-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

CULTUUR EN BEREIDING VAN INDIGO

OP JAVA,

-ocr page 6-

...... ■ • ■ '■■quot; ■

-ocr page 7-
-ocr page 8-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0478 0825

-ocr page 9-

A. THEO. AND RÉ.

Cultuur en Bereiding

VAN

INDIGO

Met teekeningen cn plattegronden.

Amsterdam — J. H. de liUSSY — 1891.

wJBUÜTHEEK DER' SWKSUNJVERSITKIT

ö TIR ® CH

-ocr page 10-

HWii mm

: WUiii ■

4--*;

WÊÊ^^^mÊM

. :■■•: . . ' -^| • ; : '' -'quot;fM . ... ,,.■ , . . .

quot;

■•■■::.....

,^^,-gt;,^1,^üyai éh' \ i- h'j'^ e' quot;Xo •quot; r (■

- ■ ■ ' ■-• •• ■-■ • •■ ■•. ■ ■ • -V . ... ■ •. ..

. .. .-, . .... ..• • J ■

,

üiii , - . . , ..

-■'-v .

................. !» - .........- ; ...... ......... , .

■ •■ - - ..... ..... :■-■ •■ ■ ■ '»igt; ■

■ ■ ■— j - ...... • ■ ■ ■ • ...... ■ ■ - - ■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

.....

..... ....... ......

■ •■ ...... • ■ ■ - ■...... ■ ■ - ■ ■. .....

• ■ ■ ■ ■ ■ ....... .......

- |é|

.... ...

■ 'Is-

/

| i

•' ..... ■ quot; - ■■ -r.....quot;■. ■ ■ •;• - quot; ■ ■

-ocr page 11-

VOORBERICHT.

Terwijl ik mijn ervaring van den verbouw en de bereiding van indigo in den vorm van een handboek het publiek voorleg, gaat dit gepaard met het bezvustzijn, dat deze taak waarschijnlijk in betere handen had kunnen zijn.

Ik heb eeliter mijn beste krachten ingespannen om een boek samen te stellen, dat, zij het ook op bescheiden wijze, zijn met zal opleveren en wellicht een spoorslag voor anderen kan zijn hun opgedane ondervinding aan belanghebbenden niet te onthouden.

De lezer gelieve in het vellen van een oordeel niet te vergeten, dat de literatuur over indigo niet noemenswaardig is en daardoor de pas wordt afgesneden bij voorgangers te rade te gaan.

Om mij zeiven e enige zekerheid te verschaffen omtrent de vraag of het werk belangstelling zoude ontmoeten, gaf ik het manuscript aan een erkend bekwaam suiker- en indigofabrikant ter lezing, met beleefd verzoek mij zijn oordeel mede te deelen. Dit luidde:

»De aandachtige lezing van uw uitvoerig manuscript over »de enltuur en de bereiding van indigo heeft meer tijd in »beslag genomen dan ik aanvankelijk vermoedde.

»Zeker zal het werk in de behoefte voorzien aan een practi-» sehen leiddraad voor toekomstige indigo-planters en fabrikanten

-ocr page 12-

»t'u bevat het ook menigen nut tig en wenk voor hen, die zich »reeds Diet die cultuur en fabricage bezighouden.

gt;1 Aan het publiek geeft het een duidelijk in- en overzicht »van een cnltuurgewas, welks product vooralsnog van groote »beteekenis is op onze handelsmarkt en dat eene belangrijke »plaats inneemi in de landbouw-industrie op Java, in het »bijzonder in de Vorstenlanden.

»Mij komt 't echter voor, dat uwe beschouwingen over den »landboma in het algemeen en wat daaraan annex is, zooals »bewerking, bemesting, drainage, de bijzondere eigenschappen »van verschillende grondsoorten enz., hoe belangrijk ook voor »de leeken op dat gebied, eene al te groote plaats innemen in »uive handleiding voor een speciaal tropisch cultmcrgewas.

•»Ik erken evenwel, dat daar tegenover staat het zeker prac-»tisch belang, dat 7iw werk, door zijne algemeenheid, meer •» af trek zal hebben en meer lezers zal vinden bij planters en »industrieelen, die zich op de teelt van andere g ewassen »toeleggen.''

Mocht deze uitgave bij den Indischen landbouw, evenals bij bedoelden deskundige eenige waardeering ondervinden, dan zal ik mij voor de bestede moeite ruimschoots beloond achten.

Dli SCHRIJVER.

-ocr page 13-

INHOUD.

Hl adz.

Hoofdstuk I. DE PLANT.

§ i. Botanische beschrijving en variöteiten. . t. § 2. Enkele mededeelingen over liet product in

verschillende indigo produceerende landen. 9.

Hoofdstuk II.

ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BODEM.

27.

§ 1. Het water § 2. De grond

Hoofdstuk III.

HET ZAADWINNEN BIJ GUATEMALA INDIGO...............42,

Hoofdstuk IV.

HET VEREDELEN DER PLANT......45.

Hoofdstuk V.

HET AANLEGGEN VAN KWEEKBEDDEN . 56.

Hoofdstuk VI.

HET AANPLANTEN.

69.

§ 1. Op zware gronden § 2. Op lichte gronden

111.

-ocr page 14-

Bi.adz.

Hoofdstuk VII.

HET DRAINEEREN.

§ i. Voordeden van g-oede drainage . . .114.

2. Het draineeren met aarden buizen . .122. § 3. De uitvoering......... 172.

Hoofdstuk VIII.

MESTSTOFFEN, BEMESTING EN RESTAURATIE VAN DEN BODEM.

§ 1. Algemeen overzicht........183.

§ 2. De bemesting der indigovelden. . . . 194. § 3. De rijst-cultuur als wisselbouw bij indigo-

aanplantingen .........213.

Hoofdstuk IX.

SCHADELIJKE INSECTEN BIJ DEN

INDIGOBOUW............221.

Hoofdstuk X.

FABRICAGE.

§ 1. Algemeene beschouwingen.....238.

§ 2. Het fermenteeren.........265.

§ 3. Het kloppen....... . . 278.

8 4. Het koken...........292.

8 5. Behandeling in het pakhuis en de

verzending..........296.

SLOT.................300.

-ocr page 15-

HOOFDSTUK I.

DE PLANT.

§ i. BOTANISCHE BESCHRIJVING EN VARIËTEITEN.

Indigofera. Indigo is een zeer belangwekkende, plantaardige, constante, blauwe kleurstof, welke hoofdzakelijk uit Indigofera s, behoorende tot dc Lcgnminoscn, natuurlijke familie der Papilionaceëen (vlinderbloemigen), getrokken wordt. ')

Het geslacht omvat kruiden, heesters en halfheesters welke nieestal op een eigenaardige wijze behaard zijn De bladeren zijn oneven gevind, drie of vijftallig, zelden

^ Deze kleurstof wordt door inlanders wel eens tegen hevig zenuwlijden, vallende ziekte, hysterie en dergelijke met meer of minder goed gevolg aangewend. De inlanders op Java geven den wortel der Indigofera ünctoria tegen koorts en bezigen de bladeren uitwendig als oplossend middel bij verharde gezwellen. Een aftreksel der wortels, zegt men, werkt wormdoodend, terwijl de jonge takjes aangeprezen worden tegen de spruw.

-ocr page 16-

2

enkelvoudig. De blaadjes zijn gaafrandig en dikwijls van steun blaadjes voorzien. De steunblaadjes der gave blaadjes zijn klein, de fraai gekleurde bloemen in okselstandige trossen geplaatst. De korte kelk is zelden gaafrandig, veelal vijfspletig, de vlag der bloemkroon rond en uitgerand. De kiel heeft aan iedere zijde een priemvormige spoor, terwijl de meeldraden doorgaans tweebroederig zijn; de stamper is draadvormig en onbehaard, de peul vierkant of rolrond, ook wel samengedrukt, doorgaans veelzadig, tweekleppig, dikwijls van tusschenschotten voorzien.

Dit geslacht telt ongeveer 150 soorten, die tot de eenjarige of overblijvende kruiden of tot de heesters

Voornaamste planten, waaruit de indigo getrokken wordt.

gerekend worden.

Om een overzicht te verkrijgen der meest voorkomende Indigofera s en andere plantensoorten, waaruit indigfo verkregen kan worden, volgt hieronder een staat

00 O

met vermelding der landen, waarin het gewas aangetroffen wordt.

-ocr page 17-

Benaming.

Komt voor in:

Indigofera, tinctoria ]) 2)

Engelsch-Indië, Java, Bourbon, Isle de

France, St. Domingo, langs de zand

vlakten van den Senegal, Europa.

» angulata

Australië.

» disperma

Oost- enWest-Indië, Spanje, Amerika.

» anil 3) 8)

Java, West-Indië, Spar.je, Amerika,

Manilla.

» argentea

Oost- enWest-Indië, Egypte, Barbarijë

» pseudotinctoria s)

Oost- en West-Indië.

» glanca

Egypte en Arabic.

» erecta

Guinea.

» leptostachya D. C.

Java, Natal.

» coeruiea ')

[ava.

» atropurpurea Ham. 5)

Nepal.

» enneophylla L. (i)

Oost-Indie.

» imiflora Buchan. 7)

Oost-Indië.

» violacea Roxb. 8)

Oost-Indië.

Amorpha fruticosa

Zuiden van Noord-Amerika.

Tephrosia tinctoria.

Ceylon.

» apollinea

Egypte en Nubië.

Wrightia tinctoria 9)

Br.-Indië, Ceylon, O.-Indië, Malabar.

Baptissia tinctoria 10)

Br.-Indië, Ceylon, Noord-Amerika.

Marsdenia tinctoria 11)

Sumatra, Sylhet, Assam.

Gymnema tingens

Oost-Indië.

Polygonum tinctorium 13)

Ceylon, China, Japan, Frankrijk.

Eupatorium tinctorium

Brazilië, Algerië.

Spilantes tinctoria

Oost-Indië.

Cychorium intybus L. 13)

Europa.

Isatis tinctoria L. I4)

Europa.

Mercurialis annua amp; perennis 15)

Europa.

^ De benaming Indigpjera tinctoria ontleent de plant aan Linnaeus; anderen noemen haar ook wel I. Indica Lam. en T. Sumatrana (Gaert).

2) Op fabrieken in Oost- en West-Indie \eiboiiwd.

3) Bij de Javanen bekend onder den naam van Taroem kajoe.

') I. coeruiea of I. braehycarpa komt zeer nabij de I. argenlea volgens I )r. Roxüukgh. 11 ij verkreeg uit de I. coeruiea een zeer .schoone indigo en meer product dan uit de I. tineloria.

5) Zij bezit donker kannijnroode en puperroode bloemtrossen.

quot;j Zij l)czit zittende bloemtrossen.

7) Zij bezit liggende stengels en zittende, gevinde bladeren.

,s) Zij is een fraaie Oost-Indische sierplant niet een stengel ter hoogte van i meter, met rozeroode bloemtrossen,

9) IVoduceert volgens Dr. Roxiujrgii een schoone indigo. Ilij beveelt haar aan, daar zij onafhankelijk is van regen en irrigatie, zeer gemakkelijk groeit en spoedig gesneden kan worden.

Natuurlijke orde der Leguminosae.

n) Natuurlijke orde der Vsclepiadaceac. In liet jaar 1886 waren een paar ondernemers in de Vorstenlanden in liet bezit van exemplaren. I a ii tweetal daarvan waren aan mijne goede zorgen toevertrouwd. Het is een klimplant met bladeren van pl. m. 8 cM. lengte. In hoeverre imjefnemingen tot goede resultaten leidden, is mij niet bekend.

,3) Xatuurliike orde der Polygonaceae.

13) Onze inlandsche suikcrij.

u) ('ok wel weede genaamd. Zij werd in lui.opa in de 17e eeuw vCvl verbouwd.

16) Zij kleurt, naar men zegt, zeils de melk der koeien, die haar iiiittigen, blauw

-ocr page 18-

4

Onder al de genoemde soorten, waaruit indigo gefabriceerd wordt, bekleedt de indigofera huctona een voorname plaats, omdat zij wegens hare uitgebreide aanplantingen, o. a. in Engelsch-Indië, de grootste hoeveelheid indigo voor de wereldmarkt, hoofdzakelijk Londen,- levert.

Indigofera Zij is een halfheester, ter hoogte van i ü 11/3 M.,

tinctoria. met: talrijke, hoekige, grijze takken, aan de oppervlakte voorzien van liggende haren. 1) De bladeren tellen 4 tot 7 paar blaadjes benevens het eindblaadje. Zij bevinden zich aan de hoofdspil, zijn blauwachtig groen gekleurd, aan de onderzijde behaard. De steunbladen zijn priemvormig. De bloemtrossen maken de helft van de lengte der bladeren uit en dragen geelwitte bloemen met paarse vleugels 9 van de ro meeldraden zijn vergroeid, 1 is vrij. De peulen hebben een lengte van 25—37 m.M., zijn sikkelvormig en springen met 2 kleppen open, waardoor 8—12 hoekige, donkerbruine zaden zichtbaar worden. De samengestelde bladeren staan in een spiraal en zijn 7—^ioc.M. lang, de blaadjes daarentegen 18 m.M.

De voornaamste soorten op Java in cultuur zijn: de Taroem Kembang, welke door stekken voortgeteeld wordt; de Taroem Kajoe; de Tjantik; de Guatemala (volgens Wiesner Indigofera dis per ma) en de Natal {Indigofera leptostachyci), welke alle uit zaad verkregen worden. Om ze van elkaar te onderscheiden, laat ik enkele bijzonderheden volgen.

!) K. W. van Gorkom. De Oost-Indische Cultures.

-ocr page 19-

Laatstgenoemde soort wint het ongetwijfeld in bladrijkdom en dikte en grootte van blad benevens in krachtigen groei van de vier overige. In onderscheiding van deze bezit zij grijze, ruwe, torsche takken, terwijl de bladeren een meer elleptischen vorm vertoonen.

De Taroem Kembang komt mij voor, om hare groote overeenkomst met de Taroem Kajoe {Indigofera anil) van deze af te stammen, welke zich behoudens de algemeene kenmerken van Indigofera's onderscheidt door hare roode, meer of min purperkleurige bloem. Junghun meent, dat de Indigofera tinctoria en de Taroem Kembang identisch zijn. Voor zoo ver mij bekend is, bezit de stam der in de laatste jaren verbouwde Taroem Kembang evenmin als de Taroem Kajoe haren, een kenmerk waardoor de Indigofera tinctoria zich onderscheidt, ofschoon niet ontkend kan worden, dat tusschen de stekaanplantingen soms exemplaren — wier takken van liggende haren voorzien zijn — aangetroffen worden, welke overeenkomst met de beschrijving van Indigofera tinctoria hebben.

De bij den inlander als Tjantikv) bekende variëteit, welke klein van blad is, vertoont naar mijne bescheiden meening zeer veel overeenkomst met de hiervoren beschreven Indigofera tinctoria, weshalve ik haar identisch met laatstgenoemde beschouw s)

!) Men noemt haar ook wel „kromzaad indigo.quot;

2) Een ervaren indigoplanter, aan wiens waarheidsliefde ik niet twijfel, meldde mij, dat jaren geleden door hem een bestelling werd gedaan aan een Rotterdamsch handelshuis om indigozaad van dc

-ocr page 20-

6

De thans het meest op ondernemingen op Java verbouwde soort is de sedert 1872 door den heer C. Baum-garten van de Republiek Guatemala geïmporteerde. Met verwijzing naar de reeds opgenoemde algemeene kenmerken der indigofera's voeg ik ter onderscheiding voor die van dit land afkomstig: roodbruine, onbehaarde, eenigszins glanzende takken, puntige, geelgroen gekleurde bladeren aan de uiteinden der takken en naar gelang de bladeren van andere formatie zijn is de kleur groen en donkergroen, gepaard met een blauwachtige tint. De peultjes, gedroogd een lengte hebbende van 2—10 m.M. zijn meer of min elliptisch en van vier vlakken voorzien; zij bezitten meestal en nooit meer dan drie vaal licht gele zaden ; de middelste korrel heeft een kubieken vorm, de beide aan de uiteinden der peul gelegen zaden bezitten een vierkant tot grondvlak, naar den top meer of min konisch toe-loopende. De plant heeft aanvankelijk neiging zicli in de breedte te ontwikkelen, doch schiet daarna snel in de hoogte.

Westkust van Afrika van de oevers van den Senegal, alwaar de plant in het wild groeit en de inlanders voor locale consumtie indigo fabriceeren. Door zijne relaties was dit huis in staat aan dat verzoek te voldoen. Na ontvangst en uitzaaiing van het zaad in de residentie Djokjakarta bleek, dat de plant niet van de Tjantik verschilde en hij maakte op grond van deze feiten de conclusie, dat de Tjantik ook aan de oevers van den Senegal voorkomt. Beschouwt men deze mededeeling in verband met de opgave voorkomende op pag. 3, dat de Indigofera tinctoria op de zandvlakten aan de oevers van den Senegal voorkomt, dan kan men als vrij zeker aannemen, dat de Indigofera tinctoria en de Tjantik dezelfde variëteit is.

-ocr page 21-

7

Hoofdzakelijk van deze variëteit wensch ik den verbouw, de bereiding en wat verder met de indigoindustrie op Java samenhangt, te bespreken. Bedoelde plant toch levert het meest loonende product ea wordt vrij algemeen op ondernemingen, die in het droge seizoen over voldoend irrigatie-water beschikken, gekweekt.

Alhoewel de Guatemala zoowel op zand- als op kleigrond tiert, verdient toch veelal losse aarde, klei met zand gemengd of wel humusrijke vrij losse grond, welke beide grondsoorten in het droge seizoen bevloeid moeten kunnen worden, de voorkeur boven andere. Nog verdient het opmerking, dat zij een bepaalde vijandin is van overtollig nat, minder goed tiert na langdurige onthouding van vocht en tot op een hoogte van 1.500 R. vt. met voordeel kan worden verbouwd. De andere op Java voorkomende soorten kunnen, uitgezonderd de stek-variëteit (Taroem Kcmbang), op dezelfde wijze als de Guatemala gecultiveerd worden.

Op niet irrigeerbare gronden, waarbij het tjorren (begieten) te veel handenarbeid vordert en dientengevolge te groote onkosten veroorzaakt, op de zoo genoemde tegallan, bezigt men in de Vorstenlanden (Soerakarta en Djokjakarta), de streek, alwaar men zich sedert jaren met goed gevolg op de indigo-cultuur toelegt1), de stek-indigo (Taroem Kembang), omdat zij

') Ook zeer vele andere streken, die ik op Java bezocht, acht ik zeer geschikt voor de cultuur van Guatemala Indigo. Daaronder zijn er, waar het bij nader onderzoek zoude blijken, dat de cultuur, zoo niet met meer, dan toch met evenveel voordeel als de beste der ondernemingen in de Vorstenlanden kan gedreven worden.

-ocr page 22-

8

de beste quaHteit oplevert en voor dergelijken schralen bodem —- gelijk de tegallan in die streken over het algemeen is — de meeste geschiktheid bezit product te leveren. Proeven op tegallan met Guatemala indigo genomen, hebben, voor zoover mij bekend is en in verband met mijne ondervinding op dit gebied, steeds tot slechtere resultaten geleid dan de stek-variëteit, welke, zoodra de regentijd ingevallen is en wel na den petatan-laron — tijd van droog weer, nadat de witte mieren uitgevlogen zijn — geplant wordt.

Van de Taroem Kembang, ook wel Tocroes Kembang geheeten, worden stekken ter dikte van ongeveer 5 mM. en 1.8 dM. lang gekapt en nadat de velden eenige malen beploegd en van goten voorzien zijn, schuins en ter diepte van 7 cM. in den grond gestoken bij zandige gronden, en ter diepte van 5 cM. bij kleigronden, op afstanden van iVs a 2 R. voet bij 1 voet in de rij. In den regel staan een drietal stekken ter voorkoming van inboetingen op ouderlingen afstand van 1 Va R. dm. van elkaar. Zoodra de stekken Va R. voet uitgeschoten zijn, wordt het wieden en bewerken van den grond noodzakelijk. Ongeveer 4 inaan-len daarna kan met het oogsten een aanvang gemaakt worden, welk tijdstip samenvalt met den bloei der plant

-ocr page 23-

9

§ 2. ENKELE MED EDEE LIN GEN OVER HET PRODUCT IN VERSCHILLENDE INDIGO PRODUCEERENDE LANDEN.

Uit den staat, voorkomende in de voorgaande paragraaf, blijkt, dat indigo in vele deelen der wereld voortgebracht kan worden. De voordeden uit den verbouw in onderscheidene landen getrokken, loopen échter in verband met de omstandigheden zeer uiteen.

Om van de verschillende wijzen van cultuur, bereiding als anderszins van dit product in sommige deelen dei-wereld eenig denkbeeld te geven, volgen hieronder enkele bijzonderheden, die mijns inziens niet van belang ontbloot geacht kunnen worden voor de wetenschap, hoe in algemeene trekken indigo verkregen wordt, of wel, voor zoo verre het mij gelukt is ze bijeen te zamelen, op andere wijze van nut kunnen zijn.

Ik vang daartoe aan met de voornaamste pro-cluceerende streken nl. de vlakte door den Ganges doorstroomd en liet presidentschap Madras, beide in Voor-Indië gelegen, alwaar vrij algemeen de Indigo/era line tor ia geteeld wordt.

De indigo van Bengalen wordt in twee soorten Bengalen, verdeeld, die men in den handel kent als indigo van Dude, enz. Bengalen en indigo van Oude. De eerstgenoemde is het product van de Zuidelijke Provinciën van Bengalen en Behar, de laatstgenoemde dat van de Noordwestelijke Provinciën en van Oude. De eerstgenoemde soort wordt voor de beste gehouden. De slechtere

-ocr page 24-

10

qualiteit van de indigo van Oude wordt meer toegeschreven aan het minder gunstige klimaat en den minder goeden grond enz. dan wel aan gebrekkige kennis en zorg bij de bereiding. De cultuur der plant is er zeer wisselvallig, zoowel wat de qualiteit als de quantiteit betreft, daar zij aan zware beschadiging van overstroomingen en van insecten blootstaat. Men verbouwt haar tot op een hoogte van 2000 voet

De tijd van het zaaien verschilt. In Bengalen heeft het beploegen der gronden in October plaats. Het uitzaaien geschiedt in Maart of in April bij een ouderlingen afstand der korrels van ongeveer 10 Engelsche duim. In Tirhoet, Saran en Champaran, waar een rijke alluviale bodem aangetroffen .wordt, zaait men in Februari, welk tijdperk door de inlanders „Phalgoenquot; geheeten wordt, vandaar de benaming van „Phalgoeniquot; voor de indigo-fabrieken. In de Noord-Westelijke Provinciën en in Oude zaait men in de laag gelegen landen gewoonlijk in Juni uit, welke maand bij de inlanders „Asarhquot; heet, waardoor denaam van „Asarhiquot;, aan de fabrieken gegeven, verklaard wordt; in de hooger gelegen landen daarentegen in Februari.

De indigo wordt in de Noord-Westelijke Provinciën voornamelijk door opkoop van de grondstof van de bevolking verkregen, waarbij het voorschotten-stelsel op het te leveren product een groote rol speelt.

Over het algemeen wordt de indigo in de Ganges-streek met veel minder zorg verbouwd dan op Java bij particulieren.

-ocr page 25-

11

Eenige maanden na het uitzaaien begint de plant te bloeien en men beschouwt haar als van kleurstof verzadigd en geschikt om gesneden te worden.

Naar de fabriek vervoerd en in weekkuipen gebracht, ondergaan de stengels en bladeren in water een gistingsproces, dat naar gelang van omstandigheden ongeveer 8 ^ 12 uren aanhoudt. Het gewonnen vocht laat men daarna afloopen in een klopbak, alwaar het door machinale kracht of ook wel door inlanders — die zich daartoe in de bakken begeven ten getale van gewoonlijk 12 — geroerd en door scheppen aan de lucht wordt blootgesteld. Gedurende deze bewerking, welke meestal binnen een paar uren is afgeloopen, zet zich de indigo af. Na bezonken te zijn tapt men de bovenstaande als donkere sherry gekleurde vloeistof af, en vangt het bezinksel in zeefbakken op. Overgebracht in een pan, wordt de pap met koud of warm water opgezet en goed daarmede vermengd. Is de indigo gekookt, dan wordt zij op nieuw van het overtollige water ontdaan door middel van zeefdoeken, en verder geperst. Zoodoende verkrijgt men een vrij vaste massa; deze wordt naar het drooghuis vervoerd om aldaar door middel van een koperdraad in koeken van platten of kubieken vorm verdeeld en ter droging op horden gelegd te worden. Spoedig daarop zijn deze met een soort schimmel bedekt, worden in de zon gedroogd en voorts door schuieren van de schimmel ontdaan. Naar kleur en qualiteit gesorteerd en verpakt, zijn zij ter verzending gereed. Met dezen arbeid is het werk

-ocr page 26-

12

van den fabrikant voor het oogstjaar afgeloopen en vangt een nieuw aan. ^

Niet overal gaat het echter op de hierboven omschreven wijze, die in de Noord-Westelijke provinciën gevolgd wordt, toe. In Tirhoet b.v. begint men in October het land te bewerken. Men graaft dan de stengels van den vorigen oogst uit, ploegt den grond tweemaal om en laat, om het fijn maken der kluiten te bevorderen en het uitdrogen van den bodem te voorkomen, een rol er over loopen. De opgegraven stengels worden over het land verspreid, somwijlen ook wel verbrand en als asch onder den grond geploegd. Na deze bewerkingen laat men den grond liggen tot einde Januari. In Februari begint men te zaaien; dit heelt plaats tot einde Maart. In April en Mei worden de jonge planten gewied en omstreeks het midden van Juli begint men de grondstof te verwerken.

Dit duurt dan tot het einde van September en begin October. In October worden de droge koeken afgeschuierd, ingepakt en naar Calcutta verzonden, terwijl dan tevens voor den nieuwen oogst de voorbereidende maatregelen een aanvang nemen.

In Bengalen wordt de indigo verbouwd in hetjaar-getijde, wanneer niets anders op het veld staat. Zij wordt geoogst om plaats te maken voor een ander product. Op deze wijze wordt verarming van den grond voorkomen

i) De uitgestrektheid van den aanplant, in Oude en in de N. W. Provinciën in 1890 in den grond gebracht, bedraagt naar officiëole schatting 290.000 acres of 12 % minder dan in het voorgaande jaar.

-ocr page 27-

18

De planters, n.l. de huurders, gaan van het idee uit, dat alles, wat zij door de indigoplanten uit den grond trekken, hun inkomen vermeerdert en zijn er van overtuigd, dat de plant overigens de uitgaven, aan de cultuur besteed, niet goed maakt.

Is de grond in October of November omgeploegd, dan brengen zij het zaad tegen half Maart tot half April in den grond, omdat deze alsdan de meeste geschiktheid tot kiemen bezit. Een lichte bemesting wordt er toegepast, terwijl afwisselende zwakke regenbuien den groei bevorderen. Op een acre gebruikt men ongeveer 12 pond zaad. De planten groeien snel en kunnen reeds in liet begin van Juli gesneden worden ; in enkele districten vindt het oogsten reeds in het begin van Juni plaats. De eerste snit beschouwt men er als de beste ; twee maanden later kan voor de tweede maal geoost worden, doch deze is evenals de volgende minder voordeelig.

De beste qualiteit wordt geleverd door de fabrieken in de districten Kishnagar en Jessore, waar groote ondernemingen, somwijlen aan aanplantingen een oppervlakte beslaande van 4000 acres, te vinden zijn. Per acre brengt de grond gemiddeld l/.v maund ^ op. De cultuur is er meestal een gewaagde onderneming, daar de plant veelal van langdurige droogte of zware regens te lijden heeft.

Over het algemeen genomen schijnt de toestand in

!) 1 maund = 82,029 Eng. pond =37.31 Kg.. 1 acre = 0,57023 bouw; opbrengst per bouw dus ± 16 Kg. indigo.

-ocr page 28-

14

de Ganges-streken niet zou rooskleurig te zijn als de Engelschen steeds van hunne kolonies plegen op te geven. Oploopen en vernieling van aanplantingen vinden er niet zelden plaats. Het land is overbevolkt en het aanbod van arbeidskrachten grooter dan de vraag.

Men heeft aldaar de zoogenaamde „zemindarsquot; of quot;Toote PTondeig-enaren. Deze verhuren gedeelten

O O O

hunner uitgestrektheden aan indigoplanters, die grond-hu ur van de opgezetenen heffen en in dezelfde rechten treden van genen. Onder deze rechten, voortspi uitende uit liet recht der gewoonte, is er een, waarbij de kleine man verplicht is, indien de landhuurder het verlangt, het Vio deel van den grond met indigo te beplanten en de opbrengst aan hem tegen zekere betaling af te leveren.

Voor deze verhouding schijnt echter geen wettelijke bepaling te bestaan. Indien de dorpelingen weigeren indigo te planten, dan zou geen rechtbank den planter kunnen helpen, den kleinen man daartoe te dwingen.

Er is echter nog meer. De verbouw van indigo is voor den inlander niet zoo voordeelig als die van andere producten. Somwijlen kan hij van de plant slechts één oogst binnenhalen en moet dezen tegen een veel lageren prijs, dan een koelie in Madras voor dezelfde hoeveelheid ontvangt, aan den planter afleveren. Voegt men hierbij, dat op de meeste dei indigoondernemingen door de opgezetenen meer dan het verplichte |o deel wordt aangeplant, naar men wil met uitoefening van een zekeren dwang door het den dessa-

-ocr page 29-

15

bewoners lastig en liet leven onaangenaam te maken, indien zij aan het verzoek geen gevolg geven, dan is het te begrijpen, waarom opstootjes er niet uitblijven.

Er schijnt weinig twijfel aan te bestaan of in den loop van tijd, als de inlander beter met zijne rechten bekend wordt, zal hij öf weigeren indigo te planten óf hoogere prijzen bedingen, waardoor de winst van den planter aanmerkelijk zal verminderen.

In vroegere tijden was de planter, die door zijn contract in de plaats treedt van den invloedrijken zemindar, een rijk man. Het land Avas als overdekt met indigoondernemingen. Thans echter zijn de omstandigheden veranderd. Het bedrag van de huur der gronden vermeerdert, de indigo-prijzen zijn achteruitgegaan en de bodem brengt minder op, terwijl de bevolking hoe langer hoe minder geneigdheid toont zelfs het Vio deel der oppervlakte met indigo te beplanten.

Gelijk wij boven reeds zagen, zijn misoogsten er niet zeldzaam. Ook de oogst van voedingsmiddelen gelukt niet altijd, zoodat schaarschte daaraan dikwijls voorkomt. Vooral is deze toestand waarneembaar in het hoofddistrict van den indigo-verbouw Behar.

De Engelsche ambtenaren schrijven den treurigen toestand, waarin de bevolking aldaar verkeert, aan de uitbreiding der gronden ten behoeve der indigo-cultuur en aan de geringe betaling voor de opbrengst toe. Het ontvangen loon, zeggen zij, is lager dan de bevolking uit een oogst voedingsmiddelen trekt,

Onder Europeesche huurders geplaatst, heeft de

-ocr page 30-

16

bevolking het beter dan bij den grondbezitter van eigen landaard, die, geen indigo-fabrikant, meestal ei op uit is door opdrijving van de grondhuur, de inkomsten van zijn land te vermeerderen, terwijl de indisfo-industrieelen hunne winsten uit dit product zoeken en de directe lasten op de bevolking niet verhoogen. Ter voorkoming, dat zulks mocht geschieden, heeft de Vereeniging van Fabrikanten in Bengalen in hare statuten eene bepaling opgenomen, dat, zoolang de boer Vso van zijn grond met indigo verbouwd heeft, hij niet mag worden opgeslagen in de grondhuur.

Hoe de toestand overigens ook zij, een feit is het dat de indigo-productie stationnair blijft, zoo niet een weinig achteruitgaat, de bevolking sterk klaagt en de indigo-fabrikant zich thans met moeite staande houdt.

Het indigo-seizoen voor de koopers te Calcutta begint in het einde van November en eindigt tegen het begin van Februari. Alsdan heeft men er veitegen-woordigers van Engelsche, b ransche en Duitsche handelshuizen, die hunne inkoopen doen en na afloop daarvan naar Europa terugkeeren.

Deze vertegenwoordigers genieten hooge salarissen en vermeerderen daardoor de onkosten rekening niet weinig. De planters zouden gaarne hun product te Londen verkoopen, maar zijn door hun contracten verplicht de indigo aan de te Calcutta verblijf houdende geldschieters te consigneeren. Deze laten met gaarne hun commissie-penningen los, reden waarom de indigo-markt te Calcutta blijft bestaan. In 1890 schijnt echter

-ocr page 31-

17

daarin verandering te zijn gekomen; althans in de maand September van dat jaar had te Londen een veiling plaats van de meest gewilde merken, die steeds op de Calcutta'sche markt verhandeld werden.

Het totaal oppervlak in Bengalen met indigo beplant, wordt getaxeerd op 588.000 in de noordwestelijke provinciën en in Oude op 337.000 acres, terwiil de uitvoeren van Bengalen bedroegen in de jaren: 1882 4.640.000 lbs. 1886 4,160.000 lbs.

5-I2O-O0o „ 1887 4.096.000 „ ïSb# 5.280.000 „ 1888 4.250.000 „ 3-45o-O00 „ 1889 4.651.000 „

De onderstaande tabel geeft een overzicht van den uitvoer van Calcutta naar de verschillende landen gedurende 1888/89 en 1889/90.

1888—89. 1889—90.

Naar: Cwt. Rupees. Cwt. Rupees.

Engeland....................30436 93-64-582 35,012 8.985.854

Oostenrijk-Triëst--------10.700 3.605.738 it.119 3.619.821

Frankrijk....................9.677 3-135-992 9-439 2.791.744

Duitschland................8.073 2.652.981 9.546 2.558.066

Italië..........................1-1 IS 3G7-518 990 311.162

EgyPte........................10 3.754 49 15.403

Ver.St.v.N.-Amerika 22.671 6.883.173 21.206 5.271.025

Perzië..........................155 54-864 253 87.069

Turkije (Aziatisch).. [.203 355-974 1-631 436.663

Andere landen..........2.661 922.297 2.590 828.459

Totaal........ 86.701 27.346.873 91.835 24.905.266

2

-ocr page 32-

IS

De gemiddelde prijs in genoemde jaren was respectievelijk 232 en 199 rupees per Indian maund, en het aantal maunds 118,010 en 124,998.

Madras. In het zuidoostelijk deel van Britsch-Indië, in het

presidentschap Madras, strekt zich de cultuur over een uitgestrektheid van 400.000 è, 500.000 acres uit, waarvan het twee derde deel in Zuid-Arcot, Cuddapah, Nellore, Kistna en Kurnoel gelegen is.

In Cuddapah wordt de indigo volgens contract aan de fabriek geleverd teeen een overeeno-ekomen som

OÖ o

per bos. Met de cultuur, op erfelijke gronden gedreven, houden zich in dit deel van Britsch-Indië meestal de inlanders zeiven bezig, die in het klein de indigo eigenhandig bereiden en ook wel handel daarin drijven.

In vergelijking van Bengalen is de toestand in het presidentschap voor de bevolking gunstiger. Het volk is er betrekkelijk rijk en welvarend te noemen; de laagste klasse, het werkvolk, de koelie is er arm, maar daar staat tegenover dat er groote vraag naar arbeidskracht bestaat, zoodat het minimum loon voor de minste soort arbeid, n. 1. veldarbeid, 2 annas per dag is. Wel is waar, is dit loon, zegt een verslag, in evenredigheid van Europeesche prijzen laag te noemen, maar het is voldoende om een man van voedsel te voorzien.

Het hoofdproduct van den inlandschen landbouw, de rijst, brengt meer dan de pacht op, zoodat de indigo, die daarna verbouwd wordt, als winst kan beschouwd worden. Ik teeken hierbij aan, dat men om het andere

-ocr page 33-

19

jaar op denzelfden grond gemeenlijk terugkomt, om indigo Le planten. Het gevolg hiervan is, dat in districten, waar indigo verbouwd wordt, dit niet alleen op Vio van de uitgestrektheid, behoorende bij eene dessa, plaats vindt, maar zelfs op de geheele oppervlakte ervan. In Kurnoel en Cuddapah kan men tusschen Mei en Augustus duizenden bouws met indigo beplant zien. Dat de inlanders van het presidentschap op den verbouw van indigo gesteld zijn, is bemerkbaar aan de vermeerderde bebouwde uitgestrektheid. In 1876 bedroeg de uitgevoerde hoeveelheid bereide indigo van Madras 14.414 cwt, terwijl in 1888 tot 30 September dus in slechts 9 maanden van het jaar het bedrag tot 40.000 cwt. gestegen was. De opbrengst per acre schijnt in Madras over het algemeen grooter te zijn dan in Bengalen. Buitendien is in eerstgenoemd land minder gevaar voor mislukking van den oogst, daar men het gewas op irrigeerbare velden verbouwt.

De waarde van de Madras-indigo is evenwel in doorslag veel minder dan de Bengaalsche, en bovendien wordt het product door den inlander veelal, somwijlen tot de helft van het gewicht, gemengd met een soort aarde, die op de passars (markten) in liet groot te verkrijgen is. Dit mengsel gaat naar Egypte, waar het dienst doet als kleurstof van de lange sluiermantels, waarmede de vrouwen der fellah's zich tooien.

Hoewel de prijs van het Madras product veel minder is dan die van Bengaalsche indigo, zoo acht de inlander de betaling toch voldoende.

-ocr page 34-

20

Bovenstaande redenen samenvattende, is het in Madras voor Europeanen onmogelijk een onderneming op eenigszins groote schaal te beginnen en met voordeel te drijven.

In Madras zijn twee wijzen van bereiding in zwang, n.1,: uit de gedroogde bladeren, gelijk men eeuwen lang gedaan heeft, en uit het groene blad.

De in den handel als Madras-indigo bekende soort wordt verkregen uit de gedroogde bladeren, terwijl een andere qualiteit op de wijze verkregen wordt, gelijk in Bengalen gebruikelijk is. De eerstgenoemde wijze wordt het meest toegepast en men schrijft hoofdzakelijk aan die omstandigheid de mindere hoedanigheid van het product toe.

Bij bereiding uit gedroogde bladeren worden de versche stengels en bladeren, na gesneden te zijn, gedurende een tweetal dagen in de zon van 's morgens tot 's middags 4 uur te drogen gelegd, waarop de bladeren, van de stengels afgezonderd, in een schuur bewaard worden tot de voorraad ter verwerking groot genoeg is. De groene kleur der bladeren is daarbij overgegaan in een bleek blauwe. Het drogen der bladeren vindt hoofdzakelijk, naar het schijnt, plaats om transportkosten als anderszins uit te winnen. Hier zij aangeteekend, dat de aanplantingen in vele gevallen ver van de weekkuipen gelegen zijn.

In het weekvat gedaan, worden de bladeren met een zesvoudige hoeveelheid water overgoten. In dezen toestand laat men, onder voortdurend omroeren tot

-ocr page 35-

21

'Hl

alle bladeren gezonken zijn, deze eenige uren trekken, tapt dan af en behandelt verder de aldus verkregen vloeistof als boven is omschreven.

Uitvoer van De uitvoeren van Brits Britsch-lndië. 1880/1881 117.000 cwts.

1881/1882 150.000 „

1882/1883 141.000 „

1883/1884 169.000 „

1884/1885 155.000 „

-Indië bedroegen in de jaren 1885/1886 132.000 cwts. 1886/1887 138.000 „ 1887/1888 139.000 „ 1888/1889 142.000 „


China. In China bereidt men indigo uit onderscheidene

planten, in de omstreken van Peking evenals in Japan -veelal uit de Polygonum tine tor item. Ook Zuidwaarts van Peking op ongeveer 30° breedte, in de provincie Tschekiang wordt vrij veel indigo verbouwd. Iedere pachter n.1. bestemt er een deel van zijn grond voor den verbouw van een Indigofera soort, die veel overeenkomst moet bezitten met de visch-geranium, met dit onderscheid evenwel, dat de groene kleur van het blad veel donkerder is.

De productie voorziet niet alleen in de plaatselijke behoefte, maar er wordt tevens van het artikel uitgevoerd, hoofdzakelijk naar andere havens in China.

De gronden worden in de lente met ploeg en egge bewerkt en van vloeibaren mest voorzien, welke algemeen bij de Chineezen voor al hunne oogsten in gebruik is, zoodat de reukzenuwen van den wandelaar in de velden een zware beproeving ondergaan. In

-ocr page 36-

22

de straten der steden en dorpen, waar slecht gereinigde reservoirs geplaatst zijn, is het niet beter gesteld. Alle afval van organischen aard wordt in China verzameld en zorgvuldig aan den bodem teruggegeven. Met hygiënische wetten houdt de Chinees geen rekening en het inwendige zijner woning moet dan ook, naar men mij verzekert, een toonbeeld van vuilheid en viesheid zijn. De menschelijke faecaliëu worden in de huiskamer in een open bak verzameld en verblijven daar soms weken!

Het zaad wordt op de kweekbedden met zeer kleine tusschenruimten gezaaid. Na een maand, wanneer de plantjes eenige duimen hoog zijn, worden zij overgeplaatst op de daarvoor bestemde velden, in rijen van ongeveer 18 Eng. duimen van elkaar. Gedurende haren verderen groei tot het oogenblik van snijden wordt weinig zorg aan het onderhoud besteed. Als het blad een donkere, blauwachtige tint heeft aangenomen en de planten een hoogte van ongeveer 2 Rijnl. voet hebben bereikt, worden zij bij den o-rond afeesneden en ter bereiding naar de groote

o o '

aarden vaten, waarvan iedere pachthoeve ongeveer een dozijn of meer bezit, vervoerd. Gewoonlijk, bij kleine hoeveelheden, scheidt men de indigo uit de bladeren in weekvaten op het veld af. Heeft echter de bereiding op grootere schaal plaats, dan bedient men zich van steenen bakken, in den grond geplaatst, 6 of 8 Eng. voet diep bij i o 15 Eng. voet diameter. Met versch water gevuld, laat men de planten gedurende

-ocr page 37-

23

eenigen tijd trekken, om daarna door omroeren en toevoeging van gebluschte kalle de indigo af te scheiden.

San Salvador. In San Salvador wordt, nadat de velden bewerkt zijn, de indigo uitgezaaid en dan in den grond gewerkt. Men verkrijgt aldaar van elk zaaisel twee snitten, gesneden door machetes. Het gesneden product wordt in kuipen geweekt, getrokken en geklopt en de afgescheiden indigo gekookt, geperst en gedroogd in ceroenen verpakt. De productiekosten bedragen het dubbele van die in Engelsch-Indië. De inboorlinefen brengen de stof naar de jaarlijks terugkeerende indigo-markten van San Salvador. In elke stad duren deze marktperioden 8—15 dagen. De eerste groote markt van het jaar, die van Santa Rosa, vangt den 30stcn Augustus aan; de volgende na het sluiten van deze heeft te Chalatereango, te Sesuntepeque en te San Miqucl, bij de haven van La Union plaats, welke laatstgenoemde markt door velen bezocht wordt en den 17t,en November opent.

De oogst bedraagt ongeveer 9000 tot r 5.ocxd ceroenen van 150 Eng. ponden. De indigo moet er van voortreffelijke hoedanigheid zijn. Een uitvoerrecht van S 3-37 0P e'ke ceroen indigo werkt zeer belemmerend op den uitvoer en op de productie van liet rijk.

Guatemala. Behalve San Salvador produceeren de andere Centraal Amerikaansche Staten eveneens indigo van mooie qualiteit ; vooral Guatemala onderscheidt zich door

-ocr page 38-

24

zijnen tamelijk uitgebreiden aanplant en betrekkelijk grooten uitvoer. Gebrek aan arbeidskrachten verhindert in deze streken de ontwikkeling der cultuur.

In de Kaapkolonie Natal, Liberia en Sierra Leona groeit de indigo in liet wild en geschiedt de fabricage alleen ter voldoening in de plaatselijke behoefte.

Brazilië. Over de cultuur van indigo in Brazilië lees ik in

„l'Agriculture et les industries au Brésilquot; van den heer Pires de Almeida,quot; dat zij er vroeger bloeide. Men begon haar te verwaarloozen, toen men zich meer speciaal op de koffiecultuur toelegde, en zij werd geheel verlaten na de ontdekking der minerale kleurstoffen uit koolteer.

Dit is te minder te begrijpen, wijl de indigoplant in Brazilië inheemsch is, waar in den staat Ceara zelfs eene bijzondere variëteit, bekend onder den naam anil-cissn veel voorkomt op vochtige en beschaduwde terreinen, en welke plant 4 5 meter hoog wordt.

De gecultiveerde anil-assu moet op een afstand van 1V2 meter uiteen geplant worden, hetgeen 3.610 planten per hectare geeft. De pluk der bladeren geschiedt 3 malen per jaar, en na afloop wordt de struik bij den voet gekapt, waarna meer twijgen uitloopen tot meerdere hoogte.

De fabricage van indigo uit anil-assu geschiedt als bij gewone indigo, en het rendement is 7 èl 8 K.G. per 1000 K.G. bladeren. Daar elke hectare per jaar iu drie oogsten 15.000 tl 18.000 K.G. bladeren kan geven, verkrijgt men dus 120 ü 140 K.G. indigo.

Kndp de Goede Hoop, Natal, Liberia, Sierra Leona.

-ocr page 39-

25

Wij noemen deze cultuur niet als zeer winstgevend, doch, wijl zij gedreven kan worden op terreinen, die over het algemeen onbruikbaar zijn voor andere planten, dunkt ons dat zij ondernomen kan worden zonder andere, meer voordeelige te benadeelen.quot;

Columbia en In Columbia en Venezuela heeft de industrie bijna Venezuela. niets te beduideIL

Nederlandse!) Oost-lndië.

Van al de hooger genoemde soorten verschijnt op onze markten slechts weinig. Voor verreweg het grootste deel van den aanvoer is van Java afkomstig.

Deze soort kan met de beste merken van andere landen wedijveren. Liefhebbers van superieure merken weten, dat die op onze markten te vinden zijn. Directe aanvoeren van Britsch-Indië of van andere landen hebben in ons land weinig te beteekenen.

De uitvoeren van Java, van indigo niet voor de inlandsche markt bereid, hebben bedragen in de jaren :

1885 ± 714.000 Kg, 1888 ± 689.000 Kg.

1886 „ 635.000 „ 1889 „ 728.000 „

1887 „ 667.000 „ 1890 „ ói7.000 „

Hiervan gingen in de jaren: 1888. 1889. 1890.

Naar: Nederland.......... 630.473 634.113 S467'965

// Overig Europa..... 48.827 60.404 61.574

// Singapore.......... 1.160 29.978 8.278

// Elders............. 8.163 3,858 35o

Totaal---- 688.623 T2~8.ïsT

Aan andere indigo werd uitgevoerd in de jaren 1888, 1889 en 1890 resp. 463.795, 525.234 en 806.842 Kg. naar Singapore en naar elders 29.492, 13.682 en —Kg.

-ocr page 40-

26

Onze overige bezittingen in Ned.-Indië voeren niet uit, maar de productie wordt voor locale consumtie gebruikt o.a. in Benkoelen, de Lampongsche districten, Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo, Westerafdeeling van Borneo, Palembang, Selebes enz.

Volgens officieele opgaven bedroeg de uitgestrektheid op Java met indigo door de inlandsche bevolking bebouwd ter voldoening aan kleurstof voor locale consumtie in de laatste 3 jaren ± 24.000 bouws.

Uit koloniale verslagen van de laatste jaren blijkt, dat in Soerakarta ongeveer 138 ondernemingen, ter uitgestrektheid van 222.279 bouws, in Djokjakarta 50 ondernemingen ter uitgestrektheid van 100.430 bouws, produceerende respectievelijk in 1889 en 1888 351 • 3°^ en 261.313 Kg. indigo, bestonden; dat 11 landbouwondernemingen op contracten met de bevolking berustende ter uitgestrektheid van 2.371 bouws in 1889 70.495 Kg. opleverden, terwijl 3 fabrieken in Kediri in aanbouw waren. Als huurprijs genoot de bevolking ƒ 15 ƒ 25 per bouw en per oogstjaar. Het product op 2 in erfpacht afgestane ondernemingen bedroeg in 1889 3.200 Kg. en op gronden aan particulieren in eigendom afgestaan in 1889 12.540 Kg.

Afgescheiden van de ondernemingen op aan Europeanen verhuurde gronden in Soerakarta en Djokjakarta, bestaan in eerstgemeld gewest nog 2, en in Djokjakarta nog 4 indigo-ondernemingen, welke alle door inlandsche grooten voor eigen rekening worden gedreven. De productie dezer gronden bedroeg in 1889 43.007 Kg.

-ocr page 41-

HOOFDSTUK II.

ALGEMEEN OVERZICHT VAN DEN BODEM.

§ i. HET WATER.

Hat water als Aangezien water bij de ontwikkeling van de indigo-

voedings- en piant een zeer gewichtige rol speelt, een grooten oplossinys- . , . .

middel. invloed op de vorming en verandering van gesteenten

en zich in den bodem bevindende stoffen uitoefent,

buitendien een voornaam bestanddeel is, waaruit de

plant bestaat, behandel ik dit onderwerp in de eerste

plaats, om straks een algemeen overzicht te geven

van den bodem.

Eiken indigoplanter is het bekend, dat een te groote hoeveelheid water in den bodem voor de Guatemala indigoplant schadelijk is.

Ontbreekt daarentegen tijdens haren levensduur een voldoende hoeveelheid hiervan ter opname, dan wordt de plant ziek en houdt het gebrek aan, dan verdroogt

-ocr page 42-

28

zij en sterft. Volgens onderzoekers bestaat zij voor een zeer aanzienlijk deel van haar gewicht uit water.

Hetgeen de plant noodig heeft voor haren opbouw, moet haar toegevoerd en hetgeen door verdamping verloren gaat, moet vervangen worden. Wij moeten dus ook het chemisch zuivere water, bestaande uit één molecuul zuurstof en twee moleculen waterstof, hetgeen aangeduid wordt door de formule H20 tot de werkelijke voedingsmiddelen der plant rekenen.

Het water is evenwel niet uitsluitend als voedingsstof te beschouwen, maar tevens als middel om de opneming, de assimileering der anorganische stoffen, hetgeen door de wortels plaats vindt, tot stand te brengen. Daartoe moet het water de in den bodem voorkomende anorganische stoffen in oplossing brengen, ofschoon geleidelijke verweering van den bodem en een zekere werkzaamheid der wortels geen geringe factoren zijn om den overgang der voedingsstoffen tot de plant mogelijk te maken.

Dat planten in het algemeen in staat zijn hare voeding niet alleen uit den grond, maar ook uit zeer verdunde oplossingen te trekken, bewijzen de vele gedane proefnemingen met de teelt er van in oplossingen zonder aanwending van grondsoorten o.a. van phos-phorzuur.

Schadelijk Daarentegen werken te geconcentreerde oplossingen water. als vergift. Niet zelden zijn in Europaquot;akkers gedurende jaren door het aanbrengen van modder, ijzervitriool bevattende, bedorven, ofschoon ijzer en

-ocr page 43-

29

zwavelzuur, bestanddeelen van ijzervitriool, tot de voedingsstoffen van planten behooren. Zoo kan guano ook schadelijk werken. Zoo kan water, dat het in den bodem veelal en somwijlen in groote hoeveelheid voorhanden zijnde ijzer-oxydule in oplossing heeft, nadeelig zijn.

Hieruit blijkt, dat het water, zools het in de natuur voorkomt, niet altijd geschikt geacht kan worden om bij planten gebracht als voedingsstof dienst te doen.

Koolzuur. Bevat het water vrij koolzuur, dan wordt daardoor

de oplossing van de vaste bestanddeelen van den bodem o. a. der silicaten bevorderd. Warmte en hooge druk vermeerderen zijn oplossingsvermogen.

Ondergronds- Het water, dat onder de aardoppervlakte op iedere water. diepte wordt aangetroffen, noemt men ondergrondswater en ontstaat hetzij uit het bevloeien van hooger gelegen akkers of uit neerslaanden waterdamp, die in den vorm van regen door de bovenlaag op de plaats zelve gedrongen is, dan wel op andere plaatsen, door in den bodem te dringen en naar de plaats, waar het aangetroffen wordt, te vloeien. Dit water, ook wel zakwater genaamd, heeft op Java op een diepte van p.m. 2 Rijnl. vt. gemeenlijk de gemiddelde temperatuur van de atmospheer.

Zinkt het water tot een voor de planten onschadelijke diepte, dan wordt de bovenlaag droog en warm, maar stijgt het niveau ervan tot bij de oppervlakte.

-ocr page 44-

30

dan is de bodem nat, ten gevolge der capillariteit, en koud, omdat water een slechte warmte-geleider is. Evenwel kan het een groote hoeveelheid latente warmte bevatten. Om i Kg. ijs bijvoorbeeld te smelten gebruikt men i Kg. water van 750 C. Daarvandaan dat een warme regenbui een zoo gunstigen invloed op den groei der plant uitoefent.

Naar gelang van den vochtigheidstoestand van de lucht, van de temperatuur en van den luchtdruk verdampt het in meerdere of mindere mate, hetgeen gepaard gaat met warmteuitstraling, die zoo sterk kan plaats vinden, dat de temperatuur van het water er belangrijk door daalt.

Wordt water uit een bron om middellijk op den akker gebracht, dan heeft het gedurende den korten tijd der blootstelling aan de atmospheer nog weinig warmte kunnen opnemen. Het verschilt alsdan nog niet veel van de temperatuur van het ondergrondswater en kan om die reden, als bevloeiingsmateriaal gebezigd, den grond doen afkoelen, hetgeen niet zeer bevorderlijk is voor den groei der plant; eveneens is stilstaand water, dat te veel warmte opgenomen heeft, niet voor gebruik aan te bevelen. Dit een en ander te zamen vattende, moet men bij het bevloeien van den akker deze omstandigheden in aanmerking nemen en daaraan eenige aandacht schenken. Bronwater is des morgens warmer bij de bron dan des daags ; men brenge het om die reden in de morgenuren op de nabijgelegen velden, terwijl het op verder

-ocr page 45-

31

gelegen akkers tegen den middag en den namiddag goede diensten kan bewijzen.

Bevloeiings- Bevloeiingswater wordt op Java, waar men gedu-water

rende ongeveer vijf maanden van het jaar een drogen moesson heeft, beschouwd van den landbouw de hartader te zijn, zonder welke vele cultures onmogelijk met voordeel kunnen gedreven worden. De waarde der gronden houdt dan ook met de beschikbare hoeveelheid dezer vloeistof nauw verband, want al zijn zij slecht, door besproeiing, waardoor veelal nuttige bestanddeelen voor het leven eener plant aangevoerd worden, zijn zij voor verbetering vatbaar.

Dat het water eene gewichtige, zoo niet de gewichtigste rol bij den Javaschen landbouw te vervullen heeft, zal, naar ik mij vlei, uit het bovenstaande eenigs-zins duidelijk zijn geworden.

Men is dan ook hiervan zoo zeer overtuigd, dat, waar zulks mogelijk is, aan het vergaren dezer vloeistof door opdamming der rivieren en het verder voeren door leidingen naar de akkers, dan wel door zich te bedienen van ondergrondswater of dit op te vangen, door particulieren veel zorg wordt besteed, om in de ontstentenis van regenwater tijdens het droge jaargetijde te voorzien.

Het land moet, wil men het behoorlijk bewateren, genivelleerd en, om het afvloeien tegen te gaan, door een dijkje omgeven worden.

De hoedanig-lieid van liet water.

De hoedanigheid van het water is, zooals wij reeds gezien hebben, verschillend. Zij hangt af van vele

-ocr page 46-

32

omstandigheden. Men neemt wel eens aan, dat de kleur of helderheid verschijnselen zijn, die de waarde ervan bepalen voor den akker of voor de fabricage. Het zij hier opgemerkt, dat de meerdere of mindere mate van geschiktheid zich niet door die beide gegevens laat beoordeelen, maar de bepaling ervan enkel kan verkregen worden door een chemische analyse en in dat geval buitendien op verschillende tijdstippen, daar er zich omstandigheden kunnen voordoen, die de analyse geheel kunnen wijzigen, als daar zijn; regenval, toestrooming van afval van hooger liggende fabrieken, het voorkomen van planten als anderszins in de rivier, of de leiding, enz., zoodat men door een enkele proefneming niet altijd er op staat kan maken, dat liet water geschikt is voor het doel, waarvoor men het wenscht te bezigen.

Van bronwater is echter de qualiteit veelal constant, waarom men dit voor de fabricage van indigo pfeschikt

O O O

acht. Buitendien laat de graad van zuiverheid in vele gevallen niet te wenschen. En al mocht deze voor bevloeiingsdoeleinden van de velden met het oog op sommige bestanddeelen, zooals hooger gezegd, slecht kunnen zijn, die bestanddeelen zouden bij de fabricage van indigo juist een nuttig effect kunnen te weeg brengen. Of ijzerzouten bijvoorbeeld een gunstigen invloed bij de fabricage van indigo uitoefenen, durf ik niet beweren, maar opvallend is zeker het feit, dat, waar de bodem in ruime mate voorzien is van ijzerhoudende zouten, de ondernemingen in de meeste

-ocr page 47-

33

gevallen (een uitzondering is mij niet bekend) goede indigo opleveren. Als ik hiervan een reden moest geven, dan zoude die gelegen kunnen zijn in de aanwezigheid van ferryd-chlorid, dat, gelijk bekend is, een zuiverende werking op het water uitoefent, daar het met de organische stoffen in water onoplosbare verbindingen aangaat.

§ 2. DE GROND.

Grondsoorten Gelijk den ervaren landbouwer bekend is, biedt de grond zulk een groote verscheidenheid in chemische samenstelling aan, dat het moeielijk valt al de soorten op te noemen. Bovendien is m. i. in een opsomming daarvan geen nut gelegen. Ik bepaal mij om die reden dan ook alleen tot enkele soorten, die veel voorkomen, waaraan de landbouwer algemeen bekende benamingen heeft gegeven, en buitendien den bodem karakteriseeren, om in hoofdtrekken van de physische en chemische aangelegenheden — met betrekking tot de rol, die het water in den bodem vervult — en van enkele hoofdbestanddeelen, die van grooten invloed op het leven eener plant zijn, een denkbeeld te geven. Bij de behandeling van de bemesting zal ik op dit onderwerp, als staande in nauw verband hiermede, terugkomen.

Om aan bovenstaanden gedachtengang uitvoering

3

-ocr page 48-

34

te geven, verdeel ik de bouwaarde in klei-, kalk-, zand-, en humusgrond, al naar gelang een dezer stoffen als hoofdbestanddeel daarin voorkomt en vestig op deze verdeeling de bijzondere aandacht, omdat zij, wat de physische hoedanigheden van de bouwaarde betreft, voor het leven van de Guatemala-indigo in het bijzonder — die vochtigheid geen nattigheid, noch kurkdrogen grond vraagt, om zich goed te kunnen ontwikkelen — van zeer grooten invloed is.

iüware en Uit deze verdeeling zal men tevens eenig denkbeeld

ohte grond, verkrijgen, wat onder zwaren en wat onder lichten grond verstaan moet worden, eene zaak, welke ik voor de ontwikkeling van mijn idee over grondbewerking van groot belang acht, omdat zich daaruit de werkwijze gemakkelijk laat verklaren, welke met goed gevolg door mij werd toegepast.

Een bepaalde grens tusschen deze soorten in het algemeen aan te geven is niet mogelijk, daar de woorden twee ideeën vormen, die van elkaar zeer verschillen en de onderscheidene schakeeringen alle om zoo te zeggen in elkaar vloeien. Als persoonlijke opvatting versta ik om die reden onder lichte gronden die soorten, welke na twee bevloeiingen kort na elkaar los blijven, gepaard met een betrekkelijk spoedige uitdroging, en onder de zware die, welke bij die bewerking een harde korst doen ontstaan en barsten, waardoor het den wortels der indigoplant moeielijk gemaakt wordt zich te ontwikkelen.

-ocr page 49-

35

Klei», kalk-, Deze nadeden bezitten in de eerste plaats de kléi-

zand- en gronden; zij laten bovendien moeielijk, kalk-, en zand-humusgrond. .

gronden daarentegen gemakkelijk water door. 13;) kleien humnsgronden valt op te merken: dat zij beter water in zich vast houden dan de beide andere en daardoor minder warmte opnemen, hoewel het warmtegelei-dend vermogen van eerstgenoemde, indien zij droog, hard en compact zijn, zelfs zeer groot is; bij kalkgrond, dat hij in losheid den zandgrond nabij komt, maar boven dezen het voordeel heeft, bijaldien hij bewerkt aan de lucht blootgesteld wordt, zich gemakkelijker om te zetten en spoediger teelaarde te vormen; terwijl humus-gronden alzoo genoemd om hun ontstaan uit vegetale soms animale stoffen, door hunne ontbindende eigenschappen, waardoor warmte ontwikkeld wordt, in den bodem een scheikundige werking tot stand brengen, die gunstig werkt op de voortbrenging van de voor de plant benoodigde voedende bestanddeelen. Kleigronden hebben op de andere voor, dat zij de voedende bestanddeelen beter vasthouden, maar daarentegen ook spoediger vastleggen, terwijl losse gronden deze bij zware regenbuien of bij het afvloeien van irrigatiewater spoediger door oplossing verliezen.

Tot nadere omschrijving van de woorden klei-, kalk-, zand- en humusgrond, waarbij ik nog voeg leem-, en mergelgrond, diene het volgende:

Onder kleigrond wordt verstaan een soort, die 50 en meer pCt. klei bevat. Deze bestaat uit onzuivere kaolien, het verweeringsproduct van veldspaath, een

-ocr page 50-

30

dubbelsilicaat van aluminium en kalium, en analoge dubbelsillcaten.

Het kleigehalte wordt bepaald door een afgewogen massa droge aarde in water, waarvan het gewicht bekend is, gedurende eenigen tijd te koken. De lichtere klei zal daarop in zwevenden toestand blijven hangen, terwijl de zwaardere zandkorrels spoedig bezinken Telt men bij deze, na droging, de gebezigde hoeveelheid water op, om de som af te trekken van het totaal gewicht van aarde en water, dan schiet dat van de klei over, uit welk resultaat voor de praktijk gemakkelijk het kleigehalte te bepalen is: Houdt de bodem meer dan 80 pCt. klei, dan is hij geschikt tot grondstof bij de fabricage van potten, pannen en draineer-buizen.

In nauw verband met de chemische samenstelling van kleigrond is die soort, welke, met een hoeveelheid klei vermengd, hiervan 10 — 5° pCt. bevat. Deze is bekend onder den naam van leemgrond, terwijl, wanneer daarbij, ook zonder de aanwezigheid van klei, koolzure kalk in een hoeveelheid van niet hooger dan pl. m. 20 pCt. aanwezig is, er den naam van mergelbodem aan gegeven wordt. Bevat de bouw-aarde echter meer dan 20 pCt. koolzure kalk, dan rekent men haar onder de kalkgronden. Een gehalte van 90 en meer pCt. zand bestempelt de bouwaarde met de benaming van zandgrond, en zij is al naar gelang der zuiverheid geschikt voor metsel-specie.

Daar humus een bijzondere beteekenis heeft voor

-ocr page 51-

37

de vruchtbaarheid van de bouwkruin en hierin vrij algemeen aangetroffen wordt, wensch ik deze grondsoort meer in het bijzonder met het oog op hetgeen later bij dc bemesting zal medegedeeld worden, aan een nadere bespreking dan de andere genoemde grondsoorten te onderwerpen.

Zooals gezegd werd, hebben humusgronden hun ontstaan te danken aan overblijfsels van organische zelfstandigheden (zoowel van planten als van dieren), die op verschillende wijzen een ontbindings-of verrottingsproces hebben ondergaan. Vindt de zuurstof vrijen toegang tot de vegetale en animale zelfstandigheden, dan heeft er een volledig verrottings- of oxydatie-proces plaats en er is van verweering, zooals men die bijvoorbeeld aantreft in veengronden, geen sprake. Bij deze soort, die ontstaan is uit een afsluiting van de zuurstof door middel van water en waarin de neder-vallende plantendeelen (bladeren, takken en stengels) slechts tot zekere mate in ontbindino- maar niet eeheel

O ' O

tot verrotting, overgingen, heeft daarentegen een langzame oxydatie (verweering) plaats.

Hieruit blijkt, dat er onderscheid is tusschen verrotting en verweering ; dat ook de aard van humusgronden naar gelang der omstandigheden, waaronder zij ontstaan zijn, voor den landbouw van meerdere of mindere waarde kan geacht worden ; dat de hoeveelheid humus in klei- of zandgrond, wanneer zij, gelijk meestal het geval is, door oxydatie ontstaan is, in vergelijking van veengronden veel spoediger verdwenen is en door

-ocr page 52-

38

het- toevoegen van stalmest, plantaardigen afval enz. moet gerestaureerd worden, wil men cle vruchtbaarheid niet zien verminderen.

Humus maakt den bodem korrelig en los, waardoor de circulatie van lucht mogelijk wordt, die zoowel nuttig werkt op de ademhaling van de wortels der planten als op den bodem zelf. Tengevolge van haar vermogen om het water vast te houden, het snelle doorzakken en wegvloeien daarvan tegen te gaan, waardoor het behoud van een behoorlijken vochtigheidsgraad zeer in de hand gewerkt wordt, blijven er steeds voor de plant voedende bestanddeelen beschikbaar, terwijl de ontwikkeling van onderscheidene micro-organismen en schimmels bevorderd wordt. Dit moge in sommige gevallen door begunstiging van wortelparasieten een nadeel voor cultuurplanten zijn, in den regel zijn de plantaardige micro-organismen uit den bodem als vrienden en niet als vijanden te beschouwen.

De schimmels, welke volgens Frank door het samenleven met wortels voor het meerendeel der boomen van groot nut zijn, schijnen uitsluitend in een humus bevattenden bodem voor te komen. 1)

Bovendien neemt humus de belangrijkste voedingsstoffen (ammoniak, kali- en phosphorzuur) uit het water in den grond op, iets, waardoor verarming — een gevolg van liet uitlogen van den bodem — tegengegaan wordt.

Humus draagt door haar ontledingsproducten, welke

!) Forsch. auf dem Gebiete der Agriculturphysik.

-ocr page 53-

39

meest alle een zuurkarakter bezitten (koolzuur en opgeloste alkaliën) aanzienlijk bij tot voor de plantenwortels gewen schte omzettingen der in den bodem aanwezige minerale voedingsstoffen, die in den grond ook door de humus zelve in groote mate vermeerderd worden en een geschikt voedsel voor de planten opleveren.

Alle humus, die in de natuur voorkomt, bevat stikstof en deze des te meer naarmate de verweering der organische stoffen ten einde is gebracht. Uit de ontleding van stikstofhoudencle bestancldeelen van humus ontstaan ammoniak en salpeterzuur, die, zooals men weet, voor het meerendeel der planten het beste stikstofhoudend voedsel bevatten.

Al moge het ook waar zijn, dat de in humus aangetroffen wordende zuren vrij zwak zijn en uit de zouten gemakkelijk door minerale zuren scheikundige verbindingen ontstaan, door hunne aanwezigheid in groote hoeveelheid echter zijn zij in staat toch op een krachtige wijze een scheikundige werking in den bodem tot stand te brengen; vooral op phosphaten is deze werking van belang, wanneer daarbij neutrale zouten aanwezig zijn, die ontleed worden en een deel van hun zuur loslaten. Deze zuren kunnen dan in vereeniging met die in. de humus voorhanden de hoeveelheid oplosbaar phosphorzuur vermeerderen.

Door de scheikundige werking in den bodem wordt, zij het ook in geringe mate, warmte voortgebracht, koolzuur oevormd en verweerino- der minerale be-

Ggt; O

standdeelen van den bodem bevorderd, vooral van

-ocr page 54-

40

basische zouten, waartoe men kalk rekent. Is hiervan in den bodem een voldoende hoeveelheid aanwezig, dan kunnen zij op de vrije humuszuren inwerken. Het is dan ook op grond van dit een en ander, dat men in den laatsten tijd op deze soort gronden Thomas-slakkenmeel gebruikt en daarvan zulke gunstige resultaten verkrijgt. Hierbij zij echter opgemerkt, dat deze meststof veel vervalscht in den handel voorkomt en om die reden een onderzoek, alvorens tot gebruik daarvan over te gaan, gewenscht is.

Door een afgewogen hoeveelheid droge aarde te gloeien, waarbij de donkere kleur, die de humus kenmerkt, verdwijnt en daarna te wegen, kan men bij benadering het humusgehalte van een grondsoort bepalen, bij welke handeling het verschil in gewicht het humusgehalte aangeeft.

Wenscht men het zandgehalte eener bouwaarde te kennen, dan koke men evenals bij klei een afgewogen hoeveelheid aarde en giete het bovendrijvende vocht, dat de opgeloste of in zwevenden toestand verkeerende stoffen bevat, af, wascht het zand nog eenige malen na, indien zulks noodig is, droge en wege vervolgens de overgebleven hoeveelheid zand, welks gewicht men wenschte te zoeken.

Om het kalkgehalte bij benadering te weten, handele men op de volgende wijze. Men gloeie een zekere afgewogen heeveelheid droge aarde, behandele haar met verdund zoutzuur, giete af, spoele met water eenige malen na, wege na droging het teruggebleven

-ocr page 55-

41

overblijfsel, en trekke dit van de oorspronkelijke hoeveelheid aarde af. Het verschil zal het verlies aan kalk aangeven, dat zich met het zoutzuur tot een in water oplosbaar zout heeft gevormd en dus van de aarde is afgescheiden.

Als gevolg van het hierboven medegedeelde over zwaren en lichten grond en in verband met de door mij voorgestane wijze van grondbewerking, waarbij gevoegd kan worden het feit, dat de bewerking van zware gronden meer moeite en zorg vereischt dan die van lichte en daarbij veel gezegd wordt, dat van toepassing is op laatstgenoemde, bepaal ik mij voor-loopig tot de bespreking van de zware, maar voor ik daartoe overga, wensch ik in de eerste plaats het zaadwinnen bij de Guatemala indigo, in de tweede plaats het veredelen der plant en in de derde plaats het aanleggen van kweekbedden te behandelen.

-ocr page 56-

HOOFDSTUK III.

HET ZAADWINNEN BIJ GUATEMALA INDIGO.

Op tweëerlei wijzen wordt het zaad bij Guatemala Wijze van indigo op Java gewonnen, öf door op 4 Rijnl. vt. onderwinnen. lingen afstand speciaal planten daarvoor aan te kweeken, 5f door het aanhouden van krachtige uitgestoelde struiken — waarvan het hout eene roodbruins kleur bezit — op een afstand van 4, 8 en meer Rijnl. voeten onderling.

De laatste methode wordt het meest toegepast, omdat men in de meening verkeert, dat zij meer directe voordeden oplevert dan de eerste.

Velen beweren, dat men door bijv. een paar bouws voor zaad winning af te zonderen, ook een paar bouws aanplant derft, terwijl het onderhoud daaraan meer arbeidskrachten vordert. Wat de laatste bewering betreft, deze geef ik volgaarne toe, niet wat de voorgaande aangaat, daar men bij de eerstgenoemde methode evengoed planten laat staan als bij de andere. Ik geloof dan ook, dat de nadeelen van bladverlies bij beide wijzen van zaadwinning, nagenoeg evenveel

-ocr page 57-

43

zullen bedragen en dan heeft de eerstgemelde bij eenige meerdere uitgaaf ongetwijfeld boven de laatste voor, dat de plant zich beter, krachtiger kat? ontwikkelen, hetgeen van grooten invloed zal zijn bij het voortteelen van goed zaad, waaraan een planter zijne bijzondere aandacht moet schenken, wil hij niet zien, dat zijn product achteruitgaat. Om dit te voorkomen moet men zich eenige offers en moeite getroosten.

Bewerking De bewerking der gronden geschiedt zooals onder der gronden. i100fciatuk yi wordt aangegeven.

o o

Als mest gebruike men bij de planten titèn,1) een mestsoort, die dezelfde bestanddeelen in napfenoeof

O O

dezelfde verhouding bevat, welke de plant kenmerkt.

De bloei. Het tijdstip, waarop de bloei plaats vindt, is niet

nauwkeurig op te geven, daar die van bodem, klimaat weersgesteldheid en ouderdom afhangt; bovendien komt het er in de praktijk doorgaans niet op aan nauwkeurig te weten, op welken leeftijd de plant bloeit en de vrucht rijp is. Om die reden beschouw ik bij benadering een ouderdom van 7 8 maanden als het tijdstip, waarop de plant bloem schiet om na meer dan 100 dagen de peultjes oogstbaar op te leveren.

Het oogsten. Bij het oogsten dient men vooral te letten op het plukken van goed rijpe peultjes, te herkennen aan hunne vaal gele kleur, bij den Javaan bekend onder

1) Onder „titènquot; wordt verstaan de overgebleven vaste bestanddeelen der plant, in den fermenteerbak, na aftapping van het fennen-teervocht.

-ocr page 58-

44

de benaming van „matalquot;, en geene eenigszinsjonge, daar deze korrels bevatten, die wel is waar beter ontkiemen, maar op zekeren leeftijd, b. v. van een maand en later, beginnen te kwijnen. Te oude vruchten daarentegen leveren zwart, onontkiembaar zaad.

Het drogen. Om het zaad geschikt voor uitzaaien te maken, spreidt men de peultjes dun op een droge plaats in de zon uit en droogt ze daarin zoolang, tot de schil door stampen in een rijstblok gemakkelijk verwijderd kan worden. Heeft men het zaad nog niet noodig, dan beware men de peultjes in een hangenden zak in een droge loods, waar de wind speling heeft, om ze af en toe ter voorkoming van verstikking in de zon te drogen te leggen, terwijl, wanneer men het zaad voor de kweekbedden noodig heeft en van de schil wenscht te ontdoen, het raadzaam is de peultjes in de zon eerst te drogen te leggen om ze daarna te stampen; hierdoor voorkomt men, bijaldien de bast niet broos is maar taai, het kneuzen of stukslaan der korrels. Bij dit en ander teeken ik nog aan, dat het zaad zich langer goed houdt in de vrucht, dan wanneer het daaruit genomen is.

In nauw verband met hetgeen hierboven besproken werd, staat de veredeling der plant, waaraan ik een afzonderlijk hoofdstuk wensch te wijden, omdat m. i. dit vraagstuk van zeer groot belang voor de indigocultuur geacht kan worden, te meer omdat velen over achteruitgang van productie, over verbastering der plant, over vermindering van „stofquot; klagen.

-ocr page 59-

HOOFDSTUK IV.

HET VEREDELEN DER PLANT.

De mogelijk- In het vorig- hoofdstuk maakte ik er mekline van, hoe held van het , . , . .

veredelen zaa teg:enwoor(kg gewonnen wordt en gaf eenige

praktische wenken om het in goeden staat te houden.

In dit artikel echter wensch ik den lezer nader in kennis te brengen met de middelen, welke aangewend zouden kunnen worden om de plant te veredelen.

Is dit mogelijk ? is de eerste vraag, die mij ontglipt, nu de feiten bij velen in de laatste jaren aantoonen, dat het gehalte van het Guatemala blad en de productie per bouw achteruitgaat, ondanks de middelen, die men aanwendt om in dezen toestand verandering te brengen. Maar tevens rijst bij mij de vraag: heeft men niet in den blinde rondgetast en heeft men de quaestie zoo gesteld, als zij behoorde gesteld te worden of wel alles gelaten bij het oude in de meening, dat er niet veel te verbeteren valt? Zijn er proeven gedaan in een zekere richting, zijn ze verzameld, gepubliceerd en

-ocr page 60-

46

zijn er conclusion getrokken, die voor de hand lagen ? Is er rekening gehouden met de wetenschap, de ondervinding, die men op ander gebied in het plantenrijk heeft opgedaan? Bezaten allen, die proeven namen, wel de noodige theoretische en praktische kennis van de cultuur van planten in het algemeen, van die der indigo in het bijzonder, en van chemie? Naar mijne bescheiden meening behoeven wij de waarheid niet te verbloemen. Het is beter die onder de oogen te zien en, zij het dan ook voor een deel, deze vragen ontkennend te beantwoorden.

Had men aan het hoofd van een proefstation iemand, die ziclr toelegt op veredeling der plant, op voorlichting van allen, die belang hebben bij de cultuur,ongetwijfeld zou men na verloop van tijd niet alleen den achteruitgang in het gehalte van het product gestuit zien, maar tevens, daarvan ben ik overtuigd, op vooruitgang kunnen wijzen.

Daartoe heeft men slechts een blik te slaan op den landbouw in Europa. Nemen wij bijv. de beetwortelsuikercultuur. Deze is daar om de stelling te bewijzen, dat het mogelijk is door vermenging van verschillende variëteiten en het uitzoeken van de edelste dezer planten andere voort te brengen, die een hoog suikergehalte, gepaard met een groote opbrengst in gewicht per hectare, bezitten.

Ik wijs hier in het bijzonder op den beetwortel, omdat deze in Indie in het suikerriet een mededinger, bezit, die in vroegere jaren veel suikerrijker was dan gene, alhoewel ik nog vele andere feiten zou

-ocr page 61-

47

kunnen noemen, die hier, als niet ter zake behoorende, achterwege worden gelaten. Maar tocli wensch ik er in het algemeen op te wijzen, dat in Europa op elk gebied in het plantenrijk variëteiten gekweekt zijn, die men verlangt, hetzij om de qualiteit, hetzij om de quantiteit van blad, hetzij om beide, van knol, van bloem, van vrucht of van blad.

Wat men hier in velerlei richting kan voortbrengen, zou dat in Indië bij de indigo-cultuur in twee richtingen, n.1. verhooging van gehalte en verbetering van fabricage, om de grootst mogelijke hoeveelheid indigo produceerende stof uit den grond te trekken, onmogelijk zijn ? Ik vermeen deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden, indien alle indigo verbouwers daartoe zouden willen medewerken en het gouvernement door meerdere belangstelling te toonen financieel de oprichting van een proefstation steunde, waar de door planters verkregen resultaten worden verzameld, en in eene zekere richting proeven genomen, om uit te maken hoe men niet en hoe men wèl handelen moet.

Was liet bij de rietsuikercultuur een groot ongerief, dat de plant, naar men meende, enkel door stekken kon voortgeteeld worden, bij de indigo bestond dit bezwaar niet, daar zij ook uit zaad kan worden verbouwd.

van Hetgeen in Europa van algemeene bekendheid is

verbastering, en algemeen wordt toegepast, wordt bij den verbouw

-ocr page 62-

48

van indigo in Indië veel te weinig of bijna in het geheel niet in acht genomen. Ik heb hierbij het oog gericht op het tegengaan van verbastering niet alleen, maar tevens op vermeerdering van product door het gebruik van zaad op lichtere of zwaardere gronden in andere streken geteeld. Door de ondervinding geleerd, heeft de boer hier te lande ingezien, dat zaad uit andere landstreken — al geeft dit niet altijd direct betere uitkomsten dan het product, voortgebracht op zijne velden — op den duur toch verbastering tegengaat en de opbrengst doet vermeerderen.

In eene der Indische bladen, met name de te Djokja verschijnende „Mataramquot;, las ik, dat een planter op grond der ervaring dezelfde meening was toegedaan.

„Welke kleinigheden soms, zegt het blad, op de meerdere en mindere opbrengst van een indigo-onder-neming influenceeren, blijkt ons uit het volgend schrijven, door uitgever dezes ontvangen:

„Een beheerder van een indigo-onderneming toch vraagt de tusschenkomst van den heer B. om hem weder 15 picols Klattensch indigo-zaad te leveren, van dezelfde onderneming, waarvan hij het vorige jaar zaad had ontvangen. Bij vergelijkende proeven was hem gebleken, dat hij van den aanplant, afkomstig van Klattensch zaad, ruim 10 pond per bouw meer indigo had gemaakt dan van den aanplant, afkomstig van eigen bibit. En toch zijn er nog tal van indigo-planters

-ocr page 63-

49

die, jaar in jaar uit, eigen geoogst zaad gebruiken, omdat.... gekocht zaad geld kost. De Engelschman noemt dit zeer terecht: Penny wise, pound foolishquot;.

Als ik van verbastering, van achteruitgang in het produceeren van „stofquot;, een reden moest geven, dan zon ik de oorzaak zoeken in verminderingf van leefkracht, die bij onafgebroken voortteling op denzelfden bodem schijnt te ontstaan of wel in den ondergrond, waaraan bestanddeelen worden ontnomen, maar niet teruggegeven.

Ook heeft de landbouwer hier door de ervaring geleerd, dat zaad van de eerste generatie meer product oplevert, dan het oorspronkelijk aangevoerde. Op dit punt deed men op Java dezelfde ondervinding op bij het uit Guatemala geïmporteerde indigo-zaad en het is op grond hiervan niet zoo dwaas vergelijkingen tusschen hetgeen hier te lande in het plantenrijk voorvalt en hetgeen op Java gedaan wordt, te maken, al verschillen de toestanden in beide streken zeer veel van elkaar.

Op bovenstaand verzuim wijzende, acht ik het van belang in herinnering te brengen, dat men voor lichte gronden zaad voor de veredeling moet bezigen op zwaarderen grond en in een andere streek geteeld, en voor zware gronden zaad van lichtere gronden. Naar de methode, die de boer hier volgt, zou m. i. zaad van de indigo ondernemingen Temoeloes en Gawok, in het Solosche, met die in het noordelijk deel van Djokja onderling verwisseld kunnen worden.

4

-ocr page 64-

50

0e veredeling Door krachtige bloemen wordt krachtig zaad voortgebracht. Om de ontwikkeling hiervan te bevorderen, snoeie men enkele overtollige takken en die bloesems weg, welke zich vertoonen voor het tijdstip van volle ontwikkeling der plant, dat zich kenmerkt door het grootste gehalte aan indigo-wekkend beginsel, iets wat men onderzoeken kan door de bladeren te vouwen en te luisteren of zij bij die behandeling kraken. Buitendien kan dit tijdstip waargenomen worden bij de fabricage. Indien de voor de fabricage gebezigde planten denzelfden ouderdom hebben bereikt, als die voor de zaadwinning, zal het verschil van den graad van rijpheid niet veel bedragen.

Ook de nabloesem, als te oud, verwijdere men. Hieronder versta ik den bloesem, die te voorschijn treedt op het tijdstip, wanneer de zaadvorming bijna in haar geheel heeft plaats gevonden. Behalve genoemde middelen, snoeie men op geregelden afstand aan eiken tak, doch niet al te veel, bloesem weg, teneinde de concentratie der vochten in den stam en de takken naar de overgebleven bloemen te bevorderen, waardoor deze meer voedsel te harer beschikking ontvangen.

Bij het snoeien bezige men een scherp snijwerktuig en plaatse het snijvlak aan den onderkant van den tak om het tegen atmospherische invloeden te beschutten, verwijdere die takken, welke andere kruisen en daardoor beschadigen kunnen, kieze die planten voor de voortteling in het algemeen uit, waarvan de beste resultaten verwacht worden door uit een zeker

-ocr page 65-

51

gewicht aan blad indigo te fabriceeren. Enkel die soorten, welke de mooiste qualiteit en het hoogste gehalte aan „stofquot; aanwijzen, kieze men voor de voortteling.

Heeft men op deze wijze getracht krachtige bloemen en zaden te kweeken, bij een volgend seizoen wordt met zaad uit eenigszins andere soort grond en streek op dezelfde wijze geteeld, de aanplant in den grond gebracht, terwijl de beste korrels als zaad voor de bibitveredeling worden uitgekozen.

Het spreekt van zelf, dat men aanvankelijk hiertoe alleen echt Guatemala zaad bezige, dat men de plant niet overbreng-e naar den tuin van waar het zaad gewonnen zal worden, maar de korrel daarin plaatse en door begieten met water in het leven roepe, dat men eenige korrels uitzaait op ouderlingen afstand van 4 cM. en daaruit de krachtigste plant aanhoudt en de andere verwijdert.

Op deze wijze handelende treft men wellicht planten aan, die een veel hooger gehalte aan indigo-wekkend beginsel bezitten; deze worden veredeld om daaruit een constante variëteit te doen ontstaan.

Ook zoude de voortteling van hybriden bij kunnen dragen tot veredeling der plant. Uit de verschillende soorten, die men op Java aantreft, zoude hoogst waarschijnlijk een product te voorschijn kunnen gebracht worden, dat meer indigo voortbrengende stof per bouw oplevert.

Is de Guatemala soort minder goed tegen droogte of te groote vochtigheid bestand dan de Natal, laatst-

-ocr page 66-

52

genoemde levert bovendien het voordeel op van grooter, dikker en meer blad te bezitten dan eerstvermelde.

Een kruising dezer beide soorten door overbrenging van het stuifmeel uit de eene bloem op den stamper van de andere, zoude bij zorgvuldige behandeling bastaards (hybriden) kunnen voortbrengen, welke de gewenschte goede eigenschappen van beide soorten in zich vereenigen Tengevolge van zulk eene vermenging, zouden er planten kunnen ontstaan, die bij een zelfde gehalte aan „stofquot; beter bestand zijn tegen langdurige droogte of tegen groote vochtigheid van den bodem en aanhoudende regenbuien dan de Guatemala kan verdragen; of planten, die bij een zelfde gehalte aan die „stof ten gevolge van grooter en dikker blad meer product leveren, dan wel al de genoemde eigenschappen in zich vereenigen. Neemt men buitendien het middel van zaadveredeling als hier-voren omschreven te baat, dan vermeerdert de kans om tot een hooger rendement te geraken.

Men denke hierbij evenwel niet, dat bij iederen oogst eene geleidelijke vermeerdering' van het indigo-wekkend beginsel zal plaats vinden; integendeel, men stelle zich voor, dat bij kruising een groot deel der planten van mindere hoedanigheid is en dat onder het overige deel enkele aangetroffen worden met de gevraagde eigenschappen. Deze zullen alsdan verder veredeld en zoo ontwikkeld dienen te worden, dat zij een afwijking, een bepaalde soort vormen.

Levert de Natal een product op, dat een weinig

-ocr page 67-

53

inferieur is aan dat van Guatemala, de Taroem Kembang (stek-indigo) daarentegen produceert mooiere indigo.

Plet behoeft, vermeen ik, geen betoog, dat het niet op den weg van iederen planter ligt, het gehalte aan indigostof te bepalen of hybriden voort te brengen, aan welker voortteling en keuze zeer veel zorg en moeite verbonden is om veredelingf tot stand te bren-gen, maar het ligt voor de hand, dat dergelijke onderzoekingen en proefnemingen beter toevertrouwd kunnen worden aan iemand, die op de hoogte van zulke zaken is en aan het hoofd geplaatst wordt van een proefstation. Zulk een man van ondervinding zou ook op ander gebied van indigo-verbouw de planters kunnen voorlichten, ten einde hun de voordeden te doen deelen, die de natuur voor hen verborgen houdt. De tijdsomstandigheden dringen er toe om de handen ineen te slaan, iemand te zoeken en aan het hoofd van een proefstation te zetten, omdat de wetenschap in Europa haren loop vervolgt en bewerkingen voor verfstoffen uitvindt, die ten doel hebben de indigo te vervangen, te meer daar het nu nog tijd is om aan die gevaarlijke concurrentie het hoofd te bieden en het mogelijk is haar met betrekking tot het groote gehalte der plant aan „stofquot; te dooden. Met andere woorden: Planters, verzet de bakens eer het getij verloopt! ')

!) Hiertoe aan te sporen komt mij niet onnoodig voor, te eer, daar ik in de Locomotief van 20 April j.1. lees, dat een der indigo-

-ocr page 68-

54

Onderneming Daar de oprichting vau een proefstation mislukt is

voor hef eri }let sci1ijnt) Jat een derofeiijkè inrichting- niet tot

telen van ... , , , . .

goed zaad stand is te brengen, wegens gebrek aan deelneming,

planters, de heer F. Roorda van Eysinga, de zaak uit een al te optimistisch oogpunt beschouwt en belanghebbenden en anderen tracht gerust testellen. Hij schreef:

„Toen ik een paar maanden geleden in Teysmannia over de nieuwe „synthese van indigo door Prof. Heu.mann in Züiich las, schreef ik „er iemand in Europa over, met verzoek or wel onderzoek naar te „willen doen. Dit is geschied en wel door tusschenkomst van den „grooten scheikundige Dr. Koppeschaar in Leiden, die het ondervol-„gende schrijft: De bedoelde synthese is waar. De grondstoffen zijn „goedkooper; aniline .± ƒ2.50 en chloorazijnzuur ± /7.— per kilo.

„De vraag is maar, hoeveel percent verkrijgt men? Ik geloof nog „niet, dat men door die synthese zuivere indigotine voor ± ƒ10.— „per kilo kan leveren.

„Men moet in het oog houden, dat de Badensche aniline-fabriek „alles opkoopt. Ze werken met groot reserve kapitaal. Wij indigoplan-„ters zien uit het bovenstaande, dat wij ons vooreerst nog niet ongerust behoeven te maken voor de uitvinding van Prof. Heumannquot;.

De heer van Romburg, deze zienswijze niet deelende, antwoordt den heer Roorda van Eysinga in Teysmannia'.

„Naar aanleiding van het bovenstaande wensch ik op te merken, „dat üan de waarheid der synthese wel door niemand, die Prof. „Heumann uit zijne chemische verhandelingen kent, getwijfeld zal „zijn. De prijs der voor de synthese noodige chemicaliën is zeker „minder dan boven vermeld en bovendien kan men er zeker van „zijn, dat die van het chloorazijnzuur aanzienlijk zal dalen, zoodra „men het bij honderde kilogrammen gaat maken. Zuivere aniline „staat bijv. in de prijslijst van Zimmer amp; Co. amp; ƒ 1.65 per KG. „genoteerd. In 't groot zijn de prijzen natuurlijk veel lager.

„Na het verschijnen van het refer, in Teysmannia 1, p. 562, heeft „Heumann nog eene andere synthese gepubliceerd, nl. uit anthranil-„zuur en chloorazijnzuur, die eveneens in verschillende landen gepatenteerd en door de Badensche anilinefabriek overgenomen is.

„Ook Biedermann en Lepetit hebben tezelfder tijd als Heumann „een analoge synthese ontdekt, waarbij de opbrengst onder ongun-„stige omstandigheden gVj pCt. van de theoretische bedroeg.

„Mij wil het schijnen, dat de heer Roorda van Eysinga de „zaak te optimistisch beschouwt en dat de indigoplanters wèl zullen „doen met zich te wapenen tegen den strijd.

„Zelfs al mocht de bereiding van een goedkoope kunstmatige indigo „zich nog lang laten wachten, toch kunnen zij er niet anders dan „wel bij varen, indien zij productie en fabricage op een zoo hoog „mogelijk standpunt brengen.quot;

-ocr page 69-

veroorlove men mij hier ter plaatse een vraag, die ik aan planters ter overweging geef. Is er onder hen geene combinatie, geene naamlooze vennootschap tot stand te brengen, die eene door een deskundige beheerde onderneming op het getouw zet, waarvan het veredelde of behoorlijk verzorgde zaad, geteeld op lichte en zware gronden in een andere streek dan de Vorstenlanden kan betrokken worden, ten einde te voorzien in de jaarlijks wederkeerende behoefte aan zaad, benoodigd voor het in den grond brengen van den aanplant? Deze vraag stel ik, 1° omdat zij bescheidener is in hare eischen, dan het plan tot oprichting van een proefstation en 20 omdat een dergelijk plan meer directe voordeelen voor den producent belooft af te werpen. Zij, die het nut van zaadveredeling inzien, zouden zich slechts te vereenigen hebben om zich van goed zaad te verzekeren.

Ter bekoming hiervan zouden de onkosten wel is waar iets grooter zijn dan bij winning op onder eigen beheer staande ondernemingen, maar daar staat tegenover het groote voordeel van de te verwachten groo-tere productie, dan wel tegengang van verbastering.

-ocr page 70-

HOOFDSTUK V.

HET AANLEGGEN VAN KWEEKBEDDEN.

Tijd van De gronden, welke men met Guatemala-indigo wenscht ^kweek-61quot; 1:6 dienen in de Vorstenlanden tusschen 20

bedden. Mei en 1 Juni plantklaar te liggen en de plantjes in de pepinières omstreeks dien tijd 40 dagen oud te zijn.

De ondervinding, aldaar opgedaan, heeft velen planters geleerd, dat een aanplant, in het laatst der maand Mei en in Juni in den grond gebracht, het beste rendement belooft: ten ie. omdat de bodem, tengevolge der gevallen regens nog koel zijnde, aan de zaailingen bij het overplanten betere voorwaarden aanbiedt in leven te blijven, dan wanneer de warmte van den drogen moesson reeds in den grond gedrongen is; ten 2e. omdat in die maanden nog enkele buien vallen, waardoor de groeikracht onderhouden wordt en deze medewerkt tot het verkrijgen van een gelijk opschie-tenden aanplant, die zeer veel bijdraagt tot eene hooge opbrengst; ten 3e. omdat de groeikracht in de natuur

-ocr page 71-

57

in Mei en Juni beter is dan in de maanden Juli en Augustus, die in dat opzicht als de slechtste van het jaar te beschouwen zijn; ten 4e. omdat de wortels van in die tijdruimte (Mei en Juni) geplante individuen, vóórdat de regenmoesson een aanvang neemt, dieper in den grond zijn gedrongen en daardoor beter bestand zijn tegen veel regen, of wel meer voedsel tot zich kunnen blijven trekken dan wanneer de aanplant op een later tijdstip in den grond gebracht is en de wortels zich minder diep in den bodem uitstrekken; ten 5C omdat de plant na het invallen der regens eerder rijp is om gesneden te worden en daardoor, zij het ook gedeeltelijk, de rupsenplaag kan ontloopen, die zich gewoonlijk tegen begin Januari vertoont.

Het verdient opmerking, dat alleen de residentie Djokjakarta en een paar residentiën ten westen daarvan schade van de rups hebben te verduren en oostwaarts van de Opakrivier, in het Solosche dal, niet over hare vraatzucht wordt geklaagd.

Anderen zijn de meening toegedaan, dat een aanplant in Augustus in den grond gebracht betere uitkomsten oplevert, omdat, aldus beweren zij, deze weinig van de sawang-plaag ') te lijden heeft — welke juist in Augustus en September hare grootste verwoestingen aanricht — eene opinie, welke ik niet deelen kan, omdat de plantjes, nog klein zijnde, weinig weefsel van

^ Onder sawang verstaat men een weefsel, veroorzaakt door een arachnide.

-ocr page 72-

58

cle insecten noodig hebben, om geheel omwonden en in hunnen groei belemmerd te worden, al moge het ook waar zijn, dat die insecten enkel aangetroffen worden daar ter plaatse, waar de aanplant bestoven is en men dus door den bodem vochtig te houden hunne vermeerdering kan bemoeilijken. Vooral lichte gronden in streken, waar geen overvloedig water wordt aangetroffen, om den bodem vochtig te houden, hebben van de sawang te lijden. Langs de wegen, waar karren, voertuigen, voetgangers en dieren op elk uur van den dag passeeren en de aanplant aan bestuiving bloot staat, is evenwel de verschijning van het onge-dierte moeielijk te voorkomen, tenzij men de wegen eveneens in vochtigen toestand houdt, een arbeid, welke de kosten vermeerdert.

Op vele ondernemingen verkeert men in het droge jaargetijde niet in de voordeelige positie van het bezit van veel water, wel in de niet zeer benijdbare van te weinig. Plant nu een ondernemer onder die omstandigheden in het droogste gedeelte van het seizoen, in de maanden Juli en Augustus, dan doet zich het gemis aan voldoend water om den aanplant behoorlijk in den grond te brengen en in het leven te houden, ten zeerste gevoelen, terwijl, wanneer bovendien de sawang zich in hevige mate voordoet en niet spoedig eenige flinke regenbuien achter elkaar vallen, het vooruitzicht bestaat, dat van zulk een aanplant weinig-product wordt verkregen ten gevolge van de vele inboetingen, die daarna plaats moeten vinden.

-ocr page 73-

59

Planten daarentegen, welke begin Augustus een voet of anderhalf hoogte hebben bereikt, doorstaan zeer goed de plaag. Hierop wensch ik later terug te komen.

Om van gezegde door de natuur aangeboden voor-deelen, te verkrijgen door het aanplanten tusschen 20 Mei en 20 Juni, partij te kunnen trekken en den voor de pepinières bestemden bodem gelegenheid tot uitzuren te schenken, is het gewenscht zoo mogelijk niet uk half Maart met het werk een aanvang te maken.

De aanley Men kieze alsdan de meest geschikte plaatsen voor

l'er den aanleg. Hiervoor komen ter besparing; van arbeid

kweekbedden .. . is

bij het begieten der plantjes en van den grond in

aanmerking de langs waterleidingen gelegen plaatsen van eenigszins mindere qualiteit dan die van het te beplanten terrein. Heeft men zijne keuzegedaan, dan grave men de leiding, waarop de te maken goten tusschen de kweekbedden zullen uitmonden, op een behoorlijke diepte, snijde de rijsthalmen of het struikgewas af, verbrande deze zelfstandigheden op den akker om het ongedierte te dooden, legge voorts goten ter breedte en ter diepte van 12 en meer Rijnl. duimen aan op een afstand van 15 en meer Rijnl. voet onderling, naar gelang de waterafvoer zulks eischt, in de richting van de afvoer-leiding, om daarna tot het omleggen van den bodem ter diepte van 6 tot hoogstens 12 Rijnl. duim, iets wat van de diepte der bouwkruin afhangt, over te gaan. Onder bouwkruin wordt verstaan die meer of min verweerde grondsoort aan de oppervlakte, welke bij eenige omwerking van den grond met de lucht in

-ocr page 74-

GO

aanraking is geweest en aan de plant het benoodigxle voedsel kan verstrekken. Hierop lettende acht ik het nuttig voor indigo-aanplantingen maagdelijke gronden, welke door den Javaan met diens ploeg of patjoel (hak) volgens zijne wijze van omleggen bewerkt zijn, aanvankelijk niet dieper dan 6 h 7 Rijnl. duim om te spitten, ten einde het aan de oppervlakte brengen van al te groote hoeveelheid aarde uit den ondergrond, die als onverweerd minder geschikt voor de plant is, te voorkomen, omdat de Javaan tien bodem zelden dieper dan 5 Rijnl. duim omlegt. In een ander jaar weder op denzelfden bodem plantende, vermeerdert men de diepte der bewerking met hoogstens twee Rijnl. duim.

Bij den aanleg van kweekbedden kieze men liefst gronden van eenigszins mindere qualiteit dan die, waarop de plantjes worden overgebracht. Tengevolge van het uitzaaien op schraleren grond toch groeien zij langzamer, worden daardoor krachtiger en zijn beter bestand tegen de nadeelen, die het overplanten medebrengt. Bewerkt men de voor den aanplant bestemde velden op de wijze, zooals ik later zal aangeven, dan behouden aldus gekweekte planten hare topbladeren, worden flinke, gezonde struiken, die bovendien meer neiging tot „kruipenquot; zullen toonen, dan die op andere wijze behandeld worden. Het kruipen der planten noemt men het verspreiden der takken in horizontale richting; het heeft plaats in de eerste maanden van haren groei.

Worden de pepinières op zwaren grond aangelegd,

-ocr page 75-

61

clan bewerkt men den bodem, wanneer deze eenigs-zins droog begint te worden, niet wanneer hij nog week is van het water. Men onderzoeke zulks door over den akker te loopen; zakt de voet er niet in, dan kan het omleggen een aanvang nemen. De grond is in dit geval niet glibberig en betrekkelijk droog te noemen, bij den Javaan bekend onder de benaming van „próquot;. Bij de bewerking van zware gronden moet men aan deze omstandigheid zijne bijzondere aandacht schenken, daar zij het uitzuren bevordert. De lucht toch, die in hoofdzaak bij de meeste aardsoorten de verweering tot stand brengt, dringt gemakkelijker in een muilen, poreuzen dan in eenen doorweekten en daarna, tijdens droogte, vast en hard geworden bodem. Lichte gronden evenwel kan men een halven dag na het vallen van een bui, soms zelfs eerder, wanneer zij van zeer lichte qualiteit zijn, bewerken, daar het regenwater alsdan in den bodem gezakt en deze eveneens „próquot; is.

Bij het omspitten der aarde zuivere men die van verschillende onreinheden als daar zijn: stoppels van de rijstplant, onkruid, etc. en verbrande op de gereed liggende bedden dezen plantaardigen afval, die, omdat hij niet snel genoeg ontbonden wordt, aanleiding kan geven tot ontwikkeling van schadelijke insecten. Bovendien worden door de ontwikkelde hitte de kiemen van de eieren dezer dieren gedood, terwijl de aanwezigheid van asch ongedierte verhindert zich op de pepinières te nestelen.

-ocr page 76-

62

Is tic bodem gedurende een veertiental dagen bijvoorbeeld bewerkt aan de lucht blootgesteld geweest, dan maakt men dien andermaal los en legt na een tiental dagen bedden aan van 4 Rijnl. voet breedte met een tusschenruimte van 2 Rijnl. voet voor de afwatering, welke tusschenruimte bovendien den arbeiders toegang tot de kweekbedden verleent, om deze naar behooren te onderhouden en, wanneer zulks noodig is, de kweek-plantjes er uit te nemen.

De aarde der kweekbedden — bijaldien er zich kluiten voordoen — dient door kloppen fijn gemaakt en elk bed met een smal dijkje omlijst te worden tot tegengang van het afvloeien van water en van het wegspoelen der korrels.

Om een bouw van 500 vierk. Rijnl. roeden te beplanten op een afstand van 2 Rijnl. voet en V2 Rijnl. voet in de rij heeft men 30 behoorlijk met gezond zaad, niet al te ijl bezaaide bedden noodig en daarenboven 10 voor het inboeten. Bij voldoende zorg voor den aanplant zal men het hier opgegeven aantal voor het inboeten niet noodig hebben, maar, daar er zich onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen, geef ik de voorkeur eenige meer aan te leggen dan noodzakelijk is. Een overvloed van zaailingen schaadt nooit, daar-men in dit geval de krachtigste uitzoekt, die tot vermeerdering en verbetering van de qualiteit van het product zullen medewerken. Dergelijke planten toch geven beteren waarborg, dat zij in leven blijven dan zwakke en men kan daarvan een betere ontwikkeling verwachten dan van laatstgenoemde.

-ocr page 77-

G3

Niet die zaailingen zijn het krachtigst, welke op een leeftijd van 35 dagen, een leeftijd, waarop zij overgebracht kunnen worden naar het veld van aanplanting, een dunnen, langen stengel vertoonen en eenen naar evenredigheid korten wortel, maar wel die, welke een stevig stammetje en naar verhouding flinke wortels bezitten.

Uit dicht bij elkaar gezaaide korrels komen, bijaldien ze alle levensvatbaarheid bezitten, snel opschietende van een dunnen stengel en naar verhouding van te korte wortels voorziene individuen voort. Men lette er dus vooral bij de uitzaaiing op, dat deze regelmatig en eenigszins ijl, 2 cM. van elkaar, geschiedt, waartoe op elk bed van 15 X 4 Rijnl. voet een theekopje goed zaad gebezigd wordt.

Bij het te kiemen leggen moeten de zaden zoo ver met fijn gemaakte aarde bedekt worden als noodig is om ze eenigszins te beschutten tegen de warmtestralen der zon en toch voldoende aanraking te laten houden met de dampkringslucht, waaraan zij de benoo-digde zuurstof vragen. Hoe beter de aarde is omgewerkt, des te meer lucht zal zij bevatten en dien ten gevolge onder des te gunstiger omstandigheden voor de ontkieming verkeeren.

Om de zaden voorts tegen te krachtige atmos-pherische invloeden te beschutten, is het noodig ze met een zeer dunne laag, liefst padi-stroo, te beleggen, omdat deze plantaardige bedekking het minst insecten tot zich trekt. Deze werkwijze, welke niet volstrekt noodzakelijk is, heeft dit voor, dat slagregens geen

-ocr page 78-

64

verwoesting1 kunnen aanrichten en het begieten iets ruwer kan geschieden en daardoor spoediger van de hand gaat. Om de korrels bij droog weder in een voortdurenden staat van vochtigheid te houden, wordt het begieten der bedden iederen dag tegen den avond herhaald.

Daar het raadzaam is den aanplant in den tijd van ééne maand in de fabriek te verwerken, zoo verdient het aanbeveling binnen dien tijd af te planten en moet de ouderdom der planten in de pepinières zich daarnaar regelen. Bovendien brenge men geen individuen ouder dan 50 dagen over, daar hiervan een minder goed product verwacht wordt. Of deze grens nu de juiste is, durf ik niet beslissen, aangezien door mij in tijd van nood ook wel planten van ouderen leeftijd bijv. 55 dagen werden gebruikt, zonder daarvan merkbare slechtere resultaten te verkrijgen. In ieder geval is het voorzichtig ze niet ouder te nemen dan 50 dagen, daar oude bibit (zaailing) nadeelig op het product werkt. Men zaait in verband met den duur (30 dagen) van den oogst iedere week Vt gedeelte van het benoodigde aantal kweekbedden uit.

Voor de uitzaaiing bezige men vooral goed oud zaad, zoo mogelijk gewonnen van de eerste generatie uit Guatemala aangevoerd. Jong geoogst zaad komt aanvankelijk beter op, doch daarvan genomen planten zijn veel minder krachtig, waardoor groote sterfte niet alleen in den aanplant, maar zelfs in de pepinières kan ontstaan.

Daar ik nimmer onderzoekingen heb verricht betref-

-ocr page 79-

65

fende versch van Guatemala ingevoerd zaad, bepaal ik mij enkel tot de mededeeling, dat op verschillende ondernemingen hiervan minder goede resultaten verkregen werden dan van het daarvan gewonnen zaad.

Zoodra de kiem zich in den grond heeft ofezet. ont-

O O '

doet men de bedden van hunne bedekkinof en stelle dit geen dag uit, opdat de plantjes niet zwak opschieten. Ter bevordering eener krachtige ontwikkeling der zaailingen, wordt de bodem, wanneer onkruid zich begint te vertoonen, hiervan ontdaan.

Begieten ol Velen zetten hunne kweekbedden in stede van deze bevloeien. te begieten onder water, waardoor de grond compact wordt. Deze methode van bevochtisfen brenQt zulk een

O O

nadeeligen invloed op de plantjes te weeg, wat in het bijzonder in het oog valt bij zwaren grond, dat zij na verloop van eenigen tijd een geel, kwijnend aanzien verkrijgen en in hunnen groei ten zeerste belemmerd worden. Ook tiert het onkruid er welig door. Het vullen der goten en der plantirans met water, om den ondergrond en op die wijze de wortels vochtig te houden, verdient eveneens geen aanbeveling, omdat daardoor langzamerhand eene verzuring of wel andere werking in den grond ontstaat, die nadeelig op de zaailingen werkt. De eenige voordeelige wijze, om aan de planten het benoodigde vocht toe te dienen, is begieten.

Het gebruik In de meening verkeerende, dat met mest krachtige vanmest. planten gekweekt worden, wordt hiervan dikwijls gebruik gemaakt, met het gevolg, dat zij daardoor wel

-ocr page 80-

üG

snel opschieten, maar tevens ook minder geschikt voor het overplanten zijn. Bij het verplaatsen toch van het kweekbed naar het veld van aanplanting, ondervindt het individu beschadiging zijner wortels. Wordt het bovendien in een grond geplaatst van mindere soort en verkeert het daardoor onder ongunstiger omstandigheden voor zijne voeding, dan zullen vele meer en gedurende langeren tijd na het overbrengen lijden. Het is dan ook in de practijk eene onjuiste meening gebleken te zijn, dat men voor kweekbedden bijzonder vruchtbaren of bemesten grond behoort te kiezen. Integendeel, planten, op gronden van mindere hoedanigheid geteeld, overgebracht op betere, toonen niet alleen een forscher uiterlijk, maar blijven beter in leven, waardoor een gelijkmatiger opschietende aanplant wordt verkregen en dientengevolge een hooger product dan de op de andere wijze in het leven geroepene.

Het over- Bij het overplanten wordt de zaailing door het uit

planten. c|en gToncl trekken van zijn haarwortels ontdaan') en het is niet geheel te vermijden, dat de warmte van de hand des arbeiders in aanraking komt met de plant, of de transpiratie zich afzet op enkele wortels, die reeds gedurende eenigen tijd aan de

') Om het afritsen der haarwortels eenigszins te voorkomen, steke men een puntig stokje in den grond om, aan de plantjes trekkende, deze uit den grond te lichten. Noodzakelijk vind ik deze behandeling niet, indien de grond los is en het uit den grond trekken slechts zorgvuldig geschiedt, waardoor het mogelijk wordt den wortel niet al te zeer te beschadigen.

-ocr page 81-

67

lucht blootgesteld waren. Al deze redenen hebben zulk een overwegenden invloed op de ontwikkeling van het individu, dat de groei gedurende een twintigtal dagen wordt belemmerd, dat het ziek wordt en daarop wellicht sterft. Men lette er dus op, genoemde nadeelen zoo mogelijk tot een minimum te reduceeren.

Het planten Ware het in de practijk doenlijk uit korrels — op de

quot;^zaadquot;0' bepaalde afstanden uitgezet — volwassen planten zonder te veel onkosten te kweeken, dan zoude deze methode verre te verkiezen zijn boven die van overplanten, waarbij de plant om verschillende redenen veel te lijden heeft.

Daar bij gebrek aan dagelijksche regenbuien aanhoudend bevloeien van den akker, om dezen goed vochtig te houden, op zwaren grond voor den korrel en later voor de plant te nadeelige werkingen uitoefent, zoo is het bezwaar, zelfs bij niet bepaald droge weersgesteldheid aan deze wijze van planten verbonden, vooral gelegen in het aanhoudende hoozen. Houden de regens aan en zijn de gronden tegen 15 April en begin Mei voldoende uitgezuurd, hetgeen bij zware gronden moeielijk naar behooren, is tot stand te brengen, omdat door het nedervallende vocht de omwerking niet geoorloofd is — reden waarom hoofdzakelijk lichtere gronden voor deze methode van aanplanten geschikt zijn — dan geef ik de voorkeur aan het planten met zaadkorrels, eene werkwijze, die overigens meer arbeidskrachten vordert dan de overplantingsmethode, omdat, nadat de zaadkorrel drie

-ocr page 82-

68

weken in den grond is geweest, het wieden en bewerken daarvan reeds plaats moeten vinden en wel over eene grootere uitgestrektheid dan bij pepinières, die op dat tijdstip enkel gewied worden. Een ander bezwaar, dat zich meestal voordoet, is, dat de rijst-aanplantingen van padi-tjempo, padi-woeloe — soorten, die gemeenlijk verbouwd worden — zelden op Java vóór de maand Maart worden geoogst.

Gewoonlijk wordt de rijstoogst in April en later zelfs binnengehaald, zoodat het aanplanten met korrels bezwaren oplevert met het oog op den weinigen regen, die in Mei valt, den tijd, wanneer de grond voldoende uitgezuurd kan zijn. Lichte gronden echter, die bijna geen korst vertoonen na eenige bevloeiingen, zouden voor het planten met korrels in aanmerking kunnen komen, indien men over voldoend irrigatiewater heeft te beschikken, dat bij ontstentenis van regen den bodem kan bevochtigen.

Aanplantingen, welke met zaadkorrels in het leven werden geroepen, stonden steeds krachtiger dan die, welke door planten, afkomstig van de kweekbedden, waren te voorschijn geroepen, en hadden niet zooveel te lijden van droogte of van sawang (een weefsel, veroorzaakt door een arachnide, die zich er in nestelt) of van walang bantji (een soort luis).

Ten slotte merk ik hier op, dat het kweeken van krachtige planten van zeer groot gewicht is, omdat daarvoor voor een goed deel een bevredigend product verkregen en gedeeltelijk verbastering tegengegaan wordt.

-ocr page 83-

HOOFDSTUK VI.

HET AANPLANTEN.

§i. OP ZWARE GRONDEN.

Gaf ik in het iie hoofdstuk in algemeene trekken eenige opmerkingen over de physische eigenschappen

en chemische bestanddeelen van eenirre bomvaarde

«_gt;

soorten, in dit hoofdstuk wensch ik de cultuur van Guatemala indigo te bespreken.

Het bereiden Het tijdstip, waarop het begin van de bewerking der van den akker gronden plaatsgrijpt, late men — liefst niet later — met dat van het bezaaien der pepinières samenvallen en vange den aanleg van eenen indigo-aanplant aan met het maken van een ringgoot van 3 en meer Rijnl. vt. breedte en diepte naar gelang van de hoeveelheid, af te voeren regen- en welwater, doorsnijde het veld met goten van ruim 2 Rijnl. vt. diep en iVs 2 Rijnl. vt. breed op 60 Rijnl. vt. van elkander; werpe de uitgeworpen aarde

-ocr page 84-

I

-ocr page 85-

71

op eenigen afstand van de goten, ten einde aan het regenwater gelegenheid te verschaffen weg te vloeien; beploege den grond —• wanneer de bovenlaag een weinig opgedroogd is en in een toestand verkeert, gelijk boven reeds bij den aanleg van kweekbedden vermeld werd — voor de eerste maal in de richtingf van quot;'oot

O O

tot goot en voor de tweede maal loodrecht daarop, om al de plaatsen, welke bij de eerste beploeging niet omgelegd werden, die bewerking te doen ondergaan. De slordige wijze, waarop de inlander gewoon is te ploegen en waarbij veelal deelen tusschen de voren worden overgeslagen, is oorzaak, dat deze aangegeven manier dient gevolgd te worden.

Moet de grond voor de eerste maal beploegd worden en is deze te droog en te hard, om er het werktuig in te zetten, dan bevloeie men den akker gedurende korten tijd, late het water spoedig afloopen en wachte tot de grond eenigszins opgedroogd (pró) is. Na het omleggen late men de aarde uitdrogen, om haar daarop, indien de kluiten hard zijn, door het besproeien voor de tweede maal, en, wanneer de bouwkruin eenigszins opgedroogd en zoogenaamd „próquot; is, weder om te leggen, door welke bewerking de kluiten uit elkaar vallen en de bodem tamelijk los wordt.

Het etrtren na elke omwerking: acht ik een nutteloos

O O O

werk niet alleen, maar ook minder dienstig voor het uitzuren, daar kluiten meer oppervlakte aan de lucht blootstellen, dan gelijk gestreken aarde, welke door den uitgeoefenden druk eenigszins compact wordt.

-ocr page 86-
-ocr page 87-

71

op eenigen afstand vau de goten, ten einde aan het regenwater gelegenheid te verschaffen weg te vloeien; beploege den grond — wanneer de bovenlaag een weinig opgedroogd is en in een toestand verkeert, gelijk boven reeds bij den aanleg van kweekbedden vermeld werd — voor de eerste maal in de richtino- van yoot

O O

tot goot en voor de tweede maal loodrecht daarop, om al de plaatsen, welke bij de eerste beploeging niet omgelegd werden, die bewerking te doen ondergaan. De slordige wijze, waarop de inlander gewoon is te ploegen en waarbij veelal deelen tnsschen de voren worden overgeslagen, is oorzaak, dat deze aangegeven manier dient gevolgd te worden.

Moet de grond voor de eerste maal beploegd worden en is deze te droog en te hard, om er het werktuig in te zetten, dan bevloeie men den akker gedurende korten tijd, late het water spoedig afloopen en wachte tot de grond eenigszins opgedroogd (pró) is. Na het omleggen late men de aarde uitdrogen, om haar daarop, indien de kluiten hard zijn, door het besproeien voor de tweede maal, en, wanneer de bouwkruin eenigszins opgedroogd en zoogenaamd „proquot; is, weder om te leggen, door welke bewerking de kluiten uit elkaar vallen en de bodem tamelijk los wordt.

Het eggen na elke omwerking acht ik een nutteloos werk niet alleen, maar ook minder dienstig voor het uitzuren, daar kluiten meer oppervlakte aan de lucht blootstellen, dan gelijk gestreken aarde, welke door den uitgeoefenden druk eenigszins compact wordt.

-ocr page 88-

72

Nadat de ploeg voor de tweede maal door het veld gehaald is, worden er evenwijdig aan de goten van ruim 2 Rijnl. vt. diepte en iVa è, 2 Rijnl. vt. breedte andere van dezelfde breedte en diepte aangelegd — zoodat de onderlinge afstand 30 Rijnl. vt. bedraagt — en men legge de bouwaarde voor de derde keer om, thans echter in de richting evenwijdig aan de goten, ten einde het storten van aarde daarin te voorkomen.

Om den tuin plantklaar te maken, late men eggen, verzamele tegelijkertijd de niet vergane plantaardige bestanddeelen, welke zich aan de oppervlakte mochten vertoonen, begrave deze, make goten van 1 Rijnl. vt. breed en diep, evenwijdig aan de reeds bestaande, zoodat de onderlinge afstand 15 Rijm. vt. bedraagt en trekke de uitgeworpen aarde naar het midden tusschen 2 goten, dusdanig, dat de oppervlakte genivelleerd is.

De diepte, waarop geploegd moet worden, hangt nauw samen met de grens tot welke de bouwkruin aangetroffen wordt. Gronden, welke nooit dieper dan 5 Rijnl. duim bewerkt zijn geweest, zooals de meeste der aan Javanen toebehoorende en nog niet onder toezicht van Europeanen bewerkte, moeten om die reden aanvankelijk niet dieper dan 6 Rijnl. duim omgeploegd of omgespit worden. In een ander jaar op denzelfden bodem terugkeerende om te planten, vermeerdere men, bij gebruik van een stoomploeg bijv., de diepte der omwerking naar gelang van de

-ocr page 89-

73

qualiteit van den ondergrond met hoogstens 2 Rijnl. duim.

Met nadruk wijs ik er hier op, dat het aan de oppervlakte brengen van te groote hoeveelheid onverweerden ondergrond zeer nadeelige gevolgen voor den oogst na zich sleept, en daarop vestig ik in het bijzonder de aandacht van hen, die in diepe grond-omwerking onder alle omstandigheden voordeel zoeken. Het kan zelfs noodzakelijk voorkomen geen diepe grondtfwwerking toe te passen; zulks is bijv. het geval, wanneer een groote hoeveelheid ijzerzouten in den ondergrond aanwezig zijn, of wanneer zand, de hoedanigheid van de bouwkruin vermindert.

Dat op Java nog al eens slechte of onvoldoende resultaten met diepe grondomwerking verkregen werden, wijt ik hoofdzakelijk aan de vrij algemeen verbreide meening, dat te allen tijde zonder voorbehoud een diepe grondomwerking nuttig voor de planten zou zijn, dat men in die gevallen te weinig rekening met de qualiteit van den ondergrond hield, met andere woorden: ik schrijf het mislukken toe aan een te consequente toepassing eener diepe grondomwerking. Had men ingezien, dat een loswerking van den ondergrond iets geheel anders is dan een omwerking van den bodem, ik twijfel er niet aan of de resultaten zouden geheel anders uitgevallen zijn.

Mannen van jarenlange ondervinding op landbouwgebied en die zich ook in andere streken dan Indië met den landbouw hebben vertrouwd gemaakt, zullen

-ocr page 90-

74

zich dan ook wel wachten overal eene diepe omwerking, die bovendien kostbaarder is dan een ondiepe, toe te passen, en weten zeer goed, dat een diepe omwerking van den grond geleidelijk moet geschieden, door ieder jaar enkele centimeters van den ondergrond naar de bovenlagen te brengen, en dat deze geleidelijke overgang een wijze is om de bonwkruin te verruimen.

Het spreekt van zelf, dunkt mij, dat op het consequent doorvoeren van een geregelde vermeerdering der diepte van omwerking, op het geleidelijk verruimen der bouw-kruin, uitzonderingen zijn. Ik heb hierbij slechts te wijzen op terreinen, welker bovengrond min of meer onvruchtbaar en de ondergrond van goede qualiteit is, zooals men in streken aantreft, waar rivieren, opgevuld met zand, buiten hare oevers tredende, den bodem met een zandlaag bedekken, om te doen uitkomen, dat men naar omstandigheden te werk moet gaan.

Draineeren met open goten.

Is er zakwater aanwezig, waardoor het moeiehjker wordt den bodem droog te leggen, dan grave men goten op een ouderlingen afstand van 12 in plaats van 15 Rijnl. vt., vermeerdere de diepte, trekke leidingen — loodrecht op de richting der goten — van 5 Rijnl, vt. diep op een breedte, die de bodem eischt, en op een onderlingen afstand, die in verband met het verval voldoende geacht kan worden. Deze leidingen late men bestaan, terwijl het afvloeiende water bij eenig verval voor andere doeleinden kan benut worden. Tevens worden langs de dijkjes der terrassen goten

-ocr page 91-

75

gegraven, wanneer het verval daarvan meer dan V» Rijnl. vt. bedraagt. Is het verval tamelijk groot, dan kunnen uitgravingen langs de terrassen som vijlen de diepe dwarsgoten vervangen en betere resultaten voor het draineeren opleveren. Bovendien is het raadzaam op zeer vochtige gronden, indien er voldoende verval ontbreekt om den akker droog te leggen, van 3 of 4 rijen planten één bed en de plantirans 1) diep te maken, om het uitdrogen van den bodem te bevorderen. Deze bewerking dient vóór het in den grond brengen der zaailingen te geschieden, ten einde de struiken hooger boven het niveau van het ondergrondswater te plaatsen en de uitgeworpen aarde gelegenheid te geven tot verweering, welke echter, hierop lette men wel, zeer langzaam tot stand komt. Behalve dit nadeel bevat die aarde uit den ondergrond veelal bestand-deelen, die nadeelig op het leven der plant kunnen inwerken.

Levert een dergelijke wijze van draineeren bij zware gronden, tengevolge van het aanhoudend instorten der wanden en aanslibbing bij elke regenbui, groote bezwaren op, om de gewenschte diepte te behouden en veroorzaakt zij buitendien belangrijke kosten en minder gunstige omstandigheden bij den verbouw van het gewas, deze nadeelen vervallen grootendeels, indien men overgaat tot eene, wel is waar betrekkelijk kostbare, maar toch, naar het mij voorkomt, doelmatiger,

') De gootjes tusschen de bedden worden in het Javaansch „plantiran '' genoemd.

-ocr page 92-

76

meer aan het doel beantwoordende en op den duur goedkoopere wijze van draineeren door middel van aarden buizen, die men in de nabijheid van het veld zou kunnen laten maken, in staat als men wellicht is, om van het groote kleigehalte ergens in de streek te profiteeren.

In het volgende hoofdstuk vindt de lezer over het draineeren nadere bijzonderheden. Genoeg zij het, hier ter plaatse er enkel nog op te wijzen, dat gronden in den drogen zoowel als in den reoenmoesson, voorzien

O O '

van ondergrondswater op een diepte van pl. m. 36 en minder Rijnlandsche duimen, goed dienen droog gelegd te worden. Dit is een der eerste voorwaarden, die men bij een goede bewerking der gronden in het oog dient te houden, omdat men daardoor niet alleen den bodem gelegenheid schenkt zich om te zetten in voor de plant opneembare bestanddeelen, maar bovendien stagnatie in haren groei voorkomt en den wortel in den oostmoesson kan dwingen dieper in den bodem te dringen, om zich van vocht en in oplossing bevindend voedsel te voorzien, welk een en ander in den westmoesson het voordeel oplevert, dat een voorraad voedsel aanwezig is, die, wanneer de grond aan bedden geplaatst is, moeielijk door overtollig hemelwater kan bereikt en omgezet worden in een aardsoort, waarin het voedsel vastgelegd is; met andere woorden de grond blijft los en de eigenaardigheid bezitten opneembaar voedsel af te kunnen staan.

Om van bovenstaande mededeeling een beter inzicht

-ocr page 93-

77

te krijgen, gaan wij na op welke wijze het regenwater, nadat in den drogen moesson, de grond, tamelijk goed uitgedroogd is, door den bodem vloeit en welke gevolgen dit in het algemeen heeft. Zoodra de regen de bovenlaag goed bevochtigd heeft, geraakt deze bij zware regenbuien oververzadigd; het vocht vloeit naar lager gelegen plaatsen, voor een deel langs het bed, dat meer of min compact wordt en voor een deel door de bovenlaag naar de plantirans. Een ander deel daalt langzaam in den bodem, waaruit het tevens als waterdamp ontsnapt.

Hoe meer en hoe langduriger flinke buien vallen, hoe meer en hoe dieper de bovenlaag doorweekt wordt, des te beter gelegenheid bestaat er voor het wegvoeren of binden der voedende bestanddeelen, terwijl in dieper gelegen lagen daarentegen de hoeveelheid regenwater, waarvan een groot deel, deels naar de plantirans gevoerd, gelijkmatig bezinkt en de stoffen in oplossing brengt, waardoor assimilatie door de wortels mogelijk is.

Is het doorlaatvermogen van den grond gering en vallen- er geen flinke buien, dan worden de nuttige bestanddeelen in den betrekkelijk drogen ondergrond niet opgelost en blijven ongebruikt.

Het gevaar echter van het uitblijven van flinke buien in den regentijd is gering, maar de kans, dat de diep gelegen wortels- op tijd voldoende bevochtigd worden, grooter dan men veelal meent, omdat veel hemelwater, dat als tijdelijke overvloed langs de plan-

-ocr page 94-

78

tirans en goten wegvloeit, verloren gaat en een ander deel als waterdamp ontsnapt.

Heeft men niet gezorgd, dat door toetreding van lucht in de onderlaag voedsel gevormd werd en dat door de aanwezigheid van diepe leidingen en goten verhinderd wordt, dat opkomend welwater storende werkingen doet ontstaan, dan is het gemakkelijk te vatten, waarom de plant in die gevallen een ziekelijk voorkomen verkrijgt en zelfs sterven kan.

Welwatergronden hebben op droge het voordeel van koel en eenigszins vochtig te blijven en van nooit geheel uitgedroogd te geraken,') eene omstandigheid, die de plant voor de voortbrenging van een weelde-rigen bladerdos eischt en die tot bevordering van een hoog gehalte van het indigo-wekkend beginsel medewerkt. De wortel volgt namelijk de vochtigheid, die zich in den drogen moesson langzaam terugtrekt naar dieper gelegen plaatsen en daar de plant voor haren groei en bladerdos vochtigheid, niet nattigheid, noch kurkdrogen grond eischt, benevens voedsel, dat zich, naar de mate het water zich terugtrekt, meer en meer kan vormen, zoo zijn hier de factoren aanwezig, die haar tot ontwikkeling leiden.

Het spreekt van zelf, dat een hoog gehalte aan „stof,quot; tot voortbrenging van indigo, in de plant mede van andere factoren kan afhangen.

') Gevallen als te lang aanhoudende droge moesson of een overdreven toepassing van draineeren laat ik buiten beschouwing.

-ocr page 95-

79

Het terrein, dat zich hier voor onzen geest verder ontplooit, ligt vrij wel braak en zou mijns inziens voor een chemist-landbouwkundige een aangenamen en met betrekking tot te verkrijgen resultaten dankbaren werkkring kunnen opleveren. Bij de behandeling van verschillende onderwerpen hoop ik op enkele dier factoren te wijzen.

Nog eene andere werking van het regenwater op de bouwaarde wensch ik te bespreken, n.1. het wegvoeren van vruchtbare deelen, die ter beschikking der plant staan — maar waarvan zij slechts een zeker quantum binnen zekeren tijd kan opnemen — en gedeeltelijk niet in oplossing voorkomen.

Wanneer de regen de bouwkruin doorweekt heeft, komen vele stoffen, die tot voeding der plant dienen, tegelijk in oplossing en worden naar de goten gevoerd, terwijl het overblijvende deel alsdan minder voedsel bevat en bij zware gronden compact wordt. Tevens worden er onopgeloste stoffen naar de oppervlakte gevoerd, welke verplaatsing nauw verband houdt met het soortelijk gewicht der stoffen en daar in vele gevallen een groot deel hiervan de meeste geschiktheid bezit voedende bestanddeelen voort te brengen, zoo is mede uit deze werking in den boden te verklaren, om welke reden de bovenlaag spoedig tijdelijk en betrekkelijk uitgeput geraakt.

Een voorbehoedmiddel tegen de vorming van een vaste massa in onderlagen is bij den aanleg van open goten en plantirans de compacte bovenlaag. Deze

-ocr page 96-

80

acht ik, in tegenstelling- van vele planters, ongeraden in den regentijd, tijdens zware regens vallen, open te leggen of diep om te werken, welke wijze van bewerking in den smaak van vele planters valt, om het veld van onkruid te zuiveren. En hoewel zij in de meening verkeeren hierdoor in zware gronden, evenals in lichte, door de toetreding van lucht te bevorderen, op nieuw een scheikundige werking tot stand te kunnen brengen, die voedende bestanddeelen te voorschijn roept, bewijzen de resultaten juist het tegendeel van hetgeen verwacht wordt, iets wat te verklaren valt uit het feit, dat deze beide grondsoorten onderling zoowel physische als chemische verschillen vertoonen. Bij lichte gronden worden, daar bijna al het regenwater in den grond dringt, bij zware buien de lichtste en tevens vruchtbaarste stoffen naar de oppervlakte en verder weggevoerd; bewerkt men deze gronden in den tijd van grooten regenval, dan brengt men de nuttige bestanddeelen terug bij den wortel, terwijl de lucht geregeld toegang blijft behouden ten gevolge van den poreuzen toestand des bodems. Bij kleigronden daarentegen verschaft men door de omwerking der bovenlaag, die als afdak tot tegengang van overtollig regenwater dienst doet, aan het hemelwater de gelegenheid sneller in de onderste lagen te treden en aldaar den grond vast te maken, terwijl het alras blijkt, dat de opengewerkte, uitgeloogde bovenlaag weder compact geworden is, waarbij nog het gevaar kan gevoegd worden, dat, indien door den patjoel

-ocr page 97-

81

(hak) de wortels der plant beschadigd worden, deze in zwaien grond daarvan meer nadeel zal ondervinden dan in lichte, deels ten gevolge van de meerdere capaciteit dezer aardsoort om vocht vast te houden en de lucht te verhinderen in den bodem te dringen, deels door de meerdere neiging om verzuringen, ijzer-oxydule verbindingen of andere nadeelige werkingen te doen onstaan. Valt er daarentegen

«~5

weinig regen en heeft men veel zonneschijn, dan is het niet alleen geoorloofd den grond om te werken, maar zelfs nuttig, om hierdoor de toetreding van lucht en het dieper indringen van het regenwater in den bodem te bevorderen.

Het stuk kappen van wortels vermijde men.

Het bevorderen van toetreding der lucht in

den ondergrond.

Het is een niet te loochenen feit, dat de meeste gronden, voorzien van zakwater, mits goed gedraineerd, groote producties opleveren, ondanks men bij onderscheidene soorten in de meening verkeert, dat zij schraal zijn, iets wat somwijlen zijn oorsprong kan vinden in het feit, dat de grond, onbenut als hij is, de gevraagde bestanddeelen in zich gebonden heeft; in zuren of wel in oplosbare ijzer-oxydule verbindingen, die, wanneer aan de zuurstof der lucht bij drooglegging en loswerking des bodems gelegenheid wordt gegeven toe te treden, in onoplosbare ijzer-oxyde zouten worden omgezet, welke in elke soort grond aangetroffen worden. Een te groote hoeveelheid dezer laatstgenoemde verbindingen in den grond

-ocr page 98-

82

is echter schadelijk, in het bijzonder, indien bij gemis aan dampkringslucht de zuurstof door organische stoffen aan de ijzer-oxyde zouten wordt onttrokken en deze omgezet worden in oplosbare ijzer-oxydule verbindingen1).

Om nu de toetreding van zuurstof onder de losgewerkte bouwkruin tot stand te brengen en het nadeel te voorkomen van aan de oppervlakte geheel onuitge-zuurde aarde te brengen, die in het bijzonder bij zak-watergronden wordt aangetroffen, welker benedenlaag alvorens deze geschikt in voor de teelt van gewassen een lanpxluricre toetreding van zuurstof en warmte vereischt,

£quot;gt; O 0

bewerke men de bouwkruin met den ploeg en de onderlaag met den ondergrondsploeg, die den ploeg in de vore zou kunnen volgen.

Om een idee te geven dezer ploegen geef ik hier-

-ocr page 99-

83

van een paar afbeeldingen, die mij welwillend door den heer Cn. R. Kouveld te Amsterdam, vertegenwoordiger der Actiën Gesellschaft „H. Fquot;. Eckertquot;, werden verstrekt.

In zijne „Geïllustreerde speciale beschrijvingquot; vind ik omtrent dezen ploeg het volgende opgeteekend :

„Hij wordt gebruikt in de vore van eenen anderen ploeg, zoodat, wanneer de gewone ploeg eene vore van 15 h 20 centimeters gemaakt heeft, de mineur-ploeg nog 20 è. 25 centimeters dieper gaat, en dus eene totale vorediepte van 45 centimeters bereikt wordt. De hooggewelfde ploegbalk bestaat uit een zeer sterk gewalst T ijzer en is bovendien daar, waar hij zich aan het ploeglichaam aansluit en waar het op de grootste stevigheid aankomt, met eenen tweeden I ijzeren balk extra sterk gemaakt. Aan het gegoten ijzeren ploeglichaam, dat met den balk door twee schroefbouten verbonden is, zit de stalen schaar en wel eene schaar zonder spits. De spits bestaat uit een dikke vlakke stalen beitel. Deze bestaat uit een aan beide einden aangescherpt enkel stuk vlak staal, dat van achteren ingestoken en door een moer aan het ploeglichaam uiterst solide vastgehouden wordt. Wordt de scherpte der schaar minder, dan kan men ze omdraaien en men heeft dadelijk weder een scherpe spits, waarmede het werk ongehinderd kan voortgezet worden. Is de beitel afgesleten, dan kan men haar vooruitschuiven en dit zoolang doen, totdat zij geheel opgebruikt is. Aan elke zijde van het ploeglichaam, en wel aan de verlenging

-ocr page 100-

82

is echter schadelijk, in het bijzonder, indien bij gemis aan dampkringslucht de zuurstof door organische stoffen aan de ijzer-oxyde zouten wordt onttrokken en deze omgezet worden in oplosbare ijzer-oxydule verbindingen1).

Om nu de toetreding van zuurstof onder de losgewerkte bouwkruin tot stand te brengen en het nadeel te voorkomen van aan de oppervlakte geheel onuitge-zuurde aarde te brengen, die in het bijzonder bij zak-watergronden wordt aangetroffen, welker benedenlaag alvorens deze geschikt k voor de teelt van gewassen een lanpfdunVe toetreding van zuurstof en warmte vereischt,

ö «quot;5

bewerke men de bouwkruin met den ploeg en de onderlaag met den ondergrondsploeg, die den ploeg in de vore zou kunnen volgen.

Om een idee te geven dezer ploegen geef ik hier-

-ocr page 101-

83

van een paar afbeeldingen, die mij welwillend door den heer Cu. R. Kouveld te Amsterdam, vertegenwoordiger der Actiën Gesellschaft „H. F. Eckertquot;, werden verstrekt.

In zijne „Geïllustreerde speciale beschrijvingquot; vind ik omtrent dezen ploeg het volgende opgeteekend :

„Hij wordt gebruikt in de vore van eenen anderen ploeg, zoodat, wanneer de gewone ploeg eene vore van 15 Èl 20 centimeters gemaakt heeft, de mineur-ploeg nog 20^25 centimeters dieper gaat, en dus eene totale vorediepte van 45 centimeters bereikt wordt. De hooggewelfde ploegbalk bestaat uit een zeer sterk gewalst T ijzer en is bovendien daar, waar hij zich aan het ploeglichaam aansluit en waar het op de grootste stevigheid aankomt, met eenen tweeden I ijzeren balk extra sterk gemaakt. Aan het gegoten ijzeren ploeglichaam, dat met den balk door twee schroefbouten verbonden is, zit de stalen schaar en wel eene schaar zonder spits. De spits bestaat uit een dikke vlakke stalen beitel. Deze bestaat uit een aan beide einden aangescherpt enkel stuk vlak staal, dat van achteren ingestoken en door een moer aan het ploeglichaam uiterst solide vastgehouden wordt. Wordt de scherpte der schaar minder, dan kan men ze omdraaien en men heeft dadelijk weder een scherpe spits, waarmede het werk ongehinderd kan voortgezet worden. Is de beitel afgesleten, dan kan men haar vooruitschuiven en dit zoolang doen, totdat zij geheel opgebruikt is. Aan elke zijde van het ploeglichaam, en wel aan de verlenging

-ocr page 102-

84

der schaar, zitten 2 gegoten ijzeren 5 centimeter breede strijkborden, welke wigvormig opstijgend, het loswor-den van den door beitel en schaar opgebroken grond bewerken.

Dicht achter den kop van den balk zit een wiel, waarmede de gang van den ploeg gereguleerd wordt.

Naar gelang der grondsoort vordert de ploeg verschillende trekkracht, voor middelsoort grond 2 paarden, voor zwaren grond bij den grootsten diepgang 4 paarden. De ploeg wordt in 2 grootten gemaakt: Merk EMMP 1, Gewicht 73 Kilo. „ EMMP 2, „ 58 „

Van dezen ondergrondsploeg, die slechts ± 60 Kg. weegt, ontving ik de volgende beschrijving: „Hij bestaat uit een houten ploegbalk met stelrad. De schaarbreedte is 23 cM. De ploeg werkt tot op een diepte van 30 cM. den bodem los.quot;

-ocr page 103-

85

Dat men bij elke nieuwe wijze van grondbewerking door middel eener machine, waarmede de inlander nog geen handigheid heeft verkregen om te gaan, bij dezen bezwaren ontmoet, is licht te voorzien; men bepale zich om die reden aanvankelijk tot een loswerking op niet te groote diepte, meer of min in overstemming met zijne handigheid en de kracht, welke de dieren gewoonlijk bij het ploegen aanwenden, Eén voet diep komt mij om die reden niet ongeschikt voor.

Gelijk hierboven reeds met een enkel woord opgemerkt werd, acht ik het begieten van den aanplant bij zware gronden te verkiezen boven het onder water zetten. Door bedoelde wijze van werken te volgen, wensch ik de natuur der Guatemala indigo, die vochtigheid verlangt, zoo natuurlijk mogelijk in hare eischen te gemoet te komen en de plant niet in een keurslijf te plaatsen, waarvan niet gewenschte afwijkingen het gevolg zijn. Het begieten van de oppervlakte behoeft, gelijk de practicus weet, niet met een gieter plaats te vinden. Een dergelijke werkwijze zou te veel handenarbeid vorderen. Het effect is even goed met beter gevolg door hoozen te verkrijgen. Hiertoe geve men den werkman') een vrij dichte senik (mand), vuile de breedste goten tot den rand vol en

!) Iedere werkman kan een afstand van 15 Rijnl. voet zonder al te groote inspanning bewerpen en vochtig maken. De met water te vullen goten kunnen dus 30 Rijnl. voet van elkander verwijderd liggen.

-ocr page 104-

86

schenke al hoozende aan den bodem de gelegenheid het water geleidelijk in zich op te nemen en nat te worden, zonder plassen te vormen of wel van de oppervlakte eene dunne brei te maken.

Door het Jwozen kan men den grond los houden en in een vochtigheidstoestand brengen, die voor de plant wenschelijk is; voorts geeft men aan de haarwortels gelegenheid zich gemakkelijk een weg te banen in den lossen, van voldoend vocht voorzienen bodem, die uitgezuurd en uitzurende volop voedsel aan de plant kan afstaan, terwijl bij het bevloeien een werking plaats vindt, waarbij de voedende bestanddeelen uitgetrokken of vastgelegd en dientengevolge aan de plant onthouden worden. Nemen we enkel de genoemde nadeelen in aanmerking, dan reeds zoude het niet te begrijpen zijn, om welke reden men aan den ouden sleur zou blijven vasthouden en de gronden onder water zetten, terwijl al het mogelijke doorploegen als anderszins gedaan wordt om de velden uitgezuurd te krijgen.

Aangezien aan het hoozen nog andere voordeelen zijn verbonden, die, hieronder nader vermeld, met het bevloeien niet bereikt worden, zal m. i. deze werkwijze, waarvan onbekendheid met het nuttig effect, dat zij veroorzaakt,, een reden is, waarom zij zeer weinig toepassing vindt, langzaam en zeker, gelijk bij elke nieuwigheid het geval is, in practijk worden gebracht.

Men is geneigd te denken, dat hoozen bij zwaren

-ocr page 105-

87

grond meer arbeid vordert dan het bevloeien; dit verschil is slechts schijnbaar, want wij ontwaren, zoodra de oppervlakte na een maand losgewerkt en van het onkruid gezuiverd wordt, dat deze door de oude methode hard geworden en vol onkruid geraakt is, en bij de door mij voorgestane vrij los met een weinig onkruid begroeid, eene omstandigheid, waardoor volgens taxatie 40 pCt. arbeid aan dangiren (spitten) bespaard wordt, ongerekend de mindere inboetingen, die plaats vinden, iets wat een zeer groot voordeel is. Bovendien wordt met hoozen veel minder water verbruikt. Vooral voor die zware gronden, welke op geenen overvloed kunnen wijzen, acht ik deze mededeeling niet van belang ontbloot.

Het bovenstaande samenvattende, zien wij in de practijk, dat het hoozen de volgende voordeelen oplevert, die door het bevloeien niet worden bereikt:

1°. behoud van lossen uitgezuurden grond;

20. weinig onkruid in den aanplant;

30. minder inboetingen;

40. minder arbeid bij het dangiren (spitten);

50,, krachtiger groei;

6° minder waterverbruik.

Het eenige nadeel, dat het hoozen zelve in vergelijking met het onder water zetten aankleeft, maar dat geheel door de opgesomde voordeelen in de schaduw wordt gesteld, is het aanwenden van eenige werkkracht meer bij het bevochtigen van den grond.

-ocr page 106-

88

Behalve door ploegen worden de zwaarste gronden, als klei- en leemgrond, ook even goed met den pat-joel of den linggis bewerkt. Wanneer het water afge-loopen en in de bovenlaag meer of min verdampt is, beginnen genoemde soorten in kluiten van ongeveer Va Rijnl. vt. lang en breed te scheuren. Zoodra deze openingen ongeveer . Va Rijnl. vt, diep zijn, legt men de kluiten met een linggis of patjoel om, een bewerking, die gemakkelijk en vlug van de hand gaat, omdat de ondergrond in dit geval nog vochtig is en de kluit dientengevolge zonder veel inspanning omgelegd kan worden. Is de bodem daarentegfen te hard gfeworden

£-gt; o

en zijn de kluiten daarom moeielijk los te krijgen, dan late men in de scheuren zooveel water loopen als noodig is om de onderlaag te bevochtigen. Heeft men de bouwaarde op deze wijze omgelegd en is zij uitgedroogd, dan vallen de kluiten, na toevoeging van eenig water en daarop ploegen, als het water weggezakt en de grond kruimelig geworden is, uit elkaar. Wordt hierna eens geëgd, dan is hij voldoende bewerkt om de plantjes te ontvangen. Bij gebrek aan ploegvee is deze wijze van grondbewerking aan te bevelen.

Nadat de bodem op boven omschreven wijzen met den ploeg of den patjoel in een tijdsverloop van minstens 40 dagen bewerkt is, is hij voldoende uitgezuurd en men zette de bakens ter bepaling der rijen van 2 Rijnl. vt. van elkaar uit. Om de plantjes in de rij op gelijken afstand te plaatsen, spanne men een lijn, waarop de gewenschte afstanden aangegeven zijn.

Het omleggen van den grond met den patjoel (hak) of den linggls (koevoet).

-ocr page 107-

89

Plantwijdte. Over de verschillende plantwijdten loopen de mee-ningen nog al uiteen. Enkelen beweren door afstanden van 3 Rijnl. vt, op i Rijnl. vt. of 2 Rijnl. vt. op 2 Rijnl. vt. goede uitkomsten verkregen te hebben. Hunne meening eerbiedigende, stel ik evenwel die van anderen er naast, waarmede ik mij vereenig, n. 1. dat dicht bijeen planten over het algemeen de grootste oogsten in blad, en tevens, tot op zekere hoogte althans, hetzelfde gehalte aan „stofquot; oplevert. Tot het dicht bijeen planten reken ik bijv. een afstand van 2 Rijnl. vt op 1 Rijnl. vt. of 2 Rijnl vt. op Va Rijnl. vt. Welke dezer beide afstanden te verkiezen is, om zich van de grootst mogelijke productiviteit des bodems te verzekeren, is moeilijk te bepalen; in de meeste gevallen echter moet de grens, althans naar mijne meening, tusschen deze twee afstanden gezocht worden. Men versta mij wel en concludeere hieruit nog niet, dat ik de aangegeven afstanden als den afstand bij uitnemendheid beschouw. Integendeel. Atmospherische invloeden zoowel als de topographische toestand des bodems, in verband met zijn scheikundige samenstelling, kunnen dien afstand wijzigen. Wat voor enkele grondsoorten goed is, kan voor andere van nadeeligen invloed wezen. Om die reden zoeke men den afstand door proefnemingen te bepalen. Vruchtbare humusrijke gronden bijvoorbeeld, die vocht vasthouden, hebben het vermogen de plant langer in ontwikkeling te houden en spoediger op te doen schieten, voordat zij haar hoogste gehalte aan „stofquot; bereikt heeft. Zij moeten om deze reden op grooter

-ocr page 108-

90

afstanden beplant worden dan droge en minder vruchtbare, waar de bladontwikkeling zich minder sterk voordoet.

Uit den aard der zaak hangen proefnemingen in deze richting van zoo vele omstandigheden af, die aanleiding geven tot mislukking, waaronder men de geoefendheid en onverschilligheid des arbeiders als geene geringe factoren dient in aanmerking te nemen, dat bij vergelijking der verkregen uitkomsten steeds eenige twijfel omtrent de conclusie geoorloofd is. Wordt er niet met de vereischte zorg gewerkt, dan geeft dit aanleiding tot een vermeerdering van het aantal afgestorven planten, door welke omstandigheid de aanplant onregelmatig wijd uit elkander komt te staan, iets wat door inboeten wel is te verhelpen, maar ongetwijfeld het nadeel bevat, dat de aanplant ongelijk opschiet. Om dit te neutraliseeren, geef ik de voorkeur aan het planten van 2 Rijnl. vt. op V2 Rijnl. vt. boven die van 2 Rijnl. vt op 1 Rijnl. vt. Het aanplanten van 1V2 Rijnl. vt. op 1 Rijnl. vt. acht ik op tamelijk vruchtbare en vruchtbare gronden minder raadzaam, omdat men de aarde uit de kleine gootjes (plantirans) naast de bedden moeilijkdaarop kan plaatsen zonder aan de diepte der plantirans schade te doen; omdat de plant te ijl opschiet, daardoor te spoedig bladverlies te betreuren is en het indigo-wekkend beginsel, naar het mij voorkomt, eenigszins vermindert. Op schrale gronden echter zou een dergelijke plant-wijdte voordeden kunnen opleveren.

-ocr page 109-

91

Dichtbij elkaar planten (2 Rijnl. voet op V» of 1 Rijnl, voet) doet de struiken sneller opschieten dan bij een afstand van 2 op 3 Rijnl. voet en dientengevolge bij gebrek aan werkkrachten den aanplant in den regentijd minder van het onkruid lijden, daar dit door de 3p kleiner oppervlak zich ontwikkelende loten onder minder gunstige voorwaarden geplaatst wordt. Bovendien kan men den 2den en 3tlen snit eerder oogsten, daarvan meer blad verkrijgen en daar de plant den ouderdom bereikt heeft, waarin zij haar grootste gehalte aan „stof bezit, zoo zal de aanplant tevens bij normale weersgesteldheid meer indigo uitleveren.

Te dicht op elkaar planten kan, zooals boven reeds werd opgemerkt, het nadeel te weeg brengen van quot; een mindere ontwikkeling van het indigo opbouwende

beginsel. Als ik hiervoor een reden zoude aangeven, dan zoude die zijn de onvoldoende toetreding van zonlicht en wind tot den bodem, waardoor het opdrogen van dezen belemmerd wordt. Buitendien schijnt het, dat onder deze omstandigheid meer stoffen, waaruit de plant het indigo-wekkend beginsel zoude kunnen afscheiden, worden vastgelegd.1) Behalve de hier genoemde bewaren heeft men van een te dicht aaneengesloten aanplant bij de eerste snede (niet bij de tweede, daar de plant in dit geval tot rijpheid gekomen is) het nadeel van veel^bladverlies te betreuren, vóór dat dé plant het criterium van rijpheid heeft bereikt.

1) De mindere werking van het zonlicht op de bladeren bij een zeer gevulden aanplartt laat ik hier buiten beschouwing.

-ocr page 110-

92

Hetoverbren- Het overbrengen der zaailingen geschiedt volgender

gen der wiize. Men make de kweekbedden flink nat door beg-ie-zaailingen. ' a

ten, om den grond los te maken en wachte tot het water

daarin doorgedrongen is, trekke de plantjes in den morgen één voor één langzaam, deels des noodig met een houtje lichtende, daaruit, daarbij zorg dragende, dat zij in eene met vochtige bladeren bekleede mand gevleid en onmiddellijk gedekt worden, ter voorkoming van het verwelken, indien men ze althans niet langer dan twaalf uren bewaart.

De beste tijd van planten is in den namiddag tegen twee uur tot het vallen van den avond, omdat de zaailingen den koelen nacht te gemoet gaan. Is er haast bij het werk, dan kan die handeling ook des morgens met succes geschieden. Opmerkelijk is het bovendien, dat bij opkomende maan de planten beter in leven blijven dan bij dalende, donkere maan; ook hieraan dient de planter dus eenige aandacht te schenken.

Het planten. Vóór het planten een aanvang neemt, late men de diepe goten vol water loopen en hooze het veld door middel van een mandje (bij den inlander bekend onder de benaming van senik) tot de bouwaarde goed nat is, late deze bewerking geleidelijk geschieden ter voorkoming van vorming van plassen, waardoor korstvorming aan de oppervlakte bevorderd wordt; van terugvloeiing van water naar de goten, waardoor teelaarde verloren gaat en om het water gelegenheid te verschaffen gelijkmatig in den grond te dringen.

-ocr page 111-

93

Naar gelang nu de bodem kleihoudend is, zal dit meer of minder spoedig plaats vinden, en verloopt daarmede gewoonlijk 8 è, 24 uren.

Als het grootste deel van het water in den grond gedrongen is, de bouwaarde of bouwkrum toelaat, dat de planter er over loopt zonder dat diens voet er in zakt, als ware zij met water oververzadigd, dan kan tot het planten overgegaan worden, een werk, dat ik met een kleine arit met het meeste succes heb laten volbrengen, in stede van zooals de gewoonte voorschrijft met de vingers of een houtje. Heeft de arbeider met het planten door middel van de arit

eenige handigheid opgedaan en dit gebeurt reeds binnen eenige uren, dan plant hij op deze wijze gewis eene uitgestrektheid af, die eenige malen grooter is dan die, welke met een houtje of met den voorsten vinger verkregen wordt.

Het in den grond brengen van de bibit door middel van de arit geschiedt volgenderwij ze; De plantjes,

-ocr page 112-

94

die in een blad gewikkeld in de linker hand geplaatst zijn, worden, terwijl men ze met den voorsten vinger en duim van de rechterhand uit het pakje in die van de linker plaatst, door den stompen kant van de arit op het onderste deel van den wortel te drukken, in den grond gedrongen tot de scheiding tusschen water en wind, die zij in de pepinières hadden en men maakt verder — om de arit uit den grond te halen en daarmede geen grond medegevoerd wordt — met het heft een beweging naar voren op hetzelfde oogenblik, dat men met een weinig' drukking dezen er uit trekt.

O Cgt;

Na het planten hoost men het beplante deel even na om de plantjes een weinig ojj te frisschen en de door de arit ontstane smalle gleufjes, een weinig te dichten.

Het is m. i. duidelijk, dat door deze plant-methode, die van jongen datum en om die reden vrij onbekend is, de wortel diep en recht in den grond wordt gebracht en de plant daardoor van onderen uit koelte en gedurende langen tijd vochtigheid ontvangt, waardoor zij onder eene voorwaarde is gebracht, die haar toekomt, indien zij zich zal restaureeren van de ondergane verwondingen, om daarop wortel te schieten. De practijk heeft mij dan ook geleerd, dat bij deze werkwijze weinig planten sterven.

Acht dagen achtereen houdt men den aanplant dooi* hoozen vochtig,') na dien tijd slechts af en toe, wanneer hij het noodig heeft, daarbij nauwkeurig toeziende of er inboetingen moeten plaats vinden van

') Het beste is, hiervoor den avond te kiezen.

-ocr page 113-

95

ziekelijke of gestorven individuen, die onmiddellijk vervangen elienen te worden, om iedere nieuweling in de gelegenheid te stellen even krachtig op te schieten als het naastbijzijnde individu, dat, naar de mate het langer in den bodem staat dan de ingeboete plant, zich tot schade van deze ontwikkelt.

Eerste Overigens wordt aan den aanplant bij normale

dangiran weersgesteldheid gedurende eene maand niets gedaan om daarop over te gaan tot de eerste dangiran.1) 1 Iet spreekt van zelf, dunkt mij, dat. bij regenachtig weder een goede afwatering der velden niet uit het oog mag verloren worden.

Bij de eerste dangiran late men enkel het onkruid wegnemen en de lichte korst, die 4 cM. dik zal zijn, met den patjoel fijn kappen (tjatjah) en omleggen tot vlak bij de plant zonder haar evenwel in beweging te brengen, daar dit den dood zoude veroorzaken. Om den grond regelmatig open te kappen en de patjoel over de geheele oppervlakte te lood in den grond te laten dringen, moet de arbeider tusschen elke twee rijen werken en niet drie of meer te gelijk nemen. Het bewerken van drie of meer rijen tegelijk heeft tot gevolg, dat de plantjes op heuveltjes geplaatst worden, omdat de werkman door de aan te nemen houding inoeielijk in staat is den patjoel loodrecht in den grond te doen dringen en de plant hem bovendien in den weg staat. Is de plant op een heuveltje geplaatst, dan zijn

!) Dangiran beteekent loswerking van den grond met den patjoel.

-ocr page 114-

96

hare wortels meer blootgesteld aan de werking der zonnestralen en tevens van eene natuurlijke beschutting beroofd. In dit geval trekken de zonnestralen de vochtigheid uit het heuveltje, terwijl zich om de plant een meer of min harde korst vormt, die een grooter warmte geleidend vermogen bezit dan losgewerkte kluitjes — waartusschen de wind speling heeft — en den wortel het uitschieten belet. Een gevolg van dit een en ander is, dat de plant kwijnt en de walang bantji (een soort luis) veelal verschijnt, tenzij men door hoozen de heuveltjes bevochtigt en daardoor weder koelte aanbrengt. De spoedige uitdroging der aarde om de plant is echter niet te voorkomen en blijft van nadeeligen invloed, terwijl het vele malen vochtig houden de uitzuring tegengaat en de kosten van behoorlijk onderhoud vermeerderen.

Wordt echter zorg gedragen, dat de plant bij den wortel beschutting ontvangt, op de wijze gelijk zoo even bij het fijn kappen der korst werd vermeld, dan is het warmte geleidend vermogen van het meer of min uitgedroogde harde bovenlaag)e verbroken en wordt de ondergrond koel gehouden.

Om een diepe grondbewerking, waardoor veel vocht verdampt geraakt, te kunnen doorstaan, zijn de planten op den leeftijd van een maand te zwak en ontbreken voldoende lange wortels voor de opneming van opgelost voedsel uit dieper gelegen lagen. Men zou den grond te droog maken en de kans loopen, dat de walang bantji de struikjes aantast.

-ocr page 115-

97

De diepere omwerking der bouwkruin stelle men om die redenen uit tot een maand na de eerste dangiran, wanneer de plant een hoogte van nog geen voet heeft bereikt. Dan wordt de bodem ter diepte van 6 Rijnl. duim op een afstand van 2 Rijnl. duim aan weerszijden van de planten omgewerkt en spoedig daarop tot 8 of meer Rijnl. duimen diepte, naargelang van de dikte der bouwkruin, bij die bewerking er vooral op lettende, dat de wortels niet beschadigd worden, want daardoor wordt de struik niet alleen belemmerd in haren groei maar tevens verzzvakt.

Heeft de plant behoefte aan water, hetgeen te herkennen is aan het slap hangen of geel worden der bladeren, dan dient men dat vóór de dangiran toe. Daar op vele plaatsen in den drogen moesson gebrek aan irrigatie-water bestaat, merk ik hierbij op, dat een indigo-aanplant, wanneer deze een hoogte van 1 Va Rijnl. voet heeft bereikt, veel droogte kan doorstaan, maar tevens, dat hij in te drogen grond, na het invallen der regens, veel meer tijd noodig heeft om zich van de ondervonden nadeelen te restaureeren, indien zulks nog geheel mogelijk is, dan wanneer de akker voldoende droog gehouden wordt

Het opwerpen van bedden.

Terwijl de bodem bovenstaande bewerkingen ondergaan heeft, bereikt de plant allengskens den leeftijd en den omvang, waardoor — mede in verband met het vooruitzicht van enkele regenbuien, welke den

7

Tweede en

derde dangiran.

Het toedienen van water.

4-

-ocr page 116-

98

grond compact doen worden en daardoor loswerking noodig maken — het opwerpen van bedden eu trekken van plantirans tot afvoer van het regenwater noodzakelijk wordt. Aanvankelijk bezige men enkel den losgewerkten grond voor deze bewerking, om daarna, even voor het invallen van den regfen-

' o

moesson, de diepte der plantirans te brengen op i Rijnl. voet. Bij ieder dezer grondverplaatsingen ziet men, evenals bij elke dangiran, de plant een groenere tint aannemen, als ware de aanplant bevochtigd.

De wortel. In den drogen moesson moet men den wortel dwingen diep in den grond te dringen, opdat de plant veel grond te harer beschikking krijgt. In die omstandigheid brengt men haar door den bodem zoo min mogelijk, zonder daardoor schade aan het gewas te veroorzaken, te bevochtigen. De wortels, die de neiging hebben voedsel en vochtigheid op te zoeken, moeten die voorwaarden voor het bestaan der plant in dieper gelegen plaatsen vinden dan in de droge bovenlaag, waar het water in den oostmoesson voor de oplossing der voedende bestanddeelen ontbreekt. Zijn de wortels diep in den grond gedrongen, ongeveer 2 Rijnl. vt., nog voordat de regens invallen, dan kan de plant steeds voedsel tot zich nemen uit de vochtige onderlaag, indien in de doorweekte bovenlaag de voedende bestanddeelen meer of min ontbreken. Bovendien verhindert men door de aanwezigheid van een diep en uitgebreid wortelnet eenigszins de

-ocr page 117-

99

sterfte in den aanplant, nadat het snijden heeft plaats gehad, omdat de plant door hare diepgaande wortels vaster in den bodem staat en het rukken door den werkman bij gebruik van een onscherpe arit voor het snijden minder kwade gevolgen heeft. Ook bij aanwezigheid van oeret en djampang (beide een soort larven) geven diepgaande wortels meerdere zekerheid, dat de plant in leven blijft.

Goten in den Het is onnoodig, vermeen ik, hierbij op te merken, regentijd. ^ g0ten en plantirans, in het bijzonder bij

eerstgenoemde, tijdens den regenmoesson, waarbij veel slib van de bedden afgevoerd wordt en indien ondergrondswater op komt zetten, zorg worde gedragen voor een behoorlijke diepte, om te voorkomen, dat de diep gelegen wortels nadeel van het vocht ondervinden. Even vóór het begin van den regentijd, tegen ongeveer begin October, geve men aan de plantirans een diepte van i Rijnl. voet en aan de goten naar gelang van de gesteldheid van den bodem 2V2 of meer Rijnl. voeten.

Het criterium behoorlijk onderhoud en doelmatige bewerking

van rijpheid schiet de plant, na het invallen der regens, snel op en der plant. nadert allengs het tijdstip, waarop zij geoogst moet worden. Dit te bepalen maakt thans ons onderwerp van bespreking uit.

De hoogte, die de struik bereikt, kan evenmin als haar ouderdom of de donker groene tint en de eigen-

-ocr page 118-

98

grond compact doen worden en daardoor loswerking noodig maken — het opwerpen van bedden en trekken van plantirans tot afvoer van het regenwater noodzakelijk wordt. Aanvankelijk bezige men enkel den losgewerkten grond voor deze bewerking, om daarna, even voor het invallen van den regenmoesson, de diepte der plantirans te brengen op i Rijnl. voer. Bij ieder dezer grondverplaatsingen ziet men, evenals bij elke dangiran, de plant een groenere tint aannemen, als ware de aanplant bevochtigd.

De wortel. In den drogen moesson moet men den wortel dwingen diep in den grond te dringen, opdat de plant veel grond te harer beschikking krijgt. In die omstandigheid brengt men haar door den bodem zoo min mogelijk, zonder daardoor schade aan het gewas te veroorzaken, te bevochtigen. De wortels, die de neiging hebben voedsel en vochtigheid op te zoeken, moeten die voorwaarden voor het bestaan der plant in dieper gelegen plaatsen vinden dan in de droge bovenlaag, waar het water in den oostmoesson voor de oplossing der voedende bestanddeelen ontbreekt. Zijn de wortels diep in den grond gedrongen, ongeveer 2 Rijnl. vt., nog voordat de regens invallen, dan kan de plant steeds voedsel tot zich nemen uit de vochtige onderlaag, indien in de doorweekte bovenlaag de voedende bestanddeelen meer of min ontbreken. Bovendien verhindert men door de aanwezigheid van een diep en uitgebreid wortelnet eenigszins de

-ocr page 119-

99

sterfte in den aanplant, nadat het snijden heeft plaats gehad, omdat de plant door hare diepgaande wortels vaster in den bodem staat en het rukken door den werkman bij gebruik van een onscherpe arit voor het snijden minder kwade gevolgen heeft. Ook bij aanwezigheid van oeret en djampang (beide een soort larven) geven diepgaande wortels meerdere zekerheid, dat de plant in leven blijft.

Goten in den Het is onnoodig, vermeen ik, hierbij op te merken, regentijd. bij de goten en plantirans, in het bijzonder bij

eerstgenoemde, tijdens den regenmoesson, waarbij veel slib van de bedden afgevoerd wordt en indien ondergrondswater op komt zetten, zorg worde gedragen voor een behoorlijke diepte, om te voorkomen, dat de diep gelegen wortels nadeel van het vocht ondervinden. Even vóór het begin van den regentijd, tegen ongeveer begin October, geve men aan de plantirans een diepte van i Rijnl. voet en aan de goten naar gelang van de gesteldheid van den bodem 2V2 of meer Rijnl. voeten.

Het criterium behoorlijk onderhoud en doelmatige bewerking

van rijpheid schiet de plant, na het invallen der regens, snel op en der piant. nadert allengs het tijdstip, waarop zij geoogst moet worden. Dit te bepalen maakt thans ons onderwerp van bespreking uit.

De hoogte, die de struik bereikt, kan evenmin als haar ouderdom of de donker groene tint en de eigen-

-ocr page 120-

100

aardige blaclgeur, gelijk velen beweren, als het ware criterium van rijpheid aangemerkt worden. De tijd, dien de Guatemala indigo noodig heeft om te rijpen, hangt af van de wijze van planten, van ouderdom, aard der gronden, hoeveelheid en duur van den gevallen regen als anderszins. Dicht aaneengesloten rijen, vruchtbare aarde en doelmatige bewerking drijven de plant in de hoogte; ver uit elkaar geplaatste rijen, magere gronden en slechte bewerking zijn factoren, die haar niet snel doen opgroeien. Een beter en tegelijk practisch middel vind ik in het omvouwen van liet blad tusschen de vingers; kraakt dit bij deze handeling, dan beschouwt men het blad als rijp, m. a. w. het rijkst te zijn aan het indigo-wekkende beginsel. Bij zeer vruchtbare en bij zeer magere gronden echter is dit kraken nog geen teeken van rijpheid. Dat pas uitgeschoten bladeren geen krakend geluid veroorzaken bij het omvouwen en daardoor aanleiding kunnen «feven tot misvattingen is

o o o

een feit, dat tevens er op wijst, dat de jongste bladeren niet in aanmerking dienen genomen te worden. Men doe om die reden een greep in de bladeren van eenigs-zins ouderen datum. ^

1) „De reden van het kraken,quot; zegt Schrottky, een schrijver, wiens opmerkingen over indigo-fabricage belangrijk zijn, „ligt niet in de omstandigheid, dat de bladeren alsdan meer dan op eenigen anderen tijd de grootste hoeveelheid phyllocyanine (de stof, waaruit hij het indigo-blauw ontwikkelt) in de bladeren bevat, maar wel daarin, dat deze alsdan de grootst mogelijke hoeveelheid zetmeel, gom en protoplasma bevatten, van welke zelfstandigheden en van welker gisting de hoeveelheid indigo afhangt, die uit een bepaalde hoeveelheid van de plant verkregen kan worden.quot;

-ocr page 121-

101

Nog een ander middel ter bepaling van den oogsttijd vind ik aanbevelenswaardig; vooral bij ondernemingen, die reeds eenige jaren product leveren, kan het toegepast worden, bijaldien de fabrikant geen voldoende handigheid bezit uit het blad en uit het lohor-warer de conclusie te trekken, dat de plant ve jong is om gesneden te worden. Dit middel bestaat nl. in het volgende: lederen dag fabriceere men een weinig, wanneer het oudste blad der plant begint te kraken, en men ga daarbij na of er veel indigo verkregen wordt in vergelijking van het vorige jaar, in verband met het nagenoeg volledig bezinken der stof in de geklopte vloeistof, die bij behoorlijke fabricage een helder kersroode kleur tezien geeft. Is het blad nog te jong, dan zet zich, nadat de indigo in den klopbak bezonken is, bij liet nemen eener proef van enkel lohor-water door blootstellen daarvan gedurende eenigen tijd aan zonlicht, alsnog indigo bezinksel af. De vloeistof in de bezinkbakken vertoont in die gevallen, wanneer het tijd is haar af te tappen, een andere kleur, dan wanneer de plant rijp is, bijv. groen, groenachtig geel, groenachtig geel gemengd met rood, of ook wel een lichte kersroode kleur, bij welke laatste omstandigheid opgemerkt kan worden, dat het bezinksel veel verminderd is. Is het blad rijp en wordt er slecht gefabriceerd, dan geeft de lohor ook de kleuren, die niet gewenscht zijn, te zien.

') Het extract uit blad en stengel, na afzondering der verfstof, wordt door den Javaan „lohorquot; geheeten.

-ocr page 122-

102

Hel oogsten. Het komt mij voor, dat bij de eerste snede veeltijds niet Eerste inlt. ]anger gedurende hoogstens ééne maand de meeste en tevens beste qualiteit uit het blad kan verkregen worden, na welk tijdstip de qualiteit en quantiteit beide, veelal bijna onmerkbaar, verminderen, om naar gelang der weersgesteldheid meer of minder product te leveren. De fabricage is dan lastiger te verrichten; zij vereischt in dat geval meer attentie van den bereider.

Zware aanhoudende regens of droogte kunnen het gehalte zoowel quantitatief als qualitatief wijzigen.

In de tijdruimte, waarin het blad de meeste indigotine voortbrengende stof bevat, heeft tevens eenigbladverlies plaats aan de onderste takken, dat allengs, naar gelang van den ouderdom der struik , grooter afmetingen aanneemt. Voegt men hierbij het gevaar, dat zij, gelijk bijna uitsluitend in de residentie Djokjakarta en een paar westelijk daarvan gelegen gewesten, voor zoover mij bekend is, voorkomt, ongeveer in de helft van de maand Januari door de groene rups in die mate kan geteisterd worden, dat in enkele dagen tijds bouws aan bladeren door deze dieren verorberd worden, dan is het m. i. duidelijk, dat voor een indigo-onderneming voldoende capaciteit in de fabrieken moet aanwezig zijn om het product op tijd te verwerken. Bovendien schenkt het tijdig verwerken van de rijpe bladeren aan den tweeden snit de gelegenheid meer uit te leveren dan het geval zou zijn, wanneer de plant overoud geoogst wordt en is men in de gelegenheid de wording van millioenen dieren te

-ocr page 123-

103

voorkomen, daar de ouders eerder gedood worden dan wanneer het verwerken van het te velde staande gewas langzaam plaats vindt.

Bij den eersten snit snijde men de struik op 5 Rijnl. duim, bij den tweeden snit op 7 Rijnl. duim afstand van den bodem af.

Of het afsnijden op deze hoogten aanleiding geeft betere opbrengsten te leveren bij een tweeden en derden snit dan het snijden op andere hoogten, durf ik niet beweren, daar ik in dit opzicht den sleur volgde, die vrij algemeen als de beste wordt aangenomen en geene proefnemingen in anderen geest heb

gedaan.

Om de plant niet geheel van haar blad, waardoor zij voedsel uit de atmospheer ontleent, te berooven, het bloeden der snijvlakken tegen te gaan, m, a. w. den overgang tot de vorming van nieuw blad niet onder al te groote storingen te doen plaats vinden en in verband hiermede sterfte onder de planten zoo veel mogelijk te voorkomen, verkiezen enkelen het aanhouden van een loot (lantjoran). Oppervlakkig beschouwd zou de laatste methode reden van bestaan hebben; de practijk echter wijst geen verschil van resultaten aan; het is dan ook om die reden, dat de meeste fabrikanten zonder het aanhouden vanlantjorans (loten) snijden.

Het snijden vinde des morgens plaats en het vervoer der grondstof worde op dusdanigen voet geregeld, dat de vrachten spoedig, binnen het uur bijvoorbeeld,

-ocr page 124-

104

aan de fabriek zijn. Blijven de bladeren, die reeds zonnewarmte ontvingen, te lang aan den invloed der warmte in bossen blootgesteld, dan ontstaat er broeiing, die spoediger bij vochtig dan bij droog blad intreedt. Er heeft alsdan een zekere werking plaats, die, omdat zij, zooals hieronder zal blijken, bij stevig aangetrokken, gebonden bossen en op karren geladen, niet gelijkmatig plaats vindt, voorkomen moet worden. Ter bevordering van een behoorlijke temperatuur bij iedere bos, raad ik om die reden aan deze, in het bijzonder wanneer de bladeren nat zijn, niet stijf te binden en in plaats van 5 Rijnl. voet talie (touw) om een goed samengetrokken bos van 4 Rijnl. voet omtrek te verkrijgen, liever 6 voet talie te bezigen, zoodat dezelfde inhoud in een omtrek van 5 Rijnl. voet geborgen wordt en dus minder gelegenheid tot broeien geeft.

Of het verleppen der bladeren nadeeligen invloed op de productie en de qualiteit uitoefent, waag ik te betwijfelen. Van verdroogd blad is zeer zeker minder en slechter product te verwachten dan van versch gesneden, iets wat de wijze van fabriceeren, in sommige deelen van Britsch-Indië gevolgd, zou kunnen aantoonen.

De slechtere uitkomst bij een laten aanvoer in de fabriek zoek ik veeleer in de werking, die zich begint te ontwikkelen, dan in de beide laatstgenoemde gevolgen van zonnewarmte. Zie hier op welke gronden deze opinie berust.

Het was in het jaar 1883, dat ik werkzaam was op

-ocr page 125-

105

de onderneming K. B. Het transportwezen liet aldaar veel te wenschen over, daar de wegen slecht en de aanvoer der grondstof over te groote afstanden moest plaats vinden. Het indigo-snijdsel van den morgen, dat des namiddags tegen 3^5 uur aan de fabriek aankwam, bleef somwijlen gedurende een geheelen dag onder weg en aan den invloed der broeiing blootgesteld. Bij het ontladen der karren en vooral bij het openen der bossen, bleek dit dan ook. De bladeren hadden in dat geval een donker violet aanzien. Er had reeds een omzetting plaats gevonden. Aanvankelijk werden deze bossen door den administrateur van onwaarde geacht en op den titen-hoop, waar al het verwerkte snijdsel verzameld werd, geworpen. Later beproefde ik of er van die onoogelijke massa's, die eiken dag aangevoerd werden, volgens de regels der fermentatiekunst geen goede indigo was te verkrijgen. En zie mijne verwachtingen werden niet teleurgesteld. De qualiteit was zelfs minstens even goed als de onder gewone omstandigheden gefabriceerde indigo; er was, naar het mij toescheen, meer gloed in de stof, ze was zachter, edoch de quantiteit liet te wenschen over.

Het spreekt van zelf, dal ik, voor zooverre het mogelijk was, de groene bladeren afzonderlijk verwerkte, en dat er bij den gemaakten spoed, om in de bakken de verbroeide bladeren te plaatsen, veel groen blad hieronder aangetroffen werd. Het komt mij voor, dat, in verband met dit genoemd feit, voor die mindere opbrengst aan indigopap eene voor de hand

-ocr page 126-

106

liggende reden is aan te geven, n.1. dat aan het eene deel der bladeren, ten gevolge der broeiing de omzetting spoediger was volbracht dan aan het andere in vrij verschen toestand zich bevindende, dat aan de werkingf nocf niet voldoende deel had kunnen

ö O

nemen om de stof om te zetten. Hoe meer verbroeide indigo bladeren in de bossen aanwezig waren, hoe spoediger de vloeistof in de bakken gereed was om geklopt te worden.

Ik geloof, dat met deze feiten voor oogen het tevens eenigszins verklaarbaar wordt, om welke redenen velen het te vroeg snijden ontraden en een weinig warmte bij het snijden aanbevelen. Hierdoor toch wordt naar mijne meening tijdens het transport de „stofquot; meer of min losgewerkt — vooral bij natte bladeren — en kan zij later gemakkelijker door het water in oplossing genomen worden. De ondervinding heeft ervaren planters geleerd, dat een weinig zonnewarmte betere qualiteit geeft, gepaard met een hooger paprendement.

Op grond van dit een en ander behoor ik niet tot degenen, die hun voordeel zoeken in het sluiten der bakken tegen 8^9 uur in den morgen, maar wel acht ik het noodzakelijk de bladeren na gesneden te zijn zoo spoedig mogelijk te verwerken, wanneer de warmte in het blad is gedrongen.

Op enkele ondernemingen vindt op grond van de ervaring, dat van planten in den middag gesneden een weinig meer stof wordt verkregen dan van des

-ocr page 127-

107

morgens gesneden indigo, het oogsten tegen 3 nnr plaats en komen de karren tegen 4^5 uur bij de fabriek aan. Het nadeel, dat dit snijden op een zoo laat uur oplevert, verdient wel rn. i. overwogen te worden, als men in aanmerking neemt, dat de bepaling van het tijdstip, waarop het fermenteer-proces is afge-loopen somwijlen moeielijker bij lamplicht dan bij daglicht plaats vindt, iets wat ongetwijfeld in doorslag op het product invloed zal uitoefenen.

Anderen, die te geringe capaciteit in hunne fabrieken bezitten voor de verwerking van hun oogst, vullen de bakken des morgens en des avonds. Daardoor kunnen zij zeker meer bladeren verwerken, maar de onuitvoerbaarheid de bakken behoorlijk te reinigen, in het bijzonder voldoende uit te laten dampen, in verband met dit een en ander eenige verzuring te voorkomen, heeft tot gevolg dat èn qualiteit èn quan-titeit van het product onder deze werkwijze lijdt. ^ Tweede snit. Den tweeden snit verwerke men 2Va 3 maanden na het snijden van den eersten. Op dien leeftijd kan

') Om het uitdampen der bakken op behoorlijke wijze te kunnen doen plaats vinden, heeft men zorg te dragen voor het spoedige ledigen en schoon maken hiervan, nadat het fermenteerproces is afgeloopen. Daar, na het reinigen der fermenteerbakken, de klop-bakken nog gevuld zijn en deze, ter voorkoming van benadeeling der zich daarin bevindende vloeistof, het vuile water niet mogen ontvangen, zoo heeft men ter bespoediging van den afvoer van het vuile water de fermenteerbakken dusdanig van kleine bondans (openingen met stoppen) voorzien en in deze bakken het verval zoo ingericht, dat de vloeistof na wegneming der kleine stoppen weg kan loopen.

-ocr page 128-

108

de uitgeschoten plant een hoogte van ongeveer ^/2 voet bereikt hebben.

Derde snit. Bij den gemeenlijk langzaam groeienden derden snit lette men, alvorens tot oogsten over te gaan, op het weder en of er nog met voordeel een vierden oogst binnen het jaar te maken is. Komt het den planter voor, ckit het einde van den regentijd nabij is, dat de plant te veel in het zaad schiet of stagnatie in den groei ingetreden is, dan is het zaak het overschot zoo spoedig mogelijk te verwerken.

Hoewel de Guatemala indigo op het meerendeel der indigo-ondernemingen in de Vorstenlanden slechts drie loonende snitten oplevert, kan zij bij zeer vruchtbare, voor indigo maagdelijke gronden zelfs 6 tot 9 snitten produceeren, echter niet dan den bodem daardoor uit te putten. Om zulks te voorkomen, stelle men zich liever met 3, hoogstens 4 snitten tevreden en streve er naar van de 2° en 3C snede een even groot product te maken als van de eerste.

Ter verkrijging van een goeden 2equot; en 3en snit, zorge men voor een tijdige verwerking van het eerste product en overvvege wel, dat al de afgevallen bladeren, tijdens het hoogste gehalte aan stof in de plant aangetroffen wordt, op verlies in product wijzen.

Men stelle bij het oogsten zich voor; dat in den bodem een zeker quantum voedsel aanwezig is en in de plant een zekere mate van levensenergie; dat beide factoren, na hun toppunt bereikt te hebben, langzamerhand verminderen en ophouden de voordeeligste

-ocr page 129-

109

resultaten op te leveren, dan volgt hieruit, dat, wordt het eerste product te laat gesneden, aan de 2'1 en 3C snede krachten worden ontnomen, die haar ten goede hadden kunnen strekken. Bovendien brengt een dergelijke werkwijze, gelijk ik boven reeds opmerkte, eenig nadeel in qualiteit en quantiteit van het ie product te weeg. Wordt de eerste snit te jong geoogst, dan is de schade, wat de hoeveelheid betreft, bij de en 3e snede in te halen, maar wat de slechtere qualiteit aangaat van het product niet te redresseeren.

Dadelijk na het snijden diepe men het aangeslibde gotennet uit, brenge het op dezelfde diepte als voor het invallen der regens en legge ter voorkoming van het spoedig opschieten van onkruid den grond slechts 3 Rijnl duim om — indien de aarde tamelijk opgedroogd (pró) is — ten einde de wortels niet te beschadigen en het overtollig regenwater geen gelegenheid te verschaffen dieper in den bodem te dringen. Bij deze bewerking heb ik het oog gericht enkel op de oppervlakte van het bed tusschen en in de rijen, daar men, de hellingen bewerkende, de wortels zoude beschadigen, hetgeen zeer nadeelig op de plant werkt.

Het verplaatsen van bedden, om de aarde los te maken, eene oude methode van werken, die door enkele ouden van dagen, conservatief als zij zijn, nog wordt gevolgd, is niet aan te bevelen: 1°. om de reeds afdoende reden van het blootleggen en stukkappen van wortels, wier einden in staat van

Bewerking der velden na het oogsten.

-ocr page 130-

110

ontbinding overgaan; 2°. omdat de voedende bestand-deelen in den ondergrond van het bed door overtollig regenwater uitgeloogd of vastgelegd worden en deze aarde een compacte massa gaat vormen; 30. omdat, wanneer de losgewerkte hoeveelheid aarde op de vaste massa der plantirans geplaatst wordt na eenige flinke regenbuien eene compacte massa ontstaat, die de toetreding van lucht verhindert, het water te veel vasthoudt, het warmte geleidend vermogen bij droog weder vermeerdert en de ontwikkeling van wortels tegengaat, terwijl de teelaarde, welke alsdan boven op het bed komt te liggen aan wegspoeling bloot staat; ten slotte, omdat, wanneer aan het bed niets ware verricht, de ondergrond los zoude gebleven zijn.

Is het veld ten gevolge van den gevallen regen doorweekt, dan bepale men zich enkel tot het uitdiepen van goten en plantirans, om later, wanneer de bodem eenigszins opgedroogd is,de dangiran ter hand te nemen, of, indien zulks ten gevolge van aanhoudende regens niet mogelijk is, den grond met de arit of ander snijwerktuig van het opkomende onkruid door schoffelen (soesoek) te zuiveren. Opmerking verdient hierbij, dat een goed aaneengesloten aanplant van de eerste snede geen levend onkruid bevat.

-ocr page 131-

Ill

§ 2 OP LICHTE GRONDEN.

Is bij de bespreking der zware grondem reeds veel medegedeeld, dat insgelijks van toepassing is op de bewerking van lichte gronden, in dit hoofdstuk zal op enkele verschillen gewezen worden, waarop men bij de behandeling dezer aardsoort in hoofdzaak dient te letten.

Daar lichte grond, humusgrond uitgezonderd, water gemakkelijk doorlaat, spoedig droog wordt en geen noemenswaardige korst aan de oppervlakte vormt, zoo kan men ter besparing van werkkrachten door middel van bevloeien en niet door hoozen den grond nat maken zonder daardoor veel nadeel aan den grond of de planten toe te brengen. Het bevloeien heeft wel-is-waar tot gevolg, dat de voedende bestanddeelen en teelaarde naar de oppervlakte worden gebracht en, indien het irrigatie-water afvloeit, kostbare stoffen verloren gaan, maar deze bezwaren zijn niet moeielijk te overwinnen, indien men zorg drage, dat het benoodigde water niet afgevoerd worde en bij de dangiran de aan de oppervlakte gelegen teelaarde door een omwerking van den grond weder in den bodem wordt gebracht.

Bij iedere bevloeiing late men het water hoogstens 12 uren tijd om te bezinken, alvorens tot het planten of omwerken van den grond over te gaan; m, a. w. men wacht slechts zoolang tot de grond van den natten in den vochtigen toestand gekomen is.

-ocr page 132-

112

De diepte der goten hangt af van de geschiktheid der aarde vocht vast te houden. Gemeenlijk kan men, bij het begin van den drogen moesson, volstaan met een diepte van hoogstens i Rijnl. voet; eenige dagen vóór het invallen der regens echter vermeerdere men de diepte tot 2 Rijnl- voet.

De diepte der ringgoten houdt in den drogen moesson verband met de diepte der goten in den aanplant en wordt vóór het invallen van den regenmoesson in overeenstemming gebracht met de eischen van de hoeveelheid af te voeren regenwater. Bij aanwezigheid van ondergrondswater handele men zooals voor zware gronden aangegeven werd.

Het een en ander samenvattende, trachte men bij lichte gronden in den oostmoesson uitdroging der bouwaarde, waartoe zij neiging bezit en te groote voch-tieheid, indien welwater aanwezig is, te voorkomen.

o '

Voorts diene men bij lichte gronden in het oog te houden, dat het vele malen omwerken van de bouwkruin niet altijd gewenscht is, vooral wanneer zij weinig organische stoffen bevat en de ontleding hiervan door de zuurstof der lucht te snel zoude plaats vinden

Het is zelfs mogelijk en de ondervinding heeft zulks aangetoond, dat enkele lichte gronden, mergelgronden bijv., tijdens den drogen moesson na het planten in het geheel niojt mogen bewerkt worden. Het bleek mij namelijk, dat de planten, nadat de velden in den drogen tijd bev/erkt en van onkruid gezuiverd waren, schraal bleven, terwijl dat gedeelte der velden, die in den

-ocr page 133-

113

oostmoesson enkel besproeid werden en waarop het onkruid zich onbelemmerd kon ontwikkelen — iets waardoor aan de indigo-planten betrekkelijk nadeel veroorzaakt werd — in den regenmoesson, na behoorlijk bewerkt te zijn, een welig product opleverde, gepaard met een hooger gehalte aan stof dan dat volgens de eerstaangegeven wijze behandeld.

8

-ocr page 134-

HOOFDSTUK VII. 1)

HET DRAINEEREN.

§ i, VOORDEELEN VAN GOEDE DRAINAGE.

Aan. de meeste planters is het bekend, dat goede afwatering der velden bijdraagt tot vermeerdering van de opbrengst van het gewas; ik wil zelfs aannemen, dat men er van overtuigd is, dat zonder goede afwatering het verkrijgen van een goeden oogst niet mogelijk is, maar dit een en ander sluit nog niet het feit uit, dat de wijze, waarop de afwatering geschiedt, somwijlen zeer te wenschen overlaat en in vele gevallen voor verbetering vatbaar kan zijn.

Het is op grond van deze opmerkingen, dat ik hier aanteeken, waartoe goede drainage dienstig is, te weten:

1

Ik maak in dit hoofdstuk ter vereenvoudiging der becijferingen

in plaats van Rijnlandsche maat, van het metrieke stelsel gebruik.

-ocr page 135-

115

i0. tot spoediger gereed liggen van den akker om bewerkt te worden;

2°. tot vermindering van onkruid;

3°. tot gemakkelijker bebouwing en mindere onkosten ;

4Ü. tot toetreding van meer warmte;

5°. tot het bevorderen van den afvoer van nadeelige zouten en van het uitzuren;

6°. tot het dieper worden der bouwkruin;

7°. tot liet bevorderen van een constanten vochtigheidstoestand in den bodem ;

8°. tot beteren oroei der plant;

90. tot betere omzetting van den niest, waardoor deze krachtiger kan werken;

100. tot grootere opbrengst en betere qualiteit van het product.

Spoediger Gelijk hierboven op bladz. 61 door mij werd mede-

gereed liggen gedeeld moet men den grond eerst dan omwerken, akker wanneer het water voldoende afgevloeid is ; zulks wordt nu spoediger tot stand gebracht, wan neer goede drainage aanwezig is.

Vermindering In natten bodem treedt het onkruid spoedig te van onkruid. voorschijn. Het komt, hoe zorgvuldig men den akker ook bewerke, toch weder op. Is daarentegen voor goede drainage zorg gedragen, dan ontvallen aan het onkruid, zooals gras en dergelijke planten de voornaamste voorwaarden tot hunne welige ontwikkeling. Het onkruid vermindert.

-ocr page 136-

11(5

Gemakkelijker bebouwing en om die reden mindere kosten.

Goed gedraineerde gronden — ik heb hierbij in het bijzonder liet oog gevestigd op zware gronden — zullen niet in die mate compact worden, als wanneer zij geene of onvoldoende afwatering hebben Bovendien geven zij door hun vermeerderd doorlaat-vermogen eerder gelegenheid tot bewerking en houden het welig tieren van onkruid tegen.

Tengevolge van dit een en ander verminderen de kosten aan arbeidsloonen.

De grond wordt warmer.

Het in den bodem zich bevindende water bezit gewoonlijk een lage temperatuur. Men neemt aan, dat deze bij bronwater hoogstens enkele graden onder het gemiddelde van den warmtegraad der atmospheer bedraagt, naar gelang het dieper of minder diep onder de oppervlakte aangetroffen wordt. Hoe dichter nu het zak-water aan de oppervlakte zich vertoont, des te meer afwisseling zal het in den warmtegraad aanwijzen. Bekend is het, dat de thermometer op drogen grond, beschenen door de zon, tot boven 600 C. kanstijgen. Dat de grond daarentegen op Va Rijnl. vt. k i Rijnl. voet diepte geen groote temperatuurs-verschillen op Java aanbiedt, blijkt uit een staat medegedeeld door de heeren J, G. Cramers en W. L. Blankert, directeuren van het Proefstation Oost-Java, te Pasoeroean, van den volgenden inhoud:

-ocr page 137-

117

TEMPERATUUR VAN DEN BODEM TE PASOEROEAN. Sept. 1889—Aug. 1890.

OCHTEND.

MIDDAG.

AVOND.

1 voet.

voet.

i voet.

voet.

i voet.

% voet.

September

10

30,8

30,4

31,0

31.4

30,8

32,8

n

20

3r,0

30,8

31,0

31,8

31-0

32,8

October

10

31,0

30,6

31,2

31.8

3'.2

33,o

gt;gt;

20

31-6

31.4

31,6

32,6

3 i-6

33,8

November

10

30,8

29,0

30,6

30,2

30,6

31,2

20

30,6

29,6

30,6

30,6

30.4

31-2

December

10

30.2

29,4

30,2

30,4

30,2

3i,o

)}

20

29,0

28,2

29.0

28,2

29,0

28,6

Januari

10

39,6

28,6

29,8

29,6

29,6

31.2

M

20

29.4

28,6

29,4

28,8

29,4

30,4

Februari

10

28,6

28,0

28,8

28,4

28,6

29,4

gt;gt;

20

28,8

27,8

29,0

28,4

29,2

29,2

Maart

10

30,4

30,0

30,4

30,6

30,2

32,6

f)

20

30,2

29-4

30.2

30,0

30.2

31,2

April

10

29,8

28,6

29,8

29,2

29,6

30,8

gt;gt;

20

29,6

28,8

29,6

29.0

29,6

30,2

Mei

10

28,8

28,0

28,8

28,2

28,8

28,8

V

20

29,2

28,0

29,2

28,2

29,0

29,4

Juni

10

29,4

26,8

29.4

29,0

29,4

29,6

20

28,8

27,8

29,0

28,2

28,8

28,8

Juli

10

28,8

27,8

29,0

28,0

28,8

29,2

20

28,8

27,8

28,8

28,2

28,8

28,8

Augustus

10

29,0

27,8

29,0

29,2

29.0

29,4

))

20

29,4

28,8

29,6

29,0

29,4

30,0

-ocr page 138-

118

In geen geval echter absorbeert vochtige grond zooveel warmte als droge, omdat water niet alleen een slechte warmtegeleider is en dus aan de meer diep gelegene plaatsen van de opgevangen warmte moeielijk af kan geven, maar het water verkoelt somwijlen den bodem zoo sterk, dat de temperatuur aan de oppervlakte eenige graden lager is dan op dieper gelegen plaatsen, daar bij sterke verdamping van vloeibaren in dampvormigen toestand warmte gebonden en deze aan de onderste waterlagen en aan den grond onttrokken wordt.

Uit het bovenstaande blijkt dus, dat het droogleggen van den akker de geschiktheid vermeerdert warmte op te nemen en vast te houden, waardoor krachtiger scheikundige werkingen mogelijk worden. De grond wordt dus warmer

Het bevorderen van den aivoer van nadeelige zouten en van het uit-zuren.

De hoedanigheid van den bodem en in nauw verband daarmede die van het daarin zich bevindende water zijn niet overal dezelfde. Somwijlen bevat het water in oplossing stoffen, die nuttig op enkele plantensoorten kunnen inwerken, gelijk bijv. gras, porselein, spinazie en dergelijk onkruid kan aantoonen, dat soms uitroeibaar schijnt, maar dikwijls bevat het water, benevens eeniquot;- yehalte aan koolzuur, enkele stoffen

O O '

in oplossing, die, wanneer zij in kleine hoeveelheid voorkomen, als plantenvoedsel zijn te beschouwen en door de planten opgenomen worden, daarentegen als vergif werken, wanneer zij in te groote hoeveelheid

-ocr page 139-

119

voorhanden zijn en de planten dientengevolge doen kwijnen, soms dooden. Dit geval vintlt men nu eerder in een vochtigen dan in een drogen akker.

Worden o. a. in humus ijzerzouten en vater aangetroffen, dan ontstaat tengevolge van het steeds inwater gemakkelijk oplosbare koolzuur ijzer-oxydule, dat, zooals vroeger gezegd, in groote hoeveelheid voorhanden, schaadt. De indigo planten beginnen alsdan te kwijnen. Bovendien maken dergelijke geconcentreerde oplossingen den bodem onvruchtbaar. In de nabijheid van de oppervlakte worden zij door de zonnestralen verhit, het koolzuur ontwijkt en daarmede het oplossingsmiddel. Het opgeloste bestanddeel, gewoonlijk ijzer-oxydule, wordt alsdan omgezet in ijzeroxydhydraat. Bij droog weer verdampt het water en het zout blijft achter. Om deze reden vindt men in den ondergrond op de hoogte van liet zakwater en de daarboven gelegen laag dikwijls zeer veel ijzer, dat soms de zandkorrels zoo zeer aan elkaar hecht, dat men houweelen moet gebruiken om de vaste massa open te hakken.1)

Houdt de toevoer van water door drooglegging op, dan kan men met grond verwachten, dat het koolzuurhoudende van boven toestroomende en doorsijpelende water deze stoffen weder in oplossing brengt en daarna tot een voor de plant onschadelijke diepte afvoert en door de drains verwijdert.

)) Deze harde grondsoort wordt door den inlander bestempeld met de benaming van padas. Ook door fossiel ontstane harde grondsoorten worden met dezen inlandschen naam aangeduid.

-ocr page 140-

120

Lucht is voor het bestaan der plant noodig, zoowel boven als in den grond. Gelijk wij reeds zagen, bestaat lucht hoofdzakelijk uit stikstof en zuurstof en het is juist deze laatste, die de omzetting der bestand-deelen in den bodem en in mest tot voedinp-sstoffen

O

der plant tot stand brengt. In natten bodem wordt de tusschen de aardkorrels gelegen ruimte ingenomen door het water en daardoor de toetredinof van lucht verhinderd, in drogen grond daarentegen heeft de lucht toegang tot zelfs in den ondergrond, terwijl elke in den bodem dringende regendroppel, welke de lucht in oplossing houdt, deze in den akker voert. Goede drainage bevordert dus het dieper worden der bouwkruin, terwijl slechte drainage daaraan schade doet.

Zagen wij bereids, dat goede drainage den bodem van overtollig vocht ontdoet, door uitdamping als anderszins zou deze zeer droog en voor plantengroei ongeschikt worden. Maar gelukkig zijn er natuurlijke oorzaken, die dezen toestand tegenwerken en daaronder reken ik de adhaesie en capillariteit. De adhaesie is een factor, die het vocht terughoudt, de capillariteit eene, die het niveau doet stijgen, terwijl de wortels der indigo neiging bezitten vochtigheid op te zoeken.

Genoemde factoren werken dus te zamen tot het bevorderen van den voor de plant zoo gewaardeerden constanten vochtigheidstoestand.

De wortels der plant hebben lucht noodig. Aangezien bij goede drainage aan deze gelegenheid wordt

Het dieper worden der bouwkruin.

Bevorderen van een constanten vochtiglieids-toestand.

Betere groei der plant.

-ocr page 141-

121

gegeven in den bodem te dringen en de aarde zich door middel van de zuurstof omzet in voor de plant geschikte vormen, zoo is het duidelijk, dat zij in goed uitgezuurden bodem beter groeit dan in slecht gedrai-neerden, waarbij de aanwezigheid van water een hinderpaal voor de lucht is, om in den bodem te dringen.

Gaat water in den bodem de toetreding van lucht tegen en vermeerdert goede drainage den voorraad voedsel voor de plant, dan is het tevens duidelijk, dat zij onder de laatste omstandigheid beter groeien zal.

Betere om- Zonder toetreding van lucht kan men niet verwachten, dat de vrije zuurstof in den bodem met den mest

den mest. . . J

verbindingen aangaat, die tot voeding zullen strekken

van de plant. Het is alweder het water, dat die toetreding kan tegengaan. Is dit het geval, — wij zagen het reeds op pag. 37 hoe de venen zijn ontstaan — dan blijlt de mest ongebruikt of wordt opgelost en met het op de oppervlakte afvloeiende water afgevoerd. Is de bodem daarentegen voldoende gedraineerd, dan dringt de lucht daarin ook tengevolge van het indringende, van lucht bezwangerde regenwater en brengt bij den mest een scheikundige werking tot stand. In vergelijking met een slecht gedraineerden akker heeft er dus een betere omzetting plaats, gelijk de practijk aantoont.

-ocr page 142-

1 99

In verband met hetgeen reeds medegedeeld werd, is het duidelijk, dat, daar de hoeveelheid voedsel groo-ter wordt, de opbrengst vermeerderen zal, en dat de qualiteit van het product zal verbeteren, omdat de bestanddeelen, die als vergif op de indigo-plant inwerken, gelijk hooger werd opgemerkt, er in omgezet worden.

§ 2. HET D RAI NE EREN MET AARDEN BUIZEN.

Nadeelen van Uit vorenstaande uiteenzettingen blijkt hoe hoog open goten. noodig het is voor goede draineering van den akker zorg te dragen, om zich van de grootst mogelijke opbrengst te verzekeren. Goede drainage nu is met open goten dikwerf moeielijk tot stand te brengen of in stand te houden, vooral daar, waar het land vlak, het verval gering is en hooge waterstand in de rivier den afvoer belemmert 1) of aanslibbing als anderszins de goten onklaar maakt of wel instorting der wanden, tengevolge van sterk verval, uitdroging van den grond of andere omstandigheden plaatsvindt. Bovendien ver-

i) Slaan wij in dit geval bijv. een dijk langs de rivier en plaatsen wij in den dijk een sluis, waarmede men den afvoer van het water van een zeker stuk grond regelen kan, wanneer de stand van het rivierwater zulks gedoogt, dan heeft dat veld enkel voor de afwatering zorg te dragen van het opgevangen regenwater en nu vind ik hierover bij buis-drainage het door proeven geconstateerde feit vermeld, dat, wanneer de afvoermonding der buis bij nat weder onder het zakwater staat, de afvoer geenszins ophoudt, dan alleen voor

Grootere opbrengst en betere quali-teit van het product.

-ocr page 143-

123

minderen goten de te bebouwen oppervlakte niet weinig, verwijderen in vele gevallen bij meer of min zwaren,ofbij kleigrond het regenwater, dat voor de onderste lagen van zeer groot nut zoude geweest zijn, indien het tijdelijk overtollige, op de bouwkruin, opgenomen had kunnen worden, gelijk mij meermalen door het ont-blooten der onderlaag tijdens en na den westmoesson bij goed diep bewerkte gronden bleek.

Open goten zijn alles behalve rentegevend. Waren zij in staat het land op behoorlijke wijze — d. w. z. zonder veel nadeel te veroorzaken — van het overtollige water te bevrijden, dan zou het niet te vermijden grondverlies nog te verdedigen zijn. Dit nu juist laat veel te wenschen over, zooals de practijk aangeeft. Ik heb hierbij slechts te wijzen op de vele nuttige bestanddeelen, die met zooveel moeite te voorschijn geroepen en verzameld zijn en door sterke nederslagen worden weggevoerd.

Zijn deze nadeelen reeds van overwegend belang, het grootste, dat open goten te weeg brengen, is wel dit, dat de afwatering een gebrekkige blijft.

Bij open goten heeft men met de bedoeling om het water spoediger te loozen en grondverlies zooveel

zoover het feitelijk verlies in peil. Wanneer buizen bijv. vier voet diep gelegd zijn en er staat drie voet zakwater in de afvoergoten, dan zal het water uit den bovenstaanden voet grond even snel afvloeien als wanneer er geen zakwater was; als het water nog een voet daalt, dan zal het land nog een voet dieper drogen enz.

Bij open goten daarentegen vloeit het water daarheen af en vult deze op, zoodat het spoedig den akker overstroomt.

-ocr page 144-

124

mogelijk te voorkomen — iets wat een noodzakelijk gevolg zou zijn, indien de afstanden tusschen de goten geringer werden genomen — getracht de afwatering te bevorderen door aan den akker een bollen vorm te geven.

Hoewel het doel voor een deel wordt bereikt, zijn aan deze wijze van waterafvoer nadeelen verbonden, die ernstige overweging verdienen. Wel is waar vloeit het water aan de oppervlakte eenigszins sneller naar de goten bij zware regenbuien, maar hier staat tegenover, dat, aangezien het water steeds naar de laagste punten, naar de wanden van de goot, waar de drukking van het water geen tegenstand ontmoet, vloeit, deze het vochtigst zullen blijven, terwijl de ruggen het droogst zijn. Om deze redenen stel ik hier de vraag of zulk een toestand aan een regelmatigen groei van al de planten bevorderlijk kan zijn ? Zou het niet te vreezen zijn, dat bij lange droogte een deel van het gewas aan water gebrek kreeg en bij aanhoudende regens het andere deel langs de goot-wanden te veel nat ontvangt ?

Een ieder, die zich in de practijk van den ronden stand der akkers bediende, zal het ongetwijfeld opgevallen zijn, dat de kanten der goten steeds vochtig zijn, gevoed als zij worden door het in den bodem zakkende water. Een gevolg van dit een en ander is de vraag : Zou bij zulk een verschil in den vochtigheidstoestand van den grond het gehalte aan indigo-wekkend beginsel in de planten aan den rand der

-ocr page 145-

125

goten te allen tijde even groot zijn als bij dat der daarvan verst verwijderd gelegene? Hierbij voeg ik nog een bezwaar, n.1. dat een bolle stand der velden ten zeerste wegspoeling van de vruchtbaarste voedingsstoffen bevordert. Dit een en ander samenvattende kom ik tot de conclusie dat een vlakke stand van den akker te verkiezen is boven een bolvormigen.

Aarden dral- Al de hierboven opgesomde mogelijkheden ontgaat

neer buizen. , , , i i i t t

men door den aanleg van aarden drameer-bmzen. Het

gebruik er van dateert reeds van het begin dezer eeuw en werd liet eerst in Engeland toegepast, van waar het naar het vaste land van Europa en naar Amerika zijn weg vond.

Nu eens laat men in Engeland het buizennet aan weerszijden uitmonden in een sloot, dan weer staan de rijen buizen in verbinding met een of meer ver-zamelbuizen (van grootere afmeting), die het water opnemen en naar het een of ander kanaal afvoeren. De nauwere buizen noemt men zuigbuizen. Op smal land worden enkel deze gebezigd, terwijl hoofd-drains op meer uitgestrekte velden worden aangelegd — die niet door vele slooten gescheiden zijn — en een aaneengeschakeld geheel vormen. Beide toepassingen hebben haar voor- en nadeel. Het uitsluitend gebruik van zuig-drains zal zeker minder kosten dan gecombineerd met verzamelbuizen. Bovendien kan men aan de uitmondingen der zuigdrains, bij gebruik van afwate-ringsgoten, zien, waar bij mogelijke verstopping de

-ocr page 146-

126

kwaal zit, want al mogen de afvoerpijpen niet geregeld loopen, nat zullen ze toch op de einden zijn, terwijl een droge uitmonding, als de andere buiseinden nat zijn, veelal op een bestaand gebrek wijst. Bij gebruik van zuig-drains met hoofd-drains kan een bestaande verstopping daarentegen moeielijk anders geconstateerd worden dan door na te gaan of de oppervlakte meer vocht bevat dan het omliggende terrein.

In Europa wordt het draineeren door middel van aarden buizen veel toegepast.

In Amerika, waar het reeds over groote uitgestrektheden, o. a. bij de rijst- en suikerrietteelt in Louisiana en andere staten in practijk wordt gebracht, is men meer en meer ingenomen met het draineeren door middel van aarden buizen. De grootere productie aldaar van den rijstbouw der laatste jaren wordt niet zoo zeer aan de vermeerderde bezaaide oppervlakte toegeschreven, dan wel aan de grootere opbrengst per acre, een feit, dat, naar men beweert, hoofdzakelijk een gevolg is van buis-drainage. Bij den rietverbouw vond zij echter sedert kort toepassing, omdat men in de meening verkeerde, dat de afwatering onvoldoende zoude plaats vinden. Riet toch is minder goed tegen overtollig nat bestand dan het padi-gewas. ') In die onvoldoende afwatering echter heeft men zich deerlijk vergist, als ik hierbij de gunstige resultaten vergelijk en gelooven mag, die men verkreeg en

Padi is de Maleische benaming voor rijst in den bolster.

-ocr page 147-

127

welke overeenstemmen met die bij andere cultures in het oude Europa opgedaan.

Nog iets. De ontwikkeling en de toepassing der buis-drainage bij de rietcultuur in Louisiana, komt mij van groot belang voor bij de beantwoording der vraag of de toepassing van buis-drainage voor Java bij den verbouw van indigo, suikerriet, tabak en andere cultures van nut kan zijn, omdat Louisiana het eenige land is, dat meer of min een tropisch klimaat en een grooteren regenval n.1. 55 tot 75 Engelsche duim 'sjaars — naar gelang de gronden in het noordelijk of in het zuidelijk deel gelegen zijn — bezit, alwaar buisdrainage bij de afwatering der velden in practijk wordt gebracht en dit land de school doorloopt, die noodzakelijk is bij elke nieuwe werkwijze. Het is op grond hiervan, dat ik het verhandelde op de maandelijksche vergadering van de „Louisiana Sugar Planters Associationquot;, gehouden te Nieuw-Orleans, den i2clen Febr. 1891, citeer. Op die vergadering werden voordrachten door de heeren Adolph Tiiiel en F. L. Delfer over „De werking van buis-drainage op den tegenwoordigen rietsuikeroogst in Louisianaquot; gehouden, welke voordrachten ik hieronder ter kennismaking Iaat volgen, om straks de discussiën mede te deelen, die, naar ik mij vlei, door de lezers van dit werk met belangstelling zullen pfevolgfd worden, aan hen overlatende

o 00

ten slotte te concludeeren, dat het alleszins der moeite waard is aan deze wijze van draineeren die aandacht te schenken, welke zij naar mijn oordeel verdient.

-ocr page 148-

128

Voordracht Ten einde mij in staat te stellen dit zoo belangrijke ondervan den heer werp te behandelen, verzamelde ik vragen over buis-drainage en zond deze aan die planters van den staat, welke op een deel van hun land buis-drainage toepasten, met het verzoek die vragen naar hun vermogen te beantwoorden.

Het spijt mij echter te moeten melden, dat ik niet van allen antwoord kreeg, bij wien ik om inlichtingen verzocht, deels omdat vele planters het druk hadden met malen, bijgevolg geen tijd hadden mijn verzoek te beantwoorden en deels omdat het laatste seizoen buitengewoon gunstig was voor den suikerrietoogst op bijna alle grondsoorten cn met iedere wijze van draineeren. Om deze reden is het onderscheid tusschen het oude systeem van open goten en het nieuwere en volmaakte van voortdurende ondergronds-drainage niet zoo duidelijk, als het in een minder gunstig seizoen op den groei van het suikerriet zoude geweest zijn. Toch zijn, niettegenstaande dit gunstige seizoen en de groote rietoogsten in den geheelen staat, de verkregen resultaten van met buizen gedraineerd land in het voordeel hiervan.

De heer ROST, die mijne vragen zeer volledig beantwoordde, schrijft op de vraag: Staan uwe rijen van het riet loodrecht op de richting der buizen? ,,Ja, op een twintig acres veld, ,,op de andere akkers onder een hoek van 45 graden. In „één geval waren de rijen parallel aan de buizen aangelegd.quot;

De heer Boot deelt mij mede, dat hij van geen plantirans gebruik had gemaakt en het land toch niet meer van het water te lijden had.

De vraag: Was het met buizen gedraineerde land gemakkelijker te bebouwen en gemakkelijker om te spitten f werd door denzelfden heer beantwoord met: ,Ja, ik ben van meening „dat het ploegen gemakkelijker van de hand gaatquot; en de

Adolph Thiel.

-ocr page 149-

129

heer Rost bevestigt het met „ongetwijfeld, in het hijzonder „na regenachtig weer.quot;

Op de vraag: was er eenig merkbaar onderscheid in het uiterlijk van het riet, grenzende aan de buis-dra:nage, en het riot een weinig verder van de buis te bespeuren f werd geantwoord: „dat er geen onderscheid was op te merkenquot;, ofschoon ik melden moet, dat bij den hoofdaanplant de buizen 93 en 86 voet van elkaar geplaatst waren.

Wat was het verschil in opbrengst tusschen land, gedraineerd

door middel van buizen en van open goten?

De heer MARTIN GLYNN zegt; „Het beste riet, dat ik „heb, is op het met buizen gedraineerde land.quot;

Ue heer RoST: „De maximum opbrengst van akkers door „open goten gedraineerd was 337/8 ton per acre, het met „buizen gedraineerde veld 35 ton; van die twee stukken „werden in 1887, toen nog geen buisdrainage werd toegepast, „respectievelijk 33 en 27 ton per acre verkregen, een winst „dus van 8 ton in het voordeel van buisdrainagequot;.

üp de vraag: verbeterde buisdrainage den stok, toen er een geringe groei in het geplante riet was, hetgeen toegeschreven werd aan de achterlijke lente van 1889, dusdanig, dat het invloed had op de opbrengst in vergelijking van die van land op hetzelfde tijdstip geplant, maar niet door buizen gedraineerd? gaven de heeren R. H. Yale en Rost het volgende als hunne opinie te kennen.

De heer R. H. Yale meldt, dat het stuk land, dat ik voor hem in het voorgaande jaar draineerde, dit jaar prachtig riet opleverde.

De heer Rost zegt: „Ongetwijfeld. Met buizen gedraineerd „land gaf in 1889 een gemiddelden oogst van i38/4 ton per „acre, als tweede snit in 1890 25 ton. Akkers, waar riet

9

-ocr page 150-

130

„geplant werd met open goten, gaven isVio ton Per acre ^11 „1889, terwijl de tweede snit in 1890 iS^g ton opbracht. „Eene vermeerdering dus van 80 pCt., in vergelijking van „den oogst van het vorige jaar op het met buizen gedrai-,,neerde veld en ongeveer 40 pCt. in vergelijking van. den ,.buitengewonen oogst van 1890 op het terrein, voorzien van „open gotenquot;.

Beschouwt gij uwe buizen op voldoenden afstand van elkaar geplaatst ?

In antwoord hierop zegt de heer Rosri ,Ja en neen. Bij ,,zware regenbuien loopt het water, het verval volgende, over „de oppervlakte en vult de uitgangen der pijpen (8 duims „buizen); op den akker nabij de pijpmonding stond het water ,,48 uren, maar het riet scheen er nooit onder te lijden of „op eenige wijze er door benadeeld te zijn.

De vraag: behalve de voordeelen van besparing van grond, van schoonhouden van open goten en van den aanleg van planlirans, beschouwt gij alsdan de drainage voldoende voor-deelig om de onkosten te doen? werd door denzelfden volgenderwijs beantwoord :

„Wanneer iemand de kosten van aanleg kan betalen, kan „er geen veiliger en meer bestendige geldbelegging zijn.quot;

Gov. H. C. Warmoth antwoordt: „Alles wat ik kan zeg-„gen is, dat ik 550 acres met buizen gedraineerd heb en 111 „dit jaar 300 acres daarbij wil voegen. Ik denk, dat het 50 „pCt. per jaar zal betalen van de onkosten door grondbespa-„ring, de vermeerderde opbrengst en de onkosten om den

„oogst te verkrijgen.quot;

Majoor Martin Glynn zegt: „Indien geen andere voor-„deelen van buis-drainage te verkrijgen waren, dan het on-„noodig maken van bruggen met de oneindige zorg en

-ocr page 151-

131

„onkosten van het uitgraven en schoonhouden van de open „goten en plantirans, de meerdere gemakkelijkheid van versbouw en het terugbekomen van land, ingenomen door open „goten, dan zoude dit reeds de onkosten van aanleg van „buis-drainage compenseeren.quot;

De laatste vraag, die ik deed was : Zijt gij een voorstander van het systeem van draineeren met buizen ten gevolge van opgedane persoonlijke ervaring op dit gebied?

De heer Boot zegt: „Jaquot;.

De heer R. H. Yale. ,,Ik weet d;it buis-drainage goed is.quot;

De heer Rost; „Volgens mijne beperkte ondervinding met „buis-drainage, beschouw ik haar als eene der grootste verbe-„teringen, die men aan eene plantage kan aanbrengen, en voor „zoover mijne middelen veroorloven, zal ik langzamerhand „meer land met buizen draineeren en eene algemeene aanne-„ming er van voorstaan.quot;

Majoor Martin Glynn zegt: „Daar de absolute nood-„zakelijkheid van diepe en goed hellende goten algemeen „erkend wordt, en gelijkmatigheid van diepte en helling beter „verkregen kan worden door buizen dan door de beste open „goten, die steeds afbrokkelen, is er geen twijfel mogelijk, „welke draineering de beste is. Mijne conclusie is, dat het „werk, dat gij voor mij verricht hebt, mij ten volle voldoet „en zelfs meer geeft dan ik verwaehtte en mij een groot „voorstander heeft gemaakt van buis-draineering.quot;

Daar ik niet van alle heeren antwoord ontving, tot wie ik mij gewend had om inlichtingen over het betrokken onderwerp, zoo was mijn materieel wel een weinig beperkt, om de quaestie zoo grondig te behandelen, als zij verdient. Toch kan ik omtrent de voordeelige uitwerking van buis-drainage op den tegenwoordigen rietoogst het volgende mededeelen

-ocr page 152-

132

Er was een vermeerdering van 40 tot 80 pCt. in de rietop-brengst volgens de opgave van rechter Rost, een verbetering in de stokken, zooals de heeren R. H. Yale en Rost getuigden en last not least gemakkelijker, d. vv. z. betere cultuur en verminderde productie-kosten.

Veroorloof mij nu eenige bemerkingen en wenken aan hetzelfde onderwerp toe te voegen. Gewoonlijk geeft men toe, dat de suikerindustrie een nieuw tijdperk te gemoet gaat. Het geroep in het geheele land om vrije suiker heeft de tariefreductie op suiker door het congres en het in de plaats daarvan toestaan eener premie ten gevolge gehad, ten einde de suikerindustrie van het land te ontwikkelen, wijl de statistiek bewezen heeft, dat dit land het vermogen bezit de suiker-productie dusdanig te vermeerderen, dat voldaan wordt aan de binnen-landsche vraag. Eerst in de laatste jaren heeft de suikerindustrie eenigen vooruitgang getoond, en die bleek grooten-deels meer bij de fabricage van suiker dan bij het verkrijgen der grondstof door verbeterde methodes. In zijne rede over „Progress of our Sugar Industryquot;, gehouden door den heer Wibray J. Thompson, kent deze aan buis-draineering eene zeer belangrijke rol in de ontwikkeling van het nieuwe tijdperk der suikerindustrie.

Duidt het mij dus niet ten kwade, wanneer ik U het oude spreekwoord herinner; „Bereid u in vredestijd op den oorlog voorquot; of met andere woorden, nu er vooruitzicht bestaat, dat het suikertarief en de premié-quaestie gedurende een zekeren tijd onveranderd zullen blijven, moesten de planters hunne gronden en cultuur-methodes verbeteren, om de beste resultaten te verkrijgen en om zwarigheden in de toekomst zonder veel moeite te overwinnen. Zonder grondige draineering is goede cultuur onmogelyk.

-ocr page 153-

133

Allen, die ondervinding hebben opgedaan, getuigen, dat buis-draineering niet alleen de beste methode van draineeren is, maar ook de meest duurzame van alle verbeteringen en de best rendeerende geldbelegging op een plantage. Om haar meer rendeerend te maken moeten de natste, zwaarste en meest compacte gronden het eerst gedraineerd worden, daar deze er het meest van profiteeren.

Rechter White, die een streek tot dusverre onproductief land liet draineeren door de heeren RlDGEWAY, Outland amp; Co., verklaart, dat het land sedert de schoonste oogsten beeft opgeleverd.

Generaal Miles, laatstleden December over buis-draineering sprekende, zeide: »Mijne administrateurs zijn er zeer mede »ingenomen en ik zal zeker met buis-draineering voortgaan.quot; Volgens opgave van rechter Rost, stond na een stortregen het water op de oppervlakte nabij de afloopbuis gedurende acht en veertig uren zonder schade te doen aan den oogst. Zulks kan verklaard worden uit het feit, dat, wijl, vóór den regen het land door de buizen van overtollig water ontlast zijnde, er geen zakwater was en de bodem niet nabij de oppervlakte verzuurd was, zooals het geval is met ondiepe, open goten. Het water, nabij de afloopbuis op de oppervlakte staande, was versch, en zoodra het wegtrok, drong de lucht in de poriën door, den grond los achter zich latende, zoodat de groei van het product niet belemmerd werd. Doch rechter rost geeft op, dat de rijen op beddingen geplaatst waren; daaruit volgt, dat deze beddingen het water deden afvloeien naar de afloopbuis, alwaar liet zich, de natuurlijke helling van het land volgende, ophoopte. Ik veronderstel, dat het bovengedeelte van dit gedraineerde veld niet zijn aandeel van den gevallen regen in zich opnam; van

-ocr page 154-

134

daar de grootere hoeveelheid water nabij de afloopbuis, waar het op de oppervlakte stond.

Tegenover deze feiten vrees ik niet te voorspellen, dat bij alge-meene invoering der buis-draineering, wanneer men haar beter zal verstaan, de cultuur op waterpas terrein zal aangenomen worden. Het ophoogen der rijen is evenmin natuurlijk als bevorderlijk voor den groei der meeste planten en werd bij suikerriet alleen toegepast als een hulpmiddel tot draineering. Het tegenwoordige systeem van open goten bestaat uit een hoofdkanaal, open goten, plantirans en opgehoogde rijen. Bij goede buis-draineering kunnen de drie laatste vervallen en veel kosten en arbeid bespaard worden.

Het kanaal, waarop de buisleidingen uitloopen, zal niet zoo spoedig vol loopen en niet zooveel schoonmaak behoeven, wijl het afloopende water uit de buizen zuiver is en sneller stroomt dan dat uit de plantirans en open goten, die in den regel bezet zijn met bezinksel en meststoffen uit de opgehoogde rijen. Men kan daaruit zien, welke besparing er is en dat vlakke verbouw een gemakkelijker en betere methode zal zijn voor de bewerking, zoowel als voor het binnenhalen van den rietoogst. De kosten van buis-draineering behoeven slechts eenmaal gemaakt te worden, en daar deze 50 pCt. per jaar op de benoodigde som rendeert, volgens de door mij aangehaalde heeren, zoo kan een zeer bepaalde verbetering op een plantage aangebracht worden en kunnen de kosten in twee jaar gedekt zijn.

Ten slotte kan ik mededeelen, dat, ofschoon ik toegeef, dat sommige planters twijfelen aan de voordeden van buis-draineering, er niet een is, die haar beproefd heeft, of hij werd bekeerd en een ijverig voorstander van het systeem.

-ocr page 155-

135

Voordracht Het zou tijdverspilling zijn, mijne hcercn, U de voordeelen vaneen heer van g.occie draineering in het algemeen te willen bewijzen, omdat gij allen er van overtuigd zijt; alleen 'vensch ik U de cijfers over te leggen omtrent do onkosten en winsten van den door mij verrichten arbeid, benevens eenige brieven van landbouwers in Westelijk Illinois, die op hunne verkregen goede uitkomsten wijzen, in welke mededeelingen, naar ik geloof, gij belang zult stellen.

Rendeert het? is de eerste vraag van een man van zaken, als men hem een nieuwe onderneming voorstelt. Het voldoet den landbouwer of den planter niet, als wij buismannen hem in antwoord op die vraag zeggen, dat de grond door buis-draineering beter geventileerd wordt, dat hij meer waterstof of stikstof uit de lucht kan opnemen, dat de in de rijen opgeloste ammonia door den bodem geabsorbeerd wordt bij het doorzijgen naar do buizen. Al wat de man, die de rekening moet betalen, wenscht te weten, is, of het in dollars en centen rendeert, of dat er op toegelegd moet worden. En niet alleen of het rendeert, maar of het beter rendeert dan eenige andere zaak, waartoe hij zijn geld gebruiken kan.

Het doet mij genoegen te kunnen zeggen, dat de planters, bij wie ik in dienst geweest ben, generaal MlLES en de heeren schmidt en Ziegler, de vraag beslist bevestigend beantwoorden. Het is waar, dat ik de zaak uit een zuiver financieel oogpunt beschouwd heb, getracht heb zooveel mogelijk te doen met een zekere som om daarvan een grooter percentage te trekken, in plaats van het dubbele bedrag uit te geven, ten einde zeer kleine voordeelen te verkrijgen.

Uit mijn eigen ondervinding in Iowa en Illinois weet ik, dat een buisleiding van 2 voet diepte beter is dan een even diepe open goot en ook, dat een 4 voet diepe buisleiding meer dan

-ocr page 156-

136

dubbel zoo krachtig werkt als een 2 voet diepe buisleiding. Ik kwam daarop tot de conclusie, dat, wijl in Louisiana goede oogsten verkregen werden met open goten, honderd voet uit elkander, men zeer goede resultaten zou verkrijgen met het plaatsen van buizen in deze goten op eene meerdere diepte tot 4 voet bereikt werd, en hierin vergiste ik mij niet.

Velen zullen beweren, dat één jaar niet voldoende is voor zulk een proef, doch in dat eene jaar hadden wij vele zware regens, eenmaal 5 Eng. duim in 24 uren, en het met buizen gedraineerde land was eerder droog dan het andere, evenals na elke bui plaats vindt.

Bovendien is het bijna twee jaren geleden, sedert wij de buizen legden op de Riverton plantage op een stuk, groot 69 acres. In het eerste jaar waren zij 200 voet uit elkander op het midden van het veld. Het beste graan op de plaats werd op het veld geteeld en de grond was altijd in goeden staat, hoewel de goten alle gedempt waren. Een jaar geleden legden wij goten er tusschen aan, waar de buizen ver uiteen lagen, daar wij dachten met riet eenige meerdere zorg te moeten betrachten. Ik herhaal hier, hetgeen ik reeds dikwijls zeide, dat, om met buizen op zulk een afstand goede resultaten te verkrijgen, de rijen loodrecht op de buizen moeten staan, zooals dit hier eigenlijk op eiken afstand behoorde te zijn, wegens de taaiheid van den 8 a 10 Eng. duim grond onder de omgeploegde laag. De ondergrond zelve is bijna altijd poreus genoeg om het water gemakkelijk door te laten; hij verandert somwijlen in dezelfde goot en soms na enkele voeten afstand,'maar er zijn toch altijd genoeg streken draineerbaren grond, om zeker te zijn van het welslagen. Ook is het, met betrekking tot tui.1 dra'r.c ci i g. v,-r 11'arg. c'at ('1 goten in de richting der grootste helling van het veld gele j d

-ocr page 157-

137

worden, omdat de rijen riet op gedraineerd land in tegenovergestelde richting moeten loopen, daar het water anders bij zwaren regen in het midden zal afloopen en zich aan de laagste plaatsen zal ophoopen en daar blijven staan, terwijl, wanneer de rijen loodrecht op de helling loopen, elke 100 voet rijen haar eigen water zal inzuigen.

De opbrengst op de Riverton plantage van deze 69 acres met buizen gedraineerd land was 35 ton per acre, hetgeen alleen geëvenaard werd door 20 acres niet met buizen gedraineerd op dezelfde onderneming. De kosten hadden slechts

20 per acre bedragen, wijl de open goten vrij diep waren en niet veel uitgraving noodig maakten. Bij 14 rijen tusschen goten beslaan deze laatste de plaats van 2 rijen, of waar nu 16 rijen zijn waren er vroeger 14, zoodat een achtste deel van het land ingenomen was door open goten. Van de 69 acres is 8Vg acre dus gewonnen land en het hierop verkregen riet bedroeg 86/8 X 35 = 3°° ton, ongeveer makende tegen $ 4 per ton $ 1200. Het onderhoud der open goten en plantirans zou ongeveer $ 3 per acre of $ 200 voor het veld gekost hebben of een totale winst van $ 1400 op eene belegging van $ 1400. Op de Armant plantage was de opbrengst op met buizen gedraineerd land, op een groot gedeelte, waarvan echter nooit behoorlijk riet had gegroeid, 33 ton per acre of 3300 ton per 100 acres. Het achtste van 3300 ton is 412V2 ton of tegen $ 4 per ton, $ 1650. Bespaarde arbeid aan het niet schoonmaken van open goten en plantirans $ 500; totaal $ 1950 winst op een ingestoken kapitaal van $ 2300 of 85 pCt. interest. Het land op de Riverton was om de twee jaren met erwten en graan beplant geweest, hetgeen waarschijnlijk de 2 ton per acre hoogere opbrengst dan op de Armant verklaart.

Bovenstaande cijfers, ongeveer 85 en 100 pCt. winst op

-ocr page 158-

138

de twee stukken, zijn enkel gebaseerd op de opbrengst van het land. In een jaar als dit wil ik niet zeggen, dat land, door buizen gedraineerd, veel meer zal opbrengen dan land, goed gedraineerd door open goten. Maar ik zou mij zeer

vergissen, als in een nat jaar het met buizen gedraineerde land niet een aanmerkelijk hooger bedrag aan zoeter riet opleverde dan het andere. Is dit niet het geval, dan zouden voor de rietcultuur andere regelen gelden dan bij den verbouw van granen enz.

Het riet op de plantage Willwood der heeren SCHMIDT en ZlEGLER bracht 36 ton per acre op; de buizen waren vijftig voet uiteen; de grond was uitstekende, zandige leem. Ik meen, dat de kosten ongeveer $ 45 per acre waren. Ik weet wel, dat mijne denkbeelden omtrent afstand door de andere voorstanders van buis-draineering als geheel en al nieuw beschouwd worden en dat zij afwijken van de regelen in werken omtrent draineering, encyclopediëen enz., doch de ondervinding heeft mij geleerd. In Iowa bevonden wij, dat goten 130 voet (acht roeden) uiteen en 3 voet diep voldeden. Na mijn vertrek naar Illinois gingen wij dieper en plaatsten de goten verder uiteen, tot ten laatste vier voet diep en twintig roeden of drie honderd en dertig voet als standaard werd aangenomen in de vlakke prairie der Henderson en Mc. Donough giaaf schappen. Het oude gezegde, dat „de uitkomst de proef op som levertquot; moet ook in dit geval van toepassing zijn. Ik leg hierbij verschillende brieven over van landbouwers uit bovengenoemde streken. Dat de planters niet spoedig zijn overgegaan tot buisdraineering, behoeft bij nader inzien niet te verwonderen, want een veld riet is veel geld waard.

Terwijl het vlakke land in Illinois in natte jaren geheel waardeloos was, vóór het met buizen gedraineerd werd, teelden

-ocr page 159-

139

de suikerplanters goede oogsten met hun systeem van open draineering en het was veel van hen gevergd te eischen, dat zij kleine stukken 4 duims buizen in hunne goten zouden leggen, om die daarna dicht te werpen met de kans op verlies van $ 100 a $ 200 aan riet per acre.

De discus- De heer Piiarr : ,,Ik kan mij verheugen in een goede sn- zaak, wanneer ik haar bezit en dat buis-drainage een goede

zaak is, daarvan ben ik overtuigd. Indien iemand mij de vraag doet: loont zij? dan antwoord ik: indien 6V3 tot 7 pCt. vermeerdering van den oogst een goede belooning is, dan voldoet buis-drainage daaraan. In het Vis deel van mijn land heb ik buis-draineering aangebracht. Ik deed er niet meer werk aan dan aan eenig ander land. Het andere deel bracht een goeden oogst op, maar mijn met buizen gedraineerd land eveneens of meer dan eenig ander stuk, d. i. 6 a 7 pCt. van de geheele opbrengst. Mij dunkt buis-drainage loont zeer goed.

Daarenboven zijn er nog andere voordeelen, te veel om op te noemen. De vraag, die gedaan is, welke uitwerking buisdrainage op den tegenwoordigen oogst heeft uitgeoefend, kan ik niet beantwoorden, evenmin denk ik, dat iemand onzer daarop een bepaald antwoord kan geven, want het seizoen was zeer gunstig voor alle landen, zoodat naar mijne meening buis-drainage in dit jaar geen bepaald voordeel heeft opgeleverd. Zij zal eerst tot haar recht komen, wanneer wij een zeer nat jaar hebben.

Mijns inziens zijn de stokken op met buizen gedraineerde velden even goed als op die bij open goten, en dat is reeds een groot voordeel; het is voor mij voldoende. Ik kan niet de resultaten verkrijgen, die ik zoo even van eenige heeren

-ocr page 160-

140

vernam n.1. 50 pCt. Ik denk niet, dat mijne met buizen gedraineerde gronden zooveel meer zullen opleveren.

De uitgestrektheid van het met buizen gedraineerde land was gelegen op hoog land of op gronden, die zich zeiven konden afwateren, zonder dat daarbij kunstmatig oppompen of draineering noodig was. Wanneer ik naar de lage landen ga, waar ik pompen moet, om afwatering te krijgen, dan kan ik eerst zeker zeggen, wat het voor mij zal zijn.

Indien buis-drainage bepaald loont, dan zal ik daarmede voortgaan ; doet zij dit niet, dan zal ik de buis-draincering beperken tot mijne hooge gronden.quot;

De president. „Merktet gij eenig onderscheid op tusschen het met buizen gedraineerde en niet daarmede gedraineerde land?quot;

De heer pllarr. „Ik heb 75 a 80 acres met buizen gedraineerd. Het riet was uitgeplant in rijen van voet. Ofschoon dit riet niet rijpte zooals de 6 a 7 voet rijen en geen daling in het suikergehalte gaf, toch maakte ik tusschen de 40 en 42 ton riet per acre, maar ik verkreeg op de andere gronden ook evenveel. Er is veel land in de nabijheid er van, dat evenveel opbracht. Mijne velden waren bedekt met water, d. w. z. het vlakke gedeelte, dat niet opgehoogd was, was bij hevige regenbuien onder water, maar slechts gedurende eenige uren. Het water stond op het met buizen gedraineerde land nooit langer dan 2 uren na een zware bui en nergens kon ik zien dat het veld van het water geleden had.quot;

De heer TniEL. „Sedert er over gesproken was, om van buizen in plaats van open goten gebruik te maken, vroeg de heer Glynn mij omstreeks een jaar geleden om dit plan ten uitvoer te brengen. Ik weigerde dit echter glad weg. Ik zag, dat het werk op eene betere wijze kon gedaan worden

-ocr page 161-

141

en in overeenstemming daarmede adviseerde ik hem. Die weigering sproot voort uit het feit, dat, toen de Marganza dijk doorbrak, het land grenzende aan het met buizen gedraineerde veld blootgesteld werd aan het achterblijvende water, maar de buizen namen het water op en irrigeerden dat deel. Had ik mij aangesloten aan zijn idee en het werk ten uitvoer gebracht, zooals hij bedoelde en had hij later bevonden, hoe het werk had kunnen gedaan zijn, dan zou hij gezegd hebben: de dwaze Tuiel heeft het gedaan.

Eene andere zaak, die ik wensch op te merken, is dit, dat het slechtste land moest gedraineerd worden in de eerste plaats, omdat zulk land in de meeste gevallen niet productief is. Door het te veranderen in een met buizen gedraineerd land, verandert gij het in het meest productieve en de winst van die geldbelegging zal ten goede komen aan het andere land. Dc reden, waarom zware, harde grond productief kan gemaakt worden, is, dat wij door buis-drainage het overtollige water er uittrekken. Het bezwaar bij ons vak is, dat wij zulk ruw en gemeen werk doen, dat wij moeielijk een verstandig man kunnen krijgen, om het werk te verrichten, en zij, die gewoonlijk aangenomen worden, zijn onwetend en niet in staat het te beredeneeren. Het bezwaar van open goten is, dat zij met bezinksel opgevuld worden, wanneer zij het meest noodig zijn. Men kan ze schoon maken bij droog weer, maar met regenachtig weer geraken zij opnieuw aangeslibd en dat is de reden, waarom open goten niet aan het doel beantwoorden.

Een andere zaak, wat betreft open goten, is, dat zij er dieper uitzien dan in werkelijkheid het geval is. Bij vele gelegenheden heb ik voorloopige metingen gedaan om de diepte te bepalen, die ik voor buis-drainage kon verkrijgen. Men

-ocr page 162-

142

zeide mij, dat de greppels drie voet diep waren, maar in werkelijkheid waren zij minder diep.quot;

De heer delfer. „Open goten zijn gewoonlijk te ondiep. Ik beschouw het als zeer belangrijk buizen in open goten te plaatsen. Indien de buizen 100 voet van elkaar gelegen worden, hetgeen tot dusverre mijn systeem is, geplaatst in open goten, dan zal het land er beter door gedroogd worden dan zonder deze. Buizen, gelegd in open goten, zullen meer werking uitoefenen dan buizen er tusschen gelegd op dezelfde diepte. Buis-drainage tusschen open goten voldoet niet zoo, als wanneer men ze in open goten plaatst. Ik geloof, dat dit de reden is, waarom het 100 voet systeem dat ik aannam, voldoet.quot;

De President. „Uwe theorie is, mijnheer Delfer, dat, wanneer men buizen plaatst in bestaande goten, de waterkanaaltjes, reeds in den akker ontstaan, de werkzaamheid van die buizen verhoogt, en het schijnt, dat, wanneer dan daartusschen buizen worden geplaatst, deze minder werkzaam zijn.quot;

De heer Delfer. ,,Dat is juist mijn idee.quot;

De President. „Of U of de heer Tiiiel maakte de opmerking in een der bladen, dat buis-drainage in open goten op too voet afstand onderling beter werkt dan goten op xoo voet afstand. Waarom zouden open goten, van 4 Engelsche duims buizen voorzien, 100 voet uiteen, beter werken dan open goten op dezelfde diepte fquot;

De heer Delfer. „Ik kan zulks niet verklaren, maar het is een feit. Indien alle gronden, waar open goten op honderd voet afstand gegraven zijn door buizen, op den bodem ervan geplaatst, gedraineerd werden, en deze goten opgevuld werden tot aan de oppervlakte, dan zou de drainage beter zijn dan thans.quot;

-ocr page 163-

143

Dr. stubs, „Hij geeft een meening, die juist is en men kan er de reden voor opgeven. Wanneer men de buizen in den grond plaatst en de greppels verder opvult, dan zal zelfs in goten op een afstand van 100 voet van elkaar het eerste regenwater, dat in voldoende hoeveelheid valt, de buizen vullen en weggevoerd worden in de open verzamel-leidingen. Zeer spoedig ontstaat er een luchtledigheid en om die luchtledigheid aan te vullen, drukt de lucht op de oppervlakte van den bodem en dringt door den bodem in de buizen. Dat vindt plaats, wanneer het water aan het ondereinde te voorschijn komt en niet ten gevolge van open goten.

De theorie is, dat buis-drainage, om zoo te zeggen, het water aan de oppervlakte ontneemt, maar het is eigenlijk het ondergrondswater in den bodem. Dit zoogenaamde ondergronds-Avater rijst en daalt tengevolge van den gevallen regen. Wanneer er zware buien vallen, dan komt het niveau nabij de oppervlakte, wanneer het droog weêr is, dan daalt het. Drai-neerende met buizen op 4 voet diepte, neemt men het ondergrondswater weg en voorkomt het stijgen boven die hoogte. Wanneer het tot op 4 voet stijgt, dan trekken de buizen het uit; zij zijn alsdan met water gevuld en dit vloeit aan de einden er uit. Wanneer het water er uit dringt, dan moet iets anders in de plaats er van komen en zoodoende dringt de lucht door den bodem. De grond wordt daardoor open gehouden, poreus en draineert voortdurend. Het uit de pijpen stroomende water doet een luchtledigheid ontstaan, tenzij er meer water toevloeit.

Met betrekking tot het draineeren met buizen gedurende dit jaar kan ik niets mededeelen. Ik ging van Kenner naar Nieuw-Orleans, waar geen buis-drainage was en de heer Thiel zal daar eenige buis-draineeringen voor ons aanleggen.

-ocr page 164-

144

Ik heb nauwkeurig aanteekening gehouden van de proeven in de laatste 4 jaren te Kenner gedaan, alwaar het beste land door buizen gedraineerd werd.

De buizen oefenden niet alleen invloed op den grond, waaronder de buizen lagen, maar ook aan het daaraan grenzende gedeelte. Men kan op buis-drainage eenige tegenwerping maken en deze komt hierop neer, dat, terwijl het aantal tonnen riet zeer vermeerderde, het suikergehalte terugliep. Dat is zooals het wezen moet. Het met buizen gedraineerde land toonde het eerst de jonge rietspruiten in de lente en het werd het laatst aldaar door de vorst gedood.

Ik meen, mijnheer Thompson, dat gij daar eens waart, toen het riet overal elders op het land gedood was en dat het riet op het met buizen gedraineerde land nog leefde.

Wij allen weten, dat telkens, wanneer de voorwaarden voor den groei gunstig zijn, het riet, dat op het punt staat van geoogst te worden, nog groeit en daarom kunnen wij niet de bewering toegeven, dat buis-drainage rijp riet zal voortbrengen, maar het zal zeker een grooter product afwerpen.

Andere voordeden zijn heden avond gemeld geworden, n.1. besparing van ten minste 8 a to pCt. grond. Er wordt gras langs de goten gekweekt en behalve dit bieden goten plaats voor insecten en dan, het zij nog eens gezegd, een groot voordeel is het, dat men in twee richtingen kan ploegen, terwijl wij tot nu toe beperkt waren tot ééne richting. Wij kunnen overdwars ploegen, wanneer het land met buizen gedraineerd is. Behalve dit hadden de gronden in het laatste en voorlaatste jaar, toen wij een droogte hadden van het begin van October tot in het laatst van Januari, zonder dat er een droppel regen viel, niet van de droogte te lijden, terwijl in de andere velden het riet er onder leed. Dit was enkel

-ocr page 165-

145

omdat de grond in een capillairen toestand was gebracht.

Toen ik in 1885 in Louisiana kwam en begon te werken, bezocht de lieer MALLON mij op hetzelfde stuk land in Kenner.

Wij hadden vier muilezels en een vierspansploeg; hij haalde een maatstok voor den dag en volgde den ploeg. Hij zeide: gij ploegt geen vier Engelsche duimen diep.

Alvorens wij dat land verlieten, konden twee muilezels een ploeg er in voorttrekken tot de volle diepte van het ploegijzer.

Maar gij moet niet verwachten, dat het met buizen gedraineerde land in het eerste jaar reeds veel uitwerking zal vertoonen. Met de jaren worden de condities beter.

In verband met mijn onderzoek op den grond door middel van een microscoop, kan ik zeggen, welk veld door middel van buizen gedraineerd en welk niet door drains afgewaterd wordt en daarom kan ik zeggen, dat buis-drainage twee nadeelen heeft, waarvan wij één kunnen te boven komen. Het eerste is de belangrijke kosten; het tweede, dat het riet ongetwijfeld te spoedig tot groeien in het voorjaar wordt aangezet, terwijl het den groei gedurende langoren tijd in den herfst behoudt en dat heeft tot gevolg onrijp riet. Deze twee nadeelen zijn zeer ernstig, maar hiermede heb ik ook alle nadeelen gezegd. Ik concludeer, dat ik een bepaald voorstander ben van buisdrainage, tenzij op zandgrond.

Volgens mijne meening is het een uitgemaakte zaak, dat elke suikerrietplanter moet draineeren met buizen. Een beroemd redenaar in Engeland zeide: Een eerste vereischte voor een redenaar is een overtuiging te hebben, een tweede vereischte is een overtuiging en een derde eveneens een overtuiging. Zoo ook geloof ik, dat voor onze zwarte gronden de eerste vereischte is drainage, de tweede eveneens drainage en de derde ook drainage en dat wij nooit onze gronden productief

10

-ocr page 166-

146

zullen maken, indien zij niet door en door gedraineerd zijn.

In dit jaar vielen in het begin der maand Augustus de op 3 of 4 voet afstand geplante rijen riet op het met buizen gedraineerde land om, zij richtten zich niet op, maar namen daarna bijna evenveel in lengte toe, als zij voor dien tijd deden.

Ik vermoed, dat het tengevolge van de zwaarte in Augustus ging legeren. De 3 of 4 voet rijen inzamelende, vonden wij, dat de stokken waren gestorven. Toen wij ze in Mei sneden, werden er 1100 stokken meer geoogst; die op drie voet afstand waren veel langer en daarvan zamelden wij slechts 555, maar zij waren zwaarder. Dat het riet ging legeren is een bewijs voor zijne afmeting en gewicht. In September viel de rest van den oogst om. Ik ben overtuigd, dat het planten op 3 en 4 voet het rijpen van het riet bevordertquot;.

Op welke Vervolgen wij ons onderwerp, het draineeren door

gronden moet middel van buizen, met de beantwoording der vraag, drainage toe- .. , .... , • ,

gepast wor- welke gronden voor draineermg in aanmerking komen.

den. Voor den practischen landbouwer is het geene

moeielijke taak uit te maken, welke velden gedraineerd moeten worden met het oog op den afvoer van ondergronds- of van regenwater. Kan de ondervinding hem hierbij niet ten leiddraad strekken, dan is het eeniyfe middel gelegfen in het quot;raven van enkele

O O O O

gaten ter diepte van 1V2 meter. Deze dienen om te eeniger tijd te constateeren tot welke hoogte het water daarin stijgt. Het komt n. 1. wel eens voor, dat gronden in den oost-moesson droog zijn, somwijlen tot

-ocr page 167-

147

i ü 2 meter onder het oppervlak, in den west-moesson, een aanmerkelijke hoeveelheid ondergrondswater kunnen bevatten, zoo zelis, dal dit tot de oppervlakte stijgt. Uit den waterstand in deze gaten kan men alsdan na waarneming besluiten tot de al of niet noodzakelijkheid der draineering met betrekking tot het zakwater. Stijgt het water bijv. tot op een hoogte van ± 2 d.M. onder de oppervlakte, dan is de bodem drassig. Zells op 1.20 M. diepte kan het droogleggen noodzakelijk zijn, wanneer het vocht in den bodem sterk optrekt. Ligt het niveau daaronder, dan kan het draineeren wellicht op vele plaatsen wenschelijk zijn, noodzakelijk van wege het ondergrondswater is het niet, aangezien, indien mijne waarnemingen juist zijn, de wortel van de indigoplant niet dieper gaat dan ± 75 cM. l).

Een droge, warme, losse bodem, bijv. zandgrond, waarin het water bij zware regenbuien dadelijk wegtrekt, met doorlatenden ondergond te draineeren zou onverstandig handelen zijn, claar de drains in dit geval nooit zouden loopen. Daarentegen leenen zich andere akkers des te eer voor drainage, wanneer het water nadeelig op de plant inwerkt. Daaronder reken ik o.a. iedere zware grondsoort, al mocht zij niet bepaald tot de koude gerekend worden. Ofschoon kleigronden meer voordeelen zullen opleveren, zoo zullen

') Hiermede wensch ik niet te beweren, dat het mogelijk is den wortel door doelmatiger draineering als anderszins te nopen diepet in den bodem te dringen.

-ocr page 168-

148

lichtere aardsoorten, die minder aan aanlegkosten vorderen dan eerstgenoemde, toch de onkosten goed maken door hare grootere opbrengst. Maar ook hieronder kunnen zich uitzonderingen voordoen. Sommige zoudenenkel in den west-moesson, wanneer ondergrondswater op komt zetten, voor diepe drainage in aanmerking komen, daarentegen in den oost-moesson te sterk uitdrogen, indien geen bevloeiingswater voorhanden is, om ze daartegen te beschermen. Ho;t is gemakkelijker zulke gronden bij een lang aanhoudenden en strengen oostmoesson droog te leggen, dan het draineeren in de gewenschte mate te doen plaats vinden, ofschoon de verbeterde capillariteit van den bodem hiertoe veel zal bijdragen. Wil men onder zulke omstandigheden tot drainage door middel van buizen overgaan, dan dient men zich rekenschap te geven van tie beschikbare hoeveelheid bevloeiingswater benevens van den graad van eigenaardigheid het water vast te houden, de lucht toe te laten, waardoor de wortels dieper in den bodem zullen dringen.

Nog een ander voorbeeld, waarbij buis-drainage gemist zou kunnen worden, is mogelijk, n.1. in het geval, wanneer het zakwater bij zeer vlak land uit den grond sterk opborrelt. De gewone wijdte der sponning is alsdan niet voldoende; men moet deze in ieder geval grooter maken en de sponningen zorgvuldig beleggen met kleine steenen om het binnen dringen van zand tegen te gaan. In dergelijke gevallen worden in Europa met succes vast samengebonden

-ocr page 169-

149

rollen takken gebezigd, indien met betrekking tot den afvoer van het water een zekere waarborg voor den duur ervan bestaat.

Richting, Voor men met het leggen der buizen een aanvang

waarin de maakt, overtuige men zich naar welke zijde het droog quot;rr90 te leggen land het sterkst helt, om in die richting den waterafvoer te kunnen bewerkstelligen, omdat de meest hellende richting de natuurlijke en daardoor de meest gewenschte is voor het afleiden van het inzakkende regen- en het wegvloeiende ondergrondswater. Ik teeken hierbij aan, dat ik vooral het oog gevestigd heb op terreinen met gering verval, waarbij de waterafvoer moeielijkheden ondervindt. Legt men de pijpen in tamelijk sterke helling, dan vloeit het water schielijk weg en worden daardoor mogelijke verstoppingen meerendeels voorkomen.

Om bij vlak land het verval niet te groot te maken, moet men den waterstand kennen van de ontvang-leiding, want monden de buizen onder in een kanaal uit, waarin het water staan blijft, dan heeft het drai-neeren niet veel te beteekenen, tenzij de waterafvoer slechts tijdelijk belemmering ondervindt. Maakt men het verval te gering, waardoor een langzame strooming in de buis ontstaat, dan schenkt men aan het zand, dat in de aansluitingsnaden binnen kan dringen, de gelegenheid zich op den bodem der buizen te verzamelen, waardoor op den duur verstoppingen zouden kunnen ontstaan.

-ocr page 170-

150

Oiente, Bij het plaatsen der zuigpijpen moet men, ter

waarop de bepaling van de diepte, waarop ,zn qfeleod zullen buizen gelegd 1 ^ _ 1 i j amp; b

worden. worden, rekening houden met de geaardheid van den bodem, op de diepte tot welke de wortel van de indigo-plant dringt en op de meer of mindere geschiktheid van den ondergrond de drains te ontvangen, ten einde verzakkingen of verschuivingen te voorkomen. Deze vinden op een vasten bodem niet plaats, daarentegen wel bij zand- of moddergronden. Ik teeken hierbij aan, dat een diepe plaatsing der buis niet schaden zal voor het gewas, maar wel de onkosten-rekening zal verhoopfen. Heeft men met onderpfrondswater te

o lt;3

kampen, dan is een diepe plaatsing der buizen zelfs noodzakelijk, omdat, zooals gezegd is, ten gevolge van de verdamping als anderszins van het onderliggende water vochtigheid aan de bovenlaag wordt afgestaan of m. a. w. omdat het vocht optrekt naar de oppervlakte.

Laat de ondergrond op drie voet diepte bijv. geen of moeielijk vocht door, dan kapt men de niet poreuze laag open. Stuit men onder den grond op een zandlaag, welke het water op een natuurlijke wijze afvoert, dan is het wenschelijk de buizen boven deze laag te leggen en bijgeval er ondergronds water aanwezig is op dusdanige diepte, als men nuttig voor de plant oordeelt, het een en ander natuurlijk met inachtneming der voorwaarde door de diepgaande wortels gesteld.

-ocr page 171-

151

Bij gering verval verdient het op modderigen grond aanbeveling de uitgegraven goot met 2^3 dM. zand, beter nog met gezeefde rivier-steentjes, op te vullen, welke men er in drukt, en daarop de buizen te plaatsen, opdat zij vaster zullen liggen dan op de modder. Kan het verval daarentegen zoo groot genomen worden, dat men met grond verwacht zand-deelen mede te zullen voeren, dan is een fundeering met rechte dikke bamboe petoeng '), welke men over de lengte bekapt, zoodat de bamboe een breede lat vormt, niet ongeschikt.

Komen de buizen op een zandigen ondergrond te liggen, dan bezigt men eveneens deze fundeering of wel baksteenen. Ook is het gebruik van overlangs bekapte bamboe of van baksteenen als onderlegger aan te bevelen bij buizen, geplaatst op een kleilaag, die in den oost-moesson, gelijk meermalen voorkomt ten gevolge van gebrek aan water, scheuren vertoont en daardoor de buizen doet barsten. Om dit tegen te gaan, legge men onder, naast en op deze kleine rivier-steenen, ter grootte van hoogstens 1 cM. in het kubiek.

Onderlinge afstand dei-goten.

De afstand der goten onderling regelt zich naar de geaardheid van den bodem, den regenval en de diepte, waarop de buizen geplaatst worden.

Te vergeefs zocht ik in eenig werk een opgave geschikt voor Java. Het is op grond hiervan, dat ik mij bepalen moet tot het geven van beschouwingen !) Ken rietsoort.

Widde'cn trr verkrijging van een vasten bodem om de buizen te plaatsen.

-ocr page 172-

152

en cijfers, geschikt gemaakt voor dit land en getrokken uit aan de practijk getoetste opgaven.

Voor Duitschland vind ik opgeteekend, dat bij een maandelijkschen regenval van o,i M. de afstand der drains bij een diepte van 1,25 M. in kleigronden op 16 M. wordt gesteld en aan de verwachting in de practijk voldoet. ')

Brengen wij dit idee over voor Java en nemen wij aan, dat in den regentijd — wolkbreukenen terreinen in het hooge gebergte er buiten gelaten, omdat aldaar geen indigo wordt verbouwd — de regenval zelden hooger stijgt dan 600 mM. in ééne maand, zooals mij de verslagen van den regenval, gevoegd bij de Javasche Ct. leeren, en dat het meerdere nat niet in den grond dringt, maar wegvloeit naar leidingen, dan komt het mij voor te mogen aannemen, met het oog op de grootere werkzaamheid der drainage bij buizen, op de diepere ligging van deze en op het dieper indringen van het water in den bodem, het een en ander in vergelijking met hetgeen bij open drains plaats vindt, dat een onderlinge afstand van 8 M. bij buitengewoon zware kleigronden voldoende is, om een goeden afvoer van het inzakkende water te bewerkstelligen. Om de snelheid van afvoer echter — ofschoon deze bij hevige nederslagen door den uitgeoefenden grooteren druk

') Bij uiUondering heeft men er een maandelijkschen regenval van 0,13 M. Het meerdere ten bedrage van 0,03 M. neemt quot;• men aan over den akker weg te vloeien, zoodat het cijfer 0,13 niet in aanmerking komt.

-ocr page 173-

153

toeneemt — bij enkele waterhoudende, moeielijk water doorlatende kleigronden te verbeteren, zal bij genoemde soort met betrekking tot het water, dat op de velden te lang zou verblijven, nuttig blijken te zijn enkele goten, dienende voor het irrigeeren of hoezen, aan te houden en voor den waterafvoer te bestemmen, of wel enkele op 70 M. van elkaar aan te leggen. De aanleg van bedden kan in die gevallen vervallen en is om het afspoelen van nuttige bestanddee-len te ontraden. Wordt de hoeveelheid regenwater,

O '

welke bij afwezigheid van open goten op kleigrond zoude blijven staan, voldoende afgevoerd, dan zal het van lucht en koolzuur voorziene, in plassen overblijvende deel ten nutte komen van de onderlagen, die bij open drains niet genoegzaam worden bevochtigd, gelijk mij meermalen uit voor dat onderzoek gedane opgravingen bleek.

Gaan wij voor een oogenblik den loop van het water van de oppervlakte naar de draineerschacht, voor een deel geplaatst onder omstandigheden, die den loop van het water bevorderen, in een horizontaal gelegen terrein, na, dan vinden wij met betrekking tot de wet der zwaartekracht, tot het weerstandsvermogen van den bodem, om het water door te laten en tot den geringeren tegenstand, dien het water ondervindt in de richting naar de schacht, dat een waterdroppel in kleigrond (zie onderstaande figuur) naar gissing de richting zal volgen van A naar B, in lichten zandigen grond die van A naar C, omdat bij kleigrond het weerstands-

-ocr page 174-

154

vermogen in de richting- naar F grooter is dan in die van G. In zandgrond daarentegen, waar de zwaartekracht niet zulk een groote belemmering van het weerstandsvermogen ondervindt, zal die richting ongeveer te lood zijn en zullen in verband daarmede de drains nagenoeg of in het geheel geen water afvoeren, indien de laag onder de buizen D en H in denzelfden poreuzen toestand zich bevindt.

Wenscht men nu de drains in zeer zwaren kleigrond bij dezelfde diepte op een grooteren afstand dan 8 M. aan te leggen, dan zal het water ten gevolge van het vermeerderde weerstandsvermogen niet in het verlengde van A B loopen, maar meer in de richting van A E. Hieruit volgt, dat bij dezelfde diepte kortere afstanden tusschen de drains de snelheid van het inzakken van het water bevorderen.

Dit een en ander doet echter niet het feit te niet, dat, ten gevolge eener diepere ligging der drains in den grond, de afstand tusschen twee schachten grooter genomen kan worden, omdat de weerstand in den bodem onder het evenwijdig aan de oppervlakte loopende vlak, dat de lijn D H snijdt, ten gevolge van de diepere

-ocr page 175-

155

ligging der buizen vermindert en de aarde, zooals deprac-tijk aangeeft, gaandeweg poreuzer wordt, iets wat even eens tot een vermindering van den weerstand medewerkt.

Ik wensch niet in nadere beschouwing over dit onderwerp te treden, om daaraan conclusies en cijfers vast te knoopen van belang voor de verhouding tusschen de diepte der schacht en den afstand der drains onderling, omdat mij de aan de practijk ontleende cijfers ontbreken. Het doel is enkel er op te wijzen, dat een diepere plaatsing der drains een grooteren afstand daartusschen veroorlooft om hetzelfde resultaat te bereiken.

Met het oog op bovenstaande beschouwingen en op de omstandigheid dat 8 M. afstand bij open goten op zeer zware kleigronden noodig zal blijken te zijn, komt het mij bij het generaliseeren voor, dat de voorzichtigheid voorschrijft die afstand bij draineeren met buizen als de beste te beschouwen, welke het dubbele is van den afstand bij open goten als de doelmatigst geoordeelde. Het is evenwel niet onmogelijk, dat een grootere afstand bij een diepte van 1,25 M. voor de drains bij zeer zware kleigronden eveneens goede resultaten oplevert, maar om zeker te zijn, houd ik mij aan deze cijfers vast, omdat bij onvoldoende afwatering de onkosten belangrijk zouden stijgen wanneer men later gedwongen zou zijn andere buizen tusschen de reeds aangelegde te leggen. Ik voeg hieraan toe, dat als grens voor lichte gronden, welke voor buis-draineering in aanmerking komen, een afstand van 20 meter voldoende geacht kan worden.

-ocr page 176-

156

Bij aanhoudende zware buien zal ongetwijfeld water gedurende eenige uren op de velden blijven staan; men make zich hierover echter niet al te ongerust, daar het meermalen in de practijk is gebleken, dat, ofschoon de akkers meer dan 24 uren onder water stonden wegens bandjir (hoog water) in de rivier, aan het gewas nog geen nadeel was toegebracht. En nu moet de grond volgens opgedane ervaring al zeer weinig doorlaatvermogen bezitten, indien op eene diepte van 6 Rijnl. vt. binnen 48 uren de buizen na zeer zware buien bij drogen kleigrond niet beginnen te loopen. Men vergelijke hierbij verder de mede-deelingen van den heer Piiarr voorkomende op pag. 140 en die van rechter Rost op pag. 133.

Bestaat er gegronde vrees, dat het gewas in verband met te verwachten zware regenbuien en het te geringe doorlaatvermogen van de aardsoort, waardoor overtollig water somwijlen gedurende uren op de oppervlakte blijft staan, schade zal lijden, dan belet niets den planter de benoodigde goten voor irrigatie of enkele voor het hoozen bestemde aan te houden, of wel eenige ondiepe op ouderlingen afstand van 70 meter aan te leggen.

Hoogst waarschijnlijk zullen dergelijke goten in de practijk in vele streken, zelfs bij niet al te zware gronden, noodig blijken te zijn. Ik heb hierbij slechts te wijzen op de sawah-tadaan1) om te doen uitkomen, hoe lang het water op enkele velden kan blijven

!) Van regenwater afhankelijke rijstvelden.

-ocr page 177-

157

vloeien, en dat vooral op gronden met een dergelijk gering doorlaatvermogen in het eerste jaar van den aanleg, wanneer de kanaaltjes in den bodem zich nog niet gevormd hebben, de -aanwezigheid van enkele open drains noodig zal blijken te zijn, want een indigo-aanplant, welke eenige malen, althans bij gebruik van open goten, gedurende 24 uren onder water staat, zal naar mijn oordeel daarvan de nadeelen ondervinden. Naar gelang nu dat doorlaatvermogen zich verbetert, kunnen de open greppels vervallen.

Wijdte der Wij zijn thans genaderd tot een ander hoofdpunt zuigbuizen. c|e bespreking van de buis-drainage, nl. de vraag:

hoe wijd moeten de buizen zijn?

Om een juist inzicht in deze zaak te krijgen, diene men allereerst in aanmerking te nemen, dat, bij hetzelfde verval, in wijde buizen het water sneller stroomt dan in nauwe of m. a. w., wanneer de stroomsnelheid dezelfde is, dan kan men aan wijde buizen minder verval geven dan aan nauwe.

De stroomsnelheid is te berekenen, wanneer wij het verval van het terrein en de middellijn der buis hebben opgenomen, welke beide zaken gemakkelijk in de practijk uit te voeren zijn.

Volgens de formule van Eytelwein, waarin c de stroomsnelheid, d de middellijn der buis, h het verval, dat de goot op de lengte 1 heeft, voorstellen, is:

c - *6 l/ 50 dh c - 3,0 V ! _j_ 50 al

-ocr page 178-

158

Daar de buizen niet altijd even recht, de binnenwanden ervan dikwijls ruw zijn, het plaatsen der buizen niet steeds in een rechte lijn plaats grijpt, zoo zal de berekening der snelheid volgens zooeven opgegeven formule, welke deze omstandigheden buiten rekening laat, in theorie met de werkelijkheid verschillen.

Die snelheid kan men in de practijk echter voor goed afgewerkte buizen ten naaste bij stellen op :

3/3 voor 0,03 M. middellijn

'V't „ 0,05 „ )i

Vö „ 0,0b „ ,!

Ve „ Oi1 » »

r,/7 „ 0,I3 „

7/8 0,15 -0,20 M. middellijn enz.

van het door de formule verkregen bedrag der snelheid. Zijn de buizen slecht bewerkt, dan is de verhouding ongunstiger.

Stellen wij, om op bepaalde getallen te komen, dat de o-erinp ste snelheid van het water in de buizen 0,16 M. per seconde moet bedragen, om de verlangde reiniging der buizen tot stand te brengen, dan kan in verband met de formule van Eytelwein h berekend worden. De ontwikkeling is dan aldus :

I/ 50^

^ 3,0 1 1 sod c 50 dh

3,6 r 1 sod C* _ 50 d/i

3.02 i -r 50 d

-ocr page 179-

159

Dus is het verval gelijk aan 0,128 pCt.

Bij dezelfde stroomsnelheid van het water, namelijk van 0,16 M. per seconde, krijgen wij volgens deze berekening in theorie voor buizen van

0,05 M, middellijn 0.081 pCt. verval.

0,051 „

0,041 „

0.032 ïï

0,028 „

Om echter van een stroomsnelheid van 0,16 M. per seconde in de practijk verzekerd te zijn, dient men aan te nemen, dat zij, gelijk op pag. 158 opgegeven werd, in theorie voor 0,03 M. wijde buizen o,ió X 72 = 0,24 M. bedraagt. 0,24 ingevuld in de

-ocr page 180-

100

formule voor de berekening van het verval toont aan, dat = 0,242 (100 50 X 0,03)

648 X 0,03 h = 0,0576 X 101.50

1944

/i — 0,30 pCt. verval.

Om bij 0,05 M. wijde buizen in de practijk van een stroomsnelheid van 0,16 M. verzekerd te zijn, moet de snelheid, zooals hooger op pag. 158 gemeld, in theorie 0,16 M. X Vs bedragen, dus ongeveer 0,21 M. Dit cijfer in de formule voor de berekening van het verval ingevoegd, geeft:

^ 0,213 (100 50X0,05)

648 X 0,05 // = o, 14 pet. verval.

Op dezelfde wijze rekenende, krijgen wij, bij een stroomsnelheid van o, ió M. per seconde in de practijk, tot uitkomst voor

0,08 M. wijde buizen 0,08 pCt. verval 0,1 » » j) 0,051 „ 11 o, 13 11 11 » 0,046 „ „ 0,15 „ „ „ 0,036 „ „ De hoeveelheid water, welke door een buis vloeit, is gelijk aan de stroomsnelheid der vloeistof, vermenigvuldigd met de oppervlakte, ingenomen door de buiswijdte. Deze is volgens de formule voor den inhoud van een cirkel, indien wij den diameter gelijk d /d\2

stellen ^--j X - of 0,785 d2. Wij hebben dus, indien wij de doorstroomende massa M noemen

-ocr page 181-

161

M=(^) Xquot;Xf

In deze formule gevoegd de waarde voor 71 == 3,14

,./ $0 dh .

en c — xfiy —,-r dan is

* v 1 50^

T,. dquot; ^ / SO dh

4 X S'H x 3.6 V -^-d M- 2,i2bd'V'

I 50^

Gelijk wij boven1) aannamen, bedraagt het grootste aantal millimeters regenwater, dat in den bodem in een maand zinkt óoo 2). Stellen wij voorts, dat deze hoeveelheid in den tijd van 14 dagen moet afgevoerd kunnen worden, hetgeen overeenstemt met een capaciteit voor den afvoer van een dagelijkschen regenval óoo

van ^ m-M., dan zal op een oppervlakte

van 10000 vierkante meters of i hectare, de hoeveelheid van ioooo X o,óoo M3. regenwater 6000 M3 in 14 dagen moeten afgevoerd worden, uitmakende dus per etmaal ± 428 M3, of per seconde

/ or 1 \ 438 M3.

(een etmaal = 86400 seconden) = 0.004953 Ms.

Wenschen wij nu te weten, voor welke oppervlakte

11

1

1) Zie pag. 152.

2

zoo is het raadzaam ter besparing vdn kosten bij toepassing van buis-drainage in plaats van het getal 600 een cijfer te nemen, dat de hoogste regenval der streek over minstens een vijftal jaren genomen, aangeeft. De Jav. Cl. leert, dat 400 mM. voor vele plaatsen in de laagvlakten als hoogste regenval beschouwd kan worden.

3

) Aangezien de regenval op Java nog al verschillen vertoont,

-ocr page 182-

102

van den akker een buis toereikend is, om de daarop zich bevindende hoeveelheid water af te voeren, dan hebben wij slechts het volgende vraagstuk op te lossen: Wanneer er gegeven is, dat 0,004953 M3 water per seconde op een oppervlakte van 10000 M£!(i hectare) in den grond vloeien, hoe groot zal dan de uitgestrektheid van den akker zijn, wanneer het aantal in den grond dringende kubieke meters water per seconde zooveel bedraagt, als een buis van een zekere afmeting kan afvoeren ') ?

De verhouding- tusschen de af te voeren hoeveelheid water per seconde per hectare en het bedrag, dat de buis van een zekere middellijn per seconde leveren kan, is gelijk aan die tusschen een hectare en x, n.1. de vlakte, die door de buis afgewaterd kan worden.

Wij hebben alzoo x in de volgende vergelijking op te lossen:

0,004953 M3. : c X ojSsd3 M3. = 10000 M1. ; x MX

Werken wij in deze evenredigheid c X 0,785 d3 uit en stellen wij, om daartoe te geraken, dat door opmeting gebleken is, dat het verval 1 meter op de 100 meter of wel 1 pCt. bedraagt en de buiswijdte 0,03 M., dan is in theorie de snelheid

c „3,6 t/ 5° X o.°3 X -,00

100 50 X 0,03 £ = 3,6 X 0,12 of c = 0,43 M.

1

water naar de buis vloeit.

-ocr page 183-

1G3

In de practijk zal slechts het Vs deel der stroomsnelheid van 0,43 per seconde bereikt worden, ergo ongeveer 0,29 M. Dit cijfer, vermenigvuldigd met de oppervlakte der buiswijdte 0,785 d2 of 0,785 X 0,0009, geeft 0,000204885 kubieke meter water. Dit gevondene geplaatst in bovenstaande vergelijking, wier onbekende x gezocht wordt, doet ons zien dat 0,004953 M3 : 0,000204885 M8 == ioooo M- ; x M3

waarin = 413 M2.

Zijn de buizen 8 meter van elkander geplaatst,

zL I ^

dan kunnen deze over een lengte van == 51 M.

O

liggen, voordat men grootere moet nemen.

In aansluiting hiervan, laat ik dezelfde berekening volgen voor de lengte, waarop 0,05 M. wijde buizen kunnen geplaatst worden, maar nu verkort. Wij berekenen om die reden de door de buis stroomende hoeveelheid water volgens de formule:

M = 2,826 d-1/ 50 d~

1 -f 50 «'

Hierin ingevuld de waarden van k (verval) en van d (buiswijdte) geeft

M = 2,826 X 0,05sl/ 50X0,05X1,00

100 50 X 0,05

M = 2,826 X o,o53 X 0,156

M = 0,00110214 M3.

In de practijk kan, zooals op pag. 158 gemeld, slechts het s/.t deel dezer hoeveelheid per seconde door de buis vloeien dus: 0.00082659 M3.

-ocr page 184-

164

Zoeken wij naar de uitgestrektheid, van welke deze hoeveelheid water afkomstig is, clan vinden wij uit de vergelijking

0,004953 Ms: 0,00082659 Ms: = 10000 M2: x M2 x = 1668 Ms.

En, daar de afstand der blusleidingen onderling 8 meter bedraagt, zoo kunnen de 0,05 M. buizen over

. l668 M2 o 1\T 11 1

een lenqte van — = 20b M. p-eleocl worden.

amp; 8 M. _ amp; ö

Maar, aangezien de hooger gelegene 0,03 M. wijde

bereids 51 M. in beslag namen, zoo blijft er een afstand

van 208—51 = 157 M, voor de buizen van 0,05 M. over.

Op dezelfde wijze wordt de lengte der 0,08 M.

wijde buizen bepaald. De hoeveelheid water, welke door

een 0,08 M. wijde buis kan vloeien, bedraagt bij een

verval van 1 pCt. 0,0035449344 M3, zooals blijkt uit de

onderstaande berekening :

M = 2,826 |/

1 50 «

.. „ , . , 01/ 50X0,08X1,00

= 2,826 X o,o82 J/ ——p-^-Q-

y 100 50X0,08

M — 2,826 X o,o83 X 0,196 ^ = 0,0035449344 M3.

In de practijk zal (zie pag. 158) slechts het */5 deel van 0,0035449344 M3. door de buis vloeien, dus 0,0028359476 M3.

Deze hoeveelheid is afkomstig van eene uitgestrektheid van 5725 M2., hetgeen blijkt uit de vergelijking: 0,004953 : 0)0028359476 Ms = 10000 M2: x M2, waarin ^= 5725 M2.

-ocr page 185-

165

En daar de afstand der buizen onderling 8 meter bedraagt, zoo kan een buis van 0,08 M. wijdte over ^ 7 2 ^ IV[ quot;

een lengte van 3/ 3 =7i5M. gelegquot;d worden, o JVi

Trekken wij hiervan af 208 M,, den afstand ingenomen door de 0,03 meter en 0,05 meter buizen, dan schiet er een afstand van 507 M. over, waarop de buizen van 0,08 M. zullen kunnen liggen, om een voldoenden waterafvoer te verzekeren.

Wijdte der Wenscht men bij aanleg van zuig-drains de mon-hoofdbuizen. ,. . ' . ...

dingen niet uit te laten loopen in open goten, wijl

men er bezwaar in ziet zorg te dragen, dat er voor al de mondingen der zuigbuizen te allen tijde een vrije afvoer zij, dan legge men van het hoogst gelegen punt derafvoermondingen af een hoofd-drain van 0,15 M. aan, aansluitende tegen de 0,08 M. zuig-drains. De lengte dezer 0,15 M. buis wordt op ongeveer dezelfde wijze bepaald.

Men ga namelijk na voor de afwatering, van welke uitgestrektheid de 0,15 M. buis voldoende geacht kan worden.

Stellen wij, dat door nivelleering het verval der aan te leggen buis bepaald en bevonden is eveneens te zijn 1,00 M. per 100 M. dan bedraagt de hoeveelheid water, welke door de buis van 0,15 M. wijdte kan stroomen 0,01678644 M3 volgens de formule

M = 2,826 d* j/

v 14-50^

-ocr page 186-

166

M = 2,826 X 0,15* l/ 5° X O'15 X 1 'QQ

100 50x0,15

M = 2,826 X o,i52 X 0,264 M = 0,01678644 M3.

De hoeveelheid water, welke afgevoerd wordt, zal in de practijk het 7« deel van 0,01678644 M3 bedragen, dus 0,01468810 M3.

Lossen wij de vraag op, welke uitgestrektheid deze hoeveelheid kan leveren, dan vinden wij door de vergelijking

0,004953 M3: 0,01468810 M3 ■— 10000 M2: M2

dat x = 29654 M3.

Is verder uit eene opmeting gebleken, dat de lengte der 0,03 M. buis, gevoegd bij die van 0,05 M. en 0,08 M., 300 meter bedraagt en dat de af te wateren akker een langwerpig vierkant vormt, waarvan de andere zijde (die der hoofd-drain) ongeveer 200 meter lengte heeft, dan zal over een lengte van

£9^54 _ g j buis van 0,15 M. voldoende 300 M. v ' 0

capaciteit bezitten het water uit de zuig-drains af te voeren, terwijl, op de overige 1021) meters, buizen van 0,20 M. wijdte gelegenheid voor den afvoer van het water zullen aanbieden, gelijk blijkt uit onderstaande berekeningen :

M — 2,826 di l/ —5°

r 1 50^

') 200 M—qS Ad = 102 M.

-ocr page 187-

167

O /- S/ 21/ 50X0,20 X I,OO

M = 2,826 X 0,20 I/ --j——--—-—

100 50X0,20

M = 0,03402504 M3.

Dc werkelijke hoeveelheid, welke door de buis kan stroomen bedraagt slechts het Vs deel 1) van 0,03402504 M'l, dus 0,0297791 M3. welke afkomstig zijn van eene oppervlakte van 60123 M2. gelijk de uitkomst van de onderstaande evenredigheid aantoont.

0,004953 Ms : 0,0297791 M3 = 10000 Ms : x Ms waarin ^ = 60123 M2.

En aangezien de lengte der 0,03, 0,05 en 0,08 M. wijde buizen 300 M. bedraagt, zoo kan de hoofd-drain van 0,20 M. wijde buizen over een afstand van 60123 M3.

300 M.

200 M, gelegd worden. Van dezen afstand

worden bereids 98 M. door de buizen van 0,15 M. wijdte ingenomen, ergo schieten er voor die van 0,20 M. J02 meters over, waarop deze gelegd kunnen worden, en daar men voor dit deel der leiding slechts 102 meter behoeft, zoo blijkt hieruit tevens, dat de 0,20 M. wijde hoofd-drain juist voldoende capaciteit bezit om het water van alle zuig-drains af te voeren.

Wijdte der buizen voor regen- en ondergronds-water.

Aangezien bij vorengaande berekening geene rekening werd gehouden met het zoogenaamde ondergrondswater, zoo moeten, indien zich dit voordoet, de buizen naar gelang van de opleverende hoeveelheid hiervan vergroot worden. Houdt men in het oog, dat bij de

!) Zie pag. 158.

-ocr page 188-

168

hoogst gelegen punten in plaats van 0,03 M. wijde buizen, pijpen van 0,05 M. diameter geplaatst worden — in slechts enkele gevallen, wanneer de toevloed zeer belangrijk is van grootere afmeting — dan is het in verband met hooger medegedeelde formule

M = 2,826 dn~\/ $°dh ,

1 50^

niet moeielijk te bepalen, hoe groot de buis moet zijn, wanneer er bij nagegaan is, hoeveel het verval bedraagt en hoeveel zakwater gemiddeld per seconde, per 100 meter, afgevoerd wordt.

Stellen wij bijvoorbeeld, dat op het stuk grond, waarvan wij hierboven de berekening gaven voor den afvoer van het regenwater, zakwater wordt aangetroffen, en dat door meten bepaald is, dat per seconde een goot van 300 meter 0.63 liter oplevert, dan is dit bedrag, aangezien de goten op 8 meter afstand onder-ling gelegen zijn, afkomstig van

8 M. X 300 M. = 2400 M2.,

uitmakende dus voor 10000 M2. of 1 hectare 2,625 liter, gelijk onderstaande berekening aantoont: 2400 Ms. : 10000 M2. = 0,63 L. : L x = 2,625 L.

Telt men de hoeveelheid van 2,625 hter bij het bedrag door den regen geleverd, dat wij eveneens per hectare en per seconde berekenden '), dan verkrijgen wij (0,004953 M8 0,002625 M3) tot uitkomst 0j007578 M3. water per hectare, per seconde.

Zie pag 161.

-ocr page 189-

169

Bepalen wij in verband met dit cijfer voor welke uitgestrektheid een buis van bepaalde grootte toereikend is, om het water af te voeren, dan bevinden wij ons voor het volgende vraagstuk:

Wanneer er gegeven is, dat 0,007578 Ms. per seconde van een uitgestrektheid van 10000 M3. (1 hectare) verwijderd moeten worden, hoe groot zal dan de uitgestrektheid van den akker zijn, wanneer het aantal kubieke meters water per seconde zooveel bedraagt, als een buis van zekere afmeting kan afvoeren?

De verhouding tusschen de af te voeren hoeveelheid regen- plus welwater (per seconde, per hectare) en het bedrag, dat de buis van zekere middellijn per seconde leveren kan, is gelijk aan die tusschen 1 hectare en x, namelijk de vlakte, die door de buis afgewaterd kan worden.

Wij hebben alzoo de volgende vergelijking op te lossen:

0,007578 kub. meter : Afkuh. meter = 10000 M2. : M3. waarin Jlf te berekenen is en x gezocht wordt.

Daar er welwater in den grond aanwezig is, zoo is het duidelijk, dat een 0,03 M buis onvoldoende is, om over een behoorlijke lengte den waterafvoer tot stand te brengen. Wij nemen om die reden ter bepaling van M. een grootere buis, bijvoorbeeld van 0,05 M. diameter.

M is, zooals gezegd, gelijk aan

2,826 d~ |/ - SOdk r

1 50 d

-ocr page 190-

170

In deze vergelijking' gevoegd de waarden voor/amp;, het verval = i pCt. en de diameter der buis = 0,05 M., dan verkrijgen wij tot uitkomst 0,00110214 M3.

2,826 X o,o52y/ 5°XCM35 X I'00 = 00QIIo2I4M■■,) x 100 50 X 0,05 '

In de practijk kan slechts het s/i deel dezer hoeveelheid door de buis vloeien, dus 0,000826605 M3. Dit getal in de plaats stellende van M, wordt de vergelijking aldus:

0,007578 M3: 0,000826605 M3= 10000 Ma : x M2.

waarin x = 1090 M2.

En aangezien de leidingen 'onderling op een afstand van 8 meter geplaatst zijn, zoo kunnen de 0,05 M.

buizen over een lenyte van -I0^ ^ — = 1 ^6 M. ge-s 8 M 0 amp;

plaatst worden, om een voldoenden waterafvoer te bewerkstelligen. Op dezelfde wijze wordt de lengte, waarover de andere buizen geplaatst worden, bepaald.

De afstand De afstand der sponning tusschen de buizen is ver

t'er schillend en staat in nauw verband tot den aanvoer

sponningen. , T . . ,

van het water. Is er geen welwater aanwezig, dan

kan men volstaan met de ruimte tusschen de aansluitingen — de eenige plaatsen, waar het water vrij in de buis kan vloeien — zoo nauw mogelijk te nemen, hetgeen blijkt uit de volgende berekening.

Stel, dat de buis 0,03 M. wijd is, dan is (volgens de formule voor den omtrek van een cirkel, nl. 2 r « gt;),

!) Hierin is r = de straal van den cirkel en 71 = 3,14.

-ocr page 191-

171

de omtrek der buis gelijk aan 0,03 M. X 3,14. Nemen wij verder aan, dat de sponning slechts 0,0002 M. bedraagt, eene tusschenruimte, welke enkel, door de buizen zeer netjes af te werken en goed tegen elkander te plaatsen, te bereiken is, dan beslaat de sponning een oppervlakte van

0,03 M. X 3,14 X 0,0002 M. = 0,00001884 Ml

en daar de oppervlakte der buiswijdte (volgens de formule voor de oppervlakte van een cirkel r21)

(o,03 x .^14 — 0,000706 M2.

bedraagt, zoo bieden (volgens een deeling van 0,000706 M2. door 0,00001884 M2.) 37 sponningen evenveel ruimte aan als de oppervlakte van de 0,03 M. buis bedraagt.

Is nu elke buis afzonderlijk 0,1 M. lang, dan blijkt, dat de toevoer door de 0,0002 M. breede sponningen reeds zoo groot kan zijn, dat de buizen van 0,03 M. op een afstand van 37 X 0,1 M. = 3,7 M. geheel gevuld zouden kunnen geraken, hetgeen een zeer voldoende capaciteit aantoont, al moge het ook waar zijn, dat in werkelijkheid enkele zandkorrels bij een deel der sponning het indringen van het water tegengaan, daar, gelijk op pag. 163 gemeld is, de buis eerst na een lengte van 51 M, geheel met water gevuld zal worden.

Borrelt daarentegen een te aanzienlijke hoeveelheid welwater uit den bodem, dan moet men de sponningen

-ocr page 192-

172

wijder nemen en rondom met fijn grint beleggen, om het indringen van fijn zand tegen te gaan.

Wanneer de buizen goed tegen elkaar geplaatst worden, zal het water er helder uitvloeien.

§ 3. DE UITVOERING.

De aanleg Wanneer men besloten heeft op een zeker stuk

anleidingen. 1 1 • 1 ■ 1 • 1 1 1

grond de nieuwe wijze van draineeren door middel

van buizen toe te passen, dan begint men in de eerste plaats zorg te dragen voor een ongehinderden afvoer van het water uit de te leggen verzamelbuis, om in de tweede plaats over te gaan tot het uitgraven der leiding hiervoor bestemd in de richting langs de mondingen der zuig-drains, ter breedte van 0,6 M., ter diepte van 0,70 M. en over een lengte, welke men het geschiktst oordeelt, voorloopig uit te graven. In deze leiding wordt een andere gemaakt ter diepte van 0,50 M. om de volle diepte van 1,20 M. (vermeerderd met de doorsnede der hoofdbuis) waarop deze geplaatst zal worden en ter breedte aan de bovenzijde van 0,30 M. en op den bodem van 0,15 M. of de breedte van een patjoel.

Op deze wijze werkende, schiet er in de leiding eenige ruimte voor den buislegger over tot steun voor zijn voet, wanneer hij zich in de leiding bevindt om

-ocr page 193-

173

de buizen te leggen. Wij krijgen alsdan eene leiding in den vorm gelijk onderstaande teekening aangeeft.

0,60 M.

Ter vereenvoudiging van het werk en om van een goeden gang van zaken verzekerd te zijn, verlieze men bij het graven niet uit het oog^ dat daarmede steeds van de laagste punten begonnen en aan den bodem der goot de vereischte helling ') gegeven worde, nadat ongeveer de gewenschte diepte bereikt is.

Zoodra een zeker deel van de leiding, bestemd voor de verzamelbuizen, gereed is, neemt het uitgraven der greppels voor de zuigbuizen een aanvang. De glooiingen van het terrein volgende, brengt men dit werk op dezelfde wijze tot stand als bij de hoofd-drain.

Een niet geheel te vermijden nadeel is het gewis,

!) Het nivelleeren drage men aan een nauwkeurig werkenden en met het nivelleeren bekenden metselaar op onder controle van een vertrouwd opzichter.

-ocr page 194-

174

dat de verzamelbuis niet toegedekt mag worden vóórdat al de zuigbuizen geplaatst en gedekt zijn.

Bestaat de ondergrond bijvoorbeeld uit klei of drijfzand en valt er regenachtig weder in, dan diene men, tijdelijk, van het laagst gelegen terrein af in de greppels buizen te plaatsen zonder deze evenwel met aarde te bedekken, daar zij later er uitgenomen en van het hoogstgelegen punt te beginnen in de greppel gelegd moeten worden. Wanneer in het zooeven genoemde geval de kanten mochten afbrokkelen, dan heeft het water in de buizen gelegenheid weg te vloeien, terwijl men de afgebrokkelde aarde kan laten liggen tot het definitieve leggen der drains plaats heeft.

Werkt men niet, zooals hier is aangeduid, dan heeft men aanhoudend de ingestorte aarde er uit te werken. Het zij hier opgemerkt, dat bij klei- en drijfzandbodems met veel zakwater, waar veel in den grond wordt gewerkt, later aanleiding kan bestaan tot verstoppingen. Voorzichtigheid zij dus hier zeer aanbevolen. In verband daarmede is het noodig het werk in den drogen tijd aan te vatten; niet veel in de leidingen te loopen; niet anders dan strikt noodigen arbeid daarin te verrichten ter voorkoming van vorming eener weeke massa; na elke geringe lengte van uitgraving het waterpas-instrument te gebruiken en de buizen onmiddellijk tijdelijk te leggen.

Is de bodem bovendien te week om het gewicht der buis en der daarboven aan te brengen laag te dragen, door welke omstandigheden verzakkingen ont-

-ocr page 195-

175

staan, dan gebruike men daartegen, om de drukking over een grootere uitgestrektheid te verdeelen als onderlaag bekapte bamboe, vlak gelegd, of wel hetgeen nog beter voldoet gezeefd grint ter dikte van 2^3 dM. in den grond gedrukt. Deze laag biedt eveneens het voordeel aan het water door te laten en leidt gemakkelijker tot goede resultaten.

Het nivelleeren en het plaatsen der drains is een werk, dat met de meeste zorg dient tot stand gebracht te worden, aangezien het hoofdzakelijk van deze werkzaamheden afhangt of er later verstoppingen ontstaan. Men wake er dus voor, dat er goed werk worde afgeleverd.

Is er ondergrondswater aanwezig, dan kan men uit den stand en de beweging er van ten duidelijkste ontwaren of er voldoend verval aangebracht is. Het water moet daarbij overal gelijkmatig snel afvloeien, zonder ergens een gladden spiegel te vertoonen, want deze wijst op een bepaald gebrek bij het nivelleeren, op eene inzakking in de leiding. Bij afwezigheid van ondergrondswater en groot verval daarentegen is het noodig, alvorens de buizen definitief te leggen, nog eens het nivelleer-instrument af en toe ter hand te nemen, om zich te overtuigen of het verval naar behooren is aangebracht.

Het plaatsen Heeft het uitgraven der goten van de laagste der buizen. punten af plaats, het leggen der bnizen daarentegen geschiedt van boven af, als volgt:

-ocr page 196-

176

Tegen de eerst gelegen buis wordt een steen geplaatst om het indringen van aarde als anderszins te voorkomen. Ligt de buis in een behoorlijken stand in het midden der goot, dan zet men de tweede er tegen en past haar zoo lang totdat de sponning op alle punten even breed is, daarbij niet uit het oog verliezende, dat, indien de buis niet recht is, de buiging steeds naar den kant van een der beide wanden gericht en de ligging niet hooger zij dan de reeds gelegde. Verder drukke men haar tegen de eerst gelegene een weinig aan. Past de buis niet, dan neemt men een andere en beproeft daarmede of het gewenschte resultaat kan verkregen worden. Op deze wijze ga men voort. De goedgelegde buizen zullen alsdan ongeveer komen te liggen, zooals onderstaande teekeningf aano-eeft.

ö o

Van boven in de greppel gezien.

Plaatst men de buizen, die meerendeels tengevolge van het branden krom getrokken zijn, met de buigingen naar boven of naar onder gericht, dan spreekt het van zelf, dat er verstoppingen zullen ontstaan, zoodra er voldoende zand tusschen de reten is gedrongen. Het kan voorkomen, dat men, ten gevolge der aanwezigheid van een grooten steen, gedwongen is geweest de greppel daar om heen te leggen, in dat geval

-ocr page 197-

177

moeten de aaneengeschakelde buizen een boog vormen. Zijn deze goed gelegd en neemt men er een uit, dan moeten de aangrenzende stukken zich mede in de hoogte laten lichten.

De beste wijze van verbinden der zuigbuizen met de verzamelbuizen, n. 1. wanneer voldoend verval aanwezig is, geeft onderstaande teekening aan.

Om deze verbinding tot stand te brengen, hakke men in beide buizen gaten ter grootte van den diameter der zuigbuis, plaatse de hoofdbuis even vele centimeters lager dan hare grootte bedraagt, passé de openingen daarna op elkander en sluite liet over de hoofdbuis schietende deel der zuigbuis met een steen al. Op deze wijze kan het water ongehinderd van de eene in de andere buis vloeien.

Is er gebrek aan verval, dan kunnen de zuigbuizen ook van ter zijde in de verzamelbuizen uitmonden. Onderstaande teekening maakt zulks duidelijk. Men heeft in dit geval er enkel op te letten, dat de zuigbuis niet de diameter der hoofd-drain vernauwt door er ruimte aan te ontnemen.

12

-ocr page 198-

178

Sluiten de buizen bij de sponningen tengevolge van bet slechte maaksel niet al te goed aan elkaar, dan kan men des noods hoogstens eeniofe klei tot teerensfanpf

«-gt; O O c~gt; O

van indringend zand aanwenden ; hooi, stroo, bladeren of dergelijke middelen worden daartoe niet aanbevolen.

De waarborg voor den duur van het draineeren ligt tevens in het gebruik van gerolde, aan de einden geflensde, goed gebrande buizen van goede klei vervaardigd. Ter besparing van kosten geschiedt de bereiding door een machine.

Verstop- Nog rest mij een paar punten bij de behandeling

pingen. van plaatsen der buizen te bespreken nl. het voorkomen van verstoppingen tengevolge van het indringen van kikvorschen, slangen, muizen, enz. en van de vorming van zouten. Ter voorkoming van het eerste gevaar heeft men de hoofd-drains wel eens voorzien van ijzergaas, maar dit is niet aanbevelenswaardig, daar men hierdoor wel de grootere dieren eruit houdt, maar niet de jonge kleinere, aan welke, later grooter geworden, de gelegenheid benomen wordt zich uit de hoofd-drains te verwijderen en wanneer zij sterven verstoppingen te voorschijn roeipen.

Om aan de dieren de gelegenheid te verschaffen zich in de buizen om te keeren en zich te verwijderen, raadt men het gebruik van groote verzamelbui-zen aan en wanneer daaróp de zuigbuizen geplaatst worden, dan valt het den dieren gewis moeielijk zich in de nauwe openingen der zuigdrains te werken. De

-ocr page 199-

I*

179

practijk heeft dan ook bij velen bewezen, dat deze regeling tot nu toe goed voldoet.

Ter verzekering van een ongehinderden afvoer met het oog op de mogelijkheid, dat bij enkele grondsoorten, ten gevolge van de aanwezigheid van opgeloste zouten, welke door het zakkende water uit den bodem worden medegevoerd, als daar zijn; ijzeroxydhydraat, kalk en dergelijke, afzettingen plaats vinden, of wel ter voorkoming van het ontstaan van wier, neme men geene buizen, die al te groot zijn, maar liever van voldoende wijdte, want deze dragen bij tot tegengang van de vorming der zoo even genoemde verontreinigingen, omdat de wanden der buizen bij voldoend verval schoon gespoeld worden, waartoe hevige regenbuien zullen medewerken.

Versnelling Ofschoon wij kunnen aannemen, dat een opvulling

van den der greppels van enkele aarde Poede resultaten voor waterafvoer.

het drameeren oplevert, met het oog op de ondervinding in het meer of min tropische deel van de Ver-eenigde Staten van Noord-Amerika met zijn grooten regenval, en de resultaten, die er in Europa mede verkregen worden, zal het toch bij kleigronden in enkele gevallen geen nadeel doen, maar een geoorloofde voorzichtigheid zijn, indien de snelheid van waterafvoer uit de bovenlaag, gelijk de ondervinding aantoont, bevorderd wordt. Hiertoe bieden bestaande open goten, gediend hebbende voor afwatering, een zeer geschikte gelegenheid aan het water naar de aan te leggen

-ocr page 200-

0

180

aarden buizen te voeren: ten ie. omdat de uitgraving voor een deel reeds bestaat en de greppel slechts verbreed en verder uitgediept behoeft te worden; ten 20. omdat, daar bereids waterkanaaltjes in een deel van den bodem gevormd zijn, de loop van het water naar de buizen vergemakkelijkt is en deze dus spoediger het water tot zich kunnen zuigen dan wanneer de waterkanaaltjes nog niet aanwezig zijn.

Sommigen beweren, dat de snelheid van het opnemen en afvoeren van regenwater bij enkele waterhoudende, moeielijk water doorlatende kleigronden bevorderd wordt door de ruimte aan weerszijden en op de buizen met fijn grint ter dikte van ± i d. M. naar gelang van het geringere vermogen van den bodem water door te laten, op te vullen en het overige deel van de greppel met aarde.

Het vullen Het vullen der greppels geschiedt op de volgende

Ier greppels. wijze; fen einde het breken of verplaatsen der buizen te voorkomen, late men aanvankelijk voldoende fijne aarde in de greppels vallen om aan weerszijden der buizen de ruimte te vullen. Deze gestorte aarde wordt daarna op dusdanige wijze zachtjes aangestampt, dat de buizen vast komen te liggen. Over deze laag en op de buizen storte men weder eenige fijne aarde en vuile de greppel successievelijk meer en meer op tot de oppervlakte bereikt is. Hier wordt, daar losgewerkte aarde een grootere ruimte inneemt dan vóór de uitgraving, een geringe ophooging aangebracht,

-ocr page 201-

181

welke later, wanneer de regens vallen, de ontstaande inzakking aanvult.

Ik erken, dat, om tot een proefneming over te gaan, een groote mate van vertrouwen op het welslagen er van wordt vereischt, aangezien, indien de proef mislukt, het geld als weggeworpen kan beschouwd worden. Maar tevens vlei ik mij met de hoop den lezer de overtuiging geschonken te hebben, dat het tegenwoordige gebrekkige systeem van draineeren door middel van open goten, hoe eerder des te beter, verlaten moet worden, om eene meer aan het doel beantwoordende met zorg daarvoor in de plaats te stellen, waartoe buis-draineering in de eerste plaats in aanmerking komt.

Dat velen tegen de nieuwe wijze van draineeren hunne bezwaren zullen aanvoeren en het oude spreekwoord ,,elke verandering is nog geen verbetering,quot; te berde zullen brengen, betwijfelt schrijver niet, maar hij deelt tevens de overtuiging, dat hoe meer men met de nieuwe wijze van draineeren vertrouwd geraakt, des te meer men haar zal waardeeren als een onmisbare verbetering bij den verbouw van verschillende gewassen, evenals de Europeesche wijze van suiker-fabriceeren eene verbetering was, welke thans op Java zeer veel toepassing vindt op het suikerriet en waarvan schrijver dezes in de jaren 1875 en volgende

-ocr page 202-

182

een voorstander was. Hij herinnert zich nog- zeer goed de onjuiste meeningen van vele planters, als hij voor het nieuwe eene lans brak.

Maar thans kan hij er met genoegen op wijzen, dat hoe meer men met het nieuwe vertrouwd geraakt, de overtuiging veld wint, dat de perzik, waarvan onze dichter Van Alphen gewaagt, naar meer smaakt. Moge het ook aldus bij de toepassing van buis-drainage zijn. Hiertoe den stoot te geven is het doel van dit hoofdstuk en wanneer dit bereikt is, dan heeft het voldoende nut gesticht.

-ocr page 203-

HOOFDSTUK VIII.

MESTSTOFFEN, BEMESTING EN RESTAURATIE VAN DEN BODEM.

§ i. ALGEMEEN OVERZICHT.

Meststoffen worden op den grond verspreid, in den grond gebracht en daarmede verwerkt, om tot voedsel te dienen van planten, die men wenscht te teelen. Zij worden verdeeld in natuurmest en kunst- of mineralen mest. De eerstgenoemde wordt gevormd door vergane planten, dierlijke uitwerpselen, bloed, beenderen, etc.; onder laatstgenoemde verstaat men stoffen, aan welke een zekere samenstelling gegeven is door menging van minerale en andere stoffen, of welke uit een of meer mineralen bestaan.

Natuur- en Kunstmest.

Elementen en hunne verbindingen.

Evenals alle stoffen bestaat mest uit elementen. Elementen noemt men in de scheikunde stoffen, die met al tie ons ten dienste staande middelen hardnek-

-ocr page 204-

184

kig weerstand bieden aan een ontleding in meerdere ongelijksoortige bestanddeelen. Hnn aantal is tot nu toe beperkt tot 64. Voor planten neemt men algemeen aan, dat in dezen of genen vorm 18 verschillende elementen kunnen voorkomen, zelden echter enkelvoudig, meestal in verbinding met elkander en wanneer het eerste geval soms plaats vindt, dan beschouwt men zulks als een toevallige omstandigheid, geenszins als een gewonen stand van zaken.

Gezegde achttien elementen ontleenen de planten aan de lucht of aan den bodem. Men verdeelt ze in twee hoofdsoorten, nl. in metaalaar dige en niet metaalaar dige.

Deze verdeeling in het oog houdende, zijn de elementen, die voor de samenstelling van planten dienen, de volgende:

Nikt metaalaardige.

Gasvormip-,

Stikstof N.

Waterstof H.

Zuurstof O.

Chloor Cl.

Vaste.

Jodium j.

Bromium Br.

Zwavel S.

Koolstof C.


Phosphor P.

Silicium Si.

Metaalaardige.

Kalium (potassium) Natrium (sodium) .

Calcium.......

Aluminium.....

Magnesium ....

K.

Na Ca. Al. Mg.

-ocr page 205-

185

Mangaan Koper . Ijzer. . .

Mn. Cu. Fe.

De stoffen, die uitsluitend in bewerktuigde wezens voorkomen en door stofwisseling- ontstaan, noemt men bewerktuigde {organische) zelfstandigheden en men stelt ze tegenover de onbewerktuigde [anorganische) die in het rijk der delfstoffen voorhanden zijn. Niettemin vindt men ook onbewerktuigde stoffen in bewerktuigde lichamen en de scheikundige elementen der bewerktuigde natuur zoekt men in de onbewerktuigde stoffen niet te vergeefs.

Bij verbranding van bewerktuigde [organische) zelfstandigheden ontsnapt een deel in gasvorm, een ander deel blijft als asch, als anorganische stof achter.

Dit ter bepaling der woorden organisch en anorganisch, waarvan wij meermalen gebruik zullen maken.

De hoofdmassa eener plant, in volume zoowel als in gewicht, vormen ongetwijfeld de zoogenaamde orga-nogenen koolstof, zuurstof, waterstof en stikstof.

Deze stoffen vereenigen zich in 2 klassen van lichamen, n.1. geen stikstofhoudende en stikstofhoudende. Tot de eerste behooren, zetmeel, suiker, gom en. cellulose, want daarvan zijn de samenstellende elementen koolstof, zuurstof en waterstof (Cn O,, H,,). Vezelstof, caseïne, eiwitachtige stoffen, legumine enz. behooren tot de stikstofhoudende groep, dewijl deze bestaan uit verbindingen van koolstof, waterstof, zuurstof en

stikstof. (Cn Hn O,,) N,,.

-ocr page 206-

186

Behalve genoemde organische stoffen, die alle in den bodem, in den dampkring (deze bestaat hoofdzakelijk uit 79 pCt. stikstof en 21 pCt. zuurstof) en in het water gevonden worden, bestaan er, zooals wij bereids zagen, anorganische stoffen, die door de planten door middel van hare wortels niet uit de lucht maar uit den grond getrokken worden. Bij sommige planten zijn kalk, potasch en kiezelzuur een voornaam bestanddeel, gelijk bijv. zooals wij hieronder zullen zien, bij de indigostruik het geval is; bij andere daarentegen potasch, zwavel enz. of gecombineerd.

Gaat een der bovengenoemde metaalaardige elementen met een zuur een verbinding aan, dan wordt daaruit een zout afgescheiden. Nemen we bijv. zoutzuur — een zuur, dat tot formule heeft HC1 — bestaande uit waterstof en chloor — en voegen wij daarbij natrium, dan wordt onder scheikundige werking de waterstof er uit gedreven en er vormt zich natrium-chloride of chloornatrium (NaCl), dat onder de alge-meene benaming van keukenzout bekend is. Uit een verbinding van een der metaalaardige elementen met zwavelzuur (H2 S04) ontstaan door substitueering van de waterstof (H) door het metaal, de sulfaten, met salpeterzuur (HNO,) 0P dezelfde wijze de nitraten, enz.

Enkele elementen komen slechts in zeer geringe hoeveelheid in de planten voor, gelijk onder andere met jodium en bromium het geval is, andere daarentegen steeds en dan somwijlen in groote mate. Dit is bijvoorbeeld het geval met calcium (Ca) welk

-ocr page 207-

187

element clan gewoonlijk in verbinding met zuurstof (O) als calcium-oxyde of kalk (CaO) daarin voorkomt of ook wel met een andere stof. Met koolzuur (H3 C03) verbonden geeft het calcium-carbonaat of kalk-carbo-nas.t, met phosphorzuur het calciumphosphaat of kalk-phosphaat. Eene groeiende plant heeft deze en nog eenige andere verbindingen noodig als sulpho-kalk-phosphaten (beenderen opgelost in zwavelzuur) phosphorzuur en zwavelzuur.

Koolstof, In hoofdzaak vinden de meeste plantaardige stoffen

Zuurstof, gelijk wij zooeven meldden, haar ontstaan in de Waterstof en b J J

Stikstof. elementen koolstof, zuurstof, waterstof en stikstof.

Deze elementen kunnen zich op verschillende wijzen met elkaar verbinden, maar hierbij verdient opmerking, dat zij in planten de medewerking van de zwavel voor de vorming van alle protoplasma noodig hebben. Zij worden door de plant zoowel door de wortels als door de bladeren in gasvormigen staat opgenomen. De dampkring, welke koolzuur, water, ammonia als bimaire verbindingen opgelost houdt, biedt hiervoor gelegenheid aan,

Voor de ademhaling der plant is de zuurstof der lucht niet minder noodzakelijk dan bij de dieren, maar voor de opbouwing van het individu draagt in het bijzonder de koolstof van het koolzuur (COs) bij, dat uit de lucht of wel door de wortels uit den bodem wordt opgenomen. Dat planten in staat moeten zijn het koolzuur te ontleden is door proeven uitgemaakt, waarbij men bevond.

-ocr page 208-

188

dat de hoeveelheid zuurstof, welke uitgestooten werd, gelijk is aan die, welke in de opgenomen hoeveelheid koolzuur werd aangetroffen.

Deze eigenaardigheid, n.1. de koolzuur (kooldioxyde) te ontleden, wordt teweeggebracht door de groene levende bladeren; verdroogde bladeren missen haar, maar ook levende zijn niet in staat het kooldioxyde te ontleden, wanneer zij in een medium van zuiver koolzuur geplaatst zijn.

Alle deelen van een plant nemen in het licht zoowel als in het donker zuurstof op en stooten koolzuur uit. Deze eigenaardigheid der planten noemt men ademhaling; zij hebben die met de dieren gemeen. Alleen bij de chlorophyl houdende cel heeft men tot nu toe in het licht nog geene ademhaling kunnen waarnemen, daar in dit geval de cel de eigenschap vertoont kooldioxyde op te nemen en bij de assimilatie hiervan zuurstof vrij komt.

Het opnemen van zuurstof vindt plaats met evenredig verlies van kooldioxyde, ten koste van reeds opgenomen koolstof. De gedurende den nacht verbruikt wordende koolstof schijnt des morgens binnen een half uur weder hersteld te worden, terwijl een deel van het bij nacht afgestane koolzuur afkomstig uit den grond, van waar het werd opgenomen, naar de bladeren afgevoerd en door deze uitgestooten wordt.

Van waar de waterstof af komstig is, is niet moeielijk uit te maken, en wel, omdat men heeft kunnen aan-toonen, dat de planten soms meer zuurstof uitstooten

-ocr page 209-

189

dan zij in het koolzuur opnemen. Dat meerdere deel moet zijn ontstaan te danken hebben aan het ontlede water, waarbij de vrij geworden waterstof voor een groot deel tot de vorming van onderscheidene stikstof en koolstof houdende stoffen (koolhydraten) zal bijdragen.

Ofschoon voor het plantenleven zuurstof eene onmisbare stof is, zoo kan een plant haar toch gedurende korten tijd ontberen.

Heeft men kunnen aantoonen, dat de eenilt;re bron voor

' O

de koolstof bij planten het koolzuur is, van de stikstof kon men voor weinige jaren nog niet het bewijs leveren, dat zij uit de lucht opgenomen wordt. Maar ook dit vraagstuk is thans opgelost, want ik lees in de Cornptes Rend us de V Académie des Sciences, dat „verscheidene onderzoekers in de laatste jaren aangetoond hebben, dat peuldragende gewassen (Leguminosen) in staat zijn de gasvormige stikstof der atmospheer op te nemen, iets wat met behulp van zekere microorganismen, wier tegenwoordigheid door het optreden van knolletjes aan de wortels zich openbaart, plaats vindt.

„Over het feit zelf kan moeielijk twijfel meer bestaan. Waar het echter een zaak geldt van zoo groot belang voor een juist inzicht in de voeding der plant, dient men de bewijsgronden veelvuldig en zoo afdoend mogelijk te maken.

„Men heeft bij de bedoelde onderzoekingen tot nog toe steeds gebruik gemaakt van de indirecte methode, bij welke de opneming der vrije stikstof werd gecon-

-ocr page 210-

190

cliideerd uit de resultaten der gezamenlijke analysen van bodem, zaad en plant. Het spreekt echter van zelve, dat men ook een directe methode kan volgen, waarbij men Legiiminosen laat groeien in een bepaalde en in samenstelling nauwkeurig bekende lucht; uit vergelijkende analysen dier lucht vóór en na de proef moet dan het directe bewijs vallen af te leiden, dat de plantjes, welke tijdens de proef zijn gegroeid, vrije stikstof uit de lucht hebben opgenomen. Dit directe bewijs is thans geleverd in eene mededeeling gedaan door Th. Sciiloesing Jr. en Em. Laurent aan de Fransche Akademie van Wetenschappen den i7e11 November 1890.quot;

Warmte en Werd zoo even er op gewezen, dat de lucht voor

Chiorophyl een q-oecle ontwikkeling der plant noodzakelijk is, met kleurstof 0 . . .

de warmte is het niet minder het geval. Ofschoon

niet alle planten beide factoren in dezelfde mate noodig

hebben voor haar bestaan, en de eene meer van den

eenen dan van den anderen noodig heeft, zoo eischt

toch het meerendeel beide. Tot de categorie gewassen,

welke beide factoren noodig hebben, reken ik in het

bijzonder de Guatemala indigo.

In de laag gelegen warme streken van Java levert zij om die reden naar gelang van de vruchtbaarheid des bodems de grootste producties.

Opmerkelijk is zeker ook ten aanzien van de Guatemala indigo het feit, dat zij in beschaduwde gedeelten van een veld wel snel opschiet, maar aan

-ocr page 211-

191

gehalte van het incHgowekkend beginsel verliest. Of dit in verband staat met de vorming van de chlorophyl kleurstof, daarover zal bij de fabricage bet een en ander gemeld worden. Voorloopig echter wijs ik op het feit, dat de chlorophyl kleurstof in bijzondere cellen is besloten; dat de bladorganen aan haar hunne tinten danken; dat zij op een enkele uitzondering na onder het licht geboren wordt en, waar zij dit ontberen moet, verdwijnt; dat, waar de sapbeweging afneemt en eindelijk stilstaat, het chlorophyl niet meer gevoed wordt en alsdan een ontleding ondergaat, zoodat in de gele bladeren slechts phylloxantine is aan te toonen. Ook de warmte speelt bij de eigenaardig groene tint der bladorganen een belangrijke rol. „Bij gelijke lichtsterktequot;, zegt dr. K. W. van Gorkom in zijne Oost-[ndische Cultures, „staan de ontwikkeling en de groene kleur der gewassen in verhouding tot den graad van warmte. Natuurlijk zijn ook voor deze wet weder grenzen en wordt zij bovenal beheerscht door de sapbeweging in de planten.quot;

Wat heeft men bij bemesting in het oog te houden?

Houden wij bij de beschouwing van het vraagstuk der bemesting in de eerste plaats in het oog, dat, waar het evenwicht in den bodem verbroken is, men aan dezen moet teruggeven, wat hem is ontnomen en in de tweede plaats, dat een meststof, wil zij aanspraak maken op den naam van goed plantenvoedsel minstens uit één, beter nog uit meer elementen moet bestaan, waaruit de plant, die zij voeden zal, samengesteld

-ocr page 212-

192

is en dan liefst zooveel mogelijk in dezelfde verhouding als waarin zij in de te voeden plant aanwezig zijn.

De beste meststoffen vindt men om die reden onder den natuurmest, terwijl tot de kunstmeststoffen, ook wel mineralen mest genoemd, gerekend worden de sodanitraten (salpeterzure soda zouten, NaNOa) kalk-sulphaten (zwavelzure kalkzouten of gips, CaSO-i) (koolzure kalk CaCO;,).

Natuurmest bestaat gewoonlijk uit plantaardige stoffen en bevat om die reden de elementen, welke geschikt zijn daaruit weder andere plantaardige lichamen op te bouwen.

De excrementen van een dier met aardappelen gevoed bijvoorbeeld geworpen op en vermengd met den grond bevatten elementen, die voor den aardappelbouw noodig zijn in een verhouding, die betrekkelijk weinig van den aardappel zelf verschilt. Een os gevoed met knollen o-eeft g-oeden mest voor een knollenland,

O o

Het is echter een feit, dat al te dikwijls uit het oog verloren wordt, dat het uitwerpsel niet alle elementen, welke in het dierlijk voedsel aanwezig zijn, bevat, en dat in de urine sommige elementen voorkomen en andere in de vaste excrementen. Wanneer men nu slechts eene soort van uitwerpselen gebruikt, dan heeft men zeker verlies, omdat de planten de elementen in dezelfde percentage gebruiken.

Over het algemeen kan men aannemen, dat twee planten van dezelfde soort nagenoeg dezelfde samenstelling hebben, al zijn die geteeld op gronden, die in

-ocr page 213-

103

hun scheikundige samenstelling en natuurkundige eigenschappen, als: vast- of losheid, de kleur, het vermogen om vochtigheid te binden, verschillen- ^ Nemen wij nu in verband met dit idee twee gelijksoortige planten, die beide een groote hoeveelheid phosphorzure kalk (Cag Pj O.,) eischen; de eene late men groeien in grond toebereid met mest, welke alle anorganische stoffen in de vereischte evenredigheid bevat en de andere in een grond, welke die stoffen in dezelfde verhouding bezit, doch phosphorzure kalk1) in mindere mate, dan zullen ten opzichte, van laatstgenoemde plant de stoffen in zooverre opgenomen worden als er phosphaat aanwezig is. De analyse van de anorganische stoffen in de plant voorkomende zal dan dezelfde zijn, terwijl de andere stoffen in den grond blijven. Dit zou ook het geval zijn met de phosphaten, indien deze in overmaat aanwezig waren. Uit dit een en ander volgt, dat niet alleen de elementen van eenig plantenvoedsel aanwezig moeten zijn, maar tevens zooveel mogelijk in de juiste verhouding, anders gaat de overmaat der stoffen verloren of zij is althans voor den in te halen oogst doelloos aanwezig.

18

1

) Voor hunne ontwikkeling moeten planten noodwendig phosphaten opnemen en daar deze in alle gronden zijn vertegenwoordigd, is dit een van de oorzaken, waarom genoegzaam alle bodems in meerdere of mindere mate geschikt zijn voor plantengroei.

-ocr page 214-

194

Dc vaste en vloeibare uitwerpselen van koeien bevatten geen of althans weinig beenderen-aarde, dewijl die stof in liet lichaam uit het voedsel is opgenomen tot vorming van de beenderen van het dier. Hier dient men alzoo beenderen mest aan te brengen, vooral wanneer de plant een groote behoefte daaraan heeft.

Gebruikt men paardemest, dan zijn dc meeste anorganische stoffen aanwezig. In het algemeen echter lie vat de mest van dieren, die met gras, hooi en stroo voor een deel gevoed worden silicium in groote hoeveelheid. In de gevallen, waarin de dieren gevoed worden met groenten en efranen of niet stoffen, die daarvan afkom-stig zijn, komen de bedoelde stoffen in mindere, maar voldoende hoeveelheid voor. De menschelijkc uitwerpselen behooren vooral tot die klasse.

§ 2. DE BEMESTING DER INDIGOVELDEN.

In verband met hetgeen in het vorig hoofdstuk over mes is toffe n en daarmede in betrekking staande onderwerpen medegedeeld werd, wensch ik in dit hoofdstuk de bemesting der indigo-velden te behandelen.

Om te weten wat de opbouw der indigo-plant ver-eischt, laat ik hare scheikundige samenstelling1) volgen, ontleend aan een opgave van Sciirotticy, die, zooals

') Nauwkeurige analyses betreffende de samenstelling van de Guatemala indigo zocht ik te vergeefs, reden waarom ik mij bepalen moet tot de mededeeling eener analyse van eene variëteit, die de Guatemala vrij wel nabij komt.

De uitwerpselen van

koeien, paarden en

tncnsdien.

-ocr page 215-

195

gemeld, zijn onderzoekingen deed in Bengalen, waar de Indigofera tinctoria vrij algemeen geteeld wordt.

Volgens dezen onderzoeker bestaan 100 dealen van de in de zon gedroogde plant uit:

Water.........8,20 pCt.

Albumen........1,21 „

Zetmeel en gom.....5,56 „

0,32 0,51 75.45

H.75

2,10 20,25 5.20 6,13 3gt;20 8,10

2,15

0,92

26,34

Suiker........

Olie........

Houtige vezel.....

Asch........

Totaal 100,00 pCt. In 100 deelen van de asch werden gevonden:

Potasch........25,61 pCt.

Soda........

Kalk........

Magnesia......

Phosphorzuur.....

Zwavelzuur......

Koolzuur

Chloor ... ...

IJzer-oxyde......

Kiezelzuur......

Totaal

100,00 pCt.

Uit deze analyse blijkt, dat de houtige vezel en de asch de grootste hoeveelheid stof voor de samenstelling der plant leveren en in de asch de potasch, de kalk ^n het kiezelzuur.

-ocr page 216-

196

Gaan wij thans na wat aan den grond onttrokken wordt en wat aan dezen teruggegeven' kan worden.

Wat wordt aan den grond onttrokken en wat kan daaraan teruggegeveii worden?

De in ons Indië wel bekende heer Sayers geeft als uitkomsten van zijne analyses van eenige monsters indigo van de in Soerakarta gelegen ondernemingen;

4,5368

231445'

Gajamprit.

Gemampir.

Water...............

7,0689

5/)2 60

5,2044 4,0630

4,0630

Minerale zouten.......

6,6632

6,8399

7,1067

2,1 I4I

2,0283

Blauwe stof (indigotine)

73,143!

67,0493

72,5706

69.7397

66,9282

Andere stikstofhoudende

1

bestanddeelen (lijmstof.

1

indigobruin, roode in

) 1-5,1248

to O 4^ cc 4^

CC

i5,ïl83

24,0832

26,9805

digo, hars) groene

i

kleurstof............

1

100,00

100,00

100,00

100,00

100,00

en van indigopap van Gajamprit

Geheel van water

bevrijd.

Water......................

Minerale zouten.............

Indigotine..................

Andere stikstofhoudende stoffen enz. als boven.............

80,6455 1,3665 13,4512

7,0604 694945

Het indigoblauw, het hoofdbestanddeel van de handelsindigo, heeft tot formule C16 Hs NO,, waaruit

-ocr page 217-

197

blijkt, dat de stof samengesteld is uit koolstof, waterstof, stikstof en zuurstof, elementen, die in groote hoeveelheid in de plant aanwezig zijn, gelijk de analyse door Schrottky verricht, aangeeft.

Een uitgestrektheid van een bouw met Guatemala-indigo beplant levert na verwerking van het blad hoogstens 70 KG. indigo uit, dus in verband bijv. met de bovenstaande analyse der indigopap aan;

70

minerale zouten . . . 7,0604 X —- = 4,94228 Kg.

70

indigotine.......69,4945 X 7^5 ^ 48,64615 „

andere stikstofhou- i -0

dende stoffen enz. 23,4451 X — = 16,41157 „

als boven. ) 100---

Totaal . . 70,— Kg.

Het komt mij voor, dat door de onttrekking van deze hoeveelheden of juister van slechts 50 60 Kg. indigo, de gemiddelde productie per bouw en per jaar van een onderneming met uitstekende gronden, deze onmogelijk zoo uitgeput kunnen geraken, dat dequaliteit van den bodem en de opbrengst aan indigo binnen eenige jaren er nadeel van ondervindt. Wel is naar mijn oordeel een geringer product te verwachten, wanneer men den afval, titen ^ en lohor benevens de wortels en stronken aan den grond ont-

!) Met de benaming titen worden door den inlander het uitgetrokken blad en de stengel der indigo-plant na de fermentatie aangeduid.

s) Het extract uit blad en stengel, na afzondering der verfstof.

-ocr page 218-

198

trekt. Deze stoffen vertegenwoordigen in gewicht in vergelijking v;in de indigo-opbrengst een hoog cijfer, als wij het feit voor oogen houden, dat van een bouw per drie sneden enkel aan bladeren, bloemen en houtige deelen (gedroogd) -f 200 pikols kunnen geoogst worden ; voegen wij hierbij een hoeveelheid aan stronk en wortel (gedroogd) van naar schatting 50 picols, dan verkrijgen wij een totaal van 250 pikols vruchtbare bestanddeelen.

Wordt echter deze hoeveelheid minus het gewicht aan indigo stof aan den grond op een behoorlijke wijze en op de juiste plaats teruggegeven, dan geloof ik te mogen aannemen, dat men over uitputting van den bodem niet zal te klagen hebben, wanneer buitendien regels van landbouw toegepast worden, die in de prac-tijk bleken nuttig te zijn, gelijk de uitkomsten bij zorgvuldige bebouwing en bemesting bij andere cultures verkregen, zouden kunnen leeren.

Heeft er bij toevoeging van goeden mest aan den bodem achteruitgang, of, zooals men wil, verbastering-der plant plaats, dan komt het mij rationeel voor deze te zoeken, hetzij in verkeerde behandeling van den mest of van den bodem, hetzij in de levens-energie der plant.

Om niet in herhaling te vervallen, ga ik het laatstgenoemde onderwerp, dat reeds in hoofdstuk IV werd besproken, met stilzwijgen voorbij om omtrent bemesting en in nauw verband daarmede, omtrent restauratie van den bouwgrond, nog het volgende op te merken.

-ocr page 219-

199

Bemesting De indigoplant heeft, gelijk bij de grondbewerking

en rsstciu- • •

medegedeeld werd, voor hare ontwikkehnpf liefst lossen ratie van 0 0

den grond. grond. De werkwijze, daar ter plaatse medegedeeld, steunt op deze aangelegenheid.

Het spreekt van zelf, dat benevens dien poreuzen toestand voldoende voedende bestanddeelen door de plant verlangd worden. Vindt zij deze niet in den bodem in voldoende mate of in de voor haar bestaan gunstige omstandigheid, dan moet men trachten dien toestand te ontwikkelen door bewerking en bijvoeging-van stoffen, die het gewenschte resultaat te weeg-brengen. Zij worden alsdan onder het bereik van de plant geplaatst en wel in die evenredigheid, waaruit hare samenstelling verklaard wordt, op een diepte van hoogstens 2 Rijnl. duim onder de bouwkruin, dus op hoogstens 6 è, 10 Rijnl. duim diepte ') ten einde den ondergrond, die zonder toevoeging van mest bij voortdurende cultuur het meest uitgeput zoude geraken, te onderhouden en niet al te veel onverweerde aarde aan de oppervlakte te brengen.

Men verlieze bij dit een en ander voorts niet uit het oog, dat er bij gebruik van open goten, wanneer regenbuien de bouwkruin doorweekt hebben, eene verplaatsing der lichtste en meest oplosbare deelen naar de oppervlakte plaats vindt en dat een diepe

') De meerdere of mindere diepte, waarop de mest gebracht wordt, hangt tevens af van den natuurlijken samenhang of de losheid van den bodem. Met het oog op deze omstandigheid plaatse men in lossen grond den mest diep en in een vasten bodem minder diep.

-ocr page 220-

200

ligging — bijv. van 6 a 10 Rijnl. duim — van den mest, naar gelang van los- of vastheid van de aarde, den ondergrond verbetert en tevens aan den bovengrond ten goede komt. Nog dient opgemerkt te worden, dat bij het loswerken van den akker het nuttig is den toegedienden mest, wanneer deze eenigszins vergaan is, in den ondergrond met de aarde te mengen, ten einde de werking meer gelijkmatig te doen plaats vinden.

Welk een hooge waarde titen en lohor voor den landbouw hebben, weten allen te beoordeelen, die dezen afval afkomstig uit de indigo-fabricage in den akker verwerkten.

Het verdient aanbeveling, dat men deze stoffen niet ieder afzonderlijk, maar zoo mogelijk beide op hetzelfde veld aanwendt. Bij urine en vaste dierlijke uitwerpselen vestigde ik in de vorige paragraaf er de aandacht op, dat beide stoffen gemengd op het land moeten gebracht worden en dat enkele urine of alleen de vaste uitwerpselen op een zeker stuk grond gebracht, niet de voordeelen opleveren, die men ervan verwachten kan. Ook bij de aanwending van liten houde men dit in het oog, daar de in lohor (uit de klopbakken afgetapt) voorkomende bestanddeelen de meest in water oplosbare stoffen uit den bast en het blad getrokken bevat.

Algemeen zal men mij, naar ik vertrouw, toegeven, dat aan de bemesting der indigovelden niet die aandacht wordt geschonken, welke het onderwerp

-ocr page 221-

201

zoo zeer verdient. Mijns inziens is het niet voldoende, dat men zich bepaalt tot het denkbeeld den afval terug te geven aan den grond, ook van het tijdstip en de wijze, waarop dat denkbeeld tot uitvoering gebracht wordt, hangt de goede uitslag af. Daartoe dient men de waardevermindering van den mest te voorkomen, de stoffen zoo spoedig mogelijk in tien grond te verwerken of wel op dusdanige wijze te behandelen, dat daarvan zoo min mogelijk verlies te verwachten is.

Dat het verlies aan organische stof niet gering kan zijn, is onloochenbaar, als wij hierbij in aanmerking nemen tot welke betrekkelijk geringe afmetingen vergane titen slinkt in verhouding van den omvang van versche titen, zooals o. a. blijkt uit het inkrimpen van titen-hoopen en als wij voorts hierbij de uitkomst van Schrottky's proef1) herinneren, waarbij opgegeven is, dat de gedroogde plant bestaat uit 8,75 pCt. asch, zoo-dat zich aan nuttige stoffen in het luchtruim kan verwijderen eene hoeveelheid van 83,05 pCt,, indien wij het water (8,20 pCt.) buiten rekening laten.

Ofschoon bij verrotting het ontledingsproces niet zoo snel plaats vindt als bij gloeiing der plantaardige stof, zoo kan men toch aannemen, dat de omzetting in een jaar tijds dusdanige vorderingen gemaakt heeft, dat de hoeveelheid verrotte titen tot op ongeveer het 2/s deel van het gewicht van versche is geslonken. Dit verlies van Vs deel werd veroorzaakt door het in gasvorm ontwijken van een deel der voorhanden zijnde orga-

1

) Zie pag. 195.

-ocr page 222-

202

nische stoffen, welke, wanneer de versche titen in den grond ware gebracht, een nuttig effect hadden kunnen te weeg brengen.

Het verlies bedraagt voor eene onderneming van ioo bouws aanplant (opleverende 40 kar stengel en blad per bouw, dus in het geheel 4000 kar) 1334 karladingen, welke eene waarde vertegenwoordigen van f 2668, indien men de waarde op f2.— per karlading aanneemt, een prijs, die voor een karlading betaald werd.

Deze opmerkingen breng ik onder de aandacht van hen, die de versche titen op één hoop gooien en geen middelen aanwenden om de zich ontwikkelende gassen kooldioxyde, ammonia enz. te binden in aarde of op te lossen in water. Bekend is het immers, dat het kooldioxyde de silicaten oplost, dat door ammonia als meststof te bezigen de bladontwikkeling van planten ten zeerste bevorderd wordt. Daar bij de indigostruik vooral de bladontwikkeling moet bevorderd worden om tot een hooge indigo-opbrengst te geraken, is het duidelijk, welk nuttig effect versche titen door haar betrekkelijk groot ammonia-gehalte zal teweegbrengen.

Ook om de andere in de titen en lohor aanwezige stoffen — er is bij de indigo-afscheiding immers slechts eenige koolstof, waterstof, stikstof en zuurstof afgegaan •—- zijn deze meststoffen volgens de boven gegeven analyses van groote waarde.

De duur van het rottingsproces is, onder gunstige omstandigheden aan atmospherische invloeden onder-

-ocr page 223-

203

worpen, ruim een jaar. Hierbij graan zooals sfezegd, gassen verloren. Om die reden is het aan te bevelen de titen als bemesting op de velden vóór de beplanting met rijst te brengen, een product, dat zooals wij later zullen ontwaren, als wisselbouw bij de indigocultuur groote waarde bezit, wellicht, omdat behalve andere later te noemen redenen de nagebleven wortels der geoogste indigoplanten en de in den bodem gebrachte titen geen rottings-proces zoozeer ondergaan dan wel een verweerings-proces, tengevolge van de afsluiting der lucht door het op de velden zich bevindende water, evenals zulks bij de vorming der venen heeft plaats gehad en waardoor hun ontstaan verklaard wordt. Ondervindt de uitvoering van een dergelijken maatregel als de verwerking van versche titen op de sawah's ^ in de practijk overwegende be zwaren, dan legge men in de nabijheid der te beplanten velden kuilen van i Rijnl. voet diep aan, werpe daarin de afgewerkte indigobladeren met stengel ter hoogte van i Rijnl. voet, overdekke deze hoeveelheid met een laag' aarde en doe zulks in dier voege om de beurt een laag titen en een laag aarde tot de hoop een voet of vijf hoogte heeft bereikt om haar ten slotte met aarde te dekken, zooveel mogelijk van de lucht af te sluiten, en zorg te dragen, dat er geene stoffen door water nutteloos weggevoerd worden.s)

1) Bewaterbare rijstvelden noemt men in het Javaansch sawah.

In Europa zou men bij elke laag titen gips (zwavelzure kalk, CaS04) gevoegd hebben. In hoeverre hiermede gunstige resultaten te verkrijgen zullen zijn, moet de ondervinding leeren.

-ocr page 224-

204

Nog eene andere wijze van het tegengaan van verlies aan organische stof komt mij voor voordeelen af te werpen, n.1. de titen door middel van water uit te trekken en het aftreksel (lohor) naar de velden af te laten vloeien. Om dit idee ten uitvoer te brengen, zou voldoend verval noodig zijn en een bak aangelegd moeten worden, waarvan de 4 zijden uit aarde of uit gemetselde steenen bestaan. Wel-is-waar wordt men hierbij verplicht uitgaven te doen voor den aanleg van den bak, maar men wint daardoor ongetwijfeld arbeidskrachten, — die bij afzonderlijke hoopen voor het beleggen en toedekken met aarde benoodigd zijn, ■— en transportkosten naar de velden uit.

Het uitloogen geschiedt volgenderwij ze: Men voorziet den niet titen gevulden bak van water, dat als aftreksel door een afvoerkanaal verder naar de rijstvelden geleid wordt. De overschietende vaste bestand-deelen worden later per kar naar den akker gebracht.

Acht men het noodig in den grond, in het bijzonder kan dit het geval zijn bij kleigronden, eene betere verdeelende werking te doen ontstaan, ten einde de physische hoedanigheden aan lossen grond eigen, te bevorderen, dan is er mijns inziens geen compost, die beter aan het doel beantwoordt dan die uit kalk en titen verkregen wordt. Daartoe bestrooie men slechts den akker met een weinig kalk of puin. Daar de kalk de ammonia uit de titen zoude drijven, acht ik de toevoeging van kalk op de titen-hoop minder raadzaam. Nog wensch ik hierbij op te merken, dat de omzet

-ocr page 225-

205

van titen in teelaarde door de kalk bespoedigd wordt en op kleigrond een betere werking zal uitoefenen dan op zandgrond, bij welke aardsoort de toevoeging van kalk zeer te ontraden is, omdat in deze grondsoort

' o

de toetreding van lucht in voldoende mate kan plaats vinden en dientengevolge de humus bestanddeelen spoedig genoeg omgezet worden.

De practijk heeft mij geleerd, dat met de toepassing van titen, van natuurmest in het algemeen, op zware gronden bij toediening van dezelfde hoeveelheid grootere voordeelen verkregen worden dan op zandigen bodem. Ik vermeen dit feit te moeten verklaren uit de omstandigheid, dat klei door haren grooten samenhang het indringen van lucht meer of min belet en het verrottings- of oxydatie-proces er langzamer in plaats vindt, ten voordeele van de plant, die in staat wordt gesteld het beschikbare voedsel geleidelijk op te nemen, terwijl in droge en lichte gronden, de organische stoffen spoediger verloren gaan.

Eenige belangrijke opmerkingen van den heer Muntz over groene bemesting, omdat de indigo tot de familie der Leguminosen (Papilionaceëen) behoort, vinden hier eene plaats. In het tijdschrift Comptes Reiidzcs de l'Académie des Sciences wordt over dit onderwerp het volgende gezegd:

„Gewoonlijk gebruikt men Leguminosen, die den naam hebben stikstof uit de omgeving op te nemen. Men maait den oogst, werkt dien onder de aarde en

-ocr page 226-

LOG

geeft op deze wijze een stikstofhoudendeii mest. Vooral op aan humus arme gronden, waarheen het vervoer van stalmest moeielijk of kostbaar is, bewijst deze bemesting groote diensten.

„Niet alleen wordt bij hare toepassing de grond verbeterd door toevoer van organische stof, die in staat is humus te leveren, maar ook door de snelheid, waarmede de stikstof uit de begraven planten tot salpeterzuur overgaat.

„Muntz nam vergelijkende proeven met ammonium sulphaat, met gedroogd bloed en groene bemestingen en koos de verhoudingen zoo, dat in i KG. aarde ) gram stikstof aanwezig was. Dan ging hij na hoeveel salpeterzuur na 3 maanden gevormd was.

„In een lichten grond, die 2 pCt. calcium carbonaat bevatte, werd gevonden;

bij gebruik van lupinen . . . . o, 183 j Gr. salp.z. „ „ „ gedroogd bloed . 0,161 per KG. „ „ „ ammonium-sulph.. 0,268 i aarde.

„Hier werkte groene-mest dus sneller dan gedroogd bloed.

„Met een zwaren grond, die weinig kalk bevatte, werd het volgende resultaat verkregen:

bij gebruik van lupinen .... 0,0880 j Gr. salp.z. „ „ „ gedroogd bloed . 0,0036 per KG. „ „ „ ammonium-sulph. 0,0051 ' aarde.

„Bij deze proef werkte de groene-mest dus veel sneller dan de beide andere soorten. De kleiachtige grond, die moeilijk toegang geeft aan de lucht en

-ocr page 227-

207

daardoor niet zeer geschikt is voor de nitrificatie, is door den groene-mest als 't ware losser gemaakt, zoodat de salpeterzuur vormende organismen er hunne werking kunnen verrichten.

„Bij cultuurproeven te Vincennes, in lichte gronden genomen, vond Muntz eveneens, dat groene-mest beter werkte voor de salpeterzuur-vorming dan gedroogd bloed en ook dat bij verbouwing van reuzenmaïs voor fourage de oogst berekend per hectare de volgende opbrengsten gaf:

bij bemesting met lupinen......78000 KG

„ „ „ gedroogd bloed ... 71500 „

„ „ „ ammonium-sulphaat . 66000 „

„ „ „ natriumnitraat . . . 78500 „

zonder bemesting. . . ......59800 „

„Uit deze resultaten kan men de gevolgtrekking maken, dat de werkzaamheid van groene-mest toegeschreven moet worden èn aan de gemakkelijkheid, waarmede versche plantenstoffen de stikstof van organische stikstofhoudende stoffen in salpeterzuur omzetten èn aan den gunstigen invloed, dien zij op de physische gesteldheid van den grond uitoefent.quot;

Ter bevordering der poreuziteit en van nuttige werkingen in den bodem, bezige men allen plantaardigen afval van den akker, als: stroo, enz., die niet van het veld verwijderd maar ondergeploegd moeten worden. Hierdoor geeft men de aarde terug wat haar onttrokken werd en voegt daaraan toe de nuttige stoffen, die

-ocr page 228-

208

direct of indirect uit de lucht gewonnen zijn. Door bijvoeging van verschillende ontbindende vegetale massa's wordt niet alleen de hoeveelheid teelaarde in tien grond vermeerderd, maar komt daarin een werking tot stand, gelijk wij bij de werking van humus zagen, niet alleen onmiddellijk, maar tevens voor eenigen tijd daarna, waardoor het mogelijk wordt de bouwaarde te verbeteren.

Vele planters zijn tegen het onderploegen of onder den grond brengen van vegetale massa's, vooral van padi-stroo, omdat, aldus beweren zij, door de rottende massa een gisting, een verzuring ontstaat, die een schadelijken invloed op het jonge gewas uitoefent.

Is dit in ieder opzicht mogelijk, nadat de plantaardige zelfstandigheden ondergeploegd zijn? is een vraag, die ik in de eerste plaats stel en in de tweede: ducht de boer hier te lande een dusdanige bemesting of niet?

Ter beantwoording van beide vragen begin ik met het verschil mede te deelen van bewerking van den akker hier te lande en op Java.

In Nederland wordt de grond droog beploegd, d. w. z. in den toestand, dien men op Java onder het woord „próquot; verstaat en biedt daardoor gunstige voorwaarden tot ontbinding der massa aan; op Java — ik bepaal mij slechts tot den verbouw van indigo als ter zake behoorende — in vele gevallen de sawah onvoldoende droog, zelfs nat.

Is de bovenlaag een noodzakelijk gevolg van deze

-ocr page 229-

309

werkwijze, hard geworden, en is voldoende toetreding van lucht daardoor verhinderd, dan is het natuurlijk, dat verweering en spoedige ontbinding niet bevorderd worden en in den bodem een greheel andere werkihsr

O O

ontstaat, dan men wenscht; dan is het mogelijk, dat er verzuring kan ontstaan, die nadeelig op de plant inwerkt. Bewerkt men echter den grond gelijk ik onder hoofdstuk VI „Het aanplantenquot; aangaf, dan vervallen alle nadeelen en treden de voordeelen op den voorgrond, omdat de toetreding van lucht, de oxydatie, het uitzuren van den bodem bevorderd worden. De practijk heeft mij in deze meening gesterkt.

Het moge voor landbouwdrijvenden in Indië vreemd schijnen wat de boer in Holland beweert, nl., dat een stoppelveld vóór den winter omgeploegd gelijk staat met een halve bemesting —■ en ik ben op grond mijner ervaring van meening, dat deze opinie wel eenigszins overdreven geacht kan worden, zelfs ook in Indië, waar een krachtigere omzetting van plant-aardigen en dierlijken afval plaats vindt dan in de gematigde streken — het feit, dat de boer in plant-aardigen en dierlijken afval meer voordeel zoekt dan in minerale bemesting, dient men in het oog te houden en al het mogelijke in het werk te stellen om verlies van plantaardigen of van dierlijken afval te voorkomen, waartoe het direct verwerken dezer stoffen in den grond zal bijdragen.

Naar aanleiding van bovenstaande beschouwingen wordt liet, vermeen ik, tevens duidelijk, dat verbranding

14

-ocr page 230-

210

van vegetale massa's ten sterkste te ontraden is. Hierdoor tocli worden aan den bodem de organische stoffen, die liet meest tot de opbouwing van de plant bijdragen, onthouden en schieten slechts de anorganische over.

Nog wensch ik er op te wijzen, dat men in Europa den sedert eeuwen gewaardeerden en proefhoudend gebleken stal- en plantaardigen mest door vervanging van enkele zouten als niet zeer doelmatig beschouwt, daar deze op den duur niet de voordeden opleveren, welke ervan verwacht worden. Vooral in Indië, waar zulke krachtige omzettingen in den bodem ten gevolge van de hooge temperatuur der atmospheer en der bouwaarde, plaats vinden, dient inen aan deze omstandigheid bijzondere aandacht te schenken.

Heeft men somwijlen onmiddellijk goede resultaten bij de aanwending van anorganische stoffen verkregen, ten gevolge van een sterke scheikundige reactie, welke in den grond werd te voorschijn geroepen, het is tevens duidelijk, dat ten gevolge van die aanhoudende sterke reactiën de grond uitgeput geraakt en jaren noodig zal hebben om zich te kunnen restaureeren, te eer, indien door overvloedige toevoeging eener soort mineralen mest een verhouding is ontstaan, die nadeelig op het product inwerkt. Hierbij heb ik voornamelijk het oog gevestigd op mineralen, die een nadeeligen invloed op den graad van zuiverheid van de plant, waarin de te fabriceeren stof zich bevindt, uitoefenen, iets, waardoor het somwijlen bezwaarlijk wordt de gewilde

-ocr page 231-

211

stof in de gevvenschte hoeveelheid er uit te winnen.

De suikerriet-cultuur, die op wetenschappelijke leest is geschoeid, kan dergelijke gevallen aanwijzen. Bij die cultuur heeft men met behulp der scheikunde kunnen aantoonen, dat de samenstelling van den bouwgrond somwijlen een nadeeligen invloed uitoefent op het zuiverheids-coëfficiënt van het sap, iets waardoor de fabricage van suiker soms zeer bemoeielijkt wordt, en in enkele gevallen den weg kunnen aanwijzen tot bereiking van betere resultaten. Dit idee overbrengende op den verbouw van indigo, zij het iederen planter aangeraden voorzichtig te zijn bij de aanwending van minerale stoften; deze zijn naar mijn meening in de meeste gevallen overbodig; omdat men in den afval, de titen en lohor, de bestanddeelen in de verhouding aantreft, die voor den opbouw der plant noodig zijn.

Stuit verbetering van den grond in menig geval op bezwaren van fmancieelen aard, toch kunnen er zich omstandigheden voordoen, waarbij het mogelijk is zonder al te groote kosten verbetering tot stand te brengen. Met het oog hierop teeken ik aan, dat men koude en zware kleigronden almede verbetert door toevoeging van zand en puin, waardoor de samenhang van den grond verbroken en het doorlaatver-mogen verhoogd wordt, en omgekeerd zandgronden door vermemnnpf met klei.

ö O

Gebrande aarde bevordert bij koude of zwaren grond de drainage en toetreding van lucht, maakt den akker warmer, rijker aan potasch, phoshorzuur en kool, stoffen,

-ocr page 232-

212

die cle vruchtbaarheid van den bodem zeer verhoopten,

o '

terwijl ten yevolge van het verbranden bestanddeelen, welke schadelijk op het plantenleven inwerken, vernietigd worden.

Ook verbetert men de velden door het braken. Maar hieraan hechte men niet de beteekenis van het aan zicii zelf overlaten van den akker, gelijk zij vrij algemeen in Indië wordt opgevat. Integendeel aan het braken ben ik zoo vrij een geheel anderen zin vast te knoopen en wel op grond mijner ervaring, dat ten gevolge van het braak laten liggen, d. w. z. tengevolge van het aan zich zelf overlaten van den bodem, de gronden in vruchtbaarheid verminderen. Om deze bewering te staven heb ik slechts te wijzen op de vele alang-alang velden, die, ondanks het braken gedurende een reeks van jaren heeft plaats gevonden, door geen enkelen vakman als uitnemend vruchtbaar zullen aangemerkt worden, maar veeleer als type eener onvruchtbare soort.

In verband met deze feiten, met de ervaringen bij wisselbouw opgedaan als anderszins, komt het mij rationeel voor aan het braken de beteekenis te hechten van het onthouden van het verbouwen van een zeker gewas — - dat gedurende jaren aangeplant aan den akker enkele bestanddeelen onttrok — benevens wisselbouw, die bijdraagt om het verbroken evenwicht te herstellen, gepaard met toevoeging van meststoffen, welke de gewenschte bestanddeelen in den bodem opbouwen.

-ocr page 233-

213

Als voorbeeld van wisselbouw voor peuldragende vruchten, waartoe de indigo behoort, noem ik de grassoorten als: rijst, suikerriet, etc.

De verbouw van tabak en katjang (aardnoten) producten, die een groote hoeveelheid stikstof eischen, is daarentegen als wisselbouw van indigo niet aan te bevelen, maar is geoorloofd, indien een zekere mate van rust aan de bouwaarde wordt gegund en deze weder opgebouwd is door de cultuur van rijst, waarbij bemesting met titen en lohor toegepast wordt.

§3. DE RIJSTCULTUUR ALS WISSELBOUW BIJ INDIGO AANPLANTINGEN.

Gelijk wij reeds onder het hoofdstuk „De bemesting der indigoveldenquot; zagen, wordt ten gevolge van den indigobouw aan den grond, indien men aan dezen terugschenkt, hetgeen men hem heeft ontnomen — een zaak, waaraan kan voldaan worden — slechts hoogstens 50 60 Kg. verfstof per bouw gemiddeld onttrokken. Een onmiddellijk gevolg met betrekking tot dit feit is, dat de cultuur van dit gewas, wat den achteruitgang van den bodem betreft, geen bezwaren oplevert, indien op behoorlijken wisselbouw gelet wordt, die aan den bodem gelegenheid schenkt de gewenschte bestanddeelen in behoorlijke verhouding te ontwikkelen.

-ocr page 234-

212

die de vruchtbaarheid van den bodem zeer verhoogfen, terwijl ten gevolge van het verbranden bestanddeelen, welke schadelijk op het plantenleven inwerken, vernietigd worden.

Ook verbetert men de velden door het braken. Maar hieraan hechte men niet de beteekenis van het aan zich zelf overlaten van den akker, gelijk zij vrij algemeen in Indië wordt opgevat. Integendeel aan het braken ben ik zoo vrij een greheel anderen zin vast te knoopen en wel op grond mijner ervaring, dat ten gevolge van het braak laten liggen, d. w. z. ten gevolge van het aan zich zelf overlaten van den bodem, de gronden in vruchtbaarheid verminderen. Om deze bewering te staven heb ik slechts te wijzen op de vele alang-alang velden, die, ondanks het braken gedurende een reeks van jaren heeft plaats gevonden, door treen enkelen vakman als uitnemend vruchtbaar zullen aangemerkt worden, maar veeleer als type eener onvruchtbare soort.

In verband met deze feiten, met de ervaringen bij wisselbouw opgedaan als anderszins, komt het mij rationeel voor aan het braken de beteekenis te hechten van het onthouden van het verbouwen van een zeker gewas — - dat gedurende jaren aangeplant aan den akker enkele bestanddeelen onttrok — benevens wisselbouw, die bijdraagt om het verbroken evenwicht te herstellen, gepaard met toevoeging van meststoffen, welke de gewenschte bestanddeelen in den bodem opbouwen.

-ocr page 235-

213

Als voorbeeld van wisselbouw voor peul dragende vruchten, waartoe de indigo behoort noem ik de grassoorten als: rijst, suikerriet, etc.

De verbouw van tabak en katjang (aardnoten) producten, die een groote hoeveelheid stikstof eischen, is daarentegen als wisselbouw van indigo niet aan te bevelen, maar is geoorloofd, indien een zekere mate van rust aan de bouwaarde wordt gegund en deze weder opgebouwd is door de cultuur van rijst, waarbij bemesting met titen en lohor toegepast wordt.

§3. DE RIJSTCULTUUR ALS WISSELBOUW BIJ INDIGO AANFLANTINGEN.

Gelijk wij reeds onder het hoofdstuk „De bemesting der indiofoveldenquot; zasfen, wordt ten sfevolsre van den

O O ' 00

indigobouw aan den grond, indien men aan dezen terugschenkt, hetgeen men hem heeft ontnomen — een zaak, waaraan kan voldaan worden — slechts hoogstens 50 h 60 Kg. verfstof per bouw gemiddeld onttrokken. Een onmiddellijk gevolg met betrekking tot dit feit is, dat de cultuur van dit gewas, wat den achteruitgang van den bodem betreft, geen bezwaren oplevert, indien op behoorlijken wisselbouw gelet wordt, die aan den bodem gelegenheid schenkt de gewenschte bestanddeelen in behoorlijke verhouding te ontwikkelen.

-ocr page 236-

214

Integendeel, ten gevolge van de aanhoudende toevoeging van lohor en plantaardigen mest als dien, welken tie indigostruik voortbrengt, zal de vruchtbaarheid van den akker er bij winnen. Ik teeken hierbij aan, dat de plant, behalve uit den bodem, stoffen uit de lucht opneemt en dat, wanneer het te velde staande product gesneden en dadelijk inden grond wordt gebracht, de hoeveelheid organische stoffen in den bouwgrond zou vermeerderen.

Dat voortgezette cultuur zonder wisselbouw den grond uitput is eenvoudig af te leiden uit het beginsel der logica : waar afgenomen en niet bijgevoegd wordt, de voorraad uitgeput geraakt. Door doelmatigen wisselbouw wordt den bodem de gelegenheid geschonken het evenwicht te herstellen. De practijk bevestigt deze stelling. Bij den verbouw van een gewas heeft men dus wisselbouw toe te passen.

In de vorige paragraaf raadde ik in het bijzonder als wisselbouw bij indigo de rijst aan, omdat ik de overtuiging heb, dat de verbouw dezer producten onder-ling een gunstigen invloed uitoefent. De ervaring heeft mij in deze opinie gesterkt. ^

Van der Pant, die den invloed der cultuur van indigo op die der padi 3) chemisch onderzocht, noemde haar nadeelig.

■O Ook in Europa is in land- en tuinbouw de nuttige invloed, die grassen en peulgewassen op elkander uitoefenen, bekend, bijv.: gras en klaver, graan en erwten of boonen, enz.

2) Rijst in den bolster.

-ocr page 237-

215

In aansluiting aan vorenstaande mededeelingen zullen wij eens nagaan of de proeven van Van dkr Pant aanleiding kunnen geven om absoluut te mogen beweren, dat de indigo-aanplantingen nadeelig op den verbouw van padi werken.

Gemiddeld vond Van der Pant aan blad en stengel van de indigoplant op 24 proeven genomen op vruchtbare en minder vruchtbare gronden per bouw :

i0. snede 3800 Kg.

2°. „ 4OOO „

30- » 294i gt;,

Van 20 proeven kwam daarvan gemiddeld:

aan V)1 aderen

bloemen

hout

i0. snede

... 44

2

50

ten honderd

2quot;.

... 41

1.4

57.6

J?

3e- „

... 36

0.5

63.5

»

Izoo per bouw:

aan bladeren

bloemen

hout

ie. snede

. . . 1672

76

2052

Kg.

0

20. „

. . . 1640

56

2304

30- „

. . . IO59

15

1867

De gemiddelde hoeveelheid asch, verkregen van zes bepalingen der versche plantendeelen bedroeg:

versche bladeren..... 3,16 %

„ houtige deelen . 2,41 % „ bloemen..... 2,36 %

i

-ocr page 238-

21G

De ascli bleek samengesteld als volgt:

ian bladeren

bloemen

hout

Kiezelzuur. .

. 0,64

2,l8

2,51

Kalk.....

. 24,68

25.53

28,38

Magnesia . .

• 5.82

3-34

3-34

Phosphorzuur

. 11,40

8,17

6,67

Potasch . . .

. 29,62

30,92

33,23

Koolzuur . .

■ 25,31

2i,59

21,70

Chloor ....

• 1,89

2,27

1,66

Zwavelzuur .

. 0,64

sporen

2,51

IJzeroxyde. .

-

!)

sporen

1° 1853 werden 73 proeven genomen met de padi-productie, die gemiddeld per bouw 1990 Kg. product gaven.

Vier proeven op 100 Kg. padi toonden aan: 65,97 rijst

16,36 bolsters en zemelen 3,— haren of naalden 14,67 stroo,

derhalve per bouw:

iSiS Kg. rijst,

326 „ bolsters en zemelen. 59 „ haren.

292 „ stroo.

De hoeveelheid asch bleek te bedraggen:

O

Van rijst........ 1,29 %

„ bolsters......,,

stroo........ 7,30 „

» haren.....11,03 „

-ocr page 239-

217

Deze asch was samengfesteld als volo t;

o ö

rijst

bolsters en zemelen

s'roo

haren

Kiezelzuur. . . .

• ii.51

91.87

53.89

53.03

IJzeroxyde. . . .

0,71

sporen

0,04

0,09

Kalk.......

7.51

0,80

4.47

4.54

Magnesia ....

• 17.05

0,41

4.96

4,20

Potasch.....

• 24.75

6,41

24.57

25.96

Phosphorzuur . .

• 37.22

0,51

10,01

9.99

Zwavelzuur . . •.

0,16

sporen

1,15

I.I7

Chloor......

0,09

0,91

I,02

..Ofschoon de padi, in verhouding tot de indigo, weinig stikstof noodig heeftquot;, zegt Van der Pant, „heeft zij groote behoefte aan oplosbare minerale stoffen en worden deze voor een groot deel door de indigo, ten nadeele der padi, aan den grond onttrokken. De invloed der indigo-cultuur op die der padi, moet derhalve hoogst nadeeligf o-eacht worden.quot;

O O ö

Werd aan de rijstvelden de afval bij de indigo-fabri-cage verkregen, gelijk in vroegere jaren het geval schijnt geweest te zijn, onthouden, dan ware deze stelling van Van der Pant te verdedigen, ofschoon de practijk ook zelfs in dat geval op betrekkelijk bevredigende resultaten kan wijzen, hetgeen wellicht voor een deel toegeschreven moet worden aan den toevoer van meststoffen, die door het bevloeiinyswater in oplossing of in zwevenden toestand gehouden worden.

Om de meening van Van der Pant te wederleg-

-ocr page 240-

218

gen en te doen uitkomen, welk nuttig effect de cultuur van indigo op die van de padi heeft, ga ik na wat er gebeurt, nadat de indigo-oogst afgeloopen is en deel verder alleen den gang van zaken mede, die er toe leidt om den grond, uitgeput als deze wellicht voor de cultuur van padi is, te restaureeren.

In de eerste plaats worden de stompen weggekapt, om soms als brandstof en de asch daarvan als mest dienst te doen of wel de stompen worden zooveel mogelijk in den grond gewerkt, terwijl de wortels als een net in den bodem verspreid blijven ter vorming van stoffen, welke de plant voor haren opbouw noodig heeft. Bovendien worden de lohor en vergane of ver-sche titen aan den bodem teruggeschonken, welke stoffen de werking vermeerderen, waarbij ik opmerk, dat het groote gehalte aan koolzuur, vooral in de ver-sche titen en lohor aanwezig, de oplossing der silicaten , waaraan de padi-plant behoefte heeft, bevordert. Dient men deze meststoffen toe in het tijdperk, dat de akkers met indigo beplant zijn, dan is na afloop van den oogst de titen nog niet verteerd, veel minder verbruikt. Het overblijvende komt daardoor aan de padi ten goede.

De achtergebleven wortels der indigoplant en de titen ondergaan bij natte rijstaanplantingen niet zoo zeer een rottings-proces dan wel een verweerings-proces, ten gevolge van de afsluiting der lucht door het op de sawah's zich bevindende water, terwijl dit laatste verder minerale en andere stoffen oplost. Wel-is-waar is het

-ocr page 241-

219

niet enkel een verweerings-proces, omdat het water niet altijd op de velden staat, maar zeker is het, dat het rottings-proces niet in sterke mate kan plaats grijpen, en toch voldoende is om het benoodigde voedsel voor de padi-planten te doen ontstaan, wier wortels in de bouwkruin te vinden zijn, alwaar de mest geplaatst is.

Baart het verwondering, vraag ik, dat het gewas zich ten gevolge van de daardoor ontstane betrekkelijke vruchtbaarheid van den bodem, krachtig, donkergroen voordoet, wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat titen en lohor al de minerale bestandcleelen in zich bevatten, die het padi-gewas eischt, terwijl de aan het blad der indigoplant bij de fabricage onttrokken hoeveelheid minerale zouten, in indigo-koeken ') aanwezig en voor den bodem als verloren geacht moeten worden, van zeer geringe beteekenis is? Ik zou denken: neen en het ligt naar mijn gevoelen voor de hand, dat juist om gezegde redenen, waaruit de resultaten in de practijk verklaard kunnen worden, het tegendeel van de meening van Van der Pant af te leiden is.

Uit dit een en ander besluit ik, dat de indigo-cultuur een gunstigen invloed op den rijstbouw kan uitoefenen, althans indien men slechts zoro- dragfe, dat de afval

o ö '

aan den bodem teruggegeven en de akker bevloeid worde, waardoor tevens vaste en vloeibare uitwerpselen

1) Zie analyse Saykrs pag. 196.

-ocr page 242-

220

worden aangevoerd, die voor padi-aanplantingen zeer nuttige stoffen bevatten1).

Daar de rijstplant in vergelijking van de indigo weinig stikstof noodig heeft, het verrottingsproces tijdens er rijst verbouwd werd betrekkelijk langzaam plaats vindt, en de wortels der plant niet diep in den akker dringen, iets waardoor de ondergrond rust ontvangt en zich kan herstellen, zoo volgt daaruit, dat de indigoplant in die gronden de voorwaarden vindt, welke nuttig op hare ontwikkeling werken.

^ Zie pag. 194 hetgeen gezegd wordt over de uitwerpselen van koeien, paarden en menschen.

-ocr page 243-

HOOFDSTUK IX.

SCHADELIJKE INSECTEN BIJ DEN INDIGO BOUW.

Ofschoon de indigoplant van verscheidene insecten nadeelen kan ondervinden, zoo wordt dit euvel, in vergelijking van het kwaad door dieren van lagere orden aan andere cultuur-gewassen toegebracht, toch niet in sterkere mate gevoeld, en levert de cultuur van dezen heester in geenen deele zulke ernstige bezwaren op, dat zij daardoor onmogelijk zoude worden.

Daar heeft men bijvoorbeeld de voornaamste plagen, die zich in den drogen moesson voordoen, n. 1. de walang bantji (zwarte luis) en de sa wang.

De walang Het eerste insect kenmerkt zich door zijn overeen-bantji. komst met de luis op de rozestruik, met dit onderscheid evenwel, dat deze groen en gene grijs is. De diertjes, die in den top der jonge planten soms worden

-ocr page 244-

aangetroffen, scheiden op deze een zwarte kleverige stof af; de takken en stam der struik worden stijf; de plant verliest hare groeikracht.

Men kan deze insecten, door onder water zetten van den aanplant, hiervan verwijderen of, wat ook niet onpractisch is, met droge aarde dood wrijven om daarop den aanplant verder door hoozen flink nat te maken. Begieting met tahaksvocht leidt tot onvoldoende resultaten en hergeeft aan de plant niet hare vorige groeikracht. Voorts zij hier opgemerkt, dat een te vroegtijdige eerste dangiran, waardoor het uitdrogen van den grond bevorderd wordt, tevens de plaag te voorschijn kan roepen. Men dient dus naar omstandigheden de eerste omwerking van de bovenaarde te laten verrichten en, vóór men daartoe overgaat, den aanplant goed nat te maken en het water diep in de bouwkruin te laten dringen.

Het komt mij voor, dat enkele streken meer van deze plaag te lijden hebben dan andere, zonder dat daarvoor eene voor de hand liggende reden is aan te wijzen. Blijven de diertjes te lang op de plant gehuisvest, dan lijdt zij er zoozeer onder, dat de ontwikkeling niet alleen tegengegaan wordt, maar zelfs in den west-moesson niet meer tot haar recht kan komen. Men wende alzoo tijdig de middelen tot herstel aan, om een stagnatie in den groei te voorkomen.

Worden de mieren, die zich tegelijkertijd met deze plaag voordoen ten gevolge van het onder water zetten of hoozen tot de aarde flink nat is, verjaagd, ook de

-ocr page 245-

223

luizen ziet men de planten verlaten. Dat haar verdwijnen in verband staat met den terugtocht der mieren, durf ik niet beweren, evenmin als ware de luis door deze op de plant gebracht, alhoewel iic meermalen heb gezien, dat laatstgenoemde de luizen opzoeken en daaruit vochtdeelen afscheiden en die gebruiken. De zwarte luis komt alleen in den oost-moesson voor.

Het spreekt van zelf, dat waar gebrek aan water bestaat om den aanplant behoorlijk te bevochtigen, wegens de groote kosten van transport, hooger gezegde middelen niet toegepast kunnen worden. Andere werden door mij niet aangewend. Het is op grond hiervan, dat ik het oog doe vestigen op een middel, dat ik aanbevolen vind tegen plantluizen, maar waarvan de verantwoording ik tevens geheel laat voor rekening van The Indian Agriculturist, waarin het volgenderwijs wordt aangekondigd:

„Men heeft onderzoekingen gedaan omtrent plantluizen op bloemkool, kersen- en appelboomen. Tegen daarop voorkomende luizen werden in het voorjaar van 1887 onder leiding van professor Cook van het Agricultural college van Michigan proeven gedaan. Ik deed, zegt de assistent, een aantal proeven met sterke kerosine-oplossingen en sterke zeep-oplossing, ten einde de waarde dezer middelen voor de verdelging van plantluizen te bepalen (zie het rapport van de Michigan Board of Agriculture 1887, pag. 452, ook het Agricultural Bulletin No. 26.) Er werd gevonden, dat een 8 pCts. oplossing een groot deel der eieren

-ocr page 246-

224

verwoestte, ofschoon enkele eieren weerstand boden aan het middel en zich ontwikkelden.

„De beste resultaten werden verkregen bij behandeling van twee appelboomen op den 26sten April, toen de bladknoppen begonnen te zwellen en de groene bladeren zichtbaar begonnen te worden. De jonge luizen hadden zich toen ontwikkeld en waren in groot aantal aanwezig op de takjes en bladknoppen.

„De boomen werden behandeld met een 5 pCts. kerosine-oplossing en het middel werd er op gebracht door de kleine spuit van A. H. Nixon, welke spuit de oplossing in fijn verdeelden staat verspreidde. De jonge luizen, welke nog geen voedsel hadtien opgenomen, werden gemakkelijker aangetast dan de van een harde schaal voorziene eieren; dientengevolge werden zij bijna alle geheel verdelgd.

„Uit een twee dagen daarna gedaan onderzoek bleek, dat slechts een zeer enkele luis aangetroffen werd. Het groote voordeel van de behandeling op dit tijdstip is, dat het middel beter toegang heeft tot alle deelen van den boom en goedkooper is dan wanneer het blad ontloken is.

„Kerosine-oplossing is zonder twijfel het meest bekende insecten doodend middel, dat tegen de plant-luis bekend is. Door herhaalde proefnemingen is gebleken, dat het middel beter werkt, wanneer het op alle plaatsen wordt toegepast dan door een sterke oplossing toe te dienen. Een 2 pCts. oplossing acht men, wanneer het middel op alle plaatsen der plant

-ocr page 247-

225

wordt toegepast, in den uitersten nood voldoende bij aanwending tegen plantluizen. Zwakkere oplossingen geven eveneens goede resultaten.quot;

De sawang. Onder sawang verstaat men een weefsel, dat tijdens den drogen moesson door een wormpje gevormd de takken en bladeren der plantjes omhult en het daarin zich bevindende diertje, een arachnide, dat de stichter is van dit onheil, tegen atmospherische invloeden beschermt.

Het is opmerkenswaardig, dat deze plaag op zware gronden niet wordt aangetroffen en naar mate de bodem van lichtere hoedanigheid is en de plant in den oost-moesson met stof bedekt wordt, toeneemt.

In verband hiermede is de vochtigheidstoestand van de oppervlakte van den bodem een factor, die de uitbreiding tegengaat.

Na liet vallen van eenige buien en daarmede in verband staande temperatuurs-verlaging, hebben de wormen, welke de sawang veroorzaken, het aanzien alsof zij verkleumd zijn van de koude, en sterven bij voldoenden, vooral lang aanhoudenden regen, die de plant verder van het web, waarin zij gekluisterd is, bevrijdt.

Het middel, waarvan enkelen zich bedienen tot wering dezer plaag is de sinté, geplant op een afstand van ± 40 voet van elkaar. Zij wordt tegelijk met de indigo, liefst eerder, in den grond gebracht. Men beweert, dat de aanplant later door dit middel ook minder van de rupsenplaag te lijden heeft,, die in de residentie

15

-ocr page 248-

22(3

Djokjakarta en eenige westelijk daarvan gelegen plaatsen in enkele der laatste jaren groote verwoestingen heeft aangericht in de indigo-aanplantingen. In hoe verre de sinté tot beperking dezer plaag kan bijdragen, is mij proefondervindelijk niet bekend; in ieder geval zou men, indien somwijlen overlast van rupsen in den aanplant ondervonden wordt, de proef met het middel kunnen nemen.

Tot wering van rupsen uit een tabaksaanplant, las ik in een der tijdschriften, dat men zich in enkele streken van Duitschland met goed gevolg van hennep, uitgezaaid als rand om een tabaksaanplant, bedient. Een proef nemende met dit middel, zou wellicht voor een indigo-aanplant ook gunstige uitkomsten kunnen opleveren. Baat het niet, het schaadt m. i. ook niet.

Een ander middel tot wering van rupsen van planten vond ik in het Algemeen Handelsblad volgender wijze toegelicht:

,,Uit het Westland wordt geschreven:

,.De middelen ter bestrijding van de schadelijke gasten zijn vele, doch maar weinige blijken doeltreffend. Een Duitsch tuinman verhaalt daarvan het volgende. Eenige jaren geleden was hij oppertuinman op een grafelijk landgoed, waar veel kool werd verbouwd, die natuurlijk door de rupsen werd geplaagd. Alle bekende middelen werden aangewend, doch niets hielp. De rupsen laten afzoeken, hennep tusschen de kool zaaien, begieten met phosphorkalk in water opgelost, bestrooien met asch, niets mocht baten; al werden ook

De rupsen behoorende tot het geslacht vanessa en polyommatus.

-ocr page 249-

227

duizenden rupsen en eieren vernietigd, in September was er geen gaaf blad te zien en de winterprovisie was slecht.

„In de winteravonden las hij in een ruinbouwblad, dat men, om de rupsen van de kool te weren, gezwavelde lappen tusschen de kool moest leggen, en 's zomers nam hij er de proef meê. Omtreeks het midden van Juli, vóór er een vlinder te zien was, nam hij een ton, aan de eene zijde open, stopte die voor driekwart vol oude wollen en linnen lompen, welke massa op de een of andere wijze werd vastgezet, om het uitvallen bij het omkeeren te voorkomen. Daarna stak hij op een vlakken ijzeren schotel wat zwavel aan, zette de ton er gedurende een uur of 12 over heen, nam toen de lappen er uit en verdeelde ze op 6 schreden van elkaar tusschen de koolplanten. Den i5den Augustus werden de lappen nog eens berookt. Een zijner bekenden in een ander dorp nam dezelfde proef en bij beiden liet zich op de koolvelden geen enkele vlinder zien. zoodat de kool in October geheel vrij van rupsenschade was. Zou men dit middel ook niet eens kunnen beproeven ter verdrijving van de vlinders uit de boomgaarden ? Bleek het ook daar doeltreffend te wezen, dan zouden de tuinders er ongetwijfeld veel voordeel van kunnen hebben.quot;

Bij het invallen van den west-moesson, wanneer de planten niet al te zeer van de sawang of de walang bantji hebben geleden, restaureeren zij zich vrij spoedig;

-ocr page 250-

228

in het bijzonder is dit het geval, wanneer het gewas door de sawang is aangetast geweest, die ik van veel minder kwaadaardig karakter beschouw, dan de walang bantji.

Oeret en Is de plant aan deze plagen ontloopen, dan heeft

jampang. zjj jn eni(eie gevallen nog aan een andere in den vorm van larven, waarvan boven met een enkel woord werd melding gemaakt, weerstand te bieden n. 1. de oeret, waarvan het volmaakte dier veel overeenkomst heeft met onzen meikever en de djampang, welke daarop gelijkt, maar van grootere afmeting is. Deze dieren worden gemeenlijk op gronden aangetroffen, die onvoldoende of in het geheel niet geïrrigeerd worden of wel in verganen plantaardigen en dierlijken mest. De oeret heeft ongeveer eene lengte van 2V3, de djampang tot ± 7 c.M. Beide soorten zijn vaal, geelachtig wit gekleurd, met een donkeren kop en worden op een zekere diepte in de bovenlaag van den bouwgrond aangetroffen, in diepere deelen niet. De djampang vindt men slechts zelden, de oeret meermalen en somwijlen in die mate zelfs, dat men met één patjoel-houw in den grond en omwerking van de aarde een vijftal exemplaren aan de oppervlakte brengt. De middelen, die door mij werden aangewend om deze beide diersoorten tijdens hunne aanwezigheid in den aanplant te verwijderen, gaven slechte resultaten.

Een middel, dat mij voorkomt goede uitkomsten te zullen opleveren, bij de verdelging van oeret en djampang, vind ik in het Maandblad van de Hol-

-ocr page 251-

229

landsche Maatschappij van Landbouw, waarin de heer P. J. v. E. Th. over het verdelgen van witte wormen door middel van benzin de volgende mede-deelingen doet:

„De hier beschreven methode, ibedacht door den heer Croisette Desnoyers, adjunct-inspecteur derbosschen van Fontainebleau, heeft tot doel: het verdelgen dei-witte wormen, of meikever-larven onder de oppervlakte van den bodem. Croisette Desnoyers heeft eerst de volgende proef genomen : Op drie meters afstand van eiken den, heeft hij vier schotels van dezelfde grootte neergezet en die respectievelijk gevuld met een halven liter zwavelkoolstof, benzin, benzol en een half kilo naftalin. Dus in eiken schotel dezelfde hoeveelheid van één dier praeparaten.

„Over deze schotels, die buiten zon en wind stonden, waren doeken gespannen en op die doeken werden vijf witte wormen gebracht. Na tien minuten stierven drie der vijf wormen boven de benzin; twee uur later waren ze alle vijf zwart. De benzin had zeer snel gewerkt.

„Zwavelkoolstof en benzol brachten hetzelfde resultaat teweeg, maar langzamer. Naftalin, dat een vast lichaam is, bleef zonder invloed. Na verloop van een uur was de hoeveelheid benzin in den schotel zeer weinig verminderd, terwijl de zwavelkoolstof volkomen verdampt was; benzin is dus voordeeliger dan zwavelkoolstof.

„Alsnu werden in een kistje, met aarde gevuld, 70 witte wormen gebracht en in die aarde drie gram ge-

-ocr page 252-

230

spoten. Negen uur later waren alle larven dood.

„Eindelijk bracht men in gronden, die voor houtcultuur gebruikt en door witte wonnen besmet waren, drie gram benzin per M2.; het succes was volkomen. Vreezende, dat deze hoeveelheid insectenvendf nadeeliir

O O

zou kunnen zijn voor den plantengroei, heeft de proefnemer toen 36 gram per M-. in een bodem gespoten, waarop eiken en sparren geteeld werden en hetzelfde gedaan voor slavelden; in geen geval heeft hij er eenig nadeel van bespeurd.

„Wij bezitten nu een eenvoudig en goedkoop middel om onze oogsten te verdedigen tegen de larven van den meikever. Men moet de aangestoken velden in hare gansche uitgestrektheid behandelen en zich door middel van eenige steken met de spade vergewissen omtrent de diepte, waarop de wormen zich bevinden en vervolgens op 4 a 5 cM. onder die laag benzin brengen.

„Als men per MA drie gram benzin gebruikt, dan is dat per hectare 30 kg. of h /^0.371/0 per kg. eene uitgave van ƒ11.25 of. llet arbeidsloon meêgerekend, ± f 20 per hectare. Rekening houdende met de soms schrikbarende verwoestingen, door de witte wormen aangericht, zal niemand aarzelen tot benzin zijn toevlucht te nemen. Men neme intusschen in aanmerking dat deze vloeistof zeer brandbaar is.quot;

-ocr page 253-

231

Studie der In aansluiting- aan het bovenstaande laat ik een

plagen door studie der plagen volgen, welke wijlen dr. C. L. Dole-den entomo- . ? . .

loog wijlen scmall maakte, die zich in Indië als entomoloog een Or. C. L. goeden naam verwierf. Ten gevolge van zijn, langdurig verblijf in de indigo plantende streken met name Djokjakarta was hij in staat de meeste er van na te gaan en wij danken aan die omstandigheid onderstaande bijzonderheden door hem in Januari 1856 in het XII deel van het Tijdschrift der Natuurkundige Vereeniging in Ned. Oost-Indië gepubliceerd:

„Zooals de meeste cultuurplanten heeft ook de indigo hare vernietigers. Toen ik nog slechts korten tijd te Djokjakarta was, hoorde ik veel van „worm in de indigoquot; spreken, welke worm vooral voor sommige plantages schadelijk is. Gedurende eenige uitstapjes had ik voldoende gelegenheid dit diertje en zijne verwoestingen gade te slaan en vond ik reeds bij oppervlakkige beschouwing, dat er zeer verschillende dieren zijn, die onder den algemeenen naam van „wormquot; begrepen worden. Vooral geldt dit voor het droge jaargetij, aangezien juist in dezen tijd de diertjes alle gelegenheid tot hun ontwikkeling en voortplanting vinden.

„Bij de droogte, die den wasdom der indigo-plant niet bevorderlijk is (Van der Pant heeft proefondervindelijk bewezen, dat zoowel aanhoudende droogte als voortdurende vochtigheid aan de formatie der kleurstof schadelijk is) voegt zich nog een andere vijand in deze schadelijke dieren. De in de bergstreken aan

Coleschall.

-ocr page 254-

233

de helling der Merajai gelegen aanplantingen, hebben van dit kwaad veel minder te lijden, dan die welke in de zandige vlakten gelegen zijn. De meeste verwoestingen heb ik op de aan den voet van het gebergte Gamping gelegen landerijen gevonden, waar over ge-heele uitgestrektheden de oogst mislukt.

„ I ot nu toe heb ik gelegenheid gehad volgende soorten van deze diertjes na te gaan.

„ i0. De Sawang. Enkele struiken soms geheele groepen doen zich, vooral gedurende lang aanhoudende droogte, reeds kennen, daar zij als het ware met een glazig floers overtrokken zijn. Van nabij beschouwd is het opmerkelijk, dat vooral de takken van een meer of minder dicht weefsel overtrokken zijn. Hierdoor zijn de jongere takken onregelmatig met elkaar samen-gesponnen en de blaadjes ineengekrompen en saam-gerold. Het geheel is met stof en aarddeeltjes bedekt, de aarde in het weefsel gesponnen en de afgevallen blaadjes hangen aan enkele draadjes.

„Geeft men zich de geringe moeite dit onregelmatige weefsel vaneen te trekken, dan zal men spoedig de stichters dezer ontaarding vinden. Het is mij gelukt twee verschillende soorten van „arachnidenquot; op te sporen; kleine diertjes, die tot het uitgebreide geslacht „Theridionquot; behooren en wier grootte zelfs zoo p-erine is, dat zij zich aan het oog van den oppervlakkigen waarnemer onttrekken. Hoe klein deze diertjes ook zijn, is het echter met het oog op hunne sterke vermenigvuldiging begrijpelijk, dat zij binnen zeer korten

-ocr page 255-

233

tijd een tamelijk groote verwoesting kunnen aanrichten, die op zich zelve wel niet zoo aanmerkelijk is, maar toeneemt doordien zich in het weefsel aarde en vuil verzamelen, waardoor de ontwikkeling der jonge bladeren gestoord of belet wordt.

„Begrijpelijk is het, dat bij invallende sterke regens deze schade nog eenigszins kan worden hersteld, indien door de regens dit weefsel vernield, de plant afgespoeld en het dier zelf gedood wordt.

„Aangezien vooral de bovenste takken door dit kwaad lijden, kan door bewatering der indigovelden weinig of geen hulp worden aangebracht.

„2°. De meest verspreide en verreweg schadelijkste vijand is de eigenlijke „wormquot; (oelat), aangezien zijn verwoestingen zeer spoedig en over een groote uitgestrektheid plaats vinden.

„Zelden gebeurt het, dat deze ramp de plantages vóór de 3de snede bezoekt, als wanneer de stengel der plant houtachtig is geworden. In weinige dagen neemt een schijnbaar goed uitziend indigoveld, dat door de „wormquot; is aangetast, een geheel ander voorkomen aan De plant verwelkt, het levendig groen der bladeren ondergaat alle schakeeringen en van een donkergroene kleur in het zwarte en bruinachtige zoowel als in het lichtgroene en gele overgaande.

„De bladeren nemen dan de kleur en het voorkomen van gedroogde theebladeren aan, vallen een voor een af en dezelfde plant, die nog weinige dagen gele-

-ocr page 256-

234

den zoo veelbelovend prijkte, heelt een bezemachtig voorkomen verkregen.

„De Javanen en zelfs de bezitters der plantages kennen wel is waar den „wormquot;, die voor hunne aanplantingen zoo verderfelijk wordt, maar de aard en wijze van het ontstaan en de metamorphose schijnen hun vreemd. Ik heb de gelegenheid gehad de geheele toedracht der vernieling na te gaan.

„Als men de door het insect reeds aangetaste stengel overlangs opensnijdt, zoodat door de insnijding het stengelmerg te voorschijn komt, vertoont de houtzelfstandigheid zich geelachtig (die der gezonde plant is groenachtig) en droog. De mergsubstantie is bruin, celachtig, aangevreten en ontbreekt op sommige plaatsen geheel en al. In stede daarvan ziet men een zich tot de houtzelfstandigfheid uitstrekkende, naar

o '

buiten blind eindigende holte, waarin men, als het proces nog niet geëindigd is, een tot 8 mM. langen worm met eene roodbruinen kop vindt. Bij uitzondering mondt deze holte naar buiten of aan de epidermis uit, of wel doorboort zij deze laatste. De uitwerpselen van dezen worm worden door deze monding in de gedaante van een bruinachtige, fijn korrelige, samenhangende zelfstandigheid verwijderd en blijven alsdan aan de buitenzijde der stengels los hangen.

„Deze worm is de larve van een „kever \ waarover hierna meer.

„Bewaart men zulk een stengel eenigen tijd onder een glas, dan tracht het ontwikkelde insect alras

-ocr page 257-

2ö5

naar buiten door te breken en, de van de epidermis begrensde holte doorborende, te voorschijn te komen.

„Het verschijnt dan als een 2 mM. lange bruinachtige kever, uit de familie der „Rkyncliophoreri' waartoe een menigte van fruitsoorten en zaden levende insecten behooren, die alle een gelijke levenswijze hebben en opmerkenswaardig zijn door den in een langen snuit eindigenden kop, aan wiens uiteinde zich de vernielende werktuigen bevinden.

„Eieren, larven en poppen vindt men meestal in een en denzelfden stengel. De eieren worden in groot getal door een fijne opening van de epidermis gelegd.

„De hieruit voortkomende larve leeft van het merg der planten en is in staat in 3 è, 4 weken de gehecle mergstof en daarmede de plant zelve te verwoesten, waarna zij zich in een witachtige, in het merg zich bevindende, eivormige holte verpopt, waarmede de schadelijke levensperiode van het dier als geëindigd is te beschouwen.

„30. Een tweede soort Coleopteer, die niet minder schadelijk is, behoort tot de familie der nLong^cornia, of „Cerambycinaquot; en schijnt mij, volgens een menigte binnen zeer korten tijd door mij bijeenverzameld, ontwikkelde exemplaren, nog menigvuldiger dan de hiervoren beschrevene te zijn.

„Wanneer de reeds gemacereerde en van kleurstof bevrijde planten uit den fermenteerbak verwijderd en opgehoopt zijn, vindt men ze in korten tijd met talrijke, zwartachtige insecten ter lengte van bijna één centi-

-ocr page 258-

236

meter als het ware bezaaid; deze diertjes hebben zich zonder twijfel gedurende de fermentatie ontwikkeld en komen thans, hunne pop verlatende, te voorschijn. Hun larve leeft in gemeenschap met die van eerstgenoemde of ook van deze afgescheiden, op gelijke wijze in het merg der indigoplant. De door haar aangerichte schade is, uithoofde barer grootte en getal, nog veel aanmerkelijker dan die der zooeven beschrevene.quot;

„4°. Als de grootste verwoester, die gelukkig maar verspreid voorkomt, is het insect, door de Javanen „oerctquot; genaamd, aan te merken. Dit is de larve van een groote soort r McloIontha\ die ook voor vele andere cultuurgewassen zeer schadelijk is.quot;

„Een afzichtelijk 2 è 21/3 c.M. lang, wormachtig dier van bleekgele kleur — zooals de meeste keverlarven — met roodbruinen kop en glanzig, grijs, blaasvormig uitgezetten eindring aan het lichaam. Het volmaakte insect is 1V2 c.M. lang, roodbruin van kleur en heeft veel overeenkomst met den Europeeschen „meikeverquot;.

„Door het totaal afvreten der wortels, zoodat de plant gemakkelijk uit de aarde kan worden getrokken, zijn zij in staat een plant in een enkel etmaal te vernietigen. Neemt men den langen duur der ontwikkelings-periode (den larvo-toestand) en de groote vraatzucht dezer dieren in aanmerking, dan is aan te nemen, dat een betrekkelijk gering aantal binnen korten tijd een geheele plantage zou kunnen te gronde richten, als de uitbreiding van dit geslacht grooter ware en de Javanen, op hun tegenwoordigheid reeds

-ocr page 259-

237

attent gemaakt door het spoedig afsterven der plant, niet ijverig waren in het opsporen en dooden. Hierbij komt nog, dat zij door hun grootte goed kenbaar zijn en daardoor een prooi van kraaien en ander roofgedierte worden.

„5°. De ^Koepoekoepoe' komt op bepaalde tijden en sporadisch voor. De stengel der plant en de meer ontwikkelde takjes worden door dit dier met een sneeuw wit, wolachtig kleed bedekt. De larven zitten onder een licht omhulsel van zijdeachtige wol aan de plant vastgezogen; 4 5 weken later is dit viltig overtreksel afgestroopt en daarna zitten de volkomen gevormde diertjes, die tot de „cicadenquot; behooren, op de plant. Bij de minste aanraking springen zij in alle richtingen uit elkander.

„De in den staat van rust naar achteren gerichte bekvonnige kaken staan, zoolang het dier het plantensap opzuigt, loodrecht in de bastzelfstandigheid der plant, een omstandigheid, waardoor, wanneer vele dezer diertjes tegelijk dezelfde plant aantasten, het leven dezer in hooge mate wordt bedreigd.

„6°. Eenige tot het vlindergeslacht „ Vanessa' en „Polyommatusquot; behoorende rupsen leven wel is waar insgelijks van de bladeren der indigoplant, doch hun getal is zoo g'ering, dat zij uit dien hoofde niet als schadelijk kunnen worden aangemerkt.quot;

-ocr page 260-

HOOFDSTUK X.

DE FABRICAGE.

§ i. ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

Geschiedenis. Reeds bij de ouden was de indigo als kleurstof om hare schoone zuivere en standvastig blauwe kleur bekend. Men vindt haar het eerst bij Plinius vermeld, die haar als indicum (pegmentum), eene blauwe schil-derverf, afkomstig uit Indië en na purper het hoogst gewaardeerd, beschrijft. Na den val van het Romeinsche rijk werd zij slechts op enkele plaatsen in Italië gebezigd en door karavanen derwaarts gebracht. Eerst na het ontdekken van den waterweg naar Oost-Indië kwam zij meer algemeen in gebruik. Omdat zij eene mededingster was van de verfstof, uit de weede of pastel (Isatis tinctoria) verkregen, welke men in die dagen met goed gevolg verbouwde, werd in de ieeuw de invoer van indigo van regeeringswege tegengewerkt, ja zelfs in Duitsch-

-ocr page 261-

23!)

land, Engeland en Frankrijk verboden. Intusschen bleek de deugdelijkheid dezer kleurstof zoo duidelijk, dat men allengs vergunning verkreeg haar bij de weede te voegen, zoodat langzamerhand deze laatste geheel en al op den achtergrond geraakte.

Omtrent de herkomst en de bereiding; van indigo

vindt men reeds in de 13° eeuw berichten in de reisbeschrijving van den beroemden Marco Polo. Deze wijst Plinius te recht over de mededeeling, dat de v erfstof ontstond uit het schuim der zee, dat zich aan planten en rotsen vasthechtte. Noe langf bleef men dienaangaan-

O O

de in het onzekere en zelfs in het begin der i8eeeuw hielden velen haar voor een delfstof 'j. Het was dan ook niet te verwonderen, dat de fabricage op het einde dier eeuw nagenoeg geene vorderingen had gemaakt en zich in haar kindschheid bewoog, als men hierbij in aanmerking neemt, op welken lagen trap van ontwikkeling op chemisch terrein de volken, welke deze verfstof voortbrachten, stonden. Om den lezer eenig denkbeeld te geven van de wijze van werken, waardoor de blauwe verfstof in dien tijd, 1789, verkregen werd, laat ik een artikel volgen, dat in de Indian Planters' Gazette van 1886 voorkomt:

Fabricage quot;l0. Alvorens de werkzaamheden voor het seizoen

van indigo in te beginnen, moet men zorg dragen, dat alles, zoowel 17ftQ

de fabriek zelve als de toestellen, die daartoe behooren, behoorlijk in orde zijn, en dat de steenen gebouwen goed gedroogd zijn.

^ A. Winkler Prins, Geill. Encyclopaedie.

-ocr page 262-

240

„2°. Wanneer de plant rijp is, om gesneden te worden, hetgeen te zien is aan het uitkomen der bloesems, moet men zorgen gereed te zijn met het schoonmaken der reservoirs, der werktuigen enz. Beproef de pompen, zie alles goed na, verwijder de stof uit het drooghuis om daarin de koeken te kunnen brengen. Zie uw vaartuigen en wagens, die voor het aanvoeren der plant moeten dienen, goed na, en zorg, dat de koelies en andere werklieden gereed zijn om, zoodra zij geroepen worden, aan het werk te gaan.

„3°. Wanneer dat alles klaar is, bepaal dan een dag, waarop met weeken een aanvang gemaakt zal worden en verwittig daarvan uwen „gomastakquot;, opdat hij zorge, dat alles present en in orde zij.

„4°. Wanneer de bedoelde dag is aangebroken, begin dan des morgens reeds uw reservoir te vullen, opdat het water tijd hebbe tot bezinken. Daarvoor zorgt men gedurende het geheele seizoen. Het is ontegen-zeggelijk beter goed helder water te gebruiken, als men het ten minste bekomen kan. Wanneer men opmerkt, dat de bodem van het reservoir met vuil en zand bedekt is, moet men niet nalaten den bak schoon te maken. Wanneer over dag de plant aangevoerd wordt, stapelt men haar in de schaduw op hoopen, om des namiddags gereed te zijn om een begin te maken met het weeken. Er is reeds veel gfezeo-d door zoo-

O O

genaamde mannen van het vak aangaande de wijze van weeken, maar veel van hetgeen hiervan gezegd wordt, leidt tot niets goeds.

-ocr page 263-

241

„5°. Wanneer het een mooie avond is, zal de plant in 9 £l io uren behoorlijk afgetrokken zijn. Zij, die er naar streven een buitengewoon helder blauw te maken, gebruiken wel minder tijd, maar verliezen veel van het product en maken dikwerf een indigo van een te lichte kleur. Wanneer de gisting plaats heeft stijgen er luchtbellen naar de oppervlakte van het water. Dit vooral is het oogenblik van achtgeven; wanneer de gisting afneemt, tapt men af. Indien het vocht afloopt met een helder stroogele kleur, naar het groen overhellende, dan zal de indigo mooi wezen; is de kleur als donkere madeira, dan is zij goed; is zij bleek, dan zal liet product violetkleurig zijn en is zij vuilrood, dan is de indigo slecht. Het eerste geval wijst op een goede werking, het tweede op een te lange inwerking van de stoffen op elkander, het derde op een te korte inwerking en het vierde op een al te lang fermenteeren.

,.6°. Zoodra het vocht is afgetapt, moeten de koelies aan het werk, eerst langzaam scheppende en dan, naar mate liet schuim verdwijnt, spoediger.

„7°. In twee èl drie uren na het scheppen zal de indigo op den bodem van het vat of van den bak bezonken zijn. Men neemt dan den bovensten stop uit het gat, laat het water afloopen en neemt overeenkomstig daarmede de andere stoppen er uit, totdat al het water is afgetapt en men den bodem te zien krijgt, bedekt met een meelachtige stof.

15

-ocr page 264-

242

,.8°. Men brengt deze melige stof in den ketel, maakt het vuur daaronder aan en blijft in den ketel roeren, om te voorkomen, dat de indigo aan den bodem aanbakt. Wanneer de massa begint te koken, dan houdt men haar zacht aan de kook gedurende drie uren en blijft daarbij roeren. Intusschen maakt men de tafel goed schoon en in orde en wanneer het koken ten einde is, dan laat men de vloeistof in den gedekten zeefbak loopen. Het eerst afloopende water wordt op-crevanoen om notr eens gebruikt te worden. Wanneer

^ O O «-3

het afloopende water donkerrood is, dan laat men het wegloopen.

,,9°. In vijf h. zes uren zal het water afgeloopen zijn, zoodat de indigo dan op het filterdoek blijft liggen ; men schraapt haar bijeen, legt er een plank, met ballast bezwaard, op, en laat de massa zoo nog eenige uren onder die drukking. In dien tijd maakt men de persen in orde. Dan wordt de stof daarin gebracht en bewerkt, zoodanig, dat een aanvankelijke laag van 8 è, 9 duim tot 3 duim is gedaald. Het opheffen van dezen druk eischt nog al zorg, dewijl door een slordige behandeling de koeken tot gruis vallen.

,.io0. Nu snijdt men het gehee4 met een mes of met een gespannen koperdraad in vierkante stukken en brengt die naar het drooghuis. Het beste middel om vergissingen of schelmerij van het dienstdoende personeel te voorkomen, is de koeken te merken met het getal van den dag ; de koeken van den eersten dag met

■■ cijfer 1, die van den tweeden dag met een 2, enz.

-ocr page 265-

243

ii0. Men draagt zorg de koeken steeds te keeren en voor tocht in liet drooghuis te vrijwaren, dewijl de indigo lichtelijk breekt of tot poeder valt,

„12°. Indien de indigo goed en geschikt voor het pakken is, en de kisten gereed staan, dan veegt men de koeken af, maar poetst of polijst ze niet, waarna men ze inpakt. Men draagt zorg elke kist goed en gelijk te pakken en geen ruimten tusschen de bovenlaag en het deksel te laten, opdat door het vervoer, het kantelen, enz. de stukken niet breken. Dan spijkert men de kisten dicht en daarmede is het geheele proces afgeloopenquot;.

Enkelen der Java planters, wien het bovenstaande onder de oogen komt, zullen zich nog herinneren, hoe de half naakte inlanders een halve eeuw geleden zich in de klopbakken bewogen, en dat de fabricage in dien tijd vrij wel met deze beschrijving overeenstemt.

Theoretische beschouwingen en procédés.

Wij schrijven thans echter het jaar 1891, dus ruim 100 jaren later. Zijn wij veel gevorderd in kennis, aangaande de fabricage der verfstof; geschiedt zij op wetenschappelijke leest, gelijk bij vele andere industrieën het geval is, waarbij een chemisch proces de spil is, om welke haar bestaan zich beweegt.-'

Over deze quaestie en in hoeverre de wetenschap haar licht daarover heeft ontstoken, zal in den loop van dit artikel verder duidelijk worden.

Aan het einde van dit werk geven plattegronden en standzichten der fabriek en van het kook

en

-ocr page 266-

242

„8°. Men brengt deze melige stof in den ketel, maakt het vuur daaronder aan en blijft in den ketel roeren, om te voorkomen, dat de indigo aan den bodem aanbakt. Wanneer de massa begint te koken, dan houdt men haar zacht aan de kook gedurende drie uren en blijft daarbij roeren. Intusschen maakt men de tafel o-oed schoon en in orde en wanneer het koken ten

o

einde is, dan laat men de vloeistof in den gedekten zeef bak loopen. Het eerst afloopende water wordt opgevangen om nog eens gebruikt te worden. Wanneer het afloopende water donkerrood is, dan laat men het wegloopen.

,,9°. In vijf i zes uren zal het water afgeloopen zijn, zoodat de indigo dan op het filterdoek blijft liggen; men schraapt haar bijeen, legt er een plank, met ballast bezwaard, op, en laat de massa zoo nog eenige uren onder die drukking, In dien tijd maakt men de persen in orde. Dan wordt de stof daarin gebracht en bewerkt, zoodanig, dat een aanvankelijke laag van 8 è. 9 duim tot 3 duim is gedaald. Het opheffen van dezen druk eischt nog al zorg, dewijl door een slordige behandeling de koeken tot gruis vallen.

„io0. Nu snijdt men het gehed met een mes of met een gespannen koperdraad in vierkante stukken en brengt die naar het drooghuis. Het beste middel om vergissingen of schelmerij van het dienstdoende personeel te voorkomen, is de koeken te merken met het getal van den dag ; de koeken van den eersten dag met het cijfer 1, die van den tweeden dag met een 2, enz.

-ocr page 267-

243

ii0. Men draagt zorg de koeken steeds te keereu en voor tocht in het drooghuis te vrijwaren, dewijl de indigo lichtelijk breekt of tot poeder valt.

„12°. Indien de indigo goed en geschikt voor het pakken is, en de kisten gereed staan, dan veegt men de koeken af, maar poetst of polijst ze niet, waarna men ze inpakt. Men draagt zorg elke kist goed en gelijk te pakken en geen ruimten tusschen Je bovenlaag en het deksel te laten, opdat door het vervoer, het kantelen, enz. de stukken niet breken. Dan spijkert men de kisten dicht en daarmede is het geheele proces afgeloopenquot;.

Enkelen der Java planters, wien het bovenstaande onder de oogen komt, zullen zich nog herinneren, hoe de half naakte inlanders een halve eeuw geleden zich in de klopbakken bewogen, en dat de fabricage in dien tijd vrij wel met deze beschrijving overeenstemt.

Theoretische beschouwingen en procédés.

Wij schrijven thans echter het jaar 1891, dus ruim 100 jaren later. Zijn wij veel gevorderd in kennis, aangaande de fabricage der verfstof; geschiedt zij op wetenschappelijke leest, gelijk bij vele andere industrieën het geval is, waarbij een chemisch proces de spil is, om welke haar bestaan zich beweegt.1'

Over deze quaestie en in hoeverre de wetenschap haar licht daarover heeft ontstoken, zal in den loop van dit artikel verder duidelijk worden.

Aan het einde van dit werk geven plattegronden en standzichten der fabriek en van het kook- en

-ocr page 268-

244

pakhuis met daarbij behoorende toelichtingen, een denkbeeld van de inrichting der gebouwen, die bij het fabriceeren van indigo noodig zijn.

De voornaamste bewerking bij het fabriceeren der indigo is ongetwijfeld de werking in de zoogenaamde fermenteerbakken; men kan haar als het fundament beschouwen, waarop het gebouw, dat men zich voorstelt op te trekken, zal rusten. Heeft de uittrekking der stof, zooals zij in de plant voorkomt, niet naar behooren plaats gevonden, dan ondervindt de fabrikant daarvan de nadeelen, die noch bij het kloppen, noch bij het koken te verhelpen zijn.

Welke werking in de weekbakken plaats vindt, heeft men nog niet positief kunnen constateeren, maar naar het mij voorkomt, geven de proefnemingen van Schrottky vrij juist de werking weer, die plaats grijpt. Met de ideeën van dezen schrijver zal ik om die reden den lezer nader in kennis brengen.

De eerste vraag, die zich van zelf aan ons opdringt bij een onderzoek, is deze: Welke eigenaardige zelfstandigheid is in de indigoferae de basis, die tot de samenstelling van het indigo-blauw leidt?

Bijna elke scheikundige van naam heeft zich met dat onderzoek bezig gehouden en het resultaat is geweest, dat de meest uiteenloopende meeningen zijn verkondigd.

Berthollet zegt in zijn Elementen der Kleurstoffen, sprekende over de weekkuipen:

„Er wordt een gisting opgewekt, waarbij de lucht

-ocr page 269-

245

van den dampkring geen rol speelt, en waarbij een brandbaar gas zich ontwikkelt.

„Hoogst waarschijnlijk ontstaat er eenige verandering in de samenstelling van de kleurende deelen, maar het is vooral de afscheiding of vernietiging van een geelachtige zelfstandigheid, die aan de indigo een groenachtige kleur geeft en deze geschikt maakt om de scheikundige werking van andere zelfstandigheden te ondergaan. Die soort van gisting gaat dan in rottende gisting over.quot;

Dr. Urc verzekert integendeel, dat hij geen waterstof ontdekte in de gassen, die zich gedurende de gisting der plant ontwikkelden, maar alleen koolzuur, zuurstof en stikstof. Hij zegt:

„De gistende bladeren zetten de zuurstof der lucht waarschijnlijk om in koolzuur en laten de stikstof vrij.quot;

„Hier dwaalt die geleerde ongetwijfeld, want de waterstof vormt, gelijk ik meermalen gelegenheid had aan te toonen,quot; zegt Schrottky, „de belangrijkste gassoort, die zich gedurende de indigogisting ontwikkelt, terwijl koolzuur en ammonia haar vergezellen en de beide laatstgenoemde gassen tegen het einde van het bereidings-proces predomineeren; de lucht heeft bovendien geen toegang tot de bladeren, dewijl deze onder water gedompeld zijn. Hoogstwaarschijnlijk werkte Dr. Urc met gedroogde bladeren en deze ondergaan gedurende het drogen de eigenaardige soort van gisting, waarbij het beginsel, dat de indigo vormt, vrij wordt.quot;

-ocr page 270-

244

pakhuis met daarbij behoorende toelichtingen, een denkbeeld van de inrichting der gebouwen, die bij het fabriceeren van indigo noodig zijn.

De voornaamste bewerking bij het fabriceeren der indigo is ongetwijfeld de werking in de zoogenaamde fermenteerbakken; men kan haar als het fundament beschouwen, waarop het gebouw, dat men zich voorstelt op te trekken, zal rusten. Heeft de uittrekking der stof, zooals zij in de plant voorkomt, niet naar behooren plaats gevonden, dan ondervindt de fabrikant daarvan de nadeelen, die noch bij het kloppen, noch bij het koken te verhelpen zijn.

Welke werking in de weekbakken plaats vindt, heeft men nog niet positief kunnen constateeren, maar naar het mij voorkomt, geven de proefnemingen van Schrottky vrij juist de werking weer, die plaats grijpt. Met de ideeën van dezen schrijver zal ik om die reden den lezer nader in kennis brengen.

De eerste vraag, die zich van zelf aan ons opdringt bij een onderzoek, is deze; Welke eigenaardige zelfstandigheid is in de indigoferae de basis, die tot de samenstelling van het indigo-blauw leidt?

Bijna elke scheikundige van naam heeft zich met dat onderzoek bezig gehouden en het resultaat is geweest, dat de meest uiteenloopende meeningen zijn verkondigd.

Berthollet zegt in zijn Elementen der Kleurstoffen, sprekende over de weekkuipen:

„Er wordt een gisting opgewekt, waarbij de lucht

-ocr page 271-

245

van den dampkring geen rol speek, en waarbij een brandbaar gas zich ontwikkelt.

„Hoogst waarschijnlijk ontstaat er eenige verandering in de samenstelling van de kleurende deelen, maar het is vooral de afscheiding of vernietiging van een geelachtige zelfstandigheid, die aan de indigo een groenachtige kleur geeft en deze geschikt maakt om de scheikundige werking van andere zelfstandigheden te ondergaan. Die soort van gisting gaat dan in rottende gisting over.quot;

Dr. Urc verzekert integendeel, dat hij geen waterstof ontdekte in de gassen, die zich gedurende de gisting der plant ontwikkelden, maar alleen koolzuur, zuurstof en stikstof. H ij zegt:

„De gistende bladeren zetten de zuurstof der lucht waarschijnlijk om in koolzuur en laten de stikstof vrij.quot;

„Hier dwaalt die geleerde ongetwijfeld, want de waterstof vormt, gelijk ik meermalen gelegenheid had aan te toonen,quot; zegt Schrottky, „de belangrijkste gassoort, die zich gedurende de indigogisting ontwikkelt, terwijl koolzuur en ammonia haar vergezellen en de beide laatstgenoemde gassen tegen het einde van het bereidings-proces predomineeren; de lucht heeft bovendien geen toegang tot de bladeren, dewijl deze onder water gedompeld zijn. Hoogstwaarschijnlijk werkte Dr. Urc met gedroogde bladeren en deze ondergaan gedurende het drogen de eigenaardige soort van gisting, waarbij het beginsel, dat de indigo vormt, vrij wordt.quot;

-ocr page 272-

24ü

De heer R. Kane meldt, sprekende over de gisting in de weekkuipen:

„Na eenigen tijd begint een soort van slijmerige gisting; koolzuur, ammonia en waterstof ontwikkelen zich dan, terwijl een gele kleurstof verkregen wordt, waarin de indigo is vervat. De theorie van die werking is deze: door de rotting van de plantaardige en dierlijke stof der bladeren wordt de indigo in denzelfden witten, oplosbaren toestand gehouden, waarin zij in de plant voorkomt.quot;

De heeren Thomson en Napier spreken insgelijks in dien geest.

Dr. Thomson zegt in zijn Vegetable Chemistry: „De bladeren van Indigoferae geven een groen aftreksel in heet water, en daaruit kan men een groen poedervormig lichaam precipiteeren, maar zoolang er geen gisting heeft plaats gehad, hebben noch de kleur, noch de eigenschappen eenige overeenkomst met die van de indigo. Er bestaat bijna geen twijfel of de stof is in de bladeren aanwezig in den toestand van witte indigo '), die gedurende de gisting zich met de noodige hoeveelheid zuurstof verbindt en alzoo

') Het indigo-wit doet zich voor als een witte, fijn verdeelde, smaak-en reuklooze, in water onoplosbare substantie, die echter in alcohol, ether en alkali-oplossingen opgelost wordt. Zijne samenstelling is Cj(j Ha NOo en verschilt met die van het indigo-blauw door de aanwezigheid van 1 molecuul waterstof (li) meer. De formule voor indigo is namelijk C]0 Hj N02. Indien garen of geweven goederen in een alkalische oplossing van deze zelfstandigheid gedompeld worden tot zij geheel verzadigd zijn, en zij worden aan de lucht blootgesteld, dan vormt zich in de draden van het weefsel het indigo-blauw.quot;

-ocr page 273-

247

blauwe indigo vormt. De ontwikkeling van koolzuur maakt het niet onmogelijk, dat de witte indigo met eenig principe verbonden is, dat misschien van alkali-schen aard was, en dat gedurende de gisting ontleed werd.quot;

Chevreul leidt uit de analyse van de Isatis tinctoria (de weede) en van de Indigofera anil af, dat die planten indigo bevatten in witten toestand. Giobert komt ten opzichte van de Isatis tinctoria tot de volgende con-clusiën:

1. Indigo-blauw bestaat niet gevormd in de plant, maar wordt gevormd gedurende de bewerking;

2. Er bestaat in een klein aantal planten een eigenaardig beginsel, verschillende van alle bekende nadere bestanddeelen der planten en dit heeft de eigenschap van omgezet te kunnen worden in indigo; het wordt indigo-gene geheeten;

3. Dat beginsel verschilt van indigo daarin, dat het een overmaat van koolstof bevat, waarvan het een deel verliest bij den overgang tot den toestand van indigoblauw en wel door de werking van een geringe hoeveelheid zuurstof, door de koolstof opgenomen;

4. Het verschilt in eigenschappen van de gewone indigo in zooverre, dat het kleurloos is en oplosbaar in water, alsook door grootere verbrandbaarheid (of vermogen om ontleed te worden) waardoor veroorzaakt wordt, dat het een vrijwillige verbranding (of ontleding) ondergaat bij de gewone temperatuur der lucht;

5. De vatbaarheid voor ontleding wordt versterkt

-ocr page 274-

248

door warmte en ook door de werking van alkaliën vooral van kalk, zij wordt daarentegen verzwakt door de werking van alle zuren zelfs van koolzuur.quot;

Robique, Colin, Turpin en Joly spreken als hun stellige overtuiging uit, dat het indigo-blauw reeds in de plant als zoodanig bestaat, maar niet in vrijen toestand; dat het verbonden is met deze of gene organische zelfstandigheid, waardoor het oplosbaar is in water, ether en alkohol, en dat de bewerking met krachtige agentiën noodig is om die verbinding op te heffen en de indigo vrij te maken.

Schunk verkreeg uit de Isatis tinctoria een zelfstandigheid van karakteristieke eigenschappen, die hij indican noemde. Door de werking van zuren, werd dit ontleed in indigo-blauw ') en een eigenaardige suikersoort.

Dr. E, Mulder, die aan de Kaap de fabrieken van indigo had bezocht en nagegaan, verdedigt de theorie van het indican, dat hij als een chromogeen beschouwt, aan snelle wisseling en omzetting onderhevig. Tot winning dezer stof raadt hij aan enkel de bladen in het luchtledige uit te trekken of te koken bij een temperatuur van 6o0 C. en de vloeistof daarna in aan-gezuurd water te brengen, door welke bewerking de indigo in zuiveren staat gewonnen wordt.

!) Deze stof is te vinden in de urine van paarden, koeien en menschen of ook wel in de melk der koeien, wanneer deze vloeistoffen eenigen tijd aan de lucht worden blootgesteld. Zie M. Schunck's geschrift: The Memoirs of the Literary and Philosophical Society of Manchester 1857, vol. XIV of Day's Chemistry in its Relations to Physiology and Medicine 1860, p. 310—-312.

-ocr page 275-

249

Bij deze methode der winning van het indigo-blauw dient men een toestel te bezigen om de bladeren van de houtdeelen te scheiden zonder noemenswaardige beschadiging; want bij fabricage met tak en blad zou de capaciteit om de grondstof te verwerken voor 100 bouws aanplant reeds een uitgaaf vorderen van minstens io vacuumpannen van 200 hectoliters groot, een uitgave, die een indigo-onderneming niet dragen kan, wil zij rendeerbaar zijn.

„Sayers ^ schijnt,quot; zegt dr. K. W. van Gorkom, in De Oost-lndischc Cultures, „met de beginselen van Mulder wel overeen te stemmen. De in het bladgeprae-

^ Omstreeks het jaar 1870 namen de heeren Dorrepaal en Van Alphen het besluit een ervaren scheikundige aan te stellen, die zich belastte met het onderzoek der fabricage, ten einde vermeerdering van product en . verbetering van qualiteit te verkrijgen. Deze taak werd aan den heer Savers, die zijn opleiding genoten had te Brussel, aldaar geruimen tijd aan het hoofd van een technisch-chemische zaak was geplaatst en daarna bij de Ned. Handelmaatschappij geëm-ployeerd, opgedragen.

Het scheikundig laboratorium werd daarop opgericht te Klatten, terwijl voorts een proeffabriek te Gajamprit te zijner beschikking stond. Aan het einde van 1873 kon de heer Savers zijne bevindingen, die aanvankelijk veel voor de indigo-industrie beloofde, blootleggen, Hij wees er op, dat met zijn procédé uit zaadplanten een indigo verkregen werd weinig inferieur aan de beste monsters van Stek-indigo en die het vroegere product in quantiteit 20—40 pCt. overtrof.

Naar aanleiding dezer schoone uitkomsten vereenigden zich vele planters in 1873 en richtten onder leiding van den heer Sayers te Djokja voor de bereiding der ammonia een fabriek op, die door dezen beheerd werd. Na een kortstondig bestaan echter moest zij wegens gebrek aan afnemers der bereide ammonia liquida hare werkzaamheden staken.

-ocr page 276-

250

formeerde kleurstof is uiterst vatbaar voor ontleding- en overgang-en. Daarom moet zij voor fermentatie en ander storend chemisme gevrijwaard en zoo snel mogelijk gewonnen worden. Dit nu kan geschieden door zuiver water, maar — door water — dat, in zijn sterkste oplossingskracht van kookhitte, geen temperatuur, overschrijdt, die ontledend werkt.

„Evenzoo Savers, die al dadelijk schijnt te hebben ingezien, dat op een gegeven moment, bij de oude bewerking een gistings-proces ten nadeele en gedeeltelijk ten koste van de kleurstof intreedt. Het naastbij ligo-end streven moest dus zijn, dat moment te voorkomen of te verhinderen, en onder de talrijke gisting-werende middelen, die ten dienste stonden, was zijn aandacht al spoedig en blijvend op de ammonia gevestigd, die het dubbele voordeel in zich vereenigde van antiseptische werking en van bijzonder oplossingsvermogen tegenover het kleurend beginselquot;.

In de Locomotief van 8 Dec. 1876 vindt men over dit procédé het volgende :

„Procédé Savers. Zooals onzen lezers bekend is werd eenige jaren geleden door den heer Savers te Djokja eene nieuwe bereidingswijze der indigokleurstof uitgevonden. In liet verslag van het 20 Indische land-bouwcongres, ten vorigen jare te Djokja gehouden, lezen wij de volgende mededeelingen van den heer M. E. Bervoets van Gajamprit aangaande diens ervaringen van dit procédé.

„Op de vraag van den sectie-president, wat de meer-

-ocr page 277-

251

dere kosten der werkwijze zijn, antwoordt Bervoets, dat hij in de maanden October, November en December aan ammonia liquida eene som van f 7Ó0S had uitgegeven. De ammonia gemiddeld f 0.30 per liter kostende, had hij alzoo verbruikt 23300 liters; de hoeveelheid indigo daarmede verwerkt was 7000 fr, ergo per u; ƒ 1.08'. Later, toen de productie per bak ontzaglijk toenam, daalden de onkosten per ff tot f0 60

„Daarentegen had hij ook een kort tijdstip gehad, dat de onkosten op circa /2.— per 1 konden worden geraamd, aanhoudende droogte was hiervan de oorzaak. Bij het invallen der regens nam de productie weder toe en daalden de kosten weder tot het vorige cijfer van/0.60. Al moesten de extra kosten gemiddeld op f 1.— per rffi worden gesteld, zoo zou de toepassing van het procédé, ongerekend de meerdere opbrengst, boven de gewone bereiding nog groote voordeelen opleveren. Tot staving hiervan noemt spreker verkoopprijzen, te Semarang, der indigo volgens het procédé verkregen, in verhouding tot de prijzen in Holland gemaakt voor indigo op gewone wijze bereid.

„Gewone indigo bracht in Holland gemiddeld/^.—• per TC op, alzoo na aftrek van onkosten en indroging weinig meer dan f 2.—. Drie partijen indigo, volgens procédé Savers verkregen, behaalden te Semarang bij verkoop respectievelijk f 4.- - en f 4..10, terwijl volgens sprekers gedachte in verhouding tot de fraaie qualiteit voor een dezer partijen te weinig betaald werd. Bij een uitgaaf alzoo van f 1.— extra onkosten

-ocr page 278-

252

voor de toepassing van het procédé verkreeg men f 2.— hooger betaling, en nu moet nog tenvoordeele van het procédé in rekening gebracht worden de meerdere productie. Om tot een juiste vergelijking te komen, neemt spreker de maand December over de jaren 1873 en 1874. 1242 karren Natal-bladeren, op gewone wijze bewerkt, leverden in 1873 1104 ffi, alzoo 0,89 «ffi per kar; in 1874 was het resultaat 917 kar Natal-bladeren, volgens procédé S. bewerkt 1624 te of per kar 1.78

,, Al hoewel het procédé nu een resultaat van 100 % meer indigo aantoont, moet spreker om der waarheids wille, zulks niet alleen aan het systeem Sayers toeschrijven, maar ook gedeeltelijk aan de weersgesteldheid, die in 1874 gunstiger was dan in het jaar te voren. Hoe het ook zij, het allergunstigste jaar leverde vóór de invoering van het procédé slechts 1.46 ^ per kar, dus steeds ver beneden het resultaat, volgens procédé Sayers verkregen. Later was de productie nog meer gestegen en werd de verhouding dus nog gunstiger voor de nieuwe werkwijze, doch spreker is door vele bezigheden verhinderd geworden, nauwkeurige berekeningen dienaangaande te maken. Ten slotte merkt hij nog op, dat; bij verwerking van Guatemala-bladeren, de extra-kosten, bij toepassing van het procédé, niet meer dan 20 è. 25 cents per quot;ffi bedragen. Ook levert bij Guatemala het procédé S. een grooter quantiteit indigo op dan de gewone bereiding.quot; ')

De hoeveelheid ammonia liquida wordt bij dit bedrag van onkosten in de klopbakken en niet in de trekbakken gebezigd bij de fermentatie van Guatemala indigo.

-ocr page 279-

253

Bij de toepassing van het procédé Sayers bezigt men in de laatste jaren, zoodra het fermenteer-water in de klopbakken loopt, op 1000 kub. voet indigo water 5 liter ammonia liquida van 140. De toevoeging geschiedt door een straal te laten vallen op de straal van het afloopend gistingsvocht. De wijze van kloppen en het nagaan of er voldoende geklopt is, blijvende-zelfde als bij de op de gewone wijze bereide indigo. Gelijk boven reeds opgemerkt werd, leverde het ammonia liquida procédé bij de meeste planters ongunstige geldelijke resultaten op, zoodat zij daarvan geheel afzagen; slechts enkelen, door de goede resultaten van anderen aangemoedigd, doen ieder jaar proefnemingen.

Ook mij gelukte het niet voordeelige uitkomsten te verkrijgen.

Sommigen beweren, dat op klei en zware gronden in het algemeen geteelde indigo of wel geil opgeschoten blad gunstige resultaten voor het ammonia-procédé opleveren. Ook in deze gevallen ondervond ik teleurstelling. Het was mij niet mogelijk meerdere noch betere productie te verkrijgen. Slechts in één geval kan ik haar aanbevelen, nl. wanneer er steeds te donkere kleur verkregen wordt, daar de ammonia ongetwijfeld de kleur verlicht, maar tevens in zeer vele gevallen flets maakt. Dat door mij geen goede resultaten werden verkregen, bewijst niet, dat zij op enkele ondernemingen niet te verkrijgen zijn; integendeel, er zijn er, voor welke de ammonia liquida een uitkomst

-ocr page 280-

254

is. Ik heb bijvoorbeeld hier eea opgave voor mij liggen eener onderneming, wier gronden tot de leem-achtige behooren; zij zijn vruchtbaar. Uit die opgave blijkt, dat het product aan liters pap zelfs tot 50 pCt. vermeerderde en de qualiteit verbeterde met 20 c. per pond, zoodat de kosten, op 20 c. gesteld, gedekt werden. Bij het drogen der pap bleek, dat aan gewicht, in verhouding tot de op gewone wijze bereide indigo, 12 pCt. meer verloren werd.

Bij mijne proefnemingen op verschillende onderne-mingen verkreegquot; ik 14 pCt. meer indroging van de pap, ongeveer dezelfde hoeveelheid aan gewicht als de op de gewone wijze bereide indigo, doch de qualiteit verschilde in de meeste gevallen ten voordeele van de oude behandeling.

Als hoofdredenen op de vraag, waarom het procédé Saykrs weinig ingang vindt, geef ik op: de uitlevering van pap bedraagt wel meer, maar de meerdere indroging doet dit schijnbaar voordeel verloren gaan, terwijl de bleeke, somwijlen lletse kleur der indigo deze deprecieert. Bij eene meerdere uitgave verkrijgt men dus minder inkomsten.

Het procédé van den heer G. A. van Prehn, dat sedert eenige jaren uitgevonden werd en in eenige fabrieken op Java in toepassing wordt gebracht, schijnt een werkwijze in zich te sluiten, die goede uitkomsten oplevert. Naar men zegt, berust het procédé op physische en scheikundige grondslagen. Het heeft vooral ten doel het fermenteer-vocht slechts geringen tijd, zonder

-ocr page 281-

255

evenwel te snel te kloppen, aan de werking van de zuurstof der lucht bloot te stellen.

Kan uit stam en takken indigo verkregen worden ?

microscopische beschouwing van een verticale door-snea der bladeren.

De cliloro-phyl, de vermoedelijke bron der kleurstof bij de

Indigoierae.

Uit het sap van den stam kan volgens gedane onderzoekingen geen indigo bereid worden, behalve uit de groene en saprijke deelen, waaruit men slechts zeer geringe hoeveelheden verkrijgt.

Een microscopische beschouwing van een verticale doorsnede van de bladeren toont volgens Schrottky aan, dat zij bestaan uit lagen van cellen, die hoofdzakelijk protoplasma bevatten, benevens zetmeel-korrels en chlorophyl-lichaampjes, welke laatstgenoemde echter in de buitenste lagen ontbreken. Dr. Thomson meldt, dat hij uit een aftreksel van indigobladeren een groen poeder precipiteerde, maar dat daarvan geen indigo te verkrijgen was, tenzij het tot gisting was gebracht.

„Mijn aandachtquot; zegt Schrottky, „op de chlorophyl, als vermoedelijke bron der indigo, werd opgewekt door een opmerking van Roxburgh, die uit zijn proefnemingen en onderzoekingen tot de conclusie kwam, dat de indigoplanten slechts de basis van de kleurstof bevatten, welke oorspronkelijk groen is, dat er veel koolzuur ontwikkelt gedurende het vrij worden uit de basis en dat het koolzuur het agens is, waardoor de stof vermoedelijk wordt losgemaakt en in oplossing gehouden.

„Men weet, dat groen een samengestelde kleur is, bestaande uit blauw en geel. Dat de groen kleurende

-ocr page 282-

25G

stof van de indigobladeren niet meer algemeen de aandacht getrokken heeft als bron van het indigoblauw, kan alleen door het feit verklaard worden, dat scheikundigen tot voor korten tijd het plantengroen (de chlorophyl) als een afzonderlijke zelfstandigheid beschouwden.quot;

Bertholet zegt: „Het groen der planten wordt ongetwijfeld voortgebracht door een homogene zelfstandigheid, op dezelfde wijze als de vele andere kleuren en tinten, die in de natuur bestaan. Die kleur is haar ontstaan verschuldigd aan enkelvoudige stralen en somwijlen aan een vereeniging van verschillende stralen ; sommige andere kleuren behooren tot dezelfde categoriequot;.

„Ware het groen der plantenquot; zegt Schrottky, „afkomstig van twee zelfstandigheden, waarvan de eene geel en de andere blauw is, dan zouden wij die toch wel kunnen scheiden of ten minste hare verhoudingen kunnen wijzigen door deze of gene stof. Het is aan Fremy gelukt aan te toonen, dat de groene kleur van de chlorophyl ontstaat tengevolge van de menging van twee zelfstandigheden, waarvan de eene geel, de andere blauw is; hij noemde die stoffen phyl-loxantin en phyllocyanin.quot;

Deze wenk volgende, vond Schrottky:

i. Indien de chlorophyl uit de versche bladeren van Indigofera tinctoria getrokken wordt en de bladeren dan aan de gewone werking en gisting onderworpen worden, geen indigo.

-ocr page 283-

257

2. Indien de aldus verkregen chlorophyl in een vloeistof gebracht wordt, die organische stoffen bevat, welke in gisting verkeeren (zulk een gisting slechts een boterzure gisting zijnde, waardoor waterstof en koolzuur ontwikkelen) de chlorophyl ontleed en het indigo-blauw uit de vloeistof volgens het gewone proces verkregen wordt.

3. Indien de chlorophyl in een vloeistof gebracht wordt, die organische stoffen bevat, welke in wijn-zure, azijnzure of rottende gisting verkeeren, dat de chlorophyl zich ontleedde en de verkregen vloeistof geen indigo-blauw, maar slechts geringe hoeveelheden van een bruine vlokkige stof, gelijkende op indigobruin, bevatte.

Laten wij hier verder het woord aan Schrottky :

„De gevolgtrekkingen, waartoe deze belangrijke resultaten aanleiding geven, zijn: dat het indigo-blauw, verkregen uit Indigofera tinctoria, reeds in de plant bestaat als phyllocyanin of blauwe zelfstandigheid van het bladgroen en omgezet wordt in een oplosbare en bijna kleurlooze zelfstandigheid door organische stof, die in boterzure gisting verkeert, en die oplosbare stof kan omgezet worden in indigo-blauw door verdere bewerkingen.

„Het kan geen witte indigo zijn en ook is het niet identiek met het indican van Sciiunk, hoewel ik reden heb te vermoeden, dat het daarmede analoog is; ik ben geneigd met Roxburgh aan te nemen, dat die stof door koolzuur opgelost gehouden wordt.

17

-ocr page 284-

258

„Eenige practische ervaringen en waarnemingen, welke ongetwijfeld door indigoplanters nog zouden kunnen vermeerderd worden, gaven er mij aanleiding toe tot het besluit te komen, dat indigo-blauw identiek is met de phyllocyanin van de Indigofera.

De trapsgewijze verandering van de kleur der bladeren in den herfst, overgaande van groen of geel in oranje, is te wijten aan ontleding van het blauwe beginsel van de chlorophyl; hoogstwaarschijnlijk is het gele beginsel meer duurzaam. Indigo-bladeren, die geel geworden zijn, bevatten daarom geen phyllocyanin en kunnen hoegenaamd geen indigo-blauw geven; de ervaring bevestigt dit.

,, Bovendien de ontwikkeling en vorming van chloro • phyl, en dus ook van phyllocyanin hangt af, althans voor een groot deel, van de werking der zonnestralen ; planten, die in donkere plaatsen groeien, hebben een donker vuile kleur, en planten, die geheel in het duister wassen, hebben witte bladeren en stengels, dewijl zich daarin, door afwezigheid der zonnestralen, geen chlorophyl vormt.

„Daaruit volgt, dat voortdurend bewolkte lucht en regen, hoe voordeelig overigens ook in dit heete klimaat, ongunstig werkt voor de vorming en ontwikkeling van de chlorophyl en daarom zal de hoeveelheid phyllocyanin of het indigo-blauw, verkregen uit een bepaald gewicht bladeren, minder zijn, wanneer zulk weder lang aanhoudt, terwijl die stof vermeerdert, wanneer de zon hare weldadige werking kan uitoefe-

-ocr page 285-

259

nen. Ook dit stemt overeen met de ervaring der planters.quot; ^

De reden, waarom een enkele regenbui de opbrengst van de verfstof somtijds wel 50 percent vermindert, verklaart Schrottky aldus: „De hoeveelheid indigo, die uit een bepaalde hoeveelheid (in gewicht) van de plant verkregen wordt, is rechtstreeks en geheel afhankelijk van het bedrag der organische stoffen, die voor gisting vatbaar zijn en in de plant voorkomen.

„De bladeren bereiden in hunne cellen uit de ruwe grondstof het voedsel, dat het einddoel van het plantenleven is, n.1. de vorming van zaad. Zetmeel, albumen en protoplasma zijn de voornaamste zelfstandigheden, die voor dit doel in de bladorganen worden afgezonderd; wanneer de plant tot den staat van rijpheid is gekomen en die stoffen het rijkst zijn verzameld, dan begint zij te bloeien en dan ook wordt de grootste hoeveelheid indigo afgezonderd. Van daar dat een enkele

!) De heer Pf.emper van Balen, hortulanus van den Hortus Botanicus te Amsterdam, wien ik van Guatemala geïmporteerd zaad eenige korrels aanbood, had de beleefdheid deze in de warmste serre uit te zaaien. Hiervan hebben eenige planten een hoogte van ± l'/a Rijnl. voet bereikt. De kleur dezer individuen is, niettegenstaande de temperatuur der serre steeds op ± 90° Fahrenheit gehouden wordt, tengevolge van den bedekten hemel in dezen zomer zeer licht groen, meer of min zilverachtig. De hoeveelheid bladeren was te gering om tot een onderzoek ter bepaling van de quantiteit over te gaan en daarom moet ik mij bepalen tot de mededeeling, dat, naar het mij voorkomt, uit de bladeren geen „stof in merkbare hoeveelheid zoude te trekken zijn en dat ook de indigo-plant in de serre de meening zou kunnen bevestigen, dat zij zeer sterk zonlicht en warmte behoeft om de chlorophyl ten volle te ontwikkelen.

-ocr page 286-

260

hevige regenbui, na eenig langdurig schoon weder, dikwijls de opbrengst omstreeks 50 percent kan doen verminderen in één enkelen nacht, terwijl een paar dagen mooi zonnig weêr die hoeveelheid sterk vermeerderen kan. Immers voortdurend mooi en droog weder houdt tot een zekere mate den groei van de plant tegen, terwijl het niet alleen de vorming van zetmeel, gom en protoplasma begunstigt, van welker gisting de productie van indigo afhangt, maar ook die van chlorophyl. Een zware regenbui geeft aan de plant een krachtigen stoot ter vorming van jonge spruiten, bladeren enz. bij welker vorming de gom, de oplosbare cellulose en protoplasma van de rijpende bladeren verbruikt worden; het sap wordt dan om zoo te zeggen tijdelijk uitgeput tengevolge van dien sterken groei, terwijl de ontwikkeling van chlorophyl in de nieuwe bladeren onvolkomen is, tot licht en zonneschijn hun weldadige werking weder voldoende uitoefenen kunnen. De gisting der plant in hare vaten is dientengevolge dan gering en het product daarmede overeenkomstig. Indien daarentegen boterzure gisting wordt opgewekt en wordt onderhouden door een voortdurenden aanvoer van nieuwe voor gisting vatbare stof, dan zal de productie door zware regenbuien niet zoo kunnen tegenvallen.quot;

Eenlge aan Xer verkrijging van goede q ualiteit indigo is goed water

de practijk zeifs voor den kundigen bereider een hoofdvereischte. ontleende op- amp;

merkingen. Het water, dat veelal de meeste geschiktheid bezit voor

-ocr page 287-

201

de fabricage, is bron- of welwater. Om die reden graven enkelen, bij gemis aan bron- of goed rivierwater, zoodra de bodem op geringe diepte van zakwater voorzien is, bakken, waarin putten aangelegd worden, die met elkaar in verbinding staan en pompen het water daaruit op. Dit werk vordert wel is waar een bijzondere uitgave, maar loont de moeite, wanneer de toevloed van het water in diepere lagen groot is.

Rivier- of bronwater bevat steeds een zekere hoeveelheid alkalische stoffen; deze zijn somtijds van schadelijken aard, maar dikwijls is de hoeveelheid, welke in het water opgelost is, zoo gering, dat de invloed er van niet waarneembaar genoemd mag worden.

Water, dat de volgende alkaliën bevat, dient voor de indigobereiding vermeden te worden, n.1, chloornatrium (gewoon keukenzout) en onderzwaveligzure soda. De eerstgenoemde stof heeft een verminderenden invloed op de productie, de andere is schadelijk voor de kleur der indigo. Daarentegen zijn er alkaliën, die volgens eene mededeeling, voorkomende in de Planters Gazette, met „voordeel bij de indigo-bereiding kunnen gebruikt worden; deze zijn: azijnzure soda, koolzure soda, koolzure potasch, borax, ammonia liquida en chloorkalk. De azijnzure soda werkt voordeelig op de indigo en maakt haar schoon purperblauw. Koolzure soda of koolzure potasch werken verdonkerend op de kleur en maken deze zwartblauw. De sterke ammonia geeft aan het product eene lichtere tint

„Een k twee pond (Eng. gewicht) dubbelkoolzure soda

-ocr page 288-

262

en 3^5 pond azijnzure soda zullen voldoende zijn om iooo liters water voldoende alkalisch te maken. Wanneer men azijnzure soda bij het water voegt, dan moet men dit water niet eerder gebruiken dan 24 uren na de bijvoeging. Laat men het twee ü drie dagen staan, alvorens het te gebruiken, des te beter. Indien men er echter dubbelkoolzure soda of ammonia of borax bijvoegt, dan kan men het water na een half uur reeds gebruiken.quot;

Het bovenstaande laat ik voor rekening1 van den schrijver in de Planters Gazette. Ik geef deze bijzonderheden enkel om den lezer er kennis mede te laten maken. Wellicht zijn er fabrikanten, die met genoemde stoffen proeven wenschen te nemen.

De aanwezigheid van een zeer geringe hoeveelheid kalk in het water, die het zacht en alkalisch maakt, is voor goed water een vereischte.

Stilstaand water ondergaat spoedig eene verzuring, die het hard maakt en ongeschikt voor de fabricage. Die verzuring treedt eerder in bij rivier- dan bij bronwater, hoofdzakelijk ten gevolge van de aanwezigheid van plantaardigen of dierlijken afval. Om die reden hernieuwe men de vulling van het reservoir iederen dag en reinige het overigens door schrobben slechts af en toe.

Ook de gemetselde en de gegraven leidingen, welke het water naar het reservoir leiden, moeten zorgvuldig schoongehouden worden; de eerstgenoemde veelal ter vernietiging van den groenen aanslag, de laatste tot

-ocr page 289-

263

verwijdering van wier, onkruid en planten, wier bestand-deelen dikwijls door het water worden opgenomen en dit onzuiver maken.

Zindelijkheid beschouwe men in een indigofabriek als een factor, die het werk van den indigobereider zal vergemakkelijken. Hij make in verband met deze opmerking de bakken goed schoon door schrobben, liefst met een weinig asch, onmiddellijk nadat de fabricage is afgeloopen. Mochten na die bewerking de wanden en bodems nog eenigszins zuur ruiken, dan wassche men met kalkwater na en late het een en ander gedurende een paar dagen flink uitdrogen. Met deze behandeling tracht men de oorzaak van de verzuring der bakken en daarmede tevens een der redenen weg te nemen, die het al te spoedig troebel worden der vloeistof, iets waarover later bij het proef-trekken gehandeld zal worden, bevorderen.

Is de oorzaak der verzuring in een groenen aanslag gelegen, dan handelt men op dezelfde wijze. Gelijk men weet, is de groene aanslag niet anders dan een mossoort, die voor hare ontwikkeling vochtigheid vraagt. Mij is een voorbeeld bekend, dat een fabriek, die aanvankelijk goed werkte, later ten gevolge van de verhooging van het niveau eener rivier, waardoor in het omliofp-ende land en onder de fabriek zakwater

O O

ontstond, weinig en slecht product opleverde, totdat er verandering in den toestand werd gebracht door den aanleg van afwateringsgootjes onder de fabriek en door vernieuwing van het pleisterwerk.

-ocr page 290-

264

Bij vele indigofabrieken in de Vorstenlanden, op Java, zijn de fermenteer- evenals de klopbakken onder een dak geplaatst. Men beweert door het overdekken een betere qualiteit indigo te verkrijgen, daar de temperatuur van het water in de fermenteer-bakken, ten gevolge van het beschutten tegen de felle zonnestralen lag^er wordt en het niveau daardoor ongeveer een

o o

even grooten warmtegraad ontvangt als het water op den bodem van den bak. Of de resultaten in de practijk de onkosten van het plaatsen van een dak rechtvaardigen, waag ik niet te onderschrijven, daar de proefnemingen om het verschil te doen uitkomen tusschen het beschutten der vloeistof en deze aan den invloed der zonnestralen te onderwerpen tot geen uitkomst leidden, die het dekken als een voordeel kon doen uitkomen. De eenige voordeden, welke uit die proefnemingen ten gunste van het overdekken der bakken bleek, was: dat bij zware regenbuien de bakken niet met regenwater gevuld werden; dat het gevaar van het overloopen der bakken afdoende voorkomen en het vocht niet troebel gemaakt werd en daardoor het bepalen van het tijdstip van aftappen zonder stoornis kon plaats vinden. Daarentegen was de vloeistof voor aftapping niet zoo spoedig gereed, als wanneer zij aan de werking der zonnestralen werd blootgesteld.

-ocr page 291-

265

§2. HET FERMENTEEREN.

Het vullen der In de zoogenaamde fermenteer-bakken plaatse men

r- de bossen, die gewoonlijk ter grootte van 4 Rijnl. vt.

in omvang van het veld gebracht worden, van de touwen ontdaan, zoo mogelijk rechtstandig in de bakken, om het afvloeiende vocht bij het openen der stoppen gelegenheid te verschaffen gemakkelijk weg te loopen ; voor iedere bondan daarentegen worden een viertal bossen in eenigszins schuine richting gezet om als zeef di°nst te doen. Daarna vleie men een dunne laag van het snijdsel op de topeinden der takken, zoodat de geheele bak gevuld wordt en daarover loodrecht op de richting der drukbalken, die het geheel onder water houden, de latten, waarvoor men heele bamboe aan de uiteinden voorzien van de ringen (ros), ter voorkoming van spoedig stuk gaan, neemt. Een matige drukking is aan te bevelen ; de drukbalken worden van pennen voorzien en hiermede aan de ijzeren staven, op de teekening voorgesteld door de letters t, bevestigd. Daarop late men het water zoo spoedig mogelijk toetreden — ten einde verhitting en broeiing, waarvan verlies aan stof een onvermijdelijk gevolg is, te voorkomen, gelijk ik reeds op pagina 104, 105 en 106 opmerkte bij het vervoer der grondstof — en vuile hiermede den bak tot 2 Rijnl. dm. boven de latten op.

Ik was en ben van meening, dat de vulling (met water) der fermenteer-bakken van alle fabrieken, die ik op Java in werking zag, niet snel genoeg plaats

-ocr page 292-

266

vindt, eveneens wat het afvloeien betreft van liet vocht naar de klopbakken, aangezien in het laatste stadium der fabricage een kwartier langer of korter de bladeren aan de gisting te onderwerpen een groot verschil van qualiteit oplevert. Ik maak hier melding van V4 uar langer of korter van duur der fermentatie, omdat dit op zijn minst genomen de tijd is, die men thans noodig heeft om de bakken met water te vullen en bet vocht af te laten loopen. Dat de inrichtingen niet geheel beantwoorden aan het doel, grond ik op de volgende feiten: bij het instroomen van het water ondergaan de onderste lagen in den bak het eerst de werking, daarna het bovendeel, terwijl bij het uitstroomen van het vocht, wanneer de werking als afgeloopen beschouwd wordt, de aan de oppervlakte gelegen bladeren het eerst aan het chemisch proces ontsnappen, en de gisting in de onderste lagen nog onderhouden wordt.

Het is, vermeen ik, aan te nemen, dat juist in de laatste oogenblikken, wanneer het gistings-proces zulke snelle vorderingen maakt, een kwartier verschil in het vullen met water en ontdoen van vocht te groot is. Hierdoor toch ondergaan de onderste lagen eene verdere gisting, die niet gewenscht is, terwijl het bovenste deel wellicht niet voldoende aan de gisting is onderworpen.

Dat het laatst afvloeiende vocht van zeer slechte qualiteit is, is mij gebleken bij eene proefneming, die ten doel had de qualiteit der indigo te verbeteren.

Hiertoe werd voor het laatst af te tappen vocht, waarvan een slecht product verwacht werd, een kleine

-ocr page 293-

267

klopbak opgesteld. Bij de proefnemingen bleek duidelijk, hoe bedorven het laatst uitstroomende deel was; zelfs onder toevoeging van kalk om het zuur te neutraliseeren was het zeer moeielijk eenig bevredigend resultaat voort te brengen; meestal ontstond op de vloeistof veel schuim en kon slechts zeer weinig indigo van slechte qualiteit afgescheiden worden.

Daar de hoedanigheid van het product in de groote klopbakken wel iets beter, maar daarentegen de quan-titeit verminderd was en de handel voor het betere product, naar vermoed werd, niet in die mate hoogere prijzen zoude betalen, dat het verlies in het rendement aan indigopap daardoor gedekt zoude worden, zoo werd besloten al het afgetapte vocht weder in de groofe klopbakken te verwerken. Te eer werd tot staking der proef overgegaan, daar de onkosten om de indigo voort te brengen — door den aankoop van een basis om het zuur te neutraliseeren — waren vermeerderd en geen of weinig indigopap van zeer slechte hoedanigheid uit de kleine klopbakken verkregen werd

In verband met bovenstaande mededeelingen ben ik van opinie, dat de bakken hoogstens i M. diep be-hooren te zijn en dring ik aan op vergrooting van het in- en uitstroomingsvermogen der bakken en wel in die mate, dat het vullen en afvloeien binnen 4 minuten is afgeloopen.

') Hierdoor was de indigo alleen geschikt voor den verkoop op de inlandsche markt.

-ocr page 294-

268

Ik teeken hierbij nog aan, dat in ondiepe bakken de temperatuur van het water g-elijkmatiger is dan in diepe en daardoor de uitlooging meer gelijkmatig plaats kan vinden.

Het gistings- Wat de kleur van het water betreft, deze ondergaat proces. meestal in de eerste 3 uren nagenoeg geen verandering, alsdan wordt ze groenachtig — het blad is in dat geval zeer gezwollen — daarop groen, vervolgens geelachtig groen, om dan geel te worden en ten slotte, indien men in sommige gevallen volgens de practische aanwijzingen nog door kan fermenteeren, donkergeel, evenals de kleur van gedroogde curcuma. Tusschende beide laatste kleurschakeeringen begint zich een witte zelfstandigheid te vormen, die meer en meer toeneemt naar gelang de kleur van de vloeistof met curcuma overeenstemt. Trekt men in een der laatste stadiums van de gisting met de pipet '), die in een bamboekoker op een der diepste deelen van eiken bak geplaatst wordt, op verschillende diepten van het water een proef, dan blijkt, dat op den bodem de donkerste gele kleur wordt aangetroffen en deze, naar gelang men de oppervlakte nadert, afneemt.

De duur der werking in de weekbakken is van vele omstandigheden afhankelijk, als daar zijn: de bestand-

!) De lengte der pipet is gelijk aan de diepte van den bak, ± 1,10 M., de diameter ± 6 cM. Dit werktuig is gewoonlijk van blik vervaardigd en aan de bovenzijde voorzien van een gaatje van 3 mM. diameter.

-ocr page 295-

269

deden en warmtegraad van het water, weersgesteldheid, duur van het snijden, verzamelen en transporteeren der bladeren, chemische samenstelling der planten, de inrichting en stand der fermenteer-bakken en de temperatuur der atmospheer. Bij al deze opmerkingen wensch ik nog een feit te voegen, dat menigen fabrikant zeker opgevallen is en waarvoor ik te vergeefs een reden heb gezocht, n. 1., dat, wanneer de bakken gedurende langen tijd niet voor de fabricage zijn gebezigd, op den eersten dag der werking veelal de duur langer is dan op den tweeden, derden of vierden dag. Het verschil van den duur tusschen den eersten en derden dag kan somwijlen 5 uren bedragen. In de benedenlanden is de duur der weeking en gisting 5 8 uur, in hoogere streken meestal langer, tenzij chemische bestanddeelen in het water de werking bespoedigen.

Schrottky maakt de volgende opmerkingen, die hij tijdens de weeking en gisting waargenomen heeft; „Wanneer het water een groene tint begint aan te nemen, zijn de bladeren aanzienlijk gezwollen; de ontleding van de giststof in de cellen heeft dan plaats; er ontwijken gassen, want de celwanden bersten en hun inhoud mengt zich met het omringende water, door welke omstandigheid het kleurende beginsel van de plant in het water verzameld wordt. Dan volgt snel de gisting; waterstof en koolzuur worden vrij met een weinig ammonia en de vloeistof verkrijgt een meer gele tint.quot;

„Wij hebben,quot; zegt genoemde onderzoeker, „gezien,

-ocr page 296-

270

dat de boterzure gisting alleen in staat is uit chlorophyl indigo-blauw te bereiden en dat de wijnzure, de azijnzure en de rottende gisting beschouwd moeten worden als de groote vijanden van den indigo-bereider, dewijl deze uit de chlorophyl een zelfstandigheid afzonderen, die een buitengewoon grooten invloed op de hoedanigheid van het product heeft, n.1. indigo-bruin.

„De natuurlijke gisting van de plant in den weekbak is van een vrij samengestelden aard. De zetmeelkorrels van de bladcellen worden opgelost en in suiker omgezet; de aldus gevormde suiker en die, welke oorspronkelijk in de plant aanwezig was, wordt omgezet in alkohol en de alkohol in azijnzuur. Het protoplasma, het albumen en de plantaardige fibrine vormen diastase, gom, melkzuur en boterzuur. Wij hebben alzoo rekening te houden met verschillende gistingen, die elkander juist niet altijd opvolgen, maar waarvan er sommige gelijktijdig plaats vinden.

„De zaak, waarop nu het meest gelet moet worden, is het versterken van de boterzure yistino- en het

C) ö

tegengaan of verzwakken van de andere gistingen.quot;

De heer Schrottky had meermalen de gelegenheid te bevestigen, „dat de gassoort, die gedurende de sterke gisting ontweek, waterstof is, vergezeld van koolzuur.quot; Daarop vermindert volgens hem de ontwikkeling van waterstof; „de gisting gaat echter nog voort, maar de ontwijkende gassen bestaan hoofdzakelijk uit koolzuur en ammonia, waaruit blijkt, dat alsdan een andere soort van gisting de overhand heeft.

-ocr page 297-

271

„Zoodra de waterstofontwikkeling ophoudt, kan men er zeker van zijn, dat er geen indigo-blauw meer gevormd wordt; indien dan nog eenig chlorophyl on-ontleed overblijft, dan zullen daaruit indigo-rood en indigo bruin ontstaan.quot;

De juiste rijd voor het aftappen van den weekbak is volgens Schrottky die, waarin de waterstof ophoudt te ontwikkelen; hij voegt er echter bij, dat voor de practijk het onderzoek daarop nog al ingewikkeld is, en geeft de volgende middelen als afdoende aan de hand:

„i0. Stel, dat de temperatuur van het weekvat in het midden, na de vulling, 86° Fahrenheit bedraagt, dan zal zij allengs stijgen gedurende de gisting tot 920 h 94° tegen het einde der fermentatie. Dezen warmtegraad blijft de vloeistof gedurende eenigen tijd behouden, maar zoodra de sterke ontwikkeling van waterstof ophoudt, daalt zij 50 è. 6° in een half uur. Wanneer het dalen begint, moet er afgetapt worden.

„20. Het ontwikkelen van waterstof gaat vergezeld van een stijgen van het watervlak, het staken van die ontwikkeling met een daling van het niveau.

„30. De waterbellen, die tijdens de ontwikkeling van waterstof op het water komen, drijven gedurende eenigen tijd daarop; de bellen, die met een andere gassoort gevuld zijn, bersten onmiddellijk.quot;

Volgens Schrottky is „de beste temperatuur voor de gisting tusschen 88° en 96° Fahrenheit. Beneden

Het bepalen van het tijdstip, waarop de bak afgetapt moet worden.

-ocr page 298-

272

75° heeft geen gisting plaats. Elke soort van gisting heeft haar eigen temperatuur, daarboven of daarbeneden treedt zij niet op. Dr. Gregory stelt de temperatuur van de boterzure gisting op 90° è 105°; anderen geven daarvoor 86° tot 1040.quot;

Ik acht deze aanwijzingen, die ik voor een deel reeds wist, vóórdat ik nog iets had vernomen van de ontdekkingen van den heer Schrottky, onvoldoende, evenwel men beschouwe haar niet als geheel waardeloos. Ze zijn slechts factoren, die men in aanmerking kan nemen, Enkel op één punt, waaraan Schrottky mijns inziens niet voldoende aandacht heeft geschonken, wensch ik bij de fabricage van indigo bijzonderen nadruk te leggen, n.1. het feit, dat men rekening heeft te houden met den wensch van den handel. Deze vraagt nu niet alleen het grootst mogelijk gehalte aan indigoblauw, maar tevens een violette kleur en deze wordt niet anders dan door vermenging van blauw met een weinig rood verkregen. Wij hebben dus bij de fabricage ook te letten op de aanwezigheid van het indigo-rood, dat in zekere mate aanwezig de levendigheid, diepte van kleur in het blauw kan verhoogen.

Bij het bepalen van het juiste oogenblik van den afloop der gisting, stel ik op den voorgrond, dat dit niet aan bepaalde regels is te onderwerpen. Men dient daarbij geheel naar omstandigheden te werk te gaan. Eene andere zaak evenwel is het of er niet een bepaalde basis kan aangegeven worden, volgens welke de bereider te handelen heeft. Die basis is

-ocr page 299-

273

hoofdzakelijk het schuim. Heeft men helder zacht bronwater, waarin geen bijzondere chemische bestand-deelen worden aangetroffen, die het bekomen van goede resultaten verhinderen, dan kan men, behoudens vele uitzonderingen, waartoe de weersgesteldheid en de chemische samenstelling der plant medewerken, in den regel aannemen, dat de werking als afgeloopen moet beschouwd worden, wanneer het schuim, dat ontstaat door het vocht van 2 2V3 Rijnl. voet hoogte in de kom1) te laten vallen, in zijn geheel — na eenige seconden gewacht te hebben — blijft bestaan bij het aanvatten der kom, door het insteken van de duim in het vocht. Vormt zich een kring van verdwenen schuim bij deze gelegenheid, dan is dit een kenmerk, dat de werking nog niet afgeloopen is. Blijft de oppervlakte met schuim bedekt, dan wacht men met het openen der stoppen nog hoogstens een drietal minuten, om aan de indigfo een verhoogde violette kleur toe te

O O

voegen, indien deze wenschelijk wordt geacht.

Dat dit tijdstip het uiterste is, waarop men het vocht laat afvloeien, zal geen der ervaren bereiders ontkennen, evenmin dat vele uitzonderingen, eerder de vloeistof af te tappen, dezen regel moeten bevestigen, opdat men aanspraak kan maken op den naam van goed indigo-bereider.

Bij eenigszins te „oud openenquot; —zooals de uitdrukking bij bereiders luidt, wanneer zij het uiterste crite-

!) De kom is wit van kleur en heeft gewoonlijk, bij een diepte van ±10 cM., aan het bovenvlak een middellijn van ± 17 cM.

18

-ocr page 300-

274

Hum afwachten, waarna de vloeistof geklopt moet worden — verkrijgt men niet meer pap, wel grooter gewicht, maar de qualiteit vermindert in zachtheid en levendigheid van kleur.

In tegenstelling van het „oud openenquot; heeft men het „jong openenquot;. Om het onderscheid tusschen het oud en jong openen te leeren kennen, deel ik mede, dat bij jong openen zich om den duim een kring van verdwenen schuim vormt en dat, naar gelang men jonger moet openen om goede qualiteit en product te maken, de kring in het schuim van grooter afmeting genomen wordt.

Ik teeken hierbij aan, dat met de woorden jong en oud openen bij bereiders nog al eens geschermd wordt, alsof men op elke fabriek in staat zoude geweest zijn met „oud openenquot; goede indigo te fabriceeren, alsof men in staat zou geweest zijn enkel door een afwachten de houding aan te nemen de scheikundige wetten, oorzaak en gevolg, te leiden.

Blijkt het uit een genomen proef van de indigopap, vervaardigd op den vorigen dag, ^ dat met „oud openenquot; geen goede indigo verkregen wordt, dan maakt men „jonger openquot;.

Om de qualiteit der indigo te beoordeelen, neme men uit den zeef bak, wanneer de lohor er uit gezeefd is, een weinig pap en brenge deze op een glad geschraapte bamboe. Door tikken met den stok tegen het een of ander voorwerp trachte men de pap op een gelijke dikte te brengen. Daarna late men haar drogen. Bij te oud openen verkrijgt men eene te donkere, bij te jong openen eene te licht blauwe kleur.

-ocr page 301-

275

Behalve genoemde aanwijzingen komt de graad van verdeeling eener in de vloeistof zwevende witte stof in aanmerking.

Neemt deze stof dusdanig toe , dat de vloeistof troebel wordt, dan heeft er verzuring plaats De wijze, waarop men de vloeistof bij deze proef in de kom laat vloeien, is de volgende:

Men legge de pipet in bijna horizontale richting met de punt tegen den wand der kom aan en late het vocht langzaam in de kom vloeien, waardoor de vloeistof een regelmatige, draaiende beweging ontvangt en geen schuim te voorschijn geroepen wordt. In het midden ontstaat, nadat de vloeistof ongeveer tot stilstand gekomen is, een blauwe kring, die zich kronkelend naar den bodem werkt. Zij, die de kunst van het fermenteeren niet verstaan, wijden al hunne aandacht aan deze wolk, om ten slotte zeer dikwijls bedrogen uit te komen, daar de wolk van verschillende invloeden afhankelijk schijnt en somwijlen in het geheel niet te voorschijn treedt en dus een onzekere basis vormt. De vermeerdering der witte stof blijve dus de aandacht trekken en uit den graad der verdeeling trekke men in verband met de opgedane ondervinding bij het fementeeren der vloeistof van den vorigen dag, de conclusie of de bak voor aftapping gereed is.

Niet onvermeld wensch ik hier te laten het feit, dat enkelen met hunne reukorganen den graad van ontwikkeling van een menging van gassen, hoofdzakelijk koolzuur, trachten waar te nemen, die prikkelend op

-ocr page 302-

276

de reukorganen werken, om daaruit te besluiten of de vloeistof voldoende gegist heeft. Daartoe laten zij een straal uit de pipet langs den neus loopen en snuiven de onwelriekende geuren van de zich ontwikkelende gassen op totdat deze ongeveer de lucht bereikt hebben van paarde-urine. Is men slechts een weinig verkouden, dan faalt dit middel. Ik geloof dan ook te kunnen constateeren, dat er bijna geen onzekerder basis denkbaar is. Ik laat om die reden aan de liefhebbers het genoegen hunne neuzen met het zich later in indigoblauw omzettende vocht te bezoedelen.

Uit het bovenstaande ontwaart men, dat bij de zoogenaamde „geheimenquot; van den indigo-bereider nog veel attentie en oefening behoort om het juiste tijdstip van den afloop te bepalen, doch tevens dat het fermenteeren volgens warmtegraden en tijdaanwijzer, gelijk sommigen doen, op een onjuiste basis berust, omdat de werking in de bakken niet tot stand wordt gebracht door enkele warmte. De practijk toont dit dan ook aan.

Daar de fermentatie op de onderscheidene ondernemingen onder verschillenden invloed staat, aldus redeneeren bereiders volgens warmtegraden, is er geen bepaalde lijst op te maken. Gewoonlijk zoekt men het tijdstip, waarop de beste indigo verkregen wordt en maakt een lijst, waarbij elke graad vermeerdering ie è. 15 minuten langer fermenteeren aangeeft. De warmtegraad van het water wordt opgenomen, wanneer de bak met water gevuld is. De lijst van den duur der weeking en gisting wordt dan in dezer voege ongeveer

-ocr page 303-

277

opgemaakt of wel naar gelang de proeven uitwijzen Bij 250 Celsius 9.— uur.

26° 2 70 28°

O

8.45 8.3°

8.15 8.— enz.

, 29 enz.

Ik geef deze methode enkel volledigheidshalve, maar hecht daaraan zeer weinig waarde, tenzij men haar als eene waarschuwing beschouwe voor den bereider, op tijd present te zijn om de gisting na te gaan.

Enkelen besproeien, nadat de fermentatie afgeloopen en de vloeistof afgetapt is met eenige emmers water de bladeren, ten einde uit het aanhangende vocht, aldus beweren zij, nog eenige indigo naar de klop-bakken te voeren. Ik ontraad deze handeling ten sterkste, aangezien er, zoodra de lucht toegang tot de bladeren heeft, direct een rottende gisting ontstaat, die de aanhangende indigo vernietigt en de qualiteit der afgetapte vloeistof vermindert.

Ten einde te voorkomen, dat de wanden en bodem van den fermenteerbak niet al te zeer door de overblijvende rottende massa, door zuren, worden aangetast, verwijdere men zoo spoedig mogelijk de titen en reinige onmiddellijk daarna de bakken door schrobben en uitspoelen tot de zure lucht verdwenen is.

Het begieten der afgewerkte bladeren.

-ocr page 304-

278

§ 3- het kloppen.

Wij hebben in de vorige paragrafen gezien, welke werkingen er bij het fermenteeren hoogst waarschijnlijk plaats vinden; ik zeg hoogst waarschijnlijk, omdat we tevens ontwaard hebben, dat de ideëen der chemici nog te veel uiteenloopen, om daaruit bepaalde conclusion te kunnen trekken.

Evenals bij het fermenteeren zullen wij ons ook, wat het scheikundig proces betreft, van de werking, die zich in de klopbakken voordoet, nader op de hoogte trachten te stellen, alvorens tot de bespreking der practijk over te gaan.

Beantwoorden wij in de eerste plaats, om tot eenig begrip der zaak te komen, de vraag: wat is „kloppenquot;?

Ouder kloppen verstaat men bij de indigo-fabricage die bewerking, welke ten doel heeft het fermenteer-vocht te roeren en aan de lucht bloot te stellen.

In vroegere jaren geschiedde deze bewerking met handenarbeid, thans algemeen door mechanische kracht, die van stoomspanning of waterval uitgaat. Zij vindt op de volgende wijze plaats: Aan een as, die met de beweegkracht in verbinding staat, zijn bij iederen bak gewoonlijk 4 armen verbonden, waarvan de uiterste op eenigen afstand van de zijwanden der reservoirs geplaatst zijn ter voorkoming van het overspatten van het vocht uit de klopbakjes. Deze zijn aan de einden der armen bevestigd en voorzien van gaatjes, om het vocht in fijne stralen te verdeden. Enkel de buiten-

Lucht is noodig, maar niet de eenige stof, die invloed uitoefent op het

vormen van indigokorrels.

-ocr page 305-

279

zijden van de langs de wanden der gemetselde klop-bakken zich bevindende scheppers zijn niet doorboord.

Eenige fabrieken hebben in plaats van houten bakjes blikken kokers — bevestigd aan een achthoekig raam — die de in vroegere jaren meer algemeen gebezigde bamboe kokers vervangen. Beide laatstgenoemde inrichtingen worden boven de andere verkozen, omdat zij de vloeistof fijner verdeelen, beter aan de lucht blootstellen en, goed schoon gehouden, naar men beweert, mooiere indigo kunnen uitleveren dan de houten bakken. Daarentegen levert het toestel met de armen een veel eenvoudiger constructie op en kan beter schoongemaakt worden, terwijl de contróle daarop ook veel gemakkelijker is, dan de aan achtkantige ramen gehechte bamboe kokers. Doch ook de houten bakjes met hunne naden, verzamelplaatsen van ontbindende indigo, acht ik voor verbetering vatbaar door aanwending van metaal, dat zich bovendien ook beter leent tot het boren van kleine gaatjes, die hierbij niet, bij houten bakken echter op den duur eenigszins verstopt geraken.

Waar zindelijkheid een voorname factor is, waarmede men rekening dient te houden, evenals zulks bij de fabricage van indigo het geval is, daar behoeft het, vermeen ik, geen betoog, dat men alles in het werk dient te stellen om aan dezen eisch, zooveel als mogelijk is, gevolg te geven.

Anderen laten de vloeistof op veelvuldig doorboorde zinken tafelbladen vallen, die, op schragen rustende.

-ocr page 306-

278

HET KLOPPEN.

Wij hebben in de vorige paragrafen gezien, welke werkingen er bij het fermenteeren hoogst waarschijnlijk plaats vinden; ik zeg hoogst waarschijnlijk, omdat we tevens ontwaard hebben, dat de ideëen der chemici nog te veel uiteenloopen, om daaruit bepaalde conclusiën te kunnen trekken.

Evenals bij het fermenteeren zullen wij ons ook, wat het scheikundig proces betreft, van de werking, die zich in de klopbakken voordoet, nader op de hoogte trachten te stellen, alvorens tot de bespreking der practijk over te gaan.

Beantwoorden wij in de eerste plaats, om tot eenig begrip der zaak te komen, de vraag: wat is „kloppenquot;?

Onder kloppen verstaat men bij de indigo-fabricage die bewerking, welke ten doel heeft het fermenteer-vocht te roeren en aan de lucht bloot te stellen.

In vroegere jaren geschiedde deze bewerking met handenarbeid, thans algemeen door mechanische kracht, die van stoomspanning of waterval uitgaat. Zij vindt op de volgende wijze plaats: Aan een as, die met de beweegkracht in verbinding staat, zijn bij iederen bak gewoonlijk 4 armen verbonden, waarvan de uiterste op eenigen afstand van de zijwanden der reservoirs geplaatst zijn ter voorkoming van het overspatten van het vocht uit de klopbakjes. Deze zijn aan de einden der armen bevestigd en voorzien van gaatjes, om het vocht in fijne stralen te verdeelen. Enkel de buiten-

§

Lucht is noodig, maar niet de eenige stof, die invioed uitoefent op het

vormen van indigo-korrels.

-ocr page 307-

279

zijden van de langs de wanden der gemetselde klop-bakken zich bevindende scheppers zijn niet doorboord.

Eenige fabrieken hebben in plaats var» houten bakjes blikken kokers — bevestigd aan een achthoekig raam — die de in vroegere jaren meer algemeen ge-beziefde bamboe kokers vervangen. Beide laatst-

o lt;rr»

genoemde inrichtingen worden boven de andere verkozen, omdat zij de vloeistof fijner verdeelen, beter aan de lucht blootstellen en, goed schoon gehouden, naar men beweert, mooiere indigo kunnen uitleveren dan de houten bakken. Daarentegen levert het toestel met de armen een veel eenvoudiger constructie op en kan beter schoongemaakt worden, terwijl de contróle daarop ook veel gemakkelijker is, dan de aan achtkantige ramen gehechte bamboe kokers. Doch ook de houten bakjes met hunne naden, verzamelplaatsen van ontbindende indigo, acht ik voor verbetering vatbaar door aanwending van metaal, dat zich bovendien ook beter leent tot het boren van kleine gaatjes, die hierbij niet, bij houten bakken echter op den duur eenigszins verstopt geraken.

Waar zindelijkheid een voorname factor is, waarmede men rekening dient te houden, evenals zulks bij de fabricage van indigo het geval is, daar behoeft het, vermeen ik, geen betoog, dat men alles in het werk dient te stellen om aan dezen eisch, zooveel als mogelijk is, gevolg te geven.

Anderen laten de vloeistof op veelvuldig doorboorde zinken tafelbladen vallen, die, op schragen rustende.

-ocr page 308-

280

boven het niveau uitsteken en tegen den muur, vormende de afscheiding tusschen fermenteer- en klopbak, geplaatst zijn, ten einde daardoor de innige vermenging met de zuurstof der lucht tot stand te brengen.

Alhoewel ik niet ontken, dat de toevoesnno- van

o o

de zuurstof der lucht in het klopwater noodzakelijk kan zijn ter voortbrenging van indigo, zoo komt het mij voor, dat de werking, die tijdens het kloppen plaats vindt ter verkrijging der kleurstof, niet enkel aan de zuurstof moet toegeschreven worden. Even goed zou m. i. de stelling te verdedigen zijn, dat ten gevolge van het roeren en aan de atmospheer bloot stellen der vloeistof de ontsnapping der zich ontwikkelende gassen bevorderd en aan de indigo gelegenheid verschaft wordt zich te ontwikkelen. Ik prond deze

o

opinie op de proef, die ieder kan nemen, velen wellicht reeds genomen hebben, nl. dat, indien men de gegiste vloeistof uit den fermenteer-bak zelfs eenige malen achtereen uit een pipet in een kom laat vallen, waardoor toch ongetwijfeld de geheele massa eenige malen aan de lucht werd blootgesteld, er zich geen blauwe stof in die mate heeft gevormd, als men met grond zou kunnen verwachten, wanneer men de stelling voorop plaatst, dat de zuurstof de oorzaak is der ontwikkeling van het indigo-blauw. Vergelijken wij met deze resultaten de wijze, waarop in de klopbakken de vloeistof aan de lucht wordt blootgesteld en den graad, waarin zulks plaats vindt, dan zal het, dunkt mij, bij eenige aandachtige beschouwing van dit vraag-

-ocr page 309-

281

stuk duidelijk zijn, dat er tevens, zoo niet voor een groot deel een andere werking dan een oxydatie moet plaats vinden om het resultaat te weeg te brengen, dat met het kloppen verkregen wordt.

Stellen wij den inhoud van het reservoir, door de klopbakjes met de zuurstof van de lucht in contact te brengen, op 18000 liters; dat ieder bakje een inhoud bezit van 2 liters; dat 8 dergelijke klopbakjes het klop-proces ten einde brengen en dat de as van het toestel 6 omwentelingen maakt in de minuut, dan worden gedurende iedere minuut 2 liters X 8 X 6 gelijk aan 96 liters, dus ca. too liters aan de lucht blootgesteld; neemt men hierbij aan een gemiddelden duur van 3 uren voor het kloppen ter voortbrenging van de grootste hoeveelheid indigo, welke verkregen kauworden, dan werden in den tijd van 180 minuten 180 X 100= 18000 liters aan de lucht blootgesteld. Men kan hieruit de conclusie trekken, dat in dit geval elke liter vloeistof ongeveer eenmaal aan de werking van de zuurstof der lucht onderworpen is. Voegt men hierbij het feit, dat de duur van het kloppen niet altijd even lang is, dus niet altijd even veel zuurstof der lucht noodig schijnt te zijn, dat in sommige gevallen de aanwezigheid van ammonia en andere stoffen het vormen van indigo kunnen bevorderen, dan komt het, naar mijn gevoelen, rationeeler voor aan te nemen, dat er meer aandacht dient geschonken te worden aan de werking, die de afscheiding der gassen bevordert, dan enkel aan de chemische werking der zuurstof op de vloeistof te ge-

-ocr page 310-

282

looven als oorzaak der indigfovormingf. Dit een en

lt; J O

ander licht, mijns inziens voldoende de onjuistheid der meening van hen toe, die alleen of hoofdzakelijk in de aanraking van de vloeistof met de zuurstof der lucht de oorzaak der indigovorming zien. De heer G. A. van Pkehn schijnt ook deze meening toegedaan te zijn, althans het procédé heeft, zooals men mij meldt, ten doel het fermenteer-vocht slechts geringen tijd zonder te snel te kloppen aan de werking van de zuurstof der lucht bloot te stellen.

Gaan wij verder na hoe anderen over de werking in de klopbakken denken.

„Het doel van het roeren,quot; zegt Du. Urc, „is drievou-voudig. Vooreerst dient het ter uitdrijving van een groote hoeveelheid koolzuur uit de gegiste vloeistof; ten tweede geeft men daardoor aan de nieuw gevormde indigo de vereischte hoeveelheid zuurstof, tengevolge van het ruime in aanraking brengen met de lucht en ten derde vormen zich daardoor de vlokken of korrels.quot;

Van deze zienswijze zegt Schrottky : „Ik ben met Roxburgh van meening, dat het koolzuur in de gegiste vloeistof het ware oplossingsmiddel, het solyens van het indigogevende beginsel is en ben niet geneigd met de algemeene opinie mede te gaan, die aanneemt, dat alleen het opnemen van zuurstof uit den dampkring de vloeistof of liever het daarin bevatte bezinksel in indigo-blauw omzet.quot;

Als regel geldt, dat men ter voorkoming van gis-

-ocr page 311-

283

ting en bederf, het vocht in den klopbak zoo spoedig mogelijk bewerken moet. Gedurende het roeren van het vocht ontsnappen groote hoeveelheden koolzuurgas, die in de vloeistof opgelost waren, waardoor zeer veel schuim ontstaat; dit vermindert echter na eenigen tijd; de vroeger heldere stof wordt dan troebel en blauwe korrels indigo worden waargenomen. Zij vermeerderen gaandeweg, terwijl de ontwijking van gassen weder toeneemt en het schuim zich voor de tweede maal aan de oppervlakte vertoont.

Is ons na bovenstaande beschouwingen gebleken, dat lucht noodig, maar tevens niet het eenige middel is, dat invloed uitoefent op het vormen van indigo-korrels, de practijk leert, dat bij voortgezet kloppen indigo verloren gaat; ook leert zij, dat het kloppen niet al te snel mag plaats vinden. Vier hoogstens zes omwentelingen der as van het kloptoestel zijn voldoende om zich van een goeden gang van zaken te verzekeren. Te lang, te oud kloppen maakt de kleur bleek, flets, evenals het gebruik van ammonia; te kort, te jong kloppen daarentegen onthoudt der indigo de zoo gewilde gelijke diepe kleur.

Groote hoeveelheid indigo gaat meestal gepaard met een goede hoedanigheid.

Deuitvoe- Zoodra de vloeistof in de klopbakken in ontvangst ring. genomen wordt, zette men het kloptoestel in werking;

er ontstaat alsdan bij een juiste fermentatie een geelachtig vet aanvoelende schuimafzetting, die veelal, naar

-ocr page 312-

284

gelang der kleur, gepaard gaat met een hooger 01 geringer indigogehalte. Dit schuim wordt zoolang geslagen en met het vocht vermengd, tot het verdwenen is. Zulks geschiedt gewoonlijk binnen den tijd van 15 ü, 20 minuten, waarna slechts weinig, doch goedaardig schuim overblijft, dat bij stilzetten van het toestel onmiddellijk verdwijnt. De kleur van het vocht is, zooals wij gezien hebben, aanvankelijk geel tot donker geel; bij het kloppen wordt zij achtereenvolgens geel-groen, groen, donkergroen, paarsachtig blauw en ten slotte donkerblauw. Bij het begin van het stadium van paarsachtig blauw, is het schuim wit, begint langzaam te vermeerderen, zet zich langs de wanden af en neemt in breedte toe. In deze oogenblikken heeft de bereider het tijdstip te bepalen of het klop-proces afgeloopen is.

Het bepalen van het tijd-stip, waarop het kloppen gestaakt wordt.

Als algemeenen regel neemt men aan, dat het roeren gestaakt kan worden, wanneer het schuim dermate is toegenomen, dat het langs de zijwanden van den muur, waarop de as van het kloptoestel geplaatst is, zich over hunne geheele lengte heeft ontwikkeld en tevens evenwijdig daaraan tusschen de armen der klopbakjes. Staakt men alsdan het kloppen, dan moet het schuim langzaam, doch geheel verdwijnen ongeveer in een tiental minuten. Verdwijnt het reeds binnen één a twee minuten, dan zette men het toestel onmiddellijk weder in werking, en kloppe tot het verlangde resultaat is verkregen.

-ocr page 313-

285

Eene andere practische wijze, die men ter bepaling van het geschikte oogenblik tegelijkertijd met het toezicht op het schuim aanwendt, is bet vermengen van een weinig speeksel met het vocht, dat uit den bak in een witte kom geschept is; de vloeistof wordt alsdan in een zelfde richting gedurende eenige oogen-blikken met een paar vingers geroerd — zoodat zij eene draaiende beweging verkrijgt — totdat het speeksel zich in de kom verdeeld heeft. Door deze bewerking zondert zich het indigo-grein af, dat grof van korrel moet zijn en gemakkelijk neerslaan. De vloeistof bezit alsdan een donker bruinroode tint — de groene moet verdwenen zijn — en wanneer langs den wand der kom de rand helder geworden is, dan eerst acht men het tijdstip gekomen het kloppen te staken.

Beide wijzen ter bepaling van den afloop van het klop-proces komen gemeenlijk met elkaar overeen. Iedere bereider, die een weinig practische ervari ng overigens bezit, kan dit tijdstip vrij gemakkelijk en juist bepalen.

Hoe meer het roerproces zijn einde nadert, des te meer gassen worden er door het kloppen vrij gemaakt. Deze verspreiden een meer of min alkalischen geur. Een goed indigo-bereider weet, dat deze uitwaseming het sein is, dat de werking ten einde loopt. Er treedt alsdan weder een gisting in, tevens bemerkbaar aan het opkomende schuim.

Kleur der Opmerkenswaardig is het, dat ondanks goed kloppen

lohor. en fermenteeren, nadat de indigo bezonken is, het

-ocr page 314-

286

lohor-water somwijlen bij het aftappen verschil in kleur kan geven met cle vloeistof, die bij het staken der bewerking in de kom bij het toedienen van speeksel en vervolgens roeren werd waargenomen. Goed geklopte lohor heeft een donkerrood-bruine en bruine, soms naar het geel-bruine overhellende kleur. Ik heb vermoeden, dat de laatstgenoemde kleur in verband staat met den ouderdom van het blad.

Hel tegen- Heeft men zich bij het bepalen van het juiste

gaan van ver- oogenblik der gisting verlaat, en is dientengevolge te lang gefermenteerd, dan trachte men met snel kloppen het gistings-proces door het verwijderen der nadeelige gassen te stuiten en wende alle beschikbare werkkrachten aan om het sterk opkomende schuim, dat een meer of min blauwe tint verkrijgt, neer te slaan. Is de verzuring gering, dan zal men, op deze wijze handelende, de zaak eenigszins kunnen redresseeren. Het daarna opkomende schuim verschijnt vroeger dan gewoonlijk, is dik, eenigszins blauw getint, hier en daar door kleverig indigo-blauw bezoedeld. Qualiteit en quantiteit hebben, vooral wat de eerste betreft, er onder geleden.

Heeft de gisting in den fermenteer-bak al te lang geduurd, dan treedt er eene verzuring in, die in zulk eene sterke mate plaats vindt, dat zelfs eene toevoeging van een vrij groote hoeveelheid kalk, evenals wij op pag. 267 bij de proefneming met het laatst afgetapte vocht zagen, niet voldoende is haar te stuiten.

-ocr page 315-

287

Gaat men met kloppen voort, dan schijnt een groot deel der verkregen indigo in schuim omgezet te worden.

Het bezinken De indigo laat men, wanneer het kloppen is afge-der indigo. loopen, rustig bezinken en na ongeveer 5 uren kan de bovenstaande vloeistof voorzichtig afgetapt worden. Het bezinksel blijft alsdan over.

Het is zeer zeldzaam, dat alle indigo bezinkt; meestal blijft een fijn poeder in de vloeistof zweven en gaat verloren. Dat verlies kan somwijlen 5 en meer pCt. van het totaal bedragen, wanneer daartoe verschillende ongunstige omstandigheden medewerken. Goed bewerkte vloeistof geeft te dien aanzien betere resultaten dan minder goed behandelde, hetzij bij het fennentee-ren, hetzij bij het kloppen; maar zeer zeker kunnen er omstandigheden — als b. v. het snijden van te jong gewas — voordoen, die genoemd nadeel in de hand werken.

Hetbevor- Ten einde het verlies van indigo, die in de lohor

deren van het medegevoerd wordt, te voorkomen, voegt men in enkele neerslaan. . i •• i* i

streken der wereld stoften bij, die het neerslaan der

indigo-korrels bevorderen. In Engelsch-Indië b v. bezigt men daartoe den bast van Syzygum Jambolanum ') (een Myrtace) welke plant op Java Djamblang genoemd

^ Ook wel Eugenia Jambolana (roosappelboom) genaamd. Een aftreksel van deze plant giet men bij het afloopende vocht in de klopbakken, waarna de indigo naar het schijnt onmiddellijk geprecipiteerd wordt.

-ocr page 316-

288

wordt; in Nicaragua (Centraal-Amerika) het aftreksel van een soort klimplant of „bejucoquot;. Laatstgenoemde bezit bovendien de eigenschap de werking te bespoedigen. ^ De toevoeging van den bast van de djam-blang schijnt men niet enkel te bezigen om den neerslag te bevorderen, maar tevens om aan de indigo een fraaien weerschijn te geven. Dealdus vermengde verfstof moet echter volgens de onderzoekingen van Depierre 3) tepfen de inwerking van het zonlicht minder bestand

o o

zijn, terwijl zij onder den invloed van zwakke zuren en zeepwater zich niet zoo constant toont als de onver-valschte. Mij is niet bekend, dat door een der planters op Java van dit vervalschingsmiddel, dat in ieder geval de indigo deprecieeren moet, gebruik gemaakt wordt.

Het aftappen der lohor en het verzamelen der indigo.

Gaat men tot het verzamelen van het neerslag over, dan late men allereerst de lohor voorzichtig wegvloeien, opdat de op den bodem van den bak bezonken indigo niet medegevoerd wordt. Deze, welke zich als een dunne brei met water vermengd voordoet, late men in den zeef-bak loopen door een als een zak genaaiden, katoenen doek, welke een omvang van 15 cM. en een lengte van 80 cM. heeft en bevestigd is aan het houten mondstuk op de teekening voorkomende en voorgesteld door de letter g. Door de zich in den katoenen doek bevindende massa water en indigo te schudden, wordt

!) Oil, Paint and Drug Reporter, 1890.

2) K. W. van Gorkom, De Oost-Indische Cultures.

-ocr page 317-

289

de massa gedwongen zich door de poriën van den doek in den zeefbak te storten.

De weinige stof, welke nog achtergebleven is, wordt door spoelen uit de scheppers en uit den klopbak verwijderd en naar de zeef gevoerd; hetgeen daarna overblijft, beschouwe men als verloren. Na dit werk gaat men over tot het schoonmaken der bakken, ten einde ze geschikt te maken om gefermenteerd vocht behoorlijk te verwerken.

Intusschen vloeit gewoonlijk binnen eenige uren de vloeistof door het linnen in den gemetselden bak en laat het neerslag als een dikke brei achter.

Kenmerken De aldus verkregen stof is alsdan nog niet geschikt

om indigopap voor t|en handel, en moet om die reden noquot;: eeniee te beoor- . amp; s

deelen. bewerkingen ondergaan, die haar een voorkomen geven gelijk deze haar wenscht. Om den loop dier bewerkingen eenigszins te regelen, dient de bereider te weten welke qualiteit indigo hij op het filter heeft. Daartoe neme hij een monster van de pap, legge dat op een bamboe-lat voor dit doel vervaardigd, ') kloppe de lat tegen het een of ander voorwerp eenige malen ter-voorkoming van den afzet van eene te dikke laag, trachte de laag op een gelijkmatige dikte te brengen en late de stof daarop drogen. Opgedroogd zijnde, met den vinger over de stof strijkende, moet zij eene donkere streep nalaten, eene omstandigheid,

') De huid van de bamboe-lat wordt weggeschraapt, dusdanig dat de bamboe een gepolijst oppervlak vertoont,

19

-ocr page 318-

290

die op een zachte qualiteit wijst; laat de streep daarentegen een koperkleurigen gloed na, dan is de indigo van een harde soort. Eene even goede wijze ter bepaling van harde of zachte indigo, vind ik in het doorlaat-vennogen van de pap in verband met de dikte der paplaag. Zachte indigo laat het Avater op de filters gemakkelijk door, harde daarentegen moeielijk Een middel om harde indigo zachter te maken, is de pap in de kookpan te vermengen met versch, goed bronwater en het mengsel daarop te fil-treeren, waardoor de opgeloste eiwitstoffen, gomdeelen en andere onreinheden, die de hardheid veroorzaken verwijderd worden. Men verkrijgt alsdan wel minder gewicht aan indigo, maar de qualiteit heeft er ongetwijfeld bij gewonnen.

Windbreuk. Windbreuk in de indigo ontstaat volgens den heer Karthaus door de aanwezigheid van veel plantenslijm, dat zich tijdens het fermenteeren ontwikkelt en zich met de indigo vermengt; zij is volgens hem om die reden moeielijk te voorkomen.

Ligt de oorzaak in het plantenslijm, dan rijst de vraag, in verband met zooeven genoemde oorzaken der hardheid — waarom de indigo dan tevens niet hard is, want men vindt de windbreukige even goed bij zachte als bij harde indigo. Zij is volgens de meening van den heer Karthaus herkenbaar op het filterdoek aan de groote hoeveelheid openspringende blaasjes en aan de pap, die het aanzien heeft alsof zij gekarteld is.

-ocr page 319-

291

Bij het snijden der indigo na gekookt en geperst te zijn, is zij waarneembaar door de aanwezigheid Van oneffenheden, die zich op de snijvlakken voordoen. IVlij komt het voor, in verband met de opmerking over de openspringende blaasjes op het filterdoek, dat bij het kloppen de afscheiding der gassen nog niet voldoende heeft plaats gehad en dat daarin de oorzaak van windbreuk moet gezocht worden. Als middel tot wering van de windbreuk, bediende ik mij met tamelijk goed succes van tegan-water ') vermengd met bronwater, in de verhouding van een theekop tegan-water op i emmer water, van welk mengsel op eiken emmer pap één theekopje of meer werd toegediend. De emmers hadden ongeveer een inhoud van ie Liters.

Het ledigen Van het filterdoek wordt de indigopap in tonnen,

van het filter. voorzien van een hangslot, overgeschept en daarna naar het kookhuis vervoerd, alwaar men haar in de kookpan stort. De gebruikte zeefdoeken reinige en droge men op behoorlijke wijze —- om de duurzaamheid der stof te bevorderen — terwijl de zeefbakken met water uitgespoeld worden. Om de zeefdoeken voldoende schoon te maken en in goeden staat te houden, late men ze gedurende eenige oogenblikken koken. In de practijk heeft dit middel tot nog toe de beste uitkomsten opgeleverd.

!) Water van een jongen klappernoot, waarin zich reeds eenig vrucht gevormd heeft.

-ocr page 320-

292

§4- HET KOKEN.

Het koken. De uit de fabriek gewonnen pap ondergaat in het kookhuis dusdanige verdere behandeling, die haar geschikt maakt voor de wereldmarkt. Daartoe wordt de pap gekookt

De verbetering der qualiteit worde ook hierbij niet uit het oog verloren, met dien verstande evenwel, dat daarmede niet altijd groot verlies in gewicht behoeft gepaard te gaan ; bedraagt dit verlies in gewicht, ten gevolge van het ontdoen van onzuivere bestanddeelen door middel van menging en uitlooging met zuiver bronwaterv) meer dan het te verwachten voordeel bedraagt, dat door een betere qualiteit verkregen zou kunnen worden, dan spreekt het van zelf, dat de indigopap niet gezuiverd behoeft te worden.

Ik merk hierbij op, dat de bewerking der indigopap in het kook- en pakhuis te ondergaan, hoofdzakelijk mechanisch is.

Het doel, dat men zich met het koken voorstelt te bereiken, is: 1°. het gemakkelijk afscheiden van de vloeistof van de pap; 2°. het uitdrijven van het nog mogelijk aanwezig zijnde koolzuur; 3*. de oplosbare extractief stoffen en andere verontreinigingen af te zonderen en 40. de rotting en nagisting door het coaguleeren der eiwitstoffen te voorkomen.

Ofschoon het raadzaam is elk kooksel afzonderlijk te verpakken en te zorgen, dat de hoeveelheid van

') Reeds met een enkel woord in de vorige paragraaf besproken.

-ocr page 321-

293

iedere kist niet te gering zij, zoo is toch het wachten tot een voldoend kooksel voorhanden is, minder raadzaam, omdat de rotting en nagisting spoedig een aanvang nemen, nadat de indigo uir de fabriek is overgebracht.

Kooksels van 600 è. 900 liter indigopap leveren, gedroogd zijnde, ongeveer 100 Amsterdamsche ponden indigo uit.

Bij het koken zijn twee methodes in zwang. Bij de eene wordt het water, vóórdat de pap wordt toegevoegd, op het kookpunt gebracht. Deze wijze levert naar mijn oordeel niet zulke gunstige uitkomsten op als de andere, waarbij de indigopap met koud water wordt opgezet, in de verhouding van 5 maten water op 1 maat pap, en niet 3 maten water op 1 maat pap, gelijk velen plegen te doen, daar een weinig overmaat water de oplossing der onreine bestanddeelen ten zeerste bevordert en aan de eiwitstoffen betere gelegenheid geeft, als een mechanisch filter werkende, onreine bestanddeelen op te nemen en naar de oppervlakte te voeren.

Het vuur dient niet al te hevig te zijn, ten einde aanbranding te voorkomen. Aanhoudend roeren in dezelfde richting gaat dit tegen, en is aan de mechanische werking1 der coagfuleerencle eiwitstoffen be-

O O

vorderlijk.

Is het kookpunt bereikt, dan ziet men de massa opborrelen en bij al te groot vuur zou zij overkoken. Om dit te voorkomen late men het vuur verminderen

-ocr page 322-

294

en begiete het kooksel met zuiver koud water door welke handeling- de massa neergeslagen wordt; in ieder ander geval wordt dit begieten nagelaten. Het schuim, dat zich tijdens het koken ontwikkelt, wordt — als bevattende onreine bestanddeelen — door zorgvuldig afschuimen aanhoudend verwijderd. Om het neerslaan zoo min mogelijk te doen plaats vinden, wordt de hitte van den haard dusdanig geregeld, dat zij voldoende is om de massa aan de kook te houden.

Hier zij opgemerkt, dat goede indigo weinig schuimt en koperkleurig is, terwijl een blauwachtig donker en overvloedig schuim op een slechte qualiteit wijst.

Het staken Is de hoeveelheid van het schuim geringer, de hoe

van het danigheid er van dun en wateriir geworden, dan stake kolien. , , , .......

men het koken en late de vuren onmiddellijk uitdoven,

terwijl ter voorkoming van aanbranding nog eenigen tijd het roeren wordt vervolgd. Daarna late men de vloeistof afloopen naar het filter, dat ter bevordering eener afscheiding van de eenigszins wanne vloeistof, die nog onreine bestanddeelen in oplossing houdt, een groot oppervlak moet beslaan, opdat de vloeistof er niet al te hoog in staat en de paplaag niet al te dik worde, waardoor een spoedig en zoo volledig mogelijk afvloeien van niet-indigostoffen verhinderd wordt.

Het schuim, dat zich bij het inlaten op het filterdoek mocht ontwikkelen, worde eveneens van de oppervlakte

-ocr page 323-

295

zorgvuldig- afgenomen. Het eerst uit het filter afloopende water wordt opgevangen, omdat daarin steeds indigo medegevoerd wordt. Wanneer de kleur der lohor don-kerrood is geworden en geen indigo-korrels daarin zichtbaar zijn, dan laat men de vloeistof wegloopen.

Oud en jong Onder de hierboven omschreven wijze van koken koken. wordt het oud koken verstaan, waardoor naar mijne meening een betere qualiteit indigo wordt verkregen dan met jong koken, waarbij valt op te merken, dat de resultaten, die men met het koken wenscht te verkrijgen, nog niet geheel ten einde zijn gebracht. De kleur zoowel als de zachtheid der indigo worden met oud koken bevorderd, terwijl jong koken meestal tengevolge heeft, dat het uitwendige gedeelte der koek spoediger opdroogt dan het inwendige en dientengevolge onder het drogen splijt en schilfers loslaat.

Ook het onregelmatig en niet op tijd omwentelen der koeken, waardoor aan het water de gelegenheid verschaft wordt zich in de onderste laag daarvan te verzamelen, terwijl het bovenste deel tengevolge van de sterkere droging gekrompen is, is een oorzaak, die bijdraagt tot vorming van scheuren.

Nieuwe wijze Op het gebied van koken is eenige verbetering van koken. waar te nemen.

In navolging van de ondervinding bij de suikerfa-bricage opgedaan — n.1. dat bij het koken met open

-ocr page 324-

296

pannen suiker verbrand wordt — hebben een paar indigoondernemers zich ketels aangeschaft om de pap door middel van stoom (in serpentijnen) te verwarmen. Met deze verandering zijn zij zeer ingenomen. De verkregen voordeelen, in vergelijking van het werken met open pannen door vuur verwarmd, zijn, naar mij verzekerd wordt: i0. de hitte aan het kooksel aan te brengfen is gemakkelijk te regelen, waardoor te hard stoken voorkomen kan worden; 2°. de indigo kan onmogelijk verbranden, omdat de hitte van den stoom onder gewone luchtdrukking niet hooger gaat dan 1000 C., terwijl voor het verbranden een veel hoogere temperatuur noodig is.

Op een der beide ondernemingen, waar men het koken met stoom toepast, is door het aanbrengen van een roertoestel de behandeling veel vereenvoudigd.

§ 5. BEHANDELING IN HET PAKHUIS EN DE VEEZENDING.

Helpersen. Na de afzondering van de vloeistof (lohor), die af en toe aan een scherp onderzoek wordt onderworpen, ten einde te constateeren of indigo-korrels worden medegevoerd, wordt de op het filter achterblijvende meer of min dikke massa in met vele gaten doorboorde bakken, voorzien van filterdoek, geplaatst en onder een drukking, die men langzamerhand vermeerdert, zoo veel mogelijk bevrijd van de aanhangende waterdeelen.

-ocr page 325-

297

V oor deze bewerking heeft men zeer eenvoudig ingerichte persen. Gewoonlijk wordt de drukking tot stand gebracht door een zeker gewicht, dat men langzaam vermeerdert, aan een hefboom te hangen, die in de nabijheid van het andere einde door middel van een balk de drukking op het deksel van den persbak, waarin de pap gestort wordt, overbrengt.

Nadat het water grootendeels uit de pap geperst is, vormt de saamgedrukte indigo een compacte massa, geschikt om op roosters geplaatst en iecleren dag omgekeerd te worden. In dezen vasten toestand late men alsdan de stof in stukken snijden, die ter bevordering van een gelijkmatige, goede en spoedige droging niet al te dik, ter wille der handigheid bij het omleggen als anderszins niet al te lang mogen zijn. io cM. breedte en dikte bij 16 cM. lengte be-schouwe men als uitersten maatstaf. Met het oog op de verpakking zoowel als op de gelijkmatige droging, komt mij de kubieke vorm als de meest gewenschte voor.

Nadat de verdeeling in koeken plaats heeft gevonden, voorziet men deze van een merk en van het nummer van het kooksel.

Het drogen. De aldus gevormde koeken plaatse men aanvankelijk, ter voorkoming van een al te snelle uitdroging aan de buitenzijde, gedurende eenige dagen in het pakhuis op roosters, terwijl het keeren op geregelde I tijden plaats vinde en voor een behoorlijke ventilatie

-ocr page 326-

2fl8

in het pakhuis zorg dient gedrag-en te worden. Daarna wordt de indigo in de buitenlucht onder de schaduw van boomen en meer en meer aan de zonnewarmte blootgesteld, en zoolang gedroogd tot men de koek Qoed droos: en voor den handel

O O

geschikt acht, waarna zij door een vochtigen schuier van den schimmel ontdaan, daarna gedroogd en opnieuw droog nageschuierd wordt, hetgeen haar een meer of min schoonen glanzenden koperkleurigen gloed schenkt.

Behoorlijk droge indigo zuigt, wanneer men een stuk ervan op de tong legt, goed aan. Bij vochtige indigo vindt deze werking niet plaats.

Zorgt men niet voor voldoende ventilatie in het drooghuis, waardoor de indigo lang vochtig blijft en nog niet geschikt is om haar aan de buitenlucht bloot te stellen, dan begint zij te ontleden en te schimmelen. Die schimmel bepaalt zich dikwerf niet alleen tot de oppervlakte en de scheuren en spleten, maar doordringt somwijlen de geheele massa. De ontleding van de indigo is in dit geval zoo sterk, dat de cohaesie in de koek ten zeerste er door benadeeld wordt.

leder, die in een drooghuis heeft verwijld, heeft gewis den onaangenamen geur van ammonia, die het resultaat is van de ontleding der indigo waargenomen. Dit gas wordt alsdan natuurlijk gevormd ten koste van indigo-blauw. Voegt men hierbij, dat bij het afschuieren van de schimmel indigo verloren gaat, dan geloof ik, dat het duidelijk wordt, waarom men alle

-ocr page 327-

299

aandacht dient te wijden aan de voorkoming van schimmel, aan de bespoediging van het droogproces, voor zoo ver de qualiteit niet door andere omstandigheden nadeel ondervindt.

Ter besparing van werkloonen, ter uitwinning van bergruimte, ter voorkoming van het ontstaan van schimmel en ter bespoediging der verzending drogen sommigen volgens het systeem Bub de indigo in droogkamers, die door middel van buizen, waarin heet water stroomt, worden verwarmd.

verzending.

De verpak- Bij de verpakking is hoofdzaak: dat elke kist geking en de vormd wordt uit koeken afkomstig van hetzelfde kooksel;

dat de koeken op dusdanige wijze gevleid worden, dat werking in de kist tijdens den duur van het transport niet kan plaats vinden en ten slotte, dat toetreding van vocht verhinderd wordt, waartoe een belegging der binnenwanden met doelmatig pakpapier en dicht plakken van de naden der kist aanbeveling verdient. Zijn de kisten gevuld en van een merk en een nummer voorzien, dan worden zij dichtgespijkerd, op karren geladen en naar de naastbij zijnde halte of het station vervoerd en verder naar de uit-voerhaven.

-ocr page 328-

SLOT.

Alhoewel het niet te ontkennen valt, dat de ondervinding, bij den verbouw en de fabricage van indigo opgedaan, voor velen een goede leermeesteres was, waardoor zij in staat waren de gemiddelde opbrengst per bouw op te voeren en de qualiteit in doorslag genomen te verbeteren, zoo is hei tevens een niet te loochenen feit, dat op dit gebied nog ontzaglijk veel te onderzoeken overblijft, in die mate zelfs, dat men het geheele werk, door één persoon te verrichten, als zijne krachten te boven gaande kan beschouwen. Maar juist dit feit heeft tot gevolg, dat het veld voor onderzoekingen, met het oog op de gemaakte vorderingen op ander gebied bij nijverheid, landbouw enz., rijke oogsten belooft op te leveren.

Maakte men in vroegere jaren, tijdens de gouver-nements-cultuur in leven was, van een bouw stek-indigo hoogstens 70 A. ID per bouw, in latere jaren werden door het verbouwen eener andere soort —• met name

-ocr page 329-

301

de Guatemala — zoowel als met eene eenigszins betere wijze van grondbewerking, waar deze in toepassing werd gebracht, producties verkregen, die een vijftigtal jaren geleden buitensporig zouden geheeten hebben. Allen, enkelen uitgezonderd, klagen over achteruitgang der productie, over verbastering der Guatemala, gelijk voorheen over die der stek-variëteit en vergeten daarbij de vraag te stellen of zij zeiven niet de oorzaak zouden kunnen zijn van een vermindering der opbrengst en van de verbastering der plant; of alles wel in het werk werd gesteld om dien achteruitgang en die verbastering niet alleen tegen te gaan, maar ook om de productie en de hoedanigheid der indigo te verhoogen.

Bij de suiker-industrie is men in Indië door de oprichting van proefstations op den goeden weg geraakt.

Het is, vermeen ik, niet ondienstig hierbij in herinnering te brengen, waaraan deze industrie hare betere resultaten heeft te danken. Hare vooruitgang namelijk is gebaseerd op proefnemingen bij den verbouw der grondstof, op langdurig onderzoek naar bepaalde scheikundige wetten, die de achtereenvolgende veranderingen, welke bij de bereiding ontstaan, regelen. Niet alleen in de tropen, maar hoofdzakelijk in Europa werd veel in die richting gearbeid, omdat men er de uitstekendste wetenschappelijke arbeidskrachten bij de hand heeft, welke den landbouw en de industrie voorlichten, omdat de regeeringen er zich bemoeiden met de ontwikkeling dezer bedrijven.

-ocr page 330-

302

Wat deed daarentegen onze regeering bijvoorbeeld, om landbouw en industrie in onze koloniën tot ontwikkeling te brengen, welker gronden bij een goede behandeling ruimere winsten zouden kunnen doen trekken? Het antwoord luidt; vooral met betrekking tot de oprichting van proefstations, weinig. En tot deze conclusie komt men al spoedig, als men de uitgestrektheid onzer bezittingen, hare productieve kracht voor verscheidene gewassen, de millioenen inlanders, die in den verbouw ervan hun bestaan vinden, stelt tegenover het feit, dat slechts ééne inrichting bestaat, alwaar met enkele wetenschappelijke krachten van wege de regeering gearbeid wordt.

Deze betoonde onverschilligheid zou eenigszins te vergoelijken zijn, indien handel en industrie een hooge vlucht genomen hadden, waardoor de regeering zich minder afhankelijk van den landbouw kan gevoelen, maar zoo ver zijn wij met Indië bij verre na nog niet.

Andere rijken, zooals Amerika, geven ons een voorbeeld, wat voor den landbouw gedaan moet worden, welke middelen aan te wenden zijn om aan den bodem de grootst mogelijke productieve kracht te verzekeren en de beste resultaten te verkrijgen. Daar wordt voeling gehouden tusschen regeering en landbouwer; daar bestaat een ministerie van landbouw, dat een open oog houdt op alles, wat daarop betrekking heeft; daar worden in verschillende deelen van het rijk proefstations opgericht, die gratis mededeelingen doen

-ocr page 331-

303

aan den boer en aan dezen op aanvrage die inlichtingen verstrekken, welke hem ten goede kunnen komen.

Nauwelijks verneemt de regeering, dat er een tweetal beetwortelsuiker-fabrieken zijn opgezet of spoedig is zij gereed met de oprichting van een proefstation ten behoeve daarvan.

Vergelijken wij met dit alles hetgeen in ons zoo door de natuur bevoordeelde Indië door de regeering wordt gedaan, waar meer nog dan in de Vereenigde Staten van Amerika de welvaart der bevolking afhankelijk is van den landbouw; welk een povere figuur maakt zij dan niet. Stemt deze omstandigheid ons dan niet tot ernstig nadenken en leidt dit feit niet onwillekeurig tot de conclusie, dat de landbouw in Indië zeer stiefmoederlijk bedeeld wordt ? Bepalen wij ons tot toelichting hiervan verder tot den landbouw door Europeanen gedreven, als meer behoorende tot de belangen van hen, voor wie dit werk geschreven is. Deze steunt bijna geheel op de energie van den particulier, welke energie door de regeering verhinderd wordt tot haar recht te komen, tengevolge van beperkende bepalingen gemaakt door ambtenaren, wien over het algemeen practische kennis van het landbouwbedrijf ontbreekt, ofschoon op hen de verplichting rust mede te werken om dit tot bloei te brengen. Men zie slechts de agrarische wetten in om zich hiervan te overtuigen.

1 'aar hebben wij bijvoorbeeld de bepaling, dat in de gouvernements-landen op Java de inhuur van gronden, aan inlanders toebehoorende, voor niet langer dan vijf

-ocr page 332-

304

jaren mag plaats vinden. Kan het onder dergelijke omstandigheden bevreemding baren, dat kapitalisten huiverig zijn hun gelden in ondernemingen te steken, welker levensvatbaarheid in nauw verband staat met verschillende zaken, waaronder het bezit van gronden, voor vele jaren gehuurd tegen een prijs, die eenigen waarborg voor winsten oplevert, een der eerste voorwaarden is voor het blijvend bestaan dier ondernemingen ; dat de particulier niet zal trachten de gehuurde gronden op de een of andere wijze te verbeteren oi wel door toepassing van een beter draineer-stelsel o. a. door middel van buizen tot grootere productiviteit des bodems te geraken? Is er geen inconsequentie in gelegen, vraag ik, dat het gouvernement ijvert voor individueel grondbezit, overtuigd als het is, dat een langdurig bezit in een en dezelfde hand de persoonlijke belangen zoozeer op den voorgrond kunnen doen treden, dat daarvan het verbeteren van den bodem een gevolg kan zijn, terwijl het tegen een overeenkomst is (tusschen Europeaan en inlander) die den grooten landbouw ten voordeele en den bodem ten goede is? en het bovendien moet weten althans, indien het met de omstandigheid onbekend is, dat aan grondverbetering door den inlander zeer weinig wordt gedaan en alleen de particulier zich daarop toelegt, indien hij weet, dat de gemaakte kosten voor verbetering van den grond te zijnen voordeele komen.

Is bedoelde beperkende bepaling in het voordeel van den inlander? Ook dit waag ik te betwijfelen, om-

-ocr page 333-

305

dat de feiten aantoonen, dat, waar zich een industrie onder leiding van Europeanen ontwikkelt, vermeerdering der welvaart onder de inlanders is te constateeren.

Daar hebben wij voorts de bij de wet geregelde verhouding tusschen werkgevers en arbeiders.

Voor de residentie Oostkust van Sumatra werd dd. 13 Juli 1889 een ordonnantie uitgevaardigd, waarbij iedere willekeurige inbreuk op het schriftelijk werkcontract zou worden gestraft, aan den kant van den werkgever met eene boete van ten hoogste f 100 en-aan den kant van den werkman met een geldboete van ten hoogste f 50 of tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste 3 maanden.

Ofschoon deze regeling in de practijk voldoet, wordt op Java een andere gehandhaafd, waarbij het voorbehoud, dat de kwade trouw van den voorschotnemer op het oogenblik, dat hem het overeengekomen voorschot werd ter hand gesteld, moet vaststaan en bewezen zijn. Dit is nu in de practijk in de meeste gevallen onmogelijk en honderden inlanders ontloopen dientengevolge hun verdiende straf, terwijl een diefachtige aard, de neiging om te bedriegen door bedoelde bepaling bij het volk ontwikkeld wordt, daar met theoretische en juridische beschouwingen de Javaan zich niet bezig houdt; de practijk gaat bij hem boven alles.

Meet de regeering, vraag ik, door op Java andere bepalingen vast te stellen dan op de Oostkust van Sumatra, niet met twee maten?

-ocr page 334-

306

Men oordeele.

Het artikel voor Java luidt; „Met dwangarbeid buiten den ketting van een tot zes maanden wordt gestraft hij, die met het oogmerk zich ten koste van den meester of werkgever wederrechtelijk te be voordeden zich geld of geldswaardige voorwerpen heeft doen afgeven bij wijze van voorschot op werkzaamheden, die hij in gebreke is gebleven te verrichten.quot;

Voor de residentie Oostkust van Sumatra is het volgende bepaald:

„Elke willekeurige inbreuk op het werkcontract wordt gestraft:

„aan den kant van den werkgever met een geldboete van ten hoogste / 100 (één honderd gulden), zullende bij herhaling liet hoofd van gewestelijk bestuur bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren;

„aan den kant van den arbeider met een geldboete van ten hoogste ƒ 50 (vijftig gulden) of tenarbeid-stelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste één maand.

„De arbeider, die reeds éénmaal wegens willekeurige inbreuk op het werkcontract is veroordeeld, wordt bij herhaling van het feit gestraft met tenarbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon van ten hoogste drie maanden, zullende het hoofd van gewestelijk bestuur ook in dit geval bevoegd zijn het contract ontbonden te verklaren, indien de werkgever zulks verlangt.

„De feiten, waardoor de werkman geacht wordt op

-ocr page 335-

307

zijn werkcontract willekeurig' inbreuk te maken, zijn: „a. niet voldoening aan de verplichting, omschreven in No. 10 van artikel 2, luidende: De werkcontracten vermelden het tijdstip, waarop de arbeider zich op de onderneming behoort te bevinden en bij den beheerder behoort aan te melden ;

„ó. desertie;

„c. voortgezette weigering om te werken.quot;

Even verlammend als boven omschreven bepalingen op de ontwikkeling der particuliere indigo-industrie in de gouvernementslanden op Java werken, is de omstandigheid, dat de regeering wetenschappelijke voorlichting aan de planters onthouden heeft en nog onthoudt, ofschoon het gouvernement er van overtuigd dient te zijn, dat een aan het hoofd van een proefstation geplaatst scheikundige zijne kennis zoude kunnen wijden aan het onderzoek van de samenstelling dei-plant — met het doel de juiste formule der indigo-stof, zooals die in de plant voorkomt te vinden of wel aan andere onderzoekingen.

Het resultaat van dit onderzoek zou voorzeker veel kunnen bijdragen om het vinden der veranderingen, die tijdens de fabricage plaats grijpen, te vergemakkelijken, iets waardoor het mogelijk wordt de fabricage op meer wetenschappelijke leest te schoeien en uit de plant al de stof te trekken, die zij bevat. Daar tegenover staat, zou men zeggen, dat bij vermeerdering van opbrengst overproductie zou kunnen ontstaan, waardoor de prijzen zouden kunnen dalen en de indigo-industrie te

-ocr page 336-

308

gTonde i^aan. Hiertegen stel ik, dat bij vermeerdering; van productie tevens de onkostenrekening per pond zal kunnen verminderen en dat men in dit geval bovendien het groote en niet genoeg te waardeeren voordeel zal hebben van de aniline, die thans een gedeelte, zij het ook een klein gedeelte, der markt van blauwe kleurstoffen veroverd heeft, een gevoelige concurrentie aan te doen, waardoor het mogelijk wordt haar van de markt te weren. Dat de uit koolteer getrokken blauwe verfstof, welke naar men beweert, identisch moet: zijn met het natuurlijke product, dit nog niet van de markt heeft kunnen verdringen, moet gezocht worden in de prijsverhouding.

Heeft de meekrap, die het Turksch rood voortbrengt en slechts i pCt. alizarine bevat, voor de aniline verfstoffen moeten wijken, de indigo, die veel kleurstof bevat, zou den fabrikant van blauw uit koolteer een concurrentie kunnen aandoen, waardoor het hem moeielijk valt zich staande te houden. Maar dan moeten de handen van particulieren en regeering ineengeslagen en de bakens verzet worden, alvorens het getij verloopt.

Hiertoe schijnt echter tie regeering niet genegen, want toen men, het plan opperende tot de oprichting van een proefstation, tot haar het verzoek deed eener subsidie, werd daarop afwijzend beschikt.

Juist hier had de regeering met eene kleine tegemoetkoming harerzijds veel nut in het algemeen belang, waarvoor zij immers heeft te zorgen, kunnen stichten,

-ocr page 337-

309

te eer, daar het blijkt, dat onder de planters de tot liet doel voerende samenwerking niet in voldoende mate bestaat, iets wat haar oorzaak vindt in den lagen stand der indigo-prijzen, in verband met den afkeer van meer te wagen dan men bekostigen kan.

Zou het onder deze omstandigheden nog te verwonderen zijn, dat men in hoofdzaak blijft vasthouden aan het procédé van het eene geslacht op het andere overgeplant en dat voornamelijk op het oog gebaseerd is, tot ten laatste deze cultuur te niet gaat, omdat de wetenschap in Europa rusteloos voortgaat in het uitdenken van middelen om de zoo zeer gewilde plantaardige kleurstof te vervangen?

Ik wil hopen, dat dit niet het geval zal zijn, maar vrees, dat de wetenschap in Europa partij zal weten te trekken van het gebrek aan samenwerking onder tie planters en van de betoonde onverschilligheid der regeering, van welke men veeleer steun en een klinkend bewijs harer belangstelling zou mogen verwachten Moge vooral laatstgenoemde alsnog inzien, dat men in tijtien, wanneer kracht ontwikkeld kan worden, zich dient toe te rusten, om later eventueel ontstaande euvelen te keeren!

-ocr page 338-

INDIGO- FM

S t a n d z i c h t f o 11

P1 a11e er ohd.

o

;/? n

l'::::;

quot;1 ri_n n r

'n

,oJ7Z.

1 n n n

c

A A A A

l! k

a

B

C.

n

.. S,s J?l

f'

L-TTJ U IIT

~l

j~~i:

IT T

-ocr page 339-
-ocr page 340-

312

TOELICHTING OP DE TEEK EN ING DER INDIGOFABRIEK.

/1. bakken tot zuivering van het uit de leiding a aangevoerde water, benoodigd voor de fabricage.

B. Water-reservoir, waarin liet gezuiverde water uit de bakken A verzameld wordt.

C. Fermenteer-bakken.

D. Klop- tevens bezinkbakken.

/iquot;. Bakken, waarin houten bakken, bekleed niet zeellinnen, geplaatst worden. Deze houten bakken staan op pooten en worden aldus ingericht, dat zij aan alle zijden voldoende gelegenheid bieden tot het afvloeien van de lohor.

a. Waterleiding tot aanvoer van het benoodigde water voor de fabricage.

b. Houten sluis, welke door het draaien van een in een moer zich bewegenden schroefdraad gelegenheid geeft om geopend en gesloten te worden,

c. Waterleiding, waardoor het water uit het water-reservoir/gt; naar de fermenteer-bakken C geleid wordt; gewoonlijk wordt de verbinding, zooals op de teekening zichtbaar is, door den aanleg van een siphon tot stand gebracht.

ti. Uit harden riviersteen gehouwen openingen (bondan) tot afvoer van het aftreksel. Zij worden gesloten met houten stoppen, die om de afsluiting zoo volledig mogelijk te doen plaats vinden met gedroogde ketebok omwikkeld worden. Ketebok is de Javaansche benaming van den ruw-vezel uit den stam van den pisangboom.

e. Openingen (bondan) tot afvoer van de lohor en de indigo. Zij worden gesloten door houten stoppen — omwonden met ketebok — en zijn gehouwen in steenen platen van

-ocr page 341-

313

Jr ü, i M. dikte. Elke plaat bezit 5 gaten ter grootte va,ii rJr 6 cM.

f. Leiding tot afvoer der indigo naar den met zceflinnen bekleeden zeefbak, in den gemetselden bak/: te plaatsen, en tot verwijdering van de lohor naar de leiding m.

g. Een van hout vervaardigd mondstuk, waaraan een — als een zak — genaaiden zeefdoek bevestigd wordt, die de uit de fermenteer-bakken naar de klopbakken medegevoerde bladeren, zand en andere onreinheden verhinderen moet zich in den bekleeden zeefbak te storten. Door den als een zak gevormden zeefdoek te schudden vloeit de indigo met de vloeistof door het doek, terwijl de zandkorrels als anderszins achterblijven.

h. Goot tot afvoer van de uit den met zeeflinnen bekleeden zeefbak druipende lohor.

i. Goot tot afvoer van de uit de goot h stroomende lohor en het van het dak stroomende regenwater. De goot mondt uit in de leiding m.

k. Waterleiding tot aanvoer van het als drijfkracht te bezigen water.

/. Houten waterrad. (Bij sommige fabrieken is het waterrad van ijzer).

m. Afvoerleiding van het als drijfkracht gebruikte water.

11. Weg voor den aanvoer van het indigosnijdsel.

o. Zeef, van hout of van ijzer vervaardigd, om hout, onkruid, steenen enz., in het algemeen voorwerpen, die door het water medegevoerd worden en aan het waterrad schade zouden kunnen toebrengen, den doorgang te beletten.

p. Houten sluis, welke den toevoer van het water op de schoepen van het waterrad regelt. Zij is ingericht evenals die bij letter b is omschreven.

-ocr page 342-

314

q. as van het waterrad en de as, waar om de scheppers

zich bewegen. De as rust op kussenblokken r. r. kussenblokken.

s. koppelaars.

t, van gaten voorziene platte ijzeren staven, waaraan een paar dwarsstaven bevestigd zijn, die in een zwaluwstaart, in den muur gemetseld, eindigen. De van gaten voorziene ijzeren staven dienen om daaraan door middel van een pen de drukbalken te bevestigen, die daartoe aan ieder einde van één gat en van één gleuf, welke laatste om liet ijzer sluit, voorzien zijn.

n. sluisjes tot regeling van den wateraanvoer bij het vullen

der bakken.

v. trappen.

iv. scheppers of ook wc! klopbakjes genaamd.

x. sluisje om te verhinderen, dat de naar den zeef bak geleid wordende pap naar de leiding vi vloeit en verloren gaat. y. ijzeren stangen ter bevestiging der kussenblokken

NH. Al het zichtbare metselwerk wordt bepleisterd en daarna zoolang gewreven onder toevoeging van water, dat het plaveisel, na opgedroogd te zijn, een harde zelfstandigheid vormt.

Het inwendige deel der bakken C en D wordt buitendien met Portland cement behandeld, waardoor men een zelfstandigheid verkrijgt, die minder dan gewoon plaveisel aan oplossing onderhevig is en dus beter aan het doel, dat men door het pleisteren tracht te bereiken, beantwoordt.

-ocr page 343-
-ocr page 344-

310

TOELICHTING OP DE TEEKENINGVAN HET KOOK- EN PAKHUIS.

a. vuurhaard.

b. vuurbrug.

c. kookpan.

d. rookgang.

e. schoorsteen.

ƒ. waterput.

g. zuig- cn perspomp om het water uit den put j in den bak h te pompen.

h. water-reservoir.

i. water-reservoir, dat in verbinding staat door de opening l met het water-reservoir h.

k. aftapkraan tot vulling van de kookpan.

m. aftapkraan om het kooksel uit de pan door do bui.'i u af te tappen.

o. gemetselde bak, waarin een bouten bak bekleed met zeeflinnen geplaatst wordt. Deze houten bak staat op pooten en wordt aldus ingericht, dat zij aan alle zijden voldoende gelegenheid biedt tot het afvloeien van de lohor. p. opening tot afvoer van lohor.

q. leiding, bestemd voor den afvoer van lohor.

r. trap.

s. pers- en paklokaal.

t. deuren.

NI?. De vloer in het kook- en pakhuis benevens de waterreservoirs, het uitwendige van het metselwerk, waarin de kookpan geplaatst is en de uit- en een deel van de inwendige deelen van den put worden bepleisterd en zoolang onder toevoeging van water gewreven, dat het plaveisel, na opgedroogd te zijn, een harde zelfstandigheid vormt.

-ocr page 345-
-ocr page 346-

p

\

\ \

\

-ocr page 347-