-ocr page 1-
-ocr page 2-

I

*

-ocr page 3-

IBlocmliofV' trai| ljutt

-ocr page 4-
-ocr page 5-

-lo/

BLOEMBÖFKE VAN RUTi.

^Zedenlessen VOOR HET DAGELIJKSCII LEVEX

VAN DEN

WEHMAI EH HIT OTISSSZIH

QETI^OKKEN

UIT DE GESCHIEDENIS VAN RUTH

DOOR

p. VAN DEN ^LSEN,

Supprior rh:r Abdij van Berne en liectnr van hct Gymnasium te TIeeswijk.

Kerkelijk goedgekeurd.

t

Drukkers en Uitgevers: H. C. VAN DER AA amp; ZONEN, OOSTERHOUT. {N. Br.)

gt;iaamene Provinri ■. ir ■ i M. , , ovlnC'a Kataiaog

Windorproodorsklooster quot;

tnivorau Qi4

-ocr page 6-

VEEGUNNING

van de Oversten der Orde van Premonstreit.

IMPRIMATUR.

Datum in Semin. Ypelaar Mc 24 Martii 1892. J. J. HOPSTAKEN.

Reg. Sem. Libr. Cens.

-ocr page 7-

VOORWOORD.

Deze zedenlessen , niet yenomen maar yetrohhen , uit de schoone geschiedenis van Ruth , gelijk die in het Oude Testament gelezen wordt, zijn reeds eenmaal verschenen in het Zondagsblad der H. Familie in de jaargangen van 1879, 1880 en 1881. De schrijver was toen niet hekend en dit heeft er gewis toe hijgedragen, dat zij veel gelezen en lesproken zijn, en eenigen naam verkregen hellen. Daar die onbekendheid zoo goed, heeft gewerkt, zou de schrijver zich nu nog schuil gehouden hellen, maar de 'uitgevers hellen hem, het masker afgerukt.

Die onlekendleid is ook oorzaak geweest, dat hij vele oprecht gemeende aanmerkingen opving, en voor zoover hij zich die nog herinneren kon, heeft hij er zijn voordeel wede gedaan in deze tweede uitgave. Vele lange zinnen zijn doorgesneden, duistere opgehelderd, en om het werkje vollediger te maken, zijn enkele bladzijden, zelfs twee nieuwe hoofdstukken ingelascht.

Het geheele werk is verdeeld in kapittels en deze hellen oorspronkelijk veelal gediend als conferentiën voor de vergaderingen van het Aart sir oederschap der 11. Familie of van eene Congregatie. Daar men zoowel in deze vergaderingen als in het Zondagsblad voorv/meljk te doen heeft met eenvoudige burgers, met werklieden, landbouwers en dienstmaagden., was het bovenal noodzakelijk, eene duidelijke en verstaanbare taal te spreken , de raadgevingen door alledaagsche gelijkenissen op te helderen en zooveel mogelijk de aandacht te boeien door het aangename met het nuttige te vermengen.

De Fthetorica gebiedt ons op de eerste plaats duidelijk te zijn , ons te voegen naar het bevattingsvermogen der hoorders of lezers j en de ondervinding leert, dat in zulke kringen bijna alles verloren gaat, als men zieh niet gemeenzaam en vertrouwelijk onder het gezelschap weet te mengen en hunne eigene taal weet te spreken. Het voorbeeld, door de Gekruide Zielespijs in deze gegeven, heb ik naar best vermogen gevolgd. Daarom meen ik te mogen hopeu, dat deze kapittels eenig nut zullen stichten in den huiselijken kring, of stof en vorm zullen leveren voor nieuwe conferentiën.

Kees wijk. Maart 1892.

-ocr page 8-

Tot meer gemak voeg ik hierbij den inhoud der verschillende conferentiën met verwijzing naar de bladzijden.

I. Lectuur of lezing, romans. Yerderfelijkheid der slechte bl. 7 — 14, 18, 19.

Het nut van goede lectuur bl. 15 — 18.

II. Hethlehcin. Beschri] ving daarvan ; landverhuizing bl. 20 — 24.

III. Kruisen. Waarom de braven ermede bezocht worden, het nut daarvan bl. 20 — 27.

IV. Levensstaat. De ouders mogen hunne kinderen daartoe niet dwingen ; zij moeten hen geleiden en helpen bl. 29 — 33.

Wanneer zij hunne kinderen daartoe slecht, wanneer goed voorbereiden bl. 34 — 38.

V. Haat of liefde tusschen bloedverwanten bl. 39 — 42.

VI. Gevaren. Gevaarlijke plaatsen moet men ontvluchten bl. 42 — 44.

VII. Vertrouwen op de Voorzienigheid bl. 44 — 47.

VUL Ouderliefde. Hoe de kinderen hunne ouders moeten liefhebben bl. 47 — 50, 67. Hoe afgeleefde ouders soms mishandeld worden bl. 50 — 54.

IX. Nieuwsgierigheid. Hoe belachelijk en gevaarlijk zij is bl. 54 -— 60.

X. Kruisen. Alle kruisen komen van God tot ons welzijn bl. GO — 66.

XI. Arbeidzaamheid en ledigheid. De ledigheid is eene verfoeielijke ondeugd, bl. 67 — 73, 78 — 87.

-ocr page 9-

— 5 —

De arbeid is noodzakelijk bl. 73 — 77.

De arbeid brengt tijdelijk geluk bl. 78 — 87. De arbeid brengt zaligheid bl. 88 — 92.

XII. Goede voorneniens. Waarom ze dikwijls zoo onstandvastig zijn bl. 92 — 99.

XIII. Liberalisme en socialisme. Wat is het ?

bl. 100 — 104.

Volkomen gelijkheid is dwaasheid bl. 104 — 106. Eene christelijke gelijkheid wordt geboden bl. 106 — 110.

Het Socialisme komt voort uit het Liberalisme bl. 110—112.

Beider eigenwaan, heerschzucht en andere hebbelijkheden bl. 112 — 118.

Hunne opvattingen omtrent vrijheid , eigendomsrecht en gehoorzaamheid weerlegd bl. 118 — 129.

XI\ . Gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid is noodzakelijk bl. 119—122.

De gehoorzaamheid is geen lafheid 126, 127. Zij heeft haar lasten maar ook haar genoegens bl. 126, 127.

Men moet 1° gewillig gehoorzamen, 2° blindelings, 3° van harte, 4° bestendig bl. 130 — 142.

XV. Plichten van oversten jegens onderdanen.

Een heer moet zijn onderdaan of werkman 1° liefderijk bejegenen bl. 143,144. 2° eeu goed voorbeeld geven bl. 144 — 146. 3° hen als zijne broeders in Christus beschouwen bl. 146 — 148. 4° en als zoodanig eerbiedigen bl. 149 —151. 5° de godsdienstzin moet zichtbaar zijn in groeten, meubelen, kleederen enz., bl. 152 — 154.

XVI. Liefdadigheid. Zij wordt van den Christen geëischt, maakt hem gelukkig en wordt hem zelfs door de booze wereld geleerd bl. 154— 164.

Zij wordt gemakkelijk door het vermijden der gierigheid en weelde bl. 160— 172.

-ocr page 10-

XVII. Gierigheid en hebzucht, bi. 160 — 162.

XVIII. Weelde en zingenot. Weelde is 1°. ongeoorloofd bl. 162 — 163. 2°. brengt geen waar genoegen bl. 163 —165. 3°. maakt velen arm en ongelukkig bl. 165 — 168. 4°. geeft groote ergernis bl. 168 — 169 ; voedt bet socialisme bl. 169 — 171.

XIX. De joden. 1°. Invloed en overbeerscbing dei-joden bl. 172 — 178. 2°. Hoe velen zich door hen laten misleiden bl. 178 — 182. 3°. Hoe wij ons tegenover hen moeten gedragen bl. 183 — 188.

XX. De verkeering. 1°. Jong verkeeren is bespottelijk bl. 191 —194. 2°. Zonder goede reden verkeeren is dwaas , gevaarlijk , verderfelijk bl. 194 —198. 3°. Hoe de ouders moeten toezien bl. 199 — 206, 219 — 221, 228 — 236.

XXI. De maagdelijkheid. 1°. Hoezeer zij te prijzen is bl. 207. 2°. Hoe sommigen er misbruik van makendoor schijnheiligheid. 3°. Een goed huwelijk is beter dan zulk een schijnheilig leven. bl. 208—214.

XXII. Het huwelijk. 1° Hoe een Christen dochter tot een goed huwelijk komt. De zedigheid bl. 215, 216. De kleeding bl. 216 — 218. De goede verkeering bl. 219 — 221, 232, 236. 2° Welke hoedanigheden moet een jongeling in zijne aanstaande bruid vorderen bl. 222 — 225. 3° Een ongelukkig huwelijk. Hoe men het voorkomen kan bl. 225 — 227. 4° Hoe men in de klem geraakt of tot een slecht huwelijk komt. Onbezonnen en geheime verkeeringen bl. 228 — 236.

XXI1L De Bruiloft. Geene bruiloften vóór het huwelijk bl. 238 — 241. Hoe zij moet gevierd worden bl. 241 — 244.

-ocr page 11-

EERSTE KAPITTEL,

waarin van andere boeken veel kwaad wordt gezegd, om dit boek te recommandeeren.

„Hij die het woord Gods aanhoort,quot; zegt de H. Jaco-bus , „en het niet doet, is g'elijk aan een, man , die zijn natuurlijk aangezicht in den spiegel beschouwt; want hij beziet zich , gaat heen , en is dan aanstonds vergeten , hoe hij er uitzag.quot; Hoe komt het toch wel, waarde lezer, dat de H. Jacobus hier van een man en niet van eene vrouw [spreekt ? Eene vrouw toch en niet een man zal men het meest voor den spiegel vinden, 't Is vreemd, maar toch als gij 't nader beschouwt,quot; zult ge zien , dat hij gelijk had.

De H. Jac. immers moest eene gelijkenis hebben van iemand, die het woord Gods zelden en slecht aanhoort, er weinig over nadenkt en liet alzoo spoedig vergeet. Daarom stelt hij den man voor, die zelden voor den spiegel verschijnt en het dan zoo gauw afdoet als een dnnkebroer, die voor de toonbank komt geloopen, m een wip zijn slokje ligt en met zijn zak op den rug weer over de straat loopt alsof het eene vergissing' geweest was. De H. Jac. had dus reden eenen zich spiegelenden man aan te halen, omdat hij eene gelijkenis noodig ha 1 van hen, die Gods geboden niet ernstig nazien en overwegen, en ze daarom vergeten in beoefening te brengen. Maar ik wil u eens eene wouw als toonbeeld aanwijzen, en wel de ijdelste en grootste pop, die gij vinden kunt. Ik wil hebben dat ge zulk eene navolgt, en even als zij met de grootste aandacht in den spiegel ziet, alsof - gij

2 Ruth.

-ocr page 12-

— 8 —

nu niets anders te doen hadt. „Dat is aardig, dat is vreerad,quot; zult gij zeggen, „dat hel) ik nog nooit gehoord; integendeel, ik heb altijd gemeend, dat al te groote zorg voor den opschik van 't vergankelijk lichaam, eene groote

dwaasheid is.quot;

Och , vriend, ge denkt ook altijd aan het lichaam , weet gij niet dat de ziel ook haren spiegel heeft, waarin zij zich moet optooien ? Heht ge er nooit op gelet, wat er in de litanie van Lorette wordt gebeden ? Daar staat: „Spiegel der rechtvaardigheid, bid voor ons.quot; Ziet gij nu niet, dat de H. Maagd een spiegel genoemd wordt ? Zoo zijn alle Heiligen een spiegel en zoo is de brave Enih ook een spiegel, niet om uw lichaam op te schikken , maar om uwe ziel te sieren met alle soorten van deugden.

Een andere spiegel toont u altijd een beeld dat zoo schoon en zoo leelijk is als gij zelf zijt, maar deze spiegel houdt u een beeld voor, dat volmaakt is, dat gij niet moet veranderen, maar waarnaar gij u zeiven moet vervormen, dat gij van alle kanten moet opnemen, en lang en dikwijls beschouwen; dan zult gij bemerken dat er in u vele valsche plooien en vlekken zijn en aanstonds zult gij u gaan reinigen.

Waarde lezer, gij hebt misschien wel ooit , toen gij niets meer te doen hadt, een of ander hoekje bij de hand gegrepen ; gij stondt verhaasd, dat de menschen in bO dagen om de wereld reizen en dan zulke wonderbare dingen hooren , zien en doen, dat zij zich zonder mirakels uit de grootste moeielijkheden redden, welke zonder mirakels volgens uw beperkt oordeel niet overwonnen kunnen worden.

Ik had uwe oogen wel eens willen zien, toen gij daar

-ocr page 13-

met groote letters geschreven zaagt, dat men naar de maan kan reizen en naar den afgrond der zee ; dunkt u niet dat de wetenschap weldra zoover zal gevorderd zijn, dat men de bloemen en kransen aan de poorten des hemels zal hebben zien waaien, of de hel hooren sissen ? Neen , neen gij' ziilt u niet laten misleiden. Misschien hebt gij reeds niet zulke lectuur veel tijd verkwist, en •eindelijk afgemat met verachting uw roman weggeworpen, misschien verbrand, opdat hij u nooit meer zal kunnen plagen. Gij deedt wel, ik geef u volkomen gelijk; laat alle romans naar de maan reizen.

't Zijn alle verdichtsels, ten minste van niet één verhaal kunt gij zeker zijn, zij prikkelen uwe nieuwsgierigheid ; och wees toch wijzer, uit dien minnenijd of liefde volgt immers altijd moorden en wanhopen ? Zij wekken de verbeelding en hartstochten op, door alle soorten van gemeenheden met nette kleuren af te schilderen; gij vindt smaak in hunne verbloemde voorstellingen, bemerkt de schuilende adder niet, en zoo wordt gij langzamerhand gevangen , omdat uw hart tegelijk met de liefde voor het fraaie ook de liefde voor, of de mindere afkee-righeid van het leelijke heeft ingezogen. Wat ik hiervan boeken zeg, beste vriend, dat geldt ook van slechte vrienden en tooneelen.

Ja maar er zijn ook goede romans, zegt gij. O , ja, de eene is beter dan de andere. De goede , van brave Katholieken afkomstig, worden geschreven om u van de slechte af te weren. Doch alle zonder uitzondering zijn gevaarlijk, maken u op het lezen verzot, vreten den tijd op, kwellen de hersens en ontnemen het denkvermogen.

Geen ziekte zoo hedriegelijk en noodlottig als de tering. De teringlijder voelt geen pijn ; hij is niet ziek, zegt hij,

-ocr page 14-

— 10 —

maar zwak , en als de schoone zomerdagen komen , dan is hij klaar; als zijn hoest maar eens los is , dan is hij ' zoo gezond als een snoek. De zomerdagen naderen, maaide gezondheid geraakt al verder en verder van huis , en nog altijd meent hij gezond te zijn , omdat hem geen pijn waarschuwt; en al is hij op het punt van sterven, dan zult gij niet zonder veel moeite hem van 't groot gevaar overtuigen ; hij sterft gezond.

Juist zoo gaat liet met lezers van slechte boeken of couranten, zij kwijnen in 't geloof; en durft ge't wagen van het gevaar te spreken waarin zij verkeeren, gij quot;blaft tegen de maan. Zij blijven even bleek en stijf, zij houden zich voor de eigenlijke geleerden, critiseeren alles , verachten alles, vooral het gezag, verfoeien alles behalve de zonde. Verstand en hart worden bedorven, hun geloof en geestelijk leven zijn vergaan en nog merken zij 't niet, zij lijden aan een soort van tering , zij zijn ziek en wanen zich gezond, zij zijn dood en meenen te leven. Evenals de tering zelden geneest, zoo zijn ook zij niet te verbeteren ; hunne kwaal is te ver gevorderd ; het verstand is blijde van allen band van gehoorzaamheid ontslagen te zijn; het hart, door geheime driften vervoerd, weet zelfs niet dat het kwaad doet; van geloof en deugd is alleen de naam overgebleven , men is nog katholiek t omdat men Ouders of Ooms heeft, die niet weten , dat men het niet is.

„Ho, ho !quot; hoor ik iemand uitroepen, „neen dat is te grof, zoo ver zal ik niet gaan, ik weet zeer goed wat in mijn lectuur, in mijn makkers of spelen, afkeurenswaardig is, en dat zal ik vermijden.quot; Pardon, vriend, dat zult gij niet. G-elooft gij niet, dat die drift tot lezen en dat zoeken om te genieten veel van eene tering heeft ? Mis-

-ocr page 15-

— 11 —

schien lijdt ge er zelf wel aan zonder het te weten. Ten minste als gij weet hoe de H. Kerk uwe geliefde voorwerpen verafschuwt, en als gij dan toch voortgaat, dan toont gij reeds iets te hebben geërfd van den onedelen vrijheidsgeest ; van den geest, die met luisteren wil naar de smeekende stem der eerbiedwaardige Moeder, die door Ood is aangesteld om de kinderen der menschen de waarheid en deugd te leeren, te waarschuwen voor dwaalbegrippen en het gif aan te wijzen dat in de lezing van sommige boeken, in den omgang met sommige menschen , en in het bijwonen van sommige gezelschappen verscholen ligt.

De onvergetelijke Paus Pius IX z. g. schreef een rondgaanden brief voor de gansche wereld , en daarin vind ik deze woorden : „de bittere vijanden van deugd en waarheid trachten door verderfelijke boeken , vlugschriften en couranten het volk te verleiden en godde-looze leerstellingen te verkondigen.quot; Zoo spreekt de Paus ; wilt gij geleerder zijn ? Durft gij zeggen dat ze geen kwaad doen ? Dat durfden die goddelooze schrijvers zeiven niet te zeggen; straks zal ik u zeggen hoe zij over hun eigen geschrijf denken.

Maar waar moet het heen met de geschiedenis van Euth ? Daar komt nog niets van, waartoe dient toch het opschrift van dit boek ?

Greduld, mijn vriend, alles moet zijn tijd hebben, een gesmeukte appel smaakt het best. Laat ons eerst nog wat keuvelen in 't voorportaal, dan zullen wij de groote zaal binnentreden, eerst onze schoenen zuiveren en onze klee-ren afstoffen , vooraleer wij het heiligdom der gewijde Schrift binnengaan.

-ocr page 16-

— 12 —

TWEEDE KAPITTEL,

waarin duidelijker wordt aangetoond, dat vele: geschriften inderdaad verderfelijk zijn.

Waarde lezer, gij hebt het oordeel van Z. H. den Paus over het modern geschrijf gehoord ; ik zou een massa gelijkluidende citaten kunnen aanhalen, maar gij houdt niet van die hoogverheven uitgerekte volzinnen. Welnu,, ik zal er dan maar één korten kernachtigen voor u aanhalen, die gepubliceerd is door onze HoogEerw. Bisschoppen, toen zij in 1865 in concilie bij elkander waren. Als gij latijn kent, lees dan de bepalingen en voorschriften welke toen gegeven zijn. Wat staat er op blz. 109 ? Met nadruk wordt daar de omgang met andersgezinden afgekeurd en verboden , in hunne godsdienstoefeningen of preeken tegenwoordig te zijn ; daar worden maatregelen genomen tegen de ergernis , welke dienstboden of kinderen in den omgang met niet- Katholieken lijden ; daar staat geschreven, dat te groote gemeenzaamheid met de Joden moet vermeden worden. In één woord elk gezelschap, waar de godsdienstige gezindheid gevaar loopt; elk verkeer met niet- schijn- of half- katholieken kan niet gerechtvaardigd worden , als er geen gewichtige-redenen voorhanden zijn en geene voorzichtige maatregelen worden genomen, om alle schade voor 't geloof te beletten.

En nu die kernachtige volzin : .,De zuiverheid des ge-loofs en de reinheid van zeden worden met het grootste-gevaar bedreigd door die pest van slechte boeken.quot; En welke zijn die boeken ? Het zijn diegenen „welke expres.

-ocr page 17-

over onreine voorwerpen handelen of die tegen den godsdienst en goede zeden inwerken.quot; Dit doen de slechte romans, zooals ik u geleerd heb. Verder varen de Vaders van het Concilie uit tegen de vlugschriften en couranten en dan „bidden en sraeeken zij uit al hunne krachten door Grod en om God,quot; dat eenieder die goddelooze werktuigen van ganscher harte verfoeien en vluchten zal als de pest. Zij vermanen alle pastoors er voor te waken , dat die pest niet tot hunne kudde doordringe, en te zorgen , dat er goede boeken en couranten zijn voor die lezen willen.

Wanneer nu zulke mannen met zooveel klem het gevaar bespreken , dan moet hi] wel hoog geleerd of erg krankzinnig zijn, die nog zeggen durft, dat er geen gevaar in steekt ze te lezen en die profiteer en durft, dat hij zich niet zal laten misleiden. Zoo iemand zou nog dwazer zijn dan de dwaze schrijvers zelf, die bekennen, dat zij niets anders dan den ondergang der Kerk en het bederf der jeugd beoogen.

De leepe Rousseau heeft in een gelukkig oogenblik verklaard : dat hij geen zijner boeken kon aanzien zonder te sidderen, „maar de hartstocht doet mij afdwalen,quot; zegt hij , „en ondanks al mijne fraaie woorden ben ik niets minder dan een booswicht.quot;

Hoort gij het, waarde lezer, zulk eene bekentenis werd hem nog door zijn diepgezonken geweten afgeperst, en minder wanhopig, maar even waar en duidelijker is het, wat hij op een anderen keer zeide : „men heeft de lezing mijner romans nuttig willen maken voor de jeugd ; een dwazer plan ken ik niet; het is, zijn huis in brand steken om de spuiten te laten werken.quot; Kan het wel schooner uitgedrukt worden dan het door dezen leelijken

-ocr page 18-

— 14 —

schrijver gedaan is ? Gij wilt door uw lezen letterkunde, gemakkelijkheid van spreken, kennis van zaken en wat al meer opdoen, gij wilt door uwen omgang de welvoe-gelijkheid en wetenschap aanwinnen misschien wel anderen daardoor hekeeren ? Weet gij wat gij doet ? G-ij steekt het huis in hrand , gij leert twijfelen en verachten, gij ontsteekt in u een allerverteerend vuur. Gij kunt dan later met spuiten komen, maar welke middelen ook worden aangewend, het zal niet meer haten, dat vuur heeft als eene tering het geheele lichaam doorgewoeld. Er is geen redding meer. Ziedaar nu de gevolgen der slechte lectuur door heilige en onheilige getuigen bewezen.

Gij zult met mij nu wel aannemen, waarde lezer, dat die geschriften , waarin onder stichtende ook lasterende verhalen over Kerk, geloof en priesters worden verdicht en opgedischt, waarin de verbeelding gekweld, de nieuwsgierigheid gevoed, de ondeugden en booswichten vergoelijkt of niet naar verdiensten bestraft worden , dat die geschriften, zeg ik, in hoe lieven vorm zij ook verschijnen , gevaarlijk en verderfelijk zijn. En hoe fraaier de stijl is, hoe godsdienstiger en heiliger zij schijnen, des te meer kans hebbeu zij om ingang te vinden en hun gif uit te strooien. Hoe meer de adder verborgen is, des te gemakkelijker zal zij u verrassen. Geen wonder dan dat de Paus en bisschoppen met zooveel ernst en nadruk daartegen waarschuwen. Wie zoo onbeschaamd is , dat hij die wenken niet telt, misschien er meê spot, hij bedenke, dat de schrijvers zelf, met wie hij zooveel op heeft, voor hun eigen boeken sidderen , omdat zij het geloof ondermijnen en de zeden verpesten. Wie met die heilige raadgevingen der overheid spot, bewijst door zijne handelwijze genoeg, wat de slechte omgang eu lectuur op

-ocr page 19-

het hart van den mensch vermogen.

Neem het mij niet kwalijk , waarde lezer, dat ik zoo serieus geworden ben. De stof is serieus en moet serieus behandeld worden. Wat zult gij voortaan lezen ? Moei gij lezen ? Is een courant of boek u zoo noodzakelijk geworden als een lorgnette of sigaar ? Welnu, dan zal ik in het volgend kapittel zeggen , wat gij lezen moet.

DERDE KAPITTEL,

waarin bewezen wordt, dat men de geschiedenis van Ruth moet lezen.

Wat zult gij lezen ? Lees godsdienstige werken en boeken die uwe hersens niet kwalijk aandoen en door brave Katholieken , die niet verdacht zijn , werden geschreven ; lees levens van heiligen of de geschiedenis van het O. en K. Testament. Dat zal in het eerst niet bevallen en wat droog zijn, maar uw smaak is misschien wel wat verbasterd; begin maar en doe een weinig moeite; het nut dat gij er uit zult trekken is wel wat moeite en verveling waardig; spoedig zult gij daarin zalving en troost vindon, terwijl andere boeken u altijd ontevreden heenzenden en door nieuwsgierigheid en andere begeerten zullen verontrusten.

Gij verlangt misschien boeiende verhalen ('t is wel opmerkelijk, dat thans alles los en vrij moet zijn, alleen de boeken mogen en moeten nog binden en boeien,) welnu,

-ocr page 20-

die zijn ook in goede boekon genoeg te vinden ; maar ik weet wel waar de knoop zit: iets wat goed is en ten goede werkt zal liet bedorven menschelijk hart nooit zooveel trekken en boeien als het kwaad. De deugd is zooveel attentie niet waard in de wereld. Het kwaad wordt opgemerkt, het goede vergeten. Toen zekere vreemdeling in onze gemeente kwam, hoorde ik dadelijk, dat hij wantrouwig was, omdat hij zijne kas op den rug droeg, maar dat hij zoo goed bij de hand was , heb ik lang nadien moeten ondervinden ; wat kwaad is wordt verteld, wat goed is wordt verzwegen, verkleind ot ten kwade geduid. Wat onze hartstochten streelt, en de nieuwsgierigheid voldoet, zal meer de aandacht trekken en boeien?

De waarheid en deugd alleen hebben veel schoons en aantrekkelijks voor hen die ze zoeken. Wie kan zonder aandacht lezen en herlezen hoe de gehoorzame Abraham zijn eenig geliefden zoon vastbindt en het mes uitsteekt om hem te offeren?

Komt er niets in uw hart of oog op, als gij den ouden afgeleefden Jacob zijn teergeliefden Jozef ziet omhelzen, dien hij reeds jaren lang als een doode had beweend T en die nu tot onderkoning van Egypte verheven is ? Wie denkt dan niet aan Gods vaderlijke goedheid , die op zoo onovertreffelijke wijze de nederige deugd beloont en boven alle verwachting verheft ? Gevoelt gij geen. verontwaardiging, als gij den ontaarden zoon Absalon tegen zijn vader, den goeden David, ziet opstaan ? Weinig medelijden ontwaart gij , wanneer gij dien ongelukkige later met zijn haren in de takken verward ziet hangen , en als gij dan David den ellendigen dood van zijn zoon hoort betreuren, dan zoudt ge haast meê schreien.

-ocr page 21-

— 17 —

getroffen door de rampen , welke dien heiligen koning tuchtigen.

Ziedaar, lieve lezer, onder duizend anderen eenige gebeurtenissen, die uwe aandacht meer dan waardig zijn. Vul uw hoofd dan niet op met ijdele verzinsels door wereldsche schrijvers uitgedacht, maar voed uw verstand met ware histories en bij voorkeur met die der heldendaden, welke onder Gods bijzondere leiding geschied, op Zijne ingeving zijn opgeteekend, en daarom onfeilbaar zeker zijn. Ze zullen uw verstand naar boven verheffen, uw hart verheugen, troosten en opwekken tot navolging.

Maar gij wilt voor uwe uitspanning zulke ernstige verhalen niet ? Geloof mij, vriend, die eenvoudige taal, die treffende ware voorbeelden van heilige menschen zullen u meer verkwikken en ontspannen dan die verdichtsels, welke mooi ingekleed zijn, maar altijd ongerustheid achterlaten. En wilt gij tusschenlieiden eens lachen, lees dan hoe de sterke Simson fakkels bond aan de staarten der jakhalzen en ze alzoo in de akkers der Philistijnen joeg, om hun koren te verbranden ; zie eens na hoe de kikkers tegen Pharao's paleis opklouterden en zelfs in zijn bed kropen ; bedenk eens met welke gretigheid de Joden in de woestijn naar uien verlangden , maar beschouw dan ook eens u zeiven, ot gij misschien ook niet te veel naar uien zoekt in alles wat gij leest, en meer het vermakelijke dan het nuttige voor oogen houdt.

Te lang , waarde lezer, heb ik u met een inleiding bezig gehouden; maar gij zult toch wel weten dat een lange hoorn aan den kop eener koe zijn nut kan hebben ? Dit lang verpoozen aan het hoofd van deze geschiedenis zal u, hoop ik , geleerd hebben nut te trekken uit en

-ocr page 22-

— 18 —

niet ter loops heen te gaan over de nuttige lessen die verder nog volgen zullen , maar met aandacht en ernst, als een trotsche dame u daarin te spiegelen; en wanneer dit o£ andere stichtende verhalen u te flauw en te droog schijnen, u zeiven wat moeite te doen het goede te lezen, het groote nut indachtig dat er uit voortvloeit, en niet terug te keeren naar die boeiende opgesmukte vertelsels, die men zeer goed met modepoppen of gepleisterde graven zou kunnen vergelijken.

Onze kleinen zijn algemeen op zoetigheden zoo verzot, dat zij zich zouden doodsnoepen, als Ma het suikergoed niet weghorg of de trommel met de beschuit niet aan den zolder ophing; zoo, waarde lezer, zoo zijn er ook wel grooten, die te veel op zoetigheden belust zijn, die alles maar zien en hooren willen wat vermakelijk is, zonder te vragen of het ook niet nadeelig en gevaarlijk is voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid. En die kinderachtige dwaasheid begaan vele lezers ; ze geven er niet om, waar de krant van daan komt, welke beginselen zij voorstaat, wat haar hoofddoel is, als het „allerleiquot; maar lang is, als er maar veel nieuws en veel prettigs goedkoop kan gelezen worden. Ze kijken weinig naar het nuttige eener lectuur , maar vooral of alleen, naar het mooie en zoete en loopen dus gevaar van zich aan die lekkernijen dood te snoepen.

Daarom heeft onze moeder de H. Kerk den korf opgehangen en sommige boeken en geschriften aan hare kinderen verboden, dezulken namelijk, welke voor geloof en zeden schadelijk kunnen zijn ; hieronder behooren de verderfelijke romans , dit immers zagen wij , èn uit de natuur der zaak, èn uit de bekentenis dier leelijke schrijvers zeiven.

-ocr page 23-

19

Onze goede Moeder onthoudt ons niet alleen datgene, wat de nieiiwsgierigheid prikkelt, de hartstochten opzweept en aldus ten verderve voert, neen, zi] geeft ons ook goede hoeken in de plaats, die waarlijk een voedsel zijn voor onze ziel, zij zet ons gezonde spijzen voor, zij wijst ons voornamelijk op de H. Schrift en de levens der Heiligen. Deze zijn als zoovele brieven, welke God of de heiligen ons geschreven hebben, om ons op onze moeielijke reis door dit leven den weg te wijzen. Ze zijn dus alle attentie waardig.

Nu moet ge niet denken , waarde lezer, dat dit geestelijk voedsel door onze goede Ma aangeboden een droog en smakeloos voedsel is, neen, onze hemelsche Vaderen onze wijze Moeder weten wel dat wij, zwakke menschen, droge spijzen moeielijk door onze keel kunnen krijgen ; ze hebben er daarom voor gezorgd, dat hunne brieven of boeken met veel aangenaams vermengd zijn, dat die spijs als 'tware met eene lekkere sous is overgoten.

De geschiedenis van Huth nu is zeker een der leerrijkste en aangenaamste histories des Bijbels. Ik hoop dat gij ze met genoegen zult lezen, maar vooral dat gij voor dien schoonen spiegel de zwarte vlekjes zult opmerken, waardoor uwe ziel nog ontsierd is, en gij niet zult vergeten die zoo spoedig mogelijk uit te wisschen.

-ocr page 24-

— 20 —

VIERDE KAPITTEL.

Oost West, thuis best.

Bethlehem. — O ! wie kent Bethlehem niet ? Hoeveel schoone herinneringen zijn aan dien naam verbonden! Bethlehem is een dorp. dicht hij Jerusalem gelegen, en telt thans hij de 1800 christene zielen en zieltjes, een dorp, dat door den Hemel hoven de heele aarde is uitgekozen om den Verlosser der menschheid in zijne grotten te ontvangen en het eerste levenslicht te schenken. — Bethlehem , dat op dien heuglijken nacht door een heerlijk licht bestraald werd, \ — Bethlehem waar de liefelijke tonen der Engelen weerklonken en het eerste „G-loria.- in Exjelsisquot; werd aangeheven. — Bethlehem, wiens Lrave herders werden wakker gezongen en uitge-noodigd, om het lieve wichtje, dat de wereld moest redden , in zijne kribbe te bezoeken en te bewonderen. — Bethlehem , waarboven glanzend een heerlijke ster verscheen , om de drie Koningen naar den kleinen Koning te roepen, opdat zij hem hunne hulde zouden bewijzen en rijke geschenken aanbieden. — Bethlehem, o ! welk een gelukkig , welk éen gezegend dorpje ! Bethlehem . waar 1730 jaren voor de geboorte van dien Kleine de kleine Benjamin geboren werd ten koste van het leven zijner moeder , de schoone Kachel. — Bethlehem, waar eenige maanden na de geboorte van dat Groddelijk Kind, op bevel van den nijdigen viervorst Herodes, alle kinderen onder de twee jaren, aan hunne moeders ontrukt, wreedaardig werden vermoord en zonder strijd den zegepalm behaalden.

-ocr page 25-

— 21 —

Wie kent Bethlehem niet, dat zooveel quot;blijde herrin-neringen medebrengt? Neen, Bethlehem, gij zijt het kleinste niet onder de dorpen van Juda, omdat gij den Grootste ter wereld gebracht hebt; gij zijt de minste niet, want over den ganschen aardbol is uw naam gekend, geëerd en geroemd.

Dat klein gezegend Betlehem, waarde lezer , is niet minder beroemd geworden om de brave familie, die daar reeds 1200 jaren voor Christus een voorbeeld van de schoonste deugden gaf. Het was Elimelech met zijn vrouw Kbëmi en twee zonen , die daar hun orderlioud vonden in het bewerken van eenen akker, ueze was hun bijzonder lief, omdat hij voor jaren en jaren aan hunne familie had toebehoord en nooit het eigendom van een vreemdeling geweest was. Zij leefden gelukkig en tevreden, volbrachten nauwgezet hunne plichten en konden met werken genoeg verdienen om in hunnen nooddruft te voorzien ; wat zouden ze meer verlangen ? Maar op eens worden dat geluk en die vrede gestoord. Het land wordt door een schrikkelijken hongersnood geteisterd, alle voorraad is spoedig op , er komt gebrek, en onze goede lieden zijn genoodzaakt om dien akker, dat heilige kleinood hunner-voorouders voor een som gelds aan vreemde handen over te doen. Yan de opbrengst werden de schulden betaald; het overige was genoeg om weer een tijdlang zich zeiven en hunne lotgenooten te helpen , doch spoedig was het verteerd , en geen uitkomst kwam opdagen. De hongersnood bleef aanhouden.

Velen hunner dorpsgenooten waren reeds naar vruchtbaarder landen vertrokken, ook zij moesten eindelijk dooiden nood gedwongen hunnen geboortegrond verlaten en naar een beteren uitzien. Grij kunt begrijpen , waarde

-ocr page 26-

lezer, hoeveel moeite en tranen dit gekost heeft, wat zij lang gedraald hebben, eer zij tot dit besluit konden overgaan, en hoe dikwijls zij hebben omgezien naar hunne schamele woning, naar dat H. Land, dat door God zeiven aan hun volk was afgestaan, en dat altijd zoo zichtbaar door Hem was beschermd; maar de nood dwingt hen , en zij verhuizen met het weinige dat zij nog over hebben , om zich te vestigen in een vreemd land , het land van Moab.

Ook bij ons , waarde lezer, zien wij soortgelijke verhuizingen, maar die niet altijd even goed kunnen gerechtvaardigd worden. Daar kunnen menschen zijn, die zoowel als Elimelech gegronde redenen hebben hun vaderland vaarwel te zeggen. Daar zijn er ook die heengaan, omdat de politie hen achterna zit of omdat zij wegens wangedrag overal een blauwe scheen te duchten hebben; van dezen is het ook niet kwalijk te nemen, dat zij een veiliger oord opzoeken tot zoo lang zij daar weer in dezelfde positie geraken; wij zijn blijde zelfs als zulk volkje over de grenzen gezet wordt. Maar daar zijn er ook die hier gemakkelijk hun brood konden verdienen , als zij maar. oppasten ; doch die liever eten zonder werken, die e morgen een paar kikkertjes wippen en o ■ ordng met ue handen in den zak loopen , als er geen pj'.tijïjes te frequenteeren zijn. Zulken staan natuurlijk spoedig bij eiken herbergier en winkelier dik in het krijt, nu worden zij door dezen dan door genen lastig gevallen. Zij ontmoeten een goede kennis en het is dadelijk : „Ah ! vriend, jouw moet ik net hebben, je hebt nog wat bij mij staan , wanneer kom je ?quot; 't Gaat zoo in eiken winkel, zelfs op de straat : „drommel, ben je daar, wanneer betaal je.quot; Waarachtig, men zou er kwade

-ocr page 27-

nukken van krijgen ; binnen 's huis gaat liet er ook alles quot;behalve lief toe, de een verhaalt liet op den ander; daarbij de soep wordt al dunner en dunner, 't is geen wonder, dat men naar elders uitziet, om zich uit die benauwdheid te redden.

Daar klinkt op èens de zoete tijding in de ooreu, dat men maar over zee moet steken om in eens rijk te zijn. Ha ! dat is getroffen, dat is een gelukkige inval! Daar groeit het geld van zelf in den zak, met weinig werken en nazien komt men zoover , dat men binnen weinige jaren op zijne lauweren kan leven , en terugkomen om te teren op den goed gespekten geldzak. Gelukkige inval! het boeltje wordt verkocht of in den steek gelaten en men stoomt naar Amerika. Dat is gelukt, daar treedt hij als versch man een paradijs binnen , waar de vogels gebraden in den mond vliegen. Zoo denkt hij misschien, maar, ja wel, hij ondervindt spoedig, dat de menschen daar ook al van Adam afstammen, dat ze ook al tot zweeten eu arbeiden gedoemd zijn. Nu moet hij aan het werk , maar het gaat hem niet af, hij kent den grond, hij kent 's lands gebruiken niet om goed aan den kost te komen, ' en de beurs is gauw weer zoo plat als vrc 'ir, ja platter nog, want hij kan de terugreize niet ;r betalen.

Ja maar, zult gij zeggen , ik ken er toch , die 'la een goeden buit gemaakt hebben. Dat kan een of andev gelukt zijn , waarde lezer, maar toch niet zonder veel moeite en arbeid ; laten een of ander goede zaken gemaakt hebben, ik zou liever hier met een weinig tevreden zijn en denken : beter één vogel in de hand dan tien in de lucht. Daarenboven men diende toch ook wel eens aan zijn ziel te denken of die ginds ook zoo goed het hare krijgen zal; wat baat liet u heel Amerika te win-

3 Ruth.

-ocr page 28-

— 24 —

nen als gij haar verliest ?

De Oost is wel de beste voorraadschuur voor alle gelukzoekers ; is er ergens een luilekkerland, dan is het daar en toch vraag het eens aan hen die daar geweest zijn, wat ze er van denken, hoe het er met lichaam en ziel gaat. De slotsom zal in het gulden spreekwoordje vervat zijn : Oost JJ'est, f/iuis best.

VIJFDE KAPITTEL. G-od tuchtigt Zijne vrienden.

Een ongeluk komt zelden alleen. Nauwelijks is het arme huisgezin van Elimelech in het vreemde Moah gevestigd, of de oude man moet op het ziekbed en sterft, waarschijnlijk ten gevolge der rampen, welke hem hadden getroffen, gevoegd bij de afmatting van die lange reis en de verandering van luchtstreek. En daar bleef het nog niet bij. 1 Ook de twee zonen volgden hunnen vader spoedig in 't graf en de oude moeder ISToëmi was alleen nog over. O ! welk een slag voor die goede vrouw ? In haar vaderland had zij al hare goederen door den hongersnood zien verteren, uit gebrek had men alles moeten verkoopen, en alles opgemaakt. Daar zit zij nu ver van alle kennissen, in een vreemd land, beroofd van man en zonen , de eenige troost en steun die haar nog was overgebleven.

Ware zij maar gestorven ; zij kon zich het moeilijkst

-ocr page 29-

behelpen, zij ware het beste te missen geweest ; maar de goddelijke voorzienigheid beschikte 't anders, en wie zal het afkeuren? Wij, waarde lezer, zouden in onze waanwijsheid er dadelijk tusschensohieten en zeggen; „dat was zus of zoo beter geweest, de vrouw had moeten sterven , de man zou beter henen kunnen,quot; enz. Maar Ood is Heer en Meester, een alwijze Meester. Hij is de baas, laat den baas begaan. Laat den pottenbakker zijn leem uitkiezen, en er van maken wat hij wil. Iemand die liet vak niet verstaat, zal het een of ander al licht afkeuren; zoo zullen ook wij , die in de huishouding Gods bij langen niet op de hoogte zijn , iets kwaad of verkeerd noemen , dat toch de Alwijze juist zoo gewild heeft; maar hoe onnaspeurlijk Zijn wegen ook zijn, wij kennen het leervolle rijmpje:

't Kan niet anders zijn dan goed.

Alles wat de Schepper doet.

Maar , zoo vraagt gij , waarom de brave Noëmi zoo getuchtigd ? Ik vind liet onverklaarbaar dat God de brave menschen zoo straft, terwijl de deugnieten een lui en lekker leventje lijden. Zacht wat, vriend , laat mij ook eens iets vragen. Waarom uwen besten jas zoo dikwijls geschuierd en uitgeklopt, terwijl ge uw alledaag-schen , die het toch veel meer van doen had, zoo vuil laat als hij is ? Dat is heel natuurlijk, zult gij antwoorden , van mijn besten jas houd ik het meest, die moet mijn beste blijven , daar ga ik Zondags mêe pronken , daarom moet hij in eere gehouden en netjes afgeborsteld worden en geducht van de karwats hebben ; maar den anderen, dat komt zoo nauw niet, die is voor stal of winkel bestemd , en het poetsen zou ook weinig baten.

Pront geantwoord. Maar , vriend, neem het dan niet

-ocr page 30-

— 26 —

kwalijk dat Onze lieve Heer ook zoo handelt. Hij wil dat zijn beste vrienden de besten blijven, daarom moeten zij van 't minste vlekje gezuiverd worden, en daartoe is de karwats noodig, dat wil zeggen, zij moeten het meest met kruisjes geklopt worden. Onze lieve Heer bemint de anderen ook wel, hij zal ze niet verstoeten, zoo min als gij uw daagschen jas, maar Hij bewijst hun toch niet zoo vele gunsten. Hij klopt en straft hen hier dikwijls niet zoo erg, vooreerst, omdat het niet helpen zal, omdat er geen goeden van te maken zijn , dewijl er het aardsche stof en de vuiligheid te diep inzitten, ten andere , omdat zij niet gekozen zijn om een zoo hoogen rang in den hemel te bereiken, ja, sommigen door hunne zonden het zoover gebracht hebben, dat God hen laat begaan, en zij eenmaal in eenen winkel zullen terecht komen, waar in alle eeuwigheid geklopt, gehakt, gesmeed en gebrand wordt.

Ziedaar nu waarom Grod zijn beste vrienden kastijdt, de anderen zijn zooveel moeite niet waard ; acht u dus gelukkig, als gij behoort bij het getal van hen die dikwijls geslagen worden ; kus de vaderlijke hand die u zoo klopt, zij maakt u heilig en gelukkig. Volg den deugniet niet na , die aan de linkerhand van den gekruiste hing, met weerzin op zijn kruis lag gebonden en, zonder-te vragen of het hem zalig wTas , wilde aftreden. Hij geloofde niet, dat Hij de Christus was die naast hem hing, omdat Hij zijne gezellen aan het kruis liet; „Als gij de Christus zijt, zoo spreekt hij , red dan ons en u zeiven.quot; Verre van u , waarde lezer, aan G-pds almacht of goedheid te twijfelen, wanneer Hij u aan het kruis brengt of het een of ander op uwe schouders legt; neen,, erken met den anderen moordenaar dat gij het verdiend hebt, en lijd gaarne en geduldig ; of meent ge soms geen

-ocr page 31-

straf verdiend te hebben, welnu beschouw Hem dan die in het midden hangt, en bedenk nog eens dat Grod Zijn beste vrienden het meeste slaat, juist omdat zij de besten zijn.

Aan den onbekeerden moordenaar kunt gij zien , dat het kloppen op moordenaars niet baat en dat zij nog slechter worden aan bet kruis ; van den bekeerden kunt gij leeren hoe groot de kracht der genade is ; wat de goede God door rampen en kruisen soms uitwerkt, dat Hij met slaan en snijden een versleten jas weet op te lappen en er zelfs een juweeltje van te maken ; maar van den Godmensch zeiven leert gij dat de besten in het midden geplaatst, als de grootste zondaren worden gekastijd en niet aan 't kruis gebonden maar gespijkerd.

Maar genoeg. Isu zult gij er wel niets meer op tegen hebben, dat de brave Xoëmi van alle kanten zoo bitter •op de proef gesteld en geslagen wordt. Trouwens zij had er zelve ook niet veel op tegen; zij had al zooveel doorgestaan en genoegzaam ondervonden , dat patientie-kruid voor alle kwalen het beste is, dat God niet slaat •om te slaan maar alleen om te genezen. Zoo weten zich de braven in alle moeielijkheden te troosten en te redden, of beter gezegd : zoo helpt God de zijnen in voor-■en tegenspoed. Maar de boozen, die van geen God of ■eeuwigheid willen weten, klagen en morren over hunne mindere kruisen, zij willen ze afschudden door genoegens na te jagen , maar maken het daardoor nog erger. Hoe meer een haas spartelt en geweld doet, hoe meer hij zich in den strik zal vastknoopen , en hoe eer hij zal dood zijn. Wist hij bedaard te handelen, en had hij het geduld met zijne pootjes den draad uit te trekken en den kop terug te halen, dan was hij gered ; ten minste hij zou zich minder pijnigen, als hij stil bleef staan of liggen.

-ocr page 32-

— 28 —

ZESDE KAPITTEL.

Hoe de ouders hunne kinderen aan een levensstaat moeten helpen.

Waarde lezer, liebt gij 'tnooit gezien, dan hebt gij 't wel ooit gehoord, dat groote dames de sleep van haar kleed , dat zij aanhebben , door een jongen achter zich laten heendragen. Gij kunt daar eens hartelijk mêe lachen, maar ik moet u zeggen, dat er een nuttig lesje in steekt; de H. Eranciscus van Sales haalt er een uit, en ik zal het hem nadoen , luister maar eens : evenals die knapen den staart of sleep maar eventjes opheffen r. zoo behoeven ook Avij de kruisen van anderen niet te dragen, 't is genoeg dat wij ze aan het einde even oplichten,, dat wij door ons medelijden te toonen, door troosten en opbeuren of door een stuivertje los te laten onzen mede-mensch met zijn kruis voorthelpen ; maar ons cïyen kruis-moeten wij heel en gansch op de schouders of op den arm nemen, evenals een andere knaap , die de overjas van een vermoeiden reiziger vraagt en daarmee met blijdschap vooruitloopt, nu en dan bij ziclizelven naar het fooitje radende, dat hem in de hand gestopt zal worden. Waarom zouden ook wij niet met vreugde ons kruis dragen en er zelfs naar verlangen , daar wij toch weten, dat Onze lieve Heer aan zijne beste vrienden liet zwaarste en kostbaarste, pak toevertrouwt, dat tegenzin liet kruis verzwaart en dat het salaris zóó groot zal zijn,, dat geen oog dien kan overzien , geen oor bevatten en geen verstand achterhalen. Ja, in dit leven reeds schenkt de Algoede niet zelden eene ruime belooning.

-ocr page 33-

— 29 —

Groot waren de kruisen, welke God onze goede Noëini op de zwakke schouders lei, maar groot ook was de troost en steun,welke Hij haar gaf in hare twee brave schoondochters , die kort voor hunnen dood met hare zonen getrouwd waren , die nu als kinderlooze weduwen overbleven en zóó goed oppasten , dat het geleden ver! les meer dan hersteld werd. ,1)0 namen dier schoondochters waren Orpha en Euth.

Ziedaar nu eindelijk onze Ruth op het terrein. Menige lezer zal reeds dikwijls met ongeduld naar dien naam hebben uitgezien en gedacht hebben : „Wanneer komt die man toch ? 't heeft al zoo lang geduurd en ik heb nog niets van hem gehoord.quot; Ja, waarde lezer, en nu is hij er nog niet, gij hadt een man met een baard verwacht en nu is het eene vrouw. Bij u zegt men Hut van iemand die Eutgerus heet, maar ziet gij niet dat onze Ruth ook een sleep draagt namelijk eene k; wij hebben dus met eene vrouw te doen , maar met eene schrandere, daar zult ge nog meer van Iiooren. Zij heeft in alle deugden uitgemunt, hare verlatene schoonmoeder gelukkig gemaakt en hare familie tot een hoogeren graad van bloei verheven, dan dien zij vroeger bereikt had.

Welk een geluk dus voor de oude Noëmi dat hare zonen zulke brave weduwen achterlieten. De ouders mogen hieruit leeren van hoe groot belang het is dat hunne kinderen met hravc Heden het huwelijksbootje instappen, 't Is waar, ouders, gij kunt uwe kinderen tot een levensstaat niet dvlngen, daar hebt gij macht noch recht toe, dat doet God zelf niet. God dwingt niet. Maar door Zijne inwendige roepstem en door de heilzame raadgevingen van goede vrienden en wijze biechtvaders weet hij hem zachtjes aan te sporen of af te

-ocr page 34-

— 30 —

schrikken. Ouders , dat moet ge ook doen , gij moet ze helpen en raad geven. Het is uw plicht zelfs toe te zien met welke personen zij omgaan en dien omgang, als hij nutteloos of zondig is , te verbieden ; doch hierover spreken wij elkander later nog wel eens.

Het is uw plicht huwelijken te beletten , die door de Kerk verboden zijn. Moet gij later tegen wil en dank uwe toestemming geven aan eene vereeniging , die door elkeen wordt afgekeurd, het is dikwijls uw eigen schuld, omdat gij te voren uwen plicht niet gedaan hebt, omdat gij niet gewaakt, omdat gij niet bij tijds u er tegen verzet en omdat gij door uw toegeven uw gezag verloren hebt. Het is uw plicht uwe meerderjarige kinderen te leeren, hoe zij door een vurig bidden en deugdzaam leven het licht des hemels moeten waardig worden. Het is uw plicht een betamelijke echt niet tegen te gaan, want let wel op , dat eigenbelang in deze zaak dikwijls eene groote rol speelt; daarom zou ik u ten sterkste aanraden wijze mannen daarover uit te hooren ; 't is immers eene levenskwestie en ondragelijk zou uwe verantwoording zijn, wanneer uwe kinderen in dit punt om uwe onvoorzichtigheid of onhebbelijkheid mistastten. Ouders, is er ooit raad of voorzichtigheid noodig . dan is het vooral omtrent den levensstaat uwer kinderen. Waakt dus, bidt dus ; maar vooral zoekt en volgt den raad A an weldenkende menschen, en vooreerst van hen, aan wie God de leiding der zielen heeft toevertrouwd.

Het is u, ouders, misschien minder naar den zin hier te moeten lezen, dat gij in dit punt geen dwangmiddelen moogt gebruiken , maar uwen kinderen zal het zooveel te meer bevallen, dat zij volkomen vrij zijn in de keuze van een levensstaat. Maar wacht eens, jeugdige vriend

-ocr page 35-

of vriendin, als ii die levensstaat niet past, als gij uwe ouders in liet nauw brengt met hen te verlaten, als gij beneden uwen stand trouwt, als gij uwe familie tot oneer verstrekt, als uwe ouders en biechtvader het afraden en zouden verbieden als zij konden ; dan zijt gij wel vrij ; maar, evenals gij de vrijheid hebt om te zondigen ; zeker, ge hebt de macht halsstarrig uwen teugen-loozen wil te volgen, maar gij zondigt, en de verantwoordelijkheid komt op u neer. Bedenk eens wat het is tegen den wil van God iets te ondernemen, waarin Grods hulp zoo noodzakelijk is , en wat het is , zoo liefdeloos en ondankbaar uwe goede ouders te behandelen. Voor uwe onbezonnenheid zult gij den vloek des hemels inoog-sten , onoverzienbare rampen u eu uw huisgezin op den hals halen , de oorzaak zijn van betreurenswaardige familietwisten en u zeiven met uwe nakomelingen diep ongelukkig maken. Wilt ge nu tegen alle reden in zoo'n groot kwaad begaan, welnu, ge moet het zelf weten, gij zijt vrij om te zondigen, maar gij zult niet vrij zijn om de straf van den hals te schudden , welke gij voor uwe kwaadaardigheid verdient en ook eenmaal zult ondervinden. Maar, lieve lezer, ik hoop dat gij wijzer zult zijnen goeden raad zult volgen , daarom ga ik naar uwe ouders terug.

Ouders , als uw zoon en dochter nu eindelijk zijn besloten tot een huwelijk . waarop weinig of niets te zeggen valt, moet gij er dan de handen van afhouden? moet g'j ze dan aan hun lot overlaten ? Neen , Ouders , hoe meer het gewichtig oogenblik nadert, hoe meer uwe zorg vereischt wordt. Gij moet ze blijven helpen, blijven bidden , vermanen en toezien, dat zij zich waardig voor .zoo'n groot Sacrament voorbereiden. Hebt gij zelf niet

-ocr page 36-

— 32 —

ondervonden hoe noodzakelijk en troostvol het is in die dagen behulpzame Ouders te hebben ? Maar als het jawoord is gegeven , als er eens flink op gedronken en geklonken is, dan zult ge er toch wel van af zijn? Neen, Pa, nog niet, nu komt nog de grootste knoop. De nieuw-getromvden moeten een onderkruip en huismiddelen hebben.

Maar, zoo schijnt mij een ontevreden vader of nukkige moeder toe te roepen, maar, lieve hemel! is het clan nog niet genoeg dat ik mijn kind afgeef, hetwelk mij zooveel gekost heeft en nu van veel nut begon te zijn ? Mag ik er dan niets van hebben , moet ik ze nog geld nasturen ?quot; Wel zeker. Ouders, ze zijn immers uwe kinderen, ze zijn immers geen slaven of lastdieren , die gij alleen gebruikte't om u zeiven te verrijken en ze later ledig weg te jagen.

Gij wilt goede ouders zijn , welnu , dan moet gij u zelve eenigszins ontdoen ten beste uwer telgen. De natuur en Hij die de natuur gemaakt heeft , leerden u moeders door de moedermelk u zeiven uit te putten , mager en bleek te worden, om uwen lieveling niet alleen in 't leven te houden , maar hem ook te doen opgroeien en ronde roodkleurige wangen te geven. Zoo moet gij nog eens u zeiven uitputten om uwe kinderen flink op weg te zetten , zoodat zij volgens hunnen stand kunnen leven en in 't vervolg zich zeiven behelpen. Ge moet ze huismiddelen meegeven en ook met centen uit den hoek komen. Waarvoor anders hebt gij reeds jaren lang gewerkt en gespaard, dan om uwe kinderen eerlijk te kunnen uitzetten ?

Ik vorder nu niet dat gij ze alles toegeeft, dat gij ze jong laat verkeeren , vandaag met dezen , morgen met genen laat loopen en hen laat trouwen als zij nauwelijks.

-ocr page 37-

zich alleen kunnen aankleeden ; ik vorder niet dat gij ze zooveel geeft, dat voor de andere kinderen niets meer overblijft, dat gij ze zoo dienstvaardig bijstaat, als liet huwelijk door iedereen wordt afgekeurd, vooral door uwen zielzorger ; maar ik kan het niet toegeven, dat gij de handen op de beurs legt, als zij een eerlijk huwelijk aangaan , op een oogenblik dat zij uwe hulp zoo hoog noodig hebben. Geeft hun een driepoot, een soeptrien , een koffiekan meê, voorzie ze ruim, zet ze goed op gang, geef ze een goeden stuiver, ze kunnen er nu meer mêe doen dan later, wanneer de boel op sloffen gaat. Goed begonnen is half gewonnen.

Waartoe dient dat potten , als uwe kinderen alle krachten moeten verspillen om op de been te blijven , en van honger niet te vergaan ? G ij zult het na uwen dood afstaan, zegt gij , maar hoelang zullen uwe kindereu daarop moeten wachten , hoelang nog heentobben ? En zullen zc er na uwen dood nog zooveel mee kunnen doen als thans ? Welnu, komt flink uit den hoek, toont uwe Ouderliefde, dan zullen zij ook later, als gij 't soms nog noodig mocht hebben, ook hunne kinderliefde toonen. God zal niet dulden, dat gij gebrek lijdt. Hij zal om u ook uwe kinderen zegenen, en dezen zullen u bijstaan, al moesten zij zeiven ook alles ontberen ; zij zullen de goede diensten herdenken, welke gij hun vroeger bewezen hebt. Neen, brave Ouders, die om hunne kinderen gebrek lijden, zullen altijd uitkomst vinden , evenals de goede Noëmi haren troost vond bij hare deugdzame schoondochters , Orpha en Ruth.

Zie zoo , waarde lezer , dat is een mooie overgang, nu zijn wij weer bij dat heilig drietal, een goed slot voor dit kappittel. 't Is lang genoeg.

-ocr page 38-

— 34 —

ZEVENDE KAPITTEL. Hoe men kinderen tot een levensstaat voorbereidt.

Een dwaze meid was zij, die haar nieuw kleed zorgvuldig in een kist opsloot en nooit aantrok, zelfs niet aanraakte, uit vrees dat liet te gauw zou versleten zijn. Weldra kwam er de mot in, en liet was bedorven vóór het nog gebruikt was. Een dwaze meid, maar dwaze ouders ook die hunne geliefkoosde kindjes op dezelfde manier behandelen, die ze niet tot het werk gebruiken maar laten leegloopen en wegkwijnen in luiheid , die ze nooit uitkloppen of bestraffen, maar laten opgroeien in losbandigheid. Wat komt er van? Ze bederven als een kleed door het liggen, en wilt ge ze later gebruiken, hebt gij ze noodig, dan vindt gij dat zij niets meer waar zijn, ja erger nog, ze maken het u lastig, ze zijn een kruis voor u. Harde waarheid, ouders, vooral daar gij 't zoo goed met uwe kinderen meent ; het viel die meid ook hard, ze wreef hare handen kapot, toen .zij haar besten japon, dien zij zoo goed bewaard had, vol gaten terugvond. Zoo, ouders, zoo zult ook gij eens de handen wrijven, als gij uw eenig zoontje of dochtertje op den laatsten dag terugvindt, en wat spreek ik van den laatsten dag, neen, na weinige jaren reeds zult gij zien en voelen wat er van die gevierde kinderen komt.

Uw jongen zal u aanhoudend en overal met opene handen naloopen, wat gij er in stopt zal nooit den spaarpot zien maar wel de herberg, de sigarenfabriek of den banketwinkel. Hij heeft meer geld dan gij hem geeft en

-ocr page 39-

toch gaat alles op ; wanneer hij in den nacht thuis komt om u in uwe rust te storen, clan is zijn beurs leeg als hij er nog eene heeft, wellicht heeft hij ze verpand, verkocht of verruild. Als gij maar centen geeft, dan kan hij schacheren in portemonaies, of met zilver beslagen sigaren-kokers en pijpen , dan kan hij gouden kettings en horloges koopen. Op twaalf-, vijftien-, achttien-jarigen leeftijd zal hij drinken , rooken , vloeken en vrijen als een groote, maar ook uwen naam schandvlekken en uwe familie onteeren, want de heele parochie praat er over , gij alleen zwijgt en schijnt liet niet te weten, de liefde maakt u blind. Excuus, beste vader, ik wil maar zeggen dat het zoo zal gaan, als gij niet bij tijds uw zoontje van de straat haalt, aan het werk zet en bij wijlen een labberdoedas uitreikt als hij niet hooren wil.

En uw dochter, moeder, die zoo goed op u gelijkt en die gij zoo gaarne ziet als zij Zondags opgetooid naar de kerk gaat , die gij als een heiligenbeeld spaart, eert en versiert en niets anders leert dan modes, visites en kwaadspreken. AVat zal er uit opgroeien 'i Een gekleurde vlinder, die gedurig tegen het vensterglas aanvliegt om buiten te zijn , en , heeft zij eene opening gevonden in het open veld boven groen en gras zich gaat verlustigen en koesteren in den lieven zonneschijn ; zoo , moeder ,. zoo zal uw geliefde dochter grooter geworden, dikwijls voor het raam staan alsof die schilderij te koop was, en als zij kans ziet, zal ze er uitvliegen en niets liever doen dan met hare kleuren en fleuren nu hier dan ginds te schitteren.

Ik houd even stil, want mij dunkt dat moeder en dochter beiden voor mijnen spiegel gaan loopen. In mijne eerste kapittels heb ik reeds gezegd, dat deze geschiede-

-ocr page 40-

— 36 —

nis een spiegel was , waarin de lezer of lezeres als een echte modepop zich zeiven van alle kanten moest opnemen en na een zwarte vlek of verkeerde plooi in zijn gedrag ontdekt te hebben, deze fout aanstonds moest wegnemen. Waarde lezeres, gij staat zoo gaarne voor een anderen spiegel, waarom ook voor dezen niet ? Vindt gij gebreken in uwen handel en wandel, dat kan de spiegel niet helpen, dat is uw eigen schuld ; wilt gij met eenen vlinder niet vergeleken worden, welnu, verbeter dan uwe fouten en prijs den spiegel, die zoo getrouw alle gebreken aantoont.

Maar, moeder, wil uwe dochter van geen verbetering hooren, dan zou ik n aanraden haar in een glazen kast of stolp te zetten , daar kan zij pronken naar hartelust. Maar neen, ze is te wispelturig, ze kan niet lang daarin blijven , ze zou er spoedig uitbreken. AVat zult gij er toch mee doen ? waar zult gij ze plaatsen ? Och, moeder, wacht maar even , ze zal zich zelve wel plaatsen. Wil ik eens zeggen, waar ? op zekeren avond zal de uitge-doschte vlinder, na lang om de vlam gedwarreld te hebben, er eindelijk invallen en ... . verbranden. En o, ongelukkige moeder, die vlam zal niet zoo zuiver zijn als de vlam eener kaars. Ziedaar nu het einde van 't Comediespel, ziedaar nu droef heid en mateloos berouw. Maar het tafereel wordt al te somber, laat ons de zaak eens van den goeden kant bezien.

Gij schrikt, ouders , als gij hoort dat uwe kinderen vrijheid hebben in het kiezen vau een levensstaat, en dat gij slechts kunt helpen en aanraden. Ik weet een middel om dat weer goed te maken. Wat dan ? Zorgt er voor, ouders, dat aanraden bij u zooveel zeggen wil als dwingen en gebieden; leert ze van jongs af op uwen

-ocr page 41-

wenk gehoorzamen zoodat gebieden ol dwingen niet uoo-dig is ; gewend ze aan dezen leiband, en evenals gij een tenger boompje in uwen tuin aan eenen stok vastbindt, opdat liet daar recht tegenop groeie en door geen winden worde geknakt of neergeslagen, zoo moet gij ook uwe lievelingen aan den paal der gehoorzaamheid vastbinden, opdat zij in deugd recht opwassen, en door geen winden van wereldschen hoogmoed of ijdelheid worden getroffen en neergeveld; en boven alles tracht te bewerken dat zij door een hartelijken liefdeband aan u zeiven gehecht zijn en een grooten afschrik er van hebben u ooit het minste verdriet aan te doen.

Dan zullen zij voor dien gewichtigen stap van zelf den raad inwinnen van diegenen, die hen altijd op het goede pad hebben geleid , die kennis van zaken hebben en volkomen vertrouwen bezitten ; ze zullen dien goeden raad eerbiedigen, met geen personen omgaan van wie ge nooit vader of moeder wilt genoemd zijn, ze zullen brave echtgenooten kiezen, die ix in uw ouden dag veel genoegen zullen verschaffen en door hunne edelmoedige offervaardigheid en onuitputtelijke liefde getrouwe navolgers van de voorbeeldige Eutli zullen zijn, die alles weer goed maken wat de grillige fortuin, de boosaardigheid der menschen of ook de genezende hand des Heeren u mocht ontnomen hebben.

Maar wee, vader en moeder, als gij ze zonder leiboom laat opschieten of ze slechts met een paar haarspieren daaraan vastbindt; ze zullen door de winden heen en weer geslingerd eindelijk in het slijk vallen en daaronder bedolven worden. Ze ziillen trouwen tegen uwen wil, uw geld en goed verteren, aanhoudend op uwen drempel staan en bij dat alles zoo ondankbaar zijn, dat zij, na

-ocr page 42-

xi te hebben uitgeput, als eeu geleëgden eierdop u met. verachting zullen wegwerpen.

Slecht opgevoede kinderen Maken van uw geld een pijn ;

Geen armoe kan u hinderen,

Als ze deugdzaam zijn.

Maar met al dat praten zijn wij geen stap verder gekomen in de geschiedenis van onze Ruth. Dat geef ik gaarne toe, waarde lezer, ik heb niet gedaan wat ik beloofd heb, maar 't is wel eens aangenaam op de wandeling een oogenblik stil te staan om een of ander merkwaardig punt met meer ernst te bespreken, om een of ander uitstekend bloempje met meer aandacht te beschouwen , om een kleinen knaap met zijn mollige beentjes in den modder te zien baggeren, of om een mooien vlinder door de vrije lucht te zien fladderen. Zoo iets is-pleizierig, wij hebben er gaarne een paar minuten voor over en ik durf mij vleien dat ook gij, waarde lezer met veel pleizier dien jongen met zijn kleine beurs en groote kaskonnaden zult hebben nagezien, en nog met meer voldoening hebt gij dien vlinder met zijn groene vlerken gade geslagen , eerst pronkend voor het raam, toen spelend in de lucht en eindelijk smorend in de vlam. Neen, dit oponthoud heeft u niet verveeld, wie-weet of gij niet nog eens dit stukje na leest, ik voor mij, ik vind het bijzonder schoon, maar dit kom misschien daar Avel van daan , dat het mijn eigen kind is, dat ik met een blinde liefde koester, omdat ik het zelf gemaakt heb en dat van fouten wemelt, welke iedereen opmerkt behalve ik. Ouders , laat ons billijk zijn, wij kunnen over onze eigene zaken geen oordeel Arellen, niemand is zijn eigen rechter, laat ons daarom den raad van andc-

-ocr page 43-

— 39 —

ren volgen; wat het onze is, geringschatten en mistrouwen , maar ook met het oog op God ons hest doen om het te verbeteren.

ACHTSTE KAPITTEL.

Tusschen bloedverwanten heersche geen hatelijkheid maar hartelijkheid.

Gij kunt hegrijpen, waarde lezer, dat de troosteloosheid der jonge kinderlooze weduwen, Orpha en Ruth, al even groot was als de zielesmart van heider schoonmoeder Noëmi. Maar gelijk twee koude handen door gedurige wrijving elkander warm maken , zoo wisten ook zij , ofschoon van alles beroofd, door de innige liefde, waardoor haar hart wederzijds hrandde, elkander op te beuren, te troosten en als 'tware te verwarmen. Het medelijden was onderling zoo groot, dat men zijn eigen leed vergat en door zijne hulpvaardigheid de lotgenooten, zooveel doenlijk was, uit den nood hielp en verlichtte.

Gelukkig de familie waar zulke hartelijke liefde huist. Jammer maar dat er zoovele zijn, waar ze gemist wordt.

Evenals een vuurhaard in elk huis, zoo schijnt ook in elke familie een of andere kwestie te moeten zijn, die nu en dan wordt opgerakeld, die soms hevig kan ontbranden, een verschrikkelijken damp verspreiden, ja het gansche huis en de heele familie in vuur en vlam zetten. O beste vriend, die dit leest en niet gaarne uw eigen huis of dat

4 Ruth.

-ocr page 44-

— 40 —

van anderen tot een puinhoop ziet vergaan, doe toch nw best om dat noodlottig vonkje van twist en tweedracht, dat in uw eigene familie of in die van uwe dierbaren onder de asche smeult, nog hij tijds uit te dooven. Gij zoudt alle krachten inspannen , uw tijdelijk helang er gaarne voor opofferen als gij de rampen overzaagt , welke die ongelukkige afgekeerdheid kan veroorzaken , die veelal haren oorsprong heeft in stoffelijke aangelegenheden, vooral in het verdeelen van erfenissen.

Hoe rampzalig toch dat broeders en zusters, ouders of schoonouders en kinderen, neven en nichten die door G-od zeiven in bloedverwantschap zoo nauw vereenigd zijn , elkander nauwelijks kunnen hooren of zien ; hoe rampzalig toch dat zulken in een voortdurenden wrok van elkander verwijderd leven en angstvallig alle tegemoetkoming vermijden. En bleef het daarbij; maar wie telt de verwen-schingen en vloeken, welke zoo dikwijls worden herhaald en opgehoopt, als er gelegenheid bestaat om voor een of anderen vertrouweling zijn brandend hart eens lucht te geven, en eens te vertellen hoe grievend men miskend, veracht en mishandeld is.

Men geraakt in volle vlam, men slaat met handen en voeten, men zal het hem betaald zetten, men zal het in eeuwigheid niet vergeten en aan zijne kinderen overbrengen , opdat deze wraak nemen over die schreeuwende onrechtvaardigheden. Zoo sleept men anderen vooral familieleden in den stroom mêe ; de tegenpartij doet hetzelfde , en men denkt alles uit om elkander te straffen, te benadeelen , te belasteren en ten 'gronde te helpen. Helaas ! hoevele zielen worden om dien heilloozen familiehaat door duizenden zonden in een diepen afgrond neer-geslingerd. Geheele families halen zich daardoor den vloek

-ocr page 45-

— 41 —

des hemels op den hals en gaan verloren.

Heeft een huis vuur gevat dan wordt alarm geroepen, alles in rep en roer gezet; helaas dat er zoo weing voor .gedaan wordt om eene heele familie te redden, wanneer nog slechts een klein vonkje van tweespalt aan 't smeulen is. Waarom dat vonkje niet doodgestampt ? Ik geloof wel, vriend , dat gij heleedigd zijt , dat gij gelijk heht, maar als gij vergeeft en toegeeft , dan bewaart gij uwe familie voor groote rampen en u zeiven voor groote zonden. Als een schip, door de golven overvallen, in gevaar komt van te vergaan, worden alle pakken en bagage in zee geworpen ; zoo , mijn vriend , zoo zou ik alles vernietigen , alle tijdelijke goederen er voor opofferen , om het geestelijk welzijn van mij en mijne familie te behouden.

Het is toch zoo stichtend en aangenaam met zijne bloedverwanten op goeden voet te leven, 't Is zoo plei-zierig elkander vrij te kunnen bezoeken en uitnoodigen; 'tis zoo genoegelijk met open armen ontvangen te worden , en te zien dat onze nabestaanden vliegen, als zij ons een dienst kunnen bewijzen. Grij hebt ze niet noo-dig, zegt gij , o neen , gij kunt alleen wel leven, maar gij hebt den vrede toch noodig om u zeiven groote zonden en wroeging en uwen evenmensch groote ergernis te besparen. Gij hebt hen niet noodig, neen, maar gij hebt God toch noodig. Die u met uwe familie straffen zal, als gij geen stuiver wilt loslaten voor het geestelijk welzijn uwer bloedverwanten , die zich evenals gij aan duizend zonden schuldig maken. Gij hebt ze niet noodig, neen, maar gij voelt toch wel iets in uw binnenste, dat niet in den haak is ; gij begrijpt toch wel, dat gij met weinig opofferingen zooveel rampen knul weren en moet

-ocr page 46-

_ 42 —

Averen , als het geluk uwer familie u ter harte ligt. Heeft de geest van afkeer uw hersens zoo verstompt, dat gij niet meer begrijpt, hoe zoet liet is dat broeders en bloedverwanten vriendschappelijk samenleven; hoe aangenaam , dat gij bij elkander eens op de soep komt, met groote tevredenheid over uwe lieve kinderen , uwe brave vrouwen of uwe rijke affaire praat en een vroolij-ken avond jast of pandoert ? O , hoe jammer dat die aartsvaderlijke gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid in vele families van lieverlee te loor gaat.

Ik wil mi niet zeggen dat gij bij elkander aanhoudend op den vloer moet staan, dat vrouwen of meisjes 's avonds alleen mogen uitgaan, of zonder behoorlijk toezicht alleen thuis blijven, maar dit zeg ik : de vriendschap onderhouden in de luictde familie ia lojj'elijk, afkeer en vijandschap weren, ü noodzakelijk.

NEGENDE KAPITTEL. Zoek eerst het Rijk Gods.

Tien droevige jaren had de goede Xoënii in Moab doorgebracht. Nu hoorde zij dat in haar vaderland de hongersnood geweken was en dat de goede God het arme Bethlehem met rijke oogsten zegende. Ofschoon zij door hare brave schoondochters met eene grenzenlooze liefde bejegend en met ongekende dienstwilligheid werd bijgestaan , ofschoon zij in haar vaderland weinig hulp zal vinden , daar hare familie bijna is uitgestorven,

-ocr page 47-

ofschoon ook zij wederkeerig hare ongelukkige lotgenoc-ten met een teedere lietde bemint en moeielijk van haar zal kunnen scheiden, wil zij toch huiswaarts naar haar moederland terugkeeren. quot;Weet gij, waarde lezer, waarom ?

O dat is makkelijk te raden , zult gij zeggen ; Een oude moeder kan in de vreemde den aard niet krijgen , zij denkt altijd aan haren geboortegrond , zij spreekt en zwetst daarover, dat deed mijn moeder zaliger ook; in het dorp , waar zij geboren was en opgevoed, was alles anders en beter, de menschen braver, de grond vetter, de kerk schooner, de meester knapper, daar kon zij niet van zwijgen ; heel natuurlijk dus dat Xoëini in haar Bethlehem liever ging bedelen, dan in een vreemd land bij haar aangetrouwde familie blijven , al kon zij daar gemakkelijk aan den kost komen.

TJw moeder zaliger, lieve lezer, zou er zoo over gedacht hebben en de mijne misschien ook wel , maar van de brave Isoëmi lean ik niet gelooven dat zoo'n menschelijk gevoel de eenige drijfveer was. Als ik eens raden mag, dan ga ik de reden hooger zoeken, dan zeg ik dat zij onder die afgodendienaars niet langer wilde leven. Zij had Bethlehem verlaten uit noodzakelijkheid, in het vreemde land bleef gevaar voor haren godsdienstzin evenals voor vele fortuinzoekers in Amerika; in haar vaderland kon ze hare vroomheid voldoen, vrij den waren God aanbidden en zich onder de ware dienaars van God door liet geduldig lijden barer armoede en verlatenheid tot den dood voorbereiden. Het was dezelfde reden, die onze Ruth deed besluiten om hare moeder te volgen; ziellier de woorden welke zij tot deze sprak: „Uw volk zal mijn volk, uw God mijn God wezen, waar gij sterven zult, daar zal ook mijn graf zijn.quot;

-ocr page 48-

— 44 —

Ziedaar een edeler motief, dat wezenlijk wel eenige opoffering waard is, en dat u misschien ook wel eens te pas kan komen. Gij hebt er wel ooit aan gedacht eene affaire te beginnen , een huis te bezoeken of te bewonen, een verdacht uitstapje te doen, misschien hebt gij 't al gedaan en ondervonden dat de ziel er niet beter op wordt. Gij leert drinken, gij moet meedoen om uw fatsoen te houden, gij zijt in de gelegenheid om iets weg te futselen , gij hoort vloeken en slaat er ook al een en om aan uwe makkers te believen, gij hoort vuilen klap en wordt voor een kwezel uitgescholden als gij er niet mee lacht; vriend, als gij goeden raad wilt volgen, ga heen als gij eenigszins kunt, verlaat dat kosthuis , dat gezelschap, die affaire, eet liever droog brood dan u zeiven op zulke manier te verrijken. Verrijken, zeg ik, neen, ge wordt daar nooit rijk, vooreerst, omdat gij zooveel te meer opmaakt, en ten tweede omdat uwe ziel zoo arm wordt. Wat baat toch een rijk lichaam met een arme ziel ? Wat is een rijke knoop aan een arme jas?

Wat baat u al dat winstbejag.

Wanneer uwe ziel niet deel en mag ?

TIENDE KAPITTEL. Ouderliefde en kindermin.

Noëmi op reis. Is dat iets nieuws of eenige opmerking waard ? Tegenwoordig niet, waarde lezer; thans immers reist iedereen : van den handelsreiziger met een

-ocr page 49-

paar groote blauwe vensterglazen op den top van zijn neus, tot den boer met een knobbelachtigen rotting in zijn hand. Iedereen reist behalve de oude bes, die bang is van ,.die zuchtende beestenquot; zooals zij de stoommachi-nen noemt; behalve de devote ziel, welke in Thomas van Kempen gelezen heeft, dat reizen niet heilig maakt; en behalve de nijvere arbeidsman, die niet uit een boek maar uit ervaring weet, dat reizen hem niet rijk maakt en dat hij veel reis- eu drinkgeld wint, als hij geen pleiziertoertjes maakt, en thuis blijft. Deze drie uitgezonderd , reist groot en klein en, gelijk zeker iemand heel naïef gezegd heeft, dagelijks wordt de natie over de gladde baan door elkander geschoven als een partij weversspoelen. Maar vroeger in den ouden tijd was reizen iets zonderlings ; jaren te voren werd reisplan, gezelschap, middelen en vaartuig besproken. De reis was niet zoo gemakkelijk , niet zoo veilig en van langen duur. Dat ging per trekschuit, huifkar of boerenwagen en maar zelden had men gelegenheid in eene koets te kunnen rijden of schokken. Vraag het uw grootvader of grootmoeder , en zij zullen u zeggen hoeveel woeste benden overal lagen te loeren en dat het geheele land met wildernissen bedekt was, die van wolven krioelden.

Geen wonder dus, waarde lezer, dat liet reizen zoo zeldzaam was, dat voor den reiziger in de geheele buurt dagelijks een rozenhoedje gebeden werd en Missen werden gelezen, opdat de goede man, die het op aandringen zijner vrienden en te hunnen voordeele gewaagd had, omxitgeschut en ongewond zou wederkeeren. En welk eene vreugde, als hij dan heelhuids was thuis gekomen! dan liep de buurt samen om hem te zien, men sprak over de groote torens, de vele paleizen, de waterplassen

-ocr page 50-

— 4G —

en driemasten waar „hij met zijn neusquot; had hij gestaan, men vertelde wat er in zijn eigen dorp in dien tijd was veranderd en dat hij zelf een andere kleur gekregen had. Het reizen was lastig en de middelen, die hij gebruikte om die moeielijkheden en gevaren te weren, getuigen niet van kinderachtige vrees, maar van een sterk geloof, en heiligen eenvoud. Mochten de geleerden van onze dagen in dergelijke gevaren tot dezelfde middelen hunne toevlucht nemen, dan, geloof ik, zouden meer ongelukken geweerd worden.

Was het reizen nu zoo moeielijk, waarde lezer, toen uw grootvader nog leefde, wat moet het dan geweest zijn 1200 jaren vóór Christus ten tijde van Koëmi ? Welk een gevaarlijke onderneming moet het geweest zijn voor eene oude vrouw alleen over ongebaande wegen door berg en dal, door bosschen en wildernissen naar Bethlehem te voet terug te gaan ? En toch, daar ziet zij niet tegen op, zij gaat, met vol vertrouwen op God, om Wien zij dat afgodisch land verlaat; Hem biddende dat Hij haar bescherme. Waarlijk een geloof dat bergen verzet, een edelmoedigheid die niet onbeloond zal blijven , een gebed dat de opperste Weldoener ver-hooren zal. O, waarde lezer, moet ook gij om wille der deugd eene plaats of betrekking verlaten, ziet gij moeilijkheden , welke u onoverkomelijk schijnen, denk aan het sterk geloof, aan het grootmoedig vertrouwen en vurig gebed van Noëmi; met deze wapenen zult gij overwinnen al zou de wereld er zich tegen aankanten. Ge zult toch wel begrijpen dat de goede God voor u zal werken, als gij werkt voor Hem, wel wetend dat Hij in weldoen niet wil achterblijven.

Luistert maar eens, hoe Hij de kloekmoedige Noëmi

-ocr page 51-

— 47 —

op hare reis geholpen heeft. Hare brave schoondochters Orpha en lluth vergezellen haar een eind wegs. Ongetwijfeld spreken zij nog over de gebeurtenissen van den laatsten tijd , over dien goeden vader Eliraelech, hoe braaf hij geleefd had en wat hij bij zijn verscheiden zijnen kinderen had ingeprent, hoe spoedig daarop de dood zijner twee zonen gevolgd was. Zie ze daar eens druk pratende heenstappen met een pak kleeren op den rug en een biezen korf aan den arm, waarin gij waarschijnlijk een stuk ossenvleesch en eenige vruchten zoudt vinden. Maar helaas, de tijd van scheiden nadert. Zij staan reeds op de grenzen van het Joodsche land. De oude moeder houdt stil en spreekt tot hare schoondoch-ters ; „Gaat terug, lieve dochters, naar het huis uwer moeder; God zij u barmhartig gelijk gij voor de overledenen en voo]- mij barmhartig geweest zijt. Hij geve u rust in een nieuw en gelukkig huwelijk.quot;

Dit gezegd hebbende kuste zij hare schoondochters en wilde heengaan, maar deze konden niet scheiden, zij begonnen luid en bitter te weenen, en al snikkende zeiden zij; „Wij gaan meê naar uw volk.quot; DochEbëmi hield vol en sprak ; „Gaat toch heen , mijne dochters , ik kan u niet meer helpen, ik kan uwe droefheid niet aanzien.quot; Orpha liet zich gezeggen, kuste hare schoonmoeder voor den laatsten keer en ging huiswaarts, de tranen nog afdrogende, welk dat droevig afscheid deed vloeien. Ruth alleen volgt hare schoonmoeder, en nog •eens tracht deze haar terug te zenden : „Zie uwe zuster is naar huis, ga ook gij met haar.quot; Maar neen, de trouwe Ruth wil hare moeder niet verlaten ; „Moeder houd mij niet langer tegen, ik zal overal met u gaan en staan, uw volk zal mijn volk , uw God zal mijn God zijn.

-ocr page 52-

— 48 —

Waar gij sterft zal ik sterven ; waar mv graf is daar zal het mijne zijn ; zoo waar Giod leeft, de dood alleen zal ons van elkander scheiden.quot;

Heb ik n niet gezegd , waarde lezer . dat deze liuth voor ons een voortreffelijke spiegel is, hebt gij wel ooit zulke kinderliefde gezien als van deze schoondochter ? Zie eens hoe zij aan hare schoonmoeder gehecht is , zij zweert zelfs dat zij eerder sterven zal dan haar verlaten. Zij blijft haar aanhangen op liet oogenblik zelfs , dat hare zuster liet minder prijzenswaardig voorbeeld geeft van naar huis te gaan.

Onafscheidelijk blijft Ruth Noëmi volgen en offert daarvoor haar vaderland, hare familie en zelfs hare dierbare zuster op. Mochten zoo alle kinderen en belmwd-kinderen aan hunne ouders gehecht zijn, dan zouden niet zoovele families onder den vloek des hemels gebukt gaan.

O ! hoe jammer dat die ouden van dagen dikwijls het lot der , citroen moeten ondergaan , dat zij als versleten nuttelooze schepsels worden teruggezet, geminacht, verstoeten. „Ze zijn van den ouden tijd, ze hebben hunne goede dagen gehad, ze moeten zich maar behelpen met hetgeen ze krijgenquot; en och ze krijgen zoo weinig ,. met de slechtste kleeren en spijzen moeten zij zich vergenoegen. O ontaarde kinderen, wat heeft die weerlooze vader, wat heeft die hulpelooze moeder voor u gedaan , toen gij nog klein waart; en zoo niet voor u dan toch voor den man of de vrouw, die zij u gegeven hebben. „Och, zegt gij, ze zijn nooit content, ze grommen altijd.quot; O ja, met den ouderdom houden de gebreken niet op ze worden dikwijls nog erger, die goede lui klagen licht, keuren uw werk af, en bemoeien zich met alles.

Maar gij of uw echtgenoot zijt ook jaren lang hun tot

-ocr page 53-

last geweest, gij klaagt steen en been over de onhandigheid uwer eigene kinderen ; welnu , zoo waart gij zelf weleer ten opzichte van die brave ouders, welke gij thans zoo ondankbaar en ruw behandelt. Weet gij niet, dat gij ook eens oud zult worden en „in den hoekquot; zult blijven zitten ot aan het bed gekluisterd blijven. Wilt gij dan behandeld worden volgens liet voorbeeld, dat gij thans aan uwe kinderen geeft ? Help ze dus met liefde de lasten des ouderdoms dragen , ze hebben reeds last genoeg van zich zeiven. Laat u nooit de onbeschofte woorden ontvallen : „Loop heen, wacht uwen tijd, ik heb wat anders te doen, gij brengt alles in de war.quot; Wee u kinderen , die zoo uwe ouders mishandelt, want de H. Schrift zegt: „Hij die zijn vader of moeder verwenscht zal sterven.quot; Wee u, want met dezelfde maat zult gij uitgemeten worden.

En gij, ouders, schoonouders of grootouders, geeft xxwe getrouwde kinderen het roer in handen, houdt u in rust, staat ze bij met raad en daad en bidt voor hen. Gij zult veel afkeuren ; want er komen vreemde modes in de wereld, waarmee gij u niet leunt verzoenen. Och vader, och moeder, gij sticht zooveel goed met te zwijgen; meent gij volkomen gelijk te hebben , zeg dan zachtjes de reden waarom. En wordt het niet aangenomen, misschien met verachting afgewezen , toon dan dat gij een oud en wijs man geworden zijt, die de luimen zijner kinderen weet te verdragen zonder ontsteltenis , die om een kleinigheid niet gramstorig wordt, maar die over alles bedaard weet heen te stappen.

Zie eens aan, hoe de oude Koëmi hare schoondochters lief had, zij wil alleen naar haar vaderland terugkeeren en haar terugzenden, opdat zij niet in hare armoede

-ocr page 54-

— 50 —

zouden moeten deelen. De dochters willen hare moeder tot in den dood bijstaan , maar deze wil hare armoede alleen dragen , liever haar eenigen troost, hare brave dochters verlaten, dan ze arm en gebrekkig te zien. Ik weet niet wat het meest te bewonderen, of wel de gren-zelooze liefde der dochters, of wel de onovertroffen edelmoedigheid der moeder. O, gelukzalig huis, waar zulke liefdevolle offervaardigheid tusschen ouders en kinderen heerscht. O hoe aangenaam is het in zulk een huis te wonen, want

Een vreedzame haard

Is een hemel op aard.

-^-3— --

ELFDE KAPITTEL.

Die arme oude sukkels!

„Zoo, zoo jaagt men •— uit meedogen ?

Xeen, verachting voor zijn pogen — 't Nutt'loos ploegpaard in de wei:

Laat hem voor een dienstrijk zweten Dood zich in de klaver eten.

'kVoel die weldaad, ja, en schrei.quot;

Allen eerbied heb ik , dierbare Bilderdijk, voor uwe hooge geleerdheid en ervarenheid in de dichtkunst, maar hier, vergeef het mij, hier hebt gij 't mis. Het nutteloos ploegpaard, meen ik, wordt niet in de wei gezonden om zich daar dood te vreten; neen, wanneer het 18, 20 jaren-dag in dag uit den onverzadelijken landman onophoudelijk

-ocr page 55-

— 51 —

gediend heeft, dan wordt liet, helaas ! met naar de wei maar naar de markt gejaagd. Het heeft telken jare zijne schuur gevuld, nu moet het zijne beurs nog vullen, en de oude sukkel komt in 't gareel van een diligence , die meer op een bevolkt kasteel dan op een wagen gelijkt, of wel in de handen van een voerman , die met zware scheepsvrachten van de eene groote koopstad op de andere rijdt. En dan , o arme drommel! dan eerst begint zijn zweeten , zijn tobben en zwoegen , dan eerst moet hij honger lijden , dan eerst wordt de oude bonk voor goed afgemaakt, verwenscht en geslagen tot dat hij onder zijne zware vrachten uit den adem valt en door den gespierden vilder van de straat wordt weggesleept. En , beste Bilderdijk , dat een paard aldus wordt behandeld, dat alleen tot nut van den mensch geschapen is, dat zullen wij door de vingers zien ; maar noch gij noch ik kunnen dulden , dat men zoo met menschen handelt en zelfs met die menschen, die het meest moesten gespaard worden, met afgeleefde ouders.

Hebben die goede ouders hunne kinderen groot gebracht, zijn ze 30, 40 jaren hun ten dienste geweest, hebben ze dagen en nachten voor hen gezweet en getobd , hen tot een fatsoenlijken stand gebracht, zoodat zij voort op eigen beenen kunnen staan en zelf den kost verdienen ; dan worden die goede oudjes, daar zij nutteloos geworden zijn en meer lasten dan voordeelen in huis brengen , evenals dat ploegpaard verkocht aan een der behuwd-kinderen of misschien wel aan een vreemde die er liet minste geld voor vraagt. Zijn de lasten des levens zwaar geweest, toen zij nog onder de kinderen zaten, nu wordt het nog erger. Die arme lui hebben zooveel hulp noodig , dikwijls nog meer dan kleine kinderen ; ze moeten gekleed.

-ocr page 56-

— 52 —

gevoed , soms gedragen worden ; ze moeten betere spijs en drank hebben om hunne zwakheid te steunen , maar alles wordt geweigerd en, o gruwel! 't gaat soms zoover, dat zij op den hoop toe gelijk het uitgediende paard , vervloekt, gestooten en geslagen worden.

Gij siddert, waarde Bilderdijk, bij de gedachte alleen aan zulke wreedaardigheid, maar geloof liet mij , zulke onmenschen zijn er ; doch waren ze door hunne ouders beter opgevoed, was hun de deugd van jongs af ingeprent, hadden ze goede voorbeelden gehad, dan zouden er niet zoovelen zijn. Gij siddert, geleerde man , maar ik zal nog meer zeggen. Worden die oude sukkelaars ziek, en ze zijn bijna altijd ziek, dan wordt hun niet gevraagd wat zij verlangen, ze moeten zich maar behelpen met den schralen kost die hun wordt voorgezet; moeten ze verlegd, verschoond of verbonden worden, het wordt zooveel mogelijk vergeten en uitgesteld, „ze moeten hunnen tijd maar wachten ,quot; en is die tijd eindelijk gekomen , dan gaat men daarmee zoo ruw en onbezonnen te werk als een slager met zijn varken. Men moest voorzichtig en behulpzaam zijn , maar, „och ! hoe eer dood hoe liever, dan is men van den last af.quot; Ongeloofelijk , waarde dichter , dat de aarde zoo zóó gevloekt is, dat zij zulke booswichten dragen kan, dat de barbaarschheid zoo ver kan gaan ; gij , goede man, gij vondt die eene weldaad al erg voor het paard, dat het zich zelf dood mocht etén, maar deze ongelukkigen moeten den /ww^/'dood sterven, sterven van ontbering en verdriet; en zij worden vervolgens als nuttelooze ballast weggesleept naar het graf, ■ dat niet zoo koud en onverschillig is als het ondankbaar . hart van die barbaarsche kinderen.

Gij schreit, geleerde man, en ik zou met u schreien

-ocr page 57-

— 53 —

over de rampzalige slachtoffers , welke zoo door hunne eigene kinderen op de pijnbank gelegd worden.

Gij voelt het en waarlijk, hij is geen mensch, die voor zulke onbarmhartige handelwijze ongevoelig is, hij is geen mensch, die zijne ouders aan vreemde zorgen overlaat en hun geen plaatsje aan zijn eigen taiel gunt, die er geen eer in stelt hen tot den dood toe bij te staan ; hij is geen , mensch , die hun niet de beste kleeren en spijzen , de beste stoelen en bedden geeft ; hij is geen mensch, die niet al zijn- geld en goed opoffert om hen te helpen als hunne middelen zijn uitgeput, om vooral in ziekten hun te vragen en te brengen wat zij verlangen.

Neen, Bilderdijk, hij is geen mensch die zijn hulpe-looze ouders niet kennen en eeren wil, en hij zal ook in zijnen ouderdom niet als mensch behandeld worden ; het zal hem gaan gelijk het zijnen ouders ging , hij zal eveneens door zijne kinderen, of heeft hij die niet, dan door anderen, in wier handen de rechtvaardige God hem brengen zal, mishandeld worden als een versleten paard. Dat verkocht wordt — uit meedogen ?

Neen, verachting voor zijn pogen —

Als 't zijn taak trouw heeft vervuld,

quot;Wordt dan in den bolderwagen Dood gevloekt en dood geslagen.

Schreit hij, 'tis zijn eigen schuld.

Beiden dus, waarde dichter, worden op dezelfde manier gestraft, met dit verschil nochtans, dat de oude bles het volstrekt niet verdiend heeft, maar zijn taak trouw heeft vervuld, maar lïj, schreit Mj, wanneer hij in zijn ouden dag gefolterd wordt, 't is vaak zijn eigen schuld, ot wel omdat hij zijne ouders onmenschelijk heeft behandeld, of wel omdat hij de opvoeding zijner kinderen lieeft verwaarloosd.

-ocr page 58-

Té lang , dierbare Bilderdijk, te lang heb ik u aangehouden ; zij die er belang bij hebben en ons gesprek. hebben afgeluisterd, weten nu genoeg. Adieu.

TWAALFDE KAPITTEL. O, die nieuwsgierigheid !

Met een vast vertrouwen op God had de kloeke Noëmi hare moeilijke reis ondernomen ; op Hem alleen had zij gehoopt; Hem had zij vurig gebeden, en de goede Vader des hemels die altijd tot geven bereid is, deed meer dan zij gevraagd had; want niet alleen beschermde Hij haar tegen alle gevaren , maar gaf haar nog eene getrouwe leidster in de deugdzame Euth, die, ofschoon hare zuster Orpha terugging, hare schoonmoeder bleef volgen zoolang zjj leefde. Na weinige dagreizen kwamen beiden behouden te Bethlehem aan. O ! welk eene vreugde maakte zich meester van het moederlijk hart der brave Noëmi , toen zij na 10 jaren afwezigheid dat oude stadje wederzag ! O ! hoe was het veranderd ! Dor, onvruchtbaar en uitgehongerd had zij het verlaten en nu staat alles weelderig te groeien en te bloeien. O ! hoe heerlijk buigen zich grashalmen en bloemen, als om hunne oude bewoonster te groeten en te verwelkomen. Alles schijnt opgebeurd te juichen en te jubelen over de terugkomst der oude moeder Noëmi. En zij , zij kon het niet uitstaan, haar gemoed schoot vol , een hartelijke traan biggelde langs hare wangen, toen zij weer den voet mocht zetten op

-ocr page 59-

— oo —

dien heiligen grond, dien zij met een braven man en twee brave zonen had verlaten en nu, met eene arme schoondochter aan hare zijde, terugvond.

Al spoedig is de mare door het lieele dorp verspreid en de vrouwen komen toesnellen om hare oude vriendin te zien, en met verwondering elkander aanstarende zeggen zij : „Kijk, kijk, dat is die oude Noömi.quot; Maar zij nam daar geen vrede mee en sprak ; „O, beste vriendinnen, noemt mij niet meer Noëmi (een naam die schooue beteekentj maar ALuva (dat is bittere^, want de -A.lmach-tige heeft mij met bitterheid vervuld.quot; Zij wil haren naam veranderd zien , omdat hii niet overeenkomt met hetgeen zij is. Zeg eens, waarde lezer, zouden er thans ook geen namen zijn , die zoo goed aan de zaak passen als een slaapmuts op een ezel ? Hoeveel koningen ziet men, die geen koningen meer zijn, hoe velen worden bazen genoemd, die eigenlijk slaven moesten heeten, hoevele knechten, die regeeren , hoeveel rijken, die tot de ooren in de schuld zitten, hoeveleu noemen zich eerlijk, wier vingers zoo lang zijn als een boonstaak, hoevelen heeten Christenen die eigenlijk Joden moesten genoemd worden, onder hoeveel puntige snorren steken arme bedelaars en dieven, onder hoeveel pronkende juffers gemeene hongerlijdende deernen, hoeveel overhemden zonder onderhemden, hoeveel goud op de borst zonder geld in de beurs!

Ja, waarlijk, de naam, de schijn, de kleêr maakt den man niet. Kwam Adam op aarde terug, hoe zou hij de namen van \oisten , heeren en dames , van rijk en arm vervalscht zien , op geheel andere zaken toegepast, dan waaraan hij ze gegeven heeft! Een algemeene naamver, andering -zou moeten plaats hebben. Hij zou ei- weer evenveel werk aan hebben als in het Paradijs , want

5 Ruth.

-ocr page 60-

— 56 —

weinige namen zouden juist zijn. En wat nog wel liet ergste is , niemand zou met den rechten naam genoemd willen worden , want men wil niet weten, dat men een verkeerden naam voert, men kan niet gelooven, dat men slechter is dan zijn naam aanduidt en alzoo blijft men, wat men is.

Gij, ten minste , lieve lezer, denk dikwijls aan den eerenaam van mensch , van Christen , van kind Gods , van vader of moeder, van zoon of dochter of lid der H. Familie, waarmede gij vereerd wordt, erken met de rechtzinnige Noëmi, dat gij dien niet waardig zijt, en kunt gij den naam niet veranderen en naar de daad voegen, verander dan u zeiven, voeg u zeiven naar den naam, regel uw gedrag naar dien schoonen eeretitel en wees een verstandig mensch, een ijverig Christen, een waakzaam vader, een gehoorzaam onderdaan , een getrouw lid der H. Familie, enz.

Men kan zich gemakkelijk voorstellen, welke beweging er ouder de vrouwen van Bethlehem ontstond , toen het hekend werd, dat Noëmi was aangekomen. De huizen liepen leeg , de eene vroeg aan de andere, waar zij te zien was en op een pruikenmakersdraf liep men voort, terwijl men onderweg allerhande gissingen maakte, wat Noëmi zou overkomen zijn en hoe zij er zou uitzien. Sommigen herinnerden nog aan hare vroegere grootheid en rijkdommen en wenschten hare oude vriendin en weldoenster te verwelkomen; anderen dachten, dat zij weer rijk geworden was en hoopten ook nu op een of andere lekkernij getrakteerd te worden ; anderen hadden reeds van hare armoede gehoord, en kwamen nu om haar te troosten, doch de meesten bekroop de nieuwsgierigheid. De uitroep : „dat is de oudeNoëmiquot; of zuiver Hollandsch:

-ocr page 61-

„dat is die schoonéquot; waarop zij antwoordt: „noemt mij niet meer mhoonequot; die uitroep geeft nog al wat te denken, 't Is of zij alleen gekomen waren om Koëmi's schoonheid te zien, en daarom alleen op hare schoonheid acht sloegen.

Ja, juist, de begeerte, om iets schoons en nieuws te zien kan vrouwen en meisjes uit hare keukens drijven en uren ver doen loepen. Eeeds de eerste vrouw , moeder Eva, bezag nieuwsgierig de appels, die wel schoon, maar ook verheden waren, en rijkelijk heeft zij hare nakomelingen bedeeld van de zucht om iets nieuws en schoons te zien. Jacob's dochter Din a had er goed van geërfd ; zij ging naar de stad om nieuwe modes te zien, maarzij heeft het duur moeten bekoopen, zoowel als Eva. En nog zijn er niet weinige soortgelijke Dina's, Cina's , Mina's, Stina's , Eina's , Lina's en Trina's die er veel moeite en onkosten voor over hebben om hare nieuwsgierigheid te bevredigen. Maar ook wij mannen, hoe groote deftige baarden wij ook hebben, ook wij zijn niet geheel vrij te pleiten. Kijk maar eens, hoe de jongens als de kerk uit is aan de deur in twee rijen geschaard nieuwsgierig staan te gapen , terwijl de schoonen heel trotsch er door heen zwaaien en de revue passeer en. Op sigarenkisten en kokers worden etiquetten geplakt, om de boeken nette prachtbanden geslagen, voor de winkels alle kleuren uitgestald om het oog te treffen , om ons door de nieuwsgierigheid te lokken en helaas ! dikwijls laten wij ons vangen , al weten we ook door ondervinding, dat de schijn bedriegt. Neen , de vrouwen zijn hierin niet ten achteren, zij zijn ons zelfs te slim af. Ze bedienen zich van onze nieuwsgierigheid om ons te misleiden. Ach ! wij moeten het bekennen, dikwijls heeft haar zwier en tooisel eerst het ■oog getrokken en toen het hart geroofd van menigen

-ocr page 62-

— 58 —

'braven jongeling, die zoo eene nooit zou gewild heb'benT wanneer hij duidelijk had kunnen zien, wat al ondeugd onder dien opschik verscholen lag. Allen zijn wij schuldig.

Dikwijls moeten wij ons schamen zoo gretig naar iets,, wat quot;belangrijk scheen , met veel moeite onderzocht te hehben, als wij later bevinden, dat het niets anders was dan een doode musch. Dikwijls kost ons de nieuwsgierigheid veel geld, dikwijls krijgen wij voor ons vermetele vragen ; wie ? wat ? hoe ? waar ? een blauwe scheen , maar wij blijven gluren en turen : die ondeugd zit te vast geworteld om niet weer uit te schieten. Berendrijvers , tooneelspelers , paardenmenners , koordendansers , waarzeggers, koffiekijkers, kaartenleggers en eene menigte andere kermisbazen speculeeren en teren op de nieuwsgierigheid van Eva's erfgenamen. Green boot, geen trein, geen orgeldraaier met een aap en een leelijk wijf, zelfs geen hondenkar met nuchtere kalven, wier met stroo gebonden pooten boven uitsteken, kan voorbijgaan of alle neuzen worden in het raam gestoken en, om alles in eens te zien wat er op de straat gebeurt, worden diibbele spiegels aan het venster vast gemaakt. Geen vreemdeling komt binnen of hij wordt van kop tot teen opgenomen en de eerste vraag is ; „geen nieuws ?quot;

Zoo maken wij ons ieder oogenblik aan die kinderachtige nieuwsgierigheid schuldig. Wij offeren er veel moeite , veel geld, en zelfs onze ziel voor op , want een nieuwsgierig mensch schaamt zich niet wezens en voorwerpen te zien , welke den vermetele zeker tot zonde brengen. Grij vraagt misschien : „waartoe dienen mijn oogen dan , als ik niet zien mag ?quot; dan vraag ik u: „vriend , waartoe dienen de twee luiken, die aan uwe oogen zijn als gij alles zien wilt ? Grij hebt ook beenen

-ocr page 63-

— 59 —

om te gaan , moet gij daarom altijd en overal gaan ? wij mogen zien, wat goed of noodzakelijk en somtijds zelfs wat vermakelijk is om te zien, maar vele dingen zijn niet bezienswaardig, andere zijn gevaarlijk. Het was ook aan Eva niet verboden de appels te zien , maar van het zien kwam beminnen , van beminnen begeeren , van be. geeren het plukken en eten. Zoo komt de dood door onze vensters. Verboden zaken spiegelen zich in ons oog en dringen door tot in het hart. Het kwaad is ons meer lief dan het goede , hebben wij iets gezien, wat er aanleiding toe geven kan , dan prent het zich diep in ons geheugen, slechte voorstellingen spelen aanhoudend in het hoofd, ze winnen daar veld en werken zoo sterk op de verbeelding , dat wij allengs aan geen verbod meer denken en liet hart gewonnen geven door het kwaad te beminnen, te begeeren, te bedrijven.

Verder doet ons de nieuwsgierigheid onze eigen zaken vergeten en anderen muggenziften. Een knaap, die zijn vader te eten bracht, zag onderweg een stuk papier, zette zijn potje neer, en sprong over den sloot om het op te rapen en te lezen. Juist kwam een hondje, dat ook nieuwsgierig was, stiet met zijn snuit het deksel van den pot, keek er eens in en smulde den heelen boel lekkertjes op. Zoo gaat liet ook met ons ; terwijl wij nieuwsgierig alles nazien wat ons niet aangaat , alles afloeren en afluisteren, verwaarloozen wij onze eigen bezigheden. Onze zaken na te zien, te behartigen en grondig te kennen, dat was plicht, maar wij steken onzen neus liever in den pot of de • kast van onzen buurman om hem te bevitten en te bekladden , terwijl ons eigen potje ledig loopt. Doe wel en zie niet om.

Gij ten minste , waarde lezer, gebruik uw oog, dat

-ocr page 64-

— 60 —

edel werktuig niet tot beuzelingen, ook niet om te azen op de gebreken van uwen medemenscli en veel minder voor gevaarlijke voorwerpen of tooneelen. Gij plaatst horretjes voor uw raam, opdat geen straatjongens er binnen kijken ; belet dus ook alle slecbte voorstellingen uwe oogen binnen te dringen en werp ze uit, jaag ze weg, zoodra gii ze bemerkt, door u met iets nuttigs bezig te houden. Zorg ook, dat kinderen geen leelijke prenten, onzedige menschen of andere gevaarlijke levende of leven-looze wezens zien of zelfs iets hooren wat hunne nieuwsgierigheid kan gaande maken. Zij kennen het kwaad eer zij sterk genoeg zijn om het ie bestrijden.

Houdt ze dus op met iets wat onschuldig en nuttig en toch vermakelijk is.

DERTIENDE KAPITTEL. De kruisen worden in den Hemel gemaakt.

Eene kraai of meerkol had zich wit gemaakt om met de duiven te mogen eten , maar onder het pikken deed zij hare stem hooren , werd daardoor erkend en door de duiven weggejaagd. ïfu kwam zij bij hare natuurgenoo-ten terug, maar ook deze dreven haar van hunnen maaltijd weg; want ze kenden haar niet, omdat zij van kleur veranderd was. Dit is een fabel, waarde lezer, maar waar is het, dat iemand die zich over zijnen stand schaamt, zich verheft en hooger kleedt, door beide standen versmaad wordt: door den lageren, omdat zijn uiterlijke daarmee

-ocr page 65-

— 61 —

niet overeenkomt, door den hoogeren, omdat het door zijn zwetsen spoedig uitkomt, wat hij is. En toch zijn er velen, die hooger willen vliegen dan hunne vleugels kunnen dragen, die groote verteringen maken om maar voor groot gehouden te worden, dientengevolge door een ieder achter den rug besproken en uitgelachen worden, daarbij zich zeiven in groote schulden steken en aldus tot een nog lageren stand afdalen.

O ! mochten die waanzinnige menschen de waarde der nederigheid en eenvoudigheid eens goed verstaan. Hoezeer steekt bij hunne praalzucht de nederigheid van Xoëmi af, die vroeger rijk en groot, nu in de diepste armoede gedompeld, haren toestand niet verbergt, maar aanstonds bekent, dat zij ledig is teruggekomen, dat zij alles verloren heeft. Zij erkent dit, maar weet ook, dat het de wil van God is : „God heeft mij arm teruggebracht — God heeft mij met bitterheid overladen.quot; En dit verschaft ons weer een andere les.

Wij zijn te kortzichtig om die vaderhand op te merken. Wij schrijven alle rampen toe aan natuurlijke oorzaken en wij vergeten , dat de gansche natuur en ook de mensch door God bestuurd wordt. Sterft of kwijnt vader of moeder, man, vrouw of kind, die wij hoog noo-dig en lief hebben, dan denken wij alleen aan hunne zwakke gezondheid, hunnen hoogen ouderdom en andere toevallige omstandigheden ; worden wij zeiven ziek, wij wijten het aan den zwaren arbeid, de vervalschte spijzen, de ongezonde lucht of slechte oppassing ; gaat de nering flauw, het is de schuld van een buurman, die ons met een onedele concurrentie in den weg zit; gaan de zaken terug, liet is geen wonder, want de handel kwijnt overal; krijgen wij geen werk, het is de afgunst, de gierigheid

-ocr page 66-

— 62 —

of willekeur onzer patroons ; wordt onze naam beklad,, wij verhalen het op de boosaardigheid onzer vijanden ; komt iemand, die er nog een dikken boom heeft staan, niet betalen, wij noemen hem dwars of slordig; worden wij gemaand cm iets wat betaald is, dan worden wij boos over de slechte boekhouders van den eischer; mislukt de oogst, dan heeft het de overtollige regen of droogte gedaan ; gaat een paard of koe dood, dan 'is de natte wei, het slechte hooi er de schuld van ; — wij denken er maar niet aan, dat er iemand hier boven is, die alles nauwkeurig administreert en nooit de minste slordigheid of onnauwkeurigheid begaat, die alles ordelijk regelt, water en lucht, spijs en drank, ja het hart van onzen tegenstander; — wij spreken alsof God, na alles geschapen te hebben, met de armen over elkander in een leuningstoel zich aan een eeuwigen slaap had overgegeven en de natuur met den mensch aan zich zeiven had overgelaten.

Noëmi deed heel anders. Zij schreef het verlies van haar fortuin, van haren man en hare zonen toe aan het wijze bestuur der goddelijke Voorzienigheid, niet aan verandering van lucht, aan droogte of andere natuurlijke ■oorzaken, die er wel genoeg bestonden, maar die zij wist, dat door God gewild en bewerkt waren. Hij immers regelt alles tot in de minste bijzonderheden. Zonder zijn wil valt geen haar van 't grijze hoofd.

Vele dames en keukenmeiden, die voor mevrouw niet willen onderdoen, laten zich het hoofdhaar afknippen en vreemde lokken in de plaats brengen. Wij zeggen wel; — De vlecht, op vreemde kruin geteeld.

Mismaakt het schoonste vrouwenbeeld, — maar zij oordeelen anders en beloven den kapper een aardig duitje,

-ocr page 67-

— 63 —

als hij haar zulk een , naar haar oordeel, goeden dienst bewijst.

Kijk, waarde lezer, zoo wordt ook ons wel eens door den Alhestuurder, die al onze haren telt, een haar ontrukt om iets beters in de plaats te brengen. Wat immers zijn tijdelijke goederen, een goede gezondheid, een gezellige huisgenoot, een rijke oogst, een stuk vee , een gelukkige affaire vergeleken bij de eeuwige goederen , bij een goede concientie , bij den staat van genade, bij den hemel? wat zijn ze? Veel nietiger dan een enkel dun haartje. En deze haartjes ontneemt ons de goede Grod alleen om ons in werkelijkheid beter, om ons schooner, om ons in zijne oogen behagelijker te maken. Hij is louter goedheid en kan daarom niets anders willen , niets anders doen dan wat goed is. Laat dan dat haar afknippen , laat die rampen , dat tijdelijk verlies een weinig pijn doen, dat verlies kan niet opwegen tegen het groote goed, dat onze goede Vader alleen voor oogen heeft.

De dames is het naar den zin, dat zij zoo getooid worden , zij betalen er zelfs voor, maar wij, wij worden gratis opgetooid, onze Vader zuivert en siert onze ziel uit eigen beweging , uit liefde; waarom zouden we er ons tegen verzetten en Hem niet danken, dat Hij alles zoo wijs beschikt ? Wij begrijpen dikwijls niet, welke heilzame vruchten door het dragen onzer kruisen worden voortgebracht en toch is het zeker, en onfeilbaar zeker, en zoo zeker als de oneindige goedheid en wijsheid van God zeker is : dat ome weihrwaardiglieden, geduldig doorgestaan, voor om eene Iron van oneindig grooier geluk en zegen zijn, en dat ze door God alleen gegeven wordeii om om wel tc doen. Doordring u , lijdende vriend, doordring u van deze waarheid, dan zult gij niet zoo licht meer klagen

-ocr page 68-

— Gé

én neerslachtig zijn , maar den goeden Vader danken T die de bewerker van uw lijden is , die u alleen uw tijdelijk geluk ontneemt of vermindert, om uw geestelijk geluk te vergrooten, om iets wat oneindig beter is terug te geven.

„Eu toch,quot; dunkt mij, zoo zal misschien mijn waarde lezer zeggen , „toch dunkt mij, dat niet God , maar ik zelf de schuld ben van mijn ongeluk, dewijl ik dit door mijn vroeger losbandig leven verdiend heb.quot; Zeker, beste vriend, gij hebt het verdiend, gij zijt er de schuld van, maar wie geeft u wat gij verdiend hebt ? Is het niet dezelfde goede Vader, die alle middelen aanwendt en u nu straft, om u de eeuwige straffen te doen ontkomen ?

„Maar mijn kruis,quot; zal een andere lezer zeggen, „mijn ongeluk komt van mijn nijdigen nabuur, van een boozen vijand , die mij altijd op de hielen zit , van mijne grimmige vrouw, die zich over de kleinste kleinigheden boos maakt en zelfs de blaaspijp op mij africht, van een ver-loopen zoon , die alles opmaakt en daarbij den heelen boel in stukken zou slaan. Clod is te goed om zoo iets te doen, die kruisen komen niet van Hem, maar van die booze menschen.quot; Ja wel, vriend, ze komen wel degelijk van Hem.

„Hoe dat te rijmen ?quot; zult gij zeggen, „avü God hunne zonden dan ?quot; ïfeen, vriend, maar Hij laat ze toe en gebruikt ze dan , om er nut uit te trekken Aroor u, om n eenige nuttige kruisjes te bezorgen. Zij hebben eene slechte bedoeling , zij slaan, zij schaden u om u kwaad te doen , maar God laat u slaan om u goed te doen. Het is alsof de knecht van den dokter u een fleschje thuis brengt. De dokter stuurt het om te genezen, maaide knecht, die een pik op u heeft, meent, dat er vergif

-ocr page 69-

-— 65 —

in is en brengt het om te vergeven. Moet gij nu op den knecht boos worden en het fleschje weggooien ? quot;Welneen, laat de knecht zoo slecht denken en handelen als hij wil, gij weet toch, dat zijn dokter wijzer, en het fleschje goed is. Waarom u dan verzet, waarom gekeven, waarom kwaad gesproken van booze menschen , welke u van Godswege zoo'n heilzame kruisen brengen ? Gij zult nooit genezen , gij zult nooit beter worden , als gij ze niet aanneemt. Ja, gij zult vergaan met hen, als gij kwaad met kwaad vergeldt.

O , beste vriend, doe er dan voordeel meê , verstoot Gods weldaden niet, omdat zij door de handen van een deugniet komen ; ik zeg van eenen deugniet, want ik heb hier verondersteld, dat uw tegenstander alleen de schuld draagt; of dit wezenlijk zoo is, dat moet gij niet zelf, maar anderen laten beoordeelen. Intusschen moet het ons om het even zijn, of God zelf ons het haar snijdt of een ander mensch dit laat doen. Laat dien mensch in den waan verkeeren, dat hij u schade doet, hij maakt u gelukkig als gij maar geduldig zijt.

Wat kan mij 's menschen boosheid schelen.

Als God hem zendt om mij te heelen ?

Hiermede wil ik nu niet zeggen, dat gij u zeiven evenals een gedooden haan moet laten uitplukken en alles ontnemen zonder een woordje te kikken; neen, volstrekt niet; als gij recht hebt, dan moogt en moet gij soms uw recht doen gelden, gij moogt schadevergoeding vorderen, maar altijd met bezadigdheid, zonder grammoedigheid, zonder verwenschingen, zonder wraakneming, in één woord zonder kwaad met kwaad te vergelden. Om u dit gemakkelijk te maken, om u tot bedaren te brengen en in Gods wil te doen berusten, wanneer er geen vooruitzicht bestaat

-ocr page 70-

66

dat gij nog ooit uw recht verkrijgen zult, heb ik u bewezen, dat God onzen naaste gebruikt om ons te beproeven en te verbeteren.

VEERTIENDE KAPITTEL. Arbeidzaamheid en ledigheid.

In 't Heilig land , Palestina, is het veel warmer dan hier, zoodat in den Paaschtijd, toen Noëmi met Ruth te Bethlehem aankwam, reeds alles in vollen bloei stond en de gerst zelfs rijp was geworden. De twee arme weduwen namen in een of andere kamer, hut of schuur haren intrek en moesten nu maar uitzien , hoe zij aan den kost zouden komen, want zij hadden aan alles gebrek; doch arbeid en liefde komt alles te boven. Een ander zou wellicht bij familie of vrienden zijnen nood geklaagd hebben en om zijn onderhoud gebedeld, of, wat hetzelfde, ja erger is , geld en goed ter leen gevraagd hebben in weerwil van alle onzekerheid of het wel ooit zou teruggegeven worden; thans zou men eene groote zaak ondernemen om later ten spijt van zijne schuldeischers met een grooten buidel failliet te gaan; maar brave, fatsoenlijke menschen handelen zoo niet, zij werken zoolang zij werken kunnen, zij vragen nooit ter leen, wanneer ze twijfelen of de schuld ooit afgedaan zal worden, zij bedelen niet dan alleen wanneer de nood ten top gestegen is , zij bedelen niet zoolang er nog een franje aan de kleeren hangt, een klein beursje in den zak of een kruimel broods

-ocr page 71-

in de kast ligt, zij bedelen niet zoolang zij nog eenigs-zins in staat zijn , om slechts een karig onderhoud met, handenarbeid te winnen.

Evenzoo de goede Ruth, wier voorbeeld wij in 't vervolg alleen voor oogen willen hebben , omdat moeder Noëmi oud geworden , niets meer doen kan , dan hare schoondochter goeden raad geven en zich in stilte tot den dood voorbereiden. Euth toog aan 'twerk en won den kost niet alleen voor zich, maar ook voor hare schoonmoeder. Zij was niet gelijk aan die plichtvergeten kinderen, die hunne ouders, wanneer ze oud geworden zijn, alleen laten, die gaan uitwonen en hunne rijke huurpenningen slechts besteden om schoone mutsen of poffers, gouden kettings of horloges te koopen , die hun geld naar bals, herbergen , markten oi kermissen brengen, terwijl vader of moeder in hunne hooge jaren zitten te schreien van honger. Zoo gaarne zouden zij een paar centen van hunne kinderen vragen , om een stukje vleesch te kunnen krijgen, dat die uitgeteerde lieden zoo goed zou doen, en dat zij noodig hebben om op de beenen te blijven. Zij schamen zich op straat te komen, omdat hun plunje zoo slecht, zoo verlapt, zoo verscheurd is ; koud van zichzelven, moeten zij des nachts nog een behoorlijk deksel missen , terwijl hun zoon of dochter met zijde , met bloemen en goud beladen als een groote jonker of dame zich aan 't publiek vertoont.

Hunne verwaandheid roept wraak in den hemel; maar verre van mij , beste lezer , te durven denken , dat gij onder zulke wanschepsels zoudt moeten gerekend worden, dat gij aldus aan weelde zoudt verspillen wat de nood uwer ouders zoo dringend zou eischen , neen, dusdanige monsters telt dit boek onder zijne lezers niet ; toch ge-

-ocr page 72-

— 68 —

loof ik, dat er weinigen zijn , die hunne ouders en voornamelijk hunne schoonouders zóó beminnen, die met zóóveel liefde en hulpvaardigheid hunne ouders voorkomen, als de liefdevolle Ruth deed ten opzichte van Noëmi.

„Als gij wilt, moeder, zoo sprak zij, dan zal ik naaiden akker gaan en de aren oplezen , die aan de handen der maaiers ontvallen zijn, wanneer ergens een landman zoo goed is van mij dit toe te laten.quot; En toen de schoonmoeder antwoordde : „Ga mijn dochter,quot; toen was zij aanstonds bereid, en den eersten morgen den besten stond zij reeds op 't veld, om haar nederig werk , het werk van armen en bedelaars, aan te vangen. O heilige liefde, die zoo voor uwe schoonmoeder bekommerd zijt, die geene moeite , geene vernedering , geen arbeid ontziet, die blijde loopt en springt, wanneer ge uwen ouders kunt welgevallig zijn ! O , met welk behagen ziet de goede God op u neer ! gij werkt en zwoegt en zweet en denkt aan niets anders dan om uwe zwakke moeder te verblijden, maar er is er Eén, die denkt aan u , hoezeer gij ook vergeten leeft. Eén is er, die al uw werken gadeslaat; nimmer zal Hij u verlaten. Hij zal uwen arbeid zegenen, nooit zal u armoe kwellen, maar genoegzaamheid en overvloed zullen reeds uw deel op aarde zijn.

Ik wou, lieve lezer, dat wij 't eens gezien hadden, hoe de vlijtige Ruth daar op dien akker bezig wTas , hoe zij voorover gebogen heen en weer het gerstenveld afliep en met de eene hand gretig de halmen opnam, welke zij in de andere legde, hoe zij met blijkbare voldoening , telkens een handvol ter zijde legt om later al die bundeltjes bij elkander te nemen. Mochten wij 't eens zien hoe zij daar onvermoeid uren lang aan 't werk blijft zon-

-ocr page 73-

— GO-

der op te zien of stil te staan ; mochten wij de reine vreugde zien, waar haar hart vol van is, en welke zich op haar aanschijn vertoont, omdat zij zoo'n gelukkig veld gevonden heeft en met eene ruime gerstenmaat hare moeder zal kunnen verrassen , dan zouden ook wij het zoet genot van arbeid en liefde heseffen en ons gedrongen gevoelen om haar na te volgen. AVat denkt gij , waarde lezer, als gij met uwe gedachten de naarstige Ruth op 't gerstenveld met zooveel vlijt en vreugde ziet huigen en wenden , rapen en grijpen, zweeten en druipen , leggen en binden ? Grevoelt ge u dan niet aangespoord om door hetzelfde middel hetzelfde genoegen te smaken ? Laat het werken voor groote jonkers verachtelijk , voor dames schandelijk , voor luiaards lastig zijn, voor braven is 't een waar genoegen.

Gi-a , beste vriend, niet naar hotels of kroegen , waar gij luiaards aantreft, die over eenen stoel of bank uitgerekt, met de ellebogen onder 't zware hoofd , gapende van verdriet, met een paar druipoogen u verachtelijk aankijken. Daar moet gij geen vjeugde zoeken , maar op! naar de velden en werkwinkels, en waar ijverig gewerkt wordt, zult gij overal dezelfde vroolijke stemming ontmoeten. Hier treft gij den timmerman, die, met een walmend doorrookertje in deu mond, over de schaafbank schuift, en geen ander verlangen heeft dan zijn blokje gaaf te zien; daar vindt gij een zwarten zoon van Tubalkain , wien 't een lust is met den harden hamer op het gloeiend ijzer te beuken ; daar ziet gij den metselaar fluitende den weeken kalk op de steenen kletsen; ginds hoort gij den akkerman naast zijne mestkar een aardig deuntje neuriën ; hier zit de opgeruimde boereu-meid om der koe haar melk te ontnemen ; daar ontmoet

-ocr page 74-

— 70 —

gij op den drempel van de hut eene moeder met heur kinderen, die gezamenlijk aardappelen schillen en het familieliedje zingen :

„Yalt n de arbeid zwaar te met,

Vrienden denkt aan Nazareth,

Dan begrijpt gij wis uw plicht En het werken wordt u licht.quot;

Wie, waarde lezer, wie gevoelt zich nu niet opgewekt, om met de brave lieden, de werkzame lluth en de arbeidende familie van Nazareth na te volgen, om ook deelgenoot te zijn van hun onverstoorbare tevredenheid en onbeschrijfelijk geluk ? En is er nog iets , wat onzen arbeid zon bemoeielijken of onzen ijver zou hinderen , denken wij dan aan de groote en menigvuldige voordee-leu , welke de arbeid medebrengt, daar hij het lichaam versterkt, de ziel veredelt, het leven aangenaam maakt, de driften beteugelt, de bekoringen verdrijft en een schat van verdiensten vergadert voor tijd en eeuwigheid.

De ledigheid — ,0, die verfoeielijke ondeugd , des duivels oorkussen , dg grafkuil vaii 's menscheu vermogens , het broeinest van alle ongerechtigheid! O mijn vriend, geef u nooit over aan de ledigheid. Als de wijzer van uw uurwerk dikwijls stilstaat of te langzaam gaat, dan oordeelt gij met recht dat liet binnenwerk niet deugt, dat het een gebrekkig en slecht uurwerk is, zoo moogt gij ook denken van eiken mensch, wiens wijzers of handen dikwijls stilstaan of lui en langzaam werken , het inwendige van dat schepsel deugt niet, hij is of wordt een slecht, een bedorven mensch.

„Veel kwaad heeft de ledigheid geleerd,quot; zoo spreekt de H. Schrift, ja zij is de leermeesteres van alle kwaad. Wie immers kent het best den weg om te stelen en te

-ocr page 75-

— 71 —

bedriegen ? Wie weet van gemeene , afschuwelijke voorwerpen te spreken , waaraan een werkman niet denkt, waarvan hij zelis geen begrip heeft ? 't Is de luiaard, die in zulke zaken geleerd, geraffineerd is. O verfoeielijke ledigheid ! Wie kent liet hest de gebreken van zijn nabuur, wie spreekt daarover het liefste? 't Is de lediglooper, die den tijd neemt om door deur of venster zijn naasten te begluren. Hij is het, die in zijne nieuwsgierigheid alles navorscht en overweegt , hij is het, die de gruwelijkste zonden kent en daaraan zijnen tijd verspeelt. O schandelijke ledigheid !

Alles draait onder de zon ; er is niets, dat eigenlijk stilstaat, alles beweegt zich, hier op aarde is geene duurzame rust. God alleen kan zeggen : ik ben de Heer en ik verander niet, maar de mensch verandert elk oogen-blik. Evenals een schip, dat niet met kracht tegen den stroom wordt opgedreven, aanstonds door denzelfden stroom wordt teruggevoerd , zoo worden ook wij , als wij tegen de drift onzer hartstochten niet inwerken , door deze tot liet kwaad, tot de zonde meegesleept. Er is dus geen middelweg en hij die niets doet, die lediggaat, zal vanzelf kwaad doen ; en tot dat kwaaddoen wordt de luiaard nog te meer vervoerd, omdat hij alle middelen daartoe kent, den smaak voor deugd en goede werken heeft verloren en aldus met gretigheid het lokaas der zonde aangrijpt. O ledigheid, o afgrond van ellenden!

Wanneer ik een oogenblik ophoud te schrijven en nadenkend door mijn glasraam kijk, dan heb ik recht voor mij een korenmolen, wiens roeden en zeilen zonder ophouden ronddraaien. Kom ik over een kwartier terug, de roeden draaien en blijven draaien; en al kom ik elk uur, al sta ik den ganschen dag te zien, de molen volgt zijn weg en altijd denzelfden weg en draait zijne lange armen rond,

6 Ruth.

-ocr page 76-

totdat de duisternis die oneindige beweging aan mijn oog ontrukt. Een heerlijk beeld van 's mensclien leven! nooit staat hij stil, hij kan langzaam of snel gaan, evenals de molen door den windstroom in trage of versnelde beweging wordt rondgejaagd; maar gaan moet hij , en gaan zonder ophouden, totdat de wind, dat is de adem des levens, heeft opgehouden te blazen. Altoos moet de molen zich bewegen, de molenaar behoeft slechts te zorgen, dat er behoorlijk op zijn tijd tusschen de steenen graankorrels gestort worden, anders zou door de wrijving vuur ontstaan en de molen kunnen verbranden. Zoo ook leeft en beweegt zich de mensch van zeiven; de zaak is maar, dat hij zich om goede voorwerpen beweegt, dat hij met iets nuttigs bezig is; want ontbreekt dit, werkt hij niet, dan ontbrandt het vuur der driften, de duivel weet dat aan te stoken door zijne ingevingen, en de. geheele mensch wordt verteerd, Kijne edele vermogens verstompt, zijn verstand verblind, zijn wil verkracht, geheel zijn inwendige door de onreine vlammen vernield. O afschuwelijke ledigheid! o broeinest van zonden! quot;N lucht dan, mijn vriend, vlucht die verderfelijke ledigheid. In uwe uitspanning zelfs moet gij iets ter hand nemen; hebt gij aan slapen geen behoefte, vermaak u dan aan een eeilijk spel, schrijf of lees of spreek over nuttige zaken. Nog eens, vriend heb een afschuw van de ledigheid, die zooveel onheil aanbrengt, en heb liefde voor den arbeid , die de ziel zoo opgeruimd en vroolijk maakt en haar met zoovele schatten verrijkt. Wees niet traag, maar vlug, maar ijverig aan het werk en gij zult ondervinden, wat ik gezegd heb : gij zult een blij en deugdzaam leven leiden. Aan het werk ! in het volgende kapittel zal ik u zeggen wat gij met uw werken verdiend hebt.

-ocr page 77-

Aan 't werk ! welaan werk lustig en zing het schoone lied :

„Yalt ii de arbeid zwaar temet,

Vrienden, denkt aan Nazareth,

Dan begrijpt gij wis uw plicht En liet werken wordt u licht.quot;

VIJFTIENDE KAPITTEL.

Wie des zomers zingt, moet des winters dansen.

Ik houd van fabels, 't Was winter en de mieren deden zich te goed aan den voorraad, dien zij des zomers hadden opgedaan, maar de krekel had honger en kwam bedelen. Doch de mieren zeiden tot hem ; „Waarom hebt gij in den zomer geen voedsel verzameld ?quot; En toen hij antwoordde , dat hij geen tijd had , omdat hij had moeten zingen, begonnen de mieren hartelijk te lachen en zeiden; „Welnu, hebt gij in den zomer gezongen, dan moet gij in den winter maar dansen,quot; met andere woorden : wie niet werkt, moet ook niet eten. Ziedaar , lieve lezer , wat een luiaard is en wat er van hem komt.

Een luiaard is iemand, die niets doet of beter gezegd, die niet doet, wat hij doen moet, om zich over te geven aan nietswaardige dingen. Niets doen immers, volkomen stilstaan is onmogelijk ; alles draait om de zon als de roeden om de molenas , en wanneer ik den luiaard met een stilstaand uurwerk vergelijk, dan bedoel ik daarmee niet, dat hij niets verricht, dat hij geen goed of geen

-ocr page 78-

— 74 —

kwaad doet; maar dat hij ophoudt goede werken te doen, dat zijn braaf leven stilstaat, dat alle beweging, die hem moeilijk valt, wordt vermeden. En evenals de muizen, ratten en ongedierten slechts daar te vinden zijn, waar alles stil ligt, in die voorwerpen, welke niet aangeroerd worden, evenzoo zult gij alierhand ongedierte van zonden ontwaren in het logge hart van hem of haar , die zich met geene nuttige beroepsbezigheden ophoudt, die niet omziet naar hetgeen goed of verplichtend is, maar slechts datgene gretig aanvat, wat vermakelijk, wat lekker, wat liefelijk is.

Basta! het verveelt mij , vriend , nog langer voor die leelijke ondeugd mijne pen te verroeren, te meer , daar ik veronderstellen mag, dat gij een gezworen vijand zijt van den lediggang, en een ware liefhebber van den arbeid. Veel liever wil ik u de voordeden van den zaligen arbeid optellen en u alzoo doen zien , wat gij met uw werken verdiend hebt.

„De mensch is geschapen voor den arbeid gelijk de vogel voor de vlucht.quot; Werken en zwoegen is onze bestemming op deze aarde, later komt de rust en 't genot. De eerste mensch werd in het paradijs geplaatst „om. daar te werkenquot; en het werken was hem een lust. Hij vond pleizier in zijne bezigheden, evenals die kleine knaapjes, welke op hunne bloote voetjes rondloopen , om houtjes en steentjes te zoeken voor het grootsch kasteel, dat zij willen timmeren, en welken gij geen grooter ongenoegen doen kunt dan met hen in het midden van die drukte naar bed te jagen of hun kleuterwerk om te schoppen. Zoo was ook voor Adam liet werken een lust, een spelen; maar die speeltijd is voorbij , wij hebben in den appel gebeten en het vloekvonnis heeft over de

-ocr page 79-

wereld geklonken : „gevloekt zij de aarde om uwe zonde; doornen en distels zal ze u voortbrengen... in het zweet uws aanscliijns zult gij uw brood eten.quot;

Ziedaar nu de aarde gedoemd tot onvruchtbaarheid, den arbeid verlaagd tot eene straf en verzwaard door den overvloed van distels en onkruid. Ziedaar nu den onge-lukkigen mensch in opstand met zich zeiven, omdat hij in opstand kwam met Grod; zijn plicht en volmaaktheid zal hierin bestaan, dat hij zich nederig aan die straf onderwerpt, dat hij met werken en zweeten door de verdiensten van zijnen Verlosser zijne driften in toom houdt, die hom dan eerst in rust laten, wanneer zij met Hem gestorven zijn.

„Ga, sterv'ling, ga het land met drupplend zweet

(besproeien;

Eet brood van 't zweet doorweekt, waarvan uw wangen

(vloeien ;

Roei doornen, distels uit, breek kei- en rotsgrond door, En drijf de scherpe ploeg al knikkende in de voor ! Dit sterv'ling komt n toe.quot; B.

Hier hebt gij nu de reden, waarom arbeiden en moeite doen in alle talen dezelfde zaak beteekenen; arbeiden gaat niet meer zonder moeite , het is van lust een last geworden ; nochtans moet ik u , waarde lezer, tot uwe bewondering zeggen , dat de arbeid «nog veel behouden heeft van de zoetheid en beminnelijkheid , welke hij in het Paradijs bezat; dat hij zelfs kostbaarder en beminnenswaardiger geworden is , niet omdat hij meer genoegen verschaft, maar omdat hij meer winst opbrengt en nog altoos des menschen hart versterkt, verfrischt en opbeurt. Wat hij vroeger niet uitwerken kon, dat doet hij thans; hij verdrijft vele bekoringen , beteugelt de

-ocr page 80-

driften, vernedert den hoogmoed, voldoet voor onze zonden en maakt ,ons gehard in den strijd voor deugd en waarheid. Gelukkige Adam, die geen bekoringen, geen driften, geen hoogmoed, geen zonde, geen strijden kende, maar gelukkig ook en verdienstelijker en prijzenswaardiger nog de arbeidsman, die door zijn pogen en werken over dat alles zegeviert! O zalig dan de arbeid, hoe jammer dat hij zoo weinig gekend , zoo weinig gewaardeerd en bemind is.!

Kom, vriend, wandelen wij nog eens naar den akker, waar de brave Huth werkzaam is. Zie haar eens daarheen trippelen en met gebogen rug, met. een vlugge hand en vroolijk gelaat in de brandende hitte de gerstenaren nalezen. Ook de akkerman heeft haren ijver gade geslagen, hij heeft de maaiers gevraagd, wie zij is ; hij heeft gehoord, dat zij, na ootmoedig verlof gevraagd te hebben, den ganschen dag is bezig geweest en geen oogenblik heeft opgehouden; hij nadert haar en zegt: „Blijf hier, mijne dochter, en ga op geen anderen akker, niemand zal u kwaad doen ; als gij dorst hebt, moogt gij drinken uit de kannen der maaiers, ja zelfs eten met hen.quot;

O hoe goed is God, die zoo den arbeid zegent. Welk eene schoone dag voor Ruth! Jammer dat hij zoo spoedig voorbij is, want de avond valt en met spoed spreidt zij de bijeen gebrachte schoofjes op den harden grond , dorscht met een stok herhaalde malen op en neer, schuift het platgeslagen stroo en leege aren af, grabbelt de korrels in haren voorschoot, want ze zuiver en loopt dan met vreugde naar huis om hare moeder met den goeden uitslag te verrassen.

„Ey, siet eens Ruth haer ooghskens slaen.

En scheyden 't kaf van 't zuiver graen.

-ocr page 81-

it

Doet oock soo voortaen, eer gy scheyt,

Daer is geen tydt in tl' eeuwiglieyt.quot;

Onthoud, vriend, deze lieve versjes nit een oud school-boekje , denk aan de werkzame Kutli en volg haar na.

Werk , vriend, werk altoos, werk met vreugde, werk voor den hemel, dan zult gij u zei ven van het kaf uwer fouten en gebreken zuiveren en als kostbaar graan op den eeuwigen zolder daarboven bewaard worden , waar geen tijd meer is om nog iets te verdienen, waar alleen gerust, gevierd en genoten wordt. Maar de werkelooze mensch , die als liet lichte kaf in den molen door den windstroom zijner hartstochten wordt heen en weer geslingerd , die nu hier dan daar komt neergevallen, die nergens in rast is, maar een ontevreden verdrietelijk leven sleept, zal als nutteloos kaf worden weggeworpen en verbrand in een vuur, dat nimmer zal uitdooven ; want dat onze lieve Heer wannen kan, lezen wij in het Evangelie, waar Joannes Baptist van Hem zegt: „Zijne ^wan heeft hij in zijne handen en zijnen dorschvloer zal hij reinigen en zijne tarwe in zijne schuur verzamelen, maar het kaf zal hij in een onuitbluschbaar vuur verbranden.quot; Zoo zal hij, die nooit wan of zeef, nooit bezem of dweil, nooit borstel of kwast, nooit water of zeep in handen had om, wat leelijk, vuil of kwaad is , van het schoone en goede te scheiden, die in ledigheid zijn leven sleet, zoo zal hij zijn zonden en gebreken boven zijn hoofd zien groeien, en zelf als kaf van de tarwe, van de braven voor eeuwig gescheiden worden. O verfoeielijke werkeloosheid ! o zalige arbeid !

-ocr page 82-

— 78 —

ZESTIENDE KAPITTEL. Werken is leven , lediggaan sterven.

Weet gij ook , beste vriend , waarom de traagheid de laatste is van de zeven hoofdzonden ? Och, de luie, de trage komt altijd achteraan. Gedurig klaagt hij over vermoeienis en pijn, hij kromt zijne schouders, nijpt zijne armen , vertrekt zijn gezicht, wanneer hem iets geboden wordt; hij zegt wel tienmaal, dat hij zal heengaan, eer hij 't werkelijk doet. Tegen den middag komt hij met zijn apengezicht uit zijn slaapvertrek, 't Is alsof een molenas op zijne ribben valt, wanneer hem geboden wordt zijne luie leden te rekken om aan het werk te gaan ; en hij weet van angst niet, waar hij blijven zal als er een moeielijk werk op handen is. Zoo leeft hij in voortdurende onrust, werkt alles ten halve of slordig af en komt altoos te laat. Hij is bezwaard door de afmatting van 't half gedane werk , ter neergeslagen door de zoo harde taak, waarmede hij nu bezig is, hij rilt van schrik, wanneer hij de voetstappen van zijnen meester hoort naderen om zijn prulwerk na te zien , maar het ergste van alles is, dat de klok nog veel luier is dan hij , dat het nooit etenstijd, nooit avond wordt. Aldus wordt hij door duizend angsten op eenen dag gekweld. O luiaard! O lafaard ! O droevig, o rampzalig en knorrig mensch!

Maar gij ijverige arbeidsman en naarstige werkmeid. Gij bezit een onverstoorbaren vrede , geen angst kan u kwellen, en op uw aanschijn staat te lezen, welke opgeruimdheid zich huisvest in uwe reine ziel. O, hoe benijd ik uw geluk ! Uwe tevredenheid en vreugde alleen beloo-

-ocr page 83-

nen ruimschoots de moeite van uwen arbeid. Uwe handen en voeten staan tot werken bereid en wachten slechts op het bevel of verlangen van hunnen meester, gij kent geen moeite of afmatting, het werk vliegt door uwe handen en in een oogwenk is alles in orde.

Niets laat gij ongedaan, halfgedaan of slechtgedaan liggen. O hoe springt mijn hart op van vreugde, als ik de voldoening zie , welke gij smaakt, wanneer eindelijk de kolossale eik voor uwe bijl moet zwichten en daar nederploft, wanneer gij op de maat met den vlegel op het koren ploft, dat de aren tot uwe groote vreugde als sprinkhanen naar alle zijden wegdansen ; wanneer gij in weinige uren een morgen hooi nedervelt alsof gij slechts een ééndaagschen baard te scheren hadt; wanneer gij met forsche handen al fluitende op den schoenzool klopt, of al druipende de spa in den vetten tuingrond steekt, of het weeke deeg wringt en kneedt en knuifelt, of als een ruiter te paard de spoel van 't weefgetouw „hot en haarquot; doet vliegen. Ja, waarlijk een lust is het die genoege-lijke bedrijvigheid aan te zien, het genoegen op uw aanschijn te zien glanzen , dat speelt in uwe ziel. Al was ik duivelsch boos, mijn naarheid zou tot stof vervliegen als ik die engelachtige meisjes zag met de breinaald , die door de lieve vingeren speelt, of met een versleten borstrok op den schoot; als ik de manhaftige meid aan de waschtobbe met bespatte, opgestroopte mouwen het bruischend linnen zag schudden en wrijven.

Gaat voort, werklustige vrienden, met te doen wat Grod reeds aan Adam tot taak heeft opgelegd, met te werken; volgt de vlugge voetstappen der vaardige Ruth, springt 's morgens vroeg het bed uit, valt dan neer op uwe harde knieën om het korte, maar lieve gebed uwer kindsheid

-ocr page 84-

— 80 —

op te zeggen , en uwe werken den goeden God op te dragen , werkt dan vroolijk en lustig en gij zult de gelukkigste , de rijkste der wereld zijn ; uw hart zult gij rein bewaren en van 't kaf zijner fouten zuiveren om dan namaals als zuiver graan naar den grooten zolder te worden opgevoerd. Laat den luibak vrij met de roode kachel tusschen zijne loome beenen zijnen tijd vergapen en verslapen ; de lummel weet niet, dat het zilver in zijne beurs zal smelten, dat de kleeren aan zijn lijf verzengen , dat hij zich doodarm zal braden, en , als quot;t kaf eenmaal uitgeworpen, niet meer bij een kachel, maar in een eeuwigen vuuroven zal worden geduwd. Want: „Wie tijd heeft en den tijd verbeidt,

De tijd komt, dat hij tijd beschreit.quot;

Wat zeide Salomon tot de luiaards van zijnen tijd? „Hoelang zult gij slapen, luiaard ? Wanneer zult gij opstaan ? Slaap nog maar een weinig, droom nog een oogenblik , leg de zware handen nog een hortje neer en de nood zal als een roover bij u aankomen en de armoede als een gewapende beul.quot; Zonder twijfel , de luilak die bang is van zwarte handen of blaren , die liever doorslapen dan door werken zich verwarmt, liever klaveren speelt dan klaver maait, die meer houdt van een koffiehuis dan van een werkhuis, zal weldra met reuzenschreden teruggaan , zijn have en goed het een na 't ander moeten verkoopen, schulden op schulden stapelen, waar hij zijn crediet nog niet verloren heeft, door zijne nalatigheid en slordigheid in het beheer zijner zaken tot overmaat nog bedrogen worden ; en eindelijk zal de verschrikkelijke roover en beul, de armoede aan zijne deur komen ; spoedig zal hij de „mannekesquot; in zijn huis hebben , al bezat hij ook de schoonste standplaats A'an de

-ocr page 85-

wereld , waarin een ander schatrijk zou geworden zijn. Het zal hem gaan als den krekel; toen het zomertijd was, toen hij er goed inzat en veel verdienen kon, heeft hij gezongen , dat is , een lui en lekker leven geleid; wanneer de winter komt met zijne gure en dure dagen, wanneer hij ziek , oud, gebrekkig wordt, zal hij moeten gaan bedelen en van honger moeten dansen. Luister naar een oud, maar onversleten lied :

,.De jonckheyt is wel onbedacht,

Dat sy den tydt niet meer en acht ,

En noyt gedenckt den ouden man.

Die leeren noch gewinnen kan.

^len voert, men roert, men rydt in 't wilt, 800 kwistigh wort de tydt verspilt;

Wie tydt heeft en den tydt verbeyt,

Den tydt komt, dat hij tydt beschreyt.quot;

De wijze man zegt verder: „Als gij onvermoeid zijt, zal de oogst u in overvloed toevloeien en het gebrek zal ver van n vluchten.quot; Waarachtig, de naakte uitgeteerde armoede zal vluchten voor de bijl, de schop of den hamer van den werkman en al had hij een huisgezin als Gredeon (70 kinderen) nooit zal zij binnendringen in zijne gonzende hut. Jesus, de kleine werkman, zal zijnen arbeid zegenen, door zijne hulp zal hij een aardig kluitje sparen voor den kwaden tijd en de oude dagen , zoodat hij tegen ongelukken en rampspoeden is opgewassen. Hij eet zijn eigen brood en op groote feest- of verjaardagen kan het een eindje worst lijden ; hij haalt zijn jas uit den lomberd niet, maar gaat met eigen klee-ren des Zondags over straat en wordt als een deftig

-ocr page 86-

— 82 —

man door iedereen geacht en begroet. Al zijne knechtjes en kleutertjes zal hij tot flinke arbeiders opleiden en in een goede zaak gevestigd zien, vooraleer hij zelf voor goed de oogen sluit.

Onze Kuth ging , toen de etenstijd daar was , met de maaiers aanzitten , at smakelijk van den koek, zooveel zij noodig had, en kreeg het overschot mede naar huis. Zoo heeft een werker altijd te eten en hij eet met smaak; 't is een lust om te zien, hoe hij de grofste spijzen zonder dralen of uitzoeken naar binnen speelt. Zijn maal, hoe ruw en schraal ook, smaakt hem beter dan den rijken brasser al zijne kostelijke gerechten.

Hem smaakt zijn brood, zijn pap en spek,

Terwijl het allerfijnst gebak,

Den lediglooper en den vrek,

Slechts walging baart en ongemak.

Onder de Thessalonikers waren er ook , die de kunst van luieren en slenderen goed verstonden, maar de H. Paulus schreef hun in een briefje: „Hij, die niet werkt, moet ook niet etenquot; en hij had er bij kunnen zetten : „die niet werkt kan niet etenquot; vooreerst, omdat hij niet te eten heeft, ten tweede, omdat hij met smaak niet eet, ten derde, omdat hij zijn eigen brood niet eet, maar het geërfde, gestolen of gebedeld brood.

Maar gij, noestige vriend of vriendin, gij eet van het uwe, gij eet met smaak en verteert uw voedsel gemakkelijk , des avonds legt gij na uw kort, maar hartelijk dankgebed onder Gods bescherming uwe vermoeide ledematen ter ruste neer , gij slaapt dan als een os en snorkt zoo hevig, dat de kleine bruinen u niet zouden

-ocr page 87-

— 83 —

durven naderen, wanneer zij ooren hadden ; gij slaapt zoo-vast en gerust, dat gij ten minste van die vriendjes geen last hebt, dewijl gij hunne beten niet voelt.

De ledigganger moge dan lekker eten, hij moge gaten in den dag slapen, tienmaal zoo groot ais gij er nooit in uwe broek of kousen gehad hebt, hij moge wentelen in weelde en genot, het zal hem slechts verdriet, walging en last bezorgen. Hij sluite zijne oogen zoo lang en zoo vast als hij wil, uw zoete slaap zal nooit zijne logge ledematen koesteren , de ongelukkige zal zich duizendmaal wenden en keeren en in verveling zijne eeuwenlange nachten doorbrengen, terwijl nog tot overmaat van rampen zijn duizelig hoofd geplaagd zal worden met verschrikkelijke droomgezichten en gefolterd door ijzingwekkende nachtmerries.

Uit zijne slechte spijsvertering en het gemis van slaap volgt lichamelijke ongesteldheid, een andere nasleep dei-werkeloosheid. De bewegenlooze maag wordt bezwaard en overladen, kwade vochten verspreiden zich door 't hengelende lichaam , daarop volgen verstoppingen , ontstekingen, klemmingen, benauwdheden, scheuringen, kloppingen, stikkingen, maagpijn, hoofdpijn, buikpijn, enz., enz.

Doch gij, vaardige werkbaas en werkmeid, gij beweegt uwe losse armen en beenen zonder ophouden, gij gewent uwe krachtige ledematen aan hitte en koude, aan droog en nat, aan lasten en lusten, gij bevordert de spijsvertering en verdrijft door uw werken en zweeten alle kwade vochten, wanneer deze nog ergens mochten genesteld zijn; en mocht u na dit alles nog eenig leed of pijn worden bereid, door uwe beproefde gehardheid lijdt gij die gemakkelijk en herstelt spoedig, daar andere veel teergevoeliger zijn en slechts na langen tijd en met veel moeite-

-ocr page 88-

— 84 —

genezen. Uwe oogen flikkeren als helder kristal tusschen uw effen voorhoofd en gloeiende wangen, terwijl de kamerjonker met zijn roode puilende kijkers, zijn zwaarmoedige tronie en verbleekte kaken in staat is om den voorbijganger van schrik een koude koorts op 't lijf te jagen.

De werkman heeft zijn onderhoud, draagt de algemeene achting weg, heeft smaak in 't eten, rust in 't slapen en geniet eene gewenschte gezondheid. In 't lichamelijke leven staat hij op den hoogsten trap , maar ook in 't geestelijke is hij met ten achter. Ofschoon hij doorgaans hij de grooten voor een dommerik gehouden wordt, meen ik toch vrij te mogen neerschrijven, dat hij dikwijls een gezonder verstand en scherper oordeel heeft dan vele zoogenaamde beschaafde lui, en dat hij door zijne snedige gezegden menigeen zal beschaamd maken.

Gij , groote heer, die u tot' den arbeid niet verlagen wilt en slechts bluf en verwaandheid ademt, gij fijne dame die zoo'n lieve handschoentjes draagt om uwe kostelijke vingeren niet te bemorsen, veracht den werkman niet, versmaad de kloeke werkvrouw niet, hoe zwarte vereelde handen zij ook hebben, hoe stijf en krom ze in hun werkpak zich bewegen. Laat hun uiterlijk een weinig afstootend zijn, gij moogt uw oogen afwenden, een spitsen neus opzetten ; maar ik verzeker u , daar schuilt eene ronde, openhartige, reine, vroolijke, verstandige ziel onder die ruwe en harde schors ; weet gij wel, dat de leelijkste, de ruigste en hardste peren gewoonlijk de beste zijn ? en als ge uwe hoogheid vernederen wilt om dien „werkezel,quot; die zoo verachtelijk in uwe oogen is , eens aan te spreken , dan zult gij 't hooren , dat de arbeid den geest niet verstompt, maar de helderheid van verstand en oordeel bevordert.

-ocr page 89-

Do werkman is gevat, hij slaat nagels met koppen , probeer het eens en zeg hem : „Manlief, ge gaat ze kromquot;; en ik wed dat gij ten antwoord krijgen zult: „Mijnheer, ik heb van men moeder zaliger, dukkels liooren zeggen, dat me den kop nie moet opsteken, as me zicli nie stoeten wil.quot; Wel bekome 't u, heerschap, dat komplimen-tje kunt ge in uwen zak steken, om voortaan uw geleerd hoofd niet meer zoo ver boven den eenvoudiger werkman te verheffen.

De arbeidsman verheugt zich in een gezond verstand, maar ook in groote wilskracht. Wat hij van plan is, zal hij uitvoeren , voor geen moeite deinst hij terug; alles is bij hem mogelijk en veel goeds brengt hij tot stand. Maar „een vadsig mensch wil en wil nietquot; zegt de Wijze man, hij wil liet doel wel, maar hij is te lui om een voet te verzotten ten einde zijn doel te bereiken ; hij wil, maar hij wil niet krachtig genoeg ; hij wil, maar zijn wil wordt spoedig onwil; hij maakt en verandert, vernieuwt en vernietigt allerhande voornemens , en terwijl hij in willen en niet willen voortgaat, brengt hij niets ten einde en maakt altoos halfwerk, geen werk of voddewerk. Met juistheid dus, zegt dezelfde wijze man: Het wenschen doodt den luiaard, want zijne handen willen niets doen.quot; Zoo gaarne zou hij paleizen bouwen of luchtkasteelen, zoo gaarne groote dingen doen, maar och, hij kan niet, hij doet als een gulzige hond, die na herhaalde malen vreeselijke sprongen gedaan te hebben, om in den kop te happen, die aan de deur van den slager is opgehangen , zich eindelijk moedeloos nederlegt en daar lui blijft liggen of misschien de lekkere kluif niet eens van zelf zou naar beneden vallen. Somwijlen staat hij op, maar geen kans ziende, gaat hij weer liggen. Even-

-ocr page 90-

eens doet de laffe luiaard, hij smakt naar groote dingen, die eigenlijk veel te hoog voor hem zijn ; nu en dan staat hij op om die te bereiken, maar aanstonds valt hij weer terug zonder iets te hehhen uitgevoerd.

Gelijk de deur draait op den duim,

Zoo draait de luie in 't hedderuim.

Zoo slijt hij zijne (lagen in oprichten en vallen, in willen en niet willen ; zoo kwellen en dooden hem zijne ijdele wenschen, zijn verdriet en zijne verveling. Zoo is lediggaan niets anders dan sterven.

Laat dan wie wil den tijd in ledigheid verkwisten, laat ze wentelen in hun bed, of de straten in gerucht maken en dronkenschap platloopen, laat luie meiden aan burinnen vertellen hoe boos dezen morgen mevrouw geweest is, welken japon of medaillon deze of geene juffers aan hadden, hoevele jongens er verleden Zondag om haar in de keuken geweest zijn, hoeveel cadeaux zij gekregen heeft, laat ze maar kakelen, en zich verachtelijk maken bij de menschen en verachtelijker nog bij God ; gij brave vriend of vriendin, werk lustig door; gij zijt de vreugde A'an allen, die u zien en het meest van God, die als een arm werkman op aarde kwam en met zijn ouders in den werkwinkel zijn pleizier en zaligheid vond.

„Hij, die heemlen scheppen kan.

Werkt als needrig timmerman.

Wie, die Jesus werken ziet,

Vindt in de arbeid nog verdriet.quot;

En zou iemand het vermetel achten zijnen God na te volgen , hij zie dan om zich heen , hoe ook alles, wat leeft^en minder is dan de mensch, aanhoudend in werking is en hem toeroept, dat hij aan zijne plichten niet voldoet,

-ocr page 91-

— 87 —

als hij niet doen wil wat zijn Schepper van hem vordert. Hij werpe een blik naar omhoog, waar de vogelen de lucht doorklieven, een hlik om zich heen waar de paarden en koeien grazen , de ezels zware vrachten trekken en de honden bassen , een blik in de diepte waar de visschen in 't heldere water zwemmen ; alles, alles werkt en beweegt zich volgens de verordening des Scheppers, zelfs de afzichtelijke slak zult gij in den regenstijd met een vracht zand of hooi over den natten grond zien glijden ; en de mensch alleen, de koning der schepping, de beeltenis van God zou niets willen doen, en aan het doel zijner schepping niet beantwoorden ? Neen, voorwaar , neen , nooit zal mijn waarde lezer zich aan ledigheid overgeven, maar in navolging van alle andere schepselen de taak verrichten, welke God hem heeft opgelegd.

Ga voort, werklustige vriend, ga voort, ik wil u niet langer ledig houden van den arbeid, die u zoo gelukkig maakt en waarin gij meer genoegen vindt dan in het nakijken en spellen van kleine drukletters, die daar als een legioen vlooien voor uwe oogen staan te dansen en welke u zouden ontspringen, wanneer gij ze niet met den vinger naweest en vasthieldt. Ga voort, werklustige lezer, met de vruchten van uwen arbeid te plukken ; wat ik u heb opgenoemd zijn nog slechts de tijdelijke voordeelen van uwen arbeid; oneindig grooter zijn de schatten welke gij voor den hemel vergadert; laat mij toe, dat ik met deze wachte tot het volgende kapittel.

7 Ruth.

-ocr page 92-

ZEVENTIENDE KAPITTEL. Arbeid is zaligheid.

„Neen 't menscMom kende kwaal noch krankte, Wanneer 't in 't rookend zweet van 't blozend aan-

(gezicht

De Godheid voor zijn nooddruft dankte, En d'arbeid hield voor d'eersten plicht.quot;

De arbeid weert alle kwalen en verwerft een onschatbaar geluk. Wij hebben het gezien, lieve lezer, hoe de arme, maar brave Iviith in den nood tot het nederig handwerk hare toevlucht nam , welke tevredenheid en opgeruimdheid haar in den arbeid vergezelden en met welke belooning zij huiswaarts wederkeerde ; ik heb het u voorgehouden en ik kan alle sterke spieren, stevige vuisten, grove knokkels, machtige armen, vlugge beenen, breede ruggen, hooge schouders en dragende hoofden tot getuigen roepen , dat de noeste arbeid den ster\ eling verlevendigt, vervroolijkt, vermant, door eet- en slaap-lust versterkt, in gezondheid verhardt , in scherpzinnigheid en standvastigheid verheft en veredelt, maar wat zijne heerlijkste en kostbaarste vrucht is: arleicl is zaligheid.

Heb ik tot nog toe slechts de tijdelijke voordeelen aangestipt, hier is het de plaats over de bovennatumiij-ke winst van den heilrijken arbeid te gewagen. De vroolijke stemming en rustelooze vlijt van Ruth had het oog van den edelmoedigen landman getrokken ; deze had zich gewaardigd de arme vrouw aan te spreken , volkomen verlof te geven om de achterblijvende gerstaren op te zamelen en zelfs met zijne dienstboden te eten en te

-ocr page 93-

— 89 —

drinken, maar „het volle loon, zoo sprak hij tot haar, het volle loon zal de Heer, de God van Israël U doen geworden.quot; Zoo, lieve lezer, zoo wint de nederige werkman of werkvrouw behalve zijn onderhoud nog de achting der menschen, maar zijn volle loon heeft hij van hoven te wachten. De bovennatuurlijke vruchten van den geheiligden arbeid zijn ver verheven boven alle tijdelijke winst.

Arbeid is zaligheid. Even moeielijk als het is met twee beenen te gelijk voort te stappen , even moeielijk ■en moeielijker is het met twee zaken bezig te zijn. Is de mensch met zijn ploeg, zijne els of zijn hamer druk bezig, dan kan hij niet tegelijk met ongeoorloofde zaken zich onledig houden , het kwaad zal in zijn werkzamen geest niet binnendringen. De afzichtelijke spin spant hare webben niet waar veel gewerkt wordt, maar in stille , norrige hoeken en kanten; de spin is de duivel. Het ongedierte kruipt niet over de veel begane paden, het zou er aanstonds vertrapt worden ; zoo ook heeft de zonde geen tijd of gelegenheid , om plaats te nemen in het drukke brein of hart des menschen. Alles is daar schoon en zuiver en, zou er onverhoeds iets binnensluipen, het wordt door de aankomende bezigheden terstond weggedreven of vertrapt. O, reine borst van den dapperen werkman , de adem uwer ziel is zoo zuiver als die uws lichaams, terwijl de hengelende nietsdoener vol is van onreine gedachten, begeerten, genoegens. G-ij zijt zoo klaar en zuiver als het kristallen water in de helder vlietende beek, maar stilstaand water is troebel, is vuil, smakeloos en stinkend, en alles wat ledig staat of ligt, bederft, verteert, vermolmt, verroest en vergaat.

Arbeid is zaligheid. De vlijtige arbeidsman houdt zijne

-ocr page 94-

— 90 —

driften in bedwang. Met zijn onbeneveld verstand ziet hij duidelijk hoe dwaas het is een slaaf van zijne hartstochten te zijn, met zijn moedigen wil weet hij ze te be-heerschen, en door zijne vermoeidheid wordt hare felheid geknot. Een ledig paard, dat lang op stal gestaan en veel haver gevreten heeft, is niet in te toornen en voert zijnen berijder door heggen en struiken tot hij eindelijk nederstort. Eveneens wordt de ledigganger door zijne dartele driften van den rechten weg over zondige paden en struiken meegevoerd en dan in een afgrond neergeworpen. Integendeel het paard, dat dagelijks rijdt of ploegt of egt, is mak en ligt te beteugelen, het doet zijnen voerman groote diensten; insgelijks zullen ook de passiën van den werkman onder zijne heerschappij blijven en hem behulpzaam zijn om goede werken te doen, om de zouden met een onverzoenlijken haat te vervolgen en de deugd met eene vurige liefde na te streven.

Arbeid is zaligheid. Mocht de werkman door den duivel ondanks al zijne drukten bevochten worden, hij is wijs genoeg om diens bedreigingen te ontdekken, sterk genoeg om zijne aanvallen af te weren.

Hij erkent zijne nietigheid en zwakheid, en vraagt gaarne aan zijnen hemelschen Vader de hulp, den troost en de vriendschap, die hem door de wereldsche grooten geweigerd worden. Eu o, zoo gaarne neemt de nederige zoon van den timmerman van Nazareth zulke eenvoudige lieden onder zijne bescherming; geen hel, geen vleesch, geen wereld zal hem deren, want „wie is gelijk aan onzen God, die in den hooge woont en de uederigeu gadeslaat

in den hemel eu op aarde?quot;

Arbeid is zaligheid. De stille werkman stoort zich weinig aan het gepraat der wereld, hij gaat zijueu gang, hij

-ocr page 95-

— 91 —

zoekt niet uit te schijnen dan door deugd en vlijt, hij wil slechts verborgen blijven bij zijn werk en woont liever aan een achterhoek dan langs de straat, waar het rumoer hem in zijn werk zou storen. De wereld vermag dus weinig op hem, omdat hij niet onder haar bereik komt. Hij wil geen kennis met haar maken, maar hij zoekt liefst ver van 't geraas en gejoel iu zijnen eenzamen werkwinkel of op den stillen akker onder de oogen van zijii goeden God, alleen zijn geluk in deugd en arbeid. Sterk dus wordt de mensch door zijnen werklust tegen zijne driften, tegen den duivel en de wereld, en geen wonder dat de moderne geest hem daarvan zoekt af te trekken en hem telken dage uitlokt nu naar een schouwburg, dan naar een lees- of drinkgezelschap, nu naar deze dan naar die publieke spelen. Gij, beste vriend, laat anderen geraak en eer en grootheid zoeken, zij halen zich daardoor juist de grootste ongenoegens op den hals voor tijd en eeuwigheid. Zij hebben hun hart gemest, zegt de H. Schrift, tot den dag der slachting. Ja, dierbare werkman, heb medelijden met die on gelukkigen, maar wacht ix van ze na te volgen. De viervoeters, wier spek later de prooi uwer stevige tanden zijn zal, doen niets lieA'er dan wentelen en wroeten en luieren in het vuil, maar ze zijn ook tot niets anders dienstig dan, om dik en vet geworden het mes m de keel te krijgen, gesneden, gescheurd, gekookt en gebraden te worden om uwen honger te stillen ; zoo , zoo zullen ook zij , die zich thans in luiheid, in gemak en zinnelijke genoegens en in den zondenmod-der wentelen, tot niets anders dienstig zijn dan, om een prooi van satan geworden , gehakt, gefolterd , gebraden te worden in alle eeuwigheid.

't Wordt tijd dat mijn arbeid over den arbeid een

-ocr page 96-

einde neme. Nog lang zou ik kunnen uitweiden over den ootmoed, de eenvoudigheid, de eerlijkheid, de oprechtheid en het geduld van den arbeidsman, over zijne liefdetot - de Kerk , waar hij troost en steun zoekt door zijn eenvoudig maar vurig gehed en in het aanhooren van geestelijke onderrichtingen , over zijn morgen- en avondgebed en rozenhoedje.

Nog eens. De moedige werker 1° volbrengt Gods wil, 2° hij leeft vroolijk, rustig en tevreden, 3° hij heeft zijn onderhoud, eet- en slaaplust, 4° een gezond verstand, helder oordeel en standvastigen wil, 5° hij zegeviert over-duivel , wereld en vleesch , 6° hij bidt en boet, 7° hij verkrijgt vele genaden en deugden, 8° hij blijft dus een vriend van God op aarde en wat ik ten 9° moest zeggen,, dat lean ik niet zeggen, dat kan mijne pen niet beschrijven , dat heeft geen oog gezien, geen oor gehoord, geen verstand bevat, dat zult gij zelf, werklustige vriend, na dezen moeten ondervinden, want arbeid is zaligheid.

ACHTTIENDE KAPITTEL. Opstaan en vallen.

Toen wij de rustelooze bedrijvigheid van Ruth bewonderden, viel onwillekeurig het oog op ons zeiven : „Hoe! zeiden wij, de arbeid brengt zooveel nut en genoegen in huis,. en wij hebben er zoo'n schrik van. Euth was in haren vermoeienden arbeid zoo vroolijk en tevreden en wij, dieons gemak zoeken en alles naar den zin willen hebben,.

-ocr page 97-

— 93 —

wij zijn nooit content, 't Schijnt dat men werken moet om gelukkig te kunnen zijn.quot; En waarlijk, na de zaak wel overwogen te hebben, bevonden wij dat er geen rust op aarde is, dan in den wil van God te doen door zijne dagelijksche bezigheden. Alle geluk is in den Christe-lijken arbeid te vinden ; grootheid, opgeruimdheid, gezondheid, verstandigheid, braafheid, zaligheid ; en de ledigheid is een zak van misnoegen en naarheid, van armoede en boosheid , van ziekte en stommigheid, van ellende en verderfelijkheid. De aandachtige beschouwing dezer verschrikkelijke uitwerkselen trof ons in de ziel en deed ons het onvernietigbaar besluit vaststellen , nooit meer in 't minst aan de luiheid toe te geven, den zaligen arbeid boven alles lief te hebben en altoos met gretigheid ons werk aan te vatten , met geduld voort te zetten, met moed te voleindigen.

Maar hoe jammer is het, dat onze beste voornemens zoo spoedig ziek worden en sterven. Zij zijn als een vuur van vlas of houtkrullen, dat in eens met alle geweld opvliegt, en eene groote vlam naar alle kanten verspreidt alsof het alles zou verslinden , maar in een oogenblik neervalt en verdwijnt. Zoo gaat het dikwijls met onze heiligste plannen. Wij beginnen met een onweerstaanbaar geweld, wij rekken onze ledematen en maken eene gehalte alsof wij alles zouden overweldigen, maar spoedig heeft dat vuur uitgebrand ; nauwelijks hebben wij de moeielijkheden van het werk geproefd, of we worden moedeloos , het machtig vuur valt ineen , de moed zakt in de schoenen , een weinig assche , brokwerk is het overschot. Wie weet of het niet eveneens gegaan is met de moedige besluiten welke de afschuw van de werkeloosheid ons had ingegeven ? Zijn wij nog even

-ocr page 98-

— 94 —

vast besloten op het voorbeeld der ijverige Kutli, met het oog op alles wat leeft, en wat met werken in de lucht, op den grond of in het water zijn heil zoekt, de handen aan het werk te slaan en zoo ijverig den Schepper te dienen, dat men geen tijd meer heeft om aan den tijd te denken ?

Wanneer bij gelegenheid eener retraite of missie , de verschrikkelijkheden des oordeels , der hel of des doods ons in de ooren donderen, wanneer een vurige bliksemstraal der genade in eene preek of paaschbiecht onze ontrouwe ziel heeft doorkliefd , o , dan bloedt ons hart geweldig, 't is gewond en vermorzeld door een eindeloos berouw ; en nooit, iiooit meer zal het zich hechten aan de voorwerpen , waarvan het thans met zooveel bloedverlies is losgescheurd; vaarwel die pleizieren , voor eeuwig vaarwel! Liever op staande voet sterven , dan nog ooit mijn hart daaraan tequot; binden , dan nog zulke onvergefelijke dwaasheden te begaan !

De Missie is uit, de preek is uit, de biecht is uit, het vuur dat in de ziel gloeit, gaat ook spoedig uit.

Het was een vuur van krullen en laat niets achter dan een weinig asch en een stinkenden dam]); want is het hart verkoeld, heeft liet zijne voornemens gebannen, dan wordtquot; het ongerust, neerslachtig; het denkt weer aan zijn oude zonden , liet werpt er zich dieper in en klemt er zich vaster aan , dan het ooit gedaan heeft. Zoo zijn we; we zullen soms de heiligste voornemens maken en dan juist het meeste misdoen , omdat wij in onze vurigheid zoozeer op ons zelf vertrouwen , dat wij aan de middelen niet denken, die noodig zijn om standvastig te blijven.

Een man , die gisteren te diep in 't glas gekeken

-ocr page 99-

— 95 —

heeft, zal vandaag zoo zeer over dat ongeluk beschaamd staan, dat hij nauwelijks op straat durft verschijnen uit vrees, dat men hem zal nawijzen en zeggen : „Kijk, daar is die lap van gisteren hij schaamt zich en zoodra hij zijnen roes heeft uitgeslapen, heeft hij bij hemel en aarde gezworen , zich nooit meer aan die schande te zullen blootstellen , nooit meer bij die verleiders en tafelschuimers te komen, nooit meer over den drempel eener herberg te gaan, zelfs geen driecenter meer aan zijne lippen te brengen ; ziedaar het vuur in volle vlam.

Maar vriend, roep toch zoo hard niet; over acht dagen is er weer vendu, daar moet ge bij zijn, noodzakelijk er bij zijn, want gij moet daar een kachel koopen die veel beter is dan de uwe; dan behoeft gij 's avonds niet meer naar de herberg te gaan om u zei ven te verwarmen. Groed gedacht! De vrouw zegt wel, dat ze met de oude kachel goed heen kan, maar zij heeft er immers geen verstand van. Dus aangekleed, goed gezakt, naaide verkooping. Maar zie, daar staan die weergaas lekkere borrels op de tafels te lachen, zij hebben van hunne respectieve liefhebbers de tongen losgemaakt en een groot rumoer heerscht in de kamer, doch boven alles en allen schettert het schel geschreeuw van den afhanger : „éénmaal, andermaal , voor den...quot; Die man trekt een oogenblik liet oog en oor van onzen kachelkooper, doch aanstonds wordt zijne aandacht afgetrokken door de lieve bittertjes , die nu hier, dan ginds „gewiptquot; worden en zoo velen vroolijk maken ; onze koopman kan het niet langer uithouden, iedereen heeft liet mooie wapen in den mond of in de hand, zou hij alléén een uitzondering maken op dezen mooien regel? Neen, dat kan niet langer. „Jan, een driecentertje, een driecentertje !quot; „Als je blief menheer.quot;

-ocr page 100-

— 96 —

Ziedaar, menheer heeft zijn lichtzinnig, onoverdacht', voornemen gebroken; maar nu is 'ttoch voorhij. Welaan ! nog een tweede, 't smaakt goed, kom! nog een derde;, daar komt een vriend met kaartjes , hij zal trakteeren dus nog een vierde en vijfde. Eindelijk weet menheeiquot; niet goed meer wat hij doet, hij drinkt dapper door, er komt leven en vroolijkheid in hem, hij krijgt het druk en zóó druk , dat hij zijn kachel vergeet en m plaats van zijn kachel een paar verlapte ketels koopt, zóó druk, dat hij tegen den avond naar huis gaande , van vermoeienis niet meer staan kan en in alle herbergen en kroegen moet uitrusten en eene verversching nemen.

Ten langen leste strompelt hij al roeiende met zijne-armen naar huis , steeds knorrende, dat de wegen zoo smal zijn en zoo slecht gebaand worden. Welk eene schande ! 's Anderen daags 's morgens ten elf ure ontwakende , laat hij een paar lange armen en groote oogen zien en weet niet wat er gebeurd is, maar zijne diep bedroefde vrouw , die een paar versleten ketels heeft thuis gekregen , zal wel zoo goed zijn hem te zeggen wat hij gedaan heeft. „Is 't waar, vrouw, is 't zoo erg-geweest? Heb ik het zoo bont gemaakt?quot; Ja, 'tis zoo; hij kan niet begrijpen, hoe hij zich zoo heeft laten bedotten en stom van spijt zou hij zich de haren uit het hoofd rukken. Maar vrouw , dat kan hij u verzekeren,, dat het nooit meer gebeuren zal. Zwijg nu maar stil alles is iiit, 't zal nooit meer voorvallen. Geef hem maar een warm kopje koffie, dan is alles weer goed.

Neen, vriend, uwe vrouw kan zich door zulke praatjes laten paaien , maar ik zeg u , dat het er ver van goed uitziet, ik zeg u, dat gij een onstandvastig mensch zijt. Dat moet gij zelf ook inzien ; ik zou u aanraden

-ocr page 101-

— 97 —

in't vervolg met uwe voornemens wat voorzichtiger te zijn.. 't Is waar, gij zijt overtuigd van het groote onheil en de onuitstaanbare schande, welke gij u en uw huisgezin op den hals haalt, maar gij weet toch wel dat gij die buitengewone plannen niet kunt uitvoereu. Zeg dus niet: „Ik zal daar nooit meer over den dorpel komen , ik zal geen enkel glas meer aanraken,quot; neen dat is te hard voor u; zeg liever: „Ik zal zonder noodzakelijkheid niet meer uitgaan , maar thuis bij vrouw en kinderen mijn genoegen zoeken; ik zal voortaan anderen drank nemen en nooit méér geld bij mij dragen dan daartoe-noodig is.quot; Denk dan dikwijls aan deze voornemens en aan de ellende, waarin de dronkenschap u werpt en 't genoegen, dat de matigheid u en de uwen verschaffen zal; en zoo, geloof ik, zult gij langzamerhand een ander mensch worden.

Ik houd er niet van, eene massa licht ontvlambare stof in de kachel te werpen, maar een weinig solied stook-sel, goede kolen, en dit dikwijls te herhalen, door den dag nu en dan een weinig er bij te doen , dan zal het vuur aanblijven en 't huisgezin verwarmen. Doe gij dat ook, lezer , tnaak weinige maar vaste gegronde voornemens , stook ze dikwijls op en zet er wat kracht bij , door na te denken wat u tot die voornemens deed besluiten, en uw ijvervuur zal aanblijven en in plaats van uwe huisge-nooteu te ergeren, zult gij ze eveneens tot vurigheid opwekken, verwarmen en stichten.

Een ander voorbeeld; want het vrouwelijk geslacht zou haast gaan denken dat het zich deze les niet behoeft aan te trekken. Eene dochter zal eene welverdiende berisping van hare moeder ontvangen hebben, ze werd zoo rood als de kachel in een harden winter; ze kon zelf

-ocr page 102-

— 98 —

niet begrijpen hoe ze toch zoo dwaas was geweest; maar ze was er toch eigenlijk de schuld niet van, ze was omgepraat. In ieder geval, moeder, ge zult er nooit meer van hooren, ze zal voortaan wel wijzer zijn. Met deze welgemeende verzekering is moeder content, zij kent hare brave dochter te goed, dan dat zij haar woord niet zou vertrouwen. Maar, ja wel, daar komt op een zondagmiddag, toen moeder naar de kerk was om den kruisweg te bidden, daar komt de oude klant weer aan, ze heeft hem niet gezien of ze springt op van vreugde, dat moeder afwezig is; ze denkt niet meer aan hare voornemens, ze heeft vergeten, wat moeder zei, dat het zoo'n groote schande is voor zulk een jong kind met zulk een kwant aan te doen, dat vader en moeder van verdriet zullen sterven als het zoo voortgaat. Ze heeft dat alles vergeten, hare goede beloften zijn gevlogen, en o, ongelukkige moeder die daar angstig voor uw kind zit te bidden, uwe armzalige dochter maakt het erger den den eersten keer. Had ze maar gezegd: „moeder, ik heb misdaan, ik zal mij voortaan wachten, maar gij weet wel dat ik zwak ben, wees dus zoo goed mij nooit meer alleen te latenquot;. Maar neen, beiden hebben te veel op hare deugd gebouwd en niet genoeg verstaan, dat wij allen van nature veranderlijk , onbestendig, wispelturig zijn.

Wat volgt hieruit? Dat wij, beste lezer, om niet gelijk een weerhaan aan kou en regen, aan sneeuw en wind bloot te staan en door iedereen als een dwaas en ongestadig mensch opgemerkt te worden, er voor moeten zorgen dat onze voornemens vast in den grond zitten, en wanneer zij aan 't buigen of vallen zijn als een leiboompje worden vastgebonden. Zij moeten niet te veel of niet te moeilijk zijn, .zij moeten op goede gronden steunen en dikwijls moeten

-ocr page 103-

— 99 —

wij datgene ons te binnen brengen, wat ons het meest tot dit besluit heeft aangespoord, b.v. des morgens of in de bekoring er aan denken wat vader of moeder of biechtvader heeft gezegd, hoe wij ons toen beschaamden, met wdk eene vurigheid wij toen zouden gezworen hebben nooit meer ons zeiven om zulke nietigheid zoo ongelukkig te maken, dan zullen we mannen blijven van één stuk en als een stevige eik alle winden trotseeren, sterk en onwankelbaar staan in de deugd en groot worden voor God.

NEGENTIENDE KAPITTEL.

Booz niet Boos.

De akkerman, die onze Ruth met zooveel goedheid bejegende, heette Booz. Ik heb dien naam tot nog toe opzettelijk verzwegen, omdat hij zoo boos klinkt. Ik wilde eerst zijne goedaardigheid doen uitkomen, opdat gij, waarde lezer, te beter gelooven zoudt, dat hij geen boos, maar een door en door braaf man was. Het was voor de Joden wel eene wet, dat zij de armen niet mochten storen in het rapen der aren achter de maaiers; maaier bestond toch geen gebod dat zij expres aren moesten laten liggen, of den armen eten en drinken moesten geven op het akkerveld. Zóó nochthans deed de goede Booz; toen hij zijne knechts over den volhardenden arbeid der ijverige Iluth had hooren spreken, ging hij zelf naar haar toe, groette haar, en gaf haar volle vrijheid om de

-ocr page 104-

— 100 —

gerst, die zijne maaiers met opzet moesten laten liggen, op te zamelen, met hen te eten en te drinken zooveel als zij lustte en het overschot naar hare moeder te brengen. Booz was dus niet hoos maar braaf, en bijzonder minzaam jegens de armen. Men zou hem in den echten zin lïheraal kunnen noemen.

Hoe! Liberaal ? zal mijn lezer zeggen. Een liberaal is toch een leelijk mensch, een boos mensch, een tiran, een Godverzaker. Hoor eens, vriend, dat raadsel zal ik eens voor u oplossen. Grij herinnert u nog wel, wat ik u vroeger gezegd heb, dat er vele namen vervalscht zijn; evenals in deze verkeerde wereld kleederen, goud en zilver, en voedingsmiddelen vervalscht worden, zoo worden ook de woorden vervalscht, en de heiligste namen op doemwaardige zaken toegepast. Men noemt personen en zaken met een naam, die er evenmin op past als een bril op een boerenneus, of een knevel op een bedelaarslip. Zoo handelt men met de heiligste woorden van katholiek, hemel en Grod zelfs.

Een Protestant, een Jood zelfs noemt zich katholiek om zijn lappen kwijt te worden, een drinkebroer noemt de kroeg zijnen hemel, een schraper maakt van 't geld, een gulzigaard van zijn buik zijn Grod; alle namen kunnen misduid worden, soms zoo erg en algemeen verkracht, dat de eigenlijke oorspronkelijke beteekenis nauwelijks meer gekend wordt.

Ziedaar nu wat het geval is met den naam TliheraaV\

Liberaal zijn is eigenlijk weldadig, inschikkelijk, edelmoedig, vrijheidminnend zijn. En zie, nu noemen zich juist diegene liberalen , die het volk uitzuigen, aan niemand vrijheid laten en zichzelven geweldadig alle gezag •aanmatigen, 't Is alsof de naam weer goed kon maken,

-ocr page 105-

— 101 —

tv at aan de personen ontbreekt, 't Is als een ezel in een leeuwenhuid, als een wolf in een schapenvacht, als een schooister in fluweel of satijn. Zoo weten zij door mooie namen hun wangedrag te bedekken. Zij verguizen alle gezag, spotten met de heiligste rechten, met de zekerste waarheden, met hemel en hel, met altaar en troon; zij willen God met zijnen godsdienst, zijnen Paus, zijne Priesters en zijne kerken uit de wereld verjagen en zeggen dan dat zij liberaal, goedgunstig, milddadig zijn en de vrijheid en rechten van allen eerbiedigen.

Neen, voorwaar, dan begreep de oude Booz beter, wat het is liberaal, weldadig, vrijheidlievend te zijn. Hij was liberaal in den echten zin , ik zeg nog meer, hij was sociaal, ja lezer, schrik niet, hij was een ware sociaal. Want ook dit woord heeft men vervalscht. Sociaal beteekent eigenlijk gezellig, maatschappelijk. Sociaal in den waren zin is iemand , die zijn medemensch niet slechts door zijne gesprekken en zijne liefdewerken opbeurt en voorthelpt, maar ook persoonlijk toegankelijk is voor iedereen , de grooten eerbiedigt, tot de kleinen afdaalt en uit liefde voor de menschheid alle pogingen in het werk stelt, om de maatschappij, dat is alle men-schen de tevredenheid en het geluk te verschaffen , dat hij zelf geniet.

Was onze goede Booz dan niet werkelijk sociaal ? Hij, de rijke man, die met zijne maaiers als met vertrouwde vrienden omging , die zoodra hij de arme E-uth had bemerkt, naar haar toestand met veel belangstelling vroeg, haar ijver prees , en welverre van haar het loon te onthouden , haar eten en drinken schonk, ofschoon zij hem geheel vreemd was en hij volstrekt geen overeenkomst met haar had gesloten. Zelfs was haar arbeid voor hem

-ocr page 106-

— 102 —

meer schadelijk dan voordeelig. Maar de rechtvaardige Booz kon niet zien , dat zooveel ijver onbeloond bleef; hij gevoelde reeds, wat later onze Heer heeft gezegd en wat onze roemrijke Paus onlangs verkondigde ; de werkman moet zijn loon hebben, en alwie kan, moet er voor zorgen , dat de arbeider 't loon ontvangt, hetwelk zijn werk waard is, dïgnm est operarius mercede sua. Zoo trachtte de sociale Booz door zijne toegevendheid en milddadigheid den arbeidsman tevreden te stellen , zoo zorgde hij dat de werkman werkmam blijven kan en blijven wil.

Geheel anders handelen zij , die zich thans socialisten noemen. In plaats van den werkenden stand aan te moedigen , op te beuren en te verbeteren , ontnemen zij hem op de eerste plaats den godsdienst, zonder welken geen waar geluk bestaan kan. Dan hitsen zij hem op tegen het zoogenaamde kapitaal, tegen het eigendomsrecht , doen hem den last des arbeids gevoelen , maken hem ontevreden, rukken hem uit den werkwinkel, laten hem het lokaas van luiheid en weelde en uitspatting proeven, voeden hem met de ijdele hoop op roof en buit en storten hem alzoo in zijn tijdelijk en eeuwig ongeluk.

Wat is de wereld veranderlijk en wispelturig. Tien jaren geleden , toen ik mijne mijmeringen voor den eersten keer liet drukken, heerschten de liberalen met onbeperkt gezag over de gansche wereld , en nu reeds worden zij van hunnen troon gestooten door hun eigen gebroedsel, de socialisten. Zoo volgt 'fte eene sekte op de andere ; de eene is niet vergaan, of een andere steekt den kop in de lucht. De kerk alleen blijft eeuwig en altijd onveranderlijk dezelfde.

Ziedaar eene deftige oude kerktoren, die met zijn wijzerplaat eeuwenlang op het uitgestrekte dorp een

-ocr page 107-

— 103 —

wakend oog gevestigd hield , met zijn slanke spits door het kruis henen aan de opkomende en wegstervende familiën den weg naar den hemel wees, en door zijn klokkengelui dag in dag uit tot ernstige gedachten stemde, tot godvruchtig hidden opriep. Zie hoe duizenden winden, orkanen en stormen vergeefs aan hem hunne woede botvierden. Zij verdwenen even spoedig als zij gekomen waren en de toren hleef staan, rechtop, onwrikbaar vaststaan, zonder ooit zijn plicht te verzaken, zonder ooit een anderen weg aan te wijzen, dan die recht naar den hemel leidt.

Schoon zinnebeeld van de katholieke kerk ! Het protestantisme en liberalisme hebben ieder een tijd lang als een vreeselijk onweder over de aarde gehangen en alles met verwoesting bedreigd. De kerk Grods hebben zij een wijl in wolken gehuld, zij werd aan het oog ontrukt en scheen verloren, maar de geest Gods blies over de aarde, joeg de wolken uiteen, vaagde den hemel schoon, en de kerk verscheen in nieuwen glans, zich spiegelend in de zonnestralen. Op deze wereld echter kan rust, en vrede niet duurzaam zijn. De wolken zijn nauwelijks grommend afgedreven, of daar dreigt een ander onweer de gansche aarde met vernieling en ondergang. Het is het woeste socialismus.

De liberaal liep met de vrijheid te koop. Dat was het recept, waarmede hij alle kwalen der menschheid genezen zou. Als elkeen onafhankelijk was, als alle koningen hunne macht aan het volk overgaven, wanneer de kleinste burger en de geringste landman zich zelf regeerden of zelf hun regeerders kozen, dan zou welvaart en geluk het land overstroomen. Zoo sprak de liberaal. Maar zie, straks heeft het liberalime een halve eeuw den scep-

8 Ruth.

-ocr page 108-

— 104 —

ter gezwaaid, de wereld heeft vele jaren het kostelijke recept geproefd, alle gezag afgeschud, haar eigen zaken bestuurd. Maar wel verre van een paradijs te vinden, hetgeen de kwakzalver voorspiegelde , gaat zij gehukt onder belastingen, en schulden, armoede en gebrek. En wat nog het ergste is, zij heeft den godsdienst verzaakt en daarmede den moed verloren, om de armoede te dragen.

In dien nood, in haar vertwijfeling en wanhoop klampt de wereld zich aan alles vast, wat maar een schijn van troost of verlichting aanbiedt.

En zie, daar verschijnt een ander kwakzalver. Hij zegt een medelijdend hart in zijn boezem te dragen en zweert, dat hij het verarmde volk niet alleen helpen wil, maar ook helpen kan. De vrijheid van gezag, door de liberalen gepredikt, heeft niet gebaat; de socialist kent een beter middel. De maatschappij is rot, zegt hij, zij moet vernietigd worden en eene nieuwe moet in de plaats komen. Hij wil de maatschappij eerst doodslaan en ze dan genezen. De rijken moeten hun geld er, goed afgeven, want zij hebben het door list en bedrog verworven, en hebben er dus geen recht op. De armen, de arbeidende klasse, moet meester worden door geweld, door werkstakingen of door groote belastingen op het kapitaal, den rijken zijn eigendom ontnemen of verminderen en dan den arbeid, de opbrengst, de vruchten, het loon en geld gelijkelijk verdeelen. Ziedaar het recept van dezen kwakzalver.

Wij hebben altijd gemeend, dat er in de wereld geen gelijkheid mogelijk was, wij dachten dat de H. Paulus wijselijk sprak, toen hij zeide, dat er in een lichaam verschillende ledematen moeten zijn, welke ieder zijn eigen standpunt en zijn eigen werking hebben. Wij houden ons aan die oude waarheid, wat die waanwijze volks-

-ocr page 109-

— 105 —

menners ook roepen en schreeuwen. Het gezond verstand van den lompsten werkman kan het begrijpen. Er moet een hoofd zijn, dat bovenop staat, alles ziet en hoort en overweegt en bestuurt; een hoofd dat het meest geëerd wordt, maar ook van den schepper der natuur de beste en schoonste eigenschappen heeft ontvangen; een hoofd, dat veel meer de vreugde des levens geniet, maar ook aan veel meer leed is blootgesteld, dewijl het zoowel het onaangename als het aangename opmerkt, kent en gevoelt. Aan een lichaam moeten ook beenen en voeten zijn en deze leven bedekt en verborgen, en slijten hunne dagen in arbeidzaamheid en vergetelheid. Toch zijn ze gelukkig en met hun arbeid tevreden, want zij bemerken het leed niet, dat het hoofd ontwaart, ze zijn het werken gewoon en zé denken aan niets anders ; dewijl de Schepper hun die plaats en die taak heeft aangewezen. Wat gebeurt er met het lichaam, wat met voeten en beenen zelve, als zij opstand maken of het werk staken ? Dan treedt de ouderdom in , en de mensch sterft. Wat te denken van een geneesheer, die, om een ziek lichaam te genezen , zou beloven dat hij , na alle ledematen van elkander gerukt te hebben, aan alles eene nieuwe plaats zou bezorgen ? Of aan elk lid evenveel en even gemakkelijk werk, evenveel last en genoegen zou geven ? Die de voeten vandaag acht uren zou laten gaan en morgen zou laten kijken en hooren en denken, terwijl het hoofd midderwijl zou moeten loopen.

Zie zulke dwaasheden verkoopt de kwakzalver, die men socialist noemt. Zoo wil hij het groote lichaam genezen, dat wij maatschappij heeten. Zoo iemand geeft zich uit voor den geneesheer van de lijdende menschheid. Op zulke wijze wil hij een einde maken aan den alge-

-ocr page 110-

— 106 —

meenen nood. Door zulke dwaasheden ruit hij de hongerlijdende massa op. En duizenden verdringen zich om zijn preekstoel en luisteren naar zijne woorden en laten zich door hem misleiden, omdat zij den godsdienst heh-hen verloren en geen ander middel kennen om hun treurigen toestand te dragen of te verbeteren.

Ja waarlijk de honger is een scherp zwaard. De honger maakt van den werkman een krankzinnige , een dief, een moordenaar, een monster. Zeker handelt hij onzinnig met het oor te leenen aan zulke verleiders.

Toch verdient hij meer medelijden dan toorn , want het is vooral de schuld der grooten ; zij hehhen hem in zulk een toestand gehracht. Zij hebben door hun voorbeeld den werkman geleerd al hun geluk op aarde te zoeken; zij hebben God en godsdienst weggeworpen, zich met het zweet der arbeiders verrijkt en, terwijl zij zeiven in genoegens baden, hebben zij den werkman in armoede gedompeld en hem zoowel de hemelsche als de aardsche schatten, de gelatenheid , de tevredenheid , de rust des gewetens , het geloof ontnomen. Waarlijk zij zijn dubbel beklagenswaardig en wij zijn verplicht geen moeite te sparen om hen uit hun ellendigen toestand op te beuren. Al wie nog gezond verstand bezit, wordt door onzen wijzen Vader den Paus opgeroepen , om den algemeenen nood te lenigen , niet door de kwakzalversmiddelen, welke de socialisten aanprijzen, maar door het opwekken van het oude geloof, door het herstellen van den godsdienst, door het verbannen der weelde en het beoefenen der liefdadigheid.

Het voorbeeld dat die oude menschenvriend , de rijke Booz ons gaf, kan niet genoeg overwogen worden. Hoe oud het ook is, het is zoo leerrijk voor onze heden daag-

-ocr page 111-

— 107 —

sche toestanden. De man bezocht zijn werkvolk op het land, niet zoozeer om te zien, of zij hun plicht deden, of hij zelf geen schade leed, dan wel om te weten of hun ook iets te kort kwam. Wij zien hem zijne maaiers minzaam groeten en spoedig heeft zijn waakzaam oog de ijvervolle Ruth bemerkt. Aanstonds onderzoekt hij naar hare afkomst en haar toestand. Hij kan het niet aanzien dat de werkzame en liefdevolle Ruth, die zich voor haar moeder zoodanig inspant, armoede lijdt. Hij gebiedt de maaiers opzettelijk aren achter te laten en laat haar met zijn eigen werkvolk eten en drinken en, met een goeden oogst beladen, naar hare bezorgde moeder wederkeeren.

Hoe zelden ziet men hedendaagsch een patroon op dergelijke wijze met de zijnen omgaan, 't Is alsof wij in eene geheel andere wereld leven. Waar vindt men nog zooveel liefde, zooveel toenadering en vertrouwelijkheid. De werkgevers, voornamelijk de geldschieters, weten niet eens , wie zich van den vroegen morgen tot den laten avond voor gloeiende fornuizen, in donkere holen of stinkende fabrieken aftobt, om hen rijk te maken. En nooit zullen zij eenige moeite doen , om naar den toestand te vernemen van hunne grootste weldoeners.

De werklieden spreken van verdrukking en afzetterij, de bazen en alwie eenig werk bestellen, van dagdieverij, van vervalsching en bedrog. Maar laat ons liever daarover zwijgen, laten wij, zegt de H. Paulus, elkander niet bijten , opdat wij niet door elkander gedood worden. Laten wij allen schuld bekennen; maar dat de werkgevers, die de voornaamsten en meest ontwikkelden zijn , ook de meeste wijsheid toonen ; dat zij beginnen, met hunne minderen liefderijk te behandelen, en geen moeite sparen om den toestand te verbeteren.'

-ocr page 112-

— 108 —

Dit is noodzakelijk, omdat het bederf van de groeten is uitgegaan. Zij hebben door hun geschriften, door hun woord en voorbeeld aan den armen man zijn geloof ontnomen, hem door hun weelderig leven geërgerd en veel tot zijn ongeluk bijgedragen. Zij dus zijn het eerst tot toenadering verplicht. Dewijl er echter onder mijne lezers geen liberalen, zelfs geen ontaarde katholieken gevonden worden, is het noodig, dat ik eene andere reden aanhale, om hun te bewijzen, dat de werkgevers het meest en het eerst tot verbetering kunnen en moeten bijdragen.

Ten tweede dan zeg ik, dat de werkbazen in 't algemeen het meest ontwikkeld zijn, dus het best den toestand kennen, beter dan anderen begrijpen, dat de christelijke liefde in alle huizen , in alle fabrieken , op alle velden moet terugkeeren , beter dan anderen inzien, dat de geheele wereld ten onderste boven gaat, als er niet spoedig een einde komt aan die verwijdering, dat wantrouwen , dien haat en afkeer tusschen de meesters en de arbeiders. Het hoofd laten wij bloot, maar de bene-dendeelen des lichaams, vooral de voeten , dekken en verwarmen wij met de meeste zorg. Wij zijn bang eene kou te vatten en wij weten, dat de verwaaiioozing dier ledematen eene verkoudheid ten gevolge kan hebben, die ons ten grave sleept.

En zie, thans is alles wat eenig gezond verstand bezit ervan overtuigd , dat de ziekte , welke de lagere deelen der maatschappij heeft aangetast, duizenden in het verderf stort en de geheele wereld medesleept, wanneer niet spoedig die zieke ledematen genezen worden. Wij weten het, maar kunnen wij , die beschaafder en wijzer zijn, met de handen in den schoot, den ondergang der wereld aanzien ? Kunnen wij zonder wroeging zoovele

-ocr page 113-

— 109 —

armen, die toch onze broeders zijn, van honger en gebrek laten vergaan ? 't Is hun eigen schuld, zegt gij, ik wil met mijne toegevendheid geen voedsel geven aan hunne luiheid, hunne liederlijkheid, hunne zwelgerij en dronkenschap. Neen vriend, de massa is minder schuldig dan de grooten ; velen zijn huiten hunne schuld zonder werk, of zijn genoodzaakt voor een al te nietig loon hun lichaam af te matten. En hebben zij met hun tijdelijk vermogen hun geloof en deugd verloren , dan zijn zij driemaal ongelukkig en ook driemaal beklagenswaardig, dan moeten zij met driedubbele kracht geholpen worden. Hebt gij drie wonden in het been ontvangen, dan laat gij ook alle drie verplegen en uw hoofd zal het eerste zijn om zich met de zaak te bemoeien, de hals zal zich buigen, de oogen zullen nederzien , de handen zullen de plaats des onheils betasten, wrijven, verbinden. Want laat het niet vergeten , dat die armen en noodlijdenden onze broeders zijn, ledematen van eenzelfde lichaam.

Dat de beschaafderen , de meesters en werkgevers voorgaan , eischt ook hun eigenbelang. Of meent gij , dat gij den dans ontspringen zult, wanneer de uitgehongerde massa aaneengesloten in den lang voorgespiegelden buit hare tanden zal slaan ? Hoe meer schatten gij hebt opgestapeld, hoe meer gij in weelde en genot den naakten en hongerigen werkman hebt getergd , hoe minder liefde en medelijden gij hebt getoond , des te verwoeder zal men op u aanvallen , des te zwaarder zal uw straf zijn. Waan niet, dat gij den arbeidsman missen kunt. Neen, zegt de H. Paulus, de ledematen welke de minste en zwakste schijnen, hebben wij het meest noodig. Gij kunt roemen op uw aanzien, uw macht, uw rijkdom , uw afkomst, maar gij zijt en blijft afhankelijk van den

-ocr page 114-

arbeidsman. Weigert deze zijnen dienst, dan valt gij neer als een beeld, dat zijn voetstuk verliest. Gij hebt den werkman noodig, evenals uw lichaam de voeten niet missen kan. Werkt gij niet krachtdadig mede, om ziel en lichaam van den al te lang verwaarloosden , verachten en getergden te bevredigen, dan steekt hij het hoofd op , sluit zich aan bij zijn makkers , werpt zich op uw have en goed, en verdelgt u met geheel uw huis.

Neen , vrienden , laten wij het zoo ver niet komen. Sluiten wij ons als ware zonen der katholieke kerk bij het groote leger aan , dat met den roemrijken Paus aan het hoofd, de verderfelijke volksmenners ontmaskert, den werkman onder zijne hoede neemt, hem liefderijk nadert, hem troost en steun verleent, hem zijn God, zijn geloof en deugd teruggeeft en hem de deur opent voor het eeuwig hemelrijk. Dat predikt u de liefde, dat gebiedt

u uw eigen belang.

-------

TWINTIGSTE KAPITTEL.

Koekoek, Koekoek !

Ofschoon in het voorgaande kapittel heel wat gezegd is van den liberaal en den socialist, kan ik toch nog niet van hen scheiden. Ik heb gezegd dat de eerste de vader is van den tweeden, en dit is algemeen bekend. De oude man, de liberaal, gromde, dat de mensch onafhankelijk is van alle gezag, dat een overste niet méér macht bezit dan hij van zijn onderdaan gekregen heeft.

-ocr page 115-

•dat hij dus moet regeeren gelijk de onderdaan wil, dewijl de inenschen gelijk zijn, allen even machtig en even vrij zijn.

Goed zoo, vader, zoo piept de jonge liberaal, dien men socialist heet, goed zoo, de mensch is vrij, volkomen vrij. Daarom hebt gij aan alle koningen hunne macht ontnomen en den menschen stembriefjes in de handen gegeven, om zich te laten regeeren door wien zij willen. Da's een mooie uitvinding. Maar , lieve pa, we zijn er niet rijker op geworden. Wat hebben wij aan die stembriefjes , als we geen geld hebben ? Als gij , lieve pa, uwe groote oogen eens wijd openzet, dan zult ge zien , dat gij eigenlijk maar halfwerk gedaan hebt. Gij hebt den regeerders hun gezag uit de handen gewrongen, maar wat hebt gij daaraan, als zij hun geldkist mogen behouden? Zeg eens, pa, als een vorst geen recht meer heeft over zijn rijk, waar haalt dan de rijkaard het recht over zijn landouwen, zijn paleizen en zijn geldpotten? Gij, pa, gij hebt de regeeriugsmacht onder de menschen verdeeld, ik zal de rijkdommen en goederen verdeelen. Gij hebt het volk arm gemaakt, ik zal liet rijk maken.

Aan dit gesprek, lezer, kunt gij zien, dat een socialist op den liberaal gelijkt, als een zoon op zijn vader , en daar de kinderen van een bedorven vader in den regel slechter zijn dan hij, zoo is ook het socialisme veel erger dan het liberalisme. Om de zaak nog duidelijker te maken, ga ik ze eens vergelijken bij een koekoek. Wat doet een koekoek ?

Altijd en overal waar hij verschijnt, noemt hij zijn eigen naam ; hij roept aanhoudend uit alle macht: Koekoek, koekoek ! Hoe liefelijk de zuivere tonen van den nachtegaal en de meerle door bosschen en weiden weer-

-ocr page 116-

— 112 —

galmen , de koekoek gaat zijnen gang; hij luistert nietr maar stoort die lieve gezangen , en overschreeuwt allen door zijn eentonig, schor en vervelend geluid; Koekoek, koekoek ! Nu en dan vliegt hij op, om op eene andere plaats het eenstemmige vogelenkoor, dat door zijne har-monieuse liederen alle ruimten vervult, alle ooren hekoort, uit een te jagen ; want, waar de schreeuwer verschijnt, daar vliegt alles uit zijne nabijheid weg, en het vogeltje, dat op een afstand zijne stem doet hooren , wordt tot zwijgen gebracht door het eeuwigdurend gesar{: Koekoek, koekoek !

Zoo loopt ook de liberaal en eveneens zijn zoon de socialist met zijn eigen „ikquot; te koop. Hij kent geen hooger gezag, hij moet baas zijn, hij domineert, hij jaagt alles weg wat onder zijn bereik komt, alle orde, eiken godsdienst, al wat goed en heilig is , alles wat evenals het vogelenheer in liefde en vrede onder eenen Schepper leeft en in blijde jubelzangen zijne dankbaarheid doet hooren ; hij luistert naar geene bewijzen, naar geen priesterlijk of burgerlijk gezag, hij overschreeuwt alles en allen : „ik ben baas, ik ben vrij en onafhankelijk, voor mijne macht moet alles onderdoen.quot; Voor mijne macht moet alles buigen. Aan mijn woord moet elkeen geloo-ven. Men spreekt van een onfeilbaren Paus , neen , ik alleen ben onfeilbaar; wat de priesters leeren, is boereu-bedrog , 't zijn schrikbarende sprookjes uitgestrooid om de menschen hun geld uit de zakken te rollen , ik , ik weet er het fijne van.quot;

Zoo , lieve lezer , zoo lasteren en pochen die waanwijzen en dat er tegenwoordig vele zulke wijsneuzen zijn , zou men moeten opmaken uit hetgeen onlangs in een socialistisch weekblad openlijk geschreven stond.

-ocr page 117-

— 113 —

„Zelfs in het kleinste dorp, zoo stond daar, zelfs in het kleinste dorp is tegenwoordig een fakkel, die licht verspreidt, dat is de schoolmeester, doch er is ook een mond om hem uit te blazen , dat is de priester.quot; Zoo schreef dat hlad, en 't zou mij niet verwonderen, dat in menig dorp zulk een lantaarn in den donkere werkt, aangezien er zoovelen zijn , die op grooten voet, als groote geleerden hetaamt, willende leven, over hun traktement klagen, honger lijden, op vreemd goed azen en zich om die reden hij de socialisten aansluiten. Die heeren werken in het duister, schreeuwen als een koekoek, trachten het woord Gods, dat de priester verkondigt, door hun geraas te overstemmen, verstoren de goede orde, waarin de geloo-vigen hunnen God verheerlijken en hunne overheid dienen , trachten de priesters weg te jagen en zich zeiven als geloofpredikers op te werpen : „Ik, ik hen de wijze, ik de geleerde, ik de verlichte; alle andere zijn domooren, en duisterlingen.quot; Koekoek, koekoek !

De koekoek houwt geen nest. Wanneer andere vogeltjes met takjes in hunne hekjes door het lieve zonnetje heen en weer fladderen, dan houdt de luie koekoek zich onledig met jagen en rooven en schreeuwen. Ja , hij rooft ook, hij is een eerste vreetzak. Zijne maag is zoo groot als drie andere , hij is niet te verzaden. Ook de liberaal laat anderen werken, en lacht met den boer en den werkman, ofschoon hij op hunne beurs teert en leeft van de vette postjes , die de schatkist ledigen. En om deze weder aan te vullen , laat hij zijne landgenooten ongehoorde belastingen opbrengen.

En zijn afstammeling, de socialist ?

O deze is een nog veel grooter schreeuwer en roover. Zijn grootste vermaak is veel lawaai te maken , door

-ocr page 118-

— 114 —

volkspreeken te houden , gemeene blaadjes te schrijven , ■den geleerde te spelen, het arme volk op te hitsen tegen de rijken, den arbeider te vleien, hem een paradijs voor te spiegelen en hem intusschen niet alleen zijn centen te ■ontfutselen , maar hem ook aan zijn werk te ontrukken en alzoo de bron van zijn bestaan te verstoppen.

De roofzuchtige koekoek legt zijn ei in een vreemd nest en laat het door andere vogels uitbroeien , die het jong dan ook moeten opvoeden. De oude liberaal doet ook zoo. Hij laat zijne kinderen door anderen opleiden. De scholen , die met ons geld gebouwd zijn , neemt hij in. Ja nog erger, hij maakt de scholen zoo stinkend neutraal, dat onze kinderen door den wasem zouden vergiftigd worden. Zoo moeten de onzen plaats maken en hij neemt de gansche ruimte in, om alleen de millioe-nen op te slokken, welke daarvoor worden opgebracht. Zelfs kan hij het moeilijk velen, dat wij aldus uitgeworpen, met ons eigen geld voor de onzen scholen bouwen. O die onverdraagzame, die roofzieke, die gulzige liberalen !

En de jonge liberaal dan , de socialist ? Dat is te begrijpen. Aan de weelde gewend, door de staatskas opgevoed, in den verpestenden adem van de neutrale schoolbanken groot geworden, als een jonge koekoek gewend van een andermansgoed te leven , kan het niet anders of hij moet nog een veel erger luiaard en roover zijn. Hij is zoo ver gekomen, dat hij beweren durft dat er geen eigendommen bestaan, dat stelen geen kwaad is. Hij wil de heele wereld in koekoeken veranderen. Alle menschen moeten zooveel mogelijk gelijk zijn niet alleen in macht, maar ook in geld en goed. Daarom willen zij van het vaderland één groot huishouden maken, waarin natuurlijk de socialisten de proviseurs , ontvan-

-ocr page 119-

— 115 —

gers en uitdeelers zullen zijn. Zelf is de socialist aldus-opgevoed , hij wil dat alle anderen hem navolgen. Hij schaamt zich, alleen roover te zijn.

Ziedaar nu, beminde lezer, de ware patroon van liberalen en socialisten : de koekoek. Gij vindt het verschrikkelijk en kunt het niet begrijpen , hoe een mensch tot zulk een dwaasheid kan komen. Maar weet, mijn vriend , dat er om wille van den broode al veel dwaasheden worden ingeslikt. En het moet u niet ergeren, dat er onder de katholieken zelfs gevonden worden. De liberalen immers, gelijk ik zei, scheppen er vermaak in , hunne kinderen onder de onzen te doen opvoeden en daar het soms veel moeite kost, om de onzen bijtijds uit de verderfelijke scholen verwijderd te houden, is het geen wonder, dat sommigen door dien omgang met denzelfden geest eenigszins worden doortrokken, 't Is heel natuurlijk , dat de jonge mereltjes iets van de geaardheid van den koekoek overerven, met wien zij vaak moeten leven.

Wanneer het schrikbarende water om onze dierbare dorpen tot aan de kruinen der dijken gestegen is, begint ook het binnenwater te zwellen; hoe sterk de dijken ook zijn aangelegd, welke voorzorgen er ook genomen zijn, allicht zal er hier of daar eene onoogelijke opening zijn, die door rat of muis of mol geboord is en waardoor het water naar binnen spuit. Eveneens zal ook binnen de H. kerk iets te bespeuren zijn van de liberale streving, die daar buiten heerscht, met hoeveel geweld en zorg en ijver die vijand ook geweerd worde ; hoe zwaar de dam ook zij, die daartegen wordt opgeworpen. Zoo, mijn vriend, zoo gebeurd het, dat er buiten de H. kerk liberalen zijn, van welke de liberaaltjes in de H. kerk gevormd worden.. Een paar voorbeelden.

-ocr page 120-

— 116 —

Laatst hoorde ik eene moeder tot hare tienjarige dochter, die eenige schoon geschuurde klompen niet in rust kon laten, zeggen: „kind, blijf er af.quot; Het ruwe antwoord luidde; „het zijn de mijtien.quot; De moeder herhaalde: „ge zult ze vuilmakenquot; en wederom snapte het harsche meisje haar toe: „daar hebt ge niets mee noodig, dat zijn mijn zaken.quot; Ziedaar, lieve lezer, een echt liberaaltje, zoo nestelt die hoogmoedige losbandige duivel reeds in onze kleinen, zoo kruipt die zucht naar onafhankelijkheid en vrijheid tot in de jongste harten; maar erger nog is zij werkzaam in de grooten. Luister, maar eens even, hoe kinderen, dienstboden en werklieden onbeschoft antwoorden op de smeekingen van ouders en oversten, wanneer ze hen nog een antwoord waardig achten. „Loop heen, doe dat zelf, gij hebt hier niets te zeggen,quot; enz.

Hoe voorzichtig moeten de meesters niet zijn. Ze durven van hun gezag geen gebruik maken, en met schrik geven zij slechts bevelen die hoogst noodzakelijk zijn, en dan met mooie woorden omkleed worden : „Och, lieve Jan, wees zoo goed , en ga eens naar den tuin.quot; En als Jan dan zoo goed is , dat hij luisteren wil en vraagt wat hij daar doen moet, dan waagt men hem te zeggen : „Och , beste Jan , ik zou gaarne hebben , dat ge dien boom eens snoeide.quot; Hij zal gehoorzamen, maar snoeien , zooals hij dat goedvindt: en pas op, baas, dat ge zijn werk niet afkeurt; dan gaat hij om zeep, hoor. En wilt gij hem leeren hoe hij in zijn snoeien moet te werk gaan, dan, wed ik, dat ge 't volgend antwoord krijgt: „Baas dat weet ik beter dan gij.quot; Houdt gij baas voet bij stuk, dringt gij er op aan, dat uw wil volbracht worde , dan zal een litanie van scheldwoorden worden

-ocr page 121-

afgerammeld en wellicht zult gij op staanden voet uw knecht kwijt zijn.

Al weer een liberaaltje , of, waarde lezer, zouden 't geen halve liberalen zijn ? Gelijken zij niet veel op den koekoek, die naar niemand wil luisteren ? Zijn ze geen naiipers van die groote wijsneuzen , die alle gezag vernietigen , om eigen macht en geweld in de plaats te hrengen ? Ik noem ze liberaaltjes en kleine koekoekjes , daar zij vrij willen zijn van alle wetten en banden en overheden, en handelen zooals zij zelf verkiezen. Onder het dienstdoend personeel vindt men ze niet zelden. En gij , baas , zie toe , dat gij niet zelf het voorbeeld geeft. Zie eens of gij niet eveneens handelt ten opzichte van de hoogere overheid. Helaas er is geen vasten meer , dan om halfvasten en vastenavond te vieren ; geen zondag meer, dan om den buik vol te tappen; geen overheid meer, dan om de onderdanen vrijheid te geven ; geen priesters meer , dan om aalmoezen uit te deelen , geen eerbied meer voor menschelijke of goddelijke wetten en rechten. Is vandaag een verdrag aangegaan , een huis gehuurd, een dienstbode besproken, morgen wordt die overeenkomst willekeurig verbroken. Men kent geen banden meer, men maakt zich vrij van alles.

En wat het socialisme betreft, is ook dit niet in de kerk doorgedrongen ? Vindt men geen katholieken, die meenen , ten minste schijnen te meenen, dat zij zooveel schuld mogen maken als zij maar kunnen ? Die maar koopen en blijven koopen, ofschoon zij zeer goed weten, dat zij nooit zullen betalen ? Die bij alle winkeliers in het krijt staan , in de biecht van zulk eene schuldige nalatigheid zwijgen, ja met de maning van hunne schuld-

-ocr page 122-

— 118 —

eischers den spot drijven ? Is het niet alsof zij meendenr dat alles gemeen goed is , dat stelen geen kwaad meer is ? Alle listen worden verzonnen, om zicli zeiven te verrijken met de beurs van anderen.

Zoo zijpelt het water van 't verderfelijk liberalisme en socialisme door de dijken heen , om ook binnen de kerk, onder katholieken zijne verwoestingen voort te zetten.

Nochtans is dat onheil weg te nemen , zoolang de dijk nog staande blijft; dat wil zeggen: die woelige geest van oproer en verzet kan verdreven worden, zoolang het geloof nog vaststaat, dat als een sterke dam alle schadelijke vloeden afweert. Dan kan het verderfelijk water door eene machine nog worden weggepompt, en kunnen de gaatjes nog gedicht worden, waardoor het zich een weg had gebaand.

EEN EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Leugens, allemaal leugens.

Alvorens verder te gaan , wil ik eens beproeven , om het noodlottig water uit te pompen , dat door de gaten, welke de blinde en zwarte wroeters, de liberalen en socialisten in den dijk gemaakt te hebben, in den vruchtbaren akker der Kerk is binnengedrongen. Dit zal geschieden , als ik de kwade beginselen, de machtspreuken en leugens , welke zij onder de geloovigen hebben uitgestrooid, weerlegd zal hebben.

-ocr page 123-

— 119 —

Welke zijn die leugens? De eerste is deze, dat de oversten memchen zijn evenals de onderdanen en dus geen grooter macht hebben als hunne knokkels niet sterker zijn. Zoo spreken die verblinde mannen, zoo spreken ook sommige braven, die ongemerkt door hen van dien kwaden geest doortrokken zijn. Maar, mijn vriend, ziet gij daarin niet den verwaanden koekoekzang ? Ik ben de de man , ik de baas , gij, mijnheer, hebt niets over mij te praten , ik ben zoo goed als gij ; zoo roepen de libe-ralén, en de kleine koekoekjes roepen hen na.

Gij, mijn vriend, zeg nooit dat gij uwen baas gelijk zijt; want al zijt gij ouder, sterker, bekwamer en verstandiger dan hij, gij hebt het gezag niet, de macht niet om te gebieden, welke God aan hem gegeven heeft, ü heeft Hij de verplichting opgelegd van gehoorzaam te zijn in alles wat tot zijne macht behoort, en wat geene zonde is, toen Hij namelijk tot de overheid zeide: „Die u hoort, hoort mij, die u versmaadt, versmaadt mij.quot; „Iedere ziel zij gehoorzaam aan hoogere machten,quot; iedere ziel, niet alleen dus uitwendig en met het lichaam, maar ook inwendig met graagte en uit overtuiging. „Want er is geene macht dan van God.quot; De wettige macht komt niet van lichaamskrachten of zielvermogens, niet van toeval of menschelijke keuze (hetgeen onze geliefde Pius IX z. g. veroordeeld heeft in den Syllabus) maar van God.

Dat is licht aan te nemen, zal een dienstbode of weikman zeggen, dat is licht aan te nemen ten opzichte van de ouders, welke zeker door God over de kinderen als gezaghebbenden zijn aangesteld , maar ik, ik heb mijnen baas of patroon zelf gekozen , zijne macht komt niet van God, maar van mij, ik ben dus volkomen aan

9 Ruth.

-ocr page 124-

— 120 —

hem gelijk, ja boven hem. Zeker vriend, gij hebt hem gekozen, doch niet om uw knecht, maar om uw baas te zijn; gij hebt hem gekozen en aangenomen , en juist daarom heeft God hem macht gegeven over u; weerstaat gij hem, dan weerstaat gij aan God, die wil dat uw baas gehoorzaamd worde. Daarom zegt de H. Paulus ; „Dienaren gehoorzaamt uwe overheid alsof het Christus zelf ware.quot; Zeg dus niet meer dat uw overste een mensch is als gij, gij zijt zijn dienaar, volgens het goddelijk gebod moet gij hem dienen , dat is gij moet doen wat hij wil, want hij heeft het gezag, dat gij niet hebt.

De tweede leugen , welke de wereld rondloopt en in het hart van sommige braven reeds ingang heeft gevonden , is deze; dat elk redelijk mensch van nature vrij is. God heeft hem , zoo zegt men, verstand en vrijen wil geschonken , hij kan dus doen wat hij wil. Zoo denkt er ook de koekoek over , hij houdt niet van regel en orde, hij vindt het veel pleizieriger van niemand af te hangen, op alle vogeltjes vrij te jagen, vrij in een andermans nestje te kruipen en er op zijn gemak een ei te leggen. Maar waar moest dat heen als alle vogeltjes zoo deden? Dan zouden er geen nestjes meer gebouwd, geen vogeltjes meer opgevoed worden. Waar moest het heen, als ieder vrij doen kon wat hij wilde ? Dan zoudt gij, mijnheer, die nu met de vrijheid zooveel ophebt, een groot slaaf worden. Men zou u alles ontstelen, men zou u afranselen als ge een woordje durfdet kikken, men zou u vermoorden als er iets aan u te verdienen was.

Zijt gij vrij, mijnheer, welnu, dan moet ge nooit uwen baard scheren, of nimmer hem schoon maken, blijf dan maar onder de warme dekens liggen en slapen en liefe-

-ocr page 125-

— 121 —

lijk droomen in eeuwigheid, want dat scheren en schuieren en opstaan is een groote last, een groote slavernij. Neen vriend er bestaat zulke vrijheid en onafhankelijkheid niet. Gij zijt een dienaar van God of wel een slaaf uwer driften en hartstochten; er is geen middelweg. God alleen is vrij. Hij alleen kan doen wat hij wil. Den raensch gaf hij vrijheid, in zooverre dat hij meerder of minder goed kan doen , en zelfs kwaad kan doen , maar hieruit volgt niet, dat hij kwaad mag doen. We hunnen soms wel den haas spelen, maar we mogen het niet, omdat we afhankelijk zijn van God en van de oversten, welke hij in zijne plaats over ons heeft aangesteld. Wij, kleine schepseltjes dezer groote aarde, wij moeten niet te veel sprongen maken. We zullen dan alleen gelukkig zijn , als wij de ootmoedige dienaar blijven , als wij ons in bedwang houden , en ons laten leiden door den wil der overheid.

Voor eenige jaren bezaten wij thuis een lief eekhoorntje , dat door zijne bevallige manieren ons menig genoegen verschafte en vol levenslust en vroolijkheid in zijne ruime kooi rondvloog, of met den ruwen staart over den rug gespreid, zijn lieven molen ronddraaide. Het nam met zijne voorste pootjes eikels , kastanjes en noten uit onze handen, kraakte en knabbelde ze lekkertjes op , tot groot genoegen van alle zijne vrienden. Maar op een ongelukkigen dag komt de duivel der vrijheid ook in dit onschuldig hoofdje de dwaze gedachte inblazen, van zijn zalig paleisje te verlaten. Het argeloos diertje ontsnapt door een opening en vliegt de ruime wereld in, om daar de betooverende genoegens eener onbeperkte vrijheid te genieten. Helaas ! aan zulk een •zwervend leven niet gewoon, kan het arme beestje be-

-ocr page 126-

— 122 —

zwaarlijk zijn voedsel vinden , het kent de gevaren des levens en zijne vijanden niet, en na weinige dagen wordt het onschuldig bloedje vermagerd , verplukt, gewond en dood, ja dood teruggevonden.

O ! leerzame en waarschuwende les voor allen die met hart en ziel een teugellooze vrijheid najagen ! O ! leerrijk voorbeeld voor alle dwazen die van allen en alles onafhankelijk , geene perken willen kennen , alle banden van gezag en gehoorzaamheid willen breken en in volle vrijheid naar eigen believen in de ruime wereld rondzwerven ! Ze zijn gelukkig, ze leven genoegelijk zoolang ze blijven binnen de perken, welke de gehoorzaamheid gesteld heeft. Zij kunnen binnen de grenzen, welke de overheid heeft afgebakend, vrij en levenslustig rondspringen; maar zoodra zij de grenzen der braafheid en deugd overschrijden , zich losmaken van het gezag, dat den mensch een veiligen weg op dezen gevaarvollen levenstocht aanwijst, dan , helaas ! dan wordt onrust en wroeging en ellende hun deel, dan dwalen zij onbezonnen rond van afgrond tot afgrond. Misleid door de schoonschijnende genoegens der bandelooze vrijheid, werpen zij zich in de booze armen hunner vijanden, hunne arme ziel wordt erbarmelijk gewond en geteisterd en gaat ellendig verloren.

Gij, ten minste mijn lezer, mijn vriend, verheug u onder de zorgvolle leiding uwer oversten; smaak vrij de genoegens en uitspanningen, welke zij u verleenen, maar laat u nooit misleiden door de gevaarlijke bekoring van u aan hunne leiding en zorgen te onttrekken, of ook in het minste de juiste perken der gehoorzaamheid te buiten te gaan. Evenals ik medelijden had met dat ongelukkig diertje, heb ook gij medelijden met die arme verblinde broeders, welke door den vrijheidsgeest bezield, die ver-

-ocr page 127-

derfelijke leugen verkondigen, dat de memch van nature vrij is. De derde leugen door de socialisten rondgevent is deze: „Grod heeft de aarde voor alleman geschapen; dus moet iedereen er het zijne van hebben. Eigendom is eigenbaat, is onrechtvaardigheid, is diefstal.quot; Dat God de wereld geschapen heeft, is een waarheid zoo groot als een koe; toch wordt die waarheid door de blinde mollen niet ingezien. Zij praten wel, alsof zij 't geloofden, maar 't is om den vrome te spelen, en bij den werkman gehoor te vinden. G-elooven zij het werkelijk ? Welnu , zooveel te beter. Als zij aannemen dat God de aarde gemaakt heeft, dan zullen zij ook moeten aannemen, dat Grod baas en meester er van is , evengoed als de schoenmaker van zijne schoenen, de bakker van zijn brood. Dan moeten zij ook aannemen , dat God van zijn maaksel, de aarde , kan geven aan wie en zooveel als Hij wil. Welnu als die vrome heeren iets van Gods geboden kennen, dan zullen zij het tiende wel eens gelezen hebben, dat aldus luidt: „Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren, noch zijn huis, noch zijn land , noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets van alles , wat hun, toebehoort.quot;

Is dat niet duidelijk genoeg? Blijkt daaruit niet, dat de schepper en maker van alles het persoonlijk bezit van onroerende zoowel als roerende goederen goedkeurt en zoodanig bevestigt, dat hij eiken vreemden verbiedt, niet alleen aan dat eigendom de hand te slaan , maar ook hetzelve te begeeren. God , die alles maakt, zegt, dat uw evennaaste eigendommen heeft, die niemand mag aanroeren, zelfs niet begeeren, en gij, gij, die niets maakt dan lawaai, gij zegt dat uw evennaaste niets in eigendom hebben mag, noch hebben kan. Wie heeft gelijk ? Kan er een grooter leugen worden uitgedacht ?

-ocr page 128-

— 124 —

De socialist schreeuwt al even hard, dat de menschen van nature vrij en gelijk zijn. 't Is waar, in zooverre hunne natuur het vordert. Wij moeten vrij en gelijk zijn in dien zin, dat niemand ons beletten mag, om het ware te kennen en het goede te doen, dat niemand ons beletten mag om te werken , te eten en te leven, om Zondags uit te rusten, te bidden , de kerk te bezoeken, onze kinderen te onderwijzen en naar eene goede school te zenden. Ja zoo verre moeten allen vrij en gelijk zijn, en het ware te wenschen , dat de socialisten in deze punten den mensch zijne vrijheid en gelijkheid gunden. Zij , die vryheidsschreeuwers, wat doen zij ? Den nijveren arbeidsman zijn gereedschap uit de hand nemen, hem tot werkstaking dwingen of ten minste door boerenbedrog hem daartoe verleiden. Hem den werklust, de tevredenheid ontrukken, hem een slaaf maken van zijn hartstochten, van dronkenschap en wulpschheid, hem zijn geloof, zijn God , den hemel ontnemen, en dan nog schreeuwen, dat men de vrijheid mint, dat men den armen werkman gelukkig wil maken. Leugens, bedrog, kwakzalverij ! Evenmin als er gelijkheid bestaan kan in verstandelijke vermogens, in ziel en lichaamskracht, evenmin kan ze bestaan in bezittingen. Wanneer de heele wereld eens overeenkwam om alle goederen gelijkelijk te verdeelen, hoe spoedig zou die gelijkheid verdwijnen ? De een zou goed oppassen en aanstonds weer rijk zijn , de ander zou alles in een paar dagen opmaken en opnieuw willen deelen. Of beter gezegd, niemand zou nog willen werken. Bestaat er veel werklust onder hen , die voor eene gemeente of voor het Rijk werken ? En kent gij geen dorp waar bijna alles van de armenkas leeft ? Heerscht daar nijver, beid , spaarzaamheid , werklust of moed om vooruit te

-ocr page 129-

gaan ? En toch , zij kunnen als zij willen. Maar veronderstelt , dat men nooit eenig vast goed kan krijgen , wie zal dan nog lust hebben ? Wie zal werken, wanneer hij weet, dat hij aanstonds een groot gedeelte van zijn loon aan den luiaard , den wellusteling en den slemper zal moeten afstaan ? Daarom zegt de H. -Vader in zijn meergemelden brief: Als de droom der socialisten ■werkelijkheid werd , zou de toestand der werkende klasse veel hachelijker worden. Want men zou hem de macht ontnemen, om over hun werkloon te beschikken en daarmede ook de hoop en de mogelijkheid om hun goed te vermeerderen en hun toestand te verbeteren.

En wie, zeg mij, wie zal al den arbeid en het werkloon behoorlijk verdeelen onder die millioen menschen van allerlei aard en behoeften, van leeftijd en lichaamsgesteldheid, met kleine en groote en geene huisgezinnen; zoo verdeelen , dat elkeen genoeg heeft en niemand te veel ? Zou het met die verdeeling niet gaan als in de fabel ? Een koe, een geit en een schaap waren met een leeuw op jacht gegaan. Zij vingen een hert, zwaar van vleesch. De buit werd in vier stukken gesneden en de leeuw sprak : „Ik neem het eerste stuk, omdat ik leeuw heet, liet tweede zal ik niet nemen , maar dat zult gij mij geven , omdat ik de sterkste ben. Het derde komt mij toe, omdat ik meer waard ben en wee hem, die het vierde durft aanroeren.quot; Zoo kan ook deze verdeeling op niets anders dan op leugens en bedrog uitloopen.

Alles wel, zal mijn lezer zeggen , ik wil volstrekt geen socialist zijn , maar mij dunkt toch, dat er wat meer gelijkheid moest bestaan, 't Is zoo ver gekomen , dat een werkman, hoe goed hij ook oppast, hoe bekwaam hij ook is, geen werk, zeker geen fatsoenlijke belooning

-ocr page 130-

meer krijgen kan en van honger moet vergaan , als er geen verbetering komt. 't Is waar, vriend, een gezonde opmerking. De toestand van sommige arbeiders is allerellendigst ; maar ik voeg er aanstonds bij , dat dit geen reden is, om de gansche maatschappij omver te werpen. Als wij dit toegaven, dan zouden wij het geheele lichaam doodslaan , om de zieke voeten te genezen. Dat nooit. Laten wij liever het voetspoor volgen van den groeten geneesheer, onzen H. Vader den Paus. Deze schrijft geheel andere middelen voor, namelijk godsdienstzin, geduld, liefdadigheid, eenvoud, spaarzaamheid, eendracht. Kunnen wij met deze middelen de zieke ledematen niet geheel genezen , laten wij dan hulp van hierboven verwachten en denken, dat er nog een ander leven is, waar zij, die hier de laatsten waren , de eersten kunnen zijn, en ook zullen zijn als zij willen.

Eene andere leugen , welke de liberale wereld in de Kerk wil binnensmokkelen , is deze , dat gehoorzaamheid lafheid is. De heeren kunnen het niet aanzien , dat zooveel millioenen katholieken, over de wereld verspreid, met hart en ziel aan priesters , en bisschoppen en den Paus gehecht, een zoo schoon geheel uitmaken , terwijl zij in alles verdeeld zijn. Zij noemen die gehoorzaamheid lafheid en slaafschheid.

Grehoorzamen is laf, ja voor hoovaardige koppen , die zich te groot en te geleerd achten om te buigen voorde waarheid, welke door zoovele eeuwen heen door alle groote mannen is gehuldigd geworden ; te groot om te buigen voor eene overheid , die door God is aangesteld. Neen, vriend, het is geen lafhartigheid, geen bloohartig-heid of kleingeestigheid den wil en wensch van ouderen en oversten te doen. Het is eene edelmoedige zelf be-

-ocr page 131-

— 127 —

lieerschhig, een teeken van groote zielskracht, 't Is eene heldendaad zichzelven te overwinnen, zichzelven meester te zijn , de oproerige vleitaal der wereld te verachten. Gelooft gij mij niet, gelooft dan de H. Vaders, die algemeen den kleinen David meer lof toezwaaien om de overwinning, welke hij op de wraakzucht behaalde, toen hij zijnen aartsvijand Saul in handen had en hem spaarde, meer lof, dan toen hij den kolossalen Goliath met een nietig steentje neerplofte. Zijne weerspannige hartstochten te overwinnen, zijn hoofd te huigen voor het wettig gezag is dus geen lafheid, het is dapperheid, kloekmoedigheid, rechtmatigheid en grootheid.

Als u dan, mijn beste vriend, iets geboden is en een vermetelde bekoorder u in de ooren fluistert: Laat ze loopen die machthebbers , gij zijt een gek, een dwaas, als ge naar hunne grillen u schikt; ge zijt een lafaard als gij er iets om doet of laat,quot; dan moet gij zulk een onverlaat met zijn eigen stok neerslaan en zeggen: „Als 't laf is , mijnheer, zijn oversten te volgen , dan dunkt mij is 't veel grooter lafheid naar u te luisteren , die niets over mij te zeggen hebt; is 't laf den wil van God te doen , veel grooter lafheid is het dan aan de grillen der hartstochten mij over te geven.quot;

Een laatste beginsel waarmee de bandelooze wereld den argelooze over de grenzen der gehoorzaamheid tracht te rukken, is dit: „dat gehoorzamen lastly i«.quot; Dat dit nu juist geen leugen is , waarde lezer , dat wil ik gaarne bekennen, dat heb ik zelf ook wel ondervonden, maar ik weet ook dat ongehoorzaamheid, al is zij voor een oogenblik gemakkelijk, toch nog grooter lasten medebrengt. Denk eens aan den woeligen eu onrustigen geest van een weerbarstig meusch, aau de teleurstellingen en mislukkin-

-ocr page 132-

— 128 —

gen, die hem herhaaldelijk overkomen, wanneer hij niet; naar ouderen en wijzer en luistert; aan de harde slavernij welke hem langer hoe meer drukt, naar mate hij meer aan zijne teugellooze driften toegeeft, die onverbiddelijk de laagste, de zwaarste, de noodlottigste diensten van hem eischen ; denk aan zijne wroeging , zijne zonden, zijne hel; en overweeg dan eens wel, of het niet heter is een beetje moeite te doen, eene kleine beperking der vrijheid te dulden, de opoffering der onderdanigheid ter liefde Gods aan te nemen, om in rust des harten en blijdschap des gemoeds aan zijn tijdelijk en eeuwig geluk te arbeiden. Wat was voor het rossige kereltje — ik bedoel mijn eekhoorentje — het pleizierigste, het gelukkigste, het beste, of wel in zijne kooi zooveel genoegens te smaken , of wel volkomen vrijheid te hebben om te doen wat het wilde, neen.... om zich ongelukkig te maken?

Apropos, we zijn zoover van huis geraakt, we hebben onze deugdenrijke Ruth in zoo langen tijd niet meer gezien, kom laten we ons nog eventjes spiegelen in haar gedrag. Vooreerst was Ruth niet de dochter, maar slechts de schoondochter van moeder Noëmi. Ten tweede was zij oud genoeg, zou men zeggen, om zelf te regeeren, en toch wil zij onderworpen zijn en vraagt: ,, Moeder, als gij 't gebiedt zal ik heengaan en alles wat zij in 't vervolg deed, geschiedde alleen op aanraden of gebieden van Noëmi. Zij wil niet uit haar zelve handelen, maar altijd den wil harer moeder kennen, om dien onverwaardelijk op te volgen. Die neiging naar onderdanigheid moet wel verheven en edel en lofwaardig zijn , en groote voordeden opleveren , wanneer de H. Ruth in alles zich door die neiging liet geleiden.

En waarlijk groot is het geluk van den gehoorzamen

-ocr page 133-

— 129 —

onderdaan, onder al zijne voorrechten, dunkt mij, is dit wel het voornaamste, dat hij altoos zeker is den wil van Grod te doen. Is er voor een braaf Christen , wien niets zoo ter harte gaat als de eer van den goeden God en de zaligheid zijner kostbare ziel, wel iets geruststellender dan de overtuiging, dat de wil der oversten , de wil is van God? Hoe menigmaal gebeurt het niet, dat wij niet weten wat Gode het meeste behagelijk is, ja hoevele zijn er die in angstige twijfelachtigheid hun heel leven doorbrengen, omdat zij niet weten ot zij wel aan God behagen en zijnen wil doen! Geef die menschen de deugd der gehoorzaamheid en die troebels zullen bedaren; hun geweten zal glad worden als een spiegel. Wanneer wij immers staan onder gehoorzaamheid en doen wat ons gezegd wordt, dan hebben wij verder geen rekenschap af te leggen, dan zal ons op den grooten oordeeldag alleen gevraagd worden, of en hoe wij gedaan hebben, wat bevolen was.

Al kwam een Engel uit den hemel u iets anders zeggen dan wat u gezegd is , zegt de groote apostel, dan moest gij hem niet gelooven , maar nog vasthouden aan het gezegde der wettige overheid. O welk een troost zulken veiligen gids te hebben in de overheid op het duistere pad des levens ! O welk een schat is de deugd van gehoorzaamheid !

-ocr page 134-

— 130 —

TWEE EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Het tooisel der gehoorzaamheid.

De liberale vrijheidsgeest heeft de gehoorzaamheid, welke de maatschappij en het huisgezin zoo schoon, zoo nauw, zoo sterk vereenigd hield, doen minachten en hare besté sieraden ontnomen. Daarom is het noodig, dat wij ons best doen , om haar in haar ouden luister te herstellen. Voornamelijk vier eigenschappen moet zij hebben , zij moet gewillig , nederig , gemoedelijk en bestendig zijn.

Yooreerst moeten wij gaarne cn gewillig gehoorzamen. Gredwongene, onwillige gehoorzaamheid is geveinsde gehoorzaamheid. Uitwendig doet men wat er geboden wordt, maar inwendig niet. Men gehoorzaamt als een leeuw of tijger, die in een dierentuin zit opgesloten, als een zwijn in zijn kooi, als een ezel met stokslagen voortgedreven , men gehoorzaamt niet vrijwillig , en zal dan ook geen verdiensten hebben. Wat zeg ik, verdiensten? last, verdriet en straf zal de vrucht van zulke huichelarij wezen. Even als een wild eekhoorntje ontevreden, rusteloos door zijn enge woning rondvliegt, tegen de spijlen zich moede springt en tot grooter ramp afgemat met een gekwetste neus en bloedende pootjes op den bodem nedervalt, zoo leven ook zij , die onwillig uit dwang slechts gehoorzamen, in voortdurende onrust en verdriet; zij maken hun werk veel lastiger , zij maken zich van de gehoorzaamheid eene foltering, en die schoone deugd, welke den nederigen onderdaan zooveel genoegen en vrede

-ocr page 135-

— 131 —

en verdiensten verschaft, wordt voor hen een waarde-looze slavernij.

Ik eisch niet dat gij , lieve lezer, geen tegenkanting-ontwaart , als u iets wordt opgelegd ; neen , die tegenstrijd is natuurlijk, maar gij moet daar niet naar luisteren, maar u verzetten en mannelijk, met moed en zonder geknor uwe toegewezen taak aantasten. Gij weet immers wel, dat zulke tegenzin voortkomt uit onze bedorven natuur, dat hij dus kwaad en zondig is als hij niet verbeterd wordt. Van nature , we moeten het bekennen T zijn we gelijk aan zekeren viervoeter, die altoos den verkeerden weg in wil, zoodat men hem met den staart moet trekken als men hem vooruit wil jagen. Onze natuurlijke neiging is dus onredelijk en kwaadaardig, ze moet bestreden en overwonnen worden.

Een kleine knaap zal uren schreien om eenen boterham , en wanneer moeder zoo dwaas is dien te geven T zal hij hem aanstonds op den vloer werpen. Waarom ? Hij handelt nog volgens zijne bedorven natuur, hij wil altoos averechts. Zoo , vriend, zoo doet ook gij, als gij met gehoorzaam, niet vrijwillig gehoorzaam zijt. Het gebod uws oversten is de wil van God, het is dus het beste wat ge doen kunt, maar gij wilt altoos anders. Onder alle boomen van 't Paradijs was er maar een T welke Eva onaangeroerd moest laten, en dien boom kiest zij uit om er van te eten. Had er geen verbod bestaan, dan had ze hem wellicht nooit aangeraakt. Ziet gij nu niet hoe de mensch altoos verkeerd wil , maar ook hoe onzinnig, hoe bederfelijk die verkeerde wil is ? Verzet u dus , vriend , wanneer gij dien dwazen tegenzin ontwaart , buig uwen warsen kop onder 't zoete juk der stille gehoorzaamheid , wel wetende dat, wat u geboden

-ocr page 136-

— 132 —

-wordt door Gods plaatsvervanger, altoos het beste is wat gij doen kunt, dat onwillige gehoorzaamheid een •onuitstaanbaar torment is , en dat gij zooveel te meer verdienste van uw werk zult hehhen, naarmate gij meer moeite' gehad hebt, om uwe booze dwarsheid tegen te streven, aan te vallen, te overwinnen.

Ten tweede moet men nederig of hlindelings gehoorzamen. Niet alleen den boozen wil, maar ook ons laatdunkend verstand behooren wij te onderwerpen. Gehoorzamen wij niet gaarne, dan zoeken we alle redenen om ons te verschoonen, dan keuren wij het werk af, of wij doen verhaal op den persoon van den gebieder. Nu zeg ik al weer dat dit heel natuurlijk is, maar dat wij naar die ingevingen van ons verstand niet moeten luisteren , wanneer wij niet volkomen zeker zijn, dat het gebod te volbrengen, zonde is.

Soms kunnen we onze redenen aan den overste blootleggen, en hem gemoedelijk zeggen, dat de zaak op deze of die wijze beter zou gedaan zijn; maar blijft hij bij zijn eerst gebod , dan is het klaarblijkelijk zijn wil, dan moeten wij zonder tegenmorren gereed staan; 't is zijne zaak goede bevelen te geven; onze taak is slechts gehoorzaam te zijn ; wordt hij zelf dan door zulk werk geschaad, dat komt op zijn rekening. Het verstand kan dwalen , maar 't geloof dwaalt niet, wanneer het zegt, dat men op Gods wijsheid vertrouwende, aan Zijne macht zich onderwerpende, blindelings en nederig moet gehoorzamen. Laat den gezaghebber zoo onverstandig en onvolmaakt zijn als hij wil; Christus gebood het volk aan de Pharizeeën, die groote zondaars waren, onderdanig te zijn. En Hij zelf, gehoorzaamde Hij niet aan een Gesar, aan Herodes en Pilatus, aan de moordende Joden ?

-ocr page 137-

— 13i5 —

Laat ons dit ophelderen door eene kikvorschengeschie-denis. De kikkers begonnen te bemerken , dat zij door hun ordeloos gekwak de gansche woestijn verveelden, en oni betere orde te kriigen, vroegen zij eenen koning aan Jupiter. Deze zond hun tot koning een stuk hout of plank, welke in het water kwam neergeplotst en door haar geplas alle vorschen verschrikte, zoodat zij in allerijl uit elkander stoven , en in hoeken en achter biezen zich verborgen. Langen tijd durfden zij hunnen koning niet naderen, hem zelfs niet van verre aanzien, want zij meenden dat het een groote reus was. Maar toen hij geen beweging maakte, was er een die 't durfde wagen, om nieuwsgierig zijn kopje boven 't water uit te steken en toen hij den koning bewegingloos zag liggen, waagde hij al dichter bij te komen, en allen volgden hem met schrik. Hij waagde 't zelfs in zijne stoutheid den vorst aan te raken , en toen deze zich niet wreekte, had hij den moed er op te springen, en in een oogenblik sprongen alle kikkers den waaghals na, zij dansten op den rug van hunnen koning en schreeuwden uit alle macht: kwak , kwak , kwak ! De goede koning, liet ze begaan , maar de vorschen waren over zijne zwakheid niet tevreden, en baden Jupiter, dat hij hun een strengeren koning geven zou. „Is dat een vorst, zeiden zij , die zich niet verroeren kan ? Geef ons een koning , die baas is en regeeren kan.quot; Jupiter liet zich vinden en gaf een anderen koning, namelijk een ooievaar. Deze wist zijne macht goed te gebruiken ; hij vermoordde den eenen kikker over den anderen. en verzwolg ze met pleizier. Toen begonnen zij weer te klagen, maar Jupiter voegde hun toe : „wat, denkt gij dan, dat gij met mij doen kunt wat gij wilt ? Grij had uw eerst bestuur , dat de natuur

-ocr page 138-

— 134 —

u geschonken heeft, moeten behouden, en tevreden moeten zijn met uw lot, maar gij hebt een koning gevraagd, de eerste was te goed, de tweede te streng, maar ik geef geen anderen meer; gij moet maar content zijn , of ik zal u nog een slechteren zenden.quot;

Ook wij zijn genegen om altoos de gebreken van anderen op te merken en vooral die van onze overheid. De eene is te goed , laat te veel toe , bekommert zich om niets. De andere is te fijn, ziet en bevit alles, zit ons aanhoudend achterna; de een heeft deze, de andere die gebreken, en omdat zij hooger geplaatst zijn, worden hunne feilen gemakkelijker gezien, grooter gemaakt dan zij zijn. Maar, laat ze zijn wat ze willen, ze zijn en blijven onze oversten, en wij hunne onderdanen. Wij zijn niet verplicht hunne gebreken na te volgen, maar wel hunne geboden te doen. Van de Phariseën zeide Jesus tot het volk: „De schriftgeleerden en Phariseën zitten op den troon van Mozes, onderhoud dus en doet alles wat zij zeggen, maar handelt niet naar hunne werken.quot; Het komt er dus niet op aan, door wien Grod ons Zijnen wil doet kennen; Zijn wil blijft heilig en onschendbaar , Zijn wil is machtig, is wijs , is goed , welk overste dien wil ook uitspreke; altoos moeten wij hem stiptelijk opvolgen , gaarne gehoorzamen en blindelings gehoorzamen. Of Grod zelf tot u spreekt, of wel een dief, een moordenaar aanstelt om u Zijn wil bekend te maken, dat blijft hetzelfde ; ja al zou hij een dier, een ezel als uw overste aanstellen, nog zoudt gij onderdanig moeten zijn. God liet in het oude verbond eene ezelin spreken om een profeet, Balaam namelijk, te berispen , en deze werd gestraft, omdat hij niet gedaan had, wat zij hem zeide.

De profeet verschoonde zich met te zeggen , dat hij

-ocr page 139-

niet wist, dat de ezelin in Gods naam sprak, maar wij, wij kunnen ons niet verschoonen , omdat het geloof ons leert, dat onze ouders of meesters of bazen of geestelijke herders ons in Gods plaats hesturen, hoevele gebreken zij ook hebben mogen.

Tot driemaal toe zegt de H. Paulus op eene plaats, dat wij „moeten dienen niet om aan de menschen te behagen, maar als dienaren van Christus,quot; wij moeten in den persoon des oversten niet den mensch of zijne gebreken, maar Christus en diens wil in 'toog houden, dan zal 't gehoorzamen ook gemakkelijk zijn, dan zult gij niet onderzoeken of het werk beter kon gedaan zijn , geen acht slaan op den minderen leeftijd, mindere bekwaamheid of doorzicht van uwen overste, neen dan denkt gij alleen aan God, Die 't zoo en niet anders wil; dan zult gij niets tegenzeggen of afkeuren en met liefde dienen.

De gehoorzaamheid moet gemoedelijk zijn. De H. Apostel spreekt van dienen ex animo uit genegenheid, met het gemoed, dat wil zeggen, dat gij zoon of dochter, knecht of meid, werkman of arbeider de zaken des huizes, de werken uwer overheid moet behartigen. Ge moet dus niet zeggen: 't zijn mijn zaken niet, 't kan mij niet schelen of mijn baas of overste voor- of achteruit gaat, voor- of nadeel heeft; neen , vriend , 't is uw zaak wel niet, het werk dat gij doen moet, uit te kiezen , maar 't is toch uw zaak 't gebodene werk te behartigen en niet uit bloot eigenbelang te handelen. Gij zijt lidmaat des huizes, der vereeniging, der gemeente; de voorspoed, het geestelijk en tijdelijk geluk van allen is ook uw geluk, gij moet dus voor 't welzijn dier vereeniging met ondergeschiktheid werkzaam en ook zorgzaam, zijn. Gij zijt onderdaan , niet om u zeiven , uw gemak of uwe

10 Ruth.

-ocr page 140-

— 136 —

beurs te dienen, maar om mede te werken aan den tijdelijken en geestelijken roorspoed van allen , die in 't zelfde huis of in dezelfde vereeniging zijn, en om aller, evenals uw eigen geluk te behartigen.

Niemand leeft alleen voor zich , zegt de H. Paulus. Meent gij misschien dat gij slechts dient, om met weinig werken veel geld en veel pleizier te hehben ? neen, beste vriend, zoo spreekt de wereld wel, maar niet het gezond verstand en niet de H. Apostel; gij moet ex animo met genegenheid dienstbaar zijn.

Een wereldsche dienaar werkt alleen voor zich , hij werkt zooveel en zoolang hij noodzakelijk moet; het kan hem niet schelen of hij zijn meester voor- of nadeel doet, als hij maar zonder zich moe te maken aan den avond komt. Een Christelijke dienaar werkt voor God; daarom behartigt hij de belangen zijns meesters, hij werkt om zijnen baas wel te doen en aldus ook zijn eigen geluk te vergrooten.

Een wereldsche knecht of meid of elk ander ondergeschikt persoon werkt alleen voor het oog, om de men-schen te voldoen, zij zullen b. v. aardappelen rooien , den grond omwerken , maar 't gaat hun niets aan, al blijft er een menigte in den grond zitten, wanneer zij ma ar op hunnen tijd er over heen zijn en 't oog voldaan hebben. Een goed dienaar behartigt zijne zaken, hij zal er b. v. nog eens overheen dorschen, als hij denkt dat het de moeite waard is , 't is hem niet om t gedane werk te doen, maar om 't belang des huizes. Als hij een of ander werktuig ziet staan, dat bederft, verroest, verloren gaat, dan zal hij zijnen baas waarschuwen of zelf de zaak in orde brengen , terwijl een ander alles maar laat hangen en bederven en het zelfs ontvluchten

-ocr page 141-

— 137 —

zal uit vrees, dat hij weer iets zal moeten doen, waaraan hij zelf geen voordeel of pleizier heeft. Een hrave dienaar doet ook gaarne iets meer, dan waartoe hij verplicht is , maar een eigenhaatzuchtige zal geen seconde langer werken dan bepaald is.

Een getrouwe dienaar sticht ook zijn huisgenooten, hij vertelt ze gaarne iets wat hun nuttig of zalig is en geeft een goed voorbeeld ; hij is de troost des meesters, het geluk des huizes ; maar een booze knecht ontsticht alles door zijne nalatigheid, ledigheid, onmatigheid, door zijne verzuimenis van bijna alle godsdienstige plichten. Helaas ! hij zal de kleinen op de hoogte van den tijd

brengen, zonder dat de ouders het merken zal hij ze.....

O goede God hoe vele schuldelooze zielen zijn aldus op den weg des verderfs gevoerd, hoe vele argelooze harten zijn aldus voor hun leven bedorven geworden ! Spaar, goede God , spaar de ouders , voor zulke booswichten , voor zulke snoode wolven, zulke schijnheilige knechten, meiden en werklieden.

Ten laatste moet de gehoorzaamheid standvastig en bestendig zijn. Dit kunnen wij van een ezel leeren. Een ongedurige ezel was in dienst bij een tuinier, en klaagde dat hij zoo hard moest werken en nog vroeger moest opstaan dan de haan , om groenten naar de markt te voeren ; daarom bad hij den afgod Jupiter , dat hij hem eenen anderen meester geven zou. Jupiter verhoorde hem en plaatste hem bij een pottebakker; doch hier moest hij nog meer werken, dagelijks klei aanvoeren en potten wegbrengen en wat nog wel het ergste was, terwijl de tuinier hem nu en dan een wortel toewierp, kon hij hier niet veel meer krijgen dan stokslagen. Wederom klaagde hij zijnen nood en vroeg Jupiter om een anderen

-ocr page 142-

— 138 —

dienst, die hem nog eens verhoorde en aan een leerlooier liet verkoopen. Maar helaas ! De slagen werden veel-vuldiger, de stinkende huiden waren zwaarder en het eten werd niet heter. Toen riep het arme heest uit: „O wat hen ik ongelukkig! was ik maar bij mijn eersten haas gebleven ! Want ik zie, dat deze, na mij in 't bittere leven harder gekweld te hebben, na mijn dood mijne huid nog mishandelen zal.quot;

Ziedaar, waarde lezer, een leerrijke fabel; 't gaat eveneens met ons. Nooit zijn wij tevreden en wat wij onder handen hebben, schijnt altijd het slechtste te zijn; dan eerst leerenwij onze eerste meesters kennen, wanneer wij bij anderen de proef genomen hebben. „Yelen hebben gedacht dat zij op andere plaatsen beter zouden zijn, maar zij hebben zich bedrogen,quot; zegt onze Thomas van Kempen. Niemand kan het naar den zin hebben, en wanneer men zich niet weet te schikken, zijn kruis niet weet te dragen , wanneer men zich niet van ganscher harte aan den wil van anderen als gehoorzame dienaar onderwerpt, zal men altoos in onrust zijn, de heele wereld rondloopen en ten laatste alles verloren, niets gewonnen hebben dan een bezwaard en angstig geweten , dat, evenals gezegde ezel, niet alleen treurt over den tegènwoordigen last, maar ook nog beducht is voor het andere leven.

Ik wil hiermede niet zeggen, dat het voor een dienstbode nooit geoorloofd is zijnen dienst te verlaten en een anderen te kiezen, neen, volstrekt niet, er kunnen redenen zijn, dat hij zelfs verplicht is zoo spoedig mogelijk heen te gaan, wanneer er b. v. eene naaste gelegenheid van zonde bestaat, wanneer zulk een dienst, zulk een baas of vrouw , zulk een zoon of dochter of zijn medeknecht of meid de aanleiding of oorzaak zijn, dat hij of

-ocr page 143-

— 139 —

zij zich overgeeft aan vloeken, aan twisten, aan dronkenschap , en vooral als zij daar den duivel der ontucht ontmoeten. Maar, geliefde lezer, deze zijn dikwijls de redenen niet, waarom een dienst verlaten wordt; integendeel die zondige gelegenheden zijn niet zelden de oorzaak , dat de ongelukkige dienstbode met geen geweld uit dien rampzaligen dienst kan getrokken worden , hij is daar als 't ware in eene hel, waaruit niemand terugkeert ; hij zit er zoo vast als in de hel, hij of zij kan voor een oogenhlik het goed voornemen maken om zich los te rukken, maar helaas! men hlijft weer hangen en klemt zich al vaster en vaster in de klauwen van Satan.

Om welke oorzaken dan ziet men zoo dikwijls de dienstboden wegloopen ? Helaas niet om braver te worden, maar omdat men 't niet naar den zin heeft, omdat men niet zoo laat kan thuis komen als men wil, omdat men niet overal komen mag , niet zooveel mag uitgaan, niet zooveel te zeggen, niet zooveel pleizieren, niet zooveel lekker eten heeft als men gaarne hebben zou, omdat de ezel veel moet werken, niet den heelen dag eten kan, op een andere plaats als een prins denkt te leven of meer geld kan krijgen. Ziedaar de dwaze redenen, welke dikwijls een knecht of meid, die in 't huishouden gelukkig waren naar ziel en lichaam, als ze maar een weinig geduld hadden , welke zulk een knecht of meid tot genoegen des duivels uit den besten dienst verjagen. Gremak-ken en pleizieren zijn hunne eenige drijfveeren.

O beste vrienden, die zoo ongedurig, zoo veranderlijk zijt, weet gij dan niet, dat gij niet voor uw gemak geschapen zijt ? Weet gij niet dat gij op weg zijt naar den hemel, en dat gij daarvoor eenige kruisen en moeie-lijkheden op aarde lijden moet? Wees dan geduldig in uwen

-ocr page 144-

— 140 —

stand, denkt dat gij onderdaan zijt, dat gij dienen naoetT en dus doen moet wat uw overste zegt, overal waar gij ook komt. Weet gij niet dat geen mensch op aarde 't naar den zin kan hebben, noch ik, nocb gij, noch Koning of Paus , zegt Thomas van Kempen ; allen moeten we lijden, en werpen wij het eene kruis af, we krijgen weer andere en grootere in de plaats. Weet gij wel dat het lat beid en ongetrouwheid is , uwen meester om zulke dwaze redenen uwen dienst op te zeggen , weet ge wel dat het zelfs zonde is en dat gij tot restitutie verplicht zijt, wanneer ge , door uwen dienst binnen den huurtijd te verlaten, schade berokkent en hem in 't nauw brengt.

O 't is zoo gelukkig zich eenige moeilijkheden te kunnen getroosten, om des vredes wille te zwijgen en te gehoorzamen ; voor die kleine moeite zal men veel genoegen terug ontvangen. Wie is er niet, die diegenen van gan-scher harte toejuicht, welke jaren en jaren met elkander in vrede geleefd hebben. Wie prijst den dienstbodeniet; wie benijdt niet de rust en de tevredenheid van den knecht of meid, die boven de wispelturigheid der dartele wereld verheven , alle stormen rondom zich laten woelen , aan geen nietige beuzelingen zich storen, hun geluk, hun waar genoegen, hunnen God en den hemel voor oogen hebben, en onveranderlijk voor God en hunnen meester leven ? Zij behartigen het geluk des huizes en zijn waarlijk gelijk aan een trouwen karo, die, hoe hij ook geslagen worde , nooit zijnen meester verlaten zal, en al vleiend en kwispelstaartend altoos naar hem wederkeert. G-ij dus ook, beste vriend of vriendin , die niet een hond maar een Christen zijt, doet voor Gods plaatsbekleeder, uit liefde tot God, uit liefde tot den vrede, wat dat dier doet uit instinkmatigheid.

-ocr page 145-

— 141 —

Wat doen zij , die als domme ezels nergens op liun gemak zijn , alle jaren, ja elke maand bijna van dienst veranderen, alsof het alleen maar te doen was om in alle huizen op te nemen, hoe rijk de baas is, hoe praatzuchtig de vrouw is, hoe de kinderen zich gedragen, alsof men was aangesteld om als een commies in alle huizen een onderzoek in te stellen naar kelder, naar zolder en kasten en kisten ? Wat komt er van zulke wispelturige nieuwsgierige, zelfzuchtige knechten en meiden'? Ze worden gelijk aan koortsachtige menschen, die hoe meer zij zich in hun bed heen en weer wentelen , zooveel meer behoefte gevoelen naar beweging en verandering, die nooit in rust zijn , en altijd meenen , dat zij op eene andere plaats , in eene andere positie beter zijn ; zij haken al langer hoe meer naar 't gemakkelijke en zinnelijke, zij worden al langer hoe meer ontevreden en, hoe meer zij veranderen, des te meer zij willen veranderen.

Ze verhuren zich weer , zoodra ze zijn aangekomen , op een andere plaats, daarom zijn ze nergens thuis, maar overal vreemd , ze hebben geen hart voor de belangen des huizes , ze geven weinig om den wil des oversten , ze gehoorzamen alleen uit eigenbelang en zooveel zij verkiezen, en hebben daarom ook weinig verdienste van de gehoorzaamheid. Ze gedragen zich als vreemdelingen en worden daarom ook als vreemdelingen door den baas behandeld , ze worden niet geacht of vertrouwd, ze zijn zijne vrienden, zijne ware huisgenooten niet. Ze hebben dan ook nergens den aard en welk ongeluk is het niet, nergens een huis te hebben , waar men zich in volle tevredenheid kan nederzetten en zeggen: hier ben ik thuie ? Welk ongeluk aan den baas of vrouw geen vriend te hebben , voor wien men zijn hart niet gerust

-ocr page 146-

— 142 —

kan uitspreken en lucht geven aan zijne bezwaren ?

Door hun gedurig veranderen trekken zij misschien meer geld dan hij , die altijd met denzelfden baas vertrouwelijk als een vriend omgaat; maar is de rust en tevredenheid niet meer waard dan alle schatten dei-wereld ? En als ze meer trekken , dan hebben ze ook meer noodig, vooreerst omdat ze meer uitgaan en thuis geen schik hebben en dus elders hun pleizier zoeken ; en zoo gebeurt het dat zij die jaarlijks honderd gulden konden overleggen, bij een naaister of modiste of in herbergen en winkels zooveel schuld maken, dat er geen honderd cents meer overblijft. Dat komt er van hen , die nooit tevreden zijn , aan geen overheid zich kunnen onderwerpen , om eenige nietigheden ongeduldig worden en dan naar een anderen dienst uitzien , maar wat nog het ongelukkigste is , zij komen in zoovele huizen , bij zoovele menschen , dat ze er licht een gevaarlijken verleider aantreffen , bij zooveel onrust ook nog hunne ziel verbeuren, aan 't drinken en slempen en luieren geraken, een afschuwelijk monster van boosheid , een schandaal voor de gemeente en een prooi van Satan worden.

DRIE EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Dominus vobiscum.

Booz was niet slechts gul jegens den arme, hij beminde ook zijne dienaren. Met eene liefderijke voorkomenheid wist hij hen te winnen , hij was hun ware vader. Hij

-ocr page 147-

was voor hen bezorgd, bezocht hen aan hun werk op •den akker, niet om hen te bevitten, maar om te zien of hun iets ontbrak , om hen door zijn bevallige manieren op te beuren en door een goed woord, dat hij ten beste gaf, op te wekken tot getrouwheid.

De H. Schrift zegt van hem, dat hij eens op den akker kwam en de maaiers met dezen groet vereerde : „ Ik Heer zij met vervolgens voegde hij zich bij hen en sprak vertrouwelijk en gemeenzaam met hen , alsof hij een van hen geweest ware. Zoo leert hij alle bazen zich niet te hoog boven hunne dienaren te verheffen, niet van de hoogte op hen neer te zien alsof zij slechts verachtelijke slaven waren , niet met een zuur gezicht en achterdocht alle nietigheden na te snuffelen, maar met ware christelijke liefde hen als broeders te beschouwen en door minzaamheid hun lot te verzachten , hen tevreden te stellen en te vergenoegen. Een vriendelijk gelaat, een liefderijk woord , een hartelijke omgang is soms de •open hemel voor den werkman of de werkmeid , die in hun lageren stand veelal miskend en vergoten worden , daarom tot moedeloosheid vervallen en een walg krijgen van allen handarbeid en van alle overheid.

nl)c Heer zij met u ,quot; zegt de goede Booz. Hij toont door deze woorden, dat hij het ware geluk zijner onderdanen Wenscht en verlangt, en geeft eiken overste de les, niet alleen zijn quot;welzijn maar ook dat zijner onderdanen te behartigen, en wel voornamelijk hun geestelijk welzijn. Elk overste immers moet, zooveel in hem is, er voor zorgen, dat de Heer onze Grod met zijne onderdanen zij, dat zij den oppersten Heer, den Heer van hemel en aarde niet beleedigen , maar steeds in zijne vriendschap -en bescherming blijven. Maar dan is het ook noodig

-ocr page 148-

— 144 —

dat hij evenals Booz bij gelegenheid over dien Heer en God spreke , en zorg drage, dat ze in den godsdienst goed onderwezen zijn. Paus Leo XIII zegt dat de werkbaas verplicht is den zgnen tijd en gelegenheid te geven, om behoorlijk den Zondag te vieren, op hun tijd te biechten, communiceeren, de onderrichtingen bij te wonen. En dit zal nog weinig baten, als de heer zelf daarin niet voorgaat door een goed voorbeeld.

Toen Adam nog in zalige vriendschap en gemeenzaamheid met God in het paradijs rondwandelde, was hij de ware meester en koning der gansche schepping. Alles was hem gehoorzaam, alles diende hem. Zijne hartstochten waren hem onderworpen en bevorderden zijn geluk. De aarde bracht niets anders voort dan wat hem nuttig of aangenaam zijn kon. De dieren omringden hem als vrienden en gezellen. Hij streelde den tijger, gaf handjes aan den leeuw en schepte zijn vermaak in de kronkelingen der groene slang; niets kon hem deren, alles werkte en speelde voor zijn gelukkigen koning, voor den mensch Maar ziet, die koning verheft zich tegen zijnen Schepper, hij overtreedt het gebod van zijnen God en in een oogwenk verlaten hem al zijne lievelingen, zijne hartstochten staan tegen hem op, de aarde werkt hem tegen en vertoont haar onkruid, de dieren verwijderen zich en vele vallen hem aan, om hem te verslinden. Zulke weerspannigheid , zulk een oproer is het gevolg en de straf van zijn verzet tegen God.

En nu, lieve vriend, beschouwen wij de hedendaagsche familie. Ziet gij niet hoe de baas, de koning des huizes, zijnen God verzaakt, een liberaal wordt, hoe een ander niet meer ter kerke gaat en zijn Paschen verzuimt, hoe een derde door dronkenschap of Godslastertaal of onrecht-

-ocr page 149-

— 145 —

vaardigheid aan God de gehoorzaamheid opzegt, maar ziet ook, hoe op hetzelfde oogenhlik de heele familie uiteenspat. De kinderen volgen liet voorbeeld van vader, want als Adam alvalt van God, dan valt de schepping af van Adam, werklieden en dienstboden luisteren niet meer-naar zijne hevelen, zij verzetten zich tegen hem. berokkenen hem onnoemelijk verdriet en komen terecht in het sop van het soeialismus.

Wanneer gij , mijnheer , die zoozeer klaagt over uwe leegloopers en huiselijke dieven , wanneer gij zelf met de groote wereld aandoet, liberale kranten leest en de anti-clericale sprookjes , die zij u opdisschen, voor echte munt aanneemt, wanneer gij zelf met papenhaters omgaat, en aan hunne hoogdravende preeken over den vooruitgang, over de onzinnigheid van godsdiensten en dogma's het oor leent, wanneer gij zelf aan de waarheid van uw geloof begint te twijfelen, uwe godsdienstplichten verwaarloost, naar geen God of gebod meer omziet, dan, mijnheer, kunt gij 't niet kwalijk nemen, dat uwe bedien- * den ook zoo handelen, en, evenals gij, alleen pleizier en eigenbelang najagen. Als gij zelf niet meer aan God en diens plaatsbekleeders gehoorzaamt, welk recht hebt gij dan te vorderen dat uw knecht u gehoorzaam zij , aan u , die bij God vergeleken, immers maar een speelpop zijt ? Als gij over den arbeidsman, over uwen knecht of uwe dienstmeid ontevreden zijt, wat moet God. dan wel van u zeggen ? God heeft toch meer recht op uwe onderdanigheid , dan gij op den dienst uwer onderdanen. Verbeter eerst u zeiven. Gij ziet een splinter in 't oog uwer onderhoorigen , en draagt zelf een balk daarin.

Geef het voorbeeld , geef aan God wat God toekomt,.

-ocr page 150-

— 146 —

• en zij zullen u navolgen en, uit vreeze voor dienzelfden God, ook u den dienst niet weigeren, waartoe u Grod het recht geeft. O gij dwaas! gij draait uwen Schepper den rug toe, 't is u bijkans te veel eens in de week ter kerk te gaan, op uwen tijd te biechten en te bidden en uwe kleine verplichtingen na te leven ten opzichte van uwen almachtigen Opperheer, en gij zoudt uwen knecht de keel toeknijpen , als hij niet dag in dag uit op uwe wenken gereed staat.

Neen , baas , als ge zoo handelt, als ge dus uwen Schepper bejegent, dan verdient gij ook door al 't geschapene verstoeten te worden ; en aan des Scheppers oneindige goedheid hebt gij 't te danken, dat zijne schepselen geen wraak nemen over de beleedigingen door u hunnen meester aangedaan. Uwe onderdanen zijn altijd verplicht u te dienen , maar gij hebt geen recht meer over hunne onwilligheid en onhebbelijkheid te klagen , wanneer gij zelf door uw voorbeeld ongehoorzaamheid aankweekt en het ongeloof in de hand werkt. Waar geen geloof meer is, daar zijn de hartstochten ontketend, daar is het volk niet meer te beteugelen.

JDomïnus vohiscum, de Heer zij met u, zeide Booz. Dat is heel andere taal, dan die welke zoo vaak in de werkplaatsen gehoord wordt. Vloeken en godslasteringen verbeteren noch den werkman noch zijn werk. Zij roepen wraak in den hemel over den werkbaas en zijne onderhoorigen. 't Is waar de lompheid en ruwheid van een werkman kan den meester soms veel verdriet veroorzaken , maar dit kan voor den meester geen reden zijn, om zelf zijn plicht te verzaken. Als gij bij de zonde van uwen onderdaan zelf nog een zonde voegt, dan zult gij de zaak niet beter maken. Neen, dat is de

-ocr page 151-

— 147 —

weg niet, om het hart van den arbeider te winnen.

Het is verkeerd, dat de werklieden alleen voor eigen belang en voor hunne heurs bezorgd zijn, door lompheid of luiheid hunne meesters benadeelen en hun werk niet behartigen, maar het is veel erger dat zij, die een beter bestaan hebben , rijker en wijzer zijn , niet minder hun eigen voordeel najagen, het geluk van hunne onderdanen niet behartigen en hun dienstpersoneel beschouwen als lastdieren, en hen behandelen als een paard of os, alsof ze slechts bestonden om hunnen heer te believen en te verrijken, om zich voor hem af te tobben en uit te putten, en dan weggejaagd te worden.

Neen patroon, neen baas, uw werkman, uw knecht of meid is geen dier. Hij is een lid van het groote lichaam, dat men maatschappij noemt, hij is uw broeder in Christus , zij uwe zuster. Het kan zijn dat gij in verstand, in ontwikkeling en beschaafdheid ver boven hen staat, maar dit is geen reden, om met verachting op hen neer te zien. In vele goede eigenschappen en deugden moeten wij voor hen onderdoen en zeker is het, dat zij tot een veel zwaarder en vernederender levenslot gedoemd zijn, dat zij de hitte en het gewicht van den dag moeten dragen en dat wij van hunnen arbeid moeten leven. Verplaats u in hun toestand en doe du, wat gij dan wen-schen zoudt. Laat ons den werkman hoogachten ; wachten wij ons wel van zijn voordeel en geluk geheel over het hoofd te zien, en laten wij hem nimmer minachten, bespotten of verwenschen.

Het is niet noodig te herhalen, wat ik reeds over de verhevenheid , het nut en de noodzakelijkheid van den handenarbeid geschreven heb. Maar ik kan niet nalaten hier de schoone gedachten in te lasschen , welke ik in

-ocr page 152-

— 148 —

den wereldberoernden brief van Paus Leo XIII ontmoet. Men moet de werklieden , zoo schrijft Z. H. , niet als slaven beschouwen. Men moet de waardigheid van hun persoon ontzien, welke geadeld is door het Christendom. Geen mensch behoeft zich te schamen over zijn ambacht of handwerk, want de waardigheid van den mensch hangt niet af van zijn rijkdom of adel, maar van zijne deugd. En Christus zelf verkoos een arm werkman te zijn. Hij verklaarde gezonden te zijn, om aan de armen het evangelie te verkondigen. De lagere klasse had hij bijzonder lief, de armen noemde hij zalig. Keen in het zweet des aanschijns te werken is niet schandelijk, maar christelijk en eervol. Maar weet gij, wat eigenlijk schandelijk, ja onmenschelijk is ? Den evennaaste te behandelen als een winstgevend voorwerp en hem niet hooger te achten, dan zijne spieren waard zijn.

Zoo spreekt de H. Vader. Laten wij die ernstige woorden wel overwegen en den tobbenden en zwoegenden werkman niet afstooten en minachten als een dier, maar eeren als een broeder, als een zwakken, een minder bedeelden , een lijdenden en onmisbaren broeder. Laten wij hem nooit ergeren, maar zelf een goed voorbeeld geven, door getrouw onze godsdienstplichten te vervullen, opdat de diepgezonken werkman de oogen opene voor waarheid en deugd en op den goeden weg terugkeere. Laten wij ook den minzamen Booz navolgen, met zachtheid en beleefdheid onze bevelen en wen-schen te kennen geven, vertrouwelijk met den werkman ■omgaan en alles doen om den last van zijnen arbeid te verlichten en hem genoegen te verschaffen.

't Is zeker niet noodig, dat gij hen in alles met u zelven gelijkstelt. Een al te vertrouwelijke omgang is

-ocr page 153-

af te keuren.. De koe, die men te veel tij de horens vat, wordt ondeugend en te veel gemeenzaamheid maakt den onderdaan vermetel. Maar dit geldt alleen, zegt de H. Eranciscus de Sales, van de ruwe gemeenzaamheid , niet van den zedigen, hartelijken en deugdzamen omgang. Deze immers komt voort uit de ware liefde, welke altoos eerbied inboezemt, wanneer zij met hoogachting gepaard gaat. Elkeen schroomt dengene te mishagen, die hem waarlijk en oprecht bemint.quot;

't Is waarlijk niet gemakkelijk bij een vertrouwelijken omgang het noodige gezag te bewaren. Toch is beide noodzakelijk. Het hoofd moet hoofd blijven en bovenop staan; en ofschoon het voor de voeten moet bezorgd zijn , evenals voor de andere lichaamsdeelen , toch moet het altijd op zijne plaats blijven en zich niet met de voeten willen gelijkstellen. Zoo zou een overste, die in alles zijne onderdanen vrijlaat, gelijk zijn aan den speelknaap, die zijn hoofd in 't gras zet en de beenen in de luchtsteekt.

Een overste moet overste blijven, zijn wil moet geschieden, maar met alle liefde moeten de dienaren naar dien wil getrokken worden. Somtijds moet zelf de overste iets toegeven om de liefde niet te krenken, evenals het hoofd soms een weinig buigen moet voor de onderhoorige lichaamsdeelen. Geen bedreigingen of geweld, maar liefde en zachtheid. De H. Paulus, die groote leeraar, gaat nog veel verder en zegt dat de heeren met hunne dienaren hetzelfde moeten doen, wat deze voor hen moeten doen , dat dus de overste zijn onderdaan ook dienen moet; niet alsof de onderdaan daar recht op had, maar om des vredes wille moeten zij veel toegeven en als broeders met elkander leven. De Paus zelf, als hij schrijft aan 't Katholieke volk , noemt zich de dienaar der dienaren Gods.

-ocr page 154-

Weet gij nog, beminde lezer , wat onze Zaligmaker over deze kwestie gezegd heeft ? Wil ook hij zijn meesterschap doen gelden ? O neen, de zoon des menschen is niet gekomen, zegt hij, om gediend te worden maar om te dienen, en zijn leven te verknechten ten nutte der verlorene zielen. Dit zeide hij en zoo handelde hij. En wanneer wij een God zien heneden ons, vernederd tot in 't stof, wie zal dan nog zich vermeten zijnen arm of zijne stem hoven zijn evenmensch te verheffen ? Wanneer zulke dienaren de dienstbaarheid op zoo hoogen prijs stellen , wie zal dan nog naar heerschappij verlangen ? Neen met alle liefde zullen wij onze broeders dienen of al smeekende hunne diensten vragen, als zulks noodzakelijk is ?

Wanneer de baas zoo liefderijk handelt, en onder de zijnen volgens de vermaning van den grooten apostel en naar het voorbeeld van onzen Verlosser meer de dienaar en vader dan de meester is , dan zal men hem ook beminnen, men zal niet voor het oog dienen, niet uit vrees maar uit genegenheid; de dienaren zullen hem als hunnen weldoener en vader eeren en liefhebben, zijne wen-schen en verzoeken inwilligen, voorkomen zelfs; ze zullen jaren en jaren getrouw bij denzelfden meester blijven en beiden zullen hunne dagen in genoegelijkheid, in ware broederlijke liefde doorbrengen. Men zal voor elkander bidden, elkanders gebreken verdragen , elkanders lasten torschen en de Heer Jesus zal in hun midden zijn ; Hij zal dat eendrachtig huisgezin zegenen, want waar twee of meer in Zijn naam vereenigd zijn om Hem te dienen, om voor Hem de moeielijkheden des levens te dragen , daar is Jesus in hun midden met Zijnen troost, met Zijne liefde en hulp.

-ocr page 155-

Men zegt van den grooten bisschop, den H. Franciscns de Sales, dat hij nooit zijne dienstboden bedreigd of bekeven heeft. Hij berispte hen wel, wanneer zij misdeden, maar altoos niet zoetheid en zachtheid. Eens wilde een zijner knechten trouwen met een persoon, die hem zeer goed pastte. Maar wijl deze vreesde, dat de bisschop het zou afkeuren , ging hij in 't geheim verkeeren. Toen de bisschop dit hoorde, en wist, dat er niets kwaads gebeurde, daar de ouders van het meisje bij de verkeering altijd tegenwoordig waren, klaagde hij bij zijnen dienstknecht , dat deze hem zoo slecht vertrouwde , en zeide , dat hij , in plaats van zulk plan af te keuren , het zou helpen volvoeren. De knecht stond zoo verbaasd over de dq goedheid van zijn meester en bisschop , dat hij aanstonds van zijn voornemen wilde afzien, om bij den bisschop te kunnen blijven. „Neen, zeide de goede H. Franciscns , neen dat verlang ik niet, het meisje is deugdzaam en van uwen stand , het zal een gelukkig huwelijk wezen, gij moet dat doorzetten.quot;

En de bisschop was voor zijn knecht zoo goed in de Aveer, dat weldra alle beletsels waren weggenomen en het huwelijk kon worden aangegaan. Zoo leert de H., hoe de overste voor liet welzijn van zijne onderdanen moet bezorgd zijn, soms zijn eigen belang daarvoor opofferen, en zoo handelen evenals men zelf zou willen behandeld worden.

„De Heer zij met U ,quot; zeide Booz tot zijne maaiers, en het is een schoone, een godsdienstige, een beteekenisvol-le groet. En even schoon was het antwoord , de wedergroet der maaiers: „de Heer zegene U.quot; Zoo groetten de Joden elkander, en de Grieken zeiden ; „ Jupiter beware U.quot; Onder de Christenen was het een gebruik en dit wordt tegenwoordig nog in sommige katholieke plaatsen

11 Ruth.

-ocr page 156-

en in de kloosters onderhouden, elkander te groeten met de woorden : geloofd zij Jesus Christus. Antw. Amen. De H. Paulus groet in zijne brieven aldus : de genade van onzen Heer J. C. zij met u allen en de H. Petrus; genade zij met u allen. En niet alleen bij afscheid, maar ook bij andere gelegenheden werd de naam van God genoemd en 's Hemels zegen toegewenscht, b. v. bij het opstaan, eten, slapen gaan , als men op reis ging , als men niesde, enz.

Maar de verlichte wereld kan zulke godvruchtige gebruiken niet meer aauhooreu. Men hoort niets meer dan: „smakelijk eten, Teel pleizier, vroolijke reis, tot genoegen, tot wederzien, 't ga je bizonder, u niest;quot; niet meer: „G,od loone U, God zegene U maar „merci, merci, altoos merci, duizendmaal merci.quot; Niet meer: „adieu (tot God) en bid voor mij, maar het ijskoude: goeden dag, vaarwel, goeden morgen, goeden avond , wel te rusten , veel genoegen ,quot; alsof de mensch alleen op de wereld was om maar lekker te eten en te slapen, en op pleizieren te dansen. Dit is nog niet alles ; ook uit de huismeubelen, kleeding en versiering moet alles geweerd worden, wat eenigszins op godsdienst gelijkt. Geen crucifixen meer op of in de huizen , geen schilderijen meer van heiligen of mysteriën , maar slechts koeien en kalveren, ja soms gemeene en zedelooze voorstellingen vooral in de herbergen, geen kruis meer op de borst der vrouwen, maar ketens van een paar meters lang met een portret, waarin niet zelden de duivel zit.

Zoo moet God en alles wat aan God doet denken , overal gebannen worden , om koude nietswaardiger dingen, soms zedelooze gedenkteekens, in de plaats te brengen. Er zijn katholieke kranten , die , wanneer xij het

-ocr page 157-

— 153 —

aterven vau een persoon vermeld hebben, daarbij voegen; „zijne assche ruste in vredequot;, alsof er van den mensch niets anders meer overblijft dan stof en ascb. Keen voor de assche behoeft men niet bevreesd te zijn, die zal wel rusten; maar voor de ziel ben ik bekommerd, vooral als 't iemand betreft, die in zijn leven ook niets anders geloofde dan stot en asch. Zoo moet alles , zelfs «en doode gemoderniseerd en geprofaneerd worden. Doch wat de dooden betreft, deze zal 't niet veel schaden , hoe zij ook door de moderne wereld behandeld worden ; maar erger is het met de levenden, die reeds van jongs af afgetrokken worden van al wat godsdienstig heet.

Geen godsdienstige boeken mogen in de scholen gebruikt worden, de onderwijzer mag van geen godsdienst reppen, kweekelingen worden gevormd op hoogere scholen die nog slechter zijn , alles wordt aangewend om de jeugd de ware braafheid en godsdienstigheid te doen vergeten, minachten en verfoeien zelfs. Het ware geloof, de ware deugd , het gebed en de gedachte aan een goeden God , aan hemel en hel zijn alleen in staat om te beletten , dat de wereld overloopt van dronkaards , dieven , onkuischaards, meineedigen, Godslasteraars en moordenaars. Niet alleen Paus en bisschoppen , maar ook het gezond verstand en de ondervinding bewijzen het.

Katholieke lezer of lezeres, gij ziet de groote wereld vooruitsnellen op den weg der boosheid en alle middelen uitdenken om onzen goeden God en zijne H. Kerk te verdrijven , en van den mensch een redeloos en zedeloos dier te maken, vooral ziet gij haar hare krachten beproeven op de argelooze jeugd. Daarom bid ik u dat gij met verdubbelden ijver er u op toelegt, om het geloof in ■J. C. in u en de uwen te behouden en te versterken,

-ocr page 158-

Luistert met alle aandacht naar hetgeen in de kerk geleerd en gepreekt wordt, en spreekt er over met uwe goede vrienden of met uw gezin en uwe kinderen. Ook een onderwijzer kan door zijn christelijk gedrag, ja door zijne lessen nog veel bijdragen tot de godsdienstige opleiding zijner leerlingen. Wanneer hij met een waren ij ver bezield is, zal hij nog vele middelen vinden om het gebrekkige en verderfelijke, waartoe eene goddelooze wet hem dwingt, op eene of andere wijze te verbeteren.

't Is meer dan vroeger eene gebiedende noodzakelijkheid geworden , dat onze katholieke jeugd in geloof en deugd gevestigd zij , dat zij goed onderwezen zij en pal sta tegen de lievige aanvallen, welke zij te verduren heeft, opdat onze lieve Heer, dien men in geen school, geen huis, geen meublement of compliment meer duld , in de harten ten minste blijve heerschen.

VIER EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Weldoen en geld overleggen.

In het voorgaande kapittel was geen plaats meer over., om nog te spreken over de milddadigheid. De goede Booz was niet alleen een spraakzaam, een meegaand en inschikkelijk man , hij was ook een liefdadig man. Hij was niet slechts bekommerd voor zijne maaiers, zijne knechten en meiden, maar ook voor de arme Ruth, die hem geheel vreemd was. Hij behoorde niet tot die vermomde vrijheidsmannen , die zich liberalen noemen , die altijd over vrijheid spreken maar niemand vrijheid gun-

-ocr page 159-

nen , die den braven huisvader geen vrijheid laten om zijne kinderen naar eigen keus op te voeden , die den gespierden zoon en kostwinner uit het ouderlijk huis rukken om hem den ransel op den rug te hangen, die den Gezalfde des Heeren van het altaar, uit den preekstoel , uit de hut van den arme en van de sponde der zieken wegsleuren, die den hoogsten plaatshekleeder van God , den Paus , zijn wettige eigendommen en heiligste rechten ontstelen, die zelfs geen God meer op de wereld dulden en alle middelen beramen om Gods heilige instellingen te verarmen, te bestelen en te vernietigen.

Neen do edelmoedige Booz behoorde tot die ware liberale vrijheidminnende mannen, die ieder het zijne geven, de grooten eerbiedigen, de minderen naar vermogen helpen en allen zonder uitzondering liefhebben. Booz, wij zagen het, was bezorgd zoowel voor het tijdelijk als geestelijk geluk van zijne onderdanen en van al zijne stamgenooten. Waren de rijken en gegoeden van onzen tijd zoo begaan met het lot van hunne onder-hoorigen en hunne medemenschen , dan zouden zij voor geen sociale beroeringen te vreezen hebben. Genoeg echter is geschreven, hoe een heer zijne onderdanen en de werklieden , aan welke hij zijne welvaart en zijn bestaan te danken heeft, behandelen moet. ïfu wil ik u, katholieke lezer, nog met enkele woorden zeggen, hoe wij de armen, de gebrekkigen, al hebben wij niets aan hen te danken, naar het voorbeeld van Booz moeten helpen en troosten. Nooit luogen wij onzen armeren medebroeder met verachting aanzien , hoe gehavend , verscheurd of vermorst hij zich ook vertoone. Blijft hij door eigen schuld in zulke armoede en ellende, dan kan er reden zijn, om hem een aalmoes te weigeren , ten einde geen stof te geven

-ocr page 160-

— 156 —

voor zijne luiheid , dronkenschap , liederlijkheid , maar nooit om hem te verfoeien. Neen de rampzalige is dan duhhel ellendig en dubbel medelijdenswaardig en de ware liefde zint dan slechts op middelen, om ten minste zijne ongelukkige ziel nog te redden. Zij zal hem altoos beleefdelijk groeten, naar omstandigheden liefderijk toespreken , hem zelfs opzoeken en hare weldaden uitstrooien , wanneer zij kans ziet van ingang tot zijn versteend hart te vinden en hem van zijne boosheid terug te brengen. Zij draagt de vaste overtuiging in het nooit hopelooze gemoed, dat zij alles, wat zij den medemensch uitreikt, aan Christus zeiven geeft, hoe boosaardig die mensch ook zij, en dat de liefde alles, zelfs het koudste hart, overwinnen kan. Staat het niet in hare macht eene helpende hand te bieden, dan zal de christelijke liefde toch altijd nog woorden vinden, die in 't lijdend en vernederd harte eene zoetheid overstorten, waardoor het zich allengs over eigen boosheid schamen zal en verbeterd worden.

Bestonden er geen behoeftigen en ongelukkigen dan hadden we geen gelegenheid om de naastenliefde te beoefenen; wij waren dan minder Christenen, ja geen Christenen, want onze Verlosser zei: „Hieraan zal men weten of gij mijne leerlingen zijt, als gij liefde hebt tot elkander.quot; Zijn wij integendeel hulpvaardig, dan zal de ware Christen in ons gekend worden, wij zullen de geldgierigen en onverschilligen stichten of beschamen; en ontvangen wij van den bedeelden geen gebed of belooning maar slechts ondankbaarheid, dan zal de aalmoes of bewezen dienst zelf voor ons bidden, en ons hoofd, onze Heer en God, zal onze menschlievendheid zooveel te ruimer beloo-nen. „Hij die zaad geeft aan den zaaier, zoo spreekt de onfeilbare Apostel, zal ook brood geven om te eten en

-ocr page 161-

uw zaad vermenigvuldigen en den aanwas van de vruchten uwer heiligheid vergrooten.quot;

Ziedaar dus zegen in het tijdelijke, en schatten in den hemel voor hem, die om den nood van zijnen broeder te lenigen en ziinen God te behagen met milde hand zijne giften uitdeelt. Het spreekwoord zegt immers: „Wie aan den arme geeft, leent aan God den Heer.quot; En de wijze man had wel gelijk, toen hij deze schoone woorden neerschreef: „Werp uw brood in 't voorbij vlietende water, want na vele jaren zult ge 't terugvinden.quot; Zonder twijfel, wat gij aan den arme met een blij gemoed ter eere Gods uitdeelt, zult gij later honderdvoudig terugontvangen, want de zegen des hemels, de liefde van Jesus zal zich doen gevoelen aan hem, die zijne broeders in hun lijden vertroost en helpt.

Allemaal wél , zal mijn lezer zeggen, maar Ik moet ook voor mijn brood werken , 't gaat maar zoo niet om om alles zoo in 't water te gooien.quot; Juist daarom, vriend, moet gij mildadig zijn; wilt gij dat uw werken en ztvee-ten vele vruchten opbrenge, dat uw arbeid gelukke, laat dan uw armen broeder niet ongetroost henengaan. „Wie aan den arme geeft, leent aan God den Heer.quot; Gij behoeft niet alles weg te geven , neen , de wijzeman wist dat ook wel, en voegde er daarom bij : „Geef het aevende of achtste deel, want gij weet niet wat kwaad er nog komen kan.quot; En is het zevende of achtste deel nog te veel, volg dan den gulden regel van Tobias : „hebt gij veel, geef dan veel; hebt gij weinig geef dan ook iets van het weinige,quot; doch weet, hoe meer gij aan den armen uitzet, hoe meer rente u God betalen zal, want „wie aan den arme geeft, leent aan God den Heer.quot; Zoo kan men weldoen en geld overleggen.

-ocr page 162-

— 158 —

Zoo ziet gij, leeer, hoe christelijke liefde en eigenbelang uwe milddadigheid inroepen. Is dit nog niet genoeg, kan het voorbeeld van een Booz, van alle heiligen, van een opgeofferden Godiuensch uw hart niet treffen en uw verstand niet overreden, dat de booze wereld dan uwe onwilligheid en hardvochtigheid beschaamd make. Luister wat onder hedendaagsche waanwijzen plaats heeft. De zoo gezegde liberalen of philantropen , die geen God of godsdienst meer erkennen, die den menscli met een aap gelijkstellen , hebben zooveel liefde voor hun natuurge-nooten dat zij ons schaamrood maken. Ze stichten gasthuizen voor honden en katten, loopen de straten af om te zien of niet ergens een hond pijn heeft aan zijn poo-ten, zijnen' straart of zijne maag, en brengen duizenden guldens bijeen om die beesten een prinselijk leven te bezorgen , ze op donzen bedden te laten slapen, lekkernijen te geven, in zilveren doodkisten neer te leggen en in plechtige rouwstatie te begraven.

Zoo ver, mijn lezer , zoo ver gaan dwaze menschen , die boven alles, boven alle geleerde Kerkvaders en Pausen meenen geleerd te zijn. Zij beschouwen de geiten , de ossen, de varkens, de ezels, enz. als hunne broeders, en waarlijk God heeft hun aan hunne dwaasheid overgelaten, ze hebben weinig meer wat hen nog boven't dier verheft; ze zijn minder in zekeren zin , omdat ze hun verstand zoo misbruiken. En toch, mijn vriend , toch moeten wij zeggen dat zij ons een voorbeeld geven van naastenliefde. Wanneer zij de stomme beesten zoo koesteren en zooveel offers voor hen brengen, schamen wij ons dan niet, dat wij zoo weinig over hebben voor onze arme broeders, ledematen eener zelfde Kerk, kinderen van een zelfden God, erfgenamen van een zelfde rijk ?

-ocr page 163-

— 159 —

Als zij voor hunne goddelooze en bespottelijke gestichten zich uitkleeden, zullen wij dan geen cent over hebben voor onze heiligste instellingen en broederschappen en voor onzen H. Vader den Paus, die van zijne staten beroofd, geen vast inkomen meer hoeft en zooveel behoeft om de Kerk te besturen, en zijne arme kinderen te rugge-steunen ? Hij ge aft aan vreemde Missies, hij geeft aan arme priesters (te Home zelfs zijn er die bijna van honger vergaan) hij geeft aan noodlijdenden; ook voor ons land wist hij nog bij menige ramp eene aanzienlijke som af te zonderen, 't zou dus onvergeeflijk zijn als wij niet getrouw den zoo kleinen St. Pieterspenning voor dien goeden vader opbrachten en zoo mogelijk nog meer bij droegen.

Als ge die dwaze giften van onze liberale filantropen hoort, dan schaamt ge u zeker, lezer, dat gij tot nog toe zoo weinig voor onze nuttige maar arme kloosters, gasthuizen en liefdehuizen gedaan hebt; dan zijt gij zeker bereid om voortaan guller te zijn, om vooral krachtig in de bres te springen voor onze katholieke scholen , waar de kinderen tot menschen, tot Christen worden opgeleid, en zulke scholen te weren, waar zij eveneens als hunne leermeesters aan dieren gelijk worden. Ten slotte, vriend, onthoud dit keurig en eenvoudig spreekwoord dat de ruwe Turken van buiten leeren ;

„Neem uwe kruimel en werp die in 't meer;

Ziet ze de visch niet, dan ziet ze de Heer.quot;

Eene broodkruimel zelfs, als gij anders niets hebt, zal hare belooning vinden. Ziet ze de visch niet, doen er de armen geen voordeel meê , God zal ze toch zien en tijdelijke en geestelijke voorspoed zal u geworden, want eveneens zegt God zelf door den wijzeman: „Werp uw

-ocr page 164-

— 160 —

brood in 't voorbij vlietende water, want na vele jaren zult gij 't terugvinden.quot;

Maar wat is het noodig, nog meer daarop aan te dringen. Allen weten dat er overal behoeften bestaan, allen zijn geneigd , om den medemensch en zeker den getrouwen werkman te helpen, maar, en hier komt de grootste knoop, maar, zoo spreekt mijn lezer met een diepen zucht, waar moet ik het in Gods naam vandaan halen ? Ik zou zelf honger moeten lijden , als ik elkeen voldoen wilde. Gij hebt goed praten, wij weten evengoed als gij, dat er groote nood heerscht, dat er hulp noodig is, daarover behoeft gij niet langer te schrijven. Als gij mij echter zeggen kondt, waar ik het halen moet, als gij mij de middelen kondt verschaffen om de ongelukkigen te redden, dan, ja dan zoudt gij mij en vele anderen een groot pleizier doen.quot;

Goed ïoo, beminde lezer, dat is eene belangrijke vraag en ik voeg er aanstonds bij , dat ik voor de oplossing een weinig bevreesd ben. Niet omdat er geene oplossing is, maar omdat ik ze niet kan mededeelen, zonder eenige harde woorden te zeggen. Ik bid u, verschoon mij. Wij allen toch weten hoe verschrikkelijk de algemeene nood is , wij allen willen dien verzachten , wij willen er zelf wel iets voor lijden. Welnu laat ons dan geduldig de waarheid aanhooren, al klinkt zij ook wat scherp in onze ooren. Als gij dus iets verdragen kunt, als gij met mij een oogenblik door distels en doornen wilt wandelen , dan zal ik u verborgen schatten aanwijzen, die gij wellicht nog niet hebt opgemerkt en die voor u en de uwen een bron van zegen kunnen zijn. Vooreerst dan zeg ik , om mij niet gehaat te maken, dat ons de weg naar dien schat door den Paus zelven in zijne beroemde

-ocr page 165-

— 161 —

encycliek wordt aangewezen. In dit leven , zegt de-H. Vader, zijn twee rampen, welke den mensch, ook bij den grootsten overvloed diep ongelukkig maken, namelijk de hebzucht en ik genotzucht.

Over de hebzucht wil ik nu niet spreken. Ik zie er geen kans toe, om den gierigaard, die zoodanig aan het aardsche gehecht is , dat hij niet alleen geen noemenswaardige aalmoezen geeft, maar ook zich zeiven geen behoorlijk onderhoud gunt, uit de armen van zijn afgod los te rukken. Laat ze maar sparen en potten de schrapers , laat ze maar schatten opeenhoopen en angstig bewaken ; ze doen het toch eigenlijk voor ons ; want eenmaal krijgen wij den buit iu handen. Hoezeer zij zich aan den geldgod verkocht hebben , hoeveel zij ook voor voor hem tobben en zwoegen en gebrek lijden, zij zullen toch niet beletten , dat de wereld bij het graf den voor baar bewaarden schat meester wordt; want waarheid is, wat de H. Bonaventura schreef: De gierigaard is gelijk aan het knorrig dier,dat bij zijn leven door elkeen veracht wordt, omdat het zich in liet vuil wentelt en al wat vuil is inslokt, maar dat eerst na zijn dood nuttig wordt en dan de meest gezochte spijs is voor grooten en kleinen, vooral van kostwinnende menschen.

Den gierigaard te bekeeren, dat is al te moeilijk. Met een pen, met een boek is het onmogelijk. Wat ik bier schrijf, trekt zich geen enkel gierigaard aan , omdat zij alleen honderd redenen voor hunne zoogenaamde spaarzaamheid weten aan te halen. Hoe gieriger zij zijn, hoe minder zij het zelf weten. Om hen te bekeeren, moet men hen met den mouw vatten en zeggen en roepen : gij, gij zijt een vrek , een vrek zijt gij, gij smoort in uw geld met ziel en lichaam..... Maar wat praat ik zoolang over de gie-

-ocr page 166-

— 162 —

rigaards ? Ocli! zij geraken ook uit de mode. Er waait tegenwoordig een geheel andere wind door de wereld. Of liever er heerscht algemeen een neiging om alles maar in den wind te gooien, alles op te maken en te vernietigen, zoodra het gewonnen is. Spaarzaamheid en gierigheid zijn twee artikels, die men maar weinig meer aantreft. Dat de gierigheid zeldzamer wordt is gelukkig ; maar dat de spaarzaam heid , de zuinigheid en eenvoud onzer vaderen uit de wereld is gebannen, dat is betreurenswaardig. Kom , laat eens zien, wat er verkeerd en verderfelijk is in de alom heerschende weelde , en laat ons moedig het snijmes ter hand nemen, als wij zelf aan die ziekte lijden. Wat versta ik door weelde en overdaad ? Het antwoord zal moeten zijn: alles wat uw stand te boven gaat in kost en kleeding, in huis en huismeubelen , in A'erteringen , feestelijkheden, pleizierreizen en andere vermakelijkheden. Weelderig leven is niets anders dan wat het volk noemt: den groote spelen, groot doen, op grooten voet leven. De beschrijving alleen doet ii zien, dat het cene ondeugd is, want alles wat de maat overschrijdt, is verkeerd. Begeerte naar zingenot of hoo-vaardij zijn de oorzaken van de kwaal, en elkeen weet dat hetgeen uit zulke bronnen voortvloeit, niet veel goeds bevatten kan. G-ij zult dit echter beter inzien , als gij eens nagaat, hoe de brasser en pooier en pronker de weldaden Gods misbruikt. Want wat zijn toch de goederen dezer aarde anders dan weldaden van den goeden God ? En waartoe zou God die wel gegeven hebben ? Opdat gij geheel noodelooze meubelen of kleederen zoudt koo-pen, die gij morgen weer afschaft ? Zou Hij ze gegeven hebben, opdat gij dag in dag uit uwe zwakke maag met sterk gekruide spijzen zoudt overladen , u zelven ziek

-ocr page 167-

zoudt eten en in dronkenschap zoudt baden? Neen vriend, gij acht u gelukkig, en als gij een half naakten bedelaar ontmoet, wendt gij het aangezicht af en zegt : Mijn God wat ben ik gelukkig, dat ik geen honger en gebrek behoef te lijden.quot; Zeker gij zijt gelukkig; maar gij waart even ongelukkig, als God u niet meer begunstigd had, als God u niet had bevoorrecht boven zoovele duizenden? En denkt gij nu dien weldoenden God pleizier te doen, met Zijne weldaden in het slijk te werpen, uw geld en goed te verbrassen ? Wat zoudt gij er van zeggen wanneer uw vriend , den leuningstoel , dien gij hem op zijn verjaardag ten geschenke hebt gegeven , aanstonds aan stukken breekt en in het vuur werpt, omdat hij zoo gaarne een groote vlam ziet? En zie, gij doet juist hetzelfde , ja veel erger. Wat gij bezit, is een geschenk niet van een vriend , maar van een God , die oneindig ver boven u verheven is , wiens gaven dus veel kostbaarder zijn. Gij vernielt die gaven. Gij doet het voor uw pleizier , ja. Maar wat is dat ? Doet dat ook uw vriend niet, als hij zich warmt aan de vlam van uwen stoel ? Neen, lezer, daarvoor heeft God n die goederen niet geschonken en dit is de reden, waarom gij misdoet. Gij moogt er van genieten zooveel als met uwen staat overeenkomt, maar elke noodelooze uitgave is verkwisting, is overdaad, is zonde. En die zonde is des te grooter, naar mate gij Gode voor al het goede meer dankbaarheid schuldig zijt.

Maar zijn mij de rijkdommen dan niet geschonken , om er gebruik van te maken, moet ik ze dan maar opstapelen of in den grond stoppen en voor dieven bewaren ? Neen lezer , dat weet gij wel beter. Elkeen mag volgens zijn stand leven , zegt Paus Leo XIII, nullus

-ocr page 168-

— 164 —

inoonvenienter vivere dehei. Ik zeg, alleen, dat verkwisting een schandelijk misbruik is van de gaven Gods, dewijl deze u gegeven zijn om volgens uwen stand te leven , uwe kinderen ook in dien stand op te leiden en het overige niet te verbrassen, maar aan uwen armen mede-mensch mede te deelen.

Maar nog eens, mag ik er dan niet van genieten ? Wordt mij het pleizier niet gegund ? Een behoorlijk pleizier, passend , aan uwen stand, ja wel; maar meer niet. Evenmin als gij aan uw warmenden vriend zijn dwaas pleizier gunt, evenmin Grod aan u ; want uw pleizier is even dwaas als het zijne. Dwaas immers is iets , wat tegen het verstand aandruischt. Welnu uw verstand zegt u , dat God de rijkdoramen niet geeft, om ze op te maken en te vernielen. Dus hebt gij daar pleizier in, dan is het een dwaas pleizier, en ook een zondig pleizier.

Is 't voor uw pleizier, dat gij zoo groote verteringen maakt, zooveel reist, zulke heerlijke maaltijden aanlegt, zooveel feesten viert ? Is 't voor uw pleizier ? Maar, vriend, dan bedriegt gij u. Hebt gij al niet genoeg ondervonden, dat al dat hunkeren naar zingenot u veel teleurstellingen aanbrengt ? Hebt gij niet genoeg ondervonden, dat het genoegen, 't welk gij vindt, altijd met bitterheden is gemengd en dat deze u zooveel te harder vallen, naar mate gij meer naar voldoening reikhalst ? Ot zijt gij gelukkiger dan Salomon , die , na al het zoete gesmaakt te hebben dat de wereld geven kan, bekennen moest, dat het allemaal op dwaasheid en plagerij des geestes neerkomt ?

Zijt gij gelukkiger ? Integendeel, gij zult moeten bekennen , dat alle moeite en onkosten , welke gij hebt besteed, om uwe vrienden en u zeiven te voldoen, nooit

-ocr page 169-

— 165 —

beloond worden ; en het zal meermalen gebeurd zijn, dat gij, in plaats van vrienden, vijanden maaktet en u zeiven bespotting, verachting, afgunst en allerlei zelfverwijt op den hals haaldet.

Men zal den ezel, die zich in een leeuwenhuid steekt, altijd kennen aan zijne stem en zijne lange ooren.

Ziit gij gelukkig, tevreden en verzadigd na alles volop genoten te hebben ? Hoe komt het dan , dat gij weer aanstonds naar grootere genoegens haakt, dat gij zelfs , eer het feest van dezen dag is geeindigd, weer over een ander spreekt ? Zijt gij niet aan een bloedzuiger gelijk, die na eenmaal het bloed gesmaakt te hebben, niet verzadigd is, voor dat hij zich heeft doodgedronken ?

Neen , beste lezer, dan is in mijn oog de eenvoudige man of vrouw veel gelukkiger, die met het hunne tevreden , zich van overdaad weten te onthouden , de zucht naar genot beteugelen, zich aan geen uitspatting overgeven en er ook niet naar verlangen, omdat zij ze nooit hebben willen genieten en zich er nooit aan vergaapt hebben. Wat heeft de rijke aan zijn prachtig huis en huisraad, dat hij dagelijks ziet ? Wat heeft hij aan zijn gemakkelijke en zachte stoelen, aan zijn donzen bedden, aan zijne menigte dienstboden ? Kan hem dat alles bevredigen ? Waarom is hij dan zoo zelden thuis? Neen, hoe grooter huis, hoe grooter kruis. Wilt gij smaak hebben in uw eten, eet dan nooit te veel; wilt gij plei-zier hebben van feesten , woon ze dan zelden bij ; wilt gij pronken met uw kleeren , uw gespan , uw huisraad, spreid het dan niet alle dagen ten toon ; wilt gij eens genoegelijk uitgaan of reizen , blijft dan te huis; want overdaad walgt en honger is de beste saus.

In het zingenot is dus het waar genoegen niet te vin-

-ocr page 170-

— 16G —

den, en zij die liet daar zoeken, zijn zoover afgedwaald, dat zij geen waar genoegen meer kennen. En wat nog erger is, heeft men eenmaal het gif van de verleidelijke wereld ingezogen, dan blijft men er aan hangen, tot dat men zich ruïneert. Hoevelen zijn er, die vroeger in rijkdommen baadden , in pronk en praal ver hoven hunne standgenooten uitstaken, die hun geld met het mud moesten meten en nu tot den laagsten trap in de maat-schappij zijn afgedaald en zich voor alle eeuwen den vloek hunner eigen kinderen en kleinkinderen op den hals halen.

Algemeen klaagt men , dat er voor den werkman en landbouwer zoo weinig te verdienen is. Wanneer men echter de groote drukte in de herbergen , de herhaalde pleizierreizen, de voortdurende uithuizigheid, het slempen der mannen en jongelieden en het pronken van vrouwen en meisjes ziet, zou men zeggen, dat er geld is in overvloed. Maar ondervraagt gij hen, die met zulke heertjes en juffertjes in nauwe betrekking staan, dan zult gij hooren, dat die pronk en praal geleend, misschien gestolen goed is. 't Is immers op crediet gekocht, het is nog niet betaald, ja men voorzag dat men het nooit zou kunnen betalen, en dan noem ik het gestolen.

Kent gij ze, beminde lezer, kent gij er, die den groote uithangen en toch op tijd hun schulden betalen ? Misschien zitten ze op het oogenblik in goeden doen , omdat hun rijke erfenissen zijn ten deel gevallen, omdat eene of andere onderneming gelukt is, maar hoelang zal het duren ? Is er wel een fortuin zoo groot, dat niet opgeteerd kan worden, en ook opgeteerd is geworden door een of anderen loshoofd ?

Wij zijn menschen met verstand begaafd ; daarom moe-

-ocr page 171-

— 167 —

ten wij verder zien dan onze neus reikt. Wij leven niet voor eenen dag evenals de dieren, wij moeten op de toekomst letten, voor oude dagen, voor kwade dagen, voor ongevallen, voor onze kinderen en nakomelingen bezorgd zijn, om die reden spaarzaam en eenvoudig zijn, en alle onnoodige verkwistingen als een zonde beschouwen. Weinig wordt er verdiend, ja maar onze nijvere voorvaderen verdienden ook niet veel, in sommige tijden veel minder; maar bij een ander op den balk te staan , gelijk men het zeide , dat was de grootste schande. Om dat te vermijden leed men honger en dorst en koude, en met een wijze huishouding , met spaarzaamheid en zuinigheid deed men mirakelen.

Thans helaas, is schulden maken geen schande meer; men leent, men poft, men steelt zoolang men kan, zoolang men bij eiken kassier , eiken winkelier, eiken bakker, eiken slager alle vertrouwen verloren heeft, en de grootste dieven zijn juist diegenen, die wegens hun vroegeren welstand nog een schijn van fatsoen en welvaart behouden hebben. De wanhoop maakt zich weldra van zulk een huisgezin meester. Men gaat zijn verzet zoeken in dronkenschap en wellust; men stilt zijn honger met het brood der schande , met het geld der hel; men is een dier, een duivel geworden. En met een weinig spaarzaamheid had men zoo gemakkelijk een fatsoenlijk , alom geëerd, een tevreden, een gelukkig en braaf werkman kunnen blijven. Helaas , dat diep verval is het gevolg van de weelde.

Ziedaar wat weelde doet. Zij lacht ons lieflijk tegen; Haar lonk doordringt de ziel, haar boezem ademt zegen, Verlokkend is beur glans, beur hemelschoone lach. Wij zien ze, ons hart ontsteekt, wij gaan genieten. Ach!

12 Ruth.

-ocr page 172-

— 168 —

Eén vluchtig oogenblik, en alles is genoten !

Onze arm ontvangt haar pas, of houdt den dood besloten.

Meent, mijn lezer, tot die gelukkige uitzonderingen te behooren, meent hij goeden sier en groote verteringen in kost en kleer, in- en buitenshuis te kunnen maken , zonder zich en de zijnen in het verderf te storten , dan is er nog een andere reden, welke hem van dat groot-doen moet afschrikken. Er zijn nog andere menschen, die er belang bi] hebben, dat wij niet hooger vliegen dan onze stand toelaat. Of meent gij , mijn lezer, die het misschien niet kunt aanzien, dat een ander een beter kleed draagt, een • schooner huis bewoont, een rijk gespan erop nahoudt, in de kerk vooraan zit, altijd over zijn feesten en reizen zwetst, meert gij , dat die anderen de oogen toesluiten, als gij hen door uw pronken en pralen voorbijstreeft, door uwen zwier hen bespot, door uw prinselijk leven hen tergt ? Eén van twee : ze zullen of uwe hoo-vaardigheid inzien en u aan de kaak stellen en de heele wereld tegen u doen opstaan , öf zij zullen u in uwe ijdelheid volgen, u tot uwen spijt overtreffen en tegelijk zich zeiven ondermijnen. Ga eens na wat er alle dagen alleen aan sterken drank in ons landje verknoeid wordt. Men berekent 200000 gulden, dat is in een jaar 80 mi-lioen. Hoe komt dat ? Wie doet dat ? Meestal werklieden, die de grooten op hun manier nadoen , die evenals zij, in weelde hun geluk zoeken. Meent gij dus zelf tegen al dat onheil bestand te zijn; als gij nog een medelijdend hart in uwen boezem draagt, spaar dan toch uwen medemensch, sleep hem niet ten ondergang. Spaar, bid ik u, spaar ten minste de noodlijdende klasse, want ook deze heeft er belang bij , dat gij uw geld en goed niet verkwist en verknoeit aan slampampen en smullen,

-ocr page 173-

aan brassen en pooien, aan zwieren en pronken ea vroo-lijk fransje spelen. Als gij, rijken, u in genoegens dompelt en de lange dagen en nachten slijt in hengelen en lanterfanten, in slempen en zwelgen, alsof er geen ander leven meer bestond, alsof zingenot en wellust dat gemis vergoeden moest; is het dan te verwonderen, dat de arme man er eveneens over denkt, zijn klein vermogen naar de kroeg brengt en ten laatste, van alles beroofd, de vuist tegen u opheft ?

Gij slijt nutteloos uwe dagen in de frissche buitenlucht, hij zit dag en nacht opgesloten in eene razende en stinkende fabriek. Gij verspilt sommen gelds voor kostelijke wijnen , overdadige maaltijden , dure pleizierreizen ; hij kan met zijn slafelijk en eeuwigdurend werken nauwelijks een stuiver meester worden voor zijne arme vrouw en zijne hongerige kinderen. Hij klaagt , hij jammert, hij huilt van gebrek , maar zijne stem wordt niet gehoord. Het gejoel van de feestzalen, de gejaagdheid en de drukte van de reizende en zwendelende geldmannen is zoo groot, dat geen weeklagen tot hen kan doordringen. Men heeft alle middelen uitgevonden , om den ongelukkige op een afstand te houden en wanneer hij mocht naderen , verneemt hij ten antwoord: iedereen zorgt voor zich zeiven.

Kan het erger, kan het bijtender ? Moet dan de werkman als een hond worden getergd ? Zooveel praal ver-toonen , zooveel verzwelgen en vernielen , zooveel geld verspillen aan ijdele vermaken , in het aangezicht van zooveel armoede en ellende. Wat is het anders, dan den hongerenden en vastgebonden hond een stuk vleesch voorhouden, het uren en dagen voor zijne oogen doen zweven en hem nooit ofte nimmer iets toewerpen ? Wee u, onver-

-ocr page 174-

— 170 —

laat, wanneer die hond eens losbreekt. Genoeg, beminde lezer, ik heb u willen aantoonen, dat weelde altijd ijdel-heid geweest is, en dat het in de tegenwoordige omstandigheden, in dezen uitersten nood van millioenen menschenr en in het midden quot;van die gevaarlijke en lang getergde honden , welke wij socialisten noemen , dat het in zulk een tijd eene groote zonde is geworden , nutteloos geld te verspillen en groot te doen.

Ik wilde u leeren, dat er middelen zijn om geld te slaan, dat de spaarzaamheid en matigheid bronnen zijn waaruit gij putten kunt, om den diep ongelukkigen medebroeder te redden in zijnen nood. Ik wilde u aantoonen, dat wij allen op zonden verplicht zijn die bronnen op te zoeken en te openen, als wij niet met de geheele maatschappij willen vergaan.

Meer nog. Den arbeidsman zijn loon onthouden is eene wraakroepende zonde. Welnu allen die aan noodelooze uitgave hun geld verspillen , dragen er toe bij , zijn er mede de schuld van , dat de arbeidsman tegenwoordig nergens zijn behoorlijk loon vinden kan. Dus maken zij zich schuldig aan eene wraakroepende zonde. Die zwel-gers en opmakers hebben zich van de goederen dei aarde meester gemaakt, en vernielen ze nu voor de voeten van den zweetenden arbeidsman. Zij zijn gelijk aan een leger sprinkhanen dat alle vruchten der aarde , de hoop van den landman vernielt.

Een gruwbre sprinkhaanzwerm, der landen grootste straf. Valt neer; bederft, verteerd en maait de velden af. Dan hongert het gediert, het zucht en gaat aan 't kwijnen Dan ziet men vreugde en lust uit heel het land verdwijnen. Dan haalt de boer zijn vee en bergt het onder dak En 't veldgediert verhuist van 't kaal geschoren vlak..

-ocr page 175-

— 171 —

Waarlijk de schatten der aarde zijn op enkele hoopen bijeengestapeld. Wie ze heeft kan ze gemaklijk vergroo-ten ; wie ze mist kan ze nooit verkrijgen. En de maatschappij is aan een bultig lichaam gelijk geworden. In sommige ledematen is veel te veel groei, is overdaad en ontstaat een leelijke uitwas, terwijl andere ledematen zich alle sappen zien onttrekken en kwijnen, totdat het geheel een vroegtijdigen dood sterft.

Dit stuk is lang geworden , maar mij dacht, dat de kunst om wel te doen en toch geld over te leggen, niet zoo gemakkelijk kan geleerd worden, en als ze mijn lezer nu maar geleerd heeft, dan zal hij er niet over klagen. Doch, om te sluiten willen wij dit lange kapittel in het kort samenvatten.

Een goed Katholiek geeft gaarne aalmoezen, want hij weet dat dit het kenmerk is van den waren volgeling van Christus en dat hij daardoor alleen den zegen des Hemels over zijn tijdelijk vermogen verwerven zal. Hij zou zich wel schamen, voor den Vader aller geloovigen, voor katholieke kerken, scholen, missiën en andere heilzame inrichtingen en voor zijn armen medebroeder niet méér over te hebben, dan een ongeloovige voor zijn huisdier.

Hij zal weten wèl te doen en toch geld overleggen , want hij zal zich overvloed verschaffen door zijn eenvoud en zijne spaarzaamheid. Hij verfoeit verkwisting en weelde, omdat de vruchten der aarde niet geschapen zijn, om de hartstochten van hoovaardij en begeerlijkheid te voeden, -omdat weelde slechts teleurstelling en walging veroorzaakt en den mensch lichamelijk en geestelijk ondermijnt. Hij begrijpt dat de weelde vooral in de tegenwoordige algemeene ellende eene afschuwelijke ergernis is, die den evennaaste tergt en wraak roept in den hemel. Laat

-ocr page 176-

— 172 —

ons dan, beminde lezer, de nederigheid, de onthouding, de spaarzaamheid en den eenvoud liefhehhen, opdat wij zelf het leven behouden , een vreedzaam en genoegelijk leven leiden, opdat wij ook anderen aan zulk geluk deelachtig maken en de maatschappij voor den ondergang behoeden.

VIJF EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Over de Joden.

Nu zal ik eens iets vertellen, dat doodeenvoudig is en dat toch menigen lezer met verbazing zal'vervullen. Wij zijn al zoo lang met Booz en Ruth op den akker geweest, we hebben al zooveel van hen gezegd en toch is er nog iets, dat wij niet hebben opgemerkt. De goede Booz, de rijke maar ook brave grondeigenaar , was een jood. O , zult gij zeggen is het anders niet; rijke joden, eigenaren van uitgestrekte landerijen ken ik ook wel.

Best, vriend, maar ik voeg er bij, de maaiers zijne dienstboden waren ook joden en Ruth , die daar zoo vlijtig aren las , was ook al een jodin , want zij had tot hare schoonmoeder gezegd: „Uw land zal mijn land, uw God zal mijn God zijn.quot; Dus, lieve lezer, de personen, met welke wij ons zoolang hebben beziggehouden, zijn joden, allemaal joden. Maar wees niet bang, het zijn heel andere joden dan die ons hedendaags zooveel afkeer inboezemen, zooveel schrik aanjagen; het zijn werkende joden, boeren-joden, christen-joden. Ja christen-joden, want zij geloof-

-ocr page 177-

— 173 —

den in denzelfden Messias, dien wij als onzen God aanbidden.

De hedendaagscho joden echter verwerpen Hem, vervolgen Hem, en verfoeien alles wat met Hem in betrekking staat, niet alleen zijne leerlingen de christenen, die Hem aanhangen en beminnen, maar ook de armoede en den handenarbeid, dien Christus koo bemind, zoo verheven en zoo geheiligd heeft.

Beschouwt men de lichamelijke werken der menschen in het algemeen, dan zegt ook het gezond verstand, dat de bewerking van den grond en zijne voortbrengselen, het nuttigste en noodzakelijkste van alle menschelijke werken is , dat dus de landbouw onder alle bedrijven bovenaan staat, het meest moet geacht en geëerd worden. Van den landbouw toch hangt alles af, daarop berust de handel en de nijverheid, daarvan leeft de geheele wereld. Daar komt nog bij, dat geen bedrijf met zooveel moeite , zorgen en gevaren gepaard gaat en zoo weinig beloond wordt. Hieruit volgt, dat een volk, hetwelk van den landbouw niets weten wil, den grond niet wil bewerken, zijn brood niet waard is.

Wat doen nu de joden ? Niets nooder dan den grond bewerken. Welke moeite ook is aangewend, om hen aan den landbouw te gewennen, alles is mislukt en mijn lezer staat verbaasd te hooren, dat Booz met geheel zijne omgeving joden en tevens landbouwers waren. Zoo vreemd klinkt het thans in de ooren; een boerenjood schijnt tegenspraak, schijnt eene onmogelijkheid, een monster.

De bewerking van den grond en van zijne voortbrengselen is dan hot voornaamste van alle bedrijven. Op de tweede plaats komen de ambachten en kunsten , welke die voortbrengselen verbeteren en bruikbaar maken, maar ook deze worden veelal door den jood gevlucht.

-ocr page 178-

— 174 —

Op de laatste plaats komt de handel, dewijl deze niets voortbrengt en niets verbetert, maar alleen den grond en de voortbrengselen vervoert of aan een anderen eigenaar overbrengt. Ofschoon dus * de handel in de maatschappij noodzakelijk is, heeft hij toch de minste waarde. Waarbij nog komt, dat hier de deur wijd openstaat voor bedrog en onrechtvaardigheid, vooral bij den geldhandel. Wie nu zijn de mannen , die zich het meest daarmede afgeven ? Wie verricht het minste handwerk en verdient of liever bemachtigt het meeste geld ?

Maar laten wij oppassen , dat wij niet eiken geldhandel veroordeelen. Dwaas en onrechtvaardig handelen de socialisten, door het volk tegen het reutegevend kapitaal op te hitsen. Mocht het kapitaal geen interest afwerpen, dan zou de werkman, die zich door een arbeid van veel jaren een matig kapitaaltje, verworven heeft, met zijn geld niets kunnen doen en tot zijn laatsten snik werkman moeten blijven.

Geld bij de hand te hebben , is in den handel geld waard. Daarom laten ook de godgeleerden toe, dat men het bezit daarvan voor een tijd voor een matigen prijs verkoopt. Doch al te dikwijls wordt van den nood des koopers misbruik gemaakt en wordt van hem meer rente gevorderd, dan hij met de som verdienen kan, zoodat hij zich dieper en dieper in schulden steekt en alles verliest. Men vraagt van eene som meer interest, dan de grond van evenveel waarde zou kunnen opleveren. Zoo worden het handwerk , de veldarbeid en veeteelt, die het duurste moesten zijn, teruggezet en de arbeidende klasse tot bederf van de maatschappij verarmd en vernietigd. Wie nu maakt het meest misbruik van het kapitaal en den handel ? Wie verstaat het best de kunst,

-ocr page 179-

175

om kapitale sommen zonder arbeid opeen te stapelen , door list en bedrog ongehoorde interesten at te dwingen, den prijs der koopwaren op te schroeven of te doen dalen, den geldhandel winstgerend te maken en den arbeid alle waarde te ontnemen ? Wie verstaat die kunst beter dan de woekerjood ? Hij, die zich niet schaamt uit den nood der Christenen geld te slaan, met de eene hand gewillig geld te leenen of te verpanden , om dan met de andere hand zijn doodvonnis te teekenen ; voor het oogenblik weinig of geen geld te vragen, om later alles te vorderen met een schrikbarenden interest ?

Welk eene tegenstelling met den boeren jood, den rijken Booz! Deze kende geen eigenbelang, geen woeker. Hij trachtte den grond vruchtbaar, en zijne dienaren gelukkig te maken. En verre van iemand in den nood zijn geld af te persen , spaarde hij geene moeite om Noëmi en Ruth in haren nood te helpen en tot hun vroegeren welstand terug te brengen. Om dit doel te bereiken , schonk hij zelfs zijne hand aan de arme liuth , zooals wij later zullen zien.

Wat op den boerenhaard in het klein geschiedt, dat heeft plaats in het groot op de beurs, in de politiek, in de courantenwereld. Door hun schacheren , hun specu-leeren, hun monopolie worden de joden in een oogenblik kolossale sommen machtig, zonder dat zij iets goeds hebben gedaan, aan de maatschappij iets nuttigs hebben bezorgd, iets goeds hebben uitgevonden of iets kwaads hebben verbeterd. Door hunne schuld is het zoover gekomen , dat elk kapitaal voor den werkman een gruwel is geworden , te meer omdat hij ten gevolge van dien woeker geen kans meer ziet, om zelf een klein kapitaaltje meester te worden.

I 1

lij ■ w

li

#■

• :lMV ;;lp '

'1^

■P' i

• quot;IIP , ii

i|

i' -ill

I

-ocr page 180-

— 176 —

Met opzet spreken wij hier van woekerjoden , omdat wij Weten, dat niet alle joden de Christenen op zoo onmen-schelijke wijze uitmergelen. Neen men vindt loffelijke-uitzonderingen en wij mogen niet aan allen toeschrijven wat door velen misdaan wordt. Wanneer de joden van hunnen kant de zondenlijst der hedendaagsche Christenen opmaken, dan krijgen ook wij vreeselijke dingen te hoo-ren ; maar goede Christenen behoeven zich dat niet aan-te trekken en het verontschuldigt de joden zeiven niet.

De joden hebben geen vaderland , zij zoeken en verwachten nog altijd een Messias met een aardsch koninkrijk en tijdelijke, stoffelijke welvaart. Zoo gebeurt het, dat zij , als zij echte joden willen zijn , zich overal als vreemdelingen gedragen, hunne medeburgers wederkeerig-als vreemdelingen behandelen en van alle naties een at keer hebben , hoezeer zij zeiven ook door de hedendaagsche Regeeringen als eigen burgers behandeld worden. (Studiën 1881 bl. 296). Er is nog meer. Wij katholieken leeren , dat men zijne vijanden moet beminnen r maar de Talmud , dien de joden als de H. Schrift vereeren, verplicht hen alleen om de Noachieden lief te hebben. Doch om Noiichied te zijn, vorderen zij, dat men geen afgoderij pleegt en dat men Christus niet als God aanbidt. {Be Kath. Stemmen 1881 No. 27 en 35). Bijgevolg zijn alle ware geloovige Christenen van het liefdegebod der joden uitgesloten, en zoo zien wij, dat de joden door phariseesche overleveringen voortgestuwd en door den Talmud niet weerhouden, de altijddurende vervolgers zijn der Christenen, en dat zij zich altoos aansluiten bij liberalen, vrijmetselaars en al wat het Christendom den ondergang gezworen heeft.

Nog niet lang geleden deed in onze dagbladen een

-ocr page 181-

artikel de ronde, handelend over de schrikbarende toeneming van de macht der joden. In dat artikel werden we voor de zooveelste maal herinnerd aan het algemeen heken-de feit, dat Israël het Christendom tracht uit te roeien door de verspreiding van het ongeloof en de verarming der Christen volkeren. Het ongeloof wordt verspreid door de vrijmetselari] , met welke het jodendom samenspant en de algemeen e armoede wordt veroorzaakt door allerlei zwenelarij, door heursspeculatiën, militarisme, enz.

Wat ons het meest verbaasde , is dat de joden in de laatste jaren in financieel opzicht zulken voortgang gemaakt hebben, zulke rijkdommen hebben opeengestapeld. In dit opzicht, zegt de Civilta Cattolica van Augustus 1891 waaruit het artikel genomen was , in dit opzicht, zijn de joden na 1870 meer vooruitgegaan dan in de 18 voorgaande eeuwen. Het geld door verschillende landen sinds 1878 alleen aan den oorlog besteed (ofschoon er geen oorlog geweest is) bedraagt de kolossale som van 75.000 millioen. Hit aardig duitje is gerold in den zak der joden , die het geld schieten , die aanhoudend vernieuwde geweren en kanonnen, en ander oorlogsmateriaal leveren. He openbare schulden van Europa zijn gestegen tot 50.000 millioen. De joden zijn de schuldeischers en zij vergrooten de schuld door interest op interest; aan hen zijn alle Europeesche Staten vei'kocht.

Hat alles nu is geschied in een tijd, dat van alle kan-' ten bittere klaagtonen worden aangeheven, alle standen der maatschappij met reuzenschreden teruggaan, dat duizenden tot den bedelstaf gebracht worden. He vooruitgang der joden hield gelijken tred met den teruggang der christelijke maatschappij en de voorspelling is bewaarheid van den beroemden jood Mirès, die voor een

-ocr page 182-

— 178 —

halve eeuw in Frankrijk eene groote rol speelde, en zeide:

„De tegenwoordige inrichting der maatschappij, en de bestaande wetgeving leiden er van zelf toe, om binnen een tachtig, op zijn langst een honderd jaren al het geld en goed van Europa den joden in handen te spelen.quot;

Waarlijk, wij zien het voor onze oogen. Als de Voorzienigheid den stroom niet tegenhoudt, dan is er binnen een twintigtal jaren geen cent meer, of hij is -geleend van een jood ; geen huis, geen meubel, geen roede gronds, tenzij verpand aan, of bezwaard door een jood.

Kan men den joden daarvan een verwijt maken ? Mag men hen straffen en vervolgen, omdat zij er steeds op uit zijn , zich boven hunne medemenschen te verheffen, groot, rijk en machtig te worden en zich van de aard-sche goederen zooveel toe te eigenen, als zij kunnen? Het spreekt van zelf, dat noeste vlijt, spaarzaamheid en een onvermoeid strijden om in de wereld vooruit te komen, veeleer lof dan straf waardig zijn. In dit opzicht moeten wij de joden prijzen en schamen wij ons niet ben ten voorbeeld te stellen aan vele Christenen, die, alle moeite schroomend, zich onbezorgd aan eene zoete rust overgeven of, door ijdelheid verblind en door hunne hartstochten overmeesterd, hun geld en goed verbrassen.

Maar Israël zoekt in het bezit van aardsche goederen zijn hoogst gtiuk en deinst niet terug voor ongeoorloofde middelen, om zich ten koste van anderen te verrijken. In plaats van den medemensch in zijnen nood te helpen, bedienen de joden zich van zijne armoede, om hen alles af te persen wat hem nog over is. Onder deu schijn van hem een liefdedienst te bewijzen, lecnen zij geld of verkoopen hem iets wat hij niet gebruiken kan, ten minste niet noodig heeft, onder beding dat hij later

-ocr page 183-

— 179 —

dubbel betalen zal. Wij hebben het voor onze oogen gezien, dat ongelukkige boeren op eene publieke veiling van koopwaren, uit een of anderen faillieten boedel afkomstig , verschillende artikelen duur genoeg kochten, niet omdat zij ze noodig hadden, maar om ze aanstonds voor veel minderen prijs van de hand te doen. Zoo kreeg de boer onmiddelijk geld, maar slechts de helft van hetgeen hij den jood of den notaris schuldig was.

Wat erger is, de jood maakt niet alleen misbruik van den nood der Christenen, door hun op allerlei slink-sche manieren ongehoorden interest af te persen ; hij verstaat ook de kunst om nood en behoeften te scheppen, om den landman en kleinhandelaar te dwingen om bij hem ter markt te gaan. Hij bezit het monopolie van verschillende artikelen voornamelijk van den veehandel, is baas en meester op de beurs en in de courantenwereld, laat de prijzen naar verkiezen stijgen of dalen en noodzaakt alzoo velen met hem te handelen gelijk het in zijn kraam te pas komt.

Zoo is de oorzaak van den algemeen en achteruitgang grootendeels te wijten en te verwijten aan joodsche zwen-delarij, dwingelandij, speculatie en bedrog. Maar ook zijn de Christenen zeiven niet van schuld vrij te pleiten. Het voorbeeld , zooeven aangehaald , getuigt van eene groote kortzichtigheid, welke echter hierdoor verklaarbaar wordt, dat men in geldnood alle verstand verliest. Men zij dus op zijne hoede, aleer men tot zulk een uiterste gekomen is. Men zij ijverig en spaarzaam en late zich niet misleiden door de schijnschoone aanbiedingen, de dringende aanzoekdfe of schoone beloften van joden.

't Is waarlijk schande, groote schande dat zoovele Christenen bij joden te rade gaan en langzamerhand hunne

-ocr page 184-

— 180 —

slaven geworden zijn. Paus Benedictus de XIV heeft er reeds voor gewaarschuwd en velen hebben het te laat ondervonden, dat het zoo ongelukkig is, het geld en de hulp der joden noodig te hehhen, de joden niet meer te kunnen missen , van hen afhankelijk, hunne slaven te zijn.

Men begint met geld van hen te leenen of wel iets te koopen op krediet; zelfs door een goeden koop te doen wordt men hun schuldenaar. Immers in het vervolg moet men hen wat respecteeren , men is hun eenigszins dank verschuldigd.

De jood weet daarvan gebruik te maken, hij doet het u gevoelen en gij kunt niet nalaten nog meer te koopen, al staat het op zijn prijs, al hebt gij het juist niet noodig. Zijne aanbiedingen zijn zoo aanlokkelijk en zoo voor-deelig, want zie, hij vraagt geen geld. Gij maakt schulden, meer en meer schulden en de jood is altijd geduldig.

Maar ach! eindelijk is de maat vol, dan komt de aap of eingelijk jaap uit de mouw, dan komt de lieve man, die altijd zoo goed voor u was, die u alles voor een bagatel verkocht, ja zelfs opdrong en nog wel zonder geld te vragen, dan komt die brave jood met een schrikbarende rekening; zooveel koopjes , zooveel interest en dan nog interest van den interest.

Helaas ! Eene huivering loopt door merg en been. Grij wordt er duizelig van. Grij bidt en peroreert, dat menheer nog een oogenblik geduld hebbe, gij belooft een gedeelte uwer schuld te betalen, maar met de rest moet menheer nog wat wachten. En de jood, o hij is zoo goed, hij ■verhoort uwe gebeden , hij zal wachten , maar dan moet u dit of dat nog van hem koopen en wat meer interest betalen.

Begrijpt gij, lezer, waarom de kerkelijke Overheid er

-ocr page 185-

zoo op aandringt, dat de Christenen moeten zorgen, dat zij niet in een toestand geraken, waarin zij de joden noo-•dig hebben. Gelooft gij wel, dat Europa zich in armoede heeft gedompeld, sinds het de lessen der Pausen vergetend, aan hun gezag zich heeft ontrukt en zich aan de joden onderworpen heeft ?

Was dit nog maar het ergste. Maar met zijn geld heeft Europa ook zijn geloof verloren. De vrijmetselarij, het liberalisme, het ongeloof hebben zich van alle machthebbers meester gemaakt en zijn met hun invloed tot alle lagen der maatschappij doorgedrongen. Duizenden drukkerijen, door vrijmetselaars en joden in beweging gebracht, werken dag en nacht, om een stroom van zedelooze boeken en God en Kerk hatende couranten over de wereld uit te storten. Gedoopte Christenen, die zich neutraal noemen en een enkelen keer willen bewijzen , dat zij van de joden een afkeer hebben, maken zich tot tolken van joodsche boeken venters en schrijven artikelen in hunnen geest, om onder den schijn van onzijdigheid, ongeloof en onverschilligheid voort te planten.

De grootste dagbladschrijvers en boekdrukkers zitten onder den pantoffel der joden. Couranten die op sommige tijden wel eens willen bewijzen, dat zij van de joden geen schrik hebben, kondigen vaak met groote letters de slechtste boeken. Het zijn wagens gevuld met goddelooze geschriften , voortgetrokken door Christenen , die overal den weg weten , terwijl een jood er bovenop zit, wiens geschreeuw in alle huizen en kamers binnendringt, ontelbare nieuwsgierigen lokt, misleidt en verleidt en die zich uitermate verkneukelt over zooveel klanten, zulke wagens, maar vooral over zoo ijverige trekezels.

Terecht schreef onlangs Dr. Schaepman: „Het zou

-ocr page 186-

— 182 —

dwaasheid zijn te vergeten, dat de menschonteerende woeker van sommige joden maar al te dikwijls in de zonden der Christenen haar oorsprong vindt en haar voeding ook. Wanneer wij het ongedierte willen dooden , dan moeten wij niet vergeten de vuile wonde te zuiveren waaruit het voortkomt.quot; Welke zijn nu die wonden ? Waar zijn de zonden der Christenen , waarvan de joden gebruik maken , om hen in armoede te dompelen en in het verderf te storten ?

Eerst en vooral deze, dat zij in massa hun geloof verliezen en zich hij de vrijmetselaars en liberalen , die de bondgenooten der joden zijn, aansluiten, hunne couranten en boeken lezen en gelooveu. Ten tweede, dat zij in hunne ij delheid en trotschheid de weelde, de mode artikelen, de nuttelooze gebruiken en verderfelijke pleizieren, welke de joden hun opdringen , of die bladen hun aanprijzen , voor lief nemen, en met eene onverzadelijke begeerte najagen, alsof de mensch alleen voor aardsch genot geschapen was. Ten derde, omdat zij veel te gemeenzaam met de joden en hunue trawanten omgaan. Helaas ! Yele Christenen gedragen zich in deze als kinderen. Zij willen naar geen redenen luisteren, gaan bij joden en joodsche couranten te rade, maken zaken met hen, geven gehoor aan schijnschoone beloften en ontvangen eenige gunsten, om later in het groot bedrogen te worden. Dikwijls meenen zij eeue gunst te ontvangen, terwijl zij voor hun geld iets verkrijgen , dat zij zeer goed konden missen , ja dat niet zelden hun ongeluk is.

Meermalen worden de joden in Rusland vervolgd en verdreven ; de geheele courantenwereld staat dan op om hen te beschermen en te verdedigen. De joden zijn onze evennaasten , en hoeveel kwaad zij ons ook gedaan hebben

-ocr page 187-

— 183 —

en thans door hunnen haat tegen de Cliristeneu , door hunne slechte couranten en boeken nog doen, wij mogen ons over die vervolging niet verheugen ; wij vergeven hun evenals de Messias hun het gruwelijk lijden vergaf dat zij hem aandeden, wij hebben zelfs medelijden met hen.

Maar waarom zooveel lawaai als een enkel joodje op zijn eksteroogen wordt getrapt, terwijl niemand den mond opent als 13 millioen Katholieken in Duitschland van hun dierbaarsten schat, hun geloof, de uitoefening van hun godsdienst beroofd worden , terwijl niemand spreekt als de kloosterlingen uit Frankrijk of Duitschland verdreven worden, de kerkelijke goederen in Italië worden gestolen ? Waarom zwijgen de onkatholieke couranten dan ? Omdat zij in de handen van joden zijn, die de heetste vervolging van .Katholieken toejuichen en aanblazen.

Hoe moeten wij ons ten opzichte der joden gedragen?

Onze goddelijke Verlosser leert ons onze vijanden te beminnen, en zelf gaf hij daarvan de schoonste voorbeelden, vooral op het kruis. Wel schreeuwde Luther dat „een Joodsch hart zoo duivelsch hard is als een stok, een steen of ijzer, zoodat het niet te bewegen is. Het zijn jonge duivels, zegt hij , tot de helle gedoemd. Die duivelskinderen te bekeeren is onmogelijk.quot; Zoo sprak Luther, doch de meeste Protestanten volgen hierin hun meester evenmin als in vele andere zijner dwalingen, en de Katholieken hebben nooit zoo gesproken over de kinderen van Israël.

De H. Apostel Paulus waarschuwt ons tegen alle liefdeloosheid en verwaandheid ten opzichte van de joden.

't Is waar, dat iu zijnen tijd de toestand der jodeu heel anders was, dat zij niet zoo verstrooid in het midden hunner zoo genoemde vijanden leefden, doch ook toen.

13 Rutii.

-ocr page 188-

— 184 —

waren zij de grootste vervolgers van Christus' leer en leerlingen en niet het minst van den H. Paulus. Toch gebiedt de liefdevolle Apostel de Israëlieten niet te minachten , maar te beminnen en zelfs te eeren. Hij vergelijkt heu met de takken van den schoonen olijfboom, die zijn afgebroken en afgevallen , opdat wij, uit de Heidenen, als wilde en vreemde takken op dien boom zouden ingeënt worden. Zij hebben aan ons het ware geloof overgebracht, niet wij aan hen. De Patriarchen , onze Zaligmaker, de Apostelen waren uit Israël. Nu zijn de natuurlijke takken wel afgebroken om hun ongeloovig-heid, maar wij zijn ook alleen door Gods oneindige goedheid zender eigen verdiensten op den boom geplant, eu zoo God de natuurlijke takken niet gespaard maar verworpen heeft, zal hij ook ons, vreemden, niet sparen als wij ontrouw worden en zijne goedertierenheid misbruiken; dan zullen ook wij wederom worden afgehouwen. En wat meer is, zoo vaart de groote Apostel voort, opdat gij niet hoovaardig wordet, zeg ik u, dat ook eenmaal als de Heidenen zullen bekeerd zijn, geheel Israël tot den God zijner vaderen zal wederkeeren eu alzoo zal zalig worden (Rom. XI). Weest dus niet hoovaardig, maar vreest, dat gij zelf niet valt.

In dien geest heeft altoos de H. Kerk gehandeld. De Pausen hebben de Joden beschermd en binnen de muren van Rome hun afzonderlijke woonplaatsen aangewezen. Ook de Joden weten zeiven zeer goed dat zij aan ons hun behoud te danken hebben. Met verwondering vroeg men eens den grooten Jood Mirès, waarom hij zoo dikwijls partij trok voor den Paus , en zijn antwoord luidde; „dat doe ik, omdat ik Jood ben. De tegenwoordige regeling der maatschappij en de bestaande wetgeving

-ocr page 189-

— 185 —

leiden er van zelf toe om bmnen een tachtig, op zijn langst een honderd jaar al het geld en goed van Europa in handen der Joden te brengen. Maar dan znllen de Christenen ook wel weer Inst krijgen om ons uit te plunderen en dood te slaan, en ze zouden het ook doen, als er geen Paus was , wiens gezag zij erkenden en die hun verhood anderman's goed te nemen.quot; Mirès wist zeer goed dat de Pausen hen altijd gered hebben. Paus Inno-centius gebood zelfs op straffe van den grooten ban : „geen Christen mag hun persoon of hun goederen schenden of hun gebruiken storen : ze zullen op hun feestdagen niet tot arbeid worden gedwongen ; hun kerkhoven niet worden geschondenquot; enz. De Joden dus hebben aan ons hun behoud te danken , hetgeen zij zeiven in een plechtig Sanhedrin den 7 Februari 1807 in Frankrijk gehouden, verklaard hebben ; en ook Voltaire zeide, dat, als de ondergang der Joden nabij was, de Pausen hen altijd in bescherming genomen hebben ; jammer maar, dat zoo weinige Joden daarvoor dankbaar zijn.

Ofschoon wij den jood moeten liefhebben als onzen naaste, is het ons toch niet geoorloofd al te gemeenschappelijk met hen om te gaan. Omdat er helaas vele Christenen ook in ons land zijn, die daartegen tot hun eigen ongeluk grovelijk misdoen, wil ik u eens duidelijk maken wat hun plicht is , die hun ten dien opzichte door de H. Kerk is opgelegd.

In het jaar 1865 zijn de Hoogw. Nederlandsche bisschoppen met de voornaamste geestelijken te 's-Hertogen-bosch vergaderd geweest; zij hebben toen beraadslaagd over de voornaamste belangen van hunne katholieke onderdanen, en Imn heilzame vermaningen gegeven, welke •allen die goed Katholiek willen zijn , ter harte moeten

-ocr page 190-

— 186 —

nemen. Onder deze vermaningen nu is er eene , welke de betrekking met de joden betreft en van groot gewicht is. De inhoud luidt: 1° de herlcslijke wetten verbieden ten strengste de gemeenschappelijklieul en den gemeenzamen omgang met de joden, omdat zij het Kruis van Christus, hetwelk hun ergert, verfoeien. Dus niet slechts onze bisschoppen, maar ook de kerkelijke wetten in andere diocesen over de geheele aarde , verbieden alle gemeenschappelijkheid dat is alle deelneming aan hunne godsdienstoefeningen en den vertr ouwelij ken omgang met hen. Het is dus den Katholiek verboden hunne synagogen te bezoeken en meer nog aldaar iets te doen aan hun kerkdijken dienst, verboden ook met hen bijzondere vriendschap te sluiten, hen als bijzondere vrienden te behandelen, door b. v. in het koopen of verkoopen aan hen altijd de voorketir te geven, met hen voortdurend om te gaan, enz. Ten tweede vermanen de Hoogw. bisschoppen alle pastoors te waken , dat de geloovigen aan de joden geen bestendigen dienst bewijzen, in dier voege dat zij hunne huisgenooten of dienaren worden. Wanneer voor geloof of zeden geen gevaar te vreezen is, dan kunnen die werken toegelaten worden, welke voor een dagloon op de akkers of in de fabrieken der joden voorbijgaand geschieden, doch ernstig m.oeten de geloovigen vermaand worden, dat zij vooral door geldzucht gedreven , zich niet kenen tot andere diensten tot schade hunner ziel. Dit is de tweede waarschuwing van hunne Doorl. Hoogw. in het ProT. Concilie , waardoor het iederen Katholiek duidelijk is, dat hij zich niet bij joden mag verhuren om bij hen in huis, in fabrieken, op reis, op kantoren of elders voortdurend te dienen, dat hij ook niet bij joden wonen mag, en als er gevaar is voor zijn geloof of deugd hun zelfs geen tijdslij ken voorbij gaanden dienst mag bewijzen.

-ocr page 191-

— 187 —

De derde vermaning is wederom niet slechts eene bisschoppelijke maar ook eene Pauselijke, eene vermaning van groot belang, die veel overtreden maar ook zwaar gestraft wordt. Tevens moet men zorgen, zooals ook Tiene-dictus XIV (een groot Paus van de vorige eeuw) zegt, dat de geloovigen het geld en de hulp der joden niet noodig hellen, dat wil zeggen, dat de Christenen niet in zulken toestand worden gebracht, dat zij de jodsn niet meer kunnen missen, dat zij van hen afhankelijk worden, hunne slaven worden. Helaas dat de grooten dezer wereld die schoone les niet beter hebben opgevolgd. Europa zou niet zoo ongelukkig zijn , zou niet verarmd en ongeloo-vig geworden zijn. Helaas dat ook vele minderen die gewichtige les niet in acht genomen hebben.

Ziedaar dan die gewichtige vermaningen van de H. Kerk, welke ieder katholiek op zonde verplicht is na te komen. Do eerste betreft den al te gemeenzamen omgang in het dagelijksche leven, de tweede den dienst, de derde den handel.

Evenals met alle andere wetten kunnen er omstandigheden zijn, die u een enkelen keer kunnen verschoonen; doch welke redenen gij ook meent te hebben, overtreed de geboden en waarschuwingen onzer Hoogw. Bisschoppen nooit. Zonder uwe geestelijke overheid geraadpleegd te hebben , moogt gij u niet bij hen in dienst begeven , of bij hen gaan inwonen.

Vraagt gij mij of liet zonde is daartegen te misdoen , dan is mijn antwoord dat dit afhangt van omstandigheden. Hebt gij groote redenen om met hen vertrouwelijk om te gaan en een tijd te dienen , dan geloof ik niet dat gij daarmede kwaad zult doen, doch alleen om een beetje meer geld, een weinig winst, voortdurend bij

-ocr page 192-

— 188 —

hen te zijn, zonder reden bestendig met hen te handelen, hun huisgenoot, bediende of knecht of schrijver, enz. te zijn, dat is schandaal geven aan anderen, dat is openlijk misdoen tegen een streng gebod der H. Kerk, dat is dus zonde, en dat zal u op den duur ook geen voordeel aanbrengen.

Wat er van zij , onze Moeder de H. Kerk en onze Bisschoppen gebieden het, met hen niet te verkeeren ; wij hebben niet te onderzoeken naar de oorzaak van zulk bevel, wij hebben slechts te gehoorzamen, te zorgen dat wij niet hunne slaven, hunne dienaren, hunne vrienden worden.

Ofschoon de joden ons vijandig zijn, zullen wij hen in wezenlijken nood beschermen en helpen evenals de Pausen altijd gedaan hebben en nog doen, doch gemeene zaak met hen maken, vertrouwelijk en gemeenzaam met hen omgaan, hun dienen, hun schuldenaar en slaaf zijny dat is een schande voor den naam van Christus.

De slotsom is, dat wij de joden moeten liefhebben, zelfs medelijden met hen hebben, want hoe rijk en machtig zij ook mogen zijn , 't is en blijft toch altijd eene zwervende, eene gebannen en overal vreemde natie en juist door hun heerschappij maken zij zich al langer hoe meer gehaat. Wij moeten in voorkomende omstandigheden jegens hen beleefd zijn , in den nood hen helpen, doch ook zooveel mogelijk ons van hen verwijderd houden in handel en wandel, om geen schandaal te geven, om hunne gebreken niet af te leeren, om niet bedrogen, ongelukkig en bedorven te worden en eindelijk om niet te misdoen tegen den wensch en 't uitdrukkelijk gebod der H. Kerk.

-ocr page 193-

ZES EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Kleine Apen.

Yolgens het H. Evangelie gaf de gastheer te Ka na eerst den minder goeden wijn en later don hesten; ik wil ook een hemind gastheer zijn, en heb daarom mijne vrienden tot nu toe mét gewonen wijn getracteerd, ik heh den kelder van Ruth rondgeloopen en van alles aan mijne vrienden voorgezet, ik gaf hun allerhande lessen over de ouder- en kinderliefde, over gehoorzaamheid, arbeidzaamheid en andere deugden. Nu was die wijn misschien niet altijd even zoet, soms was hij wel wat hard en zuur, maar toch gezond en frisch en voordeelig voor allen. Maar thans beste vrienden aan 't slot der geschiedenis van Ruth ga ik u 't fijnste en beste werk voorzetten, 'k ga spreken van 't kostbaarste van alles, over de hemelsche en waarlijk goddelijke deugd der zedigheid en zuiverheid. Deze zijn de kostbaarste vaten die er bestaan , en welke in Ruth's geschiedenis in overvloed -voorhanden zijn. Mij dunkt reeds sommige mijner lezers te zien watertanden, doch anderen, die verder zien dan hunne neus reikt, hoor ik zeggen ; nu , hou maar op , welke koopman zwetst niet op zijn eigen waren , welke gastheer niet op zijn flesschen ?

Ik zwijg en vraag nog een kleine attentie, 't Gebeurt dat die drank, hoe oud en keurig hij ook zij, toch niet bevalle, sommigen zelfs walgen er van , of Avel omdat hunne maag te zwak is, of omdat ze er niet aan gewoon of omdat ze ziek zijn, aldus lean 't zijn dat dit mijn drankje voor sommigen te zwaar of te bitter zij, maar 't zal niet liggen aan den kelder, doch wel aan den mond of aan 't hart

-ocr page 194-

— 190 —

van de gastvrienden die niet zuiver, niet gezond, maar slecht gesteld zijn en daarom mijn preparaatje niet kunnen verdragen. Als 't dus niet smaakt, moeten zij 't zich zeiven wijten.

Groot, verheven en hemelsch is de schat der zuiverheid , helaas , dat de vaten waarin wij dat kleinood bewaren zoo slecht, zoo zwak en hroos zijn, dat ouze natuur zoo bedorven is en tot het kwaad genegen. Doch dit was nog genoeg te verhelpen, wanneer dc bewaker van dit brooze vat slechts met voorzichtigheid te werk ging en er voor zorgde, dat dat breekbaar vat met geen ander in aanraking kwam , niet brak en alzoo zijn schat verloor ; want ouze bedorven natuur kan 't niet lijden, dat we met personen van 't ander geslacht te gemeenzaam omgaan , de geringste, de kleinste ontmoeting is soms genoeg om het zwakke vat te doen breken, om den onovertreffelijken schat dier H. Deugd kwijt te raken. Helaas dat die gemeenzame omgang tusschen beide geslachten als 't ware mode geworden is , dat men onder zijns gelijken géén genoegzame gezelligheid meer vinden kan of vinden wil. De brave Euth zocht haar genoegen in de eenzaamheid op den akker. Haar grootste geluk was hare moeder te kunnen dienen , voor hare moeder te arbeiden, en ofschoon zij overigens alleen was in de wereld, en zeker zelve hulp zou noodig hebben, wanneer hare schoonmoeder zou gestorven zijn, toch dacht zij aan geen trouwen of verkeeren , te veel hield zij van hare schoonmoeder, te veel liefde had zij voor zedigheid eu kuischheid om nog aan een tweede huwelijk te denken. Menige weduwe zou hare schoonmoeder in den steek hebbezi gelaten, of ten minste aan een tweeden man de voorkeur hebben gegeven, en hoe arm dan ook , een

-ocr page 195-

ander huwelijk hebben aangegaan , al was 't maar met een straatlooper of bedelaar; maar onze Ruth vergat alles om alleen aau de deugd en hare schoonmoeder te denken en nooit zou zij tot een tweede huwelijk gekomen zijn en nooit met een manspersoon hebben omgegaan, wanneer hare moeder zelf haar daartoe niet had aangespoord, en haar had overtuigd, welk een schoon vooruitzicht er voor haar geopend was. Dit moest de gedragslijn zijn van alle jongelieden en ongehuwden ; o mocht de Nederlandsche jeugd dit voortreffelijk voorbeeld volgen ! Mochten onze katholieken vooral verstandiger handelen en zich niet roekeloos dagelijks aan 't grootste gevaar blootstellen van hun eeuwigen ondergang! ! ! Doch een ijdele wensch. En al schreef ik dit boek van den beginne tot het einde vol met uitroepingsteekens , liet zou er niet beter om worden. Toch hoop ik tot hunne verbetering iets bij te dragen, door het onverstandige , het dwaze en belachelijke van hun gedrag duidelijk onder de oogen te brengen.

Wil onze bloeiende jeugd Ruth navolgen , wil zij de H. Kerk gehoorzamen, wil zij deugdzaam en zedig leven en onze H. Moeder Maria en andere heiligen nastreven, dan moet zij 1° niet te jong verkeeren , 2° niet zonder vooruitzicht verkeeren, 3° niet te veel verkeeren, 4quot; niet verkeeren, dan na hare roeping tot het huwelijk te kennen, een deugdzaam persoon gevonden te hebben en alle beletselen weggenomen van een gelukig huwelijk.

Dezen keer over 't eerste punt: niet te jong verkeeren of om een goed verstaanbaar woord te gebruiken: niet vrijen zoolang men nog een kind is. Men denkt thans aan trouwen reeds , ik durf niet zeggen hoe jong; neen ik vergis mij , aan trouwen niet, want men weet nog niet

-ocr page 196-

— 192 —

wat trouwen is, maar aan vrijen. Kleine apen hebben groote apen zien samenloopen en moeten dat naapen. Dan meent men een grooc man te zijn. Wanneer kleine Piet, op allerkinderendag, den hoed van zijn grootpa op het hoofd heeft gezet, zoodat ge zijn lekneus niet meer kunt zien, een jas heeft aangetrokken, waarin nog ruimte genoeg is voor zijn beide zusjes, en met een paar groote klompen daar henen klapt, dan denkt hij waarachtig een groot man, een Papa te zijn ! Eveneens mee-nen die kleine jonkheertjes en dametjes groote volwassene verstandige menschen te zijn , als zij grooten kunnen nadoen en een soort van vrijster op zij, of aan den arm hebben.

Is 't niet waarlijk potsierlijk en kinderachtig ? Wat zegt gij daarvan Vader en Moeder? 0 'tis kinderspel, antwoordt gij. O ouders, als 't kinderspel alleen was, dan zou ik er ook pleizier in hebben , dan zou ik het het niet afkeuren ; maar daar zit meer achter. Daar gebeurt meer dan gij denkt, vader; zij weten meer dau gij vermoedt, moeder; en al zijn ze ook de onnoozelsten van de wereld, zeg me, wanneer eindigt dat spel ? Wordt dat niet al langer hoe erger ? Is 't niet beter die dwergjes in den beginne te scheiden, dan later wanneer ze naar lichaam en ziel bedorven, en niet meer te scheiden zijn ? Hoort eens wat ge doen moet.

Pater v. d. B. heeft het mij verteld en ik stel het u ter navolging voor. Een weduwe had een braaf onschuldig dochtertje. Een knaap van om de zeventien jaren , die zeker bang was, dat zij hem ontsnappen zou, kwam er op af. Maar toen de moeder hoorde, dat hij om haar dochtertje kwam , toen gaf zij hem een boterham met krenten en zeide: „Ziedaar jongen, ga nu maar gauw naar

-ocr page 197-

— 193 —

huis, want uw moeder zal bang zijn, niet wetende waar gij blijft; als ge een kar of rijtuig ontmoet, moet ge voorzichtig ter zijde gaan om er niet onder te vallen , maar ook zorgen dat ge in geen sloot valt.quot; Zoo werd de nuchtere knaap met beschaamde kaken afgeschipperd. O mochten alle moeders zoo wijs zijn.

Doch evenals een tuinman zijn de moeders trotsch op de schoone bloemen, die in de broeikas staan ; het doet haar goed dat er veel volk komt kijken. Helaas dat zij dan ook altoos ondervinden , hoe die heerlijke bloemen door die veelvuldige bezoeken bemorst, ja geknakt worden, verslenzen en vergaan, ja moeder vergaan, 't Is de mode vroeg te verkeeren. Ja vader, 't kan mode zijn; maar 't wordt ook mode, dat de kinderen den baas spelen , zult gij dat dulden ? De mode kan noch u noch hen rechtvaardigen ; uwe kinderen moeten niet te vroeg groot, niet te vroeg rijp zijn. Paddestoelen schieten in een oogenblik op , maar 't is ook niet veel bijzonders , en ze vergaan weer spoedig, 't Is uw plicht dus die n aap er ij tegen te gaan. Uw jongske rookt al, 't draagt misschien al een bril. 't Is al weer de mode, en als 't zoo voortgaat zullen ze weldra met een sigaar in 't mondje en met een glas op 't neusje in de wieg liggen, misschien met die wapens nog wel eens geboren worden, 't Zij zoo , zulke aperij is geen zonde , 't is slechts verkwisting, maar op het stuk der zedigheid moet ge uiterst streng aijn ; zoo niet, dan zijt gij niet de vader uwer kinderen , maar een verrader, letwel een verrader.

Nu is 't wel mogelijk, vrienden en vriendjes, dat dit mijn gerecht u niet bevalt en wat te bitter is; doch weet dat het zeer goed is voor u, en dat die bitterheid

-ocr page 198-

— 194 —

alleen kan voortkomen uit uwe gesteldheid , neemt liet ten goede op, overweegt het belachelijke, schadelijke en verderfelijke uwer handelwijze ten opzichte der vroegtijdige verkeering, en bewaart den schoonen schat der zuiverheid.

ZEVEN EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Groote Apen.

Zooeven spraken wij van kleine jongens en meisjes die alles naapen, of iets mooi zij of leelijk, goed of kwaad, nuttig of schadelijk , het komt er niet op aan, als het door de grooten wordt voorgedaan, dan wordt het door de kleinen hooggeschat en nagevolgd. De walgelijke omgang dus der minderen van beider geslacht is grooten-deels te wijten aan het voorbeeld van volwassenen en aan de onachtzaamheid der ouders. Er zijn dus ook groote apen en oude apen.

Wanneer meerderjarigen eene verkeering zoeken en dat zonder bepaald vooruitzicht op den huwelijkstaat, zonder dat men in staat is een gezin te onderhouden, een huis te besturen, zijn brood te verdienen, en brave kinderen op te voeden ; als men verkeert zonder eenige gelegenheid te voorzien van zich te kunnen zetten of huisvesten, in een woord: als men vrijt, niet om een man of vrouw , maar oyn, een jongen of meisje ie heiben , wat is dat anders dan anderen naapen ?

Kei moet eene Nel en Nel moet eeneu Kei hebben, omdat het zoo de mode is , omdat het anderen ook doen ,

-ocr page 199-

— 195 —

omdat men vreest door de wereld bepraat te worden , als men alleen is, als men er geen krijgen kan ; wat is dit anders dan naiiperij ? Dat de jongeren die nog geen spiertje onder de neus hebben, zulke dingen naiipen, dit is nog te verklaren, zij hebben nog geen hersens genoeg om er het gevaar van in te zien, maar dat grooten nog zoo dwaas, zoo kinderachtig zijn , o , dat is hoogst verwonderlijk.

Men wil zich verschoonen met te zeggen: Als anderen mogen, waarom mag ik dan ook niet ? Ik zal 't u zeggen, waarde lezer : omdat u niet altijd alles voegt, wat aan anderen past. Als anderen een bril dragen, moet gij het dan ook doen? Neen, anderen kunnen redenen hebben om iets te doen , wat u niet passen , wat u zelfs bederven zou. Een bril is goed voor slechte oogen, maar gezonde oogen worden er blind van. Een koopman in slaapmutsen had zich op zijne reis in een bosch neergelegd, zette eene muts op en viel in slaap. Toevallig zat de boom, waaronder hij lag , vol apen. Deze hadden hem afgeloerd , en toen hij aan 't rusten was, klauterden zij zachtjes naar beneden, namen ieder een slaapmuts uit den zak, gelijk zij den reiziger hadden zien doen, zetten die op hun leelijken kop , klommen weer in den boom en zaten daar vervaarlijk te grijnzen , toen de koopman wakker werd. Daar zitten de dieven met een slaapmuts over de ooren en de vertoornde man steekt de gebalde vuist uit om die leelijke beesten te verschrikken, doch zij doen hem na, en richten eveneens hunne pooten op hen af; hij wordt woedend, neemt de mutsen , die er nog over zijn , en werpt ze omhoog, zeggende : „Vervloekte beesten , daar, hebt deze ook.quot; De apen nemen eveneens hunne mutsen en werpen ze naar beneden, en de blijde koopman raapt ze spoedig op.

-ocr page 200-

— 196 —

Omdat wij, lieve vrienden, eenmaal met de apen bezig zijn, heb ik deze apengeschiedenis willen aanhalen , die hoe minder zeker, des te aardiger is, om u, die wellicht eene verkeering heht aangegaan , ofschoon gij zeer goed weet, dat er van geen trouwen komen kan en daar misschien nog nooit aan gedacht heht, om u, mijne vrienden, duidelijk te maken, dat gij niet alles moet naapen, dat die verkeering u evenmin past als die slaapmutsen op de apen en dat gij met uwe Trui of uwen Flip een even belachelijk figuur maakt, als die leelijke beesten met hunne lange torens op den kop. Gij zult zeggen dat die gelijkenis niet opgaat, dewijl er een groot verschil bestaat tusschen apen en menschen. Precies, vrienden, zoo wil ik het hebben, zij die met een bepaald en goed doel verkeeren, handelen vei'standig; dat zijn menschen , maar die 't alleen doen voor de grap, voor de mode, voor 't pleizier, dat zijn geen redelijke menschen met verstand, dat zijn apen.

De noodelooze verkeeringen zijn dus bespottelijk , en, wat erger is , ze zijn zeer verderfelijk. Waarom ? Omdat de mensch van nature tot zonde geneigd , vooral, wanneer het jeugdig bloed nog in hem kookt, zich zeiven niet beheerschen kan , als hij het voorwerp en voedsel zijner hartstochten te nabij komt. Een verstandeloos mensch moet het zijn , die het lokaas des duivels niet vlucht maar opzoekt. Dat een laffe haas in de strikken loopt, dat een onnoozele visch naar 't lokaas hapt, dat de vos zelfs de klem op den neus krijgt, is te begrijpen, maar dat een mensch die de strikken en gevaren kent , misschien reeds eenmaal, misschien wel tienmaal gevangen en verstrikt, toch nog tegen beter weten in , tegen alle verwarringen en wroegingen , de gelegenheden , de

-ocr page 201-

197

■strikken, de klem, het lokaas gaat opzoeken en zonder reden, zich in 't gevaar begeeft, om zich met zijne prooi in den gruwelijksten afgrond neer te storten, dat is niet belachelijk maar onverklaarbaar , betreurenswaardig en rampzalig. Een dier zal de gevaren en strikken ontloo-pen , als het die gemerkt heeft, de mensch, helaas , de mensch met al zijn verstand is alleen in staat, om met opene oogen zich in 't gevaar te werpen en met vrijen wil en volle kennis zijn ondergang te zoeken.

G-ewoonlijk zegt men , dat de persoon met wien men omgaat te braaf, te zedig is, om kwaad te kunnen doen. Goed, dat is gelukkig , maar ik zou u don raad geven van ze braaf en zedig te laten : zijt gij zelf ook zoo braaf? Breng geen vlas of stroo bij 't vuur, want hoe goed gij 't ook meent, ontvlammen zal het en moet het. De braafste en heiligste personen hadden juist den grootsten afschrik van zulken omgang ; wel een bewijs , dat zij die zoo roekeloos verkeeren , de braafsten niet zijn , en mochten zij voor 't oogenblik het gevaar niet willen inzien, de gelegenheid bestaat er, en gelegenheid brengt ten val.

Eerst voert men een lief en onschuldig gesprek over koetjes en kalfjes , over mooi weêr, misschien wel over de H. Eamilie, over H. Bedevaarten en zoo al meer heiligheid; dat zoet gesprek trekt de harten, men wordt vertrouwelijker en vrijer, de zwarte duivel komt niet openlijk , maar heimelijk van achteren op den rug het vuurtje aanblazen, men krijgt er pleizier in, men stemt er in toe , men zondigt en de verfoeielijke vriendschap wordt zoo vastgebonden, dat geen vader of moeder, geen geweten of biechtvader , geen God of hemel, ja geen gapende hel meer in staat zijn, om er een eind aan te maken.

i

I'M;

ifc ■

•t:

iihMri 11

l. b a'

iiiÉi P i

i

v ■ ■■ ill

li $

lijp

-ocr page 202-

— 198 —

Gelijk twee vmireteeiieii elkander niet kunnen raken, of er moeten vonken springen , zoo kunnen die twee gloeiende harten elkander niet aanraken , ja niet zien , niet aan elkander denken zelfs, of er ontspringen onzuivere vonken en zwaveldampen van de schandelijkste misdaden , die iedereen doen walgen , de lucht der omgeving verpesten, en in het geweten dier bedorven personen een waar hellevuur doen ontstaan.

Zeg mij dus niet, dat de persoon, die zoo roekeloos, zonder reden , met u durft omgaan , een quot;braaf en voorzichtig mensch is, neen, hij is iemand die de deugd weinig acht, hij of zij is een waaghals, hij zet zijne ziel en zaligheid op het spel , hij haakt en gaapt naar wellust of zal het weldra doen, hoe lief, hoe heilig die omgang aanvankelijk ook zijn moge.

Nu weet ik wel dat er deftige parochiën zijn, waar iets dergelijks nimmer gebeurt, waar 't een schande zou zijn , als er twee over straat gingen , van welke men wist dat het geen ernst kon zijn; die voorbeeldige parochianen moeten het mij vergeven dat ik zulke leelijke dingen hier neerschrijf, maar er zijn te veel plaatsen, dorpen en steden vooral, waar dit kwaad zoo algemeen is en zoo diepe wortels geschoten heelt, dat ik mij verplicht reken, hoe noode ook nog meermalen op die wortels in te hakken.

Ten slotte. De verkeering lezer, is een noodzakelijk kwaad, eveneens als de medicijnen van den docter. Deze gebruikt men niet dan in noodzakelijkheid. Een gezond mensch wordt er naar en ziek van. Zij zijn alleen goed voor een zieke , en ook hij moet er soms van sterven. Zoo ook moet gij van dien gevaarlijken omgang geen gebruik maken dan in noodzakelijkheid, en dan nog zoo

-ocr page 203-

weinig en zoo voorzichtig mogelijk, opdat gij voor een wereldlijke vriendschap de vriendschap des Heeren niet verkoopet, die het leven uwer ziel is.

ACHT EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Oude Apen.

Laat een aap klein of groot zijn , hij moet een vader en moeder gehad hebben, van welke hij afstamt, en deze noem ik oude apen. Heht gij dus, vader en moeder, gee-ne kinderen die dien naam van apen verdienen, zooals die vroeger beschreven zijn ; of hebben uwe kinderen buiten uwe schuld de wereld in het vroegtijdig of noo-deloos verkeeren nageaapt, dan is de leelijke titel hierboven met groote letters gedrukt, op u niet toepasselijk; doch hebt ge wezenlijk apen of aapjes en dat met uwe schuld voortgebracht, dan heb ik geen anderen troost voor u, dan deze, dat ook ik om deze apenhistorie apen-vader ben genoemd geworden.

Men zegt van den aap , dat hij zijne jongen zoozeer bemint, en ze uit liefde zoo vast aan zijn hart drukt, dat hij ze soms dood knelt. Er zijn meer zulke apen. 'tls eene moeder, die hare dochter zoo lief heeft, dat zij haar nooit een woord van afkeuring of berisping durft toevoegen, zoozeer bemint, dat zij haar naar alle kermissen en markten en feesten laat gaan en dikwijls zonder toezicht; eene moeder, die zooveel van hare dochter houdt, dat zij alle jongens binnenlaat, om den bloempot te zien en te prijzen , en te vleien.

14 Ruth.

-ocr page 204-

— 200 —

Het is een vader die, de slechte kameraden, de gevaarlijke huizen , plaatsen , herbergen kennende , waarbij en waarin zijn zoon zijn geluk zoekt, dien zoon zoo lief heeft, dat hij altoos zwijgt, hem nooit tot deugd en braafheid aanmoedigt, hem nooit het verderfelijke dier omgangen voor oogen houdt. Ziedaar de oude apen die uit liefde , maar uit een valsche liefde, hunne kinderen dooddrukken. Ja , vader en moeder, heeft uw nog onschuldig kind een soort van verkeering aangegaan , is het argeloos in 't gevaar gekomen , heeft het gezondigd , dan is dit uwe zonde, en alle oneer, alle straffen, alle gruwelen, die er nog volgen, dat zijn uwe straften, uwe gruwelen; en de hel, 't is uwe hel.

Gij zult mij zeggen, dat gij er niets aan doen kunt, dat zij, door den huldigen dwaalgeest der wereld verleid, niet meer luisteren naar uwe smeekingen en vermaningen, 'tls mogelijk, en 'tis erg als de zaak zoover gekomen is , maar dan zou ik geweld tegen geweld gebruiken , bedreig ze dan met vermindering of geheele onthouding van hun speelpenning, belet ze uit te gaan of geef ze een flinke oorveeg, als ze niet zoo groot zijn dat ge er niet meer aan kunt. 't Is immers veel beter , dat hun dartel vleesch worde gepiinigd, dan dat hun ziel verloren ga; maar een wijze vader of moeder hebben niet noodig tot zulke middelen over te gaan , zij weten in hunne groote liefde en bezorgdheid voor het ware geluk hunner lievelingen, tot hun hart te spreken; zij schreien tranen als woorden niet baten ; zij leeren hun van jongs af de beminnelijkheid der H. deugd van zuiverheid, de schandelijkheid der onkuischheid , de onschatbare waarde eener goede conscientie en der oprechte vriendschap met onzen goeden God en Vader.

-ocr page 205-

— 201 —

Er zijn onbeschaamde jongens, die in de lange -winteravonden en soms ook overdag huizen en buurten afloo-pen, vandaag hier en morgen ginds zich vertoonen, en bij toeval juist daar het meect te vinden zijn waar de meeste dochters wonen ; maar ook onbeschaamd zijn zij, die zich door zulke vlegels laten aanspreken , en onverstandige of plicht vergeten ouders zijn het, die zulken de deur niet wijzen.

De straatloopers vergelijk ik met kwajongens, die op de markt alle kramen afloopen , nu een mes , dan een beurs, dan een pijp in de handen hebben; die alles afneuzen, maar ook alles vuil maken met hunne smerige vingers. Ze durven geen geld vragen, en als 'top een koo-pen aankomt, dan maken zij zich uit de voeten, om in een anderen kraam dezelfde rol te spelen. Ze zien , ze vatten, ze bemorsen alles, maar koopen nooit, en de winkels die hen niet wegjagen, krijgen voor hunne moeiten en uitstalling slechts kreuken en vlekken. Vader en moeder, wat laat gij die belhamels in uw huis ? Zij komen om er alles af te loeren en af te luisteren, zij bederven uwe kinderen , en gaan dan op andere haardsteden met u en de uwen lachen. Wilt gij den kostbaren schat die u is toevertrouwd , zuiver bewaren, sluit dan uwe deur voor zulke bedriegers.

„Bij de kreup'len leert men hinken.

Bij de vuilcn leert men stinken,

Jongelieden wie gij zijt.

Kwaad gezelschap dient gemijd.quot;

Zoo zong Pater Poirters en dat hij groot gelijk heeft, och, dat hebben reeds zoovele vaders en moeders en dochters ondervonden. Van de markt gesproken , ook deze heeft vele ongelukkigen gemaakt. Daar worden schoenen

-ocr page 206-

— 202 —

en klompen , potten en pannen, paarden en koeien, varkens en honden, maar foei! daar worden ook zielen Ter-kocht.

Uwe dochter gaat er naar toe om een mooi kleedje , maar 't schoonste kleedje, dat zij hezat en ooit bezitten kon, het kleedje harer ziel, de genade, de heilige deugd besmeurt zij , verliest zij. TJw zoon gaat er heen om een duitsche' pijp , zegt hij, om een knipmes , maar ach, hij geraakt zelf in de knip, hij komt in kwade gezelschappen, en gij weet wat Poirters daarvan zegt. Neen vader, op de markt wordt niet veel degelijks ten toon gesteld, daarheen brengt men wat men thuis niet verkoopen kan , aan 't marktvleesch is gewoonlijk een reukje zegt men, daar verbergt men de gebreken ; neen vader , daar komt niet veel goeds van , laat dus uwen zoon en dochter thuis als het zoo zijn kan, of wanneer zij daar zijn moeten, houdt hen dan in 't oog evenals de boer zijn beestjes bij de lijn houdt.

De markt niet alleen , maar ook de steden , pleizier-reisjes en vooral kermissen worden gelegenheden , waar slechte handel gedreven wordt eu waar het toezicht van vader en moeder uoodig is. Maar als uw zoon of dochter ook daar uw wakend oog niet kunnen ontvlieden , dan zullen ze eindelijk heilig gaan worden ; want ziet, dan vragen ze om te gaan bidden, ja onzen lieven Heer en onze lieve Vrouw bidden. Waar? In de parochiekerk ? Och neen, dat is te gemakkelijk, zij willen meer moeite, grootere boete doen , zij willen naar Kevelaar, naar Scherpenheuvel, naar den Briel of misschien nog verder.

Vader , als gij uwe kinderen goed kent, dan zult gij weten waarom het te doen is. Zijt gij van hunne goede

-ocr page 207-

— 203 —

meening overtuigd, o zeker, dan is eene bedevaart prijzenswaardig en goed , mits iemand uwer naaste familie of vertrouwbare personen hen vergezellen, doch als uwe dochter daar niet van weten wil, als zij meer devotie heeft, om alleen oi met vreemden op reis te gaan ; als uw zoon met uwe vrinden niet wil reizen , o vader en moeder, vertrouwt die heilige zielen niet, die bedevaart zal een spelevaart worden en in zulk geval zal het waar zijn, wat Thomas van Kempen zegt, dat zij, die veel te bedevaart gaan, zelden heilig worden.

Vader en moeder zullen mij zeggen; als dit zoo is, als markten, bedevaart en kerkgaan zelfs moet verboden worden, moeten wij dan onze kinderen en bejaarde zonen en dochters in den kelder opsluiten en geen vermaken , geen uitgaan gunnen ? Ja wel, lieve ouders , ge moet van uwe kinderen geene kniesooren maken , ze mogen pleizieren hebben, ja, ik wenschte dat zij altijd vroolijk en opgeruimd waren , altijd pleizier hadden ; maar dat pleizier moet in geene ongeoorloofde zaken gezocht worden , hun voornaamste pleizier moet zijn hunnen vaderen moeder met veel liefde te dienen , hunne plichten te doen en in zuiverheid te wandelen voor het aanschijn van den goeden God , die zelf gezegd heeft, dat eene geruste ziel altijd feest viert: Semra mem quasi juge con-vivium. „Het schoonste feest, zegt de H. Johannes Chrysos-tomus, is een rein geweten, geen uiterlijke beslommeringen , geen lekkere tafel maken den feestdag, maar de zorg voor de ziel. Hij die geen goed geweten heeft, is op de schitterendste feesten zonder feest.quot;

Een zuiver geweten, dat is op de eerste plaats noodig om vroolijk te zijn. Verder moet gij, ouders, voor uitspanningen zorgen op den huiselijken haard, ja de ver-

-ocr page 208-

makelijklieden daar buiten moogt gij op sommige tijden toestaan, ze zullen uwe kinderen niet schaden maar zelfs goed doen, wanneer ze met eene goede bedoeling, en onder het noodige toezicht daarbij tegenwoordig zijn ; en , wanneer zij goed zijn opgevoed , zullen zij van zelf bevreesd zijn, om bij sommige gelegenheden zich alleen te vertoonen ; ze zullen er van afzien , er van afschrikken, wanneer die gevaarlijk zijn , of ten minste aanstonds u gehoorzamen en u dankbaar zijn, wanneer gij, die meer ondervinding hebt, het gevaar zult aantoonen. „Verheugt u, zegt de groote Apostel, nog eens zeg ih verheugt u altoosquot;, maar hij voegt er bij: „in den Heerquot; in zijne liefde en genade, en hij laat dan de gewichtige vermaning volgen : „uwe zedigheid zij bekend aan alle mensohen.quot; Vreugde dus, altijd vreugde , maar niet tegen God en zonder gevaar voor de zedigheid.

NEGEN EN TWINTIGSTE KAPITTEL. Een Man of een Muur.

liet kapittel, dat hier volgt, heeft in der tijd groote opschudding venvekt en ■ geheel tegenstrijdige oordeelvellingen, ontmoet. Terwijl sommigen het in de wolken verhieven, heihen anderen zich schromelijk er in geërgerd. Daarom heli ik het nog eens ter dege onder handen genomen en na de zaak goed overwogen te hellen, kicam ik tot het lesluit, dat die ergernis van sommigen alleen kan voortkomen uit eene al te vluchtige lezing. Als men goed leest en de woorden niet uit hun verland rukt, zal men mij moeten toegeven, dat ih waarheid gesproken hel en

-ocr page 209-

— 205 —

van de algemeene Tcerlcelijlce leer niet In het minst ben afgeweken.

Den maagdelij Tien staat prijs ïk hoog, zoowel in de wereld als ïn een klooster. Maar in de wereld wordt hij niet zoo gemakkelijk onderhouden en daarom, zijn zij, die daartoe den moed hellen en volharden, duhhel prijzenswaardig. Maar wat gebeurt ? Dikteijls ziet men in de wereld van dien staat misbruik maken. Niet weinigen zijn er , die onder den schijn van luUengewone vroomheid eene hoovaardige en huichelachtige ziel verlorgen houden, die van den eenen kant den vrome spelen en van den anderen kant door ijdelheid, pronkzucht, niews-gierigheid, kwaadsprekendheid, knorrigheid, luiheid, uverspan-nigheid, valschheid, kniesoorigheid, en allerlei schijnheiligheid de heele wereld ergeren.

Zulke schijnvrome maagden heb ik in dit kapittel ongemakkelijk met de mouw geschud en daar zij meer dan anderen gevoelig en opvliegend zijn, hellen zij het zeer kwalijk genomen, en misschien had ik geen haar meer op mijn hoofd, als zij den schrijver van, het stuk hadden kunnen opsporen. Nu komt die schrijver openlijk voor den dag, en als zij hem nu nog niet met vrede toillev, laten , als zij hem. erover willen aanvallen, dan toonen zij met de daad dat zij werkelijk zijn, gelijk hij ze beschreven heeft: kruidje-roer-mij-nietjes. Dan bewijzen zij, dat hij gelijk heeft, dat zij alles behalve heiligen zijn, want de ware heiligen, de ][. Theresia bij voorbeeld, verheugden zich. als zij op hunne fouten gewezen werden , en , hoe heiliger zij waren, hoe meer zij niet alleen hunne leermeesters, maar ook hunne verdrukkers, bespotters en vervolgers beminden. Dewijl alzoo de waarheid van hetgeen i/c geschreven hel volkomen vaststaat en door de daad der betrokken personen is bevestigd, heb ik besloten dit kapittel in zijn geheel met weinig loijzigingen wederom uit te geven, hopende , dat het ten minste enkelen tol inkeer zal brengen.

-ocr page 210-

— 20G —

In de voorgaande kapittels leerde ons de apen-familie, bestaande uit kleine, groote en oude apen, wat al dwaze dingen er in de wereld geschieden, dat kleinen en groeten tot hun ongeluk er een vrijer ol vrijster op na houden, zonder te weten waarom, zonder dat de ouders, die toch meer verstand moesten hebben, er naar omzien. Er zijn er nog wel, die aan één niet genoeg hebben, die 't met ieder eens probeeren , en ik kan niet begrijpen hoe katholieke ouders en kinderen zich zoo laten bedotten.

Vader en moeder, is uw huis dan een winkel van klompen of schoenen, die iedereen komt aanpassen ? Is uw huis dan een jodenkraam, die voor allen openstaat ? Zijn uwe dochters dan speelpoppen, voor allen veil, voor iedereen te koop ? Zet uw huis dan maar wagenwijd open, en schreeuwt als een jaap op de markt; Hier moet je wezen ! Hier moet je wezen als je voor een bagatel wilt gediend zijn ! Neen vader, neen moeder, uwe kinderen zijn geen koopwaren , ze zijn uw grootste schat, ze zijn u te dierbaar, en uwe dochters willen niet als een pop of kleedingstuk te koop gesteld worden. Weest dan ook voorzichtig, sluit uw huis, bewaart uwen schat, geeft het voorbeeld van deugd en eerbaarheid, leeft voor God en den hemel en eenmaal zal de blijde dag komen, dat gij uw dierbaar kind met een braven echtgenoot zult vereenigd zien. Niet van de menschen, maar van God alleen is alle goed te verhopen. Dient Hem , Hij zal uwe deugd beloonen, uwe beste en heilige wenscben vervullen.

Is dan iedereen tot den huwelijken staat geroepen ? Zijn er geene andere wegen , waardoor de mensch ten hemel varen kan ? O ja, er is een veel hoogere weg, en ik zal hem u toonen. Het is de maagdelijke staat.

-ocr page 211-

— 207 —

Christus zelf koos zich een maagdelijken vader en moeder. Meer dan eens beval hi] dien zuiveren staat zijnen leerlingen aan. De H. Vaders preekten en schreven aanhoudend over den maagdom, en duizenden menschen hebben daarom verkozen buiten het huwelijk , in de deugd der engelen, hun leven door te brengen. De groote apostel Paulus zegt, dat het huwelijk goed, maar de maagdelijke staat beter is. Waarom ? Omdat een ongehuwde aan geen echtgenoot of huishouden gebonden, veel vrijer is om zich aan God alleen te binden, om in heilige onthouding den goeden God alleen te dienen , alle aardsch genoegen zich te ontzeggen , en het hemelsche alleen aan te kleven.

Welzalig dan de zuivere zielen , die , als eenvoudige duiven eenzaam op het dak, aldus eenzaam in 't midden der wereld, alleen met hare ziel zich bezighouden ; die, om meer Vastheid en zekerheid aan haren staat te geven, in verschillende godvruchtige vereenigingen zich laten inschrijven, of ook een regel aannemen, welken een H. Fran-ciscus, Norbertus, Dominions voor wereldlingen hebben voorgeschreven. Gelukkig zij die, van een klooster uitgesloten , in het midden der wereld éen kloosterleven leiden , hun loon zal groot, hun kroon zal dubbel zijn. Ofschoon wij zulk een godvruchtig leven uit alle macht aanbevelen, moeten wij er toch bijvoegen, dat men zonder den raad van een wijzen zielbestierder geen buitengewone dingen mag ondernemen. Want niets is zoo gevaarlijk , niets heeft zoovelen misleid en verblind als de uitwendige schijn van heiligheid. Men moet het in •de inwendige en ware godsvrucht al heel ver gebracht hebben, eer men ze uitwendig mag laten zien, dewijl men -zonder groote deugd niet bestand is tegen opgeblazen-

-ocr page 212-

— 208 —

he id en hoovaardigheid, welke de roem van die uitwendige heiligheid voortbrengt. Daarom tracht de H. Fran-ciscus de Sales eerst den inwendigen mensch te vormen,, eerst de passies te heheerschen en de gewone werken te regelen, eer hij uitwendige, buitengewone en uitschijnende werken toelaat.

Jammer, dat zoovelen dit niet genoeg begrijpen , dat er nog van de tien maagden gewoonlijk vijf dwaze zijn ,, wie het niet om de deugd , niet om God of den hemel, maar om den schijn ervan, om zoetigheid of ook om gemak te doen is. Ze bidden gaarne om van het werk af te zijn, ze gaan naar de kerk om gezien te worden, ze zetten lange gezichten , waarmee ze wel een hond uit zijn kot zouden jagen. Thuis zijn ze lastig , wrevelig , korzelig, afstootend voor iedereen, domineerend over allen; ze werken weinig, ze praten niet maar grommen , ze spreken kwaad van de heele buurt. Ze gehoorzamen niet, zelfs aan geen biechtvader. Deze moge zeggen , dat de heiligheid niet in mooie, devote gezichten zit, niet bestaat in lange biechten, niet in veel kerkgaan, niet in buitengewone dingen , maar inwendig in de eenvoudigheid,. gehoorzaamheid, tevredenheid, zachtmoedigheid en plichtsbetrachting. De biechtvader moge zeggen wat hij wil , zij luisteren niet, zij zoeken het in nietigheden, zij laten oversten , ouders en biechtvaders praten ; ze zijn blinde uilen, die niet willen zien, en wat helpen dan vermaningen en lange biechten ? Een oud spreekwoord zegt: Wat baat een keers of bril.

Als d'uil niet zien en wilquot;?

Zij maken het een ieder lastig en hunnen zielzorger niet het minste. Men vindt ze onder het mannelijk, doch meest onder het vrouwelijk geslacht..

-ocr page 213-

Eens zat eene soortgelijke te biechten, en wel zoolang dat het allen verveelde , en zoo hard , dat alle omstan-standers konden hooren, dat het er niet pluis was. Op eens komt de pastoor uit zijnen stoel gesprongen; hij kon het niet meer uitstaan en hij riep eenen hoer te hulp, om haar eruit te zetten; hetgeen ook geschiedde. Is 't geen schande ? Moeten dat heiligen heeten , dan wil ik geen heilige zijn.

Zoo maken zij den godsdienst gehaat en bespottelijk , ze geven ergernis met al hun bidden en biechten en comnmniceeren, omdat ze altoos even knorrig, even lastig, verwaand en weerspannig blijven. Als dat braafheid is, zoo zeggen en denken anderen, dan wil ik niet braaf zijn ; als zij die zooveel bidden en devotie houden , zoo hoovaardig, halsstarrig en ongehoorzaam zijn, dan bid ik niet meer. Ze zijn dus huichelaars, ze geven groote ergernis, ze compromitteeren de godsvrucht. In Noordbrabant worden ze spurriekwezels geheeten. Waarom ? Misschien wel, omdat de spurrie eene koe voor een oogen-blik wel dik maakt, maar niet bijblijft, evenzoo hunne godsvrucht niet gemeend, maar geveinsd, ijdel en spoedig gevlogen is. 't Ware beter dat ze den gewonen weg gingen evenals andere schepselen Gods, dat ze maar trouwden ; doch dat doen ze ook, en wel heel gemakkelijk met den eersten die er aan durft. Maar wee hem, die zulk een koppig, eigenzinnig en wispelturig wijf ten huwelijk neemt.

Vraagt gij mij nu, waarom ik deze zoo hard onder handen heb genomen, dan is mijn antwoord, dat kwezels en ezels en notenboomen slagen moeten hebben. Berispt ook de H. Paulus „de vrouwtjes niet, die haar trouw aan Christus opzeggen , die in ledigheid de huizen rondloo-

-ocr page 214-

— 210 —

pen, die niet alleen lui zijn, maar ook nog tabbelachtig' en nieuwsgierig, pratende over dingen die niet betamen?quot; De Apostel spreekt hier wel van jonge weduwen, maar het is op allen toepasselijk, die door hare gemaakte vroomheid den naaste ergeren en aan de wereld stof geven tot lastering van de godsvrucht. Was het niet heter, dat zij den gewonen weg gingen , hare buitengewone oefeningen lieten varen en volgens haren stand werkten en trouwden ? Willen zij niet door allen veracht en besproken zijn, dat zij dan gehoorzamen , gehoorzamen aan elke overheid , gehoorzamen in alles , en inschikkelijk zijn jegens hunnen evenmensch, dan zal ik hun bidden, hun vasten, hunne devoties en goede werken prijzen , mits zij in nederigheid geschieden ; dan noem ik ze heiligen in het midden der wereld, evenals hen, die vrijwillig en met eene goede bedoeling zich van het huwelijk onthouden.

„De H. Nicolaas Piek, Martelaar van Grorcum, achtte dat soort van vrouwen niet, die niet willen trouwen , maar ook de wereld niet willen verlaten, niet haren wil verzaken , en volgens eenen regel leven, omdat zij hare vrijheid des levens maar al te dikwijls misbruiken. Meermalen repeteerde hij de volgende spreuk: „Be vrouw moet eenen man of eenen muur hehlen.quot; Zoo zegt van hem «ijn tijdgenoot, de geleerde Estius.

En de heilige had groot gelijk. Hebt gij geen lust om hooger op te klimmen , hebt gij den moed niet, om u «elven met hart en ziel aan God te geven, om u in het klooster achter eenen muur op te sluiten en u te binden door de geloften; wilt gij met zooveel bidden en biechten en Communiën uw ij del gesnap , uw hoovaardij , uw luiheid en ongehoorzaamheid niet bedwingen , uw lastig

-ocr page 215-

— 211 —

humeur, uwe onhebbelijkheden en uwe passies niet binden, bind ze dan door den band des huwelijks en verzaak uwe schijnheiligheid.

't Is waar, het huwelijksjuk is niet gemakkelijk te dragen, het brengt vele tijdelijke bekommeringen, lasten en rampen , maar in een goed huwelijk worden die veel verzoet. Men vindt daar in allen gevalle zelden zooveel huichelarij en onuitstaanbare hoovaardij. Brave echtgenoo-ten, die niet uit wellust, uit blinde liefde, maar alleen om elkander in eer en deugd door de wereld te helpen, en na eene goede voorbereiding dien gewichtigen staat zijn ingetreden , dragen die lasten gemakkelijker, omdat zij die te zamen dragen , omdat zij alles voor elkander over hebben , elkander beminnen met een ware liefde , met de liefde van Jacob , die een zevenjarigen zwaren arbeid voor niets telde, omdat hij werkte voor zijne beminde echtgenoote, Eachel. Zij zijn met tweeën omdat zij door geen tweedracht zijn verdeeld , en wat wel het voornaamste is. God is in hun midden, omdat zij in zijnen naam , om zijnent wille, te zijner eere vergaderd zijn.

Men zegt dikwijls, dat wanneer een proeftijd voor het huwelijk gegeven werd , er weinige huwelijken zoiiden voltrokken worden. Waarom ? omdat er zoovele slechte huwelijken zijn, omdat er zoovelen zijn, die niet bij God, niet bij hunne ouders of biechtvaders, maar bij den duivel en hunne boozc hartstochten zijn te rade gegaan , daarom in een ongelukkig huwelijk leven , en honderdmaal wenschen en elkander verwenschen, en openlijk zeggen , dat zij verlangen zouden nooit elkander gezien te hebben. Hadden zij het huwelijk begonnen met eene gesteltenis en eene bedoeling, die den Christen betamen, dan zouden ze tevreden , zelfs gelukkig zijn. Of is het

-ocr page 216-

— 212 —

geen groot geluk voor vader en moeder zoovele deugdzame, gehoorzame en vroolijke kinderen rondom zich vergaderd te zien , die allen om strijd hun best doen om vader en moeder naar believen te dienen en te yerheugen.

Hoor eens wat de H. Schrift daarvan zegt: „Zalig allen die den Heer vreezen, die in zijne wegen wandelen. Omdat gij de vruchten van den arbeid uwer handen zult eten, zult gij gelukkig zijn en zal het u welgaan. Uwe vrouw zal als een vruchtbare wijngaard zijn aan de wanden van uw huis en uwe kinderen als jonge olijven rondom uwe tafel. Zie, zoo zal de mensch gezegend worden, die den Heer vreest.quot;

Ziedaar het huiselijk en tijdelijk geluk van goede echtelieden, wat meer is, ze zijn het beeld van den scheppenden , voorzienigen en zaligmakenden God. Met recht-matigen trots en zelfvoldoening zullen ze eenmaal op een breeden kring van kinderen en kleinkinderen nederzien, die zij ter eere van Grod en Zijne H. Kerk onder veel druk en lijden hebben voortgebracht, opgevoed, geheiligd, en in alle eeuwigheid zullen zij in den hemel omstuwd van hunne lievelingen, lof en dank ontvangen voor hunne goede zorgen, en zooveel hemelen bezitten als zij kinderen in den hemel gebracht hebben.

Kiest dus, lieve vrienden en vriendinnen, öf een sterken muur of een goeden man of vrouw. Maar wacht u voor een slecht huwelijk en wacht u voor schijnheilige godvruchtigheid.

Nog eens. Het huwelijk is goed, maar de maagdelijke staat is beter, schooner, verhevener, heiliger. Hij wordt beoefend door kloosterlingen en priesters , maar ook in de wereld. In de kloosters wordt hij gemakkelijker en met minder gevaar onderhouden. Ze trouwen niet en

-ocr page 217-

zullen niet trouwen, zegt de H. Joannes, maar ze zullen zijn als Engelen des hemels. Het zijn die heldere, fonkelende , glansrijke sterren aan het firmament. Maar onder die sterren ^ijn bastaarden, valsche sterren, die groot zijn voor het oog, maar plotseling vallen en verdwijnen. Er zijn ook staartsterren ; gisteren avond heb ik er nog eene gezien , ze is groot, pronkt met een langen staart als een bezem , en trekt het oog meer dan alle anderen te zamen. Doch niemand weet, wat het voor een staart is. Hij is doorschijnend; met een verrekijker kunt ge andere sterren er door heen zien, en weldra zal ze verdwijnen. Zoo pronken sommigen met uiterlijken schijn van godsvrucht, maar door dien schoonen schijn henen ontwaart gij veinzerij, luiheid, weerspannigheid; die godsvrucht is onbestendig , geschikt alleen om veler oog te trekken, om eindelijk tot niets te verdwijnen of om diep te vallen , terwijl andere vaste sterren in hunnen glans blijven voortbestaan en in eeuwigheid den hemel sieren tot eeuwige heerlijkheid van den almachtigen Schepper en Weldoener. Aldus schittert de onvergankelijke zuiverheid en heiligheid der zielen, die zich of in de wereld of in het klooster den maagdelijken staat verkozen hebben.

Nog eene vraag: wat zullen zij doen , die noch voor een huwelijk , noch voor een klooster lust gevoelen, of geen van beiden krijgen kunnen ? Want ofschoon er geen pot is of er past een deksel op , kan het toch gebeuren , dat de pot zijn deksel niet vinden kan en dat hij alleen moet blijven staan. Dan moet men van den nood eene deugd maken; een man of muur , heb ik gezegd, doch als men tot geen van beiden schijnt geroepen te zijn, dan bouwe men zich zelf eenen muur, men berge zich achter den huismuur, men bouwe thuis een kloos-

-ocr page 218-

— 214 —

ter, men blijve thuis. Zoo zal men, gelijk ik boven zeide, een dubbele kroon erlangen. Men moet dan eenen muur maken van gebeden , van H. Sacramenten , van goede werken; daarachter moet men zicb schuil houden tegen de verleidingen der wereld, daardoor zich versterken tegen de aanvallen op de zuiverheid ; doch nooit om er mee te pronken, om voor een heilige door te gaan, want kuischheid en ootmoedigheid kunnen niet gescheiden

worden. Dus in dien zin altoos : of een man of een muur. ——-

DERTIGSTE KAPITTEL.

Hoe komt men tot een goed Huwelijk ?

jSTu zijn we zoo ver, dat wij weten, wie tot den huwelijken staat geroepen is , en wat diegenen in de wereld te doen hebben, die daartoe niet kunnen of willen overgaan. Thans moeten wij zien, wat er gebeuren zal met hen, die eenmaal in het huwelijk kunnen en willen leven.

Yooreerst wat moet eene dochter doen , die tot dien staat geroepen is en de jaren heeft? Moet zij alle markten, kermissen en feesten afloopen, zich overal vertoonen, en door luid gebabbel, schaterend gelach zich doen hoo-ren , of door ringelende gouden halsketens , wuivende strikken , lichtkleurige pluimen en bloemen laten zien en hooren dat zy er ook bij is, om aldus aller oogen en ooren op zich te vereen!gen ? Zulke houding, lach en gebaren verraden wat haar ontsiert, gebrek aan zedigheid, gebrek aan schaamte, ijdelheid en lichtzinnigheid: Fluitende meisjes en brullende koei zelden goei.

-ocr page 219-

Weg met die verbloemde paddestoelen , die ii overal in den weg staan , maar die uit de aarde , uit bederf voortkomen ! De wereld spot met Kaar, ze noemt liaar gekken , en waarlijk haar verstand is ver te zoeken ; want welk verstandig mensch begrijpt niet, dat koopwaren , die overal geveild en rondgedragen worden, die aan iedereen worden opgedrongen, hare waarde verliezen en in 't geheel niet gewild of voor een spotprijs verkocht worden ? Zoo vergaat het die lichtzinnige meisjes; na zich overal vertoond te hebben, na zich aan vele koopers gepresenteerd te hebben , hebben zij in 't oog van elk deftig jongeling hare eer en waarde verloren, en worden ten laatste verbonden aan een of anderen straatjongen , aan iemand van verdachte zeden , of wel als nietswaardige paddestoelen door de heele wereld afgewezen, weggeschopt.

Maar kan een meisje clan niet braaf en zedig zijn , zonder een treurig gezicht ? Moet het dan altijd zwijgen, altijd thuis blijven en , wanneer het uitgaat, de oogen nederslaan alsof het spelden zocht ? O neen , geliefde dochters, neen volstrekt niet. Gij moet altoos vroolijk zijn en opgeruimd, dit heb ik vroeger meer dan eens gezegd; maar ook moet gij ernstig en deftig blijven, zooals een Christin dat betaamt. Als gij eenigszins verlegen zijt om in 't publiek te verschijnen, terughoudend voor mannen, en vreesachtig voor hen vooral, wier gedrag niet zeer loffelijk is ; als gij niet gaarne spreekt met of over jongelui, dan geeft gij blijken van deugd en eerbaarheid. Als gij liever thuis zijt dan op de straat, even lief aan 't werk als op visites en vermaken , dan zult gij door alle braven geacht worden , dan zult gij , evenals de ijverige Ruth in haar onvermoeid werken op

15 Ruth.

-ocr page 220-

— 21G —

den akker de aandacht van Booz trok, door brave jongens worden opgemerkt; zij zullen uwen ijver, uwe bezorgdheid voor uwe ouders, uwe gehoorzaamheid, uwe zedigheid, uwe tevredenheid en uwe vroomheid gadeslaan, en eenmaal zal de dag komen, dat de goede Grod eeuen uit duizenden tot u zal zenden, met wien gij gerust den grooten stap kunt doen, met wien gij voor tijd en eeuwigheid zult gelukkig zijn.

Gij moet niet alleen vroolijk zijn, gij moogt u zeiven ook opschikken, maar volgens uwen stand. Noëmi beval aan Euth, zich goed te kleeden : „Wasch en zalf u, zeide zij , en doe uwe beste kleederen aan.quot; Eene huwbare dochter mag zich schoon kleeden , maar zij moet wel weten en onthouden, dat haar schoonste sieraad het zuivere kleed der ziele is. De H. Petrus, de eerste Paus, heeft daar reeds van gesproken en gezegd: „dat de vrouw zich niet uitwendig moet versieren door het haar te vlechten , zich met goud te omhangen en met schoone kleeren te pronken , maar inwendig en verborgen door een goed hart, door een onbedorven geweten en eene zedige ziel, die door God geacht wordt.quot;

Het schoonste sieraad is dus eene schoone ziel; deze verdient de meeste zorgen en het is verkeerd altijd aan kleederdracht te denken , daar alleen naar om te zien , in de kerk zelfs de japonnen van anderen af te gluren, te bewonderen of te minachten , en daarover altoos te babbelen. Ik begrijp niet hoe sommigen over dien uit-wendigen tooi zich zoo moede maken, zich daaraan verslaven en zich alzoo tot echte modepoppen verlagen. De mode toch is een grillig en lastig ding , om maar een voorbeeld te noemen ; nog weinige jaren geleden droeg men hoepels zoo breed , dat de voorbijgangers er \oor

-ocr page 221-

— 217 —

■uit den weg moesten als voor een hooikar, en thans ? 'Thans worden de beenen bijeengeremd, even als in verschillende gestichten de beenen der krankzinnigen met •eenen lederen band gebonden worden , opdat zij niet te veel sprongen maken. Vroeger waren zij lastig voor anderen , thans voor zich zeiven , daarom ben ik tegen de hoepels ; en ik begrijp niet, hoe een redelijk schepsel Gods zooveel werk kan maken, zooveel geld en tijd verspillen , zich zoo bezorgd kan maken voor die dwaze mode , die zoo ijdel, zoo vervelend, zoo veranderlijk en potsierlijk is.

De H. Thomas en Augustinus zeggen , dat men dooiden opschik op drie manieren kan zondigen , vooreerst wanneer men zich tooit met eene slechte intentie alleen om te pronken , of, wat erger is, om anderen te verleiden. Ten tweede als men de gewoonte van kleeden niet in acht neemt, of zich op ergerlijke wijze kleedt. Ten derde als men zich niet kleedt volgens zijnen staat. Er zijn er, die de wereld trachten te bedriegen, arme drommels , die alles wat zij hebben aan het lijf hangen , en, naar mate zij minder in de beurs hebben, te meer willen uitschijnen ; die door veel geldverspilling de gaten in de beurs willen stoppen. Maar zij bedriegen zich zeiven het meest, want geen roede duit hebben zij over als het op een trouwen aankomt, en elk verstandig mensch ziet door die franjes, zijde en strikken en goud slechts naakte armoede en lacht met die dwaze vertooning ; mocht het haar gelukken een of anderen suffer te misleiden, als ze getrouwd zijn, komt de waarheid aan het licht, en dan, helaas, dan moet ze het beboeten, dan gevoelt zij behalve de groote ontberingen nog de verachting van dien ze bedrogen heeft.

-ocr page 222-

— 218 —

Ieder kleede zich dus volgens zijnen stand, maar daar zit dikwijls de knoop, dat men niet meer weet tot welken stand men behoort; want de meiden willen mevrouwen, de mevrouwen princessen zijn. Op elke plaats zijn voorloopers, die al de anderen een jaar vooruit zijn , ofschoon zij niet zelden van geringeren stand zijn; die alle nieuwe modes binnenbrengen , en welke de andere als slavinnen navolgen en naapen, want niemand wil de minste, de verstandigste zijn.

Veel zou ik hiervan nog kunnen schrijven , maar ik moet bekennen , dat ik in modeartikels niet thuis ben. Mijne lezeressen weten er genoeg van. Daarom praat ik liever over den inwendigen opschik.

Ge moet dus eerst en vooral goed oppassen, goed werken, binnenshuis den aard hebben, gehoorzamen, inschikkelijk en zachtzinnig zijn jegens broeders en zusters, daarbij tevreden, godsdienstig, opgeruimd ; dan eerst zijt gij een goed huwelijk waardig , dan zult gij door deftige en deugdzame jongens worden geaclit en gezocht; en deugnieten wilt gij immers niet. Laat deugnieten met uwe afzondering en terughouding spotten, laat ze lachen met uwe schroomvallig--heid; gij hebt hen niet noodig, gij hebt veel liever, dat zulke niet naar u omzien en maar wegblijven. Als gij niet werken wilt, maar praten en kakelen en uitgaan r dan denken de jongens, en ze hebben gelijk, dat gij later ook niet veel zult uitzetten als ge eens getrouwd zijt.

Als gij nu niet thuis kunt blijven , zult gij 't later veel minder doen ; als gij nu niet gehoorzaam zijt, wat zult gij dan later doen, wanneer gij denkt baas en meester te zijn ? Als ge nu reeds den baas speelt, zult gij nooit eenen baas krijgen die iets waard is. Integendeel als gij gehoorzaam , arbeidzaam , godvruchtig en zedig;

-ocr page 223-

zijt, dan zult gij, ofschoon arm en misschien gebrekkig, evengoed als de arme Ruth eenmaal een braven, misschien wel een rijken Booz aan uwe zijde hebben.

Wat zult gij nu doen 1°. als er eens mi komt? 2°. als er velen komen ? 3°. als er geen komt ? Ziedaar drie groote vragen, naar wier antwoord gij zeer nieuwsgierig zijt.

1°. Als er een komt, moet gij dan dadelijk maar meê aandoen en toebijten, evenals een hongerige hond uaar een broodkorst ? Neen , vriendin, zoo gulzig moet gij niet zijn. Als gij waarlijk deugdzaam en voorzichtig zijt, zult gij u schamen gevraagd te worden , en die schaamte is te prijzen. Ge zult vader of moeder vragen wat zij er van denken, of ten minste uwen biechtvader er over spreken , alvorens gij begint te verkeeren. Ja wel heel goed ; maar als zij 't eens afkeuren ? Nooit zullen zij 't afkeuren en zeker uw biechtvader niet als de persoon uwer waardig is; eu als hij' u niet past, dan wilt gij hem immers niet. Ja, als ik er dan eens overschiet ? Ik moet toch hooien als de zon schijnt, vatten wat ik krijgen kan. Zoo spreekt gij, maar weet gij dan niet, dat het beter is over te schieten, en nooit te trouwen dan slecht te trouwen, of een huwelijk aan te gaan, dat de plaatsbekleeder van Grod, uw biechtvader, afkeurt?

2°. Als er velen komen , dan krijg ik suspicie. Het is een teeken , dat gij u gemakkelijk laat aanspreken , en nu door dezen dan door genen laat ompraten. Er moet dus iets aan haperen ; ge zijt een weinig lichtzinnig en onstandvastig. Met eerlijke, verstandige meisjes gebeurt dat nooit. Hebben ze aan iemand hare genegenheid geschonken, dan willen zij van geen anderen meer weten. Is een persoon hare liefde niet waardig , dan geven ze hem aanstonds permissie, om voortaan weg te

-ocr page 224-

— 220 —

blijven. Dus een of géén ; geen halfheid, geen onbeslistheid, geen wispelturigheid. Geloof mij, ge zult er niet beter om worden. Hebt gij dan iemand na rijp beraad,, uwe liefde waardig bevonden, blijf daarbij, verander niet licht, dan alleen, wanneer groote gebreken aan 't licht kwamen, of buitengewone omstandigheden u daartoe noodzaakten, en ouders en biechtvader u dat aanrieden.

3°. Als er geen komt, wat dan ? Dan geduld, jarenlang geduld. Nooit ophouden met braaf en zedig te leven en uwen Grod te dienen. Geef u nooit over aan lichtzinnigheid, losbandigheid, maar wees tevreden in uw lot en weet dat het grootste geluk op aarde niet is eene menschelijke maar de goddelijke vriendschap , en dat, wanneer er nooit iemand mocht opdagen om uwe deugd te beloonen , de goede God dan zooveel te milddadiger zijn zal met zijne liefde en belooningen ; weet dat de maagdelijke staat ver boven den huwelijken staat verheven is.

Veel beter en gelukkiger zijn zij, die uit eigen beweging, om God beter te dienen, zich onthouden; doch ook gij kunt van den nood eene deugd maken ; en wordt gij niet gevraagd, wees dan tevreden met Gods beschikking en verheug u, neem dien staat van onthouding uit Gods handen aan als een kostbaar geschenk ; als gij uw best doet , zult gij heilig daarin leven en door de genade gelukkiger zijn dan in het huwelijk.

Beminde dochters, omdat de zaak voor uw leven, voor uw sterven , voor de geheele eeuwigheid van zoo groot belang is, zeg ik nog eens: wilt gij van den Gever van alle goed een gelukkig huwelijk erlangen, leeft dan braaf, weest godvruchtig en gehoorzaam, maar vooral weest zedig en kuisch en bidt dikwijls den goeden God, de H. Maagd en haren zuiveren Bruidegom, om u in deze moei-

-ocr page 225-

— 221 —

lijke zaak den rechten weg te wijzen en te helpen. Zijt gij tot de jaren gekomen, bestaat er vooruitzicht en gelegenheid tot een huwelijk, presenteert zich iemand, wacht u dan wel zoo maar onbesuisd meê te gaan ; vraagt eerst raad vooral in den biechtstoel, want hebt gij reeds eene verkeering aangegaan, hebt gij uw hart reeds weggeschonken , dan wordt het zoo moeilijk nog te scheiden , hoe-noodzakelijk het ook zij ; en wordt de band gebroken dan zijt gij niet meer zoo geschikt voor een ander persoon, uw hart is verdeeld , het zal voor een oprechte liefde en duurzame liefde minder vatbaar zijn.

Helaas ! zoovelen geven zich roekeloos weg aan den eersten den besten zonder nadenken, zonder bidden, zonder raad vragen. Wat is het gevolg ? Of wel dat zij een rampzalig huwelijk aangaan, of wel dat zy den band weldra doorsnijden, de verkeering afbreken , en dan minder bekwaam zijn voor een ander, dewijl zij minder geacht worden, omdat de eerste liefde is weggeschonken of bedrogen; en zij hare veranderlijkheid getoond hebben. Ik kan niet eindigen , dierbare zielen , of eene zaak nog moet mij van het hart. Kiest nooit een dronkaard of drinker, hij moge arm of rijk, bekwaam of onbekwaam, sterk of zwak zijn , kiest nooit een drinker. Luistert eens. Een meisje werd gevraagd, waarom zij met zeker persoon niet verkeeren wilde, Zal mij, zoo sprak zij, aan geen jeneverloom laten ophangen.'''' Ja dochters, ge laat u ophangen als gij een liefhebber van jenever of sterke dranken neemt, ge zijt verloren, uw geld is verloren, uw eer verloren , uw rust verloren, uw geluk verloren van den eersten dag af aan dat gij een drinker kiest, ge laat u ophangen voor uw leven, ophangen wellicht voor alle eeuwigheid.

-ocr page 226-

— 222 —

EEN EN DERTIGSTE KAPITTEL. Eene dappere vrouw, wie zal ze vinden ?

De arme Ruth lieeft aan alle meisjes de kunst geleerd, om door een heiligen levenswandel een goeden man te krijgen en een gelukkig huwelijk waardig te worden. Maar meer nog leert ons in dit punt de even deugdzame Booz; immers de keuze behoort vooral hij den jongeling, hij heeft hier de grootste en zwaarste taak te verrichten. Wat deed Booz ?

1° Hot eerste en voornaamste, wat hij zocht, was de deugd. In Euth bewonderde hij de arbeidzaamheid , de eenvoudigheid, de zedigheid, de liefde voor hare moeder; maar vooral prees hij haar, omdat zij geen jongelingen , arme of rijke, gezocht had. Zij was immers tevreden en gelukkig in hare nederigen eu armen stand en had aan een huwelijk niet eens gedacht. Booz schaamde zich niet eene arme , verlatene weduwe, die door liet verzamelen van gerst- en tarwenaren voor zich en hare schoonmoeder den kost verdiende, ten huwelijk te vragen. Waarom niet? Omdat zij zoo braaf, zoo'kuisch, zoo liefderijk, zoo ijverig was. O jongelieden, 'tis waar, dat gij bij uwe keuze ook uw hart moet raadplegen en zien voor wie het de meeste aantrekkelijkheid gevoelt, maar het hart kan u bedriegen , eu als het verstand u zegt, dat liet meisje niet braaf en godsdienstig is , niet werkzaam en zedig, werp ze dan weg uit uw hart, ze kan niet voor u en voor niemand een goede vrouw zijn. De godsdienstige, gehoorzame en nederige meisjes zijn alleen in staat de zware verplichtingen des huwelijks te vervullen , en in alle omstandigheden u getrouw te blijven. Wees niet

-ocr page 227-

tang dat zij te veel zal bidden en ter communie gaan ; als zij eens getrouwd is, zal zij volgens haren stand die godvruchtige oefeningen inkorten, zooals haar biechtvader dit zal voorschrijven. Eene zedige en godvruchtige dochter zal een ijverige en getrouwe vrouw zijn.

Over verbintenissen met Protestanten wil ik hier niet spreken , zulke huwelijken zijn voor huisgezin en maatschappij te verderfelijk, dan dat ooit een mijner lezers daaraan denken zou.

2°. Ofschoon Ruth thans zeer quot;arm was, was zij toch van denzelfden boerenstand als Booz. Vroeger immers was zij met een landbouwer getrouwd geweest en nog had zij eenig recht op eenen akker. Ook gij, jongelingen, moet op de tweede plaats iemand nemen , die zooveel mogelijk dezelfde opvoeding gehad heeft als gij. Hoe meer gelijkheid, hoe meer liefde. Hoe meer oprechte en bestendige liefde, hoe meer geluk in het huwelijk.

3quot;, Verder moet gij zien of het meisje gezond is, of het een goeden vader of moeder heeft, die liet werken en huishouden geleerd hebben , of het thuis niet lastig is, „want een twistzieke vrouw , zegt de H. Schrift, is als een dak dat altijd druipt.quot; Is er wel iets vervelender dan altoos in huis zwarte droppen en vlekken op het hoofd, de kleeren en spijzen te krijgen, dat zijpelende dak nimmer, nooit meer dicht te kunnen maken, en dag •en nacht het water op tafels, kasten en vloer te hooren kletteren. Zoo is eene kijfachtige vrouw. Zonder eind steekt ze u met verwijten en grofheden in het gezicht en in het hart, altoos hoort gij haar gebulder en nooit kunt gij dien alles uitspuwenden mond verstoppen , het is een openstaand en voortdurend klappend dakvenster.

4quot;. Kies geen vrouw om haar geld , men koopt een

-ocr page 228-

224

koe om voordeel en geld te winnen ; maar laag is het-een mensch daarvoor te gebruiken , dat is niets minder dan vermomde slavenhandel, dat is laag maar ook verderfelijk. Als zij de uwe is geworden , als gij haar geld beet hebt, zult gij ze niet meer tellen en minder achten dan uwe koe op stal, omdat zij geen tijdelijke voordeelen meer kan aanbrengen. Ook zal zij u minachten en uw huwelijk is voor altoos bedorven ; of wel zij zal ijdel, en hoovaardig zijn dat zij u heeft rijk gemaakt; zij zal niet werken , maar veel uitgaan en verkwisten, en ook gij zult geen hart meer hebben voor uw huishouden, zoodat al uw geld en goed weldra versnoept en verdronken zal zijn. De wijze Booz betrouwde geen geld maar deugd.

5°. Let weinig op lichamelijke schoonheid, want schoonheid vergaat spoedig en velen zijn er door misleid. De schoonheid van ziel gaat boven alles, luister wat de wijze man van schoonheid zegt:

„Een schoon gelaat van een slechte bruid Is een gouden ring in een varkenssnuit.quot;

Ik wil nu niet zeggen, dat gij een leelijke, een scheele, een mottige , een gebulte, een mismaakte boven eene schoone kiezen moet, maar dat die schoonheid slechts eene bijzaak is; en als gij ze dagelijks ziet, zult gij ze weldra niet meer opmerken.

G0. Yan grooter belang is de netheid en properheid. Deze bestaat niet alleen in zich goed te kleeden, maar vooral in de reinheid des huizes, in de ordelijkheid der bezigheden. Ik heb er gezien die, als zij getrouwd waren, ook in huis wel een schoon kleed aan hadden en zelfs vederen en bloemen op de muts, maar :t was een fraaie haan in 't midden van een veestal; stoelen en banken,, tafels, kleeren en stoven lagen door een en overhoop, en

-ocr page 229-

— 225 —

de kleinen sleepten met hunne gescheurde kleedjes over den zwarten vloer en gaapten mij aan met bonte wangen, evenals ongevederde kuikens die in hun nest gevoederd worden.

Welk fatsoenlijk mensch zal in zulk een huis ooit den aard hebben ? Welke man verveelt zich niet bij zulke vrouw? Daarbij gebeurt het niet zelden, dat meisjes, die vroeger als bonte vlinders op straat verschenen, later als zij door hare schoonheid een of anderen dwaas gevangen hebben, zich zeiven ook niet meer rein houden en er zoo naar uitzien, dat ge haar een aalmoes geren zoudt. Wie zou met zoo eene willen huizen ? Men zie dus wel toe of het meisje zindelijk is.

Grij ziet nu, beste vrienden, dat er heel wat noodig is om eene goede vrouw te hebben, dat gij licht kunt mistasten , dat er veel kan voorkomen, waardoor de liefde verflauwt en uitdooft. Eu is die liefde in 't huwelijk vergaan, o dan zijn er geen ongelukkiger schepselen op de wereld. Men heeft een afkeer van elkander, men kan elkander ^niet lijden, men slaat aan 't krakeelen, en kijven ; men verwijt, ja men haat elkander, en dat tooneel herhaalt zich zoo dikwijls de eene partij de andere iets in den weg legt. Als men een hond wil slaan kan men gemakkelijk een stok vinden ; zoo vinden zij, die eeu pik op elkander hebben , dagelijks redenen om een of ander verwijt naar het hoofd te slingeren ; dag in dag uit booze gezichten, ruwe onbeschofte woorden, beleedi-gingen, verzet, en nooit, nooit kan meu zich van zulk een lastig persoon ontdoen, dagelijks moet gij er mee omgaan, 't zit u overal op de hielen, 't is een spook dat u overal vervolgt, altoos beledigt, tergt en kwelt.

In den ouden tijd werden sommige booswichten tot

-ocr page 230-

— 226 —

straf hunner gruweldaden veroordeeld om een lijk te dragen. Verbeeld u , een rottend lichaam van een mensch werd hun op den rug vastgebonden. Zij deden alle pogingen, zij keerden en schudden en wendden zich om dat schrikkelijk doode lichaam af te werpen ; maar liepen ermee rond zoovele dagen en weken, dat zij van schrik en angst en, zelf ook door het bederf aangedaan, dood neder-vielen. Zoo, zoo is de echtgenoot om zijn slecht huwelijk veroordeeld zijne booze wederhelft te dragen, maanden en jaren lang te dragen, totdat hij door kwellingen en smarten uitgeput, door hartzeer en lijden wegkwijnend en door hare boosheid en bederf eveneens aangetast, den laatsten adem uitblaast. Hij verzet zich, hij wil dien ongelukkigen last afschudden, maar te vergeefs ; hij maakt het nog erger, hij voelt zijn kruis nog zwaarder en zwaarder drukken, altijd, overal grijnst hem dat booze gezicht tegen ; er is geen hoop , geen troost voor hem zelfs in 't ander leven niet. Dan alleen, wanneer hij zijn altoosdurend en schrikkelijk lijden door veel bidden, door Gods buitengewone genade met een taai geduld weet te dragen, dan alleen is er nog hoop voor hem of haar, niet in dit maar in 't andere leven.

Welke jongeling, welk meisje huivert niet als zij zich zulk een huwelijk voorstellen, zulke helsche verbintenis aanschouwen ? Wie zal niet alle moeite doen, niet ernstig nadenken, niet veel bidden en raad vragen, zich dooreen heiligen levenswandel tot zulk een staat voorbereiden? Want zulk een ellendig huwelijk is mogelijk voor allen, ■waarschijnlijk voor hen die zich door eene blinde liefde laten verschalken, en zeker voor hen, die een wellustig, boosaardig en zondig persoon aantreffen. Hoor eens het vonnis, dat de H. Geest velt over den wellustigen jou-

-ocr page 231-

geling en over de wulpsche dochter ; „Hoor eens, zeide de Engel des hemels tot Tobias, hoor mij en ik zal u zeggen over welke personen de duivel maoht heeft. Zij namelijk, die het huwelijk zoo aangaan dat zij God van zich en van hunne bedoeling uitsluiten, om alleen aan den wellust zich weg te geven evenals een paard of ezel die geen verstand hebben ; over dezulke heeft de duivel macht.quot; En wee hem, die in des duivels klauwen komt, hij stort zich in de hel, eene hel op aarde ! Zoo vergaat het hun, die uit vleeschelijke wellust een huwelijk aangaan zonder naar deugden en bekwaamheden om te zien.

Schoon zegt de wijze man, en gij jongelieden onthoudt het wel, vergeet het nooit: als gij trouwt , dan „krijgt gij wel een huis en geld. van uwe ouders, maar een goede vrouw kan de lieer alleen u ge ven.quot; De zaak is van hét grootste gewicht, uw tijdelijk en eeuwig geluk staan hier op het spel, uwe hartstochten zijn hevig, de verleidingen zijn groot , de keuze is moeielijk , is gevaarlijk , is beslissend; wie zal u helpen in dien gevaarvollen toestand , wie zal u behoeden voor de onheilen van een slecht huwelijk ? God , de goede God , beste vrienden , staat aan uwe zijde. Hij kent uwen nood in de gevaren, waarin gij verkeert. Hij is uw vader en helpt u gaarne : „de Heer is allen , die Hem aanroepen , nabij.quot; Dient Hem dus als uwen besten vader, vraagt hem om eene goede keuze, leeft zedig en weest getrouw aan iiwe geestelijke en tijdelijke plichten, opdat gij meester blijvet van uw hart en nooit een oog laat vallen op een dochter, welke niet boven alles deugdzaam , werkzaam , godvruchtig , zachtzinnig, ordelijk is. En gij, ouders, die meer weet en ondervinding hebt, helpt uwe kinderen met uwen raad , uw voorbeeld, uw gebed, opdat ze nooit een Terkeering

-ocr page 232-

— 228 —

aangaan met iemand, die uw schoonzoon of schoondochter niet worden mag. „Die een goede vrouw vindt, vindt een schat en zal vreugde vinden bij den Heer, maar „een slechte vrouw is een altoos druipend dak.quot;

TWEE EN DERTIGSTE KAPITTEL. Een Vos gevangen.

De vos is slim, zegt men, en toch laat hij zich soms vangen.

Men heeft mij verteld, dat er voor weinige jaren een woonde te Middelrode in een boerenschuur tegen den buitenwand. Op zekeren keer kwam Eeintje zijne kleinen bezoeken en kroop onbevreesd in liet hol, dat hij onder in den wand had gemaakt; maar de meid , een vrouwmensch met een mannenhart, had dit niet gezien, of zij schoot toe , pakte den staart van den ounoozelen slimmerik met beide handen vast, en hij, helaas, hij zat in het nauw. Het hol was te eng om zich om te keeren, hij kon niet vooruit noch achteruit, en de ongelukkige baas werd met al zijn lievelingen gevangen genomen. Had hij eerst maar eens rondgezien vooraleer hij in zijn huisje kroop , dan zou hij het gevaar wel gemerkt hebben, dan had hij kunnen vluchten, maar nu, het was te laat, hij kon niet meer weg, hij was verloren, en geheel zijn huisgezin met hem.

Beminde lezer, dat is een vos overkomen, doch maar ééns in mijn leven heb ik zulk een geval vernomen ; maar wat ik helaas , dikwijls gehoord heb , is , dat er

-ocr page 233-

— 229 —

quot;menscheu, ja menschen zijn, die tocli meer verstand hebben dan een vos , vele en zeer vele mensclien zijn, die zich aldus laten gevangen nemen , en zich zeiven met geheel hun huishouden in het ongeluk storten. Het is een jongeling , die met een meisje een huis bouwt, in ■eene woning trekt, een huishouden begint, den huwelijken staat intreedt, zonder goed te weten wie hij aan zijne zijde heeft, die in zijn huis niet door een vreemde maar door zijne eigene vrouw wordt ongelukkig gemaakt, en geheel zijn huishouden met hem. Waarom ? Omdat hij vooraleer dat huis, dat huwelijk in te gaan, niet genoeg had omgezien, niet voorzichtig genoeg geweest was; omdat hij de persoon niet kende die zoo dicht bij hem was, omdat hij, door een blinde liefde vervoerd, niet zag, dat zij zoovele gebreken had en hem met zijn nakomelingschap in !t verderf zou storten. Helaas! nu is het te laat, nu zit hij vast in het huis, in het huwelijk, hij kan niet van haar af, hij kan niet terug, hij kan niet weg, hij is verloren , voor ■ altijd verloren , en al zijne lievelingen met hem; „Eene goede vrouw, zegt de wijze man, sticht een huis, maar een kwade vernielt hot.quot;

Wat ik van den jongeling zeide , geldt eveneens van het meisje; ja eene vrouw die slecht getrouwd is, is nog veel ongelukkiger, omdat zij zwakker is, omdat zij zich minder behelpen kan , omdat zij gevoeliger is voor het zware leed dat haar drukt en voor het bederf harer geliefde kinderen.

O lieve vriend , o beste vriendin , ziet dan toch eerst eens goed uit uwe oogen, eer gij dat groote werk begint en een huishouden intrekt, onderzoekt en ondervraagt wel naar het karakter van hem of haar, met welke gij u door een eeuwigen band gaat vastknoopen. Wacht u,

-ocr page 234-

— 2;-50 —

geliefde dochter, voor een toornig, driftig, onzedig, traag menscb, wacht u voor een drinker , wacht it voor een vloeker; en gij , mijn zoon , zie toe of zij godsdienstig, gehoorzaam , werkzaam , tevreden , zedig en ordelijk is, want zijt gij eenmaal verbonden, dan kunt gij niet meer terug, dan is uw lot beslist, dan is de vos gevangen.

Maar hoe zult gij weten of de persoon, dien gij voor hebt, de vereischte hoedanigheden bezit ? Moet gij er heen gaan , met hem verkeeren , en aldus beproeven oi de persoon u bevalt ? Neen, vrienden, neen dat is een verkeerde weg. Met verkeeren leert gij niets, de omgang, de schijn bedriegt. Als gij een meid of knecht gaat huren , wat doet gij dan ? Gaat gij dan de personen zeiven vragen of zij goed oppassen ? Dat zou dwaasheid zijn , neen gij onderzoekt en bespiedt hunne daden in 't geheim, zonder dat zij 't zelf weten ; gij vraagt aan hen , die uw toekomstigen knecht of meid kennen , hoe deze zich gedragen; en zult gij dan zoo dwaas zijn, als gij niet een meid of knecht, maar een man of vrouw zoekt, met welke gij voor altoos innig verbonden zult moeten leven ? Zult gij dan openlijk naar de zeden van dien persoon gaan onderzoeken , en begrijpt gij niet dat zij het voor hunne deur zoo schoon zullen vegen als zij kunnen , dat zij zich aan u juist zoo zullen vertoon en als gij ze hebben wilt ? Neen , vriend , de verkeering dient slechts om u te verschalken , niet om u wijzer te maken. Gij moet dus niet verkeeren vooraleer gij weet, gezien en van brave verstandige menschen gehoord hebt, dat gij de hoedanigheden zult aantreflen, die voor een goed huwelijk noodig zijn.

Zou het den vos gebaat hebben, als hij de meid eerst eens had kunnen vragen , of zij hem kwaad zou doen ?

-ocr page 235-

— 231 —

Zou zij niet neen hebben geantwoord ? En gij, als gij u gaat opsluiten met een zoon of dochter in den huwelijken staat, gij zult dan eerst, met hem of haar weken en maanden gaan loopen en reizen? En gelooft gij dan, dat hij of zij u ooit een hard woord zullen zeggen, wanneer zij u gaarne gevangen nemen ? Neen , vrienden, dat is een dwaalweg, nooit zult gij door dien weg een persoon leeren kennen. De gebreken zullen verborgen blijven , totdat gij vast zit en niet meer vluchten kunt. Dan zijt gij eene ergernis voor elkander en de vloek der kleinen, die de goede God u zal geschonken hebben; die Hij u schenkt om ze braaf en heilig op te voeden, maar die ge door uw onvoorzichtig huwelijk met u te gronde richt.

Wat deed de brave Booz, dien wij ons ten voorbeeld gesteld hebben ? Langen tijd had hij het gedrag van de brave Kuth gadegeslagen, slechts eens heeft hij haar gesproken , toen er nog geen kwestie was van verkeeren of trouwen. En toen hij haar den tweeden keer ontmoette en er over een huwelijk gesproken werd, toen zeide de brave en zedige man, dat er een ander persoon in de stad was, die eenigszins recht had op de hand van Ruth, dat hij wel zou willen trouwen met zulk een heilig persoon, maar dat er geen spraak van zijn kon, vooraleer die andere man van zijn recht afstand had gedaan. Hij sprak en zag haar zelfs niet meer, eer dat beletsel was weggenomen ; en op hetzelfde oogenblik dat die derde persoon zijne toestemming gaf, verklaarde Booz voor al het volk, dat daarbij tegenwoordig was, dat hij Ruth tot zijn vrouw nam. En alle aanwezigen riepen : „wij zijn er getuigen van , de Heer onze Grod behandele deze vrouw , die uw huis ingaat, evenals Rachel en Lia , die het huis van Israël gesticht hebben; zij weze een voorbeeld van deugd

16 Ruth.

-ocr page 236-

— 232 —

in Eplirata en verkrijgt} een grooten naam in Bethlehem.quot;

Eene verkeering dus heeft er nauwelijks tusschen lien plaats gehad. Eens slechts is naar een huwelijk gevraagd. Toen werden de beletselen weggenomen en liet huwelijk werd oogenblikkelijk beklonken. Mijne vrienden , ko.nde het zoo altijd gaan ! Verkeering is nutteloos , zij is bedriegelijk, zij is gevaarlijk , zij is verderfelijk, vooraleer er voldoende hoop is, dat men trouwen kan en samen trouwen zal, daarom moet men zoo korten tijd verkeeren als 't mogelijk is , dat wil zeggen niet te dikwijls bij elkander komen en niet lang bij elkander zijn. Ware het mogelijk, niet te verkeerenen evenals Ruth slechts eens naar het huwelijk te vragen of te laten vragen, en dan , na zich afzonderlijk voorbereid te hebben, het huwelijk aanstonds te voltrekken ! Doch dit is niet voor allen mogelijk, daarom zij teu minste de verkeering kort, voorzichtig en godsdienstig. Kort, zooals gezegd is. t Is jammer en ongelukkig, dat sommigen vooral'landlieden zoolang moeten wachten eer zij zich kunnen vestigen, maar dat is nu eenmaal zoo. Er is niet aan te doen, men moet dan ook maar wachten met verkeeren en zeker niet dikwijls, niet lang elkander bezoeken; maar vooral, mijne vrienden, de verkeering moet voorzichtig zijn. Nooit, nooit moogt gij geheel alleen zijn. Hebt gij elkander iets te zeggen, dat de ouders of andere braven niet mogen hooren, dan zijt gij mij verdacht. Grij kunt niets goeds te zeggen hebben of iedereen , de ouders ten minste , mogen het hooren, en de theologanten zeggen , dat een vader en vooral eene moeder die hunne kinderen volle vrijheid laten, om alleen en in 't geheim te verkeeren dat zij doodzonde doen. Brave kinderen verlangen niet alleen te zijn, ze zijn voorzichtig, ze vertrouwen zich zeiven niet.

-ocr page 237-

Een ijverig pater Missionnaris , die reeds 30 jaren al •zijne teste krachten besteed heeft om hier en elders de ondeugd te bestrijden en den kinderen der H. Kerk de deugd en braafheid te verkondigen , heeft mij gezegd , dat de STederlandsche jeugd het meest wordt bedorven door de eenzame geheime verkeeringen. De ondervinding van zoovele jaren heeft hem overtuigd, dat er niets gevaarlijker, niets ongelukkiger en verderfelijker is dan de eenzame omgang buiten het oog van ouders of van brave lieden, in het geheim. „Scherp uwe pen, zoo sprak hij, schrijf daartegen al wat gij kunt, dat helsch misbruik moeten wij gezamelijk uit alle macht uitroeien, hebben we dat overwonnen, dan is Nederland heilig, dan is de duivel verslagen, dan wordt de hemel bevolkt.quot; De pater heeft gelijk, alle priesters zullen volmondig met hem instemmen: evenals slechte boeken en couranten, de struikelblokken , de pest, de ondergang zijn voor meer ontwikkelden , zoo zijn ook de verborgen verkeeringen de pest, de dood, de hel voor de meer eenvoudigen, en voltooien de verwoesting, welke de slechte lezing heeft begonnen, in de meer beschaafden. Geen pen zal 't ooit beschrijven, maar de dag, de oordeelsdag alleen zal't aan het licht brengen , wat al ontzettende gruwelen in de eenzaamheid , in 't verborgen , buiten het oog gepleegd zijn. De ouders die voor zich braaf hebben geleefd en ■ook brave kinderen hebben gehad , zullen op dien dag verstomd staan, als de boeken des levens zullen ontrold worden , en zij daar zullen aanhooren , welk een vonnis over die brave kinderen zal geveld worden, en nog groo-ter zal hunne verslagenheid zijn als datzelfde vonnis ook ■op hen zal worden toegepast, omdat alle zouden in het geheim , maar met hun weten , onder hunne oogluiking

-ocr page 238-

— 234 —

of om hunne zorgeloosheid bedreven, ook op hen zullen neerkomen.

Vader en moeder, gij gelooft het niet, gij zegt dat er niets kwaads gebeurt, dat uwe kinderen te deugdzaam zijn. Ik ken uwe kinderen niet, maar weet toch dat gij ze ook niet kent, als gij zoo kunt spreken. Ik ken ze niet, maar weet toch , dat zij den tweeden keer zullen vallen, als zij het den eersten niet gedaan hebben. Gedachten en begeerten, lieve ouders, dat zijn ook zonden, en groote zonden. Zijt gij het vergeten ? Ik ken uwe kinderen niet, maar ik weet toch dat een sterker kind, een profeet, een koning , een David , die zoovele glansrijke overwinningen op den duivel en op zich zeiven behaald had, die lang reeds gehuwd was, en gelukkig, zeer gelukkig was in zijn huwelijk, zeer diep gevallen is, toen hij in de eenzaamheid eene vrouw niet sprak, maar slechts in de verte zag. En kunt gij dan nog volhouden , dat uw zoon of dochter, een gewoon menschenkind, elkander buiten het oog der wereld uren lang kunnen hooren, zien en spreken en herhaalde reizen spreken ? . . .

Kan er iets geheims te bespreken of te verhandelen zijn , dat vader en moeder niet mogen hooren ? Neen , nooit en mogen zij het niet hooren , ze mogen het toch zien. Mogen zij het niet hooren of niet zien, dan is het iets wat zij voor de wereld , voor het licht, voor God zelf en voor hunne eigene conscientie zouden willen verbergen, dan is het zonde, en die zonde, ouders, is ook uwe zonde, als gij ze niet belet zooveel gij kunt, als gij niet waakt en toeziet in eene zaak, die zooveel waakzaamheid en voorzichtigheid vordert.

Gij hebt misschien den tijd niet om altoos een oog in 't zeil te houden, maar dan zeg ik : even goed als uwe

-ocr page 239-

— 235 —

•dochter den tijd heeft om zich hezig te houden, even goed en heter moet gij den tijd hehhen , om uwen plicht te doen. Gij schaamt u misschien als spion altoos rond te loopen , maar die schaamte is van de wereld , het is menschelijk opzicht: wilt gij die weinige schaamte en voorgewende schande thans niet overwinnen, noggrooter schaamte zal dan uw gelaat bedekken, nog grooter schande zal dan op u neerkomen , als ge eenmaal zien zult wat er van uw kind is geworden, maar vooral als gij eenmaal hooren zult het vonnis over u en de uwen uitgesproken.

Booz deed niet anders dan het gedrag van Ruth in stilte bespieden , en toen hij ze eenmaal kende en het huwelijksbeletsel was weggenomen, nam hij haar aanstonds tot zijn vrouwgt; Waartoe ook zou dat lang en geheim verkeer kunnen dienen ? Leert gij , mijn vriend , uwe toekomstige beter kennen ? Maakt het een ieder voor zijne deur niet zoo schoon als hij kan ? Wat ziet en hoort gij anders dan veinzerij , vleierij en verbloeming ? Koopt gij een paard, dan vertrouwt gij den eigenaar niet, maar beziet het dier in stilte zeli en vraagt aan anderen welke gebreken zij bemerkt hebben. Wordt de liefde grooter, als gij elkander zoo dikwijls bezoekt ? De dingen , die wij dagelijks zien , worden nietig en klein in ons oog, zij vervelen ons ; alleen de zinnelijke liefde kan worden aangevuurd, maar deze is vergankelijk, wispelturig, gevaarlijk en verderfelijk ; op haar mag zulke gewichtige levensstaat niet gegrondvest zijn. Onthoud u dus, mijn vriend, breng weinige bezoeken ; zorg vooral, dat gij , u zeiven niet vertrouwende , het toezicht der ouders niet ontvlucht, maar hen eert, hun vertrouwen schenkt en hun zwaren last verlicht door hunne tegenwoordigheid te zoeken , hunnen raad in te winnen , dan

-ocr page 240-

— 236 —

zult gij niet blindelings en onbezonnen te werk gaan T dan zal de liefde zooveel te edeler en heiliger zijn en ook zooveel te bestendiger en vaster, wanneer de band eens is gelegd en de zegen des priesters over uwe reine barten is uitgesproken.

De verkeering moet eindelijk godsdienstig zijn. De dagen der verkeering zijn dagen van beproeving , en nooit in uw leven zult gij zulke bekoringen ondervonden hebben. De sluwe Satan doet al wat bij kan om u ten val te brengen , opdat gij u slecht tot het huwelijk zult voorbereiden en alzoo dien schoonen altoosdurenden levenstaat zoudt bederven en bezoedelen. Hoe gevaarvoller die dagen zijn, hoe meer gij, mijne vrienden, moet bidden, te biechten en te Communie gaan , het H. Misoffer, preeken en andere godvruchtige oefeningen bijwonen, en door aanhoudend werken en veel ijver des Satans ingevingen moet verdrijven en overwinnen. Hoe meer de groote dag nadert, hoe meer heilige ijver u moet bezielen en hoe voorzichtiger gij zijn moet. O geliefde broeders en zusters in Christus, hebt gij dien moeite- en kommervollen tijd van de jaren der verkeering, waarin duizenden den ondergang vinden, heilig en zuiver doorgebracht, o dan zijt gij voor uw leven en voor eeuwig gewonnen, dan zult gij ;n dien heiligen staat geluk en troost en heiligheid vinden , de goede God zal u later in alle gevaren beschermen , en gij zult gelukkiger zijn in uw huis dan een beminde koning in zijn paleis.

-ocr page 241-

— 237 —

DRIE EN DERTIGSTE KAPITTEL. Het mooiste komt het laatste : De Bruiloft.

Om te sluiten moeten wij nog eens de geschiedenis van Euth doorloopen. Wij gingen naar het heugelijk stadje Bethlehem en ontmoetten daar een vrouw ,die Noëmi heette, met Elimelech was gehuwd, en twee zonen had. De hongersnood dwong hen alles te verkoopen en het vaderland te verlaten. Zij kwamen te Mo ah, alwaar Noëmi haren man en twee zonen verloor, maar twee schoondochters in de plaats kreeg, die met hare zonen waren gehuwd geweest. Na 10 jaren te Moah vertoefd te heh-hen, kwam zij met Euth, eene der schoondochters, naar Bethlehem terug, alwaar deze voor hare schoonmoeder den kost verdiende door achter de maaiers de gersten- eu tarwenaren op te zamelen vooral op de akkers van Booz. Vervolgens maakte ik de lezers opmerkzaam op de dienstvaardigheid van Ruth en de liefderijkheid van Booz. die de groote deugden van de arme schoondochter bemerkte, waardeerde en eindelijk beloonde door haar ten huwelijk te vragen.

Deze geschiedenis leerde ons vele deugden : de ouderen kinderliefde, gehoorzaamheid en kuischheid. Ook leerden wij vele ondeugden verafschuwen zooals de luiheid, nieuwsgierigheid, liefdeloosheid en het gevaar van slechte lezing en verkeerden omgang ; en om dit alles duidelijk te maken; hielpen ons de eekhoorn, de ezel, de koekoeken, kikvorschen en vossen, ja zelfs de apen.

Zoo zijn wij dan , aan het einde mijner geschiedenis genaderd. De goede God heeft eindelijk de brave Noëmi en Euth beloond door aan dezen een rijken en goeden

-ocr page 242-

— 238 —

man te schenken ; slechts ééne zaak is er nog over : de bruiloft.

Booz en Ruth zijn eindelijk gehuwd. Komaan, jongens, bruiloft vieren ! De tijd is daar. Het huwelijk is in deugd en heiligheid voorbereid en voltrokken. De goede God heeft zijn zegen aan beide brave lieden geschonken, hij heeft de deugd met den rijkdom vereenigd, nu is het de tijd van vroolijk zijn en juichen.

Wij doen niet gelijk sommigen , die de huid van den beer verkoopen voor dat hij geschoten is, die reeds feest vieren vóór dat het huwelijk is aangegaan. Dat is dwaas, dat is de verkeerde wereld. Er zijn plaatsen waar die dwaze gewoonte stipt onderhouden wordt, waar reeds alle bruiloftsfeesten zijn afgeloopen op den dag dat het huwelijk wordt voltrokken, maar 't gebeurt dan ook wel eens dat de beer, over wiens vangst men zoo blijde was, wiens huid men reeds verkocht had , op den loop gaat en ontsnapt.

Het is een misbruik, een schandelijk misbruik. Hoe! men moet zich tot het huwelijk voorbereiden , dat na weinige dagen gaat gesloten worden ; dit is de grootste dag des levens, de geheele toekomst hangt er van af; men moet veel bidden, zijn conscientie nauwkeurig onderzoeken om een week of twee te voren eene generale biecht te doen ; men moet denken aan een goed berouw over alle vroegere zonden , ten einde een geheel nieuw leven te beginnen. En nu , wat doet men ? Men heeft het druk met mooie kleederen, die moeten besproken, besteld, bewerkt, gepast, veranderd, verbeterd, gekocht, gehaald worden, druk met alle soorten van meubels en huisraad op te doen. En bij dat alles komen nog die dwaze en gevloekte vroege bruiloften ; wie zal men verzoeken ,

-ocr page 243-

— 239 —

waai' en wanneer de bruiloften vieren. En op die feesten zelf gaat het er zoo ruw en los toe, dat het toekomstige paar nog nooit in grootere gevaren geweest is.

Ik zeg dwaze bruiloften, want is het geen dwaasheid feest te vieren op iets wat niet bestaat ? Want, ouders, wat viert gij ? Ik spreek hier de ouders aan , omdat ouders en familieleden in deze de grootste schuld dragen. Ouders, waarom viert gij ? Wel, op het gelukkig huwelijk, zegt gij. Een gelukkig huwelijk? Dat bestaat niet. Een gelukkig huwelijk ? En gij gaat door uwe feesten het huwelijk ongelukkig maken ! Gij belet door uwe bruiloftsfeesten dat de verloofden zich goed voorbereiden, ja, gij brengt ze in de grootste gevaren, omdat zij zich aan verstrooiing en uitgelatenheid moeten overgeven op een oogenblik , dat zij door den drank verhit, en door hunne driften opgewonden aan allerlei bekoringen blootstaan, en losse taal moeten aanhooren !

Nooit voegt hun meer ingetogenheid, nooit hebben zij meer voorzichtigheid noodig en waakzaamheid dan in de bruidsdagen, en gij, ouders, gij die dan vooral over hen waken moet, gij bewaarders hunner onschuld , gij zult hen dien kostbaren tijd doen verliezen en bederven , gij zelf zult hen dan in de grootste gevaren brengen ? Gij zelf zult dan de schuld zijn , dat uwe kinderen , die anders met een rein hart dien belangrijken staat zouden hebben ingetreden, onvoorbereid, ter loops en slecht gebiecht, en met den vloek des hemels beladen, het huwelijk ingaan ?

Met alle recht dus heb ik die vervroegde bruiloftsfeesten vervloekte bruiloften genoemd en ik verzoek alle Pastoors, en gebied, zooveel ik kan, alle ouders en bloedverwanten, dat schandelijk misbruik uit te roeien.

-ocr page 244-

— 240 —

GriJ zult mij zeggen , dat alles publiek geschiedt, dat er dus geen kwaad gebeuren kan. Zoo, zijn er dan geen publieke zonden ? En kunt gij in de harten zien wat daar omgaat ? Als men aan uitbundige vreugde overgegeven , door den drank bedwelmd , door zijne driften ontvlamd, op een tijdstip dat men meent alles te mogen zeggen, geen kwaad doet, dan geschiedt er toch wel een mirakel. Maar laat dat zoo, zulke bruiloftsfeesten hebben geen zin , zij worden onder de middelen , welke de-Catechismus ter voorbereiding tot een huwelijk opsomt, niet gevonden ; zij brengen in allen gevalle eene grootamp; verstrooiing en uitgelatenheid , waardoor èn gebed , èn berouw, èn biecht onmogelijk worden, ofschoon deze nooit méér noodzakelijk zijn dan vóór het huwelijk.

Men verkwist geld en tijd aan ij dele zaken , men is zeer bekommerd voor den opschik Tan liet lichaam, men doet alle moeite om zich flink te zetten in een of andere zaak. Dit kan ik niet afkeuren, maar wèl keur ik af, dat de belangen der ziel zoo vergeten, zoo vertrapt worden. Zij alleen gaat onvoorbereid, arm en naakt en besmeurd dien grooten dag te gemoet, want het inwendige in orde te brengen, te bidden , goede voornemens te maken en goed te biechten , dat schiet er over, dat moet in de haast gebeuren, en dat is dan de voorbereiding voor den gewichtigsten dag des levens !

De verloofden behooren de laatste dagen veel in heilige oefeningen en met God door te brengen , hunne andere zaken moeten reeds geregeld zijn, of zij moeten die zooveel als 't kan, aan hunne ouders of voogden overlaten. Dan als het groote werk in eer en deugd is voltrokken, dan eerst is er reden van vreugde. Maar eerst vieren op een gelukkig huwelijk, en juist door dat vieren het

-ocr page 245-

— 241 —

huwelijk bederven en ongelukkig maken, dat heeft geen zin, dat is dwaas, dat is schandelijk en doemenswaardig.

Grenoeg, meer dan genoeg. Wij mijne vrienden, mogen vroolijk zijn, want Booz en Ruth zijn getrouwd en, wat het voornaamste is, zij zijn schoon naar ziel en lichaam, in onschuld zijn zij tot dien staat gekomen. De H. Schrift zegt wel niet, dat zij bruiloft gevierd hebben, maar wij moeten dit veronderstellen, want het was de gewoonte, zooals wij lezen in de geschiedenis van Tobias , bij de bruiloft van Cana en meer andere plaatsen. Laat ons dus vieren, maar hoe ?

Bruidegom en bruid hebben den laatsten nacht in het ouderlijke huis meer met bidden dan met slapen doorgebracht , het morgenlicht brak aan , en de bruidegom ging vroegtijdig zijne bruid afhalen en beiden gaan, doordrongen van ontzag voor de plechtigheden die zij beginnen, statig naar de kerk.

Gisteren gingen zij naar het raadhuis of stadhuis, maar dit was slechts eene vertooning voor de wet, om later met hunne goederen en erfenissen geen moeielijkheden te krijgen. Daarom, gingen zij met eene sigaar in den mond in hun gewoon zondagspak ; maar nu, thans is het ernst, onderweg bidden zij of spreken slechts met eerbiedig ontzag over de groote werken die zij gaan verrichten. In de kerk gaan zij zich eerst voor de voeten des biechtvaders nederwerpen , om voor 't laatst nog eens hunne ziel te zuiveren en nieuwe genaden te ontvangen, als zij dit gisteren niet reeds gedaan hebben ; aldus gereinigd en gesterkt blijven zij in het gebed verzonken tot het oogenblik daar is, dat de groote heilige band moet gelegd worden, die door den dood slechts kan worden verbroken.

-ocr page 246-

— 242 —

De Pastoor nadert, doet de gewone gewichtige vragen, het jawoord wordt gegeven en de hemel gaat open om zijn zegen en genade uit te storten over de heide harten, die door het H. Sacrament thans één geworden zijn. De H, Mis wordt opgedragen tot vermeerdering van hun geluk en beiden knielen naast elkander neder aan de Communiebank , om den goeden Jesus zeiven , die met zijne genade reeds was neergedaald, in hunne reine zielen te ontvangen ; beiden bidden voor elkander een hartelijk gebed, en zoo gezegend, zoo gespijsd, zoo gesterkt treden zij met moed en met vertrouwen op Grod de nieuwe loopbaan in , om, elkander getrouw tot aan den dood , een nieuw huisgezin te stichten tot glorie van God en tot uitbreiding zijner H. Kerk. O groote, o plechtige, o heilige dag !

Dit alles is in den morgen geschied. Thans zitten wij aan tafel, bruidegom en bruid in het midden. Van alle kanten zijn blijde handdrukken gegeven , en alle mogelijk geluk wordt hun toegewenscht. Wij zitten aan tafel, wij mogen zingen en juichen en klinken , maar , mijne vrienden, de dag is groot en heilig, het moet dus zijn eene gepaste, eene heilige vreugde. Het moet alles vroolijk, maar ook alles zedig en deftig zijn.

Ver dus van hier alle oneerlijke toespelingen, welke sommige onbeschaafden zich op eene bruiloft veroorloven. Ver van hier alle onkiesche en onkuische tongen , alle oneerbare liederen, alle dubbelzinnige gelukwenschen en toespraken; gij, hooggeschatte bruidegom,die met uwe gade op dezen dag zulke groote sacramenten ontvangen hebt, keer uw aangezicht af en stop den vuilen mond van den onverlaat, die bier op zulk een heiligen dag iets durft ter tafel brengen, wat het schaamtegevoel uwer dierbare kan kwetsen, wat uwe ouders en bloedverwanten, waar-

-ocr page 247-

— 243 —

onder ook vele jongelieden, kan ergeren; en toon al aanstonds dat gij een man zijt geworden die zijne vrouw weet te beschermen in alles, wat haar oog of oor kan hinderen. Ja , geliefde ouders en bruidegom , gij moogt hier wel toezien, want er zijn er, die bij zulke gelegenheid alles durven zeggen , die meenen dat het op eene bruiloft zoo behoort.

En nu, mijne vrienden, het wordt avond , ik moet heengaan. Ik drink op de gezondheid, den voorspoed en zegen van het pas vereenigd echtpaar, ik hoop dat het met dezelfde liefde en denzelfden vrede zijn verheven staat beleven zal, als het dien begonnen heeft. De bruid roep ik toe, wat het volk aan Euth toewenschte : „God zegene deze vrouw die het huis van haren man binnengaat , evenals Rachel en Lia, die het huis van Israël hebben opgebouwd , dat zij een voorbeeld zij van deugd in Ephrate, en een grooten naam krijge in Bethlehem.quot; De oude Noëmi smaakte nog het geluk den zoon van Ruth op de knieën te mogen liefkozen ; deze, haar kleinzoon, was Obed, die later de grootvader werd van David, en de overgrootvader van Salomo, terwijl zij de eer geniet van den Zaligmaker zeiven onder hare nakomelingen te kunnen rekenen, want de Messias is uit haren stam geboren.

Zoo zegene u, bruidegom en bruid, de goede God met een groot, maar vooral met een deugdzaam en heilig nageslacht, en gij beiden moogt dan eenmaal in den hemel in de grootste heerlijkheid als een koning en koningin op een troon zitten, rondom welke in alle eeuwigheid uwe zalige nakomelingen zich zullen scharen en u uitbundi-gen lof betuigen voor de lasten , die gij voor hen hebt gedragen, voor de goede opvoeding die gij hun gegeven, voor de gebeden die gij voor hen gestort hebt. Vervol-

-ocr page 248-

— 244 —

gens neem ik afscheid van mijne vrienden, feliciteer hen met het geluk, dat hunne familie is te beurt gevallen en wensch hun een vroolijken avond. Willen zij nog meer bruiloften vieren hij ooms of tantes, bij zusters of broeders van de nieuwgetrouwden, goed, maar daar moet maat zijn.

De tegenwoordige wereld is te veel op feesten verzot; zij viert öO, 40, 25, 12 ja éénjarig huwelijk, ik zag liever dat het echtpaar alle dagen zelf vierde, dat er inwendig in huis meer vreugde en tevredenheid was en dat zulke openbare feesten buitenshuis niet noodig waren. Dooh als het eene onvermijdelijke, onverbeterlijke gewoonte is, als men zijne zaken er maar niet om verwaarloost, en zich niet te buiten gaat, i la bonne heure, viert dan maar door ; doch mij moet gij verschoonen, ik ga niet meer mede, gij weet nu immers, hoe gij u te gedragen hebt.

Nog dank ik al mijne vrienden, voor de oplettendheid op deze bruiloft, alsook voor de belangstelling bij vroegere gelegenheden betoond. Ik heb altoos getracht het nuttige met het vermakelijke te mengen, en de krachtige soms wel wat bittere spijzen, die ik u voordiende , heb ik met een lekkere saus overgoten.

Het zal niet zonder nut zijn , die spijzen nog eens te herkauwen; groot zal het geestelijk voordeel zijn, dat gij er uit zult trekken , als gij slechts den Gever van alle goede gaven, zonder wien geen wasdom bestaan kan, bidt, dat hij aan die lessen de noodige voedingskracht schenke, ze vruchtbaar make en gij aldus leven moget naar het schoone voorbeeld, dat ik u in Tiuth als in een helderen spiegel heb voorgehouden. Immers het welzijn uwer zielen, uwe eeuwige zaligheid was het eenig, maar ook vurig gewenschte doel van den schrijver.

-ocr page 249-

— 245 —

BLADWIJZER.

Kapittel. Bladz.

1. Waarin van andere boeken veel kwaad wordt

gezegd, om dit boek te recommandeeren. 7.

2. Waarin duidelijk wordt aangetoond , dat vele

geschriften inderdaad verderfelijk zijn. 12.

3. Waarin bewezen wordt, dat men de geschiede

nis van Euth moet lezen. 15.

4. Oost West, thuis best. 20.

5. God tuchtigt Zijne vrienden. 24.

6. Hoe de ouders hunne kinderen aan een levens

staat moeten helpen. 28.

7. Hoe men kinderen tot een levensstaat voorbereidt. 34.

8. Tusschen bloedverwanten heersche geen hatelijk

heid maar hartelijkheid. 39.

9. Zoekt eerst het Rijk Gods. 42.

10. Ouderliefde en kindermin. 44.

11. Die arme oude sukkels. 50.

12. O, die nieuwsgierigheid. 54.

13. De kruisen worden in den Hemel gemaakt. 60.

14. Arbeidzaamheid en ledigheid. 66.

15. Wie des zomers zingt, moet des winters dansen. 73.

16. Werken is leven, lediggaan sterven. 78.

17. Arbeid is zaligheid. 88.

18. Opstaan en vallen. 92.

19. Booz niet Boos. 99.

20. Koekoek, Koekoek! 110.

21. Leugens, allemaal leugens. 118.

-ocr page 250-

— 246 —

22. Het tooisel der gehoorzaamheid. 130.

23. Dominus vohiscum. 142.

24. Weldoen en geld overleggen. 154.

25. Over de Joden. 172.

26. Kleine Apen. 189.

27. Groote Apen. 194.

28. Oude Apen. 199.

29. Een Man of een Muur. 204.

30. Hoe komt men tot een goed Huwelijk. 214.

31. Eene dappere vrouw, wie zal ze vinden ? 222.

32. Een Vos gevangen. 228.

33. Het mooiste komt het laatste ; De Bruiloft. 237.

-ocr page 251-
-ocr page 252-
-ocr page 253-
-ocr page 254-