-ocr page 1-
-ocr page 2-

A. qu. 200

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

BIJDRAGE TOT DE TOELICHTING VAN ARTIKEL 238 GEMEENTEWET,

-ocr page 6-
-ocr page 7-

BIJDRAGE TOT DE TOELICHTING

VAN

ARTIKEL 238 GEMEENTEWET.

IPiROIEFSOIEÏIRIIPT

TBII VEUKIUJGlNr. VAN ÜK.\ GIIAAD VAN

pocTQR in de Staatswetenschap

AAN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE LEIDEN

OP GEZAG VAN DEN KECTOK MAGNIFICLTS,

rgt;i-. c. it. ii o ir f m a. rsr ix,

HOOGLEEKAAK IN DE FACULTEIT DEK WIS- EX NATUURKUNDE,

VOOR DE FACULTEIT TE VERDEDIGEN op Vrijdag 21 November 1890, des namiddags ten 2 ure.

DOOK

(OMELIS GERA1IDUS T HOOFT,

GEBOREN TE DORDRECHT.

GEDRUKT BIJ EDUAKD IJDO — LEIDEN.

1890.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

/\,AN yVllJN y ADER

EX

AAN DE NAGEDACHTENIS MIJNER /VloEDER,

-ocr page 10-
-ocr page 11-

Welke artikelen der Gemeentewet zijn op de rechten en loonen van art. 238 toepasselijk ? Deze vraag werd reeds besproken door Mr. IT. A. Hooft in zjjn Acad. Proefschrift „De rechten en loonen van art, 238 der Gemeentewetquot; (Zwolle 1885) op pag. 21—29, maar ik meen, dat zij zich wel leent tot een meer uitvoerige behandeling dan hij er aan te beurt deed vallen.

Vooraf zal ik uit de wordingsgeschiedenis van art. 238 vermelden, wat noodig is om de voor de verschillende beantwoordingen der vraag daaraan ontleende argumenten te kunnen beoordeelen. Vervolgens wordt in § 1 de meening besproken van hen, die alle artikelen aangaande belastingen ook voor de rechten en loonen van art. 238 willen doen gelden, van hen dus, die een ruime interpretatie der eerste woorden van dat artikel voorstaan, in § 2 een interpretatie die op sommige dier rechten al die artikelen, op andere alleen de artt. 232—237 wil toepassen, en eindelijk in § 8 de beperkte opvatting, volgens welke voor al de rechten slechts de met name genoemde artikelen geldig zijn. Die laatste § zal dan ook nog mijn eigen opinie over de kwestie, een korte beoordeeling der redactie en tot besluit een opmerking over de door de Regeering thans voorgestelde wijziging bevatten.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

Lccst men art. 238, dan komt al dadelijk de vraag bij ons op, in de voorgaande regelen reeds door mij genoemd, die ik mij ten doel heb gesteld liter op te lossen. Moeten allo artikelen, over plaatselijke belastingen in het algemeen handelende, op de hier genoemde heffingen toegepast worden of alleen artt. 232—237? Do oersto woorden doen het eerste denken, do volgende liet laatste. Iloo kon men dan de beide door „ofquot; gescheiden uitdrukkingen gelijkstellen, of is het woordje „ofquot; soms niet gelijkstellend, maar onderscheidend bedoeld ? Op n 1 deze vragen geeft de redactie alleen geen duidelijk antwoord. Wij moeten dat dus trachten to vinden mot behulp van de over ons artikel gewisselde stukken en gehouden beraadslagingen.

Om den lezer de gelegenheid te geven zich een juist oordeel over de strekking van hetgeen in do stukken en beraadslagingen gezegd werd te vormen , ton einde do argumenten , die daaruit voor de een of andere interpretatie van het artikel geput zjjn, op hun juiste waarde te kunnen schatten, meen ik het wenscholjjk zooveel mogelijk aan te halen, al wat tot recht verstand van die argumenten kan dienen.

In het oorspronkelijke ontwerp luidde art. 238: „Voor „plaatselijke belastingen worden gehouden do in naam der „gemeente gevorderde enz.quot; en werd het, nis volgt, toege-

1

-ocr page 14-

2

liclit 1). „Of do hier opgenoemde regten, loonen en gelden „belastingen zijn, is verscliillend beantwoord naar het ver-„schil van begrip aan belasting gehecht. De wetgever be-„hoeft zich niet in oen oplossing der staathuishoudelijke „vraag te verdiepen. Hij neemt belasting in den ruimsten „zin en begrijpt daaronder al wat van de inwoners der „gemeente wordt geheven. wanneer deze gebruik maken of „genot hebben van iets, waarvan hun het gebruik of genot „om niet zou toekomen. ware door de plaatselijke verorde-„ningen aan dat gebruik of genot niet liet betalen eener „som gelds verbonden. Hoe nuttig, ja noodzakelijk het is, „dat clie heffingen als belastingen worden beschouwd en „behandeld, schijnt overbodig te betoogen.quot;

Van het in de afdeelingen verhandelde vernemen wij in het Verslag der Commissie van Rapporteurs het volgende:

„De juistheid van hetgeen do Mem. van Toel. bij dit „artikel ten aanzien van belastingen optcekent, is door vele „leden beaamd, evenals men zicli met de stelling ver-„eenigde, dat liet beslissend kenmerk van belasting daarin „bestaat, dat de inrigting, waarbij of waarvoor oen rccog-„nitic wordt opgelegd, publieke dienst zij en alleen aan de „Regering als publieke magt haar aanwezen kunne zijn „verschuldigd Men twijfelde evenwel of niet de toepassing „dezer denkbeelden in liet artikel faalde. Wik-, weeg-, „meet- en keurloonen b. v. worden geheven voor inrigtingen, „die door particulieren tot stand gehragt en aan elk ten „gebruike tegen zekeren prijs aangeboden kunnen worden. „De overheid dingt hier alzoo als bijzondere ondernemer „met bijzondere ondernemers. Zoo or geen verpligting be-

') Zie Francken . Do Gemeentewet, p. 401-

-ocr page 15-

3

„staat om die wik-, weeg-, meet- en keurloonen als belas-„ting te betalen , zullen zij uitsluitend het loon voor huur „van diensten uitmaken; liet scheen dus verkeerd deze bjj „do wet tot belasting te verklarenquot; en iets verder: „Eenige „leden, die tevens naar liet eigenlijke docd vroegen, waar-„mede al die zaken door dit artikel plaatselijke belastingen „werden verklaard, uitten de vrees, dat niet alles, wat „indeduad belasting was, werd opgenoemd en daarentegen als belasting bevestigd, wat, zooals b. v. weggelden in „Overijssel, niet moet worden bestendigd.quot;

Nu wijzigde do Regeering het artikel, en stelde het voor, zooals wij bot in de wet kunnen lezen.

Omtrent die wijziging en de reden, waarom zij aangebracht werd, vinden wij in do Memorie van Beantwoording: „Bjj de aanmerkingen op dit artikel is do zin eu „meoning, waarin bot werd opgesteld, miskend. liet Gouvernement, zooals in de Mem. van Tool. werd verklaard, „oordeelde, dat do wetgever zich niet in de staathuis-„houdelijke vraag, of een bepaalde beffing in hot wezen „der zaak al dan niet belasting ware, moest verdiepen. De „bedoeling was al de genoemde en dergelijke boffingen met „belastingen bij de wet gelijk te stollen ten einde daarop „alle waarborgen, tegen ongepaste belasting geschonken, te „kunnen toepassen. Dit schijnt noodzakelijk, znl men niet „gevaar loopen, dat in de meening of onder voorwendsel, „zoodanige heffing zij geeno belasting, een druk op de „ingezetenen worde gelegd, die onder een anderen naam „niet zou zijn toegelaten.

„Ten einde deze bedoeling nog duidelijker to doen uit-„ komen wordt eene bijvoeging aan de eerste woorden van „het artikel voorgesteld.quot;

-ocr page 16-

4

Iets verder: „Do bedoeling is ulleen om de gelden voor „het gebruik of genot van openbare gemeentewerken, bo-„ zittingen of inrigtingen, de gelden alzoo, die krachtens „publiek regt gevorderd wonlen, als eene belasting tot „stand te doen komen.quot;

En weer verder: „Do vrees, hier geuit, schijnt ten „gevolge van hetgeen boven werd gezegd, te moeten ver-„vallen. Het is niet te doen om al wat indedaad belasting „is op te noemen. Evenmin om als belasting te bevestigen „iets, hetgeen niet moet worden bestendigd. Indien de „wet b. v. zegt, dat de heffing van weggelden niet anders „zal kunnen worden tot stand gebragt dan op den voet, „onder do voorwaarden en in do vormen, ten aanzien der „invoering van belastingen voorgeschreven, worden daar-„door geen verkeerde weggelden bekrachtigd.quot;

En nu kwam het gewijzigde artikel in openbare beraadslaging. Daarbij hebben do heeren de Man, Poortman en Godefroi hot aangevallen, daar zij hot in strijd met de Grondwet achtten, dat de wet het begrip „plaatselijke belastingenquot; uitbreidde ook tot zulke rechten, die niemand belasting noemt.

In het bizonder hadden zij het oog op de wik-, weeg-, meet- on keurloonen, als een gemeente die hoft, zooals wel mogelijk is, voor diensten, die even goed door particulieren bewezen kunnen worden. De heer de Man wilde uit de woorden van hot artikel zelve bewijzen, dat ook de Regoering al de genoemde heffingen naar haar aard niet als belasting beschouwde.

„Buitendienquot;, ') zeide hij, „dat wij hier voor een groot

x) Francken, p 465.

-ocr page 17-

O

„gedcdlte met goon eigenlijke belastingen te doen hebben, „blijkt uit den tekst zeiven; de aanvang van liet artikel „luidt toeli; „Voor plaatselijke belastingen worden geliouden, „of daarmede, wat do toepassing van art. 232—237 be-„treft, (jelijl-gesteldy Uc Regering neemt dus aan oen ge-„lijkstelling, oen assimilatie, een fictio juris en stelt door „middel van die fictie die betalingen gelijk aan belastingen „liierin ligt het stellig bewijs opgesloten, dat hier niet uit-„sluitend over belastingen wordt gehandeld.quot;

Tiiorbecke erkende bij zijn verdediging, dat er onder de wik-, weeg-, meet- en keurloonen konden zijn, die hij zelf geen belasting zou kunnen noemen, ') maar toch bepleitte hij het recht van den wetgever om hot begrip „plaatselijke bekistingenquot; van art. 142 G. W. zóó te bepalen, als die wetgever wenschelijk zou vinden. Hij zeide o. a. het volgende-): „Wat nu betreft den geachten spreker uit Schie-„dam, deze heeft op nieuw gewaagd van de wik-, weeg-, „meet- eu keurloonen, die hij uiet beschouwde als belastingen. „De geachte spreker heeft herinnerd, wat ik daaromtrent „gezegd heb en er bijgevoegd, dat hetgeen van die wik-, „weeg-, meet- en keurloonen indedaad belasting is, uit den „aard der zaak de goedkeuring zal behoeven van den Koning. „Maar het verschil zal hier juist zijn, wat belasting is. „De geachte spreker wil, dat men zich boude aan eene „definitie, die hij geeft, of, die gegeven is in een door „hem aangehaald boek.3) liet komt mij voor, dat hier van

') Fkanckkn, ij. 477.

-) Francken, p. 482.

:i) Do heer Poortman had uit Thoubecke's brochure „Uver plaatselijke begrootingquot; een plaats (pag (54) voorgelezen, waaruit blijkt, dat Tiiorbecke zelf die loonen niet altijd voor belastingen houdt.

-ocr page 18-

6

„wcgc fie gevolgen van de wot, fie wet zelve fie bepaling „moet geven van hetgeen zij voor belasting houdt. En wan-„noer ile wet dat doet, zal zij slechts gebruik maken van „een regt, dat door haar in zoovele andere gevallen is nit-Bgeoefend. De wet moet do definitie geven, die, hetzij „strookende met den aard der zaak, hetzij zelfs volgens liet „gevoelen van sommigen daarvan afwijkende, geen verschil „mogelijk maakt ton aanzien van de wettelijke gevolgen. „Er mag liier geen verschil van gevoelen bestaanquot; Wat verder bespreekt hij do gevolgen, als de beteekenis van do uitdrukking „plaatselijke belastingenquot; niet vaststaat, on zegt: „Dan zal men hetzelfde noodlottige verschijnsel zien, „dat men meer dan eens hoeft waargenomen; ten minste „het komt mij voor, dat liet noodlottig is, wanneer dergelijke vragen ton laatste worden gebragt voor don Hoogen „Raad. Dan zal een arrest van dat college uitmaken, wat „al of niet belasting zij, iets, wat naar mijn inzien niet „onder de bevoegdheid van den Hoogen Raad of in het „algemeen van den burgerlijken of strafregter kan vallen. „Eene bepaling bij de wet te geven is werkelijk do eigon-„aardigc en tevens de kortste weg om alle verschillen af „te snijden. Meermalen is er getwist over de beteekenis „van een woord in de Grondwet voorkomende; de wetgever bepaalt dan, wat indedaad de beteekenis is, en „ik geloof, dat de wetgever daartoe volkomen hot regt „heeftquot;

en eindelijk1): „Nu zegt de geachte spreker, men gaat „verder dan de Grondwet, maar ik kan dit niet toegeven. „Ja, men gaat verder dan do Grondwet, indien men ver-

') Fkancken, ji . 484.

-ocr page 19-

„onderstelt, dat ook volgens do Grondwet uitsluitend onder „belasting zou kunnen en mogen verstaan worden, wat daaronder door dien gcachteii spreker wordt begrepen. Maar nu „zal de wet dit verklaren, en wanneer de wet zegt, dat de „tjenoemde of bedoelde betalingen als belasting zullen worden „beschouwd, dan zal men niet kunnen zeggen, dat de „Grondwet iets anders heeft gewild, tenzij naar het indivi-„dueelo begrip van n of' van mij, die het met do staatlinis-„houdkunde strijdig acht die heffingen belastingen te noemen. „Thans echter geven wij niet ons staathuishoudkundig begrip „gevangen aan de wet; wij geven ons over aan de wet om „hare bepalingen te volgen, niet om die voor de ware te „houden. De wetgeving zal niet zeggen met een staathuis-„houdkundig meesterschap, dat het belastingen zijn, maar „zij zal bepalen, dat men zich aan hare voorschriften zal „gedragen, daar, waar wij anders zouden twijfelen.quot;

In deze beraadslagingen heeft de Proc.-Gen. bij den Hoogen Raad, Mr. Van Maanen , een argument voor de ruime interpretatie meenen te vinden. Hij zegt in zijn conclusie bjj het Arrest van den Hoogen Raad van 4 Maart 1857'), dat allen bij dc discussion oen meer algemeene strekking van het artikel hebben erkend dan alleen op invoering of wijziging betrokking hebbende. .Tammer genoeg haalt hij er geen enkel voorbeeld van aan. Ik denk, dat zijn argument steunt op het feit, dat allen, bestrijders on verdedigers (behalve Thokbecke de lieer Ypey) van het idee uitgaan, dat de wet in dit artikel de hier genoemde heffingen tot plaatselijke belastingen maakt, verklaart, dat ze dat zijn. Wel zegt de heer Ypey eerst1),

1

) Francken, p 468

-ocr page 20-

dat hij dat niot vindt cn dat er ccn aanmerkelijk onderscheid is tusschen wat dc regeering voorstelt: „Die gelden en loonon „worden met plaatselijke belastingen gelijkgesteldquot; en „dicgol-„den en loonen worden tot belastingen gemaak:maar hij eindigt toch met zijn goedkeuring er aan te liechten, dat in dit artikel worde uitgemaakt of'de bedoelde loonen (hij spreekt over keurloonen), al dan niet belastingen zijn.

Maar, al was men het hierover eens, daaruit volgt nog niet, dat men voor do toepassing van alle artikelen op doze rechten was

Tot plaatselijke belastingen moet de wet zo wel verklaren, wil zij er de waarborgen op kunnen toepassen, die de Grondwet togen ongepaste belasting gaf, maar de kwestie is juist, of dc door dc Regeering later ingelaschte woorden niet bewijzen, dat dc toepassing van andere dan de genoemde artikelen is uitgesloten cn dat zij dus bedoelde deze gelden tot een bizon-derc categorie der plaatselijke belastingen te maken, waarop alleen artt. 232—237 van toepassing zijn, cn m. i. kan men uit geen woord der beraadslagingen opmaken, hoe men over die kwestie dacht.

Misschien zou iemand de volgende woorden , die Tiiorbecke sprak '), willen aanhalen als een bewijs, dat deze voor dc ruime interpretatie was. Dc Minister zcide: „En. nu meen „ik, dat, zoo hetgeen de Grondwet beveelt ton aanzien van „f/e algemeen e regels te ge Den op het stuk mm plaatselijke be-Idstingen 2), wanneer hetgeen de Grondwet beveelt ten aanzien „van goed- of' afkeuring van wege deti Koning, indedaad „volledig zal werken, — dat dan al deze betalingen onder „belastingen moeten worden getrokken, cn dat, zoo men

') Fhancken, p. 478. ■) Ik cursiveer hier.

-ocr page 21-

9

„dit niet doet, zoo mon al deze betalingen niet daaronder „begrijpt, alsdan een gedeelte, liier en daar een zeer aanzienlijk gedeelte van hetgeen indedaad belasting is, van „hetgeen als belasting werkt en hoogst nadeelig werkt, „aan dat toezigt, aan die reyeh '), aan dat goed- of afkeuren „zal worden onttrokken.quot;

Na lezing hiervan zou men misschien voor Tiiokbecke'k bedoeling houden, dat de regels, voor alle plaatselijke belastingen vastgesteld, ook voor deze heffingen zouden gelden, maar het is tocli lang niet zeker, dat hij dat er mede zoggen wilde. Met liet laatste „aan die regelsquot; denkt TuoiiiiECKE zich klaarblijkelijk regels, die bestaan, onafhankelijk daarvan, of de wet onze heffingen al of niet bij de plaatselijke belastingen rekent. Men zou daaruit misschien willen afleiden, dat hij daarmede niets anders bedoelt dan algemeene regels, die door de gemeentewet voor alle plaatselijke belastingen zullen gegeven worden, maar uit het voorgaande volgt dunkt mij, toch, dat hij waarschijnlijk wat anders meent. De Grondwet wil met haar bepaling over „alyemeene regels ten aanzien van plaatselijke belastingenquot; niet zeggen, dat er regels gegeven moeten worden voor alle plaatselijke belastingen gelijk, maar regels voor de belastingverordeningen van alle gemeenten gelijk , waaraan de Koning ze zal moeten toetsen, om te weten, of Hij zo al of niet goed zal keuren, maar vele van die regels mogen voor de verschillende soorten van plaatselijke belastingen verschillend zijn en moeten dat ook. Dergelijke regels (voor de betalingen van art. 238 te vinden in art. 254) hoeft Thorbecke zeker op het oog met „algemeene regels te geven

') Ik cursiveer weder.

-ocr page 22-

10

op liet stuk van plaatselijke belastingenquot; en nu zal hij geineend hebben, dat, zoo men niet al deze betalingen onder belasting begrijpt, een deel van hetgeen inderdaad belasting is, aan dergelijke regels, als de Grondwet daarvoor dan toch ook gegeven wil hebben, wordt onttrokken; on, zoo verklaard, bewijst de aangehaalde zin niet, dat Tiior-becke hier aan een ruime interpretatie van art. 238 dacht.

Ook de volgende door Thorbecke gesproken woorden zouden misschien aanleiding kunnen geven hem onder de voorstanders dor ruime interpretatie te rangschikken '). „Men „heeft b.v. een vischmarkt en men zal onder den titel van „marktgeld indedaad een belasting kunnen leggen op hetgeen „wordt geveild. Hoe zal dit worden tegengegaan, tenzij „langs den hier aangewezen weg, dat n.1. de wet verklare, „dat al die betalingen voor belastingen worden gehouden, „dat zij, wat de wettelijke tjecolyeu 1), wat de goedkeuring „of afkeuring van de Kroon, wat liet onderzoek betreft „zullen gelijk staan met hetgeen in den strengsten zin des „woords „belastingquot; wordt genoemd.quot;

„Do wettelijke gevolgenquot; zou kunnen doen vermoeden, dat Tjioebecke aan een geheele gelijkstelling met belastingen dacht, maar het kan zeer wel zijn, dat hij aan die woorden niet zulk een ruime beteekenis wilde geven en in het onmiddellijk volgende zegt, wat hij er mede meent, n.1.: „de goed- of afkeuring van de Kroon, het onderzoekquot;. Dit is nog waarschijnlijker, als men bedenkt, dat hij alleen spreekt over de wijze, waarop men het leggen van een belasting op het geveilde tegen kan gaan. Daaruit zouden sommigen nu misschien weer willen afleiden, dat Tiiorhecke

1

) Ik cursiveer weder.

-ocr page 23-

11

juist van do tegenovergestelde meening was, en dat hij art. 238 als enkel op het tot stand komen van belastingverordeningen doelende, opvat, maar ook dit m. i. zonder voldoenden grond.

Immers gewoonlijk noemde men bij de beraadslagingen als het dool van art. 238, een goed toezicht op de invoering van die heffingen te verkrijgen. Zou men hieruit nu kunnen opmaken, dat incn voor een beperkte interpretatie was? Ik o'eloof hot niet. De voorname reden om deze

O

gelden voor belastingen te houden was toch zeker de verordeningen tot heffing daarvan als belastingverordeningen tot stand te doen komen; dat maakt natuurlijk, dat men bij de bestrijding en de verdediging veel sprak over liet nut van die wijze van ontstaan der verordeningen, zonder dat gedacht werd aan de kwestie, of nu ook het dorde hoofdstuk van dezen titel voor deze heffingen geldig zou zijn.

Uit hot voorgaande blijkt dus, dat wij uit do beraadslagingen volstrekt niet kunnen zien, wat men toen dacht over de kwestie, die later tot zooveel verschil van meening aanleiding zou geven. Die kwestie bestond voor de sprekers niet en uit niets ook van wat zij zeiden, kon men opmaken, hoe zij. als zij ontstaan zou. haar zouden oplossen.

§ 1

Men kan hen , die allo artikelen over plaatselijke belastingen toepasselijk verklaren op de rechten van art. 238 in groepen verdoelen naar de verschillende argumenten, waarmede zij hun opvatting verdedigen.

liet eerst zal ik spreken over hen, die deze meening zijn toegedaan, omdat die naar hun inzien uit de woorden van

-ocr page 24-

12

het artikel volgt. Daarna komen zij, die de bedoelde woorden stellig beperkend vinden, maar om andere redenen toch voor do uitbreidende interpretatie zijn. Eindelijk zijn er nog, die meencn, dat art. 238 zelf' alleen de artt. 282—237 toepasselijk verklaart, maar daarmede niet wil uitsluiten do toepassing van andere artikelen, indien deze, zooals volgens hun meening ook werkelijk liet geval is, uit het overige dor wet volgt.

Zij, die vinden, dat de redactie van art. 238 ons tot een ruime interpretatie moet leiden, zijn de Minister Van der Brugghen in zijn circulaire van 7 October 1856'), Mr. Tiiieme do Hooge Raad in tal van Arresten cn Prof. Oppenheim Onder dezen is echter nog vrij wat verschil, wat betreft do argumenten, die hen tot die opvatting bewegen.

Mr. Van der Brugghen, Mr, Thieme en do Hooge Eaad in de Arresten van 4 Maart 1857 ') en 16 Maart 1874 ') zien reeds een afdoend argument voor hun mecning in de eerste woorden. Door uitsluitend op deze te letten gaan zij echter de moeilijkheid voorbij en doen, of do door de Regeering later ingelaschto bijvoeging er niet is.

Mr. Tiiieme is van oordeel, dat, al waren de eerste woorden er niet, men toch niet licht het adagium: „qui (licit de iiiio, negat de alteroquot; op do bijvoeging zou mogen toepassen, maar na die woorden, die zoo algemeen mogelijk zijn cn waarin volstrekt geen beperking ligt, mag dat vooral niet.

') '/Aq v Oosterwuk, Ue Gemeentewet, p 1357.

2) Bijdragen tot de kennis van liet St en Prov. en Geiu. bestuur, XII p 21 vlgg.

3) Handboek voor de beoefening van bet nederlandseh gemeenterecht, p. '269.

J) Weekbl v bet Recbt nquot;. 1835, v. Oostebwijk, p 1357.

5) \V. v. b R. nquot; 3716.

-ocr page 25-

13

Mij lijkt de redeneering a contrario hier alloozins op haar plaats, daar do bijgevoegde woorden anders geen zin hebben en overbodig zijn. Mr. Thieme zegt ook niet, welke betee-kenis hijzelf aan de bijvoeging hecht. Zijn eenig argument om uit do redactie van liet artikel tot zijn interpretatie te komen is dus: „Do eerste woorden zijn zonder twijfel zoo algemeen mogelijk bedoeldquot;, en hij schijnt te meenen, dat,-hoe die woorden ook door don wetgever zelf verklaard worden, aan die algemeeno bedoeling nooit getwijfeld mag worden.

Mr. Thieme vindt ook, dat de beperkende interpretatie allen steun mist in de gewisselde stukken en gevoerde beraadslagingen. Wat de beraadslagingen betreft, heeft zij dit gemis, zooals wij zagen, volkomen gemeen mot de ruime interpretatie. Maar, hoe dit ook zij, of de beperkende opvatting steun vindt of niet in do geschiedenis, voor hem, dio de woorden al zoo duidelijk vindt, moot dat onverschillig zijn.

„Had zulk een beperkingquot;, zegt hij ook, „werkelijk in do bo-„doeling dor regering gelegen, en ware dio tusschenvoeging „geschied om aan die bedoeling te voldoen, dan zou men met „rogt hebben mogen verwachten , dat daarvan bij zulk een kardinaal punt op stellige wijze gebleken ware,quot; en iets verder: „Bij de beperkende beteekenis moet men aannemen, dat do „wetgever terstond zoude hebben teruggenomen zijne ver-„klaring, dat allo die heffingen belastingen zijn.quot; Men kan hier tegen zoggen, dat liet bost kan zijn, dat do beperkte beteekenis al bij do eerste redactie bedoeld was, en er dus bij het toelichten dor bijvoeging niets van een beperking dor beteekenis behoefde te blijken, daar dozo bleef, zooals zij was. Mr. Thieme spreekt hier weer zoo, omdat de ruime bedoeling der eerste woorden bij hem onomstootelijk vaststaat.

-ocr page 26-

14

Hij zegt uog, dat zijn uitbreidende interpretatie niet strijdt mot do erkende bedoeling der tnsschenvoeging (nl. om alle waarborgen tegen ongepaste belasting geschonken, op de heffingen to kunnen toepassen). Aangenomen, dat dit werkelijk de bedoeling was, geloof ik ook niet, dnt iemand dat zou beweren, maar ik kan hierin toch ook geen argument zien om Mr. Titieme's interpretatie aan te nemen.

In do overige Arresten, waarin de Ilooge Raad een beslissing geeft van deze kwestie, brengt dat college echter wel degelijk do bijvoeging mede in rekening, en zoo doet ook Prof. Oppexiieim. De bedoelde Arresten zijn die van 13 Jan. 1858 '), van 5 Deo. 1865 1) en van 12 Nov. ]8G7:'), die allen op dezelfde argumenten steunen, en in die van 10 Nov. 1863 '•) en van 29 Juni 1870 5), die deze interpretatie stilzwijgend aannemen, evenals het bij hot eerste dezer twee gecasseerde Arrest van het Hof van Utrecht. liet quot;Weekbl. v. Burg. Adm. n0. 1909 is het eens met de Arresten van 1865 en 1874.

De Ilooge Raad zet zijn meening het uitvoerigst uiteen in het Arrest van 13 Jnn. 1858.

Het college overweegt o. a. „dat wel bij het bepalen van „den zin van het aangehaalde wetsartikel mede moeten in „rekening komen de bijgevoegde woorden: „of daarmede „wat de toepassing van de artt. 232—237 betreft, gelijkgesteldquot;, maar dat daaraan in verband met de voorafgaande „woorden goene andere beteekenis behoort te worden gehecht „dan deze, dat daardoor nog meer bepaaldelijk eenegeheele „gelijkstelling wordt verordend, zoodat krachtens den aanhef

-) nquot;. 2756. s) nquot;. 3236.

1

') Weekbl v. h. E n0. 2031,

-ocr page 27-

15

„van art. 238, ook met inbegrip van do bedoelde bijgevoegde „woorden, voor de daarstelling dezer belastingen bij wets-„duiding alles moet worden in acht genomen, wat voor do „belastingen, die dat zijn naar haren aard, bij de wet is „bepaald;

„dat uit deze gelijkstelling van de beide soorten van be-„lasting, wat de wijze van hare invoering betreft, dan ook „volgt, dat de bewuste betalingen, eenmaal belastingen „zijnde verklaard en als zoodanig ingevoerd, moeten deelen „in hetgeen verder voor belastingen is bepaald, immers voor-„zooverre de bijzondere aard dezer belastingen dat niet in „oen of ander opzigt uit den aard der zaak mogt verbieden;

„dat alzoo do zin dezer bijgevoegde woorden geen andere „is dan een uitleggende met betrekking tot de voorafgaande „woorden, eigenlijk strekkende om de gelijkstelling meer „bepaald uit te drukken.quot;

De Tlooge Raad meent dus, dat uit de bijvoeging op zich zelf beschouwd, ook reeds volgt, dat allo artikelen voor deze rechten gelden, en wel, omdat zij zo, wat de invoering betreft, met belaétingen gelijk stelt. De vraag komt dan bjj ons op, waarvoor die bijvoeging eigenlijk dient. Dc Ilooge Raad zegt wel, dat het doel is nog meer bepaaldelijk een geheele gelijkstelling te verordenen, maar waarvoor is dat na do eerste woorden noodig? Daaruit volgde toch ook al stellig gelijkheid, wat de invoering betreft. Dat de ITooge Raad zijn ruime interpretatie uit die gelijkheid van invoering laat volgen, is mij niet duidelijk. Volgde die er van zelf uit, dan zou dc kwestie over dc geldigheid der overige artikelen niet bestaan, want dat art. 238 de wijze van invoering gelijk maakt, erkent ieder. Do Hooge Raad schijnt echter zóó overtuigd, dat gelijke wijze van invoering

-ocr page 28-

16

geheele gelijkstelling in zich sluit, dit hij in den zin, die gelijke wijze van invoering beveelt, d'e gelijkstelling meer bepaaldelijk uitgedrukt vindt dan in de eerste woorden, die geheele geljjkstelling duidelijk willen.

Ik begrijp ook niet, hoe de bijgevoegde woorden bij de opvatting van den Hoogen Raad den eersten zin ,uitleggen.quot; Een uitlegging dient toch gewoonlijk om een minder duidelijk uitgedrukte gedachte helder te maken, maar hier zou de eerste zin al duidelijk bedoelen, dat alle artikelen moeten gelden (dat do Hooge Raad dat meent, blijkt, pl zou men uit do eerste twee overwegingen het tegendeel opmaken, uit de overweging van het Arrest, die op de aangehaalde volgt) en om dit uit te leggen zou er een zin aan toegevoegd zijn, die slechts van zes artikelen spreekt en waaruit do geldigheid der overige alleen bij gevolgtrekking kan opgemaakt worden. Voorzeker een zonderlinge wijze van uitlegging!

De Hooge Raad noemt in een volgende overweging als een bezwaar tegen de beperkende interpretatie, dat dieniet anders dan bij gevolgtrekking uit de bijvoeging kan opgemaakt worden. De gevolgtrekking, die de Hoogo Raad zelf' hier maakt, lijkt mij echter vrij wat gewaagder.

Met deze verklaring, door het hoogste rechtscollege van de bijvoeging gegeven, kan ik mij niet vereenigen en dus evenmin daaruit do ruime interpretatie van het artikel afleiden.

Mr. Oppenheim schrijft in zijn „Handboek etc.'' p. 269 hot volgende: „Dat er geen wijziging van art. 238 denkbaar is, „die ons niet tegelijk verlost van de, ook al schoorvoetend „en tot opheffing van den in de schrifturen geopenbaarden „tegenstand ingelaschte zinsnede, waarin, als ware het niet

-ocr page 29-

17

„afdoende, dat do retributiën voor plaatselijke belastingen „worden gehouden, wordt gezegd, dat zij daarmede, wat „de artt. 232 — 237 betreft, worden gelijk gesteld, mag „worden ondersteld bij de vermaardheid der herhaald aan-„gewende pogingen om aan deze zinsnede, nog wel inge-„lascht om te voorkomen, dat retributies niet in alle „opzichten als belastingen zonden worden behandeld, de „avereehtsche betoekonis te geven van een gelijkstelling, „alléén voor zooveel do met name genoemde artikelen aan-„gaat quot; Mr. Oppenheim is dus ook voor de ruime opvatting, maar m. i. zonder voldoende reden. Hij doet, alsof er geen moeilijkheid bestond on vat het woordje „ofquot;, doch m. i. zeer willekeurig, op, als beteekende het „en dus ookquot;.

Vorder kan ik hot ook niet mot hom eens zijn over de bedoeling der bijvoeging. Deze zou zijn om te voorkomen, dat de retributies niet in allo opzichten als belasting zouden worden behandeld en do bijvoeging zou er. zoonis hij iets vroeger zegt, schoorvoetend en tot opheffing van don in de schrifturen geopenbaarden tegenstand aan toegevoegd zijn. Mr. Oppenheim moot dan wel moenon, dat die tegenstand in het Afdeolingsvcrslag ontstond uit de' vrees, dat de bedoelde rechten niet in alle opzichten on zeker dan in liet bizonder niet, wat art. 232 — 237 betreft, met belastingen zouden worden gelijk gestold. Was men dan op die geheele gelijkstelling zoo bizonder gesteld? Ik heb daar in het verslag niets van gelezen. Er blijkt uit, dat men bezwaar maakte al dozo heffingen met belasting gelijk te stellen, maar dat do tegenstand iets te maken had met do al of niet volkomen gelijkstelling, kan ik er niet in vinden. En waarom zou men juist bang zijn geweest, dat de artt. 232—237 niet toegepast zouden worden ? De plaatsing van

2

-ocr page 30-

16

geheele gelijkstelling in zich sluit, dit liij in den zin, die gelijke wijze van invoering beveelt, d'e gelijkstelling méér bepaaldelijk uitgedrukt vindt dan in de eerste woorden , die geheele gelijkstelling duidelijk willen.

Ik begrijp ook niet, hoe do bijgevoegde woorden bij do opvatting van den Hoogen Raad den eersten zin „uitleggen.'' Een uitlegging dient toch gewoonlijk om een minder duidelijk uitgedrukte gedachte helder te maken, maar hier zou de eerste zin al duidelijk bedoelen, dat alle artikelen moeten gelden (dat do Hooge Raad dat meent, blijkt, p' zou men uit de eerste twee overwegingen het tegendeel opmaken, uit de overweging van hot Arrest, die op do aangehaalde volgt) en om dit uit te leggen zou er een zin aan toegevoegd zijn, dio slechts van zes artikelen spreekt en waaruit de geldigheid der overige alleen bij gevolgtrekking kan opgemaakt worden. Voorzeker een zonderlinge wijze van uitlegging!

Do Hooge Raad noemt in een volgende overweging als een bezwaar tegen de beperkende 'nterprotatie, dat dieniet anders dan bij gevolgtrekking uit de bijvoeging kan opgemaakt worden. De gevolgtrekking, die de Hooge Raad zelf hier maakt, lijkt mij echter vrij wat gewaagder.

Met deze verklaring, door het hoogste rechtscollege van de bijvoeging gegeven, kan ik mij niet vereenigen en dus evenmin daaruit de ruime interpretatie van hot artikel afleiden.

Mr. Oppenheim schrijft in zijn „Handboek etc.''p. 269 het volgende: „Dat er geen wijziging van art. 238 denkbaar is, „die ons niet tegelijk verlost van de, ook al schoorvoetend „en tot opheffing van den in de schrifturen geopenbaarden „tegenstand ingelaschte zinsnede, waarin, als ware het niet

-ocr page 31-

17

„afdoende, dat de retributiën voor plaatselijke belastingen „worden gehouden, wordt gezegd, dat zij daarmede, wat „do artt. 232—237 betreft, worden gelijk gesteld, mag „worden ondersteld bjj de vermaardheid der herhaald aan-„gewende pogingen om aan deze zinsnede, nog wel inge-„lascht om te voorkomen, dat retributies niet in alle „opzichten als belastingen zouden worden behandeld, de „averechtsche beteekenis to geven van ecu gelijkstelling, „alléén voor zooveel do met name genoemde artikelen aan-„gaatquot; Mr. Oppenheim is dus ook voor de ruime opvatting, maar m. i. zonder voldoende reden. Hij doet, alsof er geen moeilijkheid bestond en vat hot woordje „ofquot;, doch m. i. zeer willekeurig, op, als beteekende het „en dus ookquot;.

Vorder kan ik het ook niet met hem eens zijn over de bedoeling der bijvoeging. Deze zou zijn om te voorkomen, dat de retributies niet in alle opzichten als belasting zouden worden behandeld en de bijvoeging zou er, zooals hij iots vroeger zegt, schoorvoetend en tot opheffing van den in do schrifturen geopenbaarden tegenstand aan toegevoegd zijn. Mr. Oppenheim moet dan wel meenen, dat die tegenstand in het Afdeelingsverslag ontstond uit de' vrees, dat de bedoelde rechten niet in alle opzichten en zeker dan in het bizonder niet, wat art. 232—237 betreft, met belastingen zouden worden gelijk gesteld. AVas men dan op die geheele gelijkstelling zoo bizonder gesteld? Ik heb daar in het verslag niets van gelezen. Er blijkt uit, dat men bezwaar maakte al deze heffingen met belasting gelijk to stellen, maar dat de tegenstand iets te maken had met de al of niet volkomen gelijkstelling, kan ik er niet in vinden. En waarom zou men juist bang zijn geweest, dat de artt. 232—237 niet toegepast zouden worden? De plaatsing van

-ocr page 32-

18

art. 238 onmiddelijk achter die artikelen, en de redactie van art. 239 maakten die vrees toch geheel onnoodig.

En om den tegenstand, die zich werkelijk geopenbaard had, op te heffen, kan do bijvoeging ook niet ingelascht zijn, als zij bedoelde wat Mr. Oppeniieim onderstelt. Als ik de Mem. v. Beantw. goed begrijp, moest z|j dienen om de bedoeling der eerste redactie vol te houden en in het minst niet om aan bedenkingen te gemoet te komen. Eenige tegenstand was er, omdat men meende, dat sommige van de rechten geen belasting waren, waarop do Minister in de Mem. v. Beantw. zoido, dat de wet ook niet wil zeggen, dat liet stellig in staathuishoudkundigen zin belastingen zijn, maar alleen, dat zij ze cr voor houdt, en om lt;tui duidelijker uit te drukken diende do bijvoeging. Hoe editor deze dien tegenstand had kunnen opheffen, als zij wilde voorkomen, dat retributies niet in alle opzichten als belastingen zouden worden behandeld, zie ik niet in. Ik kan dus met alle bescheidenheid do bedoeling, door Mr. Oppeniieim aan de bijvoeging toegekend, niet voor de juiste houden.

Uit den zin, dien Mr. Oppeniieim op don aangehaalden laat volgen, zou men weer opmaken, dat liij volgens do strenge woorden art 238 eigenlijk beperkt opvat; althans liij spreekt van lettcrknechterij, waarvoor de Hooge Raad ons gelukkig bewaard heeft.

Mr. van dek Bkugohen, do Hooge Raad en Mr. Tiiieme steunen hun meening nog met de bedoeling van den wetgever, die uit het overige gedeelte der wet zou blijken, om de heffingen van art. 238 geheel en al tot plaatseljjke belastingen te maken. Die bedoeling zou dan volgen uit het feit, dat zij in het tweede hoofdstuk, dat over do bizondere soorten van plaatselijke belastingen loopt, be-

-ocr page 33-

19

handeld worden en uit art. 291, dat ongetwijfeld onder plaatselijke belastingen ook die heffingen moet begrijpen.

Dergelijke argumenten echter mogen geen invloed op de interpretatie meer uitoefenen, als men, zooals zij, die ze hier gebruiken, volstrekt niet twijfelt aan do beteekenis der woorden. Eerst, als die niet vaststaat, kan onderzoek naar do bedoeling voor de interpretatie van belang zijn. Voor het overige leggen deze argumenten ook geen gewicht in de sciiaal, voor wat men er mede bewijzen wil. Ontwijfelbaar is het. dat de wet de rechten van art. 238 in dat artikel tot plaatselijke belastingen verklaart, en daar is dus niet mede in strijd, dat do wet over hen handelt in een hoofdstuk, dat tot opschrift heeft: „Over do bijzondere soorten van plaatselijke belastingenquot;, maar daaruit volgt dan niet noodzakelijk, dat, als elders in de wet iets voor belastingen bepaald wordt, dit van die rechten ook geldt. Of dat al dau niet het geval is, hangt geheel af van do interpretatie van art. 238. Wil dat artikel zeggen , dat op do belastingen die het noemt, alleen maar de artt. 232—237 van toepassing zijn, dan geldt zulk een bepaling niet voor haar, in het tegenovergestelde geval wel.

In het Arrest van 1G Maart 1874 zegt de Hooge Raad nog: „terwijl bovendien uit het verband met de artt. 235 „en 257 blijkt, dat do verordeningen betreffende de invordering moeten overeenstemmen met de wettelijke bepalin-„gen omtrent de invordering van plaatselijke belastingen „(lilde Hoofdstuk van den Vl^en titel), in wolk Hoofdstuk „ook do strafbepalingen voorkomen.quot; Tk kan dit weer niet eens zijn. Do Hooge Raad gaat hier uit van de waarheid van hetgeen hij bewijzen wil. Immers om een verband van art. 238 met art. 257 te kunnen aannemen, moet men

-ocr page 34-

20

eerstgenoemd artikel. Do voorschriften voor de invordering in art. 235 bedoeld, mogen immers niet met de wet in strijd zijn, en, is de beperkte interpretatie van art. 238 de ware, dan moet men aannemen, dat art. 257 voor do invordering-der retributies niet mag gelden en de raad die invordering moet regelen zonder dwangmiddelen togen onwillige betalers voor te schrijven. Bovendien, al heeft de Hooge Raad gelijk, dat artt. 257—2G2 moeten gelden, daaruit volgt m. i. nog niet de geldigheid der overige artikelen.

Hot tegengaan en straffen van ontduikingen is bij dc beperkte interpretatie niet mogelijk, zegt het Arrest ook, en er zou dus een onverklaarbare leemte in de wet /.ij11-echter de beperkende interpretatie uit de woorden en de bedoeling volgen moet, kan dit, dunkt mij, geen roden zijn deze te verwerpen.

Mr. Thieme wijst ten slotte nog op do vreemde gevolgen der beperkte opvatting, nl. „dat die heffingen gedeeltelijk „voor belastingen zouden gehouden worden, gedeeltelijk voor „iets anders, meer bepaald, dat zij, wat de invordering be-„treft, als belasting zouden moeten worden bescliomvd,maar „die hoedanigheid verliezen, zoodra de schuldenaar weigert „aan do invordering te voldoen, en dus het misdrijf gepleegd „wordt, waarvan in art. 270 wordt gesproken.quot;

Uit hot vorige blijkt al, dat ik het, wat die invordering betreft, niet met hom eens ben, maar, al was ik dat wel, als uit de woorden en de geschiedenis van art. 238 noodzakelijk de beperkte interpretatie volgt, zou ik deze om, wat Mr. Tiiieme hier zegt, toch niet verwerpen. Wat liij aanvoert, is maar een utiliteitsargument, en kende men aan dergelijke argumenten invloed toe op de interpretatie der wet, dan zou mon do deur open zetten voor allerlei verschillende interpretaties en daar-

-ocr page 35-

21

overtuigd zijn van dc juistheid der ruime interpretatie van door groote rechtsonzekerheid kunnen krijgen. Heeft de wet ongewenschte gevolgen, dan moet zij hoe oer hoc beter gewijzigd worden.

Ik ga thans over tot liet bespreken der mooning van hen, die, niettegenstaande zij vinden, dat do woorden do toepassing der overige artikelen stellig uitsluiten, om andere redenen toch de ruime interpretatie voorstaan. Hot zijn Mr. Van Maanen on Mr. Eömer in hunne conelusiën bij de Arresten van den Hoogen Raad van 4 Maart 1857 ') en van 13 Jan. 1858 -) en de steller eencr Memorie van Cassatie togen een vonnis der rechtbank te 's Bosch van 20 Aug. 18G7 :1). Wat dezen ook mogen aanvoeren, zij kunnen mij nooit tot hun gevoelen overhalen. Zijn de woorden van een wet duidelijk voor mij, dan zou ik daar alleen dan van willen afwijken, als de eischen der praktijk dat dringend gebieden, maar in zulk oen geval zou ik niet zeggen, dat ik de wet in een met do duidelijke woorden strijdigen zin interpreteerde, maar, dut ik togen de wet zondigde, omdat bot onmogelijk was haar na te leven. Daarom kunnen dus de argumenten, die Mr. Van Maanen en Mr. Römer respectievelijk aan dc gevolgen der interpretatie naar dc woorden en aan de bedoeling van den wetgever ontleenen, geen indruk op mij maken. Vindt men, dat de duidelijke woorden in strijd zijn met de bedoeling, die men in de wet meent to zien, dan kan dat op zijn hoogst bevreemden of doen vermoeden, dat men de bedoeling verkeerd begrepen heeft. Als niet stellig liet tegendeel bewezen is, moet men aannemen, dat een

') Ned. Regtspr., 55 y. 188.

2) v d. Honeut, Belastingen, VII, p. 249.

3) W. v. h R. n0 2968.

-ocr page 36-

22

jurist meent, wat hij duidelijk zegt. Is dat altijd noodig, lioeveel te meer dan hier, als men bedenkt, wie de gemeentewet geredigeerd heeft Wel zal men later zien, dat ik de redactie van ons artikel geen voorbeeld van taal en stijl vind, maar iets anders is het dat oordeel uit te spreken, iets anders te mcenen, dat Thoiibecke niet bedoelde, wat hij duidelijk zeidc.

Ter wille der volledigheid moet ik toch vermelden, welke redenen deze heeren voor hun meening aanvoeren. Mr. Van Maan en , die vindt, dat èn woorden èn bedoeling van art. 238 tot de beperkte interpretatie dringen, meent, dat, als men het artikel in den beperkten zin neemt, art. 271 tegen de bedoeling van den wetgever en ten nadeele der gemeentekassen niet gelden kan ook voor die van do genoemde heffingen , welke naar veler oordeel toch in alle geval belastingen zijn, terwijl hij het ook een groot bezwaar acht, dat de voorschriften omtrent de invordering en do wijze, waarop overtredingen geconstateerd worden cu vooral art. 291 niet toepasselijk zouden zijn. Zijn argument, aan de discussies ontleend, heb ik bij do bespreking van deze reeds vermeld. Mr. Rüjiek ziet (evenals de Hooge Raad enz. 1)) de bedoeling van den wetgever om deze heffingen geheel en al als belastingen te beschouwen in do artt. 240 en 254 en daarenboven in het feit, dat er geen bizondere wijze van invordering voor de rechten van art 238 wordt voorgeschreven.

De zonderlingste redeneering over art. 238 geeft ons zeker wel te lezen de genoemde Memorie van Cassatie 2). Deze vindt, dat èn woorden èn geschiedenis tot de beperkte interpretatie noodzaken, maar om verschillende redenen, dio

') Zie pag. 18

quot;) W. v. h. K. n0. '2968

-ocr page 37-

volgens den steller zelf zeer onzeker zijn, meent deze toch tot de ruime interpretatie te moeten besluiten.

Ten eerste zegt liij, dat de bijvoeging een parlementair middel geweest kan zijn, zonder dat de gemeentewetgever eigenlijk de bedoeling heeft gehad de toepassing van art. 271 uit te sluiten voor de rechten van art. 238. De steller der Memorie moet dus, dunkt mij, meenen , dat de Regeering de woorden er misschien bijvoegde om aan bezwaren te gemoet te komen en de overige artikelen niet toepasselijk te maken, maar dat eigenlijk haar bedoeling was alle artikelen van toepassing te doen blijven en zjj daarom de redactie nu zóó veranderd zou hebben, dat die beperking er onzeker in was uitgedrukt. Uit liet boven medegedeelde van de geschiedenis der wet weten wij, dat er van bezwaren tegen de toepasselijkheid der overige artikelen geen sprake is geweest. De reden, die de steller kan hebben om de mogelijkheid aan te nemen, dat do Regeering niet de bedoeling had de toepassing van art. 271 uit te sluiten, vervalt dus, maar al had de Rogcering hierin gehandeld, zooals de schrijver der Memorie niet onwaarschijnlijk schijnt te vinden , dan nog mag men de bedoeling der Regeering in deze niet als die van den wetgever beschouwen. Immers zij zou de redactie juist dubbelzinnig gemaakt hebben om aan de bezwaren der Tweede Kamer te gemoet te komen. Hier zou dus uit volgen, dat dc bedoeling van dat andere deel dei-wetgevende macht in strijd met die der Regeering was. Men zou die laatste, waarvan echter op zich zelf al niets blijkt, dus in geen geval voor de bedoeling van de wet mogen houden.

Verder wordt beweerd: „dat in de Mem. van Toel. (lees „Mem van Beantw.) die bijvoeging wordt voorgesteld alleen „om te doen uitkomen, dat art. 238 tot doel heeft om de

-ocr page 38-

24

„daarin voorkomende rechten te onderwerpen aan dc controle „van art. 254, zonder dat in die Memorie wordt beweerd, „dat, hetgeen tot stand komt als plaatselijke belasting, niet „als zoodanig zal mogen worden ingevorderd.quot; Dat wil dus zeggen, dat de Mem. van Bcantw. een ruimere interpretatie niet verbiedt, maar is dat nu een reden om die aan te nomen voor iemand, die door de woorden en de geschiedenis tot een beperkte gebracht wordt ? Om dat te doen zou toch zeker de ruime interpretatie f/e/Wcw moeten worden in plaats vun niet verboden.

Verder: „L)ie van het eene spreekt, sluit hot andere daarom juist niet uit.quot; iloe sluit dat met de beperkte interpretatie , die volgens den schrijver in de woorden ligt opgesloten ? En ook hier is het om een ruime interpretatie aan te nemen niet voldoende te zeggen, dat het andere niet uitgesloten wordt, maar zou men moeten bewijzen, dat die van het eene spreekt, liet andere ook insluit.

„„Ofquot; kan zijn „althansquot;', volgt er nu. Waarom nu weer dit verondersteld, terwijl de Regeering duidelijk zeido, dat zij met de bijvoeging dezelfde bedoeling, die zij met de eerste woorden al had, duidelijker wilde uitdrukken? En nog, al beteekende „ofquot; „althansquot;, dan zou dat toch geen ruime interpretatie medebrengen. Het artikel zou dan willen zoggen, of dat het alleen de artt. 232—237 op deze rechten toegepast wil hebben, óf dat het in de eerste plaats du! bedoelt en dan voor sommige (voor welke zou men er niet uit kunnen opmaken) ook andere artikelen wil laten gelden.

Ton slotte komt liet al besproken argument, dat zonder toepassing van art. 271 vlgg. de rechten voor een groot deel oninbaar zijn tegen de bedoeling der wet., die ze in art. 2i0 tot dekking der uitgaven aanwijst. Hier zij nog opgemerkt, dat niets aan de gemeentebesturen belet om ondanks

-ocr page 39-

25

de niet-toepasbaarheid van het derde hoofdstuk deze gelden te innen, maar dat liet alleen onmogelijk zou zijn om on-willigen te dwingen.

Do meening, die ik in do derde plaats op pag. 12 bedoelde, wordt voorgestaan door don kantonrechter van Lemmer in een vonnis van 21 Mei 1885 ') en door den heer M. in oen ingezonden stuk in hot Weekblad voor Burg. Admin. n0 1907. De kantonrechter overweegt in zijn vonnis: „dat buiten twijfel gezegd vaar- haven-en diopgeld „behoort tot de gelden, van welke art. 238 niet alleen „bepaalt, dat zij, wat de toepassing van art. 232—237 „dier wet betreft, met plaatselijke belastingen worden gelijk „gestold, maar die ook overigens door de wet daarvoor „worden gehouden.quot; Iljj vat dus art. 238 wel beperkend op, maar niet in don zin van do later in § 3 te behandelen mocning, zoodat bot de toepassing der overige artikelen uitsluit. In die overige artikelen blijkt dan volgons hom, dat onder plaatselijke belastingen de rechten van art. 23S begrepen zijn, en natuurlijk vindt hij dus ook die artikelen op do rechten toepasselijk. Argumenten voor deze mooning voort hij niet aan. M. i. pleit er togen, dat de woorden dor bijvoeging er cvon overbodig on onverstaanbaar bij zjjn, als bij do gewone ruime interpretatie van het artikel.

Mot dozen kantonrechter is do hoor M. het, wat de opvatting van art. 238 aangaat, eens, maar hij is niet zoo overtuigd, dat hot van alle overige artikelen over belastingen evenzeer blijkt, dat de wet die voor de rechten van art. 238 wil doen gelden.

Ten laatste zal ik de voorstanders dezer interpretatie ver-

')' Weekbl. voor Burg. Admin. nquot;. 1!)04.

-ocr page 40-

melden, die hun meening öf niet motiveeren, óf niet uitvoerig genoeg om te weten, bij welke der drie behandelde groepen zij behooren.

De Gemeentestem staat in verschillende nummers (o. a. u0. 237 en 1585) de ruime interpretatie voor. In haarnummer van 14 Maart 1887 komt zij editor niet een argument voor den dag, dat m. i. niets waard is, nl. de Mem. van Tocl., die gosclireven werd, voordat de bijvoeging werd ingelaseht.

23 Mei 1887 is het blad waarschijnlijk nog van dezelfde opinie, daar het in het nummer van dien dag de artikelen over de invordering toepasselijk verklaart, omdat do heffingen plaatselijke belastingen zijn, welk motief evenzeer gelden moet voor alle andere artikelen over plaatselijke belastingen, maar m. i. krachteloos is, omdat het juist van de interpretatie van art. 238 afhangt, of voor deze belastingen andere dan de daar genoemde artikelen golden.

Maar ook aan het Hof van 's Bosch schijnt liet anders toe. Dat toch meent in zijn Arrest van 29 Sept. 1885'), dat art. 258 het middel van dvvangschrift in het algemeen voor elke helasiing geeft en dus ook voor de rechten van art. 23$. IFet Hof zegt echter, dat art. 260 niet behoeft toegepast te worden, maar de regelen van aanslag en invordering bij de artt. 238 en 233 onder 's Konings goedkeuring geheel zjjn opgedragen aan den plaatselijken wetgever. Datzelfde zou, had het Hof hierin gelijk, om art. 233 voor alle belastingen waar zijn. Mij dunkt echter, dat art. 257, dat de toepassing van art. 200 stellig voorschrijft, zich hiertegen verzet.

Nog is ter verdediging dezer interpretatie een missive van Tiiokbecke -) aangehaald en wel door den Off. van Justitie

') W. v h R. iiquot;. 5205

-) Weekbl. v. Burg. Admin u0. 149.

-ocr page 41-

bjj de Rechtbank van Appingadara in een Memorie van Cassatie '). ïiiorbecke zegt: „De heffingen, waarvan art. 238 „spreekt, zijn in haar wezen belastingen. Zjj werden dit „niet enkel door eeno verklaring des wetgevers. liet artikel „strekt niet om, hetgeen niet belasting is, belasting te „doen zijn, maar om allo moeilijkheden te dien aanzien af „te snijden, vooral ook / omdat het besluit van 8 April 1819 „omtrent dit punt eene verklaring had gegeven quot; Het genoemde besluit van 1819 diende om te beslissen, of allerlei rechten en retributiën beschouwd moesten worden als plaatselijke belastingen, en of dienvolgens hunne tarieven en reglementen vooraf aan 's Konings goedkeuring moesten worden onderworpen. Tiiorbecke zegt dus, dat het artikel, zooals vroeger het besluit van 1819 deedv wil verklaren, wat plaatselijke belastingen zijn, om moeilijkheden te dien aanzien te voorkomen. Dat wisten wij al uit de geschiedenis der wet. Nieuw is echter Thoruecke's verklaring, dat hij die rechten in haar wezen belastingen vindt. Zijn meening schijnt zich dus na de beraadslagingen, waarbij hij dat niet van al deze betalingen meende, een weinig gewijzigd te hebben. Maar in elk geval is Tiiorbecke's opinie daarover onverschillig voor de al of niet ruime interpretatie van art. 238. Immers dat artikel is noodig, omdat niet iedereen do heffingen in haar wezen belastingen vindt. De bijvoeging „of daarmede enz.quot; is om nog duidelijker te maken, dat de wet niet verklaart, dat zij wetenschappelijk in haar wezen belastingen zijn ; daarvoor zegt zij dat die rechton met de belastingen , die dat ongetwijfeld wèl zijn, worden gelijkgesteld.

') Zie de conclusie van Mr. Karsehoom bij het Arrest van den Moogen Raad van 5 Dec. 1865 (Ned. Regtspraak, 81, p. 203 vlgg.).

-ocr page 42-

28

De kwestie loopt nu over de vraag, of' dc wet ze in alles of alleen voor de artt. 2'ó2—237 daarmede gelijkstelt en tot oplossing daarvan kan hot er natuurlijk niets toe doen, lioevelen en wie de heffingen wèl in haar wezen belastingen vinden en of Thorbecke al of niet tot dezen behoort. Al mocht bijna iedereen en ook Thorbecke overtuigd zijn geweest, dat dc rechten in hun wezen belastingen waren, dan zou toch zoor goed het artikel kunnen bepalen, dat niet al de bepalingen, gemaakt voor heffingen, die ontwijfelbaar belastingen zijn, ook voor deze rechten gelden. Daarenboven, mocht Thokbecke's gevoelen in deze ecnig beslissend gezag kunnen hebben, dan had hij dat al moeten voorstaan bij de verdediging der wet; in dat geval had men ook bij hen, die het artikel aannamen algemeen dat gevoelen kunnen onderstellen, maar oen nicc-ning, door den Minister een jaar later verkondigd en afwijkende van die, welke hij bij de verdediging had, kan voor de uitlegging der wet van geen gewicht zijn.

De meening, dat de artikelen 257—2()2 op de rechten van art. 238 toepasselijk zijn, is ook nog voorgestaan door het Hof van Gelderland in liet Arrest van 5 Dec. 18G0 '), den Gemeenteraad van Schiedam in een Nota aan Gedep. Statenden Minister Fock in een missive van 22 Maart 1870:i), den Minister Heemskerk in een circulaire aan Gedep. Staten der verschillende provinciën van 1885 ') en door Gedep. Staten van Noord-Holland in liiin verslag over 1880 ••) Het kan eciiter zjjn, dat zij evenals de Hooge Raad

') Regtsgel. Bijbi. XI, p. 561. 3) Gem. Stem u0. 281.

3) Gem. Stem n0. 967,

4) Weekbl. v. Burg Adm. nquot;. 1903.

5) Gem. Stem nquot;. 1907.

-ocr page 43-

29

jn zijn Arrest van 1874, dit opmaken uit hot verband mot de artt 235 en 257 on dan behoeft bun meeniug omtrent deze artikelen m. i. niet in te sluiten, dat zij ook do artt. 270 vlgg. op de rechten willen toepassen.

S3.

Een tusschen de ruime en de beperkte interpretatie staande meening kan men lezen in vijf gelijk gemotiveerde vonnissen van de rechtbank tc Appingadam, vernietigd door even zooveel Arresten van don Hoogon Raad van 5 Dec. 1865. Do overwegingen van deze vonnissen worden vermeld door Mr. Tiiieme '). Do rechtbank oordeelde, dat art. 238 de toepassing der artt. 232—237 voor al de rechten voorschrijft, maar de overige alleen geldig verklaart voor die beffingen die naar bet oordeel van hem, die toepassen moot, belastingen zijn. Zij overweegt o. a.; „dat toch dit „artikel niet beslist, wat belasting is, doch alleen wat de „toepassing van art. 232—237 betreft, geen onderscheid „wil gemaakt hebben tusschen de verschillende in dat „artikel opgenoemde heffingen; dat mitsdien bij do toepassing „van andere artikelen van de gemeentewet aan 's rechters „beslissing wordt overgelaten, wat al of niet belastingen zijn.quot;

Zij vindt dan zelf deze heffingen geen belastingen en „dat uit dezo gelijkstelling der bedoelde boffingen, wat be-„troft hare invordering, invoering of wijziging niet nood-„zakelijk volgt, dat die heffingen, als inderdaad geen belastingen zijnde, toch als zoodanig moeten beschouwd „worden, ook wat hare ontduiking betreft etc.quot; (dus juist

') Bijdragen tot do kennis van St.-, Prov-. en Gem. bestuur, XII, p. 25.

-ocr page 44-

30

tegenovergesteld aan het Arrest van den ] loogen Raad van 13 Jan. 1858.)

Dat de rechtbank over de eerste woorden niet spreekt, kan ik billijken. Zij zegt (in een niet aangehaalde overweging), dat de Regeering met de bijvoeging de bedoeling, die zij met de eerste woorden had, duidelijker wilde uitdrukken , maar ik ben het niet eens met wat zij uit die bijvoeging afleidt. Zij leest er iii, dat er wat de artt. 232—237 aangaat , geen onderscheid zal zijn tusschen de verschillende heffingen en leidt daar als gevolg uit af, dat bij de toepassing der overige artikelen wel onderscheid gemaakt mag worden. Ik lees echter iets anders in de wet, n. 1. dat er, wat de toepassing der bekende artikelen betreft, geen (Miderscheid zal zijn tusschen deze heffingen en plaatselijke belastingen. ITad de rechtbank hieruit op de zelfde wijze een gevolg getrokken, als zij nu deed uit hare opvatting van het artikel, dan zou zij tot de conclusie zijn gekomen, dat de. wet de heffingen, wat de andere artikelen betreft, //iff met plaatselijke belastingen gelijkstelt en dat het nergens uit blijkt, dat de wet te dien aanzien onderscheid tusschen de verschillende heffingen wil gemaakt hebben. De inhoud dor bepaling, zooals de rechtbank die opvat, is slechts een toevallig gevolg van wat er werkelijk instaat. Het gaat dus niet aan daar nog verdere gevolgtrekkingen, als den wil van don wetgever uitdrukkende, uit af te leiden en in geen geval om dat, zooals de Rechtbank, dooide redeneering a contrarie te doen. Al was dit alles zoo niet, dan zou men toch nog zeer voorzichtig moeten zijn met het aannemen dor hier besproken meening, omdat deze ook geheel in strijd is met de ratio legis, zooals wij haar reeds kennen uit do woorden van Thokbeoke. De wet wil

-ocr page 45-

31

niet, dat er twijfel bestaan zal over de vraag, of deze rechten belastingen zijn ten opzichte van de artt. 232—237 en nn zou, ware de interpretatie der rechtbank de juiste, liet zelfde artikel, dat voor de toepassing der genoemde artikelen onzekerhoid onmogelijk maakt, deze doen ontstaan ten opziclite dor overige en aan do verschillende en wisselende inzichten der administratieve en rechterlijke colleges hebben overgelaten te beslissen, welke dier rechten voor die artikelen belastingen zouden zijn. Wij hebben ons slechts te herinneren, hoe Tiiokhecke do bemoeiing der rechterlijke macht in deze een noodlottig verschijnsel noemde om overtuigd te zijn , hoe weinig de opvatting der rechtbank strookt mot do bedoeling, waarmede de wet werd opgesteld.

Volkomen eens ben ik het mot de rechtbank, als zij beweert (in een niet aangehaalde overweging), dat de geschiedenis van het artikel niet pleit voor do ruime interpretatie, maar ik ican tocli onmogelijk meegaan met. een argument, dat zij or uit put tegen die opvatting. Zij zegt: „dat de bijvoeging tevens diende om aan de bezwaren van „hen te gomoet te komen, die de heffingen niet als belastingen wilden beschouwd hebbenquot; (die bedoeling zou dus juist tegenovergesteld zijn aan die welke Mr. Oitenheim er aan schijnt toe te kennen). De rechtbank doet het dus voorkomen, alsof de grond van de oppositie daarin gelegen was, dat men deze rechten in alle opzichten als belasting beschouwde, en de regeering door de bijvoeging daaraan tegemoet kwam en de gelijkstelling mot belastingen deehfs voor enkele artikelen vaststelde, maar wij weten reeds dat dit een onjuiste voorstelling is. De oppositie was een uitvloeisel van de meening, dnt niet al deze hef-

-ocr page 46-

32

fingen in liot wezen der zaak belastingen zjjn en de bijvoeging wilde te kennen geven, dat men om dit artikel aan te nemen ook niet al die heffingen als zoodanig behoeft te beschouwen, want, dat de wet alleen wil verklaren, dat zij de rechten voor belastingen houdt, ze met de belastingen , die dat ontwijfelbaar zijn, (jelijkHdl. Over do kwestie echter, of zij yeheel of f/edeelteHjlc als belastingen zouden beschouwd worden, dacht de oppositie niet en do bijvoeging kon dus niet ten dool hebben aan bezwaren van dien aard te gemoet te komen.

De voornaamste woordvoerder voor de beperkte interpretatie is 3[r. Karseboom in zijn conclusie bjj 5 Arresten van den IToogen Raad van 5 Dec. 1865 ') en bij een van 12 Nov. 18G7 1), maar vóór hem was zij al verdedigd door Mr. van Maanen in het eerste gedeelte zijner reeds vernielde conclusie en in een Arrest van liet Hof van Noord-Holland van 19 Oct. 1857 2).

Ook zijn aanhangers dezer meening Mr. Hanlo in zjjn conclusie bij een vonnis van de rechtbank te Maastricht van 27 Dcc. 1884 '') on Mr. F. N. Sickenga r') i;).

1

) W. v. h. R. n» 2968.

2

) Regtsgel. Bijblad, VIII p. 394.

') W. v. h. R. n0 5122.

'') Bijdr. tot do kennis van StPro v.- cn Gom. bestuur, XXV. p 111.

c) Prof. Gort van der Linden (Leerboek der Financiën, p. 588) zegt: „Art 238 wijst aan de gelden en rechten, die in don /.in dor wet „rotributiën, geen belastingen zijn,quot; in welke woorden wij echter m.i. geen oordeel over de bohn.ndolde kwestie moeten zoeken. De schrijver wil er, geloof ik, alleen mede zeggen, dat in art. 238 genoemd worden

-ocr page 47-

33

Mr. van Maankn vindt, dat de woorden onmiskenbaar tot deze interpretatie leiden on zij ook reeds lüj de eerste redactie in de bedoeling lag, wat liij uit de Mem. v. Beantw en de plaatsing van hot artikel opmaakt. Buitendien noemt lijj nog enkele redenen om haar aan te nemen, n.1. dat, terwijl do wet in art. 240 allo andere heffingen „belastingquot; noemt, zij deze als „do rechten, loonen en gelden van art. 238quot; er bijvoegt en dat art. 254 ze kennelijk niet geheel en al onder do belastingen rangschikt.

O O

Deze laatste redenen beteokenen m. i. niet zoor veel. Er staat tegenover, dat de artt. 240 on 254 voorkomen in het hoofdstuk, getiteld: „Van de bijzondere soorten van plaatselijke belastingen.quot; liet argument, ontleend aan art. 240, is bovendien door de wijziging van 1865 vervallen. Nu noemt het de heffingen wel degelijk onder de belastingen.

Mr. van Maanen vindt de gevolgen der ruime interpretatie ook vreemd, omdat dan boete, gevangenisstraf en verbeurdverklaring voor overtredingen in zake dier rechten opgelegd zouden moeten worden. Wij zagen echter, dat hij de gevolgen der beperkte interpretatie nog veel vreemder vindt, want dat hij zich, ondanks al, wat voor de beperkte opvatting pleit, toch aan de ruime houdt.

Het Hof van Noord-Holland meent, dat de eerste woorden stellig ruim bedoeld zijn, maar is om de bijvoeging toch voor de beperkte interpretatie, omdat „een tegenovergestelde „opvatting onmiskenbaar eischt, dat de woorden: „wat de „toepassing van artt. 232—237 betreftquot;, als den wetgever „onwillekeurig ontvallen en bijgevolg als niet geschreven

die gelden en rechten, die dooi- do gemeenten als retributie worden geheven, n. 1. als vergoeding voor bepaalde diensten, en niet als belasting, d. i. onafhankelijk van oenigen wederdienst (zie t. a. p. pag. 29).

-ocr page 48-

34

„to ficliton zijn.quot; Het Hof vergeet, dat bij zijn eigen interpretatie hetzelfde liet geval is met do eerste woorden. Het nioont vorder, dat uit niets in dc wet blijkt, dat alleen de eerste woorden moeten gelden, dat b. v. dc wot de heffingen van art. 238 nooit belastingen noemt, maar ze altijd met haar bizonderen naam vermeldt, en dus, dat er daarom geen reden is van den duidolijken tekst der wet af te wijken en de eerste woorden alléén toe te passen. Ik geloof echter niet dat velen dien tekst bij dc interpretatie van bet Hof duidelijk zullen vinden; voor mij is hij het althans niet.

Mr. Hooft vermeldt in „Dc rechten en loonon van art. 238 der Gemeentewetquot; op pag. 24 een argument, dat de voorstanders dezer interpretatie wel deden gelden , n.1. dat als men in do eerste redactie dc artt. 238 en 239 achter elkaar leest, het duidelijk is, dat do rechten van art. 238 alleen voor belastingen worden gehouden, wat betreft die artikelen, die in art. 239 genoemd worden. Dit argument gaat dunkt mij, niet op. Ik vind dat laatste niet duidelijk. Bij de wijze van redactie van art. 239 toch is het lang niet zeker, dat do artt. 232—237 genoemd zijn om do overige uit te sluiten. Het zou best kunnen zijn, dat de wetgever alleen deze artikelen noemde, omdat er tot nu toe van andere geen sprake was en het hem voldoende scheen dc algemecne bepalingen toepasselijk te verklaren om de in art. 239 genoemde heffingen geheel als belasting-te doen beschouwen. Het is zeer wel mogelijk, dat ter wille van dc sierlijkheid der redactie hier een andere uitdrukking gebruikt werd om hetzelfde van de verplichtingen van art. 239 te bepalen. wat art. 238 van de daar genoemde rechten zegt, n.1. dat zij voor plaatselijke belastingen worden gehouden. Is het dus lang niet zeker, dat art. 239 beperkt

-ocr page 49-

35

bedoeld is, dan is het uit liet verband, tussclien do beide artikelen door liet woordje „ook'' en door hun onmiddollijko opeenvolging bestaande, ook niet zoo duidelijk als zij, die dit argument gebruiken, meenen, dat art 238 in do eerste redactie reeds een beperkte beteekenis had.

Voor het laatst heb ik bewaard do conclusie van Mr. Karseboom , die, wat de redenen aangaat, welke tot een beperkte interpretatie leiden, hot dichtst staat bij de mooning welke ik zolf dienaangaande bon toegedaan

Niet eens kan ik hot zijn mot wat Mr. Karseboom vooropstelt, dat art. 238 do heffingen niet tot plaatselijke belastingen maakt. Uit wat ik van de geschiedenis mededeelde, blijkt overtuigend, dat ieder dit toch las in hot artikel-De groote vraag, waarover de beraadslagingen liepen, was juist, of dit wol geoorloofd was. Een argument voor deze meening noemt Mr. Karseboom niet. Later haalt hij de reeds vermelde missive van den Minister Thorbecke aan. AVel zegt hij eerst, dat zijn tegenstander die ten onrechte als argument voor wetsinterpretatie gebruikt, on dat wol, omdat zij slechts van één tak der wetgevende macht afkomstig is. maar toch acht hij het de moeite waard hare woorden, als zijn eigen meening bevestigende, uit te loggen, maar in. i. steunen zij die meening in het minst niet. Hij zegt: „'s Ministers uitspraak bevestigt mijne overtuiging, „want ik lees er, dat het artikel niet belasting wil doen „zjjn, wat geen belasting is, maar dient om te beslissen „in navolging van hetgeen het besluit van 1819 deed. dnt „do koninklijke goedkeuring op die heffingen moet worden „toegepast.quot; Als men ook de twee zinnen, die in de missive

') Zie pag. 27.

-ocr page 50-

36

aan de hier bedoelde voorafgaan er bij leest, dan klinkt het heel anders dan Mr. Karseboom het liier doet voorkomen en ziet men, dat Thorbecke volstrekt niet meende, dat de heffingen van art. 238 waren „hetgeen geen belasting-is,quot; maar integendeel, dat zij wel belastingen waren, en dat daarom het artikel niet belasting wil doen zijn, hetgeen geen belasting is. Verder verklaart Mr. Karseboom ook, maar naar ik meen, onjuist, wat Thorbecke bedoelde mot „omtrent dit punt,quot; waarover het besluit van 1819 een beslissing had gegeven en waarover ons artikel dit deed in navolging van het besluit. Mr. Karseboom meent, dat Thorbecke er mede bedoelde de kwestie, of de koninklijke goedkeuring moest worden toegepast. ITet besluit van 1819 verklaarde echter do heffingen, die het op het oog had, geheel en al voor belastingen, ook, wat de straffen en de wijze van proeedecren betreft. (Zie art. 3 van dat besluit). Verder is het doel der missive van Thorbecke aan de Provinciale Staten zijn meening er over te kennen te geven, of provinciale heffingen (bij welke dus van koninklijke goedkeuring geen sprake was), analoog aan de gemeentelijke van art. 238, al of niet als belastingen behandeld moesten worden. Mij dunkt, dat ook daaruit volgt, dat Thorbecke met het „puntquot; waaromtrent het besluit van 1819 een beslissing had gegeven , bedoelde de vraag, of zekere heffingen al of niet plaatselijke belastingen waren en niet alleen, of daarvoor voorafgaande koninklijke goedkeuring noodig was.

Maar, vindt Mr. Karseboom deze rechten geen belastingevi en ik wel, volkomen kan ik mij vereenigen met wat hij laat volgen, nl. dat de woorden in verband met de daarbij gegeven toelichting verbieden andere artikelen op hen toe te passen dnn de artt 232—237.

-ocr page 51-

37

Welke beteekenis hebben de woorden? Om te weten, hoedanig het verband is tussehen beide door „ofquot; gescheiden uitdrukkingen, moeten wij do mededeelingen der Rcgeeriag te hulp roepen. Uit de Mem. van Beantw., waarin do Regeering zeide, dat de bijvoeging diende om duidelijk de bedoeling, die het artikel al had, te doen uitkomen, nl. om cd de genoemde en dergelijke heffingen met belastingen bij de wet gelijk te stollen, zien wij, dat wij do bijvoeging als een uitlegging-der eerste woorden moeten opvatten on tevens, dat de opvatting van „of in onderscheidenden zin, alsof sommige dezer heffingen geheel voor belastingen worden gehouden en andere daarmede voor art. 232—237 gelijk gesteld, niet in de bedoeling der Regeeritig lag. Immers uit de toelichting volgt een gelijke behandeling voor al de genoemde en dergelijke heffingen. Die onderscheidende beteekenis zou in de praktijk ook leiden tot dezelfde gevolgen als de interpretatie, in § 2 besproken.

Mr. Karseboom acht nog een andere onderscheidende beteekenis van „of denkbaar en zou die dan af kunnen leiden uit wat de Regeering zeide, n. 1 dat zij niet uit wilde maken, of de heffingen in het wezen der zaak belasting waren. Art. 238 zou dan zeggen: „dat de wetdierech-„ten voor belastingen houdt, „of althansquot; in zeker opzicht „nl de Koninklijke goedkeuring, zoo zij al geen belastingen „zijn, ze daarvoor wil gehouden hebben, dus voor zoover „zij per se geen belastingen zijn, dan tocli goedkeuring.quot; Mr. Karseboom vindt die uitlegging gewrongen. Ging zij op, dan zou dus niet onderscheiden worden tussehen de verschillende heffingen, maar tussehen de beide door „ofquot; gescheiden uitdrukkingen. Beide zouden voor alle heffingen bedoeld zijn, maar door de tweede zou de eerste eigenlijk

-ocr page 52-

38

te niet gedaan zijn. Deze interpretatie zou het artikel bepaald ongrondwettig maken (immers de wet zou dan zelf erkennen , dat sommige dier rechten geen belastingen waren), bovendien in strijd zijn met de bedoeling der Eegoering, die met de bijvoeging dezelfde was als met de eerste redactie en eindelijk in de praktijk de gevolgen hebben dei-interpretatie , ons uit § 2 bekend.

Ik kan dus niet anders dan in de woorden na „ofquot; een meer duidelijke uitdrukking zien van wat de eerste wilden zeggen.

En waarvoor kunnen do woorden „wat de toepassing van artt 232—237 betreftquot; nu anders dienen dan om de toepassing van alle andere artikelen uit te sluiten?

jSFeemt men niet aan dat zij dat willen zeggen, dan zijn ze volmaakt overbodig en onbegrijpelijk. Had Thorbecke de toepassing van alle artikelen bedoeld en dan met do bijvoeging duidelijk willen maken, dat do wet niet uitmaakt, dat deze rechten in haar wezen belasting zijn, maar dat zij er hen voor houdt, dan was „of daarmede gelijkgesteldquot; volkomen voldoende geweest. Nu hij er de bewuste woorden aan toe heeft gevoegd, moet men wel aannemen, dat hij alleen de genoemde artikelen wilde doen gelden cn dat al met de eerste woorden bedoeld had. Een versterking ten aanzien der goedkeuring behelzen de woorden ook niet, want dan zou (Mr. van Maanen herinnerde het al. t. a. p p. 185) niet „ofquot;, maar „ookquot;, zijn gebruikt.

Mr. Kaeseboom vindt een bevestiging zijner meening omtrent do beteekenis der woorden in de vergelijking met art. 239, omdat dat art. ook de belastingen in natura onderworpen verklaart aan art. 232 —237 en niet aan de overige artikelen. Bij de behandeling van hot bij Mr. Hooft ver-

-ocr page 53-

39

melde argument ') merkte ilc al op, dat dat laatste volstrekt niet zeker is. liet tegendeel is ook dikwijls aangenomen, lioewel de juistheid daarvan, als vaststaat, dat art. 238 beperkt bedoeld is, zeer betwist moet worden. Men begrijpe mij bier wel. Ik beu van meeniug, dat noch in het eerste ontwerp, noch na de wijziging van art. 238 in de redactie van art. 239 ecu argument voor de beperkte interpretatie van art. 238 tc vinden is, maar wel zou ik, als ik eenmaal die laatste aanneem, daarin een reden vinden om ook zeer tot een beperkte interpretatie van art. 239 over te hellen.

Dat ook de bedoeüiKj der Regeering zeer waarschijnlijk voor een beperkte interpretatie was, zien wij uit de Mem. v. Beantw. Wel zou strikt genomen dezelfde toelichting kunnen dienen bij woorden, die een ruime opvatting uitdrukken (immers als bedoeling wordt opgegeven „al de genoemde en dergelijke heffingen met belastingen bij de wet gelijk te stellen''; er kan hier dus zeer goed een volkurnen gelijkstelling bedoeld zijn), maar, leest men verder, dat bet doel dier gelijkstelling is „(op de beffingen) alle waarborgen , tegen ongepaste belasting geschonken, te kunnen toepassenquot; en bedenkt men, dat dit moet dienen als toelichting van een bijvoeging, welker woorden ook al van zelf tot de beperkte interpretatie leiden, dan moet men wel aannemen, dat deze ook door de Regeering bedoeld werd. De schijnbaar ruime beteekenis der eerste woorden kan dan geen moeilijkheden meer opleveren. Ik ben het met Mr. van Ma aken 2) eens, waar deze uit de Mem. v. Beantw. afleidt, dat die woorden beperkt bedoeld waren en de heffingen alleen voor belastingen hielden, wat de onmiddellijk voor gaande zes artikelen betreft.

') Zie pag. 84. '-) Ziu pag. 33.

-ocr page 54-

38

te niet gedaan zijn. Deze interpretatie zou liet artikel bepaald ongrondwettig maken (immers de wet zou dan zelf' erkennen, dat sommige dier rechten geen belastingen waren), bovendien in strijd zijn mot dc bedoeling der Rogeering, die met de bijvoeging dezelfde was als met do eerste redactie en eindelijk in de praktijk de gevolgen hebben der interpretatie, ons uit § 2 bekend.

Ik kan dus niet anders dan in de woorden na „ofquot; een meer duidelijke uitdrukking zien van wat de eerste wilden zeggen.

En waarvoor kunnen de woorden „wat de toepassing van artt 232—237 betreftquot; nu anders dienen dan om de toepassing van alle andere artikelen uit te sluiten?

Neemt men niet aan dat zij dat willen zeggen, dan zijn ze volmaakt overbodig en onbegrijpelijk. Had Thorbecke dc toepassing van alle artikelen bedoeld en dan met dc bijvoeging duidelijk willen maken, dat de wet niet uitmaakt. dat deze rechten in haar wezen belasting zijn, maar dat zij er hen voor huudt, dan was „of daarmede gelijkgesteldquot; volkomen voldoende geweest. Nu hij er de bewuste woorden aan toe heeft gevoegd, moet men wel aannemen, dat hij alleen de genoemde artikelen wilde doen gelden en dat al met de eerste woorden bedoeld had. Een versterking ten aanzien dor goedkeuring behelzen de woorden ook niet, want dan zou (Mr. van Maaxen herinnerde het al. t. a. p j). 185) niet „ofquot;, maar „ookquot;, zijn gebruikt.

Mr. Kakseüoom vindt oen bevestiging zijner meening omtrent de beteekenis der woorden in de vergelijking met art. 23!), omdat dat art. ook de belastingen in natura onderworpen verklaart aan art. 232 —237 en niet aan de overige artikelen. Bij de behandeling van het bij Mr. Hooft ver-

-ocr page 55-

39

melde argument ') merkte ik al op, dat dat laatste volstrekt niet zeker is. Hot tegendeel is ook dikwijls aangenomen. hoewel do juistheid daarvan, als vaststaat, dat art. 238 beperkt bedoeld is, zeer betwist moet worden. Men begrijpe mij hier wel. Ik beu van meening, dat noch in liet eerste ontwerp, noch na de wijziging van art. 238 in de redactie van art. 239 een argument voor de beperkte interpretatie van art. 238 te vinden is, maar wel zou ik, als ik eenmaal die laatste aanneem, daarin een reden vinden om ook zeer tot een beperkte interpretatie van art. 239 over te hellen.

Dat ook dc hedüeUmj der Regeering zeer waarschijnlijk voor een beperkte interpretatie was, zien wij uit de Mem. v. Beantw. AVèl zou strikt genomen dezelfde toelichting kunnen dienen bij woorden, die oen ruime opvatting uitdrukken (immers als bedoeling wordt opgegeven „al de genoemde en dergelijke heffingen met belastingen bij de wet gelijk te stellen''; er kan hier dus zeer goed een volkomen gelijkstelling bedoeld zijn), maar, leest men verder, dat liet doel dier gelijkstelling is „(op de heffingen) alle waarborgen , tegen ongepaste belasting geschonken, te kunnen toepassenquot; en bedenkt men, dat dit moet dienen als toelichting van een bijvoeging, welker woorden ook al van zelf tot de beperkte interpretatie leiden, dan moet men wel aannemen, dat deze ook door de Regeering bedoeld werd. De schijnbaar ruime beteekenis der eerste woorden kan dan geen moeilijkheden meer opleveren. Ik ben het met Mr. van Ma anen'-) eens, waar deze uit de Mem. v. Beantw. afleidt, dat die woorden beperkt bedoeld waren en dc heffingen alleen voor belastingen hielden, wat de onmiddellijk voor gaande zes artikelen betreft.

') Zie pag. 34. '-) Zie pug. 33.

-ocr page 56-

40

Eon volgende zin der Memorie wordt door Mr. Karseboom niet volledig aangehaald, waardoor dio meer in zijn voordeel schijnt dan hij eigenlijk was. Het is de zelfde, dien ik ') vermeld heb, maar die door Mr. Kakseboom, als volgt wordt geciteerd: „De bedoeling is alleen om de gelden enz. „als eene belasting tot stand te doen komenwaardoor hot schijnt, alsof' Thokbecke den nadruk legde op de laatste woorden en daarmede elke ruimere bedoeling uitsloot, maar de beteekenis van den zin ligt juist in de weggelaten woorden. Tjiorbecke wilde zeggen, dat liet artikel alleen gold voor gelden, voor het gebruik of genot van openhure gemeentewerken , bezittingen of inriehtingeu.

Ook wat de Regeering zegt over weggelden ') schijnt voor' haar beperkte bedoeling te pleiten.

Eindelijk heeft Mr. Kakseboom nog een argument voor dio bedoeling, ook reeds door Mr. van Maanen gebruikt, n.1. dat uit art. 254 duidelijk blijkt, dat de wetgever dio golden niet als belasting, maar als retributie, beschouwt ; mij dunkt echter, dat uit de ruime bepaling, door deüegoo-ring in do Mem. van Tool, bij art. 238 van plaatselijke belastingen gegeven, moet worden opgemaakt, dat zjj ook retribution daaronder wil begrijpen.

Ons oordeel over een redactie, die het zoo moeilijk maakt de beteekenis der woorden te leeren kennen, kan niet anders dan ongunstig luiden. In de eerste plaats moeten wij erkennen, dat, als do bijvoeging de ware n.1. beperkte bedoeling dor eerste woorden te kennen geeft, doze in die woorden zelve al zeer onjuist of liever in het geheel niet is uitgedrukt. Immers do eerste uitdrukking zegt alleen,

') Zie pag. 4.

-ocr page 57-

41

dat onder „plaatselijke belastingenquot; van art. 142 G W. ook deze rcehten beliooren. En leest men in de eerste woorden ook liet overige der bedoeling, n.1. dat op doze belastingen alleen de voorgaande zes artikelen toepasselijk zijn, dan moet men al verder erkennen, dat do woorden der bijvoeging ongelukkig gekozen zijn om de geheele bedoeling van den eersten zin duidelijk tc maken. Wel staat er in, wat in dien zin ontbreekt, maar in een ander opzicht verduisteren zij weer zijn betoekenis. Immers door zich op die woorden te beroepen kon de heer de Man') terecht zeggen, dat de wet zelf scheen te erkennen, dat de gelden eigenlijk geen belastingen waren en het artikel dus ongrondwettig was. Uit de verdediging van Thorbecke weten wij echter voldoende , dat dit niet het geval was en het artikel juist het begrip „plaatselijke belastingenquot; wilde definieoren. Do bijvoeging moest dienen om duidelijk te maken, dat de wet niet zegt, dat de gelden ontvnjfelhaar in wetenschappehjken zin belastingen zijn, maar die wet zelve ze als zoodanig opvat. „Gelijkgesteld'1'1 worden dus de rechten met die plaatselijke belastingen, die dat wèl ontwijfelbaar staathuishoudkundig zijn.

Zooals het artikel uu geredigeerd is, heerscht er dus begripsverwarring in. Met „plaatselijke belastingenquot; worden bedoeld alle plaatselijke belastingen, zooals in art. 142 Gr. W. en in de voorgaande zes artikelen. In dat begrip zijn dus onze rechten ook bevat. Maar nu slaat „daarmedequot; niet op „plaatselijke belastingenquot;, in dezen ruimen zin genomen, maar enkel op die, welke door ieder erkend worden dat te zijn, en in de volgende artikelen bedoelt do wet weer met plaat-

') Zie pag. 4.

-ocr page 58-

42

selijkc Ixjliisting'on alleen deze laatste, tenzij uitdrukkelijk liet tegendeel blijkt.

En tocli was liet zoo gemakkelijk geweest een juiste redactie te vinden Men had b. v kunnen zeggen: „Voor plaatselijke belastingen worden door deze wet gehouden do in naam der gemeente gevorderde enz.quot; Wilde men deze dan tot een bizondere soort der belastingen maken, waarvoor alleen de artt. 232—237 zouden gelden, dan had men er aan hot slot bij kunnen voegen: „Op de in dit artikel genoemde plaatselijke belastingen zijn alleen de artt. 282 — 237 toepasselijk'' of anders: „In het vervolg der wet worden onder „plaatselijke belastingen niet begrepen die, welke dit artikel „noemt, tenzij uitdrukkelijk het tegendeel wordt bepaald.quot;

Hiermede is hot onderwerp afgehandeld. Misschien zal spoedig do kwestie niet meer bestaan, want art. 1. van hot op 20 Augustus 1890 ingediende wetsontwerp „tot herziening der regels ten aanzien van plaatselijke belastingenquot; wijzigt art. 238 zoodanig, dat de heffingen niet meer als plaatselijke belastingen worden beschouwd. Om do grondwettigheid dezer verandering aan te toonen beroept de Regeering zicli, en, mij dunkt, met goeden grond, op art. 174 G. W. Uit alinea 2 van dat artikel toch volgt, dat de Grondwet heffingen voor het gebruik van Rijkswerken en -inrichtingen niet onder belastingen rekent en uit de beraadslagingen weten wij ook, dat dit de meening der Regeering.was, die deze eerst als amendement voorgestelde en toen door do voorstellers naar de inzichten der Regeering gewijzigde alinea in haar artikel overnam.

-ocr page 59-

STELLINGEN.

i.

Art. 27 1 der gemeentewet geldt ook voor andere belastingen dan accjjnsen.

II.

Ontduiking of' overtreding ter zake van plaatselijke belastingen , op welke art. 271 der gemeentewet niet van toepassing is, kan niet gestraft worden.

quot;lil.

Do burgemeester is niet bevoegd vergaderingen, waarin de openbare orde niet gestoord wordt, krachtens art. 180 der gemocjitcwet uiteen te doen gaan.

IV.

Art. 127 der gemeentewet is van toepassing om onwillige gemeentebesturen te dwingen schoolgeld te heffen volgens art. 46 dor wet op liet lager onderwijs.

-ocr page 60-

44

V,

Ten onrechte aclit do flooge Raad het zonder de vereischte vergunning in voorraad hebben van sterken drank mot de bedoeling dien in het kloin to verkoopon slechts dan strafbaar, als de voorraad minder is dan 2 liter.

VI.

Ook het laten loopen van een ballasttrein is in strijd met een ingevolge art. 16 der spoorwegwet gegeven bevel tot staking van den dienst.

VIL

Ook wanneer Gedeputeerde Staten beslissen, dat machtiging, door hen to geven tot oen handeling, bedoeld bij art. 17 dor armenwet, in een zeker geval niet te pas komt, kan het bestuur eener instelling van weldadigheid daarvan in hooger beroep komen.

VUIf

Gedeeltelijke vernietiging van een loting voor de nationale militie is niet toegelaten.

IX.

Art. 151 alinea 2 G. W. laat niet toe om, gelijk Mr. van Houten in zijn onlangs ingediend wetsontwerp betreffende de onteigening voorstelt, do gevallen, in welke .voorafgaande verklaring van het algemeen nut bij do wet niet wordt vereischt, in oen afzonderlijke wet te regelen.

-ocr page 61-

45

X.

Het is niet in strijd met de Grondwet, dat, zooals Mr. van Houten wil, de wet gevallen opnoemt, waarin het gemeentobestuur omtrent het algemeen nut eener onteigening beslist.

XI

Wenschelijk ware in art. 18 G. W. de bepaling, dat de daar bedoelde toestemming aan prinsessen slechts dan verleend wordt, als zij met een geboren of genatnraliseerden Nederlander in het huwelijk willen treden.

XII.

Het voorstel der Regeering om als voorwaarde voor de benoembaarheid van loden van Gedeputeerde Staten tot lid van de Eerste Kamer te stellen de ambtsvervulling gedurende zes jaren, was in strijd met art. 90 G. W.

XIII.

Art. 18 alinea 2 der wet op den Raad van State, waarin de betrekking van ambtenaar bij dien Raad onvereeuigbaar wordt verklaard met elke andere openbare bediening, is bij vergissing in de wet gekomen.

XIV.

Ten onrechte beweert Prof. Pierson (Leerboek dor Staathuishoudkunde, II p. 203), dat Plüescheim als oen dei-gevolgen van landnationalisatie het verdwijnen der kapitaalrente noemt.

-ocr page 62-

40

XV.

Hot ruilcontract heeft voortbrengend vermogen.

XVI.

Het is niet wenschelijk om tot verbruik dienende zaken, zooals woonhuizen, tot liet kapitaal te rekenen.

XVII.

Geen sociale wetenschap is denkbaar, die de waarheid «van het determinisme niet onderstelt.

XVIII

Determinisme leidt niet tot fatalisme.

XIX.

liet is te betreuren, dat het tractaat van Parijs van 185G het begrip „contrabandequot; niet gedefinieerd beeft; de Engelsche regeering protesteerde terecht tegen de opvatting-der Pransche, die in 1885 rijst als contrabande bescliouwde.

XX.

Do regeling van internationale prijsgerechten, door het Institut de droit international in 1887 aangenomen, j;al wegens de grooto bezwaren. er aan verbonden, in de praktijk geen ingang vindon.

-ocr page 63-

47

XX[.

De bewering, dat de instemming met do keuze van ecu Eulgaarschon Vorst door do meerdorheid dor mogendheden. die liet tractaat van Berlijn teekenden, kan gegeven worden, is onjuist en in strijd met de geschiedenis van dat tractaat.

XXTI.

Bulgarije is volgons het tractaat van Berlijn bevoegd tractaten te sluiten.

XXIII

Uitbreiding van liet zelfbestuur in Noderlaiulseh-Tndië is niet wenschelijk.

XXIV.

Ue instelling van een Kolonialen Raad, die den Minister van Koloniën moet adviseeron, is aan to bevelen.

XXV.

De rechtsvordering ter verkrijging eoner erfenis kan niet worden ingesteld door den kooper dier erfenis.

-ocr page 64-
-ocr page 65-
-ocr page 66-
-ocr page 67-
-ocr page 68-