ocr page 1

Vak 6

WOORD- EN ZINVERKLARING

VAN DEN

CATECHIS1US,

VOOHAL TEN DIENSTE VAN

BS

Sar

i

ÏSIH

[katholieks onderwijzers.!

DOOR

Een R. K. Priester m liet mm yan 's-BoscL

2

2'w Vermeerderde Druk.

TILB ü EG ,

Stoomdrukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis, 1893.

p.

ocr page 2
ocr page 3

«8

ocr page 4

-.

i

■-

' ■ -r ir'1 —

-7:——

ocr page 5

Valt 5

P \

WOORD- EN ZINVERKLARING

VAN DBN

CATECHISMÏÏS,

VOOEAL TEN DIENSTE VAN

UMeiivsiif

EN

KATHOLIEKE ONDERWIJZERS.

DOOE

Een R. K. Priester yan het Bisdom yan 'sBoscli.

2de Vermeerderde Druk,

ocr page 6

IMPRIMATUR.

NI. F. DE BEER, Sup.-Gen. ad hoc delegatus.

Tilburgi, 1 Aprilis 1893.

ocr page 7

VOORWOORD.

—lt;—•—gt;--

I Deze „Woord- en Zinverklaring van den CatechiBmnsquot;, al

is ze , volgens titelblad , vervaardigd vooral ten dienste van Religieusen en Onderwijzers in bijzondere katholieke scholen werkzaam, en bij deze hnn opgedragen, maakt toch volstrekt geene aanspraak op eenige letterkundige waarde. Onder dit opzicht moet zij bepaald hTinne toegeeflijkheid inroepen. — Ze is eenvoudig een richtsnoer, dat, naar wij meenen, veilig kan gevolgd worden, om leerlingen van eiken leeftijd, naar hunne bevattelijkheid, degelijk in de christelijke leering te onderrichten.

In gewone omstandigheden, behooren Religieusen en Onderwijzers , naar onze bescheiden meening, hunnen leerlingen allereerst te leeren de vragen en antwoorden van den Catechismus , in onderling verband, goed van buiten op te zeggen, en zich wijders tot de „ Woordverklaringquot; te bepalen.

Doch, om hierin niet te falen, moeten zij zeiven den zin der vragen en antwoorden grondig verstaan. Daarom voegden wij doorgaans „Woord- en Zinverklaringquot; samen.

Omdat vooral Religieusen, b.v., in Weeshuizen en Opvoedingsgestichten , niet zelden nog Catechismus moeten doen voor jongens en meisjes van zestien en meer jaren, helderden wij de voornaamste, de meest practische punten veeltijds door bewijzen of toepassingen nader op.

Natuurlijk wordt het den Onderwijzers ter beoordeeling ^ gelaten, welk deel der in deze handleiding verklaarde stof

voor deze of gene klas hunner leerlingen geschikt is.

't Gebeurt wel eens , dat men het les geven in den Catechismus minder hoog opneemt, als heel gemakkelijk beschouwt en dientengevolge tot deze les weinig of niet voorbereid overgaat.

ocr page 8

Eeeds de allereerste Vr. van den Catechismus toont, dat zoodanige opvatting niet de ware, zoodanige handelwijs geenszins aanbevelenswaardig is. Immers : Welke is de allek-zaliöste , dus, de gewichtigste , de meest te waardeeren en te behartigen leering ondbe alle overige leeringen der wereld? „Be Christelijke leering of de Catechismus.quot;

Dienovereenkomstig noemde Z. H. Paus Panlus V, in zijne Constitutie, d. d. 6 October 1607, Catechismus doen „ een heilzaam werk voor db zielen en geheel db chbistenheid.quot;

Daarom ook verleende hij o. a. aan de schoolmeesters, welke op feestdagen hunnen leerlingen de Christelijke leering uitleggen, telkens zeven jaren aflaat, en indien zij op werkdagen in hunne school den Catechismus uitleggen, iederen keer, honderd dagen aflaat. Dezen aflaat, nl., van honderd dagen, verleende hij ook aan degenen, die een half uur den Catechismus bestudeeren, om hem aan te leeren of te onderwijzen. (Vgl. Recueil de Prières etc. ed. anni 1878, p. 395.)

't Wil ons schijnen, dat hieruit genoegzaam blijkt, dat de vrucht der onderrichting in de Christelijke leering veel afhangt van de zorg, welke Onderwijzers wijden om zich naar behooren voor hunne Catechismusles voor te bereiden.

Moge Gods zegen op ons nederig werk rusten. Moge het de moeilijke taak der Onderwijzers eenigermate vergemakkelijken , iets bijbrengen tot heil en zaligheid der kinderen, zoo dierbaar aan .Jesus' Goddelijk Hart!

Geloofd zij Jesus Christus! In eeuwigheid. Amen.

Dom. Quinquag. 1891.

In de tweede uitgaaf zijn eenige wijzigingen aangebracht, en achter elke Les eenige vragen gesteld, om te zien, of de kinderen de uitlegging hebben begrepen, en die tevens als prijsvragen kunnen dienen.

ocr page 9

GATEOHISMUS

OP

CHRISTELIJKE LEERING.

ÏMLEÏDIHa EERSTE LES.

Van de Christelijke Leering, en den Menscli.

1 Vraag. Welke is de allerzaligste leering onder alle leeringen der wereld ?

Antwoord. De Christelijke leering of de Catechismus.

Catechismus wil zeggen: een leerboek met vragen en antwoorden.

Het bepalend lidwoord de geplaatst voor het zelfstandig naamwoord Catechismus, duidt bepaald dat leerboek aan, hetwelk in vragen en antwoorden de Christelijke leering, de leering van Christus inhoudt.

De Christelijke leering of de Catechismus beteekent dus een en hetzelfde. Immers de Christelijke leering wil zeggen, de leer van Christus; de leer, die Christus aan Zijne leerlingen geleerd heeft.

C. 1

ocr page 10

6

Noemen we de Christelijke leering den Catechismus, dan wordt door deze benaming enkel nader aangeduid, dat de leer van Christus in dit leerboek in vragen en antwoorden is voorgesteld.

De Christelijke leering is en wordt de allerzaligste, d. i. de aller^e/aizaligste, onder alle leeringen der wereld genoemd , omdat zij alléén den mensch waarlijk volledig gelukkig kan maken voor tijd en eeuwigheid; tijdens zijn leven, voor zoover de mensch hier op aarde waar geluk kan genieten; en in eeuwigheid in den Hemel, waar Christus voor zijne getrouwe leerlingen volkomen geluk, volmaakte gelukzaligheid heeft bereid en beloofd.

Wanneer iemand die geloof verdient, die geloofwaardig is, ons zeide: „Ik ken een kunstje, — en wil 'tu leeren — waardoor ge zeker en gewis gelukkig, rijk, geacht.... kunt worden hier op aardequot;. Wat. zouden wij ijverig zijn om die kunst aan te leeren. Maar hoe veel meer ijver moeten wij dan aanwenden om de kunst te leeren , waardoor we niet enkel in dit kortstondige leven, voor zoover 't hier op aarde mogelijk is, maar tevens in eeuwigheid rijk en gelukkig kunnen worden in den Hemel.

Die wetenschap leert ons de Christelijke leering of de Catechismus, die dus terecht de allerzaligste onder alle lee-ringen der wereld genoemd wordt. Zij toch alleen leert hoe wij in 'tbezit van God kunnen komen, voor Wien wij geschapen zijn.

2 V. Wat is de Christelijke leering of de Catechismus ?

A. Het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden.

De Christelijke leering of de Catechismus is het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft,.... d. w. z., de korte inhoud

ocr page 11

7

van..... In den Catechismua is in 'tkort te samen gevat

hetgeen.....; met weinige woorden 't voornaamste gezegd van

al hetgeen Christus geleerd heeft, en alle menschen — grooten zoowel als kleinen — moeten weten èn doen (weten alléén is niet genoeg) om zalig te worden.

3 V. Wie heeft die leer, dat is, de leer van Christus, hel eerst op de wereld gebracht ?

A. Christus zelf. Hierom wordt zij natuurlijk genoemd Christelijke leer , of leer van Christus.

4 V. Door wie heeft Christus zijne leer in de wereld doen verspreiden ? d. i. naar verschillende we-relddeelen , landen en streken , in één woord : over de gansche aarde, doen heenbrengen, verkondigen.

A. Door de Apostelen en hunne opvolgers in de H. Kerk.

Apostelen, w. z., zendelingen (Missionarissen). De Apostelen zijn bepaald die zendelingen , welke Christus zelf heeft uitgekozen en gezonden om zijne leer over geheel de wereld, aan alle volkeren te verkondigen, met name de H. Petrus,

Paulus, Andreas, Jacobus, Joannes..... en hunne opvolgers,

d. w. z. de opvolgers der Apostelen.

Nu, de opvolgers der Apostelen in de H. K.erk, zijn de Paus van Home, en de bisschoppen der H. .Kerk in vereeni-ging met den Paus. (Zie 3de les vraag.)

5 V. Hoe kan men de Christelijke leering of den Catechismus verdeden ?

A. In vijf voorname deelen , waarvan het eerste handelt over het Geloof; het tweede over de Hoop; het derde over de Liefde; het vierde over de HH.

ocr page 12

8

Sacramenten, en het vijfde over de Christelijke Rechtvaardigheid.

Waarom volgt dat zoo : eerst het geloof, dan de hoop enz. P

Omdat, als wij God , en Zijne goddelijke eigenschappen, Zijne volmaaktheden, b. v. Zijne almacht, Zijne heiligheid en rechtvaardigheid, Zijne oneindige wijsheid en alwetendheid. Zijne oneindige goedheid en barmhartigheid door het geloof hebben leeren kennen, wij dan als het ware van zelf op Hem hopen, en Hem als het opperste goed in zich zeiven , en ons opperste goed zullen /ie/hebben, beminnen.

Ware liefde moet zich toonen door de werken, door te doen wat degene, dien men zegt lief te hebben, van ons wil, of verlangt, in, één woord: door te doen wat hem behaagt; èn door te laten wat hij ons verbiedt, of hem mishaagt.

Natuurlijk wordt dus in 't derde deel van den Catechismus, dat handelt over de goddelijke Liefde, ook gehandeld over de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk, omdat we door deze te onderhouden, met der daad moeten töonen, dat we God wezenlijk en oprecht lief hebben.

Geheel natuurlijk handelt dus ook het vierde deel van den Catechismus over de HH. Sacramenten, omdat we vooral in de HH. Sacramenten de genaden, de hulp van Gods gratie, m. a. w., bovennatuurlijke kracht en sterkte vinden, die wij uit onze natuur, uit ons zeiven niet hebben , en ons toch noodzakelijk zijn om de geboden Gods naar behooren te onderhouden.

Onderhouden wij, geholpen door Gods gratie, Gods geboden naar behooren, dan komen wij van zelf tot de Christelijke Kechtvaardigheid, waarover de Catechismus handelt in het vijfde deel. Want dan zullen wij het kwade laten, of, wat hetzelfde is, de zonde vluchten, en het goede doen, de deugd beoefenen. Immers hierin juist bestaat de Christelijke Rechtvaardigheid. (Zie 39ste les, 2ic vraag.)

ocr page 13

9

6. V. JVai is de mensch ?

A. Een redelijk schepsel Gods, bestaande uit eene onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam.

De mensch is een schepsel Gods. Scheppen beteekent: iets voortbrengen nit niets , iets uit niets maken. Dat kan God alleen. Een schepsel beteekent dus , iets of iemand uit niets voortgebracht.

De mensch. wordt dus een schepsel Gods genoemd , omdat hij naar de ziel door God geschapen, of, uit niets is voortgebracht. (Zie S5quot; les , 2de vraag.)

Hieruit volgt rechtstreeks, dat elke mensch van God afhankelijk is, aan God toebehoort: het gemaakte toch behoort aan den maker.

Gij weet nu, waarom de mensch een schepsel Oods genoemd wordt. Maar waarom is de mensch een redelijk schepsel Gods ? Omdat hij door God met rede of verstand, en vrijen wil begaafd is.

Met rede of verstand begaafd zijn, rede of verstand hebben, wil zeggen : het goede , de deugd, van 't kwade, van de zonde kunnen onderscheiden.

Tusschen het goede en kwade kunnen kiezen, dat heet

een vrijen wil hebben.

De mensch wordt dus een redelijk schepsel Gods genoemd, omdat hij, eenmaal tot het gebruik zijner rede, tot de jaren van verstand gekomen , het goede van het kwade, de deugd van de zonde kan onderscheiden, en het een kan doen ea 't andere laten, éen van twee kan kiezen.

Door zijn verstand en den vrijen wil is de mensch ver verheven boven de dieren, en overige schepselen Gods op aarde, b. v. zon , maan, sterren, planten, boomen , bloemen ; kortom : boven alle overige dingen of zaken, die men in de wereld zien kan; want al die dingen zijn in hun oorsprong

ocr page 14

10

wel schepselen Gods, maar niet met rede en vrijen wil door God begaafde, doch redelooze schepselen Gods.

De mensch bestaat uit twee deelen, uit eene onsterfelijke ziel, d. i. eene ziel die niet sterven kan, en een sterfelijk lichaam, d. w. z. een lichaam dat sterven kan , ja werkelijk eens sterven, van de ziel gescheiden , en in deelen ontbonden worden zal.

De ziel is een onsterfelijke geest, begaafd met rede en verstand, door God geschapen en met het lichaam vereenigd, om het levend te maken en te bestieren.....

Geest is iets onstoffelijks, wat geen deelen heeft, en niet valt onder het bereik der zintuigen. Door lichaam verstaat men alles wat uit stof en deelen is samengesteld , en door onze zintuigen kan waargenomen worden. Dus hier het deel van den mensch , dat wij zien , en bestaat uit verschillende deelen en ledematen , of het stoffelijk omhulsel onzer ziel.

Waarom kan onze ziel niet sterven ? Omdat onze ziel een geest is, die niet uit deelen bestaat, en dus ook niet in deelen kan ontbonden worden. Welnu, stenen wil zeggen: in deelen ontbonden worden. Bijgevolg kan onze ziel niet sterven , omdat zij een geest is. Hoe onze ziel op een geestelijke wijze sterven kan , wordt in de 40te les geleerd.

7 V. Welk is het waardigste deel van den mensch ? A. De ziel.

8 V. Waarom is de ziel het waardigste deel van den mensch ?

A. Omdat de ziel onsterfelijk is, en naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen.

De ziel is dus, volgens den Catechismus, om twee redenen het waardigste deel van den mensch.

ocr page 15

11

Ten l»te omdat de ziel onsterfelijk is, en het lichaam sterfelijk. Wat die reden beteekent, weet ge al.

Ten 2'1e omdat de ziel naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen. „ Laat ons den mensch — man en vrouw — maken, scheppen naar ons beeld en gelijkenis. (Gen. I. 26, 27.)

Om deze tweede reden goed te verstaan , diene eene kleine vergelijking.

Kinderen, als de Zuster (of de Frater) u leert schrijven, dan geeft zij (hij) u een voorbeeld, voorschrift, model, dat ge moet naschrijven. Poet ge dat, dan schrijft ge letters naar 't voorbeeld en de gelijkenis van degene, welke de Zuster op bord of ... heeft voorgeschreven.

Als een schilder iemands portret moet maken , dan tracht hij de trekken van diens aangezicht, voorhoofd, oogen, neus, mond, ooren, houding , in éen woord, diens beeld en gelijkenis, zooveel hij maar kan, trouw gelijkend af te schilderen , weer te geven.

Door deze vergelijkingen toe te passen, zult ge genoegzaam begrijpen wat het zeggen wil, dat de ziel het waardigste deel van den mensch is (ten 2'le): omdat zij naar Gods beeld en gelijkenis is geschapen. Dat wil nl. zeggen ; dat onze ziel, zooveel mogelijk een afbeeldsel van God is, veel gelijkenis heeft met God, goed op God gelijkt, staalt, gelijk men zegt: Kijk, dat kind staalt, gelijkt goed, of, juist op zijn vader of moeder.

Onze ziel kan niet volkomen , niet geheel en al op God stalen; want God is oneindig volmaakt, oneindig in alle Zijne volmaaktheden. Eene schilderij , een beeld of portret van menschen , hoe goed gelijkend, is altijd veel minder dan degene, dien het in levenden lijve voorstelt. B. v. kan het portret van N. N. spreken P ... Neen, maar toch zeggen we terecht: het portret gelijkt goed , juist, sprekend.

Zoo is 't nu ook met onze aiel in vergelijking met God. Onze ziel is niet en kan niet aan God gelijk zijn, maar toch.

ocr page 16

12

gelijkt ze goed op God. Dit ook alléén wordt beteekend als we zeggen, dat de ziel van den mensch naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is.

Die gelijkenis bestaat voornamelijk hierin , dat

ten lste God een geest is en onze ziel ook een geest is. In zóóver gelijkt dns onze ziel op God, dat èn God èn onze ziel een geest zijn. Maar tnsschen God en de ziel van den mensch bestaat toch een groot, ja, een oneindig verschil. Immers, God is een ongeschapen geest (zie 5(le les, 3de vraag); maar de ziel van den mensch is door God geschapen, uit niets voortgebracht, door God ingestort.

Ten 2lt;Ie hierin, dat onze ziel door God met rede of verstand begaafd is, en ook God rede of verstand heeft, maar nit zich zei ven, en oneindig meer dan de ziel van eenig mensch, hoe geleerd en verstandig eenig mensch, b. v. Adam , Salomon en de Allerheiligste Maagd Maria, ook geweest zijn.

Ten 3'le hierin , dat onze ziel een vrijen wil heeft en God ook, maar alweer met dit oneindig verschil, dat God, omdat Hij oneindig heilig is, niets kan willen en beloonen dan hetgeen goed is, en daarom ook het minste kwaad, de kleinste zonde moet verafschuwen en straffen, omdat Hij tevens oneindig rechtvaardig is.

Ten 4'lc hierin, dat, gelijk God is één in wezen en drievuldig in Personen , ook onze ziel is één in wezen , drievuldig in krachten of vermogens, te weten : verstand, wil en geheugen.

(Heeft God ook geheugen?)

Ten 5'quot;-, hierin, dat gelijk God onsterfelijk is, ook de ziel van den mensch onsterfelijk is. Toch is er ook bij deze gelijkenis onzer ziel met God al wederom een oneindig verschil. God is van alle eeuwigheid en in eeuwigheid der eeuwen, in zich zeiven gelukkig. De ziel van den mensch is in den tijd geschapen, en alleen onsterfelijk in dien zin, dat ze eenmaal geschapen altoos zal blijven bestaan, nooit zal te

ocr page 17

13

niet gaan; maar in de eeuwigheid öf wel gelukkig bf ongelukkig zijn zal, naar gelang de mensch het einde bereikt of niet bereikt, waarvoor hij door God geschapen is.

Deze vijf punten van gelijkenis tussehen God en de ziel van den mensch, toonen tegelijk duidelijk aan, dat de ziel het waardigste deel is van den mensch , veel waardiger dan zijn lichaam. Want juist hierdoor dat de mensch naar de ziel op de verklaarde wijze Gods beeld en gelijkenis is , is de ziel ver boven het lichaam verheven. Hieruit volgt, dat we voor het geluk onzer ziel ten minste zooveel, ja veel meer zorg moeten hebben, dan voor het geluk, het welzijn van ons lichaam , te meer, omdat, als we onze ziel zalig maken , ook ons lichaam eens in haar geluk zal deelen.

Wat doet men als van zelf voor 't behoud en welvaren van

't lichaam ?..... Doet minstens datzelfde voor uwe ziel.

Hoe dwaas toch zijn zij, die voor hun sterfelijk lichaam meer overhebben dan voor hunne onsterfelijke ziel.

9 V. Tot wat einde d. w. z. tot welk doel, of waarvoor is de mensch geschapen ?

A. Om in dit leven God te dienen en Hem hierna eeuwig te aanschouwen.

Ten l8», om ia dit leven,, dat we hier op aarde doorbrengen. God te dienen.

Maar wat is God dienen ?

Dat zult ge vanzelf verstaan , als ge maar nadenkt wat dienen, gaan dienen beteekent. Kent ge geene dienstboden P Hebben uwe ouders geen meid of knecht P Wat moeten die doen ? 't Geen hun heer of mevrouw, baas of vrouw wil dat ze doen, hun opleggen, gebieden. God dienen is dus Gods heiligen wil volbrengen , doen wat God van ons wil, en gelijk Hij het van ons wil gedaan hebben. Nu, wat God van den mensch wil gedaan hebben, heeft Hij geopenbaard,

ocr page 18

14

kenbaar gemaakt door zijne 10 geboden, de 5 geboden der H. Eerk, en de plichten eigen aan ieders staat.

De voornaamste plichten van een kind liggen opgesloten in de deugden van leerzaamheid, godsdienstigheid en gehoor' zuamheid ; terwijl het met de jaren moet toenemen in deugd ' wijsheid en behagelijkheid bij God en menschen; zooals Christus in zijn verborgen leven ons geleerd heeft. Van Hem toch lezen wij, dat Hij onderdanig was, naar den tempel ging , de leeraren aanhoorde en ondervroeg; en toenam in wijsheid en jaren, en in genade bij God en menschen. Dit toenemen beteekent hier, dat Hij volgens zijne jaren, zijne ■wijsheid, enz. meer toonde. (Vgl. Les 9.)

Noem een gemakkelijk middel om door al onze werken Ood te dienen ? 's Morgens de goede meening maken om alles tot eer van God te doen. Het gebed van het Apostolaat is daarvoor zeer geschikt. (Li^, hes 43.)

Ten 2de, is de mensch geschapen , om Hem , God , hierna , d. i. na dit leven, na onzen dood, eeuwig te aanschouwen, d. w. z. eeuwig, volmaakt gelukkig te zijn. Dienstboden dienen hunne meesters om op het einde des jaars hun loon, hunne huur te ontvangen. Welke belooning zal God geven aan degenen die Hem trouw dienen, Zijne geboden onderhouden F Het opperste geluk, de eeuwige gelukzaligheid, bestaande in God, ons opperste Goed, te aanschouwen, te bezitten en te genieten. Hoe lang ? Eeuwig, zonder eind. Ons leven hier op aarde duurt zoo kort. Dienen we dus God getrouw om ons laatste einde te bereiken, om God na dit leven, namaals eeuwig te aanschouwen. De verwezenlijking van dit tweevoudig doel vragen wij in de twee eerste vragen van het gebed des Hee-ren: „Geheiligd zij Uw naamquot; — „Ons toekome Uw Eijk.quot; (19Je Les, V. 6 en 7.)

10 V, Wat wordt er van den mensch vereischt, om tot dat einde, d. i. het einde waarvoor de mensch geschapen is , te komen ? of, te geraken ?

ocr page 19

15

A. Dat hij God kenne , God beminne, en Gods geboden tot het einde zijns levens getrouwelijk onder-boude.

Eerst staat er, dat hij God kenne, en dan, God beminne, omdat men niet kan beminnen wat men niet kent. Ongekend

is onbemind.

Maar als wij nu uit den Catechismns God goed hebben leeren kennen als een ongeschapen geest, den Schepper, Heer en Bestierder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed, (ö'1® les), dan zullen we, lettende op Zijne oneindige volmaaktheid in zich zelve , als zijnde een ongeschapen geest, en op Zijne grenzelooze goedheid jegens

ons als Schepper..... ook gemakkelijk inzien, dat we God

bovenal moeten beminnen , on die liefde toonen door Gods geboden tot het einde van ons leven getrouwelijk te onderhouden. Immers, „ wie volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig worden'' (Matth. X. 22.) „ lin hieraan weten wij, dat wij Hem (God) kenneti, indien wij zijne geboden onderhouden. Wie zegt, dat hij Hem kent en Zijne geboden niet onderhoudt, die is een leugenaar, en in dezen is de waarheid niet; maar die Zijn woord. Zijne geboden, onderhoudt, in dezen is naar waarheid de liefde Gods volkomen geworden'' (I Joannes II. 3—5.) D. w. z. deze bemint God niet enkel met den mond, maar ook met het hart, met de daad, — dezes liefde tot God is volkomen, echte, ware, oprechte liefde, noodig om ons einde te bereiken. De mensch is dan voor God geschapen, voor God — een oneindig goed — bestemd. Daarin is de diepe grond, de reden gelegen , waarom de mensch zonder God ontevreden, ongelukkig is, waarom alle goederen dezer aarde zijn hart niet kunnen verzadigen. Dat hart toch — voor God bestemd— kan door een eindig, beperkt goed niet volgemaakt, bevredigd of voldaan worden. De wereldsche menschen zijn dan ook nooit voldaan, zij verlangen altijd naar meer; en dwazen zijn het, die hier in 't vergankelijke hun geluk zoeken.

ocr page 20

16

Vragen over de l8te Les.

1. Wat beteekent Catechismus ?.... de Catechismus 'i....

2. Wat wil zeggen „de allerzaligste leeringquot;, en waarom

bevat de Catechismus de allerzaligste leer P

3. Wat beteekent ,,kort begripquot; — wat „Apostelenquot; — en

wie zijn hunne opvolgers P

4. Waarom handelt de Catechismus eerst over het geloof,

vervolgens over de hoop enz. V. 5, of hoe volgt natuurlijk het eene deel op het andere P

5. Wat verstaat men door geest P door lichaam P En wat

is onze ziel met ons lichaam P

6. Waarom is de mensch een redelijk schepsel P

7. Wat verstaat ge door rede en vrijeti wil ?

8. Waarin of hoe gelijkt onze ziel op God?

9. Wat beteekent „einde van den menschquot;, en welk is dat

einde P

10. Wat wil in 't algemeen zeggen „God dienen Pquot; En hoe

kan men God dienen door al zijne werken? Wat beteekent goede meening P

11. Welke zijn de voornaamste plichten, die een kind te

vervullen heeft, en heeft Christus ook daarvan een voorbeeld gegeven ?

12. In welke vragen van het gebed des Heeren bidden wij

om ons laatste einde te bereiken P

13. Waarom kan de mensch zonder God nooit gelukkig zijn P

14. Hoe heet gij de menschen, die meer over hebben voor

hun sterfelijk lichaam, dan voor hunne onsterfelijke ziel P

ocr page 21

17

TWEEDE LES.

Van den Christen mensch en het Krnis.

IV. Wat is een Christen mensch ?

A. Een leerling van Jesus Christus, die, gedoopt zijnde, de zalige wet van Christus gelooft en belijdt in de ware Kerk.

Een ChriBten mensch is: Ten late, een leerling van Jesus Christus.

Een leerling of discipel is iemand die geleerd of onderwezen wordt.

Een leerling van Jesus Christus is iemand, die geleerd of onderwezen wordt in de leer van Christns, d. i. de leer, welke Christus ons door daad en woord geleerd heeft.

Even gelijk men iemand, die bij de Fraters, of de Znsterg, of den Meester ter school gaat, een leerling van de Fraters, Zusters of van den Meester noemt, zoo noemen wij ook iemand die in de leer van Jesus Christns onderwezen wordt, een leerling van Jesus Christus.

Er staat bij, ten 2de, die gedoopt zijnde , omdat het eerste vereisehte van een Christen is , dat hij gedoopt zij.

Ten 3|R'. De zalige wet van Christus, dat is de zalig-, gelukkig makende wet van Christus, die Christus geleerd heeft.

De zalige wet van Christus ten 4,,e, gelooft, dat is: die wet met zijn verstand aanneemt, en ten 5de, belijdt, dat is: door zijne woorden en daden toont, dat hij de zalige wet van Christus gelooft; m. a. w.: dat hij èn in zijn huiselijk, èn in zijn publiek leven zich naar Christus wet gedraagt.

Ten 6'ic. In de ware Kerk, dat wil zeggen, dat hij lidmaat van de Eoomsch Katholieke Kerk moet zijn. Want deze alléén is de ware Kerk door Christns ingesteld, gesticht.

ocr page 22

18

2 V. Wat is de plicht van een Christen mensch ?

A. Dat hij de geboden van God onderhoude en zijn leven schikke naar de leering van Christus.

De plicht van een Christen mensch is, dat hij de geboden van God onderhoude; dat wil zeggen ; dat hij doe, wat de geboden Gods gebieden, en late wat zij verbieden, en dus zijn leven schikken, dat is plooie, inrichte, vorme naar de leering van Christus; dat hij zóó leve als Christus ons geleerd heeft.

3 V. Wat is het teelten van een Christen mensch ?

A. Het teeken van het heilig Kruis.

Een teeken is iets waaraan men iets anders kennen kan.

Bv. Als iemand een geweer op zijde heeft en eene weitaseh aan, en één of twee honden bij zich , dan kan ik daaraan kennen, dat hij een jager is. Als iemand een doek om. het hoofd heeft, dat hij tand- of hoofdpijn heeft.

Het teeken van een Christen mensch nu, dus datgene waaraan ik een Christen mensch kan kennen , is het teeken van het H. Kruis. Want als ik iemand een kruis zie maken, zie ik daaraan aanstonds , dat hij Christen is.

Hoeveel beteekenissen heeft het woord kruis ?

Drie. Ten l5quot;-, het kruisteeken dat wij maken, als wij zeggen: in den naam des Vaders, enz.

Ten 2'le, het kruisbeeld en

Ten 3'u', alles wat ons hindert of doet lijden.

Nog een ander kenteeken zijner leerlingen heeft Christus aangegeven als Hij bij Joës XIII. 35 zegt: „Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt, zoo gij liefde hebt voor elkander 1quot;

ocr page 23

19

4 V. Wat zegt gij, als gij het teeken van het heilig kruis maakt?

A. In den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Amen.

Als men het teeken van het H. Kruis maakt zegt men : In den naam des Vaders, enz.

In den naam wil zeggen: O H. Drievuldigheid, op uw woord, omdat Gij het wilt, ter uwer eer.

Als men deze beteekenis kent, ziet men duidelijk, dat men) door vóór een werk het kruis te maken , dit werk daardoor aan God opoffert.

Het wil immers zeggen: ter uwer eer, wil ik dit werk doen , op uw woord, omdat Gij het hebben wilt; dus om daardoor uwen heiligen wil te volbrengen.

Men ziet daaruit ook , dat zeer nuttig is in bekoringen en moeilijkheden een kruis te maken.

Ter uwer eer, op uw woord, in uwen naam, wil ik dit lijden, wil ik tegen die bekoring strijd voeren, om tl, o God, daardoor te verheerlijken, om uwen wil te volbrengen.

5 V. Welke mysteriën heteekenen wij in het maken van het heilig Kruis ?

A. Twee groote mysteriën van ons geloof, te weten : het mysterie der H. Drievuldigheid, en der verlossing van den mensch uit de slavernij des duivels.

Hoe heteekenen wij door het maken nan het H. Kruis het mysterie der H. Drievuldigheid ?

In God is eenheid en drievuldigheid.

De eenheid van God bestaat in het ééne Goddelijke Wezen, en de drievuldigheid in de drie Goddelijke Personen.

De eenheid van Gods wezen of natuur drukken wij uit

ocr page 24

20

zeggende: In den naam , en niet: In de namen. In den naam is enkelTond en slaat terug op het ééne Goddelijke Wezen, en de drievuldigheid van Personen duiden wij aan , door er aanstonds op te laten volgen de drie Goddelijke Personen, zeggende; des Vaders, en des Zoons en des H. Geestes. Wij voegen er het woordje en tusschen, om daardoor de onderscheidenheid der drie Goddelijke Personen aan te duiden.

Hoe heteekenen wij door het kruis de verlossing uit de slavernij des duivels ?

Ten lstE, door het kruisteeken zelf, want door het kruis zijn wij verlost.

Ten 2(le, door de wijze , waarop wij het kruis maken.

Als wij de hand van de hoogte naar de laagte, van het voorhoofd tot de borst trekken, beteekenen wij daardoor, dat Christus van den hemel op de aarde neergedaald, mensch geworden is. Als wij de hand van den linker naar den rechter schouder trekken, beteekenen wij daardoor, dat Christus ons van den staat van vervloeking en zonden, tot den staat van zegening en genade heeft overgebracht.

Er is nog een andere manier om het kruis te maken: met den duim op het voorhoofd, mond en borst, zooals wij gewoon zijn te doen bij het Evangelie, om te belijden, dat wij het aannemen met ons verstand, belijden willen met onzen mond, en van gansoher harte door onze werken volbrengen. Zoo ook kan men zeer geschikt 's morgens bij het opstaan , en 's avonds bij het slapen gaan het kruisteeken maken op het voorhoofd, mond en borst, zeggende: In den naam des Vaders, die mij geschapen heeft, en des Zoons, die mij heeft verlost, en des H. Geestes, die mij heeft heilig gemaakt wil ik dezen dag beginnen ('s morgens) — wil ik dezen dag eindigen ('s avonds). Aldus offert gij uw gedachten , woorden en werken aan God, en vraagt daarover den zegen door het kruis.

6 V. Van men hehhen wij het teeken van het heilig Kruis?

ocr page 25

21

A. Van onze voorouders tot de Apostelen toe; ja van Christus zeiven, die door zijn kruis de wereld verlost heeft.

Wij hebben het kruisteeken van onze voorouders tot de Apostelen toe, dat wil zeggen: onze ouders hebben het van hunne ouders of van onze grootouders geleerd, die weer van hunne ouders, enz.; totdat wij eindelijk, als wij zoo terug bleven gaan, bij de Apostelen zouden komen en bevinden, dat die allen het kruis reeds gemaakt hebben.

Ja, de oude schrijvers verhalen, dat de eerste christenen nooit slapen gingen, opstonden, of eenig werk begonnen zonder het kruis te maken.

Eindelijk is het kruis van Christus zeiven afkomstig, die ons door Zijn kruis verlost heeft.

7 V. Wanneer behooren wij het teeken van het H. Kruis te maken ?

A. Als wij opstaan, eten en slapen gaan, en vóór al onze werken ; maar bijzonder als wij eenige kwelling of bekoring hebben.

Wanneer behooren wij , dat is : wanneer is het goed, past, voegt het, dat wij een kruis maken ?

Ten I5te, als wij opstaan en slapen gaan.

lyaarom behooren wij dan een kruis te maken t1

Ten lste, omdat God het eerste en het laatste van den dag wil hebben.

Ten 2'le, om daardoor die groote waarheid te belijden, dat God ons eerste begin en laatste einde is.

Ten 3,le, om den zegen en de bescherming van God af te smeeken over al wat we overdag doen, en over onze nachtrust.

Ten II'1', behooren wij voor en na het eten een kruis te maken.

C. 2

ocr page 26

22

Vóór het eten, om Gods zegen over ons zeiven en de spijzen af te smeeken, opdat zij ons niet schaden naar het lichaam, en opdat wij er ook niet bij zondigen, en ook om het eten aan God op te dragen , en het alzoo verdienstelijk te maken voor den Hemel.

Na het eten, om God te danken voor de ons geschonken spijzen. — floevelen zijn er, die ze moeten missen !

Ten IIIde, vóór al onze werken, om ze aan God op te dragen.

Ten IV,le, bijzonder als wij eenige kwelling of bekoring hebben.

Kwelling is alles wat ons hindert, moeilijk valt.

Bij eenige kwelling maken wij een kruis, om die kwelling aan God op te dragen, en om Gods bijstand af te smeeken, om ze geduldig te verdragen, en ze zoo verdienstelijk te maken voor den hemel.

Bekoringen zijn aanloksels tot zonden. Bij bekoring maken wij een kruis, om daardoor Gods hulp af te smeeken, om de bekoring te overwinnen, of or van bevrijd te worden, en den duivel weg te jagen.

8 V. Wat voordeel doen wij met het maken van het teeken van het heilig Kruis ?

A. Ten 1. Het kruis dient ons tot eene openbare belijdenis van ons geloof; ten 2. het is een kort gebed tot God; ten 3. het jaagt van ons den duivel met al zijn bedrijf.

Ten ls«. Het kruis is eene openbare belijdenis van ons geloof, wijl wij daardoor iedereen laten zien, dat wij Christenen zijn.

Ten 2lt;ie het is een kort gebed tot God, zooals gezien is bij den uitleg van: In den naam. (Bladz. 19, 4« Vr.)

Ten 3(,l! het jaagt van ons den duivel. De duivel is zoo bang voor het kruis, omdat hij door het kruis overwonnen is.

ocr page 27

23

Wat doet de hond, kinderen, wanneer hij den stok ziet, waarmede hij geslagen is ?

Met al zijn bedrijf.

Een bedrijf is een ambacht, het werk, dat iemand uitoefent. Nn het bedrijf, het ambacht van den duivel is, demenschen te kwellen en tot zonden te brengen.

Nota. God heeft de schande van het kruis tot eer gemaakt.

Vroeger was het kruis eene schande, de kruisdood de schandelijkste van alle straffen; maar sinds Jesus aan het kruis gestorven is, staat het kruis als een eereteeken op alle kerken, en prijkt het zelfs als zoodanig' in de kronen van koningen en keizers en op de borst der dapperen.

Daardoor komt het, dat wij ons zoo moeilijk de schande van het kruis kunnen voorstellen.

Vragen over de 2de Les.

1. Wat is er noodig om een waar christen mensch te

zijn P En waarom zijn protestanten, die zich christenen noemen , eigenlijk geen christenen F

2. Wat wil zeggen „ zijn leven schikken naar de leer

van Christus Pquot;

3. Heeft Christus ons maar alleen door woorden geleerd ?

En hoelang P — Ook door zijn voorbeeld P — En hoelang ?

4. Wat is kwelling? Wat is bekoring P

5. In hoeveel beteekenissen wordt het woord kruis geno

men P

6. Op hoeveel manieren kan ik het kruisteeken maken P

En waarom zoo bij het Evangelie, en 's morgens en 's avonds P

7. Wat beteekent bedrijf? Welk is het bedrijf van den

duivel P En waarom verjaagt het kruis den duivel F

ocr page 28

24

EERSTE DEEL.

DEEDE LES.

Van het Geloof.

§ 1-

1 V. Wat is het Geloof?

A. Eene deugd en gave Gods en een licht, waardoor de mensch vastelijk gelooft al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk voorhoudt te gelooven.

Gelomen is iets voor waar aannemen op het zeggen, of het gezag van een ander.

Er is dus een groot onderscheid tusschen gelooven, zien en begrijpen. Ik geloof op het gezag of het zeggen van een. ander; b. v. dat elders iets gebeurd is. Ik zie met mijne oogen ; b. v. dat daar die banken staan. Ik begrijp met mijn verstand; b. v. tweemaal twee is vier. Gelooven komt nog wel in andere beteekenissen voor; b. v. voormeenen', gissen, vermoeden enz.; hier echter wordt het in genoemden eigenlijken zin genomen.

Men onderscheidt menschelijk en goddelijk geloof. Als eenig geloofwaardig mensch, bv. vader of moeder , ons iets vertelt, dat we niet van zelf begrijpen, of zelf niet gezien hebben, dan gelooven we dat met een menschelijk geloof, op menschelijk gezag. Als menschen ons iets zeggen, weten we niet altijd zeker, dat het waar is, wat ze ons vertellen; want ze kunnen of zelf bedrogen zijn of ons bedriegen.

Maar wat God ons openbaart, of zegt, is noodzakelijk waarheid ; want God is alwetend en kan dus zelf niet bedrogen worden, en evenmin ons bedriegen, omdat Hij waarachtig, oneindig volmaakt, oneindig goed is.... Eveneens ben ik niet altijd vol-

ocr page 29

25

strekt zeker ran hetgeen ik zie, of begrijp ; want mijn oogen en veratand knnnen abuis hebben.

Het geloof is eene deugd, omdat het ons genegen maakt om goed te doen. Eene deugd toeh is eene genegenheid der ziel, door welke de mensch weldoet. (42« Les, le Vr.)

Wij beschouwen dus hier het geloof niet als een voorbijgaande daad, of akte; b. v.; een of andermaal iets gelooven, of aannemen op het gezag van God ; maar als een bijblijvende, bovennatuurlijke hoedanigheid of eigenschap onzer ziel, door God ingestort, waardoor wij gaarne , gemakkelijk aannemen wat God openbaart, of daartoe genegen worden.

Tot welk goed maakt het geloof ons genegen ?

Om Gods waarachtigheid te vereeren.

Hoe vereeren wij door het geloof Gods waarachtigheid?

Omdat wij dan die waarachtigheid stellen boven onze oogen , en ons verstand. Wij begrijpen het niet en meenen soms het tegenovergestelde te zien , en toch nemen wij niet aan , gelooven wij niet hetgeen wij zien , maar hetgeen God zegt. Bv. in hot H. Sacrament des Altaars, zien mijne oogen niets dan brood, mijn verstand ziet daar ook niets anders ; ik kan niet begrijpen, dat daar iets anders is dan brood, en toch verwerp ik wat ik zie , en ik neem aan wat God mij zegt: namelijk , dat het geen brood , maar het Lichaam en Bloed van Christus is.

Ik stel dus Gods waarachtigheid boven hetgeen ik zie, en boven mijn verstand of begrip

2 V. Waarom wordt het Geloof genoemd eene gave Gods ?

A. Omdat het ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten , en wij het uit ons zei ven niet kunnen hebben.

Het geloof is eene gave Gods, omdat wij het onverdiend

ocr page 30

26

gekregen hebben. En al hadden wij er ook nog zooveel voor gedaan, zooals bv. sommige arme wilden , toch zou het eone gave blijven, omdat de schat des geloofs zoo groot is , dat hij nooit verdiend kan worden.

Denk u een kind, dat voor het breien van één kous honderd duizend gulden zou krijgen, dit kind heeft wel iets voor die honderd duizend gulden gedaan, maar toch zou men niet kunnen zeggen , dat het kind dat geld verdiend heeft. Het zou een gift voor dat kind blijven. Hier, gelijk bij de andere goddelijke deugden, is spraak van een bovennatuurlijk geloof; natuurlijk geloof kunnen wij hebben zonder een bijzondere gaaf. .... De gave des geloofs overtreft alles ; wat toch baat het de geheele wereld te bezitten , als wij onze ziel zonden verliezen; en zonder geloof kunnen wij aan God niet behagen, niet zalig worden.

3 V. Waarom wordt het Geloof genoemd een licht?

A. Omdat het ons verstand verlicht, om de waarheden des geloofs te kennen en te gelooven.

Het geloof is ook een licht, dat wil zeggen , dat door het geloof ons vele dingen ter kennis komen , die wij door ons natuurlijk verstand niet zouden weten, of waar w ij slechts zeer geringe kennis van zouden hebben.

Door ons verstand begrijpen wij wel iets van de waarheden des geloofs, doch het geloof maakt ons dat alles veel klaarder.

Ons verstand is als het ware een flauw nachtpitje , waardoor wij de zaken van God, de ziel en de eeuwigheid , zoo maar weinig begrijpen, gelijk wij bij een nachtpitje, ook maar ten halve de zaken zien , die zich in eene kamer bevinden ; doch schijnt de volle zon in die kamer, dan zien wij alles duidelijk en klaar.

Door het geloof kennen wij duidelijk en klaar de goddelijke zaken. Het geloof is voor ons als eene helderschij-nende zonbij het nachtpitje van ons verstand.

ocr page 31

27

Bt, Door ous natuurlijk verstand begrijpen wij heel goed dat wij verkeerd en kwaad doen, als wij zonden bedrijven; doch als wij diezelfde zonden met de oogen des geloofs beschouwen, als wij weten, dat wij door de zonden God het Opperste Goed beleedigen en bedroeven, dat wij door die zonden beroofd worden van het onuitsprekelijk geluk des hemels en de eeuwige hel verdienen, dan zien wij oneindig beter de boosheid dier zonden in. Zoo is het met alle andere zaken gelegen.

Wanneer wij nu door het licht des geloofs, die verschillende zaken beginnen te zien, is ons verstand ook bereid ze aan te nemen; want het geloof als bovennatuurlijke deugd maakt onzen wil ook genegen om te gelooven.

Dat wij vele zaken gelooven, die wij niet begrijpen, strijdt niet tegen ons gezond verstand, wijl wij alle dagen in de natuur zien bewaarheid , dat zaken , die wij niet begrijpen , toch heel goed waar kunnen zijn.

Dat er bv. van een klein pitje een groote boom kan komen, kunnen wij onmogelijk begrijpen, en toch zien wij , dat het gebeurt.

Dat aan boomen bloemen en smakelijke vruchten kunnen groeien, begrijpen wij evenmin. Ja, de geheele natuur is voor ons een geheim. En toch nemen wij die geheimen aan, enkel omdat wij ze zien met onze oogen, die toch abuis kunnen hebben. Waarom zou het dan niet redelijk zijn, aan te nemen wat ik niet begrijp, omdat God, die niet falen kan , het ons zegt ?

Wanneer hebben wij een goddelijk geloof?

Wij hebben een goddelijk geloof, als wij gelooven wal God zegt, en omdat God het zegt.

4 V. Wat moeten wij gelooven ? of, welk is het voorwerp van ons geloof?

ocr page 32

28

A. Al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk voorhoudt te gelooven.

Wat wil zeggen openbaren ?

Openbaren wil zeggen: aan 't licht brengen, bekendmaken, leeren. God is zoo goed geweest, ons door zijne gezanten te leeren wat we moeten gelooven en doen om zalig te worden. Die leeringen, die God ons door zijne gezanten heeft doen verkondigen, bekend maken, worden : de Goddelijke openbaring genoemd.

Er staat dat wij gelooven moeten, al wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven.

Waarom staat er bij en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven?

Dat staat er hij , omdat de H. Kerk het middel is om de Goddelijke openbaring te kennen; omdat de H. Kerk om zegt, wat God geopenbaard heeft.

Wien verstaat gij door de H. Kerk, die ons voorhoudt hetgeen wij moeten gelooven ?

Den Paus van Kome en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. (10 vr.)

5 V. Hoe moeten wij dat gelooven ?

A. Vastelijk.

6 V. Wat beteekent dat: vastelijk gelooven ?

A. Zoo gelooven, dat men aan niet eene waarheid van het Geloof in het minste twijfelt.

Vastelijk gelooven , dat is zoo zeker zijn, dat het waar is, dat wij er volstrekt niet aan twijfelen.

Wat is twijfelen ?

Denken ; zou het wel waar zijn ?

Is twijfelen aan eene waarheid des Geloofs altijd zonde?

Neen, het is dan alleen zonde, als wij het vrijwillig doen.

ocr page 33

29

7 V. Waarom moeten wij de waarheden des Geloofs vastelijk yelooven ?

A. Omdat God de eeuwige waarheid is, die dezelve geopenbaard heeft.

Waarop steunt ons geloof ?

Op Gods waarachtigheid.

Waarom moeten wij geloooen ?

Omdat God waarachtig , of omdat God de eeuwige waarheid is.

Welke is dan de beweegreden van ons geloof ?

Gods waarachtigheid.

ïsota. Men merke op dat de drie bovenstaande vragen en antwoorden , alle hetzelfde heteekenen, dat ze telkens alleen op eene andere manier zijn uitgedrukt.

Wat wil het zeggen , dat God waarachtig of de eeuwige waarheid is ?

Pit wil zeggen : dat God niet kan liegen of bedrogen worden.

Waarom kan G od niet liegen ?

Omdat Hij oneindig volmaakt is.

W'jarom kan God niet bedrogen worden ?

Omdat Hij alwetend is.

Wat wil zeggen dat God alwetend is ?

Dat Hij alles weet.

Ik geloof dus niet omdat de Kerk het leert, veel minder omdat de pastoor het zegt; maar omdat God, die waarachtig is, het ons geopenbaard heeft. De Kerk is het middel om te weten wat God geopenbaard heeft; terwijl de geloovigen door wettig gezondene Herders en priesters te weten komen wat de Kerk — Paus en Bisschoppen — voorhonden ot leeren. De pastoor wordt aangesteld door den Bisschop, de Bisschop door den Paus , die Christus' plaats bekleedt.

ocr page 34

30

8 V. Waardoor weten wij met zekerheid hetgeen wij moeten gelooven ?

A. Door de leering der H. Kerk, die niet kan falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven.

Wij weten met zekerheid hetgeen wij moeten gelooven, door de leering der Kerk; dat is; door de prediking en onderrichting der Kerk.

Wat wil zeggen, de Kerk kan niet falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven ?

Dit wil zeggen: dat de Kerk in geloofswaarheden geen abuis, het niet mis kan hebben.

9 V. Waarom kan de H. Kerk niet falen in hetgeen zij ons voorhoudt te gelooven ?

A. Omdat zij , volgens de beloften van Christus , altijd bestuurd wordt door den H. Geest, die de geest der waarheid is.

Waarom kan de H. Kerk (dat is, de Pans en Bisschoppen) in geloofspunten niet falen of d ui alen F

Omdat zij, volgens de beloften van Christus, altijd bestnurd wordt door den H. Geest, die de Geest der waarheid is.

Met welke woorden heeft Christus dit beloofd?

„ Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen „ Helper geven om in eeuwigheid bij u te blijven, den Geest „der waarheid. De Heilige Geest, dien de Vader in mijnen „ naam zenden zal, die zal u alles leereu, en u alles indachtig „ maken wat Ik n gezegd heb.quot; (Joan. XIV. 16. 26.)

Heeft Christus dat maar alléén aan de Apostelen beloofd, of betrof die voorzegging ook de opvolgers der Apostelen, namelijk den Paus en de Bisschoppen ?

Die beloften deed Christus niet alleen aan de Apostelen maar ook aan de opvolgers der Apostelen, den Paus en de

ocr page 35

31

Bisschoppen. Hetgeen duidelijk blijkt uit de woorden: „ Hij „ zal u een anderen Helper geven om in eeuwigheid bij u te „ blijven.quot;

Christus wist heel goed , dat de Apostelen niet eeuwig op aarde zouden leven , en beloofde dus den H. Geest tevens aan hunne opvolgers.

Wanneer nu de H. Geest, dat is. God, iemand alles leert, alles indachtig maakt, kan die nog falen, abuis hebben ? Onmogelijk. Nu, dat heeft Christus uitdrukkelijk aan Zijne Kerk, dat is, aan hare leeraars, den Paus en de Bisschoppen beloofd; maar ook aan niemand anders, dan aan hen. Bijgevolg is de Kerk in geloofszaken onfeilbaar — kan zij geen abnis hebben , — maar ook zij alleen heeft dit voorrecht, omdat het door Christus aan niemand, dan aan de Kerk is toegezegd, gegeven. Hierin ligt de grond van het antwoord op Vr. 11. Wanneer ik toch niet volkomen zeker ben, dat God. iets geopenbaard heeft, en zoo ja, hoe die geheimzinnige of duistere waarheid moet verstaan worden, dan heb ik niets dan een opinie, een mij dunkt; terwijl anderen er geheel anders over denken, ook hun opinie, of goeddunken hebben; zooals wij dagelijks ondervinden bij al degenen, die zich van de Katholieke Kerk hebben afgescheiden, en die daarom het eenige zekere middel, de onfeilbaarheid , die Christus alleen aan Zijne Kerk heeft toegezegd, missen.

10 V. Wien verstaat gij door de H. Kerk, die ons voorhoudt hetgeen wij moeten gelooven ?

A. Den Paus van Rome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. Bisschoppen toch, die niet in gemeenschap zijn met den Paus, zooals de Bisschoppen der Scheurmakers (— 15de Les, Vr. 3 —) zijn geen Katholieke Bisschoppen of leeraars in de Kerk van Christus.

ocr page 36

32

§ 2.

11 V. Wordt huiten de Katholieke Kerk ook het ware Geloof gevonden ?

A. Neen ; daar vindt men geen goddelijk Geloof, maar alleen een menschelijk goeddunken.

Buiten de 'Katholieke Kerk vindt men geen goddelijk geloof, maar alléén een menschelijk goeddunken.

Dat wil zeggen: Niet-Katholieken gelooven wat zij goedvinden, wat met hnnne denk- en zienswijze overeenkomt, en de rest, die hun niet aanstaat', verwerpen zij.

12 V. Kan er niet meer dan één waar Geloof zijn ?

A. Geenszins; want gelijk er maar één God is, die de waarheden des Geloofs heeft geopenbaard , en ééne H. Kerk , die ze voorhoudt, zoo kan er ook maar één waar Geloof zijn.

Er kan maar één waar geloof zijn , omdat er maar één God is, die de waarheden des geloofs heeft geopenbaard, en er maar ééne ware Kerk is, die ze voorhoudt.

De uitleg van dat antwoord is deze:

De waarheid is maar één. Twee tegenstrijdige dingen kunnen nooit te gelijkertijd waar zijn.

Iets kan niet te gelijkertijd en onder 't zelfde opzicht licht en donker , zwart en wit-, goed en kwaad zijn, enz , éen van de twee kan maar waar zijn. God nu kan niets openbaren dan de waarheid, die maar één is; omdat Hij de eeuwige waarheid is. En de Kerk kan niets anders voorhouden dan de waarheid , die maar één is, omdat zij , volgens Christus beloften, onfeilbaar is; bijgevolg moeten alle sekten — dat is, die zich van de Katholieke Kerk hebben afgescheiden —

ocr page 37

33

valsch zijn. Want anders zou de waarheid niet meer één zijn, en te gelijkertijd twee tegenstrijdige dingen waar kunnen wezen.

Doch er zijn menschen , die zeggen: al heb ik het ware geloof niet, dat komt er weinig op aan , als ik maar goed leef. Zulks te beweren, is een groote dwaling, zooals blijkt uit vr. 13 en 14. Immeia wie vrijwillig niet gelooven wil, wat God geopenbaard heeft, twijfelt natuurlijk aan Gods waarachtigheid , en bedrijft dus een groote zonde, waarom men verloren gaat.

13 V. Kan een ieder in zijn geloof niet zalig worden ?

A. Neen; zonder het ééne ware Geloof is de zaligheid niet mogelijk.

14 V. Zullen de ketters om hunne dwaling dan zeker verloren gaan ?

A. Ja, als zij in hunne dwaling grootelijks schuldig zijn eu daarin volharden.

Ofschoon zonder het ééne ware geloof de zaligheid niet mogelijk is, kunnen de ketters en protestanten nochtans zalig worden als zij :

ten l8te te goeder trouw dwalen,

ten 2ji! de vier punten kennen,

ten 3,kj goed gedoopt zijn, of het doopsel van begeerte hebben en

ten 4l,e een volmaakt berouw hebben over hunne zonden.

Dan toch behooren zij, ofschoon niet uitwendig, toch inwendig in den geest, met den oprechten wil, tot de Kerk van Christus, en hebben zij werkelijk het waar geloof, ofschoon ze in een of ander punt te goeder trouw dwalen. Aangezien nu niemand, dan God , hierover met zekerheid kan oordeelen, zoo weten wij niet met zekerheid, of protestanten

ocr page 38

34

en die uitwendig buiten de ware kerk sterven, verloren gaan, en laten wij hieromtrent het oordeel aan God; wij veroordeelen niemand; terwijl het altijd waar blijft, dat zonder het eene ware Goloof de zaligheid onmogelijk is.

15 V. Waardoor verliest men het Geloof?

A. Door eenige waarheid van het Geloof te verwerpen , of daaraan vrijwillig te twijfelen.

Men verliest het geloof, door slechts ééne waarheid van het geloof te verwerpen of daaraan vrijwillig te twijfelen ; want als men dat doet, heeft men aan geen een punt meer een goddelijk geloof. Want opdat ons geloof goddelijk zij, moeten wij gelooven, omdat God het zegt, en als men gelooft omdat God het zegt, zal men zoo wel het eene gelooven, als het andere, omdat God zoo wel het eene als het andere heeft gezegd.

Verwerpt men dus één punt, dan gelooft men ook de andere niet, omdat God het zegt , maar omdat men het goedvindt ; want anders zou men ook dat eene punt wat men verwerpt, gelooven, wijl God dat even goed gezegd heeft. Hieruit volgt, dat men het geloof der orthodoxe of zoogenaamde geloovige protestanten niet overschatten moet, en niet te veel moet dwepen met het woord „christelijkquot;, wat sommigen zoo uitbundig plaatsen voor al hun doen en laten; ofschoon wij hun de voorkeur geven boven volslagen onge-loovigen.

§ 3.

16 V. Is het ook noodzakelijk, dat wij eenige waarheden of stukken des Geloofs weten ?

A. Ja; wij moeten eenige waarheden des Geloofs weten uit noodzakelijkheid des middels, en eenige stukken des Geloofs uit noodzakelijkheid des gebods.

ocr page 39

35

Wij zijn wel verplicht alles te gelooven, wat Godveropen-baard heeft, maar niet, alles van buiten te weten.

Wij zijn verplicht van buiten te weten de vier pnnten nit noodzakelijkheid des middels en eenige stukken uit noodzakelijkheid des gebods.

17 V. Wat wil het zeggen, dat men eenige waarheden moet weten uit noodzakelijkheid des middels ?

A. Dit wil zeggen, dat men niet kan zalig worden, als men , tot de jaren van verstand gekomen, die niet weet.

18 V. Welke waarheden moet men weten uit noodzakelijkheid des middels ?

A. Deze vier: ten 1. dat er één God is; ten 2. dat er drie onderscheidene Goddelijke Personen zijn, de Vader, de Zoon en de H. Geest; ten 3. dat God de Zoon voor ons is mensch geworden en gestorven; ten 4. dat God is looner van het goed en straffer van het kwaad.

Dat weien wil hier zeggen, genoegzaam begrijpen wat men zegt, de woorden verstaan; 't is dus niet voldoende die punten enkel van buiten te kunnen opzeggen. Van de vierpunten uit noodzakelijkheid des middels behoort men te weten: 1° dat God bestaat, dat er maar één God is, dat God onderscheiden is van de schepselen , b. v. omdat Hij zelf Schepper is. 2» Dat in éénen God drie van elkander onderscheidene Personen zijn : de Vader, de Zoon en de H. Geest, die alle drie Goddelijke Personen zijn, omdat Zij een goddelijk wezen, of eene goddelijke natuur hebben, maar toch alle drie slechts één God zijn, omdat zij alle drie hetzelfde goddelijk wezen, of dezelfde goddelijke natuur hebben. 3» Dat de tweede der Goddelijke Personen — de Zoon — is mensch geworden —

ocr page 40

36

ziel en lichaam heeft aangenomen , voor ons geleden heeft, gestorven is , en ten derden dage wederom van de dood ia opgestaan. 4o Dat die ééne God de goeden loonen zal met het eeuwig leven, of den hemel; en de kwaden straffen met eene eeuwige hel.

De vier punten moeten wij weten uit noodzakelijkheid des middels. Dat wil zeggen : de kennis van dip punten is zulk een noodzakelijk middel om in den hemel te komen, dat wie deze niet kent, al ware het zonder zijn schuld, hij toch niet zalig kan worden. Wanneer men echter met Gods gratie doet, wat men kan, zegt de H. Thomas, dan zal God zorgen , dat men , op welke wijze ook , tot de kennis van die punten komt.

19 V. Wat wil zeggen , dat men eenige stukken des Geloofs moet weten uit noodzakelijkheid des gebods ?

A. Dit wil zeggen, dat men op zware zonden verplicht is deze te weten, als men kan.

20 V. Welke stukken des Geloofs moet men weten uit noodzakelijkheid des gebods ?

A. Het Onze Vader, de twaalf artikelen des Geloofs, de tien geboden Gods, de vijf geboden der H. Kerk , de HH. Sacramenten bijzonder die men moet ontvangen, en ieder de plichten van zijnen staat.

Dit weten wil ook hier zeggen, genoegzaam verstaan, zoodat men over den inhoud ondervraagd, daarop voldoende kan antwoorden.

De kennis van deze pt.nten is wel geen volstrekt noodzakelijk middel om in den hemel te komen; want men kan zalig worden, al kent men ze niet; wij zijn tot die kennis slechts gehouden om een bepaald gebod van God, en zooals

ocr page 41

37

ge weet, een gebod verplicht enkel als men het kan onderhouden ; derhalve als men onschuldig die pnnten niet kent, zal men daarom niet verloren gaan.

Kinderen, toont eens door op het volgende te antwoorden,

dat gij goed begrijpt wat noodzakelijkheid des middels.....

wat noodzakelijkheid des gebods beteekent ? In nw ouders huis — veronderstel ik — zijn twee kamers; aan de eene kamer is maar één deur; uit welke noodzakelijkheid moet ge nu door die eene deur ingaan om, volgens gewone wijze, in die kamer te kunnen komen? Wel natuurlijk uit noodzakelijkheid des middels ; deze eenige deur toch is het eenige middel, om enz.... En kunt ge die deur niet open krijgen, al is het ook zonder uw schuld, zult ge dan ooit op gewone wijze in die kamer komen? Neen, nooit; want er is geen ander middel. Goed geantwoord.

Maar aan de kamer van den anderen kant zijn twee deuren ; doch vader gebiedt u door deze deur binnen te gaan en gene dicht te laten. Is nu het binnengaan door die deur nog een noodzakelijk middel om in die kamer te komen ? Neen, want er is nog een andere deur waardoor men kan binnen komen; doch ik moet door deze deur naar binnen , omdat vader zulks geboden heeft. Bijgevolg uit noodzakelijkheid des gebods. En wanneer ge nu die deur niet kunt openkrijgen, waardoor vader gebiedt binnen te gaan, zoudt ge dan nog misdoen, door de andere, die vader verboden heeft, te openen, wanneer hij wil, dat ge in die kamer iets gaat halen ? Immers neen; want een bepaald gebod verplicht niet, als ik het niet kan volbrengen. Daarom gaat men niet verloren omdat men de punten uit noodzakelijkheid des gebods niet kent buiten zijne schuld. Maar veronderstelt eens, kinderen, dat gij die punten niet kent; wat dan ?

21 V. Welk is het het kort begrip van hetgeen men moet gelooven?

C. 3

ocr page 42

38

A. Het Symbolum des Geloofs van de Apostelen gemaakt, en in twaalf artikelen verdeeld.

Het kort begrip , dat is: de korte inhoud , of de korte samenvatting van alles wat wij moeten gelooven, is het Symbolnm des Geloofs.

Symbolum wil zeggen: merk of kenteeken, hier waaraan men Christenen kan kennen. Ook leuze, wachtwoord. Ook korte samenvatting; formulier, belijdenis (des Geloofs).

22 V. Zeg de twaalf artikelen des Geloofs.

A. 1. Ik geloof in God , den Vader almachtig , Schepper van hemel en aarde ;

2. En in Jesus Christus zijnen éénigen Zoon onzen Heer;

3. Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria 5

4. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven ;

5. Die is nedergedaald ter helle, den derden dag verrezen van de dooden;

6. Die is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig ;

7. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en dooden.

8. Ik geloof in den Heiligen Geest;

9. De Heilige Katholieke Kerk, Gemeenschap der Heiligen ;

10. Vergiffenis der monden ;

11. Verrijzenis des vleesches ;

12. Het eeuwig leven. Amen.

ocr page 43

39

Het Symbolnm, of de Apostolische geloofsbelijdenis wordt in drie dealen verdeeld : het eerste handelt over God den Vader en de Schepping. — Het tweede over God den Zoon en de Verlossing. — Het derde over God den H. Geest en de heiligmaking. Hot geheel bestaat uit twaalf artikelen. — Artikel beteekent stnk , lid , deel van een geheel, b. v. de wet bestaat uit zooveel artikelen......

Kinderen, 'tis niet voldoende, dat men zijn geloof kent eu belijdt, men moet ook volgens zijn geloof leven. Dat is: ons geloof moet werkdadig zijn , wij moeten het door onze werken toonen , of zoo denken, spreken en handelen gelijk het geloof ons leert, 't Zal goed zijn dit punt door eenige voorbeelden duidelijk temaken, b. v. Hoe zal iemand, die een levendig geloof heeft, denken en spreken over ziekten , tegenspoed, rijkdom en armoede, over vermaken der wereld enz.; en hoe integendeel een wereldsch mensch ? En welk verschil van levenswijs zal daarvan het gevolg zijn F Om echter volgens zijn geloof te kunnen leven, behoort het geloof levendig, opgewekt te zijn, men moet van de waarheden des geloofs doordrongen zijn. lï. v. Wij gelooven allen, dat Christus waarachtig in het H. Sacrament tegenwoordig is; en toch zijn er velen , ook onder de kinderen, die volgens dat geloofspunt niet leven, en, zich in de kerk oneerbiedig gedragen , omdat zij aan de tegenwoordigheid van Christus niet denken, daarvan niet doordrongen zijn. Is men van zijn geloof doordrongen, b. v. van Christus' waarachtige tegenwoordigheid in zijn H. Sacrament, dan gevoelt men daar natuurlijk eerbied, ontzag, eene heilige vrees, die ieder aan onze houding kan opmerken.

Nota. Ik geloof aan God wil zeggen : ik neem met mijn verstand aan , dat God bestaat, dat er een God is.

Ik geloof God wil zeggen, ik geloof alles wat Hij zegt; ik neem met zekerheid aan al wat God veropenbaard heeft, al wat Hij ons door de H. JLerk voorhoudt, omdat God waarachtig is, omdat God het gezegd heeft.

ocr page 44

40

Ik geloof in God wil zeggen, ik neem met mijn verstand aan, dat Hij bestaat, waarachtig en mijn laatste einde is.

Dat God mijn laatste einde is wil zeggen : dat ik in God alleen mijn geluk kan vinden. Wij kunnen alleen in God, en niet in al het aardsche ons gelnk vinden, omdat ons hart alléén voor God, en niet voor de aarde geschapen is. Zie lste Les , na de 10,le Vraag.

Vragen over de 3'Ic Les.

1. Wat beteekent gelooven , zien, begrijpen? of welk ver

schil is daar tnsschen P

2. Hoe kom ik dan tot de kennis van iets door gelooven,

door zien , door begrijpen P

3. Wanneer heb ik een goddelijk geloof?

s; 4. Waarvan ben ik het zekerste: van hetgeen ik op het gezag van God aanneem, of van hetgeen ik zie, of begrijp P

5. Wanneer is het geloof in ons eene deugd , en welk

goed doe ik, als ik op Gods gezag geloof?

6. Wat is het voorwerp van ons geloof, of wat moeten

wij gelooven ?

7. Wat beteekent openbaren?

8. Welke is de beweegreden van ons geloof? Of waarom

moeten wij gelooven ?

9. Wat wil zeggen: God is waarachtig ? en waarom kan

God niet liegen of bedrogen worden ?

10. Op welke eigenschap van God steunt dus ons Geloof?

11. Waarom staat er bij „ en de Kerk ons voorhoudt te

gelooven Pquot; En is de leer der Kerk de beweegreden van ons geloof, of het middel om tot de kennis van Gods openbaring te komen ?

12. Wie verstaat ge hier door „de Kerkquot;—P Wat... door

ons voorhoudt ? — En hoe weet een geloovige, wat de Kerk voorhoudt of leert?

ocr page 45

41

13. Wat wil zeggen: de Kerk kan niet falen? En waarin

kan zij niet falen F En waarom niet ?

14. Met welke woorden heeft Christns die onfeilbaarheid

toegezegd P

15. Heeft Hij ook aan den tegenwoordigen Paus en de

Bisschoppen van onzen tijd die belofte gedaan P En hoe blijkt zulks uit Christus' eigene woorden ?

16. Heeft Christns nog aan iemand anders, dan aan

Petrus — den Paus — en aan de Apostelen — de Bisschoppen , de belofte van onfeilbaarheid gedaan ?

17. Waarom is er dan buiten de leer der onfeilbare Kerk

geen zekerheid, maar enkel een menachelijk goeddunken , een opinie, een „ mij dunktquot;? En is zulk onzeker mensohelijk goeddunken voldoende voor een goddelijk geloof P

18. Wat verschil is er tusschen een menschelijk goeddunken

en een goddelijk geloof?

19. Blijkt het ook uit de onveranderlijke leer der Katholie

ken en het aanhoudend veranderen der protestanten, dat buiten de onfeilbare leer der Kerk het niet mogelijk is met zekerheid te weten, wat God geopenbaard heeft, en hoe zijn openbaring moet verstaan worden P

20. Hoe volgt uit het antwoord op vraag 12, dat er maar

één waar geloof kan bestaan P

21. Welke, en hoe groote zonde — tegen welke eigenschap

van God — bedrijft iemand, die vrijwillig eene waarheid van het geloof niet wil aannemen, of daaraan vrijwillig twijfelt P Wat moet zoo iemand van God denken ?

22. Kan zoo iemand in den hemel komen P Of waarom is

er voor hem, die vrijwillig, grootelijks schuldig, buiten het waar geloof sterft, geen zaligheid mogelijk P

23. Wie weet of b. v. een Protestant vrijwillig en groote

lijks schuldig buiten het ware geloof is ?

24. Veroordeelen wij dan de Protestanten ?

ocr page 46

42

25. Ean een Protestant, die te goeder trouw doolt, zalig

worden ? En wanneer ?

26. Waarom verliest men zijn geloof geheel, als men maar

ééne enkele waarheid niet wil aannemen, of daaraan vrijwillig twijfelt ?

27. Moet men alle geopenbaarde waarheden niet alleen

in 't algemeen gelooven, maar ook van buiten kennen ? Zoo niet alle , welke dan ?

28. quot;Welk verschil is er tusachen noodzakelijkheid des mid

dels , en noodzakelijkheid des gebods ?

29.*1 Welk verschil is er tusschen gelooven en belijden?

30. Welk verschil is er tusschen een levendig en een flauw

geloof? Toon zulks in twee kinderen in de kerk.....

31. Wat wil zeggen; volgens zijn geloof leven?

32. Haal eenige voorbeelden aan van iemand, die volgens

zijn geloof denkt, spreekt, handelt of leeft, en van iemand die zulks niet doet.

33. Wat wil zeggen : kort begrip, symbolum , artikel?

34. Hoe wordt het Symbolum nog meer verdeeld, dan in

twaalf artikelen ? En welke artikelen behooren tot ieder der drie deelen ?.....

35. Waarom staat er voor het lste, 2'le en 8st' artikel in, en

voor het 9lle en de volgende niet meer. ?

36. Wat wil zeggen: ik geloof, dat er eene hel is ?

Waarom gelooft gij dat er eene hel is ? Hoe weet gij, dat God geopenbaard heeft, dat er eene hel is ? Hoe weten de geloovigen, dat de Kerk — Paus en. Bisschoppen — leert, dat God geopenbaard heeft, dat er eene hel is ? ïf. B.: Deze laatste vragen kan men op verschilllende geloofspunten toepassen.

37. Wat wil het zeggen; ik geloof aan God ? — ik geloof

God ? — ik geloof in God ? —

ocr page 47

43

VIERDE LES.

Van de H. Schriftuur en de Overlevering'.

1 V. Waaruit heeft de H. Kerk alles wat zij ons voorhoudt te gelooven ?

A. Uit de goddelijke Openbaring, die vervat is in de H. Schriftuur en de Overleveringen.

Wij moeten gelooven al hetgeen God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons voorlioudt te gelooven.

Maar mag de H. Kerk ons mi zoo maar zeggen : dit en dat moet ge gelooven ?

Neen. De H. Kerk moet het geloof (dat wil hier zeggen: de gezamenlijke waarheden, die elk Christenmensch moet gelooven) halen nit de Goddelijke openbaring.

De Goddelijke openbaring is dns de bron, waaruit wij ons geloof putten ; maar de Kerk is het middel, waardoor wij uit die bron moeten putten.

Wij hebben immers God zeiven nooit gezien of gesproken, en weten dus niet rechtstreeks, onmiddellijk van Hem zeiven, wat Hij geopenbaard heeft.

Maar God heeft dit aan de Kerk gezegd, aan de Apostelen, aan den H. Petrus, den eersten Paus, en aan de overige Apostelen , wier opvolgers de bisschoppen zijn.

De Kerk leert ons, wat God geopenbaard heeft, en zij haalt dat uit de H. Schriftuur en de goddelijke Overlevering, waarin de goddelijke openbaring vervat is, dat is: die de goddelijke openbaring behelst, inhoudt, — waarin de goddelijke openbaring te vinden is.

De H. Schriftuur is het geschreven en de goddelijke Overlevering het gesproken woord van God.

ocr page 48

44

Overleoering wil zeggen: dat het de een aan den andere gezegd , overgeleverd heeft.

Wij moeten beiden, nl. de goddelijke Overleveringen en de H. Schriftuur, even goed gelooven , omdat beide het woord Gods zijn.

Kinderen, veronderstelt eens : gij zijt b. v. elders gelogeerd, en vader schrijft u een brief, dat ge onmiddellijk thuis moet komen, dat is zijn geschreven woord of bevel. Bij een andere gelegenheid zendt hij zijn knecht, die zijn bevel overbrengt en 'tu mondeling mededeelt, of overlevert. In beide gevallen moet gij enz... .

2 V. Wat verstaat gij door de H. Schriftuur of den Bijbel?

A. De boeken, zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, die door ingeving en onder den bijzonderen bijstand van den Heiligen Geest geschreven zijn.

Wat verstaat gij door de H. Schriftuur of den Bijhei? of wat verstaat gij daardoor , als in preek of catechismus gezegd wordt : de H. Schriftuur of de Bijbel leert deze of gene waarheid duidelijk ?

Ik meen daarmee de boeken van het oude en nieuwe Testament, die enz.

De H. Schriftuur bestaat dus uit de boeken van het oude en nieuwe Testament.

Van het oude Testament, dat is: die vóór, —en van het nieuwe Testament, dat is: die na Christus' geboorte geschreven zijn.

Die door ingeving van den Heiligen Geest geschreven zijn , d. w. z. , dat de H. Geest aan de mannen, die de boeken der H. Schrift geschreven hebben , alles heeft ingegeven wat Hij wilde dat ze schreven. Met andere woorden ; dat Hij hun

ocr page 49

45

verstand verlichtte, en hunnen wil bewoog om alleen datgene te schrijven, wat Hij wilde, dat ze in zijn naam zonden schrijven.

En onder den bijzonderen bijstand van den H. Geest geschreven zijn , d. w. z., dat de H . Geest hnn bijzonder bijstond, hen bestnnrde in het schrijven, zoodanig dat ze in geen enkel pnnt konden falen, dus niets dan de zuivere waarheid schreven.

3 V. Waaruit iveten wij, welke hoeken een deel uitmaken van de H. Schriftuur ?

A. Uit de leering der II. Kerk , die dezelve voor voor zoodanig aanneemt en aan ons voorstelt.

Welke boeken een deel van de Schriftuur uitmaken, weten wij uit de leer der Kerk, die deze boeken voor zoodanig , voorstelt, of ons zegt: dat deze en geen andere, boeken der H. Schriftuur zijn.

Wanneer men niet weet of een boek werkelijk door dien persoon geschreven is , die men zegt dat het heeft gedaan , dan kan men niet beter doen, dan het hem zelf vragen.

Zoo ook kan niemand beter dan de H. Geest zelf ons zeggen, of een boek op zijne ingeving geschreven is of niet, en dit doet Hij, door den mond van de Kerk, (d. i. van den Paus en de Bisschoppen) die als 't ware het orgaan of de spreekhoorn is, waardoor Hij spreekt.

Als de Kerk ons dus zegt: dat een boek de H. Schriftuur is , kunnen wij ons niet vergissen ; want God zelf spreekt-door de Kerk. De Kerk is onfeilbaar. (3de Les.)

4 V. Waaruit weet de H. Kerk, welke hoeken de H. Schriftuur zijn ?

A. Dit weet zij uit de goddelijke Overleveringen.

De Kerk zelf zegt ons ook zoo maar niet op gis , welke boeken de Schriftuur zijn. Neen, zij weet uit de godde-

ocr page 50

46

lijke Overleveringen, welke boeken een deel van de Schriftuur zijn.

De Apostelen hebben door ingeving van den H. Geest verschillende waarheden ontvangen. Waarheden dus, die geopenbaard zijn. Onder deze waarheden nu kwam ook voor, welke boeken een deel van de Schriftuur zijn, en dus door den H. Geest ingegeven, of op zijne ingeving geschreven zijn.

5 V. Zijn de kettersche bijbels ook de H. Schriftuur ?

A. Geenszins, dewijl zij op vele plaatsen verminkt en vervalscht zijn.

Dat kettersche bijbels verminkt zijn, wil zeggen: dat er iets van de volle waarheid is afgedaan. Evenals wij iemand verminkt noemen, die een arm of been of een ander lidmaat verloren heeft.

Dat ze vervalscht zijn, wil zeggen : dat er , wat den zin betreft, iets aan veranderd , door menschen bijgevoegd is.

6 V. Is het aan een ieder geoorloofd de H. Schriftuur te lezen ?

A. Neen; het is verboden die zonder verlof der geestelijke Overheid in eene der levende talen te lezen.

Door levende talen verstaat men die talen, welke door een volk worden gesproken, b. v. Hollandsch, Duilsch, enz. Doode talen zijn die talen , welke niet meer door een volk worden gesproken; b. v. Latijn, Grieksch, Hebreeuwsch. Wie toch zulke talen kent, zal gewoonlijk met minder gevaar de H. Schriftuur lezen.

Het is verboden, de Schriftuur, zonder verlof in de levende talen , b. v: in 't Hollandsch , Duitsch , enz. te lezen :

Ten la,e omdat zij zeer duister, en daarom moeilijk te begrijpen is, en dus gevaarlijk voor ons kan zijn. (Volg. V.)

ocr page 51

47

Ten 2'Ie omdat wij in gevaar zijn verkeerde of kettersche bijbels in handen te krijgen.

Teu 3ae omdat de H. Eerk door haar verbod de dwaling der protestanten wil bestrijden, die zeggen: dat ieder de Schriftuur moet lezen.

7 V. Is de H. Schriftuur geheel klaar , zoodat een ieder dezelve goed kan verstaan ?

A- Neen; zij is op vele plaatsen zeer duister, en daarom is het voor ongeleerde menschen gevaarlijk die te lezen.

8 V. Moeten wij ook iets gelooven, dat in de H. Schriftuur niet geschreven staat ?

A. Ja , de goddelijke Overleveringen.

9 quot;V. Wat zijn de goddelijke Overleveringen ?

A. Geopenbaarde waarheden, welke de Apostelen uit den mond van Christus zeiven of door ingeving van den H. Geest ontvangen en geleerd hebben en die als van hand tot hand tot ons gekomen zijn.

Zij zijn later wel opgeschreven; doch niet op ingeving van den H. Geest.

Nota. Hier volgen de 12 artikelen.

Het lquot;e handelt over God den Vader en de Schepping.

Het 2de tot en met het 7,Ie over God den Zoon en onze verlossing.

Het 83te tot en met het lO1'*' over God den H. Geest en onze heiligmaking , en daarna volgen art. 11 en 12: de verrijzenis des vleesohes en het eeuwig leven. Amen.

ocr page 52

48

Vragen over de Les.

1. Op hoevele en welke wijzen heeft God aan de Kerk

de waarheden, die zij ons voorhoudt, kenbaar gemaakt ?

2. Waarin komen Schriftuur en overlevering overeen en

waarin verschillen zij ?

3. Waarom moet ik zoo wel de Overlevering als de Schrif

tuur gelooven ?

4. Moet elkeen zijn geloof in de Schriftuur en de Over

levering gaan zoeken ? Of waarom moet dat de Kerk. doen voor ons ?

5. Moet ieder aan den Paus of de Bisschoppen gaan vra

gen , wat zij ons te gelooven voorhouden ? Of wie zendt de Kerk (Paus en Bisschoppen) om aan de geloovigen de geopenbaarde waarheden kenbaar te maken p

6. Zijn dan de overgeleverde waarheden nooit opgeschre

ven , en zoo ja, zijn zij dan tegenwoordig nog wel het ongeschreven woord Gods ? en waarom ?

VIJFDE LES.

Tan God.

1 V. Welk is het eerste artikel van het Syrnho-lum des Geloofs ?

A. Ik geloof in God, den Vader Almachtig, Schepper van hemel en aarde.

ft geloof in God den Vader almachtig, wil zeggen: Ik geloof, dat God bestaat, dat Hij waarachtig, mijn laatste einde is, en alles kan wat mogelijk is. Voorts, dat de eerste

ocr page 53

49

der der drie goddelijke personen Vader genoemd wordt, ofschoon die benaming ook aan de andere personen gegeven wordt b. v. in het Gebed des Heeren.

Dat er in de Godheid drie personen zijn , leeren. we in de volgende les, alsook waarom God de Vader de eerste persoon van de H. Drievuldigheid is, en waarom God de Vader meer genoemd wordt almachtig dan God de Zoon of God de H. Geest.

En in de 7'le les leeren wij , waarom God genoemd wordt almachtig, alsmede waardoor God zijne almacht het meest getoond heeft, nl. door het scheppen van hemel en aarde. Daarom staat er bij : ik geloof in God, den Vader almachtig, Schepper van hemel en aarde.

2 V. Is er meer dan één God ?

A. Neen , er is maar één God.

Dat er een God bestaat, blijkt dnidelijk nit de natuur. Wij behoeven maar eens te vragen, waar b. v. de boomen en planten vandaan komen.

Van het zaad.

En dat zaad ? Weer van andere boomen en planten , en zoo zouden wij terug kunnen gaan, totdat wij aan de eerste boomen en planten kwamen, en dan nog blijven vragen: Wie heeft die gemaakt P Die konden er toch ook van zelf niet komen; en men A)u noodzakelijk tot antwoord moeten krijgen : Dat heeft God gedaan. Want was er geen God geweest, dan hadden zij er van zelf moeten komen, en een klein kind begrijpt toch reeds, dat dit onmogelijk zou zijn. Waar schepselen zijn, daar moet een Schepper zijn.

Wat zou men verder zeggen van iemand, die ons vertelde, dat eene klok of horloge er van zelf gekomen was , en dat al die radertjes er van zelf ingekomen waren ? zou men hem niet voor gek verslijten P

Maar kan men dan wel iemand voor wijs honden, die zonde

ocr page 54

50

zeggen , dat zon , maan en sterren, en de gansche natuur er van zelf gekomen zijn; en dat dat alles juist zoo gekomen is, dat zomer en winter, dag en nacht, enz., alles geregeld op elkander volgt, dat al die duizenden en millioenen sterren hunnen geregelden loop hebben enz.

Uit dit alles blijkt dus duidelijk , dat er een Opperwezen, een God , een Schepper bestaat.

SDat er maar één God is, en kan zijn, blijkt hieruit, dat God het volmaakte wezen is.

Het volmaakte wezen kan maar één zijn. Want waren er twee, dan zou geen van twee meer het volmaakte wezen zijn. De een zou noodzakelijk, om van den anderen te verschillen, in zijn wezen of natuur eene volmaaktheid hebben , die de andere niet bezit, en dus had deze alle volmaaktheden niet, en was bijgevolg geen God. Bovendien hoe zou de wereld kunnen bestierd worden, zoo er meerderen vrij en oppermachtig over alles beschikken konden wat zij wilden ?

Echter kennen wij God , zijn wezen, zijne eenheid en vol. maaktheden veel beter en duidelijker door het geloof, de openbaring; dikwijls toch spreekt God in de H. Schriftuur over zich zeiven , zijne eenheid en volmaaktheden, of eigen, schappen.

Door de natuur of het wezen van God verstaat men een zijn, een wezen van zich zeiven , zoo volmaakt, dat het volstrekt noodzakelijk is, is van alle eeuwigheid Zoo sprak God tot Mozes, wanneer men vragen zal: wie heeft u gezonden, dan zult ge antwoorden: DIE IS, zendt mij totu. Deze verhevene uitdrukking beteekent, dafc God bestaat in den hoogsten zin, en bij gevolg zonder beginen zonder einde. Dat er dus voor Hem geen verleden, geen toekomst is, maar slechts een altijddurend tegenwoordig, dat Hem alleen het eigenlijk zijn, en het zijn door zich zeiven toekomt, terwijl al het overige voortdurend wordt en vergaat, en met Hem vergeleken, moet gezegd worden als niet te zijn. Hij alleen. Die is, en

ocr page 55

51

van zich zelven is, geeft het bestaan aan alles, Hij is Heer van leven en dood.

Door eigenschappen verstaat men hoedanigheden , die God noodzakelijk heeft, en die uit zijne natnnrof zijn wezen voortvloeien , h. v. zijn almacht, zijne oneindige goedheid in zich zeiven en tot ons, zijne oneindige heiligheid, rechtvaardigheid, zijne alomtegenwoordigheid , voorzienigheid enz.

■quot; Oneindig goed in zich zeioen — de beweegreden onzer liefde — beteekent, dat God alle oneindige volmaaktheden in zich vereenigt; terwijl oneindig goed tot ons — de beweegreden onaer hoop — zeggen wil, dat God oneindig genegen is pm ons goed te doen. Door Gods heiligheid verstaat men, dat Hij het goed oneindig bemint, het kwaad oneindig haat; door zijne rechtoaardigheid, dat Hij elk kwaad naar waarde straft, en elk goed naar waarde beloont; door zijne voorzienigheid, de voortdurende zorg van God voor zijne schepselen, en zijne oplettendheid om alles te bestieren eu te regelen volgens de inzichten zijner vrijsheid.

3 V. Wat is God?

A. God is een ongeschapen geest, de Schepper , Heer en Bestierder van hemel en aarde , de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed.

4 V. Waarom wordt God genoemd ongeschapen?

A. Omdat God niet geschapen, maar van zich zeiven , van alle eeuwigheid is.

5 V. Waarom wordt God genoemd een geest?

A. Omdat God geen lichaam heeft.

Is God een geest, dan heeft Hij geen lichaam ; geen oogen, geen handen, geen armen, enz; en toch wordt in de H. Schrift meermalen gesproken — zooals wij ook doen— over Gods oogen

ocr page 56

52

enz. Daardoor worden enkel de handelingen van God, zijn werken enz. ons op verstaanbare wijzen aangednid ; b. v. door Gods oogen wordt te kennen gegeven, dat .Eij alles ziet, zijn arm en hand herinneren ons zijn macht enz.

Kinderen, er zijn slechte mensohen, — en tegelijk dwazen — die voorgeven niet te gelooven, dat er een God is; doch niet slechts het geloof, maar ook het gezond verstand, leeren het bestaan van God zoo duidelijk, dat een verstandig mensch daaraan niet rechtzinnig twijfelen kan ; die slechte menschen wenschen slechts in hun hart, dat er geen God ware, om des te vrijer te knnnen zondigen.

6 V. Waarom wordt God genoemd Schepper ?

A. Omdat God alles geschapen of uit niet voortgebracht heeft.

7 ^. Waarom wordt God genoemd. Heer ?

A. Omdat aan God alles toebehoort.

Wij noemen iemand heer van iets, als hem die zaak toebehoort ; God behoort hemel en aarde, bijgevolg is Hij ook Heer van hemel en aarde.

8 .V Waarom ivord.t God genoemd Bestierder van hemel en aarde ?

A. Omdat God alles beschikt en bestiert, zoodat er zonder den wil of de toelating van God niets geschiedt.

Tnsschen willen en toelaten bestaat een groot verschil, zooals blijkt uit dit voorbeeld : God wil, dat wij allen zalig worden, Hij laat enkel om gewichtige redenen de zonden toe, die hij niet wil.

Bestieren is beschikken of regelen, wat er moet gebeuren, en hoe en wanneer, en met welke omstandigheden het dient

ocr page 57

53

te gebeuren; dit nu doet God in den hemel en op aarde, en daarom wordt Hij bestierder van hemel en aarde genoemd.

9 V. Waarom wordt God genoemd de fontein onzer zaligheid ?

A. Omdat alles, wat ons ter zaligheid dienstig of noodig is , van God moet komen.

Men noemt God de fontein onzer zaligheid, omdat gelijk het water uit eene fontein komt, zoo ook alle genaden en alle middelen, die wij ter zaligheid noodig hebben, of die daartoe dienstig zijn, van God komen.

10 V. Waarom wordt God genoemd ons opperste goed ?

A. Omdat wij in het bezit van God alleen waarlijk gelukkig kunnen zijn.

God is ons op-perste goed, omdat wij alleen in zijn bezit waarlijk, d. w. hier z., volkomen, volmaakt gelukkig kunnen zijn; niet in 't bezit van eenig schepsel, hoe rijk, schoon en goed het ook moge zijn; want alle schepselen samen zijn eindige, en dus noodzakelijk onvolmaakte wezens, waarin dus ook geen volmaakt geluk te vinden is; God, de bron van al wat goed en schoon is, het oneindig volmaakt wezen, kan alleen de zucht naar volmaakt geluk, die den mensch aangeboren is , bevredigen, verzadigen. (Zie l5tlt;! Les.)

11 V. Waar is God ?

A. In den hemel, op de aarde en op alle plaatsen.

12 V. Weet God wat wij in het geheim doen?

A. Ja, God weet en ziet alles, ook het binnenste

van ons hart.

-T Gedenk Gods alziend oog, zijne alomtegenwoordigheid !

4

C.

ocr page 58

54

Vragen over de 5de Les.

1. Op welken der drie personen slaat hier het woord :

Vader ? Is dat ook zoo, als we in het gebed des Heeren bidden „ Onze Vader ?quot;

2. Hoe blijkt uit de schepselen, dat er een God is ?

Hoe uit het gezond verstand, dat er maar één God zijn kan ?

3. Hoe kennen wij God nog meer en beter P

4. Waarom moeten wij gelooven , dat er maar één God

bestaat F Wat verstaat ge door het goddelijk wezen ? Wat door zijne eigenschappen ?

5. Welk verschil is er tnsschen geest en lichaam, en wat

is het verhevenste ? (Verg. Les I bij Vr. 8.)

6. Welk verschil is er tnsschen willen en toelaten ?

7. Waarom kan de mensch alleen in Jt bezit van God

volmaakt gelukkig zijn? En waarom dus hier niet?

8. Welk verschil is er tnsschen „ ter zaligheid noodig en

dienstig ?quot;

9. Wat moeten wij leeren uit deze eigenschappen van God :

zijne heiligheid en rechtvaardigheid? Zijne alomtegenwoordigheid en voorzienigheid?

ocr page 59

55

ZESDE LES.

Van de H. Driernldiglieid.

1 V. ïVai is de H. Drievuldigheid ?

A. God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest; drie onderscheidene Personen en maar één God.

2 V. Hoe kunnen drie onderscheidene Personen maar één God zijn ?

A. Omdat zij alle drie maar één en hetzelfde goddelijk wezen, of dezelfde goddelijke natuur hebben.

Uit de 2= V. der vorige Les hebben wij geleerd, dat er maar één God is , ja , zijn kan. Hier Ieeren wij, dat de éénheid Gods te verstaan is van zijne goddelijke natunr, van zijn oneindig volmaakt wezen. In den eenig waren God is onder een ander opzicht, tevens driemddigheid, nl., m personen. (Vgl. 2e Les, 5 V.)

Dat er in God drie onderscheidene personen zijn, God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest, blijkt duidelijk uit het Symbolnm des Geloofs. Want zeggen wij in het eerste artikel: Ik geloof in God, den Vader , in het tweede zeggen wij even uitdrukkelijk: En in Jestts Christus zijnen éénigen Zoon , en in het achtste alweer even uitdrukkelijk : Ik geloof in den II. Geest.

Beteekent dan het woord Drievuldigheid uit zijn aard : een. wezen, dat, onder zeker opzicht, één, en tevens, onder ander opzicht, drievuldig is, dan is dit woord „ de II. Drievuldigheidquot; zeer eigenaardig gekozen en met recht in de H. Kerk algemeen aangenomen om belijdenis te doen, dat erin God zijn ; drie onderscheidene Personen, alle drie waarachtig God, t. w.. God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest,

ocr page 60

56

Omdat er hier dus sprake is van Gods drievuldigheid in Personen, is het overduidelijk dat bij het zelfstandig naamwoord „Drievuldigheidquot; hier het bijvoegelijk naamwoord „Heiligequot;, volkomen op zijne plaats staat, er noodzakelijk bij behoort; want God is de heiligheid zelve, is de heilige bij uitnemendheid. Alzoo de H. Drievuldigheid is, m. a. w., door de H. Drievuldigheid wordt verstaan : God de Vader, God de Zoon en God de II. Geest; deie onderscheidene Personen en maar één God.

De drie goddelijke Personen zijn dus niet van elkander onderscheiden in hun wezen of natuur; tusschen God den Vader, den Zoon en den H. Geest is geen onderscheid in hun goddelijk wezen of natuur; want juist daarom kunnen de drie onderscheidene goddelijke Personen maar één God zijn, omdat zij alle drie maar één en hetzelfde goddelijk wezen of eene en dezelfde goddelijke natuur hebben. Anders zouden zij niet maar één God , doch drie goden moeten zijn , wat onmogelijk is ; of wel zij zouden niet waarlijk drie onderscheidene goddelijke Personen zijn. En toch moeten wij uit noodzakelijkheid des middels weten en belijden ten 1quot;, dat er maar één God is: ten 2C, dat er drie onderscheidene goddelijke Personen zijn, de Vacier, de Zoon en de H. Geest (3e Les 18 V.) Het onderscheid tusschen Vader, Zoon en H. Geest bestaat dus niet in hun goddelijke natuur, maar in hunne persoonlijkheid, zoodat de Vader niet de Zoon, de Zoon niet de Vader en de H. Geest niet de Vader of Zoon is. De drie Goddelijke Personen zijn hierin van elkander onderscheiden, dat de Vader niet is voortgebracht, van niemand voortkomt, maar van alle eeuwigheid van zich zei ven is: dat God de Zoon van alle eeuwigheid uit den Vader geboren is, en de H. Geest van alle eeuwigheid uit den Vader èn den Zoon voortkomt. (Vgl. 7—10 V.)

De H. Drievuldigheid, één God in drie Personen, drie onderscheidene Personen en maar één God, is een geheim, of mysterie, dat is een waarheid, die wij niet kunnen begrijpen.

ocr page 61

57

Zij is verre boven ons zioak verstand verheven. Wij moeten het hier op aarde vastelijk gelooven, en 't is ook redelijk, dat wij het zonder den minsten twijfel gelooven, omdat God dit mysterie geopenbaard heeft, en de H. Kerk het ons voorhoudt te gelooven. (Vgl. 3« Les § 1.)

In dit leven kunnen wij uit de goddelijke openbaring, die vervat is in de H. Schriftuur en de goddelijke overlevering (4quot; Les le V.), bewijzen, en in den Hemel zullen wij zien, dat het waar is; maar zelfs daar, in den Hemel , zullen wij niet begrijpen hoe het is , omdat het boven 's menschen verstand , begrip verheven is.

Hoe onnoozel stellen zich dus degenen aan, die, in hunne verwaandheid, durven zeggen ; Wat! H. Drievuldigheid ! Die strijdt tegen 's menschen natuurlijk verstand. Één God in drie goddelijke Personen ! onzin. W ant H. Drievuldigheid beteekent, dat in God één en drie hetzelfde is. Wat dient hierop geantwoord? Me dunkt, eenvoudigweg: 1° Waarlijk, vriend, gij kraamt onzin uit. 2° Gij verdraait de leer der H. Kerk. 3° Gij beoordeelt iets, dat boven uw verstand is en slaat er dus naar als een blinde naar een ei. Ver-stondt Ge het woord „ Drievuldigheidquot; of „ Drieëenheidquot;, dan zoudt Ge zoo niet raaskallen. Immers , gelijk we reeds zeiden , beteekent „ Drievuldigheidquot; een wezen , dat onder zeker opzicht, één, en onder een ander opzicht, drievuldig is. Dat is geen onzin. Daar ligt geen tegenspraak in. Dat wil niet zeggen, dat één en drie hetzelfde is. Onze ziel, bv. (of gelooft gij misschien ook niet aan 't bestaan uwer onstoffelijke, onsterfelijke ziel ?... Ware het zoo, dan basta ! want met een redeloos wezen valt niet te redeneeren. Gelooft ge er aan, wat ik voor uwe eer en waardigheid als mensch moet veronderstellen , dan zet ik mijne vergelijking door en zeg:) Onze ziel is maar één in wezen, maar in die ééne ziel zijn drie krachten, vermogens, te onderscheiden : verstand, geheugen en wil. Onze ziel is dus in zeker opzicht één, nl., in haar wezen , en onder ander opzicht, drievuldig, nl..

ocr page 62

58

ia hare vermogens. Gelijkerwijze is God één in wezen of natuur, en drievuldig in Personen.

De H. Drievuldigheid, één God in drie Personen; drie onderscheidene Personen en maar één God , beteekent dus niet, dat één en drie in God hetzelfde is, gelijk gij daar zooeven is uwe onkunde godlasterend durfde zeggen ; maar beteekent eenvoudig, dat God de Vader, God de Zoon en God de H. Geest drie onderscheidene Personen zijn; en maar één God, omdat zij — de drie goddelijke Personen — alle drie maar één en hetzelfde ondeelbaar, onafscheidelijk goddelijk wezen , of dezelfde goddelijke natuur hebben.

Alwie ook maar de eerste beginselen der inleiding tot de wijsbegeerte, der redeneerkunde, kent, vreet, dat er geene tegenspraak , geen onzin in gelegen is aan een en hetzelfde wezen onder verschillend opzicht, verschillende eigenschappen toe te kennen

Dus toont het gezond verstand , voorgelicht door het Geloof , duidelijk genoeg, dat er geen schijn van tegenspraak of ongerijmdheid gelegen is in de zuivere leer van den Catechismus en der H. Kerk, die voorhoudt, dat onder zeker opzicht in God den Vader, God den Zoon en God den H. Geest, eenheid bestaat, nl., in hun wezen of natuur, en tevens drievuldigheid, nl., in hunne persoonlijkheid. Vriend, mag men, na deze eenvoudige verklaring, er wel bijvoegen: Als gij dus zelf niet voor een onwetende, ja onzinnige wilt aangezien worden door alwie ietwat degelijk onderlegd is in de christelijke leering , en ook maar zijn gezond verstand raadpleegt , zou ik u raden nimmer meer te redeneeren over, of den spot te drijven met zaken die gij'niet kent.

Wij verklaarden de 1'- en 2° V. dezer les ietwat breedvoeriger , omdat ze op zich zelve zoo belangrijk zijn en met een al de overige Vr. dezer Les ophelderen.

3 V. Wie is de eerste Persoon van de H. Drievuldigheid.

ocr page 63

59

A. God de Vader.

4 V. Waarom is God de Vader de eerste Persoon der H. Drievuldigheid ?

A. Omdat Hij het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke personen is.

Een beginsel, in 't algemeen genomen, is iets waaruit andere personen of zaken voortkomen , haar oorsprong hebben.

God de Vader is dus de eerste Persoon van de H. Drie-vuldigheid, omdat Hij van niemand voortkomt, maar van zich zeiven is (8f' V.), en het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke personen is, nl., van God den Zoon en van God den H. Geest. (9C en lO V.)

5 V. Is God de Vader ouder of meerder dan God de Zoon of God de H. Geest ?

A. Neen ; want gelijk de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk wezen hebben , zoo zijn zij alle drie even oud of eeuwig, even wijs en even machtig.

Neen; God de Vader is niet ouder of meerder dan God de Zoon of God de H. Geest; want, omdat de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk wezen, dezelfde goddelijke natuur hebben (vgl. 2® V.), daarom zijn zij ook alle drie even oud , d. w. h. z., eeuwig of van eeuwigheid , even wijs en even machtig, in een woord, even volmaakt.

Dat de drie goddelijke Personen even oud zijn, zonder begin of einde , zonder tijdsopyolging , even lang, van alle eeuwigheid bestaan hebben en in alle eeuwigheid bestaan zullen, wordt eenigszins begrijpelijk door de verklaring, welke de Godgeleerden geven van de wijze, waarop God de Zoon van God den Vader alleen voortkomt, en waarop God de

ocr page 64

60

H. Geest van God den Vader en God de Zoon te zamen , als van één en hetzelfde beginsel, voortkomt. God de Zoon komt van God den Vader voort door het verstand. God oneindig wijs als Hij is, kent zich zeiven, zijne oneidige vol, maaktheden van alle eeuwigheid op volmaakte wijze. Welnu, de volmaakte en mede-zelfstandige kennis, die God de Vader van zich zeiven heeft, is God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid. Maar hoelang kent God de Vader zich zeiven ? Wij zeiden het reeds: Van alle eeuwigheid tot in alle eeuwigheid ; eeuwig. Das is God de Zoon er ook eeuwig geweest, zoowel als God de Vader. — God de H. Geest komt van God den Vader en van God de Zoon te zamen, voort door den wil, m. a. w., door de liefde. Immers God de Vader en God de Zoon beminnen elkander van alle eeuwigheid tot in alle eeuwigheid op volmaakte wijze, en die onderlinge oneindig volmaakte, mede-zelfstandige liefde des Vaders en des Zoons is de H. Geest, de derde Persoon der H. Drievuldigheid. Dus moet God de H. Geest er ook eeuwig geweest zijn. Dus, omdat de drie Goddelijke Personen maar één en hetaelfde goddelijk, oneindig volmaakt wezen hebben, daarom zijn zij ook alle drie noodzakelijk even oud of eeuwig, even wijs en machtig, enz. Want wat hier gezegd wordt van Gods eeuwigheid, wijsheid en macht, geldt eveneens van alle overige eigenschappen of volmaaktheden Gods.

6 V. Waarom wordt God de Vader meer genoemd almachtig dan God de Zoon of God de H. Geest ?

A. Niet, omdat Hij machtiger is, maar omdat Hem de Macht bijzonder wordt toegeschreven , gelijk de Wijsheid aan den Zoon en de Heiligheid aan den H. Geest

Bij den naam van God den Vader alleen staat in het Symbolum het woord almachtig, en in de H. Schrift en

ocr page 65

61

elders zien wij veel meer, d. i. meermalen, dikwijlder, dat almachtig van God den Vader gezegd wordt, dan van God den Zoon of God den H. Geest. Waarom is ditP Niet omdat God de Vader machtiger is , wezenlijk grooter macht heeft dan God de Zoon of God de H. Geest; immers omdat de drie goddelijke Personen maar één en hetzelfde goddelijk wezen hebben, daarom zijn zij alle drie even machtig. {5e V.) Maar God de Vader wordt meer malen dan God de Zoon of God de H. Geest genoemd almachtig, omdat Hem, God den Vader, de macht bijzonder, om bijzondere eigenaardige reden, in de Christelijke Leering wordt toe-geschreven.

En welke is die reden ? Dezelfde als waarom God de Vader de eerste Persoon der H. Drievnldigheid is, nl., omdat Hij het beginsel en de oorsprong van de twee andere goddelijke Personen is. Immers in het woord „beginsel, oorsprongquot; ligt het denkbeeld van „machtquot; nit zijn aard opgesloten. (4e V.)

In gelijken zin en om gelijke reden wordt in de Christelijke Leering de Wijsheid bijzonder toegeschreven aan God den Zoon nl., omdat Hij van God den Vader voortkomt door het verstand, en de Heiligheid aan God den H. Geest, omdat Hij van den Vader en den Zoon voortkomt door de liefde ; omdat de H. Geest de oneindige volmaakte liefde is van den Vader en den Zoon, (5 V.), in welke liefde Gods Heiligheid gelegen is, en waaruit ook onze heiligmaking voortkomt. (Vgl. 13e Les, 7C V.) Want krachtens die liefde bemint God al wat ook in ons goed is, haat Hij al wat in ons kwaad is, en straft of beloont het naar verdienste.

De vier volgende V. zijn in de voorgaande genoegzaam verklaard.

7 V. Waarin zijn de drie goddelijke Personen van elkander onderscheiden ?

A. Hierin, dat de eene Persoon van den anderen voortkomt.

ocr page 66

62

8 V. Van wien komt God de Vader voort?

A. God de Vader komt niet voort, maar is van zich zeiven.

Vgl. 1 en 2 V., waar de beteekenis uitgelegd is van drie okdebscheidene Peesonen , en 3'- en 4e V.

9 V. Van wien komt God de Zoon voort ? A. Van God den Vader alleen.

10 V. Van wien komt God de H. Geest voort? A. Van God den Vader en van God den Zoon

te zaraen.

Vgl. 5» V.

Nota. God de Vader wordt afgebeeld in de gedaante van eenen ouden man , omdat Hij zich zoo aan den Profeet Daniël vertoond heeft.

God de Zoon als mensch, omdat Hij tevens waarlijk mensch is. God de H. Geest in de gedaante eener duif of van vurige totigen, omdat Hij zich zoo bij den doop van Christus en op het Pinksterfeest vertoond heeft.

Van het begin der Kerk af is de Zondag en later de H. Drievnldigheids-Zondag , door de H. Kerk ter eere van de H. Drievuldigheid gevierd geworden. De voornaamste gebeden ter eere van de H. Drievuldigheid zijn: Het Glorie zij den Vader, het Te Deum, het krnisteeken en de Litanie van de H. Drievuldigheid. (Vgl. 2',e Les, 5° Vr.)

Vragen over de 6de Les.

1. Waarin bestaat Gods 'Eenheid, waarin zijne Drievuldigheid P

ocr page 67

63

2. Strijdt het niet, dat hetzelfde voorwerp een en meer

voudig is , of een en drie P

3. Toont door voorbeelden, dat hetzelfde voorwerp zeer

goed één kan zijn onder dit, en meer- of drievoudig onder een ander opzicht P

4. Waarom kunnen de drie personen niet verschillend ,

of de een meer zijn, dan de andere P

5. Hoe komt het, dat de Vader niet ouder is, dan de

andere twee personen, ofschoon zij van Hem voortkomen ?

6. In den hemel zullen wij dit mysterie zien , en toch

niet begrijpen. Waarom niet?

7. Wanneer en waarom is het redelijk iets te gelooven,

wat wij niet begrijpen P (Vgl. Les 3, bij Vr. 3.)

8. Wat beteekent Mysterie P

9. Haalt eenige oefeningen, of gebeden aan, waardoor

wij dit groot mysterie der H. Drievuldigheid vereeren en aanbidden. En hoe door 's morgens en 's avonds alles aan God toe te wijden? (Vgl. Les 3.) 10. Toont in voorbeelden hoe dom het ia niets te gelooven, dan wat men begrijpt. (Vgl. Les 3.)

ocr page 68

64

ZEVENDE LES.

Van de Scheppiog en de Engelen.

1 V. Waarom wordt God genoemd almachtig ?

A. Omdat Hij door zijnen wil alles kan maken en te niet doen.

God kan alles wat mogelijk is, alles behalve zondigen; dit strijdt tegen zijne volmaaktheid. Vóór God hemel en aarde geschapen had, was er niets dan God alléén.

2 V. Waardoor heeft God zijne almacht het meest getoond ?

A. Door het scheppen of van niet maken van hemel en aarde en al wat er is.

Door het scheppen van hemel en aarde, heeft God zijne almacht het meest getoond.

Dat wil zeggen: daardoor heeft Hij het meest laten zien , dat Hij almachtig is; scheppen toch, of iets van niets maken, — hier hemel en aarde — veronderstelt en vordert almacht.

3 V. Tot welk einde heeft God hemel en aarde geschapen ?

A. Tot zijne eigene verheerlijking en tot geluk zijner redelijke schepselen.

God heeft hemel en aarde geschapen tot zijne glorie. Als wij iets schoons zien , prijzen en eeren wij den maker; zoo eeren wij ook God, als wij zijne werken zien; die werken zeiven verkondigen Gods glorie.

Het eerste doel, dat God met de Schepping op het oog

ocr page 69

65

had, was de openbaring van zijne goddelijke volmaaktheden, dus zijne eigene glorie : evenals een kunststuk den lof van den maker verkondigt.

Intusschen heeft zijn Goedheid zich ook het geluk zijner redelijke schepselen ten doel gesteld. Ons geluk echter strekt ook tot Gods glorie gelijk het een vader tot eer verstrekt zijn kinderen gelukkig gemaakt te hebben, die dan op hunne beurt hun vader daarvoor loven en prijzen.... Hoe treffend komen beide — zijne grootheid en goedheid — in de schepping niet uit! Let eens op die 100 000 verschillende plantensoorten, van den eenvoudigen grashalm tot den cederboom: wat een verscheidenheid, pracht en nut voor den mensch ! Bewondert die 100 000 verschillende diersoorten, van de mug tot den leeuw, van den worm tot den olifant; wat een kunstige, doelmatige lichaamsbouw, wat een vaardigheid! enz. Beschouwt het uitspansel; de millioenen vaste sterren, waarvan de meeste grooter zijn dan de zon, die bijna 1 millioen maal grooter is dan de aarde, welke nog een uitgestrektheid heeft van negen millioen vierkante mijlen. Hoe groot is dan het uitspansel, dat boven ons hangt! Waarlijk, de hemelen vertellen de heerlijkheid Gods, en het firmament verkondigt de werken zijner handen. Psal: 18.

God heeft zes dagen gebruikt om alles te scheppen, doch had ze niet noodig.

Den eersten dag schiep God het licht; den tweeden dag scheidde God de wateren boven van die onder het uitspansel, dat Hij hemel noemde; den derden dag scheidde Hij de wateren van het land, en de aarde bracht planten voort; den vierden dag schiep Hij zon, maan en sterren; den vijfden dag visschen en vogels; den zesden de landdieren en den mensch. -En God rustte op den zevenden dag van al het werk , dat Hij gemaakt had.

Dat God den dag rustte, beteekent niet, dat Hij moede was, uitrustte, maar dat Hij alsdan ophield nieuwe soorten van schepselen voort te brengen.

ocr page 70

66

Ter dankbare herinnering aan de schepping van hemel en aarde beval God in de Oude Wet den Joden zich op den zevenden, den Sabbatdag, te onthouden van slaafsche werken, te rusten in dien zin, dat zij dien dag moesten heiligen door hem op bijzondere wijze in zijn dienst door te brengen.

In de Nieuwe Wet is de Zondag, in plaats van den Sabbatdag tot hetzelfde doel voorgeschreven. (Vgl. 25e Les , Ie, 2e V.)

God heeft redelijke en redelooze schepselen met of zonder verstand — geschapen. Tot de redelooze behoort alles wat op aarde is, de mensch alleen uitgezonderd.

4 V. Hoevelerlei redelijke schepselen heeft Godgeschapen ?

A. Tweederlei: Engelen en menschen.

5 V. Waarvan en hoedanig heeft God de Engelen gemaakt?

A. God heeft de Engelen gemaakt van niet en zeer gelukkig.

6 V. Hebben de Engelen een lichaam?

A. Neen, zij zijn zuivere geesten geschapen.

God heeft de Engelen zuivere geesten geschapen.

Zuivere geesten, d. w. z., dat zij geen lichaam hebben. (Vgl. ; le Les.)

7 V. Zijn alle Engelen gelukkig gebleven?

A. Neen, de hoovaardigen en ongehoorzamen zijn gedreven in den afgrond der hel.

8 V. Hoe worden de hoovaardige en ongehoorzame Engelen genoemd?

ocr page 71

67

A. Duivels of booze geesten.

Het is de zonde, die de kwade Engelen tot duivels heeft gemaakt. (Afschuw van de zonde.) Zij kan ook ons ongelukkig en tot verworpelingen maken.

De zonde heeft ook millioenen menschen in de hel geworpen en tot verdoemden gemaakt.

9 V. Wat is de bediening der goede Engelen ?

A. God te dienen en te loven, en den mensch behulpzaam te zijn.

Engel beteekent: afgezant, bode, omdat God hen dikwijls gebruikt om boodschappen aan de mensehen te doen, om hun Zijn wil bekend te maken.

Zij worden afgebeeld met vleugels, om de vaardigheid te beteekenen, waarmede zij Gods wil volbrengen.

De Engelen worden afgebeeld in menschengedaante, omdat zij zich zoo vertoond hebben.

De Engel Gabriël heeft zich vertoond aan Maria. Michaël streed tegen de booze Engelen, en heeft zich vertoond op den berg Gargan in Italië. Raphael Terscheen aan Tobias.

Er is een ontelbaar getal van Engelen; zij worden in negen koren verdeeld: Engelen, Aartsengelen, Krachten, Machten, Overheden, Heerschappijen, Tronen, Cherubijnen en Serafijnen.

10 V. Zijn er eenige Engelen, die ons bewaren ?

A. Ja , elke mensch heeft eenen Engel, die hem van het begin zijns levens bewaart.

11 V. Wat hulp verleent ons de Engelbewaarder ?

A. Ten lste, Hij beschermt ons tegen de booze

ocr page 72

68

vijanden ; ten 2do, draagt onze gebeden aan God op; en ten 3de, staat onze ziel vooral in het uiterste bij.

Wanneer de duivel ons tot zonden aanzet, zal onze Engelbewaarder ons daarvan afschrikken, door b. v. ons te doen denken aan Gods tegenwoordigheid, de afsclmwelijkheid en straf der zonden , enz. De geschiedenis van Tobias leert ons, dat Raphael zijne gebeden en goede werken aan God opdroeg. Toen Christus zich in doodstrijd bevond, kwam een Engel uit den hemel om hem te troosten en te versterken.

Wij zijn onzen Engelbewaarder dankbaarheid, eerbied en vertrouwen verschuldigd.

Dankbaarheid voor zijne weldaden.

Eerbied voor zijne tegenwoordigheid.

Vertrouwen om zijne goedheid.

Uit eerbied voor hem nooit iets onbetamelijks doen.

Uit dankbaarheid dagelijks een klein gebedje tot hem richten , vooral: o Engel Gods, die mijn bewaarder zijt, aan wiens zorg ik door de opperste goedheid van God ben toevertrouwd , gelief mij dezen dag (dezen nacht) te bewaren, te verlichten , te bestieren , te geleiden. Amen.

Hij bewaart ons naar ziel en lichaam.

Wij zien hieruit dan ook de zorg van God voor de menschen.

De aansporing tot het goede, die wij gevoelen, komt ook van den Engelbewaarder.

Vragen over de 7de Les.

1. Wat beteekent scheppen? Waarom kan God alleen scheppen P En waarom alleen tot zijne eigene glorie P Welk doel had Gods goedheid nog bij de schepping P En strekt ons geluk ook tot zijn glorie P

ocr page 73

69

2. Wat zijn redelijke schepselen P Heeft God ook onre

delijke geschapen , en welke P

3. Wat doet onze Engelbewaarder voor ons P Wat moeten

wij doen voor hem P

4. Is onze Engelbewaarder altijd bij ons, waarom zien

wij hem dan niet P

5. Wat wil zeggenik geloof, dat er Engelbewaarders

zijn? Waarom gelooft gij datP Hoe weet ge, dat God dit geopenbaard heeft P Hoe weet ge, dat de Kerk dit leert P

ACHTSTE LES.

Tan de schepping en den yal Tan den uiensch.

1 V. Wie zijn de eerste menschen geweest? A. Adam ea Eva.

2 V. Waarvan heeft God den mensch gemaakt? A. God heeft het lichaam van Adam gemaakt

van aarde en de ziel daarin gestort; maar het lichaam van Eva van eene rib , genomen uit Adam.

Adam beteekent: aardman. Dien naam diende om hem zijne nietigheid te herinneren.

Eva beteekent: moeder der levenden. Het bijbelverhaal van de schepping onzer stamouders verklaart de rest van het antwoord.

De nieuwe Adam is Christus.

De nieuwe Eva, Maria.

3 V. In welken staat waren Adam en Eva eer zij zondigden ?

C. 5

ocr page 74

70

A. In den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid.

Oorspronkelijke rechtvaardigheid beteekent: die rechtvaardigheid die Adam had bij zijn oorsprong of begin, voor dat hij gezondigd had.

Eechtvaardigheid wil hier zeggen : gerechtig- of heiligheid.

gt; 4 V. Waarin bestond de oorspronkelijke rechtvaardigheid ?

A. In de heiligmakende gratie met eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam.

x. Eenige voorrechten, die Adam en Eva in den staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid genoten , zijn :

a. Naar de ziel;

Ten lste, een buitengewoon groot versland. Kooit is er •een geleerde geweest, die znlk een groot verstand bezat, als Adam; dit blijkt vooral daaruit , dat hij aan ieder dier zijnen eigenaardigen naam wist te geven.

Ten 2ae, dat hun wil, die na de zonde tot het kwaad geneigd is, vóór de zonde tot het goede genegen was.

len 3de, een gemeenzaam verkeer met God.

b. Naar het lichaam :

Ten l8te, zij waren aan geen dood of ziekte onderworpen.

Teu 2'le, zij behoefden niet hard te werken, enz.

5 V. Zijn Adam en Eva in den staat van oor-spronkelijke rechtvaardigheid gebleven ?

A. Neen; zij zijn in de slavernij des duivels gevallen.

Zij zijn door de zonde in de slavernij des duivels gevallen. -f-( Uitleggen wat slaaf en slavernij is en dit toepassen.)

ocr page 75

71

6 Y. Hoe zijn zij in de slavernij des duivels gevallen ?

A. Door het eten van de vrucht, welke God hun verboden had. — Door dit gebod moesten zij hunne afhankelijkheid van God toon en; het was daarom een zwaar gehad. .. .

Eerst zag Eva nieuwsgierig de verboden vrucht aan. De dood der zonde komt langs de vensters der ziel binnen.

Toen ging zij met de listige slang, waarvan do duivel zich bediende om Eva te verleiden, praten en redeneeren. Als wij de bekoring willen overwinnen, moeten wij niet met den duivel redeneeren, wijl hij veel meer verstand en ondervinding heeft dan wij, en wij dan overwonnen zullen worden. Wij moeten de bekoring eenvoudig aanstonds verzetten.

Eva zondigde niet alleen zelve , maar gaf ook Adam van de vrucht van den verboden boom; Adam at er van en werd dusdoende deelgenoot van hare overtreding.

Adam had niet naar Eva moeten luisteren , niet moeten, vreezen, Eva te mishagen.

Ook was de oorzaak van hun beider val, zucht naar verheffing , hoogmoed.

7 V. Heeft Adam maar alleen gezondigd met van die vrucht te eten ?

A. Neen ; alle mensehen hebben in Adam gezondigd , en zijn in de slavernij des duivels gevallen.

8 V. Hoe wordt die zonde' genoemd, waardoor alle menschen in Adam gezondigd hebben ?

A. Erfzonde.

\

ocr page 76

72

9 V. Waarom wordt die zonde genoemd erfzonde ?

A. Omdat alle menschen die van Adam erven.

tWij erven die zonde van Adam over; het is dus voor ons geene dadelijke zonde, geene zonde, die wij door eigen daad of eigen wil bedreven hebben. (Zie 39ste les 4lle en 5de V. — 40te les late V.)

Maar wij erven allen die zonde van Adam over, omdat God onzen wil in den wil van onzen eersten vader Adam besloten had.

Dat wil zeggen; God had vastgesteld, dat als Adam gehoorzaam bleef, ook wij allen in den zelfden gelukkigen staat van oorspronkelijke rechtvaardigheid zouden geboren worden, maar zondigde Adam, dat dan ook wij allen in den staat van zonde zouden geboren worden.

10 V. Is er niemand van de erfzonde bevrijd gebleven ?

A. Ja; het is een punt van ons geloof, dat de H. Maagd Maria, door de verdiensten van Christus, daarvan is bewaard gebleven.

Om wille der voorziene verdiensten van Jesus Christus, werd Maria, die bestemd was om de Moeder des Verlossers te worden, in het eerste oogenblik harer ontvangenis door een eenig en bijzonder voorrecht voor de vlek der erfzonde behoed, daarvan vrij bewaard.

Deze waarheid, door God geopenbaard, werd den 8stequot; Decern, ber 1854 door de onfeilbare uitspraak van Zijne Heiligheid Paus Pius IX als eene door God geopenbaarde waarheid afgekondigd , en is dus een uitdrukkelijk punt van ons geloof.

Danken wij God dagelijks voor dit groote voorrecht Maria verleend. We kunnen dit doen door de drie weesgegroeten,

ocr page 77

73

die we dagelijks, 's morgens en 's avonds, ter bewaring onzer zuiverheid ter eere van de Onbevlekte Onvangenis van Maria bidden; door het schietgebed: -i,, o Maria zonder zonden ontvangen bid voor ons , die onze toevlucht tot U nemenquot;; door het dragen der medaille, van het scapulier enz.

11 V. Is de mensch nog in den staat, waarin Adam hem gebracht heeft, of in de slavernij des duivels ?

A. Neen; Christus heeft hem daaruit verlost.

Vragen over de 8s'e Les.

1. Wat beteekent oorspronkelijke, wat herstelde rechtvaar

digheid ? In welke is Adam gestorven, en welke kunnen wij nog hebben F

2. Welke zonde (erfzonde of dadelijke zonde) was Adams

zonde voor hem, en welke voor ons ?

3. Is het altijd waar geweest, dat Maria vrij bleef van

de erfzonde ? Is het ook altijd een geloofspunt geweest P En waarom niet ?

4. Welk verschil is er dan tusschen geloofspunt, en ge

loofswaarheid P

5. Noemt eenige devoties, waardoor wij de Onbevlekte

Ontvangenis van Maria vereeren.

6. Als de Kerk een waarheid des geloofs te gelooven voor

stelt , verandert dan ons geloof niet, of neemt daardoor onze kennis en verplichting slechts toe ?

ocr page 78

74

MGEIBE LES.

Van de menscliwording van God den Zoon.

1 V. Welk is het tweede artikel van het Sijm-holum des Geloofs ?

A. En in Jesus Christus, zijnen éénigen Zoon, onzen Heer.

Het tweede artikel is; En in Jesus Christus zijnen eenigen Zoon onzen Heer. En ziet hier ternjj op de eerste woorden van het symbolum : Ik geloof, en beteekent dns : ik geloof ook in Jesus Christus , enz.

Jesus beteekent: Zaligmaker of Verlosser.

Deze naam komt Hem toe, omdat in Hem, en in niemand anders de zaligheid is , en Hij zijn volk verlost van hunne zonden.

Christus beteekent: gezalfde. In de oude wet werden drie soorten van personen gezalfd : Koningen , Priesters en Profeten.

Christus nn was Koning van hemel en aarde; — Priester Volgens de orde van Melchisedech (omdat deze brood en wijn offerde), en Profeet, omdat Hij zooveel voorzeggingen deed.

Ik geloof in Jesus Christus, wil zeggen : Ik neem met mijn verstand aan , dat Hij bestaat , waarachtig en mijn laatste einde is.

Zijnen slaat terug op God den Vader.

Eenigen beteekent: dat God maar éénen Zoon heeft; wij zijn slechts aangenomen kinderen van God.

Onzen Heer beteekent: dat Hij Heer is van ons allen. Iemand is Heer van iets, als Hem eene zaak of persoon toebehoort.

ocr page 79

75

Wij behooren aan Christus ten 1'»« als aan onzen Schepper. Ten 2,le als aan onzen Verlosser; want Hij heeft ons gekocht en verlost door zijn dierbaar Bloed.

Christus is dus onze Heer, èn als onze Schepper, èn als onze Verlosser, en daarom wordt Hij ook meer genoemd Onze Heer dan God de Vader. (Zie ll'ie V.)

2 V. Wie is Jesus Christus ?

A. God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, mensch geworden.

3 V. Is Jesus Christus God of mensch ?

A. Hij is God en mensch te zamen.

4 V. Hoeveel naturen zijn er dus in Christus?

A. In Christus zijn twee naturen : de goddelijke natuur en de menschelijke natuur.

5 V. En hoeveel personen zijn er in Christus ?

A. In Christus is slechts één persoon , te weten:

de goddelijke Persoon.

De eene Persoon der H. Drievuldigheid is de andere niet. Dewijl dan alléén God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, en niet God de Vader of God de H. Geest, de menschelijke natuur in Zijne Hem eigene persoonlijkheid heeft opgenomen, daarom ook is alléén Hij , en niet ook God de Vader of God de H. Geest, God en mensch te samen.

Christus is God en Hij is mensch, en daarom komt Hem het goddelijke en het menschelijke toe.

Hij is onsterfelijk en sterfelijk, eeuwig en geboren, onlijdelijk en lijdelijk, enz.: het eerste als God, het tweede als mensch. En omdat Hij slechts één persoon is, daarom is er ook maar één Christus, de God-mensch.....

ocr page 80

76

6 V. Hoe is God de Zoon mensch geworden ?

A. Hij heeft door eene bijzondere werking van den H. Geest de menschelijke natuur aangenomen in den maagdelijken schoot van Maria.

Maria had gelofte van volmaakte en eeuwigdurende zuiverheid gedaan. Buiten twijfel droeg de H. Joseph, haar maagdelijke bruidegom, kennis van deze belofte.

Toen dan de Engel Gabriël Haar boodschapte : „ Zie , gij zult in uwen schoot ontvangen en eenen Zoon baren en zijnen naam zult gij Jesus heetonquot;, onderzocht Maria naar de wijze waarop, zonder verlies barer maagdelijke zuiverheid, geschieden zon wat de Engel haar aankondigde.

„ En de Engel antwoordde en zeide tot haar : De Heilige Geest zal over U komen, en de kracht des Allerhoogsten zal U overschaduwenquot;. (Lnc. 1: 30 — 36.) Door die woorden gaf de Engel haar en ons te verstaan ;-^Ndat zij , door een wonder van Gods almacht, en zonder op te houden van maagd te zijn, moeder zou worden van Gods eenigen Zoon. Zóó is dan God de Zoon mensch geworden, door eene bijzondere werking van den H. Geest de menschelijke natuur aannemende in den maagdelijken schoot van Maria.

„ Christus, heeft de menschelijke natuur aangenomen , is-mensch gewordenquot; wil zeggen: Hij heeft een lichaam en eene ziel aangenomen, zoo als de menschen hebben. -V- Christus is langer God dan mensch geweest, maar Hij zal het beide eenwig blijven.

7 V. In welk artikel van het Symbolum des Ge-loofs belijden wij dit ?

A. In het derde artikel, dat luidt: Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd Maria.

ocr page 81

77

Maria is dus op miraculeuze wijze de Moeder van Christus geworden volgens zijne menschelijke natuur.

8 V. Is de H. Joseph de vader van Christus geweest ?

A. Hij is de natuurlijke vader van Christus niet

geweest, maar alleen zijn voedstervader of bewaarder.

De H. Joseph was niet de eigen of natuurlijke vader van Christus , maar alléén zijn voedstervader of bewaarder

Wij moeten hem, naar het voorbeeld van Jesus en Maria, eeron.

De H. Joseph is het voorbeeld en de beschermer van alle standen.

• .Doch wijl hij altijd voor het goddelijk Kind gezorgd , het gevoed en bewaard heeft , is hij bijzonder de patroon van de kinderen en de ouders.

9 V. Waar is Christus geboren ?

A. In eenen stal te Bethlehem.

1U V. Wanneer houden wij de gedachtenis van de geboorte van Christus ?

A. Met Kerstmis.

Kerst is een oud woord afgeleid van Christus. Kerstmis is dus zooveel als Christmmis, de H. Mis, waarin we op het JLerstfeest de gedachtenis houden van Christus geboorte in den stal van Bethlehem.

Maria en Joseph, woonden te Nazareth en toch moest Christus volgens de Voorzegging te Bethlehem geboren worden; God toonde hier wederom, dat zijne Voorzienigheid de wereld bestuurt. Hij bediende zich hier van eene door den romeinschen Keizer Augustus bevolene volkstelling. Volgens Joodsch gebruik moest elk familiehoofd opgeschreven worden, waar de stamregisters bewaard werden;. dus Maria en Joseph als behoorende tot de familie van.

ocr page 82

78

David, in zijne stad, in Bethlehem. Maria en Joseph gingen dan beiden nit Nazareth van Galilea naar Bethlehem in Jndea. Toen zij , na eene reis van bijna 30 nren te hebben afgelegd, daar aan kwamen, vonden zij de herbergen reeds zoo bezet, dat er voor hen geen plaats meer was, on zij hun intrek moesten nemen in eene nabij Bethlehem gelegene grot, die aan de herders tot veestal diende. Daar ter plaatse nn werd Christns geboren — den 25 December. — Een Engel kondigt den herders van die streken de geboorte des Heeren aan; terwijl eene wonderbare ster de Wijzen nit het Oosten naar Bethlehem roept om den wereldverlosser te komen aanbidden — Driekoningen 6 Jan. — Den achtsten dag na de geboorte, — op Nieuwjaarsdag— bij gelegenheid der besnijdenis volgens Joodsch gebruik, werd het goddelijk Eind den naam Jesus gegeven. Op den veertigsten dag — Maria Lichtmis, 2Jln Februari ■— werd Jesus volgens het voorschrift der Wet den hemelschen Vader opgedragen, en erkenden Hem Simeon en Anna, twee heilige menschen. Koning Herodes, die met schrik van de Wijzen uit het Oosten vernomen had, dat de nieuwe Koning der Joden geboren was, gelastte alle kinderen van het mannelijk geslacht, onder de twee jaren, te Bethlehem en in de omstreken wreedaardig om het leven te brengen. — Onnoozele-kinderenfeest 28 December. —

Intusschen waren de H. Joseph en Maria op de waarschuwing van een Engel op weg naar Egypte. Na den dood van Herodes verscheen andermaal een Engel aan Joseph en zeide hem: Sta op , neem het Kind en zijn moeder , en ga naar het land van Israël; want degenen, welke het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven. Zoo kwam het Kind weder te Nazareth en bleef daar wonen tot in den ouderdom van omtrent dertig jaren. Van al dien tijd, genoemd het verborgen leven van Jesus, lezen wij, dat Hij opgroeide en in krachten toenam ; dat Hij zijne ouders op plechtige feesten naar Jeruzalem vergezelde ; bij zulk eene gelegenheid verloren zij

ocr page 83

79

Hem eens, en vonden Hem weer in den tempel te midden der Leeraren , die Hij ondervroeg en aanhoorde. Hierbij voegt nu nog de Evangelist: „En Hij ging met hen af naar Nazareth, en was hun onderdanig. En Jesns nam toe in wijsheid en jaren en in genade bij God en bij de menschen.quot; Zoo heeft Christus dertig jaren geleerd door zijn voorbeeld. (Vgl. Les 1.)

Zijn openbaar leven, waarin Hij openlijk als Leeraar optrad, en zijn leer met mirakelen bevestigde, duurde slechts drie jaar. De H. Joannes, bijgenaamd de dooper, is Hem als wegbereider voorgegaan, door wien Christus ook in de Jordaan wilde gedoopt worden. Daarna begaf Hij zich naar de woestijn , waar Hij door den duivel wilde bekoord worden , en door vasten en bidden gedurende veertig dagen, zich tot zijn openbaar leven voorbereidde; en begon toen te prediken, terwijl Hij aan dooden het leven, blinden het gezicht, dooven het gehoor, stommen de spraak gaf en allerlei zieken genas ter bevestiging van zijne leer. Hij koos twaalf Apostelen met Petrus aan het hoofd: Andreas, Jacobus, Joannes, Thomas, Jacobus, Philippus , Bartholomeus, Mattheus, Simon, Thaddeus en Judas den verrader.

Nog had Hij twee en zeventig leerlingen , die Hij vooraf naar de plaatsen zond, waar Hij komen zou om zijn leer — het Evangelie — (d. i. blijde tijding) te prediken. Die prediking is door vier Evangelisten beschreven: Mattheus, Marcus, Lucas en Joannes. Christus predikte zonder aanzien van personen, berispte ook de grooten en aanzienlijken over hunne, slechte zeden en schijnheiligheid. (Priesters en Pharizeërs) Daaruit ontstond afkeer van en haat tegen Christus en wel zoover, dat men Hem besloot ter dood te brengen. Hoe Judas, zijn trouwelooze Apostel, hun hierin behulpzaam was, is bekend; eveneens zijn gebed, doodstrijd en gevangenneming in den hof van Oliveten; wat Hij geleden heeft bij Annas en Caïphas, bij Pilatus en Herodes, terwijl zijn kruisdood zichtbaar op de staties staat afgebeeld. ..

ocr page 84

80

11 V. Waarom wordt Christus meer genoemd onze Heer dan God de Vader ?

A. Omdat Hij ons en alle menschen niet alleen gelijk God de Vader heeft geschapen, maar ook, als wij verloren waren, door zijn bloed heeft gekocht en verlost. (Zie einde der 1st8 V.)

Vragen over de 9de Les.

1. Waarom staat voor het 2ae artikel „ En Pquot; quot;Waarom

„in?quot; Wat wil zeggen: mensch worden P

2. Wat beteekent Jesus — wat Christus, en waarom wordt

God de Zoon , menschgeworden , zoo genoemd P

3. Wij zijn ook kinderen van God; welk verschil is er

dan tnssohen Christns als Zoon Gods en ons P

4. Heeft God de Zoon de mensuhelijke natuur opgenomen

in zijn persoon of in zijn goddelijke natuur P En wie zonden nog meer mensoh geworden zijn, zoo Hij die had opgenomen in zijn goddelijke natuur, en waarom P

5. Om hoeveel redenen is God de Zoon onze Heer P

6. Verhaal in 't kort Jesus' geboorte, zijn verborgen en

openbaar leven en zijn lijden... .

ocr page 85

81

TIENDE LES.

Van het lijden van Christus en de Terlossing1.

§ 1-

1 V. Waarom is God de Zoon me/nsch geworden ?

A. Om ons door zijn voorbeeld en zijne leer den weg naar den hemel te toonen, en om ons van de slavernij des duivels en den eeuwigen dood te verlossen.

Vóór de zonde van Adam was er geen lijden; doch om die zonde had God besloten, was het zijn wil, datdemensoh door lijden zijne zaligheid bewerken zou. God de Zoon •s om twee redenen mensch geworden.

Ten lste om ons den weg naar den hemel te toonen. Te toonen, dat wil zeggen; ons den weg naar den hemel te laten zien, aan te wijzen.

Op twee manieren heeft Christus ons den weg naar den hemel getoond. Door zijn voorbeeld en door zijne leer of zijn woord. — Zooals wij gezegd hebben in de vorige les. —

Dertig jaren hoofdzakelijk door zijn voorbeeld in het huisje van Nazareth, en dit noemt men het verborgen leven, en drie jaren door zijn voorbeeld èn woord of door zijn prediken, en dit noemt men het opeaiaar leven van Jesus. (Vgl. 9cIe Les.)

Er ziju twee wegen naar de eeuwigheid, de breede weg of de weg van pleizier, en deze loopt op de hel uit, en de smalle weg of de weg van lijden, waarop Jesus ons is voorgegaan , en deze loopt naar deu hemel; buiten dien éénen smallen weg van lijden, of boetvaardigheid, is er geen andere hoegenaamd , die naar den hemel leidt.

Zijn wij dus niet op dien weg, zoeken wij eenen anderen, dan kunnen wij niet in den hemel komen; want als er maar

ocr page 86

82

één weg naar eene stad leidt, dan moeten wij noodzakelijk op dien eenen weg zijn, of wij kunnen er niet komen.

De weg, dien men in zijne jeugd inslaat, bewandelt men gemeenlijk op lateren leeftijd, en gelijk men leeft, zoo sterft men in den regel.

Lijden of kruis noemen wij alles wat onpleizierig is voor de natuur. Bv. Ik sta 's morgens niet graag op het eerste teeken op , ik gehoorzaam niet gaarne , bid niet gaarne eerbiedig enz.; dat is dus allemaal een kruis voor mij. Doe ik het toch, dan bewandel ik den smallen weg naar den hemel; maar doe ik het niet en geef ik aan mijn lui en loom lichaam , mijne kwade natuur toe, dan kom ik allengs en onopgemerkt verder en verder op den breeden weg naar de hel.

Christus is ieu 2J|! mensch geworden, om ons van de slavernij des duivels te verlossen. (Vgl. 40te Les , vr. 7.)

2 V. Kon de mensch zich zeiven niet verlossen ?

A. Neen ; want de mensch kon voor de zonde niet voldoen.

3 V. Waarom kon de mensch voor de zonde niet voldoen ?

A. Omdat de zonde van eene oneindige boosheid is; en dus moest de Persoon , die daarvoor voldoen en ons verlossen zou, ook van oneindige waardigheid zijn.

Verlossen kon zich de mensch zelf niet, omdat de boosheid der zonde oneindig is, wijl zij bedreven was tegen God, die van oneindige waarde is.

, Een voorbeeld zal dit duidelijk maken.

Als een jongen een anderen jongen slaan of schelden zou, zou dit wel altijd eene beleediging zijn; maar zou hij dit

ocr page 87

83

een groot heer of vader of moeder doen, dan zou de belee-diging of misdaad grooter worden, omdat de persoon, die hij deze beleediging aandeed, grooter waarde heeft.

Zon hij hetzelfde aan den koning of Paus doen , dan zou de beleediging nog al grooter zijn, omdat die personen nog al van grootere waarde zijn.

Maar geschiedt de beleediging tegen God, dan is zij van oneindige boosheid , omdat God van oneindige waarde is.

Men heeft bijgevolg ook eene oneindige schuld aan God te betalen.

-[ Als men iemand 100 gulden schuldig is, kan men de schuld niet anders voldoen, dan door iets terug te geven , dat ook 100 gulden waard is ; als men 1000 gulden schuldig is , door iets terug te geven, dat ook duizend gulden waard is. En als men nu oneindige schuld heeft, kan men die niet voldoen, dan door iets terug te geven , dat ook oneindige waarde heeft.

Bijgevolg moeten wij ook aan God, bij wien wij om onze zonden eene oneindige schuld hebben gemaakt, iets van oneindige waarde wedergeven, om deze schuld te herstellen.

Doch dit kunnen wij niet, wij eindige en nietige schepselen, die niets bezitten of doen kunnen wat oneindige waarde heeft.

Dat kon God alléén; en daarom is God de Zoon mensch geworden , omdat alléén Hij , als God oneindig zijnde , aan God ook iets van oneindige waarde kon wedergeven ; God had ook besloten den mensch door lijden te verlossen, en als God kon Christus niet lijden.

4 V. Was Christus verplicht ons te verlossen ?

A. Neen ; Hij heeft dit dit gedaan uit liefde voor den mensch.

5 V. Waardoor heeft Christus ons verlost ? A. Door zijn lijden en dood.

ocr page 88

84

6 V. Wat heeft Christus geleden ?

A. Zijn geheel leven lang groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam ; doch op den dag van zijn lijden zoo groote pijnen en smarten , dat nooit eenig mensch zoodanige verdragen heeft.

Christus leed armoede en verdriet: door armoede leed vooral zijn lichaam, door verdriet zijne ziel. Men verbale hier den kinderen in 'tkort, wat pijnen en smarten Jesns in den hof van Olijven, en op Goeden Vrijdag geleden heeft, en spore hen aan om dikwijls, zeker Vrijdags, de oefening van den H. Kruisweg te doen, als eene der gemakkelijkste en heilzaamste wijzen om het lijden van Christus te overdenken.

7 V. Welken dood is Christus gestorven ?

A. Den dood des kruises.

8 V. In welk artikel van het Symholum des Geloofs belijden wij het lijden en den dood van Christus?

A. In het vierde artikel, dat luidt: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven.

In het artikel van het symbolum des geloofs belijden wij het lijden en den dood van Christus. Het luidt; Die geleden heeft, enz.

Die ziet terug op Christus; dat Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus wil zeggen: dat Hij geleden heeft ten tijde, dat Pontius Pilatus landvoogd van Judea was.

9 V. Volgens welke natuur heeft Christus geleden en is Hij gestorven ?

A. Volgens zijne menschelijke natuur, want vol-

ocr page 89

85

gens zijne goddelijke natuur was Christus onlijdelijk en onsterfelijk.

§ 2.

10 V. Was het voor onze verlossing ook noodig, dat Christus zooveel leed en zulken dood stierf?

A. Neen; Hij had ons met veel minder lijden kunnen verlossen; maar Hij heeft daardoor ons zijne overgroote liefde willen toonen en voorbeelden van vele deugden willen geven.

Christus had, om ons te verlossen, niet zooveel behoeven te lijden, als Hij gedaan heeft, 't Minste en geringste dat Hij deed, een enkele zucht, ware voldoende geweest om om te verlossen; want ook het minste en geringste dat Hij deed, was van oneindige waarde , wijl Hij God en mensch te samen is in één goddelijken persoon; maar Hij heeft zooveel willen lijden, om ons te toonen, te laten zien, hoezeer Hij ons beminde. Had Hij niet zooveel geleden, dan zon Hij ons toch. evenveel bemind hebben; maar wij zonden het niet zoo goed geweten hebben als nn , nn wij er het bewijs van hebben, doordien Hij zooveel voor ons geleden heeft, is gekruist, gestorven en begraven.

Ten 2dc heeft Hij zooveel willen lijden om ons voorbeelden van vele deugden te geven. Om ons te laten zien, ons vóór te doen , hoe wij bv. de gehoorzaamheid , het geduld, de ootmoedigheid , de liefde tot God en den naaste, enz. beoefenen moeten. (Men haalt bij iedere deugd een voorbeeld aan om dat te doen zien.)

11 V. Voor wie is Christus gestorven?

A. Voor alle menschen.

12 V. Zullen dan alle menschen zalig worden ? C. 6

ocr page 90

86

A. Neen; omdat niet alle menschen aan de verdiensten van het lijden en den dood van Christus deelachtig worden.

Wat vader verdient, al is het ook, dat hij werkt voor u, is het uwe nog niet; vader moet u , op welke wijze dan ook, daaraan deelachtig maken.

13 Y. Waardoor kan de mensch ami de verdievsten van Christus deelachtig worden ?

A. Door het ware geloof, door het waardig gebruik der heilige Sacramenten, door goede werken , vooral van boetvaardigheid.

Dat het ware Geloof, de Sacramenten , de goede werken , vooral van boetvaardigheid, ons aan Christus verdiensten deelachtig maken, of ter zaligheid noodig zijn, leert de Kerk ; maar ook de H. Schriftuur zegt ons nadrukkelijk : Wie gelooft , zooals het behoort, wordt zalig, wie niet gelooft gaat verloren. (Joës: III. Marc. XVI. Hebr. XI.) enz. (Vgl. 30ste Les vr. .10., waar van de Sacramenten in 't algemeen gezegd wordt, dat Christus zijne verdiensten — de genade — aan do Sacramenten verbonden heeft, waaruit zij ons toevloeien , op ons worden toegepast.) Voorts van het doopsel lezen wij : „ Zoo iemand niet herboren wordt uit water en den H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan.quot; (Joes. III).— Van het H. Sacrament des Altaars : „ Tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebhen.quot; (Joes. VI. — Van de Biecht: „ Wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven ; en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij gehouden. (Joes XX).

Van de goede werken lezen wij in den brief van den H.

' Paulus — (Rom : II.)— ieder zal krijgen volgens zijne werken; en de ;H. Jacobus (II) vraagt: Wat baat het geloof, zonder de werken ? En bij Luc. XIII: Indien gij geen

ocr page 91

87

boetvaardigheid doet, znlt ge allen gelijkelijk vergaan. Ook de gelijkenis van Christus, waarin hij bij (Joes XVI) zich bij den wijnstok en ons bij diens ranken vergelijkt, toont de noodzakelijkheid des geloofs, zonder hetwelk wij met Hem niet vereenigd kannen zijn.

14 V. Waarom is het noodig , dat wij nog lijden en boetvaardigheid doen, aangezien Christus voor ons voldaan heeft ?

A. Omdat het de wil van God is, dat wij door ons lijden en onze boetvaardigheid aan de verdiensten van Christus deelachtig worden,

Christus heeft wel voor ons voldaan ; maar wij moeten door het ware geloof, door het waardig gebruik der H. Sacramenten, door goede werken vooral van boetvaardigheid, ons aan die verdiensten deelachtig maken. Dat willen zeggen : wij moeten die middelen van zaligheid gebruiken om ons deel te krijgen van de overvloedige verdiensten, die Christus door zijn lijden verworven heeft; wij moeten die overvloedige voldoeningen en verdiensten door die genademiddelen op ons toepassen. Christus heeft overvloedige schatten van genaden voor ons verdiend, en als wij nu de boven genoemde zaken doen, staat Hij die schatten aan ons af, waardoor wij dan zalig en heilig worden. Hij kon ons die verdiensten wel toepassen , zonder dat wij er iets voor deden, maar God had besloten ons door lijden zalig te maken; Hij kon het dus wel, maar heeft het niet gewild. Daarom staat er geschreven : wie niet zijn kruis opneemt en Mij volgt, ia Mijner niet waardig....

15 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis van het lijden en den dood van Christus?

A. In de Goede week, bijzonder op Goeden Vrijdag.

Aanbevelen het bidden van den kruisweg.

ocr page 92

88

Vragen over de 10de Les.

1. Leg het antwoord op Vr. 3 uit door eene vergelijking

van schTild en goed.

2. Heeft Jesus Christus ons verlost als God, of als menschP

3. V. 10. W aarom was dat niet noodig P

4. Wat heeft Christus geleden in den hof? bij Caïphas,

Pilatus en Herodes? Eu welk lijden wordt ons voorgesteld op elke der veertien staties ?

6. Wat moet ons vooral aansporen tot geduld in het lijden

en de beoefening van boetvaardigheid P

--

ELFDE LES.

Van de Verrijzenis en Hemelvaart van Christus.

1 V. Welk is het vijfde artikel van het Symbo-lum des Geloofs ?

A. Die is nedergedaald ter helle, den derden dag verrezen van de dooden.

Die ziet terug op Christus.

'Nederdalen is naar de laagte gaan.

Verrijzen wil zeggen: naar de hoogte gaan, oprijzen. Verrijzen van den dood wil zeggen : van den dood opstaan , herleven: opnieuw beginnen te leven om niet meer te sterven.

2 V. Wat heeft Christus na zijnen dood gedaan ?

A. Zijne ziel met de Godheid vereenigd is nedergedaald ter helle.

3 V. Wat verstaat gij door de hel, tot welke de ziel van Christus is nedergedaald?

ocr page 93

89

A. Eene onderaardsche plaats, het voorgebergte der hel genaamd, waar zich de zielen bevonden der rechtvaardige afgestorvenen, die niets meer te boeten hadden.

4 V. Waarom is Christus ter helle nedergedaald ?

A. Om de zielen der heilige Oudvaders en anderen, die in Gods liefde gestorven waren, te troosten en te verlossen.

Door rechtvaardige afgestorvenen worden hier verstaan, brave en heilige overledenen.

Christus daalde bij hen ter helle neer, om hen te troosten en te verlossen.

Die zielen waren daar, omdat de hemel gesloten was. Sommige waren daar reeds drie duizend jaren ; 't was dus voor hen een groote troost, Christus, den Verlosser daar te zien verschijnen, en te vernemen , dat zij spoedig met Hem naar den hemel zouden gaan.

5 V. Wanneer is Christus verrezen ?

A. Op den derden dag van zijnen dood , dat is, des Zondags 's morgens.

Christus heeft geen drie volle dagen in het graf gelegen , maar één vollen dag, den Zaterdag, en twee gedeelten van dagen: den Vrijdag-avond en den Zondag-morgen.

Christus had zijne verrijzenis voorzegd met deze woorden: „ Breekt dezen tempel af (Hij sprak van den tempel zijns lichaams), en in drie dagen zal Ik hem oprichten.quot; (Joan H. 19—22.)

Wij vinden in de natuur, bv. in de Lente, als alles wat te voren dood scheen, begint te herleven, een afbeeldsel van onze herleving en verrijzenis.

ocr page 94

90

ChrietuB verrees door zijn eigen macht, terwijl er verschillende wonderen gebeurden: de aarde beefde, een Engel daalde uit den hemel en wentelde den steen van het graf, zijn aangezicht flikkerde, en zijn kleeding was wit als sneeuw. Na zijn verrijzenis verscheen Christus aan Maria Magdalena. de godvruchtige vrouwen, aan Petrus, de leerlingen van Enmaüs en aan de tien Apostelen zonder Thomas enz.. ..

6 V. Waarom heeft Christus de vijf wonden in zijn verheerlijkt lichaam behouden ?

A. Om daarmede zijne verrijzenis te bevestigen, en om ze aan alle menschen in het oordeel en aan de zaligen in den hemel te toonen.

Christus heeft zijne vijf H. Wonden in zijn verheerlijkt lichaam behouden, om er zijne verrijzenis mee te bevestigen, dat wil zeggen: om door het laten zien van die wonden aan Thomas, en de overige Apostelen, hen te overtuigen, dat Hij dezelfde is, die voor ons aan het kruis gestorven was, wijl Hij de wonden der nagelen en der lans nog bezat, en dat Hij nu leeft, en dus werkelijk verrezen was.

Ten andere heeft Hij ze ook behouden om ze aan alle menschen in het oordeel te toonen en wel aan de rechtvaardigen ten troost, aan de verdoemden tot beschaming , ten bewijze dat ze door eigen schuld verloren zijn gegaan. Want de heilige vijf wonden blijven getuigen, wat Hij leed om ook hen zalig te maken, en dat zij al die liefdeblijken versmaad hebben.

Eindelijk om ze aan ie zaligen in den hemel te toonen.

Het geluk der zaligen in den hemel wordt verhoogd door het aanschouwen van de H. vijf wonden, die Christus in zijn verheerlijkt lichaam heeft willen behouden, omdat de wonden van zijne handen en voeten , en van zijn goddelijk Hart, altoos brandend van liefde, nu mede verheerlijkt zijn, en schitterend van licht en glorie het Hemelhof opluisteren als zoo-

ocr page 95

91

veel zonnen, waarop als met onuitwischbare gouden letteren voortdurend te lezen staat: „ Zóó heeft God de wereld liefgehad.quot; (Joan. Ill: 16.) Zie, zoozeer heb Ik u bemind!

7 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der verrijzenis van Christus?

A. Met het Hoogtyd van Paschen.

Er bestaat ook eene geestelijke verrijzenis, of verrijzen in geestelijken zin; opstaan uit zijn zonden, gebreken en traagheden : zich bekeeren.

8 V. Welk is het zesde artikel van het Symbolum des Geloofs ?

A. Die is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig.

9 V. Wanneer is Christus ten hemel geklommen ?

A. Veertig dagen na zijne verrijzenis.

10 V. Wat heeft Christus gedaan gedurende de veertig dagen , die Hij nog op de aarde gebleven is.

A. Hij verscheen aan zijne Apostelen en sprak met hen over het rijk Gods.

Hoeveel beteekenissen heeft de uitdrukking: Het rijk Gods ?

Drie, ten 1 stc het rijk der hemelen.

Ten 2de het rijk Gods in onze harten, door de genade; want Christus zetelt dan in het hart, dat Hem toebehoort, als een koning op zijn troon, en de neigingen en hartstochten van den mensch, die Hem onderdanig is, zijn als het ware zijne dienaars.

Ten 3de het rijk der Kerk, en dit rijk Gods bedoelen wij

ocr page 96

92

ale wij zeggen: dat Christus met zijne Apostelen sprak over het rijk Gods.

11 V. Hoe is Christus ten hemel geklommen ?

A. Zonder iemands hulp, door zijne eigene macht.

12 V. Wanneer houdt de H. Kerk de gedachtenis der hemelvaart van Christus ?

A. Veertig dagen na Paschen , op onzes Heeren Hemelvaartdag.

13 V. Wat beteekenen de woorden: Hij zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig ?

A. Dat Christus in de opperste rust en in de hoogste eer is bij God den Vader.

Door welke dezer woorden beteekenen wij dat Christus is in de opperste rust P

Door te zeggen : Hij zit.

Door welke, dat Hij is in de hoogste eer bij God den Vader.

Door er bij te voegen: Hij zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig.

Welk onderscheid is er tusschen de Hemelvaart van Christus en van Maria?

V Dat Christus door zijne eigene macht ten Hemel opgeklommen is, en dat Maria ten hemel opgenomen is door de macht van God. — Christus klom ten hemel op den berg van Olijven, ter plaatse waar Hij zijn lijden begon; om ons te herinneren , hoe het lijden tot de glorie leidt.... Toen Christus ten hemel opklom, bleef Hij toch bij ons, niet enkel door zijne genade, macht en alomtegenwoordigheid als God, maar vooral in het H. Sacrament des Altaars.

ocr page 97

93

Vragen over de llde Les.

1. Wat beteekent „ Verrijzenis Pquot;

2. In welken zin is Paaschdag de 3de dag na Christus dood P

3. In hoeveel beteekenissen neemt men „ het rijk Godsquot;

en in welke komt het hier voor P

4. Verklaar de woorden van vraag : 13.

TWAALFDE LES.

Van het laatste Oordeel.

1 V. Welk is het zevende artikel van het Sym-bolum des Geloofs ?

A. Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en dooden.

Vandaar beteekent: van den hemel.

Bij wil zeggen: Jesus Christus.

Oordeelen is onderzoeken of iemand goed of kwaad gedaan heeft, dat bekend maken , en vervolgens hem loon of straf voor zijne daden toekennen. Geschieden deze zaken in het openbaar, dan is het een openbaar oordeel; geschieden zij in het geheim of in het bijzonder, dan is het een bijzonder oordeel.

2 V. Wanneer zal Christus komen oordeelen ?

A. Op het einde der wereld, doch de dag is onbekend.

8 V. Welke teekenen zullen het oordeel voorafgaan ?

A. Ten 1. Eene geweldige vervolging, die de-

ocr page 98

94

Antichrist verwekken zal; ten 2. verscheidene vree-selijke plagen; ten 3. een vuur, dat alles zal verslinden.

De voorteekenen van het oordeel, dat is, do dingen, die vooraf zullen gaan, en aanduiden dat het oordeel nabij is, zijn onder andere deze:

Eene geweldige vervolging van den Antichrist.

Antichrist beteekent; tegen Christus , den tegenstander of vijand van Christus bij uitnemendheid.

Hij zal de Christenen vervolgen , achterna zitten , met geweld als 't ware dwingen, afstand van hun geloof te doen.

Niet zonder grond meent men, dat de Antichrist een jood zal zijn uit den stam van Dan.

Het tweede voorteeken: verscheidene vreeselijke plagen, zooals : oorlogen , pest en andere ziekten , duren tijd , aardbevingen enz. Bovendien de zon zal verduisterd worden, de maan geen licht meer geven, de sterren zullen uit den hemel vallen, enz. En dan — als geheel de natuur het naderend einde der wereld aankondigt — zal het teeken van den Zoon des menschen aan den hemel verschijnen , en dan zullen alle geslachten der aarde weeklagen, en zij zullen den Zoon des mensuhen op de wolken des hemels zien komen met groote kracht en majesteit. En zijne Engelen zal Hij zenden met eene bazuin en groot geschal en zij zullen zijne uitverkorenen vergaderen.

4 V. Hoe zal Christus ten oordeel komen ?

A. In zijn menschelijk lichaam, zichtbaar en met groote heerlijkheid.

5 V. Wien zal Christus komen oordeelen ?

A. Alle menschen, die ooit geleefd hebben.

ocr page 99

95

6 V. Wie zijn de levenden, die Christus zal oordeelen ?

A. Degenen , die omtrent dien tijd zullen leven.

7 V. Zullen de dooden tot den laatsten dag zonder oordeel zijn ?

A. Neen ; ieder mensch wordt terstond na zijnen dood in het bijzonder geoordeeld; maar op den laatsten dag zullen de lichamen en zielen te zamen in in de tegenwoordigheid van alle menschen geoordeeld worden.

Welk onderscheid is er tusschen het algemeen en bijzonder oordeel ?

Ten lste, dat het bijzonder oordeel aanstouds na den dood geschiedt, en het algemeen eerst op het einde der wereld.

Ten 2'le, bij het bijzonder oordeel wordt alleen aan de ziel, bij het algemeen aan lichaam en ziel loon of straf toegekend.

Ten 3'ie, het bijzonder oordeel geschiedt alléén tnsschen God en de ziel; het algemeen oordeel in de tegenwoordigheid van alle menschen.

8 V. Welk vonnis zal Christus in het oordeel uitspreken ?

A. Hij zal de goede menschen met groote liefde tot zich roepen , en hun den hemel geven ; maar de boozen zal Hij met groote gramschap van zich naar de eeuwige verdoemenis jagen.

Gelijk men in zijne jeugd leeft, leeft men in den regel in latere jaren , en gelijk men leeft, sterft men gewoonlijk.

De dood is de weerklank van het leven.

Een goed leven, een goede dood.

ocr page 100

96

Een slecht leven, een slechte dood.

En van een goed of slecht leven of sterven hangt ook een gunstig of ongunstig oordeel af.

Welke middelen kent gij om een genadig oordeel te bekomen ?

Ten lquot;te zich zei ven goed oordeelen; zich niet voor beter houden dan men is. Dit moet men vooral doen, in het gewetens-onderzoek des avonds en bij de biecht.

Oordeelt u zeiven, en gij zult niet veroordeeld worden.

Ten 2de anderen niet veroordeelen, want met de maat waarmee wij uitmeten , wordt ons ook toegemeten.

Ten 3lle barmhartig zijn jegens anderen, en goed voor armen en ongelukkigen. „ Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot;

Vragen over de 12de Les.

1. Wat beteekent oordeel P En hoe dikwijls zullen de

menschen geoordeeld worden ?

2. Door welke middelen kunt ge een genadig oordeel

bekomen ?

3. Waarom gelooft ge, dat er een algemeen oordeel zal

plaats hebben enz. P (Vgl. de Vragen achter de 7dlt;! les, 5.)

ocr page 101

97

DERTIENDE LES.

Van God den Heiligen Geest.

1 V. Welk is het achtste artikel van het Sym-bolum des geloofs?

A. Ik geloof in den H. Geest.

Ik geloof in den H. Geest wil zeggen : Ik neem met mijn verstand aan, dat; de H. Geest bestaat, waarachtig is , en mijn laatste einde is.

2 V. Wat gelooft gij van den Heiligen Geest ?

A. Dat Hij waarlijk God is, en de derde Persoon van de Heilige Drievuldigheid.

In de H. Schrift wordt de H. Geest nadrukkelijk God genoemd b. v. Hand. V ; waar de H. Petrus zegt, dat liegen tegen den H. Geest, liegen is tegen God; — zoo ook worden Hem de goddelijke eigenschappen toegeschreven, zooals de alwetendheid bij Joes XVI. enz. Is Hij waarachtig God, dan kan Hij niet minder zijn, dan de twee andere goddelijke personen. (Vr. 3), en is Hij even oud, omdat Hij van eeuwigheid is; en komt Hem zeker goddelijke eer toe (Vr. 4.)

3 V. Is de Heilige Geest minder dan de andere twee Personen ?

A. Geenszins; maar Hij is van één wezen of ééne natuur met God den Vader en God den Zoon , en even wijs , machtig , eeuwig, enz.

De H. Geest is niet minder dan de andere twee Personen, omdat Hij dezelfde goddelijke natuur heeft, waaruit al Gods volmaaktheden voortkomen ; bijgevolg moeten die van den H.

ocr page 102

98

Geest dezelfde zijn als van den Vader en den 54oon. (Uitgelegd in de les van de H. Drievaldigheid.)

4 V. Wat eer moeten wij aan God den Heiligen Geest bewijzen ?

A. De goddelijke en opperste eer.

Vraag en antwoord geven genoeg te verstaan, dat er meer dan één soort van godsdienstige vereering te onderscheiden is. Wezenlijk verschilt de eer, die wij aan God moeten bewijzen, veel, ja hemelsbreed, oneindig van de eer, die we aan de Heiligen, Gods dienaren, en onder de Heiligen vóór alle anderen aan Maria, als de onbevlekte Maagd en Moeder Gods verschuldigd zijn.

Aan Maria bewijzen wij wel een hoogeren graad van eer dan aan de overige Heiligen, maar geenszins goddelijke eer of aanbidding. Goddelijke eer mogen en moeten we alléén aan God bewijzen. Nu , omdat de Heilige Geest wezenlijk God is, zoowel als God de Vader en God de Zoon, moeten wij ook aan God den Heiligen Geest de goddelijke eer bewijzen. Aan God den H. Geest moeten wij dus ook de opperste eer bewijzen, d. w. z., de allerhoogste eer, de eer, welke wij aan geen enkel louter schepsel, zelfs niet aan Maria, de Moeder Gods , mogen bewijzen , maar alléén aan God , één in wezen, drievuldig in personen, aan God den Vader, den Zoon, en den H. Geest, den derden Persoon der H. Drievuldigheid ; eene eer, waardoor wij erkennen dat Hij met den Vader en den Zoon ons laatste einde is, en wij geheel van Hem afhangen.

5 V. Hoe heeft zich de H. Geest vertoond ?

A. Hij heeft zich vertoond bij den Doop van Christus in de gedaante eener duif, en op Pinksterdag in de gedaante van vurige tongen.

ocr page 103

99

Hij daalde bij ChriBtus doop in de gedaante eener duif neer, om eenige eigenschappen van Christus aan te dniden, bv. zijne goedaardigheid, zijne eenvondigheid en zuiverheid.

De vurige tongen op Pinksterdag beteekenden het vuur der goddelijke liefde, die Hij in de Apostelen kwam ontsteken, en de gaaf der talen, die Hij hnn kwam mededeelen. . .

6 V. Welk is het voornaamste werk van den H. Geest ?

A. Dat Hij de ledematen der ware Kerk van Christus door de mededeeling zijner gratiën heilig maakt.

7 V. Waarom wordt ome heiligmaking aan den H. Geest bijzonder toegeschreven ?

A. Omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon, en uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt.

Het woord „ toegeschrevenquot; dnidt reeds aan, dat de H. Geest niet alleen ons heilig maakt, maar ook de twee andere personen; zooals verklaard is in de de 6,le Les 5de vr.

Om twee redenen, te samen genomen, wordt dus onze heiligmaking aan den H. Geest bijzonder toegeschreven.

Ten lste, omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon. Immers reeds in de 6^ Les, handelend over het mysterie der H. Drievuldigheid, leerden wij , dat God de H. Geest van God den Vader en van God den Zoon te zamen voortkomt door de oneindig volmaakte liefde, waarmeê God de Vader en God de Zoon van alle eeuwigheid elkander beminnen, zóódat God de H. Geest de medezelfstandige Liefde is van God den Vader en God den Zoon.

Ten 2de, omdat uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. Dat wij menschen van zondaren, als wij reeds waren bij onze

ocr page 104

100

geboorte ten gevolge der erfzonde, door het H. Sacrament des Doopsels geheiligd, en in den staat van heiligmakende gratie herschapen werden, en dat we, toen we tot gebruik van ons verstand gekomen, wellicht het ongeluk hadden door dadelijke zonde die heiligmakende gratie weer te verliezen, door eene goede Biecht in staat van gratie hersteld zijn, en dus opnieuw geheiligd werden, het recht op het geluk der Heiligen in den hemel herkregen hebben — dat alles hebben we enkel en alleen aan Gods liefde te danken. Zeker zijn we voor die weldaad zoo goed aan God den Vader, en God den Zoon dank verschuldigd als aan God den H. Geest. Want God de Vader heeft de wereld zoo lief gehad, dat Hij te harer verlossing en heiligmaking zijn eenigen Zoon ten beste gaf (Joh. III. 16). En God de Zoon had alle men-schen zoo lief, dat een ieder onzer het den H. Paulus mag nazeggen ; Hij heeft mij liefgehad en zich zeiven voor mij geleverd. (Br. aan de Galat. II. 23.) Desniettemin wordt onze heiligmaking terecht aan den H. Geest bijzonder toegeschreven, omdat Hij niet alleen de Liefde is van den Vader en den Zoon , maar omdat ook uit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt, of, gelijk de H. Paulus dit uitdrukt: „dewijl Gods liefde uitgestort is in onze harten door den Heiligen O eest, die ons gegeven is.quot; (Br. aan de Rom. V. 5.)

Nota. Niet allen krijgen evenveel genaden van den H. Geest; dit verschil hangt grootendeels af van onze medewerking met de genade die Hij ons verleent.

De voornaamste beletselen tegen de gratiën van den H. Geest, zijn hoogmoed, onkuischheid en liefdeloosheid.

quot;Wij moeten den H. Geest dikwijls aanroepen en om zijne genaden bidden. De gebeden , waardoor wij den H. Geest bijzonder aanroepen, zijn vooral: het Veni Creator, Veni Sanete Spiritus, 7 wees gegroet ter eere van de zeven gaven en 12 wees gegroet ter eere van de 12 vruchten'van den H. Geest. Bovenal moeten wij zorgen zijne inspraken op te volgen...

ocr page 105

101

Wat de genade van den H. Geest in ons uitwerkt, en hoe noodzakelijk zij is, leeren wij het best uit de Apostelen. Zij waren door Christus zeiven opgeleid, enz.; en toch hoe zwak waren zij vlt;5ór..., en hoe sterk na de nederdaling des H. Geestes.... Gewis een reden te meer, om jaarlijks het Pinksterfeest godvruchtig te vieren, en ons daartoe evenals de Apostelen voor te bereiden door gebed, onderlinge liefde, ingetogenheid en in .vereeniging met Maria.

Vragen over de 134e Les.

1. Welk verschil is er tusschen gelooveh in den H. Geest,

en den H. Geest en aan den II. Geest?

2. Waarom is de H. Geest zoo machtig en zoo oud als

de twee andere Personen ?

3. Waarin is de H. Geest van de twee andere Personen

onderscheiden ? En waarin verschilt Hij van Hen niet P

4. Waarom staat in de 7de vraag „toegeschreven?quot;

5. Welke zonden werken de genaden van den H. Geest

bijzonder in ons tegen, en hoe behooren wij ons die genaden waardig te maken P

6. Hoe hebben de Apostelen zich tot de komst van den

H. Geest voorbereid; en hoe blijkt uit hen de noodzakelijkheid zijner genade?

€. 7

ocr page 106

102

TEERTIMDE LES.

Van de H. Kerk.

§ 1-

1 V. Welk is het negende artikel van het Sym-holum des Geloofs ?

Het Ö116 artikel luidt:

A. De H. Katholieke Kerk, gemeenschap der heiligen.

Hier behoort weder vóór te staan: ik geloof, en wij l'njgen dus: ik geloof de Katholieke Kerk, en niet: ik geloof ia de Katholieke Kerk, omdat de Katholieke Kerk mijn laatste einde niet is zoo als God, maar slechts een middel om tot mijn laatste einde te komen. Ik geloof de H. Katholieke Kerk, w. z., ik neem met mijn verstand aan , dat dezelfde H. Kerk, die door Christus gesticht is, nog voortdurend bestaat.

2 V. Wat is de Heilige Kerk in het algemeen ?

' A. De vereeniging van alle geloovigen eu zaligen onder Christus hun Opperhoofd.

Kerk beteekent: vereeniging.

Eene vereeniging zijn eenige personen, die onder één hoofd staan en hetzelfde doen en laten moeten. Zoo kan men de kloosters eene vereeniging noemen, de H. Familie, de Congregatie , broederschappen , enz.

Hoeveel beteekenissen heeft het woord Kerk ?

\ Drie : Ten l,tc het gebouw waar de geloovigen bijeenkomen om te bidden en andere godsdienstoefeningen bij te wonen.

Ten 2,le de Paus en Bisschoppen, als leeraren en hoofden der Kerk.

Ten 3lle de vereeniging van alle geloovigen en zaligen

ocr page 107

103

onder Christus hun Opperhoofd. In de twee laatste betee-

kenissen wordt hier over de Kerk gesproken. In de 3''« Les

van Vr. 8 — 12 komt het woord „Kerkquot; in de tweede be-teekenis voor. —

3 V. Hoeveel deelen zijn er van de Heilige Kerk ? A. Drie: de strijdende Kerk op aarde, de lijdende Kerk in het vagevuur, en de zegepralende Kerk in den hemel.

Wanneer wij de Kerk nemen in de laatste beteekenis, dan wordt zij verdeeld in drie deelen : I. de strijdende Kerk op aarde, jaidns genoemd, omdat wij nog strijden moeten : Ten l»^ tegen den duivel die ons aanhoudend bekoort.

Ten 2lle tegen de wereld, dat is, tegen de menschen, die volgens den geest der wereld leven, voor hun gemak enplei-zier, die maar praten van genieten en groot worden in de wereld, alsof wij alleen voor de aarde geschapen waren; en die zeggen: dat het nog tijd genoeg is om te bidden, naar de kerk te gaan en God te dienen als men oud is; dat men jong zijnde genieten moet, dat men God in de pleizieren ook wel kan dienen.

Doch Christus zegt: niemand kan twee hceren dienen. Wie God en der wereld te gelijk wil dienen, hij zal God vergeten , zijne plichten verwaarloozen en in zonden vallen.

Ten 3'i'- moeten wij strijden tegen het vleesch, onze eigen bedorven natuur, ons eigen lichaam, dat ten koste van God, van onze ziel en van onze plichten , altijd zijn gemak en zijne voldoening zoekt.

Zoo moeten wij strijden om den hemel in te nemen.

II. de lijdende Kerk in het vagevuur, aldus genoemd , omdat de zielen des vagevuurs daar lijden moeten , wijl zij hier niet wettig genoeg gestreden hebben. Zoo zal het ook met ons gaan, als we hier niet voor de overgeblevene schulden onzer zonden voldoen.

ocr page 108

104

III. de zegevierende Krrk in den hemel, omdat de zaligen de zege, de overwinning, de kroon al behaald hebben.

4 V. Wie is het hoofd der H. Kerk ?

A. Het algemeen opperste en onzichtbare Hoofd der Heilige Kerk is Christus; maar het zichtbare Hoofd der Heilige Kerk op aarde is de Paus van Rome. j— Paus heteekent Vader. Hij wordt zoo genoemd, omdat hij de geestelijke vader van alle geloovigen is.

5 V. Waarom noemt gij Christus het onzichtbare Hoofd der Heilige Kerk P

A. Omdat Hij, sedert zijne hemelvaart, op aarde niet meer zichtbaar is.

6 V. Wat is de Heilige Kerk op aarde?

A. De vereeniging van alle geloovige Christenen, die onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome de ware leer van Christus belijden.

Zooals wij zagen, zijn vereenigingen mensohen , die onder één hoofd staan en hetzelfde doen en laten moeten.

De Christenen nu zijn vereenigd door hetzelfde geloof, door dezelfde wetten , die de Kerk hun voorsehrijft.

Zij staan ook allen onder één hoofd Christus, die op aarde vertegenwoordigd wordt door den Paus.

Geloovige Christenen wil zeggen : Christenen, die alles aannemen wat Christus geleerd heeft.

Die onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome, dat is: die terwijl zij zich aan den Paus onderwerpen, Hem gehoorzamen , de ware leer van Christus, dat is : dezelfde leer , die Christus geleerd heeft, gelooven, met hun verstand aannemen,

ocr page 109

105

en belijden, dat is, door woorden en werken ook uiterlijk toonen.

7 V. Wat is de Paus van Rome ?

A. De Stedehouder van Christus zeiven op aarde en de wettige opvolger van den H. Petrus , op wien Christus Zijue Kerk gebouwd heeft.

Dat de Pans de stedehouder van Christus is beteekent; dat de Pans Christus' plaats vervangt, in plaats van Christus de Kerk bestuurt.

Dat Christus op Petfus — d. i. steenrots — zijne Kerk gebouwd heeft, beteekent dat de Kerk op het gezag van Petrus en zijne opvolgers steunt als een huis op de grondslagen. Men noemt den Paus, Paus van Rome, omdat hij tevens Bisschop van Eome is, waar Petrus, wiens opvolger hij is, zijn zetel gevestigd heeft.

Dat de Paus van Rome, Petrus opvolger, het hoofd der geheele Kerk is, blijkt onder anderen ook hieruit, dat Christus na zijne verrijzenis, Petrus tot drie malen toe gelastte zijne schapen en lammeren — d. i. alle geloovigen, grooten en kleinen, aanzienlijken zoowel als minderen — te hoeden.

8 V. Wat zijn de Bisschoppen der H. Kerk ?

A. De Bisschoppen zijn de Prinsen der Heilige Kerk en bekleedea de plaats der Apostelen.

Bisschoppen noemt men Prinsen der Kerk , omdat zij in de Kerk de eerste plaats bekleeden na den Paus.

Eet gaat daarmee als met de koninklijke familie ; hare leden, worden allen prinsen en prinsessen genoemd, omdat zij na den koning de eersten in het land zijn; zoo worden ook de Bisschoppen prinsen genoemd, omdat zij na den Paus de eersten in de Kerk zijn.

ocr page 110

106

Gelijk de Paus de Bisschoppen benoemt en aanstelt over elk Bisdom, zoo worden de Pastoors en overige Priesters over en in elke parochie benoemd en aangesteld door den Bisschop. Zij dienen alle Sacramenten toe, uitgenomen het Vormsel en Priesterschap, waarvan de Bisschoppen de bedienaars zijn.

9 V. Wat zijn de Pastoors en Priesters in de Heilige Kerk?

A. De Pastoors en Priesters zijn de ondergeschikte medehelpers der Bisschoppen vooral in het verkondigen van Gods woord en het toedienen der HH. Sacramenten.

§ 2.

10 V. Waaruit blijkt dat de Roomsch-Katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is ?

A. Hieruit, dat zij alléén de kenteekenen heeft, welke de Kerk van Christus hebben moet.

Alléén in de Hoomsch-Katholieke Kerk kunnen wij heilig en zalig worden. Maar daarom is het ook noodig dat die Kerk kenteekens bezit, waaraan wij haar kunnen kennen, opdat wij ons in een zoo gewichtig punt niet vergissen zouden.

Die kenteekens heeft Christus haar dan ook gegeven.

11 V. Welke zijn deze kenteekenen ?

A. Onder andere deze vier: ten lste dat zij één is; ten 2de dat zij heilig is; ten yd,: dat zij katholiek is; en ten 4lt;le dat zij apostoliek is.

a- Onder andere (dat wil zeggen: dat er nog meer zijn) deze vier:

Ten lste dat zij één is.

ocr page 111

107

12V. Waarin is de eenheid der H. Kerk gelegen ?

A. Dat zij onder één hoofd staat, en in alle stukken des Q-eloofs ééne en dezelfde leer volgt.

Zij is één in hoofd, hetwelk Christus is, die op aarde vertegenwoordigd wordt door den Paus.

£én in leer. Zij leert altijd en overal hetzelfde; terwijl bij de protestanten, de eene dit, de andere dat leert. Dat de leer niet verandert, wanneer er een nienw geloofspunt door de Kerk wordt verkondigd, blijkt uit Les 3. Wij geloofden het reeds in 't algemeen , omdat het door God geopenbaard was, maar nu eerst zijn we daartoe in 't bijzonder verplicht, omdat wij nu door de onfeilbare uitspraak der Eerk volkomen zeker zijn van die openbaring.

Zij is ten 2'1quot;' heilig.

13 V. Waarin bestaat het kenteeken, dat de Kerk heilig is ?

A. Dat hare leer en instellingen heilig zijn; doch voornamelijk dat zij Heiligen voortbrengt en wonderen en gaven bezit, waardoor hare heiligheid ten allek tijde bevestigd wordt.

Heilig in hare leer. Alles, wat zij leert is heilig, en brengt als wij het beoefenen , ook ons tot de heiligheid.

Dat wil zeggen: als wij doen wat de Kerk ons leert, zullen wij zeker braaf en heilig worden. Zoo wederom niet bij de protestanten.

Sommigen leeren b.v. dat men zooveel kwaad kan doen als men wil, dat men toch in dea hemel komt, als men maar gelooft.

Ook zeggen zij , dat wij niet behoeven te vasten of geene boetvaardigheid behoeven te doen, omdat Christus voor ons voldaan heeft.

ocr page 112

108

Een ieder begrijpt, dat die leer niet heilig is, en dat wie deze leer opvolgt, wel verre van een heilig, een losbandig leven zou leiden.

Ten anderen is de Kerk ook heilig in hare instellingen, dat is: hare feestdagen, plechtigheden en gebruiken zijn alle heilig.

Zoo wederom niet bij de protestanten. Zij toch hebben vele feestdagen en plechtigheden, en 't gebruik der .BE. Biecht en andere Sacramenten afgeschaft.

Een zeer voornaam bewijs dat de Kerk heilig is, is daarin gelegen: dat zij heiligen voortbrengt, dat allen, die volgens hare leer en instellingen leven, heilig worden , en dat er in de H. Kerk altijd heiligen zijn geweest, wier heiligheid God door gaven en wonderen ten klaarste kenbaar gemaakt en bewezen heeft, terwijl de protestanten en andere sekten geen enkelen heilige kunnen aanhalen; en eindelijk dat er alléén in de Katholieke Kerk voortdurend mirakelen geschieden , ten bewijze der heiligheid van erkende gelukzaligen en heiligeu.

Zij is ten 3de ook katholiek of algemeen.

14 V. Waarom wordt de H. Kerk katholiek of algemeen genoemd ?

A. Omdat zij alle geloovigen bevat, die van Christus' tijd geweest zijn, en omdat zij verspreid iamp; onder alle volken en in alle landen der wereld.

Zij is algemeen ten l8te wat den tijd aangaat.

Van Christus tijd af is zij er geweest.

De protestanten en andere sekten, dagteekenen veel later. Ten 2de wat de plaats aangaat, zij is verspreid over de gansche wereld; de protestanten integendeel zijn slechts hier en daar op een klein hoekje van de aarde te vinden.

ocr page 113

109

15 V. Waarom wordt de H. Kerk apostoliek genoemd ?

A, Omdat de Herders der Kerk door eene onaf-gebrokene opvolging met de Apostelen verbonden zijn, en omdat de Kerk altijd dezelfde leer belijdt, welke de Apostelen verkondigd hebben.

Zij is ten 4,ie apostoliek, dat wil zeggen: het is dezelfde Kerk welke de Apostelen gegrondvest hebben ; zij heeft dezelfde leer, geloofswaarheden , gebrniken en instellingen die de Apostelen verkondigd en beoefend hebben.

Zij is ook apostoliek, omdat de herders der Kerk, de Pausen, door eene onafgebroken opvolging, met de Apostelen verbonden zijn.

Het is er mee als met een keten, waarvan alle schakels aan elkander sluiten; als men bij de eerste begint, kan men tot de laatste doorgaan, zonder dat er eene opening tusschen is.

Zoo ook als men bij den tegenwoordigen Paus begint, kan men opklimmen tot aan Petrus toe, zonder dat er eene tusschen-ruimte is; als de eene Paus dood was, volgde een andere op.

Bij de protestanten integendeel is er van Luther tot aan Christus eene gaping van 15 eeuwen.

De ware Kerk van Christus wordt bij uitstek de Roomsche Kerk genoemd, omdat reeds haar eerste zichtbaar Opperhoofd de H. Petrus, te Rome zijn zetel gevestigd heeft, — en daarom worden ook wij Roomschen genoemd ter onderscheiding van alle secten, die nog als Christenen of katholieken willen doorgaan, bv. de Orthodoxe Protestanten, Anglicanen , Russen enz.

Vragen over de 14'Je Les.

1. In welke beteekenis wordt het woord Kerk genomen P En in welke beteekenis komt dat woord hier voor P

ocr page 114

110

2. Waarom staat in deze en de volgende artikelen niet

meer het woordje in voor het artikel ?

3. Wat beteekent Petrus, Paus , Stedehouder P

4. Wanneer zijt ge lid der Kerk gewordenP Waardoor?

Is dat een groote weldaad ? — Vgl. Les 2. — En wat zijt ge daarvoor aan God schuldig, en op welken dag bijname ?

5. Waarom heet de ware Kerk: de IloomscheP Waarom

heeten wij Üoomsoh-Katholieken P

YIJÏTIENEE LES.

Van de gemeenschap der Heiligen.

1 V. Wat verstaat gij door de gemeenschap der Heiligen ?

A. De gemeenschap van geestelijke goederen tus-schen de ledematen der H. Kerk onderling en met Christus, hun Opperhoofd.

Door Heiligen verstaan wij hier zoowel de geloovigen op aarde als de zielen in den hemel en in 't vagevnnr.

Gemeenschap beteekent: iets gemeen of samen hebben; in gemeenschap doen , samendoen.

De gemeenschap der heiligen beteekent dns het samendoen der heiligen.

De gemeenschap van geestelijke goederen, het samendoen in geestelijke goederen, als daar zijn; sacrificiën, goede werken, enz.

Onderling , dat is, onder elkander.

Dat samendoen in geestelijke goederen is van veel meer

ocr page 115

Ill

waarde, dan het samendoen, in compa gnie doen, in tijdelijke goederen, omdat de eerste veel meer waarde hebben.

Zij zijn er zoo ver boven verheven als de ziel boven het lichaam, de hemel boven de aarde, de eeuwigheid boven den tijd. Ja, ééne genade is meer waard dan alle schatten der wereld.

Dat samendoen in geestelijke goederen bestaat tnsschende lidmaten der H. Kerk onderling, onder elkander, en met Christus hnn Opperhoofd. Zij bestaat tusschen alle lidmaten van de lijdende, strijdende en zegepralende Kerk.

2 V. Welke gemeenschap hebben hijzonder de ledematen der H. Kerk op aarde met elkander ?

A. Dat zij deelachtig worden aan alle Sacrificiën, openbare gebeden en goede werken, die in de H. Kerk geschieden.

De lidmaten der H. Kerk op aarde, doen met elkander samen, krijgen hnn deel, ten lste in de H. Missen of Sacrificiën , die er opgedragen worden

Ten 2,le in de openbare gebeden, zooals Lof, Vespers en andere gebeden die op naam der H. Kerk geschieden bv. getijden van priesters, kloosterlingen enz.

Ten 3Je in al de goede werken, die er in de H. Kerk over de gansche wereld geschieden.

Wij krijgen dns allen ons deel in al de H. Missen, die er over geheel de wereld gedaan worden, of wij er bij tegenwoordig zijn of niet; maar natnnrlijk meer als wij er bij tegenwoordig zijn, en des te meer als wij er met groote gods-vrucht tegenwoordig zijn.

Zoo ook krijgen wij ons deel aan de gebeden en goede werken , en dat deel wordt afgemeten naar de grootte van ons geloof en onze liefde. Zoo lezen we in de H. Schrift: „ Ik ben deelachtig aan allen die U vreezen.quot; — De Kerk is

ocr page 116

112

een zedelijk lichaam, waarvan ieder katholiek een lid is. — Zoo in ieder huisgezin. — Daarom heeft Christus ons leeren bidden, niet: mijn, maar onze Vader— niet geef mij mijn brood maar geef ons .... ons dagelijksch brood, enz.

3 V. Wie zijn huiten de Gemeenschap der Heilige Kerk op aarde ?

A. De Heidenen, Turken, Joden, Ketters, Scheurmakers , en die in den Kerkelijken Ban zijn.

Buiten de gemeenschap der Kerk wil zeggen : van dat samendoen uitgesloten zijn.

quot;f- Hiervan zijn uitgesloten de heidenen, dat is de ongeloovi-gen , die nooit gedoopt zijn, en de afgodendienaars.

Mahomedanen, die den valsohen profeet Mahomet voor bunnen stichter houden.

Zij wonen vooral in Tarkije (daarom worden zij hier met name Turken genoemd) en in Afrika.

De Joden, dat zijn menschen, die vroeger den waren godsdienst hadden, maar Christus niet als den beloofden Messias erkennen, en nog een anderen verwachten.

Zij verwachten eenen Messias, die hen groot zal maken volgens de wereld; en zij wilden Jesus niet erkennen, omdat Hij arm was.

Ketters, dat zijn menschen , die wel gedoopt zijn, maar hardnekkig een gedeelte van de leer van Christus, wat hun niet aanstaat, verwerpen, of veranderen, zooals de protestanten doen.

Scheurmakers, dat zijn menschen, die we] het ware geloof bebben , maar zich niet aan den Paus willen onderwerpen.

Zij zijn als 't ware van de Kerk afgescheurd, zooals de Jansenisten; doch deze zijn er tegenwoordig ketters bij, omdat zij niet meer alles aannemen wat God veropenbaard

ocr page 117

113

heeft en de H. Kerk ons voorstelt om te gelooven. Eindelijk zijn nog van die gemeenschap uitgesloten, degenen, die in den Kerkelijken ban zijn.

4 V. TFat is de Kerkelijke Ban of excommunicatie?

A Eene geestelijke straf der Heilige Kerk, waardoor de schuldige om zijne misdaad en hardnekkigheid van de gemeenschap der Heilige Kerk wordt uitgesloten.

Kerkelijke ban is eene geestelijke straf die op verschillende zonden staat, b.v. op het mishandelen van Priesters en religieu-sen, het stelen van kerkelijke goederen enz., waardoor men van dat samendoen wordt uitgesloten, dus zijn deel van die geestelijke goederen niet meer krijgt. Excommuniceeren be-teekent dus: buiten de gemeenschap stellen.

5 V. Welke gemeenschap hebhen wij met de zielen in het vagevuur ?

5 A. Dat zij door onze gebeden en goede werken geholpen worden.

Wij doen met de lijdende Kerk, de zielen in het vagevuur samen, door haar onze gebeden en goede werken toe te voegen en daardoor haar te helpen.

6 V. Welke gemeenschap hebben wij in dit leven met de Heiligen in den hemel ?

A. Dat wij geholpen worden door hunne gebeden , en ook door de voldoeningen , die zij in dit leven volbracht hebben.

Wij doen samen met de zegepralende Kerk, de heiligen in den hemel, door dat wij geholpen worden door hunne gebeden en goede werken; daarin deelen wij met hen, doen wij met hen samen.

ocr page 118

114

Wij worden geholpen door de overvloedige voldoeningen der heiligen. De volgende verklaring zal dit duidelijk maken.

Ieder goed werk in staat van gratie en ter eere Gods gedaan levert drie vruchten op ; het geeft verdienste , genade en voldoening.

Ten lste. De verdienste voor den hemel kunnen wij nooit aan iemand afstaan, die blijft voor ons alleen bewaard.

Ten 2de. De genade of het reeht om iets van God te verkrijgen, kunnen wij , als wij willen, voor ons zeiven behouden. Wij kannen er eene goede eerste H. Communie voor vragen, of de overwinning onzer hartstochten , de eene of andere deugd , een zaligen levensstaat, een zaligen dood of iets anders, wat wij noodig hebben.

Maar wij kunnen die vrucht ook aan anderen afstaan, bv. aan de zondaars, door hunne bekeering er voor te vragen, aan de stervenden, om voor hen jeen zaligen dood te verwerven, enz.

Ten 3de geeft ieder goed werk voldoening, dat is, wij voldoen er mee voor onze zonden.

Doch er zijn veel heiligen geweest, die meer afgeboet hebben, dan ze schulden hadden , en wat er op die manier van hunne voldoeningen overbleef, wat zij meer voldeden , dan zij betalen moesten, dat zijn hunne overvloedige voldoeningen , en deze worden bewaard in de schatkist der H. Kerk, en wij krijgen daar ons deel aan.

Het gaat daarmee als in een huisgezin.

Als vader meer geld verdient dan hij noodig heeft, om zijne schuld te betalen, dan gaat het overschot van dat geld in de kast, en de kinderen krijgen daar later hun deelivan.

Zoo krijgen ook wij ons deel van hetgeen de heiligen meer voldaan hebben, dan zij schuldig waren. Vooral worden wij geholpen door de verdiensten en voldoeningen van Christus ; want Christus had voor zich zeiven geen schuld, bijgevolg voor zich zeiven ook niets te boeten, niets te voldoen, en dus zijn alle zijne voldoeningen voor ons. Christus kon boven.

ocr page 119

115

dien ook voor ons verdienen. En daar de verdiensten van Christna oneindig zijn , worden de schatten der H. Kerk ook nooit uitgepnt.

7 V. Waardoor worden de voldoeningen der Heiligen ons toegevoegd ?

A. Door de Aflaten.

Waardoor worden de voldoeningen der heiligen ons toegevoegd ? dat wil zeggen, waardoor krijgen wij ons deel van die voldoeningen P of, wat moeten wij doen om er ons part van te krijgen P

Wij krijgen er een deel van , als wij aflaten verdienen.

8 V. Wat zijn Aflaten ?

A. Kwijtscheldingen der tijdeljjke straffen, die wij voor onze reeds vergevene zonden nog zouden moeten ondergaan.

Aflaten wil zeggen : er afdoen, er wat aflaten.

Aflaten zijn dns afdoeningen of kwijtscheldingen van tijdelijke straflen; bv. als iemand eene rekening moet betalen , en men schrapt er drie of vier gulden van door, dan zijn er die afgedaan of afgelaten : zij zijn hem kwijtgescholden, en hij behoeft ze niet meer te betalen.

Zoo ook ; een kind heeft drie dagen straf, nu doet er de meester twee af; die twee dagen zijn aan het kind kwijtgescholden , 't ia als 't ware twee dagen aflaat voor dat kind.

Zoo doet ook God met ona, wanneer wij aflaten verdienen. Hij laat dan wat van onze atraf af, acheldt er wat van kwijt.

Fan welke straf doet God een gedeelte af, als wij een aflaat verdienen ?

Van onze tijdelijke straffen (niet van fa eeuwige, deze wordt met de zonde vergeven) die wij voor onze reeds vergevene zonden, nog zouden moeten ondergaan.

ocr page 120

116

Das van de tijdelijke straffen die nog zijn overgebleven, van de zonden , dio ons al vergeven zijn.

De zonden zelf worden ons niet vergeven of kwijtgescholden door aflaten.

Die worden ons, als het doodzonden zijn, door de biecht, en als men niet biechten kan, door een volmaakt beronw met den wil van te biechten, kwijtgescholden of vergeven; en de dagelijksche zonden worden nog door vele andere middelen vergeven, bv. door de H. Mis, door een akte van berouw of van liefde , door de H. Communie, door den zegen van een Bisschop, door den zegen welke de Priester voor de H. Communie uitspreekt enz.; er moet natuurlijk altijd berouw bij zijn.

Maar nadat de zonden vergeven zijn, blijven er meestal nog tijdelijke straffen over.

Dat er na het vergeven der zonden, soms tijdelijke strafien overblijven, zien wij duidelijk aan David.

God zond zijn Profeet tot hem, om te zeggen, dat hij gezondigd had, en aanstonds riep David met een berouwvol hart uit: peccaoi! Ik heb gezondigd ! Waarop de Profeet antwoordde: God heeft uwe zonden vergeven , uwe zonden weggenomen.

De eeuwige straf was hem dus vergeven, doch er bleven nog tijdelijke straffen over, want de Profeet zeide : weet echter, koning, dat de strafiende hand Gods niet meer van uw huis wijken zal.

9 V. Wie geeft de aflaten ?

A. De Paus van Rome, de Bisschoppen en sommige andere Oversten der H. Kerk, door de goddelijke macht, die zij over de schatten der H. Kerk ontvangen hebben.

ocr page 121

117

De Pans en Bisschoppen hebben van God de macht ontvangen om aflaten te verleenen.

Zij hebben dus daardoor eene goddelijke macht over de schatten der H. Kerk ontvangen. Christus heeft tot hen gezegd , wat gij op aarde ontbindt, zal in den hemel ontbonden zijn. (Matth. XVI).

10 V. Waaruit lest aan die schatten der H. Kerk ?

A. Uit de oneindige verdiensten en voldoeningen van Christus en de overvloedige voldoeningen der Heiligen. (Zie 6d0 Vr.)

11 V. Wat moeten wij doen om de aflaten te verdienen ?

A. Alles wat de Paus, de Bisschoppen of de andere Oversten der H. Kerk daartoe vereischen.

12 V. Wat wordt er gewoonlijk vereischt om eenen vollen aflaat te verdienen ?

A. Dat men waardiglijk biechte en communiceere, en dat men bidde tot de intentie der H. Kerk.

Men onderscheidt tweederlei soort van aflaten, volle en gedeeltelijke.

Een volle aflaat is een aflaat, waardoor ons alle tijdelijke straflen ten volle worden kwijtgescholden.

Een gedeeltelijke aflaat is een aflaat, waardoor ons een gedeelte van de tijdelijke straffen wordt kwijtgescholden.

Wanneer wij eenen aflaat van 7 jaren, van 40 dagen of quadragenen, enz. verdienen, dan boeten wij daarmee zooveel af voor onze zonden, als vroeger de eerste Christenen af-boetten met zooveel jaren of dagen openbare boete te doen.

C 8

ocr page 122

118

Om nu een aflaat te verdienen j moet men datgene volbrengen , wat diegenen, die den aflaat verleenen, daartoe vereischen ; d. i. men moet dat gebed, dat goed werk, die godvruchtige oefening doen, die kerk bezoeken, enz., waarvoor de aflaat verleend is.

En voor een vollen aflaat wordt gewoonlijk vereischt, dat men waardiglijk biechte en communiceere en bidde ter intentie der H. Eerk. Wij kunnen in staat van doodzonde misaehien wel aflaten voor de geloovige zielen verdienen, maar zeker niet voor ons zeiven. Gewoonlijk wordt biecht en communie voor een vollen aflaat vereischt; gewoonlijk , dus niet altijd, b. v. door het bidden van den Kruisweg , het vereeren van sommige beeldjes van het Kindje Jesus, gewijd te Bethlehem op de plaats waar Christus geboren ia , kan men zonder de HH. Sacramenten te ontvangen, volle aflaten verdienen.

Moet men ook de meening hebben, om den aflaat te verdienen P

Men behoeft zeker niet iederen heer die meening te maken; — men behoeft niet eens te weten, dat men door dit of dat gebed of goed werk een aflaat kan verdienen; maar men moet ten minste in het algemeen zoo gesteld zijn, dat men deelachtig wil worden aan de aflaten , die aan de gebeden of goede werken, welke men doet, gehecht zijn. Verder is het raadzaam, dat men eiken morgen op nieuw de meening maakt om door al wat men dien dag zal doen , de aflaten te verdienen, die daaraan verbonden zijn. En als men daarbij nog weet, welke aflaten dit zijn, zooveel te beter; dan zal men zijne gebeden, enz. met des te meer ijver verrichten.

Vragen over de 15Je Les.

1. Wat beteekent gemeenschap? Wat: gemeenschap der Heiligen ?

ocr page 123

119

2. Waarin doen de leden der drievoudige Kerk samen P

3. Hoe doen de Katholieken hier op aarde samen P Hof

met de zielen des VagevnnrsP (Vr. 5.) Hoe met de Heiligen des Hemels P (Vr. 6.) — Wat beteekent in vr. 6 „voldoeningenquot; P

4. Geef een ander woord voor „Aflaten.quot;

5. Welke waren de overvloedige voldoeningen der Heiligen P

6. Waarom staat in vr. 12 gewoonlijk noodig P Eu welke

aflaten — volle of gedeeltelijke aflaten — kan men verdienen door he bidden van den H. Kruisweg P Welk verschil is er tnsschen volle en gedeeltelijke aflaten P Wat beteekent een aflaat van 7 jaren P

ZESTIENDE LES.

Van de vergiffenis der zonden en de verrijzenis des vleesches.

1 V. Welk is het tiende artikel van het Symholum des Geloofs ?

A. Vergiffenis der zonden.

2 V. Wat belijden wij door dit artikel?

A. Dat er in de H. Kerk vergiffenis te bekomen is van alle zonden, hoe groot en zwaar die ook zijn.

Vergiffenis der zonden beteekent kwijtschelding der zonden. Er zijn geene zonden, hoe groot en zwaar ook, ofdeH. Eerk heeft de macht ze te vergeven.

ocr page 124

120

3 quot;V. Van u-ien heeft de H. Kerk de macht om de zonden te vergeven ?

A. Van Christus zei ven.

Y Eigenlijk komt de macht om zonden te vergeven alleen aan God toe.

Christus heeft die macht omdat Hij God is; en Hij heeft die macht weer overgedaan aan de Kerk.

God heeft alléén de macht om de zonden te vergeven, omdat de zonde tegen God geschiedt.

Als men tegen den koning iets misdaan heeft, dan kan hij dit natuurlijk zelf vergeven, doch hij kan ook een van zijne hovelingen zenden en zeggen : Ga gij naar dien persoon en schenk hem in mijnen naam vergiffenis. Dan heeft die hoveling de macht om dien mensch kwijtschelding van zijne fout en straf te geven , wijl de koning hem die macht gegeven heeft.

Zoo ook heeft Christus de macht om de zonden te vergeven, die Hij als God alléén bezat, aan de Priesters gegeven, toen Hij aan de Apostelen zeide : Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, en wier zonden gij behoudt (niet vergeeft), hun zijn ze behouden (niet vergeven).

Wat gij ontbonden zult hebben op aarde, zal ook ontbonden zijn in den hemel. En wat enz.

.Dat Jesus de macht heeft om de zonden te vergeven, heeft Hij in zijn leven getoond, toen Hij aan den lamme van het Evangelie zeide: Uwe zonden worden u vergeven. Waarop de Farizeeën zeiden; Wie is deze, dat Hij zonden vergeeft? dat kan God alléén. Maar Jesus antwoordde ; Wat is gemakkelijker, te zeggen ; uwe zonden worden u vergeven, of; sta op en wandelP Doch opdat gijlieden moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op aarde om zonden te vergeven, sprak Hij tot den verlamde: Ik zeg u, sta op, neem uw bed op, en ga naar uw huis! En dadelijk stond

ocr page 125

121

hij op voor hunne oogen, nam het bed op, waarop hij gelegen had, en ging naar zijn huis , God verheerlijkende.quot; Zoo toonde dus Jesus, dat Hij even goed macht voor het eene als voor het andere had , dat Hij zoowel zonden vergeven, als zieken genezen kon.

4 V. Door wat middel wordt ons de erfzonde vergeven ?

A. Door het Doopsel.

5 V. Door wat middel worden ons de dagelijksche zonden vergeven ?

A. Door berouw , maar bijzonder door de Biecht.

De dagelijksche zonden worden vooral door de Biecht vergeven , doch, zooals boven reeds gezegd is, ook door de R. Mis, den zegen eens Priesters, het gebruik van wijwater, enz.; doch er moet dan altijd, zooals ook reeds aangestipt is, berouw bij zijn.

Wij moeten een grooten afschrik voor de dagelijksche zonden hebben.

Ten 1«» omdat wij er God, dien goeden Vader, door bedroeven, die ons zoo zeer bemind en zooveel voor ons gedaan heeft.

Ten 2Je omdat onze aiel, die zoo schoon is, er door bevlekt wordt, en mishaaglijk en walgelijk in de oogen van God. Het gaat er mee als met eene tafel, waaraan men eet en drinkt; als het gedaan is , liggen er broodkruimels , melk, koffie enz. op. Als men nu dat alles telkens maar liet liggen, zou die tafel ten laatste zoo vuil worden, dat men een walg zou hebben om er aan te zitten.

Zoo gaat het ook met onze ziel: als wij maar telkens dagelijksche zonden bedrijven, en ze niet uitwisachen , dan wordt onze ziel zoo walgelijk in de oogen van God, dat

ocr page 126

122

Hij er eenen afkeer van begint te krijgen, en op het pnnt staat om ons uit te werpen (uit zijn Hart, uit zijne liefde, door toe te laten, dat wij in doodzonden vallen) gelijk wij uitspuwen wat ons walgt.

Wij moeten, na eene dagelijksche zonde bedreven te hebben, doen , wat moeder doet na het koffie drinken.

Moeder laat de tafel zoo niet liggen, maar veegt ze aanstonds met een doek af.

Zoo ook moeten wij doen, wij moeten onze ziel aanstonds, of zeker eiken avond , suhoon maken door het berouw, dan krijgt God er geen walg van.

Ten S'1'-1 kunnen wij de grootte der dagelijksche zonden afmeten naar de verschrikkelijke pijnen , waardoor God ze in het vagevuur straft.

Op degelijke gronden houdt men , dat dit vuur een waar stoffelijk vuur is , gelijk aan het vuur der hel, uitgenomen dat het niet eeuwig duurt. Daarbij komt nog de tijdelijke pijn vau schade, het voor eenigen tijd derven van Gods aanschijn. Tot die vreeselijke straffen veroordeelt God zijne kinderen, die Hij nochtans meer bemint dan eene moeder hare kinderen. En die straffen verdienen de dagelijksche zonden werkelijk; want God, rechtvaardig zijnde, kan ze niet meer straffen dan ze verdienen. Een kwaad, dat zulke verschrikkelijke straffen verdient, mag men zeker niet klein achten.

Als men telkens als men loog , ongehoorzaam was, oneerbiedig in het bidden en in de kerk, onachtzaam in het leeren en andere plichten, liefdeloos enz. eens een vinger in het vuur moest houden, dan zou men die zonden niet doen; en toch krijgt men er in 't vagevuur veel meer straf voor; niet onze hand, maar geheel onze ziel moet in het vuur, en niet een half uur , maar veel langer, en in een veel vreeselijker vuur dan dat der aarde.

Die redenen zijn wel geschikt om ons een grooten afschrik

ocr page 127

123

voor de dagelijksche zonden in te boezemen en ons tot berouw op te wekken als wij er in gevallen zijn.

6 V. Door wat middel worden ons de doodzonden vergeven ?

A. Na het Doopsel door de Priesterlijke macht in de Biecht, en ook door een volmaakt berouw.

Er staat, dat de zonden, na het doopsel gedaan, door de biecht vergeven worden, omdat de zonden, vóór het doopsel gedaan , door het doopsel vergeven worden.

De grootte van de doodzonde kan men afmeten:

Ten lste aan de grootheid van God, die door de zonde beleedigd wordt. Hoe grooter de persoon is, die beleedigd wordt, hoe grooter de misdaad is. God is oneindig groot, dus is de misdaad ook oneindig groot.

Ten 2lle kunnen wij hare grootheid afmeten aan de vreeselijke hel, de straf der doodzonde.

7 V. Welh is het elfde artikel van het Syniholum des Geloofs ?

A. Verrijzenis des vleesches.

8 V. Wat is te zeggen: Verrijzenis des vleesches ?

A. Dat de doode lichamen der menschen door

Gods almacht uit de aarde weder zullen opstaan en herleven.

Verrijzenis des vleesches; men denke hier dat er voor staat: ik geloof de verrijzenis des vleesches. Verrijzenis beteekent: omhoog komen , uit het graf weer levend opstaan.

Men zegt, verrijzenis des vleesches, dat is , der lichamen, en niet verrijzenis des menschen, want dan zonden wij lichaam «n ziel meenen ; en de ziel kan niet verrijzen, omdat zij niet «terven kan, verrijzen is toch van den dood opstaan.

ocr page 128

124

9 V. In welke gesteltenis zullen de lichamen verrijzen ?

A. Ieder in zijn natuurlijk en volmaakt wezen , nochtans verschillend in hoedanigheid.

In welke gesteltenis zullen de lichamen verrijzen beteekent : hoe zullen ze er uitzien , als zij verrijzen.

Ieder in zijn natuurlijk wezen, dat is: ieder zal dan zijn eigen lichaam, vleesch , beenderen , handen , voeten, enz. terugkrijgen.

In zijn volmaakt wezen, dat wil zeggen : dat de gebreken die men hier aan zijn lichaam had, b. v. één arm of been, één oog of slechte oogen enz. dan niet meer bestaan zullen, maar wij een volmaakt lichaam zonder gebreken terug zullen krijgen.

Verschillend van hoedanigheid wil zeggen ; dat ze echter niet allen eender zullen zijn, maar van elkander in schoonquot; heid en volmaaktheid zullen verschillen.

Die verrijzenis is niet zoo vreemd voor ons. Wij zien die als 't ware ook dikwijls in de natuur. De hoornen en struiken, des winters dor en kaal, ja voor ons oog dood, verrijzen om zoo te zeggen in de lente; zoo ook de bloemen , het koren en andere planten.

Insgelijks de zon : zij gaat 's avonds onder en 's morgens verrijst zij weer voor ons oog.

Het ontwaken uit den slaap is ook een afbeedsel van de verrijzenis: slapende schijnen wij als 't ware dood te zijn, en wakker wordende schijnen wij te herleven.

10 V. Hoedanig zullen de lichamen der zaligen verrijzen ?

A. Geheel klaar, schoon, blinkend, licht, fijn en onlijdelijk.

ocr page 129

125

De lichamen der zaligen zullen klaar verrijzen, dat is : helder en doorzichtig, schoon en blinkend; — licht, niet zwaar, zoodat ze zich zonder moeite of vermoeienis in een oogwenk knnnen begeven werwaarts de ziel verlangt; — fijn, dat is, dnn, subtiel, zoodat ze geen behoefte meer zullen hebben aan voedsel, aan eten of drinken, en zij overal door kunnen, niets hen kan weerhouden. In die beteekenis zegt men ook : de lucht is fijn , omdat ze gemakkelijk door elke opening dringt; het licht is fijn, omdat het zelfs door glas dringt, enz.

Het zal dan met onze lichamen gaan zoo als nu met onze gedachten, die door niets tegengehouden kunnen worden , door geen muren , door niets.

Wij kunnen ons met onze gedachten duizend uren ver, ja de geheele wereld door verplaatsen; zoo zal het dan met ons lichaam gaan.

Onlijdelijk, d. w. z., vrij van alle bederf, kwetsing, pijn en smart, zoodat ze niet meer kunnen lijden.

11 V. Hoedanig zullen de lichamen der verdoemden verrijzen ?

A. Duister , vuil, zwaar , grof en geheel gesteld om te lijden.

Buister : dat is donker, zwart, akelig.

Zwaar: dat is log, lastig, moeilijk te bewegen.

Orof. Wat grof is, is leelijk.

12 V. Wanneer zal die verrijzenis van alle men-schen geschieden ?

A. Op den laatsten dag des oordeels.

Waarom zal Christus nog een algemeen oordeel houden F

Ten l!te. Om den smaad te herstellen, die Hem door zijne rechters in zijn lijden is aangedaan.

ocr page 130

126

Ten 2*'. Om het goede en kwade, dat hier verborgen bleef, bekend te maken, en naar verdiensten te Iconen ofte straffen.

Ten 3dlï. Om zichzelven te rechtvaardigen, dat Hij hier de zondaars dikwijls voorspoed en de rechtvaardigen tegenspoed overzond, hetwelk sommige menschen onrechtvaardig schijnt.

Maakt hier niet veel werk van de schoonheid des lichaams, maar wel van de schoonheid en zuiverheid uwer ziel; want naar die mate zullen beiden eeuwig schoon zijn....

Vragen over de lSde Les.

1. Tegen wien geschiedt de zonde P Wie kan ze dan ver

geven? Kan een beleedigde de macht om te vergeven ook aan andere mededeelen P Heeft God dat gedaan P En aan wie, en met welke woorden ?

2. Waarom behooren wij 's avonds ons geweten te onder

zoeken en over onze zonden een berouw te verwekken P

3. Wat beteekent verrijzenis ? En waarom staat er ver

rijzenis des vleesches, en niet des mensehen P

4. Is er nog een ander soort van verrijzenis P (Les 11

bij vr. 7.)

ocr page 131

127

ZEYEITIEÏfDE LES.

Van het eeuwige leTen.

1 V. Welk is het twaalfde artikel van het Sym-bolum des Geloofs ?

A. Het eeuwig leven.

Er moest weer voor staan: ik geloof het eeuwig leven. Ik geloof, dat er een eeuwig leven bestaat.

2 V. Wat belijden wij door dit artikel ?

A. Dat er na dit leven nog een ander leven is, dat eeuwig zal duren.

Door het eenwig leven verstaan wij vooral den hemel; want ofschoon men in de hel ook wel eeuwig leeft, zou men dit nochtans eerder een eeuwigen dood kunnen noemen.

3 V. Waarheen gaan de zielen der overledenen ?

A. Naar eene van deze drie plaatsen , te weten : naar den hemel, naar de hel of naar het vagevuur.

4 V. Welke zielen gaan naar den hemel?

A. De zielen dergenen, die in de liefde Gods sterven, en niets meer te boeten of te zuiveren hebben.

5 V. Hoelang zal de zaligheid des hemels duren ?

A. Eeuwig.

Het geluk des hemels is zoo groot, dat wij het niet begrijpen kunnen, en ons hart is ook te klein, om al dat geluk in zich op te nemen; daarom staat er in de H. Schrift; wij zullen

ocr page 132

128

ingaan in de vreugde des Heeren , en niet, do vreugde des Heeren zal in ons gaan. Al dat geluk zal niet in ons kunnen gaan, wijl het te groot is , en wij het niet allemaal in ons bevatten kunnen. Even gelijk wij wel in een huis kunnen gaan, maar het huis niet in ons.

Wij zullen geheel van vreugde en geluk vervuld zijn, en dan zal er, om zoo te spreken , nog zoo veel van dat geluk overblijven, dat wij ons nog geheel in dat geluk bevinden en er van omringd zijn.

Geen oog, zegt de H. Paulus, heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen menscheahart is opgekomen , wat God bereid heeft voor die Hem liefhebben.

Dat is: al hadden wij al het schoone gezien, dat er ooit op de wereld beslaan heeft, dan hadden wij nog op verre na niets van het geluk des hemels gezien. En al hadden wij al de schoone muziek of den zang gehoord, die er gehoord is of gehoord zou kunnen worden, dan zou het in de verste verte toch niet bij de verrukkelijke muziek des hemels halen ; en al zou men duizend jaren besteden, om alle mogelijk geluk uit te denken , dan zou men toch het minste geluk des hemels niet bedacht hebben; want dat geluk is zoo groot, dat het nooit in 's menschen gedachten kan opkomen. En dat geluk zal eeuwig duren, zonder dat wij behoeven te vreezen, dat het ons ooit ontnomen zal worden. De vreugde der wereld echter is kort en vergankelijk, en de gedachte, dat alle wereldsch pleizier zoo spoedig een einde neemt, en niets van zich achter laat, (dan de spijt dat het voorbij is , en als het zondige vermaken waren, de straf) vergalt alle geluk, en verbittert de zoetste vreugde.

Behalve dat de doodzonde ons voor eeuwig uit den hemel sluit, zijn er nog twee zaken , die er ons voor eenen tijd uitsluiten, nl. de dagelijksche zonden en de overgebleven straffen van dood- en dagelijksche zonden.

Wij zien daar weer uit, hoezeer de dagelijksche zonden

ocr page 133

129

aan God mishagen , en hoezeer wij er op bedacht moeten zijn, om ze vooral 's avonds door een oprecht berouw uit te wisschen.

6 V. Wat verstaat gij door het vagevuur?

A, Eene plaats, in welke de zielen der overledene rechtvaardigen door het vuur en andere straffen van hunne schulden gezuiverd worden

7 V. Welke zielen gaan naar het vagevuur ?

A. De zielen dergenen, die wel in de liefde Gods sterven , maar nog niet geheel voldaan hebben voor hunne zonden.

Vagevuur beteekent: zuiveringsplaats.

Fayevuur , vegewnr : even als een doek het vuil afveegt, of zoo als het vuur als het ware den roest van het ijzer veegt, zoo veegt het vagevuur de schuld-vlekken van de zielen der overledene rechtvaardigen. Door de zielen der overledene rechtvaardigen worden hier — gelijk uit het zevende antwoord blijkt — verstaan : de zielen dergenen die wel in de liefde Gods gestorven zijn, maar bij hun dood nog niet geheel voldaan hebben voor hunne zonden.

De Catechismus voegt er bij , dat die zielen daar door het vuur en andere straffen van hunne schulden gezuiverd worden.

Dat men dit vuur voor een waar, stoffelijk vuur dient te houden , is reeds bij de uitlegging van de 5,,e V. der vorige Les aangemerkt. Door dat vuur zullen de zielen der overledene rechtvaardigen op menige wonderbare wijze gepijnigd worden, zoodat door het vuur hier tevens de andere straffen schijnen aangeduid, waardoor die rechtvaardigen van hunne overgeblevene schnlden gezuiverd worden.

Beteekent dus vagevuur , eene zuiveringsplaats , dan mag men deszelfs vuur ook een zuiverings- of zuiverend vuur

ocr page 134

130

noemen, dus ook in die hoedanigheid verschillend van 't vuur der hel.

Wij kunnen het vagevuur gemakkelijk ontgaan, als wij hier maar buete doen, en den tegenspoed en al het onaangename en lastige dat ons overkomt, maar tot boeting onzer zonden aannemen.

Onder die boete kunnen wij alles rekenen, wat wij niet gaarne doen, b.v. 'smorgens ijverig opstaan, in school en kerk en catechismus stil zitten.

Het is zeer nuttig, 's morgens aan God te zeggen, dat men al het onaangename, wat ons overkomt, zooals : koude, hitte, honger, dorst, pijn enz. aanneemt tot boeting zijner zonden, dan zal men het gemakkelijker en met meer verdiensten lijden.

Tijdens dit leven is God barmhartig en kunnen wij met ■weinig veel bij Hem afdoen ; hierna is Hij rechtvaardig en moet alles gestreng tot den laatsten penning betaald worden. Daarom moeten wij ;

Ten lste zorgen onze eigene zonden hier uit te boeten, en

Ten 2'le medelijden hebben met de zielen in het vagevuur haar helpen door veel voor haar te bidden.

8 V. Hoe lang blijven de zielen in het vagevuur?

Tótdat zij door haar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben, of door de hulp van anderen verlost worden.

Uit dit antwoord blijkt genoegzaam , dat de arme zieltjes in het vagevuur zelf alleen door baar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid kunnen voldoen, en er in moeten blijven, totdat zij door haar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben , als wij haar niet te hulp komen.

Keeds deze waarheid moest meer dan voldoende zijn om

ocr page 135

131

ons te bewegen tot medelijden met die arme zielen, en ons op te wekken haar te verlossen.

Als we hier iemand in 't vuur zagen liggen, vooral iemand die ons dierbaar is , bv. vader of moeder, zuster of broeder, een weldoener of vriend, ja ook maar een onbekend mensoh, zouden we hem niet uit het vuur redden , uit de vlammen verlossen, als we maar eenigszins konden P Zeker. Welnu, wij kunnen zonder eenig gevaar niet alleen, maar met groot voordeel voor ons zei ven, door velerlei en zeer gemakkelijke middelen de zielen uit het vagevuur verlossen of althans hare pijnen verkorten.

9 V. Door welk middel hunnen, de zielen uit het vagevuur verlost of hare pijnen verkort worden ?

A. Door de gebeden en goede werken der levenden, en bijzonder door de H. Offerande der Mis en het toevoegen van aflaten.

De voornaamste middelen om haar te helpen zijn: de H. Mis en de aflaten.

Maken wij dus bij elke Mis en 's morgens bij de opdracht onzer afïaten de intentie om de geloovige zielen daaraan deelachtig te maken.

Voor welke zielen dienen wij het meest te bidden?

Ten lquot;te voor die zielen , waaraan wij de meeste verplichting hebben, zooals : onze ouders, familie, weldoeners of degenen waarvan wij zeiven de schuld zijn dut zij lijden, omdat wij hen tot de zonden gebracht hebben.

Ten 2110 voor de meest verlatene zielen.

Ten. 3'k' voor de zielen die het naast bij hare verlossing zijn.

Wij mogen door de zielen des vage vuurs ook veel voor ons zeiven en de zondaars vragen. Zij kunnen niet voor zich, maar wel voor anderen bidden en verkrijgen.

ocr page 136

132

Men veronderstelt ook dat zij weten wie haar verlost; zij znllen dus zeker uit dankbaarheid voor ons bidden.

10 V. Wat is de hel?

A. Eene onderaardsche plaats van onbegrijpelijke pijnen en smarten, die God bereid heeft om de duivels en de verdoemden eeuwig te straffen.

Eene onderaardsche plaats, d. w. z., eene plaats onder de aarde, welke wij met onze voeten betreden; ook daar dicht bij denkt men het vagevuur.

Van onbegrijpelijke pijnen en smarten. Welke pijnen en smarten de verdoemden in de hel lijden, leert de Catechismus in de laatste Les, 8st« Vraag.

Die God bereid heeft om de duivels en de verdoemden eeuwig te straffen.

Overwege hier eenieder ter bevestiging van dit antwoord , en ter bevestiging in de heilzame vreeze Gods, het vonnis, dat Jesus tegen de verdoemden zal uitspreken: Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwig vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen, dat is, zijne volgelingen, zijn aanhang, dis in hun leven God door doodzonde hebben verlaten en den duivel aangehangen, en zonder oprechte boetvaardigheid , in staat van doodzonde gestorven zijn.

11 V. Waarheen gaan de zielen dergenen, die in staat van doodzonde sterven ?

A. Naar de hel.

In de 40quot;« Les v. 8 verzekert de Catechismus, dat ééne doodzonde gedaan te hebben genoeg is om naar de hel te gaan, als men er geene oprechte boetvaardigheid over doet. Zoo groot is dus de boosheid ook van slechts ééne enkele doodzonde, dat de ziel dergenen, die er in sterven , door

ocr page 137

133

God, den rechtvaardigen Hechter, moet verwezen worden naar de eenwige straffen der hel.

En toch, hoevele Christenen maken er als niets uit, eene doodzonde te bedrijven. Hoevelen leven roekeloos in staat van doodzonde voort, zonder te bedenken dat ze elk oogen-blik in dien staat kunnen sterven !

Amen achter de twaalf artikelen beteekent: Het is zoo; alles wat hier gezegd is , is waar.

Achter het Onze Vader beteekent amen: Het zij zoo ; moge alles zoo gebeuren , als wij hier gevraagd hebben.

Vragen over de 17de Les.

1. Waarom wordt de zuiveringsplaats terecht vagevuur genoemd F

3. Waarheen gaat de mensch als hij sterft?

3. Op welk geloofsartikel steunen de antwoorden op

vr. 8 en 9 P

4. Waarom gelooft ge, dat er een vagevuur is P Hoe

weet ge, dat God dit geopenbaard heeft P Hoe weet ge, dat de Kerk dit leert P (Zie 3115 Les blz. 29 onderaan).

5. Waarom moet de hel eeuwig duren P of waarom ver

dient een enkele doodzonde eene eeuwige straf P

6. Wie zijn in de hel om ééne doodzonde P

9

C.

ocr page 138

134

TWEEDE DEEL.

--

ACHTTIENDE LES.

Van de Hoop en het Gebed.

1 V. Wat is de Hoop ?

A. Eene deugd en gave Gods, door welke wij met een vast vertrouwen van God verwachten de eeuwige zaligheid en alles wat ons daartoe helpen kan.

De hoop komt uit het geloof voort.

Als wij Gods eigenschappen , vooral zijne almacht, goedheid en getrouwheid, door het geloof hebben leeren kennen, dan volgt daar als van zelf uit, dat wij op Hem hopen zullen.

Hopen is vertrouwelijk iets goeds verwachten.

Verwachten wij nu vertrouwelijk iets goeds van de menschen, dan hebben wij eene menschelijke hoop; maar verwachten wij vertrouwelijk van God het eeuwig leven en al wat ons daartoe helpen kan , dan hebben wij eene goddelijke hoop.

Wanneer wij nu en dan eens op God vertrouwen, dan hebben wij nog de goddelijke deugd van hoop niet. Dan verrichten wij alleen akten van die deugd. Maar wanneer die deugd zoo in ons is, dat zij ons tot vertrouwen op God aanspoort, daartoe genegen maakt, zoodat wij voortdurend in alle omstandigheden op God vertrouwen, dan is het eene deugd in ons, omdat wij dan in onze ziel genegen zijn op God te hopen.

(Zoo is het ook met de andere deugden.)

De hoop is eene deugd, omdat zij ons genegen maakt om

ocr page 139

135

goed, om wel te doen. Het goede waartoe zij ons genegen maakt, is : Gods goedheid , almacht, en getrouwheid in zijne beloften te vereeren; zoodat wij ons, ondanks alle moeilijkheden daarop, verlaten.

2 V. Waarom wordt de Hoop genoemd eene qave Gods ?

A. Omdat zij ons van God gegeven wordt zonder onze verdiensten , en wij ze uit ons zeiven niet kunnen hebben. {Vgl. Les 3. vr. 1.)

Wij krijgen die deugd met de andere goddelijke en bovennatuurlijke deugden in het doopsel.

3 V. Hoe wordt de Hoop verloren ?

A. Door wanhoop en vermetel vertrouwen.

De hoop wordt door wanhoop en soms door vermetel vertrouwen verloren, en ook door het geloof te verliezen; want als we het geloof verliezen, dan gelooven wij niet meer dat God waarachtig, goed en almachtig is, en kunnen dus ook niet op Hem hopen.

Wanhopen is niet of te weinig hopen. Zoo iemand denkt: mijne zonden zijn te groot, God zal ze niet vergeven , hij twijfelt aan Gods goedheid , hij hoopt niet of te weinig.

Vermetel vertrouwen, waardoor de Hoop verloren wordt, is te -ceel hopen; b.v. als iemand kwaad doet, omdat God goed is. Hij denkt; juist omdat God zoo goed is, zal ik er maar vrij op aan zondigen; Hij is te goed om mij met de hel te straffen.

4 V. Wat moeten wij van God hopen, (Of; welk is het voorwerp onzer Hoop) ?

A. De eeuwige zaligheid en al de middelen , die daartoe noodig zijn.

ocr page 140

136

De eeuwige zaligheid zal bestaan in God te zien, te bezitten , te genieten. Waarom zal dat zien en aanschouwen van Ood ons gelukkig maken?

Als wij God zien, dan kennen wij God ; als wij God in den hemel kennen, dan beminnen wij God ; als wij God in den hemel beminnen, schenkt Hij daarvoor zich zeiven aan ons, dus dan bezitten wij God; en als wij God bezitten, dan genieten we God en in God alle goed. Want in God is alle goed in de hoogste mate vereenigd; God is het opperste goed.

Het voorwerp onzer hoop is dns Ood, en alles wat er noodig is om tot het bezit van God , tot de eeuwige zaligheid te geraken. De middelen, ter zaligheid noodig, zijn op de eerste plaats de heiligmakende genade , en de dadelijke genaden die God ons geeft. Verder het gebed en de H. Sacramenten, omdat wij daardoor de heiligmakende genade en bijzondere dadelijke genaden van God verkrijgen. (Vr. 7.)

5 V. Hoe moeten wij dit van God hopen ? A. Met een vast vertrouwen.

Onze hoop moet vast zijn. Wij moeten niet twijfelen, of denken: zou God mij wel geven wat mij zalig is ? Alles wat ons zalig is, geeft God mildelijk aan allen die er Hem om bidden gelijk het behoort. Men vrage dus dat alles met geloof, vastelijk geloovende aan, vertrouwende op Gods belofte , niet twijfelende; want die twijfelt, is gelijk aan eene zeegolf, die door den wind bewogen en herwaarts en derwaarts geslingerd wordt. Mij meene dan niet, die mensch , dat hij iets van hetgeen hij zóó van God zou vragen , van den Heer ontvangen zal, juist omdat hij de middelen, die ter eeuwige zaligheid noodig zijn, niet met een vast vertrouwen van God hoopt. (Vgl. den Brief v. d. H. Jacobus, I. 5—7.) Christus vorderde ook in het Evangelie een geloovig vertrouwen, alvorens een wonder te doen.

ocr page 141

137

6 V. Waarom moeten icij met een vast vertrouwen op God hopen ?

Welk is de beweegreden van onze Hoop, of, waarom moeten wij hopen ?

A. Omdat God is oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften.

Met andere woorden, hetzelfde; W aarop steunt onze Hoop P Op Gods goedheid, almacht en getrouwheid in zijne beloften. God kan ons dus den hemel geven, omdat Hij almachtig is. (Om dit te kunnen is macht noodig.)

Hij wil hem ons geven, omdat Hij oneindig goed is jegens ons.

Hij zal hem ons geven, omdat Hij getrouw is in zijne beloften.

7 V. Welke middelen zijn er om te verkrijgen hetgeen wij hopen ?

A. Een godvruchtig leven, goede werken, en bijzonder het gebed.

De middelen om te verkrijgen hetgeen wij hopen , zijn in het algemeen :

Ten lste een godvruchtig leven.

Ten 2'ie goede werken.

Ten 3',e vooral het gebed.

1°. Wie leidt een godvruchtig leven ? Die de gewoonte heeft Gods heiligen wil in alles trouw te volbrengen. Nu wat God van ons wil, weten wij uit de tien geboden Gods, de vijf geboden der H. JLerk , en de plichten van onzen staat. Deze zijn voor alle menscben niet dezelfde. De plichten van een kind zijn vooral gehoorzaamheid, leerzaamheid en godsdiens-

ocr page 142

138

tigheid, zedigheid en kaisuhheid. (Vgl. Isquot;-- Les bladz. 14.) Het bestaat dus niet in veel en lang bidden, in dikwijls com-mnniceeren, in veel naar de kerk te gaan ; dit zijn enkel middelen om godvruchtig te kunnen leven, indien ze met wijsheid gebruikt worden. Een goed teeken van godvruchtigheid en een noodzakelijk vereischte voor dezelve is de gevoegzaamheid , de inschikkelijkheid , veel kunnen verdragen , enz.

2quot;. Door goede werken worden hier verstaan alle werken , die wij, geholpen door Gods dadelijke gratie, met een bovennatuurlijk inzicht (d. i. ter eere Gods) verrichten. Als iemand niet in staat van gratie , maar in staat van doodzonde is , dan zijn znlke goede werken voor hem middelen om van God barmhartigheid en vergiffenis te bekomen; doch als men ze in staat van gratie verricht, zijn zij verdienstelijk voor den Hemel. Wie dit goed begrijpt, zal er uit besluiten: Ik zal zorgen om niet alleen bij al wat ik doe, eene goede meening te hebben, het te doen ter eere Gods, maar ook om alles te doen in staat van gratie ; want dan wordt alles, ook wat op zich zelf nog zoo gering of onverschillig is (b. v. eten en drinken), mij tot verdienste aangerekend.

(Het voorbeeld van den kluizenaar, wiens voetstappen door den Engel geteld werden , aanhalen.)

3°. Vooral het gebed.

8 V. Wat is het gebed ?

A. Eene samenspraak met God , waardoor wij de begeerten en gevoelens van ons hart aan God te kennen geven.

Als wij bidden, spreken we dus met God zeiven! Eeeds uit den aard van het gebed volgt dus de waardigheid van het gebed, en dat men altoos — gelijk op de 10'le V. geantwoord wordt — met grooten eerbied, aandacht en volharding moet bidden. Omdat God alom tegenwoordig is, en harten en

ocr page 143

139

nieren doorschouwt, het binnenste van ons hart doorziet, kunnen wij overal bidden, met God spreken, zonder dat anderen het zien of merken kunnen; zonder teekenen of woorden te gebruiken, door alleen inwendig ons hart tot God te verheffen, de begeerten en gevoelens van ons hart aan God te kennen te geven. De begeerten van om hart wil hier zeggen, datgene wat we van God verlangen en hopen te verkrijgen. Veelsoortig zijn de gevoelens van ons hart die wij in 't gebed aan God kunnen te kennen geven; b.v. gevoelens van geloof, hoop , liefde , berouw , dankbaarheid, ootmoedigheid, bereidvaardigheid om. God voortaan beter en trouwer te dienen , ook gevoelens van droefheid, verdriet, vrees, enz. enz.

9 V. Wat is de reden, dat velen hidden en niet verkrijgen ?

A. Omdat zij niet bidden gelijk het behoort, of dingen begeeren, die hun schadelijk of min voordeelig zijn.

Er zijn dus twee redenen, waarom velen bidden en niet verkrijgen.

De eerste reden is : Omdat zij niet bidden gelijk het behoort. Hoe men moet bidden om te verkrijgen, leert het antwoord op de volgende, de 10lc V.

De tweede reden is : Omdat zij dingen begeeren, die hun schadelijk of min voordeelig zijn. Deze reden wordt verklaard in de llJe V.

10 V. Hoe moet men bidden?

A Met grooten eerbied , aandacht en volharding.

Met eerbied bidden is uitwendig eene nette houding aannemen , zóó als het past aan een schepsel, dat spreekt met zijnen Schepper. Eene nette houding, dus niet hangen, liggen, rondzien of draaien. Met aandacht bidden is denken, wat

ocr page 144

140

men zegt en met Wien men spreekt. Met volharding bidden, dat is : blijven bidden, niet opbonden, God als het ware lastig vallen, totdat men verhoord wordt.

Bidden zonder aandacht heet men verstrooid bidden, omdat onze gedachten nu hier dan daarop gevestigd, als het ware gelijk strooisel verspreid zijn. Onvrijwillige verstrooidheid hindert ons bidden niet. Men kan echter op tweevoudige wijze vrijwillig verstrooid ziju : door het rechtstreeks te zoeken, b. v. met rondzien, opzettelijk met andere zaken zich bezighouden enz.; en door de oorzaak daartoe te stellen zonder het opzettelijk te willen, b. v. met te gaan zitten op een plaats, waar men verstrooidheden voorzien kan.

II V. Mag men alle dingen op dezelfde wijze hegeeren in het gebed ?

A. Neen, want geestelijke dingen mag men onvoorwaardelijk begeeren ; maar tijdelijke dingen voor zoover zij dienstig zijn ter zaligheid.

Oeestelijke dingen , dat is , dingen die betrekking hebben of nuttig zijn voor de zaligheid onzer ziel, welke een geest is (en daarom geestelijke dingen genoemd worden) mag men onvoorwaardelijk begeeren , dat is zonder voorwaarde; daar behoeven wij niet bij te zeggen; als het ons zalig is, want die zijn ons zeker zalig. Maar tijdelijke dingen, dat is, die het lichamelijk, het tijdelijk leven, aangaan, zooals spijzen , kleederen, gezondheid, geld, goed, eer enz., moeten wij vragen op voorwaarde, dat ze ons zalig zijn, dat wil zeggen : dat die dingen ons helpen om zekerder in den hemel te komen, ten minste, dat ze daartoe geen beletsel zijn.

Hoort, wat daarvan de H. Apostel Jacobus in hoofdzaak zegt: Wat gij aan tijdelijk goed voor u zeiven en de uwen behoeft, zou God u verleenen, indien gij er Hem om badt; maar gij bidt niet, of, ja, gij bidt, maar verkrijgt toch niet, omdat gij kwalijk bidt, omdat gij met eene verkeerde bedoeling

ocr page 145

141

bidt, omdat gij de tijdelijke goederen , waar gij om bidt, in moe begeerlijkheden, tot voldoening van uwe verkeerde zinnelijke lusten wilt doorbrengen. (IV. 3. 4.)

12 V. Wanneer behoort men te hidden?

A. 'a Morgens als men opstaat, 's avonds als men slapen gaat, vóór en na het eten , bijzonder als men in de kerk is of eenige bekoring of moeielijkheid heeft.

Welk middel kent gij om altijd te bidden ?

Al wat wij doen , voor God doen en om zijnen wil te volbrengen. Dan is al ons werken bidden.

Hier bevele men den kinderen dringend aan het morgenen avondgebed trouw en goed te doen; men late ieder kind het morgen- en avondgebed van den Catechismus (bl. 78, 79) opzeggen.

Men prijze hun ook aan, eerbiedig te bidden vóór en na het eten, en bij voorkomende bekoringen of moeilijkheden aanstonds een schietgebed te doen , vooral de zoete namen van Jesus , Maria, Joseph aan te roepen.

Als beweegredenen voor morgen- en avondgebed kan men aanhalen, 1° dat God daarop recht heeft, als zijnde ons eerste begin en laqtste einde; dus moeten wij met God den dag beginnen en eindigen; 2° 'tls een middel om Gods zegen te verkrijgen, en dank te betuigen voor ontvangene weldaden ; 3° Christus heeft beide ons geleerd door zijn voorbeeld; wij lezen in het Evangelie, dat Hij nog den laatsten avond volgens zijn gewoonte, met levensgevaar, in den Olijfhof ging bidden; en zeer dikwijls, dat Hij 's morgens vroeg bidden ging. Voor het tafelgebed pleiten bijna dezelfde redenen : zegen over — dank voor de spijzen ; Christus' voorbeeld bij de vermenigvuldiging der brooden , in het avondmaal enz. ..

In de kerk: De kerk toch is bestemd om te bidden; hoe weerde Christus diegenen, die er kwamen om niet te bidden ! —

ocr page 146

142

Eindelijk in de bekoringen leerde ChristuB ons bidden in de woestijn : en in moeilijkheid in den hof van Olijven enz....

Vragen over de 18de Les.

1. Wat beteekent hopen ? Wanneer is de hoop in ons

eene dengd ? Eene goddelijke deugd P

2. Wat is er noodig om redelijk op iemand te vertrouwen,

en zijn die vereischten in God P Op welke eigenschappen van God steunt dan onze hoop P

3. Waarin bestaat een godvruchtig leven niet ? Waarin

wel ?

4. Kan ik met eten, spelen, enz. den hemel ook verdienen ;

en wanneer, of hoe moet het dan geschieden P

5. Met wien en waarover spreekt ge, als ge bidt P Kan

men ook bidden zonder spreken, of inwendig P

6. Wat is bidden met eerbied, aandacht, verstrooidheid P

En waarom heet men het verstrooid bidden , als men onder het gebed met andere zaken in den geest bezig is P Is zulk gebed altijd slecht P Kan iemand vrijwillig'verstrooid zijn, al zegt hij ook het niet te willen P En hoe velerlei is de vrijwillige verstrooidheid P

7. Wat zijn geestelijke, wat tijdelijke dingen P Wat is voor

waardelijk , wat onvoorwaardelijk bidden P

8. Haalt drie redenen aan , waarom men 's morgens en

's avonds moet bidden; en waarom voor en na het eten P

ocr page 147

143

NEGENTIENDE LES.

Oyer het Onze Vader.

1 V. Welk is het waardigste en beste gebed ?

A. Het Gebed des Heeren of het Onze Vader.

Het waardigste en beste gebed is het Gebed des Heeren of het Onze Vader. Het heet: het gebed des Heeren , omdat het gemaakt is door Christus, die om bijzondere reden meer, d. w. z., meermalen dan God de Vader, Onze Heer genoemd wordt. (Vgl. 6 Les 6 V., en 9 Les 11 V.) Het gebed des Heeren wordt ook het Onze Vader, in 't Latijn, Pater noster, genoemd, omdat het met die woorden begint.

2 V. Waarom is het Onze Vader het waardigste en beste gebed ?

^A.. Omdat het van Christus den Oppersten Leermeester gemaakt is, en alles bevat, wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.

gt;Het Onze Vader is ten le, het waardigste, d. w. z., het eerbiedwaardigste gebed , het gebed dat boven alle andere gebeden onzen eerbied en onze hoogachting waardig is, verdient , omdat het gemaakt is, niet door een louter mensch, noch door een Engel, maar van, door Christus zeiven, die als God en mensch de Opperste Leermeester is, die het zelf aan zijne Apostelen, en in hen aan alle Christenen, zijne leerlingen, geleerd heeft.

Het Onze Vader is ten 2dl!, het beste van alle gebeden, omdat het alles bevat, inhoudt, wat wij naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid, noodig hebben om en hier en hiernamaals gelukkig te zijn.

Het Onze Vader is dns het beste gebed om zijn inhoud, het waardigste om zijn maker.

ocr page 148

144

3 V. Zeg het Onze Vader.

A. Onze Vader, die in de hemelen zijt;

1. Geheiligd zij Uw naam ;

2. Ons toekome Uw rijk ;

3. Uw wil geschiede op aarde als in den hemel;

4. Geef ons heden ons dagelijksch brood;

5. En vergeef ons onze schulden , gelijk wij vergeven onzen schuldenaren;

6. En leid ons niet in bekoring;

7. Maar verlos ons van den kwade. Amen.

Het Onze Vader bestaat uit eene inleiding , zeven vragen, en het slotwoordje; Amen , dat hier beteekent: Het zij zoo. (Vgl. bl. 133.)

Eene inleiding, in 'talgemeen genomen, is iets dat de eigenlijk te behandelen zaak voorafgaat. Bv., als een kind aan vader of moeder een brief schrijft om iets te vragen , dan zet dat kind als inleiding voorop: „ Dierbare Vader en Moeder.quot;

Heeft men iets van een eerbiedwaardig Heer te verzoeken, dan valt men zoo maar niet met de deur in 't huis, dan zegt men zoo maar niet plomp weg : Geef me, a. j. b., dit en dat, maar men maakt zijne inleiding, naar behooren, door Mr. beleefd te groeten , met twee moorden aan te spreken , en dus te zeggen , naar gelang van de waardigheid des per-soons: Mr., Eerw. Hr., enz., wilt ge zoo goed zijn mij te geven , enz., mag ik verzoeken , enz.

Eischt reeds de burgerlijke beleefdheid, dat men zich van deze of soortgelijke inleiding bediene , als men iets van een eerbiedwaardig persoon te vragen heeft, dan begrijpt ge van zelf, dat dit nog veel meer passend is , ja , vereiseht wordt als wij, nietige schepselen, God komen bidden om alles, wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.

ocr page 149

145

Wij mogen onzen Heer Jesns Christus wel dank zeggen , bedanken, dat Hij ons geleerd heeft op zoo vertrouwelijken, voet zijn hemelschen Vader aan te spreken, door in de inleiding van het gebed des Heeren te zeggen : Onze Vader, die in de hemelen zijt. Want al de redenen, waarom wij God Onze Vader mogen noemen , zijn even zooveel bewijzen van zijne overgroote goedheid en liefde jegens ons. Elk woord van dit gebed vloeide nit zijn goddelijk Hart, drukt de gevoelens van Jesns' Hart nit; bij gevolg knnnen wij zeer geschikt onder ons wachtunr dit gebed bidden, of den zin er van overwegen.

4 V. Waarom noemen wij God Onzen Vader ?

A. Omdat H|j ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, door het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen en voor ona de hemelsche erfenis bereid heeft.

Wij noemen God, één in wezen, drievuldig in Personen, God den Vader, den Zoon en den H. Geest, onzen Vader om vier redenen; ten 1»quot; omdat Hij ons naar de ziel geschapen heeft. (Vgl. 1 Les, 6 V., 8 Les, 2 V.) Ten 2d|!, omdat Hij ons door de mensohwording, het lijden en den dood van Jesus Christus van den eeuwigen dood, dien wij om de erfzonde of doodzonden verdiend hadden, verlost heeft. (Vgl. 8 Les, 7, 8, 11 V., en 10 Les). Ten 3''e, omdat Hij ons door het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen (30 Les 3 V. en 31 Les) en ten 4de, voor ons de hemelsche erfenis bereid heeft. Gelijk een vader zijne kinderen erfgenaam maakt van zijne goederen , zoo ook heeft God ons erfgenamen van den hemel gemaakt, ons de hemelsche erfenis bereid.

God laat ons ook den zoeten naam van Vader gebruiken , om ons tot vertrouwen op te wekken. Want als een kind iets aan zijn vader vraagt dat goed is, vertrouwt het verhoord te worden.

ocr page 150

146

Wij zeggen hier niet, 'mijn, maar owze Vader, omdat Christus ons wil leeren, dat wij broeders zijn, en voor elkander moeten bidden, en zoo de liefde beoefenen. (Vgl. 15de Les.)

5 V. Waarom zegt gij: Die in de hemelen zijt ?

A. Omdat God, ofschoon Hij alle plaatsen met zijne tegenwoordigheid vervult, nochtans in den hemel zich zeiven in zijne heerlijkheid aan de Heiligen vertoont.

Deze woorden herinneren ons, dat wij onze gedachten van de aarde moeten aftrekken , en naar den hemel verheffen , waar God, onze Vader, woont, en waar dus ook ons vaderland is.

Nu volgen de 7 vragen , waarin alles vervat is, wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.

6 V. Wat verzoeken wij aan God, als wij zeggen : Geheiligd zij Uw naam ?

A. Dat God van ons en van alle menschen moge gekend, gediend en geëerd worden.

7 V. Wat verzoeken wij, als wij zeggen: Ons toekome uw Rijk?

A. Dat God hier op aarde door zijne liefde in onze harten heersche, en dat wij na onzen dood deelachtig mogen worden aan zijn hemelsch rijk.

In de eerste vraag : Geheiligd zij Uw Naam, vragen wij alles, wat wij noodig hebben, om tot ons laatste einde te komen, tot het doel, waarvoor wij geschapen zijn, namelijk om in dit leven God te dienen en Hem hierna eeuwig te aanschouwen, en dus God kennen. God beminnen en Gods geboden tot het einde van ons leven getrouwelijk onderhouden.

ocr page 151

147

In de 2de vraag : Oks toekome uw rijk, vragen wij aan God dat Hij ons, nadat, wij Hem. hier, zooals wij gevraagd hebben, gekend, bemind en zijne geboden onderhouden hebben , het loon voor onzen trouwen dienst geve , namelijk den hemel. Ook vragen wij Hem dat Hij moge heerschen in zijn rijk, het rijk onzer harten, en het rijk zijner kerk. (Vgl. ll,Ie Les, lOi» Vr.)

8 V. Wat vragen wij, zeggende: Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel ?

A. Daardoor vragen wij aan God de gratie, om ons in alles aan zjjnen heiligen Wil te onderwerpen en dien te volbrengen , gelijk de Engelen in den hemel doen.

In de derde vraag vragen wij God het middel om in den hemel te komen, namelijk : zijnen wil te volbrengen, en ook om in alles onderworpen te zijn aan, en tevreden met Gods wil. Welk onderscheid is er in tevreden te zijn met, onderworpen te zijn aan Gods toil, en G ods wil volbrengen ? Gods wil volbrengen is zijne geboden onderhonden. Tevreden met en onderworpen aan Gods wil, is tevreden zijn met alles, wat God doet en ons laat overkomen , daar niet over morren of klagen. (Vgl. 5'lc Les, 8ste Vr.)

Men mag echter dien tegenzin wel gevoelen , als men dan toch maar zeggen kan: Ja Heer, Gij wilt het, ik wil het ook. Uw wil geschiede, o Heer. Zelfs mag men bidden met Christus: Heer, laat dien lijdenskelk voorbijgaan; nochtans niet mijn, maar uw wil geschiede.

9 V. Wat is het dagelijksch brood, dat wij van God verzoeken ?

A. Alles wat wij naar ziel en lichaam noodig hebben.

ocr page 152

148

In de vierde vraag verzoeken wij alles, wat wij noodig hebben naar lichaam en ziel. Brood, kost, kleederen, alles wat wij behoeven voor 't lichaam. Voor de ziel Gods genade, de H. Sacramenten, vooral het hemelsch brood der H. Communie.

Door de woorden: Geef ons heden ons dagelijksch brood, leert Christus ons, niet te zeer voor de toekomst bezorgd te wezen, en te blijven bidden.

Het dagelijksch brood van God verzoeken , is het gewone levensonderhoud, geen overtolligen rijkdom vragen; tevreden zijn als men den kost maar goed heeft. Rijkdom is dikwijls nadeelig voor onze zaligheid en altijd gevaarlijk; dus moeten wij er niet om bidden.

10 V. Wat verzoeken wij aan God, zeggende: Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren ?

A. Dat God ous onze zonden en straffen vergeve, gelijk wij vergeving schenken aan hen, die iets tegen ons misdaan hebben.

In de 5de vraag bidden wij , dat God ons onze zonden vergeve, en de straffen, die wij om onze zonden verdiend hebben, kwijtschelde; maar het vervolg der vraag: gelijk wij vergeten onzen schuldenaren , geeft genoegzaam te kennen, dat, als wij onzen evennaaste, die ons eenig persoonlijk (Vgl. 27stl! Les vr. 4.) onrecht mocht hebben aangedaan, dit onrecht niet willen vergeven, ook wij niet op vergeving onzer zonden en schulden mogen rekenen. Onmiddellijk toch na zijne leerlingen het „Onze Vaderquot; geleerd te hebben, zeide Christus: want indien gij den menschen hunne misdrijven vergeeft, dan zal uw Hemelsche Vader u ook uwe zonden vergeven; maar indien gij den menschen niet vergeeft, dan zal ook uw Vader a vice zonden en schulden niet vergeven. (Matth. VI: 14, 15.)

ocr page 153

149

Als wij dus anderen niet vergeven, dan vragen wij tevergeefs dat God ons vergeve; als wij dns haat in ons hart dragen, herinneren ons die woorden Gods straf welke ons bedreigt.

11 V. Wat verzoeken wij, als wij zeggen: En leid ons niet in bekoring ?

A.. Dat God de bekoringen van duivel, wereld en vleesch van ons afwere, of ons de gratie geve om dezelve te overwinnen.

Wij laten aan het goedvinden van God over : of wel de bekoringen, d. i. aanloksels tot zonden van ons te verwijderen, of wil God toelaten, dat we bekoord worden, dan vragen wij de gratie om dezelve te overwinnen.

God zelf bekoort niemand , kan niemand bekoren, of tot zonde aanzetten; dat zon strijden met zijne oneindige heiligheid. Hij laat enkel de bekoring toe, en wel om gewichtige redenen: om ons te beproeven, in de gelegenheid te stellen bewijzen van trouw te geven, om ons in de deugd te versterken , veel te laten verdienen voor den hemel, enz.

De bekoring komt eigenlijk van den duivel, de wereld en het vleesch. Door wereld wordt hier verstaan de valsche grondregels en ijdelheden der wereld, de menschen die dezelve aannemen, als regel volgen, en voorts alles wat ons in de wereld tot zonde aanzet.

Valsche grondregels zijn leerstellingen, gezegden, spreuken, waardoor men tracht te misleiden en tot zonde te brengen.

b. v. Als men, jong is moet men pleizier zoeken, later is er nog tijd genoeg, om zich op het goed toe te leggen ; — men moet niet zonderling zijn, naar doen gelijk anderen, de mode volgen; — zij» vijanden vergeven is laf, enz.

IJdelheden zijn gevaarlijke vermaken, zooals de meeste C 10

ocr page 154

150

pleizieren der wereld, overdreven pracht, en al wat strijdig is met de christelijke eenvoudigheid en zedigheid.

Door vleesch verstaat men de hegeerlijkheid tot het zinnelijke en zondige, die voortkomt uit de erfzonde en wederom tot zonde aanspoort.

De middelen tegen de bekoringen en derzelver oorzaken, noemt Christus , waken, en biiden. Wij moeten waken op onze zintuigen ; de wereld, en de gelegenheden tot zonden vluchten.

Wij moeten bidden op geregelde tijden , maar vooral onder de bekoring: een zeer krachtig middel in zware bekoring is, volgens den H. Franciscus de Sales, zich in den geest in het H. Hart van Jesus neerleggen.

12 V. Van wat kwaad hegeeren wij verlost te worden, als wij hidden: Maar verlos ons van den kwade ?

A. Van alle kwaad, dat ons naar ziel of lichaam kan hinderen en ons tij dol ijk of eeuwig geluk beletten.

Van alle kwaad. Wij vragen hier onvoorwaardelijk verlost te worden van alle kwaad, dat nadeelig is voor onze ziel, zooals traagheid, een wereldsche geest, gevaarlijke gelegenheden tot zonden, de zonden zelven, zooweljkleine als groote, doch vooral van het grootste ongeluk, nl. te sterven in ongenade met God. Van tijdelijk kwaad , of wat onze tijdelijke welvaart en ons lichaam hindert, vragen wij voorwaardelijk bevrijd te worden, in zoover het niet noodzakelijk is voor onze zaligheid, of in zoover God die beproeving niet van ons verlangt; want anders moeten wij ons gelaten onderwerpen.

Vragen over de 19,,e Les.

1. Waarom noemt men dit gebed het gebed des Heeren ? Het Onze Vader ? Waarom is dit gebed het waardigste ? Waarom het beste ?

ocr page 155

151

2. quot;Waaruit bestaat het, of hoe wordt het verdeeld ?

3. In welke vragen verzoeken wij te komen tot ons laatste

einde P In welke vragen verzoeken wij de noodige middelen daartoe ?

4. Wat zijn bekoringen? Zijn zij zonden? Wie bekoort

ons P

5. Wat verstaat ge door wereld? Wat door vleesch?

Wat zijn leerstellingen? Wat ij delheden ?

6. Welke middelen tegen de bekoringen leerde Chriatna

aan zijne Apostelen ?

7. Als een lichamelijk ongeluk : ziekte, armoede, tegen

spoed , of welk ongeval ons tijdelijk geluk hindert, maar ons eeuwig geluk bevordert, is het dan nog een kwaad, waaraan wij bevrijding behooren te vragen ?

--O^Co-

TWIITIGrSTE LES.

Over het Wees gegroet.

1 V. Waarom voegen wij gewoonlijk de Groetenis des Engels of het Wees gegroet hij het Gebed des Heeren ?

A. Om door de Heilige Maagd onze gebeden aan God op te dragen.

Door de Moeder naar den Zoon, door den Zoon naar den Vader. H. Aug.

Dit gebed wordt „Wees gegroetquot; genoemd, omdat het met die woorden begint. Het wordt „ de Groetenis des Engelsquot; genoemd, omdat de Engel G-abriël het eerste deel van het Wees gegroet heeft uitgesproken.

ocr page 156

152

2 V. Zeg het Wees gegroet.

A. Wees gegroet Maria, vol van gratie, de Heer is met u, gezegend zijt gij boven alle vrouwen , en gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus. Heilige Maria , Moeder Gods , bid voor ons , zondaars , nu en in het uur van onzen dood. Amen.

Maria beteekent: Ster der zee. Zij wordt aldus genoemd, omdat Zij voor ons is , wat de zeester voor den zeeman is.

De zeeman, wil hij behouden aanlanden en alle klippen en gevaren vermijden , moet voortdurend zijn oog naar eene ster wenden; zoo ook moeten wij, willen wij eens behouden in den hemel aanlanden, voortdurend ons oog op Maria richten : Ten lquot;te om te zien hoe zij in deze en gene omstandigheid handelde , ten einde haar voorbeeld na te volgen.

Ten 2de moeten wij ons oog naar Maria richten in alle omstandigheden van het leven, vooral in bekoringen en moeilijkheden om hare hulp in te roepen en daardoor alle gevaren te boven te komen.

8 V. Wie heeft het Wees gegroet gemaakt?

A. De Engel Gabriël, die van God tot Maria gezonden was, heeft het eerste deel uitgesproken; Elisabeth de nicht van Maria, het tweede deel; en onze Moeder de H. Kerk, heeft er het derde deel bijgevoegd.

Wees gegroet Maria. Dat is de groet, dien de Engel aan Maria bracht, de goede dag, dien hij Haar zegde, wenschte. Ook wij moeten haar dikwijls aldus groeten.

Maria's antwoord luidde: „Zie de dienstmaagd des Heeren, Mij geschiede naar uw woord.quot;

4 V. Waarom zegt gij van de Heilige Maagd,

ocr page 157

153

dat zij is vol van gratie en gezegend boven alle vrouwen ?

A. Omdat zij overvloediger gratie van God ontvangen heeft dan eenig ander schepsel, en zij onder alle vrouwen uitverkoren is , om de Moeder öods te zijn.

Vol van genade wil zeggen: dat Maria van Gods genade zoo vol is, als nooit eenig schepsel geweest is. Ofschoon er wel meer heiligen vol van genade geweest zijn , had Maria toch eene grootere volheid van genaden, dan ooit eenig andere Heilige gehad heeft.

Het is daarmee als met een glas en een overgroot vat; beide kunnen vol zijn, maar het vat zal, als het vol is, veel meer inhouden dan een glas, al is dit ook tot den boord toe vol. Zoo was het ook met Maria ten opzichte van de andere heiligen.

De Heer is met U met zijne genade, zijne hulp, met zijnen bijstand, met zijne liefde, met zijn welbehagen.

Gezegend, dat ia lofwaardig en van God begunstigd , zijt gij boven alle Trouwen.

Tot hiertoe zijn de woorden van den Engel.

Elisabeth herhaalde de laatste woorden des Engels : Gezegend zijt gij boven alle vrouwen, en voegde er bij : en gezegend is de vrucht uws lichaams.

Die woorden, welke voor Maria eene lofspraak waren, heeft Zij beantwoord door haar schoon Magnificat, waardoor Zij alle eer aan God toeschreef.

Doen wij in dergelijke gevallen naar 't voorbeeld van Maria. Ontkennen wij onze talenten niet, maar schrijven wij ze aan God toe.

De volgende woorden: Jesus. 11. Maria, Moeder Gods, enz., heeft de H. Kerk er bijgevoegd.

ocr page 158

154

5 y. Waarom wordt Maria genoemd Moeder Gods ? A. Omdat zij is de Moeder van Jesus, die God is.

6 V. Wat hulp en bijstand hunnen wij van de H. Maagd verwachten ?

A. Zij helpt ons in dit leven met alles wat ons voordeelig is; zij vertroost de zieken in hun uiterste, en helpt ons tot de eeuwige zaligheid.

Eerst noemt de H. Kerk haar Moeder Gods, en dan zegt zij : Bid voor ons, zondaars, om haar daardoor als 't ware te zeggen ; aan ons zijt gij die waardigheid verschuldigd. Omdat wij zondaars zijn , is God mensch , en zijt Gij zijne Moeder geworden. Gij zijt dus verplicht voor ons te bidden.

Bid dan ook voor ons , nu , in dit leven , dat zoo vol gevaren is, maar vooral in 't unr van onzen dood, in dat beslissend uur , waarvan eene gelukkige of ongelukkige eeuwigheid afhangt; sta ons dan vooral bij en breng ons in den hemel. Ja, als wij Maria zoo gedurende ons leven dikwijls aanroepen , zal Zij ons ook in dat gewichtig uur, waarin de duivel zijne aanvallen vermeerdert, getrouw bijstaan ; terwijl Zij in dit leven van ons verwijderen zal gevaarlijke omstandigheden : b.v. het wonen in zekere huizen, het werken op zekere plaatsen en fabrieken , het omgaan met sommige personen.

Bovendien zal Zij ons helpen in de keuze van een levensstaat ; bezorgen verschillende middelen van zaligheid: Missies, Retraites , enz., het lidmaatschap van sommige Vereenigingen en Broederschappen. Ook zal Zij ons in tijdelijke aangelegenheden , die niet schadelijk voor onze ziel, behulpzaam wezen, zoodat wij Haar ook in tegenspoed en ziekte en soortgelijke ongevallen behooren aan te roepen.

De beweegreden van ons vertrouwen op Maria, is niet alleen hare overgroote macht als Moeder Gods, maar ook

ocr page 159

155

hare goedheid en liefde als onze Moeder; Zij toch ia Moeder van alle menschen geworden, toen haar goddelijke Zoon aan Haar in den persoon van den H. Joannes, alle mensehen als kinderen aanbeval, en Haar tegelijk voor alle menschen moederlijke gevoelens mededeelde. Zij kan ons dus helpen als Moeder Gods, om hare macht, en wil ons helpen als onze Moeder, om hare goedheid.

7 V. Hoe kunnen wij onze gebeden aan onze Lieve Vrouw het aangenaamste maken ?

A. Door bij onze gebeden goede werken te voegen, en allermeest door bare deugden na te volgen.

8 V. Noem eenige voorname gebeden, die wij tot Ome Lieve Vrouw stieren.

A. Het Wees gegroet, de Litanie van O. L. V. van Lorette , den Rozenkrans , enz.

Men late de kinderen afzonderlijk de mysteriën van den allerheiligsten Rozenkrans opzeggen, gelijk die voorkomen op bl. 77 van den Catechismns.

De goede werken, -waardoor wij ons aangenaam aan Maria kannen maken, zijn b. v. het versieren harer altaren, beelden en kapellen, daar licht ontsteken , iets offeren, bidden, of b. v. op Zaterdagen te harer eer een aalmoes geven, vasten, enz. Voorts bedevaarten doen naar plaatsen Haar toegewijd, lid worden van hare Broederschappen , Congregaties, Processies enz.; dragen haar Schapulier, Rozenkrans en Medailles enz.

De voornaamste tien deugden, waarin Maria het meest heeft uitgeschenen , zijn : de zuiverheid , ootmoedigheid , het geloof, de godsvrucht, de gehoorzaamheid, de armoede, de verduldigheid, de liefde, de barmhartigheid en voorzichtigheid.

ocr page 160

156

Vragen over de 209te Les.

1. Waarom heet men dit gebed het „Wees gegroet Pquot; de

groetenig des Engels P

2. Bij welke gelegenheid, waar en met welke woorden

heeft de Engel Maria gegroet ? Elisabeth Haar geprezen P En hoe beantwoordde Maria de beide groe-tenissen enz. P

3. Noem eenige gebeden, oefeningen en werken, waardoor

wij Maria kannen eeren P

4. Wat beteekent Maria P en waarom wordt Zij aldus

genoemd P

ocr page 161

157

D3SRDK DEEL.

EEI Elf TWIITIGrSTE LES.

Over de Liefde.

1 V. Wat is de Liefde ?

A. Eene deugd en gave Gods, door welke wij God bovenal beminnen en onzen evennaaste gelijk ons zeiven.

Iemand liefde toedragen of beminnen is welwillend jegens iemand gezind zijn uit ware toegenegenheid.

Daaruit volgt, dat men bedroefd is , over hetgeen hem bedroeft, blij , verheugd om hetgeen hem verheugt, en dat wel uit ware toegenegenheid.

Wij hebben de goddelijke liefde, als wij welwillend jegens God gezind zijn, uit ware toegenegenheid. De goddelijke liefde zal dus maken, dat wij bedroefd zijn over hetgeen God bedroeft, en wel op de eerste plaats over de zonde, waardoor Hij zoo dikwijls door ons en anderen beleedigd wordt; over de vervolging der H. Kerk enz.

Zij zal ook teweegbrengen, dat wij verheugd zijn over Gods eer, over den bloei derKatholieke Kerk, der katholieke scholen en over al het goede, dat er ter bevordering van Gods glorie over de gansche aarde geschiedt.

De liefde is eene deugd, (Vgl. 3de Les. vr. 1.) omdat zij ons genegen maakt om wel te doen , en dat weldoen bestaat in alle eigenschappen Gods (waarom wij Hem beminnen) te

ocr page 162

158

vereeren , en Hem te dienen en den naaste om God, want de liefde toont zich door werken. Alleen aan de werken kan men men zien of iemand ons bemint. Wij moeten dan ook door werken onzo liefde aan God bewijzen, doen wat Hij van ons verlangt, ons voor Hem opofferen. Zoo ook moeten wij onzen naaste door werken onze liefde toonen , hem helpen en bijstaan, waar wij knnnen.

Op het geloof en de hoop volgt de liefde, omdat als wij God door het geloof kennen, door de hoop op zijne goedheid vertrouwen, wij Hem ook als van zelf beminnen zullen. Er is niets van zooveel waarde als de liefde Gods. Daarom moeten wij liever alles zelfs ons leven verliezen, dan die liefde, wijl zij het grootste goed is, dat wij op aarde kunnen bezitten.

Vandaar dan ook , dat wij gelukkig knnnen zijn zonder geld , zonder goed , zonder vrienden , alleen door het bezit dier liefde; door de gedachte , dat God ons bemint en wij Hem liefhebben , en wij dus alle mogelijke goed van, en in God te verwachten hebben. En zonder die liefde zijn wij met alle schatten, vermaken en vrienden der wereld toch niet gelukkig. (Vgl: Les Vr. 9.)

Hier kan men spreken over het schijngeluk en wezenlijk ongeluk der wereldlingen en zondaars.

1° Het aardsche — wat ook — kau een hart, voor het oneindige bestemd, onmogelijk bevredigen, omdat het eindig is; van hier, dat pleizieren do pleizierzucht, rijkdom de geldzucht, enz. eer opwekken, dan bevredigen. 2° Al zou het ons hart ook bevredigen kunnen , het duurt zoo kort, en daarom maakt het 's menschen hart hoe langer zoo ongeduriger hiernaar. 3° Wat, zoo men denkt aan, staat vóór de eeuwigheid ? 4° Salomon, en allen die oprecht zijn, hebben dit door eigen ondervinding geleerd, openlijk bevestigd.

2 V. Waarom wordt de liefde genoemd eene gave Gods ?

A. Omdat de Liefde ons van God gegeven wordt

ocr page 163

159

zonder onze verdiensten, en wij ze uit ons zeiven niet kunnen hebben. (Vgl: 3de Les Vr. 3.)

Wij moeten God en onzen evennaaste beminnen; zij zijn het voorwerp onzer liefde. God moeten wij bovenal beminnen.

3 V. Wat is God beminnen bovenal ?

A. Hem zoo beminnen , dat wij liever alles zelfs het leven willen verliezen dan God met eene doodzonde vergrammen.

Bovenal dat is: boven geld en goed, boven vrienden en vermaten , zelfs meer dan , of boven ons leven.

En wij beminnen Hem boven al, als wij liever alles, zelfs ons leven verliezen, dan eene doodzonde te doen.

Mijn God, ik bemin U bovenal wil dus zeggen : Mijn God , ik ben uit ware toegenegenheid zoo welwillend jegens U gezind , ik hond zooveel van U , dat ik liever alles , zelfs mijn leven zou willen verliezen, dan U met eene doodzonde vergrammen.

4 V. Waarom moeten wij God bovenal beminnen ?

A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is.

Dat God het Opperste goed in zich zeiven is beteekent, dat God alle volmaaktheden in den hoogsten graad bezit.

Dat Hij dus niet alléén alles bezit wat maar schoon, rijk, goed, edel, enz. is, maar dat Hij dat alles bezit in de hoogste mate; dat zijne goedheid, barmhartigheid, schoonheid, liefde enz. niet grooter kunnen zijn.

Wij beminnen het goede, wij verlangen en zoeken het; daarom moeten wij God bovenal beminnen , omdat er geen grooter goed dan Hij bestaat, en daarom moeten wij Hem het meest zoeken en naar zijn bezit verlangen.

ocr page 164

160

Het goede toch moet ons gelukkig maken, en al wat goed is, is in Hem te vinden.

Zoeken wij ons geluk in de mensehen, in hunne goedheid, zachtmoedigheid , schoonheid, wijsheid , macht enz., dan vinden wij het niet, want zij bezitten dat alles slechts in geringe mate; maar in God zijn al die dingen volmaakt. Hij bezit meer goedheid, zachtheid , lieftalligheid , schoonheid , wijsheid, liefde enz. dan alle schepselen te zamen. Al die bovenstaande eigensahappen nu, drukken wij uit, door God het Opperste goed in zich zelven te noemen. Onze liefde steunt dus op Gods opperste goedheid in zich zelven, of, wat hetzelfde is, op al zijne eigenscahppen , die daardoor worden uitgedrukt, of daarin alle begrepen zijn. Beminnen wij God bovenal, omdat Hij het opperste goed in zich zelven is , dan is onze liefde tot God hier op aarde volmaakt. Beminnen wij God slechts om het goede , dat wij reeds van Hem ontvangen hebben en nog hopen te verkrijgen, dan is onze liefde tot God wel eene goede , ware liefde , maar eene onvolmaakte liefde, omdat dan de beweegreden onzer liefde onvolmaakt is , namelijk ; ons eigen welzijn.

5 V. Wat is onzen evennaaste beminnen gelijk ons zelven ?

A. Hem zoo beminnen , dat wij hem geen kwaad doen of willen, hetwelk wij zelven niet willen lijden, en hem het goed gunnen en zoeken te bewijzen, dat wij aan ons zelven wensehen.

Wij moeten ook onzen evennaaste beminnen , maar met eene ware liefde, waardoor wij hem gelukkig zoeken te maken voor de eeuwigheid, hem van de zonde, zijn wezenlijk ongeluk, terughouden, hem een goed voorbeeld geven, enz.; anders is alles, wat wij voor hem doen, geene ware liefde; en als wij hem tot zonde brengen, dragen wij hem eerder

ocr page 165

161

haat dan liefde toe, wijl wij hem dan in zijn grootste ongeluk storten. Het onderscheid tnsschen ware en valache liefde kan men door eenige voorbeelden ophelderen.; b.v.: wat doen de kerk, de priesters, fraters en zusters voor u; wat de wereld, slechte vrienden enz. Wie zijn dan nw ware vrienden , wie niet P

6. V. Om welke reden moeten wij onzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven ?

\A. Om God.

Wij moeten onzen naaste beminnen om God , dat wil zeggen: dat God het doel en de beweegreden der naastenliefde moet zijn.

Het doel, dat is , wij moeten onzen naaste beminnen, opdat God door onzen naaste in dit en het andere leven verheerlijkt worde; dns den naaste van zonde afhouden, tot deugd aansporen , is inderdaad zijn geluk betrachten ; en dat moeten wij doen om daardoor God te verheerlijken, om zoo zielen voor den hemel te winnen, die Hem daar voor eeuwig kunnen loven, danken , prijzen en beminnen.

Dat God de beweegreden onzer naastenliefde zijn moet, wil zeggen; dat de reden , die ons bewegen moet onzen naaste te beminnen, moet zijn Gods opperste goedheid in zich zeiven , die over en over waard is door alle redelijke schepselen bemind en verheerlijkt te worden.

7 V. Wie zijn onze evennaasten ?

A. Alle redelijke schepselen, die met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.

-i Ten l,te zijn onze evennaasten dns alle goede Engelen, alle Heiligen in den hemel, alle zielen in het vagevuur; omdat wij met hen deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.

Ten 2it alle menschen, die nog op aarde leven; niet alleen

ocr page 166

162

de rechtvaardigen, en onze vrienden , maar ook de grootste zondaars, en onze grootste vijanden, ja zelfs de Heidenen, Turken , Joden , Ketters, Scheurmakers, en die in den geestelijken ban zijn ; omdat zij zich nog bekeeren, en met ons deel kunnen hebben in de hemelsche glorie.

Alleen zijn dus de duivels en de verdoemden in de hel niet onze evennaasten , omdat zij voor eeuwig van de hemelsche glorie zijn uitgesloten, er niet meer op hopen kunnen, en dus zeker met ons er geen deel in kunnen hebben.

Wij moeten wel alle menschen beminnen ; maar toch is er zekere orde, of, wij moeten den een meer dan den andere beminnen. Zoo komen op de eerste plaats onze ouders, oversten, zoo geestelijke als wereldlijke, onze bloedverwanten, weidoeners, haisgenooten , geburen enz.; ook meer dan anderen , godvruchtige personen en hoogbejaarde menschen. Ook moeten wij ons vaderland om God beminnen, en deszelfs geestelijk en tijdelijk welzijn, volgens den staat, waarin God ons geplaatst heeft, behartigen.

Christelijke vriendschap bestaat hierin, dat twee of meer personen elkander op eene bijzondere wijze om God beminnen , en elkanders geestelijk en tijdelijk welzijn behartigen. Hieruit blijkt genoegzaam welk soort van zoogenaamde vriendschap dien naam volstrekt niet verdient, ja eerder vijandschap diende te heeten.

8 V. Waardoor wordt de Liefde verloren ? A. Door de doodzonde.

Ja, en door iedere, zelfs door ééne enkele doodzonde wordt de liefde Gods verloren. Dus als wij het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven , verliezen we de liefde Gods; maar daarom verliezen we meestal nog niet het geloof of de hoop; doch als we het geloof of de hoop verliezen, dan verliezen we ook van zelf de liefde; want dan doen wij eene doodzonde , en door iedere doodzonde wordt de liefde

ocr page 167

163

verloren. Door elke doodzonde stel ik het schepsel boven den Schepper, bemin ik het voorwerp der zonden meer dan God; dns daardoor wordt de liefde noodzakelijk vernietigd....

9 V. Waardoor wordt de Liefde vermeerderd ? A. Door ieder goed werk , dat in staat van gratie

en ter eere Gods gedaan wordt.

De liefde is als de zon, die altijd hooger klimt, tot dat zij des middags haar toppunt bereikt heeft. De liefde Gods zal eerst in den hemel haar toppunt bereiken. Dit toppunt is toch betrekkelijk , en zal afhangen van het zien van God, en het zien hangt af van de heiligheid of verdiensten. In dit leven wordt de liefde vermeerderd door ieder goed werk, dat in staat van gratie en ter eere Gods gedaan wordt. Die waarheid moet eenieder in zijn eigen welbegrepen belang aansporen om den staat van gratie, de liefde Gods, met alle zorg te bewaren, zeker nooit of nimmer in staat van doodzonde voort te leven, en om eiken morgen al zijne werken aan God op te dragen ; want in staat van gratie en ter eere Gods gedaan, zijn al onze werken, ook de onverschilligste uit hun aard, als eten, drinken , spelen, slapen, verdienstig voor den hemel, en vermeerderen steeds in ons de liefde Gods.

Welnu, naarmate de liefde Gods in ons vermeerdert, toeneemt, vermeerderen ook onze verdiensten, en zullen we dns in den hemel een grooter loon , eene hoogere plaats krijgen, gedurende de geheele eeuwigheid een hoogeren graad van glorie en gelukzaligheid genieten.

Doen we dus het goede zoolang we den tijd hebben! Vergeten wij vooral niet onze werken 's morgens aan God op te dragen.

10 V. Welk is het hort begrip van hetgeen wij moeten doen , om de Liefde te behouden en te vermeerderen ?

A. De wet Gods in tien geboden verdeeld.

ocr page 168

164

Wij moeten God onze liefde toonen door daden, door het onderhonden zijner geboden. Indien gij Mij liefhebt, onderhoudt mijne geboden. (Joes. XIV.)

Wij kunnen Gods geboden niet onderhouden, dat is , doen wat zij gebieden, en laten wat ze verbieden, als wij die niet kennen.

Wij zijn dan ook nit noodzakelijkheid des gebods, op doodzonde verplicht, die te kennen , d. i. in hoofdzaak te weten wat zij inhouden; ook behoort elk die geboden van buiten te kunnen opzeggen. In ieder gebod wordt iots geboden en iets verboden. Sommige geboden zijn bevestigend uitgedrukt, dat is : zij zeggen ons wat wij doen moeten, en verbieden dan daardoor van zelf het tegenovergestelde; b.v. het 3''« gebod gebiedt den Zondag te heiligen, en verbiedt dus van zelf dien te onteeren. Andere geboden staan in de ontkennende wijze; zij zeggen ons, wat wij niet doen mogen. Zij verbieden ons iets en daardoor wordt ons wederom stilzwijgend het tegenovergestelde geboden ; b.v. het 7de gebod verbiedt ons te stelen ; dus gebiedt het ons van zelf eerlijk, rechtvaardig te zijn.

11 V. Wie heeft de tien geboden gegeven ?

A. God zelf heeft die van het begin der wereld in de harten der menschen gegrift, daarna heeft Hij die, geschreven op twee steenen tafels, aan Mozes gegeven; en Christus heeft die vernieuwd in het Nieuwe Testament.

Ten lste. God zelf heeft de tien geboden tan het begin der wereld in de harten der menschen gegrift, d. w. z., dat ieder mensch van nature, ingevolge de wet der natuur, zonder eenige geschreven of mondeling afgekondigde wet, alleen door het licht van zijn natuurlijk verstand, van zijn gezonde rede, kan en moet weten en beseffen, dat hij verplicht is de tien geboden Gods te onderhouden, en dat hij goed doet

ocr page 169

165

als hij ze onderhoudt, kwaad, ala hij een derzelve overtreedt. Dat weet, ja gevoelt ieder mensoh genoeg in zijn eigen hart, aonder dat het hem gezegd wordt, uit de getuigenis van zijn geweten.

Ten 2de. Daarna, d. w. z. , na den zoogenaamden staat der natuur, heeft God de tien geboden, geschreven op twee steenen tafels, aan Mozes gegeven, en op den berg Sinaï plechtig aan het volk van Israël afgekondigd. Op de eerste tafel stonden de drie eerste geboden, die de plichten van godsdienstigheid voorschrijven, die we rechtstreeks jegens God te vervullen hebben. Op de tweede tafel stonden de zeven laatste geboden, welke de plichten voorschrijven die we jegens onzen evennaaste en ons zeiven moeten onderhonden. 1 Ten 3'u'. Christus heeft de tien geboden vernieuwd in het Nieuwe Testament, d. w. z., ze van de valsche uitleggingen der Farizeërs en Schriftgeleerden gezuiverd; ze door betere, verhevenere beloften eu straffen bekrachtigd en derzelver onderhouding door zijne genaden gemakkelijker gemaakt.

12 V. Zeg de tien geboden?

A. 1. Ik ben de Heer uw God. Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.

2. Gij zult den Naam van den Heer uwen God niet ij del gebruiken.

3. quot;Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag heiligt.

4. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.

5. Gij zult niet doodslaan.

6. Gij zult geen overspel doen.

7. Gij zult niet stelen.

C. 11

ocr page 170

166

8. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.

9. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

10. Gij zult zijn huis niet begeeren, noch zijn land, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd , noch zijnen os , noch zijnen ezel , noch iets ■ van alles wat hem toebehoort.

Men late ieder kind de tien geboden Gods ook opzeggen gelijk ze in rijmpjes staan op bl. 76 van den Catechismus.

Vragen over de 21ste Les.

1. Wat beteekent liefde — iemand beminnen ?

2. Wanneer is de liefde in ons eene deugd, en waarin

bestaat het deugdelijke der liefde P

3. Welk is het voorwerp, wat de beweegreden onzer

liefde; of wie en waarom moeten wij beminnen ? Op welke eigenschappen van God steunt dan onze liefde ?

4. Waarom zijn Gods eigenschappen begrepen in het

woord : „ Oneindig goed in zioh Pquot; En waarin verschilt dit van „Oneindig goed tot ons?quot;

5. God moet doel en beweegreden zijn onzer liefde, of

wij moeten onzen naaste beminnen „om Godquot; —'leg die woorden uit.

6. Waaraan kan men zien of iemand God bemint P

7. Hoe dikwijls en bij welke gelegenheden heeft God zijne

geboden gegeven P Zijn er maar tien P

8. Op hoeveel tafels, en hoeveel op elke tafel, gaf God

die geschreven aan Mozes, en welk verschil is er tusschen die twee tafels P

9. Uit welke noodzakelijkheid moeten wij de 10 geboden

kennen P Is het genoeg, zoo men ze van buiten kan opzeggen P

-»-©£S3Qgt;-®«-

ocr page 171

167

TWEE m TWINTIGSTE LES.

Van het eerste gebod.

1 V. Hoe luidt het eerste gebod ?

A. Ik ben de Heer uw God. Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben. Gij zult u geene gesneden beelden maken. Gij zult die niet aanbidden of godsdient aandoen.

2 V. Wat gebiedt het eerste gebod ?

A. Eénen God alleen te erkennen , te aanbidden en te dienen.

Het eerste gebod gebiedt éénen God als God te erkennen. 'Erkennen als God wil zeggen , aannemen dat Hij werkelijk God is.

Het gebiedt ons ook , God te aanbidden, dat is, Hem te hnldigen als den Heer van leven en dood, als het Opper, wezen, van Wien wij afhankelijk zijn, en Wien wij die afhankelijkheid ook in- en uitwendig, afzonderlijk en in 't openbaar, moeten toonen. Eindelijk God ie dienen, d. i. alle zijne geboden te onderhouden.

3 V. Welke deugden worden er vooral vereischt om God behoorlijk te eeren en te dienen ?

A. De goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde , en de deugd van godsdienstigheid.

Wij erkennen , aanbidden en dienen God vooral door het geloof, de hoop, de liefde, en aanbidden Hem bijzonder door godsdienstigheid.

Door het geloof eeren wij Hem, door Hem voor waarachtig

ocr page 172

168

te houden, en daarom alles met ons verstand aan te nemen wat Hij ons zegt, of wij het begrijpen of niet.

Door de hoop eeren wij zijne goddelijke goedheid, almacht en getrouwheid, met altijd en overal, in welke omstandigheden ook, ons op God te verlaten.

Door de liefde al zijne eigenschappen of volmaaktheden, waarom wij Hem beminnen.

Door de godsdienstigheid, de verhevenste der zedelijke deugden, verstaat men in 't bijzonder die deugd, en die daden , waardoor we God als het levend, persoonlijk opperste en oneindig volmaakt wezen vereeren , hetzij in- of uitwendig : b.v. door het gebed, de aanbidding, het sacrificie en alle godsdienstoefeningen.

4 V. Wanneer behoort men een acte van geloof, hoop en liefde te verwekken?

A. Ten 1. als men tot de jaren van verstand gekomen is ; ten 2. bij het ontvangen der HH. Sacramenten ; ten 3. in sommige bekoringen tegen die deugden ; ten 4. als men in gevaar is van sterven, — Christelijke menschen doen het alle dagen.

In de vier gevallen door den Catechismus opgenoemd behoort men zeker, is het minstens altoos passend en geraadzaam , ja , is men soms krachtens het eerste gebod op zonde verplicht, eenigerwijs, hetzij inwendig in zijn hart, hetzij tevens uitwendig met woorden of werken, eene acte (d. i. handeling , daad enz.) van geloof, hoop en liefde te doen.

Ten lste als men tot de jaren van verstand gekomen is. Dan is men op zonde verplicht, dan moet men op eene der gezegde wijze éénen God alleen erkennen, aanbidden en beminnen. Een ook maar gewoon goed, braaf kind voldoet zoo lichtelijk aan dien plicht, b.v. door dan eenig godsdienstig werk godvruchtig te verrichten, 's morgens of 's avonds god-

ocr page 173

169

vruchtig de acten van geloof, hoop en liefde te bidden enz. AIb ge niet stellig weet, dat ge dien plicht toen verzuimd hebt, kunt ge gernst zijn, er aan voldaan te hebben; iets anders is het met verwaarloosde, reeds vroeg bedorven kinderen , die school en godsdienstig onderricht verwaarloozen, door eigen schuld eerst laat hun eerste H. Communie kunnen doen, enz.

Ten 2de bij het ontoangen der HH. Sacramenten. In het godvruchtig ontvangen der HH. Sacramenten zelf liggen acten van geloof, hoop en liefde opgesloten ; dus men verwekt dan ook die acten van zelf met de daad. Nochtans behoort men vooral bij de voorbereiding tot de H. Communie de gevoelens van geloof, hoop en liefde ook uitdrukkelijk in zich te verlevendigen, en als men te biechten gaat, de acten van geloof, hoop en liefde te verwekken. {Zie 33ste Les, 20te vr.; 358te Les , 27ste vr.)

Ten 3lle in sommige bekoringen tegen die deugden. Men zou weer verplicht zijn deze acten van geloof, hoop en liefde te verwekken , wanneer , zonder dat te doen, eenige bekoring tegen die deugden niet te overwinnen zou zijn. Dit zal wel zelden het geval wezen. Wat in 't bijzonder de bekoringen tegen het geloof aangaat, doet men het best van al, met ze eenvoudig te verachten; men doet den duivel te veel eer aan, als men zijne schijn- en leugenredenen zou willen weerleggen. Wil men in die bekoringen iets zeggen, dan zegge men ; ik geloof alles, wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk mij voorhoudt te gelooven. Liever wil ik sterven, dan aan de minste waarheid des geloofs twijfelen. Of: ik geloof, Heer! maar vermeerder mijn geloof.

Als de duivel ons tegen de hoop bekoort, kan men b.v. zeggen : al had ik nog duizendmaal meer gezondigd, zon ik nog door de verdiensten van Christus de vergiffenis mijner zonden, en de eeuwige zaligheid hopen te verkrijgen. Ik heb den hemel niet verdiend , maar Jesus heeft hem voor mij verdiend.

Als wij aangezet worden om eene doodzonde te doen, kun-

ocr page 174

170

nen wij zeggen: liever, o mijn God, wil ik sterven dan uwe liefde door eene doodzonde verliezen.

Ten 4de als men in gevaar is van sterven. Dan is 'took weer plicht eene acte van geloof, hoop en liefde te verwekken. Maar ala we het geluk hebben de laatste HH. Sacramenten , in 't gevaar van sterven te ontvangen, dan voldoen we alweer van zelf aan dien plicht door het ontvangen der HH. Sacramenten ; en als we, gelijk we wenschen en hopen, dan het geluk hebben die HH. Sacramenten nog met volle kennis te kunnen ontvangen, dan zullen we ook graag en van geheeler harte die acten van geloof, hoop en liefde verwekken. Door het lstl! en 4lt;le erkennen wij God als ons eerste begin en laatste einde...

De Catechismus voegt er nog bij : Christelijke menschen doen het alle dagen, d. i., bidden alle dagen, ten minste in het avondgebed, de acten van geloof, hoop, liefde en vooral van berouw, gelijk die op blz. 76 en 77 in den Catechismus worden aangegeven.

Z. H. Paus Benedictus XIV heeft den 28 Jan. 1756 verleend a.) een vollen aflaat eens in elke maand, aan hen, die iederen dag de acten van geloof, hoop en liefde godvruchtig en van harte zullen verwekt hebben , op den dag waarop ze na met een goed berouw gebiecht en gecommuniceerd te hebben, bidden tot intentie van onze Moeder de H. Kerk.

b.) Een vollen aflaat in het uur des doods , en

c.) Een aflaat van 7 jaren en 7 maal 40 dagen (7 quadra-genen) eiken keer dat men die acten godvruchtig en van harte verwekt.

Wel eene krachtige opwekking om, gelijk christelijke men schen doen, alle dagen die acten te bidden.

5 V. Welke zonden geschieden tegen het eerste gebod ?

A. Afgoderij, bijgeloovigheid, heiligschennis, en de zonden tegen het geloof, de hoop, en de liefde tot God.

ocr page 175

171

Ten lste afgoderij , dat is van God afgaan , iets voor God erkennen, wat geen God is.

Ten 2'ie bijgeloovigheid, dat is, nog iets bij het geloof bij doen, of er bij gelooven , wat er niet bij hoort b.v. : als ik een papier bij mij draag , dat de lengte van Christus heeft, dan zal ik geen ongelukken krijgen; als men den zooge-naamden brief van Keizer Karei bij zich draagt dan zal men van 80 ongelukken bevrijd blijven, enz.

Ten 3de heiligschennis. Wat heiligschennis is, en hoe velerlei leert de 8«e vraag.

Verder strijden tegen het l»quot;1 gebod de zonden tegen het geloof: niet gelooven of vrijwillig twijfelen.

Tegen de hoop : niet of vermetel hopen.

Tegen de liefde, als men die niet verwekt, wanneer men er toe verplicht is. (zie 4 V.)

De zonde tegen het geloof strijdt tegen het 1«quot; gebod, omdat wij God dan niet meer als waarachtig en dus ook niet meer als God erkennen; want is Hij niet waarachtig, dan ontbreekt Hem iets om God te zijn. Wij onttrekken Hem dan ons verstand. (Aldus kan men het ook uitleggen van de hoop en van de liefde, door de bijzondere beweegreden dier deugden in plaats van Gods waarachtigheid aan te halen.)

6 V. Wanneer maakt men zich schuldig aan bijgeloovigheid of superstitie ?

A. Als men, om iets te weten of te bewerken, woorden of zaken bezigt, welke daartoe geene kracht hebben noch uit eigene natuur, noch van God, noch uit instelling der H. Kerk.

7 V. Is het gebruik van gewijde voorwerpen, als: gewijde kaarsen , palm, paternosters , schapulieren , medailles , enz. ook bijgeloovigheid ?

ocr page 176

172

A. Geenszins; omdat die voorwerpen kracht hebben uit de gebeden en zegeningen der H. Kerk.

Men maakt zich schuldig aan bij geloovigheid of superstitie : als men om iets te weten, dat wil zeggen, om iets te weten te komen, bv., wie dit of dat gedaan heeft, of te bewerken, dat is, om iets gedaan te krijgen, b.v. een zieke te genezen, woorden of zaken bezigt, gebruikt, die daartoe geene kracht hebben, noch uit eigene natuur , noch van God, noch uit instelling der H. Kerk.

Planten en kruiden hebben kracht uit de natuur, en bijgevolg doet een dokter geen bijgeloovigheid , als hij kruiden gebruikt ter genezing van zieken.

De H. Sacramenten hebben kracht van God. Als men dus gelooft, dat men door het ontvangen van het H. Oliesel beter zal worden van zijne ziekte, als het zalig is, is dit geene bijgeloovigheid. *

Het is ook geene bijgeloovigheid , als men denkt, dat men door Maria bijzonder zal beschermd worden , als men haar schapulier of gewijde medailles draagt, omdat die voorwerpen kracht hebben uit de instelling en de gebeden en zegeningen der Kerk. Maarwei zou men bijgeloovigheid doen, als men dacht zeker van de koorts genezen te worden, met driemaal om eenen boom te loopen ; dit toch heeft geen kracht uit een der drie bovenstaande dingen. Bijgevolg kan men die kracht nergens anders zoeken , dan bij den duivel. Daarom strijdt bijgeloovigheid juist tegen het lquot;te gebod, of wel a). wijl men bij den duivel eene kracht gaat zoeken, die men niet in God erkent of die God alleen toekomt; en men moet dus denken, dat God niet almachtig is, en het ons niet geven kan , of wel, dat Hij niet oneindig goed is en het ons niet geven wil; en als men Hem die eigenschappen ontkent, moet men Hem van zelf ook als God ontkennen; of b.) men zou ten minste ook den duivel toeschrijven, wat God alleen toekomt.

ocr page 177

173

Ook zij men op zijn hoede tegen bedriegers en bedriegsters, b. y. zoogenaamde kaartlegsters enz., die bedrieglijk voorgeven, geheimen te kunnen ontdekken enz., aan wier zonde diegenen , die ze raadplegen, medeplichtig worden; zelfst al zon men het slechts doen uit pleizier , zonder er geloof aan te slaan, kan men nog door ergernis misdoen.

8 V. Wat is heiligschennis ?

A. Het mishandelen of onteeren van heilige of Gode toegewijde personen, zaken of plaatsen.

Er is dus drieërlei heiligschennis :

Ten lste, het schenden van heilige zaken , als kelken, ciboriën, vrijwillig de HH. Sacramenten onwaardig ontvangen, enz.

Ten 2de het schenden , onteeren of mishandelen van Gode toegewijde personen b.v. Priesters , religieuzen.

Ten 3'1|: het schenden van heilige plaatsen , b. v. de kerk , het kerkhof. Is de heiligschennis merkelijk, dan is zij een groote zonde ; zoo niet, dan eene dagelijksche, b.v. eene kleine oneerbiedigheid in de kerk.

Vragen over de 22ste Les.

1. Waarom worden de tien geboden goddelijke geboden

genoemd P Zijn alle geboden in denzelfden zin of op dezelfde wijze gegeven P

2. Wat wil zeggen eenen God alleen erkennen, aanbidden

en dienen ?

3. Hoe eer ik God door geloof, hoop , liefde en godsdien

stigheid ?

4. Waarom moet men die acten verwekken in 't begin en

op het einde van ons leven P

ocr page 178

174

5. Wat beteekent acte, en welk verschil is er tasschen

acte en dengd P

6. Uit hoeveel oorzaken kan een zaak kracht hebben P

Geef van elk een voorbeeld.

7. Waarom mag ik van den dnivel nooit iets verwachten,

of trachten te verkrijgen P

8. Wat bedoelt de Catechismus in Vr. 6 door „iets te

weten...... te bewerkenquot; P geef van elk een voorbeeld.

9. Waarom mag ik door kaartlegsters geen geheim trachten

te achterhalen? Wat moet men denken van personen, die bij kaartlegsters en soortgelijken te rade gaan P Of hoe toonen zij weinig verstand te hebben P

10. Hoevelerlei is de heiligschennis P Geef van elk een

voorbeeld. — Is heiligschennis altijd doodzonde?

11. Welke heiligschennis is oneerbiedigheid in de kerk?

12. Wat gebiedt en verbiedt dan het l,te gebod ?

DRIE EI TWINTIGSTE LES.

Van de vereering en aanroeping der Heiligen, en van de Beelden en Reliqnieën.

1 V. Wat leert ons de H. Kerk wegens de vereering en aanroeping der Heiligen ?

A. Dat het goed en nuttig is de Heiligen te eeren en aan te roepen.

Waarom is het goed, en waarom is het nuttig, de Heiligen te vereeren en aan te roepen ?

1- Het is goed de Heiligen te eeren en aan te roepen, omdat zij het verdienen. (Even gelijk het niet anders dan goed kan zijn iemand eer te geven, die ze werkelijk verdient.)

ocr page 179

175

vHet is nuttig, omdat wij daardoor veel voor ons zeiven verkrijgen kannen.

2 V. Strijdt het niet tegen het eerste gebod, dat wij de Heiligen eeren en aanroepen ?

A. Geenszins; omdat wij de Heiligen niet eeren of aanroepen als goden, maar als vrienden en dienaars van God, die met ons en voor ons God bidden.

Wij eeren de Heiligen niet als goden, d. w. z., wij katholieken eeren geen enkelen Heilige, zelfs Maria , de koningin van alle Heiligen niet, alsof we meenden dat zij wezenlijk goden waren. We weten immers te goed, dat er maar één God is en zijn kan, en dat alle Heiligen, Maria zoowel als al de overigen , louter schepselen Gods zijn. En daarom ook bewijzen we zoo min aan Maria als aan een der overige Heiligen de goddelijke of opperste eer , die Gode alleen toekomt; maar enkel de godsdienstige vereering, welke de Heiligen als vrienden en dienaars van God verdienen, en Maria, als de onbevlekte Maagd en Moeder Gods, vóór of boven alle overige Heiligen verdient.

Wij roepen de Heiligen ook niet aan als goden, d. w. z. alsof we hen aanzagen, hielden voor den oorsprong, of ook maar als gevers van eenig goed uit zich zeiven. Als heer en gever van alle goed erkennen we God alleen. We roepen dus de Heiligen niet aan als goden, maar alleen als vrienden en dienaars van God, die met ons en voor ons God bidden.

VDit alles blijkt duidelijk uit de verschillende manier, waarop we God en de Heiligen aanroepen. Als we God om iets bidden, zeggen we : Oeef ons , ontferm U onzer enz.; maar als we de Heiligen vereeren en aanroepen , zeggen we: Bidt voor ons, verkrijgt ons van God, enz.

Het strijdt dus geenszins tegen het eerste gebod, dat wij Katholieken de Heiligen eeren en aanroepen ; want, gelijk wij

ocr page 180

176

het, Tolgens de leer der Boomsuh Katholieke Kerk, doen, is er geen schijn van afgoderij , bijgeloovigheid, heiligschennis, of van zonde tegen het geloof, de hoop of de liefde in gelegen. Integendeel ons geloof, onze hoop en liefde wordt door de godsdienstige vereering en aanroeping der Heiligen verlevendigd en versterkt.

3 V. Wie beknoren wij onder de Heiligen vóór alle anderen te vereeren en aan te roepen ?

A. De Heilige, Onbevlekte Maagd eu Moeder Gods Maria.

Waarom behooren wij Maria onder al de Heiligen het hoogst te vereeren en het meest aan te roepen ?

Ten lste, omdat zij als de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods het waardigste schepsel is. Als dusdanig toch verdient zij vóór of boven alle andere Heiligen door ons te worden vereerd en aangeroepen ; als dusdanig zijn wij haar een hoogeren graad van godsdienstige vereering schuldig dan aan de overige Heiligen , die immers allen slechts vrienden en dienaars van God zijn. (Vgl. 13 L., 4 v., blz. 98.)

Ten 2'1i! omdat zij alles voor ons van God verkrijgen kan.

Ten 3dc behooren wij Maria onder alle Heiligen het hoogst en het meest te vereeren, omdat Jesns zelf ons er het voorbeeld van gegeven heeft.

Daarom hebben wij ook een grootere devotie tot den H. Joseph. Boven anderen vereeren wij nog onze patronen, de patronen onzer parochie, de Heiligen die in onze streken geleefd , gepredikt hebben of gestorven zijn.

Er is ook volstrekt geen bijgeloovigheid in gelegen, den eenen Heilige meer voor deze, den anderen meer voor gene weldaad aan te roepen ; de macht der Heiligen toch hangt geheel en al af van den wil van God, die zelf getoond heeft meer op eene dan op eene andere plaats, in dezen of

ocr page 181

177

genen Heilige — voor deze of gene gunst — vereerd te willen worden ; de Kerk ook kenrt die devotie goed, en door alle tijden hebben de geloovigen ze beoefend.

4 V. Zondigen de Katholieken niet tegen het eerste gebod met het maken van heelden ?

A. Geenszins; want zij maken de beelden slechts . om God of zijne Heiligen te vereeren.

f Beelden maken om die als God te vereeren, is afgoderij ; maar dit doen de Katholieken niet. Zij maken die beelden slechts om zich de Heiligen beter te ktinnen voorstellen; evenals men beter aan zijne vrienden kan denken , als men hnn portret ziet.

Ook zeggen anderagezinden wel eens, dat God volstrektelijk verboden heeft beelden te maken, zeggende : Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken.

Men kan hierop antwoorden: Ten lquot;te, dat het niet waar is , dat God volstrektelijk verboden heeft beelden te maken. Want de heilige boeken van Mozes verhalen, dat God zelf bevel gaf de beeltenis van een Cherubijn aan de twee zijden der ark te plaatsen, en een koperen slang op te richten.

Ten 2Je. Dat God zelf den zin dier woorden zóó verklaard heeft, dat het alleen verboden is beelden te maken om die te aanbidden of godsdienst aan te doen. Want er volgt onmid. dellijk op: Gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen. Alleen wordt er dus alle afgoderij en bijgeloovigheid door verboden , waaraan men zich bv. zou schuldig maken als men aan de beelden in zooverre ze van hout, steen , koper enz. vervaardigd zijn, godsdienst zou bewijzen; maar dat doen wij Katholieken niet.

Ten 3l,e. Voor een oogenblik toegegeven, maar in 't geheel niet toegestemd, dat die woorden de beteekenis zonden hebben, waarin andersdenkenden ze ons tegenwerpen, dan zou het verbod van beelden te maken nog maar enkel en

ocr page 182

178

alleen tijdens de oude Wet gegolden hebben, omdat de Joden toen zoo tot afgoderij vervielen; maar dat gevaar bestaat voor ons niet meer. Het is daarmee alsof er in een hnis een slechte persoon zon zijn, die ons tot zonde zon brengen dan mogen wij daar niet komen , omdat dat hnis dan eene gelegenheid tot zonde voor ons is; maar wanneer die persoon weg is, dan gernst; dan'is dat gevaar voorbij , en niemand zal ons dat huis verbieden.

5 V. Is het kwaad de heelden te versieren, daarvoor licht te ontsteken of te hidden ?

A. Neen; want deze eer geschiedt niet aan de beelden, maar aan God of zijne Heiligen, die wij ons voorstellen bij het eeren der beelden.

Om dezelfde reden is het ook geen kwaad voor de beelden te knielen. Immers we knielen er niet voor om rechtstreeks aan beelden van hont of steen enz., eer te bewijzen, maar aan Ood of zijne Heiligen, die wij ons voorstellen bij het eeren der beelden.

Knielen is nit zich zelf, nit zijn aard geen teeken van aanbidding , maar van allerlei soort van vereering. Als b. v. Sineesche heidensche kinderen knielen voor hunne onders, meesters of andere overheidspersonen, is dat eene natuurlijke of burgerlijke eerbewijzing. Als wij Katholieken knielen, b. v. voor de beeltenis van O. L. V. of van den H. Joseph enz., dan hebben we de meening O. L. V., den H. Joseph enz., de godsdienstige vereering te bewijzen, die we hun mogen en behooren te bewijzen. Knielen we voor het H. Sacrament, dan doen we dat om Jesus Christus, als God en mensch daarin onder de gedaante van brood tegenwoordig , te aanbidden, Hem de goddelijke eer te bewijzen. Het onderscheid bestaat dus niet in de kniebuiging, maar in de meening waarmee, en de waardigheid van den persoon, voor wien we knielen.

ocr page 183

179

Door mirakuleuze of wonderbeelden verstaat men die beelden, waarbij God op aanroepen b. v. van de B. Maagd mirakelen gedaan heeft; waardoor Hij te gelijk toonde , dat Hij hier, in dit beeld, in zijne Moeder bijzonder wilde vereerd worden.

6 V. Wat noemen wij Reliquieën of Overblijfsels?

A. Beenderen , kleederen en andere voorwerpen , die de Zaligmaker en de Heiligen hebben achtergelaten of door hunne aanraking geheiligd.

Eeliquieën zijn dingen die de Heiligen hebben nagelaten, b. v. hunne kleederen, of die zij door hunne aanraking geheiligd hebben, b. v. die zij in hun gebruik hebben gehad, b. v. de pen, waarmede de H. Aloyaius schreef.

Beliquie komt van het latijnsohe woord reliquia, dat overblijfsels beteekent.

7 V. Wat leert ons de H. Kerk tvegens de Reliquieën ?

A. Dat het goed en nuttig is de Reliquieën der Heiligen te vereeren.

Waarom is het goed, en waarom is het nuttig de reliquieën der Heiligen te vereeren ?

Het is goed, de reliquieën te vereeren, omdat die eer op de Heiligen terugkomt, en zij die eer verdienen.

Het is nuttig, omdat God er bijzondere gunsten door verleent, zooals genezingen enz.

(Opwekking van een doode, toen hij op het lijk van Eliseüs viel.)

ocr page 184

180

Vragen over de 238te Les.

1. Wat beteekent goed en nuttig? En waarom is het

goed en nnttig de Heiligen te vereeren P

2. Noem eenige Heiligen, die wij bij voorkeur behooren

te vereeren.

3. Wanneer zou Heiligen-vereering met het lste gebod in

strijd zijn P

4. Waarom zondigen afgodendienaars, wanneer zij hunne

afgodsbeelden versieren; terwijl wij goed doen met onze Heiligen-beelden te versieren P

5. Wat zijn Eeliquieën en waarom is het goed en nuttig

de Eeliquieën der Heiligen te vereeren P

VIER m TWINTIGSTE LES.

Van het tweede gebod.

1 V. Hoe luidt het tweede gebod ?

A. Gij zult den naam van den Heer uwen God nietijdel gebruiken.

2 V. Wat gebiedt het tweede gebod ?

A. Den naam van God hoog te achten en dien altijd met eerbied te gebruiken.

3 V. Wat verbiedt het tweede gebod ?

A. Alle oneer, die den Goddelijken Naam wordt aangedaan, vooral door godslastering, zondig zweren en breken van beloften.

ocr page 185

181

Alle oneer-, met b.v. lichtzinnig, onbezonnen, ijdel, noode-loos, zonder reden den naam Gods in gesprekken te mengen.

Naam van God staat hier in de plaats van God.

Dit gebod is ontkennend uitgedrukt.

Wij kunnen vooral op drie manieren Gods Naam onteeren:

Ten late door godslastering; ten 2ie door zondig zweren; ten 3de door breken van beloften.

4 V. Wat is godslastering ?

A. Een onteerend spreken van God, zijne Heiligen of van heilige zaken.

■s

Dat kan op drie manieren geschieden; ten 1»«« door God iets toe te kennen wat Hij niet heeft. B.v. vrijwillig denken of zeggen : God is wreed, onbarmhartig.

Ten 2'ie door Hem iets te onttrekken, wat Hem toekomt. B.v. zeggen: God is niet almachtig, niet alomtegenwoordig, niet eeuwig enz.

Ten 3de door spotsgewijzen van Hem, of van zijne Heiligen of van heilige zaken te spreken.

5 V. Is godslastering groote zonde ?

A. Ja, eene zeer groote zonde, die door God hier op aarde dikwijls gestraft wordt.

quot;■) Werkelijke godslasteringen of vloeken zijn altijd doodzonde.

Er zijn dus geene kleine vloeken, maar wel bastaardvloeken of leelijke woorden, en deze zijn gevaarlijk, omdat men daardoor soms het vloeken leert.

Godslastering is eene van die zonden, die zoo boosaardig zijn, dat God er niet mede wacht, om ze in het andere leven te straffen, zooals Hij anders gewoon is, maar dat Hij daar reeds dikwijls in dit leven mee begint.

C 12

ocr page 186

182

Wie soms de gevaarlijke gewoonte van ruwe, onwelvoeglijke woorden, of bastaardvloeken te spreken, mocht aangenomen hebben, zorge zich daarvan spoedig te beteren door: 1» eiken morgen daartegen een voornemen te maken en dat voornemen door het gebed te bekrachtigen , 2« bij elke gelegenheid, dat hem een soortgelijk woord ontvalt, een schietgebed te spreken: b.v. geheiligd zij uw naam! enz. 3° 's avonds daarover zijn geweten te onderzoeken.

Tegen de godslastering kan men hier aanbevelen het broederschap van het geestelijk verbond, de vijf Onze Vaders na de laatste Mis , enz.

6 V. Wat is eed doen of zweren ?

A. God, of iets wat God bijzonder aangaat, tot getuige nemen van hetgeen men zegt.

Eed doen of zweren is God, of iets wat God bijzonder aangaat , b.v. onze ziel, het dierbaar Bloed, de H. Kerk, het Evangelie enz. tot getuige nemen van hetgeen men zegt.

God tot getuige nemen van hetgeen men zegt, wil zeggen: hetgeen ik hier zeg is zoo waar, dat ik hoop, dat God mij straflen zal, als het niet waar is, wat ik zeg.

7 V. Is eed doen altijd zonde ?

A. Neen; het is zelfs goed , als de eed gedaan wordt met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid ; doch het is zonde, als er eene van deze voorwaarden ontbreekt.

Om een goeden eed te doen, zijn er drie voorwaarden noodig: goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid. Als men met de noodige voorwaarden eed doet, is het goed en deugdelijk, omdat men door zulk een eed belijdt, dat God alles weet, en de onfeilbare waarheid is.

ocr page 187

188

Om een eed niet goed, zonde te doen zijn, is het genoeg, dat er eene van die drie voorwaarden ontbreekt.

8 V. Wie zweren zonder goed oordeel ?

A. Die zonder wettige reden of lichtvaardig zweren.

Lichtvaardig eed doen, is eed doen, zonder dat er wettige reden voor bestaat.

Men heeft reden om eed te doen , b.v. als men voor de rechtbank onder eed getuigenis, of bij successie voor den kantonrechter een zuiveringseed moet afleggen , enz.

9 V. Wie zweren zonder rechtvaardigheid?

A. Die iets met eed beloven , dat kwaad of verboden is; en deze eed mag niet gehouden worden..

Tegen de rechtvaardigheid zweren is een eed doen op iets dat verboden is , b.v. zich te wreken op zijnen vijand, nooit meer te zullen biechten enz. (Men verbale het voorbeeld van Herodes.) 't Is duidelijk, dat zulk een eed niet mag gehouden worden; immers de eed kan niet verplichten , verbinden tot iets wat kwaad of verboden is; hij dus die zulk een eed zou gedaan hebben, is verplicht terstond van voornemen te veranderen.

10 V. Wie zondigen tegen de waarheid van den eed ?

A. Die eenen valschen eed doen of de verplichtingen van hunnen eed niet nakomen.

Een valschen eed doen is iets met eed als waar bevestigen, dat men weet niet waar te zijn, of waaraan men inderdaad twijfelt of het wel waar is.

Een valschen eed doen ook zij , die onder eed iets beloven wat ze op den oogenblik dat ze zweren niet voornemens zijn na te komen. Doch zij die op den oogenblik dat ze iets onder eed beloofden , den wil hadden de verplichtingen van hunnen

ocr page 188

184

eed na te komen, maar later ze niet nakomen, doen wel geen valschen eed, maar zondigen toch tegen de verplichting van hunnen eed, en zeker grootelijks, als de zaak, welke ze onder eed beloofd hebben, groot is.

11 V. Wat is breken van beloften ?

A. Niet volbrengen hetgeen men met genoegzame kennis en vrijen wil aan God of zijne Heiligen beloofd heeft.

Er staat in den Catechismus; hetgeen men met genoegzame kennis en vrijen wil beloofd heeft; omdat, als kennis of vrije wil ontbreken, men niet gehouden is zijne beloften na te komen.

Zijne beloften verbreken strijdt tegen het 2de gebod, omdat men dan trouweloos jegens God is.

12 V. Wat vereischt gewoonlijk de voorzichtigheid hij het doen van beloften ?

A. Dat men daarover eerst zijnen biechtvader raadplege.

Bij het doen van beloften is het goed zijnen Biechtvader te raadplegen, omdat er dikwijls moeilijkheden aan verbonden zijn, die men niet kent.

JPelk onderscheid is er tusschen belofte en voornemen ?

Belofte is iets onder verplichting van zonde op zich nemen.

Voornemen is den goeden wil hebben om iets te doen, zonder er zich op zonde toe te verplichten; die verplichting kan echter van elders komen; b.v. ik maak bij de biecht het voornemen de naaste gelegenheden van zonden te vluchten; ofschoon ik dan geen eigenlijke belofte doe, ben ik er toch toe verplicht; anders had ik geen oprecht voornemen, en dus geen waar berouw.

ocr page 189

185

Vragen over de 248te Les.

1. In welken zin staat het 2de gebod uitgedrukt P

2. Wat verbiedt en gebiedt het 2de gebod P

3. Op hoeveel wijzen kan men zich aan godslastering

schuldig maken P

4. Waarom is het zoo gevaarlijk zich de gewoonte eigen

te maken, ruwe, onwelvoeglijke woorden , of zoogenaamde bastaardvloeken te spreken P 6. Noem eenige middelen tegen die leelijke en gevaarlijke gewoonte P

6. Welk broedersahap heeft de Kerk tegen de godslaste

raars ingesteld P

7. Noem de drie vereischten voor een goeden eed, en

geef van elk een voorbeeld.

VIJF m TWINTIGSTE LES.

Van het derdo gebod.

1 V. Hoe luidt het derde gebod ?

A. Wees gedachtig, dat gij den Sabbatdag heiligt.

Dat wil zeggen: denk er aan, dat gij u dien dag onthoudt van die werken, welke u van de heiligheid kunnen aftrekken, en dat gij die werken oefent, welke u totde heiligheid brengen kunnen. Door het woord „wees gedachtigquot; geeft God te kennen, dat Hem dit gebod bijzonder ter harte gaat.

2 V. Wat gebiedt het derde gebod ?

A. Den Zondag, die aan God is toegewijd, behoorlijk te Tieren.

ocr page 190

186

quot;Wij vieren tegenwoordig volgens het gebod der Kerk, den Zondag in plaats van den Sabbat- of Zaterdag, omdat Christus op dien dag verrezen, en de H. Geest over de Apostelen nedergedaald is.

Ook vieren wij den Zondag om niet met de Joden gelijk te zijn.

3 V. Zijn wij verplicht nog andere dagen behalve den Zondag te vieren ?

A. Ja, volgens het eerste der kerkelijke geboden, ook nog de feestdagen, die van de H. Kerk zijn ingesteld.

Zulke dagen worden genoemd heiligendagen, om reden wij dan vieren de gedachtenis van een of ander mysterie, b.v. 2llen Paaschdag, H. Sacramentsdag, of van een Heilige, b.v. van O. L. Vrouw, onzen Patroon-Heilige, en die dagen bestemd zijn om ons op meer dan gewone wijze te heiligen.

4 V. Wat wordt er vereischt, om de Zon- en feestdagen te vieren ?

A. Dat wij ons onthouden van alle werken, welke op die dagen verboden zijn, en ons begeven tot godsdienstigheid.

Ons onthouden van verboden werken wil zeggen : ze niet doen.

Ons begeven tot godsdienstigheid wil zeggen: ons toeleggen op werken, oefeningen van godsdienstigheid, die op zulke dagen vooral in de kerk geschieden.

5 V. Welke werken zijn op de Zon- en feestdagen verboden ?

A. Alle slaafsche werken en ambachten, koop-

ocr page 191

187

handel en processen, ten ware de nood het anders vereischte.

gt;■ Ten l8tl: zijn alsdan verboden slaafsche werken, dat is: werken , die vroeger de slaven deden , als spitten , zaaien, ploegen enz., zoo ook ambachten: smeden, metselen enz.

Koophandel, markt en verkooping houden; echter is het niet verboden kleinigheden voor de huishouding te koopen, ofschoon brave mensohen er zoo min mogelijk gebruik van maken.

Processen zijn dingen, die voor de rechtbank beslist moeten worden.

Al deze zaken zijn ons verboden, omdat de Zondag aan God toegewijd is, en deze zaken ons juist van God aftrekken; want zijn wij daarmee bezig, dan zullen wij niet naar behooreu met godsdienstige zaken bezig zijn; zij houden onzen geest te veel bezig en verhinderen ons de godsdienst-oefeningen bij te wonen.

Ten ware de nood het anders vereischte wil zeggen: als het niet anders kan, dan mag men zulke dingen wel doen, maar dan wil de Kerk toch in de meeste gevallen, dat wij verlof aan de geestelijken vragen, indien daar tijd en gelegenheid voor is.

6 V. Wat zijn wij verplicht te doen op Zon- en feestdagen ?

A. Ten minste Mis te hoeren; doch het betaamt, dat wij ook de preek, de Christelijke leering en andere kerkelijke diensten bijwonen.

Wij moeten tek minste Mis hoor en, dat wil zeggen, minder kan het niet.

Doch het betaamt, dat is : het past, het hoort zoo, dat men ook de preek, den catechismus, en andere kerkelijke

ocr page 192

188

diensten, vooral het Lof bijwone ; en brave christenen, die daar voor tijd hebben, bepalen zich niet bij ééne H. Mis...

7 V. Wie zijn verplicht op Zon- en feestdagen Mis te hooren ?

A. Zij , die tot de jaren van verstand gekomen zijn en door geene ziekte of andere gewichtige reden belet worden.

Tot de jaren van verstand komt men gewoonlijk omtrent de zeven jaar.

Qewichtige, dat ig, groote redenen knnnen ons alleen ontslaan van Mis te hooren, niet iedere kleinigheid. B.v. staat iemands huis in brand, dan behoeft hij niet naar de kerk te gaan en zijn huis maar te laten afbranden. Of zon iemand gevaarlijk ziek zijn, en niemand bniten mij dien persoon knnnen of willen oppassen, dan zon ik bij hem mogen blijven.

Zoo ook is iemand ontslagen, die zelf zwaar ziek is.

De ondervinding leert, dat menschen , die het 3llc gebod niet meer onderhonden , volslagen ongodsdienstig zijn; terwijl het verwaarloozen van preek en catechismus , om het gevolg der onwetendheid, daartoe van zelf leidt.

8 V. Wanneer zondigt men tegen de verplichting van Mis te hooren ?

A. Ten 1. Als men zonder wettige reden de H. Mis geheel of gedeeltelijk verzuimt; ten 2. als men de H. Mis niet bijwoont, gelijk het behoort.

Als men des Zondags de geheele Mis of een merkelijk deel zonder reden verzuimt, of merkelijk oneerbiedig bijwoont, doet men doodzonde; een klein gedeelte, dagelijksche zonde. Het kan om twee redenen een merkelijk deel zijn:

Ten l«te om de langdurigheid. Als men een langen tijd oneerbiedig is, of veel te laat komt, bv. na de offerande.

ocr page 193

189

Ten 2'lf kan het een merkelijk deel zijn , om de waardigheid van het deel, dat men verzuimt of waaronder men oneerbiedig is; b.v. men zou niet bij de Consecratie zijn, ofschoon deze maar een paar minuten duurt, of wat hetzelfde is, daaronder vrijwillig uiterlijk oneerbiedig zijn, b.v. praten of slapen. In deze gevallen maakt men zich aan groote zonde schuldig, tenzij men er op rekende nog eene andere Mis te hooren. Doet men dit, dan is men nog wel schuldig aan oneerbiedigheid , maar men is niet te kort gekomen aan de verplichting van Mis hooren.

Welke middelen kent gij, om in de kerk eerbiedig te zijn?

Ten lquot;t|!, zoodra men er inkomt, denken : ik ben hier in Gods huis.

Ten 2'le met eerbied wijwater nemen.

Ten 3'le eerbiedig en zedig, zonder rondzien, naar zijne plaats gaan.

Ten 4de eerbiedig buigen voor het H. Sacrament.

Ten 5de op zijne plaats zittende , zich op nieuw in Gods tegenwoordigheid stellen, d. i. denken : God, Christus in zijn H. Sacrament ziet mij , let op mij hoe ik me hier gedraag ; daarna de gratie vragen om goed te bidden. Bovendien behoort men op Zon- en feestdagen bijzonder bezorgd te zijn om zich van zonden te onthouden , die rechtstreeks met het doel der feestdagen — onze heiliging — in strijd zijn.

Ten 6de de meening maken voor wie, of waarvoor men wil bidden.

Vragen over de 259te Les.

1. Waarom staat er bij dit gebod „ wees gedachtigquot; enz.

2. Welke menschen begeven zich op Zon- en feestdagen

tot godsdienstigheid, en welke komen hier gedeeltelijk, welke grootelijks te kort P

ocr page 194

190

3. Waarom maken kinderen, die in de kerk oneerbiedig

zijn, zich schuldig aan heiligschennis P

4. Welk is de voornaamste oorzaak van oneerbiedigheid ?

(Vgl. 3de Les over het geloof.)

5. Noem eenige middelen daartegen.

6. Wat is gewoonlijk het gevolg, als men op Zon- en

feestdagen niet meer luistert naar preek of catechismus P En welk soort van menschen zijn het die dit gebod verwaarloozen ?

———-0«Ce«-

ZES EI TWimamp;STE LES.

Van liet vierde gebod.

1 V. Hoe luidt het vierde gehod ?

A. Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.

2 V. Wie verstaan wij in het vierde gehod door vader en moeder ?

A. Onze ouders en alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.

Op de eerste plaats onze ouders, aan wie wij naast God ons leven te danken hebben.

Op de tweede plaats stief- en /j/ee^-ouders, voogden , die de zorg voor onze opvoeding op zich genomen hebben en de plaats onzer ouders innemen; dus ook onderwijzers, de eerwaardige Fraters of Zusters, die ons katholiek onderwijs geven, te. meer als zij tevens met onze geheele opvoeding, verzorging naar lichaam en ziel belast zijn, b.v. in eene katholieke kostschool, in een weeshuis.

Verder alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke.

ocr page 195

191

Oeestelijke oversten zijn degenen, welke over onze zielen staan, ons besturen in al hetgeen de eeuwige zaligheid onzer ziel aangaat; dus in 't bijzonder de Paus van Rome, onze Bisschop, onze Pastoor en andere Priesters, die met de zorg onzer zielen belast zijn.

Wereldlijke oversten zijn degenen die in wereldlijke zaken ons besturen, over ons staan, b.v. Zijne Majesteit de Koning, de burgemeester enz.

3 V. Wat zijn wij volgens het vierde gebod aan onze ouders verschuldigd ?

A. Liefde, eerbied, gehoorzaamheid en behulpzaamheid.

Aan onze ouders zijn wij verschuldigd: Ten lste, in- en uitwendige liefde, d. w. z., dat we welwillend jegens hen gezind moeten zijn uit ware toegenegenheid, en dit ook met woord en daad moeten toonen, vooral wanneer ze oud , gebrekkig worden, ja zelfs wanneer zij misslagen zouden begaan.

Ten 2ae, eveneens in- en uitwendigen eerbied, d. w. z., dat wij hen altijd in ons hart moeten hoogschatten, en die hoogachting ook door woord en daad moeten toonen , wederom vooral wanneer zij oud of gebrekkig worden, ja zelfs wanneer ze fouten of misslagen zouden begaan. We mogen hun zeker met kinderlijken eerbied op die fouten wijzen , maar moeten hnn ook als we dat doen, en in alle omstandigheden beleefd en bescheiden toespreken, hen altoos eerbiedig bejegenen, behandelen.

Ten Si's, Gehoorzaamheid, d. w. z., dat wij gewillig en zonder tegenspraak alles moeten doen, wat zij ons gebieden, en laten wat zij verbieden, zoolang ze niets gebieden dat kwaad is. (zie 7de V.)

Ten 4(lc, Behulpzaamheid, d. w. z., dat wij onze ouders, als zij in geestelijken of tijdelijken nood verkeeren, moeten helpen zooveel wij kunnen.

ocr page 196

192

4. V Wie zondigen tegen de liefde, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die hunne ouders haten, bedroeven of hun kwaad wenschen.

Ten lquot;te, die honne ouders haten, dat is, omdat zij hun niet genegen zijn, blij zijn, als het hun kwaad gaat, en integendeel droevig zijn, als het hun goed gaat.

Ten 2ie, bedroeven, hun verdriet aandoen, b.v. door koppigheid , verzet, slecht gedrag enz.

Ten 3de, hun uiterharte gemeend kwaad toewenschen.

5 V. Wie zondigen tegen den eerbied, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die hunne ouders minachten, spijtig toespreken, bespotten of kwaad van hen zeggen.

Ten lste, die hunne ouders in hun hart minachten of smadelijk verachten, of minachtend behandelen ; die uit minachting of trotschheid zich over hunne ouders schamen, ze niet willen erkennen, er geen omgang mee willen hebben.

Ten 2ie, die hunne ouders spijtig, kortaf, bits, norsch, brutaal toespreken, scheldwoorden toevoegen of scheldnamen geven.

len 3dlt;!, die hunne ondera bespotten, beschimpen, uitlachen, de tong tegen hen uitsteken enz.

Ten d'1® die kwaad van hen zeggen, bekend maken, of verdichten , hen lasteren.

6 V. Wie zondigen tegen de gehoorzaamhied, aan hunne ouders verschuldigd ?

A. Die de wettige geboden hunner ouders niet of slecht volbrengen.

ocr page 197

193

De Catechismus zegt: Die de wettige geboden enz.

Welnu, ouders en oversten kunnen hunne kinderen en onderdanen, b. v. dienstboden , wettig gebieden, ten lquot;te, de huiselijke orde te volgen, b. v. in eten, drinken en kleeding; om op een gesteld uur 's avonds thuis te zijn, dit of dat werk te doen, dit of dat ambacht uit te oefenen.

Ten 2,le, kunnen zij wettige geboden voorschrijven in al het geen de zedelijke opvoeding en het zielenheil hunner kinderen of onderdanen betreft, b. v. dat ze op tijd te biechten, naar het Lof gaan enz., en met geene verdachte kameraden omgaan , of geene verboden of gevaarlijke gezelschappen of vermakelijkheden bijwonen.

Kinderen en onderdanen die deze en soortgelijke geboden hunner ouders of oversten niet, of slecht, d. w. z. ten halve, slordig, tegenpreutelend, morrend enz. volbrengen, zondigen, meer of minder naar gelang der zaak, tegen de gehoorzaamheid aan hunne ouders of oversten verschuldigd.

7 V. Moet men ook aan zijne ouders gehoorzamen, als zij iets gebieden, dat kwaad is ?

A. Neen; dan mag men hun niet gehoorzamen.

Als het mocht gebeuren, dat ongodsdienstige ouders iets zouden gebieden dat kwaad is, b. v. liegen, stelen, tot stelen helpen, Zondags zonder wettige reden geen Mis te hooren, enz. , dan mag men hun niet gehoorzamen, omdat ze geen recht hebben iets kwaads te gebieden, en dus hunne geboden dan zeker onwettig, niet verplichtend zijn.

In de keuze van een staat des levens behoeven kinderen aan hunne ouders wel niet te gehoorzamen, omdat zij in deze keuze vrij , aan hen niet onderworpen zijn; maar ze moeten hen in deze gewichtige aangelegenheid wel degelijk raadplegen, vooral als ze een huwelijk willen aangaan. De eerbied, dien kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn.

ocr page 198

194

vordert dat zij hun raad vragen , en bijtijds kennis geven van hnn voornemen.

Denken kinderen, dat hier gewichtige redenen bestaan om van dezen regel meer of minder af te wijken, dan moeten zij daarover hun biechtvader raadplegen.

8 V. Wie zondigen tegen de behulpzaamheid, welke men aan zijne ouders moet bewijzen ?

A. Zij , die hen in hunnen geestelijken of licha-melijken nood niet bijstaan , als zij zulks kunnen.

Wij zondigen tegen de behulpzaamheid aan onze ouders verschuldigd, als wij hen niet helpen als wij kunnen, ten l3te in hunnen geestelijken nood , d. i., als hunne ziel en zaligheid in blijkbaar gevaar verkeert, b. v. als wij verzuimen voor hunne bekeering te bidden als ze ongodsdienstig leven; als we geen zorg dragen dat ze, gevaarlijk ziek zijnde, bijtijds bediend worden; dat ze na hnn dood een uitvaart krijgen volgens hun stand; als we hunne niterste-wilsbeschikkingen niet uitvoeren enz

Ten 2ie, als we hun in hunnen lichamelijken nood, d. i. in hunnen nood naar het lichaam, in tijdelijke behoefte niet bijstaan als we kunnen ; b. v. als we verzuimen hen op te passen, te bezoeken , van 't noodige te voorzien, den dokter te laten komen als ze ziek zijn ; als we hen niet naar vermogen ondersteunen als ze zelf den kost niet meer kunnen verdienen, tot gebrek of armoede vervallen enz. Wat te denken van kinderen, die bij hun ouders kostgeld verteren P

9 V. Waarom moeten wij onze ouders zoo zeer eer en en beminnen ?

A. Omdat ons alle goed naast God van hen komt, en zij ons in Gods plaats besturen.

Dus moeten wij, volgens dit antwoord van den Catechismus, om twee redenen onze ouders zoo zeer eeren en beminnen.

ocr page 199

195

Ten l5te, omdat ons alle goed in zijn oorsprong, naast God, van hen komt, het leven, de eerste verzorging enz. Daarom drnkt de H. Schrift ons dien plicht van dankbaarheid zoo zeer op het hart , zeggende : „ Her uwen vader uit geheel uw hart, en vergeet de smarten uwer moeder niet. Bedenk, dat gij zonder hen niet zoudt geboren zijnquot;. Hoe kunt gij hun vergelden wat zij u gaven P (Eccli. VII. 29. 30.)

Ten 2^, omdat zij ons in Gods plaats besturen , omdat zij Gods plaatsbekleeders zijn, en wij dus God zeiven in den persoon onzer ouders moeten eeren en beminnen. God toch is de oorsprong van alle vaderschap en gezag!

In de volgende vraag geeft de Catechismus eene 3'lc beweegreden aan, om onze plichten jegens onze ouders toch trouw te vervullen , nl. dat God aan de onderhouding van dit gebod eene bepaalde , eene bijzondere belofte verbonden heeft.

10 V. Wat heeft God beloofd aan de hinderen , die hunne ouders eeren ?

A. Hier een lang en gelukkig leven, en hierna het eeuwig leven.

Hier, d. i., op aarde, een lang en gelukkig leven. Een kind dat dankbaar is voor het leven, dat het, naast God, van zijne ouders ontving, is waard dat het die gave lang geniete , dat het hier lang leve , en gelukkig. Dit bevestigt de H. Apostel Paulus zelf, zeggende: „ Eer uwen vader en uwe moeder , welk gebod het eerste is , waaraan eene bijzondere belofte verbonden is : opdat het u welga , en gij lang levet op aarde. (Br. aan de Ephes. VI. 2. 3.)

Maar, zal wellicht iemand uwer denken: die en die was toch zoo braaf, had zijn vader en moeder zoo innig lief, en toch hebben ze zoo lang gesukkeld, en zijn zoo jong gestorven. Hoe is dan Gods belofte aan hen vervuld P

Die belofte is voorwaardelijk: als een lang en gelukkig,

ocr page 200

196

menschelijker wijze gesproken, een Toorspoedig leven hun zalig is. Is voor sommige brave kinderen een lang en voor spoedig leven op aarde niet zalig, dan geeft God hun vroegtijdig het eeuwig leven, dat veel beter is dan het langste en gelukkigste leven op aarde. Veronderstel, iemand heeft u een kwartje beloofd als ge goed oppast. Ge hebt goed opgepast, en nu geeft hij u in plaats van een kwartje een gouden tientje. Zult ge nog zeggen, dat die goede man zijne belofte niet heeft vervuld P

Bovendien leert de geschiedenis, en de dagelijksche ondervinding , dat kinderen die hunne ouders trouw eeren, meestal op aarde lang en gelukkig leven, op zichtbare wijze door God gezegend worden. Daarom geldt het spreekwoord onder de menschen ; dien braven zoon gaat het hier goed ; geen wonder : hij heeft het aan zijne ouders verdiend. Hij was er zoo goed voor ! En omgekeerd, van een ondeugenden, ontaarden zoon : 't gaat hem slecht: geen wonder: hij heeft het aan zijne ouders verdiend. „ Vervloekt zij hij — zoo lezen we in de H. Schriftuur — die zijnen vader en zijne moeder niet eert; en al het volk zal zeggen : Amenquot; , het zij zoo. (Deut. XXVII. 16.)

Kinderen , eert dus uwen vader en uwe moeder al de dagen uwb levens, opdat gij lang en gelukkig moogt leven op aarde, en hierna, na dit leven, m den hemel het eeuwig leven moogt verwerven. Eindelijk kan men hier nog aanhalen het voorbeeld van Christus zeiven.

Vragen over de 26ste Les.

1. Noem de vier verplichtingen, die het vierde gebod de

kinderen oplegt P Waarin bestaat elke verplichting en hoe zondigt men er tegen P

2. Noem vier redenen, waarom men het vierde gebod

met zorg moet onderhouden P

ocr page 201

197

ZEVEI EI TWINTIGSTE LES.

Van het Tijfde, zesde en negende gebod.

1 V. Hoe luidt het vijfde gebod ?

A. Gij zult niet doodslaan.

God verbiedt in het 5'Ie gebod door te zeggen : gij tuit niet doodslaan , niet alleen onwettigen vrijwilligen doodslag, maar ook alles wat tot doodslag leiden kan; en niet alleen alles waardoor we met de daad, maar ook slechts met woorden, ja enkel met den ml, ons zeiven of andere menschen on-reohtvaardig benadeelen, vooral naar het lichaam. Dit blijkt meer duidelijk uit het rijmpje : „ Met wil af met werken sla niemand dood.quot; Verder zal dit alles duidelijk worden door de verklaring der twee volgende vragen.

In dit gebod wordt ons de naastenliefde geboden. ...

2 V. f'Fat verbiedt het vijfde gebod ?

A. Zich zei ven of andere menschen, zonder wettige macht en reden, te dooden, te kwetsen of merkelijk te hinderen.

Het vijfde gebod verbiedt dus: ten l8te zich zeiven te dooden, zelfmoord te bedrijven, bv., zich zeiven moedwillig verdrinken, ophangen , doodschieten , enz.

Ten 2,le zich zeioen zonder wettige reden te kwetsen, d. i. vrijwillig bezeeren, verwonden, van een of ander lidmaat beroo-ven, verminken enz. Is zoo iets noodzakelijk, b.v. hand of vinger af te snijden, om de overige ledematen te behouden, het leven te redden, dan strijdt zulks niet met het vijfde gebod, dan is 't geen kwaad , omdat er dan wettige reden bestaat om in tijd van nood dat zelf te doen, en anders door een dokter te laten doen.

C. 13

ocr page 202

198

Ten 3'u~ zich zeioen zonder wettige reden merkelijk te hinderen in zijne gezondheid, in zijn lichamelijk welzijn. Hij dus die zich zeiyen dikwijls overgeeft, b.v. aan dronkenschap, on-knischheid of losbandigheid, zondigt niet alleen tegen de deugd ran matigheid en zuiverheid, maar tevens tegen het vijfde gebod, omdat hij zijne gezondheid, zijn leven door de gewoonte dier zonden merkelijk hindert, en verkort. ...

len 4lle verbiedt het vijfde gebod , andere menschen, zonder wettige macht en reden, te dooden, te kwetsen of merkelijk te hinderen.

God alleen is de Heer van leven en dood. Hij alleen heeft uit zich zeiven recht en macht over het leven van den mensch, zijn schepsel. Maar, wijl Hij er de Heer van is, kan Hij dat recht en die macht ook aan anderen meededen. En hij heeft dat gedaan. Hij heeft aan de hooge wereldlijke machtbeklee-ders, aan Zijne Majesteit den Koning, en diens plaatsvervangers, b.v. aan de rechters in strafzaken de macht verleend om groote booswichten tot de doodstraf te veroordeelen, ter dood te doen brengen.

Als dus de rechters over groote misdadigers de doodstraf uitspreken, zondigen zij geenszins tegen het vijfde gebod, omdat zij er wettige macht en reden toe hebben. Dit leert de H. Apostel Paulus nadrukkelijk, waar hij (in zijn Brief aan de Romeinen , XIII. 4) zegt; „ Doet gij het kwade , zoo vrees ! want dan hebt gij de straf der hooge wereldlijke overheid te vreezen. Want niet te vergeefs, als tot ijdele vertooning, tot bangmaking, draagt zij het 'zwaard, het zinnebeeld der straffende gerechtigheid, en bijzonder van de macht over leven en dood, maar om het te gebruiken, waar dit noodig is ; want ook tot het bestrallen van den misdadiger is de overheid Qods dienares, eene wreekster om te straffen wie kwaad doet.quot;

Kinderen, weet wel, dat ook uwe ouders en hunne plaatsvervangers , eenigermate in die macht deelen, en u dus gerust eenige lichamelijke straffen , des noods een goed pak slaag mogen geven, als gij ongehoorzaam, koppig, astrant, brutaal

ocr page 203

199

tegen hen zondet zijn. Dooden, kwetsen, merkelijk hinderen mogen zij u zeker niet; want zoover strekt hnnne macht zich niet uit.

Alwie , zonder wettige macht en reden, zijn evenmensch vrijwillig doodt, b.v. door met een geweer op hem te schieten, met een knuppel of kei hem te slaan, met eene sabel of een mes doodelijk te wonden enz., of op eenige wijze hem merkelijk kwetst aan een zijner ledematen, of hem merkelijk hindert in zijne gezondheid, b.v. met vechten en slaan, doet metterdaad groote zonde tegen het vijfde gebod.

Het volgend antwoord leert wanneer wij met woorden of enkel met den wil tegen het vijfde gebod zondigen.

Hoe laag en verachtelijk stellen zich aan, die van vechten, baldadigheden, anderen te hinderen , in hun eigendom, hun huizen enz. te benadeelen, als het ware hun beroep maken, en wel bij name op Zon- en Feestdagen. Zulke wezens schuwt elk fatsoenlijk mensch.

3 V. Zondigen wij tegen het vijfde gebod slechts dan , als wij met de daad iemand hinderen ?

A. Neen ; maar ook als wij iemand vervloeken , hem kwaad wenschen, en gramschap, haat of nijd in het hart toedragen.

De Catechismus antwoordt: Neen; d. w. z., dat wij tegen het vijfde gebod niet slechts dan zondigen, als wij met de daad iemand zonder wettige macht en reden dooden, kwetsen of merkelijk hinderen, maar ook ten lste als wij iemand anders, andere menschen met woorden vervloeken , d. i., onder aanroeping van God of den duivel de eeuwige verdoemenis of ander groot kwaad toewenschen. Zeker kunnen we ook tegen het vijfde gebod zondigen door enkel inwendig, alleen met den wil, van harte gemeend, een ander, of ook ons zeiven te vervloeken. Maar deze woorden van den Catechismus slaan voornamelijk, zoo niet uitsluitend op zonden, die we tegen

ocr page 204

200

het vijfde gebod uiterlijk door woorden tegen andere menschen kunnen bedrijven. •

Ten 2,ie, ook als wij hem, onzen evenmensoh, kwaad wenschen, zonder daarbij God of den duivel aan te roepen , dat onze wen ach vervuld worde. Daarin vooral bestaat het verschil tusschen iemand v er vlo eken, en hem kwaad wenschen. Iemand vervloeken is dus uit zijn aard nog erger dan hem louter kwaad wenschen.

Ten 3de geeft de Catechismus de voornaamste zonden aan die enkel met den wil tegen dit gebod kunnen bedreven worden, als hij zegt: en hem, onzen evenmensoh, gramschap, haat of nijd in het hart toedragen.

Gramschap, d. i., de ongeregelde begeerte om wraak te nemen, m. a. w., om onzen evenmensoh, door wien we beleedigd zijn of ons beleedigd achten, eveneens te hinderen, hem zijn beleediging betaald te zetten, kwaad met kwaad te vergelden.

Haat toedragen, d. i., boosaardig tegen onzen evenmensoh gezind zijn, hem kwaad gunnen, wenschen dat hij ongelukkig zij.

Nijd is eene ongeregelde droefheid over het geluk en den voorspoed van onzen evenmensoh, omdat wij meenen, dat zijn geluk ons geluk vermindert.

Alle deze soorten van inwendige zonden strijden wel degelijk tegen het vijfde gebod; want wat men met de daad niet mag doen, zich zeiven of andere menschen dooden, kwetsen of merkelijk hinderen, mag men ook niet willen met het hart, mag men ook niet toewensohen.

4 V. Wat leert ons Christus aan onze vijanden te doen ?

A. Hij leert ons alle ongelijk te vergeven, voor onze vijanden te bidden, en ook het kwaad met goed te vergelden.

ocr page 205

201

Hij leert ons aan onze vijanden, d. i., aan degenen die ons kwaad doen of kwaad willen doen, ten lstl! alle persoonlijk ongelijk uit ter harte te vergeven, en ook uiterlijk te toonen, dat wij hun geen afkeer, haat of wraak toedragen, en hijgevolg mogen we de gewone teekenen van vriendschap en beleefdheid, d. i., zoodanige die wij aan alle menschen bewijzen, ook aan onze vijanden niet weigeren.

Ik zeide, a. dat we alle persoonlijk, maar niet, dat we alle zakelijk ongelijk moeten vergeven ; want als iemand ons onrechtvaardig benadeelt in onze zaken , in ons eigendom of in onzen goeden naam, mogen we schadevergoeding, eerherstelling vragen, b. Dat we aan onze vijanden de gewone teekenen van vriendschap of beleefdheid niet mogen weigeren; maar niet, dat we in den regel op zonde verplicht zijn hun bijzondere teekenen van vriendschap te geven.

Ten 2lt;i'' heeft Christus ons geleerd voor onze vijanden te bidden. Daartoe zijn we op zonde verplicht in dezen zin, dat we hen niet mogen uitsluiten bij die gebeden, waarin we voor alle menschen bidden, gelijk we doen in het Onze Vader, in het Wees gegroet en in meest alle andere gebeden.

Ten 3,le, ook het kwaad met goed vergelden. Wel is het een gebod : geen kwaad met kwaad te vergelden; dat mogen we niet. Maar kwaad met goed te vergelden is in den regel ons niet op zonde geboden, evenmin als we op zonde gehouden zijn aan onze vijanden bijzondere teekenen van vriendschap te geven, of voor hen in 't bijzonder te bidden. Doch als raad heeft Christus ons dit alles ten zeerste aanbevolen, en ook door zijn woord en voorbeeld geleerd. Zijn «poorrf luidt (bij Matth. V. 43—48). „ Gij hebt gehoord dat er gezegd is : Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten. Doch Ik zeg u; hebt uwe vijanden lief, doet wel aan die u haten, en bidt voor hen die u vervolgen en belasteren, opdat gij kinderen , (zooveel mogelijk volmaakte navolgers) moogt zijn van uwen Vader, die in den hemel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden, en regenen doet over recht-

ocr page 206

202

vaardigen en onrechtvaardigen. Want indien gij liefhebt die n liefhebben; wat loon zult gij hebben ? (Het antwoord op de vraag is ontkennend: geen loon zult gij daarvoor hebben in den hemel.) Doen ook de tollenaars (groote zondaars) dat niet P En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij voortreffelijks? doen ook de Heidenen dat niet? Weestdan gijlieden volmaakt (in uwe liefde tot de menschen, niet alleen uwe vrienden, maar ook uwe vijanden beminnende), gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.quot;

Tot de beoefening dezer volmaakte liefde jegens onze vijanden spoorde Jesus ons nog krachtdadiger aan door zijn voorbeeld,. Bijna gedurende zijn geheel sterfelijk leven werd Hij vervolgd, beleedigd, belasterd, gehoond en eindelijk onrechtvaardig op de smadelijkate en smartelijkste wijze aan 't kruis genageld en doodgemarteld; Hij bezat de macht om zijne vijanden te straffen gelijk ze verdienden. Maar Hij deed dit niet. Hij had ook hen lief, deed wel aan die Hem haatten , en bad voor hen die Hem vervolgden en lasterden. Jesus zeide; „ Vader ! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. (Luc. XXIII. 34.) — Hoe verschilt hier de leer van Christus van die der wereld, die voorgeeft dat men zich op zijn vijanden wreken moet, dat vergeven oneer is, enz.! Vgl. 19ae Les,Vr .11.

5 V. Hoe luidt het zesde gebod ?

A. Gij zult geen overspel doen.

6 V. Wat verbiedt het zesde gebod ?

A. Alle uitwendige zonden van onkuischheid door woorden of werken, en het gebruik van oneerbare boeken , gezangen en beelden.

7 V. Hoe luidt het negende gebod ?

A. Gij zult uws naasten huisvrouw niet begeeren.

ocr page 207

203

8 V, Wat verbiedt het negende gebod ?

A. Alle inwendige zonden van onkuischheid door vrijwillige gedachten of begeerten.

9 V. Wat gebieden het zesde en negende gebod ?

A. De deugd van zuiverheid met zorg te bewaren.

10 V. Welke middelen zijn er om de onkuischheid te vermijden en de zuiverheid te bewaren ?

A. Ten lste. Zich van overdaad onthouden; ten 2de het gezelschap van ongelijke en van losbandige personen schuwen ; ten 3de Gods tegenwoordigheid gedenken ; ten 4de de godsvrucht tot Onze Lieve Vrouw ; ten 5d0 het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten.

Het G'1'! en 9'ilt;- gebod, zijn ontkennend nitgedrukt; het 6'ie gebod verbiedt alle uitwendige, het 9de alle inwendige zonden van onkuischheid.

Men behoeft hiervan alleen dit aan de kinderen te zeggen: als gij ooit iets vrijwillig gedacht, gedaan, gesproken of gezongen hebt, waarover gij u voor anderen zoudt schamen, dan is het goed dat gij er uwen Biechtvader over spreekt; want, ofschoon het daarom altijd nog geen zonde is, is het toch goed, dat gij het hem zegt.

Niet zelden zien kinderen iets wat louter onfatsoenlijk of minder zedig is, als wezenlijke onkuischheid aan. Al degenen die met de opvoeding van kinderen belast zijn , moeten dus zorgen ze niet in eene valsche conscientie te brengen. Wat wezenlijk onkuisch , en door het 6dt of 9de gebod op doodzonde verboden is, geeft het antwoord van den Catechismus duidelijk genoeg te verstaan. Men wachte zich dus zorgvuldig desbetreffende tot bijzonderheden af te dalen, waardoor men

ocr page 208

204

kinderen kwaad zou kunnen leeren, dat zij niet kenden, waardoor men hun dus werkelijk ergernis zou kunnen geven 1 De zuiverheid is de schoonste van alle deugden, wijl zij den mensch in zeker opzicht boven de Engelen verheft; want deze zijn zonder inspanning, van hunne natuur zuiver, terwijl de mensch het slechts door strijd en mot moeite is. Men heet ze dan ook de heilige, de engelachtige deugd. Daarom dan ook zijn wij , zoo lang wij leven, in gevaar die deugd te verliezen; wij dragen dien schat in een broos vat, dat licht breekt, en op een glibberig pad, waarop men lichtelijk uitschuift. Hierdoor wordt ons aangeduid, dat wij voorzichtig moeten zijn vooral in onze oogen, om naar niets te zien , in onze ooren, om naar niets te hooren wat niet goed is, en trouw de middelen moeten gebruiken , in het 10,le Antw. aangegeven, om de onkuischheid te vermijden en de zuiverheid te bewaren.

Welk verschil is er tusschen het 6le en 9de gebod?

Dat het 6,le gebod de uitwendige, en het 9de gebod de inwendige zonden van onkuischheid verbiedt.

Kinderen , denkt er wel aan : de zonde van onkuischheid is eene zeer sehandige zonde; zij is zeer gevaarlijk, omdat men zoo lichtelijk in dezelve hervalt , en er eene gewoonte van krijgt, die men zeer moeilijk aflegt, en eindelijk eene hoofdzonde, waaruit vele andere ontstaan.

Vragen over de 275te Les.

1. Welk is de grootste zoude tegen het vijfde gebod?

2. Noem nog andere uitwendige zonden tegen dit gebod-

3. Wat beteekent wettige macht en reden ?

4. Wie zondigt tegen dit gebod met woorden P

5. Noem de inwendige zonden tegen dit gebod.

6. Wat moet men denken van kinderen, die dikwijls onge

noegen veroorzaken, verwijten, twisten, vechten, enz. ?

ocr page 209

205

7. Welke deugd wordt in dit gebod voornamelijk geboden P

8. Welk ongelijk moet men aan een ander vergeven ?

9. Welke deugd wordt ons geboden in het zesde en

negende gebod ? Hoe verschillen die geboden en hoe komen ze overeen ?

10. Waarom is het raadzaam , dat kinderen , die iets ge

sproken , gezongen, gedacht, of gedaan hebben. waarover zij verlegen zijn , daarover hun biechtvader spreken P

11. Welke middelen kent ge om de heilige deugd van

zuiverheid te bewaren P

12. Waarom behoort men vooral de onkuischheid met zorg

te vluchten P

ACHT M TWINTIGSTE LES.

Van het zevende, achtste en tiende gebod.

1 V. Hoe luidt het zevende gebod ?

A. Gij zult niet stelen.

Het 7'le gebod luidt; gij zult niet stelen, en is dus ontkennend uitgedrukt; terwijl de rechtvaardigheid hier geboden wordt.

2 V. Wat verbiedt het zevende gebod ?

A. Alle zonden , waardoor wij onzen naaste op eene onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen benadeelen.

Het zevende gebod verbiedt elk nadeel, dat we onzen Laaste aandoen op eene onrechtvaardige wijze, d. w. z., op eenige wijze, die met de deugd van rechtvaardigheid strijdt, en dus het strikt reoht [van onzen naaste schendt in zijne

ocr page 210

206

tijdelijke goederen, d. i. in de goederen der fortuin, b. v. in geld, huis, huisraad, kleed, land, enz., dat hem toebehoort, dat zijn eigendom is.

Die goederen worden hier tijdelijke goederen genoemd, omdat ze maar eenen tijd duren, alleen hier op aarde, op deze wereld, wier gedaante voorbijgaat, in tegenstelling van de hemelsche goederen, die in eeuwigheid bijblijven.

Het zevende gebod verschilt dus in dit opzicht hierin van het vijfde en achtste gebod, dat het vijfde gebod ons verbiedt elk nadeel, dat we onzen naaste onrechtvaardig aandoen rechtstreeks naar zijn lichaam, in zijne gezondheid of in zijn leven — het achtste, in zijne eer en faam, terwijl het zevende verbiedt hem onrechtvaardig in zijne tijdelijke goederen te benadeelen.

3 V. Hoe luidt het tiende gehod ?

A. Gij zult uws naasten huis niet begeeren, noch zijn land. noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd , noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets van alles wat hem toebehoort.

4 V. Wat verbiedt het tiende gehod ?

A. De begeerte tot stelen en om onzen naaste op eene andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te benadeelen.

De begeerte of den wil hebben tot stelen, of om onzen naaste op eenige andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te benadeelen, is reeds kwaad, zonde, al zou men later niet in de gelegenheid zijn om te stelen wat men verlangde, of om zijnen naaste op eenige andere manier metterdaad in zijne tijdelijke goederen te benadeelen. Want wat men niet metterdaad doen mag, mag men ook niet willen of begeeren.

Is er ook verschil tusschen het 7Je en 10de gebod ?

ocr page 211

207

Ja, voornamelijk tweeërlei. Ten lstc, dat het 7^ gebod de uiticendige zonden, en het lO1'1 gebod de inwendige zonden van onrechtvaardigheid verbiedt.

Ten 2ic, dat hij die enkel tegen het lO1» gebod gezondigd, zijnen naaste alleen door den wil of met de begeerte onrechtvaardig benadeeld heeft, niet gehouden is tot schadeherstelling, tot restitutie, waartoe hij die tegen het 7de gebod gezondigd heeft, wel degelijk verplicht is. (Zie 8'te V.)

5 V. Noem eenige zonden van onrechtvaardigheid ?

A. Iemands goed stelen of helpen stelen, gestolen goed koopen of bewaren; den arbeidsman zijn loon onthouden ; in processen of koopmanschappen bedrog of valschheid plegen.

Als voorbeelden van eenige zonden van onrechtvaardigheid, of van eenige wijzen, waarop we onzen naaste onrechtvaardig in zijne tijdelijke goederen benadeelen , haalt de Catechismus hier aan ten late iemands goed stelen. Stelen is een tijdelijk goed, dat onzen naaste toebehoort, heimelijk, tegen zijn redelijken wil weghalen.

Tegen zijn redelijken wil, w. z., dat de eigenaar er met reden op tegen is. Het zou dus geen stelen zijn, als iemand in den uitersten nood , om zich in 't leven te houden, heimelijk een stuk brood van zijn naaste wegnam; want niemand kan mot reden, redelijkerwijs, een stuk brood weigeren aan iemand, die in 't naaste gevaar is van honger te sterven.

De Catechismus neemt hier het woord stelen inalgemeenen zin, zoodat hier door stelen niet enkel diefstal, maar ook roof te verstaan is. Rooven is iemand met geweld eenig tijdelijk goed afnemen. Koof is uit zijn aard eene grootere zonde dan enkele diefstal , omdat door roof den eigenaar behalve het nadeel in zijn tijdelijk goed , bovendien geweld en smaad worden aangedaan. Het stelen is zeer gevaarlijk voor kinderen; van het kleine komen ze als van zelf tot het grootere.

ocr page 212

20S

Ten 2,le; Iemands goed helpen stelen. Door op eene of andere wijze in stelen of roeven te helpen , b. v. door aanraden , beschermen, gebieden enz., (Zie 41s,e Les V. 1. 2.), wordt men medeplichtig aan de zonde van onrechtvaardigheid door een dief of roover bedreven.

In 't bijzonder ten 3Je , gestolen goed Jcoupen of bewaren , d. w. z., goed, dat men zeker weet of met reden denkt gestolen te zijn, koopen of bewaren.

Waren er geen helers, dan waren er minder stelers.

Ten 4,1'!; Ben arbeidsman zijn verdiend loon onthouden, d. i., niet, of niet het volle loon , de volle huur betalen. Deze zonde van onrechtvaardigheid roept door hare groote boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld af. (Zie 41ste Les, 7'1lt;! en 8squot;- V.) Doch zondigen werkgevers tegen de rechtvaardigheid door den arbeidsman zijn loon te ontbonden , ook de werklieden zondigen tegen de rechtvaardigheid als ze dagdieven. — Ook al degenen die schnlden maken die ze voorzien niet te znllen knnnen betalen , of die hnnne schulden niet betalen, ofschoon ze daartoe in staat zijn, zondigen tegen de rechtvaardigheid. Dezulken doen menig eerlijk man zuchten, die te goeder tronw met hen gehandeld heeft.

Ten 5lle; in processen of koopmanschapyen bedrog of valschheid plegen.

In processen, d. i.in zaken die voor 'tgerechtshof, de rechtbank dienen, wordt bedrog of valschheid gebruikt b. v. door valsche getuigenis aan te halen, de getuigen om te koopen, valsche handteekeningen of stukken te berde te brengen enz.

In koopmanschappen, d. i., in handelszaken, bij koop en verkoop, bedrijft men bedrog of valschheid, b. v. indien men valsche of gemengde waren verkoopt als echte en zuivere , dus tegen den prijs die echte en zuivere waar kost; wanneer men in maat, gewicht of getal den kooper bedriegt. Hoort

ocr page 213

209

wat de H. Schriftuur daarvan zegt: „ Tweeërlei gewicht, tweeerlei maat, d. i. , een valsch gewicht en eene valsche maat bij den inkoop, en een ander valsch gewicht en eene andere valsche maat bij den verkoop, heide zijn den Heer een gruwel.quot; (B. der Spreuken, XX. 10J „ Eene bedrieglijke weegschaal is den Heer een gruwel; maar een oolkomen gewicht is hem lief.quot; (T. a. p. XI. 1.)

6 V. Hoe luidt het achtste gebod ?

A. Gij zult tegen uwen naaste geen valsche getuigenis geven.

7 V. Wat verbiedt voornamelijk het achtste gebod?

A. Valsche getuigenis , leugentaal, kwaadspreken,

lasteren, van iemand lichtvaardig kwaad vermoeden of oordeelen.

Ten lste V'ilsche getuigenis, vooral welke men voor het gerecht tegen den naaste aflegt, door iets dat men weet of meent valsch , niet waar te zijn, toch als waar, of waaraan men twijfelt, toch als zeker waar te getuigen.

Ten 2de leugentaal. Liegen is tegen zijn gemoed spreken.

Men kan dus liegen , ofschoon men iets zegt dat waar is ; als men namelijk zelf denkt dat het niet waar is; en ook omgekeerd : men kan iets vertellen, wat men denkt waar te zijn , ofschoon het niet zoo is; men liegt dan echter niet, want men spreekt dan niet tegen zijn gemoed, wijl men denkt, dat de zaak is gelijk men ze vertelt.

Onderwijzers behooren hunne leerlingen ter dege te vermanen nooit vrijwillig te jokken, te liegen , en kinderen , die het als uit gewoonte doen, eene geduchte straf te geven.

Om hun een rechtmatigen afschrik van elke vrijwillige leugen in te prenten, kan dienen : a) dat elke vrijwillige leugen, zelfs om beterswil, d. w. z., om zich zei ven of anderen te redden, eene verdiende straf te doen ontgaan, of uit scherts.

ocr page 214

210

(tenzij de toehoorders genoegzaam kunnen verstaan, dat hetgeen men vertelt zoo niet gemeend is, maar alleen verzonnen en gezegd is om ze eens te laten lachen), altijd uit haar aard, eene dagelijksche zonde is.

b.) Dat men door eene op zich zelve kleine leugen soms groote zonde kan bedrijven, nl., indien we kunnen en moeten voorzien, dat ze eene groote verergernis ten gevolge zal hebben , wat soms gebeurt, als men uit scherts wereldlijke, maar vooral geestelijke overheden door leugentaal bespottelijk maakt.

c.) Dat leugentaal spreken den mensch onteert, en eeniga-zins gelijk maakt aan den duivel, die wanneer hij de leugen spreekt, spreekt uit hetgeen hem eigendommelijk toekomt; want hij — de duivel — is van aard en inderdaad een leugenaar en de vader, de uitvinder der leugen. (Zie 't Evang. van Joannes VIII. 44.)

Ten en 4'1'' verbiedt het 8sle gebod kwaadspreken, lasteren.

Welk verschil is er tusschen kwaadspreken en lasteren ?

Kwaadspreken is iets kwaads van iemand vertellen, dat wel waar, maar nog niet bekend , publiek is.

Lasteren is kwaad van iemand vertellen , dat niet waar is.

Ten 5de en 6'^, van iemand lichtvaardig, d. i. , zonder dat men er goede , voldoende of genoegzame reden toe heeft, kwaad vermoeden , d. i., wel niet voor zeker houden, maar toch vrijwillig veronderstellen; dus iemands deugd of goede hoedanigheid betwijfelen, bij zich zei ven in twijfel trekken; — q/1 oordeelen, d. i., het in zijn hart voor waar en zeker houden.

Met goede reden kwaad van iemand vermoeden of oordeelen is geene zonde. B.v. Als er in een winkel telkens iets weg zou zijn van datgene, waar niemand mee omgaat dan de bedienden, dan mag de winkelier gerust vermoeden, ja oordeelen, daf een zijner bedienden hem besteelt. Nog dient opgemerkt, dat invallende vermoedens of oordeelen geene zonde zijn, als we er niet vrijwillig in toestemmen, als de wil er geen deel

ocr page 215

211

aan neemt, ze afkeurt, zoodra men bemerkt, dat ze lichtvaardig zijn.

8 V. Wat moet hij doen , die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer of tijdelijke goederen heeft beschadigd ?

A. Hij is verplicht die schade, zoodra en zoo goed hij kan , te herstellen.

Hij , die zijnen naaste onrechtvaardig in zijne eer en faam, of in zijne tijdelijke, of in zijne lichamelijke goederen beschadigd heeft, is verplicht restitutie te doen d. w. z., hetgeato-lene terng te geven , en de toegebrachte schade te herstellen als hij kan.

Als iemand zijnen naaste in een der drie opgenoemde goederen onrechtvaardig beschadigd heeft, is het niet genoeg dat hij die zonde van onrechtvaardigheid openhartig biechte, maar hij moet bovendien den ernstigen wil hebben om metterdaad restitutie te doen als hij kan, en zoodra, en zoo goed, d. i., zooveel hij redelijkerwijze kan. Indien zoo iemand geene restitutie wil doen als hij kan, en zoodra en zoo goed hij kan, kan hij ook geen waar berouw hebben over zijne zonde ; want dan gaat hij minstens met den wil voort in de zonde van onrechtvaardigheid, die hij vroeger metterdaad bedreven heeft. In dien zin zegt dan ook de H. Augustinus en het Kerkelijk Wetboek met hem : „ Als hij, die andermans goed onrechtvaardig verkregen of beschadigd heeft, het niet teruggeeft of de schade herstelt als hij kan, dan doet hij geene boetvaardigheid, maar hij veinst ze alleen : de zonde van onrechtvaardigheid wordt niet vergeven, tenzij men de onrechtvaardigheid zelve herstel-Iequot; , met den wil, als men waarlijk anders niet kan, en ook metterdaad als men kan, en zoodra en zoo goed men kan.

Die wil, of het voornemen om het onrechtvaardig verkregen goed of de aangedane schade te herstellen, moet ernstig gemeend zijn, en zoo vast en sterk, dat men ook bereid is

ocr page 216

212

de middelen te gebruiken, welke noodig zijn om het aangedaan onrecht zoodra en zoo goed mogelijk te herstellen. Dns zoo iemand, en eveneens hij die schnlden heeft, mag er zoo maar niet op aanleven , alsof hij niets te betalen of te herstellen had, maar hij moot zich eenige ontberingen getroosten , 't sober aanleggen , bezuinigen , om zoodra en zoo goed mogelijk aan zijn plicht te kunnen voldoen.

De noodzakelijkheid en de moeilijkheid der restitutie moesten alleen redenen te over zijn om een ieder van alle vrijwillige onrechtvaardigheid af te schrikken, te weerhouden. We zien er uit, dat iemand die eene groote onrechtvaardigheid begaat, niets wint en veel verliest, minstens de rust van zijn geweten ; komt zijne misdaad uit, schande, boete, gevangenis.... hier, en, als hij geene ware boetvaardigheid doet, hierna de eeuwige straf der hel.

9 V. Aan wien moet die herstelling geschieden? A. Aan hem , die de schade geleden heeft, of aan zijne rechtverkrijgenden.

D. i., aan zijne erfgenamen.

Vragen over de 285te Les.

1. Wat verbiedt en gebiedt het zevende en achtste gebod P

2. Hoevelerlei soort van goederen heeft de mensch, en

met welke goederen te benadeelen zondigt men tegen het vijfde, zevende en achtste gebod ?

3. Wat is stelen , wat rooven P

4. Welk verschil is er tusschen het zevende en tiende

gebod P

5. Wat is elke zonde, die in vr. 7 als strijdig met het

achtste gebod wordt aangehaald P

6. Welk verschil is er tusschen de uitwendige zonde van

onrechtvaardigheid en andere zonden, met betrekking tot de vergiffenis P

ocr page 217

213

EEGrEI EI TWIITIGSTE LES.

Van de geboden der H. Kerk.

1 V. Zijn wij verplicht de geboden der H. Kerk te onderhouden ?

A. Ja, zoowel als de goddelijke geboden, omdat zij ons gegeven zijn door degenen, die ons in Gods plaats besturen.

Ja, d. w. z. dat we wel degelijk verplicht zijn de geboden der 11. Kerk, d. i. van den Pans en van de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus, te onderhouden, te volbrengen, zoowel als de goddelijke geboden , d. w. z., evenzeer , evengoed als we, en onder dezelfde zonde waarop we verplicht zijn de goddelijke geboden, de tien geboden Gods, te onderhouden.

Dus, als wij ook maar een gebod der H. Kerk, met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil in eene groote zaak overtreden, b.v. op een geboden Heiligdag geen Mis hooren, op een Vrijdag of Zaterdag vleesch eten, doen we zoowel eene doodzonde, maken we ons zoowel aan de eeuwige straf der hel schuldig, als door één der tien geboden Gods volkomen vrijwillig in eenig merkelijk punt te overtreden.

De Catechismus geeft ons de reden duidelijk aan, waarom we verplicht zijn de geboden der H. Kerk zoowel te onderhouden als de goddelijke geboden. En die reden is: Omdat zij , d. i., de geboden der H. Kerk, ons gegeven zijn door de' genen, die ons in Gods plaats besturen, nl. door den Paus van Eome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. Z. H. de Paus en de Bisschoppen , die in vereeniging zijn met den Paus van Eome, zijn door God zeiven, door Jesns Christus aangesteld als zijne plaatsvervangers en C 14

ocr page 218

214

gemachtigd om in zijnen naam aan hunne onderhoorigen geboden te geven, wetten voor te schrijven.

De woorden, die Jeans desbetreffende tot Petrns en de overige Apostelen, en in hen tot hnnne wettige opvolgers sprak, zijn zoo klaar en duidelijk mogelijk. „ Die naar u hoort, hoort naar Mij ; en die u versmaadt, versmaadt Mij ; en die Mij versmaadt, versmaadt Hem , die Mij gezonden heeft.quot; (Luc. X. 16.J

2 V. Hoeveel geboden der H. Kerk zijn er ?

A. Voornamelijk vijf.

De Catechismus leert niet, dat er maar vijf geboden der H. Eerk zijn; immers er zijn er veel meer; o. a. is het een kerkelijk gebod , dat men , om waardig te communiceeren , nuchter zij van 's nachts 12 uren (33ste Les, 14,,e V.); dat een Katholiek geen huwelijk, dus ook geen verkeer, mag aangaan met onkatholieken, b.v. met een Protestant (38«c Les , 2de V.) enz. enz. Maar hij leert, dat er voornamelijk vijf geboden der H. Kerk zijn, dat de vijf volgende onder alle overige geboden der H. Kerk de voornaamste zijn. En die vijf geboden zijn de voornaamste, omdat ze alle christenen aangaan, en hunne voornaamste christelijke plichten bepalen.

3 V. Zeg de vijf geboden der li. Kerk.

A. 1. De geboden Heiligdagen zult gij vieren;

2. Dan ook Mis hooren met goede manieren;

3. Geen geboden vastendagen zult gij breken;

4. Gij zult ten minste eens 'sjaars aan den Priester uwe Biecht spreken;

5. En nutten omtrent Paschen het lichaam des Heeren.

ocr page 219

215

Het eerste van do vijf geboden der H. Kerk luidt: De geboden Heiligdagen zult gij vieren , d. i., in eere houden, godsdienstig onderhouden.

4 V. Wat wordt in het eerste gebod verstaan door Heiligdagen ?

A. De feestdagen , die wij als Zondagen moeten vieren.

Het tweede gebod der H. Kerk bepaalt, dat we dan, d. i., op de feestdagen, die wij als Zondagen moeten vieren, ook, d. i., zoowel als op eiken Zondag, Mis moeten hooren met

goede manieren.

5 V. Wat is Mis hooren met goede manieren ? A. Mis hooren met eerbied en aandacht.

Ten lste, met eerbied, d. i., zóó dat we door onze houding de inwendige hoogachting toonen, welke wij aan het H. Sacrificie der Mis verschuldigd zijn (zie 34s10 Les), en dus ten minste uiterlijk aan dien eerbied niet te kort blijven door b.v. gedurende de H. Mis te praten, te lachen, rond te zien, vrijwillig te slapen, eene ongodsdienstige houding aan te nemen door hangen , onfatsoenlijk liggen, enz.

Ten 2ae, met aandacht. Onder de vereischte aandachtigheid wordt hier verstaan :

aj de algemeene intentie om God door het hooren of bijwonen der H. Mis te vereeren.

Om te voldoen aan 't gebod van Mis te hooren , is men niet verplicht die intentie, nl. om God te vereeren, uitdrukkelijk te maken ; genoeg, dat men ze niet uitsluite. Zou iemand dit doen, en op een Zon- of Heiligdag niet uit eenige godsdienstige beweegreden, niet om God te vereeren , maar met geheel andere en tegenstrijdige bedoelingen naar de kerk gaan, b. v. enkel en alleen om de schoone kleederen der

ocr page 220

216

menschen te zien; zeker, zoo iemand zon niet aan 't gebod der H. Kerk voldoen. Maar anders ligt die intentie in de daad zelve opgesloten. Immers ieder katholiek mensch gaat op Zon- en Heiligdagen naar de kerk, omdat hij verplicht is Mis te hooren, en in die daad ligt reeds de algemeene intentie opgesloten om God te vereeren ; door om die reden de Mis bij te wonen, eert men God van zelf. Over die intentie behoeft men zich dus niet ongerust te maken, en nog minder over de intentie om door 't bijwonen van de fl. Mis aan 't gebod der H. Kerk te voldoen; want deze intentie wordt niet eens vereisoht.

b.) De eigenlijk gezegde aandacht of oplettendheid. Deze vordert, dat men gedurende de H. Mis zijne aandacht vestige 'tzij op de H. Mis zelve, op hetgeen aan het altaar plaats heeft, 't zij op hetgeen men bidt; in een woord : dat men zich onder de Mis althans met eenige godsdienstige gedachten bezig houde. Dus de aandacht, welke men bij het Mis hooren hebben moet, vordert, dat men niet vrijwillig, ook slechts inwendig, aan verstrooidheid toegeve door willens en wetens zich met andere wereldsche zaken bezig te houden, en zeker op zijn allerminst, dat men zich aan geene uitwendige verstrooiing plichtig make, door iets te doen wat met de inwendige aandachtigheid onbestaanbaar is , als : praten , lachen, slapen , enz.

Als men iets van dien aard zou doen gedurende een merkelijk deel der H. Mis, of onder de voornaamste deelen der H. Mis, onder de Consecratie en de Nutting, zou men door de Mis, die men zoo uitwendig onaandachtig, en oneerbiedig tevens heeft bijgewoond, niet voldaan hebben aan 'tgebod der H. Kerk. (Vergel. 25 Les, 8»'= V.)

Om enkel inwendige verstrooidheden, die men onder de H. Mis zou gehad hebben, denke men niet lichtelijk geen Mis te hebben gehoord, aan 't gebod der H. Kerk in hoofdzaak niet te hebben voldaan.

Dit wordt hier opgemerkt ter geruststelling van angstval-

ocr page 221

217

lige zielen, en om te voorkomen, dat JBeligienzen soms lichtvaardig , b. v. tot een kind, dat onder de Mis van verplichting minder goed zou gebeden hebben , zeggen : Ondeugend kind, ge hebt geen Mis gehoord.quot; Doch niemand besluite uit de voorgaande opmerking, dat men zoo nauw niet behoeft te zien om Mis te booren met goede manieren. Want, niet alleen op Zon- en Heiligdagen, maar ook door de week maakt men zich door elke wezenlijk vrijwillige verstrooidheid of oneerbiedigheid aan dagelijksche zonde schuldig, hier of hiernamaals in 't vagevuur te boeten.

V 6. Wat wordt in het derde gebod onder vastendagen begrepen ?

A. Ten lstc, de Vrijdagen en Zaterdagen, waarop het gebruik van vleeschspijzen verboden is ; ten 2lle, de vastendagen, waarop vleesch en soms nog andere spijzen verboden zijn, en men slechts eenmaal daags een vollen maaltijd mag nemen ; ten 3de, St. Marcus en de Kruisdagen , waarop men den geheelen dag vleesch moet derven en vasten tot den middag.

Het derde gebod der H. Kerk luidt: Geene geboden vastendagen zult gij breken , d. w. z., overtreden.

De H. Kerk onderscheidt drie soorten van vastendagen.

Tot de eerste soort behooren de Vrijdagen en Zaterdagen van elke week , waarop men geen vleesch mag eten , (tenzij Kerstmis op een dier twee dagen valt). Men noemt die dagen in één woord onthoudingsfagea., omdat men zich op die dagen, krachtens het gebod der H. Kerk, moet onthouden van vleeschspijzen. Onthoudt goed, dat het even groot kwaad is, Zaterdags vleesch te eten als Vrijdags.

De tweede soort zijn de eigenlijke of heele vastendagen.

Op die dagen zijn ten lste, vleesch, en soms, b.v. op Goeden Vrijdag , nog andere spijzen , nl., eieren , en zuivel, d. i.,

ocr page 222

218

room, melk, en wat men van room of melk maakt, zooals boter en kaas, verboden.

Op de eigenlijke vastendagen mag men ten 2de, maar ééns daags een vollen maaltijd nemen. De Catechismtis zegt: een vollen maaltijd, om aan te duiden, dat men op die dagen 's avonds nog eene kleine versterking, collatie genoemd, nemen mag.

Ten 3lle, moet op die dagen de volle maaltijd genomen worden omtrent den middag. Doch, als daarvoor eene billijke , goede reden bestaat, mag men ook in den voormiddag de collatie, en den vollen maaltijd tegen den avond gebruiken.

Onthoudt ook dit goed, dat men op de eigenlijke vastendagen nooit vleesch en visch bij eenen maaltijd mag gebruiken, zelfs niet op de Zondagen van de veertigdaagsche vasten.

De derde soort van vastendagen zijn St. Marcus (25 April) en de Kruisdagen, (de drie dagen vóór 's Heeren Hemelvaart) waarop men den geheelen dag vleesch moet dkeven , d. w. z. , zich van vleesch moet onthouden, geen vleesch mag eten, en vasten tot den middag , d. i., in den voormiddag geen ontbijt mag nemen, geene boterham eten. Doch door eene bijzondere machtiging van Z. H. den Paus, dispenseeren jaarlijks de Bisschoppen van Nederland in dit soort van vastendagen. Als die dispensatie wordt verleend, mag men dus op St. Marcus en de Kruisdagen 's morgens een ontbijt nemen, en vleesch eten, gelijk op dagen, die geen vasten- of onthou-dings-dagen zijn.

7 V. Wie zijn verplicht, zich op de bepaalde dagen van vleesch en andere verboden spijzen te onthouden ?

A. Die tot de jaren van verstand gekomen , en door geene wettige reden hiervan verschoond zijn.

Dus kinderen die zeven jaren oud zijn, (want omtrent dien leeftijd komt men gewoonlijk tot de jaren van verstand), en door geen wettige reden hiervan verschoond zijn, zijn verplicht

ocr page 223

219

zich op de bepaalde dagen van vleeech en andere verboden spijzen te ontbonden.

8 V. Wie zijn verplicht volkomen te vasten ?

A. Zij, die hun 21ste jaar voleind hebben, en niet door ziekte , zwaren arbeid , of andere wettige reden hiervan verschoond zijn.

De vraag beteekent: Wie zijn verplicht het kerkelijk gebod van de eigenlijke vasten , volkomen, in zijn geheel, alle drie de deelen, waaruit de eigenlijke vasten bestaat, te onderhonden ? — Het antwoord is genoegzaam duidelijk. Eveneens houdt de verplichting van vasten op voor onde menschen, wier krachten zulks niet meer toelaten.

9 V. Wat voordeel geeft het vasten ?

A. Het bedwingt onze kwade driften, verzoent de goddelijke gramschap en voldoet voor onze zonden.

Het bedwingt onze kwade driften d. i. door ons lichaam te kastijden , het overtollige voedsel te onttrekken, onderwerpen wij gemakkelijker het vleesch aan den geest, en de ondervinding leert, dat de kwade genegenheden daardoor ver-minderen. Het verzoent de goddelijke gramschap, enz., omreden wij zeiven ons boete opleggen voor onze zonden, zooalg verschillende voorbeelden in de H. Schrift, onder andere van de Ninivieten, genoegzaam bevestigen; en heeft de boetende zondaar zoo geheel voldaan, dan zal God geen andere boete meer vorderen.

Het vierde gebod der H. Kerk luidt: Gij zult ten minste eens 'sjaars aan den Priester nwe Biecht spreken.

10 V. Wanneer begint de verplichting van eens 'sjaars te biechten ?

A. Als men tot de jaren van verstand gekomen is.

ocr page 224

220

Dus gewoonlijk als men zeven jaar ond is. Men bemerke, dat de H. Kerk in het 4lt;Ie gebod niet zegt: Gij zult eens 'sjaars, maar ten minste eens 'sjaars aan den Priester nwe Biecht spreken; want, al is het, dat de H. Kerk niet gebiedt meermalen 'sjaars te biechten, verlangt ze toch vnrig dat men geregeld, b.v. elke maand, het H. Sacrament der Biecht waardig ontvange. Door eene ongeldige, slechte Biecht voldoet men niet aan 't^ gebod der H. Kerk.

Het vijfde gebod der H. Kerk Inidt: „ Kn nutten omtrent Paschen het lichaam den Heeren.quot; Hier moet blijkbaar uit het 4'le gebod worden bijgevoegd , herhaald : „ Gij zult ten minste eens 'sjaars nutten omtrent Pasohen het lichaam des Heeron.quot;

11 V. Wat wordt in het vijfde gehod der H. Kerk bevolen ?

A. Dat zij , die tot de jaren van onderscheiding gekomen en genoegzaam onderwezen zijn, ten minste eens 'sjaars, in den Paaschtijd, waardig de H. Communie moeten ontvangen, in hunne eigene Parochiekerk.

Men merke het verschil op tusschen de jaren vau verstand en van onderscheiding.

Immers men komt veel eerder tot de jaren van verstand, d. i., waarop men genoegzaam onderscheid kan maken tusschen zedelijk goed en kwaad, zóó zelfs dat men eene doodzonde kan bedrijven (reden, waarom dan reeds de verplichting begint van eens in den loop des'sjaars te biechten); kinderen komen, zeg ik, veel eerder tot de jaren van verstand dan van onderscheiding, d. w. z., waarop zij genoegzaam onderscheid kunnen maken tusschen gewoon brood en het hemelsch brood, tusschen de stoffelijke spijs des lichaams en de geestelijke spijs der ziel, welkdanige het H. Sacrament des Altaars is, als we het waardig in de H. Communie ontvangen. (338te Les, 12 V.) De ondervinding leert, dat kinderen gewoonlijk niet

ocr page 225

221

voor hnn tiende of elfde jaar genoegzaam verstaan, wat en hoe eerbiedwaardig het H. Sacrament des Altaars is. Om. dit genoegzaam te beseffen, moeten zij niet alleen tot de jaren van onderscheiding gekomen zijn, maar bovendien onderwezen zijn in de Christelijke Leer, in den Catechismus.

Alzoo, het 5de gebod der H. Kerk gebiedt, dat degenen , die tot de jaren van onderscheiding gekomen en genoegzaam onderwezen zijn bevonden, ten minste eens 's jaars, omtrent Paschen, waardig de H. Communie moeten ontvangen in hnn eigene Parochiekerk.

Hiernit blijkt genoegzaam, dat kinderen, die den catechismus verzuimen , of door eigen schuld niet genoegzaam onderwezen zijn, en zoo op tijd hunne eerste H. Communie niet kunnen doen, hnn paachen niet mogen houden, daardoor groo-telijks kunnen misdoen ; en eveneens de ouders, die hier merkelijk schuldig zijn, door niet te zorgen, dat hun kinderen op tijd behoorlijk onderwezen zijn. Evenmin mogen zij bij de pastoors te veel aandringen , om hun kinderen onvoorbereid tot de eerste H Communie toe te laten.

De Paaschplicht heeft dus drie doelen, die ieder op zware zonde verplichten.

Ten lstlt;!, waardig communiceeren.

Ten 2de, dit doen in den Paaschfijd.

Ten 3de, in zijne eigene parochiekerk.

Als men onwaardig communiceert, voldoet men niet aan zijn Paaschplicht.

Men doet ook zware zonde, als men niet communiceert in den Paaschtijd, zonder verlof (uitstel) van Biechtvader of Pastoor verkregen te hebben.

De Biechtvader kan verlof geven, als het gewetenszaken geldt; anders moet men het den Pastoor vragen.

Men doet ook nog groote zonde, als men zonder verlof

ocr page 226

222

van Bisschop of Pastoor, niet commnniceert in zijne eigene ■parochiekerk.

Vragen over de 298te Les.

1. Uit welke noodzakelijkheid moet men de vijf geboden

der H. Kerk kennen, en wat beteekent hier dat kennen ?

2. Geeft dan van elk gebod een korte verklaring.

3. Tegen welk gebod misdoen de kinderen, die door hun

eigen schnld met de late Communie moeten uitgesteld worden, en eveneens de ouders, die daarvan de oorzaak zijn , met hun kinderen niet te onderrichten, of niet naar school en catechismus te zenden ?

ocr page 227

223

Yimm DEEL.

DERTIGSTE LES.

Yan de UH. Sacramenten.

§ 1-

1 V. Wat is een Sacrament ?

A. Een uitwendig teeken, door Christus ingesteld, beteekenende eene bijzondere gratie, die ons door hetzelve gegeven wordt.

Het woord Sacrament beteekent uit zijn aard, eene heilige zaak. Doch, door een van het begin der H. Kerk algemeen aangenomen gebruik, beteekent het in 't bijzonder die uitwendige teekenen , welke Christus ingesteld heeft om zijne gratie aan de geloovigen mede te deelen.

Uit het antwoord van den Catechismus leeren wij , dat er vier dingen voor een Sacrament der Nieuwe Wet noodig zijn.

Ten lste, een uitwendig teeken. Reeds vroeger (2de Les, 3de V.), leerden wij wat een teeken is, nl. iets waaraan men iets anders kennen kan. Een uitwendig teeken is een teeken, dat onder één of meer onzer vijf zintuigen valt, b. v. dat we kunnen zien of hooren enz.

Ten 2(le, dat uitwendig teeken moet door Christus zijn ingesteld. (Vgl. vr. 5.)

Ten 3de, dat uitwendig teeken moet eene bijzondere gratie beteekeneu. Bijzondere gratie is de gratie, die aan elk Sacrament eigen is.

Ten 4'le, het moet ook die gratie geven.

ocr page 228

224

Waardoor wordt een Sacrament voltrokken ?

Door stof, vorm en bedienaar.

De stof is de zaak of handeling, welke onder het bereik der zintuigen valt, waarvan men zich bedient, die noodig is om een Sacrament te voltrekken, b. v. bij het Doopsel de afwassehing met water.

De vorm zijn de woorden , die de stof maken of vormen tot stof van het Sacrament, b. v. het water tot doopwater, zoodat het de kracht krijgt om de ziel te zuiveren.

De bedienaar is degene die het Sacrament toedient.

Om de kinderen het eigenaardige van die benamingen te doen vatten, zou men eene vergelijking kunnen nemen van ' een kleed, een jas. Daarvoor zijn noodig stof, vorm en maker.

2 V. Hoeveel Sacramenten zijn er ?

A. Zeven.

3 V. Zeg de zeven Sacramenten ?

A. Het Doopsel, het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.

Door die zeven Sacramenten heeft Christus willen voorzien in alle geestelijke behoeften van den mensch.

De mensch heeft tweeërlei leven, een natuurlijk en een geestelijk leven. Wat nu noodig is voor het natuurlijke leven, is ook noodig voor het leven onzer ziel, het geestelijk leven, en dat alles geven haar de H. Sacramenten.

Om natuurlijk te leven, moet men geboren worden.

Het Doopsel geeft het geestelijk' leven aan onze ziel, het zuivert ons van de erfzonde, waardoor onze ziel geestelijk dood was. Door het Doopsel worden wij geestelijker wijze herboren, worden wij kinderen van God, komen wij in zijne

ocr page 229

225

liefde, en dus begint daardoor ook ons geestelijk leven.

Bij de geboorte ia men nog zeer zwak, en moet men kracht krijgen om op te groeien. Dit nu geschi edt geestelijker wijze door het H. Vormsel.

Om zijn leven te onderhouden, heeft de mensch voedsel noodig. Zoo ook hebben wij voedsel noodig om het geestelijk leven onzer ziel te onderhouden, en dit voedsel is vooral het H. Sacrament des Altaars, de H. Communie.

Doch niemand is zoo sterk, of hij is van tijd tot tijd toch wel eens aan ziekte onderworpen en heeft dan geneesmiddelen noodig. Zoo ook in het geestelijk leven. Die geneesmiddelen zijn de H. Biecht en het H. Oliesel, terwijl het Priesterschap dient om de geloovigen te besturen en te geleiden op den weg der zaligheid, en het Huwelijk aan behoorlijk getrouwden gratie geeft om kinderen tot Gods eer te verkrijgen en op te voeden, en zoo de H. Kerk steeds van nieuwe onderdanen te voorzien.

Dat Christus juist deze zeven Sacramenten heeft ingesteld, is dus een tastbaar bewijs van zijne wijsheid en goedheid jegens ons.

4 V. Waaruit weten wij, dat er zeven Sacramenten zijn, niet meer en niet minder ?

A. Uit de gedurige leer en overlevering der H. Kerk.

5 V. Wie heeft de Sacramenten ingesteld? A. Christus zelf.

Christus zelf heeft de H. Sacramenten ingesteld, en ook niemand dan Hij kon het doen, omdat geen enkel schepsel, maar slechts God alléén aan uitwendige teekens gratie kan hechten. Zoo heeft ook de Schepper der natuur aan sommige planten zekere natuurlijke geneeskracht gehecht.

ocr page 230

226

6 V. Tot welk einde heeft Christus de Sacramenten ingesteld ?

A. Tot heiligmaking en zaligheid der menschen.

God heeft de H. Sacramenten ingesteld , tot heiligmaking en zaligheid der menschen, d. w. z., om daardoor de menschen tot de heiligheid en zaligheid te brengen , eu dit nu doen de Sacramenten door de gratie, die zij geven.

Die gratie maakt den mensoh heilig, en door de heiligheid komt men tot de zaligheid.

7 V. Wat gratiën worden ons gegeven door de Sacramenten ?

A. De heiligmakende gratie of de vermeerdering der heiligmakende gratie, en bijzondere dadelijke gratiën.

De heiligmakende gratie maakt den mensch heilig, de vermeerdering nog heiliger, en de bijzondere dadelijke gratie verlicht zijn verstand om het goede te kennen, en geeft hem sterkte om het te doen.

8 V. Wat is de heiligmakende gratie ?

A. Eene bovennatuurlijke gaaf, van God ingestort, waardoor onze ziel schoon en aan God aangenaam is, en van God bemind wordt.

De heiligmakende gratie is eene bovennatuurlijke gaaf, d. w. z. eene gaaf, welke de natuurlijke krachten van den mensch te boven gaat, den mensch van nature, uit zijn aard niet eigen is , niet toebehoort, maar die God in de ziel stort, d. i. eene gaaf, die van God komt; eene gaaf dus, die den mensch verheft, veredelt en voor hem het beginsel is van zijn geestelijk leven. Eene gaaf, waardoor ome ziel schoon, en aan Ood

ocr page 231

227

aangenaam is (zoodat God er zijn welbehagen en genoegen in vindt), en tan God bemind wordt als zijn kind.

Ons kindschap venschilt ran dat van Jesus Christus, omdat wij slechts aangenomen kinderen Gods worden, en Jesus Christus de eigen Zoon van God is.

De vermeerdering der heiligmakende gratie maakt den mensch nog schooner , steeds aangenamer enz. ■

9 V. Wat zijn de bijzondere dagelijke gratiën, welke de Sacramenten geven ?

A. Bovennatuurljjke hulpmiddelen, die ons ter gelegener tijd door God geven worden , om het einde van elk Sacrament te bereiken.

De bijzondere dadelijke gratiën, welke de Sacramenten geven, zijn bovennatuurlijke hulpmiddelen d. w. z. , middelen , welke de natuur, do natuurlijke krachten van den mensch te boven gaan; middelen, welke den mensch van natuur, uit zijn aard niet heeft, maar hem door God geschonken worden, en hem helpen ter zaligheid.

Die hulpmiddelen bestaan in verlichtingen van het verstand, en opwekkingen en versterkingen van den wil.

Het verstand wordt er door verlicht om de zaken volgens God, volgens het Geloof in te zien on te beoordeelen ; en de wil wordt er door versterkt om te doen en te laten, wat het verstand, door de dadelijke gratie voorgelicht, goed- of afkeurt.

Hieruit volgt natuurlijk, dat door de gratie de wereldsche geest, de wereldsche begeerlijkheden , d. i. de ongeregelde zucht naar het aardsche verminderen; dat die in het oogvallende kortzichtigheid, wereldsche menschen eigen, in het beoordeelen van alles wat dit leven betreft, door een helder zien en juist beoordeelen vervangen wordt. Van hier ook, dat brave, godsdienstige kinderen soms een wijsheid toonen te hebben ver boven hunne jaren.

ocr page 232

228

Die hulpmiddelen worden ons ter gelegener tijd door God gegeven , d. w. z., dat wij ze dan krijgen , als wij ze noodig hebben.

Wij krijgen dus die bijzondere dadelijke gratiën niet aanstonds als wij het Sacrament ontvangen; dan krijgen wij er alleen recht of aanspraak op.

De heiligmakende genade of de vermeerdering der heilig-makende gratie krijgen wij aanstonds, als wij een Sacrament waardig ontvangen; maar de dadelijke gratiën, welke aan elk Sacrament in 't bijzonder eigen zijn, dan eerst als wij ze noodig hebben om deze of gene goede daad, dit of dat goed werk te verrichten, deze of die bekoring te overwinnen, deze of geene moeilijkheden te boven te komen, waartoe Christus elk Sacrament in 'tbijzonder heeft ingesteld, of, gelijk de Catechismus zegt, om het einde van elk Sacrament te bereiken.

Men ziet hieruit, waarom de dadelijke gratiën, welke de Sacramenten geven, dadelijke gratiën worden genoemd ; tevens waarom ze ook wel werkende, en voorbijgaande gratiën genoemd worden. Immers zij worden ons tor gelegener tijd door God gegeven om deze of gene goede daad, dit of dat goed werk te verrichten, waartoe het Sacrament, dat we ontvangen hebben, door Christus is ingesteld. Als dus de Catechismus zegt, dat wij b.v. door de H. Communie of het H. Sacrament des Altaars bijzondere kracht en gratie krijgen om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten (33c Les, 16 V.), dan is dit zoo te verstaan, dat onze ziel door de H. Communie versterkt wordt om deze en gene bepaalde deugd met meer vaardigheid en ijver te beoefenen, dit of dat gevaar van zonde naarstiger te vermijden, deze of gene bekoring krachtdadiger te overwinnen , enz. en wel op het oogenblik dat de gelegenheid zich daarvoor aanbiedt, of het gevaar aanwezig is. Wijl nu elke daad uiteraard voorbijgaande is, worden de dadelijke gratiën welke de Sacramenten geven, ook zeer juist voorbijgaande gratiën genoemd. Dus ook in dit opzicht verschillen de bijzondere dadelijke gratiën van de heiligmakende

ocr page 233

229

gratie; want deze blijft in ons, zoolang wij ze niet door eene doodzonde verliezen, zoolang we zuiver zijn van doodzonde.

10 V. Waaruit hehhen de Sacramenten de kracht om ons gratiën mede te deelen ?

A. Uit de verdiensten en de instelling van Christies.

De Sacramenten hebben de kracht om ons gratiën mede te deelen uit de verdiensten en instelling van Christus, d. w. z., Christus heeft voor ons die gratie verdiend, en Hij geeft ze ons vooral door middel van de Sacramenten, waaraan Hij ze heeft verbonden.

11 V. Krijgen alle menschen, die de Sacramenten ontvangen , deze gratiën ?

A. Neen ; niet zij, die de Sacramenten zonder de vereischte gesteltenis ontvangen.

12 V. Is het groot kwaad de Sacramenten zonder de vereischte gesteltenis te ontvangen ?

A. Ja, het is eene groote zonde van heiligschennis.

Zij, die de Sacramenten vrijwillig zonder de vereischte gesteltenis ontvangen , d. i., zonder die gesteltenis waarin zij zijn moeten, om de Sacramenten waardig te ontvangen, krijgen die gratiën niet, maar zij doen eene groote zonde van heiligschennis, omdat zij willens en wetens eene heilige zaak schenden.

Welke Sacramenten geven de heiligmakende gratie en welke de vermeerdering der heiligmakende gratie ?

Het Doopsel geeft in den regel de heiligmakende gratie, omdat men zoolang men niet gedoopt is, besmet is met de erfzonde , die eene doodzonde is. (Dan alleen zou het Doopsel de vermeerdering der heiligmakende gratie geven, als iemand C. 15

ocr page 234

230

vóór het ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels, het Doopsel van begeerte al ontvangen had.)

De Biecht geeft de heiligmakende gratie , als men in staat van doodzonde te biechten gaat, en de vermeerdering, als men sinds zijn laatste goede biecht niets dan dagelijksche zonden te biechten heeft, omdat men dan alreeds in staat van gratie is.

De Sacramenten der levenden geven alle de vermeerdering der heiligmakende gratie, omdat wij de heiligmakende gratie reeds moeten hebben, vóór wij die Sacramenten ontvangen mogen.

Het H. Sacrament des Oliesels geeft, ingeval men niet biechten kan , door een onvolmaakt berouw met den wil van te biechten, vergiffenis van de doodzonden. In die omstandigheid krijgen wij dns ook door dat Sacrament de heiligmakende gratie.

§ 2.

13 V. Hoe worden de Sacramenten verdeeld? A. In Sacramenten der dooden en Sacramenten der levenden.

De Sacramenten worden verdeeld ten l8te, in Sacramenten der levenden en Sacramenten der dooden.

Ten 2de, in Sacramenten , die men maar eens, en Sacramenten die men meermalen in het leven ontvangen mag. (Zie V. 21.)

Ten 3'le, in Sacramenten van noodzakelijkheid, d. i., die men verplicht is te ontvangen, en Sacramenten van vrije verkiezing; deze zijn: het Priesterschap en het Huwelijk, omdat men vrij is in de keuze van een levensstaat, en dus, om — verondersteld wat hier verder bij verondersteld moet worden — het H. Priesterschap , of het H. Sacrament des Huwelijks al of niet te ontvangen.

ocr page 235

231

14 V. Welke zijn de Sacramenten der dooden ?

A. Het Doopsel en de Biecht.

15 V. Welke zijn de Sacramenten der levenden?

A. Deze vijf: het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.

16 V. Waarom worden het Doopsel en de Biecht genoemd Sacramenten der dooden ?

A. Omdat zij vooral zijn ingesteld , om aan hen, die geestelijk dood of in doodzonde zijn , de heilig-makende gratie mede te deelen.

Het H. Doopsel en de H. Biecht zijn vooral ingesteld voor die in staat van doodzonde zijn.

Vloral staat er bij, omdat zij wel bijzonder voor dezulken zijn ingesteld , doch niet alléén voor hen , maar ook voor degenen die reeds in staat van gratie zijn. Men kan namelijk ook te biechten gaan , als men in staat van gratie is, en dan krijgt men de vermeerdering der heiligmakende gratie, omdat men dan de eerste heiligmakende gratie reeds heeft.

17 V. In welken staat mag men dus deze Sacramenten ontvangen ?

A. Men mag die ontvangen in staat van doodzonde.

Er staat: men mag de Sacramenten der dooden in staat van doodzonde ontvangen, maar niet, dat men ze in staat van doodzonde ontvangen moet; men mag ze ook genist in staat van gratie ontvangen.

ocr page 236

232

18 V. Waarom worden de andere vijf genoemd Sacramenten der levenden ?

A. Omdat zij zijn ingesteld om in hen , die het geestelijk leven der ziel of de heiligmakende gratie bezitten , deze gratie te vermeerderen.

19 V. In welken staat moet men dus deze Sacramenten ontvangen ?

A. Men moet die ontvangen in staat van gratie.

Bij de Sacramenten der levenden staat: men moet die in staat van gratie ontvangen, omdat men, als men deze wetens en willens in staat van doodzonde ontvangt, eene groote zonde van heiligschennis zou bedrijven. (Vgl. llde en 12(1e V.)

20 V. Wanneer is men in staat van gratie ?

A. Als men zuiver is van doodzonde.

Men kan in twee gevallen zuiver van doodzonde zijn; ten lste, als men er geene gedaan heeft, en ten 2de, als zij door eene goede biecht, enz. vergeven zijn.

21 V. Mogen alle Sacramenten meermalen in het leven ontvangen worden ?

A, Neen; het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap mogen en kunnen slechts eenmaal ontvangen worden.

Heeft iemand eenmaal geldig het Doopsel, of het Vormsel, of het Priesterschap ontvangen, dan mag en kan hij geen dezer drie Sacramenten andermaal, opnieuw ontvangen, zelfs niet al had hij ze onwaardig ontvangen.

22 V. Waarom mogen en kunnen die slechts eenmaal ontvangen worden ?

ocr page 237

233

A. Omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merk-teeken in de ziel prenten.

Het Doopsel, Vormsel en Priesterschap mogen en kunnen slechts eenmaal ontvangen worden , omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prenten.

Een merkteeken in 't algemeen is een teeken, waaraan men merken, onderscheiden kan, wien iemand toebehoort, of wat hij is , of wat eene zaak , b.v. een vaatje of kistje, enz. enz. inhoud t.

Door het merkteeken , dat het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap in de ziel prenten, worden de Christenen, de lidmaten van Christus Kerk op aarde, dus, in dit leven, in drie klassen onderscheiden ; nl., ten le, in eerstbeginnende leerlingen van Jesns Christus en van de H. Kerk. Zoodanigen zijn al degenen die geldig gedoopt zijn. Immers door het Doopsel des waters wordt men het eerst een Christenmensch, lidmaat van Christus Kerk op aarde, en in zooverre bekwaam om de andere H. Sacramenten te ontvangen. (Vgl. 21« les 1ste V.; 14Jlt;- Les 6'lt! V. ; 31stc Les 2Je V.)

Ten 2quot;, in meer gevormde, geoefende, gevorderde, ontwikkelde leerlingen van Jesus Christus en zijner H. Kerk. Dezulken zijn al degenen die door het EL Vormsel tot so Wade» van Jesus Christus en van de H. Kerk zijn aangenomen. Immers door het geldig ontvangen van het H. Vormsel krijgt men de macht, en neemt men den dubbelen plicht op zich, als trouw soldaat van Christus en zijner H. Kerk, het Geloof standvastig te belijden.

Ten 3de, in volmaakte, volleerde leerlingen van Jesns Christus en zijner H. Kerk, nl., degenen die door het geldig ontvangen van het Priesterschap gewijd zijn tot dienaren van Christus, ministers van den Koning der Koningen, en uitdeelers van Qods geheimen , met name der H. Sacramenten.

In het andere leven zal men aan het teeken , dat deze drie Sacramenten in de ziel prenten, kunnen merken, onderscheiden,

ocr page 238

234

of iemand een of meer dezer Sacramenten ontvangen heeft of niet, en dus b.v. iemand die geldig gedoopt is , kunnen onderscheiden van een heiden of jood; iemand , die geldig ia gevormd , van degenen die het H. Vormsel niet ontvangen hebben, enz.

De verschillende merkteekens, welke deze drie Sacramenten in de ziel prenten, hebben twee hoedanigheden gemeen. Immers de Catechismns zegt, dat die Sacramenten daarom slechts eenmaal mogen en kunnen ontvangen worden, omdat zij een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prenten. \ Het wordt een eeuwigdurend merkteeken genoemd, omdat het eenmaal ingeprent, niet alleen gedurende dit leven, maar zeker ook gedurende de geheele eeuwigheid blijft bestaan.

Eenmaal ingeprent, kan het niet meer uitgewischt, verloren , verminderd of vermeerderd worden ; het is en blijft altijd hetzelfde. Vraagt ge mij nu: Waarom kan het merkteeken , dat deze drie Sacramenten in de ziel prenten, niet uitgewischt, verloren , verminderd of vermeerderd worden ? Dan antwoord ik u: de hoofdreden hiervan is , omdat Christus, de insteller der H. Sacramenten, het zóó gewild heeft.

Wijders duidt deze hoedanigheid genoegzaam aan, dat deze drie Sacramenten slechts eenmaal mogen en kunnen ontvangen worden. — Uit deze hoedanigheid is 't verder blijkbaar, dat het merkteeken , hetwelk deze drie Sacramenten inprenten, veel verschilt van de gratiën, die ze, waardig ontvangen, geven; immers deze gratiën kunnen eenmaal ontvangen, verloren, verminderd en vermeerderd worden.

Maar waarom wordt het een geestelijk merkteeken genoemd ? Omdat het, even gelijk onze ziel, waarin het geprent wordt, op zich zelve niet onder bereik valt van 's menschen zintuigen, op de wereld onzichtbaar is, niet kan gezien worden, en omdat ook deszelfs uitwerkselen van geestelijken aard zijn. Die uitwerkselen duidden we boven reeds aan, toen we zeiden ; door 't Doopsel worden we lidmaten, door 't Vormsel soldaten, door 't Priesterschap ministers van Christus en der H. Kerk.

ocr page 239

235

23 V. Waartoe zal dat merkteeken in het andere leven dienen?

A. Aan de gelukzaligen tot meerdere eer en glorie, en aan de verdoemden tot grootere straf en schande.

Die merkteekens zullen aan de gelukzaligen tot grootere eer en glorie dienen. Wij zullen dit eenigszins begrijpen, als we bedenken , dat het op de wereld mannen van verdienste tot grootere eer strekt, als hun van wege Paus of Koning een ondersoheidingsteeken, een ordeteeken te beurt valt, als zij b.v. tot ridder of commandeur benoemd worden. Maar aan de verdoemden zullen die merkteekens tot grootere straf en schande dienen. Even gelijk het een veel grootere schande is voor een edelman, op het schavot te sterven, dan voor een bedelaar; zoo zal het ook voor een Christen , die met een of meer dier kostbare merkteekens verrijkt en met zoovele edele gaven versierd is geweest, eene veel grootere straf en schande zijn, dat hij, niettegenstaande dat alles, nog zoo'n zondig leven geleid heeft, en verdient hij daarom ook meer vernederd en gestraft te worden, dan heidenen en joden.

24 V, Waartoe dienen de ceremoniën, met welke de Sacramenten worden toegediend ?

A. Om de Sacramenten met grooteren eerbied toe te dienen, en derzelver kracht beter voor oogen te stellen.

De ceremoniën of plechtigheden, — d. i. de gebeden en handelingen — door de H. Kerk voorgesohreven bij de toediening der H. Sacramenten, dienen ten lste, om de Sacramenten met grooteren eerbied toe te dienen, dan het geval zou zijn, als ze enkel en alleen, gelijk in tijd van nood, werden toegediend op die wijze, welke slechts tot het wezen, tot de geldigheid der Sacramenten vereisoht wordt, en len 2de om

ocr page 240

236

derzelver kracht beter voor oog en te stellen: om ons de kracht, de uitwerkselen der H. Sacramenten beter te doen Inzien, meer duidelijk te maken.

Vragen, die nuttig bij elk Sacrament gedaan worden.

Is het een Sacrament der dooden of der levenden ?

Waarom ?

Omdat het in staat van gratie moet, of in staat van doodzonde mag ontvangen worden , of het antwoord uit den Catechismus.

Mag men dat Sacrament maar eens of meermalen ontvangen ?

Waarom ?

Waarom is het een Sacrament ?

Omdat het er de vier kenteekens van heeft.

Bewijs dat het een Sacrament is ?

Men late de kinderen dan het uitwendig teeken opnoemen. Men zegge welke bijzondere gratie het beteekent, en ook inderdaad geeft, en dat het dus ook door Christus moet zijn ingesteld.

Oeeft dit Sacrament de heiligmakende gratie of de vermeerdering der heiligmakende gratie ? Waarom ? Welke dadelijke gratie geeft het ?

Wanneer krijgen wij die ? Wat krijgen wij op deze gratie, zoodra wij het Sacrament ontvangen ?

Bij de meeste Sacramenten kan men nuttig stof, vorm en bedienaar vragen.

Er zijn drie verschillende gesteltenissen , waarin men de Sacramenten kan ontvangen.

Ten l8te, eene gesteltenis , die noodig is om ze geldig te ontvangen. B.v. om geldig de Biecht te ontvangen, moet men gedoopt zijn.

Ten 2'le, eene gesteltenis om de Sacramenten vaardig te ontvangen. B.v. om waardig te communiceeren, moet men

ocr page 241

237

zuiver zijn ran doodzonde , en nuchter van 's nachts twaalf uren.

\Ten 3de, eene gesteltenis om de H. Sacramenten met veel vrucht te ontvangen; men zal ze met te meer vrucht ontvangen naarmate men er zich beter toe voorbereidt. Die voorbereiding echter is tweeërlei: de verwijderde, die een tijd—en de onmiddellijke voorbereiding, die geschiedt onmiddellijk voordat het Sacrament ontvangen wordt....

Vragen óver de 303te Les.

1. Wat beteekent Sacrament ? Wat is er noodig tot een

Sacrament en waardoor wordt het voltrokken P

2. Wat werkt de heiligmakende gratie (lste en 2de) in de

ziel uit P Wat de dadelijke gratie P

3. Wat verstaat ge door „gelegener tijdquot; P Wat verstaat

ge door het doel van het Sacrament P

4. Hoevelerlei ongesteldheid in de ziel onderscheidt ge,

waardoor de uitwerking der Sacramenten wordt belemmerd P

5. Hoe komt het, dat sommigen door dezelfde Sacramenten

veel meer gratie ontvangen , dan anderen P

6. Waarom worden eenige Sacramenten genoemd der dooden,

anderen der levenden ?

7. Hoe worden de Sacramenten nog meer verdeeld P

8. Van welke Sacramenten blijft tot in de eeuwiglieid

een teeken in de ziel over P

ocr page 242

238

W EI DERTIGSTE LES.

Tan het Doopsel.

1 V. Wat is het Doopsel ?

A. Het eerste en noodzakelijkste Sacrament, in hetwelk door de uitwendige afwassching en aanroeping der H. Drievuldigheid de mensch gezuiverd wordt van alle zonden en schulden.

Het Doopsel des waters is een Sacrament, omdat het de vier vereischten heeft, die tot het wezen van een Sacrament noodig zijn. Het uitwendig teeken is de afwassching en de aanroeping der E. Drievuldigheid. — Die uitwendige afwassching onder de aanroeping der H. Drievuldigheid beteekent de inwendige zuivering der ziel van alle zonden en schulden, (wat zeer eigenaardig door afwassching met water en de woorden: ik doop u, wordt aangeduid; doopen toch beteekent indompelen, afwasschen, enz.) en dus meteen het leven der heiligma-kende gratie, en het recht op de dadelijke gratiën aan dit Sacrament eigen. — Dat uitwendig teeken geeft die gratie ook door zich zelf, en bijgevolg moet het ook door Christus zijn ingesteld.

2 V. Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament ?

A. Omdat het Doopsel de deur en de ingang is tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten.

Het Sacrament des doopsels wordt de deur en de ingang genoemd tot de H. Kerk en tot de andere Sacramenten, omdat, evenals men om in een huis te gaan eerst door de denr moet, men ook zoo door het Doopsel in de H. K.erk moet komen, d. w. z., lidmaat der H. Kerk moet worden, en bekwaam gemaakt om de andere H. Sacramenten te kunnen

ocr page 243

239

of te mogen ontvangen. Dub zonder het Sacrament des doopsels ontvangen te hebben is geen enkel Sacrament geldig.

8 V. Waarom is het Doopsel het noodzakelijkste Sacrament ?

A. Omdat men zonder Doopsel niet kan zalig worden.

Het Doopsel is het noodzakelijkste Sacrament, omdat niemand kan zalig worden, d. w. z. , in den Hemel komen, het Rijk Gods, den Hemel ingaan, zonder doopsel, d. w. z., zonder het Doopsel des waters metterdaad, of althans door begeerte, of in zijn bloed , door den martelaarsdood te ondergaan , ontvangen te hebben.

Jesns' antwoord aan Nikodemns: „ Voorwaar, voorteaar, zeg ik u: Zoo iemand niet herboren wordt uit water en den H. Geest, hij kan het Rijk Gods niet ingaan,quot; (Joan. III. 5) moet ongetwijfeld van het H. Sacrament des Doopsels verstaan worden, maar zóó, dat het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte, als middelen om in den Hemel te kunnen komen, er niet door worden uitgesloten.

4 V. Waarom kan men zonder Doopsel niet zalig worden ?

A. Omdat men besmet is met de erfzonde, die alleen door het Doopsel vergeven wordt.

De zin dezer vraag is blijkbaar: Waarom kan men zonder het ontvangen van één dezer drieërlei doopsels niet zalig worden ? En de zin van het antwoord is eveneens: Omdat de erfzonde alleen door het ontvangen van één dezer drieërlei doopsels vergeven wordt. Dat de twee vorige vragen en antwoorden in dien zin te verstaan zijn, blijkt duidelijk uit de volgende vraag, en uit het antwoord dat de Catechismus daarop geeft.

5 V. Hoevelerlei Doopsels moet men echter onderscheiden ?

ocr page 244

240

A. Driederlei: het Doopsel der waters of het Sacrament des Doopsels, het Doopsel des bleeds en het Doopsel van begeerte.

6 V. Zijn het Doopsel des bloeds en het Doopsel van begeerte ook Sacramenten ?

A. Geenszins ; maar voor niet gedoopten zijn het middelen, om vergiffenis te krijgen van de zonden, als zij niet in de gelegenheid zijn van het H. Sacrament des Doopsels te ontvangen.

Het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte zijn geenszins Sacramenten; want ze missen de vereischten die tot het wezen van een Sacrament gevorderd worden. Het doopsel van begeerte kan zonder eenig uitwendig teeken, zonder dat er uitwendig iets van te merken is, alleen door oprechte begeerte des harten ontvangen worden, 't Spreekt van zelf, dat ook het doopsel des bloeds geen Sacrament is. 't Is hand-tastbaar, dat Christus den marteldood niet als een Sacrament heeft ingesteld. Want die wreede dood, een ware moordaanslag, wordt den geloovige door een gruweldaad van wege een vervolger des Geloofs aangedaan op ingeving van den duivel.

Het doopsel des bloeds en het doopsel van begeerte zijn dus geenszins Sacramenten ; maar het zijn voor degenen, die niet in de gelegenheid zijn van het H. Sacrament des Doopsels te ontvangen , middelen , hulpmiddelen , middelen in den nood , om vergiffenis te krijgen van de zonden , nl, , van de erfzonde (3—5 en 13 V.) en ook van alle dadelijke zonden, die ze mochten bedreven hebben, en dus middelen in den nood om zalig te worden , in den Hemel te komen.

7 V. Waarin bestaat het doopsel des bloeds ?

A. Hierin : dat iemand, die niet gedoopt is, voor het geloof in Christus den martelaarsdood sterft.

ocr page 245

241

Het doopsel des bloeds bestaat hierin, dat iemand, 't zij nog niet, of reeds tot de jaren van verstand gekomen, die niet gedoopt is, d. i., die het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, voor het geloof in Christus den martelaarsdood sterft. Van kleine kinderen wordt niets anders , niets meer vereisoht. Denk hier aan de Onnoozele Kinderen, op bevel van koning Herodes om Christus' wil ter dood gebracht. (Matth. II. 16—18.) Zij, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, moeten bovendien een onvolmaakt berouw hebben over hunne dadelijke zonden, en, indien zij het Sacrament des Doopsels kennen, en denken aan 't gebod om dit Sacrament te ontvangen, moeten zij ook den uitdrukkelijken wil hebben om het te ontvangen als ze daartoe in de gelegenheid waren; buiten de gemaakte veronderstelling is die uitdrukkelijke begeerte niet noodig, maar het berouw genoeg, omdat daarin reeds stilzwijgend de wil is opgesloten om alles te doen, wat God van hen vraagt, en bijgevolg ook de wil om het Sacrament des Doopsels te ontvangen, indien zij het kenden en in de gelegenheid waren om het metterdaad te ontvangen. In die gesteltenis den martelaarsdood stervende komen zij zeker in den Hemel. „ Wie zijn leven zal verloren hebben om mijnentwil, zegt Christus, zal het eeuwig leven vinden. {Matth. X. 39.)

8 V. Wanneer ontvangt iemand het doopsel van begeerte ?

A. Als hij een volmaakt berouw heeft over zijne zonden met de begeerte van gedoopt te worden.

Iemand, die tot de jaren van verstand gekomen is, en het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, ontvangt het Doopsel van begeerte, als hij een volmaakt berouw heeft over zijne zonden met de uitdrukkelijke of stilzwijgend in het berouw reeds opgeslotene begeerto om het Doopsel des waters te ontvangen, als hij daartoe in de gelegenheid komt

ocr page 246

242

Waarom wordt hier gezegd ; Iemand die tot de jaren van verstand gekomen is ?

Kunnen kleine kinderen dan het doopsel van begeerte niet ontvangen ?

Kent ge ook iemand, die door het doopsel van begeerte vergiffenis heeft gekregen van al zijne zonden ?

Men verbale hier de geschiedenis van Cornelius, een heidensch hoofdman (Handel, der Apost., X hoofdst.)

Moest Cornelius en zijn huisgezin toch nog het Doopsel des waters ontvangen ?

Waarom ? Het antwoord op de 2de V. van deze Catechismus-les hondt de reden in.

Zou Cornelius dan niet dadelijk, na door het doopsel van begeerte van zijne zonden gezuiverd te zijn, het H. Sacrament des Vormsels hebben mogen ontvangen, of te communie hebben mogen gaan ?

Waarom niet ?

9 V. Wie is de bedienaar van het Sacrament des Doopsels ?

A. De gewone bedienaar is de Priester, maar in tijd van nood mag en moet een ieder doopen.

De Catechismus verstaat door den gewonen bedienaar van het Sacrament des Doopsels hem, wiens ambt het is, in gewone omstandigheden, d. i., buiten tijd van nood, en op gewone wijze, d. i., met de ceremoniën door de H. Eerk voorgeschreven , het Doopsel toe te dienen.

En wie is nu die gewone bedienaar ?

De Catechismus antwoordt: de 'Priester, nl., volgens de wetten der H. Kerk, de pastoor der parochie, of een zijner medehelpers , plaatsvervangers, kapelaans.

Wie is dus, volgens den Catechismus, de buitengewone bedienaar van het Sacrament des Doopsels?

ocr page 247

243

't Blijkt duidelijk uit het tweede lid of gedeelte van het antwoord , dat de Cateehismus geeft, zeggende : „ maar in tijd van nood mag en moet eenieder doopen.quot;

In tijd van nood, d. w. z., als er gevaar bestaat, als men met reden vreest, dat iemand , vooral een kind , zonder het Doopsel des waters zou sterven , indien men moest wachten totdat een Priester het Doopsel zou kunnen toedienen. In zulk een nood mag en moet een ieder doopen , d. w. z., ieder mensoh , man of vrouw , braaf of slecht, Eoomsch of niet Koomach, ketter of óngeloovige.

Dat in tijd van nood een ieder mag doopen, is een nieuw bewijs van Gods goedheid en wijsheid. Hij heeft dit gewild, om het ontvangen van het noodzakelijkste Sacrament zoo gemakkelijk mogelijk te maken.

Omdat in tijd van nood een ieder moet doopen, — zooals blijkt uit het gebod der liefde, dat ieder oplegt te zorgen voor de zaligheid van anderen , — moet ook een ieder, die in de noodzakelijkheid kan komen het Doopsel toe te dienen, goed weten wat er noodig is om in tijd van nood geldig te doopen. Een ieder lette dus goed op de drie volgende vragen.

10 V. Waarmede moet men doopen ?

A. Met waarachtig en natuurlijk water.

Op straffe dat anders het Doopsel zeker ongeldig, van nul en geener waarde zoude zijn , of althans niet zeker geldig , dus twijfelachtig wezen zou, moet men doopen met waarachtig icater, d. w. z., met waar, echt, wezenlijk water.

Doch : Welk water is waarachtig, waar, echt, wezenlijk water ?

De Catechismus verklaart, legt ons dit nader uit, door er bij te voegen : Met waarachtig en natuurlijk water , d. w. z., met water zooals de natuur zelve het geeft, of dat algemeen onder den naam van water bekend is, algemeen den naam van gewoon water draagt, in strengen zin water genoemd

ocr page 248

244

wordt, als daar is b.v. putwater, pompwater, regenwater, bron- of fonteinwater, rivierwater, zeewater enz.

Dns mag men nooit doopen b.v. met wijn, melk, olie, azijn, speeksel, sterke koffie, thee, sterk bier, enz. want zulk doopsel zon zeker ongeldig, nul en van geener waarde zijn, omdat al deze vochten of vloeistoffen zeker geen waarachtig en natuurlijk water zijn, noch genoemd worden. — Bij gebrek aan zeker waar en natuurlijk water, zou men in dringenden nood onder voorwaarden, onder conditie mogen en moeten doopen met eene of andere vloeistof, die met eenigen grond nog waar en natuurlijk water kan genoemd, als zoodanig kan beschouwd, gehouden worden, b.v. met slap bier, slappe koffie, thee, half gesmolten ijs of sneeuw enz. Natuurlijk zou iemand die met zulk eene twijfelachtig geldige stof gedoopt is, zoodra mogelijk, zoo gauw men zeker wezenlijk water bij de hand had, opnieuw onder conditie moeten gedoopt worden. — Overigens komt het er voor de geldigheid van het Doopsel niet op aan , doet het er niets aan af, is 't onverschillig , of men doopt met koud, lauw of warm water, met gewijd of ongewijd water; mits men maar doope met waarachtig en natuurlijk water, is 't Doopsel in dit opzicht zeker geldig.

11 V. Welke woorden moet men spreken hij hel doopsel ?

A. Deze : Ik doop u in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes.

Van de woorden, die men moet spreken bij het doopen, t. w.: Ik doop u in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Oeestes, mag geen enkel, zelfs niet het voorzetsel in, of, het voegwoord en, veranderd, weggelaten of verplaatst worden, of het Doopsel zou alweer zeker ongeldig, of minstens twijfelachtig zijn. Zou men echter, gelijk men bij het maken van het teeken van het heilig kruis gewoon

ocr page 249

245

is, er hebben bijgevoegd ; Amen; daarom zou liet doopsel niettemin geldig en goed zijn, als men bij het doopen dezo woorden maar behoorlijk uitgesproken heeft: Ik doop ü in den Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Het spreekt van zelf, dat men doopendo niet begint met Deze ; maar: Ik doop u enz. ...

12 V. Hoe moet men dus doopen?

A. Dezelfde persoon moet de woorden sproken en tegelijkertijd het water doen vloeien op het hoofd van den doopeling, als zulks kan, en anders op een ander lidmaat.

Ten. Isw, moet dns één en dezelfde persoon deze woorden spre' leen: „Ik doop U in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestesquot;, en

Ten 2'le, tegelijkertijd, dat hij die woorden uitspreekt, op denzelfden tijd waarop hij die woorden spreekt, het water doen vloeien. Zon hij eerst de woorden spreken, en dan ook maar zoolang wachten met het water te doen vloeien dat men in dien tusschentijd één Onze Vader kan uitbidden, dan zou het Doopsel ongeldig zijn. Eveneens , als hij eerst het water liet vloeien , en dan weer zoolang zou wachten met het uitspreken der woorden.

Ten 3lle, „ Het water doen vloeien.quot; Hij moet derhalve zooveel water gebruiken, dat men kunne zeggen: „er heeft eene ware afwassching plaats gehadquot; , en wel

Ten 4,le, Als zulks kan op het hoofd, het voorhoofd of den schedel van den doopeling, d. i., van dengene die gedoopt wordt, en

Ten Siie, anders op een ander lidmaat, b.v. op hand of voet, borst, rug, schouder enz. In zulk geval doopt men het edelste lidmaat, d, w. z,, datgene hetwelk het dichtst bij 0 16

ocr page 250

246

het hoofd is; dus schouder of borst als zulks kan, andere hand of voet.

Men onthoude goed, dat het water moet vloeien op het hoofd van den doopeling, als zulks kan; want ia de afwas-sching geschied op eenig ander lidmaat, dan is het Doopsel altijd min of meer twijfelachtig, en moet daarom , als cr gelegenheid toe is, onder voorwaarde terstond herhaald worden op het hoofd.

Omdat kleine kinderen zonder het doopsel des watersniet zalig kunnen worden, niet in den hemel kunnen komen (tenzij ze voor het geloof in Christus den martelnarsditod stierven), en derhalve dit punt van overgroot belang is, sommen wij hier ten l»tp, de voornaamste gevallen op, waarin het Doopsel zeker ongeldig, ten 2'1|!, wel niet zeker ongeldig, maar toch twijfelachtig is; ten 3,le, wat tot een geldig Doopsel niet vereischt wordt, en stollen ten 4'^ , eene reeks vragen , uit wier beantwoording zal blijken, of de kinderen de voorafgegane onderrichting genoegzaam begrepen hebben of niet.

i. Wanneer is het Doopsel zeker ongeldig ?

Ten lste, Als men niet doopt met waarachtig en natuurlijk maler.

Ten 2lle, Als het water niet vloeit over den doopeling.

Ten 3Je, Als men niet voluit zegt : Ik doop u in den naam des Kaders , en des Zoons, en des Heiligen Geesles.

Ten 4'le Als de afwassching niet geschiedt door denzelfden persoon , die de woorden spreekt.

Ten 5de, Als men vóór of na het uitspreken der woorden zoolang met de afwassching wacht , dat men tusschenbeide één Onze Vader kan bidden.

II. Wanneer is het Doopsel wel niet zeker ongeldig, maar toch

twijfelachtig ?

Ten lquot;te, als het water niet zeker waarachtig en natuurlijk water is; b.v., om de vermenging met bloed, enz.

ocr page 251

-'47

Ten 2J'■, Als het water nift onmiddellijk over de huid vloeit, maar b.v. alleeu de haren des hoofds geraakt zou hebben.

Ten 3 '«, als het Doopsel niet wordt toegediend op het hoofd; immers, al is het niet zeker dat een Doopsel, op een ander deel des liohaams toegediend , ongeldig is , — het is en blijft toch twijfelachtig , als liet hoofd zelf niet gedoopt is.

Ten 4'le, Als hij of zij , die in tijd van nood een kind gedoopt heeft, zelf twijfelt of niet zeker weet, dat hij alles wat tot een geldig Doopsel zeker of misschien vereischt wordt, goed onderhouden, gedaan heeft j b.v. , omdat ze in de ge-gevene omstanditiheden niet goed bij hun stukken waren, dus bij gebrek aan tegenwoordigheid van geest.

III, Wat wordt tot een geldig Doopsel niet vereischt ?

Daartoe is niet noodig : Ten lstl', dat het water gewijd zij.

Ten 2lle, Dat men driemaal wassche ; eons is genoeg.

Ten 3lle, Dat men het water toepasse bij wijze van kruisteeken.

Ten 4,lp, Dat men het met de hand doe ; men kan zich van iets, b.v., van een lepel of een kopje bedienen, om het water over het hoofd van den doopeling te gieten.

Ten S'1', Dat men bij twijfelachtige gevallen eenige conditie of voorwaarde uit drukke. Zeker is het voor gewone menschen, voor leeken genoeg, dat zij bij twijfelachtige gevallen deze algemeene conditie maken : Als gij gedoopt kunt worden , of nog korter : Als ik kan , dan doop ik u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Oeestes.

IV. Vragen. Veronderstel:

Ten l5te, Gij spreekt de woorden uit, terwijl ik tegelijkertijd het water doe vloeien op het hoofd van een kind, dat in tijd van nood moet gedoopt worden. Is dit Doopsel geldig ? Zoo neen, waarom niet ? Eeden geven met de woorden van den Catechismus.

Ten 2de, Ik spreek eerst de woorden uit, en wacht twee

ocr page 252

248

drie minuleu vooraleer ik de afwassching doe. Is dat Doopsel geldig ? Waarom antwoordt ge: ja , of neen ?

Ten 3de Ik kon een fabrieksarbeider, N.B., een jood, die tussehen eene machine zat, en in dien nood. zich wilde be-keeren, niet op zijn hoofd doopen , maar wel op zijn voet of band. Mocht en moest ik hem daarop in dit geval doopen? Waarom ? Moest ik er noodzakelijk eenige conditie bij uitdrukken om het Doopsel geldig toe te dienen ? Welke conditie is bij twijfelachtige gecallen voor gewone menschen altijd genoeg?

Ten 4dt', Later kon ik dien man nog op zijn borst, of rug, of schouders doopen. Mocht eu moest ik in dit geval het doopsel herhalen ? Zeker.

Ten 5Je, Eindelijk kon ik hem op zijn hoofd doopen.

Micht en moest ik nogmaals het doopsel herhalen ? En waarom ? Onder , of, zonder conditie ?

Ten 6,,e, In tijd van nood heb ik iemand gedoopt; maar sloeg door de haast het persoonlijk voornaamwoord u over, of het voegwoordje en ook vóór dat ik zegde : des Heiligen. Oeestes. Want zie, als ik het kruisteeken maak, dan zeg ik door overhaasting of onoplettendheid ook dikwijls enkel; In den naam des yaders , 'Zoons, Heiligen Oeestes, Amen. Heb ik het Doopsel zóó zeker goed toegediend ? Moet ik het opnieuw doen ?

Ten 7Je, Als ik de woorden overigens goed had uitgesproken en tegelijkertijd iemand op het hoofd met zeker waarachtig en natuurlijk water had afgewasschen , maar bij vergissing, gelijk bij het kruismaken, er het woordje, Amen, hadde bijgevoegd : Zou ik het Doopsel dan niet mogen herhalen ? Waarom niet ?

Ten 8quot;e, Iemand geeft een kind, dat in gevaar van sterven is, om het te doopen, met wijwater een kruisje op voorhoofd, borst, linker en rechte- schouder, zeggende: In de naam des Vaders , en des Zoons, en des ff. Oeestes, maar zegt er niet bij: Ik doop U. —Is dat kind geldig gedoopt? Waarom niet?

ocr page 253

249

Deed het voor de geldigheid er iets aan af, dat het water gewijd was ? Is gewijd water daartoe noodig ?

Ten t)'1''. Iemand komt op de Pastorie zeggen : Mr. Pastoor, ik heb in tijd van nitersten nood een kind moeten doopen , maar kon in der haast geen water krijgen ; daarom heb ik eerst mijne vingers met speeksel, en een beetje melk, dat op tafel stond, vochtig gemaakt, en daarmee het hoofd van 'tkind afgewassohen. Dat ik tegelijkertijd de woorden goed heb nitgesproken, weet ik zeker. Voor alle zekerheid heb ik het kind nog eens gedoopt met een half kopje slap theewater, dat ook op lafel stond , maar dat ik eerst niet gezien had , en daarna stierf het dadelijk. Mr. Pastoor, wat zegt u er van ? Was het eerste doopsel geldig, of zeker ongeldig ? Waarom ? Hadde ik dat te voren geweten en opgemerkt, zou ik het dan met speeksel of melk niet hebben mogen probeeren ? Is er nog kans dat het kind toch nog in den Hemel is ? Waarom ? enz. enz.

13 V. Wat verkrijgt men door het Doopsel?

A. Vergiffenis van de erfzonde, en van alle voorgaande zonden, en ook van de straffen, die men door de zonden verdiend heeft.

Door het Doopsel verkrijgt men ten lstP, vergiffenis der erfzonde, en

Ten 2'ip, vergiffenis van alle voorgaande zonden, d. w. z., van alle dadelijke zonden, 't zij doodzonden of dagelijksche zonden, welke iemand, reeds tot de jaren van verstand gekomen, zon bedreven hebben voordat hij het Doopsel ontving, mits hij bij den H. Doop een onvolmaakt berouw heeft over zijne zonden; want zonder berouw kunnen dadelijke zonden nooit vergeven worden.

Tm ten 3de ook vergiffenis van de straffen, die men door de zonden verdiend heeft, d. w. z., kwijtschelding van al de straffen, die men verdiend heeft door de zonden, welke door het Doopsel vergeven zijn.

ocr page 254

250

Voor zoover er sprake was van dadelijke zonden en straf, fen daardoor verdiend , is dit natuurlijk allceo te verstaan van degenen, die liet Doopsel eerst ontvangen na tot de jaren van verstand gekomen te zijn. Immers, kinderen die nog niet tot de jaren van verstand , tot bet gebruik hunner rede gekomen zijn , kunnen geen onderscheid noch keus maken tusschen zedelijk goed of kwaad , tusschen deugd en zonde. (Vgl. 1quot;' L. e'11' V. bl. 9.) Zulke kinderen kunnen zich dus aan geene dadelijke zonden plichlig gemaakt , noch daarvoor strafi'en verdiend hebben. Daarom weten wij ook zeker, dat zulke kinderen regelrecht naar den Hemel gaan, als ze zoo komen te sterven , mits ze zeker geldig gedoopt zijn. Doch van degenen , die tot de jaren van verstand gekomen waren toen zij gedoopt werden en daarop onmiddellijk stierven , weten wij dat niet zóó zeker; 't hangt er van af of ze ook waarlijk een onvolmaakt berouw hebben gehad niet alleen over alle doodzonden , maar ook over elke, zelfs de kleinste dagelijksche zonde, waaraan zij zich vóór het Doopsel hadden schuldig gemaakt. Want waren ze zonder waar berouw ook over maar ééne dagelijksche zonde, die ze vóór het Doopsel bedreven hadden , gestorven , dan moeten ze de tijdelijke straf, daarvoor verschuldigd, eerst nog in 't vagevuur afboeten.

Wil men op de vraag van den Catechismus: Wat verkrijgt men door het Doopsel:' nog meer volledig antwoorden dan het de Catechismus zelf hier doet, dan kan men uit andere lessen van den Catechismus . voor moer ontwikkelde kinderen er bijvoegen ;

Ten 4,le, een eeuwigdurend geeetelijk mcrkteeken. (Zie 3(gt;te Les, V. ïl — 23.)

Ten 5',e , de instorting der heiligmakende gratie. (Zie SO'quot;1 Les, V. 7.)

Ten 6de , het recht op de dadelijke gratiën aan het H. Sacrament des Doopsels eigen, of, gelijk de Catechismus t. a. p., 9ie V., zegt, bovennatuurlijke hulpmiddelen , die ons ter

ocr page 255

251

gelegener tijd door God gegeven worden , om het einde van het H. Sacrament des Doopsels te bereiken.

Ten 7de, de eerste instorting der drie goddelijke deugden (42«te Les, 5 V.) en van alle andere bovennatuurlijke zedelijke deugden.

7''b 8quot;«, de inlijving in het geestelijk lichaam van Christus, welk geestelijk lichaam de H. Kerk is. (Zie 31ste Les, 2lt;k V., en 2de Les, l',e V.)

Eindelijk, ten 9''% de geschiktheid om de andere Sacramenten geldig te kunnen ontvangen. (31ste Les, 2Je V.)

Immers hoe luidt het antwoord van den Catechismus op de vragen: Wat is een Christen metisch ? Een leerling van J. C., die, gedoopt zijnde. — En : Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament ? Omdat het Doopsel de deur en de ingang is tot de H. Eerk en tot de andere Sacramenten.

14 V. Waaraan hebt gij door den mond van Peter en Meter verzaakt, toen gij gedoopt werdt ?

A. Aan den duivel, aan al zijne werken en aan al zijne ijdelheden.

In deze vraag komen vooral twee woorden voor, welke ge misschien niet verstaat, nl. Peter en Meter. Want waarom de Catechismus in die vraag zegt: Waaraan hebt gij door den mond van Peter en Meter verzaakt, toen gij gedoopt werdt, begrijpt ge van zelf. Immers, toen gij als kind gedoopt werdt, kondt ge zelf nog niet praten, noch de verplichtingen begrijpen, die ge door het ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels op u naamt. Daarom staat er: Waaraan hebt gij toen door den mond van Peter en Meter verzaakt P — Maar wat beteekenen nu die twee vreemde woorden; Peter en Meter? Werkelijk, 'tzijn twee vreemde woorden, afgeleid van de Latijnsche woorden: Pater, Patrinus (vader) en Mater, Matrina (moeder), maar ter onderscheiding van onzen eigen, natuurlijken vader en moeder, beteekenea

ocr page 256

252

die woorden hier onzen vader en moeder in geestelijken zin, m. a. w., degenen, die ons ten doop gehouden hebben, en dus in zoover bij onze geestelijke geboorte of wedergeboorte voor ons de plaats der ouders innamen.

Nu zult ge de vraag genoegzaam begrijpen. We hebben dus enkel het antwoord nog in 't kort te verklaren. Het luidt: dat gij, toen gij gedoopt werdt, verzaakt hebt aan den duioel, aan al zijne werken, d. w. z., aan alle booze werken, zonden, waartoe de duivel den mensoh bekoort, aanzet en welke hij het eerst bedreef, en aan al zijne ijdelheden, d. w. z., aan alle ij dele vertooningen, schijngoederen dezer wereld, lichtzinnige plei-zieren , wereldsche vermaken en voldoeningen , waardoor de duivel ons van den dienst van God , van het goede tracht af te houden, en tot zijn dienst, tot de zonde te verleiden, b.v. door bedrieglijke voorstelling van 't genot en geluk, dat zou te vinden zijn in ongeregelden , verboden wellust des vleesches in te volgen, in 't opeenstapelen van schatten en rijkdommen, in te pronken met schoone kleederen , in 't bijwonen van gevaarlijke partijen, vermakelijkheden enz. enz. Kinderen, reeds vroeg begint de duivel daarmede te misleiden, als hij zorgt, dat de wereld b.v. bij gelegenheid van Kermisdagen of markten, u gevaarlijke vertooningen en pleizieren aanbiedt en voorstelt.

15 V. Welke is de plicht van Peter en Meter? A. Te zorgen dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed en zijne doopbeloften nakome.

Op de eerste plaats zijn de ouders zeiven verplicht te zorgen dat hunne kinderen godsdienstig worden opgevoed, en hunne doopbeloften nakomen. Doch wanneer ouders of voogden de katholieke opvoeding hunner kinderen zouden verzuimen, of hun best niet doen, dat hunne kinderen, eenmaal grootep geworden, hunne christelijke plichten, naar behooren, waarnemen , een waar christelijk leven leiden, dan zeker is het de plicht van Peter en Meter ten lstc, te zorgen dat hm

ocr page 257

253

petekind godsdienstig worde opgevoed; dns, als 't eenigszins mogelijk is, worde onderwezen in eene katholieke school, waarin niet enkel kundigheden geleerd worden, die voor het maatschappelijk burgerlijk leven dienstig zijn, als b.v. lezen, schrijven, rekenen , enz. enz., maar tevens onderricht wordt gegeven in alles wat tot een waar christelijk en godsdienstig leven behoort.

Ten 2,ls, dat hun Petekind zijne doopbeloften nnkome, d. w. z.. God waarlijk diene, de geboden Gods en der H. Kerk, en de plichten van zijn staat als een waar Christen mensch onderhoude, en door een echt christelijke levenswijze verzake aan den duivel, en al zijne werken en al zijne ijdelheden.

Dat Peter en Meter daartoe waarlijk verplicht zijn, blijkt duidelijk genoeg uit het ambt zelf, dat zij bij den plech-tigen doop van hun petekind wetens en willens op zich genomen hebben , nl. het ambt van doopborgen of van eene geestelijke, eene heilige voogdijschap. Door het ambt van Peter en Meter vrijwillig te aanvaarden , zijn ze voor God en de H. Eerk als doopborgen voor hun petekind opgetreden ; als geestelijke voogden hebben zij , in naam van hun petekind , voor God en de H. Kerk verklaard, bereid te zijn God alleen te dienen , en den duivel verzaakt, om het eeuwig leven te bekomen. Dus zijn zij, ton minste als ouders of voogden, door de burgerlijke wet aangesteld, bun plicht niet doen, weldegelijk ambtshalve verplicht, naar best vermogen te zorgen dat hun petekind godsdienstig worde opgevoed en zijne doopbeloften nakome.

Nota. Wij zijn God voor de genade van het H. Doopsel groote dankbaarheid verschuldigd.

Hoe zal men God voor die genade het gemakkelijkst en het best zijn dank beluigen ?

Ten 1'', door woorden , uit een dankbaar hart voortkomende, b.v. a.) door eiken morgen en avond te dien einde godvruchtig het kruisteeken temaken, zeggende: In den naam des Vaders en

ocr page 258

254

des Zoons en des H. Geestes. Amen. Immers , in den naam des Vaders, enz. zijn we gedoopt. Die aanroeping der H. Drievuldigheid doen we toch eiken morgen en avond bij het be^in en einde van het morgen- en avondgebed. We kunnen ons dus op die svijze gemakkelijk van den plicht van dankbaarheid voor de genade des H. Doopsels eiken dag kwijten. — b.) Door Zondags onder de H. Mis of het Lof te dien einde ten minste eens godvruchtig te zeggen : „ Glorie zij den Vader, den Zoon en den H. Geestquot; — c.) Door op onzen verjaardag onze doopbeloften te vernienwen. Men kan zulks op zeer eenvoudige wijze doen , b.v. door aandachtig en godvruchtig de twaalf artikelen des Geloofs , de akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw, de tien geboden Gods en vijf geboden der H. Kerk te bidden, of wel door het volgend of soortgelijk gebed: „Ik N. N. (naam en voornaam noemen) verzaak op nieuw van ganscher harte aan den duivel, aan al zijne werken, d. i. , aan alle zonden, en aan al zijne ijdelheden , d. i. , aan al zijne aanloksels tot zonde. Ik wil mijnen Heer en God, J. C., alleen dienen, zijne geboden onderhouden. Voor Hem alleen wil ik leven en sterven. In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen. H. Maria, Moeder Gods, H. Joseph, H. Engelbewaarder, mijn H. Patroon, bidt voor mij nu en in het uur van mijnen dood. Amen.quot;

Ten 2', 't best door daden; a) voornamelijk door een waar christelijk leven te leiden, b.) Door lid te worden van de Broederschappen der H. Kindsheid en van den H. Franciscus Xaverius, en, als men kan, wekelijks een y2 , en 2'/2 cent van zijne snoepcenten daarvoor te sparen, en dagelijks ter eere der H. Kindsheid te bidden een Wees gegroet met het gebedje: //. Maagd Maria, bid voor ons en voor de arme onge-loooige kindertjes!—en tot voorplanting des Geloofs een Onze Vader en Wees gegroet met het schietgebedje: H. Franciscus Xaverius, bid voor ons.

ocr page 259

255

Nota 2. De stof van het H. Sacrament des Doopsels is: de afwassching met water; de vorm zijn de woorden , gelijktijdig met die afwassching uit te spreken; en de gewone bedienaar is de Priester; in tijd van nood, eenieder, iedereen.

Vragen over de 31stlt;: Les.

1. Toont, dat het Doopsel een Sacrament is.

2. Wat is de stof, vorm en bedienaar in het Doopsel?

3 Wat is waarachtig , wat is natuurlijk water H

4. Haalt eenige voorbeelden aan van een ongeldig Doopsel,

bij gebrek aan stof, of vorm.

5. Wat hebben wij door het Doopsel verkregen ?

6. Hoe zullen wij God voor het Doopsel bedanken P

7. Wat beteekent doopsel, doopen ?

--gt;rgt;-clt;-

TWEE m DERTIGSTE LES.

Van het Vorinscl.

1 V. Wat is het Vormsel ?

A. Een Sacrament, dat door den Bisschop wordt toegediend aan degenen, die gedoopt zijn, in hetwelk door de handoplegging, de zalving en heilige woorden gratie en sterkte wordt gegeven om het geloof standvastig te belijden.

Vormen beteekent iets, of iemand goed, deugdelijk geschikt maken ; nu worden wij door dit tweede Sacrament geschikt, bekwaam, sterk gemaakt om den strijd des geloofs wel te strijden.

ocr page 260

256

I. Het VormBel is een Sacrament; want het heeft de vier kenteekens, welke tot het wezen van een Sacrament der Uieuwe Wet vereiecht worden.

Ten l'te, Hen uitwendig teeken , nl., de handoplegging , de zalving sn heilige woorden, welke men hoort, voelt of ziet. Door die handoplegging, zalving en heilige woorden wordt ten 2llr, eene bijzondere gratie beteekend, en ten S'1quot;-', ook gegeven; bijgevolg ten 4de, moet dit uitwendig teeken door Christus zeiven zijn ingesteld. Het Vormsel is dus een waarachtig Sacrament.

In dit Sacrament krijgen wij vooral de volheid van den H. Geest , zijne zeven gaven : dit wordt in het Sacrament aangeduid door het opleggen der handen en de zalving, die beide eene zekere volheid beteekenen ; terwijl de H. Schriftuur ons verhaalt (Hand. VIII.), dat de geloovigen door het opleggen der handen den H. Geest ontvingen.

II. JFie is de bedienaae vun dit Sacrament ?

Dat leert de Catechismus in het vervolg van het antwoord, zeggende :

Een Sacrament: dat door den Bisschop wordt toegediend. ~ De gewone bedienaar is dus de Bisschop. Een Bisschop heeft, krachtens zijne wijding , de macht het H. Vormsel toe te dienen, en overtreft in dit opzicht al degenen, die enkel het priesterschap ontvangen hebben , enkel priester gewijd zijn. Een priester kan of mag , krachtens zijne wijding , of het ambt, dat hij bekleedt, hoe verheven dit ook zij , het H. Vormsel niet toedienen. Hij kan en mag het alleen dan, als hij daartoe van Z. H. den Paus van Rome machtiging ontvangt. Z. H. de Paus verleent aan een priester die machtiging niet dan in buitengewone omstandigheden, en dus moet een Friester slechts de buitengewone bedienaar van het H. Sacrament des Vormsels genoemd worden.

gt; III. Aan wie kan het Vormsel geldig worden toegediend?

Deze vraag beantwoordt de Catechisnms door de volgende

ocr page 261

257

woorden : aan degenen, die gedoopt zijn. Iemand, die het Doopsel des waters of liet Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, kan of map het H. Vormsel niet ontvangen.

JVaarom niet ? .. . Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament ?

Maar aan al degenen , die geldig gedoopt zijn , kan ook het H. Vormsel geldig worden toegediend. Dus ook aan degenen, die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn. Ja, ware het H. Vormsel, even gelijk het Doopsel noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels, dan zouden zelfs de kleinste kinderen het Vormsel ook moeten ontvangen, te meer, omdat ze, eenmaal geldig gedoopt, het ook van zelf waardig, nl. in staat van gratie, zonden ontvangen. (Zie 3'le V.)

Doch , het ontvangen van het H. Vormsel is niet noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels, maar enkel uit noodzakelijkheid des gebods , dat alleen degenen verplicht, die tot de jaren gekomen zijn door de geestelijke overheid bepaald , waarop men het Vormsel moet ontvangen als men daartoe gelegenheid heefc. (2,|e V.) Dus , dat gebod verplicht zeker geen kleine kinderen , die nog niet tot de jaren van verstand gekomen ïijn. (Vgl. 3,lc Les, 16—20 V.)

Kinderen, in het antwoord op de l!te V. dezer Les: Wat is het Vormsel ? ligt meer opgesloten dan ge wellicht van den beginne gedacht hadt. We leerden er reeds uit, I., dat het H. Vormsel een waar Sacrament is der nieuwe Wet; II. Wie aeszelfs gewone bedienaar is, en III. aan wie het geldig kan worden toegediend. Maar bovendien kunnen we er nog, uit leeren, welke de stof, en de vorm is van dit Sacrament en eindelijk , welke gratie er bijzonder aan eigen is.

IV. Welke is dan de stof van het H. Vormsel ?

De Catechismus geeft het antwoord op deze vraag door te zeggen: in hetwelk, d. w. z., in welk Sacrament, nl. het Vormsel, door de handoplegging, de zalving. Door die twee woorden : de handoplegging en zalving, geeft de Catechismn®

ocr page 262

258

genoeg te verstaan , dat de handoplegging en zalving bij het toedienen van het Vormsel tegelijkertijd gebeuren, en samen de volledige stof van het Vormsel uitmaken. Onder de handoplegging zalft de Bisschop het voorhoofd van den vormeling. Waarmee!' Met Chrisma {zaloe bij uitnemendheid), vervaardigd uit olijfolie, gemengd met balsem, door den Bisschop op Witten Donderdag gewijd.

V. Welk is de vobm van dit Sacrament? of, wat hetzelfde beteekent: Welke woorden spreekt de Bisschop onder de handoplegging en zaloing ?

Deze: N., ik teeken u met het teeken des Tl. Kruises, en vorm u met het Chrisma des 'heils. In den naam des Vaders, en des Zuons, en des li. Geestes. Amen.quot; Daarna geeft hij den gevormde een zachten kaakslag, zeggende : Vrede zij met u, om hem indashtig te maken, dat hij bereid moet zijn voor Christus en het geloof smaad en vervolging te verdragen.

Of- VI. Welke gratie wordt bijzonder door het waardig ontoangen van het H. Vormsel gegeven ?

Gratie en sterkte om het geloof standvastig te belijden.

Die woorden gratie en sterkte beteekenen versterke/ide gratie, of, gratie, die bijzondere sterkte geeft om het geloof standvastig te belijden. (Zie verder 4« V.)

2 V. Wanneer moet men het Vormsel ontvangen?

#

A. Als men tot de jaren gekomen is door de geestelijke Overheid bepaald, en men daartoe de gelegenheid heeft.

Men moet, d. w. z., in gewone omstandigheden is men, uit noodzakelijkheid des gebods van Christus en der H. Kerk, op doodzonde verplicht, het Vormsel te ontvangen, als de twee volgende conditiën samengaan, ten 1«quot;, als men tot de jaren gekomen is door de geestelijke overheid bepaald.

Welnu, als regel is door onze geestelijke overheid bepaald,

ocr page 263

259

dat men zijne eerste H. Communie gedaan hebbo, en dus niet enkel tot de jaren van verstand, maar nan onderscheiding gekomen zij, (Vgl. 3ae Les, 17 V.; 25ste Les, 7 V. ; 29 Les, 7de) iode en ll110 V.) en derhalve in staat om met behoorlijke kennis en voorbereiding dit Sacrament met oeel vrucht te ontvangen. (Zie einde 30tE Les.)

quot;quot; Ten 2llc, dat men daartoe, nl. , om het H. Vormsel te ontvangen, de geschikte gelegenheid heeft. Nu, die heeft men als de Bisschop in onze, of eene naburige parochie komt vormen. Zij dus die, zonder wettige reden , alsdan zouden weigeren, of moedwillig verwaarloozen het Vormsel te ont^ vangen , zonden zich aan eene groote zonde schuldig maken.

3 V. Wat wordt er vereischt om het Vormsel tvaardig te ontvangen ?

A. Dat men gedoopt zij en zuiver van doodzonde.

Om het Vormsel waorjvte? te £«//««« ontvangen, wordt lea 1quot;', vereischt, dat men gedoopt zij Immers iemand , die het H. Sacrament des Doopsels niet ontvangen heeft, zon het Vormsel zeker niet mogen ontvangen.

Ten 2'' , dat men zuiver zij van doodzonde, want het Vormsel is een Sacrament der levenden. (30st' hes , 15dl' V, 19 V.) Dus alwie willens en wetens dit Sacrament in staat van doodzonde ontvangt, zon eene groote zonde van heiligschennis bedrijven. (Zie 30te Les, 12lllt;' V.)

Deze reden alleen zij u voldoende om toch te zorgen, dat ge het H. Vormsel waardig , zuiver van doodzonde, in staat van gratie ontvangt. Die reden dringt te meer, omdat, als men eenmaal dit Sacrament geldig, ware het ook nog zoo onwaardig, ontvangen heeft, men het niet opnieuw kan of mag ontvangen , omdai het, evenals het Doopsel, een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel prent. (Zie 30ste Les, 215te en 22!te V.)

ocr page 264

260

Hier ook moet in acht genomen worden, wat op het einde der 3(gt;te Les bl. 236 en 237 is gezegd over de drievoudige

gesteltenis...... Aan de noodige voorbereiding zullen zeker

niet te kort blijven de kinderen, die trouw den Catechismus bijwonen en onderhouden wat daar geleerd en aanbevolen wordt, of het voorbeeld der Apostelen volgen. (Vgl. 12deLes.) Bovendien zorge men op den dag, op het oogenblik des Vormsels, zich niet minder ongeschikt te maken door oneerbiedigheid, verveling en zonden in de kerk; maar men blijve vurig bidden ook onmiddellijk voor en na het ontvangen van het Sacrament.

Wie het onwaardig mocht hebben ontvangen, herstelle alles zoodra en zooveel mogelijk, door eene goede Biecht.

4 V. Wat gratie verkrijgen wij door het Vormsel ?

A. De vermeerdering der heiligmakende gratie, en bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standvastig te belijden.

Wij verkrijgen door het waardig ontvangen van liet Vormsel ten l8te, vermeerdering der heiligmakende gratie ; immers het is een Sacrament der levenden. (Zie 30te Les 18 V.) En, ten 2lle, bijzondere dadelijke gratiën om het geloof standoastig te belijden, d. w. z., openlijk, ook onder bespotting van andersgezinden of naam-katolieken, voor onze plichten als Eoomsch-katholie-ken uit te komen, die onbeschroomd te onderhouden op Zon- en Feestdagen, Vasten- en Onthoudingsdagen, enz.; in alle omstandigheden en gezelschappen ons niet te schamen metterdaad te toonen , te laten blijken, dat we soldaten zijn van Jesus' Kerk, die voor hunne overtuiging durven uitkomen, zich aan geen menschelijk opzicht storen, maar ridderlijk voor hun God en Koning optreden.

Het recht op die bijzondere dadelijke gratiën, ontvangt men dadelijk als men het H. Vormsel waardig ontvangt. Werkelijk ontvangt men die gratiën, mits men er intussehen

ocr page 265

261

geen beletsel aan hebbe gesteld, of dit beletsel door eene goede Biecht weer hebbe*opgeheven, ter gelegener tijd, als men er behoefte aan heeft. (Zie 30,te Les, 9 V.)

De bijzondere dadelijke gratiën welke aan dat Sacrament, waardig ontvangen , door Christns verbonden zijn , doen ons tevens begrijpen, waarom dit Sacrament H. Vormsel genoemd wordt. Vormsel (onze voorvaders zeiden Vermsel) — zooals we reeds van den beginne aanstipten — komt van een La-tijnsch woord, dat bevestiging, versterking beteekent. In de plaats daarvan had men ook kunnen zeggen vroomsel, d. i. iets, dat vroom, sterk en standvastig maakt. En dat doet het H. Vormsel; 'tmaakt den christen sterk om het geloof standvastig te belijden. „ Zij — dus spreekt de Eomeinsche Catechismus — die door den Doop Christenen geworden zijn , zijn als pasgeboren kinderen teêr en zwak; door het Chrisma des Vormsels nu worden zij tegen alle aanvechtingen van het vleesch, van de wereld en van den duivel gesterkt; hun hart wordt in het geloof bevestigd, om den naam van onzen Heer J. C. te belijden en te verheerlijken!'

5 V. Welke zijn de gaven van den H, Geest, die men in het Vormsel ontvangt ?

A. Deze zeven : wijsheid, verstand, raad, sterkte, wetenschap , godsvrucht en de vrees des Heeren.

Deze zeven voortreffelijke gaven, worden bijzonder gaven van den U. Geest genoemd, om dezelfde reden, waarom onze heiligmaking bijzonder aan den H. Geest wordt toegeschreven , nl., omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon, en nit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. (ISquot;16 Les, 6 en 7 V.)

Ze zijn dus gaven niet enkel van den H. Geest, maar zoowel van God den Vader en van God den Zoon, als van God den H. Geest; in één woord, gaven van de H. Drievuldig-C. 17

ocr page 266

262

held. (6de Les, 1 en 5 V.) Ze zijn loutere gaven, omdat God ze ons geeft zonder dat wij ze vefdiend hebben. — Maar in welken zin vraagt de Catechigmns: Welke zijn de gaven van den H. Geest, die men in het Vormsel ontvangt ?

Niet in dien zin, alsof men deze gaven het eerst in het Vormsel ontvangt. Immers de zeven gaven van den H. Geest staan in innig verband met de heiligmakende gratie; met deze worden ons die gaven ■, even gelijk de goddelijke deugden , in het Doopsel het eerst ingestort. (Vgl. 30te Les, 8 V., en 42stl! Les, 5 V.)

Maar in dien zin, dat die gaven in het H. Vormsel, tegelijk met de vermeerdering der heiligmakende gratie, welke wij er door verkrijgen (Zie 4 V. dezer Les), ook in ons vermeerderd worden.

Zeker zult ge verder wenschen te weten : Wat dan toch die zeven gaven van den H. Geest in 't algemeen zijn ? Kinderen, het zijn, gelijk de zedelijke deugden, bovennatuurlijke genegenheden der ziel tot het goede , met dit verschil, dat de zedelijke deugden , uit haar aard , ons enkel genegen maken en opwekken tot gewone goede werken , terwijl de zeven gaven van den H. Geest uit heur aard ons geschikt maken en aansporen tot meer buitengewone, voortreffelijke goede werken. (Vgl. 42»quot; Zes ,1,2,9 V.)

Eindelijk zult ge vragen : Wat door ieder dier zeven gaven in 't bijzonder verstaan wordt ? Wat de gave der wijsheid is, of in ons uitwerkt? enz.

1. De gave van wijsheid helpt ons om de hemelsche goederen boven de aardsche te achten en te betrachten.

2. De gave van verstand helpt ons om de waarheden des geloofs dieper te begrijpen , er inniger van doordrongen te zijn, en er naar te handelen, te leven.

3. De gave van raad helpt ons om in twijfelachtige voorvallen des levens datgene te kiezen wat het meest strekt tot glorie van God en de zaligheid onzer ziel.

ocr page 267

263

4. De gave van sterkte helpt ons om de moeilijkheden, die zich op den weg der zaligheid en volmaaktheid voordoen, edelmoedig te overwinnen.

5. De gave der wetenschap helpt ons om gestadiglijk het goede van het kwade te onderscheiden, het goede to betrachten , het kwaad te verachten, en de aardsche dingen te gebruiken tot Gods eer en de zaligheid onzer ziel.

6. De gave van godsvrucht doet ons God met vaardigheid dienen , en al zijne geboden nit liefde onderhonden.

7. De gave van de vreeie des Heer en vervult ons met eene kinderlijke vreeze van God door eenige dood- of opzettelijk bedreven dagelijksche zonde te vergrammen, ja zelfs, om dien oneindig goeden Vader door eene vrijwillige onvolmaaktheid te mishagen.

6 V. Waarom geeft men ons in het Doopsel en Vormsel namen van Heiligen ?

A. Opdat wij de deugden dier Heiligen zouden navolgen en door hen beschermd en geholpen worden.

Men geeft ons dus in het Doopsel en Vormsel nit tweeërlei inzicht, met tweeërlei doel, namen van Heiligen. Ten 1«, opdat wij ten minste de voornaamste deugden dier Heiligen, wier namen ons in het Doopsel en Vormsel gegeven zijn, van verre, en met inachtneming van de bijzondere plichten van onzen staat, zouden navolgen, en, opdat wij ten 2e, door hen, door onze Patroonheiligen , naar lichaam en ziel, bij leven en sterven beschermd en geholpen zouden worden.

Vandaar dat de Catechismus zelf eenieder aanbeveelt dagelijks en in 't Morgen- en in 't Avondgebed de hulp van zijn. Patroon of zijne Patrones af te smeeken.

H. N......mijn Patroon (of Patrones), bid voor ons.

ocr page 268

264

Vragen over de 32ste Les.

1. Wat beteekent „vormen, vormselquot; P

2. Welke zijn in het Vormsel de vier vereischten tot een

Sacrament P

3. Wat is de stof, de vorm, wie de bedienaar van het

Vormsel P

4. Waarom moet men in staat van gratie zijn als men

wordt gevormd, en niet als men wordt gedoopt P

5. Wat wordt er vereischt, om dit Sacrament geldig,

waardig, met veel vrncht te ontvangen ? En hoe zal men zich daartoe het best voorbereiden P

6. Geeft een korte verklaring van de zeven gaven van

den H. Geest P

7. Welke plichten hebben wij jegens onze patroon-heiligen P

DRIE Elf DERTIGSTE LES.

Van het H. Sacrament des Altaars.

§ 1.

1 V. Welk is het waardigste der zeven HH. Sacramenten ?

A. Het H. Sacrament des Altaars.

Dit Sacrament wordt het H. Sacrament des Altaars genoemd, omdat het op het Altaar tot stand gebracht, voltrokken en bewaard wordt. Het wordt het heilig Sacrament genoemd bij uitnemendheid, d. w. z., het heiligste Sacrament, kortaf: „ het Allerheiligstequot;, omdat in dit Sacrament de oorsprong van alle heiligheid, de gever van alle gratiën zelf tegenwoordig is. Om diezelfde reden is het Sacrament des Altaan ook het waardigste der Zeven HH. Sacramenten.

ocr page 269

265

2 V. Wat is het H. Sacrament des Altaars?

A. Een Sacrament, in hetwelk onder de gedaante van brood en wijn Christus zelf tegenwoordig is.

Het H. Sacrament des Altaars, is een waarachtig Sacrament der Nieuwe Wet; want het heeft er de vier kenteekens van : Ten 1B, een uitwendig teeken , t. w., de gedaanten van brood en wijn waaronder Christus zelf tegenwoordig is ; ten 2,lc , dat uitwendig teeken beteekent eene bijzondere gratie, die, ten 3e, ons door hetzelve gegeven wordt, en dus moet het, ten 4e , door Christus zijn ingesteld.

Genoeg, de vier kenteekens hier zonder meer , te hebben aangegeven. Want elk wordt in 't bijzonder in't vervolg der Les nader aangewezen.

Het uitwendig teeken van dit Sacrament wordt nader verklaard in de 5e V. dezer Les. Klaarblijkelijk beteekenen de gedaanten van brood en wijn, dat dit Sacrament, waardig ontvangen , eene waarachtige spijs onzer ziel is, alzoo, dat aan dit Sacrament eene bijzondere gratie eigen is, gelijk in de lO V. wordt aangeduid, en in bijzonderheden wordt uitgelegd in de 12e — 15e V. — Die bijzondere gratie dient tot vermeerdering en instandhouding van het bovennatuurlijk, geestelijk leven onzer ziel, nl. om te beter de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten. Dat ons die gratiën door dit Sacrament, waardig ontvangen, metterdaad gegeven worden, leert de IG1' V. uitdrukkelijk. Dat Christus dit Sacrament werkelijk heeft ingesteld , bevestigt de Catechismus overduidelijk , door ons in de 91, en lO V. te leeren : Wanneer , en tot wat einde Christus dit Sacrament heeft ingesteld.

In zijn kort antwoord op de Vraag: Wat is het H. Sacrament des Altaars ? geeft de Catechismus de vier vermelde kenteekens van een waar Sacrament der Nieuwe Wet ook genoegzaam aan. Want het luidt: Een Sacrament, in hetwelk onder de gedaanten van brood en wijn. Ziedaar het uitwendig

ocr page 270

266

teeken. Dat dit nitwendig teeken door Christus is ingesteld en eene bijzondere gratie beteekent, die ons door hetzelve gegeven wordt, ligt duidelijk in de volgende woorden opgesloten : Christus, de insteller van al de Sacramenten der Nieuwe Wet, de oorsprong en gever van alle gratiën, zelf tegenwoordig is. In dit Sacrament is dus Christus , de bron aller genaden, zelf in persoon tegenwoordig. In de overige Sacramenten is Hij zelf niet tegenwoordig, maar enkel door de kracht zijner gratie. Dus het H. Sacrament des Altaars is en wordt met recht en goede reden het waardigste , het heiligste der Zeven HH. Sacramenten genoemd. Dit zal ons nog duidelijker blijken, als we het antwoord op de 3e V. goed verstaan.

3 V. Hoe is Christus in dit H. Sacrament tegenwoordig ?

A. Met zijne Godheid en menschheid, met ziel en lichaam , geljjk Hij verheerlijkt in den hemel is.

Jesus Christus zelf is in dit Sacrament waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig.

Om dit punt van ons H. Geloof te beter te verstaan, is 't zaak ons uit de 9e Les nog eens goed te herinneren : Wie Jesus Christus is ? NL God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, mensch geworden ; God en mensch te zamen , zóódat er dus in Christus zijn twee naturen ; de goddelijke natuur en de menschelijke natuur. En hoeveel personen zijn er in Christus ? In Christus is slechts één Persoon, te weten : de Goddelijke Persoon. (2—5 V. t. a. p.)

Nu, zóó , gelijk we daar Christus hebben leeren kennen , is Hij zelf in dit Sacrament tegenwoordig : t. w. , met zijne Godheid en menschheid, als God en mensch te zamen, met die ziel en dat lichaam, welke Hij bij zijne menschwording door eene bijzondere werking van den H. Geest in den maagdelijken schoot van Maria heeft aangenomen (vgl. 9e Les 6e V.),

ocr page 271

267

doch, zelfs volgens zijne mensehelijke natunr, nu niet meer , gelijk vroeger, lijdelijk en sterfelijk (vgl. 10e Les 9* V.), maar gelijk Rij, sinds zijne Verrijzenis en Hemelvaart, verheerlijkt in den hemel is, begaafd met de vier hoedanigheden, waarmee de lichamen der zaligen znllen verrijzen, nl., met klaarheid, snelheid, fijnheid of subtiliteit, en onlijdelijkheid (vgl. 16e Les , 10e V.); dus gelijk Hij nu zit aan de rechterhand van God den Vader almachtig, d. w. z., in de opperste rust is en in de hoogste eer bij God den Vader. (11* Les, 13« V.)

Al wie dit antwoord goed begrepen heeft, kan van zelf ook deze vraag beantwoorden ;

Hoe is Christns in dit Sacrament tegenwoordig, levend of niet levend, geheel of gedeeltelijk ? Immers moet zonder twijfel op die vraag geantwoord worden : „ Christns is er geheel en levend tegenwoordig, met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met menschheid en Godheid, gelijk Hij verheerlijkt leeft in den hemel,quot; nochtans met dit hoofdverschil, dat Hij in den hemel in zijne natuurlijke gedaante is , en zichtbaar voor de gelukzaligen, terwijl Hij in het H. Sacrament des Altaars onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig is, en wij Hem niet kunnen zien.

4 V. Wanneer komt Christus in dit H. Sacrament tegemvoordig ?

A. In het H. Sacrificie der Mis, als de Priester de woorden van de H. Consecratie quot;spreekt.

Die vraag en dit antwoord komen op hetzelfde neer als de 4e V. en A. der volgende Les: Hoe, d. w. hier z., door welk middel, of waardoor, komt Christus in de Mis tegenwoordig ?

A. Door de woorden nan de H. Consecratie, die de Priester spreekt, worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus.

ocr page 272

268

Alzoo, Christus komt in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig in het H. Sacrificie der Mis als de Priester de woorden spreekt van de H. Consecratie, dat wil letterlijk zeggen : de woorden van inzegening, heiliging; maar werkelijk w. d. z.: de woorden , welke eene zelfstandigheidsverandering teweegbrengen , uitwerken. Want, door de woorden van de H. Consecratie, die de Priester, in het midden van de Mis, in den persoon van Christus, even almachtig als God de Vader (vgl. 6C Les, 6e V.), spreekt, wordt de geheele zelfstandigheid van brood en wijn veranderd in het waarachtig lichaam en bloed van Christus, onafscheidelijk vereenigd met zijne Godheid en menschheid , gelijk Hij nu verheerlijkt in den hemel is.

5 V. Is er in dit Sacrament ook geen hrood of wijn aanwezig ?

A,. Geenszins ; maar slechts de gedaante of schijn van brood en wijn.

In het H. Sacrament des Altaars is geenszins, volstrekt, hoegenaamd geen waar brood of wijn aanwezig, tegenwoordig. Immers het brood en de wijn , welke de Priester opdraagt, als hij na het Evangelie deu kelk ontdekt heeft, worden door de woorden van de H. Consecratie , die de Priester spreekt in het midden van de Mis, even voordat de H. Hostie on de kelk worden opgeheven , veranderd in het lichaam en bloed van Christus, (Vgl. 34 Les, 7 en 8 V.) Dus bij de H Consecratie houdt de zelfstandigheid van brood en wijn op , en blijven alleen de gedaanten van brood en wijn over. Daarom zegt de Catechismus, dat in dit Sacrament tegelijk met Christus lichaam en bloed geenszins ook waar , wezenlijk brood of wijn aanwezig is, maar slechts de gedaante, d. w. z., de kleur, smaak, reuk, uiterlijke vorm enz. van brood en wijn; of) m. a. w., dat na de consecratie alleen de schijn van brood en wijn in dit Sacrament overgebleven en zichtbaar is.

ocr page 273

269

Ook na de consecratie schijnt het nog wel brood en wijn te zijn, is er voor het uiterlijke niets aan veranderd ; het lijkt nog brood en wijn te zijn, men zou zeggen, dat het nog brood en wijn is; en toch is het geen brood of wijn meer , maar het waarachtige lichaam en bloed van Christus, Dus is er in het Sacrament dea Altaars geenszins ook brood of wijn aanwezig, tegenwoordig, maar slechts de gedaante of schijn van brood en wijn. Doch onder iedere dier gedaanten, onder den schijn èn van brood èn van wijn, is Christus zelf geheel tegenwoordig ; ja zelfs , als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, is Christus onder elk deel van brood of wijn geheel tegenwoordig. Dit leeren ons de twee volgende vragen.

6 V. Is onder iedere gedaante Christus geheel tegenwoordig ?

A. Ja ; onder iedere gedaante.

Ja, Christus is geheel tegenwoordig onder iedere gedaante, d. w. z. , èn onder de gedaante van brood , èn onder de gedaante van wijn. Bijgevolg ontvangen de geloovigen, die te communie gaan onder ééne gedaante, onder de gedaante van brood, evenveel als de Priester, die in de H. Mis het lichaam en bloed van Christus onder de gedaante van brood èn van wijn nuttigt, want Christus is onder iedere gedaante geheel tegenwoordig. Dus , nog eens gezegd : de geloovigen ontvangen onder de gedaante van brood, even goed Christus geheelals de Priester. Meer dan den geheelen Christus kan men toch niet ontvangen.

7 V. Als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, onder welk deel is Christus dan tegenwoordig ?

A. Dan is Christus onder elk deel geheel tegenwoordig.

Om dit antwoord goed te begrijpen, let wel op de woorden

ocr page 274

270

dezer vraag: Als de gedaante van brood of wijn verdeeld wordt, onder welk deel is Christus dan tegenwoordig P

Verdeeld worden slaat alleen op de gedaante van brood of wijn , geenszins op Christus zeiven; want al is Christus in dit Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn wezenlijk tegenwoordig, zijn toch de gedaanten van brood of wijn geenszins de gedaanten van Christus zeiven. Na zijne verrijzenis kan Christus niet meor sterven, niet meer verdeeld worden; zijn lichaam niet meer van zijne ziel gescheiden worden. Derhalve slaat verdeeld worden alleen op de gedaante van brood of wijn en is Christus onder elk deel, waarin de gedaante van brood verdeeld wordt, geheel tegenwoordig.

Uit deze waarheid volgt ten lstE, dat, als de Priester eene H. Hostie moet verdeelen , omdat er meer communicanten dan H. Hostiën voorhanden zijn, hij die slechts een gedeelte eener H. Hostie ontvangt, evenveel krijgt als hij die eene geheele H. Hostie ontvangt; want als de gedaanten van brood of wijn verdeeld zijn, dan is Christus onder elk deel, hoe klein ook , geheel tegenwoordig.

Hieruit volgt ten 2(1«, de reden , waarom de Priester op het einde der H. Mis, na de nutting, zelfs de kleinste deeltjes die na de consecratie van de H. Hostie mochten afgevallen zijn, met zooveel zorg verzamelt. Hij doet dit zoo nauwlettend, juist omdat Christus onder elk deel, hoe klein ook, geheel tegenwoordig is.

Maar, hoelang wel blijft Christus onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig ?

Zoolang de gedaanten van brood en wijn aanwezig zijn, blijven voortduren; met a. w., totdat de gedaanten van brood en wijn, als ze wezenlijk gewoon brood of wijn waren, verteerd, vergaan, verdwenen zouden zijn. Als de gedaanten van brood of wijn verdwenen zijn, ophouden te bestaan, is ook Christus in dit Sacrament niet langer tegenwoordig, omdat er dan geen uitwendig teeken meer is, en bijgevolg ook niet meer het Sacrament des Altaars. Want: Wat is

ocr page 275

271

sen Sacrament in 't algemeen P (30tc Les, l^e V.) En in 't bijzonder: Wat is het heilig Sacrament des Altaars ? (2de V. dezer Les)

8 V. Welke eer zijn wij aan het H. Sacrament des Altaars schuldig ?

A. Dezelfde eer, die wij aan Christus moeten bewijzen, te weten : de Goddelijke eer en aanbidding.

Wij zijn aan het H. Sacrament des Altaars dezelfde in- en uitwendige eer schuldig, verplicht te bewijzen, die wij aan Christus, waarachtig God en mensch te zamen in één godde-lijken Persoon, moeten bewijzen, te weten : de Goddelijke eer, de eer, waardoor wij Hem als God erkennen, de eer, die bij uitnemendheid aanbidding genoemd wordt. (Vgl. 23quot;° Les, 5de V.) Immers het fl. Sacrament des Altaars is een Sacrament , in hetwelk onder de gedaante van brood en wijn Christus zelf tegenwoordig is, met zijne Godheid en mensch-heid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is. (V. 2 en 3 dezer Les.)

9 V. Wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?

A. In het laatste avondmaal, op den avond vóór zijn Ijjden.

Christus heeft dit Sacrament ingesteld in het laatste avondmaal. Hoort in hoofdzaak het verhaal van de H. Evangelisten Mattheus (XIV. 26 — 28), Marcus (XIV. 22 — 24), Lucas (XXII. 19 — 20.) Terwijl Jesus en zijne twaalf Apostelen , na het Paaschlam gegeten te hebben, nog aan den maaltijd zaten, „ nam Jesus het brood, en zegende, en brak, en gaf het aan zijne leerlingen, en zeide: Neemt en eet, dit,, is mijn lichaam. En Hij nam den kelk, en dankte, en gaf hun dien, zeggende : Drinkt allen daaruit; want dit is mijn

ocr page 276

272

bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; „ Doet dit tot mijne gedachtenis.quot; Dat is: doet gij hetzelfde wat ik nu gedaan heb: verandert brood en wijn in mijn lichaam en bloed : Ik geef u daartoe de macht; maar als gij dat doen zult — onder de Mis — denkt dan aan Mij, mijne liefde, mijn lijden.—

Vraagt u ooit iemand : Waarom gelooft en belijdt de H. Katholieke Kerk , dat in het H. Sacrament dos Altaars het lichaam en bloed van Jesns tegenwoordig zijn P dan luidt uw allesafdoend antwoord : Omdat Jesus, de Zoon Gods, de eeuwige waarheid zelf gezegd heeft: Dit is mijn lichaam — dit is mijn bloed.

En vraag ik u ieder in 't bijzonder; Kind , waarom gelooft gij vastelijk, dat Jesus Christus zelf met zijne Godheid en menschheid , met ziel en lichaam , gelijk Hij verheerlijkt in den hem?.l is , in liet H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is , dan zult ge me allon eenparig antwoorden : Omdat, Jesus Christus , de Zoon Gods , de eeuwige waarheid , het zelf geopenbaard heeft, en de H. Kerk het ons voorhoudt te gelooven. (Vgl. S1' Les, 4 — 10 V.)

Christus heeft dit Sacrament ingesteld in het laatste avondmaal , op den avond vóór zijn lijden. Op deze tijdsomstandigheid wijst de H. Paulus , in zijn I. Brief aan de Korinthïérs (XI. 23 — 26) met nadruk , zeggende „ Want ik , ik heb (door onmiddellijke openbaring) van den Heer ontvangen, 't geen ik u ook (bij monde) heb overgegeven (geleerd), dat de Heere Jesus, in den nacht, waarin Hij (door Judas verraderlijk in de handen van zijne vijanden) geleverd werd, brood nam, en gedankt hebbende het brak en zeide : Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u geleverd zal worden ; doet dit tot mijne gedachtenis! Desgelijks ook den kelk, nadat Hij den maaltijd genomen had , zeggende : Deze kelk is het Nieuwe Testament in mijn bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis. Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten , en den kelk drinken , zult gij den

ocr page 277

273

dood des Heeren verkondigen, totdat Hij komtquot; als Eeehter orer levenden en dooden aan het einde der wereld.

Uit die woorden is gemakkelijk af te leiden, tot wat einde Christus dit Sacrament heeft ingesteld.

10 V. Tot wat einde heeft Christus dit Sacrament ingesteld ?

A. Ten 1. Tot gedachtenis van zijn liefde en H. lijden ; ten 2. tot eene waarachtige spijs onzer ziel; ten 3. tot een gedurig Sacrificie der Nieuwe quot;Wet.

Christus heeft dit Sacrament ingesteld ten Isquot;, tot gedachtenis van zijne liefde en zijn H. lijden. Als vrienden voor langen tijd, of voor eeuwig, van elkaar afscheid nemen, zijn ze gewoon aau hunne dierbaren iets ter gedachtenis, ter herinnering achter te laten. Wat het ook zij, 'tmoetbeteekenen: „Vergeet mij niet. Gedenk mijner.quot; Als een dierbare vader of moeder den dood nabij zijn, laten ze aan hunne kinderen nog een laatste gedachtenis na: een prentje, kruisbeeldje, paternoster, hun portret, of wat dan ook. 't Zij in zich zelf ook nog zoo onbeduidend, van nog zoo weinig waarde , voor welgeaarde kinderen is en blijft dit aandenken, aan het sterfbed van vader of moeder ontvangen, zóó dierbaar , dat ze het aan geen prijs, voor geen zilver of goud zonden willen omruilen, afstaan, juist omdat het hun als een voortdurende gedachtenis der liefde, die hunne ouders hun toedroegen, is achtergelaten.

Kinderen, door deze vergelijking zult ge genoeg verstaan hebben wat de Catechismus eigenlijk bedoelt als hij zegt: Christus heeft dit Sacrament ingesteld ten l8tc, tot gedachtenis van zijne liefde. Maar de grootheid van dit liefdeblijk kunnen wij menschen niet volkomen begrijpen. Grooter kon het niet zijn. Want wat liet Hij ons door het instellen van dit H. Sacrament tot gedachtenis zijner liefde naP Zich zei-

ocr page 278

274

ven, met zijne Godheid en menBchheid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is. (2» en 3« V.)

Het tijdstip , waarop Christus het Sacrament des Altaars instelde, levert een bewijs te meer, dat dit Sacrament waarlijk een onovertrefbaar blijk en aandenken is van zijne liefde, en tevens van zijn H. lijden. Immers, wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld P In het laatste avondmaal (op Witten Donderdag), op den avond vóór zijn lijden, op den avond die den dag van zijn lijden (goeden Vrijdag) voorafging. (Vgl. lO® Les, 6e V.)

Dus als op hetzelfde oogenblik , dat Farizeën , Schriftgeleerden en Oversten der Joden en Judas , zijn trouwelooze Apostel, samenspanden, om Hem gevangen te nemen, en den dood des kruises te doen ondergaan, liet Jesus, als een stervende vader, bij testament, bij uiterste wilsbeschikking, ons, zijne veelgeliefde kinderen, dit Sacrament na, tot voortdurende gedachtenis van zijne onovertroffen liefde, en van zijn H. lijden, dat kort na de instelling van dit Sacrament begon in 't hofke van Olijven , en eerst eindigde op den Calvarieberg met de voltrekking van het bloedig sacrificie des kruises. De woorden, die Christus na de instelling van het H. Sacrament des Altaars sprak: Doet dit tot mijne gedachtenis, geven dus , onder meer, duidelijk te verstaan, dat Christus dit Sacrament heeft ingesteld, ten lstc, tot gedachtenis van zijn liefde en 11. lijden. Doch Christus heeft dit Sacrament niet enkel ingesteld tot gedachtenis van zijn liefde en H. lijden , maar bovendien ten 2'le, tot eene waarachtige spijs onzer ziel; en ten 3Je, tot een gedurig sacrificie der Nieuwe Wet.

Deze twee doeleinden behoeven we hier niet nader te verklaren , omdat de Catechismus zelf in § 2 dezer Les ons leert wanneer het H. Sacrament des Altaars eene waarachtige spijs onzer ziel is, en geheel de volgende Les handelt over de H. Mis , het gedurig Sacrificie der Nieuwe Wet.

Maar wel geven deze en de volgende vr., benevens de volgende § en Les, geschikte aanleiding om op twee andere belangrijke

ocr page 279

275

leerpunten te wijzen , t. w., ten l«te, dat dit H. Sacrament ook daardoor de andere Sacramenten ver overtreft (Vgl. V. 2), dat het niet gelijk de overige Sacramenten enkel nit eene voorbijgaande handeling bestaat, niet enkel in het ontvangen of opdragen van Jeans' lichaam en bloed, m. a. w., niet enkel in de H. Commnnie en het H. Misoffer, maar iets blijvends is. Immers Christus is, volgens de onfeilbare leer der H. Kerk, na de H. Consecratie in dit Sacrament niet enkel tegenwoordig op het oogenblik dat wij Hem metterdaad in de H. Communie ontvangen, maar ook te voren, d. i., vóór dat wij Hem in de H. Communie ontvangen, en daarna in de H. Hostiën, die na de uitdeeling der H. Commanie bewaard worden, overblijven. Uit dit punt des geloofs volgt rechtstreeks, dat wij Jesus' liefde en lijden bijzonder behooren te overdenken, als wij Jesus, verblijvende, rustende in het H. Sacrament des Altaars, aanbidden.

Ten 2', dat het geheim van Christus' liefde , het altaargeheimenis , alweer ter onderscheiding van de andere H. Sacramenten, kan en moet beschouwd worden onder tweeërlei opzicht: nl. als Sacrament én als Sacrificie der .Nieuwe Wet. 't Is een Sacrament der Nieuwe Wet, in zooverre het on-middellijk tot heiligmaking en zaligheid der menschen door Christus is ingesteld. (Vgl. 30« Les, 6e V.) 'tls een gedurig sacrificie der Nieuwe W et, in zooverre het door Christus is ingesteld, om zijn Hemelschen Vader te erkennen als den Heer van leven en dood, om aan de H. Drievuldigheid een slachtoüev op te dragen, dat tevens een dank- en zoen- en smeekoSev is, en dus alle doeleinden der verschillende offeranden der Oude Wet in zich vereenigt. (Vgl. 12 V. der volgende Les.)

11 V. Wanneer behoor en wij dus bijzonder de liefde en het lijden van Jesus te overdenken ?

Ten 1. Als wij Jesus in het H. Sacrament des Altaars aanbidden ; ten 2. als wij het H. Sacrament

ocr page 280

276

in de H. Communie ontvangen; ten 3. als wij het H. Misoffer bijwonen.

Overeenkomstig het drievoudig doeleinde, waartoe Christus dit Sacrament heeft ingesteld , behooren wij , is 't voor ons een plicht van wederliefde, dat wij bijzonder de liefde en het lijden van Jesus overdenken, ten 1', Jls wij Jesus in het H. Sacrament des Altaars aanbidden, d. w. z., de Goddelijke eer bewijzen, dezelfde eer, die wij aan zijn Goddelijken Persoon verschuldigd zijn. (8'- V.) En dit behooren wij, zoover onze plichten van staat het toelaten, als brave Christenen ten minste te doen door eiken Zon- en Feestdag het H. Lof bij te wonen. Bovendien vooral tijdens het 40-urengebed, en op Witten Donderdag en op andere dagen waarop het H. Sacrament in processie omgedragen , of ter aanbidding uitgesteld wordt; ja wij behooren dagelijks Jesus althans een kort bezoek te brengen in het H. Sacrament des Altaars, of indien onze plichten van staat dit niet toelaten, althans ééns per dag onder ons werk , en zoo dikwijls wij voorbij eene li. K.. kerk komen , in den geest van aanbidding, ter gedachtenis aan de liefde en het lijden van Jesus dit schoone schietgebed te herhalen: Geloofd zij J. C. in het H. Sacrament des Altaars.

Ten 2'', behooren wij bijzonder de liefde'en het lijden van Jesus te overdenken , als wij het ff. Sacrament in de ff. Com-munie ontvangen.

En ten 3e, als wij het ff. Misoffer bijwonen. Immers èn op de H. Communie, èn op het H. Misoffer slaat de aanmaning van Christus: „ Boet dit tot mijne gedachtenisquot;, m. a. w. zoo dikwijls gij te Communie gaat, of het H. Misoffer bijwoont, overdenkt de liefde, die ik u door het instellen van het H. Sacrament des Altaars èn als Sacrament, èn als Sacrificie bewezen heb; overdenkt èn bij de H. Communie èn gedurende het H. Sacrificie der Mis het lijden, dat Ik uit liefde tot u heb doorstaan , en gij zult door die overdenking, over-

ocr page 281

277

weging worden opgewekt om Mij wederkeerig bovenal liefte hebben en te mijner liefde ook uwe kruisjes geduldig te dragen.

§ 2.

Tan de H. Communie.

12 V. Wanneer is het H. Sacrament des Altaars eene waarachtige spijs onzer ziel ?

Als wij het waardig in de H. Communie ontvangen.

Het H. Sacrament des Altaars is eene waarachtige spijs onzer ziel (zie I6e V.), als wij Het waardig (zie 14' V.) in de H. Communie ontvangen. H. Communie w. z. heilige vereeniging. Het H. Sacrament des Altaars waardig ontvangen wordt de H. Communie genoemd, omdat het ons op zoo heilig en innig mogelijke wijze met Christus vereenigt. Do H. Communie ontvangen, communiceeren w. dus z., met Christus zeiven vereenigd worden, het lichaam en bloed van Christus ontvangen. Want

13 V. Als men de H. Communie ontvangt, wat ontvangt men dan ?

A. Het waarachtig lichaam en bloed van Christus , — Christus zeiven.

(Zie 2-7 V.)

Omdat men, als men de H. Communie ontvangt, Christu» zehen ontvangt, zegt men dikwijls kort en bondig, dat men in de H. Communie „Ons Heerquot; ontvangt, en wordt het H. Sacrament des Altaars ook dikwijls „Ons Heerquot; genoemd.

14 V. Wat wordt er vereischt om waardig te communiceeren ?

A. Ten 1. dat men zij zuiver van doodzonde, en ten 2. nuchteren van des nachts 12 uren.

C 18

ocr page 282

278

Er zijn dus twee vereischten om waardig te communiceeren (Vgl. 3Oquot; Les, bl. 223). Het eerste betreft de ziel, het tweede bet lichaam.

len lquot;te wordt vereiscbt, dat onze ziel zuiver zij van doodzonde, in staat van gratie; want het H. Sacrament des Altaars is een van de Sacramenten der levenden, die men in staat van gratie moet ontvangen. (30tB Les, 15, 19 , 20 V.) Dns mag niemand, die zich bewust is, die zeker weet, na zijne laatste goede Biecht, eene doodzonde gedaan te hebben, te Communie gaan, zonder te voren zich van de bedrevene doodzonde door eene goede Biecht gezuiverd te hebben. Dit leeren de H. Apostel Paulus en de kerkvergadering van Trente nadrukkelijk. De H. Paulus verkondigt ons desbetreffende het gebod van Christus zeiven, dus een goddelijk gebod, waar hij zegt (lstD Br. aan de Korinth. XI hfdst. 28 v.): „Doch, om niet on waardiglijk te Communie te gaan , beproeve de mensch zich zeiven , en zóó, d. i. als hij , na die zelfbeproeving, zich niet bewnst is, na zijne laatste goede Biecht, aan eene doodzonde plichtig te zijn , ete hij van dat geconsacreerd brood, en drinke tan den kelk.quot; Maar als hij zich bewust is, zeker weet sinds zijne laatste goede Biecht, eene doodzonde bedreven te hebben, moet hij , alvorens te communie te gaan, eerst zijn geweten door eene goede Biecht zuiveren.

In dien zin legt de algemeene Kerkvergadering van Trente de zelfbeproeving, waarvan de H. Paulns hier spreekt, duidelijk uit. In de XIII zitting, hfdst. VII en Canon XI, zegt het H. Concilie: „ De kerkelijke gewoonte , (overlevering), verklaart, dat deze beproeving noodzakelijk is, dat niemand, die zich van eene doodzonde bewust is, hoezeer hij daarover ook berouw meene te hebben, zonder te voren het H. Sacrament der Biecht te hebben ontvangen, tot de H. Communie mag naderen.quot;

Krachtens Goddelijk en Kerkelijk gebod moet dus eenieder, die weet, dat hij zich, na zijne laatste goede Biecht, aan

ocr page 283

279

eene doodzonde heeft schuldig gemaakt, eerst te biechten gaan, vooraleer tot de H. Tafel te naderen.

Om waardig te communioeeren wordt ten 2de vereischt, dat men, buiten gevaar van sterven, dus in den gewonen regel, nuchteren zij van des nachts 12 uren.

Dit vereischte is niet, gelijk het vorige, door een goddelijk gebod voorgeschreven. Immers: Wanneer heeft Christus dit Sacrament ingesteld? 9de Antw. Waren de Apostelen nog nuchteren, toen Christus hun de H. Communie uitreikte ? 't Is dus geen goddelijk, maar een kerkelijk gebod. Zijn wij verplicht dat gebod der H. Kerk te onderhouden ? Waarom ? (ü9ste Les, l8te V.)

Het gebod van in gewone omstandigheden (IS46 V.) nuchteren te communiceeren, verplicht uit zijn aard op doodzonde en kent geen kleinheid noch van tijd , noch van stof.

Geen kleinheid van tijd. Des nachts te 12 uren is de Communiedag begonnen.

Geen kleinheid van stof. Om dit goed te verstaan, dient vooropgesteld, wat tot natuurlijk nuchteren zijn gevorderd wordt, nl., dat men van des nachts 12 uren niets , hoe weinig ook, van buiten in] den mond gekomen, bij wijze van spijs of drank vrijwillig of onvrijwillig doorhale, doorslikke.

Vermeld beginsel zegt, ten l3»: Niets, hoe weinig ook.quot; Dus kleinheid van stof komt hier niet in aanmerking, niet te pas.

Één kruimel brood, één druppel water of medicijn, bij wijze van spijs of drank genuttigd, ontnuchteren. Men moet dus het natuurlijk nuchteren zijn , dat, in den gewonen regel, door de H. Kerk vereischt wordt om waardig te communieeeren, goed onderscheiden van het nog nuchteren zijn op eigenlijke of heele vastendagen. Op die dagen mogen zij die er toe gehouden zijn, 's morgens of door den dag buiten het middagmaal en de collatie , geene boterham eten (29ste Les, 6,lc en 8quot;e V. bl. 217 en 219); maar wel een kopje koffie of thee drinken (want drank breekt de kerkelijke vasten niet). Als men dat zou gedaan hebben, zon men, zonder twijfel.

ocr page 284

280

natuurlijk ontnuchterd zijn en dien dag niet te commnnie mogen gaan. Nochtans treft men wel eens salke eenvoudige of weinig onderwezene christen-menschen aan, die, als de Priester hun „Ons Heerquot; thuis brengt, omdat ze, alhoewel niet in gevaar van sterven, niet in de kerk kunnen komen , en hun vraagt: „Ge zijt immers nog nnchteren Pquot; antwoorden; ja, mijnheer, want ik heb nog niets gegeten, maar slechts een slokje water, een kopje koffie gedronken, omdat ik zoo hoesten moest!....

In voornoemd beginsel werd ten 2de gezegd : dat men.... A propos: Hoe luidt het beginsel ook ? Juist geantwoord. Dat men van des nachts 12 ure, ten 1quot;quot;, niets, hoe weinig ook, ten 2ie, van buiten den mond.... doorhale. Dus als iemand speeksel of eenig overblijfsel van 't geen hij 's avonds gegeten heeft, dat hem tusschen de tanden is blijven zitten, of eenig bloed of ander vocht dat uit tandvleesch, tong, wang , hoofd, maag of long , van binnen in den mond komt, zou doorhalen, is hij daarom niet ontnuchterd. Maar iemand, die eenig vocht van buiten, b.v., uit oog of neus in den mond zou krijgen en doorhalen , zou niet meer natuurlijk nuchter zijn, en daarom dien dag niet te communie mogen gaan. Insgelijks zon hij niet meer nuchter zijn, die 's avonds bij het slapen gaan, b.v. een stuk drop in den mond nam, en dit zachtjes gesmolten , na middernacht zou hebben doorgehaald ; want zoo iets wordt beschouwd als een 's avonds begonnen en na 12 uren voortgezet gebruik van spijs of drank. Ten 3de, werd gezegd : bij wijze van spijs of drank, ter onderscheiding van 't geen men bij wijze van ademhaling of van speeksel doorslikt. Dub ia men niet meer nuchter als men iets op die wijze doorhaalt, dat men moet zeggen ; ik heb iets, hoe weinig ook, gegeten of gedronken, 't Doet er niets toe of zulks vrijwillig of onvrijwillig, wetens en willens, of zonder erg, onbedacht, onbewust, b.v. in den slaap gebeurd zij. Herinnert u 't zoo even aangehaald geval van doorgehaald drop. Integendeel, komt het doorhalen van iets niet onr.er den naam van eten of drinken, maar van doorhalen bij wijze

ocr page 285

281

van ademhaling of van speeksel, dan ontnuchtert het ook niet. B.v., terwijl iemand 's morgens zijnmond spoelt, of bij regen of sneeuw naar de kerk gaat, mengt |zich een druppel gewoon of sneeuwwater met het speeksel, dat in zijn mond aanwezig is ; als hij dat mengsel doorhaalt, is hij daarom niet ontnuchterd , mag nog gerust te communie gaan.

15 V. Mag men ooit communiceer en zonder dat men nuchteren is ?

A. Ja, als men in gevaar is van sterven.

Als iemand in gevaar van sterven communiceert, maar toch niet zóó ziek is dat hij gelijktijdig het H. Oliesel moet ontvangen, dan zegt men : hij wordt ten halne bediend. De H. Communie, in gevaar van sterven ontvangen, wordt dikwijls de H. Beis- of Teerspijze genoemd, omdat ze voor de zieken dient tot teer- of reispenning , m. a. w., ter versterking, om de reis naar de eeuwigheid goed te eindigen. Als het gevaar van sterven voortduurt, mag men, zonder nuchteren te zijn, de H. Communie als Teerspijze meermalen ontvangen.

Als de Priester iemand te huis „Ons Heerquot; brengt, zorge men : ten l»te, dat de kamer van den zieke zindelijk zij , en een witte doek worde uitgespreid over de borst van den zieke. Ten 2de, dat eene tafel klaar sta, met een witten doek gedekt, zoo mogelijk aan het voeteneinde van het ziekbed. En op die tafel: a.) een kruisbeeld met twee brandende waskaarsen; b.) wijwater met een palmtakje; c.) een kopje of glas schoon water.

16. V. Wat verkrijgen wij door de H. Communie?

A. Ten 1. De vermeerdering der heiligmakende gratie: ten 2. bijzondere kracht en gratie om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten.

ocr page 286

282

Door het waardig ontvangen der H. Commnnie verkrijgen wij ten lquot;te, de vermeerdering der heiligmakende gratie. Immers het H. Sacrament des Altaars is een Sacrament der levenden. (Vgl. 30 Les 7de, 15,le, 18 — 20 7.), en als wij het waardig in de H. Communie ontvangen, eene waarachtige spijs onzer ziel (vgl. 124e V. dezer Les), tot welk einde het ook door Christus is ingesteld. (lOae V.)

Het H. Sacrament des Altaars, waardig in de H. Communie ontvangen, is en wordt genoemd eene waarachtige spijs onzer ziel, omdat het, ten aanzien, van het geestelijk leven onzer ziel, dezelfde uitwerksels voortbrengt, die stoffelijke spijs en drank betrekkelijk het lichamelijk leven veroorzaken. En welke zijn wel de voorname uitwerksels van stoff elijke spijs en drank ten opzichte van het lichamelijk leven ? Bij ondervinding kan elk uwer, die gezond is, 'tantwoord geven. Stoffelijke spijs en drank vermeerderen, onderhouden, herstellen de natuurlijke, lichamelijke levenskrachten en hun gebruik zelf heeft meestal een zeker natuurlijk, door God zeiven er aan verbonden gevoel van smakelijkheid, behaaglijkheid, voldoening, tevredenheid ten gevolge. Welnu, de H. Thomas van Aquine leert het uitdrukkelijk, dat alles werkt ook dit Sacrament uit ten opzichte van het geestelijk leven onzer ziel. Meer zelfs dan eenig ander Sacrament der levenden vermeerdert het uit zijn aard de bovennatuurlijke levenskrachten onzer ziel. Immers door de H. Communie waardig ontvangen, verkrijgen wij ten l8te, vermeerdering der heiligmakende gratie, die het geestelijk leven onzer ziel is. Ten 2ile, bijzondere kracht en gratie om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten.

Die woorden : kracht en gratie beteekenen ook hier bijzonder krachtige gratie, eene gratie, die bijzondere kracht geeft om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten. (Vgl. 328,e Les lste V., onder VI). Door die woorden worden dus de bijzondere dadelijke gratiën aangeduid , welke de H. Communie, waardig ontvangen, geeft. Het recht daarop verkrijgen we aanstonds, wanneer we waardig communiceeren; maar inder-

ocr page 287

283

daad worden ze ons door God gegeven ter gelegener tijd, als wij ze noodig hebben om deze of gene bepaalde deugd met meer vaardigheid en ijver te beoefenen. De fl. Communie onderhoudt dus tevens het geestelijk leven onzer ziel, door haar ter gelegener tijd bijzonder krachtige gratie te verleenen om de dengd te beoefenen, en de zonde, dit of dat bepaald gevaar van zonde naarstig te vluchten, deze of geene bekoring krachtdadig te verzetten, te overwinnen. (Vgl. bl. 173, 174.)

Bovendien herstelt de H. Communie de krachten , welke onze ziel door eenige dagelij ksche zonden zou verloren hebben. Hoort hoe de Vaders van het Concilie van Trente (XIII' Zitt., 11' Hfdst.) voornoemde uitwerkselen van dit Sacrament leeren: „Onze Verlosser heeft gewild dat dit Sacrament ontvangen worde als eene geestelijke zielespijs, waardoor gevoed en versterkt worden zij die leven door het leven van Hem, die gezegd heeft (nl. Christus zelf): Die mij eet (die mijn vleesch en bloed waardig nuttigt), hij zal lenen om mij (d. i., door mij het bovennatuurlijk leven zijner ziel hebben en onderhouden); en als een geneesmiddel, waardoor wij vergiffenis krijgen van dagelijksche zonden, en van doodzonden worden vrij bewaard.quot; Voorts verschaft het nuttigen dier geestelijke spijs, van dat hemelsch manna, aan onze ziel niet zelden een gevoel van geestelijke behaaglijkheid, eene geestelijke opbeuring, en vervult haar met eene eigenaardige vreugde, met eenegeestelijke zoetheid en vrede, die alle begrip te boven gaat. Die zoetheid is echter dikwijls niet gevoelig, niet alleen omdat men er beletsel tegenstelt door vrijwillige nalatigheid, onverschilligheid ,t raagheid in de voorbereiding of dankzegging, of door gehechtheid aan eenige dagelijksche zonde, vooral van zinnelijkheid of liefdeloosheid ; maar ook omdat God zelfs de braafste zielen die vertroosting niet zelden onttrekt tot beproeving en loutering barer liefde, of om haar nederig te doen blijven en meer en meer in de deugd van ootmoed te bevestigen.

Ten slotte geven de H. Vaders van het Concilie van

ocr page 288

284

Trenfce nog als eigenaardig uitwerksel der H. Communie aan, dat „ Christus gewild heeft dat dit Sacrament het onderpand zijn zou van onze toekomstige glorie en voortdurende gelukzaligheid.quot;

Om ons aan die heilzame uitwerkselen der H. Communie te herinneren wordt in 't begin van 'tLof zoo dikwijls gezongen : O Sacrum conrivium „ O Heilige maaltijd, waarin Christus genuttigd, zijn lijden herdacht, de ziel met gratie vervuld en ons een onderpand der toekomstige glorie gegeven wordt.quot;

Het H. Sacrament des Altaars is dus „ het leven voor de goedenquot;, d. i., voor hen die het waardig in de H. Communie ontvangen, maar „ de dood voor de boozenquot;, d. i., voor hen, die wetens en willens in staat van doodzonde te Communie gaan. Dit leert de

17 V. Ontvangen deze gratiën ook zij, die in staat van doodzonde te Communie gaan ?

A. Neen; zij bedrijven integendeel eene groote doodzonde van heiligschennis.

Zij die wetens en willens in staat van doodzonde te communie durven gaan, ontvangen de vermelde gratiën niet, maar zij bedrijven integendeel eene groote doodzonde van heiligschennis (Vgl. 22e Les 8« V.); zij maken zich „ schuldig aan het lichaam en bloed des Heerenquot;. „ Die anwaardighjk eet en drinkt (te communie gaat), hij eet en drinkt zich een oordeel^ (d. i., hij haalt zich, door zijne onwaardige nuttiging van het lichaam en bloed des Heeren, een strafvonnis van den Heer , het strafvonnis der eeuwige verdoemenis op den hals), omdat hij het lichaam des Heeren niet onderscheidt van eene gewone spijs; omdat hij met zijn besmet geweten aan 's Heeren tafel gaat aanzitten, als ware zij niet waardiger dan zijne da-gelijksche spijstafel, den eerbied vergetende, dien hij aan het lichaam des Heeren verschuldigd is. Duarom (omdat

ocr page 289

285

Telen onder de Korinthiaohe Christenen onwaardig te com-manie gingen) zijn er onder ulieden vele ziekelijken en kranken, en ontslapen (sterven) er velenquot;. (Iquot;te Br. aan de Kor. XI. 27 — 30.)

18 V. Wanneer is men verplicht de H. Communie te ontvangen ?

A. Ten 1. Volgens het gebod der H. Kerk ten minste eens 'sjaars, omtrent Paachen ; ten 2. als men in gevaar is van sterven; doch godvreezende Christenen doen het gewoonlijk alle maanden of op de hooge feestdagen.

De CatechismuB geeft twee tijdsbepalingen aan, waarop men op doodzonde verplicht is de H. Communie waardig te ontvangen. Ten l«te, volgens het vijfde gebod der H. Kerk, ten minste eens 's jaars , omtrent Paachen. (Zie 29« Les, 11 V. bl. 167 en 168.) Ten 2,le, volgens goddelijk gebod, als men in gevaar is van sterven ; 't zij ten gevolge van eene ernstige ziekte, 't zij ter oorzake van eene levensgevaarlijke operatie, die men moet ondergaan , of eene reis, die men moet ondernemen , enz.

Doch, voegt de Catechismus er bij , godvreezende Christenen doen het gewoonlijk alle maanden of op de hooge feestdagen.

De gewoonte, welke godvreezende Christenen zich tot regel stellen om zooveel mogelijk op den eersten Zondag van elke maand ter vereering van het H. Hart van Jesus, of op een anderen Zondag van elke maand te Communie te gaan, is voor alle christenen ten hoogste aanbevelenswaardig, (Men leze Inleid, tot een godoruchtig leven, van den H. Franc, de Sales, 2de d., 20 en 21 hfdst.)

19 V. Hoe lang behoort men vóór en na de H. Communie zich met geestelijke oefeningen bezig te hou-den ?

ocr page 290

286

A. Ten minste een kwartier uurs.

Indien iemand te voren weet, dat hij de eer zal hebben een groot personage aan huis te mogen ontvangen, ia een kwartier uura niet te veel, ja , niet genoeg, om alles tot diens waardige ontvangst in orde te brengen. Welnu, als we de H. Communie ontvangen, hebben we de eer en het gelnk, Christus zeiven te ontvangen. Men behoort zich dns ten minste een kwartier uurs vóór de H. Communie met geestelijke oefeningen bezig te houden , om Jesus , op eene zijner goddelijke Majesteit eenigszins waardige wijze , in ons hart te ontvangen. (Wat hier door geestelijke oefeningen verstaan wordt, en met welke geestelijke oefeningen men zich het best tot de H. Communie bereidt, leert de 20te V.)

Hier mogen we uit het zoo even gezegde reeds besluiten, dat zij die nauwelijks in de kerk gekomen, dadelijk zonder behoorlijke voorbereiding te Communie gaan, door die handelwijze gegronde reden geven tot het vermoeden, dat zij niet beseffen wat het is: te Communie gaan.

Desgelijks behoort men ten minste een kwartier uur na de fl. Communie zich met geestelijke oefeningen bezig te houden. (Met welke het best, leert de 21« V.)

Dat kwartiertje wel besteed is zoo kostbaar, zoo heilzaam ! 't Is de aangename tijd, de genade-tijd bij uitnemendheid. Want, gelijk de H. Teresia zegt, rust Jesus na de H. Communie in ons hart als op een troon van barmhartigheid, om ons zijne gratiën mede te deelen , zeggende ; Wat wilt gij, dat Ik u doe ?

Die Christenen handelen dus zeer onbetamelijk, oneerbiedig en ongodsdienstig, welke dadelijk na de H. Communie de kerk verlaten. Ook zij toonen door deze hunne handelwijs niet te beseffen, dat Jesus na de H. Communie zoolang in ons hart tegenwoordig blijft, tot dat de gedaante van brood Terteerd is. (Vgl. 7e V.)

De H. Philippus Nerius bemerkte eens, dat zeker persoon

ocr page 291

287

aanstonds nit de kerk ging, nadat hij te Communie was geweest. Fhilippns zond onmiddellijk twee misdienaars , ieder met eene brandende lantaren in de hand, om den aangedniden. persoon te vergezellen. Deze, hierover grootelijks verwonderd, vraagt aan de misdienaars: Wat beteekent dit P Zij antwoorden : de Priester Philippns heeft het ons bevolen. Daarop gaat hij naar de kerk terug en vraagt aan Philippus, wat dit toch beteekenen moet P De heilige antwoordde met de meeste bescheidenheid en vriendelijkheid : „Als het H. Sacrament over straat gedragen wordt, is het altijd vergezeld van koster en misdienaar, die ieder eene brandende lantaren dragen ; mij dunkt, dat hetzelfde blijk van eerbied ook moet gegeven worden rondom dengene, die het H. Sacrament op straat in zijn hart draagt.quot; De man zag nu zijne verregaande oneerbiedigheid in, knielde rouwvol voor het altaar neder om Jesus zijn plicht van dankbaarheid en aanbidding te bewijzen.

20 V. Met welke oefeningen zal men zich het beste tot de H. Communie bereiden ?

A. Ten 1. Met een vurig verlangen tot de H. Communie op te wekken; ten 2. met de gevoelens van geloof, hoop, liefde, berouw en ootmoedigheid in zich te verlevendigen.

In de vorige vraag hebben we geleerd, dat men zich ten minste een kwartier uurs vóór en na de H. Communie behoort bezig te houden met geestelijke oefeningen. In deze vraag leeren we, met welke geestelijke oefeningen men zich het beste zal bezig houden vóór, — in de volgende vraag, na de H. Communie.

Om den zin der vorige , van deze en de volgende vraag te beter te begrijpen, is het zaak hier te verklaren, wat het zeggen wil, zich met geestelijke oefeningen bezig te houden, wat de Catechismus hier door geestelijke oefeningen verstaat.

Blijkbaar, oefeningen van onzen geest, van onze ziel; oefe-

ocr page 292

288

ningen, welke, onder den bijstand van Gods genade , ons Terstand en onze wil verrichten; akten, welke onze geest, ons hart verwekt en die betrekking hebben op iets wat nit zijn aard tot heil onzer ziel strekt, ter onderscheiding van louter lichamelijke oefeningen, b.v. gaan, staan , eten , drinken enz. en ter uitsluiting van die oefeningen, welke louter of voornamelijk wereldsche, tijdelijke zaken betreffen, tijdelijke belangen bevorderen, als daar b.v. zijn: studeeren, handeldrijven enz.

Nu is de vraag; Met welke geestelijke oefeningen men zich het best tot het ontvangen der H. Communie zal voorbereiden P En het antwoord luidt: ten 1«, met een vurig verlangen in zich op te wekken om Jesus in de H. Communie te ontvangen. Wie, die eenigszins beseft wat eer en geluk het is, Jesus in zijn hart te mogen ontvangen , zal niet vurig verlangen om aan dat geluk en die eer deelachtig te worden P Jesus toch is onze Ood en Heer, onze Koning, onze liefderijke Verlosser, onze Leermeester, onze Geneesheer, onze toekomstige Rechter. En Hij gewaardigt zich tot ons te komen, zich zeiven, met Godheiden men schheid, met ziel en lichaam, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is, geheel aan ons te schenken met al zijne gratiën en verdiensten, om in ons de heiligmakende gratie te vermeerderen, om ons krachtdadige gratie te verleenen om de deugd te beoefenen en de zonde zorgvuldiger te vluchten, om ons , die vermoeid en beladen zijn, te verkwikken! Hij komt tot ons in de H. Communie, niet om ons te veroordeelen, te vonnissen , maar om ons zalig te maken ! Hij geeft ons zijn eigen vleesch en bloed tot onderpand der toekomstige glorie en gelukzaligheid (Vgl. 16 V.), die Hij voor ons verdiend en bereid heeft. Wie, ik vraag het nog eens, die eenigszins hierover nadenkt, zal niet een vurig verlangen in zich opgewekt gevoelen om 't geluk en de eer te hebben Jesus, zoodra mogelijk, waardig in de H. Communie te ontvangen P Ja , alwie dat geluk en die eer eenigszins beseft, zal, minstens reeds daags te voren, 's avonds bij het slapen gaan en 'g morgens bij 't eerste ontwaken, een vurig verlangen tot de

ocr page 293

289

H. Commnnie in zich opwekken, en verzuchten: Kom, Heere Jesus, kom, en toef niet langer. „Gelijk een (afcejaagd en vermoeid) hert naar waterbronnen smacht, zoo smacht mijne ziel naar U, o God!quot; {Psalm XLI. 2.)

Ten 2', met de gevoelens van geloof, hoop, liefde, berouw en ootmoedigheid in zich te verlevendigen.

Door gevoelens van geloof, hoop, liefde, beronw en ootmoedigheid , verstaat men gemoedsaandoeningen , die wij in ons ontwaren, wanneer die deugden zeer levendig, opgewekt zijn. B.v. is mijn geloof aan Christus' waarachtige tegenwoordigheid in het Allerheiligste Sacrament zoo levendig opgewekt, dat het schier met zien gelijk staat, wat gevoel ik dan in mijn hart en zal ik uitwendig toonen te gevoelen P Zeer zeker een heilige vrees, diep ontzag, grooten eerbied. Die vrees echter, hoe heilig en redelijk ook, moet toch door het vertrouwen — een gevoel van eene opgewekte hoop — gematigd , getemperd worden. Zelfs zal de wederliefde — een gevoel van die opgewekte dengd — dat vertrouwen nog sterker en die vrees nog minder maken. — Liefde om liefde.— En een groote droefheid — het gevoel van een opgewekt berouw — over onze vele zonden, zal ons niet meer verontrusten ; nochtans zal het bewustzijn, de overtuiging van onze geringheid tegenover de oneindige Majesteit van Hem, Dien we zullen ontvangen , in ons gevoelens tan diepe nederigheid opwekken ; gevoelens, zeg ik, hoe groot God , hoe kleinj wij zijn. Echter wat het gevoelige dezer deugden, of wat derzelver gevoelige aandoeningen betreft, moeten wij hier dezelfde opmerking maken, als op bl. 283 over het zoete onzer devotie bij de H. Commnnie gemaakt is. God laat soms zelfs in de heiligste zielen, dorheid en gevoelloosheid toe, hetzij om ons te beproeven, hetzij om ons te bestraffen over onze zinnelijkheid, onverschilligheid, enz. Genoeg, zoo wij trouw ons best doen, om zooveel mogelijk genoemde deugden in ons op te wekken en te verlevendigen. En hoe znllen wij dat doen P 1° Door acten van geloof, hoop, liefde enz. te verwekken;

ocr page 294

290

toch versterkt de deugden. 2° Door genoemde deugden en oefening derzelver vermeerdering te vragen ; het zijn immers gaven. Zeggen wij dus met den vader uit het Evangelie (Marc. IX, 23): „Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp.quot; 3» Vooral door de overweging, en wel overeenkomstig de feestdagen waarop wij communiceeren; zoo zullen wij met Kerstmis Christus rustende in het tabernakel ons voorstellen, Hem meenen te zien in de kribbe enz. In de overweging, zegt David (Psalm. 38), ontvlamt mijn hart.

Dit drievoudig middel nu, om in ons hart gevoelens op te wekken, zal men van zelf gebruiken , als men in een of ander kerkboek de communie-oefeningen — of zooals ze hier volgen — aandachtig, langzaam, overdenkende leest.

Is het geloof nu levendig opgewekt, dan volgen de overige acten als van zelf, het geloof toch is de wortel en grondslag. Men kan evenwel ook de genoemde middelen : acten verwekken, de vermeerdering vragen en tot dat einde ernstig nadenken, op de overige deugden toepassen. B.v. men kan, om het vertrouwen op te wekken, denken aan Christus goedheid, zooals het Evangelie ons deze voorstelt; aan zijn medelijden jegens alle ongelukkigen, zijne voorliefde voor de kinderen, zijne vreugde over de bekeering dor zondaren, en daarbij bidden: „Heer, ik hoop op U , doch vermeerder Gij mijn vertronwen.quot; Ten einde de liefde in ons op te wekken, kan men zich Christus voorstellen in zijne kribbe, in het avondmaal, of zooals Hij zich aan de Gel. Margareta vertoonde, zeggende: Zie het Hart,

dat de menschen zoo lief heeft gehad..... Zie de teekens dier

liefde : hot kruis, de doornenkroon, de wonde enz.....Voor

wieP Voor mij: „Hij beminde mij en gaf zich voor mij.quot; (Gal. II.) Heer! ik bemin IJ, vermeerder Gij echter mijne liefde. Uit die opgewekte liefde zal van zelf droefheid ontstaan, als ik aan mijne zonden denk, daar deze — ook de kleine — zijn Hart bedroeven , en ons hart besmeuren. Ik vraag me af: wie heeft dat kruis zoo diep in zijn Hart gedrukt, die wonde zoo groot gemaakt, die doornenkroon

ocr page 295

291

er zoo vast omgestrengeld, enz.... WieP Mijne zonden! Heer,. Gij zult een vermorzeld hart niet versmaden; geef het mij.

Eindelijk denken wij aan de grootheid van Hem, Dien we ontvangen, aan de geringheid van ons zeiven, hoe wij om onze zonden minder zijn dan niet; stellen wq ons voor , de geschiedenis van den hoofdman, waarvan de Evangelist Lucas (H. VII.) spreekt, en die de priester voor de H. Communie ons herinnert, dan zeer zeker zullen gevoelens van diepen ootmoed in ons opgewekt worden. Wij zullen gevoelen, wat wij zeggen: „Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak — in mijn hart, — maar spreek slechts één woord, en mijne ziel zal gezond (gezuiverd) worden. Heer! moge ik in mijn oog nog geringer worden, dan ik geweest ben; uw nederig Hart make mijn hart ook nederig, aan het uwe gelijk.

De gevoelens a.) van geloof. Geholpen door de zachte werking van Gods genade bidt men voor de Communie als van zelf; Jesus, ik geloof vastelijk, dat Gij in dit H. Sacrament waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig zijt. Dit geloof en belijd ik, omdat Gij de eeuwige waarheid zijt, die zelf veropenbaard, gezegd hebt: Dit is mijn lichaam. „Kiots is waarachtiger dan dit woord der Waarheid.quot; Ik geloof het, Heere, kom mijn ongeloof te hulp j m. a. w., verstoot mij niet om mijn klein geloof! Wat er nog aan mijn geloof ontbreken mocht, o Heer, vul Gij dat aan: Kom mijn ongeloof te hulp! (Marc. IX. 23.) Met uwe Apostelen bid ik u, oHeer: „Vermeerder ons het geloof.quot; (Luc. XVII. 5.)

4.) De gevoelens van hoop zullen door het verlevendigd geloof tevens als van zelf verlevendigd worden.

Jesus, mijn God en Heer , — zoo zal een innig geloovige zijne hoop uiten — Gij gebiedt mij met een vast vertrouwen van U te hopen de eeuwige zaligheid en alle middelen, die mij daartoe noodig zijn, omdat Gij zijt oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in uwe beloften.

ocr page 296

292

J.esns, daarom juist durf ik , hoe nietig en gebrekkig ik ■ook uit mij zeiven ben, toch vol vertrouwen te Communie gaan. Want Gij zelf hebt gewild, dat de H. Communie voor eng zijn zou „ het onderpand van onze toekomstige glorie en eeuwige zaligheidquot;. (Vgl. 16e V.) Juist omdat ik zoo gebrekkig, zoo arm aan deugden en zoo vol fouten, zoo zwak en krank ben , kom ik tot U, mijn goddelijke geneesheer, die tot uw groot avondmaal ook armen , lammen, blinden en kreupelen deedt uitnoodigen, (Vgl. Luc. XIV: 21), en zelf gezegd hebt: komt tot mij, allen die vermoeid en beladen zijl, en Ik zal u verkwikken. (Matth. XI: 28.) Juist omdat Gij, o mijn God, in dit Sacrament zelf tegenwoordig zijt. Gij de bron aller gratiën, de gever aller hutymiddelen, die mij noodig zijn om eeuwig zalig te worden, durf ik met vast vjrtrouwen U in de H. Communie ontvangen ; want grooter blijk, dat Gij oneindig goed zijt tot ons, kondet Gij — alhoewel de goedheid zelve zijnde — ons toch niet geven , dan door U zeiven aan ons tot spijs en drank onzer ziel te geven. Juist omdat de behoeften mijner ziel zoo groot zijn, nader ik met grooter Tertrouwen tot U, omdat Gij almachtig Want juist daarom „Heere, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen.quot; (Malth. VIII: 2.) Mag ik heden , en zoo dikwijls ik nog het geluk zal hebben te Communie te gaan, U altoos waardig ontvangen , dan ben ik zeker, dat Gij U ook getrouw zult toonen in uwe beloften; Die (waardig) mijn vleesch eet, en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten jong-sten dage.quot; (Joan. VI: 55.) In die zoete hoop, o Jesus! nader ik tot U, en zeg het David met vast vertrouwen na : „ De Heer is mijne kracht, en mijne toevlucht en mijn redder. Mijn God is mijn helper, en op Hem stel ik mijn vertrouwen.quot; (Ps. XVII. t. 3.) „Op U, o Heer, vertrouw ik; laat mij nooit beschaamd worden.quot; (Ps. XXX. v. 2.)

c.) De gevoelens van liefde. Om deze in ons bij de voorbereiding tot de H. Communie te verlevendigen, is 't voldoende te herdenken, dat Jesus dit Sacrament heeft ingesteld

ocr page 297

293

tot gedachtenis van zijne onuitputtelijke liefde en zijn H. lijden (10e V.) Grooter blijk zijner liefde toch kon Hij ons niet geven. Jeans, mijn God, en Heer, — zoo zal dus eene geloovige en vertrouwvolle ziel als van zelf van ganscher harte zeggen; „Jesus, mijn God, ik bemin U bovenalquot;, uit geheel mijn hart, niet alleen omdat Gij oneindig goed zijt jegens ons , maar veel meer omdat Gij het opperste goed , oneindig volmaakt zijt in U zeiven, en desniettemin tl in eigen persoon aan mij schenkt in de H. Communie. Omdat Gij over en over waard zijt door alle redelijke sehepselen bemind en verheerlijkt te worden (vgl. b. 118), wensch ik, dat alle menschen U beminnen , en ik zal in 't vervolg mijnen evennaaste beminnen gelijk mij zeiven om U. Heer, Gij weet het, aan dit uw gebod bij uitnemendheid (vgl. Joan. XV. 13.) ben ik vroeger zoo dikwijls, tengevolge van mijne eigenliefde, hoovaardigheid, gemakzucht enz., op velerlei wijze te kort gebleven. Maar na U heden in de H. Communie genuttigd te hebben, zal ik bepaald die en die liefdeloosheid te zorgvuldiger vermijden. Dewijl door een iegenlijk onzer één en hetzelfde brood, nl. uw lichaam onder de gedaante van brood, genuttigd wordt, daarom zullen wij, ofschoon velen, en verschillend van karakter, zienswijze enz., eensgezind zijn, één zijn in liefde , wij allen die deel hebben aan het ééne brood. (Vgl. I Br. aan de Korinth. X. 16. 17.)

d.) De gevoelens van Berouw.

Jesus, mijn Heer en mijn God, het is mij uit den grond van mijn hart leed, dat ik uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik nn bovenal bemin, zoo dikwijls en op zoo velerlei wijze vergramd heb door mijne zonden. „Mijn Jesus, barmhartigheid!quot; Vergeef mij alle dood- en dagelijksche zonden, die ik bedreven heb door gedachten, woorden en werken; al wat ik tegen U misdaan heb door ongehoorzaamheid , ongeduld , onoprechtheid, oneerbiedigheid , verstrooidheid in 'tgebed, door het verzuimen van de plichten van mijn staat, door mijne achteloosheid in de voorbereiding U 19

I

ocr page 298

294

en dankzegging bij het ontvangen der H. Sacramenten, met name der H. Biecht en Communie. Deze en alle zonden van geheel mijn leven haat en verzaak ik uit liefde tot TJ, en ik maak een vast voornemen van voortaan vooral die en die zonde niet meer te bedrijven , en derzelver gelegenheid te schuwen, en liever te sterven dan TI nog door eene doodzonde te vergrammen, ja, Heer, dan met voorbedachtzaamheid, opzettelijk U nog door eene dagelijksche zonde te bedroeven. Amen, het zij zoo. Ach, Heer, geef mij vandaag in de H. Communie toch krachtige gratie om de zonde voortaan standvastig te vluchten en de deugd te beoefenen {16de V.), om D getrouw te blijven, om U uit geheel mijn hart te beminnen tot in den dood.

«.) Gevoelens van ootmoedigheid. O mijn fleer en mijn God, denk ik ook maar een oogenblik na over uwe goddelijke Majesteit en oneindige heiligheid, en mijne nietigheid en boosheid , dan moet ik erkennen, dat ik niet eens waardig ben voor ü te verschijnen, veel minder U zeiven in de H. Communie te ontvangen. Goedertieren en barmhartige Jesus, indien ik alléén op mijne eigene nietigheid, ondankbaarheid en boosheid lette, zou ik het nimmer durven wagen U, mijn God, in mijn hart te ontvangen ; maar voorgelicht door het geloof en gesterkt door de hoop op uwe oneindige goedheid jegens ons, en nu althans U beminnend bovenal, en innig bedroefd over al mijne zonden , werp ik mij met een vermorzeld en verootmoedigd hart, dat Gij, o God, niet zult versmaden, in de armen uwer grenzelooze barmhartigheid , en neem rouw- en betrouwvol mijne toevlucht tot uw goddelijk Hart zelve! Jesus, met verootmoedigd hart klop ik tot driemaal toe op mijne borst, en herhaal met den hoofdman des Evangelies „Heere! ik ben niet waardig, dat Gij ondermijn dak komtquot;, (Matth. VIII: 8), — doch met den Priester, den bedienaar van uw H. Sacrament, voeg ik er vol vertrouwen bij: „maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden.quot;

ocr page 299

295

21 V. Met welke oefeningen zal men den tijd na de H. Communie het beste doorbrengen ?

A. Ten 1. Met Jesus te loven en te danken; en ten 2. met Hem gratie te verzoeken, in het bijzonder die gratie , welke men het meeste noödig heeft.

Loven d. i. prijzen, verheerlijken, iemands voortreffelijkheid doen uitkomen.

Na de H. Communie ontvangen te hebben is't geraden den Priester na te bidden : „ Het lichaam van onzen Heer J. C. beware mijne ziel ten eeuwige leven. Amen.quot; Wijders, op uwe plaats teruggekeerd niet terstond uw kerkboek in handen te nemen, maar in eerbiedige houding neergeknield , met woorden, die uw eigen hart u ingeeft, te goeder trouw, ten l5t-', Jesus te loven en te danken, b.v. door op hartelijke wijze te zeggen: „U, o God ! loven wij.quot; Mijn Jesus, zijt welkom, ik dank TI, dat Gij U gewaardigd hebt in mijn hart te komen. God de Zoon, menschgeworden, rust in mijn hart; wat eene onbegrijpelijke goedheid! Jesus,

ik loof U , ik aanbid TJ..... Mijne ziel verheft den Heer,

en mijn geest verheugt zich over God , mijnen Zaligmaker! omdat Hij nederzag op de geringheid van zijn dienstknecht (of dienstmaagd.) Groote dingen heeft Hij aan mij gedaan, de machtige, en heilig is zijn naam!.... Heilig, heilig, heilig, is de God der Heerscharen !. ... Lof en eer zij den Vader, en den Zoon en den H. Geest! Geloofd zij Jesus Christus in het Allerheiligste Sacrament!.... „ Wat zal ik den Heer vergelden voor al de weldaden, die Hij mij bewezen heeft. ' (Ps. C X V; v. 12.) Dewijl ik niet in staat ben mijnen Heer en God naar waarde te loven en te danken, bid ik TJ, Allerheiligste Moeder Gods Maria, H. Joseph, H. Engelbewaarder , H. Patronen, vereenigt TJ met mij en helpt mij God loven en danken, vult gij aan wat aan mijn dankzegging ontbreekt.

ocr page 300

296

Goedertieren Jesus, als blijk mijner dankbaarheid vraagt Gij vooral de liefde van mijn hart. „ Schenk Mij, mijn zoon uw hart, — zoo spreekt Gij mij inwendig toe — en laat uwe oogen letten op mijne wegenquot; (Prov. XXIII: 26).

Jesus! ik schenk U mijn hart en mijns liefde. „Laat niet toe, dat ik van U gescheiden worde (door eene doodzonde). Voor den boozen vijand bescherm mij. — In het uur van mijnen dood,, roep mij. — En laat mij tot U komen. — Opdat ik U met uwe Heiligen love. — In de eeuwen der eenwen. Amen.quot;

Na op deze of soortgelijke wijze, gelijk het hart ingeeft, Jesus geloofd en gedankt te hebben, zal men den kostbaren tijd na de H. Communie het best doorbrengen ten 2e, met Jesus gratie te verzoeken, in het bijzonder die gratie, welke men het meeste noodig heeft.

Geen geschikter, gelegener tijd is er, om Jesus gratie te verzoeken dan na de H. Communie, terwijl Hij zelf in ons hart tegenwoordig is juist om ons in zijne liefde te versterken, en ons bijzondere kracht en gratie te verleenen ten einde de deugd te beoefenen en de zonden te vluoliteh. (16 en 19 V.) Vraagt dus met kinderlijk vertrouwen en in eenvoudigheid des harten, al wat ter zaligheid noodig en dienstig is. Vraagt veel, en gij zult veel verkrijgen. Schroomt niet tot bijzonderheden , kleinigheden zelfs af te dalen. Begint met de grootste gratiën te vragen, die ge het meeste noodig hebt, als daar zijn, een levendig geloof, een vast vertrouwen, eene vurige liefde. Heere Jesus! „ doe mij steeds meer in U gelooven, op U hopen, U beminnen.quot; Vraagt meerdere kennis van Gods oneindige volmaaktheid en uwe eigene ellenden. Heere Jesus! „ dat ik U kenne, dat ik mij zeiven kenne; dat ik niets anders begeere dan ü; dat ik mij hate, dat ik TJ be-minne , en alles doe om U.quot; Vraagt de gave der volharding in het goede ten einde toe. Vraagt de overwinning van deze of gene bepaalde drift, bijzonder van uwe hoofddrift, b.v.,

ocr page 301

297

hoovaardigheid , zinnelijkheid.. . Vraagt deze of gene bepaalde deugd, als de nederigheid , zuiverheid , gehoorzaamheid ...

Gij moogt ook tijdelijke dingen vragen, voor zoover zij u dienstig zijn ter zaligheid (vgl. les 18 , V. 11). Dus moogt ge vragen bevrijd te worden van deze of gene droefenig, pijn, ziekte, van die en die bekoringen , van dien bepaalden tegenspoed. . . „ Mijn Vader , indien het mogelijk is , laat dezen kelk mij voorbijgaan; nochtans niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij.quot; (Matth. XXVI. 39.) Niet mijn wil, maar de uwe geschiede ! (Luc. XXII. 43.) Vraagt maar veel, en veel zult ge verkrijgen niet enkel voor u zeiven, maar ook voor anderen. Bidt Jcsus dus na de H. Communie ook voor uwe ouders, broeders en zusters, voor hen aan wien gij verplichtingen hebt of die u dierbaar zijn , met name voor de vrijheid en de verheffing van onze Moeder de H. Eerk ; voor Z. H. den Paus, voor Z. D H. den Bisschop van ons Bisdom, voor alle Priesters , vooral voor uwen Biechtvader en degenen die u in den godsdienst onderwijzen ; bidt voor de bekeering der zondaren en ongeloovigen ; voor hen die heden zullen sterven, en eindelijk voor de zielen in het vagevuur. Vergeet niet op die arme zielen een aflaat toe te passen. Bidt te dien einde ten

minste het bekende gebed : „O goede en allerzoetste Jesusquot;___

met 5 Onze Vaders tot intentie van Z. H. den Paus. Als ge het naar behooren doet, kunt ge er eene ziel mee uit het vagevuur verlossen! Die ziel zal dan in den Hemel met en voor u Jesus loven en danken en Hem in het bijzonder die gratie verzoeken, welke gij het meeste noodig hebt om ook eeuwig zalig te worden , in den Hemel te komen. Amen.

Na u een tijd aldus bezig gehouden te hebben , kunt ge de oefeningen na de H. Communie in uw kerkboek lezen...

Vragen over de 333te Les.

1. Wat is het H. Sacrament des Altaars P En wanneer komt Christus daar waarachtig tegenwoordig P

ocr page 302

298

2. Wat is op het altaar vóór— wat na de Consecratie P

3. Wat is in dit Sacrament het uitwendig teeken, waar

door bijzondere gratie beteekend en gegeven wordt P

4. Wat verstaat men door gedaante van brood en wijn P

5. Waarom ontvangt de priester, die onder beide gedaanten

communiceert, niet meer gratie, dan de geloovigen , die slechts onder eene gedaante te communie gaan P

6. Hoelang blijft Christus in het H. Sacrament des Altaars P

7. Waarom behooren wij bijzonder Christus liefde en lijden

te gedenken, als wij het H. Sacrament bezoeken, de Mis bijwonen , of te communie gaan P

8. Wat beteekent communie?

9. Welke voordeden zijn aan een communie verbonden P

10. Welke kinderen deelen het meest in die voordeelen P

11. Hoe velerlei is de voorbereiding P (Vgl. Les 30.)

12. Wat wil zeggen een gevoel van geloof, hoop, liefde

enz. P Hoe kunnen wij die in ons opwekken P En hebben wij daartoe ons best gedaan, moet het gemis daarvan ons verontrusten P

13. Is het goed, na de H. Communie onmiddellijk zijn

kerkboek te gebruiken P

14. Wat wil zeggen „Jesus lovenquot; P En waarom moet ge

Hem na de H. Communie bedankenP En hoe lang?

ocr page 303

299

YIER m DERTIGSTE LES.

Van het H. Sacrificie der Mis.

1 V. Hoevelerlei is het H. Sacrificie der Nieuwe Wet?

A. Tweederlei: het bloedig Sacrificie des Kruises , en het onbloedig Sacrificie der Mis,

Het woord sacrificie beteekent offer.

Een sacrificie, in den eigenlijken zin van het woord, is : de opdracht van eene uitwendige zaak, die met zekere vernietiging of verandering , door een wettigen bedienaar aan God gedaan wordt om Hem als Opperheer te erkennen, en onze algeheele afhankelijkheid te betnigen.

Te allen tijde, van den beginne der wereld, onder de Wet der natuur, en meer bepaald onder de Wet van Mozes of de Oude Wet, zijn Gode velerlei ofi'ers opgedragen, — zooals vruchten, dieren enz. — die, volgens voorzegging van den profeet Malachias (I. 10. 11.), afgeschaft zouden worden en vervangen door een nieuw onbevlekt offer, dat van den opgang tot aan den ondergang der zon, op alle plaatsen aan God zou worden opgedragen.

Dat onbevlekte offer der Nieuwe Wet, is Jesns zelf, die zich eens aan het kruis heeft geslachtofferd, en nog voortdurend onder de gedaante van brood en wijn dat kruisoffer vernieuwt.

Daarom onderscheidt men tweeërlei Sacrificie der Nieuwe Wet of der Wet van Christus: het bloedig sacrificie des kruises, en het onbloedig sacrificie der Mis. Dit tweeërlei sacrificie der Nieuwe Wet is echter in hoofdzaak één en hetzelfde sacrificie, en wordt slechts tweeërlei onderscheiden, omdat de wijze verschilt waarop het sacrificie des kruises eenmaal

ocr page 304

300

voor altijd is opgedragen, en het sacrificie der Mie voortdurend wordt opgedragen, en ook omdat de uitwerking van beide sacrificiën verschillend is : door het bloedig sacrificie des kruises werd voor de zonden van allo menschen voldaan; door het onbloedige sacrificie der Mis worden die voldoening en de verdiensten van het kruisoffer op den mensch toegepast. Een en ander zal meer duidelijk worden uit het vervolg dezer Les.

2 V. Welk is het bloedig Sacrificie des kruises ?

A. Datgene hetwelk Christus op den berg van Calvarië aan het kruis heeft opgedragen, stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen.

Het bloedig sacrificie des kruises is dat sacrificie, hetwelk Christus zelf, in eigen persoon, als lijdelijk en sterfelijk mensch (vgl. 10'« Les , 9lt;le V.), op Golgotha, op den berg van Calvarië, d. i. , scAecWplaats, of, plaats der doodshoofden, in de nabijheid van Jerusalem gelegen , aan het kruis, (ziedaar de reden waarom dit sacrificie het sacrificie des kruises genoemd wordt), eens voor altijd heeft opgeiragen, stortende zijn bloed , dat van oneindige waarde is, „ waarvan een druppel de geheele wereld van alle boosheid kan zuiveren.quot; Omdat Christus dit sacrificie opdragende zijn goddelijk bloed gestort heeft, wordt dit sacrificie het bloedig sacrificie der Nieuwe Wet genoemd. Christus heeft dit sacrificie opgedragen, stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen, d. i., ter overvloedige voldoening voor de zonden van alle menschen, alzoo ter verlossing van alle menschen uit de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood. (Vgl. 10lle Les, 1^, 5dc, lli», V.)

Wie heeft het bloedig sacrificie des kruises opgedragen P Hoe dikwijls? Tot wat einde? Waarom wordt dit sacrificie het sacrificie des kruises genoemd P — Waarom het bloedig sacrificie der Nieuwe WetP

ocr page 305

301

3 V. Wat is het Sacrificie der Mis?

A. Het onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus, onder de gedaante van brood en wijn , aan God den Vader wordt opgeofferd.

Het sacrificie der Mis is het onbloedig sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk , niet, gelijk in de Oude Wet , het bloed van stieren en bokken en andere offerdieren, maar het lichaam en bloei van Christus, dus Christus zelf, alsmensch, doch nu niet meer, gelijk in het bloedig sacrificie des kruises, als lijdelijk en sterfelijk mensoh , zichtbaar en in zijne natuurlijke gedaante, maar, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is, of beter, gelijk Hij op onze altaren is, wat men zijn sacramen-teele leven noemt, voor ons menschen onzichtbaar, en niet in zijne natuurlijke gedaante, maar onder de gedaante van brood en wijn, aan God den Vader, en God den Zoon, en God den Heiligen Geest, drie onderscheidene Personen en maar één God, in één woord: aan de H. Drievuldigheid wordt opgeofferd. (Vgi. 6e Les , le V.)

Dat een eigenlijk gezegd sacrificie aan Ood alleen kan en mag opgedragen worden , is klaar en duidelijk voor eenieder, die den aard , vooral het hoofddoel van een eigenlijk gezegd sacrificie goed begrepen heeft. (Vgl. V. 1.) Dus kan of mag ook het H. Sacrificie der Mis niet aan eenig schepsel, b.v, niet aan den H. Petrus of Paulus, zelfs niet aan de Allerheiligste Moeder Gods, Maria , worden opgeofferd, maar alleen aan God. Doch wel mag het H. Sacrificie der Mis worden opgedragen , en is inderdaad van ouds in de H. Kerk opgedragen aan God ter eere en ter gedachtenis dier Heiligen, om God te danken voor de hun verleende genaden ,en glorie, en om voor ons de voorspraak in te roepen der Heiligen in den hemel, wier gedachtenis we houden op aarde. (Zie Conc. van Trente XXIIen zitt., hfdst. III.)

ocr page 306

302

4 V. Hoe komt Christus in de Mis tegenwoordig ?

A. Door de woorden van de H. Consecratie, die de Priester spreekt. worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus.

Dit antwoord is genoegzaam verklaard in de 4« V. der vorige Les.

Hier dient het ten bewijze , dat in het H. sacrificie der Mis waarlijk eene zoodanige verandering der offerande, d.w. hier z., der geofferde zaak , plaats heeft als welke tot het wezen van een waar sacrificie vereischt wordt, maar ook voldoende is, nl. eene zoodanige dat de offerande voor hare natuurlijke bestemming onbruikbaar wordt. Immers uit kracht van de woorden der H. Consecratie, die de Priester in het midden van de Mis spreekt, wordt alleen het brood veranderd in het lichaam van Christus , en alleen de wijn in zijn bloed. Bijgevolg worden krachtens de woorden der TI. Consecratie het levend en verheerlijkt lichaam en bloed van Christus voorgesteld onder de gedaante van brood en wijn. Krachtens de woorden van de H. Consecratie komt Christus dus in de Mis tegenwoordig onder de gedaanten van twee levenlooze zaken, en beroofd van zijn eigen uiterlijk voorkomen , van de uitwendige gedaante van zijn levend en verheerlijkt lichaam en bloed , als waren deze opnieuw van elkaar onderscheiden , als ware Christus werkelijk andermaal gestorven.

Ik zeg : „ als waren Christus' lichaam en bloed opnieuw van elkaar gescheiden: als ware Christus werkelijk andermaal gestorven.quot; Want we weten reeds uit de 7e V. der vorige Les, dat Christus sedert zijne verrijzenis onlijdelijk en onsterfelijk is, niet meer lijden of sterven kan; — dat dus zijn bloed niet meer van zijn lichaam kan gescheiden worden, en dat derhalve , zoodra door de woorden van de H. Consecratie, die de Priester in het midden van de H. Mis spreekt, Christus lichaam tegenwoordig komt, ook zijn bloed aanwezig is ,

ocr page 307

303

ja, ChrietuR geheel en levend, met vleesoh en bloed, met ziel en lichaam, met menschheid en Godheid, gelijk Hij verheerlijkt leeft in den Hemel. (Vgl. vorige Les 3e V.)

Uit hetgeen we hier leerden, znlt ge gemakkelijk de reden begrijpen waarom het H. sacrificie der Mis het onbloedig sacrificie der Nieuwe Wet genoemd wordt. NL, omdat Christus in de H. Mis niet werkelijk zijn bloed stort en sterft voor alle menschen , gelijk in het bloedig sacrificie des kruises (2fi V.), maar op eene geheimzinnige, geestelijke wijze, t. w., door de kracht der woorden van de H. Consecratie, die daarom het zwaard des waards geheeten worden.

5 V. Wie heeft de eerste Mis gedaan ?

A. Christus zelf in het laatste avondmaal, en na Hem de HH. Apostelen.

Christus zelf heeft in het laatste avondmaal, terwijl Hij het H. Sacrament des Altaars instelde (vorige Les, 9e V.), tevens de eerste Mis gedaan ; want Hij heeft toen door het woord zijner almacht het brood en den wijn veranderd in zijn lichaam en bloed, en zich aldus aan zijn hemelschen Vader op onbloedige wijze geslachtofferd.

Na Christus' Hemelvaart en de nederdaling van den H. Geest op Pinksterdag, hebben de HH. Apostelen en hunne wettige opvolgers in het Priesterschap, voortdurend de H. Mis gedaan, ingevolge de macht hun door Christus verleend, en het bevel hun gegeven. Immers in het laatste avondmaal heeft Christus zijne Apostelen tot Priesters van het onbloedig offer der Nieuwe Wet aangesteld, en hnn en hunne wettige opvolgers bevolen te doen wat Hij zelf gedaan had, zeggende: Doet dit tot mijne gedachtenis. (Vgl. bl. 273. vr. 9.) Doet dit, wat Ik zelf nu gedaan heb, nl., het brood veranderende in mijn lichaam, en den wijn in mijn bloed, aldus mij zeiven onder de gedaanten van brood en wijn aan mijn Hemelschen Vader opofferende; doet gij dit insgelijks, en wel tot mijne

ocr page 308

304

gedachtenis, d. i., om de gedachtenis te vieren van mijn lijden en dood aan het krnis, en om de oneindige verdiensten van het bloedige sacrificie, dat Ik aan 't kruis ga opdragen aan alle menschen toe te voegen, op alle menschen te hunner verlossing en heiligmaking toe te passen. Doei dit tot mijne gedachtenis tot aan de voleinding der eeuwen. Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en den kelk drinken, zult gij door die daad zelve, nl. door de waarachtige vertegenwoordiging van mijn bloedig kruisoffer, mijn dood aankondigen , totdat Ik als rechter over levenden en dooden aan het einde der wereld wederkom. Zóó , in dien zin heeft de H. Kerk die woorden van Christus onzen Heer altijd verstaan en geleerd. [Zie Cone. n. Trente, t. a. p., hfdst. I en Canon II.) En die Kerk, gij weet het, kinderen , uit de 3'1'1 Les, is onfeilbaar.

6 V. Wie offert aan God het H. Sacrificie der Mis op ?

A. Christus zelf is de voornaamste offeraar, en de Priester is zijn dienaar in het offeren.

Christus zelf, als God-mensch , is de voornaamste offeraar; want krachtens zijne instelling komt Hij door de woorden der H. Consecratie onder de gedaanten van brood en wijn in het Misofier tegenwoordig, en offert Hij zich zeiven door de handen van den Priester aan God den Vader op.

En de Priester is zijn dienaar, zijn plaatsbekleeder, zijn medehelper in het offeren. Immers bij de H. Consecratie spreekt de Priester niet in zijn eigen naam , maar in den naam van Christus ; bij de H. Consecratie gebruikt de Priester niet. zijn eigene woorden, maar de woorden van Christus; dezelfde woorden, welke Christus in het laatste avondmaal gesproken heeft, zeggende: Dit is mijn lichaam. Dit is mijn bloed. Overduidelijk niet het lichaam en bloed van den Priester, maar van Christus zeiven, wiens wettige dienaar de Priester is in het offeren. Er is bijgevolg in de Mis

ocr page 309

305

dezelfde Offeraar en dezelfde Offerande als in het avondmaal en op Calvarië en dna heeft elke Mis dezelfde oneindige waarde. Tnsschen den kruisdood van Christus op Calvarië en de Mis is slechts een toevallig verschil in de wijze van offeren: op Calvarië is bloedig, hier wordt onbloedig geofferd. Bijgevolg heeft eene enkele Mis meer waarde, dan alles wat wij met Engelen en Heiligen ooit gedaan hebben, of nog doen zullen. Kinderen, denkt daaraan, om nooit eene enkele Mis, die gij kunt bijwonen, te verzuimen.

■quot; 7 V. Welke zijn de voornaamste deelen van de Mis ?

A. Deze drie ; de Offerande van brood en wijn , de Consecratie en de Nutting.

De Catechismus geeft in zijn antwoord deze drie; de Offerande van brood en wijn, de Consecratie en de Nutting, als de voornaamste deelen van de Mis aan , omdat Christus zelf in de eerste Mis, welke Hij in het laatste avondmaal gedaan heeft (5C V.), deze drie handelingen in eigen persoon verricht heeft. Jesus nam van het ongedeesemd brood, dat op tafel stond, en zegende het. Hij nam den kelk met wijn, en dankte. (Vgl. Matth. XXVI. 26. 27.)

Ziedaar de offerande, d. w. hier z., de opoffering van brood en wijn, over welke Christus een lof- en dankgebed sprak om ze Gode toe te wijden. Daarna brak Hij het brood, en gaf het aan zijne leerlingen, en zeide (de woorden sprekende van de H. Consecratie) : Neemt en eet, dit is mijn lichaam. Desgelijks gaf Hij hnn den kelk , zeggende: Drinkt allen daaruit; want dit is mijn bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; Ziedaar het tweede deel, de Consecratie, en het derde: de Nutting, d. i., het eten en drinken van Jesus lichaam en bloed, aangeduid door Christus woorden: Neemt en eet, Drinkt allen daaruit.

Dus omdat de eerste Mis, die Christus zelf in het laatste

ocr page 310

306

avondmaal gedaan heeft, uit deze drie deelen bestond , nl. de Oflerande, de Consecratie en de Nutting, noemt de Catechismus ze met recht de voornaamste deelen van de Mis. Maar, let wel op: de Catechismus zegt niet dat deze deelen alle drie enen voornaam zijn. Zeker is de Offerande, de opoffering van brood en wijn niet een zoo voornaam deel der H. Mis als de Consecratie of de Nutting. De ofièrande, waardoor het brood en de wijn aan God worden toegewijd, behoort zeker niet tot het wezen van het H. Sacrificie der Mis. Het H. Sacrificie der Mis toch bestaat niet in de opoffering van brood en wijn , maar in de opdracht van het lichaam en bloed van Christus , die eerst door de woorden van de H. Consecratie op het altaar tegenwoordig komt, en onder de gedaante van brood en wijn aan God den Vader wordt opgeofferd. (3,le en 4,le V. dezer Les.)

Het allervoornaamste deel der H. Mis is de Consecratie. Onder dit deel der H. Mis heeft de geheimvolle verandering plaats van brood en wijn in Christus' lichaam en bloed. In deze verandering bestaat eigenlijk , zooals reeds vroeger verklaard werd (in het antwoord op de 3' en 4e V. dezer Les), het wezen van het H. Misoffer. Immers krachtens de woorden der H. Consecratie wordt Christus als opnieuw geslachtofferd. De Consecratie is derhalve her allervoornaamste deel der H. Mis , ook in dien zin, dat zonder Consecratie geen Misoffer bestaat. Hieruit zult ge van zelf begrijpen, dat er op Goeden Vrijdag eigenlijk geene Mis gedaan wordt; want dan wordt de H. Hostie, die op Witten Donderdag geconsacreerd is, enkel genuttigd. Op Goeden Vrijdag houdt de H. K.erk al hare aandacht alleen gevestigd op het bloedig sacrificie des kruises, hetwelk Christus op dien dag uit loutere liefde jegens ons op den berg van Calvarië heeft opgedragen , stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen. (2e V. dezer Les.)

Behoort de Nuttiging al niet tot het wezen der H. Mis, dan behoort ze toch zeker voor den Priester, die de H. Mis doet, tot voltooiing en voltrekking van het H. Misoffer, en

ocr page 311

207

is derhalve zeker een voltooiend, volmakend deel van de Mis, niet zoo voornaam als de Consecratie, maar stellig voornamer dan de offerande.

Ook bij en door de Nutting houdt het sacramenteele leven van Christus op, d. i. — zooals Christus op onze altaren is en leeft — welk leven Hij bij de Consecratie ontvangt, aanneemt , als wordende zoo geboren in de handen en door de woorden van den priester; dit zijn, dit leven nu, neemt hier een einde; want wanneer de gedaanten van brood en wijn ophouden te zijn, dan houdt Christus ook op daar tegenwoordig te zijn.

Behalve deze drie voornaamste deelen van de Mis, de Offerande van brood en wijn, de Consecratie en de Nutting, heeft de H. Kerk er nog verschillende andere deelen , b.v. Confiteor, Epistel, Evangelie , Credo , Prafaiie, Pater A os ter, enz., en bovendien ceremoniën bijgevoegd tot gedachtenis en afbeelding van hot lijden en den dood van Christus. (Zie IS11® V.) Ook bij deze deelen moeten we, om op Zon- en feestdagen geheel aan het gebod der H. Kerk te voldoen, tegenwoordig zijn (vgl. 25sti! Les, 8stc V.)

JSTu we weten welke de drie voornaamste deelen van de H. Mis zijn, moeten we nog leeren, wanneer elk dier voornaamste deelen geschiedt onder de H. Mis, gelijk deze volgens voorschrift der H. Kerk wordt opgedragen.

Daarom vraagt de Catechismus

8 V. Wanneer geschiedt de Offerande van brood en wijn ?

A. Na het Evangelie , als de Priester den kelk ontdekt heeft.

De opoffering van brood en wijn geschiedt na het Evangelie, als de Priester den kelk ontdekt heeft. Eerst draagt de Priester het brood aan God op. Daarna schenkt hij wijn in den

ocr page 312

308

kelk en mengt dien met een weinig water. De Priester doet die mengeling van wijn met een weinig water voornamelijk om drie redenen. Ten lste, omdat men gelooft dat Christus zelf in het laatste avondmaal dit ook gedaan heeft j immers 't was bij de Joden gebruikelijk den paasohbeker met wijn en een weinig water te vullen. Ten 2de, om door die mengeling het geheim te herdenken en te vereeren, dat de H. Joannes als ooggetuige ons verhaalt, zeggende : „ een van de krijgsknechten opende zijne (Jesus') zijde met eene speer, en terstond kwam daar bloed en water uit.quot; (XIX. 34.) Ten 3'lc, om aan te duiden dat de geloovige volkeren, die, volgens de openbaring van den H. Joannes (XVII. 15), door het water worden afgebeeld, vereenigd zijn mot Christus hun Opperhoofd. (Zie Cone. v. Trenle , t. a. p., hfdst. VII.)

't Is raadzaam bij de offerande met den priester te bidden, dat God met welgevallen die Offerande moge aannemen, opdat zij ons en alle Christenen, zoowel den overledenen, als den levenden, tot heil moge verstrekken, 't Zal ook goed zijn , dat wij met den priester ons zeiven en het onze — al onze belangen, den geheelen dag opdragen, in den geest op de pateen neerleggen.

9 V. Wanneer geschiedt de Consecratie ?

A. In het midden van de Mis, even voordat de H. Hostie en de Kelk worden opgeheven.

De Consecratie geschiedt in het midden van de Mis, en wordt aangekondigd door een bijzonder teeken der bel. Hoe wordt er bij de Consecratie gebeld ?... De Consecratie geschiedt even voordat de II. Hostie en de Kelk worden opgeheven. Het woord H. Hostie beteekent U. slachtoffer. De H. Hostie is hier de gedaante van brood, waaronder Christus tegenwoordig is. Zij wordt zoo genoemd, omdat zij onzen Heer Jesus Christus als een waar en eigenlijk gezegd slachtoffer voorstelt. De opgeheven kelk houdt het waarachtig bloed van

ocr page 313

309

Christus in. Dus zijn wij aan de H. Hostie en den gecon-sacreerden kelk de goddelijke eer en aanbidding verschuldigd, want Christus zelf is er in tegenwoordig. (Vorige Les 83te V.) Daarom is het geraadzaam bij de opheffing der H. Hostie te bidden : „ Lam Gods , dat wegneemt de zonden der wereld , ontferm U mijner.quot; „ Allerzoetste Jesus, wees voor mij niet Rechter, maar Zaligmakerquot; (50 dagen aflaat, Pius IX, 11 Augustus 1851.) „Jesus, mijn God, ik bemin U boven al! (50 dagen aflaat, Pius IX, 7 Mei 1854.)

En bij de opheffing van het H. Bloed: „ Hemelsche Vader, ik bied U het allerkostbaarste bloed van Jesus Christus aan, tot voldoening voor mijne zonden en voor de behoeften der H. Eerk.quot; (100 dagen aflaat, Pius VII, 22 Sept. 1817), ook behoort men bij de Consecratie een of andere bijzondere weldaad te vragen , en zeker een volmaakt berouw over zijne zouden; dit oogenblik toch is het geschiktste om van Jesus Christus alles te verkrijgen, wat ons zalig is....

10 V. Wanneer geschiedt de Nutting? A. Op het einde der Mis, als de Priester het lichaam en bloed van Christus nuttigt.

Bij het „ Domme non sum Dignusquot; „Heer ik ben niet waardig ,quot; wordt driemaal gebeld ten teeken dat daarna de Butting volgt. Dus betaamt het, gelijk de Catechismus in het volgend antwoord nadrukkelijk zegt, dat men geknield blijve tot na de Nutting, en niet opsta of ga zitten onmiddellijk na het Domme non sum Dignus; want eerst daarna begint de Nutting, en is eerst geëindigd als de Priester den kelk zuivert; ala, gelijk men gewoonlijk zegt, ten tweeden male wijn geschonken wordt. Terwijl de Priester het lichaam en bloed van Christus nuttigt, is het een ieder ten zeerste aan te bevelen geestelijker wijze te communiceeren.

De geestelijke Communie bestaat, volgens den H. Thomas van Aquine, daarin, dat men vurig verlangt Jesus in het H.

C. 20

ocr page 314

310

Sacrament des Altaars werkelijk te ontvangen, en dat men Hem in den geest met een hart vol liefde omhelst, als hadde men Hum nu werkelijk ontvangen. De H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. XIII, hfdsl. VIII) leert, dat „zij die met een levendig geloof, hetwelk door de liefde werkt, het Sacrament des Altaars , alleen geestelijker wijze ontvangen , toch deszelfs vrucht en nut, d. i. , heilzame uitwerking, ondervinden.quot;

Angstvallige zielen, die altoos vreezen in staat van doodzonde te zijn, worden niet zelden van de heilzame oefening der geestelijke communie afgeschrikt en weerhouden, denkend, dat ze zich aan 't gevaar bloot stellen op heiligschennende wijze eene geestelijke communie te doen. Dat ze zich gerust stellen. Die vreeze alleen toch getuigt te over, dat ze voor niets ter wereld Jesus in staat van doodzonde zonden willen ontvangen, en niets vuriger verlangen dan in staat van gratie te zijn , om Jesus waardig in de H. Communie te kunnen ontvangen. „ Dat — zegt de H. Alphonsus — „dan niemand, die voortgang wil maken in de liefde tot Jesus Christus , nalate de geestelijke Communie te doen, ten minste zoo dikwijls hij het H. Sacrament bezoekt, of de H. Mis bijwoont.quot; Men kan de geestelijke communie op deze of soortgelijke wijze doen. B.v. door uiterharte te zeggen; „O mijn Jesus, ik geloof, dat Gij in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig zijt. Ik bemin TJ bovenal, en ik verlang TI in mijne ziel te ontvangen. Maar dewijl ik dit thans niet werkelijk doen kan, zoo smeek ik TJ, ten minste op eene geestelijke wijze in mijn hart te komen. Zie, ik omhels TJ, als hadde ik IJ reeds werkelijk ontvangen en voreenig mij geheel en al met TJ; laat niet toe , dat ik ooit van TJ gescheiden worde.quot; Of korter : „ Ik geloof, lieve Jesus, dat Gij in het Allerheiligste Sacrament tegenwoordig zyt. Ik bemin TJ , en verlang mij met TJ te vereenigen, kom dan in mijn hart; ik omhels TJ, o verlaat mij nooit meer.quot; (Bezoeken bij J. C. door den H. Alphonsus Maria de Liguorio.)

ocr page 315

311

11 V. Hoe moet men de H. Mis bijwonen?

A. Met grooten eerbied en aandacht; en het betaamt dat men geknield blijve van de Sanctus tot na de Nutting.

Men moet de H. Mis bijwonen met grooten eerbied en aandacht. Wat dit beteekent is uitgelegd op de 5de V. der 29'te Les, bl. 215 — 217. Dat men met eerbied en aandacht de H. Mis moet bijwonen , volgt van zelf nit de waardigheid van het H. Sacrifioie der Mis. De Kerkvergadering van Trente noemt het in waarheid „het allerheiligste saerificiequot; (T. a. p. hfdst. IV.) En in haar Besluit aangaande hetgeen men in het vieren der H. Mis dient te onderhonden of te vermijden, zegt zij nadrukkelijk : „ Indien we noodzakelijk moeten bekennen , dat door de Christen-geloovigen geen enkel ander zoo heilig en goddelijk werk kan verricht worden , als het ontzagwekkend geheim, waarin die levendmakende Offerande, door welke wij met God den Vader verzoend zijn , op het altaar dagelijks door de Priesters wordt opgedragen; dan blijkt het ook genoegzaam, dat alle zorg en vlijt dient aangewend , opdat dit geheimvol sacrificie met de meest mogelijke inwendige reinheid des harten, en uiterlijke blijken van godsvrucht en eerbied verricht wordequot;, en dus ook door de geloovigen met grooten eerbied en aandacht worde bijgewoond.

Van de betamelijkheid, dat men geknield blijve, vooreerst van de Sanctus ten minste tot aan het Pater noster, en van het Domine non sum dignus tot na de Nutting, zal wel eenieder overtuigd zijn die bedenkt, dat na de Sanctus de Canon begint. Het woord Canon beteekent regel, en daardoor verstaan we hier zekere bepaalde gebeden, welke bij vasten regel vóór en na de H. Consecratie tot aan het Pater noster den Priester zijn voorgeschreven. De Canon bestaat eensdeels uit de eigene woorden van onzen Heer Jesus Christus, en voorts uit de overleveringen der Apostelen en de godvruchtige

ocr page 316

312

instellingen van heilige Opperpriesters (vgl. Cone. v. Trente t. a. p. hfdst. IV.), en is dns reeds om die reden bijzonderen eerbied en aandacht waardig, maar vooral omdat onder den Canon de Consecratie geschiedt, welke het voornaamste deel is der H. Mis (7d» en 9'le V.) Zij die gednrende de Consecratie zich niet eens gewaardigen de knie te buigen en Jesus dan geknield eerbiedig te aanbidden , toonen openbaar hun gebrek aan godsdienstzin.

Na het Domine non mm dignus geschiedt de Nutting, 't Betaamt, dat men dit voltooiend of volmakend deel van het H. Sacrificie der Mis, geknield bijwone. (7dli en 10'le V.)

12 V. Wat kunnen wij door het H. Sacrificie der Mis verkrijgen ?

A. Vergiffenis van onze zonden en al wat wij van God begeeren , voor ons zeiven en voor anderen, en ook voor de zielen in het vagevuur.

De Catechismus spreekt alleen van de uitwerkselen van het H. Sacrificie der Mis ten opzichte van ons menschen, welke uitwerkselen men de vruchten van het H. Misoffer noemt, nl. in zoover het waarlijk een zoen- en smeekoffer is. Doch bovendien is het sacrificie der Mis ten opzichte van God ten le, een waar slachtoffer, door hetwelk Christus zelf aan God den Vader de allervolmaaktste akte doet van aanbidding, aan de goddelijke Majesteit eene grootere eer bewijst dan alle Engelen en Heiligen te zamen, ja de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria en de H. Joseph Gode kunnen brengen; kortom, eene hulde en eerbetooning zoo groot als Gode toekomt, nl. van oneindige waarde, als gebracht door den God-mensch, Jesus-Christus zeiven. Ten 2e een dankoffer, en wel de allerwaardigste en volmaaktste dankzegging voor alle van God ontvangene weldaden , welke denkbaar is; omdat ze Gods waardigheid evenaart. Want Jesus zelf, God de Zoon, de tweede Per-

I

ocr page 317

313

soon der H. Drievuldigheid, mensch geworden, brengt, terwijl Hij zich zeiven in het H. Sacrificie der Mis aan God den Vader opoffert. Hem voor alle genaden en weldaden ons verleend , eene dankzegging van oneindige waarde, dus de grootst mogelijke dankbetuiging.

Het H. Sacrificie der Mis wordt dus tot vierderlei doeleinde den hemelschen Vader opgedragen. Ten le, als offer van aanbidding, om Gods opperste heerschappij te erkennen, en onze algeheele afhankelijkheid van Hem te betuigen. (1« V.)

Ten 2llc, als dankoffer voor allo ontvangene genaden en weldaden.

Ten 3,,c, als zoenoffer , en ten 4Jc, ais smeekoffer. Dus zijn de uitwerkselen van het H. Sacrificie der H. Mis ook vierderlei. Doch de vruchten eigenlijk maar tweeërlei. Deze moeten we nn met den Catechismus nader verklaren.

De Catechismus zegt, dat wij door het H. Sacrificie der Mis kunnen verkrijgen ten l',te, vergiffenis van onze zonden. Maar hoe is dit te verstaan P Behoeft men dan, om vergiffenis van doodzonden te bekomen, niet meer te biechten of een volmaakt berouw te hebben met den wil van te biechten P Kan men zonder berouw, alleen door de H. Mis bij te wonen, vergiffenis verkrijgen van dagelijksche zonden P Kinderen, gij weet wel beter. Ge hebt het reeds in de 16° Les, 5quot; en 6e V. geleerd. Hoe te verstaan is, dat wij door het H. Sacrificie der Mis, als zoenoffer, vergiffenis van onze zonden kunnen verkrijgen , heeft de H. Kerk, in 't Concilie van Trente vergaderd, met onfeilbare zekerheid verklaard. Genoemde H. Kerkvergadering leert desaangaande vooreerst, dat Christus het zichtbaar onbloedig sacrificie der H. Mis heeft ingesteld , opdat het heilzaam uitwerksel van het bloedig sacrificie des kruises , dat Hij eens voor altijd ter voldoening voor de zonden van alle menschen heeft opgedragen (2e V.), voortdurend op ons zou worden toegepast tot vergiffenis der zonden , die wij dagelijks bedrijven. (T. a. p., hfdst. I.) Nog duidelijker verklaart genoemde Kerkvergadering den zin van

ocr page 318

314

het antwoord dat de Catechismus geeft, in het II hfdst., waar ze zegt: „ En dewijl in dit goddelijk sacrificie, dat in de Mis wordt opgedragen, diezelfde Christus tegenwoordig komt, en onbloedig wordt opgedragen, welke zich zei ven op het altaar des Eruises eens op bloedige wijze heeft geslachtofferd, leert deze heilige kerkvergadering, dat het H. Sacrificie der Mis waarlijk een zoenoffer is ... Immers door deszelfs opoffering wordt God de Heer verzoend, en verleent ons de gbatie en de ga vb van boetvaabdigheid , waardoor Hij zelfs buitengewoon groote misdaden en zonden vergeeft.quot;

Klaar en duidelijk is dus het antwoord van den Catechismus niet in dien zin te verstaan, alsof we door het bijwonen der H. Mis onmiddellijk vergiffenis onzer zonden verkrijgen , maar alleen middellijk, d. w. z., dat we er de gratie en de gave van een oprecht berouw door kunnen verkrijgen , en door middel van een waar berouw vergiffenis van onze dage-lijksche zonden, en door middel van een volmaakt berouw , of een onvolmaakt berouw met de Biecht, vergiffenis van de grootste zonden, waaraan we ons zouden hebben schuldig gemaakt. Geen beter of krachtiger middel dus, om zich tot eene goede Biecht voor te bereiden, dan het H. Sacrificie der Mis te voren godvruchtig bij te wonen.

Ten 2'!c, kunnen wij door het H. Sacrificie der Mis als meekoffer verkrijgen al wat wij van God begeeren voor ons zeioen, bv., dadelijke gratie om ons oprecht te bekeeren, eene waardige eerste H. Communie te doen, om in de deugd voortgang te maken en te volharden , vermindering of afwering van tijdelijke straffen , vermindering of overwinning van bekoringen, zegen in onze tijdelijke zaken, welslagen in onze bedieningen, ondernemingen, een zaligen levensstaat, eindelijk een zaligen dood enz. enz., in één woord, al wat ons naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid zalig is. Wij kunnen door het fl. Sacrificie der Mis ook veel verkrijgen voor anderen, mits ze er maar geen beletsel tegen stellén. Bijzonder is het geraden, 't H. Misoffer dikwijls op te dragen voor de

ocr page 319

315

bekeering der zondaren en ongelooTj'gen, voor de stervenden, voor onze geestelijke eh wereldlijke overheid, en allen die ons dierbaar zijn. Eindelijk kunnen wij bijzonder door het H. Sacrificie der Mis de zielen uit het vagevuur verlossen of hare pijnen verkorten (17Je Les, O1' V.), en daarom zegt de Catechismus ten slotte, dat we door het H. Sacrificie der Mis ook voor de zielen in het vagevuur kunnen verkrijgen al wat wij van God voor haar begeeren. De Kerkvergadering van Trente bevestigt dit alles nadrukkelijk. „ Immersquot;, zoo luidt t. a. p. hare leer, „ het is een en hetzelfde slachtoffer, en dezelfde Offeraar door de bediening der priesters, die zich zeiven toen aan het kruis heeft opgedragen, terwijl alleen de wijze van offeren verschillend is. De vruchten van dat bloedig offer ontvangt men zeer rijkelijk door dit onbloedig sacrificie. Eeden waarom het niet alleen voor de zonden, straffen , voldoeningen en andere behoeften van levende christenen, maar ook voor de overledenen, die in Christus' liefde gestorven, maar nog niet geheel van hunne schulden gezuiverd zijn (vgl. 17e Les, 6e, 7e en 9e V.), volgens overlevering der Apostelen , te recht wordt opgedragen.quot;

Hier vinden wij ook, zooveel mogelijk, de oplossing van het overigens onverklaarbaar geheim van Gods onbegrijpelijke lankmoedigheid, die ofschoon dag aan dag, uur op uur, door de vreeselijkste zonden en gruwelen getergd, het menschdom spaart, de wereld niet straft, zooals zij verdiende gestraft, vernietigd te worden, 'tls het Bloed van Jesus Christus — de H. Mis — die alle uren van den dag als Zoenoffer den Hemelschen Vader wordt opgedragen, 'tls de op alle uren van den dag herhaalde kreet van Christus aan het kruis; „Vader, vergeef het hun; zij weten immers niet wat zij doen.quot;

13 V. Waartoe dienen de ceremoniën, die in de Mis gebruikt worden?

ocr page 320

316

A. Tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus.

Ceremoniën d. i. gebeden en handelingen van den priester onder de Mis.

De ceremoniën of plechtigheden , die in de Mis gebrnikt worden, zijn gedeeltelijk door Christus zei ven ingesteld (vgl. 7de V.), en gedeeltelijk door de Apostelen en de H. Kerk (3,le Les, 10Je V.) voorgeschreven , opdat, gelijk het Concilie van Trente leert (t. a. p. h/dst. IV.), ten l,te, het allerheiligste sacrificie waardig en eerbiedig zou worden opgedragen en bijgewoond. Ten 2J(!, om de eerbiedwaardigheid en grootheid van dit sacrificie voor oogen te stellen, en ten 3'' , om de geloovigen door die zichtbare teekenen van godsdienstigheid en godsvrucht op te wekken tot overweging of beschouwing van de groote geheimen, die in het sacrificie verborgen zijn. Zij dienen dus, gelijk de Catechismus zegt, tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en den dood van Christus.

De voornaamste misgewaden van den priester zijn: de amict, een witten doek, dien de priester om de schouders draagt; deze doet ons denken aan. den witten doek, waarmede men Christus' aangezicht bij Caïphas bedekte; Aealbe—lang wit kleed — herinnert ons het wit kleed, waarmede Christus door Herodes is gekleed en bespot; de manipel, die de priester aan den linkeren arm draagt; de stool, die hij om den hals over de schouderen van voren laat afhangen, en de cingel, waarmede hij de lenden omgordt, beteekenen de koorden en ketenen, waarmede Christus is gebonden en geboeid; terwijl de kazuifel — bovenkleed — den purperen mantel, het kruis van achteren op de kazuifel, het kruishout, en de middel-boord van voren , de geeselkolom voorstellen ; de kruin des priesters doet ons denken asn Jesus' doornenkroon.

Hoe en de Misgewaden, en de gebeden en handelingen van

ocr page 321

317

den priester dienen tot gedachtenis en afbeelding van het lijden en 'dood van Christus, wordt in vele kerkboeken, o a., in het „Handboekje der Aartsbroederschap de Eerewacht van het H. Hart van Jesnsquot;, genoegzaam aangegeven, om zelfs op de volmaakts mogelijke , en meest voordeelige wijze het H. Misoffer bij te wonen , nl. door gedurende de H. Mis het lijden en den dood van Christus te gedenken en te overwegen. Immers dusdoende beantwoordt men het best aan het inzicht van Christus, die het onbloedig sacrificie der Mis heeft ingesteld , opdat het tot aan de voleinding der eeuwen eene voortdurende herinnering, gedachtenis en toepassing zou wezen van het bloedig sacrificie, dat Hij eens voor altijd aan 't kruis heeft opgedragen , stortende zijn bloed en stervende voor alle menschen. (2,le V.)

Dit zijn inzicht heeft Christus zelf ons verklaard, toen Hij, bij de instelling van het H. Sacrament des Altaars, tot zijne leerlingen zeide: Boet dit tot mijne gedachtenis, d. i., om de gedachtenis te vieren van mijn lijden en dood.

Het sacrificie der Mis is derhalve — gij zult het nu, na de verklaring van geheel deze les, gemakkelijk begrijpen — eene gedachtenis en voorstelling van het bloedig sacrificie des kruises, doch zóó, dat het tegelijkertijd ook zelf een wezenlijk en waarachtig sacrificie is. Herinnert u wat een sacrificie - in den eigenlijken zin van het woord is, nl., ten lste de opdracht van eene uitwendige zaak , die ten 2lt;le met zekere vernietiging of verandering, ten 3lle door eenen wettigen bedienaar, ten 4(1 aan God gedaan wordt, ten 5de om Hem als Opperheer te erkennen en onze algeheele afhankelijkheid te betuigen. (lste V.) Vraagt u nu maar eens stuk voor stuk af, of al die vereischten tot een waarachtig sacrificie in het H. Misoffer gevonden worden, en uw natuurlijk verstand, door het H. Geloof voorgelicht, zal u antwoorden ; Ja. Want in de H. Mis wordt ten lste, Christus opgedragen onder de uitwendig zichtbare gedaante van brood en wijn. (3d,i V.) Ten 2lle, is krachtens de woorden der H. Consecratie, onder

ocr page 322

318

de gedaante van brood alleen Christus lichaam , en onder de gedaante van wijn alleen zijn bloed tegenwoordig. Dus ondergaat Christus in de H. Mis eene zoodanige geestelijke verandering als tot het wezen van een waarachtig sacrificie vereischt, maar ook voldoende is. (4'le V.)

Ten 3lltl, is Christus, dien zijn hemelsche Vader zelf tot opperpriester der Nieuwe Wet, naar de orde van Melchisedech, verheven heeft (vgl. Brief van de Hebreëers , V. 4—6), klaarblijkelijk de wettige bedienaar van het H. Sacrificie der Mis, ja de voornaamste ofieraar, en de geldig gewijde Priester is slechts, maar toch ook werkelijk, zijn wettige dienaar in het offeren; want door zijne medewerking, doordien hij de woorden van de H. Consecratie uitspreekt, komt Christus in de Mis tegenwoordig , en worden het brood en den wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus. (4 en 6 V.)

Ten 4^, wordt het H. Misoffer alleen aan God, één in wezen, drievuldig in Persoon opgedragen , en len 5le , met het hoofddoel, om Gods opperheerschappij te erkennen en onze algeheele afhankelijkheid te betuigen.

Dus zijn in het H. Misoffer alle vereischten tot een waar en eigenlijk gezegd Sacrificie aanwezig. Dus is de H. Mis wezenlijk en waarachtig een Sacrificie der Nieuwe Wet, en eene herhaalde waarachtige vertegenwoordiging van het bloedig Sacrificie des kruises, aan wiens oneindige verdiensten we door het onbloedig Sacrificie der H. Mis voortdurend deelachtig worden.

Beijvert u dus dagelijks, zooveel het uwe plichten van staat toelaten, de H. Mis eerbiedig en aandachtig bij te wonen , al moet gij er u ook al eenige opoffering, bv. van uwe nachtrust, door 's morgens wat vroeger op te staan, enz. om getroosten. De heilzame vruchten en uitwerkselen van het H. Sacrificie der Mis (13de V.) loonen en vergoeden die opoffering honderdvoudig.

ocr page 323

319

Vragen over de 34:8te Les.

1. Wat is een Sacrificie, en hoeveel zaken zijn tot een

Sacrificie noodig P 3. Welke overeenkomst en welk verschil bestaat er tnsschen de beide Sacrificie's der Nieuwe WetP

3. Waren in de Oude Wet, zelfs onder de wet der natnnr,

ook offers P

4. Wanneer hebben de drie voornaamste deelen der Mis

plaats P Wat doet de priester bij elk dier deelen, en wat behooren wij dan te doen P

5. Wat beteekent een Mis ter eere van een of anderen

Heilige P

6. Leg in het kort nit, in welke verhouding de voor

naamste kleeding van den priester staat tot het lijden van Christus? En hoe kunnen wij ons tijdens de H. Mis Christus lijden voorstellen P

7. Tot wat einde wordt de Mis aan God opgedragen , en

wat kunnen wij er door verkrijgen P

VIJI1 Elf DERTIGSTE LES.

Van de Biecht.

§ 1-

1 V. Wat is de Biecht ?

A. Een Sacrament, in hetwelk door de Priester-lijke macht de zonden , die na het Doopsel gedaan zijn, vergeven worden.

Biechten beteekent: bekennen , belijden ....

De Biecht is waarlijk en eigenlijk een Sacrament der Nieuwe Wet. Want ze is ten l'te, een uitwendig teeken, dat van

ocr page 324

320

den kant des biechtelings, d. w. z., des zondaars, die dit Sacrament met do vereischte gesteltenis, waardig ontvangt, bestaat in de belijdenis zijner zonden, vergezeld van een oprecht berouw over de bedrevene zonden met het vaste voornemen van niet meer te zondigen, en van den ernstigen wil, de penitentie , d. w. hier z. , de werken van boetvaardigheid of voldoening te volbrengen , welke de Biechtvader oplegt. En van den kant des Biechtvaders bestaat het uitwendig teeken der Biecht in de woorden van de absolutie, d. i., van vrijspreking, kwijtschelding, ontslag der bedreven zonden. (5, 8, 23, 31 V.) Ue woorden der H. absolutie luiden: Ik ontsla u van uwe zonden in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geest es Amen.

Ten 2',lt;!, beteekent dat uitwendig teeken eene bijzondere gratie, ni. behalve de vergiffenis der zonden , bijzondere dadelijke gratie om niet meer in de zonden te vallen. Dat rouwmoedig nederknieleu toch, dat vergiffenis vragen, be-looven geen zonden meer te willen bedrijven , te zamen met de woorden der absolutie, duiden zeer natuurlijk die bijzondere gratie aan. . .. Ten 3lll!, wordt die ons ook door hetzelve gegeven (3e V.), zoodat het ten 4',e , door Christus moet ingesteld zijn. (30 Les, 1 V.)

2 V. Wanneer heeft Christus het Sacrament der Biecht ingesteld?

A. Op den dag zijner verrijzenis.

Hoort hoe de H. Evangelist Joannes (5X. 19 — 23.) ons de instelling van het H. Sacrament der Biecht verhaalt. „Toen het dan avond was op dien dag, d. i., op den dag van Jesus' verrijzenis , en de deuren van het huis waar de leerlingen vergaderd waren, gesloten waren uit vrees voor de Joden, — kwam Jesns en stond in het midden , en zeide tot hen : Vrede zij u ! En .. . Hij zeide wederom tot hen : Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoozende ook Ik u. Als Hij dit gezegd had , blies Hij op hen en

ocr page 325

321

zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest, wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij znlt houden , dien zijn zij gehouden.quot; De alge-meene en onfeilbare kerkvergadering van Trente leert ons, dat die woorden des Zaligmakers moeten verstaan worden van de macht aan de Apostelen en hunne wettige opvolgers verleend om de zonden te vergeven en te houden in het Sacrament van boetvaardigheid oi penitentie , gelijk de Biecht ook genoemd wordt, omdat wij in de Biecht penitentie, boetvaardigheid doen over onze zonden.

„ Eensgezind hebben alle kerkvaders altijd begrepen, dat door dit zoo merkwaardig feit (de zoo even vermelde zending der Apostelen en de mededeeling van den H. Geest), en door de zoo duidelijke woorden nl. wier zonden gij vergeven zult, enz.), aan de Apostelen en hunne wettige opvolgers de macht is medegedeeld om de zonden te vergeven en te houden, om de geloovigen, die na het Doopsel (in doodzonde) gevallen zijn, in en door het Sacrament van boetvaardigheid wederom met God te verzoenen.quot; (XIV. Zitt., hfdst. I en Can. III.)

Door deze leer van het Concilie van Trente is tevens de zin verklaard van die woorden, waardoor de Catechismus in zijn antwoord op de le V.: „ Wat is de Biecht?quot; denaard van dit Sacrament nader omschrijft, er bijvoegende: Een sacrament, in hetwelk door de Priesterlijke macht de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn vergeven worden.

Er blijkt immers duidelijk uit, dat Christus de macht om zonden te vergeven, welke Hij uit eigen kracht bezat, en door een wonderwerk, een mirakel, nl. door eenen verlamde enkel door hem toe te spreken oogenblikkelijk van zijne verlamming te genezen, bewezen heeft op aarde te bezitten. (Matt. 15, 2—8, Marc. II, 12, Luc. V, 18—26); dat Christus, zeg ik, die macht heeft medegedeeld aan zijne Apostelen en hunne wettige opvolgers, door wien we hier te verstaan hebben geldig gewijde en wettig tot Biechtvaders aangestelde Priesters.

ocr page 326

322

Immers het onfeilbaar Concilie van Trente leert uitdrukkelijk, dat enkel de Priesters de bedienaars zijn van dit Sacrament. (T. a. p., h/dst. VI en Can. X.)

Zeker konden de Apostelen niet mt eigen, macht zonden vergeven, evenmin als hunne opvolgers, de Priesters, dit kannen. God alleen kan uit eigen macht de zonden vergeven. Doch Hij kan, juist omdat Hij God, almachtig is, de macht om in zijn naam en op zijn gezag zonden te vergeven mededeelen aan wien Hij goedvindt. Welnu, Christus, God de Zoon, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid. God en mensch te zamen, heeft werkelijk die macht aan zijne Apostelen en hunne wettige opvolgers medegedeeld , toen Hij op den dag zijner verrijzenis tot zijne Apostelen, en in hunnen persoon, tot hunne wettige opvolgers zeide : „Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zende ook Ik u. Ontvangt den H. Geest: wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij gehouden.quot;

In het H. Sacrament der Biecht worden dus de zonden vergeven door de Priesterlijke macht, d. w. z., door de goddelijke macht welke Christus als God bezit en aan de Priesters in hunne wijding mededeelt, zoo nochtans dat zij , om van die macht geldig gebruik te kunnen maken , in zijn naam, op zijn gezag moeten worden aangesteld om biecht te hooren. (Vgl. 14'Je Les, 7',c en 8stc V.; 16de Les, 3'lc V.; 37quot;,e Les, 3gt;le V.)

Maar, welke zonden kunnen door de Biecht vergeven worden ?

Alle dadelijke zonden, hoe groot en zwaar en talrijk die ook zijn (ie'1quot; Les, 2',e V.; 40te Les, lau' V.), die na het Doopsel begaan zijn. Want van de erfzonde, en de dadelijke zonden, die vóór het ontvangen van het H. Doopsel bedreven zijn, krijgt men vergiffenis door of krachtens het H. Sacrament des Doopsels. (16de Les, 4de V. ; 31,te Les, 13de V.)

3 V. Wat verkrijgen wij door de Biecht ? A. Ten 1. Vergiffenis der zonden; ten 2. minstens

ocr page 327

323

kwijtschelding der eeuwige straffen; ten 3. bijzondere dadelijke gratiën om niet meer in de zonde te vallen.

Door eene goede Biecht verkrijgen wij ten lste , vergiffenis der zonden, na het Doopsel bedreven, hoe groot en zwaar en menigvuldig ze ook zijn. (Vgl. 16dl! Les , 2',e V.) Ontvangen we het H. Sacrament der Biecht in staat van doodzonde,— in welken staat het mag ontvangen worden, want het is een Sacrament der dooden (vgl. 30te Les, 14'l':, 16de en 17'lc V.); — dan krijgen we te gelijk met de vergiffenis der doodzonde, de heiligmakende gratie terng. Ontvangen we het EL Sacrament der Biecht in staat van gratie, enkel schuldig zijnde aan eenige dagelijksche zonden, dan verkrijgen wij door eene goede Biecht te gelijk met de vergiffenis dier dagelijksche zonden, vermeerdering der heiligmakende gratie; want het H. Sacrament der Biecht mag wel, maar moet volstrekt niet in staat van doodzonde ontvangen worden; in staat van gratie goed ontvangen, geeft het vermeerdering der heiligmakende gratie. (Vgl. 30stf! Les, 16'le, 17Je V.)

Ten 2,lc, verkrijgen wij door eene goede Biecht, minstens kwijtschelding der eeuwige straffen van de hel, der eeuwige pijn van schade en gevoel, welke de verdoemden in de hel lijden (vgl. 45«« Les, 8ste V.), en waaraan ons ook maar ééne doodzonde schuldig maakt, waartoe ons ook maar ééne doodzonde brengt, (vgl. 40quot;e Les, 7'1'' en 8»te V.), als wij het ongeluk zouden hebben-in dien staat te sterven. (17dc Les, ll11' V.)

De Catechismus zegt, dat we door eene goede Biecht minstens kwijtschelding verkrijgen van de eeuwige straffen der hel, omdat we door eene goede Biecht bovendien kwijtschelding verkrijgen van een gedeelte der tijdelijke straffen, die wij voor onze vergevene zondnn hier of hiernamaals in het vagevuur zouden moeten ondergaan. Doch tegelijk met de vergiffenis der zonden en de kwijtschelding der eeuwige straffen, krijgt men niet altijd geheele kwijtschelding van alle tijdelijke straffen,

ocr page 328

324

maar dikwijls blijven er voor de vergevene dood- en dage-lijksche zonden eenige tijdelijke strafi'en over, welke wij hier door goede werken, of hiernamaals in het vagevnnr door lijden moeten af- en uitboeten.

Die geloofswaarheid leert ons het Concilie van Trente uitdrukkelijk (T. a. p., hfdsl. VII1 en Can. XII, XIII en XV.) Die waarheid blijkt ook genoegzaam uit de geschiedenis van Mozes en Aaron , van David enz.

Mozes en Aaron twijfelen een oogenblik of zij , gelijk God hun bevolen had, door de rota toe te spreken, er water uit zouden kunnen doen ontspringen: „ Zullen wij bij machte wezen voor u, weerspannigen en ongeloovigen! water uit deze rots te doen ontspringen ?quot;

God vergaf hun hunne zonde , maar legde beiden de uitsluiting uit het beloofde land als tijdelijke straf op. „Omdat gij mij niet geloofd hebt, zóó dat gij mij heilig (getrouw in mijne beloften) deedt blijken voor de kinderen Israels, zult gij dit volk het beloofde land , dat ik hun geven zal, niet binnenvoeren.quot; (5. der Getallen, XX 8—12; XXVII, 12—14.)

David viel in twee groote zonden: overspel en doodslag. God vaardigde den profeet Nathan tot hem af, om hem zijne euveldaden onder het oog te brengen. Rouwmoedig bekende David : „Ik heb tegen den fleer gezondigdquot;, waarop Nathan antwoordde : „De Heer heeft ook uwe zonde weggenomenquot; maar niettemin liet de rechtvaardige God verschillende tijdelijke straffen over hem komen, o. a., den dood van zijn zoon, het kind van Bethsabee, den opstand van Absalon, enz., enz. David verdroeg ze met onderwerping, en deed boete gedurende zijn geheele leven. (/7de Boek der koningen, XII.)

Dikwijls blijven er dus voor de vergevene zonden tijdelijke straffen over.

Ten 3ie, verkrijgen wij door eene goede Biecht te gelegener tijd bijzondere dadelijke gratiën om niet meer in de zonde te vallen. Vgl. bl. 227. Wij zien de afschuwelijkheid der zonden

ocr page 329

325

teter in, en krijgen meer moed , ziels-, wilskracht enz. om aan de bekoring te weerstaan.

4 V. Wanneer is men verplicht te biechten ?

A. Ten 1. Volgens het gebod der H. Kerk ten minste eens 'sjaars; ten 2. als men in gevaar is van sterven; ten 3. als men in doodzonde gevallen is, mag men niet lang uitstellen ; en godvreezende Christenen doen het gewoonlijk alle maanden of met de hooge feestdagen.

Men is verplicht te biechten ten lquot;e, volgens het vierde gebod der H. Kerk (en minste eens 'sjaars. (Vgl. 29quot;e Les, lO'e V.) Ten 2d|!, volgens goddelijk gebod, als men in gevaar is van sterven, 't zij ten gevolge van ernstige ziekte, 't zij ter oorzake van een levensgevaarlijke operatie, die men moet ondergaan, of van eene reis, die men moet ondernemen enz. (Vgl. 33e Les, 18'ie V.) Ten 3d,■, als men in doodzonde gevallen is, mag men, om verschillende redenen, niet lang uitstellen te biechten te gaan. Als eerste en onzerzijds dringendste reden om, als men in doodzonde gevallen is, zoo spoedig mogelijk te biechten te gaan, geldt deze waarheid: Ik kan elk oogenblik sterven, ook als ik er het minste aan denk, of't het minst verwacht. En stert ik in staat van doodzonde, waarin ik nu ben, dan ga ik voor eenwig naar de hel. (Vgl. 17^ Les, 111,1 V.; 40te Les, 7J|' en V.; 45quot;e Les, 4ae V.)

Om ons van die waarheid te doordringen, deed God zelf in het Boek Ecclesiasticus (V. 8 , 9) schrijven : „ Draal niet met u tot den fleer te bekeeren , en stel het niet nit van dag tot dag, want zijne gramschap zal plotseling komen, en op den dag der wrake zal Hij u verderven.quot; In gelijken zin schreef ook de H. Pans Gregorins de Groote ; „ God, die den boetvaardige vergiffenis belooft, belooft: den zondaar den dag van morgen niet.quot;

C. 21

ocr page 330

326

Een ticeede beweegreden, om zoo spoedig mogelijk door eene goede biecht weder in staat van gratie hersteld te worden, is, dat men in staat van doodzonde niets kau verdienen voor den hemel. (Vgl. 405te Les, 6'lc V.; 43!t0 Les, 7de en 8ste V.)

Eene derde reden is, dat als men niet zoodra mogelijk uit den staat van doodzonde opstaat, zoo lichtelijk van ééne in meerdere zonden valt. Dit leert eene droevige ondervinding. Daarop steunende zegt de zooeven aangehaalde Pans Gregorius; „Eene zonde , die niet spoedig door boetvaardigheid wordt uitgedelgd, trekt door eigen gewicht tot eene andere zondequot;.

Als vierde reden dient, dat het niet past, dat wij, kinderen Gods, ook nog zoo korten tijd in vijandschap met God onzen Vader zouden voortleven.

Kinderen , overweegt deze redenen ernstig, en 't zal bij u vaststaan : zou ik ooit het ongeluk hebben in doodzonde te vallen , dan ga ik zoodra mogelijk te biechten.

Maakt het vaste voornemen om , gelijk godoreezende Christenen doen , gewoonlijk alle maanden of met de hooge feestdagen te biechten te gaan. (Vgl. 33atl' Les, V.)

5 V. Hoeveel deelen worden tot de Biecht ver-eischt van den kant des Biechtelings ?

A. Drie: het berouw, de belijdenis en de voldoening.

Eeeds in de late V. dezer Les is uitgelegd wat die woorden : van den kant des biechtelings , beteekenen.

6 V. Welk is het noodzakelijkste deel van de Biecht ?

A. Het berouw.

7 V. Waarom is het berouw het noodzakelijkste ?

A. Omdat zonder berouw nooit zonden kunnen

vergeven worden.

ocr page 331

327

Het berouw is het noodzakelijkste deel van de Biecht, omdat zonder berouw nooit dadelijke zonden , zoo min dage-lijksche als doodzonden, kunnen vergeven worden. Wel kan men soms vergifl'enis der zonden krijgen zonder belijdenis van zijne zonden te doen aan den Biechtvader, b.v. indien men getroffen door een beroerte van 't gebruik der spraak en andere zintuigen beroofd wordt. Ook kan men zonder voldoening vergiffenis der zonden krijgen , b.v. indien men onmiddellijk na de absolutie sterft, 'tgebruik der rede verliest, enz. Maar zonder berouw kan men nooit vergifïènis van zijne zonden krijgen ; zonder berouw kan men nooit van eenige dadelijke zonde vergiffenis bekomen. Waarom niet ? Omdat God, dien men door die zonde beleedigt, vergramt, vastgesteld heeft nooit eenige dadelijke zonde te vergeven, zonder dat men ze verfoeie, er bedroefd over zij, en het vaste voornemen hebbe ze niet meer te bedrijven. Het gezond, natuurlijk verstand, de rede zelve, zegt ons, dat God met recht berouw eischt over de zonden tegen Hem bedreven, en ze zonder berouw te recht niet vergeeft noch in, noch buiten de Biecht. Veronderstel, een kind heeft zijne ouders beleedigd, is hun ongehoorzaam geweest. Het komt bij vader en moeder vergiffenis vragen , maar antwoordt op hunne vraag : Kind, hebt gij er spijt van, en zult gij het niet meer doen? Neen, ik heb er geen spijt van, en zal 't bij de eerste gelegenheid de beste weer doen. Einderen, ik vraag het u, zal zulk kind vergiffenis krijgen van vader en moederP Blijkbaar, neen. God is een goedertieren en barmhartige Vader jegens eiken berouwhebbenden zondaar, maar te recht vergeeft Hij nooit dadelijke zonden zonder waar berouw van den kant des zondaars. Het berouw is dus het noodzakelijkste deel ook van de Biecht, omdamp;izonder berouw nooit dadelijke zonden kunnen vergeven worden. Christus zegt ons ook nadrukkelijk : „ tenzij gij boetvaardigheid doet, zult gij allen vergaan.quot; Luc. XIII 3. Eenieder zij dus bij het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht bovenal bezorgd een waar berouw te verwekken over zijne zonden.

ocr page 332

328

§ 2.

Van het Berouw.

8 V. Wat is het berouw ?

A. Eene droefheid des harten en eene verfoeiing van de bedrevene zonden, door dewelke men God vergramd heeft, met het vaste voornemen van niet meer te zondigen.

Het waar berouw is eene droefheid des harten, d. w. z., eene droefheid , die , een leedwezen , dat nit het hart, uit den wil, uit het geestelijk deel van den mensch, nl., uit zijne ziel voortkomt. (Ter verduidelijking kan men hier vragen, wat is de mensch ? uit hoeveel deelen bestaat de mensch P Vgl. l5te Les 6^ V.) Dus , ten lstc is het, gelijk 9 V. en A. leert, tot een waar berouw niet genoeg , enkel met den mond te zeggen, dat men zijne zoyiden betreurt en verfoeit. Want het berouw moet uit het hart voortkomen, moet hartelijk, oprecht gemeend zijn. Dus is, ten 2'le, tot een waar berouw eene enkel zinnelijke, gevoelige droefheid, die alleen uit het zinnelijk, gevoelig deel van den mensch voortkomt, ook niet genoeg. Want het waar berouw is uiteraard eene droefheid der ziel; eene droefheid, die nit de ziel, den geest, het hart van den mensch voortkomt, in één woord; eene geestelijke droefheid. Dikwijls werkt deze droefheid ook wel op de zinnen, met name op het gevoel van den mensch, en dan gaat de geestelijke droefheid met de zinnelijke, gevoelige samen. Doch niet zelden is de ware droefheid enkel geestelijk, niet gevoelig; omdat het zinnelijke deel van den mensch niet altijd met het geestelijke meegaat, overeenstemt. Enkel geestelijke droefheid is daarom tot een waar berouw voldoende; zinnelijke, gevoelige is er niet toe noodzakelijk, en alleen er niet genoeg toe.

ocr page 333

329

Het ware berouw is verder eene verfoeiing, d. w. z., een zoodanige haat, af keerigheid van de bedrevene zonden, dat men zon wenschen ze niet bedreven, niet gedaan te hebben. Het waar berouw is eene droefheid des harten en eene verfoeiing van de bedrevene zonden, d. w. z., van alle dadelijke zonden , door dewelke men God vergramd heeft.

Tot een waar berouw is behalve die droefheid des harten en die verfoeiing van de bedrevene zonden , nog noodzakelijk het vaste voornemen van niet meer te zondigen. Immers zonder het vaste voornemen om geene doodzonde meer te bedrijven, kan voornoemde droefheid des harten en verfoeiing van de bedrevene zonden niet werkelijk bestaan. Want in waarheid kan men niet zeggen, dat iemand bedroefd is over zijne zonden, ze haat en verfoeit, als hij ten minste op het oogen-blik, dat hij de H. Absoln tie ontvangt, het vaste voornemen niet heeft van niet meer te zondigen, d. w. ten minste z., geene doodzonde meer te bedrijven. Eveneens kan men in waarheid niet zeggen dat iemand, die sinds zijne laatste goede biecht enkel aan dagelijksche zonden schuldig is, een goed berouw heeft over zijne zonden , indien hij bij het ontvangen der H. Absolutie, niet vast voornemens is ten minste één soort van dagelijksche zonden, waarvan hij zich in de H. Biecht beschuldigt, niet meer op die wijze te bedrijven. (Vgl. lie V.)

Een waar berouw bestaat dus uit twee deelen. Ten le, uit eene droefheid over, en verfoeiing van de bedreven zonden, en ten 2C, uit een vast voornemen van niet meer te zondigen. Omdat - de droefheid over of de verfoeiing van de bedreven zonden, het hoofdbestanddeel, het wezen van een waar berouw uitmaakt, wordt dit eerste deel van 't berouw gewoonlijk kortaf berouw genoemd, enkel en alleen ter onderscheiding , geenszins ter uitsluiting van het tweede deel van het berouw, nl. het voornemen; want ook het goed voornemen is tot een waar berouw noodzakelijk.

ocr page 334

330

Beide deelen, nl. èn berouw en voornemeu moeten zekere eigenschappen of hoedanigheden hebben om hetzij in of builen de biecht, tot vergiffenis der zonden te dienen.

Welke hoedanigheden moet het berouw hebben , m. a. w. : Hoedanig moet het berouui zijn om vergiffenis van de bedrevene zonden te krijgen P

Ten l»te, moet het berouw inwendig, hartelijk , uiterharte gemeend zijn; want tot een waar berouw is het niet genoeg alleen met den mond te zeggen, dat men zijne zonden betreurt en verfoeit, alleen met den mond eene akte van berouw op te zeggen, of uit een kerkboek te lezen , of alleen uitwendige teekens van berouw te geven.

9 V. Is lot een waar berouw genoeg met den mond te zeggen, dat men zijne zonden betreurt en verfoeit ?

A. Neen; het berouw moet uit het hart voortkomen.

Ten 2de, moet het berouw bovennatuurlijk zijn èn in zijne beweegredenen èn in zijn oorsprong of beginsel.

Dit leert ons de Catechismus in de lO'11, en 15quot;1- V.

Dat het berouw bovennatuurlijk moet zijn in zijne beweegreden , leert de lO'i*' V. duidelijk. Immers die luidt:

10 V. Kan men volstaan met een natuuurlijk berouw , bij voorbeeld: omdat men voor zijne zonden van zijne ouders gestraft is? of, omdat men door zijne zonden zijne gezondheid benadeeld , geld en goed , eer en faam verloren heeft ?

A. Neen; men moet bedroefd zijn om eene beweegreden , die door het geloof gekend wordt, bij

ocr page 335

331

voorbeeld : omdat men door zijne zonden God vergramd heeft.

Wat wil het dus zeggen, dat men over zijne zonden bedroefd moet zijn om eene booennatuurlijke beweegreden ? m. a. w., dat het berouw bonennaluurlijk moet zijn in zijne beweegreden ?

D. w. z., dat men over zijne zonden bedroefd moet zijn om eene beweegreden , die door het geloof, en dus niet enkel door het natuurlijk verstand, gekend wordt.

Geef een voorbeeld van eene bovennatuurlijke beweegreden.

Een algemeen voorbeeld van zoodanige beweegreden haalt de Catechismus zelt hier aan, zeggende : bij voorbeeld: omdat men door zijne zonden God vergramd heeft. Meer bijzondere bovennatuurlijke beweegredenen van berouw geeft de Catechism as op in de 17de — lOquot;16 V.

Dat het berouw ook bovennatuurlijk moet zijn in zijn oorsprong of beginsel leert de IS11' V., luidend: kan men een bebouw uit zich zelven, d. i., uit eigen natuurlijke krachten, hebben P

A. Neen , het bebouw is eene gave Gods ; het gaat onze natuurlijke krachten, de natuurlijke vermogens van onze ziel en van ons lichaam te boven ; we hebben er dus Gods hulp , Gods gratie toe noodig; 't is een gave Gods, die we door medewerking met Gods voorkomende gratie, en door gebed moeten verkrijgen.

W ij moeten dus, zoo dikwijls wij te biechten gaan, om een goed berouw bidden. Doen we zulks, dan mogen we ook gerust zijn , dat God ons gebed eiken keer verhooren, ons telkens een waar berouw geven zal; want zijne barmhartigheid is zonder einde, en Hij verlangt den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere en leve.

Het berouw is dus bovennatuurlijk als het uit de gratie Gods voortkomt, en verwekt wordt om eene beweegreden, die door het geloof gekend wordt.

ocr page 336

382

Ten 3'le, moet het berouw algemeen zijn, d. w. z., het moet zich minstens uitstrekken tot alle doodzonden, welke men biechten moet.

In dien zin antwoordt de Catechismus op de

11 V. Over welke zonden moet men berouw heihen ?

A. Ten minste over alle doodzonden, waaraan men plichtig is.

Dns is het berouw niet goed, geen waar berouw, als men wel bedroefd is over eenige, maar niet over alle doodzonden, waaraan men sinds zijne laatste goede Biecht plichtig is.

Waarom is tot een waar berouw noodig dat men bedroefd zij over alle doodzonden , waaraan men plichtig is P

Ten 1«, Omdat de beweegreden, om dewelke men over ééne doodzonde moet bedroefd zijn, ook bestaat voor alle andere, b.v. omdat men er God grootelij ks door vergramd heeft, het recht op den hemel er door verloren , de eeuwige strafi'en der hel er door verdiend heeft, enz.

Ten 2ae, moet het berouw algemeen zijn, omdat ééne doodzonde niet zonder alle andere vergeven wordt; men kan immers niet tegelijkertijd in staat van gratie en in staat van doodzonde, in vriendschap en vijandschap met God zijn. Zoolang dus iemand ook maar aan ééne doodzonde gehecht blijft, de naaste gelegenheid van ééne soort doodzonden niet wil vermijden, over ééne soort van doodzonden geen berouw heeft, kan hij ook van alle overige, waaraan hij plichtig is, geene vergifienis van God verkrijgen.

Onder dit opzicht bestaat er een groot verschil tusschen dood- en dagelijksche zonden, waaraan men plichtig is. Want men kan vergiffenis krijgen van ééne soort dagelijksche zonden, waarover men een waar berouw heeft, bv. van eene opzettelijke leugen, zonder dat men tegelijkertijd bedroefd is over minder vrij willige leugens , of andere soor-

ocr page 337

333

ten van dagelij kache zonden, die men bedreven heeft, bv. van ongehoorzaamheid, oneerbiedigheid in de kerk , enz.

Om dit verschil aan te dniden voegt de Catechismus in zijn antwoord op de ll,le V.: Over welke zonden moet men berouw hebben P opzettelijk er bij : Ten minste over alle doodzonden, waaraan men pliehtig is. Immers hoe wenschelijk het ook zij, dat men berouw hebbe over alle dagelijksche zonden, waaraan men pliehtig is en zich in de Biecht beschuldigt, is dit toch niet noodzakelijk , omdat eene soort dagelijksche zonden kan vergeven worden zonder de andere.

Ten 4'ie, moet het berouw ook nog zijn bovenal, d. w. z., dat men ten minste elke doodzonde als het grootste kwaad dermate verfoeie, dat men liever alles , zelfs het leven zou willen verliezen dan God nog met eene doodzonde vergrammen.

Van deze vierde eigenschap , hoedanigheid , tot een waar berouw noodig, zoowel als de drie vorige, spreekt de Catechismus hier niet uitdrukkelijk, maar elders genoegzaam duidelijk, nl. in de 218te Les, 3lle V. Daar reeds leerden we wat het is God beminnen bovenal. NL Hem zoo beminnen, dat wij liever alles, zelfs het leven willen verliezen dan God met eene doodzonde vergrammen. En aan het einde van de akte van Berouw, welke de Catechismus bl. 77 aangeeft, betuigen we nadrukkelijk : ik maak een vast voornemen liever te sterven dan U te vergrammen door eene doodzonde.

Een waar berouw moet dus vier eigenschappen of hoedanigheden hebben. Het moet zijn ten ls,e, inwendig, hartelijk ; ten 2,lü, bovennatuurlijk èn in zijne beweegreden èn in zijn oorsprong of beginsel; ten 3de, algemeen, en ten 4dlt;-', bovenal.

Nu we weten welke hoedanigheden het berouw — de droefheid — hebben moet, moeten we verder leeren welke hoedanigheden tot een goed voornemen, het tweede deel van een waar berouw , noodig zijn. Dit leert ons de Catechismns in de drie volgende vragen.

ocr page 338

334

12 V. Hoedanig moet het voornemen zijn van niet meer te zondigen ?

A. Zoo vast en sterk, dat men ook bereid is die middelen te gebruiken , welke noodig zijn om de zonden te schuwen.

Dus moet het voornemen van niet meer ie zondigen, d. w. z., niet meer eene doodzonde te bedrijven , ten l'te vast zijn, d. w. z. , dat men den vasten , ernstig , oprecht geineenden wil moet hebben geen doodzonde meer te bedrijven ; dus niet, ik hoop , ik wensch , ik zal trachten , mijn best doen; maar ik kan , ik wil, ik zal.. ..

Ten 2de , sterk , d. w. z. , krachtdadig , werkzaam , zoodat men meewerkt met de gratie Gods om niet meer in doodzonde te hervallen , en dus ook bereid is die middelen te gebruiken, welke noodig zijn om de zonden te schuwen, d. w. z., niet meer te bedrijven , er niet meer in te hervallen. Als hoofdmiddelen om de zonden te schuwen, zijn ons door Jesus zeiven aanbevolen: Waakzaamheid en gebed. „Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt.quot; (Matth. XXVI. 41.) Waakzaamheid over de neigingen van ons hart , over onze zintuigen. Inzonderheid drukt Jesus zelf ons op het hart, de naaste gelegenheid van doodzonde te vermijden, af te breken, wat het ons ook moge kosten. „Ik zeg u — zoo luidt in deze zijn al beslissend woord — indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit, en werp het van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga, dan dat geheel uw lichaam in de hel geworpen worde. En indien uwe rechterhand u ergert, houw haar af, en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga , dan dat geheel uw lichaam ter helle ga.quot; (Matth. V. 29. 30.) Deze woorden van Jesus mogen zeker niet letterlijk worden opgevat, maar moeten in dezen zin verstaan worden: Wat u eene naaste gelegenheid tot zondigen is, moet ge volstrekt vermijden, al was het u ook nog zoo dienstig en nog zoo lief.

ocr page 339

335

Ten 3de moet het voornemen van niet meer te zondigen algemeen zijn in zijn voorwerp en algemeen van tijd; m. a. w., het moet zich uitstrekken tot alle doodzonden en tot geheel den tijd, den duur van ong leven.

Dit blijkt duidelijk uit de twee volgende vragen.

13 V. Welke zonden moet men noodzakelijk voornemen te schuwen ?

A. Ten minste alle doodzonden.

De Catechismus zegt wederom (vgl. V. 11.): Ten minste alle doodzonden; omdat het zeker wenschelijk is, dat men het vaste voornemen make ook alle vrijwillige, voorbedachte dagelijksche zonden te vermijden.

14 V. Foor hoelang moet men voornemen die te schuwen ?

A. Voor altijd.

Een goed voornemen moet dus drie hoedanigheden hebben, nl. zijn ten le, vast, ten 2', sterk en ten 3e, algemeen in zijn voorwerp en algemeen van tijd; anderszins blijft het hart, de wil aan de zonden gehecht; in welk geval er geen spraak van berouw kan zijn.

Tot een goed berouw zijn dus vier, tot een goed voornemen drie hoedanigheden noodig. Indien slechts ééne der opgenoemde hoedanigheden aan het berouw of het voornemen ontbreekt, is het berouw niet goed, niet voldoende om er vergifi'enis van zijne zonden door te verkrijgen. Bijgevolg kan het berouw, als bestaande uit droefheid over en verfoeiing der bedrevene zonden met het voornemen niet meer te zondigen, uit zevender lei gebrek niet goed zijn, nl. ten le, als het niet inwendig, hartelijk gemeend is; ten 2e, als het niet bovennatuurlijk is, enz. Doch deze waarheid moet wel-meenende christenen volstrekt niet beangstigen. Een ieder ,

ocr page 340

336

die rechtzinnig, welgemeend, ter goeder trouw , na zich behoorlijk te hebben voorbereid , gelijk geleerd wordt in de 4e § dezer Les, zijne biecht gesproken heeft en zóó nog spreekt, mag volkomen gerust zijn, dat hij het H. Sacrament der Biecht met een goed berouw ontvangen heeft en nog ontvangt.

15 V. Kan men een herouw uit zich zeiven hebben?

A. Neen ; het berouw is eene gave Gods.

Met vrucht kan men kinderen opmerkzaam maken, dat alle hoedanigheden of eigenschappen van een goed berouw in de akte van Berouw worden aangeduid.

Om hun dit duidelijk te maken , late men eerst een kind de akte van Berouw opzeggen, en vrage daarna: Welke woorden duiden in deze akte aan, dal het berouw a.) inwendig • uiterharte gemeend moet zijn ?

Deze ; „ Mijn Heer en mijn God , het is mij uit den grond van mijn hart leed.quot;

b.) Bovennatuurlijk in zijne beweegreden P

„ dat ik uwe goddelijke Majesteit en goedheid, die ik bovenal bemin, vergramd heb door mijne zonden, (1) ik haat en verzaak die uit liefde tot U.quot; In deze woorden ligt zelfs de beweegreden , waaruit een volmaakt berouw voortkomt, opgesloten. Immers een volmaakt berouw komt voort uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17'le V.) Welnu Gods majesteit en goedheid beteekent hier hetzelfde als: God het opperste goed in zich zeiven.

c.) Algemeen ? „ Het is mij uit den grond van mijn hart leed, dat ik U mijn Heer en mijn God vergramd heb door mijne zonden, d. w. z., ten minste zijn mij alle doodzonden , die ik bedreven heb , van harte leed.

(1) Sommige kinderen zeggen in akte van berouw: ik haak in plaats van ik haat, een bewijs dat ze niet begrijpen wat ze zeggen.

ocr page 341

337

d.) Bovenal ? „ Het is mij uit den grond vnn mijn hart-leed dat ik uwe goddelijke goedheid, die ik bovenal bemin, vergramd heb en ik maak een vast voornemen liever te sterven dan U te vergrammen.quot;

Ziedaar de vier eigenschappen noodig tot een goed berouw, beschouwd als droefheid over, en verfoeiing van de bedreven zonden.

Dat men een berouw, hetwelk de vier voornoemde hoedanigheden in zich vereenigt, niet uit zich zeiven hebben kan, spreekt van zelf; zulk een berouw gaat ontegensprekelijk onze natuurlijke krachten te boven, en moet ons dus door God gegeven worden; 't is eene gave Gods. flet is dus zoo klaarblijkelijk , dat het berouw ook bovennatuurlijk zijn moet in zijn oorsprong of beginsel, dat deze hoedanigheid in de akte van Berouw niet eens behoefde uitgedrukt te worden.

Welke woorden duiden in de akte van Berouw aan, dat het voornememen moet zijn a.) vast ? „ Ik maak een vast voornemen.quot;

b.) sterk ? „ de gelegenheden te schuwen, en liever te sterven dan u te vergrammen.quot;

c.) Algemeen van tijd, en in zijn voorwerp ? „ van voortaan niet meer te zondigen,quot; ten minste geene doodzonde meer te bedrijven.

16 V. Hoevelerlei is het berouw?

A. Tweederlei; het volmaakt berouw en het onvolmaakt berouw.

Omdat zoowel het onvolmaakt als het volmaakt berouw uit twee deelen bestaat, en beide dezelfde hoedanigheden moeten hebben, kan men met vrueht vragen:

Uit hoeveel deelen bestaat het volmaakt berouw?

En uit hoeveel deelen het onvolmaakt berouw?

ocr page 342

338

Welke hoedanigheden moet het volmaakt, welke het onvolmaakt berouw hebben ?

Op beide vragen past hetzelfde antwoord.

Het verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw bestaat ten l',e, in de beweegreden , waarom men over zijne zonden bedroefd is; ten 2'i«, in de uitwerking aan het volmaakt boven het onvolmaakt berouw eigen , en ten 3llc, in het soort berouw dat tot eene goede Biecht noodzakelijk of wenschelijk is. Een onvolmaakt berouw is er toe noodzakelijk, het volmaakt wenschelijk en te betrachten.

Dit alles leeren ons V. 17 — 20.

17 V. Wat is het volmaakt herouw ?

A. Dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed ia zich zeiven.

Volmaakt is het berouw, dat voortkomt uit volmaakte liefde tot God als het opperste goed in zich zeioen. (Vgl. 218te Les, 3lle en 4,if V.) Men heeft dus een volmaakt berouw, indien men bedroefd is over zijne zonden , en ze verfoeit met het voornemen niet meer te zondigen, omdat men God, het opperste goed in zich zeiven, er door beleedigd , vergramd heeft. Zulk een berouw hadden b. v., David (vgl. 3(ic V.), Maria Mag-dalena, de H. Apostel Petrus, de goede moordenaar.

18 V. Wat is het onvolmaakt herouw?

A. Dat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden.

Gelet op het vorige antwoord, had men kunnen verwachten, dat de Catechismus op de vraag : Wat is het onoolmaakt berouw ? zou hebben geantwoord: Onvolmaakt is het berouw, dat alleen of vooral voortkomt uit eene onvolmaakte liefde tot God. (Vgl. 215te Les, 4lle V.)

Het antwoord, dat de Catechismus geeft: Onvolmaakt is

ocr page 343

339

het berouw , dat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden, komt wel op hetzelfde neer, maar zegt uitdrukkelijk meer dan het antwoord , dat men , gelet op de vorige vraag, had kunnen verwachten.

Immers uit dit antwoord van den Catechismus blijkt ten l'te, dat het onvolmaakt berouw ook uit eene bovennatuurlijke beweegreden moet voortkomen ; dat het onvolmaakt zoowel als het volmaakt berouw , bovennatuurlijk moet zijn in zijne

beweegreden. (Vgl. 10Je V.)

Ten 2lIe, dat het verschil tusschen het onvolmaakt en volmaakt berouw voornamelijk bestaat in de beweegreden, waarom men over zijne zonden bedroefd is. Heeft men een volmaakt berouw, dan is men over zijne zonden bedroefd omdat men God het opperste goed in zich zeiven er door vergramd heeft. (17Je V.) Heeft men een onvolmaakt berouw, dan is de beweegreden , waarom men over zijne zonden bedroefd is, ze verfoeit met het vaste voornemen niet meer te zondigen , eene andere, niet slechts minder volmaakte, maar in vergelijking met de beweegreden , waaruit het volmaakt berouw voortkomt, bepaald onvolmaakte beweegreden. De beweegreden, waaruit het volmaakt berouw voortkomt, is enkel en alleen deze: omdat men God als het opperste goed in zich zeiven door zijne zonden vergramd heeft. Beweegredenen, waaruit een onvolmaakt berouw kan voortkomen, zijn er meerdere, verschillende. Daarom zegt de Catechismus verder :

19 V. Noem eenige van die bovennatuurlijke beweegredenen.

A. Het verlangen naar den Hemel , — de vrees der straffen , die de zonden bij God verdienen.

De V. is op deze wijze aan te vullen :

ocr page 344

340

Noem eenige van die andere bovennatuurlijke beweegredenen dan de beweegreden, waaruit het volmaakt berouw voortkomt.

Uit het A. volgt, dat men een onvolmaakt berouw heeft, als men over zijne zonden bedroefd is, omdat men door zijne dood-zonden het recht op den hemel verloren en de straffen der hel verdiend heeft; omdat men door zijne dagelijksche zonden tijdelijke straffen bij God verdiend heeft, hier of hiernamaals te ondergaan.

De twee door den Catechismus hier aangehaalde beweegredenen van berouw en andere soortgelijke, b.v., de afschuwelijkheid der zonden om de ondankbaarheid, het verzet, den opstand tegen God , die er in liggen opgesloten; het lijden, dat Jesus uit liefde tot ons er om heeft onderstaan, enz., zijn blijkbaar Aacesnatuurlijke beweegredenen; want zij worden door het geloof gekend (lO' V.) Ontegenzeggelijk zijn ze ook minder volmaakt dan de beweegreden , waaruit het volmaakt berouw voortkomt, ja, in vergelijking met deze beweegreden zijn ze bepaald onvolmaakt te heeten. Immers, als zoodanig , komen ze niet voort uit eene volmaakte liefde tot God als het opperste goed in zichzeloen , maar uit eene onvolmaakte liefde tot God, m. a. w., in zoover God onze gelukzaligheid uitmaakt, de fontein onzer zaligheid is. (5e Les 9e en 10e V.) Derhalve is het berouw, dat vooral, voornamelijk voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden, dan de liefde tot God als het opperste goed in zich zeioen, ook uit zijn aard zelf onvolmaakt. Uit het bijwoord vooral hetwelk in het antwoord op de IS116 V. voortkomt: onvolmaakt is het berouw „dat vooral voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegredenquot;, blijkt ten 3e (zie ten I8quot;' en ten 2lIe, 18Je V.), dat, wanneer ons berouw vooral, voornamelijk voortkomt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden dan de liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven, ons berouw onvolmaakt is en blijft; doch, wel kan men door eene onvolmaakte beweegreden van berouw tot de volmaakte opklimmen, komen. Wanneer eene onvolmaakte beweegreden met de

ocr page 345

341

volmaakte samengaat, is het berouw inderdaad volmaakt. Het volmaakt berouw toch sluit onvolmaakte beweegredenen van berouw volstrekt niet uit. Meestal zelfs zijn deze juist als zoovele trappen om tot het volmaakt berouw op te klimmen, te geraken. Inzonderheid is de liefde door Jesus ons betoond in zijn lijden, om onze zonden onderstaan, eene naaste overgang tot berouw uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven.

Zonder zoo nauw acht te geven op de woorden van den Catechismus, kan het hoofdverschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw worden uitgelegd door te zeggen: Is de beweegreden van het berouw, dat we hebben over onze zonden, Gods oneindige volmaaktheid of goedheid in zich zeioen, dan is ons berouw volmaakt, even gelijk onze liefde tot God hier op aarde volmaakt is, als we God beminnen omdat Hij het opperste goed in zich zeioen is. Want volmaakt is het berouw , dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed in zich zei ven. (17e V.)

Is de beweegreden van berouw over onze zonden alleen of vooral eene onvolmaakte liefde, dan is ons berouw onvolmaakt, even gelijk onze liefde tot God onvolmaakt is, als we Hem vooral of alleen beminnen omdat Hij goed is jegens ons. (Vgl. 21e Les, 4C V.)

Bemoedigend, troostrijk is het reeds voor ons zwakke men-schen, dat elke waarlijk bovennatuurlijke beweegreden van berouw voldoende is om met de Biecht vergiffenis onzer zonden te verkrijgen. Immers door elke wezenlijk bovennatuurlijke beweegreden van berouw wordt de zondaar waarachtig afkeerig van zijne zonden en keert, met hoop op vergeving, door eene ten minste beginnende liefde tot God terug, van wien hij zich door zijne zonden afgewend of verwijderd had.

Het eerste en voornaamste verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw bestaat dus in de beweegreden, waaruit ze voortkomen.

C 22

ocr page 346

342

Het ticeede verschil bestaat in de uitwerking aan het volmaakt boven het onvolmaakt berouw eigen, en het derde in het soort berouw, dat tot eene goede Biecht noodzakelijk is, of gewenscht mag heeten.

Het tweede verschil wordt duidelijk uit de 20 V. Wat kracht heeft het volniaaM berouw meer dan het onvolmaakt berouw ?

A. Dat het volmaakt berouw de zonden vergeeft zonder de Biecht, en het onvolmaakt berouw met de Biecht.

Geeft wel acht op dit antwoord; want de Catechismus zegt in volle waarheid: dat het volmaakt Berouw de zonden vergeeft zonder de Biecht, maar hij leert geenszins, dat wij , zonder den wit te hebben om te biechten als we kunnen, vergiffenis van eenige doodzonde kunnen verkrijgen. Daarom zou hij grovelijk dwalen, die zou denken: ik zal die doodzonde maar niet biechten; ik zal er maar een volmaakt berouw over verwekken; dan wordt ze toch vergeven. Geheel deze redeneering is zoo valsch mogelijk. Immers wij kunnen geen volmaakt berouw verwekken zonder den wil te hebben van te biechten, als we kunnen. Want het volmaakt berouw komt voort uit liefde tot God als het opperste goed in zich zeiven. (17Je V.) Het volmaakt berouw vereischt dus ten minste, dat men alles wil doen wat God op doodzonde gebiedt. Welnu, Christus, waarachtig God, gebiedt, wil op doodzonde, dat wij alle doodzonden, die we na het Doopsel gedaan hebben, eens biechten, als we kunnen. (Vgl. 32«tc V.)

Derhalve kunnen wij zonder den wil te hebben van te biechten als we kunnen, niet alleen geen volmaakt, maar zelfs geen onvolmaakt berouw hebben over onze zonden , en dus zonder dien wil er geene vergi(t'enis van bekomen. Daarom leert dan ook de Kerkvergadering van Trente nadrukkelijk. (T. a. p. hfdst. IV.) „Die verzoening echter moet

ocr page 347

343

niet worden toegeschreven aan het berouw zelve, zonder den wil van het H. Sacrament der Biecht te ontvangen , welke wil in een volmaakt beronw ligt opgesloten.quot; Dus ia de wil van te biechten, althans zoover deze in het volmaakt berouw stilzwijgend is opgesloten, (vgl. SIquot;' Les, 7de V.) noodzakelijk om een volmaakt berouw te kunnen hebben.

Dit blijkt te over uit de twee volgende vragen.

21 V. Als men in gevaar is van sterven en niet kan biechten, kan men dan vergiffenis krijgen van zijne doodzonden ?

A. Ja, door een volmaakt berouw met den wil

van te biechten.

22 V. Moet men dan de doodzonden, die door een volmaakt berouw vergeven zijn , nog biechten ?

A. Ja , als men zulks kan.

De hoofdreden hiervan is, dat Christus wil, dat alle doodzonden , die na het Doopsel gedaan zijn, eens gebiecht worden. (32ste V.)

Deze waarheid is soms voor angstvallige zielen een oorzaak van voortdurende onrust en verwarring; zij willen onophoudelijk hunne zonden opnieuw biechten uit vrees, dat ze soms een of andere zonde hebben vergeten, of niet goed gebiecht, omdat zij zich daarvan niets meer herinneren. Dat alle zonden eens gebiecht moeten worden, slaat enkel op doodzonden , die men als dusdanig kent en niet gebiecht heeft; wat zeker het geval niet zijn zal, wanneer de biechtvader verbiedt ze opnieuw te biechten; en mocht bij toeval aldus eene zonde niet gebiecht zijn, dan zal die bij God als eene onschuldig vergetene worden aangezien, welke door elke absolutie vergeven wordt. Zij hebben dus zich ook hier te onderwerpen en blindelings te gehoorzamen. (Vgl. vr. 24, 31, 32.)

ocr page 348

344

Het derde verschil tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw wordt opgehelderd door het tweede lid van het antwoord op de 20quot; V., nl., dat het onvolmaakt berouw de zonden vergeeft

met de Biecht.

Tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht is een onvolmaakt berouw noodzakelijk, maar tevens voldoende.

Het volmaakt beronw is daartoe niet noodzakelijk, maar zeker gewenscht. Immers , ontvangt men het H. Sacrament der Biecht met een volmaakt berouw, dan krijgt men door dit Sacrament vermeerdering der heiligmakende gratie, en meerdere kwijtschelding van tijdelijke strafien. (Vgl. 3' V.)

Trachten we dus, zoo dikwijls we te biechten gaan , een volmaakt berouw te verwekken. Overwegen we te dien einde de dankbaarheid die we den algoeden God schuldig zijn, maar door onze zonden miskend hebben; overwegen we vooral het lijden van onzen Heer en God Jesus Christus, voorts zijne oneindige goedheid, en we zullen, door Gods genade geholpen, gemakkelijk tot een volmaakt berouw komen. (Vgl. Aanhangsel bl. : 6 , 3°)

Wonen we te dien einde eerbiedig en aandachtig de H. Mis bij , of doen wij den Kruisweg als voorbereiding tot de H. Biecht. Laten onze omstandigheden dit niet toe, bidden we dan God op eenige andere wijze vurig en vertrouwvol om een volmaakt berouw, en God zal in zijne oneindige barmhartigheid ons gebed verhooren. Immers Hij verlangt niets meer, dan dat wij Hem volmaakt, uit geheel ons hart, liefhebben en beminnen.

Mochten we ooit, over dag of des nachts, het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven, verzuimen we dan toch niet, aanstond», en 's morgens bij het opstaan , en 's avonds voor het slapen gaan, een akte van volmaakt berouw te bidden, om niet in staat van doodzonde door den dood overvallen te worden; maken we ook dadelijk het besluit om zoodra mogelijk te biechten te gaan. (Vgl. 4e V.)

ocr page 349

345

Nota. Inleiding tot § 3.

Van den kant des Biechtelings worden er, gelijk we uit de 5'' V. dezer les leerden, drie deelen tot de Biecht ver-eischt: het berouw , de belijdenis en de voldoening.

Een waar berouw en rechtzinnige belijdenis zijn wezenlijke deelen van het H. Sacrament der Biecht, behooren tot des-zelfs wezen. De voldoening is uit haar aard een voltooiend, volmakend deel der H. Biecht, doch een wezenlijk deel in zoover men op den oogenblik der H. Absolutie den wil moet hebben de penitentie te volbrengen, welke de Biechtvader heeft opgelegd. Want zonder dien wil, kan men geen waar berouw hebben over alle doodzonden, waaraan men plichtig is. In de Biecht zelve den wil hebben zijne penitentie niet te volbrengen, is eene doodzonde. Immers die wil sluit den wil in , het Sacrament der Biecht van zijn voltooiend, volmakend deel te berooven, het Sacrament der Biecht als verminkt te ontvangen; iets wat blijkbaar eene onteering van dat Sacrament zijn zon. Dns, indien men dien boozen wil bij de Biecht zou hebben, kan men ook geen algemeen berouw, dus geen waar berouw hebben over zijne zonden.

Handelde de 2e § over het Berouw , de volgende handelt over de Belijdenis en de Voldoening.

§ 3-

Yan de Belijdenis en de Yoldoening.

23 V. Wat is de belijdenis ?

A. Eene droevige bekentenis van zijne zonden aan den Biechtvader, om er de absolutie van te ontvangen.

De Belijdenis is ten 1« eene droevige bekentenis, d. w. z., eene rouwmoedige aanklacht of beschuldiging van zijne zonden met het inzicht om er de absolutie van te ontvangen.

ocr page 350

346

Men kan er de absolutie niet van ontvangen zonder berouw. (Vgl. 7? V.) Dus moet, op zijn minst genomen, de bekentenis althans op den oogenblik, waarop men de absolutie ontvangt, met een waar berouw vereenigd worden, gepaard gaan. (Vgl. 8e V.) Zijne zonden louter verhalen , ze vertellen als eene geschiedenis, waarin men vooral lang en breed doet uitkomen hoezeer men door dezen of genen miskend is, dat men door de hevigheid der bekoring of door deze of gene omstandigheid tot de zonde vervoerd is, enz., lijkt dus weinig of niet op de droevige bekentenis van zijne zonden, waaruit do Belijdenis , ten lste, bestaat. (Zie verder 438te V.) De Belijdenis is eene droevige belijdenis /en 2lt;ie van zijne eigene zonden , d. w. z. , van de zonden die we zelf bedreven hebben, of, die wel door anderen bedreven zijn, maar ons mede aangerekend worden, omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben, b.v. door aanraden, besehermen, gebieden enz. (Zie 41stE Les, l8tc en 2lle V.)

Overigens mag men in de biecht een ander niet beschuldigen, de zonden van een ander niet vertellen ; want de biecht is slechts eene beschuldiging van zich zeiven. (Zie ■:t.5s,e V.)

De Belijdenis is eene droevige bekentenis van zijne zonden aan den Biechtvader ten 3,le, om er de absolutie van te ontvangen. Indien men dus enkel en alleen in den biechtstoel gaat om van den Biechtvader in deze of gene aangelegenheid raad in te winnen , of om getroost, opgebeurd te worden in eene of andere droevige omstandigheid waarin men zich bevindt, dan is dergelijke vertrouwelijke openbaring geene eigenlijk gezegde Biecht of Belijdenis.

De voornaamste, allernoodzakelijkste hoedanigheid der Belijdenis is , dat ze rechtzinnig zij. Immers is de Belijdenis rechtzinnig, dan zal ze van zelf nederig en oprecht (43ste V.), en, zooveel noodig, volledig zijn. In hoeverre de Belijdenis volledig moet zijn , leert de volgende vraag.

24 V. Welke zonden moet men biechten, belijden ?

ocr page 351

347

A. Alle doodzonden , aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft.

Om het H. Sacrament der Biecht waardig te ontvangen, moet men alle doodzonden biechten, ten lquot;e, aan welke men zich na een naarstig onderzoek/van geweten plichtig bevindt.

Welk of hoedanig onderzoek van geweten , van conscientie wordt er dus tot eene goede Biecht vereischtP

Een naarstig onderzoek, een zorgvuldig nadenken. (Vgl.

ggste v.)

Hoedanige, hoe groote naarstigheid of zorg moet men aan het onderzoek zijner conscientie besteden?

Greene angstvallige, maar eene redelijke zorg, d. i., zoodanige naarstigheid als een wijs, verstandig mensch in het onderzoeken, nagaan van eene zaak van gewicht gewoon is aan te wenden; dus meer bepaald : zoodanige zorg als, met inachtneming van ieders staat en toestand, zonder te veel moeite of inspanning, voldoende is om zich alle doodzonden te herinneren, die men belijden moet.

Hieruit volgt, dat niet allen verplicht zijn evenveel zorg en tijd aan het onderzoek van conscientie te besteden.

Een naarstig onderzoek stelt zeker hij niet in, die er zoo maar terloops, voor evenveel orerheengaat, die naar 't getal of de soort zijner zonden als in 't volle honderd heenslaat. Zulk onderzoek is zorgeloos, in plaats van zorgvuldig en naarstig.

Waarvan hangt het af, of iemand korter of langer zijne conscientie moet of behoort te onderzoeken ?

Voornamelijk van deze drie omstandigheden: ten lste, of het kort of lang geleden is dat men het H. Sacrament der Biecht waardig ontvangen heeft, te biechten is geweest.

Ten 2de, of men in tusschentijd zich aan geene, weinig of vele doodzonden heeft schuldig gemaakt.

ocr page 352

348

Ten 3ae, of men een geregeld godsdienstig leven leidt, en eiken avond, gelijk de Cateohismns in 't Avondgebed aanwijst, zijn geweten onderzoekt, overdenkt hoe men den dag heeft doorgebracht, of wel aan dat christelijk gebruik te kort blijft.

Hoe men in voorbereiding tot de Biecht het best zijn geweten onderzoekt, wordt gezegd in 'IA. op de 398tc V.

Het antwoord op de 24ste V.; Welke zonden moet men biechten ? volmaakt de Catechismus door er ten 2i1quot; bij te voegen : en die (nl. alle doodzonden, die) men nog niet goed gebiecht heeft. Want, die men ééns goed gebiecht heeft, is men niet verplicht andermaal te belijden ; eenmaal volledig en rechtstreeks door de Biecht vergeven , moet men ze niet meer, is men niet meer verplicht ze opnieuw te biechten.

Nochtans is het heilzaam en raadzaam, zich er opnieuw van te beschuldigen , zijn berouw er over te vernieuwen , en opnieuw er de H. Absolutie over te ontvangen, omdat men door de herhaalde Absolutie vollediger kwijtschelding krijgt van de tijdelijke straffen, die er van overbleven, en door het vernieuwd berouw en de herhaalde Belijdenii meer gevestigd wordt in den haat en afschuw der zonden, en eindelijk omdat men dusdoende zeker waardig de H. Absolutie ontvangt, als men ginds zijne laatste goede Biecht alleen dagelijksche zonden te biechten heeft. (33ste V.) De Catechismus antwoordde : Alle doodzonden , en vraagt nu verder.

25 V. Moet men dagelijksche zonden ook biechten ? A. Dit ia niet noodzakelijk, maar zeer voordeelig.

Het is niet noodzakelijk dat men dagelijksche zonden ook biechte; want ten lste, Christus heeft dit niet als gebod opgelegd , en ten 2l,e, kan men door vele andere middelen er vergiffenis van verkrijgen. (Vgl. Cone. v. Trente, t. a. p., hfdst. V. , en 16Je Lea, 5de V.)

ocr page 353

349

Maar het is zeer voordeelig , nuttig en heilzaam, dat men dagelijksche zonden ook biechte.

Waarom is het voordeelig dagelijksche zonden te biechten P

Om verscheidene redenen. Vooral omdat men door de Biecht, ten l»te, er zekerder en vollediger vergiffenis van verkrijgt. (Vgl. 16'i« Les , 5'111 V.)

Ten 2de, ook meerdere kwijtschelding van tijdelijke straffen.

Ten 3,le, overvloediger dadelijke gratiën om er niet meer, gelijk vroeger, in te hervallen.

Ten 4lt;ie, omdat het in sommige gevallen, bijzonder betrekkelijk het tweede, vijfde , zesde, zevende en negende gebod moeielijk is dagelijksche zonden van doodzonden te onderscheiden, te bepalen of deze en gene overtredingen dier geboden slechts dagelijksche of wezenlijk doodzonden zijn.

Ten 5''«, opdat de Biechtvader beter over den staat onzer consciëntie kunne oordeelen , onze hoofdfout aanwijzen , en waarschuwen tegen die soorten van dagelijksche zonden, die uit haar aard ons gereed maken tot meerderen val, gelijk bijzonder het geval is met gewoonte van liegen, met dieverijen, met zinnelijkheid , enz.

26 V. Hoe moet men zijne zonden biechten ? A. Met getal en omstandigheden.

Vraag en antwoord slaan duidelijk alleen op cfoorfzonden. Want 'tis geen moet, niet noodzakelijk, dat men dagelijksche zonden ook biechte; dus is het zeker niet noodzakelijk, dat men deze met getal of omstandigheden belijde. Maar, evenals het zeer voordeelig is dagelij ksche zonden ook te biechten, is het ook heilzaam ze met getal te biechten , en met die omstandigheden, waaruit de Biechtvader den waren staat onzer conscientie beter en beter kan leeren kennen ; al het overige behoort men achterwege te laten. Ter nadere toelichting zij vooral Eeligieuzen de lezing en herlezing aanbe-

ocr page 354

350

volen van hfdat. XIX, 2'le d. der Inleid, tot een godoruchtig leven van den H. Franciscns de Sales.

In de twee volgende vragen leert de Catechismus, wat het zeggen wil biechten met getal en omstandigheden.

27 quot;V. Wat is biechten met getal?

A. Zeggen, hoe dikwijls men de zonde van dezelfde soort gedaan heeft, of meent gedaan te hebben.

Biechten met getal is, zeggen , hoe dikwijls men de zonde van dezelfde soort gedaan heeft, bv., hoe dikwijls men zeker •weet een groeten vloek, onknischheid gedaan te hebben enz. Indien men, na een naarstig onderzoek van geweten , het jniste getal niet kan bepalen , dan is het genoeg te zeggen hoe dikwijls men meent dezelfde zonde bedreven te hebben, bv. drie of vijfmaal enz. en er bij te voegen minder of meer. Kan men , bv. tengevolge van eene gewoonte van in dezelfde zonden te hervallen , het getal zelfs niet ten naaste bij bepalen door bijvoeging van: zoo dikwijls min of meer, dan is het genoeg te zeggen, hoe dikwijls men eiken dag, of elke week , of maand, in welke omstandigheden vooral, men gewoonlijk die zonden bedreef.

28 V. Welke omstandigheden moet men bij de zonden voegen ?

A. Die omstandigheden , welke de zonden merkelijk veranderen.

Dus zeker, ten 1«, die omstandigheden, welke op haar eigen eene nieuwe doodzonde van anderen aard uitmaken. B.v., iemand steelt kerkelijk goed van zooveel waarde, dat de diefstal op zich zelf eene doodzonde is tegen het zevende gebod. (28e Les, le en 5'- V.) Immers de omstandigheid, dat het gestolen goed kerkelijk goed is, verandert de zonde van diefstal merkelijk , en maakt op haar eigen een nienwe doodzonde van

ocr page 355

351

anderen aard uit. Van melken aard? Van eene heiligschennis , grootelijks strijdig tegen het eerste gebod , en wel bepaald van zakelijke heiligschennis. {22' Les 8e V.) Een kind vergeet zijn plicht jegens vader of moeder zoo verregaande, dat het hun in zijn hart een groot kwaad , b.v. den dood, toewenscht. Zulk ontaard kind voldoet niet met te biechten, dat het iemand, wezenlijk gemeend, een groot kwaad heeft toegewenscht, maar moet er bijzeggen, dat het vader of moeder groot kwaad heeft toegewenscht. Deze omstandigheid toch verandert de doodzonde , welke verondersteld kind tegen het vijfde gebod bedreef (27e Les, 3C V.), merkelijk, en maakt op haar eigen eene nieuwe soort doodzonde uit, nl., tegen het vierde gebod. (26e Les, 4e V.) Gelijksoortige reden geldt, indien iemand eene doodzonde bedrijft tegen de heilige deugd van zuiverheid met bloed- of aanverwanten.

Ten 2C, die omstandigheden, welke van eene dagelijksche zonde eene doodzonde maken. Daarom zou b.v. iemand, die op Zon-of feestdagen onder een merkelijk deel van de H. Mis uiterlijk oneerbiedig is geweest, niet volstaan met te biechten: ik heb op een werkdag niet goed de H. Mis bijgewoond. Want de omstandigheid van tijd verandert in dit geval de zonde merkelijk. Op werkdag was die oneerbiedigheid eene dagelijksche zonde, maar op Zon- en feestdagen, waarop men verplicht is de H. Mis bij te wonen, gelijk het behoort, (25e Les, 8e V.), met goede manieren (29= Les, 5 V.), is die oneerbiedigheid eene doodzonde. Daarom zou ook iemand, die als uit scherts, zich eene lichtzinnige uitdrukking of vrijheid zou veroorloven, maar met het inzicht, de bedoeling, om een ander tot groote zonde tegen de heilige deugd te verleiden, over te halen, grootelijks zondigen. Want, verondersteld, dat die zegs- of handelwijze op zich zelve beschouwd, maar eene dagelijksche zonde zij, is ze toch eene doodzonde om de booze bedoeling, het slechte inzicht, waaruit diezegs-of handelwijze voortkwam.

Alle doodzonden, die men nog niet goed gebiecht heeft,

ocr page 356

352

moet men biechten met getal, en die omstandigheden , welke de zonden merkelijk veranderen, omdat men anders niet alle doodzonden zou belijden, welke, volgens Christus' gebod, in de H. Biecht moeten beleden worden, om er vergifi'enis van te verkrijgen.

29 V. Is het groot kwaad vrijwillig, bij voorbeeld: uit schaamte, eene doodzonde in de Biecht te verzwijgen ?

A Ja, het is eene groote doodzonde van heiligschennis ; en men krijgt geene vergiffenis van de zonden , die men gebiecht heeft.

Vrijwillig, b.v., uit schaamte of uit eene andere soortgelijke beweegreden , ééne doodzonde in de Biecht te verzwijgen, of zóó te bewimpelen , te verontschuldigen , dat de Biechtvader ze als eene dagelijksche zonde moet opnemen , beoor-deelen, b.v., omdat men zegt dezo of gene uiteraard groote-lijks zondige daad, half slapend, zonder volkomen toestemming te hebben bedreven , terwijl men ze toch met genoegzaam bewustzijn, geheel vrijwillig bedreven heeft, — is eene groote doodzonde van heiligschennis. Immers men onteert op die wijze het H. Sacrament der Biecht, ontegenzeglijk eene heilige zaak {22' Les, 8C V.) , en men krijgt geene vergiffenis van de zonden , die men overigens goed gebiecht heeft, juister gezegd, goed zou gebiecht hebben. Want blijkbaar ontbreekt in dit geval èn het waar berouw (vgl. 11= V.), èn de allernoodzakelijkste hoedanigheid der Belijdenis , de rechtzinnigheid en volledigheid. (23e V.)

30 V. Wat moet hij doen, die eene doodzonde vrijwillig verzwegen heeft ?

A. Hij moet ten 1. de zonden biechten, welke hij Terzwegen heeft; ten 2. de heiligschennissen belijden,

ocr page 357

353

waaraan hij schuldig mocht zijn; en ten 3. zich opnieuw beschuldigen van alle doodzonden, welke nog niet in eene goede Biecht beleden zijn.

Die, door den duivel misleid, vrijwillig eene doodzonde verzwegen heeft, moet, ten lste, de zonden, biechten, welke hij verzwegen heeft, b.v. van onknisohheid , onrechtvaardigheid , of welke andere ook.

Ten 2de, moet hij de heiligschennissen belijden, waaraan hij schuldig mocht zijn , ja is, zoo dikwijls hij met bewustzijn van zijne onwaardigheid de fl. Absolutie, deH. Communie ontving, Hij dient er ook acht op te geven, of hij soms in dien toestand het H. Vormsel, of in gevaar van sterven het H. Oliesel ontvangen heeft, of hij bediend is geweest. Want aan zoovele heiligschennissen zon hij schuldig zijn.

En ten 3lle, moet hij zich opnieuw beschuldigen van alle doodzonden, welke nog niet in eene goede Biecht beleden zijn. Want van degene , welke hij in eene slechte Biecht beleden heeft, kreeg hij geene vergiffenis. (29ste V.) En toch moet men, om er vergiffenis van te krijgen , volgens Christus gebod , alle doodzonden, die men na het Doopsel gedaan heeft, eens goed biechten. (Vgl. 32'quot; Antw.)

Zoo iemand behoort er ook op te letten , of hij soms den paaschtijd in dien toestand heeft doorgebracht; want zoo ja, dan heeft hij niet aan zijn paaschplicht voldaan. (Vgl. 29ate Les, llde V.) Uit al hetgeen hij doen moet, die eene doodzonde vrijwillig verzwegen heeft, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat het veel gemakkelijker is altijd rechtzinnig te biechten, dan ooit vrijwillig eene doodzonde te verzwijgen; ■want, wil men niet naar de hel gaan, dan moet men de verzwegen zonde toch eens biechten, en geheel den nasleep van dien : de heiligschennissen, enz. Bovendien is deze eenmaal bedreven heiligschennis, zoolang als ze niet hersteld is, voor den schuldige eene voortdurende foltering; de knagende worm van zijn geweten laat hem rust noch vrede. Die het

ocr page 358

354

ongeluk mocht hebben zich in zulken droevigen toestand te bevinden , herstelle toch spoedig zijne slechte Biecht; roepe Maria, de Moeder van Barmhartigheid, met vertrouwen aan. Zij , de hoop der hopeloozen , zal hem moed verkrijgen om alles rechtzinnig te belijden, en de Biechtvader zal hem met open armen ontvangen , hem in alles te hulp komen , als de ongelukkige maar dadelijk zegt: Eerw. Vader, ik heb den vorigen keer, of sinds zoolang niet goed gebiecht, eene doodzonde vrijwillig verzwegen. ... Geen grooter troost voor een Biechtvader, dan het geluk te hebben een verloren schaap weer tot Jesus te kunnen terugbrengen. „Ik zeg u: evenals een herder zich verheugt, als hij een verloren schaap heeft wedergevonden), evenzóó zal er in den hemel, (bij de Engelen Gods) blijdschap zijn over éénen zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene bekeering noodig hebben.quot; (Vgl. Luc. XV. 7. 10.)

Kinderen, mocht iemand uwer vóór, bij, of na zijne eerste H. Communie het ongeluk gehad hebben vrijwillig eene doodzonde te verzwijgen, hij bidde eens een hartelijk „ Wees gegroet ,quot; en herstelle zoodra mogelijk zijne heiligschennis. Blijde zal hij zijn , als dit pak van zijn hart af is! Geeft ten minste door een zucht, of anderszins den Biechtvader te kennen, dat u iets bezwaart, die zulks merkende u verder ondervragen zal.

In deze vraag was er spraak van eene doodzonde, die' men vrijwillig verzwegen heeft.

De volgende vraag handelt over onvrijwillig vergeten doodzonde , er luidt;

31 V. Is de Biecht goed, waarin men onschuldig eene doodzonde vergeet ?

A. Ja, zulke biecht is goed; en men krijgt ook vergiffenis van de zonde, die men onschuldig vergeten heeft.

ocr page 359

553

Zulke Biecht, waarin men onschuldig eene doodzonde vergeel te belijden, is goed, en men krijgt ook, krachtens het H. Sacrament der Biecht, wel niet rechtstreeks maar zijdelings , vergiffenis van de zonde, die men onschuldig vergeten heeft te belijden.

32 V. Moet men die vergetene doodzonde nog biechten, als men ze later indachtig wordt ?

A. Ja , want Christus wil, dat alle doodzonden , die na het Doopsel gedaan zijn, eens gebiecht worden.

Als men die vergetene doodzonde indachtig wordt vóór de H. Communie, dan is het geraden, als men goedschiks, zonder merkelijk bezwaar kan, tot den Biechtvader terug te keeren, m. a. w., die vergetene doodzonde vóór de H. Communie te belijden , en er de H. Absolutie over te ontvangen. Maar, als men dat niet gevoeglijk kan, er geen geschikte gelegenheid toe heeft, dan mag men toch gerust te Communie gaan; want men heeft, krachtens zijne goede Biecht, ook vergiffenis gekregen van die doodzonde, welke men onschuldig vergeten had. Dan is 't voldoende , dat men die vergeten doodzonde in de eerstvolgende Biecht belijde, en er rechtstreeks de H. Absolutie over ontvange.

33 V. Waarop moet men bijzonder acht geven, als men alleen dagelijkse/ie zonden te biechten heeft ?

A. Dat men niet zonder een oprecht berouw en voornemen het H. Sacrament der Biecht mag ontvangen, en daarom is het raadzaam alsdan over eene reeds vergevene doodzonde zijn berouw te vernieuwen , en die er bij te voegen.

Als men sinds zijne laatste goede Biecht alleen dagelijksche zonden te biechten heeft, is het zeker zaak er bijzonder acht op te geven , er op bedacht te zijn , er op te letten, dat men het H. Sacrament der Biecht niet mag ontvangen zonder

ocr page 360

356

een oprecht berouw over, en voornemen van ten minste ééne der dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigt, niet meer op die wijze, als vroeger, te bedrijven. Want als men het H. Sacrament der Biecht zou ontvangen zonder waar berouw over en zonder voornemen van ten minste ééne der dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigt, niet meer op die wijze, als vroeger, te bedrijven, zou men zich aan eene heiligschennis plichtig maken, en dus in staat van gratie den biechtstoel ingaan, en in staat van doodzonde er uitkomen. En daarom , d. w. z., om zeker dit gevaar te voorkomen, en zeker waardig de H. Absolutie te ontvangen, is het raadzaam alsdan, d. w. z., ten minste als men sinds zijne laatste goede Biecht, alleen dagelijksche zonden te biechten heeft, over eene reeds vergevene doodzonde, voor dat men den Biechtstoel ingaat of ten minste eer de H. Absolutie is uitgesproken, zijn Berouw te vernieuwen en die vergevene doodzonde te voegen bij de dagelijksche zonden, waarvan men zich beschuldigd heeft. (Vgl. 21« V.) Die reeds vergevene doodzonde behoeft men niet meer met getal en omstandigheden te biechten ; 't is genoeg, dat men zegge; bovendien beschuldig ik mij van de zonden, die ik vroeger, b.v. tegen de heilige deugd van kuischheid , bedreven heb.

Is men zoo gelukkig, dat men zich niet bewust is ooit eene doodzonde bedreven te hebben , dan is het geraadzaam bij de dagelijksche zonden, die men gewoonlijk bedrijft, er eene soort bij te voegen, die men vroeger bedreven, en waarover men op lateren leeftijd meer zeker berouw heeft, b.v. van ongehoorzaamheid aan vader en moeder, van oneerbiedigheid in 't gebed, van leugentaal enz.

34 V. Wat is men nog verplicht te doen, als men de absolutie ontvangen heeft ?

A. Men moet de penitentie of voldoening volbrengen , welke de Biechtvader heeft opgelegd.

ocr page 361

357

Na met een waar berouw en rechtzinnige belijdenis de H. Absolutie ontvangen te hebben , is men nog verplicht, ter voltrekking van het H. Sacrament der Biecht (vgl. inleiding tot § 3) de penitentie of voldoening, b.v. het gebed, aalmoes of ander goed werk te volbrengen, welke de Biechtvader heeft opgelegd.

35 V. Waartoe dient de ■penitentie ?

A. Ten 1. Om eenigszins te voldoen voor de tijdelijke straffen der zonden ; ten 2. als een hulpmiddel tegen het hervallen in de zonden.

De Catechismus zegt, dat de penitentie dient ten 1«, om eenigszins te voldoen voor de tijdelijke straffen der vergeven zonden. Immers door eene goede Biecht verkrijgt men wel kwijtschelding der eeuicige straffen, en bovendien van een gedeelte der tijdelijke straffen, maar niet altijd van alle tijdelijke straffen; dikwijls, doorgaans zelfs blijven er voor de vergevene dood- en dagelijksche zonden eenige tijdelijke straffen over. (Vgl. 3e V.) De penitentie dient om eenigszins voor die overblijvende tijdelijke straffen te voldoen, niet enkel in zoover zij uit een of ander goed werk bestaat, maar vooral in zoover zij, uit kracht van de instelling van Christus, een volmakend deel is van het Sacrament der Biecht, dat, gelijk al de andere Sacramenten, de gratie geeft die 't beteekent. (3eV.)

Dewijl echter de Biechtvader om de menschelijke zwakheid gewoon is slechts eene betrekkelijk geringe boete op te leggen, en de penitentie dus in den regel veel te klein, te gemakkelijk is om daardoor voor alle overblijvende straffen te voldoen , zegt de Catechismus, dat ze dient om eenigszins te voldoen voor de overblijvende tijdelijke straffen der vergeven zonden. Wij behooren ons dus niet te bepalen bij de penitentie , welke de Biechtvader oplegt, maar trachten om ook nog door andere goede werken voor onze tijdelijke straffen te voldoen, en wel vooral door het godvruchtig bijwonen der C. 23

ocr page 362

358

H. Mis (34e Les, 12« V.), het verdienen van aflaten (15e Les, 7— 12» V.), door geestelijke of lichamelijke werken van barmhartigheid , door vasten of versterving van zich zeiven door de moeilijkheden, aan ons werk en onzen staat eigen, door ziekten, kruisjes en tegenspoeden , die God ons overzendt , geduldig te verdragen. „ 't Isquot;, zegt de H. Kerkvergadering van Trente , „ een zeer groot blijk van Gods liefde, dat wij door de tijdelijke kastijdingen , door God ons aangedaan en geduldig door ons verdragen, bij God den Vader door de verdiensten van Jesus Christus kunnen voldoen.quot; (Zitt. XIV, hfdst. IX en Can. XIII.)

Ten 2e dient de penitentie als een hulpmiddel tegen het hervallen in de zonden, wederom niet enkel in zooverre zij uit haar aard een goed werk is, maar vooral in zoover ze een volmakend deel is van het H. Sacrament der Biecht, en als zoodanig ten minste bijzondere dadelijke gratiën geeft om niet meer zoo gemakkelijk in zonde te vallen. (4e V.)

36 V. Wanneer moet men zijne penitentie volbren-hrengen ?

A. Op den bepaalden tijd; en als er geen tijd bepaald is , zoodra mogelijk.

Men moet zijne penitentie volbrengen op den tijd door den Biechtvader bepaald, en, als hij geen tijd bepaald heeft, zoo dra goedschiks mogelijk.

Als men zich niet herinnert, welke boete of penitentie de Biechtvader heeft opgelegd, moet men ze navragen , zoodra dit gevoeglijk kan geschieden.

§ 4.

Van de manier van biechten.

37 V. Wat behoort men te onderhouden, als men ie Hecht gaat ?

ocr page 363

359

A. Ten 1. Men moet God bedanken, dat Hij ons in de zonden niet heeft laten sterven; ten 2. den H. Geest om gratie bidden ; ten 3. zijn geweten onderzoeken ; ten 4. de akten van geloof, hoop, liefde en vooral van berouw verwekken; ten 5. zijne zonden biechten ; ten 6. de penitentie volbrengen.

Men zal van zelf opmerken, dat gevraagd wordt: Wat men behoort te onderhonden, als men te biecht gaat P en geantwoord wordt wat men moet doen, als men te biechten gaat._

Tnsechen moeten en behooren bestaat hier een groot verschil. Men moet onderhonden al wat noodzakelijk is om het H. Sacrament der Biecht geldig en waardig te ontvangen. Dns moet men alle doodzonden, aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten plichtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft, rechtzinnig belijden, er een waar beronw over hebben, en dns ook den wil om zijne penitentie te volbrengen. (Vgl. § 2 en 3.)

Wat men behoort te onderhonden als men te biecht gaat, dient om het Sacrament der Biecht met meer vrucht te ontvangen. (Vgl. bl. 237.)

Zoo b.v., ten 1«, moet, d. w. z,, behoort men als men te biecht gaat, God te bedanken; dat Hij ons in de zonden niet heeft laten sterven.

Zeker behoort men God voor die weldaad te bedanken ; want uit lontere goedheid geeft Hij ons de gelegenheid om door eene goede Biecht de eenwige straffen der hel af te weren en de tijdelijke straffen van het vagevnnr te verkorten. Men kan die dankzegging doen door niterharte de verzuchting te bidden , die in het Avondgebed wordt aangegeven : „ Mijn Heer en mijn God, ik bedank U voor alle weldaden, bijzonderlijk dat Gij mij (sinds mijne laatste Biecht in 't leven) bewaard hebt.quot;

Doch, hoe passend en rechtmatig die dankzegging ook zij.

ocr page 364

360

wordt ze toch zeker niet rereischt om het H. Sacrament der Biecht geldig en waardig, maar alleen om het met te meer vrncht te ontvangen.

Ten 2quot;, moeten we , den H. Geest om gratie bidden.

38 V. Welke gratie moeten wij den H. Geest verzoeken ?

A. De gratie om de zonden te kennen, er een oprecht berouw over te hebben, en ze goed te biechten.

Als we te biechten gaan, behooren wij den H. Geest op eene of andere wijze te verzoeken , ten Is, da gratie om de zonden , waaraan we achnldig zijn, te kennen; immers onze eigenliefde, of andere hartstocht is niet zelden oorzaak, dat we onze zonden niet erkennen, niet inzien.

Ten 2e, moeten wij de gratie vragen om een oprecht berouw over onze zonden te hebben ; want dit kunnen we niet uit ons zeiven hebben. (15e V.)

Ten 3% de gratie om minstens alle doodzonde goed, rechtzinnig , met getal en omstandigheden te biechten (24 , 26 en 28« V.), en geen enkele doodzonden vrijwillig uit schaamte te verzwijgen.

Om den kinderen bevattelijk te maken, dat men ook daartoe de gratie van den H. Geest noodig heeft, kan het volgend verhaal dienen , waaruit blijkt hoezeer de duivel er op uit is den Biechteling te verleiden om eene of andere doodzonde uit schaamte te verzwijgen.

Een godvruchtig priester zag, terwijl hij op zekere plaats missie gaf, en het volk in dichte massa bij den biechtstoel zat, een menigte duivels onder hen rondloopen.

Hij smeekte God hem bekend te maken, wat die duivels daar deden ; en na het hun zeiven gevraagd te hebben, kreeg hij ten antwoord, dat zij restitutie deden, teruggaven wat zij gestolen hadden, nl. de schaamte, die zij de menschen

ocr page 365

361

vóór het bedrijven der zonden hadden ontnomen, door hun in te blazen : 't Is zoo erg niet, enz.; maar nu teruggaven, opdat zij zich schamen zouden ze te biechten, als zijnde zoo afschuwelijk, enz.

Om de drie vermelde gratiën van den H. Geest af te smeeken, kan men zich eenvoudig bedienen van het gebed, dat de Catechismus in 't Avondgebed aangeeft: „ Kom , o Heilige Geest, verlicht mijn verstand om mijne zonden te kennen, en geef mij de genade van een oprecht berouw over dezelve,quot; en de genade van ze goed te biechten. Hoe passend het is, eenige dagen te voren daarom te bidden , de noodige gratie te vragen blijkt voldoende. (Vgl. 433te Les 88'e V.

Ten 3de, moet men, als men te biechten gaat, zijn geweten onderzoeken.

89 V. Hoe onderzoekt men het best zijn geweien ?

A. Als men met zorg nadenkt, welke en hoe-vele zonden men bedreven heeft tegen de geboden Gods, tegen de geboden der H. Kerk, en tegen de plichten van zijnen staat; alsmede op welke plaatsen men geweest is, en met welke personen men verkeerd heeft.

Als men met zorg (Vgl. 24.'quot; V.) nadenkt, welke (t. a. p.) en koevele (27quot;te en 288te V.) zonden men bedreten heeft tegen de geboden Gods , tegen de geboden der H. Kerk, en tegen de plichten van zijnen staat. Kinderen behooren zich in dit opzicht vooral te onderzoeken omtrent de godsdienstigheid (l'te Gebod, 22'te Les, 3,lc V.; 3'Ie Gebod, 25'tli Les , 8»« V.; 29ste Les, 5^ V.); omtrent den eerbied aan vader en moeder, en oversten verschuldigd , daaronder begrepen , de leerzaamheid, ijver en vlijt in de school, en in de godsdienstige onderrichtingen in de Kerk. {4de Gebod, 268te Les). Verder omtrent de liefderijkheid in den omgang met andere kinderen, en bovenal omtrent

ocr page 366

362

de zedigheid, het sieraad der jeugd, (5dt, 6de en 9de Gebod, 27quot;» Les). In deze deugden zijn immers voor kinderen de plichten van hunnen staat voornamelijk vervat, opgesloten. Niemand mag de enkel inwendige zonden, b.v. tegen de heilige deugd, beschouwen als behoefde men die niet te biechten. Een ieder behoort bijzonder acht te geven op zijne hoofdfout.

Als hulpmiddel om zich zijne zonden te herinneren, beveelt de Catechismus ten slotte aan, na te denken op welke plaatsen men geweest is, misschien verboden, verdachte, eenzame, gevaarlijke plaatsen, en wat daar is voorgevallen; en met welke personen men verkeerd, omgegaan, gespeeld heeft; misschien met makkers, wier gezelschap ouders of oversten ons bevolen hadden te vermijden.

Ten 4'ie, moet men , als men te biechten gaat, de akten van geloof, hoop , liefde en vooral van berouw verwekken.

Zeker is het geen „moetquot; de akten van geloof, hoop en liefde voor de Biecht uitdrukkelijk te verwekken; want door het godvruchtig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht worden die akten van zelf verwekt; nochtans behoort, is het geraden, betaamt het, dat men , als voorbereiding tot de H. Biecht, de gevoelens van geloof, hoop en liefde in zich verlevendige. (Vgl. 22aw Les, 4de V. bl. 124.) Een ware akte van berouw is tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht noodzakelijk. Immers het berouw is het noodzakelijkste deel, dat van den kant des Biechtelings tot eene goede Biecht verreischt wordt. (5dt — 7de V.

40 V. Hoe zal men zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken ?

A. Door na te denken ten 1. dat men door de zonden den hemel verloren en de hel verdiend heeft; ten 2. dat Jesus, om de zonden te boeten, de vreeselijkste pijnen en den smartelijksten dood heeft

ocr page 367

363

ondergaan; en ten 3. dat men door de zonden God, het opperste goed, heeft beleedigd.

In de vraag zegt de Catechismus: Hoe zal men zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken, omdat het berouw eene gave Gods is, en wij het niet uit ons zeiven kunnen hebben, maar zeker zullen verkrijgen, als we met Gods voorkomende gratie meewerken, en er welgemeend, te goeder trouw om bidden. (Vgl. 15e V.)

Dusdoende zal men zich het best tot een waar berouw opwekken, ten le, door na te denken dat men door de zonden den hemel verloren en de hel verdiend heeft. Heeft men slechts dagelijksche zonden te biechten, dan kan men zich het vagevuur voorstellen.

Door welke soort van zonden verliest men het recht op den hemel en verdient men de eeuwige straffen der hel P

Door elke doodzonde. (Vgl. 40'- Les, 6 — 8 V.)

Welk soort van berouw, volmaakt of onvolmaakt, wordt door deze beweegreden aangeduid ?

Een onvolmaakt berouw. (Vgl. 18e en 19= V.)

Is het berouw, dat alleen of vooral uit deze of soortgelijke beweegreden voortkomt, voldoende om vergiffenis van eenige doodzonden te verkrijgen zonder de Biecht?

Neen.

Met de Biecht?

Ja. (Vgl. 20 V.)

Men zal zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken door na te denken ten 2', dat Jesus, om de zonden te hoeten, de vreeselijkste pijnen en den smartelijksten dood heeft ondergaan.

Wat heeft Jesus uit liefde voor ons, om voor onze zonden te voldoen, geleden, en welken dood is Hij te dien einde gestorven ?

ocr page 368

364

A. lO i«« , 4 — 7« V.

Welk soort van berouw, volmaakt of onrolmaakt, wordt door deze beweegredjn aangeduid P

A. Als zoodanig, d. w. z., als die beweegreden ons alleen of vooral tot berouw opwekt, omdat Jesus ons door zijn lijden en dood het bewijs heeft gegeven van zijne goedheid jegens ons en wij dus alleen of vooral daarom bedroefd zijn over onze zonden, omdat we door onze zonden Jesus zooveel lijden en zulken smartelijken dood veroorzaakt hebben, dan is ons berouw nog maar onvolmaakt; want het komt dan slechts voort nit eene onvolmaakte liefde tot God.

Doch door die beweegreden komt men met Gods gratie , als van zelf tot een volmaakt beronw, zoodat men Jesus, die vrijwillig uit loutere liefde tot ons , zooveel wilde lijden en zoo smartelijke dood ondergaan, tevens bemint en over zijne zonden bedroefd is om zijne oneindige goedheid in zich zeiven. (Vgl. 19» en 22= V-)

Geldt ook deze beweegreden van berouw gelijk de vorige, alleen voor doodzonden ?

Neen, zoowel voor dagelijksche, als voor doodzonden.

Men zal zich met Gods gratie het best tot berouw opwekken , door na te denken ten 3e, dat men door de zonden God, het opperste goed in zich zeiven , heeft beleedigd.

Welk soort van berouw wordt door deze beweegreden aangeduid P

Blijkbaar, het volmaakt berouw, dat voortkomt uit liefde tot God als het opperste goed in zich zei ven. (17e V.)

Ten 5', moet men zijne zonden biechten, d. w. z., ten minste alle doodzonden, met getal en omstandigheden , aan welke men zich na een naarstig onderzoek van geweten pliehtig bevindt, en die men nog niet goed gebiecht heeft. (Vgl. 24e — 28' V.) Hoe men zich van zijne zonden moet of behoort te beschuldigen, leert de 43» V. nog meer in 't bij-

ocr page 369

365

zonder; ten 6ae, moet men penitentie volbrengen, welke de Biechtvader heeft opgelegd (34quot;te V.), en op den tijd, dien hij mocht bepaald hebben. (SC»1® V.)

41 V. Wat doet men het eerst in den biechtstoel ?

A. Men vraagt den zegen, zeggende : Vader, gelief mij den zegen te geven ; en daarna zegt men de voorbiecht.

De vraag: „ Vader gelief mij den zegen te gevenquot;, beantwoordt de Biechtvader door het volgend gebed : „ De Heer zij in uw hart en op uwe lippen, om uwe zonden waardig te belijden. In den naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.quot;

42 V. Zeg de voorbiecht ?

A. Ik belijd mijne schuld voor God almachtig, voor de H. Maagd Maria , voor alle Heiligen en u Vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachten, woorden en werken; het is mijne schuld, mijne allergrootste schuld, mijne laatste biecht is geweest.... b.v. sinds acht, veertien dagen, eene maand, enz.

43 V. Hoe zult gij u van uwe zonden beschuldigen ?

A. Met nederigheid en oprechtheid, beginnende

met de grootste zonden, uit vrees van dezelve te vergeten of uit schaamte te verzwijgen.

Als van zelf zal men zich met nederigheid van zijne zonden beschuldigen, indien men zijne schuld, zijne allergrootste schnld erkent en beseft. Inderdaad zijn we, als zondaren, schuldigen; reeds om eene dagelijksche zonde schuldig aan tijdelijke straffen, om eene doodzonde aan de eeuwige straffen der hel. Bedenkt men verder, dat men door eene goede, oprechte Biecht van die schuld en straffen kwijtschelding kan ver-

ocr page 370

366

krijgen, dan zal men blij te moede zich ook met alle oprechtheid van zijne zonden beschuldigen. Hoe oprecht en volledig zon iemand , die de doodstraf verdiend had, zijne schuld voor 't gerecht belijden, indien hij zeker wist dat hij daardoor zijne invrijheidstelling en vergiffenis van zijne misdaad kon verkrijgen! Voor een wereldsch gerechtshof is dit niet het geval, maar wel in de Biecht.

De Catechismus geeft een goeden raad om zich met oprechtheid van zijne zonden te beschuldigen, nl. te beginnen met de grootste zonden, uit vrees van dezelve te vergeten of uit schaamte te verzwijgen.

Verder stelt de Catechismus drie waarheden ter overweging voor, die, wel overwogen, ons zeker moed en sterkte zullen geven om alle valsche schaamte, welke de duivel zon trachten in te boezemen , edelmoedig te overwinnen.

44 V. Wat moet gij denken om alle schaamte te overwinnen ?

A. Ten 1. Dat de Biecht een eeuwig geheim is; ten 2. dat de Biechtvader de plaats bekleedt van Jesus Christus, die vol liefde is jegens de zondaars; ten 3. dat het beter is zijne zonden in het geheim te belijden , dan in eeuwigheid er over beschaamd te moeten zijn.

Ten l»tl!, dat de Biecht een eeuwig, ook na den dood van den Biechteling voortdurend geheim is. Een geheim, dat minstens reeds grootendeels uit kracht van de wet der natuur, en zeker volledig uit kracht der goddelijke en kerkelijke wet, den Biechtvader op doodzonde verplicht nooit of nimmer en in geen enkel denkbaar geval, zonder geheel vrijwillige toestemming des biechtelings, ook maar eene dagelijksche zonde uit de Biecht te openbaren, of van de Biecht ten nadeele van den biechteling gebruik te maken. Ware er ook zijn

ocr page 371

367

eigen leven, of het heil eener ziel, ja zelfs het heil der maatschappij , of een hoe groot ook denkbaar belang mede gemoeid, in betrokken, nooit of nimmer mag de Biechtvader, zonder geheel vrijwillige toestemming des Biechtelings , het in de Biecht toevertrouwde geheim openbaren , of er eenig gebruik van maken ten nadeele van het H. Sacrament der Biecht in 't algemeen, of in 't bijzonder ten nadeele van den biechteling.

Niemand ter wereld, zelfs niet de Paus van Home, kan in die wet, om hoe zwaarwichtige redenen ook, ooit of immer dispenseeren.

Jesus Christus, de insteller van het H. Sacrament der Biecht, waakt blijkbaar zelf over de onschendbaarheid van het geheim der Biecht. Want geen enkel geval dat geschiedkundige waarde heeft j kan aangehaald worden, waarin een Priester ooit dit geheim verbroken heeft. Sinds ruim 18 eenwen zijn er in elke eeuw afvallige Priesters geweest; Priesters, die tot ketterij of zedeloosheid zijn vervallen ; anderen die krankzinnig zijn geworden, maar sinds 18 eeuwen is er geen enkele aan te wijzen , die het geheim der Biecht heeft geschonden. Dat feit teekent, en duidt klaarblijkelijk den vinger Gods aan. Te meer, wijl we mogen wijzen op den roemrijken martelaar van 't geheim der Biecht, den H. Joannes Nepomucenus. Alle beloften en bedreigingen van den eervergeten koning Wenceslaus telde hij als niets , en onderging liever een wreeden dood, dan het geheim der Biecht te verbreken (men leze zijne geschiedenis in de Levens der Heiligen op 16 Mei.)

't Is wijders opmerkenswaardig , dat het God behaagd heeft de tong van dezen martelaar van bederf te vrijwaren, om door dit wonder de onschendbaarheid van het geheim der Biecht ook op die wijze zichtbaar te bevestigen.

Om alle schaamte te overwinnen, dient dus ten lste te gedenken dat de Biecht een eeuwig geheim is.

ocr page 372

368

Ten 2'ie dat de Biechtvader de plaatabekleeder is van Jesus Christus, die vol liefde is jegens de zondaars.

Openlijk betuigde Jeans tijdens zijn openbaar leven ; „ Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars te roepenquot; tot bekeering (Matth. IX. 13.) Zelfs na zijne heerlijke verrijzenis gaf Hij aan rouwmoedige zondaars zijne grootste liefdeblijken , o. a. aan Maria Magdalena, en aan Petrus, die Hem nog zoo kort te voren zoo smadelijk miskend, verloochend had. Welnu , Christus wil, dat zijne plaatsbe-kleeders , de Priesters, in den Biechtstoel dezelfde gevoelens van liefde en medelijden, welke zijn goddelijk Hart vervullen, toonen jegens den zondaar , die rechtzinnig zijne zonden belijdt. Indien we dus onze zonden , hoe zwaar en menigvuldig ze ook mochten wezen , maar oprecht belijden , zal de Biechtvader ons niet bekijven , er ons niet te minder om achten, of later er scheef om aanzien , dat mag hij niet; maar juist om onze oprechtheid in het belijden onzer zonden ons te hooger schatten, omdat we hem door de rechtzinnige belijdenis onzer zonden een blijk van vertrouwen geven, maar nog meer, omdat, hoe oprechter en rechtzinniger wij onze biecht spreken, hij te meer zeker is , dat de zonden, van welke hij ons in naam van God ontslaat, vergeving schenkt, ook werkelijk vergeven zijn in den hemel, en wij dus , hoe schuldig we ook waren toen we den Biechtstoel ingingen, na eene rechtzinnige en rouwmoedige belijdenis , in vriendschap met God hersteld, den biechtstoel zijn uitgegaan. Voor een Priester is er geen grooter voldoening denkbaar. Alle schaamte om den Biechtvader rechtzinnig de zonden te belijden , waaraan men mocht schuldig zijn, is dus onredelijk. Mochten de twee verklaarde waarheden voor iemand nog niet voldoende zijn om alle schaamte te overwinnen, hij bedenke dan nog ten 3e, dat het beter is zijne zonden in het geheim aan één Priester, wien ook, te belijden, dan op den alge-meenen oordeelsdag in tegenwoordigheid van alle menschen, met name die en die , welke ons gekend hebben , in eeuwig-

ocr page 373

369

heid er over beschaamd te moeten zijn. Immers, wil men niet zeker voor eeuwig naar de hel gaan, dan moet men de doodzonden, welke men na een naarstig onderzoek Tan geweten indachtig is, ééns oprecht, rechtzinnig belijden. (Vgl. 30' v.)

45 V. Mag men in de biecht ook een ander beschuldigen ?

A. Neen; want de biecht is slechts eene beschuldiging van zich zeiven.

Neen, in de Biecht mag men een ander niet beschuldigen, mag men niet zeggen : die en die heeft dat gedaan. Want de biecht of belijdenis is slechts eene beschuldiging van zich zeiven, eene droevige bekentenis van zijne zonden, niet van die van een ander.

46 V. Mag men in de Biecht den persoon noemen met welken men gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is?

A. Neen.; men moet slechts de hoedanigheden zeggen , welke de zonde merkelijk veranderen.

Neen; men mag in de biecht den persoon, met welke men gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is, niet met zijn naam noemen; dus mag men b.v. niet zeggen: ik heb leelijk gespeeld met die en die.... of, iets weggehaald op raad of met medehulp van die en die. Doch die hoedanigheden van den persoon, met welken men gezondigd heeft, of die aan de zonde medeplichtig is, welke de zonde merkelijk veranderen, moet men wel degelijk zeggen, maar ook slechts, d. w. z., alleen de hoedanigheden, welke de zonden, die men met een ander gedreven heeft, merkelijk veranderen. Dit is b.v. het geval, indien men tegen het 6e Gebod misdaan heeft met een gehuwd persoon, of met iemand van onze familie, of met wien men in hetzelfde huis woont, in dezelfde kamer

ocr page 374

370

slaapt, op denzelfden winkel werkt, enz. Immers, de hoedanigheden van familie , bloed- of aanTerwantschap , van getrouwd persoon veranderen de zonden tegen het 6» Gebod merkelijk. En de hoedanigheid of omstandigheid , dat de persoon, met welken men gezondigd heeft, of die ons tot zonde aanzocht, bij ons inwoont, enz., is dikwijls oorzaak van eene naaste gelegenheid van doodzonden , welke om die omstandigheid merkelijk gevaarlijker is.

47 V. Wat moet, d. w. z., behoort men te doen, na al zijne zonden gebiecht te hebben ?

A. De nabiecht zeggen.

48 V. Zeg de nabiecht ?

A. Van deze en al mijne zonden, die ik niet indachtig ben , belijd ik mijne schuld; ik bid God om vergiffenis door de verdiensten van Christus, en TJ, Vader , om eene zalige penitentie en absolutie , indien ik het waardig ben.

49 V. Hoe moet men zich gedragen, als de Biechtvader oordeelt, dat men de absolutie niet waardig is ?

A. Dan moet men zich aan zijn oordeel nederig onderwerpen.

Immers niet de biechteling zelf, maar de Biechtvader is door Christns als rechter aangesteld, om te oordeelen of de Biechteling de absolntie waardig is of niet. De Biechteling moet zich dns in deze zaak nederig aan het oordeel des Biechtvaders onderwerpen, te meer, omdat de Biechtvader in het geven of nitstellen , en desnoods weigeren der H. absolutie niet naar eigene willekeur mag te werk gaan, maar op doodzonde verplicht is zijn oordeel te vormen naar de voorschriften der H. Kerk, die in naam van Christus verklaard heeft, aan welke zondaars de H. absolutie niet mag gegeven worden.

ocr page 375

371

50 V. Mag de Biechtvader de absolutie geven aan iemand, die naar zijn oordeel de absolutie niet waardig is ?

A. Neen; hij zou dan zelf groote zonde doen.

Neen; de Biechtvader mag de absolutie niet geven aan iemand, die naar zijn oordeel ze niet waardig is. Zon hij wetens en willens ze toch aan zoo iemand geven, dan zou hij zelf een groote zonde, eene doodzonde doen, eene groote heiligschennis bedrijven.

Volgens verklaring der H. Kerk mag de Biechtvader de absolutie niet geven ten l,te, aan hen die geene teekenen van berouw geven.

Ten 2ie, aan diegenen, welke haat en vijandschap niet willen afleggen.

Ten 3de, aan diegenen welke het onrecht, dat ze aangedaan hebben, niet willen herstellen, er geen restitutie van willen doen, als zij kunnen.

Ten 4l,e, aan diegenen, welke de naaste gelegenheid niet willen verlaten, of

Ten 5i,e, op eenige andere wijze de zonden niet willen laten, m. a. w. hunne levenswijze niet willen verbeteren.

Ten 6^, aan diegenen , welke publieke, openbare ergernis gegeven hebben, en deze nog niet publiek hersteld , weggenomen hebben , zooveel ze kunnen.

De reden, waarom de Biechtvader in deze en soortgelijke gevallen de absolutie niet mag geven, is duidelijk deze, dat al deze en soortgelijke biechtelingen geen waar berouw of goed voornemen hebben, en dus het H. Sacrament der Biecht niet waardig kunnen ontvangen, vooraleer zij zich oprecht bekeeren.

51 V. Wat zult gij doen, als de Biechtvader, na u vermaand te hebben, de H. Absolutie geeft ?

ocr page 376

372

A. Dan zal ik nogmaals eene akte van berouw verwekken.

Als de biechteling de beschuldiging zijner zonden geëindigd en de nabiecht gezegd heeft, geeft hem de Biechtvader gewoonlijk eenige vermaningen , om hem meer tot berouw en tot trouw gebruik der middelen om de zonden in 't vervolg te vermijden, en in oprechte deugd vooruit te gaan, op te wekken. Terwijl de Biechtvader, nadien, de fl. Absolutie geeft, behoort men altoos nogmaals eene akte van Berouw te verwekken, en soms moet men zulks doen. De Catechismus zegt: nogmaals, omdat hij veronderstelt, dat men het reeds gedaan heeft alvorens den Biechtstoel in te gaan. Want onder 't geen men behoort of moet onderhouden , als men te biechten gaat, heeft hij aangegeven ten 4de, de akten van geloof, hoop, liefde en vooral van Berouw verwekken. (37.) Men moet minstens op den oogenblik, waarop men de H. Absolutie ontvangt, een waar berouw hebben. (Vgl. 7'le V.)

52 V. Wat behoort men te doen, zoodra men uit den biechtstoel komt ?

A. Men moet God loven en bedanken, omdat Hij ons genadiglijk de zonden vergeven heeft, en de goede voornemens vernieuwen van nooit meer te zondigen.

De kerk uitgaan, zoodra men uit den biechtstoel komt, is zeker ongepast. Uit plicht van dankbaarheid moet men zoodra men uit den biechtstoel komt, eerst Ood loven en bedanken, omdat Hij ons genadiglijk de zonden vergeven heeft. Te dien einde bidde men het: Glorie zij den Vader , den Zoon en den E. Oeest, het „ Te Deumquot;, „U, o God, loven wijquot; of ten minste een hartelijk „Onze Vaderquot; en „Wees gegroet.quot; Daarna volbrenge men zijne penitentie, indien de Biechtvader geen anderen tijd bepaald heeft (SBquot;6 V.) en vernieuwe men de goede voornemens van nooit meer grootelijks te zondigen, nooit meer eene doodzonde te bedrijven, en zich van zijne dagelijksche zonden

ocr page 377

373

te beteren. Het zekerste teeken toch, dat de vroegere biechten goed zijn geweest, is: niet meer in diezelfde zonden te hervallen.

Vragen over de 35ste Les.

1. Wat beteekent biechten?

2. Waarom is de Biecht een Sacrament P

3. Welk is het voornaamste der drie deelen, en waarom?

4. Hoevelerlei berouw is er P En uit hoeveel en welke

deelen bestaat elk berouw P Welk verschil is er tus-schen volmaakt en onvolmaakt berouw ? En waarin komen beide overeen P

5. Welke hoedanigheden moet de droefheid, welke het

voornemen hebben ?

6. Toon uit een dier eigenschappen, dat wij uit ons zeiven

geen voldoend berouw voor de Biecht kunnen hebben, en dus het gebed voor de Biecht noodzakelijk is.

7. Waarom is het raadzaam, reeds vóór de Biecht eenigen

tijd daarmede bezig te zijn en er voor te bidden, of zich goed voor te bereiden P

8. Welk verschil is er tusschen zijn zonden vertellen en

biechten P

9. Welke hoedanigheden moet de Biecht hebben P

10. Waarom is het noodzakelijk zijn doodzonden en niet

zijn dagelijksche zonden te biechten? Waarom is dit laatste toch raadzaam P

11. Iemand biecht: ik heb vijf doodzonden gedaan; wat

ontbreekt aan die Biecht ?

12. Een kind biecht: ik ben in de kerk oneerbiedig ge

weest — ongehoorzaam geweest — heb driemaal gestolen — gelogen en gevloekt; maar mijn broer was er de schuld van. Wat ontbreekt aan die Biecht? C 24

ocr page 378

374

13. Op hoeveel manieren kan men schuldig eene zonde in

de Biecht achterlaten P

14. Waarom moet men bijzonder acht geven op het berouw,

als men alleen dagelijkache zonden te biechten heeft P En waarom is het dan raadzaam, een grootere zonde van het vorige leven er bij te voegen P En hoe doet men datP

15. Uit hoeveel oorzaken kan de Biecht slecht, ongeldig

zijn P

16. quot;Welke gratiën heeft men noodig om eene goede Biecht

te spreken ?

17. Hoe verkrijgt men die gratiën, en hoe gebruikt men

dezelve , of werkt men met dezelve mee P

18. Waaraan kan men met genoegzame zekerheid zien, dat

men goede biechten gesproken heeft P

ZES M DERTIGSTE LES.

Yan het H. Oliesel.

1 V. Wat is het H. Oliesel ?

A. Een Sacrament, in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des Priesters de zieken in hunne ziekte en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden.

Het H. Oliesel is een waar Sacrament der Nieuwe Wet. Want het is ten le, een uitwendig teeken. Immers 't is een Sacrament, in hetwelk door de zichtbare H. Zalving met olijfolie en het hoorbaar gebed des Priesters de zieken enz.

Omdat de stof van dit Sacrament bestaat in de zalving met olijfo/i«, door den Bisschop op Witten Donderdag gewijd,

ocr page 379

375

wordt dit Sacrament het H. Oliesel genoemd. Het wordt ook dikwijls het laatste Oliesel genoemd in vergelijking met de H. Olie, waarmede wij in het H. Sacrament des Doopsels, en ten tweede maal in het H. Sacrament des Vormsels gezalfd worden.

Het gebed , hetwelk de Priester, de wettige bedienaar van dit Sacrament, tijdens de zalving der vijf zintuigen : oogen, ooren, neus, mond, handen en voeten spreekt, luidt aldus:

„ Door deze heilige zalving, en zijne allergoedertierenste barmhartigheid ver gene u de Heer al wat gij misdaan hebt door het gezicht, het gehoor, enz.

Het eerste kenmerk van een Sacrament der Nieuwe Wet is dus blijkbaar in het H. Oliesel aanwezig, nl. een uitwendig teeken. Dat dit uitwendig teeken ten 2e, ook eene bijzondere gratie beteekent, blijkt reeds uit de stof van dit Sacrament , welke bestaat in de zalving met olijfolie, door den Bisschop gewijd. Immers de zalving met olijfolie is een natuurlijk middel om pijnen , smarten te verzachten, wonden te heelen, te genezen, zwakke ledematen te versterken enz.

Dat ten 3l' , de bijzondere gratie, welke de H. Zalving met olie door den Bisschop gewijd , beteekent, ons ook door dezelve gegeven wordt, blijkt uit den vorm van dit Sacrament, d. w. z., uit de zoo even aangehaalde woorden , welke de Priester bij de toediening van dit Sacrament spreekt, en nog duidelijker uit het antwoord op de 5e V.

Ten 4e, moet dus voornoemd uitwendig teeken door Christus zijn ingesteld; anders kon het die bijzondere gratiën of voordeden niet geven, welke er aan verbonden zijn, en hier, in het antwoord op de le V. dezer Les in het algemeen worden aangeduid door de woorden : Een Sacrament, in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des Priesters de zieken in hunne ziekte en hunnen uitersten, of laatsten nood verlicht en geholpen worden. Die voordeelen worden in het antwoord op de 5e V. in 't bijzonder vermeld en verklaard. Dat Christus inderdaad

ocr page 380

376

het laatste Oliesel als een waar en eigenlijk Sacrament der Nieuwe Wet heeft ingesteld, weten we bovendien met de zekerheid des Geloofs uit de onfeilbare leering der H. Kerk. De H. Kerk heeft die waarheid , welke zij ons te gelooven voorhoudt, uit de goddelijke openbaring, die vervat is in de H. Schriftuur en de goddelijke overlevering. (Vgl. 3e Les , 8® V., 4e Let, le, 8e en 9e V.)

Ten bewijze hoort de leering van het H. Concilie van Trente (Zitt. XI F. Over het laatste Oliesel, h/dst. I. en. Canon I.) „ De H. Zalving der zieken is als een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe Wet door Christus onzen Heer ingesteld,... en als zoodanig door den H. Apostel Jacobus den geloovigen aanbevolen, en openlijk bekend gemaakt, afgekondigd. Ts iemand onder u ziek — zegt hij in het Ve hfdst, v. 14 en 15 van zijn Brief — hij hale de priesters der kerk, en dat zij over hem hidden , hem met olie zalvende in den naam des Heer en, en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Beer zal hem opbeuren; en indien hij in zonden is, zij zullen hem vergeven worden.quot; Door deze woorden, gelijk de H. Kerk uit de apostolische overlevering, van hand tot hand overgenomen , verstaan heeft, leert de H. Apostel Jacobus de stof, den vorm, den eigen bedienaar, en het uitwerksel van dit heilzaam Sacrament. Immers de H. Kerk begreep , verstond uit die woorden, dat de stof van dit Sacrament is: olie door den Bisschop gewijd; want de zichtbare zalving met olie duidt zeer eigenaardig de gratie van den H. Geest aan, waardoor de ziel des zieken onzichtbaar gezalfd, (verlicht, versterkt, opgebeurd) wordt. En dat de vorm van dit Sacrament bestaat in deze woorden ; „ Door deze heilige zalvingquot; enz. als boven (bl. 375).

Omdat de H. Jacobus allereerst zegt: „ Is iemand onder u ziekquot;, vraagt de Catechismus in zijne

2 V. Aan welke zieken moet het H. Oliesel wor-ien toegediend ?

ocr page 381

377

A. Aan de zieken, die tot de jaren van verstand gekomen zijn , en in gevaar zijn van sterven.

Uit dit antwoord blijkt ten le, dat men tot de jaren van verstand moet gekomen zijn, om dit Sacrament te kunnen, dus zeker om het te moeten ontvangen. In den regel kan of mag dus dit Sacrament niet worden toegediend aan kinderen beneden de zeven jaren , en zeker niet aan krankzinnigen , zinneloozen , die nooit het gebruik hunner rede gehad hebben.

Ten 2eblijkt uit dat antwoord, dat men, om dit Sacrament geldig te kunnen ontvangen, bovendien met grond moet kunnen geacht worden in gevaar te zijn van sterven , en wel ten gevolge van eenige zware, gevaarlijke ziekte. Dus kan dit Sacrament niet geldig worden toegediend aan iemand die niet door ziekte, maar b.v. door schipbreuk of oorlog aan het gevaar van sterven is blootgesteld. Wordt echter iemand dientengevolge doodsgevaarlijk gewond, zeker dan kan en moet, zoo mogelijk , hem het H. Olieeel worden toegediend.

8 V. Hoe dikwijls mag men het H. Oliesel ontvangen ?

A. Maar ééns in dezelfde ziekte; doch indien het doodsgevaar geheel geweken was en later terugkeerde , zou het andermaal moeten toegediend worden.

Men mag het H. Oliesel maar ééns in dezelfde, doodsgevaarlij ke , ziekte ontvangen; dus maar ééns in één en hetzelfde gevaar van sterven. Doch indien dezelfde ziekte blijft bestaan, maar het doodsgevaar, het gevaar van binnenkort ten gevolge dierzelfde ziekte te sterven, geheel geweken was en later terugkeerde , zou het H. Oliesel andermaal moeten toegediend worden. Dit gebeurt niet zelden bij teringlijders. Hunne eigenlijke ziekte wordt zelden of nooit geheel beter, maar wel wijkt dikwijls het doodsgevaar , waarin ze door een hevigen toeval nu en dan verkeeren.

ocr page 382

378

4 V. In welken staat moet men het H. Oliesel ontvangen ?

A. In staat van gratie.

Men moet het fl. Oliesel in staat van gratie ontvangen, omdat het voornamelijk een Sacrament der levenden is (30quot; Les, 15e V.), d. w. z., omdat het vooral is ingesteld om in de zieken, die de heiligmakende gratie reeds bevitten , deze gratie te vermeerderen. (Vgl. 30c Les ,18 — 20 V.)

Doch omdat het H. Oliesel voor zieken een aanvallings-middel is van het H. Sacrament der Biecht en eene voltooiing van geheel het christelijk leven , heeft het in sommige omstandigheden ook de kracht om doodzonden te vergeven, de heiligmakende gratie te verleenen, gelijk nader zal blijken ■uit de verklaring van het vierde voordeel welke het geeft.

5 Y. Wat hijzonder voordeel geeft het H. Oliesel ?

A. Ten 1. Het verlicht de zieken; ten 2. het vermindert de bekoringen; ten 3. het vergeeft de dagelijksche zonden; ten 4. het neemt de doodzonden weg, die men alsdan niet in staat is te biechten ; ten 5. het helpt de zieken tot de gezondheid, als het hun zalig is.

De Catechismus noemt vijf bijzondere voordeden op , die het H. Oliesel geeft. Ten het verlicht de zieken, d. w. z., beurt hen op, „ door een groot vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid in hen op te wekken, waardoor ondersteund zij de ongemakken en pijnen der ziekte lichter verdragen.quot; (Cone. v. Trente , t. a. p., A/dst. II.)

Ten 2de, het vermindert de bekoringen, in dien zin , dat het de overblijfselen der zonden vermindert, nl. de geneigdheid tot het aardsche en tot de zonde, de gevoelloosheid voor het hemelsche, en de uit beide deze gevolgen der zonden voort-

ocr page 383

379

komende ongeregelde vreeze voor den dood, en dat het de zie der zieken versterkt, haar bijzondere dadelijke gratie en kracht geeft om gemakkelijker aan de bekoringen des duivels te weerstaan.

Ten 3Je, het vergeeft de dagelijksche zonden, waarover men een onvolmaakt berouw heeft.

Ten 4de, het neemt de doodzonden weg, m. a. w., vergeeft de doodzonden, geeft vergiffenis van de doodzonden, die men alsdan, d. w. z., die men onmiddellijk vóór of bij het ontvangen van het H. Oliesel niet in staat is , niet eens door eenig teeken te geven kan biechten, mits men er een onvolmaakt berouw over hebbe, of ten minste gehad hebbe, zóó dat het nog voortduurt. Dus is, om door het H. Oliesel vergiffenis der zonden te bekomen, gelijk tot de Biecht, een onvolmaakt berouw noodzakelijk. (35ste Les, 20te V.)

Let wel op , dat de Catechismus zegt: „ Het H. Oliesel neemt de doodzonden weg, die men alsdan niet in staat is te biechten. Want kan men ze dan biechten , ook maar door eenig teeken te geven , dan moet men ze ook biechten. De reden is bekend uit het antwoord op de 32quot;te V. der vorige Les. Intusschen blijkt Gods groote barmhartigheid uit dit 4'lc voordeel des H. Oliesels overduidelijk. Want omdat het H. Oliesel, met een onvolmaakt berouw ontvangen, de doodzonden wegneemt, die men in gevaar van sterven niet in staat is te biechten, is dit Sacrament in menige gevallen het eenig reddingsmiddel voor den stervenden zondaar. Bv. iemand krijgt plotseling eene beroerte, of stort neder ten gevolge van eene hartkwaal, die hem van 't gebruik zijner zintuigen berooft, zoodat hij niet eens door teekens de doodzonden biechten kan, waaraan hij schuldig is. Door met een onvolmaakt berouw het H. Oliesel te ontvangen, krijgt hij vergiffenis van zijne zonden, kwijtschelding van de straffen der hel, de heiligmakende gratie, het recht op den hemel. Meer nog. Iemand wordt in staat van doodzonde krankzinnig. Van het gebruik zijner rede beroofd, kan hij natuurlijk niet biechten.

ocr page 384

380

noeh een berouw verwekken. Maar gelukkig heeft hij te Toren, 's avonds vóór 't slapen gaan of 's morgens bij het opstaan , volgens christelijk gebruik , eene akte van berouw gebeden. Zijn berouw was, zoo veronderstellen we , onvolmaakt. Dat berouw wordt geacht voort te duren. In stervensgevaar ontvangt zoo iemand het H. Oliesel, en door dit Sacrament, dat voor hem de Biecht aanvult, vervangt, krijgt hij vergiffenis der doodzonden, welke hij, ingevolge zijner kwaal, niet in staat is te biechten; door het H. Oliesel komt hij in den hemel. Uit de twee aangehaalde gevallen moet ge met mij besluiten , hoe grootelijks dit 4de voordeel van het H. Oliesel te waardeeren is, nl., dat het de doodzonden wegneemt, die men alsdan niet in staat is te biechten, mits men er een onvolmaakt berouw over hebbe. Uit de noodzakelijkheid van deze conditie of voorwaarde, dat men over zijne zonden een onvolmaakt berouw hebbe, moet ge met mij verder afleiden, hoe dringend het geraden, aan te bevelen is, minstens iederen avond eene akte van berouw over onze zonden te verwekken , om, indien we onverwachts van 't gebruik onzer zintuigen, of zelfs van ons verstand beroofd worden, gelijk zoovelen overkomt, nog door middel van het H. Oliesel vergiffenis onzer zonden te verkrijgen, in den hemel te komen.

Ten 5', helpt het H. Oliesel de zieken tot de gezondheid, ah het hun zalig is. Dus het H. Oliesel, bijtijds ontvangen, werkt uit zijn aard mede tot herstel der gezondheid , als het den zieken zalig is. Dus is dit uitwerksel (herstel der gezondheid) , hetwelk de H. Jacobus aanduidt, zeggende: En het gebed des Oeloofs zal hem (den zieke) behoudenquot; (in 't leven houden), voorwaardelijk te verstaan , nl., onder conditie , dat een langer leven hem zalig is. Is hem dit zalig, dan zal het waardig ontvangen van het H. Oliesel met de natuurlijke geneesmiddelen, als op gewone wijze, meewerken tot herstel zijner gezondheid.

Ik zeg, dan zal... als op gewone wijze meewerken ..; om

ocr page 385

381

aan te duiden, dat het nitwerksel van dat H. Sacrament ook in dit opzicht wel altijd bovennatuurlijk is, maar zelden miraculeus. Het is dus onzinnig , dwaas , het ontvangen van het H. Oliesel zoolang nit te stellen, dat de genezing van den zieke blijkbaar als een mirakel zou moeten beschouwd worden. Hieruit blijkt duidelijk, hoe weinig kennis van de waarheden des geloofs, hoe weinig begrip van den Catechismus degenen hebben, die bang zijn, dat, wordt hunnen dierbaren het H. Oliesel toegediend, ze dan zeker zullen sterven, en daarom het uiterste oogenblik afwachten. Juist het omgekeerde is waar. Ontvangt een ernstig zieke bijtijds, terwijl hij nog in 't volle gebruik is zijner rede en zintuigen, dat H. Sacrament, dan zal hij , als een langer leven, de gezondheid hem zalig is, ook krachtens dit Sacrament te eerder herstellen.

De vijf opgenoemde voordeelen, heilzame uitwerkingen van dit Sacrament moeten voor een ieder even zoovele aansporingen zijn om dagelijks ten minste een Wees gegroetje te bidden ter eere van den H. Joseph, en van de H. Barbara, patrones van een zaligen dood, om door hunne voorspraak het geluk te verwerven in zijn uiterste waardig en met volle kennis het H. Oliesel te ontvangen.

6 V. Wat behoort men te doen, als men het H. Oliesel ontvangen heeft ?

Ten 1. God te bedanken ; ten 2. zich geheel aan den goddelijken wil te onderwerpen ; ten 3. zich met godvruchtige gedachten bezig te houden ; ten 4. zich te wachten van wereldsche bekommernissen, en vooral van zonde.

Als men het H. Oliesel ontvangen heeft, behoort men ten le, veel meer met het hart dan met den mond God te bedanken voor de groote voordeelen door dit Sacrament ontvangen.

Ten 2«, behoort men zich geheel aan den goddelijken wil te

ocr page 386

382

onderwerpen. Immers volkomen onderwerping aan, tevredenheid met Gods heiligen wil betaamt ons schepselen Gods, die geheel van Hem , den Heer van leven en dood, afhankelijk zijn. Die tevredenheid met Gods heilige beschikking is voorts een krachtig middel om de ongemakken der ziekte te verzachten, ze met gednld te verdnren. „Geduldig zijn lijden verdragen, is volmaakter dan alle overige werkenquot;, zegt de H. Bonaventnra. Geen wonder dus, dat die tevredenheid met Gods wil zoo groote verdiensten aanbrengt voor den Hemel, en de straffen des Vagevuurs zooveel vermindert, verkort. „Geene boete of penitentie, zegt de H. Alphonsxis de Ligorio , is Gode meer welgevallig, dan ter voldoening zijner zonden den dood bereidwillig (uit Gods vaderhand , die alles te onzen beste beschikt) aan te nemen, en geen akte is volmaakter, dan den dood aan te nemen om den wil Gods te volbrengen.quot; (Frax. Cfessarii, cap. XI n. 246, 250.)

Verplegers van zieken is het derhalve aanbevolen, hun van tijd tot tijd voor te zeggen: „Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw wil geschiede op aarde , als in den hemel.quot; „ Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze kelk mij voorbijgaan: nochtans niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij.quot; Matth. XXVI, 39.) „ Dat de allerrechtvaardigste, allerhoogste en aller-beminlijkste wil Gods in alles volbracht, geprezen en in eeuwigheid hoog verheven worden. Amen.quot; (100 dagen aflaat verleend door Pins VII 19 Mei 1818.)

Ten S'11quot;, behoort men zich met soortgel ijke godvruchtige gedachten als reed s zijn aangegeven , bezig te houden. Om zich gemakkelijker met godvruchtige gedachten bezig te houden, is het geraden, bij herhaling een blik te slaan op de beeltenis van de Koningin des Hemels, O. L. V., Moeder van Barmhartigheid ; van Jesus, uit liefde voor ons eu tot boeting onzer zonden onder de felste smarten aan het krnis gestorven. Door het godvruchtig aanschouwen van het kruisbeeld , zullen de gevoelens van geloof, hoop, liefde en berouw gemakkelijk in den zieke verlevendigd worden, vooral indien eene liefde-

ocr page 387

383

volle pleegzuster die akten op gepaste wijze, kort en bondig den zieke voorzegt.

Ten 4,le, behoort men zich te wachten nan wereldsche bekommernissen over geld en goed, familiebetrekkingen enz.; maar vooral behoort men na de volle bediening (vgl. SS8'6 Les, 15de V.), *ich te wachten van zonde. En toch valt men ten gevolge der ziekte zoo lichtelijk in eenige zonde, vooral van ongeduld, enz. Daarom is het geraden , zoo dikwijls een Priester ons bezoekt, zich van die font, en in 't algemeen van deze of gene zonde, vroeger bedreven, te beschnldigen, en er telkens de H. Absolutie over te ontvangen. Want door de herhaalde H. Absolutie worden we niet alleen meer en meor gesterkt om niet meer in de zonden te vallen, maar krijgen tevens meer en meer kwijtschelding der tijdelijke straffen, die na de vergeving der zonden veeltijds overblijven. (Vgl. 35s,e Les, 3lle V.) De H. Absolutie, bij herhaling waardig ontvangen , kort dus de straf van 't Vagevuur telkens meer en meer af.

Om ons van de straffen des Vagevuurs geheel te ontslaan, geeft de Priester, na de toediening van het H. Oliesel, de generale absolutie, ook de Apostolische zegen genoemd , omdat de Priester die generale absolutie verleent krachtens machtiging van den Apostolischen Stoel van Petrus, of Zijne Heiligheid den Paus , die aan dien zegen een vollen aflaat verleend heeft. Om dien aflaat in zijne volheid te verdienen, moet men ten lsts, eene akte van liefde en berouw verwekken.

Ten 2'le, den zoeten naam Jesus, als men kan met den mond, anders met het hart aanroepen.

Ten 3J6, bereid zijn , om de ongemakken en pijnen der ziekte, ja, als het God belieft, den dood zeiven , geduldig te ondergaan, tot boeting zijner zonden, in vereeniging met het lijden en den dood, die Jesus uit liefde voor ons heeft doorstaan.

Om een zaligen dood te verkrijgen, is het aan te raden 1» dagelijks iets b. v. een Wees gegroet te bidden ter eere

ocr page 388

384

van den H. Jozef en de H. Barbara, bijzondere beschermheiligen voor een zaligen dood. 2° Zich gewoon te maken de stervenden alle dagen aan het stervend Hart van Jesns aan te bevelen, met b. v. dikwijls te bidden: Stervend Hart van Jesus, ontferm U over de stervenden. Zoo zal men ook 3° dikwijls aan den dood denken.

Vragen over de 36s,e Les.

1. Waarom wordt dit Sacrament heilig — laatste Oliesel

genoemd ?

2. Hoe weet ge, dat het een Sacrament is P Waarom

gelooft ge dat P Toon aan , dat het wezenlijk een Sacrament is.

3. Wanneer mag iemand in dezelfde ziekte het H. Oliesel

tweemaal of meer ontvangen ?

4. Noemt een oorzaak, waarom iemand het H. Oliesel

ongeldig , ontcaardig , zonder groote vrucht ontvangt.

5. Noem eenige middelen om een zaligen dood te verkrijgen.

ZEVEN m DERTIGSTE LES.

Tan het Priesterschap.

1 V. Wat is het Priesterschap.

A. Een Sacrament, door hetwelk de Bedienaars van de H. Kerk macht en gratie ontvangen, om hun ambt behoorlijk te bedienen.

Het Priesterschap, is een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe Wet. Want het is:

a.) Een uitwendig teeken, dat bestaat in de oplegging der

ocr page 389

385

handen en de heiige woorden — ontvang den H. Geest enz. — van den Biaschop, welke de bedienaar is ran dit Sacrament.

4.) Door dit uitwendig teeken wordt niet alleen eene bijzondere gratie beteekend, maar c.) ook medegedeeld. Daarom zegt de Catechismns: Het Priesterschap is een Sacrament, Doos hetwelk de Bedienaars van de H. Kerk, d. w. z., degenen die door den Bisschop tot heil der zielen bijzonder aan den dienst van God en van de H. Kerk worden toegewijd, geestelijke macht, en recht tot bijzondere dadelijke gratie ontvangen, om hun ambt, verschillend naar gelang der verschillende H. Orden, (vgl. 2de V.) behoorlijk te bedienen. Behalve de bijzondere dadelijke gratie, geeft het H. Priesterschap, waardig ontvangen, uit zijn aard de vermeerdering der heilig-makende gratie, en prent, al is het alleen geldig ontvangen, een eeuwigdurend geestelijk merkteeken in de ziel.

Welk soort van Sacrament is het Priesterschap P (30quot;quot; Legt;, IS118 en 16de V.)

In welken staat moet dit Sacrament ontvangen worden P (19de V.)

Mag het meermalen in het leven ontvangen worden P

Waarom niet? (21»te en 22quot; V.)

d.] Het Priesterschap moet dus door Christus zijn ingesteld, wijl God alleen bij machte is aan een uitwendig teeken gratiën te verbinden.

2 V. Wat moet het Priesterschap , d. i. het ontvangen van het Priesterschap (de Priesterwijding)

voorafgaan ?

A. De kruinschering of tonsuur, de vier kleinere orden, en de orden van Subdiaken en Diaken.

Ten !■quot;, de kruinschering of tonsuur. Deze is geene orde, maar slechts eene kerkelijke plechtigheid, waardoor men in den geestelijken staat wordt opgenomen, dus van gewone

ocr page 390

386

geloovigen, leeken, wordt onderscheiden, en tot het ontvangen der H. Wijdingen wordt voorbereid.

Ten 2de, de vier kleinere of mindere orden, nl. die van a.) deur-bewaarder der kerk, b.) lezer van het woord Gods, c.) duivelbezweerder , en d.) Misdienaar.

Deze vier orden geven de macht om verschillende godsdienstige handelingen, welke door de benamingen der vier kleinere Orden genoegzaam worden aangeduid, ambtshalve te verrichten. Ze worden kleinere of mindere Orden genoemd, niet alsof zij op zich zelve als klein te beschonwen zijn, geringe waarde hebben, maar in vergelijking met (fcgrootere Orden van Sub-, d. i., onderdiaken en Diaken welke ten 3de, het ontvangen van het Priesterschap moeten voorafgaan. Het Subdiaconaat, Diaconaat en het Priesterschap worden, in vergelijking met de vier opgenoemde kleinere of mindere orden . groolere of meerdere orden genoemd , omdat degenen, die de wijding van Subdiaken, Diaken of Priester ontvangen hebben, meer van nabij medewerken tot het opdragen van het H. Sacrificie der Mis, dau degenen welke enkel de kleinere orden ontvangen hebben. In dit opzicht, nl. wat de minder of meer rechtstreeksche medewerking tot het opdragen van het H. Sacrificie der Mis betreft, bestaat tusschen Subdiaken, Diaken en Priester nog een groot verschil , gelijk uit het 3lt;k Antw. zal blijken.

Omdat reeds een Subdiaken meer van nabij tot het plechtig opdragen van het H. Sacrificie der Mis medewerkt, legt de H. Kerk aan degenen , die deze grootere orden , na rijp beraad, ontvangen, de verplichting op om in eeuwige zuiverheid te leven , en dagelijks do kerkelijke getijden naar behooren te bidden.

De Subdiaken mag in eene Mis met drie Heeren den Epistel zingen , den wijn schenken, den kelk reinigen enz. De Diaken mag het Kvangelie , en He Missa est iingen , het „Allerheiligstequot; vasthouden, het den Priester in de hand geven , enz.

ocr page 391

387

3 V. Welke macht voornamelijk hebben de Priesters meer dan de andere bedienaars der H. Kerk?

A. De macht om in Christus' naam de zonden te vergeven, en door hun woord het brood en den wijn te veranderen in het lichaam en bloed van Christus.

3 V......dan de andere Bedienaars der H. Kerk, d. w. z.

dan degenen welke alleen de kleinere orden, of de grootere orden Tan Subdiaken en Diaken hebben ontvangen P

A. De macht, ten lste, om in Christut naam de zonden te vergeven in het H. Sacrament der Biecht, (vgl. 35ste Les, lste V.l Ten 2de, om door hun woord hel brood en den wijn te veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. (Vgl. 33ste en 348tt Les, 4'lt V.)

4 V. Wat zijn de geloovigen aan de Priesters verschuldigd ?

A. Grooten eerbied en vertrouwen.

De geloovigen zijn aan de Priesters verschuldigd: ten l!te, grooten eerbied om hunne overgroote waardigheid als plaats-bekleedcrs van Jesus Christus, en uitdeelers van zijne geheimen.

Ten 2'le, groot vertrouwen. En om natuurlijke, en om bovennatuurlijke redenen verdienen de Priesters, dat de geloovigen groot vertrouwen in hen stellen.

Als natuurlijke reden geldt, dat de Priesters van hunne jeugd af moeten studeeren en na de voorbereidende, letterkundige en wijsgeerige studiën te hebben afgedaan, door bekwame en ondervindingrijke leermeesters onderwezen worden in alles wat den geloovigen ter zaligheid heilzaam of schadelijk is. Eens in bediening, moeten de Priesters voortstudeeren, en doen zei ven veelzijdige ondervinding op. Vertrouwt men terecht zijne lichamelijke en tijdelijke belangen aan genees-heeren, notarissen of advocaten , dan verdienen de Priesters

ocr page 392

388

natnarlijkerwijB met niet minder reeht een groot vertrouwen Tan den kant der geloovigen in alles wat het geestelijk belang hnnner zielen aangaat, te meer wijl de Priesters volgens hunnen staat vol ijver moeten zijn voor het heil der zielen , en door hunne H. Wijding bijzondere gratiën ontvangen om hun ambt behoorlijk te bedienen. (Vgl. 1quot;quot; V.) Deze twee aangestipte bovennatuurlijke redenen bewijzen genoegzaam, dat de geloovigen aan de Priesters groot vertrouwen verschuldigd zijn.

De geloovigen moeten den Priesters dat vertrouwen toonen door hun rechtzinnig hunne zonden te belijden, en door hunne raadgevingen en vermaningen welwillend aan te nemen, en trouw na te komen.

Zoodra gij bemerkt, dat iemand met wien ge omgaat , of een boek, courant of schrift dat ge leest, op Priesters en geestelijken smaalt, er kwaad van zegt. er den spot mee drijft, houdt u dan verzekerd, dat die persoon of dat geschrift niet deugt; vermijdt zulke personen, leest zulke geschriften niet, indien ge zelf niet slecht, bedorven wilt worden.

5 V. Behooren wij God om goede Priesters te hidden ?

A. Ja, bijzonder op de quatertemper-dagen, waarop gewoonlijk de Priesters gewijd worden.

Ja, wij behooren God om goede Priesters te bidden, d.i., om Priesters, die met een apostolischen geest vervuld zijn; die mannen zijn van gebed en studie, blakend van ijver voor de glorie Gods en het heil der zielen, die niet hun eigenbaat zoeken, maar alleen , of minstens bovenal de glorie Gods en de zaligheid der hun toevertrouwden betrachten, en daarom zonder aanzien des persoons, met apostolische vrijmoedigheid, gepaard aan bescheidenheid , hun desnoods ook openlijk hunne zoneten en misdaden onder het oog durven brengen. Die plicht rust zwaar op den Priester. Seeds in het Oude Tes-

ocr page 393

389

tament schreef God zijn profeet Isaïas nadrukkelijk voor (hfdst, LVIII. v. 1.): „ Eoep zonder ophouden, verhef nwe stem als eene bazuin, en verkondig mijn volk hunne misdaden, en aan het huis van Jacob zijne zonden.quot; In het Nieuwe Testament, bezweert de groote Apostel zijn leerling Timotheus, en in diens persoon alle Priesters, „voor God en Jesus Christus, die levenden en dooden zal oordeelen, bij zijne komst en zijn koninkrijk, predik het woord , houd aan, gelegen of niet gelegen, wederleg, smeek, bestraf in alle lankmoedigheid en loering. Want daar zal een tijd zijn, dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar met oorenjeukte bevangen, zich leeraars naar hunne lusten in menigte zullen aanschaffen, en hun gehoor zullen zij afwenden van de waarheid en zich keeren tot fabels. Maar gij , wees waakzaam , ... doe het werk van een Evangelist, vervul nwe bedieningquot;. (II ad Tim. IV. 1 — 5.)

Zóó hunne bediening vervullen , vordert van de Priesters veel deugd, moed en zelfopoffering. Hieruit volgt, dat men het hun niet kwalijk moet nemen, wanneer zij, wel verre van ons naar den mond te praten, ons te vleien , door ten koste of ten nadeele onzer zaligheid de ware leer des Evangelies als te verminken , integendeel ons ridderlijk de volle waarheid zeggen, ons onze zonden en misdaden openbaren, en er ons over berispen en bestraffen. Door dit te doen, gelijk het voor een goed Priester plicht is, worden wij op den weg des verderfs, die ter helle leidt, tegengehouden, voor ons eeuwig ongeluk behoed, en op den weg des hemels teruggebracht. Het is dus voor een ieder, en voor geheel «ene Parochie een zegen, goede Priesters te hebben. Hieruit volgt verder zonneklaar, dat wij God om goede Priesters behooren te bidden, en wel bijzonder op de Quatertemper-dagen, d. w. z., op drie vastendagen in eene week. Woensdag, Vrijdag en Zaterdag, bij elk der vier jaargetijden, winter, lente, zomer, herfst, waarop gewoonlijk de priesters gewijd C 25

ocr page 394

390

worden. In ons bisdom heeft de groote wijding plaats op Quatertemper-Zaterdag na Pinksteren.

Vragen over de 379'e Les.

1. Waarom zijn wij den Priester grooten eerbied ver

schuldigd P

2. Om welke redenen mogen wij met grond een grooter

vertrouwen in den Priester stellen dan in andere

menschen P

3. Wat moet men denken van, en hoe zich gedragen

omtrent degenen, die zich slecht gezind jegens de

Priesters toonen P

-lt;lt;•gt;-

ACHT EI DERTIGSTE LES.

Van liet Huwelijk.

1 V. Wat is het Huwelijk ?

A. Een Sacrament, waardoor man en vrouw wettig verbonden worden, en gratie ontvangen om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen.

Voor kinderen kan eene zeer korte verklaring dezer Les volstaan. Heilzaam is het zeker hun in te prenten, dat het .Huwelijk van het begin der wereld eene goddelijke instelling is geweest, en dat onze goddelijke Verlosser de natuurlijke echtverbintenis voor gedoopten tot de waardigheid van een Sacrament der Nieuwe Wet heeft verheven. Daarom leert de Catechismus : Het huwelijk is een waar en eigenlijk gezegd Sacrament der Nieuwe Wet.

a.) Het uitwendig teeken van dit Sacrament is de duidelijke , door woorden of teekenen , voor den eigen Pastoor

ocr page 395

391

en twee getuigen (3'ic V.), afgelegde verklaring van brnide-gom en bruid, dat zij eene echtverbintenis met elkander aangaan, elkaar voor man en vrouw nemen, of, gelijk de CatechiBmn b zegt: Een Sacrament waardoor man en mouw wettig voor God en de H. Kerk verbonden worden door den huwelijksband.

b.) Dat uitwendig teeken beteekent, en c.) geeft eene bijzondere gratie, nl. de gratie om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen. Dit leert de Catechismus uitdrukkelijk, zegggende: Het huwelijk is een Sacrament

waardoor man en vrouw gratie ontvangen om de plichten van den huwelijken staat behoorlijk te vervullen. (Zie meer in 't bijzonder, 5lt;ic V.)

d.) Het is dus door Christua ingesteld ; want God alleen kan aan het uitwendige teeken gratiën verbinden.

2 V. Mag het Huwelijk van een ieder en met een ieder worden aangegaan ?

A. Neen; want niet van degenen, noch met degenen , die belofte van zuiverheid gedaan hebben; noch van noch met zekere geestelijke personen, noch met onkatholieken, noch met degenen, aan welke men vermaagschapt is of ten aanzien van welke men door eenig ander huwelijks-beletsel is verhinderd.

Twee vragen dienen hier duidelijkshalve gesteld te worden : 1»'«. Mag een ieder trouwen ? Ween ; want trouwen mogen niet, die belofte van zuiverheid gedaan hebben....

2|ie. KTinnen zij , die trouwen mogen, trouwen met wie ze willen P Neen ; want niet met zekere enz... .

Katholieken mogen het huwelijk niet aangaan met onkatholieken , bv. Protestanten. De H. Kerk heeft immer de gemengde huwelijken afgekeurd en gestrengelijk verboden, omdat daaruit dikwerf twist, onmin , onverschilligheid voor

ocr page 396

392

den godsdienst, ja soms geloofsverzaking ontstaan, en omdat ten gevolge van xnlk hnwelijk de katholieke opvoeding der kinderen gewoonlijk gebrekkig is, niet zelden geheel verwaarloosd wordt.

Heeft iemand tegen het gebod der H. Kerk een gemengd huwelijk aangegaan, dan mag hij niet openbaar tot de H. Sacramenten worden toegelaten, dan nadat den Bisschop een stnk zij verstrekt, onderteekend door de katholieke partij en dezer Pastoor en twee getuigen, waarin ze getuigen, dat de katholiek berouw heeft over zijne zonde, bedreven door overtreding van het verbod der Kerk, en dat hij rechtzinnig belooft:

a.) naar vermogen de bekeering van de onkatholieke wederhelft te bewerken, (m. a. w., zich wil beijveren den onkatholiek door stichtend voorbeeld, gebed en gepaste vermaning, langs den weg der overtuiging, tot de ware Kerk te brengen);

b.) dat hij zorg zal dragen , zooveel mogelijk, dat alle kinderen in den katholieken godsdienst worden opgevoed;

c.) dat hij de aan de geloovigen gegevene ergernis zal herstellen. (Vgl. Coll. Epist. T. II. p. 384.)

3 V. Voor wien moet het Huwelijk worden aangegaan ?

A. Het moet geschieden voor den eigen Pastoor of voor eenen Priester, door den Pastoor gemachtigd, en voor twee getuigen.

Do overeenkomst, die voor den ambtenaar van den burgerlijken stand wordt aangegaan, m. a. w., het trouwen op het stad- of raadhuis, is voor katholieken geene huwelijksverbintenis, geen Sacrament, maar enkel de aflegging van zekere verklaringen, en onderhouding van zekere formaliteiten, die door de burgerlijke overheid zijn voorgeschreven.

4 V. In welken staat moet het H. Sacrament des Huwelijks ontvangen worden ?

ocr page 397

393

A. In staat van gratie.

Waarom moet het H. Sacrament des Huwelijks in staat van gratie ontvangen worden P

Geeft dit Sacrament aan hen, die het waardig ontvangen, de eerste lieiligmakende gratie, of de vermeerdering der heilig-makende gratie? (SO5'11 Les, 7 , IS116, 18de — 20te V.)

5 V. Welke bijzondere gratiën geeft het H. Sacrament des Huwelijks ?

A. Ten 1. Om kinderen tot Gods eer te verkrijgen en op te voeden; ten 2. om in liefde en vrede te leven ; ten 3. om de verdere lasten en plichten van den huwelijken staat naar behooren te dragen.

Krijgen ook zij , die het Sacrament des Huwelijks wetens en willens in staat van doodzonde ontvangen, deze gratiën P

Neen ; omdat zij het zonder de vereischte gesteltenis ontvangen. Daarom doen zij eene groote zonde van heiligschennis. (30quot;' Les, ll'i». 12'ie V.)

Is er voor hen , die heiligschennenderwijs dit Sacrament zouden ontvangen hebben , geen middel meer over om weer hersteld te worden in de heiligmakende gratie en om het recht te krijgen op voornoemde dadelijke gratiën, die hun in den huwelijken staat toch zoo noodig zijn P

Zeker kunnen die ongelukkigen door eene goede Biecht weer hersteld worden in de heiligmakende gratie, en op goeden grond mag gezegd, dat zij door eene goede Biecht tevens het recht krijgen op de bijzondere dadelijke gratiën van het H. Sacrament des Huwelijks.

6 V. Kan het Huwelijk ontbonden worden ?

A. Neen; tenzij door den dood.

7 V. Welke is de beste weg tot een gelukkig Huwelijk ?

ocr page 398

394

A. Een braaf en zuiver leven van zijne jeugd af, eene eerbare verkeering met toestemming zijner ouders begonnen, het gebed en het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten.

't Is ook van zeer groot belang, de meer onmiddellijke voorbereiding goed te doen, de zoogenaamde bruidsdagen zonder zonde, zonder bevorderen van misbruiken, in veel gebed en godsdienstige stemming door te brengen. —

Kinderen, gij weet, dat er verschillende levensstaten bestaan : de priesterlijke, de kloosterlijke, de gehuwde en ongehuwde ook in de wereld. De ongehuwde is volgens Christus' leer, veel voortreffelijker dan de gehuwde ; gij moet echter dien staat aangaan, waartoe God u geroepen heeft, en daarom is het zaak reeds vroeg te beginnen de middelen te gebruiken , die de Catechismus hier aangeeft.

De Catechismus geeft in zijn antwoord vier middelen aan om tot een gelukkig Huwelijk te geraken. Drie dezer middelen zijn in elk geval heilzaam om een zaligen levensstaat te kiezen: a.) een braaf en zuiver, knisch leven van zijne jengd af; b.) het gebed, en c.) het dikwijls waardig ontvangen der HH. Sacramenten van Biecht en Communie , ten minste om de maand of op de liooge feestdagen. (33stli Les, IS1!6 V.; 35»tc Les, 4',e V.)

Vragen over de 388te Les.

1. Noem de voornaamste levensstaten.

2. Boe weten wij , dat de maagdelijke staat verhevener

is , dan de huwelijke P

3. Mag ieder trouwen die wil; en wie trouwen mag, kan

die trouwen met wie hij wil P

4. Ontvangen allen bij het Huwelijk evenveel gratie ?

5. Hoevelerlei is de voorbereiding P

--

ocr page 399

395

YIJFDE DEEL.

Van de Christelijke Rechtvaardigheid.

lEGKEI EI DERTIGSTE LES.

Van de zonde.

De Christelijke leering kan men gevoegelijk rerdeelen in vijf voorname deelen , waarvan het eerste handelt over het Geloof; het tweede over de Hoop; het derde over de Liefde; het vierde over de HH. Sacramenten , en het vijfde over de Christelijke Eeuhtvaardigheid. (Vgl. lste Les, 5de V.)

De Catechismus handelt dus in zijn vijfde deel over de Christelijke Rechtvaardigheid, en leert allereerst waarin deze niet enkel bestaat; vervolgens waarin ze bestaat, m. a. w., wat er toe vereischt wordt, of hoeveel deelen ze heeft, en legt de twee deelen, waaruit ze bestaat, nl. in de zonden te vluchten en de deugd te oefenen , ieder in 't bijzonder uit.

Immers de 39ste.' tot en met de 41!,te Les handelt over de zonden. De 42ste—44ste Les handelen over de deugden en goede werken. Eindelijk handelt de 45ste, de laatste Les, over de vier uitersten des menschen, met name over hel en hemel, die het loon of de straf zijn van ;de beoefende of verwaarloosde Christelijke Rechtvaardigheid. Na den dood toch zullen we in het oordeel ter helle verwezen worden, indien we de Christelijke Rechtvaardigheid niet beoefend hebben, doch den hemel tot loon krijgen, indien we in de beoefening der Christelijke Rechtvaardigheid sterven.

-Het zou eene grove dwaling zijn, te meenen, dat de Christelijke Rechtvaardigheid enkel bestaat in het ware geloof, m. a. w., dat het ware geloof alléén, zonder de werken des

ocr page 400

396

geloofs, voor degenen die tot de jaren van verstand gekomen zijn, genoeg is om in den hemel te komen. Die dwaalleer bestrijdt de Catechismus in de le V. dezer Les , luidend :

1 V. Is het ware geloof alléén genoeg om in den hemel te komen ?

A, Neen ; men moet ook de Christelijke Rechtvaardigheid onderhouden.

Neen, het ware geloof alléén, zonder goede werken is voor degenen , die tot de jaren van verstand gekomen zijn, niet genoeg om in den hemel te komen. In de 16(le eeuw leerde Maarten Luther, dat het ware geloof alléén genoeg is om in den hemel te komen. Maar die leer isvalsch, is eene ketterij. Dit blijkt , gezwegen van andere bewijsgronden, reeds genoegzaam uit het antwoord, dat Christus gaf aan den jongeling , die Hem vroeg : „ Goede Meester ! wat goeds zal ik doen, opdat ik het eeuwige (zalige) leven hebbe. Wat moet ik doen, om het eeuwige leven te verkrijgen Pquot; Indien de vermelde leering van Luther waar was, had Christus moeten antwoorden : Geloof maar ; dat is genoeg om het eeuwige leven te verkrijgen, om in den hemel te komen. Doch, wijl die leering valsch is, kon Christus, de eeuwige waarheid , die niet liegen of bedriegen kan, dit antwoord niet geven. Welk antwoord gaf Hij dan ? Dit: „ Indien gij tot het leven wilt ingaan, onderhoud de gebodenquot;, (Maith. XIX. 16.17.; Marc. X. v. 17 en volg.), m. a. w., vlucht de zonden en beoefen de deugd ; onderhoud de Christelijke Rechtvaardigheid. W ant om in den hemel te komen is het ware geloof alléén niet genoeg, maar mokt men ook de Christelijke Rechtvaardigheid onderhouden. Deze bestaat in het onderhouden der geboden , en heeft twee deelen. Dit leert het antwoord op de

2 V. Hoeveel deelen heeft de Christelijke Rechtvaardigheid ?

ocr page 401

397

A. Twee deelen, te weten : het kwaad laten en het goed doen , of de zonden vluchten en de deugd oefenen.

Dit antwoord is het woord van God zei ven, en dns onfeilbaar. lieeds door den mond van den Psalmist David sprak God ; „ Komt, kinderen , hoort mij aan; ik zal n de vreeze des Heeren leeren,quot; d. i., datgene wat tot godvreezendheid en in de Nieuwe Wet tot de Christelijke Kechtvaardigheid, vereischt wordt. „ Wie is de mensch, die (hiernamaals) het (eeuwig zalig) leven wil, en (hier op aarde, tijdens zijn sterfelijk leven) goede dagen wensuht te zien Pquot; Het antwoord luidt : Om hier, zooveel mogelijk , gelukkig te zijn, en hiernamaals in den hemel te komen : „ Wijk af van het kwade en doe het goede. (Psalm XXXIII. v. 12 —15.) De Prins der Apostelen , de H. Petrus, herhaalt, onder ingeving van den H. Geest, dit zelfde woord, waar hij in zijn lequot; Brief, hfdst. III. v. 10. 11. schrijft: „Wie het (eeuwige) leven wil liefhebben , en goede dagen zien ,..... hij wijke af van het kwade,

en doe het goedequot;

Het kwaad laten, niet doen, de zonden vluchten, vermijden, niet bedrijven, is dus het eerste deel der Christelijke Rechtvaardigheid. Dit deel legt de Catechismus ook het eerst uit, en vraagt gevolgelijk;

3 V. Wat is de zonde ?

A. Eene overtreding van de wet Gods.

Zonde, gelijk wij ze hier verstaan, is eene vrijwillige overtreding van de Wet Gods. De Wet Gods is voor allen uitgedrukt in de tien geboden. (218te Les, 10'le—12ie V.); in de vijf geboden der H. Eerk (29ste les), en voor ieder in de plichten van zijnen staat. De vrijwillige overtreding van één dezer geboden of plichten, is eene eigenlijk gezegde dadelijke zonde.

ocr page 402

398

Ik zeg ; eene dadelijke zonde , omdat de Catechismus in de volgende vragen, deze soort van zonde nadrukkelijk onderscheidt van de erfzonde, de tweede soort van zonden, waarin de zonde in het algemeen verdeeld wordt. Immers de 4,le V. luidt:

4 V. Hoevelerlei is de zonde?

A. Tweederlei: erfzonde en dadelijke zonde.

5 V. Wat is de erfzonde ?

A. De zonde, welke alle menschen van onzen eersten vader Adam overerven.

De erfzonde is de zonde, welke alle menschen , uitgenomen de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria (8° Les, 7C — 10® V.) van onzen eersten vader Adam overerven , en welke daarom ter onderscheiding van de zonden , welke wij door eigen wil, door eigene daad bedrijven, erfzonde genoemd wordt.

De zonde, welke in ons menschen, als afstammelingen van onzen eersten vader Adam, in hare gevolgen erfzonde genoemd wordt, heeft Adam , de stamvader aller menschen , van geheel het mensohelijk geslacht, met de daad bedreven door van de verboden vrucht te eten. (8e Les, 6e V.) Persoonlijk deed Adam daardoor eene eigenlijk gezegde dadelijke zonde. Door zijn eigen wil toch en door zijn eigene daad beging hij eene overtreding van de Wet Oods (3quot; V.); want God had hem persoonlijk, en wel als stamvader van het menschelijk geslacht, op stellige wijze verboden te eten van den boom der kennis van goed en kwaad.

Door die wet, dat gebod Gods te overtreden, deed Adam zelfs eene ioorfzonde, omdat God hem die wet uit een groot doel, groot inzicht had voorgeschreven, nl. ter erkenning van zijne opperste heerschappij, en 'smenschen afhankelijkheid.

ocr page 403

399

Door die doodzonde van ongehoorzaamheid he^ft Adam zich zeiven en ons, zijne nakomelingen, onnoemelijk veel en groot kwaad gedaan.

Zich zeiven. Want willen wij katholiek zijn, dan moeten we belijden, dat Adam door die zonde aanstonds de heiligheid en rechtvaardigheid, (den staat van de heiligmakende gratie), waarin hij geplaatst was, verloren heeft, en de gramschap en verontwaardiging Gods heeft ingeloopen , en daarom aan den dood, waarmee God hem te voren bedreigd had, is onderworpen, en met de onderworpenheid aan den dood in de slavernij des dnivels gevallen is (8e Les, 6= V.), en dus naar lichaam en ziel in slechteren toestand is veranderd. (Vgl. het Besluit der Algem. Kerkv. van Trente over de erfzonde , 5e Zitt., n. 1.)

Niet enkel zich zeiven , maar ook ons , zijne nakomelingen, heeft Adam door zijne zonde van ongehoorzaamheid veel en groot kwaad gedaan, gelijk uit het antwoord op de 6e V. zal blijken.

Men denkt en vraagt wel eens: Is dat wel lief, wel mooi van O. L. Heer, dat Hij ons om de sonde van onzen eersten vader Adam aan zooveel en groot kwaad onderworpen heeft P Immers, wij menschen hebben die zonde niet zelf, persoonlijk bedreven, niet door eigen wil begaan , en toch moeten we er zooveel om lijden.

Kinderen, 'tis waar, wij hebben die zonde niet zelf gedaan ; en daarom is de erfzonde in ons ook geene eigenlijk gezegde, dadelijke zonde, geene vrijwillige overtreding van de wet Gods; maar een zondige toestand, een zondige staat, en wel een staat van doodzonde, welke wij door afstamming van onzen eersten vader Adam overerven, omdat God, de almachtige Heer , onzen wil in den wil van onzen eersten vader Adam had opgesloten. (Vgl. 8»'« Zes, 9de V. en het Conc. v. Trente, t. a. p., n. 2 en 3.)

Dat God onzen wil in dien van Adam vrij ion opsluiten,

ocr page 404

400

is blaar en duidelijk , doordien God de almachtige Heer en Meester is van al zijne schepselen.

Dat Hij door werkelijk ons aller wil in dien van Adam te besluiten, niet alleen niets onbillijks deed, maar daardoor en met Adam en met ons zeer mooi en liefderijk handelde, zal eene gelijkenis eenigszins ophelderen, begrijpelijk maken.

Een koning zegt tot een zijner onderdanen : Ziedaar , zonder dat ge uwerzijds er eenige aanspraak op kunt maken , schenk ik u uit eigen beweging dat heerlijke landgoed als uw eigendom, zóó dat gij het bij uw sterven in vollen eigendom aan uwe kinderen kunt overmaken, nalaten ; doch onder deze conditie, voorwaarde , dat gij op dit erfgoed nooit of nimmer vrijen toegang geeft aan mijnen en tevens uwen gezworen vijand; want hij beoogt niets anders dan mijner heerschappij afbreuk te doen, en u met uwe nakomelingen ongelukkig te maken , aan allerlei rampen naar lichaam en ziel te ondervrerpen.

Overtreedt yij dit mijn verbod , dan verbeurt, verliest go oogenblikkelijk , op staanden voet mijne vriendschap, en alle recht op dit landgoed, niet enkel voor u zeiven, maar tevens voor uwe kinderen en kleinkinderen tot in het verste nageslacht. Doch onderhoudt gij deze alleszins billijke voorwaarde, dan zullen ook alle uwe afstammelingen in uw geluk deelen, mits ieder hunner persoonlijk de gestelde voorwaarde nakome nl. dat ze met mijnen en hunnen aartsvijand niet tegen mij samenspannen. Kinderen , oordeelt zelf. Wat dunkt u r Handelde die koning mooi en liefderijk met dien onderdaan en allen diens kinderen en kleinkinderen ?

Ongetwijfeld zult ge zeggen: Ja, hij behandelde dien onderdaan en diens nakomelingen overmooi en liefderijk. Die koning beweffs dien onderdaan en diens kinderen waarlijk eene vorstelijke welwillendheid en mildheid.

Kinderen, ge hebt gelijk. Immers de gestelde conditie was zoo gemakkelijk te onderhonden ; erkentelijkheid en trouw

ocr page 405

401

aan zijn Heer en weldoener verschuldigd, ja alleen reeds zijn eigen belang en het welzijn zijner kinderen hadden hem als moeten noodzaken, die licht te onderhouden voorwaarde stipt na te komen. Maar ondanks dat alles overtreedt hun vader moedwillig en koelbloedig de gestelde voorwaarde ; hij herbergt zijnen en zijns Heeren gezworen vijand, spant met hem als bondgenoot samen tegen zijn wettigen vorst, die hem en zijnen nakomelingen zoo genadig bevoorrecht had.

Kinderen, ik zeg andermaal; Oordeelt zelf. Verdient die ontrouwe, oproerige onderdaan niet volgens alle recht en billijkheid, dat hij, om zijne overgroote schuld en trouweloosheid, en tevens al zijne kinderen, de vriendschap van dien goeden koning verliezen, zich zijne gramschap en welverdiende straf op den hals halen P

Wederom zult gij zeggen: Ja, het is billijk en rechtmatig, dat om de overgroote ondankbaarheid en ontrouw van hun vader ook zij, kinderen van dien snooden vader, beroofd worden van de voorrechten, hun door dien liefderijken vorst beschoren, mits hun vader een op zich zelf zoo klein gebod niet moedwillig hadde overtreden, en hadde hij het onderhouden, ook zij op hunne beurt er niet aan te kort bleven.

Kinderen, de toepassing dezer gelijkenis ligt voor de hand.

God is die koning.

Die bevoorrechte onderdaan was onze eerste of stamvader Adam.

quot;Wij en alle menschen zijn zijne nakomelingen.

Allerliefderijkst handelde God en met Adam en met ons, door onzen eersten vader Adam tevens ons welzijn toe te vertrouwen , als in de hand te geven, te meer doordien hij zijn eigen en ons geluk op zoo gemakkelijk te onderhouden voorwaarde kon verzekeren, nl. door zich te onthouden van de vruchten van één enkelen boom, terwijl hij naar hartelust eten mocht van de keurige vruchten van al de overige boomengt;

ocr page 406

402

die zich in 't paradijs bevonden. Dewijl echter onze eerste vader Adam, dit op zich zelf zoo klein gebod moedwillig heeft overtreden , is het ook billijk, dat wij allen van nature, door onze afstamming van Adam, als „hinderen van gramschapquot; in den schoot onzer moeder ontvangen worden, (vgl. Brief aan de üphes. II. 3.), beroofd van de voorrechten, lonter uit liefde Adam verleend en ook ons beschoren , indien hij niet van de verboden vrucht gegeten had.

Rechtmatig dus heeft God niet slechts onzen eersten vader Adam, maar om diens zonde ook alle zijne nakomelingen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, en de daaraan verbonden voorrechten beroofd.

Door deze toepassing der aangehaalde vergelijking zult ge de volgende vraag en het daarop passend antwoord te gemakkelijker verstaan.

6 V. Wat Icicaad doet ons de erfzonde ?

A. Zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid en maakt ons onbekwaam om de glorie des hemels te genieten.

Door de vraag: Wat kwaad doet ons de erfzonde P wijst de Catechismus genoegzaam duidelijk op dit punt van ons H. Geloof: dat Adam's overtreding van de wet Gods , dat Adam's eigenlijk gezegde zonde niet enkel hem heeft geschaad, maar tevens geheel zijner nakomelingschap, aan alle menschen, kwaad heeft gedaan. (Vgl. de leer van het Conc. v. Trente, t. a. p. n. 2.1

Let wel op, dat de Catechismus in zijn antwoord zegt, dat de erfzonde ook ons tweeërlei kwaad doet. Want ten 1»«, zij beneemt ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die gelijk ge weet, bestond in de heiligmakende gratie met eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam. (8ste Les , 4,ls V.)

Die rechtvaardigheid wordt de oorspronkelijke rechtvaardigheid geheeten , omdat Adam allerwaarschijnlijkst in den

ocr page 407

403

staat van heiligmakende gratie geschapen is, en zeker bij zijn oorsprong door Gods goedheid in dien staat geplaatst, en te gelijk begiftigd ia met eenige bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam.

Door zijne zonde van ongehoorzaamheid heeft Adam persoonlijk de heiligmakende gratie en alle bijzondere voorrechten naar ziel en lichaam, welke God in zijne oneindige goedheid aan den staat der oorspronkelijke rechtvaardigheid geschonken had, verloren. (Vgl. 5,le V.) Om en door die zonde, welke wij van onzen eersten vader Adam overerven , zijn ook wij, van het eerste oogenblik onzer ontvangenis, beroofd van de oorspronkelijke rechtvaardigheid. Want het eerste kwaad, dat ons de erfzonde doet, is dat zij ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid beneemt.

Zeker, ook na Adam's val, behondt de mensch zijn natuurlijk verstand en vrijen wil; maar door en om Adam's zonde, welke wij bij onze ontvangenis overerven, zijn ook wij, zoowel als Adam, niet alleen beroofd van alle bovennatuurlijke gaven Gods , maar tevens gekwetst in onze natuurlijke ziels- en lichaamsvermogens. Ten gevolge der erfzonde is a) ons verstand verduisterd ; b) doet zich de begeerlijkheid des vleesches gevoelen , en is c) onze wil in plaats van tot het goede, tot het kwaad geneigd van de jeugd af; d) zijn wij onderworpen aan de lasten , de ongemakken, de wederwaardigheden dezes levens , en eindelijk aan den dood.

Einderen, oordeelt nogmaals zelf, is 'tniet waar, dat Adam zich zeiven en ons , door zijne zonde van ongehoorzaamheid , onnoemelijk veel en groot kwaad heeft gedaan P En wat nog het ergste is , de erfzonde maakt ons ten 2'le, onbekwaam, zoolang wij er mede besmet zijn, de glorie des hemels te genieten, die bestaat in Gods aanschijn te aanschouwen. (45ste Les, 9ie V.)

Dit tweede kwaad , dat ons de erfzonde doet, volgt uit het eerste. Immers, doordien de erfzonde ons de oorspronkelijke rechtvaardigheid beneemt, en ons allereerst berooft

ocr page 408

404

van de heiligmakende gratie, volgt van zelf, dat wij door de erfzonde met het verlies der heiligmakende gratie ook het kindschap Gods en het recht op den hemel verliezen.

Besmet met de erfzonde knnnen we niet zalig worden, niot in den hemel komen. (Vgl. 31'ts Les, 4de V.)

Hoort, hoe de algemeene Kerkvergadering van Trente (t. a. p. n. 2.) de kwade gevolgen , welke de erfzonde voor ons heeft, in naam van God omschrijft. „ Indien iemand —-zoo luidt hare onfeilbare uitspraak — beweert, dat Adams overtreding hem alleen , en niet zijner nakomelingschap geschaad heeft (kwaad heeft gedaan); en dat hij de heiligheid en rechtvaardigheid, welke hij van God ontvangen had, maar verloren heeft, alleen voor zich zeiven, en niet te gelijk ook voor ons verloren heeft; of dat hij besmet door de zonde van ongehoorzaamheid, enkel den (liehamelijken,) dood en lichamelijke straffen op geheel het menschelijk geslacht heeft overgebracht, maar niet tevens de zonde , die de dood der ziel is; hij zij in den ban; omdat hij den Apostel tegenspreekt, waar hij zegt {Brief aan de Hom. V. 12.): „Door éénen mensch (Adam) is de zonde in deze wereld gekomen, en door de zonde de dood ; — en aldus is de dood op alle menschen overgegaan, dewijl allen (in Adam) gezondigd hebben.quot;

Kinderen, uit deze kwade gevolgen der erfzonde zult ge te beter begrijpen, hoe groote weldaad Christus ons bewezen heeft door het instellen van het H. Doopsel, omdat de erfzonde alleen door het Doopsel vergeven wordt. (31st0 Les, 3 —5 V.)

Bedanken we God toch dikwijls, dat Jesus Christus, louter uit liefde jegens ons, door zijn lijden en dood ons uit de slavernij des duivels verlost, en aanstonds na onze geboorte door het H. Sacrament des Doopsels ons vergiffenis der erfzonde geschonken en in het recht op den hemel hersteld heeft, (vgl. 8ste Les, llde V., en verder 9dc, 10de en 318te Les.)

ocr page 409

405

Vragen over de 398te Les.

1. Welk verschil is er tasschen de christelijke rechtvaar

digheid en die, waarover gesproken wordt in het zevende gebod P

2. Toon uit het Evangelie, dat de goede werken ter

zaligheid noodzakelijk zijn.

3. Waaruit blijkt, dat de erfzonde èn voor Adam èn

voor ons een doodzonde is P En waarom was zulke kleine overtreding in zich, zulk groot kwaad ?

4. Is er ook eene zonde, die dadelijke en erfzonde te ge

lijk is P

-««—

YEERTIGSTE LES.

Tan de dadelijke zonde.

IV. Wat is eene dadelijke zonde ?

A. Eene zonde, die wij door eigen daad of eigen wil bedrijven.

De Catechismus zegt: Eene dadelijke zonde is eene zonde, die mij door eigen daad.... bedrijven. Ziedaar de reden, waarom deze soort van zonde, dadelijke zonde genoemd wordt, ter onderscheiding nl. van de erfzonde, die wij niet door eigen daad bedreven hebben. (Vgl. vorige Lei, 4de en 5de V.)

De Catechismus voegt er bij: of door eigen wil bedrijven, Deze woorden voegt de Catechismus er om twee redenen bij. Ten lste, opdat een ieder wete, dat men ook enkel door den wil, enkel inwendig, door vrijwillig behagen te nemen, toe te stemmen in eene kwade gedachte, en door enkel inwendig, in zqn hart iets kwaads te begeeren, te willen, te verlangen, C. 26

ocr page 410

406

eene dadelijke zonde kan bedrijven. Immers wezenlijk iets kwaads willen, er behagen in nemen , er mee instemmen, zich er in verlustigen , of begeeren iets kwaads te doen, alsmede pleizier hebben dat men het vroeger gedaan heeft, is zoowel eene daad als eene uiterlijke daad. Men moet dus de dadelijke zonden allereerst onderscheiden in in- en uitwendige zonden. Wie dus zou denken ; ja, ik heb dat kwaad, b.v., iets wat het 6lle gebod verbiedt, wel willen doen, of in de voorstelling van iets van dien aard volkomen toegestemd, er behagen in genomen , maar het toch niet metterdaad bedreven , niet uitwendig gedaan; dus heb ik er ook geene zonde, zeker geene doodzonde door bedreven, — die zou zich, bepaald in dit geval, grootelijks bedriegen. Want tegen de kuischheid kan men ook enkel inwendig grootelijks zondigen. Immers het 9Je gebod verbiedt alle zonden van onkuischheid door vrijwillige gedachten of begeerten. (27ste Les, Bquot;16 en 8s,e V.)

De Catechismus voegt er die woorden : of door eigen wil, ten 2de, bij, om van den anderen kant ook eenieder duidelijk te maken, dat zonder toestemming van den eigen wil er geene dadelijke zonde kan bestaan. B.v. in den slaap doe ik met de daad iets wat uit zijn aard groot kwaad zou wezen, indien ik het volkomen wakker, ook enkel met den wil zou bedrijven; maar nu is 't gebeurd geheel zonder mijn wil, of wakker zijnde, geheel tegen mijn wil, dan is die daad ook geene eigenlijk gezegde dadelijke zonde. Want eene dadelijke zonde is eene zonde, die wij door eigen daad, uitwendig met toestemming van onzen eigen wil, of enkel inwendig door eigen wil, in één woord: vrijwillig bedrijven.

Dat men dadelijke zonde alléén inwendig, en in- èn uitwendig kan bedrijven , blijkt nog duidelijker uit de

2 V. Op hoeveel manieren geschiedt de dadelijke zonde?

A. Op vijf manieren: door woorden, werken, gedachten, begeerten en verzuimenis.

ocr page 411

407

De dadelijke zonde geschiedt op vijf manieren , waarvan de twee eerste manieren voorbeelden zijn van wezenlijke uit-wendige dadelijke zonde; de twee volgende van enkel inwendige dadelijke zonde, terwijl de vijfde manier öf enkel inwendige öf tevens uitwendige dadelijke zonde wezen kan.

De dadelijke zonde geschiedt ten le, door woorden, bv., door godslastering (vgl. 24e Les, 4C V.), door onknische gesprekken , gezangen of liedjes, (27» Les, Cquot; V.); door valsche getuigenis, leugentaal, kwaadspreken of lasteren , (28e Les, 7e V.)

Ten 2e, door werken, b.v. door zonder wettige reden slaafsche werken te verrichten op Zon- en Feestdagen (25e Les, 5e V.), door zonder wettige macht en reden iemand te dooden, te kwetsen of merkelijk te hinderen, door onkuiache werken met zich zei ven of met anderen (27e Les, 2e en 6e V.); door iemands goed te stelen, enz. (Les 28 , 5e V.); door op onthondingsdagen zonder dispensatie of wettige reden vleesch te eten. (29'i Les, 6e — 8e V.)

Ten 3e, door vrijwillige gedachten, b.v. van onkuischheid. (27'i Les , 8e V.)

Ten 4®, door begeerte, b.v. om eenig onkuiseh werk te doen, (t. a. p.), door begeerte tot stelen of om onzen naaste op eene andere onrechtvaardige wijze in zijne tijdelijke goederen te be-nadeelen. (28e Les, 4'1 V.)

Ten 5quot;, door nerzuimenis. quot;We merkten reeds op, dat men door verzuimenis ofwel enkel inwendig of tevens uitwendig dadelijke zonde kan bedrijven. Zoo, b.v., bedrijft men enkel inwendig eene dadelijke zonde, als men verzuimt eene opgemerkte gedachte van onzuiverheid, of verstrooiende gedachten tijdens het gebed, behoorlijk te verzetten. Men zondigt tevens uitwendig, b.v., als men op Zon- of Feestdag moedwillig de H. Mis verzuimt (25e Les, 6C — 8» V.; 29« Les, 4e en 5« V.), door niet te straffen, niet te beletten , niet over te dragen , als men daartoe verplicht is (41e Les , 2e V.) enz. enz.

ocr page 412

408

Behalve in- en uitwendige dadelijke zonde, wordt de dadelijke zonde in 't algemeen nog tweeërlei onderscheiden.

3 V. Hoevelerlei is de dadelijke zonde?

A. Tweederlei: doodzonde en dagelijksche zonde.

4 V. Wat is doodzonde ?

A. Eene zonde , zoo strijdende tegen de wet Gods, dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, die het leven onzer ziel is.

Doodzonde is eene zonde, zóó erg strijdende tegen de wet Gods, m. a. w., eene zoo groote overtreding van de wet Gods (39' Les, 3e V.), dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, van de vriendschap Gods, of, van de heiligmakende gratie (30e Les, 8e V.) die het bovennatuurlijk leven onzer ziel is. Eene doodzonde doodt dus onze ziel geestelijker wijze en maakt ons aan den eeuwigen dood , de eeuwige verdoemenis, m. a. w., aan de eeuwige strafiFen der hel schuldig. (7e en 8e V.)

Juist omdat de doodzonde ons berooft van het bovennatuurlijk leven onzer ziel, wordt deze soort van zonde doodzonde genoemd.

Kinderen, om dit goed te verstaan, moet gij weten, dat onze ziel een tweevoudig leven heeft. Het eene is natuurlijk, en bestaat in het denken en willen. Het andere is bovennatuurlijk , en bestaat in de liefde of vriendschap Gods, welke we door de heiligmakende gratie waardig worden. Door de heiligmakende gratie toch is onze ziel schoon en aan God aangenaam en wordt ze van God bemind. (30= Les, 8C V.)

De doodzonde neemt het natuurlijke leven der ziel niet weg, maar berooft haar van het bovennatuurlijke leven; want door de doodzonde wordt de liefde Gods verloren. (21' Les, 8e V. en deze Les 6' V.) Wijl echter, zoolang we natuurlijker wijze leven, het kwaad dat ons de doodzonde doet

ocr page 413

409

(6e — 8e V.), nog herstelbaar is, kan men de doodzonde ook met recht eene doodgevaarlijke ziekte noemen, althans ze daarbij vergelijken.

5 V. Wanneer is eene zonde doodzonde ?

A. Als zij gedaan wordt met genoegzame kennis en genoegzaam vrijen wil, en grootelijks strijdt tegen de eer van God of het welzijn van onzen naaste.

Opdat eene zonde doodzonde zij , moeten dus drie voorwaarden , zaken samengaan. Ten l»te, moet zij gedaan worden met genoegzame kennis. Ten 2de met genoegzaam vrijen wil, en ten 3^, ghootelijks strijden tegen de eer van Ood of het welzijn van onzen naaste.

Om den aard eener eigenlijk gezegde zonde (39!te Les, 4Je V.), en vooral het verschil tusschen doodzonde en dagelijkse he zonde eenigszins duidelijk te maken, moet ik u bijna elk woord der drie opgenoemde voorwaarden, welke tot eene doodzonde vereischt worden, stuk voor stuk verklaren.

In de vorige Les (4lle V.) zeiden we reeds, dat eene eigenlijk gezegde zonde is : eene vrijwillige overtreding van de wet Gods. Maar nu is de vraag: Wat wil dat zeggen: eene vrijwillige overtreding van de wet Gods? of, m. a. w., wanneer is eene overtreding der wet Gods vrijwillig ?

A. Eene overtreding der wet Gods is vrijwillig, als zij wetens en willens geschiedt. Dus, opdat eene overtreding der wet Gods vrijwillig , eene eigenlijk gezegde zonde zij, moet die overtreding ten l»te, wetens, d. i., met kennis en voorbedachtzaamheid, en ten 2de, willens, d. i., met vrije toestemming van den wil geschieden.

Kennis en voorbedachtzaamheid bestaan daarin , dat men op het oogenblik waarop men de wet Gods overtreedt, wete of ten minste eenigszins inzie, er erg in hebbe , dat men tegen de wet Gods handelt, iets ongeoorloofds, kwaad doet.

ocr page 414

410

Hieruit volgt, dat iemand, die eene wet Gods overtreedt, zonder te weten of er eenigszins aan te denken, dat zijne handeling, zijne daad tegen de wet Gods strijdt, ongeoorloofd, kwaad, zonde is, zich niet aan eene eigenlijk gezegde zonde plichtig maakt, tenzij zijne onwetendheid en onbedachtzaamheid zelve schuldig is. B.v. een kind zon een vloek gezegd, uitgesproken hebben, maar toen het dien uitsprak, volstrekt nie^ geweten hebben, dat het een wezenlijke vloek was; dat kind zou geene eigenlijk gezegde zonde bedreven hebben; want het eerste vereisehte tot eene eigenlijk gezegde zonde, kennis, was er in 'tgeheel niet, ontbrak geheel; en de onwetendheid van dat kind mag in dit geval gerust als niet schuldig beschouwd worden.

Maar moet dan dat kind, als het op meer gevorderden leeftijd weet, dat de woorden, die het vroeger uitgesproken heeft, een wezenlijke vloek waren, zich in de fl. Biecht niet beschuldigen, wezenlijk te hebben gevloekt, eene godslastering te hebben bedreven P

A. Neen, want op het oogenblik waarop het die woorden uitsprak , wist het volstrekt niet, dat ze een vloek waren, en zijne onwetendheid was op zich zelve niet schuldig. De later opgedane kennis dat die woorden wezenlijk een vloek zijn, verandert de daad niet, die het vroeger in onschuldige onwetendheid bedreef.

Een ander voorbeeld. Een kind van zeven, acht, negen jaren heeft eens leelijk, vuil, onzedig, onkuisch gespeeld met een of meerdere van zijne broertjes of zusjes, neefjes of nichtjes; het wist heel goed, dat dit onzuiver spel groot kwaad, grootelijks ongeoorloofd was; maar het wist volstrekt niet, dat de omstandigheid van bloedverwantschap de zonde van onzuiverheid merkelijk verandert. Zeker moest het zich in de Biecht beschuldigen, eens een vuil spel te hebben gedaan. Maar moet het nu , als het later, uit de 28ate V. der 35aU Let begrijpt, dat die omstandigheid van bloedver-

ocr page 415

411

wantschap de zonde van onkuischheid merkelijk verandert, die omstandigheid ook nog biechten, er bijvoegen ?

A. Neen; want aan die omstandigheid heeft het zich niet schuldig gemaakt, omdat het kind op het oogenblik, dat het die zonde bedreef, volstrekt niet wist dat die omstandigheid zijne zonde merkelijk veranderde. Die onwetendheid kan zeker bij zulk kind onschuldig zijn.

Nog een voorbeeld, nl. van onschuldige onbedachtzaamheid.

Iemand weet zeer goed , dat hij Vrijdags of Zaterdags of op vastendagen geen vleesch mag eten. In de zekere meening, dat het Donderdag is in plaats van Vrijdag, eet zoo iemand op Vrijdag vleesch bij zijn ontbijt, of terwijl hij er in't geheel geen erg in heeft, dat het vandaag, b.v. daags vóór het feest van St. Petras en Panlus , enz., vastendag is, eet hij vleesch bij zijn boterham. Een ander ziet dat, en zegt: maar, jongen, weet ge wel dat ge vandaag geen vleesch moogt eten: want het is Vrijdag, of vastendag. Hij kan gerust antwoorden: Ik heb er geene zonde door gedaan; want ik meende ter goeder trouw stellig, dat het Donderdag was, of dacht er in 't geheel niet aan, dat het vandaag vastendag was. Nu ge het zegt, herinner ik me wel, dat het Zondag is afgeroepen; maar ik had er op het oogenblik in 't geheel geen erg in.

Eene overtreding der wet Gods, die men niet wetens, d. i., ten gevolge van onschuldige onwetendheid of onbedachtzaamheid zou bedreven hebben, is dus geene eigenlijk gezegde zonde; d. i. geen zonde, of overtreding , die ons wordt toegerekend.... Want, opdat eene overtreding van de wet Gods vrijwillig zij , wordt ten le, vereisoht, dat ze begaan zij met kennis en voorbedachtzaamheid, tenzij de onwetendheid of onbedachtzaamheid zelve schuldig is.

Ge zult verder vragen: Wanneer ia onwetendheid of onbedachtzaamheid schuldig ?

A. In 't algemeen gesproken, is onwetendheid schuldig, als men

ocr page 416

412

eene wet niet kent, welke men, gelet op alle omstandigheden, kon en noest kennen. Eveneens is onbedachtzaamheid schuldig, als men, rekening gebonden met alle omstandigheden, er erg in kon en moest hebben , dat men door deze of geene oorzaak te stellen of niet weg te nemeu, iets kwaads zal doen.

Meer in 't bijzonder is onwetendheid schuldig , als men eene wet niet kent, overtreedt, omdat men de gewone middelen verznimd heeft om ze te kennen ; nog meer, als men eene wet niet kennen wil, ofschoon men verplicht was haar te kennen. Evenzoo is onbedachtzaamheid schuldig, als men zich, b.v., door een boozen hartstocht laat verblinden , door eene kwade gewoonte tot onbedachte handelingen laat meeslepen, of als men, onverschillig voor het kwaad en zonder zich te bekommeren of iets geoorloofd of verboden zij, zijne lusten opvolgt.

B.v., iemand verznimt moedwillig dikwijls de christelijke leering bij te wonen , of gaat, als deze of de preek Zondags begint, de kerk nit; dientengevolge kent hij de stukken des Geloofs, die hij uit noodzakelijkheid des gebods moest kennen, niet meer (vgl. 3e Les , 19e en 20' V.); aan de overtredingen der wet Gods, welke hij dientengevolge bedrijft, is hij wel degelijk schuldig. Zoo iemand kan zich niet vrijspreken van zonde om zijne onwetendheid; want hij heeft zelf schuldige oorzaak van zijne onwetendheid gesteld ; de onwetendheid, waarin hij de overtreding beging , is zelve schuldig.

Om ook een voorbeeld aan te halen van schuldige onbedachtzaamheid : denkt u iemand, die een gewoonte aangenomen heeft van vloeken, enz.; dien ten gevolge vloekt zoo iemand als onopgemerkt, zonder er erg in te hebben, als iets hem niet naar zijn zin gaat, als hij driftig wordt. Blijkbaar is zoo iemand zelf schuld van zijne onbedachtzaamheid, en is hij wel degelijk plichtig aan de zonden, welke hij dientengevolge bedrijft, al wederom omdat zijne onbedachtzaamheid zelve schuldig is in en door de schuldige oorzaak , die hij er toe gesteld heeft.

Opdat dus eene overtreding der wet Gods eene eigenlijk

ocr page 417

413

gezegde zonde zij , moet ze ten le, wetens, d. i., met kennis en voorbedachtzaamheid geschieden.

Wijders, opdat eene zonde iooizonde zij, moet ze ten le bovendien met genoegzame kennis gedaan worden.

Wat wil het zeggen, dat eene zonde om eene doodzonde te zijn, met genoegzame kennis moet gedaan zijn P D. w. z., dat ze moet bedreven zijn met vol verstand, met volle kennis van het kwaad.

Maar, wanneer dient men het er voor te houden, dat eene zonde met vol verstand, met volle kennis van het kwaad , in één woord, met genoegzame kennis bedreven is P

A. Als men op het oogenblik, waarop men eene zonde bedreef ten volle wist, of, ten minste stellig meende, dat de zonde, welke men bedreef, eene zware , groote zonde was, eene zonde, waarvoor men naar de hel zou gaan, indien men er in kwam te sterven. Deze kennis van het kwaad is genoegzaam om wezenlijk voor God aan eene doodzonde schuldig, plichtig te zijn. Doch ontbreekt die volle kennis, heeft men eene wel nit haar aard zware zonde gedaan, maar niet met vol verstand, b.v., nog half slapende, dns niet met volkomen bewustzijn, dan is de zonde, die men in dien toestand bedreven mocht hebben, reeds bij gebrek aan genoegzame kennis, geene doodzonde, ons niet geheel, volkomen toerekenbaar.

Ten 2'1c, moet eene overtreding der wet Gods, om eene eigenlijk gezegde zonde te zijn, gedaan worden teillens, d. i., met vrijen wil. 's Menschen wil toch heeft bij de voorstelling van eenig kwaad, vrije keuze om er in toe te stemmen of niet. Stemt hij er in toe , dan doet hij kwaad , zondigt hij , al ware het ook, dat, hetgeen hij stellig meent kwaad, zonde te zijn, uiteraard geene zonde, of althans geene zware zonde is.

Waarom ? Omdat hij wezenlijk iets wil, dat hij stellig meent door Gods wet verboden te zijn ; dus omdat hij in zijn

ocr page 418

414

hart in een vermeend kwaad toestemt; omdat hij kwaad , zonde wil doen. Welnu, wie kwaad wil doen, doet het ook, zondigt, al is hetgeen hij wil doen uiteraard geene zonde, of althans geene doodzonde ; want de wil is de voorname oorzaak der zonde, zóó zelfs dat men alleen door kwaad te willen doen, groote zonde kan bedrijven.

Eenige voorbeelden ter opheldering van het gezegde :

A.) Iemand meent zeker en gewis, dat het vandaag Vrijdag is , terwijl het nog maar Donderdag is. Toch eet hij moedwillig vleesch. Vleesch eten op een gewonen Donderdag is geen kwaad; maar hij meent stellig dat het Vrijdag is, zondigt dus, en wel grootelijks ; hij doet eene doodzonde, zoowel als iemand die op Vrijdag tegen het gebod der H. Kerk vleesch eet. Waarom ? Omdat hij op Vrijdag — al is 't ook maar Donderdag — vleesch wil eten, dus de wet Gods wil overtreden.

B.) Een kind heeft thuis eens in den winkel een dubbeltje uit de lade gestolen. Het meende zeker en gewis daardoor eene doodzonde te bedrijven, ofschoon het uiteraard zoo niet is.

Het kind meent dus ook, dat het dien diefstal moet biechten, ofschoon deze uit zijn aard slechts eene dagelijksche zonde is. En toch durft het er zich niet van beschuldigen. Zulk kind zondigt tegen zijne conacientie; is reeds plichtig aan twee, gaat het zoo te communie, aan drie doodzonden. De eerste doodzonde bedreef het, omdat het op het oogenblik, waarop het een dubbeltje wegnam, stellig meende, dat een dubbeltje stelen, doodzonde is. De tweede, door uit schaamte zijne vermeende doodzonde te verzwijgen in de Biecht. De derde, door in zulken staat te communie te gaan.

Opdat eene zonde, willens bedreven, doodzonde zij, moet ze bovendien, of ten 2de, met genoegzamen vrijen wil, d. w. z. , met volle toestemming van den wil gedaan worden.

Onder dit opzicht bestaat vooral tweeërlei valsch begrip. Sommigen nl. meenen , dat men, om eene doodzonde te bedrijven , uitdrukkelijk den wil, de intentie moet hebben ,

ocr page 419

415

God grootelijks te beleedigen. Die intentie is zeker niet noodig om werkelijk bij God aan eene doodzonde schnldig te zijn. Wat zoudt ge zeggen van iemand, die n arm of been stuk slaat, en ter verontschuldiging zegt : Ik had toch de meening, de intentie niet u zwaar te beleedigen, te kwetsen, te hinderen P Ongetwijfeld zondt ge antwoorden: maar ge hebt het toch werkelijk, metterdaad wetens en willens, met genoegzame kennis en vrijen wil gedaan. Dat is al erg genoeg. Jnist geantwoord. Iets met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil doen wat niteraard doodzonde is, is voldoende om wezenlijk aan doodzonde voor God pliohtig te zijn, al heeft men den nitdrnkkelijken wil of intentie niet, God grootelijks te beleedigen.

Anderen meenen zich van doodzonde te mogen vrijspreken, omdat ze een groot kwaad niet van harte wilden of toelieten, ja zelfs liever niet zouden gedaan of toegelaten hebben, maar toch deden of toelieten b. v. , uit menschelijk opzicht, of om de vriendschap of gunst van dezen of genen niet te verliezen, om niet als een „fijnequot; uitgelachen te worden enz. Dezulken paaien hunne conscientie veeltijds door de gedachte : Ik was er niet mee gediend; dus heb ik die zonde niet bedreven met genoegzamen vrijen wil, vereischt om eene doodzonde te zijn.

Blijkbaar eene list en drogreden van den duivel. Pilatus zou Jesus veel liever hebben losgelaten dan ter dood veroordeeld ; hij erkende Jesus' onschuld openlijk; maar uit vrees van de vriendschap en gunst van keizer Tiberius te verliezen, waar de Joden hem bang voor maakten, gaf hij Hem aan 't Joodsche volk en de Opperpriesters over, om door bediening der Eomeinsche soldaten gekruisigd te worden. (Vgl. Joannes XIX. 13 — 16.) Kunt ge Pilatus op dien grond, om die reden van een onrechtvaardig vonnis, van doodzonde vrijspreken P Zeker niet; want hij sprak dit onrechtvaardig vonnis met genoegzame kennis en met genoegzamen vrijen wil uit. En daarom baatte het hem in 't oog van God niets.

ocr page 420

416

dat hij voor de oogen des volks zich de handen wiesoh, zeggende; „ Ik, ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige! Gijlieden moogt toezienquot;. (Matth. XXVII. 24.) Voorzeker zij, de Joden, moesten toezien, hoe zwaar ze zich aan het bloed des Heeren schuldig maakten, meer nog dan Filatas; want zij hadden hem tot dit onrechtvaardig vonnis aangezet, ja het hem als afgeperst. Niettemin was Pilatus medeplichtig aan den Gods-moord, omdat hij , hoewel ongaarne, en met weerzin , toch werkelijk met genoegzamen vrijen wil het doodvonnis over Jesus uitsprak. Ook Pilatus dus deed buiten twijfel eene groote doodzonde door uit vrees voor de Joden , uit vrees van de vriendschap des keizers te verliezen, Jesus werkelijk tot den kruisdood te veroordeelen. (Vgl. de verhandel, van den H. August, over Ps. LXIII. v. 2., of Rom. Brevier, Goede Vrijd. 6de Les.) Uit dat voorbeeld blijkt overduidelijk, dat men zich voor den rechterstoel van O. L. Heer niet van doodzonde mag vrijspreken onder voorwendsel, dat men eenig groot kwaad niet met genoegzamen vrijen wil gedaan of toegelaten heeft, omdat men het ongaarne, met weerzin, maar ten slotte toch werkelijk gedaan of toegelaten, er in toegestemd heeft. In deze en soortgelijke gevallen is zeker genoegzame vrije wil aanwezig opdat eene zonde uit dien hoofde doodzonde zij. — Doch ontbreekt die genoegzame vrije wil, bestaat er maar een half vrijwillige toestemming, dan zou eene overtreding der wet Gods reeds daarom alleen geene doodzonde, maar enkel eene dagelijksche zonde zijn. Zoo, b. v., is iemand, die in een bekoring tegen de zuiverheid niet ten volle toestemt, maar ze met eenige traagheid of eenig verzuim bestrijdt, verzet, niet aan eene doodzonde maar slechts aan eene dagelijksche zonde schuldig, omdat hij er niet met genoegzamen vrijen wil in heeft toegestemd, en de zonde hem dus niet volkomen, geheel toerekenbaar is.

Opdat eene zonde doodzonde zij , moet ze niet enkel met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil gedaan worden.

ocr page 421

417

maar ten 3de, ook grootelijks strijden tegen de eer van Ood of het welzijn van onzen naaste.

Onder omen naaste moeten wij hier ook, ja, allereerst, vooral ons zeiven verstaan; wij moeten immers onzen evennaaste beminnen geliji ons zeken. (Vgl. 21quot;te Les, l'te, 5'le — 7de V.) Bijgevolg mogen wij allereerst ons zeiven geen kwaad doen of willen. Doen of willen wij dus iets, dat grootelij ks strijd tegen ons eigen welzijn, dan maken we ons ook plichtig aan eene doodzonde, zoowel als we eene doodzonde bedrijven, indien we iets doen of willen, wat grootelijks strijdt tegen het welzijn van onzen naaste, of tegen de eer van God.

Wanneer eene zonde grootelijks strijdt tegen de eer van Ood, is in vele gevallen uit den aard der zaak zelve klaar en duidelijk. Zoo, b. v., begrijpt iedereen van zelf; dat het onteeren der H. Sacramenten, (l8te Gebod, 22»tlt;: Les, 8 V.), godslastering, een valschen eed doen (24'te Les, 4'ie, 5de, 10'» V.) enz., grootelijks strijden tegen de eer, die wij God schuldig zijn. Eveneens is het in vele gevallen klaarblijkelijk, dat deze of gene zonde grootelijks strijdt tegen het welzijn van onzen naaste, b. v., iemand doodslaan, merkelijk kwetsen of hinderen, of benadeelen in zijne tijdelijke goederen, lasteren enz. (27«e Les, en 28ste Les, 2de en 7de V.)

In deze en soortgelijke gevallen is eene zonde doodzonde , omdat de overtreding der Wet Goda groot is in zioh zelve. Bovendien kan eene zaak of daad, die op zich zelve niet groot is, derhalve nit haar aard slechts eene dagelijksche zonde is, om bijkomende omstandigheden eene doodzonde worden, bv., als men in geweten oordeelt, dat zekere dagelijksche zonde b.v. eens een dubbeltje stelen, doodzonde is, en ze toch bedrijft, er toch toe overgaat (vgl. blz. 414) j als men eene dagelijksche zonde doet, om daardoor tot groot kwaad te komen , b.v., wanneer men iemand vleit, om hem tot onzuiverheid te verleiden ; als men dikwijls eene kleinigheid steelt, valschheid gebruikt in maat of gewicht, om langzamerhand eene groote som machtig te worden, enz.

ocr page 422

418

In vele gevallen is 't ook klaar en dnidelijk genoeg, dat de zaak in zich zelve klein is, niet grootelijks strijdt tegen de eer van God, noch tegen het welzijn van ons zeiven of van onzen naaste. Zoo, b.v., onder het gebed of in de kerk een weinig, of enkele oogenblikken oneerbiedig zijn ; zich een weinig kwaad , driftig maken ; eene kleine leugen doen om beterswil; een beetje ongehoorzaam zijn aan ouders of oversten, enz., is blijkbaar geene doodzonde maar alleen eene dagelijksohe zonde, omdat de zaak klein is. (Vgl. 10lle V.)

Overigens is het dikwijls zeer moeilijk juist te bepalen of eene zaak in zich zelve klein , dus eene dagelijksohe zonde is, of wel groot, en dus eene doodzonde uitmaakt. „ Wellicht , zegt de H. Augustinus, zijn wij hierover in het duister, opdat wij met des te meer zorg alle zonden zouden vermijden''

6 V. Wat verliezen wij door de doodzonde?

•»lt;

A. Ten lste. De goddelijke liefde; ten 2de. de verdiensten van onze goede werken ; ten 3de. de hemel-sche glorie.

Door de doodzonde verliezen wij ten lstp, de goddelijke liefde, de heiligmakende gratie V.) Immers doodzonde is eene zonde zóó strijdende tegen de Wet Gods, dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, dat we er de goddelijke liefde door verliezen. (4'le V. en 215te Les 8™ V.) Iemand die door ééne doodzonde reeds de goddelijke liefde verloren heeft, en in staat van doodzonde eene tweede of meerdere doodzonden bedrijft, wordt door iedere nieuwe doodzonde meer en meer van de goddelijke liefde beroofd; want iedere doodzonde berooft ons uit haren aard van de goddelijke liefde.

Door de doodzonde verliezen wij ten 2lle, de verdiensten van onze goede werken, welke we vroeger in staat van gratie gedaan hebben, of nu in staat van doodzonde doen. „Als, zoo spreekt God door den mond van zijn profeet Ezechiël (XVIII. 24.), de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid, en kwaad doet....

ocr page 423

419

zal hij dan nog bovennatuurlijker wijze leven ?quot; Neen; want hij heeft de goddelijke liefde verloren, die het bovennatuurlijke leven onzer ziel is. V.) Op zoo iemand is van toepassing wat de H. Joannes schrijft in zijne Openbaring III. 1. „ Ik ken uwe werken , ik weet, dat gij den naam hebt dat gij geestelijkerwijze leeft, en gij zijt inderdaad geestelijk dood, om uwen zondigen levenswandel.quot;

Alle — zoo gaat de profeet Ezechiël voort — zijne gerechtigheden , goede werken , welke zoo iemand vroeger in staat van gratie gedaan had, zullen niet meer in herinnering komen.quot; Zoolang hij in staat van doodzonde blijft, komen de verdiensten der goede werken, die hij vroeger in staat van gratie verrichtte, niet meer in rekening ; geven geen recht meer op belooning in den hemel. De goede werken , die de zondaar in staat van doodzonde doet, zijn zeker niet vruchteloos; ja, zij zijn zelfs voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering te komen; doch voor de goede werken in staat van doodzonde verricht, kan men geene verdiensten, geen recht op belooning in den hemel verkrijgen ; 't zijn en blijven doode werken, die niet kunnen herleven, omdat zij nooit levende, het eeuwig leven verdienende werken geweest zijn. Want om door onze goede werken den hemel te verdienen is het eerste vereischte, dat wij ze verrichten in staat van gratie. (Vgl. 43Bte Les, 7de en 8ste V.) Maar de verdiensten der goede werken die in staat van gratie gedaan zijn, herleven als de doodzonde vergeven wordt; want zij werden door de doodzonde niet vernietigd, of voor altijd gedood, maar enkel gedurende den tijd , dat men in staat van doodzonde blijft; wordt de doodzonde vergeven, waardoor wij de verdiensten onzer goede werken, in staat van gratie verricht, verloren, dan worden die goede werken weer levend , ze herleven.

Ten 3dc, verliezen wij door de doodzonde het recht op de hemelsche glorie.

1 V. Waartoe brengt ons de doodzonde ?

ocr page 424

420

A Tot eene schandelijke slavernij des duivels en de eeuwige straffen der hel.

De doodzonde brengt ons ten l,,e, tot eene schandelijke slavernij des duivels.

Volgens de wetten van het heidendom werden zij slaven, die den titel van vrije kinderen huns vaders misten, of verloren hadden. Welnu, door de doodzonde verliezen wij de goddelijke liefde, de heiligmakende gratie, waardoor we aangenomen kinderen Gods waren. (4ae en 6de V.) „ En indien kinderen, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus!' (Brief aan de Bom. VIII. 17.) Doordien dus de doodzonde ons berooft van de goddelijke liefde, maakt ze ons gevolglijk van vrije kinderen Gods tot slaven, die er nog erger aan toe zijn dan de zwarten in Afrika; brengt ze ons in dit leven tot eene schandelijke slavernij des duivels. De slavernij des duivels is schandelijk, omdat het voor een redelijk schepsel Gods, bijzonder voor een christenmensch , die door het H. Doopsel tot den aller-hoogsten adel van kind Gods verheven is , eene schande, ja de hoogst denkbare schande is door de doodzonde verlaagd te worden tot slaaf des duivels, den gezworen vijand van God en den mensch.

De doodzonde brengt ons ten 2de, na den dood tot de eeuwige straffen der hel. (45!te Les, 8!te V.)

8 V. Hoeveel doodzonden moeten wij gedaan hebben om naar de hel te gaan ?

A, Ééne doodzonde is genoeg.

De duivels zijn een sprekend bewijs der waarheid, dat ééne doodzonde gedaan te hebben, genoeg is om naar de hel te gaan. Zij bedreven ééne doodzonde van hoovaardigheid of ongehoorzaamheid, en zonder ontferming werden ze op staanden voet door den rechtvaardigen God ter helle gedoemd.

ocr page 425

421

Wat moet dus ook maar ééne doodzonde een groot kwaad zijn, eene overgroote boosheid in zich besluiten ; want de rechtvaardige God kan ze niet zwaarder straffen dan ze verdient. Met wat zorg moeten wij dus waken en bidden om niet in de bekoring te vallen, en mochten wij het ongeluk hebben eene doodzonde te bedrijven, er dan toch ten spoedigste met waar berouw en door eene goede Biecht uit op te staan, om in staat van doodzonde niet door den dood overvallen en tot de eeuwige straffen der hel veroordeeld te worden. „ Want, zegt de H. Apostel Petrus, 2'le Br. II. 4., indien God 'Engelen , die gezondigd hadden , niet gespaard heeft, maar hen in den afgrond heeft nedergetrokken en aan de banden der hel heeft overgeleverd.. .., dan zal hij voorzeker ook den onboetvaardigen zondaar niet sparen, die in zijne zonde, ook maar in staat van ééne doodzonde, sterft. (Vgl. 17(ie Zes, U1^ V.)

9 V. Wat is eene dagelijksche zonde ?

A. Eene zonde , zoo strijdende tegen de wet Gods, dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt.

g De dagelijksche zonde is dus ten le, eene ware, eigenlijk gezegde zonde, eene vrijwillige overtreding van de wet Gods, (39e Les, 3e V.); want zij strijdt tegen de wet Gods, d. w.z., tegen een of ander der geboden Gods, of der H. Eerk of van eenige andere wettige overheid.

Ten 2e, verschilt dns de dagelijksche zonde in haar aard van de doodzonde. Immers hoe strijdt de dagelijksche zonde tegen de wet Gods P Zóó, dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt, terwijl doodzonde zóó strijdt tegen de wet Gods, dat zij ons berooft van de goddelijke liefde, die het leven onzer ziel is. (4e V.)

God is een goede Vader voor zijne kinderen. In zijne goedheid zegt Hij hun zijne vriendschap niet op voor uit haar aard kleine , of niet volkomen vrijwillige overtredingen zijner C 27

ocr page 426

422

wet. God kent ons maaksel. Hij kent veel beter, ja oneindig beter dan wij zei yen, de krankheid, de zwakheid onzer natuur, gewond door de erfzonde. (Vorige Les, 5e en 6e V.) Welnu, omdat zelfs de heiligste, de braafste mensehen, ten gevolge der menschelijke zwakheid, in dit sterfelijk leven bijna dagelijks in eene of andere kleine zonde vallen , welke de goddelijke liefde niet wegneemt, niet doet verliezen, worden deze zonden dagelijksche zonden genoemd.

10 V. Wanneer is eene zonde dagelijksche zonde ?

A. Als zij zonder genoegzame kennis of zonder genoegzaam vrijen wil gedaan wordt, of als de zaak klein is.

Eene zonde is dagelijksche zonde , als zij gedaan wordt of ten le, zonder die genoegzame kennis, of ten 2e zonder dien ge-noegzamen vrijen wil, welke vereiseht wordt om eene doodzonde te zijn, al ware ook de zaak op zich zelve of in hare omstandigheden groot; of ten 3e, ah de zaak èn op zich zelve, èn in hare omstandigheden klein is.

Dit alles is klaar en duidelijk voor alwie de verklaring de^ 5e V. begrepen heeft.

11 V. Wat kwaad doen ons de dagelijksche zonden ?

A. Ten 1. Zij doen ons in de liefde Gods verflauwen ; ten 2. zjj maken ons gereed tot meerderen val; ten 3. zij verbinden ons tot tijdelijke straffen.

De dagelijksche zonden doen ons een drievoudig kwaad, d. i., schade of nadeel. Ten le, zij doen ons in de liefde Gods wel verflauwen, maar verminderen die niet; want verminderden ze in ons de goddelijke liefde of de heiligmakende

ocr page 427

423

gratie rechtstreeks, dan zonden vele dagelijksche zonden ten laatste eene doodzonde uitmaken, ons van de goddelijke liefde berooven, ons de goddelijke liefde doen verliezen. En dat is toch niet zoo. Immors jnist het hoofdverschil tnsschen doodzonde en dagelijksche zonde is, dat de dagelijksche zonde de goddelijke liefde niet wegneemt, maar ons alleen in de liefde Gods doet verflauwen.

En hoe doen vooral geheel vrijwillige dagelijksche zonden ons in de liefde Gods verflauwen ?

A. Door den overvloed van dadelijke gratiën in ons te verminderen.

Diensvolgens doen ze de levendigheid, de vm igheid van de goddelijke liefde in ons verflauwen; doen ze de vriendschap tnsschen ons en God verkoelen, gelijk de vriendschap tnsschen vrienden verflauwt, als de een jegens den andere in kleinigheden misdoet, weinig oplettendheid, dienstwilligheid betoont enz., en zóó zijn ze middellijk oorzaak, dat we door onze goede werken en het ontvangen der HH. Sacramenten weinig in de heiligmakende gratie toenemen, en minder dadelijke gratiën ontvangen.

Ten 2e, zij maken ons gereed tot meerderen val, d. w. z., vrijwillig bedreven dagelijksche zonden, vooral waaraan men gehecht is, waarvan men zich niet wil beteren, bereiden ons voor om in meerdere en zwaardere, meer voorbedachte dagelijksche zonden te vallen, en eindelijk in doodzonde.

En hoe doen ze ons dat kwaad P

Bechtstreeks en middellijk. Middellijk door de dadelijke gratiën te verminderen. Deze toch dienen om ons de deugd te doen oefenen en ons de zonde te doen vluchten. Welnn, krijgen we ter oorzake van de dagelijksche zonden, vooral die we met voorbedachten rade bedrijven, minder dadelijke gratiën, minder hulp en bijstand van God om de zonden te vermijden , dan zullen we blijkbaar te gereeder in dagelijksche zonden, ten laatste in doodzonde vervallen, hoe meer

ocr page 428

424

dagelijksche zonden ons in de liefde Gods doen verflanwen.

Rechtstreeks, doordien ze de neiging tot het kwaad steeds meer en meer in ons doen toenemen. Zoo zal, bv., iemand die geheel vrijwillig herhaaldelijk de wet Gods in eene kleine zaak overtreedt, of ten halve toestemt in iets wat grootelijks met de wet Gods strijdt, moeilijker aan grootere, heverige bekoringen weerstaan , ook omdat de kwade begeerlijkheid steeds toeneemt, hoe meer men ze involgt.

't Is er meê gelijk met kleine lichamelijke gebreken of ziekten, die men verwaarloost. Deze verminderen langzamerhand de lichaamskrachten, verzwakken, ondermijnen allengs de gezondheid en zijn niet zelden de aanleidende oorzaak van eene ernstige ziekte, ja van den dood. Hoevelen sterven ten gevolge van eene verwaarloosde verkoudheid! Geheel vrijwillige dagelijksche zonden, vooral tegen het 1', 6e en 7e gebod , verslappen dagelijks het geestelijk leven der ziel, en zijn niet zelden oorzaak dat eene ziel kwijnt, tot schnldige lanwheid en traagheid in den dienst van God, en eindelijk tot doodzonde vervalt.

Voorzeker ernstige reden voor eenieder om te zorgen zich geene gewoonte van eenige dagelijksche zonde te maken. Vrijwillige dagelijksche zonden niet tellen , als niets beschouwen, versmaden, leidt ten verderve.quot; „Die het kleine versmaadt, gaat aUengskens ten gronde.quot; (Eccli. XIX. 1.) „ Die getrouw is in het geringe, is ook in het grootere getrouw, en die in het geringe onrechtvaardig is, is ook in het grootere onrechtmardig.quot;(Luc. XVI. 10.)

Ten 3e, zij, de dagelijksche zonden, verbinden ons tot tijdelijke straffen, hier op aarde (door ziekten, tegenspoed, geesteskwellingen , b.v. droefheid, verdriet, moedeloosheid, kortom door alles wat ziel en lichaam hindert) — of hiernamaals in het vagevuur te ondergaan, uit te boeten.

Kinderen, bij het einde dezer Les zult ge het verschil tnsschen dood- en dagelijksche zonden onder alle opzichten beter verstaan. Ten 1% wat betreft beider aard. Doodzonde

ocr page 429

425

is eene zonde , zóó strijdende tegen de wet Gods, dat zij ons berooft van de goddelijke liefde , die het leven onzer ziel is (4e V.), terwijl dagelijksche zonde eene zonde is ook wel strijdende tegen de wet Gods, maar zóó, dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt. (9e V.)

Ten 2e, betrekkelijk de vereischte voorwaarden. Opdat eene zonde doodzonde zij, moet ze gedaan worden met genoegzame kennis en genoegzaam vrijen wil, en grootelijks strijden tegen de eer van God of het welzijn van ons zeiven of van onzen naaste. (5« V.) Indien ééne dezer drie voorwaarden ontbreekt is eene zonde slechts dagelijksche zonde. (10e Y.)

Ten 3e, betrekkelijk beider uitwerkselen, a.) Door de doodzonde verliezen we de goddelijke liefde en de verdiensten van onze goede werken; de dagelijksche zonden doen ons enkel in de liefde Gods verflauwen.

i.) De doodzonde brengt ons tot de eeuwige straffen der hel; de dagelijksche zonden verbinden ons enkel tot tijdelijke straffen, d. i., waaraan eens een einde komt, die hier of hiernamaals maar een tijd dnren, terwijl de straffen der hel zonder einde zijn , eeuwig duren.

Vragen over de 40ste Les.

1. Op hoeveel manieren kan men dadelijke zonden be

drijven ? Haalt van ieder een voorbeeld aan.

2. Waarom noemt men groote zonden doodzonden en kleine

dagelijksche ?

3. Wat is er noodig tot eene doodzonde? Wanneer een

van de drie vereischten geheel ontbreekt, is het dan

nog eene zonde ?

4. Hoe kan een zware overtreding in zich, toch maar

een kleine zonde zijn P

5. Wanneer is de dagelijksche zonde vooral gevaarlijk?

6. Noem uit de 24ste Les eenige middelen om eene slechte

gewoonte van dagelijksche zonden te verbeteren.

7. Geef een korte verklaring van vr. 11 over de gevolgen

der dagelijksche zonden.

ocr page 430

426

EEN m VEERTIGSTE LES.

Van de Terschillende soorten Tan dadelijke zonde in het bijzonder.

Uit de vorige les weten wij, dat de dadelijke zonde, in 't algemeen, tweeërlei is: doodzonde en dagelijksche zonde. (3lle V.)

In deze les onderscheidt de Catechismus vier bijzondere soorten van dadelijke zonden.

Immers er zijn ten lste, dadelijke zonden die wij zelf niet doen, maar die wij een ander helpen doen. Deze soort van zonden noemt men vreemde zonden, en daarover handelt de lste en 2lle V. dezer les.

Ten 2de, zijn eenige dadelijke zonden, nit haar aard, hoofdbronnen van vele andere zonden. Deze soort van zonden noemt men hoofdzonden. en 4lle V.)

Ten 3'le, bevatten sommige zonden eene eigenaardige boosheid en afschuwelijkheid. Tot deze soort behooren de zonden, welke men noemt zonden tegen den E. Geest (5''« en 6de V.), en de wraakroepende zonden. i7',e en 8ste V.)

Deze vier onderdeden van dadelijke zonden worden in deze les in 't bijzonder verklaard.

1 V. Wat zijn vreemde zonden ?

A. Zonden , die wel door anderen bedreven, maar ons mede aangerekend worden, omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben.

De Catechismus leert ons in dit antwoord omtrent de vreemde zonden , drie dingen, drie zaken of punten.

Ten lste, dat de vreemde zonden, ware, wezenlijke zonden zijn. Immers op de vraag: Wat zijn vreemde zonden ? luidt het eerste gedeelte van het antwoord: Zonden, d. w. z., wezenlijke , ware zonden, vrijwillige overtredingen van de wet Gods (39'tt Les, 3de V.)

ocr page 431

427

Ten 2i'-, wat de vreemde zonden eigenaardig hebben, wat aan die zonden eigen is, en waardoor ze wezenlijk verschillen van de erfzonde en van de zonden, die wij persoonlijk, zelf bedrijven.

Gelijk uit het tweede gedeelte van het antwoord van den Catechismus blijkt hebben vreemde zonden dit eigenaardig, dat ze, teel door anderen bedreven, maar nochtans door God ons mede aan- of toegerekend worden.

Ten 3'le, geeft het antwoord van den Catechismus in zijn derde gedeelte de reden op, waarom de vreemde zonden, alhoewel door anderen bedreven, ons nochtans mede aangerekend worden , nl., omdat wij tot dezelve op eenige wijze geholpen hebben.

Vreemd beteekent hetzelfde als; niet eigen, maar van een ander.

Vreemde zonden zijn dus zouden van anderen, of, gelijk de Catechismus het uitdrukt, zonden, die wel door anderen bedreven worden, maar waaraan wij medeplichtig zijn, omdat wij tot dezelve op eenige manier geholpen hebben.

Uit deze verklaring van den aard van vreemde zonden zult ge gemakkelijk begrijpen hoe, of waarin vreemde zonden wezenlijk verschillen van de erfzonde, en van onze eigene zonden.

Vreemde zonden verschillen hierin van de erfzonde, dat we deze, nl. de erfzonde, niet door eigen daad of wil bedreven hebben. (39s,f Les, 5'lc V.)

Vreemde zonden verschillen van onze eigene zonden, van de zonden, die wij zelf, persoonlijk bedrijven, hierin, dat we vreemde zonden niet door ons zehen , maar door anderen bedrijven. Toch zijn vreemde zonden in dien zin onze dadelijke zonden, dat wij tot dezelve door eigen daad, door eigen wil, op eenige wijze, nl. door vrijwillige woorden of werken of door verzuimenis helpen, medewerken. (40te Les, l'te •en 2^ V.)

ocr page 432

428

Op negen wijzen, manieren kan men tot de zonden van anderen helpen, medewerken, m. a. w., schuldige oorzaak zijn dat anderen zonden bedrijven, die ons juist om onze medehulp mede aangerekend worden. De zes eerste manieren geschieden door woorden of werken ; de drie laatste door verzuimenis.

Welke zijn nu die manieren, of, m. a. w.:

2 V. Hoe geschieden de vreemde zonden ?

A. Door aanraden, beschermen, gebieden, prijzen, mededeelen , behagen nemen , niet straffen , niet beletten , niet overdragen.

Telt maar op uwe vingers uit en gij zult bevinden, dat de Catechismus werkelijk negen manieren opsomt, waarop men zich aan vreemde zonden kan plichtig, schuldig maken.

Ten lquot;, door aanraden, d. w. z., door in een ander de genegenheid tot het bedrijven eener zonde op te wekken , of hem te versterken in zijn reeds opgevat voornemen, plan om deze of gene zonde te bedrijven , b.v., door hem voor te stellen wat voordeel, pleizier hij in die zonde zal vinden ; — hoe gemakkelijk hij die zonde op deze of gene wijze, door deze of gene middelen kan bedrijven zonder betrapt te worden enz. Verder door een ander door bidden en smeeken, door vleierij of beloften tot eenige zonde aan te sporen, b.v., tot onkuischheid, tot stelen of andere onrechtvaardigheid , tot het bijwonen van gevaarlijke of slechte gezelschappen, tot het lezen of verspreiden van ongodsdienstige of slechte boeken, couranten, enz.

Ten 2e, door beschermen , d. w. z., door iemand door woord, schrift of daad te verdedigen tegen degenen, die hem van zonde willen weerhouden, of door hem in 'tbedrijven zelf der zonde te beschermen. Op die wijze maken zich aan vreemde zonden schuldig, b.v,, de zoogenaamde advocaten van kwade zaken , die wetens en willens onrechtvaardige zaken verdedigen. Ook zij , die terwijl een ander steelt, op wacht gaan staan, opdat hij niet in handen der politie valle.

ocr page 433

429

Ten 3e, door gebieden, d. w. z., door ten eigen bate mis-brnik te maken van zijn gezag, zijne macht, of zijnen invloed om een ander tot kwaad, tot zonde over te halen. Op die wijze zondigde David, toen hij Joas, zijn veldoversten gebood, bevel gaf TJrias, wiens dood hij won echte, vooraan in de gelederen te plaatsen, waar de strijd het hevigste is, en hem dan in den steek te laten, opdat hij getroffen worde, omkome, sneuvele. Daarom dan ook sprak God door den mond van zijn profeet Nathan tot David : „ TJrias hebt gij vermoord door het zwaard, hem doen omkomen door het zwaard der zonen Ammons.quot; (2e Boek der Koning. XI. 14. 15.; XII. 9.)

Op die wijze maken zich ook aan vreemde zonden schuldig, b.v., ouders , die dermate hun plicht vergeten , dat ze hunne kinderen gebieden te stelen, of eenig ander kwaad te doen. In zulk geval mogen kinderen hun niet gehoorzamen. (Vgl. 26e Les, 7C V.) Eveneens maken zich aan vreemde zonden plichtig bazen of meesters, die hunne onderdanen zouden gebieden op Zon- en feestdagen verboden werk te verrichten, of hun gedaan geven als ze het niet doen, enz.

Ten 4e, door prijzen , d. w. z., door de zonden van anderen goed te keuren , toe te juichen, of omgekeerd de deugd of de deugdzamen als zoodanig in 't bespottelijke te trekken, belachelijk te maken.

Op die wijze maken zij zich aan vreemde zonden schuldig, die iemand aansporen over eene beleediging of vernedering wraak te nemen, er om te vechten, b.v. , door te zeggen : gij zijt een lafaard, als ge dat verdraagt! Eveneens zij die, b.v., een ongehoorzaam, weerbarstig kind toejuichen, door te zeggen ; bravo! ge hebt groot gelijk dat ge u niet laat drillen! Verder zij die oprecht godsdienstige menschen uitlachen als onnoozelen, kleingeestigen , zwakhoofden ! enz.

Ten 5=, door mededeelen, d. w. z., door mede te werken in eene zondige daad van een ander, b.v., door iemands goed te helpen stelen, of iemand op eenige andere onrechtvaardige wijze in zijne lichamelijke goederen te kwetsen.

ocr page 434

430

Saulus (zoo werd de H. Paulus genoemd voor zijne bekeering) werkte op die wijze mede tot de steeniging van den H. Stephanus, doordien hij de bovenkleederen der getnigen, der steenigers in bewaring nam. (Hand. der Apost. VII. 57.)

Door mededeelen wordt hier ook nog verstaan met een dief of bedrieger gestolen goed deelen, zijn deel of part krijgen in eenig onrechtvaardig goed.

Ten 6e, door behagen nemen, dat wil hier zeggen, a.) door uiterlijk, nl., door woorden, lachen of andere dergelijke teekenen, invloed nit te oefenen op het kwaad van een ander, b.v. door vrijwillig te lachen met achterklap, onkuische gesprekken , enz. Op die wijze had Saulus behagen aan den moord van den H. Stephanus. (T. a. p. v. 59.)

b.) Door als kiezer zijne stem te geven aan, te stemmen voor iemand, die van de kwade partij is, b.v., een erkend liberaal, of door zijne stem iets wat kwaad of gevaarlijk is goed te keuren, b.v., het houden van ongodsdienstige of onzedelijke voorstellingen, comediestukken enz.

Ten 7e, door niet straffen, of te berispen, als men daartoe niet enkel uit liefde, maar tevens uit hoofde van zijn staat of ambt, of van eene overeenkomst of contract gehouden, verplicht is, en dezen plicht vrijwillig verzuimt. Deze twee dingen moeten samen gaan om zich door niet te straffen aan vreemde zonden schuldig te maken. Niet zelden maken zich op die wijze ouders en oversten schuldig aan de zonden, die hunne kinderen en onderhoorigen bedrijven. Want als zij weten, dat deze met elkaar een slechten omgang hebben, of op andere wijze zich aan zonden overgeven, zijn zij krachtens hun staat streng verplicht hen naar behooren te bestraffen. Verzuimen zij dien plicht, dan zijn zij mede schuldig aan de zonde welke hunne kinderen of onderdanen dientengevolge bedrijven. De H. Schrift levert desbetreffende een schrikwekkend voorbeeld. De opperpriester Heilswas voor zich zeiven een oude, zeer brave man; maar beide zijne

ocr page 435

431

zonen waren groote boosdoeners, deugnieten. Heli hoorde alle gruweldaden, welke zijne zonen bedreven; hij berispte ze deswege, maar niet naar behooren, en daarom deed God hem door een profeet, en andermaal door den jeugdigen Samuël de vreeselijkste straffen aankondigen, welke hem en zijne familie treffen zouden, „ omdat hij wist dat zijne zonen schandalig leefden , en hen niet bestrafte. (Ic Boek der Koning. II. en III. hfdst. v. 13 )

Ten 8e, door niet beletten. Op deze wijze maken zich aan vreemde zonden schuldig, die krachtens hunnen staat, hun ambt , of ten gevolge van eene overeenkomst, een contract, verplicht zijn te beletten , te voorkomen, dat hunne onderdanen deze of gene bepaalde zonde bedrijven, of zich aan 't naaste gevaar blootstellen van ze te bedrijven, en aan deze verplichting vrijwillig te kort blijven. Dus misdoen op deze wijze ouders en oversten, die, zooveel zij kunnen, hunne kinderen en onderdanen niet verwijderd houden van gevaarlijke bijeenkomsten ; die niet ernstig en naarstig toezien , waken tegen een ontijdig, eenzaam verkeer, enz.

Ten 9C, door niet overdragen, d. w. z., door zonden van een ander, welke ergernis of kwade gevolgen veroorzaken, niet bekend te maken aan degenen, die ze kunnen en moeten beletten , omdat zij daartoe uit plicht van staat of eenige verbintenis gehouden zijn, gelijk met ouders en oversten het geval is.

Op die manier maakt men zich aan vreemde zonden plichtig als men, b.v., weet, dat een medehuisgenoot, een medeleerling, zonden doet, die uit haar aard rechtstreeks er toe leiden om andere huisgenooten of scholieren zedelijk te bederven, en dien ergernisgever aan de bevoegde oversten niet bekend maakt, niet overdraagt.

Immers als lidmaat van een huisgezin , van eene school of een gesticht, is men verplicht voor deszelfs algemeen welzijn zorg te dragen, bederf er uit te weren, zoo goed als men kan.

ocr page 436

432

Ten slotte bemerke men a.) dat vreemde zonden, dagelijk-sche of doodzonden kunnen zijn. (Vgl. vorige Lex, 5eenlOV.)

0.) Dat, als men zich op eene der opgenoemde wijze heeft medeplichtig gemaakt aan eene vreemde zonde, die eene doodzonde is, het dikwijls niet genoeg is zich in de Biecht te beschuldigen door in 't algemeen te zeggen , dat men tot doodzonde, door een ander bedreven, op eenige manier geholpen heeft. Want men moet in dit geval daarenboven zeggen, tot welke doodzonde men geholpen heeft. Want door het enkel verzuimen van te straifen, tebeletten of over te dragen, als wij er volgens de gegevene verklaring, toe gehouden zijn, kunnen wij ons , zoowel als door aanraden , beschermen , gebieden , prijzen, mededeelen, behagen nemen, medeplichtig maken aan die zonden , welke anderen ten gevolge van ons aanraden, of verzuimen bedrijven , ten minste voor zoover wij die eenigs-zins hebben voorzien. De reden, waarom wij die doodzonden in de Biecht moeten verklaren , is , dat men eens alle doodzonden moet biechten , aan welke men zich, na een naarstig onderzoek van geweten, plichtig bevindt. (Vgl. 35!te ies, 24ste en 32ste V.) Welnu , doodzonden, die wel door anderen bedreven zijn , maar waartoe wij op eenige opgenoemde wijze geholpen hebben, hebben wij meegedaan ; wij zijn er medeplichtig aan, en moeten ze dTis zoowel in't bijzonder belijden, als de doodzonden die we persoonlijk bedreven hebben.

3 V. Welke zonden noemt men hoofdzonden ? A. Die zonden, welke gelijk oorsprong en beginsel zijn van vele andere zonden.

In dit antwoord leert ons de Catechismus welke zonden hoofdzonden genoemd worden en waarom. Hoofdzonden, zegt de Catechismus, noemt men die zonden, welke gelijk, d. w. z., als 'tware of, bij vergelijking, in figuurlijken zin gesproken, oorsprong , hoofdbron zijn, waaruit vele andere zonden voortvloeien , en beginsel, oorzaak , waaruit vele andere zonden voortkomen. Ze worden dus ^oq/ifzonden genoemd, omdat

ocr page 437

433

ze ons, indien we er aan toegeven, uit haar aard tot vele andere zonden aanzetten , aandrijven.

Hebt gij dit antwoord goed bégrepen, dan behoef ik u niet meer te zeggen, dat de hoofdzonden zóó niet genoemd worden, alsof, of omdat zij de zwaarste zijn van alle zonden. Neen ; nit haar aard zijn , bv., godslastering en vrijwillige doodslag grootere, zwaardere zonden dan de hoofdzonden.

Hebt ge het antwoord van den Catechismus goed verstaan dan zult ge tevens begrepen hebben, dat de hoofdzonden zóó ook niet genoemd worden, alsof, of omdat ze altijd doodzonden zijn. Neen. De hoofdzonden zijn, gelijk de overige overtredingen der wet Gods, dan alleen doodzonden, als ze gedaan worden met genoegzame kennis en genoegzamen vrijen wil, en grootelijks strijden tegen de eer van God of ons eigen welzijn of dat van onzen naaste. (Vorige Les , 5de V.)

De hoofdzonden zijn zeer dikwijls, en sommige uit haar aard slechts dagelijksche zonden, bv., toegeven aan eene kleine hoovaardigheid , eigenliefde, afgunst, gramschap, gulzigheid, enz. Dus niet in die beteekenissen of om die redenen, maar omdat iedere hoofdzonde, oorsprong en beginsel is van vele andere zonden, worden ze ieder afzonderlijk, en alle samen genomen, te recht hoofdzonden genoemd.

4 V. Hoeveel hoofdzonden zijn er ?

A. Zeven : hoovaardigheid , gierigheid , onkuisch-heid , nijdigheid, gulzigheid, gramschap en traagheid.

De eerste hoofdzonde, de hoovaardigheid is eene ongeregelde zucht naar eigen Voortreffelijkheid. Aan deze zonde maakt men zich schuldig wanneer men zich hooger acht, schat, dan men is. Dit geschiedt vooral op vier manieren •. a) wanneer men datgene, wat men is of heeft, niet aan God, maar aan zich zei ven toeschrijft. In dat geval acht men zich blijkbaar hooger dan men inderdaad is, dewijl we alles wat we zijn en bezitten, van God ontvangen hebben.

ocr page 438

434

b.) A1b men wel erkent hetgeen men is en al wat men bezit van God ontvangen te hebben, maar die gaven aan zijne eigene verdiensten toeschrijft, als waren deze de oorzaak waarom men die gaven ontving. Door zoo te handelen of te oordeelen, schat men zich alweer hooger dan men waarlijk is, dewijl wij èn het natnurlijk èn het bovennatuurlijk leven zonder onze verdiensten van God ontvangen. Deze twee soorten van hoovaardigheid zijn nit geheel haar aard doodzonden, want ze sluiten eene zekere ketterij in ; immers op de eerste manier miskent, ja ontkent men, dat God de gever is van alle goed, en op de tweede manier, dat Hij de vrije gever is van alle goed, die in zijne sonvereine majesteit aan niemand iets verschuldigd is. Vooral op hoovaardigen van dien aard slaat de berisping van den H. Paulus : „ Wat hebt gij, dat ge niet van God ontvangen hebt ? En zoo gij het van Hem ontvangen hebt, wal beroemt gij u dan alsof ge het niet ontvangen had ? alsof ge het aan u zeiven , aan uwe eigene verdiensten te danken hadt P (I Br. aan de Korinth. IV. 7, 8.)

c.) Wanneer men zich goede hoedanigheden toeschrijft, welke men niet heeft, of die men heeft, overschat, vergroot, overdrijft. Het is onnoodig nader te verklaren, dat men zich op die wijze hooger schat dan men wezenlijk is. Zóó zondigt zelfs uiterlijk al wie door weelde, door luxe in zijn huishouden , door kleederpracht, door spreek- of handelwijze zich boven zijnen staat verheft.

d.) Als men om afkomst, fortuin , natuurlijke begaafdheden , talenten van lichaam of ziel, of om zijne uit hun aard deugdelijke werken met versmading of minachting op anderen neerziet.

Zoodanig was de Farizeër gezind ten overstaan van den tollenaar. In de verwaandheid zijns harten hield hij zich zeiven voor rechtvaardig, en zag uit de hoogte met verachting op anderen, met name op den oot- en rouwmoedigen tollenaar neder. (Vgl. Luc. XVIII. 9 — 14.)

ocr page 439

435

Wie toch onderscheidt u ? mag men aan zulke hoovaardigen vragen : Wie verklaart u voor uitnemender dan anderen ? Is het niet enkel uwe eigenliefde, of het bedriegelijk oordeel van menschen , die alleen het uiterlijke zien P Gesteld , ge hebt waarlijk meer talenten dan anderen, dan past wederom de vraag : Wie toch onderscheidt u van anderen door meerdere gaven , en verheft u boven hen P Is het niet God ? en wat hebt ge, dat ge niet van Hem ontvangen hebt ? En zoo ge het ontcangen hebt, wat, beroemt, verheft ge u dan boven anderen, alsof ge ook die meerdere talenten niet ontvangen had van God, die, in zijne souvereine majesteit, uit louter goedheid aan een iegelijk toedeelt gelijk Bij wil. (I Brief aan de Korinth.) Hun die zich gelijk de Farizeërs op hunne deugd laten voorstaan, zij de uitspraak van Christus herinnerd; „Gij zijt het, die te zeiven rechtvaardigt voor de mensehen, maar God kent uwe harten ; want wat hoog in aanzien is onder de menschen, wat den menschen uitmuntend toeschijnt en prijzenswaardig , is dikwerf een gruwel voor God. (Luc. XVI. 15.) Hij , die roemt , wie roemen wil, hij roeme niet op zich zeiven, maar op den Eeer, aan wien hij alles te danken heeft; want niet hij die in plaats van op den Heer te roemen , op zich zeiven roemt en zoodoende zich zeiven prijst, is een beproefde, lofwaardig , maar hij, dien God prijst, die is inderdaad prijzenswaardig. (II Br. aan de Korinth. X. 17. 18.)

Ten gevolge der erfzonde zijn alle Adams kinderen min of meer tot hoogmoed geneigd, ja er mee behept. Daarom is het zaak de kwaadaardigheid dezer hoofdzonde meer uitvoerig aan te toonen. Doch om die reden is het tevens gelukkig , dat de twee laatste meer gewone soorten van hoovaardigheid, op zich zelve beschouwd, gewoonlijk maar dagelijksche zonden zijn. Als hoofdzonde leidt de hoovaardigheid rechtstreeks tot ijdele glorie, die bestaat in de ongeregelde zucht om eigene grootheid, voortreffelijkheid aan anderen bekend te maken, te doen blijken. Door middel der ijdele glorie, leidt de hoovaardigheid verder tot ongehoorzaamheid, zooal niet van de daad en van den

ocr page 440

436

wil, zoodat men de bevelen of voorschriften zijner oversten niet of niet gewillig nakomt, dan toch tot ongehoorzaamheid van 't verstand, waardoor men de voorschriften der oversten beknibbelt, er over redeneert, als niet doelmatig, niet prac-tisch, te veel eischend , enz. — Tot pocherij , tot snoeverij , tot grootspraak over afkomst, rijkdom, geleerdheid, bekwaam-en ervarenheid in dit en dat, in één woord, tot praalzucht en ijdele vertooning , enz. — Tot geveinsdheid, door zich anders voor te doen, als men gezind is, door zijne gebreken niet te willen erkennen, voor zich zeiven te vergoelijken, ze dus ook niet te willen belijden, ja, te ontkennen, er om te liegen zelfs in de H. Biecht. — Tot twist en tweespalt, tot hardnekkigheid enz. enz.; soms tot onrechtvaardigheid ; men wil groot doen, en maakt daarom groote schulden, die men kan en moet voorzien niet of niet op tijd te kunnen betalen; op deze manier aan hoovaardigheid toegeven is zeker doodzonde. (Vgl. bl. 208. 4ik-.) Van al deze, en nog van veel meer andere zonden is de hoovaardigheid , de vrijwillige ingevolgde ongeregelde zucht naar eigen grootheid , oorsprong en beginsel. Wezenlijke hoovaardigheid wordt dus terecht onder de hoofdzonden gerekend.

Men moet echter hoovaardigheid goed onderscheiden van het besef en gevoel van wezenlijke eigenwaarde, van de waardeering en ophouding van zijn rechtmatig verkregen staat en stand. Deze zucht is op zich zeiven niet ongeregeld, geene zonde, maar zelfs eene deugd, en het mag dus niet als hoovaardij worden beschouwd of beoordeeld, als men, volgens zijn rechtmatig verkregen staat, wil geëerbiedigd, geëerd en gehoorzaamd worden, en dienovereenkomstig , zoover eigen fortuin of bezoldiging toelaat, zijne levenswijze regelt, inricht.

De tweede hoofdzonde, gierigheid, is eene ongeregelde zucht om tijdelijk goed te verkrijgen of te bewaren. De zucht en de begeerte om geld en andere aardsche goederen te verkrijgen en te bewaren, in zooverre die noodzakelijk of nuttig zijn

ocr page 441

437

om volgens staat en stand te leven , is overeenkomstig de gezonde reden, en is dns geen gierigheid: maar wel, als we ze boven dien regel, boven die maat begeeren; want dan is de zucht naar tijdelijk goed ongeregeld, on- of bovenmatig. Die ongeregelde zucht leidt uit haar aard tot vele andere zonden, vooral tot hardvochtigheid jegens den arme, tot bedrog in woorden en werken, tot ontrouw , ja, verraad, zooals blijkt uit Judas , die uit geldzucht zijn goddelijken Meester voor dertig zilverlingen (eene som van ongeveer veertig gulden) aan de Opperpriesters der Joden overleverde. (Vgl. Matth. XXVI. 14 enz.) Al is gierigheid uit haar aard slechts eene dagelijksche zonde , ingevolgd voert ze allengs toch dikwijls tot de grootste gruwelen. Ook deze waarheid blijkt uit de geschiedenis van Judas, den Iskariother, die Jesus verraden heeft. In dien zin zegt het boek, genaamd Ecclesiasticus: „ Niets is boozer dan een geldzuchtig mensch. Niets is snooder dan de vrekheid; want zulk een mensch heeft zelfs zijne ziel veil. (X. v. 9. 10.)

De derde hoofdzonde, onkuischheid, is eene ongeregelde zucht naar vleeschelijke wellusten. Onkuischheid ingevolgd leidt tot vele andere zonden, vooral tot ongehoorzaamheid aan de bevelen van ouders en oversten om den omgang met die en die slechte makkers te vermijden, deze of gene gevaarlijke bijeenkomsten , voorstellingen niet bij te wonen , enz. enz. — Tot veinzerij , list en bedrog , en niet zelden tot heiligschen-nende Biechten en Communiën, bij gebrek aan rechtzinnigheid in 't belijden dezer zonde, of bij gebrek aan het vaste voornemen om de naaste gelegenheid dier zonde te vermijden, of derzelver gewoonte te verbeteren. — Tot verblindheid en hardnekkigheid en eindelijk tot onboetvaardigheid, soms tot zelfmoord.

De vierde hoofdzonde, nijdigheid, is verdriet over het geluk van den naaste, opgenomen, aangezien, beschouwd ah onb eigen ongeluk, of alt verkleinde het geluk van den naaste ons eigen geluk. (Vgl. 27quot; Les, 3« V. bl. 200.)

C. 28

ocr page 442

438

Nijdigheid, jaloerschheid, jaloezie ontstaat vooral tusachen degenen, die met elkaar eenigermate in bekwaamheid, in waardigheid, of vooruitzichten om tot deze of gene waardigheid of bediening te komen, meenen gelijk te staan. Vooral voor kinderen, die door naijver tot plichtbetrachting moeten worden aangespoord, kan 't zijn nut hebben , 't verschil aan te stippen tusschen nijdigheid en welgeordenden naijver. Deze toch bestaat in de zucht en het streven om degenen, die ons in kennis of deugd overtreffen, te evenaren , aan hen gelijk te worden , ja, zoo mogelijk , hen nog te overtreffen , niet omdat wij het geluk, het goede, dat we in onze metgezellen bespeuren, benijden als ons eigen ongeluk, of beschouwen als verkleining van ons geluk , maar omdat wij , door hunnen voorrang in wetenschap of deugd, beter inzien wat ons ontbreekt , hoever wij , bij hen vergeleken, ten achteren staan, en daardoor aangemoedigd worden om beter ons best te doen hen in te halen, ja, zoo mogelijk, vóór te komen. Zoodanige naijver is goed en prijzenswaardig.

Nijdigheid is uit haar aard altijd kwaad, en verleidt den-gene, die er aan toegeeft, tot vele andere zonden, vooral tot vreugde over des naasten tegenspoed; tot kwaadsprekenheid, laster, oorblazerij (die vrienden tegen elkaar inneemt), haat, soms zelfs tot moord. Uit nijd toch heeft Kaïn zijn broeder Abel gedood; uit nijd hebben de zonen van Jacob hunnen broeder Joseph verkocht; uit nijd stond Saül David naar het leven; uit nijd leverden de Farizeërs en Schriftgeleerden Jesus, den Messias, den Verlosser, ten dood.

De vijfde hoofdzonde, gulzigheid, is de ongeregelde zucht naar spijs en drank. Die zucht is vooral dan ongeregeld, als men de behoorlijke maat in eten of drinken te buiten gaat, overdaad doet. Die maat is voor allen niet dezelfde, maar moet naar ieders gestel en omstandigheden beoordeeld worden. Wat te veel, wat overdaad is voor A., kan voor B. niet te veel, ja niet eens voldoende zijn. De eene mensch heeft meer, de ander minder spijs of drank noodig tot instandhouding zijner

ocr page 443

439

gezondheid, ter vernieuwing zijner werkkrachten ; allen kunnen ook niet evenveel spijs of drank zonder hinder verdragen; zelfs kan voor één en denzelfden persoon de hoeveelheid spijs of drank, die hem in deze en gene omstandigheden volstrekt niet hindert, bezwaart, benevelt of bedwelmt, in andere omstandigheden hinderlijk , te veel, overdaad voor hem zijn. Om dus in 't bijzonder te bepalen of iemand aan ongeregelde zucht naar spijs of drank heeft toegegeven, m. a. w. , of iemand de behoorlijke maat, d. w. z., die maat, welke zijner gezondheid noodig of nattig is, te buiten gegaan, overschreden heeft, moet men met alle omstandigheden van dien persoon in 't bijzonder rekening houden.

Intusschen blijft het, in 't algemeen gesproken, waar, dat men zich vooral dan aan gulzigheid schuldig maakt, als men willens en wetens te veel eet of drinkt, d. i., meer dan voor de instandhouding of bevordering der gezondheid dienstig is.

Uit ingevolgde gulzigheid komen vele andere zonden voort, b.v., snoeplust, welke dikwijls tot leugentaal en diefstal voert; onbetamelijkheid in gesprekken, gezangen of gebaren;— verzuimenis zijner plichten van staat of godsdienstigheid, vooral echter dronkenschap, die den mensch tijdelijk berooft van het gebruik der kostbare gave van zijn verstand , hem gelijk maakt aan het dier , armoede en ellende en niet zelden het eeuwig ongeluk na zich sleept.

De zesde hoofdzonde , gramschap, is de ongeregelde zucht naar ■wraakneming. (Vgl. 27e Les , 3' V. bl. 149.) Zij leidt tot vele andere zonden, b.v., tot twist, beschimping, rerwenschingen, verwondingen , doodslag , vijandschap , godslasteringen enz.

Eindelijk de zevende hoofdzonde, traagheid, is droefheid en verdriet in goddelijk goed, d. w. z. , in geestelijke zaken of oefeningen; m. a. w., in hetgeen God of de zaligheid aangaat; dus in datgene wat den dienst van God betreft, en dat wel om de moeite , welke daarmede gepaard gaat. Geestelijke traagheid of lauwheid, ingevolgd, heeft vele andere zonden ten gevolge , b.v., het verwaarloozen of voor evenveel verrichten

ocr page 444

440

van godsdienstplichten, (morgen-, avond-gebed, de H. Mis, Biecht en Communie); afkeer, wrevel tegen degenen die den trage tot ijver in den Godsdienst opwekken; uitgestortheid des harten, dat afleiding en verstrooiing zoekt in zinnelijkheden ; moedeloosheid, lafhartigheid, mis- en wantrouwen van, of omgekeerd vermetel vertrouwen op Gods goedheid.

5 V. Welke zonden noemt men zonden tegen den H. Geest?

A. Zonden die slechts uit boosheid geschieden, en bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid, en daarom zeer zelden vergeven worden.

Zonden tegen den H. Geest noemt men die dadelijke zonden, welke de twee volgende eigenschappen in zich vereenigen :

Ten le, dat ze slechts, enkel, uit boosheid, d. w. z., niet onder den invloed van kwade driften en der daaruit voortvloeiende zwakheid van den wil, maar enkel uit boosaardigen wil geschieden , d. i., uit een wil die , alleen uit vrije verkiezing in de boosheid der zonde toestemt, behagen neemt.

Ten 2', dat ze bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid.

De Catechismus zegt; en bijzonder, d. i., niet op gewone wijze, niet gelijk sommige andere zonden, middellijk, maar op geheel bijzondere manier, eigenaardige wijze , nl., recht-streeks strijden tegen de goddelijke barmhartigheid.

Deze eigenschap Gods wordt hier uitdrukkelijk vermeld, niet in dien zin alsof alle zonden tegen den H. Geest, rechtstreeks enkel en alleen strijden tegen Gods barmhartigheid, in zoover deze, volgens onze manier van spreken , onderscheiden is van Gods overige eigenschappen; vermetel vertrouwen toch strijdt rechtstreeks tegen Gods rechtvaardigheid; eene welbekende waarheid des geloofs bestrijden, strijdt rechtstreeks tegen Gods waarachtigheid, enz.; maar omdat de meeste en ten laatste, in slotsom, alle zes (zie volg. V.) rechtstreeks

ocr page 445

441

strijden tegen Gods barmhartigheid. Immers, het tweede ver-eischte om zonden in waarheid zonden tegen den H. Geest te kunnen noemen, nl., dat ze bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid, w. z., dat ze bestaan in het verachten, verwerpen , verstooten van de middelen , waardoor de goddelijke barmhartigheid , m. a. w., God in zijne oneindige barmhartigheid ons vergiffenis onzer zonden schenken, en de eeuwige gelukzaligheid wil doen verdienen. Uit den aard, de natuur zelve dier zonden volgt dan ook , dat ze zeer zelden vergeven worden.

Waarom worden ze zeer zelden vergeven ?

Om twee redenen , welke de Catechismus in zijne bepaling dier zonden duidelijk aangeeft: a). Omdat ze slechts uit boosheid geschieden, en dus geene enkele reden van verontschuldiging inhouden, bevatten, en vooral b.), omdat ze bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid. Dat wil immers zeggen : omdat ze vooral bestaan in eene moedwillige verwerping der goddelijke barmhartigheid , m. a. w., der middelen , die noodzakelijk zijn om vergeving van zonden te bekomen, en den hemel te verdienen , en die God in zijne barmhartigheid den menschen van goeden wil altoos wil verleenen. Doch wie tegen den H. Geest zondigt is , zoolang hij in die gezindheid , in die stemming blijft, in dien toestand verkeert, rechtstreeks in opstand tegen God zeiven , en onvatbaar voor vergeving. De laatste woorden van het antwoord van den Catechismus : „ en daarom zeer zelden vergeven worden ,quot; beteekenen dus niet, dat God aan degenen, die boos genoeg zouden geweest zijn deze zonde te bedrijven, geene vergiffenis of maar zeer zelden vergeving wil schenken , als zij de vereiachte voorwaarden om vergiffenis te bekomen, willen volbrengen. Neen ; honderd en duizend maal, neen ; want als de mensch, ware het ook slechts op het laatste oogenblik van zijn leven , de gestelde voorwaarden om vergiffenis zijner zonden en de eeuwige zaligheid te verkrijgen , oprecht wil volbrengen, dan weigert God in zijne grenze-

ocr page 446

442

looze barmhartigheid nooit vergiffenis te schenken, de middelen te verleenen ter zaligheid noodig.

De reden dus, waarom de zonden tegen den H. Geest zeer zelden vergeven worden, is ook niet daarin gelegen, dat God zijner H. Kerk de middelen heeft laten ontbreken om die zonden te vergeven. Immers in de H. Kerk is er vergiffenis te bekomen van alle zonden, hoe groot in getal en hoe zwaar in boosheid die ook zijn. (16quot; Les , 2' en 6e V.) Maar de sohuld daarvan ligt enkel in de boosheid dergenen, die zich aan die zonde plichtig maken; hierin nl., dat zij er zeer zelden oprechte boetvaardigheid over willen doen, juist omdat zij de middelen om ware boetvaardigheid te doen, verachten, verwerpen en verstoeten.

Nu ge weet welie zonden men noemt zonden tegen den H. Geest, nl., die zonden, die slechts uit boosheid geschieden, en bijzonder strijden tegen de goddelijke barmhartigheid, en daarom zeer zelden vergeven worden , kan het ook nog zijn nut hebben er op te wijzen , waarom men dat soort van zonden zonden noemt legen den E. Geest. Van zelf zult ge uit het hier t. p. en elders in den Catechismus geleerde wel begrepen hebben , dat deze zonden eveneens en evenzeer tegen God den Vader en tegen God den Zoon strijden als tegen God den H. Geest. Want ze geschieden rechtstreeks tegen de godde. lijke barmhartigheid, dus tegen God zeiven. Ja, deze zonden strijden eveneens en evenzeer tegen God den Vader, entegen God den Zoon als tegen God den fl. Geest, omdat de drie goddelijke Personen alle drie maar één en hetzelfde goddelijk wezen of dezelfde goddelijke natuur hebben , (6® Les, 2e V.) en daarom ook alle drie zoowel als even oud of eeuwig, even wijs en even machtig, (t. a. p. 5 V.) ook even oneindig heilig zijn en de zonde oneindig haten. Nochtans worden aan ieder der drie onderscheidene goddelijke Personen eenige eigenschappen meer bijzonder toegeschreven, nl. God den Vader de macht, God den Zoon de wijsheid , en aan God den H. Geest de heiligheid, d. i., onze heiligmaking (t. a. p., 6e V.) Im-

ocr page 447

443

mers het voornaamste werk van den H. Geest is, dat Hij de lidmaten der ware Kerk van Christns door de mededeeling zijner gratiën heilig maakt. En onze heiligmaking wordt aan den H. Geest bijzonder toegeschreven omdat Hij de Liefde is van den Vader en den Zoon, en nit Gods liefde onze heiligmaking voortkomt. (13e Les, 6e en 7e V.) Welnu, juist omdat onze heiligmaking, of de middelen ter zaligheid den H. Geest bijzonder worden toegeschreven, worden de zonden, waardoor men die middelen slechts uit boosheid verwerpt, bijzonder zonden tegen den H. Geest genoemd.

6 V. Welke zijn de zonden tegen den H. Geest?

A. Deze zes; 1. aan Gods genade wanhopen; 2. vermetel, dat is, zonder deugd op Gods barmhartigheid vertrouwen ; 3. eene welbekende waarheid des geloofs bestrijden; 4. de deugd en genadegunsten zijns naasten benijden; 5. hardnekkig zijn in de boosheid; 6. verachten het berouw of de boetvaardigheid.

De zonden tegen den H. Geest zijn deze zes: 1. Aan Gods genade wanhopen, d. w. z., de eeuwige zaligheid en de middelen , die daartoe noodig zijn, van God niet willen verzoeken en verwachten. (Vgl. 18,le Les, 3de V.) De wanhoop strijdt tegen het eerste gebod. (Vgl. 22quot;» Les, 5^ V.) Let wel op, dat de Catechismus hier niet enkel zegt: wanhopen, maar aan Gods genade wanhopen, om te kennen te geven , dat niet aUe wanhoop eene zonde is tegen den H. Geest. Zoo, b.v., is wanhoop ; die enkel voortkomt uit kleinmoedigheid en traagheid, die het bewerken der zaligheid als iets zoo moeilijk en lastig voorstelt, dat men zulks voor zich zeiven als onmogelijk beschouwt, geene zonde tegen den H. Geest; omdat zoodanige wanhoop tea l8te, niet enkel uit kwaden wil, maar uit eene drift voortkomt, te weten, uit gebrek aan moed en uit traagheid, en ten 2de, omdat ze niet rechtstreeks

ocr page 448

444

Gods barmhartigheid, m. a. w., de middelen ter zaligheid, die God ons in zijne barmhartigheid beloofd heeft, verwerpt.

De woorden ran den Catechismus : „ aan Gods genade wanhopen beteekenen in hunnen natuurlijken zin, dat, als zonde tegen den H. Geest alléén die wanhoop te beschouwen is, welke rechtstreeks voortkomt uit wantrouwen aan Gods almacht, goedheid en getrouwheid in zijne beloften; waardoor men met opzet weigert de eeuwige zaligheid en alles wat ons daartoe helpen kan , vooral de vergiffenis zijner zonden, of de heiligmakende gratie, en dadelijke gratiën, die ter zaligheid noodig zijn, van God te verzoeken en te verwachten , in één woord: waardoor men de middelen ter zaligheid, die God in zijne barmhartigheid ons beloofd heeft, bepaald verstoot en verwerpt.

Als betreurenswaardige voorbeelden dezer zonde doen zich in de H. Schrift vooral Kaïn en de Apostel Judas voor.

2. Vermetel, d. i., zonder deugd op Gods barmhartigheid vertrouwen, w. z., zonder Gods geboden te willen onderhouden, zonder eene doodzonde, welke die ook zij, te willen vermijden , of zonder er boetvaardigheid over te willen doen ; toch van God vergiffenis zijner zonden, de eeuwige zaligheid verwachten. (Vgl. IS110 Les, S'1'1 V.) Aan deze zonde tegen den H. Geest maken zij zich plichtig, die koelbloedig en moedwillig in staat van doodzonde voortleven , en nochtans voor zeker houden, dat God in zijne barmhartigheid hen niet met de hel straffen zal.

3. Eene welbekende waarheid des gelooft bestrijden. Ook maar ééne waarheid des geloofs, d. w. z., eene waarheid die God geopenbaard heeft en de H. Kerk voorhoudt te gelooven (3dc Les , 1«'« en 4^ V.), en die men als zoodanig wel kent, m. a. w., die men zeker weet, dat door de H. Kerk als geloofswaarheid wordt voorgesteld , voorgehouden , hardnekkig bestrijden om ze als valsch of ten minste als twijfelachtig te doen doorgaan, is de derde zonde tegen den H. Geest.

ocr page 449

445

Een droevig voorbeeld dier zoude gaven die Joden, welke getuigen waren van de mirakelen, die Christus deed ten bewijze zijner Godheid, waardoor ze zeker moesten zijn van de goddelijkheid zijner leer, maar toch Hem en zijne leer hardnekkig verwierpen en bestreden. Aan deze zonden maken zich ook die ketters plichtig, welke het Soomsch Katholiek Geloof, of ook slechts ééne waarheid des geloofs bestrijden.

De Catechismus zegt: Eene welbekende waarheid des geloofs bestrijden, is eene zonde tegen den H. Geest, opdat niemand meene, dat hij aan deze boosheid plichtig is, die eene andere welbekende waarheid stokstijf loochent, tegenspreekt, en bestrijdt door tegen zijne overtuiging , tegen beter weten in, schijnredenen aan te halen ter bevestiging van zijne lengen. Bv.: Iemand weet zeker dat zijn vriend dit of dat gedaan heelt; hij liegt bij kris en kras, dat zijn vriend het niet gedaan heeft; houdt zulks hardnekkig vol, en haalt bewijzen aan waaruit schijnt te volgen , dat zijn vriend het werkelijk niet gedaan heeft. Zóó liegen is, gelijk het spreekwoord zegt, liegen als een ketter, maar toch is het geenszins eene zonde tegen den H. Geest, omdat men geene welbekende waarheid des geloofs bestrijdt.

4. De deugd en de genadegunsten zijns naasten benijden is de vierde zonde tegen den H. Geest.

Ze bestaat hierin , dat men zijnen evennaaste benijdt dat hij wezenlijk deugdzaam is, of zich oprecht bekeerd heeft en nu deugdzaam leeft, en dientengevolge Gode welgevallig is, door God bemind en met genaden , gratiën begunstigd wordt, zoodat men door die zonde ook de genadegunsten zijns naasten benijdt. Zoo benijdde Kaïn zijnen broeder Abel, omdat God met welbehagen nederzag op de offerande van Abel, die ze met een deugdzaam hart had opgedragen. (Boek der Schepp. 17, 1—5.) Zoo zondigden de Joden, welke hardnekkig verbitterd en afgunstig waren over de roeping der Heidenen tot het geloof in Christus. Zoo zondigen nog die goddeloozen, welke spijtig en wrokkig de bekeering der

ocr page 450

446

Heidenen in Afrika enz., van Protestanten in Engeland enz., de godsdienstigheid van onze goede bevolking aanzien, en door allerlei middelen trachten tegen te gaan. Hunne zonde komt voort als uit haat jegens God, en geschiedt dus enkel uit boosheid, en strijdt rechtstreeks tegen Gods barmhartigheid; is dus wezenlijk eene zonde tegen den H. Geest. Van die zonde moet men dus goed onderscheiden den nijd , of de afgunst, waaraan iemand zou toegeven, omdat zijn naaste hem in deugdzaamheid of genadegunsten overtreft. Immers deze zonde komt niet enkel uit boosheid, maar uit de drift van ijdele glorie, van hoovaardigheid voort, en strijdt niet rechtstreeks tegen Gods barmhartigheid, aangezien hij die aan dezen nijd toegeeft, Gods genadegaven of gunsten niet op zich zelve versmaadt, maar zijn naaste alleen misgunt , dat hij hem in deugd en genadegaven overtreft.

5. Hardnekkig zijn in de boosheid, w. z., enkel uit boosheid, kwaadwilligheid de middelen ter bekeering halsstarrig verwerpen. Dus ondanks alle middelen, waardoor God in zijne oneindige barmhartigheid, den zondaar tot bekeering aanmaant , b.v. door knagingen van geweten , van conscientie , door vermaningen van zijne geestelijke oversten of van ouders, welmeenende vrienden enz., ook al door plotselijke sterfgevallen onder familieleden of bekenden , enz. enz., toch maar , niet alleen moedwillig in zonden voortleven, maar bovendien al die aanmaningen tot bekeering eenvoudig weg verachten, er zich hardnekkig tegen verzetten, is hardnekkig zijn in de boosheid. Zóó zondigden de Joden, die alle vermaningen welke God hun door woorden en wonderdaden gegeven had, verwierpen, en de Profeten vervolgden, die God tot hen afzond, gelijk de eerste martelaar, de H. Stephanus , hun in alle waarheid onder het oog bracht, zeggende: Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van ooren! altijd wederstaat gij den H. Geest; gelijk uwe vaderen, alzoo ook gij. Wien van de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd ? Ja, en gedood hebben zij hen, die de komst voorzegden van den Rechtvaardige, wiens verraders

ocr page 451

447

en moordenaars gij nu geworden zijt; gij, die de wet hebt ontvangen onder beschikking van Tingelen, en haar niet onderhouden hebt! (Handel, der Apost. VII. 51—53.,)

Er bestaat dus een groot onderscheid tussohen znlke booswichten en degenen, die, ongelukkig genoeg, in hunne zonden uit zwakheid of ten gevolge der hevigheid hunner driften, wel gedurig hervallen, ja, er als moedwillig in voortgaan, maar toch de aanmaningen tot bekeering niet verachten, doch ze enkel niet opvolgen, niet nakomen. Zeker zijn ook zoodanige zondaars, groote zondaars; blijkbaar ver-keeren zij in groot gevaar voor eeuwig verloren te gaan; doch zij zijn nog niet schuldig aan de zonde tegen den H. Geest, die bestaat in hardnekkig zijn in de boosheid.

6. Verachten het berouw of de boetvaardigheid, w. z., opzettelijk het voornemen maken geene boetvaardigheid te doen over zijne zonden, zelfs niet in het uur van zijnen dood, en zelfs dan het berouw, zonder hetwelk nooit zonden kunnen vergeven worden lt;35ate Les, 7'ie V.), te verachten , moedwillig te versmaden, te verstooten. Zóó zondigen vooral degenen die de verbintenis aangaan van zelfs op hun sterfbed de Heilige Sacramenten te weigeren (de solidairen).

Zij , die niet met opzet, maar slechts uit zwakheid van wil om aan hunne driften weerstand te bieden , in zonde voortleven zelfs tot op hun sterfbed toe, zijn daarom nog niet aan deze zonden tegen den H. Geest schuldig; want ze doen wel geene oprechte boetvaardigheid, maar zij verachten ze toch niet; ze gaan wel in hunne zonde voort, maar toch niet enkel uit boosheid. Zij doen dus geene zonde tegen den H. Geest. (Vgl. 5de V.)

7 V. Waarom worden sommige zonden genoemd wraakroepende zonden ?

A. Omdat zij door hare groote boosheid Gods rechtvaardige wraak ook in deze wereld afroepen.

ocr page 452

448

Sommige zonden, (welke, leert het volgend Antw.) worden wraakroepende zonden genoemd, omdat zij door hare eigenaardig groote boosheid, Gods rechtvaardige wraak, straf, niet alleen in de andere wereld, in de eeuwigheid , in de hel afeischen, als ze niet door oprechte boetvaardigheid vergeven zijn, maar ook in deze wereld afroepen. Dit doen zij door de boosheid , die haar eigen is , altijd en aanstonds als ze bedreven worden; maar in zijne oneindige wijsheid straft God die zonden in deze wereld niet altoos of aanstonds, maar alleen van tijd tot tijd, dan nl., wanneer eene voorbeeldige straf noodig ie om ook anderen van 't bedrijven dier zonden af te schrikken , te weerhouden.

8 V. Welke zijn de wraakroepende zonden ?

A. Deze vier: 1. vrijwillige doodslag; 2. on-kuischheid tegen de natuur ; 3. verdrukking van armen, weduwen en weezen; 4. achterhouden het loon der werklieden.

De wraakroepende zonden zijn deze vier:

1. Vrijwillige doodslag, die bestaat in een ander, zonder wettige macht en reden, vrijwillig te dooden, op wat wijze dit ook geschiede. (Vgl. 27s,e Les . 2'le V. over het vijfde gebod.) Dat deze zonde eene wraakroepende zonde is, blijkt duidelijk uit de woorden , welke God sprak tot Kaïn , die den eersten vrij willigen doodslag heeft bedreven: „ Wat hebt gij gedaan ? de stem van het bloed utcs broeders roept tot mij van de aardequot; om rechtvaardige wraak. Om het menschdom door een schrikwekkend voorbeeld van dien gruwel te weerhouden, strafte God Kaïn zichtbaar. „ Daarom zult gij vervloekt zijn op de aarde, welke haren mond geopend en uws broeders bloed uit uwe hand heeft opgevangen. Als gij ze bebouwt, zal zij u hare vruchten niet geven: onrustig en voortvluchtig zult gij zijn op aarde.quot; (Boek der Schepping. IV. 10 —12.)

2. Onkuischheid tegen de natuur. Daardoor worden verstaan

ocr page 453

449

die onknische werken, welke niet alleen door het zesde gebod (278te Les , 6Je V.) en de natuurlijke rede verboden zijn, maar bovendien strijden tegen de natuurlijke bestemming der ledematen of krachten van 'smenschen lichaam.

De geschiedenis der goddelooze inwoners van Sodama en Gomorrha bewijst te over, dat deze zonde wraak roept bij den Heer. Immers, omdat zij zich aan deze hemeltergende zonde overgaven, sprak de Heer tot zijn vriend Abraham: „ Het geroep (om wrake) van Sodoma en Gomorrha is vermenigvuldigd, en hunne misdaad is bovenmate zwaar.quot; (Boek der Schepp. XVIII. 20.) En aan den rechtvaardigen Loth verkondigden 's Heeren Engelen de vreeselijke straf, welke den inwoners dezer steden boven 't hoofd hing: „ Want wij zullen deze plaats verdelgen, omdat haar geroep zeer hoog gestegen is voor den Heer die ons gezonden heeft om ze te verdelgen!' En werkelijk werden deze steden door zwavel en vuur verdelgd. {T. a. p. XIX. v. 13 en volgende.)

3. Verdrukking van armen, weduwen en weezen.

Verdrukking van armen, weduwen en weezen, wil hier zeggen, krenking hunner rechten; armen, weduwen of weezen in hunne rechten krenken, b.v., door hen onrechtvaardig te be-rooven van hetgeen zij nog bezitten; door van hunnen onge-lukkigen toestand gebruik te maken om hen tot zonde te verleiden, armen of weduwen als te noodzaken om hunne kinderen naar godsdienstlooze scholen te sturen, enz. enz. De H. Schriftuur verzekert dat deze zonde waarlijk eene wraakroepende zonde is. In het tweede boek van Mozes , (het hoek des Uitgangs XXII. 22—24) vroeg God het mede-doogen van zijn uitverkoren volk Israël voor armen, weduwen en weezen , en zeide op gebiedenden toon: De weduwe en den wees zult gij niet benadeelen. Als gij hun onrecht aandoet, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep hooren, en mijne woede (Ik in mijne woede) zal verontwaardigd worden, en zal u door het zwaard verdelgen, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen

ocr page 454

450

weezen wordend Het Boek Ecdesiasticus bevestigt znlks niet minder duidelijk. In het 25quot;» hfdst. v. 15—19 toch staat geschreven: „ De Heer is de Rechter, en iemands aanzien geldt niet bij Bern. Rij is niet partijdig tegen den arme, en Hij verhoort het gebed des onderdrukten. Het smeeken van een ouderloos kind versmaadt Hij niet, noch de weduwvrouw, als zij zuchtend lot Hem klaagt. Vloeien de tranen der weduwe niet af van hare wangen, en schreit zij niet tegen hen , die ze haar doen storten ? Ja, van hare wangen af stijgen ze op ten hemel en de Heer, die haar aanhoort , schept geen behagen in hare tranend. w. z. zal, door de daad toonen , dat die tranen Hem. mishagen , en dengene die ze doet vloeien, vroeg of laat zichtbaar straffen.

4. Achterhouden, d. i., niet betalen, of niet geheel, of niet op verplichten tijd betalen het verdiende loon der werk-lieden, dienstboden , enz. De H. Apostel Jacobns zegt in zijn Brief, V. 4, met duidelijke woorden, dat dit eene wraakroepende zonde is. „ Zie, het loon der arbeiders... dat door u is achtergehouden , schreeuwt, roept tot God om wraak, en hun ge' schrei, het geschrei van uwe verongelijkte werklieden, is tot de oor en van den Heer der heir schar en, der Engelenscharen

Vragen over de 41ste Les.

1. Hoe kan iemand schuldig zijn aan hetgeen een ander

doet P

2. Haal een voorbeeld aan van elke der vreemde zonden

3. Noem de deugden tegen de 7 hoofdzonden.

4. Toon uit den aard der zonden tegen den H. Geest»

dat zij zelden vergeven worden.

5. Toon uit de H Schriftuur, dat de vier laatste zonden

werkelijk Gods wraak over den zondaar afroepen.

------.*»oqgt;V^Coe«.--

ocr page 455

451

TWEE EI VEERTIGSTE LES.

Van de Christelijke Deugden.

De Christelijke Eechtvaardigheid heeft twee deelen, te weten : het kwaad laten en het goede doen , of de zonden vluchten en de dengd oefenen. (398te Les, 2de V.)

Het eerste deel der Christelijke Rechtvaardigheid is in de drie vorige lessen uitgelegd. In deze en de twee volgende lessen handelt de Catechismus over het tweede deel, nl., over het goed doen, of de dengd oefenen, en vraagt eerst in 't algemeen: i

1 V. Wat is eene deugd ?

A. Eene genegenheid der ziel, door welke de mensch wel doet.

Tot het wezen, den aard eener deugd worden dus drie dingen vereischt; 1., eene genegenheid ; 2., eene genegenheid der ziel; 3. , eene genegenheid der ziel, door welke de mensch weldoet.

Eene deugd is dus eene genegenheid, d. w. z., eene bijblijvende , voortdurende neiging, stemming, gezindheid, bereidvaardigheid der ziel, d. i., der vermogens van de ziel, nl., van het verstand en den wil, ja hier ook der zinnelijke begeerlijkheid in zoover deze aan het verstand en den wil moet onderworpen zijn ; door welke genegenheid der ziel de mensch wel, d. i., goed, eenig goed werk doel, zoo dikwerf de gelegenheid er zich toe aanbiedt.

Hebt ge deze korte verklaring van het wezen eener dengd goed begrepen, dan kunt ge de volgende vragen gemakkelijk beantwoorden. Die vragen zelve zullen u nog een meer helder begrip geven van den aard eener deugd.

Ib het al eene deugd als, b.v., iemand zoo in 't voorbijgaan zich geneigd gevoelt om dit of dat goed werk te doenP

ocr page 456

452

Neen; want de dengd bestaat niet in eene Tluchtige, Toor-bijgaande, slechts eenige oogenblikken dnrende neiging van den wil tot het goede; maar is eene bijblijvende, voortdurende genegenheid der ziel, door welke de mensch wel doet.

Maar, als nu iemand werkelijk iets goeds, een goed werk doet, dan is dat goed werk toch zeker wel eene dengd. Dnnkt n dat ook niet P

Neen; een goed werk is geene dengd, ten 1quot;, omdat het geene genegenheid der ziel is , maar het gevolg, het uitwerksel , de vrucht eener goede genegenheid. Ten 2e, omdat een goed werk in eene enkele handeling, daad, akte kan bestaan, die altijd, hoe dikwijls ook herhaald, voorbijgaande is, terwijl eene deugd eene voortdurende genegenheid der ziel is, door welke de mensch wel doet, zoo dikwerf de gelegenheid daartoe voorkomt.

Is er dus onderscheid tusschen deugd en oefeningen of akten van deugd ?

Ja; want deugd is de voortdurende wil of genegenheid tot het goede ; oefeningen of akten van deugd zijn slechts voorbijgaande goede of deugdzame werken, waarover de Catechismus in de twee volgende lessen spreekt. Herhaalde oefeningen of akten van deugd versterken de genegenheid der ziel, door welke de mensch weldoet.

Is dan misschien de behendigheid, vaardigheid om dit of dat, uit zijn aard, goed werk te verrichten, deze of gene, uit haar aard, goede bediening waar te nemen, eene deugd P

Neen ; die behendigheid is op zich zelve blijkbaar geene deugd; want ze is geene genegenheid der ziel, maar eene geschiktheid van het lichaam tot deze of gene bediening, tot dit of dat ambt.

Hetzelfde geldt van eene genegenheid en vatbaarheid om iets te leeren, van schranderheid van verstand, ja zelfs van eene door langdurige oefening verkregen kunst of wetenschap. Op zich zelve zijn deze geene deugd; want alhoewel ze eene

ocr page 457

453

hoedanigheid, eene genegenheid der ziel ten grondslag hebben, kunnen ze den mensch niet enkel ten goede, maar ook ten kwade, tot zonde dienen, terwijl de deugd eene genegenheid der ziel is, door welke de mensch niet enkel wel, goed kan doen, maar wel, goed doet, wezenlijk genegen en bereid is om goed te doen, als de gelegenheid zich aanbiedt.

Maar noem dan eens eene wezenlijke deugd.

Wezenlijke deugden zijn in menigte op te noemen. Zoo is b.v., gehoorzaamheid wezenlijk eene deugd; want zij is eene genegenheid en wel bepaald eene genegenheid der ziel, welke genegenheid ons menschen bereidvaardig maakt om wel te doen, nl., om te doen al wat onze wettige oversten ons gebieden, opleggen, voorschrijven.

V. en Antw. slaan op eene deugd in 't algemeen, zoowel op louter natuurlijke, als op bovennatuurlijke of christelijke deugden.

't Spreekt echter van zelf, dat de Catechismus of de Christelijke leering, als zijnde het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden (le Les, le en 2' V.), zijn antwoord op de V.: „ Wat is eene deugd?quot; alleen wil verstaan hebben van, en toepast op bovennatuurlijke, wezenlijk Christelijke deugden. Want louter natuurlijk goed doen, louter natuurlijke deugd oefenen, b.v., iemand ergens mee helpen, alleen of voornamelijk omdat ik hem volgens mijne natuur genegen ben; een armen man eene aalmoes geven, alleen of voornamelijk , omdat ik niet kan zien, kan uitstaan, dat hij zulk gebrek lijdt, enz., is geene beoefening der deugd, die Christus ons geleerd heeft, die ons kan zalig maken (iets natuurlijks kan immers geen bovennatuurlijk uitwerksel hebben). Louter natuurlijk goed doen, louter natuurlijke deugd oefenen, gelijk zelfs de heidenen en ongeloovigen soms doen, is geen deel der Christelijke Rechtvaardigheid, d. i., der Eechtvaardigheid, welke Christus ons door zijn woord en voorbeeld geleerd heeft, en welke wij moeten beoefenen om den hemel te ver-C 29

ocr page 458

454

dienen, hiernamaals eeuwig zalig te worden. (Vgl. 44« Les le en 2e V.) Geen wonder dus, dat de Catechismus hier niet eens rept, met geen enkel woord spreekt van de verdeeling der deugden in natuurlijke en bovennatuurlijke deugden (vgl. 4e V.), maar alleen vraagt: hoevelerlei bovennatuurlijke deugden er zijn, m. a. w., hoe de Christelijke deugden in 't algemeen verdeeld worden P

Natuurlijke deugden zijn natuurlijke genegenheden, d. i. die enkel uit onze natuur (ons natuurlijk verstand en wil, niet uit de gratie) voortkomen, en ons genegen maken om eenig natuurlijk goed te doen, zonder verder inzicht op God , den hemel, of het andere leven. B.v. zich van zekere spijzen onthouden, enkel, omdat de gezondheid het vordert, is een bloot natuurlijk werk, en de genegenheid daartoe een bloot natuurlijke deugd van matigheid, die heidenen en onge-loovigen kunnen bezitten en beoefenen, doch welke met den hemel niets heeft uit te staan. Die deugden alleen worden op de openbare scholen geleerd; daardoor kan een kind wel een fatsoenlijk menseh , maar geen goed christen worden.

2 V. Hoevelerlei bovennatuurlijke, Christelijke deugden zijn er ?

A. Tweederlei: goddelijke en zedelijke deugden.

Welke de goddelijke deugden zijn, en waarom ze zoo genoemd worden, leeren de twee volgende vragen. De 9e V. leert, waarom de andere deugden zedelijke deugden genoemd worden.

3 V. Welke zijn de goddelijke deugden ?

A. Deze drie : het geloof, de hoop en de liefde.

Wat het geloof, de hoop en de liefde is , weet ge reeds uit de 3% 18e en 21e Les.

4 V. Waarom worden deze deugden genoemd goddelijke deugden ?

ocr page 459

455

A. Omdat zij van God worden ingestort, en ons onmiddellijk met God bezig houden.

Deze drie, het geloof, de hoop en de liefde, worden god. delijke deugden genoemd niet zoozeer en zeker niet alléén, omdat zij van, d. i., door Qod worden ingestort. Want om deze eerste reden, n.1., om haar goddelijken oorsprong, mogen het geloof, de hoop en de liefde wel goddelijke dengden genoemd worden; maar die reden is toch de voornaamste niet, waarom deze dengden goddelijke dengden genoemd worden; zelfs zou deze reden alléén niet voldoende zijn om ze in waarheid goddelijke deugden te mogen noemen. Want dat zij van God worden ingestort, is wel een vereisehte om ze in waarheid bovennatuurlijke, en dus ook goddelijke deugden te kunnen heeten; immers bovennatuurlijke deugden zijn tweeërlei : goddelijke en zedelijke deugden (2e V.); maar 't is geene eigenschap die der goddelijke deugden alleen eigen is, deze wezenlijk van de zedelijke deugden onderscheidt. Alle bovennatuurlijke , waarlijk Christelijke dengden toch, worden door God ingestort, of ze zijn geene wezenlijk bovennatuurlijke, echt christelijke dengden, maar reeds bij gebreke van die bijzondere instorting Gods , slechts natuurlijke deugden , d. i., natuurlijke aangeboren of door herhaalde oefening verkregen genegenheden of begaafdheden der ziel, door welke de mensch eenig natuurlijk goed werk kan doen. (Vgl. le V. en 4e Les, 2e V.) Bovennatuurlijke deugden integendeel zijn dengden , die al onze natuurlijke krachten te boven gaan , die wij uit ons zeiven niet kunnen hebben , maar die ons louter door Gods goedheid ingestort, gegeven worden. Alzoo niet de eerste , maar de tweede reden, welke de Catechismus aangeeft , waarom deze drie: het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden genoemd worden, n.1. omdat zij ons onmiddellijk met God bezig houden, is eigenlijk het quot;bepaald kenmerk, dat de drie goddelijke dengden van de bovennatuurlijke zedelijke deugden onderscheidt.

Maar, wat nu beteekent die eigenschap, welke de godde-

ocr page 460

456

lijke wezenlijk van de zedelijke deugden onderscheidt, nl.,

dat zij ons onmiddellijk met Ood bezig houden?

D. w. z., dat zij op God en op God alleen betrekking hebben; m. a. w., dat de goede werken, waartoe die drie dengden ons genegen maken. God in zich zelven beschouwd, ja God alléén èn tot voorwerp èn tot beweegreden, hebben.

Het voorwerp wordt aangeduid door de vraag: Wat ? Be beweegreden door de vraag: Waarom ? Dus rijst allereerst de vraag : Wat moeten wij gelooven ?

Al wat God geopenbaard heeft. (Vgl. 3lle Les, 4de V.)

Waarom moeten wij dat alles vastelijk gelooven ?

Omdat Qod de eeuwige waarheid is. (T. a. p. 7de V.)

Wat moeten wij van God hopen ?

De eeuwige zaligheid en alle middelen die daartoe noodig zijn. (18Je Lei , 4,Ie V.)

Maar, waarin bestaat de eeuwige zaligheid, of, m. a. w., wat is het grootste geluk der zaligen P

A. Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten. (45ste Les, 9iIe V.)

We hopen dus God zelven in den hemel eeuwig te aanschouwen , te bezitten, te genieten.

En waarom moeten wij met een vast vertrouwen op Ood hopen P

A. Omdat God is oneindig goed tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften. (18Je Les, 6de V.)

Wat is de Liefde P

A. Eene dengd en gave Gods, door welke wij Qod bovenal beminnen en onzen evennaaste gelijk ons zelven. (21= Les, le V.)

Wie moeten dus het voorwerp onzer liefde zijn, en hoe ?

A. God bovenal en onze evennaasten gelijk ons zelven.

Waarom moeten wij God bovenal beminnen P

ocr page 461

457

A. Omdat God het opperste goed in zich zeiven is. (T. a. p. 4lt;te V.)

Om welke reden, waarom moeten wij onzen evennaaste beminnen gelijk ons zeiven P

A. Om God, d. w. z., omdat God de liefde van alle redelijke schepselen overwaardig is. (T. a. p. 6de V.) Dus èn voorwerp èn beweegreden van 't geloof, van de hoop en de liefde is onmiddellijk, rechtstreeks God. Dns het kenteeken waardoor men de goddelijke van de zedelijke deugden onderscheidt, bestaat waarlijk hierin, dat de drie goddelijke deugden ons onmiddellijk met God bezig houden, terwijl de zedelijke deugden God slechts middellijk tot voorwerp of beweegreden hebben, ons slechts middellijk met God bezig honden. (Zie verder 9df en ICHe V.) De hoofdreden dus , waarom deze drie: het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden wordan genoemd, is, dat uitsluitend deze deugden ons onmiddellijk met God bezig houden.

5 V. Wanneer worden de goddelijke deugden (en meteen alle andere bovennatuurlijke gaven en zedelijke deugden ; vgl. bl. 251 en 262) den mensch het eerst (den eersten keer) ingestort?

A. In het Doopsel.

Als iemand na het Doopsel de goddelijke liefde, de heilig-makende gratie door eene doodzonde verliest, verliest hij te gelijk de gaven van den H. Geest en de zedelijke deugden (maar daarom niet het geloof noch de hoop); krijgt hij door het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht of door een volmaakt berouw weer vergiffenis van zijne doodzonde , dan wordt hij in de heiligmakende gratie, in de goddelijke liefde hersteld en worden hem meteen de zedelijke deugden en de gaven van den H. Geest opnieuw ingestort.

6 V. Welk is de eerste (niet in waardigheid of

ocr page 462

458

voortreffelijkheid (vgl. 8e V.), maar in wording, of in volgorde, in de rij) der goddelijke (en van alle bovennatuurlijke) deugden ?

A. Het geloof.

Ja, het geloof is de eerste of het begin van alle bovennatuurlijke , zoowel zedelijke als goddelijke deugden, in dien zin, dat het geloof alle bovennatuurlijke deugden voorafgaat, en zonder het geloof, noch de hoop, noch de liefde, ja geen enkele wezenlijk bovennatuurlijke deugd kan bestaan. (Vgl. 4e V.)

7 V. Waarom wordt het geloof genoemd de eerste der goddelijke (en van alle overige bovennatuurlijke) deugden ?

A. Omdat het geloof de wortel en de grondslag is van alle andere deugden.

Het geloof wordt dus de eerste der goddelijke en aller overige bovennatuurlijke deugden genoemd, omdat het geloof ien 1«, in figuurlijken zin, bij wijze van vergelijking gesproken, de wortel is van alle andere bovennatuurlijke deugden. Gelijk de wortel aan eene plant of aan een boom leven, groei en bloeikracht geeft, die hij zelf uit den grond trekt; en gelijk de wortel medewerkt tot het voortbrengen van allerlei bloemen, gewassen en vruchten; zóó werkt het geloof, dat zelf voortkomt uit loutere gave of gratie Gods , met Gods genade samen, mede tot het voortbrengen van alle akten van hoop, van liefde en van alle andere bovennatuurlijke deugden.

Het geloof leert ons God kennen als oneindig goed jegens ons, almachtig en getrouw in zijne beloften, en is zoodoende de wortel, waaruit en waardoor de hoop leeft, groeit en bloeit. Het geloof leert ons God kennen als oneindig goed

ocr page 463

459

in zich zeiven das als al onze liefde waardig, en is zoodoende de wortel, waarnit en waardoor de liefde leeft en allerlei slag van goede werken voortbrengt, te meer en te heerlijker naar mate het geloof dieper wortel heeft gesehoten in 'smenschen hart.

Leeren wij, dat het geloof de wortel is van alle andere bovennatuurlijke deugden, dan is dit blijkbaar te verstaan van een levend geloof, dat door de liefde werkzaam is (vgl. Brief aan de Galat ïérs V. 6.); want een dood geloof, d. w. z., een geloof, waaraan het leven der liefde en der goede werken ontbreekt, dat zich niet toont door de werken des geloofs, kan evenmin de wortel van alle andere deugden genoemd worden, als een doode wortel leven of groei of bloeikracht kan geven aan eene plant of aan een boom. Want evenals het lichaam zonder geest, van de ziel gescheiden, dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken des geloofs doodquot; en derhalve onvermogend om ons voor God te rechtvaardigen en ter eeuwige zaligheid te geleiden. (Vgl. den Brief van den H. Jac., hfdst. II. 14—26, en 39« Les, 1= V.)

Het geloof wordt de eerste der goddelijke en van alle andere bovennatuurlijke deugden genoemd , niet alleen omdat het de wortel, maar wederom bij wijze van vergelijking gesproken, ten 2e, ook de grondslag is van alle andere deugden.

Op den grondslag , op het fondament rusten alle overige deelen van een gebouw, van een huis. Gelijkerwijze steunen alle andere bovennatuurlijke deugden op het geloof, als op haar grondslag zonder welke ze niet kunnen bestaan, gelijk natuurlijker wijze ook een huis niet kan staande blijven zonder grondslag of fondament. Wijders, gelijk een huis, dat een dwaas man op het zand, op een lossen grondslag bouwt, spoedig instort, en zeker bij een stormweder geheel en al invalt; gelijkerwijze verliest men in dit leven alle andere bovennatuurlijke deugden, indien heur grondslag, het geloof, instort, verloren wordt. Integendeel, gelijk een huis, dat een verstandig man op de steenrots, op een solieden, stevigen

ocr page 464

460

grondslag bouwt, tegen regen, wind en Btorm bestand is, en hoog, tot twee en meer verdiepingen kan opgetrokken worden, zonder in te vallen (vgl. Matth. VII. 24—27.); gelijkerwijs zijn ook alle andere deugden, als ze op een levend geloof in Christus, die de steenrots is, gegrondvest zijn, bestand tegen de stormen der bekoringen, en knnnen en zullen steeds hooger en hooger zich ten hemel verheffen, in volmaaktheid toenemen.

Kinderen, deze eenvoudige waarheid, nl., dat het geloof de wortel en de grondslag is van alle andere bovennatuurlijke deugden, en daarom terecht de eerste aller deugden genoemd wordt, moet u meer en meer overtuigen hoeveel er aan gelegen is , dat ge van der jeugd af in eene katholieke school uw onderwijs , uwe opvoeding geniet. Immers in een katholieke school gaan „ geloof en wetenschapquot; hand aan hand samen, als twee vriendinnen, die met elkaar niet in strijd kunnen komen, omdat ze beide uit één oorsprong , uit God, de eenige bron van alle, zoowel natuurlijke als bovennatuurlijke , waarheid voortkomen. In eene naar den eisch en het verlangen der katholieke Kerk ingerichte school staat zeker het geloof op den voorgrond ; wordt allereerst en allermeest de kennis der Christelijke leering noodzakelijk geacht, omdat de Christelijke leering of de Catechismus het kort begrip is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden; edoch de wetenschap wordt er volstrekt niet geminacht of verwaarloosd, maar door het geloof veredeld en dienstbaar gemaakt tot 's menschen waar geluk.

Op de openbare scholen , althans waarin kinderen van ver-sohillenden godsdienst, b.v., ook Protestanten zijn , mogen alléén zoogenaamde „boven geloofsleer verhevenquot;, eigenlijk gezegd, alleen „natuurlijkequot; deugden worden geleerd, die ook een heiden kan beoefenen; terwijl, gelijk we reeds zeiden , het hoofddoel eener katholieke school, van de laagste tot de hoogste, is en blijft, den mensch degelijk te vormen

ocr page 465

461

tot beoefening van bovennatuurlijke deugd , tot geloof, hoop en liefde, en alle zedelijke deugden, ter wier beoefening de katholieke school alle wetenschappen weet dienstbaar te maken.

„Natuurlijkequot; deugden zijn uit haar aard niet vermogend u hier, ook te midden van allerlei ontbering en tegenspoed, tevreden, gelukkig te doen zijn , en nog veel minder om u hiernamaals aan 't eeuwig geluk des hemels deelachtig te maken.

Kinderen, beseft toch wel, van hoeveel belang het is degelijk onderwezen te zijn in de Christelijke leering, de leer der E. Katholieke Kerk grondig te kennen. Hebt ge die kennis opgedaan, dan mogen stormen loeien; sterk door het geloof, den wortel en grondslag aller andere deugden, zult ge uw geloof ook in het openbaar leven standvastig belijden , door 't beoefenen en bevorderen van allerlei goede werken edelmoedig voor 't geloof uitkomen , en hooger en hooger in deugd stijgen; maar verwaarloost ge nu den Catechismus grondig te leeren, dan zult ge kleingeloovigen , zwakken in het geloof zijn en bij den minsten storm, dien het ongeloof heden op allerlei wijzen verwekt, zeer lichtelijk in uw geloof, dus tot in den grondslag van uw bovennatuurlijk leven, kunnen geschokt worden; dan zult ge lichtelijk de plichten en werken des geloofs allengs veronachtzamen , verzuimen , en zoodoende van zonde tot zonde vervallen , ja ten laatste gevaar loopen het geloof zelf te verliezen, en daarmee tevens alle andere bovennatuurlijke deugden, waarvan het geloof de wortel en de grondslag is, waarom het ook de eerste der goddelijke en zedelijke .deugden genoemd wordt.

8 V. Welke is de voornaamste der goddelijke deugden ?

A. De liefde ; want zonder de liefde kan noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere deugd ons ter zaligheid helpen.

ocr page 466

462

De voornaamste, de waardigste, de voortreffelijkste der goddelijke en zedelijke deugden is de liefde. De Cateobismus geeft als bewijs of reden dezer waarheid aan : de onontbeerlijkheid of volstrekte noodzakelijkheid der liefde om zalig te wor. den. in den hemel te komen. „ Want, zegt hij , zonder de liefde kan noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere deugd ons ter zaligheid helpen. Dat wil niet zeggen, dat het geloof, de hoop en andere deugden zonder de liefde, dus voor iemand, die in staat van doodzonde is, vruchteloos, nutteloos zijn ter zaligheid. Verre van dien ; want de beoefening van het geloof, van de hoop en van andere goede werken is voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering, en door bekeering ter zaligheid, in den hemel te komen. (Vgl. volg. Les 8eV.) Maar d. w. z., dat zonder de liefde noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere deugd ons aan de eeuwige zaligheid kan helpen, ons in den hemel kan brengen. (Vgl. volg. Les lO V.)

9 V. Waarom worden de andere (alle andere, niet goddelijke) deugden genoemd zedelijke deugden?

A. Omdat zij de zeden der menschen volgens het Evangelie en de rede ten goede regelen. {D. i. wanneer wij deze deugden in alles in oefening brengen, dan zal ons gedrag , onze levenswijs met het Evangelie en het gezond verstand overeenkomen.)

Uit de 2= V. weten we reeds dat er tweeërlei bovennatuurlijke deugden zijn : goddelijke en zedelijke deugden. Uit de 4® V. leerden we ook de eigenlijke reden waarom deze drie: het geloof, de hoop en de liefde, goddelijke deugden genoemd worden, en waardoor ze eigenlijk van de zedelijke deugden onderscheiden worden, nl., doordien ze ons onmiddellijk met God bezig houden, God zeiven onmiddellijk èn tot voorwerp èn tot beweegreden hebben.

Hier leeren wij nu waarom alle andere deugden zedelijke

ocr page 467

463

dengden genoemd worden , en waarom deze wezenlijk van de drie goddelijke deugden verschillen. Alle andere dengden worden zedelijke dengden genoemd, omdat zij de zbdek, d. w. z., het zedelijk gedrag, de bijzondere en openbare of maatschappelijke levenswijze der menschen volgens het Evangelie en de rede, met andere woorden, volgens de Christelijke leering , en volgens 's menschen natuurlijk gezond verstand, ten goede, d. i., tot beoefening van het goede, van de deugd, regelen. De zedelijke deugden regelen dus onze zeden, geheel ons zedelijk gedrag zóó, gelijk het Gode behaaglijk is ; want ze regelen het ten goede, tot beoefening der deugd, die God, krachtens zijne heiligheid, welgevallig, aangenaam is, en zijn moet, niet anders dan behaaglijk zijn kan.

Het wezenlijk verschil tusschen zedelijke en goddelijke deugden bestaat hierin, dat het onmiddellijk voorwerp der zedelijke deugden niet is God zelf, maar de zedelijke verplichting, die 't zij jegens God, 't zij jegens ons zeiven of onzen naaste op ons rust. Ook is de onmiddellijke beweegreden der zedelijke deugden niet noodzakelijk God zelf, maar nu eens de achting voor de wet, die onze zeden ten goede regelt; dan weer de schoonheid, voortreffelijkheid en heilzame vruchten eener beoefende zedelijke deugd, of wel de hatelijkheid en heil-looze gevolgen der tegenovergestelde ondeugd.

De wet, die onze zeden ten goede regelen moet, is het H. Evangelie en de natuurlijke rede. De Catechismus zegt immers, dat zedelijke deugden zoo genoemd worden, omdat zij de zeden der menschen volgens het Evangelie en de rede ten goede regelen.

Het woord Evangelie is van Griekschen oorsprong, en heeft velerlei beteekenissen. Gelijk we reeds zeiden, betee-kent het hier de leer van Christus. De Catechismus is het kort begrip van hetgeen Christus geleerd heeft; dus de korte inhoud van het Evangelie.

Kinderen, hieruit kan en moet u opnieuw de noodzakelijkheid blijken om den Catechismus toch door en door te leeren

ocr page 468

464

kennen, omdat ge nw zedelijk gedrag allereerst moet regelen^ inrichten volgens het H. 'Evangelie.

Tevens moeten wij ong gedrag regelen volgens de rede , d. w. z., volgens de nitspraak van ons natnnrlijk gezond verstand. Ons verstand heet gezond, als het niet door eenige ongeregelde drift, vooral niet door eigenliefde, zinnelijkheid , eigenbaat of hebzncht ziekelijk aangedaan, beneveld, verduisterd wordt, maar friseh en onpartijdig zijn oordeel nitspreekt.

Vragen wij ons dns vóór al ons doen en laten, kalm en ernstig af: Wat zegt mijn gezond verstand daarvan P Om geheel onpartijdig op die vraag te antwoorden, doen we het best de vraag zóó te stellen : Wat zou ik antwoorden, als een ander, voor wien ik noch vóór noch tegen ingenomen ben, mij raadpleegde en vroeg: Wat dunkt u, vriend! moet, mag ik, past, betaamt het, en is 't raadzaam , dat ik in dit geval dit of dat doe, of niet P Handelen wij volgens het antwoord, dat we op ons sterfbed een ander zouden wensohen te hebben gegeven. Intnsschen moet de leer van Christus het H. Evangelie altijd onze eerste en laatste of hoogste gedragsregel wezen.

Wij moeten ons dus altijd allereerst afvragen : Wat leert de Catechismus daarvan P Gebiedt, of verbiedt de leer van Christus , het H. Evangelie, blijkbaar dit of dat waartusschen ik te kiezen heb, dan moet ik, zonder verdere bedenking, doen wat het H. Evangelie gebiedt, laten wat het verbiedt, wil ik ook maar redelijk handelen; want dan stemt de gezonde rede noodzakelijk duidelijk met het Evangelie in. Komt ons oordeel, onze opvatting, onze opinie, meening niet met de leer des Evangelies overeen, dan moeten wij volgens het Evangelie handelen; want dan is ons oordeel, onze opinie zeker niet de uitspraak van de gezonde rede, van het gezond verstand. Immers tusschen het H. Evangelie en de rede kan evenmin strijd bestaan als tusschen „het geloof en de wetenschapquot; (vgl. 7e V.), omdat ze beide van één en denzelfden God voortkomen. Wij moeten dus in elk geval allereerst luisteren naar, gehoor-

ocr page 469

465

zsmen aan degenen, die Christas zelfheeft aangesteld om ons zijne leer te verklaren en op onze levenswijze toe te passen, n.1., den Pans van Rome, en de Bisschoppen der H. Kerk in vereeniging met den Paus. (Vgl. 3e Les, 10« V.)

Jesus Christus immers heeft de leerende Kerk juist tot dat einde ingesteld, opdat zij altijd zichtbaar, altijd levend en sprekend, te allen tijde zijne leer onvervalscht en on-verminkt, in volle waarheid aan alle volkeren zou verkondigen en onfeilbaar verklaren.

Wij moeten dus ook luisteren en handelen naar de leer en de vermaningen van de Pastoors en Priesters, die door Z. D. H. den Bisschop van het Diocees gezonden worden als onze onmiddellijke leeraars in zake van geloof en zeden, en zijn gezag bij ons vertegenwoordigen, (vgl. 3lle Les.)

10 V. Welke zijn onder de zedelijke deugden de kardinale of hoofddeugden ?

A. Deze vier: de voorzichtigheid , de rechtvaar-heid , de sterkte en de matigheid.

Onder het groot aantal zedelijke deugden aijn er vier, waarop al de overige steunen, en geheel het zedelijk leven van den mensch als 't ware rust. Die vier worden daarom terecht kardinale of Aoo/rfdeugden genoemd. Kardinale komt van het Latijnsch woord cardo, d. w. z., deurhengsel. Dewijl de beweging eener deur van het hengsel afhangt, be-teekent dat woord verder : alles, waarvan de beweging en de bewerking eener zaak voornamelijk afhangt, het hoofdpunt , de hoofdzaak, de spil waar alles op en om draait. Welnu van deze vier zedelijke deugden : de voorzichtigheid, de recht-naardigheid, de sterkte en de matigheid, hangt de beoefening van alle overige zedelijke deugden hoofdzakelijk af; geheel het zedelijk leven van den mensch rust als het ware op deze vier deugden, en beweegt, draait er zich op en om, gelijk

ocr page 470

466

eene deur op hare hengsels. Deze vier worden dus terecht kardinale of Aoq/tfdeugden genoemd.

Maar, waarin bestaat nu ieder dier dengden P

1. De Christelijke voorzichtigheid bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor de christen mensch, rekening hondend met de omstandigheden waarin hij zich bevindt, kent wat hij doen of vermijden moet om waarlijk wel te doen, m. a. w., om het goede te doen, wat God in de gegevene omstandigheden van hem eischt, of verlangt.

Die Christelijke voorzichtigheid wordt de menner, de voerman , de bestuurster der deugden genoemd, omdat zij alle andere dengden leert het juiste midden te houden tusschen datgene, wat, gelet op de omstandigheden waarin men zich bevindt, te veel of te weinig (exces of defect) is. Omdat de „ deugd in 't middenquot; bestaat, zegt de H. Bernardus zeer waar: „Neem de voorzichtigheid weg, en de deugd is geene deugd meer.quot;

2. De rechtvaardigheid, als kardinale of hoofddeugd beschouwd , dus wel te onderscheiden van de Christelijke rechtvaardigheid gelijk die verstaan wordt in de 1'« en 2de V. der 39ste Les , bestaat in de genegenheid der ziel om een ieder zijn recht te doen wedervaren; aan een ieder te geven wat hem uit rechtvaardigheid toekomt.

3. De sterkte bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor de mensch vastberaden is om voor de belijdenis van Christus en der christelijke waarheid, m. a. w., voor de beoefening der deugd, moeilijkheden te verduren, gevaren te ondergaan; dus daardoor zich niet laat afschrikken, weerhouden van het trouw nakomen zijner plichten.

4. De matigheid bestaat in de genegenheid der ziel, waardoor wij alle ongeregelde neigingen en begeerten tot vermaken, genietingen en wellusten bedwingen, en met name den smaak en het gevoel binnen de door Gods wet voorgeschreven, gestelde maat houden.

ocr page 471

467

Vragen over de 42ste Les.

1. Welk verschil is er tnsschen deugd en deugdelijk werk P

2. Wat verstaat ge door „zeden der menschenquot; P

3. Wat wil zeggen „de zeden der menschen regelenquot; ?

4. Wat verstaat ge door „rede en Evangeliequot; P

5. Wat zijn natuurlijke deugden, en welke waarde hebben

zij voor de eeuwigheid P

6. Waarom noemt ge sommige deugden : kardinale deug

den P

DRIE M VEERTIGSTE LES.

Van de goede werken.

In de voorgaande les hebben wij geleerd , dat eene deugd is; Bene genegenheid der ziel, door welke de mensch wel, d. i., goed , goede werken doet.

Alhoewel die beschrijving eener deugd zoowel louter natuurlijke als bovennatuurlijke deugden omvat, begrepen we toch genoeg, dat de Catechismus ze maar alléén van bovennatuurlijke, waarlijk christelijke deugden wilde verstaan hebben. Wij leidden dit hieruit af, dat de Catechismus hetzelfde is als de christelijke leering, m. a. w., het kort begrip is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden. Om die zelfde reden zult ge van zelf ook genoeg begrijpen, dat het opschrift dezer les Ot, Van de goede werken, eveneens enkel te verstaan is van bovennatuurlijke, waarlijk christelijke goede werken , welke de vruchten of uitwerkselen zijn van bovennatuurlijke, waarlijk christelijke deugden. (Vgl. 1»« en 4de V. der vorige Les.)

De l'te V. dezer les handelt over de verplichting van bovennatuurlijke goede werken te doen om zalig te worden.

1 Y. Is men verplicht goede werken te doen ?

ocr page 472

468

A. Ja; wij moeten daardoor onzen roep tot den hemel verzekeren.

Kinderen, van zelf begrijpt ge, dat in deze V. door het woordje: men „ Is men verplicht goede werken te doen P alléén degenen bedoeld worden, die tot het gebruik van hnn verstand gekomen zijn. Immers kleine kinderen, die nog niet tot de jaren van verstand gekomen zijn, kunnen nog geene eigenlijk gezegde goede werken doen. Dus kunnen zij ook niet verplicht zijn goede werken te doen; want niemand ia tot het onmogelijke verplicht, gehouden tot hetgeen hij waarlijk niet kan.

Om het verschil tusschen deugden en goede of deugdelijke werken nog meer te doen uitkomen, (Vgl. l,te V. der vorige Les), kan men hier meer ontwikkelde leerlingen met vrucht vragen : Kunnen kinderen beneden de zeven jaren deugden hebben, bezitten P

Mocht soms een kind hierop antwoorden : Neen; kinderen van dien leeftijd kunnen nog geene deugd hebben; want, eene deugd is eene genegenheid der ziel, door welke da mensch wel, d. i., (gelijk in de vorige les is uitgelegd,) eenig goed werk doet. Welnu , goede werken doen , kunnen zij nog niet; want ze zijn nog niet tot de jaren van verstand gekomen. Dus kunnen zij ook geene deugd hebben. Dan dient opnieuw opgemerkt, dat die woorden: „door welke de mensch wel doetquot;, wel beteekenen, dat eene deugd uit haar aard niet kan leiden tot kwaad, tot zonde doen (vgl. bl. 453); maar dat die woorden niet willen zeggen, dat men, om eene deugd te hebben, te bezitten, ze ook reeds moet kunnen beoefenen, m. a. w., reeds goede werken moet kunnen doen. Hebben en doen verschilt hier veel. Dit zult ge gemakkelijk begrijpen als ge u maar eens afvraagt: Hebben kleine kinderen ook verstandP Ja, maar nog niet het gebruik van hnn verstand. Gelijkerwijze hebben ook de kleinste Christenkinderen bovennatunrlijke deugden, maar zij kunnen ze nog niet beoefe-

ocr page 473

469

nen. Om in den hemel te komen, moeten ook zij bovennatuurlijke deugden hebben, die hun dan ook door het Doopsel ■worden ingestort. Maar eerst later, wanneer zij tot het gebruik van hun verstand gekomen zijn, kunnen zij die deugden beoefenen, in oefening brengen.

Het antwoord op de Vr. gesteld, gelijk ze nu verklaard

is, nl.: Zijn degenen die tot de jaren van verstand gekomen zijn , verplicht goede werken te doen ? is zonder twijfel: Ja. En de reden van dit beslist antwoord is : want wij, die verondersteld worden tot de jaren van verstand gekomen te zijn, moeien daardoor, d. i. , door goede werken , onzen roep, onze roeping tot den hemel verzekeren, zeker maken. Wij zijn geschapen om God in dit leven te dienen door zijne geboden te onderhouden , m. a. w. , door goede werken te doen , en , tot loon van dien dienst, Hem hierna in den hemel eeuwig te aanschouwen. (le Les, 9e V.) Dit is het naaste en laatste einde, waartoe wij op de wereld zijn. Wij zijn dus bestemd voor, geroepen tot den hemel. Die roeping moeten wij zeker maken door goede werken te doen. Door het beoefenen der deugden, welke aan onzen roep en staat in de wereld eigenaardig verbonden zijn (vgl. de 2« V.), moeten wij ons den ingang in den hemel verzekeren. „Daarom — zoo vermaant ons het Hoofd der Apostelen, de H. Petrus, in zijn 2equot; Br. Hfdst. I, v. 10, 11— „Daarom, broeders! beijvert u te meer, om dooe goede webken uwe roeping (tot den hemel) en verkiezing (tot de eeuwige zaligheid) zeker te maken; want indien gij deze dingen doet (de deugden beoefent, welke uw staat op de wereld meebrengt), zult gij nimmer (grootelijks, zwaar) zondigen; want zóó (doende) zal u rijkelijk de ingang verleend worden in het eeuwig koninkrijk van onzen Beer en Zaligmaker Jesus Christus.quot; Dus, 't staat vast: wij zijn verplicht goede werken te doen; want, wij moeten daardoor onzen roep tot den hemel verzekeren.

Let wel, in de le V. wordt nog maar in 7 algemeen gezegd, C. 30

ocr page 474

470

dat wij goede werken moeten doen om in den hemel te komen. De 2' V. leert verder, dat niet alle menschen dezelfde goede werken moeten doen, en welke goede werken dan ieder moet doen om in den hemel te komen.

2 V. Moeten alle menschen dezelfde goede werken doen ?

A. Neen; maar ieder moet die doen volgens zijnen roep en staat.

Door roep is hier allereerst te verstaan de staat, waarin ieder mensoh door Gods voorzienigheid op deze wereld geplaatst is. Daarom voegt de Catechismus in zijn antwoord die twee woorden, hier als van gelijke beteekenis genomen , samen : Neen; alle menschen moeten niet dezelfde goede werken doen; maar ieder moet die, n.1. goede werken , doen volgens zijnen eobp en staat. —

In die beteekenis knnnen de verschillende roepingen of staten in 't algemeen tweeërlei onderscheiden worden: de geestelijke en wereldlijke staat. Tot den geestelijken staat behooren Priesters en Eeligieusen, K.Ioosterlingen. 't Spreekt van zelf, dat deze andere en meer goede werken moeten doen om in den hemel te komen dan leeken , dan menschen die in den wereldlijken staat leven.

In den wereldlijken staat is onder dit opzicht nog een groot onderscheid te maken, b.v., tusschen gehuwden en ongehuw-den ; tusschen oversten en onderdanen. Ouders, b.v., moeten weer andere deugden beoefenen dan kinderen; bazen en heeren, andere dan dienstboden, enz. enz.

Het woord: roep, dat de Catechismus hier gebruikt, zeggende : ieder moet goede werken doen volgens zijnen roep, kan ook nog in ruimeren zin opgenomen worden voor beroep. Beroepen zijn er honderden en meer verschillende in de wereld. De een is van beroep advokaat, een ander dokter,

ocr page 475

471

een derde koopman, een vierde ambachtsman, een vijfde soldaat, enz. Blijkbaar moet een advokaat sommige andere dengden beoefenen, goede werken doen dan een dokter, koopman enz. Intnsschen moet ieder die doen volgens zijnen roep en staat, d. w. z., volgens den roep en staat, waarin ieder in het bijzonder door Gods voorzienigheid geplaatst is.

Indien iemand eenig goed werk doet, zij het ook uit zijn aard nog zoo deugdelijk, b.v.. uren en uren achtereen godvruchtig bidden in de kerk of thuis , maar dat niet met zijnen roep of staat overeenkomt, waardoor zoo iemand eenigen plicht, welken dan ook, van zijnen roep of staat zou verzuimen, dan zou dat werk voor hem in 't bijsonder zelfs geen goed werk meer mogen genoemd worden; dan zou het niet de beoefening eener deugd, maar eener ondeugd worden; want dan doet zoo iemand het niet meer volgens, maar tegen de plichten van zijnen roep of staat; en bijgevolg tegen den wil van God , die hem tot dezen staat geroepen heeft. Bijgevolg zou , b.v., eene dienstbode of dochter des huizes, die op bepaalden tijd 'b morgens huiswerk moet verrichten, geene ware deugd meer beoefenen door langer dan vergund, toegestaan is, in de kerk te blijven bidden enz.

3 V. Welke zijn de voornaamste goede werken ?

A. Deze drie, waaronder alle goede werken begrepen zijn , te weten : hidden , vasten en aalmoezen geven.

Dat onder deze drie soorten van goede werken, te weten: bidden, vasten en aalmoezen geven, alle goede werken begrepen zijn, w. z., dat alle overige goede werken in één dezer drie soorten van goede werken liggen opgesloten, tot één dezer drie soorten behooren, kunnen teruggebracht worden.

4 V. Wat irordt hier verstaan door bidden? A. Alle werken van godsdienstigheid

Door bidden worden hier verstaan alle werken van godsdien-

ocr page 476

472

stigheid, d. w. z., van die deugd, van die genegenheid der ziel, waardoor de menseh aan God den dienst betoont, die Hem, als het opperst, oneindig volmaakt Wezen, toekomt. (Vgl. 22s,e Les, 3lt;ie V.)

Ge weet nu wat de deugd van godsdienstigheid is. Maar de Catechismus zegt verder, dat door bidden hier alle werken van godsdienstigheid verstaan worden , d. w. z., niet enkel dat soort van goede werken, welke de deugd van godsdienstigheid uit haar aard rechtstreeks voortbrengt, maar ook dat soort van goede werken welke wel onmiddellijk uit eenige andere deugd voortkomen, maar door de deugd van godsdienstigheid tevens tot den dienst, tot meerdere eer en glorie Gods gericht, geslierd worden.

Kinderen, om u dit eenigszins duidelijk te maken, noem ik u eenige goede werken op, waartoe de deugd van godsdienstigheid ons rechtstreeks aanspoort. Zoodanige goede werken zijn, b.v., 's morgens en 's avonds , vóór en na het eten, bidden; de H. Mis , het Lof en andere godsdienstoefeningen bijwonen; met goed oordeel, rechtvaardigheid en waarheid, eed doen; na rijp beraad en overleg beloften doen (vgl. 24ste Les, 6tle — 12(le V.); medewerken tot instandhouding , voortplanting, opluistering van den godsdienst, b.v., door trouw de kleine bijdragen te offeren voor de Broederschap van den St. Pieterspenning, voor 't Genootschap van den H. Franciscus Xaverius , der H. Kindsheid , enz.; door werkend of honorair lid te worden van de „Vereeniging van het Allerh. Sacramentquot;, of door op eenige andere wijze, naar vermogen, bij te dragen tot het bouwen , herstellen of versieren van kerken , kloosters , enz.

Als algemeen voorbeeld van goede werken, die niet onmiddellijk uit de deugd van godsdienstigheid , maar uit eene andere deugd voortkomen , doch welke tevens door de deugd van godsdienstigheid tot meerdere glorie Gods gericht worden , kunnen hier gelden: alle goede werken, welke men door den dag tot eer en glorie Gods doet, gelijk de Catechismus

ocr page 477

473

ons dit leert in het Morgengebed: „ Ik draag u op al de goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Ik wil die doen tot nwe eer en glorie.quot;

\ Bidden is in korte woorden gezegd : zijn hart tot Gód verheffen. (Vgl. 18e Les, Se V.) Welnu door alle werken, die rechtstreeks nit de deugd van godsdienstigheid voortkomen, of door deze deugd tot Gods meerder eer en glorie gestierd worden , verheffen wij ons hart tot God, bidden we dus. In dien zin zeide reeds de H. Augustinus : „ Doe wel wat ge doet, en ge hebt God gebeden'' Te recht leert dus de Catechismus dat hier door bidden alle werken van godsdienstigheid verstaan worden.

5 V. JVaf wordt verstaan door vasten?

A. Alle versterving van zich zei ven .

Vrijwillig, tegen onze natuurlijke neiging in, iets lijden, doen of laten, dat noemen wij ons zeioen versterven; omdat wij daardoor den ouden mensch , de ongeregeldheid onzer bedorven natuur , langzaam doen afsterven , van levenskracht berooven.

Als ge het antwoord van den Catechismus: Door vasten wordt hier verstaan alle versterving van zich zeiven, aandachtig nagaat, dan zal het u duidelijk worden, dat versterving van zich zeiven allereerst tweeërlei te onderscheiden is, nl. inwendige of geestelijke, en uitwendige of lichamelijke versterving. Immers ieder mensch, bestaat uit twee deelen , uit ziel en lichaam. (Vgl. le Les, 6e V.) Weiger ik iets aan de natuurlijke neigingen mijner ziel, ga ik in iets mijn eigen wil af, onderdruk ik mijne eigenliefde, dan versterf ik mij zeiven inwendig, naar den geest; dan beoefen ik eene geestelijke versterving. Ontzeg ik iets aan de zintuigen mijns lichaams, aan mijne oogen, aan mijne tong in 't spreken , aan mijn smaak in eten of drinken, aan mijn reuk , gehoor of gevoel, dan versterf ik mij uitwendig , naar het lichaam; dan doe ik eene lichamelijke versterving.

ocr page 478

474

Dewijl nu hetgeen ik aan de neigingen mijner ziel of aan de zintuigen mijns lichaams weiger, eene geoorloofde , on-echnldige, of wel eene verboden, althans voor mij geraarlijke zaak wezen kan, die mij aan 't naaste gevaar van zonde blootstelt, zoo volgt natnnrlijkerwijze, dat de versterving van zich zeiven verder onderscheiden moet worden in noodzakelijke en enkel geraden versterving. Welnu , alle versterving van zich zei ven, alle, 't zij in- of uitwendige, noodzakelijke of geraden, ter vrije keuze gelaten versterving, wordt hier te recht door vasten verstaan. Immers vasten, volgens het derde gebod der H. Kerk : „ Geene geboden vastendagen zult gij breken,quot; w. z., op onthoudingsdamp;gBn zich onthouden van vleeschspijzen, en op eigenlijk gezegde vasigndamp;gen bovendien maar eenmaal daags, omtrent den middag een vollen maaltijd nemen. (Vgl. 29e Les, 6e — 8e V.)

Dat vasten valt den zinnelijken mensch natuurlijk min of meer zwaar; 't kost hem opoffering, en daarom doet men het over 't algemeen niet graag. Maar juist omdat ook alle andere versterving van zich zeiven den mensch moeite, opoffering kost, wordt alle en iedere versterving van zich zeiven met recht onder vasten verstaan.

Kinderen make men dit antwoord bevattelijk door een of ander voorbeeld , dat op hun leeftijd te pas komt. B.v. ge zoudt nu graag gaan spelen ; deze of gene snoeperij gebruiken. Ge voelt er u sterk toe aangezet, als toe gedrongen. Maar ge bedwingt uw snoeplust, uwe speelzucht. Kinderen, dat kostte u moeite , strijd. Ge hebt daardoor versterving van u zeiven beoefend, minstens geestelijker wijze gevast.

6 V. Wat wordt verstaan door het geven van aalmoezen ?

A. Alle werken van liefde en barmhartigheid jegens den naaste.

Dat alle werken van christelijke liefde of barmhartigheid.

ocr page 479

475

'tzij geestelijke, 'tzij lichamelijke, met recht hier verstaan ■worden door het geven van aalmoezen, is als van «elf duidelijk. Want in christelijken zin beteekent eene aalmoes; „elke weldaad, die wij eenen behoeftigen ter liefde Gods bewijzen,quot; Dus juist hetzelfde als werken van christelijke liefde en barmhartigheid jegens den naaste. (Vgl. volgende Les, V. 1 en 2). Hoevelerlei werken van barmhartigheid men kan onderscheiden; hoeveel en welke geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid er zijn, zullen we uit de 3e — 6e V. der volgende Les leeren.

7 V. Hoe (dat wil hier zeggen, in welken staat en tot welk einde, doel, met welke intentie)

moeten wij onze goede werken verrichten om daardoor den hemel te verdienen ?

A.. In staat van gratie en ter eere Gods.

Hier wordt gevraagd, hoe wij bovennatuurlijk goede werken moeten verrichten om er den hemel door te verdienen; m. a. w., wanneer zulke goede werken in eigenlijk gezegden zin, in strengen zin verdienstelijk zijn voor den hemel P

Ik zeg: in eigenlijk gezegden of strengen zin verdienstelijk zijn voor den hemel. Want verdienstelijke werken kunnen in tweeërlei zin verstaan worden: iu eigenlijk en oneigenlijk gezegden, in strengen en ruimen zin. Immers goede werken kunnen op twee manieren verdienstelijk zijn, nl., ofwel uit rechtvaardigheid of getrouwheid, of wel uit betamelijkheid. Eischt de rechtvaardigheid of getrouwheid, dat er loon voor betaald wordt, dan zijn zij in eigenlijk gezegden, in strengen zin, kortom, eigenlijk gezegd verdienstelijke goede werken. Vordert enkel de betamelijkheid, is het slechts betamelijk, dat er loon voor gegeven worde, dan zijn het geen eigenlijk gezegde verdienstelijke werken, maar worden zoo alleen in ruimen zin genoemd.

Om de geselde vraag volledig te verklaren, moet ik nog

ocr page 480

476

opmerken, dat onder de uitdrukking : „om daardoor den hemel te verdienenhier ook verstaan wordt: de vermeerdering der heiligmakende gratie, het eeuwig leven, en, indien men nochtans in staat van gratie sterft, de bekoming van het eeuwig leven, en ook de vermeerdering der hemelsche glorie. (Vgl. het Cone. v. Trente, Zitt. VI. Can. 32.)

Nu is dan de vraag: Hoe moeten wij onze bovennatuurlijke goede werken verrichten , om er den hemel in strengen zin door te verdienen ?

Om door onze goede werken den hemel in strengen zin te verdienen, moeten wij ze verrichten , ten 1°, in staat van gratie.

iVanneer is men in staat van gratie ?

A. 30 Les, 20 V.

Alzoo de eerste voorwaarde om door onze goede werken den hemel te verdienen, is, dat wij ze verrichten zuiver van doodzonde, in staat van gratie.

Hoort ten bewijze daarvan wat Jeans zelf zegt bij Joann. XV : „Ik ben de ware wijnstok, gij zijt de ranken. Gelijk de rank geene vrucht kan dragen uit zich zelve , indien zij niet aan den wijnstok blijft, zoo ook gij niet, indien gij niet blijft in mij (indien gij niet met mij vereenigd blijft door de liefde , de heiligmakende gratie). Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Die in mij blijft, en ik in hem, die draagt veel

vrucht..... Blijft in mijne liefde. Indien gij mijne geboden

onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven. Dit heb ik tot u gesproken, opdat uwe blijdschap volkomen worde.quot; Waarlijk dit woord van Jesus moet de blijdschap van eiken christen-mensch, die in staat van gratie leeft, volkomen maken. Immers we leeren er wel allereerst uit, dat wij, om door onze goede werken den hemel te verdienen, ze in staat van gratie moeten verrichten, maar ten andere, dat alwie door de liefde in Jesus blijft, veel vruchten draagt, m. a. w., dat alwie in staat van gratie leeft, door elk, ook het minste ,

ocr page 481

477

geringste, kleinste goed werk, ja zelfs door een uit zijn aard onverschillig werk, verdiensten verzamelt voor den Hemel,' mits hij zijn werk niet enkel of vooral doe uit een natuurlijk, of uit een verkeerd inzicht, maar ten 2e ter eere Gods. Wat dit beteekent en hoe wij onze goede werken ter eere Gods moeten verrichten om er den Hemel door te verdienen, zullen we bij de 9C V. nader uitleggen.

8 V. Zijn dan de goede werken, die de zondaar in staat van doodzonde doet, vruchteloos ?

A. Neen; maar met de hulp der goddelijke gratie zijn zij voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering te komen.

De Catechismus stelt deze V. blijkbaar met het oog op het eerste vereischle om door goede werken den Hemel te verdienen , nl. , dat zo verricht worden in staat van gratie.

Duidelijk blijkt zulks uit den vorm zeiven, waarin de Catechismus deze V. stelt, nl., bij wijze van gevolgtrekking: Zijn dan , omdat wij onze goede werken in staat van gratie moeten verrichten, om daardoor den hemel te verdienen, de goede werken die de zondaar in staat van doodzonde doet, vruchteloos , d, w. z., geheel vruchteloos, nutteloos ter zaligheid P )( Het ware antwoord is ; Neen ; goede werken, die de zondaar, dat wil hier zeggen, alwie in staat van doodzonde is, met de hulp der goddelijke gratie, dat wil hier zeggen , met do hulp der dadelijke gratie doet, (vgl. 10le V.), zijn voor den zondaar niet alleen niet geheel vruchteloos ter zaligheid, maar zelfs het gewone, en dus in den regel het noodzakelijke middel om tot bekeering te komen, om een oprecht berouw te verkrijgen, eeno goede biecht te spreken, en daardoor vergifiénis zijner zonden to bekomen, in de heiligmakende gratie en het recht op den hemel hersteld te worden.

Door goede werken., als daar zijn hidden, vasten, aalmoezen geven, die iemand in staat van doodzonde doet, verdient hij.

ocr page 482

478

zeker den hemel niet; hij heeft er geene belooning in den hemel voor te wachten; het zijn en blijven doode werken , die niet kunnen herleven , omdat zij nooit geleefd hebben. (Vgl. 40'te Les, 6110 V.)

Doch zij zijn het gewone en dus in den regel het noodzakelijke middel om tot bekeering te komen. Zeker de almachtige en oneindig barmhartige God kan een zondaar, die er niet eens aan denkt om goede werken te doen , maar nog steeds op kwaad doen zint, bedacht is, op buitengewone wijze door een mirakel zijner genade op eens bekeeren. De H. Paulus is er een voorbeeld van. „Sanlns , nog steeds bedreiging en moord ademende tegen de leerlingen des Heerenquot; wordt» nabij de stad Damascus gekomen, om aldaar de christenen te vervolgen , door Jesus, die hem verschijnt, op eens tot inkeer gebracht, en van een vervolger in een Apostel herschapen. (Men leze Hand, der Apost. IX hoofdst.)

Maar 't zou toch wel allervermetelst zijn te durven hopen, dat God voor iemand onzer, die in staat van doodzonde is, een mirakel zal doen , gelijkerwijze als voor den H. Panlns.

lïn toch tracht de duivel, die van aard een leugenaar en van den beginne der wereld een zielemoorder is, (vgl. Joan. VII. 44.), den zondaar tot zulk vermetel vertrouwen te brengen. Te dien einde verdraait hij den zin van het ware antwoord van den Catechismus, en redeneert, op de hem eigenaardige , sluwe en arglistige wijze , als volgt: Ge zijt nu toch eenmaal in staat van doodzonde ; of ge al bidt gt; vast, aalmoezen geeft, ge kunt er toch den hemel niet door verdienen; 't baat u niet. Dus maak het n maar niet lastig, laat de goede werken maar achterwege. Ge kunt ook zonder deze toch tot bekeering komen.

O kinderen, wat eene dooreenmengeling van waarheid en bedrog !

Waar is het, dat ge, zoolang ge in staat van doodzonde zijt, door geen enkel goed werk, hoe groot en heldhaftig het

ocr page 483

479

op zich zelf zijn zou, den hemel kunt verdienen. In zeer beperkten zin, onder eene voorwaarde, die allerwaarschijnlijkst niet zal vervuld worden, en wier vervulling in 't geheel niet van u zeiven afhangt, is 't ook nog waar, dat ge zonder goede werken te doen, toch tot bekeering kunt komen , nl., indien het God belieft voor u een mirakel te doen.

Kinderen, hebt ge aandachtig op de gemaakte voorwaarde gelet, dan zult ge tevens het velerlei bedrog hebben ingezien, dat in Satan's redeneering ligt opgesloten. Immers hij trachtte ten le, u over te halen om de goede werken voortaan maar achterwege te laten , omdat ge in staat van doodzonde er den hemel toch niet door verdienen kunt; en ten 2li omdat ge zonder goede werken te doen, toch wel tot bekeering kunt komen. En ten 3«, wil hij a door deze schijnredenen eigenlijk wijs maken , dat het maar van u zeiven afhangt tot bekeering te komen , u te bekeeren al of niet; dus , dat ge ten laatste u wel zult bekeeren. Om u met deze vermetele hoop te paaien verzweeg de valschaard opzettelijk de voorwaarde, de conditie, wier vervulling noodzakelijk is, en toch gelijk we reeds zeiden, niet van u zei ven afhangt, maar alleen van God, te weten , dat het Gode behage voor u een mirakel te doen Dat het God inderdaad zal believen een mirakel te doen voor u, zondaar, die in staat van doodzonde, dus in vijandschap met Hem zijt, en zoo weinig of geen prijs er op stelt om wederom in zijne vriendschap hersteld te worden, dat ge ugt; op inblazing des duivels, niet eens de moeite wilt getroosten goede werken te doen , is zeker onwaarschijnlijk. Dat weet de duivel ook wel. Hij is genoegzaam zeker, dat, indien ge de goede werken achterwege laat, ge waarlijk niet tot bekeering zult komen. Maar daarom is het hem, den gezworen vijand uwer zaligheid, juist te doen. Want ook hij weet, dat ge, indien ge u niet bekeert, onfeilbaar zeker voor eeuwig met hem ter helle gedoemd wordt.

Kinderen, om dit onherstelbaar ongeluk te voorkomen • geeft toch nimmer gehoor aan de valscho inblazingen van

ocr page 484

480

Satan. Laat n nooit door dien aartsleugenaar wijs maken dat de goede werken , die ge in staat van doodzonde doet u niets baten, geheel vruchteloos voor u zijn ter zaligheid. Maar houdt u altijd diep doordrongen van dit zuiver ware antwoord der Christelijke leering: Neen; goede werken zijn voor iemand, die in staat van doodzonde is, niet alleen niet geheel vruchteloos; maar met de hulp der goddelijke gratie zijn zij voor den zondaar het gewone middel om tot bekeering en door bekeering ter eeuwige zaligheid te komen.

\ Kinderen, nit dit volkomen waar antwoord van den Catechismus , moet ge dus besluiten , dat, indien ge ooit het ongeluk zoudt hebben eene doodzonde te bedrijven , in staat van doodzonde te zijn , gij u te meer — meer zelfs dan een rechtvaardige , die in staat van gratie, zuiver van doodzonde is — op het doen van goede werken moet toeleggen om daardoor tot bekeering te komen, in staat van gratie , en in het recht op den hemel hersteld te worden.

Gods barmhartigheid zij lof en dank, dat wij, na het ongeluk gehad t,e hebben eene doodzonde te bedrijven, door het doen van goede werken , waartoe bovendien zijne vóórkomende gratie ons aanspoort, opwekt, niet alleen tot bekeering kunnen komen, maar zeker mogen vertrouwen er toe te zullen komen; want nog eens zij het herhaald: de goede werken, die de zondaar in staat van doodzonde doet, zijn voor hem het gewone middel om tot bekeering te komen.

9 V. Is het noodig , dat men bij elk goed werk denkt, dat men het ter eere Gods doet ?

A. Neen; het is voldoende, dat men des morgens eene goede meening maakt en die van tijd tot tijd vernieuwt.

Deze vraag dient ter verklaring van het tweede vereischte om door onze goede werken den hemel, in strengen zin, te

ocr page 485

481

Terdienen, nl., dat wij ze moeten verrichten ten le in staat van gratie, en ten 2e ter eere Gods.

Wat wil dat zeggen: onze goede werken doen ter eere Gods ? Wat dit zeggen wil, kan men op verschillende wijzen nitdrnkken ; in hoofdzaak echter komen alle die zegswijzen of uitdrukkingen op hetzelfde neer. Onze goede werken doen ter eere Gods, w. z., al ons doen en laten stieren tot verheerlijking Gods ; alle onze handelingen bezielen door de deugd van godsdienstigheid (vgl. 4,Ie V.); alles doen ten dienste van God; uit liefde Gods (vgl. volg. Les l8te en 2(ie V.); alles doen in den naam van onzen Heer Jesus Christus, om Gods wil of verlangen te volbrengen, om aan God te behagen ; — kortom : met eene goede meening , eene zuivere intentie. Dat wij onze goede werken moeten verrichten ter eere Gods om er den hemel door te verdienen, om er verdiensten voor den hemel door te verzamelen, om er bij God recht op belooning door te verwerven , duidt reeds het gezond verstand, 's menschen natuurlijke rede, genoegzaam aan , en de goddelijke openbaring , de christelijke leering bevestigt zulks nadrukkelijk.

Het getuigenis van het gezond verstand zult ge het gemakkelijkst begrijpen door eene vergelijking.,'. B.v. uw vader heeft een werkman gehuurd om voor 1 gulden daags voor hem, ten zijnen dienste, dit of dat werk te verrichten. In plaats nu van, volgens accoord, vandaag voor uw vader te werken, gaat de man voor een ander of voor zich zeiven werken. Toch komt hij 's avonds bij uw vader om zijn loon, zijn gulden vragen. Wat denkt ge, dat hij ten antwoord zal krijgen ? Op zijn allerzachtst: maar vriend, ge hebt niet voor mij gewerkt, dus hebt ge van mij ook geen loon te wachten.

Gelijkerwijze zal het ons gaan in het oordeel Gods, indien wij onze goede werken niet ter eere Gods doen , maar enkel of voornamelijk voor ons zeioen, alleen of vooral uit ijdelheid, om boven anderen uit te munten, tot zelfverheffing, tot eigen voldoening, tot voldoening onzer eigenliefde enz.; ze alleen

ocr page 486

482

of voornamelijk doen voor de menschen, om door de menschen, onze oversten, gelijken of onderdanen, gezien, geacht en geprezen te worden. In dat geval hebben wij er bij God geen loon voor te wachten. Dit leert ons Jesus Christus, onze toekomstige Rechter, allernadrukkelijkst. „Ziet toe, zegt Hij, bij Matth. VI., „dat gij uwe gerechtigheid, nwe goede werken niet doet voor de menschen , voor het oog van de menschen, om van hen gezien, door hen geacht en geprezen te worden ; anderszins, indien gij ze daarom alleen of voornamelijk doet, zult gij geen loon hebben bij uwen Vader die in den hemel is.quot; (v. 1.) Christus zelf past dit beginsel vervolgens toe op de drie voornaamste goede werken, waaronder alle overige begrepen zijn, te weten: bidden, vasten en aalmoezen genen. (Vgl. 3de V.) Immers, op de aangehaalde woorden laat Hij onmiddellijk volgen. Wanneer gij dan eene aalmoes geeft, bazuin het niet voor u uit, gelijk de schijnheiligen in de Synagogen en op de straten doen , om door de menschen geëerd te worden; voorwaar zeg ik u; zij hebben hm loon al ontvangenquot; (v. 2.), d. w. z. , zij hebben hnn loon al weg : zij ontvingen wat zij zochten: eer bij de menschen ; en daarmede is hunne verdienste op. — Tin wanneer gij bidt, zult gij niet zijn gelijk de schijnheiligen, die er behagen in scheppen , om in de Synagogen, en staande aan de hoeken der straten te bidden, om van de menschen gezien te worden ; voorwaar zeg ik u ; zij hebben hun loon al ontvangen, (v. 5.) Tin wanneer gij vast , toont dan geen treurig , somber gezicht, gelijk de schijnheiligen doen ; wayit zij mismaken hunne aangezichten, opdat het aan de menschen zou blijken dat zij vasten; voorwaar zeg ik u: zij hebben hun loon al ontvangen, (v. 16.)

Kinderen, duidelijker, nadrukkelijker kan het toch wel niet geleerd worden dan het hier O. L. H. , Jesus Christus, de eeuwige waarheid, zelf doet, dat de verdienstelijkheid der-goede werken verloren gaat , wanneer zij alleen of voorname lijk natuurlijk zelfbehagen of zelfverheffing, of wel eer en achting der menschen tot drijfveer of doel hebben. Doen wij ze dus alleen of voornamelijk uit zulke beweegreden of met

ocr page 487

483

zulk doel, dan hebben wij er geen loon voor te wachten bij onzen Vader, die in den hemel is, hoe voortrefielijk, ja heldhaftig ze ook uit hun aard zouden zijn. De reden hiervan is, omdat een uit zijn aard ook nog zoo goed werk door zoo. danig ongeregeld, verkeerd, kwaad doeleinde zelf geheel en al kwaad , in plaats van een deugdelijk, een zondig werk wordt, en dus niet ter eere Gods kan gestierd worden, geen loon kan waardig zijn , geen loon , maar straf verdient.

Wij moeten derhalve nauwlettend acht geven op de bedoelingen van ons hart, opdat nooit eenig verkeerd inzicht de eenige of voorname drijfveer, eenig of voornaam doel van onze werken worde. Verder moeten wij zorg dragen bij al ons doen en laten minstens voornamelijk de eer Gods ten doel te hebben, alle onze werken althans voornamelijk ter eere Gods te doen. Komt er dan, gelijk uit menschelijke zwakheid lichtelijk kan gebeuren, soms een inzicht of eene beweegreden bij, die uiteraard eene dagelijksche zonde is gt; of sluipt zoodanige omstandigheid tnsschen het goede werk, dat we met geheel zuivere meening ter eere Gods hadden begonnen; zeker dan verliezen wij tot straf van dat bijkomend minder goed doel, van die bijkomende min zuivere beweegreden , of van die tusschengeslopen omstandigheid wel een gedeelte der verdiensten, maar, God dank , verliezen we niet geheel de verdiensten, niet alle verdiensten van het goed werk, dat we op die wijze verrichten , omdat dat werk dan onder zedelijk opzicht als tweeledig wordt, goed en kwaad tegelijkertijd , maar in hoofdzaak toch een wezenlijk deugdzaam, en dus verdienstelijk werk blijft.

Waarlijk, die leering houdt rekening met's menschen zwakheid, en biedt godvruchtige menschen troost en bemoediging bij het verrichten van goede werken. Hoe zelden toch is en blijft daarbij onze meening geheel en al zuiver, louter en alleen op God gericht P B.v., iemand wil waarlijk ter eere , uit liefde Gods eene aalmoes geven ; maar nu wordt ze hem publiek op straat, of bij inteekeningslijst, gevraagd;

ocr page 488

484

hij geeft ze wel met eene goede meening ter eere Gods, maar doordien 't publiek het ziet of verneemt, komt er zoo lichtelijk wat ijdele glorie bij, die hem tevens beweegt zijne aalmoes te geven, misschien zelfs wat ruimer dan hij anders zon gedaan hebben. Om die bijkomende beweegreden van ijdele glorie verliest hij een gedeelte der verdiensten, beloofd aan eene aalmoes zuiver ter liefde Gods gegeven.

Om de bekoring van ijdele glorie, die bij het openbaar verrichten van goede werken zoo lichtelijk opkomt, af te-weren , ja ten goede te keeren, iu eene akte van deugd te verkeeren, make men beslist de meening om alle goede werken, die tot het openbaar en gewoon leven van een godvreezend christenmensch behooren, te doen volgens deze les des Heeren: Schijne uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken zien en uwen Vader verheerlijken , die in den hemel is. (Matth. V. hfdst. v. 16.)

Wijl dit allerbelangrijkst punt nooit te duidelijk kan gemaakt worden, nog een ander voorbeeld. Iemand begint met zuivere meening, louter ter eere Gods eenig goed werk; 't gelukt hem , hij slaagt bijzonder, hij zingt in de kerk of Congregatie dat het een lust is, wonder schoon; hij bidt godvruchtig en stichtend den H. Kruisweg, woont zóó de H. Mis bij , gaat zóó te communie enz., enz.; intusschen bekruipt hem eene gedachte van ijdele glorie, van zelfbehagen , en hij geeft daaraan toe. Hij verliest een gedeelte van de verdiensten aan die goede werken toegezegd, maar verliest ze niet geheel en al; hij verdient nog een goed, ik zou meenen, 't grootste deel der belooning aan zulke voortreffelijk goede werken door God toegekend.

Biedt deze op degelijke gronden steunende meening der Godgeleerden den braven Christen reeds troost en bemoediging , niet minder de stellig zekere waarheid dat men door elk werk, dat men in staat van gratie en ter eere Gods doet, hoe gering , klein , onbeduidend , ja onverschillig het uit zijn aard ook wezen kan, telkens een hoogeren graad

ocr page 489

485

van lieiligmakende gratie, en dus ook vermeerdering der hemelsche glorie kan verdienen. Ter bevestiging dier waarheid sclireef de H. Apostel Paulus, door ingeving en onder bijzonderen bijstand van den H. Geest, (vgl. 4'ie Les, 2'lc V.) aan de geloovigen van Korinthe , (I Br., X. 31): „Hetzij gij dan eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets andbes doet, doet alles tot eer van God.quot; En aan de Kolossen (III. 17): „Al wat gij doet in woord of in werk, doet het alles in den naam van den Heere Jesus Christusquot; , die zelf betnigd, beloofd heeft, dat alwie (in staat van gratie) slechts een beker, een glas kond water aan één van de geringsten zijner leerlingen in zijn naam, te zijner eer, zal te drinken gegeven hebben, zijn loon niet zal missen. (Vgl. Malth. 5. 42, Marc. IX. 40.)

Allerlei slag van goede werken kunnen dus verdienstelijk zijn voor den hemel. Met name a'.) die we doen moeten om Gods heiligen wil, Gods geboden te onderhonden; want, bij Matth .XIX. 17, wordt dit als noodzakelijke voorwaarde gesteld om den hemel te verdienen: „ Indien gij tot het lenen wilt ingaan, onderhoud de gebodenquot;. Deze waarheid is bijzonder troostvol voor al wie in de wereld hard moet werken om voor zich en de zijnen den kost te verdienen. Mits men zijn werk volgens plicht van staat doe, omdat God het wil, doet men het van zelf ter eere Gods. Bij 't begin der verklaring van de 9'lc V. zeiden we immers reeds, dat een goed werk doen om Gods wil te volbrengen, omdat God het wil, hetzelfde beteekent, op hetzelfde neerkomt als het doen ter eere Gods. Omdat eenvoudige mensehen de woorden: iets ter eere Gods doen, niet zelden verstaan van iets doen om niet, coor niets, gratis, zonder geldelijke winst, belooning, uitsluitend uit liefde Gods, is het tot hunne onderrichting en bemoediging niet overbodig, bepaald op te merken, dat men tegelijk voor zijn kost, zijne tijdelijke zaak, affaire, kan werken, en ter eere Gods; dus dat men, door 't werk, dat men volgens plicht van staat toch doen moet, tegelijk verdienen kan voor het tijdelijke èn het eeuwige leven, voor den hemel. Soortgelijke bemer-C. 31

ocr page 490

486

king is dikwerf ook noodig en heilzaam om zieken of beproefden tot geduld en onderwerping aan Gods heiligen wil en beschikking op te wekken, en daardoor hun lijden en kruis grootelijks verdienstelijk te doen worden voor den hemel. Immers, dikwijls hoort men dezulken do bedenking maken: „Ik moet het wel lijden. .. anders zou ik het niet doen... ik heb er dus ook geen verdienste van.quot; Passend kan men hun antwoorden : Dat is met onderscheid : lijdt ge de ongemakken uwer kwaal, uw kruis geheel tegen wil en dank, mokkend en morrend tegen uwe verplegers, tegen geheel uwe omgeving, misschien wel tegen God zeiven; — ja, dan zult ge er zeker weinig, ik moet zelfs toegeven, geen verdiensten van hebben, maar door uwe ontevredenheid difc alleen winnen, dat gij er uw kruis en lijden veel door verzwaart. Daarom maak van den nood eene deugd, 't Is au eenmaal zóó: God heeft u die wederwaardigheid, die ziekte overgezonden, de beproeving die u kwelt, minstens toegelaten. Neem ze met onderwerping uit zijne vaderhand aan; draag ze zooveel mogelijk met geduld , ter eere , uit liefde Gods , omdat God het wil, en ge zult er groote verdiensten door vergaderen, voor den hemel. Och ja, slaakt ge dan door de hevigheid der pijnen al eens eene klacht, zijt ge al eens zwaarmoedig, niet goed gestemd, wat lastig; om die bijkomende omstandigheid verliest ge toch zeker niet alle verdiensten van uw lijden ter eere Gods verduurd. (Vgl. bl. 483) Kunnen goede werken, die men moet doen om Gods geboden te onderhouden , verdienstelijk zijn voor den hemel, te meer die goede werken , welke God wel van ons verlangt, maar ons niet bij gebod heeft opgelegd , waartoe Hij ons in 'talgemeen niet op zonde verplicht, maar door zijn voorbeeld en woord dringend uitnoodigt, aanspoort. B.v., om ter eere Gods, uit liefde Gods, kwaad met goed te vergelden, bijzonder voor onze vijanden te bidden, enz. enz. (vgl. bl. 201), vooral om de Eoangelische raden bij uitnemendheid te beoefenen , te weten : de vrijwillige armoede , eeuwige zuiverheid en volkomen gehoorzaamheid.

ocr page 491

487

p( b ) Ja zelfs kunnen die handelingen welke uit haar aard onverschillig zijn, of welke men van natuur graag doet, verdienstelijk zijn , bv. eten , drinken , spelen , eene passende uitspanning of rust nemen, slapen enz. enz. Immers wij hoorden den grooten Apostel Paulus uitdrukkelijk zeggen: Hetzij gij dan eet, hetzij gij drinkt , hetzij gij iets anders doet, doet alles tot eer van God.quot; Alzoo kunnen allerlei slag van goede werken verdienstelijk zijn voor den hemel, mits wij ze doen in staat van gratie en ter eere Gods.

Maar hoe nu moeten we onze goede werken ter eere Gods ver-V richten ? Is het noodig , vraagt hier de Cateohismns, dat men bij elk goed werk denkt, dat men het ter eere Gods doet ?

Hij antwoordt: Neen ; om onze goede werken ter eere Gods te verrichten, is het niet noodzakelijk, dat men bij elk goed werk , dat men gaat verrichten , er aan denkt, in zijn hart de meening maakt of uitdrukkelijk zegt, dat men het ter eere Gods doet.

Om al de goede werken, die men door den dag doet, ter eere Gods te verrichten, is het voldoende dat men des morgens eene goede meening maakt alle handelingen van den dag, gedachten , woorden en werken , al zijn doen en laten , lief en leed ter eere Gods te verrichten.

Kinderen , bidt daarom dagelijks in uw Morgengebed met bijzondere aandacht, van harte gemeend : Mijn Heer en mijn God, ik draag TJ op alle de goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Ik wil die doen tot uwe eer en glorie, tot zaligheid mijner ziel en om de aflaten te verdienen , die daaraan zijn toegevoegd.quot;

Al wat men krachtens , onder den invloed , ingevolge van zulke goede meening doet, doet men metterdaad ter eere Gods, al denkt men ook niet bepaald meer op God , terwijl men zijn werk verricht.

Hierdoor vervalt van zelf de bedenking, welke men god-vreezende, brave menschen soms hoort maken: „ Ik heb

ocr page 492

488

tijdens mijn werk bijna niet meer op O. L. fl. gedacht. Ik had het zoo druk met mijne bezigheden, dat ik aan O. L. H. nauwelijks of niet eens meer gedacht heb. Dus ik ral met al mijne drukte nog weinig of niets verdiend hebben voor den hemel.quot;

Immers, op dat bezwaar dient met den Catechismus geantwoord: Ja wel, gij ïult wel iets, zelfs veel verdiend hebben, want, het is voldoende , dat men des morgens eene goede meening maakt. Een werkman, die om zijn loon komt, vraagt men niet of hij tijdens het werk op zijn lastgever gedacht heeft, maar wel degelijk of hij trouw voor zijn heer en meester gewerkt heeft. Gelijkerwijs is de hoofdvraag, waarop het hier neerkomt, niet zoozeer of men tijdens zijn werk al of niet op God gedacht heeft, maar of men trouw voor God gewerkt heeft, ter eere Gods gedaan heeft wat men , ieder volgens zijn staat, door den dag naar omstandigheden of naar dagorde te doen had. Zoo ja, dan heeft men voor alles, wat men in staat van gratie, en krachtens de goede meening des morgens gemaakt, verricht heeft, veel en groot loon in den hemel te wachten , al heeft men tijdens zijn werk niet uitdrukkelijk aan God gedacht.

Want, nog eens, om onze goede werken ter eere Gods te doen, is het voldoende dat men des morgens de goede meening maakt alles ter eere Gods te doen. Doch, wijl hier sprake is van den dienst Gods, die en in zich zeiven het opperste goed en tevens ons opperste goed is (vgl. 5e Les, 3« V.), is het onbetwistbaar zeker billijk, rechtmatig, geraden en heilzaam, dat wij door den dag tijdens ons werk dikwijls aan Hem denken, herhaaldelijk onze werken tot zijne eer en glorie opdragen. In dien zin voegt dan ook de Catechismus aan de reeds meermalen aangehaalde woorden; het is voldoende om alle goede werken van den dag ter eere Gods te doen, dat men des morgens die goede meening maakt, nog deze slotwoorden toe: en die meening van tijd tot tijd vernieuwt. Ontwijfelbaar zeker is het reeds alleen om de aangehaalde

ocr page 493

489

redenen, n.l., om Gods majesteit, oneindige volmaaktheid in zich zei ven, en goedheid jegens ons, rechtmatig, heilzaam en geraden, van tijd tot tijd die goede meening te vemieuvoen; maar nog meer om reden onzer eigene zwakheid en bedorven neigingen. Hoe lichtelijk toch en hoe dikwerf gaat, als gevolg onzer eigenliefde en hoovaardigheid , met die goéde meening, een minder zuiver inzicht, de nevenbedoeling gepaard, om van de menschen gezien, geacht, geprezen te worden. Blijft ook deze nevenbedoeling al buiten spel, hoe lichtelijk en hoe dikwerf komt dan nog na een goed geslaagd werk, ijdel zelfbehagen een gedeelte onzer verdiensten stelen.

Derhalve, om ons voor dit onheil, die schade te behoeden, moeten wij waken tegen de bedorven neigingen van ons hart, dikwijls door den dag, b.v., bij elk goed werk dat men begint, of om het uur bij het slaan der klok, die goede meening vernieuwen : Alles ter eere G-ods. Dat is zoo moeilijk niet als het schijnen kan. Om die goede meening, des morgens gemaakt, door den dag te vernieuwen, is het genoeg , bv., vóór elk werk dat men begint, godvruchtig een kruisteeken te maken : In den naam des Vaders.... Daardoor toch geeft men zelfs uitdrukkelijk te kennen, dat men dit werk wil doen ter eere Gods. Om zijne goede meening tijdens zijn werk te hernieuwen zijn korte schietgebeden ook allernuttigst. B.v.: Mijn Heer en mijn God , alles te uwer meerdere eer en glorie! Mijn Jesus, alles in vereeniging met de intentiën van uw goddelijk Hart, van 't onbevlekt hart van Maria, enz., enz., al naar Gods gratie ons bij verschillende omstandigheden ingeeft. Men kan op die wijze met veel vrucht zijne goede werken tegelijk tot verschillende intentiën opdragen. Dit blijkt reeds uit de vroeger aangehaalde woorden van het Morgengebed: Mijn Heer en mijn God, ik draag U op alle de goede werken , die ik dezen dag zal verrichten. Ik wil die doen tot uwe eer en glorie, tot zaligheid mijner ziel en om de aflaten te verdienen, die daaraan zijn toegevoegd.quot;

ocr page 494

490

Waarlijk het is heilzaam zijne goede werken tot verschillende intentiën op te dragen.

Uit de levens en nagelaten schriften der Heiligen blijkt duidelijk , dat zij gewoon waren op die wijze hunne goede werken ter eere Gods te verrichten; dat zij bij die alge-meene meening tegelijk verschillende andere bijzondere intenties voegden, b.v., voor de vrijheid en verheffing van onze Moeder de 11. Kerk, voor de bekeering der zondaren en ongeloovigen , tot volharding der rechtvaardigen , om voortgang te doen in de volmaaktheid, om van deze of gene ramp bevrijd te worden, deze of gene genade te verkrijgen voor zich zeiven of voor anderen, of om God voor verleende weldaden te danken, enz. enz. Dusdoende volgden de Heiligen het voorbeeld van Christus zeiven. Christus getuigde van zich zeiven ais mensch: „ Ik zoek mijne eer niet.quot; „ Ik doe altijd zoat Hem, God den Vader, behaaglijk is.quot; {Joan. VIII. 29. 50.) Van zijne menschwording tot aan zijn dood aan het kruis deed Hij alles tot meerdere eer en glorie van zijn hemelschen Vader, bepaald om de opperheerschappij en majesteit zijns \ aders te erkennen; om zijn Vader te danken voor alle voorrechten, genaden en weldaden hem als mensch en ter zijner wille aan alle menschen geschonken en tot aan de voltooiing der eeuwen nog te schenken; tot voldoening voor de zonden van ieder mensch ; en eindelijk om steeds nieuwe weldaden van allerlei aard, die het heil der menschen kunnen bevorderen, af te smeeken. Jesus Christuo stierde dus al zijne werken tot dezelfde vier verheven doeleinden, waartoe Hij ééns zich zeiven heeft geslachtofferd aan het kruis, en nog dagelijks, onder de gedaante van brood en wijn, aan God den Vader opoffert. (Vgl. bl. 312, 313.)

Streeft er naar, om , in navolging van onzen goddelijken Zaligmaker, altijd te doen wat onzen Vader, die in de hemelen is, behaagt. Zoekt nimmer door uwe goede werken nwe eigene glorie, maar doet altoos alles, wat gij doet, ter

ocr page 495

491

eere Gods , tot allo intentiën , voor welke Jesus zich heeft opgeofferd aan het kruis en zich elk oogenblik van den dag aan zijn Hemelaohen Vader opdraagt op het altaar in alle deelen der wereld.

Kinderen, prent de verklaring van dit allerbelangrijkst punt der christelijke leer diep in uw hart. Uwe eerste en voorname zorg zij , eu blijvo altoos, uwe werken in staat van gratie en ter eere Gods te verrichten. — Dusdoende verheugt en verblijdt U! omdat uw loon groot is in den hemel. (Matth. v. 12.) Gij moogt dan den H. Paulus nazeggen: Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, (d. i. de rechtmatige, de wel verdiende kroon des eeuwigen levens) welke da Heer, de rechtcaardige Rechter mij ten dien dage geven zal. {2'ltn Br. aan Timoth. IV. 8.) „Want God is niet onrechtvaardig , dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijnen naam heht getoond. (Br. aan de Hebr. VI. 10.) Verricht dus alle uwe goede werken in staat van gratie en ter eere Gods, dan verdient gij den hemel gemakkelijk; dan komt ge zeker, en hoog in den hemel; want gij verdient door elk werk, zoo verricht, telkens vermeerdering der heilig-makende gratie en der hemelsche glorie.

10 V. Kan de mensch uit eigen kracht goede werken doen , die hem ter zaligheid dienen ?

A. Neen; hij heeft daartoe de hulp der goddelijke gratie noodig, zonder welke hij niets goeds ter zaligheid kan verrichten.

In deze vraag is sprake van goede werken, die den menseh eenigerwijze ter zaligheid dienen. Om alle misverstand te voorkomen , merk ik hier allereerst op , dat die woorden: goede werken, die ons eenigerwijze ter zaligheid dienen, niet hetzelfde beteekenen als die waarmee het A. op de 8st,i V. der vorige les eindigt. Die V. luidde: Welke is de voornaamste der goddelijke deugden ? En het A. De liefde; want zonder

ocr page 496

492

de liefde kan noch het geloof, noch de hoop, noch eenige andere dengd ons ter zaligheid helpen. Immers dit beteekent: ons inderdaad in den hemel brengen, den hemel werkelijk doen bekomen.

Verder bemerke men, dat er in de 7J= V. dezer Les spraak was van goede werken, waardoor wij den hemel in strengen zin verdienen als een loon. Die twee Terschillende uitdrukkingen, welke de Cateohismns gebruikt in de 7(le en de 10^ V., geven genoegzaam te kennen, dat er een groot verschil bestaat tuBsclien die goede werken, waardoor wij den hemel eigenlijk gezegd kunnen verdienen en de goede werken, die ons ter zaligheid kunnen dienen. Dat groot verschil bestaat van onzen kant voornamelijk daarin, dat wij, om door onze goede werken in strengen zin den hemel te kunnen verdienen, ze moeten verrichten in staat van gratie, in 't bezit der heiligmakende gratie, der liefde Gods, zuiver van doodzonde. Dit is geen vereischte om goede werken te kunnen doen , die ons ter zaligheid dienen. Ook iemand die in staat van doodzonde is, kan met de hulp der dadelijke gratie Gods goede werken doen, die hem ter zaligheid dienstig zijn. Ja, uit de 8ste V. leerden wij, dat zulke goede werken voor den zondaar het gewone middel zijn om tot bekeering , en door bekeering ter zaligheid te komen. Hier is nu de vraag of de mensch uit eigen kracht, zonder de hulp der dadelijke gratie Gods, alléén door zijne natuurlijke krachten, goede werken kan doen, die hem ter zaligheid dienen? En het antwoordt luidt beslist: Neen; uit eigen kracht kan de mensch geen enkel goed werk doen , dat hem ter zaligheid dient. Hij , de mensch, iedereen, rechtvaardige en zondaar, in staat van gratie of van doodzonde, heeft daartoe, d. w. z., om goede werken te doen, die hem ter zaligheid dienen, de hulp der goddelijke gratie, dat wil hier zeggen, de hulp der dadelijke gratie, d. i., een bovennatuurlijk hulpmiddel, dat God hem ter gelegener tijd geeft (vgl. 30te Les, 9lt;le V.), noodig, zonder welke dadelijke gratie Gods hij niets goeds tjse zaligheid kan verrichten.

ocr page 497

493

Dat de Catechismus door de woorden : de hulp der goddelijke gratie hier niet de heiligmakende gratie, maar de dadelijke gratie bedoelt en verstaan wil hebben , blijkt duidelijk uit de vooropgestelde bemerking. Immers de rechtvaardige heeft de heiligmakende gratie reeds ; en de zondaar kan ook zonder deze gratie te bezitten goede werken doen, die hem ter zaligheid dienen; daartoe is de heiligmakende gratie niet noodig, maar de dadelijke gratie voldoende, maar ook noodzakelijk voor een ieder; niemand , noch rechtvaardige , noch zondaar, kan zonder de hulp der dadelijke gratie uit eigen natuurlijke kracht eenig goed werk doen, dat hem ter zaligheid dienstig is.

Het is bepaald een punt van ons H. Geloof, dat de dadelijke gratie volstrekt noodig is tot alle goede werken, die ons ter zaligheid dienen. De rede, 's menschen natuurlijk gezond verstand, leert duidelijk genoeg, dat louter natuurlijke krachten geen bovennatuurlijk uitwerksel kunnen voortbren gen. Welnu de zaligheid waartoe we geschapen zijn, welke ons laatste doeleinde is, bestaat wezenlijk in God hiernamaals eeuwig in den hemel te aanschouwen. (l8te Les, 9,le V.) Het grootste geluk der zaligen is, Gods aanschijn te aanschouwen en in Gods aanschijn te aanschouwen alle goed te genieten. (Vgl. 45ste Les, O'1quot;5 V.)

Die zaligheid is klaarblijkelijk van geheel bovennatuurlijken aard. Dat is zoo waar, dat we ons hier op aarde van die gelukzaligheid door ons natuurlijk verstand, ook voorgelicht door het geloof, geen volkomen denkbeeld kunnen vormen. Immers er staat geschreven (1»quot;-' Br. aan de Korinth. II. 9.) „ Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en in geen menschen hart is opgekomen , wat God hiernamaals bereid heeft mor die hem (hier tijdens hun leven) liefhebbenquot; en die liefde toonen door zijne geboden tot het einde huns levens getrouwelijk te onderhouden. (Vgl. le Les, lO V.) De gelukzaligheid des hemels is dus dermate bovennatuurlijk, dat ze zelfs alle menschelijk verstand te boven gaat. 't Is derhalve geen won-

ocr page 498

494

der, maar geheel natuurlijkerwijs begrijpelijk, dat wij uit eigen natuurlijke kracht geene goede werken kunnen doen , die ons ter zaligheid dienen. Want louter natuurlijke krachten kunnen geen enkel, niet het kleinste bovennatuurlijke uitwerksel voortbrengen. Dus kan de mensch uit eigen kracht, alleen door zijne natuurlijke krachten, geen goed werk doen, dat hem dient ter zaligheid , die zoo geheel en al bovennatuurlijk is, 's menschen natuurlijke krachten te boven gaat. De goddelijke openbaring bevestigt die uitspraak der gezonde rede volkomen. Immers in de H. Schriftuur en de goddelijke overleveringen heeft God duidelijk geopenbaard, dat wij menschen, uit eigen natuurlijke krachten geene ^'oede werken kunnen doen, die ons ter zaligheid dienen, maar daartoe de hulp zijner dadelijke gratie noodig hebben. Hoort wat, ten bewijze dier waarheid, Jesus zelf zegt ( Joann, XV. 5.): „Zonder mij, uit u zeiven, uit eigen kracht, zonder de hulp mijner dadelijke gratie, kunt gij volstrekt niets doen,quot; dat u ter zaligheid dienstig is. 't Spreekt van zelf, dat de leering van den H. Apostel Paulus volkomen overeenstemt met de zoo even aangehaalde uitspraak van zijnen en onzen Heer Jesus Christus. De H. Apostel Paulus verklaart ons dan ook enkel en alleen, dat dit woord des Heeren; „Zonder Mij kunt gij niets doenquot; of, gelijk de Catechismus zegt: niets goeds ter zaligheid verrichten, te verstaan is in zoo algemeen mogelijken zin, zóó dat we uit eigen kracht niet eens iets kunnen denken, noch minder willen , en noch minder ten uitvoer brengen , dat ons ter zaligheid dienen kan.

Om u te inniger van deze groote waarheid te overtuigen, haal ik St. Paulus' eigen woorden aan: Niet, zegt hij , in zijn 2e Br. aan de Korinth., III. 5., dat wij van ons zeioen bekwaam zijn iets te bedenken als uit ons zelven ,quot; dat ter iemands zaligheid dienen kan. Neen; uit ons zelven, d.i., krachtens onze menschelijke natuur, uit eigen natuurlijke krachten zijn wij daartoe niet bekwaam, niet in staat; maar ome bekwaamheid is uit God, die ons door de hulp zijner dadelijke gratie

ocr page 499

495

daartoe bekwaam maakt. In zijn Br. aan de Philip., II. 13. verklaart de Apostel nog meer uitdrukkelijk: Het is God die door de hulp zijner dadelijke gratie in u uitwerkt en het willen èn het volbrengenhet doen van het goede dat dienstig is ter zaligheid, „ om zijne goedwilligheidquot; te toouen , uit zuivere en vrije goedwilligheid van zijnen kant, wijl wij van onzen kant, uit eigen natuurlijke kracht, niets , geen enkel goed werk kunnen doen, dat ons ter eeuwige zaligheid dienstig is.

Dat ook de rechtvaardige , iemand die in staat van gratie is, die de heiligmakende gratie bezit, bovendien de hulp der dadelijke gratie noodig heeft om goede werken te doen , die hem ter zaligheid dienen, is wel geen punt van ons H. Geloof, maar toch eene waarheid, zóó algemeen door de Godgeleerden erkend, aangenomen, dat wij ons aan vermetelheid zouden schuldig maken door zo te loochenen of in twijfel te trekken ; eene leering dus , die elk rechtzinnig katholiek voor zeker en onbetwijfelbaar houdt. En dat doet hij op deugdelijke gronden. Want vooreerst de Schriftuurteksten , zoo even aangehaald , ten bewijze dat de mensch de hulp der dadelijke gratie Gods noodig heeft om goede werken te doen, die hom ter zaligheid dienen, zonderen van die noodzakelijkheid den rechtvaardige , iemand die in staat van gratie is, volstrekt niet uit. Christus toch sprak die woorden, welke we aanstonds aanhaalden: „Zonder Mij kunt gij niets doentot zijne Apostelen , die , behalve Judas, allen in staat van gratie waren. Eveneens slaan de aangehaalde woorden van den H. Paulus : „ Niet dat wij van ons zelcen.... maar onze bekwaamheid is uit Oodquot; rechtstreeks op hem zolven en zijne medeapostelen. En, let daar wel op, Paulus schreef die woorden na de nederdaling van den H. Geest over de Apostelen ; dus toen deze reeds in de heiligmakende gratie bevestigd waren. Dus, hebben wij , hoe rechtvaardig, hoe heilig we ook mochten zijn, zeker de hulp der dadelijke gratie Gods noodig, om eenig goed werk te verrichten, dat ons ter zaligheid dienen kan.

ocr page 500

496

De groote kerkleeraar, de H. Augustinns, maakt die waarheid door eene gelijkenis voor 's menschen gezond verstand begrijpelijk. „ Gelijk, zegt hij , het lichamelijk oog , hoe gezond ook, zonder de inwerking van het licht niet zien kan; zóó kan de rechtvaardige niet goed leven, tenzij God hem helpe door het licht der gerechtigheid.quot;

Zelfs de rechtvaardigste mensch kan dus niet uit eigen kracht goede werken doen, die hem ter zaligheid dienen; maar hij heeft daartoe de hulp der dadelijke gratie noodig, zonder welke hij niets goeds ter zaligheid kan verrichten

11 V. Waaruit hebben onze goede werken de kracht om den hemel te verdienen ?

A. Uit de verdiensten van Christus en de goddelijke beloften.

Onze goede werken hebben de kracht om den hemel in strengen zin des woords te verdienen, ten lste uit de verdiensten van Christus , en ten 2',l! uit de goddelijke beloften. Ik zeg: iu strengen zin, want V. en A. duiden genoegzaam aan, dat hier eigenlijk gezegde verdienstelijke goede werken bedoeld worden, te verstaan zijn. Immers deze V. eindigt met dezelfde woorden als de V., waarin verklaard wordt: Hoe wij onze goede werken moeten verrichten om daardoor den hemel te verdienen. Daar was sprake van den hemel verdienen in strengen zin. Dus ook hier, waar gevraagd wordt: Waaruit onze goede werken de kracht hebben om den hemel te verdienen ? Immers volkomen dezelfde woorden moeten natuurlijkerwijs ook in een en denzelfden zin verstaan worden. Dat de Catechismus hier waarlijk goede werken op het oog heeft waardoor wij den hemel in strengen zin verdienen, blijkt te meer omdat hij er in zijn A. bijvoegt, en uit de goddelijke beloften ; want hadde God voor onze goede werken, die wij in staat van gratie en te zijner eere doen, ons hier op aarde de vermeerdering der heiligmakende gratie, hiernamaals het

ocr page 501

497

eenwig leven, en, indien we nochtans in staat van gratie sterven, de bekoming des eeuwigen levens, en ook de vermeerdering der hemelsohe glorie (vgl. 7de V.) niet beloofd, dan konden wij in strengen zin , krachtens Gods rechtvaardigheid of getrouwheid in zijne beloften, — we zullen het aanstonds bewijzen — zelfs voor die goede werken geen recht op den hemel doen gelden, rechtens er geene aanspraak op maken.

Uit V. en A. blijkt dus genoeg, dat hier eigenlijk alleen gehandeld wordt over die goede werken , waardoor wij den hemel in strengen zin kunnen verdienen.

Uit V. en A. blijkt verder, dat die goede werken «fe de waarde om den hemel te verdienen, allereerst hebben uit de verdiensten van Christus.

Maar al slaan nu V. en A. hier rechtstreeks slechts op die goede werken, waardoor we den hemel in strengen zin kunnen verdienen , is het toch niet minder waar, dat ook de overige goede werken, die ons eenigerwijze ter zaligheid dienen, met name die waardoor we in ruimen zin, gelet op de betamelijkheid (vgl. 7Je V.), iets voor ons zeiven of voor anderen kunnen verdieneti, ja zelfs die, waardoor we voor ons zeiven of voor anderen louter ten gevolge van Gods barmhartigheid iets kunnen verkrijgen dat ons of anderen ter zaligheid dienstig is, eveneens hunne kracht daartoe hebben uit de verdiensten van Christus.

Zonder de verdiensten van Christus waren wij, na den val van Adam, waardoor wij in de slavernij des duivels gevallen, en van nature kinderen van Gods gramschap geworden zijn, (vgl. 8«'- Les, 7—9 V.) niet instaat, niet bekwaam eenig bovennatuurlijk goed werk te verrichten. Maar Christus heeft door zijn lijden en dood ons uit de slavernij des duivels verlost (vgl. 10° Les, 5de V.), en voor ons de heiligmakende gratie en alle dadelijke gratiën verdiend, gratiën, die ons bovennatuurlijke krachten geven om bovennatuurlijk goede werken te doen; bovennatuurlijk goede werken, niet enkel die ons eenigerwijze ter zaligheid dienen, maar ook die ons recht

ocr page 502

498

geven op de hemelsohe belooning. Dus al onze goede werken hebben de kracht om ons ter zaligheid te dienen, of den hemel in strengen zin te verdienen, allereerst uit de verdiensten van Christus, onzen Zaligmaker. Immers alles, wat ons ter zaligheid dienstig of noodig is , moet van God komen , (vgl. 5,le Les, 9'Ie V.) en wordt ons gegeven om de verdiensten van Christus.

Onze goede werken hebben de kracht om den hemel in strengen zin te verdienen, ten 2,b-, uit de goddelijke beloften. Ontbreekt deze tweede oorzaak , waaruit onze goede werken de kracht hebben om er in strengen zin den hemel door te verdienen , dan kunnen we er toch nog wel in ruimen zin iets door verdienen, of verkrijgen , dat ons of anderen ter zaligheid dienstig is, omdat ze reeds ter oorzake van de verdiensten van Christus eenig bovennatuurlijk loon waardig zijn ; maar zonder do goddelijke beloften zouden zelfs die goede werken, welke wij in staat van gratie en ter eere Gods verrichten, de kracht niet hebben om bepaald den hemel in strengen zin te verdienen. Waarom niet ? De reden, die het zoo even toegezegd bewijs inhoudt, is, kort en bondig , deze : Omdat God, onze Schepper en Heer, enkel en alleen dan verplicht kan zijn ons een bepaald loon te geven, als Hij zelf zich door belofte daartoe wil verhinden, wil verplichten. Welnu, dat heeft Hij gedaan, en daarom, nl., omdat God ons voor die goede werken , welke wij in staat van gratie eu ter zijner eer verrichten , bepaald den hemel als loon beloofd heeft, hebben zoodanige goede werken ook waarlijk uit de goddelijke beloften de kracht om den hemel in strengen zin te verdienen ; want „belofte maakt schuld.quot; Die wezenlijk , en wel als loon , iets belooft, is verplicht — zij dan ook al niet uit rechtvaardigheid, zeker uit getrouwheid — het beloofde loon te geven, te betalen. Welnu, ik herhaal en bewijs het u : God heeft ons voor zoodanige goede werken bepaald den hemel beloofd.

Zijn eigen geschreven woord, de H. Schriftuur, verklaard.

ocr page 503

499

uitgelegd door de goddelijke overlevering, dient ons tot waarborg. Immers reeds in het Oude Testament heeft God aan Abraham en diens geloovige nakomelingen beloofd: Ik zelï zal uw overgroot loon zijn (Boek der Schepp. XV. 1.) In het Nieuwe Testament heeft God die belofte herhaald, o. a., door zijn Apostel Jacobus, waar deze schrijft (hfdst. I. v. 12.): „Zalig de man , die de beproeving doorstaat! Want hij zal de kroon des leoens, d. i. , de kroon die in het eeuwig zalige leven bestaat, ontcangen, de kroon , die God beloofd heeft aan dia hem liefhebbenquot;, aan allen die in zijne liefde te zijner eer doen wat zij te doen hebben , en in zijne liefde sterven.

Gelijk de goede werken dan drievoudig zijn uit hoofde van het voorwerp (vr. 3), zoo zijn zij ook drievoudig uit hoofde van de waarde, de verdiensten die zij hebben bij God. 1° Natuurlijke goede werken, die de mensch met een natuurlijk inzicht en uit bloot natuurlijke krachten verricht, b.v. iemand geeft een armen mensch een aalmoes uit natuurlijk medelijden. Deze werken zal God soms zegenen met natuurlijke gaven , maar zij hebben voor den hemel hoegenaamd geen waarde. (Les 44, vr. 2.) 2» Bovennatuurlijke goede werken, die de zondaar met behulp der dadelijke gratie en om een bovennatuurlijk inzicht verricht, b.v. voor zijn bekeering, een goede biecht enz. ; daardoor kan hij van God verkrijgen, (vr. 8.) maar in strengen zin niet verdienen. 3° (vr. 7.) Verdienstelijke goede werken , die wij in staat van gratie en ter eere Gods doen ; daardoor verdienen wij den hemel in strengen zin.

Vragen over de 13st0 Les.

1. Toont uit de H. Schrift, dat de goede werken ter

zaligheid voor volwassenen noodzakelijk zijn.

2. Tot welke goede werken zijn voornamelijk de kinderen

gehouden ? (Iquot;6 Les.)

3. Hoe worden de goede werken verdeeld uit hoofde van

het voorwerp, uit hoofde hunner waarde of verdienste ?

ocr page 504

500

4. Wat is een bloot natuurlijk goed werk P Wat een

enkel bovennatuurlijk? Wat een voor den hemel verdienstelijk werk ?

5. Hoe maakt men 's morgens zijn goede meening volgens

het Apostolaat des Gebeds P

6. Hoe kan alles voor den hemel verdienstelijk gemaakt

worden P

7. Kan een protestant, een Israëliet ook verdienstelijke

goede werken verrichten P

8. De zoogenaamde christelijke deugden, die men op de

openbare scholen aanleert, kunnen die ook bovennatuurlijke en verdienstelijke goede werken voortbrengen , en waarom niet ?

--O^Co-

VIER EI VEERTIGSTE LES.

Van de werken van Christelijke Barmhartigheid.

1 V. Wat zijn werken van Christelijke Barmhartigheid ?

A. Werken, waardoor wij onzen naaste in zijnen nood uit liefde Gods bijstaan.

Werken van christelijke barmhartigheid zijn werken, waardoor wij onzen naaste, in zijnen nood, uit liefde Oods, bijstaan, helpen, ondersteunen.

Tot goed begrip van dit A. dient allereerst verklaard te worden: Wie hier door onzen naaste te verstaan zijn. Om kinderen dit aan het verstand te brengen, kan men eerst de 7de V. der 21ste Les herhalen. Wie zijn onze evennaasten ?

A. Alle redelijke schepselen, die met ons deel hunnen hebben in de hemehche glorie.

ocr page 505

501

y. En verder vragen : Zijn de Heiligen in den Hemel ook onze naasten ? Zoo ja, worden dezen dan in dit A. van den Catechismus ook onder onze naasten verstaan ? Waarom niet P Blijkbaar, neen , omdat de Heiligen in den Hemel in God alle goed genieten (453tc Les, 9'|J V.); dns niet in nood, aan geen nood hoegenaamd onderworpen zijn; derhalve hier ook niet onder onze naasten bedoeld, begrepen zijn; want er staat: werken, waardoor wij onzen naaste in zijnen nood bijstaan. — Wat denkt ge van de geloovige zielen in het vagevuur P Zijn deze hier onder onze naasten te verstaan ? en zoo ja, waarom ? Zeker, omdat deze in nood zijn, en wij levendon haar helpen kunnen Immers zij moeten in het vagevuur blijven, totdat zij door haar lijden aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben, of door de hulp van anderen, door de gebeden en goede werken der levenden, verlost worden, (vgl. IS'1'' Les, 5 V., 17(le Les ,8,9. V.)

Kinderen, nu kunt ge van zelf gemakkelijk de V. beantwoorden : Wie hier door onze naasten bedoeld zijn , verstaan worden ? NI., alle redelijke schepselen, die wij in hunnen nood, hetzij naar ziel of lichaam, (3e V.), kannen bijstaan.

Wat het zeggen wil: Onzen naaste in zijnen nood uit liefde Gods bijstaan, verklaart de Catechismus zelf in zijn 2e antwoord.

2 V. Waarom zegt gij uit liefde Gods ?

A. Omdat de werken van barmhartigheid, die alleen uit een menschelijk inzicht gedaan worden, geene werken van Christelijke Barmhartigheid zijn, en geene verdiensten voor den hemel hebben.

Dat werken van barmhartigheid, die alleen of voornamelijk

uit een menschelijk, d. w. z., natuurlijk inzicht, niet ter eere of uit liefde Gods gedaan worden, geen werken van Chbistblijkb barmhartigheid zijn, en dns geene verdiensten voor den hemel C. 32

ocr page 506

502

heiben , volgt zonneklaar uit het begrip van eene bovennatuurlijke deugd , (vgl. 42« Les, lc en 4e V.), en uit de wijze waarop, de kracht waardoor wij onze goede werken kunnen en moeten doen, opdat zij ons ter zaligheid dienen, om er den hemel door te verdienen. (Vgl. 43' Les, 7, 9, 10 en 11 V.)

3 V. Hoevelerlei werken van barmhartigheid kan men onderscheiden ?

A. Tweederlei: geestelijke eu lichamelijke.

■ Men kan tweeërlei werken van Christelijke barmhartigheid onderscheiden op grond van tweeërlei nood, waarin onze naaste kan verkeeren, nl., in nood naar zijne ziel of zaligheid, en dat is geestelijke nood, of in nood naar zijn lichaam en dat is lichamelijke nood.

4 V. Welke zijn de verhevenste werken van barmhartigheid , de geestelijke of de lichamelijke ?

A. De geestelijke zijn zooveel verhevener dan de lichamelijke , als de ziel in waardigheid het lichaam overtreft.

Welnu , hoeveel de ziel in waardigheid het lichaam overtreft , m. a. w., waarom de ziel het waardigste deel is van den mensch, hebben we reeds breedvoerig uitgelegd in de 8e V. der le Les.

5 V. Hoeveel en welke geestelijke icerken van harmhartigheid zijn er ?

A. Zeven : (Vgl. 21ste Les Vr. 6.) 1. de zondaars bestraffen; 2. de onwetenden leeren ; 3. voor de zaligheid zijns naasten bidden ; 4. den twijfelachtigen goeden raad geven ; 5. de bedroefden vertroosten ; 6. het ongelijk geduldig lijden; en 7. hetgeen tegen ons misdaan is, vergeven.

ocr page 507

503

Er zijn zeven geestelijke werken van barmhartigheid :

1. De zondaars bestraffen, d. w. z., onzen naaste, die kenbaar in zonde gevallen is, naar plicht en vermogen, door gepaste straf of vermaning, tot inkeer, tot bekeering trachten te brengen, of onzen naaste die kenbaar in gevaar is van in zonde te vallen, op dezelfde wijze er van trachten te weerhouden.

Daartoe zijn vooral ouders, meesters, oversten en degenen, die met zielzorg belast zijn, krachtens hun ambt verplicht.

2. De onwetenden leeren, d. w. z., degenen die in het Geloof, in den Catechismus niet genoeg onderwezen zijn, leeren wat zij moeten weten en doen om zalig te worden.

De christelijke leering of de Catechismus is juist daarom voor iedereen, zoowel oud als jong, de noodzakelijkste leering onder alle leeringen der wereld, omdat zij het kort begrip is van hetgeen Christus geleerd heeft en alle menschen moeten weten en doen om zalig te worden (lste Les, lslt;e en 2lt;le V). Ook deze plicht, nl., om te zorgen, dat hunne ondergeschikten behoorlijk in de christelijke leering onderwezen zijn , berust vooral op ouders, meesters, oversten en zielzorgers.

3. Foor de zaligheid zijns naasten bidden , d. w. z. , bidden voor de volharding der rechtvaardigen , voor de bekeering der zondaren, voor de verlossing der geloovige zielen uit het vagevuur, (vgl. lste V.) Tot dat einde zijne goede werken, en de voldoeningen daaraan verbonden , aan God opdragen , of de aflaten, die men er voor zich zeiven door kon verdienen, op de geloovige zielen toepassen, is een groot werk van geestelijke barmhartigheid.

4. Den twijfelachtig en goeden raad geven, d. w. z. onzen naaste, die twijfelt, niet goed weet wat hij in deze of gene omstandigheid moet of behoort te doen, b.v., om een gevaar van zonde te vermijden , of er zich aan te onttrekken , om deze of gene bekoring te overwinnen, om zich deze of gene deugd eigen te maken , om een zaligen levensstaat te kiezen enz., enz., goeden raad geven.

ocr page 508

504

5. De bedroefden vertroosten, d. w. z., degenen, die ten gevolge van tegenspoed, kruisen of beproevingen van wat aard ook , b.v., van ziekte, van sterfgeval of van onaangenaamheden in de familie enz., enz., bedroefd zijn, troosten, opbeuren, moed inspreken, door hen te wijzen op Gods alwijze en vaderlijke voorzienigheid, die alles ten goede doet gedijen voor degenen die Hem liefhebben, die op Hem vertrouwen, en diensvolgens hen opwekken om al wat hun reden tot droefenis gaf, gelaten uit Gods vaderhand aan te nemen, edelmoedig tot boeting hunner zonden te verduren, op te offeren voor den hemel, waar God alle tranen van de oogen zijner getrouwen zal afwisschen , en de dood niet meer zal zijn , noch rouw , noch geschrei, noch smart; want daar zal niets meer zijn van al hetgeen ons hier tot droefheid stemde: want de eerste dingen, de dingen dezes levens, zijn voorbijgegaan. (vgl. Boek der Openb. XXI. 4.)

6. Het ongelijk, dat ons in de samenleving door wien ook wordt aangedaan, geduldig lijden , elkanders lasten dragende, om zoodoende de wet van Christus , de wet der liefde, te vervullen. (Vgl. Br. aun de Galat. VI. 2.)

7. Hetgeen tegen ons persoonlijk misdaan is, uiterharte vergeven, en dit ook toonen. (vgl. 27'quot; Les, 4 V.) Door deze twee laatste werken van geestelijke barmhartigheid wordt de vrede behouden, of hersteld, veel kwaad, wat noodwendig uit oneenigheid en twist ontstaat, voorkomen.

6 V. Hoeveel en welke lichamelijke werken van Barmhartigheid zijn er ?

A. Zeven : 1. de hongerigen spijzen ; 2. de dorsti-gen laven; 3. de naakten kleeden ; 4. de vreemdelingen herbergen; 5. de zieken bezoeken; 6. de gevangenen verlossen j en 7. de dooden begraven.

Er zijn ook zeven lichamelijke werken van barmhartigheid.

ocr page 509

505

1. Be hongerigen , d. i. , degenen , die gebrek hebben aan voedsel, die honger moeten lijden omdat ze niet te eten hebben , spijzen, van spijs, voedsel voorzien, hun het noodige eten geven.

2. De dorstigen laven, d. w. z., aan degenen, die dorst lijden , door dorst gekweld worden , hetzij ten gevolge van armoede of ziekte , den hun passenden drank verschaffen.

3. De naakten kleeden, d. i. degenen, die niet genoeg kleeren hebben om behoorlijk onder de menschen te kunnen verschijnen, om op straat te komen, of om zich tegen koude te beschutten, van de noodige kleederen en deksel voorzien. Kinderen, waardeert toch het voorrecht, dat ge op katholieke scholen geniet. Immers de Fraters en Zusters, bij wie ge school gaat, oefenen jegens u niet enkel alle geestelijke, maar ook, zooveel zij maar kunnen , lichamelijke werken van barmhartigheid.

Om degenen onder u, die er behoefte aan hebben, vooral in den winter, voedsel, en kleeding te kunnen verschaffen, gaan zij voor u bij de rijke lui bedelen; zij koopen kleeren voor u aan , en maken die klaar , om ze u bij de prijsuit-deeling als belooning van betoonde vlijt en getrouwheid in 't naar school komen , enz. , uit te deelen.

4. De vreemdelingen herbergen, wil zeker niet zeggen, zoo maar ieder vreemdeling, die aanbelt, in eigen huis logies geven, of in een herberg, logement of hotel bestellen. Moest dit werk van barmhartigheid in dien zin worden opgenomen, dan zou men, vooral tegenwoordig, dikwijls deerlijk bedrogen en bestolen worden. In dien zin is dan ook het liefdewerk: Vreemdelingen herbergen, volstrekt niet te verstaan; maar hot wil zeggen aan vreemdelingen, die van de noodige bescheiden, van zeker geldige aanbevelingsbrieven van Z. H. den Paus en van den Bisschop van het Diocees voorzien zijn , zooveel noodig, logies en verdere benoodigdheden verschaffen.

5. De zieken bezoeken, zieken, w. h. z., alle hulpbehoevenden, 'tzij rijken of armen, in hun nood bijstaan. Dus ook weezen.

ocr page 510

506

doofstommen, blinden, enz., hulp verleenen, verplegen ; want zieken bezoeken, is hier zoo algemeen mogelijk te verstaan, in den zin van hulpbehoevenden eenigen liohamelijken dienst bewijzen.

6. De gevangenen verlossen, wil niet zeggen, degenen die door een rechtvaardig vonnis in de gevangenis zitten, daaruit verlossen ; maar hen die om het Geloof, om de rechtvaardigheid vervolging lijden , onrechtvaardig met gevangenis , verbanning , enz. gestraft worden, door alle ten dienste staande wettige middelen trachten te verdedigen, te beschermen, van hunne straf te verlossen.

En 7. Ds doodeu begraven, onder dit werk van barmhartigheid is begrepen al wat tot eene passende begrafenis van een overledene behoort, als, b.v., hem eerbaar afleggen, in de kist leggen, bewaken, naar de kerk dragen, den lijkdienst en lijkstoet bijwonen, enz.

Hoe aangenaam Gode dit liefdewerk is, hoeveel het bijdraagt ter verhooring onzer gebeden, blijkt uit de geschiedenis van Tobias. De engel Raphael toch zeide tot Tobias: „ Ik openbaar u de waarheid , en verberg u de geheimenis niet. Toen gij met tranen badt, en de dooden begroeft, en uw eten liet staan, en de dooden overdag in uw huis verborgt, en des nachts begroeft, toen bracht ik uw gebed mor den Heer. (Tob. XII. 11, 12.)

7 V. Is men in geweten verplicht aan arme men-schen aalmoezen te geven ?

A. Ja; voornamelijk als zij in uitersten of groeten nood zijn en wij hen helpen kunnen.

De zin der gestelde V. is: Of men in geweien, d. w. z., op zonde , krachtens het gebod der naastenliefde, verplicht, gehouden is aan arme menschen aalmoezen te geven en wanneer vooral ?

ocr page 511

507

Om hot A. goed te begrijpen , moet ge weten, dat de nood van aeme menschen , drieërlei onderscheiden wordt: nl. gewone, groote en uiterste nood.

Door gewonen nood wordt verstaan die nood, waarin arme menschen altijd of bijna altijd, dns gewoonlijk verkeeren.

Groot wordt hun nood genoemd, wanneer met grond te vreezen is, dat, indien ze niet geholpen, niet ondersteund worden, zij zwaar ziek zullen worden, of in hun stand groote-lijks achteruit zullen gaan, of in hun goeden naam, in hunne faam grootelijks zullen lijden.

In den uitersten nood verkeeren arme menschen dan , wanneer zij blijkbaar in 't gevaar zouden verkeeren van gebrek om te komen, te sterven, indien hun geen hulp verleend werd.

ISTu ge weet, wat er door den drieërlei nood der armen te verstaan is, zult ge gemakkelijk den zin van het A., dat de Catechismus hier geeft, begrijpen.

Ja, men is soms in geweten verplicht aan arme menschen, aalmoezen te geven, lichamelijke werken van barmhartigheid te bewijzen. Immers, zoo redeneert de H. Thomas van Aquine; „ Niemand wordt om het achterlaten, het niet doen van iets, waartoe hij niet door een gebod verplicht, gehouden is , door God gestraft, met de eeuwige straf. Welnu, het blijkt uit het XXV hfdst. van Matth., (vgl. 8 v.), dat sommigen om het verznimen van aalmoezen door Christus, den Hechter van levenden en dooden , ter helle zullen verwezen worden. Dus is men soms wel degelijk in geweten, op doodzonde verplicht aan arme menschen aalmoezen te geven.quot; In 't algemeen gesproken, is men uit naastenliefde verplicht aan arme menschen aalmoezen te geven, zelfs in hunnen gewonen nood, maar voornamelijk, vooral als zij in uitersten of grooten nood zijn, en wij hen helpen kunnen. In alle geval moeten dus deze twee voorwaarden samen gaan, opdat men streng genomen verplicht zij aan arme menschen aalmoezen.

ocr page 512

508

te geven, nl., dat zij ia nood zijn en wij hen helpen knnnen.

Doch de vraag daargelaten: Wanneer men otreng genomen varplicht is aan arme menschen aalmoezen te geven, moet de beschrijving van het laatste oordeel ieder welgeaard, goed gezind christen krachtig aansporen gnlhartig en blijmoedig werken van barmhartigheid te beoefenen jegens den naaste. Dit bevestigt ons de laatste vraag dezer les.

8 V. Wat moet ons bijzonder aansporen de werken van barmhartigheid te heoefenen ?

A. Dat Christus in het oordeel zal zeggen , dat alles wat wij aan onzen evennaaste gedaan hebben , aan Hem is gedaan; en alles wat wij aan onzen evennaaste hebben geweigerd, aan Hem is geweigerd.

Hoort wat, volgens den H. Evangelist Mattheus (XXV. v. 34, 46.), Christus in het laatste oordeel aan de rechtvaardigen , en aan de verdoemden zeggen zal: „ Alsdan zal de Koning (der eenwen) zeggen tot hen , die aan zijne rechterzijde zullen zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders! neemt bezit van het koninkrijk , dat voor u (als eene belooning voor uwe werken) bereid is van de grondvesting der wereld af. Want i/c had honger , en gij gaaft mij te eten ; ik had dorst, en gij gaaft mij te drinken; ik was een vreemdeling, en gij naamt mij op; ik was naakt, en gij bedektet mij; krank, en gij bezocht mij; ik was in de gevangenis , en gij kwaamt tot mij.quot; „ Alsdan, zoo gaat het H. Evangelie voort, zullen de rechtvaardigen hem antwoorden , zeggende: Heere ! wanneer zagen wij u hongerig, en spijsden u; dorstig, en laafden u ? En wanneer zagen wij u als vreemdeling, en namen u op ; of naakt en bedekten u ? Of wanneer zagen wij u krank of in de gevangenis , en kwamen tot U Pquot;

Kinderen, wellicht dacht ook gij bij u zeiven, toen ge hoordet, dat Christus zal zeggen : „ Ik was krank, ziek, en gij

ocr page 513

509

bezocht mij ; ik had honger, en gij gaaft mij te eten, enz. quot; is Christus dan bij ons ziek, hongerig of dorstig, enz. P Neen; niet in eigen persoon, maar in den persoon van arme en kranke menschen, die Hij zijne broeders gelieft te noemen. Alle goed, wat wij aan hen doen, rekent Christus aan zich zeiven gedaan, d. w. z., beloont Hij als aan Hem zeiven gedaan. Immers, „ de Koning antwoordende, zal tot hen (de rechtvaardigen) zeggen : Voorwaar zeg ik u: mor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt ge het aan mij.quot;

Welk eene boven alles machtige drangreden om ons tot het beoefenen der werken van barmhartigheid jegens onzen naaste aan te sporen, daar wij uit den mond des goddelijken Eechters zullen hooren : Wat gij uit liefde Gods aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan! Ik zal het u loonen, als haddet gij het aan Mij gedaan.

„Alsdan zal hi] zeggen ook tot hen , die aan zijne linkerzijde zullen zijn; Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen. Want ik had honger , en gij gaaft mij niet te eten; ik had dorst, en gij gaaft mij niet te drinken ; ik was een vreemdeling , en gij naamt mij niet op; naakt, en gij bedektet mij niet; krank en in de gevangenis, en gij bezocht mij niet. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heere! wanneer zagen wij TT hongerig, of dorstig, of als vreemdeling , of naakt, of krank, of in de gevangenis, en dienden U niet ? Alsdan zal hij hun antwoorden , zeggende : Voorwaar zeg ik u : voor zooveel gij dit niet gedaan hebt aan één van deze geringsten, - deedt ge het ook niet aan mij. En dezen zullen gaan in de eeuwige straffe, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.quot;

Bijzonder moet ons dus aansporen de werken van barmhartigheid , naar vermogen, gulhartig te beoefenen, dat Christus in het laatste oordeel zal zeggen , dat alles wat wij

ocr page 514

510

ter liefde Gods aan onzen evennaaste in diens nood gedaan hebben, aan Hem is gedaan; en alles wat wij aan onzen evennaaste hebben geweigerd, d. i., niet hebben gegeven, terwijl we hem toch zelfs in zijn gewonen nood goedschiks konden helpen, en voornamelijk als wij in zijn grooten of nitersten nood uit liefde verplicht waren hem te helpen, dit hardvochtig geweigerd hebben, aan Hem is geweigerd. Onze eeuwige gelukzaligheid of verdoemenis kan dus van het al of niet beoefenen der werken van barmhartigheid afhangen. Immers Christus stelt hier den ganschen omvang der plichten , die wij als christenen, als zijne leerlingen te vervullen hebben, om de eeuwige straf der hel te ontgaan en tot de eeuwige zaligheid te geraken, zelfs zóó voor, als hing ons eeuwig geluk of ongeluk eemg, alleen af van het beoefenen of verzuimen der lichamelijke werken van barmhartigheid.

'tSpreekt van zelf, dat Jesus de beoefening zoowel als de veronachtzaming dier werken hier enkel als tot een voorbeeld stelt der overige plichten, die wij als christeneu te vervullen hebben om zalig te worden. Intussohen blijkt uit die voorstelling overduidelijk, dat Jesus, onze goddelijke Wetgever en toekomstige Hechter, het beoefenen der werken van barmhartigheid bijzonder hoog schat, en dus onze eeuwige zaligheid of verdoemenis grootelijks afhangt van het beoefenen of veronachtzamen dier werken. Volgen wij dus teu minste de vermaningen , welke reeds in 't Oud Testament, vóór de wet van Christus, de oude Tobias zijn zoon in dezer voege gaf: „Geef aalmoezen van hetgeen gij bezit en wend uw aanschijn niet af van eenigen arme : immers dusdoende zal 't geschieden, dat ook des Heeren aangezicht zich niet van n zal afkeeren. Wees barmhartig , (beoefen de werken van barmhartigheid) zooveel als in awe macht is (naar vermogen). Hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, beijver u ook dan van dat weinige graag iets mede te deelen. Want dusdoende vergadert gij u een heerlijk loon tegen den dag des noods. Want de aalmoes verlost (middellijk)

ocr page 515

511

van alle zonde, en van den (eenwigen) dood , en zal de ziel niet laten gaan in de (eeuwige) dnisternissen (der hel). De aalmoes zal een groot vertrouwen geven bij den Aller-hoogsten God aan allen, die ze hebben uitgereikt.quot; {Tob. IV. 7 — 12.) Jesus zelf toch (jeeft gezegd: „ Zalig zijn de barmhartigen! want zij zullen barmhartigheid verwerven. {Matth. V. 7.)

Vragen over de iiBte Les.

1. Wat is er noodig om een werk van barmhartigheid te

hebben P Wanneer is dat werk christelijk P Wanneer verdienstelijk P

2. Wanneer iemand een aalmoes geeft alleen omdat die

persoon hem vroeger van dienst geweest is, of van zijn familie is, of omdat anderen het ook doen: is dat een christelijke aalmoes P En waarom niet P

3. Hoe blijkt uit deze Les — bij name uit vr. 2 — het

nadeelige der openbare scholen P

4. Welk verschil is er tusschen geestelijke en lichamelijke

werken van barmhartigheid P En welte en waarom zijn de verdienstigsten P

5. Wat moet ons tot de aalmoes aansporen P (Vr. 7 en 8.)

ocr page 516

512

Yin M VEERTIGSTE LES.

Van de vier uitersten des menschen.

1 V. Wat is het beste middel om in ons den haat der zonde en de liefde der deugd te verwekken ?

A. Een aandachtig overdenken der uitersten van den mensch.

Het beste, meest krachtige, afdoende middel om in ons den haat, den afschuw , den afkeer der zonde, en de liefde der deugd te verwekken, op te wekken en opgewekt steeds levendig te honden en metterdaad te toonen, en dus, om gesterkt door dat middel, de Christelijke Eechtvaardiglieid te onderhouden, de zonden te vluchten en de deugd te oefenen (39e Les, l® en 2e V.) , is een aandachtig overdenken der uitersten van den mensch. Zulks leert ons de H. Geest nadrukkelijk; maar ook het gezond verstand; want wij zien bij die overdenking allerduidelijkst , dat de zonde ons voor eeuwig ongelukkig, en de deugd gelukkig maakt. Gewennen wij ons dus, dikwijls ernstig aan die uitersten te denken, en ons af te vragen: wat zal ik op mijn sterfbed wenschen hier gedaan te hebben ?

Door uitersten van den mensch verstaat men al hetgeen den mensch bij het eindigen van zijn natuurlijk leven overkomt, en hem daarna te wachten staat.

2 V. Hoeveel en welke uitersten van den mensch zijn er ?

A. Vier; de dood, het oordeel, de hel en de hemelsche glorie.

Er zijn vier uitersten vtn den mensch in 't algemeen genomen ; maar voor ieder mensch in 't bijzonder beschouwd, zijn er maar drie. Dat blijkt uit de 3e V.

ocr page 517

513

Er zijn vier uitersten van den mensch in 't algemeen genomen.

Te weten: 1. De dood, die bestaat in de scheiding der ziel van het lichaam. Door die scheiding wordt de mensch van zijn natuurlijk leven beroofd. (Vgl. le Les, 6e V., bldz. 9.)

2. Bet oordeel, zoowel het bijzonder als het algemeen of laatste oordeel. (Vgl. 12e Les.)

3. Be hel, d. 1., de onderaardsche plaats waarin de duivels en de verdoemden eeuwig gestraft worden. (Vgl. 17e Les, 10= V.)

4. Le hemelsche glorie , d. i., de Hemel, of de plaats waar de gelukzaligen God van aanschijn tot aanschijn aanschouwen, en in God alle goed genieten (9e V.) Onder dit uiterste is , zoolang deze wereld bestaat, ook de inleidingsplaats tot den Hemel te verstaan, nl., het vagevuur. (Vgl. 17e Les, 6e V.)

3 V. Voor wie zijn de vier uitersten ?

A. De dood en het oordeel voor alle menschen; de hel voor die in doodzonde sterven , en de hemel voor die in staat van gratie sterven.

Op deze V. maakt de Catechismus in zijn A. een juist onderscheid. Immers hij zegt: De dood en het oordeel, deze twee uitersten, zijn voor alle menschen zonder onderscheid van persoon , stand of staat.

Het is den menschen voor regel gesteld éénmaal te sterven, en daarna het oordeel, zegt de H. Apostel Paulns. (Br. aan de Eebr. IX. 27.)

Maar tusschen de twee andere uitersten, tusschen hel en hemel, maakt de Catechismns voor den mensch in 't bijzonder beschouwd, onderscheid, naar gelang van den staat van doodzonde of den staat van gratie, waarin een ieder sterft.

De hel is voor die ook maar in ééne dadelijke doodzonde sterven. (Vgl. 17e Les, 11quot; V. en 4.0' Les, 7' en 8e V.) En de hemel is voor die in staat van gratie sterven. Dit antwoord

ocr page 518

514

is hier volkomen juist, omdat alwie in staat van gratie sterft, zeker in den Hemel komt.

Maar men kan nog op twee manieren in staat van gratie sterven ; nl., zóó , dat men na zijn dood niets meer te boeten of te zuiveren heeft, of wel zóó , dat men nog niet geheel voldaan heeft voor zijne zonden. De zielen der eersten gaan recht naar den Hemel; der tweede eerst naar het vagevuur (Vgl. 17« Les, 4C en 7e V.) Door den Hemel kan men dus hier ook het vagevuur verstaan, als inleidings-, overgangsplaats tot den Hemel. (Vgl. 2iie V.)

Uit het 3° A. van den Catechismus volgt ook duidelijk en klaar, dat van de vier uitersten, die den mensch in 't algemeen genomen beschoren zijn , er ieder mensch in 't bijzonder maar drie te wachten staan : t. w., de dood en het oordeel, en verder één van de twee : q^de hel, a/de hemel. (Vgl. 2e V.)

Albeslissend of ; de hel, of de hemel! En dat voor eeuwig ! Eeuwig in den hemel of eeuwig in de hel. Geen wonder, dat zelfs de grootste Heiligen bij het ernstig nadenken over dit uiterste van ieder mensch in 't bijzonder, door heilzame vrees werden aangegrepen.

De H. Ambrosius, in de 4« eeuw bisschop van Milaan en een der groote Kerkleeraren, wekte den haat der zonde en de liefde der deugd voortdurend in zich op, door de ernstige overweging, en toepassing op zich zeiven van dit uiterste des menschen: hel of hemel is voor eeuwig mijn lot!

Zijn grondspreuk was : „ Ik sta Utsschen twee eeuwigheden ! Eéne van beide kan ik niet ontgaan.quot; Dus , ik zal met Gods gratie , koste wat het koste , tijdens dit kortstondig leven, de zonde vluchten en de deugd oefenen , om de eeuwige straffen der hel te ontgaan, en mij het eeuwig loon en geluk des Hemels te verzekeren.

Als ook wij zóó , aandachtig onze uitersten : dood, oordeel, hel of hemelsche glorie overdenken, dan zullen ook wij ondervinden , dat dit het beste middel is om in ons den haat

ocr page 519

515

der zonde en de liefde der dengd te vestigen , de zonde te vlnohten en de deugd te oefenen. Immers de H. Geest zegt zelf: Denk in al wat gij doet op uwe tjiteestek en gij zult in eeuwigheid niet (grootelijks) zondigen.quot; (Eccl. VII. 40.) Maar daaraan hapert het bij ons. Denken wij nu en dan al eens op de uitersten van den menseh, we doen het meestal zoo maar als in 't voorbijgaan, vluchtig en onoplettend, nis onnadenkend , zonder ernstig onze eigen uitersten te overwegen ; zonder ter harte te nemen, dat dood en oordeel ook ons — en wellicht spoediger dan we verwachten — zullen overkomen en dat 0/hel of hemel ons lot zal zijn in eeuwigheid ! Spreekt men, naar aanleiding van een of ander treffend sterfgeval, al eens over den dood, over de kortheid en onzekerheid van 's menschen leven , 't geschiedt meestal zeer oppervlakkig, en 't meest in betrekking tot het tijdelijk belang der overblijvenden. 't Heet dan veeltijds : Hebt ge het gehoord : Mr. of Mevrouw die en die is overleden. Nu ja : „ Een gelukkige doode. O. L. H. hebbe de ziel, zij der ziel genadig!quot; Of: „Wat een verlies!quot; „ Wat een droevig lijk!quot; Bekleedde de overledene een ambt, een post, dan wordt deze al dadelijk aan derden toegedacht. „ Dat is een baantje voor die of die. Den eenen zijn dood, is den anderen zijn broodquot; enz.enz.— 't Spreekt van zelf, dat zoodanig oppervlakkig denken of spreken over 't uiterste van den mensch, luttel of geene vrucht ter zaligheid voortbrengt. Om er werkelijk profijt, voordeel mee te doen, moeten wij onze uitersten aandachtig , nauwlettend in zijne bijzonderheden overdenken, overwegen , nagaan, op onze levenswijze toepassen en ze als voortdurend, gestadig voor oogen houden. Immers de H. Geest zegt: Denk in al wat gij doet op ttwe uitersten / ....

— „ Ja maar, als men voortdurend op dood, oordeel, hel of hemel dacht, dan was 'tin de wereld geen leven!quot;

— Met onderscheid : geen leven voor zonden, en vermaken, pleizieren, die uit hun aard gevaarlijk zijn, tot zonde

ocr page 520

516

leiden. Dat geef ik toe. Maar hoe zult ge zelf daarover denken op uw sterfbed, in het oordeel en , als gij er geene oprechte boetvaardigheid over gedaan hebt, in de hel P Te laat en te vergeefs zal het u dan berouwen, zulk leven geleid te hebben.. ..

Qee.n leven ? Alsof niet juist het oefenen der deugd het leven van den mensch reeds op deze wereld, zooveel mogelijk gelukkig en aangenaam maakte! (Vgl. 1= Les, le V.) „Be godsvrucht is tot alles nuttig, dewijl zij de beloften heeft van dit leven en van het toekomstige. Een waarachtig woord is dit (wat ik daar zeide van het tweevoudig heil, geluk aan de godsvrucht verbonden) en alle aanneming waardig, d. i. , waardig geloovig aangenomen te worden, kortom geloofwaardig (le Br. aan Tim. IV : 8. 9.) Dat woord gelooft men wel in 'tafgetrokkene, in bespiegeling, doch met de werken verloochent men het zoo menigmaal, ja meestal. Waarom? Welk is de hoofdreden dezer tegenspraak tusschen ons gelooi en ons gedrag ? Men wil niet aandachtig over zijn uitersten denken , omdat men anders veel in zijn levenswijze zou moeten verbeteren ; zijne godsdienstplichten beter onderhouden ; zijne booze driften, de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, heb- en geldzucht, en hoovaardij des

evens bedwingen..... Voor een wereldling, die slechts

zint op genot en pleizier in dit leven, is het aandenken van zijn uiterste onaangenaam, akelig, bitter. Dit zegt de H. Geest zelf: „ O Dood! bitter is uw aandenken voor den mensch, die rustig leeft in het bezit zijner goederen ; voor den man die zonder (bekommerende) zorgen is , en wel slaagt in alles, en wien het nog aan eetlust niet ontbreektquot;, die daarbij gezond is en het leven nog kan genieten. {'Eecli XLI: 1. 2.) Doch, wat baat het, de gedachte aan zijn uiterste, aan dood , oordeel, hel of hemel, van zich te verwijderen P Het nadert toch met elk uur, dat slaat; het overkomt ons zeker eens, en gemeenlijk op het uur, dat men er het minst aan denkt (vgl. 4lle V.) 'tls dus laf, zijn

ocr page 521

517

uiterste niet te durven, dwaas en rampzalig het niet bijtijds te willen voorzien.

„Hoe gelukkig en wijs , zegt Thomas van Kempen, is hij, die nu zoo traoht te zijn in zijn leven, als hij wensoht bevonden te worden bij zijn dood! — Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor oogen heeft en zieh dagelijks tot sterven bereidt. Denk des morgens, dat gij den avond niet zult halen; en is de avond daar, durf u den morgen niet beloven. Wees dus altoos bereid, en leef zóó, dat de dood u nimmer onvoorbereid vinde.quot; (Men leze Nav. o. Christus I Boek hfdst. XXIII.) „Zie in alle zaken op het einde, en hoe gij voor den strengen rechter staan zult, wien niets verborgen is.quot; (T. a. p. hfdst. XXIV.) Nemen wij die wijze raadgevingen ter harte. Vrage een ieder onzer zieh dikwijls af: Hoe is 't met mij gesteld ? Als de dood me heden overviel, welk vonnis stond me dan in het oordeel te wachten — hel of hemel P en nemen wij onze voorzorgen. Derwijze aandachtig zijn uiterste overdenken, is het beste middel om de christelijke rechtvaardigheid te onderhouden, en daardoor hier op aarde gelukkig, vroolijk, tevreden te leven en te sterven, en hiernamaals zich een genadig oordeel en eene gelukzalige eeuwigheid te verzekeren. Denk dus in al wat gij doet, op uw uiterste. De dood , het oordeel en de hel zullen u weerhouden in de bekoring tot zonde toe te stemmen. Dood, oordeel en hemel zullen u bemoedigen om de deugd ijverig te betrachten, om ijverig het goede te doen, zoolang gij er den tijd toe hebt.

In het vervolg dezer les handelt de Catechismus meer in 't bijzonder over ieder der vier uitersten.

4 V. Wat moeten wij van den dood gelooven ?

A. Dat alle menschen eenmaal zullen sterven,

en dat de dood ons kan overkomen, als wij het minst er aan denken.

C. 33

ocr page 522

518

Wij moeten dus Uoee punten aangaande den dood geloovig aannemen, gelooven, omdat God ze veropenbaard heeft.

1. Bat alle menschen eenmaal zullen sternen. Immers wij hoorden den H. Panlns reeds verklaren: Bet is den menschen voor regel gesteld eenmaal te sterten. (Vgl. 3(lc V.)

2. Bat de dood ons kan overkomen , als wij het minst er aan

^K-pnnt wordt en als met zooveel woorden, en in gelij-kenfflën en parabelen herhaaldelijk in de H. Schriftuur voorgesteld. Zoo staat er, bv., geschreven in het Boek genaamd Be Prediker IX: v. 12: „ De mensch kent zijn levenseinde niet; maar gelijk de visschen gevangen worden met den angel, en de vogelen met den strik, zoo worden de menschen gevangen ten tijde des onheils, van het stervensuur, wanneer hun dit plotseling overvalt.quot; In het Nieuwe Testament betuigen en Jesus en de Apostelen menigmaal, dat de dood zal komen als een dief in den nacht, onverwacht, als men er niet aan denkt. „Hoovelen — bemei-kt daarop Thomas van Kempen , I. a. p. XXXIII hfdst. n. 7. — Hoevelen zijn bedrogen, eu onverwachts uit het lichaam gerukt!quot; Waarlijk, zelfs onder degenen, die ten gevolge eener ziekte sterven, worden velen bedrogen of bedriegen zich zeiven betrekkelijk het gevaar van hun toestand, ontvangen de laatste H. Sacramenten zonder te denken , dat ze voor hen inderdaad de laatste zijn, en sterven zonder den dood verwacht te hebben.

5 V. Wat zal ons in het uur des doods het meest beangstigen ?

A. De zonden en Gods rechtvaardig oordeel.

Alzoo twee zaken zullen ons in het uur des doods het meest beangstigen , angstig, bang maken, met schrik en angst vervullen , nl., ten 1', de zonde, en ten 2e, Gods rechtvaardig oordeel.

ocr page 523

510

Omtrent de le oorzaak van vrees en angst in het stervensuur, kan men met vrucht wijzen op een list des duivels, en op het middel om deze oorzaak van vreeze te voorkomen.

De list des duivels bestaat hierin dat hij ons nu, terwijl we jong en goed gezond zijn, de zonden als klein en onbeduidend voorstelt, en er toe aanlokt onder voorwendsel dat iedereen die doet; desnoods zal hij ten bewijze van dien wel een Heilige aanhalen , b.v. den JE. Augustinus...; verder, dat men er af is met ze te biechten en wij dit in alle ge va) later, als we oud zijn geworden , nog doen kunnen enz. Doch in het uur des doods draait hij de kaart om, en stelt al de boosheid , in de zonden opgesloten, zoo groot en afschuwelijk voor, als konde de zieke, de stervende er geene vergiffenis meer van krijgen, ala mocht hij in zijn uiterste niet meer op Gods oneindige barmhartigheid hopen en vertrouwen.

Het zekere middel om de eerstvermelde en grootste oorzaak van vrees in het uur des doods te voorkomen , is: nu de zonden zorgvuldig , als het eenige wezenlijk kwaad dat ons treflen kan , te vermijden , te vluchten ; onnoodig te zeggen, dat ze ons dan op ons sterfbed niet kunnen beangstigen. Hebben we ongelukkig zonden, en misschien vele en zware zonden bedreven, dan is het middel om alle angstvallige vreeze of wantrouwen weg te nemen , ze altoos oprecht en met een waar berouw en vast voornemen in de H. Biecht te belijden. Want de H. Apostel Joannes zegt nadrukkelijk (lc Br., I : 9.) — indien wij (zóó) onze zonden belijden , is God getrouw en rechtvaardig om oos onze zonden te vergeven, en ons van alle ongerechtigheid te reinigen.

Van den kant van God bestaat er dus geen de minste reden om te twijfelen of Hij onze zonden vergeven heeft of zal vergeven, hoe menigvuldig en zwaar ze ook mogen geweest zijn , indien wij ze maar met de noodige gesteltenis in de H. Biecht eenmaal beleden hebben of belijden ; want Hij is getrouw in het vervullen zijner belofte, waardoor Hij aan de boetvaardigen , die hunne zonden belijden, om de oneindige

ocr page 524

520

verdiensten van Christus, vergiffenis heeft beloofd. Getrouw ja, en rechtvaardig; want het behoort tot Gods rechtvaardigheid , zijne gedane beloften te vervullen , na te komen. Ik herhaal het: van den kant van God mogen, ja moeten wij dus volkomen, zelfs met de zekerheid des geloofs, gerust zijn, dat Hij ons onze zonden vergeven heeft, of zal vergeven, indien wij ze maar met de noodige gesteltenis beleden hebben of belijden.

Doch juist omdat niemand , zonder bijzondere openbaring Gods, met de zekerheid des geloofs weet , dat hij zijne zonden met de vereischte gesteltenis beleden heeft, begrijpt ge van zelf, dat ten 2', Oods rechtvaardig oordeel voor een ieder, die ooit eene doodzonde bedreven heeft, eene gegronde reden is van angst en vreeze in het uur zijns doods. Immers de H. Schriftuur zegt zelve (Eccltes IX 1—10) „de mensch, zelfs de rechtvaardige en deugdzame mensch, weet niet met de zekerheid des geloofs of hij liefde of haat verdientquot;, of hij al of niet in Gods liefde, in staat van gratie hersteld is. Dat blijft voor hem in den verklaarden zin onzeker, totdat hij voor Gods rechtvaardig oordeel staat, en daar zijn eindvonnis hoort: Kom, gezegende mijns Vaders .. . , of wel: Ga weg van mij, gij vervloekte. .. (Vgl. vorige Les 8e V.)

Intusschen, hoe vreeswekkend deze waarheid uit haar aard zelfs voor een deugdzaam mensch zij , hij weet tevens, dat er voor al wie zijne zonden welgemeend beleden heeft of belijdt, overvoldoende reden bestaat om zich niet angstvallig, ongerust te maken. Hij weet dat hij zich gerust mag verlaten op het beslist oordeel zijns Biechtvaders. Immers deze is door God zeiven aangesteld om hier in zijne plaats te oordeelen. Derhalve mag alwie zijne zonden rechtzinnig en rouwmoedig aan den Biechtvader beleden heeft, gerust Gods oordeel te gemoet zien. Als onze Biechtvader ons zegt: Wees gerust; uwe zonden zijn u vergeven; ge moogt geene generale Biecht meer spreken, ge moogt op dit of dat punt niet meer terugkomen, dit of dat geval niet meer in 'tbijzonder herhalen,

ocr page 525

521

dan moeten wij, willen we als christelijke menschen redelijk te werk gaan, ons aan zijn oordeel onderwerpen, gehoorzamen. Zou onze Biechtvader zich in zijn oordeel ook vergissen, dan zal hij zelf rekening en verantwoording van zijne uitspraak moeten afleggen voor Gods rechterstoel; maar wij kunnen door aan onzen Biechtvader te gehoorzamen niet misdoen ; mits wij gehoorzamen , behoeven we Gods oordeel zelfs dan niet te vreezen; want Gods oordeel is zeker rechtvaardig. God zal of kan niemand ter helle doemen, die in eenvoudigheid des harten gehoorzaamd heeft aan zijn Biechtvader, aan wiens oordeeJ wij ons, volgens Gods eigene verordening, nederig moeten onderwerpen. Indien, zegt de fl. Alphonsus de Liguorio, Jesns Christus u op den dag des oordeels rekenschap zou vragen over hetgeen gij uit gehoorzaamheid aan uwen zielbestierder gedaan hebt, zeg Hem dan : Heer , ik heb het gedaan om , zooals Gij mij bevolen hebt, aan uwen plaats-bekleeder te gehoorzamen, en Jesns Christus zal a niet kunnen veroordeelen (Vgl. 35 Les, 4, 2 , 49 en 50 V.)

6 V. Wat zal ons in het uur des doods het meest vertroosten ?

A. Gods barmhartigheid, de verdiensten van Christus , en een goed geweten.

In het uur des doods zullen ons drie zaken het meest vertroosten. Ten lquot;e, Gods barmhartigheid, die gedurende 's menschen leven op aarde zonder einde, grenzeloos is, en zelfs aan de grootste zondaars verlangt vergiffenis te schenken.

Denkt hier aan David , Manasses, aan den verloren. Zoon, aan Petrus en Paulus, aan Magdalena, aan den goeden moordenaar , enz. enz.; verzucht met den tollenaar: „ Heer wees mij zondaar genadig !quot; „ Mijn Jesus , barmhartigheid !quot;

Ten 2(le, de verdiensten van Christus, die van oneindige waarde en overvloedig zijn, zoodat een druppel van zijn goddelijk bloed geheel de wereld van alle boosheid kan reinigen.

ocr page 526

522

En ten 3lle, een goed geweten, d. w. z., de getuigenis van onze conscientie, dat we onze zonden te goeder trouw, wel of goed gemeend, rouwmoedig en rechtzinnig gebiecht hebben, en aan onze overige verplichtingen hebben voldaan. Deswege mag men zich veilig aan het oordeel zijns Biechtvaders houden. Indien deze ons gerust stelt, behoeft men niet angstig te zijn, dat men zich zeiven misleidt of bedriegt. De gehoorzaamheid is de zekere weg ten hemel. (Vgl. vorige V.) „ Tracht nu zoo te leven , dat ge in het uur des doods veelmeer moogt blijde zijn, dan vreezen. Dan zal een zuiver en goed geweten moer vreugde verschaffen, dan eene geleerde wijsbegeerte, — dan aardsche schatten, — dan alle wereldsche vermaken.quot; (Thom. van Kemp., t. a. p. , hfdst. XXIII en XXIV. n. 6).

7 V. Wat maakt het oordeel vreeselijk ?

A. Ten 1. Dat een ieder daar zal moeten te voorschijn komen ; ten 2 dat de rechter onbeweeglijk zal zijn ; eu ten 3. het vonnis onherroepelijk.

Drie zaken vooral maken het oordeel vreeselijk.

Ten lMe, dal een ieder daar, d. w. z., in het laatste oordeel zal moeten te voorschijn komen, d. i. , voor Gods oordeel zal moeten verschijnen. (Vgl. 12'1lt;! Les, 5 V.) „Allen toch zullen wij ten oordeel staan zoor den rechterstoel van Christus.quot; (Br. aan de Hom. XIV, 11). Iedereen, ook vader en moeder, znster en broeder, en allen die ons gekend hebben zullen dus met ons ten oordeel verschijnen , en op den oordeelsdag alle kwaad hooren, dat we ooit gedaan — en niet goed gebiecht, door geene goede Biecht zouden hersteld hebben. De herinnering aan deze waarheid is een krachtig middel om alle schaamte bij de Biecht te overwinnen. (Vgl. 35stc Les, 448te V., bl. 368 , 369).

Ten 2lle, dat de Rechter, Jesns Christus, (vgl. 12,lc Les, lste V.), die nu tijdens dit leven, voor een ieder ook voor den groot-

ocr page 527

523

sten zondaar, grenzeloos barmhartig is, en alwio Hem rouwmoedig om vergeving smeekt in genade ontvangt, dan nl., als „de dag van gramschapquot; voor een ieder in 't bijzonder onmiddellijk na zijn dood, en voor allen gezamenlijk in den laatsten oordeelsdag is aangebroken, onbeweeglijk zal zijn, d. w. z., zioh niet meer tot barmhartigheid zal laten bewegen, noch door bidden en smeeken van den zondaar, die ten oordeel staat, noch door de voorspraak van anderen , zelfs niet van Maria, de Moeder van Barmhartigheid voor allen; die vóór hun dood hare alvermogende voorspraak inroepen, want de tijd zoowel van boetvaardigheid als van barmhartigheid eindigt voor den zondaar met den dood. Er zal geen tijd meer voor zijn. {vgl. Openb. v. d. B. Joan. X. 6.) Maar dan zal het strafgerecht, Gods strenge rechtvaardigheid zich alleen doen gelden. Dat God ons deze waarheid te voren heeft bekend gemaakt, is een nieuw bewijs van zijne overgroote barmhartigheid opzichtens eiken zondaar, en voor iedereen eene opwekking en dringende aanmaning te meer om toch bijtijds de middelen aan te wenden om een genadig oordeel te bekomen. (Vgl- bl. 96.)

Men zou zeggen dat Thomas van Kempen dit punt heeft willen uitleggen, toen hij schreef (T. a, p., hfst. XXIV, n. 1.) „ Zie in alle zaken op het einde, en hoe gij voor den strengen Rechter staan zult, wien niets verborgen is : die door geschenken niet bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar zal oordeelen volgens hetgeen recht is.

„O allerongelukkigste en dwaze zondaar! Wat zult gij antwoorden aan God, die al uw kwaad kent: gij, die soms het aanschijn vreest van een toornig mensch ?

„Waarom draagt gij geen zorg voor u zeiven tegen den oordeelsdag, waarop niemand door een ander zal kunnen verontschuldigd of verdedigd worden; maar een ieder zich zeiven genoeg tot last zal zijn ?

„Nu is uw moeite vruchtbaar , uw geween aanneembaar,

ocr page 528

524

uw zuchten verhoorbaar, en strekt nw berouw tot voldoening en zuivering.quot;

En ten S'1', dat het vonnis onherroepelijk zal zijn, d. i., onveranderlijk , zonder hooger appèl, of hoop op gratie voor den verdoemde. Hier dient de V. herhaald :

Welk vonnis zal Christus in het oordeel uitspreken ?

Hij zal de goede menachen , d. i., degenen , die in staat van gratie gestorven zijn, met groote liefde tot zich roepen: Komt gij gezegenden mijns Vaders, en hun den hemel geven.

Bezit het Koninkrijk, dat.....; maar de boozen, d. i., degenen,

die in staat van doodzonde gestorven zijn , zal Hij met groote gramschap van zich naar de eeuwige verdoemenis jagen : Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwig vuur.... • (Vgl. 12de en 44quot;quot; Les , 83tc V.)

Christus, de alwetende, rechtvaardige rechter, zal één van

die twee vonnissen over een ieder onzer, over mij, over u____

in het oordeel uitspreken. Eenmaal uitgesproken, valt er niets meer aan te veranderen, is er niets meer aan te doen; want het vonnis zal onherroepelijk zijn.

Vreeselijk vonnis, dat over mijne eeuwigheid beslist t Eenwig gelukkig, of eeuwig ongelukkig. „Allerzoetste Jesus, wees voor mij niet Eechter, maar Zaligmaker!quot; „ Mijn Jesus, barmhartigheid !quot;

8 V. Wat zullen de verdoemden in de hel lijden?

A. Ten 1. De onbegrijpelijk; zware berooving van het Goddelijk aanschijn ; ten 2. de knaging van het geweten; ten 3. het derven van al hetgeen hen eenigszins zou kunnen troosten; ten 4. den brand van het smartelijk en onuitbluschbaar vuur; en ten 5. bovenal de ellendige eeuwigheid.

In dit A. noemt de Catechismus vijf straffen op, welke de

ocr page 529

525

verdoemden, d. i., degenen, die in staat van eene dadelijke doodzonde gestorven zijn, in de hel zullen lijden.

Ten le de onbegrijpelijk zware beroomng van het Goddelijk aanschijn, d. w. z., deberooving van God aanschijn tot aanschijn, gelijk Hij is, te mogen aanschouwen. In dit aanschouwen van Gods aanschijn bestaat het grootste geluk der zaligen (9' V.) De berooving van dit onbegrijpelijk groot geluk is de grootste straf der verdoemden in de hel. Daarom ook wordt deze straf ter onderscheiding van de vier volgende, bij uitnemendheid de pijn van schade genoemd, d. w. z., van berooving, het verlies van het hoogste geluk, het niet bereiken maar verstoken blijven van het einddoel, waartoe God ons menschen geschapen heeft, nl. , om Hem hierna eeuwig te aanschouwen (le Les, 9 V.), en in dit aanschouwen Gods alle goed te genieten. Die berooving van het Goddelijk aanschijn noemt de Catechismus terecht eene onbegrijpelijk zware, omdat zij ons menschelijk begrip of verstand hier op aarde te boven gaat. Wij kunnen hier op aarde de zwaarte dier straf niet begrijpen. Met behulp van deze of gene vergelijking kunnen wij ons eenig , altijd onvolmaakt, denkbeeld vormen van de zwaarte dier straf; ze begrijpen kunnen we in dit leven niet. Hooren we, b.v., Absalom, den ontaarden zoon van David, na ondergane ballingschap in Gessur, tot Joab zeggen: Waarom ben ik uit Gessur teruggekomen P Het was mij beter, draaglijker daar te verblijven, dan hier het aanschijn van mijn Koning en Vader langer te moeten derven. Ik bid u dus: Zorg er voor, dat ik des Konings aanschijn moge zien! Zoo niet — dat hij mij dan liever doe ter dood brengen , doe sterven. (Vgl. 2,le B. der Kon. XIV.)

Uit deze geschiedenis kunnen wij nu wel met grond besluiten : viel het Absalom zoo zwaar beroofd te zijn van het aanschijn van zijn vader David; — dan moet het den verdoemden in de hel onvergelijkelijk veel meer zwaar vallen voor eeuwig beroofd te zijn van het Goddelijk aanschijn! Maar verder kunnen wij het niet brengen, omdat voor ons

ocr page 530

526

menschen hier op aarde het niet aanschouwen van Gods aanschijn louter een gemis, en geene berooving is. Zeg tot een blindgeborene ; Hoe verrukkend is toch de aanschouwing der natuur in al hare kleuren en schakeeringen. Hij begrijpt er niets van. Zeg hetzelfde aan iemand, die op rijpen leeftijd blind is geworden, van't gebruik zijner oogen beroofd is. Hij zal weeklagend antwoorden : ja, maar dat genot kan ik nimmer meer genieten! Hij zal, gelijk Tobias, de grootte en zwaarte van de berooving van 't gebruik zijner oogen gevoelen en beseffen. „Wat vreugde kan mij overkomen, die in duisternis zit, en het licht des hemels niet zie Pquot; (Tob. V. 12.;

Gelijkerwijs is het gesteld met de verdoemden ; na hot oordeel erkennen en gevoelen zij duidelijk, dat zij bestemd waren om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, en in God alle goed te genieten ; zij verlangen ten sterkste God door het licht der glorie te zien, smachten naar die bron van volkomen geluk; maar door eigen schuld zijn zij er voor eeuwig van beroofd. „Gaat weg van mij, gij vervloektenquot;, nooit of nimmer zult gij mijn zaligmakend aanschijn genieten! Alzoo de eerste en grootste straf, welke de verdoemden in de hel lijden, is de voor ons onbegrijpelijk zware berooving van het Goddelijk aanschijn.

Behalve de pijn van schade lijden de verdoemden in de hol nog de pijn van gevoel. Deze pijn wordt door de drie volgende straffen nader verklaard. Want

Ten 2e, lijden de verdoemden , in de hel de knaging van het geweten , m. a. w. , de zelfverwijting, dat zij zoo gemakkelijk hadden kunnen gelukzalig worden , en nu door eigen schuld verloren, rampzalig zijn. Door die knaging des gewetens worden de verdoemden in de bel onophoudelijk, voortdurend gefolterd. Immers van die knaging is volgens den H. Thomas van Aquine, in figuurlijken zin te verstaan wat bij den H. Evangelist Marcus (IX, 45) geschreven staat: daar sterft hun worm niet. Hoe kwellend die knaging wezen

ocr page 531

527

zal, is af te leiden uit het V hfdBt. van het Boek der wijsheid, waar het onderscheid beschreven wordt tnsschen het lot der rechtvaardigen, en het lot der goddeloozen onmiddellijk nadat Christus het onherroepelijk vonnis in het oordeel over beiden zal geveld, uitgesproken hebben. „ Alsdan, — zoo lezen wij onder meer t. a. p. — zullen de gerechtigen met groote vrijmoedigheid daar staan tegenover degenen die hen verdrukten, en die hunne werken (al wat zij gedaan en ondergaan hebben om tot de eeuwige gelukzaligheid te geraken) verijdeldenquot; , d. w. z., als ijdel en dwaas uitkreten, (v. 1.) „Berouwhebbende (enkel om de verdiende straf) en van zielsbenauwdheid zuchtende , zullen zij (die goddelooze spotters) onder zich (tot elkander) zeggen : Dezen zijn het , die wij eertijds uitlachten en tot een voorwerp maakten van ons spotlied, (v. 3.) Wij dwazen, wij hielden hunnen levenswandel voor uitzinnigheid, en hun uiteinde zonder eer. (v. 4.) Zie eens, hoe zij thans gerekend worden onder de kinderen Gods, en hoe hun lot onder de heiligen is! (v. 5.) Wij waren dan afgedwaald van den weg der waarheid (van den eenen waren weg tot geluk en zaligheid, nl., den weg van godsdienst en deugd), en het licht der gerechtigheid bestraalde ons niet (wij verkeerden door onze eigen schuld in de duisternissen der ongerechtigheid), en de zon des verstands ging niet voor ons op. (v. 6.) Wij hebben ons afgemat op den weg der ongerechtigheid en des verderfs en moeilijke wegen bewandeld, maar den weg des Heeren (die ons door den Heer onzen God was voorgeschreven, nl., den weg van godsdienst en deugd) hebben wij (practisch) niet gekend (niet bewandeld v. 7.) Wat nu deed ons die hoogmoed , of welk voordeel bracht ons het pochen op onzen rijkdom aan P (v. 8.) Voorbijgegaan is dat alles (al onze grootspraak , rijkdom , vermaak , genieting der wereld enz.) „voorbijgegaan als eene schaduw.quot; (v. 9.)

Kortstondig is 't verblijden ,

Eeuwig het lijden.

Teti 3lt;le, derven de verdoemden in de hel al hetgeen hen eenigs-

ocr page 532

528

zins zou kunnen troosten, d. w. z., zijn beroofd van allen troost. Zij kunnen zelfs bij God geen troost meer vinden. God is de vader der erbarmingen , en de God van alle vertroosting (vgl. 2^ Br. aan de Korinth. I, 3), maar niet voor de verdoemden. Eenmaal voor altoos heeft Hij hen gevloekt; voor hen geen barmhartigheid meer , geene vertroosting ; zij ondergaan de gestrengheid zijner rechtvaardigheid en welverdiende wrake. Bijgevolg kunnen de verdoemden in de hel ook geen troost meer vinden bij Maria, „de troosteres der bedruktennoch bij eenig ander Heilige of zalige, niet eens bij degenen, die vroeger met hen in de nauwste betrekking stonden door bloedof aanverwantschap of welken band van liefde ook. Want de zaligen erkennen de rechtvaardigheid van het eens voor altijd over de verdoemden gevelde vonnis, waardoor deze geen deel meer met hen kunnen hebben in de hemelsche glorie, en dus hunne evennaasten ook niet meer zijn. (Vgl. 218If Les , 7lk' V.) Derhalve kunnen de verdoemden ook vanwege de zaligen geen troost meer verwachten, 't Behoeft niet eens aangetoond, dat de duivelen hunne slachtoffers geenszins troosten, maar voor hen oorzaak zijn van meerdere folteringen. Van hunne medeverdoemden kunnen zij evenmin eenigen troost verwachten, en wel allerminst van degenen , die hier op de wereld voor hunne vrienden doorgingen, omdat ze onder den valschen naam van vriendschap in hunne zonden deelnamen ; want, bespotten , verwenschen en vervloeken de verdoemden in de hel zich onderling, dan zeker wel allermeest degenen, die de oorzaak , de schuld zijn van hun eeuwig verderf, die hun het kwaad geleerd , er toe verleid , overgehaald hebben.

Wee dus bijzonder den ergenisgever 1... Zelfs die troostreden , welke men een verstokten zondaar wel eens hoort aanhalen: „als ik om die zonde van onkuischh jid enz., naar de hel ga, dan zal ik er toch niet alleen zijn,quot; is dus zoo valsch mogelijk, en 'teenig antwoord dat iemand verdient, die zich hier met die gedachte troost, is: des te erger voor u.

ocr page 533

529

Dit blijkt bovendien nit het soort van menschen,quot; die het rijk Gods (den Hemel) niet zullen bezitten, maar naar de hel gaan. „Of weet gij niet — mag men zoo iemand in navolging van den H. Panlns I Kor. VI. 9. 10. vragen — dat onrechtvaardigen het rijk Gods niet znllen erven ? Misleidt u niet.quot; Want verder zullen tot uw gezelschap behooren : „ onkuischen, afgodendienaars, overspelers, wellustelingen, ontuchtigen, dieven, gierigaards, dronkaards, kwaadsprekers, roofzuchtigen god-lasteraars , heiligschenners, enz. enz. Kortom: de laagste en gemeenste klas van mensohen, die er onder zedelijk oplicht bestaan hebben of zullen bestaan. Zulk gezelschap dient blijkbaar niet tot troost.

Maar blijft dan den verdoemden in de hel die troost niet over, dat ze hun wil en lusten kunnen involgen , voldoen P Neen. Ook dien troost, als het involgen van eigen wil, of het voldoen zijner lusten , ooit den naam van waren troost verdient, moeten ze derven. Want al wat zij verlangen wordt hun geweigerd , en in elk hunner zintuigen, waarvan zij tijdens hun leven misbruik hebben gemaakt, worden ze gestraft en gefolterd. Hier mag gelden hetgeen geschreven staat in 't Boek der Wijsheid, XI. 17 , „ dat men gestraft wordt waardoor men gezondigd heeft.quot; De verdoemden in de hel lijden dus ten 3lle het derven nan al hetgeen hen eenigszins zou kunnen troosten.

De verdoemden in de hel lijden ten 4at den brand van het smartelijk en onuithlmchbaar vuur.

Het vuur der hel is een waarachtig stoffelijk vuur. Eenparig toch verstaan de katholieke Godgeleerden de volgende en andere soortgelijke woorden van Christus : „Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuurquot; enz. in letterlijken zin van waar en stoffelijk vuur. Alhoewel de H. Kerk ons deze leering niet als een punt van ons H. Geloof voorstelt, moeten wij ze nochtans als eene stellige en onbetwistbare waarheid aannemen , dewijl zij in de H. Kerk algemeen aangenomen wordt. Degenen die deze waarheid hardnekkig

ocr page 534

530

zouden loochenen, dus beweren, dat in de hel geen waar vuur is, maar dat het woord : vuur, in fignnrlijken zin te verstaan is om aan te duiden, dat de straffen der hel verschrikkelijk groot zijn, mogen niet geabsolveerd worden; hun mag de Biechtvader de H. Abpolutie niet geven. Zóó heeft de H-Poenitentiarie te Eome beslist 30 April 1890.

De almachtige God heeft aan het vuur der hel bijzondere hoedanigheden gegeven, welke noodig zijn tot het einde waartoe Hij het bestemd heeft. O. a. dat het onstoffelijke wezens kan pijnigen ; immers het is bereid voor den duivel en zijne engelen, die geschapen zijn als zuivere geesten, die geen lichaam hebben. (7lle Les, 6,Ie V.) Reeds hieruit kan men afleiden, dat het ook de zielen der verdoemden vóór den laatsten oordeelsdag, van hunne lichamen gescheiden, als werktuig van Gods wraak kan pijnigen, folteren. Verder is het eene eigenaardigheid van het vuur der helle , dat het zijne brandstof, de verdoemden, vreeselijk brandt, maar niet verteert, niet verbrandt, en ouuitbluschbaar is, niet kan uitgedoofd of gebluscht worden. In dien zin leert dan ook de Catechismus , dat de verdoemden in de hel ten 4'le lijden den brand van het smartelijk pijnigend en omiithluschbaar vuur. (Vgl. Marc. IX, 45.)

En ten 5''«, bovenal de ellendige eeuwigheid. — In eeuwigheid, zonder einde, voortdurend, altijd, altoos, zonder eenige hoop of vooruitzicht op verlossing, de uitgelegde pijnen van schade en gevoel ondergaan, is het toppunt van ellende! Grootere ellende is niet denkbaar ! Daarom zegt de Catechismus zeer terecht; Bovenal de ellendige eeuwigheid! als zeide hij m. a. w.: het ellendigste van al wat de verdoemden in de hel zullen lijden is , dat de pijn van schade en van het eeuwige vuur nimmer of nooit zal eindigen , ja zelfs niet verminderd of onderbroken worden. Na honderd, na duizend, na honderd duizend , na millioenen , na duizend millioenen jaren zal dit hun lijden nog altoos en immer even groot zijn als op het

ocr page 535

531

eerste oogenblik, waarop ze in de hel neerstortten. Bovenal ellendige eeuwigheid in de hel!

Alwie met éenigen ernst de vijf hier opgenoemde straffen der hel heeft overwogen, zal met mij wel moeten beslniten: Wat is eene doodzonde dan touh een ontzettend kwaad! Wat overgroote boosheid ligt er in opgesloten, doordien een uit zijn aard goede, barmhartige God, krachtens zijne heiligheid en rechtvaardigheid, alwie ook maar in staat van ééne doodzonde sterft, tot die ellendige eeuwigheid moet verwijzen!

Alwie, terwijl hij die straffen met mij naging, in zijn hart moet getuigen; Ik ben nu in staat van doodzonde, moet verder, als hij nog eenig geloof heeft en zijn gezond verstand gebruikt, het vaste besluit maken om toch dadelijk een volmaakt berouw af te smeeken, en zoodra mogelijk eene goede Biecht te spreken, waardoor wij vergiffenis der zonden, en minstens kwijtschelding der eeuwige straffen verkrijgen (vgl. 35e Les, 31, en 20 — 23° V.), in het recht op den Hemel, in de zoete hoop op het geluk der zaligen hersteld worden.

9 V. Wat is hef grootste geluk der zaligen ?

A. Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten.

Door de vraag: Wat is het grootste geluk der zaligen P wil de Catechismus ons te verstaan geven, waarin de hemel-sche glorie, het geluk des hemels wezenlijk bestaat; w-elk geluk alle Engelen, Heiligen en Zaligen gemeen hebben. En zijn antwoord luidt: Het grootste , m. a. w., het wezenlijk geluk der zaligen bestaat in Gods aanschijn te aanschouwen, d. w. z., in God door het licht der glorie te zien van aanschijn tot aanschijn (I Br. aan de Kor. XIII. 12) gelijk Hij is in zich zeiven; in Gods wezen te aanschouwen en God te zien in al zijne volmaaktheden (I Br. v. d. H. Joan. III. 2.) en dus in God alle goed te genieten, alle goed te bezitten wat ons hart begeeren , wat ons volkomen gelukkig maken , ver-

ocr page 536

532

zadigen kan. „ Heerequot;, zegt David, (Pa. XVI. v. 15.) „ door gerechtigheid zal ik voor uw aanschijn verschijnen, verzadigd worden, als awe heerlijkheid zich vertoonen zalquot;.

De woorden en de zin van dit Antw. van den Catechismus zijn duidelijk genoeg; maar de zaak er door aangeduid : het wezenlijk geluk der zaligen, gaat alle mensehelijk verstand op aarde verre te boven.

Het ia er mede gelegen, gelijk er geschreven staat (/sa. LXIV. 4., I» -ffr. aan de Kor. II, 9.): Geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geen menschenhart ia opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem liefhebbenquot;. „Zeer geliefden! zegt in gelijken zin de H. Apoatel Joannes (T. a. p.), nu, in dit leven, zijn wij alreeds waarlijk aangenomen kinderen Gods , en wat wij, eenmaal, in het andere leven zijn zullen, m. a. w., de onbegrijpelijke gelukzaligheid, die ons voorbereid is in den hemel, indien wij ona hier als kinderen Gods gedragen, is nog niel openbaar geworden?' Inmiddels „ welen wij uit de kennis, welke het geloof ons geeft, dat, wanneer hel openhaar zal zijn , wij gelijkvormig zullen zijn aan Hem, wiens rechtgeaarde kinderen wij ons op aarde toonden; dat wij op God zullen gelijken in gelukzaligheid; dat wij in zijn volmaakt geluk zullen deelen , omdat wij Hem door het licht der glorie zullen zien gelijk Hij isquot; in zich zeiven, in al zijne goddelijke schoonheid en andere volmaaktheden, die alle mogelijk, denkbaar goed in zich bevatten; en dus zullen we in dit aanschouwen Gods ook eeuwig alle goed genieten.

Maar vraagt, wellicht iemand uwer; Wat wil dat zeggen: God door het licht der glorie zien P

Op die vraag antwoord ik ten 1quot;. Niemand ter wereld kan met volkomen zekerheid zeggen, wat het beteekent, God door het licht der glorie aanschouwen, zien. Dit antwoord is een onmiddellijk gevolg van hetgeen we zoo even zeiden, en door de woorden van de HH. Apostelen Paulns en Joannes bewezen; nl., dat het wezenlijk geluk der zaligen alle mensehelijk begrip op aarde te boven gaat. Zeide diens-

ocr page 537

533

volgens de groote H. Angustinns te recht: „ Het is gemakkelijker te zeggen, wat in den hemel niet is , dan wat daar wel isquot;, — dan antwoord ik op de gestelde vraag :

Ten 2C. God zien door het licht der glorie wil niet zeggen, a) Gods aanschijn aanschouwen met de oogen des lichaams, met onze lichamelijke oogen. Want God is een ongeschapen geest (5= Les, 3 V.), en kan dns door geene stofielijke oogen gezien worden, evenzoo min als de Engelen, die zuivere, maar geschapen geesten zijn (7e Les , 6e V.), of 's menschen ziel, die ook een geschapen geest is. (le Les, 8e V.)

Bovendien, als onze lichamelijke oogen noodig waren om God in den hemel te zien, dan zouden wij Hem niet kunnen aanschouwen voor den laatsten dag des oordeels, waarop de verrijzenis des vleesches, of van alle menschen zal geschieden. (16,le Les, 12'lc Vr.) Immers dan eerst zullen wij onze oogen terugontvangen. En toch weten wij door het Geloof, dat de zielen dergenen , die in de liefde Gods sterven, en niets meer te boeten of te zuiveren hebben, onmiddellijk naar den hemel gaan, Gods aanschijn aanschouwen. (17Jc Les, 4Je V.).

b.) God zien door het licht der glorie wil niet zeggen. Hem zien alleen door de natuurlijke krachten van ons verstand, of, gelijk men wel eens zegt, met de oogen van ons natuurlijk gezond verstand. Hier op aarde kunnen wij door het licht onzer rede of van ons natuurlijk gezond verstand het bestaan van God en eenige zijner eigenschappen kennen, om zoo te zeggen. God zien in zijne werken, zijne schepselen; maar de natuurlijke krachten des verstands alleen zijn volstrekt onvoldoende, onbekwaam, om God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen, Hem te zien gelijk Hij is in zich zeiven. Bloot natuurlijke krachten kunnen het bovennatuurlijk Wezen Gods niet aanschouwen.

c.) God zien door het licht der glorie, Gods aanschijn aanschouwen, gelijk de zaligen in den hemel, wil niet zeggen. God zien door de oogen des Geloofs. Door het licht des

C. 34

ocr page 538

534

Geloofs kennen en zien we God zeker veel beter , meer van nabij dan alleen door de oogen des verstands. Immers het Geloof wordt een licht genoemd, omdat het ons natunrlijk verstand verlicht om de waarheden des Geloofs, God zeiven en het Goddelijke, al wat door God geopenbaard is, te kennen en zoo vast te gelooven alsof wij het met onze oogen zagen, ja nog vaster, omdat ons gezicht ons kan bedriegen , maar het ware Geloof nooit of nimmer. (Vgl. 3(le Les, 3'le en 7'I* V.)

De H. Paulas zelf leert ons , dat er een overgroot verschil bestaat tusschen God zien in dit leven door de oogen des Geloofs en God zien gelijk de zaligen Hem aanschouwen in den hemel. Thans, zegt hij, zien wij God en het Goddelijke als door een spiegel, eigenlijk door een venster, in een raadsel, d. w. z., flauw en duister, maar dan, nl., als wij in den hemel komen, zullen wij God klaar en duidelijk zien van aanschijn tot aanschijn, gelijk hij is in zich zeiven, en Hem kennen in zóó ver een geschapen verstand het oneindig Wezen Gods kan kennen.

Werd op de 3'^ V. van de 3ste Les (bl. 26) het licht des geloofs eene helderachijnende zon genoemd in vergelijking met het flauw lieht des verstands, gelijkend op het licht van een nachtpitje; dan moeten wij nu het licht des geloofs in vergelijking van het licht der glorie een flauw, duister, nevelachtig licht noemen, gelijk aan dat der maan of eener opkomende zon, en het licht der glorie een helderachijnende middagzon, die door haar licht allen nevel wegneemt en alles door haar gloed verwarmt.

Vraagt ge nu verder: Maar wat wil het dan wel zeggen: God door het licht der glorie aanschouwen ? Wat is toch dat licht der glorie? dan moet ik mijn eerste Antw. herhalen. Niemand ter wereld kan het u met volkomen zekerheid zeggen. Want het heeft Gode niet behaagd ons dit te openbaren. Hij heeft die kennis en het genot van Hem door dat licht te

ocr page 539

535

zien gelijk Hij is in zich zeiven, den zaligen in den hemel voorbehonden.

Ik weet dus niet beter te doen dan ten 3 lf te antwoorden : Volgens de meening van den grootsten der Godgeleerden, van den H. Thomas van Aqnine, is het licht der glorie eene geschapene hoedanigheid, eene bovennatunrlijk verstandelijke kracht, die God het verstand der zaligen voor eenwig instort , en die hen in staat stelt, bekwaam maakt God metterdaad van aanschijn tot aanschijn te zien, zijn goddelijk Wezen te aanschouwen gelijk het in zich zeiven is.

Hopen we eenmaal, in het andere leven te ondervinden wat het zeggen wil: God door het licht der glorie eeuwig te aanschouwen, en in God, door dat licht aanschouwd, alle goed te genieten. „ Alwie, zegt de H. Joannes t. a. p. v. 3, deze hoop op Hem, op Gods goedheid jegens ons, zijne kinderen, op zijne almacht en getrouwheid in zijne beloften gegrond heeft, die heiligt zichquot; volgens het voorbeeld en de leering van Christus. M. a. w., alwie deze hope heeft, en ze eenmaal verwezenlijkt wil zien, moet bijgevolg zorgvuldig de zonden vluchten, en ijverig de deugd oefenen, in één woord: de christelijke Rechtvaardigheid onderhouden. {Vgl. 39e Les, le en 2e V.)

Omdat het geloof een vaste grond is van dingen die vooral in het andere leven te hopen zijn, een bewijs voor zaken die in dit leven niet gezien worden (Vgl. Br. van de Ilehr. XI. 1.), zullen Geloof en Hoop in den Hemel ophouden, vervangen worden door Gods aanschijn te aanschouwen en in God alle goed te genieten. Wat de zaligen door het licht der glorie zien, behoeven zij niet meer te gelooven; het opperste goed , dat zij door het licht der glorie voor eeuwig bezitten, behoeven zij niet meer te hopen; maar de liefde vervalt nooit. En ook daarom is de liefde de voornaamste der drie goddelijke deugden. (Vgl. 4quot;iie Les, 8e V.) Omdat de zaligen in den hemel door het licht der glorie God zien in al zijne schoonheid en volmaaktheid en dus in God alle goed genieten, beminnen

ocr page 540

536

zij Hem ook noodzakelijkerwijs. Men zou eerder zich nabij een onmetelijk vuur kannen plaatsen zonder deszelfs hitte te gevoelen, dan God zien, zooals Hij is in zich zeiven, zonder door de goddelijke liefde ontvlamd te worden. Bijgevolg is de liefde, waarmede de zaligen God beminnen, eene noodzakelijke daad; d. i., eene daad , waarvan zij zich niet kunnen onthouden, zooals wij , gebrekkige stervelingen, dit hier op aarde kunnen doen. Want wij zien God slechts, zooals Hij zich in de schepselen en door het flauw, duister licht des Geloofs, aan ons vertoont, en met deze onvolmaakte kennis kunnen wij onze liefde aan God onthouden. God e onze liefde weigeren of onttrekken, onze liefde aan de schepselen wijden, of ze als tusschen God en eenig schepsel verdeelen. Niet alleen kunnen , maar helaas ! doen wij dit maar al te zeer, en al te dikwijls, niettegenstaande het licht des geloofs, gevoegd bij het licht des verstands , ons zoovele en krachtige beweegredenen aangeeft om God bovenal en onze evennaasten en alle schepselen om God te beminnen, lief te hebben. Zoo is het niet in den Hemel! Daar zien de gelukzaligen God door het licht der glorie van aanschijn tot aanschijn, gelijk Hij is in zich zeiven, en omdat zij Hem daar zien gelijk Hij is , genieten ze in Hem alle goed, en kunnen of willen zij niet anders dan Hem met volmaakte liefde beminnen, zoolang God God zal zijn, in eeuwigheid, zonder einde.

Alzoo, het grootste, het wezenlijk geluk aller zaligen is: door het licht der glorie Gods Wezen onmiddellijk te aanschouwen, in God alle goed te bezitten, te genieten, en God eindeloos te beminnen, zonder vrees nog ooit door eenige zonde zijne liefde te verliezen of daarin ooit te verflauwen!,

Trachten wij hier steeds meer en meer in de kennis Gods toe te nemen; beminnen wij God bovenal, en alle en alles om God; toonen wij die liefde door Gods geboden tot het einde onzes levens getrouwelijk te onderhouden, en wij zullen het laatste einde bereiken, waartoe wij geschapen zijn, nl., om God hierna eeuwig te aanschouwen, te bezitten en te

ocr page 541

537

beminnen; (Vgl. Ie Les, 9C en lO V.) wij zullen in het grootste geluk der zaligen deelen : Gods aanschijn aanschouwen en in God alle goed genieten. God immers wordt ons opperste goed genoemd , omdat wij in het bezit van God, alleen volkomen gelukkig kunnen zijn. (5e Les, 10« V.)

10 V. Zullen alle zaligen in heerlijkheid en alle verdoemden in straf gelijk zijn ?

A. Neen; maar ieder zal naar verdiensten verheerlijkt of gestraft worden.

De laatste V. van den Catechismus moet duidelijkheidshalve in twee deelen gesplitst worden.

1. Zullen alle zaligen in heerlijkheid gelijk zijn ? M. a. w.: Is de zaligende aanschouwing Gods niet in alle gelijk ? Zullen alle zaligen door het licht der glorie God niet even klaar en duidelijk aanschouwen P Zullen allen in God te aanschouwen niet in gelijke mate , evenveel alle goed genieten ?

A. Neen. Het is een punt van ons H. Geloof, dat in den Hemel een ieder, die, tot de jaren van verstand gekomen in de liefde Gods gestorven is, naar zijne persoonlijke verdiensten, die hij tijdens zijn leven door de hulp der goddelijke genade vergaderd heeft, zal verheerlijkt, beloond worden.

Alle zaligen, ook de kleine kinderen , die, na het Doopsel ontvangen te hebben, gestorven zijn vóórdat ze tot de jaren van verstand gekomen waren, zullen wel door het licht der glorie Gods aanschijn aanschouwen, en in God alle goed genieten , maar zij , die na het gebruik hunner rede gestorven zijn, zullen niet allen gelijkerwijs, niet allen oven klaar en duidelijk Gods aanschijn aanschouwen, niet allen in dezelfde maat in de zaligende aanschouwing deelen; maar ieder zal naar zijne terdiensten verheerlijkt worden. Zegt uw gezond verstand, door het geloof voorgelicht, niet overluid , dat, b.v., de H. Maagd en Moeder Gods Maria, de H. Joseph, de H. Joannes Evangelist, de leerling, dienjesus

ocr page 542

538

liefhad, de H. Aloysins ... door hunne uitstekende heiligheid, verdiend hebben in heerlijkheid verre verheven te zijn, b.v., boven den goeden moordenaar ? dat zij verdiend hebben de zaligende aanschouwing Gods meer innig te genieten, Gods Wezen door het licht der glorie veel klaarder en duidelijker te zien , en in hooger mate in God alle goed te genieten, dan die zaligen , welke in hun leven weinig goede werken beoefend hebben, misschien eerst op hun sterfbed rechtzinnig bekeerd zijn? Wat de rede in deze als billijk en rechtmatig aanduidt, bevestigt het geloof. In zijne afscheidsrede tot zijne leerlingen , zeide Jesus : „ In het huis mijns Vaders zijn vele woningenquot; (Joan. XIV. 2.)

Waarom sprak Jesus die woorden F De H. Augustinus en de H. Paus Gregorius de Groote antwoorden: Omdat de eene heiliger is dan de andere; omdat niet allen evenveel verdiensten vergaderen op aarde, en dus ook niet allen een even groot loon verdienen in den hemel. Dus juist om ons te leeren , dat in den Hemel ieder naar verdiensten zal verheerlijkt worden. Immers het valt niet te betwijfelen, dat de rechtvaardige Eechter van levenden en dooden een iegelijk zal vergelden naar zijne werken. Want de Zoon des men-schen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders met zijne engelen, en dan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijne werken. [Matih. XVI, 27.)

Alle zaligen zullen dus niet gelijk zijn in heerlijkheid en gelukzaligheid naar de ziel, en derhalve ook niet naar het lichaam. Hoort hoe de H. Paulus ons dit punt door eene gelijkenis opheldert. „ Eene andere, zegt hij (I Br. aan de Kor. XV. 41 en 42), is de heerlijkheid der zon, eene andere de heerlijkheid der maan, en eene andere de heerlijkheid der sterrenquot;, die ook wederom in glans en luister van elkander onderscheiden zijn; „Want de eene ster verschilt in heerlijkheid van de andere. Zoo is het ook met de verrijzenis der doodenquot;.

Maar, zal wellicht iemand vragen, acht gevend op eene

ocr page 543

539

kwaal, die in deze wereld algemeen heerseht in alle standen der maatschappij, zelfs tnsschen broeders en znsters van een en hetzelfde huisgezin, — maar, zullen dan de zaligen, omdat zij niet allen in heerlijkheid gelijk zijn, elkaar niet benijden ? Zal de groote verscheidenheid in heerlijkheid onder de zaligen geen afgunst verwekken P

Ik antwoord beslist: Neen. Want 1». kon er in den Hemel tnsschen de zaligen afgunst bestaan , dan was de Hemel de Hemel niet meer; dan was de Hemel niet meer de plaats waarin voor eeuwig alle goed huisvest en waaruit alle kwaad voor eeuwig is buitengesloten. Dan zou in den Hemel eigenlijk niemand gelukkig kunnen zijn; want de laagsten zouden het geluk benijden van hen die een weinig hooger in heerlijkheid verheven zijn; deze zouden op hunne beurt afgunstig zijn op het geluk van hoogeren, en zoo in opklimmende rij tot de hoogsten toe, terwijl de hoogsten het geluk der H. Maagd zouden benijden ! ... De ongerijmdheid, onzinnigheid, dwaasheid, waartoe men moet vervallen, indien men ook maar de mogelijkheid aannam, dat er in den Hemel tnsschen de gelukzaligen afgunst kan bestaan, geeft reeds een voldoend antwoord op de gestelde vraag, en eene afdoende reden om met zekerheid te verklaren : In den Hemel bestaat, ja kan geene afgunst bestaan tnsschen de zaligen onderling, hoe verschillend of onderscheiden zij ook zijn in heerlijkheid. Want

2». Iedereen weet, dat hij beloond en verheerlijkt is naar zijne persoonlijke verdiensten.

Iedereen is daarom in den Hemel met zijn eigen graad van glorie of heerlijkheid volkomen tevreden, omdat deze overeenkomt met zijne verdiensten, juist volgens de maat zijner verdiensten is en dus juist voor hem past. De H. Augustinus heldert ons dit door eene allernaïefste vergelijking op. Het is daarmede, zegt hij, als met een grooten man en een kleinen jongen, die beiden een pak van hetzelfde kostbare laken dragen. Het pak is voor beiden naar hun genoegen juist van pas gemaakt. De kleine jongen is niet afgunstig, noch

ocr page 544

540

ongelukkig, omdat voor den grooten man meer laken gebruikt is dan voor hem en hij zou voorzeker met hem niet van pak willen ruilen. Zoo is het ook in den Hemel. Iedereen is daar tevreden met zijn eigen graad van glorie, omdat deze juist voor hem past. Ja niet slechts zijn de laagsten zonder afgunst, en volkomen tevreden met hun graad van glorie , maar zij verheugen zich zelfs over den hoogeren trap van glorie welken anderen bereikten. Want zij zien, dat degenen, die de glorie des Hemels in hoogeren graad genieten, dien verdiend hebben door de deugd en goede werken op aarde volmaakter te beoefenen dan zij het deden , en God dus een ieder naar verdiensten verheerlijkt.

De hier verklaarde waarheid, dat niet alle zaligen in heerlijkheid gelijk zullen zijn, maar ieder hunner naar verdiensten verheerlijkt zal worden, moet een ieder onzer opwekken om met allen ernst en ijver de christelijke Hecht vaardigheid te beoefenen, en al wat ieder in zijn staat dagelijks te verrichten heeft, te heiligen, verdienstelijk te maken door dit alles te doen in staat van gratie, en ter eere Gods, met eene zuivere meening. Dit toch is een eenvoudig, voor allen en eenieder passend, zeker middel, om hoog in den Hemel te komen. (Vgl. 43stc Les, V. 7 en 9.)

II. Zullen, zoo luidt het tweede gedeelte der laatste Vr., alle verdoemden in straf gelijk zijn ?

Ook op dit gedeelte der V. moet beslist geantwoord worden; Neen ; want het is ook eene bepaalde geloofswaarheid, dat de straf van alle verdoemden niet gelijk, niet even groot is. Ieder verdoemde zal naar verdiensten, naar gelang hij verdiend heeft, naar de grootte, de minder of meerdere boosheid , en naar de hoeveelheid, het getal der doodzonden, die hij zelt bedreven , of waartoe hij anderen op eenige wijze geholpen heeft, gestraft worden.

Dat het billijk is, dat de rechtvaardigheid Gods eischt, dat ieder verdoemde naar verdiensten gestraft worde, getuigt en de rede en de Christelijke leering eenstemmig.

ocr page 545

541

„De Zoon des menschen, de Hechter van lerenden en dooden) de looner van het goed , en straffer van het kwaad , zal een iegelijk vergelden naar zijne werken'' (Matth. XVI, 29.)

Vragen over de 45stlt;! Les.

1. Wat wordt verstaan door de „vier nitersten des men

schen ?quot; En welke van die vier overkomen alle

menschen ? En voor wie zijn de beide anderen ?

2. Waarom is de overweging dier nitersten het beste

middel om de christelijke rechtvaardigheid te onderhonden P

3. Hoe zal men voordeelig aan die nitersten denken ?

4. Wie znllen op hun sterfbed het meeste angst, wie het

meeste troost gevoelen P

5. Wat zal het oordeel hot vreeselijkst maken P Wat

de hel onnitstaanbaar P

6. Waarom zouden de gelukzaligen niet meer op de wereld

willen zijn P

7. Wat moet ons aansporen, om veel voor den hemel

te verdienen ?

- I----!-

SLOTWOORD.

Bij al uwe werken gedenk uwe uitersten , en in eeuwigheid zult gij niet zondigen. Ecclci. VII. 40.

Denk dikwijls aan het uur van uw dood, waarmede op aarde alles voor u eindigt. Denk dikwijls aan het rechtvaardig en onherroepelijk vonnis, dat J. G. , de Zoon Gods, in het oordeel eenmaal over u zal uitspreken. Denk dikwijls aan de onbegrijpelijk zware en veelvuldige straffen der hel. Denk dikwijls aan de C. 34*

ocr page 546

542

hemelsche glorie, aan de onbegrijpelijk groote, alle begrip te boven gaande gelukzaligheid, u van Godswege in den Hemel bereid voor alle eeuwigheid l En in eeuwigheid zult gij niet zondigen , maar met geheeler ziele u beijveren om in den Hemel een hoogen graad van glorie en heerlijkheid te bereiken. Amen.

lt;0^1 lt;lt;gt;gt;

MORGENGEBED.

Akte van aanbidding en godsdienstigheid.

Mijn Heer. Ik ben uw dienaar (dienares.) Ik moet U dus dienen. Gij zijt mijn Heer en Meester.

Jün mijn God. Ongescliapen Geest, mijn eerste begin en mijn laatste einde; in U alléén kan ik gelukkig zijn , in U alleen ware rust en vrede vinden.

Ik aanbid U. Ik erken U als Heer en Meester van alles.

Opperste majesteit. D. i. : Gij zijt de volmaaktste koninklijke macht, de opperheerschappij. Ik erken ü als den Koning der koningen en den Heer van alles wat er bestaat.

Akte van dankzegging

Ik bedank u voor al de weldaden. De weldaden , die ik van U ontvang, zijn te menigvuldig, o mijn God, om ze afzonderlijk op te noemen, daarom bedank ik U voor alle, maar toch bijzonder dat gij mij dezen nacht bewaard hebt. Dank dus, o mijn God, dat Gij in uwe goedheid en liefde eenen Engel aan mijne zijde hebt geplaatst, om mij met zijne liefdevolle zorgen en waakzaamheid te omringen, en mij voor alle ongelukken naar ziel en lichaam te bewaren.

Opdracht.

Ik offer U op mijne ziel en mijn lichaam en al wat ik bezit. Mijn Heer en mijn God, ziehier mijne ziel en mijn lichaam,

ocr page 547

543

en alles wat ik heb en bezit; doe er mee, wat Gij wilt, beschik er over zooals Gij zult goedvinden, behandel mij hard of zacht, geef of ontneem mij wat Ge goedvindt, zend mij droefheid of vreugde over, vóór- of tegenspoed, ik ben er tevreden mee; alles , o Heer , wat Gij wilt, is mij goed.

Ik draag TJ op alle goede werken, die ik dezen dag zal verrichten. Niet alleen alles, wat ik heb en ben , maar ook alles, wat ik doeu zal, draag ik aan U op, mijn God. Wat zijt Ge goed, dat Ge ook datgene wat ik uit plicht van staat, om den kost te verdienen , toch doen moet, wilt aannemen als voor U gedaan.

Ik wil die doen tot uwe eer en glorie, tot zaligheid mijner ziel. Ja, mijn Jesus, ik wil werken om TJ te vereeren, uwe glorie te verhoogen, en mijne ziel te verrijken voor de eeuwigheid.

Ik maak de intentie om al de ajlaten te verdienen, waaraan ik kan deelachtig worden. (Zoodoende kunnen wij zeker al die aflaten verdienen, ook al kennen wij ze niet alle. Vgl. 15 Les, 11 en 12 V.)

Voornemens.

Ik wil liever duizendmaal sterven dan U te vergrammen. Ja, mijn Jesus , sterven , duizendmaal sterven, liever dan TJ door eene doodzonde te bedroeven, liever dan uw Goddelijk Hart, dat mij zoo teeder bemint, leed aan te doen. Doch dat voornemen moet werkdadig zijn, d. w. z. ; men moet de middelen gebruiken, die noodig zijn, om dat voornemen ten uitvoer te brengen ; en het voorname middel daartoe is het gebed, waardoor men Gods hulp afsmeekt. Daarom laat men er op volgen:

Akte van verzoek.

Barmhartige God, geef mij de genade om dit voornemen wel te volbrengen. Maar niet steunend alleen op ons eigen gebed , denkende, dat dit niet vurig genoeg is, en wij niet waardig zijn om verhoord te worden, roepen wij in alle nederigheid de voorspraak in van onze lieve Moeder Maria, van den H. Jozef en onzen Engelbewaarder en Patronen en eindelijk van

ocr page 548

544

alle Engelen en Heiligen van het hemel ach hof zeggende :

H. Maria , Moeder Gods, bid Toor ons.

H. Jozef, bid voor ons.

ƒƒ. Engelbewaarder, bid voor ons.

11U Patronen of Patronessen N. N.. bidt voor ons.

Alle Engelen en Gods lieve heiligen, bidt voor ons.

Men roept bijzonder den bijstand zijner Patronen of be. schermers in, omdat deze ons in het doopsel door den Priester in naam der Kerk gegeven zijn om ons bijzonder te beschermen en te helpen. (Vgl. 323te Les , 6'1': V.)

Eindelijk bidt men : Dat de Heer ons gelieve te zegenen, tegen alle kwaad te beschermen, en tot het eeuwig leven te geleiden ; en dat de zielen der geloooigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.

Men begint en eindigt met het maken van het teeken des H. Kruises. (Vgl. 2de Les, 7,b2 V.)

Waarom vooral betaamt het een christen mensch 's morgens te bidden ?

Ten l'quot;', om daardoor die groote waarheid te belijden, dat God ons eerste begin en ons laatste einde is.

Ten 2ie, om God de eerstelingen van iederen dag op te dragen.

Ten 3de, om van God den zegen over onze werken en bevrijding van zonden af te smeeken.

Ten 4lie, om zoo al onze werken verdienstelijk te maken.

AVONDGEBET).

Het begin is hetzelfde als van het morgengebed.

God zal ona eens over al onze gedachten, woorden en werken oordeelen , en om dat oordeel gunstig te maken, moeten wij eerst ons zelren goed oordeelen in het gewetensonderzoek ; doch om «lat goed te doen, hebben wij Gods genaden noodig en hierom verzoeken wij , zeggende: Kom, o H. Geest, verlicht mijn verstand om mijne zonden te kennen, en geef

ocr page 549

545

mij de genade van een oprecht berouw over dezelve. (Vgl. 45ste Les, 7de V.)

De genade, die men hier vraagt is eene genade van licht en van droefheid.

Licht om zijne zonden te kennen , droefheid om ze door berouw uit te wisschen.

Door de zuivering der ziel van de zonde wordt de menseh heilig; daarom vraagt men die genade aan den H. Geest, wijl aan Hem de heiligheid bijzonder wordt toegeschreven. (T'gl. 6de Les, 6ae V., 13lle Les, 6dlt;l en 7de V.)

Als men zijn geweten onderzocht heeft, bidt men de akten van geloof, hoop , liefde en vooral van berouw. Het berouw is als de doek waarmede men de vlekken of fouten, die men in het onderzoek gezien heeft, weer van zijne ziel afveegt.

Als men nu God om vergeving gevraagd en een goed voornemen gemaakt heeft van de bedrevene fouten niet meer te doen, roept men weder de hulp in van Maria enz. zooals 's morgens.

Waarom is hel voordeelig, zijne conscienlie, zijn geweten, iederen avond te onderzoeken ?

Ten lsl|!, om een genadig oordeel te verwerven.

Ten 2dl!, omdat wij dan gemakkelijker ons geweten bij de Biecht kunnen onderzoeken.

Ten 3'Ie omdat het een zeer krachtig middel is ter verbetering zijner fouten.

Aanmehking. Het voornemen, dat men in het morgen- en avondgebed maakt om in het algemeen alle zonden te vermijden, zal men met vrucht in het bijzonder op zijne hoofdfout toepassen: Die fout, waarin ik het meest verval, zal ik vandaag en morgen met Gods gratie vermijden.

Geloofd zij Jesus Christus !

In eeuwigheid. Amen.

ocr page 550

546

Onderricliting tot voorbereiding der Biecht.

--

Op sommige plaatsen bereiden de Eerw. Fraters en Zustors de kinderen onder de eerste H. Communie, ook die hun eerste H. Communie reeds gedaan hebben, tot de Biecht. Die voorbereiding, waarop de kinderen zeiven dikwijls niet denken, is van groot aanbelang en vergemakkelijkt de moeilijke taak der biechtvaders niet weinig. Misschien kan het volgende hun daarin tot leiddraad dienen.

Kinderen , het is voor de biechtvaders een zeer moeilijke taak n het H. Sacrament der Biecht toe te dienen; niet omdat gij in den regel groote zondaars zijt; maar omdat gij u tot de Biecht niet goed voorbereidt, soms nog aan den biechtstoel zit te praten; en toch, eene goede voorbereiding is voor Ti even noodzakelijk als voor groote menschen. Want ook gij, kinderen, kunt bij gebrek aan voorbereiding eene slechte biecht spreken, en daarom verloren gaan. Het is voor den biechtvader verkieslijker, aan een groot zondaar, die zich goed heeft voorbereid, de heilige absolutie te geven, dan aan u., die misschien sedert uwe laatste biecht maar zeer weinig en gering kwaad gedaan hebt, en juist daarom denkt, dat de voorbereiding niet zoo noodig is. Al hebt ge ook maar kleine zonden gedaan, dan is het voor u, zonder de genade of hulp van God, toch zoo onmogelijk eene goede biecht te spreken als met uw handen aan den hemel te reiken. Die bovennatuurlijke genade of hulp geeft God in den regel niet dan aan hen, die er om vragen , om bidden.

Daarom, kinderen, moet gij. nooit te biechten gaan, zoo gij niet vooraf eenigen tijd, — ja het ware te wenschen eenige dagen van tijd tot tijd — om eene goede biecht te spreken, gebeden hebt. Doet ge dat, bidt ge daar vurig om, dan zal God, die de kinderen bijzonder bemint, u de noodige gratie of hulp zeker geven. Denkt echter niet, kinderen, dat voor een goede

ocr page 551

547

biecht het alleen voldoende is goed te bidden , of dat Gods genade alleen al het overige doet; neen, volstrekt neen. God wil nadrukkelijk, dat gij zijne genade of hnlp goed gebruikt, dat gij met de genade Gods meewerkt. Gij moet, door de genade Gods geholpen, doen wat ge kunt om uwe biecht goed te spreken , het Sacrament waardig te ontvangen; en dat heet zich voor de biecht goed voorbereiden. Nu echter, kinderen , komt de groote vraag : Hoe moet die voorbereiding voor de biecht geschieden ? Het juiste antwoord op die gewichtige vraag vinden wij in de Les van den Catechismus over de biecht Vr. en A. 37.

Ten lste. Men moet Ood bedanken, dat Hij ons in onze zonden niet heeft laten sterven. Denkt wel, kinderen, dat God u na uwe eerste doodzonde had kunnen straffen, zooals Hij de Engelen gedaan heeft. Hadt God u na uwe eerste doodzonde laten sterven, hoe lang zoudt ge dan al niet in de hel zijn ? Dat gij niet in meer en nog zwaardere zonden gevallen zijt, dankt gij eveneens aan Gods goedheid, en vooral dat gij thans in de gelegenheid gesteld wordt eene goede biecht te spreken. Kinderen , dat zijn groote weldaden , waarvoor gij God dankbaarheid verschuldigd zijt. Dus straks aan den biechtstoel gekomen moet gij, na u eerst in Gods tegenwoordigheid te hebben gesteld, beginnen met een dankgebed b. v. eenige Onze vaders , om den goeden God uwen dank te betuigen.

Ten 2ie. Moet gij den H. Oeest om gratie bidden. Een goede biecht spreken, kinderen, is een bovennatuurlijk werk, waartoe wij uit eigen krachten niet in staat zijn, zoodat de gratie of hulp van God volstrekt noodzakelijk is. De goede God is wel bereid u die gratie te geven; doch op voorwaarde dat gij door een goed gebed de gratie vraagt; er staat immers geschreven: „vraagt en gij zult verkrijgen.quot; 't Is derhalve geraden, dat gij reeds eenige dagen vooraf, van tijd tot tijd, daarvoor bidt. Velen zijn gewoon das.rvoor een dag of drie te gebruiken. Ge kunt tot dat doel aan God uw werken.

ocr page 552

548

opofferen, misschien de H. Mis bijwonen , het Eozenhoedje bidden, of wel door den dag een of ander schietgebed doen ter eere van den H. Geest, van Onze Lieve Vronw , nwen Engelbewaarder enz.

De drievoudige gratie, die gij voor eene goede biecht noodig hebt en bijgevolg vragen moet, leert u het antwoord op de 38quot;quot; vraag.

Vooreerst dns de gratie om nwe zonden ; want gij

moet nwe zonden beoordeelen zooals God znlks doet, en niet gelijk de wereld daarover oordeelt. Helaas, hoevelen zijn hier — wat de kennis hunner zonden betreft — volslagen blind!

Ten tweede hebt ge de gratie noodig om over uwe zonden een oprecht berouw te hebben ; de droefheid toch moet bovennatuurlijk zijn; dhs de droefheid, die gij over uwe zonden hebben moet, gaat uwe krachten te boven en kan enkel van God komen.

Ten derde moet God u moed en sterkte geven, om al uwe zonden openhartig aan den biechtvader te belijden. Hoe velen misschien worden door eene valsche schaamte weerhouden eene oprechte belijdenis te doen. Die drievoudige gratie , noodig voor eene goede biecht, geeft God zeker, als men daarom vurig, vertrouwelijk, nederig en volhardend bidt. Let er echter op , kinderen , bidden is wel goed en noodzakelijk , maar alleen niet voldoende ; want God geeft eigenlijk niet de kennis uwer zonden, noch het bovennatuurlijk berouw over dezelve, maar enkel bovennatuurlijke hulp of gratie om tot die kennis , dat berouw te komen door onze eigene inspanning of medewerking met de gratie. Met dat bovennatuurlijk licht moeten wij zeiven de duistere kamer van ons geweten rondgaan en onderzoeken , of — zooals de Catechismus zegt — met zorg nadenken V. 39.

Ten 3de Men moet zijn geweten onderzoeken; of met zorg nadenken welke en hoevele zonden men bedreven heeft. Deze woorden geven reeds duidelijk te kennen, dat men met behulp der gratie of bovennatuurlijke verlichting door eigen onderzoek

ocr page 553

549

tot de kennis zijner zonden komen moet. En, gelijk de Catechismus aanstipt, dat onderzoek moet met zorg geschieden; want het is een zaak van groot aanbelang. Men kan zelfs bij gebrek aan onderzoek een slechte biecht spreken en daardoor verloren gaan. Gelukkig die zich gewoon maken eiken avond hun geweten te onderzoeken.

Hier kan men voor de kinderen eenige punten tegen de tien geboden en hun plichten aanstippen.

Omtrent het l»tc gebod. Hebt ge uw laatste biecht goed gesproken P Was uw voorbereiding tot de H. Communie, en uw dankzegging na dezelve behoorlijk ? Bidt ge uw morgenen avondgebed, voor en na het eten altijd met den vereischten eerbied P

2'ie Gebod. Hebt gij de slechte gewoonte niet aangenomen van ruwe, onwelvoeglijke woorden, bastaardvloeken enz. te spreken, waardoor ge zoo lichtelijk tot vloeken komt, en misschien reeds gekomen zijt ?

3lle Gebod. Hoe voldoet gij aan de zware verplichting om de Zon- en Feestdagen behoorlijk te vieren P Woont ge de H. Mis altijd bij met eerbied en aandacht P — (Les 25.)

4lt;ie Gebod. Ontbreekt ge ook aan de liefde, den eerbied, de gehoorzaamheid en behulpzaamheid aan uwe ouders of oversten verschuldigd ? — (Les 26.)

5de Gebod. Zijt ge ook op iemand boos geweest, hebt ge iemand haat of nijd in het hart toegedragen, hem kwaad toegewenscht P U misschien verheugd als hem eenig leed overkwam P Hebt ge ook iemand gekwetst, b.v. door slaan of vechten, of u in 't gevaar gesteld zulks te doen , met b.v. steenen te werpen enz.

6de en 9'Ie Gebod. Hebt ge vrijwillig op iets gedacht, er naar verlangd, iets gezien, gelezen, besproken of gedaan, waarover gij u schamen zoudt als men het wist, dan ten minste is het raadzaam er zijn biechtvader over te spreken.

7de en lO16 Gebod. Hebt ge iets heimelijk weggenomen, of den wil, het plan daartoe gehad P Iemand benadeeld, zijn goed beschadigd of de oorzaak daartoe gesteld P

ocr page 554

550

8e Gebod. Hebt go ook de gewoonte van te liegen, spreekt ge ook kwaad van anderen P

Bij dat onderzoek, kinderen, moet ge vooral letten op deze drie soorten van zonden :

1quot;. Op de vreemde zonden, of ge soms tot de zonden van anderen oorzaak hebt gesteld, met b. v. de zonden te leeren, daartoe aan te zetten, of behulpzaam te zijn. — Door schuld te zijn, dat anderen oneerbiedig waren in de kerk, geen Mis hoorden, enz.

2». Op de zonden van oerziiimems: school-, catechismus, mis-, gebedrerzuim enz.

3quot;. Op de inwendige zonden van gedachten of begeerten, die soms de werken merkelijken tijd voorafgaan.

Hebt ge nu op deze of soortgelijke wijze uw geweten goed onderzocht, zoodat ge uw zonden kent, dan moet ge , zegt de Catechismus

Ten 4e een akte van geloof, hoop , liefde en vooral van berouw verwekken.

Hierdoor echter verstaat de Catechismus niet enkel een vluchtig bidden of opzeggen van die akten, maar dat ge door het geloof, de hoop en de liefde in u te verlevendigen, trachten moet te komen tot groote droefheid over uwe zonden, tot een goed berouw. Door uw voorgaand gebed heeft God u de genade gegeven, de noodige hulp tot het berouw aangeboden ; maar Hij wil dat gij die genade, die hulp gebruikt, Hij wil dat gij met die gratie meewerkt. En hoe die medewerking nu moet geschieden, leert u het antwoord op de 40te Vraag.

Kinderen , gij zei ven moet dns overwegen, nadenken , u ernstig afvragen: Wat heb ik door mijne zonden verloren? Wat verdiend P Wat leert mij deswege het geloof P Wat heeft Christus er voor geleden P Wien heb ik door mijne zonden beleedigd ?

Sommige Heiligen waren gewoon zich voor elke Biecht voor te stellen : 1°. De hel. — Wie en waarom branden thans voor eeuwig in het hellevuur?. Dus waar moest ik thans zijn? —

ocr page 555

551

Hetzelfde kon men zich voorstellen van het vagevuur, als men slechts kleine zonden bedreven heeft.

2». Ben Hemel en de gelukzaligen eeuwig gelukkig in God ! En helaas, voor mij is die schoone hemel gesloten! En waarom ? Zou ik nu dwaas genoeg zijn de zonden, waardoor ik den hemel verlies , de hel verdien — het vagevuur voor kleine zonden — nog te beminnen P Zou ik voor een oogenblikkelijk zondig genot, voor een vergankelijk goed of voordeel een eeuwig geluk willen verliezen, een eeuwige straf willen inloopen P

3°. Stellen zij zich den Caloarieherg voor ; of beschouwen zij Christus gegeeseld, met doornen gekroond, zijn kruis dragend, aan het kruis genageld, stervende voor onze zonden. En dan, zou ik nu de zonden, zulk een kwaad, nog beminnen P Zou ik Christus door nieuwe zonden al dat lijden, zooveel in mij is, op nieuw willen aandoen P Op zulke wijze, kinderen, wekt men in zich haat en verfoeiing der zonden op.

Om echter een volmaakt berouw over de zonden te krijgen is het niet voldoende daarover bedroefd te zijn uit vrees voor de straf, maar men moet bedroefd zijn God door de zonden beleedigd te hebben , omdat Hij oneindig goed in zich zeiven is; met andere woorden die droefheid moet voortkomen uit liefde tot God. Het verschilt veel of een kind bedroefd is zijn vader beleedigd te hebben omdat het bang is voor straf, of omdat zijn vader , dien het bedroefd heeft, zoo goed is. Daarom denkt men ten laatste aan Gods oneindige goedheid, die men door de zonden beleedigd heeft.

God, ja is oneindig in zijn wezen, oneindig in zijn eigenschappen , Hij is oneindig heilig, oneindig barmhartig, oneindig rechtvaardig, oneindig schoon en dus oneindig beminnenswaardig. Is het nu laag, kinderen, iemand die goed is , te beleedigen, wat is het dan, God , oneindig goed, door de zonden te vergrammen , te onteeren! Dat is een oneindig kwaad.

Kinderen, door deze en soortgelijke voorstellingen, genomen

ocr page 556

552

nit het geloof, de hoop en liefde, wekt men met behnlp der genade , een bovennatuurlijke droefheid in zich op.

Die droefheid echter is nog maar de helft van het beronw, dat nit twee deelea: droefheid en voornemen, bestaat. Het voornemen om in het vervolg nooit meer te zondigen, is zoo noodzakelijk als de droefheid. En wel een voornemen zoo vast en sterk, dat men bereid is alle middelen te gebruiken, die noodig zijn om in de zonden niet meer te vallen. Wie dus in de bekoringen niet bidden wil, of de gelegenheid tot zonde (plaatsen of personen) niet vluchten wil, gebruikt de noodige middelen niet. Wie de middelen niet gebruiken wil, heeft geen voldoend voornemen , wie geen voornemen heeft kan geen berouw hebben; en wie geen beronw heeft , kan geen goede bicht spreken.

Ten 5de. Moet men zijne zonden biechten. Vooraf echter vraagt men den zegen, zeggende: „Vader, gelief mij uw zegen te gevenquot; en men maakt een kruis, waarna een korte voorbiecht, b.v. Ik belijd mijn schuld voor God almachtig en voor U, mijn Vader, mijn laatste biecht is geweest ....

Men zorge in de biecht er bij te voegen hoe dikwijls elke fout gebeurd is , en zoo het niet van zelf blijkt, dat men er bij zegge of het merkelijk of erg geweest is, b.v. die leugen,

diefstal, ongehoorzaamheid was niet erg enz.....

Van de oneerbiedigheid in de kerk moet men altijd zeggen of het was onder de Mis van verplichting, en dan nog onder welk deel, hoelang het geduurd heeft, met hoeveel personen.

Kinderen, ten einde u zoo altijd goed tot de biecht voor te bereiden, is het zeer nuttig te denken ; Indien dit mijne laatste biecht ware , hoe zou ik ze trachten te spreken P

NB. Hierbij een of ander voorbeeld aanhalen om de kinderen af te schrikken van het verzwijgen der zonden en eene onwaardige Communie, kan zijn nut hebben.

ocr page 557
ocr page 558
ocr page 559
ocr page 560