ocr page 1

De P

SCHETSEN

EEN OUD-KLOKKENBERGER.

•MKT l!K( 1 l-XKIDKM) WOOIM)

D«. A. PIJNACKER HORDIJK.

X[JiiE(ii-:x .

ia II. T E X H 0 1-: T 1897.

WÊmÊk

ocr page 2

CA-onnQ

GUNNING

6

1)0

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

De Profeten.

SCHETSEN

EEN OUD-KLOKKENBERGER.

MET BECrELEIDEND WOORD

D\ A. PIJNACKER HORDIJK.

SIBLiOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT

U T R E C H T.

ocr page 6

cx-imnB

tU£niT£SKN5F£üni

ocr page 7

Ter begeleiding.

Toen wij dit Jaar (6 Mei 1896) te Nijmegen het vijftigjarig bestaan der Christelijke Normaalschool op den Klokkenberg mochten herdenken, had ik het voorrecht een oud-leerling dier school, thans sinds vele jaren zelf een geliefd leidsman der jeugd, met bezieling over Bijbelsche Geschiedenis en inzonderheid over Israels profeten te hooren spreken.

Schrijver dezer regelen ontving den indruk dat er kracht, vormende kracht moest uitgaan van het mondeling onderwijs van dezen christe-lijken onderwijzer. Men ontdekt niet dagelijks iets oorspronkelijks en het doet zoo goed iemand te ontmoeten, vooral ook een christelijken Onderwijzer te ontmoeten, wien immers voor geen klein gedeelte de karaktervorming van ons opkomend geslacht wordt toevertrouwd, die waarlijk zelfstandig over de groot,e daden Gods heeft nagedacht en door Gods Geest zich liet leeren. Hoe dikwijls toch vindt men juist bij onderwijzers de nagalmen van de heerschende tijdrichtingen of van zooals men dat noemt overwonnen standpunten terug.

Gaarne leerende, methode leerende, immers zelf nog naar steeds beter methode zoekende, trachtte ik dezen man van liet vak, toch zoo weinig in eenzijdigen zin een vakman, te bewegen, om, wat hij reeds bij wijze van proeve in het Weekblad «de Vrijè Schoolquot; had gedaan, iets uit zijne lessen, kon het zijn met hetzelfde feu sacré als wij het hem hoorden doen, schriftelijk ten beste te geven. Hij liet zich overhalen, kwam er zelfs voor in vuur en zond mij weldra het manuscript dat, bij de firma ten Hoet uitgegeven, door mij, daartoe uitge-noodigd, gaarne met enkele woorden op zijne reize door de schooien ook wellicht door de catechisatiewereld wordt begeleid.

Vergunt mij het aldus te doen;

De studie van Israels profeten is gelukkig meer dan ooit, ook in ons Vaderland, aan de orde van den dag. Niet dat wij Pierson (wijlen Dr. Allard Pierson) in zijne monografie over Israël p. 177 en 178 geheel gelijk zouden willen geven, wanneer hij zegt: //Gelukkig voor

ocr page 8

TER BEGELEIDING.

Kederlandsclie tenighonding, slimmigheid eu '/.eemanscliap, hebben de koperen sloten gezorgd dat deze mannen van groot gemoed uit de Statenbijbels niet te voorschijn kwamen.quot;

Immers dan zonden o. a. Abraham Hellenbroeks vier kwartijnen, elk van meer dan duizend bladzijden, enkel over Jezaja, opgedragen aan bnrgeineesteren, bewindhebberen der Oost-Indische Maatschappij, gecommitteerden in de Rekenkamer van Holland, Raden in de Vroed-schap der beroemde koopstad Rotterdam, van de planken mijner bibliotheek verwijtend op mij nederzien, maar — het beter verstaan der proleten, ook blijkbaar uit beknopter behandeling, komt in tal van geschriften van hunne binnen- en buitenlandsche kenners en bewonderaars dagelijks meer aan het licht.

Dat onze auteur een bewonderaar is der proleten behoeft, na lezing zijner schetsen, geen betoog, maar is hij ook een deskundige, een kenner ?

Op wetenschappelijkheid, op geleerdheid kan hij alleen aanspraak maken, die een specialiteit is in zijn vak, die de literatuur van dat vak beheerscht en dus zelfstandig mee kan spreken. In dien zin heeft dit boekje niet de minste pretensies. Hoe zou het ook mogelijk zijn dat een man, dagelijks bezig met schoolkinderen, tegelijk in oude talen en moderne commentaren te huis zon zijn. Eén mensch gaat nu eenmaal maar éen gang en — men kan geen twee heeren dienen. Evenwel, hoezeer afkeerig van halve wetenschap en pseudogeleerdheid, toch willen wij de bijbelbeoefenaren (daar immers onder protestanten de bijbel aan allen in handen gegeven wordt opdat elk hem zou lezen) niet zonder protest hooren verdeden in geleerden, die ook, gelukkig! vrome geleerden kunnen zijn, en in dilettanten, leeken, die hoogstens vroom of mystiek zooals men hen ook wel noemt, zouden kunnen wezen. Daartoe hechten wij te veel aan inspiratie, combinatiegave, intuitie, waardoor men de profeten uit geestesverwantschap verstaan kan in die mate dat de strengste wetenschappelijkheid er niet bij kan halen. Neen! er is iets boven tijd en plaats verhevens, iets eeuwigs, iets divinatorisch, iets geniaals, iets profetisch, iets dichterlijks, iets dat naast schoolgeleerdheid goddelijk recht heeft van bestaan. Wij echter behoeven dj.t niet te verdedigen. God doet het zelf, al verachten en verwerpen hst de menschen. De stichter van den Klokkenberg, Mr. van der Brugglien was geen theoloog van professie, maar in zijn Studiën over het verlossingsbegrip, in zijne Tijdvragen, in zijn schriftelijk optreden tegen de modernen laat hij tal van vakmannen verre achter zich. Zoo in zijne mate die andere jurist Jlr. van Lennep, de bewerker van Jezaja en Jeremia en van de spreuken. Zoo vooral wijlen prof. Brill (Hijliel-studiën. Het ware Evangelie. Geestelijke Nalatenschap) en da Costa, Bilderdijks leerling. Deze en vele anderen hebben het geluid dei-bruisende golven, what the wild waves are saying, ook van den Semitischeu Oceaan heel wat beter weten te vertolken dan vele zand-

IV

ocr page 9

TER BEGELEIDING.

korreltellers op het strand. Zie; wijlen prof. Dr. D. Chantepie de la Saussaye, Empirisch of Ethisch. Ernst en Vrede 1858.

Uit hunne of liever uit Gods school is fchrijver van dit boekje. Hij heeft den Bijbel gelezen, met liefde gelezen, op de knieën gelezen, van der jeugd af gelezen. Hij kwam noch voort uit de kringen der Nederlandsche Saddnceën, ik bedoel het pan protestantendom met de deftige, oud liberale predikanten als leiders, noch uit de Farizeën, — onze particularisten. Neen, hij heeft iets universeels, (zie de fraaie stukken van dr. Kuyper in de Heraut dezer dagen over de //gemeene gratiequot;) want het réveil leerde hij kennen, in zijn licht- en in zijne schaduwzijden en dat dreef hem tot Israëls profeten en die leerde hij verstaan door gezette lectuur, door biddende overweging, door verwantschap der ziel, door het licht des Heiligen Geestes.

En nu wil hij ook de kinderen, zelfs de kinderen, althans kweeke-lingen, aanstaande christelijke onderwijzers, mede laten genieten. Dat deed hij trouwens reeds lang. En het lacht mij toe, maar eerlijk gezegd, is dat niet te moeilijk? Heeft de schrijver niet te hooge verwachtingen van de vatbaarheid van zijn jeugdig gehoor? Ik althans kan na lezing zijner schetsen die natuurlijk onveranderd moesten blijven, niet ontkennen dat ik meermalen gewenscht hel) met hem van gedachten te mogen wisselen bij vele bladzijden en bij menigen zin. Want — veel zou ik anders gezegd, veel weggelaten en veel bijgevoegd hebben, als ziju werk mijne goedkeuring en volkomen instemming zou behoeven. Ik had het voor de praktijk, voor de paedagogische praktijk, om aan jongelieden en niet alleen aan onderwijzers in handen gegeven te kunnen worden, strenger in den vorm en ook naar den inhoud soms bedachtzamer gewenscht. Evenwel, al zal het dan allicht een anderen kring van lezers vinden, men neme het zooals het is, want, juist zooals het is heeft het iets zeer eigenaardigs, en vinde het niet minder ingang dan een geschrift over homoeopathie, door denzelfden schrijver bezorgd. Wat hij nu geeft is slechts een kleine dosis; wij verwachten stellig van dezelfde pen studiën en schetsen ook over den «priesterquot; en den //koningquot;, en in die hoop vooral schrijf ik dit anders wel wat lange stuk ter begeleiding.

De auteur wil der jeugd den bijbel in handen geven en met ha;ir den bijbel zelf lezen. Wie zou daarin het goede niet zien ? Wi j vinden dan ook onze denkbeelden terug in een belangrijk opstel van Dr. Meulenbelt in het Augustusnuminer der Stemmen voor Waarheid en Vrede //over den katechetischen arbeid, zouals onze kerk dieu wenscht,quot; gelijk wij, naar licht zoekende voor ons en onze leerlingen, die ook niet onbekend bleven met den kritischen strijd op Oud-ïestamentisch terrein, in der tijd met dankbaarheid lazen eene bijdrage van prof. Brill (te vinden in de geschiedkundige opstellen, in 18i)4 aan prof. Fruin aangeboden) over //Historiographie, Logographie en Israëls eigen-

V

ocr page 10

TER BEGELEIDING.

aardigheid op liet gebied der geschiedschrijving.quot; Wij hebben, meent prof. Brill, te eenzijdig westersche, moderne begrippen, over historio-graphie. Terecht herinnert hij ons aan het onderscheid tussehen Tlm-cydides en Herodotus. Voor Thucydides zijn de voorbijgaande dingen en het diplomatisch getrouw weergeven daarvan, hoofdzaak. Thucydides doet het organisch, pragmatisch, voortreffelijk, toongevend. Maar er is nog een ander standpunt, eene profetische opvatting en die vinden wij met prof. Brill 2 Cor. 4 : 18; «Dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet, want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwigquot;, dat is zijn de eenige wezenlijke.

Alles vergangliche ist uur ein Gleichnisz, het eeuwige moet hoofdzaak zijn, het voorbijgaande is het wezenlijke niet.

De Hebreer kent zelfs de namen van geschiedenis en geschiedschrijver niet. Er zijn wel vele gedeelten in het O. T. van meer historische bewerking, maar, waar onze critici volstrekt de oorzakelijke toedracht der feiten (meer of minder bewust onder den invloed van een wijsgeerig begrip van evolutie) verlangen te vernemen en waar zij ons door de Hebreeuwsche auteurs niet geleverd wordt, daar trachten zij haar uit te vinden, eene taak, die niet uitgevoerd wordt zonder dat men aanleiding vindt om de verkeerdheid der voorstell ng van de samenstellers der gegeven berichten breed genoeg uit te meten.

De bijbelsche auteurs getuigen van eeuwige beginselen en doen dit ook in historischen vorm. De schrijvers der boeken, die wij historische schriften des Ouden Testaments noemen, heeten bij de Joden Profeten, en wel in onderscheiding van de Schrijvers, die wij profeten heeten. Eerste Profeten (Jozua, de Richteren, Samuel en de Koningen), waartegenover genen dan Laatste Profeten genoemd worden. Hooren wij der Profeten stem; hooren wij, zegt prof. Brill en hij roept het ons waarschuwend toe als uit den hemel, //hooren wij de stem van //waarachtig edele vernuften en groote mannen tot in onze tijden toe, //dan hebben dezulken wat zij waars en verhevens erkend hebben, //juist niet altijd aan de onderwijzing van deskundigen te danken //gehad. Hunne groote gedachten vielen hun, naar hunne ervaring, //Onmiddellijk ten deel; zij zijn hun als van Boven toegekomen. Waar //een Goethe rekenschap geeft van haren oorsprong, spreekt hij van //Engelen, kinderen Gods, die ze ons van uit den heme! toebrengen. //Welnu, door onze schooltucht, door onze aangeleerde nuttige kennis //wordt onze zin tot het ontvangen van diergelijke Godsgedachten //veeleer gesloten dan geopend. Neen! wij hebben de menschheid „vóór het bestaan eener nauwkeurige geschiedbeschrijving en eener //aan de jeugd medegedeelde schoolwetenschap geenszins als van hel-//der inzicht verstoken en als met niet meer dan kinderlijke begrippen //behept te beschouwen. Wij kennen die voorgeslachten niet uit ge-

VI

ocr page 11

TER BEGELEIDING.

ent „scliiedkundige oorkonden, maar moeten lien waardeeren naar hetgeen

n0- «zij bezeten en ons overgeleverd liebben: wondervolle talen hebben

nn- „zij bezeten; het letterschrift hebben zij, steunend op genoegzame heu-

sren ,/genis en eerlijkheid, zonder ongelegenheid kunnen ontberen; staten

fles //en godsdiensten hebben zij gesticht. Üit alles verbiedt ons volstrekt

er //hen als achterlijk te denken. Wat was liet dan dat hen de geschied-

len //beschrijving deed verwaarloozen ?

'in- „Dit was het, dat zij de gebeurtenissen hier op aarde slechts ais

'p'i, //iets voorbijgaands en geenszins als iets wezenlijks en blijvends be-

;Un //schouwden. Wanneer zij in dit voorbijgaande liet blijvende, bij //dezen schijn het wezenlijke wisten te erkennen, geloofden zij alles

mk //te bezitten wat waardig was bezeten te worden, eu de heugenis der //voorbijgegane voorvallen te beter te kunnen missen, omdat hun tot

elt;l- //richtsnoer hunner daden niets ontbrak, zoo zij te rade gingen met

ns- //hetgeen de bedenking der wezenlijke, aan den uitwendigen schijn

jke „ten grondslag liggende dingen hun openbaarde.quot; Plaatsruimte ver-

'an biedt ons om nog meer uit dit schoone stuk aan te halen doch het

aar bovenstaande is voldoende ter kenschetsing. Vergeten wij het nooit:

ch- er is iets profetisch, maar bij het onderwijs heeft kennis van feiten,

'1'''' heeft het exacte, het minntieuse ook recht op waardeering. Ook onze

de detailkennis is door prof. Brill als taalgeleerde en kenner der geschiedenis ontegenzeggelijk verrijkt en zoo zullen zij wel steeds den

dit meesten invloed hebben op de jeugd die aan een breeden, profetischen

quot;'i- blik lijne kennis van bijzonderheden paren. De bewondering is het

ien beginsel der ware kennis en de ware wijze heeft bet kleine even lief

ten als het groote; bij hem zal het historisch kritisch onderzoek wel

ïn), het allerveiligst zijn.

'■en De bijbel is een stad met zes en zestig straten, een boven- en een het benedenstad, zooals in Brussel, een oud eu nieuw gedeelte zooals in ■'ai1 Nijmegen. Wie kent in elk dier straten den weg? Wie kan mij de ;oe, karakteristieke geveltjes toonen en den eigenaardigen stijl ? en. Oud-Nijmegen's Straten, Markten, Pleinen, Open ruimten en Wandelden plaatsen werden onlangs door H. D. J. van Schevichaven bij onzen ngj uitgever in een schoon boekwerk beschreven. Wie doet hetzelfde met aal' de stad genaamd Biblia. Of liever, wie doet het nog eens maar dan quot;lquot; voor de school, en liefst in schooluitgaven en elk boek afzonderlijk en. met inleiding en noten, zooals de klassieken worden uitgegeven, zoo-nis als ik wel eens in Roelants thans Thieme's uitgave. Jozef in Dothan 'en of Jeftha's dochter van Vondel met mijne leerlingen las. 0, er is nog eid zooveel te doen, want de bijbel is een onuitputtelijke mijn, een altijd ner vloeiende bron niet alleen voor godsvrucht maar ook voor kunst en leiquot; beschaving, om elk bekend te maken met Gods leidingen met Israël )en en de volken door den loop der eeuwen.

Se' Wat al edel metaal, wat al kostelijk gesteente en hoeveel licht houdt

VII

ocr page 12

TER WJGELEIDIMG.

VIII

die mijn in haar diepte begraven, in iedere scliacht, in eiken gang, in wet en evangelie, in profeten en psalmen. Levend water welt er altijd uit die bron. In lapidairschril't heeft üod Zijn wil. Zijn wet in die rots der eeuwen gehouwen en de helden, die Hij zich verkoor, waren zelf levende steenen. Petrussen aan de Petra verwant, karakters, typen, die, gedreven door den Heiligen Geest, elk voor hun tijd en naar de behoeften hunner omgeving, hebben gesproken, getuigende van den uitersten hoeksteen, het Woord.

Voor den schrijver van ons boekje zijn de woorden Gods eeuwige woorden, en hij verwacht door vernieuwde profetische prediking eene voorbereiding voor de wederkomst des Heeren op de verheerlijkte aarde. Ongetwijfeld gaat de wereld en in de eerste plaats de gemeente, want liet oordeel begint bij het huis Gods, de ernstigste tijden te gemoet. Werd de Zoon Gods geboren in de volheid des tijds, reeds van voorlang verwacht het schepsel met opgestoken hoofde (Rom. VIII) de openbaring der zonen Gods, zijne broeders, de openbaarwording der onzichtbare kerk, het lichaam des Heeren met zijn heerlijk Hoofd. De nood der tijden zal wederom profeten verwekken, om de gemeente te troosten (zie D. J. Karres //De troost van het overblijfselquot;, 's Gra-venhage Besclioor, en Prof. Gunning over //de eenheid der kerkquot;, bij den uitgever dezer schetsen verschenen), (iod zal hen leeren te spreken voor hun omgeving in denzelfden geest als de bijbelsche Godsmannen, die van de komst van Christus en van den dag des Heeren gewaagden, en spraken elk in hun milieu. Gods arm is niet verkort. De Heilige (ieest leidt ook nu in alle waarheid en de Heer leeft en regeert. Moge het biddend omgaan met de bijbelsche profeten, ook geholpen door deze tot nadenken prikkelende schetsen, ons en onze kinderen voorbereiden en 'aangorden tot deu heiligen Oorlog; ons, zalig, heilig, een geworden met elkander en in ons Hoofd, tot zaligende kerk, tot reddende Arke maken en ontelbaar velen doen beërven den eeuwigen Vrede.

Nijmegen, Nov. '9(3.

A. pijnacker Hordijk.

ocr page 13

Eon woord Yooraf.

Eene kleine vei'antwoording voor de uitgave van 'tgeen velen een fantasie zal toeschijnen, is zeker niet overbodig.

Den schrijver dezes is de Bijbel een lamp voor den voet, dien hij meent zoo in de hand te moeten nemen, dat zij zijn pad verlicht. Mogen nu anderen die lamp op een lantarenpaal vastzetten, of hoog in de lucht ophangen, om er meer licht van te hebben, of ze door een ander vooruit laten dragen, daarin is ieder vrij. Zijn de profeten van Israöl voor hen andere lieden; bedoelen zij, naar hun meening, andere zaken dan hierachter geteekend en vermeld worden, welnu, het zal der jeugd, der gemeente ten goede komen, als ook zij mededeelen, wat zü door kennismaking met de profeten uit hun mond en omtrent hunne personen verstaan hebben.

Alleen hun betwist schryver het recht omtrent de profeten mede te praten, die ze niet grondig kennen en alleen vasthouden wat omtrent hen en hunne profetie in boeken gevonden wordt. Want hoe onnoozel het ook moge klinken, schrijver dezes beweert, dat men Obadja beter kent door hem tienmaal aandachtig door te lezen, dan door alle commentaren over hem te bestudeeren. Commentaren geven opvattingen; de profeten probeeren ons een eigen opvatting te geven.

Dat kritische opmerkingen hier en daar veel licht kunnen geven aan den bijbellezer geeft hy bij ondervinding toe. In den regel echter releveert de kritiek moeilijkheden zonder by machte te zijn die zoo voldoende op te lossen, dat de bijbellezer er meer licht door krijgt.

Sommige opmerkingen vindt de aandachtige bijbellezer natuurlijk van zelf, als bijv. dat in Micha IV: 10 „tot in Bahel komenquot; een latere byvoeging is; dat de leeraar in Joel 11:23 op een onjuiste

1

ocr page 14

vertaling berust. Maar is hij er zelf door wenken van kantteeke-ning of uitlegging op gestuit, dan vindt hij die byvoeging en die onjuistheid heerlyk en in den geest van den schrijver zelf, m. a.w. een toepassing van de eeuwige waarheid op latere omstandigheden.

God gaf zijn quot;Woord in de gemeente. Helaas krygt de gemeente thans meest „woorden, woorden, woorden,quot; over de Schrift.

Ieder meent over de Schrift te kunnen spreken, zonder die te kennen, en „kunnen kritiseerenquot; staat helaas voor velen, die geroepen zyn te leeren, met „kennenquot; gelijk.

De schrijver hoorde in zijn jeugd nimmer van profetieën alleen van profeten; hij heeft op dien klank af altijd naar profeten gezocht en reeds vroeg werden Haggai en anderen bij hem geïntroduceerd als personen, die altijd een belangrijke boodschap brengen — niet toekomstige dingen voorspellen, die men van zelf wel zal zien, als ze komen.

De meeste profeten echter dringen de kennismaking met hen op aan ieder, die hun geschrift opent, niet om bevestiging van dogmata uit hun mond te hooren, maar om te weten hoe men heden den dag des Heeren moet tegemoet gaan.

Wanneer men hen goed kent, zijn zij zulke trouwe vrienden. Zij ontmoeten U dikwijls in de straat als gij moedeloos zijt, of openen de deur van uw studeervertrek, als gij op 't punt zijt een dwaasheid te bedenken; zij staan naast ü als gij een moeilijkheid in uw werk hebt, waarin gij geen raad weet, maar of het Obadja, of Zefanja, Jesaja of Maleachi is, die ü een bezoek brengt, zij hebben geen anderen troost, geen wijsheid of raad, dan het kruis. Zij hebben van „Hemquot; geschreven. Hoe zullen wij Hem in 't leven kennen, als wij de profeten veronachtzamen, die Petrus, immers nadat hij het onderwijs van Christus genoten had, het licht uit do hoogte noemt, totdat de volle dag aanbreekt.

Maar wanneer nu in de gemeente eens een Stefanus opstond, die vroeg: wien van de profeten hebt gy niet gedood ? dan zouden wij gevoegelijk kunnen antwoorden; Zoo ruw zyn we niet; wy negeeren ze maar eenvoudig en bedanken voor de eer aan hen voorgesteld te worden waartoe het nieuwe testament ons telkens dringend uitnoodigt.

Zullen deze schetsen iets daartoe bijdragen?

Opmerking. Ieder die deze schetsen doorbladert zal zien dat ze onverstaanbaar zijn zoo men er den tekst der Schrift niet naast legt.

ocr page 15

Profeten.

IJvert naar de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteeren.

Paülus.

Hoe ijvert men om schilderen teleeren? Men beweegt zich onder schilders en beschouwt schilderstukken, die mon zoekt te copiöeren. Zou Paulus raadgeving omtrent het profeteeren anders te volgen zijn? Laat ons kennis maken met

HENOCH.

De wereld, waarin hij zich bewoog, was als de onze: men aten dronk, trouwde en gaf ten huwelijk en „men bekende het nietquot;. Maar Henoch had geloof en hij profeteerde. Wat? wel dat, wat alle profeten na hem geprofeteerd hebben ; de tekst is onveranderd, de vorm alleen verschilt.

„Zie, de Heer is gekomen met zyne veel duizenden heiligen om „gericht te houden tegen allen en te straften alle goddeloozeu onder „hen, van wege al hunne goddelooze werken, die zij goddeloosiyk „gedaan hebben en van wege alle de harde woorden, die de god-„delooze zondaars tegen Hem gesproken hebben.quot;

Door zulke woorden komt men niet in de gunst bij de menigte. Zoo iemand is niet zeer gezocht. De arme Henoch had het ook niet uitgehouden in zyn eenzaamheid te midden van die luchthartige , vroolyke omgeving, indien het ernstig woord dat hij bracht geen troost voor hemzelf bevat had. Een mensch van gelijke beweging als wij staat niet graag alleen: maar spoedig, zeer spoedig, hy weet het, verschijnt de Heer met zyn vele duizenden heiligen, dan is 't alleen staan uit. De toekomende duisternis is licht voor hem.

ocr page 16

4

Maar hij werd tocli gezocht. Immers Paulus zegt: hij werd niet gevonden, want God nam hem weg. Wie zullen hem gezocht hebben? wie anders dan het geslacht dat al de profeten doodt en stee-nigt die tot hen gezonden worden?

Vele profeten na hem hebben den dood gesmaakt. Zij werden wel gevonden. Deze eerste, als type der gemeente bij Christus komst, werd niet gedood maar door God verborgen als later Elia aan de beek (vergelijk de openb. van Johannes). Weggenomen te worden door God, een heerlijke zaak! Paulus beschrijft het ICor. lövers 51 en 52 en 1 Thess. 4 vs. 17 als het hoogste ideaal der gemeente.

De weg om daartoe te geraken is een leven als van Henoch, een wandel met God, te midden van een wereld die „het niet bekentquot;... het kruis, zonder rozen.

NOACH.

De wereld bleef dezelfde. Men vond Henoch niet, zoo min als de deur van Lot bij een latere gelegenheid. Doch ook dat bekenden zü niet; Noach echter wel. Hij was een prediker der gerechtigheid. „Nog 120 jarenquot; zoo heeft hij van den Heer verstaan, „zullen dit geslacht gegund wordenquot; en dat predikte hy. Doch als er niets was bügekomen, dan ware het een hopelooze prediking : profeet zyn zou verre van begeerlijk wezen en zeker zou Paulus nooit zijn aanmaning om er naar te ijveren hebben neergeschreven. Neen, de profeet ziet oordeel, maar wijst ook redding aan. De prediking van Henoch was niet verstaan. Noach predikt door het bouwen van een ark. Hy besteedde die 120 jaren aan een zichtbaren arbeid, die ieder dagelijks herinnerde aan het oordeel dat komt, maar dat door het bouwen van arken kon ontgaan worden. Doch ook dit bekenden zy niet. Zoo kwam het oordeel en dat was redding-voor Noach. Door den zondvloed zijn wy behouden, zegt Pjtrus.

Noach trad op een nieuwe aarde, waar hij, gelijk de Haer in den hof Eden gedaan had, een wijnstok plantte:

Hij drinkt van den wijn en ontbloot zich; zijn zoon Cham bespot hem, als de Satan vroeger zich in de naaktheid van Adam en Eva verblijd had. In deze nieuwe wereld vertoont zich al weder het slangenzaad, maar Sem en Jafet, de kinderen Gods bekleedenhun vader, zooals de Heer dit gedaan had met Adam en Eva.

Zoo wordt de eerste profetie op de nieuwe aarde weer oen vloek van Cham en 't slangenzaad — duisternis; maar een zegen voor de kinderen Gods — licht.

ocr page 17

5

ABRAHAM, profeet.

Gen. XX. vs. 7.

Een heidensch koning hoeft gozondigd zonder het te weten er; zonder liet te bedoelen en God zegt tot hem: Abraham is een profeet en hij zal voor U bidden. Ware hij geen profeet geweest, hy zou het zeker niet gedaan hebben. Immers zelfs Jona wil liever zijn profetische roeping geheel ontvluchten dan deze opdracht vervullen. Het kenmerk van een profeet is dat hij licht en duisternis weet te onderscheiden, maar de algemeene verbreiding van het licht wenscht. Die geen profeet is wenscht licht voor zichzelven, voor zijn gezin, voor zijn kerk, zijn volk.

Een profeet gaat zelf in de duisternis om het licht algemeen te maken. Abraham waagt zijn leven om Lot te verlossen en neemt zelf niets van den buit. Hy was een zegen.

MOZES.

De man die met onverduisterd oog en vasten tred den berg bestijgt om op Gods bevel aldaar te sterven.

Dit is de schets van Mozes leven; zoo slechts kan men het geheele land Kanaiin overzien, dat men anderen wil doen beërven. Die 'tanders probeert, hij zij leeraar of schoolmeester, werkt vergeefs. Sterven, dat heeft Mozes geleerd en begrepen.

Uit den dood tot het leven geroepen leert hij een zwaard hanteeren. Hij wil er zyn volk mee redden, maar neen! hij moet het doen met zijn herdersstaf: al vlucht hij daarvoor als voor een slang als hij hom eenmaal heeft nedergeworpon, hij moet hem weer opnemen. Hij moet Israel verlossen als zoon van Abraham, niet als Egyptenaar.

Die staf is de redding van Israël. Met dien herdersstaf houdt hij het uit tegen de tooverstaven. Maar vóór hij dien staf kan hanteeren tot verlossing van Israël, moet er nog een andere dood ondergaan zijn. In de herberg zocht Ood hem te dooden. Was het de pest, die hem in de eenzame woestijnhut aantastte, toen hij daar met zijn vrouw en twee zonen op reis naar Egypte vertoefde? in ieder geval een doodelijke krankte. Die krankheid, die duisternis is hem licht. Hij herinnert zich, dat hij zijn volk niet kan verlossen zonder met zijn gezin één met zyn volk te zyn en dat is hij niet: zijn zonen zijn niet besneden.

ocr page 18

Ondanks het groote gevaar, dat de wondkoorts in die besmette hut ook zyn zonen ten grave zou sleepen en zijn vrouw eenzaam zal achterblijven in de woestyn, laat hy haar de besnydenis verrichten waartoe hy te zwak is. De moedige profetenvrouw gehoorzaamt en krygt hem door die bloedige daad op nieuw als een bruidegom uit den dood terug.

Onder de wolk, in de duisternis richt hy zyn tent op en daar ontmoet hij God terwyl het volk bij hunne tenten blyft staan en aanbidt. Alleen, telkens alleen! soms nog met Mirjam en Aaron tegenover zich, als hy een zwarte vrouw genomen heeft, als profetie van de opname van alle volken in Israël. „Trouw inalmyn huis,quot; zoo getuigt Ood van hem.1)

„Och, dat al het volk Gods profeten waren,quot; zoo antwoordde hy hun, die voor zyn eer als uitsluitend profeet willen strijden.

„Delg my uit uw boekquot; en laat daarvoor myn volk gered worden, zoo vraagt hy Jehova, want hy wil niet zijn heerlijkheid, maar Gods heerlijkheid. Die ziet men in deze bedeeling echter in het geloof. Als de Heer voorbijgegaan is, zien wy de zoomen van Zyn kleed, maar als Hy in onze nabijheid is, legt Hy Zyne hand op ons, zoodat wy in 't duister zijn.

Mozes zag op de vergelding des loons en daarvoor wees hy de schatten van Egypte af. Dit is een ander kenmerk der profeten. Die vergelding was niet een woning in Kanaiin, want die verwierf hy niet en die zou toch nooit tegen een Egyptisch paleis hebben opgewogen. Maar zyn vergelding des loons was, dat hy zyn volk droogvoets door de Roode Zee bracht, terwijl Farao zyn volk liet verdrinken.

Slechts eenmaal spreekt hy by den Heer van een werkstaking; niet omdat zyn loon te gering, zijn arbeid te zwaar was of de dag te lang, maar omdat het werk toch vruchteloos was, als de Heer niet met hem en zijn volk optrok. Wat uit het geloof niet is, is zonde. Daarom wil hy in dat geval niet verreizen.

Dat alios zag Mozes en hy schreef het in een boek.

Profeteeren is de heerlijkste gave, maar een moeilijke.

1

Inplaats daarnaar te ijveren, ijveren wij er naar trouw te zijn in ons eigen huis, onze eigene kerk en worden dikwijls als Mirjam melaatscli zonder het te weten, omdat de kwaal nu algemeener is.

ocr page 19

MIRJAM, de profetes.

Zij leert haar volk een lied zingen, meer is niet noodig om een profetes te zijn. Het is het oude lied: De Heer is gekomen met zijn veel duizenden heiligen; verdrukking, geweld, paarden en ruite-ren, zie! daar liggen ze in de zee.

En het gansche volk zong haar na.

Vele profetessen zingen nog heden boeken vol voor, maar er is geen wijs op; 't volk vat den toon niet. Zij brengen hun eigen woord.

Een profeet of profetes, die de verdronken paarden en ruiters laat zien, wandelt nooit te vergeefs onder hun volk ook al blijft hun naam onbekend.

BILEAM,

een profeet die een ander loon begeert dan de verlichting welke zjjn woord brengt.

Zoowel met als zonder tooverij erkent hij het wezen der dingen, omdat zyn oogen verlicht zijn.

Van welken kant ook hij het volk Israël beschouwt, hg kan tot geen andere conclusie komen dan dat dit volk, zoo ordelijk, zoo rein, zoo gehoorzaam aan zijn vorsten, een toekomst wacht boven de Moabieten en andere volken van Katiaan, die, zooals hij goed weet, alles missen wat een toekomst verzekert.

Hij treedt op en spreekt van duisternis, van de komst des Heeren over alle volken, evenals al de profeten.

„Ik zal U zeggen wat dit volk U doen zal in de laatste dagen.quot;

Maar niet alleen Moab, uw volk, zal vergaan, neen! Edom, Amalek, de Kenieten, Kain, alles wordt een prooi van Assur; — maar Assur zal ook geplaagd worden! — verderf! duisternis! de Heer komt!

Ja, maar Israël dan! dat schoone Israël?

Heber! (Israël) wel, die zal ook ten verderve zijn.

Ja, ook voor Heber (Israël) zal de komst des Heeren duisternis zijn, al de volgende profeten hebben het gezegd, alleen met één verschil.

Bileams laatste woord is verderf en nu gaat hij heen (Num. 24, 17, 25) en keert weder naar zijne plaats. En wat is zijne plaats: het verderf-, hij raadt Balak; „Verderf Israël door verleiding, dan

ocr page 20

8

is ook hun ondergang nabij.quot; En in dien nacht, dien hij over Israël brengt, komt hij om.

Bileam is een profeet die licht ziet, maar het niet begeert.

Anders de profeten van Israël: Verderf komt, maar dat verderf is redding, redding niet alleen voor Israël, maar voor allen die uit dat verderf naar Sion vluchten. Zoo spreken zij, die naar licht verlangend uitzien, en deze gaan naar hunne plaats, zich verblijdende als Abraham in den dag der toekomst, dien zij zien.

Bileam is door de gansche schrift hot beeld der valsche profetie en in de Openbaring komt hy voor als het beest wiens getal is 666. (Bileam de zoon van Beor, de toovenaar, Joz. XIII, 22, waarvan de letters, als cijfers beschouwd, dit getal uitmaken).

DEBORA, profetes.

Bij Debora hebben wy het voordeel een profetes in handeling en woord te ontmoeten. Wie zij is, hoe zü denkt, hoe zij handelt en waarom, dat alles zegt zy ons.

Haar profetie is dezelfde van Henoch: Alzoo moeten omkomen alle Uwe vijanden o Heer! Wie Hem daarentegen lief hebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht.

De ruiters en paarden die omgekomen zijn heeft zij kunnen aanwijzen evenals Mirjam; dat alzoo was sprekend en het sprak. Na zulk oen lied is het land veertig jaren stil.

Een profetes is niet sentimenteel. Zij verheerlijkt een wreede Jaël, die de gastvrijheid schendt, en bespot de bedrogen hoop van Sisera's moeder.

In 'teerst moge die toon ons stuiten in eene vrouw; kyken wij echter nauwkeuriger toe, dan stemmen wij met haar in. Die „liefjesquot; welke een belooning hadden moeten wezen voor de ever-winnaars, zouden Israëlietische maagdon geweest zijn en zou het Debora, een moeder in Israël, niet verheugen, dat die hoop bedrogen werd ! Jaël had het in de macht de overwinning volledig te maken; had zij niet gedaan, wat zij deed, de strijd ware vruchteloos geweest.

De profetes oordeelt anders dan de menigte, daarom gevoelt zij anders. Zy ziet het wezen der dingen.

Maar laat haar de geschiedenis vertellen.

De dorpen hielden op in Israël; er was geen band meer; geen begaanbare wegen, alleen kromme paden vond men. Ieder zocht

ocr page 21

9

zichzelven maar voor schade en leed te vrij waren en zoo had de vijand vrij spel. Dat kon haar moederhart niet verdragen. Zij ziet slechts één middel, en dat is vereenigon: de gemeenschap der heiligen. Zij kent een man die 't volk vertrouwen kan inboezemen en die haar woord verstaan en volgen kan: Barak namelijk.

Hem roept zij. Hij moet Israël saamroepen: en ziet de vijand dat Israël zich vereenigt, dan zal hij tegen hen opkomen met zijn gansche macht. In profetentaal heet dit: de Hoer zal ze verzamelen om verslagen te worden. Zoo ging het met Farao, zoo ging het den vorston van Kanaan tegen Jozua, zoo later by Samuel, zoo zal het gaan tegen Sion in het laatste der dagen (Joel).

Debora zag den strijd komen en voorbijgaan. Zij zag weer het volksleven hersteld : vorsten rijdende op witte ezelinnen en schertsende vrouwen aan de dorpsfonteineu, die de overwinning bespraken, maar____ haar volk was nog niet één. Is er spot in de vermelding dat Ruben, Gilead, Dan en Aser niet mede streden, er is ook een moederlijke klacht in dat „waarom.quot;

Ook zij heeft de belofte niet verkregen. Maar zij zag in de omstandigheden van haar tyd de komst des Heeren. Hij was gekomen en alzoo zou Hij komen. „Zoo kome Hij!quot; is haar laatste woord.

EEN MAN, EEN PROFEET, DE ENGEL DES HEEREN.

(Richt. vi).

Israël is in gevaar in Kanaan onder te gaan door vermenging met de heidenen. Om dit te verhoeden, om Israël weer tot zijn roeping terug te brengen verschijnt telkens de Engel des Heeren.1) Maar hoe? Ei' is een man, oen profeet door God aangegord om een woord te spreken, eerst tot het gansche volk, dat tot weenens toe bewogen wordt, maar zich niet bekeert (Richt. II); dan echter tot enkele personen, wier ooren geneigd zijn het profetenwoord te verstaan als het woord van den Engel des Heeren, als het woord van Jehova zelf.

1

Zoo ook Hand. XII als de gemeente bidt en Petrus in gevaar is //die (Hand. XV) vóór langen tijd verkoren was dat de heidenen door //zijnen mond het woord des Evangelies zouden hooren en gelooven die dus in zijn persoon de roeping van Israël moest vervullen. (Hand. XIII, 47. Jes. XLIX, 6.)

ocr page 22

10

En onder die gedaante komt de profeet in een ander licht.

De profeet, in wien de toegesprokene den Engel des Heeren ziet, spreekt niet van oordeel, maar van verlossing.1) „Ik heb u verlost uit Egypte, ik heb u gezegd; vreest de Amorieten niet,maar gÜ zijt mijn stem niet gehoorzaam geweest;quot; en ik ga u weer verlossen.

Dus verlossing zonder nacht, zonder dood, zonder kruis? Dat ware onmogelijk; het verschil tusschen deze proleten en de overige ligt alleen hierin, dat zy den man of de vrouw, wien zij hun boodschap brengen, doen inzien, dat die verlossing van het volk alleen mogelijk is, zoodra die man of die vrouw den dood willen aanvaarden om hun volk te redden.quot; 2) Zij profeteeren: het is goed, dat één mensch sterft en het gansche volk behouden worde (Joh. XI vs. 50), maar zij wenden zich met die prediking niet als Kajafas tot het volk, dat behouden wil worden, maar tot den persoon die sterven wil.

De man, de profeet, de Engel des Heeren, zet zich onder den eik als weleer te Mamre en ziet van daar uit of er ook een zoon van Abraham te ontdekken is.

Hy ziet den jongeling Gideon die schuilt voor de vijanden.

„Gij jongeling, gij zijt sterk'' zoo spreekt hij, als later Johannes, de zoon des donders, „gy hebt den Booze overwonnen, want gy gelooft dat de overwinning daar is, waar God is: ga en overwin.quot;

Zulk een bemoedigend profetenwoord is een geschenk waard. Gideon wil het halen, doch de profeet aanvaardt het niet: het is Gods woord, dat hij bracht, aan God de eer daarvoor; Hem het offer; een offer gelijk Abraham bracht, niet zooals Gideons stam-genooten eiken morgen op hun baaisaltaar brengen.

„Offer voortaan zóó,quot; dat is het tweede en laatste woord van den profeet, van den Engel des Heeren en hy komt weg uit zijn oogen.

1

Zoo sluit ook de Heiland het boek en geeft dit aiin den dienaar weder, als hij in de synagoge te Nazareth Jezaja fil voorleest, zoodra hij komt aan de woorden: //en den dag der wrake onzes Gods;quot; dezen zin leest hij niet voor.

2

Is het een anachronisme als vroegere schriftuitleggers beweren, dat de Engel des Heeren een oud-testainentische verschijning van Jezus, den Messias was? In ieder geval heeft die bewering meer zin dan deze: //men vindt het kruis niet in 't oude testamentquot; welke schrijver dezes nog voor eenige dagen hoorde.

ocr page 23

11

Maar dit woord is een doodvonnis voor Gideon. Tegen de vijanden te moeten strijden, dat was een boodschap, die een geschenk waard was : maar breken met de afgodische gebruiken van zijn volk, tegen zijn geheele omgeving optreden, dat sterven jaagt hem schrik aan. Maar hij sterft, hij bouwt een altaar en men laat hem begaan.

„Do Heer is vrede,quot; zegt hij bemoedigd.

Maar in de stilte van den nacht verstaat hij op nieuw de stem Gods die zegt: dit is niet genoeg! niet voor uzelven alleen! Gy moet ook het altaar van Baiil omwerpen en op die plaats den Heer een altaar bouwen en een tweeden var offeren. En ook dien dood aanvaardt hij en wordt daardoor de redder van zijn volk.

Indien de profeet de Engel des Heeren is, dan kan hij gerust verdwijnen als de hoorder deze twee dingon verstaan heeft: tvie de overwinning geeft en ivieu de eer moet gebracht worden. De rest leert God in de stilte van den nacht. 1)

DE MAN GODS, DIE ZIJN NAAM VERZWIJGT, DE ENGEL DES HEEREN.

(Richt xiii).

Op nieuw is Israël in nood. De Filistijnen heerschen over hen en zij zijn op het punt hun volksbestaan daaronder te verliezen en hun roeping „tot zegen te zynquot; voor goed te missen. Slechts één middel is er tot redding; terugkeer tot de zeden, tot het offer van Abraham. (Om de ontaarding der zeden te beoordeelen, vergelijke men slechts het huwelijk van Izaak met Rebekka en het bruiloftsfeest van Simson.) Hoe zal Israël daartoe geraken? Israël was uit Egypte verlost door dat de Goden der Egyptenaren geoordeeld werden.

Van den Filistijnschen geest zouden zij evenzeer alleen vrijkomen door te leeren, dat Jehova sterker was en dit niet als een afgetrokken geloofsartikel, maar als een feit in dien zin, dat een

1

De mededeeling van geleerde Schriftuitleggers dat bij dc oude Hebreen het denkbeeld lieerschte, dat ieder die den Engel des Heeren nf den Heer zag, zou sterven, is vrij onnoozel. Of men dan tegen-woordig wel den Heer of zijn Engel kan zien zonder te sterven!

ocr page 24

12

Nazireër bleek gezonder, sterker, wijzer en dapperder te zijn dan de Filistijnen.

Eene vrouw die geen kinderen had moest zich onthouden van wijn en onreinheid; niet van heidensche gebruiken, maar van God die het leven geeft een zoon verwachten.

Die boodschap brengt de man Gods en gelijk Gideon vindt de vrouw die boodschapper „zeer vreeselijk.quot;

Een vreeselijke boodschap is het als wij slechts ons volk kunnen van nut zyn door alleen te gaan staan tegenover hunne inzichten, en hunne gebruiken, maar erger nog als dan de vrucht van dat alleen staan zich eerst in veel later jaren zal openbaren als verlossing... neen, slechts als een begin van verlossing.

Zulk een boodschap krijgt niet de vurige jongeling, maar de stille moeder in Israël en zij verheugt zich in hope, al is de boodschap ook vreeselijk.

Manoach, haar man, is met de boodschap niet tevreden, hy wil meer weten; „wat zal het jongske doen?quot; „Hoe moeten wij hem voor zyn taak opvoeden?quot; Zoo vraagt hij den man, als deze op zijn gebed weer verschijnt. Op al die vragen heeft de Engel des Heeren geen antwoord; zyn boodschap heeft hy gebracht; „De vrouw moet zich maar onthouden.quot;

„Ik heilig myzelven,quot; zegt de Heiland, „voor hen, dat ook zij geheiligd worden.quot; Ik heb Uwen naam bekend gemaakt, opdat de wereld bekenne dat Gy hen hebt liefgehad, gelijk (met dezelfde liefde waarmede) Gy my hebt liefgehad. Dat zyn de twee eenige regelen voor de opvoeding. Die er meer van wil weten moet boeken over opvoedkunde, maar niet den Bijbel lezen. De Enge! des Heeren weet niet beter in te lichten.

Manoach biedt een maaltijd aan om den man Gods te eeren; daarvan wil deze echter niet weten. Aan God de eer: de gave moet een offer worden zooals Abraham bracht.

„Uw naam dan? opdat wij U een geschenk zenden als Uw woord komt.quot; Mijn naam is een geheim (wonderlijk)! Geen eer! geen geschenk! (De naam van Hem wiens boodschap hy bracht is wonderlijk, de andere beteekenis van 't woord,) en even als bij Gideon, komt ook deze man Gods uit hun gezicht, gaat op in de vlam van het offer en verschijnt niet meer aan Manoach evenals Pilippus later door den kamerling niet meer gezien werd.

Een Engel des Heeren was het, want zijn boodschap was: sterven voor het volk, dat was de conclusie van Manoach.

Zich onthouden was vreeselijk, maar een ander offer brengen, dat was sterven.

ocr page 25

18

Doch de Zoon die zal geboren worden is het toekomstig licht in die duisternis, het toekomstig leven in dien dood. 1)

HANNA.

Simsons moeder gaf den stoot aan het begin van Israels verlossing. Ondanks de ontaarding van Israël en zijn priesters bleef er een geslacht van Jehovadienaars, later profetenzonen genoemd, *•) die zich onbesmet hielden van heidensche gebruiken, maar offerden gelijk de Engel des Heeren dit had geleerd. Uit dit geslacht was Hanna. Ook zij, de onvruchtbare, hield zich ver van den zinnelijken wijndienst, maar beloofde een gelofte aan den Heer; wanneer zij een zoon kreeg, zou zij hem den Heer heiligen. Uit haar lied blijkt wel dat de begeerte niet ontstond uit zucht naar persoonlyke voldoening, maar uit begeerte door een zoon tot zegen van haar volk te zijn, als de vrouw van Manoach vroeger.

Hanna heeft een nacht doorgebracht en nu die voorbij is en het eerste licht van den dag verschijnt daar ze haar zoon, de zichtbare vervulling van haar bede, in den tempel brengt, zingt zij een lied. Het is het oude lied, het lied van Mirjam, het lied van Debora.

Die met den Heere twisten, zullen verpletterd worden. Hij zal in den Hemel over hen donderen, de Heer zal de einden der aarde

1

Een leeraar ol' onderwijzer, die niet wil opgaan in de vlam vim het offer, dat hij anderen heel't leeren brengen — die niet zijn naam verzwijgt — die niet weigert terug te komen om een prezent in ontvangst te nemen als zijn woorden vervuld werden, verspilt zijn kracht evenals Simson, die nadat hij de Filistijnen verslagen had ze nog eens noodeloos natelde en op hoopen schikte. Hij werd moede tot stervens toe. Gelukkig dat hij ontdekte dat het ezelskinnebakken, liet wapen waarmede hij de overwinning behaalde, tegelijk het water bevatte om hem in 't leven te behouden.

ocr page 26

14

richten en zal zijn koning sterkte geven en de kroon zijns gezalfden doen verhoogen.

SAMUEL.

Wie ijvert naar de gave der profetie moet bedenken dat het eene gave is.

Hanna wist geen anderen weg om Samuel den Heer te wijden, dan den tempel en toch was er geen gevaarlijker plaats voor den jongen. Maar God, die profeten verwekt, neemt de zorg voor Samuel op zich. Een man Gods komt Eli spreken van oordeel, van duisternis en bekeering, en is Eli door dat woord niet wakker geschud, het is niet ter aarde gevallen.

Als Samuel op zijn leger dat woord overdenkt, terwyl het gejoel der dronken vrouwen hem wakker houdt, wordt hem zijn roeping bewust. Eli is zün meester, die moet het hem zeggen, wiegelyk heeft, de man Gods of zijn zonen. Maar Eli ligt op zjjn bed en zyn oogen begonnen donker te worden; hü kan niet meer opstaan. „Ik heb U niet geroepen,quot; zoo spreekt hjj, „ik kan U daarop geen antwoord geven; God heeft U geroepen. Ga, leg U neder en zeg: „Spreek Heer, tvant uw knecht hoort.quot;

Hoe aandoenlijk die woorden! De Heer had gesproken, maar Eli had niet gehoord, en zijne zonen hadden niet gehoord, als deze jongeling nu maar hoort! En Eli buigt het hoofd onder het Woord uit den mond van den jongeling: „Is de ondergang van zijn huis niet te keeren... de Heer doe wat goed is in zijne oogen,quot; antwoordt hij. Duisternis komt, maar zelfs voor Eli is in die duisternis licht. Te Silo verschijnt de Heer wel niet aan hem, niet aan zijn zonen, maar toch aan den jongeling die hoort. De lamp is nog niet uitgebluscht. Nadat Israël erkent dat Samuel tot profeet bevestigd is, komt de duisternis: een slag voor Israël zoo verpletterend dat de herinnering er aan nog in Jeremia's tyd schrik kan aanjagen.

Twintig jaren duurt die nacht, gedurende welke Samuel zijn stille werkzaamheid voortzet en daarna eerst was Israël er toe gebracht zich op zijn woord te vereenigen, de baiils en astaroths weg te werpen en zich te bekeeren. Geen poging om het heiligdom te herstellen of de Ark weer in eere te brengen wordt door hem aangewend. Niets uitwendigs, alleen boete.

Nu Israël zich vereenigt verzamelen zich de vijanden weer om

ocr page 27

hen te bestreden. Samuel brengt een offer, zooals de aartsvaders dit brachten op het voorbeeld van Abels offer, dat God aanzag en daar wordt Hanna's lofzang vervuld; Die met den Heer twisten worden verpletterd. Hy dondert over hen... De nacht is geweken; de morgen kwam. De Filistijnen worden langzamerhand verdrongen en Samuel richt Israël. Hij weet om de verschillende plaatsen waar hij offerhande gaat doen een maatschappelijke orde in het leven te roepen, die zelfs bewaard bleef toen hij later zijn uitwendig aanzien verloren had. De rechtspraak, de staatkunde, de sociale kwestie, de godsdienst, ziedaar het terrein van Samuels werkzaamheid. Men kan echter met evenveel recht beweren, dat hij zich alleen mot den godsdienst, den dienst van Jehova inliet, want daar ligt geen levensterrein buiten. Tegenwoordig wordt de godsdienst zóó van het leven gescheiden gedacht, dat men beweert, dat er menschen zijn die geen godsdienst hebben en toch leven.

Doch hij wordt oud en zoo min als zijne zonen hebben de Israëlieten zijn leven begrepen.

Zonder uitwendigen luister, zien zij de verborgen kracht niet. Geef ons een koning, zooals alle volken heihen, zoo vragen zij. Samuel heeft hen tot God gebracht zonder bemiddeling van priesters, hun recht en orde leeren in acht nemen zonder dwang, en zal nu dat leven vergeefs zijn! „Het is genoeg, neem nu Heere mijne ziel!quot; welk profeet is niet gedrongen geworden tot die bede.

„Mijne genade is u genoeg,quot; is het eenig antwoord dat God in die duisternis voor zyne kinderen heeft. Voortwerken, ondanks de duisternis! dat moest Mozes, dat moest later Elia, dat moest ook Paulus, want wat was de Engel des Satans,1) die hem met vuisten sloeg anders dan de steeds toenemende verharding van zijn volk. Hij trotseerde slagen en steeniging om de roeping van zijn volk: verlichting der Heidenen, in zijn persoon te vervullen. Hij wees zijn volk op de vruchten van zyn arbeid en bracht zeven, die geloovig geworden waren, uit verschillende streken als eerstelingen op zijn laatste Pinksterreize naar Jerusalem, als typen van de zeven volken, die hadden moeten uitgeroeid worden toen 't volk in Kanaitn kwam. Hij wilde zóó zijn zegepraal, de zegepraal van zijn volk maken; maar het volk wilde noch zijn werk noch de vrucht daarvan aanvaarden. Hij word overgeleverd en zelfs uit de gemeente te Jerusalem wordt geen enkele poging gewaagd Hem te bevrijden.

1

Tegenstelling van den Engel des Heeren.

ocr page 28

16

Dat is hier het loon des profeten.

Maar: mijn genade zegt de Heer, is u genoeg; mijn genade, ook over degenen die niet u, maar mij verwerpen. Ik zal u geven een eiland Milete als voorsmaak van de toekomende eeuw, en een eigen gehuurde woning in Rome, waar gij het woord vrijmoe-diglyk spreken kunt ongehinderd, al bewaakt u ook een krijgsknecht.

Zulk een eigen woning behield Samuel te Rama en daar bleef de kracht van Jehova zichtbaar.

Maar zou uitwendige heerlijkheid niet met de inwendige gepaard kunnen gaan? Saul, de jongeling, is klein in eigen oog, hij zal met het volk achter den Heer blijven, dan is Samuels werk bestendigd. Weer vertoont Samuel jeugdige veerkracht. Doch opnieuw volgt teleurstelling. Inplaats op Samuel te wachten brengt Saul zelf een grootsch offer, niet om schuld te belijden, maar om zich de overwinning te verzekeren. „Nu zal uw rijk niet bestaan, de Heer heeft zich naar een ander omgezien.quot; De profeet moet die boodschap brengen. „De leiding van Israels geestelijke belangen kunnen u niet worden toevertrouwd.quot; Toch is er nog eéne hope. Do stoffelijke belangen dan? Saul is toch dapper!

„Ga, sla Amalek, maar neem niets van den roof : wees een zegen door uw dapperheid, verdelg geweld, maar word geen sterker geweldenaar.quot; Maar ook die opdracht wordt niet uitgevoerd. Saul wordt voor goed verworpen tot diepe smart van Samuel, die leed over hem draagt tot den dag zijns doods. David, de nieuwe hoop van Samuels leven, wordt vervolgd en is zelfs in Samuels omgeving niet veilig. Was Samuel zelf mogelijk in gevaar toen Saul in persoon David te Rama kwam zoeken? Maar nu vertoont zich de heerlijkheid van Samuels loven in de vrucht van zijn arbeid. Saul is een geweldenaar geworden, heeft een hof met vele handlangers , hij is koning en draagt het koningskleed. Maar naarmate hij in het rechtsgebied van Samuel, Rama, waar men naar Samuels stem blijft luisteren doordringt, wordt zyn lichtbewogen gemoed aangedaan door de orde, de welvaart en het gezag dat daar heerscht. Hij legt zijn koninklijk kleed af, buigt zich voor Samuel in 'tstof en erkent de heerlijkheid van Jehova: hij profeteert. Dat is de zegepraal van Samuels leven. Samuel stierf en gansch Israël bedreef rouw over hem.

NATHAN.

Het koninkrijk was bevestigd. Israël genoot rust en welvaart.

ocr page 29

17

nu m oest ook een gevestigde eeredienst in een tempel de plaats innemen van de tent, die in de woestijn meê rondgevoerd werd. Zoo peinst David en Nathan begrijpt het niet anders.

Maar in den nacht doet de Heer Nathan zien, dat de tabernakel in beeld uitdrukte, dat God onder Israël woonde en met hen toog. Zoo zou een tempel de zichtbare uitdrukking moeten zjjn van het feit, dat Israël een vaste plaats had en bevestigd was in het land. En hieraan ontbrak nog iets. Saul was koning geweest, maar niet erfelijk. (I Sam. XIII, 13.) Met zijn dood was 't koningschap ondergegaan en 't volk was verstrooid. Het was nu na langen strijd weer vergaderd onder David, maar aan de bevestiging ontbrak nog iets. Het koningschap moest erfelijk verklaard worden naar de wet der menschen (2 Sam VII, 19;; dan eerst was aan Israël een vaste toekomst gewaarborgd, in tegenstelling van de heidensche rijken, waar de tronen gewoonlijk de prooi waren voor overweldigers. Als dit geschied was en het zegel was er op gedrukt door de troonsbestijging van Davids zoon, dan zou men den Heer een Huis kunnen bouwen, als beeld van de vastheid van dat koningshuis en dat koninkrijk, die tot in eeuwigheid zouden zijn. Eerst de zaak, dan het beeld: want de zaak blijft, maar het beeld gaat voorbij. En Nathan had zeker het vermogen, die erfelijkverklaring „naaide wet der menschenquot; te weeg te brengen; want als hij David dat gezicht verkondigd heeft, vermeldt deze dit in zijn dankgebed.

David breidt zijn heerschappij naar buiten nog uit. Zijn macht en aanzien zijn gelijk aan die van de grootste vorsten van het oosten. Is het te verwonderen, dat hy die macht eenmaal misbruikt voor zijn eigen lusten. Hij begeert een vrouw, laat haaiman sneuvelen en neemt haar. Was dat zoo iets vreemds ineen vorst als hij ? Het bleef zeker een geheim, maar al is het uitgelekt, meer dan een schouderophalen zal die daad des monarchs wel niet veroorzaakt hebben. Anders by Nathan. Op de meest snijdende manier waagt hij het den koning te herinneren, dat de zedewet van Gods volk, ook voor den koning geldt en de koning aanvaardt het vonnis, dat hij meende tegen een onderdaan uit te spreken.

Hoe de dinrjen zijn, dat moord, moord; echtbreuk, echtbreuk is; hoe eenvoudig! En toch moet een profeet zelfs bij David komen, eer hij ziet, dat hy gezondigd heeft.

Nog eenmaal geeft Nathan het bewijs dat hy waakt over de dynastie, die eeuwig zou zyn, omdat die gegrondvest was op het wezen van den waren koning. David immers was in zijn geschiedenis geopenbaard als de koning. Onafhankelijk van den wil of den

2

ocr page 30

18

wensch van eenig mensch was hij de eenige geweest, die aanspraak had op dien rang, nadat Sauls huis onderging.

Adonia, broeder van Absalom, zoon eener heidensche prinses, zal zich tot koning laten uitroepen. Een profeet is geen droomer; niets ontgaat zijn scherpen blik en het onheil dat hij ziet aankomen, weet hij te verhoeden, als de machtigen maar naar zijn raad luisteren.

Salomo, de zoon eener Israëlietische vrouw, die in zijn jeugd reeds groote verwachtingen opwekte, die moet op den troon zitten. Zoo heeft David het vroeger beschikt, zoo moet het zijn. Meteen gereed plan komt Nathan voor David en eenige uren later zit Salomo op den troon en is de Israëlietische dynastie gevestigd.

Onderrichten, bestraffen en helpen, dat is het drievoudig werk van Nathan geweest. Dat heeft zyn leven van beteekenis gemaakt voor zijn volk; do wijze waarop hij het deed, brengt ons het beeld van een wijs, trouw en wakker vriend.

GAD, Davids ziener.

2 Sam. XXIV. (2 Chr. XXIX vs. 25.)

Dat Gad Davids ziener is, beteekent zeker wel niet, dat er een baantje aan Davids hof was, met den titel van ziener, of dat David Gads salaris uitbetaalde; beide gedachten zijn onbestaanbaar met het wezen van een profeet. Het kan alleen zijn, dat Gul het wezen der dingen zag, gelijk David die zag, of zocht te zien. Nu zou het bevreemding kunnen wekken, dat niet Nathan, die immers nog lang daarna zoo ijverig voor 't Davidshuis optrad, Davids ziener was.

De korte aanwijzing is echter weer de sleutel tot verklaring van de geschiedenis en doet ons in Gad een Israëliet kennen, die even als David, ver boven zyn tijd uitstak, omdat hij op dos Heeren woord lette.

Om de geestelijke overeenstemming tusschen David en Gad te erkennen hebben wij maar de laatste woorden van David in het vorig hoofdstuk, 2 Sam. XXIII, neergeschreven te bedenken: De Rots Israels heeft tot mij gesproken: daar zal een Heerscher zijn over de menschen, (dus niet alleen over Israël), een rechtvaardige in de vreeze Gods.

Ook het eind van Ps. 72 stemt hiermede in: de wensch dat de zegeningen van den Davidszoon, de heerlijkheid Gods de gansche aarde zal vervullen. Daarmede hebben de gebeden van David dan

ocr page 31

19

oen eindo, dat zijn zijn laatste woorden. Meer kan hij ook niet wenschen. De meeste menschen sterven, vóór hun wenschen die uitgebreidheid verkregen hebben. Maar niet altijd was de wijze, waarop die wensch vervuld zou worden, aan David even helder.

Hij had vele Heidenen onderworpen en zy brachten hem geschenken, maar zou dat zoo blyven? Zou het niet noodig zijn maatregelen te nemen om dien toestand te bestendigen voor zijn opvolger. De weg daartoe lag voor de hand: het volk krijgsplich-tig maken, zoodat er altijd een leger voorhanden was, om eiken opstand te onderdrukken. Maar dit was de lyn van Ezau, niet die van Jakob.

Joab, die door de helden altijd vrijwillig gevolgd was, voert dien maatregel met tegenzin en zeer onvolkomen uit, en geeft de som der getelden te kennen. Doch er volgt een pest, die de gevonden cijfers tot leugen maakt en nu schrikt David. O Heer! roept hü, neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zottelyk gedaan. En de Heer nam de misdaad weg en zond den profeet Gad, onder wiens leiding uit deze zonde, uit dezen nood, na hekee-ring, weder licht volgde voor alle eeuwen. „Zeg zelf' zoo spreekt Gad, „welke plaag zoudt gtj kiezen om uw dwaasheid te straffen ? God straft het vertrouwen op een leger met drieërlei vloek : vermindering van aantal door sterfte, zooals thans; vermindering van kracht door honger;

vermindering van aanzien door nederlaag.

Een van die 3 plagen volgt zeker ieder die Ezaus kracht zoekt (Obadja).

In de hand des Heeren vallen is het beste, zegt David. Het is Zijn barmhartigheid, dat hij een kortstondige pest zond om mijn dwaasheid te straffen, inplaats van hongersnood, die bij 't gebruik van myn leger onvermijdelyk was, of nederlaag, die stellig kon verwacht worden, als de heidenen zich eens verbonden.

Maar de pest blijft woeden. David en de oudsten bedekken zich met zakken. De pest is tot Jerusalem genaderd. Daar woont op den heuvel Moria, Arauna, de overwonnen koning der Jebusieten: de omtrek van diens woning is reeds aangetast en zijn zonen nemen angstig de vlucht naar den dorschvloer. „Ik heb,quot; zegt David, „gezondigd, maar wat hebben deze schapen gedaan.quot; De overwonnen koning ziet hem naderen en buigt zich voor hem ter aarde. Neen, dit schaap althans stond niet tegen zyn herder op. Daar moet de pest gestuit worden.

„Bouw op dien dorschvloer, den dorschvloer van den overwonnen heiden, een altaar, opdat de pest zijn huis niet rake,quot; segt Gad,

ocr page 32

20

en David voegt erbü: Hier zal het huis Gods dos Heeren zijn; niet met een leger, maar met een offer zullen de heidenen onderworpen worden.

Een huis Gods, een plaats waar het offer gebracht wordt voor de redding dei- heidenen, dat is de oorsprong van den eersten tempel.

Zoo deden David en Tiad zijn ziener naar het woord des Heeron.

AH IA.

Wolk een leed voor de Jehovadienaars toen Salomo den afgodendienst in Israël een offlciëele plaats gaf en daarmee ook voor geweld en verdrukking niet terug deinsde.

Dat Jerobeara den last van Jozefs huis mogelijk te zwaar vond, dat hij voor verdrukten optrad, — zou een profeet, zou Ahia dat misduid hebben?

Maar welk een geheimen weg Jerobeam ook opgaat met het nieuwe kleed, het koningskleed, dat hij als saamzweerder tegen Salomo heeft aangetrokken, de profeet weet hom wel te verrassen. God doet do profeten zien, maar zij houden de oogen wijd open. Zij ijveren naar de gave. Ahia treft hem in 't veld alleen en scheurt hom 't kleed van 't lijf. Neen, dat niet! Jeroboam, zoo min als Adonia, zal onopgemerkt door den profeet zijn hand naar het Koningschap uitstrekken!

Maar Jerobeam behoudt in de worsteling 10 stukken. Och! neem die maar, zegt moedeloos de profeet, zoomoet het zijn. Zij hebben mij verlaten, zegt de God Israels, scheuring moet er komen. Maar, saamzweerder! wacht u; zoolang Salomo leeft, zal niemand dan

hij dit kleed dragen en daarna.....één stam zeker, mijn stam

Juda, die zal Davids huis trouw blijven om den wil van Jerusalem.

En neemt gij het voor verdrukten op, welnu! zoo gij dan later koning wordt, wandel dan als David, dan zal ook uw huis bestendig zijn.

Heeft de profeet een hart voor het stamhuis, een leeuwenhart om dit te verdedigen, en daarvoor te waken, zijn volk, ook de 10 stammen, die hij in de toekomst reeds gescheiden ziet, kan hij niet loslaten. Voor die toekomst spreekt hy reeds nu een waarschuwend woord. Helaas! dit woord was te vergeefs.

Jerobeam heeft een bestraffing maar ook een bemoedigend woord gehoord. In zyn radeloosheid over de krankheid van zyn zoon wil

ocr page 33

21

hij nogmaals een bestraffing afwachten om daarna een bemoediging te ontvangen. Wel heeft hij des profeten woord in den wind geslagen, maar zyn kranke zoon is immers Jehovadienaar; als iemand voor dien zoon zijn voorbede komt vragen, zal Ahia wel te vermurwen zyn.

Zyno moeder zal gaan, maar vermomd als een vreemde; Jerobe-ams vrouw zou den profeet bitter stemmen. IJdele voorzorg! God licht zijne dienaren in, al staan hun oogen stijf van ouderdom. Geen bemoediging voor een herder van Gods volk, indien deze verleider wordt. Een vloek, de steeds herhaalde vloek over allen die Israël van Jehova aftronen.

Omdat in uw zoon wat goeds gevonden is, zal hij in een graf komen; dat is het eenig licht dat Ahia in die duisternis ziet. Heeft Ahia niets gezien dan oordeel? Heeft hij altijd te Silo, het verwoeste heiligdom, vertoefd, geen wonder dan, dat zyn oogen stijfstonden in zijn ouderdom. Moedige, maar sombere Ahia!

TWEE PROFETEN IN ÉÉN GRAF.

De waarschuwing van Ahia heeft niet geholpen. De tien stammen zijn door Jerobeam afgeleid van den waren Jehovadienst en dat nog wel met den vromen sciiijn een vroegeren eeredienst, door Ailron ingesteld, te volgen.

Berusten nu de Jehovadienaars in de scheuring en geven zij do tien stammen op? Verre van daar. Zij hebben de eenheid van hun volk lief en die eenheid is voor hen alleen denkbaar, onder 't eeuwig koningschap van Davids huis, rond Sion, de woning Gods.

Toch treedt Seraaja op Gods bevel tusschenbeide als Rehabeam zyn broederen wil gaan bevechten. Niet door wapenen, maar door eenheid van geest, door den Jehovadienst, zullen de stammen vereenigd worden. Wat een profeet ziet, zoekt hij teweeg te brengen; dat kan hij niet laten, daarvoor heeft hij altijd zijn leven veil; waartoe zou hem zyn leven ook anders dienen? Is het mogelijk op aandrang van Ahia dat een man Gods uit Juda zich naar Bethel spoedt, den eeredienst, den koninklijken offeraar en zyn handlangers vloekt en de eindoverwinning van Davids huis aankondigt.

Welk een heerlijke heldenfiguur. Wat zou de openbare uiting der boosheid nog thans in bedwang gehouden worden, als al 't volk Gods profeten waren. Of is het soms eon roekelooze, die zich druk maakt om een droombeeld, dat eerst later verwezenlijking wacht, en die daarvoor als een dweeper zyn leven wegsmijt. Neen, hy

ocr page 34

22

heeft al de gevaren overrekond. Do Heer heeft hem gezonden on op dien gevaarvollon tocht een weg tot ontkoraing doen zien: In alleryl zyn boodschap brengen, niet vertoeven, een anderen weg volgen bij zyn terugkomst om zijn vervolgers te ontgaan.

Maar hij heeft nog een wapen. De moed van den profeet zit in liet gesag van het woord, dat hij brengt. De profeet brengt geen woord, waarin slechts hijzelf en zijn partij gelooft; dan stak het gezag vau zijn woord in den profeet, of zijn party. Neen hij brengt een woord, dat ieder die het hoort gelooft, anders zou immers niemand zoo wreed of zoo laf zijn, een profeet te dooden. „Het is zoo, het kan niet anders zijn dan gelijk de profeet zegt,quot; die gedachte doet steenen opvatten en brandstapels oprichten. (Stefanus) Met zulk een woord gewapend stoort de held het plechtig offer. Het „heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld,quot; dat ieder profeet na zyn woorden laat hoeren, volgt ook nu. De gesneuvelde vijanden, de verdronken paarden kan ook hij toonen: zie, het altaar scheurt, de asch wordt uitgestort, de hand verdort, slechts de bede van den profeet redt den koning. Dat alles geschiedt door het woord van den profeet — als een betoovering?

Dan zou het weinig gebaat en niets gezegd hebben. Was het niet veeleer de indruk van zijn woord, die scheuring maakte tusschen de offeraars, en waren dezen het niet, die dat altaar deden splijten en de asch afschudden, — die 's konings hand verlamden, zoolang hy zijn wraak aan den profeet wilde koelen? De profeet was toch tegen stamgenooten, niet tegen steenen en asch komen prediken en zou dat woord wel op steenen, maar niet op Gods volk invloed gehad hebben? Of was het alleen later op het woord van Amos, die dezelfde boodschap bracht te Bethel, dat het gansche land beroerd werd?

De profeet wil geen geschenk, geen spijze. De Heer had ham voorzichtigheid geboden en hy spoedt henen.

Doch het bericht van zijn moed en zyn verrichting bereikt een oud profeet, die iu Bethel wonend, zeker als Lot met zijn rechtvaardige ziel leed droeg over den Kalverdienst, maai' den moed gemist had, er tegen op te treden. Hij wordt nu gedrongen zich ook als een .Jehovaprofeet te doen kennen. Met geruststellende woorden brengt hij den vermoeiden held terug, maar reeds aan don maaltijd verneemt hij, dat het gevaar niet denkbeeldig was; dat een profeet den last des Heeren moet uitvoeren, naar het (jezicht, dat de Heer hem gaf.

Hij geeft den profeet uit -luda zijn ezel, om zoo nog het gevaar te ontkomen, maar de leeuw is reeds op weg om hem op te

ocr page 35

23

wachten. Het is alleen op het leven van den held gemunt. Het was geen sluipmoord, neen, openbare wraak; de leeuw, die hem gedood had, bleef bij het lichaam staan en nu ontwaakt de moed van den profeet te Bethel. Ondanks den leeuw (wie die ook mag geweest zyn) die den held gedood heeft, neemt hy het lijk op en legt dat in zijn eigen graf.

In dat graf, zoo gelast hij zijn zonen, moet ook hy rusten; de vloek des profeten over de afgodendienaars, de schending hunner graven, zal komen, maar hy — hij was geen kal verdienaar; wel had hjj gezwegen, toen hij spreken moest, maar hy was toch ein-delijk voor Jehova uitgekomen en hy had toch zijn leven gewaagd om dezen held een graf te bezorgen; ook zijn gebeente zou rusten in vrede.

En dat graf der twee profeten bleef een getuigenis in Bethel tot vele jaren daarna het oordeel door den Davidszoon werd uitgevoerd; een getuigenis van heldendaden en zwakheid, van ongehoorzaamheid en geloof.

AZARIA, zoon van Oded.

Hij sprak een woord van bemoediging na een glansrijke ovenoin-ning, ja, hij gaat den overwinnaars daarmede te gemoet! Zonderlinge lieden, die profeten. Maar was het toch wel zoo erg dwaas? Volgt niet altyd na een groote inspanning en een groot succes afmatting, een rusten op lauweren, een toegeven aan het genot, dat succes kan verschaften. En was Israels kracht niet alleen in bekeering, in waken tegen het gevaar heidenen te worden?

Koning Aza vindt de bemoediging niet dwaas en de aanmaning tot bekeering niet overbodig. Er volgt een hervorming, koning en volk treden in een verbond met den Heer; zij zweren trouw en gansch Juda is verblijd. En die blydschap des ganscheti volks is het uitwerksel van een zonderlinge daad eens profeten.

Ieder, die als uitzondering in zijn kring het wezen der dingen erkent, is zonderling, maar is toch tevens de kracht van dien kring.

JEHU, de zoon van Hananja.

De vloek over Jerobeam, uitgesproken door Ahia, blijft op de koningen der tien stammen rusten; er is geen bekeering, alleen

ocr page 36

24

toenemende nadering tot het heidendom. Jehu zegt koning Baëza den vloek aan, zonder er eenige troost by te voegen. Was hier dan nu een stug, onbarmhartig profeet, die zich verbiedt in het oordeel? stellig niet; zijn waakzame blik volgt de geschiedenis van zyn volk, dat hij wil redden en gaat zoowel over Juda, als over Israël. Maar hü ziet in Baëza niets dan duisternis; straks zal hij Josafat met een bedreiging tegemoet gaan, als deze het lot van Juda verbonden had met dat van Israel en dan temport hij zijn scherpte door te erkennen, dat vele goede dingen by' Josafat gevonden werden.

ELIA.

Een mensch van gelijke bewegingen als wy, die wonderen deed en wiens heerlijkheid zich voor den blik der Apostelen vertoonde in het licht van Christus heerlijkheid, van het kruis. Die beide vingerwijzingen zijn noodig om ons het beeld te brengen van den grootsten kruisdrager des ouden verbonds, die dooi- misverstand van wat de Schrift heerlijkheid noemt, maar al te dikwijls beschreven wordt als een machtig toovenaar.

Israël dwaalt hoe langer hoe verder af van de tradities der aartsvaders en zoo wordt de weg gebaand tot geweld in alle kringen; want alleen Jehova ontfermt zich over het geringe, over het arme, over het verachte. Semer, (volgons 't geslachtsregister een leviet,) verkoopt zijn erfdeel aan koning Omri voor een hofstad. 1)

Achab knoopt, gelijk Salomo met Tyrus gedaan had, betrekkingen aan met Sidon. Maar geen lied als Ps. 45 werd door de Jehovadienaars gedicht by de intrede van Isebel.

Israël is op 't punt van ondergaan. Het onderscheid tusschen Jehova en Baiil is Israël niet meer duidelijk. Daar zit onder de inwoners van Gilead een man, uitgerust met bijzondere geestkracht; een man, die lijden wil voor zijn volk.

Hoe zal het zinnelijke volk ooit weer het onderscheid leeren tusschen wezenlijken godsdienst en een schijneeredienst, anders dan door te leeren, dat men in elke levensbehoefte en niet alleen bij hot plechtig offer, met Jehova te maken heeft. De rots 2) in de woestijn, die moest Israël in gedachtenis gebracht worden.

1

Ook Barnabas een leviet uit Cyprus verkoopt zijn erfdeel, maar 't was om de armen der gemeente te voorzien.

2

Zie de psalmen.

ocr page 37

25

Daar staat lijj in zijn eenvoudig gewaad voor den koning en kondigt hem in Jehova's naam aan, dat er geen regen zou zijn dan op zu'n woord. Nadat h;j gevoelde dat het zijn roeping was, (en wiens roeping is dit niet?) zijn volk voor verval te behoeden, heeft hy gebeden en nu gaat hij zijn lijdensweg te gomoet. Hij moet zich verschuilen, moet zich voeden met hetgeen uit den bek van roofdieren va;t, maar 'tis brood en vleesch voor hem; latei-met het onderste uit de meelpot en het overblijfsel in de oliekruik eener weduwe, maar het zijn koeken voor hem. Een wonder, niet dat .raven brood brengen, of de restjes in het huis der weduwe niet ontbreken, die wonderen waren er ten allen tijde, maar dat Elia dat kruis opneemt; even als de Heer het een teeken en een wonder noemt Jes. XX vs. 3. dat zijn knecht Jesaia 3 jaar naakt en barrevoets liep.

Zoo verborg de Heer Elia, terwijl men hem natuurlijk aan de hoven der naburige koningen zocht.

Tot het verrichten van zulke wonderen roept God de profeten; dan komt op hun gebed het leven in den zoon der weduwe, vuur van den hemel, maar ook regen; dan roept het volk: Jehova is God, nog voor de regen verschijnt. Maar dan éérst een altaar opgericht, niet voor eigen huis, geen tien steenen, maar twaalf, voor het gansche huis Israels en een gebed op den tijd van het avondoffer als de gemeente bidt.

En dan volgt een triumftocht waarbij Elia vooruit gaat en de koning volgt en het gansche volk in Elia zyn profeet erkent.

Azaria de zoon van Oded ontmoette hem op dien tocht niet, wel een bedreiging van Isebel, die spoedig zulk een waarschijnlijkheid kreeg, dat Elia moest vluchten. Jehova dienen eischt bekeering, dat heeft het volk van Elia verstaan, en daarom stemmen z\j met Isebel in, dat Elia weg moet, even als de gemeente van Jerusalem Hjdeiyk toeziet, dat Paul us van de baan wordt geschoven. Wordt niet heden nog deze schrift in onze ooren vervuld?

Moedeloos geeft Elia zijn werk op; die hem bemoedigt en voedt, kan niemand anders dan de Engel des Heeren zyn, want God had Zyn werk aan Elia toevertrouwd.

Even als Mozes krijgt hij onderricht omtrent Gods gang in de eenzaamheid van het gebergte en daar verstaat hij, dat Israël nog bestaat; zeven duizend, alle de kinderen Israels (1 KonXX, vs. 15) (de overigen tellen eenvoudig niet meê) hebben hun knie nog niet voor den Baal gebogen.

Elia gaat terug om ze te verzamelen. Het eerst treft hij Eliza aan, die op den akker aan een werk bezig is, 't welk bewyst dat hij

ocr page 38

26

onder de aanzienlijke landbouwers behoort. Elia beproeft hem, door een kleinen dienst van hem te begeeren. Zal Eliza den vogelvrijverklaarde dien dienst durven bewijzen?

Wat is in Elia's afwezigheid veel veranderd! Niet alleen dien mantel even dragen, neen zijn leven lang slaaf van den G-odsraan zijn en die roeping met een groot dorpsfeest voor al zijn bedienden vieren, dat wil en dat durft Ellza en daarmee laat hij zijn bezitting in de steek voor een werk, dat hem in later jaren nog alleen doet kennen als de slaaf van Eliza, de man, die water op zijn handen goot 2 Kon. III, 11.

Een rijke, die vrijwillig slaaf wordt en het sterven voor zijn volk van zijn meester leert, dat is de opvolger van Elia en voor een slag met dien nagedragen mantel wijkt zelfs de rivier.

Voortaan verdwijnt Elia's werkzaamheid, als die van Johannes den dooper bij de komst van den Heer.

Nog eenmaal waarschuwt hem de Engel des Heeren, dat Israël in gevaar is. Koning Ahazia krijgt een ongeluk en zendt een offer aan den God van Ekron, Baiilzebub, den vliegengod, den meest gevreesde der Kanaanietische goden, dien de Joden daarom later met verbastering van zijn naam Beëlsebul, drekgod, den opperste der duivelen noemden. Met een machtwoord zendt hij de boden terug om 's konings dood aan te zeggen.

Om dien hoon te wreeken zendt Ahazia een hoofdman met 50 man om den profeet te vangen. Dat hij 50 man zendt bewijst wel, dat hij zelf dien tocht niet gemakkelijk vond. Hetzelfde vuur van don hemel, dat het volk tot slachten van de baaispriesters bewoog, doodde ook nu de eerste 50, zoowel als een tweede afdeeling, daarna afgezonden.

Noch een derde maal zendt hij, maar nu een hoofdman met zijn 50, die zich een knecht van Elia noemt. Wat zal de stervende koning zich in de handen gewreven hebben over dien loozen inval. Zullen ook zij omkomen, of zullen zij, die zich knechten van Elia noemen, dus Jehovadienaars, hun gehoorzaamheid aan hun koning opzeggen of aan hun beroep verraad plegen. Neen, geen van beiden; zij vormen een lijfwacht en onder hun bescherming komt Elia aan het hof, zegt den koning zijne boodschap mondeling en wordt cot aan zijn hemelvaart door die 50 beschermd. 2 Kon. II vs. 7 en 1(5.

En toen zijn hemelvaart. Toen Christus aan zijn drie discipelen verheerlijkt verscheen, zagen zij in denzelfden glans Mozes en Elia, maar deze verdwenen en toen de wolk weg was en do angst was voorbijgegaan, zonder welke niemand de Heerlijkheid des Heeren kan zien, stond Jezus alleen voor hen.

ocr page 39

27

Als Jezus sprak over zijn uitgang te Jeruzalem, dan was daar Mozes, die voor zijn volk had willen sterven — maar die was door God begraven; dan was daar Elia, die ook voor zijn volk had willen sterven , maar wiens heengaan een hemelvaart was geweest. Ook Jezus zou voor zijn volk sterven, maar bespot, bespogen, gevloekt door dat volk. Dat is de heerlijkheid van den zoon Gods. Maar zou die hemelvaart dan zoo'n gemakkelijke tocht geweest zijn? Met een onweer op te varen! het beeld is niet zoo uitlokkend.

Allerwege komen angstige waarschuwingen tot Eliza: zelfs Elia raadt Eliza aan, hem op dien bangen weg alleen te laten gaan. Maar Eliza wil zijn's meesters geest ten minste ten deele bezitten: hij wil ook iets zijn, gelijk de wagen Israels en zijne ruiteren. „Als ge mij zult zien heenvaren,quot; als gy den moed hebt tot het laatst mij te volgen, dan zal uw bede geschieden, dan is die geschied , want die het waagt den profeet des vuurs te volgen, tot de vurige wagen scheiding maakt tusschen hen, die heeft liefde en moed en dat is do wagon Israels en zijne ruiteren.

ELIZA.

Gewis een andere persoonlijkheid dan Elia, doch zeker niet bij hem achterstaande in bereidwilligheid, den dood te aanvaarden voor zyn volk. Was Elia de voorlooper van Johannes den Dooper, Eliza, die in het werk van Elia trad, was het schaduwbeeld van Jezus zelf. Dat men Jezus „den grooten profeetquot; noemde, toen hij te Nain, een half uur van het vroegere Sunem, een jongeling opwekte, doet zien dat de gelijkenis met Eliza, den grooten profeet, het volk zelf trof.

Elia stond boven het volk. Eliza stond, als Jezus „midden onder hen, wien zij niet kenden.quot; Geen levensterrein, waar men hem niet aantreft. Moeten de arme Jehovadienaars zich behelpen met een onvruchtbare streek, met te bekrompen woonplaats, Eliza is daar om te troosten en te helpen. Een ijzer brengt hy uit den snehiietenden Jordaan te voorschijn, het water reinigt hij, zijn gerstebrooden deelt hy met de hongerigen, het lijk van het kind zijner gastvrouw verwarmt hij met zijn eigen lichaamswarmte, zou dan diens ziel niet wederkeeren ? Hij heeft de kracht van Jehova ontdekt, die kracht is do aanvaarding van het kruis. Och waren al het volk Gods profeten er was geen leed meer dan dat, 'tgeen de gemeente vrijwillig op zich nam: een Dorkas zou zich zelfs

ocr page 40

28

zonder morren uit haar ruste terug laten roepen, als er nog weduwen van rokken moesten voorzien worden.

De kracht der profeten het kruis, en niet verblindende toover-macht, wilde de gemeente dat verstaan en dan ijveren naar het profeteeren!

Dat Eliza de spottende kinderen van de Godsverachters vloekt, dat de inwoners van Bethel een later onheil door beren aangericht,

als gevolg van dien vloek aanvaarden____ zeer natuurlijk. Maar

dat men daarbij den profeet teekent als toeschouwer, is afschuwelijk. Neen waren er beren op dat oogenblik verschenen, zij zouden zelfs Bethels spottende jeugd niet bereikt hebben, dan over Eliza's lichaam. Eliza's zorg gaat over alles. Hij volgt het leger der drie koningen, die onvoorbereid een oorlogstocht aanvaarden en 't volk in de woestijn laten verdwalen en door zijn wijsheid brengt hy redding in 't radelooze leger , door het dorstige volk eerst aan don arbeid te zetten en het water te doen verschijnen voor ieders tent. Heeft een Israëlitische, uit haar land weggeroofd en als slavin den machtigen Naaman toegekend,') door een fljnbedachte wraak haar melaatschen heer hoop op genezing gegeven, opdat hy, als zij, die nieuwe levenshoop in rook zou zien opgaan, dan scheurt de koning zijn kleed, verbaasd over den monsterachtigen leugen. 1quot;) Eliza echter weet er gebruik van te maken in het belang van zijn land. Als die geweldenaar Naaman in de Jordaan genezing vindt dan zal hy voortaan het land ontzien en niet meer berooven. En Eliza bereikt zijn doel. Naaman vraagt zelfs als gunst een paar zakken aarde uit Israels land om er te huis een altaar van te maken.

Zoo werd ook de slavin gered, die bij Naaman's terugkeer, zoo hij teleurgesteld ware, zeker aan de wreedste marteling ware ter prooi geweest. Een belooning wil Eliza echter niet.

Is Benhadad, Israels vijand ziek, en zal Hazaël zich door list van den troon meester maken, hij gaat naar Damaskus en poogt nog ia tijds, zelfs door tranen, dien onmensch voor vorstenmoord en de daaropvolgende gruwelen te waarschuwen, schoon hij weet dat

1

Denk aan ile //liefjesquot; uit Debora's lofzang.

ocr page 41

29

Hazaël Israels geeselroede zou zijn. Syrische benden, die hem komen vangen, brengt hij op listige wyze binnen Samaria, doch bereidt hun een maaltijd en zendt hen vrij henen, zoodat zij niet wederkeeren en voor zyn jongen, die hem door zijn angst hindert, vraagt hij een visioen dat dezen gerust stelt.

Zelfs op zijn sterfbed verlaat hem zijn kracht niet.

De trage, moedelooze koning Joas komt klagend aan zijn bed. „Open het venster, neem een boog en span dien,quot; zegt hy. De koning spant dien, maar slap en loom; vol vuur legt nu de zieke zijn handen op des konings handen.

„Zoo!quot; zegt hij, met een forsclien ruk; „zoo moet er geschoten worden om de Syriërs den baas te blijven!quot;

„Sla eens met die pijlen!quot; En de trage koning slaat driemaal en laat zijn handen weer slap hangen. „Wat denkt gij dat het zoo gaat?quot; zegt de stervende held; „gij zult nu de Syriërs maar driemaal slaan.quot;

Ook hij sterft zonder Israëls verlossing te zien. De handen van hem aan wien die verlossing was toevertrouwd waren slap.

Wagen Israëls en zijne ruiteren! twee deelen van Ella's geest hebben op hem gerust, hij heeft zijn wensch verkregen.

En nog lang daarna, toen zijn gebeente reeds verdroogd was, bleef Eliza de schrik der Syriërs en als er benden in 't land vielen wierp men den man, dien men begraven wilde, maar in 't graf van Eliza en dit was genoeg om hem weer in een held te veranderen die meê hielp do benden te verdrijven.

Een profeet, die profeet, de man Gods, MICHA, do zoon van Jimla, die niets goeds profeteert over Aohab maar kwaad.

I Kon. 5X en XXIII.

Uit het verhaal kan men opmaken, dat de benamingen op één persoon doelen; want de handelingen doen sterk aan éénzelfde persoonlijkheid denken.

Een bedryvige heldenfiguur, een heethoofd, zou men zeggen, maar die toch al de kenmerken van een profeet van Jehova bezit: een wakker oog, een heldenziel, een krachtig woord dat invloed heeft en een soms overdreven zucht om te lijden.

Door de werkzaamheid van Elia en Eliza zijn de Jehovadienaars in Israël vereenigd en als Aohab in 't nauw zit, omdat Benhadad met een groot leger zijn stad omsingelt, komt de profeet tot Achab

ocr page 42

30

en zegt: „ziet ge die groote menigte? die zai Jeliova in uw hand geven.quot; „Door wie?quot; Wei, door de Jehovadienaars, de 7000, dat is immers geheel Israël: die hebben hun leven veil. „Wie zal den strijd beginnen?quot; „Wel, gij.quot;

Twee honderd twee en twintig vastberaden helden vevtoonen zich en door een dwaas, overmoedig bevel van Benhadad wordt door hun optreden de nederlaaag der Syriërs beslist. Een tweede maal trekt Benhadad op. Nogmaals belooft de man Gods de hulp der Jehovadienaars, en dus overwinning, en die is zoo volkomen, dat zelfs Benhadad zich gevangen moet geven. En nu verspeelt de dwaze Achab de vrucht van de zelfopoffering dier dappere mannen. Hij laat Benhadad met een afspraak zonder waarborg ontsnappen.

Wie kan zich niet de woede van dien profeet voorstellen. Zoo velen zijn gesneuveld, zoo velen gewond van zyne dappere vrienden en dat alles te vergeefs! hoe zal hij den ellendigen koning op de scherpste wijze zijn vloek doen voelen?

Daar ginds komt hij reeds aan. Snel is zijn plan opgevat: „Sla mij toch!quot; zoo spreekt hij den eersten den besten, dien hij ontmoet aan. „Waarom zou ik u slaan?quot; zoo antwoordt hem de bedaarde, vreedzame voorbyganger. „Lafaard, een leeuw verscheure u!quot; roept hij en hij snelt op een ander toe: „sla mij, wond mij! vlug!quot; En deze, minder zacht van aard, slaat en wondt den razende. In haast vermomd staat hij nu aan den weg den koning af te wachten, die zegepralend daar langs komt ryden.

„O koning help mij toch,quot; roept hij op een klagenden toon. „Ik ben in den strijd geweest en heb een gevangene moeten bewaken, op straffe van myn leven en toen ik zoo hier en daar wat beuzelde, is hij ontvlucht.quot;

Met ongeduld en weerzin heeft Achab dat verhaal van lafheid aangehoord en kort zegt hij: „Gij hebt uw eigen vonnis uitgesproken.quot; Nu werpt hij zijn vermomming af. Wat zullen zijn oogen geglinsterd hebben van wraak en toorn bij het woord: „uw ziel zal in de plaats van Benhadads ziel zijn;quot; maar ook zjjn stem getrild hebben van hevige zielesmart, als hij er „en uw volk in de plaats van zyn volkquot; moet bijvoegen.

Welk een aantrekkelijke figuur, die dolle ij veraar voor Jehova.

Wist hij dan niet, dat die vloek hem gevangenisstraf zou baren! Nog eenmaal zal Achab tegen Syrië optrekken. De Jehovadienaars onthouden zich natuurlijk, de man die hen opriep is in de gevangenis; de lust is hun vergaan; zy hebben vergeefs hun bloed gestort. Maar Achab heeft hen niet noodig, hy heeft Josafats hulp.

ocr page 43

31

De opgewonden toon der hofprofeten bevreemdt Josafat. „Is hier niet een profeet des Hoeren?quot; zoo vraagt hij. „Ja, Micha, maar die spreekt altijd kwaad over mij.quot; Leugenachtige Aciiab! had de profeet hem niet de vorige overwinningen verschaft ? Micha wordt geroepen. Hoe zal in de eenzaamheid do zorg voor zijn volk en de haat jegens deszelfs verleider en verderver in zijn hart gewoeld hebben.

Geen wonder, dat alles opbruist, als hij weer te voorschijn komt.

De bode, die hem haalt, geeft hem een goeden raad: „Al de profeten zijn het eens, zij zijn allen vriendelijk en stemmen met den koning in; doe nu ook zoo; wees nu ook toch eens vriende-lük, dan is het met uw gevangenschap uit.quot; Welk een walgelijke bezorgdheid voor den vrede en voor het lot van een Micha, alsof die zijn woord en zijn toon zou wijzigen om zyn leed te ontgaan, of onrast te voorkomen. „Dwaze hoveling! het woord dat ik breng is niet het mijne; ik spreek wat ik den Heer hoor spreken.quot;

Zulke kleinzielige hovelingen hangen nog heden ten dage aan de hielen van eiken profeet. Wees toch voorzichtig! zorg toch dat liet woord des Heeren niemand zeer doet! Waarom maakt gy u zoo gehaat? Als ge de dingen zegt, zooals ieder vroom mensch ze zegt, dan ontgaat ge verkettering. Weet gij dan niet, lafaards! dat het woord Gods rotsen te morsel slaat. Zoo het woord in uw mond niemand, ja niet ieder, niet allereerst uzelven, zeer doet, dan is het geen woord des Heeren, dat als het tweesnijdend zwaard van Ehud, (Richt III, 20) doorgaat, tot de verdeeling dei-ziel en des mergs. Wanneer uw woord niemand zeer doet, doet gij beter het binnen te houden; het is een ydel woord.

„Komt tot mij allen die vermoeid en belast zijt!quot; is dat niet het meest snijdende woord, immer in de wereld gesproken? komen tot iemand, die niets heeft om het hoofd op neder te leggen: tot iemand, die rusteloos, dan den vos Herodes, dan het volk, dat hom koning wil maken moet ontwijken; tot iemand, die eindigt aan een kruis! Grooter moeite, grooter last kennen wij niet. Het lijkt een bespotting, moeite ontgaan door die op te nemen en tocli is het een woord van den Heiland en onze eenige redding. Wee hun die het door een stichtelijke omwinding van zijn scherpte zoeken te ontdoen.

Micha komt en vol bitteren spot stemt hij met de gansche hofkliek in. Ga! gij zult overwinnen.

Wat? zegt Achab, hoeveel eeden durft gij daarop te doen, immers uw vrienden onthouden zich. O, wilt gij de waarheid weten? welnu Ik heb Israël op de bergen verstrooid gezien als schapen zonder herder en toen zei de Heer: Laat zo nu maar vredig naar

ocr page 44

32

huis gaan, do verstrooiing is uit, ze zijn gelukkig hun herder kwyt.

„Hoort ge wel Josafat!quot; zei Acbab, „niets dan kwaad!quot;

„Och luister nog even,quot; valt Micha weer in; „zelfs God op zön troon wist niet hoe hy Achab zou bereiken. Hij vroeg zyn geesten links en rechts en niemand wist een raiddel om Achab te overreden naar Eamoth in Gilead te trekken, om daar te vallen, dat we van hem verlost worden, want Achab heeft zijn oor gesloten voor do waarheid.

Toen kwam er een geest, die beweerde het te kunnen. Waarmode? zei de Heer; Ik zal een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En de Heer zei: U zal het gelukken, want Achab gelooft alleen leugens; alleen wat hij weet dat leugen is.quot;

Dat is al te erg; die Zedekia had wel gelijk, Micha op 't kinnebakken te slaan. Dat is niet de Geest des Heeren, dat is zelfs profaan; God voor te stellen als geen raad te weten zonder leugengeesten. Nu kan zelfs een Josafat niet meer voor Micha inde bres springen. Iemand die zulke taal uitslaat moet brood der bedruktheid eten, dat vindt Josafat ook, tot Achab volgens het woord der meer kalme, vredelievende profeten als overwinnaar terugkomt. „En het volk,quot; dat Micha tot getuige oproept, „stond en zag het aanquot; dat hij weer naar de gevangenis gesleept werd. quot;Wel had hij vroeger hun een overwinning bereid; „zy steenigen hem ook niet om eenig goed werk, dat hij gedaan heeft, maar daarom dat hij God zijn vader noemt.quot; Die nietszeggende, dwazebokkesprongen van een Zedekia kunnen er met den Geest Gods nog door, maar zulk een visioen! hoe komt hij er aan? dat heeft Zedekia wel terecht gevraagd.

Scherp dat woord, overmoedig die inkleeding; maar toch hoe innig waar. Wie kan dit gezicht lezen, zonder te erkennen: ook ik geloofde nimmer een leugen, zonder te loeten dat het een leugen was.

Na zulk een woord, dat toch ook tevens een waarschuwing bevatte, was de nederlaag en de dood van Achab wel zeker.

De verzwaarde gevangenschap van Micha zal wel niet lang geduurd hebben. De officieële profeet Zedekia zal zich ondanks het vluchten van de eene kamer in de andere, wel niet hebben kunnen redden uit de handen van het woedende volk, na de vreeselr.ke nederlaag, die volgde.

ocr page 45

33

NOG ZESTIEN PROFETEN.

Onder de profeten, die volgen, zijn er verscheidene, welke een antwoord geven op de vraag: hoe wordt men profeet? Hebben zij ons dat duidelijk verklaard, dan wordt het ook helder, welk verschil er is tusschen hen en hunne voorgangers.

Een profeet speurt den gang van Jehova nz.,\n de yebeurtenissen van zyn tijd en wel in verband met de instellingen, waardoor Jehova de gedachtenis aan zijn Naam bewaart. Tot hiertoe hadden zij allen den dag des Heeren aangekondigd, die wel nood medebracht, ook voor de „zevenduizendquot;, maar zy hadden toch de bevestiging van die zevenduizend in het land verwacht, als het geweld zou zijn gefnuikt en de heidenen waren overwonnen, als het ware offer algemeen gebracht werd.

Men verwachtte dat de Heerlijkheid Gods zich zou openbaron in de voltooiing van den Israëlietischen staat, in de uiterlijke heerlijkheid van Israël.

Het wordt nu den profeten echter duidelijk, dat de dag des Heeren den Israëlietischen staat niet zal kunnen sparen, dat alleen een overblijfsel zal kunnen behouden worden.

Bij Jesaja en Micha blijft er nog plaats voor de veronderstelling, dat dit overblijfsel in het land zal blijven wonen.

Nadat Jeremia by koning Josia's dood de hervormingen weer heeft te niet zien gaan, wordt het hem duidelyk, dat dit overblijfsel ook uit het land gevoerd zal worden en blyft er alleen de hoop over op terugkeer uit ballingschap, na reiniging door druk. Maar naarmate de toekomende heerlijkheid voor het oog terug wykt, wordt de opvatting daarvan meer geestelijk, meer helder, meer algemeen.

Vandaar dat van de volgende profeten meer woorden dan daden vermeld zijn. Die echter zou meenen, dat aan die woorden geen persoonlijke daden ten grondslag lagen, dat het theoretische predikatiën zyn, zal nooit iets van de profetiën voor zijn leven verstaan.

Profeteeren is het gebruiken van alle geestelijke gaven. Geestelijke gaven baten den bezitter, zoo deze niet profeteeren wil, zoo min als zijn omgeving.

Daarom wekt Paulus door zyn vermaning op tot het gebruik van geestelijke gaven.

Geestelijke gaven nu laten zich allen terug brengen tot „dorst.quot; Indien iemand dorst, zegt de Heer, stroomen des levenden waters zullen uit zijn buik vlieten, hij zal een tempel zijn als die van

3

ocr page 46

34

Ezechiöl, waaruit een stroom voort kwam. die een paradijs te voorschijn riep.

Dien dorst wekt God op; - God doet de vraag rijzen in het gemoed des profeten, om daarop hot antwoord te kunnen geven. Dit deelt Zacharia ons mede in een zinrijk gezicht.

„Zoekt,quot; zegt God, „en gij zult vinden.quot; Het eerste is niet een voorwaarde, maar een gebod, het tweede een belofte (Ps. 27).

„Zoekquot; zeide God tot Job, hoe het komt, „dat de door God verloste gemeente nog lijden moet.quot;

Geen ander dan een lijdende Job kon het antwoord vinden, dat dit lijden de heerlijkheid Gods tegenover don Satan moet doen uitkomen.

JESAJA.

In het jaar dat koning üzzia gestorven is (Jes. VI) wordt de tempeldienst nog altijd ongestoord verricht.

Die beide feiten hebben niets vreemds. Ieder loopt voorbij den tempel, ziet de wierookwalmen den voorhof vervullen en de beelden der Serafs aan den wand daartusschen nu en dan te voorschijn komen. Wat zou dat? Dat die tempeldienst doorgaat behoort zoo; men moet immers den godsdienst waarnemen; de priesters zyn er voor aangesteld ; en dat die melaatsche Uzzia stierf, welnu! gelukkig voor dien man, dat hij uit zijn lijden is. Die natuurlijke, zeer gewone zaken worden echter den profeet Jesaja tot een visioen. Gebeurtenissen en instellingen wekken vragen by hem op en God antwoordt hem.

Wat was er gebeurd? De koning uit het Davidshuis, dat eeuwig op den troon zou zitten, vergrijpt zich aan de Instellingen van Jehova. Ware zijn toeleg, eenige jaren geleden, gelukt, dan zou de offerdienst nu geheel anders zijn. De priesters zouden, als onder Saul vroeger (1 Sam XIV, 18, 19), de speelbal der vorsten zijn geworden en ieder symbool zou zijn beteekenis verloren hebben. Maar daarvoor heeft de Heer gezorgd. De koning is melaatsch van zijn troon gestooten en in zijn sterfjaar zit Jehova nog op een zeer hoogen troon; de rook vult, als de zoom van zijn kleed, den tempel en do luisterende Jesaja kan de Serafijnen, die nog altijd zinrijk als symbolen der gansche aarde op den wand te zien zijn, elkander nog hooren toeroepen: Heilig, Heilig, Heilig is de Heer der Heirscharen; de gansche aarde, niet Jerusalem alleen, is van zijne heerlijkheid vol. Maar is het volk, is Jesaja dan minder melaatsch

ocr page 47

35

dan die uitgestooten koning ? Is er bij hen een dieper indruk van de eeuwige beteekenis dier symbolen en de geestelijke verplichtingen welke hun aanwezigheid oplegt?

Wat baat dan de troon van Jehova te midden van een onrein volk? Waartoe anders, zoo antwoordt het visioen den vrager, dan om reiniging, om schuldvergeving te prediken. Er komt beweging in het visioen. Een Seraf vliegt tot hem met een gloeiende kool in de hand, roert zijn mond daarmeê aan en brengt hem het bewustzijn van reiniging en verzoening.

Wie zal nu liet volk die reiniging en verzoening anders prediken dan hij? Welk een heerlyke roeping! Ja, heerlijk, maar niet gemakkelijker dan die van Mozes, van Elia. De duisternis ingaan, sterven als hij den Heer gezien heeft, even als al zyn voorgangers. Het volk, dat hij die prediking moet brengen, ziet al die dingen, maar bemerkt ze niet, hoort sedert eeuwen die prediking, maar verneemt ze niet.

Reiniging en verzoening begoeren ze niet, want zij willen zich niet bekeeren en zyn prediking zal moeten zyn als die van al zijn voorgangers: de Heer komt! verwoesting! verderf! doch niet over alles; een tiende deel zal behouden blijven. Die prediking neemt zijn geheele leven en al zyn gedachten in. Zijn volk zocht hij wakker te schudden door de namen, die hy zijn kinderen doet dragen, door drie jaren lang naakt en barrevoets te loopen. Toen namelyk koning en volk naar Egypte om hulp uitzagen tegen Assyrie, wilde hij hun inprenten dat Egypte te zwak was tegenover Assyrie en niet in staat hulp te verleenen en dat de Egyptenaars zelf geschandvlekt, naakt en barrevoets door Assyrie zouden weggevoerd worden. In dien toestand zond men de vertegenwoordigers van volken naar huis, als men geringschatting wilde uitdrukken (zie Kr. XIX, 4). In dien toestand loopt hy rond. Waarlijk geen aangename, geen gemakkelijke, zelfs geen eervolle wyze om het volk iets aan het verstand te brengen; en dat hield hy drie jaren vol.

Het kruis! ook voor Jesaja; al behoorde hy tot de aanzienlijken, geen andere weg. Dit noemt de Heer een teeken en een toonder Jes. XX, 3.

Of het thans nog in de gemeente zoo genoemd zou worden, staat te bezien; want ook nog heden is men als Israël weleer omtrent het wezen van wonderen altyd in tegenspraak met Gods woord. Als Israël een teeken vraagt, dan geeft de Heiland geen ander teeken dan dat van Jona, die drie dagen en drie nachten in den huik van den visch was; dit was een teeken, dat stemt men wel

ocr page 48

36

toe: zoo zal de zoon des menschen drie dagen en drie nachten in b den schoot der aarde zijnquot;); dit is dus ook een teekon.

Na vindt men dat zoo natuurlijk mogelijk, maar de opstanding g van Christus een wonder, terwijl in de gansche schrift de opstanding zoo niet genoemd wordt; integendeel als de meest natuurlijke d zaak wordt voorgesteld. Petrus tenminste zegt het nog al vrij g

sterk, Hand. II, 24 dat het niet mogelijk was dat Jezus van den dood zou gehouden worden.

De dood van Christus: een wonder; zijn opstanding: een natuurlijke zaak, dat zijn de uitspraken van Christus zelf en van zijn Apostelen.

Ben heidensche opvatting van het wonder heeft ons echter anders leeren inzien. En zoo is helaas voor velen het Oude Testament een waardeloos boek van tooververhalen — zonder kruis - geworden inplaats van een licht op ons pad.

Jesaja is een raadsman van Hiskia en deze volgt hem trouwer j.

dan Achab Micha deed. Zoo zag Jesaja menige uitredding als ge- r

volg van zijn woord; maar de wolk wykt niet van de tent j Gods, zoomin in Jesaja's als in Mozes' tijd.

Eenmaal zelfs schijnt al z\jn werk plotseling in duigen te storten. | Hiskia is krank, zal sterven. De profeet, die hem geneeskundige

hulp geeft, moet het hem zelf aanzeggen. i

De schaduw, die op Achas zonnewijzer de uren aangeeft, gaat

vooruit. De vroegere hovelingen van den afgodischen Achas grijpen lt;

weer moed. 1

Hiskia had geen zoon; zij zouden hun invloed weer herkrijgen, de sterrendienst zou weer ingevoerd worden, als de ziekte doode-lijk verliep. Hadden zij mogelijk reeds den tempel gesloten, of voor den sterrendienst ingericht? Tenminste toen de wond, die den dood zou veroorzaken, doorgebroken en de koning gered was, komt het hem nog zóó ongeloofelijk voor, dat hij den derden dag in den tempel zal gaan, dat hij een teeken vraagt. En welk toeken? Wel de schaduw wordt altyd breeder, de afgodendienst wint alti,jd veld en gaat niet van zelf terug. Kan de schaduw terug gaan op den zonnewijzer van Achas? Ongetwijfeld zegt Jesaja. De zon is er en blijft over Israël schijnen, de zon is het werk van Jehova; de zonnewijzer en de voorwerpen die de schaduw er op werpen zijn voortbrengselen van menschen.

Het is den Heer licht die schaduw terug te doen gaan; daarvoor

*) Bengel rekent die 3 dagen en 3 nachten zeer zinrijk van af Judas' onderhamleling en betaling op Woensdag.

ocr page 49

37

behoeft de zon niet uit zijn stand te wijken. Wat de schaduw te weeg brengt, moet terug en dat zal de Heer 10 graden terug brengen, gij zult in 't huis des Heeren gaan.

En zoo kreeg Hiskia ook door Jesaja op zijn gebed de verzekering, dat zyn werk een werk Gods geweest was en dat hom het leven gegund werd om dit voort te zetten.

MICHA, de Morastiet.

„Jehova is heilig, het volk is onrein; het oordeel komt, doch er is ontkomingquot;; dit was de prediking van Jesaja in Jerusalem onder de grooten. Te gelijker tijd treedt Micha met dezelfde prediking op te midden van de landlieden.

De Heer komt uit den tempel zijner Heiligheid, om de afgoden te verstoren met vuur en verwoesting! Micha beschrijft wat hy ziet niet als een visioen, maar in z\jn waarschuwing voegt hy een paar zinrijke toespelingen om de aandacht te vestigen op een vroegere catastrofe in Israël, die voor hem het beeld is van het te komen oordeel en van de wijze waarop redding te wachten is.

Deze toespelingen geven den sleutel tot het verstaan van zyn beelden en de daarin vervatte waarschuwingen en beloften.

„Verkondigt het niet te Gath,quot; uit den lijkzang van David op Saul ontleend, wyst terug op den verpletterenden slag in Israël, toen het Saulshuis onderging en het volksbestaan verscheurd werd.

De tweede toespeling is mede uit die geschiedenis, Micha I, 15 „Adullam, de heerlijkheid van Israël.quot;

In Sauls tijd was de heerlijkheid van Israël in de spelonk van Adullam. Die bende, door Nabal en het hof weggeloopen slaven genoemd, werd zeker niet alleen door den scherpen blik der wijze en schoone Abigail voor „het bundelken der levendenquot; erkend, dat zou bewaard blijven, als het oordeel over onrecht en geweld kwam.

Maar Abigail had, boven do anderen die haar schatting deelden, den moed, haar lot met dat dier roovers te verbinden en alzoo de heerlijkheid van Adullam te verhoogen.

Het oordeel dat haar huis, dat Nabal trof, ging zooals zij verwachtte ook ovor Israël, en toen kon het kleine Bethlehem een heerscher opleveren, een herder, onder wien het volk eenheid, overwinning en rust herkreeg. Zoo was het toen, hoe was het nu ?

De volken al te maal, de aarde en hare volheid staat tegenover Jehova. Op de bergen wordt een dienst gepleegd, die voor Micha

ocr page 50

38

evenals de kalverdienst niets anders dan afgoderij was, omdat de heiligheid ontbrak. Over de bergen zou het gericht komen. Immers Saul was ook op 't gebergte Gilboa gevallen.

Samaria, op een berg, is het begin van Jakobs overtreding als vertegenwoordiger van de scheuring der stammen, en Jerusalem was het begin van Slons zonden; want in die stad, werden door koning, profeten en priesters al de gruwelen bedreven om welke de Heer komt met zijn oordeel. Dat oordeel nadert Jerusalem, staat voor de poort, al had Achas Israël en Syrië onschadelijk weten te maken, door Assyrië met geschenken te bewegen die rijken te onderwerpen, de groote roever Assyrië was daardoor des te naderbij gekomen. Micha wil naakt gaan en misbaar maken, om het volk te toonen in welken toestand zij weldra zullen weggedreven worden. Hartstochtelijke droefheid van een heldenziel, die alles beproeft om zijn gansche volk nog te redden, maar eindelijk ziende, dat het te vergeefs is, nog zijn naaste omgeving oproept tot stand houden. Want moet het koningshuis, het volksbestaan worden prys gegeven, eindelijk zal toch uit Sion de wet weer uitgaan en vele heidenen zullen nog ten berge des Heeren opgaan. Want was vroeger Bethlehem niet te klein geweest, om een heerscher te leveren, ook thans niet. Het koningshuis te Jerusalem zal te schande worden, maar de landbewoners moeten saamrotten in benden en stand houden, dan zal er uit Bethlehem een herder komen, die zal staan in de hoogheid des Heeren, niet in de hoogheid van het geweld , en die zal Assur tegenhouden. Dan zal Israël een gelukkige staat uitmaken te midden van alle volken. Geen weelde, geen paarden, geen wagens, geen steden, geen vestingen, geen tooverij, geen beelden!

Indien er iets is dat ons voor Micha moet innemen, dan is het zeker wel dit, dat zijn ideaal niets zinnelijks bevat. Hij vraagt voor de toekomst alleen: geen geweld, geen afgoden, maar reinheid en moed om het geweld te fnuiken; onder den wynstok en den vijgeboom zitten zonder verschrikking.

Het land, zooals het is, is goed. Die bergen, waarop de Heer zal treden, hebben geen schuld aan de verbastering van 'tvolk. Zy zijn tot dragers dier gruwelen gemaakt-, zij zijn aan Jehova's züde, straks zal hij die bergen doen optreden als getuigen tegen Israël in een rechtsgeding, dat de Heer met zijn volk heeft.

Ieder van die bergen had voor don Israëliet,diez\jngeschiedenis kende, eene of andere gunst of uitredding van Jehova te vermelden.

Welk oen diep gevoel als hij in Jehova's naam roept; Wat heb ik U gedaan, waarmede heb ik ü vermoeid? betuig tegen mij!

ocr page 51

39

Met beelden en vermaningen komt hij tot zijn volk , doch alles te vergeefs; er is voor hem geen troost, „geen druif te eten.quot; De godvreezende is vergaan uit het land. Zal hij hot nu opgeven, en moedeloos zijn noodlot, het noodlot zijns volks te gemoet gaan? Neen, hij blijft uitzien naar den Heer. Hij zal des Heeren gramschap dragen, want ook hij heeft tegen Hem gezondigd maar dan als alles zal ondergaan, zal ook Assur, de verderver, weggedaan worden en dan zal de Heer zich weder over Israël ontfermen, want Hij zal hunne ongerechtigheden dempen.

AMOS.

Hoe werd de geringo ossenherder, die zich onderhouden moest met de allergeringste bezigheid, het verzamelen van wilde vijgen, tot een profeet , wiens woord het koninkrijk der tien stammen beroerde, en wiens boek nog heden door zijn helderheid, treffende beeldspraak en letterkundige schoonheid den bybellezer boeit?

Hij heeft geijverd om te profeteeren. God toont ieder mensch wat recht is, zeido Micha en wie zal hem tegenspreken en beweren, dat wij wel eens niet weten wat recht is?

Amos zag ook achter zijn kudde wat recht was en hij sloot er zijn oogen niet voor. Doch evenals bij Gideon, a)s bij Jesaja, als bij ieder die God ziet, bracht dat een zware verplichting mede. Hij heeft plagen beleefd; honger en droogte, verwoesting door sprinkhanen en verwoesting door vuur, die beiden heeft de Heer op z\jn gebed gestuit, maar waartoe die teekenen? of zijn de gebeurtenissen van het leven geen teekenen?

Sprinkhanen! — zoulsraël minder schuldig ztjn dan Egypte weleer?

Vuur! — zouden do steden der vlakte onreiner geweest zijn dan zijn volk?

Vergeef toch Heer! wie zou er in Jakob blyven staan, als de oordeelen komen.

Hij ziet rond terwijl hij achter de kudde loopt; hij ziet de toenemende macht der Assyriërs, hij ziet dat Jerobeams rijk het eerst in gevaar is en dat Israël in gerustheid leeft, vertrouwende op de hulp Gods, dien zij meenen te dienon met uitwendige plechtigheden, terwijl het land vervuld is met onrecht en geweld. Hij ziet den loouw reeds gereed zijn sprong te nemen, hij hoort hem reeds brullen en weg snelt hij naar het middelpunt van dat rijk, schoon hij een inwoner van Juda is. Het is toch immers ook zijn volk.

Bij het. altaar te Bethel doet hij den priester Amazia on de offeraars

ocr page 52

40

opschrikken met de boodschap; Israels heiligdommen zullen verwoest worden en Jerobeams huis zal door hot zwaard vallen.

De groote opschudding, die dat woord maakt, was al weder een bewijs, dat God den mensch toont wat recht is en dat het woord van een profeet gezag heeft. Zelfs de priester weet geen raad. Er is zeker door dien man uit Juda een verbintenis op 'ttouw gezet, meent hij, en hij licht den koning daarvan in. En tot Amos zegt hij: quot;Wat doet ge hier? Zie in Juda uw brood te verdienen met profeteeren; hier is een koninklijk heiligdom, vreemde profeten worden hier toch niet bezoldigd.

Wat loon! wat eer! Ik behoor niet tot een bezoldigd profetengild zooals gü, maar ik heb de stem des Heeren vernomen achter de kudde en die drijft my? Hij zeide; „ga en profeteerquot; en gij zegt; „zwijg,quot; welnu hoor dan; omdat gy niet luisteren wilt en myn woord smoren, daarom zal eerst uw huis en daarna uw volk vergaan.

Was dat nyd van Amos, of was het niet het meest natuurlijk gevolg van Amazia's gedrag.

Wanneer de man, die 'tvolk moet waarschuwen dit nalaat en anderen verhindert dit te doen, dan is het verderf niet af te wenden. Zoo gingen ook de Farizeën zelf niet in en verhinderden anderen.

Den leeuw, die zeker ook wel op Amos zal afgezonden zi„n, als op den vroegeren profeet uit Juda, is Amos ontkomen eu zyn prediking heeft hy kunnen opschryven tot een waarschuwing en vertroosting voor ons. Want niet alleen bedreiging sprak hy tegen Bethel. Dan ware hy een profeet geweest als Bileam.

Neen, hy predikt bekeering en redding. De Heer zal het huis Jacobs niet ganschelyk verdelgen. De vervallen hut van David zal weder opgericht worden als van ouds, en waartoe? dan zal het Davidshuis bezitten het overblijfsel van Edom en alle heidenen die naar Jehova's naam genoemd worden.

De Heerlijkheid Gods over de gansche aarde, het oinduitzicht van alle profeten. Was dat in strijd met de hartstochtelijke liefde voor hun volk, of was het niet veeleer het geheim van de liefde, die hen den dood deed aanvaarden? Amos en Micha zwijgen beiden geheel van een eeredienst. De beelden en hoogten weg! dan recht doen. Gehoorzaamheid beter dan offeranden.

ocr page 53

41

HOSEA.

Insgelijks onder Jerobeams regeering ontving Hosea, één zijner onderdanen, don last als profeet onder z\jn volk op te treden. Maar hy, een ganscli ander man dan Amos, vernam de stem des Heeren op gansch andere wyze. Waren de gelyktydige gebeurtenissen Amos tot gezichten geworden, Hosea verstaat de stem Gods tot zyn volk in zijn eigen lijdensgeschiedenis en dit verschil drukt een eigen stempel op ieders profetie. Zijn veroordeeling van de profeten (Hos. IV. 5) wijst aan dat hij alleen stond, evenals Amos. Hoe werd hy dan profeet? Hij zelf verhaalt het ons in een paar trekken, die in verband met de in zijn rol gebruikte beelden zich laten saamvoegen tot een roerende geschiedenis van huiselijk leed, gedragen met een eindeloos geduld, de vrucht van innige liefde.

Hy licht slechts even den sluier op van de ellende, waardoor zijn huis geschandvlekt werd, om ons te doen zien hoe hij profeet werd.

De Heer zeide tot Hosea; ga heen en neem u eene vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen — en hij ging en nam G-omer, de dochter van Diblaim en zij werd zwanger en baarde hem een zoon.

Meent men, dat die Gomer, de dochter van Diblaim. een slechte vrouw was, toen Hosea haar nam, dan vervalt de gansche be-teekenis van de profetie. Gods liefde tot Israël onder het beeld van Hosea's liefde tot Gomer zou dan een vrij dubbelzinnigen indruk maken en een onzedelijke komedie zou het doek zijn, waarop de Heer zijn openbaring borduurde. Neen Hosea had Gomer lief en wellicht was zijn eerste zoon Jesreël een echte. Daarop volgt zijn dochter Lo Ruchama, die even als haar broeder een naam ontvangt, welke toont hoe diep des profeten gemoed met het lot van zijn volk vervuld werd.

In den naam Lo Ammi, d. i. Gij zjjt mijn volk niet, hoorenwij reeds een smartkreet; ziedaar stellig een kind der hoererij. Zijn Gomer was hem ontrouw. Zou hij haar verstoeten en haar zoon verdrijven? Maar hij had haar lief, hoe kon hij haar opgeven, hoe kon hij haar verderven?

Is die trouw niet overdreven? Neen, zegt Hosea, de Heer zeide tot mij: neem die vrouw, die kinderen; mijn lot hoe zwaar ook, is mij door den Heer beschikt, opdat ik tot profeet zou worden

ocr page 54

42

en zijn barmhartigheid on zijn liefde tot zijn volk in mijn eigen lot verstaan. Doch Gomer werd door die liefde niet van haar weg afgekeerd.

Haar schande is bedekt, haar kinderen zijn door Hosea aangenomen (Hos. I. 12) doch zij volgt hare boelen, zinkt hoe langer hoe dieper langs een weg, waarover de profeet een sluier hangt, en eindelijk is de laagste soort van slavernij haar lot. Nog altijd heeft Hosea Gomer lief. En de Heer zeide wederom tot mij: ga heen en bemin eene vrouw, die bemind werd van haren vriend en overspel bedreef. Had Hosea dan zulk een dwaas begrip van liefde, dat hij op bevel iemand, die verachtelijk was kon lief hebben.

Neen (Hos. XIV. 5) omgekeerd, hij verstaat in den liefhebbenden drang van zijn gemoed Gods bevel: Hij volgt haar spoor, koopt haar vry voor 15 sikkelen zilvers en li gomer gerst, brengt haar terug, bewaart haar in zijn huis met aandoenlijke teederheid voor verzoeking, spreekt naar haar hart, opdat zij hare vernedering niet meer gedachtig zij. Hoop, nog altyd de hoop der liefde. Heeft Hosea's roerend trouw gedrag nog eindelijk iets, dat zweemde naar de beurtzangen, als ten tyde harer jeugd, op de lippen der diep gezonken Gomer ge.oracht, toen hij zich na don bij de wet vastgestelden tijd (Ex. 20) op nieuw met haar verloofd had? Men zou het wel denken, als men al zijn beelden trouw volgt; doch zijn doel was niet om zijn treurig lot to schetsen, maar ons hot kloppen van Gods hart te doen verstaan, zooals hij het onder die leiding had geleerd.

Gomer het beeld van Israël. God had Israël lief : maar het volk had geen kennis om dit te erkennen. En had Amos vanuitJuda in de tien stammen belang gesteld, ook Hosea kan Juda niet vergeten. Als Israël wil hoereeren, laat dan toch Juda niet schuldig worden. Voor de profeten is het Godsvolk, hoe gedeeld ook, één.

De oordeelen komen, zijn reeds daar! laat ons wederkeeren tot den Heer. Maar neen, Israël hoort niet. Geheele ondergang dus? neen. Ik zal hun afkeering genezen, ik zal ze vrijwillig lief hebben, want mijn toorn is van hen geweken. Zij zullen weerkeeren, Israël zal weer bloeien als de lelie en dan zal Efraim zeggen: wat heb ik meer met afgoden te doen.

Is Hosea niet een held als Amos, die zijn leven in de waagschaal stelt voor zijn volk, hij aanvaardt zijn lot en erkent daarin Gods liefde en kan nu eveneens optreden met een woord van gezag. Zei Amos God is uw Schepper, gij behoort hem te gehoorzamen; Hosea zei: De Heer heeft u eerst liefgehad, beantwoordt dio liefde tot uw eigen hei).

ocr page 55

43

JOEL.

Een sprinkhanenplaag is er geweest, kan dan een profeet nalaten te vragen: wat beteekent dat teeken ? En waar zal hy het antwoord vinden anders dan in de geschiedenis. Joëls blik wordt gewend naar de Egyptische plaag en even als Micha, wijst hij ons op de door hem herkende geschiedenis heen door een toespeling (Joël 1,2).

Wat beteekende die plaag in Egypte? Oordeel over de goden van Egypte.

Wat volgde er op, verlichting? noen duisternis, dikke duisternis, die over Egypte bleef; maar die duisternis was de wolkkolom, die Israël uit Egypte leidde. Zoo hebben we weder in dat beeld den grondslag van Joëls rijke opbeurende profetie. Een man die ondanks al wat neerdrukt met onwrikbaar geloof blijft staren op de schuldvergeving, zijn laatste woord, en daarom door aide duisternis heen de nadering van het licht weet te schetsen in al de fazen van zijn verschijning. Vastheid, moed, geloof, dat is do doorgaande toon van zijn boek.

Beschrijft hij eerst by de vermelding der plaag de sprinkhanen als krijgers, die plaag is de bedreiging van het oordeel dat volgen zal: de duisternis, de komst der Assyriërs, wier benden hij nu als sprinkhanen schildert. Weet Israël dat die duisternis komen zal, dan moeten zij zich bekeeren, een vasten uitroepen, dan moeten de priesters, 's Heeren dienaars, bidden, dan zal de Heer hooren en zijn volk troosten met de profetie van den ondergang van 't geweld, van dien van 't noorden, en met de verzekering van Sions herstel. En wanneer die hoop is opgewekt zal de Heer zijn Geest uitstorten en - dan zal Assyrië te niet gedaan worden? neen, dan zal het oordeel komen, de dag des Heeren, de verwoesting; maar dan zal die verwoesting niet schrik zijn, maar wonderteeke-nen in den hemel en op aarde; want dan zal ieder, die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig worden. Vóór de bekeering is het oordeel schrik: vuur vóór en vlam achter het leger, zon en maan zwart, sterren van glans beroofd; maar na de bekeering, na de gewisheid der schuldvergeving, na de uitstorting van den Geest, als het werkelijk komt: wonderteekenen, bloed en vuur en rook-pilaren. Want zie, do schrik is voor de vijanden van Jehova; de ontkoming voor de gereinigde Sionskinderen.

Wanneer ge dan deze dingen zult zien, zegt do Heer, heft uwe oogen omhoog, want dau is uwe verlossing nabij, en toen Petrus de krachten van het Pinksterfeest verklaren moest, wees hy op

ocr page 56

44

Joël, om er b\j te voegen: dat bloed, dat vuur komt spoedig als de Romeinen opdagen, maar bekeert u, dan zullen die nooden wonder-teekenen z\jn. Zoo was het in Joëls tijd, in Petrus' tjjd, zoo zal het ook in onzen tyd zyn. Er is nog geen ander uitzicht voorde gemeente dan de nacht, waarin haar verlossing komt, namelijk de verschijning des Heeren, de belofte des nieuwen verbonds.

Maar nog verder reikt Joëls blik. Nadat de Heer weer op Sion troont zal nog eenmaal de tegenstand ontwaken van hen, die zich geveinsdelijk onderwierpen. Ook die profetie leest Joël in het verleden en neemt Johannes in zijn Openbaring over. Ook Johannes ziet evenals Joël en Micha de openbaring achter zich en hij keert zich om, om te zien de stem die tot hem sprak, zooals al de profeten. Als wij Gods stem willen verstaan, moeten wij terug zien; achter ons, in onze geschiedenis klinkt die stem.

OBADJA.

De Edomieten, die lastige, kwaadwillige buren worden verdreven; hun huis wordt woest gelaten; gelukkige verademing voor Israël! — Zóó zien wy do dingen gewoonlijk, als we geen profeten zijn.

Zou Jakob, nadat hij aan Ezau's hals had geweend in de blijdschap van 't weerzien van een broeder, die hem niet meer van listig bedrog verdacht, zich verblijd hebben over Ezau's ondergang, als hem die verkondigd was?

En was in Obadja's tijd nog altijd Edom niet Israëls broeder? Ach, waarom had Edom zich dan niet broederlijker gedragen? Waarom hebben zij Israël niet bijgesprongen toen uitlanders Israëls heir gevangen voerden; waarom hebben zij zich toen verblijd over Israëls benauwdheid. Och, dat hadden zij niet moeten doen; de dag des Heeren is immers nabij over alle heidenen; nu zal Edom, Israëls broeder, het lot der heidenen deelen. Nu is het niet meer te keeren. En is er voor Israël na de gevangenschap hoop op terugkeer, zulk een hoop bestaat er voor Edom niet. De staat van Edom is op roof gebouwd. Hun woning was op kale rotsen, waar ze hun geroofde schatten in de steden hadden opgehoopt; als die aan de verwoesting waren bloot gegeven zou er later wel nooit de begeerte opkomen om daar een nieuwe woonplaats te vestigen. De grond van Edoms leven: roof, geweld, was niet eeuwig. Wanneer zij eenmaal in een andere vruchtbare streek zijn overgevoerd, kunnen zij nooit weer heimwee gevoelen naar hun rotsen, waar hun schatten uit weggevoerd zyn. Maar Israël,

ocr page 57

45

dat in een vruchtbaar land woont, vloeiende van melk en honig, Israël, dat zich van arbeid voedt, zal altijd weer verlangen naar het land met zyn liefelyke herinneringen en als de Heer welbehagen aan hen heeft, zullen ze blijde terugkeeren.

Dat moet Jakob weten, opdat hy zich spiegele aan Edom en zich voor geweld wachte; dat moet Edom herinnerd worden, opdat het in zijn ondergang tot Jakob uitzie om verlossing, want ook voor Edom is die bereid, maar op Sion. Daar zullen Heilanden opkomen, om rechters te zijn over Ezau's gebergte en een toevlucht te zün voor hen die 't geweld opgeven, want niet over de Edomie-ten, maar over het geweld gaat het oordeel; ook over Jakob, zoolang het den Edomietenaard heeft. quot;Wanneer Jeremia de profetie van Obadja in zijn boek. overneemt, dan wijst hij dit duidelyk aan door een kleine tusschenvoeging: „Laat uwe weezen achter: ik zal ze in het leven behouden; en laat uwe weduwen op my betrouwen.quot; Het koninkrijk zal des Heeren zyn, als het geweld is weggedaan.

Een vloek over Edom, een scherpen vloek spreekt Obadja uit, dien hij reeds aanvankelijk heeft zien uitvoeren; hy wyt dien aan Edoms gebrek aan broederzin; zou hij, de profeet, dan niet geroerd zijn over het lot van Edom, zijn broeder, zou dan bij hem den broederzin gemist worden? Een profeet vloekt het geweld zijns broeders met bewogen stem en wijst de ontkoming op Sion aan. Zou er nog heden geen behoefte zijn aan zulke strenge, teedere, hoopvolle profeten.

JONA.

Niet zoo Jona, de profeet togen wil en dank; hij, het beeld van den geest van het zinnelijk Israël in zijn verhouding tot de heidenen.

Geen prediking aan Nineve. Zij mochten zich eens bekeeren en hun oordeel ontgaan. De heerlijkheid Gods moet de heerlijkheid van Israël blijven, niet de gansche aarde vervullen. Het woord van zulk een profeet zou geen indruk kunnen maken, als hij niet zelf eerst den dood was ingebracht en uit den buik des grafs verlangd had naar den tempel van Gods heiligheid. Het verlangen daarnaar is de kracht van des profeten woord en zelfs als wy die heiligheid en de zegeningen daarvan liefst voor ons eigen volk en huis houden, is de prediking nog ten zegen; den profeet echter niet tot vreugde. Zulk een profeet ziet niet den hemel geopend.

ocr page 58

44

Jool, om er bij te voegen: dat Woed, dat vuur komt spoedig als de Romeinen opdagen, maar bekeert u, dan zullen die nooden wonder-teekenen zyn. Zoo was het in Joëls tijd, in Petrus' tijd, zoo zal het ook in onzen tijd zyn. Er is nog geen ander uitzicht voorde gemeente dan de nacht, waarin haar verlossing komt, namelijk de verschijning des Heeren, de belofte des nieuwen verbonds.

Maar nog verder reikt Joëls blik. Nadat de Heer weer op Sion troont zal nog eenmaal de tegenstand ontwaken van hen, die zich geveinsdelijk onderwierpen. Ook die profetie leest Joel in het verleden en neemt Johannes in zyn Openbaring over. Ook Johannes ziet evenals Joel en Micha de openbaring achter zich en hij keert zich om, om te zien de stem die tot hem sprak, zooals al de profeten. Als wij Gods stem willen verstaan, moeten wij terug zien; achter ons, in onze geschiedenis klinkt die stem.

OBADJA.

De Edomieten, die lastige, kwaadwillige buren worden verdreven; hun huis wordt woest gelaten; gelukkige verademing voor Israël! — Zóó zien wij de dingen gewoonlijk, als we geen profeten sijn.

Zou Jakob, nadat hij aan Ezau'shals had geweend in de blijdschap van 't weerzien van een broeder, die hem niet meer van listig bedrog verdacht, zich verblijd hebben over Ezau's ondergang, als hem die verkondigd was?

En was in Obadja's tijd nog altijd Edom niet Israels broeder? Ach, waarom had Edom zich dan niet broederlijker gedragen? Waarom hebben zij Israël niet bijgesprongen toen uitlanders Israels heir gevangen voerden; waarom hebben zij zich toen verblijd over Israëls benauwdheid. Och, dat hadden zij niet moeten doen; de dag des Heeren is immers nabij over alle heidenen; nu zal Edom, Israëls broeder, het lot der heidenen deelen. Nu is het niet meer te keeren. En is er voor Israël na de gevangenschap hoop op terugkeer, zulk een hoop bestaat er voor Edom niet. De staat, van Edom is op roof gebouwd. Hun woning was op kale rotsen, waar ze hun geroofde schatten in de steden hadden opgehoopt; als die aan de verwoesting waren bloot gegeven zou er later wel nooit de begeerte opkomen om daar een nieuwe woonplaats te vestigen. De grond van Edoms leven: roof, geweld, was niet eeuwig. Wanneer zij eenmaal in een andere vruchtbare streek zijn overgevoerd, kunnen zij nooit weer heimwee gevoelen naar hun rotsen, waar hun schatten uit weggevoerd zijn. Maar Israël,

ocr page 59

45

dat in een vruchtbaar land woont, vloeiende van melk en honig, Israël, dat zich van arbeid voedt, zal altijd weer verlangen naar het land met zyn liefelijke herinneringen en als do Heer welbehagen aan hen heeft, zullen ze blyde terugkeeren.

Dat moet Jakob weten, opdat hy zich spiegele aan Edom en zich voor geweld wachte; dat moet Edom herinnerd worden, opdat het in zyn ondergang tot Jakob uitzie om verlossing, want ook voor Edom is die bereid, maar op Sion. Daar zullen Heilanden opkomen, om rechters te zijn over Ezau's gebergte en een toevlucht te zjjn voor hen die 't geweld opgeven, want niet over de Edomie-ten, maar over het gewold gaat het oordeel; ook over Jakob, zoolang het den Edomietenaard heeft. Wanneer Jeremia de profetie van Obadja in zijn boek overneemt, dan wijst hij dit duidelijk aan door een kleine tusschenvoeging; „Laat uwe weezen achter: ik zal ze in het leven behouden; en laat uwe weduwen op mij betrouwen.quot; Het koninkrijk zal des Hoeren zyn, als het geweld is weggedaan.

Een vloek over Edom, een scherpen vloek spreekt Obadja uit, dien hij reeds aanvankelijk heeft zien uitvoeren; hy wyt dien aan Edoms gebrek aan broederzin; zou hy, de profeet, dan niet geroerd zijn over het lot van Edom, zyn broeder, zou dan by hem den broederzin gemist worden? Een profeet vloekt het geweld zijns broeders met bewogen stem en wyst de ontkoming op Sion aan. Zou er nog heden geen behoefte zijn aan zulke strenge, teedore, hoopvolle profeten.

JONA.

Niet zoo Jona, de profeet togen wil en dank; hij, het beeld van den geest van het zinnelijk Israël in zijn verhouding tot de heidenen.

Geen prediking aan Nineve. Zij mochten zich eens bekeeren en hun oordeel ontgaan. De heerlijkheid Gods moet de heerlijkheid van Israël blyven, niet de gansche aarde vervullen. Het woord van zulk een profeet zou geen indruk kunnen maken, als hij niet zelf eerst den dood was ingebracht en uit den buik des grafs verlangd had naar den tempel van Gods heiligheid. Het verlangen daarnaar is de kracht van des profeten woord en zelfs als wjj die heiligheid en de zegeningen daarvan liefst voor ons eigen volk en huis houden, is de prediking nog ten zegen; den profeet echter niet tot vreugde. Zulk een profeet ziet niet den hemel geopend.

ocr page 60

46

NAHUM.

Al weder de prediking van Henoch; do Heer komt om wrake te doen.

De Assyrlërs hadden Israël weggevoerd en Sanherib had zelfs Jerusalem benauwd; wel was er dus een Nahum, een vertrooster, noodig, die van verre op de bergen reeds de voeten zag dergenen, die het goede boodschapten, die „vredequot; deden hooren, die Jerusalem zouden opwekken om weder feest te vieren, omdat het niet meer verdrukt zou worden.

En welke andere boodschap zouden die boden brengen, dan dat de Heer wrake gedaan had over de Assyrlërs; en welke wrake? die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

Als Israël verstoord wordt door Assyrië, dan treedt er een Nahum, een vertrooster, op, maar wie zal medeltjden hebben als Ninevé verwoest wordt; waar zal men troosters zoeken? Zoo ging het immers ook nu. Zoo moet het immers altijd gaan; er is geen saamtrekking, geen heeling voor de wonden des geweldenaars. Geweld doet geweld geboren worden. Geweld is een bevallige hoer, een meesteres der tooverjjen, die met hai'e hoererijen volkeren verkoopt en geslachten met hare tooveryen. Wien is liet geweld niet aantrekkelijker dan het kruis? Wie kiest niet Barabbas boven Jezus?

Maar als geweld weer door geweld te niet gedaan wordt dan komt er immers nimmer een einde aan het geweld?1) Toen Abraham den geweldenaar Kedorlaomer verslagen had en zich

1

Nahum leel'de ongeveer 7 eeuwen voor Christus. Anderhalve eeuw later schreef in Griekenland de beroemde dichter Escliylos een treurspel, waarin hij een dochter, Electra om wraak laat bidden over den moordenaar van Agamemnon, haar vader. Hij laat haar o. a. dit zeggen : //Laat aan de vijanden ginds verschijnen hem, die u wreeken zal, O, vader! de bijl keere zich o\gt; de moordenaars; dat is de kern van mijn lijkzang.

Maar terwijl ik zoo over moord kiauy. smeek ik om moord\ Gij dan o Goden! zendt ons de hulp van al wat goed is.quot;

Waarlijk de heidenen hebben getast , of zij God ook vinden mochten en God heeft ook aan Griekenland de hulp van 't goede gezonden. Had Eschylos Nahum gekend, het raadsel van de wraak ware ook voor hem opgelost.

ocr page 61

47

niet, zooals gebruikelijk was, den roof had toegeeigend, maar zelfs daarvan niets had willen nomen, trad Melchisedek, de koning des vredes, hem te gemoet om hem te zegenen. Dat was het einde van 't geweld; den geweldenaar uitroeien, maar den roof niet nemen. Dat moest voortaan de grondslag van Israël worden. Saul verstaat het niet; hij vliegt tot den roof. David verstaat het, hij verslaat Goliath, maar eigent zich diens wapenrusting niet toe; die legt hij in Goliaths tent. Dat verstond Israël, het godsvolk in zijn laatsten nood onder Esther (vergelijk Joël III). Zij sloegen de vijanden, de vrienden van Haman, den Amalekiet, maar sloegen hun handen niet aan den roof.

Zoolang echter de jonge leeuwen nog aanwezig zijn, blijft het geweld, al is de oude leeuw versroord. Maar de vertrooster. Nahum, verzekert het: de boden doen „vredequot; hooren, want de Heer zal de jonge leeuwen verteeren, den roof uitroeien, de geweldenaars zullen niet meer genoemd worden.

En ziet Nahum terug op het beroofde en gekrenkte Juda, wel dat heeft gewonnen; de Heer heeft de hovaardij Jakobsafgewend, gelijk de hovaardij Israels. Daarvoor heeft het geweld gediend. Want de Heer is een wreker, maar lankmoedig; Hij vermorzelt rotssteenen maar Hij is goed, ten sterkte in den dag der benauwdheid en Hij kent degenen die op Hem vertrouwen.

Wie dichterlijke schoonheid zoekt kan ze bij Nahum vinden. Eiken toon weet hij aan te slaan; men hoort in zijn gedicht het kletteren der wapenen, het bolderen der strijdwagens, het angstgeschreeuw der vluchtenden en de duivenstem der klagende hofdames, begeleid met het trommelen op hunne harten. Zijn troostwoorden zijn geen eentonige frazen, maar boeiende beschrijvingen, die de verbeelding bezig houden, terwijl zij het hart treffen. Zoo de profeet, die „Vertroosterquot; heet.

ZEFANJA.

Was Israël ten zegen voor de volken?

In het huis der koningen was bedrog en geweld. Amon, de vorst, was door zijn hovelingen doodgeslagen. Filistijnen deden dienst in den tempel, terwijl men de priesterkleeding van alle vreemde goden daarbij kon opmerken.

Josia had een hervorming tot stand gebracht; het wetboek was gevonden; een tijdelijke voorspoed en uitwendige onderwerping aan de wet had eenige hoop op de toekomstige grootheid in Israël

ocr page 62

48

gegeven, maar de slag b\j Megiddo, waar Josia sneuvelde én de gevolgen daarvan hadden den moed op uitwendigen bloei don bodem ingeslagen en men was algemeen tot al de heidensche gebruiken terug gekeerd.

In dien tijd schijnt Zefanja geschreven te hebben. Hij spreekt van terugkeeren van achter den Heer; van hen die zeggen, de Heer doet geen goed en ook geen kwaad, alles is toeval.

Was Israël ten zegen voor de Heidenen? Leerden zy hen den Rechtvaardigen Heer, die in het midden van hen was, kennen?

De heidenen waren trotsch, zoo was ook Israël en dat zelfs op den heiligen berg, omdat zij meenden daardoor beveiligd te worden, schoon zy den Heer verlieten.

Eén oordeel dus over Mooren, Assyriërs en de bevlekte stad Jerusalem. Maar eerst over Jerusalem, want de rechtvaardige Heer in haar midden is ook barmhartig over de Heidenen. Hy zal hen verzamelen tegen Jerusalem en Hij zal het gansche land door het vuur zijns yvers verteeren en dan zal Hij tot de volken eene „reine sprakequot; wenden, opdat zy allen den naam des Heeren aanroepen.

Als de heidenen zien, dat God het onrecht in zijn volk niet spaart, maar op de zachtmoedigen let; dat hij alleen overlaat in het land een arm en ellendig volk, dat op Hem betrouwt, dan zullen zy den naam van Jehova duidelijk verstaan, dan zullen zy naar hem vragen; dan zullen zy het onderscheid zien tusschen hun goden en Jehova, die barmhartig is. Het oordeel over Israël, Gods barmhartigheid over de Heidenen, dat is een nieuw oogpunt't welk den ziener geopenbaard wordt, als hy den zin der dingen die hy ziet gebeuren naspeurt.

Toch is Sion niet verworpen; voor de heidenen geldt het woord van Paulus (Rom. XI, 21): Weest niet hooggevoelende maar vreest ; want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hy mogelijk ook u niet spare.

Zing vroolijk dochter Slons, maar ook Israël, want ook Israël zal verzameld worden en God zal hen zetten tot een naam en tot een lof onder alle volkeren der aarde.

En heeft Zefanja ons niets meer te zeggen? Hoort de wereld nu in de gemeente die „reine sprakequot; waardoor allen gedrongen worden den naam des Heeren aan te roepen? Wordt nu geen Zacheus meer verhinderd den Heer te zien, door „de schare, die Jezus volgtquot;? Moet voor de redding der wereld het oorceel ook nu niet gaan over de gemeente? Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gy verborgen worden, spreekt Zefanja.

ocr page 63

49

HABAKÜK.

Een profeet, die in den grootsten nood niet slechts berust, maar ondanks dien nood zicli verheugt in den God zijns heils.

Aan zulk een profeet, die dat wil leeren, zal iedere tijd wel behoefte hebben. Hij ziet ongerechtigheid, verwoesting en geweld. „Geweld!quot; roept hij en verwacht dat op dien kreet de Heer het 'zal keeren, doch te vergeefs ! het geweld neemt toe, de verdrukking der vijanden, zoowel als het onrecht plegen van zijn volk.

Het wordt hem duidelijk, die vijanden zijn tot een oordeel over Israels boosheid, want God is te rein dan dat hij het kwaad zou aanschouwen; het oordeel is daar, opdat Israël niet zou sterven.

Maar moet dat oordeel dan zoo lang duren?

Het antwoord dat de Heer op die vraag zal geven — 't kan niet anders — zal ook een bestraffing voor den vrager behelzen. Hij gaat in het heiligdom en daar verstaat hij het antwoord. Een einde zal er aan komen, maar nog lang niet ; het volk is door de oor-deelen nog niet geheiligd.

En hoe zal de rechtvaardige dien tüd van nood doormaken? Hij zal op den Heer wachten en door zijn geloof leven. En mocht het waarom? en het hoelang? weer luide in de ziel worden: de Heer is in zijn heiligen Tempel, Hij regeert; voor z\jn aangezicht behoort de gansche wereld te zwijgen.

In nood zijn, onrecht zien en dulden en dan zwijgen voor Gods aangezicht en leven door het geloof, dit alles is moeielijk; ook hij heeft gevreesd, maar hij heeft gedaan wat al de profeten deden, hij ziet achter zich, om te zien wat de stem der geschiedenis tot hem zegt. Die spreekt van velerlei nood, maar die nood was de openbaring van de macht van Israels God, van zijn God. Pestilentie, vuur, aardbevingen; zee en rivier werden gekliefd, zon en maan stonden stil, de vijanden van Israël werden gedorscht. Zoo zal het ook met de tegenwoordige verdrukkers gaan. Het moge lang duren, als de groote benauwdheid komt zal hij rusten: Daarom al bloeit ook geen vijgeboom, al geeft de wijnstok geen vrucht, al bedriegt de olijfboom en geeft het veld geen spijze, al zijn de stallen van vee ontledigd, hij zal — niet berusten, neen, opspringen in den God zijns heils, want de Heer Jehova is zijn sterkte.

4

ocr page 64

50

JEREMIA.

Wel mocht Zefanja den raad geven: Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid; hij zag in zijn tijdgenoot Jeremia welk een kracht daarin lag.

De lijdende knecht des Heeren, het beeld van wat Israël had moeten zyn onder de volken, dat was Jeremia onder Israël. Van geen profeet is de geschiedenis een lijdensgeschiedenis, zoo volkomen na te gaan van zijn jeugd tot op hoogen leeftijd.

Toen in z\jn jeugd het wetboek was gevonden, werd hij door den Heer de steden van Juda rond gezonden met die prediking en die prediking heeft hij nimmer opgegeven. Maar was ei' al een hervorming gekomen, tien jaren later, onder Josia's opvolger, moest hij klagen: Gij hebt naar mij niet gehoord, zegt de Heer. Het oordeel kan dus niet afgewend worden en nu bemoeit hij zich om op allerlei wijzen de aandacht van het volk bü dat oordeel te bepalen; dan eens door een gordel te doen verrotten in een rotsspleet bij den Frath, dan door een kruik stuk te slaan voor 't af.ngezicht dei-oudsten, dan door een juk te dragen, terwijl hij die handelingen vergezeld doet gaan van een prediking, die wel zeker het hart der hoorders getroffen heeft. Van waar anders het bestendig doodsgevaar waarin hij verkeerde.

Dat hij Zedekia den raad gaf zich aan den koning Nebukadnezar te onderwerpen was natuurlijk, hij zoekt gerechtigheid. Zedekia had zich met een eed tot gehoorzaamheid aan Nebukadnezar verbonden. Jeremia's tegenstanders waren dus meineedigen. Vandaar het verschil tusschen zijn raad en dien van Jesaja.

Slechts eenmaal wordt hij door het volk en de oudsten gered, terwijl Jojakim den profeet Uria, die insgelijks tegen don Tempel gesproken had en voor zijn toorn naar Egypte gevloden was, van daar liet halen en dooden. Zelfs de mannen van zijn stad Ana-thoth zochten zijne ziel.

Hij wordt beschuldigd van een poging tot den vijand over te loopen en in een afschuwelijke cel geworpen. Eindelijk zou hü in een modderigen kuil zijn omgekomen, zoo niet een kamerling hem met weeke, vrouwelijke teederheid daaruit verlost had.

Een kamerling, een gesnedene, die door verminking buiten zijn schuld verweekelijkt is en door zijn vrouwenstem en gemis van baard ieders spot is, ontvangt daardoor een belofte en een vertroosting welke nog heden ieder, die liet slachtoffer is van menschelijke

ocr page 65

51

gruwzaamheid zijn weg mot blijdschap kan doen gaan (zie ook Jes. 56:4).

Toen de stad was ingenomen werd de vreesachtige, pijnschuwe maar barmhartige man, naar 's Heeren belofte, zeker op voorspraak van Jeremia, voor leed bewaard.

Is Jeremia soms diep terneergeslagen, zoodat hij als Job zyn geboorteuur vloekt, het geloof om de toekomst van Israël verliest hij niet. Als Nebukadnezar met zijn benden de stad nadert en hijzelf gevangen zit, omdat hij de inneming van de stad als stellig aankondigde, dan komt zijn oom en biedt hem een akker te Anathoth te koop aan, waarop Jeremia het recht tot lossing heeft. Die oom heeft liever geld in de band dan een akker, in een land dat staat ingenomen te worden. Ieder zou hem gelijk geven, en zeker was Jeremia, die op den koop inging, in zijn oog een onnoozele. Maar Jeremia sluit den koop onder getuigen; die akker moet in zijn geslacht blijven — hijzelf was ongehuwd — want Israël zou wederkeeren, het land zou weer bebouwd worden; de oorkonden van dien koop moesten in een aarden vat bewaard blijven.

De vijandelijke koning Nebukadnezar eerst slaakte zijn ketenen en gaf hem de keuze aan zijn hof te komen, of elders heen te gaan zooals hij wenschen zou, en hij koos de verdrukking van 't arme, achterblijvende volk te deelen.

Maar dat volk slaat ook toen zijn raad in den wind en vlucht naar Egypte. Ook daarheen volgt hen Jeremia, wijdt nu zijn aandacht aan de gebeurtenissen in dat land en voorspelt deszelfs ondergang door Nebukadnezar.

Hij spreekt tegen Moab en tegen Ammon, aan Israël verwante stammen, maar eindigt met de belofte dat beider gevangenschap zal gewend worden in het laatst der dagen; ook de weezen en weduwen van Edom zullen ontkomen, alleen Babel, het geweld, dat zal voor goed ondergaan. Babels holden zullen een eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, maar de Heer zal Israël weer tot zijn woning brengen. Israels ongerechtigheid zal gezocht worden, maar zij zal er niet zijn en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden, want ik zal ze dengenen vergeven, die ik zal doen overblijven.

En heeft Jeremia dan voor Edom en Moab nog vertroosting, maar alleen voor Babel, dat hem nog wel zoo goedwillig behandelt, niets dan vloek?

Geen prediker der gerechtigheid, die geen ark aanwijst, al is het ook tegen hope. Het medelijden van Jeremia houdt zich ook

4*

ocr page 66

52

met Babel bezig. Hij heeft al de rampen, die Babel zullen treffen, in een boek gesohreven en nu kiest hij een vreedzaam man uit onder de vorsten, die weggevoerd worden, Seraja de hoofdpriester, die moet, als hij in Babel komt, al die woorden lezen. En als de hoorders dan, als de Ninevieten weleer, schrikken voor die prediking, dan moet hij den indruk bevestigen door een symbolische handeling. Hij zal een steen aan het boek binden en het in de Frath werpen met de woorden: „Zoo zal Babel zinken.quot;

Zoover drijft Jeremia zijn zorg, dat hij de preek maakt en de gebaren er bij voorschrijft. quot;Wie, dan een profeet, kon ook zulk een handeling uitdenken. Die plons in het water zal zeker menig hoorder een rilling door de leden hebben gejaagd bjj de gedachte: dat lot is de stad waard, die zulke vreedzame mannen uit hun land rukt.

EZECHIËL.

quot;Wanneer het heiligdom ondergaat, wordt de trouwe priester profeet van een heerlijker eeredienst. Zoo ging het Samuel, zoo ook Ezechiël. Eeuwig priester is Hy alleen, die één offer brengt voor alle eeuwen, een priester zonder geslachtsrekening, als Melchisedek.

Ezechiël was een der ballingen van de eerste wegvoering. Hij bezocht zijn medegevangenen aan de rivier de Kebar en was zeven dagen verbaasd over de onreinheid, waaraan zij zich overgaven. Daar roept do Heer hem om te prediken en bindt die plicht zoo op zijn gemoed, dat hij zich doorgaande aansprakelijk gevoelt voor het verderf van hen, welke hij verzuimd zou hebben te waarschuwen. Gemakkelijk was dit niet. Soms moest hij in zijn huis blijven om banden te ontgaan en was hy een tijd lang tot zwygen genoodzaakt; maar zoodra hij weer vrij is, doet hij den mond weer open.

Zijn lotgenooten leven in de verwachting, dat zij spoedig weer naar Jerusalem zullen terugkeeren. Jeremia schrijft hun in een brief dat het achtergebleven volk zich niet bekeert, maar met hun ongerechtigheid voortgaat, dat er dus van terugkeer geen sprake is; dat veeleer gansch Juda naar Babel zal gevoerd worden. Zij beantwoorden dien brief mot de raadgeving aan de oudsten te Jerusalem Jeremia gevangen te zetten.

Onder dat volk is Ezechiëls boodschap: Jerusalem zal ingenomen, de tempel verwoest worden. Hij doet dit met teekenen en symbolen , waarvan sommige, bijv. het liggen op ééne zijde zeker doelen op mishandelingen, die hij voor de prediking moest ondergaan.

ocr page 67

53

Hy moest zijn brood met beving eten en zijn water met beroerdheid drinken.

„Hy profeteert van tyden die verre zyn,quot; van liet hiernamaals, zoo oordeelt Israël. Neen zogt Ezechiël: de ziel die zondigt zal sterven, die gerechtigheid doot zal leven; dat is voor heden.

Maar zyn woord kwam, en nu was datzelfde volk: moedeloos en kwam by hem om troost. Nu antwoordt hij hun klacht: „Wij zijn dorre doodsbeenderen,quot; met het heerlyke visioen, waarin hy ons op nieuw zegt, weik een kracht er in profeteeren steekt. Doodsbeenderen worden met vleesch bedekt, door profetie wordt de Geest opgeroepen.

En nu hy ziet, dat onder zijn volk werkelijk een vragen naar 's Heeren woord komt, krijgt hij visioenen van een nieuwen tempel, een tempel waaruit een stroom vloeit aan welks oever boomeu des levens ontspringen; een tempel, die een paradijs aan zyn voet doet ontstaan; van een rein land, niet voor Juda alleen, maar verdeeld onder de 12 stammen; van een heilige stad, wier naam zal zyn: de Heer is aldaar.

DANIËL.

Door onthouding van de onreinheid der heidenen, door de zucht het leven van heidensche wijzen te sparen, wordt hem zyn roeping, den koning in te lichten, bewust en in die roeping krijgt hyzelf licht omtrent de ontwikkeling van 't Godsrijk in de wereld, tegenover de pogingen der wereld om een koninkrijk te gronden.

De vier verschillende beginselen, die by die pogingen voorzitten ziet Nebukadnezar onder het beeld van 4 metalen, die saam een schoon, maar topzwaar beeld vormen, dat door een onaanzienlijken steen omvergeworpen en vergruisd wordt — zoo de schatting der wereld, aan Daniël zelf, als een afzichtelijke menagerie van gedrochten, geoordeeld door den Zoon des menschen — zoo de schatting des profeten.

De Heer geeft de koninkrijken dezer wereld ivien Hij toil, zegt de profeet.

„Neen,quot; zegt de Satan tot Christus: „kniel voor my neêr, ze zijn my overgegeven Ik geef ze wien Ik wil,quot; Et3n van beiden kan slechts gelyk hebben. Mot wien zijn wij het eens? Om liet met de profeten eens te zijn, moet men gelooven d. w. z: in zijn leven gezien hebben, dat God regeert; dat als men naar God vraagt, men altijd voorspoedig is.

ocr page 68

54

,,A1 wat hij doet zal welgelukkenquot; is volstrekt niet in strijd met: „In de wereld zult gij verdrukking hebben.quot; Al wat Paulus deed gelukte hem en toch had hij ruimschoots verdrukking.

De meest verspreide ook g. Christelijke theorie geeft tegenwoordig den Satan gelijk en maakt de profeten tot leugenaars. Wil men in de wereld voorspoedig zijn, zoo beweert men, dan moet men den Satan een beetje ter wille zijn. Van Godsvrucht, van kennis des Bijbels, heeft men meer last dan vrucht in zijn dagelijkschen arbeid. 1) De Bijbel profeteert van tijden die verre zijn, van den zaligen hemel!

Daarmee moet men de menschen wel paaien, evenals de heiden-sche dichter Pindarus, als men de aarde van den Hemel gescheiden heeft.

Komt men terug tot het woord des profeten; Do aarde en hare volheid — niet: behoorde eigenlijk te zijn — neen: is dos Heeren, dan heeft men weer den moed, alsHaggai, tijdelijken voorspoed te beloven bij het zoeken van het koninkrijk Gods en dan zullen do leeraars blinken als do glans dos uitspansels, die ieder zien kan.

HAGGAI.

Als een profeet een woord spreekt, komt er een werk tot stand; komt er door ons woord niets tot stand, dan is ons spreken niet profeteeren. De woorden van Zacharia en Haggai werden belichaamd in den voorspoedigon tempelbouw, (Esra IV, 14), schoon de eenige werkzaamheid, die van den laatsten in de schrift vermeld wordt, zich slechts over don tijd van vier maanden uitstrekt.

Vier maanden tot zijn volk spreken en als gevolg een tempel zien oprijzen, die eeuwen trotseert! Wat is profeteeren een heerlijke gave.

Haggai, waarschijnlijk een oud man, die den eersten tempel gezien had, is op de hoogte gebleven van de gebeurtenissen in het wereldrijk en besluit daaruit tot de roeping van Israël.

Darius, oen welwillend vorst, heoft den troon van Perzië bestegen. Hij zal don tempelbouw, voor 14 jaren door zijn voorganger gestoord, weer toelaten. Dat is Israels roeping, eon tempel bonwen voor den God der gansche aarde.

1

Oorzaak van de tlauwe belangstelling van 't algemeen in de clir. school.

ocr page 69

55

„Gij bouwt ieder uw eigen huis en laat het huis des Heeren woest liggen eu meent, voor dat huis is hot de tijd nog niet.

Ziet ge dan niet dat op uwen dagelijkschen arbeid geen zegen rust, dat gij geen voorspoed vindt.

Zal de droogte, waardoor uw land geleden heeft, geen teeken zijn, dat de Heer geen welgevallen aan u heeft.

Israël en Juda waren beiden door droogte gewaarschuwd, maar zij hadden niet geluisterd, douh nu hooren Zerubbabel en Jozua en al hot overblijfsel des volks wel naar Haggai en 24 dagen later is de bouw weer in vollen gang. Doch toen de ouden den grondslag van dezen nieuwen tempel vergeleken met den ouden, werden zij mismoedig en staakten nog eenmaal het werk. Wat! zegt Haggai, is deze tempel nietig in uwe oogen? hoor dan: de Heer komt, de aarde zal beven, de heidenen zullen komen om een toevlucht te zoeken in dit huis, zoo zal de heerlijkheid van dit laatste huis grooter wezen, dan die van het eerste. Het eerste huis was Salome's tempel voor den God van Israël. Dit is Israels tempel voor den God der gansche aarde. Op deze plaats zal ik vrede geven, spreekt de Heer. Doch zie toe bij het bouwen. Een onreine, die het heilige aanraakt, wordt daardoor niet rein, maar het heilige, dat door onreinen wordt aangeraakt, wordt wel onrein; dat is de wet des priesters.

Zorg dat uw drijfveeren bij het bouwen rein zijn, zoo zal uitwendige voorspoed uw werk kronen. De macht der heidenen zal vergaan, maar het huis van David zal in Zerubabel weer opgebouwd worden.

De belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens, zou daarin niet de kracht van Haggai's woord gelegen hebben, dat hij hun succes op hun dagelijksch werk voorspelde en niet slechts een zaligen hemel in de verte.

Profeteeren zou wel een gemakkelijk werk zijn, als we de profeten eerst na onzen dood konden controleeren.

ZACHARIA.

Hot waren zeker zij, die het meest gehecht waren aan Sion en aan de wet, welke met Zerubbabel do reis aanvaardden uit een land, waar zy zeventig jaren gewoond hadden, om zich naar eeu land te begeven, dat woest gelegen had.

ocr page 70

56

En moge er nog iets aantrekkelijks geweest zijn in 't vooruitzicht ruime akkers te kunnen in bezit nemen, zij die zich de puinhoopen van Jerusalem ter woon kozen boven Babel, waar zij tlians onder de Perzen vrij van druk zouden geweest zijn, hebben dit zeker wel gedaan, door verlangen naar den Heiligen tempel.

Maar den Tempel Gods bouwen, is kruis opnemen: zoo was het altijd. Menigmaal verslapte de moed en telkens verzon de tegenstander van het Godsvolk, de Satan, een andere hinderpaal.

„Rein moeten zijn zij, die den tempel bouwen, zeide Haggai, van waar halen wij dan den reinen Hoogepriester om er den dienst in waar te nemen? Deze Jozua heeft immers ook in Babel verkeerd en is op menigerlei wijze verontreinigd, en onrein was ook zyn geslacht vroeger in het land. Neen! al staat de tempel nu ook daar, een offerdienst is voor goed onmogelijk.quot; „Vrome, nauwgezette lieden!quot; zou men geneigd zijn te zeggen, maar Za-charia oordeelt anders. Neen de Satan, de vijand van Israël is het, die zoo spreken doet: en in een gezicht verheven en zinrijk herinnert hij aan zijn volk hot mysterie der schuldvergeving; de reiniging, niet door uitwendige offers, maar door de vrijspraak van Jehova.

Ja, de tempel zou geen reden van bestaan hebben te midden van een onrein volk met onreine priesters zonder de schuldvergeving. De schuldvergeving was dus niet het gevolg van de offers in den tempel gebracht — dat was de heidensche opvatting — maar de aanwezigheid van den tempel was het gevolg der schuldvergeving. Door dat gezicht geleid doet hy met een stouten sprong het woord hooren: Zoo spreekt de Heer, Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op éénen dag wegnemen. Evenals het woord Gods Jozua reinigt en vrijspreekt tegenover zijn aanklager, zoo zal het ook met het volk moeten gaan.

Was voortaan voor hen die Zacharia's woord hoorden het offer, dat in den tempel gebracht werd aan den God der gansche aarde, niet de voorafschaduwing van dat woord der vrijspraak, dat eenmaal over Israël zou gehoord worden.

MALEACHI.

Zoo was door Haggai de hoogo beteekenis van den tempel aan het volk ingeprent en door Zacharia den zin van hot ééne offer, Inplaats van de offerhanden op de hoogten, toegelicht. Was dan nu de geestelijke vorming van het volk voltooid?

ocr page 71

57

Spoedig was de dienst in den tempel een vorm geworden. De priesters waren van de wet afgeweken en deden velen struikelen.

De mannen verstieten de huisvrouwen hunner jeugd en namen vrouwen der vreemden, schoon vroeger reeds daartegen was opgekomen. Al weder verdrukking en onrecht als vóór de ballingschap. 'twelk zij verontschuldigden met dezelfde beweringen van vroeger; al wie kwaad doet is goed in de oogen des Heeren, er is geen verschil tusschen kwaad en goed; met een waarin heeft God ons liefgehad? hoe weten wij iets van Gods liefde?

In dien tijd treedt de laatste profeet des ouden verbonds op met een oordeel, maar eerst met een herinnering aan Gods liefde. Is het Gods liefde, die Israël terugbracht, terwijl het gebergte van Edom, de woning van Ezau zijn broeder, woest bleef.

Ik de Heer word niet veranderd, daarom zijnde kinderen Jakobs niet verteerd, maar daarom blyft dan ook in deze bedeeling do prediking dezelfde: de dag des Heeren komt, brandende als een oven. En als de boozen er op wyzen, dat er geen verschil te zien is tusschen hen die Jerusalems muren bouwden en hen, die hun eigen voordeel zochten, dan kunnen die bouwers antwoorden: Er is een gedenkboek voor Gods aangezicht, geschreven door Nehe-mia en dat ligt in den tempel. Hy zal hen verschoonen als zonen, als het oordeel komt.

En dat gedenkboek ligt nog altyd in Gods gemeente (Neh. VII); do namen dier bouwers kan ieder nog lezen, na meer dan 20 eeuwen, opdat wij er door zouden worden opgewekt tot naijver en tot de begeerte, dat ook onze namen op de vervolglijsten mogen geschreven worden.

En hoe wil Maleachi dat die dag zal worden afgewacht. Een Elia moet komen; bekeering; het hart der vaders moet tot de kinderen weder gebracht worden en dat van de kinderen tot de vaders.

Eenheid dus. Niet de ouden treuren als de kinderen juichen als in Haggai's tijd, maar één blijde verwachting van de Zon der gerechtigheid, met vreezo.

Einde.

ocr page 72

Naschrift.

Wanneer iemand deze schetsen na het doorbladeren teleurgesteld, of niet diepe afkeuring ter zijde mocht leggen, dan bedenke hij toch, dat de schrijver genoopt is ze op te stellen, alleen door de begeerte, tot het onderzoek der profeten op te wekken. Er was voor hem geen andere weg, dan te toonen wat ze voor hem zyn.

Mocht er nu een Samuel opstaan, die ernstiger naar cle stem des Heeren geluisterd heeft dan hij, en op een betere wijze de gemeente kan opwekken naar de profeten te luisteren, dan zal de schrijver met vreugde zijn eigen arbeid tot een aanfluiting zien maken.

Dan moot echter de kwestie niet loopen over de vraag of de priesters rauw of gekookt vleesch, vet of mager mogen nemen, of zy een krauwel mogen gebruiken of niet, maar alleen over de Astaroths die moeten weggeworpen worden.

ocr page 73
ocr page 74
ocr page 75
ocr page 76

GU