-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

GUNNING

3 M

4

J.MfiüNNINZUH!

^ibi et Ami/:is

lüfRITEs/MtóP^nRI

W.^.LECSDKrvp j

-ocr page 4-
-ocr page 5-

11 ......* ^'grrr.iiwT—lt;-1 mwu ii ir,-

gunning

E. SNELLEN.

cincr. predikant.

Ben ik een Christen?

UTRECHT,

C. H. E. BR E IJ ER.

1S98.

-ocr page 6-

gt;y®T3!amp;8n. 'Ijktar schepsel moet ervaren, 3

een band testaat tusschen hem en zijn schepper, om ^zijns zelfs wil. Ouders beminnen ieder kind op en om zich zelf, niet het eene kind 'om het ander, en zelfs de misdeelden het 'meest. Qp Gods liefde moeten wij kunnen ^bouwen, niet uit genade, maar omdat het God tot een vreugde is lief te hebben en ons, die liefde te beantwoorden, zij 't gebrekkig.

'k Achtte het nuttig op deze dingen eens te wijzen na het aanhalen der mooie bladzijde I over Jienvond, opdat de lezers niet wanen dat 't geschrift is in onzen geest.

Hoeveel schoons er in gevonden worde, het ■heeft een onzuivere bijsmaak.

't Schijnt mij, dat Snellen den zuurdeesem der wet nog niet geheel heeft uitgezuiverd. Daardoov heeft, wat hij ons biedt, een wrange bij am wat voor ons een gebrek is, een fout.

^ is de geest van 't Evangelie, p t alle bitterheid is hij vrij.

'ï En daarvan zijn de uitdrukkingen, die ik aanhaalde, het niet.

'k Heb een ideaal der hoogste liefde, dat zelfs maakt dat 't woord genade voor mij een wanklank is geworden!

Moge 't ons aller deel worden en hierdoor de in mijn oog getcaande strijd van beginselen zich oplossen 'in eene hoogere eenheid. Wie zich op het standpunt van het Evangelie plaatst, het fondament der liefde, moet dunkt mij tot zuiverder en hooger opvattingen komen dan de schrijver van 't genoemde boekje. i ' Censor.

h L * l/b

-ocr page 7-

Ware het mij gegeven, vocj eenmaal voor u op te treden, gemeente des Heer en! Mocht ik de harten uwer kinderen helpen vormen! Mocht ik in uw woningen als herder en leeraar tot u spreken, met lijdenden en stervenden hidden!

IJdele wenschen; schuldige klachten, zoo het klachten waren. Gods liefde in Christus is mij nabij; zij is zoo goed en groot. En waar Hij mij geeft van „het bed mijner genezingquot; — zij het dat voor mij in den heilig sten, hesten zin! — enkele woorden tot u te spreken, ontvangt ze daar, bekende en persoonlijk onbekende vrienden, met zachtmoedigheid. Wat uit het diepst van mijn hart kwam, vinde toegang tot uwe harten! De Heer nu des vredes zelf geve ons vrede te allen tijd, in allerlei wijze!

E. S.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Neem wat ik niet geven kan: mijn hart, mijn lichaam, mijn gedachten, myn tyd, myn talenten, myn geld, myn gezondheid, myn krachten, en gebruik zo in Uw dienst, o myn gekruisigde Meester, myn Verlosser, myn God!

E. Prentiss, Bergopwaarts.

1, Ben ik een Christen ? Kan men die vraag tegenwoordig

nog wel zoo besliat zichzelven voorleggen? Wat is er ontzettend veel verschil over het Christendom! Hier is Christus! Neen, hier is Hij! Zoo roepen allerlei stommen. Hoe zal nu een eenvoudig mensch weten, wat waarheid is? — Ik geloof, dat gij die zoo spreekt, u onzen tijd als te zeer onderscheiden van vroegere tijden denkt. Noem mij eens een oogenblik in de geschiedenis, dat er geen strijd was. Sla bijvoorbeeld de brieven van Paulus op en zie, • «■ hoe er toen reeds heftig verschil van gevoelen ontstond.

Zoo ging het al de eeuwen door. En daar is toch ook in dien strijd, als hij op waardige wijze gevoerd wordt, iets, dat ons niet al to zeer mag bedroeven. Onverschilligheid is geestelijke dood.

Maar zoo erg als thans was het toch zeker nooit. — Misschien niet, maar daarom is het zulk een groote troost,

-ocr page 10-

6

dat de vraag niet allereerst is: ben ik kundig in de loer omtrent het Christendom? maar: ben ik een Christen? Niet: welke ontwikkeling heb ik door mijn denken verkregen? Maar: Wat is er in mijn hart gebeurd? — Voelt gij u verkwikt door de lentezonnestralen? Dat is iets anders dan: Weet gij mij uit te leggen, hoe die warmte ontstaat? Kent gij de voedende kracht van het brood, dat God uit de aarde doet ontspruiten? Dat is iets anders dan: Weet gij mij te zeggen, hoe de voedende bestanddeelen heeten, en hoe_ zij in ons lichaam worden opgenomen? Welke is de stand van het onderzoek op theologisch gebied? Belangrijk tot op zekere hoogte ook voor gemeenteleden; gelijk dan ook de godgeleerdheid naar haar diepste wezen is een denkend vertolken van het geloof der gemeente. Hier intusschen kan de vraag niet zijn: welke is de stand van het godgeleerd onderzoek? maar: ben ik een van God geleerde?

Het was een Galileesche visscher, een ongeleerde, ongeletterde, die, toen Jezus vroeg: Wilt gijlieden ook niet heengaan? uit naam zijner medediscipelen antwoordde: Heer, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven, en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Een antwoord, meer dan achttien eeuwen lang door machtige denkers, door eenvoudige vromen dankbaar herhaald.

Het is tientallen jaren geleden, maar nog staat het mij levendig voor den geest. Wij wandelden in een van Gelderlands schoonste gedeelten, en ik zie hem daar nog zitten voor het onaanzienlijk woonhuis, een eenvoudig grijsaard met den Bijbel bij Johannes VI opengeslagen. Wist hij iets van de vele vragen, die dit heerlijkste aller evangelien

-ocr page 11-

7

heeft doen oprijzen? Hij vermoedde er hoogstwaarschijnlijk zelfs niets van, maar mij dunkt, als zijn troost beide in leven en sterven had hij het loeren verstaan: Heer, tot wien zullen wij heengaan? Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Zou dat niet het geheim zijn geweest van den blij moedigen vrede op dat door de zon verbrand, door de jaren gerimpeld gelaat?

Maar wat is er juist in de laatste jaren veel veranderd! — Ik zal niet beproeven, u die zoo spreekt, de waarheid op te dringen, met een klemmend betoog u te dwingen tot een belijdenis, waaraan uw hart geen deel zou hebben. Jezus heeft dit allerminst beproefd; van Hem is dat koninklijk, dat rustig vertrouwen, dat innig geloof in 's menschen hoogere natuur, dat zich aldus uitsprak: Indien iemand wil Gods wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of ik van mijzelven spreek. — Indien iemand wil. Wilt gij het? Hebt gij de diepe kloof gevoeld tusschen uw zonde en Gods wil ? Hebt gij u gesteld met uw levend geweten vlak voor dat: Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de Hemelen volmaakt is? Dorst gij naar heiligheid? Smacht gij naar liefde? Dan antwoordt het evangelie in het evangelie: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Verwerp het, zoo ge kunt; versmaad het, indien het u mogelijk is; maar ken Jezus' woord: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde; weet, dat wat uit de heilige hoogte van Gods liefde is neergedaald tot het schuldig menschenhart, onvergankelijk blijft. Geen natuurdienst lacht meer met onze diepste nooden. Geen ijzeren macht houdt ons benauwend omklemd. Geen noodlot dreigt

-ocr page 12-

en spot en doet ons huiveren. Eeuwig zijn de behoeften van ons hart; God gaf ons in Christus het eeuwig evangelie.

Maar vroeger wist men toch meer, zag men toch duidelijker, wie een Christen was, wie niet? — Zeker. Tot berstens toe is het strijdperk der wilde dieren in het heidensche Rome gevuld. Een geliefkoosd, een afgrijselijk schouwspel wacht het diep verdorven volk. Daar staan zij in het midden, ouden van dagen, mannen en vrouwen in de kracht des levens, ja ook jeugdigen van jaren. De deuren gaan open, die den wilden dieren toegang verleenen. Geen klacht, geen zucht, geen angst. Een loflied is op hun lippen. Zij zien de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods, gereed om hen te ontvangen. Blijmoedig en getroost sterven zij den vreeselijken dood. Wat is een oogenblik druk bij zulk een eindeloos geluk! En de toeschouwers? Zij gevoelen liet, wie zoo sterven kan, heeft het ware leven. Straks belijden velen hunner Jezus als hun Heiland en Heer. Om Christus' wil willen ook zij lijden en sterven. Der Christenen geloofsmoed heeft hen tot Cl iristenen gemaakt. — En omdat God u niet meer op zulke geduchte proeven stelt, daarom zoudt gij meenen, dat een besliste keus onnoodig is? In onzen slappen tijd moet het Christendom krachtig worden uitgesproken, maar bovenal krachtig doorleefd; moet de wonde, die het slaat, waarlijk niet minder dan te voren, diep worden gevoeld, zal genezing mogelijk zijn. Een besliste keus is de alleen ware keus. Ik heb mij niet voorgenomen, iets onder u te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd. Dat was de banier, waaronder Paulus streed. Hij wist, hij deed zooveel, voor velen was hij zooveel, maar Christus was het middelpunt, het leven van zijn leven.

-ocr page 13-

9

Evun scherp nis ooit te voren staan Christus en do wereld tegenover elkander. Uw wereld, uw zonde. Hoe zij heet? Hoogmoed, IJdelheid, ingenomenheid met uzelf, jaloerschhcid, geldzucht, het gevlei der zinnen, een prikkelbaar humeur misschien? Traagheid, lafhartigheid misschien? Is er iemand, met wien gij in vijandschap leeft? Weet gij, dat de verzoening van u moet uitgaan, maar weigert gij? Is er oneerlijkheid, onoprechtheid in uw leven? Weet, ja weet gij, dat gij daarmee breken moet, maar weigert gij ? Laat gij u beheerschen door menschen-vrees en menschenbehagen? Zoudt gij Christus willen volgen, maar durft gij niet? Weet gij, dat uw hinken op twee gedachten ellendig laf is, maar durft gij toch de goede keus niet doen? Voelt gij, wat er in u moet veranderen, maar hoopt gij nog altijd midden door te zeilen ? Hebt gij het nog niet in al zijn onverbiddelijke gestrengheid verstaan: Niemand kan twee heeren dienen? En als gij het beproeft, zegt niet het gemis aan innerlijken vrede, dat uw pogen ijdel is? Ben ik een Christen? Verander die vraag niet in: Is een ander het? Daar is in sommigen zeker veel meer van Christus dan wij oppervlakkig zouden zeggen, dan zij zeiven zeker vermoeden. Wie heeft ons tot rechters over onzen naaste gesteld? God alleen kent de harten. Ben ik een Christen? dat is de vraag, waarop ons geweten het antwoord geven moet?

Wie zijt gij, die dit leest? Een rijke of een arme of geen van beiden? Voor God bestaat geen rijk of arm. Wie zijt gij ? Een, die veel tijd heeft of een met bezigheden overladen? Wie veel tijd tot zijn beschikking heeft, verbeuzelt vaak zijn dag en waagt het niet met zichzelf, met zijn God alleen te zijn. En gij, die met u bezigheden overladen voelt, zoo druk heeft het niemand, of er is

-ocr page 14-

10

tijd om uw God te ontmoeten in hot diepst v;in uw gemoed, om te gevoelen, dat Hij u wakker schrikt en te hooron, wat Hij tot u zegt. God vraagt ook niet uw tijd, maar uw hart, en hebt gij Hem dit gegeven, dan geeft gij Hem ook weder al uw tijd, want gij doet uw werk met het oog op Hem, in een Hem gewijde stemming des gemoeds. Wie zijt gij, die dit leest? Een, die ruwe zonden pleegt, of een, die naar het oordeel der menschen geen kwaad doet? O, zachtmoedige, beminnelijke, van de menschen veel geprezene, wie zijt gij voor God? Elk hart, ook het uwe, heeft zijne zwakke zijde. Daar valt de zielevijand aan. Ziet gij niet als in vlammend schrift uw boezemzonde voor u staan? Zijt gij u niet klaar bewust, wat dat plekje in uw hart is, waar gij God buitensluit, waar Hij niet mag doordringen met zijn heilig gericht, waar gijzelt' nog heer en meester, ach neen, een arme slaaf wilt zijn? Zegt uw geweten u niet, waartegen gij vooral te strijden hebt?

Laat mij met rust. Voor ditmaal ga heen, en wanneer ik gelegener tijd zal bekomen hebben, zal ik u wederom tot mij roepen. — Beklagenswaardige, wat wilt gij? Uitstel op dit oogenblik, terwijl gij het volgend oogenblik misschien in de eeuwigheid ontwaakt. Is er erger pijn dan wroeging over een verloren leven? Ik wist het zoo goed, maar ik heb niet gewild. God heeft mij geroepen, ik heb het gehoord, maar tot Hem gezegd: ik wil niet. Ik wist, waarop het aankwam. Veel heb ik gedaan, maar dat éene beslissende niet. God beware ons voor dat folterend zelfverwijt!

Waan niet, dat het u, indien u het leven blijft gespaard, in later jaren lichter valt. De zonde, uw lievelingszonde, krijgt u meer in haar macht. Sterker worden de boeien,

-ocr page 15-

11

waarmee zij u kluistert, knellendor uw slavernij. Nu nog hoort gij de stem des gewetens, maar zwakker, flauwer allengs. Wat baat het een mensch, of hij de gehcele wereld gewint en lijdt schade aan zijne ziel? Schade aan de ziel is onherstelbare schade, het vreeselijkst verderf. Hij, dien gij niet tot uw vriend hebt begeerd, wordt uw geduchte rechter eenmaal.

Maar ik heb het mij al zoo dikwijls voorgenomen. Op droevige wijs hebt gij het dan ondervonden, dat de weg naar de hel met goede voornemens is geplaveid. Gij zijt als rechtvaardige in eigen oog gekomen. Och, of gij als verloren zondaar kwaamt! Gij wilt onder allerlei voorbehoud gelooven. Och, of gij, hulpeloos in u zelven, vast en onwrikbaar in uwen Heer en Heiland geloofdet! Gij wilt niet slecht zijn, en hebt; toch niei den moed om ernst te maken met het hoogste goed. Gij wordt geslingerd tusschen lust en afkeer, tusschen wereldzin en verlangen naar het hoogere. De zonde houdt u geboeid, en gij weet dat zij geen recht op u heeft. Zij lokt, zij lonkt, zij trekt, en inwendig vloekt gij haar. Gij wenscht naar vrede, maar derft den vrede des gemoeds. Gij smacht naar verlossing, hoe lang nog keert gij u af van dien Eene, die alleen verlossen kan en wil? Aan den voet van het Kruis hebben de diepstgezonken misdadigers, maar ook de beminnelijkste, edelste menschen gevonden, waar de innigste behoefte huns harten om smeekte. Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heer. Dat heeft bij duizendmaal duizenden het leven tot waarachtig leven gemaakt, het sterfbed zacht gespreid.

In het kruis van Golgotha zien wij, welk een vijandschap tegen God er in onze harten woont. De aardsch-

-ocr page 16-

12

gezindheid der volksmenigte heeft Jezus gekruisigd. Uwe on mijne aardschgezindheid, die smadelijke begeerte naar wat uitwendig schittert, naar wat de zinnen streelt. De eigengerechtigheid der Farizeeën heeft Jezus gekruisigd. Uwe en mijne eigengerechtigheid, die ellendige ingenomenheid met ons zelf, die God de eer ontrooft en ook het beste bederft. De menschenvrees van Pilatus heeft Jezus gekruisigd. Uwe en mijne menschenvrees; die laft'e angst om anderen te mishagen, dat meedoen, al bloedt ons hart; dat meelachen, al spreekt een betere stem: ik veracht het.

Lang genoeg van verre gestaan; lang genoeg door twijfel Hem bedroefd. „Zijt gij bevreesd voor God, red u in zijn Vaderarmen.quot;

Aan den voet van het Kruis wordt onze zelfverheffing vernederd, onze hoogmoed des harten gebroken. Geknakt is de trots, die ons van Christus terughield. De grond zinkt ons onder de voeten weg. Goddank! Wij staan op do rots der eeuwen. Wij ontzinken ons zelf, maar grijpen de getrouwe hand, die ons voor eeuwig redt.

Ook voor mij heeft Hij geleden, ook voor mij het waarachtig offer gebracht. God was in Christus ook mij met zichzelven verzoenende. Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft God zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. De schuld is verzoend, de kracht der zonde gebroken, ook voor ons, ook in ons, door overgave des harten, door ons geloof, al was het maar als een mosterdzaad. Als verloren zondaars zijn wij gekomen, door genade zijn wij behouden. Met Christus is ons eigen ik gekruisigd. Met Hem zijn wij tot een nieuw leven opgestaan. Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? — Wie zijt gij, Heer? — Ik ben Jezus, dien gij vervolgt; het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. — Heer,

-ocr page 17-

13

wat wilt Gij, dat ik doen zal? — Dc last der zonden is van ons afgenomen. Onze boeien zijn geslaakt. Een ongekende blijdschap vervult, een nieuwe kracht doorstroomt ons. Nu hebben wij gevonden, wat de diepste behoefte des harten zocht. Christus heeft de wereld overwonnen, voor ons, in ons. Hebt goeden moed!

Leden weten wij ons nu van Christus' lichaam, de gemeente. Reeds als kind nam God u door den doop in zijn eeuwig genadeverbond op. Krachtens onze geboorte uit zondige ouders den vloek der zonde deelachtig, zijn wij in Christus geheiligd. Opgevoed zijn wij in den schoot der gemeente. Den zegen daarvan hebben wij genoten cn de heerlijke verplichting zei ven op ons genomen, toen wij ons aan de gemeente verbonden. Ook over onze hoofden heeft geklonken dat indrukmakend:

Godenk aan onze nieuwe leden.

Die, door 't belyden van Uw Naam,

Mot ons nu in verbind'nis treden;

O Vader! heilig z' in Uw naam.

Dat niets hun ijver ooit verdoovo.

Uw liefd'. Uw waarheid blljv' Inni Hi.

Dat hun geloof oprecht geloove.

Him keus dc keus des harten z\j.

Bewaar, o God ! hun ziel en zinnen,

Dat, hoe de wereld vleien moog,

Zij hoven alles U beminnen,

In vreeze wandlen voor Uw oog:

Zoo richten z\] getroost hun treden

Op spoor, hoe zwaar ?t ook schijn;

Zoo zal, op 't geen zy nu beleden.

Hun wandel 't sprekendst Amen zijn.

-ocr page 18-

14

Een rustpunt, een mijlpaal op den weg is de tafel des Nieuwen Verbonds, ook voor u aangericht. Zoo waarachtig als gij dat brood eet en dien beker drinkt, zoo waarachtig gevoelt gij, als oprecht geloovige, dat de weldaad van Christus uw eigendom werd, dat Hij u, dat gij Hem hebt aangenomen.

Leeft het leven der gemeente mede. Gezegend de rustdag, de dag aan God gewijd. Vernielt de gemeenschap der heiligen niet, door u willekeurig aan de samenkomsten te onttrekken. Kerkgaan alleen uit sleur brengt geen zegen. Geheel iets anders is het er een vaste gewoonte van te maken. Voor de ingrijpende beteekènis, de opvoedende, vers„jrkende macht der goede gewoonte in het algemeen gaan, voorzoover ik zien kan, de oogen hoe langer hoe meer open. Losrafelen, ontbinden uit louter willekeur, ach, het doet zooveel kwaad. En wat in het bijzonder het kerkgaan betreft, hoeveel tracht u te sleuren naar omlaag! Dat dan de eeredienst, het Zondagsoffer — want dat is het kerkbezoek, ook voor Protestanten — u trekke naar omhoog, u opvoere tot God!

Broeders, Zusters, bidt voor ons! dat vraagt uw herder en leeraar. Gedragen door het gebed van de kern dei-gemeente treedt hij voor u op, grijpt uit den schat van Christus, grijpt u in het gemoed. Waar een arme zondaar en een rijke Heiland wordt verkondigd, daar is het feestmaal voor de zielen. Welk een kracht heeft het samen zingen! Welk een kracht het gezamenlijk gebed! Reeds voor het gesproken woord, maar nog eenmaal daarna worden uw zielsbehoeften en haar vervulling in Christus biddend, dankend samengevat. Het innigste in u, gijzel: hebt het verbond met God vernieuwd. In diepen ootmoed hebt gij u weder Hem gegeven. Welk een blijdschap!

-ocr page 19-

15

Welk een kracht! Gezegend gij, die het Godshuis met God verlaat, uw strijd weer te geinoet, maar sterker dan zoo straks.

Dierbaar zijn zij u, niet waar? de feesten der gemeente, de hoogtijden des geloofs.

Vriendelijke adventstijd, met blijde ontroering zien wij u telkens weder naderen. Daar trilt een diep verlangen door het hart dier oude wereld, onder de Heidenen zoo innig arm, onder Gods uitverkoren volk aan beloften zoo rijk. In de volheid des tijds heeft God zijnen zoon gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Blij en heerlijk Kerstfeest! De langste nacht verdween, het licht is in het duister opgegaan. Waai het aardsch gedruisch niet wordt vernomen, waar geen rumoer der wereld doordringt, daar wordt de Heilige geboren. Zoo voor de menschheid, zoo in den mensch. O, Kerstnacht, schooner dan de dagen! De hemel daalt op aarde neder. Welk een licht, welk een liefde, welk een heerlijkheid!

Verborgen gaat dat leven voort. Op eens daar staat Hij in het volle aangezicht zijns volks met slechts éen ziels-begeerte, dat arme volk, die arme menschheid van haar vreeselijken vloek, van de zonde te verlossen. Het is zijn wensch, zijn heilige wil, zijn eenig levensdoel. Welk een leven, welk een liefde, vragend en smeekend, zoekend en reddend! Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert, maar gij hebt niet gewild! Bittere smart, genoeg om elk ander aan zulk een menschheid te doen wanhopen, genoeg om Hem te doen liefhebben tot den einde toe. Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen, heeft Hij gebeden, opdat niemand ooit aan Gods liefde twijfelen mocht. Mijn

-ocr page 20-

16

God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden zijn. Het is volbracht, opdat het heerlijk werk van Gods genade ook in ons worde volbracht.

Wie zoo sterft, hem kan de dood niet houden. Do Heer is waarlijk opgestaan. Zonde en dood, hel en duivel zijn overwonnen, want Gods Zoon heeft door zijn oneindige liefde den triomf behaald. Magdalena droogt hare tranen; hoort zij zich niet roepen bij haar naam? Was het hart der Emmaüsgangers niet brandende in hen, toen Hij hun de Schrift verklaarde, en zij het diepe: door lijden tot heerlijkheid, begonnen te verstaan? De verslagen jongeren grijpen moed; zij hebben zijn vredegroet gehoord. Petrus is bedroefd, als voor de derde maal de vraag weerklinkt: hebt gij mij lief? Maar groot is zijn blijdschap, als volle schuldvergiffenis zijn deel wordt. En Thomas, die twijfelde, is cte eerste, die Hem belijdt als zijn Heer en zijn God. Christus' opstandingskracht doet zich in zijn jongeren gevoelen. Zijn verheerlijkt leven werkt in hen.

De Heer der heerlijkheid scheidt zegenend van de zijnen, en bereidt hun plaats in het Vaderhuis. Hij is de barmhartige hoogepriester, die voor de zijnen bidt. Gods Zoon vergeet den broeder niet, dien Hij op aarde liet. Wij hebben geen hoogepriester, die niet medelijden kan hebben met onze zwakheid, maar die in alle dingen verzocht is geweest gelijk als wij, doch zonder zonde.

Het is u nut, dat ik wegga. Het raadselachtig woord treedt in vervulling. De Trooster komt, de Geest der waarheid en der kracht verlicht, herschept de jongeren, sticht de gemeente en breidt straks haar grenzen uit. ..s Pinstervreugde de meest persoonlijke, of de meest gemeenschappelijke stof tot blijdschap? Maar is niet het innigst per-

-ocr page 21-

17

soonlijke juist dat, wat ons het nauwst aan elkander verbindt? Een bejaarde Christin verhaalde mij, dat haar vader en zijn vriend de ervaring hadden gehad: vroeger predikten wij over de waarheid, nu prediken wij uit de waarheid. Dat schenkt God langs den weg van een steeds ootmoediger geloof. Dat is de doop des Heiligen Geestes. Hij is het gewisse onderpand van de vervulling van Gods beloften. Do getuigenis des Heiligen Geestes maakt de weldaad van Christus tot ons onvervreemdbaar eigendom, schenkt de verzekerdheid des geloofs. Maar ook de Heilige Geest bindt de geloovigen samen; éen zelfde zondaarsbehoefte is voor allen, in allen vervuld. Eén Heer, éen geloof, éen doop, éen aardsche strijd, éen hemelsche verwachting.

Ach, waarom zou wat met den geest begonnen was, voortgaan met het vleesch ? De wereld spande al hare krachten in om de gemeente te verdelgen; te krachtiger en heerlijker kwam zij uit iedere vervolging te voorschijn. Het bloed der martelaren werd het zaad der kerk. Maaide wereld had afschuwelijker wapenen. Schier onmerkbaar sloop zij de gemeente binnen. Geld- en heerschzucht, ijdel-heid, trage zin en wereldliefde, ziedaar het beeld, dat die diep verdorven kerk der zestiende eeuw ons biedt.

O, God! mijn zonden, mijn zonden! Zoo krijt een arme monnik in zijn cel. Hij heeft geworsteld en gebeden, zich afgepijnd en geleden. Hij wil door goede werken den hemel verdienen, totdat God het hem doet verstaan: de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Uit genade zijt gij zalig geworden. — De Hervorming is geboren.

Zij gaf der gemeente haar Bijbel terug. Welk een blijdschap over dien onuitsprekelijk grooten schat! Moordschavot en brandstapel hebben de Christenen der zestiende

-ocr page 22-

18

eeuw beklommen, omdat zij geen afstand wilden doen van het voorrecht hun dierbaren Bijbel te lezen. Christenen van onzen tijd, het is diezelfde Bijbel, die door u o, immers niet ongebruikt gelalen wordt? Tot vrijheid zijt gij geroepen. Wat is heerlijker vrijheid dan naar liefde's stem te luisteren? In uw Bijbel vindt gij de boodschap uit den Hooge tot de diepte van uw hart. Ik ben een vreemdeling op aarde. Heilig God, verberg mij uw geboden, uw heerlijkheid niet! En God antwoordt u. Hij spreekt; dat is geen menschenstem. Hij schrikt u op en Hij vertroost u; dat is niet van de aarde aardsch. In blijde dagen legt de Bijbel u het; Loof, loof den Heer, mijn ziel! op de lippen. Grijpt smart u aan, met uw Heiland knielt gij in uw Gethsemane neder. Drukt u het schuldgevoel, er is vergeving ook voor uw schuld. Is uw Bijbel reeds een stuk van uw zieleleven geworden? Liggen er reeds vouwen, staan er reeds strepen, in werkelijkheid of in uw gedachten, bij woorden, die in gansch eenige mate u tot zegen werden?

Nu heeft de gemeente Christus en zijn heilig offer weder. Uit genade zijt gij zalig geworden. Geen bedriegelijke steun van eigengerechtigheid, geen bouwen op uw gevoel, zelfs niet op het gevoel van verlossing, maar op uw Verlosser alleen, geen zandgrond, die onder u wegzinkt, maar-Christus de eeuwige rotsgrond, waarop gij staat.

Nu heeft de gemeente het gebed weder, het gebed als diepsten kreet der ziel tot God. Help mij overwinnen! God van alle liefde en kracht, maak Gij mij sterk! Welk een zegen te voelen, dat Godzelf ingrijpt in ons zieleleven, dat Christus' kracht in onze zwakheid wordt volbracht. Wij hebben gebeden; nu is de kracht der verzoeking gebroken. Wij hebben gebeden; nu mogen wij van harte

-ocr page 23-

19

danken. Welk een voorrecht het te mogen; te mogen danken voor die dagelijksehe, oude, nooit verouderde zegeningen, voor verrassende uitkomsten, voor op nieuw ontvangen genade.

Welk een voorrecht voor elkander te mogen bidden, wie ons lief en dierbaar zijn met volkomen vertrouwen op te dragen aan Gods liefde en trouw. Te bidden voor lijdenden en strijdenden, wier lijden en strijd ons van nabij is bekend, voor afgedwaalden en gekluisterden in der zonde macht. Te mogen bidden en te weten, dat God ons altijd hoort en te zijner tijd verhoort. „O! indien gij oogen hadt, waarmee gij al die onzichtbare draden kondt nagaan, die alle gebeurtenissen in onderling verband doen staan, gij zoudt verstomd staan over de gevolgen, die het heeft gehad, toen gij gebeden hebt, en de gevolgen, die het heeft gehad, toen gij niet gebeden hebt. Uw gebed uit het geloof is een persoonlijk werk van de grootste beteekenis.quot; (J. H. Adriani, phil. nat. cand. Eltheto '97.)

Ach, mijn dagelijksch gebed is dikwijls zoo flauw, mijn hart nog zoo koud. — Hoe zou ik uw klacht niet verstaan ? Menschenhulp schiet hier te kort, maar dit éene: Wees oprecht. Volkomen oprecht voor uwen God. Er zou meer gloed in ons gebed zijn, als er meer schuldgevoel in ons hart was; klagen wij het Hem. Er zou vuriger drang tot bidden zijn, indien er niet nog zondeliefde in ons leefde; klagen wij het Hem. Maak een zaak des gebeds van alles wat u bekommert, ook hiervan, dat uw gebed niet is, wat het wezen kon. Gij zijt u zelf zoo menigmaal een raadsel. Klaag het Hem. Ja, klaag aan God, wat gij aan geen ander klagen kunt. Hij is de God van volkomen verlossing. Wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij Hem. Wij mogen bidden, laat ons het dan ook durven. God

-ocr page 24-

20

wiJ, dat wij Hem alles, alles toevertrouwen; genieten wij dien zegen! Wij moeten worstelen. Zij het een worstelen in den gebede! Zij ieder gebed do ervaring des harten, dat Hij waarachtig is en getrouw, machtig om te redden, ook uit den diepsten nood der ziel!

Gij bidt, dat Gods Vadernaam geheiligd worde. Nu straalt immers het licht van Gods liefde uit uw daden en woorden.

Uw koninkrijk kome! Dat is uw gebed. Nu, nietwaar? werkt gij ook voor dat rijk. Nu houdt gij uw aardsche gaven, uw-zilver en goud, ook het penningske der weduwe niet terug. „Wanneer het hart bekeerd is, koert men ook gaarne de beurs om.quot; (Wesley.)

Gij hebt gebeden om hemelsche bereidvaardigheid bij het doen van Gods wil. Nu grijpt gij uzelven aan, on gaat het werk immers met lust?

De vervulling van uw tijdelijke nooden hebt gij Gode opgedragen, en geen angst voor de aardsche behoeften beklemt nu langer uw hart of verlamt uwe hand.

Gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Nu voelt gij immers deze genade Gods in uw hart, dat alle bitterheid, iedere hardheid is geweken.

Gij hebt gebeden, dat God u voor verzoeking beware. Nu laat gij u niet door haar toelonken, niet door haar lokken. Gij weet het: weersta den duivel, en hij zal van u vlieden.

Gode alleen de eer! Nu zijt ge er niet meer op gesteld, om erkend te worden, en acht u dus niet zoo spoedig miskend. Van uzelven ziet gij af; gij moogt opzien tot God.

-ocr page 25-

21

Amen. Het is waarachtig, ü ia geschonken, wat gij hebt gevraagd. Het diepst gevoel van afhankelijkheid wordt voor u de grootste kracht. Het leven, ook het kleinste in het leven, is uw inspanning waard.

Het bewijst voor Bersier's diepe menschenkennis, als hij zegt: „Indien men moet gelooven om te handelen, het is niet minder waar, dat men handelen moet om te gelooven.quot;

Ons geloof groeit in kracht, naarmate wij het omzetten in daden. En do Christen heeft den sterksten drang daartoe in eene der edelste behoeften van de menschelijke natuur. Het is onmogelijk, dat zoo wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten dor dankbaarheid. Of, zooals de apostel het uitdrukt: Ik bid u dan, broeders, bij de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stolt tot een levende, heilige, Gode wolbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. Kent gij inniger, teerderder drang dan deze: ik bid u bij do ontfermingen Gods? Of het moest zijn: Christus zelf smeekt ons van zijn kruis: dat alles leed ik, deed ik voor u, wat lijdt, wat doet gij voor mij?

Een heilig offer wordt ons leven. Daalt af met dat woord tot in de diepste roerselen van uw bestaan. Breidt het uit, tot zoover uw leven in de breedte reikt. Christendom èn leven; neen. Christendom in het loven wordt het dan. Christus' geest in alles en ten alle tijde, in ons spreken en ons zwijgen, in ons dragen en ons doen, in wakkere kracht en vriendelijk geduld.

Hierin oefen ik mij dagelijks om een onergerlijk geweten te hebben voor God en de menschen. Wart omvat het veel, wat is die oefening onmisbaar voor ons allen! Men hoort van uitbarstingen der zonde, waarbij men huivert.

-ocr page 26-

22

Wat was voorafgegaan? Laffe toegevendheid jegens zichzelf, een spelen met vuur, een koesteren, een troetelen van zijn boezemzonde, verachting van het gebed. Hoe verschillend ook, tot ieder onzer komt de verzoeking. Scheur u van haar los. Voel Christus' kracht in uw zwakheid volbracht. Kies kloek en onverwijld. Gehoorzaam aan Gods stem, zonder uitvlucht, met uw gansche hart. Het is u beter krimpend van de pijn der zelfverloochening in het leven in te gaan, dan uw lust verkregen hebbende in het helsche vuur geworpen te worden. Houd uw verbeelding rein. Kwade samensprekingen bederven goede zeden. Slechte boeken zijn vergif. Heb altijd wat goeds in den zin, sprak de vrome Claudius tot zijn zoon. Al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat lieflijk is, al wat welluidt, zoo er eenige deugd is, en zoo er eenige lof is, bedenk dat.

Zonde is alles, waarover ik mij schamen zou, indien de menschen het wisten, heb ik hooren zeggen. En de gedachte: ik ben slechter dan mijn beste vrienden weten, geeft ons een heiligen afkeer van al, wat er zondigs in ons woont. Niets zoo kunstig, zoo listig verborgen, of het wordt openbaar, zoo waarachtig als God leeft. Dan wordt door het volle licht beschenen, wat in de donkerste duisternis school. Dan blijkt het open te liggen voor Gods oog, wat wij in het diepst van ons hart begraven. Niets is, o Oppermajesteit, bedekt voor uw alwetendheid. Doe Gij mij toch met vaste schreden den weg der zaligheid betreden! In die vurige, innige bede lost zich alles op.

Een heilig offer wordt ons leven. Het innig gezellige van den huiselijken kring, ervaring van liefde en vriendschapstrouw, het heerlijk boek en het versterkend levend woord, natuurgenot en verheffing door edele kunst doet u goed. Is

-ocr page 27-

23

alles, wat daarbuiten ligt, zondige genieting? Ik zou het waarlijk niet gaarne beweren. Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Wèl voel ik veel voor het gevoelen van de bij uitnemendheid frissche Christin, Francis Willard, de presidente der Vrouwen-geheel-onthoudings-vereeniging in de Vereenigde Staten, die men Amerika's ongekroonde koningin heeft genoemd; Shakespeare lezen is een groot genot, maar het tooneel zooals het thans is, blijft voor den Christen gesloten. Het hoogste, zou ik er nog aan willen toevoegen, wat de tooneelspeler bereikt, is: hij heeft die rol gecreëerd. Toch altijd een rol. Kan de Christen er in genieten, dat iemand, die een onsterfelijke ziel te verliezen heeft, opgaat in een rol ? Ik weet, met welke teedero vragen omtrent hetgeen men het jongere geslacht wenscht te veroorloven, dit alles samenhangt. Ik ben vast overtuigd, dat onredelijke dwang veel meer karakters heeft vernield dan die vrijheid, waarbij toch wel de jongeling, het jonge meisje weet, wat het is, dat een schaduw op het gelaat hunner ouders, droefheid in hun hart te voorschijn roepen zou. Een grootsch, een heerlijk vertrouwen in onze kinderen, gepaard aan krachtigen persoonlijken invloed van der jeugd af aan op hen geoefend, gegrond in de liefde Gods, tot wien wij voor hen bidden mogen, dat is der ouderen troost, waar zij leven in een wereld vol verzoeking. Ook verfijnde. In onzen tijd vooral, en waarlijk niet voor het jongere geslacht alleen. Daar is een mishandeling van het woord: onderzoekt alle dingen en behoudt het goede, waarbij men schier noodzakelijk het goede verliest. Daar is een opvatting van veelzijdigheid, waarbij men stellig aan het éene noodigo schade doet. In dezen tijd, nu men zoo benauwd blijkt voor scherpgeteekende grenzen op zedelijk gebied, nu het wazige, nevelachtige veraf-

-ocr page 28-

24

good wordt, nu velen niet meer schrikken voor wat vroeger algemeen verschrikkelijk werd geacht, nu zelfs de vreeselijke macht van het kwaad zoogenaamd begrepen en gaarne wordt vergoelijkt, nu in de openbare meening minder dan ooit plaats is voor het kruis van Golgotha als oordeel over de zonde. Christen, wantrouw uw meegaandheid, uw plooibaarheid, nu meer dan ooit.

Al wat er in u leeft van heerlijk samenbindend vermogen doe u het woord van Jezus niet vergeten: Wee u, indien alle menschen wel van u spreken! En dat andere: zoo wie mij beleden zal hebben voor de menschen, dien zal ik belijden voor mijn Vader, die in den hemelen is. Maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen is. Dat kost moeite, maar is men dan Christen voor zijn gemak? Gij kunt - en het betreft hier ieder geschilpunt, dat zich voordoet op uw weg — gij kunt niet te zachtmoedig wezen, waar het bijzonderheden raakt, niet te onwrikbaar, waar het om het beginsel gaat. Ik schrijf dit neder in het volle besef, wolk een strijd dit met zich brengt, maar met de zekerheid, dat die strijd ons gemoedsleven verrijkt.

Meer dan Oene bedenking kunnen wij onopgemerkt laten voorbijgaan. Met éene is dit niet het geval. Deze: gij zijt bekrompen. Bekrompen, dat is niet: gij zijt onwetend, onverstandig, maar er ontbreekt iets aan uw innerlijk leven. Er is bij u een deur gesloten, die bij anderen met hun edele aspiraties wijd openstaat. Gij leeft in onzen tijd, maar gij leeft er als niet levende; gij behoort er niet te huis. — Moeten wij ons dit laten welgevallen ? Wij moeten

-ocr page 29-

het ons laten welgevallen niet alleen, maar wij zouden ons ernstig ongerust maken, indien vertegenwoordigers van het modern bewustzijn anders over ons oordeelden. Wij moeten ons dien smaad laten welgevallen, want wij dragen hem om Christus' wil.

Wat is het modern bewustzijn, - niet zoo maar voetstoots te vereenzelvigen met wat wij do moderne richting noemen ? Een zijner uitnemendste aanhangers heeft het gekenschetst als de hartstocht der werkelijkheid. Versta intusschen de woorden wèl. Hier is van geen platte, nuchtere werkelijkheid sprake. Daar is gloed, daar is vuur, daar is bezieling in het woord van dit bewustzijn. „O. Vlam van Passie in dit koud heelal!quot;' Welk een teederheid is er in dat lied van Verweij! Welk een innige liefde voor de natuur kenmerkt hot jongere geslacht! Eén ding treft ons: wat bezieling wekt, is het oneindige, niet het heilige, de Heilige.

Wij denken aan zoo menige fijn besnaarde ziel, aan zoo menig edel strevend gemoed. De vraag: zijn zij misschien niet beter dan ik? legt ons het zwijgen op. De gedachte aan hetgeen zij missen doet ons het stilzwijgen verbreken. Ach, verkwijne niet uw innigste behoefte bij een ideaal, dat u niet redden kan! Derf niet eigenwillig het diepste, hoogste, dat God geven wil. Gij, die leven wilt, gij, die sterven gaat, o, neem hem aan, den eenigen troost, beide in leven en in sterven. Het is geen leerstuk uit het grijs verleden, het is leven, krachtig leven van Gods liefde in het menschenhart. Er zijn oogenblikken, dat gij u ongelukkig voelt. Dartel, denk, doe ze niet weg. Daar zijn dingen, waarvan critiek en kunst, wetenschap en maatschappelijke bemoeiing u niets zeggen. Wij bidden u van Christus' wege: laat u met God verzoenen! Blijde

-ocr page 30-

•2fi

ontroering vervulde mij, toen ik hot voor het eerst weder durfde gclooven: Het Woord is vleesch geworden; in den diepsten grond de blijde ervaring: ook mij is barmhartigheid geschied; er is een Heiland ook voor mij. Nu durf ik ook den wensch weder koesteren, die in mijn jongelingsjaren bij mij oprees, toen een ernstige ziekte mij aan den rand van het graf had gebracht: „Laat vooral mijn laatste dagen blijken dragen, dat ik Jezus eigen ben.quot; Zullen hot misschien nog jaren zijn, in het licht der eeuwigheid is het toch niet anders dan „een weinig tijds.quot; En gij, wien de rijkdom van het volle leven nog zoo vriendelijk tegenlacht, zij het voor u, zij het voor ons allen, ouden of jongen, een leven met den Heer in hot licht der eeuwigheid 1

Ach, die hartstocht voor het nevelachtige, wazige! Men kent maar éen dogma: geen dogma te kennen. Het is, of de menschelijke ziel maar éen eigenschap bezit: schuchterheid. Zeg mij, wat gij gelooft: ik waardeer anderer geloof, is het antwoord. Maar zeg mij dan, wat gij zelf gelooft; slechts bij convictie leeft de mensch, spreek dan de uwe uit. Gedragen door een machtige overtuiging is de strijd gestreden in de wereldhistorische momenten, in het oogenblik van verborgen strijd in het leven van den kleinste onder de kleinen.

Het is, of men voelt, dat er iets niet in orde is. Men zoekt zoo gaarne bondgenooten. „Wie kan U noemen bij Uw naam?quot; Kan men oen glimlach weerhouden, als Vondel dienst moet doen ten bate van een onbekenden God? Alsof in dat éene: „U!quot; in dat „Heilig, heilig, driemaal heilig! niet een gansche geloofsbelijdenis lag opgesloten. God is groot, en wij begrijpen Hem niet. Ja, dat ging bij Israël, dat gaat bij iederen geloovige saam met het

-ocr page 31-

diepe inzicht in zijn genaderaad, den vollen raad Gods. Het is éen met de innige gemeenschap, den verborgen omgang met God. Het woord is vleesch geworden. Wie het loochent, kan niet anders dan in het onbepaalde blijven zweven.

God is de hoogste persoonlijkheid; volkomen zich zelf, omdat Hij zich volkomen geeft. Het zondaarshart, eer het zijn schuld oprecht beleden heeft, voelt zich angstig bij de liefde Gods, die zich volkomen geeft. Zij komt ons te overweldigend teeder, te aangrijpend heerlijk nabij. Wij gevoelen, dat wij dan bij genade alleen zouden moeten leven; dat alle hoogmoed des harten gebroken, iedere trots verbrijzeld wordt. Ik oordeel anderen niet. Ik weet alleen, dat bij mijzelven die hooggeloofde schuchterheid niet anders was dan schuwheid, angst om als verloren zondaar te komen, om mij te geven aan mijn Heiland met al mijn schuld, smeekende alleen om genade.

Onze omschrijving van het modern bewustzijn is onvolledig, maar zij zou het in de allerhoogste mate zijn, indien wij er niet dezen karaktertrek aan toevoegden: het schoonheidsgevoel middelpunt des levens. Hoe nauw is schoon en goed verwant! Noem een handeling leelijk, en gij zegt er mee, dat zij zedelijk slecht is. Toch hebben wij in onzen gevallen staat een beslist onderscheid te maken tusschen beiderlei gebied. God de oneindige schoonheid! daarvoor gevoelen wij. God de Heilige Liefde! daarbij alleen leeft onze ziel. De kunst kan het leven begeleiden, leiden nooit. Dit vermag alleen het geloof in Christus, der armen Heiland, den Heiland van ons schuldig zondaarshart.

Als Schiller zegt: „Ernst is het leven, blijmoedig de kunst,quot; dan denkt hij er niet aan haar ernst te ontzeggen. Neen, voorwaar voor haar hoogste beoefenaars is de kunst

-ocr page 32-

28

geen liefhebberij, geen uitspanning, edele ernst veeleer. Maar wie waant, dat zij ooit zijn onsterfelijke behoeften bevredigen kan, hij hoore de getuigenis van Goethe: „Men heeft mij altijd als een man geprezen, die door het geluk bijzonder begunstigd werd; ik zal mij dan ook niet beklagen en over mijn levensloop niet morren. Maar toch is mijn leven niets dan moeite en verdriet geweest, en ik kan wel zeggen, dat ik in de vijf en zeventig jaar van mijn leven geen vier weken eigenlijke bevrediging heb gehad. Het was het altoosdurend omwentelen van een steen, die telkens op nieuw opgelicht moest worden.quot; Gesprache 27 Jan. 1824.

Aldus Goethe. Niet, zooals velen meenen. de koude 'egoïst. Neen, de man, van wier Jung Stilling getuigt: „Goethe's hart, dat weinigen kenden, is even groot als zijn geest, dien allen kennen.quot; — En toch niet gelukkig. Zoo waarachtig is het:

„Diit is het Amen! op den wensch.

Dat wat wij zochten, wat wij misten:

Du mmsch — hij wordt alleen als Christen En met zijn God hereend, ten mensch.quot;

Abm. des Amorie van der Hoeven Jr.

Nazang op den Faust van Goeihe.

De werkelijkheid van Gods liefde in Christus, de vastheid buiten ons, zij alleen geeft diepte aan ons ge'.oof. Diepte en waarheid zijn hier volkomen éen. Eenig en alleen het feit, ja het feit van Gods liefde in Christus kan den zondaar redden. Wat is er toch veranderd in 's menschen diepste nooden? Tegenover het voorbijgaande in het modem bewustzijn spreekt de schreiende nood, de eeuwige behoefte onzer onsterfelijke ziel. Het is het waag-

-ocr page 33-

29

stuk des geloofs onszelven, dus ook onze diepste gedachten gevangen te geven onder de gehoorzaamheid van Christus. Vreest niet! Dan eerst daagt het rechte licht. Ingewortelde begrippen, ovorheersching van het modern bewustzijn, het zinkt alles in het niet, als maar eenmaal het schuldgevoel ontwaakt. Niet onze behoefte schept ons een nieuwe wereld. God heeft haar in Christus geschapen. Hij heeft ons het heil bereid. Nu gaat ons oog er voor open. Wie liet heilig waagstuk van het geloof aandurft, hij ervaart hetgeen Augustinus heeft doorleefd: Wat is de eerste Christendeugd? Ootmoed. En de tweede? Ootmoed. En de dorde? Ootmoed. - Onderzoek uw geweten. Het leidt tot wanhoop op den duur. Onderzoek heilbegeerig uw Bijbel. De volle troost wordt u geschonken.

Daar is gevraagd, of dat schuldgevoel dan iets is buiten het gewone loven om. Alsof het zich niet zal openbaren ook in de kleinste kleinigheden van ons dagelijksch bestaan. Och, of wij allen beter Christenen waren! Zorgen wij, dat de vraag niet meer kan worden gedaan!

— In niets spreekt het modern bewustzijn zich zoo aandoenlijk droevig uit als in zijn vraag: „is het leven levenswaard?quot; die bij ontelbaar vele slachtoffers der hedendaagsche beschaving in de plaats trad van die andere: wat moet ik doen om zalig te worden? mot haar antwoord, waarachtig bevonden meer dan achttien eeuwen lang: geloof in den Heere Jezus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

In plaats van het diepst afhankelijkheidsgevoel, het ootmoedig schuldgevoel trad de zelfverheerlijking, die zich boven haar Schepper stelde, de zelfverachting, o, zeker, want somberheid is hoogmoed. Gij zult als God zijn! dat is de smartelijk ironie der geschiedenis van ons geslacht.

-ocr page 34-

30

De menschelijke natuur verheerlijkt, de menschelijke natuur vertrapt, daartusschon beweegt zich de geschiedenis buiten Christus. Zoudt gij u dan niet ongerust maken, indien do strijd op leven en dood tusschen u en het modern bewustzijn ophield of ook maar verzwakte? Zou u geen narae-looze angst overvallen, indien zijn vertegenwoordigers u feestelijk begroetten als gelukkig niet langer bekrompen?

Wij zouden der moderne richting onrecht doen, indien wij haar botweg met het modern bewustzijn wilden vereenzelvigen. Daartoe is er in haar veel te veel Christelijks. En indien ooit in den loop der eeuwen de orthodoxie een tegenpartij heeft gehad, die zich onderscheidde zoowel door zedelijken ernst als door warme religieuzi telt, dan mag dit gezegd worden van de moderne richting. Een strijd echter van beginselen voeren wij ook met haar.

Wie plicht zegt, zegt God. Ziedaar haar kern. Zij ziet voorbij, dat het volstrekt plichtbesef in zich sluit het volstrekt noodgevoel. Of liever — immers het volstrekt plichtbesef bestaat niet buiten Gods openbaring in den Bijbel om — dat wie Gods heiligheid zich als een tweesnijdend zwaard door de ziel voelde gaan, alleen vrede en verzoening kan vinden in Christus. In de diepte van het schuldgevoelend hart, aan den voet van het Kruis wordt onze levens-, ja, maar ook onze wereldbeschouwing geboren. Voelt gij, dat alleen door het wonder van Gods liefde, die in Christus tot u kwam, uw schuld is verzoend en gij van zonde wordt verlost dooide opstandingskracht, die er van Hem uitgaat, dan hebt gij het Wonder der wonderen zelf doorleefd.

Van Christus als middelpunt uit ziet gij voortaan zoowel den mensch als de menschheid, de oude aarde en den nieuwen hemel, die zich voor u opent. Heerlijke verge

-ocr page 35-

31

zichten ontsluiten zich. Gods eeuwige liefde heeft zich voor u ontsluierd als feit, als liet loven van alle waarachtig leven; Gods liefde, die aan alles gloed en kracht geeft, de diepste grond van al wat — niet schijnt, maar waarlijk is.

Hoe zou niet hij, die hot Vleeschgeworden Woord aanbidt, de wetenschap eeren? Zijn niet door het eeuwig Woord alle dingen gemaakt? Is niet de mensch beelddrager Gods, als hij het: hoe tracht te begrijpen?

Het licht verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld. Hoe zouden wij geen oog, geen hart hebben voor alle zoeken en tasten, of zij ook God vinden mochten?

Wie in mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen en hij zal grootere doen dan deze; want Ik ga henen tot mijnen Vader. Terwijl de Geest der waarheid uit het zijne, uit Christusquot; volheid neemt, hoe zouden Christus' volgelingen ooit anstig behoudziek kunnen zijn?

Geen der menschheid vreemde leer, heiliging van het waarachtig menschelijke, ontplooiing onzer diepste natuur is wat Christus werkt. En zie nu, hoe in Hem diepe afhankelijkheid en kloeke zelfstandigheid, teederheid en moed, het stil naar binnen gekeerd en het krachtig zich naar buiten openbarend leven, zie hoe het in Hem en door Hem zijn heerlijke verzoening vindt.

Trek u terug en bestrijd het kwaad, waar het moet. Geef u en overwin het kwade door het goede, waar het kan. Leef u met teedere liefde, met heilige kracht in het leven dezer aarde in; maar weet, dat gij een kind der eeuwigheid zijt, dat God u in Christus medegezet heeft in den hemel. Alles is het uwe, doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods. Den beproefden, gelouterden Christen kennen wij daaraan, dat hij van de hoogte van Golgotha

-ocr page 36-

32

veel ziet en dat vele in het licht der eeuwige liefde. Wat goed en waar en edel is, in wien ook, verkwikt hem. Hoe dieper zijn overtuiging gaat en hoe meer zijn geloof zelf doorleefd is, te meer valt bij hem wat hard en eng is weg. Hij dankt zijn Heer en Heiland voor die ruimte van blik. - En de critiek? De ware kan nooit anders zijn dan geloovige critiek. Wie het ontkent is den man gelijk, die meent, dat er op geestelijk gebied vorm is zonder inhoud, die dus hier de meetkunstige denkwijs zou willen toepassen. Dit echter, ook dit zij met nadruk gezegd; Er moet onderscheid gemaakt worden — Gode alleen zij de eer! tusschen de eeuwige waarheid Gods en den aan den tijd ontleenden vorm, waarin hare getuigenissen tot ons kwamen. Hoever gaat die onderscheiding? Welke zijn do grenzen der critiek? Is het niet volslagen onmogelijk, dat allen daaromtrent eenstemmig denken? Zij, die even oprecht, hartelijk en getrouw Jezus Christus, Gods eenig-geboren Zoon, als den Heiland hunner zielen belijden, zij verschillen in aanleg, in opvoeding, in aard van studie. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

In onzen zenuwachtig overspannen tijd is het des Christens plicht het evenwicht tusschen de eischen van den geest en de krachten des lichaams te bewaren. Wie zijn lichaam vernielt, lastert zijn Schepper. Wie in plaats van den dag tijdig te beginnen den nacht tot dag maakt, en zich dan door zijn kranke verbeelding laat inblazen, dat hij zich hoe langer hoe geschikter tot den arbeid gevoelt, hij is den volgenden dag prikkelbaar, zich zeiven en anderen tot eon last. Daar is een liefde, die veel leven wekt en zich dus veel bezigheden schept. Heerlijk. Maar daar is ook een gejaagdheid, een willen meedoen met anderen.

-ocr page 37-

33

dat het leven druk en omslachtig maakt. — „Gij moest maar eens een enkelen dag in mijn plaats zijn,quot; hoor ik mij toeroepen. En zeker het is moeilijk ons in eikaars leven te verplaatsen; maar dit staat toch vast, niet waar? onzen strijd moeten wij strijden, maar noodeloos vermeerderen mcgen wij hem niet. Het is onheilig uit vrees voor overspanning ons te laten terughouden om alle krachten, die God ons gaf, Hem ter eere te gebruiken; maar wèl is het mogelijk alle uitwendige prikkels te vermijden en aldus, voor zoover het in ons vermogen ligt, overspanning te voorkomen. Velen willen voor hun gezondheid liever iets kunstmatigs doen dan iets, wat de natuur aanwijst, laten. Dat is ziekelijk. Door gestrengheid jegens zich zelf, door orde en stiptheid bespaart men zich zelf en anderen veel verdriet.

Hebt — het is een levensvraag voor de Christenheid, een vraag aan het geweten van een ieder onzer — hebt gij den moed om eenvoudig te zijn? Durft u te verzetten tegen de onnatuurlijk opgedreven eischen, tegen de leelijke inkruipels eener genotzieke wanbeschaving. Doet afstand van alle in zich zelf leelijke opsiering van uw persoon, uw woning, uw leefwijs. Geen gewild mooi; nergens, nooit. Hebt een afkeer van iederen, zij het ook bij velen gangbaren, toch bedriegelijken waan. Zoekt nooit eenig martelaarschap, maar durft des noods alleen te staan. Wijst kloek en blijmoedig af wat uw stoffelijke, uw geestelijke draagkracht te boven gaat. „Het geeft al weer werk,quot; zoo paait zich wie bij ruime beurs — o, ik zeg niet: het werkelijk, het zeer te waardeeren schoone, maar een ziekelijke weelde bevordert. — „Ieder draagt, doet, heeft dat tegenwoordig.quot; Welk een jammer brengt die leugen in gezinnen, waar slechts voor het noodige

3

-ocr page 38-

34

geld is. Men draagt, doet, heeft dat dan ook. En het geld? De ouders straffen zich zei ven en hun arme kinderen in de maag, of komen tot oneerlijkheid. Is ook dit niet reeds oneerlijkheid, anderen te laten wachten op het geld, dat hun toekomt? Onder do wegen, die hollend ten ver-derve voeren, behoort koopen, wat men niet betalen kan, rekenen op geld, dat men hoopt te krijgen. Christenen, hebt een heiligen afschrik van schulden maken.

Menig spaarbankboekje van den jongeling of het jonge meisje vertegenwoordigt een zedelijk kapitaal, een overwinning op den lust tot opschik en uitspanning, op de zucht om met anderen mede te doen. Een kostelijk stukje levensgeschiedenis. Zijn alle hooger geplaatsten reeds doordrongen van hun roeping om hun ongehuwde ondergeschikten op den plicht, op het genot van sparen te wijzen? Weelde, die het karakter venveekelijkt, maakt hard en wreed. Tot den eenvoud des levens behoort ook hartelijke belangstelling in de stoffelijke, vooral in de geestelijke belangen van hen, die God aan onze zorg heeft toevertrouwd.

Laat ons vurig hopen, dat de eischen der sociale gerechtigheid — nog iets anders dan warme, hartelijke philan-tropie, hoe onmisbaar deze ook zij — in steeds ruimer kringen mogen worden bevredigd en toestanden, die ons het hart doen samenkrimpen, worden weggenomen. Maar diepe liefde voor den naaste doet het ons zeggen, dat geen uitwendige lotsverbetering op zichzelf geluk brengt, indien niet in het hart woont die stille tevredenheid, die zoo innig aan vroomheid is verwant. Hoe ongelukkig hebben de volksmenners hun slachtoffers door hun prediking der ontevredenheid gemaakt! Een dankbaar hart kan tevreden zijn te midden van veel ellende; een wrevelig

-ocr page 39-

35

gemoed is ook bij de vervulling zijner wenschen diep rampzalig. Het is moeilijk dit uit te spreken, omdat het wantrouwen wekt; maar het is onmogelijk het te zwijgen, omdat het de diepste grondslagen van het geluk raakt.

Wat wij bedoelen is niet een onnatuurlijke terugkeer tot een soort van natuurstaat, waardoor, zooals te recht is opgemerkt, slechts verplaatsing van armoede zou plaats hebben, maar een innige afkeer van alle ijdel vertoon, van allen schijn; een teedere schuchterheid maar toch onbeschroomd; onafhankelijkheid zonder een zweem van moedwil; het natuurlijke geheiligd door Gods geest, het geestelijke als verheerlijkte natuur; beperking van aardsche begeerten, maar het hart van heilige idealen vervuld; onszelf durven zijn, maar onszelf, zooals God ons oorspronkelijk heeft bedoeld. Ik zoek naar woerden om weer te geven, wat wordt uitgedrukt door dit éene woord: eenvoud. Eenvoud, dat heerlijke innerlijke, dat op al het uitwendige onwillekeurig zijn stempel drukt.

Christenen, durft eenvoudig te zijn !

Hoe nauw hangt degelijkheid daarmede samen. Het woord staat niet in den Bijbel, maar de zaak is ten nauwste met het Christendom verwant. Daar zijn er, die op dien naam volle recht hebben, en die toch meenen buiten den godsdienst om te kunnen leven. Maar is het overigens geen ernstige beschuldiging tegen onzen tijd, dat dit woord zoo goed als eensluidend is met ouderwetsch? De gedachte laat mij niet los, dat het zich tevreden stellen met schijn samenhangt met het verzwakt geloof in den Eeuwige, Waarachtige. Christen, degelijk zij uw werk; laat het van rondom, laat het door en door kunnen worden bezien! Christen, degelijk zij uw karakter, liet is een

-ocr page 40-

36

eereschuld aan uw Verlosser, dat de roerselen uwer daden onderzoek kunnen velen, dat uw goede trouw boven verdenking verheven zij. Het is vreeselijk liet goed vertrouwen, dat anderen in ons stellen, ook maar in een opzicht te beschamen.

Wilt gij werken voor Christus, uw Koning, toon dan, dat Hij in u werkt trouw ook in het kleine, oprechte zelfverloochening, warme liefde. Niets hindert andersdenkenden zoo in ons als aanmatiging. Volkomen te recht; want niets is zoo in strijd met de ervaring: uit genade zijt gij zalig geworden. En dat niet uit u; het is Gods gave. Zijn zij, als gij hen door en door kent in hun werk, in hun dagelijksch leven, in hun humeur, waarlijk een aanbeveling van hun geloof? Als dit met aarzeling van ons gevraagd kan worden, dan is het de grootste smaad, dien wij Christus kunnen aandoen. Het is Hem andermaal kruisigen. Laat ons maar in allen eenvoud, met blijmoedig geloof ons best doen, volhardende in het gebed. Laat uw licht alzoo schijnen voor de men-schen, opdat zij uw goede werken zien en — niet u; wee ons, als wij dit bedoelen! — maar uwen Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander. Hoe lieflijk, maar ook hoe ernstig! Ingeleid door dat teedere: Jezus, wetende, dat zijne ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzoo Hij de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zoo heeft Hij hen liefgehad tot het einde. Ingewijd door de voetwassching. Diepe heilige liefde; liefde, die de innigste behoeften, maar ook het schijnbaar onbeduidende, die het verhevenste.

-ocr page 41-

37

maar tegelijk het geringste omvat, altijd zich zelve gelijk, aan éen zelfde bron ontsprongen.

En de Apostel des geloofs?

Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak on de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schelle geworden.

En al ware het, dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets.

En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen nuttigheid geven.

De liefde is langmoedig, zij is goedertieren, de liefde is niet afgunstig, de liefde handelt niet iichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen.

Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad.

Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich met de waarheid.

Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

De liefde vergaat nimmermeer, maar hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie, doch de meeste van deze is de liefde.

Anderen logeeren wel eens in I Cor. 13; Drummond woonde er in, werd na zijn dood van hem gezegd. Zullen ook wij dit verblijf zoo lief krijgen, dan moeten wij het goed leeren kennen en elke bijzonderheid getrouw op ons

-ocr page 42-

38

zeiven toepassen. Wachten wij maar niet lang, eer wij den lofpsalm der liefde nog weer eens lezen, maar vooral aandachtig. Ieder vers, bijna zeide ik: ieder woord is hier een gedachte.

De liefde, waarmede God ons het eerst, waarmede Hij ons in Christus heeft liefgehad, is het wezen van het Christendom. Vrucht en kenmerk daarvan is de liefde, waartoe zij onze harten ontvonkt.

Ja, zij is de meeste. Welk een geluk te mogen liefhebben, uit de kluisters der zelfzucht verlost, verruimd en blij van hart ons te mogen geven, bevredigd te gevoelen, die diepste behoefte van ons hart: liefde geven, liefde ontvangen.

Nooit straalt het Christendom ons heerlijker te gemoet, dan als wij het recht ervaren: God gaf ons in Christus zichzelf, het innigst wezen van zijn wezen, en door die liefde wekt Hij, werkt Hij liefde in ons hart.

Zij is de meeste; springveer is zij van het beste inden mensch. Gewillig gordt zij zich ten arbeid aan. Mot kieschen tact raadt zij anderer behoeften, en eer het gebod heeft gemaand, heeft de liefde gehandeld.

Zij is de meeste; zij leert ons de minste te zijn. Zij zoekt zichzelve niet. Niet heerschen, dienen wil zij in de kracht van Hem, die zichzelven heeft gegeven, die met zijn hartebloed van de zonde ons heeft losgekocht. Dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover go-slagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.

Kunnen wij waarlijk vergiffenis schenken? Het is even waar als verkwikkend bij een minder aangename bejege-

-ocr page 43-

39

ning te denken: het was stellig zoo kwaad niet bedoeld. Zijn wij echter op een gevoelige plaats gekwetst, komt alles in ons in opstand, dan is vergiffenis alleen mogelijk, maar kan ook niet uitblijven, als wij onze eigen schuld voor God hebben leeren gevoelen, als die ons hart verbrijzeld hooft. „En hem aanvattende, greep hij hem bij do keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt!quot; Jezus heeft het in zijn heerlijke gelijkenis, Matth. 18, tot onze zelfbeproeving gesproken. God heeft ons zoo groote schuld vergeven; hoe zouden wij niet van ganscher harte vergiffenis schenken aan onzen naaste ? Wie waarlijk om genade bidt, zal ook waarlijk barmhartigheid bewijzen.

Het beste, wat zij bezit, deelt de liefde anderen mede. In Christus' kracht gaat de zendeling uit om Christus' weldaad, het heil van het kindschap Gods, den broeder in de verte te brengen, en het broederhart verstaat de taal, die hij spreekt, want van de eeuwige Liefde mag hij spreken. In Christus' kracht gaat de reddende liefde uit om te zoeken, wat verloren is en rekent op de diepste behoeften van het menschelijk hart, den kreet naar liefde, den dorst naar God. Liefde verplaatst zich in anderer gevoel, zij leeft anderer leven mede.

„Ziet de ellendigen en hongerigen, de vertrapten en verbrijzelden, de naakten en de stervenden, de krankzinnigen en radcloozen eens aan, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden, voor wie de bedwelmende drank een onheilstichter is. En zeg dan eens, uit uw gansche hart, met een bewogen gemoed: als dat van mij afhing, dan was het uit met drank en kroegen, dan was het uit met bedwelming en dronkenschap. Ja, dat doet goed, zulk een stem uit uw hart te hooren. Dat verkwikt zelfs den ellendige. Zeg het nog eens, en nog eens. Zeg

-ocr page 44-

38

zeiven toepassen. Wachten wij maar niet lang, eer wij den lofpsalm der liefde nog weer eens lezen, maar vooral aandachtig. Ieder vers, bijna zeide ik; ieder woord is hier een gedachte.

De liefde, waarmede God ons het eerst, waarmede Hij ons in Christus heeft liefgehad, is het wezen van het Christendom. Vrucht en kenmerk daarvan is de liefde, waartoe zij onze harten ontvonkt.

Ja, zij is de meeste. Welk een geluk te mogen liefhebben, uit de kluisters der zelfzucht verlost, verruimd cn blij van hart ons te mogen geven, bevredigd te gevoelen, die diepste behoefte van ons hart: liefde geven, liefde ontvangen.

Nooit straalt het Christendom ons heerlijker te gemoet, dan als wij het recht ervaren: God gaf ons in Christus zichzelf, het innigst wezen van zijn wezen, en door die liefde wekt Hij, werkt Hij liefde, in ons hart.

Zij is de meeste; springveer is zij van het beste inden mensch. Gewillig gordt zij zich ten arbeid aan. Mot kieschen tact raadt zij anderer behoeften, en eer het gebod heeft gemaand, heeft de liefde gehandeld.

Zij is de meeste; zij leert ons de minste te zijn. Zij zoekt zichzelve niet. Niet heerschen, dienen wil zij in de kracht van Hem, die zichzelven heeft gegeven, die met zijn hartebloed van de zonde ons heeft losgekocht. Dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte. Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.

Kunnen wij waarlijk vergiffenis schenken? Het is even waar als verkwikkend bij een minder aangename bejege-

-ocr page 45-

39

ning te denken: het was stellig zoo kwaad niet bedoeld. Zijn wij echter op een gevoelige plaats gekwetst, komt alles in ons in opstand, dan is vergiffenis alleen mogelijk, maar kan ook niet uitblijven, als wij onze eigen schuld voor God hebben leeren gevoelen, als die ons hart verbrijzeld heeft. „En hem aanvattende, greep hij hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt!quot; Jezus heeft het in zijn heerlijke gelijkenis, Matth. 18, tot onze zelfbeproeving gesproken. God heeft ons zoo groote schuld vergeven; hoe zouden wij niet van ganscher harte vergiffenis schenken aan onzen naaste? Wie waarlijk om genade bidt, zal ook waarlijk barmhartigheid bewijzen.

Het beste, wat zij bezit, deelt de liefde anderen mede. In Christus' kracht gaat de zendeling uit om Christus' weldaad, hot heil van het kindschap Gods, den broeder in do verte te brengen, en het broederhart verstaat de taal, die hij spreekt, want van de eeuwige Liefde mag hij spreken. In Christus' kracht gaat de reddende liefde uit om te zoeken, wat verloren is en rekent op de diepste behoeften van het menschelijk hart, den kreet naar liefde, den dorst naar God. Liefde verplaatst zich in anderer gevoel, zij leeft anderer leven mede.

„Ziet de ellendigen en hongerigen, de vertrapten en verbrijzelden, de naakten en de stervenden, de krankzinnigen en radeloozen eens aan, duizenden bij duizenden, tienduizenden bij tienduizenden, voor wie de bedwelmende drank een onheilstichter is. En zeg dan eens, uit uw gansche hart, met een bewogen gemoed: als dat van mij afhing, dan was het uit met drank en kroegen, dan was het uit met bedwelming en dronkenschap. Ja, dat doet goed, zulk een stem uit uw hart te hooren. Dat verkwikt zelfs den ellendige. Zeg het nog eens, en nog eens. Zeg

-ocr page 46-

40

het aan ieder, die het hooren wil: „als het van mij afhing, dan was het voor goed gedaan.quot; Hoe meer gij het zegt, hoe ernstiger gij het meent. Hoe meer gij het zegt, hoe ernstiger gij verlangt, dat het waarheid ware. Ja, ten slotte zal uw verlangen een gebed tot God worden: Och! Heer! dat het van mij afhing!!

„En op dat punt gekomen, beproeft God met zijn oogen uw hart. En God vraagt u: is u dat ernst? meent gij dat waarlijk? En God vraagt u: gaat daarnaar uw zielsverlangen uit? is het maar niet een voorbijgaande stemming, die dien wensch te voorschijn bracht? En als gij durft volhouden tot God te zeggen: „Heer, gij weetalle dingen, gij weet, dat het mij ernst is,quot; dan zegt God tot u: welnu het hangt ook van u af. Uw bede is verhoord. Ga aan den arbeid en doe wat gij kunt.

„Neen, nu niet terug naar uw glas, niet terug naar uw gewoonte, niet terug naar den enden sleur. Maar vooruit. Breek met eiken wortel, die de vrucht der bedwelming voedt. Zuiver alles uit en wordt een strijder.quot;

(De wereldstrijd 1898.)

Wie een vrouw vleit, veracht haai-, is ridderlijk gezegd. Maar ook voor den man is vergif al wat zijn eigenliefde streelt. Verkwikkend en versterkend is het woord van aanmoediging, de warme handdruk van sympathie. Wij blijven hier op heilig gebied. Overigens moeten wij maar heel laag, heel klein gehouden worden. Niemand verzware een ander den strijd. Een aanmerking, al is zij niet geheel billijk, kan ons tot zegen zijn, maar wateenig en alleen streelt, deugt ons nooit. We hebben toch al zooveel moeite met onze eigenliefde; de zonde ligt aan de deur, hare begeerte is tot ons. Heeft Christus in ons den hoogmoed gebroken,

-ocr page 47-

41

telkens tracht deze zich weder te verheffen. Uit het nietigste, ach! ook uit het beste, neemt hij aanleiding. En slechts in het: Gods alleen en van alles de eer! is rust en kracht voor het menschenhart.

Hebt elkander hartelijk lief, niet met „die liefde, die zich slechts verlustigt in de beschouwing van haar voorwerp, maar met een liefde, die anderer leven verheldert, vriendelijker en beter maakt.quot; Als wij maar waarlijk liefhebben, tasten wij misschien nog wel eens, maar toch nooit geheel mis. Onze liefde kan onheilig en dus vermomde haat zijn; zij kan zwak en dus verkeerd wezen, maar nooit kan zij te groot zijn. God geve, dat zij rein en diep zij!

Zult gij met uw vrienden alles behandelen, alleen maar het innigste, heiligste niet? Een praatje (nooit kwaadspreken) over al die dingen, die het leven zoo gezellig maken — hoe begrijpelijk, dat gij er naar verlangt. U verdiepen in oude herinneringen en nieuwe belangen — gij hebt er behoefte aan en het doet u goed. Een gesprek over de bonte verschijnselen onzer dagen — uitnemend. Een getuigenis over de beteekenis van het Christendom voor onzen tijd — ja maar toch immers ook over wat Christus is voor uw beider hart? Nooit gedwongen of te onpas. Nooit zonder heilige schuchterheid, maar naar den diepen aard der vertrouwelijke vriendschap. Heerlijk die gesprekken, die zich oplossen in de gezamenlijke blijde ervaring; Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onzen Heer! Dan zien wij het leven weder in het licht der eeuwigheid. Verkwikt, versterkt elkander door de gemeenschap der heiligen! Wij hebben het zoo noodig in onzen aardschen strijd.

Waakt met teederheid voor elkanders heil. Leeft u in in elkanders zieleleven. Medezondaars, medeverlosten, helpt

-ocr page 48-

42

elkander in den strijd. Het onwrikbaar geloof in God, de diepe liefde voor elkander vereenigen zich. Ik heb voor u gebeden. Teederder, inniger troostwoord bestaat er niet in dagen van droefheid en strijd. Welk een voorrecht te weten, dat het geschiedt, ook al wordt het ons niet met woorden gezegd! Welk een geluk het zeiven voor anderen te doen en ook daarin onzen barmhartlgen Hoogepriester te volgen!

Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christus. Door onze zonden te dragen heeft Hij ze overwonnen. Het is de eenige weg. Het is de diepste, diepste waarheid, maar de allereenvoudigste ook, die haar meest alledaagsche toepassing vindt in ons gewone leven. Maar neen, alledaagsch is dan het leven niet langer, bestraald als het wordt door hooger licht en hooger kracht.

Helpt elkander in den huiselijken kring. Daar is een zich laten gaan, heerlijk voorrecht van het gezellig samenzijn, onafscheidelijk van dat eenig, innig plekje, dat wij geheel ons eigen noemen. Daar is een zich laten gaan in huis, afschuwelijk zelfzuchtig, waarbij men meent, dat een toegeven aan zijn humeur, dat men zich nooit bij anderen zou veroorloven, tegenover huisgenooton vrij staat. Roept de goede geesten bij elkander op. Spreekt het onvriendelijk woord niet. Denkt aan het roestig slot, waarin de sleutel knarsend draait; denkt aan den druppel olie, die alles zoo vlot en zoo aangenaam doet gaan. Bekent elk ongelijk, eerlijk, onverwijld. Hut zich laten gaan wordt een dankbaar ontvangen, een hartelijk zich geven.

Geeft het beste, wat God in Christus u gaf. Geeft het den uwen in uw woord, in uw leven allermeest. Gelukkig, wanneer de vader als priester kan optreden in den kring der zijnen. En de moeder? „De vroomheid zijner moeder miskennen,quot; zoo las ik bij Monod, „het is mogelijk, maar

-ocr page 49-

43

haar vergeten nooit, neen, nooit.quot; Een Christusbelijder was op weg naar een kerk, waar een godsdienstoefening voor zeelieden zou gehouden worden. Nabij het gebouw aan de deur eener herberg zit een oud matroos, die met een ruw en onverschillig gelaat zijn makkers zich naar de kerk ziet begeven. „Vriend,quot; zeide de vreemdeling hem naderend, „gaat gij niet met ons mede?quot; — „Neen,quot; antwoordt de zeeman kortaf. Zijn uiterlijk had dit antwoord den vreemdeling reeds doen vermoeden, die vriendelijk voortging: „Gij hebt zeker zware dagen

gehad ?..... is uw moeder nog in leven ?quot; De matroos

richtte zijn hoofd op, vestigde zijn blik op den vreemdeling en bewaarde het stilzwijgen. „Welnu, mijn vriend, indien uw goede moeder hier was, welken raad denkt gij, dat zij u geven zou?quot; De matroos stond op, veegde met zijn hand een traan weg, die hij vruchteloos had pogen te verbergen en met een halfgesmoorde stem: „ik zal gaan.quot; — „Moeders, moeders, gevoelt uw verantwoordelijkheid!quot;

Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen. Hebt gij het ooit zoo van nabij gezien als in het huisgezin, vriendelijke kweekplaats van het teederste, beste in den mensch, hechte hoeksteen van alle maatschappelijk heil? Welk een zegen gaf ons God, toen Hij in ons hart schreef : het is niet goed, dat de mensch alleen zij. Vader cn moeder, kinderen, broeders en zusters, bij die woorden trillen de innigste snaren van ons hart. Hoe straalt de heerlijkheid van het Christendom ons te gemoet, als het die dierbare banden heiligt en sterkt! De eeuwigheid eerst zal ten volle openbaren, wat Christenzonen, vrome dochters aan hunne moeders danken. Toch spreekt reeds hierop aarde het dankbaar kinderhart van onuitspreeklijk rijken zegen.

-ocr page 50-

44

Hoe dieper liefde, des te stelliger is zij aan den voet van het Kruis gewekt en gesterkt. Die van Christus zijn, hebben het vleesch — het eigen ik — met zijn begeerlijkheden gekruisigd. Die in Christus' kruisdood meege-kruisigd sterven, het leven verliezen, opdat zij het leven waarachtig winnen mogen, zij hebben hot geheim der liefde verstaan.

Het geheim, maar ook het lijden der liefde. Op deze aaide, waar de dood met alles, wat hem aankondigt en voorloopig voltrekt, de bezoldiging der zonde is, op deze aarde is liefde lijden. Offer mij Izaak, uwen eenige, dien gij liefhebt. Offer mij uw dierbaarste wenschen, uw aardsehe hoop en verwachtingen. Heeft niet de mensch een strijd op aarde? Niets zoo uiteenloopend als ons aller levensomstandigheden, niets zoo gelijk als ons aller ervaring: het volmaakt geluk ontglipt uwe hand, zoodra ge haar er naar uitstrekt. Geen leven, waarin het oog, waarin het hait niet bittere tranen schreit. Geen leven, waarin geen verwachtingen teleurgesteld, geen banden zijn verscheurd. Geen leven, of het predikt u; hier op aarde is het niet. Ik bid u dan, broeders en zusters, bij de ontfermingen Gods, dat gij uzelven stelt tot een levende, heilige, Gode welbehagelijke offerande. Des Christens leven is des Christens offerande.

Wij willen niet lijden, werd onlangs gezegd. Het is diep gevoeld. Neen, ons trotsch, weerbarstig hart wil het niet. Gods genade alleen kan het ons leeren.

En is dan toch blijdschap het kenmerk van den echten Christen? Verblijdt u in den Heer! Is het een waarachtig woord ? ondanks het lijden der liefde, de smart der aarde, de pijn der zelfverloochening? Ieder voelt zijn eigen leed het best, is de algemeene ondervinding. Ieder voelt den

-ocr page 51-

45

zegen van zijn eigen smart, van zijn eigen kruis het best. ziedaar niet aanstonds, maar op den duur des Christens ervaring. Verkwikkend straalt liet ons uit Bergopwaarts tegen. Versterkt n met mij aan het volgende uit een harer andere werken:

„Zij leefden voor zich zeiven; het eigen ik met zijn hoop en beloften en droomen hield hen nog steeds gekluisterd, maar de Heer begon hun gebeden te verhoeren; zij hadden gevraagd om verbrijzeling des harten en Hij zond hun smart; zij hadden gevraagd om reiniging des gemoeds en Hij zond hun angst, die hen deed beven van ontroering; zij hadden gevraagd om zachtmoedig te worden en Hij had hun harten gebroken; zij hadden gevraagd om der wereld af te sterven en Hij vernietigde den afgod, waarop zij hadden gesteund; zij hadden gevraagd om Hem gelijk te worden en Hij bracht hen in den smeltoven, wakende voor hen, als een die het zilver loutert,

totdat zij zijn beeld weerkaatsten..............

„Zij vonden het lichter te gehoorzamen dan te lijden, te handelen dan te dulden, het kruis te dragen dan dei-wereld gekruisigd te zijn; maar zij kunnen niet terug; te dicht zijn zij bij het onzichtbaar Kruis gekomen, te diep is zijne kracht in hen doorgedrongen. Hij vervult aan hen zijne belofte: „„En ik, zoo wanneer ik verhoogd zal zijn, zal ze allen tot mij trekken.quot;quot;

„Maar nu eindelijk is hun tijd gekomen. Vroeger hadden zij slechts van de verborgenheid des geloofs gehoord, nu

gevoelen zij haar.........................

Hij hield hen staande, zelfs tegen henzei ven in. Menigmaal waren hunne treden bijkans uitgegleden, maar Hij in zijne genade greep hen vast; nu reeds in dit leven weten zij, dat alles wat Hij deed, welgedaan was. Het was hun

-ocr page 52-

46

goed, hier te lijden, want na dit leven wacht hun de zegepraal, hier beneden het kruis te dragen, want hierboven is de kroon hun weggelegd. Het was hun goed, dat niet hun wil, maar zijn wil aan hen werd volbracht.quot;

Ja, zoo waarachtig als God uit louter liefde ons zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, zoo waarachtig is dankbare blijdschap de vrucht van het geloof. Wij kunnen onzen God zoo volkomen vertrouwen. Hij weet, Hij alleen, wat wij behoeven. Soms voert Hij ons langs diepe wegen, maar toch altijd weer de hoogte te gemoet. Hij tast ons aan in wat ons het dierbaarste was, maar om don afgod stuk te breken, waarop wij hadden gebouwd. Hij verootmoedigt ons, opdat wij niet steunen zouden op eigen kracht. Waarom juist dit ons onthouden? Omdat juist dit ons schaden zou. Wat Ik nu doe, weet gij niet, maar gij zult het na deze verstaan. En toch in ons levensboek, het boek zijner leiding met ons, zijn reeds bladzijden, waarop wij zijne liefde zoo duidelijk lezen. Juist altijd zooveel aanmoediging als wij behoeven om niet te ver-tsagen; juist altijd zooveel strijd als wij noodig hebben om ons niet te verheffen. De zon is er, al gaat zij achter wolken schuil. En als op den donkeren dag het wolkenfloers soms plotseling scheurt, welk een verkwikkend helder licht! Wij arme zondaars hebben zulk een rijken Heiland.

Hoewel ik niets ben, zegt de Apostel, de zoo krachtige man, met een ootmoedig hart. Wij niets, Christus alles; ziedaar de steeds dieper geloofservaring. Zoo is er dan nu geen verdoemenis meer voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Onszelf zijn wij ontzonken; Hij heeft ons gegrepen, Hij loutert en heiligt. Hij bewaart ons voor zijn hemelsch koninkrijk. Want ik ben verzekerd, dat

-ocr page 53-

4:7

noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus Christus, onzen Heer. Ook de laatste vijand is te niet gedaan; de dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? graf, waar is uw zegepraal?

Heb dank, heilig God, liefderijk Vader, dat Gij uit louter ontferming de hand op ons gelegd, ons tot Uw eigendom gemaakt, ons tot Uw kinderen aangenomen hebt. Wat is Uw liefde oneindig goed en groot! Hoe voelen wij ons gedragen door Uw trouw, door Uw almacht gesterkt! Gij hebt ons in de ziel gegrepen en ons aan onszelven ontdekt. Gij hebt in Christus onze schuld verzoend. Werk door Uwen Heiligen Geest onze algeheele overgave des harten aan den Heiland. Buiten Hem is ons gemoed arm en dor. Lees in ons hart, en lees er het diep verlangen naar volkomen verlossing. Geef ons, dat wij Christus door een waarachtig geloof ingeplant vruchten voortbrengen dei-der dankbaarheid. Door Uw genade alleen zijn wij wat wij zijn. Help ons in onzen dagelijkschen strijd. Neem weg uit ons door de pijn der zelfkennis al wat ons verhindert uit de diepe ervaring van telkens weder ontvangen genade te leven. Geef ons met Christus gekruisigd dagelijks meer der zonde te sterven, met Hem opgewekt in nieuwigheid des levens te wandelen. Herschep ons naar zijn heerlijk beeld. Geef, dat waarheid de grondtoon zij onzer ziel. Geef ons een oprecht hart. Geef ons in de waarheid te staan en uit de waarheid te leven. Geef ons die diepe eenvoudige liefde, waardoor het ons een geluk is anderen gelukkig te maken.

-ocr page 54-

48

Bereidt Gij ons veel lieflijks in het leven, geef ons er uw liefde in te zien. Roept Gij ons tot veel strijd, doe ons gevoelen, dat wij dien niet missen kunnen. Geef ons maar dat kinderlijk volgen, dat onbepaald, dat onwrikbaar vertrouwen. Geef ons die stille blijdschap, dien vrede der ziel, die alle verstand te boven gaat. Doe ons ervaren, hoe goed het ons is nabij U te zijn. Geef ons hier het beginsel der eeuwige vreugde in het hart en eenmaal met Christus, onzen Heer, de volle blijdschap van Uw zaligen hemel.

Amen.

Waar is een vreugd, een kalmt', een heil, Zoo zalig als dit hoogst genot?

Het vloeit uit God en keert tot God, Het heeft noch maat, noch perk. noch peil: In Jezus is mijn zalig lot Verborgen bij mijn God;

Hij is mijn lust.

Ook als mijn stof eens rust.

O, prijst Hem, mijn gezangen/

Ik blijf zijn komst verlangen;

Hij is mijn lust!

-ocr page 55-

L

-ocr page 56-
-ocr page 57-
-ocr page 58-

'X ,quot;*■ r Z/TTquot;

lt;V 'Vvv

i;i ^gt;5^ ^ ^pV;' ^

«^xl ^ W

^ lt;■ ■-

T ;-' . iV gt;

r^-?' fci; .rsCtf^i-ï 'Sè

A'quot;^ CïQ^' tvfi *

' lt;■-, quot;Pf v' ' gt; 5 Mgt;;5 - V

■ Vn ' x/~|- • c Hf VO^

i ■ , M \ vZi vfi 4 gt; T ' lt;

K.^:- \vt ^v'v ^-v-5- .-j

'4.'^

J '' ■'•wr^. -