Pausen te danken. Het oude Rome was verdwenen, zijne afgodentempels, renbanen en amphitheaters lagen in puin; alleen verkondigen hunne reusachtige ruïnen nog van hun vroegeren rijkdom en luister.
Op die puinhoopen zou het Christelijk Rome verrijzen, om de hoofdstad te worden van een nieuw rijk, het rijk der Pausen.
* *
*
De keizers van het Westersch-Romeinsche Rijk hadden door de voortdurende invallen der Barbaren alle macht verloren. Evenals de vroegere keizers door den wil der Pretoriaansche lijfwacht den troon der Cesars beklommen, zoo werd nu de keizerlijke waardigheid door de Germaansche hulptroepen verleend aan hem, die hun het meest beviel.
In 475 wist Orestes, die vroeger secretaris van den Hunnenkoning Attila was geweest, een groot aantal van de volksstammen, die den Geesel Gods in zijne verwoestingen hadden ter zijde gestaan: Herulers, Alanen, Turcilingers
— 31
enz. om zich te verzamelen en zijn zoon Romulus Augus-tulus tot keizer te doen uitroepen. Ocloacer, de zoon van Edecon, een der onder-aanvoerders van Attila, verzette zich tegen Orestes, en door aan diens troepen het derde gedeelte van de landen van Italië te beloven, wist hij ze op zijne hand te krijgen. Orestes werd vermoord, den zwakken Üomulus Augustulus werd liet leven gelaten. Odo-acer gai hem een landgoed en een jaarlijksch inkomen, zonder voor den invloed van den jongen en zwakken onttroonden vorst te vreezen te hebben.
Odoacer verlangde niet naar een keizerstitel, die reeds allen glans en allen invloed had verloren. Op zijn aansporen schreef de Romeinschen Senaat aan den Griekschen keizer Zeno te Constantinopel, dat één keizer genoeg was om het Oosten en het Westen te verdedigen en de bescherming van Odoacer voldoende was. De Senaat verzocht Zéno dat hij Odoacer den titel van Patriciër zou verleenen en het beheer over het Italiaansche diocees opdragen. Na eenige aarzeling stemde de keizer toe, en zoo nam het machtige Romeinsche rijk in 47(5 na Christus' geboorte en twaalfhonderd en negen en twintig jaren na de stichting van Rome een einde.
Te midden van al de oorlogen, beroeringen, verwoestingen, die het rampzalige Italië teisterden, glinsterde nog eene ster van hoop, was er nog een toevluchtsoord voor de ellendigen, de beroofden, de uit land en haardsteden verdrevenen ; en die ster was de Paus, dat toevluchtsoord Rome.
Wij hebben reeds gezien hoe Leo de Groote Attila wist te bewegen van de verovering van Rome af te zien. De legende verhaalt dat de Hunnenkoning achter den Paus, toen deze met hem sprak, het dreigend gelaat van den H. Petrus zag; wij hebben ook gezien hoe diezelfde Paus den niet minder woesten Genserik wist te bewegen Rome niet te plunderen. Deze twee feiten zouden reeds voldoen zijn om ons te doen begrijpen, met hoeveel vertrouwen het Romeinsche volk tot den Paus, als zijn beschermer opzag.
Edoch wij hebben een schitterend bewijs van dat vertrouwen in de eisen brieven van dezen erooten Paus.
O O
Toen de keizerin Pulcheria Augusta den Paus uitnoo-digde de Synode van Ephese bij te komen wonen, schreef Leo de Groote haar terug, dat hij aan dit verlangen niet kon voldoen, omdat de onzekere tijdsomstandigheden hem niet veroorloofden zich van Rome te verwijderen „waarvan de bevolking, zeide hij, tot opstand zou komen en bijna tot wanhoop vervallen, als zij zag dat ik in zulke tijden het vaderland en mijn zetel verliet. En deze verontschuldiging, voegde hij er bij, zal u des te geldiger schijnen, daar gij weet dat het algemeen welzijn vordert dat ik, met uwe goedkeuring, mij niet aan de liefde en de smeekingen der burgers mag onttrekken.quot; In dezelfde bewoordingen schreef de paus ook aan keizer Theodosius, en later nog aan de Vaders van het Concilie van Calcedonië.
Deze woorden van den H. paus Leo duiden reeds op een grooten invloed van het opperhoofd der Kerk op de staatkundige verhoudingen van Rome, maar dien invloed zullen wij in nog grootere mate bij Gregorius den Groote waarnemen. Ofschoon nog alleen Opperhoofd der Kerk en nog altijd onderdaan van den keizer, moest Gregorius de Groote, door den drang der omstandigheden er toegedreven, herhaalde malen als vorst handelend optreden en de openbare zaak besturen. Hij zond gouverneurs en bevelhebbers naaide keizerlijke steden, sloot vrede en verdragen met de Barbaren, betaalde de soldaten, gaf bevelen aan de aanvoerders, deed Rome versterken en van levensmiddelen voorzien. Xa hem deden andere pausen hetzelfde. Zoo zond paus Honorius I Gaudiosus en Anatalius, den aanvoerder der troepen, met uitgebreide instructies naar Napels. En deze handelingen deden de pausen niet uit eerzucht, niet om zich een staatkundigen invloed te verzekeren, nog minder als ongehoorzame en overmoedige onderdanen dei-keizers, zooals sommige historieschrijvers het willen doen voorkomen, maar alleen in het belang van het volk, van
— 33 —
den keizer zeiven en vaak niet diens goedkeuring en oj) diens bevel. Dit zullen wij evenwel in liet volgend hoofdstuk breedvoeriger toelichten; alleen hebben wij door deze korte aanhalingen willen aantoonen hoe reeds in de 5de eeuw de pausen een koninklijk gezag bezaten en, ofschoon niet rechtens dan toch reeds feitelijk, souvereine rechten uitoefenden. Hierdoor reeds voorbereid op hunne werkelijke souvereiniteit, zouden zij door den loop der wereldgebeurtenissen onder de hand van God, weldra een koningstroon bestijgen, die alle andere vorstentronen in glans en duur zou overtreffen.
3
Hoofdstuk li.
liet Exan-haat. De Lonaobanleu vestliteu zit-h in Italië. Zij luMlreiuen voort durend Home. Onniaelit der (■ riekselie Keizers om Kome en Italië teuen liiinne aanvallen te verdedigen. De Pausen en de beeldstornieiide keizers. Verminderende invloed der keizers, toenemende invloed der Pausen.
t talie zou nog menigen harden strijd, Rome nog menige vernedering te verduren hebben, eer voor het schoone maar talie zou nog menigen harden strijd, Rome nog menige vernedering te verduren hebben, eer voor het schoone maar zoo vaak beproefde land, eer voor de eeuwige stad betere dagen zouden aanbreken.
Onder hun koning Theodorik hadden de Oost-Gothen zich allengs van geheel Italië meester gemaakt, zonder dat de Grieksche keizers zich veel bemoeiden om het te behouden. De dappere Belisarius, die onder de grootste veld-heeren kan gerekend worden, welke de wereld ooit aanschouwde, kon wel nu en dan hunne macht een weinig fnuiken, maar daar hem uit Constantinopel niet de geringste hulp gewerd, vermochten zijn veldheerstalent en zijne dapperheid weinig tegen den vijand. Aan Narses gelukte het evenwel de belangstelling des Griekschen keizers weer eeniger-mate voor Italië op te wekken, zoodat hij de Gothen kon verslaan en aan hun rijk een einde maken. Narses werd nu souverneur of Exarch van Italië, dat tot den rang eener
O
provincie van het Grieksche rijk was verlaagd.
'•il !
I
t
— 35 ~
Nauwelijks was Italië evenwel van deze Barbaren gezuiverd of in liet Noorden kwamen nieuwe veroveraars opdagen. Het waren de Longobarden, eene uit Noord-Germanie komende volksstam, die allengs naar het Zuiden was afgezakt. Men zegt dat Xarses, om zich te wreken over een onrecht hem door keizerin Sophia, de gemalin van Justinus II, aangedaan, zelf de Longobarden in Italië riep. Wat daar ook van zij, zeker is het dat zij in 568 onder hun koning Alboïn in Italië vielen en zonder veel moeite het geheele noordelijke gedeelte in bezit namen. Pavia bood hun gedurende drie jaren een heldhaftigen tegenstand, maar ook deze stad viel in hunne macht. Men zegt dat Alboïn, verbitterd over den moedigen tegenweer, gezworen had alle inwoners over den kling te zullen jagen, als de stad in zijn bezit was. Toen hij evenwel de veroverde vesting binnentrok, struikelde zijn paard. Hierin een voorteeken ziende, trok hij zijn eed in, spaarde de stad en maakte haar tot de hoofdstad van het nieuwe Lonyo-bardenrijk. Het gebied dat de Grieksche keizers in Italië overhielden, het zoogenaamde Exarchaat, was door deze veroveringen der Longobarden aanmerkelijk geslonken. Het bestond nog slechts uit het schier-eiland Illyrië, de Vene-tische eilanden, waar talrijke personen die voor Attila's verwoestingen gevlucht waren, eene schuilplaats zochten en later Venetie stichtten; het kustland van Ravenna tot aan Ancona; Rome en deszelfs gebied, het Romeinsche hertogdom (Ducatus r om anus) geheeten; Napels met Amalfi; Gaëta en Sorrente; Apulië en Calabrië en Ligurië met de hoofdstad Genua. De kuststreek van Ravenna tot Ancona werd meer bijzonder het Exarchaat genoemd; de steden Rimini, Pesaro, Fano, Sinigaglia en Ancona werden aangeduid onder de benaming Pentapolis (de vijf steden). Deze Pentapolis zouden met het Exarchaat en het hertogdom Rome de latere Kerkelijke Staten uitmaken. Het geheele Noorden van Italië was verder in de macht der Longobarden, terwijl de hertogdommen Spoleto en Benevento als
— 36 —
bijna onafhankelijke Staten in het bezit van twee hunner hertogen waren.
De Longobarden streefden er naar om him rijk in Italië voortdurend nit te breiden en het is te begrijpen dat Rome vooral het doelwit hnnner veroveringen was. Nog voorliet meerendeel heidenen of tot de dwaalleer van Arins behoo-rende, had de Katholieke Kerk veel van hunne vervolgingen te verduren, totdat de godvruchtige koningin Theodolinde, die katholiek was, door haar invloed en de algemeene liefde die het volk haar toedroeg, hen tot het katholicisme bekeerde. Deze bekeering belette de Longobarden evenwel niet voortdurend de hand naar Rome zoowel als naar het Exarchaat uit te slaan. Maar evenmin als de keizers iets gedaan hadden om Italië tegen de Oost-Gothen en andere woeste volksstammen te verdedigen, gaven zij zich nu de moeite om dat gedeelte, waarover zich nog hunne rechtsmacht uitstrekte, tegen de Longobarden te verdedigen.
In 577 zonden de Romeinen den Patriciër Panfronius met eene groote som gouds naar den keizer te Constanti-nopel om zijne hulp tegen de Longobarden in te roepen; maar de keizer, die zijne handen vol had met den oorlog-tegen de Perzen, gaf den afgezant het geld terug, voegde er nog eene aanzienlijke som bij en ried de Romeinen aan dat zij voor dat geld zich maar de hul}) van een der Lon-gobardische hertogen moesten knopen, of, zoo hun dat niet gelukte, zich om hulp tot de Franken moesten wenden. In 584 zond paus Pelagius zijn apocrisarius 1) Gregorius, die later als Paus den naam van den Groote zou verdienen, naar Constantinopel om den keizer bekend te maken met den hoogen nood, waarin Rome en Ravenna verkeerden; maar dit gezantschap werkte al evenmin iets uit. Toen Gregorius later zelf den pauselijken troon had beklommen en zijn best deed om de wonden van Italië te heelen en de Longobarden tot vrede te brengen, werd hij niet alleen
1) De iipoerisarius was zooveel als afgezant, nuntius, dhloinith'k agsnt.
— 37 —
niet door de Grieksche keizers ondersteund, maar zelfs tegengewerkt.
Rome zou evenwel op nog veel smartelijker en gevoeliger wijze ondervinden dat het nog onder de macht der Grieksche keizers stond.
In 663 wilde keizer Constans tegen de Longobarden ten velde trekken en in Rome andermaal den zetel van het rijk vestigen. Te Taranto ontscheept zijnde, belegerde hij weldra Benevento; maar de jeugdige zoon van Grimoald, Romuald, verdedigde de stad met zooveel geestkracht, dat de keizer zich op Napels terugtrok en den krijg tegen de Longobarden opgaf. Van Napels kwam hij te Rome, dat in twee eeuwen niet meer het gelaat eens keizers had aanschouwd. De twaalf dagen, die Constans in Rome doorbracht, geleken meer op eene plundering dan op een bezoek. Hij beroofde de stad van hare beelden en kunstschatten, nam de bronzen deuren van het Pantheon mede en hield erger huis dan de Barbaren hadden gedaan. De geroofde schatten en kunstwerken werden naar Constantinopel gevoerd, maar vielen onderweg in handen van de Saracenen, die ze naar Alexandria brachten.
Constans begaf zich vervolgens naar Sicilië en van uit Syracuse speelde hij nog gedurende vijf jaren den dwingeland over Italië, totdat een bronzen kan, die op zijn hoofd terecht kwam, de wereld van hem verloste. Niet veel geringer waren de rampen en onheilen, die Italië en Rome van de Exarchen hadden te verdragen, daar Ravenna voortdurend het schouwtooneel van opstanden en moorden was. Evenwel, zouden de Italianen trouw zijn gebleven aan de keizers en hunne Exarchen, wanneer alleen hunne levens en hunne goederen gevaar hadden geloopen, maar toen hun geloof geweld werd aangedaan en de keizers de handen uitsloegen naar de Pausen, aan wie Rome en Italië hun behoud hadden te danken, toen wendde het volk zich geheel van zijne vorsten af en verloren de keizers nog het weinige ontzag en den geringen invloed, die hun waren overgebleven.
- 38 —
Vanaf den oorsprong van liet Christendom hadden de belijders van Christus altijd een grooten eerbied voor de afbeeldingen en de beelden der Heiligen betoond, en niettegenstaande het wel gebeurde dat onder volken, die nog pas uitliet heidendom bekeerd waren, misbruiken ontstonden, zoodat aangebeden werd wat alleen mocht vereerd worden, bleef de Kerk altijd het gebruik van beelden goedkeuren en aanbevelen. Toen Serenus, bisschop van Marseille, verontwaardigd dat sommige lieden aan de beelden aanbidding brachten, deze uit de kerk liet verwijderen, schreef paus Gregorius hem: ,,Ik prijs uw ijver om te beletten dat men afbeeldselen aanbidt, die door menschenhanden gemaakt zijn; maar ik meen dat ge ze niet had behoeven te laten verbrijzelen, daar zij in de kerken worden geplaatst opdat zij, die niet kunnen lezen, op de muren kunnen aanschouwen wat zij niet uit de boeken kunnen leeren. Gij zoudt dus beter gedaan hebben met de beelden to behouden, en aan het volk te zeggen, dat het eene dwaling is, ze te aanbidden.quot;
Leo de Isauriër, die van herdersknaap den Byzantijn-schen keizerstroon bestegen had, besloot, naar men zegt op inblazing der Mahomedanen en Joden, den oorlog aan de beelden te verklaren, en met de, aan deze keizers eigene dwingelandij, zette hij zijn plan door, dat door zijne opvolgers werd voortgezet. De patriarch van Constantinopel, Germanus, verzette zich er tegen en schreef er over aan den Paus en aan andere Bisschoppen. Door dezen tegenstand verbitterd begon Leo de Isauriër met nog meer geweld tegen de beelden op te treden. Hij beval dat een Christusbeeld, hetwelk zich in liet voortportaal van het paleis bevond en door het volk in hooge eere werd gehouden, zou omgeworpen worden. De vrouwen verzetten er zich eerst door gebeden en smeekingen tegen, en toen deze niets uitwerkten, wierpen zij de ladder omver, waarop de man zich bevond, die het bevel des keizers moest ten uitvoer brengen. De keizer bestrafte allen die zich tegen zijne bevelen verzetten met martelingen en den dood, en weldra had er in het ge-
— 39 -
heele i'ijk eene gruwzame vervolging plaats tegen de Katholieken, die de beelden verdedigden en bleven vereeren. De keizers, die zich aan deze beeldstormerij plichtig maakten, ontvingen den naam van Iconoclasten, hetwelk beelden-verbrijzeiaars beteekent. Te vergeefs beijverden de pausen Gregorins II en Gregorms 1IT zich den keizer tot betere inzichten te brengen; zij ontvingen spottende antwoorden en de vervolging werd er slechts te heviger door.
De Byzantijnsche keizers, als echte Oostersche despoten, wilden niet alleen in wereldlijke maai' ook in geestelijke zaken de oppermacht hebben en de pausen, patriarchen en bisschoppen, die zich tegen hunne inmenging in geloofszaken verzetten, hadden vaak de gruwzaamste mishandelingen te verduren. Zoo had Paus Martinus, in 652, een Concilie bijeengeroepen, waarin hij eene ketterij, die door keizer Constans begunstigd werd, veroordeelde. De keizer zag hierin eene persoonlijke beleediging en beval den Exarch Olympius zich van den paus, levend of dood, meester te maken. Olympius, de woede van het Romeinsche volk vreezende, dorst niet tot eene openlijke gewelddaad overgaan; hij veinsde dus uit de hand des Pausen te willen communiceeren en plaatste een moordenaar in de nabijheid. Toen deze evenwel den moorddadigen stoot wilde toebrengen, werd hij met blindheid geslagen. Olympius bekende zijne misdaad en vroeg en kreeg van den paus vergiffenis.
Do opvolger van Olympius in het Exarchaat, Jan Calliopas, slaagde beter in de misdadige onderneming. Onder voorwendsel in het paleis van den paus naar wapenen te willen zoeken, drong hij er des nachts binnen en ofschoon hij niets vond, nam hij toch den paus en zes zijner dienaren gevangen. Nadat men drie maanden op zee had rondgezwalkt, werd de paus gevamren naar Constantinopel gevoerd en drie maanden in een gevangenishol opgesloten gehouden, zonder met iemand te mogen verkeeren; alleen het medelijden van de vrouwen der cipiers verzachtte een weinig zijn lijden. Daarna onder valsche voorwendsels veroordeeld,
— 40 —
werd hij op een binnenplein, ten aanschouwen der volksmenigte, van de pauselijke waardigheidsteekenen beroofd en met een ijzeren band om den hals, niettegenstaande zijn hoogen ouderdom, door de straten der stad gesleurd. Vervolgens in ballingschap naar den Chersonesus gezonden, stierf hij daar van ontbering en ziekte. Den patriarch Maximus, die de onschuld des pausen had verdedigd, liet Constans de tong en de rechterhand afsnijden. Ziedaar een gruwelijk staaltje van hetgeen den pausen te wachten staat als onderdanen van slechte en despotische vorsten.
Toen paus Gregorius II in een synode te Rome de dwaling der beeldstormerij veroordeeld en plechtig de vereering der beelden bevestigd had, geraakte Leo de Isauriër in woede en zond hij den paus een dreigend schrijven: ,,Ik zal mijne soldaten naar Rome zenden, om het beeld van den H. Petrus 1) te verbrijzelen, en ik zal met paus Gregorius handelen, als Constans met Martinus, en hem met ketenen beladen doen oplichten.quot;
Maar de tijden waren sinds keizer Constans reeds veel veranderd, zoodat paus Gregorius dan ook aan den Isauriër kon schrijven: „Wat de onbeschaamde beleedigingen en bedreigingen betreft, die gij Ons doet, zoo behoeven wij volstrekt niet met u in strijd te komen; de Paus zal zich op 24 stadiën van Rome, in de streek van Campanie terugtrekken en kom dan maar om tegen de winden slag te leveren.... Mocht het Gode behagen, dat het ook Ons lot werde om de wegen van Paus Martinus te bewandelen! maar voor het welzijn van het volk willen Wij liever leven en overleven; immers geheel liet Westen heeft de blikken op onze nederigheid gevestigd, en stelt groot vertrouwen in Ons — ofschoon Wij zooveel niet verdienen — en in hem, wiens beeld gij dreigt te zullen verbrijzelen, namelijk in den H. Petrus, die door alle Rijken van het Westen vereerd wordt
1) Het beeld van den H. Petrus, dat de Isauriër dreigde te verbrijzelen, is hetzelfde bronzen beeld, dat zich nog nu in het groote middenschip van St. Pieter bevindt en sinds veertien eeuwen door de geloovigen vereerd wordt.
_ 41 —
als een aarclschen God. Wanneer gij er de i)roef van wilt nemen, weet dan dat de Westerschen bereid zijn ook de door ii beleedigde Oosterschen te wreken. Maar wij bezweeren ii in den naam van God, laat uwe jeugdige en zelfs kinderachtige bedreigingen achterwege. Gij weet wel dat uw rijk geen wraak op Rome kan nemen, tenzij misschien tegen de stad alleen wegens de nabijheid der zee en door uwe schepen; omdat, wanneer de Paus, zooals Wij u reeds gezegd hebben, een 24 stadiën buiten Rome gaat, hij volstrekt niet meer bevreesd is voor uwe bedreigingen. Eene zaak bedroeft ons, namelijk, dat, terwijl de anderen van wild en barbaarsch zachtmoedig worden, gij van zachtmoedig wild en wreed wordt. Geheel het Oosten biedt aan den Prins der Apostelen vruchten van geloof aan. Wanneer gij van de uwen zoudt zenden om het beeld van den H. Petrus omver te halen, dan zweeren Wij, dat Wij onschuldig zijn aan het bloed dat vergoten zal worden: het zal op uw hoofd terugvallen.quot;
En wel kon Paus Gregorius zoo spreken, want bij eene vroegere gelegenheid had het Italiaansche volk het bewijs geleverd, dat het de Pausen, zijne weldoeners en redders, desnoods tegen de Byzantijnsche despoten wist te verdedigen. Toen namelijk keizer Justinianus 11 in 692, Zacharias, een zijner legerhoofden, naar Rome zond om paus Sergius te ontvoeren, grepen de troepen van Ravenna en van de Pentapolis naar de wapenen en snelden naar Rome, om den Paus te verdedigen. De verschrikte Zacharias deed de poorten van Rome sluiten en verborg zich, uit vrees voor de Romeinen, bij den Paus, dien hij om hulp smeekte. Die van Ravenna trokken evenwel door de Sint-Pieterspoort de stad binnen en snelden naar het Lateraan en riepen om den Paus, omdat men zeide dat deze in den nacht reeds de vlucht had genomen. De Paus vertoonde zich aan de menigte en stelde haar aldus gerust; maar zij wilde toch het Lateraan niet verlaten, alvorens Zacharias, die uit angst onder het bed van den Paus was gekropen, het paleis had verlaten en onder verwenschingen en beleedigingen door het volk buiten de stad was gejaagd.
— 42 —
Deze gebeurtenis wijst er dus duidelijk op dat de invloed en het gezag der keizers in Rome niet veel meer te beteekenen hadden, en datgene, wat aan Constans met paus Martinus gelukt was, niet meer aan Justinianus II met paus Sergius, noch aan Leo den Isauriër met Gregorius II kan gelukken.
Deze gewelddaden der keizers en hunne gruwelijke vervolgingen tegen de aan de ware leer en discipline getrouw gebleven katholieken hadden het volk geheel en al van zijne vorsten vervreemd.
P. Giuseppe Brunengo, aan wiens uitstekend werk wij eenige dezer bijzonderheden ontleenen, maakt hierop de volgende zeer juiste opmerkingen: „Het geweld, door de Grieksche keizers tegen de Pausen uitgeoefend, geven ons een historisch en tastbaar bewijs hoe noodzakelijk liet is dat de Paus onafhankelijk zij van eiken vorst, en hij zelf vorst moet zijn. Het kan immers niet ontkend worden dat de keizers voornamelijk zoo brutaal tegen de Pausen durfden optreden, omdat zij de Pausen veel meer beschouwden als hunne burgerlijke onderdanen, dan wel hen vereerden als opperste Herders van die Kerk, waartoe ook die keizers zeiden te behooren. Krachtens hunne keizerlijke autocratie beweerden Constans II en Justinianus II (om niet te spreken van Heraclius, Justinianus I en andere) ook de Pausen hunne wetten in godsdienstige zaken te kunnen opdringen en hun leerstellige decreten en formules voor te schrijven, hun te bevelen de synodes en canonen goed te keuren, en hen te dwingen zich medeplichtigen en beschermers te maken van alle ketterijen en nieuwigheden, die hun goeddachten. En wanneer de Paus niet toegaf aan hun goddeloozen eisch, werd hij terstond als een rebel behandeld, als een schuldige voor hun rechterstoel gesleept, met bedreigingen overladen, en, misbruik makende van hunne macht, handelden zij met zijn verheven persoon, zooals men het nauwelijks van een
1) Le Origini dejla sovranita temporale lt;lei Papi.
43 —
heiclenschen vervolger zou verwachten. Wanneer nu de Oostersche keizers zooveel durfden bestaan in de tijden, toen hunne macht in Italië, en vooral in Rome, reeds zoo-laag gezonken was, en niettegenstaande zij wisten, dat zij den haat op zich zouden laden van alle Italianen, die zoo verknocht waren aan den Paus; wat kunnen wij dan niet in onze dagen verwachten, nu men aan den Paus met Zijne souvereiniteit ook Zijne onafhankelijkheid ontnemen wil, en hij als 't ware de onderdaan van eene Europeesche mogendheid is, met een half millioen bajonetten gewapend en verbonden met de natuurlijke vijandin van het Pausdom: de Revolutie. Zullen wij dan den vorst niet binnenkort tegenover den Paus dezelfde eischen zien herhalen, dezelfde aanslagen tegen de geestelijke macht van den Stedehouder van Christus, dezelfde gewelddaden als van de Grieksche keizers zien hernieuwen? Gelooft niet dat deze vorst, omdat hij katholiek is, en zich onderworpen aan de Kerk en den H. Vader zegt, zich van zulke buitensporigheden zal onthouden. Waren of noemden zich de keizers van Constan-tinopel ook niet katholiek, ortodox, getrouwe zonen van de Kerk? gaven ook zij niet duizenden verzekeringen van eerbied? Of denkt men dat men aan het Grieksche Hof van het Bas-Empire niet reeds de beleefdheid der beleedigingen kende, namelijk de kunst om droeve feiten met mooie woorden te verzoeten, om onder eene buiging een kaakslag te geven, om met een kus te verraden, om de eene hand als 't ware uit te steken om te verdedigen en de andere om te berooven; eene kunst die in onze dagen van moderne beschaving het toppunt van verfijnheid heeft bereikt? Of hoopt men soms dat de eerbied voor de openbare meening en de vrees van zich de Katholieke Wereld tot vijandin te maken, den vorst een tengel zou aanleggen? Deze teugel was zeker niet voldoende voor een Constans II, een Justinianus II, een Leo den Isauriër, ofschoon toen geheel het rijk en de geheele Romeinsche wereld wettiglijk eenzelfde ortodox geloof bekenden, van welk geloof de Paus het algemeene Hoofd was:
— 44
en zou men dan willen dat deze teugel voldoende was in onze dagen, nu Europa verdeeld is in zoovele secten, die het leerambt des Pausen ontkennen, en deze secten onder de voornaamste Mogendheden heerschen?
De waarheid is, dat, wanneer de Paus onderdaan van een ander moet zijn, hij zich er aan zou moeten onderwerpen te worden wat te Constantinopel de Grieksche Patriarch onder den Grooten Turk, of in Rusland de Heilige Synode onder den Czaar is, of wel den bloedigen weg dei-vervolgingen en des marteldoods inslaan, die door zoovele zijner voorgangers reeds zoo roemrijk bewandeld is. De eerste veronderstelling kan men niet aannemen, zonder te twijfelen aan de onfeilbare belofte van Christus; de tweede zou dus overblijven, en het zou zeker een schoone roem voor onze eeuw zijn, wanneer zij het werk van twaalf eeuwen ongedaan maakte en de koningskroon op het hoofd des Pausen in een Martelaarskroon veranderd had.quot;
Dit werd in 1862 geschreven. De 19de eeuw mag zich den treurigen roem toeëigenen, het werk van twaalf eeuwen tijdelijk te hebben laten vernietigen, en al is ook niet alles verwezenlijkt wat p. Brunengo vreesde en voorspelde, dan is het alleen daardoor, dat de Voorzienigheid, in onze dagen van beroeringen en onzekerheid, den Paus zelfs door de mogendheden die niet aan Zijn leerambt gelooven, doet eeren en als bemiddelaar beschouwen, terwijl in de 7de en 8ste eeuwen de vervolgingen der Grieksche keizers juist moesten dienen om Italië aan hunne heerschappij te ontrukken, de tijdelijke macht der Pausen te doen ontstaan en te grondvesten. Keeren wij nu tot ons onderwerp terug.
Leo de Isauriër had zich door den brief van Paus Gre-gorius wel laten afschrikken van een openlijken krijg, maar nam daarentegen zijne toevlucht tot sluipmoord. De hertog Basilius, de cartularius Giordano en een sub-diaken Johannes, bijgenaamd Lurio, zouden het schelmstuk uitvoeren. De Romeinen kregen er evenwel lucht van en maakten met Giordano en Lurio kort recht, terwijl Basilius slechts aan
— 45 —
den dood ontsnapte door zich monnik te maken en in een klooster op te sluiten. Toen later de Exarch Paulus van uit Ravenna met eene bende huurlingen tegen Rome wilde optrekken, snelden de Longobarden, hunne vijandelijkheden met de Romeinen vergetende, dezen te hulp om den Paus te beschermen.
Hoe meer de macht en de invloed der Grieksche keizers in Italië daalden, des te meer stegen die der Pausen. Dooide Westersche vorsten met de grootste achting en eerbied als hunne gelijken en zelfs als hunne meerderen beschouwd, bezaten zij reeds eene koninklijke waardigheid en koninklijk gezag, zonder nog koningen te zijn of er naar te streven het te worden. Bovendien hadden de Pausen, zooals wij gezien hebben, zeer groote bezittingen, hun door Oonstan-tijn den Groote geschonken, en een zeer aanzienlijk gedeelte van die bezittingen lag zelfs om en bij Rome, zooals in Latium, Campanie, Sabinia, Tuscia romana (later Toscane), Piceno, Ravenna, enz., en ofschoon de inwoners dier plaatsen onderdanen des keizers bleven, stonden zij toch onder de rechtstreeksche macht der Pausen, zoodat zij veel meer dezen dan de keizers als hunne opperheeren beschouwden. Nog veel meer was zulks in Rome het geval; zoo zelfs dat de hertogen, die door de keizers als bestuurders van het Romeinsche hertogdom derwaarts werden gezonden, niet de geringste beteekenis hadden, zoodat de geschiedenis slechts van zeer weinigen de herinnering heeft bewaard. De gehechtheid aan het katholiek geloof, dat door de beeldstormende keizers bedreigd en vervolgd werd, en de boven-menschelijke majesteit van den Stedehouder van Christus, die zoo scherp afstak bij de wreedheid, de bedorvenheid en de dwingelandij der keizers, moesten dien invloed voortdurend doen toenemen, terwijl de eerbied voor den keizer geheel en al verloren ging. Toen deze in een allerhevigst edict, dat door den Exarch Paulus werd afgekondigd, verbood om in 't vervolg nog beelden van heiligen, martelaren of engelen, die vervloekte zaken werden genoemd, in de
46 -
kerken te houden, en er bijvoegde dat de Paus weer inde gunst des keizers zou komen, als hij zich naar liet edict regelde, verklaarde het Italiaansche volk dat het den keizer als een geëxcomuniceerde beschouwde en hem de gehoorzaamheid opzegde. Het koos zelf zijne hertogen en vormde een bond ter verdediinnu' van den Paus; en hiermede nog
O O ' O
niet tevreden, besloten de Italianen eene expeditie tegen Constantinopel te ondernemen, ten einde den keizer van den troon te werpen. Op aanraden van den Paus zagen zij echter van dit plan af; want hoezeer ook door de keizers belaagd en bedreigd, altijd wisten de Pausen liet volk onder hunne gehoorzaamheid te houden en altijd eerbiedigden de Pausen de keizers als hun vorst en waren zij hem in wereldlijke en rechtvaardige zaken onderdanig. Dit feit is door een aantal geschiedschrijvers ontkend. Deze beweren dat de Pausen het Italiaansche volk aan de onderdanigheid en de trouw der keizers onttrokken hebben; maar honderden daden getuigen van het tegendeel, en meermalen hielpen de Pausen de Exarchen tot het heroveren van door de Longobarden overweldigde steden en in het dempen van opstanden tegen het gezag der keizers. De Italiaansche geschiedschrijver Muratori, die anders juist niet zeer welwillend ten opzichte van de Pausen gestemd is, zegt dan ook: „Deze waarheid, gestaafd door den bibliothecaris Anastasius en door Paulus Diaconus, twee schrijvers die zeer goed op de hoogte waren van de zaken van Italië, en door de feiten bevestigd, leert ons duidelijk dat Theophanos, een Grieksch schrijver, met allen die achter hem komen, zich bedriegt, als hij zegt dat Paus Gregorius II, (die overigens zeer door hem geprezen wordt) Rome, Italië en geheel het Westen aan de gehoorzaamheid des keizers onttrok. Wanneer de heilige Paus het gewild had, zou het reeds toen met de Grieksche keizers in Italië gedaan zijn geweest; maar hij stelde zich tevreden met de rechten der Kerk en zijn eigen leven te verdedigen, en belette dat de opgestane volkeren overgingen tot de verkiezing vaneen anderenkeizer.quot;
- 47
Van die behartiging van de belangen des keizers bleven de Pausen altijd de bewijzen leveren, hoezeer zij zeiven ook door de Byzantijnsche dwingelanden vervolgd werden. Een schitterend voorbeeld vinden wij daarvan nog bij denzelfden pans Gregorius II. Leo de Isanriër had zijn plan, om den paus te doen ontvoeren, nog volstrekt niet opgegeven, en hij zond voortdurend dringende bevelen aan de Exarchen om zijn wil te volbrengen. De Exarch Eutichius, de overtuiging hebbende dat hij de trouw en de gehechtheid van het Romeinsche volk ten opzichte van den Paus niet kon verschalken, besloot door wapengeweld te verkrijgen, wat hem niet door list wilde gelukken. Hij wist Luitprant, koning der Longobarden, voor zijne zaak te winnen, door dezen te helpen in het onderwerpen der weerspannige hertogen van Spoleto en Benevento, waarna zij gezamenlijk tegen Rome zouden optrekken. De hertogen werden overwonnen en weldra legerden de troepen van Luitprant en Eutichius op Monte Mario en langs den Tiber, en begonnen de stad te bedreigen.
Evenals Leo de Groote zich voor Attila en Genserik vertoonde en dezen wist te bewegen Rome te sparen, zoo trok ook nu Gregorius de stad uit en naar de legerplaats der aanvallers. Daar wist hij zoodanig op het gemoed van den Koning te werken, dat deze, zich voor den Paus op de knieën werpende, beloofde Rome met rust te zullen laten.
Hij begaf zich daarop met den Paus naar de basiliek van St. Petrus en als teeken van hulde en vrede legde hij op het graf van den Apostel zijn koninklijken mantel, zijne gouden armbanden, zijn gordel, dolk, zwaard, koningskroon en zilveren kruis. Xa zijne gebeden verricht te hebben smeekte Luitprant dat de paus ook Eutichius mocht vergeven. Niet alleen bewilligde Gregorius daarin, maar hij ontving den Exarch ook als gast in Rome; en toen kort daarop zekere Tiberius de vaan des oproers tegen den keizer opstak, hielp Gregorius den opstand dempen, door aan Eutichius hulptroepen te zenden. Deze handelwijze
- 48 —
toont duidelijk aan, dat de paus reeds souvereine rechten en vorstelijken invloed in Rome uitoefende; maar tevens ook dat hij die souvereiniteit volstrekt niet overweldigde, maar altijd zich beijverde om de rechten des keizers te verdedigen.
Gregorius II stierf den 11de Februari 731, na eene roemrijke regeering van zestien jaren, gedurende welke het aanzien en de macht der Pausen zoodanig gestegen waren, dat wij Gregorius II wel als den eersten kunnen beschouwen, die de koninklijke macht, de werkelijke souvereiniteit in Rome en zijn hertogdom uitoefende.
Nauwelijks had Gregorius II zijne heilige loopbaan ge-eindigd of de geestelijkheid en het volk riepen Gregorius III tot zijn opvolger uit. Anastasius, de geschiedschrijver van dezen en van andere pausen, zegt dat het Romeiusche volk, van groot tot klein, als door eene goddelijke ingeving bezield, nog bij de lijkbaar van den overledenen paus Gregorius III tot zijn opvolger kozen. Zooals men ziet werden de Pausen toen nog door het Romeiusche volk en de geestelijkheid gekozen, maar zeer spoedig zou ook hierin eene verandering komen, zooals wij later zullen aantoonen. De verkiezing van Gregorius III is reeds daarom merkwaardig omdat zij de laatste is, waarvoor nog de goedkeuring van den keizer of zijn Exarch gevraagd werd; bij de verkiezing van Paus Zacharias zou zulks niet meer plaats hebben. Zoo zien wij dan de Voorzienigheid, oogenschijnlijk door geheel wereldlijke feiten en langs den weg der mensche-lijke handelingen, allengs de geheele onafhankelijkheid des Pausen tot stand brengen. Voor den denkenden mensch, die weet dat God de wereldgebeurtenissen in Zijne hand heeft en de misdaden en vergrijpen der menschen weet te keeren tot heil en voordeel der Kerk, ligt in deze voortschrijdende onafhankelijkheid der Pausen iets meer dan een bloot toeval. Die onnaspeurbare leiding der Voorzienigheid zal hij in den loop van alle eeuwen erkennen en daaruit zal hij niet alleen de hoop, maar ook de zekerheid putten,
49
dat de nood en verdrukking, waaronder de Kerk en het Pausdom in onze dagen zuchten, voorbijgaand zijn en door eene schitterende zegepraal zullen gevolgd worden.
Gregorius III was de waardige opvolger van zijn heiligen en roëmrijken voorganger. Nauwelijks had zijne wijding op den 18den Maart plaats gehad — er waren, ten gevolge van de aanvrage om goedkeuring aan den Exarch, 35 dagen sinds zijne verkiezing verloopen - of hij wendde de oogen naar Constantinopel, om den keizer tot betere gezindheid te brengen; maar Leo de Isauriër scheen met blindheid geslagen en zette onverpoosd zijne heillooze ketterij en zijne vervolging tegen de katholieken voort. Daarop belegde Gregorius in St. Pieter een concilie, dat behalve dooiden Patriarch van Grado, den aartsbisschop van Ravenna, en 93 Italiaansche bisschoppen, ook door de geheele Ro-meinsche geestelijkheid, den adel en het volk werd bijgewoond, en waarin de ban werd uitgesproken over hem, die de beeltenissen van den Zaligmaker, de H. Maagd, de Apostelen en andere heiligen zou vernielen, lasteren of ont-eeren. De beslissing werd door allo bisschoppen aangenomen en onderteekend.
Woedend over dit besluit, rustte de keizer eene vloot uit naar Italië om Ravenna en daarna Rome te belegeren. Maar die van Ravenna traden het keizerlijk leger kloekmoedig tegemoet. De abt Agnello verhaalt dat, terwijl de geestelijkheid met den Bisschop, in haren kleederen gehuld en met asche op het hoofd, de hulp van God inriepen en de ouderen der stad, in zakken gehuld, niet ophielden te bidden, zich tnsschen de beide strijdende legers een woeste stier vertoonde, die met zijne hoeven het zand naar de Grieken opwierp, terwijl men eene luide stem hoorde, die uitriep: „Houdt moed, mannen van Ravenna, strijdt moedig, de overwinning zal lieden aan u zijn!quot; En de Grieken werden volkomen verslagen. Dit was de laatste onderneming van den Isauriër, en zijne nederlaag vernietigde zijn laatsten invloed in Italië. Er brak nu een korte tijd van
4
— 50 -
vrede aan, dien Gregorius, onder meer, zich ook ten nutte maakte om het grootste gedeelte van de muren der stad te herstellen; eveneens deed hij Centoeello 1) (Civitavecchia,) waarvan de muren bijna geheel in puin lagen, opnieuw versterken, ten einde het in staat van tegenweer te brengen, niet alleen tegen de Grieken, maar ook tegen de Saracenen, die hunne strooptochten naar Italic begonneu.
De rust en de vrede zouden evenwel niet van langen duur zijn. Uit het Noorden dreigde een nieuwe en veel gevaarlijker vijand. Maar ook uit dit gevaar zou het Pausdom schitterend te voorschijn treden en zouden die tijdelijke macht der Pausen, die Kerkelijke Staat als wereldlijk koninkrijk der Pausen ontstaan, die sinds wel tijdelijk onderbroken, maar weer hersteld werden, en twaalf eeuwen zouden voortbestaan.
1) In een der zalen van het gemeentehuis van Civitavecchia bevindt zich nog het volgende opschrift. S. Gregorius 111 Syrus Centuni-ccllarnm urbis moenia penitus oh vetus-tatem collopsa restituit anno DCCXXXIU.
Hoofdstuk lil.
Nieinvc vi.j a ml cl ijk lie den van de Loiiirolianlcn. Paus lt;gt;regoi'iiis vraairt hulp aan Karol .Martel. Dood van (■reirorius lil. Karei Martel en Leo den Isauriër. Paus Za-eharias reist tot twee malen naar Luitprant en weet eenisje .jaren den vrede met de Lonirobarden te bewaren. Dood van Luitprant.
TT^^ozig gehouden door binnenlandsche onlusten had-'^E^yl den de Longobarden gedurende bijna de geheels M'; r3 7de eeuw weinig kunnen doen om hunne macht ^4^1 over het verdere gedeelte van Italië uittebreiden, maar nauwelijks was Luitprant in 712 zijn vader Ansprand opgevolgd, of de aloude zucht naar vermeerdering van macht en grondgebied deed de Longobarden weer naar de wapens grijpen.
Luitprant was in menig opzicht een goed vorst, die zich als wetgever en veldheel' grooten roem heeft verworven. Hij geeft zich zeiven, aan het hoofd der door hem uitgevaardigde wetten, den naam van „Christelijk en katholiek koning van de door God zeer beminde Longobarden.quot; Doze schoone titel belette hem echter geenszins om, waar zijne eerzucht het hem ingaf, zelfs aan den Paus den oorlog aan te doen. Wij hebben reeds in het vorige hoofdstuk gezien hoe hij zich met den Exarch Eutuchius tegen Rome had verbonden, op de bede van paus Gregorius van een
T
i
— 52 —
verderen aanval op de stad afzag en op het graf van den H. Petrus vrede en eerbied had beloofd. De beloften der Longobardische koningen hadden gewoonlijk geen langen dunr en werden even gemakkelijk verbroken als zij gegeven waren en wij zien dan ook in 738 Luitprant, die zijn neef Hildebrand tot mederegeerder had aangesteld, strooptochten in het land van Ravenna ondernemen. Hij schreef terzelfder tijd aan de hertogen Trasmundus van Spoleto en Godschalk van Benevento, dat zij een inval zonden doen in het Romeinsche hertogdom. Dezen weigerden evenwel, zeggende dat zij een verdrag van vriendschap met den Pans hadden en de wapenen niet wilden voeren tegen de H. Kerk van God, van welke zij het geloof hadden ontvangen.
Het volgende jaar hervatte Luitprant zijne verwoesting in het Ravenneesche en zond tevens eene sterke troepen-afdeeling in het Romeinsche hertogdom, die overal de steden, hoeven en bezittingen van de Kerk verwoestte, het vee wegvoerde en de bevolking verstrooide. Eindelijk kwam de koning zelf met het gros van zijn leger, veroverde Spoleto, welks hertog naar Rome vluchtte, en sloeg weinige dagen daarna het beleg voor Rome.
Paus Gregorius wist niet hoe aan het dreigend gevaar het hoofd te bieden. Waarheen hij ook de oogen wendde, nergens kon hij op hulp hopen. De hertogen van Spoleto en Benevento werden zeiven door Luitprant hard bedreigd, de Exarch had al zijne troepen noodig om de Longobar-den uit zijn gebied te houden en van den keizer was niets te verwachten.
In dezen benarden toestand sloeg de Paus het oog op het land der Franken. De zwakke opvolgers van Clovis hadden allengs het bestuur van het rijk aan hunne hofmeiers overgelaten, en in dezen tijd had Karei Martel de teugels van het bewind in handen, die de zwakke Mero-vingers niet meer in staat waren te voeren. Karei had zich reeds grooten roem verworven, doordien hij de Sara-cenen, die een groot gedeelte van Frankrijk hadden veroverd.
— 53
in de vlakte van Poitiërs zulk eene zware nederlaag toebracht, dat zij het sinds niet meer waagden de Pyreneën over te trekken. Met gegronde hoop kon Gregorius dus hulp bij den, redder van het Christendom verwachten en zoo zond hij dan ook een gezantschap, met rijke geschenken beladen, naar Karei Martel; onder deze geschenken bevonden zich ook de sleutels van den H. Petrus. Deze sleutels van goud of verguld zilver, werden op hot graf van den H. Petrus gelegd en soms werd in de opengewerkte greep van den sleutel een gedeelte van de ketenen van den H. Petrus geborgen, of wel, door het metaal, waarvan de sleutels gemaakt werden, een weinig vijlsel van deze ketenen gemengd.
De aldus gewijde sleutels werden dan door de pausen als zeer kostbare en hooggeschatte relikwieën of geschenken gegeven. Gregorius do Groote zond er dergelijke aan. Childebert, koning der Franken en aan Reccard, koning der West-Gothen. In den brief aan Childebert zegt de Paus: „Claves S. Petri, in qiiimis de vinculis catenarmu eins inclusum est, excellentiae vestrae direxivivs, quae collo vestro suspensae ex niatis vos omnibus tueantur1) Wij zenden Uwe Uitmuntendheid de sleutels van den H. Petrus, waarin iets van zijne ketenen besloten is, opdat zij, als gij ze om den hals hangt, u voor alle rampen bevrijden.) Zulk een sleutel zond Gregorius 111 nu ook aan Karei Martel.
De pauselijke afgezanten, de bisschop Anastasius en de priester Sergius, namen den weg over zee en kwamen behouden in Frankrijk aan, waar zij aan Karei hulp tegen de Longobarden vroegen. Dit eerste pauselijke gezantschap dat men ooit in Frankrijk had gezien, werd door het volk en door Karei met de grootste onderscheiding ontvangen en met geschenken overladen. Kort daarop zond Karei een tegengezantschap, onder Grimo, abt van de beroemde abdij
1) De zoogenaamde sleutels van Sint Servaas te Maastricht en van Sint Lambertns te Luik, zijn ook zulke sleutels van den H. Petrus. In dir» van Luik kan men in de a jour gewerkte steel een stuk van de ketenen zien; in dien van Sint Servaas schijnt het vijlsel van de ketenen met het metaal der sleutels te zijn vermengd.
— 54 —
van Corbey en Siegbert, monnik van St. Denis, met zijn antwoord en kostbare geschenken voor de basilieken van den H. Petrus en den H. Paulus naar Eome. Vruchten leverden die beide gezantschappen niet op; Karei was te zeer bevriend met Luitprant om krachtig voor de belangen der Kerk op te treden, ofschoon hij zeker wel beloften in dien zin aan den Paus gedaan heeft, zooals duidelijk blijkt uit den tweeden brief, dien de paus kort daarna opnieuw aan Karei zond, toen de verwoestingen der Longobarden bleven voortduren. Deze brief 1), die van hooge historische waarde is, luidde als volgt:
„Gregorius aan zijn zeer uitmuntenden zoon Karei, Stedehouder (subrcgidus) van den koning van Frankrijk.
„Wij zuchten in diepe droefheid, als wij zien hoe de Kerk verlaten is door die harer zonen, welke zich aan hare verdediging moesten wijden. Het kleine grondgebied, dat ons het vorige jaar nog overbleef om te voorzien in het onderhoud der armen en voor den luister der Kerk, is door Luitprant en Hildebrand, koningen der Longobarden, in vuur en bloed gezet. Zij hebben de bezittingen van den H. 1 )etrus verwoest, het nog overgebleven vee weggevoerd, de omstreken van Rome geplunderd.
,,Ook van u, zeer uitmuntende zoon, hebben wij geene enkele vertroosting ontvangen; en wij weten, dat, in plaats van hulp te bieden tegen deze rampen, lt;iij meer geloof hecht aan de vorsten, die er de oorzaken van zijn, dan aan de waarheid, die wij u mededeelen.
„Wij smeeken den Allerhoogste u niet voor deze zonden te straffen; maar kondet gij eens de spotternijen hooren van hen die ons zeggen: ,, Waar is toch die Karei, wiens hulp (jij inroept? Dat hij home en n mef zijne yevrcesde Franken uit onze handen verlosse.quot; Welk een verdriet is het voor ons die verwijten te moeten hooren, als wij zien dat zulke machtige zonen der Kerk geen vinger verroeren
1) C. Cantu, Storia universale.
om haar te verdedigen en haar op hare vijanden te wreken! De prins der Apostelen, met zijne macht gewapend, zon haar wel kunnen beschermen; maar hij wil in deze rampspoedige tijden het hart zijner zonen beproeven. Sla dus geen geloof aan die koningen, als zij de hertogen van Spoleto en Benevento beschuldigen, wier eenige fout is, dat zij ons het vorige jaar niet, tegen hun eed in, hebben willen aanvallen. Voor het overige gehoorzamen zij geheel aan de koningen; niettemin wil men hen van hun rang berooven hen in ballingschap zenden, om de Kerk zonder tegenstand te kunnen onderj ukken en tot slavin maken.
„Zend ons een van uwe getrouwen, die onvatbaar is voor omkooping, voor bedreigingen, voor heloften; die uit zijn eigen oogen onze vervolging, do vernedering der Kerk, de tranen der pelgrims, den ondergang van ons volk ziet, en dat hij er u een nauwkeurig verslag van geve.
,,Wij vermanen u bij het oordeel Gods en bij het heil uwer ziel, om de Kerk van den H. Petrus en zijn volk te hulp te komen en die trouwelooze koningen te verwijderen, lïij den Levenden God en bij de sleutels 1) van den II. Petrus, die ik u als teeken van uw regeering 2) zend, haast u om ons te hulp te komen, laat uw geloof schitteren en doe zoo den roem, dien gij u in de wereld gemaakt hebt, toenemen, opdat de Heer u ook in do verdrukking ver-hoore, dat de naam van den God van Jacob u behoede, en dat wij in vrede dag en nacht den Eeuwige op het graf der heiligen Petrus en Paulus voor u en voor uw volk kunnen bidden.quot;
Luitprant ging inmiddels voort Home te bedreigen; hij
(1 Volgens dezen brief zonden de sleutels van den H. Petrns bij deze gelegenheid aan Karei zijn gezonden: volgens Brnnengo was dat bij liet eerste gezantschap geschied. De Latijiische tekst luidt dan ook direximus (gezonden hebben) en wijst op eenc vroegere zending.
('2 Cantii .(on andere schrijvers)' las (lazen) in den oorspronkelijken tekst in navolging van Tegnagel ad regnum, wat geen zin heeft. Gentilotti las evenwel ad rogum, wat be-teekent: ..als verzoek, als bede.-' Brnnengo geeft van den oorspronkelijken brief alleen het gedeelte, wat hierop betrekking heeft. Daar leest men: Coniuro te in Deum vivum et verum, et ipsas sacratissimas claves Confessionis B. Petri, quas vobis ad rogum direximus etc., Fantc de mieux heb ik den brief uit Cantii overgenomen.
— 56 —
plunderde zelfs de Basiliek van den H. Petrus, die, zooals wij gezien hebben, toen nog buiten de muren lag, en roofde de kandelabres en andere geschenken, die Karei Martel kort te voren er aan gezonden had.
Gregorius zond nu ten derde male eene dringende bede tot Karei en ditmaal, naar het schijnt, met goed gevolg, want Luitprant brak het beleg van Rome op en hielp later Karei Martel tegen de Saracenen, die nogmaals gepoogd hadden Provence binnen te dringen. Rome had derhalve andermaal zijn behoud aan den Paus te danken.
Gregorius III stierf den 28sten November 741, na eene roemrijke regeering van tien jaren. Rome verloor in hem een heiligen Paus en een uitstekend vorst. Een maand te voren was Karei Martel, na 25 jaren met roem geregeerd te hebben, te Quercy overleden. Zijne nalatenschap werd verdeeld onder zijne beide zonen Carloman en Pepijn. Ook Leo de Isauriër had in hetzelfde jaar, den 18den Juni, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, den troon nalatende aan zijn zoon Constantinus Copronimus, norj cieveinsder cn wreeder dan zijn vader, zooals een geschiedschrijver van zijn tijd zegt. Italië had evenwel van hem niets te lijden, daar hij er zich volstrekt niet om bekommerde en de troon hem bovendien betwist werd door zijn neef Artabasdes. Het gevaar voor Rome en zijn hertogdom dreigde dus van den kant der Longobarden, waar Luitprant nog altijd met geestkracht den schepter voerde en de blikken begeerig op de Eeuwige Stad hield gevestigd.
Drie dagen na het overlijden van Gregorius III, dat wil zeggen, zoo spoedig als het gebruik het veroorloofde, werd Zacharias met algemeene stemmen door de geestelijkheid en het volk tot Paus verkozen, en nog denzelfden dag, oi) Zondag 2 December 741, gewijd. Zooals wij reeds elders hebben gezegd, was Gregorius III de laatste Paus van wiens verkiezing aan den keizer te Constantinopel of aan diens Exarch kennis werd gegeven. Voor paus Zacharias had dit niet meer plaats, zoodat zijne wijding op den
Het In-onzcn beeld van lt;leii H. Petrus in Sint-Pieter dat Leo de Isauriër dreiarde te zullen doen verbrijzelen.
— 57 -
dag zeiven van zijne verkiezing plaats had. Paus Zacha-rias was om zijne groote deugden en zijne edele hoedanigheden zoo bij het geheele volk bemind, dat hij terstond na het overlijden van Gregorius werd aangewezen. Anastasins noemt hem: ,,een zeer zacht en (joedertieren man, vol goedheid, beminnaar van de geestelijkheid en van geheel het Rovieimehe volk, traag in den toorn en snel in medelijden, die geen kwaad met\ kwaad vergold, noch wraak zocht, maar goed en mededoogend voor allen vanaf den tijd zijner wijding, vergold het kwaad niet goed, zelf* aan hen die eerst zijne vervolgers wa,ren geweest, en hen met eer en rijkdom overlaadde. Door deze buitengewone goedheid wist hij dan ook gernimen tijd de vijanden van Eome tot rnst en vrede te winnen.
Luitprant had, in spijt van de gedane belofte, nog altijd vier steden A'an het erfgoed van den H. Petrus in zijn bezit gehouden en om die terug te bekomen besloot paus Zacha-rias zelf naar Terni te gaan, waar Luitprant zich met zijn leger bevond, na de verovering van het hertogdom Spoleto. De Paus verliet dan, vergezeld van veel geestelijken, zijne stad en te Orta aangekomen, werd hij daar opgewacht door een gezantschap, dat Luitprant, van zijne komst verwittigd, hem te gemoet had gezonden, om hem naar Xarni te vergezellen. Hier werd Zacharias door een ander en nog talrijker gezantschap ontvangen en naar Terni begeleid. De koning wachtte hem daar op voor de basiliek van den H. Valentin us en ontving hem met den grootsten eerbied.
De goedheid en de majesteit tevens, van den Paus maakten zulk een overweldigenden indruk op den Longo-bardenkoning dat deze al zijne wenschen inwilligde. Niet alleen schonk hij den Paus de vier bedoelde steden, maar ook die van Sabine, dertig jaren te voren aan den H. Stoel ontnomen, terug, en van deze teruggave en schenking aan den H. Petrus liet hij eene plechtige oorkonde opstellen. Toen de Paus naar Eome terugkeerde, deed Luitprant hem vergezellen door twee zijner neven en verscheidene zijner
— 58 —
grooten, die, op deze terugreis, plechtig de steden America-Orta, Bomarzo en Blera aan den Stoel van den H. Petrus teruggaven.
Men kan licht begrijpen met welke vreugde de gelukkige uitslag van 's Pausen reis door het Romeinsche volk werd begroet. Toen Zacharias dan ook zijne stad wederom naderde, werd hij door het opgetogen volk als in triomf binnengehaald. Noquot;1 schitterender was de uitslag van de
O O O
tweede reis, die Zacharias naar Luitprant ondernam. Deze, door zijne belofte gebonden, wilde niets meer tegen Rome ondernemen, maar wendde, daarentegen, zijne wapenen tegen het Exarchaat. Eutuchius, dezelfde die eenige jaren te voren mot Luitprant Rome had bedreigd, geen raad wetende noch redding ziende, nam zijne toevlucht tot den Paus en smeekte dezen hem te hulp te komen. Zacharias was terstond bereid om den Exarch te helpen. Hij zond, als zijne gezanten, den bisschop lïenedictus en den primicerius 1) Am-brosius met rijke geschenken, om beëindiging der vijandelijkheden en teruggave van Ravenna te verzoeken; maaide koning weigerde.
Toen besloot de Paus andermaal zelf naar den koning-te gaan. Anastasius, 2) de Bibliothecaris, verhaalt over deze reis het volgende; ,,Zijne hardheid (n.1. die van Luitprant) ziende, verliet de heilige man (Zacharias) zich wapenende met het geloof en het bestuur van Rome aan den hertogen Patriciër Stephanus overlatende, als de ware herder en niet als een huurling, zijne kudde, om de in gevaar ver-keerencle schapen te redden. Gedurende do reis en terwijl hij zich met do priesters, de geestelijkheid en de overige lieden van zijn geleide door gebeden in de hoede van den
Dc Primicerius was wat wij thans den Staats-Secretaris ot' eersten minister der Pausen noemen.
- 59 —
gelukzaligen Petrus, Prins der Apostelen, aanbeval, be-schermde, door den wil van den Almachtigen God, eene wolk hem overdag tegen de hitte der zon, tot aan de plaats waar de tenten werden opgeslagen. Des avonds verdween de wolk en keerde met den dag terug om hem op goddelijke wijze te beschermen. De uitmuntende Exarch kwam den Paus tot aan de Basiliek van den gelukzaligen Christo-phorns, gelegen ter plaatse die aan de Aquila wordt genoemd, bijna op vijftig mijlen van Piavenna, te gemoet. (Later verscheen een ander wonderteeken, daar, toen de heilige Paus zich naar Pavia begaf, vurige legerscharen op de wolken hem voorafgingen.) Inmiddels waren mannen en vrouwen van eiken stand en leeftijd uit Ravenna getrokken, die den Almachtigen God dankende, en den heiligen Paus met overvloed van tranen ontvingen, roepende en zeggende: „Welkom zij onze Herder, die Zijne schapen heeft verlaten om ons te redden, die op het punt waren van om te komen.quot;
„Van Ravenna zond de Paus den priester Stephanus en den primicerius Ambrosius naar den koning, om dezen zijne komst aan te kondigen. Maar toen zij aan de grenzen der Longobarden, in de stad Imola, waren gekomen, vernamen zij daar dat men trachtte den Paus den doorgang te beletten, waarvan zij hem in kennis stelden door een brief, die in de stilte van den nacht aan hem was afgezonden. Dit vernomen hebbende verliet de Paus, bij het aanbreken van den Zaterdag, den dood niet vreezende maar in Christus vertrouwende, vol moed Ravenna, en betrad de grenzen der Longobarden, den weg volgende dien zijne afgezanten hadden ingeslagen. Dezen gingen hem vooraf en kwamen te Pavia, maar de vertoornde koning wilde hen niet ontvangen. Inmiddels was de Paus den 28sten Juni aan den Po gekomen, waar de koning zijne Grooten had gezonden om hem te ontvangen; met dezen te Pavia komende, waar de koning zijn verblijf hield, ging hij buiten de muren dei-stad om en kwam om de negende ure aan de Basiliek van
— 60
den H. Petrus genaamd Ciel d'Oro (in den gouden hemel), waar hij plechtig de Mis van de Vigilie van den Gelukzaligen Prins der Apostelen celebreerde. Toen deze geëindigd was begaf hij zich in de stad en nam daar verblijf.quot;
Ook nu gelukte het den Paus den vertoornden en eerst hardnekkig weiger enden koning tot betere gevoelens te
~ ~ O o
brengen, zoodat hij Ravenna de ontroofde steden teruggaf. Na dezen gelukkigen uitslag nam Zacharias den terugweg aan, door den koning tot aan den Po uitgeleid. Ten tweede male had Italië dus den vrede aan de tusschenkomst van den heiligen Paus Zacharias te danken.
Koning Luitprant stierf kort daarop, waarschijnlijk in het laatst van Maart 744. Hij werd door de tijdgenooten geprezen om zijn godsdienstzin en godsvrucht, ofschoon zijne daden tegenover Rome en de Pausen wel wat in strijd schijnen met deze lofprijzingen. Wanneer men evenwel in aanmerking neemt dat Luitprant Rome wellicht nog beschouwde als behoorende tot het Grieksche Rijk, en hij zijne heerschappij over geheel Italië wilde uitstrekken, dan kan men voor deze daden althans eenige verontschuldiging vinden.
In zeer veel gevallen betoonde hij ook, zooals wij gezien hebben, grooten eerbied voor den Paus, en door zijne wetten, de stichting van kerken en kloosters enz. heeft hij veel goeds gedaan. Hij was zeker een der grootste Longo-bardische koningen, en nauwlijks eene halve eeuw latei-zou zijn rijk geheel verdwijnen; maar niet, dan nadat het had medegewerkt, hoewel onbewust, doch door de Voorzienigheid geleid, tot stichting van de Kerkelijke Staten, van de wereldlijke macht van liet Pausdom.
Hoofdstuk IV.
Uarhis. koning tier Loiigohar«leii. Zijiu' oorloircn tosou het Kxarcliaut. Paus Za-i'liarins hreiiirt hem tot vreedzaimT trevoeleiu. Hij «loet aIVtand van den troon en begeeft zieh in het klooster van .Monte-CaMiio. Zijn broeder Astuir,volgt hein op. Deze verovert het Kxarehaat. Paus Zaeharias sterft. Pepijn, koning der Franken. Kerste oorlogen van Astulf teiren Uouie. Paus Stlt;k|gt;hanns en Pepijn.
-1e achtste eeuw was niet alleen een zeer belang-tijdperk voor Italië, maar ook voor geheel smÉÊtlH Europa, ja voor geheel de Christenheid. In de -■^#■0 vool.afgaandc bladzijden hebben wij reeds eenige der gebeurtenissen, die haar kenmerkten, aangestipt, voor zoo verre zij in verband staan met het onderwerp dat wij behandelen en tot welks goed begrip zij noodzakelijk waren, maar de laatste helft dier eeuw zal de eerste nog in belangrijkheid overtreffen. Wij zullen in Frankrijk het door misdaden bezoedelde geslacht der Merovingsche koningen zien vervangen door dat der krachtige Karolingers; in Italië zullen wij het Exarchaat en de Pentopolis zien veroveren door de Longobarden, waardoor voor goed een einde wordt gemaakt aan de heerschappij der Grieksche keizers over Italië; wij zullen die bezittingen later aan den Stoel van den H. Petrus zien schenken en zoo de Kerkelijke
Staten zien ontstaan. Deze geAvichtige gebeurtenissen znllen wij in dit en het volgende hoofdstuk behandelen.
Xa den dood van Luitprant volgde niet diens neef en mede-regent Hildebrand, een man trouwens van weinig be-teekenis, hem op, maar het volk riep Eachis, hertog van Frioul, tot koning uit. Deze Rachis was niet slechts een zeer bekwaam krijgsman, maar, wat meer zegt, een zeer godvruchtig en zachtmoedig man, zoodat het aan Paus Zacha-rias niet veel moeite kostte om van hem een vredesverdrag voor twintig jaren te verkrijgeu. Dit was zeker zeer veel verkregen, want tusschen Longobarden en Romeinen was een duurzame vrede niet mogelijk; de eersten, toch, streefden aanhoudend naar de opperheerschappij in Italië, de laatsten minachtten en verachtten de Longobarden als Barbaren, van wier ruwheid en roofzucht zij maar al te veel hadden te lijden. Dat die vrede dus al veel eerder verstoord werd en Rachis, na vijf jaren, opnieuw naar de wapens greep, kan derhalve geene verwondering baren. Wat de oorzaak van de vredebreuk was, is onbekend; zeker is het dat Rachis in 749 het beleg voor Perugia sloeg.
Ook nu redde Paus Zacharias de bedreigde stad, daar hij den nood, waarin zij verkeerde, vernomen hebbende, zich onmiddelijk op weg naar het legerkamp begaf en Rachis niet alleen tot het opbreken van het beleg en tot den vrede wist te bewegen, maar ook zoo sterk op zijn gemoed werkte, dat hij afstand deed van den troon en besloot zich in een klooster terug te trekken, tot welk besluit ook zijne gemalin Tassia en hunne dochter Ratruda kwamen. Het edele drietal kwam als pelgrims te Rome aan en daar verzocht Rachis den Paus hem onder de geestelijkheid op te nemen. De Paus sneed hem de lange haren, het teeken van koninklijke waardigheid en van vrij man, af, gaf hem de tonsuur en kleedde hem in het habijt van den iï. Benedictus, waarop Rachis zich in het beroemde klooster van Monte-Casino terugtrok. Later zullen wij hem nog een oogenblik op het wereldtooneel terugzien. Zijne gemalin en zijne dochter
63
begaven zich in het klooster van Piombarola, niet ver van Monte-Casino en onder deszelfs abt staande, welk klooster zij geheel lieten herstellen en uit zijne pninen opbouwen, en waar zij, zooals de kroniek van Monte-Casino zegt, na eene trouwe naleving der kloosterregels, hun leven heilig eindigden.
In die stille afzondering van Monte-Casino vond Eachis nog een anderen vorst, namelijk Carloman, broeder van Pepijn en zoon van Karei Martel, die, na eerst dapper tegen de Saksers en andere nog heidensche volken gestreden te hebben, zijn vorstendom aan Pepijn overliet, en zich eveneens de haren door Paus Zacharias liet afsnijden om in het klooster van Monte Soratte de eenzaamheid te zoeken en deze daar niet voldoende vindende, naar Monte-Casino vertrok.
Sprekende over de ruwheid, bandeloosheid, zedeloosheid, de moorden en misdaden van zoovele koningen, nog half-Christen, half-heiden, en vooral over die der Merovingers, zegt De Montalembert. 1) „Niettegenstaande zij de vrijheid van het katholiek geloof eerbiedigden en dit uiterlijk beleden, overtraden zij er zonder het minste bezwaar alle voorschriften van en tevens alle wetten der menschelijkheid. Na nedergc cnield te hebben voor het graf van een of anderen heiligen martelaar of belijder, na zich soms onderscheiden te hebben door de keuze van een onberispelijken bisschop, na met eerbied geluisterd te hebben naar de stem van een Paus of monnik, zag men hen, nu eens in aanvallen van woede, dan weer door koelbloedige wreedheid, den vrijen loop geven aan al de slechte neigingen van hunne wilde natuur. Vooral in die huiselijke treurspelen, in die terdoodbrengingen en broedermoorden, waarvan Clovis het eerste voorbeeld gaf en die met een onuitwischbare smet de j geschiedenis zijner zonen en klein-zonen bezoedelen, trad hunne ongelooflijke bedorvenheid aan het licht. Veel-
1) Moiues (l'occidcnt.
— 64 -
wijverij en meineed vermengden zich in hun dagelijksch leven met eene half-heidensche bijgeloovigheid, en wanneer men hunne bloedige levensbeschrijvingen leest, die nauwelijks door een voorbijgaand straaltje van geloof en nederigheid verlicht worden, dan zou men geneigd zijn te gelooven dat zij, bij het omhelzen van het Christendom, geene enkele der heidensche ondeugden afgelegd, geene enkele der Christelijke deugden aangenomen hebben.quot;
Deze schildering is niet overdreven, maar naast die bedorven vorsten ziet men er ook die uitblinken in hooge deugd; en de Kerk telt zelfs verscheidene heilige vrouwen en maagden uit dat bedorven geslacht der Merovingers. In die voortdurende oorlogen, bij die bloedige slachtingen, bij die binnenlandsche onlusten om een troon of een grondbezit, moesten die koningen, nog nauwlijks bekeerd, nog vaak omgeven door heidensche hovelingen of bondgenooten, van het Christendom al niet veel meer dan den uiterlijken schijn hebben aangenomen. Dit verklaart ons ook veel uit het gedrag der Longobardische koningen, die, kloosters en kerken stichtende en verrijkende in hun eigen land, die plunderen en verwoestten zoodra zij zich op het grondgebied
eens vijands bevonden.
Rachis en Carloman zijn dan ook niet de eenige vorsten van dat tijdstip, die den troon voor de kloostercel en het gewoel der slachtvelden en jachtpartijen voor de eenzaamheid en het gebed verwisselden; Engeland alleen biedt er verschillende voorbeelden van aan.
Rachis werd door zijn broeder Astulf opgevolgd, die in Juni 949 den troon der Longobarden beklom. Ook hij hield zich, uit eerbied voor den heiligen Paus Zacharias, in den aanvang zijner regeering rustig, althans wat Rome
betreft, ofschoon hij reeds spoedig de vijandelijkheden tegen
Ravenna hervatte. De oude kroniekschrijvers hebben van koning Astulf geen vleiend portret achtergelaten; zij noemen hem: Deen woest en tevens geslepen man, vol wreedheid en bedrog, opvliegend en toornig, een onbeschaamden
— 65 —
van de rechten van anderen en niet minder van zijne eigene beloften. De geschiedenis zijner regeering bekrachtigt maar al te zeer deze schildering van zijn karakter.
Ofschoon de oude geschiedschrijvers weinig bijzonderheden mededeelen over de krijgsbedrijven van Astnlf in zijne eerste regeeringsjaren, blijkt het toch onwederlegbaar uit door hem onderteekonde stukken, dat hij in 751 meester was van Ravenna. Toen de hoofstad in zijne macht was, moest het overige grondgebied van het Exarchaat wel spoedig volgen; zooals dan ook werkelijk het geval was. Eutichius, de laatste der Exarchen, nam de wijk naar Constantinopel, en zoo eindigde, na een bestaan van 184 jaren, het Exarchaat en de heerschappij der Grieksche Keizers over Noorden Midden-Italie; alleen het zuidelijk gedeelte bleef nog eenigen tijd onder hun bestuur, totdat het eerst door de Saracenen en later door de Noormannen veroverd werd. De laatste jaren van liet bestaan van het Exarchaat waren al even roemloos als die van het Westersch en later als die van het Oostersch-Romeinsch of Grieksch keizerrijk.
Keizer Constans Copronimos deed ook niet de minste moeite om dat gedeelte van zijn gebied in Italië te behouden of terug te winnen, zoodat Astulf den onbetwisten meester ervan bleef.
Geheel Italië aan hunne heerschappij onderwerpen, Rome tot hoofdstad maken van het ééne koninkrijk Italië, en zoo, als 't ware, de opvolgers zijn van de Romeinsche keizers, dat was het voortdurend streven van die Longo-bardische koningen, en de verwezenlijking van dat streven was Astulf door de verovering van het Exarchaat eene groote schrede nader gekomen. Rome zou zeker aan zijne macht geen weerstand kunnen bieden; edoch zoo lang Paus Zacharius leefde waagde hij het niet zijn voornemen ten uitvoer te brengen. Dat hij het evenwel later zou doen, was zeker, en deze overtuiging, zoowel als de verovering van het Exarchaat, moeten de laatste levensjaren van den heiligen Paus Zacharias met droefheid en bezorgdheid ver-
5
— 66 ~
vulcl hebben. Het overlijden van dezen grooten Opperherder, den 15den Maart 752, scheen dan ook voor Rome een onherstelbaar verlies en de voorbode van groote onheilen te zullen zijn. De Voorzienigheid waakte echter over de stad en het Pausdom.
In Frankrijk had inmiddels eene gebeurtenis plaats gegrepen die, zooals wij reeds bij den aanvang van die hoofdstuk zeiden, van den grootsten invloed op de geschiedenis van geheel Europa zou zijn.
Zooals uit de aangehaalde woorden van de Montalem-bert gebleken is, waren de Merovingsche koningen, de opvolgers van den eersten koning der Franken, Clovis, nietswaardige mannen; vooral de laatsten hunner. Terwijl zij hun leven in zedeloosheid, bloeddorstige wraaknemingen en allerlei misdaden doorbrachten, lieten zij het bestuur van hun rijk gansch aan hunne hof-meiers, eerste ministers, over, die geheel en al regeerden alsof zij de koningen waren. Do meest beroemde dezer hof-meiers waren Karei Martel en Pepijn de Korte, zijn zoon. De Franken, dezen stand van zaken eindelijk moede, zonden Burkhard, bisschop van Würzburg, en Fulrad, abt van Sint-Denis, naar Paus Za-charias, om dezen uit hun naam en uit dien huns hertogs te vragen, aan wien men den titel van koning moest geven, aan hem, die werkelijk het gezag uitoefende, of aan hem die er slechts den naam van droeg. De Paus antwoordde dat de titel toebehoorde aan hem, die de functies ervan uitoefende. Dientengevolge zetten de Franken koning Childerik III af en riepen Pepijn den Korte tot koning uit. Pepijn aanvaarde in het meiveld van Soisons den schepter en liet zich door den H. Bonifacius (1 zalven. Childeric
1) Dozc Bonifacius is dezelfde die het Evangelie aan de Friezen predikte on bij Dokkuin vermoord werd.
— 67
werd het haar kort gesneden, ten teeken dat hij geen koning meer was, en in een klooster gedaan, waar hij door een voorbeeldig leven den naam van den Vrome verdiende. Hij was de laatste der Merovingsehe koningen. Deze gebeurtenissen vielen voor in het jaar 752.
Sommige schrijvers hebben in deze woorden van Paus Zacharias eene laakbare handeling willen zien, alsof hij medeplichtige ware geweest aan hetgeen men do félonie van Pepijn noemt. Niets is minder waar, en zij die de wetten der Franken kennen, oordeelen er anders over. Bij de Ger-maansche, Frankische en andere volken was het koningschap niet erfelijk, maar hing af van de keuze der vrije mannen Stierf de vorst, dan kwam liet vrije volk bijeen en koos een nieuwen koning of aanvoerder. Langzamerhand sloop wel de gewoonte in om den vader door den zoon, den broeder door den broeder te doen opvolgen, maar dit geschiede alleen met stilzwijgend toegeven van het volk; volgens het recht was het niet. Zoo zien wij dat de Longo-barden, na den dood van Luitprant, niet diens neef en mederegent Hildebrand, maar llachis tot koning uitroepen. Iets dergelijks zullen wij ook zien gebeuren ten opzichte van Desiderius. De Franken hadden dus volkomen het recht om Childerik, dien zij niet verkozen hadden, af te zetten en Pepijn tot koning te kiezen, en daarom kon Paus Zacharias, die de gewoonte der Franken en ook de bedoeling van het gezantschap kende, antwoorden ,,dat hij koning was, die do functies van het koningschap uitoefendequot; en door het volk ook gewenscht werd.
Keeren wij, na deze korte uitweiding, tot de gebeurtenissen in Rome terug.
Na den dood van Zacharias werd een priester, Stephanus, tot paus verkozen, die evenwel den derden dag na zijne verkiezing en op den ochtend zijner wijding door eene beroerte werd getroffen, waaraan hij den volgenden dag stierf. Nu viel de keuze van geestelijkheid en volk op een anderen Stephanus, die, na don dood zijns vaders en van
zijne prilste jeugd in het paleis van Lateranen en onder de oogen der Pausen was opgegroeid en in alle deugden groot geworden. Onder de toejuichingen en de lofzangen van het volk werd hij naar het paleis gevoerd en den 26sten Maart plechtig gewijd. Daar de vorige Stephanus, als zijnde niet gewijd geweest, door vele schrijvers niet onder het aantal pausen wordt gerekend, zoo wordt deze bijna algemeen Stephanus II genoemd. Zijne regeering duurde slechts een weinig meer dan vijf jaren, maar zij is, om de gebeurtenissen waartoe zij aanleiding gaf, eene der beroemdste.
Nauwelijks had Paus Zacharias het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, of Astulf die, zooals wij reeds gezien hebben, het Exarchaat had veroverd, keerde zijne wapenen tegen het Romeinsche hertogdom. Paus Stephanus zond hem toen twee gezanten, zijn broeder Paulus — later zijn opvolger op den pauselijken troon — en den primicerius Ambrosius, dien wij reeds vroeger hebben ontmoet als gezant van Paus Zacharias naar koning Luitprant. Astulf ontving de gezondenen van den Paus zoo goed, dat hij een vrede van veertig jaren bezwoer.
Niet ten onrechte noemden de kroniekschrijvers Astulf geveinsd en verkrachter van zijne eigene beloften, want slechts vier maanden na dezen plechtigen eed deed hij nieuwe bedreigingen tegen den Paus en het Romeinsche volk hooren, eischende dat zij zich aan zijne heerschappij zouden onderwerpen en hem diensvolgens de gewone schatting van twee gouden solidi 1) per hoofd zouden betalen. Paus Stephanus zond daarop de abten van de kloosters van den H. Vincen-tius aan den Volturno en van den H. Benedictus van Monte-Casino, met nog twee andere gezanten naar Astulf te Ravenna, maar zij werden door den koning zeer onheusch onthaald en ontvingen zelfs het bevel om naar hunne kloosters terug te keeren, zonder aan den H. Vader verslag van hunne zending te brengen.
1) De gouden solidus was ongeveer in gewicht gelijk aan een gouden tien-frank-stuk van onze dagen; de waarde was in die dagen natuurlijk veel meer.
— 69 —
Constans Copronimos, die zich niet in het minst had verzet tegen de' verovering van het Exarchaat, zond mi, te dezer tijd, zekeren Johannes, een lid van den geheimen keizerlijken raad, met een brief naar Astulf, teneinde teruggave te eischen van het veroverde gebied; een tweede brief was voor den Paus bestemd om diens steun te vragen. Stephanus zond derhalve zijn broeder Paulus met den keizerlijken Boodschapper mede; maar hunne zending had geen gunstig gevolg; Astulf wees den eisch des keizers met trotschheid af. De Paus, wetende wat men van Astulf te duchten had, besloot de hulp des keizers in te roepen en gaf derhalve met den gezant Johannes zijne legaten naar Constantinopel mede, „smeekende do keizerlijke goedertierenheid dat zij, zooals hij (de Paus) reeds zoo dikwijls had geschreven, in alle gevallen met een goed leger zou komen, om deze gedeelten van Italië te verdedigen en de stad Rome en de geheele keizerlijke provincie Italië te bevrijden van de beten van den zoon der ongerechtigheid.quot; Maar de gevraagde hulp kwam niet; de keizer was te laf om zijne rijke provincie met de wapenen te verdedigen.
Eer 's Pausen legaten nog uit Constantinopel terug waren, had Astulf reeds zijne legers naar Rome gezonden, die rondom de stad op wilde wijze huis hielden. Een kroniekschrijver van die dagen verhaalt dat Astulf, roovende, plunderende en brandstichtende te Spoleto kwam, vanwaar hij de paltzgraaf Robert in Sabina, Grimoald naar Centacelle (Civitavecchia) en een derde naar Terracina zond, met bevel om Rome te omsingelen en van alle kanten te blokkeeren, zoodat het noch te land, noch te zee hulp kon bekomen. Graaf Robert geraakte zelfs handgemeen met de Romeinen, van welke velen, adellijken en volk, op het slagveld bleven; maar later, door de aansporingen des Pausen bemoedigd, deden zij een nieuwen uitval tegen Robert, dien zij overwonnen, vervolgden en met bijna tweehonderd Longobarden
1) Bij Auastasius.
— 70 —
doodden. Omstreeks denzelfden tijd kwam Austulf zelf met zesduizend Longobarden opdagen en sloeg zijn legerkamp bij Tivoli op, vanwaar zijne benden de geheele Campagna afliepen en verwoestten. Dezelfde kroniekschrijver zegt dat de Longobarden het geheele Tuscia romana te vuur en te zwaard afliepen, zich meester maakten van Nepi, de kasteelen vernielden en dorpen en kloosters plunderden, de kerken, waar de relikwiën der heiligen rustten, in de asch legden en zooveel onheilen aanrichtten, dat het onmogelijk is ze afzonderlijk te noemen. Rome-zelf werd evenwel niet belegerd; waarschijnlijk wilde Austulf door schrikaanjaging het volk dwingen zijne heerschappij te erkennen.
In deze benauwdheid bleef den Paus geen andere toevlucht over dan God en tot Hem wendde hij zich dan ook met vurige gebeden, door boetedoening en processies, waaraan de geheele geestelijkheid en al het volk deelnamen. Eiken Zaterdag werd er beurtelings eene groote processie gehouden uit de Basiliek van de Santa-Maria-Maggiore, van Sint Pieter of van Sint Paul, en bij een der processies, die van de Basiliek van Lateranen naar die van S. Maria Maggiore ging, droeg de Paus, blootvoets gaande, zelf de beeltenis des Zaligmakers, genaamd Acheropita 1), gevolgd door de geestelijkheid, die andere beelden en relikwiën droegen en van het volk, allen het hoofd met assche bestrooid en luide de barmhartigheid Gods inroepende. Voor den Paus werd een groot kruis gedragen, waaraan het vredesverdrag was gehecht, dat Astulf zoo laaghartig en raein-eedig geschonden had.
En de hulp van God zou niet uitblijven.
Hoewel Paus Stephanus in deze benarde omstandigheden
1) Deze overoude beeltenis van den Verlosser, Acheropita geheeten, omdat zij, volgens de legende, niet door menschenhanden is gemaakt, wordt nog in het zoogenaamde Sancta Sanctorum b\j den H. Trap bewaard. De persoon des Zaligmakers is er in natuurlijke grootte en ten voete uit op geschilderd. De beeltenis is tegenwoordig met een zijden doek bedekt, waarop dezelfde beeltenis is afgemaald. De geheele persoon des Verlossers werd door Paus Innocentius met zilveren platen en edelgesteenten bedekt, alleen het gelaat en de voeten zijn onbedekt gebleven.
— 71
vooral zijn vertrouwen op God stelde en Diens hulp met gebeden, boetedoeningen en processies afsmeekte, zooals wij zooeven gezien hebben, wist hij tocli ook dat de mensch zelf moet medewerken om geholpen te worden, daar de Voorzienigheid die hulp gewoonlijk door oogenschijnhjk geheel gewone gebeurtenissen zendt, die door Haar evenwel geleid worden in de banen, die tot de verlangde uitkomst voeren. Daarom wendde de Paus ook overal de oogen heen, om te zien waar hij die aardsche hulp kon vinden, die door God tot zijne redding was bestemd. Van den keizer te Constantinopel was niets t» verwachten. Ofschoon het niet met zekerheid bekend is welk antwoord deze aan de legaten van den Paus had mee teruggegeven, schijnt het toch uit sommige aanwijzigingen te blijken, dat hij Stephanus den raad had gegeven hulp te vragen, waar hij die liét best kon vinden; aldus Rome geheel aan zijn lot overlatende. Het Exarchaat bestond niet meer; met de hertogen van Spoleto en Benevento was het aan Astulf onderworpen; de Paus was dus verplicht de blikken naar het Westen te richten, en om verschillende redenen was Frankrijk het eenige hiquot;d dat de redding kon brengen en tot Frankrijk nam de Paus dan ook zijne toevlucht.
Wij hebben reeds gezien dat Paus Zacharias, door zijn antwoord aan de gezanten van het Frankische volk, er veel had toe bijgedragen om Pepijn den Korte tot koning te doen uitroepen; met vol vertrouwen kon Paus Stephanus derhalve verwachten dat de verplichting, die Pepijn aan den Pauselijken Stoel had, hem zou noopen om dezen, in zijn nood, ook den steun van zijn machtigen en zegevierenden arm te verleenen; de groote zwarigheid was evenwel hoc men een gezant tot Pepijn zou kunnen zenden. Niet alleen blokkeerden de Longobarden, zooals wij gezegd hebben, Rome, zoodat noch te land noch te zee iemand uit kon gaan, zonder hunne toestemming, maar bovendien bestond er bij de Longobarden eene wet, die op straffe des doods verbood brieven naar aangrenzende landen te zenden, terwijl de
- 72 —
pelgrims bij de grenzen aan een streng onderzoek werden onderworpen. De Paus vertrouwde dus de gewichtige zending aan een Frankiscli pelgrim, aan wien hij ongetwijfeld alleen een geloofsbrief medegaf, terwijl de eigenlijke boodschap wel mandeling aan Pepijn zal overgebracht zijn. De Paus verzocht den Frankenkoning dat hij hem eenige gezanten zou zenden die hem in zijn (Pepijn's) naam moesten uitnooiigen naar Frankrijk te komen en die hem op die reis tot geleide zouden kunnen verstrekken.
Pepijn ontving de smeekbede van den Paus zeer gunstig, en zond hem den abt Radegans met een antwoord, terwijl deze boodschapper weldra door een vertrouweling van Pepijn, die nieuwe verzekeringen van hulp bracht, gevolgd werd. De Abt Radegans keerde daarop naar Frankrijk terug als drager van twee brieven, een voor Pepijn en een voor de Frankische hertogen. In den eerste smeekte de Paus den koning nogmaals om hulp en legde hij hem de gevaren bloot die Rome bedreigden; in den anderen vroeg hij de hertogen den koning te willen bijstaan, daar de koning, volgens de wetten des lands, geen oorlog of krijgstocht kon ondernemen zonder de toestemming der hertogen of legeraanvoerders. Zoowel bij Pepijn als bij de hertogen vond het schrijven van Stephanus een goed onthaal.
Middelerwijl deze onderhandelingen tusschen den Paus en Pepijn gevoerd werden en terwijl de Longobarden nog altijd Rome bespiedden en het omliggende land afliepen, kwam dezelfde Johannes, die reeds vroeger door den keizer als gezant naar Astulf was gezonden om van dezen de teruggave van het Exarchaat te vragen, opnieuw te Rome aan, den Paus uit naam des keizers verzoekende met hem, Johannes, naar Astulf (die naar Pavia was teruggekeerd) te gaan, ten einde nogmaals teruggave van het veroverde grondgebied te eischen. Do Paus, hoewel zwak en ziekelijk, bewilligde in het verzoek en maakte zich tot de reis gereed. Inmiddels waren Rodegans, 1) bisschop van Metz en hertog
1) Rolsgins is niet dezelfde als de zoo even genoemde.
De oude Basiliek van 8t. Pieter (voorzijde) door Constantijn den Groote gebouwd.
73 —
Audicar als gezanten van Pepijn te Rome aangekomen, teneinde den Paus, zooals deze verzocht had, op zijne reis naar Frankrijk te begeleiden. Toen zij vernamen dat de Paus op het punt stond naar Pavia te vertrekken, besloten zij hem derwaarts te vergezellen.
Het Romeinsche volk zag in deze bange dagen den geliefden Opperherder slechts noode vertrekken ; maar Ste-phanus, alleen bedacht op het heil van zijne stad en niet opziende tegen do uiterst vermoeiende reis, vertrok, vergezeld van de gezanten van Pepijn en de voornaamste uit zijne geestelijkheid en de bezetting van Rome. De reis was zeer voorspoedig en toen men aan de Longobardische grenzen was gekomen trok de Frankische hertog Audicar vooruit, om den koning te Pavia van hot ophanden zijnd bezoek te verwittigen.
Astulf ontving de tijding met zeer weinig ingenomenheid; niet alleen zond hij den Paus geen enkelen zijner Grooten ter verwelkoming tegemoet, maar hij gaf hem zelfs te verstaan dat hij, bij zijn onderhoud met dén koning, er wel op passen moest te reppen van het teruggeven van het Exarchaat of eenige andere verovering, door hem gemaakt. De Paus antwoordde evenwel dat niets hem zou weerhouden die vraag te doen.
De onheusehe, of beter gezegd, de onbeschofte wijze waarop de Paus door den zich nog katholiek noemenden vorst ontvangen werd, voorspelde reeds den ongunstigen uitslag van de onderneming.
Astulf verwierp met trotschheid de vraag van den afgezant des keizers om teruggave van het Exarchaat; de Paus kon evenmin iets van hem gedaan krijgen. Ziende dat alle onderhandelingen op niets uitliepen, traden de Frankische gezanten moedig naar voren en eischten iiit naam van Pepijn, dat Astulf den Paus terstond naar Frankrijk zou laten vertrekken.
Deze vraag verblufte den vorst der Longobarden, die zeer goed het groote gewicht van deze reis en de gevolgen
- 74 -
die er voor hem uit zouden kunnen voortvloeien, inzag. Hij trachtte den Paus op alle manieren te bewegen van zijn voornemen af te zien, en toen hij uit den mond van Ste-phanus-zelf vernam dat deze onwrikbaar bleef, ontbrandde hij in eene hevige woede. Eindelijk was Astulf toch wel genoodzaakt den Paus te laten vertrekken; hij begreep zeer goed dat elk geweld tegen den Opperherder hem de wraak zou op den hals halen van den machtigen Frankischen vorst, tegen wien hij zich niet opgewassen gevoelde.
Na een groot gedeelte van zijn gevolg naar Rome teruggezonden te hebben, verliet de Paus den 15den November Pavia, om, vergezeld van de Frankische gezanten en een klein getal geestelijken, den moeilijken tocht over de Alpen te aanvaarden.
Hoofdstuk V.
Tans Stephninis 11 o|gt; reis naar Frankrijk. Ontinoetiiiu: met Pepijn, die hem bijstand belooft. Ziekte en wonderdadige trenezinir van den Pans. Pepijn sluit een verdras; met den Paus waarbij hij dezen het Kxarehaat toekent. Kuiperijen van Astnll'. Plechtige kroning: van Pepijn, diens gemalin en zonen door Stephanns. die den koninu: den titel van Patriciër der Romeinen schenkt. Mislukte onderhandeling: met Astull'. Veldtocht van Pepijn tegen de Longo-harden: Astull' wordt gedwongen de voorwaarden van Pepijn aan te nemen, waarna de vrede gesloten wordt. Paus Stephanns keert onder de vreugdehe-tooninamp;ren der hevolkinu: in Home terug. Tractaathreuk van Astnllquot;. iteleg van Rome en irruwelen der Lonu:oharden. Tweede tocht van Pepijn: Astnllquot; onderwerpt zich ten tweede male.
,-j-^r e reis, die Paus Stephanns over de Alpen onder-.w^inani, had allergewichtigste gevolgen. De Grieksche keizers hadden maar al te duidelijk en al te dik-wijls getoond dat zij onwillig of onmachtig waren om hunne Italiaansche provincie te verdedigen of te herwinnen; maar hoezeer hun macht en aanzien ook geslonken hoezeer die van de Pausen daarentegen toegenomen waren, toch werden zij nog als de wettige vorsten erkend, toch trachtten de Pausen hun gezag omhoog te houden.
Maar toen op het laatste verzoek om hulp en bescherming uit Constantinopel de raad werd gegeven die hulp elders, dat wil zeggen bij de Franken, te zoeken en de keizer daardoor, als 't ware vrijwillig, afstand deed van
— 76 —
zijne sonvereiniteitsrechten, toen was het geheel en al gedaan met hunne heerschappij en zocht paus Stephanus een nieuwen beschermer en verdediger voor Rome en deszelfs hertogdom, in de plaats van den keizer, die zelf het land aan den nieuwen vorst, dien hot zou krijgen, overliet. Men kan dan ook wel zeggen dat de tijdelijke macht der Pausen met het jaar 754 een aanvang nam, toen de Grieksche keizer van zijne heerschappij afstand deed.
Niet gewoon aan een ruw klimaat, moet die tocht over de reeds met sneeuw en ijs bedekte Alpen, in het laatst van November begonnen, zeer pijnlijk en bezwaarlijk voor Paus Stephanus en zijn gevolg zijn geweest. In minder gure maanden biedt zulk eene reis in onze dagen, nu overal hospitiën, rustplaatsen en herbergen zijn, groote moeielijk-heden aan, hoeveel te meer moet dat niet het geval zijn geweest in de tweede helft der 8ste eeuw, toen nog niets voor het gemak en do veiligheid was gedaan. Evenwel bereikte men zonder te groote tegenspoeden het klooster van den H. Mauritius in Waadland, ofschoon men onderweg het verlies van den primicorius Ambrosius te betreuren had, die waarschijnlijk tengevolge der vermoeienissen ziek werd en stierf. Deze Ambrosius, wiens naam wij reeds herhaalde malen genoemd hebben, was een der uitstekendste mannen uit de Romeinsche geestelijkheid van dien tijd; dit bewijzen de vele zendingen, die hem in zeer moeielijke omstandigheden werden opgedragen.
Het klooster van den H. Mauritius, op de grenzen van Frankrijk en Italië gelegen, was in den beginne aangewezen als de plaats waar de samenkomst tusschen den Paus en Pepijn zou plaats hebben; maar deze laatste, vurig verlangende den Paus in het hart van zijn land te zien, zond den abt van St. Denis, Fulrad, zijn aalmoezenier en den hertog Robardus naar Stephanus, om dezen zijn verlangen te kennen te geven, hetwelk bereidvaardig door den Paus werd ingewilligd.
Pepijn bevond zich te Diedenhoven, waar hij het Kerst-
feest had gevierd. Zoodra vernam hij niet dat de paus zijne reis voortzette, of hij verliet dit kasteel met de koningin, zijne zonen en geheel zijn hof, om den Paus te ge-moet te reizen en in zijn kasteel van Ponthyon op te wachten.
Een onbeschrijfelijke vreugde had zich van het hart van Pepijn meester gemaakt, bij de tijding dat de Paus naderde; hij zond zijn oudsten zoon, die later als Karei de Groote zijn naam door de wereld en alle eeuwen zou doen schitteren en die toen nog slechts den leeftijd van twaalf jaren had bereikt, den Opperherder honderd mijlen te gemoet en toen de paus met zijn gevolg op drie mijlen van hot kasteel van Ponthyon was genaderd kwam Pepijn hen met zijne gemalin, zijne andere zonen en de voornaamsten van zijn hof verwelkomen. Zoodra hij den Paus gewaar werd steeg hij van het paard en wierp zicli met al de zijnen op de knieën; vervolgens vatte hij het paard des pausen bij den teugel en geleidde hem zoo naar zijn kasteel.
Is het te verwonderen dat Paus Stephanus, getroffen door zoovele blijken van eerbied en ootmoed, na nog kort te voren al de ruwheid en al den barbaarschen hoogmoed van den Longobardenkoning te hebben ondervonden, in den jubel zijns harten een danklied tot God opzond! Met blijde en hoopvolle harten en lofzangen zingende trok de stoet het kasteel binnen.
Waarlijk, deze daad van Pepijn legt eene heerlijke getuigenis af van zijn groot hart en van zijn geloovig gemoed, die door zijne verdere handelingen ten opzichte van den Paus niet worden tegengesproken. Hierdoor bekrachtigde Pepijn den schoonen titel van „Oudste dochter der Kerkquot; dien Frankrijk reeds had ontvangen; een titel die, helaas, door vele latere koningen en heerschers zoo jammerlijk werd ten schande gemaakt.
Den volgenden dag, het was die na Driekoningen, verscheen de Paus met Zijne geestelijkheid, in haren kleederen gehuld en ten teeken van rouw en droefheid het hoofd met assche bestrooid, voor Pepijn en zijne hertogen en zich
- 78
voor hem ter aarde werpende, smeekte hij hem in den naam van God en van de heilige apostelen Petrus en Paulus Rome van de Longobarden en van de dwingelandij van Astulf te bevrijden, en hij wilde niet opstaan voor en aleer Pepijn, zijne zonen en zijne grooten hem bij de hand vatten en beloofden zijn verzoek te zullen inwilligen. Ten deele gerustgesteld en verzekerd van den goeden uitslag zijner onderneming, willigde de Paus do bede in om hem naar Parijs te vergezellen en daar, in het beroemde klooster van St. Denis, waarvan de reeds genoemde Fulrad abt was, den winter dooi1 te brengen, alvorens de terugreis naar Rome te aanvaarden.
In dit klooster van St. Denis werd de Paus evenwel door zulk eene ernstige ziekte overvallen, dat men allo hoop op herstel had laten varen en het overlijden elk oogenblik tegemoet zag. Maar God, die met paus Stepha-nus groote dingen voor had, schonk hem op wonderdadige wijze de gezondheid terug, zooals hij zelf in zijne brieven verhaalt. In den nacht had hij eene verschijning van de HH. Apostelen Petrus en Paulus en van den H. Dionysius (Sint Denis) en deze, naar don paus toegaande, zeidehem; „Vrede zij u, broeder, en ivü niet vreezen: gij zult niet sterven voor gij gelukkig op uw Stoel zijt teruggekeerd. Sta genezen op, en wijd, dit altaar ter eere van God en Zijne Apostelen Petrus en Paulus, die gij hier ziet, en lees missen van dankzeg ging.quot; Tot aller verbazing stond de Paus den volgenden morgen geheel genezen op, en na het altaar, hem door don H. Dyonisius aangewezen, plechtig gewijd te hebben, liet hij er zijn pauselijk Pallium en de sleutels van den H. Petrus als een kostbaar aandenken achter.
* *
*
De 14de April van het jaar 754 aanschouwde een schitterende vergadering van Frankische hertogen, graven, legeraanvoerders en vrije mannen, die in de vlakten om en bij
79 —
Quiercy, een aan de oevers der Oise, bij het tegenwoordige Noyon gelegen buitenverblijf des konings, door Pepijn waren bijeengeroepen om over den veldtocht tegen den Longobardenkohing te beraadslagen.
De Frankische koningen, en over 't algemeen alle vorsten der half-barbaarsche volken, hadden volstrekt niet do groote macht, die men hen gewoonlijk toeschrijft. In de groote volksvergaderingen werden do zaken, rijk en volk betreffende, besproken en beslist, en alle vrije mannen hadden het recht te spreken en voor hun gevoelen uit te komen. Wilde de koning een krijgstocht ondernemen, dan moest hij zijne hertogen, graven en legeraanvoerders raadplegen en hunne toestemming bekomen, en niet zelden moest de koninff daar zeer harde waarheden en zelfs bedreiorinaren
' O O
hooren. Zoo zeide een der afgevaardigden, die van koning Gontran recht voor diens neef Ohildebert kwam vragen en het niet verkreeg, bij het heengaan: ,,Wij nemen afscheid van u, o koning! Maar daar gij aan uw neef zijne steden niet hebt willen teruggeven, zoo weet dat de bijl, die liet hoofd uwer beide broeders getroffen heeft, nog eene snede bezit, en dat zij ook weldra het uwe zal afslaan.quot; Pepijn moest derhalve zijne legeraanvoerders raadplegen, maar daar dezen reeds door den paus ineen afzonderlijk schrijven om hulp waren verzocht en bij liet eerste onderhoud tusschen paus Stephanas en Pepijn hunne hulp beloofd hadden, zoo kostte het den koning weinig moeite om van zijne vrije mannen toestemming en medewerking voor den te ondernemen krijg tegen de Longobarden te erlangen. De kroniekschrijvers zeggen dat met algemeene stemmen tot de onderneming besloten en de 29ste April als tijdstip voor het vertrek aangewezen werd. In dienzelfden landdag of groote landsvergadering stelde Pepijn ook bij plechtige acte de bepalingen vast voor het beroemde verdrag van hond-cjcnootschap tusschen den Paus en de koningen van Frankrijk, waarbij aan den Stoel van den H. Petrus do landen werden geschonken die de Longobarden op het Exarchaat en do
Pentapolis genomen hadden, zoodra Pepijn ze zou veroverd hebben. Pepijn belooft daarin dat, wanneer God hem de overwinning op de Longobarden mocht schenken, hij aan den H. Petrus, sleuteldrager van het Rijk der Hemelen en prins der Apostelen, en aan diens plaatsbekleeder Paus Stephanus en aan alle diens opvolgers tot aan het einde der eeuwen, met toestemming en onder toejuiching van de abten, hertogen en graven der Franken, in vrije gezag en ten eeuwige dage afstaat, alle steden, hertogdommen en kasteelen van het Exarchaat van Ravenna, benevens alles wat de Longobarden in Italië op onrechtvaardige wijze hadden in bezit genomen. Pepijn verklaart verder dat hij noch voor zich, noch voor zijne opvolgers iets van die bezittingen wil behouden, maar slechts gebeden voor de rust zijner ziel vraagt en verder voor zich den titel van Patriciër der Romeinen. 1)
Het wereldlijk gebied, dat Pepijn bij dit Verdrag van Bondgenootschap aan den Stoel van den H. Petrus beloofde, omvatte bijna al datgene wat tot aan Pins IX de Kerkelijke Staten uitmaakte. Zoo als de bijgevoegde kaart aanwijst werd het ten Noorden door den Po, ten Zuiden door den Liri, ten Oosten door de Adriatische en ten Westen dooide Tyrrheensche zee begrensd. P. Brunengo zegt over deze schenking van Pepijn: Wij zeggen niet dat de Pausen van toen af binnen deze grenzen reeds alle steden en gewesten,
1) Do tekst van dit allerbelangrijkst document, zooals die door Fantuzzi is gegeven, luidt aldus: „Statuiinus cum consensu et claiuore omnium, ut tertio kalendas Maianun, in ChrisTi nomine hostilitatem Longombardiam adisseinus; sub hoc, quod Pro Pactionis foedere per quod pollicimus et spondemus tibi Beatissimo Petro Clavigcro Rcgni Coelestis et Principi Apostolorum, et pro te huic almo vicario tuo Stephano, cgrcgioque Papae Summoque Ponti-fici, eiusquc precibus, suecessoribus usque in flnem saeculi, per eonsensum et voluntatem omnium infrascriptorum Abbatum. Ducum, Comitum Francorum, quod si Dominus Deus noster pro suis mcritis sacrisque precibus Victores nos in geute et regno Longombardorum esse constituerit, omnes Civitates, atque Ducata set; Gastra, sicqnc insimul cum Exarchatu Ra-vennatum nee non et omnia quae pridem tot per Impcratorum largitionem subsistebant ditioni, quod specialiter inferius per adnotatos tincs fuorit declaratum, omnia quae intra ipsos tines fuerint ullo modo constituta, vel reperta, quae iniquissima Longombardorum gencratione de-vostata, invasa, subtracta ;illatenus alienata sunt, tibi tuisque Vicariis sab omni integritate aeternaliter concedimus, nullum nobis nostrisque suecessoribus infra ipsas terminationes po-testatem reservatam, nisi solmmnodo ut orationibus et auimae requiem proflteamur, èt a vobis xgt;opiiloqiie vestro Patritil Romanoram vocemur.
— 81 —
waarvan zij later in 't bezit kwamen, bezetten; evenmin willen wij zeggen dat hunne rechten van opperheerschappij zich nooit over die grenzen uitstrekten, maar wel bevestigen wij dat deze de-meest duurzame grenzen van hun onmiddellijk koninklijk gebied waren. Zoo schijnt het dat de Voorzienigheid vanaf het midden der 8ste eeuw op de kaart van Italië de hoofdgrenzen afbakende van dat schoone rijk, dat met bijzondere zorg door Haar voor de opvolgers van den H. Petrus was voorbereid; en evenals Zij hen reeds zoo langen tijd te voren had doen zetelen in Rome, het middenpunt en de hoofdstad van het toekomstige Rijk en er voor altijd de Cesars uit verwijderd had, zoo teekende Zij, toen het tijdstip, om dit rijk te stichten, daar was, de uitgestrektheid er ook van af, volgens den maat die voldoende en ook passend was voor het doel, waarvoor het gesticht was, en zooals het ook in de komende eeuwen te midden van de oneindige wisselingen der menschelijke dingen, met een bewonderenswaardige stabiliteit moest behouden worden. En die stabiliteit was werkelijk wonderdadig; en wel om twee redenen: ten eerste omdat het alle stormen, die in zoovele en zoo woelige eeuwen waren opgestoken om de grenzen van den Staat te verplaatsen en te beperken, te boven is gekomen, wat nog duidelijker aantoont dat de vinger Gods de grenzen van dien staat door eene bijzondere voorzienigheid had vastgesteld. Maar 'wat misschien nog grooter wonder mag geheeten worden, is, dat deze grenzen nooit door zucht naar veroveringen werden uitgebreid, ofschoon de gelegenheden om het te doen, noch de macht, noch zelfs de rechtsgronden aan de Pausen immer ontbroken hebben. Zeker is het, dat het Rijk der Pausen in dit, zoowel als in andere karaktrekkon, geheel en al verschilt van bijna alle andere koninkrijken der aarde.
Jozef De Maistre heeft gezegd dat, in 't algemeen gesproken, elke Souvereiniteit aan den Nijl gelijkt, omdat deze zijn oorsprong verborgen wil houden. Met deze vergelijking wil hij te kennen geven, dat alle dynastiën, alle
6
— 82 —
rijken der wereld op hun oorsprong eene vlek hebben, die zij gaarne voor de nakomelingschap wenschen te verbergen. Wij zien inderdaad in den geheelen loop der geschiedenis dan ook bijna geen enkel rijk of het is ontstaan of uitgebreid door roof, verbreking van bezworen tractaten, onrechtma-tigen oorlog, soms zelfs door moord of eene of andere misdaad. Alleen het rijk der Pausen was zuiver in zijn ontstaan, was vrij van alle smet gedurende geheel deszelfs duur tot op onze dagen. Wel hebben zij het verdedigd, tot het uiterste verdedigd, maar er is geen druppel bloeds vergoten voor deszelfs stichting of uitbreiding. Zooals de Voorzienigheid het door Pepijn aan Paus Stephanus schonk, zoo is het bijna onveranderd gedurende meer dan elf eeuwen gebleven.
In zijn Verdrag van Bondgenootschap zegt Pepijn dat hij het Exarchaat met al zijne steden en kasteelen aan den H. Petrus, en diens opvolger Stephanus, zal schenken, wanneer God hem overwinnaar laat over de Longobarden; derhalve werd bepaald dat het leger der Franken den 29sten April zijn tocht zou aanvangen.
Koning Astulf, die niet zonder reden voor de komst der Franken beducht was, zocht den tocht van Pepijn te beletten en daarom zond hij Karloman, Pepijn's broeder, die, zooals wij gezien hebben, de eenzaamheid van het klooster van Monte-Casino boven het leven aan het hof en het gewoel der slachtvelden had verkozen, naar Frankrijk, om Pepijn van zijne onderneming te doen afzien of om den tocht te beletten, door de hertogen en graven er afkcerig van te maken.
Pepijn had reeds getracht langs minnelijken weg Astulf tot vrede met den Paus te bewegen, door hem een zeer aanzienlijke som gelds aan te bieden; maar Astulf had deze schikking vol barschheid van de hand gewezen; het kon dus geen verwondering baren dat Pepijn nu niet naar de voorstellen van den Longobardenvorst wilde luisteren, al werden die dan ook door zijn eigen broeder voorgedragen.
Ziuueliccldig-e voorstelling- yan de ireesteli.jke eu de wereldlijke Mae lit.
- 83 —
Karloman keerde niet naar zijn klooster terug; waarschijnlijk uit vrees voor Astulf, maar begaf zich in het klooster te Vienne, vraar hij kort daarop overleed.
De tocht over de Alpen werd door deze onderhandelingen vertraagd. Voor Pepijn zon deze vertraging van groote beteekenis worden.
Zooals wij reeds gezien hebben had deze zich, kort na zijne uitroeping tot koning der Franken, door den H. Bo-nifacins laten wijden ; maar nu zou hem de hooge eer te beurt vallen door den Paus-zelven gezalfd te worden in die kerk van Sint-Denis, waar, na hem, alle verdere koningen en keizers de wijding als heerschers van Frankrijk zouden ontvangen. Met Pepijn werden ook zijne gemalin Bertrade, en zijne beide zonen Karei en Karloman gezalfd. Deze gewichtige gebeurtenis had plaats den 28sten Juli van datzelfde jaar 754. Paus Stephanus bevestigde Pepijn in zijne waardigheid als koning der Franken en verleende hem bovendien den titel van Patriciër der Romeinen, welken Pepijn verzocht had als eenig loon voor zijn krijgstocht tegen de Longobarden. Deze waardigheid van Patriciër der Romeinen moet men niet verwarren noch op eene lijn stellen met den erfelijken adeldomstitel der Romeinsche patricische geslachten; het is een geheel nieuwe waardigheid door de Pausen ingesteld en aan koningen of groote veld-heeren verleend, die hen niet alleen tot Beschermers van Rome aanstelt, maar hun ook werkelijk de verplichting oplegt om Rome te verdedigen. Ook aan 's konings beide zonen. Karei en Karloman, werden de titels van koning en Patriciër verleend.
Niettegenstaande Astulf de macht der Franken vreesde, bleef hij toch halstarrig weigeren de aan den Stoel van Petrus toebehoorende steden tegen eene schadeloosstelling af te staan, zoodat Pepijn eindelijk zijn tocht over de Alpen aanvaardde. Van uit zijn kamp van Morienna zond hij eene sterke voorhoede, onder zijne meeste beproefde aanvoerders, vooruit, om zich van de Chimi te verzekeren. Zelve zou hij met het gros van zijn leger volgen.
— 84 —
Wanneer men van Susa naar Turijn gaat, komt men, ongeveer halverwege, in de zoogenaamde vallei van Snsa, die gevormd wordt door twee nitloopers van de Cottische Alpen. Deze vallei vormt als 't ware de poort van Italië, en haar hadden de Longobarden dan ook versterkt en met afsluitingen voorzien; minder misschien als verdedigingsmiddel tegen een vijand, dien men toen zeker niet aan gene zijde van de Alpen verwachtte, dan wel om liet oog te kunnen houden op hen die het land in en uitgingen. Toen Astulf evenwel de zekerheid verkreeg dat Pepijn zijn tocht aangevangen had, snelde hij met eene sterke troepenmacht en met allerlei oorlogstuig en verdedigingswerken naar de Chiusi, om den vijand het binnendringen in het land te beletten; doch de betrekkelijk kleine legermacht ziende, die Pepijn als voorhoede vooraf gezonden had, meende hij deze gemakkelijk te kunnen verslaan en zoo viel hij dan onverwacht, na de afsluitingen te hebben doen openen, bij het aanbreken van den dag de Frankische voorhoede aan. Maar de Franken, zegt de kroniekschrijver, volstrekt niet door den onverwachten aanval onthutst, riepen God en den H Petrus aan en niet alleen weerstonden zij kloekmoedig den zwaren schok, maar van aangevallenen aanvallers wordende, dreven zij den vijand terug en behaalden eene volkomene overwinning, veel Hertogen, Graven en Grooten van de Longobarden verslaande. Astulf ontkwam ternauwernood aan de slachting en snelde naar Pavia terug, achter welks sterke muren hij zich veilig waande. Pepijn, die met zijne hoofdmacht was aangekomen terwijl zijn voorhoede deze schitterende zegepraal behaalde, vervolgde den Longobardenkoning terstond en sloeg weldra het beleg voor Pavia, terwijl hij het omliggende land verwoestte en de steden en kasteelen plunderde en slechtte, volgens het toenmalige oorlogsgebruik. Astulf, ontmoedigd door de eerste nederlaag en den toorn van den machtigen Pepijn niet durvende trotseeren, vroeg den vrede. Hij beloofde dat hij de Romeinsche Kerk en den Apostolischen Stoel
— 85 -
volkomen schadeloos zou stellen voor de nadeelen hen aangedaan; beloofde hulde aan Pepijn, gaf dezen 40 edele gijzelaars als onderpand en zwoer dat hij geene vijandelijkheden meer tegen Rome zou ondernemen.
Pepijn liet zich verbidden, en volgens sommige geschiedschrijvers zou paus Stephanus-zelf voor Astulf bij Pepijn als voorspreker hebben gediend. Pepijn stemde toe, maar volgens de Frankische annalen moest Astulf 30.000 solidi aan Pepijn betalen en bovendien eene jaarlijksche schatting van 5000 solidi beloven; de zwaarste bepaling-van het vredesverdrag was, dat Astulf aan de Romeinen het Exarchaat en de Pentapoli en alle steden, die hij hun ontnomen had, moest afstaan. Astulf en zijne raadslieden bezwoeren het tractaat met plechtige en dure eeden, zoodat Pepijn, vertrouwende op de beloften van den Longobarden-koning, met zijn leger den terugtocht over de Alpen ondernam, na aan den Paus, die met Pepijn was meegekomen, den abt Fulrad en een schitterend gevolg te hebben gegeven om hem ongedeerd naar Rome terug te brengen. Na eene afwezigheid van meer dan een jaar keerde Paus Stephanus dus in het laatst van November of liet begin van December 754 in zijne stad weer. Het Romeinsche volk bereidde hem eene schitterende ontvangst, en hem buiten de stad te gemoet trekkende, voerde het hem onder jubelzangen in triomf naar het paleis van Lateranen, luide roepende, zooals Anastasius verhaalt; .,God zij gedankt, onze Herder en, na den Heer, onze Redder, komt tot ons terug !
De trouweloosheid van Astulf zou evenwel spoedig blijken. Nauwelijks was Pepijn de Alpen weer overgetrokken, of de koning der Longobarden, beloften en eeden vergetende, weigerde niet alleen het Exarchaat en de aan de Kerk ontroofde steden aan den Paus over te dragen, maar zelfs begon hij Rome opnieuw te bedreigen. De Frankische Grooten, die Stephanus II op zijne terugreis naar Rome
— 86 —
vergezeld hadden, en onder dezen ook de abt Fulrad, bevonden zich nog in de Eeuwige Stad, en toen zij terug-naar hun land keerden, gaf de Paus aan dezen laatsten brieven voor Pepijn mede, waarin hij de trouweloosheid, waarvan de boodschappers-zelven getuigen waren geweest, berichtte. Deze eerste brief werd spoedig door een tweeden gevolgd, waarin de Paus Pepijn aan zijne belofte herinnerde, op de verraderlijke handelingen van Astulf wees en hoe deze, door zijne trouweloosheid, de door Pepijn behaalde overwinning nutteloos en ijdel maakte. Derhalve bezwoer hij Pepijn en diens zonen in den naam van God en Zijne H. Moeder en bij den H. Petrus, prins der Apostelen, die hun de koninklijke zalving had gegeven, om medelijden te hebben met de H. Kerk van God en aldus te handelen dat, overeenkomstig de schenking door hen aan denzelfden H. Petrus gedaan, alles aan de Kerk wierd teruggegeven, en dat zij zich in het vervolg niet meer door de leugenachtige beloften van Astulf moesten laten om den tuin leiden. De brief eindigt met deze waarschuwingen:
,,'t Is beter geene beloften te doen, clan ze niet te vervullen, nadat zij gedaan zijn. Wij hebben de zaak van de H. Kerk van God aan uw hart aanbevolen en gij zult aan God en den H. Petrus in den vreeselijken dag des oordeels rekenschap moeten afleggen van de wijze, waarop gij voor de zaak van dienzelfden Prins der Apostelen en voor de teruggave van zijne steden en landen znlt gestreden hebben.quot;
Eindelijk wijst de Paus op de groote eer, die aan hem Aran alle eeuwigheid door God voorbestemd is, om de beschermer der Kerk te zijn, en spoort hij hem aan zoo te handelen dat hij waardig worde om reeds op deze aarde door de gunst van God overwinnaar te blijven en in het toekomende leven de eeuwige vreugde door de voorspraak van denzalfden prins der Apostelen te genieten.
De dringende brieven van den Paus hadden aanvankelijk weinig uitwerksel bij Pepijn, die meende door bedreigingen en door gezantschappen van Astulf de nakoming
zijner beloften te kunnen verkrijgen, maar de trouwelooze Longobard stoorde zich weinig aan vertoogen; hij scheen overtuigd te zijn dat Pepijn, eenmaal weer in Frankrijk zijnde, niet zoo heel spoedig weer het zwaard voor den Paus zou trekken en een nieuwen tocht over de Alpen ondernemen. In elk geval scheen hij de overtuiging te hebben dat hij, mocht zulks al gebeuren, zich voor dien tijd van Rome kon meester maken; zooclat hij dan ook in het laatst van Januari 756 de stad belegerde.
Het Rome der 8ste eeuw, ofschoon het nog niet de uitgestrektheid der tegenwoordige stad bezat, had toch een omvang van 12 Romeinschc mijlen. Volgens eene oude beschrijving, die in de beroemde abdij van Einsiedlen gevonden is en het verhaal bevat van een onbekenden pelgrim, die de Eeuwige Stad bezocht, telde de muur, die haar omgaf, niet minder dan 387 torens en 7100 kanteelen. Deze muur was in 403 door keizer Honorius gebouwd en herhaalde malen hernieuwd onder keizer Theodosius, onder Belisarius en Narses en, zooals wij reeds aangestipt hebben, ook door de pausen Gregorius II en III. Het Vaticaan en het geheele gedeelte dat van het Fort tot aan St. Pieter loopt, het Vaticaan daaronder begrepen, lag nog buiten de muren en werd, zooals reeds vroeger gezegd is, eerst onder paus Leo IV binnen de verdedigingswerken gebracht. Rome eindigde dus aan gene zijde van den Tiber bij het Fort San Angelo, dat toen nog het Hadrianium of Castrum Theodorici genoemd werd. Zooals men weet was dit reusachtig gebouw bestemd om het grafmonument voor keizer Hadrianus te zijn. Keizer Theodorius richtte het 't eerst tot eene vesting of versterkt kasteel in, allengs maakten die namen plaats voor dien van kasteel of Fort van San Angelo, omdat, omstreeks het jaar 600, toen de pest groote verwoestingen aanrichtte en Gregorius-de-Groote openbare boetedoeningen en gebeden voorschreef om het einde van den ramp van God af te sraeeken, op de tinne van het kasteel de aarts-engel Michaël verscheen, die het zwaard (van Gods gramschap) in de schede stak.
— 88 —
De Longobarden hadden de geheele uitgestrektheid van Rome door hunne legerscharen omsingeld. Die van Toscane legerden van de Poort van Sint Pancratius tot aan de Poort van St. Pieter, die toen tegenover het fort, aan het einde van de Elische Brug (thans brug van Sint. Angelo) lag, en in de XVde eeuw door paus Alexander VI afgebroken werd, en van daar tot aan de Porta Portese, zoodat zij het geheele gedeelte over den Tiber bezet hielden. Astulf-zelf stond met de hoofdmacht van het leger voor de Porta Salara, terwijl die van Benevento voor de Poorten van St. Jan en St. Paul lagen en van die zijde de stad insloten.
Het beleg van de stad werd met alle kracht begonnen, maar de muren, die na de vroegere belegeringen hecht en sterk waren opgebouwd, boden weerstand aan de belegeringswerktuigen, die Astulf in groote menigte had aangevoerd. De woede van den Longobard was vooral gericht tegen Paus Stephanus, die Pepijn van Frankrijk tot diens krijgstocht had overgehaald en aan wien Astulf zijne nederlaag en vernedering in de eerste plaats toeschreef. Hij deed den Romeinen weten dat, wanneer zij de Salarische poort voor hem wilden openen en hem den Paus uitleveren, hij hen met zachtmoedigheid zou behandelen; weigerden zij evenwel, dan zou hij het land ten onderste boven keeren, de muren met den grond gelijk maken en allen over den kling jagen; ,,wij zullen dan eens zien, zeide hij, wie u uit mijne handen zal verlossen.quot; Maar de getrouwheid der Romeinen aan den Paus, door alle eeuwen heen zoo schitterend gebleken, verloochende zich ook nu niet. Astulf ontving op zijne sommatie een fier en krachtig „nooit!quot; Zij wilden den beminden Opperherder en vorst tot het uiterste verdedigen, AToor en met hem sterven. Met grooten heldenmoed wisten zij alle aanvallen af te slaan en hielden zoo ijverig de wacht op hunne muren en torens, dat de vijand de stad niet naderen kon.
Verwoed over dezen krachtigen tegenstand begonnen
— 89 -
de Longobarden het geheele land om Rome op barbaarsche wijze te verwoesten en bedreven zij heiligschennissen en misdaden, waarvan men de waarheid in twijfel zon willen trekken, waren zij niet bevestigd door het schrijven van den Paus en den Romeinschen Senaat aan Pepijn en wanneer niet de geschiedenis van onze dagen ons had geleerd, dat de belagers en vervolgers van den Paus en de Kerk voor geen gruwelen terugdeinzen.
De Garibaldisten, die in 1848 in de Kerk van den H. Pancratius de urne schonden, waarin zich de heilige overblijfselen bevonden van dezen jeugdigen martelaar en deze in den wind strooiden; die in Mentana, Viterbo en zoovele andere plaatsen der Kerkelijke Staten, waarvan zij zich in 1867 tijdelijk meester hadden gemaakt, de tabernakels openbraken, de H. Hosties ontwijden, de gewijde vaten roofden, de beelden der Heiligen, het Verlossingsteeken zelfs, verbrijzelden, verminkten, verbrandden, zij handelden al niet veel beter dan de woeste Longobarden der 8ste eeuw, van welken vele dier kerkschenders misschien nog de afstammelingen waren. In den brief aan Pepijn worden de wandaden der Longobarden aldus beschreven: ,,Zij verwoestten te vuur en te zwaard over eene groote uitgestrektheid al de bezittingen die buiten de stad liggen, deden alle huizen in vlammen opgaan en verwoestten ze bijna tot aan de grondslagen, zij verbrandden de kerken van God en wierpen do gewijde beelden der heiligen in de vlammen en deden ze daar door hunne zwaarden verteeren, zij wierpen zelfs de allerheiligste geheimen, dat wil zeggen het lichaam van Onzen Heer Jezus Christus, in hunne onreine vaten, die zij fa Ui noemen en aten ze op, nadat zij zich reeds den buik met overvloed van vleesch hadden volgestopt; en van de altaren en uit de kerken Gods do heilige gewaden en alle soorten van sieraden nemenden, bedienden zij, het is al wreed om te zeggen, er zich van voor hun eigen gebruik; de monniken, de dienaren Gods, die voor den goddelijken dienst in de kloosters woonden, werden er met groot ge-
- 90 -
weld uit verdreven, zoodat velen krankzinnig werden; zij schonden de gewijde maagden en kloostervrouwen, na ze met veel geweld uit hunne verblijfplaats gesleurd te hebben, waar zij zich van af hare kindsheid en jeugd ter liefde Gods hadden opgesloten, en sommige stierven onder de mishandelingen zeiven; en zij verbrandden alle steden en alle boerenwoningen van den H. Petrus en die van alle Romeinen, daar zij, zooals reeds gezegd is, alle huizen buiten de stad gelegen, in vlammen deden opgaan en tot aan den grond verwoestten; zij voerden al het vee wegen sneden de wijnstokken tot aan de wortels af en den oogst buit makende, verslonden zij alles, zoodat noch aan de geestelijkheid van onze Heilige Kerk, noch aan iemand anders van de stad iets overbleef om van te leven, daar, zooals gezegd is, de vijand alles te vuur en te zwaard verwoestte en vele personen doodden. Bovendien brachtten zij velen, mannen en vrouwen, uit de talrijke dienstbaren van den H. Petrus en van alle Romeinen om hals en voerden vele andere als slaven weg. Zij spaarden zelfs de onnoozele kinderen niet, die zij A-an de borst hunner moeders rukten en vermoorden, tegelijk met de moeders, na deze met geweld verkracht te hebben; kortom, deze goddelooze Longobarden hebben in deze provincie van Rome zooveel rampen aangericht, als er zeker nooit door heidensche volkeren aangericht waren, zoodat de steenen, om zoo te zeggen, zouden geschreid hebben bij het aanschouwen van onze groote droefenis.quot;
Reeds twee maanden had het beleg geduurd, reeds twee maanden lang waren de Romeinen van de muren en torens hunner stad getuigen geweest van de boven beschreven gruwelen en verwoestingen, zonder dat eenige hulp kwam opdagen. In de belegerde stad klom de nood al hooger en hooger en terzelfder tijd verdubbelden de belegeraars hunne aanvallen, in de hoop spoedig de benarde veste te zullen bemachtigen. De eenige hoop op
— 91 --
redding was Frankrijk, en hoe streng de Longobarden de stad ook bewaakten, toch gelukte het Paus Stephanus vier gezanten over zee naar Pepijn te zenden, die den koning de brieven van den Paus moesten overhandigen en hem tevens op de hoogte brengen van den grooten nood waarin de stad verkeerde, en van de ongehoorde verwoestingen door de Longobarden aangericht. In waarlijk roerende bewoordingen schetst de Paus de droefheid, die zijn hart beknelt;
,,In welke wreede en bittere droefheid wij gedompeld zijn, zegt hij, en door welke angsten en bekommernissen wij overvallen zijn, hoeveel tranen, bij het toenemen der rampen, onze oogen gestort hebben, zullen, gelooven wij, zelfs de stemmen van alle elementen u verhalen. En inderdaad, wie zou al deze benauwdheden kunnen aanschouwen en niet weenen? Wie de rampen, die ons overstelpen, aanhooren en niet schreien? Vandaar zeggen wij met de kuische Susanna: Augustiae nobis undiqve, et quid agamus ignoramus. (Wij worden van alle kanten bedreigd en wij weten niet wat wij doen zullen.) O Allerchristelijkste (vorsten), ziet daar over ons de dagen van verdrukking genaderd, ziet daalde dagen van geween en bitterheid, daar datgene wat wij van de Longobarden vreesden, over ons gekomen is.quot; Na de boven medegedeelde gruwelen beschreven te hebben, vervolgt de Paus: ,,Xa God en den H. Petrus liggen de levens van ons allen, Romeinen, in uwe hand; en als wij moeten omkomen, denkt er dan wel aan, wie de schuld ervan zal zijn. Weest ervan overtuigd, o allerchristelijkste (vorsten), dat ingeval, wat God verhoede, ons eenig onheil of ondergang overkwam, gij van alles rekenschap voor Gods rechterstoel zult moeten afleggen. Maar, o beminden, maakt veel liever dat zij bevrijd worden, die, na God, tot u hunne toevlucht nemen, opdat gij, op den dag van het toekomstig oordeel, rijk aan goede vruchten zoudt kunnen zeggen: ,,0 Onze Heer en Vorst der Apostelen, H. Petrus, hier zijn wij, uwe cliënten, na onze loopbaan afgelegd en de trouw
— 92 —
aan u bewaard te hebben; wij hebben de Kerk Gods, door de allerhoogste goedertierenheid aan n toevertrouwd, verdedigd en bevrijd uit de handen harer vervolgers; wij komen zonder schuld voor u, wij bieden u uwe zonen aan, die gij ons hadt opgedragen uit de handen der vijanden te verlossen, wij bieden ze u ongedeerd en behouden aan.quot; Zoo zult gij in het tegenwoordige en het toekomende leven de hemelsche belooningen en vreugden verdienen en zult gij deze vaderlijke en begeerenswaardige woorden vernemen: Komt gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk dat van het begin der wereld voor u bereid is.quot;
Bij dezen brief was nog een anderen gevoegd, waarin de Paus den H. Petrus-zelf sprekende tot de Franken laat optreden, hem aanspoorende om spoedige hulp aan zijne bedreigde stad te brengen.
Toen Pepijn uit de brieven van den Paus en uit de mondelinge mededeelingen van diens gezanten, waaronder zich twee van zijne eigene te Rome achtergebleven Grooten bevonden, de trouweloosheid en de gruweldaden der Lon-gobarden vernam, ontstak hij in hevigen toorn. Onmiddellijk riep hij zijne hertogen, graven en legeraanvoerders bijeen en weldra stond het leger der Franken tot den nieuwen tocht over de Alpen gereed.
Ofschoon men in de maand April (van het jaar 756) was en de bergpassen der Alpen nog met sneeuw en ijs bedekt waren, overwonnen de heldhaftige Franken, geprikkeld door de begeerte om de trouweloosheid van Astulf en de oneer, hun koning door zijn trouwbreuk aangedaan te wreken, alle hinderpalen. Xa het land der Bourgondiërs doorgetrokken, bij Chalons de Saone overgestoken, en den Jura gelukkig overgekomen te zijn, daalde men bij Genève in Zwitserland af en trok de vallei van Morienna door, den Mont-Cenis in den rug latende; en eer Astulf het nog bijna
— 93 —
wist waren de Franken reeds aan de grenzen van zijn land gekomen. Onmiddellijk brak hij het beleg van Rome, dat reeds drie maanden geduurd had, op, en trok met de kern van zijn leger Pepijn tegemoet. De Longobarden trachtten nog de Clmisi te verdedigen, maar de tocht der Franken was met zulk eene verbazende snelheid volbracht en met zooveel geluk bekroond, dat zij zich reeds aan de grenzen van het Longobardenrijk bevonden, eer deze door eene voldoende macht bezet waren. Met een onstuimigen moed vielen zij de versterkingen en afsluitingen aan, vermeesterden die, slechtten ze en dreven de verdedigers overhaast op de vlucht, na eene groote slachting onder hen te hebben aangericht. Zonder dralen zette Pepijn de vluchtenden achterna tot voor Pavia, dat weldra door zijn leger omsingeld werd. De tartende woorden, door Astulf kort te voren geuit, werden treurig beschaamd. De Franken, die hij spottenderwijze had uitgedaagd Rome uit zijne handen te verlossen, belegerden hem nu in zijne eigene stad en van aanvaller werd hij de aangevallene. Al de rampen, die de Longobarden over Rome en deszelfs grondgebied hadden gebracht, werden nu op de Longobarden gewroken. Pavia werd ten nauwste omsingeld en het omliggende land door de Franken verwoest en hard bezocht. Astulf, de onmogelijkheid inziende om aan de Franken weerstand te bieden en nergens hulp verwachtende, deed opnieuw vredes-voorstellingen en Pepijn liet zich ook dezen keer door den sluwen Longobard verleiden. De voorwaarden, waarop hem, met den vrede, ook het behoud van kroon en rijk verzekerd werden, waren evenwel veel zwaarder dan die van den eersten vrede. Het vroegere tractaat van Pavia werd geheel hernieuwd tusschen de Franken, de Romeinen en de Longobarden. Astulf zou aan Pepijn al de veroverde steden afstaan, nieuwe gijzelaars geven en bezweeren dat hij nooit tegen de Franken zou opstaan en de vroeger bepaalde schatting betalen. Bovendien moest hij onmiddellijk het derde gedeelte van de koninklijke schatkist aan Pepijn
— 94 —
afstaan en verder rijke geschenken aan diens legeraanvoerders geven. Pepijn, van zijn kant, hernieuwde het verdrag van bondgenootschap, waarbij hij aan den H. Petrus, aan de Kerk van Rome en aan alle Pausen, ten eeuwige dage die steden en bezittingen afstond, in het vroegere verdrag vermeld; en alvorens naar Frankrijk terug te keeren gelastte hij Fulrad, den beroemden abt van Sint Denis, om al de genoemde steden voor den Paus in ontvangst te nemen.
Fulrad volbracht zonder dralen en met den meesten ijver de opdracht zijns konings. Vergezeld van de koninklijke gezanten trok hij naar alle aangeduide steden van liet Exarchaat en van de Pentapoli, om aan deze den last van Pepijn bekend te maken. In alle plaatsen vroeg hij gijzelaars, en de voornaamsten der steden, die do sleutels ervan modenamen, vergezelden hem naar Rome. Hier, op het graf van den H. Petrus, werden de sleutels neergelegd en tevens het document, waarin Pepijn die steden als eeuwig bezit en grondgebied toewijst aan den H. Petrus, aan Zijn plaats-bokleeder den Paus en aan al diens opvolgers, en dit document, dit diploma van Pepijn, werd daarna in het archief der Kerk van Rome bewaard, als een onweerlegbaar bewijs van de pauselijke souvereiniteit.
Terwijl Pepijn zich nog voor Pavia bevond, had er eene andere gebeurtenis plaats, die aan zijne schenking eene nog grootere kracht, aan de rechtmatigheid van het wereldlijk bezit der Kerk een nog hooger gewicht bijzet. Do Grieksche keizer Constans Conpronimos, ongetwijfeld kennis gekregen hebbende van hot in 754 tusschen Franken, Romeinen en Longobarden gesloten verdrag, meende van Pepijn teruggave te kunnen verkrijgen van zijn vroegere bezittingen in Italië, die hij niet alleen niet had weten te verdedigen, maar die hij zelfs, zooals wij vroeger reeds gezegd hebben, geheel en al aan een anderen beschermer had overgegeven. Hij zond dus gezanten naar Pepijn, die, te Rome aankomende, daar vernamen dat do koning der
— 95 —
Franken zich voor Pavia bevond. Zij trokken onmiclellijk derwaarts en legden Pepijn de reden van hun bezoek bloot. Pepijn antwoordde op het vertoog des keizers met een kort en krachtig „neen!quot; Op alle smeekingen, beloften en vleierijen der Byzantijnsche gezanten gaf hij het bescheid ,,dat hij nooit en op geenerlei wijze zon dulden dat die steden, op welke voorwaarde dan ook, vervreemd zouden worden van het gezag van den H. Petrus en van het recht der Kerk van Rome en haar Opperherderquot;; hij bevestigde verder onder eede, dat hij zijn tocht niet had ondernomen ten gunste van éenig mensch, maar alleen uit liefde tot den H. Petrus en om vergiffenis zijner zonden te bekomen; geene schatten, hoe groot zij ook mochten zijn, zouden hem er toe kunnen brengen om van den H. Petrus terug te nemen, wat hij hem eenmaal geschonken had. Met deze boodschap konden de gezanten naar Constantinopel terug-keeren, en sinds dien heeft men er niet meer van gehoord. De steden, die door deze schenking aan den H. Stoel kwamen, waren Ravenna, Rimini, Pesaro. Fano, Cesena, Sinigaglia, lesi, Forlimpopoli, Forli met het kasteel van Sassibio, Monte-Feltro, Acerragio. Monte Lucari, Serra, het kasteel van S. Mariano, Babio, Urbino, Cagli, Luculi, Gubbio en Comaehio. Ook Narni werd aan den Paus teruggegeven. Verschillende documenten vermeldden diezelfde tivintUj steden, waarbij later nog eenige andere kwamen.
Niettegenstaande de tractaten en de overgaven dei-sleutels van genoemde steden, trots schenkingsoorkonden en eeden, zouden de Pausen toch niet in het rustig bezit van hun tijdelijke macht blijven, zoolang het Longobarden-rijk bleef bestaan. Maar de ongerechtigheden van dit volk hadden de maat van Gods toorn doen overloopen en weldra zal het machtige zwaard van Karei den Groote een einde maken aan de heerschappij der Longobarden en de Pausen voorgoed bevestigen in de schenkingen, hun door zijn roemrijken vader gedaan.
Hoofdstuk VI.
Dood van Astulf. Desiderius en Knehis (lingen naar den troon. De tnssehenkomst van paus Steplianns bewerkt dat Desiderius alleen koning wordt en Uaehis in zijn klooster terugkeert. Beloften van Desiderius. Paus Steplianns sterft en wordt door zijn broeder Paulus op den pauselijken troon opgevolgd. Zijne goede verstandhouding niet Pepijn. Desiderius weigert zijne beloften na te komen. Onder-liandelingen. Dood van Paulus 1. Koine in de macht van Toto. die zijn broeder ('onstantinus. een leek. met geweld als Paus opdringt. •lammeiiijke tooneelen.
■ olgens bewering van de geschiedschrijvers van ' dien tijd zou Astulf, niettegenstaande hij tweemaal overwonnen en tot den vrede met Rome en afstand /ËslF- van ^0 veroverde gewesten gedwongen was, met nieuwe plannen van tractaatbreuk en oorlog tegen den Paus hebben rondgeloopen, toen hij, zooals Anastasius zegt, door de hand Gods getroffen werd en stierf. Volgens sommige kronieken zou hij op de jacht van zijn paard gevallen, volgens andere door een wild zwijn gewond en in de maand December 756 aan de gevolgen overleden zijn. De Italiaansche geschiedschrijver Balbo zegt, „dat hij het eerste voorbeeld was, van hetgeen men later zoo vaak zou zien gebeuren, namelijk: dat wie in Italië tegen den Paus opstaat, niet ver A^an zijn eigen val is.quot; En niet alleen is dat voor Italië, maar voor alle landen bewezen, zoodat De Maistre, door zijn gevleugeld woord, qui manye du Pape en meurt (wie van
— 97 —
den Paus eet, sterft er aan,) heeft weergegeven wat de ge-heele geschiedenis ons leert en wij ook zullen bewaarheid zien aan hen, die in onze dagen den Paus van zijn wereldlijk gebied hebben beroofd en in opstand zijn gekomen tegen de raadsbesluiten der Voorzienigheid, die aan den Stoel van Petrus een vorstendom heeft willen schenken, dat, langs wonderbare wegen voorbereid, op de rechtvaardigste grondslagen en heiligste rechten is opgebouwd.
Daar Astulf geen mannelijke nakomelingen had, ontstond er strijd onder de Longobarden over de opvolging. Eenige aanvoerders wilden de kroon toekennen aan Desiderius die, volgens enkele kronieken. Comes stahnli, dat wil zeggen, opperstalmeester of maarschalk van Astulf, volgens andere, hertog van Istria was. Een ander gedeelte der Grooten, die met leede oogen zagen dat een van huns gelijken koning zou worden, wierp de oogen op Astulfs' broeder Rachis, die, wij hebben liet vroeger gezien, afstand van den troon had gedaan en in het klooster van Monte-Casino was gegaan. Hetzij op aansporing dezer Grooten, hetzij hij het rijk voor onlusten wilde bewaren, misschien ook wel met het voornomen om den vrede met Rome te handhaven, Rachis verliet de kloostercel en deed zijne aanspraken op den troon gelden. Inderdaad regeerde hij dan ook gedurende drie maanden, in zijn paleis als monnik levende, wat er wel op wijst dat hij niet uit zucht naai' grootheid zijne eenzaamheid van Monte-Casino had verlaten.
Desiderius wendde zich nu tot paus Stephanus om diens steun en hulp te vragen; hij beloofde den Paus onder eede dat hij zich geheel naar diens goedvinden zou regelen en dat hij, zonder eenig voorbehoud, aan den H. Petrus de steden Faenza, Imola, Ferrari, Osimo, Ancona, Umona en Bologna met het daartoe behoorende grondgebied, welke steden Astulf nog altijd in zijn bezit had gehouden, zou teruggeven en bovendien nog rijke geschenken er bij zou voegen. De Paus raadpleegde mot den abt Fulrad, die zich nog altijd te Rome bevond, en deze ried den Paus
7
- 98 —
aan de wenschen van Desiderius in te willigen, ten einde zoodoende voor goed een einde te maken aan de strijdigheden tusschen de Longobarden en de Romeinen. Daar de Paus Desiderius als een zeer zachtmoedig man vol goeden wil beschouwde en de aanspraken van dezen in een rijk, waarvan de vorsten door het volk gekozen werden, even wettig waren als die van Rachis, gaf hij aan den raad van Fulrad gehoor. Deze vertrok dus met 's Pausen broeder Paulus en met Christophorus, primicerius van den H. Stoel, en eenige van de te Rome aanwezige Frankische Grooten naar Desiderius, om met dezen de bepalingen van het ver-draquot;- vast te stellen. Desiderius stemde in alles toe en
O
onderteekende het verdrag. Daarna zond de paus een schrijven naar Rachis, dezen aanmanende zijne aanspraken te laten varen. Zonder aarzelen voldeed Rachis aan het verlangen des Pausen en trok zich opnieuw in Monte Casino terug. Zoodoende kon Desiderius in de maand Maart van het jaar 757, dank zij de tusschenkomst van den Paus en de Frankische gezanten, onbetwist bezit nemen van den Longobardischen troon.
Oogenschijnlijk was door deze overeenkomst tusschen den Paus en den vorst der Longobarden, de vrede van Italië verzekerd en zou de Pauselijke Stoel in het onbetwist bezit geraken van de vorstelijke schenking, die Pepijn er aan gedaan had. Nooit had de Kerk, in de acht eeuwen van haar bestaan, zulk een toppunt van grootheid bereikt, nooit waren de invloed en het aanzien der Pausen machtiger geweest. Xiet alleen Rome en deszelfs hertogdom, maar ook het Exarchaat en de Pentapolis erkenden de souvereiniteit der Pausen, en geheel Italië staarde met bewondering en eerbied op de opvolgers van den H. Petrus, die het vrij hadden gemaakt van de hatelijke regeering der meer en meer in het schisma vervallende Byzantijnsche keizers en het in den machtigen koning der Franken een trouwen en toegenegen beschermer hadden bezorgd. as het dan wel te verwonderen dat Paus Stephanus, aan wiens
— 99
onvermoeid streven, aan wiens rusteloos ijveren voor het heil van Rome, aan wiens vermoeiende en gevaarvolle reizen dit alles, naast God, voor een zeer groot gedeelte te danken was, zijn hart van blijdschap voelde overvloeien? Van die vreugde gaf hij een heerlijke getuigenis in den brief, dien hij aan Pepijn schreef en waarin hij zich als volgt uitdrukt: „Wij kunnen, alleruitmuntendste zoon, niet in woorden weergeven, hoezeer wij getroost zijn door uwe werken en door uw leven; immers wij hebben in onze dagen ware wonderen van de goddelijke kracht gezien, zoodat de heilige Roomsche Kerk, moeder en hoofd van alle Kerken Gods en grondslag van het Christelijk geloof, die zuchtte onder de vijandelijke aanvallen en allergrootste gevaren, door de hulp van Uwe Uitmuntendheid tot de hoogste en duurzaamste vreugde is gekomen, en de angsten der Christenen, dank zij uwe machtige bescherming, veranderd zijn in de levendigste blijdschap. Jubelende over uw werk, roepen wij met de engelen uit: Eere aan God in den hooge en vrede op de aarde aan de menschen, die van goeden wil zijn. En terwijl wij in het afgeloopen jaar. om dezen tijd, van alle kanten ten wreedste beproefd en bedreigd waren door de vijanden, en nu door uwe zeer machtige hulp van elk gevaar verlost zijn, jubelen wij in zeer groote vreugde en zegenen wij met den Psalmist den Heer, met hem herhalende: „deze verandering danken wij aan de rechterhand des Allerhoogste.quot; En verder nog:
o
„des avonds in geween, des morgens in blijdschap.quot; En welk hart, al ware het ook van steen, zou, bij het aanschouwen van liet groote en godvruchtige werk door uwe verhevene goedheid uitgevoerd, zich niet uiten in lofzangen tot God den Almachtige en in liefde tot Uwe Uitmuntendheid ? Ik, voorzeker, o alleruitmuntendste zoon en geestelijke medevader, verheug er mij in, om aan alle naties, die van de geheele wereld hierheen komen, de wonderen te herhalen, die gij verricht hebt en ze met hen te bewonderen, en voortdurend met luider stem de lof van
— 100
uwe allerzoetste (melliflua) Uitmuntendheid te vieren; en telkens gevoel ik mij nog opgewekt om de oogen ten hemel te heffen en den almogenden God te danken voor het onmetelijk geluk van uwe goedheid en van die van het geheele Frankische volk. En hoe verder, o zeer beminde en door God geïnspireerde gelukkige overwinnaar en zeer sterke koning door de goddelijke Voorzienigheid, de gelukzalige Petrus, Prins der Apostelen, de uitwerkselen van uwe godsvrucht heeft aanvaard, die gij getoond hebt in het strijden voor zijne zaak, zooals uw geheel leven voor allen er getuigenis van aflegt; daar er geschreven staat: de wenschen der rechtvaardigen worden verhoord. Ja, wij verheugen er ons ten zeerste in, o allermtmuntendste zoon, om groote lof aan xnve goedheid te kunnen toezwaaien en met eene jubelende stem te kunnen zingen en den naam des Heeren voor zoo groote weldaad te lofprijzen: Gezegend zij de Heer God van Israël, die zijn volk bezoekende, en het willende bevrijden, in onze dagen u, o allerchristelijkste overwinnaar, als onzen sterken bevrijder heeft doen opstaan. En hoe zou ik u anders kunnen noemen, dan een nieuwen Mozes, een roemrijken koning David? daar, evenals zij het volk Gods verlosten van de verdrukking der vreemde volken, gij, van God gezegende overwinnaar en allersterkste koning, u hebt bemoeid om de Kerk van God en het bedroefde volk te redden van de vijanden die hen aanvielen. Moogt gij, o uitstekende zoon, gezegend worden door den allerhoogsten God, die hemel en aarde geschapen heeft; en gezegend zij God, door wiens gunst de vijanden in uwe handen vielen. Moge de rechtvaardige God u zegenen en moge Hij met u zegenen, verdedigen en beschermen uwe beminde zonen en mijne geestelijke zonen, de heeren Karei en Karloman, door God tot koningen der Franken en Patriciërs der Romeinen geroepen, te samen met hunne allerchristelijkste moeder, de alleruitstekendste koningin, uwe allerzoetste gemalinne, de aan God getrouwe, onze geestelijke medemoeder.
101
Moge God uwe nakomelingschap talrijk maken, in eeuwigheid zegenen eu hen vergunne om blijvend den koninklijken j^etel te bestijgen en onder mve opperheerschappij de geheele Frankische natie altijd ongedeerd behouden. Wees gegroet in den Heer, o allergoedertierendste koning, omdat door u de vijanden van de heilige Kerk Gods zijn vernederd en de Kerk zelve tot groote vreugde is gekomen en het aan haar toevertrouwde volk jubelt en zich door u gezegend noemt, de ruimste zegeningen van dezen zullen zich over u verspreiden, omdat gij groote vreugde over de aarde hebt verspreidt.
Dit alles zijn groote dingen, waarvoor God moet geprezen worden; intusschen smeeken wij zonder ophouden de goedertierenheid van den allerbarmhartigsten God, dat hij u, in ruil, de vreugde van zijn hemelsch rijk schenke.quot;
Helaas! de goede verwachtingen van Paus Stephanus zouden door de trouweloosheid der Longobarden deerlijk beschaamd worden. God, echter, bespaarde aan zijn trouwen dienaar, die zooveel voor de eer en de vrijheid der Kerk gearbeid en geleden had, het verdriet Rome opnieuw belaagd en aangevallen te zien. Hij stierf den 24sten April in de armen van zijn broeder Paulus, in het blijde bewustzijn de taak, waartoe de Voorzienigheid hem geroepen had, getrouw en naar zijne beste krachten vervuld te hebben. Zijne regeering, zoo rijk aan groote gebeurtenissen, maar ook aan droefheden en angsten van allerlei aard, is eene der belangrijkste en roemrijkste uit de geschiedenis der Kerk. Het Romeinsche volk, dat hij als een vader, herder en koning had bemind, geleid en geregeerd, beweende hem oprecht en lang en toonde door de heerlijke begrafenis die het hem bezorgde, hoe zeer bet hem had bemind en hooggeschat. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de basiliek van St. Pieter, in de nabijheid van het graf van den Prins der Apostelen, voor wiens eer en rechten hij geheel zijn leven had gestreden en geleden.
— 102 —
Stephanus II werd op den pauselijken troon opgevolgd door zijn broeder Panlus, dien wij reeds herhaalde malen als gezant der Pausen ontmoet hebben en die met niet minder geestkracht en ijver voor de belangen van den H. Stoel optrad. Onmiddelijk na zijne verkiezing stelde Panlus I zich in verbinding met Pepijn, wien hij zijne verheffing mededeelde en zijne vriendschap en genegenheid verzekerde. Pepijn, van zijn kant, antwoordde met de meeste hartelijkheid op het schrijven van den nieuwen Paus, aan wien hij de verzekering gaf dat hij met onbezweken trouw de rechten van den H. Petrus zon handhaven. Hij verzocht den Paus tevens peter te willen zijn van zijne dochter Gisela, die hem pas geboren was, aan welk verzoek de Paus met blijdschap gehoor gaf, zoodat hij, evenals zijn broeder. Paus Stephanus, Pepijn in zijne brieven „geestelijken me-devaderquot; noemt. De verhoudingen tusschen den Paus en den koning der Franken waren dus even hartelijk gebleven als onder de regeering van Paus Stephanus.
Geheel anders vertoonde zich evenwel spoedig de verhouding tot de Longobarden. Niettegenstaande de plechtige beloften aan Paus Stephanus en de Frankische Grooten gedaan, haastte Desiderius zich in geenen deele om de beloofde steden aan den H. Stoel over te geven; hij ging zelfs verder en viel in 't begin van 't jaar 758 op het grondgebied van den H. Stoel en verwoestte de omstreken der Pentapoli. De hertogen van Spoleto en Benevento, die zich ten gevolge van de in de vorige hoofdstukken beschreven gebeurtenissen, onder de bijzondere bescherming van den Paus en den koning der Franken hadden gesteld, moesten zijne wraak gevoelen. Spoleto werd door hem ingenomen en de hertog Alboïn met de voornaamste grooten gevangen gehouden. De hertog Luitprant van Benevento ontkwam dit lot door de wijk naar Otiante te nemen, waar Desiderius het niet geraden achtte hem te vervolgen. Evenwel trachtte hij den Griekschen keizer te overreden Otrante te belegeren, waartoe ook hij troepen zou leveren; belovende
— 103 —
de stad aan den keizer te zullen laten, mits men den hertog aan hem overgaf. De Grieken schijnen evenwel weinig lust in de onderneming te hebben gehad; van hun optreden is althans niets bekend. Tegen Rome waagde hij het evenwel nog niet met geweld op te treden, ofschoon zijne verwoestingen in de Pentapolis en het liomeinsch hertogdom niet veel goeds van hem deden verwachten. Daarentegen bracht hij een vriendschappelijk bezoek aan de Eeuwige Stad, waar hij de gast des Pausen werd. De Paus trachtte door overredingen van den koning de overgave der bewuste steden te erlangen, maar de sluwe Longobard wist zich telkens door uitvluchten en halve toezeggingen te redden. Wel verzocht hij den Paus voor hem bij Pepijn te willen spreken, opdat hij in vriendschap met dezen zou kunnen komen en de gijzelaars, die de Frankenkoning van Astulf had geeischt, zouden worden vrijgegeven.
Xauwelijks had Desiderius Rome verlaten of de paus zond een legaat met twee brieven naar Pepijn. In den eersten brief, die den legaat als 't ware tot paspoort door het land der Longobarden moest dienen, deelde de Paus aan Pepijn het verlangen van den koning mede; maar in den tweeden, dien de legaat zorgvuldig verborgen hield, legde Paulus I den waren stand van zaken bloot. Hij waarschuwde dezen tegen de listen en beloften van Desiderius, deelde mede hoe deze op het grondgebied van den H. Stoel en tegen de hertogen van Spoleto en Benevento had vervaren en smeekte den koning het door hem begonnen werk te voltooien, hem herinnerende aan hetgeen hij den H. Petrus zoo plechtig bezworen had. Deze brieven gingen vergezeld van verschillende geschenken, onder welke zich ook een met edelgesteenten versierd zwaard met deszelfs bandelier bevond. Dit is het eerste voorbeeld van zulk een geschenk; de latere keizers zouden bij hunne kroning steeds een zwaard ontvangen als zinnebeeld van hun beschermheerschap over de Kerk.
De brief des Pausen mistte zijne uitwerking niet, want
- 104
reeds spoedig zond Pepijn zijn broeder Remigius, aartsbisschop van Rouaan, en hertog Aucarius naar Desiderius, die dezen te kennen gaven dat hij voor het einde van de maand April van het jaar 760 geheel en al te teruggave had te doen van alle gerechtigheden van Sint I'ieter en aan den paus alle goederen, rechten, plaatsen, grenzen en grondbezitten van de verschillende steden, die hem toekwamen, moest overdragen. Het schijnt dat Desiderius dan ook een begin maakte met de teruggave der steden, maar zeker is het dat voor het einde van April alles nog niet was overgedragen. Evenwel blijkt het op overtuigende wijze dat in dezen tijd de verhouding tusschen den Paus en Desiderius uitmuntend was geworden; immers, toen de Paus vernomen had dat de Grieksche keizer Copronimos een tocht naar Italië in den zin had, niet alleen en niet in de eerste plaats om het Exarchaat te heroveren, maar wel om een aanval op Rome te doen ten einde, dit in zijne macht zijnde, in Italië zijne ketterij te doen zegevieren en den strijd tegen de beelden der heiligen voort te zetten, zond hij tegelijk met een brief aan Pepijn, er ook een aan Desiderius, waarin hij dezen op het gevaar wees dat Italië bedreigde en hem verzocht met zijn leger eene landing dei-Grieken te beletten, hulptroepen naar Rome te zenden en de hertogen van Spoleto en Benevento te gelasten Rome te helpen verdedigen tegen den beraamden aanslag der Grieken. Gewis zou de Paus den Longobardenkoning niet om hulp hebben gevraagd, wanneer de wederzijdsche verhouding iets te wenschen had overgelaten. Van de onderneming der Grieken kwam echter niets; zij schijnt den keizer wat al te gewaagd te zijn geweest, hoewel hij niet ophield nog lang zijne dreigementen tegen Italië en Rome te doen hooren.
Toen dit gevaar bezworen was, beijverde de Paus zich om van Desiderius de eindelijke en geheele overgave van de aan den Stoel van Petrus toegewezen bezittingen te verkrijgen, maar de sluwe en gewetenlooze koning wist door allerlei uitvluchten en moeilijkheden zich aan zijne ver-
— 105 —
plichting te onttrekken. Op verzoek van den Paus zond Pepijn zijne gevolmachtigden naar Rome, om met de gedelegeerden van Desiderius, de afgevaardigden van de Pen-tapolis en de raadslieden van den Paus de zaak tot een goed einde te brengen, edoch alles tevergeefs. Nu eens waren de volmachten van de gezondenen van Desiderius onvoldoende of onduidelijk, dan weer wist de Longobard nieuwe eischen te stellen of beletselen op te werpen.
Onder deze onderhandelingen, die van 760 tot 767 duurden, kwam Paus Paulus I te sterven. Terwijl hij zijne tijdelijke woonplaats bij de Basiliek van Sint Paul had gekozen, werd hij, ten gevolge van de groote hitte, door eene kwaadaardige koorts overvallen, die hem, den 28 Juni 767, ten grave sleepte. De Kerk verloor in hem een heiligen Opperherder, Rome een beminden vorst, die zich, door zijne onuitputtelijke weldadigheid, zijne onbegrensde liefde tot de armen, welke hij, de uren voor zijne nachtrust er voorop-offerende, in hunne armoedige woningen opzocht en door woorden en ruime giften trooste, de algemeene vereering had verworven. Xiet minder blonk deze H. Paus uit in zijne groote vereering der Heiligen, wier overblijfselen hij, ten einde ze voor nieuwe ontwijdingen te behoeden, uit de kerken buiten Rome met groote godsvrucht en eerbewij-zingen binnen de stad liet brengen, terwijl hij het bij het Campo Marzo gelegen paleis, waarin hij geboren was en zijne eerste jeugd had doorgebracht, tot eene kerk liel inrichten en aan de HH. Pausen Silvester en Stephanus toewijdde, wier lichamen hij derwaarts liet overbrengen. Xiet minder groot waren zijne verdiensten in het verdedigen van de rechten en bezittingen der Kerk, de zoogenaamde gerechtiyheden van den TI. Petrus, zooals wij reeds in dit hoofdstuk breedvoeriger hebben uiteengezet. Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat wel de aandacht verdient, dat de grootste, beroemdste en heiligste Pausen, vanaf Grego-rius den Groote tot aan Pius IX en Leo XIII, ook die waren, welke met den meesten moed, de grootste volharding
— 106 —
en den heiligsten ijver voor die onschendbaarheid van de pauselijke souvereiniteit, voor die lt;jerechtiyheden van den H. Petrus, voor dat erfgoed der Kerk gestreden en gebeden hebben.
❖ *
*
Xa den dood van den heiligen Paus Paul us I grepen te Rome allerjammerlijkste gebeurtenissen plaats, die een keer te meer aantoonen hoe noodzakelijk de tijdelijke macht der Pausen voor de vrijheid en de onafhankelijkheid der Kerk is, en hoe hare vrede en eenheid verstoord worden wanneer dwingelanden of wereldsche vorsten meester van de Eeuwige Stad zijn.
Zekere hertog Toto, geboortig van Nepi, had. met zijne drie broeders Constantinus, Passivus en Paschalis, hot plan opgevat om zich van Rome en het Pausdom meester te maken, en de vier misdadige broeders waren zelfs zoo ongeduldig om hun snood plan uit te voeren, dat zij den langen doodstrijd van Paus Paulus door geweld wilden verkorten. De primicerius Christophorus, dien wij reeds vroeger vermeld hebben, kennis van de samenspanning gekregen hebbende, wist die te verijdelen, door Toto en zijne broeders, benevens andere onder de voornaamsten der stad te doen zweeren, dat zij den opvolger van den Paus, overeenkomstig de oude overlevering van den Pauselijken Stoel zouden kiezen uit de priesters en de diakens der Roomsche Kerk, zooals God het hun zou ingeven, en dat wel op het tijdstip volgens de Constitutie van Paus Bonifacius III bepaald, n.1. op den derden dag na het overlijden van den Paus. Eindelijk deed hij hen nog beloven dat zij geen gewapenden van buiten Rome do stad zouden binnenbrengen.
Toto en de zijnen zwoeren alles, wat de primicerius van hen verlangde; maar nauwelijks hadden zij diens woning verlaten, of zij brachten gewapende boeren van Nepi en uit de Tuscia Romana door de poort van Sint Panera-
- 107 —
this de stad binnen en legerden die in het hnis van Toto.
Zoodra Pans Paulus zijne ziel aan God had weergegeven, verzamelde Christophorus de geestelijken en de leeken, die bevoegd waren om de Pauskeuze te doen, in de Basiliek van den H. Petrus en deed hen hier, overeenkomstig het gebruik, zweeren, dat zij alle wettelijke vormen zouden in acht nemen; waarop de verzameling uiteenging. Toto en zijn aanhang riepen terstond Constantinus, Toto's broeder, tot Paus uit, en ofschoon deze leek was en dus geene enkele geestelijke wijding had ontvangen, dwongen zij het volk hem te erkennen en voerden zij hem gewapenderhand naar het paleis van Lateranen. 1) Vervolgens haaiden zij Gregorius, bisschop van Palestrino, en geboden dezen aan Constantinus de eerste wijding te geven. Gre-, o-orius verzette zich in den beuinne en smeekte Constantinus op zijne knieën zulk groot schandaal niet aan de Kerk te geven: maar zijne smeekingen mochten niet baten, en voor de bedreigingen zwichtende, wijdde de beangste bisschop den indringer. Ook den primicerius Christophorus wilde men door bedreigingen de verkiezing van Constantinus doen goedkeuren, maar deze weigerde kloekmoedig.
Den volgenden dag dwong men den bisschop van Palestrino om Constantinus tot diaken te wijden en den Zondag daaraanvolgende werd de opgedrongen Paus door de voor de bedreigingen zwichtende bisschoppen Gregorius van Palestrina, Eutichius van Albano en Citonatus van Porto tot paus gezalfd, nadat hem zeker vooraf de priesterlijke wijding was toegediend, ofschoon zulks niet uitdrukkelijk vermeld wordt. De indringer trachtte terstond de goede gunsten van Pepijn te verwerven en zond dezen legaten met brieven, geschenken, betuigingen van vriendschap en toegenegenheid ; maar de koning der Franken, ongetwijfeld reeds op de hoogte gebracht van hetgeen in Rome was voor-
1) Cantu zogt dat men hem naar het Vatieaan bracht, maar dit is ongetwijfeld eene vergissing, daar dft Pansen toen nog in het Paleis van Lateranen resideerden.
- 108 —
gevallen, gewaardigde zich niet op de brieven en vleiereien van Constantinus te antwoorden.
Ongetwijfeld was verreweg de meerderheid van de Romeinsche geestelijkheid en het volk volstrekt niet ingenomen met den opgedrongen paus, edoch de gewapende benden van Toto hielden hen in bedwang en oefenden in de stad een waar schrikbewind uit. De primicerius Christo-phorus, die zoo manmoedig weerstand had geboden aan de bedreigingen van Toto, besloot, met zijn zoon Sergius, 1) eene poging te doen om Rome van den valschen paus en de dwingelandij van diens broeders te verlossen.
Toto, die in Christophorus een zeer gevaarlijken tegenstander erkende, had het op diens leven toegelegd, maar de primicerius, er kennis van gekregen hebbende, had mot zijn zoon Sergius eene wijkplaats in de Basiliek van Sint Pieter gezocht, en hoe groot ook de boosheid van Toto mocht zijn, toch durfde hij deze geheiligde plaats niet schenden. Constantinus, evenzeer beducht voor Christophorus, wendde alles aan om dezen zijne wijkplaats te doen verlaten, maar tevergeefs. Eindelijk vroeg Christophorus aan Constantinus verlof om de Basiliek te mogen verlaten, onder eede belovende dat hij zich met zijn zoon in een klooster te Rieti zou begeven. Constantinus liet zich vangen en bezwoer op de Confessie van den H. Petrus dat hij Christophorus en Sergius na het Paaschfeest de vrijheid zou geven en dat zij inmiddels in hun huis konden terug-keeren. En zoo geschiedde het ook.
Zoodra het Paaschfeest voorbij was, verlieten Christophorus en zijn zoon Rome, maar in plaats van naar het klooster te Rieti te gaan, begaven zij zich naar den hertog van Spoleto, wien zij het doel hunner reis, de bevrijding van Rome, blootlegden. De hertog trad geheel in hunne
1) Dat hier van een zoon van Christophorus gesproken wordt, kan geen verwondering baren. De primicerius behoorde wel tot de voornaamste personen van liet pauselijk hof, daar hij eerste minister of Staats-secretaris was; maar het is niet zeker dat die waardigheidsbe-kleeders geestelijken waren; bovendien, al ware Christophorus ook geestelijke, dan kan hij, voor zijne wijding gehuwd zijn geweest en een zoon hebben gehad.
r
«H §
1
I I
I i
I %
i
I
__
— 109 —
plannen en vergezelde hen naar koning Desiderius, die eveneens bereid was aan de verlossing van Rome mede te werken. Of de bedoelingen van den Longobardenvorst
O O
wel zeer zuiver waren zal het vervolg aantoonen.
Na hun bezoek bij Desiderius keerden Christophorus en Sergius naar Rieti terug, waar zij eeno groote troepenmacht op de been brachten, en met de legermacht van den hertog van Spoleto vereenigd, rukten zij op Rome aan. In den avond van den 28sten Juli verschenen zij geheel onverwacht voor de Porta Salara, die zij bezetten, en den volgenden dag de Ponte Molle overtrekkende, kwamen zij onder het fort San Angelo bij de St. Pieterspoort en trokken vandaar naar de Poort van Sint Pancratius. Hier hadden de aanhangers en verwanten van Christophorus de wacht, en zoodra hadden zij Sergius niet herkend of zij openden hem de poort. Do bevrijders trokken de stad binnen en bezetten de muren van de stad over den Tiber, Trastevere, waar zij hunne banieren plantten. Toto snelde onmiddellijk met zijne gewapenden en volgelingen, onder welken zich Demetrius de Secondicerius en Graziosus de Cartularius, in 't geheim aanhangers van Christophorus, bevonden, naaide poort van Sint Pancratius, waar weldra een gevecht met de Longobarden ontstond. Dezen, hun aanvoerder onder de slagen van Toto ziende vallen, wilden reeds op de vlucht gaan, toen Demetrius en Graziosus, die zich achter Toto bevonden, dezen met hunne lansen doorboorden. Passivus, zijn broeder ziende vallen en alles verloren achtende, snelde naar Lateranen om aan Constantinus, den opgedrongen Paus, het noodlottige nieuws mede te deelen, en beiden, dol van vrees en angst, verborgen zich in eene der kapellen van de Basiliek, waar zij evenwel spoedig door den overste van de Romeinsche militie ontdekt en gevankelijk weggevoerd werden.
Maar nauwelijks was de indringer op den H. Stoel verdwenen of een ander gevaar bedreigde de eenheid dei-Kerk. Zekere priester Waldpret, door den koning der Lon-
— 110 —
gobarden naar Rome gezonden en misschien wel op diens aanraden, of zeker in de hoop hem aangenaam te zijn, handelende, wist eenige Romeinen voor zijne zaak te winnen en snelde den Zondag daaropvolgende, den 31 Juli, naar het klooster van St. Vitus op den Esquilijnschen heuvel en haalde er een zekeren priester Philippus uit, dien zij met groot geschreeuw tot paus uitriepen, zeggende: Paus Phi-lippus, Paus P/rilippns, verkazen door den II. Petrus. Daarna voerden zij hem met groote plechtigheid naar de Basiliek van Sint-Jan-van-Lateranen.
De primicerius Christophorus, die nog buiten Rome was, vernam het gebeurde van het juichende volk, dat hem als bevrijder tegemoet snelde en zegepralend binnen de stad wilde voeren. Zoodra hij evenwel kennis droeg van de onwettige verkiezing van Philippus, zwoer hij dat hij geen voet binnen Rome zou zetten, zoolang Philippus in Laterane verbleef. Hij zag in deze verkiezing zeer goed de hand van Desiderius.
De reeds genoemde Demetrius en Graziosus snelden daarop met eene groote menigte volks naar het paleis om Philippus er uit te verdrijven. Deze, die zich misschien alleen uit vrees tot de rol, die men hem liet spelen, had laten verleiden, bood niet den minsten tegenstand, maar keerde op denzelfden dag, waarop hij tot paus was uitgeroepen, naar zijne kloostercel terug en heeft later nooit meer van zich doen spreken. Christophorus nam nu de teugels der regeering in handen en reeds den volgenden dag, den Isten Augustus, riep hij de geestelijkheid, de militie en het volk bijeen om, ingevolge het gebruik van die dagen, tot de verkiezing van een wettigen Paus over te gaan. De keuze viel op Stephanus, kardinaal-priester van Sint Cecilia, die onmiddellijk met algemeene stemmen gekozen werd.
Deze verkiezing van den paus door het volk, wat wij in onze dagen een algemeen stemrecht zouden noemen, moge vreemd schijnen aan hen, die weten met hoeveel voorzorgen en hoe groote omzichtigheid tegenwoordig de Paus in een
— Ill —
gesloten conclaaf wordt verkozen; maar tegenstrijdigs is er niets in. Wij znllen later wellicht gelegendheid hebben hierover breedvoeriger te spreken; voor heden kunnen wij volstaan met de' vermelding dat de wijze, waarop de Paus verkozen wordt, mits deze geschiede in alle vrijheid, zonder dwang en overeenkomstig de door de Kerk vastgestelde discipline, aan de wettigheid en deugdelijkheid der keuze niets afdoet. De Pausen uit de eerste eeuwen der Kerk, die allen op deze wijze verkozen werden, zijn voor het meerendeel door de Kerk heilig verklaard, en wij hebben in den loop van ons verhaal ook reeds de heilige Gregorius I en II, den H. Zacharias en den H. Paulus ontmoet; wat wel een bewijs is dat do kracht van den H. Geest zich evengoed in de duizenden kan openbaren die vroeger de Pausen verkozen, als in hetcollegie van Kardinalen, waaraan in latere tijden uitsluitend die verkiezing werd toegewezen... Om evenwel te voorkomen dat onwaardige personen, hetzij dooide volksgunst, hetzij onder den invloed of den drang van vorsten of dwingelanden, den Stoel van Petrus zouden beklimmen en zoo scheuring en tweespalt in de H. Kerk brengen, hebben verschillende pausen allengs de wijze waarop de Opperherders der Kerk verkozen moeten worden, gewijzigd, en met zooveel waarborgen voor de wettigheid er van omgeven, dat de invloed van buiten als 't ware geheel onmogelijk is gemaakt.
De scheuring en tweespalt waren door de verkiezing van Paus Stephanus III wel onderdrukt, maar zij zouden nog een allerjammerlijkst naspel hebben. Het Romeinsche volk, dat zich of gedeeltelijk bij Toto en Constantijn had aangesloten of in elk geval zich niet krachtig genoeg tegen den dwingeland en den indringer had verzet, wilde nu zijn wraak en woede koelen op hem, die het eerst door de daad of door eene misdadige lafheid had gesteund. Eer paus Stephanus nog gewijd was begaf eene woeste en opgewonden volksmenigte zich naar de gevangenis, waar Constan-
— 112
tinus, Passivus en den bisschop Teodorns zich bevonden, Deze laatste werd uit de kerker gesleurd en nadat men hem de oogen uitgestoken en de tong afgesneden had, in het klooster van Sint Gregorius gebracht, waar hij weldra aan de gevolgen der afgrijselijke verminking stierf. Ook van Passivus werden de oogen uitgestoken, waarna men hem in het klooster van Sint Silvester opsloot. Constantinus, hoewel op eene schimpachtige wijze door de stad gevoerd, ontving geen lichamelijk letsel; maar toen hij, nadat hij op den 6 Augustus van de geüsurpeerde waardigheden was ontzet, in het klooster van S. Saba was gebracht, brak Graziosus, die, zooals wij gezien hebben, een aanhanger van den primicerius Christophorus was en hertog Toto bij de poort van Sint Pancratius verslagen had, in den vroegen morgen met eene bende gewapenden naar het klooster, haalden Constantinus met geweld er uit, beroofden hem van het eezicht en lieten hem aldus verminkt en bloedende
O
op den openbaren weg liggen. Door deze bloedige wraaknemingen no»' niet voldaan stond men ook den Longobar-
O O '
dischen priester Waldpret naar het leven, omdat het gerucht liep dat hij met de aanhangers der Longobarden had samengezworen om Christophorus en diens zoon Sergius het leven te benemen. Waldpret, dit vernomen hebbende, zocht een toevluchtsoord in de kerk van de H. Maria der Martelaren of het Pantheon, en klampte zich daar aan het MoederGods beeld vast. Hij werd evenwel, met het beeld dat hij omklemd hield, weggesleurd en in een donker kerkerhol geworpen; doch een paar dagen later daaruit gehaald en nadat ook hem de oogen waren uitgestoken en de tong-afgesneden, bracht men hem naar het hospitaal van Valerius, waar de rampzalige spoedig overleed.
Ofschoon de schrijvers, aan wier werken wij deze bijzonderheden ontleenen, het niet uitdrukkelijk vermelden, schijnt Rome in de vijf dagen die tusschen de verkiezingen de wijding van Paus Stephanus verliepen, aan eene soort regeeringloosheid of aan de macht Graziosus te zijn over-
- 113 —
geleverd en het is niet onwaarschijnlijk dat Christophorns en Sergius, tot wier partij Graziosiis behoorde, zoo niet rechtstreeks dan toch middellijk of door oogluikend toelaten, medeplichtig aan deze gruwelen waren, en de gewelddadige dood, dien beiden later stierven, schijnt daarvan het gevolg te zijn geweest. De eerste en aanleidende oorzaken waren evenwel de onrechtmatige en opgedrongen pauskeuze van Constantinus door Toto en zijn aanhang en de invloed van Desiderius in de uitroeping van Philippus als paus. Telkens zullen wij in de geschiedenis der Pausen hetzelfde verschijnsel zich opnieuw zien voordoen. Wanneer do wereldlijke vorsten, wanneer dwingelanden zich mengen in de zaken der Kerk en in do verkiezingen van de opvolgers van den H. Petrus, ontstaan er scheuringen in de' Kerk, wordt de Stoel van den TI. Petrus betwist door tegenpausen, is Rome ten prooi aan revoluties, moordtoo-neelon, het schouwspel van misdaden en gruwelen. Do Voorzienigheid hoeft alle aanslagen op de vrijheid en de onafhankelijkheid der Kerk en hare Opperherders gewroken door. groote rampen en onheilen over de bewerkers ervan uit te storten.
Nauwelijks had Paus Stephanus de H. Wijding ontvangen en een einde gemaakt aan de bloedige tooneolon die zijne komst tot den Pauselijken troon vergezeld hadden, of hij beijverde zich om do geslagen wonden te hooien. Ten dien einde riep hij voor de volgende lento oen Concilie in de basiliek van Lateranen bijeen en zond hij een gezantschap, waartoe ook Sergius behoorde, naar Pepijn van Frankrijk, ten einde dozen uit te noodigen het Concilie bij te wonen ; edoch de dood zou den grooten koning der Franken beletten aan de uitnoodiging des Pausen gehoor te geven. Door eene zware ziekte aangetast, liet Pepijn zich naar hot klooster van Sint Denis brengen en na hier in tegenwoordigheid en met toestemming van de hertogen, graven en grooten hot rijk, ondor zijne beide zonen Karei en Karloman te hebben verdeeld, stierf hij den 24 September
8
— 114 —
van het jaar 768 ; hij had 27 jaren over de Franken geregeerd, waarvan 16 als werkelijk koning. Pepijn is zeker een der grootste vorsten, die Frankrijk ooit gehad heeft, en had zijn zoon Karei de Groote hem niet in de schaduw gesteld, dan zou de naam ,,de Grootequot; ook hem ongetwijfeld zijn ten deel gevallen en zeker zou Karei niet de groote daden hebben kunnen verrichten, die hem voor altijd onsterfelijk hebben gemaakt, indien zijn vader hem niet een reeds machtig geconstitueerd rijk hadde nagelaten.
Pepijn is de grondvester van de Kerkelijke Staten, van het wereldlijk koninkrijk der Pausen, en al was het dan ook aan zijn zoon Karei voorbehouden om, door vernietiging van het rijk der Longobarden, het onbetwist bezit er van aan de Pausen te verzekeren, dan kan het toch niet ontkend worden dat Karei niet anders deed dan voltooien en bevestigen wat Pepijn begonnen was. Tot twee malen toe had hij, voor de gerechtigheden van Sint Pieter den moeielijken tocht over de Alpen ondernomen; steeds had hij bewezen zulks alleen te doen ter eere van den H. Petrus, en noch de listen van Astulf, noch de vleiereien en geldaanbiedingen van den Griekschen keizer konden hem een haarbreed doen terugtrekken, en zijn fier woord, dat hij er nooit in zou toestemmen dat aan den H. Petrus zou ontnomen worden, wat hij hem eenmaal geschonken had, en zijne verzekering dat hij niets gedaan had ten gunste der menschen, maar alleen ter eere van den H. Petrus en om de vergiffenis van zijne zonden te bekomen, zullen een schoone eeretitel voor Pepijn blijven. Het eenvoudige grafschrift, op zijne laatste rustplaats gebeiteld; „Hier ligt Pepijn, vader van Karei den Grootequot;, is een verheven grafschrift. De vader van Karei den Groote te zijn, was zeker een groote eeretitel, maar zou Karei wel de Groote zijn geworden, zonder den onvermoeiden ijver van Pepijn ? Met deze vraag willen wij niets afdoen van den roem en de eer van den grooten Karei, maar willen wij toch ook aan den grooten Pepijn eene rechtmatige hulde bewijzen.
— 115 -
Denzelfden eerbied, dien Pepijn ten opzichte van den H. Stoel had aan den dag gelegd, betoonden ook Karei en Karloman ; want nauwelijks waren zij den 9 October de eene te Noyon, de andere te Soissons tot koning gekroond, of zij gaven er kennis van aan den Paus, met de verzekering hunner toewijding en onderdanigheid, en zoodra had niet de legaat des Pausen hun het verzoek van Stephanus blootgelegd, of zij stemden er in toe en zonden twaalf dei-voornaamste bisschoppen om deel te nemen aan het concilie, dat den 12den April in Lateranen geopend werd. Behalve de Frankische waren er nog 40 Italiaansche bisschoppen aanwezig.
Een der eerste handelingen van het concilie was het onderzoek naar de onwettige en opgedrongen verkiezing van Constantinus, die, zooals te voorzien is, vernietigd werd. Al de acten van den ingedrongen paus, en vooral die van een door hem gehouden conciliabuul, werden aan de vlammen prijsgegeven en den blinden Constantinus werd een klooster tot verblijfplaats aangewezen, waar hij dan ook stierf. Teneinde dergelijke overweldiging van den H. Stoel door een leek, het opdringen ATan een Paus door geweld van wapenen te voorkomen, bepaalde het concilie, op straffe van excommunicatie, dat nimmer een leek of iemand van lagere orden tot de eer van het Pausschap kon verkozen worden, wanneer hij niet eerst, al de graden door-loopen hebbende, kardinaal-diaken of kardinaal-priester was. En om te voorkomen dat het volk, hetzij door beloften, hetzij uit vrees, op de verkiezing van een paus invloed zou kunnen uitoefenen, werd bepaald dat geen leek, hetzij burgerlijke of militaire, zich mocht mengen in de verkiezing van den Paus, die alleen moest geschieden door de primaten der Kerk en geheel de geestelijkheid. Verder: dat eer de Paus definitief verkozen en naar het Patriarchaat (paleis,) van Lateranen gebracht werd, de hoofden der militie met geheel het leger, de aanzienlijkste burgers en het gansche Eomeinsche volk hem als Heer van allen, dat wil zeggen,
— 116 —
als Koning zouden erkennen en begroeten. Eene derde bepaling bevatte, dat in de dagen die tusschen liet overlijden van den Paus en de verkiezing van zijn opvolger lagen, geen gewapenden uit de dorpen en kasteelen van Tuscia en de Campagna mochten binnenkomen en niemand ze in de stad mocht roepen of binnenlaten. Eindelijk werd voorgeschreven dat geen enkele van de ondergeschikten der geestelijkheid of van de militairen bij de verkiezing mocht tegenwoordig zijn en dat niemand er gewapend of in 't bezit van stokken aan mocht deelnemen. Xa afloop van 't concilie begaven de Paus en allen, die er aan hadden deelgenomen, gevolgd door de bevolking van Rome, zich naaide Basiliek van Sint Pieter, waar de Scrinarius Leontius de acten en decreeten van het Concilie van het balkon voorlas. Daarna traden de bissschoppen van Selva Candida, Albano en Tivoli op het balkon en spraken plechtig den banvloek uit tegen allen, die in het vervolg de bepalingen van het concilie zouden durven overtreden.
Wij hebben op bladz. 106 reeds een woord gezegd over de wijze waarop de Pausen werden verkozen, en de droevige gebeurtenissen waarvan Rome na den dood van Paulus I tot de verkiezing van Stephanus III, getuige was, duiden op de gevaren welke uit die wijze van verkiezen voor de eenheid der Kerk en hare discipline kunnen voortvloeien. Het volk, dat wil zeggen de groote menigte, altijd wispelturig en maar al te gemakkelijk van de eene uitersten in de andere vervallende, even voortvarend om zijne verko-zenen op het schild te heffen als om ze ter neder te werpen, zich licht latende medesleepen door hen, die zijne hartstochten, neigingen en wenschen weten te. vleien en genoegdoening te geven, kan op den duur niet de hoogste macht in den staat vormen, noch een overwegenden invloed op deszelfs bestuur uitoefenen. Dit leert ons de verheffing van den indringer Constantinus, dit leert ons de geschiedenis van alle tijden en alle volken, en deze overweging heeft dan ook zeker de vaders van het Concilie van Lateranen tot
— 117 —
boven beschreven ingrijpende maatregelen bij de verkiezing der Pausen doen besluiten. Later, onder paus Alexander III, zullen wij dat kiesrecht voor den Pauselijken Stoel nog zien inkrimpen en alleen toegekend worden aan de Kardinalen, in liet conclaaf vereenigd. Het concilie van Lateranen heeft derhalve zeer veel bijgedragen tot de onafhankelijkheid en de vrijheid van den Pauselijken Stoel, door dezen te onttrekken aan den invloed van de volkshartstochten.
Om in korte woorden te doen zien met hoeveel gevaren de Kerk en de geloovigen bedreigd worden door znlk eene overweldiging van de heilige wijdingen, zij liet voldoende op te merken, dat Constantinus door een wettig ge wijden bisschop tot diaken, priester, bisschop en pans gewijd, gedurende zijne regearing van elf maanden op zijne beurt diakens, priesters en bisschoppen had doen wijden, die, hoewel heiligschennend, niettemin wettig gewijd waren, zoodat een der eerste zorgen van het Concilie ook bestond in het beslissen hoe met dezen gehandeld moest worden. De priesters en diakens werden teruggebracht tot hun vo-rigen rang, tot dat de wettige paus hen opnieuw zou aanstellen, maar zij konden nimmer tot bisschoppen gewijd worden; de door Constantinus aangestelde bisschoppen, moesten door Stephanus opnieuw in hunne bisdommen bevestigd worden, daar de bisschoppelijke wijding, eenmaal gegeven, niet ongedaan kan gemaakt worden. De door Constantinus tot de lagere orden gewijde leeken, moesten in een klooster of in hunne woning zich geheel tot een godsdienstig en geestelijk leven verplichten.
A
Hoofdstuk VII.
Nieuwe kuiperijen van Desiderius, die den undergang van C'hristophorus en Sergrius zoekt. Hij komt naar Kome en houdt den Paus gevangen in de Basiliek van den H. Petrus. Dood van 1'hristopliorus en Ser^ius. Dood van Paus Stephanus en verkiezing van Adrianus. Eerste regeerine:sdaden van Adrianus. Moeilijkheden met de Longobarden. Desiderius rukt op Kome aan: maar keert, door den banvloek bedreigt, terug. Paus Adriaan zoekt hulp bij Karei den Groote, die met zijn leger over de Alpen trekt. Beleg van Pavia en Verona. Karei bezoekt Kome. Hij vernieuwt plechtig de schenkingen, door zijn vader Pepijn gedaan, en leict de oorkonde daarvan op het graf van den H. Petrus, waarna hij naar zijne legerplaats voor Pavia terugkeert. Ondergang van het Longobardisehe rijk. De Paus treedt in het onbetwist bezit van zijne wereldlijke macht.
e betreurenswaardige en bloedige tooneelen, waarvan Eome het schouwspel was tengevolge van de overweldiging van den pauselijken troon door Constantinus en de kuiperijen van den Longobarden koning, zouden nog een jammerlijk en bloedig naspel hebben. Desiderius, die het mislukken van zijn plan om Philippus op den pauselijken Stoel te doen plaats nemen, in de eerste en voornaamste plaats aan Christophorus en Sergius toeschreef, had tot den ondergang van beiden besloten. Zijne plannen werden maar al te zeer in de hand gewerkt door de twee voorwerpen van zijn haat.
Wij hebben reeds gezien welke schandelijke rol hun aanhanger Gratiosus in de moordtooneelen, in het vorige hoofdstuk beschreven, had gespeeld en het is zeer waar-
— 119 —
schijnlijk dat zij er niet geheel vreemd aan gebleven waren; zeker is het, dat zij, na de verkiezing van Stephanus, een zeer grooten invloed in Rome wisten te verkrijgen en daar oppermachtig en zeer tiranniek handelden, zoodat zij zich den afkeer van veel Romeinen op den hals haalden en tevens ook het ongenoegen van den Pans, die bovendien door Afiarta, een der voornaamste personen zijner omgeving en in het geheim een handlanger van Desiderins, tegen de twee mannen, die zulke groote diensten aan de Kerk bewezen hadden, werd opgestookt. Om de kuiperijen van Afiarta te ondersteunen, besloot Desiderins zelf naar Rome te gaan, onder voorwendsel het graf van den H. Petrus te vereeren, maar zijn gevolg was zoo groot, dat het meer op een leger dan op een geleide geleek. Christophorus en Sergius, die zeer goed de plannen van Desiderins doorschouwden, hadden de bezetting van Rome doen versterken door gewapenden uit de omstreken en uit Perugia, en de poorten doen sluiten, zelfs een er van doen toemetselen en de muren met gewapenden bezet; zij werden in deze verdedigingsmaatregelen terzijde gestaan door eenige Frankische Grooten, afgezanten van Karloman en op dat tijdstip juist te Rome aanwezig.
Desiderius vond de stad dus gesloten en in staat van verdediging toen hij met zijn gevolg bij St. Pieter kwam en zijn legerkamp om het Vaticaan opsloeg. Hier zond hij afgezanten naar den Paus om dezen tot een onderhoud uit te noodigen, aan welk verzoek Stephanus gevolg gaf. Als reden voor dit onderhoud gaf Desiderius voor, dat hij over de gerechtujheden van Sint Pieter wilde spreken, in waarheid was de ondergang van Christophorus en Sergius het werkelijk doel en hierover onderhield hij zich dan ook met Afiarta, die met den Paus in zijne legerplaats was gekomen. Christophorus en Sergius, dit vernomen hebbende, snelden met hunne gewapenden naar het paleis van Lateranen, waar zij met geweld binnendrongen om naar denverrader, die er met den Paus was teruggekeerd, te zoeken. Het
— 120 —
geheele paleis werd doorzocht en de gewapenden drongen zelfs in het vertrek van Stephanus door ; maar bij het zien van den Pans weken zij verschrikt terug en verlieten het paleis. Deze, nooit te verdedigen handelwijze van Chris-tophorns en Sergius, verhaastte hun ondergang. De inblazingen van Afiarta moesten daardoor een grooten schijn van waarheid krijgen en den Pans ook nog in hoogere mate tegen de twee overigens zeer verdienstelijke mannen verbitteren, te meer daar, zooals verhaald werd, Afiarta hun het plan tot eene gruwelijke misdaad toedichtte, die zeker nooit in hunne gedachten was opgekomen.
Hoe het zij, de Paus was dus op den Premicerius en zijn zoon zeer verbolgen, zooals duidelijk blijkt uit zijne brieven aan koningin Bertada, de weduwe van Pepijn. Evenwel was de Paus geheel en al onschuldig aan het treurig lot' dat beiden later trof, want toen hij den volgenden dag op nieuw in de legerplaats van Desiderius was gekomen en deze eischte dat Christophorus en Sergius aan hem zouden worden uitgeleverd, weigerde Stephanus vastberaden beide mannen aan hun doodvijand over te geven. De Paus had volstrekt niet de groote diensten vergeten, die zij aan de Kerk bewezen hadden en wist zeer goedquot; dat Desiderius alleen hun ondergang bezworen had, omdat zij zijne booze plannen doorschouwd en verijdeld hadden. Toen Desiderius zag dat hij den Paus niet kon overreden, besloot hij geweld te gebruiken en de basiliek van St. Pieter, binnen welke .de Paus zich met zijn gevolg bevond, doende sluiten en met wachten omringen, hield hij hem gevangen.
De Paus, hetzij uit zwakheid, hetzij uit vrees voor erger dingen, zond met toestemming van Desiderius de bisschoppen van Palestrina en van Segni naar Christophorus en Sergius, dezen bevelende de wapens neder te leggen en zich in een klooster terug te trekken, wilden zij hun leven behouden; ofwel om zich bij hem in Sint-Pieter te vervoegen. Beiden weigerden, daar zij geen vertrouwen
Het Mausaleum Hndrianicum (Ensreleuburgt) en de Elische Brugr (Ponte San Ansrelo) in liet begin der christelijke jaartellina'.
— 121 —
stelden in Desiderius, maar toen de bisschoppen aan het gewapende volk den wenseh des Pansen mededeelden, verliet het volk de partij van de beide mannen, die het nu als rebellen beschouwde, en ijlde naar Sint Pieter om den Paus gehoorzaamheid te beloven.
Gratiosus, die een der voornaamste deelnemers in de onlusten was geweest, verliet eveneens hunne partij, zoodat Christophorus en Sergius, door allen verlaten, besloten zich aan den Paus te onderwerpen. Zij lieten zich in den nacht van den muur zakken en snelden naai' Sint Pieter, doch bij de trappen der Basiliek vielen zij in handen der soldaten van Desiderius, die hen gevangen voor den koning brachten. Den volgenden dag voor den Paus gebracht zijde, beval deze dat zij zich in een klooster zouden terugtrekken en Desiderius, ziende dat zij hem geen spaken meer in de wielen konden steken, stemde hierin toe. De Paus, zijne vrijheid terug verkregen hebbende, keerde naar Rome terug, met het plan om de twee gevangenen, die hij in Sint Pieter achterliet, in den nacht te doen afhalen en veilig in Rome te brengen, maar Afiarta, in de legerplaats van Desiderius gekomen zijnde, vernam het gebeurde en, waarschijnlijk met toestemming van Desiderius, ze naaide stad voerende, deed hij hen daar op de Elische brug (Ponte San Angelo) de oogen uitsteken. De ongelukkige Christophorus bezweek weldra aan zijne vreeselijke wonden maar Sergius leefde nog meer dan twee jaren in den kerker, totdat de wraakzuchtige Afiarta hem later deed vermoorden. Afiarta zou later voor zijne misdaad de gerechte straf ontvangen.
W ij hebben deze treurige gebeurtenissen alleen daarom zoo breedvoerig behandeld, omdat zij allen het gevolg waren van eene en dezelfde oorzaak : de onwettige indringing van Constantinus en de inmenging van Desiderius in de Pauskeuze en de tijdelijke aangelegenheden van den H. Stoel, waaruit de groote verdeeldheden, oploopen, wraakoefeningen en misdaden voortvloeiden.
— 122 —
De kuiperijen van Desiderius en de inblazingen van Afiarta hadden den Paus tegen Christophorus en Sergius ingenomen, te meer zooals de Paus dan ook aan Karei en de koningin schreef, beiden met het plan omgingen hem te vermoorden, zoodat de Paus, zonder in het minst schuld te dragen aan hun treurig uiteinde, hen misschien niet zoo warm verdedigd heeft, dan hij anders wel zou gedaan hebben. De gewelddadige overval van het paleis van Lateranen, het gewapend verzet, de weigering om de wapens neer te leggen, waren alle handelingen, die den Paus wel in zijne meening moesten versterken. Van zeer veel aantijgingen is de nagedachtenis van Christophorus en Sergius gezuiverd, doordien Paus Adriaan, zoodra hijStepha-nus op den pauselijken troon was opgevolgd, een nauwkeurig en onpartijdig onderzoek liet instellen, waaruit gebleken is, dat de beschuldiging, als zouden zij Paus Stephanus naar het leven hebben gestaan, een door Desiderius en Afiarta verspreide laster was. Christophorus en Sergius blijken twee krachtige mannen van doortasting te zijn geweest, aan wie de H. Stoel groote verplichtingen had, daar zij dien zoowel van Constantinus als van Philip-pus hebben weten te bevrijden ; maar in die dagen van beroeringen, onlusten en partijschappen hebben zij misschien wel wat al te krachtig gehandeld en daardoor de geoorloofde perken wel eens overschreden, zoodat zij, wat gewoonlijk gebeurt, zich groote vijanden hebben gemaakt, die geholpen door de kuiperijen van Afiarta en Desiderius en het niet krachtig genoeg optreden van den Paus, hen ten val brachten en op de door ons verhaalde jammerlijke wijze om het leven deden komen. Later zullen wij zien dat Paus Adriaan de gezanten van Desiderius zonder omwegen verwijt, dat deze de oorzaak van den dood der beide mannen is geweest.
* *
*
— 123 —
Toen Desiderius zijn haat en wraakzucht door den dood van Christophorus en de verminking van Sergius bevredigd zag, keerde hij weer naar Pavia terug, al de eeden vergetende die hij op het graf van den H. Petrus gezworen had om aan den H. Stoel deszelfs bezittingen terug te zullen geven ; en toen de Paus hem later zijne gezanten zond om de naleving zijner beloften te vragen, gaf hij een spottend antwoord, zeggende : ,,dat de Paus heel blij mocht zijn dat hij hem van de dwingelandij van de Primicerius en diens zoon had verlost.quot; De Paus deed zijn beklag bij Karei, maar veel haalde dit niet uit; trouwens in dezen tijd eischte eene andere, hoogere en gewichtiger zaak al de aandacht en al de energie des Pausen.
Koningin Bertrade, Kareis moeder, verzocht voor dezen de hand van Enningilde of Ermengarda, eene dochter van Desiderius, en tegen dit huwelijk verzette de Paus zich met alle kracht, niet slechts omdat Stephanus eene verbintenis van den koning der Franken met eene dochter uit het gehate en meineedige ras der Longobarden noodlottig voor Frankrijk en don H. Stoel achtte, maar in de eerste en voornaamste plaats omdat, zooals uit de brieven des Pausen duidelijk blijkt. Karei reeds wettig gehuwd was. Meer dan het bezit eener tijdelijke macht, meer dan de vriendschap van den machtigen koning der Franken gold den Paus de heiligheid en de onschendbaarheid des huwelijks en daarom waren alle pogingen van paus Stephanus er dan ook op gericht, om het huwelijk met eene tweede onwettige vrouw te voorkomen. Ongelukkig werden de ijverige vermaningen en bedreigingen des Pausen niet gehoord en had het huwelijk toch plaats. Natuurlijk moest dit eene verkoeling tusschen Karei en den Paus en tevens eene grootere onbeschaamdheid van Desiderius, die nu meende van Karei niets te vreezen te hebben, te weeg-brengen. Dat de Longobardenkoning onder zulke omstandigheden minder dan ooit geneigd was om de gerechtigheden van Sint Pieter over te dragen, laat zich begrijpen
- 124 —
en alle pogingen van den Paus, in dien zin, waren dan ook vergeefsch.
Karei kwam evenwel spoedig tot betere gevoelens en weldra zond hij dan ook de onwettige vrouw naar haar vader terug. Welke de ware beweegredenen van die terugzending geweest zijn is niet duidelijk, evenals er in dit geheele huwelijk veel duisters is, wat de geschiedenis niet heeft weten oj) te lossen. Maar men kan met allen grond aannemen dat de voortdurende vermaningen en de vrees voor de excomunicatie, zoowel als het verdriet dat hij over het verbreken van zijne goede verhoudingen met den Paus gevoelde, zeer veel daartoe hebben bijgedragen, ja, misschien wel de eenige reden geweest zijn. Bij al zijne groote hoedanigheden en deugden mistte Karei evenwel die der onthouding, zoodat de geschiedenis hem dan ook meerdere onwettige kinderen toekent, en ofschoon hij, op rijperen leeftijd, door boetedoeningen en lichaamskastijdingen veel verzoend heeft, blijven zijne overtredingen van liet huwelijk eene smet op zijn overigens groot en edel karakter werpen.
De terugzending van Ermengarda bracht natuurlijk een geheelen omkeer te weeg in de verhouding tusschen Karei en Desiderius eenerzijds en tusschen Karei en den Paus anderzijds.
Maar er hadden nog andere groote gebeurtenissen plaats. Den 3den December van het jaar 771 overleed, na een roemlooze regeering van slechts drie jaren, Karel's broeder Karloman, zoodat Karei, wijl Karloman geen zonen naliet, alleenheerscher van het rijk werd, dat door verschillende oorlogen nog aanmerkelijk was uitgebreid. Twee maanden later, den Isten Februari 772 stierf ook Paus Stephanus III.
Als opvolger werd onmiddellijk en met algemeene stemmen verkozen Adrianus, de afstammeling van een rijk en machtig Romeinsch geslacht, die door zijne uitstekende hoedanigheden, zijne groote deugden en onuitputtelijke milddadigheid zich de liefde van de geheele geestelijkheid en
125 —
van het Eomeinsche volk had verworven. Adrianns I kan onder de grootste en edelste pausen geteld worden en de Kerk heeft hem onder het getal der heiligen opgenomen.
Een der eerste daden van den nieuwen Paus was, zooals wij reeds hebben aangestipt, dat hij een nauwkeurig onderzoek liet instellen naar den dood van Chrisphorus en Ser-gius, uit welk onderzoek het lasterlijke van de beschuldiging, als zouden zij het op 't leven van Paus Stephanus hebben gemunt, duidelijk aan den dag kwam, en tevens ook het aandeel, dat Desiderius in dit bloedig drama had gehad. Afiarta wist evenwel door huichelarij zich de gunst van den nieuwen Paus te verwerven, die hem zelfs als legaat naar Desiderius zond.
Inmiddels was het uitgelekt op welke gruwelijke wijze Sergius, tijdens de doodelijke ziekte van Paus Stephanus uit zijn kerker gesleurd en vermoord was en de medeplichtigheid van Afiarta aan die misdaad, zoodat de edelen der stad, de geestelijkheid en de legerhoofden den Paus smeekten zulk een gruwelstuk niet ongestraft te laten ; uit het proces bleek de misdaad van Afiarta, die haar dan ook zelf bekende, toen hij, op zijne terugreis van Pavia te Ravenna, werwaarts de processtukken waren opgezonden, werd verhoord. Do Paus wilde, teneinde den schuldige althans tijd tot berouw en inkeer te geven, dat hij naar Rome zou worden overgebracht, maar het doodvonnis was reeds te Ravenna aan hem voltrokken, zoodat de groote handlanger van Desiderius en de vuige moordenaar zijne gerechte straf onderging.
Uit het krachtig optreden van Paus Adrianus begreep Desiderius zeer goed, dat met dezen niet viel te gekscheeren en zijne toevlucht tot de gewone huichelarij nemende, zond hij een gezantschap naar Rome. Adrianus was de man niet om zich door den sluwen Longobard om den tuin te laten leiden. Hij gaf aan de gezanten het volgend openhartig en vrijmoedig antwoord: ,,Ik verlang wel vrede te hebben met alle christenen en met uw koning Desiderius
— 126
zou ik wel den vrede en het verbond willen handhaven, dat tusschen de Romeinen, de Franken en de Longobarden werd gesloten, Maar hoe kan ik geloof slaan aan de woorden van uw koning, na al hetgeen mijn voorganger, heiliger gedachtenis, Paus Stephanus mij tot in de bijzonderheden heeft verhaald over zijn bedrog en zijne trouweloosheid, mij mededeelende hoe de koning al zijne beloften heeft geloochend, die hij onder eede op het lichaam van den H. Petrus heeft gedaan betreffende de gerechtigheden der H. Kerk en alleen door zijne vijandschap de oogen deed uitsteken van Christophorus, den primicerius, en diens zoon Sergius, den secondocirius, en met die twee Primaten der Kerk alles deed wat hij wilde, waardoor aan ons veel nadeel en leed berokkend ? Aan de Apostolische zaak bracht dat geen voordeel. Maar bovendien heeft mijn voorganger door de liefde die hij mij, zijn geringere, toedroeg, mij verhaald dat, toen hij later zijne gezanten, namelijk Ana-stasius den Primicerius en Gemulus den Subdiaken, naar hem zond, om hem te vermanen de beloften na te komen, die hij jin zijne tegenwoordigheid aan den H. Petrus had gedaan, de koning hem, door diezelfde gezanten, ten antwoord zond ; Laat het den apostoiischen Stephanus genoeg zijn, dat ik hem verlost heb van Christophorus en Sergius, die den baas over hem speelden, en laat hij nu niet komen om de Gerechtigheden terug te vragen. ,t Is immers zeker dat, wanneer ik den Paus niet te hulp kom, er groot gevaar over hem zal komen, daar Karloman, koning der Franken en vriend der genoemde Christophorus en Sergius, gereed is om met zijne legers op Rome te vallen, om hun dood te wreken en den Paus-zei ven gevangen te nemen. Ziedaar welke de goede trouw van uw koning is en met hoeveel vertrouwen wij een verbond met hem kunnen sluiten.quot;
Desiderius wachtte de terugkomst zijner gezanten zelfs niet af om de vijandelijkheden te beginnen; hij viel gewapenderhand in het hertogdom Ferrara, vervroeste het land van
— 127 —
Ravenna, voerde het vee en geheele gezinnen landlieden mede en pleegde er de gewone gruwelen waardoor de Lon-gobarden zich berucht en bevreesd hadden gemaakt. De Paus zond hem daarop twee legaten om zich over die verwoestingen te beklagen en de Gerechtigheden op te eischen maar Desiderius antwoordde dat hij niets zon teruggeven, alvorens de Paus zelve kwam om met hem te spreken. Inmiddels had de terdoodbrenging van Afiarta plaats gehad en Desiderius, woedend over het verlies van dezen zijnen handlanger, zette den krijg met nog meer wreedheid en barbaarschheid voort. Verscheidene steden van de Pen-tapoli en het Ravenneesche vielen in zijne handen, terwijl Blera geheel en al door hen verwoest werd.
De Romeinen zagen met angst het oogenblik naderen, waarop de vijand hunne stad zou bestoken. Al de brieven welke de Paus aan den woesten Longobard zond, bleven zonder uitwerking, zoodat hij hem eindelijk een gezantschap van den abt van Farfa met twintig van diens monniken zond, hopende dat dezen, onderdanen van Desiderius zijnde beter gehoor bij hem zouden vinden. Maar ook dit baatte niet; wel zond de koning twee van zijne lieden naar Adrianus, om dezen opnieuw tot een onderhoud uit te noodigen. De onverschrokken Paus antwoordde hun. ,.Zeg uw koning uit mijn naam en ik beloof het u in de tegenwoordigheid van den almachtigen God, dat, zoodra hij mij de steden van den H. Petrus, die hij onder mijn Pausschap ontnomen heeft, zal terug gegeven hebben, ik onmiddellijk naar Pavia, Ravenna, Perugia, of hier in Rome of waar hij maar wil, tot een onderhoud met hem zal komen, om in gezamenlijk overleg te treden over de belangen van beide partijen, en wanneer hij aan mij mocht twijfelen, geef ik hem van nu af de vrijheid om, in geval ik na de teruggave der steden niet tot het onderhoud met hem zou komen, die steden opnieuw in zijn bezit te nemen. Maar zoolang hij de steden niet heeft teruggegeven en ons gerechtigheid verschaft, moge hij weten en voor zeker houden
— 128 —
dat hij mijn gelaat nooit zal aanschouwen. Zie, ik zal u mijne gezanten achterop zenden om de steden over te nemen, als hij ze wil afstaan, en zoodra zij terug zullen zijn om mij te berichten dat zij ze ontvangen hebben, zal ik mij onmiddellijk naar de plaats begeven, die voor de samenkomst zal aangewezen zijn.quot;
Deze woorden getuigen van groote geestkracht en veel moed ; immers van den meineedigen Longobard stond alles te verwachten ; maar Adrianus was een van die groote karakters die geen gevaar vreezen, zoodra hun plicht hen roept. De Paus zond dan ook, zooals hij beloofd had, zijne legaten naar Desiderius, zoodra diens gezanten vertrokken waren ; maar de trotsche Longobard bleef weigeren, zoodat den Paus geen ander middel overbleef dan de hulp van Karei in te roepen, wien hij dan ook langs don zeeweg zijne legaten zond. Desiderius had, van zijn kant, in de eerste maanden van 773 met zijn leger Pavia verlaten om Rome te belegeren. Hij zond evenwel nog eenige zijner Grooten vooruit om den Paus nogmaals zijne bedreigingen en eischen te doen hooren, hopende, wellicht, dat het naderend gevaar dezen toegeeflijker zou maken. Maar Paus Adriaan kende geen vrees of weifeling, hij antwoordde aan de gezondenen des konings : ,, Dat hij eerst aan den H. Petrus de steden teruggeve, die hij hem onder ons Pausschap ontnomen heeft, en ons geheele gerechtigheid verschafte ; anders behoeft hij zich de moeite van de lange reis niet te getroosten, want hij zal ons gelaat niet te zien krijgen.
De Romeinen, die zich nog levendig de verwoestingen en gruwelen van het beleg onder Astulf moesten herinneren, zagen met groote benauwdheid de komst der Longobarden te gemoet; maar de kalmte en vastberadenheid van den Paus gaven hun moed en allen zwoeren moedig stand te zullen houden, vertrouwende op de hulp van God en van den Prins der Apostelen. Met groote voortvarendheid had de Paus voor de verdediging der stad gezorgd. Hij had
— 129 —
alle gewapenden uit de omliggende steden naar Rome doen komen, zoodat de muren en torens goed met verdedigers bezet konden worden; de poorten laten versterken en enkele doen dichtmetselen, kortom, alle maatregelen waren genomen om des noods een lang beleg te kunnen uithouden. Ten einde de Basilieken van St. Pieter en Sint Paul, die buiten de muren lagen, voor plundering te bewaren, had hij alle kostbaarheden, die zij bezaten, binnen Rome in veiligheid laten brengen ; bovendien werden alle toegangen van Sint Pieter afgesloten en de deuren van binnen met sluitboomen versterkt, zoodat, als Desiderius er mocht willen binnendringen, hij geweld zou moeten gebruiken. Maar de Paus deed nog meer. Hij zond de bisschoppen van Palestrina en Albano met een eigenhandig geschreven brief waarin hij Desiderius vermaande en bezwoer om niet verder te gaan en waarin hij den koning met den ban bedreigde, wanneer hij, of een zijner Longobarden of verbondenen, een voet over de grenzen van het Romeinsche grondgebied mochten zetten,
Desiderius was met zijn leger tot Viterbo genaderd, dat juist op de grenzen gelegen was, en stond op het punt zijne verwoestingen op het gebied van den H. Stoel over te brengen.
Nauwelijks had hij evenwel 's pausen brief gelezen of al zijn overmoed begaf hem en beschaamd eu vernederd trok hij met zijn leger naar Pavia terug. Opnieuw was Rome door den Paus gered; de banvloek had den trotschen Longobard verslagen.
De protestant Leibnitz zegt in een zijner brieven : ,,Ik ben van gevoelen dat men, om de geschillen tusschen vorsten uit den weg te ruimen, te Rome een scheidsgerecht moet instellen en dat dit moet voorgezeten worden door den Paus, die dan het rechterlijk gezag moet terug krijgen dat hij eertijds over de koningen uitoefende. Maar daarvoor is het in de eerste plaats noodzakelijk dat het priesterschap
9
al het prestige herwinne wat het verloren heeft; en clat een interdict of eene excomunicatie voldoende zij om de vorsten te doen beven, zooals ten tijde van Nicolaas I en Gregorius VII!quot; Sinds de Reformatie de eenheid in Europa verscheurde, de volken onttrok aan het gezag der Pausen en den banvloek voor hen alle beteekenis deed verloren gaan, is Europa overgeleverd geworden aan het despotisme en de willekeur. De vrees, buiten de gemeenschap der katholiciteit gesloten te worden, was alleen in staat die ruwe, hoogmoedige, opgeblazen tirannen, die met alle goddelijke en menschelijke wetten den spot dreven, in toom te houden, en voor die macht boog ook de onverbiddelijke Longobard „Denkt de Paus soms dat de banvloek de geweren uit de handen mijner soldaten zal doen vallen Vquot; vroeg Napoleon I in zijn spottenden overmoed. En eenige jaren later, in de sneeuwvlakten van Rusland, vielen de geweren werkelijk uit de handen zijner door de koude verkleumde krijgslieden. Ja, de banvloek van den Paus heeft in onze dagen nog niets van zijne vreeselijke kracht verloren, al zijn de zichtbare uitwerkselen er van ook niet terstond zoo duidelijk en zoo tastbaar voor iedereen als in de Middeleeuwen. In onze dagen hebben Victor Emmanuel en Humbert, trots dezen banvloek, het erfdeel van den H. Petrus geroofd, maar ook op hen drukt hij loodzwaar en ook voor hen zal het uur der vergelding slaan ; en wanneer het huis van *Savoye er nog niet onder verpletterd is, dan is het wellicht omdat het aan de Kerk heiligen geschonken heeft, die door hunne voorbede nog de straffende hand Gods tegenhouden.
* *
*
Uit al hetgeen de geschiedschrijvers over Desiderius hebben vermeld en wat zijne handelingen zeiven ons leeren, blijkt dat hij een man was zonder karakter, besluiteloos in het goed, zoowel als in het kwaad. Cesar Cantü schildert ons het wezen der Longobarden in deze weinige woorden:
- 131 -
,,Terwijl wij de Gothen hebben zien vallen en zich weer verheffen en wij hun val bijna kunnen betreuren omdat hij edel en groot was, was er zwakheid en lafheid in diender Longobardeh, wier koningen eeden bezwoeren en verbraken, in den oorlog altijd het onderspit delfden, den troon aanvaarden op voorwaarden die hun door een vreemden souverein waren voorgeschreven, en als bedorven kinderen zich weer vol aanmatiging ophieven, zoodra degene, voor wien zij gebogen hadden, zich verwijderd had.quot;
Sommige geschiedschrijvers hebben het den Pausen tot een grief gemaakt dat zij een vreemdeling, den koning der Franken, te hulp riepen tegen de Longobarden, omdat, zeggen zij, toen reeds de eenheid van Italië, waarnaar de Longobardische koningen streefden, belet is. Dit verwijt wordt evenwel door Cantü en een groot aantal andere onbevooroordeelde geschiedschrijvers te niet gedaan, omdat zoowel het karakter der Longobarden als hunne geheele staatsregeling hen onbekwaam maakte om die groote en door alle eeuwen gedroomde eenheid tot stand te brengen. Hier kan men gerust herhalen wat een beroemd rechtsgeleerde uit de vorige eeuw, de protestant Senkenber, zeide : „Zonder te vreezen dat men door de feiten zal worden tegengesproken, kan men gerust verzekeren, dat er in de geschiedenis geen enkel voorbeeld bestaat, dat een Paus is opgetreden tegen de vorsten, die, tevreden met hunne wettige rechten, niet het misdadige voornemen hadden opgevat om hunne macht in dwingelandij te veranderen,quot; en, zouden wij er bijvoegen, die niet de handen hadden uitgestoken naar het, als een kostkaar kleinood, aan de Pausen toevertrouwde erfgoed der Kerk.
Ofschoon Desiderius, terugdeinzende voor den banvloek des Pausen, zijne onderneming tegen Rome had opgegeven, was hij er toch niet toe te bewegen de aan den H. Stoel ontroofde bezittingen over te dragen, zoodat Paus Adriaan de hulp van Karei den Groote inriep, hem herinnerende aan hetgeen zijn vader had gedaan en aan de verplichtingen
— 132 - -
die op hem, als Patriciërs d. w. z. als officieele beschermer der Kerk, rustten.
Tegelijk met de gezanten van den Pans kwamen ook die van Desiderius bij Karei, die, na zijn eersten gelukkig-volbrachten veldtocht tegen de Saksers, gedurende den winter te Diedenhoven vertoefde. Desiderius trachtte Karei diets te maken, dat hij door den Paus onrechtvaardig beschuldigd werd en geene bezittingen der Kerk onder zijn beheer had gehouden. Teneinde zich te overtuigen van den waren stand van zaken, zond Karei zijne gevolmachtigden naar Italië, die weldra de overtuiging van de leugenachtige beweringen van Desiderius verkregen, zoodat Karei onverwijld besloot den Paus de verlangde hulp te verleenen. Evenwel trachtte hij alvorens met Desiderius tot eene minnelijke schikking te komen door hem 14.000 gouden Solidi aan te bieden, in geval hij de Gerechtigheden aan den H. Petrus terug gaf; maar Desiderius, geslagen door die blindheid, welke het zekere voorteeken is van den val der koningen, weigerde halstarrig.
Zoodra Karei van zijne gezanten het vruchtelooze van zijne poging had vernomen, riep hij zijne legeraanvoeders en hertogen in een Meiveld bijeen en met algemeene stemmen werd tot den tocht over de Alpen besloten. Génève werd als verzamelplaats aangewezen en in Augustus van het jaar 774 zette het leger zich in beweging, ongeveer denzelfden weg volgende dien Pepijn in 754 en 756 had genomen. De tocht was allermoeielijkst, maar ook nu overwon de geestkracht van Karei alle beletselen, zooals zijn vader die, twintig jaren te voren, had overwonnen.
De chiusi, die den toegang tot het land der Longobar-den moesten versperren, waren in een geduchten staat van tegenweer gebracht, daar zij met muren, torens en versperringen van allerlei aard waren voorzien, terwijl Desiderius er bovendien de kern van zijn leger had heengezonden. Aan de Chiusi gekomen, herhaalde Karei nog eenmaal zijn aanbod van 14.000 gouden solidi, maar Desiderius weigerde
- 133
even halstarrig als te voren, om in eenige schikking te treden. Er bleef voor de Franken dus geen andere weg over, dan de chiusi te nemen ; maar dit ging niet zoo gemakkelijk als onder Pepijn. De kroniekschrijvers zijn zeer kort in het vermelden der wapenfeiten, die daar volbracht werden ; maar zeker is het dat de Franken eiken dag met grooten moed de versperringen en verdedigingswerken aanvielen, en met evenveel moed en dapperheid door de Longobarden werden afgeslagen. Deze even onverwachte als hardnekkige tegenstand begon ontmoedigend op het leger van Karei te werken, zoodat reeds gesproken werd van den terugtocht te aanvaarden, toen aan de Franken door een onbekende een nauw en niet verdedigd en misschien alleen aan eenige herders bekend bergpad, werd aangewezen. Eene keurbende van de meest beproefde krijgslieden waagde zich in de nauwe kloof en viel de Longobarden onverhoeds in den rug aan. Hierdoor in verwarring gebracht, namen dezen onverwijld de vlucht, zoodat de Franken zich zonder tegenstand van de chiusi meester maakten. Desiderius vluchtte naar Pavia, zijn zoon Adel-chis, die in de verdediging der chiusi wakker zijn plicht had gedaan, naar Verona.
Al de steden van Opper-Italië vielen bijna zonder tegenstand in de handen van Karei, alleen de twee zoo even genoemde boden wederstand, Pavia was in dien tijd niet alleen een der rijkste, maar ook eene der sterkste steden van Italië. Het werd de stad der honderd torens genoemd, omdat hare sterke muren met honderd verdedigingstorens voorzien waren. In het begin van October was de stad geheel door het leger van Karei ingesloten, maar de verdediging was zoo krachtig, dat de koning wel voorzag dat het beleg van zeer langen duur zou zijn, zoodat hij zijne gemalin en kinderen liet overkomen.
Het Kerstfeest werd voor de muren van Pavia gevierd en bij het naderen van het Paaschfeest, dat op den 3den April viel, was men met het beleg nog weinig meer als
— 134 —
bij het begin gevorderd. De krijgsverrichtingen aan zijne voornaamste legeraanvoerders overlatende, besloot Karei met zijne gemalin en kinderen het groote feest te Rome te vieren.
Groot was de vreugde van Paus Adriaan en van het Romeinsche volk bij het vernemen van dit heuglijk nieuws. Met den grootsten ijver werden maatregelen genomen om den beschermer der Kerk, den Patriciër der Romeinen, den bevrijder van Italië, eene schitterende ontvangst te bereiden. Op dertig mijlen van de stad werd hij opgewacht door de overheidspersonen (Giudici, rechters, consuls) en bij den Monte Mario (eene hoogte achter St. Pieter gelegen) stonden de militie met hare aanvoerders, de kinderen der verschillende scholen met palm- en olijftakken in de hand, de geestelijkheid met de kruisen en andere voorwerpen die bij plechtige processie werden gedragen, en onder lofzangen en jubelliederen trok de stoet tot naar St. Pieter. Hier had een zoo grootsch, zoo heerlijk, zoo zielverheffend tooneel plaats, als de geschiedenis er slechts weinige aanwijst, en dat ons de groote figuur van Karei in een heerlijk licht van geloof en eerbied voor den Stedehouder van Christus doet aanschauwen. Boven aan den trap, die voor den ingang van den Binnenhof {cortina) van de Basiliek voerde wachtte de Paus, door de geestelijkheid en het volk omgeven, den hoogen en roemrijken bezoeker op. Nauwelijks was Karei aan de onderste trede genaderd, of hij wierp zich, vol eerbied, op de knieën en kroop zoo, elke trede kussende, de 35 treden op, evenals de geringste pelgrim. Boven gekomen trad de Paus hem te gemoet en beiden omhelsden elkander, vol liefde de een, vol eerbied de ander; daarna aan de rechterhand 1) des Pausen gaande trad Karei de grootsche Basiliek binnen, waar hij verwelkomd werd
1) Dat Karei aan de rcclitcrhand des Pausen ging moet niet opgevat worden alsof hij zich den meerdere des Pausen waande, maar omdat de eereplaats toen beschouwd werd van de hand der toeschouwers, zoodat dezen, bij het binnenkomen, den Paus aan hunne rechter- en den koning aan hunne linkerhand zagen. (Anast.)
— 135 —
met den lofzang: Gezegend zij hij, die komt in den naam des Heeren! Toen men aan de confessie van den H. Petrus was gekomen, wierp Karei zich met al zijne Franken ter aarde, om God en den H. Petrus te danken en te verheerlijken. Nadat Karei zijn gebed geeindigd had, verzocht hij den Paus verlof Rome te mogen binnentrekken, welk verlof hem, nadat hij waarborgen voor zijne goede bedoelingen gegeven had, werd verleend, zoodat, nadat èn Karei èn de Paus bij het graf van den H. Petrus elkanders we-derkeerige veiligheid bezworen hadden, de plechtige intocht in Rome plaats had.
Het was zeker niet uit wantrouwen dat Paus Adriaan genoemde waarborgen van Karei eischte; maar hij heeft daardoor in de eerste plaats misschien zijne souvereiniteit in Rome willen doen uitkomen en verder ook een precedent willen stellen, waarop hij en zijne navolgers zich later zouden kunnen beroepen, wanneer een minder vertrouwbaar vorst zou verlangen Rome binnen te trekken. Men moet hierbij wel in aanmerking nemen dat Karei vergezeld was van een groot geleide gewapende hertogen, grooten en dienaren, dat zeker op een klein leger geleken heeft, zooals het de gewoonte der vorsten van dien en ook van lateren tijd was en de Paus dus wel waarborgen moest vragen om zijne stad voor een coup de main te verzekeren. Uit het eischèn van die waarborgen blijkt tevens duidelijk dat Karei volstrekt niet als Souverein van Rome moest beschouwd worden, zooals de latere keizers van het Duitsche rijk maar al te gaarne het wilden doen voorkomen, doch dat zijn titel van Patriciër hem alleen de eer en zekere rechten van beschermheer verleenden.
Het moet een heerlijken aanblik hebben opgeleverd toen do reeds beroemde en machtige koning der Franken, met zijne meer dan gewone gestalte, zijn machtig voorhoofd en edele gelaatstrekken, naast den eerbiedwaardigen persoon des Pausen van Sint Pieter naar Sint Jan van Late-ranen reed, omstuwd door de Frankische Grooten, de
— 136 -
pauselijke hofhouding, eene talrijke schaar van geestelijkheid en de dienaren der beide hooge personen, te midden van dat Romeinsche volk, dat jubelend zijne beide bevrijders en redders begroette.
Rome, hoe veel het ook mocht geleden hebben door de belegeringen en de plunderingen der Barbaren, moet in dien tijd nog veel meer grootsche monumenten uit den bloeitijd van het Romeinsche keizerrijk bezeten hebben dan nu ; want veel daarvan is verwoest in de rampzalige burgeroorlogen, die in latere eeuwen de stad teisterden ; vele
O O 7
van de grootste en voornaamste paleizen van Rome toch zijn gebouwd van de overblijfselen dier heerlijke monumenten, die zonder mededoogen gesloopt werden, om de bouwstoffen voor nieuwe te leveren.
Toen de grootsche stoet in de Basiliek van Lateranen was aangekomen, verrichtte de Paus de plechtigheden van den Zaterdag der Goede Week en den volgenden dag woonde Karei, omgeven door de voornaamsten van zijn gevolg, in de Kerk van Santa Maria Maggiore de plechtigheden van Paschen bij, die door den Paus verricht werden. Den daaropvolgenden Paasch-Maandag werd Karei in de Basiliek van Sint-Pieter met groote plechtigheid tot Patriciër der Romeinen uitgeroepen, als eene bevestiging van den eeretitel dien Paus Stephanus reeds vroeger aan Karei en Karloman, terzelfder tijd als aan Pepijn, had geschonken. Van af dit jaar 774 nam Karei dan ook in zijne wetten en diploma's den titel Patricius Romanorum aan.
Alvorens naar zijne legerplaats voor Pavia terug te keeren, hernieuwde Karei de schenkingen door zijn vader Pepijn bij het Verdrag van Quersy aan den Stoel van den H. Petrus gedaan, n. 1. alle steden en alle bezittingen welke vroeger tot het Exarchaat en de Pentapoli hadden behoord en door de Longobarden waren vermeesterd. Karei liet door zijn geheimschrijver Eterius eene nieuwe schenkingsoorkonde opmaken, gelijk aan die van zijn vader Pepijn, en waarin de grenzen van het gebied nauwkeurig waren
Bmueu|)leiii_vim de oude Basiliek van St. Pieter.
— 137 -
aangegeven. Deze grenzen liepen van Luni en van het eiland Corsica door Suriano, Monte Bardore, Verceto, Panna, Reggio, Mantua en Monselice, en omvatten het geheele Exarchaat van Ravenna, de provinciën van Venetie en Istrië en het geheele hertogdom Spoleto en Benevento. Karei onderteekende eigenhandig de oorkonde en deed haar onderteekenen door al zijne bisschoppen, abten, hertogen en graven. Daarop legden Karei en zijne Grooten haar eerst op het altaar van den H. Petrus en daarna binnen in de Confessie, en zwoeren met dure eeden dat zij elke zinsnede ervan zouden handhaven; eindelijk legde hij eigenhandig een afschrift ervan in het altaar der Confessie, onder het Evangelie, dat hier dooi' de geloovigen placht gekust te worden. Eindelijk werden er nog andere afschriften van gemaakt, waarvan één in het archief der Kerk van KOnie werd gedeponeerd en eeu ander door Karei mee naar Frankrijk werd genomen. Dit had plaats op Dinsdag na Paschen, derhalve op den oden April van het jaar 774.
Toen Karei van den Paus afscheid nam om naar zijne legerplaats voor Pavia terug te keeren, voorspelde Adrianus hem, uit naam van de Apostelen Petrus en Paulus, eene zekere en aanstaande overwinning op den gemeenschappe-lijken vijand, icaarna, zoo sprak Adriaan, (jij aan Petrus de schenking zuli cjeven, die gij hem beloofd hchl. cn als loon daarvoor zuil gij nog andere en nog groot ere overwinningen behalen. Xa het vertrek van Karei beval de Paus dat in alle kerken en kloosters van Rome dagelijks voor de overwinning van Karei zou gebeden worden.
In Pavia was de nood inmiddels zeer hoog gestegen. De belegerden werden door honger en besmettelijke ziekten geteisterd, zoodat zij, alle hoop op ontzet vervlogen ziende, daar het bericht hun gewerd dat Verona zich aan de Franken had overgegeven, besloten zich op genade of ongenade
— 138 —
aan Karei over te geven. Ofschoon er geen bepaalde zekerheid van bestaat, deelen toch verschillende kroniekschrijvers mede, dat de stad door verraad in handen der Franken viel, en dit is zeer goed aan te nemen, daar men weinig veronderstellen kan dat Desiderius zich op genade of ongenade zou hebben overgegeven en niet eerder zoii getracht hebben een eervolle capitulatie te sluiten. Het is zeer wel mogelijk dat een van de vroegere aanhangers van Eachis of een der talrijke ontevredenen onder de Longo-barden, een einde aan de heerschappij van Desiderius heeft willen maken, door de stad aan den vijand over te leveren. De legende heeft zich zelfs van de zaak meester gemaakt en gezegd dat de dochter van Desiderms, in verstandhouding met Karei getreden zijnde door middel van een in diens legerkamp gezonden pijl, de sleutels der stad wist meester te worden en in den nacht een der poorten opende. Maar de straf zou het verraad op den voet zijn gevolgd, want door do paarden der binnendringende Franken omvergeworpen zijnde, zou zij onder hunne hoeven den geest hebben gegeven. Wat van dat alles ook moge zijn, zeker is het dat de stad in de eerste dagen van de maand Mei van het jaar 774 hare poorten voor de Franken opende. Desiderius, zijne gemalin Ansa, hunne kinderen en veel van de voornaamste Longobarden werden als gevangenen door Karei naar Frankrijk gevoerd.
Onder deze gevangenen bevonden zich ook Fardulfas en Paulus Diaconus, die later groote gunstelingen van Karei werden. Deze Paulus de Diaken of Diaconus was te Frioul geboren en eerst monnik in het beroemde klooster van Monte-Casino. Aan het hof van koning Desiderius geroepen, vervulde hij er de betrekking van geheimschrijver en kanzelier; later vervulde hij, gedurende zes jaren, gewichtige betrekkingen aan het hof van Karei den Groote. Aan dezen Paulus dankt men zeer veel bijzonderheden uit de geschiedenis der Longobarden en uit het leven van Karei den Groote, zoodat hij als kroniek- of geschiedschrijver
- 139 —
groot gezag heeft. Over het verdere lot van Desiclerius is weinig met zekerheid bekend. Sommige kroniekschrijvers zeggen dat het klooster van Corbey, andere dat van Sint Denis hem tot verblijfplaats werd aangewezen; nog andere beweren dat hij zijne laatste levensjaren in Aken doorbracht en daar stierf. Siegbert van Gembloux zegt evenwel in zijne kroniek, dat de koning der Longobarden, met zijne gemalin, dochter en de voornaamste Grooten, onder bewaring was gesteld van Agilfredns, bisschop van Lnik, en dat hij verbleef bij de plaats waar het lichaam van den heiligen Lambertns (in 720 van Maastricht derwaarts gevoerd) rustte.
Sommige kroniekschrijvers deelen mede dat Desiderins berouw gevoelende over zijne misdaden, zijne laatste levensjaren in boetedoening en in veel godsvrucht doorbracht. Het jaar van zijn overlijden is niet bekend.
Toen Pavia eenmaal gevallen was, kostte het den Franken weinig moeite om de andere steden van het Longo-bardenrijk, die nog weerstand hadden geboden, te bemachtigen, zoodat het Rijk der Longobarden in dat jaar 774 ophield te bestaan.
Een der eerste zorgen van Karei, na de overgave van Pavia, was, om aan den H. Stoel de steden en grondgebieden over te dragen, die Desiderius in het Exarchaat, de Pentapolis en het Romeinsche hertogdom had genomen, zoodat de Paus eindelijk in het volkomen en rustig bezit kwam van den geheelen Kerkdijken Staat zooals Pepijn dien bij het verdrag A-an Quersy aan den H. Petrus en zijne opvolgers geschonken had. Xa aldus zijne beloften ten overstaan van den H. Stoel vervuld en voorzien te hebben in het bestuur van het veroverde rijk, dat van nu af aan een deel van Frankrijk uitmaakte, nam hij den terugtocht over de Alpen aan, om door nieuwe oorlogen en nieuwe veroveringen zijn naam tot in de verste geslachten beroemd te maken. Later, zullen wij hem evenwel andermaal in Rome aantreffen, waar in zijn persoon de oude
— 140
macht en roem der Romeinsche keizers zullen hersteld worden.
Wanneer wij nu in 't kort de geschiedenis van den oorsprong en de bevestiging van het wereldlijk gezag der Pausen nagaan, dan zien wij, na de overwinning van Con-stantijn en de verplaatsing van den zetel des rijks naar Constantinopel, den invloed des Pausen op het lot van Rome en Italië zich door den loop der gebeurtenissen meer en meer uitbreiden. Na den val van het Westersch Romeinsche Rijk komt Italië weer onder de heerschappij der Grieksche keizers, die, na door den inval der Longobarden een groot gedeelte ervan verloren te hebben, het overblijvende gedeelte door hunne Exarchen laten besturen, terwijl zij in Rome een hertog aanstellen, wiens gezag geheel door den toe-nemenden invloed der Pausen wordt verduisterd. De Grieksche keizers maken zich door hunne misdaden en vooral door hunne beeldstormerij bij de Romeinen gehaat, die hen eindelijk de gehoorzaamheid opzeggen. Zij laten ten slotte Italië geheel aan zijn lot over en raden zeiven de Pausen aan hulp in Frankrijk te zoeken tegen de invallen der Longobarden, die het Exarchaat en de Pentapolis veroverd hebben, zoodat al hunne heerschappij in Italië ten einde is. Paus Stephanus vraagt en verkrijgt hulp van Pepijn, die Astulf, na hem tot den vrede gedwongen te hebben, noodzaakt het Exarchaat en de Pentapolis, die hij te Quersy aan den H. Petrus beloofd heeft, aan den Paus af te staan.
Astulf voldoet niet aan zijne belofte, zoodat Pepijn ten tweede male zijne hoofdstad belegert en hem alleen het leven en het rijk laat op voorwaarde dat hij de Gerechtigheden van den H. Petrus aan den Paus zal overdragen. Astulf sterft, maar zijn opvolger Desiderius blijft al even onwillig om de vredesvoorwaarden van Pavia na te komen, zoodat Paus Adriaan I verplicht is Karei den Groote, als Patriciër der Romeinen en beschermer der Kerk, ter hulpe te roepen. Karei verovert Pavia en het geheele koninkrijk
— 141
der Longobarden, voert den koning gevangen weg en maakt zoo een einde aan zijne heerschappij en aan het Longo-bardische koninkrijk, dat van nu af eene provincie van het Frankische rijk wordt. Karei, gebruik makende van zijn recht van overwinnaar en de beloften, door zijn vader Pepijn en door hem zeiven aan den Stoel van den H. Petrus gedaan, nakomende, schenkt aan den H. Petrus, in den persoon van diens opvolger Paus Adriaan, als onafhankelijk bezit en ten eeuwigen dage, de landen van het Exarchaat en de Pentapolis en van het Romeinsch hertogdom, voor zich, noch voor zijne opvolgers, zooals Pepijn zulks in het verdrag van Quersy uitdrukkelijk had gezegd, er eenig souvereini-teitsrecht op voorbehoudende, maar alles schenkende aan den H. Petrus.
Zoo leidde de Voorzienigheid de gebeurtenissen, die langzamerhand den invloed en het gezag der Pausen deden toenemen, om eindelijk aan de opvolgers van den H. Petrus dat wereldlijk Rijk te schenken, dat zoo onmisbaar is om hen in staat te stellen vrij en onafhankelijk de Kerk van Christus te besturen. Het gezegde van den H. Anselmus: Nihil raagis diligit Dens in hoe mundo quam libertatem Ecclesiae suae, God heeft in de wereld niets zoo zeer bemind als de vrijheid Zijner Kerk, wordt door de wonderdadige leiding der wereldgebeurtenissen volkomen bevestigd, zooals wij het nog verder in dit werk zullen aantoonen.
Alvorens evenwel daartoe over te gaan, willen wij eerst de rechtstitels ontvouwen, op welke deze tijdelijke macht der Pausen berust. De wereldlijke souvereiniteit der Pausen wordt gezegd te zijn de rechtvaardigste, de heiligste en de wettigste, die er zijn kan; wij moeten dus onderzoeken op welke feiten deze uitspraak gegrond is. Wij zullen de vrijheid nemen, daartoe enkele bladzijden aan Brunengo te ontleenen.
,,De wettige verwerving eener nieuwe souvereiniteit, zegt deze, kan ontstaan door verkiezing, door afstand of schenking, door veroveringen door de noodzakelijkheid voor
— 142 —
het algemeen welzijn. De verkiezing komt van het Arolk, dat, wanneer het vrijheid over zich-zelf heeft, een vorst kan kiezen die dan geheel of ten deele, d. w. z. met absolute macht of onder zekere voorwaarden en beperkingen, de souvereiniteit uitoefent. Zoodanig waren de koningen bij de oude Germaansche en Gothische volken, waar de verkiezing van de krijgslieden en de voornaamsten den Vorst maakte. De afstand of schenking geschiedt door hem, die, wettige bezitter van een staat zijnde, met vrijen wil zijn eigen rechten ten eeuwige dage door tractaten en autenthieke overeenkomsten aan een ander overdraagt: hiervan kunnen wij nog een voorbeeld uit onzen tijd aanwijzen in den afstand van Savoie door den koning van Sardinië aan Napoleon III gedaan. De verovering ontvangt het bezit van een staat niet van een ander, maar neemt dien zelf door de kracht dei-wapenen; en dit bezit kan wettig zijn, wanneer het ontstaat uit een rechtvaardigen oorlog; het is onwettig wanneer de oorlog onrechtvaardig was, en in dat geval wordt de verovering eene ovenveldiginy, of in zachtere en meer moderne termen, eene annexatie genoemd ; maar die kan nooit de grondslag voor eene wettige souvereiniteit zijn, tenzij zij, door den loop der tijden, als 't ware door eene verjaring, ten voordeele van het volk gewijd wordt. Eindelijk kan eene publieke noodzakelijkheid een rechtmatigen titel van souvereiniteit schenken, wanneer de maatschappij, verloren of verlaten door hem, die de heerschappij bezat, uiteen en ten onder zou gaan, wanneer er niet iemand opstond die de zorg en de verdediging ervan op zich nam, en, voor het algemeen welzijn, al de lasten van de regeering aanvaardende, op die wijze verdiende later ook de rechten ervan te verkrijgen.
Al deze titels zien wij nu op eene wonderbare wijze samenloopen in het ontstaan van de soevereiniteit der Pausen. Daar was verkiezing door de volken die, na in de burgerlijke en godsdienstige orde de onderdrukkingen en eindelooze dwingelandijen van hunne oude meesters verduurd te hebben,
- 143 -
en ten slotte door dezen zonder verdediging en bestuur overgelaten zijnde, en derhalve vrij wordenden, tot de Pausen hunne toevlucht namen en in hunne handen om zoo te zeggen de dictatuur voor de algemeene redding legden, als zijnde de eenigen, die deze werkelijk konden aanbrengen. Daar was verovering en authentieke schenking; omdat Pepijn, door de Pausen te hulp geroepen tegen de Longo-barden, dezen in rechtmatigen oorlog versloeg, en de aan hun ontnomen en door het recht der overwinning veroverde provincies, met plechtige tractaten en onder eede in eeuwigdurende heerschappij aan de Pausen afstond en schonk. Daar was eindelijk de hoogste wet van het algemeen welzijn, omdat Rome en het Romeinsch Italië, toen de Byzantijnsche keizers ze aan hun lot overlieten in een tijdperk waarin zij meer dan ooit door de Longobarden bedreigd, aangevallen en onderdrukt werden, onfeilbaar ten prooi aan de Barbaren zouden gevallen zijn en in de uiterste maatschappelijke ellende gestort worden, die aan een vrij en van zich-zelf meester zijnd volk kan overkomen: namelijk van zijn zelfstandig bestaan te verliezen en maatschappelijk te sterven, door slaaf van een ander te worden, of op wreede en gewelddadige wijze om te komen, door, ten gevolge van eenen gewapenden aanval, slaaf te worden van barbaarsche en verafschuwde vijanden, wanneer de Pausen zich niet gehaast hadden ze te steunen en te verdedigen; en daar zij de eenigen waren om dit te kunnen doen, op edelmoedige wijze den geheelen last ervan op zich namen. Terwijl zij, van den eenen kant, zich aan alle lasten en plichten der sou-vereiniteit onderwierpen, verkregen zij, van den anderen kant, eene zeer waardige aanspraak om, door de keuze van het volk, met al de rechten ervan bekleed te worden.
\\ ie zal in dezen wonderbaren samenloop van zoo verschillende, bijna tegenstrijdige en niettemin toch samenwerkende oorzaken om eene zelfde souvereiniteit te vormen, die als een eenig voorbeeld in geheel de geschiedenis voorkomen, niet den vinger van God erkennen, die op een
— 144 —
kroon, welke hij op het hoofd van zijn plaatsbekleedor op aarde wilde plaatsen, het karakter van zulk eene helblinkende rechtvaardigheid wilde drukken, dat geen enkele aardsche kroon zich in gelijke mate er op kan beroemen, en geen oog den verblindenden glans er van kan ontkennen ? En God alleen kon den geheimzinnigen loop der gebeurtenissen zoo leiden en regelen, dat, toen de tijd door Hem bepaald, aangebroken was, alles samenspande en al de verwarde en ingewikkelde elementen van de maatschappij van toen tot een zelfde doel medewerkten, zoodat Astulf en de Longo-barden door hunne gewelddaden, de Byzantijnsche keizers door hunne onverschilligheid, Pepijn en de Franken door hunne edelmoedige toewijding, Rome en de provincies door hunne smeekingen, de volkeren en vorsten, de vriendenen de vijanden, het Oosten en het Westen, allen medewerkten om de Pausen tot koningen te maken, en op schitterende wijze ten aanzien van de tegenwoordige en de toekomende wereld de heilige wettigheid van die kroon te doen blijken, die zij, ofschoon te vergeefs tegenstrevende, door de onweerstaanbare macht der omstandigheden gedwongen waren aan te nemen.
Dit alles is uit de door ons medegedeelde feiten en gebeurtenissen zonneklaar bewezen, zoodat men dan ook, waar het de wereldlijke macht der Pausen geldt, van heilige en onvervreemdbare rechten kan spreken. Met den protestant Leo, professor in de geschiedenis aan de universiteit van Hall, herhalen wij derhalve : De tijdelijke souvereiniteit van den Paus berust op een onbetwistbaarder recht dan die van eenige andere Souvereiniteit van Europa.
Hoofdstuk VIII.
Uitgestrektheid en bezittingen van den 11. Stoel op het einde der Sste eeuw. Pans Adriaan sterft en wordt opgevolgd door Leo lil. Onlusten in Kome. Karei de Oroote herstelt de orde. Hij wordt door Paus Leo tot itoomsch keizer gekroond. I)« beteekenis van deze kroning en de verhouding van den Koonisehen Keizer tot den Pauselijken Stoel en deszell's grondgebied. Dood van Karei den Oroote en van Paus Leo III. De eerste wordt opgevolgd door zijn zoon Lodewijk den Vrome, de tweede door Stephanus IV. Verval van het Kijk van Karei en van de Keizerlijke waardigheid. Verwikkelingen der Keizers met den Paus. Met den dood van Karei den Dikke sterft het geslaeht van Karei den Groote uit.
a de overwinning van Karei den Groote op Desi-derius en de inlijving van het Longobardenrijk bij het zijne, kwam de H. Stoel eindelijk in liet bezit van de schenkingen, door Pepijn den Korte in het verdrag van Quersy aan Paus Stephanus beloofd. Wel werd het bezit van het Exarchaat paus Adrianus betwist door den aartsbisschop Leo van Ravenna, die zich als 't ware onafhankelijk van Rome wilde maken en als den wettigen opvolger der Exarchen beschouwde, zich noemende Leo, servus servorum Dei, divina (jratia sanetae catholieae Ecclesiae Ravennatis Archiepiscojms et Primus, Italiae Exarchus (Leo, dienaar der dienaren Gods, door de gratie Gods aartsbisschop en primaat van de heilige katholieke kerk van Ravenna, Exarch van Italië), maar deze rebellie
é
10
— 146 —
van den aartsbisschop tegen den Paus en den koning der Franken werd spoedig onderdrukt, zoodat de H. Stoel zich eindelijk in het onbetwist bezit van zijn grondgebied mocht verheugen. Deze kerkelijke Staat bestond derhalve uit drie provincies : het Exarchaat, de twee Pentapolis (die aan de Adriatische en die aan de Thyreensche zee), en het Romeinsche hertogdom. Het Exarchaat, ofwel de Romagna, bevatte de steden en de landen van Gabelle en Adra, Co-macchio, Ferrara, Ravenna, Bologna, Imola, Faenza met het kasteel Tiberiaco (later Bagnacavallo), Forli met het kasteel Sussubio (later Castrocaro of Bertinoro) Ceseno, Farlimpo-poli en Babio bij Sarsina. De beide Pentapolis, die zich van Rimini tot Gubbio uitstrekten, omvatten de steden en landen van Rimini, Pesaro, Fano, Sinigaglia, lesi, Ancona, Osimo, Umana, Fassombrone, Montefeltro, Urbino, Cagli en Gubbio. Het Romeinsche hertogdom bestond uit twee deelen: het noordelijke, bevattende aan de rechterzijde van den Tiber het zoogenaamde Tuscia Romanorum en op de tegenovergestelde zijde een gedeelte van Sabina en Umbrië, met de steden Porto, Centacello (Civitavecchia), Cere, Maturano, Blera, Nepi, Sutri, Gallese, Orta, Otricoli, Bomarzo, Narni, Amelia, Todi en Perugia met zijn hertogdom; het zuidelijk gedeelte, links van den Tiber, bevatte, behalve Rome en Tivoli, het geheele grondgebied dat, onder den naam van Campania Romana, zich tot aan de Liri uitstrekt en de voornaamste steden Segni, Anagni, Ferentino, Alatri, Frosi-none, Patrico en Ceccano telt, die ook nu nog tot de Cam-pagna behooren. Ongetwijfeld waren er ook nog de steden Velletri, Ninfa, Norma, Sezze, Piperno en de Pontijnsche vlakten in begrepen. Terracina lag buiten het Pauselijk grondgebied.
In latere jaren, tusschen 776 en 788, vergrootte Karei dit reeds uitgestrekte grondgebied met nog veel andere steden, waarvan in de eerste plaats de volgende moeten genoemd worden, die hij aan het Tuscia Long oh ar dor um (het Longobardische Toscane) afnam, n. 1. Castello di
— 147
Felicita, (1) Orvieto, Bagnorea, Gastel di Ferento, Viterbo, Orchia, Marta, Tuscania, Soana, Populonio (dat later verwoest werd en nu door Massa is vervangen) en Roselle (op welks puinhoopen zich nu Grosseto verheft.)
Zooals wij gezien hebben was bij het verdrag van Q-uersy door Pepijn aan paus Stephanus een veel grooter grondgebied beloofd, waarvan de noordelijke grens van Luni door Panna en Mantua naar Monselice liep, zoodat alleen liet gedeelte dat noordelijk van deze grenslijn lag aan de Frankische koningen zou behooren. Ook Karei de Groote had deze grensregeling aan paus Adriaan hernieuwd, zoodat, behalve de zoo even genoemde elf steden, ook Vol-terra. Sienna, Arezzo, Florence, Pistoia, Pisa, Lucca en eenige andere aan het pauselijk gebied moesten komen; maar het schijnt dat onoverkomelijke bezwaren van staatkundigen aard de tenuitvoerbrenging van deze bepaling beletten, zoodat de Pausen, voorloopig althans, zich tevreden stelden met eene jaarlijksche schatting, gelijk aan die, welke genoemde steden vroeger aan de Longobardische koningen moesten opbrengen.
Het hertogdom Spoleto, dat, zooals onze kaart aanduidt, zich op het einde der 8ste eeuw van de oevers der Aniene (Teverone) en van den Tiber tot aan de Adriatische zee, tusschen de uitmondingen van de Musone en de Pescara (of Aterno) uitstrekte, omvatte Sabina, Umbrië, Piceno en het grootste gedeelte der Abruzzen, en grensde ten Zuiden aan het hertogdom Benevento, terwijl het ten Oosten en ten Westen geheel door het pauselijk grondgebied werd ingesloten. Ook dit hertogdom, waarin de Kerk van Rome van oudsher reeds groote bezittingen had, zou aan den H. Stoel moeten komen, maar even als voor Toscane waren ook hiervoor groote moeielijkheden, zoodat ook ten opzichte van Spoleto tusschen paus Adriaan en koning Karei werd overeengekomen, dat het hertogdom voorloopig onder
1) Waarin men eerst liet tegenwoordige Civita Castellana heeft willen zien. maar later gebleken is het huidige Citta di Castello te zijn.
— 148 —
de souvereiniteit en het beheer van Karei zon blijven, maar dat het aan den panselijken Stoel eene aanzienlijke jaar-lijksche schatting moest betalen. Maar terwijl het hertogdom Toscane nooit onder de werkelijke heerschappij van den Paus kwam, was znlks wel het geval met het hertogdom Spoleto. In 962 nam keizer Otto I zeven steden, n. 1. Rieti, Norcia, Amiterno, Fnrconio, Valva, Marsi en Terni van het hertogdom af en schonk ze in vol en eeuwigdurend eigendom aan de Pausen. In 1020 gaf keizer Hendrik de Heilige, in ruil voor eenige steden, die de H. Stoel in Duitschland bezat, het grondgebied tusschen Narni, Terni en Spoleto aan den H. Stoel, en eindelijk schonk Hendrik III in 1055 aan Paus Victor II al het overige grondgebied van het hertogdom, zoodat het van toen af een geheel met den Kerkelijken Staat vormde.
Behalve deze schenkingen werden in het hertogdom Benevento nog de steden Sora, Arpino, Arce, Aquino en Capua toegewezen, terwijl uit verschillende documenten blijkt dat ook Corsica, Sicilië en eenige andere landen aan den H. Stoel werden toegedacht, ofschoon deze ze niet duurzaam mocht behouden. Buiten eenigen twijfel staat evenwel vast, dat op het einde der 8ste eeuw de hierboven aangegeven steden met haar grondgebied als geheel onafhankelijk gebied aan den H. Stoel toebehoorden en den Kerkelijken Staat uitmaakten, zooals die tot op het midden van deze eeuw gebleven is, nadat, zooals wij gezien hebben, in de 10e en de 11e eenwen ook het hertogdom Spoleto geheel en al daarbij kwam. Later zullen wij dat gebied nog zien vergrooten met de landen van gravin Mathilda. Met ijzeren volharding had paus Adrianus gewerkt voor de verwerving van de bezittingen door Pepijn den Korte en Karei den Groote aan den H. Stoel beloofd, en al verhinderden dan ook omstandigheden, waarvan wij in deze dagen, bij gebrek aan voldoende bescheiden, de oorzaken niet kunnen aangeven, dat in alle deelen aan den H. Petrus werd afgestaan wat hem door de twee grootste koningen
PAUS ADRIAXUS I.
— 149 —
uit het huis der Karolingers was beloofd, dan lag dit zeker noch aan den goeden wil dier vorsten, noch aan den ijver
en de volharding der Pausen.
* *
*
Paus Adrianus, die zich zoowel door zijne bemoeiingen om Rome en Italië van het juk van den Longobardenkoning Desiderius te bevrijden en zijn ijver voor de gerechtigheden van Sint Pieter, als door zijne groote liefde voor het Ro-meinsche volk bemind en geëerd had gemaakt, stierf den 25 December 795. Karei de Groote beweende hem alsof Adrianus zijn vader ware geweest, schonk ruime aalmoezen ter zijner eer en maakte zelfs een grafschrift in latijnsche verzen op hem, 1) dat hij met gouden letters in 't marmer liet beitelen.
Met algemeene stemmen werd Leo III, een Romein van geboorte, als zijn opvolger gekozen en den volgenden Zondag als zoodanig gewijd. Paus Leo zond na zijne wijding onmiddellijk zijne legaten tot Karei, om dezen van zijne verheffing kennis te geven en hem tevens, met verschillende rijke geschenken, ook de banier van Rome en den sleutel van St. Pieter te overhandigen, daarbij tevens aan Karei diens hoedanigheid van Patriciër der Romeinen en verdediger van Rome hernieuwende, waarvan de hem gezonden banier als 't ware het simbool was; tevens verzocht hij Karei, dat deze zijne gezanten naar Rome zou zenden, ten einde van de Romeinen den eed van trouw en onderwerping te ontvangen.
Men moet dit niet in dien zin opvatten als moest het Romeinsche volk aan Karei den eed van trouw zweren als aan zijn heer en vorst, maar alleen in zijne hoedanigheid
1) Dit grafschrift luidde: Post Patrcm lacrymans Carolus haec carmina scripsi: Tu miti dulcis amor: te modo plango pater....
Nomina jungo simul titulis clarissima nostra;
Adrianus, Carolus, rex ego, tuque pater....
Turn memor esto tui nati, pater optime, posca Cum patre die, natus pergat et ipse tuus.
— 150 —
van Patriciër en beschermer der Kerk. Dit blijkt duidelijk uit den brief-zelf, dien Karei aan paus Leo zond. Daarin toch zegt de koning:
„Wij hebben aan onzen gezant Engelbert opgedragen om met u te overleggen en te behandelen al datgene wat gij noodzakelijk zult oordeelen voor de verheffing van de Heilige Kerk, voor de duurzaamheid van uwe eer en voor de krachtdadigheid van ons Patriciaat. Immers, even als ik een verdrag met den gelukzaligen voorganger van Uwe heilige Vaderlijkheid heb gesloten, zoo verlang ik met Uwe Gelukzaligheid hetzelfde onschendbare Verbond van getrouwheid en liefde te bevestigen; zoodanig dat van den eenen kant de apostolische zegen van Uwe Heiligheid, dooide gave der goddelijke genade, door de gebeden der Heiligen afgesmeekt, mij in alle plaatsen vergezelle en volge, en van den anderen kant de allerheiligste Stoel der Roomsche Kerk, met Gods hulp, door onze toewijding altijd verdedigd worde. Het is onze plicht, om, met de barmhartige hulp van God, de heilige Kerk van Christus ten allen tijde te verdedigen tegen de aanvallen der heidenen en tegen de verwoestingen der ongeloovigen van buiten, en van binnen haar te behoeden door de kennis van het katholiek geloof en ongeschonden te bewaren; en het is uw ambt, allerheiligste Vader, om, als Mozes de handen tot God opheffende, ons leger te helpen, opdat door uwe voorspraak en door de gunst en de leiding van God, het christen volk altijd en overal de overwinning behale op de vijanden van Zijn heiligen naam, en opdat de naam van onzen Heer Jesus-Christus door de geheele wereld verheerlijkt worde.quot;
Karei noemt zich hier uitsluitend verdediger van de Kerk, hij vraagt bevestiging van zijne waardigheid van Patriciër, nergens en in geen enkel punt zinspeelt hij op een prerogatief van vorst. Hij verlangt voor zijne bescherming der Kerk slechts gebeden; zijn eenig doel is de verheffing der Kerk, de verheerlijking van God. En wanneer wij hem weldra gekroond zien met de Eoomsche keizers-
— lol —
kroon, zal dat niets veranderen in zijne verhouding tot den Apostolischen Stoel en tot het wereldlijk gezag der Pausen. Als keizer zal hij blijven wat hij als Patriciër was: de beschermer, de verdediger der Kerk.
In zijne wetten, cartulariën, brieven noemt hij zich niet anders. Carolus, gratia Dei, Rex Francorum et Lonyobar-dorum, ac Patricius Romanorum, filius et defensor Sanctae Dei Ecclesiae, (Karei, door de genade Gods, koning der Franken en der Longobarden, Patriciër der Romeinen, zoon en verdediger van de heilige Kerk Gods), zoo luidt de aanhef van een zijner brieven aan den Spaanschen Bisschop Elipondus.
De eerste regeeringsjaren van Paus Leo III gingen rustig voorbij; maar in 799 ontstond er eene uitgebreide samenzwering tegen hem, aan 't hoofd waarvan zich Paschalis en Campulus, neven van paus Adriaan geplaatst hadden, ontevreden als zij waren dat hun niet meer dezelfde macht was toegekend als onder den voorganger van paus Leo. Toen de paus op het feest der Rogaties zich in processie van de kerk van Lateranen naar die van den H. Laurentius begaf, werd hij onderweg door eene gewapende bende overvallen, die hem mishandelde en zelfs trachtte hem van het gezicht te berooven en ten slotte in het klooster van den H. Silvester gevangen hield. Zoodra Vingis, hertog van Spoleto, van dezen aanslag kennis had gekregen, snelde hij met zijne krijgsknechten naar Rome en bevrijdde den Paus, die zich daarop naar Duitschland begaf, waar Karei te Paderborn een Meiveld hield. Nauwelijks hadden Karei en zijne Grooten uit den mond des Pausen het gebeurde vernomen, of zij beloofden hem recht te verschaffen. Vergezeld van bisschoppen en Grooten en acht commissarissen des konings trok Leo III weer naar Rome terug, waar hij, onder de bescherming van de wapenen der Saksische, Friesche, Frankische en Longobardische heeren, met gejuich en vreugdebetoon door de geestelijkheid en het volk werd ontvangen. In het begin van den winter kwam Karei zelf
- 152 —
te Rome, waar hij een uit leeken en bisschoppen samengesteld concilie bijeen riep, ten einde de beschuldigingen, tegen den Paus uitgebracht, te doen onderzoeken. Niemand waagde het de tegen Leo ingebrachte aantijgingen vol te houden en toen de Paus op het Evangelie zijne onschuld bezwoer, werden zijne aanklagers ter dood veroordeeld, welk vonnis, op de bede des Pausen, veranderd werd in levenslange ballingschap.
* * *
Kerstmis was aangebroken. Paus Leo celebreerde in de St. Pieterskerk plechtig de Hoogmis, koning Karei lag in het gebed verdiept voor het graf van den Prins dei-Apostelen. Daar verlaat de Paus het altaar en op den koning toetredende zet hij hem de gouden keizerskroon op het hoofd, terwijl het volk vol geestdrift uitriep : „Heil en overwinning aan Karei den grooten en vredelievenden Romeinschen keizer, gekroond door den wil Gods /quot; Daarop zalfde de Paus hem tot Keizer en zijn zoon Pepijn (f 811), die hem vergezelde, tot koning, en bood den Keizer toen die plechtigheid volbracht was, kostbare geschenken aan. Sommige geschiedschrijvers verzekeren dat Karei door deze handeling des Pausen verrast was en zich zelfs beklaagde dat hem daardoor een nieuwe en zware last op de schouders werd gelegd. Misschien verwachtte Karei zich ook niet op dien dag aan zijne nieuwe waardigheid, maar of er niet reeds vroeger met hem over onderhandeld is geworden, is lang niet zeker. Reeds had Paus Adriaan in 777 er op gezinspeeld dat de wereld in Karei een nieuwen Constantijn zou aanschouwen, en de omstandigheid
De oude Basiliek Tan St. Pieter, van binnen gezien.
— 153 —
dat 1 aus Leo de gouden kroon, voor Karei bestemd, bij de hand had, wijst er op dat wij hier niet met eene spontane handeling des Pausen te doen hebben en dat Leo III niet, zooals Cantü zeg't, door eene plotselinge ingeving geleid werd, maar dat hij eene rijp beraamde daad verrichtte, die van zeer groote beteekenis voor de Kerk en de maatschappij zou zijn. Dit is in elk geval zeker, dat de plechtigheid van den eersten Kerstdag van het jaar 800 1) geheel a an den Paus en niet van Karei is uitgegaan en dat Leo III daardoor den Patriciër der Romeinen en den beschermer der Kerk ook tot beschermer en scheidsrechter in de wereldlijke zaken der toenmalige maatschappij heeft willen aanstellen, zooals de Paus het in geestelijke zaken is.
Hoe groot de beteekenis en het gewicht van dit herstel van het Romeinsche keizerrijk op Christelijken grondslag ook mogen geweest zijn, toch zouden er voor de Kerk ved beroeringen en rampen uit voortvloeien, omdat de latere keizeis, en vooral die van Duitsche natie, zich maar al te zeei het absolutisme der oude Cesars wilden aanmatigen en niet alleen in wereldlijke, maar ook in geestelijke zaken den toon wilden aangeven, zich als souvereinen van den Ker-kelijken Staat en de Pausen als hunne onderdanen beschouwden. Niets is evenwel meer in strijd met de gegevens dei geschiedenis, met de bedoelingen der Pausen en de beteekenis, die Karei-zelf aan zijne nieuwe waardigheid gaf. Het Heilige Roomsche Rijk, zooals het genoemd werd, en door de Pausen ingesteld, had met het oude Romeinsche Rijk slechts den naam gemeen. De waardigheid der oude Romeinsche keizers verzekerde dezen tevens de heerschappij over Rome en alle wingewesten, die er aan onderworpen waren; aan de nieuwe keizers gaf zij niets
1) Volgens onze liedcndaagsclie tijdrekening had de kroning van Karei tot Romeinscli keizer, op den 25 December van het jaar 799, en niet op 25 Dee. van het jaar 800 plaats. Het nieuwe jaar begon toen op den eersten Kerstdag, zoodat men wel kan zeggen dat die kroniu-op den len Kerstdag maar niet dat zij op den 25 Dcc. 800 plaats had. Volgens onze tiidrequot;-kening was het den 25 Dec. 799.
V
— 154 —
meer dan het ambt van Verdedigers der Roomsche Kerk, met alle die rechten en privilegiën, die aan znlk verheven ambt verbonden werden, hetzij door den aard van het ambt-zelf, hetzij door den vrijen wil der Pausen, die het hadden ingesteld. Karei de Groote, zegt Brunengo, vermeerderde door zijn nieuwen keizerstitel zijn eigen grondgebied, hetzij in Italië, hetzij aan de overzijde der Alpen, met geen enkelen duim gronds; en datzelfde kon men ook van al zijne opvolgers zeggen. Ten opzichte van Rome bleef hij, in wezenlijkheid, maar met een meer verheven naam en uitgebreider macht, dezelfde die hij reeds, gedurende bijna eene halve eeuw, onder den titel van Patriciër der Romeinen was geweest; welke titel niet anders beduidde dan Verdediger van den H. Stoel, d. w. z. kampvechter, beschermer, helper, wereldlijke arm van den Paus, en derhalve aan den Paus onderworpen, zoowel wat het wereldlijk bestuur van Rome en van den Kerkdijken Staat betreft, waarvan alleen de Paus souverein was, hetzij in het bevorderen, in geheel de Christenheid, van de belangen der Kerk, van welke de Paus de algemeene Herder was.
„Deze opvatting van het keizerrijk en van de verhoudingen tusschen den keizer en den Paus, is zeker wel niet dezelfde als veel hedendaagsche geschiedschrijvers pleegen aan te nemen, maar zij is, ons erachtens, de eenig ware, de eenige die volkomen beantwoordt aan de authentieke bescheiden der geschiedenis. Zij is ook de opvatting die Karei de Groote er van had, zooals hij dat in zijne capitu-lariën uitdrukt, als hij zich noemt: Getrouwe verdediger en nederige zoon der H. Kerk, Helper van den Apostoli-sehen Stoel in alle aangelegenheden; zoon en verdediger der heilige Kerk Gods, zoodat hij door zijne daden zelf aantoont dat hij de patrichiale en later de keizerlijke waardigheid niet anders opvat dan als een mandaat ter verdediging van de Roomsche kerk en van den Paus ; en daarom laat hij in zijn testament van 806 deze verdediging als voornaamste erfdeel aan zijne drie zonen Karei, Pepijn en
155 —
Lodewijk na : „Bovenal, heet het daar, verlangen en bevelen wij, dat de drie broeders gelijke zorg en verdediging voor de Kerk van den H. Petrus dragen, zooals die eertijds door onzen grootvader Karei (Martel), door onzen vader koning Pepijn, zaliger gedachtenis, en later door ons is opgevat, opdat zij haar met Gods hulp tegen hare vijanden verdedigen, en haar voor zoover het van hen afhangt en gerechtigheid laten wedervaren !quot; 1) gulden woorden, waarmede de eerste en de grootste der nieuwe Cesars aan zijne opvolgers aanwees welke de ware verplichting hunner zending was. Dezelfde opvatting had ook keizer Lodewijk II, toen hij aan den Griekschen keizer Basileus I, die ijverzuchtig was op den keizerlijken titel, door de Franken aangenomen, antwoorde: dat de naam en het recht van den nieuwen keizer der Romeinen na God onmiddellijk van het gezag der Kerk en van de zalving en de wijding van den Paus afhing, tot welks verdediging het nieuwe keizerrijk was ingesteld.
Zooals de keizers en de Pausen deze instelling van het Roomsche keizerschap opvatten, deden het ook de tijdge-nooten, en in alle verdragen en in de eeden, welke de nieuwe keizers bij hunne kroning moesten zweeren, kwamen altijd diezelfde verplichtingen van verdediging der Kerk opnieuw voor als hoofdpunt in het verdrag tusschen Paus en keizer.
Evenmin schonk de keizerlijke titel den vorst eenig recht op Rome. Rome, waaraan zoowel de Paus als de keizer hun titel ontleende, kreeg door dit herstel van het Westersch Romeinsch keizerrijk weliswaar eene nieuwe be-teekenis, doordien het wel de hoofdstad werd van het nieuwe Heilige Roomsche Rijk, maar niet van de staten
1) Super omni autem inbemus atque praecipimus, ut ipsi tres fratres curam et defensi-onem Ecclesiae S. Petri simnl suseipiant, sicut (luondam ab avo nostro Karlo, a beatac memoriae genitore nostro Pepino rege. et a nobis postea suscepta est, ut cam cum Dei adiutorio ab hostibus defendere nitautur. et iustitiain suam, quantum ad ipsos pertinet et ratio postu-laverit, habere faciant.
— 156 —
die burgerlijk aan den nieuwen keizer onderworpen waren; het werd de hoofdstad van een dubbel bestuur: het tijdelijke en beperkte der keizers, het geestelijke en onbeperkte van den Roomschen opperherder; over beiden moest de keizer het schild zijner bescherming uitstrekken. Prof. (kard.) Hergenroether omschrijft de beteekenis van het nieuwe keizerrijk als : le. de opperste bescherming der Christenheid ; 2e. de opperste regeeringsmacht of althans den voorrang boven alle andere christelijke vorsten, ter verdediging der kerk en der algemeene christelijke belangen. Deze instelling was gerechtvaardigd doordien le. de Byzan-tijnsche keizers Italië meer als wingewest uitbuitten en behandelden en ten slotte, zooals wij reeds hebben gezien, aan zijn lot overlieten; 2e. omdat Karei reeds de machtigste vorst van zijn tijd en bovendien de erkende beschermer der Kerk was, en 3e omdat door diens kroning tot keizer de lange strijd tusschen Rome en de Germanen op vreedzame wijze beslecht werd, de Germaansche volksverhuizing tot rust kwam en het Germaansche statenverbond een vasten vorm aannam.
De kroning van Karei den Groote tot Roomsch keizer verschafte hem, evenmin zijnen opvolgers, het bezit of het vorstelijk bestuur van Rome. De Paus bleef, wat hij was, koning, souverein van de stad en van de kerkelijke staten. De eed A-an getrouwheid, door de Romeinsche bevolking aan Karei en de keizers na hem gezworen, was slechts voorwaardelijk ; zij bevatte altijd de clausule ; Salva fidelitate Domno Papae; (behoudens de trouw aan onzen Heer den Paus gezworen,) salva fide quam repromisi Domino Apostolico, (behoudens de trouw die ik aan den Apostolischen Heer beloofd heb), zooals het heet in de Constitutio Romana die keizer Lotharius, in overeenstemming met paus Eugenius, uitvaardigde. Alle bescheiden, alle documenten uit dien tijd leeren ons hetzelfde, zoodat het ware karakter, de onwederlegbare beteekenis van deze keizerlijke waardigheid voor allen die onbevooroordeeld
— 157 —
zijn, in het oog moet springen. Wij hebben deze bijzonderheden wat breedvoeriger besproken, omdat zulks onmisbaar was voor de beoordeeling der latere gebeurtenissen en vooral van den grooten strijd, die ruim een eeuw later tusschen de Pausen en de Roomsche keizers van Duitsche natie zou ontstaan.
anneer Italië, zegt Cesar Cantü, in het vervolg zoo wreed te lijden had van de voortdurende inmenging der Cesars in zijne zaken, dat er een heterogeen element was hetwelk zijn voortschrijden belemmerde en eindelijk zijn val veroorzaakte, dan gelooven wij dat men de schuld er van niet op de pausen, noch op de instelling van het keizerrijk moet werpen; maar niemand zal het in twijfel kunnen trekken dat de medewerking der Zuidelijken machtig er toe bijdroeg om de barbaren van hunne aangeboren ruwheid te ontdoen. Wanneer Italië, verder, een voor het heil van Europa noodzakelijk slachtoffer was, dan moeten zijne zonen met waardigheid het ongeluk dragen, waartoe hun vaderland veroordeeld was, en dat zij, die er alle vruchten van getrokken hebben, eindelijk ophouden het te beschimpen.
De christenheid werd toen eene uitgestrekte monarchie ; de \ orsten \ ereerden Karei den Groote als hun meerderen, de ongeloovigen onderhandelden met hem als het hoofd der geknn igen. Maar dat hoofd was verkiesbaar, dat wil zeggen, dat hij de man van vertrouwen was, en welke ook de re-geeringsvorm was, hij kon bestaan onder zijn oppergezag, al ware het ook de meest vrije republiek. Dergelijke eenheid was dus niet de wereld-monarchie, zooals Karei V, Lode-wijk XIV en Napoleon die beurtelings gedroomd hadden en die alle naties dwongen aan een enkelen wil te gehoorzamen, zich te onderwerpen aan wetten die voor andere gewoonten dan de hunne gemaakt waren, hen opofferden aan het belang van een enkel land. Daar was invloed, geen oyerheersching; de individualiteit der naties werd niet vernietigd, maar hare verschillende beschavingen werden in
— 158 —
overeenstemming gebracht en de instellingen van elk harer werden geëerbiedigd, als zijnde gegrondvest op het karakter, op de gebruiken, op de geschiedenis van elk volk.
De titel van heilig Rijk bewijst dat deze macht naar eene zedelijke meerderheid streefde; er op uit was om de leekenmaatschappij te vormen naar de geestelijke hierarchie; om eene wettelijke orde te stellen in de plaats van dien stand van zaken, die eene zekere natuurlijke afgekeerdheid der verschillende volken onderling tot grondslag heeft; om hen in vrede te doen leven, verzoend onder dien souvereinen invloed. En zoodanig was inderdaad de bedoeling der pausen.quot;
Karei de Groote stierf in Aken, den 28 Januari 814 in den ouderdom van 72 jaren, nadat zijne beide oudste zonen hem in het graf waren voorgegaan, Pepijn den 7 Juni 810 en Karei den 4 December 811, zoodat zijn eenige wettige zoon Lodewijk hem op den Frankischen troon opvolgde. Zijn lijk werd in vol keizerlijk ornaat op een gouden stoel zittende en met een Evangelieboek op den knie en den pelgrimsstaf in de hand in de Moedergodskerk aldaar bijgezet, terwijl zijn nagedachtenis als die van een der grootste mannen, die de wereld ooit gekend heeft, in de geschiedenis staat opgeschreven en zijne groote daden door tal van sagen en legenden het gemeengoed van geheel het Westen zijn geworden. Twee jaren later, in Juni 816, volgde paus Leo III hem in het graf, opgevolgd door Stephanus IV (V), die met algemeene stemmen tot de pauselijke waardigheid werd verkozen.
Karel's zoon en opvolger, Lodewijk de Vrome, die van 814—840 regeerde, had wel veel van de goede hoedanigheden zijns vaders, maar niet diens kracht. Door den Paus te Rheims met zijne gemalin Irmengarde tot keizer gekroond zijnde, vernieuwde hij met den Paus het oude verdrag van bondgenootschap, en zoo ook met Paus Paschalis, die Stephanus, reeds in 817 overleden, was opgevolgd. In 822 nam keizer Lodewijk zijn zoon Lotharius tot mederegent
— 159 —
aan en droeg hem bijzonderlijk de aangelegenheden van Italië op. Lotharius begaf zich dan ook werkelijk op reis naar Rome, waar de Paus hem op het Paaschfeest (5 April 823) de wijding en den titel van de keizerlijke waardigheid verleende. Paus Paschalis stierf in 824, en bij de verkiezing van zijn opvolger hadden er andermaal onlusten plaats tusschen de volkspartij, de geestelijkheid en den adel; deze laatste behield de overhand, zoodat de aartspriester van Sint-Sabina, Eugenius II, tot Paus verkozen werd, van welke keuze den keizer bericht werd gezonden. Lodewijk zond zijn zoon Lotharius naar Rome om met den Paus tot eene regeling van de Romeinsche aangelegenheden te geraken. Eugenius II ontving den keizer met alle aan diens rang verschuldigde eerbe wijzingen. Daarop vaardigde Lotharius, in overeenstemming met den Paus, de reeds vermelde Constitutio Romana, eene Romeinsche grondwet, uit, waarin o. a. bepaald werd, dat niemand de onder de bijzondere bescherming van den Paus of den keizer staande personen zou nadeel berokkenen. Alle door den Paus benoemde hertogen en rechters moesten gehoorzaamd worden, de bezwaren tegen hen aan den Paus gemeld worden, opdat deze zelf hen door zijne commissarissen kan doen verantwoorden of den keizer tot tusschenkomst inroepen; alle hertogen en rechters moesten voor den keizer verschijnen, opdat deze hunne namen en aantal zou kennen en tot plichtsvervulling aanmanen; jaarlijks zouden door den Paus en den keizer benoemde boden dezen laatsten inlichten over de rechts-bedeeling en de naleving der constitutie; aan den H. Stoel moesten alle aan dezen ontnomen goederen worden teruggegeven; eindelijk werd allen gehoorzaamheid aan den Paus ingescherpt.
De Paus werd dus ook in deze constitutie geheel en al als souverein beschouwd; de keizer treedt alleen als beschermer op, en hem werd eene zekere jurisdictie toegekend, die in die tijden van partijschappen en woelingen zeker niet onnoodig was. Wat de verkiezing der Pausen betreft, zoo
— 160 —
werd bepaald dat niemand zich daartoe mocht opdringen, noch die mocht verhinderen, en dat alleen de Romeinen, die van oudsher daartoe het recht hadden, daaraan mochten deelnemen. Door sommige geschiedschrijvers wordt gezegd dat het Romeinsche volk, en zelfs de Paus, toen den eed zoxiden gezworen hebben, dat geen nieuwe Paus zou gewijd worden alvorens hij in tegenwoordigheid van het volk en van de keizerlijke gezanten dienzelfden eed zou herhaald hebben. Aan de echtheid van dat eedsformulier wordt evenwel sterk getwijfeld; heeft het bestaan, dan zocht Lotharius toen zeker reeds langs omwegen te verkrijgen, wat hij later eischte, n.1. dat de wijding des Pausen van de goedkeuring van het keizerlijk hof zou afhangen. Eene geheel toevallige omstandigheid maakte dat zulks schijnbaar ook weldra plaats had. Paus Eugenius stierf namelijk in 827 en tot zijn opvolger werd Valentinus verkozen, die zich evenwel tegen zijne verkiezing verzette, maar toch eindelijk toegaf en gewijd werd. Hij stierf evenwel reeds 40 dagen later. Nu viel de keuze op den kardinaal-priester van St. Marcus, die als Gregorius IV den pauselijken troon betrad, nadat hij evenwel langen tijd geweigerd had de hooge en zwaarwichtige waardigheid aan te nemen.
Aan den keizer werd de gewone kennisgeving van de verheffing van Gregorius IV tot de pauselijke waardigheid gezonden, en tengevolge van de lange tegenkanting van den gekozene wist Lotharius het zoo aan te leggen, dat zijne gezanten reeds te Rome waren eer de Paus gewijd was en derhalve een onderzoek naar de wettigheid van de keuze konden instellen. Dit lag geheel en al in het despotisch karakter van Lotharius, die zich zoo een zeker recht in de Pauskeuze aanmatigde of, die althans van zijne goedkeuring afhankelijk wilde maken.
In 817 besloot Lodewijk de Vrome, teneinde beter in het bestuur van het uitgestrekte rijk te kunnen voorzien, dit onder zijne drie zonen te verdeelen. Lotharius, de oudste, zou na hem de keizerlijke waardigheid voeren en
- 161 —
Italië tot zijn deel krijgen ; Pepijn, zijn tweede zoon, kreeg Acquitanie en Lodewijk, zijn derde, Beijeren. Deze verdeeling had de jammerlijkste gevolgen, daar er niet alleen krijg tusschen de broeders ontstond, maar dezen ook in opstand tegen hun vader kwamen, dien zij dwongen afstand te doen van de regeering en een haren kleed, het zinnebeeld van zijne onwaardigheid om verder te regeeren, deden aantrekken. Later verzoende hij zich weer met zijne zonen, maar de onlusten hielden daarom nog volstrekt niet op. Zij vermeerderden nog toen later uit het tweede huwelijk van Lodewijk met Judith een zoon was geboren, in de geschiedenis bekend onder den naam van Karei den Kale, aan wien zijn vader ook een koninkrijk wilde nalaten, dat hij, weliswaar met toestemming van Lotharius, van diens deel afnam, maar waaruit later allertreurigste verwikkelingen ontstonden, toen Lodewijk, na den dood van Pepijn, diens rijk aan Karei gaf. Wij kunnen in deze verwikkeling niet verder treden, daar zij slechts zijdelings met ons onderwerp in verband staan, ofschoon zij den ondergang van het Karolingische huis ten gevolge hadden en niet zonder invloed bleven op de gebeurtenissen in Rome en de lotgevallen van het pausschap.
Na den dood van Lodewijk den Vrome volgde zijn zoon Lotharius hem in de keizerlijke waardigheid op, en van den despotischen aard des nieuwen keizers stond te verwachten dat hij den Pauselijken Stoel veel onaangenaamheden zou berokkenen. Eene eerste gelegenheid daartoe bood zich weldra aan. Gregorius IV was den 25 Januari 844 gestorven en in zijne plaats werd de aartspriester Sergius overeenkomstig de oude gebruiken wettig verkozen. Zekere diaken Johannes had evenwel eene partij om zich weten te verzamelen, die de geldigheid der Pauskeuze betwistte en zelfs het Lateraan wist binnen te dringen. Hij werd evenwel verdreven, en Paus Sergius II nam van den Pauselijken troon bezit en werd in de St. Pieterskerk gewijd. Lotharius vond hierin een voorwendsel tot inmenging,
11
- 162 —
voorgevende dat tegen de door hem geschonken constitutie gehandeld was. Hij zond zijn zoon Lode wijk, dien hij tot koning van Italië had verheven, en zijn oom Drago, bisschop van Metz, met een leger naar Rome. Lodewijk werd door den paus aan de trappen van de St. Pieterskerk met alle eerbe wij zingen ontvangen, maar mocht die niet binnentreden dan na alvorens gezworen te hebben dat hij met welwillende inzichten gekomen was. De plechtige ontvangst en de houding des Pausen maakten zulk een indruk op Lodewijk, dat hij alle vijandige bedoelingen vergat ; hij werd daarop door den paus tot koning der Longobarden gezalfd; maar toen hij eischte dat de Romeinen hem den eed van trouw zouden zweren, weigerde de Paus zulks standvastig, daar die eed alleen aan den keizer werd gedaan. Lodewijk trok kort daarop met zijn leger af.
Toen Sergius II den 27 Januari 847 kwam te overlijden, was men in Rome niet zonder groote bezorgenis. Van den eenen kant vreesde men voor de geweldenarijen van Lotha-rius, van den anderen kant dreigde een steeds grooter gevaar van de Saracenen, die reeds onder paus Sergius tot voor Rome waren doorgedrongen en Santa Rufina in brand hadden gestoken. Evenwel werd de Romein Leo met algemeene stemmen en overeenkomstig de kanonieke voorschriften verkozen. Leo, de vierde van dien naam, kwam evenwel in goede verstandhouding met Lotharius, zoodat het hem mogelijk was al zijne krachten aan te wenden ter bestrijding der Saracenen. Hij liet de muren van Rome herstellen en toen de Saracenen de St. Pieters- en St. Paulus-kerken geplunderd hadden, deed hij de eerste, zooals wij reeds vroeger vermeld hebben, binnen de muren der stad brengen. Na een bondgenootschap met die van ^Napels, Amalfi en Gaëta gesloten te hebben, leverde hij den Saracenen een zeeslag bij Ostia, waarbij de verbondenen eene schitterende overwinning behaalden en voor een tijdlang aan de strooptochten der ongeloovigen paal en perk stelden. Paus Leo IV stierf den 17 Juli 855.
— 163 —
De verkiezing van Benedictus III gaf Lotharius andermaal aanleiding zich in de pauskeuze te mengen, daar de partij van den afgezetten kardinaal Anastasius deze voor onwettig verklaarde. De keizer zond twee gezanten naar Rome en dezen drongen zelfs met behulp van de tegenpartij des Pausen in het paleis van Lateranen; maar de krachtdadige houding van de geestelijkheid en het volk van Rome, met die keizerlijke inmenging weinig gesticht, en de verkregen overtuiging dat de keuze van Benedictus volkomen wettig was, deden de gezanten des keizers terugkeeren. Anastasius werd uit het paleis verdreven en Benedictus in tegenwoordigheid van des keizers gezanten gewijd. De nieuwe Paus vergaf edelmoedig zijne tegenstanders. Keizer Lotharius stierf kort daarop en zijne drie zonen verdeelden, overeenkomstig zijn laatsten wil, het rijk op die wijze dat Lodewijk II keizer werd en Italië voor zijn aandeel kreeg; het land tusschen Rijn, Schelde en Maas viel aan Lotharius toe, dat van hem den naam Lotharingen ontving; Karei kreeg Provence. Paus Benedictus stierf den 8sten April 858 en werd opgevolgd door Nicolaas I, die zeker onder de grootste pausen verdient gerangschikt te worden. Prof. Hergenroether noemt hem den grootsten na Gregorius I en beschouwt hem als een tweeden Elias. Keizer Lodewijk bevond zich te Rome toen Nicolaas verkozen werd en zou zelfs tot diens verheffing hebben medegewerkt, en wanneer dit zoo is, dan kan men deze eerste rechtstreeksche inmenging des keizers in de Pauskeuze waarlijk niet ongelukkig noemen. De verhouding tusschen Paus en Keizer was dan ook allervoortreffelijkst en toen Nicolaas het legerkamp van Lodewijk voor Rome bezocht, voerde deze, op het voorbeeld van Pepijn, het paard des Pausen bij den teugel, zooals dat van nu af het gebruik bleef, als bewijs van eerbied van de wereldlijke macht ten overstaan van de geestelijke macht.
De goede verhouding tusschen deze twee hoogste machten zou evenwel dra verstoord worden. „Gedurende
— 164 —
den langen strijd, dien de Pausen tegen de wereldlijke macht te voeren hadden, zegt Jozef de Maistre, hadden zij vooral drie doeleinden op het oog: De onwrikbare handhaving van de wetten van het huwelijk tegen de aanvallen van een alvermogende losbandigheid ; het behoud van de rechten der kerk en der goede zeden onder de geestelijkheid, en de vrijheid van Italië.quot;
Om deze drie groote beginselen beweegt zich dan ook inderdaad de eeuwenoude worsteling der Kerk tegen hare vijanden en, zooals J. Balmes zegt: ,,Aan de standvastigheid en de geestkracht der Pausen had Italië zijne onafhankelijkheid te danken, trots alle bemoeiingen der Duitsche keizers om het die te ontroovenquot; en niet minder waar is wat J. F. Stahl zegt: „Het Christendom is het oorspronkelijk beeld der vrijheid; de Revolutie is daar slechts een caricatuur van.quot; Over een dezer drie groote beginselen kwam paus Nicolaas dan ook met keizer Lodewijk in strijd. Lotharius II, zoon van Lotharius I, wilde zich van zijne gemalin Theutberga doen scheiden, voorwendende dat zij eene afschuwelijke zonde zou hebben bedreven, en Lotharius vond in zijn streven steun bij Gunther van Keulen en Diet-gaud van Trier, twee bisschoppen die meer de gunst van den vorst dan de handhaving van de wetten der Kerk en de heiligheid des huwelijks op het oog hadden. De ver-stootene echtgenoote zocht hulp en bescherming bij den Paus; ook Lotharius wendde zich, met huichelachtige en leugenachtige voorwendselen tot Nicolaas, opdat deze mocht beslissen. De Paus schreef eene synode te Metz uit, waar onder voorzitterschap van zijne legaten niet alleen de bisschoppen uit het rijk van Lotharius, maar ook die uit andere Frankische rijken zouden bijeen komen; maar Lotharius wist de bisschoppen uit andere landen te verhinderen de synode bij te wonen, terwijl hij de legaten des Pausen voor zijne zaak wist te winnen, zoodat in Juni 863 te Metz te zijner gunste beslist werd. De Paus, evenwel, liet zich niet om den tuin leiden; hij verklaarde de genomen beslissing
— 165
voor ongeldig, zette de aartsbisschoppen Gunther en Dietgaud af en beloofde de andere bisschoppen eerst dan vergiffenis, wanneer zij aan den Pauselijken Stoel bewijzen van berouw zouden gegeven hebben en zijne voorschriften nakwamen. Lodewijk nam de partij voor Lotharius op en trok met zijn leger naar Rome, om den Paus voor den hoon, dien hij den keizer heette aangedaan te hebben, te straffen; maar Nico-laas liet zich niet bevreesd maken, zelfs niet toen Lodewijk Rome binnendrong en zijne soldaten eene processie, waaraan de Paus deelnam, aanvielen, de kruisen en vanen vernielden en allerlei goddeloosheden bedreven; de Paus bleef twee dagen zonder voedsel in de St. Pieterskerk, maar gaf niet toe. De straffende hand Gods trof evenwel spoedig de geweldenaars; het Duitsche leger werd door zware ziekten geteisterd en dit bracht Lodewijk tot nadenken, zijne gemalin Engelberta wist eene samenkomst tusschen hem en den Paus te bewerken en de verzoening kwam tot stand. De bisschoppen betoonden berouw over hunne ongehoorzaamheid aan den Paus en werden in genade aangenomen, alleen Gunther van Keulen bleef halstarrig, zoodat hij later door Lotharius zelf, die zich eveneens aan de uitspraak des Pausen had onderworpen, uit zijne kerk verdreven werd, waarin hij, trots het vonnis des Pausen, zijn ambt en gezag bleef uitoefenen.
De opvolgers van Paus Nicolaas, die den 13 Nov. 867 overleed, Adrianus II (f67—872), Johannus VIII (872—882) Adrianus III (f 885), Stephannus V (VI) overl. 891 en Formosus f 896 hadden nog voortdurend te kampen met de onwaardige opvolgers van Karei den Groote, die wel steeds hunne aanspraken deden gelden op eene goedkeuring hunnerzijds bij de Pauskeuze en door hunne onderlinge twisten de nauwelijks opgekomen beschaving weer deden teniet gaan en Europa tot de barbaarscheid uit de tijden der volksverhuizingen terugbrachten, maar onmachtig bleken om Europa en vooral Italië te beschermen en te verdedigen tegen de aanhoudende invallen
— 166 —
der Saracenen, die allengs in het Zuiden vasten voet zetten, en ook onmachtig tegenover de aanmatigingen van den hertog van Spoleto die, begeerig om de Italiaansche koningskroon op het hoofd te zetten, met de Saracenen samenspande om de tijdelijke macht der Pausen te vernietigen en in het jaar 878 Rome een maand lang ten sterkste belegerde. Tevergeefs riep paus Johannes den keizer te hulp, tevergeefs wierp hij hem voor dat de vijanden toch niet spottenderwijze zouden vragen: „Waar is nu hun keizer?quot; niets mocht baten; de keizerlijke waardigheid, door Paus Leo III weer in 't leven geroepen ter verdediging der Kerk en als bemiddelares tusschen vorsten en volken, was een ij dele naam, een wegstervende klank zonder kracht, zonder invloed, zonder prestige geworden. Met Karei den Dikke, die in 888 stierf, ging ook het geslacht van Karei den Groote in rechte en wettige lijn ten grave en de keizerlijke waardigheid zou, met de Italiaansche koningskroon, ten deel vallen aan hertogen, kleine vorsten, eertijds vasallen der koningen en keizers, van een Guido van Spoleto en zijn zoon Lambertus, van een Arnulf den Duitscher, een Lode-wijk van Provence, een Berengarnis, hertog van Irioel, wier eenige aanspraak op de hooge waardigheid zich grondde op hunne verwijderde bloedverwantschap met Karei den Groote. Tegelijkertijd brak voor Rome en het Pausschap een tijd van nameloos wee en diepe vernedering aan, zooals zij voor noch na dien tijd er nimmer meer gekend hebben. Maar in die diepe vernedering openbaarde zich glansrijker dan ooit de goddelijke instelling van het Pausschap, want terwijl elke menschelijke instelling onvermijdelijk in dien afgrond van rampen en vernederingen had moeten ten gronde gaan, kwam het Pausschap alle moeielijkheden glansrijk te boven en bereikte het weldra een toppunt van grootheid en macht, zooals het slechts in weinige tijdperken van zijne geschiedenis kan aanwijzen.
Hoofdstuk IX.
De ijzeren eeuw. Staatkundige, maatschappelijke en kerkelijke toestanden ran het tijdperk en de oorzaken daarvan. De Pauselijke Stoel in de eerste helft der 10e eeuw, onder de dwingelandij der Italiaansehe adelpartij. Alberik, koning van Italië. Ofschoon overweldiger van het wereldlijk gezag der Pausen, werd dit hem wegens de moeielijke tijdsomstandigheden en de wijsheid van zijn bestuur, toch stilzwijgend door de Pausen toegelaten. gt;quot;a zijn dood volgt zijn zoon Oc-tavianus hem op, die, na tot paus te zijn verkozen, onder den naam van Johannes XII, wederom het wereldlijk en geestelijk gezag in eene hand vereenigt.
aus Formosus werd op den pauselijken troon opgevolgd door Bonifacius VI, die evenwel slechts 15 dagen regeerde en toen opgevolgd werd door Stephanas VI (VII), onder wiens regeering de 10e eeuw, die in de geschiedenis bekend staat onder den naam van de ijzeren eeuw, en even noodlottig voor den pauselijken Stoel als voor de geheele maatschappij was, een aanvang nam. In het korte tijdsverloop van slechts acht jaren komen niet minder dan negen pausen voor, en dit noodlottige tijdperk toont ons ten duidelijkste aan hoezeer de onafhankelijkheid en de waardigheid van den pauselijken Stoel in gevaar worden gebracht, wanneer het wereldlijk gezag aan de pausen ontnomen is en in handen valt van eerzuchtige en Lirannieke vorsten, die hun eigen grootheid, heb- en eerzucht boven het welzijn der Kerk en der maatschappij stellen en alleen aan de bevrediging hunner harts-
tochten en neigingen denken. Uit dit oogpunt beschouwd is het tijdvak, dat wij nu zullen behandelen, uiterst leerzaam. Om evenwel een goed begrip van die gebeurtenissen te krijgen, moeten wij een kort overzicht geven van den staatkundigen, maatschappelijken en kerkelijken toestand van Europa in het begin dezer 10e eeuw ; „want, zegt de geleerde Spaansche wijsgeer en geschiedschrijver J. Balmes, „er zijn zaken waarover men geen zeker oordeel zou kunnen vellen, zonder niet slechts de kennis, maar ook een levendig gevoelen te bezitten van het tijdperk, waarin zij zijn voorgevallen. Er zijn slechts weinig personen, die hun geest weten vrij te maken van den atmosfeer die hen omringt, en nog minder slagen er in hun hart er voor te vrijwaren.quot; De eeuw, waarin wij leven, is juist het tegenovergestelde van de eeuw, die wij zullen behandelen, en daarom dienen wij ons vooraf een juist begrip te vormen van dat tijdperk. Dit nu zullen wij trachten te doen. En wij kunnen zulks te vrijer daar de Kerk geheel en al on-plichtig was aan de ontstane woelingen en ergernissen, die alleen ontstonden doordien vorsten en regeerders, hare wetten en voorschriften verkrachtende, hunne wetten stelden in de plaats van de wetten Gods en de Kerk wilden verlagen tof een werktuig hunner hartstochten. Door drie groote middelen heeft de hel de Kerk van Christus trachten te overweldigen ; door de vervolgingen, de ketterijen en de losbandigheid. Nadat de Kerk de vervolgingen en de ketterijen had overwonnen, zou zij ook den gevaarlijksten aller aanvallen, die der losbandigheid, eveneens overwinnen.
Werpen wij nu een blik op den toestand van het christelijk Europa bij den aanvang van de 10e eeuw.
De voortdurend toenemende zwakheid van de opvolgers van Karei den Groote bracht in dat tijdperk eene maatschappelijke ontbinding te weeg, zooals de jaarboeken der menschheid er geene andere hebben aan te wijzen. Het door paus Leo III met zooveel moeite opgebouwde
— 169 —
keizerrijk was ineengestort; de slecht aaneengevoegde nationaliteiten werden ontbonden ; alle slechte hartstochten, een tijdlang onderdrukt, barsten allen in een keer los. Daar wafen geen maatschappelijke macht noch beschermende wetten meer, maar overal de heerschappij van het geweld en de ruwe kracht. De grond was zonder verdediging overgelaten en als 't ware ten prooi gevallen aan duizend kleine dwingelanden, die, elkanders mededingers en vijanden, in bloedige worstelingen elkander beoorloogden. Van alle kanten rezen kleine onafhankelijke vorstendommen op en tusschen deze verwoede onlusten, eene blinde woede scheen zich van de menschen te hebben meester gemaakt.
De wetten miskennende van Hem, die de vrede aan de wereld had gebracht en de vergiffenis der beleedigiiigen, wederkeerige hulp en liefde tot den naaste in God had gepredikt, scheen de maatschappij op hare wegen te zijn teruggekeerd en bood zij het treurige schouwspel der hei-densche wereld aan. Het oude Romeinsche recht scheen voor altijd, het nieuwe, door het Evangelie in de wereld gebrachte, recht verdreven te hebben. Het volk was tot de uiterste ellende teruggebracht en zuchtte onder de hatelijke onderdrukking der Heeren en was, dientengevolge, zonder handel, zonder nijverheid, zelfs zonder hoop op eene betere toekomst; want alle vooruitgang werd tegengehouden door die voortdurend zich herhalende worstelingen.
Het leenstelsel had zich van de geheele maatschappij meester gemaakt ; de oorlogen konden slechts gevoerd worden door de hulp der vassallen, aan welken de vorsten landen hadden geschonken onder verplichting van hen in den krijg bij te staan, en ook aan de bisschoppen en abten werden onder zulke voorwaarden groote leenen gegeven, zoodat ook zij, in tijd van oorlog, gehouden waren een zeker aantal manschappen en paarden te leveren, die zij vaak zeiven aanvoerden. Maar hierin schuilde nog niet het grootste kwaad; de ergernis kwam vooral daaruit voort
dat de vorsten, en vooral die van Duitschland, buiten de kerkelijke overheid om, dus zonder de toestemming van den Paus, in hunne bezittingen de hooge kerkelijke waardigheden aan hunne vasallen gaven. Gewoonlijk kozen zij daartoe die mannen uit, die het best hunne belangen dienden, hunne hartstochten en eerzucht vleiden, hunne ondeugden en misdaden vergoelijkten, ja zelfs begunstigden, en daar zij voor hunne oorlogen zoowel als voor hunne uitspattingen veel geld behoefden, verkochten zij vaak de kerkelijke waardigheden aan de meestbiedenden. Deze verkoop van geestelijke waardigheden, deze Simonie, was de grootste kanker dier tijden en de bron van al het maatschappelijk kwaad. Wanneer de hooge kerkelijke waardigheden verkocht worden aan personen die noch de geleerdheid, noch de vroomheid, noch de roeping daartoe bezitten, ja soms zelfs zeer berispelijk zijn, dan kan het geen verwondering baren dat het voorbeeld, van hooger gegeven, navolging bij de lagere geestelijkheid en bij het volk moet vinden, zoodat het niet anders kan, of de ge-heele maatschappij moet er de schadelijke en noodlottige gevolgen van ondervinden.
De waarschuwingen en straffen der Pausen, de veroor-deelende uitspraken der concilies vermochten weinig tegen dezen kanker, die het geheele lichaam der Kerk had aangetast, en er was al de geestkracht van een Gregorius VII noodig om aan het euvel paal en perk te stellen.
Darras geeft in zijne kerkgeschiedenis nog eene andere oorzaak voor dezen weinig kerkdijken geest onder een zeker aantal hooge geestelijken. „Tot aan de 6e en de 7e eeuw, zegt hij, werden de bisschoppen niet genomen uit de barbaarsche naties, maar uit de gelederen der overwonnen maatschappij, die gevormd door de studie en de tucht van Rome, zich hunne rol van beschaving en apostelen waardig toonden. Maar van dat tijdstip af kwam ook het barbaarsche element (mannen niet van Romeinschen of Gallo-Romeinschen, maar van Frankischen, Germaanschen,
— 171 —
Saksischen enz. oorsprong) in de gelederen der Kerk en brachten daar dien krijgshaftigen, woeligen, oorlogsznchtigen geest mede, waardoor de nog slechts ten deele beschaafde barbaarsclie volken zich kenmerkten.quot; Dat zulke krijgshaftige kerkvorsten boter de doeleinden der even oorlogszuchtige en woelige vorsten dienden, dan de aan studie, tucht en vrome bezigheden overgegeven geestelijken der Romeinsch-Christelijke maatschappij, behoeft wel geen betoog. En dat zulke mannen, meer wereldsch dan geestelijk, meer krijgsoversten dan kerkvorsten, niet voor Simonie terugdeinsden kan evenmin verwondering baren. „Wie ziet dan ook niet, zegt de H. Anselmus, die in de 11e eeuw leefde, toen deze kanker der Simonie onder den goddeloozen keizer Hendrik IV haar toppunt had bereikt, „wie ziet dan ook niet dat dit de bron der Simonie en de verwoesting van allen godsdienst is? Want wanneer men van den vorst de bisschoppelijke waardigheid hoopt te verkrijgen, minachten de lagere geestelijken hunne bisschoppen en verlaten zij de Kerk: de eenen geven veel geld uit aan de hovelingen om hunne aanbevelingen te koopen, andere maken groote uitgaven om gedurende meer dan tien jaren aan het hof te dienen, met geduld koude en hitte, regen en andere ongemakken van de reis verdragende. Zij verlangen naar den dood van hem, wiens plaats zij begeeren, en zijn ijverzuchtig op hen, die zij meenen dat hen kunnen overvleugelen.quot;
Wat in Frankrijk en Duitschland plaats had bij het begeven van bisschopszetels en abdijen, had ook in Rome, hoewel in veel mindere mate plaats, ten opzichte der Pausen. Het keizerlijk gezag was, zooals wij gezien hebben, geheel en al in verval geraakt en de waardigheid van Roomsch keizer bleef zelfs een tijdlang onbezet, De hertogen, baronnen en machtige Italiaansche vasallen hadden zich allengs onafhankelijk gemaakt en trachtten naar meer grootheid, naar meer macht. Koning van Italië te worden was het eenig streven van de meesten hunner, en even als in onze eeuw het bezit van Rome voor den Piemontees den stempel
— 172 —
op het ééne Italië moest drukken, zoo streefden ook die Italiaansche dwingelanden uit de 10e eeuw naar de opperheerschappij in Rome. En om daartoe te geraken kenden zij geen zekerder middel dan de Pausen aan hunne macht te onderwerpen, van hen afhankelijk te maken of zoodaningen dwang op de Pauskeuzen uit te oefenen, dat alleen dezulken verkozen werden, die zij naar hunne inzichten konden plooien. Dat de pauselijke Stoel onder zulke omstandigheden niet altijd beklommen werd door mannen die in alle opzichten onberispelijk waren of door groote geleerdheid en geestesgaven uitmuntten, behoeven wij wel niet te zeggen, en zoo zien wij dan ook nu den pauselijken Stoel enkele malen bezet door mannen, die denzelven zeker niet tot sieraad strekten. Maar dit is ook wat wij in dit werk voornamelijk hebben willen betoogen: n.1. dat de vrijheid en de onafhankelijkheid van den H. Stoel eene onmisbare voorwaarde zijn voor het welzijn en den bloei der Kerk; wanneer de Kerk niet vrij, niet onafhankelijk is staat zij aan alle gevaren, aan alle wisselvalligheden bloot; zij zal, omdat zij op Christus-Petrus is gebouwd, niet bezwijken, niet ten ondergaan, maar schade lijden en vernedering.
„God, zegt Axinger, stond deze groote vernedering toe, om te bewijzen dat de Kerk geene menschelijke instelling is, en dat, al kunnen de stervelingen de heilige zaken ontwijden, niets het bestaan kan bedreigen van Haar, die op de steenrots is gebouwd en aan welke de eeuwige bijstand van den H. Geest is beloofd. Ziedaar de ernstige leering welke dit ongelukkige tijdperk ons aanbiedt; en de ketters, in plaats van de Kerk een verwijt te maken van hetgeen enkelen harer kinderen misdreven, zouden er veeleer haar goddelijken oorsprong in moeten erkennen, waardoor de waarheid zich altijd van de dwaling heeft onderscheiden.quot;
En de abbé Quéant zegt; „En toch schittert op het voorhoofd van den opvolger van den H. Petrus het goddelijk merkteeken ! Die man, die door zijne misslagen de goddelijkheid schijnt te willen bewijzen van een godsdienst,
— 173 -
die door hem en trots hem blijft voortduren, is altijd omgeven van een stralenkrans, dien zelfs de heiligen eerbiedigen. Dat komt, omdat de leer, die hij verkondigt, de waarheid en het leven is ; dat komt, omdat, te midden van alle wijfelingen van ons verstand, te midden van die wereld waar geen enkel geslacht getrouw blijft aan de leeringen van het geslacht dat er aan voorafging, elke paus, welke hij ook zij, een schakel voegt aan dien machtigen keten der overlevering die, den mensch nemende als hij uit de handen van God komt, hem zeker door alle eeuwen heen leidt en tegen welke alle pogingen der menschelijke reden verbrijzeld worden.quot; 1) Professor (thans kardinaal) Hergen-roether zegt dan ook terecht: ,,Te midden van die stormen, zelfs onder het bederf van het schisma, hield de apostolische Stoel van Petrus stand, diep geschokt, maar niet verstoord en door de goddelijke hulp gedragen. Zelfs de tijdelijke overmacht van een valsch kerkelijk constitutionalis-me, zelfs de tegen hetzelve gehouden concilies konden zijn gezag niet ondermijnen, hoewel voor het oog van vele tijdgenooten verduisteren. Zelfs onwaardige dragers van de tiaar hebben in enkele opzichten groote dingen verricht voor de wetenschap, voor de zendingen, voor het behoud der kerkelijke tucht en orde.quot; 2)
Verliezen wij hierbij ook vooral niet uit het oog, dat aan den Paus wel de onfeilbaarheid in zake van geloofs-en zedeleer is gegeven, maar niet de onzondigbaarheid. Ook de paus blijft mensch en kan als zoodanig zondigen, kan in zake van staatkunde, wetenschap, kunst, kortom in alle menschelijke zaken falen. Niet aan Johannes, den geliefden leerling, maar aan Petrus, die hem verloochenen zou, heeft Christus de sleutelmacht gegeven. Toen Petrus, op de vraag des Heeren: ,,En wie zegt gij dat Ik ben?quot; dit heerlijk antwoord gaf: ,,Gij zijt Christus, de Zoon van den levenden God!quot; toen zeide de Zaligmaker tot hem:
(1 Gcrbert on Sylvester II et le siëcle de ter. (2 Algcmeine Kircliengeschichte.
— 174 —
„Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.quot; 1) En toch wist de Zaligmaker dat die onfeilbare Steenrots der Kerk Hem in het voorhuis van Caïphas zou verloochenen.
Evenwel, en als laatste opmerking, moeten wij ten sterkste aanraden om geen al te lichtvaardig geloof te hechten aan hetgeen sommige geschiedschrijvers over het karakter en het persoonlijk gedrag van enkele pausen uit dit veelbewogen tijdvak gezegd hebben. „Men heeft het kwaad, zegt Chantrel, 2) met licht te begrijpen bedoelingen zeer overdreven. De vijanden der Kerk, gelukkig dat zij eenige ergernissen hebben ontdekt op een Stoel die gedurende negen eeuwen slechts deugden te aanschouwen had gegeven, hebben enkele personen, die te samen nauwelijks eenige jaren geregeerd hebben, zeer op den voorgrond doen treden, terwijl zij zorgvuldig de daden der andere pausen, die zich in dit ongelukkig tijdperk den pauselijken Stoel volkomen waardig hebben betoond, stilzwijgend voorbijgingen. De haat van de vijanden van het Pausdom werd overigens goed gediend; een kroniekschrijver uit dien tijd, Luitprant, die niet van de Pausen hield en hekelschriften in plaats van geschiedenis schreef, heeft hun er de wapens toe geleverd en sommige katholieke schrijvers hebben, op zijn gezag, die leugens of overdrijvingen herhaald. De openbaarmaking van de werken van Flodoard, een ander gelijktijdig kroniekschrijver en die meer vertrouwen verdient, heeft al die valsche oordeelvellingen tot hare juiste waarde teruggebracht en de beter bekend geworden waarheid is, zooals altijd, ten gunste van het pausdom geweest.quot; En de abbé Quéant voegt hieraan toe: „Gedurende de eerste helft der 10e eeuw hebben wij op negentien pausen er slechts twee gevonden die berispelijk waren, en dezen hebben den Stoel van den H. Petrus te samen slechts twee-en-twintig maanden bezet,
1) Matheus XVI, 15. 18,
2) Geschiedenis der Pausen.
- 175 —
terwijl men over Johannes XII nog geen juist oordeel kan vellen, daar hij, trots zijne jeugd, veel ijver voor de kerkelijke tucht en de uitbreiding van het Evangelie heeft betoond.quot;
Wij hebben gemeend de voorafgaande toelichtingen te moeten geven, opdat de minder ervaren lezer zich niet zou laten verleiden tot oppervlakkige, onjuiste of voorbarige oordeelvellingen, wanneer hij in het verder verloop van dit werk bij zeer enkele Pausen soms handelingen mocht vermeld zien, die hem berispelijk of minder overeenkomstig de hooge waardigheid van den opvolger van den H. Petrus zouden toeschijnen. Hij mag nooit uit het oog verliezen dat die ergernissen niet aan de Kerk te wijten zijn, maar wel aan de wereldlijke vorsten, die de vrije keuze der Pausen belemmerden en dit, wij herhalen het, is de groote leering der geschiedenis : de vijheid en de onafhankelijkheid der Kerk zijn door God gewild en eene levensvoorwaarde voor hare waardigheid, hare ontwikkeling en haar bloei.
Keeren wij nu tot ons onderwerp terug.
* *
*
Berengarnis, die niet zonder waardigheid de keizerskroon droeg en zeker veel voor den vrede in het rijk en de onafhankelijkheid van den Pauselijken Stoel zou gedaan hebben, was door de moeilijke tijdsomstandigheden en vooral door de invallen der woeste Hongaren bijna tot machteloosheid gedoemd, en toen hij in 924 op laaghartige wijze vermoord was, bleef de keizerlijke waardigheid gedurende een dertigtal jaren onbezet. De zwarigheden, waarmede de keizer te kampen had, waren voor de eerzuchtige Grooten eene welkome gelegenheid om hunne macht uit te breiden en zoo zien wij het in de geschiedenis wel niet op zichzelf staand, maar toch vrij vreemd schouwspel, dat een drietal vrouwen gedurende geruimen tijd het lot van een rijk in handen hebben, oppermachtig regeeren,
- 176 —
en, in Rome, zelfs Pausen aanstellen en afzetten of althans geheel aan hare tirannieke macht onderwerpen. Deze vrouwen waren Theodora, de dochter van Glycerins en echtge-noote van Theophylactos, een der hooge overheidspersonen van Rome, benevens hare beide dochters Marozia of Mari-uccia en Theodora II. Bij deze drie kwam later nog Her-mingarda, weduwe van Adelbert, markgraaf van Ivrea. De groote macht dezer vrouwen lag vooral hierin, dat zij de Engelenburgt in hun bezit hadden en van daar de ge-heele stad beheerschten en voor haar wil deden bukken, zoodat de Pausen Anastatius III (f Oct. 913) en Lando (f April 914) niet het minste wereldlijk gezag meer bezaten. Marozia was eerst met den markgraaf Alberik van Come-rino graaf van Tusculum en verwante van Paus Ser-gius III gehuwd, en na den dood van dezen haren eersten gemaal (925), trad zij in den echt met Guido, markgraaf van Toscane. Paus Johannes X, die verwant was met de oudere Theodora en in 914 den Pauselijken Stoel beklom, was wel met veel kracht en ijver werkzaam om het pauselijk gezag te herstellen en de Westersche vorsten tot eensgezindheid te brengen, maar de intriges van Ermingarde en Marozia verijdelden zijne edele strevingen. Ermingarde wist de Italiaansche koningskroon aan haren halven broeder Hugo van Arles te bezorgen, die in 926 in Italië landde en te Pisa door de gezanten van den Paus werd begroet. Te Pavia tot koning gekroond zijnde, werd hij te Mantua door Paus Johannes ontvangen. Het scheen een oogenblik dat door de kroning van Hugo betere tijden zouden aanbreken, daar hij zich bemoeide om de macht der trotsche Marozia te fnuiken en de keizerlijke waardigheid weer te doen herstellen. Dit maakte natuurlijk niet de zaak van Guido en Marozia; zij wilden in Rome alleen heerschen en om dat te kunnen doen maakten zij zich van het Lateraan meester, doodden 's Pausen broeder Petrus onder diens oogen en wierpen den Paus zeiven in de gevangenis van den Engelenburcht, in welke hij in 228
— 177
stierf. Een jaar later stierf ook Guido en nu heerschten Marozia en haar zoon uit het eerste huwelijk, Alberik II, met onbeperkte macht in Eome. De opvolgers van Paus Johannes, Leo VI die slechts zeven maanden de pauselijke waardigheid bekleedde en Stephanus VII (VIII) die van 929—931 de tiaar droeg, hadden alle macht en invloed verloren en na den dood van dezen laatsten werd zelfs een van Marozia's zonen uit den eersten echt tot paus verheven, die tot 936 onder den naam van Johannes XI den pauselijken Stoel bezette. Over de daden van dezen paus is weinig bekend, maar, zegt prof. Hergenroether, het pleit in zijn voordeel, dat hij door zijn eigen broeder Alberik als een gevangene behandeld werd. De pauselijke Stoel geleek op een in ketenen geslagene, dien men de schande, die hij verdragen moet, niet mag toerekenen, zoolang hij van zijne vrijheid is beroofd.
Marozia sloot in 932 een derden echt, en wel met Hugo, koning van Italië, die een broeder van haar tweeden echtgenoot was. Ofschoon deze Hugo noch als vorst, noch als mensch veel lof verdient, was hij er toch op uit om de macht en den overmoed van de adelpartij in Italië en Rome te fnuiken, ofschoon van hem, als gemaal van de heersch-zuchtige Marozia, zeker niet veel te verwachten was voor de onafhankelijkheid van den pauselijken Stoel. Zijne trots en oploopendheid zouden evenwel zijn val veroorzaken.
Marozia, zoo verhaalt Cantü, beval haar zoon Alberik, zijn stiefvader na den maaltijd het waschwater te reiken en hij deed dit met zooveel tegenzin, dat Hugo hem een oorveeg gaf. Ten zeerste over deze beleediging verbitterd, sloot Alberik zich bij de partij der misnoegde leenmannen aan, dreef Hugo op de vlucht en regeerde daarna gedurende twee en twintig jaren in Rome, onder de titels van consiü, senator en tribuun, aldus de afstammelingen der oude Romeinen vleiende, die in den aanmatigenden demagoog, wiens overweldigingen zich zelfs tot over de pauselijke daden van zijn broeder Johannes XI uitstrekten, een re-
12
— 178
publikeinsche overheidspersoon zagenquot;. Dit oordeel van Cantü over de regeering van Alberik is echter niet in alle opzichten juist en wordt niet ten volle gedeeld door andere gezaghebbende schrijvers, zooals Hergenroether en Bru-nengo. Deze laatste zegt, na de beleediging verhaald te hebben, die Alberik van Hugo ondervond : „Bij deze beleediging snelde de fiere jongeling, van toorn ziedende, naar buiten (Hugo en Marozia bewoonden de Engelenburgt), deed een beroep op het volk, herinnerde de Romeinen aan hunne vroegere grootheid, hield hen de tegenwoordige smaad van slaven eener vrouw en eens vreemdelings te zijn voor oogen, en spoorde hen tot tegenweer aan. Zoo gezegd zoo gedaan. Het kasteel (San Angelo) werd door het woedende volk aangevallen en genomen. Hugo slaagde er ternauwernood in zich door de vlucht bij de zijnen te redden, die buiten Rome gekampeerd lagen ; Marozia werd in den kerker opgesloten, de Paus, een jongere broeder van Alberik, onder goede bewaking in Lateranen gehouden.
,,Yan dezen dag af was Alberik onbeperkt meester in Rome, en dat gedurende 22 jaren. Van Marozia weet men niet anders, dan dat zij in 945 niet meer in leven was. Wat Hugo betreft, deze beproefde driemaal, in 933, 936 en 941, teneinde zich te wreken en de heerschappij terug te bekomen, Rome met een machtig leger aan te vallen ; maar telkens werd hij door den dapperen Alberik teruggeslagen. Deze oorlogen werden wel herhaalde malen onderbroken door vredesonderhandelingen, waarvan de H. Odo, abt van Clugny, de voornaamste bewerker was, daartoe door de pausen Leo VII en Stephanus VII naar Rome geroepen, en Alberik stemde er zelfs in toe om Alda, de dochter van Hugo, tot gemalin te nemen; maar hij stond zijn schoonvader nimmer toe een voet in Rome te zetten, hem altijd met dat wantrouwen beschouwende, hetwelk deze treurige koning, door Muratori een kleinen Tiberius genoemd, maar al te zeer verdiende. Derhalve moest hij, alle hoop op Rome verliezende, en in Opper-Italie bedreigd door nieuwe
— 179 —
opstanden van de baronnen, die zijne tirannie moede waren, in 946 een blijvenden vrede met Alberik sluiten, en formeel afstand doen van elk recht of elke aanspraak, die hij op Rome kan doen gelden door zijn huwelijk met Marozia, welk huwelijk hij trouwens reeds verbroken had, als zijnde onwettig geweest, toen een huwelijk met Berta van Zwa-ben hem voordeeliger voor zijne staatkunde scheen. Nadat hij in Italië alle gezag verloren had, trok hij in wanhoop naar Provence terug, waar hij het volgend jaar stierf.
„Alberik nam inmiddels den titel van senator en Vorst van alle Romeinen aan, en regeerde zonder betwisting in Eome. Eene enkele zamenzwering, door eenige voorname leeken en geestelijken tegen hem beraamd, en waaraan zijne eigene zusters medeplichtig waren, werd spoedig ontdekt en streng gestraft. Maar zijn krachtig, rechtvaardig en wijs bestuur werd door de Romeinen, die de verleden onlusten moede waren, zeer op prijs gesteld, en zij toonden zulks door de trouw en de vastberadenheid waarmede zij de voorspiegelingen en de herhaalde aanvallen van koning Hugo afsloegen. Maar niet alleen de Romeinen, ook die van buiten gaven aan de heerschappij van Alberik de voorkeur boven die van Hugo, zooals zelfs Luitprant, hoveling en lofprijzer van Hugo, bekent, als hij zegt dat vele edelen en soldaten uit geheel Italië van Hugo naar Alberik overliepen en dezen aanspoorden stand te houden.
,,Deze (Alberik), hetzij uit enkele staatkunde, hetzij uit oprechte godsvrucht, eerbiedigde en beschermde de geestelijkheid, vooral de kloosterorden ; betoonde zich ijverig voor den glans van den eeredienst en voor de kerkelijke tucht; gaf rijke schenkingen aan Monte Casino, dat in 937 door eene bende Hongaren, die reeds plunderend in Bene-den-Italie waren afgezakt, was beroofd ; hielp de Pausen in de hervorming van de abdij van Farfa en andere kloosters, die door de invallen der Saracenen en later door die der Hongaren schade hadden geleden, meer nog op zedelijk dan zelfs op stoffelijk gebied.
— 180 —
,,'t Is waar dat de heerschappij van Alberik in haren oorsprong een onuitwischbare vlek had, namelijk die van overweldiging van eene macht, welke alleen aan den Paus behoorde; en men weet niet, althans niet met zekerheid, of hij die macht ooit aan den wettigen bezitter teruggaf.
„Nadat Johannes XI, dien hij in Lateranen meer als ondergeschikte dan als broeder, en minder nog dan als Heer behandelde, in 936 op jeugdigen leeftijd was gestorven, volgden vier andere pausen Leo VII, Stephanus VII, Marinus II en Agapetus II elkander op, aan welken Alberik, voor zooverre het uit de weinige bescheiden van die pausschappen blijken kon, geen ander gezag dan dat in geestelijke zaken overliet. En zelfs mengde hij zich soms op zeer ongelukkige wijze in geestelijke zaken ; zooals toen hij, om aan Romanus Lecapanus, keizer van het Oosten, aangenaam te zijn, aan diens zoon Teofilattus, Patriarch van Constantinopel, in naam van Paus Johannes XI toestond, dat hij en zijne opvolgers het Pallium zouden aannemen, zonder nadere toestemming van den Stoel van Rome. Zoo onmogelijk is het dat hij, die de plaats van koning te Rome overweldigt, ook niet een weinigje paus wil spelen, en dat hij zeer slecht voor Paus speelt, al is hij als koning ook niet slecht.
„Maar ofschoon de regeering van Alberik feitelijk eene overweldiging was, toch erkende hij het recht en eerbiedigde hij het beginsel van de wereldlijke souvereiniteit van den Paus, en naar verschillende aanwijzingen te oordeelen schijnt het, dat zijne regeering van absoluut als zij was, allengs meer en meer den vorm van een tijdelijk Vicariaat aannam, dat door de Pausen niet alleen werd geduld, maar ook gewild, en althans zwijgend toegestaan was als weldadig en beantwoordende aan de toestanden van die tijden. De oorkonden en openbare acten worden altijd nog gedagteekend naar het loopend pausschap, en bij de wettelijke eeden wordt altijd bij het heil van den Pmis ge-
— 181 —
zworen, twee bewijzen dat de Paus nog altijd als eenig souverrein werd beschouwd.
Van een anderen kant leefden de vier genoemde pausen, naar het schijnt, in goede verstandhouding met Alberik. Hunne verkiezing was vreedzaam en zonder die gewelddaden van partijschappen, die eerst zoo veelvuldig waren, en allen waren goede pausen, waarvan de gedenkschriften van die tijden slechts lof vermelden; de laatste hunner, Agapetus, die eene langere regeering had, kan zelfs onder de beste geteld worden. Geen hunner kwam ooit in strijd met Alberik, en in hunne Bullen spreken zij altijd met lof van hem : zeer roemrijken vorst en senator van alle Romeinen, beminden geestelijken zoon, roemrijken zoon en senator, welken titel van roemrijken hem zelfs door den kroniekschrijver van Farfa en andere tijdgenooten gegeven wordt, die allen met de Pausen eenstemmig den roem van Alberik verkondigen.quot;
quot;Wat Brunengo over Alberik zegt luidt dus geheel anders dan wat Cantü hem ten laste legt, en uit alles blijkt dat de Pausen, gezien de moeilijke tijdsomstandigheden, het wijze en rechtvaardige bestuur van Alberik stilzwijgend toelieten, althans zich er niet tegen verzetten.
Brunengo ziet in de gelukkige regeering van Alberik en diens vreedzaam uiteinde een verder bewijs voor zijne goedgekeurde of niet betwiste heerschappij over Rome. „Terwijl de geschiedenis van alle overweldigers van de stad der Pausen, van Alarik tot aan Napoleon III, zegt hij, duidelijk over allen de straffende hand Gods doet zien, zou het voortdurend geluk van Alberik eene te vreemde en te ergerlijke uitzondering zijn, verondersteld dat hij die dwingeland en overweldiger ware, die anderen in hem hebben willen zien. Na 22 jaren als vorst geregeerd te hebben, overleed hij in vrede in het jaar 954, en liet hij op onbetwiste wijze de macht na aan zijn zoon Octavianus, een jongeling van 18 jaren en geestelijke. Wat meer is; toen Agapetus II het volgend jaar stierf, werd Octavianus
- 182 —
zonder eenigen tegenstand door de Romeinen tot Paus verkozen en nam hij den naam van Johannes XII aan. Hij vereenigde zoo in zijne hand de beide machten, die gedurende meer dan twintig jaren gescheiden waren of schenen. Deze verkiezing was zelfs door Alberik voorbereid, die zoo aan den opvolger van den H. Petrus weer de volheid zijner rechten wilde teruggeven.
Hoofdstuk X.
Herstel van de keizerlijke waardigheid, die van Frankrijk naar Dnitseliland wordt verplaatst. Otto de Croote. eerste Kooinseli keizer van de Dnitsche natie. Zijne oiiceiiiffheid met den Paus en de Konieinen. Schisma in de kerk. doordien de keizer een tegenpaus aanstelt tegenover Benedietus V. Meuwe onlusten in Koine. Dood van Otto 1. Partijschappen, dood van Otto 11. dwingelandij van Crescentins. Eenige nadere beschouwingen over de 10e eeuw. Paus Sylvester II en Keizer Otto 111. Hun dood geeft aanleiding tot nieuwe dwingelandij der partijschappen. Verdere beroeringen en onlusten tot aan Paus Leo IX.
nder de regeering van Paus Johannes den XII zou lN%Ide keizei'l'ike waardigheid, die 38 jaren door geen enkelen A'orst van het Westen meer bekleed werd, hersteld worden ; evenwel niet ten gunsten van de koningen van Frankrijk of van de nazaten van Karei den Groote, maar van Vorsten van Duitsche natie. Het scheen dat nogmaals de oude luister van de Roomsche keizerskroon zou herleven als onder den grooten Karei, dat de vrede in het Westen zou verkregen en het wereldlijk gezag der Pausen hersteld en opnieuw 'quot;evestigd worden. Deze blijde verwachting zou evenwel nog oen tijdlang te leur worden gesteld en de strijd tusschen het wereldlijk en het geestelijk gezag zou feller dan ooit ontbranden. Nog eenmaal zou de Pauselijke Stoel zuchten onder de dwingelandij van Italiaansche baronnen eu van de Duitsche keizers, totdat eindelijk de deugd, de geleerdheid en de reuzenkracht van
- 184 —
Gregorius VII de overwinning zouden behalen, de tijdelijke macht van den Stoel van Petrus schitteren ineenluister, zooals hij noch voor noch na dien tijd weer heeft ten toon gespreid.
De aanleiding tot deze gewichtige gebeurtenis was de volgende.
Na den dood van Lotharius, de zoon van koning Hugo, in 950, was Berengarius II, markgraaf van Ivrea, te Pavia tot koning van Italië gekroond. Deze Berengarius was al niet veel beter dan Hugo, den kleinen Tiberius. Hij onderdrukte de Kerk, had zich meester gemaakt van de provincies van den kerkelijken Staat en bedreigde Rome. Paus Johannes en bijna alle Bisschoppen en Graven van Italië zochten hulp bij Otto I, koning van Duitschland, die zich door zijne krijgsmansdeugden, door zijne rechtvaardigheid en zijn ijver in den godsdienst reeds een welverdienden roem had verworven.
Otto gaf aan die roepstem gehoor, trok, zonder veel tegenstand te ontmoeten, Lombardije binnen en ontving te Milaan de ijzeren 1) kroon van de Lombardische koningen. Van daar trok hij naar Rome, waar hij den 2den Februari 962, met zijne gemalin Adelheid, tot keizer werd gekroond. Keizer Otto hernieuwde den eed der vroegere keizers, dat hij de verdediger en beschermer der Kerk zou zijn en bevestigde de Roomsche Kerk door eene met gouden letteren geschreven oorkonde, in al hare vroegere bezittingen. Na een paar weken in Rome vertoefd te hebben, waar hij aan vele geschillen een einde maakt, vertrok hij om Berengarius in diens laatste schuilplaats van S. Leo bij Montefeltro te gaan belegeren. Deze moest zich in 964 overgeven en werd met zijne gemalin Villa, die misschien noch slechter dan hij was, in ballingschap naar Bamberg gevoerd, waar hij een paar jaren later stierf. Berengarius onderging dus het lot van Desiderius, wien hij in trouweloosheid en slechtheid weinig toegaf.
1) Aldus genoemd omdat zft van binnen een Ijzeren ring bevatte die, naar men beweert, gemaakt was van een der nagelen waarmede de Zaligmaker aan het kruis was gehecht.
— 185 -
Otto de Groote begon dus, evenals Karei de Groote, zijne nieuwe waardigheid met de vrijmaking der Kerk. De Pauselijke Stoel trad weer in het bezit van hare provincies, aan welke Otto nog zeven steden uit het hertogdom Spoleto toevoegde, n. 1. Eieti, Morcia, Amiterno, Fur-conio. Val va, Marsi en Terni.
De verhouding tusschen den keizer eenerzijds en den Pauselijken Stoel en het Romeinsche volk anderzijds, schenen derhalve zoo gunstig mogelijk te zijn, en toch zou zij niet lang duren. Men was niet meer in de tijden van Karei den Groote. Otto was geen Karei, Johannes XII geen Leo III, zegt Brunengo, evenmin als de ruwe Duit-schers aan de edelmoedige Franken, of de rumoerige Romeinen der 10de eeuw, aan die goede Romeinen der 8ste eeuw gelijk waren, aan welke de gemeenschappelijke noodzakelijkheid en gevaren geleerd hadden eensgezind en rustig te leven onder het vaderlijk bestuur van den Paus en onder de bescherming van zijn en hun Patriciër.quot; De groote tegenstelling tusschen het Romaansche en het Ger-maansche karakter, tusschen Latijnen en Duitschers zal wel een der hoofdoorzaken zijn geweest van den eeuwenouden tegenzin der Italianen voor de Duitschers. Wat er ook van zij, er ontstond weldra in Rome eene zeer sterke anti-keizerlijke partij en paus Johannes, die zelf Otto naar Italië geroepen had, wendde zich van hem af en ontving met veel welwillendheid den, door de aan Duitschland vijandelijke partij in Rome geroepen, zoon van Berengarius Adelbert. Of Paus Johannes wellicht door een misschien wat ruw optreden van Otto tegen dezen was ingenomen, dan wel of de van den keizer afkeerige fractie hem voor zich had weten te winnen, zeker is het dat de onverstandige en niet te rechtvaardige handelwijze van Johannus XII zware en noodlottige gevolgen had.
Otto, die nog in Italië was en het beleg voor S. Leo voerde, keerde, zoodra hij kennis van het voorgevallene droeg, naar Rome terug, maakte zich den 3den November
- 186
963 zonder slag of stoot van de stad meester, verzamelde in Sint Pieter een concieliabnnl (onwettig concilie,) dat den Pans van gruwelijke en ongeloofelijke misdaden beschuldigde, hem ten slotte vervallen van de regeering verklaarde, en een eenvoudig geestelijke tot tegenpaus uitriep, die den 6den December gewijd werd. Otto eischte dat in het vervolg niet slechts de kroning van den Paus, zooals gebruikelijk was, maar ook zijne verkiezing alleen zou plaats hebben met de goedkeuring des keizers. De laakbare handelwijze van paus Johannes en de oproerigheid der Romeinen hadden derhalve niet alleen de goede gezindheid des keizers doen veranderen en de pauskeuze weer van hem afhankelijk gemaakt, maar bovendien eene kerkelijke scheuring teweeg gebracht, daar zich, tegenover den wettigen Paus Johannes, de tegenpaus Leo VIII verhief. De Romeinen, over deze handelwijze verontwaardigd, A'ielen Otto in Januari 964 in het Vaticaan aan, maar deze verdreef met zijne ridders de oproerige Romeinen en richtte een vreeselijk bloedbad onder hen aan. De verschrikte stad onderwierp zich, gaf den keizer honderd gijzelaars en vernieuwde den eed van trouw. Nauwelijks had Otto evenwel Rome verlaten om Adelbert in Camerino te belegeren, of de inwoners openden de poorten voor Paus Johannes die, na den tegenpaus verdreven en in eene wettige synode de handelingen van het pseudo-concilie vernietigd te hebben, streng recht over de aanhangers van zijn tegenstander uitoefende. Reeds was Otto andermaal met zijn leger op weg naar Rome, toen Johannes XII op 28 jarigen leeftijd en in het 9de jaar van zijn pausschap plotseling en op nog niet opgehelderde wijze overleed. „Van weinig pausen, zegt p. Brunengo, is de nagedachtenis zoozeer bezwaard als van Johannes XII, en het is waarlijk moeilijk haar van alle smetten te zuiveren, vooral van die van wereldgezindheid en losheid van zeden. Niettemin moet men niet te veel geloof hechten aan al de beschuldigingen tegen hem door de aanhangers van de keizerlijke partij.
— 187 —
welke bijna de eenige bron voor de geschiedenis van die tijden zijn, ingebracht. Welk overigens ook zijn persoonlijk gedrag ware zijne handelingen als Pans verdienen alle lof en als koning gaf hij blijk van moed en verstand, den zoon van Alberik waardig. Zijne dubbelzinnige staatkunde ten opzichte van Otto schijnt wel op het eerste gezicht laakbaar, maar bij de eerste breuk met den keizer was het ongelijk, zooals wij reeds zeiden, misschien niet, of althans niet geheel, aan de zijde des Pausen ; en na de breuk en bij de gewelddaden van Otto en zijn valsch concilie was de tegenstand van Johannes niet alleen wettig maar ook noodzakelijk. Zeker is het, dat hij geheel Rome op zijne zijde had, dat tweemaal opstond en het vreeselijk zwaard van Otto trotseerde, om den tegenpaus te verjagen en Johannes op zijn zetel terug te voeren; een groot bewijs dat de zaak van Johannes, van den beginne af, niet alleen rechtvaardig maar ook populair was.quot;
Xa den dood van Paus Johannes bleven de Romeinen zich nog tegen den keizer verzetten, zoodat deze andermaal naar Rome toog, de stad door den honger tot de overgave dwong en zijn tegenpaus er weer binnen bracht, na den wettig verkozen opvolger van Johannes, Benedictus V, in ballingschap naar Hamburg te hebben gezonden. De geheel onverwachte dood A'an den tegenpaus Leo VIII bracht Otto tot nadenken, zoodat hij Benedictus V uit de ballingschap terug riep. Deze stierf evenwel op zijne terugreis naar Rome en nu werd Johannes XIII zonder eenigen tegenstand op den Pauselijken Stoel verheven. Hiermede was het schisma ook gelukkig geeindigd. De nieuwe paus scheen aan vele Romeinsche Grooten evenwel te keizers-gezind, en misschien ook wel wat te streng in het onderdrukken van den overmoed dezer edelen, zoodat er een opstand tegen hem losbarstte. De Paus werd in de Enge-lenburgt gevangen gezet en vervolgens naar eene sterke vesting op kaap Circeo overgebracht. Otto trok opnieuw de Alpen over, om de opstanden te straffen, maar reeds was
— 188 —
eene tegenomwenteling onder leiding van Crescentius uitgebroken en de Paus naar Eome teruggevoerd, niettemin was de wraakneming van Otto op de eerste samenzweerders vreeselijk; de drie voornaamste hoofden en een twaalftal hrnner voornaamste onderaanvoerders werden op barbaarsche wijze ter dood gebracht. Na deze strafuitvoering genoot Rome een aantal jaren rust, en op Kerstdag 967 kroonde paus Johannes XIII des keizers zoon Otto II, als medebestuurder van het rijk en in April 972 zegende hij in Sint Pieter op plechtige wijze het huwelijk in van Otto II met de schoone en deugdzame Teofania, de dochter van den Griekschen keizer.
Dit huwelijk voerde, na zoovele eeuwen, tot eene verzoening tusschen het Oosten en het quot;Westen.
Kort daarop, den 7 Mei 973, stierf Otto de Groote, na eene roemvolle regeering, die evenwel niet zonder donkere schaduwen was, zooals wij uit het voorafgaande gezien hebben.
Met den dood van Otto den Groote was het ook gedaan met de kortstondige rust in Rome. Twee machtige adellijke families, die der Crescentius' en die van de graven van Tusculum streden bij de afwezigheid van den jeugdigen keizer, en diens kracht geringachtende, om de heerschappij om Rome, en andermaal zien wij het feit zich voordoen dat Rome, aan de macht der Pausen ontrukt, dagen van rampspoed tegemoet gaat en dat de Kerk, hare onafhankelijkheid missende, aan alle gevaren van scheuringen en aan vernedering wordt blootgesteld. Maar tevens zullen wij dat andere wonderbare feit zich zien bevestigen, dat, welke ook de wisselende lotgevallen van Rome mogen zijn, het altijd na eenigen tijd weder onder de heerschappij der Pausen terugkeert. Rome en de Paus kunnen wel een korten tijd van elkander gescheiden worden, maar eene blijvende verwijdering kennen zij niet. In de raadsbesluiten Gods zijn Rome en het Pausschap onafscheidelijk aan elkander verbonden.
— 189 —
Johannes XIII, die acht maanden voor Otto I was ge storven, werd op de meest vreedzame wijze en met goedkeuring des keizers door Benedictus VI opgevolgd; deze regeerde dok gedurende ettelijke maanden op de meest rustige wijze.
In 974 wist de anti-keizerlijke partij evenwel weer een opstand te doen uitbreken, waarvan Crescentius of Cencius de aanstoker was. Deze was een zoon van Theodora en zekeren hertog en consul Johannes, terwijl Theodora, volgens sommige schrijvers, eene nicht was van de beruchte Marozia. Crescentius Avist zich van de Engelenburcht meester te maken, ten einde de stad te kunnen beheerschen, viel den Paus in Lateranen aan, nam hem gevangen en liet hem in de gevangenis vermoorden, waarna hij zekeren diaken Franko of Francone tot Paus deed verkiezen, onder den naam van Bonifacius VII. De kans keerde echter tegen Crescentius, daar de partij van de graven van Tusculum de overhand kreeg. Bonifacius vluchtte naar Constantinopel, waarheen hij, zooals Hergenroether zegt, zelfs de schatten uit St. Pieter meevoerde, terwijl Crescentius voor goed van het tooneel verdween. Onder Benedictus VII, die uit het huis van de graven van Tusculum stamde, genoot Rome weer eenige rust, welke de Paus gebruikte om de ellende, door de geleden beroeringen ontstaan, te lenigen, de door de Sarecenen verwoeste kerken te herstellen, scholen op te richten en in verschillende synoden maatregelen te treffen tegen de misbruiken, die in deze veelbewogen tijden onder de hoogere en lagere geestelijkheid waren ingeslopen.
Daar de partij van Crescentius andermaal het hoofd begon op te steken, riep de paus den jeudigen keizer te hulp en zonder dralen gaf Otto II aan de roepstem des Opperpriesters gehoor, zoodat hij in 981 met den Paus te Ravenna samenkwam en vervolgens met dezen naar Rome trok, waar hij zich met Paschen dan ook bevond. De grootste zorg van Paus en keizer waren gericht op de
— 190 —
verdrijving der Saracenen uit Italië en derhalve bereidde Otto zich dan ook tot een veldtocht tegen hen voor. In den beginne begustigde het wapengeluk hem, maar weldra keerde de kans en den 13en Juli 982 leed zijn leger eene zware nederlaag bij Stilo in Calabrie. De moedige en edele vorst liet zich door dezen tegenspoed niet uit het veld slaan. Hij bereidde een nieuwen veldtocht voor, edoch de dood overviel hem toen hij nog slechts 28 jaren telde. Hij stierf den 3en December 983 in het keizerlijk paleis bij Sint Pieter, een zoon nalatende, die nog slechts drie jaren telde. Paus Benedictus was hem eenige maanden vroeger in den dood voooraf gegaan, opgevolgd wordende door den bisschop Petrus van Pavia, die den naam van Johannes XIV aannam.
❖ *
De dood van den jeudigen keizer was een onherstelbaar verlies voor het Duitsche Rijk en voor Italië en vooral Rome en de Pauselijke Stoel zouden er opnieuw zwaardoor geschokt worden.
Door zijne moeder, de heilige keizerin Adelheid, in alle deugden opgevoed, door zijn vader, Otto den Groote, reeds op jeugdigen leeftijd tot mederegent aangesteld, dapper, edelmoedig, toegerust met alle gaven van hart en geest, beloofde hij een der uitstekendste vorsten te zullen worden,die Duitschland ooit gekend heeft. EdochGod had in zijne ondoorgrondelijke raadsbesluiten anders beslist en hem in den bloei der jaren tot zich genomen.
Xa den dood des keizers begon de partij van Crescen-tius wederom haar onzalig spel. Bonifacius VII keerde, na eene afwezigheid van zeven jaren, uit zijne ballingschap terug en maakte zich andermaal van den Pauselijken Stoel meester en liet Paus Johannes in de Engelenburgt opsluiten en daar van honger omkomen, terwijl een zoon van den reeds vermelden Crescentius, Johannes genaamd, en later
191 —
meer bekend onder den naam van Creseentius van Xomen-tanum, de wereldlijke macht overweldigden en den titel van Patriciër aannam. Bonifacius zon niet lang meer den Pan-selijken Stoel bezetten, hij stierf in 985, naar beweerd wordt, een gewelddadigcn dood; waarschijnlijk bij een oproer ; zijn lijk werd althans dooi' de woedende volksmenigte door de straten gesleurd, totdat het eindelijk door de geestelijkheid begraven werd. „Nieuwere schrijvers, zegt Bru-nengo, hebben getracht dezen Paus te zuiveren van vele, tegen hem ingebrachte beschuldigingen, maar met meer goede bedoeling dan kritiekquot;. Creseentius ging inmiddels voort op tirannieke wijze te regeeren en niet alleen den Paus als 't ware onder zijne voogdij te houden, maar ook de vreemdelingen, die naar Rome kwamen, op schatting te stellen.
Eene gelukkige wending in de zaken bracht de komst der keizerin-weduwe Teofana te Rome te weeg, daar zij, in naam van haar zoon de regeering voerende, met toestemming des Pausen ook in naam van haar zoon het be-schermrecht over Rome uitoefende, zoodat Creseentius zich een tijdlang rustig hield en zelfs dooi' de keizerin bevestigd werd in zijn titel van Patriciër. Nauwelijks had de keizerin evenwel Rome verlaten of Creseentius deed zijne dwingelandij sterker dan ooit gevoelen, zoodat de Paus in 995 genoodzaakt was uit zijne stad te vluchten en eene wijkplaats te zoeken bij Hugo van Toscanen, die tot de keizerlijke partij behoorde. Deze zond boodschappers naar Otto om diens hulp te vragen en de jonge vorst, ofschoon nog slechts 17 jaren oud, toog onmiddellijk op weg naar Rome. Te Ravenna kwamen de gezanten van Rome bij hem, om hem hulde te bewijzen en een opvolger voor den inmiddels overleden Paus Johannes XV te verzoeken. Otto wees hen zijn kapelaan en neef Bruno aan, die dan ook later op kanonieke wijze te Rome verkozen werd en onder den naam van Gregorius V met veel waardigheid en wijsheid regeerde. Den 21sten Mei werd Otto III te
— 192 —
Rome door Gregorius gekroond, onder luide toejuichingen van het volk ; de oproerige partij legde het hoofd in den schoot en op voorbede van den Paus werd Crescentius slechts met ballingschap gestraft.
Edoch de rust was van korten duur. Nauwelijks was Otto vertrokken of Crescentius keerde terug, en om te beter zijne macht in Rome te vestigen, stelde hij tegenover Gregorius V, die een Duitscher was, een tegenpaus aan, die zich Johannes XVI noemde. Zijne macht zou evenwel niet meer van langen duur zijn. In 998 keerde Otto naar Rome terug ; de partij van Crescentius werd, nadat de Engelen-burgt, waarin hij zich ophield, door Ekhardt van Mynië was bemachtigd, verwonnen en deze, met twaalf zijner medeplichtigen, op hetzelfde kasteel San Angelo onthoofd. Zijn lijk werd op Monte Mario aan de galg opgehangen, doch later in de kerk van Sint Pancratius op den Jani-culus begraven. De tegenpaus, na in eene synode te zijn afgezet, eindigde kort daarop zijn ellendig leven. Crescentius eindigde, zooals alle vervolgers en overweldigers der Kerk eindigen. Den 18en Februari 999 stierf Paus Gregorius V, na eene regeering van slechts drie jaren. Hij werd opgevolgd door Gerbert, bisschop van Ravenna, die den naam van Sylvester II aannam. En zoo zijn wij aan het einde dezer ijzeren eeuw gekomen.
De 10de eeuw was zeker in vele opzichten eene rampzalige eeuw, maar daarom geloove men toch niet dat alles duisternis, misdaad en ondeugd was. Al komen onder de pausen ook een paar voor wier leven verre van onberispelijk was, toch zou men zeer tegen de waarheid ingaan wanneer men alle pausen uit dat tijdperk verantwoordelijk wilde stellen voor de gebreken van enkelen. ,,Op de een-en-dertig Pausen, van Formosus (891) tot Sylvester II (1003), zegt p. de Groot, 1) komen er twee of drie voor wier nagedachtenis onder ernstige beschuldiging ligt; verscheidene hunner verspreidden, daarentegen, door dien duisteren tijd
1) De Pausen en de Christelijke beschaving.
— 193 -
glans eener buitengewone deugd : Johannes V, Benedictus IV, Leo V, Anastatius III, Stephanus VII, Leo VII, Step-hanus VIII, Marinus II, Agapetus II, Benedictus V, Benedictus VII, Johannus XV, Gregorius V, Sylvester II, gaven het voorbeeld van een vroom leven en van degelijk plichtbesef.
Rome's heilzame invloed op de christelijke beschaving blijft in de „ijzeren eeuwquot; zeer zichtbaar. ,,Nachtquot;, inden volstrekten zin. kent Rome niet; want de Paus, afgezien van zijne persoonlijke hoedanigheden, is de drager der groote beginselen die de zedelijke kracht der maatschappij zijn ; als leeraar der Kerk, door God bijgestaan, spreekt hij woorden des eeuwigen levens; als Opperpriester bewaart hij de eenheid onder hen, wien de bediening der heilige Sacramenten is bevolen.quot;
En een weinig vroeger zegt dezelfde geleerde schrijver: „Kleven er dan geen vlekken op het gewaad der toenmalige Opperpriesters ? Geen katholiek is het onbekend, dat onfeilbaarheid in de leer niet met onzondigheid van leven moet verward worden. Wat de leer betreft, is ééne zaak zeker, dat namelijk zelfs de meest beschuldigde Pausen nimmer van dwaalleer ex cathedra, dat is, in de opperste beslissing omtrent geloof en zeden, werden overtuigd, en dat de thummim 1) steeds onbesmet als het zuiverste goud op hun borst heeft geblonken.quot;
Maar ook in menig ander opzicht biedt deze „duisterequot; eeuw meer dan een glanspunt aan. In de kloosters en abdijen van Tours, Sint Gallen, Rheims en vooral Clugny, werden de wetenschappen met veel ijver beoefend en vandaar uit kwam meer dan een groot en heilig man voort. Gerbert, die als Sylvester II den pauselijken Stoel beklom, was een der geleerdste mannen van zijn eeuw en nog van vele latere eeuwen.
Op den Duitschen keizerstroon zat naast Otto den Groote
1) Het op de borst der Israëliëtische hoogepriesters zich bevindende en uit 12 edelgesteenten bestaande borstsieraad.
13
— 194 —
zijne heilige gemalin Adelheid (999), in Hongarije regeerde de heilige koning Stephanus, en weldra zouden twee heiligen, Hendrik II en zijne gemalin Cunegonda, den Duitschen keizerstroon tot sieraad en eer strekken. Het kloosterleven en het ridderwezen breidelden de woeste hartstochten, en reeds in deze eeuw zien wij de voorbode opdagen van den Godsvrede, die de verschrikkingen en rampen des oorlogs zou verminderen en de veeten der Grooten breidelen. Neen, 't was niet alles duisternis. Het Christendom, de Kerk brachten ook in die ijzeren eeuw groote en heerlijke vruchten voort en aan dien somberen hemel der 10de eeuw
schitterde meer dan ééne ster met onvergankelijken luister.
* *
*
Gerbert, die onder den naam van Sylvester II den pauselijken troon beklommen had, was van zeer geringe afkomst, maar in het klooster te Keims opgevoed verwierf hij door zijne buitengewone geleerdheid een grooten roem en groot gezag, zoodat hij een niet geringen invloed op de staatkundige gebeurtenissen van zijn tijd uitoefende Vriend van Hugo Capet, die aan Gerbert voor een groot gedeelte zijne komst tot den Franschen koningstroon te danken had, vriend en opvoeder van diens zoon Robert, was hij tevens ook de vriend der drie Duitsche Otto's en de opvoeder van den derden van dien naam.
Toen zijn voormaligeleerling, tot den Duitschen keizerstroon geroepen, den gezanten der Romeinen zijn vriend en leermeester, destijds aarts-bisschop van Ravenna, voor de pauskeuze aanbeval, kon hij al geen betere keuze treffen, daar Gerbert aan groote geleerdheid ook groote vroomheid en een onberispelijken levenswandel paarde.
Met een Sylvester II tot Paus en een Otto III tot keizer kon men de toekomst waarlijk met vertrouwen tegemoet zien, te meer daar Otto, waarschijnlijk tengevolge van den invloed zijner moeder Teufana, eene Grieksche prinses,
— 195 —
zooals wij gezien hebben, in gewoonten, beschaving en neigingen meer met de Italianen en Romeinen overeenstemde dan zijne voorgangers, die geheel en al Germanen waren. Bij al zijne goede eigenschappen en deugden kwam evenwel een zeker romanesk streven, zooals Brunengo het noemt, maar dat wij liever de ideale uiting van een geestdriftvol gemoed en van eene naar hooge doeleinden strevende ziel zouden noemen, die men zeker in een jongen vorst van 17 jaren niet al te zeer moet laken, al is het ook dat dit streven weinig kans had tot werkelijkheid te worden. Het ideaal van Otto III was namelijk het doen herleven van het oude Romeinsche keizerrijk ; niet zooals Leo III in Karei de Groote wilde verwezenlijken, maar geheel in den geest van Dante en andere groote en vurige Italianen, n.1. den zetel van dat keizerrijk te Rome vestigen en van het rijk eene groote wereld-monarchie maken. Maar Rome was bestemd om geen anderen vorst dan den Paus te hebben en de Voorzienigheid verijdelde de plannen van den jeudigen keizer.
De oude anti-keizerlijke partij bestond nog altijd te Rome en deze zag met leede oogen het langdurig verblijf des keizers binnen de stad aan. De zachtmoedigheid des keizers tegenover de opgestane inwoners van Tivoli mishaagde aan de Romeinen, ijverzuchtig op hunne mededingers, en was de welkome aanleiding tot een oproer tegen den keizer, dien zij in zijn kasteel op den Aventijnschen heuvel belegerden. De weinige keizerlijke troepen, die buiten de stad legerden, waren niet in staat het oproer te dempen, doch de welsprekende aanmaningen van den keizer stilden voor een oogenblik den opkomenden storm. In Februari van het jaar 1001 brak de opstand, onder aanvoering van Gregorius, graaf van Tusculum, met nieuw geweld los, terwijl de keizer zich in het noorden van Italië bevond.
Otto trok naar Rome om het onder zijne gehoorzaamheid terug te brengen, maar tijdens het beleg werd hij door kwaadaardige koortsen overvallen en den 23den Februari
— 196 —
1002 blies hij, op 22-jarigen leeftijd, in het kasteel tePaterno bij Civita Castellana, in de armen van zijn vriend en leermeester, Paus Sylvester, den laatsten adem uit. De Paus keerde daarop naar Rome terug, maar ook hij overleed den 12den Mei van het volgende jaar.
De anti-Duitsche partij had zich gehaast, onmiddellijk na den dood van Otto, Arduïn, markies van Ivrea, tot koning van Italië uit te roepen, teneinde zoo den pas aan de Duitschers af te snijden. Deze Arduïn had reeds vroeger door zijne gewelddaden den kerkelijken ban zoowel als den rijksban beloopen, zoodat Rome waarlijk weer een zwaren tijd te gemoet ging. Na het verscheiden van Otto wist Johannes, zoon van den onder Otto II ter dood gebrachte Crescentius, zich van de oppermacht in Rome meester te maken, zoodat de drie opvolgers van Sylvester II, Johannes XVII, Johannes XVIII en Sergius IV wel vreedzaam en met veel waardigheid den Stoel van Petrus bezetten, maar niet het geringste gezag in burgerlijke zaken behielden.
Toen deze Crescentius in 1012 gestorven was, wisten de graven van Tusculum weer het gezag aan zich te trekken. Even begeerig naar de absolute macht als de Crescentius, legden zij het evenwel op eene geheel andere wijze aan. Terwijl dezen de Pausen zelfs geen schijn van gezag lieten, zorgden die van Tusculum er voor dat die schijn volkomen bewaard bleef, ofschoon feitelijk alle macht in hunne handen was, daar zij het steeds daarheen wisten te leiden dat een hunner naaste bloedverwanten tot Paus werd verkozen, zooals zij reeds met Johannes VII en Be-nedictus VII hadden gedaan.
De reeds vroeger genoemde graaf Gregorius liet bij zijn dood, in 1012, drie zonen na, Alberik, Theofilattus en Romanus. Toen Paus Sergius IV overleden was, wisten die van Tusculum Teofilattus tot Paus te doen verkiezen, die dan ook onder den naam van Benedictns VIII den Pauselijken Stoel beklom, terwijl de beiden andere broeders
1
— 197 —
de wereldlijke macht deelden ; Romanus onder den naam van Senator van alle Romeinen, Alberik onder dien van Palantijnschen graaf. Benedictus werd door de geheele Kerk en ook den keizer als wettigen Paus erkend, en onder de regeering der drie broeders werd de rust allengs hersteld ; zelfs riep Benedictus den heiligen keizer Hendrik II naar Rome, als beschermer tegen de gewelddaden van Arduin in het Noorden en de aanvallen der Grieken en der Saracenen in het Zuiden. Hendrik kwam met zijne gemalin, de H. Cunegonda, naar Rome en ontving daar in 1013 in Sint Pieter de Duitsche keizerskroon; Hendrik bevestigde en hernieuwde alle schenkingen door Pepijn, Karei den Groote en Otto I aan de Kerk gedaan en voegde daar nog de stad Bamberg, in Duitschland, met eene aanzienlijke jaarlijksche schatting aan toe die, zooals wij reeds vroeger hebben gezegd, onder Hendrik III en den H. Paus Leo IX werd ingeruild tegen Benevento. Benedictus VIII werkte met zeer veel vrucht, vooral ter verdrijving der Sarecenen uit Zuid-Italie en ter beteugeling der Grieken, die het land met niet minder onheilen bezochten. Zelf stelde de Paus zich aan het hoofd van een machtig leger en versloeg de Muzelmannen zoodanig, dat hunne heerschappij in Italië voor goed gebroken werd ; later wist hij de Genueezen en de Pisanen tegen hen aan te voeren, zoodat zij voorgoed uit Sardinië verdreven werden. Ofschoon het den keizer, wiens hulp Benedictus te Bamberg was gaan inroepen, niet gelukte de Grieken volkomen te verdrijven, wist hij hun toch zulke verliezen toe te brengen, dat hun groote overmoed gefnuikt werd. Waren er in het Duitsche leger geen zware ziekten uitgebroken, dan zou Hendrik misschien aan hunne heerschappij voorgoed een einde hebben gemaakt, nu was hij gedwongen naar Duitschland terug te keeren.
Men ziet dat de oppermacht der graven van Tusculum van geheel anderen aard was als die der Crescentius'. Zij wilden wel de overmacht in Rome hebben, maar niet
i
1
— 198 —
als absolute dwingelanden heerschen. De Paus, uit hun geslacht gekozen, kan handelend optreden en de Duitsche keizer wordt te Rome gekroond en als beschermer der Kerk erkend en gehuldigd. Evenwel zal het spoedig blijken dat zulk eene familieregeering voor de geestelijke en de wereldlijke zaken onbestaanbaar is met de waardigheid van het Pausdom, dat, wil het op de hoogte van zijne roeping zijn, geheel onafhankelijk moet wezen van allen invloed en allen dwang. Immers toen Benedictus VIII in 1024 overleden was, werd zijn broeder Romanus, dien wij als Senator van alle Romeinen de wereldlijke macht hebben zien uitoefenen, hoewel leek zijnde, tot Paus verkozen. 1) Ofschoon men aan dezen Paus, die zich Johannes XIX noemde, niets laakbaars kan ten laste leggen en hij zelfs op prijzenswaardige wijze het geestelijk en wereldlijk gezag uitoefende, ziet men toch terstond in, hoe schadelijk en rampvol zulk eene familieregeering voor den Pauselijken Stoel kan worden, wanneer een onwaardige persoon er op verheven wordt. Een sprekend en treurig voorbeeld zal Benedictus IX daarvan opleveren.
Over deze verkiezing zegt prof. Hergenroether het volgende : „De anders zoo streng verboden verheffing van een leek, was toen niet zoo geheel ongewoon meer, en kwam ook in Frankrijk voor, zooals bij den door Fulbert verdedigden aartbisschop Ebulo van Reims ; men had een degelijk en ervaren man noodig en de gekozene had zich onder zijn broeder reeds lang als zoodanig doen kennen.... Het grootste ongeluk voor de Kerk was, dat zijne familie het Pontificaat bijna als een haar toegevallen erfdeel scheen te beschouwen en het zocht te behouden, zonder te letten op de waardigheid van hem die die het bekleedde.quot; In het zelfde jaar als Paus Benedictus was ook keizer Hendrik gestorven en tot zijn opvolger als koning van Duitschland werd verkozen Koenraad, uit het huis der hertogen van
1) Natuurlijk ontving Romanus, alvorens den Pauselyken Stoel te beklimmen, eerst verschillende wydingen.
— 199 —
Frankenland, achter-kleinzoon van Otto's oudste dochter. Met hem kwam het Salische Huis aan de regeering. Paus Johannes onderhield de goede betrekkingen met Duitsch-land. In 1026 met de Lombardische koningskroon gekroond ontving hij op Paoschdag van het jaar 1027 met zijne gemalin, Gisela van Zwaben, in de kerk der HH. Apostelen uit de handen van Johannes den keizerlijken diadeem. Rome was op dat oogenblik waarlijk eene verzamelplaats van koningen en vorsten. Behalve het keizerlijk paar waren daar Rudolf, koning van Bourgondie, Kanoet de Groote, koning van Denemarken en Engeland, een aantal mindere vorsten en prelaten uit Duitschland, Italië en andere landen. Op den Xoorweegschen troon zat de H. Olaf, op dien van Hongarije de H. Stephanus, op den Engelschen troon zou Kanoet weldra door den H. Eduard den Belijder worden opgevolgd, terwijl de edele Robert koning van Frankrijk was. Het christelijk ridderwezen bereikte zijn hoogsten bloei en bracht wezenlijk veel bij tot verzachting en veredeling der zeden, om weldra in de kruistochten zijn hoogsten roem te behalen.
De Godsvrede was ingesteld om de oorlogen, veeten en bloedige twisten te beperken, zoodat ook deze eerste helft der 11de eeuw, bij veel wat nog ruw, barbaarsch en slecht was, menig lichtpunt had aan te wijzen.
Het christelijk gevoel begon weer meer en meer de overhand te krijgen en al zou de Kerk en de christenheid nog door menige ergernis bedroefd worden, reeds gloorde aan de kimme een nieuwe dageraad, die weldra in een helderen dag zou overgaan; evenwel niet, dan na eerst nog een zwaren kamp tegen de duisternis te hebben gevoerd.
De twee partijen, die zoovele jaren reeds de opperheerschappij in Rome aan zich wilden trekken, waren ook nu weer de oorzaken van nieuwe verdeeldheden en ergernissen. De graven van Tusculum wilden het Pausschap als 't ware erfelijk in hunne familie houden en zoo wisten zij
I
— 200 —
dan ook, na den dood van Benedictus VIII, de tiaar te doen toewijzen aan den zoon van Alberik, die werkelijk onder den naam van Benedictus IX den pauselijken troon
beklom..... en onteerde. De verkozene was nog jong zeer
jong, ofschoon er over zijn juisten leeftijd verschillende opgaven bestaan; zeker is het dat hij tusschen de 12 en 18 jaren oud was. Deze jeugdige leeftijd was evenwel niet zijn grootste gebrek; zijne slechte regeering als vorst, zijne meer dan berispelijke zeden en de groote ergernis die zijne benoeming in Rome verwekten, waren veel meer de oorzaken van de latere verwikkelingen, ofschoon hij, zegt p. Brunengo, onberispelijk was in de uitoefening van het apostolisch gezag. Prof. Hergenroether zegt dan ook dat hij goeden aanleg had en vaak veel praktisch verstand toonde te bezitten, en dat, ware zijn opvoeding beter geweest, en had hij zijne hartstochten weten te beteugelen, hij misschien een der degelijkste Pausen zou geworden zijn. Zijne vele tekortkomingen en ergernissen gaven de nog altijd even woelige partij der Crescentius' eene gereede aanleiding aan de hand om de Romeinen tot opstand te brengen, en werkelijk brak in 1037 dan ook een oproer uit, dat den Paus noodzaakte eene wijkplaats bij den keizer te Cremona te zoeken. Keizer Koenraad, die niet beantwoord had aan de goede verwachting die men in den beginne koesterde, hield den Paus de hand boven het hoofd en voerde hem naar Rome terug ; zelf stierf hij in 1039, het rijk aan zijn zoon Hendrik III nalatende.
Benedictus IX hervatte in Rome dezelfde levenswijze als voor zijne vlucht, zoodat de tegenpartij, toen de Paus een zijner verwanten, Gregorius, den titel van Patriciër had verleend, hem in 1044 opnieuw uit Rome verdreef entevens, om zijn terugkeer onmogelijk te maken, een tegenpaus verkoos, die den naam van Sylvester III aannam, maar kort daarop zelf uit Rome werd verdreven, toen de partij van Benedictus weer tijdelijk de overhand had gekregen. Benedictus IX deed in 1044 evenwel vrijwillig afstand van
— 201 —
zijne aanspraak op den Pauselijken Stoel ten gunste van den om zijne deugden algemeen geachten aarts-priester Johannes Gratianus, evenwel niet dan tegen eene groote schadeloosstelling in geld, waarna hij zich op een zijner kasteelen in Tusculum terug trok. Gratianus werd vervolgens op kanonieke wijze verkozen en nam den naam van Gregorius VI aan. Sommige schrijvers hebben in deze handelwijze van Gratianus simonie willen zien, maar uit geene enkele omstandigheid blijkt dat hij de pauselijke waardigheid voor geld gekocht heeft. Alleen heeft hij, zooals Brunengo zegt, ter voorkoming van nog grootere ergenissen, den (onwettigen) Sylvester en den wettigen maar onwaardigen Benedictus tegen eene geldelijke schadeloosstelling weten te bewegen vrijwillig afstand te doen. De Romeinen, die hem als een bevrijder beschouwden, verkozen hem daarop tot Paus en Gregorius VI was ten volle waardig den Pauselijken Stoel te beklimmen. Toch heeft hetgeen kort daarop te Sutri plaats had, gedurende eeuwen de verdenking van simonie op Gregorius VI doen rusten. Hendrik III was namelijk op weg naar Rome om daar de orde te herstellen, die door-Sylvester en Benedictus, welke beiden hunne rechten weer wilden doen gelden, bedreigd werd. Alvorens evenwel Rome binnen te gaan verlangde hij dat in een te Sutri bijeengeroepen Concilie uitspraak zou gedaan worden in de zaak der drie Pausen. Het concilie besliste dat Sylvester, als zijnde een onwettige tegen-paus, levenslang in een klooster zou gevangen worden gehouden; de afstand van Benedictus werd als geldig erkend, zoodat hij zich weer in zijn kasteel moest terugtrekken. Wat Gregorius VI betreft deze verhaalde zelf aan de vaders van het concilie op welke wijze hij tot zijne verheffing was gekomen en daar sommige vaders meenden dat die niet geheel en al zonder een schijn van simonie was, lieten zij de beoordeeling zijner zaak aan hem zeiven over. Gregorius VI sprak met groote nederigheid tegen zich zeiven het vonnis van af-
— 202 -
zetting uit, en ziende dat het Concilie dit vonnis goed vond, ontdeed hij zich eigenhandig van de pauselijke onderscheidingsteekenen, den Pauselijken Stoel ledig latende.
Deze groote daad van nederigheid spreekt luider ten gunste van Gregorius dan vele redeneeringen, en de nieuwere kritiek heeft hem geheel en al van de smet van simonie vrijgesproken, waaraan Gregorius VII, de groote bestrijder van dit euvel, dan ook nimmer, wat Gregorius VI betreft, heeft willen gelooven. Drie dagen na den afstand van Gregorius, dus 23 December 1046, trok de keizer Rome binnen en den volgenden dag werd Swidger. bisschop van Bamberg, met algemeene stemmen tot Paus verkozen en op Kerstdag onder den naam van Clemens II in Sint-Pieter geconsacreerd. Denzelfden dag plaatste de nieuwe Paus Hendrik III en Agnes van Poitiers, zijne tweede gemalin, de keizerskroon op. Nog eenmaal trachtte Benedictus IX, toen Clemens III den 9 October 1047 gestorven was, zich met behulp van den hertog van Toscane van den Pauselijken zetel te bemachtigen ; maar toen Paus Damasus II, voorheen bisschop van Brixen, die de volle sympathie zoowel van den keizer als van de Romeinen had, de stad binnen trok, verliet Benedictus haar voor altijd. Later deed hij geheel vrijwillig afstand van alle aanspraken, bekeerde zich, leidde een rouwmoedig leven als monnik in het klooster te Grottaf errata, waar hij godvruchtig stierf en men nog heden zijn graf kan zien (Bru-nengo). Paus Damasus stierf reeds na 23 dagen en nu werd Bruno, bisschop van Toul, op voordracht van Hendrik III door geheel Rome met ware geestdrift tot Paus verkozen. Met dezen heiligen Paus, die zich Paus Leo IX noemde, begint de zon der bevrijding op te gaan, om weldra in den zevenden Gregorius haar hoogste glanspunt te bereiken.
Wij hebben, misschien langer dan de omvang van dit werk het toestaat, bij dit tijdperk van vernedering van het Pausdom stilgestaan, edoch zulks dacht ons noodig, omdat
— 203 —
geen ander duidelijker de noodzakelijkheid van de onafhankelijkheid van het Pausdom en de goddelijkheid van de instelling er van leert. Al de vernederingen, al de rampen der Kerk vonden alleen hun oorsprong in die afhankelijkheid van de Pauskeuze van wereldlijke vorsten of van partijschappen. De Marozia's, do Crescentius', de graven van Tusculum, de Duitsche keizers beheerschten de Pauskeuze, die alleen moest geschieden door de geestelijkheid van Eome met medewerking van het Romeinsche volk; en daarbij letten zij minder op de waardigheid des persoons, dan wel op de belangen hunner staatkunde of hunner partij. Is het dan te verwonderen dat soms onwaardige personen tot de hoogste waardigheid op aarde werden verheven ? is het dan wel te verwonderen dat zelfs waardige en heilige Pausen vaak tot machteloosheid waren veroordeeld.
En dat, niettegenstaande deze vernedering van het Pausschap, de Kerk behouden bleef, mag zeker wel als een groot wonder beschouwd worden.dat alleen door de almacht van God kon gewrocht worden. Elke menschelijke instelling zou, wanneer zij, als een schip zonder roer, gedurende anderhalve eeuw door de stormen van oproeren, verbanningen, vernederingen, van tegenspoeden zonder tal, was heen en weer geslingerd, onfeilbaar ten gronde zijn gegaan. Maar de Kerk, krachtens hare goddelijke instelling, bleef niet alleen behouden, maar zelfs ook ongeschonden, vrij van elke smet; tegen Haar vermochten de Poorten der Hel niets en het Pausschap behield al zijne geestelijke waarde al waren de dragers der tiaar ook soms berispelijk en slecht, al werd haar uiterlijke glans ook soms verduisterd. Weldra toch zal het met nieuwen en grooteren luister prijken en zijne zegenvolle taak voortzetten. Post tenebras lux.
Hoofdstuk X.
Paus Leo IX. De gt;'ooriiiaiiiien in Italië. Zij erkennen den Paus als opperleenheer. Paus Meolaas 11 en de Synode te Kome. Paus en tegenpaus. De aanvang van den strijd tussclien Pans en keizer. .Welfeu en (■hibelijnen. Aanslag op Oregorius Vil Exeoinnnieatie van Hendrik IV. De tocht naar Canossa. Hendrik erlangt vergiffenis, maar vervalt weer in zijne vroegere misdaden. Hij wordt opnieuw geex-comuniceerd en van den troon vervallen verklaard. Tegenpaus. Uudolf vanZwaben tot koning uitgeroepen. Deze sneuvelt aan de Elster. Hendrik maakt zich gereed tegen Kome op te trekken.
e regeering van den h. Paus Leo IX, hoezeer ook verontrust en bedroefd door de invallen der Sara-cenen en de strooptochten der Noormannen, was ' eene ware verademing en een zegen voor Rome. Den 2den Februari 1049 ten pauselijken troon gestegen, toog hij onmiddellijk aan 't werk om de geslagen wonden te heelen en de ergernissen, die de christenheid bedroefden, te doen verdwijnen, hierin krachtdadig ter zijde gestaan door den beroemden monnik Hildebrand, dien hij tot kardinaal verhief en dien wij weldra als een der grootste sieraden van den Pauselijken Stoel zullen ontmoeten. Naast Hildebrand stonden ook andere groote mannen en beroemde kloosterorden Leo IX in zijn hervormingswerk ter zijde. Onder de eersten dient vooral Petrus Damianus, die later onder de heiligen werd opgenomen, vermeld te worden, terwijl onder de laatsten het klooster van Cluny, met zijn
— 205
h. abt Hugo, dat van de Camaldulensen, dat van Vallom-broso, door den H. Joannes Gualbertus gesticht, eene bijzondere vermelding verdienen. In de vijf jaren van zijn Pontificaat hield de h. Paus niet minder dan tien Concilies, o. a. in Rome, Pavia, Mantua, Bamberg, Augsburg, Mainz enz., ten einde den kanker der Simonie uit te roeien en voor het instandhouden van het celibaat der priesters te ijveren. Met niet minder ijver was hij werkzaam ten behoeve van het Erfdeel van den H. Petrus; onder zijne regeering werd Benevento bij den Kerkelijken Staat gevoegd, in ruil voor de Stad Bamberg, die weer aan het keizerrijk kwam.
Onder al die zorgen voor het geestelijk welzijn der Christenheid en voor de rechten van den H. Stoel kwamen nog andere groote zorgen de schouders van den ijverigen en onvermoeiden Paus drukken. Niet alleen herhaalden de Sa-racenen hunne invallen en strooptochten in Midden- en Zuid-Italië, maar bij dezen voegden zich nog andere niet minder wreede en woeste vijanden : de Noormannen.
Deze Noormannen, die zich de koningen der zee, Vi-kingers, noemden, waren woeste en onverzaagde zeeschuimers die, waarschijnlijk door overbevolking uit hun land gedreven, op hunne avontuurlijke tochten het vasteland van Europa bereikten en dit, door den rijkdom en overvloed daarvan aangetrokken, gedurende een drietal eeuwen plunderden en verwoestten, totdat zij er eindelijk vasten voet kregen en zich er vestigde.
In 841 plunderden zij Rouaan, in 845 Hamburg, in 847 Bordeaux enz. Gedurende de jaren 881 en 882 beproefden zij ten zwaarste Maastricht, Luik, Aken, Keulen en andere steden, zelfs Parijs werd door hen belegerd.
In 't begin der 11e eeuw staken de Noormannen naar Italië over, naar men zegt daartoe verleid door de schildering van het heerlijke land, dat eenige Normansche pelgrims, die uit het Heilig Land waren teruggekomen, ervan gegeven hadden.
Na eerst de veldheeren der Grieksche keizers geholpen
— 206 —
te hebben in hun krijg tegen de Saracenen, keerden zij later, meenende in het ongelijk te zijn gesteld bij de verdeeling der buit, hunne wapens tegen dezen en veroverden een groot aantal steden op hen. Een hunner beroemdste aanvoerders was Robert, bijgenaamd Guiscard, een der twaalf zonen van Tancredo van Hauteville. Onder deze Robert strekten zij hunne stroop- en rooftochten al verder en verder uit, totdat zij ook het Grondgebied van den H. Stoel bedreigden. Paus Leo had reeds de hulp des keizers tegen hen ingeroepen, maar Hendrik III werd in Duischland teruggehouden. Daarop besloot de Paus zelf tegen hen op te trekken; edoch het kleine pauselijke leger werd den 18n Juni 1053 bij Civitella verslagen en de h. Leo IX viel zelfs in handen der vijanden. Maar nu zag men weer dat zelfde wonderbaar verschijnsel wat wij reeds zoo vaak hebben aanschouwd; die woeste krijgslieden, die plunderaars, die mannen van ijzer en bloed werpen zich, getroffen door de Majesteit en de heiligheid des Pausen, voor de voeten van den Stedehouder van Christus, en zij stemmen er in toe de veroverde landen als een leen uit zijne handen te ontvangen en den Paus als hun opperleenheer te erkennen, en zulks niet alleen van de landen die zij reeds veroverd hadden, maar ook van die, welke zij nog veroveren zouden. Door deze onderwerping der Noormannen werden de Pausen ook de eigenlijke Heeren van het land ten zuiden van de Liri, wat hun reeds door Pepijn en Karei den Groote was beloofd.
De groote Paus eindigde den I9den April 1054 op vijftigjarigen leeftijd zijn heilig en zoo werkzaam leven; en toen reeds wilden de geestelijkheid en het volk Hilde-brand op den Pauselijken Stoel verheffen, maar deze ried hen aan dat men met den keizer zou beraadslagen over de keuze van een nieuwen Paus. Hendrik beval, naar het schijnt op aanraden van Hildebrand, den bisschop Gebhard van Eichstadt aan. Deze raad behaagde den keizer zeer. Edoch Gebhard weigerde langen tijd de hooge waardigheid te
De monnik Hildebrand later Paus Gregorius VII.
— 207 -
aanvaarden; eindelijk stemde hij toe, op voorwaarde dat de keizer aan den H. Petrus zou teruggeven wat dezen toekwam en dat hij te Rome op kanonieke wijze zou verkozen worden. Gebbard wilde daardoor een duidelijke vingerwijzing geven, dat de keuze van den Opperherder niet aan den keizer, maar aan de geestelijkgeid van Rome, met instemming van het volk, toekwam. De keizer stemde toe en nu trok Gebbard, vergezeld van Hildebrand, naar Rome waar hij den I3den April 1055 onder den naam van Victor II den pauselijken Stoel b idom, dien hij gedurende zijn kortstondige regeering van slechts twee jaren tot sieraad strekte.
Paus Victor volgde geheel de voetstappen van zijn grooten voorganger en was ijverig bemoeid zoowel het geestelijk welzijn der Kerk als het tijdelijk welzijn van zijne staten te vermeerderen.
In het najaar riep de keizer, die zijn einde voelde naderen, den Paus naar Duitschland en Victor II ijlde terstond derwaarts en den 5 October blies de keizer te Gotzlar den laatsten adem uit in de armen des Pausen. De dood van Hendrik III, een der beste keizers die op den Duit-schen troon zaten, zou veel onheil en veel beroeringen na zich sleepen; maar tevens ook het middel zijn waardoor God de Kerk en het Pausschap tot grooten luister zou brengen. Paus Victor stierf het volgende jaar, den 23sten Juli, meer uitgeput door den zwaren last die op zijne schouders drukte, dan wel door de jaren ; hij werd opgevolgd door kardinaal Frederik van Lotharingen, een broeder van Godfried met den Baard, hertog van Lotharingen, die in 1054 in het huwelijk was getreden, met Beatrix, weduwe van Bonifacins, markgraaf van Toscane, de moeder van de beroemde gravin Mathilda, bijgenaamd van Canossa. De nieuwe Paus, die zich Stephanus IX noemde, stierf reeds drie jaren na zijne verkiezing (1051) en met zijn doodging de rust heen, die Rome gedurende een tiental jaren had genoten, doordien de partij van de graven van Tusculum,
— 208 —
gebruik makende van het zwakke regentschap dat de regeering voor den jongen Hendrik IV voerde, andermaal zich met de Pauskeuze bemoeide en de verkiezing van den bisschop van Velletri, die den naam van Benedictus X aannam, door wapengeweld wist te bewerken. Paus Step-hanus had voor zijn sterven de kardinalen en de geestelijkheid doen beloven dat zij tot geen nieuwe pauskeuze zouden overgaan alvorens Hildebrand, die in Duitschland was, zou teruggekeerd zijn. De kardinalen, en onder dezen ook de H. Petrus Damianus, protesteerden derhalve tegen den opgedrongen Paus en verkozen op aanraden van Hildebrand Gerard, Bisschop van Florence, die den naam van Nicolaas II aannam en onder bescherming van hertog Godfried Rome binnentrok, nadat de tegenpaus Benedictus in een te Sutri bijeengeroepen Concilie onwettig verkozen werd verklaard.
Ditmaal had het schisma dan ook geen langen duur en geen zeer nadeelige gevolgen, maar de verkiezing van Benedictus en de vroegere, onder den dwang van machtige baronnen plaats gehad, eischt en dringende voorziening. Nauwelijks had paus Nicolaas dan ook bezit van den Opperherderlijken zetel genomen, of hij beriep tegen Paschen (April 1059) eene groote Synode, die door 113 bisschoppen 'en een groot aantal abten en priesters werd bijgewoond. Hier werd dan ook de wijze besproken hoe men de Pauskeuze tegen de inmenging van den Romeinschen adel eenerzijds en tegen die der Duitsche keizers anderzijds het best kon beschermen, en zoo werd dan bepaald, dat bij den dood van een Paus, eerst de kardinaal-bisschoppen onder elkander rijpelijk over de te verrichten keuze zouden beraadslagen; daarna zouden de kardinaal-priesters in de beraadslaging toegelaten worden, eindelijk zou de overige geestelijkheid en het volk hunne toestemming tot de nieuwe keuze geven. 1)
1) In primis Cardinales Episcopi deligentissimi simul de electionc tractantes, mox Christi clericos Cardinales adhibeant sicque reliqnis clerus et populus ad eoncensum novae electionis aceedat.
— 209 —
Het decreet voegde er nog bij: Salvo debito honore et reverentia dilicti filii nostri Henriet, qui impraesantia-rum Rex habetur, et futurus imperator, Deo eoneedenie, speratur, siciit tam tibi concessinms et successoribus, qui ab hae Apostolica Sede personaliter hoe ius impetraverint.
Hierin wordt dus alleen aan Hendrik persoonlijk en ook aan zijne opvolgers, aan wie het eveneens persoonlijk zal toegekend worden door de Pausen, een zeker recht van goedkeuring verleend. Hun werd dus in geenen deele het recht toegekend een paus te kiezen of op de keuze invloed uitbeoefenen, maar alleen werd hunne goedkeuring gevraagd voor eene reeds gedane keuze. De Paus had zeer wijselijk slechts een voorwaardelijke eer of gunst verleend, die geenszins aan het keizerschap verbonden was. In beide deze bepalingen werden vooral de raadgevingen van den H. Petrus Damianus en van Kardinaal Hildebrand gevolgd ; deze laatste zou zelf den grooten strijd tegen de aanmatiging der keizers te voeren hebben.
Met de Noormannen sloot paus Nicolaas een nieuw verdrag. De zonen van Tancredo de Hauteville hadden zich allengs door hun zwaard uitgebreide bezittingen in Italië weten te verschaffen ; Richard bezat Aversa en Capua en beheerschte geheel Campanie ; Robert Guiscard was meester van Apullie en een groot gedeelte van Calabrie en met behulp van zijn broeder Rogier had hij de Saracenen bijna geheel verdreven. Bij hunne strooptochten waren zij ook in een gedeelte van de Kerkelijke Staten gevallen, doch zij ontruimden die niet alleen, maar erkenden opnieuw den Paus als hun Leenheer en beloofden hem eene jaarlijksche schatting te betalen. Robert zwoer niet alleen trouw aan de Ro-meinsche kerk en aan Paus Nicolaas, maar beloofde tevens uit al zijne macht de Kerk te zullen beschermen en de bezittingen en landen van den H. Stoel te zullen verdedigen, en geen nieuwe veroveringen of invallen te zullen doen, zonder toestemming van den Paus. Eindelijk bezwoer hij nog dat hij, op verzoek van de goede kardinalen, priesters en
14
— 210 —
leeken van Eome, hulp zou verleenen opdat, bij den dood eens Pausen, een waardige opvolger van den H. Petrus mocht verkozen worden. Dat deze beloften gemeend waren en gehouden werden, ook door de opvolgers van Eobert, leert ons de geschiedenis ; zij waren de trouwe verdedigers van het Pausdom tegen de aanmatigingen der Duitsche Keizers.
Paus Nicolaas II stierf te Florence den 19 Juli 1061 en het scheen alsof zijn overlijden het teeken was voor een vernieuwden strijd en nog woedender aanvallen tegen de Kerk en tegen Rome De hervormingen, door de laatste pausen ingevoerd en de krachtige strijd, dien zij tegen de Simonie en het concubinaat van onwaardige geestelijken hadden aangebonden, had dezen ten hoogste verbitterd, zoodat zij, tegen de bepalingen, door de laatste pausen genomen, aan Hendrik IV verzochten dat deze een paus zou aanwijzen, anders gezegd, zou benoemen.
Inmiddels was Anselmus, bisschop van Lucca, op Ka-nonieke wijze gekozen en had hij, onder de bescherming van de Normandische wapenen van Richard, vorst van Capua, door den abt van Monte-Casnio ter hulpe geroepen, bezit van den pauselijken zetel kunnen nemen. Nauwelijks had men in Duitschland kennis gekregen van de verkiezing, of het geheele Hof kwam in opstand en Hendrik de IVe, die nog zeer jong den keizerlijken troon beklommen had, deed door de bisschoppen van zijne partij Cadalaus, of Cadalo Palavicini, eertijds kanzelier van Hendrik III en thans bisschop van Panna, tot Paus uitroepen. Deze Cadalaus was een der simonistische bisschoppen die in concibinaat leefden en dus de man naar het hart van Hendrik IV en de eervergeten bisschoppen die hem ter zijde stonden.
Hendrik IV, de jeugdige keizer, had zeer goeden aanleg, maar na den vroegtijdigen dood zijns vaders en bij de zwakke toegevendheid zijner moeder Agnes, was zijne opvoeding aan slechte personen toevertrouwd, die al zijne booze neigingen en hartstochten vleiden, in plaats van ze te beteugelen, zoodat Hendrik reeds op zeer jeugdigen leeftijd zich aan
— 211 —
de grofste losbandigheid overgaf, zijne onderdanen onderdrukte en zich vooral een aanhang zocht bij die geestelijkheid die door haar Simonie en losbandig leven aan de Kerk onnoemelijk leed veroorzaakte en door haar voorbeeld het volk eveneens tot alle ondeugden aanleiding gaf.
Onder dezen Hendrik IV ontstond de in de geschiedenis onder den naam van investituurstrijd bekende groote worsteling tusschen wereldlijk en geestelijk gezag, en waarin de groote figuur van paus Gregorius VII als de redder en de wreker van de gehoonde Kerk zal optreden, de eindze-gepraal behalen en aan het Pausdom een glans en luister verschaffen, zooals het maar in weinige tijdperken grootere had. Men zou dien strijd van den keizer tegen den Paus, in de llde eeuw, het best kunnen vergelijken met dien welke in onze I9de eeuw, tusschen Kerk en Staat wordt gevoerd. Pater Brunengo zegt daarover dan ook het volgende: „Aldus bevond de christenheid zich verdeeld in twee groote kampen : van den eenen kant de vrienden der Kerk, de voorstanders der hervormingen, de voorvechters van de geestelijke vrijheid ; van den anderen kant de Simonisten, de losbandigen, de aanbidders van de wereldlijke macht, van welke zij de Kerk de slavin zouden hebben willen maken. Genen waren de behoudsgezinden, de verlichte Katholieken, de Jesuiten der llde eeuw ; dezen de liberalen, de revolution-nairen, de vrijmetselaars ; maar in dien tijd onderscheidde men ze vooral met Gregorianen en Hendrikianen, en later heeten zij Welfen en Gibelijnen, alle veranderde vormen van dat immoreel dualisme, hetwelk de H. Aufmstinus de stad Gods en de stad des duivels noemt. Aan het hoofd der eersten stonden de Pausen, en onder dezen als een reus de H. Gregorius VII, van wiens geest, als de opperste beweegkracht in dezen strijd, de pausen die hem voorafgingen en die hem volgden, bezield waren ; en de helpers der Pausen in Italië waren de Noormannen in het Zuiden ; in het midden hertog Godfried, markies van Toskane, met Beatrix, en later de groote gravin Mathilda ; in het Noorden de goede
— 212 —
gravin Adelaide van Suza en vooral de Paterini van Lom-bardije, zooals men toen de vijanden van de gehuwde geestelijkheid noemde en die eene machtige volkspartij te Milaan, Cremona, Piacenza en elders waren. Aan het hoofd der tweeden stonden de keizers Hendrik IV en daarna Hendrik V, en hun terzijde eene reeks tegen-pausen, hunne creaturen, Cadalaus, Guibertus, Magnulfus, Burdinus, en ieder dezer met hun grooten nasleep van Simonistische prelaten. Daarbij voegden zich machtige leeken, graaf Gerardo di Galeria, door verscheidene pausen in den ban gedaan, Cencius, waarschijnlijk een loot van de Crecenzi en meester van de Engelenburcht, de graven van Tusculum met de andere woelige geslachten van Eome, die, verbitterd over het decreet van Paus Nicolaas II, zich bij de Keizerlijke partij hadden aangesloten.
Die strijd van Gregorius VII tegen Hendrik VI is een der leerrijkste en grootste bladzijden uit de geschiedenis van het pausdom en wel waard door alle Katholieken gekend te worden. De ruimte, over welke wij kunnen beschikken, belet ons evenwel dien te behandelen met al de uitvoerigheid dien hij verdient, evenwel zullen wij er de voornaamste episoden uit mededeelen. Alvorens evenwel moeten wij de twee hoofdpersonen. Keizer Hendrik IV en Paus Gregorius VII, een weinig nader doen kennen.
Hendrik was slechts zes jaren oud toen zijn vader stierf; hij verbleef derhalve onder de voogdijschap zijner moeder, keizerin Agnes, die niet de noodige geestkracht scheen te bezitten om deze hartstochtelijke natuur te bedwingen, noch het noodige doorzicht om voor den knaap wijze en brave opvoeders te kiezen. Aan deze slechte opvoeding moet het dan ook hoofdzakelijk worden toegeschreven dat alle booze hartstochten in hem de overhand kregen en hij nog op zeer jeugdigen leeftijd aan alle misdaden, alle hartstochten, alle wellusten was overgeleverd. Hij deinsde voor geene enkele misdaad terug. Behaagde eene vrouw hem, dan offerde hij haar aan zijne wellust op, na eerst heimelijk haar man te
1
— 213 —
hebben doen vermoorden; dorst een zijne vertrouwelingen door een enkelen blik of door eene beweging eene of andere zijner misdaden af te keuren, dan was zulks genoeg om hem in het verderf te storten. „Hij wist zijne gramschap te verbergen, zegt Fleury, en de lieden om 't leven te doen brengen, als zij het minst wantrouwen gevoelden, en huichelde dan nog zooveel droefheid dat hij tranen stortte.quot; Niet alleen de personen, geheele provincies sidderden voor hem.
Het staal, het vuur, moord, alwat men maar wreedaardigs kan uitdenken werd door hem aangewend om zijn haat te koelen. Vrouwen, kinderen, grijsaards, werden de slachtoffers zijner woede. Anselmus van Canterburry noemt hem in een zijner brieven aan Waleram den opvol-, ger van Nero.
Bij al deze ondeugden voegde Hendrik nog een gren-zeloozen hoogmoed. De vleiers, die hem hadden opgevoed, hem omringden en zijne raadgevers waren, wisten hem diets te maken dat hij, als opvolger van de vroegere Romeinsche Keizers, de oppermacht bezat, zoowel in wereldlijke als in geestelijke zaken, althans dat hij in zijn rijk de hoogste en opperste machtgever was. Die denkbeelden vonden bij Hendrik gereeden ingang en daar hij een aantal bedorven bisschoppen en priesters vond, die zich slaafs aan hem onderwierpen, hunne aanstellingen van hem ontvingen of kochten, meende Hendrik den strijd over de investituur tegen den Paus te kunnen aanbinden; aan steun en helpers zou het hem niet ontbreken.
Hij had evenwel tegenover zich een man van buitengewone wilskracht, groote geleerdheid, innige vroomheid, bezield met een verteerenden ijver voor het heil der Kerk en vervuld met afschuw tegen de Simonie en het concubinaat der priesters; twee groote schandalen die, zooals wij reeds vroeger zeiden, ten gevolge van de inmenging der wereldlijke macht in kerkelijke zaken, allengs in alle landen van Europa waren binnen geslopen.
Hildebrand, die, van eenvoudigen monnik, door zijne
i
1
— 214 —
geleerdheid en vroomheid de raadgever en vriend van verscheidene pausen was geweest, wien reeds meer dan eens de hoogste waardigheid ter wereld was aangeboden, Hilde-brand, die tot de waardigheid van Kardinaal-aartsbisschop was opgeklommen, werd op den dag van de teraardebestelling van Alexander II met algemeene stemmen tot diens opvolger verkozen en besteeg dan ook onder den naam van Gregorius VII den pauselijken troon (29 April 1073). Hij was toen ongeveer zestig jaren oud.
Nauwelijks had paus Gregorius den herderstaf der volken aanvaard of hij begon met groote vastberadenheid eene verbazende werkzaamheid in alle landen aan den dag te leggen, vooral wat de hervorming der geestelijkheid betreft. Op zijne eerste vastensynode van het jaar 1074 werden de volgende besluiten genomen. 1) Geen geestelijke, die eene wijding of een ambt door simonie verkregen heeft, mag voortaan in de Kerk dienst doen; 2) Wie voor geld eene Kerk verkreeg, verliest die en in 't vervolg mag niemand, op straffe van den ban, nog eene Kerk koopen of verkoopen.
3) de door ontucht bezoedelde geestelijken mogen geen mis lezen, noch eenige andere Kerkelijke bediening uitoefenen.
4) Slaan zij deze besluiten in den wind, dan mag het volk hunne godsdienstoefeningen niet meer bijwonen, noch van hen de sacramenten ontvangen, zoodat zij genoodzaakt worden zich te bekeeren of hun ambt neer te leggen. Deze besluiten berustten op oudere verordeningen, die reeds door de pausen Clemens II, Leo IX, Nicolaas II en Alexander II vernieuwd waren geworden.
Deze besluiten zond Gregorius naar alle landen en bovendien zond hij zijne legaten naar Duitschland, die bij Agnes, 's Keizers moeder, goeden steun vonden. Hendrik, die door zijn tiranniek beheer de Saksers tot opstand had gebracht en sterk door hen werd bestookt, sloot zich zelfs een oogen-blik bij de goede bedoeling des pausen aan ; hij verwijderde zijne slechte raadgevers, beloofde plechtig teruggave der Kerkgoederen, liet zich door den legaat in de gemeenschap
1
— 215 —
der Kerk opnemen en gaf zelfs zijne toestemming tot het houden van Synoden in Duitschland tot uitroeiing van het concubinaat en de Simonie.
Al die 'goede voornemens van Hendrik waren echter niet gemeend; voor zijn oorlog met de Saksers had hij de hulp der rijksvorsten en den steun der Kerk noodig en die ontbraken ten deele of geheel aan den geëxcomuniceerden vorst; hij moest dus van den ban ontslagen worden : van daar zijne gewaande onderwerping. De bisschoppen van Duitschland, die door Simonie in hunne bediening waren gekomen, de gehuwde priesters en al wat op de hand van Hendrik was, lieten zich dan ook volstrekt niet beangstigen, maar boden een hevigen tegenstand aan de tenuitvoerlegging van de besluiten en de bemoeiingen van den legaat. Op eene Synode te Erfurt (Oct. 1074) kon de zwakke aartsbisschop Sigfried van Mainz, die zijne geestelijkheid een half jaar uitstel had verleend, niets verkrijgen; de uitstekende bisschop Altmann van Passau kwam bij de afkondiging van 's pausen decreeten in levensgevaar; ook aartsbisschop Johan van Rouaan werd op eene Synode aldaar uit de Kerk gejaagd en op eene Synode te Parijs werd Walter, abt van Pontoise, met den dood bedreigd, omdat hij die besluiten wilde ten uitvoer brengen. Vooral in Duitschland waren vele bisschoppen zeer flauwhartig en nalatig; Otto van Con-stanz veroorloofde niet alleen aan de gehuwde geestelijken hunne vrouwen te behouden, maar ook aan de ongehuwde liet hij vrijelijk toe eene vrouw te nemen.
Gregorius VII was evenwel de man om aan al deze weerspannigen het hoofd te bieden. Op eene tweede Synode in 1074 en eene derde in Februari 1075 gehouden, had hij verscheidene bisschopnen, en onder dezen Sigfried vanMainz, benevens zes van diens Suffraganen, voor zijn rechterstoel gedaagd. In zijne vastensjmode sprak hij de censuur uit over Robert Guiscard wegens roof van Kerkgoederen en onrechtmatigen oorlog tegen andere vorsten; dezelfde straf trof ook vijf van de bijzondere raden des Keizers wegens
— 216 —
verkoop van kerken, den aarsbisschop van Bremen, en de bisschoppen van Straatsburg, Spiers, Bamberg, Piacenza en andere. De vroegere decreeten tegen Simonie en het concubinaat van geestelijken werden hernieuwd, en de zeer in gebruik gekomen investituur door leeken, verboden. Wie een Kerkelijk ambt uit de hand van een leek zou aanvaarden moest afgezet worden, de wereldlijke vorsten, die zulk eene investituur zouden verleenen, buiten de gemeenschap der Kerk gesloten. Dit laatste decreet, hoe noodzakelijk ook voor de waardigheid der Kerk en der geestelijkheid, moest vooral tegenstand bij de vorsten ontmoeten en wel vooral bij den Keizer van Duitschland en den koning van Frankrijk. Over dit misbruik zegt prof. (Kard.) Hergenroether het volgende: „Reeds had zich tegenover de oude kerkelijke bepalingen over de kiesvrijheid, die Leo IX in 1049, en tegen het ontvangen der kerken uit de handen van leeken, die Alexander II in 1063 vernieuwd hadden, onverdragelijke machtsmisbruiken van den kant der koningen van Duitschland en Frankrijk gevormd; niet alleen was de koninklijke benoeming in de plaats getreden van de keuze der bisschoppen en abten en de wijding op den achtergrond gedrongen door de investituur met ring en staf, maar zelfs hadden Simonisten en veile hovelingen de beste plaatsen door afkeurenswaardige middelen verkregen, en het was duidelijk gebleken dat de Simonie en de Clerogamie (huwelijk van geestelijken) niet uitgeroeid konden worden, zoolang de tot dan gevolgde investituur bleef voortbestaan. Hendrik IV nam gewoonlijk zijne bisschoppen uit het stift Gozlar, waar hij gaarne vertoefde en ook de geestelijkheid met zijne ondeugden aanstak, zoodat van alle, daaruit genomen bisschoppen, alleen Benno van Meissen aan de Kerk trouw bleef. Keuzen, die het hof niet naar den zin waren, werden vernietigd of door snelle bezetting door den koning verhinderd. Dikwijls werden bisdommen aan de meestbiedenden verkocht, de daarvoor betaalde gelden zochten de nieuwe bisschoppen wederom op hunne geestelijken te verhalen,
Paus Alexander 111.
— 217 —
die wederom, op hun beurt, de Sacramenten aan de ge-loovigen verkochten, ja zelfs hunne plaatsen trachtten erfelijk te maken. Zulke bisschoppen waren doodvijanden van elke verbetering/ zij beschermden en bevorderden de onzedelijkheid ; deze hing met de Simonie en de leeke-investituur onafscheidelijk samen; de Kerk was zoodoende de verachte slavin van de wereldlijke macht. Haar uit de knellende boeien van den leenroerigen staat bevrijden, haar zoowel de zuiverheid als de vrijheid, hare twee hoogste goederen, teruggeven, ziedaar het doel van Gregorius en van alle be-tergezinden van zijn tijd.quot;
Het behoort minder tot het plan van dit werk dezen reuzenstrijd van Gregorius tegen Hendrik IV te beschrijven, maar geheel en al kunnen wij dien niet overslaan, omdat hij in de eerste plaats aanleiding gaf tot nieuwe ovèr-weldigingen van- Rome, en in de tweede plaats de onmid-delijke oorzaak was van eene nieuwe uitbreiding, die de Kerkelijke Staat verkreeg. Bovendien zullen wij zien dat die investituurstrijd zich later ook in Frankrijk herhaalde en gedeeltelijk de oorzaak was van het tijdelijk verval van Rome onder de zoogenaamde Babylonische gevangenschap der Pausen te Avignon. Wij zullen derhalve in korte trekken de geschiedenis van dezen investituurstrijd vervolgen.
Het is te begrijpen dat het krachtig optreden van paus Gregorius tegen Simonie en Clerogamie bij zeer vele slechte priesters en bisschoppen een hevigen tegenstand zou ontmoeten en dat dezen de bepalingen van Gregorius betreffende de investituur, als middel zouden gebruiken om Hendrik tegen den Paus op te zetten. Naar voorwendselen behoefden zij niet lang te zoeken. Er bestonden vroegere pauselijke decreeten waarbij aan de vorsten zekere voorrechten waren gegeven bij de bezetting der bisschopzetels en hierop zouden de raadslieden van Hendrik zich dan ook zeker beroepen. De Paus had dit evenwel voorzien en daarom dan ook, alvorens zijne decreet openbaar te maken, aan Hendrik geschreven dat dit decreet niets nieuws bevatte, maar alleen
— 218 —
de oude kerkelijke regels hernieuwde, dat hij gaarne acht zou geven op de aanbevelingen van bisschoppen en abten van wege den koning en dat hij alle verzachtingen in het decreet zou aanbrengen, wanneer de koning hem wijze envroo-me mannen wilde zenden om hem daarin den weg te wijzen.
Deze goede en vredelievende woorden vermochten niets op Hendrik. Deze had pas de Saksers overwonen en een bloe-digen wraak op hen genomen, zijn hoogmoed kende nu geen grenzen en aangehitst door zijne eigen booze natuur, zoowel als door de verderfelijke raadgevingen zijner bedorven omgeving, sloeg hij de goede woorden des pausen in den wind en behandelde hij diens legaten met de grootste minachting, toen zij op Kerstmis van het jaar 1075 te Gozlar met den keizer kwamen spreken. De legaten keerden naar Rome terug, overtuigd dat er van Hendrik niets te verwachten was en den Paus een tafreel ophangende van de gruwelen, gewelddaden en misdaden, waarvan geheel Duitschland vervuld was.
Hendrik stelde zich evenwel niet tevreden met den Paus, in diens legaten, te beschimpen en voort te gaan met de slechtste elementen in zijn rijk tegen den paus in bescherming te nemen, hij trachtte ook Gregorius van de vrijheid, misschien wel van het leven, te berooven.
In Rome ontbrak het niet aan vijanden van Gregorius. Vele Romeinsche grooten zagen zich oude misbruiken, die zij langzamerhand als voorrechten waren gaan beschouwen, ontrukt; er waren nog aanhangers van de vorige tegenpausen, van Cadalaus, er waren nog bewonderaars van Hendrik; kortom het ontbrak er niet aan brandstof om een oproer te ontsteken. Door den invloed van Hendrik werd dan ook eene samenzwering op het getouw gezet, aan 't hoofd waarvan zich de reeds genoemde Cencius stelde, en toen de paus in den Kerstnacht van 1075 in de kerk Maria-Maggiore de Mis las, drong Cencius met gewapende mannen de kerk binnen. Een dezer bracht den paus eene gapende wonde aan het voorhoofd toe en hem daarna bij de haren grijpende sleurden
— 219 —
zij hem naar buiten, rukten hem onder stooten en belee-digingen de priesterlijke gewaden van het lichaam en voerden hem naar een aan Cencius toebehorenden toren, waar zij hem opsloten.
Het Eomeinsche volk, dat altijd trouw aan de pausen was, zoolang het niet door drogredenen van menners en opstekers op een dwaalspoor wordt gebracht, bevrijdde Gre-gorius evenwel spoedig uit zijne gevangenschap. Nauwelijks toch was de gruwelijke misdaad in de stad bekend geworden of in alle kerken werden de goddelijke diensten gestaakt, er werden sterke wachten aan alle poorten geplaatst om te beletten dat de Paus buiten Rome zou gevoerd worden, en toen het volk eindelijk de zekerheid had verkregen dat de opperpriester de gevangene van Cencius was, verzamelde het zich bij het aanbreken van den dag bij het Kapitool om van daar het beleg voor de vesting van Cencius te slaan. Deze, die door bedreigingen van zijn doorluchtigen gevangene allerlei concessies en onrechtvaardige verdragen had zoeken of te persen, hoorde nauwelijks de verwoede kreten van het stormloopend volk, of hij wierp zich voor de voeten van Gregorius, smeekte hem om vergiffenis en zwoer dat hij elke boetedoening zou volbrengen, die de Paus hem mocht opleggen. Gregorius vergenoegde zich met hem eene bedevaart naar Jerusalem te bevelen, waarna hij door het volk in zegepraal naar Lateranen teruggevoerd zijnde, de H. Mis voortzette. Cencius vluchtte met zijne bende buiten de stad en versterkte zich in een zijner kasteelen, terwijl het verwoede volk zijne huizen in de stad verwoestte en met den grond gelijk maakte en hem voor eeuwig buiten Rome bande. In plaats van de beloofde bedevaart naar Jeruzalem te ondernemen begaf Cencius zich naar Hendrik IV, waar hij nieuwe schelmstukken tegen den Paus beraamde en zelfs in Februari van het jaar 1077 eene nieuwe poging waagde om zich van den Paus, die zich toen in Lombardije bevond, meester te maken; deze aanslag misluktte echter. Cencius trof het lot dat vroeg of laat al dengenen treft
— 220 —
die de hand naar den Paus uitsteken; hij stierf te Pa via em plotselingen dood, nauwelijks dertien maanden na den af-schuwelijken aanslag van Rome. In hetzelfde jaar 1077 stierf ook zijn broeder Stefanus een geweldadigen dood. Gebruik makende van de afwezigheid des pausen had hij den aan Gre-gorius getrouwen prefect Quintius vermoord, maar de Romeinen wisten hem in handen te krijgen en brachten hem om 't leven.
Terwijl Hendriks handlangers in Rome den Paus naaide vrijheid en het leven stonden, opende de keizer zelf op eene andere wijze den krijg tegen Gregorius. In den rijksdag van Worms, 24 Januari 1076, verklaarden Hendrik en zijne bisschoppen, na de voorlezing van een zeer smadelijke acte van beschuldiging door den afgezetten kardinaal Hugo Can-didus tegen den Paus gehoord te hebben ,,den valschen monnik Hildebrand vervallen van den apostolischen Stoel.quot; Bij deze verklaring sloten de schismatieke bisschoppen van Lombardije, in een valsch-concilie te Piacenza vergaderd, zich aan en een geestelijke van Parma, Roland geheeten, nam het op zich om aan paus Gregorius het vonnis der beide vergaderingen over te brengen.
Paus Gregorius hield juist een concilie in het Vaticaan en Roland had de onbeschaamheid om daar, uit naam van Hendrik en van alle bisschoppen van Italië en van over de bergen (Duitschland) Gregorius te gelasten van den Stoel van den H. Petrus te stijgen en afstand te doen van het bestuur der Kerk. Ware de Paus niet tusschenbeide gekomen dan zouden de wachten, die den pauselijken troon omringden, den vermetelen boodschapper zekerlijk met hunne zwaarden doorboord hebben, maar de Paus bezwoer het tumult en met eene buitengewone zelfbeheersching en zachtmoedigheid nam hij de brieven en besluiten uit de handen van Roland aan en las den inhoud, ofschoon deze van de vuig-ste lasteringen en de laagste beschuldigingen tegen hem overvloeiden, in de volle vergadering voor. De verontwaar-
— 221 —
diging van de honderd en tien bisschoppen, die den paus omringden, was onuitsprekelijk en eenparig vroegen zij dat Gregorius den ban over Hendrik zou uitspreken; maar Gregorius stelde de beslissing tot den volgenden dag uit.
De dag van 23 Februari 1076 is hoogst merkwaardig in de geschiedenis der Kerk. Gregorius verhaalde in de vergadering der bisschoppen alle pogingen die hij had aangewend om Hendrik tot betere gevoelens en tot een waardiger gedrag te brengen en na op nieuw de eischen van alle bisschoppen van het concilie gehoord te hebben, sprak hij in tegenwoordigheid van Agnes, 's keizers moeder, die de zaak der Kerk boven die haars zoons stelde, den kerkelijken ban over Hendrik uit. Den Prins der Apostelen en den ganschen hemel tot getuigen van zijne eigene onschuld en rechtvaardigheid aanroepende sprak hij! „Door uwe gunst, o Petrus, is aan mij, uw stedehouder, de opperste macht gegeven om op de aarde te ontbinden en te binden, wat in den hemel moet ontbonden en gebonden worden; krachtens deze macht en voor het heil en de eer der Kerk, excommuniceer ik in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, Hendrik, koning van Duitschland, zoon van keizer Hendrik, die met onge-hoorden hoogmoed opgestaan is tegen uwe Kerk ; ik ontbind alle christenen van den eed, dien zij hem gezworen hebben of zullen zweren, en ik verbied aan allen om hem van nu af als koning te gehoorzamen. Even als Hendrik weigert aan mij. Herder der Kerk, te gehoorzamen en zich van de christelijke Kerk scheidt om haar door scheuring en oorlog te verscheuren, zoo binden wij hem in uw naam door den band van een vreeseiijk anathema, opdat alle volken zouden weten dat gij Petrus zijt en dat op deze steenrots de Zoon van den levenden God zijne Kerk gebouwd heeft, tegen welke de poorten der hel nooit iets zullen vermogen.quot;
De excommunicatie van Hendrik moest groote gevolgen voor dezen na zich slepen. In de Middeneeuwen, waar het geloof en de gehoorzaamheid aan de Kerk, trots de vele afdwalingen, scheuringen, en verzetten, trots de slechte
— 222 —
voorbeelden van ongehoorzaamheid vaak door vorsten bisschoppen en geestelijken gegeven, bij de groote meerderheid onverzwakt waren gebleven, kon men zich geen vorst voorstellen die buiten de gemeenschap der Kerk was, die opgehouden had katholiek, christen te zijn. De excommunicatie ontsloeg de onderdanen van hunnen eed van trouw aan hem gezworen, ontsloeg de lagere vorsten en edellieden van elke verplichting tegenover den lands- of leenheer. Een kroniekschrijver van dien tijd zegt dan ook, dat de geheele roomsche wereld geschokt en ten diepste verslagen was door dezen banbliksem: nimio terrore per ter ritus vacillavit. Maar er was ook niemand die er niet de groote rechtvaardigheid van erkende. De afzetting van den troon, ofwel de opschorsing van het koninklijk gezag (ofschoon de bepaalde afzetting eerst in 1080 door Gregorius werd uitgesproken) was, volgens het openbaar recht van toen, het noodzakelijk gevolg van de excommunicatie, en deze excommunicatie had nooit iemand getroffen waarvan de schuld meer algemeen erkend werd als van Hendrik IV; hij was een verstokte rebel tegen de Kerk, een allerwreedste dwingeland zijner volken, een lage vertrapper van alle zedelijkheid en recht, verzonken in de modderpoel der laagste losbandigheid en zoo diep gedaald, dat hij er zich een genoegen van maakte zijne eigene zuster tot de prostitutie te dwingen en door het teugelloos schuim van zijn Hof in goddelooze naiiperijen de heiligste geheimen van den godsdienst te onteeren.
Hendrik ondervond spoedig de uitwerkselen van de excommunicatie door een plotselingen omkeer van zijn voorspoed. De afschuw voor den geëxcommuniceerde was in die dagen allerlevendigst en de herhaalde en verschrikkelijke sterfgevallen van eenigen zijner vurigste aanhangers, die met hem met den ban waren geslagen, vermeerderden bij allen nog de vrees. Willem, aartsbisschop van Utrecht, die in tegenwoordigheid des konings den Paus en de excommunicatie bespot had, werd door wreede pijnen overvallen, die hem in korten tijd onder stuiptrekkingen en kreten als
— 223 —
van een verdoemde, uit het leven brachten, Burkhard, bisschop van Meissen, viel van het paard en verbrijzelde zich de slapen; Hendrik van Spiers werd door een slagberoerte uit het leven gerukt; Eppo van Ceitz verdronk bij het overtrekken van eene rivier, hertog Gozelo kwam in Antwerpen om het leven, op de schandelijkste wijze vermoord wordende; en verschillende andere kwamen op dezelfde noodlottige wijzen om het leven. Veel bisschoppen en vorsten waren Hendrik moede en smeekten Gregorius om vergiffenis; terwijl de volken van Saksen, Beieren, Zwaben en Frankenland, weleer door Hendrik op de barbaarschte wijze onderdrukt, in opstand kwamen en zich tegen Hendrik verbonden, onder aanvoering van de heldhaftige Rudolf van Zwaben, Welf van Beieren en Berthold van Karinthië. Tevergeefs riep Hendrik, om zijne legerscharen te verzamelen, eerst een Rijksdag te Worms en daarna een te Mainz bijeen: beiden bleven ledig. Daarentegen was de algemeene Rijksdag, door de Rijksvorsten tegen den 16en October 1076 te Trier bijeen geroepen, zeer druk bezocht. Na zeer ernstige besprekingen over de middelen die aangewend konden worden om genezing te brengen in de rampen van het Rijk, dat op zulk eene gruwelijke wijze door Hendrik werd onderdrukt, en ofschoon de meeste vorsten er toe overhelden om terstond een anderen koning uit te roepen, werd er, vooral door tusschen-komst van de twee pauselijke Legaten, Sigerd, patriarch van Aquilea en Altmam, bisschop van Passau, die den troon voor Hendrik wilden bewaren voor 't geval dat hij tot inkeer mocht komen, besloten dat, wanneer Hendrik niet binnen een jaar en een dag van den ban werd vrijgesproken, hij onherroepelijk van den troon vervallen zou worden verklaard en dat hij inmiddels, na alle geëxommuniceerden van zich verwijderd te hebben, als privaatpersoon moest leven en dat men in een nieuwen Rijksdag, welke op den eerst volgenden feestdag van Maria-Lichtmis in Augsburg zou gehouden worden, de eindbeslissing aan den Paus zou overlaten.
Hoeveel het den teugelloozen hoogmoed van Hendrik
— 224 —
ook mocht kosten, toch moest hij zich aan de gestelde voorwaarden onderwerpen, en zoo trok hij in den winter over de Alpen en kwam aan het kasteel van Canossa, waar paus Gregorius, weinig op de Lombardijers, die veelal keizerge-zind waren, durvende vertrouwen, bij gravin Mathilde eene veilige schuilplaats had gezocht. Deze gravin Mathilde, wier naam zoo nauw verbonden is aan dezen grooten worstelstrijd tusschen de geestelijke macht en de aanmatiging van het wereldlijk gezag, was de dochter van Bonifacius, graaf van Modena, Reggio, Mantua en Ferrara; hij had van Keizer Koenraad het hertogdom Luca en het markiezaat Toscane verkregen, zoodat hij een der machtigste vorsten van Italië was en bovendien een der rijkste en der edelmoedigste. Bij zijn huwelijk met Beatrix van Lorreinen of Lotharingen, hield hij gedurende drie maanden open hof te Marengo. De heeren, die er zich in menigte heen begaven, werden in gouden en zilveren vaatwerk bediend, terwijl terzelfder tijd de blijdschap van het volk werd onderhouden door stroomen wijn, die uit vaten zoo groot als putten vloeiden, en nog aangewakkerd door muziek en de potsen van grappenmakers en goochelaars. Toen Hendrik III te Piacenza geen goeden azijn vond, zond Bonifacius er hem, maar in vaten van zilver en op een wagen van zilver. Toen Bonifacius vermoord was, werd zijne dochter Mathilda de erfgename van al zijne bezittingen en al zijne schatten. Maar meer dan door deze, meer nog dan door hare stichtingen, zooals de heerlijke kerk van de H. Agatha te Cornochio, is haar naam beroemd geworden door haar moed, hare volharding en hare toewijding tegenover kerk en vooral tegenover Gregorius VII, dien zij uit al hare krachten in diens strijd tegen Hendrik IV steunde.
Paus Gregorius bevond zich dus op het oninneembare kasteel van Canossa toen Hendrik, slechts vergezeld van een klein gevolg en zonder vertoon, zich in den winter van 1077 voor de poorten vertoonde, waar hij zich van zijne koninklijke kleeding en schoeisel ontdeed en het gewaad der gewone
— 225 —
pelgrims aantrok. De Paus weigerde eerst hem te ontvangen, zeggende dat hij zich naar den Rijksdag moest begeven, die te Augsburg was bijeen geroepen. Hendrik antwoordde dat hij het rechtvaardige vonnis des Pausen niet wilde ontwijken, maar dat hij slechts de vrijspreking van den ban verzocht, daar de gestelde termijn van een jaar, voor zijne verzoening met de Kerk toegestaan, op het punt was van te verstrijken.
Gregorius, die eene schitterende genoegdoening verlangde voor de zoo groote en algemeen bekende misdaden van Hendrik, en om een afschrikwekkend voorbeeld aan alle tirannen te stellen, eischte dat de koning zich in een boetgewaad zou vertoonen, zijn kroon aan den Paus overhandigen, als erkening dat hij onwaardig was die te dragen, en toen Hendrik aan deze voorwaarden had voldaan en gedurende, drie dagen de vergiffenis des Pausen en de losspreking van den ban had afgesmeekt, gaf Gregorius hem de absolutie, op voorwaarde dat hij zich voor den Rijksdag van Augsburg zou vertoonen en zich aan de beslissing des Pausen zou onderwerpen ; inmiddels zou hij noch het gezag, noch de inkomsten, noch de kenteekenen van het koningschap mogen genieten.
Paus Gregorius verhaalt zelf in zijn brief aan de Duit-schers, die den Paus nog te gematigd vonden, volgender-wijze het gebeurde: „Nadat hem zeer ernstige verwijten over zijne buitensporigheden waren gedaan, kwam hij met een zwak geleide te Canossa als iemand die geen enkel kwaad oogmerk koestert. Hij verbleef daar gedurende drie dagen voor de poort, in een staat die medelijden moest opwekken, ontdaan van eiken koninklijke tooi, blootvoets, in wol gekleed en onder tranen de hulp en de vertroosting der apostolische barmhartigheid afsmeekende; zoodanig dat alle personen die tegenwoordig waren of er van hoorden spreken, door medelijden getroffen waren en bij Ons voor hem spraken, verwonderd over de ongehoorde hardheid van ons hart. Eenigen riepen uit dat dit geen apostolische ge-
15
— 226 —
strengheid was, maar de hardvochtigheid van een woesten dwingeland.
Nadat Wij ons eindelijk door zijn berouw en door de smeekingen van de aanwezige personen hadden laten verbidden, verbraken wij de keten van het anathema, door hem op te nemen in de gemeenschap van onze moeder de H. Kerk.quot;
Dat verwijt van hardvochtigheid en dwingeland van priesterhoogmoed en priesteroverheesching wordt nog in onze dagen Gregorius VII door een aantal geschiedschrijvers naar het hoofd geslingerd en, in navolging van dezen, door de leeraren in de geschiedenis aan sommige inrichtingen van onderwijs hunnen leerlingen ingeprent, zooals het schrijver dezer gebeurde, toen hij de lessen aan het gymnasium volgde. Weinig bekend met de verhoudingen in de middeneeuwen, uit partijschap, vooroordeel of haat tegen het Pausdom alle misdaden en gruwelen van Hendrik over het hoofd ziende of vergoelijkende hebben zij slechts woorden van spot, verachting en laster over voor den grooten Paus Gregorius.
Gelukkiglijk zijn evenwel niet alle geschiedschrijvers zóó verblind en zóó bevooroordeeld. Een der grootste onder hen, Leo, nog wel een protestant, zegt over de wereldberoemde gebeurtenis voor Canossa, het volgende; „Het heeft niet aan Duitsche schrijvers ontbroken, die het tooneel op Canossa beschouwen als eene beleediging door een aanmatigenden kerkvorst aan de Duitsche natie gedaan. Zulk eene zienswijze doet eene groote verblindheid kennen en is een verlicht volk onwaardig. Leggen wij een oogenblik de uit nationale ijdelheid en het protestantisme ontstane vooroordee-len ter zijde en plaatsen wij ons op het waarlijk protestantsche standpunt van eene volmaakte vrijheid van denken. Dan zullen wij in Gregorius een man ontdekken die, gesproten uit eene klasse welke destijds van allen standkundigen invloed verstoken was en die voor eenigen steun slechts de kracht van zijn geest en van zijn wil had, eene vernederde
— 227 —
instelling (de Kerk) uit hare verlaging opbeurt en haar een tot dusverre ongekenden luister verschaft. Wij zien daarentegen in Hendrik een man (en ternauwernood verdient hij den naam van menseh), aan wien zijn vader een bijna onbeperkte macht had gelaten over een moedig en voor dien tijd rijk volk, en die, niettegenstaande een groot aantal uitwendige middelen, door de laagheid van zijn karakter in het slijk der schandelijkste misdaden, waarvan men den naam niet kan uitspreken, medegesleept, afdaalt tot de rol van een laffen smeekelïng en die, na alles wat het heiligst onder de menschen is, met voeten te hebben getreden, beeft op de stem van dïen held van den geest. Men geeft bewijs van kleingeestigheid, als men zich door nationalen hoogmoed zoover laat medeslepen, dat men zich niet kan verheugen over de zegepraal te Canossa door een verheven genie op een lagen en karakterloozen mensch behaald.quot;
In al de onderworpenheid en in al de beloften van Hendrik was evenwel geen zweem van oprechtheid, want nauwelijks was hij van den ban vrijgesproken of hij hervatte zijne listen, lagen en misdaden; hij trachtte zich op verraderlijke wijze van Paus Gregorius meester te maken en bezette de Alpenpassen om Gregorius te beletten naar den Rijksdag van Augsburg te gaan, bovendien vormde hij een leger uit de met hem heulende Lombarden om door het geluk der wapenen zijn gezag te herstellen. Zooveel trouweloosheid verbitterde de Duitsche vorsten ten hoogste en zonder de komst van den Paus af te wachten vergaderden zij te Forch-heim en riepen daar, den 15 Mr^t 1077, Rudolf van Zwaben tot koning uit. Bij zijne kroning, die te Mainz in tegenwoordigheid van de Legaten des Pausen plaats had, beloofde Rudolf aan de Kerk volkomen vrijheid in de keuze der bisschoppen. Rudolf had gedurende drie jaren zijn troon tegen Hendrik te verdedigen, en de beslissende overwinning, die hij den 15 October 1080 aan de oevers van de Elster op Hendrik behaalde, kostte hem zelf het leven. Bij het ver-
I
— 228 —
volgen van den verslagen vijand werd Rudolf door Godfried van Bouillon, de groote held van den eersten kruistocht, maar die toen de zijde van Hendik hield, doodelijk door een lanssteek gewond, zoodat hij den volgenden dag overleed. Den 7 Maart van datzelfde jaar 1080 was in een concilie te Rome op nieuw de ban over Hendrik uitgesproken en hij tevens zonder uitstel van den troon vervallen verklaard en Rudolf als wettigen koning erkend. Hendrik riep een dertigtal bisschoppen uit Duitsland en Lombardije, alle ge-ëxcomuniceerden, in een zoogenaamd concilie te Brixen bijeen en nadat de beruchte afgezette kardinaal Hugo Candidus op nieuw alle lasteringen tegen Gregorius had uitgebracht, hem een ketter, moordenaar, overweldiger van den H. Stoel had genoemd, verklaarden zij hem vervallen van den pauselijken troon en kozen zij als tegenpaus Guibertus, aartsbisschop van Ravenna, die reeds lang buiten de gemeenschap der Kerk was gestoten en die tevens ook de groote opstoker was van alle scheurigen en ergernissen in het noorden van Italië. Deze tegenpaus nam den naam aan van Clemens III, en toen Hendrik hem zijn eerbied ging betuigen, zwoer hij dat hij hem op het Vaticaan zou brengen en dat hij daar uit zijne hand de keizerskroon wilde ontvangen. Zooals wij gezien hebben sneuvelde Rudolf in den slag bij de Elster en nauwelijks was Hendrik van zijn dapperen tegenstander verlost of hij maakte zich gereed voor den tocht tegen Rome.
Hoofdstuk XI.
Hendriks tocht naar Kome. Weerstand der Romeinen. Tweede en derde belegering:
van Kome. Verdrag tusschen Hendrik en Paus Oregorius. Woordbreuk van Hendrik.
Nieuwe strijd. Paus Cresorius sterft. Victor 111 en Paschalis 11. Dood van Hendrik IV, die door zijn zoon Hendrik V wordt opgevolgd. Deze hernieuwt den investituurstrijd en neemt Paus Paschalis en de prelaten gevangen. Dood van Paus Paschalis, (-elasius 11 volgt hem op. Zijne gevangenneming en vlucht. De tegenpaus. Dood van («elasius.
i
et was in de maand Maart van 't jaar 1081 dat Hendrik met zijn leger over de Alpen trok om zijn tegenpaus met geweld op den Stoel van den H. Petrus te plaatsen. In April te Milaan zijnde,
liet hij zich door den geëxcommuniceerden aartsbisschop Teodaldus de ijzeren lombardische koningskroon opzetten, en trok vervolgens op Rome los. Den 21 Mei had Hendrik zijn legerkamp reeds op Monte Mario opgeslagen en trachtte nu door leugenachtige beloften en vleiende woorden de Romeinen voor zich te winnen, maar dezen hielden de poorten gesloten, zoodat Hendrik ^vvel tot een regelmatig beleg moest overgaan. De ontevredene Romeinsche grooten, en in de eerste plaats de graven van Tusculum, sloten zich bij Hendrik aan, maar het Romeinsche volk bleef Gregorius trouw.
Hendrik werd evenwel spoedig gedwongen het beleg op te breken, daar eene zware en besmettelijke ziekte zijne legerscharen dunde, zoodat hij naar Toskane toog en het beleg
— 230 —
voor Florence sloeg. Maar ook deze stad bood moedig tegenstand, zoodat hij met zijn tegenpaus naar Lombardije moest terugkeeren. Een tweede tocht, het volgende jaar ondernomen, had al geen beter verloop, zoodat hij den tegenpaus met eenige troepen in Tivoli liet, van waar zij de omstreken van Rome plunderen en brandschatten, terwijl hij zelf zijne wapenen richten tegen de steden en bui-gen van gravin Mathilda.
Op het einde van 1082 trok Hendrik op nieuw tegen Rome op en na de stad gedurende zeven maanden streng belegerde te hebben, gelukte het hem den 2 Juni 1083 vasten voet in de Citta Leonina te krijgen en na een verwoed gevecht om Sint Pieter maakte hij zich meester van Borgo. 1) De Paus trok zich in het kasteel San Angelo terug en sprak daar, den 24 Juni, op nieuw den ban tegen Hendrik en den tegenpaus uit, die vier dagen later bezit nam van het Vaticaan.
De eigenlijke stad was evenwel nog in het bezit dei-Romeinen en hield trouw de zijde van Gregorius, maar Hendrik wist door mooie woorden de bevolking te doen wankelen. Hij zeide dat hij bereid was Gregorius te erkennen en van hem de keizerskroon te ontvangen, en om het volk nog beter te kunnen misleiden, zond hij zijn tegenpaus naar Ravena terug. De Romeinen, de herhaalde belegeringen moede en voor erger vreezende wanneer het den Duit-schers mocht gelukken de stad stormerhand in te nemen, namen de voorstellen gretig aan, edoch Gregorius weigerde, zeggende dat Hendrik eerst voldoening voor zijne misdrijven moest geven aan God en de Kerk, en dat hij hem dan zou losspreken en kronen. Eindelijk werd tusschen den koning, de Romeinen en den Paus overeengekomen dat de groote strijdvraag in een in November te houden algemeen Concilie zou beslist worden. Hendrik het in Rome slechts eene bezetting van 400 man achter en trok zelf naar Toscane om het land van gravin Mathilda te verwoesten en te plunderen.
1) Borgo is dat gedeelte van Rome dat ongeveer van het kasteel. San Angelo naar St. Pieter en het Vaticaan loopt.
— 231 —
Toen het tijdstip voor het Concilie naderde, gaf Hendrik op nieuw blijken van zijne trouweloosheid en boos karakter, daar hij het Concilie op alle denkbare wijze trachtte te beletten en de afgezanten van Duitschland, de bisschoppen, abten en kardinalen, die zich er heen begaven, gevangen nam, terwijl hij tevens de Romeinen trachtte om tekoopen door hun de 144.000 gouden Solidi schonk, welke de Grieksche keizer Alexis Comnenos hem gezonden had om krijg te voeren tegen Robert Guiscard.
Niettegenstaande alle hinderpalen werd het Concilie toch op den 20 November 1083 door Gregorius geopend, maar alleen enkele bisschoppen van Beneden-Italie en Frankrijk woonden het bij, zoodat de Paus alleen tot standvastigheid en moed in de wreede vervolging kon aansporen. Maar meer nog de daden dan de woorden van den Paus waren eene aansporing tot moed en volharding, want waarlijk, de toestand van Gregorius was op dat oogenblik zeer benard en het scheen dat zijne vijanden eene volkomene overwinning zouden behalen, daar hij geheel alleen stond, op niemands hulp kon rekenen.
Na den dood van Rudolf hadden de Duitsche vorsten Herman van Luxenburg als koning uitgeroepen, maar deze had de handen vol om zijn titel en waardigheid te verdedigen tegen de aanhangers van Hendrik, terwijl Gravin Mithilda, eveneens door Hendrik fel besprongen, al hare krachten moest aanwenden om haar land te verdedigen, zoodat geen van beiden Gregerius kon ter hulpe snellen. Ook veel Italiaansche vorsten werden Gregorius ontrouw en het Romeinsche volk, van den eenen kant omgekocht door de schatten van Hendrik, van den anderen kant bevreesd voor zijne wraak, wankelde en liet zich ten slotte overhalen om voor Hendrik de poorten te openen toen deze in het voorjaar van 1084 zich oj) nieuw voor de eeuwige stad vertoonde. Den 21 Maart van dat jaar trok Hendrik dan met den tegenpaus door de Porta Asinaria (San Giovanni) de stad binnen en nam bezit van Lateranen. Den 31 Maart,
— 232 —
Paaschdag, liet hij zijn tegenpaus door de drie bisschoppen van Modena, Bologna en Cervia tot paus (Clemens III) kronen en zich en zijne gemalin Berta door dezen de keizerskroon op het hoofd plaatsen.
Toch was Rome niet geheel in de macht van Hendrik. De paus bezette met zijne getrouwen het kasteel San Angelo, terwijl een aantal edelen, die de zaak des pausen niet hadden verzaakt, in hunne versterkte kasteelen, waarvan Rome er een groot aantal bevatte, aan den Duitscher het hoofd boden.
Hendrik moest deze allen belegeren en inderdaad had hij er reeds enkele verwoest en maakte hij zich gereed het kasteel San Angelo te belegeren, toen hij het bericht ontving dat Robert Guiscard met 30000 man voetvolk en 6000 ruiters in alle haast op Rome aanrukte. Hendrik had den moed niet den dapperen Noorman het hoofd te bieden en na de sterkten van het kapitool en de Citta Leonina te hebben doen slechten verliet hij den 21 Mei Rome, om er nimmer weer te keeren. Zijn tegenpaus aan de Lombardiërs aanbevolen hebbende, keerde, hij na eene afwezigheid van vier jaren, in Duitschland terug.
't Is een opmerkelijk maar door de gescheidenis wel bewezen feit, dat niet alleen de vervolgers van Kerk en Paus hunne gerechte straf reeds hier beneden ontmoeten, maar dat ook het Romeinsche volk, telkens als het ontrouw wordt aan zijn wettigen en door God aangestelden vorst, op eene vreeselijke wijze gekastijd wordt. Het heulen van het volk met Hendrik, of althans zijn weinig stand houden tegen diens verlokkingen en bedreigingen, zou het vreeselijk boeten.
Eenige dagen nadat Hendrik op zulke laffe wijze Rome had in den steek gelaten, stond Robert Guiscard voor des-zelfs muren ; het volk wilde hem niet binnen laten en maakte zich tot tegenweer gereed. Het gelukte Robert evenwel den 28 Mei de Tiburtijnsche Poort, thans die van San Lorenzo, die slecht verdedigd was, stormerhand in te nemen en toen werd ook de Flaminiaansche poort door de binnengedrongen troepen van den Noorman geopend. In een oogwenk waren de straten door de binnendringenden overstroomd en het
Keizer Frederik Barbarossa.
— 233 —
tooneel van een bloedigen strijd, waarin de Romeinen weldra het onderspit delfden.
Te midden van het geraas en gewoel van den strijd snelde Robert naar de Engelenburgt en voerde den Paus in zegepraal naar Lateranen terug.
Zeker was deze ijver van Robert prijzenswaardig, maar niet minder prijzenswaardig zou hij geweest zijn indien hij zijne soldaten weerhouden had Rome met alle verschrikkingen van een stormerhand ingenomen stad te behandelen; nu gingen deze, waaronder behalve Noormannen ook veel Longobarden en zelfs Muzelmannen waren, brandende, plunderende, moordende en verkrachtende, als echte barbaren te werk, en waren oorzaak van nog grootere beproevingen voor de ongelukkige stad.
De Romeinen, door de buitensporigheden van het sol-datengespuis tot het uiterste gebracht, kwam in opstand en verzette zich tegen de onderdrukkers. Maar deze opstand werd door Robert en door Rugger of Rogier, zijn zoon, die hem ter hulpe was gesteld, spoedig onderdrukt. Robert deed op verschillende punten de stad in brand steken en door den wind verspreidden de vlammen zich zoo snel dat een groot gedeelte der stad, aan de zijde var het Forum, de Palatijnsche en Celische heuvels en het Lateraan, vernield werd, terwijl Robert bovendien de ongelukkige stad aan de plundering zijner soldaten overgaf. Voorwaar een hoogst droevig schouwspel voor Paus Gregorius, die zijne geliefde stad op zulk eene barbaarsche wijze door zijn redder zag teisteren.
De Romeinen, door deze harde les tot betere gevoelens gekomen, hernieuwden hun eed van getrouwheid aan den Paus, maar Gregorius stelde weinig vertrouwen in hunne betuigingen. Toen Robert Guiscard dan ook uit Rome terugtrok, na eene sterke bezetting in het kasteel San Angelo te hebben achter gelaten, verliet ook Paus Gregorius Rome en na een kort oponthoud te Monte Cassino begaf hij zich naar Salerno. Alvorens Rome te verlaten had hij den ban
— 234 —
tegen Hendrik en den tegenpaus hernieuwd, en ook te Salerno bleef hij onvermoed tegen de scheuring en de misbruiken in de Kerk ijveren, trouw beschermd en ondersteund door de moedige gravin Mathilda, wier troepen nog eene schitterende overwinning op die van Hendrik behaalden. Gregorius zou evenwel de zegepraal van de zaak, voor welke hij met zooveel heldenmoed en standvastigheid gestreden had, niet beleven, ofschoon hij haar voorbereid had en zij later behaald werd, dank zij zijn optreden en zijn werken. Door ouderdom en vermoeiennissen uitgeput werd hij ziek en den 25 Mei stierf hij onder het uitspreken van de gedenkwaardige woorden: „Ik heb de rechtvaardigheid bemind en de onrechtvaardigheid gehaat; daarom sterf ik in ballingschap.'''' Kort voor zijn dood had hij aan Alphonsus van Castille het volgende geschreven! „De haat mijner vijanden en de onrechtvaardige oordeelvelligen over mij komen niet voort uit het nadeel dat ik hun heb gedaan, maar alleen hieruit, dat ik de waarheid verdedigd en mij tegen de onrechtvaardigheid verzet heb. Het zou mij gemakkelijk gevallen zijn hen tot mijne dienaren te maken en er nog rijkere geschenken van te ontvangen dan mijne voorgangers, wanneer ik de waarheid had willen doen zwijgen en hunne ongerechtigheden verbloemen; maar behalve de kortheid van dit leven en de verachting die de goederen dezer wereld verdienen, heb ik gemeend dat niemand den naam van bisschop heeft verdiend dan door voor de rechtvaardigheid te lijden; ik ben dus besloten liever de vijandschap der boozen te verdienen door aan God te gehoorzamen, dan mij aan zijne gramschap bloot te stellen door hen te behagen door onrechtvaardigheden.''
Gregorius VII is ook nog door de nakomelingschap en vooral door de Duitsche Protestantsche geschiedschrijvers zeer onbillijk beoordeeld, maar de schitterendste rechtvaardiging kwam ook van een Duitschen en Protestantschen geschiedschrijver, van Voigt, die Gregorius den grooten hervormer zijner eeuw noemt en een held, voor wien
— 235 —
geen lof, hoe groot ook, ooit te groot kan zijn.quot; Waar zulk een man zulk een lof spreekt kan men lachen over keizer Josef II (de Koster), die den naam van Gregorius uit de Oostenrijksche kalenders deed schrappen; dan ook haalt men de schouders op over de kortzichtigheid en kleingeestigheid van het Weener hof, dat in 1729 zich uit alle kracht er tegen verzette dat het officie van den H. Gregorius in de geheele christenheid zou gelezen worden toen Benedictus XIII Gregorius VII heilig verklaarde. De geschiedenis heeft reeds lang recht gedaan over die bekrompenheid, dien haat, dien nationalen trots, die na zeven en acht eeuwen er nog niet toegekomen zijn om een grooten, heiligen en rechtvaardigen Paus te stellen boven een meineedigen, misdadigen, tirannieken en wellustigen vorst, die niet ten onrechte den naam van den tweeden Nero droeg.
Gelukkig is onze eeuw rechtvaardiger voor den grooten Paus geweest en thans staat Voigt niet meer alleen onder
de Protestantsche bewonderaars van Gregorius.
* *
*
Gregorius had op zijn sterfbed Desiderius, abt van Monte-Cassino als zijn waardigsten opvolger aangewezen en deze keus werd ook door alle trouw gebleven bisschoppen en romeinen volkomen gebillijkt, maar abt Desiderius deinsde terug voor de hooge waardigheid en den zwaren last van het pausschap; niettemin gelukte men er in, als 't ware door verrassing, hem tot de aanneming over te halen en hem den 24 Mei tot paus uit te roepen onder den naam van Victor III. Eenige dagen later moest Victor evenwel uit Rome vluchten, waar de tegenpaus zich genesteld had, de aanhangers van Hendrik de overhand kregen en eene volkomen regeeringloosheid den schepter voerde. Te Terracina ontdeed Victor zich van de kenteekenen der pauselijke waardigheid en trok zich weer in Monte-Cassino terug, zoodat de Pauselijke Stoel opnieuw ledig stond.
— 236 -
In 1067 liet Desiderius zich overhalen om op nieuw de pauselijke waardigheid te aanvaarden, maar eerst moesten de Noormannen de basiliek van Sint Pieter en de Citta Léonina op den tegenpaus Guibert en zijne aanhangers veroveren. Ook gravin Mathilda kwam met hare legers in Rome in wist de belangrijkste punten in bezit te nemen, zonder er evenwel in te slagen geheel en al vasten voet in de stad te krijgen. Paus Victor, het schouwspel van de bloedige worstelingen in Rome niet langer kunnende aanschouwen, keerde naar Monte Cassino terug, waar hij den 14 September stierf. Het gerucht ging dat hij op last van Hendrik IV vermoord was door vergiftigden miswijn; maar de nagedachtenis van Hendrik is reeds genoeg bezoedeld door bewezen misdaden, zoodat men een onbewezen en gruwelijk feit er niet aan toe behoeft te voegen. Waarheid is, dat Paus Victor zoodanig getroffen was door de rampen die de Kerk teisterden, dat eene zware ziekte hem overviel en hem spoedig ten grave sleepte. Zijne kortstondige regeering is evenwel gekenmerkt door eene schitterende overwinning welke de Pisanen, Genueezen en andere Italianen op de Saracenen behaalden.
Na den dood van Paus Victor werd Otto, behoorende tot de heeren van Chatillon en bisschop van Ostia, tot Paus verkozen, maar eerst zes maanden na den dood van Victor III en dank zij de hulp en bescherming van gravin Mathilda, die de bijeenkomst der bisschoppen te Terracina mogelijk maakte. Otto was ook reeds door paus Gregomus en later door paus Victor als een waardigen opvolger aangeduid, en inderdaad kreeg de Kerk in hem een voortreffelijken en beroemden paus, onder den naam van Urbanus II.
Het was paus Urbanus evenwel onmogelijk vasten voet in Rome te zetten, waar de tegenpaus Clemens heer en meester was, zoodat hij zich gedurende het eerste jaar van zijn pausschap in Zuid-Italie moest ophouden, alwaar hij te Malfi eene synode hield welke door 70 bisschoppen werd bijgewoond. In April van 't jaar 1069 waagde Urbanus
— 237 —
het evenwel zich in Rome, op het Tiber-eiland op te houden, maar zijn toestand was van dien aard, dat hij moest leven van de aalmoezen en de giften der getrouw gebleven Romeinen.
Guibertus, de tegenpaus Clemens, maakte zich gereed hem daar te belegeren, toen een nederlaag, die Hendrik van den kant der Saksers leed, de partij van den tegenpaus verzwakte en tevens den moed der aan Urbanus trouw ge-blevenen opwekken, die er in slaagden Guibert uit de stad te drijven. Urbanus bleef derhalve meester van Rome, waar hij een Concilie bijeenriep, waarop 115 bisschoppen vergaderd waren. Deze gelukkige wending was evenwel van korten duur, want Hendrik behaalde in Lombardije de eene overwinning na de andere en maakte zich gereed gravin Mathilda met alle kracht aan te vallen. Paus Urbanus gevoelde zich derhalve in Rome niet meer veilig en trok zich opnieuw in Campanie terug, zoodat Guibert weer naar Rome kon terugkeeren en zich daar gedurende drie jaren wist staande te houden. Op het einde van 1095 waagde de wettige Paus het evenwel weer in de Eeuwige Stad te komen, waar hij eene veilige schuilplaats vond in het versterkte kasteel der Frangipani, dicht bij de tegenwoordige Kerk van de H. Francisca Romana, en het Kerstfeest ook aldaar vierde. Door de edelmoedigheid van abt Godfried van Ven-dóme kon hij ook het Lateraan terugkoopen uit de handen van zekeren Ferrucio, die het in naam van den tegenpaus bezet hield, en na tien jaren herbergde het Lateraan weer voor 't eerst den Paus.
Gravin Mathilda, die weduwe was geworden van haar eersten gemaal, Godfried met den Bult, hertog van Lotharingen, maar op aanraden van den Paus een tweede huwelijk met Welf V, zoon van den hertog van Beieren sloot, bleef paus Urbanus met den zelfden onbezweken moed ter zijde staan als zij het Paus Gregorius had gedaan, en zelfs toen bijna al hare steden en sterkten door Hendrik waren veroverd en allen hare zaak verloren achtten, bleef de heldhaftige vrouw aan de zaak der Kerk trouw en wist zij noch van
— 238 —
wijken, noch van versagen. Het geluk des oorlogs keerde evenwel ter harer gunste. Hendrik sloeg het beleg voor dat zelfde Canossa, waar hij eenige jaren te voren als boeteling de vergiffenis van Paus Gregorius had afgesmeekt, maar Canossa was eene onoverwinnelijke sterkte en bood aan alle bestormingen weerstand; Hendrik wierd niet alleen gedwongen het beleg op te breken, maar zelfs over de Alpen te vluchten en naar Duitschland terug te keeren.
Nauwelijks had hij Italië verlaten of de voornaamste steden van Lombardije; Milaan, Lodi, Cremona, Piacenza, stonden tegen hem op en sloten een verbond van twintig jaren tegen de Duitschers; dit verbond was als het ware een voorspel van den lateren zoo beroemden Lombardischen Bond, die in de vlakte van Legnano aan Barbarossa, die de staatkunde van Hendrik IV volgde, zulk eene geduchte nederlaag zou toebrengen.
Ook in Duitschland ondervond Hendrik veel tegenspoed. Vele vorsten, en met name die van Beieren, stonden tegen Hendrik op en zelfs zijn oudste zoon Koenraad voegde zich bij Mathilda en Welf om tegen zijn vader krijg te voeren. Koenraad, in alle opzichten het tegendeel van zijn vader, was reeds in 1089 te Aken tot koning gekroond, maar zijn vader, dezen zoon om zijne goede hoedanigheden en de gunst die hij bij volk en vorsten genoot vreezende, had hem in den kerker doen opsluiten, uit welken Koenraad evenwel wist te ontsnappen om zich, zooals wij zeiden, bij Mathilda en Welf aan te sluiten. Koenraad werd in Lombardije met geestdrift ontvangen en door Anselmus III, aartsbisschop van Milaan, tot koning gekroond, hetgeen Hendrik zoo ter neder sloeg, dat hij een einde aan zijn leven wilde maken. Kort daarop zocht ook Hendriks tweede gemalin, Praxedes van Eusland, een toevluchtsoord op Canossa, na ontsnapt te zijn uit den kerker, waarin Hendrik haar hield opgesloten en de laagste en gruwelijkste behandeling deed ondergaan.
Paus Urbanus had zich, op verzoek van Mathilda, in Lombardije begeven en hield door in Maart 1095 een plechtig
- 239 —
Concilie, dat door 30.000 leeken, 4000 geestelijken en 200 bisschoppen werd bijgewoond. Daar hernieuwde de Paus de decreeten tegen' de Simonie en het huwelijk der geestelijken en tevens ook den ban tegen Hendrik en Guibert; in dat Concilie öok gaf Urbanus, op het verzoek van de afgezanten van den Griekschen keizer, die hulp tegen de Sa-racenen kwam vragen, den eersten stoot tot de kruistochten.
De roepstem van Paus Urbanus had een onmetelijken weerklank en weldra snelde geheel de westersche wereld onder den kreet ,,God wil het!quot; ter wapen, om de stad, waar de Zaligmaker der wereld geleefd had en gestorven was, uit de handen der ongeloovigen te verlossen. De herlevende godsdienstzin, de in heerlijke daden van zelfverloochening en heldenmoed zich uitende geloofsijver brachten een geweldigen slag toe aan de scheuring, door Hendrik in de Kerk gebracht. Een dezer kruislegers, aan welks hoofd zich de broeder van Frankrijk's koning, Hugo van Verman-dois, de broeder van den koning van Engeland, Kobert van Normandie, en Eobert van Vlaanderen zich bevonden, nam den weg over Italië, en na te Lucca den zegen van Paus Urbanus ontvangen te hebben, begaf het zich naar Rome, om de graven der Apostelvorsten te vereeren en de Eeuwige Stad aan den onwettigen Paus te ontrukken. Guibert moest de wijk nemen in het kasteel San Angelo en in 1097 keerde Urbanus naar Rome terug en kort daarop kwam ook de Engelenburcht in het bezit van den wettigen paus, die, na tien jaren, weer alleen meester van Rome was. In April van het volgende jaar hield hij andermaal een Concilie in Rome, waarin de reeds vroeger vermelde decreeten andermaal hernieuwd werden, doch kort daarop, den 29 Juli 1090, stierf de groote Paus na eene moeielijke doch in de gevolge allervruchtbaarste regeering van elf jaren.
Den 14en Augustus besteeg kardinaal Ronieri, onder den naam van Paschalis II, den pauselijken troon; maar ook hij had reeds terstond de aanvallen van den tegenpaus te duchten, die zich te Albano bevond. Het gelukte Paus
— 240 —
Paschalis evenwel de Albaneezen voor zijne zaak te winnen, zoodat zij Guibertus verdreven, die zich toen naar Civita Castellana begaf. Hier trof hem evenwel de straffende hand Gods en een onverwachte dood rukte hem uit het leven. De ongelukkige had meermalen van zijne misdadige wegen willen terugkeeren, want hij gevoelde maar al te wel dat hij niet anders was dan een werktuig in de handen van Hendrik. Hem ontbrak evenwel de moed om zich te bekeeren en te onderwerpen, en toen de tijd der genade voor hem voorbij was, stierf hij zonder berouw, zonder vergiffenis en beladen met de schuld van al de rampen en al de onheilen, die hij over de Kerk en over de christenheid gedurende de twintig jaren van zijn onwettig pausschap had gebracht.
Met den dood van den tegenpaus was evenwel het schisma niet verdwenen, want tot drie malen toe verkozen de aanhangers van Hendrik voor hem een opvolger. De eerste, Teodorik, bisschop van Porto en S. Eufino, in 1100 gekozen, en de tweede, Albertus, bisschop van Sabina, in 1101 uitgeroepen, vielen in handen van Paus Paschalis en werden in een klooster opgesloten, maar de derde, Magulfus, die den naam van Silvester IV aannam, gelukte er in zich van het Lateraan meester te maken, zoodat Paus Paschalis naar het Tiber-eiland moest vluchten. Inmiddels was ook Hendrik IV gestorven, nadat, onder vele andere rampen, hem ook nog deze beschoren was, dat zijn tweede zoon, Hendrik (Koenraad was in 1101 gestorven), dien hij in Aken tot koning had doen uitroepen, tegen hem opstond en de wapens tegen hem opvatte. Hendrik IV, de groote vervolger van Gregorius VIII, van Victor IH, van Paschalis II, een der grootste dwingelanden van de nieuwere tijden, een der losbandigste, der gruwzaamste, der meest gewetenlooze vorsten, werd te Luik onverwacht, door den dood overvallen en den 7 Augustus 1106, in zijn 56ste levensjaar onboetvaardig uit het leven weggerukt. Niet alleen Duitsch-land, maar geheel de christenheid jubelde over zijn dood
— 241 —
en een kroniekschrijver dier dagen, die anders niet tot de tegenstanders van Hendrik behoorde, verzekert, dat er niemand gevonden werd die zijn dood betreurde, maar dat allen zich er over verheugden als over eene zaak van algemeen geluk. Zijn lijk rustte eenige tijd in de St Lamber-tuskerk te Luik en werd daarna naar Spiers overgebracht; maar het duurde 5 jaar eer het in gewijde aarde mocht rusten.
P. Brunengo zegt over de regeering van Hendrik IV en de gevolgen daarvan:
„Zóó was dan het tragisch einde van het tragisch leven van Hendrik IV. Geen regeering kan in de geheele geschiedenis der wereld misschien aan de zijne vergeleken worden, eenerzijds door de beroeringen en stormen, anderzijds door de grootheid van rampen en verwoestingen.
Hendrik IV wilde het Pausdom en do Kerk vernederen en beiden de slaven van de wereldlijke macht maken; maar hij slaagde er slechts in het Rijk te verlagen en met dit ook geheel Duitschland, en niet minder om het werk van Karei den Groote en Otto den Groote af te breken en ongedaan te maken. De Kerk trad, zooals wij zullen zien, uit dezen strijd gezuiverd en vrij te voorschijn; het Pausdom nam vuriger en vrijer zijne vlucht om tot die hoogte, zelfs op staatkundig gebied, te geraken, waartoe het in de 12e en 13e eeuwen kwam; het heilig Rijk, daarentegen, na onder de handen van Hendrik op zulk eene schandelijke wijze zijne zending verraden te hebben, door zich van Beschermer dei-Kerk in hare vervolger te veranderen, en van staatkundig middenpunt van de groote eenheid der christelijke volken zich te veranderen in een brandpunt van verscheuring en wreede twisten; het Rijk, zeggen wij, verloor zijn vroeger overwicht, verloor het vertrouwen en de achting der katholieke wereld en ging den weg op naar dat zedelijk verval, waarin de laatste Hohenstaufen, in navolging van Hendrik, het eindelijk stortten. En van dezen vreeselijken slag gevoelde Duitschland, meer dan eenig ander gewest, de gevolgen. Verscheurd door zoovele beroeringen, uitgeput door
16
— 242 —
zoo lange regeeringloosheid, verzwakt in de banden die de vorsten aan den keizer verbonden en die de kracht van de natie en van het Rijk uitmaakten, behoefde het zeer langen tijd om zich weer op te heffen, maar nooit herkreeg het de macht waartoe het gestegen was onder de Otto's en Hendrik III, terwijl Italië, dat in de school van Mathilda geleerd had het Duitsche juk af te werpen, den eersten stap zette naar die groote beweging der Gemeenten, die, spoedig opgroeiende onder de schaduw der Kerk, aan het Eoomsch-Ger-maansche Rijk in het schoone land weldra nog slechts den naam en den schijn eener heerschappij overliet. Zoo werden in den ontaarden zoon van Hendrik III een onmetelijke hoogmoed, gekroond met monsterachtige ondeugden, tot werktuigen des verderfs voor de schitterende eigenschappen van verstand, dapperheid, onvermoeibare werkzaamheid, die hij van de natuur had ontvangen, en omdat hij zich met geweld tegen de rots van Petrus wilde meten, werd hij, die een groot keizer had kunnen worden, dat gene wat zijne tijdgenooten hem noemden! ,,een aartsroover, een aartsketter, een Juliaan de afvallige, een Nero, erger dan de hei-densche Nero, daar hij nog meer vervolger der zielen dan der lichamen wasquot; ; en hij liet aan de nakomelingschap zulk een verafschuwden naam achter, als de geschiedenis er geen heeft geboekt.quot;
Hendrik V, die tegen zijn vader in opstand was gekomen en de wapens gevoerd had onder het huichelachtig voorgeven de belangen der Kerk te willen verdedigen, betoonde zich, toen hij eenmaal zijn vader was opgevolgd, dat hij dezen in trouweloosheid en woordbreuk weinig toegaf ; de Kerk had dan ook door den dood van Hendrik IV voorloopig nog weinig gewonnen. Evenals voorheen verleende hij de investituur, evenals onder zijn vader werden kerkelijke waardigheden gekocht en verkocht, evenals onder
— 243 —
Paus Gregorius woekerde onder Paus Paschalis het kwaad onder de geestelijkheid voort.
De Paus liet evenwel niets na om het kwaad te keeren en met ijver en volharding verdedigde hij de vrijheid en de waardigheid der Kerk. Door den bisschop van Piacenza liet hij aan de gezanten van Hendrik, die de ongehinderde uitoefening der investituur kwamen eischen, antwoorden, dat ,,de door het bloed van Christus vrijgekochte Kerk niet tot eene dienstmaagd mocht verlaagd worden; en dat zij eene volkomen vernederde dienstmaagd des konings zou zijn, als diens wil beslissend zou zijn voor de keuze der bisschoppen; dat de investituur met ring en staf door den wereldlijken vorst eene overweldiging tegen God was.quot; De gezanten vertrokken onder bedreiging dat de strijd te Rome, en wel door het zwaard, zou beslist worden.
In Augustus 1110 trok Hendrik met een sterk leger eh een gevolg van geleerden, die de zoogenaamde rechten des vorsten op de investituur tegen den Paus zouden moeten verdedigen, naar Italië. Novarra, dat hem wederstond, werd verwoest, en in de Roncalische velden ontving hij de huldiging der Lombardische steden en regeeringspersonen. Van Florence trok hij in den winter naar Rome.
De toestand van Paus Paschalis was allermoeielijkst; Rome verlaten en aan Hendrik overlaten was dezen het voorwendsel in de hand geven om een tegenpaus te benoemen en zoo opnieuw scheuring verwekken; bleef hij in Rome dan had hij den druk en de gewelddadigheden van Hendrik te vreezen. Te Arezzo gekomen zond de koning een schrijven aan den Senaat en het volk van Rome en ook aan den Paus; deze zond een gezantschap naar Hendrik.
De raadslieden van Hendrik zeiden dat de koning geen afstand kon doen van zijn recht op de investituur, daar de bisschoppen en abten leenmannen van hem waren; de gezanten van Paschalis antwoordden dat de regaliën der geestelijkheid weer aan den koning konden terugkeeren en dat het inkomen der geestelijkheid nog enkel uit de tienden
— 244
en andere verplichtingen zou bestaan, want de Paus had liever eene arme geestelijkheid dan eene door Simonie en andere ondeugden bezoedelde, en de vrijheid der Kerk ging hem bovenal aan het hart.
Na eenig over en weer praten werd door de gezanten des Pausen en die des konings het volgende verdrag vastgesteld : 1) De koning zal op den dag zijner kroning tot keizer afstand doen van de investituur en bezweert, na de verklaring des Pausen betreffende de regaliën ontvangen te hebben, die in het toekomende ook niet meer te zullen uitoefenen; 2) De kerken blijven in het bezit van hunne niet leenplichtige goederen. 3) De koning ontslaat zijne lieden van den eed aan de bisschoppen, waartoe hij hen gedwongen had. 4) De Paus verbiedt den bisschoppen op straffe van den ban het bezit en de toeëigening van rijks-leenen, regaliën, graafschappen. 5) Het erfgoed van den H. Petrus blijft onverminderd aan den H. Stoel. 6) De Paus en zijne legaten genieten volle persoonlijke zekerheid. De koning stelt borgen en gijzelaars, met zijn neef Frederik van Ilohenstaufen aan het hoofd, die de Paus hem op den kroningsdag zal terug geven.
De koning was te Sutri toen zijne gezanten van Rome terugkeerden; hij keurde het verdrag goed onder voorbehoud dat het door de prelaten en de grooten des rijks zou worden aangenomen. In dit voorbehoud lag reeds eene trouweloosheid van Hendrik opgesloten, want hij wist zeer goed dat alle prelaten het niet zouden goedkeuren.
Paus Paschalis, te goed vertrouwend of in de kronkelpaden der Duitsche staatkunde niet genoeg doorgedrongen, stelde zich met de verklaring van Hendrik tevreden en zoo kwam Hendrik dan op Zaterdag, 11 Februari 1111, met zijn leger op Monte Mario en trok den daaropvolgenden Zondag, door geestelijkheid en volk plechtig ontvangen, naar Sint Pieter, waar de Paus, op den bovensten trap staande, hem ontving en omhelsde en vervolgens de kerk binnenvoerde.
Toen de Paus daarop overging tot de plechtigheden
— 245 —
der kroning en den Koning vroeg of hij het pas overeengekomen verdrag wilde naleven, vroeg Hendrik voorlezing ervan. Aan zijn verzoek werd voldaan, maar toen de lezing geëindigd was verklaarde hij dat hij er met zijne prelaten over moest spreken. Hij begaf zich derhalve met de Duitsche bisschoppen van zijne partij en drie Lombardische bisschoppen in eene zijkapel. De beraadslaging duurde lang en toen de prelaten met den Koning terugkwamen, verzetten zij zich met alle kracht tegen het verdrag. Hendrik had zulks voorzien en derhalve geen bezwaar gemaakt het op de bekende voorwaarde aan te nemen, maar nu weigerde hij elke concessie wat betreft de investituur en eischte hij dat de Paus hem niettemin tot Keizer zou kronen. Paus Paschalis weigerde. Hendrik zocht hem door bedreigingen vrees aan te jagen, maar toen de Paus standvastig bleef weigeren liet hij hem, tegen den gezworen eed in, door zijne soldaten gevangen nemen. Met den Paus werden ook de prelaten gevangen genomen en het gelukte slechts aan de bisschoppen van Ostia en Tusculum te ontsnappen.
Hendrik trok eenige dagen later uit Eome, den Paus en de prelaten als zijne gevangenen mede voerende. Deels om eene nieuwe scheuring in de Kerk te voorkomen, deels uit medelijden met het harde lot zijner medegevangenen en uit verlangen naar de vrijheid, liet Paschalis, na zestig dagen gevangenschap, zich tot een verdrag dwingen, dat zeker niet eervol en voordeelig voor de Kerk was. Dit verdrag behelsde dat de koning de vrij en zonder eenige simonie, maar met zijne toestemming gekozen bisschoppen en abten vóór hunne wijding de investituur met ring en staf zou geven, en dat hij over het voorgevallene niet met den ban zou belegd worden. Dit verdrag werd namens den Paus door 16 Kardinalen en namens den koning door 15 geestelijke en wereldlijke grooten bezworen. Daarop keerde Hendrik naar Rome terug en werd daar den 13den April door Paus Paschalis tot Keizer gekroond.
Het bovengemeld verdrag werd evenwel door zeer veel
— 246 —
Italiaansche en Duitsche en alle Fransche bisschoppen afgekeurd, verworpen en onwettig verklaard als zijnde door bedreigingen van den Paus, die niet zijne volle vrijheid bezat, afgedwongen en Paus Paschalis, diep bedroefd over het voorgevallene, wilde zelf zijne pauselijke waardigheid neerleggen. Hendrik ondervond ook de gevolgen van zijne trouweloosheid, daar de beste bisschoppen en prelaten zijne zijde verlieten en enkelen zelfs den ban over hem uitspraken.
In eene synode, in Lateranen gehouden, (Maart 1112) werd verklaard dat het privilegium, aan Hendrik geschonken, afgedwongen was, en 12 aartsbisschoppen, 114 bisschoppen, 15 Kardinaal-priesters en 8 Kardinaal-diakens onderteekenden deze verklaring, die door bisschop Gerhard den Keizer werd overgebracht. Paschalis hernieuwde de decreeten van Gregorius XII en Urbanus II tegen de investituur, en hij schreef aan den Keizer dat hij, getrouw aan zijnen eed, ofschoon Hendrik den zijnen reeds geschonden had, hem niet in den ban zou doen, maar dat hij afstand moest doen van het voorrecht hetwelk hij hem (den Paus) had afgedwongen In een ander plechtig concilie, in 1116 in Lateranen gehouden en waarbij 300 bisschoppen tegenwoordig waren, werden de veroordeelingen tegen Hendrik herhaald en het contract van paus Paschalis opnieuw ongeldig verklaard.
Inderdaad zou dit verdrag geheel het moeitevolle werk van Gregorius VII en Urbanus II teniet hebben gedaan, daar het aan de investituur wettigheid gaf; maar deze fout waarin hij gevallen was onder den invloed van Hendriks bedreigingen en de smeekingen van zijne omgeving, heeft Paschalis glansrijk door zijn berouw en door krachtiger
optreden tegen de investituur, schitterend hersteld.
« ♦
*
Zooals wij reeds gezegd hebben had Hendrik door zijn gedrag een groot aantal bisschoppen en prelaten van zich vervreemd en ofschoon de Paus den ban niet over hem
— 247 —
uitsprak, werd hij toch door verscheidene bisschoppen geëxcommuniceerd. Zooals gewoonlijk het geval was, vielen vele volken en vorsten van hem af; de Riidsdag, dien hij tegen den lsten November 1115 te Mainz had bijeengeroepen, bleef ledig en bij Welfenholz leed hij eene bloedige nederlaag, hem door de Saksen toegebracht.
Hendrik V deed wat zijn vader had gedaan. Van slechts een vijftal bisschoppen vergezeld, begaf hij zich in 1116 opweg naar Italië en in Lombardije aangekomen zond hij eene gezantschap, aan welks hoofd zich Pontius, abt van Clugny bevond, naar den paus, om over den vrede te onderhandelen, als voorwaarde evenwel stellende dat hij bevestigd zou worden in zijn recht op de investituur en dat hij ontheven zou worden van de banvonnissen, door de bisschoppen over hem uitgespreken. Paus Paschalis antwoordde dat hij hem noch van die banvonnissen kon ontslaan, noch een nieuw verdrag met hem aangaan, zonder de bisschoppen gehoord en geraadpleegd te hebben, zoodat hij een nieuw algemeen Concilie wilde bijeenroepen, waaraan hij den Keizer verzocht deel te nemen. Hendrik begreep zeer goed dat de uitspraak van dat concilie niet in zijn voordeel zou zijn, want dat de bisschoppen nooit in de erkenning dei-investituur zouden toestemmen, zoodat hij besloot tot het geweld der wapenen zijne toevlucht te nemen, en dit te ge-reeder daar hij aanspraak maakte op de goederen van gravin Mathilda.
De moedige gravin Mathilda was in 1115, in den ouderdom van 70 jaren, op haar kasteel Bondeno bij Canossa overleden, de Romeinsche Kerk tot universeele erfgename van hare uitgestrekte landen en goederen latende. Reeds in 1077 had zij bij plechtige schenking hare goederen aan Gregorius VII ten voordeele der Kerk geschonken, en toen deze akte verloren was gegaan had zij die aan Paschalis II in de beroemde Cartula donationis hernieuwd. Van deze Cartula bestond weleer een marmeren tafel, in de Basiliek van St. Pieter opgehangen, en nog bestaan er eenige brok-
— 248 —
stukken van in de Vaticaansche Crypte en hierop zinspeelt ook het grafschrift, dat Paus Urbanus VIII in 1635 in St. Pieter ter herinnering en uit dankbaarheid aan de groote gravin liet oprichten, toen hij haar stoffelijk overschot van het klooster van St. Bernardus in Palirone naar de Basiliek had doen overbrengen. In dat grafschrift wordt zij genoemd: de groote verdedigster en de allervrijgevigste weldoenster van den Apostolischen Stoel.
Op deze uitgestrekte bezittingen sloeg Hendrik V be-geerige blikken, en de rechten van den H. Stoel miskennende stelde hij in Toscane een keizerlijke Vicarius of luitenant-generaal aan, die de goederen voor den keizer beheerde en bestuurde. Deze wederrechtelijke daad moest het vuur quot;V an den nog niet geheel uitgedoofden strijd op nieuw in lichte laaie zetten. Een gereed voorwendsel om zich in de zaken te Rome te mengen vond Hendrik in een oproer, dat
aldaar uitbarstte.
De reden van den opstand was, dat het volk vreesde dat de paus, na den dood van den prefect der stad, 1 ietro v an de graven van Tnsculum, den zoon van Pier Leone tot
prefect zou verkiezen.
Pier Leone, zoowel als diens vader, hadden zich altijd zeer getrouw aan den H. Stoel betoond en hun sterk kasteel op het Tiber-eiland had meer dan eens aan de laatste pausen tot eene veilige toevlucht gediend. De Pier Leone s waren rijk en machtig geworden, maar zij waren van bekeerde joden afkomstig en hun rijkdom was in den handel en misschien ook wel door woeker verkregen, zoodat zij bij het Romeinsche volk en bij de grooten niet in zeer hoog
aanzien stonden.
Het volk riep dus den zoon van den overleden prefect tot diens opvolger uit en eischte dat de Paus die keuze zou goedkeuren. Paschalis weigerde, en toen hij op Paasch maandag van Sint Pieter naar het Lateraan terugkeeide werd hij aangevallen en met steenen geworpen; het opgeruide volk verwoestte de huizen van de aanhangers van
— 249 —
den Paus en deze was genoodzaakt naar Albano te vluchten.
Zoodra Hendrik van deze gebeurtenissen hoorde, trok hij naar Rome, waar hij door de oproerige partij met vreugde, door de andere met koude onverschilligheid werd ontvangen. Het kasteel van San Angelo en het Tiber-eiland waren evenwel in het bezit der pauselijken gebleven. Den 25 Maart 1111, op Paaschdag, liet hij zich derhalve in eene schuit over den Tiber zetten om zoo Sint Pieter te bereiken, waar de eerzuchtige aartsbisschop van Braga zich liet vinden om hem de keizerskroon op te zetten. Na het vertrek van Hendrik, die een groot garnizoen achterliet, voegden verscheidene grooten zich aan de zijde des Pausen, zoodat de keizerlijken verslagen werden en Paschalis den 15 Januari 1118 de Citta Léonina weer kon binnentreden en zich gereed maakte Sint Pieter, die nog altijd door de keizerlijken bezet was, weer in zijn bezit te krijgen; maar eene geweldige ziekte, waaraan hij reeds vroeger geleden had, rukte hem dem 21sten Januari uit het leven; hij stierf in een huis bij de Engelenburcht gelegen. Op zijn sterfbed beval hij de hem omringende kardinalen aan steeds één van zin en één hart te zijn, opdat zij in zulke gevaarlijke omstandigheden den heiligen strijd kloekmoedig zouden kunnen doorzetten; hij zelf, immers, had hun het voorbeeld gegeven; hij stierf als 't ware op het slagveld.
De kardinalen haastten zich om hun collega Giovanni di Gaeta, kanzelier der Roomsche Kerk, die zich te Monte-Cassino bevond, tot Paus te verkiezen en die, hoewel in den beginne tegenstrevende, zich de keuze liet welgevallen en onder den naam Gelasius II den pauselijken troon beklom.
Deze verkiezing gaf reeds terstond aanleiding tot eene dier schanddaden, zooals wij er reeds meer dan één op de Pausen hebben zien plegen door machtige heeren, verlangend om de gunst van hun vorst tot eiken prijs te koopen.
Ten gevolge van de moeielijke tijdsomstandigheden had het conclaaf plaats in de afgelegen kerk van S. Maria in Pallara, op den Palatijnschen heuvel. Nog waren de kar-
— 250 —
dinalen daar vergaderd of Cencio Frangipani, wiens versterkt kasteel bij de boog van Titus stond, viel met zijne gewapenden de kerk binnen, maakte zich van den paus meester, wierp hem ter aarde, overlaadde hem met stompen en slagen en sleepte hem bij de haren en de armen naar zijn kasteel en sloeg hem in ketenen. Ook de kardinalen, edelen en verdere personen, die aan het conclaaf deelnamen, werden mishandeld en bereikten meer dood dan levend hunne woning. Frangipani had, als vurige aanhanger van den keizer, gemeend dezen een grooten dienst te bewijzen, maar hij handelde geheel en al buiten voorkennis of medeweten des keizers.
Nauwelijks was het bericht van dezen heiligschen-nenden aanslag in Rome bekend geworden of Pier Leone, de prefect van de stad, een aantal trouwgeblevene edelen en bijna geheel het volk liepen naar de wapenen en op het Kapitool verzameld bevolen zij Frangipani onmiddellijk den gevangenen Paus in vrijheid te stellen. Even laf als wreed voldeed Frangipani aan het bevel en Gelasius werd in zegepraal naar Sint Jan van Lateranen gevoerd. Frangipani vluchtte naar den keizer, die zich in Lombardije bevond, en zijn broeder Leo had het leven slechts aan de edelmoedigheid van Paus Gelasius te danken.
Nauwelijks was de Paus aan dit gevaar ontsnapt of een nog grooter bedreigde hem. Hendrik V, die Verona belegerde, had nauwelijks den dood van Paschalis en de verkiezing van Gelasius vernomen, of hij besloot naar Rome te gaan. Hij wilde den Paus overvallen en van hem de erkenning der Investituur afdwingen; derhalve werd zijn tocht zoo geheim gehouden en zoo snel volvoerd dat men er in Rome eerst kennis van kreeg toen de keizer reeds in de onmiddellijke nabijheid was.
Paus Gelasius, die Hendrik V genoegzaam kende om alles van hem te duchten, verliet in den nacht van den 2den Maart het paleis van Lateranen en vluchtte in een kasteel aan den Tiber gelegen; maar zich daar ook niet veilig ge-
— 251 —
voelende zakte hij in den volgenden nacht met een klein gevolg in twee kleine galeien de rivier af en kwam aldra te Porto aan. Van hier wilde Gelasius naar Gaeta over steken, edoch het stormachtige weer en de onstuimige zee beletten de schepen het ruime sop te kiezen, terwijl de Duitsche soldaten, die inmiddels waren aangekomen, van het land met luid geschreeuw dreigden in het water te zullen gaan en de schepen terug te halen, in geval de Paus niet aan hen werd overgeleverd. De invallende nacht en de nog steeds woedende storm beletten hen in de uitvoering van hun plan. Kardinaal Hugo van Alatri nam toen den Paus, die oud en ziekelijk was, op zijne schouders en droeg hem door nacht en storm naar een kasteel bij Sint Paulus, en de Duitsche soldaten, den volgenden dag vernemende dat de Paus ontsnapt was, keerden naar Rome terug. In den volgenden nacht werd de Paus naar het schip terug gebracht en bereikte eindelijk gelukkig Gaeta. Hier vervoegden een groot aantal Kardinalen, bisschoppen en edelen zich bij hem en werd hij eindelijk, wat nog niet had kunnen geschieden, met de tiaar gekroond.
Hendrik het verblijf van Gelasius te Gaeta vernomen hebbende, zond hem gezanten met vredesvoorstellen, die evenwel meer op oorlogsverklaringen geleken. Gelasius antwoordde, dat hij niets vurigers begeerde dan beslechting van den strijd tusschen Kerk en Rijk, maar alleen in medewerking en toestemming der bisschoppen in een Concilie, dat hij te Milaan of Cremona wilde houden en waarbij hij den keizer uitnoodigde tegenwoordig te zijn, hem een vrijgeleide in die steden toezeggende.
Aan dit oor was Hendrik doof. Hij wist zeer goed dat geen Concilie hem in 't gelijk zou stellen in de Inivestituur-kwestie, daarom besloot hij den rampzaligen weg in te slaan, dien zijn vader bewandeld had. Hij liet door eenige rechtsgeleerden van zijn hof de verkiezing van Gelasius nietig verklaren en een tegenpaus daarna benoemen. Hij vond een gewillig werktuig in den aartsbisschop van Braga, die
— 252 —
reeds vroeger om zijn misdadig toegeven aan de eischen van Hendrik in den ban was gedaan, en die zich den 9den Maart in Sint-Pieter liet kronen en den naam Gregorius VIII aannam.
Nieuwe onlusten in Duitschland dwongen Hendrik Rome te verlaten, dat hij geheel aan den tegenpaus en zijne aanhangers overliet. Paus Gelasius en zijne getrouwen trokken naar de stad terug en wisten er werkelijk binnen te komen, maar de aanwezigheid van den tegenpaus zou weldra tot bloedige daden aanleiding geven. Den 6den Juli had de tegenpaus in Sint-Pieter en paus Gelasius in Sint-Paul zonder stoornis gepontificeerd, maar toen Gelasius den 21sten daaraanvolgende in Sint Praxedis de heilige geheimen vierde, stormden Cencius en Leo Frangipani de kerk binnen en vielen den Paus en zijn gevolg aan. De edelen, die den paus omgaven, hielden, hoewel geringer in getal, gedurende verscheidene uren den strijd vol, zoodat het Gelasius gelukte met zijn „kruisdragerquot; en nog gedeeltelijk met de priesterlijke gewaden omhangen, te paard de vlucht te nemen. De „kruisdragerquot;, die van zijn paard was gevallen, werd door eene arme vrouw opgenomen en in haar huis verzorgd, de Paus werd geheel alleen en uitgeput van vermoeienis en ontroering, in het open veld, dicht bij Sint Paul, teruggevonden.
Gelasius, ziende dat Rome en Italië niet veilig voor hem waren, trok naar Frankrijk en begaf zich naar de abdij van Clugny, waar hij hoopte eenige rust te zullen vinden. Hij vond die ook, maar het was de rust des doods. Den 29sten Januari 1119 stierf hij, na weinig meer dan één jaar de pauselijke kroon gedragen te hebben.
Hoofdstuk XII.
('ailistus II tot Paus grckozen. Concilie te lleiins. Treurig uiteiiide van den Tegenpaus Hendrik V, opniemv in den ban gedaan, wordt het volk van den eed van getrouwheid ontslagen. Einde van den investituurstrijd. Dood van paus ('ailistus II en van Hendrik V. Kome onder de pausen van Honorius tot Alexander III. De strijd tussehen de Hohenstaufen en de Kerk.
ans Gelasius had den aartsbisschop Conon van Preneste als zijn opvolger aangewezen, maar deze weigerde den zwaren last van het pausschap op zich te nemen, zoodat de Kardinalen, op aanraden van Cono, hunne keuze vestigden of Gwijde of Guido, aartsbisschop van Vienna, in Frankrijk. Deze Guido was de zoon van Guillaume, graaf van Bourgondie, en een oom van Frankrijks Koningin Adelaide en bovendien verwant met den Keizer en de Koningen van Engeland en Denemarken; bovendien had hij zich reeds doen kennen als een der wijste en moedigste bisschoppen van geheel de Christenheid. De keuze van Guido vond dan ook alom den grootsten bijval, zelfs bij de Duitsche bisschoppen, die op den rijksdag van Trier vergaderd waren.
Callistus II, zoo noemde zich de nieuwe paus, begon terstond na zijne kroning aan het werk van de bevrediging waarnaar eenieder reikhalzend uitzag. Ook de Keizer scheen den strijd, die hem de kroon kon kosten, moede te
— 254 —
worden en daarom gretig te luisteren naar de voorstellen die 's pausen legaten, Willem van Champeaux, bisschop van Chalons en Pontius, abt van Clugny, hem namens Callistus deden.
Hendrik bezwoer met de legaten een concordaat, waarvan zijn afzien der investituur de hoofdbepaling was; bovendien was bepaald dat de Keizer op den 24 October eene samenkomst met den paus te Mouson zou hebben.
Callistus had tegen den 20 October 1118 een algemeen Concilie te Reims bijeengeroepen; 427 bisschoppen en abten uit geheel het Westen waren daar bijeen gekomen. Naast de beslechting van een geschil tusschen Frankrijk en Engeland zou de vrede der Kerk het voornaamste punt der beraadslagingen uitmaken. Ingevolge de afspraak met den keizer begaf Callistus zich den 24 naar Mouson om er Hendrik te ontmoeten, maar de trouwelooze en meineedige vorst ontkende eenige verbintenis te hebben aangegaan en toen de legaten hem van leugen overtuigden, eindigde hij met uitvluchten en ten slotte met bedreigingen. Hendrik was met een leger van 30.000 man naar Mouson gekomen, ten einde door dit machtsvertoon den Paus vrees in te boezemen en zeker ook wel met het doel den Paus gevangen te nemen en zoo van hem toegeeflijkheid af te dwingen. De Paus wachtte zich dan ook wel naar het legerkamp des keizers te gaan, maar nam de wijk in een kasteel van den graaf van Troyes en keerde daarop naar Reims terug, zonder den beoogden vrede te hebben kunnen verwerven. De verontwaardiging over de trouweloosheid van Hendrik was algemeen en de vaders van het Concilie juichten niet alleen eenparig den ban toe, dien Callistus over hem uitsprak, maar ook de ontheffing van het volk van den eed van trouw, aan den keizer verschuldigd.
Paus Callistus wilde den pauselijken zetel weer te Rome vestigen en daarom sloeg hij in de lente van 1120 den weg naar Italië in, waar hij door de bevolking met grooten geestdrift werd ontvangen. In Rome had ook een geheele
- 255 —
omkeer plaats gehad; de keizerlijken waren bijna uit alle punten van de stad verdreven en bezetten nog slechts het gedeelte om en nabij Sint Pieter, zoodat, toen Callistus in het begin van Juni de Eeuwige Stad naderde, hem eene feestelijke en zegevierende ontvangst werd bereid. De tegenpaus had de wijk naar Sutri genomen, waar hij spoedig door de aanhangers van Callistus belegerd werd. De inwoners, weinig genegen hunne stad ter wille van den tegenpaus te zien verwoesten, namen dezen gevangen en leverden hem aan de Romeinen over, die hem rugwaarts op een kameel plaatsten en zoo onder spot en hoongelach door de stad voerden; misschien zou hem veel ergers zijn overkomen indien Callistus hem niet uit de handen van het volk had bevreid. Later werd hij in het klooster della Cava opgesloten, waar hij in onboetvaardigheid zijn leven eindigde.
In Duitschland was terzelfdertijd ook eene geheele verandering in de gemoederen gekomen; de vorsten en grooten des rijks waren de bloedige oorlogen en de scheuring moede en toen Hendrik in 1121 te Mainz zich tot nieuwe krijgstochten wilde gereed maken, waren de vertoogen der vorsten zoo krachtig dat hij genoodzaakt was aan hunne wenschen gehoor te geven en twee gezanten, Bruno, aartsbisschop van Spiers, en Arnulf, abt van Fulda, naar Rome zond om met den paus over de vredesvoorwaarden te onderhandelen.
Evenals Hendrik IV zwichtte ook Hendrik V voor den ban, die allen van hem verwijderde en hem van gehoorzaamheid van vorsten en onderdanen beroofde. Paus Callistus beraadslaagde in eene Synode de voorwaarden, waarop de vrede kon verkregen worden en zond daarna drie kardinalen als zijne legaten naar den rijksdag te Worms. Hier werden de voorwaarden des Pausen door den keizer en de vorsten den 8sten September 1122 aangenomen en den 235ten daaraanvolgende in de groote vlakte van Worms openlijk voor de verzamelde menigte plechtig afgelezen en met den uitbundigsten jubel ontvangen. De kardinaal-aartsbis-schop van Ostia, die de voornaamste der drie legaten was
— 256 —
— de andere waren Sasso, kardinaal-priester en Gregorius, kardinaal-diaken — celebreerde daarop plechtig de H. Mis en bij de communie onthief hij den keizer en de vorsten, zijne aanhangers, van den ban en sprak over het Duitsche leger en alle aanhangers van het schisma de absolutie uit. In Maart 1123 werd dit verdrag plechtig in het groote ecume-nische Concilie van Lateraan, het eerste ecumenische dat in het Westen werd gehouden, plechtig voor geheel de wereld afgekondigd en zoo eindigde dan na een worsteling van 47 jaren de groote strijd, die zooveel onheil over de Kerk en het rijk had gebracht, met eene schitterende zegepraal der Kerk. Paus Gregorius VII had wel zelf die zegepraal niet mogen beleven, maar zijn voorbeeld staalde zijne opvolgers in hun streven en de tocht van Hendrik IV naar Canossa was de voorbode van de eindelijke overwinning door Paus Callistus bevochten.
Het Wormser Concordaat bevatte de volgende punten, wat de investituur betreft: De keizer doet, uit liefde tot God en tot de Kerk, afstand van elke investituur met ring en staf, geeft aan alle kerken vrijheid van keuze en wijding en belooft aan de Roomsche Kerk vrede, bijstand en teruggave van de zich in zijne handen bevindende of komende regaliën (goederen) van den H. Petrus. De Paus van zijnen kant staat toe dat de keuze der prelaten, vrij van alle geweld en simonie, geschiede in tegenwoordigheid des keizers; bij strijdigheid over de keuze wordt aan den keizer de beslissing overgelaten, evenwel dat de beslissing ten gunste valt van hem die, naar het oordeel der provinciale synode, het meest recht heeft; de in Duitschland verkozen bisschoppen zullen voor hunne wijding door den keizer met den schepter beleend worden; die in Bourgondie en Italië evenwel na hunne wijding, maar zullen dan onmiddellijk den keizer hunne hulde als leenmannen bewijzen.
„Deze beslechting van een langen strijd was hoogst verblijdend voor de Kerk,quot; zegt prof. Hergenroether. Er werd daardoor een einde gemaakt aan het willekeurig be-
— 257 —
geven van geestelijke bedieningen door leeken, de vrijheid der keuze werd hersteld, met de dubbele verhouding van de prelaten des rijks rekening gehouden, het geestelijke en het wereldlijke van elkander gescheiden, het beginsel dat de kerkelijke macht slechts van de Kerk komen kan, erkend, de vroegere aanspraken des keizers op deelneming in hot bezetten van den pauselijken Stoel stilzwijgend ter zijde gesteld, maar daarentegen aan den keizer een aanmerke-lijken invloed op de verheffing der prelaten des rijks go-geven, die verder ook hunne vasallenplichten tegenover hem te vervullen hadden.quot;
En P. Brunengo zegt er over: ,,Door dit verdrag deed Callistus II eindelijk de groote gedachte van Gregorius VII: de Kerk vrijmaken van de macht der leeken, zegevieren, en de aldus vrijgemaakte Kerk herleefde, om zoo te zeggen, tot een nieuw en bloeiend leven. Vele geschiedschrijvers meenen, dat de gelukkige uitslag van het Wormser verdrag moet toegeschreven worden aan de wederkeerige toegevingen, die de Paus en de keizer wijselijk deden van hunne bovenmatige eischen, nadat die gedurende de lange twisten der beide partijen beter opgehelderd en onderscheiden waren, terwijl zij in het eerste vuur van den door Gregorius VII ontstoken strijd op zonderlinge wijze met elkander verward waren. Niets is evenwel minder waar dan deze opvatting.
De Kerk had nooit iets anders geeischt dan de bisschopskeuzen, die de levensspil zijn van geheel de christelijke maatschappij, vrij te maken, en daarom alleen had zij do investituur met ring en sto/quot;, do eerste bron van alle Simonie, omkooperijen en slavernij van het bisschopschap, verboden. Deze veroordeeling, in 1075 door Gregorius VII uitgesproken, werd door al zijne opvolgers tot aan Callistus II herhaald, die, zooals wij gezien hebben, in het Concilie van Reims Hendrik V op dezelfde wijze excomuniceerde en afzette als Gregorius VII het met Hendrik IV had gedaan, maar zoodra Hendrik V te Worms afstand had gedaan van de inv es till
— 258 —
tuur met ring en staf en aan alle kerken de vrije verkiezingen had toegestaan, was ook alle strijd geëindigd.quot;
De zoo gelukkig begonnen en door zulk eene schitterende zegepraal beroemd geworden regeering van Callistus II, die bovendien nog veel goeds en heerlijks voor de Kerk beloofde, zou helaas niet lang duren. Door eene hevige koorts aangetast, stierf hij den 13den December 1124, na zes jaar der pauselijken stoel tot sieraad te hebben gestrekt. Het volgende jaar, den 22 Mei 1125, stierf Hendrik V te Utrecht, zonder kinderen na te laten en met hem stierf het Salische hnis uit, dat gedurende eene eeuw de Keizerlijke waardigheid had bekleed. Hendrik IV en Hendrik V, Vader en Zoon, zijn een treffend voorbeeld van het onvermogen der trotsche en hoogmoedige wereldlijke macht tegen de Kerk en het Pausschap. De Salische Keizers wilden het oude wereldrijk der heidensche Keizers herstellen ; zij wilden het hoogste wereldlijke en geestelijke gezag als 't ware in zich vereenigen, een Cesaro-Papisme invoeren. Om dat doel te bereiken waren hun alle middelen goed ; zij deinsden zelfs niet terug voor den moord op Christus' Stedehouder, zij vervulden de Kerk met droefheid, ergernissen en scheuringen, de maatschappij met oorlog en alle rampen die er het gevolg van zijn — en zie ! zij stooten het hoofd tegen de eeuwige steenrots. Hendrik IV en Hendrik V sterven zedelijk overwonnen, eene bezoedelde nagedachtenis achterlatende, en hun geslacht sterft uit. Maar in den persoon van Callistus keert weer het zegevierende Pausdom machtiger en luisterrijker dan ooit in Rome terug.
Wij kunnen in dit werk geen uitvoerige geschiedenis van de Pausen noch van de stad Rome leveren, wat trouwens ook niet aan ons doel zou beantwoorden, zoodat wij vluchtig over de regeeringen van de op Callistus volgende Pausen zullen heen gaan.
Na den dood van Callistus hadden de Kardinalen reeds hun collega Tebold Boccadipecora tot paus uitgeroepen, die den naam Celestinus aannam, maar terwijl men bezig was
— 259 -
den nieuwen Paus met de kenteekenen zijner waardigheid te bekleeden drong Robert Frangipani met velen van het pauselijk hof de basiliek van Lateranen binnen, roepende : Leve Lambertus, Paus, en terwijl zij Lambertus, aartsbisschop van Östia met het pauselijk ornaat bekleedden, plaatsten zij hem op den troon. Deze brutale inmenging van Frangipani zou allicht tot nieuwe scheuring aanleiding hebben kunnen geven, maar gelukkiglijk waren noch Tebold noch Lambertus eerzuchtigen. Tebold deed onmiddelijk afstand van elke aanspraak op den pauselijken troon en ook Lambertus, met zijne onkanonieke verkiezing geen vrede kunnende hebben, legde een paar dagen later vrijwillig zijne waardigheid neder. De Kardinalen, door deze daad van nederigheid en onderwerping aan de Kanonieke wetten getroffen, verkozen hem nu op wettige wijze en nu besteeg Lambertus den pauselijke troon onder den naam van Hono-rius II. Deze Lambertus is dezelfde die door paus Callistus naar Hendrik V werd gezonden en met dezen het Wormser tractaat sloot.
In Duitschland dongen de twee broeders Frederik en Konrad van Hohenstaufen naar de Keizerlijke kroon ; zij waren zonen van Agues, zuster van Hendrik V. De Rijksvorsten evenwel, wien het driest optreden der beide pretendenten mishaagde, gaven de voorkeur aan Lotharius, hertog van Saksen, die zich der Kerk zeer welgezind betoonde.
De dood van paus Honorius, die in Februari 1130 voorviel, gaf weer aanleiding tot scheuring. Het meerendeel der kardinalen verkozen Gregorius Papareschi, kardinaaldiaken van St. Angelo, tot paus, die dan ook onder den naam van Innocentius II regeerde, terwijl eenige meer wereldlij kgezinden Petrus, den zoon van Pier Leone, tot paus uitriepen. Deze liet zich dit welgevallen en nam den naam van Anacletus II aan. Zooals wij reeds vroeger hebben gezegd stond Pièr Leone, trots zijne groote rijkdommen, niet in aanzien, daar zijn grootvader een rijk ge-
— 260 —
worden jood was geweest, dien men van groven woeker beschuldigde; die zelfde minachting rustte nog op den zoon. Ofschoon door Callistus II tot kardinaal-priester benoemd, leidde Petrus een zeer weelderig leven en was vol eerzucht, zoodat zijne uitroeping tot paus andermaal tot jammerlijke verdeeldheden en scheuringen kon aanleiding geven. Inderdaad moest Innocentius II Rome verlaten en een toevlucht in Frankrijk nemen. Lodewijk VII, Frankrijks koning, en verscheidene bisschoppen besloten de kwestie, welke van de twee pausen de rechtmatige was, aan het oordeel van den H. Bernardus, wiens naam reeds geheel de Christenheid vervulde, te onderwerpen en deze besliste ten voordeele van Innocentius, wijl deze het eerst was verkozen geweest, door den kardinaal-bisschop van Ostia was gewijd en onberispelijk in handel en wandel was, terwijl de verkiezing-van Anacletus niet zonder Simonie en met schending der eenmaal aangenomen bepalingen was geschied. Deze uitspraak werd door verreweg de meeste bisschoppen, prelaten en vorsten aangenomen, maar Anacletus en zijn aanhang stoorden er zich niet aan; zij hielden Rome bezet, plunderden de schatten der kerken en wisten ook de Noormannen op hunne zijde te krijgen. Keizer Lotharius kwam den rechtmatigen paus te hulp en op het einde van April 1131 was hij meester van het Lateraan en den Aventinus, terwijl Anacletus de Engelenburcht nog bezet hield. Den 4 Juni ontvingen Lotharius en zijne gemalin in Lateranen de keizerskroon en hier ook werd tusschen den Paus en den keizer een vergelijk getroffen in de nalatenschap van gravin Mathilda, wier goederen Hendrik V steeds in zijne macht had gehouden. De paus beleende den keizer en daarna, op diens verzoek, zijn schoonzoon Hendrik van Beijeren met deze goederen, zoodat Lotharius den eed van trouw als vassal aan den paus, zijn leenheer, bezwoer voor wat deze goederen betreft. Een gedeelte, evenwel, Toscane, werd door den paus als leengoed aan markgraaf Engelbert gegeven. Pogingen om met den tegenpaus in vergelijk te
- 261 —
komen, stuitten af op diens hardnekkigheid, maar allengs vielen zijne meeste aanhangers van hem af, de Kerkelijke Staten keerden terug onder de gehoorzaamheid van Inno-centius. Toen Anacletus den 25 Januari 1138 overleden was kozen zijne aanhangers wel een nieuwen tegenpaus, die den naam van Victor IV aannam, maar al spoedig zijne machteloosheid inzag en zich aan den wettigen paus onderwierp. Keizer Lotharius was kort voor Anacletus, den 3 December 1137, gestorven.
Innocentius II overleed den 22den September 1143 en werd opgevolgd door Coelestinus II, die slechts zes maanden regeerde en na welken Lucius II den pauselijken stoel besteeg, maar eveneens kort regeerde, zoodat den I7den Februart 1145 de vrome abt van St. Anastatius te Rome, een leerling van H. Bernardus, tot Paus werd verkozen, die den naam van Eugenius III aannam.
Terwijl de keizers Hendrik IV en Hendrik V in Duitsch-land werden opgehouden en zich meer bezig hielden met den noodlottigen investituurstrijd dan met de belangen van het rijk, hadden een aantal Italiaansche steden zich allengs vrijgemaakt van het keizerlijk gezag en die kleine maar machtige republieken, zooals Venetië, Genua, Pisa enz., gevormd, die later zulk een gewichtigen rol in de geschiedenis van Italië zouden spelen.
Die republikeinsche geest was allengs ook naar Rome overgewaaid en toen later Arnold van Brescia de Romeinen begon te spreken van de oude grootheid en macht hunner stad, van hare keizers en Senaat, en daarbij niet naliet hevig uit te vallen tegen de wereldlijke macht der Pausen, toen sloeg de grootheidswaan de Romeinen in het hoofd.
Deze poging van Arnold van Brescia om het oude heidensche Rome te doen herleven, om er eene machtige republiek van te maken die aan het hoofd van geheel Italië, ja van geheel de wereld zou staan, heeft te veel overeenkomst met het streven en woelen van de mannen die de revolutie van 1848 in Rome maakten, die de berooving van
— 262 —
den Paus en de inname der Eeuwige Stad in 1870 voorbereidden, dan dat wij er niet eenigen tijd bij zouden stilstaan.
De wereldgeschiedenis is het wereldgericht; heeft een groot denker gezegd, en dat is zóó waar dat hij die de geschiedenis der vervlogen eeuwen kent, met bijna onfeilbare zekerheid de toekomst der tegenwoordige gebeurtenissen kan voorspellen. Het lot wat de Romeinsche Republiek der 12de eeuw beschoren was, moest ook onfeilbaar het lot zijn van die der 19de eeuw en zij die deze laatste voorbereidden kenden de eerste, want Arnold van Brescia was hun voorbeeld en zijn naam diende als strijdleuze en als ophitsingsmiddel. Zij waanden zich evenwel slimmer, machtiger, meer berekend voor hun taak en achtten het pausdom zwakker, zij noemden het eene verouderde instelling en den Stoel van Petrus vermolmd. In hunne verblindheid en eigenwaan wilden zij de steenrots niet zien, die aan dien Stoel tot onwrikbaar rustpunt dient, zij waren niet wijzer dan Arnold van Brescia, die niet wilde inzien dat de republiek, die in alle steden van Italië mogelijk was geweest en deze tot groote macht en benijdenswaardigen bloei had gebracht, onmogelijk was in Rome, omdat Rome eenmaal een bestuur, een regeeringsvorm heeft door God gewild, door God aangeduid : het koninklijk gezag van den Paus.
^ *
*
De Romeinsche revolutie der 12de eeuw, zegt p. Brunen-go, was een der ernstigste en gevaarlijkste aanvallen, welke de tijdelijke macht der Pausen ooit te onderstaan had. Voorheen en gedurende de vier eeuwen, sedert de wereldlijke regeering der Pausen zich had gevestigd, had deze wel veelvuldige en wreede aanvallen te verduren, nu eens van de keizers, dan weer van de vorsten wier rijken aan Rome grensden, of ook wel van de grooten van Rome zelve. Maar geen dezer had ooit aan den Paus het recht van een wereldlijk bestuur ontzegd, noch ooit beweerd hem er geheel
— 263 —
van te berooven. De keizers hadden dikwijls misbruik gemaakt van hun titel en ambt van Beschermers en Verdedigers der Koomsche Kerk, om zich over Rome een meer of minder despotisch gezag van opperheerschappij aan te matigen, die van den Paus een soort vasalkoning, maar toch altijd een koning maakte.
De Noormannen, de vorsten van Italië, de Romeinsche baronnen, al die eerzuchtigen welke zich in den loop der eeuwen van het oppergezag in Rome meester maakten, beweerden altijd dat gezag in naam des Pausen uit te oefenen; maar nu wilde men den Paus geheel en al van elk koninklijk gezag ontblooten; men wilde het oppergezag op de gemeenschap der burgers zelve overdragen en Rome in eene onafhankelijke republiek veranderen.quot;
De aanleiding tot deze republiekeinsche omwenteling was de volgende:
Tusschen Tivoli en Rome bestond sedert eeuwen een groote naijver en Tivoli zocht en nam alle gelegenheden te baat om zich van Rome onafhankelijk te maken; vandaar dan ook dat het altijd eene schuilplaats en zelfs een verdedigingspunt aan de tegenpausen aanbood en in de laatste strijdigheden over de pauskeuze had het zich allengs geheel van Rome en de heerschappij des Pausen weten los te maken, zoodat Innocentius II gedwongen was haar door geweld van wapenen onder zijn gezag terug te brengen. Het tegen de stad gezonden leger leed evenwel bij de Aviene of Teverone eene nederlaag, maar een tweede tocht, met meer voorzichtigheid geleid, had de onderwerping van Tivoli tengevolge. De Romeinen, door de geleden nederlaag nog meer dan ooit op die van Tivoli verbitterd, zouden gewild hebben dat de Paus eene bloedige wraak over de weerspannige stad had gehouden, maar Innocentius stelde zich tevreden met de onderwerping en wilde niet toegevende aan de haatdragende en wraakdorstige Romeinen. Dit verdroot de Romeinen en zij besloten zich vrij te maken van het gezag der Pausen.
— 264 —
Nadat de omwenteling langzaam en in geheime bijeenkomsten was voorbereid, barstte zij in het jaar 1143 los. Het Eomeinsche volk, waaronder men de burgerij, de burgermilitie, en den kleinen, uit de burgerij ontstanen adel moet verstaan, greep naar de wapens, bezette het Kapitool en richtte, onder den naam van Senaat, een nieuw bestuur in, dat zich onafhankelijk verklaarde van den Paus en den hoogen adel, die in naam der Pausen de hooge staatsambten bekleedde.
Nauwelijks was dan deze nieuwe regeeringsvorm ingevoerd of de jonge Eomeinsche Republiek toog op veroveringen uit. Tivoli zou vernietigd worden. Helaas! de tocht mislukte jammerlijk en Rome had niet de gelegenheid van opnieuw een triumftocht binnen de muren te aanschouwen.
De toestand werd nog hachlijker door den dood van Paus Innocentius, die den 22 September 1143 voorviel en door de korte regeeringen van zijne twee onmiddellijke opvolgers, waarvan Celestinus II, die den 26 September 1143 verkozen werd, reeds den 9 Maart 1144 overleed, terwijl de tweede, Lucius II den 15 Februari 1145 overleed aan de wonde, die hem was toegebracht toen hij, van alle andere hulp verstoken, zichzelf aan het hoofd van zijn leger plaatste om aan de verwoestingen van de revolutionaire bewindsmannen in Rome paal en perken te stellen. Dezen toch hadden eerst tot president hunner republiek den broeder van den tegenpaus Anacletus, Giordano Pierleoni gekozen, onder den titel van Patricio; maar dit voldeed nog niet aan hunne eerzucht. Zij wilden het oude Romeinsche keizerrijk hersteld zien en verzochten derhalve keizer Koenraad naar Rome te komen en het hoofd van het nieuwe Romeinsche rijk te worden. Koenraad, die wel is waar den paus niet kon helpen tegen de revolutionairen had toch beloofd hen in geenen deele te zullen erkennen en derhalve wees hij het aanzoek van de hand. Over deze weigering verbitterd begonnen zij nu allerlei gewelddaden in Rome uit te
— 265 —
oefenen ; de huizen der kardinalen werden geplunderd of met den grond fjelijk gemaakt, hetzelfde lot trof de paleizen van den adel die den Paus getrouw gebleven was; Sint-Pieter werd geplunderd en in eene vesting herschapen, den pelgrims en vreemdelingen werden groote sommen afgeperst en die weigerden te betalen werden mishandeld, eeni-gen werden zelfs op de trappen van de Baseliek vermoord. In een woord, de Romeinsche Republiekkeinen en revolu-tionnairen der 12de eeuw gedroegen zich geheel en al als hunne navolgers der 19de eeuw, als de mannen van 1848 en 1870. Van niemand hulp bekomende besloot paus Julius zelf de oproerlingen op het Kapitool aan te vallen, en bij die gelegenheid werd hij door een steenworp zoo zwaar gewond, dat de dood er het gevolg van was. Den 27 September verkozen de kardinalen den abt van Sint Vincenzo en Anasta-sio bij de Acque Salvie, een leerling van den H. Bernardus van Clairvaux, tot Paus, die onder den naam van Eugenius III den apostolischen Stoel beklom; zijne wijding had evenwel, wegens de heerschende onlusten, niet in Rome maar in de abdij van Farfa plaats en de nieuwe paus was verplicht zijn verblijf in het sterke en getrouw Viterbo te houden.
Arnold van Brescia, de groote oproerprediker van dien tijd, de vooi'looper van Mazzini en dien men zelfs den Luther der 12de eeuw heeft genoemd, waarvan de H. Bernardus zegde dat zijne woorden als honig en zijn leer als vergif waren, wiens hoofd dat eener duif en wiens staart die van een schorpioen is, wegens zijne kettersche leer en oproerige taal eerst uit Italië en later ook uit Frankrijk verbannen, Arnold van Brescia, zeggen wij, had nauwelijks in Zurich, waar hij vertoefde, kennis gekregen van de gebeurtenissen in Rome en de voorloopige overwinningen der revolution-nairen of hij trok met 2000 Zwitsers naar Rome, om de revolutie een handje te helpen en voor goed die tijdelijke macht der Pausen af te schaffen, waartegen al zijne oproerige redevoeringen in hoofdzaak gericht waren.
De plichtvergeten en oproerige monnik wist door zijne
— 266 —
noodlottige welsprekendheid het volk, den kleinen adel en een gedeelte van de lagere geestelijkheid meer en meer tegen de kardinalen, prelaten en trouwgebleven baronnen op te zetten, maar zijne woorden waren toch niet bij machte om de nederlagen te voorkomen welke de Romeinen van den kant van Tivoli en van de omwonende baronnen ondervonden, terwijl de ban, door Paus Eugenius tegen Pier-leoni en de voornaamste rebellen uitgesproken, niet zonder uitwerking bleef, zoodat de Senaat, aldus werd de regeering genoemd, er naar verlangde vrede met den Paus te sluiten die dan ook op veel voordeeliger voorwaarden tot stand kwam dan de oproerlingen wel verdiend hadden. Paus Eugenius wilde echter aan de onlusten en de rampen een einde maken en verleende dus aan den Senaat en het volk een zeker aandeel in de regeering en de benoeming der regeeringspersonen; het Patriciaat van Pierleoni werd evenwel afgeschaft en weer een prefect aan het hoofd der stad geplaatst. Eugenius III kon derhalve weer in Rome terugkeeren en het Kerstfeest in Lateranen vieren.
De vrede was evenwel van geen langen duur. Tusschen het opperste gezag van den Paus en de aan den Senaat en het volk toegestame rechten en gedeeltelijke besturende macht moest het ten gevolge van de ijverzucht en het nog broeiende revolutionnair element, weldra tot een geschil, komen, vooral omdat de Romeinen wederom met hun on-rechtvaardigen eisch voor de verwoesting van Tivoli voor den dag kwamen, zoodat paus Eugenius, die eerst in verschillende steden van Italië een toevluchtsoord had gezocht, de wijk naar Duitschland en vervolgens naar Frankrijk nam, waar hij, te midden van al de zorgen die de toestand in Rome hem veroorzaakte, met veel ijver den tweeden kruistoch voorbereidde.
Rome was dus weer in de macht der volksmenners en van den oproerprediker Arnold van Brescia gevallen en geraakte weldra in een volledigen staat van regeeringloos-heid, waarvan veel Romeinsche baronnen gebruik maakten
— 267 —
om zich als kleine onafhankelijke potentaten in verscheidene steden en gewesten van den Kerkelijken staat te nestelen. In 1149 keerde Paus Eugenius naar Rome terug, dat dooide Noormannen tot onderwerping was gebracht, maar ook dit herstel der pauselijke macht was slechts tijdelijk en reeds in 1150 werd de Paus gedwongen ten derde male uit Rome te vluchten.
De welsprekende vermaningen van den H. Bernardus en de smeekingen van paus Eugenius bewerkten eindelijk dat keizer Koenraad, die, na zich tot dusverre weinig met Italië te hebben kunnen inlaten, eensklaps het denkbeeld opvatte om het Roomsche keizerrijk van de Alpen tot Sicilië in al zijn luister te herstellen, om een tocht naar Italië te ondernemen. Maar te Bamberg overviel hem plotseling de dood, op den 15 Februari 1152.
Koenraad, de eerste Duitsche keizer uit het geslacht der Hohenstaufen, had, daar zijn zoon Frederik nog te jong was om den zwaren last van het keizerrijk te dragen, zijn neef, eveneens Frederik geheeten, tot zijn opvolger aangewezen. Deze, die hertog ATan Swaben was en Koenraad reeds op diens kruistocht vergezeld had, werd den 4 Maart 1152 dan ook op den Rijksdag van Francfort door de Duitsche vorsten en vele Italiaansche grooten verkozen en eenige dagen later door Arnold, aartsbisschop van Keulen, te Aken tot koning gekroond.
De verkiezing van Frederik werd door geheel Duitsch-land en Italië met vreugde begroet, niet alleen omdat de groote hoedanigheden van Frederik, die in de geschiedenis beroemd is geworden onder zijn bijnaam Barbarossa (Rood-baard), algemeen erkend werden, maar ook omdat men hoopte dat door hem eene verzoening zou komen tusschen de twee vijandige partijen der Welfen en Ghibellijnen, wijl hij door zijn vader, Frederik de Onnoozele, hoofd der Ghibellijnen en door zijne moeder Judit, dochter van Hendrik den Zwarte, van Beieren, een neef was van het hoofd van 't Welfsche huis.
Frederik, die er naar haakte ook de keizerskroon te
— 268 —
ontvangen, knoopte de onderhandelingen met Paus Euge-nius, die door den dood van Koenraad onderbroken waren, wederom aan en zond hem, die te Segni vertoefd, een luisterrijk gezantschap.
In Rome hadden de nog altijd van eene republiek droo-mende woelwaters op aanstoken van Arnold van Brescia den 1 November 1152 andermaal eene democratischen re-geeringsvorm uitgeroepen, maar een van bijzonderen aard, want behalve dat Rome een bestuur zou hebben van 100 Senatoren en twee consuls, moest er ook een keizer zijn, door hen verkozen en die zou regeeren volgens den wil van Senaat, consuls en volk. Den keizer had men er bijgehaald eensdeels om den naam en anderendeels om zoo verdeeldheid tusschen Paus en Keizer te maken en te onderhouden, want de Romeinsche revolutionnairen begrepen zeer goed dat zij verloren waren zoodra de keizer den Paus de hand zou bieden. Van dat mooi plan kwam niets.
Paus Eugenius behoefde zelfs de hem door Frederik Barbarossa aangeboden hulp niet aan te nemen, want er heerschte weldra zooveel oneenigheid onder de regeerings-mannen te Rome, dat er eene tegen-revolutie ontstond die de democratische regeering omver wierp, alles weer op den ouden voet bracht en den paus terugriep. Eugenius keerde dus naar Rome terug en het pauselijk gezag werd weer in al zijn luister hersteld.
De Paus onderhandelde vervolgens met Barbarossa over de voorwaarden der keizerkroning en een verbond tusschen Paus en'koning was op het punt van gesloten te worden, tot grooteren luister zoowel van het keizerrijk als van Rome. De koning beloofde dat hij zonder de toestemming des Pausen noch met de Noormannen noch met de Romeinen vrede of wapenstilstand zou sluiten; dat hij den H. Stoel zou helpen om in Rome al deszelfs gezag te herwinnen wat deze sedert honderd jaar bezeten had, en als trouwe onderdaan en beschermer der Roomsche Kerk alle regaliën van den H. Petrus tegen eenieder te zullen beschermen.
— 269 —
De Paus, daarentegen, beloofd aan Frederik de keizerskroon en het behoud van alle rechten en eerbe wij zingen van het keizerrijk.
Paus Eugenius stierf evenwel den 8 Juli 1853 te Tivoli en werd niet groote plechtigheid naar Rome overgebracht en in Sint-Pieter begraven, waar de vele wonderen op zijn graf van zijn heilig leven en afsterven getuigden. Paus Pius IX, die, evenals hij, voor de revolutie Rome moest ontvluchten, evenals hij geheel zijn leven voor de onafhankelijkheid van den H. Stoel heeft gestreden en ook gestorven is zonder de zegepraal te mogen aanschouwen, Pius IX heeft Eugenius III zalig verklaard en zoo de eer gewettigd, sedert eeuwen aan den grooten Paus bewezen.
Paus Eugenius werd door den 90-jarigen Anastasius IV opgevolgd, die evenwel slechts 16 maanden regeerde, waarna
Adrianus IV den Pauselijken troon beklom. (2 December 1154.)
* ❖
Adrianus IV, die Engelschman van geboorte was en van zeer arme ouders afstamde, had zich zulke hooge achting verworven dat hij met eenparige stemmen als den opvolger van Paus Anastasius werd aangewezen. Hij was een man vol geestkracht, en dat zou hij spoedig toonen.
Arnold van Brescia had in Rome, door den Senaat begunstig, andermaal zijne oproerige predikingen hervat en zijne aanhangers hadden weer zooveel macht verkregen dat de Paus Lateranen moest verlaten en in de versterking van het Vaticaan eene schuilplaats zoeken.
Toen de Arnoldisten kort daarop den Kardinaal van St. Pudentiana, die zich naar den Paus begaf, op den openbaren weg aanvielen en gevaarlijk verwondden, legde de Paus het interdict op Rome.
In eene stad, met het interdict gestraft, houden alle kerkelijke plechtigheden op, de mis wordt slechts in zeer weinige Kerken of Kloosters in stilte en met gesloten deuren
— 270 —
gecelebreerd, de Kerken zijn gesloten, de doopsels, huwelijke en begrafenissen worden zonder eenige plechtigheid voltrokken, de Laatste Teerspijze wordt slechts in de grootste stilte en als in geheim aan de stervenden gebracht, in één woord: de stad is van de gemeenschap der Kerk afgesneden.
't Was de eerste maal dat deze straf op Rome werd toegepast en de indruk op de bevolking was verpletterend, te meer daar het Paaschfeest naderde. De houding van het in den grond geloovige volk werd dan ook zoo dreigend, dat de Senaat gedwongen was de vergiffenis des Pausen af te smeeken.
Op woensdag van de Goede week knielde hij dan ook voor Adrianus en zwoer op het Evangelie dat hij Arnold met zijne voornaamste aanhangers uit Rome en van des-zelfs grondgebied zou bannen. De Paus hief het interdict op en op Paaschdag trok hij, omgeven van een schitterenden stoet van Kardinalen en Prelaten en onder het gejuich van het volk, Lateranen binnen.
Met een enkelen slag had Adrianus den twaalfjarigen opstand van Arnold gebroken. Deze vluchtte in het kasteel van een hem toegenegen baron, maar toen dit kasteel zich moest overgeven aan Frederik Barbarossa, die op weg naar Rome was, werd hij gevangen genomen, aan den Prefect van Rome overgeleverd en als ketter en oproerling ter dood veroordeeld. Reeds daags na de uitspraak van het vonnis werd hij, zonder het geringste teeken van berouw te hebben gegeven, op de Piazza del Populo opgehangen; zijn lijk werd daarna verbrand en de asche in den Tiber geworpen.
Het Pausdom had dan gezegevierd over het oproer en de revolutie, maar een andere niet minder hevige strijd stond het te wachten, doch ook hieruit zou het overwinnend terug keeren.
*
* *
Frederik Barbarossa was ontegenstrijdig een buitengewoon man; een van die krachtige figuren zooals de mid-
— 271 —
deleeuwen er zoo vele heeft aan te wijzen. Aan uitstekende gaven van geest en hart paarde hij een buitengewonen heldenmoed, zoodat hij zeker een der merkwaardigste personen uit zijn tijdperk is en de keizerskroon door geen waardiger kon gedragen worden. Maar deze schitterende eigenschappen werden verduisterd door een onbegrensden hoogmoed of, misschien beter gezegd, door eene matelooze eerzucht, de groote fout van bijna al die krachtige heerschers en vorsten in de middeneeuwen en die veelal de oorzaak is geweest van de bloedige oorlogen en rampzalige burgertwisten, welke dit gedeelte van de Europeesche geschiedenis kenmerken. Deze eerzucht zou ook Frederik tot zijne bloedige oorlogen vervoeren, Italië met tranen en jammer overladen en ten slotte de nederlaag van Barbarossa na zich slepen.
De groote Leitmotief, om eens dit woord te gebruiken, van Frederiks eerzucht was zijn streven om het keizerrijk in al deszelfs glans en luister te herstellen; maar hierbij had hij minder op het oog het groote Duitsche Eoomsche Rijk, zooals men het onder Karei den Groote en Otto den Groote verstond, en zooals het ontstaan was uit het grootsche denkbeeld van paus Leo, een keizerrijk dat alleen zijn naam en roeping had door de Kerk, waarvan het de eerste en grootste beschermer moest zijn, uit die nauwe betrekking tot en met de Kerk een overmacht zou hebben, die het plaatsen moest boven alle wereldsche vorsten, een keizerrijk, in een woord, dat naast het Pausschap zou tronen en het wereldlijk primaatschap zou hebben, zooals het Pausschap het geestelijk primaatschap heeft en het oppergezag in alles wat tot het gebied der geesten en der gewetens behoort. Zulk een keizerrijk droomde Frederiks eerzucht niet, maar wel een keizerrijk als dat van Constantinus of Justinianus, een rijk, waar de keizer de absolute heer en meester van en over alles is, heer en onbeperkte gebieder over Rome en de Romeinen.
Ware Frederiks groote geest niet beneveld geweest door
— 272 —
de drogredenen van sommige geleerden aan zijn hof, voor-loopers der Renaissance, die toen reeds droomden van een terugkeer tot de tijden van het oude Rome, welke drogredenen maar al te wel in overeenstemming waren met zijn eigen eerzucht, dan had Frederik moeten inzien dat zijn streven een onmoglijkheid was. Hij had moeten inzien dat er tusschen zijn tijd en dien van Constantinus verscheidene eeuwen lagen, in welke de wereld eene geheele omwenteling had ondergaan, hij had moeten begrijpen dat de Voorzienigheid den storm der barbaarsche invallen, die Rome moesten zuiveren van het heidendom, niet over de wereld had behoeven te laten komen, om na het absolute Cesarisme van weleer op nieuw het menschdom te knechten en te verlagen. Het was eene dwaasheid in de 12de eeuw toestanden uit de 6de eeuw weer in 't leven te willen roepen.
In de herfst van het jaar 1154 trok hij de Alpen over ten einde zich in Pavia de Lombardische koningskroon en in Rome de keizerskroon te doen opzetten en deze eerste tocht werd reeds gekenmerkt door de verwoesting van verscheidene Lombardische steden, zooals Chieri, Asti, Tortono, die weigerden zich aan zijn gezag te onderwerpen. Na eindelijk te Pavia uit handen van den bisschop de ijzeren kroon te hebben ontvangen, vervolgde hij in het voorjaar van 1155 zijn tocht naar Rome.
Te Siena kwam hem een gezantschap van den Paus tegemoet om over de voorwaarden van de kroning te onderhandelen en toen deze waren vastgesteld toog Paus Adrianus, vergezeld van den Prefect van Rome, Oddo Fran-gipani en andere Grooten en Prelaten naar Sutri, waar hij Frederik zou ontmoeten. Hier ontstond reeds terstond een geschil tusschen den keizer en den Paus, daar de eerste in zijn hoogmoed weigerde, overeenkomstig de sedert Otto bestaande gewoonte, den stijgbeugel van 's pausen paard te houden, waarop de paus weigerde hem den vredekus te geven. Nadat hem evenwel uit de getuigenis der oude baronnen was gebleken dat Lotharius II zulks met paus Innocentius had
— 273 —
gedaan, dat deze eer de Apostelen betrof en een algemeen aangenomen gebruik was, gaf Frederik toe en geleidde hij ook 's pausen paard een steenworp ver bij den teugel.
De Eomeinen, die nog altijd droomden van hun republiek met een keizer aan het hoofd, zonden den Senaat Frederik te gemoet en in een opgeschroefde redevoering begonnen de Senatoren te vertellen dat zij het juk der geestelijkheid van zich hadden afgeworpen, den Senaat en de ridderschap en de Republiek hadden hersteld en dat zij hem, Frederik, hadden uitgekozen om de teugels van het bewind in handen te nemen. Ofschoon vreemdeling hadden zij hem tot burger en vorst van Rome verklaard; hij moest zich die eer dan ook waardig betoonen, de rechten en gewoonten der stad bezweren, de privilegies in stand houden, haar behoeden tegen eiken aanval en 5000 pond zilver betalen, alvorens hij op het Kapitool tot keizer zou worden uitgeroepen. Yan dat alles moest een authentiek diploma worden opgemaakt.
't Is te begrijpen dat deze taal ten zeerste den trots van Frederik beleedigde. Hij liet de redenaars dan ook niet verder voortgaan, maar wierp hen onder verpletterende woorden toe, dat zij vergaten dat Rome niet meer het Rome van voorheen was, dat hij kwam als opvolger van de Frankische en Duitsche keizers, die Rome van den ondergang hadden gered. Het paste niet aan de onderdanen den vorst de wetten voor te schrijven. Hij zal Rome bescherming en gerechtigheid bezorgen en haar de voorrechten laten, door zijne voorgangers geschonken; hij wilde dat zijne kroning een feest zou zijn, maar zou zich aan geen voorwaarden onderwerpen. Gij vraagt mij geld, zeide hij, ben ik soms uw gevangene, zoodat gij mij een losgeld kunt opleggen? Ik ben gewoon mijne vrijgevigheden te doen op de wijze die mij behaagt.
Na deze welverdiende afstraffing ontvangen te hebben wisten de Senatoren niet hoe spoedig zij naar Rome zouden terugkeeren. Barbarossa zond hen onmiddellijk eene sterke
18
— 274 —
voorhoede van duizend uitgelezen ruiters achterna die de Citta Leonina bezette, om zoo tegen overval gedekt te zijn en onmiddellijk daax-op volgde hij den Paus met geheel zijn leger op de hielen en werd door Adrianus op de trappen van Sint Pieter ontvangen. Na den eed van trouw en zekerheid te hebben afgelegd werd hij door den Paus met de gewone plechtigheden tot keizer gekroond.
De Romeinen, die de beleediging, hunnen gezanten aangedaan, niet konden vergeten en bovendien verbitterd dat Frederik zonder hunne toestemming tot keizer was gekroond, vielen nog denzelfden dag van de kroning het Vatikaan en de huizen van eenige kardinalen aan en zouden zeker nog tot erger zijn overgeslagen indien niet Frederik zijne soldaten had gewapend. Onder aanvoering van Hendrik den Leeuw, hertog van Beieren en neef des keizers, richtte hij onder de aanvallers een verschrikkelijk bloedbad aan en een duizendtal Romeinen bleven dood in de straten of verdronken in den Tiber. Dit zou evenwel slechts het voorspel van andere en nog bloediger gebeurtenissen zijn.
Kort na zijne keizerskroning keerde Frederik naar Duitschland terug, evenwel om spoedig met alles behalve vriendschappelijke bedoelingen op nieuw den tocht naar Italië te ondernemen. Eene aanleiding om met den paus te breken was spoedig gevonden. Willem van Sicilië, de zoon en opvolger van Rogier, had zich ten opzichte van den paus rechten aangematigd, die hem met Adrianus in strijd deden geraken. Een inval in de Kerkelijke Staten, plunderingen en verwoestingen waren het gevolg er van, zoodat eindelijk over Willem, die den bijnaam van den Booze of den Slechte had ontvangen, den ban werd uitsproken.
Willem moest ten slotte zwichten en de vrede tusschen hem en Paus Adrianus werd gesloten. In deze vredesluiting nu zag Frederik eene verbreking van het verdrag dat tusschen Paus Eugenius en den Duitschen keizer gesloten was ten opzichte hunner wederzijdsche verhouding tot Sicilië. Een tweede voorwendsel, dat vooral moest dienen om den
— 275 —
trots der Duitsche vorsten te prikkelen, vond Frederik in het volgende voorval. Toen de aartsbisschop Eskillus van Lund, die door Adrianus tot apostolische legaat van Zweden en Denemarken was benoemd, van laatsgenoemd land naar Eome terugkeerde, werd hij bij Diedenhoven beroofd en gevangengenomen, en de keizer, aan wien het land van Bonr-gonje toebehoorde, liet dezen aanslag ongestraft. Adrianus zond daarop de kardinalen Roland en Bernard met een brief, waar in het slot onder andere de woorden voorkwamen dat hij aan Frederik zelfs grootere weldaden (beneficia maiora) zou willen geven, dan zelfs het keizzerrijk was.
Het woord beneficium, dat weldaad beteekent, werd ook in de middeneeuwen met leen vertaald en in dezen zin vatte de keizer het op.
Hij deed het dus voorkomen dat de paus zich aanmatigde het keizerrijk te beschouwen als leen van den pauselijken stoel en den keizer derhalve als een vassal. Deze uitlegging verbitterde de vorsten ten zeerste, zoo zelfs dat toen kardinaal Roland vroeg: „Van wien heeft de keizer het keizerrijk (imperium) anders dan van den Paus?quot; deze koene vraag hem bijna het leven had gekost, daar de doldriftige Otto von Wittelsbach zich met zijn zwaard op den kardinaal wilde werpen; de keizer weerhield hem evenwel. Nadat hun veel beleedigingen naar het hoofd waren geworpen werden de legaten op ongemanierde wijze terug gezonden. De keizer liet niet na van het voorgevallene een zeer overdreven verhaal te doen rondzenden, dat zelfs veel bisschoppen in dwaling bracht. Tot een openlijke breuk kwam hot evenwel niet, daar de Paus, vernomen hebbende welke willekeurige beteekenis Frederik aan zijne schrijven had gegeven, in een tweeden brief zijne woorden nader toelichtte en in hunne werkelijke beteekenis verklaarde. Van langen duur was de vrede evenwel niet.
In 1158 was Frederik naar Lombardije getrokken, had Milaan onderworpen, zich in de Roncalische velden als keizer doen huldigen en gedroeg zich vervolgens geheel en al
— 276 —
als heer en meester van Italië, Rome en de Kerkelijde Staten niet uitgezonderd; hij beschouwde zich niet als een opvolger van Karei en Otto de Groote, maar als den erfgenaam der oude keizers, van Constantijn en Justinianus. Hij wilde zelfs de bisschoppen van Italië tot den vasalleneed verplichten, zond zijne boden door het gebied des Pausen, zonder diens toestemming te vragen, dwong de onderdanen van den H. Stoel tot leveringen aan zijn leger, in een woord, Frederik gedroeg zich als oppermachtige gebieder, zonder zich om de rechten en de onafhakelijkheid van den H. Stoel te bekreunen.
De Paus zond zijne legaten naar Bolgona, om daar den Keizer zijne bezwaren in te brengen, maar het antwoord dat zij ontving, n, toonde beter dan wat ook, met welke gevoelens de keizer bezield was: de regaliën van den Pauselijken Stoel waren slechts geschenken en vrijgevigheden door den keizers, van af Constantijn geschonken, en de keizer had dus het volle recht zijn naam voor dien des Pausen te plaatsen en den leenmanseed der bisschoppen te eischen, bovendien gaf de paus door zijn hoogmoed slechts ergernis.
Dit antwoord moest wel een krachtig optreden van den Paus ten gevolge hebben; ongelukkig stierf Adrianus den len September van bovengenoemd jaar.
De Kardinalen kozen, na een beraad van 4 dagen, den zooeven genoemden kardinaal Roland Bandinelli van Sièna tot zijn opvolger die den naam van Alexander III aannam. Twee kardinalen stemden voor den eerzuchtigen kardinaal Octavianus Maledetti van St. Secilia, dien de aanhangers van Frederik reeds als tegenpaus hadden willen stellen, en deze sloeg zich den pauselijken mantel om, liet zich door de gewapende aanhangers des keizers ondersteunen en verklaarde zich wettig gekozen paus onder den naam van Victor IV. Alexander III en zijne vrienden, hun leven bedreigd ziende, vluchtten in de versterking van het Vaticaan, werden daar belegerd, gevangen genomen en in een toren in Trastevere opgesloten, waaruit de Frangipani
— 277 —
en het volk hen evenwel bevrijdden en naar Nympha voerden, waar Alexander den 20 September door Kardinaal Ubald van Ostia geconsacreerd werd. Frederik trok natuurlijk de partij van den tegenpaus en zoo aanschouwde de Christenheid andermaal het schandaal dat een tegenpaus, het werktuig van keizerlijken hoogmoed en zelf door eerzucht gedreven, den wettigen paus zich tegenover stelt en scheuring in de Kerk brengt.
De meeste bischoppen van Italië, die van Frankrijk, Engeland, Spanje, Ierland, Hongerije, Noorwegen, de patriarch van Jerusalem verklaarden zich allen voor Alexander. In 1161 kon de wettige Paus naar Eome terugkeeren, waar de keizerlijke partij bij de Senaatkeuze het onderspit had gedolven, doch Frederik overstroomde de Kerkelijke Staten met zijne legerbenden zoodat bijna alle steden in zijne macht vielen en Alexander gedwongen was eerst naar Genua en vandaar naar Montpellier, in Frankrijk, te vluchten.
Toen de tegenpaus Victor in 1164 gestorven was, scheen Frederik een oogenblik tot betere gevoelens te komen maar deze inkeer was slechts van korten duur en de kardinaal van Crema liet zich verleiden als Paschalis III den verachtelijken rol van tegenpaus te aanvaarden. Met waarlijk tiranniek geweld dwong Frederik het schisma op en de bisschoppen die zich voor Alexander verklaarden, werden afgezet; dit lot trof zelfs Eberhard van Keulen, een oom des Keizers.
Frederik, die onbeperkte heer en meester van Italië wilde zijn, en derhalve met leede oogen de onafhankelijkheid der Italiaansche steden, die allen zich tot kleine Republieken hadden gemaakt, aanzag, had met wapengeweld en de grootste gruwzaamheid hun ondergang voltrokken. Milaan, zoo schoon en zoo machtig, had zich na een heldhaftige verdediging moeten overgeven en was tot den grond toe geslecht; ook andere steden trof het zelfde lot. Een groot aantal steden, Bergamo, Brescia, Cremona Ferrara, Mantua, hadden zich reeds in 1167 in bondgenootschap aaneengesloten
— 278 —
en het plan opgevat Milaan weer op te bouwen en Alexander zooveel mogelijk te ondersteunen, want de des-potieke handelwijze van Frederik had het zoover gebracht dat de Italiaansche steden hunne onafhankelijk en de zaak des Pausen onafscheiddelijk met elkander verbonden. Frederik trok opnieuw naar Italië en belegerde in 1167 An-cona, terwijl Reinaud van Keulen en Christiaan van Mainz veel steden in het westen van den Kerkelijken Staat innamen.
Daarop sprak de Paus in Lateranen den ban en de afzetting van Frederik uit. Frederik, die het beleg van Ancona had moeten opgeven, trok nu naar Rome en na een strijd van acht dagen maakt hij zich van de Sint-Pieterskerk meester, waar de tegenpaus Paschalis nu plechtig werd gehuldigd.
Het overige gedeelte van de stad kon hij evenwel niet bemachtigen en daarom begon hij onder allerlei beloften en voorspiegelingen met het volk te onderhandelen. Hierin slaagde hij gedeeltelijk. Alexander had als pelgrim vermomd de stad verlaten, en het volk erkende Paschalis als Paus en legde den eed van trouw aan den Keizer af.
Frederik meende reeds geheelenal over Alexander gezegevierd te hebben en aan het einddoel zijner eerzuchtige wenschen te zijn. Maar nu kwam de straffende hand Gods over hem.
Eene zware besmettelijke ziekte, op de pest gelijkende, teisterde zijn leger, zoodat duizende krijgers in weinige dagen stierven, en men geen handen genoeg had om de lijken te begraven. Niet alleen de geringere soldaten werden door de ziekte weggesleept, maar ook verscheidene vorsten en zeven bisschoppen; o. a. Reinaud aartsbisschop van Keulen, hertog Frederik van Rottenburg, 's keizers neef, werden door den geesel Gods getroffen. De onsteltenis was algemeen en in de met zoo veel hevigheid optredende ziekte moest men wel de straffende hand Gods erkennen en Frederik, niet langer durvende vertoeven, trok in aller haast met zijn gedund leger naar Lombardije waar hij te Pavia
— 279 —
de verbondene steden in den rijksban deed en vervolgens nog slechts met een handjevol soldaten, treurig overschot van een machtig leger, in Duitschland terugkeerde.
De Lombardische steden, de dwingelandij van Frederik moede en begeerig de eenmaal verkregen onafhankelijkheid te behouden, hadden zich tot een machtigen stedenbond gevormd, en op aansporen van Paus Alexander III, die de ziel van dit edel streven was, en wiens zaak de steden tot de hunne hadden gemaakt, vergaten zij alle onderlinge veeten, ijverzucht en strijdigheden om alleen te denken aan de bevrijding van het land en de bekamping van den gehaten Duitscher. Milaan was wederom opgebouwd en werd weldra het middenpunt van de gansche beweging, en om een dam op te werpen tusschen zich en Pavia en het hertogdom Montferrat, beiden vijandig aan hunne zaak, bouwden zij aan de samenvloeing van de Bormida en de Fonaro éene nieuwe stad, die zij ter eere van den beschermer van hun stedenbond, ter eere van den grooten Paus Alexander, Alessandria noemden.
Daar de huizen eerst van stroo waren noemde men haar cittd di paglio strooien stad en de bijnaam Palea komt in sommige documenten van die dagen voor,
Frederik werd zes jaren in Duischland teruggehouden, maar in 1174 trok hij op nieuw de Alpen over, om de steden te tuchtigen en aan zijne macht te onderwerpen. Hij sloeg het beleg voor het pasgebouwde Alexandrie, maar hij stiet het hoofd tegen den ontembaren moed der inwoners. Ook Ancona, dat van de land-en de zeezijde zwaar belegerd werd, verdedigde zich gedurende zes maanden op de heldhaftigste wijze ; uitgeput door den honger waren de inwoners op het punt zich over tegeven, toen zij door de Lombarden en de Romagners ontzet werden en aldus het treurige lot van Milaan, dat hun toegezworen was, ontgingen.
Frederik ontbood een nieuw leger, dat hem door zijne gemalin over de Rethische Alpen werd toegevoerd, en nu begon hij zijn verdelgingstocht tegen de verbondene steden.
— 280 —
Het was het zevende leger dat Frederik tegen de vrijheid der Kerk en de onafhankelijkheid der Italiaansche steden in het veld bracht. Ditmaal zou het eene worsteling op leven en dood zijn.
Den 29en Mei 1076 ontmoetten de legers van den keizer en die der verbondene steden elkander bij Legnano, een dorpje op 14 mijlen van Milaan, tusschen de Olona en de Tessino gelegen. De samenstoot was vreeselijk en lang bleef het lot van den slag onbeslist, edoch de ontembare moed der Milaneezen, die met een doodelijken haat tegen den Duitscher, den verwoester hunner stad, den moordenaar hunner gijzelaars, bezield waren, besliste ten voordeele der verbondene steden.
Driehonderd der moedigste Milaneezen hadden zich om hun carroccio, — een groote door vier witte ossen getrokken kar, waarboven de banier der stad wapperde en die als 't ware het palladium der stad was — verzameld. Toen de Duitschers op het punt waren de zegepraal te behalen en de banier van Milaan wilden vermeesteren, brandde de strijd met nieuwe woede los ; de Milaneezen hadden gezworen te zullen verwinnen of sterven en zij hielden woord. Een kort gebed vernieuwde in dit gevaarlijk oogenblik hun moed, en vol geestdrift wierpen zij zich op de Duitschers, die teruggeslagen en op de vlucht gedreven werden. Een aantal vorsten werden krijgsgevangen gemaakt en Frederik, die zelf den aanval op den carraccio leidde, werd van zijn paard geworpen. Reeds meende men dat hij gesneuveld was, toen hij van onder een hoop lijken te voorschijn kwam. De trots van Frederik was gebroken en hij verlangde naar den vrede. Nog eenmaal was het bewezen dat, wie zich tegen de Kerk verzet, de hand naar het erfdeel van den H. Petrus uitslaat, door de straffende hand Gods geslagen wordt. Terecht zeiden dus de gezanten des keizers, die bij Paus Alexander kwamen : Het is duidelijk en onbetwistbaar dat God gewild heeft dat er twee hoofden zullen zijn om de wereld te regeer en, de priesterlijke ic aardigheid en de
— 281 —
macht des konings, die, ivanneer zij niet op eene tveder-keerige eendracht steunen, de wereld aan oorlogen en scheuringen zouden overlaten. Dat de ergernis dus opltoude en dat de vrede door u, die de vorst der wereld zijt, aan de Christenheid worde teruggegeven. Venetië was de plaats waar de verzoening tusschen keizer en Paus zou plaats hebben. De stad der Dogen, fier op de eer den Paus binnen hare grenzen te hebben, ontving Alexander met buitengewonen luister en den 23en Juli 1177 kwam ook Frederik in de Lagunenstad. Toen Frederik voor den Paus verscheen werd hij door een plotselingen eerbied bevangen en den keizerlijken mantel van zich werpende viel hij met geheel zijn gevolg den Paus te voet. Alexander, tot schreiens toe bewogen, beurde hem op, zegende hem en gaf hem de vredekus. Dit ziende barstten Duitschers en Italianen in een onbeschrijfelijk gejubel los en hieven een Te Deum aan dat, zooals een kroniekschrijver zegt, tot aan de sterren doordrong.
De volgende dagen werden in onderhandelingen doorgebracht en werd de beroemde vrede van Venetië gesloten. In October 1177 keerde de Paus naar Rome terug; maar moest eenige maanden te Anagni vertoeven eer de onderhandelingen met den senaat waren afgeloopen. Het verdrag tusschen Alexander en de regeering van Rome behelsde in hoofdzaak dat de algeheele souvereiniteit des Pausen gewaarborgd zijn, dat de regaliën aan den H. Stoel zouden worden teruggegeven, dat aan den Paus, de kardinalen en de pelgrims alle veiligheid zou worden gewaarborgd. De Senaat nam alle voorwaarden van den Paus gretig aan, zoodat Alexander dan ook besloot weer bezit te nemen van zijne stad. Den I2en Maart 1178 had zijn zegevierende intocht plaats, die zoo luisterrijk was als misschien nog geen enkelen Paus was te beurt gevallen. De tegenpaus Callistus, die zich eerst een tijdlang te Viterbo had opgehouden, moest zich, door den keizer verlaten en met den rijksban bedreigd, onderwerpen. Hij vroeg paus Alexander om ver-
giffenis en deze vergaf hem niet alleen in zijne grootmoedigheid, maar noodigde hem zelfs aan zijne tafel en gaf hem later eene eervolle betrekking in Benevento. Nog eens beproefden de scheurmakers een tegenpaus te stellen in den persoon van zekeren Lando van Sezze, die werkelijk den naam Innocentius III aannam, maar deze werd weldra gevangen genomen en in het klooster della Cava opgesloten. Alexander had dus de groote vreugde de Kerk bevrijd te zien van al hare vijanden en nu had hij een heerlijk plan opgevat, een nieuwen kruistocht; edoch de dood ovei'-viel hem. Hij stierf den 30en Augustus 1181 in Civita Cas-tellana, na eene moeielijke maar uiterst roemrijke regeering van bijna 22 jaren. Alexander III moet geteld worden onder de moedigste, de wijste en, in den uitslag, de gelukkigste Pausen, die ooit den Stoel van Petrus bezetten.
Hoofdstuk XIII.
Van Alexander 111 tot Celestinus 111. Dood ran Itarbarossa. Strijd met Hendrik VI, die in zijn testunient ten slotte al de OERECHTIOHEDEN van Sint Pieter erkent. Innocentins III bestijgt den Pauselijken troon: zijn werken, streven en overlijden. Meinve strijd tussehen de Pausen en de llolienstaufen. Zegepraal van het Pausdom in den persoon van Innoeentius IV. Bonifaeiiis Vlll; zijn strijd met Philips den Sehoone, de aanslag te Anagni. Zijn dood.
e vrede tuschen Paus en keizer was dan weliswaar gesloten, maar toch zouden de opvolgers van Alexander het rustig bezit van Rome nog eenigen tijd moeten derven. De geest van opstand en verzet bleef nog altijd in de eeuwige stad heerschen, het noodlottig zaad, door Arnold van Brescia uitgestrooid, kiemde weer telkens op. Lucius III, die Alexander III op den Pauselijken troon opvolgde, moest te Velletri gekroond worden en werd tot tweemaal toe gedwongen Rome te verlaten, toen hij er in geslaagd was er zich tijdelijk te vestigen. Lucius zocht te Verona hulp bij Barbarossa en deze zond inderdaad een zijner veldheeren om de Romeinen tot de gehoorzaamheid te brengen, edoch de dood van dezen onderbrak het werk. Paus Lucius, die door het instellen der zoogenaamde Godsvrede een einde aan de veelvuldige veeten en oorlogen tussehen christenen onderling trachtte te maken en een nieuwen kruistocht tegen de steeds toe-
— 284 —
nemende macht der Muzelmannen voorbereidde, stierf te Verona, den 24 November 1185. Zijne opvolgers Urbanus III en Gregorius VIII zouden zelfs Rome niet zien en geheel hun Pausschap in ballingschap doorbrengen. Paus Urbanus III stierf te Ferrara, den 19 October 1187, naar men zegt tengevolge van het groote leed dat de tijding van de verovering van Jerusalem door Saladijn hem veroorzaakte. Gregorius VIII, die Urbanus opvolgde, overleed reeds 75 dagen na zijne verkiezing en den 19en December werd de Bisschop van Preneste tot zijn opvolger verkozen, die den naam Clemens III aannam.
De val van Jerusalem had in geheel de christenheid eene onbeschrijfelijke ontsteltenis in 't leven geroepen, maar tegelijkertijd ook het geloof in nieuwe kracht doen ontwaken.
Van alle kanten stroomden de kruisvaardei's toe en aan hun hoofd stelde zich keizer Frederik Barbarossa. Ook in Rome had de noodlottige tijding een ommekeer in de gemoederen gebracht, zoodat de Romeinen naar den vrede met den Paus begonnen te verlangen. Een gezantschap uit den Senaat begaf zich naar Clemens III, die sedert Februari te Rome vertoefde, en den 3len Mei 1188 werd dan het verdrag tusschen den Paus en het burgerlijk bestuur gesloten, waarbij de Paus weer geheel in zijne rechten als vorst werd erkend, aan de Kerk al hare bezittingen werden teruggegeven, de schatkist en de munt weer in 't bezit van den Paus werden overgelaten.
Bepaald werd dat de Paus alle jaren de senatoren zou benoemen, die dan aan hem den eed van trouw moesten zweeren ; kortom de Paus werd erkend als wettigen vorst, alleen zou het burgerlijk bestuur door leeken worden uitgeoefend, die evenwel door den Paus zouden worden benoemd. De voorwaarden waren zeker niet al te schitterend en de bepaling dat de Paus zou moeten toestemmen in de verwoesting van Tusculum, moet Paus Clemens zeker hard zijn gevallen; maar zonder toegevendheid was er geen einde aan de Revolutie in Rome te zien.
— 285 —
Door dit verdrag hield zij voorgoed op en keerde Rome onder de gehoorzaamheid van zijn wettigen vorst terug. Weldra zouden voor het Pausschap nieuwe en zware moeilijkheden opdagen, om evenwel in eene groote zegepraal te eindigen.
Keizer Frederik die, zooals wij gezegd hebben, aan het hoofd van een talrijk leger ter kruisvaart was getrokken, kwam den 10 Juni 1190 op noodlottige wijze om het leven, daar hij bij het overtrekken van de rivier de Kalikadnus verdronk. Hij werd opgevolgd als koning van Duitschland door zijn zoon Hendrik VI, die in 1186 met Constantia, de dochter en erfgename van Rogier, eerste koning van Sicilië, gehuwd was.
Hendrik 1YI, die reeds op den Rijksdag van Bamberg in 1166 tot koning van Duitschland, in 1$86 te Milaan tot koning van Italië was gekroond en na het overlijden van den kinderloozen Willem II koning van Sicilië was geworden, wenschte, na den dood zijns vaders, ook de keizerskroon, en daarom kondigde hij Paus Clemens zijne komst aan en terzelfdertijd begaf hij zich met zijne gemalin en een talrijk leger op weg naar Italië. Paus Clemens stierf evenwel op het einde van Maart 1191 en als zijn opvolger werd de 85-jarige kardinaal Bobo gekozen, die dan ook onder den naam van Celestinus III den pauselijken troon beklom. Den 15 April kroonde hij Hendrik en zijne gemalin met de keizerlijke kroon, na eerst den gebruikelijken eed van trouw, bescherming en gehoorzaamheid ontvangen te hebben.
Na zijne kroning begaf Hendrik zich naar Sicilië om dit te veroveren, want de Sicilianen, afkeerig van de Duit-sche heerschappij, hadden Tancredo, graaf van Lecce tot koning uitgeroepen, en daar Sicilië, volgens de wetten van het leenstelsel, na den dood van den leenman, koning Willem, weer aan den Stoel van Petrus verviel, die er leenheer van was, had de Paus niet geaarzeld de keuze der Sicilianen goed te keuren en Tancredo in zijn leengoed bevestigd. Hendrik moest dus het rijk, op welks troon hij door zijn
— 286 —
huwelijk met Constantia recht meende te hebben, met het zwaard veroveren en in deze verovering ging hij met zulke afschuwelijke barbaarschheid en ongehoorde wreedheid te werk, dat de H. Stoel zoowel tegen deze wreedheid als tegen Hendrik's overweldiging van Sicilië zich verzette, te meer daar Hendrik, even hoogmoedig en eerzuchtig als zijn vader, ook aanspraken deed gelden op de Kerkelijke Staten. Zoo ontstond dan weer een geschil tusschen keizer en Paus, welk geschil ook nog een bijzonder geestelijk karakter aannam, toen Hendrik den bisschoppelijken zetel van Luik aan zekeren Propostus van Bonn verkocht, na den wettigen bisschop, den H. Albertus, door zijne handlangers te hebben doen vermoorden. En toen Hendrik eindelijk koning Richard Leeuwenhart van Engeland, die, van den kruistocht terugkeerende, onschendbaar was, had gevangen genomen, was de maat zijner ongerechtigheden vol en sprak de Paus in 1195 over hem den ban uit.
Onder voorwendsel van een kruistocht te ondernemen ten einde van den ban ontslagen te worden, bracht hij een groot leger van 60,000 man bijeen, maar in stede van naar Palestina te gaan, landde hij in Sicilië, waar hij andermaal op de gruwzaamste wijze huishield.
Maar de dood verraste hem en den 29en September 1197 stierf hij te Messina, nauwelijks 33 jaren oud, zoodat hij zijne booze plannen tegen Rome niet kon ten uitvoer brengen. Integendeel, door de ziekte tot inkeer gekomen liet hij een testament opstellen, waarin hij het opperleenheerschap van den H. Stoel over Sicilië erkende en beval dat dit leen tot de Kerk moest terugkeeren wanneer zijn zoon Frederik zonder nakomelingschap mocht sterven; dat Fre-derik, wanneer de Paus hem in het keizerrijk bevestigde, aan de Kerk alle goederen van gravin Mathilda moest teruggeven, in een woord, door dit testament kwam de H. Stoel wederom in het bezit van al zijne goederen en door dit testament erkende Hendrik dan ook het onbetwiste recht en de volkomene onafhankelijkheid der Kerk en der tijde-
— 287 —
lijke macht der Pausen; de gerechtigheden van Sint Pieter werden dus door de Duitsche keizers zeiven ten volle erkend. Paus Celestinus stierf weinige maanden later, den 8 Januari 1198.
Ofschoon Frederik Barbarossa, en later zijn zoon Hendrik VI, de onafhankelijkheid en souvereiniteit der Pausen en de gerechtigheden van Sint Pieter hadden erkend, was het er toch verre van af dat de Pausen het gezag herwonnen hadden wat zij vroeger bezaten. Door de oorlogen der twee laatste Keizers hadden vele steden en adellijken zich eene zekere onafhankelijkheid aangematigd en in Rome had Paus Clemens, zooals wij gezien hebben, een soort compromis met de revolutionnaire bewindvoerders moeten aangaan ; er was dus een man van groote bekwaamheden en groote geestkracht noodig om aan den Pauselijken Stoel zijn vroegeren glans en luister terug te geven, en dien man schonk de Voorzienigheid aan de Kerk in den persoon van Innocentius III, een der grootste pausen die ooit de tiaar droegen.
Lotharius, zoon van Trasmundus, graaf van Segni en van Clarisse Scotte, eene patricische romeinsche dame, had zich door zijne groote geleerdheid en zijne schitterende deugden en hoedanigheden reeds grooten naam verworven, zoodat hij door paus Celestinus III, die zijn oom was, tot Kardinaal was gewijd. Na den dood van Celestinus viel de keus van alle kardinalen op hem, ofschoon hij nog slechts den leeftijd van 37 jaren had bereikt. Terugdeinzende voor de groote waardigheid en den zwaren last van het Pausschap, weigerde kardinaal Lotharius aanvankelijk zich de keuze te laten welgevallen, maar voor den algemeenen drang zwichtende stemde hij ten slotte toe en besteeg hij onder den naam van Innocentius III den stoel van den H. Petrus.
Zoodra Innocentius in Februari gekroond was, trachtte hij het vorige gezag der Pausen in Rome, dat door de Keizers en de Gemeente (het burgerlijk bestuur door Clemens gedwongen erkend) veel geleden had, te herstellen en zijne
— 288 —
geestkracht, gepaard aan een verstandig optreden, had weldra het gewenschte gevolg, zoodat Rome weer geheel en al onder het oppergezag van den Paus kwam en door een Prefect, door dezen benoemd, in burgerlijke en militaire zaken bestuurd werd. Ook de omliggende steden en baronnen onderwierpen zich meerendeels vrijwillig en erkenden den Paus als hun leenheer, terwijl andere, door Duitsche slotvoogden bestuurd en de dwingelandij van deze moede, eveneens het oppergezag van Innocentius erkenden. Het hertogdom Spoleto sloeg den zelfden weg in en nu richtte de Paus de blikken naar het grondgebied door gravin Mathilda aan den H. Stoel vermaakt, maar waarvan het grootste gedeelte door de Keizers van Duitschland als leengoederen aan hunne aanhangers was begeven. De Duitschers hadden zich evenwel niet bemind, veeleer gehaat gemaakt, en zoo openbaarde zich alom in Toskane en Lombadije eene geweldige beweging tegen de Duitschers. Er werd een Tos-kaansche Bond, onder het beschermheerschap van Paus Innocenttus opgericht, en met groote geestkracht begonnen de Italianen aan hunne bevrijding van het Duitsche juk te arbeiden. In weinige jaren had de groote Paus derhalve niet alleen aan den Stoel van den H. Petrus zijne bezittingen en gerechtigheden teruggegeven, maar bovendien een dam opgeworpen tegen de aanmatigende eerzucht der Duitsche keizers. En weldra zou het blijken hoe noodzakelijk deze dam was.
Toen Hendrik VI in 1197 stierf, liet hij een zoon na die slechts drie jaar oud was. Koningin Constantia verzocht voor dezen zoon Frederik, de beleening van Sicilië, die zij ook verwierf, en toen zij in 1198 stierf benoemde zij bij testament Paus Innocentius tot voogd en rijksbestuurder. De Paus nam dezen dubbelen last op zich, zorgde met vaderlijke goedheid voor den ouderloozen Frederik, bestuurde op voorbeeldige wijze zijn rijk en toen Frederik den leeftijd van 14 jaren had bereikt, legde Innocentius het voogdijschap neder, het land in rust en bloei aan den jongen
— 289 -
Frederik overgevende, die later met Constantia van Arragon huwde.
In Duitschland streden twee vorsten om de Duitsche keizerskroon; Philips van Zwaben en Otto van Brunswijk. In den beginne hield de Paus zich buiten den strijd, maar door de vorsten uitgenoodigd tusschen hen te beslissen, gaf Innocentius, na rijp beraad en na de aanspraken van beide mededingers rijpelijk overwogen te hebben, zijne stem aan Otto. De partij van Philips legde zich evenwel niet bij de pauselijke beslissing neer en de burgerkrijg ontbrandde. Toen Philip's evenwel in 1208 door Otto van quot;Wittelsbach vermoord was, wist de Paus den verderen burgeroorlog te voorkomen door een huwelijk te bewerken tusschen Otto en Philips dochter Beatrix. Otto, de IV van dien naam, werd daarop algemeen als koning erkend en den 4 October in Sint-Pieter plechtig tot keizer gekroond.
Nauwelijks had Otto evenwel het toppunt zijner wen-schen bereikt of hij vergold de goedheden des Pausen met de zwartste ondankbaarheid. Hij vergat en verbrak al zijne eeden, viel in de bezittingen der Kerk, verwoestte die en gaf ze aan zijne getrouwen in leen. De vertogen en de bedreigingen mochten niet baten, zoodat de Paus oji Witten Donderdag van het jaar 1211 den ban over hem uitsprak.
Op den Rijksdag van Nurnberg werd Otto, die ook de Duitsche vorsten door zijne hardvochtigheid van zich vervreemd had, van het rijk vervallen verklaard en Frederik van Sicilië, de zoon van Hendrik VI, tot koning van Duitschland uitgeroepen. Otto, door allen verlaten, trok zich op zijne erfgoederen terug, waar hij, na zich eerst met de Kerk verzoend te hebben, in 1218 stierf.
Na met krachtige hand en wijs overleg den Pauselijken Stoel wederom in het bezit zijner goederen en zijner onafhankelijkheid gebracht te hebben, hield Innocentius in 1215 in Lateranen het XII ecumenische concilie, waar, behalve afgezanten van Frederik II, den keizer van Constantinopel, de koningen van Frankrijk, Engeland, Aragon, Hongarije,
19
— 290 —
Cyprus, Jerusalem enz. nog 412 birschoppen, 800 abten en vele gevolmachtigden van afwezige abten en prelaten tegenwoordig waren. Behalve over veel zaken betreffende de leer en de discipline der Kerk werd er vooral ook gehandeld over een nieuwen kruistocht, waarvoor alle aanwezigen hunne medewerking of steun toezegden en dien Innocentius ook verder voorbereidde door in geheel Italië rond te reizen en den geestdrift er voor op te wekken, en tevens ook om de strijdigheden tusschen Genua en Pisa uit den weg te ruimen. Eer Innocentius evenwel zijn zielewensch, den nieuwen kruistocht, mocht vervuld zien, stierf hij te Perugia, den 16 Juli 1216, in den ouderdom van 56 jaren, na negentien jaren roem- en zegenrijk geregeerd te hebben.
Zoolang Paus Innocentius leefde bleef de verhouding tusschen den keizer en den H. Stoel goed, maar nauwelijks had Honorius III het bestuur der Kerk aanvaard of de eerzucht der Hohenstaufen, door slechte raadgevers aangeblazen, ontwaakte in Frederik II, en weldra kregen de booze hartstochten de overhand op de goede eigenschappen, waarvan hij niet misdeeld was.
In den beginne evenwel hield hij zijn boos spel verborgen en veinsde hij zelfs groote voortvarendheid in het voorbereiden van een kruistocht, waartoe de Paus hem aanspoorde. Dit was evenwel slechts schijnonderworpenheid, die alleen ten doel had van den Paus zijne kroning als keizer te verwerven en toen Honorius hem en zijne gemalin dan ook in November 1220 de keizerlijke kroon had opgezet, wierp hij het masker af en vertoonde hij zich in al zijne eerzucht, valschheid en wreedheid. De toebereidselen tot den kruistocht werden gestaakt en toen de Paus hem, onder bedreiging van den ban, tot naleving zijner plechtige gelofte aanspoorde, wist hij door allerlei uitvluchten zijne trouweloosheid te verbloemen.
Frederik II komt ons bijna als een raadsel in de geschiedenis voor. Van den eenen kant betoonde hij zich, trots zijne vele fouten en misdaden, een ijverig katholiek.
— 291 —
daar hij van alle ketterij en scheuring afkeerig was; van een anderen kant, en vooral in zijne levenswijze, was hij veel meer een muzelman. Zijne opvoeding op Sicilië, waar veel muzelmansche koloniën waren gebleven en een gedeelte der inwoners van Turkschen oorsprong is, heeft daartoe zeker veel bijgedragen; zijne eerzucht streefde er evenwel naar om zoowel het wereldlijk als het geestelijk opperhoofd van het Westen te zijn, zooals de Chaliefen het van 't Oosten waren; hij haakte naar wat men in onze dagen het Cesaro-Papisme zouden noemen.
Met de grootste miskenning van de rechten des Pausen trad hij dan ook niet alleen op als heer en meester in de Kerkelijke Staten, maar hij matigde zich ook het recht aan op Sicilië bisschoppen aan te stellen en af te zetten, en meer dergelijke willekeurigheden meer.
Na het overlijden zijner eerste gemalin huwde hij Isabella, de erfgename van den koning van Jerusalem en dezen titel nam hij zelfs aan, zonder maar een enkele poging te doen om Jerusalem uit de macht der Saracenen te redden.
Onder de regeering van paus Honorius kwam het evenwel nog tot geen openlijken breuk; Frederik wist door huichelarij en telkens hernieuwde bezwaren en beloften den kruistocht uit te stellen en den Paus te misleiden. Paus Honorius stierf dan ook den 18 Maart 1227 zonder zijn vu-rigsten wensch, de herovering van Jerusalem, vervuld te zien.
Gregorius IX, die hem opvolgde, een man van groote geleerdheid en vroomheid, was met niet minder ijver voor den kruistocht bezield dan Honorius en daarom hield hij niet op Frederik aan zijn eed te herinneren. Reeds was in Sicilië een machtig kruisleger verzameld en eindelijk stelde Frederik zich aan het hoofd ervan en werd de overtocht naar Palestina ondernomen. Maar reeds twee dagen later keerde Frederik, voorgevende ziek te zijn, naar Otrante terug; doch aan die ziekte werd geen geloof gehecht, veeleer heulde Frederik met de Saracenen en den sultan van Egypte en was het hem met den kruistocht nooit ernst geweest.
— 292 —
Het kruisleger loste zich op en de meeste vorsten keerden naar hun land terug.
De Paus, over zooveel trouweloosheid verontwaardigd, sprak den ban over hem rit, maar Frederik stoorde er zich weinig aan, veeleer zette hij zich er schrap tegen en uitte de grootste smaadreden tegen den H. Stoel. Toen hij later de ridders van St. Jan en de Tempeliers van hunne goederen beroofde en zich aan allerlei gewelddadigheden schuldig maakte, vernieuwde Paus Gregoi-ius in 1223 den ban en legde het interdict op de plaats waar Frederik zich bevond. Frederik dreef er den spot mede en ging steeds verder in zijne euveldaden. Zelfs had hij aangedrongen op de bijeenroeping van een concilie, en toen dit geschied was liet hij de prelaten en bisschoppen die er zich heen begaven, oplichten en in de versterkte kasteelen van A.pulië opsluiten; eenige kwamen in de kerkers om het leven andere in de gevechten, die hunne schepen te voeren hadden tegen die, door Frederik tegen hen uitgezonden.
Spoleto en Tivoli werden door hem ingenomen en Rome ernstig bedreigd. In een woord, noch Hendrik IV, noch Barbarossa, noch Hendrik VI hadden met zooveel geweld den strijd tegen Paus en Kerk gevoerd als hij. Onder deze treurige omstandigheden kwam Gregorius IX in 1241 te overlijden, in bijna honderdjarigen ouderdom.
Innocentius IV had niet minder van hem te lijden. Een in 1244 gesloten vrede werd door Frederik met zijne gewone trouweloosheid verbroken en Innocentius was genoodzaakt naar Lyon de vlucht te nemen, ten einde aan de hinderlagen te ontkomen, die de keizer hem legde. Te Lyon riep de Paus een concilie bijeen en daar werden alle misdaden, trouweloosheden en verraderijen van den keizer aan het oordeel van de verzamelde Bisschoppen, Prelaten en vorsten onderworpen. De Paus verklaarde hem tot een halstarrigen verachter van den kerkelijken ban, en beladen met een aantal volkomen bewezen misdaden, zooals meineed, felonie, heiligschennis, verdacht van ketterij, sprak
— 293 —
op nieuw den ban over hem uit, verklaarde hem vervallen van alle waardigheden en ontsloeg allen van den hem als keizer en koning gedanen eed. De Bisschoppen gaven hunne volle instemming aan dit vonnis.
Graaf Willem van Holland werd in 1248 tot koning van Duitschland uitgeroepen en Frederik, die nog door het wapengeweld zich had zoeken te handhaven en daarbij op de gruwzaamste wijze te werk ging, stierf den 13den December 1250 te Fiorentino in Apulie. Voor zijn dood schijnt hij evenwel tot inkeer te zijn gekomen, althans biechtte hij bij den bisschop van Palermo, die hem van den ban ontsloeg, en in zijn testament trachtte hij een gedeelte van het gepleegde onrecht goed te maken. Ook hij had het hoofd gestoten tegen die rots der Kerk, en zijne eerzucht en zijn verzet tegen den H. Stoel maakten van den overigens rijk begaafden vorst een voorwerp van afschuw en verachting.
Xa den dood van Frederik keerde Paus Innocentius in 1253 eindelijk naar Rome terug; maar rust zou hem niet gegund worden. Manfred, Frederik's natuurlijke zoon, maakte voor Koenraad, den wettigen zoon van Frederik, aanspraak op Sicilië, welke aanspraak Frederik door zijn felonie had verbeurd, en zoo had de Paus andermaal een strijd te voeren voor de rechten van den H. Stoel, waarvan Sicilië een leen was. Koenraad stierf, met don ban beladen, op den jeugdigen leeftijd van 26 jaren, een zoon van twee jaren nalatende, den ongelukkigen Conradijn, die later te Napels op het schavot het leven zou laten; dus als de laatste der Hobenstaufen met zijn bloed de vele euvelen van zijn geslacht tegenover Kerk en Paus zoenende. Innocentius IV stierf in 1254, Alexander IV, die hem opvolgde, zag zijne regeering nog bedroefd door de onlusten in Italië en stierf reeds in 1264. Zijn opvolger, Urbanus IV, regeerde slechts weinige maanden en overleed in datzelfde jaar 1264.
De kardinaal-bisschop van Sabina, een Franschman van geboorte, volgde Urbanus IV op onder den naam van Clemens IV, die Karei van Anjou, een broeder van den
— 294 —
Franschen koning den H. Lodewijk IX, met het koninkrijk Sicilië beleende, dat evenwel grootendeels in de macht van den zooeven genoemden Manfred was. Deze sneuvelde evenwel en nu kwam Sicilië spoedig onder de gehoorzaamheid des nieuwen konings, die door zijne hardvochtigheid en onderdrukking van de bevolking de goede verwachting van den pans beschaamde. Conradijn, de straks vermelde zoon van Koenrad IV, poogde zijne vermeende rechten op Sicilië met de wapenen te doen erkennen, maar in den slag van Tagliacozzo (12 Aug. 1268) werd hij met zijn neef, Frederik van Oostenrijk, gevangen genomen. Niettegenstaande alle smeekbeden en vertogen van den Paus, liet Karei beiden den 29en October op het marktplein te Napels onthoofden. Dat was het einde van den laatsten der Hohenstaufen.
Aan Conradijn werd dus ten volle bewaarheid wat Johannes van Salisbury schreef: ,,De onderdrukkers der kerkelijke vrijheid worden of in hun persoon of in hunne nakomelingen gestraft; de zonen verliezen ook hun eigen bezit tegelijk met dat, wat de goddeloosheid der vaders zich ten hunne gunste had aangematigd.quot;
Clemens IV stierf te Viterbo in 1268 ; onder zijn opvolger, Gregorius X, ging de Duitsche koningskroon door Rudolf von Habsburg in dat huis, waartoe nog de tegenwoordige keizer van Oostenrijk behoort, over. (29 Sept. 1273). De groote strijd was dus beslecht.
Gedurende eeuwen hadden de Pausen bijna onafgebroken te kampen tegen de wereldlijke machten, die niet alleen aan den Stoel van den H. Petrus zijne bezittingen, zijne gerechtigheden trachtten te ontnemen, maar die ook, althans wat de Duitsche keizers betreft, de onafhankelijkheid der Pausen belaagden en dezen tot hunne onderdanen, misschien zelfs tot hunne werktuigen, wilden verlagen. Maar hoe machtig ook de aanvallers, hoe talrijk hunne helpers ook waren, hoe zwak en verlaten de Pausen ook schenen, in dezen reuzenstrijd behaalden zij de overwinning, traden zij
— 295 —
roemrijk uit den strijd, terwijl hunne aanvallers allen, zonder onderscheid, de straf hunner euveldaden ontvingen en velen hunner zelfs eenen wreeden of smadelijken dood vonden. Van Gregorius X tot aan Bonifacius VIII (24 Dec. 1294), konden de Pausen zich dan ook, ofschoon niet geheel zonder kleinere verwikkelingen, wijden aan het helen der geslagen wonden en aan het herstel van de pauselijke macht en grootheid, zoo roemrijk verdedigd en zoo schitterend bevochten door de groote Pausen die van Gregorius VII tot Innocentius IV, op den Stoel van den H. Stoel zaten. Onder Bonifacius VIII zou nog eenmaal het Pausschap voor geheel de wereld zijne grootheid toonen, maar dan zou het, gedurende bijna eene eeuw, tot een staat van vernedering vervallen, die beter dan wat ook de groote noodzakelijkheid van een onafhankelijken Paus, van een Paus-Koning, voor het welzijn van den Godsdienst en de eer der Kerk aantoont.
Toen Celestinus V, die van eenvoudigen monnik tot de hooge waardigheid van Hoofd der Christenheid verkozen was, zich onmachtig voelende om den zwaren last van het Pausdom te dragen den 13 Dec. 1294 de tiaar nederlegde en tot de eenzaamheid zijner cel teruggekeerd was, viel de keuze der Kardinalen op Benedictus Gaetano, kardinaalpriester van St. Silvester, een man van koninklijken bloede en tevens van de grootste geleerdheid en A-roomheid, die onder den naam van Bonifacius VIII dan ook den pauselijken troon beklom.
De strijd tusschen de wereldlijke overmacht en de onafhankelijkheid en de rechten der Kerk, die meer dan eene eeuw lang tot de groote moeielijkheden tusschen de Pausen en de Keizers van Duitschland geleid had, sloeg onder de regeering van Paus Bonifacius VIII naar Frankrijk over. Philips de Schoone, een der argiistigste, gewetenlooste en slechtste vorsten die ooit op den Franschen troon gezeten hebben, wilde in Frankrijk de rol spelen, waarin een Hen-
— 296 -
drik IV, een Otto IV een Frederik Barbarossa een Hendrik VI en een Frederik II ten onder waren gegaan. Philips wilde in ziin land onbeperkt, absoluut vorst zijn en zijn gezag ook over de Kerk en de Bisschoppen uitstrekken. Bonifacius verdedigde met een moed en eene standvastigheid, die aan Gregorius VII doen denken, de rechten en de onafhankelijkheid der Kork. Philips plunderde zonder de minste schaamte of wroeging de schatten der Kerk en legde de hand op hare bezittingen ten einde te kunnen voorzien in de groote uitgaven, welke de oorlog, dien hij met Eduard, Koning van Engeland voerde, vorderde. Bonifacius trachtte door vermaningen en zachtmoedigheid den geveinsden Philips tot betere gedachten te brengen, maar tevergeefs. De klachten der Bisschoppen over de verdrukking, de plunderingen, tirannieke handelingen des Konings namen met den dag toe, zoodat de Paus genoodzaakt was met meer geestkracht op te treden. Door de buil Unani Sanctam in het Romeinsch Concilie van November 1302 beriep de paus zich op de rechten der Kerk en het hooge gezag der Pausen en dreigde met den ban, in geval de Koning niet van zijne booze wegen terugkeerde.
Dit alles vermocht evenwel niets op het verstokte hart van Philips. Integendeel: ziende dat hij den moedigen en onver-saagden Bonifacius niet kon misleiden, besloot hij den Paus aan te vallen. Eerst schijnt hij het plan te hebben gehad een openlijken krijg tegen Rome en de Kerkelijke Staten te voeren, maar dit plan liet hij varen voor een ander, dat meer met zijn verraderlijk en misdadig karakter strookte. Hij besloot den Paus te doen gevangen nemen, naar Frankrijk over te voeren en daar onder allerlei even valsche als lage beschuldigingen van den pauselijken troon vervallen te verklaren.
Paus Bonifacius bevond zich te Anagni toen Nogaret, de Kanzelier van Frankrijk, en Sciarra Colonna aan het hoofd eener bende soldeniers de stad overvielen, onder de kreten: „Dood aan paus Bonifacius, leve de Koning van Frankrijk /quot;
— 297 —
het pauselijk slot omsingelden en de daaraan palende Moe-dergodskerk plunderden en van al hare schatten beroofden. P. Brunengo verhaalt dezen schandelijken aanslag als volgt: „Zoodra deskrijgsknechten binnendrongen en de deuren wilden openbreken, riep hij (Bonifacius) zijnen dienaren toe ; Doet open, de pausen kennen den marteldood!quot; er niet aan twijfelende of zij kwamen hem vermoorden. Hij kleedde zich met het pauselijk gewaad, plaatste zich op zijn troon tegenover het altaar, de tiaar op het hoofd en houdende in de eene hand de sleutels en met de andere het kruisbeeld tegen de borst drukkende, slechts omgeven door twee Kardinalen, die hem waren overgebleven, en wachtte zoo de beulen af. Tegenover de ruwe beleedigingen van Sciarra en den judasachtigen groet van Nogaret behield hij een waardig stilzwijgen; maar toen Nogaret dreigde hem gevangen te nemen en naar Lyon te voeren, antwoordde hij : Ziehier mijn hoofd ! voor de vrijheid der kerk zal ik, wettige stedehouder van Christus, dulden dat ik veroordeeld, afgezet en zelfs gemarteld word door de hand van Paterini.quot; Bij deze laatste woorden, die eene bloedige zinspeling waren op de ouders van Nogaret, die wegens ketterij op den brandstapel het leven lieten, stond de ellendeling als verpletterd en zonder nog een woord te spreken ging hij heen. Men kan met zekerheid zeggen dat de onverschrokkenheid en de majesteit van den Paus zijne aanvallers zoodanig verbijsterden, dat daardoor hunne geheele samenzwering verijdeld werd. Na drie dagen van onzekerheid, van gewelddaden en vruchtelooze aanvallen op de standvastigheid van den Paus, werd het gespuis onverwacht op de vlucht gedreven door het volk van Anagni, dat eindelijk in opstand kwam en door de pogingen van Kardinaal Lucas Fieschi den Paus ter hulpe kwam. Zoodra Bonifacius verlost was schonk hij allen vergiffenis en begeleid door 400 ruiters onder aanvoering van de Orsini, begaf hij zich naar Eome, waar hij onder de grootste feestelijkheden ontvangen werd.
De beproevingen van den grooten Paus waren evenwel
niet ten einde. De Orsini, die den Paus naar Rome hadden teruggevoerd, hielden hem daar als 't ware gevangen en meenden de rol te spelen van een Alberic of van de graven van Tusculum, en dit verraad trof den 86jarigen Paus zoozeer dat hij een maand later, den 11 October 1303, uit het leven scheidde, niet, zooals sommige aan het Pausdom vijandige ghibellijnsche kroniekschrijvers verhalen, met de wanhoop eens verdoemden, maar kalm en gelaten en na ontvangst van de H.H. Sacramenten. Toen onder Paus Paulus V, in 1605, het graf Aran den grooten Bonifacius dan ook geopend werd, vond men het lijk nog bijna ongeschonden en zoo wel bewaard en met zulke kalme uitdrukking op het gelaat, dat het allen een wonder scheen.
Bonifacius VIII sloot die reeks van groote en moedige pausen die, van Gregorius VII af, met onbezweken moed, stalen volharding, rusteloos ijveren de rechten der Kerk, de onafhankelijkheid van den H. Stoel en de zuiverheid des geloofs verdedigden tegen den overmoed der Duitsche keizers en tegen den lagen en heerschzuchtigen Philips van Frankrijk.
Na hem zou het Pausschap die afhankelijkheid en vernedering tegemoet gaan die 70 jaren duurde en, met eene zinspeling op de onderdrukking van het volk van Israël, de Babylonische gevangenschap wordt genoemd.
Ook Bonifacius VIII werd door de vijanden der Kerk en des Pausdoms gruwelijk gelasterd. Reeds bij zijn leven durfde de laaghartige Nogaret, de afstammeling van ketters en Patirini, den moedigen tegenstander van Philips den Schoone van ketterij, simonie, indringen, afgoderij en zedeloosheid beschuldigen, maar deze leugens van een slaaf-schen hoveling en een eervergeten mensch werden, evenals die van het Parijsche parlement en de andere na den dood van Bonifacius tegen zijne nagedachtenis verspreid, reeds door de tijdgenooten naar waarde gebrandmerkt. Niettemin is het waar, dat nog in onza dagen deze lasteringen geloof vinden bij de vijanden der Kerk, maar de ware en onpar-
— 299 —
tijdige geschiedenis geeft ons in Bonifacius een man van groote godsvrucht, onberispelijke zeden, onwrikbare standvastigheid en vurigen ijver voor de eer der Kerk te aanschouwen, en zoo zullen ook alle komende geslachten hem eeren en op eene lijn stellen met een Gregorius VII, een Innocentius III, een Alexander III en al die andere groote Pausen, waarvan wij de onvolledige trekken in dit werk geschetst hebben of nog zullen schetsen.
Hoofdstuk XIV.
De Paiisen te Avignon, ('lemens V. ftroote ramp bij zijne kroning. Dood van ('lemens V en van Philips den Sehoone, wiens geslacht kort daarop uitsterft. Oevolgen, welke de Babyloniselie ballingschap voor het Pausdom had. Inno-centius IV bereidt den terugkeer naar Kome voor. die door pans Urbanus V eindelijk ten uitvoer gebracht en door paus Gregorius X bevestigd wordt.
enedictus XI, die tot opvolger van Bonifacius verkozen werd, stierf na slechts eenige maanden (22 October 1303 — 7 Juli 1304) geregeerd te hebben, te Perugia ; zijne korte regeeringsjaren werden door hem gebruikt om zooveel mogelijk den vrede tusschen het Pausschap en Frankrijk eenerzijds en de Colonna's anderzijds te herstellen. Zijn plotselinge dood, dien men aan vergif toeschreef, belette hem zijn doel te bereiken.
Het Conclaaf, dat geroepen was zijn opvolger aan te wijzen en te Perugia gehouden werd, duurde niet minder dan elf maanden, daar de kardinalen moeielijk tot eene keuze konden geraken tusschen de beide bijna evenmach-tige Fransche en Italiaansche partijen. Eindelijk werd Ber-trand de Goth, een Franschman, verkozen, die dan ook onder den naam van Clemens V de regeering aanvaarde. In stede evenwel van naar Rome terug te keeren, besloot hij zijnen zetel te Lyon te vestigen en van hem dagteekent
— 301 —
het verblijf der Pausen te Avignon, waarheen hij later trok, en dat, zooals wij zeiden, onder den naam van Babylonische ballingschap bekend staat. Ofschoon de politieke partijschappen in Eome juist niet geëigend waren om den terugkeer der Pausen derwaarts uit te lokken, zoo was het toch zeker eene groote fout van Clemens V zich in Frankrijk te vestigen, waar Philips de Schoone nog altijd met dezelfde tirannie den schepter zwaaide en nog altijd met zijne plannen eener absolute monarchie, in 't geestelijke zoowel als in 't wereldlijke, omging. Hoe groot de hoedanigheden van Clemens V ook mochten zijn, hij kon zich niet aan de overheersching des konings onttrekken en van af zijne verkiezing dagteekent dan ook die afhankelijkheid van Frankrijk, welke 70 jaren duurde.
Philips de Schoone was natuurlijk zeer verheugd over het besluit van Clemens V, dat zijne plannen zoo goed in de hand werkte en daarom wilde hij de kroning des Pausen, die in de St. Justuskerk te Lyon plaats had, met grooten luister omgeven. Evenwel werd de plechtigheid door een jammerlijk ongeluk verstoord. Bij den plechtigen tocht naaide kathedraal, waarbij de Paus tusschen den koning van Frankrijk en Karei van Yalois reed, stortte een oude muur onder den last der toeschouwers, die er op plaats hadden genomen, in. Hertog Jan van Bretanje, Kardinaal Mattheo Orsini, een broeder van den Paus en verscheidene andere hooggeplaatste personen vonden den dood onder de puin-hoopen; Karei van Valois werd ernstig gewond, de Paus ter aarde geworpen; de tiaar rolde door het stof en een karbonkel, ter waarde van 6000 francs, ging verloren. Den volgenden dag ontstond er een bloedige strijd tusschen het gevolg van den Paus en dat der Italiaansche Kardinalen, waarbij een andere broeder van Clemens V, die den vrede wilde herstellen, het leven verloor. Voorwaar een treurig begin voor eene nieuwe regeering, dat tot veel onheilspellende voorzeggingen aanleiding gaf. In April 1309 deed de Paus eindelijk zijne intrede in Avignon.
Dat verblijf te Avignon wordt evenwel niet zonder eenige overdrijving eene gevangenschap genoemd. Avignon toch behoorde niet aan den koning van Frankrijk, maar wel aan Karei II, koning van Sicilië, zoodat de Paus eigentlijk de gast van zijn eigen vasal was, daar het koninkrijk Napels een leengoed van den Pauselijken Stoel was, en in 1348 kocht Paus Clemens het voor 80.000 goudguldens van koningin Johanna, zoodat Avignon toen eene Pauselijke bezitting werd. Maar toch kan niet ontkend worden, dat de koningen van Frankrijk door hunne nabijheid en door hun invloed op de Fransche Kardinalen, die in het H. College allengs meerderheid waren geworden, de vrije handelingen des Pausen zeer belemmerden en hun terugkeer naar Rome op allerlei wijzen trachtten te beletten. Het grootste nadeel voor den Pauselijken Stoel en voor de waardigheid van het Pausschap lag wel hierin, dat de andere vorsten den Paus gingen beschouwen als een onderdaan van den Fran-schen vorst, als een Franschen Paus en niet als den Paus der geheele Christenheid. Vandaar dan ook dat zij minder naar de stem der Pausen gingen luisteren, hunne uitspraken wantrouwden, als zijnde partijdig en ingegeven door Fransche bemoeiing en inmenging, en zoo ging allengs de groote eerbied voor het Pausdom verloren, en deze verslapping, deze vermindering van den invloed der Pausen zou hare bitterste vruchten dragen in de 16de eenw, toen de groote scheuring, de Hervorming, het hoofd begon op te steken.
Van een anderen kant, zou deze 70-jarige afwezigheid der Pausen uit Rome, groote onheilen over de eeuwige Stad brengen, daar de machtige baronnen, de Colonna's, de Orsini's, en andere, die elkander beoorloogden ter wille van de opperheerschappij, en Lodewijk de Beier er hun roekeloos spel speelde, totdat eindelijk Cola di Rienzi eene nieuwe Republiek in Rome zou stichten, die, het lot van alle Republieken deelende, in tweedracht en burgerkrijg ontaardde en het leven zou kosten aan hem, die haar had doen ontstaan.
— 303 —
Men wane evenwel niet dat, al was het Pausschap ook in zekere mate onder de onafhankelijkheid van Frankrijk gekomen, de Pausen, die te Avignon vertoefden, daarom onwaardige Opperpriesters waren. Het tegendeel is waar. Onder hen bevonden zich mannen van groote deugd en groote geleerdheid, die veel, zeer veel voor den bloei en de tucht der Kerk deden; dit tijdstip is vooral daarom noodlottig voor het Pausdom geweest, wijl het, zooals wij zooeven zeiden, zijn grooten invloed op vorsten en volken verloor, daar het den schijn had, niet onafhankelijk te zijn. Deze Babylonische gevangenschap leert ons dus, dat het Pausdom onafhankelijk moet zijn, niet alleen onafhankelijk in de daad, maar ook onafhankelijk in den schijn. Daarom moet de Paus dan ook Koning en vorst zijn van een on-afhankelijken Staat; hij kan evenmin waarlijk Paus zijn in Avignon of Fontainebleau, als in Rome, waar naast hem een andere vorst, hetzij dan Victor-Emmanuel of Humbert I, op den troon zit en vorstelijke heerschappij uitoefent.
Een bewijs hiervoor vinden wij in den goddeloozen eisch, dien Philips de Schoone aan Paus Clemens durfde stellen, om de nagedachtenis van den grooten Bonifacius, die zelfs in zijn graf door den Franschen despoot vervolgd werd, te doen vervloeken en te schandvlekken. De Paus verzette zich weliswaar met kracht daar tegen, maar dat Philips zoo iets durfde vragen toont reeds aan dat hij Clemens V als een soort vasal of onderdaan beschouwde. Ook in het proces tegen de orde der Tempeliers kon de Paus niet met die vrijheid van handelen optreden, als wel eisch was, en de vertogen van Clemens V, die in dit proces meer rechtvaardigheid en onpartijdigheid verlangde, bleven zonder gevolg. Het is hier de plaats niet om over dit berucht proces breedvoeriger te handelen, maar de beschuldigingen, tegen Paus Clemens V, ten dien opzichte uitgebracht, kunnen de toets eener onpartijdige beschouwing niet weerstaan. Evenwel kan het niet ontkend worden dat Paus Clemens, toegevende aan den drang van den Franschen koning, het
— 304 —
Heilig Collegie met 22 nieuwe Fransche kardinalen vermeerderde, waardoor de Fransche invloed aanmerkelijk toenam en de terugkeer der Pausen naar Rome voor langen tijd werd onmogelijk gemaakt.
Clemens V, zegt prof. Hergenroether, had een doornig pontificaat; slechts met moeite slaagde hij er in zich eenigs-zins te verzetten tegen de knechtschap, die den Stoel van den H. Petrus bedreigde; hij was sedert jaren sukkelend, zijne krachten uitgeput door de voortdurende opwinding. In het kasteel Monteux, bij Carpentras, voltooide hij zijne decretalen, trok dan naar zijne geboorteplaats Bordeaux, maar stierf te Rochemaure aan de Rhone, den 20 April 1314. De schat, dien hij voor een kruistocht had bijeengegaard, werd geplunderd, zijne nagedachtenis gelasterd, vooral door de Italianen, die hem de overbrenging van den pauselijken Stoel naar Frankrijk niet konden vergeven. P. Brunengo zegt dat hij te Monteux stierf; deze zegt van hem: .,hij liet eene roemrijke gedachtenis na door het groote ecumenische Concilie van Vienne, door zijne beroemde Decretalen, bekend onder den naam van Clementinische, en door andere uitstekende werken van ijver en wijsheid; maar tevens ook eene nagedachtenis die voor de gansche Kerk en vooral voor de Italianen noodlottig was door de Babilonische slavernij, door hem begonnen, en door de lange reeks van rampen voor de tijdelijke en wereldlijke macht der Pausen, waarvan hij de oorsprong was.quot;
Philips de Schoone volgde hem den 29en November in den dood; hij stierf in den bloeienden leeftijd van 46 jaren, ten gevolge van een val van zijn paard. Deze dood werd algemeen als een straf des hemels beschouwd, Eenigen beweren dat Jacques de Morlay, de grootmeester der Tempeliers, op het oogenblik dat hij zijn leven op den brandstapel ging eindigen, den Paus en den koning binnen het jaar voor Gods rechterstoel daagde. Dit is eene fabel; zeker is het dat de vroegtijdige en ongelukkige dood van Philips beschouwd werd als de straf Gods die vroeg of laat
— 305 —
de kerkvervolgers treft. Zijne drie zonen stierven zonder nakomelingschap na te laten, Lodewijk X in 1316, Philips V in 1322 en Karei IV in 1328, en met dezen laatsten stierf het geslacht van Hugo Capet in de rechte lijn uit, evenals met Conradijn het geslacht der Duitsche Hohenstaufen ten grave daalde. Hier zien wij dus weer het vreeselijk vonnis bewaarheid, dat allen, die de hand naar Gods Kerk uitslaan, in hun persoon of in hunne nakomelingen gestraft worden. Datzelfde zullen wij ook nog verder bevestigd zien. Maar ook Frankrijk zou de straffende hand der gerechtigheid niet ontgaan, want de komst van het huis van Valois op den Franschen troon zou het teeken zijn van dien bloedigen oorlog met Engeland, die het rijk van den H. Lodewijk op den rand des afgronds zou brengen.
Na den dood van Clemens V bleef de pauselijke stoel gedurende twee jaren onbezet, daar de te Carpentras in Conclaaf vergaderde Kardinalen het niet eens konden worden over de keuze. De Italiaansche Kardinalen wilden een Italiaanschen paus, die den zetel naar Rome zou overbrengen, de Franschen wilden er een van Fransche afkomst.
De beraadslagingen werden zelfs op gewelddadige wijze door de Gasconsche ridders onderbroken, die met het gevolg van de Italiaansche Kardinalen in eene bloedige worsteling kwamen en onder den kreet: Dood aan de Italianen ! het Conclaaf binnenstormden, zoodat dit moest uiteengaan. Alweer een bewijs hoe noodzakelijk een onafhankelijk gebied voor het Pausschap is. Door de bemoeiingen van Philips, den tweeden zoon van Philips den Schoone, kwam het Conclaaf in 1316 andermaal bijeen en den 7en Augustus werd de Kardinaal van Porto, Jacob van Eure, geboortig van Cahors, verkozen, die onder den naam van Johannes XXII het bestuur over de Kerk aanvaarde. Ook zijne regeering was zeer onrustig, vooral door den strijd die in Duitschland tusschen Lodewijk den Beier en Frederik van Oostenrijk over den koningstroon was ontstaan.
De Duitsche vorsten waren het over de koningskeuze
20
— 306 —
oneens en de uitspraak des Pausen zou niet geteld worden, omdat men die zou toeschrijven aan eene inmenging van Frankrijk, — noodzakelijk gevolg van de rampzalige Babylonische ballingschap, die aan de onpartijdigheid der Pausen deed twijfelen.
Ofschoon er geene beslissing ten gunste van een der mededingers was gevallen, matigde Lodewijk de Beier zich toch den koningstitel aan. Lodewijk trok op Rome toe, waar de Ghibellijnsche partij hem de poorten opende, een ge-ëcxommuniceerde bisschop hem zalfde en Sciarra Colonna hem de keizerskroon op het hoofd zette. Den 18 April (1328) hield Lodewijk op Sint Pietersplein een soort parlement, waarin hij paus Johannes, dien hij den priester Jacob van Cahors noemde, van allerlei misdaden en majesteitschennis beschuldigde, vervallen verklaarde van den pauselijken troon en zijn beeltenis in 't openbaar deed verbranden.
Den 12 Mei deed hij een monnik, Pietro Rinalducci van Corvara, tot tegenpaus uitroepen en onder den naam van Nicolaas V kronen. De Ghibellijnsche partij en het gepeupel waren de baas en toonden hunne gezindheid door de woedende kreten: Leve Casar, Leve de vrijheid! Weg met de pauselijke dwingelandij! De uitspattingen der Duitschers, hunne afpersingen en gewelddaden, gevoegd bij de zware belastingen waaronder Lodewijk de Romeinen deed zuchten, verwekten een tegenrevolutie; Lodewijk verliet in alle haast met zijn tegenpaus Rome, waar Bertold Orsini en Stefano Colonna, die moedig den Duitscher het hoofd hadden geboden en den Paus verdedigd, binnentrokken en tot Senatoren werden uitgeroepen. De ongestadige volksmenigte, die nog kort te voren Cesar had toegejuicht en de „pauselijke tiranniequot; had verwenscht, riep nu, toen Giovanni Orsini als pauselijk legaat in de stad kwam: Leve de H. Kerk! Leve de Paus en de Kardinaal-legaat! Dood aan Pietro van Corvara! Dood aan de Paterini en de verraders! De scheuring, door den Beier begonen, verdween met zijne heerschappij en het Romeinsche volk hoopte op den terug-
— 307 -
keer des Pausen naar Rome; en die hoop was niet op losse gronden gevestigd, daar men reeds toebereidselen maakte om het Vaticaan voor de ontvangst van den Paus in gereedheid te brengen.
Maar de beden en listen van den Franschen koningen de vertogen der Fransche Kardinalen, gevoegd bij de voorbereidselen die de Paus toen voor een nieuwen kruistocht trof, deden hem zijn terugkeer van maand tot maand uitstellen, totdat de dood den 4 December 1334 voorgoed alle plannen verijdelde.
Kardinaal Fournier, van de orde van Cisteaux, werd den 20 December tot Paus verkozen en verwierf zich, onder den naam van Benedictus XII, den roep van groote deugd en van een heilig Paus.
Op den pauselijken stoel behield hij al den eenvoud en al de strengheid van de orde waartoe hij behoorde, maar ook hij kon zich niet geheel onttrekken aan de noodlottige afhankelijkheid, onder welke hetPauschapin Avignon zuchtte. Een gezantschap uit Rome kwam den nieuwen paus smee-ken naar Rome terug te keeren en Benedictus beloofde uitdrukkelijk dat hij in October (1335) zich op weg zou begeven ; maar de Fransche koning en enkele Kardinalen zochten alle voorwensels om den Paus van zijn plan te doen afzien. Benedictus antwoordde dat, wanneer hij aan hunne bezwaren toegaf, de Pausen eeuwig in Frankrijk zouden moesten blijven, en zeker zou de vroome Paus aan zijn plan gevolg hebben gegeven, ware het niet geweest dat in Rome nieuwe onlusten en woelingen uitbraken, die den terugkeer voorloopig minder raadzaam maakten. Waarschijnlijk zou de komst van den Paus te Rome aan den ongeluk-kigen toestand aldaar een einde hebben gemaakt, maar te Avignon vond men er juist een voorwendsel in om dien tegen te werken. De oorlog, die in 1336 tusschen Frankrijk en Engeland over de troonopvolging in Frankrijk uitbrak, werd oveneens te baat genomen om den terugkeer naar Rome te verhinderen, daar de koning den Paus gaarne bij
— 308 —
zich wilde houden en de Fransche Pausen er gebruik van maakten om hun terugkeer van jaar tot jaar uit te stellen.
Voor het prestige van het Pausschap was dat allernood-lottigst, want alle verzoeningsmiddelen, door den Paus aangewend, werden door de Engelschen van de hand gewezen, daar zij geen vertrouwen stelden in de onpartijgdigheid van een Franschen Paus. Evenals dus het Pausschap in Duitsch-land allen invloed verloor onder Lodewijk den Beier, zoo verloor het dien in Engeland onder Eduard III en zijne opvolgers. Zoo verloor het dan, onder die Babylonische ballingschap, allengs zijne groote macht, die zoo noodzakelijk was voor de rust en den vrede van Europa, en met het verlies voor het politiek ontzag ging ook allengs dat van geestelijk ontzag gepaard. Dit was niet alleen het geval met Benedictus XII, maar ook met zijn opvolger Clemens VI, die den 7 Mei 1342 verkozen werd.
Onder Clemens VI werd met kracht voortgewerkt aan den bouw van dat prachtige paleis der Pausen te Avignon, onder Johannes XXII begonnen, en dat, na door de Fransch revolutie tot kazerne en stallen te zijn ontwijd, nog nu voor dezelfde doeleinden wordt gebruikt, tot groote spijt van alle beminnaars van de kunst, die deze ontwijding en verminking ten diepste betreuren. Onder Clemens VI barstte ook in Rome die groote revolutie uit, die stichting eener Romeinsche republiek onder Cola di Rienza, waaraan wij reeds ter loops gesproken hebben. De afwezigheid der Pausen was voor Rome eene ware ramp, daar de eeuwige stad bloot stond nu eens aan de eerzuchtige strevingen van een Cola di Rienza en de onvermijdelijke gewelddaden enmoordtoo-neelen die het gevolg zijn van volksoproeren en democratische woelingen, dan weder aan den overmoed der baronnen en adellijken, die als kleine tirannen en despoten huis hielden en elkander op de bloedigste wijzen beoorloogden en vervolgden. Van het grondgebied van den H. Petrus was niets meer onder het gezag van de Pausen, hunne legaten of gevolmachtigden gebleven. Zekere Johannes van de prefecte
— 309 —
van Vico, had niet alleen Viterbo, waar hij vertoefde, maar ook Orvieto, Terni, Nari, Amelia, Marta, Canino, Toscanella, Corneto en Civitavechia aan zijn gezag onderworpen; te Rimini waren de Malatesta, te Ravenna de Polentani, te Faenza de Manfredi, te Urbino de Montefeltro, te Forli en Cesena de Ordeloffi de baas, en zoo was overal het pauselijk gezag ondermijnd, ja, men kan wel zeggen dat het erfgoed van den H. Petrus verbrokkeld was en in de handen gevallen van stoutmoedige roovers.
Nadat de Romeinsche revolutie onder Cola di Rienzi in 1347, in oneenigheid en bandeloosheid was te niet gegaan, had paus Clemens VI reeds het plan tot een herstel van het pauselijk gezag in Rome opgevat, daartoe vooral ook aangespoord door de H. Brigitta van Zweden, die den Paus schreef dat God haar had geopenbaard dat hij zoo spoedig mogelijk naar Rome moest terugkeeren en, onder bedreiging van een vreeselijk oordeel, tot de hervorming der Kerk moest overgaan. Een nieuwe opstand verijdelde evenwel de plannen des Pausen. Zijn opvolger, Innocentius VI, die in December 1352 den pauselijken troon besteeg, vatte met allen ernst de plannen van Clemens VI weer op, maar eerst sloeg hij de handen aan 't werk om het pauselijk hof van Avignon, waar zijn prachtlievende voorganger eene groote weelde had ingevoerd, te hervormen en tot meer ingetogenheid en eenvoud te brengen, waarna hij overging om den terugkeer van het pauselijk hof naar Rome voor te bereiden.
De moeielijkheden, die zich voordeden, schenen bijna onoverkomelijk te zijn, maar de Voorzienigheid had reeds den man opgewekt, die deze zware taak zou volbrengen. Deze man was Kardinaal Albornoz.
Egidius Alvarez Carillos d' Albornoz, was te Cuemja, in Nieuwe Castilie geboren en stamde uit het Koninklijk bloed van Arragon en Leon. Na te Toulouse zijne studies volbracht te hebben, werd hij op nog jeugdigen leeftijd tot Aartsbisschop van Toledo benoemd. Als Apostolisch legaat had hij in de oorlogen tegen de Mooren in Spanje en Afrika
— 310 —
bewijzen van grooten moed en veel krijgskundige kennis gegeven, en zijn naam was nog beroemder geworden door menige verovering onder zijne aanvoering bevochten. Toen Pedro de Wreede den troon van Arragon beklom, legde Al-bornoz zijne bisschoppelijke waardigheid neder en begaf zich naar Avignon, waar Paus Clemens hem tot Kardinaal verhief.
Op dezen man sloeg Paus Innocentius het oog; hij benoemde hem tot pauselijk legaat, beval hem Italië te verlossen en gaf hem de meest uitgebreiden volmachten. Kardinaal d' Albornoz aanvaardde de taak, begaf zich eerst naar Florence en van daar naar Montefiascone, dat toen eene sterke plaats was en zeer aan den Paus verknocht en sloeg daar als 't ware zijn hoofdkwartier op.
De eerste overwinning door hem behaald, was die op den zooeven genoemden Johannes Prefect van Vico en deze zegepraal op een algemeen geduchten benden aanvoerder was zoo beslissend, dat zij de onderwerping van een aantal andere kleine tirannen en despoten ten gevolge had.
In zeer korten tijd had de legaat het geheele grondgebied van den H. Stoel herwonnen, niet alleen gebruik makende van de kracht der wapenen, waar zulks geboden was, maar ook van verstandige verdragen, die evenwel in geenen deele het gezag van den H. Stoel konden schaden. De Romeinen, die in een laatsten opstand den eertijds door hen vergooden volkstribuun Coli di Rienzi vermoord hadden, zonden hem gezanten en erkenden opnieuw het geheel en onbetwiste oppergezag van den Paus. Het zou evenwel niet aan Innocentius IV gegeven zijn de vruchten te plukken van zijn met zooveel geestkracht en beleid gevoerde onderneming daar hij den 12 September 1362 overleed. Zijn opvolger, Urbanus V, een even heilig als geestkrachtig paus, vernam zijne verheffing tot den Pauselijken troon terwijl hij, te Corneto zijnde, zich gereed maakte naar Napels te gaan, belast met een opdracht van den H. Stoel aan Koningin Johanna. Hij vertrok onmiddelijk naar Avignon, waar hij zich met allen eenvoud liet kronen.
— 311 —
De verwachtingen, die men van de heiligheid en de geestkracht van den nieuwen paus had, waren groot en zouden ook niet beschaamd worden. Toen hij nog slechts abt van S. Victor was, verlangde hij vurig naar den terugkeer der Pausen naar Rome, en toen hij den dood van Innocentius vernam, riep hij, naar verhaald wordt: ,,0, mocht God mij die gunst bewijzen dat ik een Paus kon aanschouwen, die den terugkeer naar Italië ernstig ter harte nam, ik zou den dag daarna willen sterven en ik zou tevreden sterven. — Zeker had hij wel niet vermoed dat hij die vurig begeerde paus zou zijn. Toen de Romeinen hem dan ook in 1363 het gewone gezantschap zonden, en vuriger dan ooit op den terugkeer naar Rome aandrongen, gaf hij hun de stellige belofte dat hij het zou doen, al kon hij het tijdstip dan ook nog niet vast bepalen. Avignon was ook niet meer het heerlijke oord van voorheen ; talrijke benden plunderaars, de Routiers, liepen het land af en dwongen de Pausen vaak hunne verwoestingen tegen groote geldsommen af te koopen; Paus Urbanus-zelf moest hun 200.000 gouden ponden betalen om plundering, brandstichting en verwoesting te voorkomen.
Na veel moèielijkheden te hebben overwonnen kon Paus Urbanus eindelijk in September 1366 aan de Romeinen, aan keizer Karei en aan de andere vorsten schrijven, dat hij vastbesloten was om tegen Paschen van 1367 naar Rome te gaan.
Deze tijding werd door Italië en de geheeie christenheid met luid gejubel ontvangen; alleen Frankrijk jubelde niet mede, en koning Karei V zond zelfs een plechtig gezantschap aan den Paus om dezen van zijne plannen te doen afzien. De Paus bleef evenwel onwrikbaar en den laatsten dag van April 1367 nam Paus Urbanus afscheid van Avignon en trok naar Marseille; Venetie, Genua, Pisa, Napels, Lucca en Florence hadden als om strijd hunne galeien ter beschikking gesteld van den paus en zijn gevolg, waarbij zich nog die van Provence en de door d' Albornoz gezondene
— 312 —
voegden, zoodat Urbanus met eene statige vloot van 25 schepen de haven van Marseille verliet. Keizer Karei had beloofd dat hij zelf den paus naar Italië zou geleiden, maar toen hij door gewichtige zaken verhinderd was aan zijn plan gevolg te geven, zond hij Koenraad van Braunsberg, grootmeester van de Ridders van Jerusalem in Duitschland, om den paus met eene uitgelezene schaar van edellieden en gewapenden tot eergeleide te verstrekken. Den 19 Mei had het vertrek uit Marseille plaats en den 3 Juni landde men te Corneto, waar een stad van tenten en paviljoenen op het strand verrezen was en duizenden en duizenden uit alle gedeelten van Italië waren toegestroomd om den paus te ontvangen en te verwelkomen. Na onder een paviljoen eene mis van dankzegging te hebben opgedragen begaf de paus zich naar Corneto, waar een gezantschap uit Rome hem het ge-heele en onbeperkte gezag in de stad en de sleutels van de Engelenburcht kwam aanbieden.
Den volgenden dag trok Urbanus naar Viterbo, waar hij meer dan vier maanden verbleef, ten einde zich niet in eens aan de groote hitte in Rome bloot te stellen. In Viterbo had Urbanus evenwel den dood te betreuren van Kardinaal Albornoz, de man aan wien, naast God, deze gelukkige wending in de eerste plaats te danken was.
Tijdens zijn verblijf in Viterbo had de paus nog een treurig bewijs van de ruwheid en den geest van oproer die, tengevolge van de gebeurtenissen der laatste eeuw, zich van de bevolking zijner staten hadden meester gemaakt. Om de onnoozele reden dat men een hond in een der openbare fonteinen waschte, ontstond er oneenigheid tusschen de bedienden van twee Fransche Kardinalen en eenige inwoners van Viterbo; de oneenigheid leidde tot een algemeen oproer, de huizen der Kardinalen werden bestormd en ge: plunderd, eenigen hunner bedienden kwamen om het leven en de Kardinalen moesten een schuilplaats zoeken in het kasteel waar de Paus verbleef, en dit werd zelfs gedurende zes dagen door de oproerlingen belegerd ; door de hulp der
— 313 -
toegesnelde inwoners van Orvieto, Montefiascone, Bagnorea en Orvieto, aangevoerd door graaf Ugolino van Montemarte, werd het oproer gedempt.
Den I6en October 1367 hield Paus ürbanus zijn plechti-gen intocht in de Eeuwige Stad, die in 63 jaren geen paus meer binnen hare muren had gezien.
Het was een luisterrijke stoet, die den paus vergezelde. Vooraan reed markies Nicolas d'Este aan het hoofd van 1000 ruiters, gevolgd door 1000 voetknechten onder bevel van Malatesta van Rimini; hierna kwamen elf kardinalen met hun gevolg en daarna de Paus, op een paard gezeten dat door graaf Amadeus VI van Savoie bij den teugel werd gehouden. Op den paus volgde Rudolf Varano van Camerina, die de Standaard der Kerk droeg, op zijne beurt gevolgd door Galeotto Malatesta met 300 ruiters, de aartsbisschoppen, bisschoppen, abten, eene menigte baronnen en 2000 wereldlijke en ordesgeestelijken. Op het St. Pietersplein stegen de vorsten van hunne paarden en gaf Amadeus aan twaalf edellieden den ridderslag, terwijl de Paus, de Basiliek binnengetreden zijnde, neerknielde, en met tranen in de oogen op het graf der Apostelen met de woorden van den profeet! super flumina Bahylonis illic sedimus et fle-vimus, cum recordaremur tui Sion. Daarna zijn troon bestijgende zegende hij de aanwezigen en begaf zich vervolgens naar zijne vertrekken in het Vaticaan. Den I8en nam hij bezit van Lateranen en den 30ei1 cellebreerde hij in Sint-Pieter eene pontificale mis, welke plechtigheid men daar sedert Benedictus XI niet meer aanschouwd had. Met groo-ten ijver begon ürbanus nu de staatkundige hervorming in Rome ; wat er in het burgerlijk bestuur aan revolution-naire elementen was overgebleven werd afgeschaft, maar tevens werd ook aan het burgerlijk element een aandeel in dat bestuur gelaten.
Met den terugkeer des Pausen hernam Rome ook weer zijn vroegeren luister. Van alle kanten stroomden vorsten en bisschoppen, bezoekers en pelgrims weer naar de
— 314 —
Eeuwige stad. In 1368 kwam keizer Karei IV met een schitterend leger van 40000 man, dat nog aangroeide door de Lombardische baronnen en de burgermilities der steden naar Rome. Hij voltooide het werk van kardinaal Albor-nos en herstelde den Stoel van den H. Petrus op nieuw in al zijne bezittingen van de Liri tot aan de Po, zoodat de Paus weer in het volle bezit zijner souvereiniteit kwam. Te Viterbo ontmoette hij den Paus en dezen een dag voorafgaande, ontving hij hem met grooten luister, en voerde hij het paard des Pausen bij den teugel, tot aan de trappen van Sint-Pieter. Dit viel voor op den 21en October van gemeld jaar. Op Allerheiligen kroonde de Paus, Karel's gemalin, Elisabeth van Pommeren, plechtig in Sint-Pieter, en de keizer, met zijn dalmatiek gekleed, diende als diaken daarbij de mis. Zulk een treffend tooneel had Rome in eeuwen niet aanschouwd.
Na Karei IV kwam de Grieksche keizer Johannes V Paleologo te Rome, om van den Paus hulp af te smeeken tegen de steeds voortschreidende overwinningen der Turken, die onder Amurat I reeds Constantinopel bedreigden. Zoodra de pausen Avignon verlaten hadden en de schijn van afhankelijkheid niet meer op hen rustte, herwon het Pausschap weer den eerbied, de achting en het vertrouwen van vorsten en volken.
Het laat zich dan ook verklaren dat eene algemeene ontsteltenis ontstond toen Urbanus in het voorjaar van 1370 zijn voornemen te kennen gaf om naar Avignon terug te keeren. Verschillende beweegredenen voor dit treurig besluit des Pausen worden door de geschiedschrijvers opgegeven, maar het meest waarschijnlijke is wel, dat de opnieuw tus-schen Frankrijk en Engeland uitgebarsten oorlog Urbanus tot dit vertrek bewogen heeft. Wat er ook van zij, den 7den September 1370 vertrok Urbanus, begeleid van een vloot van 34 Fransche en andere galeien, van dat zelfde Corneto naar Frankrijk waar hij ruim drie jaren te voren den voet op Italiaanschen bodem had gezet. Maar reeds den 19den
— 315 —
December daaropvolgende werd hij door eene doodelijke ziekte overvallen, die hem op 61-jarigen leeftijd ten grave sleepte, zooals de H. Brigitta hem voorspeld had. Op zijn sterfbed betreurde Urbanus het, dat hij niet beter naar de vermaningen der heilige had geluisterd. Urbanus was, deze staatkundige fout daargelaten, een groot en heilig paus, die door de Kerk onder de gelukzaligen vereerd wordt.
De Kardinaal de Beaufort, een neef van Paus Clemens VI, en door dezen op 18-jarigen leeftijd met het Roomsch purper bekleed — eene hooge onderscheiding die, trots den jeugdigen leeftijd, door de geleerdheid en de deugden van den prelaat volkomen gewettigd was, — volgde Urbanus V onder den naam van Gregorius XI op.
Nauwelijks was Paus Urbanus naar Avignon teruggekeerd of de Italiaansche edelen maakten zich op nieuw ten eigen bate meester van de steden, kasteelen en sterke plaatsen die tot de bezittingen van den H. Stoel behoorden en er waren nog slechts ettelijke maanden verloopen of geen enkele plaats ten noorden van Rome, met uitzondering van Ferrara, Rimini, Cesena en Faenza, waar pauselijke stedehouders hun invloed wisten te bewaren, was onder het gezag en de opperheerschappij van den paus gebleven.
Ook in Rome nam het democratisch element weer de overhand en ontstonden onlusten en woelingen ; de terugkeer des Pausen was dus gebiedend noodzakelijk. Paus Gregorius XI was daartoe dan ook vast besloten, te meer daar zijne bemoeiingen om een vrede tusschen Frankrijk en Engeland te bewerken, zonder gevolg bleven. Maar de staatkundige verwikkelingen in zijne staten en de hinderpalen, welke de Fransche koning en de Fransche Kardinalen telkens tegen dat vertrek wisten op te weipen, hielden Gregorius steeds in een wankelen en slingeren tusschen vertrekken en blijven.
De aansporingen, vermaningen en brieven van de H. Catharina van Siena en de bedreiging der Romeinen dat zij een tegenpaus zouden verkiezen indien Gregorius nog
— 316 —
langer in Avignon bleef, deden ten slotte bij dezen alle aarzelingen wijken, en den 2den October 1376 ging hij eindelijk te Marseille met 13 Kardinalen scheep, vergezeld van eene vloot van 32 schepen onder bevel van Fernandez de Heredia, grootmeester van de Bidders van Rhodus. De reis was niet zeer voorspoedig ; stormen teisterden de vloot en deden enkele vaartuigen stranden, vele Kardinalen werden ziek. Den I8den kwam men te Genua en hier werd de paus op nieuw met smeekbeden bestormd opdat hij naar Avignon zou te-rugkeeren, maar de H. Catharina Aran Siena, die over land naar de stad was gekomen, versterkte hem in zijn plan om de reis naar Rome voort te zetten, zooals dan ook geschiedde. Na veel wederwaardigheden kwam de vloot eindelijk den 2de11 December te Corneto aan, waar het pauselijk hof verscheindene weken verbleef.
Toen al de onderhandelingen met Rome naar wensch waren geslaagd en den Paus het vol en vrij gezag over de stad, plenum et liberum Urbis dominium, zooals het heette, zou gegeven worden, trok Gregorius verder naar Ostia en vandaar naar Rome, waar hij den l7den Februari, Vigilie van St. Petrusstoel, zijn plechtigen intocht hield, onder het gejubel van geheel de bevolking. Een Te in Sint Pieter besloot den gedenkwaardigen dag.
Hoofdstuk XV.
Het Wcsterseh Schisma als gevolg: van de Uahylonisehe ballliigseliap. Kinde daarvan. Martinus V tot Paus verkozen. Herstel der orde in Kome. Paus Eugenius 111 en zijne opvolgers Sixtus IV en innoeentius VIII zetten zijn werk voort. Leo X, Sixtns V, Clemens VIII beteugelen de oproerige baronnen en brengen eindelijk den vrede tot stand.
a den dood van Gregorius XI, die den 27en Maart 1378 plaats had, konden de kardinalen het over de keuze eens opvolgers niet eens worden. De Fransche partij, die de meerderheid had, beoogde nog altijd een terugkeer naar Avignon en wilde derhalve een Franschman gekozen zien, de Italiaahsche en de Romeinen wilden een Italiaan, opdat deze aan de troebelen in Italië een einde zou kunnen maken en ongestoord in Rome zijn zetel houden. Eindelijk verkoos men den aartsbisschop van Barri, Bartholomeus van Prignano, een geleerd man en zeer streng van zeden, die bovendien aan het pauselijk hof gewichtige ambten bekleed had. Zijne keuze werd algemeen erkend als wettig en vrij van dwang geschied te zijn, zoodat ook de afwezige kardinalen, zelfs te Avignon, aan den nieuwen Paus, die den naam Urbanus VI aannam, hunne onderwerping en hulde bewezen.
„Ongelukkiger wijze, zegt prof. Hergenroether, en Bru-nengo en andere schrijvers geven hetzelfde oordeel, legde
— 318 —
Urbanus VI een harden en weinig toegevenden ijver, eene onbuigzame vastberadenheid en stugheid aan den dag, die vele gemoederen van hem vervreemdden.quot; Zijne vermaningen, zonder eenige verzachting gegeven, verbitterden ten zeerste de prikkelbare Fransche kardinalen en weldra vormde zich eene machtige partij tegen Urbanus, die door den Franschen koning en de Fransche kardinalen werd gevoed en versterkt toen het haar meer en meer duidelijk werd dat Urbanus van geen terugkeeren naar Avignon wilde weten. De weerspannige en afvallige kardinalen gingen al verder en verder in hun verzet totdat zij eindelijk te Anagni er toe kwamen den Paus in een brief bekend te maken dat zij den Pauselijken Stoel onbezet verklaarden en zijne verkiezing ongeldig achtten, als zijnde niet vrij, maar onder bedreigingen en vreesaanjagingen geschied, een beweren dat geheel in strijd was met hunne vroegere verklaringen, erkenning en huldiging van Urbanus, en toen deze niet, zooals zij gehoopt hadden, afstand van de pauselijke waardigheid deed, openden zij in Fondi een nieuw conclaaf en kozen daar den bisschop van Kamerijk tot tegenpaus. Deze weerstreefde in den beginne, maar door eerzucht gedreven liet hij zich de keuze welgevallen en nam den naam van Clemens VII aan; de nog te Avignon verblijvende kardinalen erkenden hem terstond.
Wij schrijven geen geschiedenis van het Pausdom, ofschoon die ten nauwste samenhangt met de geschiedenis van de tijdelijke macht en de souvereine onafhankelijkheid der Pausen, en daarom kunnen wij het gansche verloop van deze groote westersche scheuring niet verhalen, maar daar zij een gevolg was van dat rampzalig verblijf der Pausen te Avignon en alleen ten doel had om het Pausdom weer van Frankrijk afhankelijk te maken en in Frankrijk te doen zetelen, toont zij andermaal en op de treurigste wijze aan welke gevaren èn Kerk èn Pausdom bedreigen, wanneer dit niet geheel vrij is, wanneer de Paus geen souvereine vorst in zijne eigene onafhankelijke Staten is.
— 319 —
Deze rampzalige scheuring duurde 40 jaren (1378—1415) en gedurende dat tijdvak zag men het treurig verschijnsel dat twee Pausen tegenover elkander stonden, waarvan elk door zijne aanhangers en zelfs door een groot gedeelte der katholieken als wettig werd erkend. Tegenover Urbanus V (1378—1389), Bonifacius IX (1389—1404), Innocentius VII (1404—1406) en Gregorius XII (1406- -1415) stonden Clemens VII (1378—1394) en Benedictus XIII (1394—1417), Alexander V (1409—1410) en Johannes XXIII (1410—1415. God liet toe, zegt P. de Groot (1) dat op het verblijf der Pausen te Avignon een tijdvak volgde, waarin tegenover Urbanus VI en diens opvolgers gedurende bijna 40 jaren andere Pausen stonden, terwijl het, schoon alle Katholieken omtrent de leer van het primaatschap eensgezind waren, velen moeie-lijk te beslissen scheen, wie de ware erfgenaam van Petrus sleutelen was. Het ontbrak niet aan beschuldigingen tegen den Paus. En daar de menigte evenmin den wettigen van den onwettigen Paus, als valsche van ware aanklachten wist te onderscheiden; daarenboven de kerkelijke ban, uitgesproken door Urbanus VI en zijne opvolgers gereedelijk als onmachtig gold bij de aanhangers van Clemens VII of Benedictus XIII, en omgekeerd ; verloor het volk veel van den heiligen eerbied, aan Christus plaatsbekleeder door alle christenen verschuldigd. Deze vermindering van zedelijke kracht in het middenpunt der Christenheid was de heillooste aller rampen. Kwijning des gezags gaat steeds met kwijning der maatschappelijke orde gepaard.quot;
Nadat de christenheid het zelfs had moeten aanschouwen dat drie Pausen tegenover elkander stonden, werd eindelijk in het Concilie van Constanz (1414—1418) de eenheid hersteld en in het Conclaaf, in de 41ste zitting voorbereid, werd den liden November de Kardinaal-diaken Otto Colonna, een Romein, met groote meerderheid gekozen.
Deze, die zich Martinus V noemde, was derhalve weer het onbetwiste en door geheel de christenheid erkende opperhoofd der Kerk.
(1) De Pausen en de christclgk Beschaving, Nymegen, Malmberg.
— 320 —
Pans Martinus werd te Constanz gekroond en hij den plechtigen tocht naar de Kerk voerden Keizer Sigismund en Frederik van Hohenzollern, keurvorst en markgraaf van Brandenburg, den teugel van 's pausen paard. Zoodra het schisma was geeëndigd steeg onmiddeiijk weer de eerbied voor de hooge waardigheid van het Pausdom, en daarvan gaven keizer Sigismund en de markgraaf van Brandenburg door deze handeling het bewijs.
Paus Martinus begon terstond aanstalten te maken om naar Rome terug te keeren en toen keizer Sigismund en de Koning van Frankrijk hem van dit plan zochten af te brengen, antwoordde hij : ,,dat Rome de zetel van den paus moet zijn ; dat hij van Rome, het hoofd van alle kerken, het schip der Kerk moest besturen en dat bovendien de verwoestingen en ellenden der stad en van den Stoel van den H. Petrus, door de dwingelanden onderdrukt, ten zeerste den terugkeer van den paus als eenig middel van herstel en heil eischtenquot;. En inderdaad de toestand in Rome was allerellendigst; er heerschte eene vreeselijke regeering-loosheid, afgewisseld door de brutale dwingelandij van het een of andere bendenhoofd of van eenen of anderen baron, die zich van de opperheerschppij wist meester te maken, totdat een opstand hem weer deed verdwijnen. Rome was derhalve voordurend de schouwplaats van bloedige opstanden, belegeringen, gevechten en ging onvermijdelijk zijn geheelen ondergang tegemoet wanneer niet de Paus aan al die wanordelijkheden door zijne tegenwoordigheid een einde maakte. Dat begreep Paus Martinus en zijne geestkracht, die voor geen gevaren terugdeinsde, deed hem dan ook zijn plan ten uitvoer brengen. Het was derhalve voor Rome een groote vreugdedag toen Martinus V op den 283tcn September 1420 onder het gejuich der bevolking zijn plechtigen intocht in de Eeuwige Stad hield. Het gelukte den Paus dan ook overal orde en vrede te herstellen; op zijn graf in de Kerk St. Jan van Lateranen wordt van het geluk van zijne regeering (Temporum suorum fclicitas) gesproken, terwijl de
— 321 —
geschiedschrijvers haar de (jouden eeuw van Rome noemen Door zijne geestkracht en zijn wijs beheer maakte hij een einde aan de troebelen, onlusten en verwarringen die Rome gedurende bijna geheel de middeneeuwen geteisterd hadden en vooral tijdens het verblijf der pausen te Avignon en het groote westersche schisma. Maar niet alleen Rome, ook het geheele grondgebied van den Kerkelijken Staat was opnieuw aan de gehoorzaamheid en het oppergezag der Pausen ontrukt, daar verscheidene baronnen zich meester hadden gemaakt van steden en kasteelen en die als hunne bezitting oppermachtig bestuurden en onafhankelijk trachten te bevestigen. Reeds paus Martinus was begonnen met die oproerige vasallen tot rede te brengen, maar de dood belette hem zijn taak te volbrengen, die evenwel met kracht door zijn opvolger, Paus Eugenius IV, in Maart 1431 verkozen, werd voortgezet.
Het eerst kwam de nieuwe Paus in geschil met het machtige geslacht Colonna, dat onder de regeering van Martinus V, die er uit was voorgesproten, nog veel in aanzien en rijkdom gewonnen had. Eugenius verlangde rekening en verantwoording van den pauselijken schat, door Martinus V bijeengegaard om de Turken te beoorlogen en aan hen toevertrouwd, en toen zij niet aan het verlangen des pausen voldeden, maar voor diens gestrengheid beducht werden, sloegen zij tot openlijken opstand over, begaven zich naar hunne versterkte kasteelen, brachten krijgsbenden bijeen en vielen op Rome aan. Eugenius liet zich geen vrees aan jagen en de Colonna's waren verplicht den vrede af te koopen. In 1433 zag Rome voor het eerst na 213 jaar wederom de plechtige kroning eens keizers, daar Eugenius IV keizer Sigismond den 3lon Mei plechtig de Duitsche keizerskroon op het hoofd zette. Nauwelijks echter was deze plechtigheid afgeloopen of een nieuwe aanval der oproerige Colonna's en eene omwenteling in Rome, waar men wederom het oude stedelijke bestuur aanstelde, dwongen den Paus om als monnik verkleed Rome op eene boot te ontvluchten; de paus
21
— 322 —
liep hierbij groot gevaar, want zijne vlucht ontdekt zijnde, werd hij door eene bende gewapenden achtervolgd; hij slaagde er evenwel in Ostia te bereiken en van daar naar Pisa over te steken en Florence te bereiken, waar hij vele jaren verbleef. Het Romeinsche volk, maaral te licht zich latende medesleepen door volksmenners en straatdemagogen, kreeg toch spoedig berouw over zijn ontrouwheden aan de Pausen; zoo ook nu. Na 9 jaren ballingschap keerde Euge-nius, op de smeekingen van het volk, in 1443 naar Rome terug.
Den 23e,1 Februari 1447 stierf Eugenius; maar voor zijn afsterven had hij de voldoening de oproeren binnen en buiten Rome grootendeels bedwongen te zien.
De groote macht van de Vico's, de Colonna's, de Sa-vella's, en andere oproerige baronnen, was beteugeld en in Rome waren de rust en de orde teruggekeerd. Het werk der bevrediging en der beteugeling werd voortgezet door zijn opvolger, Nicolaas Y, den 5den Maart 1447 verkozen, ofschoon hij zelf en zijne opvolgers Callistus III, Pius II en Paulus II nog menigen strijd zouden te voeren hebben tegen den wispelturigen en muitzieken geest van het volk en de opstanden der machtige baronnen, die alle krachten inspanden om hunne onafhankelijkheid te herwinnen of te behouden en de straten van Rome niet zelden tot het bloedige tooneel hunner veeten en wraaknemingen maakten.
Sixtus IV, die in 1471 Paulus II opvolgde, had evenwel denzelfden strijd tegen de oproerige baronnen te voeren die hunne onderlinge veeten slechts dan voor korten tijd staakten, wanneer zij elkander noodig hadden om hunne aanmatigingen te verdedigen tegen hun vorst en leenheer, den Paus. Er bleef dan voor de pausen bijna geen ander redmiddel over dan die onstuimige, woelzieke en altijd oorlogende grooten van hunne bezittingen te ontzetten en deze over te dragen aan andere mannen op wier trouw en verkleefheid zij zonder vrees konden rekenen, en zeker konden zij die mannen nergens beter vinden dan in hunne eigen familie. Tot dien maatregel gingen Paus Sixtus IV en later
— 323 —
Paus Alexander VI dan ook over en ofschoon men deze familiebegunstiging, die men met den naam van nepotisme aanduidt, dezen en anderen pausen tot een groote grief aan-rekent en zij ook niet geheel zonder gevaar was en eveneens tot misbruiken aanleiding gaf, was zij toch door de omstandigheden geboden en gerechtvaardigd. De protestant-sche geschiedschrijver Gregovius, die geene gelegenheid liet voorbijgaan om van de pausen kwaad te zeggen, getuigt er het volgende van: ,,De Nipoti (neven, bloedverwanten) namen de taak op zich om de leenroerige heeren te vernietigen, zij hielpen den kerkelijken staat in eene monarchie hervormen en bij slot van rekening bewezen zij een dienst aan de Room-sche Kerk, daar zij in haar grondgebied de groote familie-oproeren onderdrukten en langzamerhand de tirannen uitroeiden. Het Nepotisme heeft derhalve in den Kerkelijken Staat zijne politieke rechtvaardiging gehad, daar de noodzakelijkheid het deed ontstaan.quot;
Sixtus IV, (Francesco della Eovere) wiens uitstekende deugden en zeldzame geleerdheid hem van eenvoudigeu Franciscaner monnik tot den opperherderlijken stoel hadden gebracht, was een groote Paus en Koning, die met evenveel geestkracht tegen de Turken als tegen de oproerige heeren optrad. Hij benoemde zijn neef, Juliano della Eovere, die later onder den naam Julius II den pauselijken troon zou beklimmen, tot Vicarius en deze wist al zeer spoedig de trotsche baronnen in Umbrie tot rede te brengen; bij dezen voegde zich nog graaf Girolomo Riario en met behulp van deze beiden wist Sixtus IV den vrede in zijne staten te herstellen, die dan ook gedurende de zeven jaren zijner regeering niet ernstig verstoord werd. En deze vrede werd, nadat hij menigmaal bedreigd en zelfs eene korte poos verstoord was, nog meer bevestigd onder de regeering van paus Inno-centius VHI (1484—1492), van wien op zijn grafmonument wordt gezegd, dat hij de voortdurende bevorderaar van den vrede van Italië was : Italicae pacis perpetuo cultori. Paus Innocentius VIII was de laatste Paus der middeneeuwen,
— 324 —
zijn sterfjaar was het jaar van de groote ontdekking van Amerika. Zijn opvolger, Alexander VI, zou de 16de eeuw openen, de eeuw der rampzalige reformatie, die het aanschijn van Europa zou veranderen, het met burgertwisten en religieoorlogen vervullen, puinhoopen op puinhoopen stapelen en de beschaving, de kunsten en wetenschappen voor langen
tijd in hunnen voortgang en ontwikkeling stuiten.
*
* *
Kardinaal Eodrigo Borgia volgde Innocentius VIII als Alexander VI op. De naam van dezen Paus, en vooral zijn geslachtsnaam Borgia, heeft een zeer slechten klank verkregen en wanneer de vijanden van het Pausdom er een steen naar willen werpen, dan zullen zij nooit nalaten Alexander VI en de Borgia's als wapen te gebruiken. Ofschoon veel overdreven wordt in de histoire scandaleuse der Borgia's, kan het toch niet ontkend worden dat zeer veel en te veel op onwrikbare waarheid berust en zoo wordt zelfs door goede katholieken aangenomen dat de regeering van Alexander VI rampzalig en zonder eenigen roem is geweest. En toch is niets minder waar. Daargelaten de ergernissen, die zij gaf, was zij groot en roemrijk voor het Pausschap en de wereldlijke macht der Pausen.
Het is een onweerlegbaar feit, zegt Brunengo, dat de openbare daden van zijne regeering van dien aard zijn, dat zij eiken koning en eiken Paus tot eer zouden strekken. Het Bullarium van Alexander (het meest authentieke getuigschrift van de daden des pausen) doen hem niet alleen kennen als onversaagd, maar ook als een waakzamen en ijverigen toepasser van het leerambt en het opperbeheer der Kerk. Hij zond priesters om het evangelie in Afrika te verkondigen, juichte de ondernemingen van Portugal tot uitbreiding des geloofs toe, bezorgde de bekeering der Hussieten, verzoende de Georgiërs met de Kerk; en — om van andere zaken te zwijgen —de beroemde buil, waardoor
— 325 -
hij het geschil tusschen Spanje en Portugal OATer het bezit der gronden der nieuwe wereld, die pas ontdekt werden of nog zouden worden, beslechtte en voorzag in de verbreiding van het Evangelie in die onmetelijke streken, zou alleen voldoende zijn om eiken paus onsterfelijk te maken.
Het scheidsgerecht, dat in die dagen de grootste zeemogendheden geheel aan den Paus opdroegen, wiens uitspraak aan elk harer het veld hunner veroveringen aanwees, door op den aardbol van pool tot pool een lijn te trekken ten westen van Kaap Verde en de Azoren, verhief het Pausschap tot op de hoogte zijner grootste tijdperken: die van Gregorius VII, Innocentius III en Alexander VI; met zijn Apostolisch Gezag bezit nemende van Amerika, was hij in werkelijkheid de eerste paus die de wereldmacht van het pausdom tot de uiterste grenzen der wereld uitstrekte, en met haar ook het licht der waarheid en der Christelijke beschaving.quot;
Deze woorden van p. Brunengo wijzen er duidelijk op, dat het Pausdom, zoodra het weer onafhankelijk en zelfstandig was, zijn grooten invloed had herwonnen en de Paus als scheidsrechter optrad tusschen de vorsten die zich aan zijne uitspraak onderwierpen.
Was Alexander met ijver en vrucht naar buiten werkzaam, mot niet minder geestkracht trad hij op in zijne eigene staten, waar de kiemen van opstand en verzet nog altijd voorhanden waren en telkens met groote kracht opschoten. Evenwel niet dan nadat door een groot gevaar zoowel zijn wereldlijke als geestelijke macht was bedreigd geworden, daar Karei VIII van Frankrijk, door den koning van Napels te hulp geroepen, Rome in bezit nam en den paus gedurende ge-ruimen tijd in de Engelenburcht belegerde, terwijl de Colonna's, de Savelli's en andere vijanden van Alexander den Franschen Koning aanspoorden hem van de pauselijke waardigheid te doen vervallen verklaren. Karei wilde evenwel van eene scheuring niets weten en de standvastigheid van Alexander, die weigerde aan het verlangen van den
— 326 —
Franschen vorst om Napels geheel onafhankelijk van den pauselijken stoel te verklaren, behield eindelijk de overwinning. Er kwam een verdrag tusschen Alexander VI en Karei VIII tot stand, zoodat deze laatste Rome verliet om zijn tocht naar Napels voort te zetten. In deze omstandigheid legde Paus Alexander dus eene groote zorg voor de rechten van den H. Stoel aan den dag, want alleen aan zijne geestkracht was het te danken dat Napels nog een leen van de Kerk bleef.
Zoodra de Franschen uit Rome vertrokken waren sloeg de Paus de handen aan 't werk om de oproerige vazallen en baronnen te beteugelen en het erfdeel van den H. Petrus vrij te maken van deze tirannen, die een groot gedeelte ervan wederrechtelijk in hun bezit hielden. Deze zware en gewichtige taak droeg Alexander op aan zijn zoon, den in de geschiedenis zoo berucht geworden Cesar Borgia. Van Cesar Borgia, die slechts 26 jaren telde toen hij zijne gTOOte militaire loopbaan begon, geven de tijdgenooten de volgende karakterteekening en persoonsbeschrijving. Het was een jonge man van buitengewone schoonheid en bovendien van eene herculische kracht en sterk gestel; deze lichaamskracht ging vergezeld van eene buitengewone wils- en geestkracht, die hem tot alle groote dingen geschikt maakte. Een ijzeren wil, eene ontembare stoutmoedigheid, geestkrachtige en buitengewone snelheid van handelen; een machtige geest, diepe kenner van het menschelijk hart van anderen en niet minder diepe verberger en veinzer van eigen plannen, door en door geslepen in allerlei streken en listen, veranderlijk en onverschillig zoo wel in goede als in slechte, in eerlijke als bedriegelijke middelen, grootmoedig of wreed, al naar zijn doel bet medebracht, verdiende hij ten volle de bewondering van Machiavelli, die hem tot toonbeeld nam voor zijn Vorst.
Hij had betooverende manieren voor hen die hij aan zich wilde verbinden, was schitterend en edelmoedig voor zijne vrienden; vol overleg en rechtvaardig voor zijne on-
— 327 —
derhoorigen,quot; was hij als veldheer de afgod zijner soldaten en als vorst aangebeden door het volk; maar waar hij tegenstand ontmoette was hij trotsch, gewelddadig en wreed als de ergste der tirannen. Zoo was de man die door de eenen als een held vereerd, door de anderen als een monster verfoeid, door Alexander VI werd uitverkoren om zijne plannen te volvoeren; maar ook het werktuig waarvan de Voorzienigheid, in wier handen ook de Assnr's tuchtroeden zijn, zooals p. Brunengo zich uitdrukt, zich bediende om de Kerk te zuiveren van het verderf der tirannen.
Cesar had zeker wel geen ander streven, dan zich op de puinhoopen van anderen een vorstendom te stichten, en Alexander beoogde, naast de vrijheid der Kerk, zeker ook wel de grootheid van zijn zoon, maar een feit is het, dat beiden op wonderbare wijze de plannen der Voorzienigheid dienden, en hun werk verbrak dan ook den laatsten schakel van den keten, waarin de leenroerigheid der middeneeuwen tot nu toe de souvereiniteit der Pausen had gevangen gehouden.
Het ligt niet in het bestek van ons werk, de krijgsbedrijven van Cesar Borgia te beschrijven, wij kunnen volstaan met de vermelding dat hij na een hardnekki-gen strijd volkomen slaagde in de taak hem door Alexander VI opgedragen, zonder dat hij evenwel zijne eerzuchtige plannen, om zelf een vorstendom op de puinhoopen van anderen te stichten, tot een goed einde kon brengen. Immers toen Juliano della Rovere den 31sten October 1503 tot Paus was verkozen, als opvolger van Pius III die Alexander VI was opgevolgd en slechts 26 dagen regeerde, was het spoedig met de macht en den invloed van Cesar Borgia gedaan, die, na nog eerst de gevangene van den koning van Spanje te zijn geweest, aan welken hij evenwel wist te ontsnappen, in 1507 in een gevecht onder de muren van Viana, bij Pam-pelona, door een lanssteek gedood werd, op den leeftijd van slechts 34 jaren.
Juliano della Rovere, die als Julius II regeerde, was
— 328 —
een man van groote wilskracht, die verder met veel geluk den strijd tegen de machtige en oproerige baronnen voortzette en met niet minder geluk de moeielijkheden, die hem van andere zijden bestookten, te boven kwam.
De grootste gevaren dreigden den Paus en Rome wel van den kant van Frankrijk, waar Lodewijk XII de wapens tegen Julius II had opgevat. Niet alleen kwam de Paus dezen aanval te boven, maar ook was de vrede eindelijk tot stand gekomen met de Baronnen, zoodat Julius II in zijn laatste levensjaar met voldoening op zijn zwaar en moeite-vol pausschap mocht terug zien. Door dezen vrede was dan eindelijk een einde gemaakt aan de beklagenswaardige burgertwisten, die het schoone gebied der Pausen zoo jammerlijk verscheurden en een voortdurend gevaar waren voor de tijdelijke macht der Pausen en terzelfder tijd ook voor den eerbied, den invloed en het ontzag, aan den Plaatsbe-kleeder van Christus verschuldigd.
Julius II was een krijgshaftig Paus, en deze eigenschap is door veel geschiedschrijvers als een fout aangerekend en als weinig overeenstemmende met het hooge geestelijke karakter eens Pausen; maar bij de beoordeeling der personen dient men in de eerste plaats rekening te houden met de tijdsomstandigheden waarin zij leefden, en die tijdsomstandigheden waren hoogst moeielijk toen Julius II aan de regeering kwam, zooals wij in deze zeer onvolledige schets duidelijk hebben doen uitkomen. Daar was een geestkrachtig en doortastend man noodig om de orde en den vrede te herstellen. De trotsche, tirannieke, alleen op de kracht hunner wapenen steunende baronnen, waren alleen door de kracht der wapenen te bedwingen en dit hebben de Kardinalen, die Juliano della Rovere tot paus verkozen, volkomen begrepen. De Voorzienigheid roept voor het heil der Kerk altijd die mannen op, welke het best geeigend zijn voor de tijdsomstandigheden. Julius II was niet alleen Paus, hij was ook Vorst en als vorst moest hij het wereldlijk eigendom der Kerk, dat hij te besturen had, verdedigen en ongeschonden
— 329 —
aan zijne opvolgers overleveren; dat was altijd het groote beginsel der Pausen; zij voerden geen veroveringskrijg, zij streefden naar geen uitbreiding van grondgebied, zij beoogden niet de grootheid eener dynastie, maar alleen het behoud van datgene wat door Pepijn, Karei den Groote, de Otto's en ander vorsten aan den H. Stoel was geschonken en het rechtmatig eigendom er van was, en met hoeveel kracht Julius II ook de krijg voerde, toch was hij daarbij rechtvaardig en billijk en zijn krijgshaftige geest belette hem geenszins een uitstekend Paus te zijn, die de geestelijke belangen niet minder ijverig bevorderde dan de wereldlijke. Met recht mag hij dan ook onder de groote pausen en onder de krachtigste figuren uit de geschiedenis geteld worden.
* *
*
Het gezag der Pausen en de wereldlijke macht waren dan niet alleen hersteld, maar door den strijd tegen de overmoedige vasallen was dan ook in Rome, evenals elders in Europa bij den aanvang der nieuwere geschiedenis, het leenstelsel zoo goed als vernietigd en de Kerkelijke Staat een aaneengesloten koninkrijk geworden, waar alleen de vorst regeerde en gebood, en de opvolgers van Julius II behoefden slechts voort te bouwen op de door hem gelegde grondslagen. Zoo deden dan ook Leo X, Paulus IV, Julius III, Pius IV, Gregorius XIII, want al was het gezag dei-Pausen dan ook hersteld, het ontbrak niet aan herhaalde pogingen der ten ondergebrachte vasallen en baronnen om hunne onafhankelijkheid terug te winnen, terwijl bovendien eenige groote leenen alleen dan aan den H. Stoel konden terugkomen, wanneer de mannelijke afstammelingen der regeerende vorsten waren uitgestorven ; zoo b. v. b. kwamen Ferrara, Parma enz. allengs aan de Kerkelijke staten terug.
De ATeelvuldige oorlogen, waarvan Europa in de 15de en 16de eeuw het tooneel was, hadden eene groote ruwheid van zeden in het leven geroepen en vooral in Italië het aan-
— 330 —
schijn gegeven aan een nieuwen geesel, niet minder gevaarlijk en betreurenswaardig dan de veeten en oorlogen der baronnen en adellijken onderling en met den Paus. Naden vrede van Cateau-Combresi, waardoor een einde werd gemaakt aan den krijg, dien Italië tegen Frankrijk had te voeren, hadden een groot aantal aanvoerders van huurtroepen zich tot roover-aanvoerders verlaagd en oefenden vooral in Italië en de Kerkelijke Staten hun misdadig handwerk op de wreedste en brutaalste wijze uit. Zij moorden, plunderden, brandschatten naar hartelust, deden door betaalde moordenaars de personen uit den weg ruimen, die zich tegen hen durfden verzetten of hunne misdaden afkeurden en trokken met hunne benden tot voor de poorten van Rome.
De h. Paus Pius V, wiens regeering vooral beroemd is geworden door den zeeslag bij Lepanto, waar de Turksche vloot door die der Christenen geheel vernietigd werd, was reeds door strenge wetten tegen hen opgetreden, maar de geesel bleef woeden en nam nog toe onder de regeering van Gregorius XIII, toen de bandieten op den vollen dag in het hart van Rome zelf hunne euveldaden pleegden, terwijl de provincies onder een waar schrikbewind sidderden.
De beruchtste van deze moordenaarsbenden waren die van Alfonso Piccalomini van Siena, hertog van Monte Mar-ciano, die Umbrie, het Patrimonium, de Marken en de Ro-magna teisterde; die van Lamberto Malatesta van Rimini, van Petrine van Spoleto, Giovanni Yolenti, een afgevallen geestelijke van Aredea, die zich den koning der Campagna deed noemen, en nog tal van andere. Gregorius XIII, die niet tegen deze machtige adellijke bandieten was opgewassen, trachtte met eenigen hunner tot een vergelijk te komen, vooral met Piccolomini en Malatesta. De eerste kwam dan in 1580 met trotsch opgeheven hoofd en omgeven door een groot gevolg van 50 edellieden Rome binnen, angstig aangestaard door het volk. Piccolomini, die slechts 25 jaar oud was, had, naar men zegde, 370 moorden bedreven af bevolen. Beide bandieten kwamen met den Paus tot een verge-
— 331 —
lijk en de eerste ging daarop in Frankrijk, de andere in Vlaanderen oorlogen; maar na het sluiten van den vrede keerden zij naar Italië terug en hervatten daar hun oud roovershajidwerk.
Er was een krachtig en doortastend man noodig om aan dezen geesel een einde te maken, en die man was Paus Sixtus V (1585—1590). Toen deze aan de regeering kwam, was het weldra met het rooverswezen gedaan. Sixtus V ging met onverbiddelijke gestrengheid te werk en zonder op hooge geboorte, aanzienlijke verwantschap of invloedrijke voorspraak te letten, strafte hij met den dood, wien hij in handen kon krijgen. De oude graaf Giovanni Pepoli, die de roovers in zijn kasteel een toevluchtsoord bezorgde, werd gevangen genomen en niettegenstaande de tusschenkomst van den hertog van Ferrara en den Kardinaal d'Este den 27sten Augustus 1585 in de gevangenis gewurgd. Lamberto Malatesta liet in Juni 1587 zijn hoofd op het schavot, Al-fonsio Piccolomini, door de Toscaners gevangen genomen, werd den 2 Januari 1591 in Florence opgehangen, niettegenstaande alle pogingen zijner machtige verwanten om hem vrij te krijgen of vermindering van straf voor hem te bekomen. Sciarra, door Flaminio Delfino, de generaal van het pauselijk leger, in de engte gedreven, ging met 500 man zijner bende in krijgsdienst bij Venetie over en met dezen was de laatste der groote bandietenaanvoerders verdwenen. Toen Sixtus V dan ook in 1590 overleed was Italië grooten-deels gezuiverd; wat er nog te doen bleef werd door zijn opvolger Clemens VIII gedaan. Deze ging met niet minder gestrengheid tegen de machtige heeren, wier misdaden eene schande voor de menschheid waren, te werk.
Onder zijne regeering viel het zoo veel besproken proces der Cenci voor, die, beschuldigd van vadermoord, hun hoofd onder de bijl des scherprechters lieten. De oude adel, die maar al te zeer door opstanden, burgertwisten en misdaden van allerlei aard zich berucht had gemaakt, verdween allengs en maakte plaats voor een nieuwen adel, voor de
— 332 —
Aldobrandini, de Rospigliosi, de Barberini, de Pamfili en vele andere, die thans nog de hooge aristocratie van Eome uitmaken en bijna zonder uitzondering getrouwe en verkleefde aanhangers van het Pausdom zijn en onder de edelste geslachten van Europa geteld worden.
De Orsini's, de Colonna's, de Savelli's en zoo vele anderen deelden het lot van allen, die zich aan de bezittingen der Kerk vergrepen hebben en den krijg tegen de Pausen voerden. Zij gingen ten onder en van hunne voormalige macht en grootheid is alleen hun bezoedelde naam overgebleven.
Na een strijd van verschiedene eeuwen, eerst tegen de Longobarden, dan tegen de Noormannen, vervolgens tegen de Duitsche keizers en de Fransche koningen en ten slotte tegen de eigen oproerige vasallen was dan eindelijk de Pauselijke Stoel in het rustig en onbetwist bezit gekomen van de goederen hem door Pepijn, Karei den Grooten, de Otto's, de groote Gravin Mathilda geschonken en op het einde der 16de eeuw regeei'den de Paus over datzelfde grondgebied dat van de Liri tot de Po zich uitstrekt en reeds in de schenkingsbrieven der groote stichters van de wereldlijke macht omschreven was. Die strijd van eeuwen was derhalve geen veroveringstrijd geweest, maar een verdedigingsoorlog, en kampen en werken voor het behoud van de yerechtig-heden van Sint Pieter, van het erfgoed der Kerk, van het noodzakelijk wereldlijkgebied der Pausen, zonder hetwelk het geestelijk gezag gevaar loopt, de invloed en de kracht van het Pausdom vaak verloren gaan. Tot aan het einde dor 18de eeuw zou die macht onaangetast blijven, maar de Fransche Revolutie, die het aanschijn van het oude Europa ging veranderen, zou ook opnieuw den strijd bestaan tegen de eeuwenoude instelling, door het machtig genie van een Stephanus en een Leo den Groote in 't leven geroepen en door het machtige zwaard van een Karei den Groote bevestigd.
Hoofdstuk XVI.
Al genie ene toestand in Europa in de ISde eeuw. Pins VI en de Fransclie Keroln-tie. De Komeinselie Republiek. Pins VI wordt naar Frankrijk gevoerd en sterft te Valence. Verkiezing van Pins VII. Zijn intocht in Kome. Het Concordaat niet Frankrijk. gt;'apoleon kroont zich zeiven tot keizer. Ancona wordt door de Fransclien bezet, onbeschaanidheid en bedreigingen tegen den II. Stoel! Bezetting van Kome, verdrijving der Kardinalen, wegvoering van den Paus.
a Paus Julius II genoot Rome vrede en rust, die alleen nog verstoord werden door de euveldaden en rooverijen van enkele adelijken, waarvan wij het einde in het vorige hoofdstuk vermeld hebben; maar de pauselijke onafhankelijkheid en de wereldlijke macht bleven onaangetast.
De Reformatie der 16de eeuw had eve wel met nieuwe denkbeelden en nieuwe toestanden ook eene geheele verandering in de regecringen der verschillende staten gebracht. De afval van een groot gedeelte van Europa van de aloude Moederkerk had den eerbied en het ontzag voor het algemeen opperhoofd der christenheid zeer verminderd en allengs kregen de nieuwe staten, uit het Protestantisme ontstaan, de overhand boven de christelijke staten en bij deze Pro-testantsche vorsten was geen sprake van gehoorzaamheid of ontzag voor het geestelijk gezag der Pausen, evenmin als zij eenig gewicht hechtten aan hunne wereldlijke Sou
— 334 —
vereiniteit. Spanje en Portugal hadden hun overwicht, hun invloed op de Europeesche aangelegenheden verloren, Engeland, de Noorsche staten, de Nederlanden, een groot gedeelte van Duitschland waren tot de Hervorming overgegaan en uit het markgraafschap Brandenburg was het Protestan-sche koninkrijk Pruissen ontstaan, dat onder zijn roemzuchti-gen en veroveringslustigen koning Frederik den Groote steeds naar meerdere uitbreiding streefde. Oostenrijk van een gedeelte van zijne staten beroofde en deszelfs overwicht in Duitschland verbrak. Het te niet gaan van het leenstelsel had tot het absolutisme der vorsten gevoerd en Lodewijk XIV was niet de eenige onder de koningen, zijne tijdgenooten, die de trotsche leuze huldigde: „U Etat amp; est moi,quot; üe siazi dat ben ik. Na den dood van Lodewijk XIV kwam een Regentschap endaarnazijnzoonLodewijkXV aan de regeering en onder dezen vorst, door zijn losbandig leven berucht, verviel Frankrijk tot een toestand van zedeloosheid die met alle beschrijving spot. Met de zedeloosheid gaat ongodsdienstigheid hand aan hand en weldra stonden in Frankrijk een aantal mannen op, die als eenig levensdoel de vernietiging van elk godsdienstig en zedelijk gevoel schenen te hebben.
De Encyclopaedisten, met Voltaire aan het hoofd, strooiden met gulle hand de zaden der. goddeloosheid uit en richtten vooral hunne aanvallen tegen de geestelijke en de tijdelijke macht der Pausen.
Op het absolutisme van Lodewijk was eene reactie gevolgd, zooals elk uiterst altijd een tegenovergesteld uiterst na zich sleept. Het volk, door hof en adel onderdrukt, zonder eenigen invloed op de regeeringszakenvan het land, slechts goed om te zwoegen en te zweeten, taillable et corvéable d merci, ten einde aan den hofadel de middelen te verschaffen voor zijne losbandige en weelderige vermaken en uitspattingen, werd door vlugschriften en demagogen opgezweept en allengs begon er in Frankrijk eene gisting te komen, die het ergste voorspelde. Er hoopten zich zware
— 335 —
onheildreigende wolken opeen, die zich weldra in den vreestelijksten storm zouden ontketenen waarvan de nieuwe geschiedenis geheugenis heeft en die alleen met de invallen den Barbaren eenige vergelijking kan vinden. Al die god-delooze lèeringen, al die opgehoopte haat tegen het Koningschap en het Pausdom, vonden een middelpunt in de vrijmetselarij, die in het begin der 18de eeuw in Engeland ontstond, weldra naar Frankrijk oversloeg en aldra hare vertakkingen in geheel Europa uitspreidde, vorsten en regeerders met een onverscheurbaar net omgaf en aan hare bevelen en wetten deed gehoorzamen. De vorsten waren slecht of zwak. Jozef II van Oostenrijk voerde een onver-biddellijken en huichelachtigen strijd tegen de Kerk, wier invloed hij in zijne staten door alle middelen zocht te vernietigen, de andere vorsten lieten zich door hunne ministers leiden die allen, zonder onderscheid, groot waren gebracht in de school van Voltaire en de Encyclopaedisten. Choiseul in Frankrijk, Aranda in Spanje, Carvallo in Portugal, Kaunitz in Oostenrijk en zelfs Tanucco in Napels spanden samen tegen de Kerk en het Pausdom. De Jesuiten vielen als eerste offers dezer samenzwering en Paus Clemens XII was gedwongen, ten einde tijdelijk den storm te bezweeren, de orde op te heffen.
Inmiddels werd de dreigende wolk der volksontevredenheid al grooter en grooter, maar de vorsten en regeerders waren met blindheid geslagen of begunstigden de naderende omwenteling, die hun het eenige middel scheen om het Katholicisme, waartegen al hun haat gericht was, te doen vallen en voor altijd te vernietigen. Eome toch, verziende en bedachtzaam als altijd, had reeds terstond het ware karakter der vrijmetselarij doorgrond. Eeeds Clemens XII had haar veroordeeld en het toetreden tot de orde op zware straffen verboden ; Benediktus XIV hernieuwde die straffen en veroordeeling ; het is dus geen wonder dat de vrijmetselarij de Kerk en het Pausdom met een gloeienden haat vervolgde en de vernietiging ervan als haar grootste doel
— 336 -
najoeg of beter gezegd als het eenige middel beschouwde om haar godsdienst, de godsdienst der rede, der menschheid, te stichten en den eeredienst van God te vervangen door den eeredienst van Lucifer.
Eindelijk barstte het onweder los, verschikkelijk, verwoestend, de oude maatschappij omkeerende, het aanschijn van Europa, ja van geheel de wereld veranderende. Lode-wijk XVI zetelde op den troon van Frankrijk, Pius VI op den Stoel van den H. Petrus. De strijd tegen altaar en troon was begonnen; den 3den Mei 1791 verbrandde men te Parijs in het openbaar voor het Palais Royal de beeltenis van Paus Pius VI en zijne Breve tegen de Burgerlijke Constitutie der geestelijkheid; bij decreet van 14 September werd Avignon voor altijd bij Frankrijk ingelijfd, te Marseille werd het pauselijk wapenschild van het Consulaatsgebouw afgerukt. Den 13den Januari 1793 boette de goede maar te zwakke Lodewijk XVI op het schavot de misdaden zijner voorgangers en zijn gemalin Marie Antoinette volgde hem langs denzelfden bloedigen weg in den dood. Het schrikbewind, met Robespierre en het bloeddorstige Comité du Salut Public, vervulden Frankrijk met bloed en tranen. God werd afgeschaft verklaard en eene veile deerne als de Godin der Rede op het altaar geplaatst.
De Revolutie had reeds een jaar te voren hare handlangers naar Rome gezonden om ook daar het vuur van den opstand aan te blazen, maar dezen, twee kunstenaars, waren door de pauselijke regeering, zooals haar recht was, gevangen genomen doch spoedig daarna wederom vrijgelaten. Niettemin zond de Nationale Conventie aan Kardinaal Zelada, den pauselijke staatssecretaris, een brief vol van de bloedigste beleedigingen tegen den H. Stoel, waarin „snelle en volledige voldoening aan de Fransche Republiek werd geeischt; anders zou zij zich zelve door vuur en door zwaard recht verschaffen en in Rome den eenen steen niet op den anderen laten. Kort daarna kwamen twee andere Franschen, Laflotte en Hugo Basseville, naar Rome eu
'
— 337 —
heschen daar in 't openbaar de revolutionnaire Fransche vlag en de zinnebeelden der Republiek. Het verbitterde Roraein-sche volk stond op, verdreef de vermetele oproerstokers en Basseville schoot er het leven bij in. Dat was een gereed voorwendsel voor de Republiek om Rome aan te vallen.
Napoleon Bonaparte was generaal van de legers der Republiek geworden en veroverde in weinige dagen het noordelijk gedeelte van Italië, en in een dagorde, den 23sten 1796 uit Milaan gedagteekend, kondigde hij zijnen soldaten den aanstaanden tocht naar Rome aan, wraak zwelgende over den moord van Basseville en hen belovende het Ka-pitool in eere te herstellen en het volk (van Rome) van de slavernij van zoo vele eeuwen te verlossen. In Juni bezetten de Franschen inderdaad de Legatiën van Bologna en Fer-rara en de stad Ravenna. De Paus deed vredesvoorstellen en Bonaparte stemde in den vrede toe op de allerbezwa-rendste voorwaarden; Bologna, Ferrara en Ancona zouden in bezit der Franschen blijven, de Paus zou 21 millioen lire betalen en bovendien aan Frankrijk 100 meesterstukken van schilder- en beeldhouwkunst en 500 Codices (oude handschriften en boeken) afstaan. Hoe zwaar zij ook waren nam de Paus deze voorwaarden aan als zijnde het eenige middel om Rome en de Kerkelijke staten voor eene annexatie bij Frankrijk te behoeden, maar toen het Directoire bovendien eischen stelde, die als 't ware van den Paus afstand zoowel van de geestelijke als wereldlijke macht vorderde, toen men eischte dat de Paus alle Bullen, Breven, Monito-riën betreffende het Frankrijk van 1793 zou intrekken, dat wil zeggen dat de Paus alle aanslagen tegen godsdienst en Kerk, in een woord, alle geweld- en gruweldaden der Revolutie zou goedkeuren, toen weigerde Pius VI standvastig. Hij verklaarde dat hij liever zou sterven, beval de verdere betaling der 21 millioen, waarmede reeds een aanvang was gemaakt, te staken, en daar hij op geen vergelijk meer hoopte, maakte hij zich gereed het erfgoed van den H. Petrus met de wapens in de hand te verdedigen. Hij deed een beroep
22
— 338 —
op de vaderlandsliefde en de offervaardigheid der Romeinen en deze roepstem klonk niet in de woestijn. De rijken brachten hunne schatten, de armen hunne offergaven, maar allen waren het hierin eens, dat Eome tot het uiterste moest verdedigd worden. Ook in de provincies was de ijver groot en Bonaparte, door zooveel geestkracht verschrikt en niet zeker zijnde dat zijn aanval op Rome zou gelukken, ried het Directoire tot wat meer inschikkelijkheid aan.
„....Onze positie in Italië is onzeker en de politiek aller-slechts.... Rome wapent zich en wekt het fanatisme onder de volken op; overal verbindt men zich tegen ons; men wacht op het oogenblik dat men handgemeen zal worden, en dat wel met goeden uitslag, als de Keizerlijken zich zullen versterken.... Vermindert het aantal uwe vijanden: de invloed van Rome is onberekenbaar; met deze macht breken is een allerslechtste zaak geweest.... Als ik geraadpleegd was geweest, zou ik de zaak van Rome uitgesteld hebben, met die van Geneve en Venetie....
Pius VI zocht terzelfder tijd een bondgenootschap met Spanje, Oostenrijk en Napels te sluiten, maar Spanje vleide Frankrijk ten einde van den Kerkelijken Staat een brokstuk voor den hertog van Parma te krijgen ; Oostenrijk eischte voor zijne hulp afstand van Ferrara en Comacchio; Napels beloofde veel, maar hield niets.
Pius VI was dus van allen verlaten en zijn toestand in Rome werd hachelijk. Reeds maakte hij zich, op aanraden van verscheidene kardinalen, gereed om de Eeuwige Stad te verlaten, toen Bonaparte hem nieuwe geruststellingen gaf en werkelijk werd dan ook den 19den Februari 1797 te Tolentino de vrede gesloten, maar op zulke bezwarende voorwaarden, dat zij den Kerkelijken Staat voor 't vervolg tot machteloosheid doemden. De Paus zou afzien van elk verbond tegen Frankrijk, de nieuwe troepen ontslaan, zijne havens voor alle vijanden van Frankrijk sluiten, de politieke gevangenen in vrijheid stellen, voor altijd aan Frankrijk Avignon en het graafschap Venetino afstaan, benevens
- 339 —
de legaties van Bologna, Ferrara en Ravenna, die bij de Cisalpijnsche Republiek zullen ingelijfd worden, Ancona in handen der Franschen laten tot aan den algemeenen vrede, zoo spoedig mogelijk de betaling der 21 millioen lire, in den wapenstilstand van Bologna bepaald, volbrengen, bovendien nog 30 millioen lire in geld of kostbaarheden betalen en 300,000 lire als schadeloosstelling aan de familie van den vermoorden Basseville.
Deze voorwaarden waren, zooals wij reeds zeiden, aller-noodlottigst, daar zij zoowel de openbare als de bijzondere fortuin vernietigden en Rome tot machteloosheid doemden; maar zij moesten, door de noodzakelijkheid gedwongen, aangenomen worden, en hadden deze opofferingen dan nog slechts tot iets gebaat, men zou ze niet betreurd hebben, maar het duurde geen jaar of het Directoire sloeg opnieuw de handen naar Rome uit, dat weldra aan de wereldlijke macht van den Paus ontrukt werd.
Ongeveer in het midden van December 1797 kwam de generaal Duphat te Rome, met het openlijk uitgesproken doel er de republiek te doen uitroepen. Eenige zoogenaamde Patriotten, d. w. z. revolutionnairen, kwamen den 27en December bijeen en beproefden een opstand, die door de waakzaamheid der politie en den afkeer der bevolking mislukte, maar den volgenden dag doorliepen zij met wapens en vaandels de stad, onder de kreten: Leve de vrijheid! Dood aan de tirannen! Leve de Fransehe Republiek! Leve de Romeinsche Republiek! Aan 't hoofd der oproermakers liep generaal Duphat, de blanke sabel in de hand. Bij het paleis Corzini, waar de Fransche ambassade was, kwam de bende revolutionnairen in botsing met de pauselijke troepen en toen de bende, na de herhaalde sommaties van den pauselijken officier, niet uiteenging, werd er vuur bevolen en generaal Duphat, door een kogel in de keel getroffen, stortte dood neder.
Het Directoire, doof voor alle vertoogen en redeneeringen, en alle voldoeningen van^ den Paus van de hand wij-
— 340 —
zende, gaf aan generaal Berthier bevel zich van Rome meester te maken.
Den 10den Februari stelde hij zijn geschut op Monte Mario op, maakte zich van het kasteel San Angelo meester en bezette daarna, zonder tegenstand te ontmoeten, Rome. De pauselijke troepen werden ontbonden, eene eerste schatting van 200.000 scudi ( = 1 millioen lire) geeischt, en vier Kardinalen en vier Romeinsche prinsen als gijzelaars medegenomen. Den 15den Februari 1798 werd de Romeinsche Republiek uitgeroepen.
Nauwelijks was de revolutie volbracht of generaal Cörso Cervoni en de legercommissaris Haller begaven zich naar Pius VI om hem bekend te maken dat zijne regeering ten einde was, hij de republiek moest erkennem, formeel van elke wereldlijke macht moest afstand doen; op die voorwaarden zou hij de volle zekerheid voor zijn persoon, een jaar-lijksch pensioen van 300.000 lire hebben, alle eerbewijzingen, aan zijne pauselijke waardigheid verschuldigd, genieten en alle vrijheid voor de uitoefening van zijn apostolisch ambt hebben. Pius VI antwoordde aan de twee boodschappers met groote vastberadenheid en adel: dat de koninklijke rechten van den H. Stoel onschendbaar zijn en dat hij er op geen wijze afstand van kon doen; bovendien had hij, grijsaard van 80 jaren, niets meer van de wereld te vreezen, en bekommerde hij zich weinig om het geweld wat anderen, op hunne kracht steunende, tegen hem zouden aanwenden.
Pius VI was nu de gevangene der Fransehen, die op de ruwste mannier in zijn paleis huishielden, de bibliotheek, de museums en kasten plunderden en geen hoekje ondoorzocht lieten, totdat zij hem ten slotte deden weten dat hij Rome moest verlaten. Toen Pius op zachtmoedige wijze antwoordde dat hij, oude man, de vermoeienissen van de reis niet zou kunnen doorstaan en verzocht dat men den herder bij zijne kudde zou laten en hem laten sterven te midden van zijn volk, zeide de legercommissaris Haller op onbeschofte manier: „Gij kunt overal sterveny In den morgen van den
— 341 —
20sten Februari trok een bende soldaten het paleis binnen en voerde den Paus met eenige weinige dienaren weg naar Siena, waar hij, onder de welwillende hoede bleef van den Groot- Hertog Ferdinand III, toen de bondgenoot of, beter, de nederige vassal van Frankrijk, zijn verblijf in het klooster der Augustijnen hield. Toen in Mei 1799 een nieuwe oorlog tusschen Frankrijk en Oosterijk en zijne bondgenooten was uitgebroken en men vreesde dat de paus aan zijne gevangenschap ontrukt zou kunnen worden, werd hij naar Briangon, in 't hartje der Alpen overgebracht, en toen het Directoire vernam dat de verbondene mogendheden aan generaal Souwaroff hadden bevolen den paus te verlossen, werd bevel gegeven hem levend of dood naar Grenoble te vervoeren, waar hij den 14den Juli aankwam. Maar ook hier zou men den meer dan tachtigjarigen paus niet in vrede laten sterven, daar hij andermaal, op bevel van het Directoire, naar Valence werd overgebracht. De hoogbejaarde Fins, door deze herhaalde reizen uitgeput en door ziekte verzwakt, stierf een heiligen dood op 29 Augustus 1799, toen reeds een nieuw bevel was gegeven om hem naar Dijon te brengen. Pius VI was opnieuw een martelaar voor de rechten en de onafhankelijkheid van den Pauselijken Stoel. Evenals Gre-gorius VII en zoo vele andere zijner voorgangers stierf hij in ballingschap en met den grooten tegenstander van Hendrik IV had hij kunnen zeggen: ,,Ik heb de gerechtigheid bemind, daarom sterf ik in ballingschap.quot; Hij had den ouderdom van 81 jaar en 8 maanden bereikt, na 24 jaren den pauselijken stoel te hebben bekleed.
Op zijn grafschrift staat: Groot op den troon, grooter in deugd, het grootst in den dood. Een heerlijke lofrede
op den grooten en heiligen Paus die Pius VI heette.
* *
*
Met de uitroeping der Romeinsche Republiek onder de bescherming der Franschen, en de wegvoering van Pius VI,
— 342 —
meenden de vijanden der Kerk reeds de eindzegepraal over het Pausdom behaald te hebben en de keuze van een opvolger te kunnen voorkomen, edoch de Voorzienigheid, die de wereldgebeurtenissen leidt en het lot van vorsten en volken in hare hand heeft, waakte over de Kerk. Generaal Bonaparte oorloogde in Egypte en de Fransche wapenen in Italië leden de eene nederlaag na de andere onder den onstuimigen aanval van de legers der verbondene mogendheden: Oostenrijk, Engeland en Rusland. De Italiaansche staten kwamen weer onder het bestuur hunner vroegere vorsten; Piemont onder zijn Koning, Toskane onder zijn Groot-hertog enz. terwijl de Napolitanen Rome aanvielen en na verscheidene gevechten de Franschen op het einde van September dwongen de eeuwige stad te verlaten en aan de Romeinsche of Tibertijnsche Republiek een einde maakten, na een bestaan van 18 maanden.
Bonaparte verliet onverhoeds Egypte, landde den 8en October te Fréju, snelde naar Parijs en wierp er den I8den Brumaire (9 November) het gehate Directoire omver en vaardigde den 25sten December 1799 (juist duizend jaar na de Kroning van Karei den Groote tot Keizer) de nieuwe Fransche Constitutie uit. Hij-zelf werd met den titel van Eersten Consul voor tien jaren aan het hoofd der Fransche Republiek geplaatst. Er was dus een geheele ommekeer in den toestand van Europa gekomon en onder deze nieuwe en gunstige omstandigheden werd den 30sten November 1799, drie maanden na den dood van Pius VI, te Venetie, waar zich nog het meerendeel der Kardinalen bevonden, het Conclaaf voor de verkiezing van een nieuwen Paus geopend.
Hoewel eenigzins verbeterd waren de tijdsomstandigheden niettemin nog zeer moeielijk en met zeer begrijpelijke spanning wachtte de Christenheid den uitslag van het Conclaaf af.
Den l4den Maart 1800 verwierf kardinaal Barnaba Chiara-monti, bisschop van Imola, de meerderheid der stemmen en werd derhalve verkozen. De nieuwe paus nam den naam
— 343 —
Pius VII aan. De geheele Christenheid juichte, alleen Oostenrijk was ontevreden, daar het de verkiezing van Kardinaal Mattei had verlangd ; het weigerde de kerk van den H. Marcus voor de .kroning van den paus af te staan, die derhalve den 21sten Maart in de Kerk van den H. Georgius plaats had. Oostenrijk poogde derhalve den paus in zijn gebied te houden en Venetie als zetel voor den pauselijken stoel te doen aannemen en eischte bovendien afstand van de legaties van Bologna, Ferrara en Ravena. Pius VII weerstond met groote geestkracht de aanmatigingen van Oostenrijk en aan markies Ghisliere, die den afstand der legaties kwam vragen, antwoordde de Paus: ,,Laat Z. M. (de keizer van Oostenrijk) wel toezien dat, wanneer zij in hare kleeren-kast de kleeren zet die niet aan haar maar aan de Kerk toebehooren, zij de mot niet in haar eigen kleeren, dat wil zeggen, in hare Erfstaten haalt!quot; Een profetisch woord, dat later maar al te zeer zou bewaarheid worden. Trots de hinderpalen, door Oostenrijk in den weg gelegd, dat zelfs de reis over land belette, ging de Paus den 6den Juli op het fregat Bellona te Venetie scheep en landde weldra in Pesaro, van waar hij de reis overland naar Ancona voortzette. Bij de nadering van Pius VII stroomde de bevolking hem tegemoet en zijne paarden afspannende voerde het hem in zegepraal de stad binnen Den 2den Juli hield de paus onder onbeschrijfelijke geestdrift der bevolking zijnen intocht in Rome. Met de ijverige medewerking van Kardinaal Gonzalvi, die tot staatssecretaris werd benoemd, trachtte de paus de geslagen wonden te heelen, zijn volk gelukkig te maken. Allengs kwamen de bezittingen van den H. Stoel weer onder het bestuur van den paus en door de vrijwillige teruggave van de legatiën door Oostenrijk waren de Kerkelijke Staten weer in hun geheel en onverminderd onder het pauselijk gezag teruggekomen.
Napoleon, hetzij uit politieke berekening, hetzij uit waar-achtigen eerbied voor den godsdienst en de Kerk, besloot tot herstel van den Katholieken godsdienst in Frankrijk,
— 344 —
zoodat hij den 19den Juni 1800 den Paus verzocht Mgr. Spina, aartsbisschop van Corinthe, naar hem af te zenden om de godsdienstige aangelegenheden te regelen.
Met groote vreugde voldeed de Paus aan dit verzoek en na veel moeielijkheden en beraadslagingen werd het beroemde Concordaat gesloten en den 16den Juli geteekend. Den 13den April 1802, op Paaschdag, werd het, na door den Paus en de Kardinalen goedgekeurd te zijn, op plechtige wijze in de Notre Dame afgekondigd. Op den zelfden dag had ook de goedkeuring plaats van den op den 27s,cn Maart te Amiens gesloten vrede met Engeland.
Dat waren schoone en gelukkige dagen in de zoo zwaar beproefde regeering van Pius VII, maar na het jubelgezang en het Hosannah zou de moeielijke lijdensweg voor hem beginnen.
Den 16llen Juni was Napoleon tot Keizer van Frankrijk uitgeroepen en nu, op het toppunt zijner grootheid aangekomen, wilde hij ook al den luister van een Karei den Groote op zijn hoofd vereenigen. Hij vroeg den Paus hem de Keizerskroon op het hoofd te zetten en Pius VII, het algemeen welzijn der Christenheid meenende te kunnen bevorderen door gehoor te geven aan de uitnoodiging, bijna een bevel, van den machtigsten man van Europa, begaf zich den 2den November 1804 over Florence en Turijn naar Frankrijk en kwam den 25sten to Fontainebleau aan, waar hij Napoleon ontmoette, met welken hij den volgenden dag zijne intrede in Parijs hield. Den 2den December had in de Notre Dame met buitengewonen luister de zalving van den nieuwen Keizer plaats, waarop deze, zonder de verdere handeling des Pausen af te wachten, de beide kronen van het altaar nam en die zich zeiven en zijne gemalin Jozep-hine op het hoofd plaatste.
Deze handeling, zoo geheel verschillend van die eens Karei den Groote, en die getuigde van grenzeloozen hoogmoed, deed niet veel goeds van den nieuwen Cesar voorspellen, en deze indruk werd zeker niet verminderd toen
— 345 —
Napoleon, den 26sten Mei 1805 van den aartsbisschop van Milaan de zalving als Koning van Italië ontvangen hebbende, zich de ijzeren Lombardische kroon op het hoofd plaatste ^n met dreigende stem uitriep: God heeft mij haar gegeven; wee hem die haar aanraakt. Het waren dan ook zeker geene geruststellende noch blijde gevoelens met welke Pius VII den 16den Mei 1805 in Rome terugkeerde en weldra zou hij dan ook ondervinden wat er viel te verwachten van den hoogmoed, de aanmatiging en de eerzucht van den nieuwen beheerscher der wereld. In October van hetzelfde jaar nam generaal Gouvion Saint-Cyr, die zijn leger met dat van Massena vereenigd had, onverhoeds bezit van Ancona en, in naam van Frankrijk, ook van geheel deszelfs grondgebied. Pius VII protesteerde door een officieele nota van de hand van don Secretaris van Staat tegen deze overweldiging en schreef eigenhandig aan Napoleon, zich beklagende over de ivreede beleediging die hem was aangedaan en vroeg de ontruiming van Ancona. Het antwoord van den door zijne laatste overwinnengen nog overmoediger geworden keizer was, zooals te verwachten was, aanmatigend en beleedigend en als eenigen bewijsgrond voor zijne overweldiging gaf hij op de slechte militaire inrichting van den H. Stoel. Maar nog veel beleedigender was de brief dien hij aan kardinaal Fesch, zijn oom en afgezant te Rome schreef en waarin hij den Paus, Kardinaal Gonzalvi en geheel het pauselijk hof voor lomperds (imbeciles), zinneloozen (insensès) en bespottelijken (ridicules) uitmaakte.
De brief bevatte verder nog de volgende bedreigingen: „Constantijn scheidde de burgerlijke van de militaire zaken, en ook ik kan een Senator benoemen, die in mijnen naam in Rome beveelt... Zeg aan den Paus dat, evenals hij mijn minister uit Rome wil jagen (dit zinspeelt op de bedreiging van den Paus om de diplomatieke betrekkingen met Frankrijk of te breken), ik wel in staat zal zijn om hem er te komen herstellen.... Ten opzichte van den paus ben ik Karei de
Groote, omdat ik, evenals Karei de Groote, de kroon van Frankrijk bij die van Lombardije draag, en mijn rijk tot aan het Oosten zich uitstrekt; volgens dat beginsel wil ik dat hij zijn gedrag ten mijnen opzichte regele. Als hij zich goed gedraagt zal ik niets aan den uiterlijken schijn veranderen ; zoo niet, dan zal ik den Paus tot eenvoudigen Bisschop van Rome maken.quot; Den 22sten Februari 1806 schreef hij, in antwoord op een brief des Pausen, aan dezen het volgende: „Geheel Italië zal aan mijne wetten gehoorzamen, maar ik zal de onafhankelijkheid van den H. Stoel niet aantasten, zelfs zal ik hem schadeloos stellen voor het nadeel door het doortrekken mijner troepen veroorzaakt; maar onze overeenkomsten moeten de volgende zijn: dat Uwe Heiligheid voor mij in het wereldlijke denzelfden eerbied hebbe, dien ik voor U in het geestelijke heb; dat zij die onnuttte eer-biedbetuigingen afschaffe waarvan zij zich bedient tegenover kettersche vijanden der Kerk of tegen vorsten die haar geen kwaad kunnen doen. Uwe heiligheid is vorst van Rome, maar ik ben er de keizer van. Al mijne vijanden moeten ook de uwe zijn. Het is derhalve niet passend dat een diplomatiek agent van den koning van Sardinië, geen enkele Engelschman, Rus of Zweed in Rome of in Uwe Staten vertoeve, noch dat een enkel schip van deze mogendheden in uwe havens kome.quot; En aan den Kardinaal Fesch gaf hij denzelfden dag de dreigende bevelen om van den paus te eischen: 1° verdrijving van alle Engelschen, Russen Sardi-niërs uit Rome en den Pauselijken Staat; 2° Sluiting der havens voor hunne schepen. Hij voegde hieraan toe : ,,Ik wil niet dat het Hof van Rome zich nog met politiek inlate. Ik zal zijne staten tegen allen verdedigen.... Zeg daarginds dat ik Karei de Groote ben, het zwaard der Kerk, hun keizer; dat ik als zoodanig moet behandeld worden, en dat zij binnen kort niet meer moeten weten dat er in de wereld nog een keizerrijk Rusland bestaat.quot;
Napoleon had zich, zooals uit zijne brieven blijkt, al eene zeer eigendunkelijke opvatting gemaakt van de ver-
— 347 —
houding waarin Karei de Groote tot den H. Stoel stond, eene opvatting geheel in strijd met die, zooals wij in dit werk hebben uiteengezet, maar die zeker meer in overeenstemming met zijn eerzuchtig en despotiek karakter was.
De Paus liet dan ook niet na de ware verhouding tus-schen keizerrijk en de souvereine macht der opvolgers van den H. Petrus uiteen te zetten. Hij schreef hem dan ook in den merkwaardigen brief van 21 Maart 1806 het volgende: ,,Uwe Majesteit zet het beginsel voorop dat zij keizer van Rome is. Wij zullen haar met apostolische vrijmoedigheid antwoorden dat de Paus, reeds voor zooveel eeuwen vorst van Rome zijnde, dat geene enkele Souvereiniteit ter wereld zich kan beroemen hooger op te klimmen in de geschiedenis, in zijn gebied nimmer eene hoogere macht heeft erkend noch ooit zal erkennen. En wij zullen er bij voegen dat geen enkele keizer ooit het geringste recht op Rome had. Uwe Majesteit is buitengewoon groot, maar zij is ver-kosen, gekroond, gewijd en erkend als keizer der Franschen, maar niet van Rome. Er bestaat geen keizer van Rome, en er kan er geen bestaan, zonder dat de Paus beroofd worde van de souvereine macht die hij in Rome uitoefent. Wij weten wel dat er een keizer der Romeinen is ; maar het is een titel door kiezing verkregen, enkel eene eer, door geheel Europa en zelfs door Uwe Majesteit erkend als behoorende aan den keizer van Duitschland, en die niet terzelfder tijd door twee vorsten kan gedragen worden.... Uwe Majesteit zegt dat wij met haar dezelfde verhoudingen moeten hebben als tusschen onze voorgangers en Karei den Groote. Karei de Groote vond Rome in handen der Pausen. Hij erkende derhalve en bevestigde zonder eenig voorbehoud hun bezit en vermeerderde het met nieuwe schenkingen; maar hij beweerde nooit eenige oppergezag boven de Pausen uit te oefenen, zelfs enkelijk als wereldlijke vorsten beschouwd. Maar hij eischte van hen nooit eenige afhankelijkheid of onderworpenheid. Eindelijk zijn er sinds Karei den Groote tien eeuwen verloopen, die het het onnoodig maken tot een
— 348 —
hoogeren ouderdom op te klimmen... Wij zijn dus in de noodzakelijkheid Uwe Majesteit te doen opmerken, dat de beginselen, door U op den voorgrond geplaatst, niet kunnen volgehouden worden. En noch veel minder kunnen wij ons nederleggen bij de gevolgtrekkingen, die gij er uit wilt afleiden.....quot;
Met niet minder standvastigheid zette Pius VII, den 17den Mei 1786 zijn standpunt uiteen bij de afscheidsaudientie van Kardinaal Fesch: »Zeg aan den keizer, zeide de Paus hem, dat wij hem altijd toegenegen zijn, ofschoon hij ons slecht genoeg behandelt en ook de Fransche natie: maar herhaal hem van een anderen kant, dat wij onafhankelijk willen zijn, omdat wij vorst zijn; als hij geweld gebruikt, zullen wij voor het aanschijn van gansch Europa ons protest doen hooren en zullen wij de tijdelijke en geestelijke middelen gebruiken, die God in onze hand heeft gelegd.quot;
De bedreiging was duidelijk genoeg, maar de keizer, nog meer verblind door zijne jongste overwinningen op Pruisen en verstoord dat onder alle vorsten van Europa alleen de Paus hem nog weerstand durfde bieden, ontstak in woede toen hij vernam wat Pius VII aan zijn gezant had gezegd. Van deze woede getuigen de woorden die hij aan prins Eugenius, onderkoning van Italië schreef: »Zinneloozen! zij willen mij bij de christenheid aanklagen I Belachelijke gedachte, voortgesproten uit eene geheele onbekendheid met de eeuw, waarin zij leven; 't is een anachronisme van duizend jaar. Een paus, die dat zou doen, zou geen paus meer zijn in mijne oogen ; ik zou hem nog slechts als Antichrist beschouwen..... In dat geval zou ik aan mijne volken
elk verkeer met Rome verbieden en daar eene politie inrichten. Wat bedoelt Pius VII wel met mij bij de Christenheid aan te klagen? Mijn troon met het interdict beleggen? Mij in den ban doen? Denkt hij, dat de wapenen uit de handen mijner soldaten zullen vallen? Wil hij een dolk in de hand mijner volken plaatsen om mij te vermoorden? Als Rome voortgaat met de zaken mijner Staten in den war
— 349 —
te brengen, zal het misschien zoo ver gaan, dat ik den Paus niet verder zal erkennen dan als Bisschop van Eome, gelijk aan eiken anderen bisschop van mijne Staten. Ik zou zelfs niet terugdeinzen om de Fransche, Italiaansche, Duitsche en Poolsche Kerken in een Concilie te vergaderen en mijne
zaakjes zonder den Paus te doen..... Dit is de laatste keer
dat ik nog in onderhandeling treed met dat roomsche priestertuig____quot;
Napoleon zocht naar een middel om geheel met den Paus te breken en Rome in te nemen, maar de voorzichtigheid, lankmoedigheid en zachtmoedigheid van Pirs VII deden dezen toeleg mislukken. Hij zond den Kardinaal de Bayonne naar Napoleon om met dezen over een overeenkomst te onderhandelen, maar terwijl men te Rome nog den uitslag daarvan afwachtte deed Napoleon door generaal Lemarrais, bevelhebber van Ancona, afkondigen dat Macerato, Fermo, Spoleto, Urbino bij Frankrijk waren ingelijfd. Kardinaal Rivarola, die gouverneur van Macerato was, werd, omdat hij tegen de overweldiging protesteerde, in de vesting Pesaro opgesloten en de onder-gouverneur, die tegen de gevangenneming van den Kardinaal protesteerde, werd eveneens in de gevangenis geworpen. De Paus, over zooveel gewelddadigheden verontwaardigd, zond onmiddellijk aan Kardinaal de Bayonne bevel de onderhandelingen af te breken, en verklaarde elke overeenkomst, die reeds gesloten mocht zijn, nietig.
Eenigen tijd daarna liet de Paus zich evenwel overhalen om de onderhandelingen opnieuw aan te knoopen, maar de eischen van Napoleon waren zoo schreeuwend onrechtvaardig dat zij door allo kardinalen, door den Paus ter beraadslaging bijeengeroepen, met verontwaardiging en afschuw van de hand gewezen en eveneens door Pius VII vastberaden werden afgeslagen. Het bericht van deze weigering vertrok den 2den December 1807 van Rome, en nauwelijks had Napoleon de begeerde kennisgeving ontvangen
— 350 —
of hij maakte aanstalten voor den tocht naar Rome en de bezetting der Eeuwige Stad.
* *
*
Generaal Miollis, die het bevel voerde over de Fransche legers in Toscane, kreeg bevel naar Rome op te rukken en desnoods geweld te gebruiken wanneer tegenstand mocht geboden worden. Maar Pius VII had, op raad der kardinalen, van eiken gewapenden tegenstand afgezien en zoo trok dan Miollis op den 2den Februari 1808 door de Forta del Fopolo aan het hoofd van vijf a zes duizend man troepen zonder een schot te lossen de stad binnen; de pauselijke wachten werden ontwapend en de Franschen namen bezit van de stad en de Engelenburcht. Het Quirinaal, waar de paus zijn verblijf hield, werd door soldaten omringd en de kanonnen gericht op de vensters van de pauselijke vertrekken. Napoleon meende door de inbezitneming van Rome den Fans naar zijn wil te plooien, maar Fius VII paarde aan eene groote zachtmoedigheid eene buitengewone standvastigheid en geestkracht, die door niets gebogen werd; hij liet dan ook aan de muren van Rome een protest tegen de overweldiging aanplakken, zond gelijkluidende protesten aan de mogendheden en verdedigde in eene Encycliek aan de Katholieke wereld de rechten van den H. Stoet.
Miollis, die een waardig werktuig van Napoleon was, beval de zes Napolitaansche kardinalen, die te Rome waren, naar Napels terug te keeren, en toen zij weigerden te gehoorzamen, werden zij met geweld in rijtuigen gebracht en door gendarmen, met de blanke sabel in de vuist, tot aan de grenzen gebracht. Kort daarop kregen alle kardinalen, die niet van Rome zelf waren, bevel naar hunne landen terug te keeren en Napoleon gebood dat zijn bevel zelfs met geweld moest ten uitvoer gebracht worden; dit bevel werd zelfs uitgevoerd tegenover kardinaal Doria Fanfili, van Genua geboortig, die op dat oogenblik Staatssecretaris was. De paus, over deze brutale handelingen verontwaardigd.
— 351 —
riep zijn legaat uit Parijs terug en beklaagde zich in het consistorie van den 16den Maart over het geweld dat hem werd aangedaan en over de onrechtmatige berooving van den H. Stoel.
Maar- de vertoogen van den Paus mochten niet baten en weldra werd ook kardinaal Gabrielli, thans Staats-se-cretaris, ofschoon Romein, bijna onder de oogen van den Paus gevangen genomen en naar zijn bisschoppelijke stad Sinegaglia overgebracht.
Napoleon en zijn handlanger Miollis verzuimden niets om den paus te vernederen, te kwetsen, te bedroeven en den G110'1 September vervoegden zich twee officieren bij kardinaal Pacca, die kardinaal Gabrielli als Staats-secretaris was opgevolgd, en gaven hem het bevel over om binnen 24 uren, door dragonders begeleid, naar zijn vaderstad Benevento te vertrekken.
Pius VII, door kardinaal Pacca daarvan in kennis gesteld, snelde uit zijn vertrek en trad de kamer van den kardinaal binnen; met door de hevigheid der verontwaardiging overeind staande haren rukte hij den kardinaal uit de handen der officieren en voegde hun met donderende stem toe: „Zeg aan uw generaal dat ik het moede ben nog langer de beleedigingen te dulden van een man, die zich nog katholiek durft noemen. Ik zie wel wat men met al die gewelddaden beoogt; door den een na den anderen mijne raadslieden van mijne zijde te rukken, zou hij mij de uitoefening van mijn apostolisch ambt onmogelijk willen maken en mij beletten de rechten mijner wereldlijke souvereiniteit te verdedigen. Ik beveel mijn minister uitdrukkelijk niet aan de geboden van een onwettig gezag te gehoorzamen. Doet uwen generaal weten dat, als hij hem met geweld aan mij wil ontrukken, hij eerst alle deuren moet verbrijzelen, en ik stel hem van nu af verantwoordelijk voor de gevolgen van zulk een ongehoorden aanslag.quot; En den kardinaal bij de hand nemende voerde de Paus hem langs den grooten trap naar zijne eigene vertrekken en gaf hem daar drie
— 352 —
kamers, aan zijn eigen slaapvertrek grenzende, in gebruik. Verder deed hij de groote poort van het paleis sluiten en verbood dat men nog een enkelen Franschen officier onder welk voorwendsel ook zou binnen laten. Deze kloekmoedige en geestkrachtige handelwijze, die door geheel het Hof en door de gansche stad werd toegejuicht, hield Miollis een tijdlang van verdere aanslagen tegen de omgeving des Pausen af.
Napoleon had evenwel de hoop niet opgegeven om den Paus tot onderwerping te brengen en met zijne nieuwe overwinningen nam ook zijne despotisme toe. Tot dusverre had men nog den schijn bewaard dat Rome aan den Paus behoorde, maar den 10den Juni 1809 liet Miollis op bevel van Napoleon de pauselijke wapens van de Engelenburcht afrukken en de Fransche vlag hijschen, en met trompetgeschal werd door de straten bekend gemaakt dat de wereldlijke macht des Pausen afgeschaft en Rome bij Frankrijk ingelijfd was. De Paus was dus onttroond, Rome een onderdeel van het Fransche keizerrijk geworden. Maar Pius VII liet zijn protest hooren en in denzelfden nacht werd op zijn bevel een protest in het Italiaansch aan de muren der stad aangeplakt en terzelfder tijd werd de Buil Quu.n memoranda openbaar gemaakt, waarbij de ban tegen de overweldigers werd uitgesproken en niettegenstaande de groote waakzaamheid der Fransche politie aan de deuren der drie groote Basilieken, die van Sint-Pieter, van Maria Maggiore en Lateraan aangeplakt, en de politie ontdekte het eerst toen de excommunicatie reeds door honderden gelezen was. De Franschen stonden verslagen, de Romeinen jubelden. Napoleon, die vroeger met den ban gespot had, zou spoedig, ondervinden dat deze ook in onze eeuw, even goed als duizend jaar vroeger, nog al zijne verschrikkelijke uitwerkingen heeft.
Rome was wel is waar in de macht van Napoleon, maar zoo lang de Paus er was zou de stad dezen getrouw blijven en kon Pius VII weerstand bieden aan de eischen van Napoleon. De Paus moest derhalve uit Rome gevoerd worden
— 353 —
en de uitvoering van dit goddeloos bedrijf werd aan generaal Radet opgedragen.
De onderneming was gevaarlijk en moest met de grootste omzichtigheid volvoerd worden, wilde men geen algemeenen opstand van de Romeinsche bevolking verwekken. In den nacht van den 6den Juli tegen 21/., uur deed Radet zijne manschappen van drie kanten het Quirinaal beklimmen en op de groote binnenplaats gekomen ontwapenden zij de veertig man der Zwitsersche wacht, die zich daar bevond.
Eenige verraders wezen den Franschen den weg naaide pauselijke vertrekken en nadat met bijlen en geweerkolven de deuren der kamers waren verbrijzeld, kwamen de overrompelaars bij de pauselijke vertrekken. Pius VII, door het openbeuken der deuren gewekt, was opgestaan, en na zich in alle haast gekleed te hebben begaf hij zich naaide audiëntiezaal, waar de Kardinaals Pacca en Despuig zich bij hem vervoegden. Hier, tusschen de beide Kardinalen gezeten, wachtte hij de komst der inbrekers af en toen hij ze hoorde naderen beval hij de deur voor hen te openen. Radet verscheen aan het hoofd zijner officieren, in eerbiedige houding en den hoed in de hand, bleek en zoo ontdaan dat het wel vijf minuten duurde eer hij een woord kon spreken ; eindelijk kondigde hij met bevende stem in korte en eerbiedige bewoordingen zijne pijnlijke zending aan, waartoe, zooals hij zeide, zijn plicht en eed als krijgsman hem noodzaakten: Z. Heiligheid moest door een authentieke acte afstand doen van de tijdelijke souvereiniteit, anders had hij het bevel Hem aan te houden en met Kardinaal Pacca onverwijld buiten Rome te voeren. Pius VII antwoordde met waardige en zachtmoedige standvastigheid: „Uwe zending zal zeker den goddelijken zegen niet over u brengen. Maar wanneer gij meent door uw eed als krijgsman daartoe verplicht te zijn, denkt dan eens welke plicht op ons rust om de rechten van den H. Stoel, waaraan wij door zooveel eeden verbonden zijn, te verdedigen. De tijdelijke macht behoort aan de Kerk; wij hebben er alleen het be-
23
— 254 -
stuur van en kunnen niet afstaan wat niet het onze is. De keizer kan ons in stukken scheuren, maar hij zal van Ons zoo iets niet verkrijgen. En moeten wij van hem zulk eene behandeling ondervinden, na al hetgeen wij voor hem gedaan hebben? Is dat dan de dankbaarheid en de belooning voor onze toegevendheid ten zijnen opzichte? Maar misschien ben ik daarom schuldig voor God; Hij straft mij er voor, en ik onderwerp mij vol eerbied.quot;
Daarop vroeg de Paus twee uren om zich voor de reis gereed te maken, maar zij werden hem niet toegestaan; en zonder iets anders mee te nemen dan zijn Brevier en het Kruis, dat hij op de borst placht te dragen, ging hij, door Radet aan de hand geleid, naar beneden tot aan de groote poort van het paleis. Hier zegende hij Rome als voor een laatste afscheid, zegende de Fransche troepen, die stilzwijgend en onbewegelijk op het groote plein van Monte Cavallo in 't gelid stonden, en die, verhaalt Radet, met grooten eerbied den zegen ontvingen. Voor de poort stond eene koets gereed; Radet deed de Paus en Kardinaal Pacca instijgen, sloot de portieren met sleutels dicht en door dragonders omgeven reed men de Porta Pia uit, de muren langs naar Porta del Popoio, waar postpaarden werden genomen en men den weg naar Toscane insloeg. Te Radi-cofani vervoegde het Hof zich in andere koetsen bij den Paus en in snelle rit ging men naar Florence. Van daar voerde men den Paus achtereenvolgens naar Genua, Alex-andrië en vervolgens over Mendovi, Rivoli, Susa en Chambéry naar Grenoble. Te Grenoble kwam tijding van Napoleon; deze hield zich alsof hij onkundig was van de ontvoering en beval den Paus naar Savona te voeren, waar men, na anderhalve maand rondgetrokken te hebben, den 21 sten Augustus aankwam.
Deze reis was voor den zeventigjarigen Paus uiterst vermoeiend, maar Plus werd grootelijks verheugd en opgebeurd door de ondubbelzinnige blijken van liefde en eerbied, die hij overal van de bevolkingen ontving. Het bericht van
— 255 —
deze ongehoorde daad van geweld had de geheele Christelijke wereld met verontwaardiging vervuld en, wat Napoleon zeker niet verwacht had, het aanzien, de liefde, de eerbied voor den Paus namen in dezelfde mate toe als de haat tegen hem verdubbelde. Overal, waar de Paus werd doorgevoerd, liepen steden en dorpen uit, om den beminden en door-luchtigen gevangene blijken van liefde te geven. En zoo, zegt Brunengo, werd de pijnlijke reis van den pauselijken martelaar een ware zegepraal voor het Pausdom, welks geheimzinnige macht zich nooit schitterender openbaart dan in de vervolgingen; en deze zegepraal vervulde niet alleen de keizerlijke trawanten, die ieder oogenblik vreesden dat de geestdrift der menigte hun gevangene aan hunne handen zou ontrukken, met angst, maar ook den keizer, die zeide geen vrede te kunnen hebben met de groote d%vaasheid door zijne ministers begaan met den Paus uit Rome te halen, hem door Frankrijk en Italië te voeren en door het zien zijner ketenen een onmetelijken haat tegen Frankrijk op te wekken.
In den beginne werd de Paus te Savona met groote onderscheiding behandeld, ofschoon hij niettemin een gevangene bleef, wiens gangen en handelingen met alle nauwkeurigheid werden nagegaan. Evenwel behield Pius VII ook hier zooveel mogelijk zijne onafhankelijkheid en weigerde hij de maandelijksche toelage van 100.000 francs, die Napoleon hem wilde geven, zeggende dat de edelmoedigheid der geloovigen voldoende in zijn onderhoud zou voorzien. Toen Napoleon evenwel op de meest eigendunkelijke wijze in de geestelijke rechten van den Paus ingreep, bisschoppen benoemde of verplaatste, verhief de Paus uit zijne gevangenis de stem tegen deze ongehoorde aanmatiging en verklaarde hij de door den keizer gedane benoemingen ongeldig en de ingedrongen bisschoppen zonder eenige geestelijke macht en jurisdictie. Napoleon was woedend ; zijn toorn uitte zich 't eerst tegen kardinaal Maury, den aarts-diaken Corboli en den vicarius capitularis D'
— 356 —
Astrat, die de decreten van den paus openbaar hadden gemaakt en in de gevangenis werden geworpen, en vervolgens ook tegen Pius VII, dien men door de kleingees-tigste plagerijen tergde en aan wien men alle boeken, pennen, papier en zelfs zijn brevier ontnam, terwijl men hem dwong den visschersring af te geven, dien de Paus evenwel door midden brak, om te voorkomen dat er misbruik van gemaakt zou worden.
Evenals alle despoten, die naast het wereldlijk gezag zich ook het geestelijke willen aanmatigen, scheen Na25oleon het denkbeeld met zich om te dragen eene scheuring in de Kerk te verwekken en desnoods een tegenpaus te doen verkiezen, maar de groote gehechtheid der Katholieken aan den Paus en de tegenstand, dien hij voorzag bij de meeste bisschoppen te zullen ontmoeten, deden hem van zijn plan afzien, evenwel waren er eenige bisschoppen en prelaten die, ter wille van den machtigen keizer, in enkele punten de inzichten van dezen deelden en dan ook deel uitmaakten van de commissie, door Napoleon benoemd, om verslaguit te brengen over eenige door den keizer gestelde punten, betreffende het verkrijgen van dispensaties en het benoemen van bischoppen tijdens het afbreken van elk verkeer met den Paus. Deze commissie antwoordde geheel in den geest van Napoleon, alleen de 80-jarige abbé Emery, overste van St.-Sulpice, sprak vrijmoedig voor de rechten en de vrijheid van den paus, tot groot misnoegen van de andere leden der commissie. Napoleon bezat evenwel nog grootmoedigheid genoeg om den abbé Emery voor zijne openhartigheid te prijzen. Een Concilie, te Parijs bijeengeroepen, beantwoordde evenmin aan de verwachtingen van Napoleon, daar de vergaderde 94 concilievaders, bij monde van den Bisschop van Troyes, hun eed van gehoorzaamheid aan den Paus vernieuwden en verklaarden in onverbreekbare verbinding met den H. Stoel te willen blijven. In eene Generale congregatie van 25 Juni 1811 stelde de wijbisschop van Munster, Caspar Max. v. Droste Visschering, voor, in de
— 357 —
eerste plaats van den keizer de geheele vrijheid van den Paus te vragen en bij dit voorstel sloten zich de bisschop van Chambéry, de aarts-bisschop van Turijn en andere zich aan. Napoleon zag dus dat het met zijn schisma niet zou lukken en daarom sloeg hij een anderen weg in; hij zond eene commissie van vier, hem toegenegen, bisschoppen naaiden Paus te Savona om met dezen nieuwe onderhandelingen aan te knoopen. Pius VII bleef evenwel standvastig en antwoordde dat hij in zulke gewichtige aangelegenheden niet kon beslissen zonder den raad ingewonnen te hebben van zijne kardinalen en de godgeleerden en toen, zoo verhaalt De Haussonville naar de brieven van Chabrol, wendde men een laag en verachtelijk middel aan om van den Paus eene of andere toestemming te verkrijgen; men besloot op de zenuiven van den Paus te werken, niet alleen met zedelijke, maar ook met physische middelen, waartoe docter Porta, in dienst van Napoleon, zich leende. De paus werd eensklaps overvallen door buitengewoon onwelzijn, zwaarte in het hoofd, hardnekkige slapeloosheid, zenuwachtige overspanning, duizelingen, die hem de macht over zich zeiven benamen en hem — zooals de Paus later zelf bekende — in een toestand van dronkenschap en krankzinnigheid brachten, dien Chabrol niet aarzelt eene verstandsverbijstering te noemen en men misschien thans met den naam van suggestie of hypnotischen toestand zoude bestempelen. In dien toestand gaf de Paus mondelinge goedkeuring op eenige artikelen betreffende de kanonieke instellingen, welke men in eene korte Nota onder de oogen des Pausen had gebracht. Den volgenden morgen vertrok de commissie in groote haast naar Parijs.
Zoodra de Paus evenwel van zijne zenuwoverspanning was verlost, toen hij weer zich-zelf was, toen de suggestie had opgehouden, verwierp hij den inhoud der hem voorgehouden nota en wilde dat onmiddelijk daarvan kennis zou gegeven worden aan de bisschoppen.
Napoleon, ziende dat hij van den Paus niet kon gedaan
— 358 —
krijgen, wat hij verlangde, gaf in Maart 1812 bevel dat deze naar Frankrijk zou worden overgebracht, naar hij zeide uit vrees dat de Engelschen, die Pius VII een verblijf op Malta hadden aangeboden en wier schepen in de Middel-landsche zee kruisten, den Paus zouden verlossen; maar zijn plan was zeker wel om zelf den Paus tot datgene te dwingen wat zijne gezanten niet konden verwerven. Den 12den Juni 1812 kwam, de Paus bijna stervende in het groote Hospice op den Mont Cenis aan en ontving daar de H.H. Sacramenten. Van Turijn kwamen dringende bevelen om de reis onmiddelijk voort te zetten, maar de beArelhebber der gendarmerie Lagorse, die met het vervoer belast was, liet een geneesheer roepen en deze, zekere docter Claraz, verlichtte door eene operatie het lijden van den doorluch-tigen zieke zoodat deze, na 48 uren, de reis kon voortzetten, uitgestrekt op een klein bed dat men in zijne koets had gereed gemaakt. Zoo kwam dan eindelijk de groote lijder en duider den I9clen Juni op het kasteel van Fontainebleau aan. Hier werd de Paus wel met allen luister, aan zijne hooge waardigheid verschuldigd, omringd, maar bleef toch een gevangene, wiens handelingen ten nauwkeurigste werden gadegeslagen.
* *
*
Maar de gloriezon van den machtigen keizer begon te tanen; la grande armeé ging in de sneeuwvlakten van Rusland en in de ijskoude wateren van de Beresina ten onder. Napoleon, die aan het hoofd van het schoonste leger dat Europa ooit aanschouwd had naar Rusland was getogen, vluchtte op eene boereslede en kwam den 10den December bijna geheel alleen te Warschau aan, en bevond zich den I8den te Parijs, maar verslagen en ontmoedigd. De banvloek van den Paus had hare uitwerking gehad; de wapenen waren uit de bevrozen handen zijner soldaten gevallen. Evenwel herstelde hij zich spoedig en zon op nieuwe veroveringen
— 359 —
en vooral op een concordaat met den Paus, dat aan zijne eischen bevrediging zou schenken. Nadat geweld en bedreigingen op den Paus zonder uitwerking waren gebleven, beproefde hij de vleierijen. Den lsten Januari liet hij den Paus door eeii kamerheer gelukwenschen en naar zijne gezondheid vragen; den l9r'en kwam hij onverwacht met de keizerin Maria Louise te Fontainebleau, gedroeg zich zeer beleefd en vriendelijk tegenover den Paus, bracht hem verscheidene dagen achtereen een bezoek en begon zoo de voorloo-pige besprekingen over het concordaat. Maar zijne vleierijen konden evenmin de standvastigheid van Pius VII overwinnen als de bedreigingen het hadden kunnen doen. Deze tegenstand verbitterde den despoot dermate, dat hij zich soms in zeer heftige bewoordingen uitliet en er zeer pijnlijke tooneelen voorvielen. Eindelijk liet de uitgeputte en zwakke paus zich overhalen om de voorloopicje bepalingen van een nieuw concordaat te onderteekenen (25 Januari 1813), evenwel met de bepaling dat het geteekende stuk alleen als grondslag zou dienen voor eene eindelijke overeenkomst, wanneer de verzamelde en geraadpleegde Kardinalen er hunne instemming mee zouden betuigd hebben. De artikelen ATan dit voorloopig concordaat waren echter van dien aard dat de pauselijke rechten er ten zeerste door benadeeld werden, indirekt afstand van den Kerkelijken Staat scheen gedaan te zijn en er voor de Kerk en voor de wereldlijke macht een toestand in 't leven werd geroepen, die onmogelijk door den Paus of door de Kardinalen kon gebillijkt worden en die alleen voorloopig door den paus waren onderteekend in een oogenblik van lichamelijke afmatting, die de kracht des geestes had verzwakt. Napoleon maakte van deze voor loopige en voorwaardelijke onderteekening een laag en schandelijk gebruik door het stuk als een nieuw en vastgesteld concordaat te doen bekend maken. Hij had tegenover den Paus het middel gebruikt dat Hendrik V in 1111 ten opzichte van paus Pachalis II had aangewend.
Maar evenals Paschalis II de zwakheid van een oogen-
— 360 —
blik. de toestemming door geweld afgeperst, op schitterende wijze herstelde, zoo ook Pius VII.
De kardinalen Consalvi, Pacca, dl Pietro, die na de onderteekening van dit voorloopig concordaat de vrijheid hadden gekregen om zich bij den Paus te vervoegen, rieden Pins VII aan in een schrijven aan den keizer die artikelen voor ongeldig te verklaren, daar zij onvervulbare beloften bevatten en ze valschelijk voor die van een werkelijk concordaat waren uitgegeven.
Het schrijven werd vol waardigheid en bezadigdheid opgesteld en eigenhandig door den Paus afgeschreven en door den overste Lagorse naar Parijs verzonden. Najioleon deed alsof hij geen schrijven van den Paus had ontvangen en beval het concordaat overal af te kondigen als een verplichtende staatswet, maar niettemin moesten de kardinalen, die den Paus tot het schrijven hadden aangespoord, zijn toorn gevoelen ; hij liet kardinaal di Pietro van zijne waardigheidsteekenen berooven en deporteeren, riep de Fransche kardinalen van Fontainebleau terug, verbood de andere met den Paus briefwisseling te houden en liet dezen streng bewaken. Misschien zou Napoleon nog tot andere gewelddaden zijn overgegaan, maar zijne dispotieke heerschappij liep ten einde. Zijne gelukster, die in Rusland reeds aan 't dalen was gegaan, ging op de slachtvelden van Spanje en Duitschland geheel ten onder. De volkenslag bij Leipzig brak voor altijd zijne macht. De geünieerde legers herwonnen een voor een de landen, door hem onder het juk gebracht; de naties stonden tegen hem op en schudden de slavernij van den despoot af. Den 22en Januari 1814 bracht overste Lagorse te Fontainebleau het beveel dat de Paus weer naar Savona moest vervoerd worden, en toen bijna geheel Italië voor hem verloren was en de verbondene mogendheden reeds een groot gedeelte van Frankrijk in hun bezit hadden, beval hij den 10en Maart den Paus in vrijheid te stellen en tot aan de vijandelijke voorposten te geleiden. Op den 31sten Maart, op den dag zeiven waarop
— 361 —
de verbondenen Parijs binnentrokken, kwam de Paus te Bologna en den 24sten Mei hield hij zijn schitterenden intocht in Rome.
De geestdrift was onbeschrijfelijk, zegt p. Brunengo. Te Ponte Molle omringde het uitgelaten volk de koets, waarin de Paus met de kardinalen Mathei en Pacca gezeten was, spande er de paarden af, en dertig jongelieden van de aanzienlijkste familiën trokken haar in zegepraal door de straten van Rome tot op het plein van Sint Pieter, te midden van de evviva's en de toejuichingen van de jubelende menigte, die de straten opvulde, terwijl Pius VII haar zegende en van blijdschap en aandoening weende. Ontzachelijk was de uitbarsting van vreugde toen men op het plein van het Vaticaan was aangekomen en de eerbiedwaardige paus, met van vreugde schitterend gelaat, langzaam de trappen der verheven basiliek opklom, waar hij, binnengetreden, met geheel het volk aan God plechti-gen dank bracht.
Het was den 24sten Mei 1814 : een gedenkwaardige dag van onvergetelijke blijdschap in de gedenkboeken der Kerk en van Rome, omdat hij door denzelfden Pius VII ten eeuwigen dage aan de glorie van de allerheiligste Maagd is gewijd, onder den titel, er reeds door den H. Pius V aan gegeven, na den slag van Lepanto, n. 1. van Auxilium Ghristianormn ; omdat hij aan de voorspraak der machtige Maagd de gunst van zulk eene wonderbare zegepraal toeschreef.
Weinige weken later was het kasteel van Fontainebleau, weleer getuige van de laatste gewelddaden van Napoleon tegen den stedehouder van Christus, het tooneel van twee andere gebeurtenissen die, tot leering van het nageslacht, in voortdurend aandenken mogen blijven. Den llden April teekendé Napoleon er zijn afstand, en den 20sten omhelsde hij de adelaars en groette hij voor 't laatst de dappere veteranen van zijne Garde om naar Elba te vertrekken, hem als Souverein gebied aangewezen; een klein eiland voor
hem die de geheele wereld aan zich had willen onderwerpen! Den 26en Februari 1815 verliet hij plotseling Elba en kwam den len Maart te Cannes aan ; onmiddellijk schaarden zijne oude aanhangers zich weer om hem en den 20sten Maart trok hij Parijs binnen, om nogmaals tegenover geheel Europa het geluk der wapenen te beproeven. Joachim Murat, die door Napoleon koning van Napels was geworden, maar zich bij de verbondenen had aangesloten, verliet hunne partij, zoodra hij de terugkomst van Napoleon vernam, en verlangde van den Paus doortocht voor zijne troepen en maakte zich gereed hem gevangen te nemen en naar Gaeta te voeren, doch de Paus verliet Rome en keerde naar Savona terug. Maar Napoleons gelukster was wel voor goed ondergegaan ; den 18den Juni 1814 werd op de vlakte van Waterloo zijne macht voor altijd gebroken en hij naar het eiland St. Helena verbannen, waar de Engelschen hem met evenveel nauwkeurigheid bewaakten en in dezelfde afzondering en verlatenheid hielden, als hij eertijds Pius VII had gedaan. De eeni-ge die in die dagen van tegenspoed nog voor hem in de bres sprong, was de zoo zwaar en zoo lang door hem vervolgde Paus. Napoleon stierf in zijn ballingsoord en zijn zoon, uit zijn huwelijk met Maria Louise geboren, en die bij zijn doopsel reeds den titel van Koning Aran Rome verkreeg, stierf op twintigjarigen leeftijd, den 2en Juli 1832, onder den titel van Hertog van Reichstadt. Napoleon trof dus het lot van alle kerk ver volgers en van allen die hunne handen naar het erfgoed van den H. Petrus uitsteken. Hij verloor rijk en kroon, stierf in ballingschap en met zijn zoon stierf ook zijn geslacht in de rechte lijn uit; het zelfde zullen wij ook zien gebeuren met zijn neef, den zoon van zijn broeder Jerome, die onder den naam van Napoleon III regeerde en de Pauselijke Staten aan den Piemontees overleverde. Bij het Weener Congres (Oct. 1814) werden ook de wereldlijke bezittingen van den Kerkelijken Staat geregeld. Avignon en Venassin werden, zonder eenige vergoeding, aan Frankrijk toegewezen. Oostenrijk behield voor zich het aan deze
— 363 —
zijde van den Po gelegen gedeelte van Ferrara; al het andere kwam aan den H. Stoel terug, zoodat deze weer in 't bezit was van het grondgebied tusschen Liri en Po. Pius VII werkte, ^a zijn terugkeer, onverdroten aan het geluk van zijn volk, aan het welk hij nieuwe wetten en nieuwe staatsregelingen schonk, zooals die geboden waren door de veranderde tijdsomstandigheden, terwijl hij als Paus de herleving van het Christendom en de belangen der Kerk met grooten ijver bevorderde.
De Jesuiten en anderen geestelijke orden, die voor of in de Fransche revolutie waren opgeheven, werden hersteld en met blijde verwachting ging men de nieuwe tijden te ge-moet; maar reeds toen vertoonden zich de nieuwe vijand waar tegen de Kerk en het Pausdom zouden te strijden hebben. De Carbonari staken het hoofd op en eene kortstondige revolutie scheurde Benevento en Ponte Corvo van den Kerkelijken Staat af. Een ander leed moest den grijzen Paus nog treffen : den 16den Juli 1823 brandde de eerbiedwaardige Kerk van Sint Paulus buiten de muren af, en kort daarop, den 20sten Augustus, stierf Pius VII in den ouderdom van 81 jaren, na eene regeering van 23 jaren, 5 maanden en 6 dagen; 14 jaren nadat hij als een gevangene uit Rome was gevoerd. Napoleon was hem reeds twee jaren vroeger in den dood voorgegaan.
Een twintigtal jaren zoü Rome rust en vrede hebben, die zich de opvolgende Pausen Leo XII (28 Sept. 1823—10 Feb. 1829), Pius VIII (31 Maart 1829—30 Nov. 1830 en Gregorius XVI (2 Febr. 1831—1 Juni 1846) ten nutte maakten om zoowel op stoffelijk gebied voor den Kerkelijken Staat, als op geestelijk gebied voor de K. Kerk en de Christenheid met grooten ijver, onverflauwde werkzaamheid en veelal met de beste uitkomsten te arbeiden. Maar reeds onder de laatste regeeringsjaren van Gregorius XVI begon de Revolutie al driester en driester den kop op te steken. Mazzini, Fabrizi, Ricciordi, Ciceruacchio strooiden geheel Italië door het zaad der omwenteling uit, terwijl Gioberti, een afgevallen
— 364 —
priester uit Sardinië, door zijne geschriften het Italiaansche volk opnieuw met de grootheidsdroomen van een Arnoldo da Brescia vervulde en aan een eenige Romeinsche Republiek of een eenig Koningrijk Italië deed denken.
Toen Gregorius XVI het hoofd ter ruste legde loeide reeds in de verte het onweder dat onder Pius IX geweldig zou losbreken en den Paus van zijn wereldlijke macht berooven.
Hoofdstuk XVII.
Pius IX. Zijne goede bedoelingen worden door de revolutie misbruikt om liet volk op te hitsen. Moord op Pellegrino liossi. De revolutie zegepraalt. Pius IX vlucht naar (-aeta. Zijn terugkeer in Itome. Overweldiging van een gedeelte der Pauselijke Staten. Castellidnrdo. Igt;e (•aribaldisten in 1S67. Overwinning bij Mentana. Laatste overweldiging. Inname van Kome op *20 September 1870.
en I6en Juni 1846 werd Giovanni Maria, uit het grafelijk huis der Mastaï-Ferretti, tot paus ver-kozen die, uit eerbied voor den zoo zwaar ver-volgden Pius VII, die, evenals hij bisschop van Imola was geweest, den naam van Pius IX aannam. De nieuwe Paus, die de verlangens der volken naar nieuwere staatsregelingen, naar meer aandeel in de regeering, naar self-gouvernement kende, was vast besloten om aan dezen eisch der nieuwere tijden in passende mate en op verstandige wijze toe te geven, maar weldra zag hij in dat die eischen verder en hooger gingen dan hij kon en mocht inwilligen, en ofschoon nog altijd bereid om, waar het kon, aan matige en redelijke verlangens toe te geven, kwam hij toch evenwel spoedig in botsing met de uiterste partijen in zijne staten; elke toegeving werd door de partij der revolutie beantwoord met eene vraag naar meer, van elke weldaad werd misbruik gemaakt.
Kort na zijne troonsbestijging had hij eene algemeene
- 366 —
amnestie afgekondigd en de verbannenen, die naar hun vaderland terugkeerden, betuigden hunne dankbaarheid door op nieuw tegen den Paus en zijne regeering samen te spannen; er vormden zich comités om voor de begenadigden geld in te zamelen, om vreugdefeesten in te richten; maar de ingezamelde gelden dienden om wapenen te koopen en de revolutie voor te bereiden, de feesten om het volk te gewennen zich te verzamelen en naar de redevoeringen der volksmenners te luisteren. Het ordewoord was gegeven om in alle steden dergelijke feesten in te richten, om daardoor in de eerste plaats den Paus in slaap te wiegen en in den waan te brengen dat alles in zijne staten volkomen rustig en welgezind was, en vervolgens om overal volksverzamelingen uit te lokken, waar de menigte toegesproken, bewerkt, tot aaneensluiting gebracht werd. Eene zoogenaamde samenzwering, die, naar de bladen zeiden, voorbereid werd (1517 Juli 1847), moest dienen om van den Paus de oprichting eener burgerwacht te vragen en als 't ware af te dwingen, en toen de Paus daaraan had toegegeven werd eene volgende gelegenheid te baat genomen om deze burgerwacht ook van wapenen te voorzien.
Al deze feesten, vereenigingen en eischen lagen in het wel doordacht programma der geheime genootschappen, die geheel Italië overstroomd hadden en hunne aanhangers tot in de kleinste steden zochten en vonden.
In 1848 brak in bijna alle landen eene revolutie uit; de volken verlangden naar meer vrijheid, naar meer aandeel in het bestuur des lands, men eischte grondwetten en volksvertegenwoordiging en aan deze eischen waren de vorsten gedwongen toe te geven. Ook in Rome hadden die eischen luider dan ergens misschien weerklonken en Pius IX had gedeeltelijk dezen wensch vervuld, edoch, zooals wij reeds zeiden, de eene inwilliging was voor de revolutionnaire partij een voorwendsel om andere, grootere en vaak onverkrijgbare te vragen ; onder andere eischte men dat de Paus don oorlog aan Oostenrijk zou verklaren, een eisch dien Pius niet
— 367 —
kon inwilligen. Even onzinnig was het verlangen door den Senaat, op aansporen van Gioberti, den 6den Maart 1848 den Paus te kennen gegeven, n. 1. om den geestelijken staat te veranderen in eene Republiek, waarvan de paus president zou zijn,quot; met den naam van constitutioneel koning, „opdat de regeering in 't vervolg op eene volksvertegenwoordiging zou gevestigd zijn en volkomen bij de tegemvoordige beschaving passen.quot; Eene republiek schonk de Paus Avel niet, maar nadat de Februari-omwenteling Louis Philips van den troon had geworpen aarzelde Pius niet om zijn volk de verlangde Constitutie te geven. Terzelfder tijd had de Paus Pellegrino Rossi, die langen tijd Louis Philips als gezant bij den Paus had vertegenwoordigd en nu, na de revolutie, als ambteloos persoon te Rome leefde, tot zijn eersten minister benoemd. Pellegrino Rossi was een man van groote bekwaamheid, die zich als staatsman, rechtsgeleerde en Staathuishoudkundige een grooten naam had verworven, maar die veel te veel verwachtingen koesterde en te veel wilde toekennen aan den liberalen tijdgeest van toenmaals; evenwel doorzag hij te goed de plannen van de Revolutionnairen, die met alle kracht naar een vereenigd Italië, met of zonder den Paus, wilden en in hunne plannen heimelijk gesteund werden door Piëmont, dat in het troebele water der revolutie ten eigen bate wilde vischen naar uitbreiding van grondgebied. Dat spel doorschouwde Rossi en daarom had hij dan ook gezegd „dat men niet dan over zijn lijk gaande, het gezag van den Paus zou vernietigen.quot; Na deze kloeke verklaring werd tot den dood van Pellegrino Rossi door de hoofden der beweging besloten. In de Capranica-schouwburg bijeen gekomen zijnde trokken zij het lot wie den stoot zou toebrengen. Den volgenden dag, 't was de 18de November 1848, begaf Rossi, vergezeld van Righetti, zich naar het gebouw der Cancelleria, waar hij in het parlement eene redevoering zou houden. Op de trappen van het gebouw wachtten de moordenaars hem af en een hunner snijdt hem met een dolkstoot de halsslagader door; de burgerwacht
— 368 —
verroert zich niet en de moordenaar ontsnapt, terwijl Rossi den laatsten adem uitblaast. De parlementsleden, voor een groot gedeelte tot de partij der omwenteling behoorende, jubelen van vreugde en eene woeste bende sectarissen rent door de straten van Rome, jubeleerende, zingende en de hand zegenende die den stoot heeft toecjebracht.
Terwijl men den volgenden dag beraadslaagde wie den vermoorden minister zou opvolgen, ruiden de revolution-nairen bet volk op om zich in massa naar het Quirinaal te begeven en eene Italiaansche Constituante te vragen met een democratisch ministerie, waarin Saliceti, Campello en Sterbini zouden plaats nemen. De Paus, meenende nog eenig gezag te hebben, bood tegenstand. Hierdoor wordt het volk woedend. Uit Vicenza teruggekeerde vrijwiligers, burgerwachten en karbiniers grijpen naar de wapenen, het Quirinaal wordt belegerd. De Zwitsers bieden weerstand en er ontstaat eene worsteling; Monseigneur Palma wordt vermoord ; men steekt eene poort van het paleis in brand, sleept een kanon op het plein en dreigt de andere poort te verbrijzelen. Door vrees overmand en het bloedvergieten willende voorkomen, verklaart Pius aan het hem omringende corps diplomatiek dat hij voor het geweld zwicht. De revolutie had verwonnen, de Paus zijn wereldlijk gezag neergelegd; de sectarissen, met den prins van Canino, Sterbini en Cicceruacchio aan het hoofd, waren meester in Rome.
Ofschoon van den haat en de woede der sectarissen het ergste te vreezen was, scheen de Paus toch niet voornemens te zijn Rome te verlaten; maar twee brieven, welke hem bijna terzelfder tijd, 22 November, gewerden, deden hem van besluit veranderen. De eerste was van Mazzini. Deze zond daarin aan zijne goede broeders in Rome zijne geluk-wenschen met hetgeen ze gedaan hadden en spoorde hen aan om het overige ook te doen. De tweede, aan den Paus zeiven gericht, was van Mgr. Chatrousse, bisschof) van Valence in Dauphiné, en ging vergezeld van de kleine pyxis, die Pius VI bij zich droeg, toen hij in 't laatste der vorige
4
— 369 —
eeuw door de Franschen gedwongen was zijne staten te verlaten, de Alpen over te trekken om te Valence te sterven. In deze zending meende Pius IX een waarschuwing des Hemels te zien ; den 27sten November verliet hij onopgemerkt en verkleed het Quirinaal en begaf zich, vergezeld van zijn kamerdienaar, in een rijtuig tot bij de kerk van de HH. Marcus en Marcellinus, om daar over te stappen in het rijtuig van graaf Spaur, gezant van Beieren, dat hem gelukkig over de grenzen op Napelsch grondgebied bracht. Te Mola vertoefde de Paus in eene gewone herberg, waar kardinaal Antonelli zich bij hem vervoegde, benevens de heer Arnau, secretaris van de Spaansche legatie. Zonder verderen tegenspoed werd Gaëta bereikt, van waar de Paus graaf Spaur naar koning Ferdinand van Napels zond om dezen van het gebeurde in kennis te stellen. Spaur kwam des avonds laat in Napels aan en het kostte hem eerst eenige moeite bij den koning te worden toegelaten. Nauwelijks had Ferdinand evenwel 'sPausen brief gelezen, of onmiddelijk droeg hij zorg, dat alles werd ingepakt, wat den Paus van nut kon zijn, en vervolgens begaf hij zich, vergezeld van de koningin en een gedeelte van zijn hof, op twee oorlogschepen naar Gaëta, waar hij op 27 November een uur na den middag aankwam.
Terwijl in Rome de demagogie de baas speelde en de stad in de grootste wanorde bracht, protesteerde Pius IX te Gaëta tegen het geweld, dat hem was aangedaan, en zond kardinaal Antonelli eene nota tot de katholieke mogendheden, waarin de gebeurtenissen te Rome werden uiteengezet en de hulp der christenheid werd verzocht tegen de onderdrukkers; aan Oostenrijk, Frankrijk, Spanje en de beide Siciliën werd gewapende tusschenkomst verzocht om de Kerkelijke Staten te verlossen van de sectarissen, die er het wreedste despotisme uitoefenden. De onderhandelingen duurden lang, maar eindelijk besloot Najioleon III, hoewel tegen zijn zin en als 't ware gedwongen door de publieke opinie in Europa, tot de verlangde gewapende interventie over te gaan.
24
— 370 —
Reeds den 24sten April kondigde de Fransche gezant, Latour d'Auvergne, de komst van generaal Oudinot aan; het revolutionnair bewind te Rome zocht tijd te winnen, edoch zonder succes, en weldra waren de Franschen meester van Civita-Vecchia zonder dat een enkel schot gelost was.
Oudinot richtte een manifest aan de Romeinsche Staten, vol zoetsappige, maar dubbelzinnige woorden, waarvoor de constitueerende vergadering te Rome evenwel doof bleef. Den 27sten kwam Garibaldi met 1300 der zijnen Rome binnen en wakkerde door zijne aanwezigheid den tegenstand der revolutionairen nog aan. Ziende dat zijne woorden weinig uitwerkten en er van eene vreedzame overgave van Rome geen sprake kon zijn, rukte Oudinot met zijn leger van Civita-Vecchia op en bevond zich weldra voor Rome. Oudinot had den tegenstand te gering geacht, want toen hij in den morgen van 30 April met 7000 man en tien stukken geschut de stad van twee zijden aanviel, werd hij teruggeslagen.
Deze eerste en gemakkelijke overwinning werd door de Mazzinisten in Rome met uitbundig gejuich gevierd, en zij meenden hunne vreugde niet beter te kunnen uiten dan door bij St. Callistus een aantal priesters te vermoorden.
Na zijne nederlaag bleef Oudinot gedurende 14 dagen werkeloos voor Rome liggen, maar eindelijk kon hij weer krachtiger optreden, zoodat hij de revolutionnairen uit de Villa Pamphili kon verdrijven en zich ook meester maken van de kerk en het klooster van St. Pancratius, waar de benden van Garibaldi op hunne gewone wijze hadden huisgehouden door de altaren te bevuilen, de beelden omver te halen en te vernielen, en de urne, waarin de assche van den jeugdigen martelaar, aan wien de kerk gewijd was, omver te werpen, terwijl zij de muren overdekt hadden met godslasteringen en liederlijkheden. Den 12den Juni eischte Oudinot de stad op, maar ontving een weigerend antwoord. Ziende dat met overreding niets te winnen was, begon hij in den nacht van den 21sten op den 22sten de stad te beschieten, en op 30 Juni 1848 trokken de Fransche troepen door eene geopende bres Rome binnen.
— 371 —
Nog denzelfden dag bezette Oudinot Eome en zond hij den kolonel Nyel naar Pius IX om dezen de sleutels der stad en een zeer eerbiedigen brief te overhandigen, waarop de Paus den 5den Juli met een brief van gelukwensching en dankzegging antwoordde. Den laatsten Juli gaf generaal Oudinot het burgerlijk bestuur der stad aan de commissarissen des Pausen, de kardinalen della Genoja, Altieri en Vannicelli, over. Pius IX was eerst voornemens terstond naar Rome terug te keeren, maar de H. Vader scheen in de handelingen en dubbelzinnigheden der Fransche regeering weinig vertrouwen te stellen. Hij begaf zich dus naar Portici en vaardigde daar een motu propria uit. Eindelijk zag Napoleon er van af om Pius IX een programma voor zijn bestuur op te dringen en huichelde hij eerbied en vereering, andere tijden afwachtende om den Paus naar zijn zin te zetten. Pius IX verliet daarop den 4den April 1350 Portici en werd weldra onder groote geestdrift en toejuichingen in zijn rijk ontvangen en door de bevolking van Rome met niet minder geestdrift ingehaald.
Na den terugkeer van Pius IX uit Gaeta volgde er, onder de bescherming van de Fransche vlag, een tijd van betrekkelijke rust voor de Kerkelijke Staten, welke rust de pauselijke regeering gebruikte om de schade, door de revolutie aangericht, te herstellen en de noodige en passende hervormingen in te voeren. Die rust was evenwel de voorbode van een nieuwen storm, want de verborgen machten, die het op Rome en de Katholieke Kerk gemunt hadden, gaven hare plannen niet op.
In Piëmont was Victor Emmanuel II zijn vader Karei Albert, die afstand van de troon had gedaan, opgevolgd, en graaf de Cavour was zijn eerste en machtigste minister. De toestand en de verhoudingen waren daardoor evenwel niet veranderd. Victor Emmanuel was, misschien meer nog dan zijn vader, belust op de kroon van het ééne koninkrijk Italië, en de Cavour deed in niets A'oor Ratazzi onder, maar overtrof dezen in sluwheid. Tusschen Oostenrijk en Piëmont
— 372 —
was het eindelijk tot een oorlog gekomen, waarin Napoleon zich aan de zijde van Victor Emmanuel schaarde. Tegen de vereenigde Sardinisch-Fransche troepen waren de Oostenrijkers, die slecht werden aangevoerd, niet opgewassen. Bij Magenta en Solfernio leden zij zware nederlagen, en de verbonden troepen waren spoedig meester van Milaan en weldra van geheel Lombardije; men verwachtte nu den aanval op den beruchten vierhoek, toen Napoleon plotseling een wapenstilstand voorsloeg, waarvan de vrede bij Villa-franca het gevolg was. Na den vrede de handen ruim hebbende, begon Victor Emmanuel zijne blikken naar de kleinere Italiaansche vorstendommen en naar Napels te richten, waar Fransch II zijn vader Ferdinand was opgevolgd.
Onder deze omstandigheden was de gelegenheid als 't ware aan de revolutionnairen geboden om opnieuw hunne aanslagen tegen het grondgebied des Pausen krachtig te hernieuwen. Een veel opzien barend pamphlet, getiteld: De Paus en het conyres, waarvan Farina, de vertrouweling van de Cavour, het vaderschap aan Napoleon zelf toeschreef, bewerkte de opinie van het liberalistische Europa te hunner gunste. De geheele bende van volksopwiegelaars trok dus weer uit naar de Legaties om onlusten te verwekken, de bevolking tegen de regeering van den Paus op te zetten en een plebisciet uit te lokken ten gunste van eene inlijving bij Piëmont, opdat deze staat, gevolg gevende aan den volkswil, een schijn-motief zou hebben om gewapenderhand de Legaties in te lijven. Deze maneuvres moesten natuurlijk gelukken, want men wist handteekeningen genoeg te verkrijgen : en de Romagna werd ingelijfd. Victor Emmanuel, die in geveinsdheid en huichelarij aan Napolen niets toegaf, zond in September 1859 den abbé Stellardi met een brief en mondelinge mededeelingen naar Puis IX, om dezen in te lichten over de inlijving der Legaties en den koning te verontschuldigen. De Paus liet zich door zooveel huichelarij niet om den tuin leiden, maar toonde Victor Emmanuel in zijn antwoord van 29 September, dat hij diens plannen en
— 373 —
handelingen volkomen kende en zich niet door mooie woorden liet vangen.
De brutale roof van een gedeelte der Kerkerlijke Staten ontlokte aan de katholieke wereld een kreet van afschuw, en overal verhieven de bisschoppen, niet het minste die van Frankrijk, hunne stem tegen den gepleegden roof. Lafarina en Cavour, wetende dat zij op Napoleon konden rekenen, stoorden zich weinig aan de verontwaardiging der Katholieken, maar verdubbelden hunne lage kuiperijen om ook de Marken en Umbrië te annexeeren.
Terwijl de revolutionaire comité's druk in de weer waren om de bevolking dezer provincies door manifesten en zendelingen te bewerken, trachtte het comité van uitgewekenen de soldaten van het pauselijke leger door zijne proclamaties tot verraad en desertie aan te sporen.
Naast deze inwendige onlusten had de regeering van Pius IX ook nog een aanval van buiten te vreezen, zoodat het een levenskwestie werd het leger te verbeteren en voor alle gebeurlijkheid voor te bereiden. De grootste moeielijk-heid bestond echter in het vinden van een beproefd en vertrouwd aanvoerder. Mgr. de Mérode, toen pro-minister van oorlog, stelde den Paus generaal de Lamoricière voor, en deze keuze behaagde Pius IX zoozeer dat Mgr. de Mérode vertrok om den held van Afrika den wensch van den H. Vader over te brengen. Lamoricière nam de grootsche maar moeielijke taak op zich. Na de toestemming des keizers verkregen te hebben, ging hij op reis en kwam den 25sten Maart 1860, vergezeld van Mgr. de Mérode, de Corcelles en anderen, te Ancona aan.
Den 2en April kwam de generaal te Rome en werd aan den H. Vader voorgesteld.
Nauwelijks was het bekend dat de Lamoricière in Rome was, of een groot aantal Franschen van de edelste huizen, spoedig door Belgen gevolgd, snelden naar Rome om het corps Franco-Belgen te formeeren, dat later onder den naam van pauselijke zouaven wereldbekend zou worden.
— 374 —
Tusschen Napoleon III en Victor Emanuel was het tot eene overeenkomst gekomen. Savoie en Nizza werden aan Frankrijk afgestaan, en daarvoor zou Napoleon aan Victor Emanuel toestaan Napels, de Marken en Umbrië in te palmen, maar niet Rome en het langs de Middell. Zee gelegen gebied des Pausen. De onderhandelingen waren te Cham-berry tusschen Farini en Cialdini en Napoleon gevoerd; toen deze van de Italiaansche onderhandelaars afscheid nam, zeide hij: ,,Wij zijn het nu eens; raak Rome niet aan; Bonne chance et faites vitë\ Den 4den September schreef Grammont, de Fransche gezant bij den H. Stoel, aan Thouvenel:
„Gisterenavond is er van Turijn eene dépêche naar Rome gezonden, meldende, dat de keizer aan den heer Farini had verklaard, dat, wanneer men Rome aan den Paus liet, hij er gaarne in zou toestemmen, dat Piemont de overige pauselijke staten annexeerde. Farini had er bij gevoegd, dat men dgn keizer geen formeele bescherming behoefde te vragen, maar dat hij had beloofd tegen de annexatie geen beletselen te zullen stellen.quot;
Thouvenel weigerde aan dit bericht geloof te slaan, en Napoleon wist zich weer door een zijner dubbelzinnige antwoorden uit de verlegenheid te redden.
De annexatie van de Marken en Umhrië werd met groote sluwheid en de gewone middelen van laster en verdachtmaking voorbereid, en weldra verzamelden zich de benden van Garibaldi op de grenzen van het pauselijk gebied, zoodat Lamoricière bevel ontving ze met zijn nog gedeeltelijk pas gevormd, gedeeltelijk ook nog niet hervormd leger te gaan verdedigen. Garibaldi moest hier evenwel weer als strooien man dienen en aan het Piemonteesche leger een voorwendsel geven om de Marken te bezetten, tot veiligheid en ter verdediging van den Paus: reeds den 9den September schreef Lafarina dat de koninklijke troepen zouden tusschenbeide komen. Enkele plaatsen van het pauselijk gebied, zooals Citta della Pieve, Urbino, Fossombrone
— 375 —
waren reeds in de macht van de revolutionnaire benden van Masi gevallen, zoodat Lamoricière aan kolonel de Courten beval om naar Fossombrone, en aan kolonel Schmidt om naar Citta della Pieve op te rukken; werden zij door de koninklijke troepen aangevallen dan moesten zij op Anco-na terugtrekken; door de revolutionnairen aangevallen wordende, moesten zij zich te Terni bij Pimodan vervoegen om den Garibaldisten het hoofd te bieden.
De vrees, dat de koninklijke Piemonteesche troepen zouden in 't veld komen, werd echter weggenomen door een boodschap, welke de Fransche consul te Ancona aan den bevelhebber der plaats, graaf de Quatrebarbes, bracht, zeggende: ,,Ik had wel gelijk, heer graaf, toen ik zeide dat ik volkomen vertrouwen in den keizer stelde; de Paus is geredquot;. Hetzelfde was ook den avond te voren door Mgr. de Mérode aan Lamoricière gezegd. Ook de Courcy geloofde aan de goede trouw van Napoleon. Hij zeide, dat de keizer uit Marseille aan den koning van Sardinië had geschreven, dat, zoo het Piëmonteesche leger op pauselijk grondgebied trad, hij genoodzaakt zou zijn zich er tegen te verzetten en er reeds bevelen waren gegeven om troepen te ïoulon in te schepen. Lamoricière meende dus alleen tegen de benden van Garibaldi te strijden te hebben; maar toen de Pimodan den I7den September met zijn legertje op de heuvelen bij Castelfidardo post vatte, zag hij het Piemonteesche leger tegenover zich. Den volgenden morgen begon de slag; de pauselijken, en vooral de zouaven, verdedigden zich met waren heldenmoed tegen de verpletterende overmacht en deden meer dan eens den vijand terugdeinzen. Maar wat vermochten deze 400 dapperen tegen de 30.000 man van Cialdini en Fanti, te meer daar verraad en trouweloosheid zich onder de andere pauselijke troepen openbaarde, zoodat de artilleristen de strengen doorsneden en op hunne paarden vluchtten, terwijl de andere corpsen zich bijna even lafhartig gedroegen.
Het pauselijk leger werd vernietigd ; de Pimodan sneu-
— 376 —
velde, liever gezegd, werd door een verrader vermoord, en de Lamoricière bereikte met eenige weinige dapperen An-cona, waar zijne tegenwoordigheid den moed der bezetting niet weinig verdubbelde. Na van de zee en landzijde hevig te zijn beschoten, moest Ancona, toen het grootste gedeelte der bezetting gesneuveld en alle kanonnen gedemonteerd waren, kapituleeren. Het pauselijk leger was vernietigd, de Marken en Umbrië werden bij Piemont ingelijfd. Napoleon had Savoie en Nizza verdiend, want zijn brief uit Marseille was wederom een dier kunstgrepen, waaraan deze gekroonde sectaris zoo rijk was.
Voorloopig was Rome gered, omdat noch Napoleon, noch de Loge den tijd gekomen achtten om verder te gaan ; het scheen ook veel voorzichtiger met kleine marschen op Rome los te gaan ; de publieke opinie moest voor dien laatsten slag nog bewerkt worden ; de Franschen waren in Rome, en dat stelde de Loge gerust.
De Fransche troepen bezetten nog altijd de aan den Paus gebleven provincies, maar dit kon zóó niet blijven, omdat Frankrijk niet altijd een voorwendsel zou kunnen vinden om zijne troepen terug te trekken, en Piëmont moeilijk tegen de Fransche soldaten kon ageeren, wanneer het oogenblik gunstig was om de derde en laatste êtape naar Rome af te leggen. Derhalve werd tusschen Piemont (gevolmachtigden Nigra en Pepoli) en Frankrijk (gevolm. Drouin de Lhuys) eene overeenkomst gesloten, die bekend is onder den naam van „conventie van 15 September 1864quot;. Deze conventie bevatte :
Art. 1° Italië verplicht zich het tegenwoordige grondgebied van den Paus niet aan te vallen en ook om met geweld van wapenen eiken van buitenkomenden aanval tegen genoemd grondgebeid der Pauselijke Staten te beletten. Art. 2. Frankrijk zal zijne troepen achtereenvolgens terugtrekken, naar gelang het leger van den Paus zal georganiseerd zijn. In elk geval moet de ontruiming binnen twee jaar volbracht zijn. Art. 3. De Italiaansche regeering zal niet
— 377 —
Teclameeren tegen de organisatie van een pauselijk leger, zelfs niet wanneer dit is samengesteld uit vreemde katholieke vrijwilligers, voldoende om het gezag van den Paus en de, rust te handhaven, zoowel binnenslands als op de grenzen van den staat, mits deze legermacht niet kunne ontaarden in een middel van aanval tegen de Italiaansche regeering. Art. 4. Italië verklaart zich bereid om in onderhandelingen te treden, ten einde een gedeelte van de schuld der voormalige Pauselijke Staten te zijnen laste te nemenquot;.
Deze conventie was geheel en al buiten weten en zonder voorkennis van den Paus gesloten. Wie haar met aandacht leest, zal ontdekken dat het een sluw opgesteld stuk is, bestemd om Piemont een wapen in de hand te geven tot inmenging in de zaken van Rome.
De eenheid van Italië, het droombeeld der Revolutie, die aan de tijdelijke macht der Pausen voor goed een einde moest maken, was een groote stap vooruitgegaan doordien de kleinere Italiaansche Staten, de hertogdommen Toskane, Modena, Panna en zelfs het koninkrijk Napels meer door verraad en trouweloosheid dan wel door de kracht der wapenen waren overweldigd en aan Piemont gekomen, zoodat de kleine Staat des Pausen, die nog slechts uit de provincies Rome, Civita-vecchia, Viterbo, Velletri en Frosinone bestond, geheel en al door Italië was ingesloten. Het kwam er nu nog slechts op aan een voorwendsel te vinden om ook in het gebied des Pausen te kunnen doordringen. Dit voorwendsel moest de September-conventie aan de hand geven. Kon men het zoo ver brengen, dat de pauselijke regeering zou blijken niet bij machte te zijn haar grondgebied te verdedigen en de rust en de orde te handhaven, dan zou Italië, krachtens deze conventie, recht en reden hebben om tus-schenbeide te komen en Rome — in 't belang des Pausen-zelf — te bezetten, en eenmaal in Rome zijnde zou men zich daar wel weten te handhaven.
Van alle kanten werden nu de pauselijke grenzen bedreigd door oproerige benden, en Garibaldi, die reeds den-
— 378 -
zelfden rol had gespeeld bij de overweldiging van Napels, stelde zich aan het hoofd, met zijne zonen Menotti, Ricciotti en een aantal bekende revolntionnairen als medebevelhebbers.
Het gevaar, dat de Paus dreigde, had evenwel de kern der katholieke jongelingschap uit geheel de wereld naar Rome doen snellen om den beminden Paus en het erfdeel der Kerk tegen de aanslagen der Revolutie te verdedigen en toen de benden Garibaldisten in Augustus 1867 hunne invallen in de Kerkelijke Staten begonnen, bevonden zij zich tegenover het heldhaftige regiment zouaven, dat hun bij Bagnorea, Monte-Libretti, Nerola en twintig andere plaatsen bloedige nederlagen toebracht, wakker bijgestaan door de andere korpsen van het pauselijk leger. Eene poging om Rome in opstand te doen komen, mislukte eensdeels doordien de Romeinsche bevolking zich van de revolutie afkeerig betoonde, anderdeels door het krachtig optreden van het leger dat, met name de zouaven, met ware doodsverachting elke revolutionnaire beweging bloedig onderdrukte.
De laatste poging om Rome te doen in opstand komen, zou ondersteund worden door een aanval van buiten door Garibaldi, die zijne geheele legermacht, ongeveer 15.000 man sterk, om Monte-Rotondo verzameld had.
Napoleon, die zeer goed de plannen van Piemont kende en wist dat de geheele Garibaldistische veldtocht geen ander doel had dan de September-conventie als middel te doen dienen om Rome te overweldigen, had evenwel niets gedaan om de pogingen der Revolutie te doen mislukken, maar na de herhaalde overwinningen der pauselijke troepen en niet langer weerstand durvende bieden aan het Katholieke Frankrijk, dat een optreden tegen Piemont eischte, misschien ook duchtende dat eene andere mogendheid, Spanje of Oostenrijk, als beschermster van den Paus zou optreden en daardoor Frankrijks politiek overwicht verminderen, Napoleon besloot eindelijk te handelen en gaf bevel dat het escader, hetwelk te Toulon gereed was, naar Civita-
— 379 —
vecchia zou trekken, waar het inderdaad den 30sten October aankwam. Den volgenden dag trok generaal de Polhes met zijne brigade Rome binnen.
Zoodra Piemont vernomen had dat Frankrijk te hulp kwam, deed het zijne vloot naar Spezzia terugkomen en het Italiaansche leger, dat bij de Romeinsche grens lag en alleen de inname van Rome door de Garibaldisten en het uitbreken der revolutie afwachtte om de orde te herstellen, trok zich terug. Garibaldi bleef dus alleen met zijn leger te Monte-Rotondo. In den nacht van 2 op 3 November trok het pauselijk leger, sterk ongeveer 3000 man pauselijke troepen onder bevel van generaal de Courten, en 2000 man Franschen onder generaal de Polhès, te zamen onder het opperbevel van generaal Kanzier, Rome uit en den vijand tegemoet. Tegen 1 uur stiet men bij Mentana op den vijand, die terstond met onweerstaanbare onstuimigheid door de Zouaven en de karabiniers werd aangevallen en weldra uit zijne sterke stellingen verdreven werd, en toen later Garibaldi zijne versche troepen in het vuur bracht, traden ook de Franschen handelend op, en weldra sloeg de vijand overhaast op de vlucht, een groot aantal dooden en gewonden op het slagveld achterlatende. De zegepraal was volkomenen schitterend; het leger van Garibaldi was verpletterd en twee dagen later trok het overwinnende pauselijke leger onder de geestdriftige huldebetooningen der Romeinsche bevolking Rome binnen. De tijdelijke macht des Pausen was voorloopig
gered, edoch slechts A'oor een drietal jaren.
* *
*
In 1870 gaf de kwestie over de troonbestijging in Spanje aanleiding tot den Fransch-Duitschen oorlog. De Franschen, zich van hunne overmacht zeker wanende, meenden eene militaire wandeling naar Berlijn te maken, maar slecht aangevoerd en slecht georganiseerd moesten zij, trots hunne dapperheid, onderdoen A^oor de bewonderenswaardige tucht en de uitstekende aanvoering en ten deele ook voor de
- 380 —
overmacht van het getal der Duitsche troepen. Bij Weiszem-burg en Wörth leden zij bloedige nederlagen en de slag bij Sédan, op 2 September, besliste over het lot van Frankrijk en van het Keizerrijk. Napoleon moest zich met geheel zijn leger overgeven en werd de gevangene van Wil-helmshöhe. Victor Emmanuel had van de nederlagen der Franschen partij getrokken en zijn leger op de grenzen van den Pauselijken Staat verzameld en toen hij, na den slag van Sédan, niet meer te duchten had dat Frankrijk hem ter verantwoording zou roepen voor de schending van de September-conventie, gaf hij aan generaal Cadorna bevel op Rome aan te rukken, nadat hij eerst met zijne gewone huichelarij den Paus tot vrijwillige overgave had willen overhalen.
Den 12den September trok Nino Bixio van Orvieto op, den 13den werd Viterbo bezet, den 14den werd Civita-vecchia, zonder weerstand geboden te hebben, aan de Italiaansche troepen overgeleverd, en nu vereenigde Nino Bixio zijne troepen met die van generaal Cadorna en Rome werd van alle kanten ingesloten door een leger van 60.000 man, met 120 Kanonnen en 12 a 16 zware belegeringstukken; het pauselijke leger binnen Rome telde hoogstens 8000 man.
Den 15den September kwam een parlementair bij generaal Kanzier uit naam van Victor Emmanuel de overgave der stad eischen, maar de generaal der Pauselijke troepen antwoordde, ingevolge de bevelen van den Paus ontvangen, dat hij vast besloten had geweld tegenover geweld te stellen.
Den 20sten September, bij het krieken van den dag, openden de Piemonteezen hun vuur tegen de muren van Rome; de pauselijke troepen verdedigden zich met waren heldenmoed en brachten den vijand gevoelige verliezen toe, maar hun aantal was te gering en hunne verdedigingsmiddelen onvoldoende zoowel in aantal als in hoedanigheid. Tegen 10 uur was er bres geschoten bij de Porta Pia en nu werden de onderhandelingen aangeknoopt over de voorwaarden der overgave. De Paus had, door de verdediging
381
van Eome, aan geheel de wereld willen toonen dat hij slechts week voor het ruw geweld der overmacht en het wereldlijk gezag niet afstond, niet vrij liet, maar dit alleen gedwongen nederlegde. Nog denzelfden dag trokken de Piemonteesche troepen Rome binnen; Pius IX werd de gevangene van het Vaticaan, het erfdeel van den H. Petrus, door een Pepijn, een Karei den Groote, de Otto's aan den Paus geschonken als onafhankelijk wereldlijk gebied der Pausen, gedurende elf eeuwen door zoo veel groote en heldhaftige pausen verdedigd tegen de aanvallen van machtige vorsten, van woelzieke baronnen, van republikeinsche woelwaters, en ongeschonden behouden tot op dat tijdstip, het wereldlijk gezag was aan de handen des Pausen ontrukt en in eenige weinige jaren had de revolutie, onder de huichelarij van een Napoleon III en onder de leiding van een Victor Emanuel het werk van eeuwen vernietigd.
Vernietigd? Wie zal het durven beweren, wie het gelooven ?
SLOTWOORD.
Wij zijn aan het einde van onze taak. Wij hebben in eene vluchtige schets aangetoond hoe de invloed der Pausen in wereldlijke zaken te Rome allengs toenam nadat Con-stantijn den zetel van het rijk naar Byzantium had overgebracht, hoe die invloed zich meer en meer uitbreidde over geheel Italië, toen de Grieksche keizers zich minder en minder met Italië inlieten en hoe zij, dit gedeelte van hun rijk niet meer kunnende beschermen tegen de barbaarsche volken, zeiven den Pausen aanrieden elders die hulp te zoeken welke zij niet konden verleenen. Wij hebben Paus Stephanus vergezeld op zijn reis naar het land der Franken, waar hij de hulp van den machtigen Pepijn kwam inroepen en dat beroemde verdrag werd gesloten dat aan den Stoel van Petrus zijn eerste koninklijke bezittingen schonk. Wij hebben den strijd bijgewoond dien de Pausen tegen de woeste en trouwelooze Longobarden hadden te voeren tot dat Karei de Groote aan hun rijk voor goed een einde maakte en de schenkingen hernieuwde en bevestigde, door zijn vader aan den H. Petrus en zijne opvolgers geschonken, en met bewondering waren wij getuigen van die groote daad van den grooten paus Leo, als hij O]) Kerstdag van het jaar 300 Karei de keizerskroon op het hoofd zette en die bewonderenswaardige instelling van het Roomsche keizerrijk in 't leven riep. Wij hebben gedurende den langen loop van elf eeuwen die tijdelijke macht telkens zien besprongen en aangevallen; nu eens door de Longobarden, dan weer
— 383 —
door de Duitsche keizers of de koningen van Frankrijk of door de machtige baronnen en vasallen van den H. Stoel, maar altijd hebben wij gezien dat Rome, op welke wijze het ook aan het gezag van den Paus ontrukt werd, altijd weer tot de gehoorzaamheid aan zijn wettigen vorst terugkeerde; wij hebben, met de geschiedenis in de hand, aangetoond dat allen, die zich aan het erfgoed der Kerk vergrepen en den krijg tegen den Paus aanbonden, ten slotte zijn tenonder gegaan, dat hunne veroveringen hun zijn ontvallen en hun geslacht teniet ging, en dat Rome, waar het zelf plichtig was, door vreeselijke kastijdingen zijn ontrouw aan zijn vorst, aan zijn Paus-koning moest boeten. De constante geschiedenis van elf eeuwen heeft ons geleerd dat de wereldlijke macht der Pausen als 't ware door God gewild is, door Hem is in 't leven geroepen, door Hem verdedigd en gewroken wordt en dat, zonder die wereldlijke macht, de geestelijke macht, de invloed, het hooge leerambt der Pausen gevaar loopen en scheuringen, afval en wankelmoedigheden de Kerk bedroeven.
Maar wordt die ervaring der eeuwen ook bevestigd door het geen wij in onze dagen zien gebeuren ? Zijn de be-roovers van de Kerkelijke Staten gestraft en zal ook nu onfeilbaar een herstel der wereldlijke macht den Paus tot Souverein van Rome niet alleen, maar ook van geheel het erfgoed van den H. Petrus maken ?
Op het eerste punt aarzelen wij niet met een volmondig ja te antwoorden. Napoleon III, die door zijn heulen met de revolutie deze machtig heeft gemaakt, die door zijn faites mais faites vite tot de annexatie zijne toestemming gaf en die het aan Piemont heeft mogelijk gemaakt Rome te veroveren en den Paus te berooven. Napoleon verloor kroon en rijk en stierf in ballingschap, terwijl zijn eenige zoon in het Zuiden van Afrika door de assagai van een Zoeloe-neger het leven verloor. Hem trof dus het lot van een Hendrik VI, van een Frederik II, van een Philips den Schoone, van een Napoleon I; zijn geslacht stierf uit, en al degenen die
met hem hebben medegewerkt aan die eenheid van Italië vonden op meer of minder treffende wijze hunne straf. Italie-zelf, dat met de revolutie geheuld had, zijne wettige vorsten verried, de berooving van den Paus toejuichte, draagt Italië niet de straf voor zijne misdaad? Zijn ellende en armoede niet zijn deel geworden ? steken het socialisme en de anarchie niet overal het hoofd driest omhoog ? bloedt het niet uit duizend wonden en zag het nog niet onlangs duizenden zijner zonen sneuvelen of in de macht van een vijand vallen dien het zelf gewapend had met de aan den Paus ontstolen wapenen ? En Rome, wat is er van Rome geworden ? Voor zoo verre het medeplichtig is, draagt het ook de gevolgen van zijne schuld, en het is er toe gekomen om te moeten bekennen dat het nog slechts leeft door den Paus, d. w. z. door de duizenden en duizenden die onophoudelijk van alle hoeken der wereld naar Rome stroomen om den doorluchtigen gevangene in het Vaticaan de schatting hunner liefde en vereering te brengen en door hun verblijf in de Eeuwige Stad Rome nog van een geheelen ondergang redden. En Victor Emmanuel ? Deze toch is rustig gestorven en zijn zoon regeert over het eene Italië, 't Is waar, de zichtbare straf die ontwijfelbaar de hand Gods doet erkennen, trof het Italiaansche Koningshuis nog niet, maar niet altijd treft die straf alle schuldigen even snel, maar wie zal die straf niet reeds erkennen in de vernederingen die Italië heeft ondergaan en die het tot een voorwerp van medelijden voor alle volken maken? Doch genoeg hierover! Wie de gebeurtenissen der laatste 25 jaren kent, zal daarin overvloedige gelegenheid vinden om de straffende hand Gods over de overweldigers en de beroovers te vinden. Dit wat het eerste punt betreft.
De tweede vraag, die zich aan ons opdringt, is deze: Kunnen wij uit de geschiedenis van elf eeuwen de absolute zekerheid hebben van een volkomen herstel der pauselijke macht en van het wereldlijk gezag? Wij antwoorden daarop: Eene absolute zekerheid dat zulks zal geschieden hebben
— 385 —
wij niet. Alleen aan de geestelijke macht, aan het onfeilbaar leerambt, aan de steenrots, op welke de Kerk gebouwd is, werd het voortbestaan tot aan de voleinding der eeuwen door Christus beloofd en aan dit non praevalclmnt moeten wij g-olooven, willen wij Katholieke kinderen dier Kerk zijn, maar wij zijn niet verplicht te gelooven aan een herstel en een voortbestaan der wereldlijke macht, al bleek die dan ook nog zoo noodzakelijk te zijn voor een onafhankelijk leerambt der Pausen en voor hunnen invloed op de wereldlijke maatschappij, die, trots alle afdwalingen en scheuringen, onderworpen blijft aan de geestelijke maatschappij, de Kerk, omdat deze alleen de menschen kan brengen tot het einddoel, waartoe zij geschapen zijn, terwijl de wereldlijke maatschappij alleen dient om den mensch de stoffelijke middelen te verschaffen tot het bereiken van dit einddoel. Immers al heeft de Voorzienigheid tot dusATeiTe ook de wereldlijke macht der Pausen gebruikt en noodzakelijk geacht om aan het Pausdom dien noodzakelijken invloed te verschaffen dien het behoefde om zijn geestelijk gezag te doen gelden, dan wil dat nog niet zeggen dat de Voorzienigheid dat zelfde doel ook niet langs andere wegen en middelen kan bereiken.
Leo XIII, de roemrijke opvolgea van den grooten en heiligen duider die Pius IX heette, Leo XIII is, als deze, eene gevangene in het Vaticaan. Hem ontbreekt alle wereldlijke macht, hij is omgeven door dezelfde vijanden die Pius IX van zijn vorstelijken troon stortten en het erfdeel der Kerk overweldigden. In het Quirinaal troont de koning van Italië, de zoon van den overweldiger Victor Emmanuel. En toch! schitterde het pausdom wel ooit in grooter luister? werd wel ooit een Paus met meer eerbied omringd ? had wel een ooit grooteren invloed op de gebeurtenissen van zijn tijd ? kwamen wel ooit in een enkel tijdperk uit de geschiedenis van het Pausdom meer vorsten aan den stedehouder van Christus hunne bewondering, hunne schatten, hunnen eerbied betuigen ? werd het woord van den Paus wel ooit met meer eerbied ontvangen, niet alleen door de Katholieken,
25
— 386 —
maar ook door de andersdenkenden, door de ongeloovigen ? was er wol ooit meer eenheid in het geloof, minder scheuring in de Kerk ?
Dit alles zegt ons dat, wanneer het in het plan der Voorzienigheid ligt, het wereldlijk gezag niet absoluut noodzakelijk is voor de grootheid van het pausdom, voor de eenheid in het geloof en voor den invloed der Kerk op de wereldlijke maatschappij.
Anders, evenwel, zal ons antwoord zijn op de vraag; hebben wij uit de geschiedenis van het Pausdom gedurende elf eeuwen niet de waarschijnlijke zekerheid van een herstel van de tijdelijke macht der Pausen? De vraag zóó gesteld zijnde, aarzelen wij niet er met een overtuigd ja op te antwoorden. Die tijdelijke macht, zoo wonderbaar onstaan en ontwikkeld, na zooveel aanvallen en bestrijdingen gedurende zooveel eeuwen zoo wonderbaar gehandhaafd, lag ongetwijfeld in de bijzondere oogmerken van de Voorzienigheid, die er een schild van maakte voor de onafhankelijkheid van het geestelijk gezag en van de Kerk. Die tijdelijke macht bleek gedurende elf eeuwen onmisbaar en werd, hoe vaak ook tijdelijk onderbroken, altijd ten slotte weer hersteld binnen die zelfde grenzen.
Niets wijst er op dat de Voorzienigheid hare plannen ten opzichte van die tijdelijke macht heeft veranderd en daar de wereld, onder verschillende uiterlijke omstandigheden, toch altijd dezelfde blijft en de menschelijke maatschappij altijd zal blijven strijden en worstelen om den mensch, den eenling, de middelen te verschaffen om zijn einddoel te bereiken en die maatschappij altijd eene opperste en onfeilbare leiding zal behoeven om haar voor afdwaling te behoeden, zoo zal ook die geestelijke leiding in dat leerambt ondersteund moeten worden door eene tijdelijke macht die het onafhankelijk maakt van den wil en de macht van de vijandelijke krachten die den mensch van zijne bestemming zoeken af te brengen. Dat geloof aan een herstel der wereldlijke macht van het Pausdom is zoo levendig, zoo
1
— 387 —
onuitroeibaar gegriffeld in het hart der Katholieken, het werd door alle eeuwen heen zoo openlijk verkondigd door de grootste geleerden, door Pausen en bisschoppen, het is zoo waarschijnlijk gemaakt door de geschiedenis, dat het als eene openbaring kan gelden, als eene heilige overlevering, die het bijna als een geloofspunt doet beschouwen. Wij vertrouwen dus vast op dat herstel ; alleen is het voor onze oogen verborgen wanneer en door welke middelen de Voorzienigheid het zal verwezenlijken. Deze zekerheid geeft ons moed en sterkt ons in de beproevingen, die het Pausdom en de Kerk ondervinden. Moge die heerlijke dag spoedig aanbreken !
*
INHOUD.
blz. V
Inleiding. HOOFDSTUK I.
17
In Hoe Signo vinces. De overwinning van Con-stantijn op Maxentius. De vrede aan de Kerk geschonken. Uit de Katakomben in het licht der zon. De stichtingen van Constantijn en zijne schenkingen aan de Kerk. De zetel van het Romeinsche Rijk wordt van Rome naar Constantinopel verplaatst. De invallen der Barbaren. Keizer Theodosins verdeelt het rijk onder zijne twee zonen. Ondergang van het AVestersch Romeinsch Rijk. De Pausen redders van Italië. Hun toenemende invloed op de staatkundige en burgerlijke zaken van Rome en Italië............
Het Exarchaat. De Longobarden vestigen zich in Italië- Zij bedreigen voortdurend Rome. Onmacht der Cxrieksche Keizers om Rome en Italië tegen hunne aanvallen te verdedigen. De Pausen en de beeldstormende Keizers. Verminderende invloed der Keizers, toenemende invloed der Pausen.......
Nieuwe vijandelijkheden der Longobarden. Paus Gregorius vraagt hulp aan Karei Martel. Dood van Gregorius III, Karei Martel en Leo de Isauriër. Paus Zacharias reist tot twee malen naar Luitprand en weet eenige jaren den vrede met de Longobarden te bewaren. Dood van Luitprant............
HOOFDSTUK II.
34
HOOFDSTUK III.
51
II
*
biz.
HOOFDSTUK IV. Eachis, Koning' der Longobarden. Zijne oorlogen tegen het Exarchaat. Paus Zacharias brengt hem tot vreedzamer gevoelens. Hij doet afstand van den troon en begeeft zich in het klooster van Monte-Cassino. Zijn broeder Astulf volgt hem op. Deze verovert het Exarchaat. Paus Zacharias sterft. Pepijn, Koning der Franken. Eerste oorlogen van Astulf tegen Rome. Paus Stephanus en Pepijn .... 61
HOOFDSTUK V. Paus Stephanus op reis naar Frankrijk. Ontmoeting met Pepijn, die hem bijstand belooft.
Ziekte en wonderdage genezing van den Paus.
Pepijn sluit een verdrag met den Paus, waarbij hij dezen het Exarchaat toekent. Kuiperijen van Astulf. Plechtige Kroning van Pepijn,
diens gemalin en zonen door Stephanus, die den koning den titel van Patriciër des Eomei-nen schenkt. Mislukte onderhandeling met Astulf. Veldtocht van Pepijn tegen de Longo-barden: Astulf wordt gedwengen de voorwaarden van Pepijn aan te nemen, waarna de vrede gesloten wordt. Paus Stephanus keert onder de vreugdebetooningen der bevolking in Rome terug. Tractaatbreuk van Astulf.
Beleg van Rome en gruwelen der Longobarden. Tweede tocht van Pepijn : Astulf onderwerpt zich ten tweeden male........75
HOOFDSTUK VI. Dood van Astulf. Desiderius en Rachis dingen naar den troon. De tusschenkomst van Paus Stephanus bewerkt dat Desiderius alleen koning wordt en Rachis in zijn klooster terugkeert.
Paus Stephanus sterft en wordt door zijn broeder Paulus op den pauselijken troon opgevolgd. Zijne goede verstandhouding met Pepijn. Desiderius weigert zijne beloften na te komen. Onderhandelingen. Dood van Paulus I.
Rome in de macht van Toto, die zijn broeder Constantius, een leek, met geweld als Paus opdringt. Jammerlijke tooneelen.....96
Ill
biz.
HOOFDSTUK Vil. Nieuwe kuiperijen van Desiderius, die den ondergang van Christophorus en Sergius zoekt. Hij komt naar Eome en houdt den Paus gevangen in de Basiliek van den H. Petrus.
Dood van Christophorus en Sergius. Dood van Stephanus en verkiezing van Adrianus. Eerste regeeringsdaden van Adrianus. lloeielijkheden met de Longobarden. Desiderius rukt op Eome aan ; maar keert, door den banvloek bedreigd, terug. Paus Adrlaan zoekt hulp bij Karei den Groote, die met zijn leger over de Alpen trekt. Beleg van Pavia en Verona. Karei bezoekt Eome. Hij vernieuwt plechtig de schenkingen door zijn vader Pepijn gedaan en legt de oorkonde daarvan op het graf van den H. Petrus, waarna hij naar zijne legerplaats voor Pavia terugkeert. Ondergang van het Longobardische rijk. De Paus treedt in het onbetwist bezit van zijne wereldlijke macht. 118
HOOFDSTUK VIII. Uitgestrektheid en bezittingen van den H.
Stoel op het einde der 8ste eeuw. Paus Adri-aan sterft en wordt opgevolgd door Leo III. Onlusten in Eome. Karei de Groote herstelt de orde. Hij wordt door Paus Leo tot Eoomsch Keizer gekroond. De beteekenis van deze Kroning en de verhouding van den Eoomschen Keizer tot den Paselijken Stoel en deszelfs grondgebied. Dood van Karei den Groote en Paus Leo III. De eerste wordt opgevolgd door zijn zoon Lode wijk den Vroome, de tweede door Stephanus IV. Verval van liet Eijk van Karei en van de Keizerlijke waardigheid. Verwikkelingen des Keizers met den Paus. Met den dood van Karei den Dikke sterft het geslacht van Karei den Groote uit . . . . 145
HOOFDSTUK IX. De ijzeren eeuw. Staatkundige, maatschappelijke en kerkelijke toestanden van het tijdperk en de oorzaken daarvan. De Pauselijke Stoel in de eerste helft der 10de eeuw, onder de dwingelandij der Italiaansche adelpartij.
blz.
Alberik, Koning van Italië. Ofschoon overweldiger van het wereldlijk gezag der Pausen,
werd dit hem wegens de moeielijke tijdsomstandigheden en de wijsheid van zijn bestuur,
toch stilzwijgend door de Pausen toegelaten. Na zijn dood volgt zijn zoon Octavianus hem op, die, na tot Paus te zijn verheven onder den naam van Johannes XII, wederom het wereldlijk en geestelijk gezag in eene hand vereenigt............167
Herstel van de Keizerlijke waardigheid, die van Frankrijk naar Duitschland wordt verplaatst. Olto de Groote, eerste Eoomsche Keizer van de Duitsche natie. Zijne oneeuigheid met den Paus en de Romeinen. Schisma in de Kerk, doordien de Keizer een tegenpaus aanstelt tegenover Benedictus V. Nieuwe onlusten in Rome. Dood van Otto I. Partijschappen,
dood van Otto II, dwingelandij van Crescen-tius. Eenige nadere beschouwingen over de 10de eeuw. Paus Sylvester II en Keizer Otto III. Hun dood geeft aanleiding tot nieuwe dwingelandij der partijschappen. Verdere beroeringen en onlusten tot aan Paus Leo IX. . 183
Paus Leo IX. De Noormannen in Italië. Zij erkennen den Paus als opperleenheer. Paus Nicolaas II en de Synode te Rome. Paus en tegenpaus. De aanvang van den strijd tusschen Paus en Keizer. Welf en en Ghibelijnen. Aanslag op Gregorius VIL Excommunicatie van Hendrik IV. De tocht naar Canossa, Hendrik erlangt vergiffenis, maar vervalt weer in zijne vroegere misdaden. Hij wordt op nieuw geëxcommuniceerd en van den troon vervallen verklaard. Tegenpaus. Rudolf van Zwaben tot Koning uitgeroepen, Deze sneuvelt aan de Elster. Hendrik maakt zich gereed tegen Rome op te trekken...........204
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK X.
HOOFDSTUK XI. Hendriks tocht naar Rome. Weerstand der Romeinen. Verdrag tusschen Hendrik en Paus
V
Gregoritis. quot;Woordbreuk vau Hendrik IV. Nieuwe strijd. Paus Gregorius sterft. Victor III eu Paschalis II. Dood van Hendrik IV, die door ziju zoon Hendrik V wordt opgevolgd. Deze hernieuwt den investituurstrijd eu neemt Paus Paschalis en de prelaten gevangen. Dood van Paus Paschalis, Gelasius II volgt hem op. Zijne gevangenneming en vlucht. De tegenpaus. Dood van Gelasius .... 229
HOOFDSTUK XII. Caliistus II tot Paus gekozen. Concilie in Eeims.
Treurig uiteinde van den tegenpaus. Hendrik V, opnieuw in den ban gedaan, wordt het volk van den eed van getrouwheid ontslagen. Einde van den investituurstrijd. Dood van Caliistus II en van Hendrik V. Eome onder de Pausen van Houorius tot Alexander III. de strijd tusschen de Hohenstaufen en de Kerk. . . 253
HOOFDSTUK XIII. Van Alexander III tot Celestinus III. Dood van Barbarossa. Strijd met Hendrik VI, die in zijn testament ten slotte al de GEEECH-TIGHEDEX van Sint Pieter erkent. Inno-centins III bestijgt den Pauselijken troon;
ziju werken, streven en overlijden. Nieuwe strijd tusschen de Pausen en de Hohenstaufen. Zegepraal van het Pausdom in den persoon van Innocentius IV. Bonifacius VIII; zijn strijd met Philips den Schoone, de aanslag te Anagni. Zijn dood........283
HOOFDSTUK XIV. De Pausen te Avignon. Clemens V. Groote ramp bij zijne kroning. Dood van Clemens V en van Philips den Schoone, wiens geslacht kort daarop uitsterft. Gevolgen, welke de Babylonische ballingschap voor het Pausdom had. Innocentius IV bereidt den terugkeer naar Eome voor, die door paus Urbanus V eindelijk ten uitvoer gebracht en door paus Gregorius X bevestigd wordt......300
HOOFDSTUK XV. Het Westersch Schisma als gevolg van de Babylonische ballingschap. Eiude daarvan. Martinus V tot Paus verkozen. Herstel dei-orde in Rome. Paus Engenius III en zijne opvolgers Sixtus IV en Innocentius VIII zetten zijn werk voort. Leo X, Sixtus V, Clemens VIII beteugelen de oproerige baronnen en brengen eindelijk den vrede tot stand............ •
HOOFDSTUK XVI. Algemeene toestand in Europa in de 18de eeuw. Pius VI en de Fransche Revolutie. De Romeinsche Republiek. Pius VI wordt naar Frankrijk gevoerd en sterft te Valence. Verkiezing van Pius VII. Zijn intocht in Rome. Het Concordaat met Frankrijk. Napoleon kroont zich zeiven tot keizer. Ancona wordt door de Franschen bezet, onbeschaamdheid en bedreigingen tegen den H. Stoel. Bezetting van Rome, verdrijving der Kardinalen, wegvoering van den Paus.......
HOOFDSTUK XVII. Pius IX. Zijne goede bedoelingen worden dooide Revolutie misbruikt om het volk op te hitsen. Moord op Pellegrino Rossi. De Revolutie zegepraalt. Pius IX vlucht naar Gaeta. Zijn terugkeer in Rome. Overweldiging van een gedeelte der Pauselijke Staten. Castelfi-dardo. De Garibaldisten in 1867. Overwinning bij Mentana. Laatste overweldiging. Inname van Rome op 20 September 1870 . .