VOOR
D E J E U G D
VERTELD DOOR
tW
DR A. \V. BRONSVELD
MET 24 I'LAT MN.
't
a
GUNNING
Id B4
|
1 | ||
|
Jh£/JNNIN£JM: | ||
|
^ibi etAmi^is | ||
|
Meg | ||
|
1 | ||
|
lüfniT£5MSF£DK | • ^OC) W.»/.LeL.bÜErv]llt; | ||
MHMIwWBlHigBWWWWliWWI
• ' '
-•
-
■
■ ■; ' .. Sg ■ ■
''
BtiitiLsti A*MSMMH6i!BSi8K
BIJBELSCHE GESCHIEDENISSEN
VOOR
DE «JEUQ-1Z),
quot;
/ /3. QJ
n r
ID E Jquot; E XJ O TD
VJCRTELÜ DOOK
Dr. A. W. BRONSVELD.
M E rr 24 I' L A T E N.
BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
UT 11KCUT
L. E. J50SCII KN Z 0 0 K.
Kfl
t
I M H O ü Do
HET OUDE TESTAMENT.
Bludz, . 1 . 4
lil
ulz,
50 54 56 59
63 70 74 79
84
11 10
19 22 31
34
39 46
I
HOOFDSTUK 1.
De Schepping........
HOOFDSTUK II. De val. — Kaïn en Abel . . . .
HOOFDSTUK III. De Zondvloed. — De torenbc iw van
Babel.........
HOOFDSTUK IV. De Aartsvader Abraham . . . HOOFDSTUK V.
De Aartsvader Isaak.....
HOOFDSTUK VI.
De Aartsvader Jacob.....
HOOFDSTUK VIL De geschiedenis van Jozef. . .
HOOFDSTUK VIII. Mozes' geboorte en roeping . . HOOFDSTUK IX.
Mozes en Farao......
HOOFDSTUK X. De kinderen Israels bij den berg
Sinaï.........
HOOFDSTUK XI. ). In de Woestjjn.......
HOOFDSTUK XII. Bileam. De dood van Mozes . .
HOOFDSTUK XIII. De Joden trekken Kanaiin binnen .
HOOFDSTUK XIV. De inneming van Jericho. — Achan.
HOOFDSTUK XV. Kanaiin ingenomen. — Jozua's dood
HOOFDSTUK XVI. Uit den tijd der Kichteren.— Gideon.
— Jet'tha.........
HOOFDSTUK XVII.
Do Richter Simson......
HOOFDSTUK XVI11.
Het Boek Ruth . ......
HOOFDSTUK XIX. Samuel's Geboorte, - De Richter Eli.
HOOFDSTUK XX. Het openbare leven van Samuel .
HOOFDSTUK XXI.
Saul tot Koning verkozen. . . .
HOOFDSTUK XXli,
Saul valt af van den Heer. — David gezalfd tot Koning.....
92
|
lilil.lz. HOOFDSTUK XX111. HOOFDSTUK XXIV. HOOFDSTUK XXV. HOOFDSTUK XXVi. David Koning over .Juda . . .112 HOOFDSTUK XXVI. David Koning over Juda (Vervolg) 117 HOOFDSTUK XXVII. De Koning Salomo......125 HOOFDSTUK, XXVIIL De scheuring van het rijk. Jerobeain. 130 HOOFDSTUK XXIX. Achab en Izebel. — Elia .... 133 |
Hliulz. HOOFDSTUK XXX. Achab en Izebel. — Elia (Vervol;;) . 141 HOOFDSTUK XXXI.quot; De profeet Eliza . • ... 150 HOOFDSTUK XXXII. Koningen over het huis Israël. — Ondergang van 't Rjjk .... 157 HOOFDSTUK XXXIII. Koningen van Juda, Kehabeam en opvolgers.........165 HOOFDSTUK XXXIV. Ondergang van het rijk Juda. — De Joden te Babel.....182 HOOFDSTUK XXXV. De geschiedenis van Esther. — Terugkeer der Joden uit Babel. 191 |
HET NIEUWE TESTAMENT.
HOOFDSTUK I. HOOFDSTUK V.
De geboorte en de eerste levensja- Dood van Johannes den Dooper. ren van den Heer Jezus Christus. 201 Nieuwe wonderen van den Heer
HOOFDSTUK II. 9alileS........220
HOOFDSTUK VI.
Het eerste openbaar optreden van ! e gelykenissen......229
HOOFDSTUK VII. HOOFDSTUK III. . 's Heeren laatste dagen en daden in
'sHeeren werken'in Galilea . . . 215 i ..........
HOOFDSTUK VIII.
HOOFDSTUK IV. De Heer voor het laatst op weg naar Vervolg..........221 Jeruzalem........241
|
Hliulz. HOOFDSTUK IX. De lijdonsgesehiedeiiis. Eerste gedeelte ..........252 HOOFDSTUK X. Het lijden des Heeren (Vervolg). ■ 258 HOOFDSTUK XI. Het lijden des Heeren (dot.). . . 264 HOOFDSTUK XTL De opstanding en de verschijningen des Heeren........270 |
Bladz. HOOFDSTUK XIII. De uitstorting van den Heiligen Geest en eerste dagen der gemeente 274 HOOFDSTUK XIV. Uitbreiding der gemeente buiten Jernzalem.........280 HOOFDSTUK XV. Het leven van Paulus. (Eerste gedeelte) .........284 HOOFDSTUK XVI. Laatste reizen van Paulus. . . . 290 |
...
-
HOOFDSTUK I.
DE SCHEPPING.
Gonesis I on II.
Wie mag toeli wel alles gemaakt hebben? Wie breidde den blauwen hemel uit boven onze hoofden, en spreidde liet groene Weed der aarde uit voor onze voeten ? Wie doet by dag de zon , bij nacht do maan en do sterren schijnen ? Van wien hebben menschen eu dieren liet leven en alle dingen ontvangen ?
Dat hebt gü zeker dikwerf hooren vragen en zelf gevraagd. En wie zou op die vraag niet gaarne een goed antwoord ontvangen ?
Hoe groot, hoe machtig, hoe Avijs, hoe goed moet Hij niet wezen , die dit alles kon voortbrengen en weet in stand te houden! Hem te kennen moet eon groot voorrecht zijn. Hij is liet zeker waardig, dat ieder Hem lief heeft en aanbidt.
Welnu, wat lezen wij in liet eerste vers van den Bijbel? „In dm hcyinne schkp God dm hemd m dc aarde.quot; — God is het dns, die alles heeft voortgebracht. — Lang, zéér lang geleden leefde er mensch noch dier; er scheen zou noch maan; er groeide boom noch plant; God alleen was er, want Hij heeft bestaan van eeuwigheid. Hij heeft geen begin gehad. En toen Hij het goed vond, geheel uit eigen beweging, hoeft Hij alles geschapen. En hoe deed Hjj dat? Als God zegt, dat iets gebeuren moet, dan gebeurt liet ook. Zoodra God maar gebiedt, dat iets zal zijn , dan is het er, dan staat het er.
Zyn godiyke almacht spreekt, en 'tis or;
Zijn wil gebiedt, on 't wordt terstond.
(Psalm 33 : 57.)
En zoo is het dus God, die door Zjjn woord, dat Hjj sprak, door Zjjn wil, die gebood, alle dingen in het aanzijn lieeft geroepen, en onze aarde toebereid voor de menschen om er te wonen. — Heeft God dat nu gedaan in één enkel oogenblik? Neon, alles wat wij thans op aarde en boven onze hoofden zien, heelt God geschapen in .zes dagen, dns niet alles tegelijk , maar het eene na het andere.
Alles was op aarde in duisternis gehuld en bedolven onder iiet*water. Niets
roerde zich , niets loefde — maar Gods Geest zweefde over dien donkeren afgrond. Daar wordt op eenmaal Zijn woord vernomen: „Er zij lichtT Hoe pleclitig en vol majesteit moet dat weerklonken hebben door die ledige ruimte! God zeide: „Er zij licht!quot; En alsof dat van zelf spreekt, alsof dat niet anders kan, volgt er in den bijbel onmiddelijk op: „En het was licht.quot; Voor altijd zijn nu licht en duisternis van elkander gescheiden. Dit is dus het werk geweest van den eersten dag.
Op den tweeden dag scbiep God liet uitspansel, en maakte scheiding tnssclien de wateren, die boven, en die, welke onder op de aarde zijn. Nn kunnen uit den hemel dalen regen en dauw, hagel en sneeuw; nu komen en gaan boven onze hoofden de wolken, van allerlei kleur, van allerlei vorm, hooger en lager zwevende, en vooral in ons vaderland dikwerf zoo prachtig door het zonnelicht beschenen. Dit was het werk van den tweeden dag.
Onze aarde was nu nog altijd bedekt door het water. Wat deed God daarom op den derden dag ? Hij liet de bergen en heuvelen oprijzen en het water zich verzamelen in zeeën en meeren, terwijl de rivieren en beken haar loop begonnen van de hooge naar de lagere deelen der aarde. En ziet, uit het land, iiiei vlak daar oneffen, in de dalen en tegen de glooiing der bergen, liet God te voorschijn komen al die gewassen, die boomen en struiken , bloemen en kruiden, welke wjj niet genoeg bewonderen kunnen. Daar vertoonden zjj zich de hooge ceder, het nederige mos, de roode roos, de witte lelie, het groene kruid en wonderschoon moet dat alles zijn geweest, zoo ongerept en zoo frisch. Wij konden des noods wel zonder bloemen leven en gelukkig zijn, maar God schiep niet alleen het nuttige, docli ook het aangename.
Nu vangt do tweede helft aan van het scheppingswerk. Op den vierden dag roept God de zon te voorschijn, de maan en de sterren, welker getallen wij niet tellen kunnen, en waarvan er velen zoo ondenkbaar ver van onze aarde verwijderd zijn. Nu kunnen wij zien, ook bij nacht; nu kunnen wij tellen bij maanden en jaren; en de reizigers door de woestijnen en op de wijde zee weten aan de sten e-beelden , welke koers zy volgen moeten, ook als geen mensch hun zeggen kan, waar zij zich bevinden. — Gij moet dikwijls opzien tot de sterren, tot die „hemelen, die Gods eer verkondigen en het werk zijner handen zijn.
Nog was het op aarde doodstil. Zwijgend gingen de hemellichamen langs hunne banen, en zwijgend groeiden en bloeiden boomen en planten maar op den vijfden dag wordt die stilte voor goed verbroken. God spreekt weder — en nu worden de schepselen in liet aanzijn geroepen, die het water en de lucht bevolken zullen. Welke dat zp ? Welke anders, dan de visschen en de vogelen. De groote walvisch en de kleine visschen, in tallooze menigte de wateren vervullende, zoodat dene er van wemelen, vangen aan te leven; en tegelijk met hen do vogelen.
die in de vrije lucht zich thuis gevoelen. Schitterend schoon van kleur, of zonder pracht van vederen, gaan zij van tak tot tak, en met hun geroep, hun gefluit, hun gezang vervullen zy de lucht van den morgen tot den avond. Hoe vele schepselen leven nu reeds! Maar God heeft zijn werk nog niet voltooid. Het was avond geweest en morgen geweest — de vijfde dag.
En toen zeide God: „De aarde brenge voort levende zielenquot;, dat is: dieren, die niet in 't water en in de lucht, maar in en op de aarde leven zouden. Het waren de kruipende dieren-, het vee, dat de mensch gebruikt in zijn dienst, zooals de runderen. schapen en geiten; en het wild gedierte, zooals leeuwen en tjjgers, beren en wolven. En God schiep ieder dier „naar zijnen aardquot;, zoodat ieder diersoort van andere soorten onderscheiden werd door gedaante, leefwijze en gewoonten.
Gjj zoudt u zeker niet lang behoeven te bedenken , indien u thans gevraagd werd: welk schepsel ontbrak nu nog? „De menschquot;, zoo zou uw antwoord zijn. Onder al de schepselen, die er nu reeds waren, was or niet één, die spreken, niet één, die hidden kon; niet één, die in gemeenschap treden kon met God. De schepping miste nog haar hoofd en haar kroon.
En God zeide: „Laat ons menschen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis, en dat zij heerschappij hebben over de visschen der zee en over het gevogelte des hemels, en over het vee en over de geheele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.quot; Voor don mensch, om den mensch te dienen, heeft God dus de dieren geschapen.
En hoe formeerde God den mensch? Uit het stof der aarde. TJit stof vormde Hü het wonderschoone, menschelijke lichaam, dat zoo kunstiglijk door Hem gemaakt is. Onze hand en ons oog, de werktuigen waarmee wij ademhalen , de aderen die ons lichaam doorwandelen, het fijne weefsel, waaruit ons vleesch bestaat: het verkondigt alles de wijsheid en liefde van God, die in menschen „een welbehagenquot; heeft. Doch Hij gaf den mensch niet alleen een lichaam, maar blies, zoo lezen wij, „in zijn neusgaten den adem des levensquot;. God gaf dus den mensch iets mede van Zijn eigen leven; en daarom zeggen wij dat de mensch een geest heeft, een geestelijk wezen is. Daardoor gelijkt hij op God, en heet hij dan ook naar Gods „beeld en gelijkenisquot; geschapen.
Daar stond dan Adam, de eerste mensch, in het Paradijs, in dien schoonen lusthof vol boomen en bloemen. Met welk een verrukking moet Adam dat alles aanschouwd hebben! Ook moest hij, naar Gods gebod, de dieren aandachtig gadeslaan en hun namen geven. Voor hém waren er al die dieren, en hij had dus het recht om te zeggen, hoe zy heeten zouden. Adam gevoelde zich echter weldra in dien hof, hoe schoon hy ook wezen mocht, en te midden van die dieren, hoe verschelden ook, eenzaam en alleen. Hy kon aan niemand zyn gedachten
mededeelen, met iiiemand spreken over den Heer. Geen dier verstaat de innigste en heiligste gedachten van een mensch.
En God zeide: „7 Is niet goed dat dc mensch (Mem dj, ihecil hem een hulpe maken, die tegenover hem isquot; Terwijl Adam in diepen slaap verzonken is, neemt God een van zpe ribben, en formeert daaruit de eerste vronw. En als Adam nit zpen slaap ontwaakte, daar ontwaarde hij de nieuwe, onwaardeerbare gave van' God, de „Manninnequot;, zooals hij haar noemde; Jgt;ecn ran zijne heenderen, en vleeseh van zijn vleesehquot;; de vrouw, voor wie later de man alles, ja, ook zijn vader en moeder verlaten zal. Nu had Adam iemand ontvangen, aan wie hij alles zeggen kon, wat omging in zijn hart. _ /( i
En nu is ook het scheppingswerk voltooid. De zesde dag neigt ten einde. God overziet alles, en ziet, het teas zeer goed. Nu kan Hij rusten. De zevende dag
is wel een dag, waarop God al het geschapene moet verzorgen en onderhouden (want
in dien zin „werktquot; God „altijdquot;) maar scheppen doet Hij niet meer, en dat is zijn rusten. En op dien zevenden dag doorwandelen Adam en zijn Manninne den hof, door God geplant. Rein zijn zij en onschuldig. Wat zonde is, weten zij niet. Vrees kennen zij niet. Hun hart is vol liefde en lof voor den Heer, hun Schepper en hun Vader; en als een volmaakt offer klinkt hun lied en bede, zich verheffende tot God, wiens nabijheid zij zonder schrik ontwaren aan den adem des winds, die ruist door t geboomte.
HOOFDSTUK 11. DE VAL — KAÏN EN ABEL.
(Gen. Ill on IV.)
Het geluk, dat dc eerste menschen genoten in hot Paradijs, werd niet gesmaakt in ledigheid. Zij moesten den hof, waarin de Heer hen geplaatst had, onderhouden en bebouwen, zou hij niet een wildernis worden. In ledigheu
is nimmer zaligheid. . , . , ,. ,
Lang echter schijnt dat onvermengde geluk van Adam en Eva met te hebben geduurd. God, die hen rein en goed had geschapen, had hun dén ding verboden. Zij mochten van alle boomen in het Paradijs vrijelijk eten — maar van een boom had God gezegd: „Ten dage als gij daarvan eet, mlt gij den dood sterven.
Die boom lieetto: „cle boom dor keunis des goeds en des kwaadsquot;. Moeilijk en zwaar was dit verbod niet. Wanneer iiien oen groeten liof vól boomen lieeft, dan is het, zoo zou men meeuen, gemakkelijk er één onaangeroerd te laten. Vooral indien zulks verboden is door een Heer, aan wien men zooveel geluk te danken heeft, als de eerste raenschen genoten van God. Dwingen wilde echter de Heer niet. Zij waren als vrije wezens geschapen , zij konden zei ven kiezen tusschen goed en kwaad. — En welk gebruik hebben zij nu van die vrijheid gemaakt ?
Op zekeren dag ging Eva naar dien verboden boom eens zien. Zjj meende, dat daar geen gevaar, geen kwaad in stak. En toch was dat niet verstandig van haar. Wanneer ons iets verboden is, dan moeten wij er maar niet te dicht bjj komen, want dan wordt allicht de verzoeking te groot, om er de hand naar uit te strekken. Zoo is het ook gegaan met Eva. Zij gaat naar den verboden boom eens zien. En wat ziet zij daar? Een slang. Nu was de slang „listiger dun al het gedierte des vclds, dut de Ileere God gemaald hadquot;, en zy vraagt aan Eva: ,Heeft God niet gezegd, dat gij van niet één boom in dezen hof zult eten?quot; — Neen, zegt Eva, dat heeft God niet gezegd.. Wij mogen juist wel eten van alle boomen dezes hofs. Alleen van dezen boom mogen wy niet eten, en hem ook niet aanraken, want God heeft gezegd, dat wij dan sterven zullen. — Maar wat zegt de slang? Zij spreekt de eerste onwaarheid, do eerste leugen uit, die op aarde werd gehoord: „Gij zult niet sterven; maar God weet, dat als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad quot;
Eva had hierop moeten zeggen: „Ik geloof God meer dan u ; en het kwaad — dat wil ik niet leeren kennen.quot; Maar de gedachte, dat zij alles weten zou en als God wezen zou, bekoorde haar en trok haar zóó aan, dat zjj werkelijk geloof ging hechten aan hetgeen de slang had gezegd. En dan, die verboden boom zag er zoo heerlijk, zoo verleidelijk uit, zoo „goed tot spijze,' „een lust voor do oogen,quot; ja „begeerlijk om verstandig to maken,quot; En daar.vergeet zjj alles wat zjj aan God verplicht is; zjj bezwijkt voor de verzoeking: zij neemt van de vrucht des verboden booms, en zij eet, en zy geeft ook aan haren man en hij eet ook.
En nu is de mensch een gevallen menscb. Hij staat niet meer op de hoogte, waarop God hem geplaatst had. Hebt gij wel eens gezien, hoe op een fraaien zomerdag, als alles bloeit en zoo schoon door de zon beschenen wordt, er een donkere wolk opkomt, een onweersbui, die de geheele lucht betrekt en bedekt ? AVat ziet er dan op eenmaal alles geheel anders uit! Het water en de wei, de boomen en de bloemen, alles verandert van kleur, en verliest niet weinig van zijn schoonheid.
(I
Een nojic veel grooler verandering greep pluats met den mensch, toen liij gezondigd had. Zijn reinheid, zijn onschuld is weg, want Adam en Eva schamen zich voor elkander. Zij kenden , vroeger geen vrees, maar nu sidderen zij van angst, als zjj God hooren naderen. Hoe onverstandig is het van hen, dat zij voor God zich verbergen in het geboomte des hofs, alsof God hen daar ook niet zag, God die ons altijd , die ons overal ziet .... En nu moeten zij voor hunnen Schepper verschijnen, als roept: „Waar zyt gij ?quot; Daar komen zjj, beschaamd en bevende, zoo geheel anders als voorheen. Hebt gij van dien verboden boom gegeten ? zoo vraagt God aan Adam. En in plaats van eerlijk bet te bekennen,
en er nederig vergeving voor te vragen, zegt hij: „De vrouw, die Gy bij mij gegeven hebt, die heeft mij van den boom gegeven, en ik heb gegeten.quot; Adam verontschuldigde zich; hij wierp de schuld op Eva. En zij, door God gevraagd,
waarom zij het had gedaan, wierp de schuld op de slang, die haar bedrogen had. — Zoo zoeken ook wij nog altijd, als wij kwaad gedaan hebben, ons zeiven vrü te pleiten en een ander te beschuldigen. Het is veel beter onze schuld te belijden,
God kon dan ook den mensch niet vrij spreken, maar moest hem straffen,
al deed Hü het zeker met droefheid in het hart. De slang werd door God vervloekt; en God bepaalde, dat tusschen haar en den mensch ten aller; tijde vijandschap zal wezen , een langdurige worsteling, waarbij wel den mensch de verzenen zouden vermorzeld worden, maar het hem toch zou gelukken de slang den kop te vermorzelen , dat wil zeggen, haar geheel te overwinnen. Dit is een woord, dat niet gemakkelijk valt om te verstaan , maar de Heer wil er meê zeggen, dat de mensch, die nu door eigen schuld onder de macht van de zonde gekomen was, eenmaal weer van die zonde bevrijd zou worden. — Tot de vrouw zegt God, dat zjj met zeer veel smart aan kinderen het leven zou schenken; en de man werd veroordeeld, niet alleen tot harden, maar ook tot dikwerf venjcefschen arbeid, als het aardrijk, dat hij zal bebouwen „in het zweet zijns aanschpsquot;, hem tot loon daarvoor geen koorn, maar „doornen en distelenquot; opbrengen zal. En dan, beiden, Adam en Eva en al hun nakomelingen zouden sterven; wederkeeren tot de aarde, tot het stof, waaruit zij genomen waren. Het genot van den boom des levens werd bun ontzegd.
En daar drijft God hen uit liet Paradijs, uit den hof van Eden, mot zijn heerlijk geboomte, met zijn reinheid en vrede — en als Adam en Eva uit de verte ' terugzien naar den ingang, worden zji engelen gewaar mot een flikkerend zwaard,
dat hun duidelijk te kennen geeft: Het paradijs is voor u gesloten! Het is voor u een verloren paradijs geworden!
Hoe diep ongelukkig zullen zich die gevallen menschen gevoeld hebben! Toch liet God hen niet over aan henzelven en beroofde Hij beu niet van alle vreugde.
.
3
■
c-i
-M
......
■ ■ ■■ ■ I .....
.
■ ■- ••--••■ ■—-■ - .....-
,
; ■ , iR ;
in
gt;—D hH
lt;51 Ph
H w K
H
hH
P
w
gt;
w
Ph Q
w
7
God gaf hun kinderen , zonen en dochteren. Hun oudsten zoon heetten zij Kaïn en het was hun een genot, hem gade te slaan, als hjj kloek en krachtig den aardbodem bewerkte — want Kaïn was een landbouwer. Zwak cn tenger was een andere zoon , die Abel heette. Hij was een schaapherder, want daartoe werd geen groote lichamelijke kracht vereischt. Niet alleen door die uitwendige eigenschappen, maar ook door innerlijke hoedanigheden verschilden 'leze beide broeders van elkander zeer. Dit is weldra en zonneklaar gebleken. Op zekeren dag brengen beiden een oft'er aan den Heer. Beiden hebben van aarde, van zoden of van steenen, een verhevenheid, een altaar gemaakt. Daarop leggen zij liet offer, datgene wat zij den Heer willen aanbieden, uit dankbaarheid voor genoten zegen. Beiden geven het beste dat zij hebben. Abel offert schapen en hun vet. Kaïn van de vruchten des lands. Uiterlijk doen beiden hetzelfde, zijn beiden even dankbaar aan den Heer. Maar God , die op het hart ziet en vraagt met ivellic gezindheid, met welke gedachten wij offeren en Hem dienen, zag in het hart van Kaïn geen liefde en geen dankbaarheid, geen geloof en geen ootmoed, terwjjl Abel met zijn gaven zijn geheele hart gaf aan God. — Het oiler van Kaïn wordt dan ook door God niet aangenomen.
Hierover ontstak hij in lievigen toorn. Hü haat zjjn broeder Abel, wiens offer wel aangenomen is. Onvriendelijke, toornige, wraakgierige gedachten vervullen zijn gemoed cn teekenen zich af op zjjn gelaat, dat „vervaltquot; en door nijd verteerd wordt. Waartoe zal die gramschap Kaïn nog kunnen brengen? God waarschuwt hem tegen de zonde, die als een verscheurend dier aan de deur lag en op hem loerde — te vergeefs. Op zekeren dag zijn de beide broeders in het veld; en daar staat Kaïn tegen Abel op, werpt hem ter aarde, en slaat hem dood. Ontzettende zonde! Ach, wat moet hot voor Adam en Eva zijn geweest, hun kind Abel zoo verslagen te vinden en zijn lijk te brengen in hun woning, die zeker nog nooit van zulke jammerklachten bad weergalmd, als nu er worden vernomen.
En Kaïn, die tegenover God wel norsch en somber maar niet boetvaardig zich gedraagt, trekt ver het Oosten in, „zwervende en dolendequot;, en een toeken, dat God aan hem stelt, voorkomt dat hij wordt doodgeslagen door al wie hem vond.
HOOFDSTUK 111.
DE ZONDVLOED. — DE TORENBOUW VAN BABEL.
(Oen. VI—IX).
Aan de nakomelingen van Adam 011 Eva werden vele zonen 011 dochteren geboren, zoodat zij weldra een aanzienlijk gedeelte van onze aarde bevolkten. De bjjbel geeft ons ecliter van de toen levende menschen geen gunstig getuigenis. „De hooshei,d der mcnschcn, zoo lezen wij, tras menigvuldig op de aarde en al het gedichtsél der gedachten zijns harten was ten allen dage alleenlijk hoosquot;. En God, die eens gezegd had: „Laat ons menschen makenquot;, zcide nu: „li,- ml den mcnsch dien ilc geschapen hrh verdelgen van den aardbodem, icanf het berouwt Mij, dat 11: hem gemaald hebquot;.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat God niet spoedig tot het uitspreken van zulk een vonnis overging, en dat de menschen toen wel zwaar moeten gezondigd hebben.
Was er dan niemand onder al de toen levenden, die God vreesde? o Ja, daar was er één. Noach, zoo heette hij. Hij was een rechtvaardig man in zijn geslachten. Hjj wandelde niet God; hij verloor God niet uit het oog en leefde alsof God altijd zeer dicht bij hem, en hy altijd zeer dicht bij God was. Welnu, deze vrome man met zijn vrouw en met zijn drie zonen Sem, Cham en Jafeth en hunne vrouwen, zou niet omkomen, doch gespaard worden. De Hoer toch vergeldt een iegelijk „naar zijne werkenquot;.
Heeft God nu onverhoeds, zonder te waarschuwen, al de menschen behalve Noach doen sterven? Neen, Hij heeft hun al don tjjd gegeven, om zich te bekeeren, en daardoor het oordeel at te wenden. Noach kreeg bevel om to zeggen: 120 jaren hebt gij den tijd.— Niemand kan dien tijd kort noemen. Integendeel: de Meer heeft veel geduld gehad en zich zeer langmoedig betoond. De menschen lieten zich echter niet gezeggen; daarom gaf God bevel aan Noach om de ark te bouwen, een groot vaartuig met verdiepingen, en zóó ingericht, dat de menschen en dieren, die niet zouden omkomen, daar ecnigen tjjd in vertoeven konden. Toen de ark gereed was, zjjn er van de onreine dieren één paar en van de reine dieren zeven paren gegaan in de ark, en ten laatste ging ook Noach er in met zijn huisgezin, te zamen acht personen, en God sloot de deur der ark dicht.
Daarop heeft een der ontzettendste gebeurtenissen plaats gegrepen , die in
den Bijbel vermeld staan. De Zondvloed is gekomen, „De fonteinen van den grooten afgrond werden opengebroken , en de sluizen des hemels werden geopendquot;. In de aarde zjjn groote aderen, vol water — en zij braken los; en tegelijk stortte met nooit aanschouwd geweld de regen nit de wolken. Lang duurde liet niet of de dalen en de vlakten waren onder 't water bedolven; de menschen en dieren die konden, vluchtten en zochten de heuvelen op, en toen zij ook daar niet veilig meer waren tegen den immer wassenden en bruisenden vloed, ijlde al wie kon naar de bergen; maar het water achtervolgde hen ; liet rees on rees -- totdat de laatste mensch verdronk op den hoogsten bergtop; want alles, alles ki door den vloed overdekt. Geen hoorn, geen bergspits kwam boven de golven uit. Alles kwam om wat leefde, mensch en dier.
En over al die wateren, waarin alles verzonken lag — dreef, door God bewaard, de ark met Noach en de zijnen, want hém had God gezien, rechtvaardig voor zijn aangezicht.
Veertig dagen en nachten hield liet noodweer aan, on plaste de regen neder. „Toen gedacht God aan Noach en aa)i al het gedierte en (urn al het vee, dat met hem in de ark wasquot;. De fonteinen des afgronds en de sluizen des hemels werden gesloten; liet water begon weg te vloeien. Doch waar was de ark? Zij kwam te rusten „op de bergen van Araratquot;, tusschen de Zwarte en Kaspische zee; en aldaar wachtte Noach het bevel van God af. om liet vaartuig-te verlaten, dat hem veilig over zóó vele en hooge wateren gedragen had.
Ieder begrijpt, dat het opdroegen van de aarde veel tijd vorderde. Ongeveer een jaar verliep daarmede. Toen 'tbijna verstreken was, wilde Noach toch wel eens weten, o( de aarde alweder bewoonbaar was geworden. Als een bode, die op verkenning uit moest gaan, liet iiij een raaf uit, die dikwerf heen en weder ging en zich voedde met het aas, dat zij vond. Daarna liet Noach een duif uit, die geen rust vond „voor het holle van haar voetquot;. De gelegenheid tot nestelen was er voor haar nog niet. Zij keerde, zooals duiven doen, weder tot de plek van waar zij was uitgevlogen; Noach strekt zijn hand uit en neemt haar weer bij zich in de ark. Hij wacht zeven dagen ; weer laat hij de duif uit, en nu komt zij tegen den avondtijd terug met een afgebroken olijfblad in haren bek. Zjj wilde daarmee als 'tware zeggen: „Ik zou nu mijn nest wel in gereedheid willen brengen.quot; Weder wacht Noach zeven dagen, en weder laat hij de duif uit, maar nu komt zij niet terug. Eindelijk, daar spreekt God tot Noach: „Ga nu uit de ark, gij en uw huisvrouw en uw zonen en de vrouwen uwer zonen met u, en al liet gedierte.quot;
Met hoevee! blijdschap zal dit bevel zijn opgevolgd! Hoe zullen allen, de menschen en de dieren, zich hebben verblijd in de vrijheid, na zoo lang te zijn opgesloten geweest in de ark. Het was alsof alles op nieuw begon te leven. Aan hoeveel gevaren waren zij ontkomen! Hoe genadig had God hen bewaard
10
en gespaard ! En Noach bouwde den Heer een altaar en ofl'erdo den Heer brand-oileren op dat altaar, wat don Hoer aangenaam was, want Hij „rook dien lieflijken reuk.quot;
He Heer beloofde, dat de aarde nooit weêr door water zou worden verwoest. Tot een teeken daarvan stelde Hij in de wolken den regenboog. Wanneer wij in de lucht die zeven fraaie kleuren aanschouwen , welke de zon te voorschijn roept als hare stralen weerkaatst worden door dikke regenwolken, dan moeten wij niet vreezen voor een tweeden Zondvloed. De regenboog is juist een teeken, dat „voortaan al de dagen zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, niet zullen ophouden.quot;
Twee dingen heeft God aan Noach verboden; vooreerst het eten van liet vlcesch der dieren met het bloed er in; wij moeten de dieren slachten, die wij eten willen; en vervolgens heeft God de dooAstmf gezet op den doodsZar/. Wie een mensch, die tocli „naar het beeld Gods geschapen isquot;, moedwillig om het leven brengt, verdient zelf te sterven.
Zoo begon dan Noach de aarde te bebouwen, en hij plantte een wijngaard. Gjj weet, dat uit geperste druiven de wijn bereid wordt, die, wanneer er te veel van wordt gedronken , den mensch bedwelmt. Welnu, Noach dronk er te veel van, en hij lag in zijn tent, en al zyn kleederen bad hjj van zich geworpen. Zóó zag Cham, een zijner zonen, hem liggen. In plaats van tot niemand hierover te spreken, ging hij 't vertellen aan zyne. beide andere broeders, wier namen gij zeker nog wel weet: en zij handelden met hun vader, zooals het kinderen betaamde. Zij kwamen zijn tent in, en een kleed lag op hun beider schouders, en achteruit gaande, zoodat zij hun vader niet zagen, hebben
zij het kleed over hem uitgespreid en hem bedekt..... „Eert uwen vader en
uwe moederquot;, zoo luidt een van de geboden des Heeren, dat door ieder kind moet worden in acht genomen. Toen Noach ontwaakte, heeft hy Sem en Jafeth met bun nakomelingen gezegend; maar over Cham's oudsten zoon Kanailn, die zekér zijn grootvader mee had bespot, werd een vloek uitgesproken.
Zoo ziet gij, dat door den zondvloed ') de zonde niet was uitgeroeid , en het verwondert ons dan ook niet, dat Noach's nakomelingen, toen zij weder aanzienlijk waren vermenigvuldigd , dingen deden , welke God ten sterkste afkeurde. Gods bedoeling was, dat de geheele aarde door de menschen zou bevolkt worden, maar dat wilde het kroost van Noach niet. Zij' woonden in de vlakte van Sinear, in do zeer vruchtbare streek, waar de rivieren do Tiger en de Eufraat doorheen stroomen. Zij spraken allen nog dezelfde taal, en wilden gaarne bjj elkander blijven. Om nu te maken, dat zij steeds tot op verren afstand de plaats hunner
1) Het woord Zonch\ooA bet. eigenljjk geweldige vloed.
II
woning lenig konden vinden, besloten /ü een toren te bouwen. Zij schijnen zelfs gemeend te hebben, dat zij dien toren konden optrekken zóó iioog, dat het opperste er van in den hemel kwam. Welk een toren zou dat wezen! En welk een naam zouden zij daarmee zich maken!
Maar God, die dit ongerijmde plan zeer verkeerd vond, heeft het verhinderd door hunne spraak te verwarren. Zjj verstonden elkander niet meer. En toen zijn zij uiteen gegaan. De toren werd niet voltooid, en als gij hoort spreken van den toren van Bcibcl, dan denkt gij aan een werk, dat wel begonnen maar niet voleindigd is. „God wederstaat den hoovaardige.quot;
HOOFDSTUK IV.
DE AARTSVADER ABRAHAM
(Oeneais Ml lol WW.)
Weet gjj, wie wij heidenen noemen? Het zijn de menschen, die niet gelooven aan den eenigen God, die hemel en aarde geschapen heeft, en daarom andere goden vereeren, die wij afgoden heeten. Hoe zijn Noach's nakomelingen, die toch van den eenigen waren God hadden gehoord. er toe gekomen om in zijne plaats afgoden te vereeren ? Men kan hierop antwoorden : de dingen, die wij zien, maken altjjd grooter indruk op ons dan hetgeen wy niet zien. De vriendelijke, de krachtige, de groei en leven verwekkende zon, de heldere sterren, de reusachtige wolken zien wij, maar wij zien Hèm niet, die de zon, de sterren, de wolken schiep en bestuurt. Door hetgeen de menschen zagen. vergaten zij den Heer, dien men niet ziet; zoo stelden zjj het geschapene in de plaats van Hem, die het schiep. En het waren niet alleen do dingen, die we daar zoo even noemden, neen, alles is men als God gaan vereeren, zelfs dieren en levenlooze voorwerpen.
Toen zoo de kennis van God onder de menschen begon te wijken , en gevaar liep van geheel verloren te gaan, heeft God tot Abram, den zoon van Terah , gezegd: „Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land dat ik u wijzen zal.quot;
Abraham woonde toen in ür der Chaldeën, het land vanwaar later de „Wijzen uit het Oostenquot; kwamen. God wilde, dat Abraham werd afgezonderd
12
vim zyne bloedverwanten, die op het punt stonden van te vervallen tot het heidendom, of er reeds toe vervallen waren. Hij kreeg bevel, zijn land te verlaten. En wist hij, waar God hem brengen zou? Neen, hij wist het niet; God zou hem dat land wijzen. Indien hij niet een groot, een onbepaald vertrouwen in God had gesteld, niet van ganscher harte in den Heer had geloofd, dan was hij niet gegaan. Maar hij dacht: ook al weet ik niet waar ik komen zal — overal waar God mij brengt zal het voor mij zeker goed zijn. In dat geloof heeft hij zijn geboorteland verlaten.
Abraham was een rijk en aanzienlijk man. Zijn rijkdom bestond in vee. Menigten bezat hij van kemelen, runderen, ezels, schapenen geiten. Voor al dat vee had hij natuurlijk uitgestrekte weiden van noode, en daarom verreisde hy gedurig en bleet een poos, waar zijn kudden genoegzaam voedsel vonden. Hij leidde dus een zwervend leven, niet wonende op een vaste plaats in gemetselde huizen, maar in tenten, die men gemakkelijk opnemen en vervoeren kon. Voor de verzorging en de bewaking van al zijn vee had Abraham vele knechten noodig, die hem dienden als hunnen vorst, zoodat hij dan ook een „vorst Godsquot; genoemd wordt. Toen iiij zijn land verliet, ging zijn vaderTerali mee, die weldra stierf, en verder zijn huisvrouw Sara, en zijn neef Loth, die zelf ook een herdersvorst was.
En waar heeft God Abraham gebracht met al liet zijne ? In het land Kanaiin, dat ook wel Palestina of het beloofde land heet, en dat gij zeker op een kaart van Azië, zonder dat gij een oogenblik u behoeft te bedenken, wel aanwijzen kunt. 'tWas een land rijk aan weiden. — Als hij er gekomen is, en zijn tenten beeft opgeslagen, zegt God tot hem: „Wandel voor mijn aangezicht, en wees oprecht.quot; Maar bij dit gebod voegde God drie beloften. Het land Kanaiin zou voor Abraham en zijn kroost wezen; zijn nakomelingschap zou talrijk zijn als do sterren aan den hemel, als liet zand aan den oever der zee; en — allo geslachten des aardrijks zouden in hem gezegend wezen. Voorwaar, deze drie beloften waren rijk en veel omvattend, en Abraham is er zeker door verblijd geworden.
Zoo vestigde hij zich dan in het goede land, waar God hem gebracht had. Hij sloeg nu eens meer noordelijk, dan meer zuidelijk zijn tenten op, trok nu eens moer oostelijk, dan meer westelijk, en overal waar hij kwam, bouwde hij den Heer een altaar, en offerde daarop het beste van zijn kudde, want hij was niet alleen het hoofd, docli ook de priester van de vele honderden, die behoorden tot zijn huis.
Abraham was een man des vredes, en daarom deed het hem groot verdriet te hooren, dat er oneenigheid heerschte tusschen zijne herders en die van zijn neef Loth. Hij zeide dan ook tot Loth: „Het is beter dat wij van elkander
tigomém/mim
I
. .............
1 1111 1
•L ■quot;
O O O
oo
H P
W
hH
gt;-1 gt;
H O
1_
1.'{
gaan in vrede, flan bij elkander blijven met oneenigheid. U laat ik de keuze, waar gij heen wilt gaan. Gaat gij ter rechter zijde, dan ga ik ter linkerzijde. Wjj zijn broeders en twist moet tnsschen ons niet zijn.quot;
Lotb bedacht zicli niet lang, want luj koos het vruchtbaarste stuk land van Kanaiin, bet prachtig dal , waar de rivier de Jordaan door been stroomde, en dat denken deed aan bet Paradijs. In dat dal lagen onderscheidene steden , waarvan Sodom en Gomorrha do meest bekende zijn. Loth bad gedaebt daar zeer rijk te zullen worden; maar die verwachting is niet vervuld. Hij beeft in dat vruebtbaar oord veel verdriet en tegenspoed gehad. — Eens is bij zelfs in oen oorlog met al het zijne gevankelijk weggevoerd, en beeft zijn oom Abraham hem weder verlost uit de hand van zijn vijand. Dagelijks bad bij veel leed van de zonde en de gruwelijke dingen, die de inwoners van Sodora en Gomorrha bedreven; en eindelijk heeft bij, met achterlating van al zjjn bezittingen, die steden moeten ontvluchten, omdat God ze verwoestte. Door vuur, dat uit den hemel viel, zijn ze verteerd, en op do plaats, waar ze hebben gestaan , is sinds dien tijd een groote watervlakte, dc Doode Zee. genaamd, omdat in dat meer en er ombenen nagenoeg niets leeft en leven kan. Zóó geducht heeft God Sodom en Gomorrha gestraft.
Geheel anders dan met Loth is bet gegaan met Abraham. De Heer beeft hem in alles rijkelijk gezegend. Gij moet echter niet denken, dat bij geen verdriet, of geen teleurstelling heeft gekend. Een talrijke nakomelingschap was, zooals gij weet, oen der drie goede dingen, welke de Heer aan Abraham bad beloofd, maar ziet. het eene jaar verloopt na het andere, en Sara schenkt aan niet één kind het leven. Zou God niet doen, wat Hjj had beloofd ? Abraham en zijn vrouw worden ongeduldig. Zjj wilden toch zoo gaarne eigen kinderen hebben, die opgroeiden voor hun aangezicht, on aan wie zij eenmaal al bun bezittingen konden nalaten.
In bun ongeduld heeft Sara aan Abraham een slavin gegeven tot een tweede vrouw, in de hoop, dat uit haar kinderen geboren zouden worden, die men dan als kinderen van Sara zelve aanmerken zou. De slavin, welke Sara schonk aan Abraham, heette Hctyar, en zy is de moeder geworden van een zoon, Isma'd genaamd. Abraham bad dezen zoon hartelijk lief en smeekte , dat God op hem de beloften zou doen overgaan, aan zijn nakomelingschap gegeven. Maar dit zou niet geschieden. Sara zelve zou moeder worden, de moeder van een zoon , maar eerst na verloop van vele, vele jaren. Zjj was 79 jaren oud geworden, en het scheen ongelooflijk, ja onmogelijk, dat zjj nog een blijde en gelukkige moeder worden zou. Daar verschijnt God, van twee engelen vergezeld, aan Abraham , als hjj op een dag zat „voor de deur van zijn tent, toen dc dag heet werd.quot; Abraham loopt hun tegemoet, buigt zich ter aarde, en zegt: „Heer,
14
liob ik nu genade gevonden in uwe oogen, zoo ga toch'uwen knecht niet voorbij; rust hier een weinig, en ik zal een hete broods voor u gereed maken, daarna zult gy voortgaan.quot;
En Abraham, die gelijk de menschen in het Oosten dat bijna allen zijn, hijzonder gastvrij was, liep zelt' naar do kudde, en hij koos een kalf uit, „teeder en goedquot;, en zeide tot zijn knechten: haast u en slacht het. En Sara kneedde zelve drie maten meelbloem, en maakte koeken. Ook nam Abraham boter en melk, en zette dat alles zijnen hoogen gasten voor.
Eerbiedig stond hij er bjj — en toen zeide de Heer tot hem: „Na verloop van een jaar kom ik terug, en dan zal Sara uw huisvrouw een zoon hebbenquot;. Sara, die achter de tent stond te luisteren, hoorde het en lachte bjj zichzelve, niet omdat zjj zoo blij was over hetgeen de Heer zeide, maar omdat zij het niet geloofde. Het Icon niet, zoo dacht zij. Maar de Heer zeide: ,/011 voor Mij iets te wonderlijk wezen ? De dingen, die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God.quot; En waarlijk, de Heer bezocht Sara, geiyk Hij gezegd had. Tot onuitsprekelijke blijdschap van haar en van Abraham, werd haar een zoon geboren , en Abraham noemde hem Isaiik , dat wil zeggen : gelach, want Sara had gezegd: „God heeft mij een lachen gemaakt. Al wie het hoort zal met mij lachen.quot;
Toen Isaiik drie jaren oud was, werd door Abraham een groot feest gegeven, en allen , die tot zijn huis behoorden, waren blijde met hem. Allen — behalve óéne. De slavin Ilayar, die nu er niet op behoefde te rekenen dat haar zoon , Ismaël, de erfgenaam van Abraham zou wezen, gedroeg zich zeer oneerbiedig, en spotte met Sara. Daarom kon zij niet langer in den dienst van den aartsvader blijven, en werd zjj teruggezonden naar haar land. Onder weg in de woestijn is zij verdwaald. Daar doolde zij om, met haar 12jarigen zoon, en beiden versmachtten van dorst, want de kruik met water, die Abraham had medegegeven, was ledig. Zjj kon 't niet langer aanzien, dat haar kind daar lag, bijna zieltogende , zonder dat zij met een enkelen droppel hem laven kon. Op eenigen afstand van hem zette zij zich neder, en hief hare stem op, en weende. En God heeft naar hare stem, en die van Ismaël gehoord. Hij zond een engel, die haar een waterput in de nabijheid aanwees, en zij ging, en vulde de tlesch met water, en gaf den jongen te drinken. Deze Ismaël, voor wiens leven door God aldus zorg werd gedragen, is de stamvader van een groot volk, de Arabieren genoemd.
Abraham hield dus al zijn hoop gevestigd op Isaiik, den zoon van Sara, en die hoop is niet beschaamd geworden, maar wel op een zware proef gesteld. Indien wij willen weten, of iets sterk en krachtig is, dan moeten wij het hlt;-prorvm. Een vader wil er zich van overtuigen, of zijn kind hem lief heelt;
* »4
'
ste ■ ■
■
pCTp^tiga^i^aAai
.. .... .
...... • ■
■
■ quot;•» • -tVV, ...«■ •
'■ - ■
15
wat kan liij nu hiertoe doen? Aan dat kind om iets vragen, en dan zien, of het kind dat gaarne geeft. Zegt het kind : „neen, ik geef liet nietquot;, dan zal niemand gelooven, dat het zijn vader lief heeft; maar zegt het: „zie hier hetgeen gij vraagtquot;, dan is de liefde tot den vader gebleken, en zjj heeft de proef doorstaan. Zoo heeft God nu ook het geloof van Abraham „beproefdquot;. Vele dagen had hij als vreemdeling in liet land der Filistijnen gewoond en daar zegt God tot hem: „Abraham!quot; en hij zegt: „Zie, hier ben ik!quot; En God zeide: „Neem nu uwen zoon, uwen eenigen , dien gjj lief hebt, Isaiik, en ga henen naar het land Moria, en offer hein aldaar tot een brandoffer op een der bergen, dien ik u zeggen zal.' Hoe zal lijj tot in het diepst zijner /iel zijn ontroerd bjj dit bevel des Heeren! Moest hij nu den zoon, naar wiens geboorte hij zoo lang had uitgezien, en aan wien God zelf zulke heerlijke beloften gegeven had, offeren? Ging God nu zelf de hoop verijdelen, welke Hij had opgewekt ?
Abraham heeft dit zeker ook bjj zichzelf overlegd en gevraagd — maar Gods bevel moest worden gehoorzaamd. Dus hij nam Isaiik en twee van zijne knechten; en hij kloofde hout tot het brandoffer; en hij maakte zich op, en reisde, twee, drie dagen — en daar verrees voor hem het gebergte Moria. Hij gelast de twee knechten om beneden te blijven; hij met Isaiik zal opklimmen om te aanbidden. Hij legt het hout voor het brandoffer op de schouders van zijn zoon. en zelf neemt hjj het vuur, en het mes vat hij in zijn hand. Hy had tot spreken geen lust, want hij was vol gedachten; maar Isaak, die niet begreep wat zijn vader op den berg toch wel offeren zou, vroeg: „Mijn vader!quot; en lijj zeide: „Zie hier ben ik, mijn zoon,quot; En Isaiik zeide : „Zie het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer?quot; Hierop gaf Abraham dit merkwaardig antwoord: „De Heer zal zich een brandoffer voor,firn, mijn zoon!quot; Zoo gingen zij beiden te zamen. Gp den top des bergs gekomen , maakte Abraham zjjn zoon bekend met het bevel, dat hij van God heeft ontvangen. Hij maakt van steenen een altaar, legt daarop het hout, om er 'toffer meê aan te steken, bindt zjjn zoon, legt hem op het hout, en nu, nu neemt hij het mes in zijn hand om Isaiik den Heer te offeren — doch, nu is de Heer voldaan. „Abraham! Abraham!quot; zoo klinkt het van den hemel, „g'ij moet uw hand niet uitstrekken aan den jongen, en hem niets doen; want nu weet ik, dat gij alles voor mü overig hebt, en zelfs uw zoon, uwen eenigen, mij niet onthoudt.quot; — Met welk een vreugde zal hij Isaiik weer ontbonden hebben. Het was, alsof hij hem uit den dood terug ontving; en als hij in 't rond ziet, daar ontdekt hy een ram, met de hoornen verward in de struiken; hij neemt en offert dit dier in de plaats van zijnen zoon, en zoo had de Heer zich toch een offer voorden. — Gij hebt wel eens hooren spreken van Gods voorzienigheid , of hooren zeggen: „De Heer zal het voorzien;quot; welnu, die spreekwijze is ontleend aan hetgeen op dien berg Moria aan Abraham is overkomen.
10
God beloofde opnionw, dat Hij hom nn zijn nakomelingen om zyn geloof groote-lijks zegenen zou, en ook nu nog heet Abraham ,do vader der geloovigen.quot;
Het leven van Sara was honderd en twintig jaar geworden, en toen stierf zij, door haren man in oprechtheid beweend.
Abraham wilde, dat zijne vrouw met vorstelijke eer begraven zou worden, en rusten in een eigen graf. Daartoe heeft hij voor den vollen prijs de spelonk van Machpéla gekocht met den akker, bij die spelonk behoorende, en daar heeft hjj, zeker niet zonder veel tranen, de gezellin op al zijn tochten bijgezet. En in diezelfde spelonk is eenige jaren later Abraham zelf begraven, toen bij op 175-jarigen leeftijd, „oud en der dagen zat,quot; was overleden. Bij die begrafenis was met Isaiik ook Ismaël tegenwoordig, en deze twee halve broeders hebben er goed aan gedaan, dat zij hun vader do laatste oer niet onthouden, maar samen hem grafwaarts geleid hebben.
HOOFDSTUK V.
DE AARTSVADER ISAAK.
Qonosis XXV—XXVII.
Van Isaiik valt niet zooveel te verhalen als van zijn vader Abraham. Ook liij was een vroom man, en hij is door God ook rijkelijk gezegend, maar bij leidde een stil leven, dat niet bijzonder rjjk is geweest aan afwisseling. Zijne vrouw heette Rebecca. Zij was geboren in het vaderland van Abraham en van daar vertrokken mot Eliezer, den getrouwen knecht van dien aartsvader, toen bij er eene echtgenoot kwam zoeken voor den zoon van zijn meester.
Twintig jaren zijn Isaiik en Rebecca gehuwd geweest, voordat /ij verblijd werden door de geboorte van een kind. Ook hun geloof werd dus op de proef gesteld. Eindelijk daar laat zich do Heer „verbidden,quot; en Rebecca schenkt bet leven aan twee zonen. Emu en Julioh genoemd. Deze tweelingbroeders hadden met elkander weinig of geen gelijkenis. Men zou nooit gezegd hebben, als men hen zag, dat zij broeders waren. Ezau was zeer forsch en ruig, en geheel en al als met een hairen kleed bedekt; terwijl Jakob een tenger en glad man was. In bun gewoonten verschilden zij ook zeer. Kzan hield ervan, met boog en
17
pijlkoker gewapend, te dolen door bossclien en eenzame plaatsen, en jacht te maken op wilde dieren. Jakob bleef liever dicht bü huis, en vertoefde gaarne in de tent van zijne moeder. Kwam Ezau thuis van de jacht, dan maakte hij het wild, dat hjj geschoten had, gereed, juist zooals zjjn vader het liefst het had toebereid, en Isailk prees dan zijn kloeken, krachtigen, oudsten zoon. Rebecca's hart hing echter meer aan Jakob.
Waarschijnlijk was de omgang tusschen deze broeders nooit vertrouwelijk en hartelijk; doch ze zyn hoe langer hoe meer van elkander vervreemd. Ik zal u zeggen, hoe dat is gekomen.
In die tijden had de oudste zoon altyd eenige rccldrti boven den jongsten. IIij kreeg bijv. een grooter aandeel in de erfenis des vaders dan de andere zonen, en men noemt dat zp eerstgeboorterecht. Op zekeren dag komt Ezau thuis van do jacht, en heeft een buitengewoon sterkon honger en dorst. Daar ziet hij, dat Jakob juist een heerlijken schotel gereed heeft gemaakt van linzen, een soort erwten, 't Zag er zoo frisch en smakelijk uit, om van te watertanden. En in zyn heftige begeerte, om het te mogen hebben, roept Ezau uit: „Laat mij slorpen van dat roode, dat roode daar!quot; Jakob heeft daarop geantwoord: „(Jij kunt het van mij verkrijgen, maar dan moet gü rnjj uw eerstgeboorterecht verkoopen.quot;
Ezau had hierop moeten zeggen: „Dat doe ik niet; want daartoe is mij het eerstgeboorterecht te heilig en te kostelijk, dan dat ik het zou afstaan vooreen schotel linzenkooksel.quot; Maar hij zeide: „Zie, ik ga sterven — en wat heb ik dan aan mijn eerstgeboorterecht; gij kunt het van mjj verkrijgen.quot; Daarop liet Jakob hem een eed er op doen, dat bij zijn heilig recht verkocht. En Ezau „at, en dronk, en stond op, en ging heen, en verachtte zijn eerstgeboorte.quot;
Het was niet vriendelijk van Jakob, dat hij tot zulk een duren prijs aan zyn moeden en hongerigen broeder dien schotel verkocht, maar Ezau toont op zijn recht, dat hij als oudste had, ook niet veel prijs te stellen. We lezen ook, dat liÜ heidensche vrouwen nam, en dat deze voor zijn vader en moeder waren „tot een bitterheid des geestes.quot;
Het verwondert ons niet, dat de zegen door God aan Abraham en Isaük beloofd, niet overging op Ezau. üod had het dan ook gezegd: de jongste der twee zonen, Jakob, is de zoon der belofte; hjj zal den zegen van zijn grootvader erven. — Toch was die zegen hem bijna ontgaan, en geschonken aan Ezau, zijn broeder.
Isailk was oud geworden, en zijn oogen waren donker geworden, dat by niet zien kon. Daar komt de gedachte in hem op: „Mijn einde kon wel eens zeer naby wezen. Ik weet wel den dag mijns doods niet — maar voor my, ouden man, kan ieder dag de laatste zijn.quot; Eer hy sterft wil hy zyn vaderlijken zegen uitspreken, en hij besluit dat te doen over het hoofd van Ezau, dien luj bijzonder
2
18
liefhad. Hij scheen daarbij geheel en al te vergeten, dat God dien zegen had bestemd voor Jakob. Hij roept Ezau, en gelast hem een wildbraad te jagen. Dan moest hij het „smakelijkquot; toebereiden, Isaiik zou ervan eten, en daarna hem zegenen. — Ezau gaat uit, om te voldoen aan 't bevel zijns vaders.
Rebecca heeft de woorden van haren man gehoord, en daaruit vernomen, dat hjj den kostelyken zegen niet aan Jakob wilde schenken, en daardoor liet gebod des Heeren zou overtreden. Zij dacht: nu moet ih toch er voor zorgen, dat de wil van God volbracht wordt. En om dit goede doel te bereiken , neemt zij haar raiddel tot bedrog, wat wjj in haar niet prijzen kunnen.
Zij roept Jakob, die nooit verre van zijne moeder was, vertelt hem de woorden en het v3ornemen van zijn vader, en zegt: „Slacht nu, zoo spoedig gjj kunt, twee goede geitenbokjes, dan zal ik ze gereed maken, zooals uw vader het gaarne heeft. Dan brengt gjj ze tot uw vader, en hjj zal eten en u zegenen.quot; Maar Jakob zegt tot zijne moeder: „Dat kan immers niet. Ik ben niet ruig zooals Ezau; mijn vader behoeft mij slechts aan te raken, om te ontdekken, dat ik Jakob ben, en ik zal in zijne oogen zijn als een bedrieger. Dan zal een vloek mijn deel wezen in plaats van een zegen.quot; Doch Eebecca antwoordde hem: „Meent gjj waarljjk, dat ik daar niet aan gedacht zou hebben? Houd mij nu niet langer op: doe wat ik u gezegd heb, en haast u.quot;
De geitenbokjes werden geslacht, smakelijk toebereid — en Jakob zal ze tot zijn vader brengen. Maar eerst trekt zjjn moeder hem de beste kleederen aan van Ezau, die zij bewaarde, en die geheel doortrokken waren van den geur van 't veld, en van do bosschen, waardoor hij zoo dikwerf dwaalde. Daarop hechtte zij om Jakobs hals en om zijn handen geitenvelletjes vast, zoodat iemand, die hem betastte maar niet zag, hem wel voor Ezau houden moest. Hij gaat alzoo uitgerust tot den ouden, blinden Isaiik, en zegt bjj 't binnenkomen: „Mijn vader!quot; „Wie zijt gü, mijn zoon?quot; En Jakob zeide tot zijn vader: „Ik ben Ezau, uw oudste zoon. Ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hebt; richt u nu op, en zit neder, en eet van het wildbraad, en zegen nuj daarna.quot; Isaiik kon niet gelooven, dat Ezau in zóó korten tijd terug is gekomen, en vraagt hem, hoe dat zp kon? En Jakob antwoordt: „De Heer, uw God, heeft mij dit wildbraad doen ontmoeten.quot; Isaiik is niet overtuigd, en verzoekt hem naderbij te komen. Hij betast hem, en weet niet wat ervan te denken. Als ik hem aanraak, zoo dacht hij, moet ik gelooven: het is Ezau; maar als ik hem hoor, dan is 't mij alsof ik Jakob hoor. De stem is Jakob's stem, maar de handen zijn Ezau's handen. — Hij is dus niet geheel gerust gesteld, en daarom vraagt hij nadrukkelijk: „Zijt gij mijn zoon Ezau-zelf?quot; En Jakob zegt tot zijn ouden, blinden vader: „Voorzeker, ik ben het.quot; Isaiik heeft daarop gegeten en gedronken, en den zegen uitgesproken over 't hoofd van Jakob.
1!)
Nauwelijks heeft lijj de tent van zijn vader verlaten , of daar komt Ezau terug. Hij, die niets wist van hetgeen was voorgevallen, bereidt het wildbraad, dat hij geschoten had, cn gaat naar zijn vader, om door hem gezegend te worden. Maar welk een schrik voor Isaiik en voor Ezau beiden, als zij tot do ontdekking komen, dat Jakob door bedrog den zegen heeft verworven! Tn een luiden schreeuw geeft Ezau lucht aan zijne woede, en in bittere tranen opnn-baart zich de droefheid van zijn hart. Wel geeft zijn vader ook hem een zegen, maar dc zegen was hem ontgaan. Zjjn toorn tegen Jakob , die het eerstgeboorterecht en den eerstgeboortezegen hem had weten afhandig te maken , kent geen perken. Hij zweert er op, dat hij hem zal dood slaan , en dat woord verwekte in Rebecca's hart zulk een schrik, dat zjj , met medeweten van Isaiik , Jacob liet vertrekken naar haar vaderland, het „land van de kinderen van het Oosten.quot; '/Ai hoeft dezen haren lielston zoon op aarde niet weder aanschouwd.
HOOFDSTUK VI.
DE AARTSVADER JAKOB.
GencHis XXV1II-- XXXVII.
Het lovon van Jakob is niet zoo kalm geweest als dat van zijn vader Isaiik. In meer dan één land hoeft hij vertoefd; veel moeite en verdriet heeft lijj gekend; on eindelijk is hij in oen vreemd land ontslapen, en „verzameld tot zijne vaderen.quot;
Het zal hem zeker moeite hebben gekost, te scheiden van zijne moeder, aan wie hij zoo innig verbonden was, en vreemd viel het hem ongetwijfeld aan don avond van den eersten dag zijner reis, do vermoeide leden te moeten uitstrekken op don harden bodem. Zijn hoofdpeluw was ook alles behalve zacht; immers had hij eenige steenen bij elkander gelogd, en daarop legde hij het hoofd ter ruste. Wat hem vooral bedroefde, was de gedachte, dat bij nu verder verwijderd was van God, dan in de tenten zjjn vaders. Jakob meende toen nog, dat God slechts woonde aan dezo of gene plaats, en daar alleen aan do menschen zich openbaarde. Met lederen dag rcizens zou hij dus ook vorder geraken van don God zijnor ouders.
Hjj vergiste zich hierin, en op troflende wjjs hooft God zelf hom dat kenbaar
20
gemaakt. Terwijl Jakob daar in 't open veld, met het hoofd op de steenen, ligt en slaapt, droomt hjj een droom, en wel een droom , waardoor God hem iets wil leeren. Hij droomt, dat aan zjjn hoofdeinde een ladder staat, waarvan het opperste reikt tot in den hemel. Heerlijk straalt die ladder van licht, en er langs klimmen en dalen de Engelen Gods. En ziet, de Heer stond boven op die ladder, en zeide tot Jakob: „Ik ben de Heer, de God van uwen vader Abraham en van uwen vader Tsaiik.quot; Daarop beloofde do Heer, dat het land Kanaiin voor Jakob en zjjn nakomelingschap zon wezen, en dat in hem al de geslachten des aardrijks zouden gezegend zijn. Ook zeide de Heer: „Ik zal u behoeden overal, waar gij henen gaat.quot;
Als Jakob des morgens ontwaakt, is zijn eerste gedachte : „Zoo is de Heer dan hier ook, niet alleen in de tent mijns vaders, maar overal openbaart Hjj zich.quot; Daarom noemde hij met heilig ontzag de plaats, waar dit wasvoor-gevallen : Beth-él, d. w. z. „huis Gods.quot; En tot een aandenken aan die gebeurtenis richtte hij den steen, waarop zijn hoofd gerust had , overeind , goot er olie over en zeide: „Brengt God mij behouden en gezegend weer tot deze plaats, dan zal ik er den Heer een offer brengen, en er gedurig Zijnen naam aanroepen.quot;
Met goeden moed reisde Jakob verder en gelukkiglijk bereikte hjj het land, waar Rebecca zijn moeder was geboren. De eerste, die luj daar aantrof, was Kachel, de dochter van Laban, en deze Laban was do broeder van Rebecca, dus een oom van Jakob. God had dit zeer goed voor hem beschikt. Ook Laban was een herdersvorst, zoodat Jakob hem van dienst kon wezen , daar hij gewoon was aan liet herdersleven.
Bijna twintig jaren heeft Jakob bij Laban vertoefd, en er veel ondervonden. Zoo leerde hjj, die zijn ouden vader bedrogen had, by eigen ervaring hoe verdrietig het is, zelf te worden bedrogen. Want toen hjj aan Laban zijn dochter Kachel, die hij zeer lief had, tot vrouw had gevraagd en dacht haar te huwen, bleek hot, dat Laban zijn oudste dochter Lea, in Rachel's plaats, aan Jakob gegeven had. Hij had toen zeven jaren gediend, om Rachel te verkrijgen, en moest nu nog zeven andere jaren dienen. Ook by andere gelegenheden en op moer dan één wijs heeft Laban met Jakob niet eerlijk gehandeld; en wij kunnen daarbij niet nalaten te denken, dat dit zijn straf was voor het bedrog, dat hij zelf tegenover zijn vader had gepleegd. Behalve Lea en Rachel nam Jacob ook nog twee andere vrouwen, die hem dochteren en vele zonen schonken.
De verhouding tusschen Laban en zijn neef werd hoe langer hoe onaangenamer. Laban was afgunstig op Jakob, die met ieder jaar rijker werd, zoodat luj zijn kemelen en ezelen bij honderden tellen kon. God vond het daarom beter, dat Jakob maar weer terugkeerde naar zijn geboorteland. Van een afwezigheid van Laban maakte lijj dan ook gebruik, om al het zijne bijeen te vergaderen, en te vertrekken.
21
Op die reis nuav Kanaan iieett lijj meer dan één merkwaardige ontmoeting gehad. Eens op een nacht treedt de Engel des Heeren in zijn tent, grijpt hem aan, en begint met hem een zeer ernstige worsteling. Jakob werd daarbij de heup ontwricht; maar hjj liet daarom den engel niet los. Hjj deed het eerst, nadat deze hem gezegend had. Bij die gelegenheid ontving Jakob een anderen naam, en wel dien van Israel, dat wil zeggen: iemand die zich tegenover God vorstelijk gedragen heeft. Het is dus een zeer eervolle naam, en daarom noemen de Joden zich ook nu nog het liefst: Israëlieten.
Die ontmoeting eindigde eerst, toen de dageraad opging; en op dien zelfden dag, heeft Jakob zijn broeder Ezau ontmoet. De beide broeders hadden elkander niet gezien in al de jaren, welke Jakob bij Laban had doorgebracht, üij weet nog hoe toornig Ezau was, en Jakob vreesde zeer voor dat samentreffen met zijn broeder, die 400 gewapende mannen by zich had. Uit voorzichtigheid had hij reeds zijn vee in twee partijen verdeeld. Hjj dacht: valt Ezau aan op de eene helft, dan kan de andere nog ontkomen. Ook had hij Ezau vele geschenken gezonden als kameelen, ezels, geiten en schapen, denkende: dat zal zijn hart een weinig verteederen.
En daar nadert Ezau eindelijk in de verte met zijn manschappen! Jakob heeft zijn vrouwen en kinderen bij zich. Het verst van hem zijn de twee bijwijven met haar kinderen; dichter bij hem staat Lca met haar zonen; en het dichtst bjj hem staat de vrouw, die hem het liefste was, Rachel, met haar zoon 'Jozef. Als Ezau dicht genoog genoeg genaderd is, treedt Jakob op hem toe, en buigt zich ter aarde. Hij staat op, gaat een klein eind verder, en buigt zich weder ter aarde. Hij doet dat zevenmalen, totdat hij bij zijn broeder kwam. En hoe was Ezau gestemd? Nog boos, en toornig? Neen, juist het tegendeel. Hij viel Jacob aan den hals, en kuste hem, en beide broeders hieven de stem op en weenden luide. Dat moet een aandoenlijk tooneel zjjn geweest. Daarna komen Jakob's vrouwen met hare zonen en allen buigen zich neder voor Ezau, die door al die vriendelijkheid van zijn broeder ton diepste is getroffen, en zelfs voorstelt, om altijd bij elkander te blijven. Hiervan echter is niet gekomen, maar korten tijd daarna hebben Jakob en Ezau elkander weer ontmoet. Het was bij de begrafenis van beider vader, want eerst toen is Izailk, die reeds twintig jaren geleden meende te zullen sterven, tot zijn vaderen verzameld. Hij was 180 jaren oud; en bjj zijn vader en moeder, in de spelonk van Machpela, is hjj door Ezau en Jakob neergelegd ter eeuwige ruste.
HOO F D ST UK Vil. DE GESCHIEDENIS VAN JOZEF.
Genesis XXXVII—L.
Jacob had niet minder dan twaalf zonen. Hij had hen allen lief; maar aan twee onder hen droeg hij een bijzondere toegenegenheid toe. Het waren •Jozef en Benjamin. Zij waren de zonen van liachel, de vrouw, die hij onder zijn vrouwen het meest had bemind. Rachel zelf leefde niet meer; zij was zeer kort na de geboorte van haar jongsten zoon, Benjamin, gestorven.
Hoe toonde Jacob, dat hy inzonderheid veel hield van Jozef? Zeker op meer dan ééne wijze, maar ook door hem veel fraaier te kleeden dan de andere zonen, en wel met een prachtigen veelkleurigen rok. Ik behoef n niet te zeggen, dat Jozefs broeders dit niet goed vonden, en er Jozef om benijdden. Maar hiertoe meenden zjj nog meerder reden te krijgen. Als Jakob aan zijn zoon Jozef vroeg naar 'tgedrag van zijn broeders, vertelde Jozef de waarheid, en zoo „bracht hij het kwaad gerucht van zijn broeders over.quot; Doch wat de broeders het meest vertoornde op Jozef, waren zijn droomen.
Men hechtte in dien tijd veel meer aan een droom, dan wij het doen, daar men racende, dat God door droomen aan de menschen de toekomst bekend maakte. Wat droomde Jozef dan wel? Dat luj met zijn broeders op het veld was, druk bezig met korenschoven op te binden, en dat de schoven, welke hij opgebonden had, overeind bleven staan, terwijl de schoven, welke zijn broeders opgebonden hadden, zich voor de zijnen ter aarde bogen. Toen hij dien droom verteld had, zeiden zijn broeders op spijtigen toon: voorzeker, wij zullen nog eenmaal voor ,] ozef buigen moeten!
Niet lang daarna vertelde Jozef weer een droom, dien hij gedroomd had. In dien droom was 'them geweest, alsof do zon, de maan en elf sterren van den hemel vielen en voor hem zich bogen. Zoo zouden dan zijn broeders niet alleen, maar ook zijn vader en zijn moeder eenmaal voor liem zich moeten buigen! Ook Jacob was daarmee niet ingenomen, en voortaan werd Jozef door zijn broeders „meester droomerquot; genoemd.
Het was niet goed Jozef dien bijnaam te geven, doch hem is veel grooter kwaad overkomen. Eens, toen zijn broeders met hun kudde ver waren weg getogen, beval Jakob, dat Jozet zijn broeders opzoeken en naar hun welstand
■ - •■■■■■ ■ - -
,
'Mft ïmmM ■■ wvS»,-!
'i-M-
' ■
|
I
23
vragen zou. Hij begaf zicli op weg, en verdwaalde. Gelukkig vond hjj iemand, die hem zeide, dat zijn broeders waren in Dothan, en daarheen richtte hij dan ook zijn schreden. Zjjn broeders waren juist allen bjj elkander , toen hij quot;er aan kwam. „Daar is onze meester droomer,quot; zoo zeiden zij zeer onvriendelijk. „Laat ons hem doodslaan, en in een kuil werpen: dan zullen wij eens zien, wat er wordt van zjjn droomen!quot; Dit zoude zeker zijn geschied, indien de oudste der broederen, Ruben, niet een ander voorstel had gedaan. Hjj zeide: „Laat ons niet zjjn bloed vergieten, maar hem in een kuil werpen en hem daar aan zijn lot overlaten.quot; Ruben dacht: straks, als de andere broeders het niet bemerken, haal ik Jozef uit den kuil, en laat ik hem terugkeeren tot zjjn vader.
Dit plan is echter niet gelukt. Toen Ruben zich had verwijderd, nadat Jozef was geworpen in den droogen kuil, zaten zijn broeders neder, en alsof er door hen niets slechts of verkeerds was verricht, aten en dronken z\j. En ziet, daar nadert een reisgezelschap; 'twaren kooplieden die naar Egypte togen, en hun kameelen droegen specerijen en myrrhe en nog andere kostbare waren. Toen zeide Juda tot zjjn broeders: „Wat zullen wij er aan hebben, dat wjj Jozef in dien kuil laten sterven van honger en dorst — laat ons hem liever aan deze kooplieden verkoopen! Dan begaan wjj ten minste geen moord. Hjj is toch onze broeder!quot;
Dit werd goed gevonden; zjj trokken Jozef weêr uit den kuil, en verkochten hem voor twintig zilverlingen. Zijn gekleurde rok was onder dien prijs niet begrepen. Dien hadden zjj voor zich gehouden. En daar werd Jozef, die toen 17 jaar oud was, als een slaaf meegevoerd naar Egypte. Ik behoef u niet te zeggen, hoe slecht dit van zjjn broeders was. Zjj toonden wel weinig liefde te gevoelen voor hun vader, dien zjj door 'tgemis van Jozef een onuitsprekelijk verdriet aandeden. Toen Ruben kwam aan den kuil en er Jozef niet vond , scheurde hjj zjjn kleederen van schrik en droefheid, en kwam tot zjjn broeders en zeide: „De jongeling is er niet, en ik , waar zal ik heengaan ?quot;
Toen vertelden zjjn broeders, dat zjj Jozef hadden verkocht, en spraken af, wat zjj aan hun vader zouden zeggen. Dc waarheid durfden zjj natuurlijk hom niet vertellen; en daarom namen zjj de toevlucht tot een leugen. Zjj slachtten een geitenhok en doopten daarin den veelverwigen rok van Jozef, en lieten dien brengen tot hun vader, en zeiden: „Dezen hebben wjj gevonden; beken, of dit de rok van Jozef is,quot; En Jakob herkende hem. Ach, zoo dacht hjj, dan heeft een wild dier Jozef verscheurd. — Eu vele, vele dagen bedreet hjj rouw over Jozef; en als zijn zonen, die nu ook zich houden moesten alsof zjj diep bedroefd waren , hem kwamen troosten, zeide hjj: totdat ik nederdaal in net graf, zal ik over mijn zoon rouw bedrjjven.
24
Hoe is liet Jozef gegaan in Egypte? Uit veel verdriet en vernedering is hü opgeklommen tot do hoogste eer. Hij werd als slaaf gekocht door een aanzienlijk man, Vod far geheeten. Deze zag reeds spoedig, dat Jozef geen gewone slaaf was, en schonk hem al zjjn vertrouwen. Maar do vrouw van Potifar meende, dat zij hem wel kon overhalen tot kwaad; doch het is haar niet gelukt. „Zou ik zulk een groot kwaad doen, en zondigen tegen God?quot; zeide Jozef, die het zoo goed begreep, dat wjj niet mogen zondigen, omdat God het niet toil.
Potifar's vrouw vertelde echter aan haar man, dat Jozef haar had willen verleiden tot kwaad, en daar Potifar zjjn vrouw eerder geloofde dan zyn slaaf, werd Jozef in de gevangenis geworpen. Zeker heeft hy wel menigmalen gedacht: Hoe kan God dat nu toch toelaten? Juist, omdat ik niet gezondigd heb, word ik gestraft.
Jaren lang heeft hjj in de gevangenis doorgebracht, en ontmoette er vele en velerlei menschen. Zoo liet de Koning van Egypte, Farao geheeten, ook zijn schenker en zjjn bakker gevangen zetten, en Jozef sprak hen gedurig. Eens op een morgen zag de schenker zeer ontsteld en zeide: „Ik heb heden nacht zulk een zonderlingen droom gedroomd; ik moet er gedurig aan denken. Het was, alsof ik een wijnstok zag, en er waren drie ranken aan, die begonnen uit te loopen, daarna te bloeien, en eindeljjk waren het trossen, en die trossen werden rjjpe druiven. En toen was het, alsof ik den beker van Farao in mijn hand had, en de druiven er in uitperste, en hem gaf aan den Koning.quot;
Jozef heeft hem daarop den droom uitgelegd, en voorspeld, dat hjj binnen drie dagen zou hersteld zjjn in de gunst des Konings, en weder zijn schenker worden. Gjj kunt ii de blijdschap van dien man voorstellen! Toen Jozef hem zjjn droom had verklaard, deed hjj hem een vriendelijk verzoek. Hot was, dat de schenker voor Jozef een goed woord zou doen bjj den Koning. „Ik benquot;, zoo zeide Jozef, „gestolen uit het huis mijns vaders; ik zit hier geheel onschuldig, en maak gjj nu, dat ik hier uitkom.quot; We zullen aanstonds zien, hoe slecht de schenker woord heeft gehouden.
De bakker, die do gunstige uitlegging had gehoord, welke Jozef had gegeven van den droom des schenkers, dacht: nu zal ik mijn droom ook vertellen. Wat had hij dan gedroomd? Dat er op zjjn hoofd waren drie korven met een net er over heen, en in die korven was van allerlei lekkernij i zooals de Koning dat gewoon was te eten; en ziet, de vogels aten van boven zijn hoofd uit den korf. — Toen zeide Jozef: „Ziehier de verklaring van uwen droom; do drie korven zjjn drie dagen; binnen drie dagen zult gjj worden gehangen aan een hout, en de vogelen zullen uw vleesch van boven u eten.quot; En 'tis juist zoo geschied als Jozef, wien God's Geest had verlicht, het iiad gezegd. De schenker werd in zijn ambt hersteld, en de bakker werd gehangen.
Indien gö nu meent, dat de schenker deed wat lijj aan Jozef had beloofd, dan vergist gij u. Hij vergat Jozef geheel en al. Maar God heeft Jozef niet vergeten, en aan zijn gevangenschap een einde gemaakt op een merkwaardige wjjze. Op een nacht — het was twee jaren na de uitredding van den schenker, — droomt de Koning Farao een droom. Hjj droomde, dat hij stond aan den oever van de rivier den Nijl. En ziet, uit de rivier kwamen óp zeven prachtige, vette koeien, en zjj weidden in het gras; en als hy ze gadeslaat, ziet, daar komen nog zeven koeien óp uit de rivier, maar die waren leelijk en mager en stonden bü de vette koeien; en die magere koeien aten de vette koeien op, maar zij bleven even leelijk en mager als zij waren.quot; — Farao werd wakker van zulk een zonderlingen droom.
Daarna sliep hij in, — en ziet, hij droomde wederom. Nu ziet hg uit den grond oprijzen zeven volle, rijpe korenaren op éénen halm; en daarna zeven door den oostenwind verschroeide schrale aren — en de laatste verslonden de eerste. Door deze twee droomen was Farao geheel verslagen, en hij riep al de toovenaars van Egypte, al de menschen die beweerden, dat zjj droomen konden verklaren, en vertelde hun wat hij had gedroomd. Maar niemand kon er de uitlegging van geven .... Toen dacht de schenker aan Jozef, die hem zoo naar waarheid had voorspeld, wat hem zou overkomen, en hy vertelde dat aan Farao, die beval, dat Jozef dan dadelijk voor hem gebracht moest worden. — Nu begint de verhooging van Jozef. Hij werd geschoren, men deed hem andere kleederen aan — en daar stond hjj voor den machtigen Koning van Egypte.
„Ik heb gehoordquot;, sprak Farao, „dat gij een droom, dien men u vertelt, kunt uitleggen.quot; — „Neenquot;, zeide Jozef, kan dat niet, maar God kan u vrede en welstand aanzeggen.quot; Daarop verhaalt Farao zyn beide droomen; en zonder dat hy zich een oogenblik bedenkt, daar God zijn verstand verlichtte , weet Jozef aanstonds te zeggen, wat die droomen beteekenen. Hun beider bedoeling was dezelfde. De zeven vette koeien en de zeven volle korenaren be-teekenden zeven jaren van overvloed ; volop zou dan in 't vruchtbaar Egypte het koorn groeien. Maar op die zeven jaren van overvloed zouden er zeven volgen van hongersnood, omdat de oogst mislukken zou. Groot zou dan het gebrek zijn. Tweemalen had Farao gedroomd en dit beduidde, dat de zaak vast en zeker door God besloten was.
Jozef gaf aan Farao ook nog een raad. Hy zeide, dat de Koning wys zou doen met een verstandig man aan te stollen over liet land van Egypte, die het vyfdc gedeelte van hetgeen er aan koorn zou groeien, opkocht, en het oplegde, het bewaarde onder toezicht van Farao. Dan zou men genoegzamen voorraad hebben, als de zeven jaren van onvruchtbaarheid en honger kwamen.
24
Hoe is het Jozef gegaan in Egypte? Uit veel verdriet en vernedering is liü opgeklommen tot de hoogste eer. Hij werd als slaaf gekocht door een aanzienlijk man, Potifar geheeten. Deze zag reeds spoedig, dat Jozef geen gewone slaaf was, en schonk hem al zjjn vertrouwen. Maar do, vrouw van Potifar meende, dat zjj hem wel kon overhalen tot kwaad; doch het is haar niet gelukt. „Zou ik zulk een groot kwaad doen, en zondigen tegen God?quot; zeide Jozef, die het zoo goed begreep, dat wjj niet mogen zondigen, omdat God het niet tvil.
Potifar's vrouw vertelde echter aan haar man, dat Jozef haar had willen verleiden tot kwaad, en daar Potifar zjjn vrouw eerder geloofde dan zijn slaaf, werd Jozef in de gevangenis geworpen. Zeker heeft hij wel menigmalen gedacht: Hoe kan God dat nu toch toelaten? Juist, omdat ik niet gezondigd heb, word ik gestraft.
Jaren lang heeft hij in de gevangenis doorgebracht, en ontmoette er vele en velerlei menschen. Zoo liet do Koning van Egypte, Farao geheeten, ook zp schenker en zjjn bakker gevangen zetten, en Jozef sprak hen gedurig. Eens op een morgen zag de schenker zeer ontsteld en zeide: „Ik heb heden nacht zulk een zonderlingen droom gedroomd; ik moet er gedurig aan denken. Het was, alsof ik een wijnstok zag, en er waren drie ranken'aan, die begonnen uit te loopen, daarna te bloeien, en eindelijk waren het trossen, en die trossen werden rijpe druiven. En toen was het, alsof ik den beker van Farao in mijn hand had, en de druiven er in uitperste, en hem gaf aan den Koning.quot;
Jozef heeft hem daarop den droom uitgelegd, en voorspeld, dat hij binnen drie dagen zou hersteld zijn in de gunst des Konings, en weder zijn schenker worden. Gjj kunt u de blijdschap van dien man voorstellen! Toen Jozef hem zijn droom had verklaard, deed hij hem een vriendelijk verzoek. Het was, dat de schenker voor Jozef een goed woord zou doen bij den Koning. „Ik benquot;, zoo zeide Jozef, „gestolen uit het huis mijns vaders; ik zit hier geheel onschuldig, en maak gjj nu, dat ik hier uitkom.quot; We zullen aanstonds zien, hoe slecht de schenker woord heeft gehouden.
De bakker, die de gunstige uitlegging had gehoord, welke Jozef had gegeven van den droom des schenkers, dacht: nu zal ik mijn droom ook vertellen. Wat had hij dan gedroomd ? Dat er op zijn hoofd waren drie korven met een net er over heen, en in die korven was van allerlei lekkernij, zooals de Koning dat gewoon was te eten; en ziet, de vogels aten van boven zp hoofd uit den korf. — Toen zeide Jozef: „Ziehier de verklaring van uwen droom; de drie korven zjjn drie dagen; binnen drie dagen zult gij worden gehangen aan een hout, en de vogelen zullen uw vleesch van boven u eten.quot; En 'tis juist zoo geschied nis Jozef, wien God's Geest iiad verlicht, hot had gezegd. De schenker werd in zijn ambt hersteld, en de bakker werd gehangen.
Indien gij nu meent, dat de schenker deed wat lijj aan Jozef had beloofd, dan vergist gij u. Hjj vergat Jozef geheel en al. Maar God heeft Jozef' niet vergeten, en aan zijn gevangenschap een einde gemaakt op een merkwaardige wijze. Op een nacht — het was twee jaren na de uitredding van den schenker,— droomt de Koning Farao een droom. Hjj droomde, dat hij stond aan den oever van de rivier den Nijl. En ziet, uit de rivier kwamen óp zeven prachtige, vette koeien, en zjj weidden in het gras; en als hjj ze gadeslaat, ziet, daar komen nog zeven koeien óp uit de rivier, maar die waren leelijk en mager en stonden bjj de vette koeien; en die magere koeien aten de vette koeien op, maar zij bleven even leelijk en mager als zy waren.quot; — Farao werd wakker van zulk een zonderlingen droom.
Daarna sliep hjj in, — en ziet, hjj droomde wederom. Nu ziet hjj uit den grond oprijzen zeven volle, rijpe korenaren op éénen halm; en daarna zeven door den oostenwind verschroeide schrale aren — en de laatste verslonden de eerste. Door deze twee droomen was Farao geheel verslagen, en li ij riep al de toovenaars van Egypte, al de menschen die beweerden, dat zij droomen konden verklaren, en vertelde hun wat hij had gedroomd. Maar niemand kon er de uitlegging van geven .... Toen dacht de schenker aan Jozef, die hem zoo naar waarheid had voorspeld, wat hem zou overkomen, en hij vertelde dat aan Farao, die beval, dat Jozef dan dadelijk voor hem gebracht moest worden. — Nu begint de verhooging van Jozef. Hjj werd geschoren, men deed hom andere kleederen aan — en daar stond hij voor den machtigen Koning van Egypte.
„Ik heb gehoordquot;, sprak Farao, „dat gij een droom, dien men u vertelt, kunt uitleggen.quot; — „Neenquot;, zeide Jozef, Jlc kan dat niet, maar God kan u vrede en welstand aanzeggen.quot; Daarop verhaalt Farao zijn beide droomen; en zonder dat Inj zich een oogenblik bedenkt, daar God zijn verstand verlichtte, weet Jozef aanstonds te zeggen, wat die droomen beteekenen. Hun beider bedoeling was dezelfde. De zeven vette koeien en de zeven volle korenaren bc-toekenden zeven jaren van overvloed; volop zou dan in 't vruchtbaar Egypte het koorn groeien. Maar op die zeven jaren van overvloed zouden er zeven volgen van hongersnood, omdat de oogst mislukken zou. Groot zou dan het gebrek zijn. Tweemalen had Farao gedroomd en dit beduidde, dat de zaak vast en zeker door God besloten was.
Jozef gaf aan Farao ook nog een raad. Hjj zeide, dat de Koning wjjs zou doen met een verstandig man aan te stollen over het land van Egypte, die het vijfde gedeelte van hetgeen er aan koorn zou groeien, opkocht, en net oplegde, het bewaarde onder toezicht van Farao. Dan zou men genoegzamen voorraad hebben, als de zeven jaren van onvruchtbaarheid en honger kwamen.
20
Farao cn al zijne dienaren vonden deze uitlegging en dezen raad van Jozef zeer verstandig, en de koning dacht: Zon ik wel iemand kunnen vinden in wien Gods Geest is zooals in Jozef? En liü zeide tot hem: Gü zult over mijn huis zijn; u benoem ik tot den eerste van mijn dienaren; ik alleen zal boven u staan, en geheel Egypte zal n onderdanig wezen. En daarop gaf hij Jozef zijn eigen zegelring aan den vinger , en deed hem een kostelijk kleed aan en hing een gouden keten om zjjn hals, en liet hem rpen in den tweeden wagen dien hij had, en overal waar Jozef kwam, riep men: „Knielt!quot;
Zelden is iemand uit zulk een vernedering opgeklommen tot zulk een eer. Jozef liet zich echter daardoor niet hoogmoedig maken, maar werd een getrouw dienaar van den Koning. Hij kocht in de zeven jaren, waarin het land zéér vruchtbaar was, onvermoeid koorn op, en borg het in schuren. Hij bracht er zóóveel van bijeen, dat men ophield met tellen; er was geen tellen meer aan. — En toeu kwamen de zeven jaren waarin de oogst mislukte, de jaren van hongersnood. Als er geen koorn is, is er geen brood , en waar het brood ontbreekt, daar doet de honger zich gevoelen. Het volk van Egypte riep dan ook tot Farao om brood, en Farao zeide: Gaat tot Jozef, doet wat hjj u zegt. En Jozef verkocht koorn aan de Egyptenaren. Toen zij geen geld meer hadden om koorn te koopen, zeide Jozef: Geeft mij uw vee, uw huizen, uw akkers, en ik zal u koorn geven. En eindelijk verkochten zij zichzelven als slaven aan Jozef, die hen kocht voor Farao, zijnen heer. Zoo werd dus geheel Egypteland met al zijn inwoners en met al hun vee, Farao's eigendom.
Gij vraagt misschien, of Jozef nooit iets gehoord heeft van zijn vader sinds hij door zijn broeders verkocht was? Wij zullen u thans vertellen, hoe hij Jakob zijn vader weer heeft gezien.
De hongersnood, die in Egypte heerschte, deed zich ook in Kanaiin gevoelen, want ook daar was de oogst mislukt. Jakob en zjjn zonen zagen dan ook elkander aan, niet wetende hoe zij hunne huisgezinnen in het leven zouden behouden. Toen zeide Jacob tot zijn zonen: Ik heb gehoord dat in Egypte nog koorn is, trekt derwaarts om koorn te koopen, opdat wjj leven en niet sterven.
Zoo trokken dan zijn zonen weg; maar niet alle ; slechts tien mochten gaan, want Jakob stond niet toe, dat de jongste, Benjamin, mede reisde. De tien gebroeders komen in Egypte en moeten verschijnen voor Jozef. Daar treden zjj bij hem binnen — en buigen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde. Zij kenden hem niet; want meer dan twintig jaar was't geleden, dat zij Jozef hadden verkocht, en de gedachte, dat die onderkoning van Egypte ,de meester droomerquot; zou wezen, kwam in hen zelfs niet op. Maar Jozef kende hen wel, doch liet dit niet blijken. Hij wilde weten, of zjj nog oven liefdeloos tegen hun vader gezind waren, en vroeg hun op zeer strengen toon: „Van waar komt gij?quot; En
27
zij zeiden; „Uit het land van Kanaan om spijs te koopen.quot; Dat geloof ik niet, zeide Jozef; ik houd u voor verspieders; gij komt zien waar dit land open ligt voor zijn vijanden. Daarop verzekerden zij , dat ze niets kwaads in den zin hadden, en dat ze allen zonen waren van één vader, die twaalf zonen had gehad, van wie de jongste thuis bjj hun vader, en er één niet meer in leven was.
Gjj begrijpt wien ze met dien éénen bedoelden, en hoe zullen zij ontsteld zijn, toen Jozef hun toeriep: „Ik wil weten, of gij de waarheid spreekt. Een van ii zal ik laten terugkeeren naar uw vader, om uw jongsten broeder hier te brengen, en als dit niet gebeurt, dan houd ik u voor verspieders.quot; Jozef liet hen, na dit gezegd te hebben, drie dagen gevangen zetten. Toen zeide hij: „Ik zal één van n hier houden, en de overigen laten gaan om koorn voor uw huisgezinnen te brengen, en komt dan weer mot uw jongsten broeder.quot; Zjj werden door dit alles zeer verschrikt en bevreesd, en zeiden tot elkander: Nu worden wij gestraft voor hetgeen wij onzen broeder Jozef hebben gedaan , wiens benauwdheid der ziel wij zagen, toen wy hem verkochten; maar wij gaven er geen acht op. En Ruben zeide: .,Hcb ik het u niet gezegd ? Zie, Jozefs bloed wordt van u geëischt.quot;
Geen der tien broeders vermoedde, dat alles wat zij spraken door Jozef den onderkoning van Egypte werd verstaan, maar Jozef verstond het alles en wendde hot gelaat af, en weende. Daarop zeide lijj, dat een hunner, Simeon, voor hun oogen zou gebonden en weggevoerd worden, maar de anderen konden vertrekken. Ook gelastte hij, dat hun geld, waarmee zij liet gekochte koorn hadden betaald, weder zou worden gedaan in hun zakken. Zij verschrokken niet weinig, toen zij bij het openen van hun zakken hun gold weer vonden.
Treurig gestemd keerden zij terug naar Kanaiin, en vertelden zij al het gebeurde aan hun vader Jacob. Ach, hoe bedroefd was de grijze aartsvader! „Gjj berooft mij van kinderen!quot; riep hij uit, Jozef is er niet, en Simeon is er niet — en nu wilt gij mjj Benjamin ontnemen. Al deze dingen zijn tegen mij.quot; — Maar nu staan zijne zonen er niet onverschillig en ongevoelig bij, gelijk zij dat gedaan hadden, toen Jakob met den beblooden rok van Jozef in de handen was uitgebarsten in luide klachten. Ze zijn nu even bedroefd als hun vader. Ja, liuben zegt: „Als ik Benjamin niet weder tot u breng, moogt gij twee van mijne zonen dooden.quot; Jacob zeide echter: „Ik geef Benjamin niet mee. Zijn broeder is reeds dood, en zoo hem een verderf ontmoette, ik overleefde het niet; mijn grijze haren zoudt gjj van verdriet doen dalen in het graf.quot;
De tijd kwam, dat van het in Egypte gekochte koorn niet veel meer overig Avas, terwijl de hongersnood nog altijd aanhield. Bleef Jakob bij zijn weigering om Benjamin meê te laten gaan, volharden, dan zouden zjj allen van honger moeten sterven, want zonder hun jongsten broeder durfden yjj niet meer voor den
28
onderkoning van Egypte verschijnen. Toen er eindelijk geen tjjd meer te verliezen wus, lieel't Juda zyn vader weten te bewegen, om toe te geven.
Zij moesten dan maar gaan, en Benjamin mede nemen. Het geld, dat zij in hunne zakken hadden terug gevonden, moesten zij óók weer mede nemen, want het kon een vergissing zjjn. Ook moesten zij van het kostelijkste des lands in hunne vaten doen, en den onderkoning ten geschenke aanbieden. Toen zij alles tot de reis gereed hadden gemaakt, en zouden vertrekken, zeide Jakob: „God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht diens mans, dat hij Benjamin en Simeon, uw anderen broeder met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zoo ben ik beroofd!quot; Hij had dus weinig goeden moed en vreesde het ergste. Maar hoe is zjjn vrees beschaamd geworden!
Toen de zonen van Jakob weder verschenen voor Jozef, ontving hij hen vriendelijk, en gelastte dat men voor hen een middagmaal zoude gereed maken. Zij waren echter zeer bevreesd, dat hun iets kwaads zou overkomen, doch werden door een van Jozefs dienaren gerust gesteld. Ook Simeon kwam weer bij hen. Zij zouden eten in Jozefs huis. Hun werd water gegeven om hunne voeten te wasschen, en hunne ezelen ontvingen voeder, en daarna treedt Jozef binnen. Zij buigen zich allen voor hem neder, en bieden hem de geschenken aan, die zij hadden medegebracht. En hij vroeg naar hun welstand, en hoe het was met hun vader. Het is wel met hem, zeiden zy, en zij neigden het hoofd eu bogen zich neder. En toen hij Benjamin aanzag, zeide hy: „Mijn zoon! God zy u genadig!quot;
Hy werd zoo ontroerd, dat hij in een andere kamer ging om te weeuen. Hy wiesch zyn aangezicht en kwam weer by hen. Jozef at niet met zyn broeders aan dezelfde tafel, maar hy had alles voor hen geschikt en geregeld.
Zoo waren zy allen geplaatst naar hunnen leeftyd, wat hen zeer verwonderde, en Benjamin's gerecht, het deel dat hem werd aangeboden, was vijfmaal grooter dan het gerecht van de anderen. Zoo aten en dronken zy overvloedig en verheugden zich in 'tvooruitzicht, dat zij den anderen dag zouden terug keeren naar hun vader.
Doch wat geschiedt? Jozef zeide tot een van zyn dienaren, dat hy niet alleen hun gold weder boven op hunne zakken zoude leggen, maar dat men in den zak van Benjamin, behalve het geld, ook zijn zilveren beker zoude doen.
De zonen van Jakob begaven zich des morgens zeer vroeg op weg, maar ver zyn zy nog niet buiten de stad, als een dienaar van Jozef hen achterhaalt, en zegt: „Mijnheer is zeer vertoornd op u. Hy mist zyn zilveren beker, waaruit hij alle dagen drinkt, en hy gelooft dat gy hem hebt mede genomen. Is dit nu
20
zijn loon voor de vriendelijkheid, waarmee hij u ontvangen heeft?quot; — Zy waren meer dood dan levend, toen zjj dit woord hoorden, en zeiden: „De man in wiens zak gij den beker vindt, moge sterven, en wij zullen allen slaven worden.quot; — üe dienstknecht van Jozef zeide: , Laat mij uwe zakken maar eens onderzoekenquot;; en waarlijk, daar komt uit den zak van Benjamin de beker te voorschijn. Toen scheurden zij hunne kleederen en zy laadden hunne zakken weer op en keerden tot Jozef terug, die hen zeer scherp ondervroeg. Daar stonden zij, — en waaraan dachten zij? Aan een gebeurtenis, wel lang geleden, maar die nu zeer levendig hun voor den geest komt; 't was aan de wijze, waarop zij met Jozef gehandeld en hun vader bedrogen hadden. Juda toont dat hy daaraan denkt, als hij tot Jozef zegt: „Wat zullen wij tot mijnen Heer zeggen, en wat zullen wjj spreken? (iod heeft dc. ongerechtigheid uwer knechten gevonden; Hij straft er ons nu voor. En nu zullen wij allen met hem, in wiens zak do beker gevonden werd, u tot slaven zijn.quot; Maar Jozef wilde daarvan niet hooren; hjj verklaarde, dat hij alleen Benjamin tot zijn slaaf houden zou; de anderen konden terug keeren.
Merkt nu eens op, hoe die zonen van Jakob veranderd zijn 1 Nu vinden zjj de gedachte, dat hun vader weder van een zoon beroofd zou worden, ondragelijk. Dat mag niet gebeuren. Juda, die borg gesproken had voor Benjamin, smeekt Jozef dat hij blijven mocht als slaaf in Benjamin's plaats, want, zegt hij, „hoe zou ik weerkeeren tot mijn vader, als de jongeling niet met mij is? ik zou den jammer niet kunnen zieu, die dan mijn vader overkomen zou.quot;
Op hartroerenden toon werden die woorden door Juda uitgesproken; en nu is Jozef ook geheel voldaan. Nu weet hjj, dat zij niet meer de hardvochtige en liefdelooze mannen zijn van vroeger. Hjj kan zich niet langer bedwingen. Al de Egyptenaren moeten het vertrek verlaten; en als hij met zijn broeders alleen is, roept hij uit, luidkeels weenende: „Ik ben Jozef! Leeft nijjii vader nog?quot; En zjjn broeders konden het eerst niet golooven. Maar toen Jozef hen allen bjj namen noemde, en zij 't wel gelooven moesten, dat hij liet was, verschrikten zjj zeer. Dat was nu die man, dien zij altijd hadden bespot en gehaat en eindelijk verkocht! Wat zou hy hun nu wel doen? — Maar Jozef dacht aan geen haat of wraak. Hij stelde hen volkomen gerust, en zeide: „God heeft dit alles zoo beschikt, om de Egyptenaren en ook u in het leven te behouden. Daar komen nog vijf jaren van hongersnood; doch maakt u niet ongerust. Ik zal voor u en uwe kinderen zorgen. Spoedt u terug naar onzen vader, en brengt hem hier met al de. zijnen, en ik zal u hot beste van Egypte geven!quot;
En Jozef gal hun fraaie kleederon en wagenen. Benjamin gaf hij behalve
30
kleederen, nog een geschenk in geld, en voor zyn vader liet bij tien ezelen beladen met koren en brood. Zjj moesten zich haasten en spoedig met hnn vader, hun vrouwen, hun kinderen en hun vee overkomen.
Inmiddels zat Jakob, vol angst en vrees, uit te zien naar hun terugkomst. Eindelijk (de tijd valt lang als men wacht en vreest) eindelijk daar naderen zij. Heeds uit de verte telt Jakob hun hoofden, en ziet, niet één ontbreekt. Simeon is er weer en Benjamin wordt niet gemist. Reeds dit was voor den grijzen aartsvader een groote vreugde. Maar wie beschrijft zijn blijdschap toen zjjn zonen hem boodschapten: „Jozef leeft nog, ja ook is hij regeerder van geheel Egypte-land!quot; — Leefde Jozef nog? Dan zou iiij gaan en hem zien, eer hij stierf! En zijn geest werd weder levendig. Zóó opgewekt en biy had men hem niet gezien, sinds hij had geloofd, dat Jozef door een wild dier was verscheurd.
Met grooten spoed maakte hij nu alles voor de afreis naar Egypte gereed. De wagens, die Jozef gezonden had, werden volgeladen; niemand, geen kind of kleinkind bleef achter; en Juda wordt vooruit gezonden, om Jozef te zeggen: uw vader nadert. Dadelijk spant Jozef zijn wagen aan, rijdt zijn vader tegemoet, en weldra ligt hij, luid en lang weenende aan den hals van zijnen vader. Zonder tranen is zeker niemand getuige geweest van dit tooneel; en zelden hebben ook vader en zoon na zulk eene scheiding, na zulk een verdriet elkander weder gezien. „Dat ik nu stem,quot; zeide Jakob, „nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft.quot;
Nog 17 jaren heelt Jakob geleefd in het land Gosen. d. i. een deel van Egypte, dat Farao hem had toegewezen. Hij was er geëerd en zag er zjjn zonen eeren, en verheugde zich in de macht en wijsheid van Jozef.
Eindelijk kwam ook de dag van zjjn dood. Als hij zijn einde voelt naderen, naderen al zijn zonen, en knielen één voor één aan zyn legerstede, en ontvangen zijn zegen. Daarna ontsliep hij kalm en zacht, diep betreurd, niet liet minst door Jozef, die zijn gelaat nat maakte met zijn tranen.
Als de vader van den onderkoning, is Jakob plechtig en deftig begraven, maar niet in Egypte. Hij had gelast, dat men hom bijzetten zoude in do spelonk van Machpela, waar hij T.ea begraven had, en waar Abraham rustten en Isa.ik met Sara en Rebecca. Jakob's lijk is gebalsemd, daarna gelegd in een groote kist, en het was een zeer talrijke stoet, die zijn lijk overbracht naar Kanaun, en den omtrek van het graf deed weergalmen van geween.
Toen de begrafenis was volbracht, begon den broeders van Jozef opnieuw de vrees te bevangen. Zij dachten: nu onze vader dood is, zal Jozef wel anders met ons handelen dan tot heden, en zich aan ons wreken over al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben. Maar Jozef dacht daar niet aan. „Gijlieden', zoo zeide hij, „hebt mij wel kwaad willen doen, viaar (tod heeft het tmgocdi' hesclnkt, nm door mij oen groot volk in het leven te behouden.quot;
31
Jozef is 110 jaar oud geworden. Eer hij stierf beval liij, dat, als zijn broeders te eeniger tjjd wederkeerden naar Kanailn, zij dan zijn gebeente mede zouden nemen. — Ook zp lijk werd, naar de gewoonte der Egyptenareu, gebalsemd, en men legde hem in een kist.
HOOFDSTUK VIII.
MOZES' GEBOORTE EN ROEPING.
(Exodus 1—IV).
(ieniimen tjjd hebben de Israëlieten in Egypte vertoefd en ze zjjn er geworden tot een groot volk, zooals God dat aan Abral am, Izailk en Jakob beloofd had. Ja, zij werden zóó talrijk, dat de Koning l'arao zeido: „Ze zjjn machtiger en talrijker dan wij.quot; Hjj zag dat met schrik en ongenoegen, en dacht: wat zal ik kunnen doen, om die groote menigte der Joden te doen verminderen? Hjj wist eerst niets beters te bedenken, dan den kinderen Israels zwaren arbeid op te leggen. Het loven werd hun daarom zeer bitter gemaakt, want zij moesten in gloeiende zonnehitte zware steenen bakken, en op hot veld werken. Maar de Joden bleken hiertegen bestand te zijn. Toen gaf Farao het ongehoorde gebod: „Alle jongens die geboren worden, zult gij in de rivier den Nijl werpen, maar alle meisjes in het leven behouden.quot;
Stelt u eens voor, welk een verdriet en schrik dit gebod verwekte onder do Joden! Hoe kon do Koning dit nu toch eischen ? En hoe kon God toelaten, dat zulk een onrecht en verdrukking over hen kwamen ? God zag en hoorde liet echter, en was reeds bozig met den weg tot hun verlossing te banen. In die dagen was er een man, geheeten Aiuram, en zyn vrouw heette Jochébed. Zij hadden een zoon Aaron en een dochter Mirjam. En zie, daar wordt hun nog een zoon geboren, juist in de dagen waarin Farao had gelast, dat de pas geboren jongens moesten verdronken worden. Hot kind, waaraan Jochébed het leven geschonken had, was bijzonder schoon. Zijn moeder kon hem niet genoeg aanzien. Het was, alsof een stem tot haar zeido: Indien dit kind bleef leven, zou het zeker een groot en beroemd man worden. Zij kon er dan ook niet toe besluiten , het jongsken in de rivier te werpen, maar verborg hem drie maanden. Doch op den duur kon zij hem toch niet verborgen houden; en later, als hü grooter was ge-
32
worden, zou 't dès te moeielijkev vallen hem af te staan. Daarom, er moest wat op gevonden worden. Jochóbed vervaardigt van biezen een korfje of kistje, en maakt de naden er van goed dicht met lijm en pek, en legt zij haar kind er in. Dit biezen kistje zet zjj in de rivier, maar tusschen het riet aan den oever, zoodat het niet wegdreef, en stelde Mirjam haar dochter op eenigen afstand, om goed toe te zien wat er met het kistje gebeurde. En — daar komt de dochter van Farao , om in de rivier zich te baden. Zal zjj het biezen kistje zien? O Ja, zij ziet het, en zegt aan een van haar dienstmaagden: haal het van tusschen hot riet. Nauwelijks is heï kistje voor haar neergezet, of het kind begint luid te weenen. Dat trof het hart van Farao's dochter. Neen, zjj kon er niet toe besluiten , het kind weêr te werpen in de rivier; zjj werd met barmhartigheid er over bewogen en zeide: „Dit is een der jongskens van de Hebreen.quot;
Wat zou zij echter aanvangen met zulk een klein hulpbehoevend kind? Doch daar komt Mirjam te voorschijn en zegt: Zal ik heengaan en voor u eenjoodsche vrouw halen , die dit kind zal groot brengen ? Farao's dochter vond dat goed, en gij kunt wel raden, wie Mirjam ging halen. Wie anders dan hare moeder, die met groote blijdschap nu haar kind had terug ontvangen, en bet als een pleegkind van de dochter des Konings verzorgen mocht. Toen hjj groot genoeg was, bracht zjj hem tot Farao's dochter, die hem den naam van Mones gaf, en aannam als haar zoon.
Tot zijn veertigste jaar bleef Mozes aan het hof van den Koning, en hjj werd er onderwezen in al de wijsheid der Egyptenaars, die in vele dingen bedreven waren. Toen kon hij er echter niet langer meer blijven, want toen hij een Jood door een Egyptenaar zag slaan, koos luj voor den Jood partij en sloeg den Egyptenaar dood. Wel zag Mozes toen niemand in de nabijheid en begroef hij het lijk van den verslagen Egyptenaar in het zand — maar toch werd het bekend wat hij had gedaan, en moest hjj vreezen, door Farao er voor gestraft te zullen worden. Daarom vluchtte lijj naar de woestijn, en kwam hij te wonen in Midian bij een priester, die Jethro heette, en zeven dochters had. Met een van die dochters is Mozes gehuwd.
Jethro vertrouwde aan Mozes het opzicht toe over zijn vee, en niet minder dan veertig jaar heeft hij vertoefd in de eenzaamheid, die toen heerschte in het land van Midian en zijn omgeving. Het was een groot verschil voor Mozes die was opgegroeid aan het drukke hof van Farao; maar in die stilte heeft hij veel na kunnen denken, en over veel anders leeren oordeelen.
Eens was hij met zyn vee ver weggetrokken, en gekomen in de nabijheid van den berg Gods of ILoreh. (Die berg beet ook wel Sinaï). Daar ziet hij iets zeer ongewoons; in zyn nabijheid staat een braambosch in volle vlam; al de takken zijn omgeven door vuur — maar zjj verbranden niet. Mozes naderde,
33
om te zien wat dit tocii wezen mocht, en daar hoort hij uit het braambosch een stem. die zegt; „Nader hier niet, en doe de schoenen van uwe voeten, want de plek „waar gij op staat, is heilig land.quot;
Wie sprak alzoo tot hem? De God van Abraham, Isaiik en Jakob, zooais Hjj zelf zeide ; en Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde zeer. Daarop zeide God tot Mozes , dat hij naar Egypte gaan moest, om zijn volk nit Farao's iiand te verlossen, want God had hun geroep gehoord en linn ellende gezien. Maar Mozes zeide: daarvoor ben ik de geschikte man niet; hoe zou ik dat dat kunnen doen? En wie moet ik zeggen dat mij verschenen is? Hoe is uw naam? hn God zeide: Ik zal zijn, die ik zijn zal. Zeg, dat Jehova u ontmoet is. Ook zal ik zeker met u zyn en u helpen, want Farao zal u niet gemakkelijk laten gam, en het zal noodig wezen , dat Ik hem mijn sterke hand doe gevoelen en met mijn wondermacht Egypte sla. Maar gü zult de sterkste zijn, en met uw volk hier bij dezen berg rnjj aanbidden. — Misschien zegt gij nu: „op deze belofte van God zou ik het hebben gewaagd en gegaan zijnquot;; maar Mozes had ei nog niet den moed toe. Hjj vreesde, dat men in Egypte hem niet ge-looven zou, als hij zeide: Jehova is mü ontmoet.
Toen vroeg de Heer: Wat hebt gij in uw hand? En lijj zeide: „Een staf.quot; „Welnu,quot; zeide de Heer: „werp hem ter aardequot;. Hy doet het, en tot Mozes's grooten schrik is de staf veranderd in een slang. Toen zeide de Heer: „Strek uw handen uit, en gijjp ze bjj haar staart; en als Mozes ze gegrepen heeft is 't weer een staf. Door nog een ander teeken doet de Heer Mozes zien, dat hij van God buitengewone macht ontving, en groote teekenen zou kunnen doen voor laiao en de Egyptenaren; maar hjj heeft nog den moed niet om te gaan. — Hij heeft een ander bezwaar. Hü kon niet gemakkelijk spreken; en wat zou het zijn, als hjj daar stond voor Farao, en hy moest zoeken naar zijn woorden ? Doch ook dit bezwaar neemt de Heer weg. Zijn broeder Aaron was zeer wel ter tale. Die kon voor hem het woord voeren.
Nu, zoo zou men denken, is Mozes genegen om te gaan, en toch, hij is het niet, maar smeekte den Hoer een ander te zenden in zijn plaats. Hjj gevoelt er geen geschiktheid toe. Hy is er de rechte man niet voor. Hoogen dunk koestert hij van zich zeiven niet. Maar hot zyn juist zulke nederige en ootmoedige menschen , door wie God zijn grootste daden verricht.
Mozes neemt afscheid van zijn schoonvader; met zijn vrouw en boido zonen slaat hjj den weg in naar Egypte, en de staf Gods is in zijne hand.
3
34
H O O F D S T U K TX.
MOZES EN FARAO.
Exodus V—XV.
Het was een heuchelijk oogenblik voor de oudsten van de kinderen Israels, toen Mozes en Aiiron hen bijeen geroepen hadden en hun mededeelden, al wat de Heer tot Mozes gesproken had. En als het volk hoorde, dat de Heer hun verdrukking zag, neigden zij hunne hoofden en aanbaden. — Wie echter deze twee broeders aanzag, en tegenover hen stelde den Koning Farao, moest Avel denken: Hoe ongelijk zjjn zjj in krachten! Wat zullen die beide Joodsche mannen vermogen tegenover dien machtigen Koning van Egypte? En toch zien wij Mozes en Aaron hoe langer hoe geduchter en sterker worden, en Farao hoe langer hoe zwakker, totdat hij ten laatste jammerlijk omkomt en zijn macht geheel verbroken wordt.
Mozes en Aiiron gingen tot Farao, en zeiden: „Zoo zegt de Heer: Laat mijn volk Israël trekken, dat het mij een feest houde in de woestijn.quot; Farao wil daarvan niet hooren, maar zegt zeer hooghartig: „Wie is de lieer? Ik ken hem niet, en laat dus uw volk niet trekken.quot; Toen Mozes en Aiiron hierop zeiden. dat Ood hun ontmoet was in de woestijn, antwoordde de Koning, dat zij 'tvolk niet verder van zijn werk moesten aftrekken, en gelastte den opzieners dat zij de Joden geen stroo meer zouden geven, doch het getal steenon, dat zü afleveren moesten. mocht niet worden verminderd. De Joden kregen het dus moeielijker in plaats van gemakkelijker, en zij klaagden daarom over Mozes en Aiiron.
De Heer sprak hun echter moed in; Hij beloofde, dat Hij door zijn macht hen zon uitvoeren uit Egypte, en brengen in het land hunner vaderen. Het volk sloeg evenwel aan het woord des Heeren geen geloof. Mozes en Aiiron gingen weder naar Farao , en zetten nu kracht bij aan hun woord door een wonder. Aiiron toch wierp zijn staf neder voor Farao's aangezicht, en de staf werd tot een draak. Toen riep Farao zijn toovenaars, en ziet: zij wierpen ook hun staven op aarde, en ze werden tot draken; maar Aaron's staf verslond hunne staven. Doch Farao verhardde zich, en hoorde naar Mozes en Aiiron niet.
Er moesten dus krachtiger teekenen geschieden, en ze zijn niet achter ge-gebleven. Achtereenvolgens zijn over Egypte gekomen tien plagen, de een al zwaarder dan de ander.
35
De eerste plaag bestond hierin, dat, toen Mozes zp staf uitst.uivLo over do rivier de Njjl, al het water werd veranderd in hloed. Doch de toovenaars deden met hunne bezweringen hetzelfde, zoodat Farao zijn hart daar niet opzette. Hij ging van de rivier naar huis, en ofschoon het wonder zeven dagen aanhield, gaf Farao aan 't verzoek van Mozes en Aaron geen gehoor.
Toen is de tweede plaag gekomen. Aaron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte , en er kwamen Mkvorschen op, en bedekten het geheele land. Ze kwamen in de huizen, in de voorzalen, in de baktroggen: overal ontmoette men deze koude, glibberige dieren. Wel deden ook de toovenaars vorschenopkomen — maar Farao verlangde vurig van die plaag te worden verlost, en dan zou hij het joodsche volk laten trekken. Den volgenden dag stierven al de kikvorschen, zoodat men ze bij hoopen overal dood zag liggen, maar toen Farao dat zag , trok hy zijn belofte in, en liet de Joden niet gaan.
Toen zeide de Heer tot Mozes: „Zeg tot Aaron: strek uwen staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot muggen worde in het gansche Egyptelandquot;. Eu weldra werden menschen en dieren gekweld door deze zeer geduchte plaag-. De toovenaars van Egypte beproefden ook nu te doen, wat Aaron deed, maar konden niet, en zeiden: dit is Gods vinger. Doch Farao liet er zich niet door afbrengen van zijn verzet tegen den Heer.
De vierde plaag gaf nog duidelijker aan Farao te verstaan, dat hij tegen den Heer zich verzette; immers kwam er een tallooze menigte van allerlei ongedierte; doch zü vertoonden zich niet in het land Gosen , waar de Israëlieten woonden. Egypte werd er echter vreeselyk door gekweld. Toen zeide Farao, dat hij aan de Joden verlof wilde geven, om in zijn land te otteren ; doch Mozes zeide, dat de Egyptenaren het niet zouden toestaan, dat de Israëlieten dieren otterden, die de Egyptenaars voor heilig achtten en daarom nimmer doodden. Hij moest er op aandringen, dat hun verlof werd gegeven, drie dagen in de woestijn te trekken. „Het geschiede,quot; zeide Farao, „indien wy van dit ongedierte slechts bevrijd worden. Bidt daarom vuriglijk, en trekt niet te ver weg!quot; Mozes bidt tot den Heer; de plaag houdt op; niet één van 't ongedierte bliji't over — en waarlijk, nu zegt Farao wederom : ik wil niet, dat gü gaat.
Indien gij nu volhoudt met te weigeren, zoo zeide Mozes tot Farao , dan komt de vijfde plaag. En zjj is gekomen. Een zware pestziekte breekt los onder het vee der Egyptenaren. Hun fraaie paarden, hun zoo nuttige ezelen en karaeelen, hun tallooze geiten en schapen stierven weg bij duizenden, en toen Farao liet onderzoeken, of ook het vee van do Israëlieten door de pest was aangetast, bleek hot, dat er daarvan niet één gestorven was. Doch het hart van Farao werd verzwaard , en hij liet het volk niet trekken.
Do zesde plaag, die toon kwam was nog zwaarder. Mozes neemt een handvol
36
asch uit eon oven, strooit het uit in de lucht — en door pijnlijke zweren werden vee en menschen gekweld. De toovenaren van Egypte konden van wege deze plaag, waardoor ook zij waren aangetast, voor Farao niet staan — doch Farao hoorde naar het woord van Mozes niet.
Weder wordt den Koning een dag beraad gegeven. Bleef Inj bü zijn weigering volharden, dan zou een nieuwe ramp hem en zijn volk treffen. De Joden bergen al hun vee in de stallen, alles wat zy buiten op het veld hebben, brengen zij in veiligheid — en daar betrekt de lucht. Zwarte wolken pakken zich samen; heftig begint het te onweeren, het vuur van den hemel schiet onverpoosd van den hemel; en kletterend vallen groote hagelsteenen neer op de menschen, op het vee, en op het kruid des velds. Zulk een noodweer had men nog nooit in Egypte gehad , en onbeschrijfelijk was de verwoesting, die er door werd aangericht. De boomen werden beroofd van hun .bladeren ; het vroege koren dat op het veld stond werd geheel ter aarde geslagen; en ontelbaar waren de menschen en beesten , door het hemelvuur gedood. Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israels woonden , was geen hagel.
(ieeft Farao nog den strijd tegen den Heer niet op ? Het schijnt zoo. 11 ij ontbiedt Mozes en Aaron; hjj bekent dat hij gezondigd heeft, en smeekt om verlossing van den donder en den hagel; dan zoude hij de Israëlieten laten trekken. De wolken trekken weg, de zon breekt weêr door — maar toen Farao dit zag, nam hij wederom zijne belofte terug, en gebood dat de Joden zouden blijven. quot;Wat dunkt u van zulk een ontrouw, van zulk een tergen van Gods geduld? Op nieuw — voor de achtste maal — doet God hem zijn macht gevoelen. De plaag die nu kwam bestond hierin, dat het land bezocht werd door sprinkhanen.
Met ontzetting hoorde men het welbekende geluid van de vleugelen dezer dieren, die in tallooze menigte kwamen aangevlogen en neerstreken op de aarde. Waar z'ij kwamen , bleef geen halmtje gespaard. Wat na den hagelslag ontloken was, werd door de sprinkhanen afgegeten. Alzoo ging ook het late koorn verloren, en een jaar van hongersnood stond voor de deur. Wederom bekent Farao schuld, en smeekt Mozes om toch vuriglijk tot den Heer te roepen , dat deze plaag mocht ophouden. De Heer zendt een westenwind, die met groote kracht al de sprinkhanen ophief, en ze wierp in de Roode Zee. Doch Farao's hart werd wederom verstokt, en hij liet de kinderen Israels niet trekken.
Nog eenmaal zal de Heer het met Farao beproeven. De negende plaag komt. Drie dagen achtereen is geheel Egypte in dikke duisternis gehuld. Men zag niets. De menschenquot; Iworden elkander, maar de een zag den ander niet. Gjj kunt u niet voorstellen, welk een angst toen aller hart vervulde. Telkens, bij het minste geritsel, denken zy: wat zou dat zijn? Zy durfden niet meer opstaan van
37
hun plaats, en zeker zijn nooit aan een raensch do uren zoo lang gevallen als in die drie dagen aan de Egyptenaren. Bij do kinderen Israels echter was het licht. Farao laat Mozes roepen en zegt: Gij moogt gaan en den Heer dienen, gij niet uw kinderkens, maar uw schapen en uw runderen moeten hier blijven. Mozes wilde echter daarvan niets weten. Niet e'én stuk vee mocht achterblijven.
Hierop ontstak Farao in grooten toorn. „Ga van mijzoo riep hij Mozes toe, „en zorg er voor, dat ik uw aangezicht niet meer zie, want dan was uw leven er mee gemoeid.quot; En Mozes zeide: „Gü hebt recht gesproken, ik zal niet meer uw aangezicht zien.quot;
Nu is het geduld van den Heer uitgeput. Nu zou het blijken, dat God machtiger was dan Farao, en dat niemand voor Hem kan bestaan. Met een „sterke hand,quot; door betooning van zijn almacht, zou de Heer zijn volk uitvoeren.
Dc uittocht der Joden uit Egypte is een van de merkwaardigste gebeurtenissen der geschiedenis en wjj willen u thans vertellen, hoe zij geschied is.
De Joden moesten op last van Mozes een lam nemen, en dat vier dagen afzonderen. Dan moest liet tegen het vallen van den avond worden geslacht, en het bloed moest aan den bovendrempel en aan de beide zjjposten der huisdeuren gestreken worden. Dan moest het lam worden gebraden, in zjjn geheel, er mocht geen been van gebroken worden; ook mocht er niets van overblijven. Was dus een gezin te klein, dan'sloot men zich aan bij buren of vrienden. Men moest hot vleesch eten met bittere saus er bij, en volstrekt niet gemakkelijk gezeten of aanliggende aan tafel, doch staande, met voetzolen aan. het kleed opgeschort, en met een staf in de hand, zoodat zfj onverwijld uittrekken en den tocht uit Egypte aanvaarden konden. Eindelijk moesten zjj al wat zuur kon worden uit hunne woningen verwijderen, zeven dagen lang, en geen andere dan ongezuurde brooden eten.
Alle deze dingen deden de kinderen Israels. En te middernacht sloeg de Heer al de eerstgeborenen in Egypte. Waar kinderen waren stierf de oudste. Het geschiedde in liet paleis van Farao — en in het huis van den geringste. Gij kunt u de ontzetting en den rouw voorstellen. I3ijna huis aan huis een doode! Ach, hoevele vaders en moeders bogen zich, de handen wringende, over het lijk heen van hun oudste kind. Toen eindelijk was het hart van Farao gebroken. Hij roept Mozes en Ailron in den nacht en zegt: „Trekt nu op, uit het midden van mijn volk, gij allen, en neemt uw schapen en uw runderen mee, en zegent mij ook.quot;
Met groote blijdschap brengt Mozes dit bevel tot de kinderen Israels. Hunne eerstgeborenen waren niet gestorven. Overal, waar het bloed van het lam aan de deurposten werd gezien, „daar was de engel dos doods voorbijgegaan. Zij stonden reisvaardig en konden dadelp gehoor geven aan 't bevel: trekt uit! En de
38
Egyptenaren riepen luiii toe: „Haast u toch en gaat uit ons midden, want wjj y.ijn meer dood dan levend.quot; Gaarne gaven 7,\] ook aan de Joden zilveren en gouden vaten en kleederen , die do Israëlieten door hun zwaren arbeid ongetwijfeld hadden verdiend, en zoo trokken zij uit, terwijl hun do weg gewezen werd door een Avolk, die 's nachts verlicht was en daarom de wolk' cn vuurkolom heet.
Die dag moest door Israel nooit worden vergeten, maar van jaar tot jaar herdacht. Daarom werd een feest ingesteld tot gedachtenis van den uittocht, en de naam van dat feest is Paschen, hetwelk voorbijgaan beteekent. De engel des doods toch was hun woning „voorbijgegaan.quot; De Joden slachten tegenwoordig geen lam meer op hun paaschfeest, maar de ongezuurde broeden worden door hen nog altijd gedurende de zeven paaschdagen gegeten.
Zoo zouden dan de Israëlieten gaan mogen naar het land, dat God aan hun vaderen, aan Abraham, Izaiik en Jakob beloofd had. De weg van Egypte naar Kanaiin is niet bijzonder lang, maar wordt in zeer weinige dagen afgelegd. De Joden echter die in zoo groote menigte waren uitgetrokken , reisden niet zoo gemakkelijk en snel als een klein gezelschap. Zij waren bovendien in Egypte niet behandeld als een vrjj volk, doch als slaven, en 't was dus noodig, dat zij eerst wetten ontvingen, en aan de tucht van Mozes waren gewend, voordat zjj het land Kanaiin in konden nemen.
God leidde hen dan ook door de wolk- en vuurkolom, niet den weg op naar 't beloofde land, maar in de woestijn der Schelfzee of Koode Zee. Laat my u zeggen, dat zij ook een doode meenamen; immers de kist, waarin het gebeente van Jozef werd bewaard, hebben zij met zich gevoerd.
'tWas een gansch ongewone weg, waarop zij geleid werden. God bracht hen voor het noordelijk uiteinde van de Koode Zee, in een dal tusschen twee bergen. Nu konden zjj noch vooruit, noch ter rechter noch ter linker zijde trekken, en Farao dacht: „Indien ik hen nu in den rug aanval, dan kunnen zij niet ontkomen, en voer ik hen als mijn gevangenen, zegevierend terug naar Egypte.quot; Hij spant zijn wagenen en paarden aan, wapent zijn ruiteren cn in vliegende vaart jaagt hij de Joden achterna. Welk een schrik voor het pas ontkomen volk ! Zouden zij waarlijk hun nauwlijks verkregen vrijheid weder verliezen ? In hun angst richten zij tot Mozes harde woorden, en roepen hem toe: „Hebt gy ons uit Egypte geleid , omdat aldaar geen graven waren ? Waarom hebt gy ons niet met rust gelaten ?quot;
Doch Mozes zeide: „Vreest niet, staat vast, en ziet liet heil des Heeren. De Egyptenaren, die gij daar ginds achter u ziet — gij zult hen nimmer weêr zien. De Heer zal voor u strijden, cn gij zult stil zijn!quot; Daarop gelast hij de kinderen Israels om voort te trekken naar het strand der zee. Konden zy dan door het water treden? Neen, maar dat behoefde ook niet. Mozes strekt zijn staf over de
39
zee uit, en door komt eon geweldige oostewind, die het water wegdrijft, en een pad baant voor de Israëlieten. Met grooten spoed gaan zij over het drooge, cn bereiken den overkant, terwijl do wolkkolom de Egyptenaren verhindert, om te zien, wat er geschiedt.
Toen de dag aanbrak jaagden zij echter de Joden na ; maar nauwelp is do laatste Israëliet aan de overzijde gekomen of God laat den wind omkeeren. Met geweldigen spoed komen de golven bruisend aangevaren, en daar geraakte hot leger van Farao in grooten nood en verwarring. De raderen hunner wagens stieten tegen elkander, of geraakten vast in het zand, en toen zij wilden terug-keeren, bleek het, dat.het niet meer mogelijk was. Het water zwol en verhief zich met groote kracht, zoodat weldra Farao en al zijn heir er door verzwolgen werden. Dat was het einde van den hoogmoedigen Koning. En Mozes was met het volk Israel getuige van dien ontzettenden dood van hun vijanden, wier lijken met hun wagenen weldra kwamen aanspoelen aan den oever. Zoo heeft de Heer zijn volk „met een machtige handquot; verlost, en luide weerklonk uit den mond van een talrijk koor het,blijde lied;
Do llcor is hoog verheven !
liet paard eu zijn ruiter wierp Hij iu de zee.
HOOFDSTUK X. DE KINDEREN ISRAËLS BIJ DEN BERG SINAï.
Exodus XIX—XL.
Zoo waren dan dc Joden aan de slavernij ontkomen. Nu eerst mochten zij een volk, een vrij volk worden genoemd. Of zij den Heer niet zeer dankbaar waren, en dat door hun daden en woorden toonden ? Men zou dat verwachten, cn tocli het is niet geschied. De zegeningen, welke God over hen uitstortte, werden door hen bijna altijd met klachten, met uitingen van ontevredenheid beantwoord. De bijbel noemt dat „murinureeren.quot;
Welke weldaden werden hun alzoo door den Heer bewezen ? Wij zullen er enkele van vermelden. In de woestijn hadden dc Joden niet dien overvloed en die verscheidenheid van spijzen, welke het vruchtbare Egypte aanbood. Zij moesten leeren, zich een weinig te behelpen. Vergeten mochten zjj niet, dat zij
10
aan zware slavernij waren ontkomen, en dat Gotl nu bezig was hen te leiden naar een land „vloeiende van melk en honing.quot; Maar neen, hieraan dachten de Joden niet. Slechts weinige dagen waren zjj iquot; de woestijn reizende, toen de gansche vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en Aiiron murmureerde, zeggende: „Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleeschpotten zaten, toon wjj tot verzadiging brood aten, want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn , om deze;gansche gemeente door den honger te dooden.quot;
Welk een onbetamelijke toon! En, welk een schandelijke beschuldiging! Zy verdienden niet, dat God hun gehoor gaf; maar de Heer is Genadig en langmoedig, en groot van goedertierenheid. Op den avond van dien dag kwamen er hwalclcelen, een soort trekvogel; zij kwamen van verre gevlogen, en zeer moede van den langen tocht lieten zij zich neder op en rondom het leger der Israelieten, die hen dus gemakkelijk vangen konden, en ze gebruikten tot spijze.
Doch nog iets anders geschiedde, dat wel bewijst hoe groot Gods macht is, en hoe trouw Hij voor de Joden zorgde. Hj) heeft hun het Manna gegeven, 's Morgens vroeg, als de dauw optrok, lagen op de aarde, rondom de legerplaats der Joden, tallooze kleine korrels, die een zoeten smaak hadden en smolten als de zon er een poos op scheen. Niemand wist wat dat was, en verwonderd riepen zij uit in 'tHebreeuwsch: 31 an? (Wat is dat?) Dit gaf aanleiding, dat men die korreltjes Manna noemde. Zij konden er brood van bakken, en koek van bereiden, en alle morgens viel het Manna, behalve op den Zaterdag. Het bedi erf spoedig, want langer dan een dag kon men het niet over bewaren. Eiken morgen moesten de kinderen Israels vroeg op zijn, om het manna te verzamelen, en wie dacht: „Ik verzamel voor twee dagen,quot; hij deed vruchtelooze moeite; alleen op Vrjjdag zamelde men ook voor den Zaterdag in, want dan bedierf het niet. God wilde de Joden door dit Manna leeren, dat Hij, ook al was er geen brood, toch zijn volk in het leven behouden kan; ook moesten zjj nu wel eiken morgen in vertrouwen op den Heer hun dageljjksch brood gaan zoeken.
Heeft do Heer op deze wijze gezorgd voor hot leven van zijn volk, — Hij heeft nog meer gedaan: Hij heelt aan Israel zijn wet gegeven, en die gebeurtenis heeft op do Joden misschien nog grooter indruk gemaakt, dan de dood van Farao in de Koode Zee. De Joden waren gelegerd bij een zeer hoogen berg, de Sinai of Ilorcb geheeten. Aldaar heeft de Heer met het volk Israël een plechtig verbond gesloten , het openlijk als zijn volk erkend, en zijn wet afgekondigd. De Joden moesten diep gevoelen, hoe heilig en hoe plechtig die dag en die daad des Heeren was. De geheele berg werd afgepaald. Niemand mocht hem beklimmen, niemand mocht hem aanraken hetzij mensch of dier. Alles wat onrein was moest uit hot leger worden weggedaan. En daar stonden zij — 't was de vijftigste
dag na den uittocht — des morgens vroeg rondom don berg Slnaï, welks top gehuld was in dikke wolken, waaruit bliksemstralen schoten en zware donderslagen weerklonken. Voortdurend werd ook hot geluid vernomen van een zeer sterken bazuin , zoodat al het volk schrikte en sidderde. Dikke rookwolken stegen van den berg op , terwijl hij van boven tot onder beefde. Nogmaals bezweert Mozes het volk, den berg niet aan te raken. Alleen hjj en Aaron klommen omhoog, en als zij in de wolken zijn verdwenen, daar hoort Israël de stem van den Heer, die boven het onweer uit weerklinkt, en aanheft: „Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypte, uit het diensthuis heb uitgeleid.quot; Deze woorden zijn de inleiding of het opschrift van de wet der Tien Geboden, welke wij u hier willen mededeelen.
„Gij zult geen andere Goden voor mijn aangezicht hebben,quot; zoo luidde het eerste gebod. Hierdoor werd alle afgoderij verboden. Er is geen andere God, dan de eenige waarachtige God, die hemel en aarde geschapen heeft. Daarom mocht Hjj alleen ook als God worden vereerd en erkend. Door dit eerste gebod wordt Israel van al de heidenen gescheiden.
Het tweede gebod was veel langer dan het eerste, en luidde aldus: Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken van hetgeen boven in den kemel is , noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want He de Heer hen een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde lid dergenen, die mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die mij liefhebben en mijne geboden onderhouden.
Alles wat bestaat, wordt in dit tweede gebod verdeeld in drie kringen of doelen. Eerst wordt gesproken van hetgeen „boven in den hemel is,quot; en daarbij denken wjj aan God , de engelen en de zaligen ; daarna van „hetgeen onder op de aarde isen daarmee zijn bedoeld de menschen, dieren en plan ten; ten derde van „hetgeen in de wateren onder de aarde is,quot; en daarbij moeten wij denken aan de visschen en andere schepselen, die leven in de zee.
Nu mogen wij van alles, dat daar genoemd is, geen beeld of gelijkenis maken, — om ons daarvoor te buigen, of om het te dienen. We mogen wel beelden en schilderijen hebben, maar niet om ze te vereeren, om er voor te knielen, alsof ze goden waren, of iets van God hadden. Want God de Heer is een „ijverigquot; God, dat wil zeggen: Hij wil niet, dat de eer, welke Hem toekomt, wordt toegebracht aan een beeld. Door dit tweede gebod wordt de beeldendienst verboden.
Gij zult den naam des lleeren awes Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heer zal niet onschuldig houden, die zijn naam ijdellijk -gebruikt, zoo luidt het derde gebod. Men gebruikt 'sHeeren naam „ijdellijk,quot; wanneer men Hem aanroept, of zijn naam uitspreekt, zonder zelfs aan Hem te denken. Daardoor
42
maakt men dien naam tot een blooten klank, tot niets, tot een stopwoord. En daarvoor is God te heilig, dan dat men op die wjjze Zijn naam ontheiligen mag. Waar zou het ontzag, de eerbied voor Hem blijven, indien het vrjj stond zoo te spelen met zijn naam? Het vloeken wordt hier ook nadrukkelijk verboden.
Nagenoeg even lang als liet tweede gebod was het vierde: * Gedenkt den Sab-bathday dat gij dien heiligt. Zes dagen suit gij arbeiden en al uw werlc doen, maar de zevende dag is de Sabbath des llccrcn uws Gods. dan suit gij geen werk doen; gij, noch uw soon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee,'noch uw vreemdeling , die in uwe poorten is; want in zes dagen heeft de lieer den hemel en de aarde gemaald, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevende dage, daarom zegende de Heer den Sab-bathdag en heiligde denzelven.quot;
De Heer wil, dat de mensch zal arbeiden; maar hij moet ook zijn tijd hebben van rust. Daarom verordent God, dat aan het eind van iedere week, op den laatsten dag, alle werk rusten zal, ook voor het vee. Wjj, christenen, hebben hierin deze verandering gemaakt, dat wy niet den laat sten, maar den eersten dag der week, den Zondag, als rustdag vieren, omdat wij daarbij denken aan opstanding van den Heer Jezus Christus uit het graf.
Het is eene groote weldaad en zegen, door den Heer aan Zijn volk geschonken. De mensch, die werken moet, mag zich niet overwerken , mag niet alleen voor zijn lichaam, voor spijs en drank arbeiden en zorgen, maar lijj moet ook de gelegenheid hebben om tot zich zelf te komen, en met anderen Gods naam openlp aan te roepen.
„Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het la)id, dat u de Heer uw God geeftquot; alzoo deed de Heer zich hooren in het vijfde gebod. Het verdient te worden opgemerkt, dat aan dit gebod een belofte is toegevoegd. Wie zijn ouders eert, zal zich mogen verheugen in de verlenging van zjjn leven. Vergeten wjj niet, dat zijn ouders te „eerenquot; nog iets meer wil zeggen dan hen te gehoorzamen. Aan de wijze, waarop men tot zijn ouders en over zjjn ouders spreekt, en bovenal aan de wijze waarop men zich tegenover hen gedraagt, moet het steeds uitdrukkelijk te zien wezen, dat men hen boven zich erkent, hen hoogacht en gaarne doet wat zij verlangen.
Deze vijf geboden schreven de verplichtingen voor van Israël tegenover God, en waren geschreven op de eerste van de twee steenen tafelen, waarvan wij straks nog verder zullen spreken.
De vijf laatste geboden zeiden aan Israël, hoe zij zich gedragen moesten tegenover hun medemenschen of hun naaste. Gij zult niet doodslaan, zoo luidt het zesde gebod. God neemt hiermee ons leven onder zjjn bescherming, gelijk, hij vroeger reeds tot Noach had gezegd: ,Wie eens menschen bloed vergiet diens
43
bloed zal door des menschenhand vergoten worden , want de mensch is naar Gods beeld geschapen.quot; En nu is het niet genoeg, dat wjj geen doodslag begaan , maar God wil ook, dat wjj ons zeiven wachten voor haat, voor twist, voor jaloerschheid en voor alles, waaruit zoo licht moord en doodslag voortkomen. „Die zjjn broeder haat, isquot; in Gods oogen, reeds „een doodslager.quot;
Na het leven neemt God het huwelijk, het huiselijk geluk onder zijn bescherming. Immers luidt het zevende gebod: „Gij zult niet echthrelcen.'quot; Alle slechte en onreine gedachten, woorden en daden, alle onkuischheid en onreinheid worden hier door den Heer nadrukkelijk verboden. „Kwade samensprekingen bederven goede zeden.quot;
„Gij zult niet stelenquot; is de inhoud van het achtste der tien geboden. Dit gebod verbiedt dus den diefstal, alle oneerlijkheid, alleleenen en niet teruggeven, alle onder zich houden van hetgeen men vindt, ofschoon men weet, aan wien het behoort. Er is veel, dat tot oneerlijkheid leiden kan, als ontevredenheid, snoepzucht, hoogmoed, enz. Vergeten wjj nooit, dat God alles ziet, en dat wie begint met kleinigheden te stelen, op weg is om een grooto dief te worden.
In het negende gebod wordt door Gods iets verboden, dat toch zoo dikwerf wordt gedaan: „Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.quot; God heeft een afkeer van het liegen. Hjj verdelgt den leugenspreker. En toch , hoe dikwerf zeggen wij ja, als wij nee)i moesten zeggen. Hoevele verhalen missen allen grond. Laat ons het negende gebod nooit vergeten, en laat de gedachte eraan ons terughouden van alle onwaarheid.
En nu komt het tiende gebod: „Gij zult niet hegeeren uws naasten huis; gij zult niet hegeeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zrjn os, noch zijn ezel, noch iets dat uwes naasten is.quot; Hiermede wordt verboden hetgeen tot vele zonden aanleiding geeft. Waarom vervalt zoo menigeen tot doodslag en stelen? Omdat men begeert het een of ander, dat anderen hebben en wij niet. De begeerlijkheid is dus de wortel, waaruit vele andere zonden voortspruiten, en daarom wordt zjj door den Heer verboden.
We zeiden zoo even, dat deze tien geboden waren geschreven op twee steenen tafelen. Men kan ze ook tot twee geboden herleiden, en zeggen: de geheelc wet bestaat hierin, dat [uien God lief heeft hoven alles en den naaste als zich zelf. De apostel Paulus heeft het nog korter uitgedrukt toen hij zeide : „Dc liefde is de vervulling der wet.quot;
Toen God op den berg Sinaï ophield met spreken, hebben de Joden aan Mozes gevraagd, dat de Heer toch nooit weer rechtstreeks tot hen spreken zou, want zij hadden gedacht er bij te zullen sterven. Zy hoopten, dat do Heer voortaan hetgeen Hij had te zeggen, zeggen zou aan Mozes, en dat lijj het dan zou overbrengen aan het volk.
44
Mozes kwam, na de wetgeving, niet aanstonds van den berg Sinaï, maar bleef er veertig dagen, liet volk werd ongeduldig, en ging tot Aaron, zeggende : „Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man , die ons uit Egypteland heeft uitgevoerd, wij weten niet wat hem geschied zij.quot;
De tegenwoordigheid van Mozes in hun midden had hen zeker wel terug gehouden van een verzoek, dat zóó duidelijk in strjjd was met het tweede van de Tien Geboden. Aaron durven zij het echter wel vragen. Het blijkt, dathjj met dat verzoek van het volk niet weinig verlegen is. Hij zegt niet (wat hjj had moeten doen): „ Ik kan daaraan geen gehoor gevenmaar gelast het volk de gouden versierselen hunner vrouwen, zonen en dochteren af te rukken en tot hem te brengen. Indien hij heeft gemeend, dat de Joden aan die sieraden te zeer gehecht zouden zijn, om ze af te staan, dan heeft hjj zich vergist. De Joden waren zoo begeerig naar het beeld van „de goden, die voor hun aangezicht zouden gaan,quot; dat zij eene groote menigte versierselen tot Ailron brachten.
Toen heeft Mozes' broeder, met een onwillig hart, van het samengebrachte goud het beeld gemaakt van een kalf. Hij deed het met weinig zorg, ruw en plomp. Daarna bouwde hij een altaar, plaatste het gouden kalf daarop, en zeide tot de Israëlieten: „Morgen zal den Heer een feest zjjn.quot; Hjj hoopte dus, dat het volk, ook waar het zich aan beeldendienst schuldig maakte, niet zou vervallen tot afgodendienst, en dus geen anderen God vereeren in de plaats van Jehova.
Keeds vroeg was het volk den anderen dag ontwaakt, en zij brachten aan liet gouden kalf brandoffers en dankoffers, gelijk de Egyptenaren dat deden aan de stieren, die zij vereerden. Daarna zat liet volk neder om te eten en te drinken; en als zjj dat overvloedig hadden gedaan, stonden zjj op om te spelen.
De geheele omtrek weergalmde van hun gejuich en gejoel, terwjjl zij dansten en zongen.
De Heer, die dit alles zag, zeide tot Mozes: „Klim af van den berg, want uw volk, dat gij uit Egypteland hebt uitgevoerd, heeft het meer dan verkeerd gemaakt, en bezondigt zich zeer.quot; Mozes daalde af en Jozua was hjj hom; in zijn hand had hjj de twee steenen tafelen, waarop God zelf de wet gegraveerd had. Als zij zóó laag gedaald waren, dat liet geluid van het juichende volk tot hun ooren doordrong, zeide Jozua: „Er is krijgsgeschrei in het leger, ik hoor't rumoer en 't geroep, dat men in een veldslag hoort.quot; Doch een oogenblik later, toen hij 'tgeluld beter onderscheiden kon, zeide hij: „Het is geen stem des geroeps van overwinning; het is ook geen stem des geroeps van nederlaag; ik hoor een stem van zingen by beurten.quot; En zoo was het. Ter eere van het gouden kalf werd nu eens door mannen, dan door vrouwen, en dan door de gansche vergadering gezongen. Als Mozes eindelijk komt in de legerplaats der Joden, en alles ziet, wat er gaande is, ontsteekt hij in hevigen toorn. Hy werpt, aan
■
fiSg
45
den voet van den berg, de twee steenen tafelen in stukken. Het volk was niet waardig zo te ontvangen. En het gouden kalf, dat de Israëlieten zoo bljj had gemaakt, en tot welks eer zij zoo luide hadden gezongen, liet Mozes fijn malen tot poeder , en liet dat stofgoud werpen in de beek, waaruit de Joden dronken. Mozes wilde doen gevoelen , hoe nietig zulk oen afgod is: hij liet hem door zjjn vereerders opdrinken. Zeer ernstig werd Aaron door Mozes bestraft; en door den stam van Levi, die zich openlijk aan de zijde van Mozes schaarde, werden er van liet wederspannige volk 3000 omgebracht.
Na deze strafoefening heeft Mozes hartelijk tot God gebeden , dat Hij hun deze groote zonde vergeven mocht; en God schonk vergiffenis. Mozes beklimt weder den berg, en keert na 40 dagen terug met twee andere steenen tafelen, door den Heer zelf beschreven; zijn aangezicht straalde met een bovenaardschen glans, zoodat men vreesde hom aan te zien; men kon dien glans niet verdragen. Daarom legde hij een deksel op zijn aangezicht, als hij sprak met liet volk; doch als hjj sprak tot den lieer nam hij dit deksel af.
Ongeveer een jaar lang is het volk Israël gebleven bij den berg Sinaï. Door Mozes heeft God hun aldaar een groot aantal wetten gegeven, waarin werd bepaald, hoe Hjj door Israël wilde vereerd en gediend worden. Naar aanwijzingen, door den Heer zelf verstrekt, werd daar de tahcrncéel vervaardigd,een tent, verdeeld in twee deelen: het heilige, en het heilige der heiligen met de arlce des verhonds of de verbondskist. Op die kist was een deksel, het ccrzocn-de/isel genoemd; en tusschen de vleugelen van tweo engelen, chendiyiicn genoemd, die stonden op het verzoendeksel, woonde do heerlijkheid van Jehova. In de open ruimte, rondom den tabernakel (men noemde haar den voorhof) mochten alle Israëlieten komen, en werden dagelijks offers gebracht. In het heilige mochten alleen de priesters komen; en achter liet gordijn, hot voorhangsel, dat inhing tusschen het heilige en het heilige der heiligen, mocht niemand komen dan alleen de hoogepriester, eenmaal 'sjaars, op den (Jrootoi Verzoendag. Dat was een plechtige dag, waarop niemand eten of drinken mocht, en verzoening werd gedaan voor de zonden.
Er waren nog andere dagen, die werden toegewijd aan 's Heeren dienst. Zoo vierden de Israëlieten het Faaschfeest, ter gedachtenis aan den uittocht uit Egypte. Zeven dagen lang aten zy dan ongezuurde brooden. Zeven weken na 't Paaschfeest vierden zij Pinksterfeest, waarbij zij dachten aan de wetgeving op Sinaï, en ook dachten aan den tarwe-oogst, die dan binnengehaald was. In 't najaar, na den Groeten Verzoendag, hielden zij 'tLoofimttenfeest. Dan was do oogst der vruchten, als der druiven en vijgen, voleindigd, en bouwden de kinderen Israels loofhutten, waardoor zij er levendig aan herinnerd werden, hoe
hun voorouders veertig jaren achtereen hadden gewoond niet in huizen maar in tenten. Het ontbrak hun godsdienst dus niet aan feesten. Nog vele andere voorschriften werden hun gegeven, doch wü kunnen die hier alle niet vermelden. Wij zetten thans ons verhaal voort van hetgeen er met het kroost van Jacob voorviel, terwijl het verkeerde in de woestijn.
HOOFDSTUK XI. IN DE WOESTIJN.
Opgetrokken van den berg Sinaï, kwamen de Joden weldra in een streek niet ver verwijderd van Kanaan, het doel hunner reize, en wel aan zijne zuidelijke grens. Mozes vond het verstandig het land niet binnen te trekken, voordat hjj eerst nauwkeurig had laten onderzoeken, hoedanig zijne gesteldheid was; of het gemakkelijk zou vallen in te nemen, of het dicht was bevolkt, en welke menschen er woonden. Hij verkoos uit eiken stam één man, dus twaalf in 't geheel, die met dit doel, als verspieders uit zouden gaan. Die mannen trokken het land Kanaan door in meer dan één richting, en zij konden geen woorden vinden, om hun verbazing uit te drukken over zijn vruchtbaarheid. Zoo kwamen zij in een dal, Eskol geheeten, en sneden daar van een druivenboom een rank af met een tros wijndruiven , en om hem niet te beschadigen droegen hem twee hunner aan een draagstok op hun schouders. Ook brachten zij van de granaatappelen en vijgen mee. 't Was een verrukkelijk land, vloeiende van melk en honig. Als zij dat land konden verkrijgen , ja, dan zouden zij meer dan gelukkig zijn! Maar,... zij zouden dat land nooit verkrijgen kunnen. Van de twaalf verspieders, verklaren er tien uit één mond, dat liet een groote dwaasheid wezen zou, tegen Kanaan op te trekken. Daar woonden, zooals zij zeiden, in sterke steden zulke sterke en zulke reusachtig groote menschen , dat zij er niet meer dan sprinkhanen bij geleken. Zü zonken er geheel bij in 'tniet.
De twee andere verspieders, Jozua en Kaleb, waren niet van dit gevoelen. Zij zeiden: „Laat ons vrijmoedig optrekken. Indien Ood ons dit land heelt gegeven, zullen wij 'took zeker meester worden;quot; — maar bet volk luisterde
47
niet naar deze twee, doch wel naar de tien verspieders. De geheele vergadering liief de stem op, en weende van spijt en van ergernis. „Waarom,quot; zoo riepen zij tot Mozos en Ailron, „waarom hebt gij ons uit Egypte uitgevoerd? Het was toch maar veel beter daar te zijn gebleven, dan nu, na zulk een langen tocht te moeten sterven door het zwaard van die sterke inwoners van Kanaan !quot; Ja, zjj beraadslaagden er over, om maar terug te keeren naar Egypte.
Vol droefheid en verontwaardiging vielen Mozes en Aiiron op hunne aangezichten, in de tegenwoordigheid van al het volk, en Jozua en Kaleb scheurden, als een teeken van hun smart, hunne kleederen, en riepen het volk toe: „Weest toch niet wederspannig tegen den Heer! Vreest dat volk van Kanaan niet; als de Heer met ons is, wat zouden dan de Kanaanieten tegen ons vermogen?quot; — Het antwoord, door de Israëlieten op deze woorden van Jozua en Kaleb gegeven, bestond hierin, dat zij deze beide mannen wilden steenigen; „maar de heerlijkheid des Heeren verscheen in de tent der samenkomst voor al de kinderen Israels.quot;
De Heer stelt Mozes voor, om het geheele volk uit te roeien , en slechts aan zjjn nakomelingschap den zegen te schenken, aan Jakob's kroost beloofd; doch Mozes treedt met zijn gebed voor het volk tusschenbeiden, en het vonnis wordt verzacht, dat evenwel streng genoeg, maar niet onrechtvaardig mocht heeten. De Israëlieten , die twintig jaar en daarboven oud waren bij den uittocht uit Egypte, zouden Kanaan niet binnentreden, maar in de woestijn sterven. Op dezen regel zouden alleen Jozua en Kaleb een uitzondering maken.
Toen hadden zij spijt en treurden zeer; en zij zeiden tot Mozes: „Ziet, hier zijn wy, en wij zullen optrekken tot de plaats, die do Heer gezegd heeft; want wij hebben gezondigd.quot; Maar de Heer bewilligde het niet. Toen zij konclm, wilden zjj niet; nu iviïlen zij — maar zij mogen niet. Wel hebben zij beproefd zich tot Kanaan den weg te banen, maar zü zijn verslagen geworden door do Amalekieten en andere volken , die woonden in de bergen ten zuid-oosten van het beloofde land.
En nu ving voor de Israëlieten dat verblijf in de woestijn aan, dat bijna veertig jaren heeft geduurd. Nu eens verreisden zij, dan vertoefden zij een lange pooze op denzelfden plek. En ondanks al dat heen en weder trekken kwamen zij niet dichter tot het doel, want eerst nadat allen , die bij den uittocht uit Egypte twintig jaren en daarboven oud waren, zouden gestorven zijn, mocht het joodsche volk het land betreden, dat God beloofd had hun te geven.
Van hetgeen in die vele jaren is voorgevallen, is ons in den Hijbei niet veel opgeteekend; en ook daarvan strekt niet alles den Israëlieten, tot een eere. Een paar geschiedenissen uit dien tijd willen wij verhalen.
Zoo als gij weet, waren Mozes en Ailron gesproten uit den stam van Levi.
48
Die stam verwierf daardoor groot aanzien, want tot hem behoorden nu èn de man Mozes, die aan liet hoofd stond van liet volk, on Ai'iron, de eerste hooggepriester, tot wien het geheele volk met grooten eerbied opzag. Hij den stam van Levi berustte dus alle gezag, zoowel het burgerlijke als hot godsdienstige. Hierover ontstond jaloerschheid bjj de andere stammen, vooral bij den stam van Ruben. Ook waren er, die niet zoo zeer tegen den stam van Levi, als tegen het gezag van Mozes en Aiiron vpndig gezind waren. Die tweeledige ontevredenheid heeft zich eindelijk lucht gegeven in een hevig oproer. De voornaamste aanstokers er van waren Korach uit den stam van Levi, en Bathan en Ahiram uit den stam van Ruben. Met twee honderd en vijftig mannen, waaronder er velen waren van grooten invloed, stonden zij op tegen Mozes en Aiiron , eu riepen uit: „Het is te veel voor u, want deze gansche vergadering, zjj allen zijn heilig en de Heer is in het midden van hen; waarom dan verheft gij ulieden boven de gemeente des Heeren ?quot;
Daarop heeft Mozes openlijk door den Heer, voor aller oog hun doen blijken, dat deze mannen in Gods oogen oproermakers waren, met wie Hjj geen gemeenschap kon hebben. Korach, Dathan en Abiram zp met alles wat zy bezaten, levend door het aardrijk verslonden. Er opende zich op de plaats waar zjj vergaderd waren , plotseling een breede, diepe klove — en levend voeren zij in een oogenblik in de kaken van den dood. Het volk, dat er om heen stond en het zag, vlood zoo snel het kon , want ieder vreesde, dat de aarde ook ben verslinden zou. De 250 mannen, die hun party hadden gekozen, werden daarop door vuur van den hemel verteerd.
Wij moeten ook hier het geduld bewonderen van Mozes, die er niet aan denkt zich te wreken, maar edelmoedig den Heer smeekt, niet het geheele volk te straffen, dat zoo gedurig zjjn heiligen toorn opwekte.
Niet lang na liet oproer vau Korach, Dathanen Abiram bevond het volk zich in de woestijn Zin, en daar was geen water. Wat doen nu de Israëlieten ? Al weder samenspannen en murmeeren tegen Mozes en Aiiron. „Gij hebt onsquot;, zoo riep de vergadering, „geleid uit een vruchtbaar land, en beloofd, dat gij ons brengen zoudt in een land, vloeiende van melk en honig. Maar in plaats daarvan brengt gjj ons hier in deze woestijn. Hier kau niemand zaaien , hier groeit geen vijgeboom en geen wijnstok, en (wat het ergst is van alles) hier is zelfs geen water om te drinken.quot;
Mozes en Aiiron wierpen zich op hun aangezicht voor de tent der samenkomst, en de heerlijkheid des Heeren verscheen hun. En welk bevel krijgt Mozes? Hij moest zijn staf in zijn band nemen, den welbekenden staf, waardoor hij reeds zoovele wonderen had verricht, en met Aaron spréken tot do rots, in de tegenwoor-
'
■
■
BI
40
diglieid van liet volk, en dan zou uit de steenrots liet water te voorschijn komen.
Met het volk hegeven zich Mozes en Ailron naar dc rots; maar in plaats van er tegen te spréken, heft Mozes zyn staf op, en slaat de rots, een en andermaal. Wel laat God daarop overvloedig water te voorschijn komen, maar Mozes had zich schuldig gemaakt aan ongehoorzaamheid en ongeloof. Hjj had gedacht: het zal niet haten , als ik tot de rots spreek. En toch had God gezegd, dat hij spreken, en niet dat hij slaan zou.
Zulk een daad was in Mozes zwaarder af to keuren, dan in iemand anders; want hij stond boven allen, en moest allen een voorbeeld geven. Hij is er dan ook niet licht voor gestraft, want God kondigt hem aan, dat hij het volk Israël niet zou brengen in Kanailn.
De treurige herinneringen, aan deze gebeurtenis verbonden, leefden ook latei-voort in den naam, dien men gaf aan doze plaats; immers noemde men haar „twistwater.quot;
Een droevige gebeurtenis, maar van anderen aard, greep een korten tijd later plaats. Het einde kwam van Aiiron's leven. Hij mocht het land van Kanailn niet binnen gaan , aangezien hij liet volk er niet van terug gehouden had, het gouden kalf te vereeren, dat hjj den berg Sinaï werd opgericht, en omdat ook hij bij de steenrots ongeloovig was geweest. Zijn heengaan was een groot verlies voor heel het volk , en voor Mozes die in hem een trouwen raadsman verloor en een broeder, die zulk oen groot aandeel had gehad in de verlossing van Israël uit de hand van Faraö.
Ongemerkt mocht zulk een man niet heengaan uit het land der levenden. De Israëlieten waren gelegerd bü een berg, Hor geheeten. Op Gods bevel trekt Ailron zijn hooggepriesterlijk plechtgewaad aan, waarin hij zoo dikwijls was gezien. Over den linnen lijfrok doet hij het opperkleed aan, dat door een kostbaren gordel werd bijeen gehouden; op zijn borst hecht hij de twaalf kostbare edelgesteenten vast, die elk afzonderlijk den naam dragen van een der stammen; en op zijn hoofd prijkt de linnen hoed mc't de gouden voorhoofdsplaat, waarin de woorden te lezen stonden : „Heiligheid des Hoeren.quot;
Alzoo uitgedoscht bestijgt hij met Mozes en zijn oudsten zoon Eleazar voor aller oog den berg Hor. Als zjj boven zijn gekomen, ontdoet Mozes zijn broeder van het kerkelijk ambtsgewaad en bekleedt er Eleazar mee. Met een weemoedig welgevallen zag de oude hooggepriester zeker de teekenen zijner waardigheid overgaan op zijn zoon. Hij had ze lang en met eere gedragen, en aan niemand stond hjj ze liever af dan aan Eleazar.
Als hij een poos zijn opvolger heeft gadeslagen, gevoelt hjj, dat de krachten hem ontzinken. Zijn oog wordt duister, zijn voeten wankelen — nog eenigo oogenblikken, en hot is slechts zijn lijk, dat Mozes en Eleazar bondon in hun
4
50
armen. Aaron was „verzameld tot zijn volken.quot; Weonend en eerbiedig leggen zij den doode neder in een der bergspelonken, en het volk behoefde niet te vragen, wat er was gebeurd , toen zij Mozes alleen met Eleazar zagen afdalen. Dertig dagen lang heeft Abraham's kroost den dood van Ailron beweend, en hulde gebracht aan de nagedachtenis van dezen vader van alle priesteren Israels.
Het was voor de -loden een groote teleurstelling, dat de Edomieten hun weigerden door hun land te trekken naar Kanaan. Hun weg zou er aanmerkelijk door zjjn verkort, en daar Edom (dezelfde als Ezau) de stamvader der Edomieten, de broeder was geweest van Jakob, en zij zich dus als broeders van dat volk beschouwden , hadden zij er vast op gerekend, dat zij door hun gebied bun reize nemen mochten. Nu moesten zij een grooten omweg maken, en waarschijnlijk droeg hun ontevredenheid daartoe bij, dat zij wederom in luide klachten uitbarstten, en murmureerden togen Mozes. Toen zond de Heer in het leger vurige slangen, waarvan de beet deii dood tengevolge had. Velen bezweken en vruchteloos zocht men naar een geneesmiddel. Toen heeft Mozes, op Gods bevel, aan een zeer boegen stok of stang een koperen slang bevestigd, die op grooten afstand kon worden gezien. Al wie nu door een slang gebeten was, moest zien op die koperen slang en was genezen. Ojj moet niet meenen, dat het koper, waarop men zag, genezende kracht bezat; neen, wat hier den dood afweerde, dat was het geloof, het vertrouwen op het woord van Mozes, waarmee men tot de koperen slang opzag.
Die koperen slang is gedurende eeuwen bewaard gebleven, en eerst op last van Koning Hiszia vernietigd, omdat het volk er afgoderij meê bedreef.
HOOFDSTUK XII.
BILEAM. DE DOOD VAN MOZES.
Num. XXII—XXIV.
Deuter. XXXII—XXXIV.
Nadat de Israëlieten den omweg hadden afgelegd, waarvan wij in het vorige hoofdstuk spraken, en o. a. den Koning Og, vanBazan, verslagen en zjjn land in bezit genomen hadden, legerden zg zich in een landstreek tegenover Jericho. Die landstreek behoorde aan een volk, de Moabieten genaamd. De Koning dier Moabioten (lijj heette Balak) was bevreesd voor de Israëlieten. Iljj had grooter
51
gedachte van hunnen God, dan van de godheden, welke hij zelf met zijn volk vereerde, en trachtte daarom den Heer, als het ware, gunstig voor zich te stemmen.
Er leefde te dier tijde in Mesopotamië een wp on zijd beroemd waarzegger, die bekend stond als profeet van den Heer. Indien hy nu eens, zoo dacht Balak, mijn volk zegende, en dat van Israël vloekte, dan kon ik op de overwinning rekenen. Misschien wist Balak wel, dat Bileam een geldgierig man was, cn daarom gaf hij aan zijn dienstknechten, die tot den waarzegger gingen, kostbare geschenken mee. „Het loon der waarzeggers was in hunne hand.quot; Ook spraken zij, op vlei enden toon tot Bileam: „Wij weten dat gezegend is, al wien gij zegent, en vervloekt, al wien gü vervloekt.quot; De waarzegger antwoordde, dat bij het antwoord van den Heer moest afwachten; en 's nachts wordt hem dan ook in den droom gezegd', dat hij niet gaan mocht, en do Israëlieten vloeken, daar zjj juist omgekeerd gezegend waren.
Balak liet zich echter door die weigering niet afschrikken, want hij dacht, dat Bileam niet tevreden was met liet eerste gezantschap. Daarom zendt bij nu tot hem mannen, van hooger rang en met kostbaarder geschenken. Bileam's hart klopt van vurig verlangen, om alles wat hem daar wordt aangeboden te mogen aannemen. Evenwel by zegt: ik moet eerst weten wat de Heer van mij verlangt. Wist Bileam het niet ? Hij wist het zeer wel, en zijn vragen aan den Heer, of by tot Balak gaan mocht, wekte 's Heeren toorn op, die tot hem zegt: „Qa gij maar medequot; op een toon, waarop onze ouders ook wel eens tot ons zeggen: „Ik vind het niet goed, dat gij gaat — maar als gü toch wilt — welnu, doe het maar.quot; Als wij dan gaan, dan gebeurt het niet met een blij hart; neen, dan is er iets in ons, dat ons kwelt cn vervolgt.
Bileam gaat dan op weg, en in gedachten verlustigt hij zich in het kostbaar loon, in de prachtige geschenken, welke hem weldra ten deel zullen vallen. Hoe God daarover dacht, heeft hy op zeer bijzondere wys ondervonden. De engel des Heeren, die mot het vlammende zwaard eenmaal stond aan den ingang van het Paradijs, plaatst zich plotseling op het pad, waar Bileam over rijdt; de ezelin, waarop by is gezeten, ziet het en springt ter zyde, maar de waarzegger bemerkt het niet, en drijft door harde slagen bet lastdier weer op het pad. Een eindweegs verder, waar het pad tusschen wijnbergen heenvoerde, verschijnt de engel wederom; de ezelin wijkt ook nu uit, zoodat Bileam's voet tusschen den muur en de ezelin beklemd raakt. In toorn ontstoken slaat bij het dier harder dan te voren. Doch ziet, een oogenblik later, toon het pad zóó smal was geworden, dat aan geen der beide zijde aan uitwijken gêdacht kan worden, stond de engel des Heeren weder voor de ezelin, die nu niet voort kan en op de aarde liggen gaat. Nu is Bileam buiten zich zelf van gramschap, en op do gruwelijkste wyze kastijdt hy liet arme dier. En wat gebeurt? De Heer
50
armen. Aaron was „verzameld tot zijn volken.quot; Weenend en eerbiedig leggen zij den doode neder in een der bergspelonken, en het volk behoefde niet te vragen, wat er was gebeurd, toen zij Mozes alleen met Eleazar zagen afdalen. Dertig dagen lang heeft Abraham's kroost den dood van Aaron beweend, en hulde gebracht aan de nagedachtenis van dezen vader van alle priesteren Israels.
Het was voor de Joden een groote teleurstelling, dat de Edomieten hun weigerden door hun land te trekken naar Kanaiin. Hun weg zou er aanmerkelijk door zijn verkort, en daar Edom (dezelfde als Ezau) de stamvader der Edomieten, de broeder was geweest van Jakob, en zij zich dus als broeders van dat volk beschouwden , hadden zij er vast op gerekend, dat zij door hun gebied hun reize nemen mochten. Nu moesten zij een grooten omweg maken, en waarschijnlijk droeg hun ontevredenheid daartoe bij, dat zij wederom in luide klachten uitbarstten, en murmureerden togen Mozes. Toen zond de Heer in het leger vurige slangen, waarvan de beet do»i dood tengevolge had. Velen bezweken en vruchteloos zocht men naar een geneesmiddel. Toen heeft Mozes, op Gods bevel, aan een zeer hoogen stok of stang een koperen slang bevestigd, die op grooten afstand kon worden gezien. Al wie nu door een slang gebeten was, moest zien op die koperen slang en was genezen. Gij moet niet meenen, dat het koper, waarop men zag, genezende kracht bezat; neen, wat hier den dood afweerde, dat was het geloof, het vertrouwen op het woord van Mozes, waarmee men tot de koperen slang opzag.
Die koperen slang is gedurende eeuwen bewaard gebleven, en eerst op last van Koning Hiszia vernietigd, omdat het volk er afgoderij meê bedreef.
HOOFDSTUK XII.
BILEAM. DE DOOD VAN MOZES.
Num. XXII—XXIV.
Deuter. XXXII—XXXIV.
Nadat de Israëlieten den omweg hadden afgelegd, waarvan wij in het vorige hoofdstuk spraken, en o. a. don Koning Og, vanBazan, verslagen en zijn land in bezit genomen hadden, legerden zij zich in een landstreek tegenover Jericho. Die landstreek behoorde aan oen volk, de Moabieten genaamd. De Koning dier Moabieten (hy heette lialak) was bevreesd voor do Israëlieten. IIij had grooter
51
gedachte van hunnen God, dan van de godheden, welke hij zelf met zijn volk vereerde, en trachtte daarom den Heer, als het ware, gunstig voor zich te stemmen.
Er leefde te dier tijde in Mesopotamië eon wijd en zijd beroemd waarzegger, die bekend stond als profeet van den Heer. Indien iijj nu eens, zoo dacht Balalc, mijn volk zegende, en dat van Israël vloekte, dan kon ik op de overwinning-rekenen. Misschien wist Balak wel , dat Bileam een geldgierig man was, en daarom gaf hjj aan zijn dienstknechten , die tot den waarzegger gingen, kostbare geschenken mee. „Het loon der waarzeggers was in hunne hand.quot; Ook spraken zij, op vleienden toon tot Bileam: „Wjj weten dat gezegend is, al wien gij zegent, en vervloekt, al wien gij vervloekt.quot; De waarzegger antwoordde, dat bij het antwoord van den Heer moest afwachten; en 's nachts wordt hem dan ook in den droom gezegd , dat hij niet gaan mocht, on de Israëlieten vloeken, daar zjj juist omgekeerd gezegend waren.
Balak liet zich echter door die weigering niet afschrikken, want hij dacht, dat Bileam niet tevreden was met het eerste gezantschap. Daarom zendt bij nu tot hem mannen, van hooger rang en met kostbaarder geschenken. Bileam's hart klopt van vurig verlangen, om alles wat hem daar wordt aangeboden te mogen aannemen. Evenwel hjj zegt: ik moet eerst weten wat de Heer van mij verlangt. Wist Bileam het niet ? Hij wist het zeer wel, en zijn vragen aan den Heer, of lijj tot Balak gaan mocht, wekte 's Hoeren toorn op, die tot hem zegt: „Ga gjj maar medequot; op een toon, waarop onze ouders ook wel eens tot ons zeggen: „Ik vind hot niet goed, dat gjj gaat — maar als gij toch wilt — welnu, doe het maar.quot; Als wij dan gaan, dan gebeurt liet niet met een blij hart; neen, dan is er iets in ons, dat ons kwelt en vervolgt.
Bileam gaat dan op weg, en in gedachten verlustigt hij zich in het kostbaar loon, in de prachtige geschenken, welke hem weldra ten deel zullen vallen. Hoe God daarover dacht, beeft hij op zeor bijzondere wjjs ondervonden. De engel des Heeren, die met het vlammende zwaard eenmaal stond aan don ingang van het Paradijs, plaatst zich plotseling op het pad, waar Bileam over rijdt; de ezelin, waarop hij is gezeten, ziet het en springt ter zijde, maar de waarzegger bemerkt het niet, en drijft door harde slagen het lastdier weer op het pad. Een eindweegs verder, waar het pad tusschen wijnbergen heenvoerde, verschijnt de engel wederom; de ezelin wijkt ook nu uit, zoodat Bileam's voet tusschen den muur en do ezelin beklemd raakt. In toorn ontstoken slaat luj het dier harder dan te voren. Doch ziet, een oogenblik later, toen bet pad zóó smal was geworden, dat aan geen der beide zijde aan uitwijken gedacht kan worden, stond de engel des Heeren weder voor de ezelin, die nu niet voort kan en op de aarde liggen gaat. Nu is Bileam buiten zich zelf van gramschap, en op de gruwelijkste wijze kastijdt lijj het arme dier. En wat gebeurt? De Heer
52
opent den mond van de ezelin, en zij zegt, tot den waarzegger: „Wat heb ik u gedaan, dat gjj mij nu driemalen geslagen hebt?'' En Bileam antwoordt: „Omdat gij mij nu driemaal bespot hebt. Och, ot ik een zwaard had om u te dooden!quot; Daarop vraagt de ezelin, of zij ooit iets dergelijks had gedaan, en als Bileam hierop met „neen!quot; heeft geantwoord, worden hem de oogen geopend, en hjj ziet den enge), des Hoeren, die hem ernstig bestraft. De waarzegger zegt, dat liü spijt heeft van zijn gedrag, en wel terug wil keeren; maar zjjn berouw was niet liet echte, en daarom hü kon wel gaan als hy wil; alleenlijk wat God zeggen zou, dat moest hij spreken.
Balak is niet weinig verblijd, als hij hoort, dat Bileam komt, en gaat hem tot aan de grenzen van zijn rijk te gcmoet. De waarzegger neemt .echter een zeer dubbelzinnige houding aan, en belooft niets, maar zegt alleen, dat hij het woord zal spreken, dat God hem in den mond legt.
De Koning der Moabieten heeft zich door hetgeen de waarzegger gesproken heeft, zeer zien teleurstellen. ïot driemalen toe bracht hij Bileam op een hoogte, van waar men in de verte de tenten der Israëlieten zien kon; en in plaats van hen te vloeken, zooals Balak dat had gewenschst, heeft Bileam hen gezegend, en heerlijke dingen van hen getuigd, on voorspeld. Balak gelastte hem dan ook henen te gaan. „Pak u weg,quot; zoo zeide lijj, „en van mij krijgt gij geen geschenk. Misschien zal de Heer u nu wel beloonen.quot;
Het is Balak derhalve niet gelukt, door Bileam over de Israëlieten kwaad te doen komen; maar in dienzelfden tjjd hebben de Israëlieten zeiven een groote zonde bedreven, die zwaar is getraft geworden. Door de nabijheid der Moabieten hebben zij zich namelijk laten verleiden, om den afgod Baal-Peor te vereeren, en deel te nemen aan al do verkeerde on schandelijke dingen, waarmee de vereering van dien afgod gewoonlijk gepaard ging. 's Heeren toorn over de zonde bleek uit een pestziekte, welke onder de Joden uitbrak en er 24,000 wegrukte.
Voor Mozes, den man Gods, den knecht des Heeren, die in alles getrouw was geweest, naderde nu het einde der levensreis, gelijk voor de Israëlieten nu het einde naderde van hun reis door de woestijn. Mozes mocht het beloofde land niet betreden. Wel viel het hem zeer moeielijk, in dat besluit des Heeren te berusten. Om de Joden te kunnen bevrijden, had hij alles opgeofferd, al do heerlijkheid van Egypte. Hoe veel miskenning en ondank had lijj zich niet getroost van het volk, dat hij op het hart had gedragen. En nu, nu is het doel bijna bereikt. Nu zal Jakob's kroost het zoo lang beloofde, het zoo innig begeerde Kanaan betreden, en nu moet hij, die ze tot zoover gebracht had , scheiden uit hot leven, en aan een ander de eer en vreugde laten, van het volk het heilige land binnen te leiden.
Mozes tracht den Heer nog te bewegen op z'ijii besluit terug te komen, maar
53
het besluit staat vast: „Spreek mij niet meer over deze zaak,quot; is liet antwoord, waarin hjj berusten moet.
Zoo zal hij dan den staf Gods moeten nederleggen; maar eer hij het doei, wil hjj het volk ernstig vermanen en waarschuwen en op indrukwekkende wijze afscheid nemen. In de laatste hoofdstukken van het boek Deuteronomium lezen wjj hoe Mozes aan Israël nog eens den zegen voorstelt en den vloek, en het hun met de liefde van een vader, met den ernst van een profeet op het hart drukt, om toch niet te wijken van de geboden des Heeren. In de gehoorzaamheid aan die geboden was het leven.
Met welk een aandoening moet het volk deze redenen van den man Gods hebben aangehoord. Hoe vreemd, hoe ongelooflijk moet hun de gedachte zijn geweest, dat Mozes daar tot hen sprak — voor de laatste reize. De meesten hunner hadden geen herinnering van den tijd , waarin deze man niet stond aan liet hoofd van het volk. En al hadden zij hem dikwijls liet leven verbitterd, en tegen hem gemurmureerd; allen beseften, dat geen mensch aan hem gelijk was, en dat ze zijns gelijke niet meer zien zouden. Met hem sprak God, gelijk een man spreekt met zijn vriend. En wie iiad dit volk Israël lief, gelijk deze zoon van Amram ? Wie zou zijn plaats innemen? Maar het woord des Heeren geschiedde tot Mozes: „Klim op dezen berg, den berg Nebo, tegenover Jericho.quot;
Mozes was toen 120 jaren oud, doch weinig of niets gebogen onder den last van zulk een hoogen ouderdom. Zijn oog was niet verdonkerd, en zijn kracht was niet vergaan. Langzaam , maar met vaste schreden, stijgt hij uit de vlakke velden Moabs den bergtop op , dien God hem heeft aangewezen. En als hij daar is aangekomen, verheldert God zijn blik op buitengewone wijze, zoodat hjj het geheele land Kanaiin kan overzien. Daar breidt liet zich voor hem uit, van het Zuiden naar het Noorden, van het Oosten naar het Westen. Hjj niet Jericho, de palmstad, en de zuidelijke bergen van Juda; hij ziet het dal, waar do Jordaan zijn kronkelenden loop door neemt; en heel in de verte ziet hij de groote vlakte glinsteren van de Middellandsche Zee, Welk een heerlijk land is het, met bergen en dalen, met akkers en weiden, druipende van overvloed. Hoe haalt Mozes het hart er aan op ! . . . . En als hij lang, lang den blik over Kanaiin heeft laten weiden, daar ontzinken hem de krachten; zijn oog wordt omneveld, zijn bewustzijn begeeft hem, en zachtkens ontslaapt hij, zooals do Heer het had gezegd. En zijn lijk? Dat heeft niemand ooit gevonden; het is door God onttrokken aan ieders oog; God zelf heelt zorg gedragen voor de ter aarde bestelling van dezen zijnen getrouwen dienstknecht, die den Heer gekend had van aangezicht tot aangezicht.
Het volk Israel heelt dertig dagen lang hem beweend, en ofschoon er meer dan 3000 jaren zijn verloopen sinds Mozes stierf, leeft zijn werk en zijn nagedachtenis
54
nog altijd voort. Hij was de grootste profeet van het Oude Verbond, een groot wetgever, in den hoogsten zin des woords „een man Gods.quot;
H O O F D S T U K XlII.
DE JODEN TREKKEN KANAaN BINNEN.
Jozua I—V.
/00 zonden de Joden dan het land binnentrekken, dat hun door God was beloofd. Doch, wie zou hen aanvoeren 't Er moest iemand wezen, die hun bevelen gaf, en aan wiens bevel zij gehoorzaamden. Ook moest het een man zijn, die bedreven was in het voeren van den oorlog, want het beloofde land moest worden genomen. Welnu, een man, die aan deze vereischten beantwoordde, zulk een strijdbaar held heeft God aan de Israëlieten geschonken in Jozua, den zoon van Nun. Eij Mozes' leven was hij reeds als zijn opvolger aangewezen, en de Heer roept hem dan ook toe, als hij zijne zoo moeieljjke taak aanvaardt: „Wees sterk en heb goeden moed, want g|j zult dit volk dat land erllijk doen bezitten, dat ik hun vaderen gezworen heb hun te geven.quot; Het volk beloofde nadrukkelijk, dat het Jozua als zijn hoofd erkennen zou, en hem gehoorzamen, gelijk zij ook naar Mozes gehoord hadden.
Ofschoon Jozua dus op de gewilligheid van het volk, en de hulp van God kon rekenen, is hij niet roekeloos te werk gegaan. Hij nam al de maatregelen, welke een voorzichtig veldheer noodig acht.
Zoo vond hij het geraden, naar de eerste stad , welke moest worden ingenomen , hvoe mannen te zenden, opdat zjj haar zouden verspieden. De stad heette Jericho. Die twee verspieders zijn aan groot gevaar bloot gesteld geweest, maai' als door een wonder gered. Zij namen, toen zy te Jericho gekomen waren, hun intrek bij een vrouw Eachab geheeten. Zjj dachten, dat zij wel niemands aandacht zouden getrokken hebben , doch daarin bedrogen zij zich. Men had hen gezien, en 't werd den Koning van Jericho geboodschapt, dat er van de kinderen Israels in de stad waren, om do stad te doorzoeken. De Koning zendt een boodschap tot Kachab, dat zij die twee mannen, die bij haar vertoefden, tot hem moest brengen.
Doch Kachab gaf ten antwoord, dat die twee mannen , even voor dat de poorten der stad, bij 't vallen van den avond, waren gesloten, vertrokken
waren, en dat mcu zo dus misschien nog wel achterhalen kon. Inmiddels had zij de twee verspieders verborgen op het platte dak van haar huis onder vlasstoppelen. Zoodra echter de mannen van Jericho op weg waren gegaan, om de verspieders op te sporen, liet Kacliab haar twee gasten met een touw neder over den stadsmuur, want haar huis stond tegen dien stadsmuur aangebouwd. Zjj gelastte hun, niet denzelfden weg in te slaan, dien de mannen uit Jericho opgegaan waren, en eerst na verloop van een paar dagen van de tegenovergestelde richting te komen, dan zou niemand' hen aanzien voor israëlietischo verspieders.
Alzoo redde zjj het leven dier twee mannen. Wat bewoog toch deze vrouw, om alzoo te handelen ? Zjj geloofde, dat de Heer, de God der Israëlieten, machtiger was dan de goden van haar volk, en dat Jozua ongetwijfeld het land Kanailn zoude veroveren. Zij is hier zoo vast van overtuigd, dat zjj verzoekt om behoud van haar leven, en van 'tleven harer bloedverwanten, als Jericho zal worden ingenomen. De verspieders willen haar dit gaarne beloven , doch vragen, hoe men haar woning en die van haar betrekkingen zal kennen en onderscheiden. liachab zeide daarop, dat zij een rood snoer aan haar huis zou bevestigen, en dat haar bloedverwanten dat ook zouden doen, en dat zou 't herkenningsteeken zijn. Alzoo werd afgesproken. Zij laat de twee verspieders langs den stadsmuur nederzakken, en later zullen wij zien, dat zij hun beloften, aan Rachab gegeven , eerljjk hebben vervuld.
Om in Kanailn te komen , moesten de Joden do rivier den Jordaan over, en dit was waarlijk geen gering bezwaar. De Jordaan is niet altyd even diep en breed. Des zomers is hij veel smaller dan in 't voorjaar , wanneer zijn wateren door de vele regens zeer gezwollen zijn. Toen de Joden Kanailn zouden binnentreden , was het juist in de lente, en het scheen haast onmogelijk mot zoo vele duizende menschen, groote en kleine, en met al dat vee te komen over dien breeden, bruisenden vloed.
God echter, die hen tot -zoover gebracht had, liet hen hier niet verlegen staan. Jozua gelast den priesters, de arke des verbonds op te 'nemen en daarmee zich te begeven tot den oever van den Jordaan.
Al het volk ziet het en volgt, afgedeeld bij tweeduizenden. En wat geschiedt nu ? De priesters, die de ark dragen, stappen in de rivier, alsof zjj een vast pad, en een begaanbare weg ware. En er hwum op datzelfde oogenblik een pad. Het water, dat van boven afstroomde , werd opgehouden en rees, zoodat het als een hooge muur werd — en het water aan de andere zijde van de priesters stroomde weg. En zoo kwam er een breede drooge plaats in den Jordaan, waar de Israëlieten over heen gingen , zoodat zij ongedeerd de overzijde bereik-
56
ten. Zoo lang het volk bozig was met door de rivier te trokken, bleven de priesters met de ark staan, en oer zij die plek verlieten, worden er twaalf steonon opgericht, die nog langen tijd zich verhieven boven hot water en dozen wonder-vollen overtocht in herinnering brachten. Ook worden twaalf steonon uit de bedding van don Jordaan genomen, en aan den oever opeen gehoopt, zoodatzjj tot een blijvend gedenkteokon strekten van de wjjze, waarop de Heer zijn volk in het land had gebracht.
Wij kunnen ons moeiolijk de blijdschap voorstellen, waarmede de Israëlieten liet heilige land zullen betreden hebben.
Nu was de lange reize eindelijk afgelegd; nu zouden zij, niet in oen woestijn, maar in een vruchtbaar land hun tent mogen opslaan; nu lag daar vóór hen oen leven in rust en veiligheid. Het kan ons niet verwonderen, dat Jozua er behoefte aan heeft, don Heer een feest te vieren. Het was bovendien juist de tijd van liet Paaschfeost. De ongezuurde brooden werden bereid van het koren, dat op do akkers van Kauaiin juist rjjp begon te worden, en van tent tot tent weerklonken zeker op den Paaschavond vroolijko gezangen van bevrijding, ter oere van den Hoer, dio hen zoo kennelijk en wonderlijk geleid had.
Nu hield ook liet manna op, te vallen uit den hemel. De Israëlieten hadden nu koren, om daarvan brood te bereiden, en God doet nooit een overtollig wonder. Waar de mensch door arbeid, door inspanning van wolkon aard ook, zelf zijn brood kan vinden, komt God hem niet met zijn wondermacht te hulp. Ofschoon voor don Heer niets te wonderbaar is — Zijn gaven verkwisten, noen, dat doet Hij niet.
57
Vol eerbied valt Jozua ter aarde, en liet wordt hem gelast de schoenen te doen van zijn voeten. En in deze ootmoedige houding ontvnngt hij bevelen aangaande de wijze, waarop Jericho moest worden ingenomen. Zes dagen lang moesten alle strijdbare mannen eenmaal gaan rondom de stad , achter de arke des verbonds aan, die door priesters gedragen werd. Voor de ark moesten zeven priesters gaan, elk met een bazuin in de handen. Deze omgang moest echter geschieden zonder eenig gedruisch. Noch mensch, noch bazuin mocht zich doen hooren. En op den zevenden dag moest het volk met de priesters en de ark zeven malen gaan om de stad, en als zij het zeven malen gedaan hadden, moeten de bazuinen weerklinken, luide zegekreten worden aangeheven. Do Israëlieten hebben ongetwijfeld het bevel bevreemdend gevonden, maar zij hebben er gehoor aan gegeven. God zou hun de stad geven, dat vertrouwden zjj vast en zeker. Ofschoon de muren van Jericho ongedeerd voor hun oogen verrezen, en er geen enkele van zijn verdedigers was gedood of gewond — zij jukken, alsof de stad reeds in hunne handen gevallen was. En zij doen dat, dewijl zy gelooven.
Daar volbrengen zij op den zevenden dag den zevenden omgang om de stad ; daar weergalmen luide en zegevierend hot zevental bazuinen, daar helfen al de Israëlieten overwinningskreten aan — en met een groot gedruisch storten de muren van Jericho in. De Joden zien liet, snellen toe, en weldra zjjn zij meester van de stad. — Het bevel luidde, dat niemand, dat mensch noch dier in't leven mocht blijven. Ook mocht niemand zich iets toeëigenen van hetgeen in de huizen of waar ook te Jericho werd gevonden. Do Israëlieten kwamen daar ecu vonnis volvoeren, dat God over de stad had uitgesproken, om haar groote verdorvenheid en goddeloosheid.
Alleen do woningen, waaraan een rood snoer gevonden werd, bleven gespaard ; daar toch woonde Kachab met haar betrekkingen. Deze vrouw heeft daarna geleefd in het midden der Israëlieten.
AVjj kunnen ons wel voorstellen, dat het voor dezen en genen een groote verzoeking was, zich te hunnen maar niet te moyen verryken. En voor één Israëliet bleek de verzoeking groot te zijn; hij is er voor bezweken. Hij heette Achun. Geheel alleen bevindt hij zich in oen huis der stad Jericho. Daar valt zijn oog op drie dingen in zijn onmiddelijke nabijheid. Hij ziet een babylonischen mantel, met allerlei kleuren en figuren kunstig bewerkt; hij ziet verder een gouden gesp in den vorm van een tong; en daar ziet hij ook een som gelds, van ruim driehonderd gulden.
Hoe klopt hem het hart bij de gedachte, dat hij die kostbaarheden en dat geld kan nemen en zich toeëig'enen. Naar alle kanten werpt hjj verspiedende blikken, of soms ook iemand hem gadesloeg. Maar neon, niemand was in de
58
nabijheid ; niemand zag hem. Hij steekt het zoo vurig begeerde bij zich; gaat er meê naar zjjn tent, en verbergt het in do aarde.
Had niemand gezien wat Achan deed ? O, voorzeker. A.1 ziet ons geen mensch, Iemand ziet ons altijd, en gij begrijpt wel, aan Wien wij denken.
Wanneer men in de eenzaamheid en in het verborgene kwaad heeft gedaan, en geen mensch heeft het gezien, dan stelt men zich gerust; maar eenmaal komen wy voor het gericht van God, „met wien wjj te doen hebbenen door zijn bestier komt vaak reeds in dit leven aan het licht, wat in het donker geschied is. Dat heeft Achan ook ondervonden, en merkwaardig is de wjjze Avaarop zijn diefstal aan geheel het volk is bekend gemaakt.
Toen Jericho genomen en verwoest was, lag een tweede stad aan de beurt, die Ai heette. Zjj was niet bijzonder groot en sterk , en Jozua dacht, dat het geen bezwaar zou opleveren , haar te vermeesteren. Doch, de mannen , die hij tegen Ai iiad uigezonden, werden verslagen, en die niet waren gesneuveld, kwamen als vluchtelingen weder. Hierdoor ontstelde Jozua niet weinig. Welk een ongunstigen indruk (zoo dacht hij), welk een moedeloosheid zou deze nederlaag te weeg brengen bjj de Israëlieten, en hoe zou de moed der inwoners van Kanaan er door aanwakkeren. Zou de Heer dan zjjn belofte niet vervullen ?
Maar de Heer zelf brengt Jozua uit zijn ongelegenheid, en deelt hem meê , dat er een ban, een vloek rustte op het volk, en die moest eerst worden opgeheven , zou de Heer het weder kunnen zegenen. Doch hoe kon men te weten komen, wie onder zooveel duizenden zich zóó schuldig had gemaakt ? De Heer zelf zou den schuldige aanwijzen door het lot. Den volgenden dag komen al de Israëlieten te zamen, ingedeeld naar hunne stammen. Eerst wijst het lot aan, in welken stam de overtreder moest worden gezocht. Het bleek de stam Juda te zijn. De andere stammen werden dus van alle verdenking ontheven.
Do stam Juda nadert nu alleen en het lot zal aanwijzen, onder welk geslacht de schuldige schuilt. Het geslacht van Zarchi wordt aangewezen. In dat geslacht waren verschillende hoofden van familien . . . Ook do familie wordt aangewezen. Al nauwer en nauwer wordt de kring, om Achan getrokken, al dichter en dichter dreigt hem de slag.' Eindelijk daar wijst het lot hém als den schuldige aan. Al de aainvezigen staren op hem, bedroefd en verontwaardigd. Hjj moet te voorschijn komen , en op den toon, waarin smart en toorn zjjn vermengd, zegt Jozua tot hem: „Mijn zoon, geef God de eer, en zeg mij, wat gij hebt gedaan ; ontken het niet.quot;
En nu moest Achan de diep beschamende belijdenis afleggen van zijne ongehoorzaamheid en zijn diefstal. In zjjn tent lag begraven wat hij zich had toe-geeigend. Op last van Jozua werd het te voorschijn gehaald, en daar zjjn ze, de gouden gesp, het prachtig gewaad en de geldstukken. Daarom had hjj nu
59
een vloek gebracht over zich zelf en zijn volk. Hy wendt er den blik van af, en het volk grijpt hem aan en voert hem met het geroofde, met zijn gezin, met al zijne bezittingen weg en overdekt ze met steenen, en verteert ze met vuur, en een groote steenhoop over dit alles opeen geworpen, wees nog jaren later de plaats aan, waar Achan zijn straf had ontvangen voor zijn overtreding.
HOOOPDSTÜK XV. KANAaN INGENOMEN. — JOZUA'S DOOD,
Jozua Vil cn Vlll.
Na de straf, aan Achan voltrokken, is Ai door een krijgslist genomen, en een oorlog met de Kanailnieten aangevangen, die van de Joden groote inspanning eischte, doch door 's Heeren bijstand met gunstigen uitslag is bekroond.
Een en ander voorval uit dien oorlog willen wij hier verhalen.
Het gerucht van den wondervollen doortocht der Israëlieten door den Jordaan, van Jericho's val, en tie inneming van Ai luid grooten schrik gebracht onder de inwoners van Kanaan. Zij met hunne vorsten begrepen, dat zij te doen hadden met een vijand, tegen wien men alle krachten moest inspannen, wilde men niet door hem verslagen worden. Daar eendracht macht maakt, hebben de koningen, die in het midden des lands, en langs de kust der Middellandsche Zee hun gebied hadden, tegen Israël een verbond gesloten, inde hoop van Jozua te zullen overwinnen.
Die hoop werd echter niet gedeeld door de inwoners van Gibeon, een voorname stad ten noord-westen van Jerusalem gelegen. Zij hadden de vaste overtuiging, dat het Joodsche volk ook over de verbonden vorsten van Kanailn zou zegevieren, en dat het lot van Jericho en Achan allen boven het hoofd hing.
Om nu te verhoeden, dat zij met al het hunne werden omgebracht, hebben de Gibeonieten een list bedacht, die hun zeer wel gelukt is. Watzy dan deden? Zy namen eenigen van hunne mannen en rustten hen uit, alsof zy kwamen van een lange, bezwarende reis. De kleederen, die z'y aantrokken, waren evenals do
GO
schoenen, waarin zjj hun voeten staken, oud en versleten. Tot hun teerkost namen zij droog en beschimmeld brood, en hun lederen zakken, waarin men ge-looven moest, dat wjjn was geweest, waren gescheurd en verschrompeld
Het moet een zonderling gezelschap zjjn geweest , dat alzoo uitgedoscht zich bjj Jozua kwam aanmelden. Als zij bij hem zijn toegelaten , verhalen zjj, dat zjj zijn gekomen uit een zeer ver land; het was, zoo zeiden zij, zóó ver verwijderd , dat op de reis hun brood was beschimmeld, hun kleederen waren gescheurd, hun schoenen versleten, en hun zakken geborsten. Maar tot dat hun verre land was het gerucht doorgedrongen van de heldendaden der Israëlieten, en van den sterken, machtigen God, dien zy dienden, dien niemand wederstaan kon. En daarom kwamen nu deze mannen uit Gibeon, om met Jozua en zijn volk een verbond te sluiten.
Ue oversten der Israëlieten met Jozua hadden niet het minste vermoeden, dat zij werden bedrogen ; zij raadpleegden ook den Heer niet; maar maakten met de Gibeonieten een verbond, waarbij Jozua beloofde, dat lijj hen in't leven behouden zou , en plechtig werd dit verbond door de oversten van Israël bezworen.
De afgezanten vertrekken, blijde dat hun list zoo volkomen is gelukt.
Het leger van Israël trekt nu verder, en zie, na drie dagreizen komen zij in het gebied der Gibeonieten, en ontdekken hoe ze zjjn bedrogen. Het volk ontstak in zulk eene woede, dat het toch de inwoners van Gibeon dooden wilde; maar de oversten hebben dit verhinderd, en wilden den eed niet schenden,dien zij hadden afgelegd. Zoo werden dan de Gibeonieten in het leven gespaard, maar zij werden veroordeeld, om de Israëlieten te dienen als slaven; zjj werden hout-luikkers en waterdragers voor liet huis des Heeren. — De zoo gemakkelijke verovering van Clibeon vervulde het hart der vorsten, die in het zuiden van Kanailn woonden , met groote vrees; want Gibeon was een der koninklijke steden, Ja zjj was grooter dan Aï, en al hare mannen waren zeer sterk.quot;
Adoni Zedek , koning van Jerusalem, verbond zich daarom met eenige koningen, die in 't Zuiden van Palestina woonden, om gezamenlijk Gibeon weer te ontrukken aan de hand van Jozua, en het te tuchtigen voor zijn verbond met de Israëlieten. Vijf koningen met hun legers trokken tegen Gibeon op , en omsingelden het. Uit de benauwde stad werd nu een boodschap gezonden naar Jozua, die met zijn gehcele legermacht uittoog, de geduchte vijanden te gemoet. De Heer had zijn dienstknecht gezegd: „Vrees niet voor hen, want ik heb ze in uwe hand gegeven; niemand van hen zal voor u bestaan.quot; Onverhoeds overvalt Jozua de legers der vijf verbonden koningen bij Gibeon en brengt hun een groote nederlaag toe. Verschrikt vluchten zij met groote haast, door do Joden achtervolgd, die voortdurend velen van hen ter neder vellen. Bovendien stortte God een geweldige hagelbui over hen uit, die
Ö1
er nog meerdere verpletterde dan de Israëlieten er doodden met het zwaard. Toch ontkwamen er nog velen, en Jozua, die zjjn overwinning gaarne zoo volledig mogelijk wilde zien, riep uit ten aanhoore van Israël: „Zon, sta stil in Gibeon, en gij maan, sta stil in het dal Ajalon!quot; En de zond stond stil, en de maan ging niet verder, totdat Israël zjjn vijanden geheel en al verslagen had.
Zulk een lange dag is er vóór noch na geweest, maar „de Heer streed voor Israël.quot; Zegevierend keerde Jozua dan ook met zijn mannen terug naar Gilgal, vanwaar luj was gekomen, en waar hij toen zijn legerplaats had.
Of hot hem gelukt is, ook één of meerdere der koningen gevangen te nemen, die tegen hem waren opgetrokken? Hij heeft ze allen in handen gekregen. Zy waren tijdens den veldslag gevlucht in een spelonk, en toen dit aan Jozua werd geboodschapt, heeft hij de opening van die spelonk streng laten bewaken, terwijl hij de legers dier koningen nazette. Toen bij met zijn manschappen was teruggekeerd , gelastte bjj, dat men de groote steenen, die hy bad laten wentelen vóór de opening der spelonk weg zou nemen, en al de vijf koningen tot hem brengen. Zij hadden zeker in die donkere ruimte angstige uren doorgestaan on konden wel beseffen welk lot hen nu wachtte.
Als zij voor Jozna z'ijn gebracht, gelaste luj den oversten des krijgsvolks, om hun den voet op den nek te zetten , ten teeken van hun nederlaag. Daarna werden zjj gedood en hun lichamen werden gehangen aan een hout, totdat de avond inviel. Daarop werden hun ontzielde lichamen geworpen in de spelonk, waarin deze koningen zich hadden verscholen , en do opening er van werd wederom met steenen gesloten.
Zegevierend is Jozua voortgegaan , van liet zuiden en midden van Kanailn naar het noorden, on geen vijand was tegen hem bestand. In 't geheel overwon hij niet minder dan 41 koningen. Het geheele land van Kanailn overwon hij; wel bleven hier en daar nog enkele van de bewoners, die bij er anntrof, overig, doch de twaalf stammen, onder wie het land werd verdeeld, waren elk afzonderlijk machtig genoeg , bun erve geheel van Kanailnieten te zuiveren.
Gij zult later wol eens de gelegenheid hebben, om, met een kaart van Palestina voor u, na te gaan, op welk een wijze Jozua onder do twaalf stammen het land heeft verdeeld, waarvan God het bezit had toegewezen aan de nakomelingen van Abraham , Izailk en Jakob.
Laat mij er hier dit alleen van zeggen, dat de stam van Levi geen gedeelte van het land ten eigendom verkreeg. Tot dien stam toch behoorden de priesters, de geneeskundigen en de rechtsgeleerden, en zjj konden niet allen bij elkander wonen , daar hun hulp vereischt werd zoowel in 't Noorden als in 't Zuiden, zoowel in het hart als aan do grenzen van het land.
Zij woonden dus onder het volk verspreid, en vonden bun onderhoud uit
62
tienden, die liet volk hun gaf. Wanneer er van een aklcer honderd bossen koorn werden geoogst, gaf men een tiende deel, d. i. tien er van aan de priesters, en zoo deed men ook met het vee. Dit was de voornaamste bron van inkomsten voor de nakomelingen van Ailron.
Eigenaardig was het doel en de stichting der zoogenaamde vrijsteden. De Joden maakten een scherp onderscheid tusschen moord en doodslag. Wie met opzet een mensch om 'tleven had gebracht, was een moordenaar en moest sterven. Doch het geval deed zicli voor, dat men iemand doodde, zonder hotte willen. Denk aan iemand die een boom omhakt met een bijl, en de bijl vliegt onverwachts van de steel, en treft het hoofd van iemand, die er bij stond, zoodat hy levenloos nedervalt. Dan heeft hier een doodslag plaats, die volstrekt niet opzettelijk was. Wat had mi by de Joden diegene te doen, die op deze wijze een moord had begaan ? Hij moest zoo snel hij kon vluchten naar een der vrijsteden. Een vrjjstad was een stad, vah uitgestrekte weiden omgeven. Had de doodslager het grondgebied der vrijstad bereikt, dan mocht hij niet langer worden vervolgd. Zjjn zaak werd onderzocht, en bleek zijn onschuld, dan mocht hij het gebied der vrijstad wel niet verlaten, doch daar was lijj volkomen veilig, en stierf de hoogepriester dan mocht hij terug keeren naar zijn woonplaats, en gaan waar lijj wilde.
De vrijsteden lagen verspreid over het land, zoodat men er nooit zeer ver van een verwijderd was. Met welk een spoed zal menigeen zich derwaarts op weg hebben begeven, en met welk een blijdschap en verademing het gebied hebben betreden, waar hy tegen alle aanslagen op zy'n leven gevrijwaard was.
Toen Jozua gevoelde, dat zijn krachten begonnen af te nemen, en dat het einde zijns levens naderde, heeft hy op plechtige wyze afscheid genomen van het volk, dat hy nu metterwoon gevestigd zag in het land, vloeiende van melk en honig, waarin hy het had mogen binnen leiden.
Jozua was er niet volkomen gerust op, dat de kinderen Israels trouw zouden biyven aan den Heer. Hij wist hoe zwak zjj waren, en hoe gemakkeiyk z.y zouden vallen in den strik der verzoeking, welke hun door de nabijheid van do heidensche volken rondom gespannen werd. Hij wyst hen daarom op de groote weldaad, welke zy van God hadden ontvangen, en nog genoten, en op de bedreigingen , welke God had gevoegd bjj zijn waarschuwingen en bevelen. Hij wekt hen op, te doen wat hij had gedaan. Hy en zijn huis, zij hadden zich voorgenomen den Heer te dienen. Dat moest het volk ook doen. Zij moesten den dienst des Heeren kiezen en daarmee niet wachten. „Kiest U hedenzoo roept hy uit, „wien gij dienen wilt.quot; Uit éénen mond roept het volk: „Dat willen wy doen. Den Hoer willen wjj dienen.quot; „A.ch,quot; zegt Jozua, „ik vreeze,
63
dat gjj liet niet zult doen maar het volk herhaalde zijn belofte, dat zjj den Heer dienen en zijne stem gehoorzamen zouden. -Om by hen voortdurend de herinnering aan die belofte levendig te houden, heeft Jozua een steen opgericht, die als een getuige tegen hen zou zjjn, indien zü den Heer verlieten. Daarop nam Jozua afscheid van het volk, en liet hen wederkeeren een eigeljjk naar zijn woonplaats.
Niet lang daarna is deze strijdbare held en trouwe dienaar van den Heer en zijn volk ontslapen, in den ouderdom van 110 jaren. Men begroef hem in het deels des lands, dat aan zijn geslacht was toegewezen, in het gebergte van Ephraïm.
HOOFDSTUK XVI.
UIT DEN TIJD DER RICHTEREN. — GIDEON. — JEFTHA.
Richtcrcn VI—Xf.
Het is gebleken, dat Jozua's vrees voor ontrouw bij de Israëlieten aan den Heer niet ongegrond was. Zij zjjn inderdaad vervallen tot afgoderjj en hebben den Heer verlaten.
Zy deden dit echter niet aanstonds na den dood van Jozua. Zoo lang nog de oude menschen leefden, die den tocht door de woestijn hadden mede gemaakt, en die wisten te verhalen van de geduchte daden en wonderen des Heeren aan zijn volk verricht, zoolang ook onthield Israël zicli van den dienst dor afgoden. Oude menschen zijn over 't algemeen gehecht aan hetgeen eenmaal is, en af-keerig van nieuwigheden. Toen echter een nieuw geslacht van Israëlieten opstond , dat' in liet land Kanaën was geboren , toen bleek hun de verzoeking tot afval van den Heer te sterk te zijn. Als zij de heidensche volken, die hen omringden , zagen feestvieren onder 't groen geboomte ter eere van hun afgoden, als zy hoorden hun gezang en hun snarenspel, afgewisseld door bevallige en wilde dansen, dan konden zy den lust niet wederstaat], om zich bjj hen te voegen, en hen in hun zonden te volgen, En, zoo geschiedde het, dat in het, heilige land door velen de dienst des Heeren werd verlaten, en bosschen werden geplant, en altaren en beelden opgericht ter eere van de goden der Midianieten, Ammonieten, rilistijnen, en vele andere heidensche volken.
64
God /ag dit aan met groot ongeiioogen. Was dit nu de dankbaarheid van Israël voorliet bezit van dit goede', heerlijke land? Hy kon dit niet ongestraft laten. De gevolgen er van konden niet achterwege blijven.
Een eerst gevolg was , dat de menschen over 'talgemeen zeer ruw werden , en geneigd tot daden van geweld. Men erkende geen gezag meer boven zich. „Een iegelijk deed wat goed was in zjjn oogen.quot; Indien nu alle menschen godvruchtig waren geweest, en het goede hadden gewild , dan zou dit nog zoo bedenkelijk niet zijn geweest. Maar nu was niet de heste, doch de slechtste meester in 't land; maar wie sterk is, verdient daarom nog niet altjjd te regeeren. Zoo govoeldcu de Israëlieten zich innerlijk zeer ongelukkig.
Doch , daar kwam nog andere ellende bij. De heidensche volken, waarvan zij den afgodendienst hadden overgenomen, ontnamen den .joden alle vrijheid. Op de gevoeligste wjjs zijn zjj verdrukt en vernederd geworden. Hun oogst zagen zij door gewapende benden van de vreemde volken voor hun oogen zich ontrooven. Dikwijls hielden zij zich in rotsen en spelonken verscholen, en waren zjj blyde, als zij steelsgewjjze een klein gedeelte van den oogst konden onttrekken aan de handen hunner onderdrukkers.
In zulke dagen van benauwdheid en schande riepen zjj tot den Heer, dien zij in dagen van geluk en voorspoed vergeten hadden. Nu had God, met het volste recht tot hen kunnen zeggen: „Gij hebt u van Mjj afgewend, toen gij meendet Mij te kunnen ontberen ; thans , nu gij in de ellende verkeert, lust het Mjj niet u te helpen.quot; Menig mensch zou aldus gesproken hebben ; maar de Heer deed het niet. God doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt geen kwaad met kwaad. Als de Israëlieten in de benauwdheid tot Hem riepen — hielp Hij hen er uit. Hij deed het ook in die dagen, waarvan wjj nu'spreken. En hoe verloste Hij dan bet volk Israël? Door middel van dappere, kloeke mannen, die hij daartoe T verwekte,quot; en vervulde met zijn Geest. Deze mannen noemt men llichtcrs. Zij behoorden niet allen tot denzelfden stam, en sommigen hunner waren van zeer onaanzienlijke afkomst. Ook bevrijdden enkelen van hen slechts een gedeelte van het joodsche land. zoodat zij daar buiten minder bekend waren. En hadden zjj dan het volk, of een gedeelte van het volk door hun moed verlost van hun verdrukkers, dan behielden zij gedurende het overige van hun leven een groot aanzien , en oefenden zjj een groot gezag uit. Wjj moeten, als wij ons die Richters voorstellen, vooral in 't oog houden, dat zij door den Heer waren toegerust met bijzondere gaven , voor een bijzonder doel, zoodat zij in andere opzichten dikwerf dingen hebben gedaan, die wjj mootsn afkeuren , en die zeker ook niet welgevallig waren in Gods oogen.
Nu weet gij', wat do roeping van die Richters is geweest, en van sommigen hunner willen wijn iets vertellen, terwijl wij andere, minder bekende,stilzwijgend voorbijgaan.
65
Een der beroemdste richters is Gideon geweest. Fn zijne dagen werden de Israëlieten /eer zwaar verdrukt door de Midianieten. Zij kwamen met hun vee en tenten in liet Joodsche lana zich legeren, in groote menigten, talrijk als sprinkhanen. Zij overdekten het land, en voor hun roofzucht bleef niets gespaard, geen koren op den akker, geen vee in den stal. 't Was alsof Israël voor die Midianieten wegsmolt. „Toen riepen de kinderen Tsraëls tot den Heerquot;: en Hij liet hen door een profeet zeer ernstig bestraffen, maar strekte tevens zijn machtige hand uit tot hunne verlossing. 'tWas in dien benauwden tijd, dat een jong en kloek man, Gideon geheeten, bezig was met in een verborgen plaats koren te dorschen, in de hoop, dat de Midianieten hem niet zouden zien en berooven. Daar staat plotseling de Engel des Heeren voor hem, en zegt: „De Heer is met U, gij strijdbare held!quot; Maar Gideon antwoordde; ;,Hoo zal ik kunnen ge-looven, dat de Heer met ons is? Waarom overkomt ons dan al dit leed? En waarom doet de Heer geen der wonderen meer, waarvan onze vaderen wisten te verhalen, die Hij uit Egypte heeft uitgevoerd? Maar nu heeft de Heer ons verlaten en overgeleverd in de hand der Midianieten.quot;
En nu verneemt deze moedelooze man het bevreemdende woord: „Ga heen in deze uwe krachtd. w. z. „houd u zelf niet voor zwak en onbekwaam, want Ik zal u kracht schenken.quot; Gideon wijst er nog wel op, dat hij behoorde tot het geringste geslacht van zijn stam, en dat hij in zps vaders huis de geringste was — maar de Heer stelt hem gerust door de verzekering : „Ik zal metü zijn, gjj zult de Midianieten slaan, als een eenig man.quot; Daarop wordt een offer-hande, welke Gideon gereed had gemaakt, door den staf des Engels aangeroerd — vuur komt uit den rotssteen — het offer ontvlamt — en de Engel verdwijnt uit de oogen van den ontroerden Gideon.
Nu is de kleinmoedige Gideon een ander man geworden. Hjj begint zijn be-vrijdigingswerk met de altaren van een afgod en van een godin omver te werpen. De afgod heette Jiaül, een naam, dien wij nog dikwerf zullen aantreffen, en Aschera heette de godin. De stadgenooten van Gideon waren over die daad zeer vertoornd, en wilden hem dooden; maar zjjn vader zeide : „Wilt gij voor Baal stryden? Wilt gij zjjn eer redden? Kan Inj dat zelf niet? Indien hij een god is, laat het dan aan hem zelf over zich te wreken over do smaadheid, zijn altaar aangedaan.quot; Inmiddels zijn de Midianieten met hun bondgenooten uit het oosten opgekomen en slaan hun tenten op in het dal Jisreël. En nu komt over Gideon de Geest des Heeren, zoodat hjj van dien Geest als vervuld is. Onweerstaanbaar wordt hjj gedrongen, om handelend op te treden, en zijn volk te bevrijden. Ten teeken, dat de strijd een aanvang neemt, blaast hjj op de bazuin; meer dan één stam laat hjj oproepen tot den krijg, en van allo kanten stroomen de mannen toe. 5
66
Zoowel tot geniststelling van anderen als van zich zelf, vergt Gideon een teeken, waaraan hü zeker weten zal, dat hjj zal zegevieren. Hjj spreidt des nachts in de open lucht een schapenvacht uit, en bidt den Heer, dat de dauw zou vallen alleen op de vacht, en dat de aarde in't ronde droog zou blijven. En 't geschiedde aizoo. Hij kon des morgens vroeg een schotel vol water uit de vacht wringen, maar rondom do vacht was liet droog.
Biddende, dat de toorn des Heeren niet ontsteken moge, vraagt hij nog een teeken. Nu verlangt hij, dat juist het omgekeerde zal geschieden, de vacht droog zal blijven, on de aarde vochtig worden door den dauw. En ook dit tweede teeken wordt hem geschonken door don Heer. Nu weet Gideon zeker, dat de Heer met hem wezen zal, en moedig roept hij Israël ten strijde op tegen zjjn vijand.
In grooten getale verschijnen de strijdbare mannen , blijde dat er iemand was opgestaan, om den krijg des Heeren te voeren, en verzamelden zich rondom Gideon, aan de noordelijke afhelling van het gebergte Gilbèa.
Maar de Heer zeide tot Gideon; „Er is te veel volk. Indien zjj de overwinning behalen, terwijl zij zoo groot zijn in getal, zullen zij zeggen: 'twas geen wonder, dat wij zegevierden.quot; God wilde hen duidelijk doen gevoelen, dat niet hunne kracht, maar ZJjn bjjstand alleen hun de overwinning gaf. Gideon moest dus luide bekend maken: „Wie onder u liever terug wil keeren naar zijn haardstede, en eigenlijk een weinig bang en vreesachtig is — die mag dat doen, want de Heer wil Israël door weinigen verlossen, en niet door velen,quot;
Toen het dus niet tot een schande kon gerekend worden, terug te keeren , maakten allen van dat verlof gebruik, die waren opgekomen, omdat zij niet hadden durven achter blijven. Hun getal was niet klein. Twee-en twintig duizend gingen er terug; en slechts tien duizend bleven er overig. Toen zeide de Heer: „daar zijn er nog te veel.quot;
En hoe heeft Gideon nu uit hun gelederen diegenen uitverkoren, met wie hij tegen de Midianieten optrekken zou ? God heeft hem daartoe een zeer ongewoon middel bevolen. Hij moest al de krijgslieden brengen aan den oever van een beek, die daar in de nabijheid was, en hen gelasten daaruit te drinken.
Wanneer men niets lieeft, om daarmee water te scheppen, kan men op tweeërlei manieren uit een beek drinken. Men kan op handen en knieën gaan liggen , zich voorover bukken, zijn mond aan 't water brengen, en daar het water oplekken, op dezelfde wijze als de honden, die gij zeker zóó wel eens hebt zien drinken.
Maar men kan zich ook den tijd niet gunnen, om alzoo neder te bukken, doch met zijn handen het water scheppen uit de beek, en drinken uit de holle, gevulde hand. Allen, die dronken op de laatste wijze, moest Gideon bij
67
elkander plaatsen. Het waren er slechts 300. Welnu , zegt de Heer tot Gideon, met deze 300 zal ik u verlossen, door hen zal ik de Midianieten in uwe hand geven.
Welk een onaanzienlijke macht stelt de Heer dus tot Gideon's beschikking! Bijna iedereen zou, in zijn plaats, hebben gezegd: het is roekeloos, het is ongeoorloofd met zulk een klein getal op te trekken tegen do duizende Midianieten ; maar Gideon hield zich vast aan 's Heeren belofte, dat Hij de overwinning geven zou. Hij geloof de. Dat geloof heeft hem echter niet verleid tot onvoorzichtigheid. Niet bij het licht van den dag, niet ongewapend trok hjj togen den vijand op. Neen, lüj heeft gewacht totdat de nacht was ingevallen; en zijn mannen heeft hij op een eigenaardige wijze toegerust.
Hij gaf hun natuurlijk een zwaard, voorts een bazuin, een ledige kruik en een fakkel. Die fakkels moesten zij plaatsen in de kruik. Ook gaf Inj hun een wachtwoord, dat aldus luidde: „Voor den Heer en voor Gideon!quot; Voorts verdeelde hij hen in drie afdeelingen, elk van honderd man. En al wat zij hem hoorden en zagen doen , dat moesten zij ook doen.
Gideon wil dus de Midianieten in den waan brengen, dat de Israëlieten in groote getalen op hen aanvielen; daartoe moesten zij komen van drie kanten te gelijk, en met de kruiken , die zij zouden stuk slaan, en met do bazuinen waarop zjj zouden blazen, een oorverdoovend gedruis maken.
Als Gideon alles goed heeft afgesproken, en met zijn mannen tot de voorposten van het leger der Midianieten is genaderd, wil hij eerst de zekerheid hebben, dat de vijand wel degelijk slaapt, en zich maar niet slapende houdt. Met zijn dienaar Pura nadert hij zeer omzichtig de plaats, waar de Midianieten waren gelegerd. Zjj waren talrijk als sprinkhanen, hun kameelen waren niet te tellen , evenmin als het zand aan den oever der zee.
En daar hoort Gideon spreken. Zou de vijand van zijn nadering onderricht zijn, en op ée'n wenk heel dat schijnbaar-slapende leger verrijzen? Het is een schildwacht, die spreekt. Gideon hoort alles wat hij zegt; de man had daar juist een droom gedroomd; in zijn droom had hij een geroost gerstonbrood zien wentelen in het leger der Midianieten; het was genaderd tot zijn tent, en had die omgeworpen het onderst boven.
Toen zeide zijn krijgsmakker, aan wien hij dien droom vertelde: dat kan niets anders beteekenen dan het zwaard van Gideon. God heeft ons met geheel ons leger gegeven in de hand der Israëlieten.
Met aanbidding en blijdschap hoort Gideon dit aan. Nu behoefde hij niet langer te dralen; het is het uur van middernacht; diepe slaap ligt over de duizende Midianieten; en daar stooten, op het voorgaan van Gideon, zijn drie honderd mannen, hun kruiken stuk; in hun linkerhand klemmen zij de fakkels,
68
en met de rechterhand brengen zij de bazuinen aan hun mond ; daarna beginnen zij elkander toe te roepen: „Voor den Heer en voor Gideon!quot; Daar zij, zooals wij weten, zich in drie hoopen hadden verdeeld, die elk van een zijde aankwamen, hebben zij het vijandelijk leger omsingeld.
Welk een ontwaken, welk een schrik voor de Midianieten! Verward en verbijsterd zjjn zij tot tegenweer niet bij machte. Zij denken slechts aan óe'n zaak; waar vind ik een heenkomen? Zij loopen togen elkander in, gaan elkander onderling bestrijden, en inmiddels zetten Gideon's mannen hen na, en vellen hen in menigte terneder. In onderscheiden richtingen vloden de Midianieten, en Gideon riep haastig meer dan één stam' van Israel op, om den vluchtenden het ontkomen te verhinderen over den Jordaan, zoodat hun nederlaag verpletterend en volkomen is geweest. Het getal hunner verslagenen wordt geschat op 120,000. — Het is dus niet te verwonderen, dat de naam van Gideon steeds met eere in Israel werd genoemd, en dat hij in den brief aan den Hebreen , (Hfdst XI:32 en 34) voorkomt, waar wij lezen van mannen, „die door 't geloof Koninkrijken ten onder brachten, kracht verwierven na zwakheid, sterk werden in den krijg, en de heerlegers der vijanden doden wijken.quot;
Wij kunnen niet getuigen, dat de kinderen Israels op de rechte wijze dankbaar waren voor hunne verlossing uit de macht der Midianieten. In plaats toch van den Heer trouw te dienen, vervielen zij al spoedig weder tot afgoderij, en vereerden Baiil en Astarte en andere goden dor Sidoniërs, der Moabieten en der Ammonieten.
Geen wonder, dat de toorn des Heeren tegen hen ontbrandde, en zjj tot hun straf geraakten onder de overheerschappij der Filistijnen en der Ammonieten. Zjj werden dus van twee kanten tegelijk aangevallen en verdrukt, want de Filistijnen woonden ten westen , en de Ammonieten ten oosten van Kanailn.
De richter, dien God verwekt heeft, om Israel te bevrijden van de over-1 veer selling der Ammonieten , heette Jeplitha. Toen lijj als aanvoerder der kinderen Israels optrad, was de nood hoog gestegen. De Ammonieten waren den Jordaan overgetrokken, en hadden zelfs het hart van 't land, de machtige stammen van Juda en van Ephraïm, aangetast. Toen riep het zwaar geteisterd volk tot den God hunner vaderen, en Hij liet zich van hen verbidden.
Jeplitha was een „strijdbaar heldquot;; hij had reeds met eenige mannen omgezworven op de grenzen van het land der Ammonieten, en ofschoon lüj bij zijn aanverwanten tot dien tijd niet geëerd was, zochten zij nu hem aan, hun veldheer te wezen, en na eenig tegenstreven nam hij het bevel op zich.
Voordat Jeplitha tegen de Ammonieten optrok, deed hij een gelofte. Dit is nog iets anders dan een belofte, iemand, die een gelolto aflegt, belooft iets;
09
maar hij stelt er een voorwaarde hij. Wordt die voorwaarde vervuld , dan zal hij doen, wat luj belooft. Wanneer bijv. iemand, die ziek is, zegt: „indien ik beter mag worden , dan geef ik honderd gulden aan de armejiquot; ; dan doet hij een gelofte.
Wat zeidc Jephtlia tot den Heer ? „Indien gy do Ammonieten in mijne hand geeft, en ik als overwinnaar mag terugkeeren, dan zal ik het eerste, wat mij uit mijn huis tegemoet komt, den Heer tot een brandoffer offeren.quot;
Groot en luisterrijk was de zege, dien Jephtha behaalde over de Ammonieten. Hjj veroverde verscheiden steden, en diep werden Israels vijanden verootmoedigd. Met gejubel keerde hij naar zijn woonplaats terug, waar het gerucht van zijn overwinning hom reeds was vooruitgegaan.
De jonge dochteren hadden er zich een feest van gemaakt de dappere krijgslieden met blijdschap, met zang en dans, in te halen, en Jephtha's dochter is aan 't hoofd van een der jubelende kooren. Zij wil haar vader het eerst begroeten, en huppelend treedt zij op hem toe. Doch hoe ontroert haar vader. Zij was een eenig kind; lijj had behalve haar, geen zoon of dochter. En als hij haar ziet, verscheurt hij zijn kleederen, en roept uit: „Ach, mijne dochter! hoe doet gij mij ontstellen! In welk een ongeluk stort gij mij!quot; — Zij wist niets van do gelofte haars vaders; maar nu zij de eerste was, die hem uit zijn huis tegemoet kwam, zal hij, indien hij zijn gelofte wil volbrengen, haar aan den Heer moeten offeren, o Hoe voorzichtig moeten wij toch zijn met onze geloften! — Jephtha kan zijn gegeven woord niet terug nemen, en diep ontroerd zegt hij aan zijn dochter, wat hij den Heer heeft beloofd.
Het meisje hoort hom aan, en antwoordt: „Welnu mijn vader, hebt gjj dit tot den Heer gezegd, dan moet gij het ook doen; want de Heer heeft u een volkomen overwinning over uwe vijanden gegeven.quot;
Slechts één ding begeerde zij van haren vader; het was, dat zij met hare vriendinnen twee maanden gaan mocht naar do bergen en het daar beweenen , dat zij ongehuwd zou moeten sterven, en nooit het geluk smaken, dat het hart van een gezegende moeder zoo dikwerf vervult. Jeptlia stond dit verzoek van zjjn dochter toe. „En het geschiedde ten einde van twee maanden, dat zij tot haren vader wederkeerde, die aan haar volbracht zijne belofte, die hij beloofd had.quot;
Hare gedachtenis leefde nog lang voort onder de dochteren Israels, want het werd een gewoonte, dat zij jaarlijks vier dagen samen kwamen om de dochter van Jeftha te prijzen. Wie heeft geen deernis met den dapperen Richter, die door een ondoordachte belofte, zich het genot van zijn zegepraal, en het geluk van zijn huis ontnomen heeft ?
70
H O O F 1) S T U K XVIT. DE RICHTER SIMSON
Kichteren XIII—XVI.
Wij willen u tlians verhalen van een der merkwaardigste mannen , die in de bybelsclie geschiedenis voorkomen. Hij heette Simson, en was een zoon van Manoach, uit don stam van Dan. 't Was Gods wil, dat hij de Joden verlossen zou van de overhecrsching der Filistijnen, die ten westen en ten zuid-westen van Israël woonden, een machtig en oorlogszuchtig volk.
Door den Engel des Heeren wordt het Manoach en zijn vrouw aangekondigd, dat hun een zoon zou geboren worden. En tevens werd van dien zoon gezegd, dat hij een Na.dreër Gods zou zijn. Wat dit beteekent? Dat hij in bjjzonderen zin aan den dienst van God zou zjjn gewijd , ja , aan Hem als verloofd zou wezen. Hij moest don Heer geheel toebehooren.
Als een teeken daarvan mocht „geen scheermes op zijn hoofd komen.quot; Ongerept groeiden dus bij hem, in weelderige pracht, baard en hoofdhaar. En nooit dronk hij wijn of sterken drank. Zulk een „Nazireërquot; is later ook Johannes de Dooper geweest.
Om de Filistijnen met goed gevolg to kunnen bestrijden , heeft God aan Simson een buitengewone lichaamskracht geschonken. Hij werd dus niet geroepen om een leger aan te voeren, of een geregelden oorlog aan te vangen ; neen, geheel op zich zelf, geheel alleen moest hij, mot zijn ongewone sterkte toegerust, de vijanden van Gods volk zooveel mogelijk afbreuk doen.
Niet alles wat hij deed , zullen wij hier mededeelen, doch wel het voornaamste ervan. Voordat hij nog zijn groote kracht had betoond , kwam het verlangen in hem op , om in het huwelijk te treden met een dochter der Filistijnen. Hij had aan dit verlangen niet moeten toegeven', want hij kon vooruit berekenen, dat luj, door een huwelijk met een vrouw, die tot de vijanden van zijn volk behoorde , in allerlei moeielpheden zou geraken. Zijn vader en zijn moeder zeiden dan ook tot hem: is er nu onder de dochteren van uw geslacht, en in geheel Israël geen gade voor u te vinden, en moet gij er eene zoeken onder de vijanden van God en zijn volk?
Hij liet zich echter van zijn voornemen niet afbrengen, en ging met zijn ouders naar do Filistpsche stad, waar de jonge dochter woonde, op wie hij zijn oog had geslagen. Niet verre van daar, bij aldaar aangelegde wijnbergen, komt hem
71
plotseling een jonge leeuw brullende tegemoet. Vlucht Simsou ? Neon, hij giijpt don leeuw aan en verscheurt hem, alsof het een geitenbokske ware, en werpt bet gedoode dier ter zijde van den weg. Hg zegt echter van dit voorval niets aan zijn ouders. Daar iiy op zjjn huwelijk met het Filistijnsche meisje bleef aandringen, heeft zijn vader er eindelijk in bewilligd , en niet lang daarna gaat bjj dan ook met zjjn ouders weder naar Thimnath,om er nu zijn bruilof te vieren. Zoo kwamen zij ook weder langs den plek, waar over Sinison Bde Geest des Hoeren gekomenquot; was, en hij den jongen leeuw verslagen had. Hjj dacht: , ik wil zien, wat er met het lijk gebeurd is.quot; En ziet, in het geraamte dat er nog lag, trof hjj een bijenzwerm aan, en hy nam een brok van den honig, dien de nijvere dieren daar gemaakt hadden. Hü gaf er ook van te eten aan zijn vader en moeder, maar vertelde niet, waar en hoe hij dien honig had gevonden.
De bruiloft zou met grooten luister worden gevierd. Hij zou zeven dagen duren en niet minder dan 30 jongelieden verklaren zich bereid er aan deel te nemen. Als zij aanzitten, zegt Simson: „Welaan , ik wil u een raadsel opgeven. Ik geef u zeven dagen tjjd om het te raden. Raadt gij het, dan geef ik u 30 onderkleederen en 30 feestkleederen. Maar indien gij het niet kunt raden, dan moet ik denzelfden prjjs van u ontvangen.quot; Dit werd algemeen goed gevonden, en men riep uit éénen mond Simson toe: „Laat ons uw raadsel hooren !quot;
„Welnu,quot; zcide Simson, „zóó is het: „Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid van don sterke.quot; Drie dagen lang zitten de 30 jonge Filistijnen telkens zich zelf en eikanderen te pijnigen met het zoeken naar een oplossing van dit moeie-lijke raadsel, maar zjj kunnen haar niet vinden. Daar gaan nogmaals drie dagen voorbij, zonder dat zij iets zijn gevorderd, en de zevende dag breekt aan. Zjj schamen zich er voor, te moeten bekennen, dat zij 't antwoord schuldig moeten blyven, en zy hebben ook geen lust aan Simson al die kleederen te schenken. Toen zijn zjj gegaan naar Simson's bruid, en hebben haar gezegd: „Indien gij ons de oplossing van zijn raadsel niet mededeelt, dan zullen wij het huis van nw vader boven uw hoofd in brand steken, want wij willen niet aan uw bruiloft deelnemen, om ons arm te maken,quot;
Met vriendelijke woorden, met vleierij, met verwijten, mot vele tranen viel zij daarop Simson lastig, en hield ze bij hem aan, totdat hij haar de oplossing van het raadsel mededeelt, welke hij zelfs aan z'ijne ouders niet verteld had. En wat doet zjj? Zy vertelt het dadelijk over aan de Filistijnen.
De zevende dag is bijna ten einde, en daar komen zy tot Simson, en zeggen: „Wat is zoeter dan honig? Wat is sterker dan een leeuw?quot; Maar Simson antwoordt hun in hevigen toorn: „Indien gij met mijn kalf niet hadt geploegd,quot; d. w. z. „indien gü niet door middel van mijn bruid achter 't antwoord waart gekomen , zoudt gü het nooit gevonden hebben.quot; Hij gaat daarop heen, verslaat
72
30 Filistijcn, ontdoet hen van hun klcederon en geeft die aan de mannen, die aan zijn bruiloft hadden deelgenomen.
Zoo ondervond hij dus aanstonds de jammerlijke gevolg-en vun een eehtverbind-tenis, welke hem door zijn ouders zoo ernstig- ontraden was.
Op meer dan ée'ne wijze heeft Simson afbreuk gedaan aan de macht der Filistijnen, en zijn sterkte bun kenbaar gemaakt. Zoo beeft by eens driehonderd vossen gevangen; deze dieren twee aan twee met de staarten aan elkander ge-honden , aan die staarten een brandenden fakkel bevestigd, en toen die 150 paren dieren gejaagd naar de akkers, waar het rijpe koren opstond. Natuurlijk werden vele akkers op die wijze in brand gestoken, en ging de oogst van dat jaar grootendeels verloren.
13ij een andere gelegenheid werd Simson door een groote menigte Filistijnen overvallen, doch iiij greep do kaak van een ezel, die kort te voren gedood was, en versloeg daar 1000 vijanden mee.
In groot vertrouwen op zijn kracht, waagde bij zich eens te Gaza, een der hoofdsteden van de Filistijnen. Als de inwoners dier stad dit ontdekt hadden, hebben zij de poorten zorgvuldig gesloten, met het voorne r.en om Simson den anderen morgen vroeg gevangen te nemen. Maar te middernacht staat hij op, rukt de sterke poortdeuren uit haar hengsels en draagt ze , boe zwaar zij ook zjjn, op zijn schouders naar den top van een berg. Het zal u niet verwonderen, dat de Filistijnen er innig naar verlangden, van zulk een vijand verlost te worden. Zij zouden hem echter nimmer in hun macht gekregen hebben, indien Simson zelf niet was bezweken voor de verleidende macht der zonde.
Hij beeft kennis aangeknoopt met eene vrouw , Delila genaamd, welke zich voordeed alsof zij hem lief had, maar die bet inderdaad slechts was te doen om geld en voordeel. De Filistijnen, die boorden dat Simson gedurig bij die vrouw werd aangetroffen, zijn tot baar gegaan en hebben baar een groote som gelds beloofd, indien zij bun den iUcbter van Israël wist in handen te spelen. Zij beloofde dat zij bot zou doen; en zij trachtte daarom te weten te komen, waarin toch eigenlijk de kracht van Simson gelegen was.
Simson, die zeer wel begreep, ivaamn hem dit door Delila werd gevraagd, nam zich eerst ernstig voor, liet haar niet te zeggen. Zoo vertelde hij baar eerst, dat, als men hem bond met zeven nieuwe touwen, bij zich niet weer los zou kunnen maken; bij een volgende gelegenheid gaf hij voor, dat bij weerloos zou wezen , indien men zijn zeven haarvlechten met een pin vast stak in een weversboom. Delila liet toen eenige Filistijnen komen, die zich verborgen hielden in een naburig vertrek; doch op haar uitroep: ,Simson — do Filistijnen over u !quot; sprong bij beide keeren op : hij verscheurde de touwen , alsof bet verzengde vlasdraden waren, en rukte zich los uit het weefgetouw.
73
Delila gaf den moed echter niet op; dag aan dag viel zij hem lastig, en vermoeide zij hem met haar bede, dat hij toch zijn geheim aan haar openbaren zou ; en eindelijk, daar verraadt Simson zich zelf. Indien gij, zoo zegt hjj, mijn zeven gevlochten haarlokken wegneemt, houd ik op een Nazireër Gods te zijn: dan wijkt myu kracht van mij , en ik ben als ieder ander mensch. Nu is Delila voldaan; zij bemerkt, dat hij zijn geheele hart voor haar geopenbaard heeft. Zij doet het de Filistijnen weten, die zich verborgen houden in de nabijheid, en terwjjl Simson met het hoofd in haren schoot in diepen slaap is gezonken, neemt zij een schaar, en daar vallen zij, die prachtige ongerepte lokken — en aan Simson ontgaat zijn kracht op hetzelfde oogenblik.
„üe Filistijnen over u!quot; roept Delia. Hij ontwaakt staat op en wil zijn vijanden, die toesnellen, verslaan, gelijk voorheen, — maar de Heer was van hem geweken. De Filistijnen zijn ditmaal sterker dan hij, zij grijpen cn binden hem; steken hem de beide oogen uit; voeren hem naar Gaza, waar zij hem boeien met twee koperen ketenen ; en de voorheen onoverwinnelijke Simson moet tusschen twee steenen koorn fijn malen, een arbeid, dien men gemeenlijk verrichten liet door zwakke en verachte slavinnen.
Hoe diep is dus deze richter, deze Nazireër Gods, door eigen schuld gevallen !
Wilt gij weten , hoe lüj aan zijn einde is gekomen ? Hij is niet gestorven in de gevangenis ; maar wel niet ver ervan verwijderd. De Filistijnen, die buiten zich zeiven waren van vreugde, toen zij den onoverwinnelijken Simson in hun macht hadden gekregen, vierden een groot feest ter cere van hunnen God Dfujon, aan wien z'ij den zegepraal over Simson toeschreven.
Luide jubelende en buiten zich zelf van vreugde. zijn zij vereenigd in zijn tempel. Daar komt in hen het verlangen op , om hun machteloos geworden vijand te zien, en zich in liet schouwspel van zijn smaad te verlustigen. Simson werd gehaald uit de gevangenis, en gebracht in Dagon's tempel, /icn kan bij de Filistijnen niet, maar des te beter/wtw-rfe hij hun honend gejuich. Nu moest hij spelen voor hun aangezicht, terwijl een knaap hem leidde en hield bjj de hand. Onuitsprekelijk vernederend wfts dit oogenblik voor dezen eens zoo krachtigen man.
Maar daar ontwaakt in hem de wensch , om eigen eer, en de eer des Heeren te wreken. Hjj vraagt den jongen die hem geleidde, hem los te laten, om tegen de zuilen, waarop het tempeldak rustte, te mogen leunen. Do tempel nu was van onder tot boven, op de gaanderijen, vol Filistijnen, ten getale van wel 3000. En Simson riep tot den Heer: „Heer, gedenk mijner, en sterk mij nog deze eene keer, opdat ik mij met ééne wraak aan deze Filistijnen wreke over mijne twee oogen !quot; Op hetzelfde oogenblik slaat hij de armen om de twee pilaren, en rukt ze omver, terwijl de oude kracht in hem is wedergekeerd. Met de pilaren valt hy neder, en zegt: „Mijn ziel starve met de Filistijten !quot;
74
Het tempeldak, iilotseling van zijn steun, van de twee pilaren, waarop het rustte beroofd, stortte ineen , en verpletterde in zijn val de vorsten en het volk der Filistijnen, die aldaar waren gezeten. Bijna allen waren gedood, zoodat Simson in zyn sterven nog meer vijanden om deed komen, dan hij er had verslagen bjj zjjn leven. De zegepraal en de blijdschap van de Filistijnen zijn dus van korten duur geweest.
Toen kwamen Simson's broeders, en het geheelo huis zijns vaders, en maakten zich meester van zijn lijk, dat zij bijzetten in liet graf van zijnen vader Manoach. Niet langer dan 20 jaren was hij over Israël Richter geweest.
HOOFDSTUK XVIII. HET BOEK RUTH.
Na zoo lang te hebben verteld van oorlogen en van helden, willen wij thans iets verhalen, dat een lieflijker en vriendelijker indruk maakt. Het is do geschiedenis van één gezin; en zij is voorgevallen in dezelfde dagen, waarin de Richters richteden.
Verplaatst u dan met uw gedachten in het kleine stadje Bethlehem, waarvan wij nog meer dan eens zullen spreken. Het woord Bethlehem beteekent „broodhuis,quot; cn doet ons dadelijk denken aan de vruchtbare streek, waarin de stad van dien naam gelegen was.
Doch ondanks dien veelbelovenden mam, was er in Bethlehem een ontzettende hongersnood uitgebroken. Overal was broodsgebrek. Dat gevoelde ook een gezin, welks vader heette Elimelech en zjjne vrouw heette Naomi. Zij hadden twee zonen; Machlon heette de een, en de andere heette Chiljon.
Door den nood gedreven , en wanhopende aan Gods hulp, besloot Elimelech met zijn gezin liet beloofde land te verlaten, en te verhuizen naar „de velden van Moab,quot; Zoo kwam hij dan te wonen te midden van een volk , dat God niet diende, maar afgoden. Niet lang na hun aankomst aldaar stierf Elimelech, en Naomi bleef dus over met hare twee zonen.
En deze huwden met Moabitische vrouwen. De naam van de eene was Orpa, en de naam van de andere Ilnlli. Tien jaren hadden zjj in Moab gewoond, en
75
daar stierven Machlon en Chiljon ook, on zoo zaten dus in één huis drie weduwen. Het zwaarst viel deze weduwenstaat te dragen voor Naomi; zij had het meest verloren, en zy was verre van haar land en bloedverwanten. Het valt haar dan ook te. zwaar, nog langer in den vreemde te vertoeven, en zij besluit terug te keeren naar Bethlehem, de streek, waar zij jong en gelukkig was geweest, en, naar zij had vernomen, de hongersnood niet meer heerschte. Orpa en Ruth willen haar niet alleen laten gaan, docli besluiten haar te vergezellen. Een pooze hebben zij samen met elkander gereisd, als Naomi tot haar schoondocbters zegt: „Mijne dochters, gij moest nu wederkeeren, een iegelijk naar het huis barer moeder; en de Heer moge u weldadigheid bewijzen gelijk gij dat hebt gedaan aan de dooden en aan mij! Ook moge de Heer unog weder nieuw huiselijk geluk bereiden!quot; Toen begonnen Orpa en Ruth beiden te weenen, en zij zeidon: „Neen, wij willen met u terugkeeren tot uw volk.quot; Maar Naomi sprak: „Keert weder, mijne dochters! Waarom zoudt gij met mij gaan? De dood beeft alle betrekking tusschen u en mij afgebroken. Van mij hebt gij niets meer te hopen. Neen, myne dochters, weent niet zoo luide, mijn lot is veel bitterder dan het uwe, want de hand des Heeren is tegen mij gekeerd geweest.quot;
Op nieuw en nog luider vangen Orpa en Ruth aan te weenen. Orpa vooral was uittermate zeer bedroefd: en al schreiende omhelsde zij Naomi, en kuste haar nogmaals — en keerde terug.
Maar Rutti Mcefde haar schoonmoeder aan. Toen Orpa was heen gegaan, zeide Naomi: „Zie, uw zuster is teruggekeerd tot haar volk, en haar goden (zy was dus een heidensche gebleven) , waarom doet gij dat nu ook niet?quot; En daarop heeft Ruth geantwoord mot deze aandoenlijke en treffende woorden: „Dwing my niet, dat ik u verlaten, en van u mij afkeeren zoude. Spreek niy daarvan niet meer. Waar gij gaat, zal ik gaan, en waar gij vernacht, daar zal ik vernachten. Uw volk is mijn volk, en uw God is myn God. Waar gij sterft, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; zoo waar de Heer leeft: de dood alleen zal scheiding maken tusschen u en tusschen mij!quot;
Krachtiger zou een kind zijn liefde voor, en zijn aanhankelijkheid aan eigen vader en moeder niet kunnen uitspreken. En Ruth was slechts een aangehuwde dochter. Zulk een trouw, zulk een teedere toegenegenheid is inderdaad zeldzaam. En wat blijkt óók uit deze woorden van Rnth ? Dat zy niet meer de goden der Moabieten diende; den God van Naomi, den God van Israël noemt zij haar God; en door dat geloof behoort zij tot Israël, het volk van Naomi.
Zoo gingen dan deze beide wederom voort, en naderen Bethlehem. Allerlei weemoedige herinneringen komen Naomi voor den geest. Hier had zij als kind gespeeld; hier was zij gelukkig geweest; hier had zij haar eigen kinderen zien spelen en opgroeien; en nu, die allo waren haar ontnomen. Zy had er geen
7G
oog voor, dat Bethlehem weer een „broodhuisquot; was, en akker aan akker stond beladen niet nagenoeg rijp geworden graan, en hier en daar reeds de sikkel der maaiers weerklonk. Ach, Naomi dacht alleen aan haar gemis, en haar verdriet.
Het gerucht, dat zij was wedergekeerd, bracht in Bethlehem eenige opschudding teweeg. Men was haar nog niet vergeten. Zij was bekend geweest als bijzonder schoon en bevallig, en nu men hoort, dat zij is teruggekomen, verdringt men zich om haar te zien. Doch wat aanschouwt men? Een vrouw op wier gelaat niet alleen de jaren, doch bovenal het verdriet diepe sporen hebben nagelaten; zjj gevoelt zich niet alleen ongelukkig, maar zjj is ook gemelijk en ontevreden, en dat nam ook het laatste spoor van haar voormalige bevalligheid weg. Luid genoog, om ook door haar gehoord te worden, roept men haar aanziende, uit: „Is dit Naomi?quot; — En zij antwoordt : „ISoemt mij geen Naomi, geen aanvallige, maar Mara (d. w. z. bitterheid) want do Almachtige heeft mij bitterheid aangedaan. Vol, als gehuwde vrouw en moeder van twee zonen ben ilc heen gegaan , en ledig, van alles beroofd, doet de Heer mij wederkeeren.quot;
Gij hoort het aan deze woorden, hoe ontevreden en wrevelig zjj is. Haar woord was ook niet erkentelijk jegens Kuth, die toch om harentwil alles verlaten had. Doch lluth zweeg maar stil', en verdroeg geduldig het onrecht, dat haar schoonmoeder haar aandeed.
Alzoo kwamen deze beiden te Bethlehem. Het was in den tjjd van den ger-stenoogst, in het begin van den schoenen zomertijd.
Naomi was arm, en daarom besloot Kuth te doen wat zjj kon, om in 't onderhoud van haar schoonmoeder en haar zelf op eerlijke wijze te voorzien.
Met was een schoon gebruik in het joodscho land, dat men aan arme men-schen vergunde om de korenaren, die ontglipten aan de hand van hen, die de gemaaide bossen opbonden, te mogen verzamelen en voor zicli te behouden. Van die gewoonte gaat nu Kuth partij trekken.
Hij het aanbreken van dag zorgt zij te zjjn op het veld , waar weldra ook de maaiers aankwamen, en zij wordt niet moede den geheelen dag de aren op te lezen. De akkers, waarheen zij zich had begeven. behoorden aan een zeer vermogend heer, Boas, geheeten. Dat hij nog een verre'bloedverwant van Eli-melech was , wist Naomi echter niet.
AVelk een drukte en levendigheid heerschte op dat koornveld, en hoe rept er ieder de handen! Daar nadert Boaz zelf, en vriendelijk groet hij zijn knechten en maagden, welke hij zoo ijverig aan don arbeid ziet. „De Heer zij met u!quot; zoo roept hij hun toe; en zij beantwoorden zjjn heilgroet met den wensch: „De Heer zegene u!quot; Ongetwijfeld was hij een goed man, even goed als rijk.
Terwijl hij zijn blik in 't ronde laat gaan, valt zijn oog op Ruth, die lijj
77
nog nooit had ontmoet, maar van wie hij wel met lof had hooren spreken. Als hij van zijn knechten, op zijn vraag had vernomen, dat zij de Maobietische vrouw was. die met Naomi was medegekomeu, en dat zij reeds vroeg in den morgen verlof had gevraagd, om achter de maaiers aan aren op te lezen, treedt Boav op haar toe, en spreekt haar buitengemeen vriendelijk aan. Zij moest, zoo zeide hij, maar blijven op zijn akkers; en zij moest daar zich be-beschouwen als eene van zijn arbeiders. Met zijn dienstmaagden moest zij drinken van hetgeen de knechten hadden geschept, en niemand mocht haar eenig leed doen
Toen Euth deze zoo welwillende woorden had gehoord, viel zij neder aan Boa'z voeten , met het aangezicht ter aarde, en zeide: „waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij zoo vriendelijk mij bejegent, terwijl ik toch een vreemdeling ben ?quot; Maar Boaz antwoordde: „Het is mij wèl aangezegd, wat gij gedaan hebt voor uwe schoonmoeder, en iioe gij om harentwil alles hebt verlaten, en zijt overgekomen tot ons volk! Do Hoer, onder wiens vleugelen gij uw toevlucht hebt gezocht, moge u dat vergelden.quot;
Ruth zeide Boaz hartelijk dank voor zijn wenscli, die haar hart goed gedaan en vertroost had , en gaf last aan zijn knechten om opzettelijk een goede hoeveelheid aren te laten liggen bij het opbinden der bossen , opdat Ruth ze zou kunnen inzamelen.
Toen het etenstijd was, mocht zij mede aanzitten met de maaiers, en Boaz zelf reikte haar geroost koren toe, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.
Als de avond is gevallen, komt Ruth in de stad tot haar schoonmoeder, en toont haar de twintig kop gerst, die zij geklopt had uit de opgelezen aren, en gaf bovendien nog de spijze, welke zij bij het middagmaal had overgehouden. Hoe gelukkig was zij, dat alles te kunnen overreiken aan de oude Naomi, en welk een vreugde was hot voor haar, to kunnen vertellen, hoe eerlijk zij dat alles had verworven, en hoe vriendelijk Boaz voor haar was geweest.
Bij het hooren van Boaz' naam zegt Naomi; „Gezegend zij hij van den Heer, die niet nalaat zijn barmhartigheid te betoonen aan de levenden en de dooden 1quot; Daarop deelde zij Ruth mee , dat die rijke en vriendelijke man een harer bloedverwanten was, en zelfs ern van haar lossers.
Om dit woord goed te. begrijpen, moet gij iets weten van een gewoonte, welke toen heerschte bij het joodsche volk. Wanneer een gehuwd man gestorven was , en geen kinderen naliet, dan nam zijn broeder, of, indien hij geen broeder had, de naaste mannelijke bloedverwant zijn bezittingen over en huwde zijn weduwe.
De kinderen, die uit zulk een huwelijk geboren werden , beschouwde men dan als kinderen van den overleden man, wiens naam en familie-stam op die wijze bleven voortleven. De man, die zulk een weduwe tot zich nam, heette de losser.
78
In zulk een betrekking nu stond Boaz tot den overleden man van Ruth.
Toen de tarwe-oogst was afgeloopen, heeft de oudo moeder Naomi gedaan wat zjj kon, om aan haar trouwe schoondochter weder een eigen tehuis te bezorgen.
Boaz was gewoon in den tyd , waarin het koren werd gedorscht, den nacht door te brengen op den dorschvloer ; terwijl hij daar nederlag en sliep, zette Ruth zich neder aan zyne voeten, en bad hem, toen hij was ontwaakt, om zich over haar te ontfermen, en als haar losser op te treden.
Boaz deelde toen mede , dat er iemand te Bethlehem woonde , die haar nader bestond dan hij, en die moest eigenlijk als losser optreden. Had hij er bezwaar tegen, dan zou Boaz het doen. Deze zaak moest echter openlijk, in tegenwoordigheid van de mannen, aan wie de handhaving van het recht werd opgedragen, behandeld worden. En reeds den volgenden dag ging Boaz er toe over. Openlijk, in tegenwoordigheid van de daartoe aangewezen burgers der stad, vroeg Boaz aan zijn bloedverwant, die eigenlijk de losser was, of hij van die verplichting zich kwijten wilde. Toen het bleek, dat iiij er niet zeer gezind toe was, nam Boaz die verplichting van hem over, en weldra was Ruth zijn vrouw.
Toen Ruth een zoon het leven had geschonken, werd het kind aan Naomi ter verzorging toevertrouwd, en gij kunt u voorstellen, welk een gelukkige grootmoeder zij was. Nu moest zjj, na al de verliezen, welke zij geleden had, toch nog rjjk heeton, en de avond haars levens was niet somber en niet droevig. „Dat zij „alleen was overgebleven,quot; zou zjj nooit meer zeggen. God had alles weder wel met haar gemaakt.
En Ruth ? Wij kunnen 't ons niet anders denken, dan dat zij, als de vrouw van zulk een vroom man als Boaz, zich hoogst gelukkig gevoelde. Ook was voor haar nog een bijzondere eer weggelegd. Haar kleinzoon heette Isaï, en deze was de vader van David , den beroemden koning van Israël. Zoo werd dus het geslacht, nit haar voortgekomen, liet beroemdste van geheel het Joodsche volk, en wordt haar naam genoemd onder de voorouders van den Heer Jezus Christus, den Zaligmaker der wereld.
Ook aan Ruth zien wij de belofte vervuld, die wjj aantreffen in het vy/dc. van do tien Gchodm: „Eert uwen vader en uwe moeder, opdat het u wélga!quot;
79
HOOFDSTUK TX. SAMUEL'S GEBOORTE. — RICHTER ELI.
Samuel I—Vil.
Nu keeren wij terug tot de geschiedenis van liet volk Israel en gaan u het leven verhalen van een der beste cn vroomste mannen, die in den Bijbel voorkomen. Wij bedoelen Samuel, die de laatste geweest is der Richters van Israël, cn niet minder dan veertig jaar heeft gestaan aan het hoofd van zjjn volk.
Toen hy geboren werd heerschte over de Joden een man, die tegelijk Richter en hooggepriester was. Hy heette Eli. Op hem rustte een groote verantwoordelijkheid, daar zoo veel macht hem was toevertrouwd; maar hü heeft niet altijd gedaan, wat men van zulk een hooggeplaatst man wel verwachten mocht.
Hjj had twee zonen, Hofni en Pinehas, die ook priesters waren. Zij waren echter goddeloos, en schaamden zich er niet voor openlijk, en zelfs in het huis des Heeren, zeer verkeerde er onbetamelijke dingen te doen. Keurde Eli dat goed ? Volstrekt niet; hy betreurde het diep. Bestrafte hy dan zijne zonen niet ? Voorzeker ; hy bestrafte hen; maar hij deed het niet met den noodigen ernst en nadruk. Hofni en Pinehas behoorden tot die zonen, die hun vader niet gehoorzamen, omdat het hun plicht is, maar die men met bedreigingen en met straffen regeeren moet. Een zaciit en vriendelijk woord liet hen koud.
Wanneer de menschen bij Eli kwamen, en zicii over de verkeerdheid van zijn zonen beklaagden, vond de oude gryze man dat natuurlijk zeer verdrietig, en dan zeide hy tot Hofni en Pinehas: „Niet alzoo, myne zonen! üy moest dat niet doen. Gij zondigt niet alleen tegen een mensch, maar ook tegen den Heer, en zal b|j Hem een voorspraak zijn ?quot; Maar daarbij bleef het, en Eli's zonen gingen voort met kwaad te doen.
Het was in die dagen, dat er in liet gebergte van Ephraïm een man leefde, wiens naam was Ellcana. Hy had twee vrouwen. De een heette llanna en do andere Peninna. Hanna iiad geen kinderen, en Peninna wél.
Elkana was een godvruchtig man. Jaarlijks ging hjj naar Silo, waar toen de tabernakel stond, om daar den Heer zyn offers en gebeden te brengen, en dan ging zyn huisgezin met hem mede. Gelukkig en trotsch kwam dan Peninna in in het heiligdom met hare kinderen, en geheel alleen kwam Hanna achteraan. Elkana trachtte haar dan te troosten door byzonder fraaie geschenken, en vroeg haar, of zjjn liefde li aar dan niet meer waard was dan het bezit van kinderen.
80
maar dat nam haar verdriet niet weg. Daar kwam by, dat Peninna haar plaagde en haar verdriet verzwaarde.
Zoo was Hanna weder eens te Silo, en haar leed werd haar zóó ondragelijk, dat zij haastig opstond, en jjlde naar den voorhof van den tabernakel. Peninna met haar kinderen zaten aan een blijden maaltjjd , maar Hanna kon er geen deel aan nomen. Zij gaat Eli , die aan de poort van den voorhof zat, voorbij en werpt zich ter aarde, zachtkens weenende en snikkende ; en onder een vloed van tranen belooft zjj den Heer, dat indien het Hem behagen mocht haar een zoon te schenken, zjj dat kind niet zon behouden voor zich zelf, maar het van zijn jonkheid aan Hem zou toewijden. Ook zou nooit een scheermes over zijn hoofd gaan, evenmin als bij de Nazireërs. Geheel en altijd zou hij den Heer toebehooren.
Eli, die haar had gadegeslagen, en wel had gezien dat zjj de lippen bewoog, maar niet had gehoord wat zjj zcide, hield haar voor beschonken, en voegde haar harde woorden toe , toen zjj hem voorbij ging. Hij durfde dus tegen een vreemde vrouw met meer nadruk spreken dan tegen zijn zonen.
Hanna werd door die bestraffing niet weinig ontroerd en bedroefd, maar antwoordde met grooto zachtmoedigheid: „Neen, mijnheer, ik ben niet dronken, zooals gij schijnt te meenen, maar ik ben een vrouw, die diep ter neer geslagen is, en ik heb mijn hart voor den Heer uitgesproken, en al mijn verdriet Hem bekend gemaakt.quot;
Toen heeft Eli door zeer vriendelijke woorden, zijn harde toespraak weder trachten goed te maken, en haar verzekerd, dat de Heer ongetwijfeld haar gebed verhooren zou. Den anderen dag stond Elkana met zijn gezin reeds vroeg op, en nadat zij 't aangezicht des Heeren hadden aangebeden, namen zij de terugreis aan.
En de Heer gedacht aan Hanna , zjj werd moeder van een zoon, dien zij Samuel heette , (d. w. z. van God verhoord) „wantquot; zeide zy, „ik heb hem van den Heer afgebeden.quot; Nu kwam zij een paar jaar niet meer te Silo, want haar jeugdig kind hield haar aan haar huis gebonden. Doch toen Samuel drie jaren oud was, ging zij mee. Haar belofte, om haar zoon den Heer te wijden, had zij niet vergeten , en zij doet haar gestand.
Daar treedt zij op de poort van den voorhof toe, haar Samuel bij de hand houdende, en tevens een driejarige koe, een mate meels en een zak met wijn ten dankoffer met zich brengende. En zjj offerde de jonge koe en bracht het kind Samuel tot Eli. Hoe geheel anders is Hanna nu gezind, dan op den dag waarop zij zoo bitterlijk bedroefd den voorhof was ingeyld. Hoor, hoe zij Eli aanspreekt: „Zoo waar uwe ziel leeft, mijnheer! ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om den Heer te bidden. Ik bad om dit kind, en de Heer heeft mij myne bede gegeven, die ik van Hem gebeden bob. Daarom heb ik hem ook
81
aan den Heer overgegeven alle dagen, dio hij wezen zal. Hij is van den Heer gebeden en levenslang zal liij den Heer toebehooren.quot; Het hart van Hanna is vol van lof on dank ; zij mod dat volle hart uitstorten, en daar heft zij dien lofzang aan, die ongetwijfeld bij menige gelegenheid in Israël is gezongen geworden:
„Mijn hart springt op van vreugde in den Hoer; mijn mond is wijd open go-daan over mijne vijanden; want ik verheug mij in uw heil.
„Er is niemand heilig gelijk de Heer, want er is niemand dan Gij, en er is geen rotsteen geiyk onze God.
„Maakt liet niet te veel, dat gij hoog, hoog zondt spreken, dat iets hards nit uwen mond zoude gaan, want de Heer is een God der wetenschappen, en zijne daden zijn recht gedaan.
„De boog der sterken is gebroken, en wie struikelen zijn niet sterkte omgord.
„De Heer doodt en maakt levend, hij doet tor helle nederdalen en hjj doet weder opkomen.
„De Heer maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.quot;
Zoo zong Hanna. Toen zij eenige dagen te Silo had vertoefd, keerde zij huiswaarts, maar liet haar zoon, Samuel, achter onder do hoede van den grijzen Eli.
Elk jaar kwam zij echter terug, on bracht voor haar kind een nieuw klee-dingstuk mee, en kon zij zich ervan overtuigen, hoe voorspoedig hjj opgroeide. Maar zij zag en zij hoorde van Samuel nog iets anders. Terwijl de zonen van Eli hoe langer hoe verkeerder zich gedroegen, bleek het reeds vroeg , en met ieder jaar meer, dat in den zoon van Hanna een andere geest woonde. IIij was aangenaam beiden bij den Heer en bij de menschen.
Zoo wies by op van knaap tot jongeling, en hij bleef, zooals zijn moeder dat had beloofd, verbondon aan don dienst van het huis des Heeren. Als een teeken van zijn priesterlijken dienst droog luj een wit linnen kleed. Eens op een nacht lag hij te slapen; en Eli, de hooggepriester, sliep in een vertrek naast het zijne. Toen is hem eene openbaring van den Heer te beurt gevallen, waarvan men in dien tijd nooit of zeldzaam hoorde. In de nachtelijke stilte hoort Samuel duidelijk zijn naam roepen. Hy ontwaakt en staat op, en denkt: Eli zal mij noodig hebben en daarom mij hebben geroepen. Hg gaat dan ook tot den ouden hoogepriester en vraagt wat hij verlangt; maar Eli zegt: ik hob u niet geroepen, leg u weder neder.
Het was nog vroeg in den morgen, want de lampen in den tabernakel brandden nog. Slechts een korte pooze ligt Samuel op zijn legerstede, en daar hoort hy wederom zich roepen bij zijnen naam. Hij staat op, begeeft zich ten tweeden male tot Eli, en andermaal zegt deze: ik heb u niet geroepen.
Als nu echter voor de derde reize de stom zich doet hooren, die „Samuel!
6
82
Samuel!quot; roept, begint by EU het vermoeden op te komen, dat aan Samuel een openbaring van God zal ten doei vallen, en iijj zegt dan ook tot hem: Indien gij nu nóg eens uw naam hoort roepen, dan moet gii antwoorden, en zeggen: „Spreek, Heer, want uw knecht hoort!quot;
Daar weerklinkt waarlijk ten derden male dat geheimzinnig,Samuel! Samuel!quot; en bevend antwoord Hanna's zoon: Spreek Heer, uw dienstknecht hoort.
Welk een ontzachlijk oogenblik in liet leven van dezen jongeling! Welkeen eer, zoo door God te worden toegesproken!
Docli, zoo vraagt g\j, wat had de Heer wel tot hem te zeggen ? Een zeer ernstige, ja verpletterende boodschap voor Eli. God deelt aan Samuel meè, dat Hy op zware wijze den ouden hooggepriester straften zou, omdat hij zijn zonen niet verhinderd had zich openlijk en aanhoudend tegen God te bezondigen. En dat vonnis was onherroepelijk. De Heer zou het beginnen en liet voleindigen.
Samuel legde zich, na deze woorden des Heeren vernomen te hebben, wederom neder, en toen liet morgenlicht was doorgebroken , na dien merkwaardigen nacht, deed hij de deuren van liet heiligdom open. Hij zag er zeer tegen op, Eli te ontmoeten, 't Was toch zulk een ontzettende tijding, welke lijj had over te brengen! Maar Eli eischt van hem, dat hij alles zal zeggen , wat de Heer tot hem gesproken heelt; iüj mocht niets verzwijgen. Toen zegt Samuel het, hoewel hij liet liever voor zich had gehouden. En wat doet Eli ? Wordt hij ontroerd ? Vraagt hij God bevende vergeving en afwending van zóó zware straf? Neen, hij zegt niets anders dan dit: ,Hij is de Heer; luj doe wat goed is in zijn oogen!quot;
Wat daar in dien nacht was voorgevallen, bleef niet verborgen; en weldra wist geheel Israël van Dan tot JBerseha, d. i. van het Noorden tot het Zuiden, dat een profeet in Israël was opgestaan , door wien God aan het volk zich wilde openbaren.
Niet lang daarna werd nu ook aan Eli, en zijne zonen Hofni en Pinehas, het oordeel voltrokken, dat God over hen had geveld.
Er ontstond oorlog tusschen de Israëlieten en de Filistijnen. Het eerste gevecht eindigde met een nederlaag voor de Joden. Toen zeiden zy : welke mag toch de reden zijn, dat God de overwinning geeft aan onze vijanden ? Zou er geen middel wezen, om God te dwingen , dat Hij ons doe zegevieren?
En zy meenden zulk een middel te hebben gevonden. Indien zij, zoo dachten ze, de arke Gods in hun leger meevoerden, die kist des verbonds, welker aangewezen plaats was in het heilige der heiligen, dan zou God het aan Zijn eer verplicht wezen, hen te helpen. Zoo namen zij dan dit heilig voorwerp meê naar hot oorlogsveld, en Hofni en Pinehas kwamen mede.
Eli had dit niet goed gevonden. Iiy had ook nu gezegd: „Niet alzoo, mijne
83
zonen! Gü moest dit liever niet doen,quot; Docli zijn zonen hadden zich om de zoo zwakke vermaning huns vaders niet bekreund, nu evenmin als te voren..
Maar het geduld van God had nu een einde. De Israëlieten leden een volkomen nederlaag; 30.000 mannen sneuvelden ; en tot hun getal behoorden ook Hofni en Pinehas. Doch de grootste smart, welke deze nederlaag aan de Joden berokkende, was de verovering van de Arke Gods door de Filistijnen. Het heiligste voorwerp, dat zij hadden ; dat verzoendeksel, waarboven de heerlijkheid dos Heeren zweefde — in handen van de heidenen! Hoe zouden de Filistijnen daarin juichen, en het beschouwen als een nederlaag, door den hoogen God-zelf geleden; als een zegepraal door een afgod behaald op den eenigen, waarachtigen God! Als deze treurige slag beslist is, veilaat een der Israëlieten, die tot den stam van Benjamin behoorde , de legerplaats, om de droeve tijding over te brengen naar Silo. Wie hem zag gaan , behoefde niet te vragen, welk bericht hij te geven had. Zijne kleederen had bij verscheurd, ten teeken van rouw, en stof gestrooid op zijn hoofd.
Als hjj te Silo verhaalt, wat er gebeurd is, vervult luid gejammer de stad. Hot gerucht ervan drong ook door tot Eli, den acht-en-negentigjarigen man. Hij had in zijn huis geen rust gehad. Zijn geweten beschuldigde hein, omdat hij de aan zijn hoede toevertrouwde Arke Gods had laten meevoeren naar het tooneel van den oorlog. Hij zat dus niet in zijn woning, waarbinnen hot hem te eng was, maar op een iioogen stoel aan de zijde van den weg. Vanwege zijn hoogen ouderdom is hij berooid van 't gezicht, maar het vermogen om te hooren mist bij nog niet geheel. Hy vraagt dan ook, waarom er zulk een ongewone drukte en zulk een gedrnisch was in de stad.
De man, die de boodschap uit het leger had gebracht, nadert nu tot hem , en zegt: Jk ben iemand, die vlood uit don strijd.quot; „Wat is er geschied, mijn zoon?quot; zoo vraagt Eli. En nu vernam de hoogepriester do eeneverschrikkelijke tijding na de andere. Israel's leger is verslagen, en ook zijn beide zonen, Hofni en Pinehas. Maar de Ark, wat was er met do Ark geschied ? VA] was gevallen in de handen der Filistijnen.
Als Eli diit hoort, kan hij zijn evenwicht niet langer bewaren. Zóó hevig werd hy er door geschokt, dat hij achterover viel van zijn hoogen zetel, den nek brak, en onmiddelijk een Hjk was. — Arme Richter! Arme vader!
84
HOOFDSTUK XX. HET OPENBARE LEVEN VAN SAMUEL.
T Sam nol VIT , VUT.
Weinig menschen hebben 7,00 lang en zoo gelukkig over hun volk geregeerd als Samuel, Hanna's zoon. Op een jeugd, door geen ondeugd ontsierd, maar door godsvrucht gekenmerkt, zijn bij hem een mannelijke leeftijd en een ouderdom gevolgd, die voor zijn land tot grooten zegen zjjn geweest. Niet minder dan veertig jaren was hjj Richter over Israël. Hjj was de laatste, die dat ambt bekleedde, de laatste, en ook de beste.
Wij zullen hier op drie dingen u wijzen, die hij, terwijl hij regeerde, voor zjjn volk gedaan heeft. Allereerst op de groote overwinning, welke hy iieeft behaald op do Filistijnen. Dat machtige, talrijke volk had betrekkelijk weinig geleden van de slagen, welke Simson hun had toegebracht; en al hadden zij de Arke des verbonds terug gegeven, omdat God hen plaagde met krankheden , zjj deden Israël hun overmacht zwaar gevoelen. Geen wonder , dat de Joden riepen tot den Heer, hunnen God. Samuel gaf hun de verzekering, dat de Heer hun zekerlijk uitredding schenken zou, indien zjj de afgoden uit hun midden wegdeden — en zij gingen daartoe over.
Toen heeft Samuel een vergadering van het volk bijeen geroepen te Mizpa, en zü kwamen in groote mrnigte. Plechtig en ernstig zendt de profeet voor hen zyn gebeden op tot Gods troon, en zü scheppen water, en gieten het nit voor des Heeren aangezicht, en zü vasten, en belijden ootmoedig: „Wij hebben gezondigd tegen den Heer.quot;
Toen de Filistijnen hoorden , dat de Israëlieten waren bijeen gekomen, werden zij bevreesd, dat dit kon leiden tot opstand, tot een poging, om zich vrij te maken van hun juk. In allerijl snollen zij te wapen, en overvallen de nog to Mizpa vergaderde Israëlieten , die daardoor hevig verschrikt worden.
Zij zouden zeker op de vlucht geslagen zijn, indien Samuel niet bij hen was geweest en hun moed had ingesproken. Hij ofl'erde een offer, en riep tot den Heer, en de Heer verhoorde hem, gelijk Hij Mozes had verhoord, toen deze op den berg biddende de handen tot den Heer ophief, terwijl de Joden streden met Amalek.
Ken hevig onwedor stak op, en brak los boven het hoofd der Filistijnen. Het bracht in hun leger een groote verwarring, zoodat het moeielijk te zeggen valt,
85
of hun nederlaag liet meest aan het vuur des hemels of aan het zwaard der Israëlieten moet toegeschreven worden.
Om de gedachtenis aan deze overwinning levendig te houden, richtte Samuel in de nabijheid van Mizpa een steen op, en noemde hem Eben-Ila'ózer, d. w. z. „Steen der hulpe.quot; Hij wilde daarmee zeggen: „Tot zóó ver heeft God ons geholpen, en ongetwijfeld zal Hij verder helpen.quot;
Zoolang Samuel aan het hoofd van zijn volk stond, hebben de Filistijnen geen aanval meer op de Israëlieten gewaagd; de hand des Heeren was tegen hen, al de dagen van Samuel.
Het wordt van ons niet gevorderd, dat wij de herinnering aan een grooten zegen, of een bijzondere uitredding uit gevaar, welke God ons bewijst, zoeken te bewaren door de oprichting van een gedenkteeken, maar wel mag van ons worden gewacht, dat wij ons ernstig voannmen, geene van Gods weldaden te vergeten, en er Hem telkens voor te danken.
Hadden de Israëlieten reeds, wegens deze hunne verlossing uit de hand der Fi-slijneu, alle reden, om Samuel in eere te houden , hij heeft nog andere, zeer belangrijke diensten aan zijn volk bewezen.
Zoo heeft hij scholen opgericht, die bekend staan onder den naam van profetenscholen. De jeugd werd er onderwezen in de wet des Heeren, in gewjjde muziek en zang, en dikwijls zag men hen langs den weg voortgaande en zingende ter eere van Jehova. Op deze scholen is een geslacht gevormd , minder ruw , beter onderwezen, en meer vatbaar voor 's Heeren woord dan liet volk zulks was geweest in de dagen van de Kichteren. Had Samuel voor Israël niets anders gedaan, dan zou zijn naam reeds daarom met dankbaarheid verdienen vermeld te worden, want de scholen door hem gesticht hebben jaren en eeuwen lang tot een voorbeeld gestrekt, waarnaar de scholen van het joodscbe volk werden ingericht. Aan hem had het volk dus te danken, dat de geest der profetie onder hen niet werd uitgebluscht.
Nu moeten wjj nóg iets van Samuel's openbaar leven vermelden, en ook dat is iets goeds. Hy ging van jaar tot jaar het land rond, om op eenige hoofdplaatsen recht te spreken, leder, die meende zich over een zijner medeburgers te moeten beklagen , bracht dan zijn zaak voor den richter, en deze sprak recht met de grootste onpartijdigheid. Hij liet zich door niets anders leiden dan door de vraag: „Wie heeft gelijk ?quot; Nooit nam hij eenig geschenk aan van dezen of genen, die hem gunstig stemmen wilde. Hjj handelde en sprak naar den eisch van het recht, daarnaar alleen.
Zijne woonplaats had hij te Uama, en wie zal ze tellen, die derwaarts getogen zijn om recht te verkrijgen, om goeden raad in te winnen, om een woord te hooren van bemoediging en vertroosting ?
S()
Daar was één zaak, die Samuel, toen liij ouder werd, ongetwijfeld groot leed heelt veroorzaakt, „'/ijne zonen zoo lezen wij, „wandelden niet in zijne wegen.quot; Voor ouders is er geen grooter en grievender smart dan de ontdekking, dat in liet hart hunner kinderen de zonde de overhand heeft verkregen. Het gebeurt echter niet zelden, dat voortreffelijke, vrome ouders verdriet beleven aan hun kinderen, en dat leed is ook aan Samuel niet gespaard geworden.
Wat deden dan zijne zonen? Zij „namen geschenken aan en bogen het recht.quot; Samuel had hen te Berseba aangesteld als rechters. Zij waren daar ver van hem verwijderd, en maakten zich schuldig aan de grootste zonde, welke een rechter bedrijven kan. Zij lieten door geschenken zich omkoopen. Zy vroegen en deden niet naar hetgeen recht is. Wie hun het meeste aanbood, werd door hen in 't gelijk gesteld. Zoo verdrukten zij de armen en verkrachtten zij het recht.
üeen wonder, dat het volk ontevreden werd, en volstrekt niet verlangde, dat deze mannen, na den dood van hunnen vader, met het hoogste gezag bekleed zouden worden.
De oudsten des volks komen dan ook bijeen te Kama , om over den toestand en do toekomst van het volk te spreken. Niemand zal kunnen zeggen , dat zij Samuel ontzien. Er is in hun woorden iets hards en onvriendelijks, dat ons pijnlijk aandoet. Immers wat zeggen zij tot den grijzen richter? „Ziet, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet in uwe wegen; zoo stelt nu een koning over ons , om ons te richten.quot;
Gij gevoelt, hoe pijnlijk het voor Samuel moet zjjn geweest, zóó te hooren spreken over zijn zonen, en het niet te kunnen tegenspreken. Men had het hem toch wel wat zachter, met wat meerder mededoogen kunnen zeggen.
Doch er was in die woorden iets, dat hem nog meerder pijn deed. liet volk verwierp onbewimpeld den hoogen (rod. Jehova toch was Israel's koning. Als zoodanig had Hij op den Sinaï zijn wetten uitgevaardigd, en was hjj door het volk erkend. Van uit den hemel regeerde Hij het kroost van Jakob, dat Hjj had gebracht in het land hunner vaderen.
Maar de Israëlieten hebben daar geen vrede meê. Zij begeerden een koning, zoo als de andere volken er een hadden; een koning, die in hun midden zichtbaar troonde; die zich stellen kon aan liet hoofd hunner legers; die hun ijdelheid streelde door de pracht en de weelde , welke hjj ten toon zou spreiden, en die, natuurlijkerwijs minder heilig dan de hooge God, een koning zou wezen naar het goeddunken van hun hart. Over deze terzijdestelling van den Heer is Samuel ten diepste bedroefd. Hij weet niet, wat hij daarop zal moeten antwoorden; en daarom heeft hij zijn toevlucht genomen tot den Heer zelf. „Samuel bad tot den Heer,quot; zoo lezen wij. En zeer merkwaardig is het antwoord /.dat hjj van God ontvangen heeft.
Allereerst vertroost hem God. Hjj moest niet al te bedroefd wezen. Het
87
volk liiicl niet zoo zeer hém, als wel God verworpen. Zij wilden een koning hebben naast don Heer.
Doch het moest hun niet geweigerd worden. De onrust en de onveiligheid, welke hadden geheerscht in het tydvak der Richters, hadden bewezen, hoe wen-schelijk het was, dat er een koning aan hot hoofd der regeering stond, die door liet geheele volk werd erkend en grooter macht had dan de Richters, op wier regeering gewoonlijk lange tusschenpoozen van regeeringloosheid volgden. Niet zonder ongenoegen en droefheid laat de Heer er op volgen: „Zjj doen u, wat zij altijd Mij gedaan hebben van den dag af, dat ik hen uit Egypte heb uitgevoerd.quot;
Wij weten het: door trouw en gehoorzaamheid aan God hebben de Joden zich nooit onderscheiden.
Zoo zou Samuel hun dan mededoelen , dat zij een koning mochten hebben. Eerst moest hij hun duidelijk zeggen, wat zjj van zulk een koning hadden tc wachten. Zij zonden aan hem een groot deel van hun vrijheid ten ofl'er moeten brengen. Hij zou hun zonen nemen, en medevoeren in den oorlog: zij zouden hem moeten dienen tot arbeiders op zijn akkers en in zijn wijngaarden ; zij zouden zjjn wapentuig moeten maken en zijn wagenen besturen; hij zon hun dochters nemen, om zjjn zalven te bereiden, zjjn reukwerk en zijn spijzen; hij zou hun beste akkers schenken aan zijn dienaren, en voor hen eischen het tiende gedeelte van hun koren en hun wijn ; met hun knechten, hun runderen en ezelen zou hij zijn werk laten verrichten, en de tienden vorderen van hun kudde. Wanneer zü dit alles ondervonden, dan zouden zjj wellicht roepen tot God, maar Hjj zou naar hen niet hooren. Zy hadden verlangd een Koning te hebben als de andere volken; welnu, zij zouden nu ook de bezwaren aan 't bezit van zulk een koning verbonden , moeten ondervinden en dragen.
Het volk Israël echter liet zich door die voorstelling niet afschrikken. Zij hieven aandringen op de vervulling van hun wensch naar een koning, die hen richten en vóór hun aangezicht uittrekken zou.
De Heer draagt nu aan Samuel op , een koning voor hen te zoeken, cn de Israëlieten gaan henen m do hoop van weldra te zullen vernemen, wie over hen den scepter zwaaien zou.
88
HOOFDSTUK XXI.
SAUL TOT KONING VERKOZEN.
I Samuel IX.
In diezelfde dagen viel er iets voor in het Inüsgezin vim een zekeren man, genaamd Kis, uit den stam van Benjamin, dat aanleiding gaf tot de komst van Israel's aanstaanden koning bij Samuel den profeet. De ezelinnen van Kis waren verdoold geraakt, en daarom gelastte hij aan zijn zoon Saul, met den knecht de afgedwaalde dieren te zoeken en weder te brengen. Van Saul wordt ons gezegd, dat hij nog jong was , eu dat men geen schooner man vond onder de kinderen Israels. Ook muntte hij uit door lichamelijke lengte, zoodat hij met zijn schouders uitstak boven al het volk.
Lang zoekt hij, overal uitziende en vragende, maar van de ezelinnen wordt geen spoor gevonden. Saul geeft den moed dan ook op, en zegt tot den knecht, die bij hem was: „Laat ons wederkeeren. Mjjn vader zal zich over ons uitblijven nog ongeruster en angstiger maken dan over de ezelinnenquot;. De knecht had daar echter iets tegen, en heeft een ander voorstel. Hij heeft zich herinnerd, dat zij in de buurt van Kama waren, dus dicht bij de woonplaats van Samuel. Zij hadden den profeet wel nooit gezien, maar hij wist toch, „dat al wat hij sprak zekerlijk uitkwam.quot; Hij zou ongetwijfeld ook kunnen zeggen , waar zich de ezelinnen bevonden. Saul maakt tegen dit voorstel het bezwaar, dat men nooit tot don profeet kon komen zonder geschenk, en zjj hadden niets om hem aan te bieden. De knecht heeft echter nog eenig geld, de waarde hebbende van ongeveer 35 cents en — dat zal men den profeet aanbieden.
Zoo gingen zij dan naar de stad, waar de man Gods woonde, in hot geheel niet vermoedende, welk een verrassing daar den zoon van Kis zou te beurt vallen.
Immers, wat was er geschied ? De Heer had Samuel reeds den vorigen dag ervan verwittigd , dat lij) den man , die Israels eerste koning zou zjjn, zijn huis zou zien binnentreden, en vandaar dat de richter den jeugdigen Saul op zulk een hartelijke wijze ontving.
Wat toch deed liij? Saul had aan de poort der stad van een jonge dochter, die uitging om water te putten, vernomen, dat Samuel dien dag een oll'erande zou brengen, en daarna mot eenige genoodigden een maaltijd houden. En ziet, midden in de poort daar komt Samuel hem juist tegemoet, en de Heer zegt tot den profeet: Ziedaar do man, van wien ik u gister gezegd heb, dat hjj over mijn volk heerschen zal.
89
Saul kent hem niet, on zegt tot Samuel: „Zeg mij tocli, waar is hier bet huis des Zieners ?quot; En Samuel zegt: „De Ziener, dat ben ik zelf'. Ga met mjj het middagmaal gebruiken, en maak u over de ezelinnen niet ongerust. Zij zjjn gevonden. Maar van wien zal alles wezen , wat men in Israël begeerlijk acht ? Is het niet van u , en van het huis uws vaders ?quot;
Het spreekt van zelf, dat Saul niets van deze woorden begreep. Ook kon lijj zich niet verklaren , waarom Samuel hem ontving, alsof hij een voornaam en vorstelijk persoon was. Er zaten dertig gasten aan, maar Saul ontving de eereplaats. Ook bleek het, dat een aanzienlijk stuk vleesch , een schouderstuk, voor hem bewaard was, en nu op uitdrukkeljjken last van Samuel moest binnengebracht en hom voorgezet worden.
Nadat Saul den nacht als gast van Samuel had doorgebracht, werd hij reeds vroeg gewekt, en had met den profeet een lang gesprek, dat werd voortgezet bjj het verlaten van do stad. Toen zy buiten do poort eu dus uit het gezicht van de menschen gekomen waren, moest de knecht van Saul ook heen gezonden worden, en nauwelijks zijn Samuel en de jonge kloeke zoon van Kis alleen, of Samuel neemt een oliekruik, giet ze uit over Saul's iioofd en zegt: „Is hot niet alzoo, dat de Heer u tot een overste over Zijn erfdeel gezaltd heeft?quot;
Meer dan eens wordt ons in don Bijbel verhaald, dat een koning van Israël tot zijn waardigheid is ingewijd door zalving met olie. Daarom wordt een koning ook wel een gezalfde genoemd. Misschien weet gij wel, wie ook bij do aanvaarding hunner heilige bediening rijkelijk gezalfd werden met olie?
Samuel kust den jongen man, wien h'ij zulk oen ernstige taak heeft opgedragen en laat,hem gaan, na hem nog eonige dingen te hebben voorspeld, die geschieden zouden.
Het was een keerpunt in het leven van Saul, die uitgegaan was om eenige verloren ezelinnen zijns vaders te zoeken, en terugkeert met de wetenschap, dat God hein heeft verkozen tot eersten koning over het volk Israël. GoJ gaf hem dan ook een ander hart; een ernstigen , heiligen zin. Op zijn terugtocht ontmoet hij een aantal profeten, die naar gewoonte, met muziek en zang hun geestdrift uitten voor den Heer. Saul, die dat zeker meermalen had gehoord, zonder er diep door te worden getroffen , wordt er nu zóó door medegesleept, dat hij zich voegt onder de profeten , en luide met hen zingt en getuigt. Zij die hem vroeger hadden gekend en dat zagen, konden niet nalaten ten hoogste verbaasd uit te roepen: Is Saul onder de profeten? Die vraag is tot een spreekwoord geworden bij de Israëlieten en onder ons; ook wy zeggen wel eens, als wij iemand aantreffen onder menschen, bij wie hij vroeger nooit werd gezien: ziedaar Saul onder de profeten 1
Nu Samuel wist, wie door God bestemd was om koning te worden, moesthy
90
zijn maatregelen iioiiiun, opdat het geheele volk met deze keuze van Jen Heer werd bekend gemaakt. Hij riep daarom tot eene plechtige bijeenkomst het geheele Israël samen te Mizpa. Zjj moesten komen „naar hunne stammen en hunne duizenden.quot; Zij, die bijeen behoorden en waren van denzelfden stam, moesten ook bij elkander blijven, want het was een vergadering, waarbij het geheele volk en elke stam afzonderlijk het grootste belang had.
üoor het lot zou worden beslist, eerst uit welken van de twaalf stammen de koning, dien de Heer liad verkozen, wezen zou. Het lot wüst aan, dat hy zou zjjn uit den stam Benjamin. Daarna wordt opnieuw het lot geraadpleegd, en wordt eerst het geslacht waartoe Saul behoorde, en daarna Saul zelf aangeduid, als koning verlcomen.
Natuurlijk was ieder verlangend den koning te zien, en vroeg men, waar hij stond. Doch luj was niet te vinden. Saul, die wist dat het lot op hem zou vallen, had uit schroomvalligheid zich verborgen. Hy schrok terug bij de gedachte aan al die oogen die op hem gevestigd zouden worden , en aan al de oordeelvellingen, waaraan iiij bloot zou staan. Doch het volk wilde tot eiken prijs hem zien , en niet eerder uiteen gaan.
Daarom wordt de Heer geraadpleegd, en komt men te weten, dat Saul zich tusschen „de vaten,quot; wij zouden zeggen tusschen de hagayc verborgen hield. En zij liepen en namen hem van daar, en iiij werd gesteld in liet midden des volks. Nu kon ieder hem aanschouwen! En wat bleek nu? Dat hij zeer groot was. Hij was wel een hoofd langer dan de menschen gewoonlijk zijn. Dat maakte een gunstigen indruk. Een volk ziet gaarne , dat zijn koning een kloeke, rijzige ge-gestalte heeft. Maar niemand is meer met Saul ingenomen dan de grjjze Samuel. Het leed, dat hij draagt over zyn eigen zonen, vergeet hij geheel bij het aanschouwen van Saul, „dien de Heer verkozen heeft.quot; Vol geestdrift roept hij uit: „Ziet 1 gelijk hy is er niemand onder het'gansche volkquot;. En het volk stemt met hem in , en juichend roepen zy uit: „De koning leve!quot;
Met zulk een gunstige gedachte van den jongen koning, gingen Samuel en allen, wier hart God getroffen had, naar huis; maar enkele booze mannen waren ontevreden. Zy meenden, dat het Saul aan moed ontbrak, omdat hy zich had verborgen gehouden. Minachtend riepen zy uit; Wat zal deze ons verlossen! Zjj brachten Saul dan ook geen geschenk. Zij huldigden hem als Koning niet. Maar Saul „was als doof.quot; Hy deed , alsof hij die beleedigende woorden niet gehoord had, en toonde daarmee, dat hij niet opvliegend en licht geraakt was: en zachtmoedigheid, liet heerschen over zich zelf is een groote deugd , vooral in een jeugdig koning.
Slechts korte tijd was verloopen, toen Saul duidelijk bewyzen kon, dat het
91
hem waarlijk niet ontbrak aan moed. Een oude vjjaiul van Israël, de Ammonieten, over wie de liichter Jephta, zooals gij u zelcev nog wel herinnert, luid gezegevierd , deden een inval in het overjordaansche en belegerden de stad Jabes. üo inwoners trachtten eerst met hun eigen krachten den vijand af te slaan, doch toen zjj zagen dat dit hun niet gelukken zou, traden zjj met Nahas, den koning der Ammonieten, in onderhandeling, en vroegen hem, op welke voorwaarde hij het beleg wilde opbreken, en weder aftrekken. Die voorwaarde was hard en wreed.
Hjj wilde ieder inwoner van Jabes het rechteroog uitsteken , en daarmee geheel Israël een grooto schande aandoen. Zy vroegen, na dit ontzettend voorstel vernomen te hebben, zeven dagen uitstel; kwam er in dien tijd geen hulp voor hen uit Israël opdagen, dan zouden zij zich aan Nahas overgeven. Nahas vindt het goed, en de boden van Jabes gaan in al de landpalen van Israël, en verhalen in welken benarden toestand zij verkeeren. Als het volk dat hoorde, hieven zij allen de stem op en weenden. Levendig werden zjj getrofl'en door de gedachte, dat de Ammoniet zulk een wreedheid plegen zou aan een stad, die door Israëlieten werd bewoond.
Evenwel , met die tranen alleen zou Jabes niet zijn geholpen. Juist komt Saul achter de runderen uit het veld. Ofschoon hy tot koning was verkozen , ging hjj voort met, evenals voorheen, zijn bedrijf als landbouwer uit te oefenen. Hij ziet de verslagenheid, welke op aller gelaat te lezen staat, en vraagt: wat is den volke dat zjj weenen ? En toen vertelden zjj hem de woorden der mannen van Jabes.
Nauwelijks heeft Saul ze vernomen, of al wat in hem is wordt er door ontstoken in verontwaardiging en toorn. Üe Geest Gods wordt vaardig over hem. De bewustheid, dat hij over Israël van God tot koning is gesteld , grijpt hem krachtig aan, en nu zal lüj toonen, wie hij is, en wat hij vermag. Hjj noemt een paar runderen, houwt ze in stukken en zendt die stukken in alle landpalen van Israël, door de hand der boden, zeggende: ,Die niet zelf aftrekt achter Saul en achter Samuel: alzoo zal men zijne runderen doen.quot; Deze zinnebeeldige boodschap van den jongen koning maakte op het volk een diepen indruk, cn „zij gingen uit als een eenig man.quot;
Met een groote macht trok Saul naar Jabes op, en de boden, die hadden verhaald, hoe treurig de toestand was in de stad, konden nu terug koeren, en zeggen: „Morgen zal u verlossing geschieden.quot; En zoo is hel werkelijk gebeurd. Saul behaalde over de Ammonieten een volkomen overwinning. Heinde en ver werden zij, die niet sneuvelden, verstrooid en uiteen gejaagd. Daar bleven van hen geen twee te zamen.
Zoo had Saul dan getoond, dat het hem aan moed niet ontbrak. Maar nn
komen er ook tot hem, die verlangen, dat h[j do mannen zou dooden die op den dag van zijn zalving tot den koning hadden gezegd, dat hij bang was, en hem daarom niet gehuldigd hadden. Doch Saul wilde niets daarvan weten. Er zal, zoo zeide hij, te dezer dage geen man gedood worden in Israël, want de Heer heeft heden onder ons een uitkomst geschonken. Zoo toonde hij voor de tweede reize, dat hij zachtmoedig was, en dat hjj zich op zijne vijanden niet wilde wreken. Samuel was om dit gedrag van Saul niet het minst verbljjd, en stelde hem opnieuw aan het volk als koning voor.
Nu is dan ook voor den grijzen richter en profeet het oogenblik gekomen om afscheid te nemen van het volk, aan welks hoofd hij zoovele jaren gestaan had. Hg kon nu de regeering overlaten aan Saul, die zoo goed en zoo dapper was opgetreden. Het was een aandoenlijk cogenblik voor Samuel. Van zjjn jeugd af had hij voor het aangezicht van het volk gewandeld. Ieder kent hein; ieder weet wat hij voor Israël is geweest. En nu hjj afscheid van hen neemt, vraagt lijj niet, dat zij hem met lof en eer zullen overladen, maar één ding, één getuigenis wil hij van hen vernemen , en dat is, dat hij nooit iemand verongelijkt of onderdrukt, en nooit eenig geschenk aangenomen had. Zoowel hij als het volk konden hiervoor den Heer aanroepen als getuige. Wie moet Samuel niet gelukkig noemen, die aan het einde van een lang leven zulk een onergerlijk geweten heeft, en wie zou niet wenschen, dat God ons altyd overlieden geeft, die wandelen en handelen zooals Samuel 'i
Voordat hij henen gaat, richt lijj nog een toespraak tot het volk, waarin hy herinnert aan al de zegeningen, welke God hun had geschonken, en hen ernstig vermaant, den Heer te vreezen en Hem trouweljjk te dienen met het gansche hart. Indien zjj het niet doden, „zij zouden omkomen en evenzoo hun koning.quot;
HOOFDSTUK XXII.
SAUL VALT AF VAN DEN HEER. DAVID GEZALFD TOT KONING.
1 Samuel Mil, XV , XVI.
Het is, alsof Samuel er eeu voorgevoel van had, dat hot met Saul wel eens minder goed kon gaan dan in den aanvang van zijn regeering. Immers hoorden
93
wij hem zeggen, dat niet alleen Israël, maar ook hun koning om zoude komen, indien hij niet met zijn gansche hart den Heer getrouwelijk diende. Helaas, Saul heeft dat niet gedaan. Hij werd, toen hij eenigen tijd had geregeerd, in een zwaren oorlog gewikkeld met de Filistijnen. Die oorlog was daarom vooral zoo moeielijk, omdat de Israëlieten geen zwaarden of spiesen hadden, daar de Filistijnen niet hadden toegelaten , dat er een smid in het land der Hebreëen woonde, die voor hen wapenen kon vervaardigen. Het volk miste dan ook allen moed, en verborg zich in spelonken en doornbosschen en putten.
Aan hen, die bjj Saul bleven , had Samuel doen weten, dat zij op hem moesten wachten, voordat zij iets ondernamen. Langer dan zeven dagen zou hij niet uitblijven. De zevende dag breekt aan , en nog is Saul niet verschenen. Het volk wordt ongeduldig, en denkt er over om uiteen te gaan. Zjj willen niet langer wachten. Daarom besloot Saul over te gaan tot het brengen van een brandoffer. Hij trad daardoor in de rechten van Samuel, den priester des Heeren, en betoonde een strafbaar ongeloof. Nauwelijks is het offer geëindigd, of daar verschijnt Samuel, die met groote gestrengheid vraagt: „AVat hebt gij gedaan ?quot; Als Saul zegt, wat hem heeft bewogen tot het brengen van het offer, zegt Samuel: „Gij hebt dwaas gedaan. Waart gij nu aan my gehoorzaam geweest, dan zou uw heerschappij bevestigd zijn geworden, en uw zoon zou u zijn opgevolgd. Nu zal dit niet het geval wezen.quot; — Dit was de eerste schaduw, welke viel op het leven van den eersten koning van1 Israël.
Niet lang daarna ontving Saul den last van Samuel, om het volk der Ama-lekieten uit te roeien. Hij moest dat doen met de grootst mogelijke gestrengheid. Niemand en niets mocht hij sparen. Hjj zou niet uitgaan om buit te maken, maar om een oordeel, een vonnis te voltrekken, en de Amalekieten te straffen voor de wijze, waarop zjj vroeger de Israëlieten bejegend hadden.
De Heer geeft aan Saul do overwinning, maar do Israëlieten en hun koning doen niet naar het bevel des Heeren. Saul spaart Agag, den koning der Amalekieten , die hem levend in handen is gevallen. Ook werden gespaard de beste en de naast-beste schapen en runderen, — maar alles, dat geen waarde had, werd gedood of vernietigd.
Ood zag het, en maakte het aan Samuel bekend, die er hevig door werd ontroerd, en don ganschen nacht riep tot den Heer. Met welk een droeflieidin het hart is hjj zeker gegaan , om Saul te ontmoeten en alle gemeenschap mot hem af te breken.
Als Saul don grijzen profeet ziet naderen, treedt luj op quot;hem toe, en alsof hij zich zelf niets te verwijten had, ja verheugd was Samuel te ontmoeten , roept luj uit: „Gezegend zjjt gij deu Heer! Ik heb dos Heeren woord vervuld 1quot;
Maar op hetzelfde oogenblik vernam men duidelijk het geblaat en het geloei
94
der schapen en vunderen , die door Saul en zijn mannen uit den oorlog waren meegevoerd, en Samuel vraagt: „Maar welke beesten zijn dat, die wij daar hooren ?quot; En Saul, in plaats van eerlijk te zeggen, hoe ongehoorzaam hij was geweest aan Gods geboden, zegt: „Wjj hebben ze meegebracht van de Amalekieten, want de beste schapen en runderen hebben wy gespaard, om ze den Heer uwen God te otteren; maar de andere hebben wjj gedood.quot;
Samuel laat zich echter door den vromen schijn, dien Saul aan zijn ongehoor-zaamheid weet te geven, niet misleiden, maar geeft een antwoord, waaraan ook wij nog wel gedurig denken mogen. Eerst houdt hij den koning zijn ondankbaarheid voor. God had hem groot gemaakt toen hij klein was, en verheven tot een hoofd over zijn volk. in plaats van nu door gehoorzaamheid zjjn dank te bewijzen, toont hij openlijk zich om (Jods bevel niet te bekommeren. God had gezegd : ,Roei fjehecl Amalek uit. Nieis moogt gij sparen.quot; Dat had Saul meegedaan. En wat betrof dat offeren — hierop had Samuel, in don naam des Heeren, te antwoorden , dat gehoorzaamheid beter is dan offeren.
Wij moeten niet meenen, dat lt;iod zich door ons laat tevreden stellen, indien wij iets van het onze geven aan de armen, maar weigeren te doen wat Hy van ons vraagt. Onze ouders zien ook veel liever dat wij gehoorzaam zijn, dan dat wij hun geschenken geven, of overladen met liefkozingen. Uit de gehoorzaamheid blijkt, dat onze wil werkelijk zich schikt onder Gods gebod. God neemt van ons geen otters aan, als wij ze hem niet brengen met een gewillig hart. „Gehoorzaamheid is beter dan offeranden.quot; Ongehoorzaamheid aan God is eigenlijk hetzelfde als afgoderij, want men toont daarmee iets of iemand hooger te stellen dan den Heer. Dat groote kwaad had Saul nu bedreven, en zwaar zou het worden gestraft. Hij had God verworpen en zijn woord — nu werd hij verworpen van (lod. Geen zoon van hem zou hem als koning opvolgen. God had geen beloften meer voor het huis van Saul.
Na aldus gesproken en gestraft te hebben, wilde Samuel henen gaan, maar Saul zeide: „Ik heb gezondigd, daar ik Gods bevel heb overtreden, want ik vreesde liet volk, en deed wat het zeide. Maar vergeef hot mij en kom met mij terug, opdat ik den Heer aanbiddequot;. Maar Samuel keerde zich niet om. Toen greep Sanl zijn mantel, en inj scheurde. Ziedaar, zeide Samuel, het teeken, dat God liet koninkrijk van u heeft afgescheurd.
Maar nog houdt Saul aan, en smeekt den profeet tegenwoordig te zp bij het offer des volks, en voor de oogen van het volk hem althans te eeren. En eindelijk liet Samuel zich daartoe overhalen.
Als de otterplechtigheid geëindigd is, zegt Samuel op gestrengen toon : „Breng Agag, den koning van Amalek, hier 1quot; (iij herinnert n, dat Saul dien man niet om het leven gebracht, maar , tegen Gods bevel, gespaard had. En Agng nadert.
op allerlei wjjze te kennen gevende, dat lijj voor niets bevreesd is. Wil Samuel hem dooden, liet is hem wel. ,De bitterheid des doods,quot; roept Agag uit, „is geweken.quot; Maar Samuel sprak: „Gelijk uw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zoo zal ook uw moeder kinderloos wezenquot;. En Samuel hieuw hem in stukken. — Nu gaan Saul en Samuel elk huns weegs. Bitter bedroefd over de zonde van den jongen koning, trekt do oude, voormalige Richter over Israël zich terug. Hoe had Saul zjjn verwachting teleur gesteld ! Voortaan kon hij met hem geen omgang meer hebben. Samuel zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe, want hij was leeddragende over hom al zijn dagen.
Herinnert gij u nog wat wij n verhaalden van Ruth, de Moabitische, die arm on hulpbehoevend, als een vreemde , met haar arme schoonmoeder Naomi te Bethlehem kwam, en daar de vrouw werd van den rijken en vromen lioaz ? üij zult u die schoone geschiedenis nog wel herinneren. Welnu, thans moeten wjj u verhalen iets, dat is voorgevallen in het huis van den kleinzoon van Ruth. Ook hij woonde te Bethlehem ; hij heette Isaï, en luj had acht zonen. Wat is er nu in dat talrijk huisgezin voorgevallen? iets zeer zeldzaams en heerlijks.
Terwijl Samuel neerzit in zijn woning, en nog altijd treurt over Saul, dien God had verworpen, zegt de Heer tot hem, dat iiij naar Bethlehem moest gaan. Hö moest olie meenemen, want luj zou iemand moeten zalven tot koning over Israël, en wel een der zonen van Isaï. Het mocht nog niet bekend worden, want dan zou de toorn van Saul zijn gaande gemaakt. Daarom moest Samuel een kalt van de runderen nemen, om het den Heer te offeren, en dan een maaltijd houden , waar Isaï en zijne zonen zouden aanzitten. Wie van de acht zonen door üod tot Koning was uitverkozen — dat zou Samuel kenbaar worden gemaakt op de plaats zelf.
Zoo komt hij dan in het huis van Isaï, en zegt: Nu moet gij mij al uwe zonen vertoonen. Inmiddels had Samuel zijn keus al gedaan. De oudste zoon van Isaï, Elias, was kloek en groot van gestalte, en Samuel dacht: hy zal zeker de toekomstige koning wezen, want hij is even forsch als Saul. Maar de Heer zeide tot Samuel: „Gij moet niet alleen letten op de hoogte zijner gestalte, of op zijn uitwendig voorkomen. De mmch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heer ziet het hart aan.quot; Wie Saul had aanschouwd, met zijn schouderen boven al het volk uitstekende, zou alles van hem hebben verwacht, en toch, hoe droevig had hjj die verwachting teleurgesteld ! De grootste is niet altijd de beste.
Dus Elias was niet bestemd om koning te worden. Na hem stelt Isaï nog zes andere zonen voor aan Samuel, maar telkens zegt de Heer tot zijn profeet; Deze is hot niet. Daarom roept Samuel: „/iijn dit al do jongelingen ? Hebt gij niet nijg een zoon?quot; Mn Isaï zeide.' „De jongste was er niet bij. Hij is in't veld
9()
en weidt de schapen.quot; Dan moet gij hem laten luien, zegt Samuel, want wij nemen geen plaats aan den maaltijd, voordat al mv zonen hier aanwezig zijn. En wie was de jongste? Hij heette David, van wien wij zooveel zullen te verhalen hebben.
Men wacht een pooze — en daar treedt hij binnen, rechtstreeks komende uit het veld, waar hij met staf en slinger de schapen en runderen weidde van zijn vader. Het was een lust hem aan te zien. De blos der gezondheid kleurde zijn gelaat. Ook was hij schoon van oogen en van een zeer innemend voorkomen. Men kon hem niet aanzien, zonder hem lief te krijgen. En de Heer zeide tot Samuel: „Sta op, zalf hem — want Mj is het.quot;
Toen nam Samuel den hoorn, waarin lijj de olie bewaarde, en goot ze uit op het hoofd van David, en alzoo zalfde hij hem tot koning in het midden zijner broederen. Dat hij die eer niet te danken had aan zijn schoon gelaat, behoeven wij wel niet te zeggen. God iiad ook zijn hart aangezien, en daarin gevonden eerbied en liefde voor zijn wet.
Het moet een treffend oogenblik zijn geweest, toen daar die jeugdige, blozende herdersknaap neerknielde in bet midden van zijn broederen, en van Gods profeet de zekerheid ontving, dat hij eenmaal koning wezen zou over zijn volk. Maar dat Samuel zich niet had bedrogen, bleek al aanstonds daaruit, dat de Geest des Heeren vaardig werd over David van dien dag af en voortaan.
Samuel keerde uit Bethlehem terug naar llama en David tot zijn kudde, maar lang duurde het niet, of daar werd do jongste zoon van Isaï geroepen om te verschijnen voor Saul. Wat er met dien koning was geschied — dat verhalen wij in 't volgende hoofdstuk.
HOOFDSTUK XXHT. SAUL EN DAVID.
I Snimicl XVII.
De Geest des Heeren werd vaardig over David — en hij weck, zoo lozen wij verder, van Saul, wien een booze geest van den Heer verschrikte.
Die God verlaat, heeft smart op smart te vreezen. Saul had geen rust en
07
geen vrede meer. Zijn geweten beschuldigde hem. Hij verweet zich zolf zjjn ongehoorzaamheid. Hij kon niet verdragen , dat iemand hem tegensprak. Aanstonds ontbrandde hjj dan in drift en toorn, zoodat het zeer moeielijk was met hem te verkeeren. Daarom hebben zjjn dienaren beraadslaagd over een middel, om Saul zachter te stemmen, en den omgang met hem gemakkelijker te maken. En zij meenden liet werkelijk te hebben gevonden. Zij gaven Saul den raad, iemand te zoeken, die voor hem op den harp kon spelen. Wanneer dan de boozegeest over hem kwam, dan zou het spel weerklinken, en het zou beter met hem worden.
Daar was wel iets van aan. De muziek heeft op onze stemming dikwerf een grooten invloed. Zij kan ons ophelTen en neerdrukken, blij of droevig maken. Maar dat duurt niet lang; wanneer de muziek heeft opgehouden, verdwijnt ook weldra de indruk, dien zij teweeg bracht. Bovendien wordt een mensch dooide muziek niet een heter mensch.
Oy hebt misschien wel eens pijn gehad. Nu kan een geneesheer iets voorschrijven om de pijn te stillen, en in korten tijd is zij dan ook geheel geweken. Doch zoodra het middel heeft uitgewerkt, keert de pijn terug. Ken i/chcc,«middel daarentegen neemt de oormak weg van do smart, en doet haar geheel verdwijnen. Muziek was voor 't geweten van Saul wat een pijnstillend middel is voor een lijder. Zjjn vlagen van toorn en drift keerden telkens terug. Daar bestond voor hem een geneesmiddel, en dat was een hartelijk berouw, een oprechte bekeering tot God. Doch daarvan spraken zijn dienaren niet. Zoo zou men dan omzien naar iemand, die zou staan en spelen voor des konings aangezicht.
De aandacht viel op David, den zoon van Isaï, dien wy reeds kennen. Hij werd aan Saul afgeschilderd als iemand die spelen kon, en dapper was, en verstandig en schoon, en van wien men ook kon getuigen : de Heer is met hem. De koning vond goed, dat David zjjn harpspeler worden zou, en verzocht Isaï hem te zenden. Daar niemand zonder geschenk tot den koning kwam, zoo gaf Isaï aanzijn zoon meê een ezel met brood, en een lederen zak met wijn , en een geitenbokje.
Het was ongetwijfeld voor David een groote overgang van de stille weiden, waar hij de kudde bewaakte zijns vaders, naar het drukke, woelige hof des konings. Ook was liet geheel iets anders te spelen en te zingen in de eenzaamheid , en in een lied het hart uit te storten voor God alleen — dan te spelen voor een grimmig koning, in de tegenwoordigheid van krijgslieden en hovelingen. Doch „de Heer was met Davidquot;, en Saul had een welgevallen in hem. Wanneer dan een booze geest over den koning kwam — nam David debar)),en hij speelde met zijne hand; dat was voor Saul eene verademing, en'het werd boter met hem, en do booze geest week van hem.
Waarschijnlijk heelt echter dit verblijf van David aan het hof van Sanl niet
7
98
lang geduurd. Er gebeurde iets, dat al de gedachten van volk en koning in beslag nam. De Filidijnen verzamelden hun leger ten strijde, on deden een inval in Juda. Natuurlijk werd door het rumoer der wapenen de harp van David overstemd en ter zijde gezet. David keerde terug naar de kudde, naar Bethlehem, en Saul trok uit ten oorlog. Weldra waren de twee vijandelijke legers, dat der Filistijnen en der Israëlieten, in elkanders nabijheid. Slechts een vallei hield hen gescheiden.
Het kwam niet aanstonds tusschen hen tot een veldslag. Wat toch was 't geval ? Tot hun verbazing en schrik zien de Israëlieten uit liet legerkamp der Filistijnen te voorschijn treden een kampvechter, iemand, die alleen met een der mannen van Saul strijden wilde. Hij had een voorkomen , wel geschikt om vrees aan te jagen. Zijn lengte was buitengewoon. De bijbel zegt: zijn hoogte was zes ellen en een span , d. i. bijna drie meter. Van top tot teen was hy zwaar gewapend. Hjj droeg op het hoofd een koperen helm; zyn borst omgaf een schubachtig pantsier, en tusschen zijn schouders droeg hij een koperen schild. Dat pantsier dat hij droeg, woog alleen ruim 103 pond. In zijn handen zwaaide hij een spies, waarvan de schacht zoo dik was als een weversboom, en de kling 14 ponden woog. En een man, die zijn schild droeg ging vóór hem heen. De grond dreunde, waar hjj zijn schreden zotte. En deze reus — Goliath geheeten — treedt uit het kamp der Filistijnen op de slagorden van Israël toe, en spreekt tot hen op een uitdagende wijze.
Hij zeide, dat bij bereid was te strijden met een der manschappen van Saul, dien zij zouden aanwijzen, en die tot hem afkomen zou. Het zou dus een tweegevecht zijn. Won hij het, dan zouden de Israëlieten de Filistijnen tot knechten zijn. maar won de dienstknecht van Saul het, dan zouden omgekeerd de Filistijnen zich onderwerpen aan de Israëlieten.
Toen hy geen antwoord bekwam, sloeg hy een minachtenden toon aan, en zeide: „Ik heb u heden uitgedaagd, en gehoond, en toegeroepen: Geef my een man, dat wij tezamen strijden!quot;
Het zal u wel niet verwonderen , dat den Israëlieten by het zien en hooren van Goliath de schrik om het hart sloeg. Zij ontzetten zich en vreesden zeer. Niemand verklaarde zich bereid om met zulk een tegenstander den strijd te aanvaarden. Den volgenden dag keert Goliath terug en herhaalt zyn uitdaging. Maar by Saul en zijn krijgslieden heeft de vrees de overhand. Dit ging eenige dagen zoo voort. Eiken morgen stelden de legers zich tegenover elkander, en trad Goliath te voorschijn, dan beving groote vrees, ja de neiging tot vluchten de gemoederen der Israëlieten. Dit alles was het smartelijkst en krenkendst voor Saul. Te vergeefs spoorde hij zijn dapperste krijgslieden aan, om don kamp met Goliath te beproeven. Ja, hot baatte niets, dat hij don overwinnaar een bij-
zondere onderscheiding beloofde. Hij liet namel}jk bekend maken, dat hy, die Goliath versloeg, de dochter des kouinifs tot vrouw zou ontvangen. Maar de onzekere geringe kans om oen kampvechter als Goliath te verslaan, liet hen koud voor het aanbod van Saul, die met eiken dag meer verlegen werd met dit ongedacht geval. Hij is echter uit zijn verlegenheid gered, en aan Israël is een schitterende zegepraal bereid door David. Hoe kwam hij in 't leger, en op welke wijze versloeg hij Goliath ? Dit gaan wij u thans verhalen.
Er waren drie zonen van Isaï mee opgetrokken met het leger. Het is voor ouders een tijd van groote spanning, wanneer zjj hun kinderen blootgesteld weten aan al de gevaren en vermoeienissen van den oorlog. Ook Isaï, die reeds een oud man was, en daarom niet zelf meê had kunnen gaan, maakte zich dikwerf zeer ongerust over het lot van zijn zonen. Eindelijk kon hij zyn ongeduld , zijn verlangen naar tijding niet meer bedwingen. Hij besluit David te zenden naar het legerkamp, om berichten in te winnen omtrent zjjn broeders. IHj kreeg geroost koren en broeden meê voor hen, en tien melkkazen voor hun overste, en ten teeken, dat hij hen in welstand had aangetroffen, moest bij een pand van hen medebrengen.
Zoo maakt dan David zich des morgens vroeg op, laat de schapen over aan den hoeder, en gaat met hetgeen zp vader hom heeft medegegeven op weg. Hij komt in de legerplaats aan, juist op den tijd, waarop de mannen uittogen en zich in slagorde stelden. De vaten , waarin zijn geschenken geborgen waren, gaf hy aan den opziener daarover ter bewaring, en hij spoedde zich naar de slagorde, waar hij weldra ziju broeders aantrof, wien hij naar hun welstand vroeg.
Tenvyi hij met hen sprak — zie, daar verschijnt weder, als naar gewoonte, de kampvechter, de reus Goliath. Hy daagt weêr alle Israëlieten uit, om met hem den kamp te wagen, en voegt er woorden aan toe, waarmee hy zich zeer oneerbiedig uitliet over den hoogen God.
En alle Israëlieten deinzen terug, vol vrees voor den Filistyn. „Hebt gijquot;, zoo roepen zjj David toe, „hebt gij dien man wel gezien, die opgekomen is? Hy is opgekomen om ons te hoonen.quot; David ziet en hoort dat alles met levendige teekenen van afkeuring. Men ziet het den jongeling aan, hoe die vrees van zu'n landgenooten door hem wordt betreurd. Hoe is 't mogelijk, zegt hy, dat gy dezen heiden de slagorden van den levenden God laat smaden?
Als Eliab, zijn oudste broeder, die ook „groot was van gestaltequot;, David op die wjjze hoort spreken , ontstak luj tegen hem in toorn. Op onmendeiyken toon beweert hy , dat David zeker weggeloopen is van de schapèn uit nieuwsgierigheid. „Ik ken u welquot; , zoo riep h'ij hem toe, „gij wildet zeker den strijd eens zienquot;. David liet zich echter door die onvriendelijke woorden niet uit het veld slaan , maar vroeg: „Wat heb ik gedaan? Is er geen oorzaak?quot; Hy wendt zich dan
100
ook van zijn broeders af, en verklaart luide aan allen, die hem omringen, dat lijj liun gedrag en hun vreezo een schande vindt voor Israël en oen smaad, den
hoogen God aangedaan. , ,. ,
Het duurde niet lang, of er stond een kring van krijgsknechten rond om David , die hem met belangstelling gadesloegen. Door het leger begint zich het gerucht te verspreiden, dat zich iemand had aangeboden om den strijd met Goliath te wagen, en weldra dringt het ook door tot Saul. Aanstonds laat de Koning David ontbieden, en onvervaard zegt nu de jongste zoon van Isaï: .Niemand behoeft bang te zijn voor dezen iïilistijn. Ik zal heengaan en met hem quot;strijden.quot; Maar Saul zag don tengeren jongeling aan, en zcide ongeloovig: Dat zult gij niet kunnen doen. De kansen zjjn al te ongelijk, üij zjjt een jongeling, ongeoefend in den krijg, en Goliath is eeu krijgsman van zijn jeugd af.quot; Gij bemerkt het: Saul zag ook slechts aan , wat voor oogen is. Hy begreep niet, dat David zijn sterkte zocht in iets anders dan in do lengte van de gestalte en in bedrevenheid in 't gebruik van wapenen. Wat antwoordde hij dan ook op de twijfelmoedige woorden van Saul ? „Uw knecht weidde de schapen zjjns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, die een schaap wegnamen van de kudde. En ik ben deze dieren nagegaan en ik versloeg ze , en redde het schaap uit hun muil, en toen zij tegen mij opstonden, vatte ik hen bij den baard, en sloeg hen, en doodde hen. God nu, die rnjj kracht gaf, om deze wilde dieren te verslaan . zal mij ook helpen tegen dezen heidenschen Filistijn, die de slagorde
hoont van den levenden God.quot;
Dat was nu de taal des geloofs. En Saul, ofschoon hij zelf dat geloof miste, gevoelde, dat het een grooter kracht is dan zwaard en spies. Daarom zeide hy dan ook tot David: .Ga heen, en de Heer zij met u
Saul, en hierin waren het al zijn dienstknechten met hem eens, baul meende dat David niet eerder tegen Goliath moest optrekken, voordat hij behoorlijk als een krijgsman gewapend was. Hj staat zelf zijn eigen wapenrusting af aan den jongeling, die zulk een stout stuk ging ondernemen. Hij zet hem een koperen helm op het hoofd, gordt hem een pantsier aan en een zwaard, en meent, dat hy nu behoorlijk is toegerust. Maar als David in deze voor hem zoo ongewone uitrusting eenige schreden doet. zegt hy , dat het hem onmogelijk is daarmee te gaan Al dat koper, al die kleederen benauwden en bezwaarden hem. Hy legt ze dan ook weder af. Hy wilde gaan, zooals hij altijd gekleed was. Voor het zwaard neemt hy den staf; hy hangt zich de herderstasch om, grijpt zyn slinger op, en als hij in de tasch vijf gladde steenen uit de beek heeft gestoken — treedt
hy op Goliath toe, sterk in zijnen God. . ,. 4,
De Israëlieten zagen zeker met een bevend hart den slanken jongeling te vooi-schün komen. Zeker waren er onder hen, die zich niet begrijpen konden waarom
..... . :r^;
s-gt;, -.^Av.t ^1.
IW' '
.
'
■ .......
101
Saul dezen herder, die golieel onbedreven was in de strijdkunst, iiet had vergund voor Israël op te komen. Maar Goliath was niet alleen verwonderd, doch ook verontwaardigd. Hy meeride, dat Saul hem bespotten wilde door een ongewapend jongeling tegenover hem te stellen. Op den toon van gekrenkten trots roept lijj uit: „Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met een stok?quot; En hjj vloekte David bjj zyn afgoden. Dat hy door David zou kunnen overwonnen worden — hjj deukt er niet aan. Hy vond het ongegrond en onmogelijk. Neen , hy achtte zich zeker van den zegepraal. „Kom tot mijquot;, zoo roept by David toe , „en ik zal uw vleesch aan do vogelen des hemels geven, on aan de dieren des veldsquot;. En tegeiyk treedt hy op David toe.
Bijna ieder zou de vrees voor zulk een tegenstander te sterk zyn geweest; maar niet alzoo David. Hy laat zich door Goliath's zwaard, en spies, en schild niet vervaard maken: maar roept hem toe, dat hjj kwam in den naam van den Heer dor legerscharen, dien de Filistyn had gehoond. En die Heer verlost niet door het zwaard of door de spies. Dat zou Goliath ondervinden.
Terwijl David deze woorden zegt, loopt hy op Goliath toe met groote vaart. Uitz'yntasch haalt hy een steen te voorschijn, legt dien in den slinger—en daar vliegt de steen, gonzende henen, en treft den Filistijn in het voorhoofd. Duizelend valt Goliath op zyn aangezicht ter aarde. Als David dat ziet, snelt hy op hem toe, trekt het zwaard van /yn vyand uit de schede, en houwt er hem liet hoofd mede at'. Alzoo had hjj over Goliath volkomen gezegevierd.
Wy kunnen ons voorstellen, met welk een gejuich deze nederlaag van den ge-duchten kampvechter door de Israëlieten werd begroet. En als de Filistynen, die zich nu hadden overgeven moeten, in strijd met de afspraak op de vlucht gingen, hebben de Israëlieten hen vervolgd tot ver in hun eigen land.
David was nu de held van den dag , en op eenmaal de gunsteling van het volk. Zelfs een zoon van Saul, Jonathan geheeten, vatte eene hartelijke liefde voor hem op, en deze twee jonge mannen sloten samen een verbond van vriendschap, zoodat Jonathan zyn mantel allegde en zijn zwaard, en verlangde dat David ze van hem zou overnemen.
De Israëlieten waren inmiddels zeer bUjde, dat zij weder terug konden koeren tot hun woniny , van een oorlog, die aan niemand uit hun gelederen het leven had gekost. De vreugde over hun terugkomst behoefde dus niet met rouw over de gesneuvelden gepaard te gaan, en de vrouwen gingen dan ook uit, overal waar het leger doortrok , en by het geluid van muziekinstrumenten zongen zy elkander de woorden toe: „Saul heeft zijn duizenden verslagen, en David zijn tienduizenden !quot; Zy verhellen dus David verre boven Saul, die , zoo lezen wij , daarover in toorn en afgunst ontstak. Hy was boos, niet alleen omdat David meer werd geprezen dan hij, maar hij zig in den overwinnaar van Goliath aan-
102
stonds den man , die eenmaal koning wezen zou. En van dien dag aan rustte
zijn oog onheilspellend en dreigend op David.
Reeds den anderen dag, terwijl David stond voor zijn aangezicht en speelde, grjjpt Saul onverhoeds zijn spies en werpt ze af op David, die erdoodelijkdoor zou getroffen zijn , indien hij niet ter zijde was geweken. Saul kon de tegenwoordigheid van David niet langer verdragen, en stelde hem aan in t leger, waarschijnlijk hopende, dat hü in een der vele gevechten omkomen zou; doch de Heer was met hem. Hot volk sloeg hem dan ook met toenemend welgevallen gade, en Saul vreesde hem, zoodat hi) geen geheim meer maakte van zijn voornemen , om hem te dooden
Te vergeefs trachtte Jonathan zijn vader zachter to stemmen , en wees hem er op, hoe David toch niets had misdreven, maar integendeel aan volk en koning groote diensten bewezen had. Saul beloofde, dat hy David geen leer zoude doen. Doch niet lang daarna werd de booze geest weder machtig over hem, en nogmaals tracht hij den zoon van Isaï met zijn spies te doorboren. David ontvlood en ging naar zijn woning tot Michal, de dochter van Saul, welke hem tot vrouw was gegeven, omdat hij Goliath verslagen had. haul liet echter de woning van David bewaken, om hem 's morgens te kunnen dooden, maar Michal liet hem door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte en ontkwam. Daarop nam Michal een beeld en leide dat in David's bed, en dente dat toe met een kleed. Toen nu de boden van Saul kwamen , om David e halen, zeide Michal: ,Hij is ziek.quot; Saul liet daarop zeggen, dat men David dan maar op het bed tot hem zou brengen, want gedood moest hy worden, iocn kon het niet langer verborgen blijven, dat Michal het leven van haren man had gered.
Niemand was over deze onrechtvaardige handelwijze van Saul meer bedroe dan Jonathan. Hij ging tot David op de plaats , waar deze zich verborgen hield , en beloofde hem naar waarheid te zullen mededeelen, al wat zijn vader over hem besloten had. Nu , dit was niot twijfelachtig. Toen Jonathan het waagde aan een maaltijd iets te zoggen tot verdediging van David, ontstak Saul's toorn zóó hevig togen zijn zoon, dat hij de spies op hem afschoot, om hem te slaan. Vol droefheid on verontwaardiging stond Jonathan op van do tafel, want hij bemerkte nu, dat het plan om David te dooden bij zijn vader vaststond.
Den anderen dag was hy by David, om van hem afscheid te nomen. En dat al-scheid is hartelijk on roerend geweest. Zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat David luidkeels snikte. Toen zeide Jonathan: „Ga in vrede! Hetgeen wy
beiden in don naam des Hoeren gezworen hebbende, zeggende: Do Heer zy tusschen mij on tusschen u, en tusschen myn zaad en uw zaad — dat zy tot in eeuwighoid!
Daarna stond David op, en ging heen ; en Jonathan kwam in de stad.
|
. ... ... ■ ........ ..... ............ | |||||||||||
|
| |||||||||||
ic'-hmh amp; • ■ ■
103
HOOFDSTUK XXIV. DAVID'S OMZWERVINGEN SAUL'S DOOD
1 Sam. 31—
Het zal David hard gevallen hebben, van zijn boezemvriend Jonathan, van zijn bloedverwanten, van zjjn Vaderland te moeten scheiden, en te vluchten, om zijns levens wil. Hy had toch niets misdreven. Neen, juist omgekeerd ; lijj was de redd'er van zijn volk geweest, en nu was zijn loon de doodeljjke haat van Saul. Wij zullen hem hier niet volgen op al zijn wegen gedurende de jaren zijner ballingschap , noch alles verhalen kunnen van hetgeen staat opgeteekend aangaande zijn ervaringen, terwijl hij voor Saul vluchtende was. Nu eens was hjj in zyn vaderland, dan in den vreemde. Had hij soms eenigen tijd van rust, dan weder werd hy vervolgd, en gedreven van de eene schuilplaats naar de andere. Had het geloof in God hem niet gesterkt, zeker „hg was vergaan in al zijn smart en rouw.quot;
Eerst vertoefde hy het meest in liet zuiden van Juda, niet ver van de landpalen der Filistijnen, maar hy kon op de inwoners niet rekenen, die hem zekerlijk met verraad zouden hebben overgeleverd aan Saul. Eenmaal had Saul hem zelfs omsingeld, en hij stond reeds op het punt, David en zyn mannen gevangen te nemen, toen er een bode kwam tot Saul, zeggende: «Haast u en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.quot; Toen moest hy wel zyn vervolging staken,
David maakte daarvan gebruik, om uit te wijken in de richting van de Doode Zee. Daar is een woest bergland, met haast niet te beklimmen steilten, en met tallooze kloven en spelonken, waar het zeer moeilijk is iemand te achtervolgen en gevangen te nemen. Saul wil dit echter beproeven ; hij neemt drie duizend kloeke en dappere mannen, en trekt uit. om David te zoeken boven op de rotssteenen, waar gewoonlijk slechts de klipgeiten een weg weten te vinden. En wat geschiedt ? Saul komt aan een spelonk , en treedt er binnen om in hare koelte te rusten tegen de hitte van den middag. Het was een zeer ruime spelonk , die diep in den berg doordrong. In diezelfde spelonk, maar achterin, hield zich David schuil. Van uit zyn donkere schuilplaats ziet hy duidelijk . hoe Saul binnentreedt, en zich ter ruste heeft nedergelegd. Ook zyn makkers zien het. En wat is hun eerste gedachte ? Dat God hun als het ware Saul in handen geeft.
Alzoo dacht David er echter niet over. Wel komt hy, zonder gedruis te maken naar voren , cn staat een oogenblik stil bij den slapenden Saul. Zal hy hem dooden ? O, 'tware zeer gemakkelijk geweest het te doen ; maar David dacht daar
104
niet aan. Hjj doet wat anders. Hij neemt /.ijn zwaard, en .snijdt stilletjes een slip van Saul's mantel. Hy doet het met oen kloppend hart. Hjj zag in den Koning don Gezalfde des Hoeren : dat bleef Saul, hoe zeer hij ook misdeed. En daarna trekt David zich weer terug in do diepte en hot donker dor spelonk , eu wacht tot Saul is ontwaakt, en de spelonk verlaten heeft. Daarna komt hy uit de grot, en roept Saul achterna: „Mijnheer Koning 1quot; En met al de teekenen van eerbied, die men den Koning verschuldigd is, buigt David zich met het aangezicht ter aarde. Daarop toont hy Saul de slip des mantels, die hy had afgesneden , en zeide: Zoo zeker als ik dit heb gedaan, had ik u kunnen dooden, maar ik heb het niet gewild. Ik heb in niets tegen u gezondigd; en nooit, myn vader, zal ik u leed doen, nooit zal mijn hand tegen u zyn ; maar waarom vervolgt gij mij dan ? Doet gij mij onrecht — de Heer zal mij recht doen, en myn zaak beslechten.quot;
Saul werd door deze woorden van David diep getroilen. „Is dat uwe stem , myn zoon David ?quot; zoo riep hij uit, en hjj hief zijn stem op en weende. Ook zeide hij: „Gy zyt rechtvaardiger dan ik, want gij hebt my goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden.quot; Ook liet hij David zweren dat hij, als hij ooit Koning werd, nooit het geslacht van Saul zoude uitroeien.
Terecht heelt men gezegd , dat de wijze, waarop David te Engedi heeft gehandeld met Saul, een grooter heldendaad mag hoeten dan zyn overwinning op Goliath behaald. Immers staat er geschreven: Die zyn ziel overwint, is sterker dan hij die een stad inneemt. — Verstaat gij dat? — Dat David echter niet altijd zoo volkomen heerschte over zijn geest, blykt uit de geschiedenis, welke wij thans verhalen gaan, en waarin een vrouw, Abigail geheeten, de hoofdpersoon is.
In de woestijn van Maon , te Karmel (niet te verwarren mot een berg, die ook zoo boette), woonde een man Nakd geheeten. Hij was zeer ryk. Hy bezat o. a. 3000 schapen en 1000 geiten. Met al zijn rijkdom bezat hy echter geen groot verstand; ook deed hy dikwijls zeer verkeerde dingen , maar zyn vrouw Abigail was niet alleen schoon van gedaante, doch ook goed van verstand.
Eens in 't jaar werden Nabal's schapen geschoren, en bij die gelegenheid vierde hy steeds een groot feest. Het was juist, terwijl zulk een feest voor de deur stond, dat David met zyn mannen in de nabijheid van Karmel zich ophield. Hij zond daarom tien jongelingen tot Nabal, die moesten vragen naar zijn welstand, en hem mededeelen, dat David's mannen steeds in goeden vrede hadden verkeerd mot zyn herders, nooit iets met geweld van zijn kudde hadden genomen, maar integendeel dikwerf zijn vee hadden beschermd. En nu vroegen zij een geschenk, opdat zij evenals de knechten van Nabal leest zouden kunnen vieren.
De tien jongelingen brengen dit verzoek van David over, doch worden op zeer
105
onbeleefde en beleodigende wijze door NuIjuI beantwoord. ,Wie is David ?quot; zoo roept hij hen too ; „en wie is de zoon van Isiii? Een der vele knechten, die zich afseheiden van liun wettige meesters; een oproerige! En zou ik de spjj/.e, die ik voor mijn knechten bereid heb, geven aan mannen die ik niet weet, van waar zy zjjn ?quot;
David's jongelingen keoren terug, en brengen die woorden van Nabal over. En nu ontsteekt David in hevigen toorn. H\j wil de beleediging hom aangedaan wreken ; en hjj zal het doen op bloedige wijze. „Een iegeljjk gorde zijn zwaard aan 1quot; zoo roept hy zyn mannen toe. En weldra trekt hij uit, aan het hoofd van vierhonderd gewapende mannen. Er is geen twijfel aan, of David zou Nabalen zyn onderhoorigen om liet leven hebben gebracht, indien Abigail niet dit kwaad had afgewend. Een barer knechten kwam Abigail in allerijl berichten welk een geduchte wraak David kwam nemen over Nabal's woorden. Hij deelde haar mee , iioe veel Nabal eigenlijk aan David en zyn mannen veplicht was, die nacht en dag als een muur om hem geweest waren, terwijl zy de schapen weidden. Doch nu waren Nabal's dagen geteld — tenzij dan dat Abigail dit dreigend gevaar wist af te wenden.
Zy begrijpt, dat geen tyd te verliezen valt, en zal doen wat zij kan, om het leven van haar man en zijn huis te redden. Zy neemt twee honderd brooden , en twee lederen zakken met wijn, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren , en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen , en legt die oi) ezelen. Nabal mocht daarvan niets weten, maar zonder het hem te zeggen, begeeft zij zich op weg David te gemoet.
Toen zy David zag, ging zy van den ezel, waarop zij gezeten was, en viel, diep zich buigend neder voor hem, met het aangezicht ter aarde. Daarop sprak zij hem op treilende wijze aan. Zy ontkent niet, dat haar man onverstandig had gesproken. Had zij de jongelingen van David maar gezien, dan zou alles geheel anders zijn gegaan! Maar David moest aan Nabal niet meer denken, doch liever er dankbaar voor wezen, dat zij hem verhinderen kwam, bloed te vergieten. David zou er later zelf spijt van hebben. Zij smeekt hem daarom de geschenken aan te nomen, die zy h'Vl meegebracht, en voorspelt hom, dat hij eenmaal koning zou wezen, en dan zou hy er met blijdschap aan denken, hoe het door haar toedoen was voorkomen, dat bloed zonder oorzaak vergoten werd.
David is er den Heer dankbaar voor, die Abigail hem tegemoet had gezonden; want, ware zulks niet geschied, niemand van Nabal's huis zou in 'tleven zijn gebleven. Hij noemt dan ook haar geschenken aan, on zoido, toon zij weder henenging: „Trok met vredo op naar uw huis, zie, ik heb naar nw stem gehoord.quot;
Met groote voldoening over liet welgelukken van don tocht, keert Abigail terug naar.haar woning. Daar is een maaltijd aangericht, alsof het een konings-
106
maaltijd is, en Nabal dronk wyu meer dan goed was. Daarom zeide Abigail dien dag niets van het levensgevaar, waarin bij had verkeerd, en waaruit /,[) hem had gered. Maar den volgenden morgen, toen hjj geheel ontnuchterd was, gaf zü bom al die woorden te kennen. Toon bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en bij werd als een steen. Roerloos lag hjj daar neder , tien dagen lang. Toen blies hjj den adem uit. David zag in dien plotsolingen dood van Nabal een oordeel van God, die zelf de beleediging, hem aangedaan, als gewroken had.
Korten tijd daarna werd Abigail David tot vrouw. Niet lang echter duurde de rust, waarin David zich verheugen mocht. Het werd heimelijk aan Saul bekend gemaakt, waar hij vertoefde, en wederom trekt de koning uit met een talrijke legermacht, om den zoon van Isaï gevangen te nemen. David werd echter door verspieders goed op de hoogte gehouden, zoodat hij steeds wist waar zijn onverzoenlijke vijand vertoefde.
Eens had Saul zich gelegerd op een heuvel, niet verre van de woestijn, waarin David zich ophield. Als 't nacht is geworden , komt David mot een vertrouwd vriend, Absai geheeten, nader, en ziet: al de manschappen van Saul liggen daar, verzonken in een diepen slaap. In een eenigzins versterkte plaats ligt ook Saul neder — en aan zijn hoofdeinde steekt in de aarde de spies, welke David zoo goed kende, omdat hij er, als hij stond voor den koning en speelde, zoo dikwerf met vreeze op had gelet. Ook Abner ligt niet verre van den koning en slaapt.
Toen zcide Abisaï tot David: God geelt beden uw vijand in mv hand; laat mü nu toch met de spies hem op eenmaal ter aarde slaan. Doch David wil daar niets van hooren. Ook nu eert bij in Saul den gezalfde des Hoeren. Hoe Saul ook aan zijn einde komen moebt — nooit, zegt David, zal liet geschieden door mijne hand. Maar wel vergunt bij het Abisaï, de spies eu de waterflesch van Saul mee te nemen. Mn er was niemand, die ben zag, en niemand, die ben merkte, ook niemand, die ontwaakte, want zij sliepen allen. Er was op hen gevallen een diepe slaap des Heeren. üelieel ongemerkt verlaten David en Abisaï dus het leger. En als zij op een berg, op een grooten afstand, geklommen zijn, roept David in de stilte van den nacht, met luide stem Abner toe: ,Hoc slecht waakt gij over het leven van uw koning! Ziet eens, waar de spies en waar de waterkruik is van uwen heer! Voorwaar gij verdient door uw gebrek aan waakzaamheid don dood te stervenquot;. Saul is inmiddels ontwaakt, en terstond herkent hij David's stem, en nog eenmaal komt, na een toespraak van David, liet betere gevoel des konings boven. Hij erkent, dat bij verkeerd beeft gehandeld; hij belooft, hem voortaan geen kwaad meer te zullen doen, en verzoekt hem meé terug te keeren. David gaf echter aan dat verzoek geen ge-
107
hoor, en vroeg, dat Sanl de spies terug zou laten halen. Toen ging David 741« weg, en Saul keerde weder naar zijne plaats. Hoe jammer, dat deze etrste koning van Israël zoo gclieel geraakt is onder do macht van den boezen geest der zonde.
Hoewel hjj had beloofd David geen kwaad meer te zullen doen, zoo achtte deze zich toch niet langer veilig in zjjn vaderland. Ik zal nog een der dagen door Saul's hand omkomen , riep hy moedeloos uit. En om daartegen veilig te zijn , besloot hjj uit te wijken naar het land der Filistijnen. Met de zeshonderd mannen , die zich bjj hem hadden aangesloten, wendt hij zich tot een der Fili-stijnsche koningen , tot Achis, en vroeg van hem een zijner steden , om daar rustig te wonen. En de koning gat hem Ziklag. Hier heeft David langer dan een jaar gewoond, en er meer dan één tocht ondernomen, waarmee luj een dienst bewees aan de Israëlieten, zonder zulks te zeggen aan koning Achis.
Nu begon evenwel de tijd te naderen, waarop de omzwervingen van David een einde zoude nemen. Er brak wederom een groote oorlog uit tusschen de Israëlieten en de Filistijnen. Dit bracht David in een groote moeielijkheid. Als bondgenoot , of liever nog als leenman van Achis , werd hij opgeroepen, om met de Filistijnen op te trekken tegen Israël. Zoo moest hy , de overwinnaar van Goliath , strijden aan de zijde van het volk , dat lijj eens zulk een groote nederlaag had bezorgd. Hy kon er zich evenwel niet aan onttrekken — maar als hy in het leger der Filistijnen verschijnt, weigeren hun vorsten hem in hun gelederen toe te laten. „Weet gij nietquot;, zoo roepen zij Achis toe, „dat deze man dezelfde is van wien men heeft gezongen : David heeft zijn tienduizenden verslagen ? En wilt gij dien man met ons doen optrekken tegen de Israëlieten ? In het midden van 't gevecht verlaat hjj ons , en loopt hy over tot onze vijanden, die zijne landgenooten zijn. En daarom doe hem wederkeeren tot do plaats,van waar hy gekomen is.quot;
Achis moest daarop aan David mededeelen, dat hij hem wel volkomen vertrouwde, maar dat luj toch berusten moest in den wil van de andere vorsten. „Gjj z-ijtquot; , zoo verzekerde hij, „aangenaam in mijne oogen als een engel Gods, maaide oversten der Filistijnen hebben gezegd; Laat hem met ons in dezen strijd niet optrekken.quot;
Zoo maakte dan David zich des morgens vroeg op , en keerde weder tot Ziklag. Hij dacht natuurlijk niet anders, of hij en zijn mannen zouden daar hun woningen, hun vrouwen en kinderen wedervinden , zooals zij hen hadden verlaten. Maar hoe zijn zij in die verwachting bedrogen!
Nauwelijks waren David en z'ijn soldaten twoc dagen afwezig, of de Amale-kieten , een zwervend roofvolk, deden een inval, staken Ziklag in brand en namen al de inwoners gevangen en voerden hen mede. Gedood hadden zij
108
niemand, maar zy hadden alles meegenomen. Zoo vond David dan bjj zjjn terugkomst niets dan de puinlioopen van de stad zijner woning. Geen wonder, dat liij en zjjn mannen begonnen te weeneu, zoo luid en zoo lang, totdat er geen kracht meer in hen was.
Maar als zij op zulk een hartstochtelijke wijze lucht hebben gegeven aan hun droefheid, begonnen zjjn mannen te ontsteken in toorn togen David. Zjj beweerden, dat het gebeurde zijn schuld was.
Zy spraken er zelfs over, hem te steenigen; maar David deed beter. Zagen zijn mannen op een mensch — hij zag omhoog. Zonder Gods beschikking was dozo ramp hun niet overkomen, maar dan zou zjj zeker nog ten goede kunnen worden gekeerd. „En David sterkte zich in den Heer zijnen God.quot; Dit is een treilend woord, waaruit bljjkt, dat David niet alleen in voorspoed,maar ook in zeer donkere oogenblikken zjjn kracht en blijdschap vond in den Heer.
Nog dienzelfden dag besloot hij, na den Heer te hebben geraadpleegd, de hem nog niet bekende vijanden te achtervolgen. Met de 000 mannen, die by hem waren, begeeft hy zich op weg, doch weldra bleek het. dat 200 van hen te moede zyu, om verder te gaan. Hy liet hen dus achter, en trok met de 400, die overbleven, verder. En zy vonden een man, die bewusteloos op den weg lag. Met een teuge waters en met rozynen doen zjj hem tot zyn bewustzijn wederkeeren, en verkwikken z'j hem, want in geen drie dagen en geen drie nachten had hy iets gegeten of gedronken. Als zy hem ondervragen, bljjkt het, dat hij een knecht is van een Amalekiet. Omdat hjj krank was geworden, had zijn meester hem onbarmhartig achter gelaten, en zich over zjjn lot niet bekommerd.
Het bleek verder, dat hy zeer wel wist, waar de rooverbende zich ophield , en hjj is bereid David daarheen te geleiden, indien deze belooft hem niet te zullen overleveren in de hand van zyn voormaligen heer. Dit beloofde David, en niet lang duurt het, of daar aanschouwt hij de Amalekieten, op uitgelaten wijze feestvierende, en lucht gevende aan hun blijdschap over den rijken buit, dien' zij zoo gemakkelijk vermeesterd hadden. Zij lagen her- en derwaarts over de aarde verstrooid, etende , en drinkende, en dansende, en moeieiyk viel het David niet, hen te verslaan, zoodat van hnn talrijk leger slechts vierhonderd jonge mannen ontkwamen , die de vlucht namen op hun kemelon.
David zag en kreeg alles terug wat de Amalekieten uit Ziklag geroofd hadden , dus ook zijn beide vrouwen, en al de kinderen van zijn onderhoorigen, met hun schapen en runderen. Alzoo keerde hij zegevierend en dankbaar jegens den Heer naar Ziklag weder, doch niet, om er lang te blijven, want wat was er met Saul geschiede Dit verhalen wij u in liet volgende hoofdstuk.
109
HOOFDSTUK XXV.
SAUL'S DOOD
T Sam. 31.
Daar staat in den Bjjbel: Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreesen. De waarheid van dat woord zien wjj ook bevestigd in hetgeen met koning Saul is gebeurd in zijn laatste levensuren, en by zijn sterven.
Er was namelijk weêr een oorlog uitgebroken tusschen de Israëlieten en de Filistijnen. Gelijk hjj zoo dikwerf' had gedaan , riep Saul zijn volk ten strijde, en betrok hy een legerplaats tegenover deu vijand. Het dal Jizreël was de plaats, waar hy zijn mannen had vereenigd, tegen een gebergte aan, dat den naam droeg van Gilboa. Tegenover hem, ook tegen een gebergte aan , waren de Filistyneii gelegerd.
Het had Saul voorheen nooit aan moed ontbroken; integendeel, hij was een dapper Koning geweest. Doch nu vreest hij, als lijj het vyandelijk leger ziet, en zyn hart beeft zeer.
Waren dan de Filistijnen buitengewoon sterk in getalen, en de Israëlieten weinige en zwak van krachten ? Neen, hierin moeten wy niet de oorzaak zoeken van de vrees, die Saul's hart vervulde en hem deed beven.
Zooals hy vroeger meestal deed — hij vraagde den Heer, hem raad te geven, hem te zeggen , wat hy doen of laten moest. Doch hoe Saul ook vraagt, en bidt
— de Heer geeft geen antwoord; noch door een droom openbaart Hyquot; zich; noch door het woord van een profeet; noch door een geheimzinnig middel de Urim genaamd, waardoor de priesters Gods wil konden te weten komen. God bewaart tegenover Saul een volkomen stilzwijgen.
Wat beteekende dit ? Wat wilde God daarmee te kennen geven? Dat Hy zich met Saul niet meer bemoeide, hem geheel en al overliet aan zich zelf. En dit kan Saul niet verdragen. Had de Heer hem maar bestraft, hem het verschrikkelijkste laten verkondigen : ziet, dat zou lichter te verdragen zyn geweest dan die akelige onheilspellende stilte. Hy wil weten wat hem wacht. Openbaart God zich niet
— welnu dan zal hy toevlucht nemen tot toovery, tot een waarzegster.
Ten allen tijde zijn er menschen geweest, die beweerden dat zy de toekomende dingen konden voorspellen, welke voor anderen verborgen blijven. Zulke menschen waren er ook in Israël, en velen gingen tot hen, om door hen met de toekomst bekend te worden gemaakt. Toen Saul aan de regeering kwam , had hy, zooals hy meende, de waarzeggerij uitgeroeid , maar in stilte was zy
110
blijven voortbestaan. En ziet, nu neemt Saul zelf cle toevlucht tot hetgeen hy vroeger, als strijdig met Gods wil, had vervolgd en gestraft.
Hij vraagt zjjn knechten, of zjj niet weten , waar de waarzegster woonde, die hem de toekomst voorspellen kon. Het blijkt, dat zyn knechten dit zeer goed weten, want na eenige aarzeling geven zij ten antwoord: „Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.quot; Hierop legt Saul de kenteekenen af van zijn koninklijke waardigheid en kleedt zich als een gewoon Israëliet. Twee mannen neemt hjj, als de nacht gevallen is, met zich mee , en vertrekt naar Endor. Zij kloppen aan bij de tooveres, en Saul vraagt haar: „Voorzeg mjj door den waarzeggenden geest, en laat injj uit het graf opkomen, dien ik u noemen zal.quot; Hij doet er bovendien een eed op, dat zij voor haar bedrijf niet zal worden gestraft. „Wiens geest moet ik dan doen opkomen ?quot; vraagt de tooveres; en Saul antwoordt: „Doe mjj Samud opkomen.quot; Een oogenblik daarna zegt de vrouw met luide stem, dat zij een groote gestalte, een oud man met een mantel bekleed , zag oprijzen. Toen neigde Saul met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich.
,Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, en mjj doen opkomen ?quot; vraagt Samuel: en Saul zegt: „Omdat ik zoo beangstigd ben; want de Filistijnen voeren oorlog togen mij en God is van mjj geweken, en geeft geen antwoord, wanneer ik tot Hem bid.quot;
Daarop kondigt Samuel aan, dat de slag met de Filistijnen zeer slecht voor Saul zou eindigen. Zijn volk zou worden verslagen, en hy zou zelf omkomen. En niet alleen luj — ook zijn zonen zouden vallen door het zwaard der Filistijnen. Zoo lang als hy was viel Saul ter aarde, ontroerd door hetgeen Samuel tot hem had gesproken, en hij had geen kracht om op te staan, want hy had den geheelen dag en den geheelen nacht geen brood gegeten.
De tooveres heeft medelijden met den rampzaligen koning, en wil hem niet laten gaan zóó uitgeput en zoo geheel terneer geslagen. Zy en zyn knechten leggen hem op een bed, en terwijl hij rust, wordt oen maaltijd gereed gemaakt van vleesch en brood, en Saul met zijn knechten aten er van. Daarna stonden zy op. en gingen weg in dienzelfden nacht.
Des morgen's vroeg is Saul weder in het leger, als do slag met de Filistynen aanvangt. Het was hun kennelijk allermeest er om te doen, Saul en zijn zonen te dooden; en niet lang duurde het, of Jonathan en twee van zyn broeders lagen daar neder doodeUjk getroffen. Saul leeft nog , maar de pijlen der vijanden snorren hem als een dichte regen om het hoofd. En in zijn vrees zegt lijj tot zijn wapendrager; trek uw zwaard en doorsteek mjj, opdat ik niet gedood worde door de Filistijnen. Maar zijn wapendrager wilde dat niet doen. Toen deed Sau 1 het zelf. En als zijn wapendrager zag. dat zijn heer en koning dood was , stortte
Ill
ook h(j zich in sqja zwaard, en stierf met hem. — Alzoo stierf Saul, en zijne drie zonen, en zijn wapendrager, en tal van zijn mannon op één zelfden dag tegelijk.
Des anderen daags k'-vamen do Filistijnen, om de lijken dor gesneuvelde Israëlieten te plunderen. Daar vonden zjj op hot gebergte Gilboa ook de lijken van Saul en zijne drie zonen, en hebben er zeer meedogenloos en onedelmoedig mede gehandeld. Zij hieuwen de hoofden der dooden af, en hechtten hunne van kleederen beroofde lichamen vast aan den muur te Both-San , opdat ieder hen bespotten en verachten zou. Hun wapenen werden in liet land rondgezonden en daarna als zegeteekenen neergelegd in een afgodischon tempel.
Wolk een droevig en smadelijk einde van een Koning, die door öod zoo uittormate was verhoogd , on die zoo goed begonnen was. Welk een vernedering voor liet Joodscbe volk, dat op die wijze zijn koning en koningszonen zag onteeren.
Doch, laat ons nu verhalen een edele daad van dankbaarheid en moed, door enkele Israëlieten verricht. Gü herinnert u, dat Saul, toen hij nog slechts korten tjjd Koning was, de stad Jabes heeft verlost uit een groot gevaar oude smaadheid afgewond, waarmee do Ammonieten haar inwoners bedreigden. Welnu, ofschoon het veertig jaar was geleden, dat Saul hen had verlost — vergeten zijn zij het niet. Zjj kunnen hot niet verdragen , dat het lijk van Saul daar blijft tentoongesteld aan de muren van Heth-San. Aan die onteering van hun Koning en bevrijder willen zij een einde maken. Tegen 't vallen van den avond maken de strijdbare mannen van Jabes zich op, gaan den goheelon nacht door, en zjj nomen 't lichaam van Saul en zijn zonen van den muur, en voeren die droevige overblijfselen met zich, die ze eervol ter aarde bostellen onder de boomen van Jabes. En ten toeken van hun rouw vastten zjj zeven dagen.
Ziet, dat was edel van die mannen gehandeld. Daar is nóg een hulde gebracht aan de nagedachtenis van Saul. Vraagt gy : door wien ? wij antwoorden: door David. Toen deze hoorde, dat zijn vijand en vervolger was om't leven gekomen, heeft hij zich daarin niet verheugd, maar is hy zeer bedroefil geworden. Als hij 't zich levendig voorstelt, hoe die twee krachtige en vereerde mannen. Saul on Jonathan, daar nederliggen, gevallen in den slag, zij, die vlugger dan arenden en sterker dan leeuwen waren, werd zyn hart vervuld van de diepste smart, en gaf hy bet lucht in een aandoenlijk lied , dat zijn hart eer aan doet, en dooide Israëlieten getrouw is bewaard geworden.
112
HOOFDSTUK XXVI. DAVID KONING OVER JUDA.
2 Sam. T—IX.
Zoo was dan David verlost van zijn machtigen en lieftigen vijand, en hij vraagt: of God nu wil, dat iiij in zjjn land terngkeeren zal ? Dit was inderdaad Gods wil, en David vestigde zich te Hebron, waar de mannen van Juda kwamen en hem zalfden tot Koning over hunnen stam. De verwachting van David, dat ook de andere stammen komen, en hem tot hun Koning uitroepen zouden, werd niet vervuld. Immers verkoren de overige Israëlieten, die niet tot den stam van Juda behoorden, een zoon van Saul, Isboseth geheeten, tot hun Koning. Alzoo waren er twee Koningen over de Israëlieten, en dit heeft geduurd zeven
jaar en zes maanden.
Er was dientengevolge ook geen vrede. Zelfs is liet gekomen tot een gevecht tusschen het leger van David en dat van Isboseth. De voornaamste krijgsoverste van Isboseth heette Abner, en onder zijn aanvoering trokken de manschappen op naar Gibeon. Toen trokken ook de dienaren van David uit, en zij werden aangevoerd door Joab. Toen de legers tegenover elkander stonden, stelde Abner voor, dat er uit elk leger twaalf kloeke mannen zouden te voorschijn treden , die met elkander strijden, en den kamp beslissen zouden. Joab nam dien voorslag aan, en weldra gingen van weerszijden twaalf mannen tegen elkander in. Zij deden het echter met zulk een heftigheid , dat in zeer korten tjjd niemand hunner meer in 't leven was. De een greep den ander bjj het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zjj vielen te zamen.
Daar de slag door dezen kampstrijd der tweemaal twaalven niet was beslist, ontstond or een gevecht, waar al de mannen aan deelnamen, en waarin Abner's leger weldra aan het wijken werd gebracht. Abner zelf vluchtte ook.
Nu had Joab, David's veldheer, drie broeders, van welke de jongste, Asahel geheeten , buitengewoon snel kon loopen. Op die vlugheid zijner voeten vertrouwende, loopt hjj Abner na, en tracht hem van achtèr aan te vallen en te dooden. Abner, die hem kent, en hem niet wil terneder vellen (ofschoon hem dat niet moeieiyk moest vallen) daar Asahel zooveel jonger was, en ook omdat hij zijn broeder Joab niet vertoornen wil, vraagt hem dringend, niet langer achter hem aan te loopen en hem te vervolgen; maar Asahel gaat er toch meê voort, hij weigerde af te wijken. Toen hield Abner stand , om zijn leven te verdedigen tegen den lieftigen, maar roekeloozen aanval van Joab's jeugdigen broeder, en velt hem met een stoot van zijn lans ter aarde. Weldra is het lijk
113
van den onbezonnen jongeling door een aantal van zijn strijdmakkers omringd , die het byna niet kunnen gelooven , dat hy, dien zjj eenige oogenblikken te voren zoo snel en zoo sterk hadden zien voortijlen, daar nu dood en roerloos nederlag.
De slag eindigde met een volkomen overwinning van David's leger.
Toen Isbóseth zeven jaren had geregeerd, en het voor allen hoe langer hoe duidelijker werd, dat David toenam in macht, terwijl de zoon van Saul steeds zwakker werd, besloot Abner den Koning, dien hij tot dien tjjd had gediend, te verlaten, en de zjjde te kiezen van Davici. Hij maakt daarvan geen geheim, maar lijj spreekt het openlijk uit „vcor de ooren van Benjaminquot; en tot de oudsten van Israel, en begeeft zich mot twintig mannen naar Hebron, waar hij door David ontvangen wordt. Hij belooft aldaar te zullen bewerken, dat geheel Israël met David een verbond maken , en hem als Koning erkennen zal.
Na het eindigen van den maaltijd , waarop dit was afgesproken, laat David Abner gaan, en hij ging in vrede. Doch ziet, eenige oogenblikken later komt Joab van een der vele strooptochten terug, waardoor hij afbreuk deed aan de volken die het joodsche land omringden, en hoort, dat Abner juist vertrokken is, na door David vriendelijk te zijn ontvangen. Hij is daar zeer vertoornd over, en zendt op zijn eigen gezag Abner boden na, die hem terugbrengen, geheel buiten David's weten. En als Abner te Hebron komt ~ wordt hij aan de poort ontvangen door Joab, die hem ter zijde voert, als om hem in vertrouwen te spreken, maar hem onverhoeds het zwaard in de borst stoot, zoodat hy stierf. Joab wreekte zich door dezen verraderlijken moord over den dood van Asahel. David gaf duidelijk te kennen, dat hij deze daad van zijn veldheer betreurde en afkeurde. Weenend stond hjj by Abners grat, en dichtte op hem een lijkzang. Hy sprak een geduchten vloek uit over het huis van Joab, en den ganschen dag tot zonsondergang onthield hij zich van spijze. Het volk zag hieraan met welgevallen , dat hun Koning onschuldig was aan den moord van Abner.
De kracht van Isbóseth was nu geheel gebroken, zijn handen werden slap, en zijn volk werd verschrikt. Ook hij is door de hand van moordenaren omgebracht.
Twee mannen overvielen hem, toen hy op het midden van den heeten dag rustte op zyn slaapstede, en namen zyn hoofd, en begaven zich daarmee naar David. Als zij by hem komen, en hem toonen, wat zy medebrachten, zeggende : „Alzoo heeft de Heer mijnen heer den Koning wraak gegeven van Saul,quot; ontsteekt David in hevigen toorn; hy noemt hen goddelooze mannen, die een rechtvaardig man in zijn huis op zyn slaapstede hebben gedood — en geeft last, dat men hen, nadat hun handen en voeten waren afgehouwen, zou ophangen aan den vijver te Hebron, Het hoofd van Isbóseth werd echter begraven in Abner's graf te Hebron.
Toen kwamen al de stammen van Israël tot David, en zeiden: „Zie, uw ge-
8
114
beente en vleesch zijn wij.quot; Zij wilden daarmee zeggen: wü behooren bij elkander, wü willen samen één volk uitmaken. En David aanvaardde do regeeiing, met goed vertrouwen op God. Hij was toen ruim •quot;gt;7 jaar oud, en dus in de volle kracht van zün leven. Hij besloot Jeruzalem te maken tot de hoofdplaats van het land ; daartoe verdreef hij de heidenen, die daar nog woonden , uit de burg, het hoogste , sterkste gedeelte der stad, en heeft er zich voor goed gevestigd- Nu begint het luisterrijkste gedeelte van zijn regeering — maar de bijbel vergeet niet te vermelden, aan wien David dit alles te danken had. Wat toch lozen wij? „De Heer, de God der legerscharen, was met hem.quot;
Hij sloot een verbond met Hiram , den koning van Tyrus, die hem cederhout zond , om een paleis te bouwen, en daar de Tyriërs zeer bedreven waren in velerlei handwerken , zond hij er timmerlieden bij. Zoo vinden wij dan na zoo veel jaren van omzwervens den zoou van Isaï, dien Samuel te midden van zijn broeders te Bethlehem gezalfd had, gezeten op den koninklijken troon, en, wij willen nu het een en ander verhalen, dat onder zijn regeering en met hem zelf
is voorgevallen. . ...
Een der grootste verdiensten van David bestaat luenn, dat hij de Fihstynen en andere volken , die zoo menigmalen de Israëlieten hadden aangevallen, heeft verslagen en onderworpen. Moesten do Israëlieten vroeger schatting opbrengen; David's overwinningen hadden ton gevolge, dat zij nu schatting ontvingen. Hij kon dat doen, daar niet hij alleen uitmuntte door moed, maar hij ook werd gesterkt door dappere veldheeren, en door een leger, dat b'ij voortrellelijk wist te oefenen en aan te voeren. Wij kunnen hior do lange lijst van de overwinningen, welke hij behaalde en van den buit, dien hij maakte, niet mededeelen, maar wij vermelden alleen. dat die lijst zeer groot is, en ons een hooge gedachte geeft
van David's bekwaamheden als krijgsman.
Doch er zijn andere redenen, waarom zijn naam met eere verdient genoemd te worden. Hü stelde levendig belang in do openbare vereering van God. Het was hem een behoefte en een blijdschap, als hij op den Sabbath met het volk den Heer prijzen en verheerlijken kon. Op velerlei wijze heeft luj dit bewezen. Zoo heeft hij de ark des verbonds, welke, nadat zjj in de handen der l- ilistijnen was gevallen , op meer dan één plaats had vertoefd, gebracht naar Jeruzalem. Hij deed het met do grootste hartelijkheid en met een heilig ontzag. Hij zelf ging aan den stoet, die de ark vergezelde, voorop, gekleed niet als een koning, maar als een priester in een linnen gewaad, Als zij, die de ark droegen, zes schreden voortgegaan waren, stonden zij stil, en werd er een os en een vet kali geslacht. In zijn blijdschap was het David niet genoeg te gaan, neen, hij Imppdde met alle macht „voor het aangezicht des Heeren.quot; Alzoo bracht men de ark op met gejuich en met bet geluid dor bazuinen. En als de ark was ge-
115
plaatst in de voor haar bestemde tent, deelde David aan het volk, zoowel aan de vrouwen als aan de mannen, brood uit, en wjjn en vleesch. Men ziet uit dit alles, met hoeveel belang-stelling hjj voor deze zaak was vervuld.
Toen luj dien dag thuis kwam, wachtte hem een minder vriendelijke begroeting van zijne huisvrouw Michal, Saul's dochter Zij meende, dat liet niet betamelijk was, dat een koning voor het oog van zijn volk, op zulk een iu 't oog vallende wijze lucht gaf aan zijn blijdschap. Men zou, zoo dacht zü, zich vroolyk maken en spotten met zulk een huppelenden koning. Michal begreep niets van de geestdrift en de opgetogenheid van haren koninklijken en godvreezenden man. David antwoordde op haar bestraffing, dat hij nederig wenschte te blijven, ook nadat God hem had verhoogd, cn dat hij zich niet schaamde, ook voor do oogen van dienstmaagden zyu blijdschap te toonen in den Heer. Het wordt als een blijk van Gods ongenoegen over dit gedrag van Michal vermeld, dat zjj haar leven lang kinderloos is gebleven.
De arke Gods werd geplaatst in een tent. David vond echter de gedachte ondragelijk, dat luj woonde in een fraai paleis van cederhout, terwijl de ark des Heeren stond „tusschen gordijnen.quot; Hij vatte dus het plan op, om een tempel te bouwen. De profeet Nathan, aan wien hij dat voornemen meedeelde, gaf er hem zijn blijdschap over te kennen, want hij keurde hot goed. Doch in den eerstvolgenden nacht maakte God hom bekend, dat hij in een anderen geest tot David spreken moest. God vond het in den koning zeer te prijzen, dat hij het voornemen had opgevat, om een tempel te bouwen. Daaruit toch sprak zyu begeerte, om den Heer te eeren. Maar God vond het evenwel beter, dat David dit werk, dat hij volvoeren wilde, niet ondernam. „Hy was een krijgsman; hij had bloed vergoten.quot; Wel wordt dit hem niet als zonde aangerekend, maar het bouwen van een tempel kon beter geschieden in een tijd van vrede. Daarom is dit werk dan ook onder David's opvolger verricht, zooals wy later zullen zien. David maakte echter dat werk gemakkelijk, door alvast bijeen te brengen, hetgeen er toe van noodo was, zooals geld, hout, ijzer en andere bouwstoften.
Zou God dus, bij David's leven niet worden verheerlijkt in een prachtigen tempel , toch zou het Zyn dienst niet aan luister ontbreken. David heeft zich daarom veel moeite gegeven, om de openbare vereering van God te bevorderen. Dit deed hij o. a. door het gezang der gemeente te verbeteren. Zyn gave als dichter, waarvan wy vroeger reeds hebben gesproken, en die in zijn jeugd reeds was gebleken , gebruikte hy als koning, om liedereu te vervaardigen, bekend onder den naam van psalmen, waarvan wy er nog verscheidene in den bijbel vinden, en in ons kerkboek. Weet gij Iioevele psalmen wij daar aantreffen? En welke leent gy ? Het is goed , dat men den Heer love , en den Allerhoogste psalmen zinge!
]16
Hebben wjj zooveel goeds te verhalen van David's openbaar leven, als veldheer en als voorganger van zjjn volk, wij willen u thans ook iets rnededeelen, waaruit blijkt, dat deze man, zoo geducht en zoo hard vaak voor zjjne vijanden, ook toegankelijk was voor zachter en edelmoediger aandoeningen. Op zekeren dag liet David onderzoeken , of er nog iemand in leven was van Saul's huis. Om den wille van Jonathan wilde hjj hem weldadigheid bewijzen. Een man, die knecht was geweest in het huis van Saul, werd ondervraagd, en hy deelde meê, dat nog een zoon van Jonathan in leven was, kreupel aan beide voeten. Toen David had vernomen, waar die zoon van zijn onvergetelijken vriend Jona-than zich ophield, liet hij hem ontbieden; lijj heette Mefiboseth; en als Mefibo-seth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zoo viel hij op zjjn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide : Mefiboseth! En hjj zeide: Zie, hier is uw knecht.
Daar is zeker veel in het hart dier beide mannen omgegaan bij die ontmoeting. Ongetwijfeld werd David levendig herinnerd aan den vriend zijner jeugd, zijn trouwen vriend Jonathan. En Mefiboseth moest daar in al zijn koninklijke macht een man aanschouwen, dien God boven zjjn vader en grootvader had verkoren, zonder nog te weten, wat David met hem voorhad. Doch hij wordt terstond gerust gesteld door drie beloften, welke de koning hem doet. Allereerst belooft David, dat hjj zal doen wat hy aan Jonothan's zoon verplicht is. Hij zal toonen, dat hy de vriend is van Mefiboseth's vader. Vervolgens beloolt hij, dat hy al de akkers, die aan Saul hadden toebehoord, hem terug zal geven. Hij neemt dus de eenige wraak, welke God wil, dat wy zullen nemen. En welke is zij ? Dat wij hmad vergelden met goed. Den kleinzoon van zyn vervolger en doodvijand maakt David tot een rijk man. En dan belooft David nog iets. Mefiboseth zou gedurig eten aan zijn tafel, ja gelijk gestold worden met des konings zonen. Wat moet het dezen ongelukkigen zoon van Jonathan, die byna niet gaan kon, niet goed gedaan hebben, zoo met vriendelijkheid en eerbewijzen te worden overladen! Hij is er dan ook diep door getroffen, en komt te Jeruzalem wonen, omdat hy gedurig de gast des konings zou zyn. — Maar, zoo eindigt het verhaal des bijbels, „Mefiboseth was kreupel aan zyn beide voeten.quot;
Wy zouden nog meer goede en dappere daden van David vermelden kunnen. Zoo stelde hy vele ambtenaren aan, om onder hem het volk te besturen of recht te spreken ; maar veel te lang zou het ons ophouden, wilden wy hier opsommen het goede door hem verricht. Liever vermelden wy, dat hy , op het toppunt gekomen van zyn macht, en na over zyn vijanden te hebben gezegevierd, uit den mond van den profeet Nathan vernam, dat God zyn koninkrijk bestendigen zou. Met zijn geslacht zou het niet gaan als met dat van Saul. Zijn zoon zou hem opvolgen en die zou den Heer een huis bouwen, 's Heeren goedertierenheid
117
zou van hem niet wjjken. De Heer zou hem zyn tot een vader, en hy zou den Heer zijn tot een zoon. Het koningschap zou in zijn geslacht bljjven tot in eeuwigheid.
David hoorde deze beloften aan met de diepste ontroering. Ook werd hy er niet hoogmoedig door, maar op den toon der oprechtste nederigheid roept hij uit: , Wie ben ik, Heer, en wat is mjjn huis, dat üjj rnjj tot hiertoe gebracht hebt?quot;
Hoe gaarne zouden wjj nu kunnen zeggen, dat het leven van dezen koning over Israël tot het einde zich heeft gekenmerkt door godsvrucht en reinheid, maar de Bybel verhaalt ons meer dan één zonde door David bedreven, en meer dan één onheil, hem daardoor overkomen. Wjj spreken hierover in een volgend hoofdstuk.
HOOFDSTUK XXVL
DAVID KONING OVER JUDA.
(Vervolg.)
If Samuel XI—XVIII.
Er werd weder een veldtocht ondernomen, en Avel tegen de Ammonieten. David ging met zyn leger niet mede, doch bleef te Jerusalem. In dien ledigen tjjd is hjj tot groote zonden vervallen, wat dikwerf gebeurt, want de luiheid is het oorkussen des duivels. David heeft de vrouw van een züner trouwste krijgslieden wederrechterlyk tot zich genomen, en haar man in het gevecht zóó doen plaatsen , dat hy' wel moest sneuvelen. Hy overtrad dus het zevende en hel achtste van de Tien Geboden des Heeren. De vrouw, om wier wille hy zondigde, heette liathseba, en haar man, die op David's last omkwam, Uria. Zoo zien wij ook hier, hoe de eene zonde de andere voortbrengt.
Wat ons vooral leed doen moet, is dat wjj bü David eerst geen teeken zien van berouw. Hy leeft voort, alsof er niets door hem was misdreven. Maar nu wordt hy dan ook op gevoelige wijze wakker geschud , want deze zaak was kwaad in des oogen des Hoeren. God zendt tot hem Zyn profeet Nathan , die David de volgende gelijkenis verhaalt: Er waren in een stad twee mannen. De een was rijk, en de ander arm. De ryke man had vele schapen en runderen , maar de arme had in 't geheel niets dan een eenig klein ooilam, dat hy heel
118
klein had gekocht, en groot had gebracht tegelijk met zijn kinderen. Het lam at van zijn brood, en dronk uit zjjn beker, en sliep in zijn schoot; het was hem als een dochter. Doch wat gebeurt? Onverwacht krggt de rijke man bezoek van een reizende, en in plaats van een van zijn vele schapen of runderen te nemen om dat den vreemdeling voor te zetten , neemt hij van don armen man het eenig ooilam, dat hy heeft en slacht het en laat het door den reizende nuttigen. Hier zwijgt Nathan: maar David ontsteekt in toorn en zegt: Zoo waarachtig als de Heer leeft — de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods! En dat ooilam zal luj viervoudig weergeven, omdat hij zich niet heeft ontzien dit te doen.
Het moet onzo verwondering opwekken, dat David niet gevoelt, wat Nathan met zijn verhaal bedoelt. Had David dan niet tegenover Uria gedaan Avat de rijke man deed met den arme? Wij zien en veroordeelen zoo dikwerf en zoo hevig in een ander het kwaad, waaraan wü ons zeiven schuldig maken. Nathan laat dan ook niet na, David de toelichting te geven van de gelijkenis. Hoor, hoe lüj den Koning toespreekt: „Gij zijt die man! Zoo zegt de Hoer, de God Israels ; Ik heb u tot Koning gezalfd over Israel, en heb u verhoogd, en ü vele vrouwen gegeven. Waarom hebt gij dan dit kwaad gedaan, en 's Heeren woord veracht, door Uria te laten ombrengen, en zijn huisvrouw u tot een vrouw te nemen ? Voortaan zal het zwaard van uw huis niet wijken. Er zal geen vrede meer in uw woning zp. En hebt gij die zaak gedaan in 't verborgen — het oordeel, dat ik er over voltrekken zal, zal worden aanschouwd door geheel het volk.quot;
Nu ontwaakt David uit de bedwelming, waarin de zonde hem had gebracht, en op den toon der diepste smart en van het oprecht berouw, zegt hij: „Ik heb gezondigd tegen don Heer!quot; Dat zjjn weinig woorden, maar zij zeggen alles , wat God vraagt van een boetvaardigen zondaar. Dat wij tegen God hebben gezondigd : dat moest ons grootste verdriet zijn. God scheldt David dan ook zijn zonde kwijt, maar de gevolgen van zyn overtreden zullen niet achter blijven. En een eerste blijk van 's Heeren ongenoegen zou wezen, dat het kind van David en Bathseba zou sterven. Na alzoo zjjn moeielijken last trouw te hebben volbracht, ging Nathan weder naar huis, en weldra werd het kind van Bathseba ernstig ziek. David was daarover zielsbedroefd; een ganschen nacht lag hij uitgestrekt ter aarde biddende en vastende, óf God zich ook liot bewegen , om het kind te sparen; maar op den zevenden dag stierf het kind. Zijn knechten durfden het hem niet mededeelen, maar toen hij zag, dat zij op gedempten toon onder elkander spraken, vroeg hij: „Is het kind dood?quot; en zij zeiden: „Het is dood.quot; Tot de verbazing van zjjn dienaren stond David toen op van de aarde, en wiesch en zalfde zich, en ging in het huis dos Heeren en aanbad. Toen kwam zü in zijn huis on eischte brood, en hij at. Waarom? Waarom kan hij,
110
nu zijn kind gestorven is, dat alles doen, terwijl hij, toen het kind nog leefde, zich niet liet vertroosten? Hij gaf er zelf deze treffende verklaring van: „Toen het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, want ik zeide: wie weet, do Heer zou mij mogen genadig zijn, dat'het kind levend bleve. Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten ? Zal ik hem nog kunnen wederhalen ? Ik sal ivd tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wedcrhomen.quot;
Een nog grooter verdriet heeft David getroffen. Absalom, een van zijn zonen , had een ernstige grief tegen een zijner halve broeders, Aranon geheeten, omdat deze Absalom's zuster op de schandelijkste wijze beleedigd had. Twee volle jaren verliepen, waarin Absalom tot zijn broeder niets zeide, maar wachtte op een gunstige gelegenheid om Amnon te straffen. Eindelijk breekt die gelegenheid aan. Er was een feest van schaapscheerders, waarop Absalom al zijn broeders te gast noodigde. Ook Amnon verscheen; en ziet, op een gegeven oogenblik , als de feestvreugde haar toppunt bereikt bad, traden de knechten van Absalom toe, en sloegen Aranon dood. De moordenaar ontvluchtte, maar al de andere zonen van David kwamen tot hun vader en hieven de stemmen op en weenden; en de koning ook en al zijn knechten weenden met een zeer groot geween.
De tyd ging inmiddels voort, en David begon terug te verlangen naar Absalom. Hy had dezen zoon lief met bijzonder groote liefde. Daar was ook geen schooner man in Israël dan deze Absalom. Er was van het hoofd tot de voeten geen gebrek aan hem. Het was een lust hem aan te zien. Vooral werd iedereen getroffen door zijn weelderig hoofdhaar, waarop hij niet weinig trotsch was. Toen hij naden moord van Amnon drie jaar buiten Jeruzalem had vertoefd, wist Joab te bewerken, dat David hem vergunde terug te keeren. Evenwel verliepen er nog twee jaren, voordat de Koning hem zag. Toen liet de Koning hem ontbieden, en hij kwam in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht en de koning kuste Absalom.
De genade, hem door zijn vader bewezen, heeft lijj met schandelijken ondank vergolden. Hy hoeft namelijk een poging gewaagd, om David van den troon te stooten, en zelf koning te worden. Hy ging daartoe met groote list te werk. Op allerlei wijze zocht hij het volk tegen zijn vader in te nemen, en gunstig voor zich te stemmen. Op de dagen, waarop David recht sprak. plaatste Absalom zich aan do poort der stad, on trad op do menschen toe, die recht kwamen zoeken bij den Koning. Als zij zich voor den zoon des Konings buigen wilden, stond hij dat niet toe. Voor hèm behoefde men niet zoo onderdanig te zyn! En dan vroeg hy, om welke oorzaak zij kwamen; wolk geschil zij aan des Konings uitspraak wilden onderwerpen; en dan zeide hij ; Gij hebt het recht aan uwe zijde. Indien ik koning was, dan stelde ik h in. het gelyk. Maar nu vrees ik, dat gij geen gelijk krijgt, want de Koning is oud en heeft zijn gunstelingen! Och, of men mij slechts uitriep tot Koning!
120
Op deze en dergelijke wijze zocht hjj zich te dringen in de gunst van het volk. Na verloop van vier jaren meende iijj een aanhang te hebben, sterk genoeg om openlijk op te treden tegen zijn Koninklijken vader. In stilte neemt hy tot den opstand , dien hij voorheeft, alle maatregelen, en David bljjft met dat alles volkomen onbekend. Ja, hij geeft Absalom verlof, om te Kebhan eenofter te brengen. Met do wagens en paarden , die hy zich bereid had, trok hij dan ook derwaarts, en weldra weerklinkt er het geluid der bazuinen. Dit was hot teeken; als men dat geluid zoude hooren , dan was Absalom koning. Velen toonden terstond, dat zij dit met welgevallen hoorden. Zelfs Achitofel, een oud vriend van David, koos de zijde van het oproer; en gansch onverwachts komt er een boodschapper te Jeruzalem in het koninklijk paleis, zeggende; Het hart van een iegelijk in Israël volgt Absalom na !
Terstond besluit David Jeruzalem te verlaten, want hy begrypt, dat Absalom zal aanvangen met die stad in te nemen , daar David te weinig manschappen had, om zijn hoofdstad te kunnen verdedigen tegen het aangroeiend leger van zün zoon. Ook wilde hy 't voorkomen, dat in Jeruzalem een slachting werd aangericht, wat zeker zou geschieden, indien de stad met geweld werd genomen.
Zoo gaat dan de grijze koinng de stad uit, welke hij had groot gemaakt. Hy ging de beek Kedron over, juist denzelfden weg, dien de heer Jezus later heeft afgelegd, toen hy in den nacht vóór zyn dood ging naar Gethsemane'. Maar ging David alleen ? Neen, hy werd vergezeld door zijn lyfwacht, en 000 getrouwe soldaten, aangevoerd door Ithai. David wilde eerst niet, dat deze mannen zouden raedegaan en zich blootstellen aan de gevaren, welke hem te wachten stonden. Maar Ithai wilde daarvan niets weten. „Zoo waarachtig als de Heer leeft,quot; sprak hy, „en mijn heer de koning leelt — in de plaats, waar mynheer de Koning zal zyn, hetzij ten doode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn.quot;
Ook de priester Zadok en de Levieten wilden David vergezellen, en tevens de arke des verbonds met zich voeren. Maar David wilde dit niet toestaan, „breng de arke Gods,quot; zoo sprak hij, „weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des Heeren oogen, zoo zal Hy mij wederhalen, en zal ze my laten zien, evenals mijne eigene woning. Maar indien Hij tot mij zeggen zal: ik heb geen lust tot u: zie hier ben ik; Hjj doe my, zooals het goed is in zyne oogen.quot; Zoo ging hy dan met zijn manschappen voorbij de ark, en weenend stond en zag het volk hem gaan , zonder echter eenig teeken te geven. dat het zijn koning tegen zün oproorigen zoon trouw wenschte te blijven.
Velerlei ervaringen had David, terwyi hij zyn vlucht voor Absalom voortzette. Hij was van den Olyfberg afdalende, toen hem een knecht ontmoette van Mefibóseth, den zoon van Jonathan. Hij heette Ziba en bracht een paar
121
gezadelde ezels, beladen met brooden, met vruchten en met wijn. 't Was een geschenk van Mefibóseth. Toen David vroeg, waarom hjj niet zelf medekwam, gat Ziba een leugenachtig antwoord, want hjj zeide, dat zijn beer te Jeruzalem bleef in de hoop van nu zeil koning te worden. David geloofde Ziba, en gaf hem alles, wat by aan Mefibóseth bad geschonken. Wjj zullen echter later zien, dat Ziba niet lang in het bezit is geweest van betgeen lijj op deze onrechtmatige wjjze heeft verkregen.
Nog andere smartelijke ontmoetingen trollen David. Een man, die behoorde tot het geslacht van Saul, trad te voorschijn , en liep een tijdlang voort naast David, lljj heette Simei, en al voortgaande, wierp by den koning mot steenen en stof, en vloekte hem, zeggende: „Ga uit, ga uit, gij man des bloeds, gjj goddelooze! De Heer doe op uw hoofd nederkomen het bloed van Saul's huis, in wiens plaats gjj geregeerd hebt. Nu is bet koninkrijk gegeven in de band van uw zoon Absalom, omdat gij een man des bloeds zyt.quot; David's vriend, Abisai, wilde Sitneï voor deze smadelijke woorden met den dood straffen, maar David sprak: „Deze vloek is niet zonder oorzaak over mij uitgesproken. Zie, myn zoon, mijn eigen vleesch en bloed, zoekt my te dooden ; is het wonder, dat deze vreemdeling mij vloekt? Het is door den Heer alzoo beschikt. Doch misschien ziet de Heer myne ellende aan, en doel Hy iets goeds mij toekomen in de plaats van dezen vloek.quot; Wy zien hieruit, dat David diep ootmoedig en vertrouwend op God gezind was.
Inmiddels komt Absalom te Jeruzalem en belegt krijgsraad. Er beersebte onder zyn raadslieden verdeeldheid. De een meende, dat David terstond moest overvallen worden, en dat er geen twijfel aan bestond , of hij zou worden overwonnen. Een ander meende, dat het beter was eerst een groot leger te verzamelen en dan den koning een grooten veldslag te leveren, of do stad te belegeren , waarin hy zich schuil mocht houden. Die laatste raadgeving werd door Absalom goedgekeurd. Daardoor kreeg David gelegenheid, om zich zelf en zyn volgelingen in veiligheid te brengen over den Jordaan. Hy sloeg zyn legerplaats op te Mabanaïm, en van meer dan dóne zyde werd hem door vermogende vrienden gezonden alles, wat hij en zijn mannen tot hun levensonderhoud noodig hadden.
Inmiddels werden zoowel van Absalom's als van David's zijde toebereidselen gemaakt tot een veldslag, die onvermijdelijk was geworden. David verdeelde zijn leger in drie afdeelingen, en stelde over elke afdeeling een züner getrouwe veldheeren aan. De meest bekende van hen is Joab, de broeder van Abisaï, dien wij reeds vroeger genoemd hebben. David wilde eerst zelf medegaan in den slag, maar bet volk kwam daartegen op, en de koning gaf aan bun verlangen gehoor. Zoo stond bij dan aan de poort, als zijn leger uittrok ten strijde. Eén ding drukt hy echter allen, zoowel den veldheeren als den manschappen op het hart:
122
zjj moesten met Absalom zachtkens handelen. Zjj moesten hem zekerlijk sparen. De slag werd geleverd in het met boomen begroeide gebergte van Ephraïm, niet ver van den Jordaan, ongeveer twee uren van Mahanaïm. Niet lang duurde het, of de kans keerde zich togen Absalom. Niet alleen door het zwaard, maar door allerlei hindernissen, die do plaats, waar gestreden werd, opleverde, kwamen zij om in groote menigte. Ongeveer 20,000 van Absalom's mannen sneuvelden. En hij zelf? Hij zocht door de vlucht op een muilezel zich te redden. Doch het dier, waarop hij was gezeten, reed onder een groeten eik door, en tusschen twee als armen uitgebreide takken werd Absalom's hoofd vastgeklemd, zoodat hij hangen bleef tusschen hemel en aarde, nadat do muilezel was doorgegaan. Hjj had geen macht zich los te wringen, en weldra werd hij door een van David's soldaten ontdekt, die het Joab bekend maakte. Toen zeide Joab tot den man: Gjj hebt het gezien, waarom hebt gij hem niet ter aarde geslagen, daar ik er u zeker goed voor zou beloond hebben ?quot; Maar die man verklaarde, tot geen prijs iets te willen doen, dat de koning toch zoo uitdrukkelijk had verboden. Joab wendde zich echter van hem af, en drukte drie pijlen in Absalom's hart. Zjjn lijk werd geworpen in een grooten kuil en met een geduchte steenhoop overdekt.
Daarop liet Joab blazen op de bazuin, ten toeken, dat de strijd geëindigd was. Zóó is Absalom omgekomen, en wij zjjn van zulk een noodlottig einde met ontroering getuige. Ook hier is het bekende woord vervuld geworden, dat hem, die zijn ouders niet eert, het leven als in dikke duisternis zal uitgebluscht worden.
Maar hoe ontving David het bericht van Absalom's dood ? lljj verkeerde, na het uittrekken van zijn leger, in de grootste spanning. Behaalde Absalom de overwinning, dan zou hij moeten vluchten, en wie kan zeggen : waarheen ? en hoe lang? Werd omgekeerd het leger van Absalom verslagen, dan zou hij zich toch niet van heeler harte daarin kunnen verheugen , want het was immers zijn eigen kind , waarover hij zou zegevieren. En wat zou het lot wezen van zijn zoon, als hij overwonnen werd ?
David zat in de open ruimte tusschen do twee poorten van Mahanaïm, en een wachter stond op den muur op den uitkijk. Eindelijk, daar naderden twee boodschappers, die kort na elkander voor den koning verschijnen. Den eersten ontbrak de moed, om de geheele waarheid aan David te zeggen; hij wilde hem er eerst op voorbereiden, om de ontzettende tijding te vernemen; maar de tweede boodschapper ontziet David's gevoel niet, en als hij vraagt: „Is het wel met den jongeling, met Absalom?quot; zegt de bcodschapper, dat Absalom als een vijand des konings is omgekomen. Toen werd de koning zeer ontroerd, en ging naaide opperzaal der poort, en weende, en in zijn gaan zeidc hij: „Mijn zoon Absalom , mijn zoon, mijn zoon Absalom ! Och , dat ik , ik voor u gestorven ware! Absalom , myn zoon, mijn zoon !quot;
123
Wie heeft geen medelijden met dezen koninklijken vader, die zich over dezen zegepraal niet kon verblijden, zonder dat zijn vaderhart daartegen opkwam, en die toch als koning zich verheugen moest over de nederlaag van een man, die nooit het volk goed had kunnen regeeren.
De droefheid van den koning wekte de ontevredenheid op van Joab. Hij ging tot David en zeide: Gij bedroeft heden de mannen, die hun leven voor u en de uwen hebben gewaagd. Gjj hebt liet, die u haten, en haat, die u liefhebben, en schijnt ons allen minder te achten dan Absalom. Indien hij leefde, en ivij waren gestorven, zoudt gij, naar het schijnt, tevreden zijn. — Hij gaf daarom David den raad zijn aandoeningen te bedwingen, en zich weder te ver-toonen aan het volk, dat op het punt stond hem te verlaten.
David gaf aan die woorden gehoor, en greep weêr de teugels van het bestuur, die hij had losgelaten. Het volk te Jeruzalem en elders toonde weder zijn oude gehechtheid, welke een oogenblik door Absalom was aan't wankelen gebracht, en de terugtocht naar de hoofdstad werd aanvaard. Aan den Jordaan kwamen de mannen uit Juda hem reeds tegemoet, om feestelijk hem in te halen, En wie was een der eersten, die David kwam huldigen, ja, die niet wachten kon totdat de pont, waarin de koning overvoer, den oever had bereikt? Het was Simei, dezelfde van wien wij u verhaald hebben, dat hy Darid wierp met stof en steenen , en hem vloekte, toen hij uitweek voor Absalom.
Nu Simei den koning als overwinnaar ziet terugkeeren, nu valt lüj neder voor zijn aangezicht, en zegt, dat liet hem spijt, den koning alzoo bejegend en beleedigd te hebben, en smeekt om vergiffenis. Abisaï, de broeder van Joab, ontsteekt om deze dubbelzinnigheid in grooten toorn, en vraagt verlot, den man, die den gezalfde des Heeren heeft gevloekt, te mogen dooden. Maar David wilde hiervan niets hooren, en beloofde met een eed, dat Simeï niet zou worden omgebracht.
Doch daar komt een ander om David te begroeten. Het was Meflbóseth. Wat Ziba van hem had verhaald , alsof hjj had gehoopt koning te worden, het was alles verzonnen en onwaar. Hij had al den tijd van David's afwezigheid doorgebracht in afzondering en treurigheid: zijn kleederen waren niet gewasschen, zijn knevelbaard niet afgeschoren. Maar nu was hij weder blijde, niet omdat bij zijn bezittingen terug ontving, welke David aan Ziba had geschonken, maar omdat zijn koninklijke vriend mot vrede wederkwam.
Aandoenlijk is wat ons wordt verhaald van Barzillai, een vriend van David, die hem in de dagen van zijn verblijf in de woestijn groote hartelijkheid had betoond, en hem nu ook geleidt over den Jordaan. Hij Was tachtig jaar oud, eu de koning zeide: „Ga met mij mede, en blijf bij mij te Jeruzalem,quot; doch van groote wijsheid geeft Barzillai's antwoord de blijken, daar hij zeide: „Hoe kort
124
heb ik nog te leven! Het verbljjt aan een hof met al zijn drukte en weelde zou mij tegenstaan; ik zou den koning tot last zyn. Neen, laatnijj wederkeeren, opdat ik sterve in mijne stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder, — doch indien nijjn zoon, die nog jong is, met u mag medetrekken — doe hem wat goed is in uw oogen!quot; Toen dan ook Barzillai den koning had begeleid tot over den Jordaan, keerde hij terug, nadat David hem gekust en gezegend had.
Zoo is dan David teruggekeerd tot zjjn hoofdstad en zijn troon. Veel hebben wij nu niet meer van hem te verhalen. Maar uit dat weinige blijkt, dat hij zijn hart niet altijd vrij heeft weten te houden van hoovaardy. De begeerte werd in hem opgewekt, om zijn volk te laten tellen. Die begeerte kwam voort uit den ijdeleu wensch, om te kunnen zeggen, over hoe veel duizenden hij wel heerschappij had. Joab, wel vermoedende, dat God, die den hoovaardige wederstaat, zijn ongenoegen over deze daad toonen zoü, heeft dan ook David ernstig afgeraden, tot dezen maatregel'over te gaan; maar do koning liet er zich niet van afbrengen. Zoo volbracht dan Joab do hem opgedragen taak. Doch als zij is volbracht, klopt David's hart en geweten, dat hem zijn zonde verwijt. Tot straf voor zjjn overtreden liet God hem kiezen uit drie plagen. Die plagen waren: drie jaren hongersnood; drie maanden in de macht van zijn vijanden; of drie dagen pest. Het viel David zeer bang uit deze drie rampen een keus te doen. Eindelijk zeide hij; „Laat my vallen in de hand des Hoeren, want Zijn barmhartigheden zijn vele; laat mij niet vallen in der menschen handen.quot; Hij koos de pest, omdat het alleen in Gods macht stond, hoe vele oilers door die vreeselijke ziekte vallen zouden. Do koning leed gedurende do drie dagen, waarin de pest heerschte, onuitsprekelijk, en God heeft, op zijn smeekgebed, de hevigheid der ziekte gematigd, én David's zonde vergeven. Zoo moet een volk boeten voor de ongehoorzaamheid van zijn koning , en ook daarom mogen wjj wel alle dagen bidden, dat Gods Geest allen verlichte en leide door wie wij geregeerd worden.
Vóór zijn dood heeft David bepaald, dat zijn zoon Salomo hem zoude opvolgen, en hem met het oog daarop vele wenken en bevelen gegeven. Vooral drukte liy hem op het hart, den tempel te bouwen, en niet af te wijken van den Heer. In hot veertigste jaar zijner regeering is David ontslapen, zeventig jaren oud. Van weinige koningen is bij zijn volk de nagedachtenis zoo geëerd en gezegend gebleven als van hem. Hij wordt de koning zonder wederga, de man naar Gods hart genoemd. Zijn naam deed de Israëlieten denken aan de beste, de schoonste jaren van hun geschiedenis. Eenmaal, dat was hun verwachting, zou er een koning komen, die nieuwen luister aan het volk Israël schenken zou, en die zeer verre zijn heerschappij zou uitbreiden. Wie hij wezen zou,
125
dat wisten zjj niet; maar dit stond vast: hij zou een zoon van David zijn. Gij herinnert n dan ook, dat de Heer Jezus, de ware Koning der Joden, gedurig door het volk begroet werd met den naam van: „Zone Davids!quot;
En weet gij hoe David voortleeft onder ons? Door zijn psalmen, die in onze kerken gedurig worden gezongen. Zoo hebben ook wij groote verplichting aan hem, en verheugen er ons over, dat wjj dien Heer en Koning kennen, voor wien ook een vorst zoo voortreftelijk als David terug moet wijken, liet zal wel niet noodig zijn te zeggen, aan wien wjj hier donken.
HOOFDSTUK XXVIT. DE KONING SALOMO.
1 Kon. II : 12 — X1 : 43.
2 Kron. I—IX.
De naam Salomo beteekent vrede, en met dien naam wordt het karakter en de geheele regeering van dezen koning treffend gekenschetst. Was David een man geweest van den oorlog, die tallooze veldslagen geleverd en vele vijanden overwonnen heeft: de zoon, die hem als koning opvolgde, legde zich niet toe op veroveringen maar op een goed gebruik van de schatten, die zjjn vader had verzameld. Hjj zou er dat gebruik niet van hebben gemaakt, indien het hem had ontbroken aan één zaak, welke kostelijker is dan rijkdom en macht. Die zaak is wijsheid. Wie mag den naam dragen van een wijze ? Hij, die steeds weet, wat hij doen en laten moet; die zich niet Iaat verblinden door den schijn, niet laat meesleepen door zjjn driften; en die dus zóó handelt, dat men er van getuigen moet: het is wel gedaan. Voor ieder mensch is derhalve wijsheid een zeer begeerlijke, ja onmisbare zaak , maar zjj is dat vooral voor een Koning, die zoo dikwerf een gewichtige beslissing moet nemen, en uit wiens besluiten het geluk of het verderf voortvloeit van heel een volk.
Nu is het eigenlijk Ood alieen, die ons ware wijsheid leeren kan en ze ons ook geeft, indien wjj ze nederig' aan Hem vragen. „Indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hy ze van Ood begeerequot;, zegt de Bijbel, en zóó is het. De meeste menschen denken echter, dat zy wijs genoeg zijn, om te weten, wat zy moeten
12G
doen, en vragen dus geen wijsheid van God, maar zijn eigenwijs. Dit is vooral liet geval met jonge menschen en met kinderen, die dikwerf door harde lessen en droevige ondervindingen het leeren moeten, hoe dwaas ze zijn en handelen.
Hoe deed Salomo ? Toen hij don troon had beklommen, bracht hij den Heer een rijk en overvloedig oiler, en in den nacht, die daarop volgde, viel hem een verschijning te beurt van den Allerhoogste, die tot hem zeide: „Begeer van mij, wat ik ii geven zal!quot; — Stel u eens voor, dat üod met die vraag kwam tot óns, on tot ons zeide: „Gij kunt van mij verkrijgen alles wat gij verlangt. Kies slechts!quot; Wat zouden wij begeeren ? Gezondheid ? Een lang leven ? lüjk-doni en eer? Misschien wel iets van dit alles, of dat alles bijeen? — Het is wel waarschijnlijk, dat de keus van de meeste menschen, vooral van jonge menschen vallen zou op de dingen, die wy daar noemden. Maar Salomo sprak tot God aldus: „o Heer, gy hebt groote weldadigheid bewezen aan mijnen vader, uwen knecht üavid, en hebt mij geplaatst op zijnen troon. En zie, nu ben ik nog jong en onervaren , en toch heb ik dit groote volk te regeeren. Geef mij dan een verstandig hart opdat ik te onderscheiden wete tusschen goed en kwaad.quot; Dit gebed van Salomo was den Heer welgevallig, en liet werd ook verhoord. God gat aan Salomo wat hij vroeg, maar ook nog andere dingen, waarom hij niet gevraagd had. Hij ontving van den Heer rijkdom en eer, bij zyn wijsheid, zoodat men zyn gelijke niet zou vinden onder alle koningen der aarde. Ook beloofde God hem een lang leven, indien hij wandelde in Zijn geboden en inzettingen. Het duurde niet lang, of daar bood zich voor Salomo de gelegenheid aan , om een blijk te geven van zijn ongewone wijsheid. Wat was 't geval? Twee vrouwen woonden in één huis, en beiden hadden een kind van denzelfden jeugdigen leeftijd. Daar heeft de eene moedor het ongeluk van 's nachts haar kind, dat bij haar sliep, te smoren, en als zjj dat ontdekt, neemt zij haar gestorven kind op en verruilt het tegen liet levende kind van de andere vrouw. Niemand was er by tegenwoordig.
Des morgens ontwaakt die andere moeder, en als zij liet doode kind beziet, dat zy by zich vindt, ontdekt zjj, dat dit haar kind niet is. Beide vrouwen maken dus aanspraak op het levende kind, maar wie zou nu uitmaken, wie geiyk had ? Getuigen konden niet worden opgeroepen. Hoeken konden niet worden geraadpleegd, want nooit was een dergelijk geval voorgekomen. Toen moest het dus blijken, of Salomo over grooter wijsheid dan anderen te beschikken liad. En dat is gebleken. Hy beval, dat men een zwaard zou brengen, en met dat zwaard het levende kind in tweeën deelen, en ieder vrouw een helft geven. Met welke bedoeling beval hy dit ? Om te weten te komen, wie de eigenlijke moeder was. Immers toen de eene vrouw zeide: „Het is mij wel, houw liet kind in twee stukkenquot;; en de andere zeide: „Geef dan het kind liever aan haar , maar
127
dood het nietquot; — toen zeide Salomo tot die laatste: „Gjj zjjt de moedor, want geen moeder zal ooit zeggen: houw mijn kind in twee stukken,quot;
Deze uitspraak , gewoonlijk genoemd het eerste recht van Salomo, maakte op het volk een diepen indruk, want zij zagen, dat God hem wjjsheid gaf.
Ook vervulde God zijn belofte, om hem rijkdom en eer te schenken. Hy maakte, evenals zijn vader David, een verbond met den koning Hiram van Tyrus, en riep zijn hulp in tot liet bouwen van den tempel. Immers zoowel de noo-dige bouwstoffen als bekwame werklieden moest Hiram leveren, zou liet plan van den tempelbouw verwezenlijkt kunnen worden.
In 't gebied van Hiram lag het gebergte Libanon, wijd en zijd vermaard dooide prachtige cederboomen, welke er groeien. Zoo werden die boomen op den Jiibanon omgehouwen , naar de Middellandsche zee gevoerd, waar er vlotten van werden gemaakt, die men bracht naar een havenplaats, vanwaar zij werden algehaald en vervoerd naar Jeruzalem. Ook leverde Hiram de zeer groote steenen, die noodig waren voor de grondslagen van den tempel, terwijl bij duizende bekwame werklieden stelde ter beschikking van Salomo.
Op die wijze kon de tempelbouw met kracht worden aangevangen en voortgezet ; toch beeft het ruim zeven jaren geduurd, eer het bedehuis was voltooid. Er werd geen geld en geen inspanning aan gespaard. Salomo kon naar waarheid getuigen , dat hij den Hoer geen prachtiger woning had kunnen stichten.
Het kostelijkste, het dcgeUjkste, het beste van alles was aangewend , om God een paleis te bouwen, Zijner waardig. De tempel heelt dan ook millioenen schats gekost, en toen bij was voltooid, beeft Salomo hem zelf ingewijd met groote plechtigheid , met een indrukwekkend gebed en tallooze offers. In dat gebod erkent hij, dat de Heer niet gezegd mag worden letterlijk te woiioi in een tempel. Hoe zou een gebouw, dat menschen maken, dien Heer besluiten kunnen, die door de wijde, wijde ruimte der hemelen niet wordt omvat ?
Maar Salomo smeekt, dat God zich in den tempel openbaren wil, en de gebeden verhooren , die daar lot Hem zouden worden opgezonden. Hij noemt eenige omstandigheden op, waarin bot volk geraken kan, allerlei nooden waarin het zou kunnen gebracht worden, en dan tot Hem zoude roepen. Welnu, als het volk dan tot U roept, zoo smeekt Salomo, als honger, dure tijden, oorlogen, pestilentiën hot dreigen of drukken, en zij smoeken tot U uit deze plaats: hoor Gij dan in den hemel, de plaats uwer woning. Wanneer er iemand komen mocht, niet bohoorendo tot Israël, maar die had gehoord van Gods kracht, van zijn machtige hand, van zijn uitgestrekten arm — welnu, ook hem, zoo bidt Salomo, moge God verhooren, opdat alle volken der aarde zijn naam kennen en Hem vreozen mochten gelijk zijn volk Israël. Ook vergoot hij niet te vragen , dat God zijn volk, als zjj tegen Hem zouden gezondigd hebben, alles wat zij misdreven,
128
mocht kwijtschelden; dat Hjj hen terug mocht brengen uit de ballingschap want zijn volk waren zjj toch, zijn erfdeel.
Na dit indrukwekkend gebed zegende Salomo het volk, en de Heer beloofde hem, in een tweede verschijning welke hem ten deel viel, dat Hj] met den Koning en zjjn volk bljjven wilde, en over den tempel zou waken — onder deze voorwaarde , dat Israël Hem zou blyven dienen, want indien zjj Hem verlieten, zou ook de tempel worden verwoest tot onzetting zelfs der heidenen.
Nadat eenige dagen achteroen het volk door Salomo was onthaald, en menig offer was gebracht, ging het volk uiteen; zjj zegenden den koning en waren goedsmoeds over al het goede, dat zj] hadden aanschouwd, en dat de Heer David en zijn knecht, en zjjn volk gegeven had. Zoo keerden zjj weder een iegelijk tot zijn vijgeboom en tot zijn wijnstok, dat wil zeggen tot hun rustige woning, waar zy 's avonds na den arbeid van den dag, in veiligheid en vrede zich nederzetten konden , en genieten van het werk hunner handen.
Tot ver over de grenzen van het joodsche land verspreidde zich het gerucht van Salomo's wijsheid en rijkdom, van zjjn paleizen , van zijn rijk voorzienen disch, van de schepen die hy uitzond ver over de zee, en die terugkeerden steeds beladen met de kostelijkste waren. Onder degenen, die hem een bezoek kwamen brengen, wordt genoemd de koningin van Scheba. Zij was van meening, dat niet alles waar kon zijn, wat men haar van Salomo verhaalde. Daarom komt zij zelf met een groot gevolg te Jeruzalem. Doch als zij ziet al de weelde, welke Salomo omringt, zijn troon met zes trappen, en twaalf gouden leeuwen; als zij gadeslaat de wijsheid, waarmee hij alles bestuurt en regelt; als zjj hoort de antwoorden , welke hij geeft op de vragen, welke zij tot hem richt, en de oplossing van de raadselen, welke /.y hem opgeeft — is zg ten eenenmale verbaasd en verbijsterd. „De helft, zoo roept zy uit, was mü niet aangezegd! De wisheid en rijkdom van Salomo gaan in werkeiykheid alles verre te boven, wat men er van had verteld.quot; En als zy is teruggekeerd naar haar land, heeft zy daar onge-twyfeld bekend gemaakt, welk een luister het hof en den persoon van Salomo omgaf.
Daar is een Nederlandsch spreekwoord, dat zegt: „het zijn sterke beenen, die de weelde dragen.quot; De bedoeling van dit spreekwoord is: iemand, die leeft in groote weelde, loopt groot gevaar van hoogmoedig te worden, van God te verlaten, en daarom mag hy wel bijzondere ondersteuning ontvangen, om voor zulk een val bewaard te worden.
Helaas, koning Salomo heeft niet tot het einde z.y'ns levens de kracht gehad om zijn groote weelde te dragen. Hij is in zyn ouderdom geweken van den Heer. De voornaamste oorzaak daarvan moet worden gezocht in den invloed, welken zijn heidensche vrouwen op hem uitoefenden. Keeds vroeg is hy gehuwd met een
129
dochter van den koning van Egypte: doch later huwde hij met Moabietische , Ammonietische, Edomietische en Sidonische vrouwen. Hy huwde ze in groote menigte. Er kwam een tjjd, waarin hjj niet minder dan duizend vrouwen had in z.jjn vrouwenpaleis. Doch niet alleen het groot aantal , ook de afgoderij dier vrouwen werd Salomo tot een val. Zij neigden zijn hart tot de vreemde goden. Hjj vergunde het aan die vrouwen eerst binnenshuis, later ook openlijk in bosschen. doch niet ver van Jeruzalem, altaren op te richten en otters te brengen ter eere van Oamos, Astarte, Moloch en andere goden en godinnen; ja, men zag hem , den stichter van den tempel des Heeren , mede zich buigen voor de beelden van hetgeen de bjjbel noemt: „verfoeisels der heidenen.quot;
Wjj behoeven niet te zeggen met hoeveel droefheid deze val van den grooten en wjjzen koning Salomo werd gade geslagen door al zjjn onderdanen, die liefde hadden voor de vereering van den eenigen, waarachtigen God. Maar niet weinigen , die in hun hart reeds waren afgeweken van den Heer, volgden zijn voorbeeld. De Heer zag dit gedrag van David's zoon ook met groot ongenoegen en liet het niet ongestraft. De laatste jaren van Salomo's regeering waren niet zoo luisterrijk als de eerste. Er begonnen zich teekenen te vertoonen van onvoldaanheid en verzet. Onder degenen, die tegen hem opstonden, wordt ook Jeroheam genoemd, van wien wij weldra meer zullen verhalen moeten.
Het was echter Gods wil, dat Salomo tot het einde zijns levens over het geheole volk zou regeeren , en dat is dan ook geschied. Gelijk zijn vader David regeerde hij veertig jaren. Op den berg Sion, naast zyn vader werd hjj begraven en ook zijn nagedachtenis bleef bjj de Joden, en bij vele andere volken voortleven. Als de Heer Jezus te kennen wil geven, dat de leliën des velds buitengewoon schoon zijn bekleed, zegt hy; „Ik zeg u, dat ook Salomo in al zyn heerlijkheid niet is bekleed geweest als een van die.quot; Maar heerlijker dan Salomo was de Heiland zelf. Naar waarheid kon hy verklaren, meer dan Salomo te wezen. Hy is de Vredevorst, van wien de engelen bij zyn geboorte zongen ; „Vrede op aarde !quot;
9
130
HOOFDSTUK XXVIII. DE SCHEURING VAN HET RIJK. JEROBEAM.
T Kon, XTI—XIV.
Zoo is dan de levenszon van koning Salomo, welke zoo schoon was verrezen en zoo luisterrijk geschenen had , als in wolken ondergegaan. Hjj liet het volk , bij zijnen dood, achter in een toestand van ontevredenheid. De kostbare hofhouding , de weelderige voet, waarop hij had geleefd, hadden de heffing van zware belastingen noodig gemaakt. Zoolang Salomo leefde, wilde het volk dien last dragen; het wilde zijn levenseinde niet verbitteren: maar bet besluit stond vast, dat men bij een anderen koning terstond op vermindering van belastingen zou aandringen.
De weelde, waarin Eehabeam, Salomo's zoon, was groot gebracht, kan niet beschouwd worden als een goede school, om een jeugdig vorst tot een degelijk en vroom man te vormen. Wjj zien dan ook terstond na zyn aanvaarding van de regeering, dat hjj niet is opgewassen tegen de zware taak, welke hem op de schouders werd gelogd. Ook zocht hjj, zoo als wjj zien zullen, de wijsheid, welke hij zoo zeer behoefde, niet daar waar zijn vader haar bij den aanvang zijner regeering gezocht had, namelijk by God.
Het volk komt, als Reliabeam de regeering heeft aanvaard, en verzoekt dringend om minder belasting. Het was vooral de stam Epbraïm, bij wien de Ontevredenheid het grootst, en de eisch om verzachting van lasten het dringendst was. Als een bewijs ervan, dat zij reeds zeer oproerig zijn gezind, kan strekken, dat de stammen niet naar Jeruzalem komen om llehabeam te huldigen, maar blijven te Sichem , waarheen de koning zich begeeft om met hen te onderhandelen. Zij hadden reeds den man uit den stam van Epbraïm, Jerobeam geheeten, die door Salomo was verbannen naar Egypte, uit zijn ballingschap teruggeroepen. en deze komt nu, aan liet hoofd van een gezantschap, de eiscben van het volk overbrengen.
llehabeam vroeg drie dagen uitstel, om zich te beraden. Met wie hjj te rade ging V Met God ? Neen , allereerst met de oude, beproefde dienaren van zijn vader , en deze zeiden hem, dat Inj moest toegeven, en luisteren naar den wensch van bet volk. Deed hij het — zij zouden hem altyd ter wille zyn; hij zou aanstonds hun toegenegenheid gewonnen, en de ontevredenheid onderdrukt heb-
J 31
ben. Daarop raadpleegde Kehabeam zijn meer jeugdige raadslieden, die zün vader niet hadden gediend, en wier wijsheid nog bljjken moest. Zjj zeiden, dat de koning niet moest toegeven. Dan toch zou hjj aanstonds zjjn gezag ei! ontzag hebben verloren. Neen, hjj moest, zoo zeiden zij, het volk streng en forsch toespreken, en niet zwak zijn. En naar dien raad heeft hij geluisterd. „Mijn vaderquot;, zoo zeide hij, „heeft u met geeselen gekastijd — ik zal u met scorpioenen kastijdenquot;. Dat wil zeggen; „Gü hebt veel moeten opbrengen aan mijn vader — nog meer zal ik van u vorderen.quot; Hij heeft zich zeker voorgesteld, dat hel volk eerbied, of althans vrees voor zulke stoute taal zou opvatten, maar juist het tegenovergestelde is het geval. Het volk zegt hem do gehoorzaamheid op, uitroepende: „Wat hebben wjj nog langer ons te bekreunen om het huis van David? Waarom mag niemand uit een anderen stam koning zijn?quot; — Aangehitst door Jerobeam gaat de vergadering uiteen, en het blijkt weldra, dat van de twaalf stammen er slechts twee aan Rehabeam getrouw blyven, tcweten de stammen van Juda en Benjamin. De andore tien roepen Jerobeam tot koning uit. Als Kehabeam met een talryk leger de afgevallen stammen weer aan zich onderwerpen wil, wordt hem zulks door een profeet des Heeren verboden. Het rijk van David zou niet meer één worden. Die scheiding tusschen do tien stammen of het rijk van Israël , en do twee stammen of het rijk van Juda, heeft plaats gehad in het jaar 975 vóór de geboorte van Christus.
Wjj willen nu iets verhalen van hetgeen is geschied met Jerofteawj, den eersten koning over het rijk van Israël.
Nog b\j het leven van Salomo had een profeet, Ahia geheeten, hem voorspeld, dat hy koning worden zou, door zijn mantel in twaalf stukken te scheuren, en er hem tien van te geven. Maar Jerobeam heeft het niet in gedachtenis gehouden, dat de Heer het was, die hem had verhoogd. De grooto gaven, welke hem geschonken waren , heeft hij niet gebruikt tot verheerlijking des Heeren. Met leedwezen zag hij, dat het volk, ofschoon het Kehabeam niet meer erkende als zijn koning, vasthield aan zjjn gewoonte, om op de hooge leesten te gaan naar Jeruzalem , en daar te verschijnen voor Gods aangezicht. Hoewel zij dus in twee rijken waren verdeeld, gevoelden zij zich toch als volk één. Zo hadden twee verschillende koningen', maar dienden toch één zelfden God.
Nu begon Jerobeam te vreezen, dat de Israëlieten op den duur die scheiding in twee rijken niet zouden goedkeuren , en zouden besluiten terug te keeren tot gehoorzaamheid aan den koning, die woonde te Jeruzalem, en een zoon was van den grooten David. Jerobeam bedacht dus iets. dat zijn onderdanen terug zou houden van hun reizen naar den tempel. Hij deed, wat, lang geleden, ook Ailron gedaan had bij den berg Sinaï. Gij zult dit, naar wjj hopen, unog wel herinneren. In het noorden en in het zuiden van het land , te Dan en te
132
Bethel, liet Jeroboam oen gouden half oprichten , met om dat beeld te aanbidden , docli den Hoor, dien men zich onder de gedaante van dat beeld voorstelde. 't Was dus geen afijoderij maar heéldemlienst, waartoe hy opwekte. Hy liet die beelden op altaren plaatsen, stelde priesters aan, en trachtte op die wijze zijn volk te behagen, dat steeds neiging had betoond tot deze afwijking van Gods geboden. De eerste indruk , dien deze handelwijze van Jerobeam op zijn volk maakte, was zeer ongunstig. Een groot aantal van zijn onderdanen, die gehecht waren aan den dienst des Heeren en aan Zijn tempel, verlieten het land, en gingen metterwoon in Judea zich vestigen. Daardoor werd het rijk van Israel reeds bij den aanvang niet weinig verzwakt. Onder degenen, die het land verlieten, waren zeer degelijke vrome menschen, en het spreekt van zelf, dat hun vertrek een verlies was voor hun land, gelijk het een winst mocht heeten voor Juda. — Docli ook op andere wjjze ondervond Jerobeam, dat hjj 'sHeeren ongenoegen had opgewekt. Terwijl hij, op zekeren dag, stond bij het altaar, dat hjj had opgericht, en het reukoffer bracht, trad plotseling een profeet te voorschijn. Hjj richtte het woord — niet tot den Koning, die zulk een eer niet waardig was,maar tot het altaar, en zeide, dat eenmaal een man uit David's huis aan dien beeldendienst een einde maken, en menschenbeenderen op dit altaar offeren zou. Jerobeam verschrikt, en vertoornd door dit woord, strekt hjj den arm uit en beveelt den profeet te grijpen. Maar ziet, daar is allo kracht uit zjjn arm geweken, en 't is den Koning niet mogelijk, hem terug te trekken. Op 't gebed van den profeet is de arm weder hersteld, maar de man «Gods weigerde gehoor te geven aan zjjn dringende uitnoodiging, om bij den koning brood te eten. Ijlings verwijderde hjj zich.
Een nog gevoeliger herinnering aan Gods toorn ontving Jerobean niet lang daarna. Hij had een zoon, om zijn voortreffelijke eigenschappen door het volk evenzeer als door zijn ouders bemind. En ziet, deze knaap wordt ernstig krank. Ach, hoe treurig zou het zijn, indien deze troonopvolger, op wien zoo vele verwachtingen waren gebouwd, sterven moest.
Daar herinnert zich Jerobeam , dat de profeet nog leefde, die zijn mantel verscheurd en hem voorspeld had, dat hij Koning worden zou. Wel was hjj oud en blind, maar misschien kon deze man Gods zeggen, wat het vorstelijke huis te wachten stond. Zelf durft hij tot hem niet gaan, maar zjjn vrouw moest hem bezoeken. Niet in haar koninklijk gewaad, doch als een gewone vrouw uit het volk gekleed, moest zjj zich opmaken. Zoo ging dan deze bekommerde moeder tot den proleet. Nauwelijks is zij over zijn drempel, of hjj roept uit: „Waarom, o huisvrouw van Jerobeam, stelt gij u dus vreemd aan ? Waarom verkleedt gij u? Hoewel ik blind ben, toch ken ik u, en hoor nu, wat de Heer besloten
lieeft. Uw zoon zal sterven, omdat voor God in hem iots goeds is gevonden. En hg zal de eenige van uw kinderen zijn. die op eervolle wijze wordt begraven. Uw huis zal worden uitgeroeid, en het volk verstrooid, omdat het zich schuldig maakt aan de zonde, waarmee Jeroheam het deed zondigenquot;. Wjj zijn verantwoordelijk niet alleen voor het kwaad, dat wij zeiven doen, maar ook voor do zonden waarin wy anderen voorgaan , waartoe wij anderen opwekken.
Wij kunnen ons voorstellen, hoe bedroeid en verslagen deze moeder is teruggekeerd tot haar man en haar lijdend kind; en als zij haar paleis binnentrad stierf haar zoon, beweend door heel het volk.
Een tijd daarna heeft Jerobeam een derde bestraffing ontvangen. In een veldslag tegen Asa, den Koning van Juda, leed hij do nederlaag, tengevolge waarvan hij zelfs een gedeelte van zijn land aan zijn tegenpartij af moest staan. Hj) is gestorven aan een plaag, waarmee de Heer hem plaagde, zegt de Bijbel, en wij deuken daarbij aan een ziekte of kwaal, die hem ten grave sleepte.
Dit is het zondig loven en het droevig einde van Israel's eersten Koning.
HOOFDSTUK XXIX. ACHAB EN IZEBEL, — ELIA.
I Kou. l(i—-23.
Wij zullen niet al do Koningen opnoemen, die na Jerobeam over liet rijk Israel hebben geregeerd. Laat ons echter allereerst zeggen, dat er telkens een Koning kwam uit een ander stamhuis, zoodat met den vijfden koning na Jerobeam liet vierde geslacht, dat der Omrieden, den troon beklom. De zoon van Omri, naar wien dit geslacht wordt genoemd, en die in de regeering hom heeft opgevolgd , heeft vele dingen gedaan en beleefd, die wij niet met stilzwijgen mogen voorbijgaan. Die zoon heette Achab.
Hij heeft het volk Israël, dat door Jeobeam op den weg der zonde was gebracht, tot nog veel grooter zonde en verdorvenheid verleid. Had Jerobeam, zooals wjj zagen , den kalverdienst ingevoerd, maar daarmee nog geen volkomen afval van God bedoeld — Achab pleegde openlijk afgoderij.
De afgod, dien hij diende, heette Baül, en do godin, die hij evenzeer vereerde, heette Astharoth. De vereering dezer afgoden ging gepaard met groote
134
gruwelen en sleclitlicid, waarin liet volk Israel toonde meer lust to hebben dan in den ernstigen, heiligen dienst des Heeren. Misschien zou Achab, had lijj steeds verkeerd onder den invloed van goede, vrome menschon , niet zoo diep zijn gezonken, want bij toonde by meer dan één gelegenheid voor goede woorden eu indrukken niet ongevoelig te zijn. Doeh hij is gehuwd met een vrouw, die groote macht over hem had, ea hem tot de grootste misdaden heeft weten over te halen.
Die vrouw heette Izebd. Zij kwam uit een heidensch land, en was de dochter van Eth-Baiil, een man, die eerst priester was geweest van een godin, en daarna zijn broeder had vermoord, om zelf koning te worden. Het liet zich niet aanzien , dat de dochter van zulk een vader een zachtmoedige en god-vreezende vrouw zou zyn. Zjj was dan ook niets minder dan dat.
Toen zij koningin van Israël was geworden, is de dienst van haar geliefden afgod Baiil met grooten luister ingevoerd in het llyk der Tien Stammen. Overal in het land verrezen tempels, altaren en zuilen aan Baiil gewijd; in zeer vele bosschen werd hij vereerd en honderdon priesters zetten aan de vereering van den afgod luister bij. Vooral te Samaria, waar de koning verblijt hield, stelde Izebel alles in het werk om het volk te winnen voor hetgeen den Hoer een gruwel was. Haar toeleg gelukte maar al te goed. Het land verkreeg weldra een heidensch aanzien. Hot scheen wel, alsof de Heer er niet meer gekend werd. En indien er iemand opstond, die het waagde openlijk tegen Izebel en haar goden te getuigen, luj werd met het zwaard gedood. Gods altaren werden afgebroken, — en zijn profeten moesten zich schuil houden in spelonken, waar zjj door vrienden in de stilte werden gespijzigd.
Izebel hield het er voor, dat in het Rijk Israël 15aiil over Jehova had gezegevierd — en nu wilde /.ij ook beproeven, invloed en macht te verkrijgen in het lijjk van Juda, dat nog vast hield aan den Heer. Wat toch wist zy te bewerken? Dat er een verbond gesloten werd tusschen haar man, koning Achab, en tusschen Josafat, don koning van Juda. Dit was reeds veel. Maar nog meer beteekende het, dat een dochter van Izebel, Athalia geheeten , de vrouw werd van Josafat's zoon , en dus Juda's toekomstige koningin, .losafat heeft hierin zeer verkeerd gehandeld, en welke onheilen Athalia over zyn rijk gebracht heelt, zullen wy later verhalen. Wy kunnen ons echter zeer wel voorstellen, dat Izebel zich verheugde in het vooruitzicht, dat haar dochter , die gelijk zy de afgoden diende, eenmaal koningin zou zyn te Jeruzalem.
Maar, zoo vraagt gij, was er in dien tijd ouder al de Israëlieten niet één man, die den moed had en de kracht, om Achab te bestrallen en te vermanen, en dio dal kon doen als een profeet, d. w. z. in den naam des Heeren ?
Zulk een man is inderdaad opgestaan, en hij is een der merkwaardigste profeten en dienaren des Heeren geweest. Hy heette iV/a, en in hetgeen hy heeft verricht,
■
,T,-
fa!»!.* ■_ .
■^Vquot;' ■
' ' I ........
,
quot; '
■ - ' sjw ■ -ssp3«i •
.
- - ■ ■
I
■ ■ ■ ■■ ............ „. . ...
.... I
135
zien wij duidelijk, dat God zijn volk Israël nog wilde bewaren voor hot verderf, waarmee de afgoderij van Izebel het bedreigde. Op zekeren dag, geheel onverwacht , treedt Elia op Achab toe. Hy was gekleed met een ruigen mantel van kemelshair, en om zijn lenden droeg lijj een lederen gordel. Niemand kende hem — maar toegetreden op Achab, zegt hij : „Zoo waarachtig als de Heer, de God Israels, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw ot regen wezen zal, tenzjj dan naar mijn woord.quot;
Als hij deze woorden heeft uitgesproken, verdwijnt hjj even golieimzinnig als hy is te voorschijn getreden. Overal, zelfs in de naburige landen laat Achab naar hem zoeken, maar te vergeefs. Geen spoor is van hem te vinden. Doch wat hy had gezegd, bleek maar al te waar te wezen. Een tjjd van droogte brak aan over heel het land. Dag aau dag brandde de zon met groote felheid, en geen dauw kwam 's nachts het land verfrisschen, dat de hitte van den dag had verschroeid. Geen dauw of regen, dat betoekende voor Israël: Gebrek aan koorn. En waar het koorn ontbrak, ontbrak het brood. Daar ontstond de hongersnood. De maanden van droogte werden tot jaren. Drie jaren en zes maanden hield God den regen in Het scheen wel, alsof de hemel van koper was, terwijl de aarde hard werd als ijzer. Hoe werd er toen geleden door de armen, door de min-gegoeden, en welk een ernstige roepstem van den Heer kwam in deze bezoeking tot het afgodisch volk. Maakte zij indruk ? Bewoog zij Achab en Izebel tot nadenken en bekeering? Leerde zjj het volk roepen tot den God der vaderen? Wjj lezen er niets van. Doch waar was Elia?
Op Gods bevel had hij zich begeven naar een eenzame streek, waar een beek, Krith genaamd, doorheen stroomde. Uit die beek kon hy drinken en de raven brachten hem dos morgens brood en vleesch, desgelijks brood en vleesch des avonds. Zoo beschikte het, en zoo zorgde de Heer voor dezenzjjnendienstknecht. Door de felle droogte begon echter ook de beek Krith hoe langer hoe minder diep en breed te worden. Lang zou het niet meer duren, of ook zjj zou geheel zonder water zijn, en hoe zou Elia dan het leven behouden? Doch God verloor zijn profeet niet uit het oog. Daar komt zjjn woord tot Elia, dat hjj zich opmaken en gaan moest naar Zarfath, een stad gelegen in Fenicic, in het vaderland van Izebel; en had God aan de beek Krith raven bevolen, dat zij hem voorzagen van spijze, te Zarfath had God een weduwe gelast dat te doen.
Het was wel een zonderling bevel. Nu moest hij, de profeet des Heeren, gaan naar een heidensch land ; in dien duren tijd, in die dagen van hongersnood zou 't een weduwe zijn, die hem moest onderhouden: maar de Heer zou hem niet teleurstellen, en had zeker ziju goede redenen voor dit bevel. In liet vertrouwen hierop gaat Elia op weg , en richt de schreden naar Zarfath. Hg wist echter volstrekt niet, bij wie hjj zijn intrek nemen moest
136
doch, genaderd tot de poorfc der stad, vindt lijj daar een vrouw bezig met hout te sprokkelen. Zij was dus zeer arm en verlaten. Was nu zij de weduwe, die hem verzorgen moest ? Eiia wist liet niet; maar het zou kunnen zijn, en daarom vraagt hy haar vriendelijk om een teuge waters, want hij versmachtte van den dorst. Nu was water in dien tijd van droogte iets kostbaars — doch do vrouw betoont zich bereid aan 'tverzoek van den vreemden profeet te voldoen, en begeeft zich op weg, om water te halen; en nu roept Elia haar toe: breng rnjj ook een bete, een stuk van het brood mede, dat gjj hebt .... Maar nu maakt zj hem bekend met den treurigen toestand, met den bitteren nood, waarin zjj verkeerde. Zij deelt hem alles openhartig mede. Zy had in huis niets als een weinig olie en een weinig meel, juist genoeg om er een koek van te bakken. Was dat opgebruikt, dan had zy niets meer. En was zy nu nog maar alleen! Doch zy had ook nog een zoon; en geen ander vooruitzicht hadden beiden, dan dat zy, gelyk zoo velen, van honger zouden moeten sterven.
Als zy zoo haar geheele hart voor den profeet heeft uitgestort, zegt Elia ; „Vrees niet, maak u over uw leven niet ongerust, üa naar huis, en maak van 't meel en de olie, die gü nog over hebt, een koek: doch bereid eerst voor rajj er een kleinen koek van, daarna zult gjj iets bereiden voor u en uwen zoon.quot;
De vrouw zag ongetwijfeld Elia met eenige bevreemding aan, terwijl hü die woorden sprak: hy voegt er dan ook tot hare geruststelling aan toe: „Want zoo zegt de Heer, de God Israels: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der llesch zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de Heer regen op den aardbodem geven zal.quot;
Zoo sprak Elia. En v/at deed de weduwe ? Nooit had zjj, zooals gjj weet, den profeet gezien, of iets van hem gehoord, lljj was voor haar geheel en al een vreemde. Zal zy nu doen wat die onbekende man zegt? Kan zjj op zyn woord vertrouwen ?
Zy doet het; en zy toont daarmee een groot geloof te stellen in het woord van den profeet. En dat geloof is niet beschaamd geworden, zooals ons blyken zal. De weduwe gaat naar hare woning, zjj legt een vuur aan van het hout, dat zy had vergaderd, en bereidt nu een kleinen koek voor Elia. Daarna bereidt zjj er een voor zichzelve en voor haren zoon, en zij aten .... en wat ontdekt zij ? Dat het meel van de kruik niet werd verteerd, en de olie van de llesch niet ontbrak. De profeet komt nu bij haar inwonen en er was alle dagen genoeg voorhanden, om er brood van te bereiden; wondervol hield de Heer door zijne macht hen in ' 't leven. Zoo leefden zu een geruimen tijd voort, en daar wordt het hart der weduwe getroffen door een zwaren slag. Haar kind, haar eenige zoon, wordt ziek. De ziekte wordt al heviger en heviger: eindeiyk daar ligt de knaap neder zonder eenig teeken meer te geven van leven. Er was geen adem meer in hem over. In haar
137
eerste droef lieid neemt zij niet de toevlucht iot God, en bidt zij den Heer niet, dat Hjj haar kracht moge geven, om dat groote verdriet en verlies te dragen. Neen, zy schrijft de ramp , die haar getroffen heeft, toe aan Elia. Hij, de man Gods, was zoo veel beter en heiliger dan zjj. In Gods oogen moest zij, vergeleken met Elia, wel zeer slecht en onvolkomen schijnen. En daarom was het zeker, dat God haar nu had gestraft, en haar haren zoon had ontnomen.
De vrouw vergiste zich hierin, maar Elia is haar daarom niet hard gevallen. Hy begon niet met haar te twisten ol beter te onderrichten. Doch , Avat deed hy? Hy zeide: Geef mij uw zoon! En hy nam hem van haren schoot, (want zjj had nog niet kunnen besluiten van hem te scheiden), en hy droeg hem boven in de opperkamer, waar luj zelf woonde, en legde hem neder op zijn bed. Als hy alleen is met het kind, roept hy vurig den Heer aan , en legt als het ware het kind neder aan 's Heren voeten. En driemalen buigt hij zich, en strekt zich over het kind uit, terwyl hij smeekt: Heer, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkeeren !
En de Heer verhoorde de stem van Elia. Het kind werd weder levend. Het opende de oogen, en verrees van het bed. Toen nam Elia het kind, droeg het naar beneden, en gaf het aan zijn moeder terug met de woorden: „Zie, uw zoon leeft!quot; Geen wonder, dat de blijde moeder God verheeriykte, en uitriep: „Nu weet ik, dat alles wat gy my hebt geleerd van den Heer, waarheid is, en gij waarljjk een profeet zyt van Hem gezonden.quot;
De maanden en jaren verliepen , welke Elia doorbracht buiten het Joodsche land. Sinds de droogte aanving, welke hij had voorspeld, waren ruim driejaar voorbijgegaan. En de honger was sterk in Samaria. Toen heeft de Heer zich over 't land ontfermd, en zeide Hy tot Elia: „Ga heen, vertoon u aan Achab, want ik zal regen geven op den aardbodem.quot;
Er behoorde groote moed toe, om aan dat bevel te voldoen. Achab cn vooral Izebel waren vol haat en toorn jegens den Heer, en zochten overal Zyn profeten, om hen te dooden. Een godvruchtig man, Obadja geheeten , had in twee spelonken een aantal van hen voor de vervolging, waaraan zy blootstonden, verborgen, en hield hen in liet leven met water en brood. Voor de dieren was er bijna nergens meer eenig voedsel te vinden. Slechts hier en daar by een bron, op een vochtig plekje, waar weinig zonneschijn kwam, groeide nog eenig gras, en Achab en Obadja gingen in verschillende richtingen het land door , om op hetgeen er nog groeide beslag te leggen voor de paarden en de muilezels des konings.
Elia kon dus met grond vermoeden, dat hij Achab in een toornige stemming zou aantreffen, en dat zijn leven gevaar zou loopen by de ontmoeting van dezen eciitgenoot van Izebel. Toch is hy gegaan. Met aandoening betrad hy zeker den bodem van zijn vaderland. Ach, hoe dor en woest zag er alles uit, en hoe
138
zwaar drukte do honger op hot arme volk, dat den levenden God verlaten had Wien ontmoet lijj het eerst 'i Obadja, den hofmeester van Acliab, een man, die den Heer vreesde van zijn jonkheid aan, en die zeker omzijn voortreflelijke hoedanigheden aan het hof en in den dienst des konings blyven mocht. Obadja ontroert als hy Elia aanschouwt. „Zjjt gjj het, mijn heer Eliaquot; , zoo roept lijj, alsof hjj zeggen wilde: „Hoe durft gü hier u vertooneni' Weet gü niet, dat Izebel u zeker zal dooden?quot; Maar Elia zegt tot hem: „Ga heen, zeg uwen heer Achab, dat ik hier ben.quot;
Daartoe ontbreekt het echter Obadja aan moed. Hy is bevreesd. dat de koning hem zal zeggen: „Waarom hebt gü Elia niet gedood, toen gjj hem hebt ontmoet ? Gjj weet toch, dat ik hem uit den weg wil ruimen.quot; Daar kwam bij, dat Obadja er bevreesd voor was, dat Elia niet zou bljjven wachten op de plaats, waar hjj nu zich bevond, maar door den Geest des Heeren worden weggenomen, en dan zou de toorn van Achab nog grooter zjjn, en zou hjj Obadja doodslaan. Maar Elia verzekert hem plechtig, dat hy zich van die plaats niet verwijderen zal, doch er koning Achab afwachten.
Zoo ging dan Obadja, en deelde het Achab mede, dat Elia hem verwachtte. En Achab ging Elia te gemoet, en zeide tot hem: „Zijt gij die beroerder Israels? Zyt gü die man, die al deze ellende over ons volk hebt gebracht ?quot; — Ook hier zien wy dus een mensch , die de schuld van hetgeen werd misdreven zoekt te werpen op een ander. Elia zegt het den koning dan ook met duidelijke, ernstige woorden, dat de droogte en de hongersnood, die het volk thans hadden getroilen, een straf daarvoor waren, dat Achab en Izebel de geboden des Heeren hadden verlaten, en de afgoden nagevolgd. Zóó kon het echter niet blyven. Het moest duideiyk, voor het oog van het geheele volk worden uitgemaakt, wie nu toch wel de ware, de eenige ware God was: Jehova, de Heer, dien Elia diende, óf Baiil, dien Izebel vereerde. Maar hoe zou dat blijken; op welke wyze zou dat worden uitgemaakt ?
Op deze wyze; Aan het strand van de Middellandsche Zee verheft zich eon berg, de Karmel geheeten. Elia verlangt, dat het volk Israel en de priesters, die door de Koningin .gespijzigd werden, op dien berg Karmel zouden komen. Het getal der priesters bedroeg honderden. Elia zou daar ook komen. Achab liet het volk op den bepaalden dag bijeenroepen, en de waarzeggers en priesters van Isébel verschenen ook.
Geiieel alleen komt Elia. Niemand kiest voor hem party; niemand staat aan zijn zijde. AVy moeten hoogen eerbied koesteren voor en het vertrouwen , dat hij betoonde op God. Te midden van een doodelijke stilte neemt hy het woord, en roept het gansche volk toe: „Hoe lang hinkt gy op twee gedachten ? Hoe lang duurt het, eer gy kiest tusschen den Heer en tusschen Baill. Een van
189
beiden is toch maar de ware God, en lien samen dienen, dat gaat niet aan. Gij moet staan öt' aan de zijde van Jehova, èt'aan die van Baill. Wien kiest gij nu ?quot; Maar het volk antwoordde hem niet één woord.
Toen zeide Elia: „Ziet, ik sta hier alleen, als de profeet des Heeren; en de priesters van Baill zijn hier ten getale van vierhonderd en vijltig. Maar geelt ons twee varren, twee jonge koeien. Dan zullen zij er een van nemen, hem in stukken deelen, en op liet hout van hun altaar leggen, maar vuur mogen zij er niet by brengen. Ik, zoo zeide Elia verder, zal hetzelfde doen. Ik zal den anderen var toebereiden en leggen op het hout van mijn altaar. Daarna zult gy, priesters van Buiil, den naam aanroepen van uwen God, en ik zal den naam des Heeren aanroepen. De God, die door vuur zal antwoorden, die door vuur het ofler zal aansteken, die zal God zijnquot;. Het volk gaf duidelyk te kennen, dat het dit voorstel goed vond.
Daarop liet Elia de priesters van Baiil voorgaan , omdat zy velen waren. Zjj mochten uit de twee varren er een kiezen, en deelden het dier in stukken, en legden die stukken op het hout van hun altaar, en begonnen te roepen tot Baill, dat hjj door vuur van den hemel het aansteken zou. Het was 9 uur in den morgen , toen zjj begonnen te roepen; „o Baill, antwoord ons!quot; Doch Baill liet niets van zich hooren of bemerken. Toen begonnen de priesters op te springen tegen het altaar, dat zjj gemaakt hadden, in de iioop, dat hun God, daarop toch wel acht zou geven. Maar het baatte niet, ofschoon zij drie uren achtereen, en dus tot 12 uur riepen uit alle macht. Elia zag dat aan , en kon zich niet weerhouden om te spotten met dat stilzwijgen van Baill. Hjj zeide tot de priesters; „Gij roept niet luid genoeg — Baill schijnt u niet te hooren. Misschien zit hy in gedachten verdiept; misschien hoeft hy het zeer druk; misschien is hy wel op reis; het zou ook kunnen zijn, dat hy slaapt — en daarom roept hem nog krachtiger aan, want wellicht wordt hy dan wakker.quot; Elia wil doen uitkomen , welk een nietige, machtelooze God die Baiil was — en zyn priesters namen messen en priemen en sneden daarmede zich zeiven in borst en armen, zoodat hun bloed op het altaar spatte. Maar het baatte alles niets. Baill gaf geen antwoord. — Inmiddels verliep het cenc uur na het andere, en het werd drie uur na den middag. Zes uren hadden dus de priesters geroepen. Het was derhalve niet onnatuuriyk , dat Elia zeide: „Nu zal ik roepen tot mynen God , tot den Heer.quot; Hij gebood het volk , naderbij te komen.
Op den terg lagen steenen verspreid, die vroeger hadden behoord tot een altaar, dat gewijd was aan den Heer. Elia neemt even zoo vele steenen als er stammen in Israel waren, d. w. z. twaalf, en stapelt ze weder op elkander in den naam des Heeren. Kondom dit altaar liet hy een greppel graven; daarna laat hy het hout leggen op de steenen , en op liet hout legt hy de jonge koe,
140
die hij wilde otteren. Doch eer hij verder gaat, gelast hij, dat men een groote hoeveelheid water zou uitgieten over hot offer en het hout. Als dit eenmaal is gebeurd, zegt hij: doet het nog eens; en zjj deden het ten tweede male. En hy zeide: doet liet voor de derde maal. Toen droop alles van het water, en de greppel rondom het altaar was er ook meê gevuld.
Waarom liet Elia dat doen ? Om iedereen ervan te overtuigen , dat hij niet op een geheimzinnige wijze vuur op het altaar had gebracht. Het water had alle vuur, dat hier of daar onder 't hout verborgen mocht zjjn, noodzakelp moeten blusschen. Nu is Elia gereed; en 't moet een plechtig oogenblik zijn geweest, toen hy daar gansch alleen stond bij zijn altaar, en de lunden ophief tot den hemel, en luide sprak : „o Heer, God van Abraham, Isailk en Jacob,, laat het heden bekend worden dat Gij in Israël, God zijt, en dat ik uw knecht ben; en dat ik al deze dingen heb gedaan naar uw woord. Antwoord mij, Heer antwoord mij, opdat dit volk erkenne dat Gij de eenige God zijt, en Gij hun hart weer van liaiil afkeert en heenwendt tot U !quot;
En nauwelijks heeft Elia deze woorden uitgesproken , of daar schiet een straal vuurs uit den hemel, en steekt het offer aan. Alles werd door het vuur verteerd , de jonge koe, het hout, de steenen — en geen droppel water bleef achter in de groeve, welke om het altaar gegraven was. Hoe geheel anders deed de Heer met zyn profeet, dan Baiil had gehandeld met zijn priesters !
Hij gaf antwoord op het gebed. Het volk is er dan ook zoo levendig door getroffen, dat zjj als uit één mond uitroepen: De Heer is God! De Heer is God! — Nu het zoo duidelijk was gebleken, dat Baiil een nietige, machtelooze afgod was, en dat de mannen, die hem dienden het volk misleidden, acht Elia het rechtvaardig, hen voor aller oog te straffen. .Grijptquot;, zoo roept hij uit, ,grijpt do profeten van Baiil, dat niemand van hen ontkome!quot; En men greep ze, en men voerde hen af naar een beek in de nabijheid, en aldaar werden zij allen om het leven gebracht.
Tot Achab zeide Elia: „Stel u thans gerust, en wees goeds moeds, wart hoor eens, hoe het gaat regenen.quot; Toch was op dat oogenblik de hemel nog even helder en strak als hij 't in de laatste maanden en jaren was geweest — maar Elia is er zóó vast van overtuigd, dat het zal regenen, dat hy spreekt, alsof werkelijk de wolken reeds zijn aangevangen met den regen te doen nederdalen. En hij is niet beschaamd geworden. Hy klimt op een top van den berg Kannel, vergezeld door een knecht, en hij buigt zich ter aarde, zóó dat hy zyn aangezicht legt tusschen zijn knieën. Hy nadert dus tot God in de houding van een onderdaan in het Oosten, die eerbiedig iets vraagt en verwacht van zijn Koning. Tot zyn knecht zegt hij: Klim nu op een hoogte en zie uit n.iar de zee.quot; Vandaar tocli kwamen gewoonlijk de regenwolken op.
141
De knecht ontdekte echter geen wolk, en riep dan ook Elia toe: „Tk zie niets.quot; Toen kreeg hij het bevel, tot zevenmalen toe. terug te keeren , en te zien, of er nog niets te ontdekken viel. En waarlijk, voor de zevende maal heengegaan, ziet hy uit de zee verrijzen een zeer kleine wolk. Zü was niet grooter dan de hand van een mensch. Maar als Elia dat hoort, rijst hü op van de aarde. Hy is er zeker van , dat nu de regen in aantocht is. Hy zegt tot zijn knecht: „Ga heen, en zeg tot Achab: Span uw rijtuig in, en spoed u omlaag, en zorg, dat gy vóór den regen uw woning hebt bereikt.quot;
En inmiddels steekt de wind op, en de lucht wordt zwart van wolken. Weldra — daar hoort men het geluid van den regen, van een overvloedigen regen. In geen drie jaren en zes maanden had men dat geluid, dat heerlyk geruis van den regen vernomen. Het klonk den Israëlieten zeker in de ooren als de liefelijkste muziek. Nu werd de aarde weêr week en zacht; nu kon er weer geploegd en gezaaid worden — nog eenige weken, en met gejuich zou het koorn worden gedragen in de schuur, en de hongersnood een einde hebben.
En Achab reed naar zijn paleis , naar Jizreiil, en Elia trok zijn gordel stijf aan, en in de kracht des Heeren liep hij voor Achab uit — totdat men in Jizreël komt.
HOOFDSTUK XXX.
ACHAB EN IZEBEL—ELIA.
( Vcrvólfi.)
2 Kon. 1 en 2. 1 Kon. IC—32.
Als koning Achab, onder het neervallen van den zoo vurig afgebeden regen thuis komt en aan Izébel verhaalt alles, wat op den berg Kamel is voorgevallen, en hoe Elia haar profeten met het zwaard heeft laten ombrengen, wordt zij zeer toornig. Zij denkt er niet aan, even als het volk uit te roepen .• de Heer is God! De nederlaag, die Baiil had geleden, de verlegenheid waarin hy zyn priesters had gebracht, doen haar niet twijfelen aan zyn macht. Neen, zy is door de handelwijze van Elia beleedigd. Zij wil het hem niet vergeven, dat hy de hand heeft durven slaan aan haar priesters. Zonder te vragen wat Achab
142
daarover denkt, liet zy Elia boodschappen, dat zij wel zal zorgen, dat hjj binnen vier en twintig uur om het leven is gebracht; zij laat zelfs die boodschap vergezeld gaan van een eed bij haar afgoden, dat zü voorzeker zal doen wat zij dreigt.
En wat lezen wij nu van Elia ? Zegt hy : laat Izebel dat beproeven ! Ik ben in Gods hand, en Hij zal waken over mjjn leven ? Neen! Als hjj ziet, dat het gebeurde op Karmel volstrekt geen indruk heeft gemaakt op het hart van Achab en Izebel, ja, dat zü even als voorheen het op zjjn leven toeleggen — is de profeet moedeloos geworden, Dat had hjj niet verwacht. Hij had zich voorgesteld , dat er nu onder het volk een geheele verandering zou tot stand komen, en overal voor de vereering van Baiil de dienst des Heeren plaats zou maken. Doch nu ontdekt Elia, dat alles hetzelfde blijft, en dat zijn leven even onzeker is, als het was voorheen. Dat slaat hem geheel ter neêr; dat ontneemt hem hem allen moed. Hjj vlucht zoo snel hjj kan. Te Ber-Seba, dat in Juda is, laat zjjn dienstknecht achter, en geheel alleen begeeft lijj zich in de woestijn. En als lijj daar een dag heeft omgedoold, zet hjj zich neder onder een boom, en bidt God, dat lijj maar mocht sterven. „Het is genoeg, Heer,quot; zoo roept hy uit, „neem nu myn ziel, mijn leven van mij. Waarom zou ik langer blyvenleven ?quot;
Hjj vertoont hier al de kenmerken van een menscb, die den moed gansch en al heeft opgegeven. Hy ontwijkt het gezelschap van menschen; hy vlucht geheel alleen in een woeste plaats; hij heeft geen lust meer in zijn werk; hy dacht: al myn werken is toch vergeefs. Er is aan het volk Israels niets goeds meer te doen. Ja, nog verder gaat zyn moedeloosheid: zelfs het leven staat hem tegen. Hy smeekt God hem te doen sterven.
Van zulke gedachten vervuld, valt hij eindelijk in een diepen slaap. En God gedacht aan zyn profeet. Wie staat daar by Elia? Het is een engel des Heeren. En deze wekt hem uit zy'n slaap en zegt: „Sta op, eet!quot; Elia ziet omen wat aanschouwt hy ? Aan zjjn hoofdeinde stond een koek, op de kolen gebakken, en een flesch met water — dus alles wat hij voor z/yn lichaam noodig had. Ongetwijfeld hebben deze door een engel des Heeren bereide spijzen hem verkwikt en gesterkt', maar zijn moed is niet teruggekeerd. Als hij gegeten en gedronken heeft, legt lijj zich wederom neder, en valt weêr in een diepen slaap. Maar wederom komt de engel des Heeren, en wekt hem, en zegt: „Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn. Gij zoudt zonder deze spijze bezwijken.quot;
Zoo stond hy op, en at, en dronk — en door de kracht der genoten spijze ging hy voort, veertig dagen en veertig nachten. Toen was hy aan den berg Gods, den Horeb ofSinaï, waar God eenmaal de wet gegeven had van de tien geboden. De avond is gevallen, en Elia begeeft zich in een van de spelonken , om aldaar den nacht door te brengen.
143
Als de morgen is aangebroken, daar weerklinkt door de eenzaamheid dezer woestenij het woord des Heeren , die zijn profeet zoeken komt. „Wat maakt gjj hier, Elia ? Wie heeft u hier gezonden zoo vraagt de Heer. En nu spreekt hij uit al de bezwaren en al liet verdriet van zijn ziel. „Ik heb zeer geijverd voor den Heer, den God der heirscharen, want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten , uw altaren afgebroken en uwe profeten met het zwaard gedood, en ik alleen ben overgebleven , en zjj zoeken mijne ziel, mij trachten zy te dooden.quot;
De Heer heeft deze lange klacht aangehoord, en beveelt nu, dat Elia uit de spelonk zal te voorschijn komen. „Ga uitquot;, zoo zegt hij, „en sta op dezen berg voor het aangeziaht des Heeren.quot;
En wat geschiedt nu? Daar verheft zich een geweldige storm, die aangroeit tot een orkaan. De bergen schudden en scheuren; groote rotsblokken vallen met geweld naar beneden — maar in dien stormwind was de Heer niet.
Nauwelijks is de storm bedaard, of daar begint de aarde te beven, alles schokt en schudt onder Elia's voeten, maar ook in de aardbeving was de Heer niet. — En nu verheft zich een ontzettend onweer, de stralen van den bliksem zetten alles in den omtrek als in vuur, maar ook in het onweer was de Heer niet. En nu wordt het plotseling stil; na deze ontzettende tooneelen komt de natuur tot rust. Men hoorde slechts het suizen van een zachte koelte. Alles herleeft en herademt, en nu, nu komt de Heer. Nu bedekt Elia het amgezicht met zijn mantel, en staande aan den ingang der spelonk, wacht hü eerbiedig af, wat de Heer, die is genaderd, tot hem spreken zal. Niet waar, alles lokte hem nu uit om alles te zeggen; de Heer wilde hem geen schrik aanjagen ; Hij was niet in den storm, niet in de aardbeving, niet in het onweder. Vriendelijk, bemoedigend nadert Hij zijn profeet, en zegt nóg eens weer: „Wat maakt gü hier, Elia ?quot;
En Elia herhaalt dezelfde klacht met dezelfde woorden, welke wij reeds vroeger van hem vernamen. Hij had geijverd, doch te vergeelsch. Niemand stond aan zgn zijde. Allen hadden den Heer verlaten ; hg alleen was overgebleven, en nu zochten zy bovendien hem te dooden.
Als de Heer deze klacht heeft aangehoord, wyst Hy Elia terecht. Vooreerst gelast Hy hem de woestijn te verlaten, en Hazael te zalven tot Koning over Syrië, en Jehu tot Koning over Israël, en Eliza tot profeet. Dan moesthjjniet langer meenen, dat hy alleen was overgebleven. Daar waren in Israël nog zeven duizend menschen, dat beteekent een groot aantal, die hun knieën voor Haiil niet gebogen hadden, en geen beeld van hem hadden gekust.
En Elia doet wat de Heer hem heeft gelast. Hij verlaat de woestijn; en als hij komt op de plaats waar Eliza woonde, vindt hy hem ploegende met twaalf juk d. i. met vier-on-twintig ossen. Elia treedt op hem toe, en werpt zyn mantel om
144
hom heen. Hy wilde daarmeè te kennen geven: voortaan zult gu profeet wezen nevens mij. Eliza begreep dit zeer goed, en was bereid, aan die roeping tot profeet gehoor te geven. Hij moest dus afscheid nemen van zijn beroep als landbouwer. Tot een teeken daarvan nam hij twee van de runderen en slachtte ze. Van het gereedschap, dat hij had gebruikt om te ploegen, stak hij een vuur aan, waarmee de ossen gebraden werden. H(j gaf het vleesch aan zjjnknechten en zy aten. Daarna stond Eliza op, nam afscheid van zijn ouders, en volgde Elia na, en diende hem.
Hoe ging het inmiddels met Achab en Izebel ? Zy vervielen van kwaad tot erger. Wü gaan u thans verhalen een misdaad, door hen bedreven, welke ons doet zien, hoe zy geheel door de zonde zich lieten overheerschen. Te Jizreölhad Achab een paleis, en aan dat paleis grensde een wyngaard, die toebehoorde aan een man, Nahoth geheeten. lleeds lang had Achab begeerd, dien wyngaard te hebben. Hy zou er dan een bloemhof van maken. Daarom stelt hij Naboth voor den wijngaard te verruilen tegen een, die nog beter was. Doch Naboth wilde daar niet van hooren. Toen zeide Achab: wilt gy uw wyngaard niet verruilen, verkoop hem dan aan m'y. Ik zal hem u goed betalen, u er de volle waarde in geld voor geven; maar ook hiertoe was Naboth niet genegen. Neen, zegt hij, dat late de Heer verre van mij zyn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zoude! — De wijngaard was altyd een bezitting geweest in zyn familie, van geslacht tot geslacht. Hy kon, hy wilde er niet van scheiden.
Achab had daarin moeten berusten, al deed het hem verdriet. Doch hoe gedraagt hy zich ? Hy komt thuis zeer slecht gestemd en toornig. Naboth wou hem den wijngaard niet geven! Hy gaat, ofschoon het dag is op zyn bed liggen, met zyn gelaat naar den muur, met zyn rug naar de menschen gekeerd, en weigert te eten. Kinderen, die boos zijn omdat hun wordt geweigerd wat zij vragen, doen wel eens zóó, en wy keuren het af — wat moeten wy zeggen van een man, van een koning als Achab, die op zulk een waarlyk kinderachtige wijze zyn ongenoegen toont over Naboth's weigering ?
Doch, wie nadert daar tot Achab? Het is Izebel, zyn huisvrouw. Spreekt zij tot hem, gelyk het een koningin betaamde, en wekt zy hem op om tevreden te zyn met het vele, dat hy had, en het eigendom van Naboth te eerbiedigen ? Neen, juist het tegendeel Zy zegt tot haren man op den toon van spot en ge-krenkten hoogmoed: „Zoudt gy koning zijn, en u op die wijze door een onderdaan laten beleedigen en teleur stellen ? Maak u niet langer bekommerd om dien wijngaard. Sta op en en eet, en uw hart zy vroolijk! Ik zal zorgen, ik sta er u voor in, dat gij hem verkrijgt!quot;
Zy gaat naar haar vertrek, en schryft brieven naar Jizreöl, maar zy doet het voorkomen , alsof Achab die brieven had geschreven , en zy verzegelde ze dan ook
nr.
met des konings zegel Die brieven waren bestemd voor de aanzienlijkste burgers van Jizrecl.
Wat er in «tondt' Keu bevel um Nabotli te dooden, maar liet moest geschieden onder den schijn, alsof' Naboth een misdaad iiad bedreven, Izebel beval , dat hy eerst moest worden benoemd tot een liooge betrekking; daarna moesten twee mannen worden gezocht en omgekocht, die slecht genoeg waven, om een valsche getuigenis at te leggen, en onder eede te verklaren, dat zjj God en den koning door Nabotb hadden hooren lasteren. Daarop moest hij dan veroordeeld worden tot de doodstraf, en gesteenigd totdat lijj stierf.
De mannen, aan wie izebel dit goddelooze bevel gat, hebben alles gedaan wat de koningin van hen verlangde. De volmaakt onschuldige Naboth werd op het getuigenis van die twee slechte mannen, mannen lielials noemt hen de by bel, ter dood gebracht, en zijn akker verbeurd verklaard ten voordeele van den koning. Als deze schandelijke, goddelooze daad is verricht, wordt aan Izebel bericht: „Naboth is gesteenigd en is dood.quot;
Als Izebel die tijding heeft ontvangen, begeeft zjj zich tot Achab, en zeide tot hem; „Sta op bezit den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, erfelijk, dien hjj u weigerde voor geld te geven, want Naboth leeft niet, maar is dood.quot;
Zij zegt niet, op welke wijze Naboth was omgekomen. Achab vroeg het haar ook niet; hjj had zjjn bed al dien tijd niet verlaten, en gezegd tot zich zelf: „Ik laat deze zaak geheel over aan Izebel. Zjj moet weten wat zjj doet. Ik laat mij daarmede niet inquot;. Maar dit was eene vruchtelooze poging, om zijn onschuld aan dezen moord te willen bewijzen. Al had Izebel het hem niet gezegd , Achab had hot zeker kunnen vermoeden, dat Naboth zou worden omgebracht. En dat had hij moeten verhinderen. Hij had moeten zeggen: „Ik wil niet, dat Naboth oenig geweld zal worden aangedaan.quot; Nu Inj dat niet deed, is hij mede verantwoordelijk voor do gepleegde gruweldaad, ook al is natuurlijk Izebel de hoofdschuldige.
Achal) staat dan op van zijne legerstede, en begeeft zich naar Jizreël, om plechtig van Naboth's grond zijn bezit te nemen. Als hij er is binnen getreden, verheugt fiy zich er over, dat luj zijn wensch verkregen heeft, en in zijn gedachten ziet hy zeker reeds de veranderingen en verfraaiingen, welke hij er denkt aan te brengen. Doch wien ziet hy daar plotseling op hem toetreden ? Den man, dien hij liever overal elders dan hier ontmoet, den profeet in het kemelsharen kleed, Elia. Wolk een gestrengheid, welk een toorn spreekt daar uit de houding van den man Gods.
De Heer had hem gezegd, dat hy tot Achab gaan en hem bestrallen moest, en tot hem zeggen: .Alzoo zegt de Heer: Hebt gy doodgeslagen en ook een erfelijke bezitting u toegeëigend V Alzoo zegt de Heer: daar waar de honden
10
Nubotli'a bloed hebben gelekt, zullen zij ook uw bloed lekken, ja hel uwe.quot; Hier wordt dus aan Achab een onnatuurlijke dood voorspeld ; niet als dat van een koning, maar als dat van een misdadiger zou zijn Ijjk behandeld worden.
Achab tracht den schrik door dit woord van Elia in hem verwekt, te verdrijven door het te doen voorkomen, alsof Elia z'ijn persoonlijke vijand was, en nu er zich in verheugde iets te hebben gevonden om hem te straffen. „Hebt gij mij gevonden, o mijn vijandquot; ? zoo roept lijj Elia toe; en deze antwoordde: „Tk heb u gevonden, niet omdat ik uw vijand ben , maar omdat gij u zeiven verkocht hebt om te doen wat kwaad is in de oogen des Heeren, u tot een slaaf hebt gemaakt van de zonde.quot; En daarop kondigt de profeet de vreeselpe oor-deelen aan, welke God over Achab en zyu huis brengen zou. Zijn geslacht zou worden uitgeroeid, gelijk dat van Jerobeam, en van nog andere koningen van Israël. Tzebel zou door de honden gegeten worden , en van zijn nakomelingschap zouden de lijken een prooi zijn van het verscheurend gedierte en van de vogelen des hemels.
Zwaarder straf kon moeielp worden toegepast. Maar er was ook niemand geweest als Achab, die zich zeiven verkocht had , om te doen dat kwaad is in de pogen des Heeren , dewijl Izebel, zijne huisvrouw hem ophitste. Achab wordt echter door het vonnis, dat over hem is geveld, diep ontroerd. Zijn geweten klaagt hem aan, en hij bekent openlijk schuld. Hij scheurt zijn kleed , en verwisselt het met een zak, dien hij omhangt, en hij vast, en langzaam ziet men hem voortgaan in het kleed der boete, dat hij ook des nachts niet aflegde.
Zulk een boetvaardigheid zouden wij van Achab niet hebben verwacht, en de Heer, die alles ziet, en steeds bereid is hun, die berouw toonen, zijn genade te bewijzen, zegt tot P]lia: „Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor mijn aangezicht ? Daarom zal ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen, maar in de dagen zijns zoons, die mijn geboden overtreedt, zal ik dat kwaad over zijn huis brengen.quot;
Niet lang na deze dingen brak er weder een oorlog uit tusschen de Israëlieter. en de Syriërs. Achab maakt zich gereed tot den krijg, maar roept tevens de hulp in van den vromen Josafat, den koning vanJuda. Josafat zegt hem zijn bijstand toe, als die van een trouwen bondgenoot met deze woorden: »Zoo zal ik z'ijn, gelijk gij zijt, zoo mijn volk als uw volk, zoo mijne paarden als uwe paarden.quot;
Zoo trekken dan de beide koningen samen op. Josafat verscheen op het slagveld in koninklijk gewaad, maar Achab had zich op een eigenaardige wijze toegerust. Hij had een harnas aangetrokken, dat hem bijna geheel onkwetsbaar maakte. Alleen op een klein plekje , tusschen de gespen en tusschen liet pantser, zou een pijl kunnen doordringen en hem wonden. Over dat harnas heen had hij het kleed van een gewoon krijgsman aangetrokken. Niemand kon dus aan
117
hem zien, dat liij cou koniny was. De komutj van Syrië nu liad aan zijne onderbevelhebbers gezegd, dat zij hunne pjjlen op niemand anders richten moesten dan op Achab. Hiervan was het gevolg, dat zjj eerst allen zich keerden tegen -losafat, dien zjj hielden voor den koning van Israel. Op Achab vestigde geen Syriër het oog. Ja, toch, een deed het. Hjj wist niet, dat het Achab was, maar op den krijgswagen , waarin deze stond, legt liij aan; zjjn pijl snort van den strak gespannen boog — en treft Achab juist tusschen de gespen en het pantser. Achab gevoelt, dat hy zwaar is gewond, en ofschoon hij zich nog staande houdt in zjjn wagen, tegenover de Syriërs — als de avond valt sterft hij. en het bloed zjjn er wonde vloeide in den bak van zyn wagen. Zijn Ijjk werd vervoerd naar Samaria. en aldaar werd hij begraven. Als men nu den wagen in den vijver van Samaria spoelde , kwamen de honden en lekten 7,ijn bloed, naar het woord des Heeren, dat Hij gesproken had door Elia.
De zoon van Achab, die hem in de regeering opvolgde , heette Ahazia, en hy wandelde in de voetstappen van zijn vader en van zijne moeder Izebel. Lang had hij niet geregeerd , toen hem een groot ongeval overkwam. Hij viel door een venster in zijn opperzaal en werd daardoor zeer bedenkelijk gekwetst. Terwijl hij zoo ernstig aan zijn einde werd herinnerd, nam hij niet zjjn toevlucht tot den Heer, maar zond hjj boden tot een afgod. Baal-Zebub genoemd, die te Ekron werd vereerd. om hém te vragen of hij herstellen zou. Hy toonde daardoor openlijk , dat hij den Heer niet erkende en hem verre beneden een afgod stelde.
Daarom sprak de Engel des Heeren tot Elia : „Ga op. den boden des konings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israel is, dat gyiieden heengaat om Baal-Zebub te vragen? De Heer zegt alzoo: Gij zult niet afkomen van dit bed , waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven.quot; Elia brengt dit bevel des Heeren over, en de boden van Ahazia zjjn er zóo door ontroerd, dat zy niet doorgaan naar Ekron , maar tevugkeeren naar Samaria. De kranke koning vroeg hen, waarom zy zoo spoedig zijn teruggekomen en zij verhalen, dat een man hun te gemoet gekomen was, die hen had bevolen den koning aan te zeggen, dat hij den dood sterven zou.
Hoedanig was het niteriyk voorkomen van dien man ? vroeg de koning; en als zy antwoorden, dat hij een man was met een harig kleed en met een lederen gordel gegord om z'ijne lenden, zegt hij: Nu weet ik het reeds, het is niemand anders dan Elia, de Thisbiet.
Hy wil den profeet straffen voor dat optreden , en voor dat gestrenge woord. Daarom gelast hij een hoofdman over vijftig man om met zijne manschappen Elia gevangen te nemen. De profeet zat op de hoogte eens bergs, en de hoofdman over vijftig man had er een genoegen in, Elia zijn macht te toonen, en gelastte hem,
148
[alsof liij zjja mccrdoro ware 011 niet liet minst ontzag boliool'do to gevoelen voor zulk een proleet des lleeren l, tot lieiu ut' te dalen. Maar Elia liot niet niet zich spotten, en antwoordde; , Indien ik een profeet des Heeren ben, dan zult gü, die mij zoo weinig eert, ondervinden, dat ik mij niet laat bespotten. Daarom zal vuur van den hemel dalen en u verteeren.quot; En zoo geschiedde het. Het hemelvuur verteerde den hoofdman , en do vijftig mannen, die hij bjj zich had.
Als Ahazia dit hoorde, gaf hij den moed niet op, maar gelast een anderen hoofdman over vijftig, om Elia gevangen te nemen. Deze gaat met zijne manschappen en spreekt den profeet nog ruwer en oneerbiediger toe dan zijn voorganger. „Kom dadelijk beneden,quot; zoo roept hy Elia toe op een nitdagenden toon. Maar Elia antwoordt wat hij ook den vorigen hoofdman geantwoord had, en wederom daalt vuur uit den hemel en verteert de krijgslieden. Nu gelast Ahazia een derden hoofdman, te gaan naar den berg waar zich Elia bevindt, om hem van daar mee te voeren. Deze hoofdman echter is beter en wijzer dan de vorige. Als hij Elia ziet, gaat hij tot hom, valt aan zijne voeten en smeekt hem het leven van hem en zijn manschappen te sparen, en mee te gaan. Elia geeft gaarne aan dat verzoek gehoor, en weldra staat hjj aan het bed van den kranten koning, en zegt hem aan, dat hij sterven zal, en bestraft hem voor zyn openbare verloochening van den Heer der heerscharen. Kort daarop was Ahazia dan ook overleden.
Ook de levensdagen van Elia bereikten nu weldra hun einde. Geheel ongewoon en wonderbaar was zijn heengaan van de aarde, gelijk er zoo-voel wonderbaars met hem was voorgevallen, sinds de Heer hem had go-roepen tot zijn profeet. Toen hij de zekerheid had bekomen, dat zyn einde nabü was, wilde hij zijn leerling Eliza, die zoo sterk aan hem was gehecht, hot smartelijke besparen van het afscheid nemen en zoide tot hem: Blijf toch hier , te Gilgal; want do Heer hoeft my naar Bethel gezonden. Doch Eliza wilde daarvan niets weten. ,Zoo waar als do Heer en uw ziel loeit,quot; zoo zegt hij, „ikzal u niet verlaten.quot; Zoo komen zij dan te Bethel. Doch, wie naderen daar? Leerlingen der profeten-school, en zij roepen Eliza toe: „Weet gij, dat de Heer heden uw meester Elia van u zal wegnomen?quot; En het antwoord van Eliza is: „Ik weet liet ook wel, zwijgt gij stil.quot; — Van Bethel gaat Elia naar Jericho, en hij dringt er wederom op aan, dat Eliza niet verder moè gaan, maar achterblyven zal. Doch Eliza betuigt op de plechtigste wijze, dat hij zijn meester niet zal verlaten. Te Jericho richtten do leerlingen der profeten tot Eliza dezelfde vraag, welke die te 15ethel hem gedaan hadden, en zij ontvangen hetzelfde antwoord. — Nadat de beide profeten Jericho hebben verlaten, slaan zy den weg in, die leidde naar don Jordaan, en als zij de oevers van do broode, diepe rivier hebben bereikt, neemt Elia zyn mantel, windt hom samen en slaat daar meê hot water.
h-l w
k—I
W
a
55 w H
w «
O
w w
55
'T Mi* ■ 'i -
m
119
en ziet, 'net spat uiteen, cu er komt oen droog vak, een pad midden door den stroom. Droogvoets gaan zij dus door do rivier, cn bereiken de overzijde.
Vee! werd er tussclieu deze mannen niet gesproken. Het was zulk een plecii-tig en ernstig oogenblik. Het was hun laatste samenzijn in dit loven. KI ia verbreekt do stilte, en zegt tot Eliza ; „Begeer, wat ik u doen zal, eer ik van bjj ii weggenomen worde.quot; En wat begeert hij ? Dat een deel van Blia's geest op hem moge zyn. Dan zou hij in de kracht van zijnon meester zijn werk voort kunnen zetten. Elia durft niet verzekeren, dat deze wensch van Eliza vervuld zon worden. En daarom zegt hij: Indien gij mij zult zien, als ik van bjj u weggenomen word, indien hot dus aan n alleen wordt vergund van mijn heengaan getuige te zijn, dan moogt gij daaruit afleiden, dat u ook een bijzondere roeping te beurt zal vallen; maar Elia wist zeer wel, dat hot alleen in Oods macht stond, den wensch van Eliza te vervullen.
Zoo gaan zij voort, sprekende over hetgeen hun harten vervulde. En ziet, plotseling komt er een hevig onweder op. Alles staat in vuur. En Eliza ziet tusschcn de plaats waar hij stond, en tusschen Elia vurige wagenen en paarden — en alzoo ging Elia met een onweder ten hemel. In de hevigste ontroering roept Eliza uit: „Mijn vader, mijn vader! wagen Israels en zijn ruitereii!quot; Hij wil daarmee zeggen, dat Elia voor zijn volk meer waarde had eu het beter beschermen kon dan een geheel leger van strijdwagens en van ruiteren. Maar hjj zag Elia niet meer. üod had hem weggenomen.
Eliza nam ten teeken van zijn droefheid zyn kleederen en scheurde zo iu twee stukken. Ook hief hy Elia's mantel op , die den profeet van de schouders was gevallen — en met deze levendige herinnering aan den man Gods, met dat hairig kleed, waarin hij tot zoo veler schrik en bemoediging had rondgewandeld — keert Eliza terug van de plaats, waar hij als het ware den hemel geopend had gezien.
Weldra staat luj aan de oevers van den Jordaan en hjj neemt den mantel van Elia, slaat daarmee het water en roept uit: „Waar is de Heer,de God van Elia, ja Hij zelf?quot; En de God van Elia is aan deze plaats, en laat Eliza niet verlegen staan. Ook nu spat het water uiteen, en komt er midden door de rivier een pad, waar langs de profeet droogvoets komt aan de overzijde.
üe leerlingen der profeten, die de twee profeten hadden zien heengaan,buigen zich voor Eliza ter aarde, als zij tot hem genaderd zijn, want, zoo zeggen zij: de geest van Elia rust op hem. Het schijnt, dat Eliza niet meedeelde, wat er met Elia was geschied, of dat hij niet word geloofd — althans vijftig leerlingen der profeten verklaren zicli bereid, Elia in den omtrek te gaan zoeken. Zij verkeeren dus in de meening, dat Elia plotseling, doch niet voor altijd aan 't oog dor menschen onttrokken was. l'lliza wist wel beter, en ried daarom dat
150
zoeken al'. Toch drongen zij er op aan, maar als zjj drie dagen ou drie nachten de borgen en dalen van den omtrek doorzocht hebben, keoren zjj terug, zonder een spoor van Elia te hebben gevonden. Nog eenmaal is lijj op aarde gezien; maar dat was lang daarna, op den berg der verheerlijking, Daarom zullen wjj dat ook later verhalen.
HOOFDSTUK XXXI. DE PROFEET ELIZA.
2 Kon, 2 en volgende.
Eliza was niet zulk een groot proleet als zyn voorganger en meester Elia. Toch heeft hij vele buitengewonen daden verricht, en is hij een moedig getuige geweest van den Heer.
Nadat zijquot; „vaderquot;, gelijk hjj Elia noemde, van hem was weggenomen, heeft hij eenigen tijd vertoefd te Jericho. Hy heelt daar het water, dat zeer bitter was, drinkbaar en smakelijk gemaakt, door er een schaal met zout in te werpen, en daarna vertrok hij naar Bethel. Qjjherinnertu,dat Jerobeam,de eerste koning van Israël, twee gouden kalveren heeft opgericht, en een ervan plaatste te Bethel. Ook was er een profetenschool, en waarschijnlijk wilde Eliza haar gaan bezoeken. Als lijj genaderd is tot de hoogte en begint te klimmen, daar komen jongelieden te voorschijn, die den profetenmantel van Elia herkennen, en beginnen Eliza te bespotten. „Kaalkop,quot; zoo roepen zjj hom toe, „Kaalkop, ga op!quot; Met dien scheldnaam gaven zij te kennen, dat zij Eliza houden voor een onrein, verachtelijk mensch. Maar aldus laat de profeet des Heeren zich niet beschimpen. De jongens liepen achter hem, gelijk meestal jongens doen, die iemand schelden ; daarom keert Eliza zich om, en ziet hen, en vloekt hen, spreekt een vloek over hen uit in den naam des Heeren. En wat geschiedt ? Uit het woud komen twee beeren, en verscheuren van deze goddelooze jongens er twee en veertig.
Was deze gebeurtenis alleszins geschikt, om voor Eliza schrik en vrees in te boezemen: weldra deed hij meer dan één wonder, waarin wjj hem van een andere, meer aantrekkelijke zijde leeren kennen.
151
HJcii vrouw, die gehuwd was geweest met een leerling dor profeten, viep hem aan en maakte hem bekend met den nood, waarin zij verkeerde. Nadat haar echtgenoot was gestorven, was iemand, die geld van haar te vorderen had, gekomen en had haar twee zonen tot zijn slaven gemaakt, en zij had geen geld, om hen vrjj te koopen.
„Wat zal ik u doen?quot; zegt Eliza. „Wat hebt gü in huis?quot; Ach, dat was niet veel. Zjj had niets in huis dan een kruik met olie, genoeg, om zich één keer daarmee te zalven ; meer niet. Toen zeide Eliza : „Ga nu naar uwe buren, en leen van hen zoovele ledige vaten , als zjj u geven willen. Zorg vooral, dat gij er niet weinige hebt, maar vele. Dan moet gij naar binnen gaan, uw deur goed sluiten , en giet uit de kruik met olie, welke gij hebt, in de andere vaten, totdat zij alle gevuld zijnquot;. Zoo deed zij. Daar bleef niet een der vaten, welke z\j geleend had, ledig staan, bin toen stond ook do olie, welke aanhoudend uit haar kruik gevloeid was, stil. Als zy dit aan Eliza mededeelt, gelast hy haar de olie te verkoopon, haar sehuldeischers te betalen, en van hetgeen overig bleef met haar zonen , die nu hun vrijheid terug hadden verkregen , te leven.
Nog treffender is de geschiedenis van een huisgezin te Sunem , waarmee Eliza van zeer nabij is bekend geworden. Eens, toen hij reisde door die stad, gelijk hjj wel meermalen deed , kwam een vrouw tot hem, en noodigde hem uit, ten haren huize ,brood te eten,quot; er te vertoeven. Eliza nam die uitnoodiging aan, on hij kwam in datzelfde huis gedurig weder. Het werd niet onaangenaaam of ol' hinderlijk gevonden. Integendeel, de vrouw van dat huis zeide tot haren man: „Ik heb bemerkt, dat deze man Gods, die hier zoo dikwerf komt, een heilig man is, een man, die niet alleen vroom heet, maar het ook is, en die niet alleen vroom spreekt, maar ook heilig leeft. Laat ons voor hem gereed maken een klein vertrek: wij kunnen daar een bod, een tafel, oen stoel en een kandelaar plaatsen , en die daar laten staan. Komt de man Gods dan onverwacht, dan vindt hij altjjd dit kamorken gereed, en kan er vertoeven.quot;
De man dezer Sumanietische vrouw vond dit goed, en zoo kon Eliza daar komen, zoo dikwerf iuj verkoos. Op een dag dat hij er was, en rust nam in do voor hem steeds gereed zijnde opperkamer, zeide hij tot zijn knecht Gehdsi: roep de Sumanietische. En als zij was gekomen en stond voor zijn aangezicht, deelde luj haar mee, dat zij een zoon zou krijgen. Van blijdschap wilde zy 't eerst niet gelooven, maar het woord van Eliza werd vervuld, en zy werd een gelukkige moeder.
Toon haar zoon reeds tot een knaap was opgegroeid, ging hy op een dag uit naar het veld, waar zyn vader was bij de maaiers, want het was in den tijd des oog.stes. Hij z'ijn vader gekomen riep liet kind uit: „Mijn hoofd! myn hoofd!quot;
|
, ■ ' ....... • ■■ ■ . ...... .. ■ - . • ■ ■ • ■ ■ I I ' 'Wflj |
| ||||||||||||||||||||||||||||
.
119
en /,iet, het spat uiteen, en er komt con (kooy vak, een pad midileu door don stroom. Droogvoets gaan zij dus door do rivier, en bereiken do overzijde.
Veel werd er tussclien deze mannen niet gesproken. Het was zulk een plechtig en ernstig oogonblilc. Het was hun laatste samenzijn in dit loven. Kil a verbreekt do stilte, en zegt tot Eliza: „Hegeer, wat ik u doen zal, eer ik van bjj ii weggenomen worde.quot; En wat begeert hij ? Dat een deel van Elia's geest op lieiu moge zijn. Dan zou hy in de kranht van zijnen meester zijn werk voort kunnen zetten. Elia durft niet verzekeren, dat deze wensch van Eliza vervuld zou worden. En daarom zegt hij : Indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen word, indien liet dus aan u alleen wordt vergund van mijn heengaan getuige te zijn, dan moogt gij daaruit afleiden, dat u ook een bijzondere roeping te beurt zal vallen; maar Elia wist zeer wel, dat het alleen in Gods macht stond, den wensch van Eliza to vervullen.
Zoo gaan zij voort, sprekende over hetgeen hun harten vervulde. En ziet, plotseling komt er een hevig onweder op. Alles staat in vuur. En Eliza ziet tussclien de plaats waar hij stond, en tussclien Elia vurige wagenen en paarden — en alzoo ging Elia met een onweder ten hemel. In de hevigste ontroering roept Eliza uit: „Mijn vader, mijn vader! wagen Israels en zijn ruiteren Iquot; iiij wil daarmee zeggen, dat Elia voor zijn volk meer waarde had en het beter beschermen kon dan een geheel leger van strijdwagens en van ruiteren. Maar bij zag Elia niet meer. God had hem weggenomen.
Eliza nam ten toeken van zijn droefheid zijn kleederen en scheurde ze in twee stukken. Ook hief hij Elia's mantel op, die den profeet van de schouders was gevallen — en met deze levendige herinnering aan den man Gods, met dat hairig kleed, waarin hij tot zoo veler schrik en bemoediging had rondgewandeld — keert Eliza terug van de plaats, waar hij als het ware den hemel geopend had gezien.
Weldra staat hij aan de oevers van den Jordaan en hij neemt den mantel van Elia, slaat daarmee het water en roept uit: „Waar is de Heer,de God van Elia, ja Hy zelf?quot; En de God van Elia is aan deze plaats, en laat Eliza niet verlegen staan. Ook nu spat het water uiteen, en komt er midden door de rivier een pad, waar langs de proleet droogvoets komt aan de overzijde.
De leerlingen der profeten, die de twee profeten hadden zien heengaan,buigen zich voor Eliza ter aarde, als zij tot hem genaderd zijn, want, zoo zeggen zij: de geest van Elia rust op hem. Het schijnt, dat Eliza niet meedeelde, wat er met Elia was geschied, of dat hij niet Averd geloofd — althans vijftig leerlingen der profeten verklaren zich bereid, Elia in den omtrek te gaan zoeken. VA] verkoeren dus in do meoning, dat Elia plotseling, doch niet voor altijd aan 't oog der menschen onttrokken was. Kliza wist wel beter, en ried daarom dat
150
zuekeii al'. Toch drongen zjj er op aan, maar als /.y drie dagen en drie nachten de bergen en dalen van den omtrek doorzocht hebben, kecren zij terug, zonder een spoor van Elia te hebben gevonden. Nog eenmaal is lijj op aarde gezien; maar dat was lang daarna, op den berg der verheerlijking. Daarom zullen wij dat ook later verhalen.
II OOFUSTU K XXXI. DE PROFEET ELIZA.
2 Kun, 2 en vulgtnilu,
Eliza was niet zulk een groot proleet als zyn voorganger en meester Elia. Toch heeft hij vele buitengewonen daden verricht, en is hij een moedig getuige geweest van den Heer.
Nadat zjjn ,vaderquot;, gelijk hy Elia noemde, van hem was weggenomen, heelt hij eenigen tijd vertoefd te Jericho. Hij heelt daar het water, dat zeer bitter was, drinkbaar en smakelijk gemaakt, door er een schaal met zout in te werpen, en daarna vertrok hy naar Bethel. Gij herinnert u, dat Jeroboam, de eerste koning van Israël, twee gouden kalveren heeft opgericht, en een ervan plaatste te Bethel. Ook was er een profetenschool, en waarschijnlijk wilde Eliza baai-gaan bezoeken. Als hjj genaderd is tot de hoogte en begint te klimmen, daar komen jongelieden te voorschijn, die den profetenmantel van Elia herkennen, en beginnen Eliza te bespotten. „Kaalkop,quot; zoo roepen zij hom toe, „Kaalkop, ga op!quot; Met dien scheldnaam gaven zij te kennen, dat zij Eliza houden voor een onrein, verachtelijk mensch. Maar aldus laat de profeet des Heeren zich niet beschimpen. Do jongens liepen achter hem, gelijk meestal jongens doen, die iemand schelden; daarom keert Eliza zich om, en ziet hen, en vloekt hen, spreekt een vloek over hen uit in den naam des Heeren. En wat geschiedt? Uit hot woud komen twee heeren, en verscheuren van deze goddelooze jongens er twee en veertig.
Was deze gebeurtenis alleszins geschikt, om voor Eliza schrik en vrees in te boezemen: weldra deed hij meer dan ren wonder, waarin wy hem van een andere, meer aantrekkelijke zijde leeren kennen.
151
Een vrouw, die gehuwd was geweest niet een leerling der profeten, riep hem aan en maakte hem bekend met den nood, waarin zjj verkeerde. Nadat haar eehtgenoot was gestorven, was iemand, die geld van haar te vorderen had, gekomen en had haar twee zonen tot zijn slaven gemaakt, en zij had geen geld, om hen vrij te koopen.
„Wat zal ik u doen?quot; zegt Eliza. „Wat hebt gjj in huis?quot; Aeh, dat was niet veel. Zjj had niets in huis dan een kruik met olie, genoeg, om zich e'en keer daarmee te zalven ; meer niet. Toen zeide Eliza: „Ga nu naar uwe buren, en leen van hen zoovele ledige vaten , als zij u geven willen. Zorg vooral, dat gij er niet weinige hebt, maar vele. Dan moet gij naar binnen gaan, uw deur goed sluiten , en giet uit de kruik met olie, welke gij hebt, in de andere vaten, totdat zij alle gevuld zijnquot;. Zoo deed zjj. Daar bleef niet een der vaten, welke zjj geleend had, ledig staan. En toen stond ook de olie, welke aanhoudend uit haar kruik gevloeid was. stil. Als zjj dit aan Eliza mededeelt, gelast hij haar de olie te verkoopen, haar schuldeischers te betalen, en van hetgeen overig bleef met haar zonen , die nu hun vrijheid terug hadden verkregen , te leven.
Nog treft'ender is de geschiedenis van een huisgezin te Sunem , waarmee Eliza van zeer nabij is bekend geworden. Eens, toen hy reisde door die stad, gelijk hy wel meermalen deed , kwam een vrouw tot hem, en noodigde hem uit, ten haren huize „brood te eten,quot; er te vertoeven. Eliza nam die uitnoodiging aan, en hij kwam in datzelfde huis gedurig weder. Het werd niet onaangenaaam of of hinderlijk gevonden. Integendeel, de vrouw van dat huis zeide tot haren man: „Ik heb bemerkt, dat deze man Uods, die hier zoo dikwerf komt, oen heilig man is, een man , die niet alleen vroom heet, maar het ook is, en die niet alleen vroom spreekt, maar ook heilig leeft. Laat ons voor hem gereed maken een klein vertrek; wij kunnen daar een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen , en die daar laten staan. Komt de man Gods dan onverwacht, dan vindt hij altyd dit kamerken gereed, en kan er vertoeven.quot;
Do man dezer Sumanietische vrouw vond dit goed, on zoo kon Eliza daar komen, zoo dikwerf lijj verkoos. Op een dag dat hij er was, en rust nam in de voor hem steeds gereed zijnde opperkamer, zeide hjj tot zijn knecht Gehdsl: roep de Sumanietische. En als zij was gekomen en stond voor zjjn aangezicht , deelde hij haar meê, dat zij een zoon zou krijgen. Van blydschap wilde zy 't eerst niet gelooven, maar het woord van Eliza word vervuld, en zij werd een gelukkige moeder.
Toen haar zoon reeds tot een knaap was opgegroeid, ging hij op een dag uit naar het veld, waar zijn vader was bij de maaiers, want het was in den tijd des oogstes. Hij zijn vader gekomen riep het kind uit: „Mijn hoofd! mijn hoofd!quot;
152
Eu zijn vadev riep een der knochtcii en zeide : „Draag hem tot zijn moederquot;; want een krank kind is bjj zjjn moeder het liefst en het best. Zjjn moeder nam hein op hare knieën tot aan den middag en toen stierf hjj.
De Sumanietische wist echter terstond, wat zij zou doon. /y legt het lijk van haar kind op het bed van Eliza, en, vergezeld door een knecht, rydt zij op een ezel naar Eliza. Zy had echter niemand gezegd, dat haar kind reeds was overleden.
De profeet vertoefde op den berg Karmel. Toen hij de Sunamietische met veel spoed zag naderen, gelastte hij zijn knecht Gehazi haar te gemoet te gaan, en haar te vragen; „Ts het wel met n? Is het wel met uWen man? Is het wel met uw kind ?quot; En zij, die aan Gehazi niet wilde zeggen , wat haar hart vervulde , antwoordde hem: „Het is wel.quot; Maar toen zij tot Eliza was genaderd, vatte zij zijne voeten, doch Gehazi, die dit oneerbiedig vond, wilde haar ter zijde stooten. Maar de man Gods zeide: „Laat haar begaan, want hare ziel in haar is bitterlijk bedroefdquot;. Eindelijk kan zij spreken, maar niet veel. Zij kan niets meer uitbrengen dan de vraag: , Heb ik u niet gezegd, en gevreesd, dat het bezit van een zoon voor mij iets te groots en te heerlijks wezen zou ?quot;
Daarop zegt Eliza tot zijn knecht Gehazi: .Gord uwe lenden, neem mijnen staf in uwe hand, en ga henen. Houd u onder weg niet op, maar spoed u zoo veel gij kunt, en leg mijn staf op het aangezicht van den jongen.quot; Doch de diep bedroefde moeder is daarmee niet tevreden , en verwacht daar niet veel van. Zoo stond de profeet op, en volgde de vrouw, wier hart trok naar het Hjk van haar kind. Nog eer zij Sunem hebben bereikt, kwam Gehazi hun al weder tegemoet. Hij had den staf van Eliza op het gelaat van don overleden knaap gelegd, maar het had niets gebaat. Do doode was niet ontwaakt, en had geen teeken van bewustzijn gegeven. Als Eliza in het huis is gekomen, begeeft hij zich naar de hem zoo wel bekende kamer, sluit de deur achter zich toe — en bidt tot den Heer. Dat. is zeker een ernstig en vurig gebed geweestwant wat hij vroeg van den Heer, was geen geringe, doch een zeer ongewone zaak. Als hij zijn gebed geëindigd heeft, klimt hij op liet bed, en legt zich over het lijk van het kind, zoodat zijn mond lag op den mond van het kind, en zijn oogen en zijn handen op de oogen en de handen van dat roerloos lijk. Hij tracht als het ware de warmte van zijn lichaam weer mede te deelen aan het kille lichaam van den doode. Eliza verkeert daarbij in de grootste spanning, en als luj ontdekt, dat waarlijk het lichaam van hel kind warm wordt, gaat hij naar beneden, loopt door 't geheele huis, en klimt weêr op — en wederom breidt luj zich uit over het kind, en hoort, daar komt een teeken van leven. De jongen niest tol zeven maal; en daarna deed hij zijn oogen open. Hij lee/t! Toon riep Eliza zijn knecht Gehazi, en zeide: „Hoep deze Sunamietische!quot; Kn hij riep haar, en zij kwam tot hem, en luj
153
zekle „Neem uwen zoon op!quot; Zoo kwam zij, cn viel voov zijne voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haren zoon o]) , en ging uit.
Nadat deze treilende gebeurtenis was voorgevallen , vertrok Eliza naar do stad Gilgal. Daar verzamelden zich de leerlingen der profeeten, om door hem tc worden onderwezen, en nadat het onderricht was afgeloopen, beval hij dat men voor de jongeliede een maaltijd zou bereiken van moeskruiden. Een der leerlingen ging uit in het veld om het noodige te snijden en bracht een groote hoeveelheid mee van een vrucht, die men noemt kolokwinten, en waarvan het gebruik zeer gevaarlijk wezen kan voor bet leven. De andere leerlingen hadden niet opgemerkt, dat hij groote hoeveelheden van die vrucht in den moespot gesneden had — maar als de spijze is opgeschept, cn zij er van eten , daar proeven zjj den bitteren smaak van vergiftigde kolokwinten, en roepen vol schrik Eliza toe: ,Man Gods, de dood is in den pot!quot; Zjj willen zoggen : Mu hebben wjj iets gegeten, waaraan wij sterven moeten. Maar Eliza beval, dat men meel zou werpen in den pot met spijze, en daarna eten. Zoo deden zij, en zij aten, en niemand ondervond iets schadelijks.
Het meest bekende wonder, dat Eliza verrichtte, is zeker wel de genezing van Naibimn den Syriër. Wie was deze Nailman ? De Bijbel noemt hem ,een groot man voor het aangezicht zijns heeren, cn van hoog aanzien,quot; Zijn heer was de koning van Syrië, die hem in groote eere hield, omdat luj het land bad verlost van den vijand. Wij stellen ons dus Nailman voor, als een dapper held, als een man, wien het aan rijkdom en eer, aan alles wat liet leven aangenaam maakt, niet ontbrak. Ook is hij nog in de volle kracht des levens .... Maar, helaas , wat baatten hem al deze begeerlijke voorrechten. sinds hij is lijdende is aan een der vreeselijkste ziekten, welke wij kennen. Nailman was melaatsch geworden, üe melaatschheid komt nog veelvuldig Ivoor, vooral in Azië, en is een schrikkelijke huidziekte, die het geheele lichaam aantast, en met booze zweren overdekt. Alle levensgenot was voor den melaatsche verdorven, daar ieder allen omgang met hem vermeed. Wat hielp nu Nailman al zijn dapperheid, al do onderscheidingen, welke hem de koning van Syrië bewees ? Vruchteloos waren alle geneesheeren geraadpleegd, alle middelen beproefd — de melaatschheid wilde niet wijken. Er bleef voor den dapperen, geëerden krijgsman geen ander vooruitzicht over, dan dat hij tot zijn dood al de gevolgen en smarten der melaatschheid zou moeten dragen.
Doch ziet, daar is hulp en genezing gekomen van een zijde, vanwaar men haar in 't geheel niet had verwacht. In Naüman's hui^ was een jong Israëlietisch meisje. Zij was gevankelijk meegevoerd uit haar land , in een der strooptochten, welke de Syriërs hadden gedaan in 'tland van Israël. Zij was dienstbaar als slavin
I)Ü de huisvrouw van Naaman. Toen zij het Ijjdon zag van haar meester, kwam bjj haar de gedachte op : Misschien zou de profeet Elia hem van zijn melaatsch-iieid wel genezen kunnen, want alle dingen zijn mogelijk bij God. Ya] houdt die gedaciite niet voor zich, maar zegt tot haar meesteres : „Och, of mijn heerware voor het aangezicht van den profeet, die te Samarie is, dan zou hij hem van zijne melaatschheid ontledigen.quot;
NaSman's huisvrouw wordt door die mededeeling getroifen. Men had ook l)ij de heidenen veel gehoord van de wonderen, die de Heer verrichten liet door zijne profeten; en ills het nu eens zoo ware, dat Naaman door dien profeet kon genezen worden! Zij begint hoe langer hoe vaster te gelooven. dat het kan en zal gebeuren: en daarom gaat zij tot haren man, zegt hem, wat het dienstmeisje haar heeft medegedeeld, en ook Naaman wordt er door getroffen. Hij besluit de reis naar Samaria te ondernemen. Maar voordat iiij vertrekt, geeft hij van zijn voornemen kennis aan zjjnen heer, den koning van Syrië.
Daar deze niets vuriger verlangde, dan dat zijn voortreffelijke dienaar Naamaïi herstellen mocht, geeft hij hem oen brief mede aan den koning van Israël. Zoo begeeft Naaman zich op reis en nam een groote hoeveelheid goud en zilver en kostbare kleederen met zich , want dat hij geheel kosteloos zou worden genezen — daaraan dacht hjj in de verte niet.
Hjj begeeft zich eerst naar den koning van Israël, en brengt hem den brie! over van den koning van Syrië. Die brief was zeer kort, en bevatte het Level om Naaman te verlossen van zijne melaatschheid. De koning van Israël werd door dit schrijven zeer verschrikt. Hjj meende, dat de koning van Syrië een voorwendsel zocht om hem den oorlog te verklaren, want het was toch duidelijk, dat geen mensch de macht heeft, de melaatschheid te doen verdwijnen, „lien ik dan God,quot; roept hü uit, ,ora dood en levend te maken, dat deze tot rnjj zendt om een man van zijne melaatschheid te genezen ?quot; Als een teeken van zijn schrik en vrees over dit schrijven, scheurt hjj zijn kleederen , terwijl hij zich allerlei treurige dingen voor den geest roept. Maar, daar komt een boodschap van Eliza, die ook kort doch veel belovend was: ,Waarom hebt gij uw kleederen gescheurd ? Laat hem nu tot m'ij komen , zoo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is.quot;
Had do koning van Israël geloof gehad, dan had hy zijn kleederen niet gescheurd , maar Nailman aanstonds tot Eliza gezonden. Dat kleine dienstmeisje had meer geloof en een beteren dunk van den proleet, dan de koning.
Naaman laat liet zicli geen tweemalen zeggen; terstond begeeft hij zich op weg naar Eliza, en weldra staat hij voor do deur van don profeet met zijn prachtige paarden , met zijn kostbare wagen, en vraagt den profeet te mogen spreken. Maar Mliza, die van zijn komst verwittigd was, zendt tot hem een bode.
165
zeggende: „Ga heen, wascli n zevenmalen in den Jordaan, en uw vleescli zal u wederkeeren, en gjj zult rein wezen.quot;
Dat viel Nailman zeer tegen. Hjj had zich voorgesteld , vooreerst dat de profeet zeer vereerd zich zou betoenen met zulk een voornaam bezoek, uit een vreemd land. Dan had hjj gedacht, dat de profeet uit zijn woning te voorschijn zou zijn gekomen, een gebed zou hebben gedaan tot den Heer zijner God, om daarna zijn hand over de wonden van Naiiman te sti'jjken, en zóó hem genezen.
Maar niets van dit alles geschiedt. De profeet verwaardigt zich niet eenmaal zich te vertoonen, en een onderzoek in te stellen naar den toestand van den kranke. Kn welk een middel was liet, dat hij aanbeval I Zich eenige keeren wasschen in den Jordaan ! Wat zou dat baten ? De rivieren van zijn vaderland , de heldere stroomen van Damascus, waren veel beter dan alle wateren van Israël en nu zou hjj juist van dien troebelen Jordaan zijn herstel wachten moeten ? Ach, de reis was vergeefs geweest, en zijn hoop op genezing ongegrond. Vol droefheid niet alleen, doch ook ten hoogste verontwaardigd, keert lijj de woning van Eliza den rug toe, en geeft op barschen toon bevel, de terugreis te aanvaarden.
Zijn knechten zijn niet minder bedroefd dan lijj. Ook zjj hadden vast gehoopt , dat hun geliefde meester hier de genezing zou hebben gevonden, welke zij vurig voor hem begeerden. Zij verstouten zich eindelijk op hem toe te treden, en hem te zeggen wat in hun hart is: „Mijn vader,quot; zoo spreken zij hem aan, eerbiedig en vertrouwelijk, „Mijn vader, als die profeet u voorgeschreven had iets bijzonder zwaars en moeielijks, dan zoudt gij dat zeker hebben gedaan. Waarom zoudt gij nu ook niet het gemakkelijke middel beproeven, dat hij u aan de hand gedaan heeft? Waarom zoudt gij u niet eens eenige keeren wasschen in den Jordaan ? Baat het niet — schaden doet het zeker ook niet.quot;
Naiiman moest hun gelijk geven. Zoo wendt hij zich dan naar de oevers van den Jordaan, doopt er zich in tot zevenmalen, gelijk de man Gods bevolen had, en o wonder! daar ziet hjj, dat lüj is genezen. Zijn wonden zjjn geheeld, en het is alsof hjj geheel verjongd is geworden naar het lichaam. Hij was weder rein. Wie kan zich de vreugde voorstellen, welke zijn hart vervulde ? Het was alsof lüj uit de dooden was opgestaan. Wat hem genezen had? Natuurlijk niet het water, maar 't geloof, dat hij had gesteld in het woord van den profeet, en dat hem had doen nederdalen en dompelen in den Jordaan. Wat waren zijn knechten blijde, die hem tot deze proef hadden opgewekt en er nu den heerlijken uitslag van aanschouwden.
Naiiman vergeet niet, aan wien lijj deze genezing te danken heeft, en spoedt naar de woning van Eliza. Weder staat hij met zijn groot gevolg, met zjjn rijtuig, zijn paarden, zijn knechten voor 'thuis van den profeet, doch nu wacht hjj niet, totdat deze komt bij hem; neen, lijj ijlt naar binnen, en staande voor
156
Eliza's aangezicht, roept lijj uit : „Nu weet ik, dat er geen God is op de gausehe aarde dan in Israël!quot;
Met deze erkentenis is Eliza natuurlijk zeer tevreden geweest. Het was do waarheid: 6W had Nailman genezen. Als dan ook de Syrische krijgsoverste den profeet verzoekt een geschenk van hem aan te nemen, weigert hjj het, en hij hljjt't weigeren, hoezeer Naaman er ook op aandrong. Hier moest de eer gegeven worden aan God alleen. Het eenige wat van den gene/,ene mocht worden gevraagd en verwacht, was, dat hij voortaan geen andere goden meer zou dienen, docii offeren aan den Heer alleen. Ernstig neemt hij zich dat ook voor, en Eliza laat hem gaan met de woorden ; „Ga heen in vrede!quot;
Eliza had een dienaar, wiens naam wjj reeds genoemd hebben, toen wjj de opwekking verhaalden van den zoon der Sunamietische vrouw. Gij herinnert het u, hij heette (rchazi. Hij stond er bij, toen Naaman zijn kostbaar geschenk aanbood aan Eliza. O, hoe gaarne had hij er iets van ontvangen. Hij zou niet geweigerd hebben , indien hem iets werd aangeboden. Doch Naiiman schenkt hem niets. Maar nu heeft Gehazi snel een leugen bedacht, om toch van den dankbaren Syrischen krijgsoverste iets te verkrijgen. Hij ijlt Naiiman na, die nog niet ver verwijderd was, en als deze hem ziet aankomen, liet hij zich vallen van zyn wagen, loopt hem tegemoet, en zegt: ,üaar is toch niets droevigs gebeurd met den profeet? Het is toch wel?quot;
,Het is welquot;, zeide Gehazi; en daarop doet hy een verhaal, dat van het begin tot het einde onwaar was, maar dat zeer slim was bedacht. Hy vertelde aan Naiiman: „Nauwelijks waart gij vertrokken, of daar kwamen tot mynen heer Eliza twee leerlingen der profeten van het gebergte Efraïm. /\] zijn zeer behoeftig; en miju meester, die niets verlangt voor zich zelf, laat u vriendeiyk vragen, of gjj voor hen niet iets zoudt willen geven aan geld eu kleederen.quot;
Naaman is zeer blijde, dat bij dan toch door een geschenk zyn dankbaarheid toonen kan, en zegt: ,A.ls hot u belieft, neem tweemaal zooveel als gij vraagtquot;. En hij bracht het geld in twee zakken en gelast twee van zyne knechten, het voor Gehazi te dragen.
Gehazi was natuurlijk zeer tevreden over dezen gunstigen alloop van zyn poging, om geld van Naiiman machtig te worden, maar die twee knechten, beladen met die zakken vol geld, maakten hem zeer verlegen. Met hen mocht hij niet gezien worden. Als zij dan ook op de hoogte kwamen, waar men uit de stad hen kon bespeuren, heeft hy liet geld van hen overgenomen, liet geborgen in een woning van een vriend, en liet hij de knechten gaan.
Daarna komt iiij in do stad terug, en staat weór voor hei. aangezicht van z.ynen heer. Mn Eliza zeide tot hem : „Van waar komt Gehazi? Waar zijt gjj geweest?quot; En hij zeide: „Uw knecht is noch herwaarts, noch derwaarts ge-
ir,7
wceslquot;. Wij zouden zeggen: . Ik ben nerqms geweest.quot; Nu kan dat niet, want een niouscli is dtijd vnjcim. VVallneel■ wij dus verklaren, dat wij ncrgcan geweest zijn, zeggen wjj een onwaarheid, en blijkt liet, dat wij niet dnrvm zeyyen wi'u'ir wij waren.
Eliza ziet zijn leugenachtigen en diefachtigen knecht dan ook met toorn aan en zegt: „Ik heb liet alles mi) duidelijk voorgesteld, wat er is gebeurd. Ik zag in mijn geest Naiiman u tegemoet komen, en u zilver geven, en niei waar , gij denkt nu van hetgeen gij gekregen hebt olylboomen te koopen, wijnbergen, en schapen en runderen en knechten en dienstmaagden ? Laat mij in plaats van dit alles dit ée'ne u aankondigen: de melaatschheid van Naiiman zal op u zijn en op uwe kinderen.quot;
Toen ging Gehazi uit van voor Eliza's aangezicht, melaatsch, wit als de sneeuw.
HOOFDSTUK XXXI1.
KONINGEN OVER HET HUIS ISRAËL. - ONDERGANG VAN 't RIJK.
De laatste Koning van Israël, aangaande wien wij iets hebben verhaald, was Ahazia, aan wiens sterfbed de profeet Elia is verschenen.
Hij liet geen kinderen na, en is daarom opgevolgd door zijn broeder Joram. Deze zoon van Izebel week niet zoo ver van den Heer als zijne ouders en zijn voorganger. Hij diende liaiil niet, maar keerde terug'tot den kal verdienst. 11 ij erkende dus den Heer, maar vereerde hem onder de gedaante van een beeld. Intusschen moeten wij deze verbetering toeschrijven aan den invloed van Eliza, wiens werkzaamheid zich krachtig heeft geopenbaard.
Toen Joram den troon had beklommen, verlangde luj de Moabieten weer te onderwerpen, die vroeger van Israël afhankelijk waren geweest. De bondgenoot zijns vaders, Josafat, de Koning van Juda, trok met hem in dezen oorlog, evenals de Koning van de Edomieten. Weldra echter kregen deze legers groote behoefte aan water, een der vreeselijkste beproevingen welke een krijgsmacht treilen kan. Josafat gaf den raad, om des Heeren woord te vragen, en Eliza die in de legerplaats vertoefde, kondigde aan, dat de Heer water schenken zou , zonder dat zij regen of wind zouden waarnemen, en dat zij over Moab zouden zegevieren. Mn wat geschiedt ? Den volgenden morgen stroomen van het gebergte der Edomieten, dat zij wilden omtrekken, welgevulde waterbeken.
158
ilio waren ontsiaan, omdat liet dien nacht in de bergen lievig geregend had. De Moabieten zagen des morgens dat water, rood gekleurd door de zon, aan voor hlocd, en dachten, dat de legers der Israëlieten en Jndaeërs elkander hadden bevochten. Vol moed rukten zij dus aan. maar werden volkomen verslagen , waarna hun land verwoest werd. Alleen de hoofdstad van hun land, op hooge rotsen gebouwd , was nog niet ingenomen. Tevergeefs zocht de Koning der Moabieten met 700 mannen zich heen te slaan door de legermacht, die de stad belegerde. En toen heeft hij, ten einde raad, zjjn zoon, die hem had moeten opvolgen, levend tot een otter laten verbranden. Toen de Israëlieten deze gruweldaad vernamen, waren zjj daarover met zulk een afgrijzen vervuld , dat zij onmiddellijk den terugtocht aannamen.
De Koning Joram had telkens aanvallen te verduren van de Syriërs, die zich nu eens hier dan daar vertoonden, met het doel om een stad, of een strook lands machtig te worden. Doch telkens als zij hun aanval op een plaats richtten, waren de Israëlieten hun voor, en in staat, den aanval af te slaan. Hoe konden zjj dat doen ? Eliza maakte hen steeds met de plannen der Syriërs bekend , zoodat zij hen nooit verrassen of overrompelen konden. Toen de Koning der Syriërs zulks was te weten gekomen, besloot hjj Eliza gevangen te nemen. De profeet vertoefde toen te Dothan. Niet lang duurde het, of op zekeren nacht daar kwamen paarden en krijgswagenen , en een groot leger dat Dothan omsingelde. De dienaar van den profeet, die des morgens vroeg was opgestaan , ontdekte welk een gevaar de stad en den profeet omringde, en kwam thuis om het te berichten, en zeide : ,Ach mijn lieer! wat zullen wjj doen?quot; Maar Eliza zeide: „Vrees niet, die bij óns zijn meer dan die bg hén zjjn.quot; En Eliza bad en zeide: .Heer, open zyne oogen, dat hij zie!quot; En de Heer opende zijn oogen, en wat zag hij ? Dat de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Eliza.
Toen nu de Syriërs op hem at kwamen, werden zij op het gebed van den profeet met blindheid geslagen, en bood Eliza zich aan, hun tot gids te verstrekken. En waar leidde hjj hen heen ? Naar de hoofdstad van Israël, naar Samaria. En toen zjj aldaar waren aangekomen, werden hun oogen geopend en stonden zij tegenover den Koning van Israël. De Koning dacht, dat Eliza deze Syriërs tot hem bracht, opdat hij hen zoude dooden, en daarom riep hij uit: .Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mjjn vader?quot; Maar Eliza verbood dit, en zeide, dat men hun brood en water zou voorzetten. En als zij gegeten en gedronken hadden, keerden zij ongedeerd terug naar hun land. De Syriërs hielden daarna op met hun strooptochten in het joodsche land.
Doch niet Inng daarna kwam het tusschen de beide volken tot een oorlog op groote schaal. Koning llonhadad verznmeldo zijn goheele leger, en sloeg het
150
boleg voor Samaria. Van allo y.ijtlen word ilo stad ingosloton , zoodat hot Jiiet mogelijk was er oonige levensmiddelen biiuien to voeren. Niet lang duurde het, of er kwam gebrek; spijzen die men gewoonlijk voor weinig geld kon koopen , waren nu slechts voor hooge sommen verkrijgbaar. Zoo kostte een ezelskop/'128.
In die dagen liep de Koning langs den stadsmuur, en werd ingeroepen door een vrouw. Wat zij don koning verhaalde, was allervreeseiykst. Door den hongersnood gedreven had zjj afgesproken met oene andere vrouw, dat zjj eerst haar zoon zou slachten en eten , en dat daarna die andere vrouw hetzelfde zou doen. Nu was haar kind gebraden en gegeten, en weigerde die andere vrouw haar kind daartoe af te staan , en had zü haar zoon verborgen.
Als de Koning dat hoorde, werd iijj met afschuw en smart vervuld. Terwijl bij zich verwijderde, scheurde lijj zijn opperkleed. Kn wat zag toen het volk ?
Dat hij daaronder een zal; droeg, en geen linnen gewaad, tot een teeken van don rouw, die zijn hart vervulde.
Doch op wien werd de Koning Joram toen zeer toornig? Op den profeet Eliza. Wat had deze dan misdreven? Misdreven had hij niets, maar hjj had altijd tegen gehouden, dat Joram de stad overgaf aan de Syriërs, daar hjj voorspelde , dat de stad zou worden ontzet, indien hot volk zich verootmoedigde voor den Heer. Maar in plaats van hulp was er een ellende gekomen, zooals nooit door 't volk was gekend. Aan Eliza wordt dit nu geweten, en in zyn toorn doet de Koning er een duren eed op, dat die profeet nog dienzelfden dag zou worden ter dood gebracht.
Hij zendt dan ook iemand naar de woning van Eliza om hem te onthoofdon. Eliza zat in zijn huis, en de oudsten der stad zaten bij hem. Hjj voorspelt wat er gebeuren zal, maar gelast dat men dien man, afgezonden om hem to dooden, buiten de deur zou sluiten, daar de koning, die inmiddels tot andere gedachten zou komen, terstond op hem volgen zou. De Koning treedt dan ook binnen, en zegt tot Eliza op den toon der diepste verslagenheid: „Zie, al dat kwaad, dat thans ons treft, doet de Hoor ons aan ; waarom zouden wij nog op Hem liepen ?quot;
Maar wat zeide Eliza? „Morgen, omtrent dezen tyd van den dag, zalmen voor lagen prijs meelbloem en gerst verkoopen in de poort van Hamaria.quot; Dat klonk waarlijk zeer onwaarschijnlijk. Wat moest er hier veel geschieden, indien dit mogelijk zoude zijn. Een hoofdman , die groot vertrouwen van don koning had, riep dan ook Eliza toe op den toon van spot en verontwaardigiging: „Zie, zoo do Heer vensteren in don hemel maakte, zou die /aak geschieden kunnen.quot; Eliza zag hem daarop ernstig aan, en zeide: „Zie, gij zult het met uwe oogen zien , doch daarvan niet eten.quot;
En toch, wat zoo onwaarschijnlijk, wat zoo onmogelijk scheen, is gebeiml,
160
want onmogelijk is geen ding Ini God. Daar waren vier melaatsclie mannen, die volgens de joodsche wel, niel in de slad moeliten wonen, en daarom zieh ophielden buiten de poort. Ook zij werden gekweld door den honger. Toen ook zij meer dan uitgeput waren van 't gebrek dat zij leden, spraken zjj op zekeren dag tot elkander aldus: „Waarheen zullen wij ons wenden? quot;Wat zullen wij toch aanvangen? indien wjj worden toegelaten in de stad, zoo zullen wjj daar, als zoovelen van den honger sterven. Maar datzelfde lot staat ons te wachten als wjj hier blijven. Laat ons daarom stoutweg ons wagen in het leger der Syriërs. Indien zg ons laten leven — dan hebben wij ons leven gered; en dooden zjj ons, welnu dan sterven wij.quot;
Wij hooren uit die woorden, hoe alle moed hen heeft begeven. Zij denken geen oogenblik aan de mogelijkheid van hetgeen is gebeurd. In de schemering staan zij op, en begeven zich naar het leger der Syriërs. Het eerste wat hen verbaast, is dat er in de vijandelijke legerplaats nergens wachtposten uitstaan. En dat niet alleen, nergens is een vijand te bekennen. Alle tenten staan open en zijn ledig. De paarden en de ezels staan in de stallen, of grazen rustig in het ronde, maar menschen zijn er niet te bespeuren. Kennelijk was ieder met overhaasting gevlucht, slechts bedacht op behoud van het leven.
Maar wat was er dan geschied? In 'tmidden van den nacht had de Heer de Syriërs doen hooren een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, een geluid, alsof een talrijk leger in aantocht, ja in de nabijheid was.
Toen hadden zy gexegd, de een tot den ander: „Zie, de Koning van Israël heeft een verbond gesloten met de Hethietcn en Egyptenaren , en nu komen zij hem te hulp. Laat ons vlieden, opdat wij niet in hunne handen vallen!quot; En zoo hadden zij gedaan. Om hun leven te redden waren zij, zoo haastig zjj maar konden, gevlucht en hadden alles achter gelaten.
De vier melaatsclie mannen waagden het, een openstaande tent binnen te treden, en daar zjj geen vijand en geen onraad bespeurden, deden zij zich te goed aan hetgeen zjj zoolang hadden ontbeerd. Zij aten en dronken , en namen mede zilver en goud, en kleederen, en verborgden het, om het te gelegener tijd zich toe te eigenen. Toen gingen zy een tweede tent binnen en zy deden daar insgelijks.
Maar toen kwam tocii de gedachte in hen op, dat zy niet goed deden. Terwijl zy naar hartelust zich verzadigden aan spijs en drank , viel het hun in, dat men in Samaria nog altyd verkeerde in duizend vreezen en nooden. Was het niet hun plicht, terstond aan de belegerde stad de blijde boodschap te brengen, dat de vijand gevloden was? Aan die stem van hun geweten geven zjj dan ook gehoor. Zy ijlen naar de poort van Samaria, roepen den portier, en zeggen: „Wij zijn gekomen tot het leger dor Syriërs, en ziet, niemand was
101
daar, noch een menschen stem; maar paarden vastgebonden in dea stal, en ezels, en de tenten gelijk zij waren.quot;
Onmiddelijk brachten de portiers dit bericht over naar het paleis desKonings, maar deze vertrouwde hen niet. Hij dacht aan een krijgslist van den vijand. „Ik weet wel,quot; zoo sprak hij tot zijn knechten, „wat do Syriërs hebben gedaan. Zjj weten, dat wjj honger lijden , en nu hebben zy hun legerplaats verlaten, en zich ergens in het veld verborgen. Komen wij nu buiten de muren van do stad, dan overvallen en dooden zij ons.quot;
Koning Joram sprak als een voorzichtig man. Maar een van zijn dienaren zeide; „Wij konden toch wel eens enkele, bijv. vijf paarden en ruiters op verkenning uitzenden; daarmee is toch niet te veel gewaagd.quot; Zoo werden dan niet vijl', maar twee wagenpaarden aangespannen, en de mannen die hen bestuurden ontvingen den last: „Gaat henen en ziet rondquot;.
En wat ontdekten zjj ? Het spoor der Syriërs. Gemakkelijk viel hot dat te volgen, want overal langs den weg dien zij gegaan waren, lagen kleederenen gereedschap , die zij in hun overijlde vlucht van zich geworpen hadden. Men kon op die wijze hun spoor volgen tot aan den Jordaan, dien z'ij waren overgetrokken. Do boden nu keerden weder, en boodschapten het den Koning.
Toen hot volk deze wondervolle verlossing gewaar werd, stroomde ieder de poorten uit der stad en het leger der Syriërs werd geplunderd, en men verkocht een maat meelbloem en twee maten gerst voor den prijs, dien Eliza den vorigen dag had genoemd. Zoo werd dus dat gedeelte van zjjn profetie vervuld. Maar hoe ging het dien hoofdman, die met Eliza's voorspelling had gespot ? De koning had hem gelast, toezicht te houden aan de poort, door welke het volk-naar buiten stroomde. En ziet, er ontstond zulk een gedrang, dat de hoofdman onder den voet geraakte en door het volk vertreden werd. Zoo had hij 't dan gezien, dat de levensmiddelen weder tot don gewonen prijs werden verkocht, maar er van gegeten had hij niet.
Heeft de Heer op die wijze het volk Israël verlossing geschonken, het oordeel dat zou komen over het goddelooze geslacht van Achab, is daarom niet achter-wege gebleven. De man, door wien God dit oordeel heeft laten ten uitvoer brengen, is Jchu.
Hij had in zijn jeugd verkeerd aan het hof van koning Achab, en was er bij tegenwoordig geweest, toen Elia dien koning aantrof in den wijngaard van Naboth. Hij is in den dienst gebleven van de zonen van Achab, en was onder Joram een der bevelhebbers in het leger. Toon Joram in een gevecht met de Syriërs gewond was geworden, en daarom was teruggekeerd naar Jizreël, teneinde aldaar van zijn wonden te worden genezen, voerde Jehu het bevel over'tleger dor Israëlieten. Toen iijj op zekeren dag samen was met andere bevelhebbers, die
11
162
onder zjjn bevelen stonden, trad plotseling een leerling der profeten binnen, dien Eliza gezonden had. Deze verlangde hem alleen te spreken, zeggende: „Ik heb oen woord aan u, o hoofdman.quot; En Jelui zeide: „Tot wien van ons allen ?quot; En hjj zeide; „Tot u, o hoofdman!quot; Toen gingen zjj beiden alleen in huis. En daar goot de jeudige profeet olie op Jehu's hoofd, en zeide tot hem : ,Zoo zegt de Heer, do God Israels: Ik heb u gezalfd tot Koning over het volk des Heeren, over Israel. En gü zult het huis van Achab, uwen heer, slaan, en geen mannelijke nakomeling van Izebel in liet leven laten.quot;
Toen de zoon der profeten vertrokken was , en Jehu teruggekeerd in den kring zgner krijgsmakkers, die wel hadden bespeurd, dat er iets zeer ongewoons voorviel, werd hem van alle zijden gevraagd: „Wat kwam deze zonderlinge man hier doen ?quot; Eerst wil Jelm het niet zeggen, maar als hij het hun mededeelt, dat hij in den naam des Heeren was gezalfd tot Koning over Israël, staan zij op van hun zetels, nemen hun opperkleederen , en spreiden ze uit op de treden van den trap, waarlangs Jehu moet afdalen, blazen met de bazuin, en roepon luide het uit: „Jehu is Koning geworden 1quot;
Nauwelijks is Jehu alzoo tot Koning gehuldigd geworden (het geschiedde to Ilamoth in üilead) of hij besluit onniiddelijk een aanvang te maken met de volvoering van den last, die hem is opgedragen, om Achab's huis uit te roeien. Hij liet de poorten der stad bewaken, opdat niemand zou ontkomen, en aan Joram berichten , wat te Ilamoth was voorgevallen. Hij wil dus den Koning te Jizreël overrompelen, en dat te meer, omdat Ahazia, de Koning van Juda, en kleinzoon van Achab, ook te Jizreël was. Met den grootst mogelykenspoed trekt hij voort, en de wachter, die stond op den toren te Jizreël, gaf bericht, dat hij Jehu naderen zag. Toen spanden Joram en Ahazia hun wagens in, en reden Jehu te gemoet. Zy trollen elkander juist op dat stuk land van Naboth , den Jizreëliet, waaraan zulke schrikkelijke herinneringen voor het huis van Achab verbonden waren. Als Joram dicht bij Jelm gekomen is, vraagt hij: Is de vrede gesloten? Maar Jelm antwoorde: „Wat vrede? Hoe kan er vrede wezen, zoo lang de ongerechtigheden van uwe moeder Izebel zoo vele zijn ?'' En nu ontdekt Joram, dat zijn krijgsoverste zijn vijand is; hij wendt zyn wagen om, en roept Ahazia toe: Er is verraad, Ahazia! Maar Jehu spande den boog met al zyn macht, en de pijl drong tot in het hart van Joram, die dood neerstortte in zyn wagen. Toen beval Jehu, dat men zyn lyk zou neerwerpen op het stuk land van Naboth. Ahazia, de koning van Juda, ontkwam, maar op weg naar Jerusalem stierf ook hy aan zijn ontvangen wonden.
Nu kon Jehu zyn intocht houden te Jizreël. Weet gij, wie daar vertoefde? Izebel, de vrouw van Achab. En als zy hoort, dat Jehu komen zal, heeft zy zich fraai gekleed, alsof zij fot een feest ging, en keek uit een venster op straat.
1(33
Toen nu Jelui, ter poortc inkwam, riep Lzebel hem een woord toe, waarin z\j hem den doodslager noemde van zijnen heer, en hem een spoedigen dood toe-wenschte. Toen Jehu vernomen had, wie alzoo hem toesprak, zeide hij tot de kamerlingen, die bij lzebel stonden: .Stoot ze van boven neder!quot; En zijstieten haar van boven neder. Deerlijk werd zü door dezen val verwond, en Jehu reed met zijn paarden en wagen over haar heen, en vertrad haar. Het was jammerlijk te zien, hoe zij was verminkt geworden.
Nadat Jehu gegeten en gedronken had, zeide hij: „Zie nu naar die vervloekte, en begraaf ze, want ze was toch een koningsdochter.quot; En de mannen, die henengingen, om dat bevel te volvoeren , vonden van Izebel's lijk niets meer dan de schedel, de voeten en de palmen harer handen. De honden waren gekomen, en hadden haar geheel verscheurd en verslonden. Ziet, zoo letterlijk is vervuld het dreigend woord van Elia, den profeet: „Aan do poort van Jizreël zullen de honden het vleesch van lzebel eten.quot;
Voorwaar, de Heer laat niet met zich spotten!
Na alzoo de drie voornaamste hoofden van Achab's huis te hebben gedood, is Jehu er toe overgegaan, ook de andere nakomelingen van lzebel om te brengen. Zoo werden er 70 onthoofd te Samaria, wier hoofden hij het volk toonde, zeggende: De Heer is rechtvaardig. Ook nog andere bloedverwanten van Achab trof hij, en liet hen het leven benemen, en daarna vestigde hjj zich als koning te Samaria,
Aldaar heeft hy een groote slachting aangericht onder de priesters van Baill, de beelden van dien afgod verbrijzeld en verbrand, en openlijke eereteekenen van Baill ontwijd. Maar is hy nu een yodvreczmd Koning geweest? Daarvan blijkt niets. Hij heeft integendeel niets gedaan tegen den kalverdienst, de zonde van Jerobeam. Hy heeft het oordeel voltrokken aan het huis van Achab, hy heeft dat gedaan met een zeker welbehagen, zonder eenig medelijden te toonen met de slachtoffers van hun zonden, doch in zyn eigen hart was de hoogste plaats niet voor den Heer, en daarom zou, zooals hem werd aangekondigd, zyn geslacht slechts tot in het vierde gelid zitten op den troon van Israël. Ook heeft hy zelf 's Heeren ongenoegen ondervonden, daar Hazaöl, do Koning van Syrië, hem een groot gedeelte van zyn rijk ontnam, wat hy vruchteloos trachtte te verhinderen. Hy stierf, na acht-en-twintig jaren geregeerd te hebben.
Een der beste Koningen, die over Israël hebben geregeerd, heette Joas. Iljj was een kleinzoon van Jehu. Toen hy hoorde, dat de profeet Eliza gevaarlijk krank lag, is hy tot hem gegaan, en heeft geweend voor zijn aangezicht, zeggende : „Mjjn vader, myn vader! wagen Israels en zyn ruiteren 1quot; Gjj herinnert ti nog, dat Eliza die zeilde woorden Elia had nageroepen, als deze ten hemel voer. Ook weet gy zeker nog wel, wat zy beteokenen.
164
De stervende profeet zeide tot den koning: „Neem een boog en pijlenquot;. En Joas nam tot zich een boog en pijlen. En Eliza zeide tot den koning van Israël. „Leg uwe hand aan den boogquot;; en hij leide zijne liand daaraan. En Eliza legde zijne handen op des Konings handen. En hij zeide: „Doe het venster open tegen liet Oostenquot;. En luj deed liet open. Toen zeide Eliza: „Schiet!quot; En hij schoot: Un de proleet zeide: „Deze pijl beteekent, dat gij voorspoedig tegen do Syriërs strijden zult, en van hen verlost worden.quot; Daarna zeide bij: „Neem de pijlen !quot; En Joas nam do pijlen. Toen zeide Eliza: „Sla tegen de aarde.quot; En Joas sloeg driemaal; toen hield luj op. Eliza nam het hem kwalijk, dat hjj niet vijf- of zes maal geslagen had: dan zou bij de Syriërs geheel hebben ten onder gebracht. Nu zou luj op hen slechts driemalen een overwinning behalen.
De profetie van den stervenden Eliza is inderdaad vervuld geworden. Alles wat de Syriërs onder Jelui aan 't grondgebied van Israel hadden ontnomen, werd door Joas heroverd. Ook werd hij gewikkeld, tegen zijn begeerte, in een oorlog met Amazia, den koning van Juda, die een geduchte nederlaag leed. Joas nam Jeruzalem in, brak aan de muren dier stad, nam Amazia gevangen en bracht het rijk Jnda in een staat van athankolijkbeid van Israël. Na alzoo zestien jaren roemrijk te hebben geregeerd, is de koning Joas ontslapen met zijn vaderen, en begraven to Samaria bij de koningen Israëls.
Hij werd opgevolgd door Jerobeam, den tweede. Onder zijn regeering bereikte Israel zijn hoogsten bloei. Hij was bet, door wien de Heer het gebed verhoorde van Koning Joahas, zyn grootvader, dat er een verlosser komen mocht, die het volk geheellijk zou bevrijden van de macht der Syriërs. Hy strekte zijn grondgebied uit van Damascus tot aan de Doode Zee. Het rijk van Juda was volkomen machteloos, en kon hem geen afbreuk doen. En in het land zelf heer-schen welvaart en weelde.
Maar die zegeningen brachten het volk niet dichter tot den Heer. Zjj vergaten en vertoornden integendeel Hem, wiens goedertierendheid hen had verhoogd. Zoo werd de voorspoed hun niet tot een zegen, maar tot een val. Toch ontbrak het aan waarschuwingen niet. Meer dan één profeet, ook van die proleten , wier geschriften ons in den Bijbel zijn bewaard geworden , zoo als Amos en Hozea, hebben in den naam des Heeren het volk zijn zonden op den toon der bestrafling voorgehouden, en het bedreigd met Gods heiligen toorn. Neen, het zou niet ongewroken blijven, dat men de armen verdrukte, en zich overgaf aan brooddronkenheid en allerlei zonden. Als na een regeering van een-en-veertig jaren Jerobeam eindeliik sterft, is de verdorvenheid zóó groot en zóó algemeen, dat de ondergang van liet rijk met zekerheid viel te voorspellen.
Wij zullen geen bijzonderheden verhalen uit de regeering der Koningen, die hem zijn opgevolgd. Terwijl de eene vorst al goddeloozer was dan de ander ,
ps
....... ■ ■ ■ ' ■ ■ •
m m
■
■ ■
t
m I - quot;Mquot;quot;quot;'®':!''
J f35
zonk hut rijk al dieper en dieper — totdat onder llosca, in liei jaar 722 vóór de geboorte van Christus, liet land werd veroverd door Salraanesor, den koning der Assysiiörs. Samaria werd na een beleg van drie jaar ingenomen, het volk met zijn koning weggevoerd — en slechts weinige geringe en arme lieden bleven achter, waar eens een talrijk en welvarend volk geleefd had — doch wederspan-nig jegens den Heer. Gerechtigheid verhoogt een volk, maar het is hard en kwaad Hem te verlaten, aan wiens zegen alles gelegen is.
HOOFDSTUK XXXIII.
KONINGEN VAN JUDA. REHABEAM EN OPVOLGERS.
Over het Kijk van Juda, ol' dat der twee stammen, gaan wij n thans het een en ander mecledeelen. (lij herinnert u, hoe Ilcltuheam, de zoon van Salomo, het aan moest zien , dat van de twaalf stammen er tien van hem afvielen, en slechts die van Jada en Bcnjainin hem getrouw bleven. Overliet Rijk van Juda hebben geregeerd negentien Koningen, en rj'ni Koningin. Veel langer bestond het dan liet rijk van Israel, want hot gaf gedurig blijken van gehechtheid aan den dienst des Heeron, waartoe zeker de aanwezigheid van den tempel niet weinig heeft bijgedragen. Ook werd de rust in het land bevorderd door de bijna onafgebroken regelmatigheid, waarmeê do Koningen elkander zijn opgevolgd. Zij waren allen nakomelingen van koning David en genoten daarom te hooger eere.
Niet even belangrijk is de regeering geweest van elk dier koningen in 't bijzonder. Daarom zullen wij slechts van de beroemdsten onder hen iets mededeelen. Wij beginnen met den kleinzoon van Rehabeam, met Asa. Onder de regeering van zijn vader Abia en van zijn grootvader was 't met het rijk niet goed gegaan, doch Asa's hart „was volkomen met den Heer.quot;
Zijn grootmoeder was de afgoderij genegen, en daarom verklaarde hij haar voor vervallen van haar hooge waardigheid, en het beeld, dat zij vereerde, liet hij verwijderen. Ook uit het land deed hij wegnemen alle goden, die zijn bloedverwanten hadden vereerd, en vermeerderde den schat van kostbaarheden, die werden bewaard in den tempel, en den luister verhoogden van den dienst des Heeren.
In de eerste tien jaren zijner regeering genoot zijn volk vrede, en Asa deed
166
wat in zijn vermogen was, om het land te versterken. Zoo bouwde lijj sterke vestingen en oefende duizende mannen in den wapenhandel, zoodat zjj steeds in staat waren den vijand, die mocht opdagen , te wederstaan.
Na die tien jaren van rust stak voor Asa en zijn volk een dreigend gevaar op. Het kwam uit het Zuiden, uit het land der Mooren. Misschien had Asa geweigerd, de schatting aan dat volk te betalen, waartoe zjjn grootvader Reha-beam zich had verbonden; doch, hoe dat wezen moge, de Mooren trekken aan op Juda. Zjj komen in ontzettend groote getallen. Zerah, de koning, bracht niet minder dan oen millioen soldaten in het veld, en voerde bovendien driehonderd geduchte strjjdwagenen me?.
Over zulk een macht had Asa niet te beschikken. Wel was zijn leger groot, en telde bijna zesmaal honderdduizend soldaten — doch, hoeveel sterker was niet de macht der Mooren! Velen zullen het zeker hebben voorspeld, dat Asa voor zulk een overmacht moest wijken en bukken. Maar wat deed hjj? Eerde slag aanving, riep Asa tot den Heer, zijnen God, en hij zeide: Heer, als Gij iemand wilt helpen, dan is het bij U hetzelfde, of hij sterk is of zwak. Do kracht komt toch alleen van U; in Uwen naam maken wij ons op tegen deze menigte. Gij zijt onze God, laat een sterfelijk mensch niets tegen U vermogen Iquot;
Dit gebed is door den Heer verhoord geworden. Over de Mooren behaalde Asa een schitterende ovenvmning, zoodat van die zijde in langen tijd niets tegen Juda ondernomen kon worden. Gjj ziet hieruit, welk een moed en kracht de vaste overtuiging geeft, dat God met ons is. Wie op Hom vertrouwt, wordt nooit beschaamd.
Een profeet des Heeren kwam in die dagen, en prees Asa, en verzekerde, dat God ook verder met zgn volk wezen zou , indien zij aan Hem zich vasthielden. Door dit vooruitzicht ontwaakte bij heel het volk een nieuwe, en krachtige ijver voor 'sHeeren dienst; vele afgodsbeelden, die nog waren blijven staan, werden verwijderd ; het brandofferaltaar in den voorhof des tempels werd opnieuw geheiligd; aan alles bespeurde men, dat de Heer met Asa was. Velen uit het rjjk Israel, die hiervan hoorden, verlieten hun land, en vestigden zich metterwoon in Juda. Het was dan ook een luisterrijk feest, dat Asa in het vijftiende jaar zijner regeering te Jerusalem vierde. Toen werd het verbond met den Heer vernieuwd; zij beloofden plechtig, dat zij God zouden zoeken met bun gansche hart en hun gansche ziel, ja zij zwoeren dat te zullen doen, met gejuich, met trompetten en bazuinen. Zoo was er blijdschap en rust in het geheele land.
Hoe jammer is het, dat Asa, die zoo goed en godvruchtig jaren lang zijn volk heeft geregeerd, later al zijn vertrouwen is gaan stellen op menschen, en niet op God, die in zijn strijd tegen de Mooren hom zoo krachtig had geholpen, zoo heerlijk hem had doen zegevieren.
167
To dier tijde regeerde Baësa over het rgk der Tien stammen. Hij was een oorlogzuchtig vorst, en veroverde eenige steden , die toen behoorden tot het rijk van Juda. Maar dat niet alleen. Hi) maakte de stad Rama tot een vesting, en belemmerde daardoor het verkeer tusschen Juda en Israel, want Rama lag aan den grooten weg, die de beide rijken met elkander verbond. Den handel-drijvenden, die telkens van dien weg gebruik moesten maken, werd het door Baösa van Kama niet zeer moeilijk gemaakt: en niet minder overlast hadden de Israëlieten, die zich wilden gaan vestigen in het land van Juda. Kama lag slechts twee uren gaans van Jerusalem, dat van die zijde, de noordzijde, zoo goed als ingesloten was en belegerd werd. Asa kon dit niet stilzwijgend aanzien, en was als koning verplicht de veiligheid van zijn hoofdstad en zijn rijk te handhaven. Het moest tot een oorlog komen, die door Baësa was uitgelokt.
Wat deed Asa nur' Zocht hij weder zyn hulp bij den Heer? Zeide hij: Die God, die my verlost heeft uit de groote overmacht van Zerah, den koning der Mooren, kan mjj natuurlijk ook de overwinning doen behalen op den zoo veel minder machtigen Baësa? Wij zouden verwachten, dat Asa zulks zou hebben gedaan; maar hij deed geheel iets anders. Nu zocht iiij zijn hulp bij raenschen. Hü nam het goud en zilver, dat in de schatkamer van den tempel en van het koninklijk paleis bewaard werd , en zond dat aan den koning Benhadad van Syrië, en liet hem door zijn gezanten zeggen: „Laat er een verbond zijn tusschen u en mij. Hier zend ik u een geschenk, en verbreek nu uw verbond met Baësa, den koning van Israel, en maak, dat hij zijn troepen terugtrekke uit mijn land.quot;
Benhadad, die een trouwloos bondgenoot toont te zijn, geeft aan 't verzoek van Asa gehoor: hy trok met zijn leger in 't gebied van Baësa, veroverde een aanzienlijk gedeelte ervan, en dwong alzoo den koning van Israël, Kama weder prijs te geven , en Juda te bevrijden van den druk, dien hy had doen gevoelen. Nu laat Asa zyn volk opkomen, om de vestingwerken, welke Baösa te Eama had doen aanleggen af te breken, en van de stcenen liet hü versterkingen maken op den weg, die uit het noorden naar Jerusalem voerde,
Wy houden het er voor, dat Asa zeer tevreden was over zich zelf, nu hü op zulk een handige en afdoende wijze Baësa had gedwongen zich terug te trekken. Maar God is niet altyd tevreden over ons, als wij het wel zün. Te dier tijde kwam Hanani, de profeet, tot Asa, en sprak tot hem: , Omdat gü gesteund hebt op den koning van Syrië, en niet hebt gesteund op den Heer uwen God, daarom hebt gü de gelegenheid laten voorbü gaan, om niet alleen Baësa doch ook Benhadad, den koning der Syriërs, te overwinnen. Waren niet de Mooren en Lybiërs een groote menigte met zeer vele wagenen en ruiters ?
1G8
Toch gaf do Heer hou in uwe hand, omdat gij op Hem steundet. Want Jehova's oogen zien alles, zij doorloopen do geheele aavdo, zoodat Hij kracht geeft allen, die op Hem vertrouwen. Gij hebt dwaas gehandeld: en daarom zullen er voortdurend oorlogen tegen u zijn.quot; Hoe treilend is deze voorspelling later vervuld geworden, want keer op keer zijn de Syriërs, die Asa te hulp had geroepen, niet alleen opgetrokken tegen het rijk Israël, maar ook tegen het rijk van Juda.
Hoe gedroeg Asa zich onder deze ernstige maar welverdiende bestraffing? Heeft hjj zich verootmoedigd en schuld beleden? Neen, hjj deed, wat menschen, die door hun geweten worden beschuldigd , dikwerf doen : hij werd toornig, en liet den profeet Hanani in de gevangenis werpen. Hoe moeten hierover alle vrome onderdanen van Asa bedroefd en verontrust zijn geweest! Van een koning, die God wederstaat en zijne profeten verdrukt, is ook voor zijne onderdanen alles te vreezen.
Wij zouden gaarne mcdedeelen, dat Asa nog weer teruggekeerd is van zjn verkeerden weg, maar het tegendeel is 't geval geweest. Twee jaren vóór zijn dood, werd hy aangetast door oen krankheid aan zijne voeten. Zijn lijden was zeer zwaar en smartelijk. En van wien verwachtte hij zijn genezing? Niet van den Hoer, maar van do geneesheeren. Dat hij zijn medicijnmeesters raadpleegde, en de middelen aanwendde, die zij voorschreven, mag niemand hem tot zonde rekenen. De Heer Jezus hoeft zelf gezegd: „Die ziek zijn hebben den geneesmeester van noode.quot; Maar dit was Asa's zonde , dat hij van de medicijnmeesters alleen hulp verwachtte, alsof zijn leven was in luinnc hand. Na een lijden van twee jaren is hjj bezweken; hij had 40 jaar geregeerd, en werd met groote plechtigheid begraven in het graf, dat hij zelf in de stad David's in gereedheid had laton brengen. Bij zijn dood werd de herinnering aan de groote en goede daden dos konings weder levendig, en z'ü deed het minder goede en verkeerde van zijn latere regeeringsjaren geheel vergeten.
Asa werd opgevolgd door zijn zoon Josafat. Hij was een der vroomste koningen die over Juda hebben geregeerd. Ueeds om deze reden verdient hij het, dat wij over hom sproken, want een Koning, die den Hoer vreest, is voor zijn volk nog meerder waard dan een machtig leger. Doch niet alleen om zijn ijver voor den dienst des Heeren moeten wij van Josafat gewag maken. Hij heeft een geheel andere houding aangenomen tegenover het rjjk van Israel dan do koningen van Juda, die vóór hem geregeerd hebben.
Wij hebben u verhaald , hoe Asa heeft gehandeld met Baësa, die zeer vijandig was opgetreden tegenover Juda. Tusschen die twee rijken was al do dagen van Asa strijd, nu eens in 't openbaar, en dan weer in 't verborgen. Hierin nu heeft Josafat een verandering gebracht.
100
Hij heeft hot bondgenootschap gezocht van hot rijk Israël, maar daarbij uit het oog verloren, dat geen ware eenheid kan bestaan tusschen twee vorstenhuizen , waarvan het eeno don Heer dient, en het andere een afgod. Het huwelijk van zijn zoon met een dochter van Achab en Izobel heeft dan ook voor Juda de noodlottigste gevolgen na zich gesleept.
Doch eer wij hiervan iets medefleelen , vestigen wij het oog op 'iet goede, dat Josafat dood in den aanvang zijnor regeering. Hij begon mot zijn land aan de Noordzijde te versterken, en hieruit blykt, dat hij toen nog niet dacht aan een bondgenootschap met Israël, want aan die Noordzijde alleen had men van de tien stammen oen inval te vroezen. Vorder deed Josafat de afgodsbeelden weg, waar hij ze nog aantrof, en verwierf zich door zijn beleid do liefde van het volk, zoodat het hem rijke geschonken bracht.
Ook stolde hij zich niet tevreden met het verwijderen van do afgodsbeelden, doch hij zorgde er voor, dat het volk werd onderwezen in de wet des Hoeren. Hij gelastte eon vijftal hooggeplaatste mannen, mot negen levieten en twee priesters het land door te gaan, en van plaats tot plaats het volk te onderrichten. Sommigen vermoeden, dat deze rondgaande mannen door hun bezoek den grond hebben gelogd tot do stichting van do Synagogen, de welbekende plaatsen, waar de Israëlieten op den sabbat plegen samen te komen, ton einde er God te vereoren , en te hooron voorlozen uit des Heeren woord. »
De roem v an Josafat's wijsheid en vroomheid drong door tot in do landen, die zijn rijk omringden, en vervulde hen met een groot ontzag. Zij waagden het niet, mot hem een oorlog aan te vangen, en do Filistijnen en andere volken brachten hem gewillig schatting op. Het leger, dat by op de been kon brongen, was buitengewoon talrijk en goed gewapend, wat zeker het ontzag, dat men voor hem koesterde, nog verhoogde. Na Salomo was er nog geen koning over Juda geweest, aan Josafat gelijk.
Zoo had Josafat rijkdom en eer in overvloed; „en hij verzwagerde zich aan Achab.quot; Met deze weinige woorden geeft de Bijbel te kennen de groote fout en dwaling, welke Josafat beging, toen luj zijn oudsten zoon, die hem eenmaal zou opvolgen, door het huwelijk verbond met Athdlia, do dochter van Achab en Izobel.
Wij mogen er niet aan twijfelen of Josafat hooft gemeend hier goed en wijs ineè te doen. Hij vond het altijd jammer, dat het joodsche volk was gescheiden in twee rijken. Hij wilde althans alles beproeven, wat hij kon, om hen die bijeon behoorden, weder tot eou te brongen. Waarschijnlijk hoopte hij wel, dat Athalia onder den invloed van /ijn gezin en zijn volk komende, den dienst van Baal zou verlaten, en zich buigen voor den God, dien haar man vereerde eu het volk, welks Koningin zy eenmaal wezen zou. Doch, als Josafat die verwachting hoeft gehad, dan is hij bitter teleurgesteld geworden.
170
Do nauwere gemeenscliap mot het huis van Achab hoeft hem en zijn volk niets dan ellende gebracht.
Een eerste gevolg ervan was, dat hij mede in den oorlog werd betrokken, die was uitgebroken tusschen Achab en den koning der Syriërs. W}j hebben dat reeds vroeger verhaald, cn behoeven er daarom hier niet op terug te komen. De oorlog had een gunstig einde voor de Syriërs, ofschoon Josafat, naar het schijnt, ongedeerd er uit wederkeerde.
Maar dat God met ongenoegen hem had zien henengaan en strijden als bondgenoot van Achab, wordt hem weldra duidelijk uit het woord dat een profeet, Jehu geheeten, tot hem sprak, die hem vroeg of het geoorloofd was de godde-loozen te helpen , en lief te hebben die den Heer haten?
Josafat is door die vermaning niet vertoornd geworden, maar heeft haar ootmoedig aangehoord. Hij spande dan ook ui zijn krachten in om onder zijn volk een goeden geest te brengen ; inzonderheid beval lijj allen rechters , om toch eerlijk te werk te gaan, daar zij van alles wat zij deden rekenschap hadden te geven aan den Heer.
Hij behaalde ook nog meer dan één overwinning over buitenlandsche vijanden, en zijn nagedachtenis, heeft onder zyn volk voortgeleefd als die van een wijs en godvruchtig Koning.
Na den dood van Josafat braken er slechte dagen aan voor Juda in het algemeen , en voor alle godvreezende burgers van dat land in 't bijzonder. Immers traden nu de droevige gevolgen te voorschijn van het nauw verbond, waarin Josafat was getreden met het huis van den goddeloozen Achab.
Zoo als wij reeds hebben verhaald, was de zoon van Josafat gehuwd met Athalia, do dochter van Achab en Izebel. Die zoon van Josafat heette Joram. Hij beklom na den dood zijns vaders den troon, en met welke gruwelijke daad heeft hij ziju regeering aangevangen? Hij liet zijn zes broeders, aan wie Josafat gewichtige betrekkingen had gedragen, om het leven brengen. Ook in andere opzichten wandelde hij op den weg van de Koningen van Israël, want, zoo zegt de bijbel met bijzonderen nadruk, de dochter van Achab was hem ter vrouw gegeven. Te Jeruzalem, in de stad, waar de tempel des Heeren stond, richtte hij een tempel op ter eere vau Baiil. Welk een smaadheid luj hiermee den Heer aandeed, en hoe 's Heeren getrouwe dienstknechten daardoor werden bedroefd , behoeven wij niet te zeggen.
Een brief van Elia, die hem werd toegezonden , hield hem van verder kwaad niet terug, maar ook de straffen blevon niet achter, waarmee de profeet hem had bedreigd. Tot Jeruzalem dringen zijn vijanden door, cn een aantal leden van het koninklijk huis worden door hen om het leven gebracht. Van zijn zonen
171
werd er slechts één , Aliazia geheeten, gespaard. Toen Joram acht jaren had geregeerd, werd hij door een ziekte aangetast, waaraan hij stierf. Van hom lezen wjj dit veelzeggende maar treurige getuigenis: Hij ging heen zonder begeerd te worden. Kiemand was bedroefd over zijn dood, of verlangde dat hij was blijven leven. Hij werd ook niet met dien luister begraven, welken men bü de ter aarde bestelling van andere koningen had ten toon gespreid, en ?4jn lijk verkreeg geen plaats in den koninklijken grafkelder. Wij willen hopen, dat men over ons, als wü eenmaal sterven, anders spreken en oordeelen zal, en dat menigeen in oprechtheid ons heengaan zal betreuren. Maar wat een mensch zaait dat zal luj ook maaien. Uit hotgeon kwaad is, kan nooit iets goeds voortkomen.
Joram werd in de regeering opgevolgd door zijn zoon Aliazia. Had Athalia grooten invloed gehad op haar echtgenoot Joram, nog grooter was haar macht over haar zoon. Hjj heeft echter slechts een jaar geregeerd, want Jehu, die het geslacht van Achab heeft uitgeroeid, heeft ook Ahazia door een pijl doode-lijk getroffen. En zij begroeven hem te Jeruzalem in 't koninklijk graf, want, zoo spraken zij, lüj is toch een nakomeling van Josafat.
Ahazia liet geen zoon na, om hem op te volgen. Zoodra dan ook de tijding van zijnen dood aan zijn moeder Athalia is ter oore gekomen , vat zij het besluit op, om zich meester te maken van de regeering, en allen uit den weg te ruimen, die behoorden tot het koninklijk geslacht. Eerst dan als geen nakomeling van David meer leefde, kon zjj zich veilig achten op den troon.
Zij heeft haar plan volvoerd, althans zij meende dat liet haar gelukt was het huis van David uit te roeien. Nu kon zjj heerschen over Juda, nu had het huis van Achab gezegevierd over dat van David. De tempel des Heeren werd niet meer onderhouden, en geraakte in verval, terwijl te Jeruzalem luisterrijke heiligdommen verrezen ter cere van Baill. Onder den invloed en naar het voorbeeld van de koningin bogen zich velen voor den afgod, en lieten den dienst des Heeren varen, maar de vrome Israëlieten, die aan God zich vasthielden, vroegen gedurig, of de Heer dan zijn volk vergat, en de heerlijke beloften niet vervulde, welke Hij had gegeven aan het huis van David ?
Zij wisten echter niet, dat Athalia zich bedroog in haar meening, dat zij al de nakomelingen van David had om het leven gebracht. De hoogepriester Jojada, die gehuwd was met een vrouw uit het koninklijk geslacht, had een nog jeugdig kind , dat uit David was gesproten, weten te redden, en het onttrokken aan do vervolging van Athalia, Geheel in de stilte, zonder dat iemand er iets van bemerkte, werd dat kind door Jojada in een der vertrekken van den tempel opgevoed, totdat het den ouderdom van zeven jaren had bereikt.
172
Toen achtten do lioogepvioster en zijn vrouw (Joseha was haar naam) den tijd gekomen, om het volk te verrassen met de blijde tjjding, dat er nog een wettig erfgenaam van David in leven was. Zjj deden dat te eerder, omdat de gruweldaden van de Koningin Athalia met ieder jaar meerder werden. Jojada ging echter zeer voorzichtig en met beleid te werk, want indien het te vroeg aan Athalia bekend mocht worden, dan viel er niet aan te twijfelen, of zij liet den jeugdigen prins om het leven brengen. Daarom wordt hot groot geheim eerst meegedeeld aan vjjf krijgsoversten, mannen, die een hooge plaats bekleedden in het leger. Wij zouden hen generaals noemen. Deze vjjf mannen gingen ieder naar een verschillend gedeelte van het land, en lieten de levieten en volksoverheden, die zij vertrouwen konden , bij zich komen, en zeiden hun: komt op het aanstaande feestte Jeruzalem, want de hoogepriester heeft u iets gewichtigs meê te deelen.
Zij geven aan die opwekking gehoor, en als zij zich bevinden in het huis van Jojada toont hij hun den knaap, den Koningszoon, die op zulk een merkwaardige wjjze was behouden in het leven , en dio uit zulk een roemrijk geslacht was voortgesproten. Allen betuigen hun blijdschap, en nu werden de noodige maatregelen genomen , om den jeugdigen Joas tot koning te doen uitroepen, en te voorkomen dat Athalia deze poging door haar machtigen aanhang deed mislukken. De mannen, die de wacht bielden over don tempel, werden gesteld onder het bevel van de vijf voorname krijgsoversten , aan wie Jojada zyn geheim het eerst had bekend gemaakt. De helft van die mannen werd in drie afdeelingen verdeeld, waarvan er een zou waken over hot huis van Joas, terwijl de beide andere twee poorten van den tempel moesten bezetten. En de andere helft werd meer bepaald belast, met te waken over den persoon van den koning. Zü moesten hem omringen, een ieder met do wapenen in de hand. De hoogepriester deelde dan ook onder hen do spiesen en andere wapenen uit, nog afkomstig uit den tijd van David , die in den tempel bewaard werden. Voorts was nog een groote menigte volks aanwezig , allen gewapend, en zóó ge plaatst, dat zij den jongen Koning aan alle zijden beveiligden. Eerst nadat al deze maatregelen waren genomen , durft Jojada den koninklijken knaap vertoonen.
Toen hij te voorschijn trad, maakte zich zeker een diepe ontroering meester van het volk, dat misschien nog meer was gehecht aan liet huis van David, dan ons volk het is aan het huis van Oranje. En toen men Joas de koninklijke kroon zette op het hoofd, en hem als koning huldigde , werd hij door Jojada en zijne zonen gezalfd, en van alle zijden weerklonk de kreet; „De Koning leve! De Koning leve!quot;
Tot op groeten afstand hoorde men dat geroep en dat gejuich. Ook Athalia hoorde het, en zij kwam en liep toe uit haar paleis naar den tempel. Eu wat zag zij? liet volk zich verdringende rondom donjongen Koning, die stond bij een
173
pilaar. Vroolijk weerklonken tot zijn eer de trompetten, en de stemmen dei-zangers , die elk opwekten om met hen een lied aan te heffen ter eere van Joas. En als Atlialia dat alles overziet en maar al te wel ontdekt, wat er voorvalt, verscheurt zij hare kleederen en roept: Verraad ! Verraad!
Maar de hoogopriester Jojada heval, haar buiten den tempel te brengen, en haar aldaar te dooden. Zoo is het dan ook geschied, en lieeft zij het loon ontvangen voor al de moorden en misdaden, door haar gepleegd. En Jojada maakte een verbond tusschen zich en tusschen al het volk, en tusschen don koning, dat zij den Heer tot een volk zouden zjjn. Met kracht werden in Jeruzalem de tempel, de beelden en do altaren van Baill afgebroken en verwijderd — en in den tempel, door Salomo gebouwd , werd do lieer wederom vereerd, gelijk Hij zelf dat in zijn woord had voorgeschreven.
Met loven van Joas, die nu Koning was geworden, kan men in twee tijdvakken verdoelen. Hij heeft eerst geregeerd onder de leiding van den hoogopriester Jojada, aan wien hij zijn leven en zijn verheffing tot koning was verplicht, en toen hield hij zich aan Gods gebod; terwijl hij, in het tweede gedeelte van zijn regeering, na Jojada's dood, zich aan groote zonden heeft schuldig gemaakt. Het is altijd treurig te moeten opmerken, dat het met een mensch niet beter maar slechter wordt. Met Joas is het zeer slecht gegaan. Hy is er toegekomen Zacharia, den zoon van Jojada, aan wien hij alles had te danken, om het leven te brengen. Zoo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid welke zijn vader Jojada hem gedaan had, maar doodde zjjn zoon, dewelke, als hij stierf, zeide: „De Heer zal het zien en zoeken !quot; Zacharia bedoelde met deze woorden: De Heer zal dit groot kwaad niet ongestraft laten.
Deze voorspelling van den stervenden Zacharia is vervuld geworden. Joas is door zijn knechten om 'tleven gebracht; hij was de eerste Koning in Juda, die door de hand zijner onderdanen gedood is; de wijze, waarop hij zijn regeering heeft geëindigd is dus wel geheel anders geweest dan men had mogen verwachten van een koning, over wiens jeugd God zoo trouw had gew aakt.
Koning Uzzta, een kleinzoon van Joas, heeft veel gedaan, om de macht en den bloei van het rijk Juda te verhoogen. Hij voerde zeer gelukkig vele oorlogen, en onderwierp eenige volken, die zich van Juda hadden vrij gemaakt. Jeruzalem liet hij versterken met muren en torens. Hy had een zeer talrijk leger, dat bijzonder goed geoefend was, en uitgerust met schillen en spiesen, met helmen en pantsers, bogen en slingersteenon. Ook had iiij mannon onder zijn krijgslieden, die van muren en torens op den vijand , die een stad belegerden, steenon en pijlen wisten te schieten , een uitvinding, die toen zeer de bewondering schijnt te hebben opgewekt.
174
Doch gij moet niet meenen, dat (Jzzia een oorlogzuchtig man was, die alleen zich bezig hield met de versterking van zyn leger. Hij had ook de werken des vredes lief. Zoo had hij veel hart voor den landbouw en voor de veeteelt. Hjj had in de nabijheid van de Middellandsche Zee en van de Doode Zee grooto kudden, en hij droeg er zorg voor, dat zü in putten, die hij graven liet altijd water vonden, en hy liet torens bouwen, waarin soldaten waren, die het vee tegen de aanvallen van vijanden verdedigden. Ook trachtte hij bjj het volk do liefde voor dit bedrijf op te wekken. Hij dreef ook grooten handel, en vermeerderde daardoor de welvaart van zijn land.
AVat dunkt u van zulk een wijs en werkzaam koning? Zijn naam werd wjjd eu zijd bekend en geroemd, daar iijj kennelp wonderbaar werd geholpen.
Doch ook by Uzzia is het einde van zyn leven diep treurig geweest. Hy is door al den voorspoed, waarmee zyn regeering werd gekroond, hoogmoedig geworden. Hy meende, dat hij het met de geboden des Heeren niet zoo nauw behoefde te nemen. Hoe hij dit heeft getoond ? Dat zullen wy u zeggen. Zooals gij u zeker herinnert, was het aan iedereen, die geen priester was, verboden te komen in het heilige des tempels. Geen Israëliet zou het dan ook wagen, over den drempel te komen van dat vertrek; want dat zou niet anders zyn dan heiligschennis. Doch Uzzia wilde niet minder schynen dan de priesters; waar zij kwamen, wilde hij ook komen. Op zekeren dag treedt hij den voorhof van den tempel binnen, met een brandend wyrookvat in de hand, en stapt toe op het heilige, om aldaar den Heer een reukoffer te brengen. Vol ontzetting ziet dat de hoogepriester Azarja, die omringd door tachtig andere priesters, don koning in den weg treedt, en zegt: „Het komt u, o koning Uzzia, niet toe, den Heer bet reukoffer te brengen. Verlaat dit heilige, want gy bezondigt u, en het verstrekt u niet tot eer, in de oogen van Ood , den Heer.quot; Uzzia liet z:.ch echter niet gezeggen, doch trachtte zich staande te houden in het heilige en werd zeer toornig op de priesters. Maar wat zien zij aan zyn voorhoofd? De kenteekenen der melaatschheid. En als zy zagen, dat die ziekte, welke een mensch onrein maakt, den koning had aangetast, drongen zij hem naar buiten, eu hy zelf ging toen gewillig heen, want hy erkende, dat de Heer hem trof met deze zware straf.
Hy is tot zyn dood melaatsch gebleven. Hy leefde van de menschen afgezonderd , en kon zelf niet meer regeeren. Zijn zoon Jotham nam de regeering waar in zyne plaats. Hoe jammer was dat van zulk een kloek en dapper koning! Hoevelen heeft er de hoogmoed ten val gebracht, want Ood wederstaat den hoogvaardige.
Een koning, die het rijk Juda veel kwaad hoeft gedaan, en zelf voorging in
175
goddeloosheid, was Achats. Hij heelt eigenlijk den grond gelegd tot den oudergang van zjjn land. Bijzonder ingenomen toonde luj zich met de vereering van de hemellichamen , van de zon en de sterren. Zoo hield hjj in den tempel ter eere van de zon paarden met een prachtige wagen, en zelfs op het dak van den tempel werden kleine altaren opgericht, om daarop aan de sterren offers te brengen. Was dit reeds veel erger dan de kalverdienst, welken hij begunstigde — het was niet het gruwelijkste dat hij deed. Hü voerde den dienst in van de goden der Feniciërs, vooral van Moloch. Men meende, dat men dezen Gcd niet tevreden kon stellen, dan door levende kinderen in een gloeiend beeld van koper te verbranden. De koning Achaz liet zijn eigen zoon op die wijze offeren. Waar men kwam in Juda — overal vond men do teekenen van afgoderij.
Dit alles was echter den koning niet genoeg. Hy beproefde de vereering van den Heer geheel te doen ophouden en wijken voor de afgoderij. Zoo stelde hij het brandofferaltaar in den voorhof ter zijde en plaatste er een Syrisch altaar, en het moet tot oneer van den hoogepriester worden gezegd, dat hij zich hiertegen niet verzette, maar er toe meewerkte. Eindelijk ging Achaz over tot het uiterste: hü liet de deuren van 's Hoeren tempel sluiten, alsof het volk had opgehouden aan God te geloovcn, en Hem eere schuldig te zijn. Men kan er zich niet genoeg over verwonderen, dat een koning, uit het huis van David gesproten, zóóver durfde afwijken van den Heer. Maar nog meer zouden wij or ons over verbazen, indien zulke gruwelijke zonden ongestraft waren gebleven. Die straffen bleven echter niet achter. Toen Achaz, na een regeering van 10 jaren, in den nog jeugdigen leeftijd van 36 jaar overleed, liet hy zyn land in den droevigsten toestand achter. Door buitenlandsclie vijanden, vooral door de Assyriërs, was Juda diep vernederd. Om de zware schattingen te kunnen betalen liet de koning den tempel des Heeren van menig kostbaar sieraad ontdoen, en dus is, ook aan hem het woord vervuld, dat het hard en kwaad is, den Heer te verlaten.
Wü zien dikwijls in de geschiedenis, dat goddeloozo ouders godvruchtige kinderen hebben. Dit is ook het geval geweest met Achaz. Wie zou hebben gedacht, dat hij zou worden opgevolgd door een zoon, die gerekend kan worden tot de vroomste koningen van Juda? En toch is zulks geschied. Die zoon heette llühia. Wü zullen het een en ander verhalen, dat door hem is verricht, en met hem is voorgevallen.
Toen hij, 25 jaren oud, koning werd, was zijn eerste werk, den tempel des Heeren weer te openen, dien zijn vader had doen sluiten. Hg gelastte de levieten, het verlaten en vervallen heiligdom weêr binnen te gaan, waar de lampen waren uitgebliischt, en het brandoffer niet ontstoken werd, en het reukwerk
170
niet gerookt ter eere van den God Israels. Daarom was Gods toorn over Juda eu Jeruzalem gekomen, en had de vijand hun vaders gedood hun zonen en doehteren gevankelijk weggevoerd. Maar nu was het in Hizkia's hart een verbond te maken met den Heer, den God Israels. „Woest nu niet traag, mijne zonenquot;, zoo riep de koning den levieten toe, „want do Heer heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht staan en Hem dienen zoudt.quot;
De priesters, bijgestaan door de levieten gingen ijverig aan 't werk. Dugen achtereen waren zjj bozig met alles wat in den tempel niet behoorde, daaruit te verwijderen. Zoo werd des Hoeren iinis gereinigd en geheiligd, en weer geschikt om to worden gebruikt tot Zijn dienst. Hot was dan ook een plechtig oogenblik, toen Hi/.kia met een groot gevolg het heiligdom kon binnengaan, en er dDor offers verzoening gedaan werd van al do zonden, door vorst en volk bedreven tegen don Heer. Daar weerklonken op eenmaal de muziekinstrumenten, en de gezangen voorheen in den voorhof zoo dikwerf aangeheven; en do gansche gemeente boog zich neder als men het gezang zong en met de trompetten trompette ; en als men geëindigd had te offeren , bukten do koning, en allen die bij hem waren, en bogen zich neder.
Als dan alzoo verzoening was gedaan voor do zonden, werden blijde dankoffers gebracht aan den Heer, om daarmee hun vreugde er over te kennen te geven, dat Zjjn tempel weer geopend, en Zijn dienst hersteld was. „Hizkia,quot; zoo lozen wij, „en al hot volk verblijden zich over hetgeen God het volk bereid had, want het was met spoed geschied.quot; Wat een mensch gaarne doet, doet Injniet traag en langzaam.
Als do kroon op dit feest van de nieuwe inwijding des tempels volgde nu het paaschfeest, waartoe Hizkia al de Israëlieten (ook do tien stammen) plechtig liet uitnoodigon. Zeer velen ontvingen de uitnoodiging met spot, en gaven er geen gehoor aan, maar het waren er toch niet weinigen, die kwamen en zicli verzamelden to Jeruzalem, om liet feest der ongezuurde brooden te vieren. Ja, zoo groot was de deelneming, dat men voor die koer geen seven, maar veertien dagen achtereen feost hield; aan hot einde stonden do lovietischo priester en zegenden het volk, en hunne stem werd gehoord, want hun gebed kwam tot Gods heilige woning in den hemel. Zeker zijn dat goede feesten, aai:, welker einde men God kan danken en loven.
Als een bewijs voor do vroomheid van Hizkia, en van zijn ijver voor Gods eer, wordt verhaald, dat hij de koperen slang, die indertijd in de woestijn door Mozes was opgericht, en dio men steeds had bewaard , heeft vernietigd. Hot volk toch pleegde mot dat voorwerp afgoderij , en bezondigde zich daardoor tegen den Heer. Daarom was het beter, die koperen slang maar te vernietigen. Wij kunnen hier niet alles vormolden , wat Hizkia deed tot welz'ijn van de priesters
177
en levieten , en tot bevovtlci ing van den luister , waarmee de Heer gediend werd. En wat bezielde hem bij dat alles? Hoe deed hij het? Hij deed het van harte. Hij deed het niet in een koude, onverschillige stemming, maar met ingenomenheid , en daarom ook had hij voorspoed en zegen.
Maar er is geen vroom man ooit geweest, wiens godsvrucht niet op een meerder ol minder zware proef werd gesteld. Eerst daardoor komt bet duidelijk aan het licht, dat het geloof echt is. Wil men weten, of een koord of een keten sterk is, dan moet men iets zwaars er aan bevestigen. Wel nu , wat zulk een gewicht is voor een koord, dat is de beproeving voor 't geloof. Wjj zullen zien, hoe de Heer Hizkia in groote benauwdheid heeft gebracht, en hoe hy er uit is gered geworden.
Toen lijj aan de regeering kwam, moest zjjn volk jaarlijks een groote som, als schatting, opbrengen aan den koning van Assynë. Zjjn vader Achaz was daartoe gedwongen geworden. Hizkia besluit die schatting niet langer te betalen. Als do koning van Assy rui met een geducht leger aanrukt, weet Hizkia nog door groote sommen gelds hem te bewogen terug te keeren. Het ontbrak toen den vromen koning nog aan moed, om den strijd met den machtigen heerscher over Assyrië te wagon. Sanherib , zoo heette hjj, neemt de zware schatting aan, welke Hizkia hem had gezonden , maar zond niettemin een talrijk leger om Jerusalem in te nemen. Gij kunt u voorstellen, met welk een schrik dit door de Joden vernomen werd. Hizkia liet den raad inwinnen van een man, dien hjj vertrouwde en ook volkomen vertrouwen kon. Wie was die man ? De profeet Jesaïa. Hij is zeker een der grootste profeten geweest, die in Israël zijn opgetreden. Jaren lang en onder meer dan één koning heeft hij het woord Oods aan zjjn volk verkondigd , en is een trouw en beproefd raadsman geweest voor duizenden. Wij hebben nog zijne geschriften, en er is weinig in den bijbel te lezen, dat rijker is aan troost , en meer do blijken draagt van te zijn ingegeven door 's Heeren Geest.
Jesaïa spreekt den koning moed in, en laat hem zeggen, dat hij niet behoefde te vreezen voor de nederlaag. Het waren niettemin moeielyke dagen voor de inwoners van Jerusalem en hun koning, toen Sanherib's leger de stad omsingelde. Vooral krenkte hem de beleedigende taal, welke werd gevoerd door llabsake, den veldheer van Sanherib. Hij sprak aldus: „Gij Israëlieten, gij zegt zeker, dat gij vertrouwt op den Heer, en dat Hij u ongetwijfeld zal uitredden. Gü moet op dat laatste evenwel niet rekenen; want andere volken, tegen wie ik oorlog heb gevoerd, en die veel sterker en machtiger waren dan gij, vertrouwden ook op hun goden, maar die goden hebben hen niet kunnen redden. Hizkia zegt u dat wel voor, maar gelooft hem niet. Luistert liever naar den raad van mijnen heer, den koning van Assyrië. Hij wil u brengen in
12
178
een land van olijven, van olie en van honig; dan zult gjj leven en niet sterven, want Hizkia hitst u op, zeggende: de Heer zal u redden.quot;
Deze uitdagende en beleedigende woorden werden luide door llabsake gesproken in de Hebreenwsche taal, zoodat de inwoners van Jeruzalem ze duidelijk konden verstaan. En als men ze overbracht tot Hizkia, scheurde hij zijn Idee-deren en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des Heeren.
Maar Jesaia sprak hem moed in, en zeide: „De Koning van Assyriö zal in deze stad niet komen; en geen pijl daarin schieten; door den weg dien hij gekomen is, zal hij wederkeeren, maar in deze stad zal hjj niet komen, zegt do Heer, want ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen , om mijnentwil, en om Davids, mijns knechts, wilquot;.
En wat is er geschied ? In dienzelfden nacht werden er door den Engel des Heeren, vermoedelijk door een pestziekte, 185000 Assyriërs geslagen en des morgens was heinde en ver de grond bezaaid met hun lijken. Toen is het Assyrisch leger, voor zoover de pest het niet had vernietigd, afgetrokken en teruggekeerd naar Ninive, waar Sanherib later door twee van zün zonen is om 't leven gebracht.
Nog een andere zware beproeving heeft God doea komen over Hizkia, namelijk een zeer ernstige krankheid. Hij werd krank, zoo zegt de Bijbel, tot ster-vens toe. De profeet Jesaia kwam dan ook tot hem, en zeide: „Geef bevel aan uw huis, want gjj zult sterven en niet leven.quot; Maar wat deed Hizkia ? Hjj keerde zijn aangezicht om naar den wand; hjj keerde zich dus af van de menschen, die vóór zijn bed stonden, en hij bad tot den Heer, zeggende: „Och, Heer, gedenk toch, dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld heb,quot; en hij weende gansch zeer.
Toen kreeg Jesaia, die reeds het vertrek van den koning had verlaten, bevel van den Heer, om terug te keeren, en Hizkia aan te zeggen, dat God nog vijftien jaren hem zou laten in het leven. De profeet' gelastte daarop, dac een klomp vijgen zou gelegd worden op het gezwel, dat de koning had — en waarlijk hij is genezen!
Maar Hizkia kon eerst niet gelooven, dat zijn gebed zoo terstond was verhoord geworden, en vroeg daarom een teeken. Daarop liet Jesaia hem de keus of de schaduw op den zonnewijzer vooruit of achteruit zoude gaan, en de koning gaf aan het laatste den voorkeur. En inderdaad, het wonder geschiedde op hot gebed van Jesaia.
Hoe vele redenen had Hizkia dus niet om den Heer dankbaar te wezen. Zijn land was gered van de overheersching der Assyriërs, en hij zelt als uit den dood teruggekeerd in het leven. De profeet Jesaia heeft dan ook een danklied voor ons bewaard, waarin Hizkia zijn hart uitstort in lof en prjjs voor den Heer.
Hii heeft na zijn herstel vele daden verricht, die tot uitbreiding strekten
170
van Israels macht en tot welzijn van zijn volk; doch één ding staat van hem vermeld, dat hem tot een groote zonde is aangerekend.
De koning' van Babel, die er wel eenig belang bij had, goede vrienden te zjjn met den koning van Juda, zond eon gezantschap naar Jeruzalem, om Hizkia geluk te wenschen met zijn herstel van zijne zware ziekte. Ook wenschten de gezanten nadere berichten in te winnen aangaande het wonder, dat was geschied met de schaduw der zon. Hizkia was met dit bezoek zeer ingenomen, en hjj toonde aan de gezanten al de schatten en rijkdommen, welke hjj verzameld had.
Maar was dat dan zonde? Moeten wjj hetgeen God ons gegeven heeft, indien het kostbaar is en fraai, verborgen houden? Mogen wij dat nooit eens vertoonen? Wij mogen dat zeker doen, indien wjj niet hoogmoedig zyn op hetgeen wjj bezitten, en daarmee niet willen pronken. Het schijnt wel, dat Hizkia, meer dan het aan een godvruchtig mensch geoorloofd is, was ingenomen met zijne schatten. Hij verhief er zich op, en dat verwekt altijd des Heeren toorn.
Nauwelijks zijn de gezanten van Babel's koning vertrokken, of daar verschijnt in het koninklijke paleis de profeet Jesaia. Hij vraagt, wie er toch geweest waren, en wat zij in oogenschouw hadden genomen. En als Hizkia hierop antwoordt: „Alles, wat in mijn huis is, hebben zy gezien,quot; zegt Jesaia; „Hoor des Heeren woord! Zie, de tijd komt, waarin alles wat in uw huis is, zal worden weggevoerd — naar Babelquot;.
Ootmoedig en onderworpen hoort de koning Hizkia dit woord van den profeet aan, en verheugde er zich over, dat althans in zijne dagen het nog vrede en trouw zou zijn.
Toen Hizkia tot zijn vaderen verzameld was, werd hij opgevolgd door zijn zoon Manasse. Deze wandelde niet in de wegen van zijn vromen vader, maar scheen zich wel zijn goddeloozen grootvader Achaz tot een voorbeeld gekozen te hebben. Hü was eerst 12 jaar oud, toen hij koning werd, en waarschijnlijk hebben slechte vrienden en raadslieden meer invloed op hem gehad dan de woorden en het voorbeeld van zijn godvreezenden vader. Eerst in de tweede helft van zijn leven schijnt het beeld van den godvruchtigen Hizkia tot zjjn hart en geweten luider dan iets anders gesproken te hebben. Het gaat dikwijls met goede woorden als met zaadkorrels, die lang in de aarde kunnen liggen, zonder uit te spruiten, maar eindelijk toonen z\], dat zij niet gestorven, maar levend zijn, en dragen zij nog overvloedig vrucht. Manasse deed meer kwaad, pleegde meer goddeloosheid dan eenig koning vóór hem gedaan had. Hij bouwde niet alleen buiten, maar in den tempel zelf, in den voorhof, een altaar ter eere van een Assyrischen afgod, en in het heilige liet hü een beeld plaatsen van een godin, Aschera geheeten. Ter eere van den God Moloch liet hij zijn zoon levend verbranden, want op die wijze, door het verbranden van kindereu, meende men dien afgod een genoegen te doen, en zijn gunst te verwerven.
180
Was onder de regeering van zijn vader Hizkia, het rijk der tien stammen te niet gegaan, en had men daaraan kunnen zien, hoe God niet alleen dreigt, maar ook werkelijk straft — Manasse gaf daarop geen acht, en ontving nu het welverdiende loon voor zijn goddeloosheid. De Heer liet door een profeet hem aankondigen, dat hetzelfde lot, hetwelk Achab en Samaria had getroffen, hem wachtte, en dat hij zou worden overgegeven in de macht zijner vijanden.
Manasse liet zich niet gezeggen, maar maakte zich steeds aan grooter euveldaden schuldig , en liet veel onschuldig bloed vergieten. Zelfs verhaalt men, dat hfl den profeet Jesaia op zeer wreede wijze ter dood liet brengen. Het verwondert ons [niet, dat zjjn straf zeer zwaar werd. Jeruzalem werd ingenomen, Manasse in ketenen geklonken en weggevoerd naar Babel. Ddar in de gevangenis, kwam hij echter tot zich zelf. Daar kwam hij tot het inzicht van zjjn grove zonden — en riep het aangezicht des Heeren ernstig aan, en hjj vernederde zich voor het aangezicht van den God zijner vaderen, en aanbad Hem.
En God liet zich van Manasse verbidden, en hoorde zjjne smeeking, en Hjj bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de Heer God is. Men zou kunnen zeggen: Zie hier den verloren zoon uit het Oude Testament.
Wie berouwvol opwaarts blikt,
Wordt verzadigd en verkwikt.
Dat Manasse met zijn hart tot God zich heeft bekeerd, blijkt daaruit, dat hij, te Jeruzalem wedergekomen, getracht heeft zoo veel mogelijk weêr goed te maken , wat hij vroeger had verdorven. Hij verwijderde de beelden en de altaren, die hij ter eere van de vreemde goden had opgericht; hij offerde wederom den Heer, en zeide: „dat Juda zich tot Hem bekeeren zou.quot;
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zjj begroeven hem in den hof van zijn paleis, en zjjn zoon Anion werd koning in zijne plaats. Kort en verkeerd was de regeering van Amen; hij werd door zijn dienaren in zijn huis om'tleven gebracht en opgevolgd door Josia. Slechts acht jaar oud was Josia, toen hjj koning werd en een en dertig jaar heeft hij geregeerd.
Hij is een der vroomste koningen geweest, die aan 't hoofd van 't rjjk van Juda hebben gestaan. Keeds toen hij nog zeer jong was, begon hjj den Heer te zoeken, en die Hem vroeg zoeken, vinden Hem ook vroeg. Op twintigjarigen leeftijd bracht iiü overal in zyn rijk een groote hervorming tot stand. Zonder mededoogen roeide hij de afgoderij uit met wortel en tak. Al de beelden der goden werden vergruisd, al de bosschen waarin de Baals werden gediend, omver gehouwen. Zoo reinigde lijj liet land van alle onheiligheden. Hjj zelf hield er toezicht op, dat niets overig bleef van hetgeen herinnerde aan de vereering van vreemde goden. Toen keerde hij terug naar Jeruzalem. Ook daar viel veel
181
voor Josia te doen. De tempel des Heereu was deerlijk vervallen. Er lag dus den vromen koning veel aan gelegen, om dat heilig gebouw zooveel mogelijk in zijn luister fa? herstellen, en van alle sporen der afgoderij te reinigen. En terwijl men bezig is den tempel goed te reinigen, ontdekt men het wetboek, dat geheel in vergetelheid was geraakt, en leest het den koning voor. Met groote ontsteltenis hoort Josia het aan; hij verscheurt zijn kleederen, vreezonde, dat de Heer Hem en zijn volk zal treffen met de straffen, welke in de wet waren aangekondigd. Hij zend iemand tot eene profetes, Hulda , en vroeg haar of er reden bestond om beducht te wezen voor Gods toorn. En haar antwoord, dat zjj van den Heer heeft ontvangen, luide: , Zeker zal de Heer ongeluk brengen over Jeruzalem, en al de woorden van het boek zullen worden vervuld , omdat het volk God verlaten en andere Goden gediend heeft. Maar Josia zou dat niet beleven, daar hij zich had verootmoedigd voor den Heer, en naar zijn woord wilde luisteren. Hij zou in het graf zijner vaderen worden begraven en zijn oogen zouden het kwaad niet zien , dat de Heer zou brengen over die plaats.quot;
Josia was over dit antwoord zeer verblijd, en lüj riep vertegenwoordigers van het volk samen en las hun het verbondsboek voor, en vernieuwde liet verbond met God door de belofte van gehoorzaamheid. Alles in den tempel, dat aan afgoden gewijd was geweest, liet lüj verbranden en met krachtige hand vernietigde hij altaren en beelden, waar ze ook stonden opgericht.
Hij verlangde ook, dat het paaschfeest zou worden gevierd, zooals dat in de wet was voorgeschreven. Buizende lammeren en andere dieren werden geofferd , en'nooit was in den tempel zulk een feest aanschouwd, nooit met zooveel luister de uittocht uit Egypte herdacht. Geen koning, zoo lezen wij, had zich dan ook zoo met zijn geheele hart en met al zija kracht bekeerd tot den Heer.
Toch was het verval van Juda te ver gevorderd, dan dat de ondergang van 't rijk viel tegen te houden. Zelfs een man zoo vroom als Josia, kon niet verhinderen, dat het einde kwam. Hij heeft het echter niet beleefd. Het rijk van Juda lag tusschen twee machtige rijken, dat van Babel en dat van Egypte. Wilden de legers dier twee rijken elkander bereiken, dan moesten zij dus trekken door het grondgebied van Josia. Toen de koning van Egypte, Pharao Necho, zich gereed maakte zijn leger te voeren door Juda, is Josia hem te gemoet getrokken, en wilde hem tegenhouden, maar een pijl trof den vromen Koning, en lijj zeide: Voert mij weg, want ik ben zwaar gewond. — En zijn dienaren hieven hem uit zijn strijdwagen en legden hem neder in een andere wagen, en brachten hem naar Jeruzalem. En hij stierf en werd begraven in liet graf zijner vaderen. En geheel Juda en Jeruzalem droegen rouw over Josia, en de profeet Jeremia maakte op hem een klaagzang, die overal weerklank vond, — maaiden diep betreurden koning niet terugriep in het leven.
182
HOOFDSTUK XXXIV.
ONDERGANG VAN HET RIJK JUDA. DE JODEN TE BABEL.
Men kan zeggen, dat met den dood van Josia het lot van zijn land en volk was beslist. Het wèl verdiende oordeel zou nu worden voltrokken. De koningen, die na Josia hebben geregeerd, waren geheel afhankelijk van de koningen van Egypte of van Babel. Wij zullen daarom niet bjj hen stilstaan, want zij regeerden kort en roemloos. Niet lang duurde het dan ook, of Babel's 'koning, Nebucadnezar geheeten, maakte zich van Jeruzalem meester, plunderde den tempel des Heeren, en het paleis des konings, en voerde vele aanzienlijken en alle weerbare mannen met de timmerlieden en smeden gevankelijk mede. Dit geschiedde ongeveer G00 jaar vóór Christus geboorte.
Als koning over het weinige en onaanzienlijke volk, dat hij in Juda achterliet , stelde hij Zedekia aan, een zoon van Josia. Hij was een goddeloos koning. In plaats van te luisteren naar de vermaningen van den getrouwen profeet Je-remia, volgde hjj zijn eigen goeddunken. Hij verwachtte al zijn heil van een verbond met den koning van Egypte. Deze, zoo meende hij, zou hem helpen tegen den koning van Babel, en aan zijn volk de verloren zelfstandigheid teruggeven. Toen Nebucadnezar dit vernam, is hij met een groot leger tegen Jeruzalem opgetrokken ; lijj sloot de stad aan alle zijden in, en na een beleg van twee jaren was Zedekia door den hongersnood gedwongen'zijn tegenstaad op te geven. Hij vluchtte met zijn krijgslieden, doch werd door de soldaten van Nebucadnezar achterhaald bü Jericho, en gevangen genomen. Vreeselijk was het oordeel, dat over hem werd uitgesproken. Zijn kinderen werden voor zijn oogen om 't leven gebracht, daarop werden hem de oogen uitgestoken , en werd hij met ketenen geboeid, gebracht naar Babel, waar hij in de gevangenis bleef, tot aan zjjn dood. Dit alles is geschied in 588 vóór de geboorte van Christus.
De stad Jeruzalem en de tempel werden geheel en al verwoest. De muren werden afgebroken — en wat eens een volkrijke stad was geweest met paleizen en een prachtig heiligdom, was nu niet anders dan een hoop rookend puin, waarover de vijanden dos Heeren spotten en zich vroolijk maakten.
Het blijkt ook hier wederom, welk een ondankbare meesteres de zonde is. Haar te dienen maakt wel waarlijk ongelukkig, terwijl de dienst des Heeren vrede geeft en blijdschap.
183
Reeds meer Jan eens noemden wij don naam Ihibcl. Waaraan doet die naam ons denken ? Die naam doet allereerst ons denken aan een zeer oude geschiedenis, welke wij vroeger hebben verhaald, en die gij u misschien nog wel herinnert. Te Babel wilde men dien hoogen toren bouwen, welks opperste in den hemel reiken zoude; maar God verwarde do 'spraken, zoodat zij elkander niet verstondon, en toen is dat plan opgegeven.
Op de plaats, waar men begonnen was den toren te bouwen, is een stad gesticht, die in de dagen van Nebucadnezar een groote uitgestrektheid had, groote opon plaatsen bevatte, en op allerlei wijze tegen een vijandelijken aanval was versterkt en bevestigd. Babel was zóó groot, dat men drie dagreizen noodig had, om van het eene einde te komen tot het andere. De stad was omgeven door een muur, zóó dik, dat twee wagens naast elkander daarover rjjden konden. In die muren waren honderd poorten, met koperen deuren voorzien, en rondom die muren was een zeer diepe gracht gegraven.
Aan pracht en rijkdom ontbrak het Babel evenmin als aan omvang. Daar waren kamers geheel gevuld met gouden en andere voorwerpen, welke waren buit gemaakt in verschillende oorlogen. De koningin van Babel, die in een bergachtig land geboren was, gevoelde zich niet gelukkig in de vlakke landstreek, waarin Babel was gelegen; zij had telkens heimwee, een sterk verlangen naar haar vaderland. Toen heeft de koning oen gewelf laten bouwen, dat op pilaren rustte, en trapsgewijze al hooger en hoogor zich verhief. Daarop liet hij aarde brengen, en er gewassen en hoornen planten. Wanneer dan de koningin op die hoogte in de schaduw der boomen wandelde, word zij herinnerd aan de bergen en bossclieu van haar vaderland. Gjj kunt u thans wel eenigszins voorstellen, welk een groote en prachtige stad Babel was. De landstreek, waarin zij lag, was buitengewoon vruchtbaar , en doorsneden van rivieren, waarvan de Tigris en de Eufraat do meest bekende zijn.
De inwoners van Babel waren zeer bedreven in don landbouw, en ook in de sterrekunde, maar wat hun geloof betrof, waren zij onwetende heidenen , die do hemellichamen als goden voreerdon.
Naar dat land worden nu door Nebucadnezar de Joden overgebracht, Zjj verkeerden er niet als yevangeneu maar als ballingen. Men had hen dus niet opgesloten in een kerker, want zij mochten in hot land Babel zich vrij bowegen, maar zjj mochten dat land niet verlaten, en mochten niet wederkeoren naar Juda.
Hoe waren z'j nu in dat vreemde land gestemd? Het laat zich niet verwachten , dat zij vroolijk en blijde zullen geweest zijn, want liet is eon hard ding, het brood dor ballingschap te moeten eten.' Docli gjj zult u verwonderen, wanneer ik u zeg, wilt de Joden in Babel hot meest misten, en het levondigst betreurden. Dat was de Tempel en do openbare vereering van God.
184
Wij hebben in Psalm 137 een lied, waarin de Joden, „gezeten aan de rivieren van Babelquot; hun hart hebben uitgestort. Daar betuigen zij, dat eerder hun rechterhand verstijven zou, dan dat zij Jeruzalem vergaten. Neen, aanvroolpheid, aan zang konden zij in Babel niet denken , zij hadden hun harpen aan de wilgen gehangen, d. w. z. zij waren niet moer gewoon, en niet van plan ze te bespelen.
Is het niet vreemd? Toen zjj to Jeruzalem woonden, en zjj gedurig werden opgewekt en vermaand, om God te vereeren in zjjn tempel — toen hebben zjj zich telkens bezondigd tegen den Heer, en zich neer gebogen voor andere goden. Nude tempel is verwoest, en zü den Heer aldaar niet kunnen dienen, nu zijn zjj daarover zeer bedroefd, en betuigen Jeruzalem niet te vergeten.
Maar gaat het niet meermalen zoo ? Wanneer wij een voorrecht lang genieten , dan stellen wjj het niet op prijs, dan doen wij, alsof het ons toekomt, alsof wij er recht op hebben. Maar wordt het ons ontnomen, dan beseften wjj eerst wat wij missen. Wanneer wjj geruimen tijd achtereen eiken morgen in gezondheid mochten ontwaken en opstaan , dan denken wij er ten laatste niet aan, welk een groot voorrecht dat is. Onze dankbaarheid is volstrekt niet altjjd levendig en groot. Doch daar ontwaken wjj op een zekeren morgen, en och, hoe pijnljjk en krank zijn wij! Dan zeggen wij: O welk een voorrecht is het toch, gezond en vrjj van smart te wezen.
Daarom ontneemt God ons wel eens het een of ander, dat wjj hebben, om ons te leeren het op prijs te stellen. Zóó althans deed Hij met do Joden in Babel, en zoo had Hij met de zware straf, die zjj ondergingen, een goed en liefderijk doel.
Ook op andere wijze toonde de Heer, dat Hjj zijn volk niet vergat, terwijl het verkeerde in ballingschap. Bepaald verclriM werden zjj door de Babyloniërs niet, en 't gelukte aan sommigen hunner zelfs tot welvaart te komen.
Maar bovenal was het hun tot troost, dat God tot hen liet spreken, hen liet bemoedigen en vertroosten door ■pgt;'ofctcn.
Een dier profeten was Esechiél, wiens profetiën nog in den bijbel zijn bewaard gebleven. Hij verhaalt, dat de Heer eens hem leidde in een groot dal, en daar lagen overal verspreid doodsbeenderen in groote menigte. Toen moest hjj profe-teeren tot die beenderen, on wat geschiedde ? Zij begonnen zich te bewegen, tot elkander te naderen, en zich op te richten. Toen stonden daar dus een menigte geraamten voor Ezechiel. Toen moest hjj tot die geraamten profeteeren, en zie, zjj werden overdekt met een huid, met spieren en zenuwen, — maar leven was in hen nog niet. Toen moest hij profeteeren tot den levendmakenden Geest, en hij kwam van alle zijden, en bezielde do geraamten, zoodat zjj levende men-schen werden. Zóó zou het nu ook gaan met Israël, zeide Ezechiel. Terwijl het don schijn had, alsof zij een volk waren dat alle hoop moest opgeven, zou do Hoer door Zijn woord en Zijn macht hen weder vergaderen, en brengen in
185
het land hunner vaderen. Door zulk eene belorto moeten zij .liet weinig zyn vertroost geworden, want de hoop brengt leven.
Een tweede profeet, die te Babel is opgetreden, was Daniel, van wien wjj u thans gaan verhalen.
Hij behoorde tüt het koninklijk geslacht, en tot de jongelingen die door Nebucadnezar waren weggevoerd , toen hij de eerste keer te Jeruzalem was. gt;) Hij deelde dat lot mot drie vrienden Sadrach, Mesach en Abed-Nego geheeten. De Koning van Babel behandelde hen met onderscheiding, hij liet hen in vele dingen onderwijzen, en nam hunne opvoeding geheel voor zijne rekening. Zoo liet hjj hen ook dezelfde spijzen eten , die voorgediend werden op des Konings tafel.
Deze spijzen waren echter niet toebereid overeenkomstig de Joodsche wet en dus onrein. Geen Israëliet, die overeenkomstig Gods geboden wilde leven, mocht er van eten. Nu hebben Daniël en zijne vrienden niet gedacht: „Wij moeten ons schikken naar de omstandigheden, en zullen maar eten en drinken wat ons wordt voorgezet.quot; Neen, zjj vroegen aan den dienaar des Konings, die voor hen zorgen moest, of hy hun spijze wilde geven, die zy als Israëlieten eten mochten; hjj vreesde dat zij door dit karig voedsel vermageren zouden , en dat de Koning hem dan zou verwijten, dat hij niet behoorlijk zorg voor hen droeg. Doch zij vroegen , of luj 't eenige dagen met hen beproeven wilde, en toen z'ij er welvarend bleven uitzien, is hun trouw aan Gods wet treft'end beloond geworden. Ook overtroffen zjj in verstand al de wijzen des Konïngs. Vooral Daniel muntte uit in al die kennis en wetenschap, welke in Babel beoefend en geëerd werden.
Daartoe behoorde ook het uitleggen van droomen, en wij gaan u thans vertellen, welke bewijzen van zijn bekwaamheid daarin door Daniel geleverd zijn.
Koning Nebucadnezer werd op zekeren morgen wakker , en herinnerde zich dat hij een zeer bjjzonderen droom had gehad, een droom, die zeker iets moest beteekenen, maar de Koning was den droom zelf vergeten. Hjj werd daardoor zeer gepijnigd, en nu laat hij zyh droomuitleggers voor zich komen, en verlangt van hen twee dingen. Eerst moesten zij hem den droom vertellen, en daarna den droom verklaren. Zij betuigden echter hiertoe niet bij machte te zijn. Indien de Koning hun den droom konde mededeelen , dan zouden zjj hem uitleggen. De Koning werd hierover zeer toornig, en gelastte al de droomuitleggers in Babel om 't leven te brengen. Daar Daniel ook tot hun getal behoorde, trof dit vonnis ook hem. Hy liet daarom den Koning weten, dat de God, dien Daniel diende, bij machte was aan 't verlangen van Nebucadnezar te voldoen.
') Zie W. 182.
186
Na met zijne vrienden ernstig tot God gebeden te hebben, [want God geeft wijsheid allen, die ze van hem bidden] begeeft Daniel zich tot den Koning, en zegt hem, hoe hij had gedroomd, dat een groot beeld stond vóór zijn leger, het hoofd des beelds was van goud, de borst en de armen waren van zilver, de buik en de lendenen van koper, de schenkelen van ijzer, en de voeten van per en leem. Toen kwam daar een steen aanrollen, en niemand wist, wie hem had losgemaakt. Die steen viel aan tegen het beeld, en verbrijzelde het.
Koning Nebucadnezar roept verrast en verblijd uit: „Ja, juist, dat was do droom!quot; Daarop heeft Daniël hem verklaard, en gezegd, dat die verschillende metalen verschillende vorsten beduidden, die over de wereld zouden heerschen, terwijl die steen het Koninkrijk Gods was, dat eenmaal over de geheele wereld zich zou uitstrekken.
Niet lang daarna richtte de Koning van Babel op een hoogte, in een vlakte een groot verguld beeld op. Wel erkende hij aan Daniel, dat de God der Joden grooter is dan alle andere goden, maar zijn hart hing toch aan den afgod. Nu verlangde hü, dat zijn hoogste ambtenaren voor dat beeld zouden neder vallen, zoodra de muziek zich hooren liet. Een groot aantal muziekanten was bij het beeld geplaatst; daar heffen zjj aan met groote kracht — en allen vallen ter aarde en aanbidden het beeld. Allen — uitgenomen de drie vrienden van Daniel, genaamd Sadrach, Mesach en Abecl-Nego. Als getrouwe dienstknechten van den Heer, weigeren zij voor oen beeld te buigen en het te aanbidden.
Natuurlijk viel dit terstond in het oog, dat deze drie jonge mannen niet knielden, maar staan bleven. Het wordt den Koning dan ook onmiddellijk bericht: „Deze mannen, o Koning, hebben op u geen acht gesteld; uw goden eiren zij niet, en het gouden beeld bidden z'ij niet aan, hetwelk gij hebt opgericht.quot;
Nebucaduezar is, als hij dit hoort, zeer vertoornd, en gelast, dat men Sadrach, Mesach en Abed-Nego vóór hem zal brengen. Als ze zijn gekomen, vraagt hy hun, of het opzet was, dat zij niet hadden geknield voor het beeld, of soms eene vergissing ? Mocht het opzet wezen, dan had hij hun dit aan te zeggen; Nog eens zou hy de muziek doen weerklinken, en als zij dan niet zich bogen voor het beeld, dan zouden zjj geworpen worden in het midden van het vuur eens brandenden ovens, en „wie is de God,quot; zoo besluit Nebucadnezar, „wie is dc God, die ulieden uit mijne handen verlossen zou?quot;
Sadrach, Mesach en Abed-Nego hebben daarop kalm en beslist geweigerd te doen, wat de Koning verlangde. Zij gaven de zaak over in Go;ls hand. Hij was machtig hen te verlossen uit den oven des brandenden vuurs; en liet Hij hen omkomen — welnu, nooit zouden zjj het gouden beeld aanbidden , dat de Koning had opgericht'
Toen werd Nebucaddozar vol grimmigheid; buiten zich-zelf van toorn gelast
187
hy den oven nog zevenmaal lieeter te maken dan gewoonlijk. Toen liet lijj de drie getrouwe belijders des Heeren binden, en met hun licht ontvlambare kleederen werpen in den oven, die zóó heet was, dat de mannen, die hen hadden opgeheven en in 't vuur geworpen, door de vonken van het vuur werden gedood.
De trotsche Koning van Babel en al zyn dienaren dachten natuurlijk, dat binnen weinige oogenblikken de drie jongelingen door het vuur zouden verteerd zijn. Maar juist het tegenovergestelde geschiedde. Tot aller verbazing zag men Sadrach, Mesach en Abed-Mego in den oven zich vrij bewegen; het vuur deed hun volstrekt geen kwaad. En wat ook zeer de verbazing des Konings gaande maakte: niet drie maar vier personen zag hij wandelen in het midden des vuurs, en de gedaante van dien vierde was als die van een Engel.
Toen riep Nebucadnezar hun toe, dat zij uit den oven gaan, en tot hom komen zouden. En toen zij voor hem stonden, bleek het, dat het vuur hun niet het minste letsel had gedaan. Geheel ongeschonden waren zjj gebleven. Zoo heeft God deze drie jongelingen bewaard, en hen beloond voor hun trouw, voor hun gehoorzaamheid, voor hun moedige belijdenis.
Zijn Sadrach, Mesach en Abed-Nego verhoogd geworden — niet lang daarna is Koning Nebucadnezar op zeer in 'toog vallende wijze vernederd geworden.
Hij had gedroomd, dat hij een boom zag, groot en sterk; tot in den hemel reikten de takken, en hü werd gezien tot aan het einde der aarde, 't Was een prachtige, trotsche boom: onder hem vond het gedierte desvelds schaduw,en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken, en van zijne vruchten aten de volken.
En ziet, daar komt een wachter, een heilige, gedaald uit den hemel, en roept: „Houwt dien boom af; stroopt zyn loof af; verstrooit zyn vruchten, en laat alleen den stam met zyn wortelen in de aarde, en legt dien stam aan een ijzeren en een koperen ketting in het jonge gras des velds.quot;
Toen do Koning dezen droom had verteld aan Daniel, was deze daar zeer over ontsteld. Hy durfde eerst niet zeggen, wat er de beteekenis van was. Maar toen de Koning eischte, dat hy het toch zou zeggen, gat Daniel te kennen, dat door dien droom niemand anders was bedoeld dan de Koning zelf; hij was die trotsche boom, die groot en sterk was geworden , en zijn heerschappij heinde en ver had uitgebreid. Maar hij zou worden vernederd, en den ossen gelijk worden , totdat hy erkende, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der menschen, en zo geeft wien Hij wil.
Daniel vermaande daarop den Koning, zich te verootmoedigen, God nederig om genade te smeeken, en zich barmhartig te betoonen tegenover ongelukkigen. Maar Nebucadnezar heeft naar dien raad niet geluisterd. Eenigen tyd , nadat hy dien droom had gedroomd, wandelde hij op het platte dak van het paleis. Van daar liet hy zijn oog gaan over heel de stad, over haar muren en bruggen,
188
over liaar grachten en torens. En de gedachte kwam bjj den koning op: wat ben ik toch een wijs, en een machtig vorst 1 Wat heb ik toch alles wel gedaan! Hy geraakt zóó ingenomen met zich zelf, dat hij uitroept: „Is dat niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des Koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter eere mijner heerlijkheid ?quot; Gij hoort het: dit woord is geheel vervuld van het „ikquot; en „mijnquot;, waaraan men de trotschheid van den Koning herkent.
Maar nauwelijks heeft hjj 't uitgesproken of een stem van den hemel weerklinkt , die zegt: „O Koning, gij zult van de menschen verstoeten worden, en den ossen gelijk zijn, — totdat gij erkent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de menschen, en dat Hy hun koninkrijken geeft aan wie Hrj wil.quot; En terstond greep er een ontzettende verandering metNebucadnezar plaats. Hy hield zich zelf voor een os: hy begon gras te eten, zich aan te stellen, alsof hy een os was — en men heeft hem als zulk een dier, gebracht in een weide, en gelegd aan een ketting; dag en nacht lag hy daar, tot een schrik en ontzetting van alle menschen. Na geruimen tijd kwam zijn verstand weder in hem; en toen verhoogde en verheerlijkte hy den koning des hemels, die machtig is te vernederen hen, die in hoogmoed wandelen. Ja, waariyk, God wederstaal, den hoogvaardige, maar den nederige geeft Hij genade.
Na Nebucadnezer heeft over 't groote Babel zün zoon Belsazar geregeerd, wiens opmerkelijk uiteinde wy u thans verhalen willen.
üe koning Belsazar richtte een grooten maaltijd aan voor zyn duizend hoogst-geplaatste dienaren. Meer dan overvloadig werd aan die koninklijke tafel wijn geschonken en gedronken, en op eenmaal gelast de koning, dat men zou brengen de gouden en zilveren vaten, die zyn vader had weggevoerd uit den tempel te Jeruzalem. Hy wilde toonen, dat lüj geen eerbied koesterde, geen ontzag gevoelde voor den Heer, tot wiens eer en tot wiens dienst deze vaten waren vervaardigd, en hadden gediend. Als zy tot hem zijn gebracht, drinkt Belsazar er uit met zyn dienaren , zyn vrouwen en zyn bywyven, en zy pryzen boven den Heer al de gouden, de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden, die do Baby-loniërs vereerden. Openiyk dry ft hy'dus met den Heer den spot.
Terwyi daar op die wijze den naam van den Allerhoogste smaadheid wordt aangedaan, komen er plotseling vlak tegenover den koning, op den kalk van don wand vingeren als van eens menschen hand, en de koning ziet, dat die hand eenige woorden schrijft en verdwy'nt. En o, wat is nu die luidruchtige, drinkende en klinkende en spottende koning veranderd! Hij wordt bleek als een doode; hy beeft van het hoofd tot de voeten; zyn knieën stoeten tegen elkander. De vree-seiykste dingen stelt hy zich voor, en met al de kracht, welke in hem is, gelast hy, dat men de sterrekijkers en] de waarzeggers zal roepen, en als zy zün binnen
189
gekomen, zegt Belsazar: wie dit schrift lezen en verklaren kan, die zal met purper gekleed worden, en met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde zijn in dit koninkrijk.quot; Men bemerkt aan deze woorden, hoe hang deze man is. Zjjn angst neemt toe, als de sterrekijkers allen verklaren, dat zij dit schrift niet kunnen lezen, en den inhoud er van niet kunnen bekend maken. Het moest, dus dacht Belsazar, wel iets zeer onaangenaams en bovennatuurlijks zijn. Radeloos staart hij op die letters, en verwacht elk oogenblik, dat hij zal vernietigd worden. De vreeze dos doods is op hem gevallen.
Daar komt zijne moeder tot hem, en zegt hem: „Wees niet zoo bevreesd. Daar leeft een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige Goden is. In de dagen uws vaders heeft hij meer dan eens getoond verstand en wijsheid te hebben. Laat hem ontbieden!quot; Aan wien zjj dacht? Aan Daniel. De koning Belsazar geeft aan dien raad van zjjn moeder gehoor, en weldra staat Daniel voor den ontstelden Koning, wien de doodschrik staat op het aangezicht. Als hy hem heeft verhaald wat er is geschied, en zijn schitterende beloften heeft meegedeeld voor dengene, die het schrift kan verklaren, neemt Daniel het woord, en wijst de geschenken af, welke Belsazar hem toezegt, maar niettemin zou hy 't geheimzinnig schrift lezen en verklaren. Het schrift, dat luidde: Mcne, Menc, Telcel, Upharsin beteekende: God heeft uw koninkrijk lt;jdeM , en Hy heeft het voleindigd; Gy zyt in weegschalen gewogen, en te licht bevonden; Uw koninkrijk is verdeeld, en het is aan den Meden en Perzen gegevenquot;.
Belsazar was biyde, dat aan de onzekerheid, waarin hij verkeerde, oen einde was gekomen. Hy overlaadde Daniel met geschenken, doch in dienzelfden nacht werd hy gedood.
Laat ons nu nog iets verhalen uit het leven van Daniel.
Lang nadat Belsazar was omgebracht regeerde een koning, Darius geheeten. Hy was een zeer bekwaam en machtig vorst, en hij had Daniel bekleed met do hoogste waardigheid des ryks, Velen keurden dat niet goed, en waren tegenover Daniel met groote afgunst vervuld. Zjj dachten: konden wy maar iets kwaads van Daniel te weten komen; deed hij maar eens de eene of andere verkeerde daad — doch, hoe men ook'op hem loerde en lette, men vond niets in hem dat grond kon geven voor een beschuldiging of aanklacht bij den koning.
Wij zien hier uit, hoe men zeer goed een nauwgezet dienaar van eenaardsch koning, en een godvreezend man kan zijn, en hoe, bij Daniel, de vroomheid zich openbjiarde in een onberispeiyk leven.
Eindeiyk — daar hebben Daniel's vijanden een list bedacht, die hem zeker in den val zou brengen. Daniel had do gewoonte, drie malen op een dag hot venster in zyn huis, dat uitzag op Jerusalem, d. w. z. dat aan die zyde vanzyn
190
woning was, waar het joodsche land lag, to openen, en dan staande een gebed te doen tot God. Het miste nooit — op vaste uren, eiken dag, ging het venster open, en verscheen Daniel. Zjjn vijanden begrepen, dat hij dit niet deed voor het oog der menschen, uit begeerte, om zich vroom aan te stellen — maar uit behoefte, uit aandrang des harten. Daarvan overtuigd, hebben zij den koning Darius het volgende voorgesteld.
De koning moest een bevel uitvaardigen, waarbij verboden werd, gedurende dertig dagen eenig verzoek, eenig gebed te richten tot iemand anders dan tot den koning zelf. Gedurende die dertig dagen zou dus koning Darius bjj zijn volk de plaats innemen van den hoogen God. Tot hem alleen zou men komen mogen met zijn nooden en behoeften.
Hij had weigeren moeten, dat bevel uit te vaardigen. Hjj had behooren te zeggen: „Dat is spotten met mij, of spotten met de goden. Ik kan toch bij de menschen niet de plaats innemen van den Allerhoogstequot;. Maar hjj vond het aangenaam , dat zjjn dienaren hem zoo bovenmate wilden verhoogen, en vaardigde het bevel uit, waarvan hjj de bedoeling tot zijn schrik en spijt welhaast doorzien heeft.
Daniel begreep zeer wel, dat zijn vijanden hem een strik hadden gespannen, en dat zij nu eens wilden zien, of hjj zou voortgaan met zjjn gebed, dan of hjj, uit vrees van ia ongenade te vallen bij den koning, niet meer bidden zou.
Zijn vijanden stelden zich, op den eersten van de dertig dagen, waarin niemand bidden mocht tot zijn God, op een plaats, waar zij Daniel goed konden waarnemen. Daar breekt het oogenblik aan, waarop lijj gewoon was zijn venster te openen, de handen omhoog te heffen , en te bidden — en waarlijk, hjj verschijnt, hy bidt, gelijk hy dat altijd had gedaan. Had hij het gelaten, men zou hebben gezegd: Daniel stelt de gunst van den koning en het behoud van zijn post hooger dan het gebod des Heeren, en men zou hem dat op den toon van minachting hebben verweten. Men zou niet hebben geloofd, dat zijn godsdienst oprecht en een zaak van zijn hart was.
Zoodra zü hem echter zagen, daar staande voor zijn venster en biddende tot ■zijnen God, begeven zij zich met haast tot den koning, en zeggen; O koning, leef in eeuwigheid! Nu moeten wij u toch iets verhalen van Daniel. Gij hebt dien man met eerbewijzen overladen, hem de hoogste waardigheid gegeven in uw rijk, en wat is nu de dankbaarheid, waarmee hij u al die onderscheidingen vergeldt? Gij hebt verboden, dat iemand bidden zal tot iemand andera dan tot u — en ziet, Daniel, die een voorbeeld moest geven van gehoorzaamheid, stoort zich volstrekt niet aan uw bevel. Integendeel; voor zijn geopend venster staat lijj tot zijnen God te bidden, gelijk hy dat altyd gewoon is geweest.quot;
Toen de koning deze woorden hoorde, werd hy zeer bedroefd. Nu ziet hy ,
191
welk een strik men hem heeft gespannen. Het was dezen mannen niet te doen geweest, om hem een onderscheiding te brengen, maar om zijn getrouwen dienaar Daniel, op wien zij naijverig waren tot den val te brengen. — Doch er was niets meer aan te veranderen, Daniel moest als een overtreder van een koninklijk gebod zwaar worden gestraft. Wel wacht Darius nog tot het einde van den dag: iijj Mn er niet toe besluiten Daniel te doen ombrengen, maar hot moest, cn tegen 't vallen van den avond werd hij, op 's konings last, geworpen in den kuil dei-leeuwen, om er levend te worden verslonden.
Darius was er zóó bedroefd over, dat hjj den geheelen nacht slapeloos doorbracht, en 's morgens vroeg zich naar den leeuwenkuil begaf, waar hij mistroostig heen en weder liep, roepende: „Daniel! Daniel!quot; — Doch. hoort hij het wèl ? Uit den kuil wordt hem geantwoord. Het is de stem van Daniel. En wat zegt hjj ? ,0, koning leef in eeuwigheid! De Heer heeft den muil der leeuwen gesloten, zoodat zjj mij geen kwaad gedaan hebben. Ik ben ongedeerd gebleven.quot;
De koning was als buiten zich zelf van blijdschap, toen lijj dit hoorde. Terstond laat hjj Daniel uit den kuil der leeuwen optrekken, en herstelt hem in zjjn waardigheid; maar zjjn vijanden liet de koning daarop werpen voor de leeuwen, die hen hebben verscheurd en verslonden.
De Heer bewaart de ziel, die Hem bemint.
Maar Hij verdelgt, die Hjj godloos bevindt.
HOOFDSTUK XXXV.
DE GESCHIEDENIS VAN ESTHER. - TERUGKEER DER JODEN UIT BABEL
Na koning Darius, van wien wjj n in het vorige hoofdstuk verhaald hebben , regeerde over de Perzen een koning, die heette Ahasverus- Hjj was niet wat wü zouden noemen een vroom koning, en hij kende ook niet den eenigen waar-achtigen Ood. Ahasverus had zjjn vrouw verstoeten, en nu werd er door zijti geheele rijk gezocht naar de schoonste jonge dochter; want zij zou koningin worden.
Nu vond men geen schooner meisje, dan Esther. Zij was echter een jodin, maar dit werd aan den koning niet meegedeeld. Ahasverus had een welgevallen
192
aan Esther, en was liaar zeer genegen. Zy liad een oom die haar had opgevoed, Mordechai geheeten, en nadat zijn nicht verheven was tot de waardigheid van koningin, begaf hij zicli eiken morgen naar het koninklijk paleis, om naar Esther's welstand te vernemen.
Daar was nóg een man die eiken morgen ging naar 't paleis, cn dan bij den koning werd toegelaten. Die man heette Hainan. Do koning stelde in hem een onbepaald vertrouwen, en hij deed al wat Haman van hem verlangde.
Daar men wist, welk een vriend des konings deze Haman was, betoonde iedereen hem grooten eerbied. Reed Haman door de stad, dan viel ieder, die hem zag, voor hem neder, met liet aangezicht gebogen naar de aarde. Haman werd dan ook niet weinig trotsch , en meende dat iedereen voor hem buigen moest. Daar was echter één man, die voor Haman niet boog, maar staan bleef, als hjj voorbij ging. En die man was Mordechai. Dit werd hem door Haman zéér kwalijk genomen. Ja Haman besloot, zich over deze houding van Mordechai, dien hij ook als Jood diep verachtte, op bloedige wijze te wreken.
Hij heeft den koning opgehitst tegende Joden, en gezegd, dat zy zeer gevaarlijk waren voor de rust van het land. Hy gaf daarom den koning den raad, om op een bepaalden dag al do Joden in zijn rijk te doen ombrengen, en hunne goederen zich toe te eigenen, want zy waren zeer rijk.
Koning Ahasverus stelde geen hoogen prijs op het leven der Joden, want hij gaf Haman volkomen vrijheid om te doen, wat hy had voorgesteld. Ook mocht Haman de bezittingen der Joden voor zich behouden.
Haman roept daarop z4jn vrienden bijeen, en deelt hun mede, welk een macht de koning hem geschonken had. Zy hebben daarop door het lot, door er om te loten, den dag bepaald, waarop de Joden zouden worden omgebracht: en nu worden de brieven gereed gemaakt in naam des konings, waarin den stadhouders van de verschillende provincies des Ryks werd bevolen de Joden te overvallen en te dooden; de brieven worden gesteld in handen van do boden, die ze hadden over te brengen, en Haman verheugt zich al vast in het vooruitzicht van Mordechai's dood, en van de groote rijkdommen, die hem ten deel zouden vallen. Natuurlijk was Mordechai niet weinig ontsteld, toen hjj hoorde, welk een schrikkelijk plan door Haman tegen hem en zyn volk beraamd was.. Hy laat het aan koningin Esther weten, en draagt haar op te doen wat zij kan by den koning, om dit dreigend gevaar af te wenden. Dat was voor Esther geen gemakkeiyke taak. Wat moest zy aanvangen? Zy heeft geweend , en gevast, en gebeden, en eindelijk besloten tot den koning te gaan. Dit was niet zoo natuuriyk en eenvoudig als dat ons toeschynt. Niemand mocht tot den koning gaan, als hy niet werd geroepen. Ook Esther mocht dat niet doen. Wie ongeroepen kwam , kon terstond omgebracht worden. Wanneer
193
de koning tot iemand, die /onder geroepen te zijn , binnentrad zijn scepter over-boog, dan bleet men leven; maar deed hjj dat niet, dan werd men terstond ter dood gebracht. Esther waagt het er op. „Kom ik omzoo zegt zij, „dan kom ik om.quot; Zü meent haar leven te moeten wagen voor haar volk. Als zij binnentreedt, en het oog des konings op haar valt, buigt hij tot haar zjjn scepter over, en schenkt haar daarmeê het leven. Daarop vraagt hij naar het doel van hare komst. Zjj zegt hem, dat zij den koning met Haman kwam uitnoodigen om bij haar het middagmaal te gebruiken. De koning neemt de uitnoodiging aan , en Haman mocht met den koning Ahasverus en koningin Esther het middagmaal houden. Esther had het voornemen gehad, den koning met het plan van Haman bekend te maken, maar zij zag er zóó tegen op, dat zy liet niet heeft gedaan, en den koning vriendelijk uitnoodigde, den volgenden dag weder met Haman aan te zitten aan haren disch.
Toen ging Haman ten zelve dage uit, vrooljjk en goedsmoeds.
Daar was echter één ding, dat hem verhinderde het rechte genot te hebben van al zjjn eer, en al zijn voorspoed. Wat het was? Hjj zegt het zelf: „Al deze dingen baten mij niets — zoo lang ik daar dien Mordechai zie zitten in de poort des konings zonder voor mij te buigen.quot; Zijn vrouw en zijn vrienden hebben daarop gezegd : „Troost u met de gedachte, dat gjj weldra van dien man verlost zult zijn. Immers is de dag reeds bepaald, waarop hij en zijn geheele volk zullen omgebracht worden. En weet gij, wat gij kunt doen ? Gij kunt alvast een galg laten oprichten voor Mordechai, en dat zal het u gemakkelijker maken zijn weigering te verdragen om voor u te buigen.quot; Haman vond dat goed, en liet de galg oprichten.
In den nacht, op dien maaltijd volgende, is de slaap van koning Ahasverus geweken. De slaap is een gave, die dikwerf te vergeefs wordt gezocht. Hoe menigeen , die nederligt op het zachtste bed, van allerlei weelde omringd, zoekt vruchteloos de verkwikkende rust van den slaap, ea zou het genot er van met goud willen betalen. O, hoe lang duurt een nacht zonder slaap I Koning Ahasverus gaf, toen de slaap van hem week, bevel, dat men hem zou voorlezen uit een boek, waarin alles stond geschreven , wat er onder zijn regeering was voorgevallen.
Dat kunnen wij moeielijk doen, want hetgeen er met ons is gebeurd staat zeker wel niet opgeschreven in een boek, en wjj hebben ook niet iemand, om ons des nachts daaruit voor te lezen. Maar wat kunnen wij ivèl doen ? Wij kunnen ons, als de slaap ons nog niet heeft overmeesterd, bij ons zeiven nagaan wat wij dien dag, of in de pas verloopen dagen hebben gedaan , wat ons is wedervaren, of wij bijzondere zegeningen genoten, of ons ook een groot gevaar heeft gedreigd — en welke zonden door ons werden bedreven. Het is zeer nuttig
13
194
in slapelooze uren daarmeê bezig te zijn. En dan zal ons ook wel gebeuren, wat koning Ahasverus overkwam. Toen bij zich uit het boek zijner kronieken liet voorlezen, werd het hem ook in dc gedachten gebracht, dat zijn leven gered was geworden door Mordechai die een samenzwering tegen den koning had ontdekt en verpeld. En wat herinnert zich Ahasverus nu óók ? Dat hjj vergeten had, Mordechai daarvoor te beloonen. Ziedaar dus een herinnering aan een uitredding uit gevaar, en aan een goed voornemen, dat niet volbracht was.
De Koning neemt zich voor, den volgenden morgen terstond zijn verzuim tegenover Mordechai goed te maken. Als Haman is binnengekomen , om de bevelen des konings in te wachten, vraagt de koning: „Wat zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft?quot; Toen dacht Haman by zichzelf; „De koning kan hiermee niemand anders bedoelen dan mij.quot; Ea daarom bedacht hij allerlei buitengewoon groote eerbewijzen, waarmee hij wel wenschte vereerd te worden. Zoo zeide luj: „Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft, zal men het koninklijk kleed brengen en 't hem aantrekken; hij zal rijden op het paard des konings; en men zal de koninklijke kroon op zijn hoofd zetten — en men zal hem leiden door de stad, terwijl een der vorsten des konings vóór hem uitgaat, en roept: Zóó zal men dien man doen, in wiens eere de koning een welbehagen heeft.quot; Het was eigenlijk onbeschaamd, zooveel te eischen, maar in gedachten zag Haman zich zelf reeds alzoo uitgedoscht rijden langs de straten. Doch', wie beschrijft den schrik en den spijt, die zich van hem moeten meester gemaakt hebben, toen de koning zeide: „Welnu, Haman, haast u en neem dat kleed, en dat paard, zooals gij gesproken hebt, en doe alzoo aan Mordechai, den Jood, die aan de poort des konings zit, en laat alles juist zóó geschieden, als gij het daar hebt voorgeschreven.quot; — Arme Haman 1 Nu moest hij tot Mordechai gaan; hij moest hem prachtig kleeden; hij moest voor Mordechai uitgaan en roepen: „Zóó zal men dien man doen, tot wiens eere de Koning een welgevallen heeft.quot; Gy kunt begrijpen, welk een gang dat voor dien trotschen Haman moet zijn geweest. Als hy zyn tocht met Mordechai door de stad heeft voleindigd, keert hy terug naar zijn huis, treurig en met een gebogen hoofd , en vertelt aan zijne vrouw en zijn vrienden alles wat hem is wedervaren. Droevige voorgevoelens, dat zijn val nabij was, vervullen hun gemoed — maar daar komt een van des Konings kamerlingen, die hem zegt, dat hij gewacht wordt aan den maaltijd in het paleis.
Als Ahasverus met Haman bij Esther is aangezeten, vraagt hy: „Wat is uwe bede, o Koningin Esther, en zy zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek ? Het zal geschieden ook tot de helft des koninkryks!quot; En nu vat Esther moed, en stort zy haar geheele hart voor den koning uit: „Indien ik, o Koningquot;, zoo zegt zy, „genade in uwe oogen gevonden heb, en indien het den koning
195
goed dunllt;t, men geve mij mijn leven , om mijner bede wil, en men spare ook het leven van tnjjn volk. Want men wil ons om hot leven brengen en verdelgen , en ik kan dit niet langer voor u verbergen.quot; Toen /.eide de koning Ahasverus tot de koningin Esther; „Wie is dat? Wie denkt er aan, u en uw volk te dooden?quot; En Esther zeide : „De man, de onderdrukker en vijand, is deze booze Haman!quot; Toen verschrikte Haman voor het aangezicht van don koning en de koningin. In zijn toorn stond de koning op, en ging naar den hof van het paleis. Itaman, aan doodsangst ten prooi, greep daarop de koningin aan, om van baar genade af te smeeken, waarover de koning, bij zijn terugkeer in 't vertrek, zóó verbolgen werd, dat hjj 't goed vond Haman oogenblikkeljjk te hangen aan do galg, die hij voor Mordechai had doen gereed maken.
Toen de koning vernam, In welke betrekking Mordechai tot koningin Esther stond, heeft lijj Mordechai tot de waardigheid verheven, welke Haman had bekleed. Maar hiermee was nog niet het levensgevaar afgewend, waarin de Joden verkeerden door het koninklijk bevel, dat gelastte hen allen in 't geheele rjjk op één dag te dooden. Dat bevel moest worden ingetrokken, zouden wij zeggen. Maar dat mocht niet. In Perzië mocht nooit een wet, eenmaal door den koning uitgevaardigd, worden herroepen of ingetrokken. Immers zou het dan blijken , dat de koning zich had vergist. Een wet van Meden en Verzen is een wet, waaraan niets te veranderen valt.
Wat is er toon gebeurd? In den naam des konings beveelt Mordechai, dat den Joden zal worden gelast, om op den dag, waarop zij zouden worden aangevallen door des konings knechten om hen te dooden, gereed zonden zijn om zich te verdedigen en den aanval af te slaan. Zóó werd het eerste bevel des konings gehandhaafd, en toch ook het levensgevaar, dat hnn boven 't hoofd hing,afgewend. (ijj kunt u voorstellen, met welk een blijdschap en dankbaarheid dit tweede bevel werd ontvangen. In plaats, dat zij werden gedood, hebben zij er velen omgebracht; in plaats dat zij werden verdrukt, hebben zij een tijdlang in Verzie de grootste macht in handen gehad.
De herinnering aan deze uitredding is bij do Joden levend gebleven tot op dezen dag. Het feest, dat zij tot de gedachtenis er van vieren, heet I-Vim-feest. Letterlijk beteekent dat: het feest van hot lot, omdat Haman door hot lot had bepaald, op welken dag hij de Joden zou doen ombrengen.
Het verwondert ons niet, dat door de Israëlieten dit Purim-feest metgroote opgewektheid en luidruchtigheid gevierd werd.
Ongeveer zeventig jaren hebben de Joden in Babel doorgebracht. Toen heeft God aan hen zijn belofte vervuld, dat Hij ben zou doen wederkeeren in het land hunner vaderen. Zij hadden daartoe natuurlijk het verlof noodig van den koning
196
van Perzië. De koning, die dat verlof heeft gegeven, heette Kores, meer bekend onder den naam Cyrus.
Niet alle Joden keerden naar hun land terug; daar waren er, die zich in Babel gelukkig gevoelden, en dus niet verlangden dat land te verlaten. Zij, die wel terugkeerden, werden aangevoerd o. a. door Josua en Zerubbabel. De laatste behoorde tot het koninklijk geslacht.
Het was geen gemakkelijk werk, in dat verlaten land en in die verwoeste stad Jerusalem alles op te richten en te herstellen. En de moeite daaraan verbonden , werd niet weinig verzwaard door de Samaritanen. Wü hebben vroeger u verteld, wie die Samaritanen waren, en u gezegd, dat wij nog wel eens van hen zouden moeten spreken. Welnu, dit is de eerste keer, dat wü hen weder noemen. En wat wordt ons dan van hen vermeld ? Toen de Joden begonnen den tempel te Jeruzalem weer op te bouwen, kwamen de Samaritanen, en zeiden; wjj zullen u helpen, want ook wij willen aanbidden te Jeruzalem. Maar de Joden namen dat aanbod niet aan. Zij wilden niet met de Samaritanen in denzelfden tempel verschijnen , want zij hielden dat volk niet voor een gedeelte van 's Heeren uitverkoren volk , maar voor een half-heidensch bastaard-volk. De Samaritanen zijn over die weigering zóó vertoornd geworden, dat zij bij den koning van Perzië allerlei kwaad van de Joden hebben gesproken, en wisten te bewerken, dat het verlof, om den tempel te bouwen, werd ingetrokken. Hoe kwalijk hun dit door de Joden werd genomen, kunt gij wel begrijpen. Sinds dien tijd zijn Joden en Samaritanen vijanden geweest, en als vijfhonderd jaren later de Heer Jezus cp aarde verschijnt, is het woord Samaritaan voor de Joden nog een scheldwoord, en de verwijdering'.tusschen deze beide volken nog even groot.
Het verbod, om den tempel op te bouwen, is weder opgeheven, — en de Joden mochten zich eindelijk verblijden in 't bezit van een tweeden tempel.
Toen hij werd ingewijd juichten de jonge menschen , die den eersten tempel, dien van Salomo, niet hadden gekend, maar de oudere onder hen weenden. Waarom ? Die nieuwe tempel haalde niet in pracht bij den tempel, door Salomo gebouwd. Hij was noch zoo groot, noch zoo prachtig. En daaraan konden de ouderen niet denken zonder luide te weenen.
Doch wat zeide de profeet Haggai ? Hy zeide, dat zij met weenen moesten, want hoe klein , en hoe onaanzienlijk die tweede tempel zich ook voordeed aan het oog — toch zou zijn heerlijkheid veel grooter wezen dan die van den tempel, door Salomo gebouwd. En die profetie is ook vervuld. Immers, wie heeft in den tweedon tempel gepredikt en wonderen verricht? Niemand minder dan de Heer Jezus.
— Nog van twee mannen moeten wjj iets verhalen, die grooten invloed hebben gehad op de Joden, na hun terugkeer uit de ballingschap.
197
De eerste is Ezra. Hij hoeft er voor gezorgd, dat het volk werd lOiiderwezen in de wetten van Mozes. Elke week op den Sabbath beklom lijj een hoog, houten spreekgestoelte, en las voor wat God hem had geboden. En niet alleen maakte hjj het volk bekend met den inhoud der wet, hij handhaafde haar ook. Dit deed hjj onder anderen, toen sommige Joden zich een heidensehe vrouw hadden genomen, en daardoor het gevaar ontstond, dat het heidendom weder macht verkreeg over Abraham's kroost. Ezra heeft toen al die heidensehe vrouwen heengezonden, ook al viel het haren mannen hard van haar te scheiden. Onder de Israëlieten leeft de nagedachtenis van Ezra als van een hervormer, en weldoener van zjjn volk nog altyd voort.
De tweede man, aan wien wy dachten, is Nehemia. Rij bekleedde aan het Perzische hof een aanzienlijke betrekking, en genoot het onbepaalde vertrouwen van den Koning. Dit deed hem echter niet zijn vaderland vergeten, en maakte hem niet onverschillig voor den tegenspoed, waarmee de Joden te Jeruzalem te worstelen hadden. Dag en nacht moest hij daaraan denken en zjjn geheele houding drukte zjjn droefheid uit. De Koning bemerkte dat, en als hjj vernomen heeft wat Nehemia zoo bedroefd maakte, gaf lijj hem verlof, om te gaan naar Jeruzalem, en daar in het belang van zyn volk werkzaam te we/en. Met kracht heeft Nehemia doen arbeiden aan het herstel der muren van de stad, welke nog altijd ter aarde lagen; en als hij na een verblijf van 12 jaren uit het land zijner vaderen terugkeert naar Perzië, is de kracht der vijanden gebroken.
En hier eindigt nu de Bybelsche Geschiedenis van het Oude Testament. Wü hopen, dat gij aan het einde gekomen, het begin niet zult vergeten zijn , en gedurig zult overlezen, en aan anderen vertellen, wat wij u hebben verhaald. Wij beginnen nu met u de geschiedenissen te vertellen, welke voorkomen in het Nieuwe Testament.
■ 1
quot;f-
.
il
■
■
..... lt; ^
fim km- .^js .............. •
■
■ ■
iVV-;1:- ^ ........;: ■■ ' ■- ................... ■ ■ ' - ■■ ■ ■ ■
lt;?lt;--■
-■;r:
Ji
■ -
HET NIEUWE TESTAMENT.
HOOFDSTUK I.
DE GEBOORTE EN EERSTE LEVENSJAREN VAN DEN HEER JEZUS CHRISTUS.
Gy herinnert u zeker nog wel den naam van het stadje Bethlehem in Juda. Daar leefde indertijd de vrome Boaz, die is gehuwd met Ruth, do schoondochter van Naomi; daar zag ook de Koning David het eerste levenslicht. Maar vóór ruim 1890 jaar is in datzelfde Bethlehem iets voorgevallen, dat oneindig veel belangrijker en heerlijker is. Aldaar is de Heiland geboren, onze Heer Jezus Christus.
Het is geschied onder vele merkwaardige, door God beschikte omstandigheden. Do moeder van onzen Heer heette Maria. Zij was een nakomeling van David, maar arm en onbekend. Het huis van David was gelijk aan een boom, die is omgehouwen en waarvan alleen de stam, de tronk, nog overig is. Deze Maria, '.deze arme Koningsdochter, woonde te Nazareth, een plaatsje in het Noorden van het land, waaruit, zooals de Joden spottend zeiden, niets goeds kon voortkomen. En toch , wat is geschied ?
Aan Maria is plotseling de engel Gabriel verschenen, die tot haar zeide: „Wees gegroet, gij benadigde, do Heer is met u; gjj zijt gezegend onder de vrouwen!quot; De nederige en eenvoudige Maria ontstelde niet weinig over deze groetenis, welke haar geheel onverklaarbaar was. Doch do engel zeide nog meer tot haar, en deelde haar mede, dat God haar do grooto eer had toegedacht, om de moeder te worden van den Heiland der wereld. Ofschoon het haar onbegrijpelijk voorkomt, zegt zjj geloovig en aanbiddend: „Zie, de dienstmaagd des Heeren ; mij geschiede naar uw woord!quot; Ook werd aan Jozef, haren aanstaanden man, door een goddelijke openbaring medegedeeld, dat Maria de moedor worden zou van Gods Zoon.
In dienzelfden tjjd beval Au ustus, de keizer van het Romeinsche rijk, dat de geheele wereld moest beschreven worden, d. i. opgave doen moest van hetgeen
202
men bezat, on daarom moest ieder Israëliet zich begeven naar de plaats, waar oorspronkelijk zijn familie thuis behoorde. Zoo ging dan ook Jozef met Maria naar Hetlilehem, de stad Davids, omdat zij uit het huis, en geslacht van David waren.
Meer dan vermoeid van de verre reize komen zü eindelijk aan, tegen 't vallen van den avond en zoeken overal vergeefs naar gelegenheid om te overnachten. Alle buizen zijn vol gasten, en ook in de herberg was geen plaats meer open. Toen hebben zjj zich begeven naar een spelonk, waar ook de lastdieren wel vertoefden — en het is daar, in dien onaanzienlijken stal, dat Maria het leven schonk aan haar eerstgeboren Zoon, aan den Heiland. Kleederen voor het kind had zij niet, daarom wond zij hem in doeken ; een wieg was er niet, daarom legde zij hem in de kribbe.
Hoe arm was de Heer, toen hij geboren werd! Niets deed denken, dat lijj later door duizenden en millioenen zou worden aangebeden ... maar God heeft er voor gezorgd, dat het niet ontbrak in den nacht van 's Heeren geboorte aan tee^j kenen van zijn goddelijke waardigheid.
Benige herders hielden de wacht bij hun kudde, in liet open veld — en ziet, plotseling omschijnt hen een bovenaardsch licht, de^ heerlijkheid des Heeren! En bij hen staat een engel des Heeren. Geen wonder, dat zjj vreezen met groote vreoze. Maar de engel stelt hen gerust, en zegt: „Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal: namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heer; en dit zal u een teeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbequot;. En nauwelijks heeft die eene engel dit gezegd, of een menigte van engelen vertoont zich, en alles in 't rond straalt van 't licht des hemels, en luide weerklinkt een loflied: „Eere zü God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de raonschen een welbehagen!quot; — Hoe verbaasd en verblijd waren de herders! Zoo was dan die Zaligmaker geboren, wiens komst in de wereld door de profeten was voorspeld, en naar wien zij zoo vurig verlangden! Als lijj van hun ontroering zich hebben hersteld en de duisternis van den nacht weei; heeft plaats gemaakt voor het hemelsch licht, dat hen had omstraald, zeggen zjj tot elkander; „Laat ons naar Bethlehem gaan, en zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heer ons heeft verkondigd.quot; Met haast gaan zjj, — want vurig verlangen zij den pasgeboren Christus te zien — en als zij to Bethlehem zijn gekomen, vinden zij Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe. O hoe treffend is die armoede, waarin de Heer geboren werd — en die verschijning van de herders in dien donkeren stal, terwijl het lied der Engelen hun nog klonk in de ooren; „Eere zjj God!quot;
Maria was zwijgend maar aanbiddend van dit alles getuige, Zy wist, dat
... .... .. w...
j . Jpg ^
..........
,,....,...
het Jieilige , uit haar geboren , Gods Zoon was, en de herders keerden wederom, verheerlijkende en prjjzendo God over alles wat zjj gehoord ei; gezien hadden.
Maria heeft met haar kind gehandeld gelijk elke joodsche moeder dat deed , en de wetten van Mozes het voorschreven. Op zijn achtsten dag werd hü besneden, en ontving hij den naam Jezus. Op den veertigsten dag ging Maria met haar kind naar den tempel te Jeruzalem, om hem daar aan dei) Heer voor te stellen. Als zij den voorhof binnentreden vinden Maria en Jozef aldaar eon ouden, eenvoudigen man, Simeon geheeten. Hy was rechtvaardig en God vreezende. Ueeds jaren lang had hü uitgezien naar de geboorte van don Heiland, die het volk vertroosten zou. En door een goddelijke openbaring was hem aangekondigd , dat hy niet zou sterven, voordat hy den Christus des Heeren had gezien.
Eiken morgen begaf hij zich naar den tempel, en dacht hy: zou ik hem heden aanschouwen ? Maar telkens werd hy teleurgesteld. Doch als hij Maria on Jozef ziet met hun kind — daar wordt hy onderricht door 's Heeren Geest, dat nu dit de Zaligmaker was, dien hy verwachtte. En vol blijdschap neemt hy het kind in zyn armen , en looft God , en zegt: „O Heer, nu kan ik henengaan in vrede, nu kan ik rustig sterven, want mijn oogen hebben de zaligheid gezien , die gij bereid hebt.quot; Hij voorspelde, dat alle volken zich zouden verbiyden over de geboorte van dit kind — maar dat Maria veel smart en leed zouden treffen. Een zwaard, zoo zeide hij, zou door hare ziel gaan.
Wij zullen later wel zien, hoe die profetie van Simeon is vervuld geworden ; maar op dat oogeublik dacht Maria meer aan hetgeen van haar kind dan aan hetgeen van haar zelve door Simeon werd voorspeld. Daar was ook in den tempel een oude vrome vrouw, Anna geheeten, die alle dagen kwam in 'sHeeren huis, en met vasten en bidden God diende nacht en dag. En ook zy sprak het uit, dat nu de Heiland was geboren , en zy deelde het mee aan allon te Jeruzalem', die de verlossing van het volk uit al zyn nooden verwachtende waren.
Waren dit voor Maria en Jozef zeker heeriyke ontmoetingen — weldra hebben zy ondervonden, dat hun Zoon was gekomen om te lijden.
In het land der Chaldeën, het geboorteland van don aartsvader Abraham, werd door wijzen , (dat wil zeggen door menschen, die meenden uit den stand en den loop der sterren te kunnen voorspellen wat er op aarde voorvalt,) aan den hemel een ster waargenomen van bijzondere grootte en helderheid. Zij leidden hieruit af, dat er nu ook iets byzonders moest voorvallen op aarde , en dat dio ongewone ster daarvan een teeken was. Maar wat zou dat kunnen zijn ? Zy bedenken zich niet lang. Die ster zou niets anders kunnen beduiden, dan dat dcKoning der Joden was geboren. Niet alleen bij de Joden , maar ook by de heidenen werd toen verwacht, dat in het land Juda de Koning opstaan zou, die over een groot
204
deel der wereld zou heerschen. Zoodra het voor de Wijzen vaststaat, dat die Koning nu werkelijk was geboren, besluiten zjj hein te gaan huldigen. Zjj begeven zich op reis, en als zij te Jeruzalem, in de hoofdstad van Juda, zijn aangekomen, vragen zy: waar is de geboren Koning der Joden? Wjj hebben zjjn ster in 't Oosten gezien, en zijn gekomen, om hem te .aanbidden.
Niemand kon hun hierop antwoord geven, want de geboorte van den Heer Jezus was slechts aan weinigen bekend, maar dès te grooter is de belangstelling, welke dit bezoek der Wijzen opwekte in Jeruzalem. Ieder is er van vervuld en spreekt er over. Ook Herodes, die toen Koning over Juda was, komt het bericht ter ooren, maar hij boort het niet met blijdschap, doch met ontroering en schrik. Hij was een wreed en bloeddorstig man , wel gevreesd maar niet bemind. Hy wist dat zelf wel, en als hij nu hoort, dat deKoningder Joden, de Christus , die word verwacht, zou zijn geboren, ontstelt hy , en denkt: ik zal wel zorgen, dat die jonge Koning uit den weg wordt geruimd.
Hy zegt dit natuurlijk niet, doch neemt zich voor met list zijn plan te volvoeren. Hy laat de schriftgeleerden bij zich komen, en vraagt hun: waar moet de Christus geboren worden ? En zy zeiden tot hem: „Te Bethlehem in Judea, want dit is voorspeld door den profeet Micha.quot; Toen Herodes dat wist, liet hy in 't geheim de Wyzen ontbieden, en houdt zich, alsof hy ook zich verblijdt over de geboorte van den Koning der Joden. Hij vraagt: „Wanneer is die ster u verschenen?quot; Hy raadt hen aan zoo spoedig mogelijk naar Bethlehem te reizen, en verzoekt hen dringend hem terstond het te boodschappen, als zy den koning gevonden hadden, want dan wilde hy ook komen en het kind aanbidden.
Van dit laatste meende hij niets, want het was er hem alleen om te doen te weten te komen waar het kind zich bevond, om het te kunnen dooden. De Wijzen uit het Oosten begeven zich nu op weg naar Bethlehem, en tot hun grooto vreugde zien zü de ster, die hun in 't Oosten was verschenen, en zij ging hun voor en stond boven de plaats, waar het kindeke was.
In het huis gekomen, vonden zy het kindeke met Maria zyn moeder, en neder-vallende hebben zij het aangebeden, en hunne schatten opengedaan hebbende , brachten zy hem geschenken: goud, en wierook en mirre. Zy zyn echter niet wedergekeerd naar Herodes, want God liet in den droom hen vermanen, dat niet te doen. Zoo vertrokken zij weder langs een anderen weg naar hun land. En toen zy vertrokken waren, liet God door een engel Jozef zeggen: Ga met het kindeke en zyn moeder naar Egypte , en biyf aldaar, totdat ik hen u zeggen zal. Toen Herodes bemerkte, dat de Wyzen niet tot hem terugkeerden , werd hij zeer toornig, en heeft gelast, dat al de kinderen te Bethlehem die nog geen twee jaren oud waren, zouden worden omgebracht. Groote rouw vervulde de ouders, wier geween en geklaag in den geheelen omtrek werden
... :
205
gehoord. Doch daarom bekommerde zich een man als Herodes niet. Maar zijn toeleg was mislukt. De geboren Koning der Joden, de Heiland der wereld was veilig en geborgen in Egypte. Toen Herodes was gestorven keerden Maria en Jozef terug naar hun vaderland , en vestigden zich, door goddelijke openbaring vermaand in den droom, metterwoon te Nazareth in Galilea.
Van 's Heeren eerste levensjaren op aarde wordt ons in den bijbel niet veel verhaald, en wat andere boeken daarvan melden, kunnen wjj niet voor geloofwaardig houden. Wel lezen wij, dat hij op zjjn twaalfde levensjaar voorliet eerst met zjin ouders den tempel bezocht. Welk een vreugde was het voor hem, met al die feestvierende Israëlieten op te gaan naar het huis des Heeren, die zijn Vader was. Met welk een welgevallen hoorde hij die gezangen waarin God werd verheerlijkt. Als do feestweek is voleindigd keerden zgn ouders terug , meenende dat het kind zich zou bevinden bij hun stadgenooten , die reeds eerder waren afgereisd. Doch waar zij ook zoeken en vragen bij bloedverwanten en bekenden, zij vinden hem niet, en niemand weet te zeggen , waar hij is.
In doodelyke onrust keeren zij naar Jeruzalem terug, en vinden hem eindelijk in den Tempel, zittende in het midden der leeraren, hem hoorende en hem ondervragende. En allen, die hem hoorden, ontzetten zich over zijn verstand en antwoorden. Als Maria hem ziet, zegt zij: „Kind , hoe hebt gij dit toch kunnen doen? Uw vader en ik hebben u met angst gezocht!quot; Maar lijj zeidetothen : „Waarom hebt gij overal naar imj gezocht? Waarom zjjt gij niet terstond hier gekomen I Wist gij gij niet, dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders?quot; — Hoe heerlijk zou het wezen, indien alle kinderen konden zeggen: „Indien gij mij uit het oog hebt verloren — zoekt mij in het huis des Heeren; want daar zult gjj mjj zeker vinden.quot;
Zoo keerde hij dan met zijn ouders terug naar Nazareth, en hjj nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade by God en de menschen. En hij was zijn ouders in alles onderdanig. Is dit geen heerlijk getuigenis? Van wie onzer kan hetzelfde worden gezegd ?
In denzelfden tijd, waarin de Heer Jezus geboren werd, zag ook een man het levenslicht „aan wien door God een zeer gewichtige taak was opgedragen. Hü moest de Israëlieten voorbereiden op de verschijning van den Messias. Gelijk aan een koning dikwerf een heraut voorafgaat, die verkondigt, dat de koning in de nabijheid is: zoo moest Johannes de Dooper, want aan hem denken wy, aan den Heer Jezus, den Koning der Joden, voorafgaan, en uitroepen: maak u gereed, om hem te ontvangen.
Johannes was de zoon van Zacharias en Elisabeth. Zijn ouders waren vrome menschen, dio ook verlangend uitzagen naar de geboorte van den Heiland. Er was echter één ding, dat hun groot verdriet deed. Zjj hadden geen kinderen,
206
on waren reeds oncl geworden. Zacharias was oen priester, en oons, toen hij op zijn beurt zich bevond te Jeruzalem, en het reukoffer aanstak in het heilige des tempels — stond plotseling aan de rechterzijde van het reukotteraltaar een engel des Heeren, en Zacharias hem ziende werd niet weinig bevreesd , maar de engel zeide tot hem: „Vrees niet, Zacharias ! want uw gebed is verhoord , en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heeten Johannes.quot; Verder zeide de engel, dat deze Johannes groot zou wezen voor don Heer; dat velen zich over zijn komst zouden verheugen; en dat hij „van zyn geboorte aanvervuld zou wezen met den H. Geestquot;, en dat hjj een treffende gelijkenis zou vertoonen met den profeet Elia.
Dat waren heerlijke beloften; maar Zacharias gelooft er niet aan. Hij meent, dat hij en zijn vrouw reeds te oud zijn, om nog een zoon te krijgen, en nu vraagt luj aan den engel een teeken, om te bewijzen dat het waarheid was, wat hü zeide. De engel is hierover zeer vertoornd, en zegt tot hem: Gij zult niet kunnen spreken, voordat het zal zijn geschied, wat ik u voorzeg, maar het zal geschieden.
Veel langer dan gewoonlijk vertoefde Zacharias door dit voorval in het heilige van den tempel, zoodat men zich begon ongerust te maken, en toen hy eindelijk te voorschijn trad, gaf hü door gebaren te kennen, dat hij niet kon spreken.
Kort daarna, toen zijn diensttijd te Jeruzalem was verstreken, vertrok hij weder met Elisabeth naar het gebergte van Juda, waar hy woonde, en waarlijk de belofte, hem door den engel Gabriel in den tempel gegeven, werd vervuld. Elisabeth schonk het leven aan een zoon. Maar nu was het de vraag, hoe de naam zou wezen van het kind. De naaste betrekkingen meenden , dat hy moest heeten Zacharias, evenals zjjn vader; doch de engel had gezegd, dat de naam van't kind moest zijn Johannes.
Toen men dan ook aan Zacharias een leitje gaf, om daar den naam van het kind op te vermelden, schreef hy: Johannes zal zyn naam wezen. En terstond werd zijn tong los. Hy kon weêr spreken, en verheerlijkte God,
Reeds vroeg zocht de zoon van Elizabeth, aan wiens geboorte zulke buitengewone dingen waren vooraf gegaan, de eenzaamheid. Hy verkeerde het liefst in woeste plaatsen, waar hjj ongestoord het Oude Testament kon lezen en overdenken, en zich voorbereiden tot het werk, dat God hem had toevertrouwd. Het biykt, dat hy vooral in de geschriften van Jesaia veel heeft gelezen, en dat geen geschiedenis dieper indruk op hem maakte dan het leven van den profeet Elia.
Hij kleedde zich even als de man, voor wien Achab zoo dikwerf heeft gesidderd (gij herinnert u immers die geschiedenissen nog?) En terwijl hy in de woestyn zich ophield, gekleed in een kemelsharen mantel, met een lederen gordel om de lenden, at hij geen andere spijze dan sprinkhanen en wilden honig. De wilde honig vloeit uit zekere boomen in het joodsche land, en is dus gemak-
: ■ ■1'^' '...... ^
quot;-•rï ■ I ^
,., lt; ■■■«- ■ j
■
■
III . i mffcWfi !p|
207
kelp tc verkrijgen; en de sprinkhanen worden nog te Jeruzalem en in liet joodsche land door arme raenschen als voedsel gebruikt. Johannes stolde zich dus tevreden mot de eenvoudigste en goedkoopste spijze, welke onder zijn bereik viel.
— Toen hij dertig jaar oud was geworden, begon hij te prediken in het zuidelijk gedeelte van Judea, waar de Jordaan door benen stroomt, en dat om de weinige menschen, die er wonen, een woestijn wordt genoemd.
Het maakte alom in het joodsche land een geweldigen indruk, dat er weder een profeet was opgestaan.
Na de dagen van Maleacbi, dus meer dan vier honderd jaar geleden, was de stem eens profeten niet vernomen. Wel hadden de wetgeleerden en schriftgeleerden het volk onderwezen in Mozes en de profeten, maar een profeet was niet gehoord, in al die jaren.
Doch nu, daar verbreidt zich het gerucht, dat aan do oevers van den Jordaan de prediking weerklonk van een man, die door Gods Geest was vervuld, en het woord verkondigde van den God van Abraham, Izaiik en Jakob. Ieder, die daartoe in de gelegenheid was, maakte zich op, om deze zeldzame en verblijdende verschijning te zien en te begroeten.
Doch niet alleen het optreden, ook het icoord van Johannes maakte een diepen indruk. Wat toch verkondigde bij ? Hij wees de Joden op hun diepe verdorvenheid. Zelfs zij, die meenden, dat zij van God niets hadden te vreezen, en die zich zeiven hielden voor de echte kinderen van Abraham, den Vader der geloovigen, werden door Johannes met groote gestrengheid aangesproken. Hij noemde hen „adderengebroedselquot;, d. w. z. zeer zondige menschen, die liet dringend noodig hadden, dat zij werden bekeerd, dat zij geheel en al vernieuwd, andere menschen werden.
De straf voor al die verdorvenheid, zoo predikte Johannes, zon niet achter blijven. God zou niet met zich laten spotten. Gelijk een landman liet gedorschte koren in een wan stort, om het van onkruid en kaf te scheiden, zoo zou ook do Messias, die weldra verschijnen zou, de goede menschen scheiden van de slechte, en de slechte overleveren aan het vuur des gericlits.
Lang zou het niet meer duren De bijl lag reeds aan den wortel der hoornen. Het oordeel stond voor de deur.
Diepen indruk maakte deze gestrenge boete-prediking. Van alle deelen des lands, maar vooral uit Jeruzalem en Judea kwamen do Israëlieten, om Johannes te hooren, en diep verslagen riepen zjj uit: „Wat zullen wij doen?quot;
Die vraag werd gedaan door tollenaars, d. w. z. door menschen, die voor de Romeinen de belasting invorderden, en daarbij bet volk der Joden geld afpersten. En Johannes zeide tot hen: Gij moet niet moer gquot;ld eischen, dan u toekomt.
208
„Wat zullen wij doen?quot; Zoo vroegen soldaten, en Johannes antwoordde hun: „Gij moet don menschen geen overlast aandoen.quot;
En als zij dan hun zonden bekenden, en hun voornemen uitspraken, om een nieuw leven te beginnen, dan werden zjj door Johannes gedoopt in den Jordaan. Zjj werden geheel ondergedompeld, en daarmee als het ware ingewijd tot een nieuwen handel en wandel niet in de zonde maar in de gerechtigheid.
Onder de velen, die tot Johannes kwamen, bevond zich ook de Heer Jezus. De profeet wist wel, dat lijj komen zou, en had meer dan eens van hem gesproken , als van een, die veel sterker en meerder wezen zou dan hij, wiens schoenriem hij niet waardig was los te maken. Terwijl Johannes doopte met water, zou de Messias doopen met vuur en met den Heiligen Geest.
Toen de Heer Jezus verlangde gedoopt te worden, wilde Johannes het eerst niet doen. „Ik moestquot;, zoo zeide hij, „veeleer gedoopt worden door u; maaide Heer antwoordde en zeide: „Laat af, want alzoo moet ik alle gerechtigheid vervullenquot;. Daarop daalde Johannes met den Heer Jezus af in. 't water, en doopte hem. En als zü opklommen uit den Jordaan, ziet Johannes den hemel geopend, en den Geest Gods als een duif nederdalen op den Heer, terwjjl een stem uit den hemel riep: „Deze is mijn geliefde Zoon, in wien ik mijn welbehagen hebquot;.
Waarom de hooge God in dezen zijnen Zoon zulk een welbehagen had? Het was om do volkomene gehoorzaamheid, waarmee de Heer zijn Vader heeft gediend , en als het Lam Gods de zonde gedragen heeft der wereld. Wie een kind van God wil zijn, moet doen wat de Vader gebiedt.
Terstond na zijn doop is de Heer door den Heiligen Geest weggevoerd in de woestijn, om aldaar te worden verzocht door den duivel. In de wildernis en steilte der hooge bergen van Juda bevindt zich de Heer, en nu tracht de liooze hem terug te houden van zijn voornemen, om de wereld te verlossen door voor haar te lijden en te sterven. Veertig dagen lang verkeert hij in den vreeselijksten strijd. Hij at niet en dronk niet al die dagen. En ten laatste hongert hem. Daar treedt de verzoeker op hem toe, en zegt: „Indien gij Gods Zoon zijt, zoo zeg, dat deze steenen brood worden.quot; Maar de Heer antwoordt, dat de mensch niet leeft bij brood alleen, doch dat Gods woord raachtig genoeg is om hem te behouden bij het leven. Deze poging dus om den Heer te bewegen tot het doen van een wonder voor zich zelf, mislukte.
Nu wordt door den verzoeker een andere strik voor den Heer gespannen. Hy wordt gevoerd boven op het hooge dak van den tempel te Jeruzalem, en de duivel zegt tot hem: „Werp u nu van boven neder. Vrees niet, dat gij zult worden verbrijzeld, want er staat geschreven , dat God zijn Engelen bevelen zal, zoodat gij xiw voet aan geen steen zult stooten.quot; Maar wat antwoordde de Heer? „Daar is geschreven: Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken.quot;
209
Wat is dat: God verzoeken ? Het beteekent: zich noodeloos in gevaar begeven, en dan zeggen: de Heer zal er mij wel uithelpen. — Wanneer wij geroepen worden , om te komen bij iemand, die een zeer besmettelijke ziekte heeft, dan mogen wij er heengaan , vertrouwende op Gods bescherming. Een geneesheer, een ziekenverpleegster, een predikant of iemand anders, wier plicht het is bij zulk een zieke te komen, mogen, ja moeten het doen. Maar wanneer wjj uit nieuwsgierigheid of in lichtzinnigheid ons tot zulk een kranke begeven, en zeggen: „Indien ik die ziekte krijgen moet, zoo zal ik haar tóch wel krijgenquot;, dan verzoeken wij God.
Wij mogen God niet verzoeken, en daarom wilde de Heer zich ook niet werpen van de tinne des tempels. Hij wist zeker, dat God hem zijn engelen niet zou zenden.
Zoo waren twee verzoekingen mislukt; maar de duivel gaf den moed niet op. Hjj beproeft het een derde keer, den Heer tot den val te brengen. Hjj voert den Heiland op een hoogen berg, en toont hem daar, voor het oog zjjns geestes al de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid, en zegt tot hem: „Al deze macht, en al deze heerlijkheid zal ik u geven, indien gij voor mij knielt en rnjj aanbidden wilt.quot;
Stel u eens voor, welk een verzoeking dit was. De Heer wist, dat hij, indien hjj den wil des Vaders volbracht, zou worden gekruist, terwijl de duivel hem macht, eer en aanzien beloofde. En dat alles zou hij verkrijgen , indien hij slechts éénmaal voor den duivel neerviel en hem aanbad. Wie vindt een kroon niet begeerlijker dan een kruis ? Wie is niet liever geëerd dan veracht ? En toch, dat laatste stond den Heer te wachten, indien hij den weg betrad, dien God hem had voorgesteld. Maar wat heeft hij op de stem der verzoeking, welke tot hem kwam, geantwoord ? „Ga achter mü, Satan , want er staat geschreven: den Heer uwen God zult gij dienen en Hem alleen aanbidden.quot; — Toen week de Satan, en de Engelen kwamen en dienden hem.
O, mochten ook wjj, als wij worden aangezocht, om kwaad te doen, en aan God ongehoorzaam te zijn, gelijk de Heer Jezus deed, telkens ons vasthouden aan het woord des Heeren. Wat God niet wil, dat mogen wij nimmer doen, ook al worden ons de schoonste beloften gedaan. En de Heiland , die zelf zoo zwaar werd verzocht, helpt een ieder, die in dagen van strijd tot hem de toevlucht neemt, en hem bidt om krachten.
14
210
HOOFDSTUK II.
HET EERSTE OPENBAAR OPTREDEN VAN DEN HEER.
Nadat de Heer in de woestijn de verzoeking van den duivel had afgeslagen, is hjj opgetreden als Messias, en nam dus zjjn openbare leven een aanvang. Geen leven is zoo weldadig en zoo gezegend geweest als het zjjne. Hjj is het land doorgegaan predikend het Evangelie, d. i. de blyde boodschap der zaligheid, en goeddoende, d. i. genezende de kranken , en vertroostende die bedroefd en verslagen waren van harte. Hoe gaarne zouden ook wy den Heer hebben aanschouwd en gehoord. Hy sprak, zooals niemand vóór hem heeft gesproken , en er was geen nood, waaruit hij niet redden kon. Bovenal is zp leven opmerkelijk door zyn onafgebroken gehoorzaamheid aan den wil des Vaders. Steeds vroeg hy : wat wilt Gy , dat ik doen zal ? En dan treft ons keer op keer zyn innige liefde voor zondaren, en zyn hartelijk medelijden met ongelukkigen. Hy mag terecht een Heiland heeten, en wy kunnen het ons zoo goed begrypen dat iemand heeft gezegd:
Och, was Jezus nog op aarde —
'k Vloog terstond naar Jezus heen !
Toen hy zyn werk als leeraar aanving, heeft de Heer eenige discipelen van Johannes den üooper uitverkoren, om hem te volgen. Het waren geen ryke en voorname menschen, ook geen geleerden of priesters, maar mannen uit den handwerkersstand, mecrendeels visschers in Galilea thuis behoorende. Wat den Heer in hen behaagde was hun ongeveinsde vroomheid, en hun hartelijk verlangen naar de verlossing en vertroosting van Israël.
Wilt gy de namen hooren van de eerste discipelen des Heeren ? Het zyn Andreas en zyn broeder Simon; Johannes en zijn broeder Jacolus; Filippus en Nathanael. Deze zes mannen behooren ook tot liet twaalftal van 's Heeren apostelen, van wie wy later meer dan eens nog zullen spreken.
Toen Andreas den Heer had gevonden, ging hjj tot zyn broeder Simon, „en leidde hém tot Jezus.quot; Simon is meer bekend onder den naam van Fetrus. Dien naam ontving hij van den Heer zelf. Hy beteekent Itotsmau. Waarschijnlijk heeft Johannes, die een zoon was van Zebedeüs, zyn broeder Jacobus tot den Heer geleid, geiyk Andreas het Petrus heeft gedaan. Nathanael, die dezelfde is als Barfholomeiis, kon eerst niet gelooven , dat Jezus van Nazareth de Messias
211
was. „Kan uit Nazareth iets goeds komen ?quot; zoo riep hjj uit twijfelend en ongeloovig. Maar toen hjj ontdekte, dat de Heer hem had gadegeslagen onder den vijgeboom, waar lijj zich had afgezonderd om te bidden, en waar, zooals hy meende, God alleen hem kon zien — toen riep hij uit: Kanbi! (d. i. meester) Gy zyt Gods Zoon; Gij zyt de Koning Israel's!quot; Met ingenomenheid wordt van hem getuigd, dat hjj „^en Israëliet zonder bedrogquot; was.
Met deze zes mannen , zonder geld of aanzien, en die hem nog niets hadden beloofd, maar alleenlijk hem volgden, vangt de Heer nu zijn omwandeling aan door het joodsche land.
Op den derden dag dier week was er een bruiloft te Kana in Galilea, drie uren verwijderd van Nazareth. Het was de'geboorteplaats van Nathan ael. De Heer was met zijn discipelen uitgenoodigd, om aan de bruiloft deel te nemen , en lijj had die uitnoodiging aangenomen. Dat de discipelen kwamen, en mochten komen, waar de Meester kwam, spreekt vanzelf. En zoo is het nog. Wjj mogen overal heengaan, waar de Heer , indien hij nog op aarde ware, ons zou vergezellen.
Waarschijniyk echter had de bruidegom op zóóveele gasten niet gerekend ; althans dit is zeker : er komt wy'n te kort. Nu was dit zeer verdrietig voor den gastheer, te moeten bekennen: Ik heb niets meer om u voor te zetten; men doet dat niet gaarne.
Maria, de moeder des Heeren, die ook tot de bruiloftsgasten behoorde , gaf haren Zoon een wenk , dat hy nu eens een wonder verrichten, en den bruidegom uit zijn verlegenheid redden moest. Ofschoon de Heer zich in zyn werk als Messias niet mocht laten besturen door de wenschen zijner moeder, maar alleen had te vragen naar den wil des Vaders, heeft hy aan de dienstknechten bevolen, de groote steenen vaten, die hy zag staan, te vullen met water. Toen dit geschied was, zeide hy, dat men er uit moest scheppen, en het brengen aan den man, die het toezicht hield op de spijzen en dranken. En wat ontdekt men nu? Dat het water is veranderd in wijn, en wel in kosteiyken wjjn, zoodat men den bruidegom verklaarde: Gy hebt den besten bewaard voor het laatst.
Dit is het eerste teeken, dat door den Heer word verricht, en waardoor hij zijn heeriykheid openbaarde. Het geeft ons dadeiyk een hoog denkbeeld van de vriendelijkheid des Heeren. Johannes de Dooper leefde in de woestijn ; hy onttrok zich aan het samenleven met de menschen, en onthield zich van alle spijze en drank, die niet dringend noodig waren. Maar de Zoon des menschen komt etende en drinkende. Hy wil deelen ook in de vreugde en het geluk der men-schenkinderen; en als hy kommer ontdekt en teleurstelling, is hy gereed en by machte te helpen uit de verlegenheid.
Niet lang na dit zijn eerste wonderbegaf de Heer zich naar Jeruzalem.
212
Het Joodsche Faaschtoest wilde hij met 74jn volk vieren in den tempel. Gjj herinnert u zeker nog wel, aan welke gebeurtenis de Joden op dat feest denken. Het werd ten zijde van den Heer met grooten luister gevierd. Duizenden en honderdduizenden nakomelingen van Abraham kwamen van Oosten en Westen, om den God hunner Vaderen te prjjzen, en talloos waren de offers, die werden gebracht in den voorhof van den tempel.
Als de Heer daar binnen treedt, wordt hij zeer vertoornd en geërgerd door hetgeen hij er aanschouwde. Stelt u voor, de plaats aan den heiligen God gewijd, bijna geheel ingenomen door offerdieren , door runderen, schapen, duiven enz. Gaf dit reeds een zonderlingen indruk: alle denkbeeld aan aanbidding week wanneer men lette op do levendige gebaren en den levendigen toon dergenen, die deze dieren kochten en verkochten. En denkt u nu daarbij, dat men overal tusschen deze woelige menigte van menschen en dieren tafeltjes zag staan, waaraan men geld kon wisselen. En ook dat geschiedde niet in stilte, maar met al die drukte en heftigheid aan Oostersche menschen eigen, vooral wanneer zij loven en bieden. Niet zelden ontstond er hooggaande twist, en stond men met gebalde vuisten tegenover elkander.
De Heer kon dat niet aanzien. De tempel was voor hém nog iets anders en iets meerders dan voor de overige Israëlieten. Hjj was daar in het huis van zijnen Vader, wiens eigen Zoon hij zich noemen mocht. En daar maakt zich van hem meester een onweerstaanbare aandrang, om de eer van zijnen Vader te handhaven. Van een heiligen ijver wordt hij ontstoken. Hij maakt een geesel of zweep van touwtjes, en begint daarmee al die offerdieren en kooplieden voor zich uit te drijven, en de tafeltjes der geldwisselaren keert hjj om, terwijl hij uitroept: ,Daar staat geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden allen volken, en gij iiebt liet tot een hol van moordenaren gemaakt.''
Natuurlijk leden al die kooplieden schade, daar zij zoo onverwacht in hun bedrijf werden gestoord — maar niemand durfde zich verzetten tegen hetgeen door den Heer werd verricht. Zij gevoelden in hun geweten, dat hjj handelde in den geest van de oude profeten, en dus ook in den geest van den heiligen God. Velen dachten er dan ook bij aan een woord van den profeet Maleachi, dat luidde: „De ijver van uw huis heeft mij verslonden.quot;
De Heer deed te Jerzualem vele teekenen, en trok daardoor de algemeene aandacht. Op grond van die teekenen waren er velen, die in hem geloofden, die van hem verwachtten, dat hü het volk zou verlossen van de overheersching der Komeinen, maar niet verlangden door hem bevrijd te worden van de macht der zonde. De Heer erkent dan ook dezulken niet voor zijn echte discipelen, en vertrouwde hen niet.
Maar een treffende ontmoeting had hjj met een man, die behoorde tot de
21 a
zeventig Israëlieten, die zitting hadden in het Sanhedrin, of den Joodschen liaad. Dat was het hoogste gerechtshof der Joden. De naam van dien man was Nicodemus. Niet alleen was lijj een lid van den Joodschen Kaad, maar hij behoorde ook tot de party van de Parizeen. Men zou dus niet verwacht hebben , dat deze zoon van Israël zich zou wenden tot den leeraar uit Nazareth.
Toch heeft hy het gedaan. Deze Farizeër zocht eerlijk naar de waarheid , welke uit God is, en hetgeen hij van den Heer had gezien en gehoord deed hem hopen op een onderwijs, zooals het in de scholen der wetgeleerden niet gegeven werd.
Hjj wilde 't echter voor de raenschen niet weten, dat hij een bezoek bracht aan den profeet uit Nazareth, en daarom kwam hij in den nacht. Hy werd desniettemin vriendelijk ontvangen, en de apostel Johannes heeft ons in zijn evangelie meegedeeld over welk onderwerp het gesprek van den Heer met Nicodemus geloopen heeft. Het was over de imlcrgeboorte. De Heer leerde, dat een mensch , om in het Koninkrijk Gods te kunnen komen, als van voren aan moet gaan leven, geheel en al veranderd en vernieuwd moet worden. Nicodemus was dit onderwijs geheel vreemd, zoodat de Heer tot hem zeggen moest: Zyt gij een leeraar van Israël, en weet gij deze dingen niet? Een der bekendste teksten uit den Bijbel maakt een gedeelte uit van hetgeen de Heer tot Nicodemus- heeft gezegd. Wü denken aan dit heerlijke woord, waarin het geheele Evangelie als is samengevat, en dat aldus aanvangt: „AJzoo lief heeft God de wereld gehad.quot; Het overige vindt gü in Joh. 3 : 16.
Wij treilen Nicodemus later bü meer dan één gelegenheid weder aan in de levensgeschiedenis van den Heer. Het blijkt, dat het woord in dien nacht tot hem gesproken, een onvergetelijken indruk op hem heeft gemaakt en dat hy van harte in den Heer Jezus heeft geloofd.
Wü willen thans spreken over een andere merkwaardige ontmoeting, welke de Heer gehad heeft in dienzelfden tyd. Hy was op reis van Judea naar Galilea. Nu liep de kortste weg tusschen die twee landstreken door Samaria. Maar de Joden, zooals gy u herinnert, leefden in vyandschap met de Samaritanen. Zy waren zelfs niet gewoon elkander te groeten. Die vijandschap bleel, ook al was de aanleiding er toe reeds eeuwen lang geleden. Wanneer nu de Joden uit Galilea wenschten te gaan naar J udea, of omgekeerd, dan reisden velen buiten Samaria om, door het Overjordaansche.
De Heer deed dit echter niet. Meer dan eens hield hy zich op in Samaria, hy, die gekomen was om vrede te brengen op aarde. Op zyn reis nu, waarvan wij willen verhalen, kwam hy in de nabijheid van Sych ir of'Sichem, een Samaritaan-sche stad, Zjjn discipelen waren de stad binnengegaan, om spy ze te koopen, maar
214
de Heer zal. buiten, want hü was vermoeid , en de zon stond hoog aan den hemel, daar de middagure was aangebroken. Hij had zich neergezet bjj een put, die Jacob's-put heette, omdat zü, naar men verhaalde, was gegraven door den aartsvader Jacob.
Niet lang iieeft de Heer daar vertoefd, of daar nadert een vrouw met een ledige kruik om die te vullen met het water der put. De Heer, die door de reis en de warmte was afgemat, vroeg aan deze vrouw: „Geef mjj te drinken !quot; Zij betoonde zich daar zeer verwonderd over, en zeide: „Hoe begeert gij, die oen Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaansche ben ?quot;
De Heer heeft daarop een gesprek aangeknoopt met deze vrouw, waarin hij toonde alles te weten van haar vroeger leven, en haar ook leerde, dat men God overal kan vinden, en overal aanbidden, jindien men het maar doet in de rechte gezindheid des harten. Meenden de Samaritanen, dat God woonde op hun berg Gerizim, en zeiden de Joden; „God woont te Jeruzalem in den tempelquot; — de Heer Jezus zeide tot de Samaritaansche vrouw: „Voortaan zal men noch te Jeruzalem, noch op den berg Gerizim aanbidden. God is geest, en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en ivaarheid.quot;
De vrouw, met wie de Heer dit gesprek heeft gevoerd , was zoozeer getroffen door hetgeen zjj van Hem had gehoord, dat zü haar waterkruik vergat, naar cle stad ging en zeide: „Ziedaar iemand die mij alles heeft gezegd, wat ik heb gedaan. Moet deze dan niet de Messias zijn?quot; Toen gingen velen de stad uit, om hem te zien en te hooren En zjj geloofden , niet om hetgeen de vrouw had gezegd , maar omdat zy zelve hem gehoord hadden. Twee dagen heeft de Heer bij die Samaritanen vertoefd, en er gepredikt het evangelie van het koninkrijk Gods.
Toen de Heer was wedergekeerd in üalilea, werd hy aldaar met eenige onderscheiding ontvangen, want de Galileërs hadden te Jeruzalem de teekenen gezien, welke hy aldaar verrichtte. Terwijl hy te Kana vertoefde, waar hy zijn eerste wonder had gedaan, kwam tot hem een hoveling, waarschyniyk iemand die een betrekking bekleedde aan het hof van Herodes, den viervorst van Galilea. Hy woonde te Kapernaum, en was naar Kana gekomen om den Heer dringend uit te noodigen met hem mede te gaan, en zyn zoon te genezen, die zeer krank was, ja, op sterven lag. „Kom af. Heer,quot; zoo riep hy uit, „eer mijn kind sterft.quot; En wat antwoordt hem de Heer ? „Ga heen, uw zoon leeft.quot;
De hoveling heeft toen niet gedacht: dat kan niet, maar hy lieeft het woord des Heereu geloofd, en is teruggekeerd naar Kapernaum. Eu vóór hy zyne woning heeft bereikt, daar komen hem zijn dienstknechten tegemoet, en zeggen vol blijdschap: „Uw zoon leett.quot; Toen vroeg hy : „Wanneer is het kind beter
215
, geworden ?quot; En de dienstknechten antwoordden : „Gister te zeven uur heeft de
3 koorts hem verlaten.quot; En ziet, dat was juist het uur, waarop de Heer tot den
hoveling had gezegd: „Uw zoon leeft.quot; — Het verwondert ons niet dat wjj van hem lezen: „En lijj geloofde, hij en geheel zijn huis.quot; Dit was het tweede teeken, dat de Heer in Galidea verrichtte. Wat hy daarna in datzelfde land heeft gedaan, dat verhalen wjj u in een volgend ^hoofdstuk.
HOOFDSTUK 111. 's HEEREN WERKEN IN GALILEA.
Het land van Galilea was vóór 1900 jaar een prachtige streek. De vele bergen, die er zich verheffen, zyn niet hoog, maar zij waren toen voor een groot gedeelte met vruchthoomen beplant, of met koren bezaaid. Op aarde zijn weinig schooner meeren dan het meer Gennesareth, of de Galileesche Zee. Thans zijn de oevers van die watervlakte onbewoond en eenzaam, en slechts een enkel scheepske klieft er de golven, maar in de dagen van den Heer Jezus was het overal in den omtrek van het meer zeer levendig, en vele steden en dorpen trof men er aan, waarvan Kapernaum, Bethsaïda en Chorazin meer dan eens genoemd worden.
De Heer Jezus was dikwerf te Kapernaüm, en bezat daar zelfs een huis, maar veel rust gunde hy zich niet. Hy ging alle dagen het land door, om te prediken en te genezen.
Zoo kwam hy ook te Nazareth, en vertoefde er op een sabbath. „Naar zyn gewoonte,quot; zoo lezen wij, ging hy naar de synagoge. Hy ging niet uit gewoonte, maar naar zyn gewoonte. En ook daarin heeft hy ons een voorbeeld gegeven. Indien hy, die geen zonde kende, en wiens spüze het was den wil des Vaders te doen , het zich tot een gewoonte had gemaakt, eiken rustdag het huis des gebeds te bezoeken, hoeveel te meer is het dan noodig voor ons, die zoo dikwerf en zoo gemakkeiyk afdwalen van God, op don Zondag met de gemeente Gods Woord te hooren, en zyn naam aan. te roepen.
I
210
Zoo is lijj dan op een rustdag in de synagoge te Nazareth. Eiken sabbath werd daar een gedeelte voorgelezen van de geschriften der profeten, en dit geschiedde in een vooraf vastgestelde orde. Op den sabbat, waarvan wjj nu spreken , moest voorgelezen worden uit den profeet Jesaia. Men gaf aan den Heer de perkamenten rol, waarop die profetiën geschreven stonden, en staande las hij eenige verzen voor uit Jesaia 61 en 62. Daar wordt gesproken van hem, dien de Vader had gezonden, om aan de gevangenen te prediken vrijlating, en aan de blinden opening der oogen; om verslagenen heen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename, „het jubeljaar des Heeren.quot; Toen de voorlezing geëindigd was, werd het boek Aveër opgerold , en overgegeven aan den dienaar; daarop zette de Heer zich neder, want de joodsche leeraren waren gewoon zittende te spreken, en aller oogen in de synagoge waren op hem gericht. Men had hem gekend van zijn jonkheid aan, en was nu zeer verlangend te hooren, wat hij zeggen zou. Wat hy zeide, weten wij niet. Maar wel weten wjj, dat allen die hem hoorden, zich verwonderden over de liefelijke en aangename woorden , die hij sprak. „Is dat niet de zoon van Jozef?quot; zoo vragen zjj. En uit die vraag blijkt ook hun ongenegenheid, om naar het woord des Heeren te luisteren. Zij wilden niet aannemen, dat hjj, die to Nazareth in zulke eenvoudige omstandigheden had geleefd, de Messias zou zjjn, door wien God de verlossing zou zenden, waarvan Jesaia gesproken had.
De Heer betoont zich echter niet geneigd, om, gelijk hij had gedaante Kaper-naum, door een wonder te bewijzen, dat hjj werkelijk was de zoon van God, maar zeide: „Voorwaar zeg ik u: een profeet is niet aangenaam in zijn vaderlandquot;. Hij had er reeds een voorgevoel van, dat het met hem gaan zonde, gelijk het den profeet Elia was gegaan in de dagen van den hongersnood. Ofschoon er toen vele weduwen waren in Israël, werd Elia tot geen van haar gezonden, maar wel tot oen heidensche weduwe te Zarfath. lin ook op den profeet Eliza wees de Heer, want, hoewel er in zijn dagen vele melaatschen waren in Israël, is geen hunner door den profeet genezen, maar wel geschiedde zulks met Naiiman den Syriër, die gereinigd werd.
Zoo bleek ook nu Nazareth de biyde boodschap des heils niet te willen ge-looven, en zou de Heer wel eens genoodzaakt kunnen worden, tot de heidenen zich te wenden.
De inwoners van zijn woonplaats werden over deze woorden zeer vertoornd, en wilden hem omlaag werpen van de steil-alloopende zijde van den berg, waarop Nazareth gebouwd is — doch met een waardigheid, die hen terug deed deinzen, ging de Heer midden door hen heen. Niemand strekte de hand naar hem uit, om hem te grijpen — en luj vertrok.
Hij koos nu Kapernaum, aan de zee van Tiberias gelegen, tot zijn woon-
217
plaats, opdat het volk aldaar wonende, naar het woord des proleten, het grooto licht zou zien, dat nu was opgegaan, want de tyd was vervuld, en het koninkrijk Gods gekomen.
Terw|)l hij rondging en predikte, gevoelde hij er behoefte aan, eenige mannen in zjjn nabijheid te hebben, die tot zijn meer vertrouwde vrienden zouden be-hooren en opgeleid worden tot een leven in den dienst van zijn koninkrijk.
Op welke wijze heeft hy die eerste vier apostelen tot dezen arbeid geroepen ?
Wandelend langs den oever van de zee Gennesareth, zag hij Simon en Andreas, beiden zonen van Jona, en Johannes en Jacobus, zonen van Zebedeus, bezig met hun netten te herstellen, want zjj waren visschers. Toen het volk den Heer zag, drong het in groote menigte zich om hem heen, want zü wilden van hem het woord Gods hooren. Hij klom in het vaartuig van Simon Petrus , stak een weinig van wal, en zich neerzettende begon hij het volk, dat op den oever stond, te leeren.
Het moet een treffend schouwspel zjjn geweest, de schoone oevers van het meer , vvemelend van menschen, die aandachtig luisterden naar het woord, dat tot hen gesproken werd door den leeraar van Nazareth, gezeten op het schip. Wij zullen spoedig iets mededeelen van hetgeen de Heiland leerde aan het volk, maar wie onzer zou niet gaarne hebben behoord tot de menigte, die van zjjn eigen lippen de blijde boodschap des heils op mocht vangen !
Als de Heer geëindigd heeft met spreken , zegt hij tot Petrus: „Steek af naaide diepte , en werp uw netten uit.quot; Maar Petrus antwoordde, en zeide tot hem ; «Meester, den geheelen nacht door, in den besten tijd om te visschen, hebben wij ons best gedaan, maar niets gevangen; doch op üw woord zal ik het net uitwerpen.quot; Ofschoon het nu middag was, en er dus weinig kans bestond, om iets te vangen, verklaart zich Simon Petrus bereid, het net uit te werpen. En als zü 't gedaan hadden, en het net om hoog trekken scheurdc het, vanwege de groote menigte visschen, die het bevatte. Zij moesten zelfs Johannes en Jacobus te hulp roepen, en toen zjj de netten hadden geledigd, waren de beide schepen zóó vol visch, dat zü bijna zonken.
Opmerkelijk is de indruk, dien dit wonder der vischvangst maakte op Petrus, Hij valt aan de knieën van den Heiland neder, en zegt; „Ga uit van mij. Heer! Blijf niet langer in mijn nabijheid , want ik ben een zondig mensch 1quot; Hij is zoo getroffen door 's Heeren grootheid en heiligheid, en door zjjn eigene onwaardigheid, dat hjj bevreesd is voor de nabijheid van zulk een Meester. Ook Jacobus, Johannes en Andreas waren vol verbazing over zulk een macht. Maar Jezus zeide tot Petrus: „Vrees niet, van nu aan zult gij visschers van menschen zijn.quot;
De bedoeling van dit woord is: Gij zult menschen door uw woord winnen voor 't Koninkrijk Gods, hen als 'tAvare vangen voir Gods dienst enverheerljj-
218
king. Alleen diegenen , die hoog denken van den Heer, en gering van zich zeiven , zijn geschikt voor het vangen van raenschen. En daarom kon de Heer Petrus en zijn vrienden roepen tot dit heerlijk werk.
En hebben zij aan zijn roepstem gehoor gegeven? Zij hebben het zonder zich te bedenken gedaan. Zij verlieten alles, en zijn den Heer gevolgd.
Op den Sabbath, die deze week besloot, was de Heiland weder in de synagoge maar nu niet te Nazareth, doch te Kapernaum. En zü werden diep getroffen door zijn leer. Zóó hadden zg nog nooit hooren spreken. En onder de aanwezigen bevond zich iemand, die bezeten was door een onreinen geest, geheel onder de maclit van een geest, die hem belette te denken, wat hij wilde, en ook op zijn lichaam een overweldigenden invloed uitoefende. En de onreine geest riep plotseling uit: „Ha, wat hebben wij met u te doen, Jezus van Nazareth? Zijt gij gekomen, om ons te verderven? Wij weten , wie gü zijt. Gij zijt de Heilige Gods.quot; En Jezus bestrafte den onreinen geest enzeide: „Vaar uit van hem.quot; En terwijl de orgelukkige luide riep en stuiptrekte, voer de geest uit —zoodat allen inde synagoge vol verbazing uitriepen: „Wat is dit? Ben nieuwe leer met macht! Hij gebiedt zelfs den onreinen geesten, en ze zijn hem gehoorzaam!quot; — Geen wonder, dat door die geheele omstreken in Galilea over het optreden van dezen profeet gesproken werd.
Toch was hetgeen wij daar verhaalden nog niet alles, wat door den Heer, op dien merkwaardige sabbath, verricht werd. Hü genas de schoonmoeder van den apostel Petrus van de koorts —en 's avonds, toen de zon was aan't ondergaan verzamelden zich bij de deuren van Petrus' woning allen, die lijdende waren aan de eene of andere ziekte of kwaal, ook alle bezetenen — en hjj genas alle kranken , en de booze geesten wierp hij uit. Dat moet een aandoenlijk oogenblik zijn geweest al die lijdende menschen, — maar ook welk een blijdschap voor hen, en voor allen, die hen liefhadden, toen zij huiswaarts konden keeren door Jezus genezen van hun kwaal en hun smart.
Ook zonder dat wij het zeggen, begrijpt gij wel, dat het den Heer zeer groote inspanning kostte, zoo dagen achtereen te leeren en zjjn wonderen te verrichten. Meer nog dan zijn lichaam werd zijn geest er door vermoeid. Hij zag toch hot lijden der ongelukkigen niet alleen aan, maar hij deelde, hij verdiepte er zich in. Hij drong door in al de smart van hen, die leden, zoodat het was, alsof hjj er zelf door getroffen was. Hij aam, zooals van hem geschreven staat, onze kranlc-!icden op zich. Dat is eerst het echte medelijden.
Maar als hjj dan ook een ganschen dag op die wijze had geleden, zocht hjj des nachts op een berg of in een woeste plaats de eenzaamheid , om er biddende met zijn Vader in do hemelen te spreken , en van Hem nieuwe krachten te ontvangen. AVie veel wil arbeiden in de dienst van Gods Koninkrijk moet ook veel bidden.
219
Na eenige dagen te hebben gereisd door Galilea, was de Heer weder te Kapernaüm. Zoodra men zijn terugkeer had vernomen , kwamen velen tot hem , om hem te hooren; daar kwamen er zóó velen, dat het geheele huis vol was, en velen buiten stonden.
Doch wie naderen daar ? Vier mannen. En wat dragen zij ? Een bed, waarop een man lag uitgestrekt, die verlamd was. Zij wilden hem tot den Heer brengen , in de hoop, dat hij dan zou worden genezen. Doch er is geen mogelijkheid voor hen, om het huis binnen te dringen. Alle ruimte is meer dan bezet. Toch geven zjj hun voornemen niet prijs. Zjj dragen den verlamde langs een trap naar het platte dak van het huis, en nemen de leien of pannen weg, juist boven de plek waar de Heer stond; en nu laten zij hem behoedzaam door de aldus gemaakte opening afdalen. Natuurlijk was een ieder verbaasd over deze ongewone wjjze van handelen; maar de Heer let op iets anders dan de andere aanwezigen deden. Hij ziet hun geloof. Hij merkte op , hoe er hun kennelijk killes aan gelegen is, den ongelukkigen lijder tot den Meester te brengen. Welk een groot vertrouwen stelden zy dus in den Heer! Welk een hooge gedachte koesterden zij dus van zp goedheid!
Doch de Heer las ook in het hart van den verlamde, en ontdekte hoe daar een levendig berouw woonde over zijn zonde. En d^t ziende, roept hij uit: „Zoon, wees welgemoed ! De zonden zijn u vergeven !quot;
Menigeen dacht zeker: „Is deze ongelukkige wel tot Jezus gebracht, omver-geving van zonden te ontvangen ?quot; Anderen, het waren schriftgeleerde en farizeën, zeiden bij zich zeiven : „Jezus mag zóó niet spreken. God alleen kan zonden vergeven. Jezus lastert dus, als hij zich iets aanmatigt, wat alleen Gode toekomt.quot;
De Heer ontdekte, dat zjj deze dingen in hun binnenste dachten, en doet hun de vraag : „Wat is gemakkelijker te zeggen: De zonden zijn u vergeven ; of te zeggen: Sta op , neem uw bed op en wandel ?quot; — Indien het óns gevraagd werd , zouden wy antwoorden: Er behoort dezelfde goddelijke macht toe, om iemand de zonden te vergeven, als om een verlamde toe te roepen: Sta op, neem uw bed op en wandel — en hem door dat woord zijn krachten terug te geven. Maar indien ik iemand toeroep: „de zonden zjjn u vergevenquot;, kan men uiterlijk daarvan niets bespeuren. Of dat nu werkelijk ook gebeurt, of niet gebeurt, valt met het oog niet waar te nemen. Maar wanneer ik een verlamde toeroep : Sta op en wandel, dan komt het terstond aan liet licht, of op mijn ivoord ook de daad volgt. Daarom is het gemakkelijker te zeggen: de zonden zijn u vergeven , dan: sta op en wandel. — Maar de Heer, die toonen wilde dat hij macht had tot het eene zoowel als tot het andere, zeide tot de schrifgeleerden: Opdat gü weten moogt, dat de Zoon des menschen macht heeft, zonden te vergeven op aarde (en zich wendende tot den verlamde riep hij uit:) Ik zeg u, sta op,neem uw bed
220
op, en ga naar uw huis. — En lijj stond op, en nam het bed op, waarop lijj gerust had, cn ging naar huis voor aller oog zoodat allen zich ontzetten en God verheerlijkten, zeggende: Iets dergelijks hebben wij nooit gezien!
De meesten zagen echter in den Heer alleen den profeet, die wonderen deed en verloste van lichamelijk lijden, terwijl hij in de eerste plaats beschouwd wilde worden als de verlosser van zonde.
In dienzelfden tijd heeft de Heer den schrijver van het eerste onzer vier evangeliën geroepen om hem te volgen. Wij /-ijn gewoon hem Maüheus te noemen, maar hy was eerst meer bekend onder den naam van Levi. Hjj oefende het bedrijf uit van tollenaar, en vorderde dus de belasting in voor deKomeinen. De tollenaars waren bij de Joden zeer gehaat, omdat zij herinnerden aan de afhankelijkheid waarin de Israëlieten stonden van de Romeinen, en omdat zy meer geld vorderden dan hun toekwam. De tollenaars verkeerden dan ook niet met achtbare Israëlieten, maar met zondaren, d. i. met dezulken, wier leven alles behalve onberispelijk was.
Tot die tollenaren behoorde Levi of Mattheus. En als de Heer Jezus zyn tolhuis voorbij kwam, waarin hy nederzat, zeide hij tot hem: „Volg my 1quot; En Mattheus stond op en volgde hem, alles verlatende. Op dienzelfden dag richtte hjj een maaltyd aan, ter eere van den Heer, en de mede-genoodigden waren meeren-deels tollenaars en zondaars, die ook een diepen indruk hadden ontvangen van 'sHeeren woorden en werken, en gaarne in zyn nabijheid waren. Ieder, die het wel met deze menschen meende, moest er zich over verblijden, dat zy toonden een beter leven te willen beginnen, en burgers te willen worden van het Koninkrijk Gods. Maar zóó dachten er de schriftgeleerden en farizeën niet over. Zü hebben het luide afgekeurd, dat de Heiland met zulke afgedwaalde en zondige menschen at. Een farizeër zou dat niet gedaan, maar er zich te goed voor gehouden hebben. Doch wat zeide de Heer, toen hij hun woorden van afkeuring hoorde? „Die gezond zijn, hebben den geneesmeester niet noodig, maar die ziek zijn. Ik ben gekomen, niet om rechtvaardigen te roepen , maar zondaren!quot;
Niemand , mag dus zeggen : ik ben een zondaar, en daarom is zeker de Heer niet gekomen voor mij. Dit zou even zonderling wezen, als wanneer iemand zeide; „Ik ben krank, en dus zal de geneesmeester naar my wel niet omzien.quot;
221
HOOFDSTUK IV. (Vervolg.)
Ztfn werken in Galilea heeft de Heer eenige dagen afgebroken door een bezoek , dat hij bracht aan Jeruzalem, en dat Johannes ons verhaalt in het vijfde hoofdstuk van zjjn Evangelie. Er wordt niet vermeld, op welk feest dit is geschied , maar hetgeen wij nu verhalen, is voorgevallen op een Sabbath. ïe Jeruzalem was een plaats, bekend onder den naam Bethesda (huis der genade), waar men kwam om zich te baden, en door de kracht van 't water hoopte genezen te werden van velerlei kwalen. Het water had echter alleen dan genezende kracht, wanneer het pas uit den grond was opgekomen. Het was dus zaak juist op dat oogenblik aanwezig te zijn, en zich te dompelen in het bad. Vijl zalen waren steeds gevuld met blinden , lammen , kreupelen, allen wachtende op de beroering van het water.
Daar lag nu ook een man krachteloos neèr, en hü lag er reeds 38 jaar. Hij kwam, als het water in beweging was, steeds te laat, daar anderen hem voorgingen. Het schijnt, dat eigenlijk niemand zich om hem bekommerde, en men hem aan zijn lot overliet.
Als de Heer Bethesda binnentreedt en den man ziet, met wiens langdurig lijden hij bekend was, vraagt hij: „quot;Wilt gij gezond worden?quot; Maar de kranke antwoordde: „Heer, ik heb geen mensch , om mij te werpen in het bad, wanneer het water in beweging komt; en terwijl ik naderbij kom, daalt een ander vóór mij neder,quot;
En Jezus zeide tot hem: „Sta op, neem uw bed op, en wandel!'' En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn bed op, en wandelde. De Joden riepen hem toe: „Weet gij niet, dat het sabbath is, en dat gü dus uw bed niet dragen moogt?quot; Maar hij antwoordde: „Die rnjj gezond heeft gemaakt, die heeft mü gezegd: „Neem uw bed op, en wandel!quot;
Dit is niet de laatste keer geweest, dat de Heiland door de Joden beschuldigd werd van den sabbath niet te heiligen.
Het was ongeveer in dienzelfden tijd, waarin hij den kranke te Bethesda genas, dat hij op een sabbathdag met zijn discipelen ging over een akker, waar het rijpe koorn aan wederszijden hing over het pad, waarlangs zy wandelden; al voortgaande plukten de discipelen enkele aren, wreven ze stuk en aten de korrels op.
Wat kwaads kon daarin steken ? Maar do farizeën die het zagen , zeiden:
„Zie, uw discipelen doen wat hun op den sabbath niet geoorloofd is te doen.quot; Deze farizeën hielden dat stuk wrjjven van de geplukte aren voor werken, en daar staat in het vierde gebod: „Dan zult gij geen werk doen.quot;
De Heer heett echter zjjn jongeren tegen deze ongegronde beschuldiging verdedigd, en gezegd, dat de sabbath er is om den mensch, dat de mensch, dien rustdag met een vroolijk hart mag gebruiken, maar dat niet omgekeerd de Sabbath over den mensch moet heerschen, en hem vervullen met een gevoel van angst en vreeze.
Het werk des Heeren bestond niet alleen in het verrichten van wonderen; dat was, om zoo te zeggen, slechts de helft van hetgeen hjj deed. Hij ging het land door goeddoende — en predikend het Evangelie van het Koninkrijk Gods. Alom verkondigde hjj het, dat het heil, de verlossing, waarop het volk Israël zoovele eeuwen had gehoopt, m. a. w. dat het Koninkrijk Gods nabij was gekomen.
Natuurlijk zijn niet al de woorden opgeteekend en tot ons gekomen, die de Heer op aarde heeft gesproken , evenmin als ons verhaald zijn al de wonderen, welke lüj heeft verricht. Wij weten echter, dat hij zijne gedachten niet altijd inkleedde op dezelfde wijze. Nu eens sprak hy eerigen tijd achtereen, en hield hij een rede. Een proeve daarvan hebben wy in de rede, welke hy uitsprak op eer; here/ in Galilea, en die daarom de Bergrede heet. Men vindt haar opgeteekend in het 5de, 6do, en 7dc hoofdstuk van Mattheus. — Vaak hield de Heer een gesprek, en uit die gesprekken, welke wij nog in onze Evangeliën aantreffen, valt niet weinig voor ons te leeren. Gü herinnert u hier zeker de reeds door ons vermelde gesprekken, welke werden gehouden met Nicodemus en met de Samaritaansche vrouw. Ook heeft de Heer gedurig in zijn onderwijs verhalen ingevlochten, welke wü gelijkenissen noemen. Van die gelijkenissen zijn er verscheidene voor ons bewaard gebleven, en wü zullen er later enkelen van mededeelen, want zy behooren tot schoonste, dat in eenige taal te lezen is.
Thans verhalen wij enkele wonderen, die de Heer verrichtte in Galilea.
Terwijl hy zich bevond in een stad, die niet verder wordt aangeduid, komt tot hem een man, in hevige mate aangetast door melaatschheid. Gü weet zeker nog wel, welk een ziekte dat is, en hoe Nailman de Syriër door den profeet Eliza er van is genezen geworden. Ofschoon het den melaatschen verboden was, zich te begeven onder de menschen, laat de man, van wien wij thans spreken, zich niet terughouden. Alles is er hem aan gelegen, dat hij doordringt tot den Heer. Hiervan toch houdt hij zich overtuigd: Ziet hy mij — dan ben ik ook genezen.
Daar is 't hem gelukt te komen in den nabijheid van den Heiland. Diep eerbiedig valt hij voor hem op het aangezicht en bidt hem, zeggende: „Heer, indien gij wilt, Gij kunt mij reinigen !quot;
223
Welk een hoogen dunk koestert deze man van de macht desHeeren ! En dat hü even hoog denkt van des Heilands goedheid als van zijn macht, zegt hij wel niet, maar toont hij door aan zijne voeten smeekend zich neer te werpen. Neen hij kon 'tniet gelooven, dat hij onverhoord en ongenezen zal worden heengezonden. En zijn vertrouwen is niet beschaamd. Nauwelijks heeft hij gezegd, wat hij denkt van den Heer, of daar strekt deze de hand naar hem uit, raakt hem aan, hem, den melaatsche, en zegt: „Ik wil, word gereinigd !quot; —En op hetzelfde oogenblik is de melaatschheid geweken. Wie kan zich naar waarheid voorstellen, hoe gelukkig en bljj deze man wel geweest moet zijn !
Het was den Heer volstrekt niet er om te doen opzien te verwekken, of zich een naam te maken door dit wonder; juist het tegendeel! Immers verbood hy den genezene het aan iemand te vertellen, maar gelast hem zich in den tempel te ver-toonenaan den priester , als een die van zijn melaatschheid was gereinigd, en Gode het offer te brengen, door de wet van Mozes voorgeschreven. Maar deze treffende weldaad bleef niet verborgen , en geheele scharen kwamen, om hem te hooren , en van hunne krankheden genezen te worden.
In dienzelfden tijd verrichtte de He er een wonder, van een geheel anderen aard, maar getuigende van dezelfde macht en liefde.
Daar was een hoofdman te Kapernaum, een krijgsman in romeinschen dienst.
Deze had eene knecht, aan wien lijj zeer gehecht was, en die op sterven lag. Toen de hoofdman hoorde, dat Jezus zich in de nabijheid bevond, verzocht hij de ouderlingen der Joden tot den Heer te gaan, om in zijnen naam te vragen of hij komen wilde en den kranken dienstknecht gezond maken. Die ouderlingen deden dat gaarne, want aan dien romeinschen hoofdman hadden zij groote verplichting. „Hy is waardig,quot; zoo zeiden zij tot den Heer, „dat gy gehoor geeft aan zyn verzoek, want hy heeft ons volk lief, en onze synagoge heeft hy gebouwd.quot;
Ook al had de hoofdman zulke goede dingen niet gedaan , dan zou de Heer hem zeker toch wel hebben verblijd, want de Heiland vroeg niet: zijn de men-schen het waardig, hebben zy het verdiend, dat ik hen help ?
Zoo gaat hy dan met de Joodsche ouderlingen naar het huis van den hoofdman.
Als hy het bijna bereikt heeft, komen hem vrienden van den hoofdman te gemoet, die zeggen in zyn naam: „Heer, neem de moeite niet, om in mijn huis te komen. Die eer zou voor my veel te groot zyn. Ik durfde zelfs niet persoon-lyk tot u komen — maar zeg, beveel met een woord, en myn knecht is gezond. Want ik ben zelf een mensch, die te bevelen heb over anderen. Tot den een zeg ik „gaquot; — en hy gaat; tot den ander zeg ik „komquot; en hy komt.quot;
Iiy wil zeggen: alle krankheden zijn voor u als zoo vele dienstknechten , waarover gy bebt te bevelen , die gaan en kounn op uw woord.
224
De Heer was ten hoogste verwonderd over zulk een groot geloof, zulk een hooge gedachte van zijn macht, en dat by een Romein!
Zich omkeerende tot de schare zeide hij dan ook: „Ik zeg u, dat ik zulk een geloof zelfs onder Israël niet gevonden heb.quot; — Toen de mannen, die tot hem waren gezonden, in de woning van den hoofdman terugkeerden, vonden zij den kranken dienstknecht gezond. —
Geven deze wonderen ons te zien, met welk een macht de Heer Jezus door zün Vader was toegerust — nog grooter wordt ons ontzag voor hem, als wij zien, hoe hjj ook dooden kan terugroepen in het leven.
Rondgaande door Galilea, komt de Heer 's morgens aan in een stadje, Naïn genaamd. Juist aan de poort komt hem een treurige stoet tegen. Het was een begrafenis. Zü verwekte te Naïn groote deelneming , want de doode was jong, en de eênige zoon van een weduwe. Deze vrouw verloor dus onuitsprekelijk veel door het sterven van dit haar kind. Velen gingen dan ook met haar achter het lijk van haar zoon, toen het werd gedragen naar het graf.
Als de Heer al die bedroefde menschen, en vooral als hjj die bedroefde moeder ziet, vervult een diep medelijden zijn hart. Men kan het hem aanzien, dat lijj innig wordt bewogen door de smart van deze moeder. Hjj vat terstond het voornemen op, om haar te verrassen, en zegt tot haar: „Vrees niet!quot; Daarop gaat hij tot de baar, en de mannen, die haar dragen, staan stil zonder dat het hun wordt gezegd. Allen slaan met ingehouden adem den Heer gade — en daar weerklinkt zjjn stem: „Jongeling, ik zeg u: sta op!quot; En de doode richtte zich overeind en begon te spreken — en de Heer gaf hem aan zijne moeder.
Hoe zullen wjj ons goed kunnen voorstellen, hoe blij die vrouw moet zjjn geweest, en welk een indruk deze gebeurtenis moet hebben gemaakt op allen, die er getuigen van waren. Zij waren er door ontroerd, gelijk zjj zulks nimmer waren geweest. „Een groot profeet,quot; zoo riepen zjj uit, „is onder ons opgestaan, en God heeft zjjn volk bezocht.quot;
Voorzeker, weinige geschiedenissen uit den bijbel zijn treffender dan die van de opwekking van den jongeling te Naïn.
In diezelfde dagen werd de Heer tot een maaltijd uitgenoodigd door een f'arizeër, wiens naam was Simon. Wjj weten niet wat Simon bewogen heeft den Heer uit te noodigen, want lijj ontving zijn gast koel en onhartelijk. Dat moet voor den Heer, wiens hart steeds overvloeiende was van liefde, zeer pijnlijk zijn geweest. Maar lang was hij nog niet in het huis van den farizeër, of daar komt een vrouw binnen, van wie ieder wel wist, dat zjj zeer verkeerd en zondig leefde. Zij treedt toe op den Heer, en plaatst zich achter hem, aan zijn voeten. O ij moet weten, dat men toen bij do Joden niet gelijk wjj aan
tafel sat op stoelen , maar lag op rustbanken en de voeten niet onder de tafel werden gehouden, maar rustten op de bank, zoodat de vrouw zich bjj 'sHeeren voeten plaatsen kon. Zij had meegebracht een kruik met zalf. Bij den Heer gekomen begon zy te weeuen, zoodat de voeten des Heeren nat werden van haar tranen, en zij droogde ze af met de haren van haar hootd; toen kuste zij zijn voeten en stortte er de zalf over uit, die zij had meegebracht.
Zij wilde door dit alles te kennen geven, dat zij den Heer onuitsprekelijk lief had, en hem hoogelijk vereerde. En waarom had zij hem lief? Omdat hij haar gebracht had van den heilloozen weg der zonde, haar tot een nieuw leven lust en krachten had geschonken.
Welnu, hierover had ieder, die het zag en hoorde blij moeten wezen. Of is het niet heerlijk, wanneer een zondig mensch zicli bekeert tot God?
Maar de farizeën, die zoo hoog van zich zeiven dachten, en zoo laag op anderen nederzagen , vonden het zeer ongepast, dat zulk een zondares als deze vrouw zich niet ontzag den Heer aan te raken, en zijn voeten te kussen. Ook begrijpen zij niet, waarom de Heer het toestaat. Hij had, zoo meenden zij, het moeten verbieden, de vrouw van zich moeten stooten. Nu hij het niet deed, leidden zij daaruit af, dat de Heer uiet wist, wie die vrouw was. En daaruit bleek dan, dat hij geen profeet kon wezen, want een profeet zou men op die wijze niet kunnen bedriegen. Het was voor die vrouw een pijnlijk oogenblik, toen zij daar zoo liefdeloos veroordeeld , en zoo onvriendelijk aangestaard werd.
Maar ook hier heeft de Heer zijn macht en zijn liefde heerlijk geopenbaard.
Hij spreekt Simon aan, en zegt: „Simon, ik heb u wat te zeggen.quot; Hjj antwoordt: „Meester, zeg het!quot;
Daarop verhaalt de Heer hem een gelijkenis, waarin een vraag lag opgesloten. Er was iemand, zoo zegt de Heer, aan wien twee menschen een som gelds schuldig waren. De een moest 500 penningen betalen, en de andere 50. Nu wordt het hun beiden kwijt gescholden. Wie denkt gij nu , zoo vraagt de Heer aan Simon, dat van deze twee schuldenaren wel het biydste was? Natuurlijk antwoordt Simon: Ik denk, dat luj het is, aan wien het meest werd kwijt gescholden.
Oü hebt recht geoordeeld, zegt de Heiland. Zóó is het. En daarop maakt de Heer, hetgeen wy zouden noemen kunnen: de toepassing. Ziet gij , zoo gaat hij voort, ziet gy deze vrouw ? Wat is zij jegens mij veel vriendelijker en hartelijker dan gy. Ik ben in uw huis gekomen, en g'y hebt mij geen water gegeven om myn voeten te wasschen, wat gij toch hadt behooren te doen; maar deze vrouw heeft myne voeten met haar tranen nat gemaakt, en afgedroogd met het haar van haar hoofd. Gij hebt mij geen kus gegeven, maar deze vrouw heeft niet opgehouden mijn voeten te kussen. Gy hebt myn hoofd niet met olie gezalfd,
15
226
maar zjj heeft mijne voeten met zalt' gezalfd. En waarom was die vrouw niet zoo koel als Simon, maar overvloedig in het betoonen van haar liefde ? Zij had veel lief, omdat haar veel vergeven was. Al haar zonden, die vele waren, had de Heer haar kwijt gescholden. Maar Simon, die dacht dat hij weinig kwaad had gedaan, en dat hem dus weinig behoefde vergeven te worden , meende dat hü den Heer niet veel liefde had te bewijzen. Hij,wien weinig is vergeven, heeft weinig lief.
Daarop zegt de Heer tot de vrouw : Uwe zonden zijn u vergeven.
Maar ook dit woord ontstemde degenen, die met Simon aanzaten. Bij zich zeiven zeiden zij : Wie is deze, dat hij ook de zonden vergeeft ?
Maar de Heer sprak tot haar: BUw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.quot;
Is ook dit geen treffende geschiedenis? Hij is dezelfde genadige en machtige Heiland, die dooden terugroept in het leven, en zondaars verlost uit de macht der ongerechtigheid, om hen in vrede te doen leven en sterven.
HOOFDSTUK V.
DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER NIEUWE WONDEREN VAN DEN HEER IN GALILEA
Weinig geschiedenissen in den bijbel zijn meer ontzettend, en leeren duidelijker, hoe de zonde den mensch maakt tot haar slaaf dan de dood van Johannes den Dooper. Hij is onthoofd op last van Herodes, den viervorst van Galiléa.
Deze vorst, een zoon van dien Herodes, die de kinderen te Bethlehem om 't leven had doen brengen, had zijn wettige vrouw verstoeten, en in hare plaats de vrouw van zijn broeder Filippus genomen, die te zwak was om deze daad van ontucht en geweld te verhinderen.
Niemand keurde deze daad goed. Zij was in strijd met menschelijke en met goddelijke wetten. Maar niemand durfde den machtigen vorst bestraften, en hem vermanen, om de onwettige verbindtenis met Herodias te verbreken. Niemand ? Ja, toch één heeft er den moed toe; en die ééne is Johannes de Dooper. Gelijk , lang geleden, de profeet Nathan was gegaan tot koning David, om hem Gods heilig ongenoegen aan te kondigen over zijn zonde met Bathséba, zoo treedt nu, onverschrokken, Johannes toe op Herodes, en zegt tot hem: „Het is niet geoorloofd uws broeders huisvrouw te hebben.quot;
227
Menigeen dacht zeker, dat de profeet voor deze stoutmoedigheid zwaar zou hebben te boeten, misschien wel ter dood gebracht zou worden door den vertoornden vorst: maar neen, zijn woord heeft bij Herodes geen gramschap verwekt, doch schrik. Zijn geweten klaagde hem aan, en hy moest bekennen, dat Johannes de waarheid sprak. Hij mocht eigenlijk Herodias (zóó heette zp onwettige vrouw) niet hebben.
Maar Herodias was zeer gekrenkt door het optreden van Johannes den Dooper, en hield het niet verborgen, dat zjj hem om 'tleven zou brengen. Hn wat deed Herodes, toen hij dat hoorde? Hy liet Johannes gevangen nemen, om hem te kunnen beveiligen tegen de aanslagen van Herodias.
Doch hy deed meer. Gedurig ging hij naar de gevangenis. Dan ontsloten zich voor hem de zware deuren, die knersend opengingen, en dan sprak de strenge profeet tot den zwakken , onkuischen vorst van matigheid, rechtvaardigheid en toekomend oordeel. En Herodes hoorde hem gaarne ; hjj stemde toe dat Johannes de waarheid sprak, en hij deed veel van hetgeen hein door den profeet werd voorgehouden. Herodias echter behield hij. En zij liet haar plan niet varen , om dien man, die in haar oogen zoo gevaarlijk was, uit den weg te ruimen. Wat zy niet had kannen verkrijgen met geweld, zal zy nu bereiken door list.
De dag brak aan van Herodes' geboortefeest. Hy werd met luister gevierd , en besloten met een grooten maaltyd, waartoe al de voornaamsten en de grooten des lands waren uitgenoodigd. Reeds heeft men een tijdlang aangezeten , en gedurig is de beker met vonkelenden wijn reeds geledigd — als plotseling een ver-schyning binnentreedt, die aller oogen tot zich trekt. Wie het is? Het dochtertje van Herodias. Door haar zwierige kleeding, door haar bevallige houdingen, door al de aanlokkeiykheden van den Oosterschen dans, behaagt en vermaakt zy Herodes en al zijn grooten. En als zy eindeiyk by haar stiefvader zich neder vleit, en allen den vorst geluk wenschen met zulk een dochter, zegt hij tot haar: «Vraag van mij, wat ik u geven zal. Gij kunt alles van imj verkry'gen, al is het de helft van mijn koninkrijk.quot;
Het meisje is natuurlijk zeer blijde met dit milde aanbod van den koning, en yit naar hare moeder, om haar te vragen: „Wat zal ik eischen?quot; En Herodias, die voorzien had, dat haar dochter inet deze vraag tot haar komen zou, is met haar antwoord terstond gereed. 7A] zegt: „Gij moet vragen om het hoofd van Johannes den Dooper.quot;
Heeft haar dochter dat werkelijk gevraagd; of heeft z'ij gezegd; „Neen, dat is al te akelig, dat kan ik niet vragen ?quot; Hoor, wat zy deed. Zy snelt van haar moeder terug naar Herodes, en zegt: „Ik wil dat gij my nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Dooper.quot; Het biykt, dat zy wel wist , waarom haar moeder dien profeet zoo doodelijk haatte: ofschoon nog
226
maar zy heeft mijne voeten met zalf gezalfd. En waarom was die vrouw niet zoo koel als Simon, maar overvloedig in het betoonen van haar liefde ? Zij had veel lief, omdat haar veel vergeven was. Al haar zonden, die vele waren, had de Heer haar kwyt gescholden. Maar Simon, die dacht dat hjj weinig kwaad had gedaan, en dat hem dus weinig behoefde vergeven te worden , meende dat hü den Heer niet veel liefde had te bewijzen. Hij,wien weinig is vergeven, heeft weinig lief.
Daarop zegt de Heer tot de vrouw: Uwe zonden zijn u vergeven.
Maar ook dit woord ontstemde degenen, die met Simon aanzaten. By zich zeiven zeiden zij: Wie is deze, dat hij ook de zonden vergeeft ?
Maar de Heer sprak tot haar : „Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede.quot;
Is ook dit geen treffende geschiedenis? Hy is dezelfde genadige en machtige Heiland, die dooden terugroept in het leven, en zondaars verlost uit de macht der ongerechtigheid, om hen in vrede te doen leven en sterven.
HOOFDSTUK V.
DOOD VAN JOHANNES OEN DOOPER NIEUWE WONDEREN VAN DEN HEER IN GALILEA
Weinig geschiedenissen in den bijbel zy'n meer ontzettend, en leeren duide-lyker, hoe de zonde den mensch maakt tot haar slaaf dan de dood van Johannes den Dooper. Hij is onthoofd op last van Herodes, den viervorst van Galiléa.
Deze vorst, een zoon van dien Herodes, die de kinderen te Bethlehem om 't leven had doen brengen, had zijn wettige vrouw verstooten, en in hare plaats de vrouw van zyn broeder Filippus genomen, die te zwak was om deze daad van ontucht en geweld te verhinderen.
Niemand keurde deze daad goed. Zij was in strijd met menschelijke en met goddeiyke wetten. Maar niemand durfde den machtigen vorst bestraften, en hem vermanen, om de onwettige verbindtenis met Herodias te verbreken. Niemand ? Ja, toch één heeft er den moed toe: en die ééne is Johannes de Dooper. Uc-lyk, lang geleden , de profeet Nathan was gegaan tot koning David, om hem Gods heilig ongenoegen aan te kondigen over zyn zonde met Bathséba, zoo treedt nu, onverschrokken, Johannes toe op Herodes, en zegt tot hem: „Het is niet geoorloofd uws broeders huisvrouw te hebben.quot;
Menigeen dacht zeker, dat de profeet voor deze stoutmoedigheid zwaar zou hebben te boeten, misschien wel ter dood gebracht zou worden door den vertoornden vorst: maar neen, zijn woord heeft bü Herodes geen gramschap verwekt , docli schrik. Zijn geweten klaagde hem aan, en hij moest bekennen, dat Johannes de waarheid sprak. Hij mocht eigenlijk Herodias (zóó heette zjjn onwettige vrouw) niet hebben.
Maar Herodias was zeer gekrenkt door het optreden van Johannes den Dooper, en hield liet niet verborgen, dat zjj hem om 't leven zou brengen, fin wat deed Herodes, toen hij dat hoorde? Hij liet Johannes gevangen nemen, om hem te kunnen beveiligen tegen de aanslagen van Herodias.
Doch hü deed meer. Gedurig ging hij naar de gevangenis. Dan ontsloten zich voor hem de zware deuren, die knersend opengingen, en dan sprak de strenge profeet tot den zwakken , onkuischen vorst van matigheid, rechtvaardigheid en toekomend oordeel. En Herodes hoorde hem gaarne ; hjj stemde toe dat Johannes de waarheid sprak, en hij deed veel van hetgeen hem door den profeet werd voorgehouden. Herodias echter behield hij. En zjj liet haar plan niet varen, om dien man, die in haar oogen zoo gevaarlijk was, uit den weg te ruimen. Wat zij niet had kunnen verkrijgen met geweld, zal zij nu bereiken door list.
De dag brak aan van Herodes' geboortefeest. Hij werd met luister gevierd, en besloten met een groeten maaltijd, waartoe al de voornaamsten en de grooten des lands waren uitgenoodigd. Reeds heeft men een tijdlang aangezeten, en gedurig is de beker met vonkelenden wijn reeds geledigd — als plotseling een verschijning binnentreedt, die aller oogen tot zich trekt. Wie het is ? Het dochtertje van Herodias. Door haar zwierige kleeding, door haar bevallige houdingen, door al de aanlokkelijkheden van den Oosterschen dans, behaagt en vermaakt zij Herodes en al zijn grooten. En als zij eindelijk bij haar stiefvader zich neder vleit, en allen den vorst geluk wenschen met zulk een dochter, zegt hij tot haar: „Vraag van mij, wat ik u geven zal. Gü kunt alles van mij verkrijgen, al is het de helft van mijn koninkrijk.quot;
Het meisje is natuurlijk zeer blijde met dit milde aanbod van den koning, en ijlt naar hare moeder, om haar te vragen: „Wat zal ik eischen ?quot; En Herodias, die voorzien had, dat haar dochter met deze vraag tot haar komen zou, is met haar antwoord terstond gereed. Zjj zegt: „Gij moet vragen om het hoofd van Johannes den Dooper.quot;
Heeft haar dochter dat werkelijk gevraagd; of heeft zy gezegd; „Neen, dat is al te akelig, dat kan ik niet vragen ?quot; Hoor, wat zij deed. Zij snelt van haar moeder terug naar Herodes, en zegt: „Ik wil dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Dooper.quot; Het blijkt, dat zij wel wist , waarom haar moeder dien profeet zoo doodelijk haatte; ofschoon nog
228
jong, was zij reecis diep verdorven. Maar Herodes ontroert in de hoogste mate, als hij dat verzoek van zijn dochter hoort.
Op eenmaal doorziet liy den strik , hein door Herodias gespannen. Zyn geweten , zyn plicht, zijn besef van eer gebieden hem aan dat verzoek van zijn onwettige vrouw niet te voldoen — maar hij schaamde zich, Johannes in bescherming te nemen, in de tegenwoordigheid van al zijne gastvrienden; lijj was bevreesd den toorn op te wekken van Herodias; ook meende hy (maar ten onrechte) gebonden te zijn door de eeden , die hij er op gedaan had, dat hij zon geven wat het dochterken van hem verlangde — en na eenige aarzeling geelt hij aan een zijner trawanten last, om Johannes in de gevangenis te onthoofden, en zyn hoofd mede te brengen. En zóó is het geschied. Na eenige oogenblikken wachtens, daar treedt de dienaar binnen; in zijn handen houdt hy een schotel; en op dien schotel ligt het bleek en bloedend hoofd van den grootsten der profeten.
En wat doet het dochterken van Herodias? LJst en deinst zij terug voor dit afgrijselijk geschenk? Neen, zij neemt den schotel aan, en gaat ermede tot haro moeder .... Men verhaalt, dat Herodias toen een naald heeft genomen , en daarmee de tong heeft doorstoken van Johannes, die tot Herodes gesproken had: „Het is u niet geoorloofd, de huisvrouw te hebben van uwen broeder.quot; — Wat dunkt u: is dit niet een ontzettende geschiedenis?
Tegenover deze schrikkelijke misdaad komt dos te treffender uit het leven van den Heer Jezus, die steeds voortging met weldadigheid te bewijzen , en het verlorene te zoeken.
Overal waar hy kwam , bracht men kranken en lijdenden tot hem, en hij genas ze allen.
Zoo verloste hij, in liet land der Gadarenen vertoevende, een man, die gekweld werd door de overmacht van een aantal booze geesten. De ongelukkige had dag noch nacht rust. Hij verscheurde zijne kleederen, hij sloeg zich zeiven met steenen, hij hield zich op in de spelonken, die men gebruikte voor graven, en vervulde den geheelen omtrek met zyn naargeestig geroep. En deze man is door den Heer Jezus volkomen verlost van de booze geesten, di3 hem hadden overmeesterd. De geesten zijn gevaren in een kudde zwijnen, die daar in den omtrek graasden, en men zag den man , dien men met ketenen niet boeien kon, rustig en wèl bij zyn verstand.
In dienzelfden tijd heeft de Heer aan zyne apostelen de macht getoond, welke hij bezat over de natuur. Een zeer drukke dag was ten einde, en aan den avond ging hij met eenige discipelen in een schip, om over te varen naar de overzijde van het meer. Hij was vermoeid, en in het achterschip lag hij neder, en sliep op een oorkussen. Daar steekt, gelyk zulks op het meer van Gaiilea dikwijls
229
geschiedt , plotseling een geweldige storm op, de liooge golven slaan lioen over het ranke schip, dat door liet water, hetwelk het schepte, dreigde te zinken. Daar snellen de discipelen toe op den Hoer, die nog altijd, ondanks den storm, rustig lag in het achterschip in een diepen slaap verzonken. „Meester,quot; zoo roepen zij, terwijl zjj hem wekken, „bekommert het u niet, dat wyvergaan?quot; En hjj ontwaakt zijnde, begeeft zich naar het voorschip, en hij bestraft den wind en zegt tot de zee: „Zwjjg, wees stil.quot; En de wind, gehoorzaam aan het bevel van den Hoer ging liggen, en er werd eon grooto stilte.
Toen zeide hij tot zjjn dicipelen : „Wat zyt gjj zoo vreesachtig ? Hoe hebt gij goen geloof? Vreesdet gij te zullen vergaan, terwijl Ik met u aan boord was ?quot; »Grooter dan de helper is de nood toch niet,quot; dit is terecht gezegd, maar wjj vinden het zoor verklaarbaar, dat de apostelen vreesden met groote vreeze, en tot elkander zeiden: „Wie is deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zjjn ?quot;
HOOFDSTUK VI. EENIGE GELIJKENISSEN.
Wjj willen in dit hootdstuk enkele gelijkenissen modedeolen van den Heer. Wy kunnen ze niet allen hier opnemen, maar het valt moeiolijk oen keuze te doen.
Wij beginnen met de gelijkenis van den zaaier. De Israëlieten, die tegenwoordig althans in ons Nederland, niet worden aangetroffen in den boerenstand , waren toen zij nog in Palestina leefden, voortreffelijke landbouwers, die hun akker zeer goed wisten te bearbeiden en te onderhouden. Aan het landbouwbcdnjfin Ga-lilea is de gelijkenis van den zaaier dan ook ontleend. — Een zaaier ging uit om zaaien. Wij zien hem daar voortschrijden over den akker, die gereed staat om het zaad te ontvangen, dat do landman met volle handen er in uitstrooide. Doch terwijl lijj zaait vallen enkele korrels op het harde voetpad, dat langs den akker loopt. En terstond komen do vogelen des hemels, dio daar als het ware op gewacht iiebben, en pikken do korrels, die zij vonden weg — en aten ze op.
Hier en daar op don akker waren plekken, waar slechts een dunne laag aarde
230
ilen steenen ondergrond bedekte. Wel ontkiemden de korrels, die op deze plaatsen vielen, en schoten voorspoedig op, doch lang duurt het niet, of de wortels, die het voedsel uit de aarde op moeten trekken, stuitten op de harde steenen en kunnen niet verder doordringen. Nu krijgt het opschietend koren gebrek aan vocht, en geblakerd door den heeten zonneschijn, gaat het weldra kwijnen en verdorren. — Andere korrels vallen in een gedeelte van den akker, waarin zich zaad bevond van doornen. Daar ontstond nu een strijd tusschen het opwassend koren en de opwassende doornen. En de laaste winnen het; weldra hebben zij het koren geheel verstikt.
Maar gelukkig vielen andere korrels in goede aarde; daar konden zü wortelen schieten, en stand houden ook in den felsten zonneschijn, en zij brengen allen vrucht voort, de een dertig- de ander zestig-, de ander honderdvoud,
Gelijk het ging met het zaad, gaat het met het Evangelie. Het wordt ook uitgestrooid in de harten der menscheu, als op een akker. Hoe komt het nu, dat het bij den een indruk maakt en vruchten voortbrengt, en bij den ander niet ? Dat hangt geheel af van ons hart, van de gezindheid des gemoeds , waarin wij het woords Gods aanhooren en ontvangen.
De Heer heeft nog een andere gelijkenis verhaald van een zaaier. Deze had door zijne knechten, dit ivist hij, goed zaad laten zaaien in zijn akker; maar 's nachts, terwijl de menschen sliepen, kwam een vijand van hem en strooide tusschen de tarwe het zaad van een onkruid, dat eene groote gelijkenis heeft met tarwe. Als nu de knechten dat ontdekken, gaan zij tot hun Heer, en zeggen: wij zien onkruid tusschen de tarwe staan, en toch hebben wü goed zaad gezaaid op uw akker: vanwaar komt nu dat onkruid ? En de heer antwoordt: een vijandig mensch heeft dat gedaan.
De knechten vragen nu verlof, om het onkruid uit te trekken; maar hun heer zegt: doet dat niet, want gij zoudt met het onkruid de tarwe uittrekken , en dus meer kwaad doen dan goed. Laat beiden tezamen opwassen tot den dag des oogstes. Dan zal ik tot de maaiers zeggen: „vergadert eerst het onkruid , en bindt het in bossen, om het te verbranden, maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.quot;
Op den grooten akker der wereld zijn goede en slechte menschen ondereen vermengd. Nu moeten wij niet denken, dat wij ze altijd van elkander onderscheiden en nu reeds scheiden mogen: de Heer zal dat eenmaal doen, Hij die aller menschen harten kent; en Hij zal de rechtvaardigen eenmaal doen blinken als de zon, maar de goddeloozen werpen in den vurigen oven; daar zal weening zijn en knersing der tanden.
Het koninkrijk Gods heelt de Heer ook vergeleken met een mosterdzaad, dat wel zeer klein is, maar waaruit toch een boom groeit, zóó groot, dat de vogelen
231
nestelen in zjjn takken; en mot een zuurdeesem , (een stuk zuur geworden deeg) dat in het deeg gelegd , liet geheel doorzuurt, zjjn zuren smaak er aan meedeelt.
Tot de allerschoonste gelijkenissen, welke de Heer Jezus heeft verhaald , behoort het drietal, dat wy vinden in Lucas 15.
Op een zekeren tijd kwamen tot den Heer vele menschen , die bekend stonden als menschen van een zondigen levenswandel. Zij worden dan ook genoemd „tollenaars en zondaarsquot;. Zij kwamen niet uit nieuwsgierigheid, maar uit belangstelling. Zij verlangden hem te hooren. Dat was iets verbljjaends, en men zou zeggen dat ieder, die het goed met hen meende, met welgevallen had moeten zien , hoe de Heiland zich over die menschen ontfermde. Maar neen, de farizeeën en de schriftgeleerden zeggen op afkeurenden toon: „Deze ontvangt de zondaars en eet met hen.quot; En het is met het oog op die afkeuring van zyn zondaarsliefde, dat de Heer de gelijkenissen heeft uitgesproken van 't verloren schaap, den verloren penning en den verloren moon.
Den inhoud van die derde gelijkenis willen wjj hier mededelen, Een mensch had twee zonen. De jongste zoon gevoelde in zich de begeerte opkomen, om uit het oog zijns vaders te zijn, en dan te kunnen doen, wat hij wilde. Hy vraagt dus zijn erfdeel op, en de vader gaf het hem. Nu reist de zoon weg, ver weg, naar een vreemd land, en leidt er een losbandig leven. Met lichtzinnige vrienden viert hij het eene feest na het andere, en lang duurt het niet — of alles wat hij heeft, is verteerd.
Als hij nu tot de ontdekking komt, dat hü eigenlijk een arm man is geworden , begint er hongersnood te heerschen , en hij, die tot heden in weelde had geleefd, en niet wist wat arbeiden was, ziet zich van alles beroofd , en zijn vrienden, die hij zoo dikwerf had onthaald, laten nu hem over aan zijn lot. Daar hjj toch moest eten, begeeft hij zich tot een van de burgers des lands, en vraagt, of deze hem ook kan helpen aan werk. En wat is het antwoord ? GÜ kunt, indien gij dat wilt, naar mijn land gaan, om de zwijnen te hoeden.
Alles in den verloren zoon kwam op tegen dat voorstel. Een werk, meer vernederend en meer verachtelijk dan dat van den zwijnenhoeder was er niet — hoe kon men het opdragen aan hem, den zoon van goeden huize, den Israëliet, voor wien de zwijnen behooren tot de onreine dieren? Maar hy moest wel gaan, want hy had te kiezen tusschen het gaan naar den akker, waar de zwjjnen weidden — en den hongerdood.
Zoo ging hy dan, gansch alleen. Daar zat hij neder by de kudde, en niemand bekommert zich om hem. Voor de zwijnen stonden bakken met voedsel gereed, maar aan hem had niemand gedacht, ofschoon zyn honger groot was. o, Wat is zijn lot verschrikkelijk! Hoe diep was hij gezonken ! Hy kan het
232
niet nalaten or aan to denken, hoc bitter ongelukkig hy was. Arm, vreemd, hongerig, omringd door dieren, die zijn weerzin opwekken, doch voor wie beter wordt gezorgd dan voor hem, aan wien niemand denkt ....
Nu komt hij tot zich zelf. Hij hoett, sinds hij zijn ouderlijk huis verliet, steeds geleefd in een zekere bedwelming, of opwinding; steeds maar voortge-
geleefd en voortgehold van het eene feest naar het andere____en nu komt lijj
tot zich zelf, keert tot zich zeiven in , gelijk wjj een woning binnen treden, die wij sinds lang voorbjj waren gegaan. En daar plaatst zich voor zijn geest het beeld van liet huis zijns vaders. Hoe goed had het daar iedereen: een huurling, een knecht had het daar beter dan hij; zij hadden overvloed van brood en hij verging van honger 1 Waarom zou hij niet opstaan en tot zijn vader gaan ? Als zoon kon hij niet weder aangenomen worden ; daar had hij geen aanspraak meer op; maar als knecht zou hij misschien worden geduld, als luj schuld beleed aan God en aan zijn vader. — Zoo is hij dan opgestaan , zóó als hij was, slecht gekleed, uitgehongerd en vervallen, 't Was een verre reis, maar eindelijk daar ziet hij het dak van 't onderlijk huis, en zijn schreden worden langzamer. Zou hy durven naderen? Wien zal hij het eerste zien? AVat zal zijn vader wel doen, als hij hem onder de oogen krijgt ?....
Doch, hjj behoeft niet lang met deze vragen zich te kwellen. Hjj is nog op grooten afstand, en daar ziet hem reeds zijn vader. Hoe ook door zyn kind gegriefd en bedroefd — zijn vader had hem niet vergeten, maar dag aan dag naar hem uitgezien, en op zijn terugkomst gehoopt en gerekend. En ofschoon hij er haveloos en haast onkenbaar uitzag — zija vader kent hem dadelijk, en als hij hem ziet, wordt hij innerlijk met ontferming over hem bewogen, en loopt op hem toe en omhelst hem, en kust hem, en geeft op allerlei wijs zijn groote blijdschap te kennen over de wederkomst van zijn afgedwaald kind. En wat doet zijn zoon? Hjj snikt liet uit: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen u, en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.quot; Maar de vader, als hy deze zoo ernstige en volledige schuldbelijdenis vernomen heeft, roept tot zjja knechten: „Brengt het beste kleed, en doet het hem aan, en schoenen aan zyn voeten, en een ring aan zijn hand — en slacht het gemeste kalf, en laat ons blijde zijn, want deze mijn zoon was dood en hij is weder levend geworden.quot;
Al den tjjd, waarin de jongste zoon in het verre land had vertoefd, was zijn vader niet recht bljj geweest. Maar nu gaat hij allen voor in het betoon van hartelijke vreugde. Reeds op grooten afstand hoort men het vrooiyk gezang, waarvan zijn huis vervuld was. En wat deed zijn oudste zoon ? Toen zijn broe-terug kwam, bevond hij zich in het veld. Doch, als lii) nu het ouderlijk huis nadert, en hoort de muziek en den zang, blijft hy staan, en vraagt, waarom
men zulk een blij leest viert. Als ineti hem antwoordt: ,Lrw broeder is teruggekomen , en uw vader heeft het gemeste kalt geslacht, omdat hij hem gezond terug heeft ontvangenquot;, zegt hij niet: „Welk een blijde tijding is dat! Hoe gelukkig zal vader zijn!quot; Neen, hij wordt toornig, 011 wil niet binnen komen. Daarom gaat zyn vader naar buiten tot hem, en noodigt hem mede feest te vieren. Maar die oudste zoon wilde niet. Hij keurde het zoo sterk mogelijk af, wat zjjn vader deed. Voor hem, die altijd thuis was geweest, en nooit iets kwaads had gedaan, was nog nooit een bokje geslacht, maar nu die jongste zoon, die al zijn goed in den dienst der zonde heeft doorgebracht, terug is gekoerd, nu wordt het gemeste kalf geslacht, nn weet zijn vader van blijdschap bijna niet, wat hij zal doen! Dat vindt zijn oudste zoon ongepast en onbillijk.
Met zachtheid en ernst brengt zijn vader hem onder 'toog , hoe hot van zelf sprak, dat lijj blij was, want zijn zoon was verloren, en was weder gevonden; hij was dood geweest en weder levend geworden. En zou men daarom niet blijde zyn ?quot;
üjj hoort het: over de bekeering van een zondaar moeten wij blijde zyn — gelijk er blijdschap is in de hemelen voor de engelen Gods.
Zeer bekend en ryk aan leering is ook de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan. Zy geelt ons het antwoord op de vraag tot den Heer gericht: Wie is myn naaste ?
Het is van belang dat te weten. Immers moeten wij onzen naaste liefhebben als ons zeiven. Maar hoe zullen wij dat kunnen doen, indien wij niet weten , wie onze naaste is. AVat zegt de Heer er dan van 'r1
Een zeker mensch ging van Jeruzalem naar Jericho, 't Was een eenzame weg, die door struikroovers dikwerf onveilig werd gemaakt. Do reiziger, van wien in de gelijkenis wordt gesproken, wordt dan ook door roovers overvallen , uitgeplunderd en geslagen, en half dood laten zy hem liggen. Er bestond weinig kans op, dat hy zou worden opgemerkt, want, zoo als wij zeiden , de weg was eenzaam. Doch „toevalligquot; komt daar een priester voorbij, en wie nu denkt, dat deze voorbijganger den ongelukkige zal helpen, vergist zich , want de priester gaat, zelfs zonder stil te staan, voorbij. Welk een teleurstelling voor den man , die daar zoo deerlyk gewond ter neder lag ! Maar niet lang daarna komt er een Leviet aan en die zal zeker helpen , want de levieten waren gewoon te dienen; en hij gaat ook niet zoo snel voorbij als de priester, maar toch, hy gaat voorbij tot onbeschrijfelijk verdriet van den man, die nu alle hoop op hulp liet varen. Doch wat gebeurt ? Daar nadert een vreemde, een Samaritaan. Indien hij den uitgeplnnderden Israëliet onmeedogend liet liggen, zou niemand zich daarover verwonderen, want de Jodenquot;en de Samaritanen haatten elkander
234
met grooteu haat, eu zeker herinnert gij u nog wel, bij welke gelegenheid de vijandschap tusschen die twee volken is ontstaan. En toch, wat zoo onwaarschijnlijk was, is gebeurd. De Samaritaan, de vreemde, de vijand heeft hulp verleend. Hij treedt op den gewonde toe; verbindt zjjn wonden, daarin gietende olie en wijn; zet hem op zijn ezel, en brengt hem in de naastbijzijnde herberg. Hij laat zich niet weerhouden door de gedachte, dat er wel eens rovers konden komen , om ook hem uit te plunderen. Hij denkt alleen: indien ik daar zoo eens nederlag, wat zoude ik wel wenschen, dat men deed met rnjj ? Welnu, zoo denkt hij verder, dan zal ik dat doen ; ik zal doen wat ik zou wenschen dat men mij deed. En daarbij vraagt hij niet, of de persoon , dien hy helpt, een vreemde is oi een landgenoot, een vijand of een vriend — hy verzorgt hem zoo goed als hy kan; hy geeft den waard der herberg geld, om den gewonden man nog eenige dagen te verplegen, en zegt: als gij te kort komt, dan zal ik dat later ook betalen. Wat dunkt u van zulk een menschlievende hartelijke behandeling ?
Als de Heer deze gelijkenis heeft uitgesproken, vraagt hy: Wie is nu de naaste geweest van den man, die door do rovers overvallen was ? Het antwoord luidde: die hem geholpen heeft. „Juist,quot; zegt de Heer, „zóó is het. Ga gij nu heen, en doe ook zoo.quot; Als gy iemand ziet, die hulp noodig heeft, dan zyt gij geroepen, om hem te helpen en het te doen naar uw beste vermogen.
Nu willen wij hier nog aan toevoegen een der meest bekende gelijkenissen , welke de Heer heeft uitgesproken , en wel die van den rijken man en den armen Lazarus.
Daar was een rijk man, die alle dagen vrooiyk en prachtig leefde. Gedurig richtte hg een maaltijd aan , en hy was gekleed in'purper en zeer fijn lynwaad. Daarmee zondigde hjj niet, want een rijke mag overeenkomstig zyn stand leven en zich kleeden. Maar wat was in dezen rijken man zeer af te keuren ? Op de straat voor zijn deur lag een dood-arm man , wiens lichaam overdekt was met booze zweren, die door de honden werden gelikt. Hy leed zulk een honger , dat hij begeerde verzadigd te worden met do kruimels, die vielen van de tafel des rijken, doch niemand gaf ze hem. Neen, daar dacht niemand aan. Men zag dien armen, lydenden bedelaar wel liggen , maar men deed , alsof men
hem niet zag...... Op zekeren dag is Lazarus gestorven, en daar waren er
waarschijnlijk weinigen die zyn heengaan opmerkten en betreurden ; doch, de engelen kwamen en droegen zijn ziel naar den hemel, of, zooals de bijbel het noemt, naar Abrahams schoot. Welk een eer, en welkeen verandering voor dezen man! Uit de diepste ellende wordt hy op eenmaal overgeplaatst in de hoogste zaligheid 1
235
Een poos daarna sterft ook de rijke man en hg wordt plechtig en deftig begraven — maar hij heft zijne oogen op , zijnde in de pijn. En als hy daar rond ziet, aanschouwt hij in de verte Abraham, en Lazarus in zyn schoot. En hij roept: „Vader Abraham, zend Lazarus dat hjj zijn vinger doope in water, en tot mij kome om mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.quot; Nh kent hij Lazarus wel, dien hij op aarde geen kruimken gunde, dat viel van zjjn tafel, en dien hij zoo dikwerf meedogenloos was voorbij gegaan.
Maar Abraham antwoordt hem: „Kind, gedenk dat gij uw goed hebt gehad in uw leven, en Lazarus het kwade. Nu wordt hjj getroost en gij lijdt smart. Doch bovendien, al wilde ik hem zenden, lüj kan tot u niet komen, want daar is tusschen u en mij een diepe klove: zij, die hier zijn kunnen niet bij u, en zjj, die bij ii zijn , kunnen niet hier komen.quot; Doch nu overvalt den rijken man de gedachte aan zijn broeders, die nog op aarde zp , en aan wie, als zjj in hun zonde bleven voortleven en stierven, hetzelfde lot, dezelfde pijn te wachten stond als hem — en daarom smeekt hij Abraham Lazarus tot zjjn broeders te zenden, om hen te waarschuwen. Abraham wijst hem er op, dat zjj reeds gewaarschuwd waren daar zij Mozes en de profeten , de boeken van het O.-Testament, kenden. Maaide rijke man meent, dat zij daaraan niet genoeg hadden ; indien er, zoo roept hij uit, iemand uit de dooden , indien Lazarus opstaat, en zjj hem zullen hooren , dan zullen zij zich bekeeren. Abraham ontkent dit echter, en zegt: „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zjj zullen zich niet bekeeren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond.quot;
Men ziet uit deze gelijkenis, welke hooge waarde de Heer toekent aan het bezit van Gods woord; en hoe groot de verantwoordelijkheid is van hen , die dat woord kennen.
HOOFDSTUK Vil.
sHEEREN LAATSTE DAGEN EN DADEN IN GALILEA.
De grootste helft van den tijd, dien de Heer zou doorbrengen in Galilea, was verstreken; toch heeft hij er, voordat hij zijn laatste reis naar Jerusalem deed nog vele treffende wonderen gedaan, en menig woord tot het volk gesproken. De man, die te Kapernaum aan het hoofd stond der synagoge, heette Jaïrus ; hij had een dochtertje van 12 jaar, en ziet, dat kind werd zoo krank, dat elk
234
niet grooteu liaat, eu zeker herinnert gjj u nog wel, bij welke gelegenheid de vijandschap tusschen die twee volken is ontstaan. En toch, wat zoo onwaarschijnlijk was, is gebeurd. De Samaritaan, de vreemde, de vijand heeft hulp verleend. Hij treedt op den gewonde toe; verbindt zp wonden, daarin gietende olio en wijn; zet hem op zijn ezel, en brengt hem in de naastbijzjjnde herberg. Hij laat zich niet weerhouden door de gedachte, dat er wel eens rovers konden komen , om ook hem uit te plunderen. Hij denkt alleen: indien ik daar zoo eens nederlag, wat zoude ik wel wenschen, dat men deed met mjj ? Welnu, zoo denkt hij verder, dan zal ik dat doen; ik zal doen wat ik zou wenschen dat men mij deed. En daarbij vraagt hy niet, of de persoon , dien hy helpt, een vreemde is of een landgenoot, een vijand of een vriend — hij verzorgt hem zoo goed als luj kan; hij geeft den waard der herberg geld, om den gewonden man nog eenige dagen te verplegen, en zegt: als gij te kort komt, dan zal ik dat later ook betalen. Wat dunkt u van zulk een mensehlieveiide hartelijke behandeling ?
Als de Heer deze gelijkenis heeft uitgesproken, vraagt hij: Wie is nu de naaste geweest van den man, die door de rovers overvallen was ? Het antwoord luidde: die hem geholpen heeft. „Juist,quot; zegt de Heer, „zóó is het. Ga gij nu heen, en doe ook zoo.quot; Als gij iemand ziet, die hulp noodig heeft, dan zyt gjj geroepen, om hem te helpen en het te doen naar uw beste vermogen.
Nu willen wij hier nog aan toevoegen een der meest bekende gelijkenissen , welke de Heer heeft uitgesproken , en wel die van den rijken man en den armen Lazarus.
Daar was een ryk man, die alle dagen vroolijk en prachtig leefde. Gedurig richtte hij een maaltijd aan, en hy was gekleed in'purper en zeer fijn lijnwaad. Daarmee zondigde hij niet, want een rijke mag overeenkomstig zijn stand leven en zich kleeden. Maar wat was in dezen rijken man zeer af te keuren ? Op de straat voor zijn deur lag een dood-arm man , wiens lichaam overdekt was met booze zweren, die door de honden werden gelikt. Hij leed zulk een honger, dat hfl begeerde verzadigd te worden met de kruimels, die vielen van de tafel des rijken, doch niemand gaf ze hem. Neen, daar dacht niemand aan. Men zag dien armen, lijdenden bedelaar wel liggen , maar men deed , alsof men
hem niet zag...... Op zekeren dag is Lazarus gestorven, en daar waren er
waarschijnlijk weinigen die zijn heengaan opmerkten en betreurden; doch, de engelen kwamen en droegen zijn ziel naar den hemel, of, zooals de bijbel het noemt, naar Abrahams schoot. Welk een eer, en welkeen verandering voor dezen man ! Uit de diepste ellende wordt luj op eenmaal overgeplaatst in de hoogste zaligheid 1
235
Een poos daarna sterft ook de rpe man en hij wordt plechtig en deftig begraven — maar hij heft zijne oogen op , zijnde in de pijn. En als hjj daar rond ziet, aanschouwt hjj in de verte Abraham, en Lazarus in zijn schoot. En hij roept: „Vader Abraham, zend Lazarus dat hy zijn vinger doope in water, en tot mij kome om mijn tong te verkoelen, want ik lijd smart in deze vlam.quot; Nu kent hij Lazarus wel, dien hij op aarde geen kruimken gunde, dat viel van zijn tafel, en dien hij zoo dikwerf meedogenloos was voorbij gegaan.
Maar Abraham antwoordt hem; „Kind, gedenk dat gij uw goed hebt gehad in uw leven, en Lazarus het kwade. Nu wordt hij getroost en gij lijdt smart. Doch bovendien, al wilde ik hem zenden, hij kan tot u niet komen, want daar is tusschen u en mij een diepe klove: zij, die hier zijn kunnen niet bij u, en zij, die bij u zijn , kunnen niet hier komen.quot; Doch nu overvalt den rijken man de gedachte aan zyn broeders, die nog op aarde zijn , en aan wie, als zjj in hun zonde bleven voortleven en stierven, hetzelfde lot, dezelfde pijn te wachten stond als hem — en daarom smeekt hij Abraham Lazarus tot zijn broeders te zenden, om hen te waarschuwen. Abraham wjjst hem er op, dat zij reeds gewaarschuwd waren daar zij Mozos en de profeten, de boeken van het O.-Testament,kenden. Maaide rijke man meent, dat zjj daaraan niet genoeg hadden ; indien er, zoo roept hjj uit, iemand uit de dooden , indien Lazarus opstaat, en zjj hem zullen hooren , dan zullen zij zich bekeeren. Abraham ontkent dit echter, en zegt: „Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zjj zullen zich niet bekeeren, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond.quot;
Men ziet uit deze gelijkenis, welke hooge waarde de Heer toekent aan het bezit van Gods woord; en hoe groot de verantwoordelijkheid is van hen. die dat woord kennen.
HOOFDSTUK VII.
sHEEREN LAATSTE DAGEN EN DADEN IN GALILEA.
De grootste helft van den tyd, dien de Heer zou doorbrengen in Galilea, was verstreken; toch heeft hij er, voordat hij zijn laatste reis naar Jerusalem deed nog vele treffende wonderen gedaan, en menig woord tot het volk gesproken. De man, die te Kapernaum aan het hoofd stond der synagoge, heette Jaïrus; hij had een dochtertje van 12 jaar, en ziet, dat kind werd zoo krank, dat elk
236
oogenblik do (.lood tegemoet werd gezien. De diep bedroefde vader ijlt tot den Heer, ca smeekt hem zijn dochtertje te genezen. Terstond verklaart de Heer zich bereid meê te gaan; maar dat viol niet gemakkelijk , door de dichte, hem omringende menigte. -Eer hij hot huis van Jaïrus heelt bereikt komt dan ook het bericht, dat het kind is gestorven, en dat dus de Heer nn te laat zou komen. Ware hjj dan ook een mensch geweest als wjj en niets moer, dan hadden zij gelijk gehad die tot Jaïrus zeiden: val den Meester niet moeielijk meer , want uw kind is immers gestorven, en tegen den dood is geen medicijn. — Maaide Heer zegt tot Jaïrus: „Vrees niet, geloot alleeniyk.
Als hij aan het sterfhuis is gekomen, bevinden zich daar reeds de menschen die van hun weeklagen en geween de geheele woning deden weergalmen — een misbaar, dat in 't Oosten in elk huis gemaakt wordt, waar een doode is. De Heer gelast echter aan die menschen, om heen te gaan, daar bet kind naar zjjn overtuiging niet dood was maar sliep. Men bespotte hem om die woorden. Het kind was wel degelijk gestorven , en sliep niet. Doch de Heer bekreunt zich verder niet om deze lieden, maar gaat met de ouders, on met Petrus, Jacobus en Johannes naar binnen, waar liet pas gestorven dochterken roerloos terneder lag. Het was een treurige aanblik, dat kind op dien zoo aanval! igen leeftijd weggerukt en nu daar zoo bleek en zielloos uitgestrekt op haar doodsbed.
De Heer gevoelt diep al de droefheid van die ouders, en al de macht van den dood, dien koning der verschrikking. Doch op eenmaal heft hij het hoofd op, grijpt de hand van het kind, en roept: „Talitha humtquot; d. w. z. „Dochtertje sta op!quot; — en terstond verrees zij. Zy was niet alleen ontwaakt, maar ook geheel genezen; daarom zegt de Heer, dat men haar te eten zal geven.
Onbekend bleef dit wonder niet, ofschoon de Heer had verzocht er geen ruchtbaarheid aan te geven. Talloos vele krank en en lijdenden aan allerlei kwalen , kwamen tot hem, en zoo velen er kwamen, werden gezond.
De Heer had dan ook een hart vol medelijden met die menigte, welke hem denken deed aan schapen zonder herder. Eens waren een ganschen dag ongeveer 5000 menschen hem gevolgd, om te luisteren naar zijne woorden. Daar begint de dag ten einde te snellen, en velen moesten nog een of meer uren gaan, voordat zij hun tehuis bereikt zouden hebben. De discipelen maakten den Meester daar opmerkzaam op, en zeiden: „Deze plaats is onbewoond en het is reeds laat op den dag. Laat de schare van U, opdat zy heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zich zeiven mogen koopen, want zij hebben niet, wat zij eten zullen.quot; Zeiven voor al die menschen brood koopen — dat ging toch niet aan, want welk een som golds zon dat niet vereischen ? Maar de Meer vroeg hun ; „Hoeveel brooden hebt gü?quot; En toen zij dat onderzocht hadden , bleek het, dat
.....
237
zij vijf brooden hadden en twee visschen. Daarop gebood de Heiland, dat zjj allen zouden neclerzitten by afdeelingen van honderd en van vijftig. En als zü allen gezeten zyn, neemt de Heer die vijf brooden en twee visschen en ziet op naar den hemel, en zegent en breekt de brooden en geeft ze den discipelen, om ze uit te dealen onder de scharen; en hetzelfde deed hij met de visschen. En zij aten allen en werden verzadigd. Zelfs schoten er nog twaalf korven met brokken over, en van de visschen. — Dit noemt men de wonderbare spijziging.
Onmiddellijk daarna dwingt de Heer zjjii discipelen in hun schip te gaan, en over te varen naar den anderen oever van liet meer. Hij bleef achter, en als hij de schare uiteen heeft doen gaan, stijgt hg den berg op om te bidden. — Het was in den nacht ongeveer 3 uur, dat hij zag, hoe zijn discipelen op het meer weinig vorderden, daar de wind hun tegen was. Zoo daalt hij af van den berg en wandelt over de zee naar het schip, en als hij nabij is gekomen, wilde hij hen voorbij gaan.
Doch wat dachten de discipelen? Dat zij een spook zagen, en zij schreeuwden van angst. De gedachte, dat het de Heer kon zijn, kwam zelfs niet bij hen op. Maar hij, als hij hun angst zag, zeide: „Vreest niet. Ik ben het.quot;
Was het de Heer? Welnu dan wil Petrus tot hem gaan; daarom roept hij hem toe: „Heer, indien gij het zjjt, zoo gebied mij tot u te komen op het water.quot; En hy zeide: „Kom.quot; Daar klimt Petrus van het schip, en waarlijk, ook hij wandelt op de zee, maar slechts een oogenblik. Want als de wind zich verheit, en een hooge golf op hem aan komt rollen, daar wordt hij bang, en op hetzelfde oogenblik begint hij te zinken.
Hij zou in de diepte zijn weggezonken, indien de Heer niet de hand tot hem uitgestoken, en hem gegrepen had, zeggende: „Gij, kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld?quot;
De Heer kwam toen met Petrus aan boord, en met de meer dan verbaasde discipelen werd de reis gelukkig voortgezet.
Men moet niet denken dat allen, die eens den Heer volgden, dat hieven doen. Neen, velen begonnen hem te verlaten, en een min of meer onvriendelijke houding tegenover hem aan te nemen. Wie het waren? Het waren menschen, die den Heer volgden alleen om de teekenen, die hij deed. Zij bewonderden hem. Maar toen de Heer hen zeer ernstig aanzeide, dat hy iets anders van hen eischte, en wel dit, dat zjj zich bekeeren, in hem gelooven, en boven alles de hemelsche dingen zoeken zouden — toen wendden zü zich van hem af, want hun hart bleef gehecht aan liet aardsche. Zij wilden van geloof en bekeering niets weten. Met diepe droefheid heeft de Heer hen zeker zien henen gaan. Hjj wilde hen gaarne allen behouden. Als de goede herder, kwam
238
hij al die verloren schapen zoeken, en strekte hij de handen naar hen uit, maar zij hebben niet gewild.
Daarom werd hij te meer getrolï'en en verblijd door het groot geloof van een vrouw, bij wie men zulks wel het allerminst zou hebben verwacht. Wij zullen u zeggen, waaraan wij denken. De Heer vertoefde aan de noord-westelijke grenzen van Galilea, waar dit land paalde aan Fenicië. De stad Tyrus was er niet ver van verwijderd. Hy vertoefde er in een huis, want het was niet zijn bedoeling , om er zich bekend te maken, en er openlijk op te treden. Maar hy kon niet verborgen blijven. Dit bleek hieruit, dat een vrouw, wier dochterken een onreinen geest had, het huis, waar hjj was, binnendrong en nederviel aan zijn voeten. Zij was een heidensche vrouw, geboortig uit Syro-Fenicie.
En als zij zich, vol eerbied aan 's Heeren voeten heett nedergeworpen, bidt zij hem, den boozeu geest te werpen uit haar dochter, daar zy er vast van overtuigd is, dat de Heer zulks doen kan. Wie nu verwacht, dat de, Heiland terstond gehoor zal geven aan haar bede, vergist zich. Immers wat zegt hy ? „Laat eerst de kinderen verzadigd worden. Want het is niet betamelijk , dat men het brood voor de kinderen bestemd, neemt en het de hondekens toewerpt.quot; Dat antwoord klinkt niet zeer vriendelijk. Waarom vergelijkt de heer de,5e vrouw bü een hondeke ? Omdat de Joden gewoon waren de heidenen honden te noemen. De Heer wil dus zeggen: Myn wonderen doe ik alleen voor de Israëlieten, en niet voor de heidenen. Liet ik de Israëlieten over aan hun lot, en hielp ik de heidenen, dan zou ik gelijk zyn aan den vader, die het brood van zijn kinderen geeft aan de honden.
Waarom spreekt de Heer alzoo tot deze vrouw? Om haar geloof op de proef te stellen. Zij moest toonen zulk een ruim denkbeeld te hebben van 's Heeren macht en liefde, dat zij kon vertrouwen: ook mij, al ben ik een heidensche vrouw, zal hij niet ongetroost henen zenden. En dat is ook niet gebeurd. Immers de vrouw heeft den Heer als by zijn eigen woord vastgehouden, want zy zeide: „Ja Heer, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens dor kinderen.quot;
Welk een treffend antwoord! Neen, zij stelt zich niet gelyk met de kinderen. Zij maakt geen aanspraak op dezelfde voorrechten als de Israëlieten. Zij vraagt om niets meer dan om hetgeen toch aan do hondekens niet geweigerd wordt. De disch des Heeren was zoo ruim voorzien, zijn macht zoo groot, dat een kruimken daarvan voldoende was, om haar kind te verlossen van haar schrikkelijke kwaal.
Wij weten niet wat wij in dit antwoord het meest moeten bewonderen: de gevatheid, waarmee zy gebruik maakt van 's Heeren beeldspraak, die haar een hondeke had genoemd; of haar nederigheid, die haar doet erkennen, dat zjj
239
geen aanspraak heeft op de voorrechten van Israël; of haar geloof, dat haar doet volharden, en niet heengaan voordat zij is geholpen.
De Heer is dan ook door dit woord zóó getroffen, dat hjj zeide: „Om dezes woords wil ga heen, de booze geest is uit uwe dochter uitgevaren.quot;
Omstreeks dien tijd begon de Heer tot zijn discipelen te spreken van een zaak, die hoe langer hoe meer zijn gemoed vervulde , doch waarvan zij langen tijd niet iiooren en niets geloovcn wilden. Wij bedoelen zijn lijden en sterven. De Zoon des menschen, zoo zeide hij, moest worden overgeleverd in de handen der Joden, en gekruist worden, en daarna zou hij opstaan. Hij sprak dit vrijuit. Maar Petrus neemt den Heer afzonderlijk en begint hem te bestraffen , en verklaart het voor onmogelijk en ondenkbaar, dat met hem zulke dingen geschieden zouden. In zjjn verbazing en overijling verliest Petrus den eerbied uit het oog, dien hjj verplicht is den Heer te bewijzen.
De Heer bestraft hem dan ook met grooten nadruk en zegt tot hem : „Ga, achter mij, Satan, want gü bedenkt niet de dingen, die Godes maar die der menschen zijn.quot;
Ongeveer een week na dezen onbehoorlijken uitval van Petrus neemt de Heer dezen apostel met Johannes en Jacobus mede en brengt hen afzonderlijk op een hoogen berg, hen alleen, gelijk hjj hen ook alleen had toegelaten in het huis van Jaïrus, toen hij er het dochterken opwekte uit de dooden.
Als lüj met hen op den berg is aangekomen, werd hij voor hen veranderd van gedaante. Zijn kleederen werden wit als sneeuw, en blonken van boven-aardschen glans, en over zijn geheele verschijning werd als een hemelsch licht verspreid. En de apostelen zagen Mozes en Elia, de twee grootste profeten van liet Oude Testament, bij den Heer staan , en zij hoorden deze twee mannen Gods spreken met hem. Waarover zü spraken ? Over het uiteinde van den Heer te Jeruzalem, over zijn lyden en sterven.
De apostelen geraakten door dit zoo ongewone voorval, door deze aanraking met de wereld der heerlijkheid in een toestand van bedwelming en verbijstering. Niet recht wetende wat hij zeide, roept Petrus uit; „Heer 'tis goed dat wij hier zijn; laat ons drie tabernakelen maken , een voor U, een voor Mozes en een voor Eliaquot;. Een antwoord op dit aanbod ontving hij niet, maar een wolk kwam, die hen geheel omhulde, en uit die wolk kwam een stem , die zeide: „Deze is mjjn geliefde Zoon . hoort hem !quot;
En toen zij terstond daarop in het rond zagen , waren Mozes en Elia verdwenen, en zij zagen niemand dan Jezus alleen. — De Heer verbood de apostelen, toen zfl van den berg afdaalden, iets van hetgeen zjj gezien hadden, aan anderen meê te deelen, voordat hij uit de dooden zou zijn opgestaan.
De Heer moest uit deze hemelsche verschijning zelf troost en krachten putten,
240
want in welk lijden liij ook komen zon: de Vader was met hem en zon hem na zijn lijden zeker verheerlijken.
Ofschoon de gezindheid der Joden te Jeruzalem jegens den Heer reeds zeer vijandig was, liet hij niet na telkens die stad en haar tempel te bezoeken, wanneer een der groote joodsche feesten gevierd werd. Zoo vinden wij hem ook te Jeruzalem op het laatste loofhuttenfeest, dat hij op aarde beleefd heeft. Keeds vroeg is hij in den tempel en onderwijst hij de schare. Daar komen schriftgeleerden en farizeën aan, en voeren mei zich mede een vrouw, die zij op het bedrijven van groote zonde betrapt hadden. Zy stellen die vrouw in 't midden, en doen den Heer deze vraag: „Meester, in de wet van Mozes staat, dat een vrouw, die zulk een zonde bedrijft, moet gesteenigd worden; wat zegt gij nu daarvan?quot; Zij hopen, dat de Heer iets zal antwoorden, waaruit viel af te leiden , dat lijj de wet van Mozes niet in eere hield. Eu dan konden zij hem aanklagen bij den Joodschen Raad. Kerst heelt de Heer niets geantwoord, maar zich nederbukkende schreef hij met den vinger op den grond. Wat hij daar nederschreef weten wij niet, maar zijn handelwijze maakte de farizeën zeer onge-dnldig. Met nadruk eischen zij een antwoord. Eindelijk, daar richt de Heer zich op, en zegt tot hen: „Wie van u zonder zonde is, werpe den eersten steen op haar!quot; En als hij dat gezegd heeft, bukt hij wederom en schrijft op den grond. — Zijn woord had zijn vijanden in groote verlegenheid gebracht. Zonder zonde — wie hunner zou dat van zich zelf durven getuigen? Als dat vereischt werd, om deze vrouw te steenigen , dan zou wel niemand daartoe het recht hebben. Ook zegt hun het geweten wel, dat zij niet door heiligen ijver voor de wet van Mozes, maar door onedelen haat jegens den Heer gedreven, die vrouw aldaar gebracht hebben. Wat bleef hun anders over, dan heen te gaan? En zij gingen, eerst de oudsten, toen de anderen — en zoo werd ten laatste de Heer alléén gelaten, met de vrouw, die nog altijd beschaamd en schuldig stond in het midden. De Heer was zonder zonde — neemt hij nu steenen op, om haar te steenigen? Neen, hij vraagt haar: „Vrouw, waar zijn uw aanklagers? Heeft niemand u veroordeeld?quot; Zij zeide : «Niemand, Heerlquot; Toen zeide hij tot haar: „Dan veroordeel ik u ook niet. Ga hoen, en zondig niet meer!quot; Wij kunnen moeielijk gelooven, dat die vrouw den weg der zonde, na dit woord des Heeren, weder is opgegaan. De gedachte aan die zwijgende , heilige gestalte, die zooveel minder heilig scheen, en toch zooveel heiliger was dan de farizeën, heeft haar zeker van het kwaad met nadruk teruggehouden.
Niet minder treffend dan 's Heeren handelwijze tegenover de overspelige vrouw, is de genezing van den hlindgéborene te Jeruzalem.
241
Die blindgeborene zat dagelijks aan een der poorten van den tempel, en vroeg een aalmoes van de voorbijgangers. De discipelen, den tempel;binnengaande met den Heer, vroegen: „Meester, wie heeft er gezondigd, deze of zyn ouders ?quot; Zjj zien dus in zijn blindheid een straf van God voor zonden, die door dezen ongelukkige zelf, of door zijn ouders zouden bedreven zp. De Heer heeft daarop zijn discipelen gezegd, dat zü in deze blindheid geen straf mochten zien ; maar deze man zat daar, opdat de werken Gods in hem openbaar zouden worden. „Ik moetquot;, zoo liet de Heer Jezus daarop volgen, »ik moet werken de werken van Hem, die mij gezonden heeft; de nacht komt, waarin niemand werken kan.
Toen hij dit gezegd had, spuwde hy op de aarde, maakte eeing slijk, bestreek daarmee de oogen van den blinde, en gelastte hem te gaan naar een in de nabijheid zijnd badwater, Siloam geheeten, want als hy zich daar wiesch, zou hy ziende zijn. Hoe vreemd het ook klonk — de blindgeborene doet het, en weldra komt hü terug, ziende. Allen, die hem van vroeger kenden, hem gewaar wordende, zeiden: „Is dat niet die man, die aan de deur van den tempel zat en bedelde?quot; Anderen zeiden: „Ja, lijj is het!quot; En anderen zeiden: „Hü gelijkt op hem.'1 Maar hij zeide: „Voorzeker, ik ben het.quot; Natuurlijk verlangen zjj nu van hem te hooren, hoe hü het gezicht had ontvangen ? En hij vertelde het him: „De mensch, genaamd Jezus, maakte sip, bestreek daarmeê mijn oogen en zeide tot mij: „Ga naar Siloam, en wasch u aldaar. Ik heb dat gedaan, en ik zag.quot;
Het geschiedde op een Sabbath, en daarom zeiden sommigen van de Farizeën : deze mensch komt niet van God, want hij houdt den Sabbath niet. Zij gingen zelfs zoo ver, van niet te willen gelooven, dat de Heer inderdaad dezen blinde het gezicht had geschonken, ofschoon de genezene zelf verklaarde, dat het zoo was.
Indien een mensch niet gelooven wil, zal ook het sterkste wonder hem niet overtuigen.
HOOFDSTUK VIII.
DE HEER VOOR HET LAATST OP WEG NAAR JERUZALEM.
Het werk des Heeren in Galilea begon ton einde te spoeden. Hij was dan ook niet meer lang achtereen in die landstreek, doch hield het meest zich op in het Overjordaansche.
1Ü
By een van zijn laatste bezoeken aan Galilea lieeft hij zeventig van zijn discipelen twee aan twee uitgezonden. Dat getal van zeventig doet denken aan do mannen, die Mozes bijstonden in zijn moeielijk werk als bestuurder der Israëlieten. De mannen, die de Heer uitzond, moesten met een vriendelijken vredegroet komen in elk huis, dat zij binnen traden ; werden zij vriendelijk ontvangen , dan moesten zij de kranken genezen, en zeggen: het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Wilde men echter naar hen niet hooren, dan moesten zij het nadrukkelijk zeggen, dat de stad, welke hen verwierp, daarmee een groot kwaad bedreef , en zwaarder oordeel zou te vreezen hebben dan Sodom, dat de Heer door vuur van den hemel heeft verbrand.
De zeventigen keerden met blijdschap terug van hun rondreis door Galilea. Zelfs de duivelen waren hun in don naam des Heeren onderworpen geweest. De Heer zeide dan ook, dat hij den overste van het ryk der duisternis met groote snelheid, als een bliksemstraal, neer had zien vallen. Bij de gedachte aan de overwinning, welke hij behalen zou op de macht der zonde, vervulde groote vreugde zijn hart. „Ik dank uquot;, zoo riep hij uit, „Vader, Heer des Hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen hebt verborgen, en hebt ze den kinderkens geopenbaard.quot; Hij prees hen zalig, die dit alles beleven mochten, want vele profeten en koningen hadden begeerd te zien wat zij zagen, en te hooren wat zij hoorden , maar het was hun niet te beurt gevallen.
Omdat de discipelen nog eerlijke eenvoudige menschen waren, achtte de Heer het noodig hen nog eens weer te waarschuwen tegen alle onoprechtheid en ook tegen de geldgierigheid, welke zonde zoo dikwerf zich vertoonde bü de farizeën. Zijn afkeuring van de laatstgenoemde zonde gaf de Heer te kennen in de gelijkenis van den rijken dwaas. Ziehier haar inhoud : Het land van een rijk man beloofde een overvloedigen oogst. Toen zeide hij bij zich zeiven: Wat zal ik toch doen, want ik heb geen schuren, om al mijn vruchten, die ik verwacht, te bergen ? En hij zeide: Dit zal ik doen. Ik zal de schuren , die ik nu heb , afbreken, en grootere bouwen, en daar zal ik dan al mijn gewas en al mijn vruchten samenbrengen. En dan zal ik tot mij zelf zeggen: „Ziel, gij hebt nu veel bijeengebracht, voor vele jaren. Neem er nu uw rust van, eet, drink en wees vroolijk !quot; — Mocht hij dat niet zeggen ? Zoo neen, wat was dan het verkeerde er van ? Dit, dat hij er niet aan scheen te denkeu, hoe hij ieder oogenblik kon sterven, en voor wien was dan dat alles ? Dan had hij immers niets, want alles waaraan zijn hart hing, moest hij dan achter laten, hier op aarde. Zóó is het met hem, zegt de Heer, die zich zeiven schatten verzamelt, maar niet rijk is in God.
Ofschoon hij, gelijk wij zagen, aan zijn discipelen macht gaf, om kranken
24a
te genezen, hield hij zelf ook niet op, met zijn macht en goedheid aan on gelukkigen te bewijzen.
Op het punt staande van naar Jeruzalem te vertrekken, komt hij een vlek binnen, en wie treden hem daar te gemoet ? Tien melaatschen! Zy mochten in het vlek niet wonen, en hadden daarom elkanders gezelschap opgezocht. Het moet een deerniswaardig schouwspel zijn geweest, die tien onreine, uitgestooten menschen! Zü durven niet nader komen, maar van verre staande roepen zij: „Jezus, meester, ontferm u over onsquot;. En de Heer gebiedt hen, te gaan naaiden priester. Waarom? De priester moest uitmaken, of een melaatsche was genezen. Deze tien mannen moeten zich dus op weg begeven, alsof zü reeds genezen ivaren, vertrouwende, dat zij werkelijk zouden genezen worden.
Hadden zjj geen geloof gehad, zij hadden het niet gedaan, maar nu zij zonder aarzelen zicli op weg begaven — wat geschiedt nu? Hun melaatschheid wijkt van hen. Zü worden gereinigd. En één van hen, dit ontdekkende, keert terug op zijn schreden met luide stem God verheerlijkend. Tot wien ijlt hij ? Natuurlijk tot den Heer, die hem zoo wondervol en liefdevol genezen heeft, en aan wiens voeten neergevallen, hij zijn innigen dank uitspreekt. En — is het niet opmerkelijk ? — deze ééne, die alzoo terugkeert en zijn dankbaarheid betuigt, is niet een Israëliet, maar een Samaritaan, een, van wien men 't wel het minst zou hebben verwacht.
Op een toon van verwondering, maar ook van droefheid vraagt de Heer: „Zijn er niet tien gereinigd geworden? Waar zp dan de negen? Is er niemand teruggekomen om Gode de eer te geven dan deze vreemdeling ?quot; — Na dit woord tot de omstanders tc hebben gericht, zeide hij tot den genezen Samaritaan, die nog altijd lag aan zijn voeten: „Sta op, en ga heen; uw geloof heeft ubehouden.quot;
Zouden de negen anderen, die gereinigd waren , niet bljj zijn geweest en niet dankbaar ? Wij gelooven het wel; maar zij hebben zich zeker voorgenomen den Heer later hun dank te betuigen. Doch het is te vreezen , dat zij het toen zullen vergeten hebben. Ook onder ons is er vaak op de tien beweldadigden slechts één, die hartelijk zijn dank betuigt aan den Heer.
Niet ver van Jeruzalem, aan de oostelijke zijde van den Olijfberg , lag een vlek , Bethanië geheeten. Wanneer de Heer van Galilea kwam naar Jeruzalem , en reisde door Jericho, leidde zijn weg door deze welbekende plaats. Aldaar woonde een gezin , bestaande uit één broeder en twee zusters. De broeder heette Lazarus, en de zusters Maria en Martha. Wij lezen, dat de Heer dit gezin lief had, en meer dan eens heeft hy zijn gastvrijheid genoten.
Bij een van zijn bezoeken te Bethanië 'zat hij neder in Lazarus' woning, en
244
Maria had zich neergezet aan zjjn voeten, om door hem te worden onderwezen, maar Martha was bezig met 'veel dienens. Zy beijverde zich, om den Meester een goed onthaal te bereiden, en vond het nu niet gepast van haar zuster, dat deze Mamp;r al den arbeid liet verrichten, en zelve rustig neder zat. „Heerquot;, zoo zeide zjj, „vindt gij 't nu 'goed, dat mijn zuster nuj alleen laat dienen ? Zeg haar , dat zij mij helpe!quot; Maar het antwoord, dat zjj ontving, luidde: „Martha, Martha, gij maakt u ongerust over vele dingen. Slechts één ding is noodig. Maar Maria heeft het goede deel gekozen, dat haar niet zal ontnomen wordenquot;.
Hot blijkt uit dit verhaal, dat beide zusters den Heer lief hebben , maar Maria toonde beter dan Martha te begrijpen, waartoe de Heiland kwam, nam. niet om gediend te worden, doch om te dienen. Eenigen tijd na dit bezoek, wordt Lazarus ernstig krank. Ach, dat zijn bange dagen, als in een gezin iemand nederligt, gevaarlijk ziek. Dan is alles in huis anders dan gewoonlijk. Men durft niet luide spreken; men gaat langzaam ; de uren kruipen voort, en alle gedachten verwijlen bij den kranke. „Is hij iets beterquot; ? of: „is het erger?quot;, zoo vraagt men gedurig. En welk een smart, als men de hoop op herstel verflauwen, het gevaar van sterven vermeerderen ziet. Wat gevoelt dan een mensch zijn afhankelijkheid, zijn zwakheid! Met welk een ongeduld ziet men uit naaide komst van den geneesheer! En ook hij kan zoo weinig, en moet zoo dikwerf zeggen : de toestand is hopeloos. — Zoo zitten dan ook Maria en Martha neder bij het ziekbed van hun broeder Lazazus, en zij zien wel, dat zijn krachten afnemen , en 't gevaar dreigt, dat hij hun ontvallen zal.
Daar komt in beider hart deze gedachten op: „Och of Jezus hier ware! Hij zou Lazarus zonder eenigen twijfel genezen.'' Doch, lijj ms er niet. Hij was ver weg, in 't Overjordaansche. Indien hij maar ivist, dat Lazarus zoo krank daar neder lag, dan zou Inj uit de verte, door zijn machtwoord , den zieke genezen kunnen. Welnu, zij zullen 't hem doen weten. Zjj zenden hem de tijding: „Heer, zie, dien gij lief hebt is krank 1quot;
Iemand, die jarenlang bedlegerig was, had deze woorden met groote letters vastgehecht aan den wand van haar ziekvertrek, om er steeds aan herinnerd te worden, dat de Heer ons liefhebben kan, ja lief heeft, óók al zjjn wij krank.
En wat doet nu de Heer, als hij de tijding uit Bethanië heeft ontvangen ? Gaat hij er terstond heen, of gebiedt lijj, dat de ziekte Lazarus verlaten zal ? Noch het een, noch het ander. Hy zegt niet anders dan: „Deze krankheid is niet tot den dood , maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods verheerlijkt worde.quot; Daarop heeft Hy twee dagen van Lazarus krankheid gezwegen , en bleef hy, waar hij was. Toen echter zeide hij: „Laat ons naar Judea gaan!quot;
245
De apostelen maken daar bezwaar tegen, want, zoo zeggen zjj, nog niet lang geleden hebben zü u aldaar willen steonigen , [en zoudt gjj nu wel uw leven in gevaar gaan stellen ? Maar de Heer weet, dat zijn tijden waren in Gods hand, en dat hij moest en kon werken, zoolang de tijd, door God bepaald nog niet verstreken was. Op den toon van diepe zwaarmoedigheid, als een, die het ergste vreest, roept Thomas daarom uit: „ Laat ons met hem gaan, opdat wij met hem sterven!quot;
Zoo gaan zij dan naar Bethanië. Daar was inmiddels de slag gevallen , dien Maria en Martha zoo hadden gevreesd. Lazarus was gestorven, en 't was reeds de vierde dag, dat hjj lag in hot graf. De beide zusters zaten diep bedroefd ter neder in haar woning, omringd door vele deelnemende joden, die uit Jeruzalem waren gekomen, om haar te troosten, gelijk de gewoonte van de Joden zulks medebrengt.
Daar hooren zü zeggen: „Jezus is in de nabijheidquot;, en nauwelijks hoort Martha dat of zjj verrijst, ijlt de woning uit, den weg op,vanwaar hy komen moest, en hem ziende roept zij uit: „Heer, waart gij hier geweest, dan was mijn broeder niet gestorven, maar ook nu weet ik , dat al wat gij van God
bidt. God het u geven zalquot;----En als zij nog eenige woorden met den Heer
gewisseld, en hem als den Messias beleden heeft, gaat z'ij met grooten spoed terug tot haar woning, en zegt heimelijk tot Maria: „De Meester is daar, en Hij roept u!quot; Toen stond ook Maria op, en ging tot den Heer, en zegt dezelfde woorden, welke haar zuster had gesproken, en die zij in die droeve dagen zeker telkens hadden herhaald: „Heer, waart gij hier geweest — dan was mijn broeder niet gestorven.quot; Meer kon zü niet zeggen. Haar stem verstikt in haar tranen. Haar droefheid roert ook de joden, die met haar waren gekomen. En de Heer ? Als hü Maria en al die weenende menschen ziet, wordt hü diep bewogen enquot; ontroerd in den geest, en vraagt: „Waar hebt gij hem gelegd?quot; En zü zeiden tot hem: „Kom en zie!quot; En wat ontdekten zij bü den Heer ? Dat ook hij tveende. Neen, hü bleef niet koud en onbewogen bü bet verlies van Lazarus, en bü de droefheid van Martha en Maria. Hjj, die te Kana op de bruiloft zich heeft verbiyd met de blü'den , weent hier te Bethanië met de weenenden. De joden zeggen dan ook: „Ziet eens, hoe lief by hem had.quot; Bij anderen kwam deze vraag op: Had hü, die aan blinden het gezicht terug geeft, niet kunnen maken, dat Lazarus niet was gestorven?quot;
Inmiddels zün allen gekomen bü het graf, en men ziet het den Heer aan , hoe diep hü is ontroerd. Lazarus was begraven in een grot, en voor de opening ervan lag een steen. „Neemt dien steen weg!quot; zegt de Heer. Martha wilde hem echter daarvan terughouden, want zy was bang, dat het bederf reeds zou zyn ingetreden, daar het do vierde • dag was van Lazarus dood. Maar
246
de lieer zeide: „Heb ik u niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gjj do heerlijkheid Gods zien zult ?quot; Daarop wordt do steen weggenomen, en staat de Heiland als in het aangezicht van de verwoesting, welke de dood teweeg bracht. Daar lag nu in doeken gewonden, dood en roerloos, Lazarus zijn vriend, dien hij had lief gehad.
Maar daar heft hij de oogen omhoog en zegt: „Vader, ik dank U, dat Gjj mij gehoord hebt; maar ik wist, dat Gjj mij altijd hoort; doch om der schare wil, die rondom staat, heb ik dit gezegd, opdat zij zouden gelooven, dat Gü mij gezonden hebt.quot; Daarna riep hij met luider stem : ,Lazarus, kom uit!quot; En de gestorvene rees overeind. Daar echter zijn voeten en handen gewikkeld waren in doeken, en ook zijn hoofd in een doek was gehuld, zeide de Heer: „Maakt hem los — en laat hem henengaan.quot;
Was het dochterke van Jairus slechts enkele oogenblikken te voren gestorven en de jongeling van Nain enkele uren dood, toen de Heer hen weder opwekte,— nog grooter was het wonder aan Lazarus verricht, daar hij reeds vier dagen te voren was overleden. Zijn herrijzenis maakte dan ook een diepen indruk, en niet weinigen, die er getuigen van waren, geloofden in Jezus, als den Zoon van God.
Gjj moet echter niet meenen, dat iedereen door Lazarus opwekking tot hetzelfde inzicht en besluit kwam. Neen, de overpriesters en de farizeën riepen den joodschen Raad, ook wel het Sanhedrin genaamd , bijeen, en zeiden, „wat zullen wij doen ?quot; Zij konden liet niet ontkennen , dat de Heer werkelijk vele wonderen deed , en grooten aanhang had. Lieten zjj hem voortgaan , zoo zeiden zij, dan werd hy nog tot koning uitgeroepen, en dan zouden ongetwijfeld de Komeinen komen, en „den tempel verwoesten en het volk wegvoeren.quot;
Maar de voorzitter van den Raad, de hoogepriester Kajafas, sprak een gedachte uit, die misschien ook wel by anderen was opgekomen, maar die zij terug gehouden hadden. En welke was zij ? Dat de Heer ter dood moest gebracht worden. Elijft hij leven, zoo sprak Kajafas, dan zal hy er velen verleiden ; is het dan niet beter, dat er één sterft, dan dat het geheele volk in 't verderf wordt gestort? — Zijn gevoelen vond bijval, en van dezen dag af stond het vast, dat zy hem zouden dooden.
Na Lazarus te hebben opgewekt, is de Heer teruggekeerd naar liet Over-jordaansche, en wij zullen u thans hot een en ander verhalen van hetgeen door hem is gezegd en verricht, toen hy voor de laatste reize de schreden richtte naar Jeruzalem.
Wy denken hier allereerst aan de gelijkenis van den fariseër cn den tollenaar. Twee menschen, zoo verhaalde de Fleer, gingen op naar den tempel om te bidden.
247
De een was een farizeër on de ander een tollenaar. Ofschoon beiden naar dezelfde plaats opgaan , om hetzelfde te verrichten, zoo zyn ze toch in alle opzichten aan elkander ongelijk. De farizeër stapt met fleren tred den voorhof van den tempel in, en als hy er genaderd is tot dicht by hot heilige, slaat hy de oogen ten hemel, heft hij de handen omhoog on begint met luide stem aldus te spreken: „O God, ik dank U, dat ik niet ben als de andere menschen!quot; Hy wil zeggen: de andere menschen zyn veel minder vroom dan ik, staan verre beneden my. Wie waren die andere menschen ? De farizeër zegt het: dat warei:: „roovers, onrechtvaardigen, overspelers, of lieden, zooals die gindsche tollenaar.quot; Maar wie was hij, de farizeër? Hoort het van hem zelf: „Ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van alles wat ik verdien.quot;
En nu is zyn gebed ten einde. Hy heeft eigeniyk niet anders gedaan dan alle andere menschen veracht, en zich zelf geprezen.
Hoe geheel anders doet en spreekt de tollenaar! Hy gaat niet ver den voorhof in, maar blyft staan van verre. Hij durft de oogen niet opslaan, maar slaat ze neder; en in plaats van zijn handen op te heffen ten hemel, sloeg hy er mede op de borst, terwyi hij slechts deze weinige woorden spreekt: „o God, wees my zondaar genadig !quot;
Welk een verschil in houding en woorden tusschen deze twee mannen, die toch beiden waren opgegaan, om te bidden. Maar nog veel grooter was 't verschil in de gezindheid hunner harten, en dat is het toch, waar God naar ziet. En wat is te lezen in het hart van den farizeër ? Een niets achten van anderen, terwyl hy zich zelf voor rechtvaardig houdt. Hy vroeg niets aan den Heer in zyn gebed; en daarom ontving hy ook niets, terwyi de tollenaar met zijn huis ging met de verzekering in zyn hart, dat God hem werkelijk genadig zou zyn.
Toen de beroemde Hugo de Groot op zyn sterfbed lag, liet hy zich deze ge-lykenis voorlezen, en zeide toen: „ik ben die tollenaarquot;.
De Heer heeft steeds getoond, een oog en een hart te hebben voor hen, die gering van zich zeiven denken, die klein zyn in eigen oogen. Dat is vele malen gebleken, maar zelden zoo duidelijk als by een voorval, dat wy thans verhalen willen.
Tot den Heiland werden op zekeren dag door eenige moeders haar kinderen gebracht, opdat hij zegenend de hand zou leggen op hun hoofden. Dat vonden echter de discipelen niet goed , en zy gaven dat aan de moeders op onvriende-lyken toon te kennen. Maar als de Heer ziet, wat zyn discipelen doen, nam hy het hun zeer kwalijk, en zeide tot hen: „Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert het niet; want derzulken is het koninkrijk Gods. Voorwaar zeg ik u: indien iemand het koninkrijk Gods niet aanneemt, even eenvoudig en even nederig als een kind, luj zal er geenszins'ingaanquot;. Daarop drukte iiij de kin-
248
deren aan zjjn hart, legde de handen op hun hoofd, en zegende hen. Ja , liet is dai
is waar : te verlie
Ja '1
Jezus is een kindervriend! Eigenlp
Onzer wil hjj zich erbarmen , alle gel
Hü nam kindren in zjjn armen, in den
Jezus is een kindervriend. mogeUjl
Jezus is een kindervriend! Dit is zeker waar, maar hjj is gekomen om Op
aller vriend en Heiland te wezen. Tot hem kwam een jongeling, die een op gev
aanzienlijke waardigheid bij de Joden bekleedde, en een overste der Synagoge Dat let
was. Hij treedt op den Hoer toe , en zegt: , Goede meester, wat doende zal ik ^en
het eeuwige leven beërven?quot; Twee dingen verdienen in die vraag onze aan- gaard
dacht. Vooreerst dit: hjj noemt den Heer met grooten nadruk: „Goedquot;, en dan: hjj dag zo
wil het eeuwige leven verwerven door zijn werken; hij wil er iets voor doen. De Heer oin ^ 1
geeft er zijn verwondering over te kennen, dat deze jonge man zoo spoedig en 'ze^
iemand rjoed noemt. Goed in den waren zin des woord is alleen God. De Heer loon v
Jezus zegt niet, dat hij niet goed is, maar wil alleen te kennen geven, dat de den n
jongeling hem niet genoeg kent, om hem goed te noemen. En wat nu dat doen gevou
betreft — hij moest de geboden houden, die hem uit de Wet van Mozes bekend t'0611 ^
waren. Hij mocht niet doodslaan, niet stelen, enz. Maar dit vindt hy te gemak- bier (
kelijk. Hij deed al die dingen van zijn jonkheid aan, en begreep eigenlijk niet, heeft,
wat aan zijn godsvrucht nog ontbrak. T
Hoe kon hij toch zoo verkeerd oordeelen? Hy vatte de geboden desHeeren 100P€
veel te oppervlakkig, alleen naar de letter op. Omdat hjj nooit iemand van het I1
leven had beroofd — daarom dacht hy, dat hy nooit het zesde gebod had over- Beta
treden. Wy denken daar anders over, en zeggen: „Wie zyn broeder haat, is bego
een doodslager.quot; En wie heeft nu nooit iemand een kwaad hart toegedragen? geWl
Doch, voor zulk een opvatting van de geboden was de rgke jongeling blind. méé
Ook was hy blind voor nog een zaak. Hy had vele goederen, en daaraan was geai
zyn hart nog meer gehecht dan aan den Heer. Hy had God niet lief met zyn en i
fjeheele hart. Tot de erkentenis daarvan wil de Heer hem brengen door hem dat
dezen eisch te stellen: verkoop al wat gy hebt, en deel het uit onder do armen; ver
en gy zult een schat hebben in den hemel, en kom dan en volg my. er
De Heer doet dien eisch niet aan ieder, maar deze ryke jongeling moest worden gesteld voor de keus tusschen den schat in den hemel en zyn geld.
Toen hij dit woord des Heeren vernam, werd hij dan ook zeer bedroefd. Cb
Hij was zeer ryk. En al zyn geld laten varen; arm worden om Ie1 Gods Koninkryk te gewinnen ? Neen, daartoe kon hy niet besluiten. Zoo
249
is bij dan heengegaan. Hy behield zijn geld, maar liep groot gevaar zijn leven te verliezen.
Ja 'tis moeieiyk voor een rijke om in te gaan in het Koninkrijk Gods. Eigenlijk is 't onmogelijk. Slechts dan , als God zelf onze harten vrij maakt van alle geldgierigheid zijn wij geschikt om een schat te begeeren en te behouden in den hemel. Daarom zegt de Heer: wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God.
Op de gezindheid van ons hart komt liet aan, en telkens heeft de Heer er op gewezen, dat God ons hart aanziet eerder en meerder dan onze werken. Dat leerde hij ook in deze gelijkenis:
Een Heer ging 's morgens vroeg uit, om arbeiders te huren, die in zijn wijngaard werken zouden. Hy kwam overeen met hen, dat lijj voor den geheelen dag zou betalen een denarie, dat is ongeveer 40 ct. Dit geschiedde 's morgens om 6 uur. Om 9 uur ongeveer zag hij op de markt andere arbeiders ledig staan , en zeide tot hen: Gaat gij ook naar mijn wijngaard; wat billijk is zal ik als loon u geven. En zy gingen heen. Omstreeks twaalf uur's middags en 3 uur na den middag geschiedde hetzelfde. Ook toen zond hü arbeiders, die geen werk gevonden hadden , naar zjjn wijngaard. En 't was bijna 5 uur na den middag , toen hij nog andere arbeiders vond staan, en tot hen zeide: Waarom staat gü hier den geheelen dag ledig ? En zij antwoordden: «Omdat niemand ons gehuurd heeft.quot; Toen zeide hij tot hen: Gaat ook gü naar mijn wijngaard !
Te G uren begon de avond te vallen, en was dus het werk van dien dag afge-loopen. Toen moest worden afgerekend , en ieder arbeider zijn loon ontvangen.
De heer, die al deze arbeiders had gehuurd, zeide tot zijn rentmeester: Betaal de arbeiders hun loon , en begin met degenen, die het laatst den arbeid begonnen hebben , en geef hun een denarie. Toen zjj, die den geheelen dag hadden gewerkt, aan de beurt kwamen, om hun loon te ontvangen , dachten zjj veel méér dan een denarie te verkrijgen, omdat aan hen, die slechts één uur hadden gearbeid, een volle daghuur was gegeven. Doch zij ontvingen hetzelfde bedrag , en waren daaroverj zeer ontevreden ; maar de heer van den wijngaard zeide hun , dat zij ten onrechte ontevreden waren, daar zy immers het volle loon hadden verkregen, dat door hen was bedongen. En zoo zien wij hieruit, dat de Heer er niet op let, of wjj lamj, maar of wy trouw hebben gearbeid.
Wie Hem dient om loon alleen, kent Hem niet.
Neen, in ons moet wezen die gezindheid, welke was in den Heer Jezus Christus, die niet kwam om gediend te worden, maar om te dienen , en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.
Hoe langer, iioe duidelijker verklaarde de Heer aan Zyu discipelen, dat hy
250
ging naar Jeruzalem, om er te worden overgeleverd in de handen van zyn vijauden.'
' Hij wees er hen op, dat het lijden van den Zoon des menschen (een naam , die om nagenoeg hetzelfde beteekent als: Messias) was voorspeld door de profeten; en
hy heeft daarbij zeker wel er aan gedacht, hoe alle trouwe dienstknechten Gods niï
onder het Oude Verbond hebben geleden, en hoe vooral in Psalm 22 en Jesaia kl(
53 was gedoeld op het lijden en de vernedering, welke hem te wachten stonden. iquot;1
Maar de apostelen begrepen er niets van. Zü konden maar niet gelooven, dat na
hun Meester zou gekruisigd worden. quot;t
Zoo ging hy dan eenzaam zijn weg, ook al werd hij door velen omringd,
want niet begrepen te worden, dat is ook een alleen zijn. zï
Op wog naar Jeruzalem komt de Heer door Jericho. Als wij dien naam M
hooren noemen, denken wij als van zelf aan hetgeen eenmaal met de muren van Z
die stad is geschied, die zijn gevallen voor het geloof dor kinderen Israëls. 0
Als do Heer die stad binnentreedt, komt hij voorbij een armen blinden man , zi
die daar zat aan den weg en bedelde. Maar hy deed nog iets anders. Hij lui- h
sterde scherp toe, of de Heer ook voorbijging. Hü had zooveel van zijn wonderen o gehoord; hy had ook gehoord dat Jezus aan blinden het gezicht kon geven. En
nu is Bartimeus — want zoo heette de blinde — er vast van overtuigd, dat 'i
de Heer hem evengoed als anderen genezen zou, indien hij maar tot hem komen '
Daar gaat een groote schare Bartimeus voorbij, en hy vraagt: wie zijn dat ? En hoorende, dat het Jezus de Nazarener was, begint hy uit alle macht te roepen: „Jezus, gij Zone Davids (d. w. z. Koning of Messias) ontferm U mijner!quot; De menschen in zijn nabijheid vonden dat geroep ongepast. Zy bestraften hem en gelastten hem te zwijgen; maar hij riep dès te luider: „Zone Davids, ontferm U mijner!quot; Daar hoort de Heer de stem van den blinde, en zegt: , Roept hem.quot; En zy roepen hem, en zeiden: „Heb goeden moed, sta op, hy roept u.quot; En Bartimeus in zijn blijdschap en in zyn haasten, springt op, werpt zijn opperkleed af, en gaat tot den Heer. De Heer vraagt hem: „Wat wilt gy, dat ik u doen zal?quot; En Bartimeus antwoordt: „Rabbouni (d. w. z.: Mijn Meester) dat ik ziende wordequot;. En Jezus zeide tot hem: „Ga heen, uw geloof heeft u behoudenquot;. En terstond werd hij ziende en volgde Jezus op den weg.
Bij diezelfde gelegenheid heeft de Heer nog een merkwaardige ontmoeting gehad, en nu niet met een armen bedelaar, maar met een zeer ryk man. Hy heette Zaccheüs, en was een overste der tollenaren. Te Jericho werd veel handel gedreven, vooral in balsem en specerijen, en het ontbrak aldaar dus een tollenaar niet aan gelegenheid om zich te verrijken.
Als de Heer nu door de stad gaat, loopt Zaccheüs vooruit en klimt in een wilden vijgenboom. Waarom deed hy dat ? Hy wilde tot eiken prijs den
i
251
anJ Heiland zien, maar lijj was klein van persoon, en daarom beklimt hij den boom,
lie om over de andere menscheti heen te kunnen zien.
en Hij had er in de verte niet aan gedacht, dat do Heer hem zou opmerken;
tls maar toch het gebeurt. Als hü is gekomen bij den boom, waarin Zaccheiis ge-
ia klommen is, zegt hg: ,Zaccheiis kom haastig at'; want ik wil heden bij u mijn
a. intrek nemen en overnachten.quot; Wel een verrassing voor dien overste der tolle-
it naren. In een ommezien is hij uit den boom, en met alle blijdschap ontvangt
hjj den Heer in zijn huis.
, Het vond echter geen algemeene goedkeuring, dat de Heer juist bij Zaccheiis
zijn intrek nam. „Tot een zondigen mensch is hij ingegaanquot;, zoo mompelde men. i Maar de Heer wist wel wat hij deed. Onder den indruk van zijn bezoek hoeft
i Zaccheiis de helft van zijn goederen aan de armen gegeven, en hetgeen hjj niet
op eerlijke wijze had verkregen, dat gat hij vierdubbel terug. Hij is dus van
zijn zondigen handel en wandel geheel genezen. Zijnen huize was waarlijk zaligheid geschied, en dat alles dankte hij aan den Zoon des menschen, die is gekomen om te zoeken en te behouden, wat verloren is.
Van Jericho reisde de Heer naar het ons niet onbekende Bethaniö; het was zes dagen vóór Paschen, Ter zijner eere werd een maaltijd aangericht, waar Martha diende, en Lazarus aanzat. Doch wie komt daar binnen en treedt toe op den Heer ? Het is Maria, Martha's zuster. In haar handen heeft zij een kruik waarin heerlijke balsem is vervat, een pond echte, onvervalschte nardus. En staande bij den Heer, breekt zij de hals van den kruik, en stort den balsem uit over zijne voeten, en het geheele huis werd vervuld van den heerlijken geur.
Allen waren verrast door deze handelwijze van de gewoonlijk zoo stille Maria. Doch weldra gaan er stemmen op, die haar daad afkeuren. Het was vooral Judas, die er zich over hooren deed. Hij vond het jammer, dat zooveel geld eigenlijk verkwist was. Hjj had het beter gevonden dat geld te geven aan de armen. Nu was die som {f 120) zoo goed als weggeworpen. Niemand had er iets aan.
Het was voor Maria's gevoel pijnlijk, deze afkeuring te hooren. Zij had gehandeld onder de inspraak van haar hart. Zij had op buitengewone wijze haar onuitsprekelijke liefde en dankbaarheid jegens den Heer willen toonen, en nu schijnt het wel, of zij iets misdadigs had verricht.
Maar de Heer heeft haar op treffende wijze verdedigd. Hij zeide : , Laat af van haar! Zij heeft mij met deze daad alreede gezalfd tot mijn begrafenis. En wat de armen betreft — hen hebt gy altijd met u; maar my hebt gij niet altijdquot;. Zie, deze woorden zullen Maria goed hebben gedaan. En de Heer voegde er nog deze profetie aan toe, dat overal waar zijn evangelie verkondigd werd, men tot haar gedachtenis van deze zalving gewagen zou. En die profetie is inderdaad vervuld geworden.
252
DE LIJDENSGESCHIEDENIS. EERSTE GEDEELTE. al
d
Het was op eeu Zondag, dat de Heer Jeruzalem bereikte. Het Paaschfeest o stond voor de deur. Onder het aanheffen van de oude, welbekende psalmen
trokken telkens grooter en kleiner groepen Israëlieten de stad binnen, en sommigen ti
droegen korenaren tot een teeken dat de oogst op het veld weldra rijp zoude zjjn. z
Onder die feesthoudende menigte, bevond zich nu ook de Heer. En als zy hem li
gewaar worden, maakt zich een groote geestdrift van hen meester. Zy willen e
hem openlijk huldigen als hun Koning, en feestelijk hem zün intrede doen houden in de heilige stad. Op een ezel, die nog nooit een mensch gedragen had, doen zy hem plaats nemen; zij spreiden hun kleederen voor hem uit op den weg; zy rukken takken van de palmboomen , waarmee zy hem tegenwuiven en het pad bestrooien, en luide heffen zy aan: „Hosanna! Eere zy God! Gezegend zy hy, die komt in den naam des Heeren, de koning Israels 1quot;
De Heer laat zich die hulde welgevallen. Nu toch werd vervuld de profetie van Zacharia: Ziet, uw koning komt tot U , zachtmoedig, zittende op het veulen eener ezelin.
De vyanden van den Heer werden over deze zyne openlyke huldiging als koning zeer vertoornd. Zy roepen hem toe: „Meester, bestraf uw discipelen , en gelast hen to zwijgenquot;. Maar hy zeide: „Ik zeg u, dat.indien ztj zwegen, welhaast de steenen zouden spreken.quot; Nu moest het toch eindelijk eens voor aller oog en oor openbaar worden, dat hy was de Koning, zoolang verwacht.
Maar als hy kwam aan de zyde van den Oiyfberg , die afdaalde naar Jeruzalem, en de blik werd geopend op die groote, schoone stad, begint de Heer luidkeels te weenen. Ach, hy dacht aan het lot, dat Jeruzalem boven 't hoofd hing. Lang zou het niet meer duren, geen 40 jaren, of stad en tempel zouden worden verwoest, niet één steen zou worden gelaten op den anderen; de verwoesting zou volkomen zyn. By de gedachte daaraan kan hy zün tranen niet bedwingen en roept: „Och, of gy bekendet, ook nog in dezen dag, wat tot uwen vrede dient, maar nu is het verborgen voor uw oogenquot;. Neen, aan hem lag het niet , dat Jeruzalem zou ondergaan. Hy had die stad willen vergaderen, geiyk een hen haar kiekens vergadert onder de vleugelen — maar zij hadden niet gewild. En alzoo, als een koning gehuldigd , maar als een hoogepriester bedroefd, en als een profeet vermanend treedt do Heer Jeruzalem binnen en den tempel. In dat
253
huis zijns Vaders aangekomen, vindt hij er weder dezelfde ongerechtigheden , welke hü er voorheen had aangetroffen, en nog eens weder handhaaft hjj de heiligheid van de plaats, waar de Heer der Heirscharen woonde en geëerd wilde zijn.
Grieken, die hem op dien dag verlangden te zien, liet hjj weten, dat eerst als hjj zou gestorven en verheerlijkt zijn, de tijd voor hen was aatigebroken , om zijn heerlijkheid te verstaan. Immers hij zou gelijk wezen aan een graankorrel, die eerst nadat zij in de aarde geworpen en ontkiemd is, vruchten voortbrengt. Ook hü moest eerst sterven, en dan zou hij voor de geheele wereld tot een zegen zijn.
In de dagen , die op zijn intocht volgden , heeft de Heer menig ernstig woord tot de joden en hun leidslieden gericht. Hy deed het meestal door gelijkenissen. Zoo wees hij de joden in de gelijkenis van de goddélooze landlieden op de mishandeling , waaraan de profeten, die God had gezonden , ten prooi waren geweest, en voorspelde hij, dat zü den Zoon (dat is Hij zelf) die het laatst van allen gezonden werd, zouden dooden. — In de gelijkenis van hel koninklijk bruiloftsmaal wees hij op al de vruchtelooze moeite , welke God had aangewend, om het joodsche volk te bewegen tot bekeering, en hoe nu zijn genade zich zou wenden tot de heidenen, die zouden ingaan tot zijn koninkrijk. Zonder de rechte gezindheid , welke God van ons eischt, verkrijgen wij geen deel aan zijn gunst. Dit beteekent het bruiloftskleed, zonder hetwelk iemand wilde plaats nemen aan den maaltijd.
De woorden van den Heer, zoo vol ernst en waarheid , spraken wel tot het geweten van zijn vijanden, maar brachten hen niet tot bekeering. Integendeel, zij hebben telkens beproefd, of zy hem er niet toe konden brengen iets te zeggen, dat grond kon geven, om hem aan te klagen, als een, die gevaarlijk was voor de rust van het land, of het geloof van het volk. Doch, deze aanslagen van zp vijanden zijn alle mislukt. — Te midden van zooveel, dat hem bedroefde en smartelijk aandeed, werd op zekeren dag zijn aandacht getroffen door een arme weduwvrouw. Zjj kwam in den tempel, naderde tot de offerkist, en wierp er twee penningen in, dat is zooveel als bij ons een cent. Dat was niet veel, vooral als het vergeleken werd met de groote gaven, die door de rijken in de schatkist werden geworpen. Maar wat deed de Heer ? Hij riep zijn discipelen, en zeide: Wèl beschouwd, heeft deze arme weduwe meer gegeven dan al de anderen. De anderen toch hebben iets afgenomen van hun overvloed, maar zij heeft gegeven van haar armoede. Die kleine gift beteekent voor haar, en God meer dan de groote giften der rijken. Zoo heeft hij in eere gebracht „het penningske der weduwequot;.
De Heer sprak in die allerlaatste dagen vóór zijn lijden gedurig van de zware tijden en oordeelen, welke het Joodsche volk na zijn heengaan te wachten stonden. Zijn discipelen moesten daarop voorbereid wezen, en wakende zijn komst
254
te gemoet zien. Zijn komst, zoo zeggen wij, want de Heer beloofde nadrukkelijk, dat luj zou wederkomen. Hij zeide ecliter niet, wanneer dit geschieden zou. Maar ten allen tydo, op elk oogenblik . wanneer hij ook kwam, moesten zijn discipelen bereid zijn, hem te ontvangen.
Hij leerde dit ook in de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden, welke wij hier willen mededeelen. Een bruidegom zou des avonds terug keeren met zijn bruid, die hij voor het eerst zjjn woning binnen leiden zou. Eenige vriendinnen besluiten aan de poort liem af te wachten, en met haar brandende lampen hem feestelijk in te halen. Het was echter niet bekend, op welk uur de bruidegom komen zou. ffij kon vroeg komen, maar het kon ook zeer laat wezen. Van de tien maagden hebben er vjjf niet alleen haar lampen goed met olie gevuld, maar zij namen ook nog een kruik met olie mee , voor 't geval, dat het laat werd. De andere vijf achtten dit niet noodig; het zou zoo laat niet worden , meenden zij. Doch het werd ivel laat, en de tien maagden vielen allen in slaap. Eerst te middernacht weerklinkt het geroep: „De bruidegom ! Gaat uit hem te gemoet!quot; Daar ontwaken de tien maagden, en wat zien ze ? Dat haar lampen op liet punt zijn van uit te gaan. Doch zij, die wijs waren geweest en een kruik met olie hadden medegenomen, vullen haar lampen opnieuw , die daarop helder gaan branden. Doch de andere vijf, die gezegd hadden: het zal zoo laat niet worden, konden haar lampen niet vullen, want zjj hadden geen olie bij zich. Toen vroegen zjj aan de vijf wijze maagden: geeft ons iets van uwe olie meê, want onze lampen gaan uit. Maar deze antwoordden: Dat kan niet, want dan zouden wjj geen van allen genoeg hebben: doch spoedt u naar een winkel, en koopt olie. Zoo deden zij dan ook.
Doch daar is inmiddels de bruidegom gekomen. De vijf wijze maagden gaan met haar helder brandende lampen voorop en gaan mee de woning binnen, waaide bruiloft zou worden gevierd. En de deur werd gesloten. Een poos daarna, daar komen de vijf dwaze maagden aan, en kloppen aan de deur, en roepen: „Heer, Heer, doe ons open!quot; Maar de bruidegom zeide; „Voorwaar zeg ik u : ik ken u niet.quot; —Zoo moeten wij dan waken, want de Heer komt op een oogenblik , waarop wjj hem niet verwachten.
Maar hoe moeten wij Hem dan verwachten ? Dat leert ons een andere gelijkenis , dien van de talenten. Een talent is een som gelds, ter waarde ongeveer van ƒ 4800.
Vijf van zulke talenten gaf een heer , die op reis ging, aan een van zijn knechten, en aan een ander gaf hij er twee, en aan een derde gaf luj er één. De reden, waarom hij niet allen even veel gaf, lag in de verschillende krachten , waarover de knechten te beschikken hadden.
■-
255
ke- Toen de heer was afgereisd, heeft ziju knecht, die vijf talenten had ontvan-
den gen, koophandel gedreven, en hy had liet geluk van er vijf talenten bij te
iten winnen. De knecht, die twee talenten had ontvangen, dreef er ook handel mee , en hij won twee talenten. Maar wat doet de derde knecht, die slechts e'én ta-
Ike lent ontvangen had? Hü vond het veel te weinig, om er iets mee te beginnen,
net Hü knoopt het geld in een doek, begraaft het ergens in do aarde, en ziet er
en- verder niet naar om.
ra- Na langen tijd — daar komt hun heer terug, en verlangt dat zjj rekenschap
de zullen geven van hetgeen zij hadden gedaan met de hun geschonken talenten.
fe- Zjj, die vjjf en twee talenten hadden ontvangen, en ook evenveel hadden gewon-
lie nen, werden door den heer geprezen als „goede en trouwe dienstknechten ', die
at tot zijn vreugde mochten ingaan. Maar als de trage dienstknecht het zijn heer op
r- onvnendelijken toon durft verwijten, dat hij te weinig had ontvangen , om iets
in van aanbelang daarmede te doen, werd de heer zeer toornig, en noemde hem
it een slechten dienstknecht. Hij had niet alleen niets verdiend, maar zelfs geen
ir rente gemaakt van het geld, dat hem was toevertrouwd. „Neemt,quot; zoo riep zijn
!n heer hem toe , „zijn talent, en geeft liet aan hem, die de tien talenten heeft,
ie want hij die ijverig arbeidt op de plaats en in den kring, waarin ik hem heb
il gesteld, hij zal met steeds grooter vertrouwen worden vereerd, en in steeds
n ruimer kring mogen arbeiden. En werpt den onnutten dienstknecht in de biü-
n tenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.quot;
i
r Bü de oversten der joden stond het vast, dat zij den Heer om 't leven zouden brengen, maar zij wilden het doen in 't geheim, en vooral niet op het paaschfeest.
i Zjj waren bang, dat het volk voor den Heer partij trekken, en oproer maken
zou, en daarom besloten zy , nog te wachten met het volvoeren van hun plan.
Maar de Heer had gezegd, dat hy wel op het paaschfeest en niet in 't geheim ter dood gebracht worden zou — en zoo is het ook geschied.
Een dier dagen komt by enkele leden van den Joodschen Kaad de apostel Judas, en zegt tot hen: Wat geeft gij my, en ik zal hem aan u overleveren ?
Op zulk een gelegenheid, om zich van hun vyand meester te maken, hadden de joden zeker wel niet gerekend; maar nu zij hun wordt aangeboden, maken zij er gretig gebruik van. Doch Judas bewees hun dezen dienst niet kosteloos. Hy vroeg er geld voor, en ton slotte werden zij het onderling eens , dat hy er dertig zilverlingen (dat is ƒ 52) voor ontvangen zou. Voor dat bedrag zou deze apostel zijn Meester overleveren in do handen zijner vijanden. Hy neemt het geld in ontvangst, en keert terug tot den kring van de discipelen , de gelegenheid afwachtende, waarop hy zyn plan volbrengen kon.
Niet lang liet die gelegenheid zich wachten. Op den dag waarop de joden
het paaschlam nuttigden, gaf de Heer aan Johannes en Petrus een eenigszins duister bevel. Hü gelastte hun de stad in te gaan, en daar zouden zjj een naan vinden, die een kruik water droeg; hem moesten zü volgen , en 't huis binnengaan, waar hij inging , en aan den eigenaar van dat huis zeggen: „De Meester zegt u: waar is de zaal, waar ik het pascha met mijne discipelen eten kan ? En hy zal u een groote opperzaal wijzen, waar gij het paaschmaal kunt gereed maken.quot;
De Heer heeft deze aanwijzing zoo geheimzinnig gegeven met het oog op Judas, die niet mocht weten, waar de Heer dien avond aan zoude zitten. Petrus ■ en Johannes hebben toen alles in gereedheid gebracht, wat voor een paaschmaal vereischt werd: het lam , de ongezuurde brooden , de bittere kruiden , de saus van zoete vruchten, en de wijn.
Als de avond valt, is in de zaal het licht ontstoken, en de Heer treedt binnen, door zijn discipelen gevolgd.
Bij de deur stond een kom water met een bekken, en daarbij lagen eenige doeken. Waartoe ? Het was de gewoonte, dat men zich nooit aan tafel schikte, zonder dat eerst de voeten werden gewasschen door een slaaf, of dienstknecht. Nu was er in deze paaschzaal zulk een knecht niet aanwezig; er werd verwacht, dat een der apostelen dien dienst zou verrichten aan den Heer en de andoren. Maar hierin heeft kennelijk niet één der twaalven eenige begeerte. Allen achten zich daarvoor te goed, of hebben een andere verontschuldiging. En wat heeft toen de Heer gedaan ? Toen heeft hij de voeten gewasschen van zijn discipelen. Hy was daartoe opgestaan van zijn plaats; had zijn opperkleed afgelegd : zich omgord met een der doeken; water in het bekken gegoten, en nu gaat hjj den kring rond, en wascht de voeten zijner apostelen.
Zij zagen dat met beschaamdheid aan; want nu deed de Heer wat zü hadden behooren te doen. Petrus wil het dan eerst ook niet toestaan, en roept uit: „Zult Gij mij de voeten wasschen ? Dat zal nooit gebeuren 1quot; Maar de Heer zegt, dat hy anders geen deel aan hem heeft.
Nadat de Heer dit werk verricht, zijn opperkleed weer aangedaan en z\jn plaats ingenomen heeft, vraagt hij: „Verstaat gij, wat ik nu gedaan heb? Indien ik, de Meester, u de voeten heb gewasschen , zoo z jjt gij schuldig elkander de voeten te wasschen.quot; De Heer bedoelt hierroeê: Wij moeten ons niet te groot en te voornaam houden om te dienen. Wjj moeten toonen discipelen te wezen van den Heer, die kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen.
Toen het feestmaal voor een groot deel genuttigd was, werd de Heer zeer ontroerd in den geest, en riep hy uit: „Voorwaar, voorwaar zeg ik u , dat een van u my zal verraden.quot; Deze woorden brachten onder de apostelen groote
257
ins ontsteltenis teweeg, want niemand had eenig vermoeden tejren Judas. Allen
)en vragen dan ook: „Heer, ben ik het?quot; Toen heeft de Heer een stuk genomen
lis van een der ongezuurde brooden, dat gedoopt in de bittere kruiden, en gezegd:
De „Wien ik dit stuk geven zal, die is het.quot; En hjj gaf het aan Judas Simonszoon
en Iscarioth.
nt Onder den maaltijd nam de Heer een brood, sprak er den zegen over uit, en brak het, gaf het zijn discipelen en zeide: „Neemt, eet, dat is mijn lichaam,
op dat voor u verbroken wordt.quot; Een oogenblik later nam hy den drinkbeker,
us dankte , gat hem ook aan de discipelen en sprak: ,Drinkt allen daaruit, want
al dit is mijn bloed, het bloed des nieuwen Verbonds, dat voor velen vergoten wordt
is tot vergeving van zonden.quot;
Of Judas ook nog van dit brood en dezen wijn genuttigd heeft, is niet zeker,
It maar wel weten wij, dat de Heer hier heeft ingesteld het heilig Avondmaal.
Hjj heeft gewild, dat zyn sterven zou worden herdacht door zyn gemeente, en
;e dat zyn dood zou worden verkondigd bjj brood en wyn.
s, Gedurig wordt dan ook de Avondmaalstafel aangericht, het brood gebroken, u de wijn vergoten , en ieder die met een geloovig hart aanzit, mag vasteiyk geit looven , dat hem al zijn zonden zyn vergeven. In sommige kerken komt men nu ir en dan byeen, om als broeders en zusters samen te eten en te drinken, terwjjl h er iets gelezen wordt uit den bybel, en een godsdienstig lied wordt gezongen, n Men noemt dat liefdemalen, geiyk zij reeds zeer vroeg in de christelijke kerk ij werden gehouden.
1 Eindeiyk stond de Heer op van de tafel, en maakte men zich gereed, om de
? paaschzaal te verlaten. Maar het hart des Heeren is geheel vervuld van de gedachte aan zyn lyden en sterven. Voor het laatst is hy met zijn discipelen
i byeen geweest. Wie zou hen bewaren, deze geloovige maar zwakke mannen ?
Zouden zy zich staande kunnen houden in den stryd tegen de wereld, zonder dat de nabyheid en het woord van hun Meester hen beschermde en sterkte ?
De Heer heeft de toevlucht genomen tot het gebed. Als hy in een treffend afscheidswoord, dat Johannes in zyn Evangelie heeft opgeteekend, hen heeft toegesproken, heeft hij zyn hart uitgestort in het „Hoogepriesterlijk gebedquot;, dat wy vinden in Johannes XVII. Zóó was er zeker wel nooit tot God gebeden.
17
258
H O O F D S T II K X. HET LIJDEN DES HEEREN. (Vervolg)
Uit de zaal, waav het Paaschmaal gehouden en het Avondmaal ingezet was, begaf de Heer zich door quot;de stille straten der stad naar buiten, in de richting van den Olijfberg. Aan de westzijde van dien berg was een hof, genaamd Gdhsemanc, d. i. Oljjvenpers. Meermalen had de Heiland daar een nacht doorgebracht. Als hij nu komt aan den ingang, vergunt hy het slechts aan Petrus, Johannes en Jacobus, met hem binnen te gaan, Zjj waren ook alleen getuigen geweest van de opwekking van Jaïrus' dochtertje, en van 's Heeren verheerlijking op den berg.
Als hij met dit drietal apostelen alleen is, heeft hem een onuitsprekelijke angst en droefheid bevangen. Hij smeekt zijn discipelen, om wakker te blijven, en te bidden. Hy verwijdert zich op eenigen afstand, en luide roept hij: «Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan; doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gü wilt.quot; Na eenigen tijd komt hij bij zp discipelen, doch ziet, zij sliepen. De Heer moest hen wakker maken, en zeide: „Kunt gij dan niet één uur met rnjj waken ? Waakt en bidt! De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak . Hij gaat wederom alleen, en zijn angst wordt steeds grooter. Hjj werpt zich ter aarde, en als bloed worden hem groote zweet-droppelen uitgeperst, en hij herhaalt zyn bede, dat de drinkbeker van hem voorbij moge gaan; en als zijn vreeze aanhoudt, begeeft hij zich nog eens tot zijn discipelen, en wederom vindt hij hen slapende Zoo gaat hij dan weder henen en nu verschijnt een engel, die hem sterkt. Hjj zal den drinkbeker drinken, hij zal Ipen en sterven, omdat de Vader het van hem verlangt. Niet zijn wil, maar de wil des Vaders moet geschieden.
Een oogenblik staat hij stil bij zijn slapende discipelen, maar niet lang. Zie, hij, die hem verraden zou, was nabij.
Toen Judas had ontdekt, dat de Heer dachtquot; te gaan naar Gethsemane, heeft hij zich gespoed naar den hoogepriester Kajafas. Hy deelde hem mee, dat het niet moeielyk zou vallen den Heiland in dien eenzamen hof te overvallen , en gevangen te nomen. Hij verklaarde zich bereid, den weg te wijzen, en zyn Meester aan hem over te leveren.
Kajafas gaf hem daarop eenige gewapende dienstknechten mede; ook liet luj
259
eenige Romeinsche soldaten ontbieden. Toegerust met lantaarns, zwaarden , touwen, alsof er gerekend werd op grooten tegenstand, trekt men uit en Judas gaat voorop. Onder weg sprak hij met deze mannen af, dat zjj goed naar hem moesten zien. Dien hjj kussen zoude, moesten zjj grypen, ïwant die was het.
Zoo treedt dan die gewapende stoet Gethsemane binnen, en weldra staan zjj tegenover den Heer en zijn discipelen. quot; Daar treedt Judas naar voren, en alsof hü blij is den Heer te zien, valt hij hem om den hals en kust hem , en zegt: „Wees gegroet, Rabbi!quot;
(lij gevoelt, hoe laag en valsch deze handelwijze van Judas is. Onder den schyn van vriendschap levert hij zijn Meester, die hem niets dan göed heeft gedaan, aan zijn vijanden over. Sinds dien tijd kunnen wij den naam Judas niet zonder weerzin noemen. Hjj doet ons denken aan valschheid en verraad, en wordt zelfs door de Mohammedanen gevloekt.
Heeft de Heer niets gezegd tegen dezen zoo diep gezonken discipel ? Slechts dit éene: „Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot; In dit woord is echter alles opgesloten, en heel het bestaan van Judas met weinige woorden maar treffend geteekend. Judas is dan ook na dit woord des Heeren plotseling teruggetreden in het donker, en nu blijkt het, dat de krijgsknechten niet goed hebben gezien, wien hij gekust heeft. Als zij daarom bljjven staan en aarzelen, roept de Heer zelf: „Wien zoekt gij?quot; En als zij antwoorden: „Jezus de Nazarenerquot;, zegt de Heer: „Dat ben ik 1quot; Hij sprak dit met zulk een waardigheid, dat de krijgsknechten terugdeinsden en ter aarde vielen. Wederom vraagt de Heer: „Wien zoekt gij?quot; En als zij hetzelfde antwoord geven, zegt hij: „Ik heb u immers gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt — zoo laat dezen gaan!quot; Oelyk hij altijd had gedacht aan en gewaakt over zijn discipelen, doet hij het ook nu.
Een der krijgsknechten treedt daarop naar voren, en maakt aanstalten om den Heer te binden. Doch wie kan dat niet aanzien ? Petrus niet. Zonder een oogenblik zich te bedenken, trekt hij zijn zwaard, en treft hij dengene, die den Heer boeien wou. Petrus hieuw hem het rechter oor af.
Het is zeker in Petrus te prijzen, dat hy niet onverschillig het kon aanzien, dat men zyn iieiligen Meester als een misdadiger ging behandelen, maar het was in de hoogste mate onvoorzichtig. Gesteld eens, dat nu de romeinsche soldaten ook hun zwaard getrokken hadden! De Heer heeft dan ook terstond den onstui-migen apostel bestraft, zeggende: „Steek het zwaard in de schede! Die het zwaard trekt, zal er door vergaan.quot; Wy mogen ons wel, als wij worden aangevallen, verdedigen, maar zelf den kryg beginnen, dat mogen wü niet.
Hierop is de Heer geboeid — en zijn al de apostelen gevlucht. Zü lieten allen hunnen Meester alleen.
260
Waarheen werd hij gebracht? Naar den Joodschen Raad. Onderweg vertoonde men den gevangen Jezus van Nazareth aan Annas, den schoonvader van Kajafas, maar weldra is men met hem in de zaal, waar de leden van het Sanhedrin vergaderd zijn. Petrus en Johannes, die eerst in Gethsemane zijn gevlucht, wisten echter later in de woning van Kajafas te komen.
Het is een ernstige taak iemand, die beschuldigd is, als rechter te ondervragen. Men moet daarbij eerlijk en onpartijdig te werk gaan, en zoeken naar waarheid. Daar was het echter Kajafas niet om te doen. Bij hem, en zijn medeleden van den raad, stond het vast, dat de Heer moest ter dood gebracht worden, en hoe onwaardig zy het waren, rechters te zijn, blijkt daaruit, dat zij valsche getuigen hadden ontboden, menschen die willens en wetens van den Heer onware dingen zouden zeggen.
Zij treden op, de een na den ander, maar wat de een zegt, onkent de ander. Zü spreken elkander tegen, en zoo lang er niet twee getuigen overeenstemden, kon, volgens de joodsche wet, de Heer niet worden veroordeeld. Eindelijk, daar verklaren twee mannen, dat zy den Heer hadden hooien zeggen: „Breek den tempel af, en in drie dagen bouw ik hem weder opquot;. De Heer had het niet gezegd. Hjj had gesproken niet van den tempel, maar van dezen tempel, daarmee zyn lichaam, zijn leven bedoelende. Maar al ivarc het door hem gezegd , zoo zou dit woord , al klonk het oneerbiedig van Gods huis, toch geen grond hebben opgeleverd, om hem ter dood te brengen. De Heer heeft dan ook op deze beschuldiging niet geantwoord. Hij zweeg stil. Tegen zulke aanklachten heeft hy nooit zich verdedigd.
Daarop is de hoogepriester verrezen van zyn zetel, enzeide: „Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij zijt de Christus, de Zoon Gods!quot; quot;Wat de Heer antwoordde op deze vraag, moet worden aangemerkt als gesproken onder eedzwering, want bij de Joden was het de gewoonte, dat de rechter de woorden van den eed uitsprak.
Wat zal de Heiland doen? Erkent hy, dat hij is de Christus, de Zoon van God — dan spreekt hij daarmee zyn doodvonnis uit. Ontkent hy het, dan toont hij den dood meer te vreezen dan zijn Vader. Maar wy behoeven over onzen Zaligmaker niet ongerust te zijn. Hy zwygt niet; terstond antwoordt hy: „Ik ben de Christus, de Zoon van den allerhoogsten God; en van nu aan zult gy my zien gezeten aan Gods rechterhand, d. i. met goddelijke macht bekleed, komende op de wolken des hemels.quot; De Heer kent zich hier dus bovenmen-schelyke waardigheid toe, en plaatst zich als aan de zyde van God.
De hoogepriester scheurt dan ook zyn kleed, als een teeken van zyn groote verontwaardiging, en rondziende vraagt hy: „Wat dunkt U ?quot; En aller antwoord luidt: „Hy is des doods schuldig.quot; Ze zyn, o zoo blyde, dat zy een
261
'
ver- voorwendsel hebben, om den Heer ter dood te brengen , maar zjj verbergen luin
van blijdschap achter hun onoprechte verontwaardiging.
Jan- Daarop staan zij op van hun plaats, en zjj geven den Heer slagen in 't aan-
ge- gezicht, en bespuwen hem en bespotten hem op de laagste wjjze. En dat voor
beeld wordt gevolgd door hun dienstknechten.
wa- Wjj kunnen geen woorden vinden, om naar den eisch de laagheid van het ge-
iaar drag dezer Raadsleden te kenschetsen. Zoo mochten geen rechters, geen acht-
■de- bare mannen handelen ! Maar de haat, dien zy koesterden tegen den Heer, deed
Jen, hen alle betamelijkheid vergeten, en verdoofde alle gevoel van eer. Wie zegt
ïche ons, wat de Heiland onder dit alles moet hebben geleden?
■are Doch in het verblijf van den hoogepriester is het grootste leed hem aangedaan
door een zijner apostelen. Wij denken aan Petrus. Had Judas hem verraden, Ier. Petrus heeft hem verloochend. Zooals we zeiden, had ook hij in de woning van
an) Kajafas weten te komen. Bü het vuur , dat de krijgslieden hadden aangestoken,
ik) zit hij en warmt zich, toen op eens een dienstmaagd hem aanziet, en zegt: „Gü
lek zijt immers ook een volgeling van hem ?quot; Petrus, op zulk een vraag in 't ge-
jet heel niet voorbereid, ontkent het, en zegt; daar is niets van aan. Ik ken hem
jI i niet eenmaal. — Een pooze later zegt weêr iemand tot hem: „Gü zijt toch zeker
•g- wel een discipel van den Nazarener, want aan uwe spraak is het te hooren,
en dat gü een Galileër zyt.quot; Petrus nog meer in het nauw gebracht, verklaart nog
jk nadrukkelijker dan zoo even, dat htf Jezus niet kent. Doch, wat gebeurt?
en Een der krijgsknechten ziet hem eens goed aan, en zegt: „Heb ik u niet gezien
in Gethsemané ?quot; En hij het hooren van die woorden slaat de grootste schrik ijj Petrus om liet hart. O, indien men hem eensiherkende als dengene , die met
!quot; het zwaard had geslagen! Dan werd ook hy geboeid , en misschien wel met den
)- Heer ter dood gebracht. En daarop begint hij zich zelf te vervloeken, en vele
gt;r eeden er op te doen, dat hy Jezus van Nazareth niet kende. En op hetzelfde
oogenblik dat hy daar stond en zyn Heer zoo schandelik verloochende, werd n zyn Meester langs hem heen geleid , zoodat deze duideiyk hoorde wat de apostel
t zeide. „En Jezus, zich omkeerende , zag Petrus aan.quot;
n Ziedaar een kort, maar veelzeggend woord. Diep drong die blik des Heeren
Petrus in het harte, en zeide meer tot hem dan de welsprekendste woorden, t Al het lafhartige en al het ondankbare van zijn bestaan komt hem duideiyk voor
, den geest. Hij kan niet langer blijven in het huis van den hoogepriester; hjj
yit naar buiten, en als hjj alleen is vangt hy aan , bitteriyk te weenen.
De Joodsche llaad had den Heer ter dood veroordeeld. Hem ter dood brengen mochten zij niet, want het recht daartoe hielden de Komeinen aan zich, die toen in het Joodsche land heer en meester waren. Kajafas en zyn medeleden van het Sanhedrin besloten dus het aanbreken van den dag af te wachten, om
262
Jan den Heer te brongen voor den llomeinsclien stadhouder Pontius Pilatus. Wjj behoeven wel niet te verzekeren, dat Nicodemus en Jozef van Arimathea aan deze veroordeeling van den Heer geen deel hebben genomen.
Wie was Pilatus ? Hj] regeerde over het Komeinsche wingewest Syriö, waartoe het joodsche land behoorde. Hü woonde te Cesare'a, maar bracht de Paasch-dagen te Jerusalem door, omdat de Joden in zulke dagen dikwerf oproer maakten , en het wenscheiyk was, dat lijj dan zelf zjjn gezag kon doen gelden.
Toen de overpriesters den Heer voor Pontius Pilatus hadden gesteld, begonnen zjj te eischen, dat hij zou worden ter dood gebracht. Maar Pilatus wilde daarvan niet weten; hjj wilde hooren, welke beschuldiging zjj tegen hem inbrachten. Toen zeiden zü dan, dat de Heer een oproermaker was, iemand, die zich zelf tot Koning bad doen uitroepen. Hierop ondervraagt Pilatus den aangeklaagde, maar ontvangt volstrekt niet den indruk, dat hjj een misdadiger voor zich ziet. Hij helt „er dus toe over, den Heer los te laten, want hjj was niet onbekend met de partijschappen der Joden.
Doch , Pilatus was een zeer zwak man , wij bedoelen zwak van karakter. Hjj was bang voor de Joden en durfde tegenover hen niet volhouden, wat toch zijn plicht gebood. Als hij hoort uitroepen, dat Jezus oproer gemaakt had, beginnende van Galilea, komt een gedachte in hem op, die hem misschien zal redden uit den strijd tusschen zijn plicht en zijn vrees. Herodes, de viervorst van Galilea, was op dien tyd ook te Jeruzalem, en deze zou waarschijnlijk wel kunnen zeggen, of men Jezus van Nazareth terecht beschuldigde van oproer. — Gij herinnert u dien Herodes nog wel, den moordenaar van Johannes den Dooper. Geboeid werd de Heer voor dezen zedeloozen vorst gesteld, en Herodes is bljj, als hij den Heer ziet. Hij had veel van hem gehoord, vooral van de wonderen, die hij verrichtte; en nu had hy reeds lang begeerd, Jezus te ontmoeten, daar deze dan zeker voor hem wel eens wonderen zou willen doen. Hij vraagt dan ook den Heer: verricht eens een wonder voor mij I Maar ofschoon hy 't vriendelijk en herhaaldelijk vroeg — de Heer antwoordde hem niet met een enkel woord. Het zou toch niet hebben gebaat. Herodes was te diep gezonken, en voor het woord der waarheid geheel ontoegankelijk en gevoelloos geworden. Zou hij anders den Heer wel hebben bespot ? En toch, dat deed hy. Immers, zyn krygsknechten, hoorende, dat Jezus zich een Koning noemde, hebben hem een soort koningsmantel omgehangen, en zich over zulk een koning vroolijk gemaakt, onder luiden • by val van Horodes, die van zulk een man niet hot minste gevaar vreesde voor de rust van het land.
Men keerde dus met den Heiland tot Pilatus terug, en met genoegen vernam deze, dat Herodes den Heer Jezus onschuldig vond. Hy wilde hem dus loslaten. Maar met alle macht kwamen de overpriesters daar tegen op. Zij had-
263
T
;us, den zich iiu eenmaal voorgenomen , den Heer ter dood te doen brengen, en zij
hea zouden niet rusten, voordat het hun was gelukt. Ook wisten zij wel, dat Pi-
latus alles behalve standvastig was.
ar- Zij bleven dus eischen, dat de landvoogd Jezus den Nazarener, als oen oproer-
;h- maker zou laten ombrengen. Hoe langer hoe meer in 'tnauw gebracht, meent
)er Pilatus iets te hebben gevonden, dat hém uit de verlegenheid en den Heer uit de
gt;11. handen der Joden verlossen zou. Wat was het? In dien tijd zat een gevaarlijke
en oproermaker en doodslager gevangen , wiens naam was Bardbbas. De landvoogd
r- was gewoon het volk een genoegen te doen op het Paaschfeest, door oen gevan-
n. gene los te laten: en nu dacht Pilatus bij zich zelf: ik zal het volk de kous
If geven wien zü vnj gelaten willen zien; Barabbas, of Jezus van Nazareth. Hij
!, twijfelde er niet aan, of het volk zou Jezus verkiezen boven Barabbas. Ais hü
t. dan ook de vraag doet: Wien wilt gij dat ik u zal loslaten? roept niemand:
d Laat ons Barabbas los! Neen, dat zou toch al te onrechtvaardig wezen: een moordenaar te kiezen boven den profeet van Nazareth. — Doch, wat geschiedt ?
jj Juist op dit oogenblik, waarop de vrijlating van den Heer verzekerd scheen,
!i wordt Pilatus afgeroepen, om een boodschap aan te hooren van zp vrouw. Zjj
liet hom dringend verzoeken ,, zich aan den rechtvaardigen Jezus niet te bezondigen, want de goden (zij was een heidin) hadden haar in den droom daartegen gewaarschuwd.
Als Pilatus terugkomt, en zijn vraag herhaalt: nWien zal ik u loslaten ?quot; roept het volk uit: „Laat ons Barabbas los!quot; Het volk deed dat op aansporing van de overpriesters en de farizeën. Hoe schandelijk onrechtvaardig! Een afschuwelijken moordenaar te verkiezen boven den Heer , die niemand kwaad maar honderden goed had gedaan.
Doch de eisch van 't volk werd ingewilligd. Barabbas wordt losgelaten. Maar wat nu te doen met Jezus, den Nazarener? Pilatus vraagt het aan het volk — en het antwoord luidt: laat hem gekruisigd worden I De stadhouder ontroert bij het vernemen van die vreeselijke woorden. Neen, dat kan lüj nimmer toestaan. Hij kan dat te minder, omdat hij van een ernstig gesprek met den Heer gevoerd, den indruk krijgt, dat hy een onschuldige voor zich heeft, ja misschien wel een Zoon der Goden.
Doch het volk hield aan, en Pilatus denkt bij zich zeiven: Indien ik hem eens liet geeselen! Maar de Joden zijn daarraeè niet tevreden. Jezus moet gekruisigd worden. Inmiddels hebben de krijgsknechten van Pilatus den Heer gekleed als een spotkoning. Zij hebben hem een purperen mantel omgehangen , een kroon van scherpe doornen gevlochten en hem gedrukt in het hoofd, en bijwijze van scepter hem een rietstok geduwd tugschen de geboeide handen. Daarop knielen zij voor hem, en huldigen zij hem als Koning. Als Pilatus dat stuitend
264
tafereel gadeslaat, denkt lijj: de Joden zullen wel voldaan zijn, als zjj Jezus zien zóó vernederd, zóó bespot en gesmaad. En Jezus kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed. En Pilatus zeide: „Zie, demensch!quot; Hij wilde daarmee zeggen; Kunt gij uiets deerniswaardigers voorstellen ? Zjjt gü nu nog niet voldaan ? Maar het volk riep: „Neem weg, neem weg! Wij hebben geen Koning als den Keizer!quot; Zjj bedoelden den keizer van Rome.
Toen moest Pilatus wel toegeven. Doch, om te doen zien, dat hjj Jezus onschuldig vond, dat hij hem niet zou hebben veroordeeld, liet hjj waschwater brengen, en wiesch zich daarin de handen. Hjj wilde daarmee te kennen geven: Indien het een zonde is, Jezus van Nazereth te doen sterven, dan zal het niet mijn zonde, maar de zonde wezen van de Joden.' En wat riep toen het volk? „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen Iquot; Zjj namen dus den moord, aan den heiligen en rechtvaardigen Heer gepleegd, voor hunne rekening. Toen gaf Pilatus hem over om gekruist te worden.
HOOFDSTUK XI. HET LIJDEN DES HEEREN. {Slot).
Voordat wjj verhalen, hoe de Heer gekruist en gestorven is, moeten wij het schrikkelijk levenseinde mededeelen van Judas. Wij ontmoetten hem in Gethsemane, en zagen hem verdwijnen, nadat hjj den verradeiyken kus had gegeven. Hjj heeft echter zjjn Meester niet uit het oog verloren, maar volgde hem van verre, en onder degenen, die den loop der zaak gadesloegen vóór het verblijf van Pilatus, stond ook hy. Het schijnt, dat hij had gehoopt: Jezus zal zich niet laten ter dood brengen, maar door zijn wondermacht zich weten te redden; doch als hjj ziet, hoe de Heer wordt bespot, en overgegeven om te worden gekruisigd, krijgt hjj van zijn misdaad een hartstochtelijk berouw. Hjj verfoeit zich zelf; hij kan dat geld, die 30 zilverlingen, niet langer bij zich behouden: zjj branden hem tusschen de vingers. Hij zal tot de overpriesters gaan en hun dat bloedgeld teruggeven. Zoo ijlt hjj tot hen, en roept uit: „Ik heb gezondigd, verradende onschuldig bloed!quot; Maar die hardvochtige overpriesters hooren hem met onverschilligheid aan. Het was zijn zaak. Zü hadden afgedaan met hem. En Judas werpt hun het geld voor de voeten; en nu , wat zal hy doen ? Hij wil niet langer
265
us leven. Voor hem was 't maar het best te sterven — en naar buiten gaande,
de worgde hjj zich zelf.
IÜ Welk een geheel ander berouw dan dat van Petrus! Judas werd boos op
m zich zelf — maar hij nam de toevlucht niet tot God, en God vraagt naar droef-
Jn heid over het gepleegde kwaad. Zalig zyn zij, die treuren , want zij zullen vertroost worden. Dit zien wjj aan Petrus.
is
sr Laat ons nu den Heer volgen op zjjn weg naar de plaats der irruisiging.
i: Men noemt dien weg dikwijls den weg der smarten. Ieder, die tot den kruis-
t dood was veroordeeld, moest zelf het kruis dragen, waaraan hij zou sterven,
i Ook de Heer moest dat doen, evenals de twee moordenaren, die tegelijk met
i hem zouden worden gekruist. Ach, hoe bleek en afgemat was het gelaat van
f den gezegenden Heer, terwijl hjj, die reeds den ganschen nacht geleden had ,
gegeeseld en gesmaad was, daar voortging door de straten van Jeruzalem. Hoe is het hem aan te zien, dat lijj slechts met de grootste moeite het zware kruis meesleept. Eindelijk, hij kan niet meer: hy valt ter aarde. ïoen heeft men hem dan ook het zware hout afgenomen, en het gelegd op de schouders van een man, geheeten Simon van Cyrene. Hü kwam juist de stad in, terugkeerende van zjjn akker. Gewillig nam hg het kruis des Heeren over, en daarom is in de christelijke kerk zijn nagedachtenis in zegening tot op dezen dag.
Eindelijk, daar heeft men de plaats bereikt, waar de kruisiging zou geschieden. Het was een heuvel buiten de stad, Golgotha geheeten. Golgotha beteekent: hoofdschedel. — Gij weet dat iemand, die gekruist werd, met lange spijkers of nagels, die de handen en de voeten doorboorden, werd vastgehecht aan een rechtopstaand kruishout. Wij behoeven u niet te zeggen, hoeveel pijn die vier wonden moeten veroorzaken. Dan werd het lichaam door dat hangen aan het kruis smartelijk uitgerekt en onuitsprekelijk moede. De gekruiste werd bovendien gekweld door brandenden dorst, door ondragelijke hoofdpijnen, en moest eer de dood hem verloste, uren lang daar hangen, bijna geheel naakt en in de brandende stralen der zon. Hoe hebben menschen zulk een wreede straf kunnen bedenken, en haar op een medemensch kunnen toepassen ?
En niet alleen was de kruisdood onbeschrijflijk smartvol, maar bij was ook een schande, een oneer.
Nooit zou men een vrij en achtbaar mensch hechten aan het hout. Het waren alleen slaven en de diepstgezonkenen, die men alzoo ter dood bracht. JBjj de Joden was zelfs vervloekt, wie aan het hout hing. Gij ziet dus: de Heer is den wreedsten en verachtelpsten dood gestorven, dien men kende. Hij is den Vader gehoorzaam geweest tot den dood, ja don dood dei kruises.
26H
Boven aau hel kruis stond geivoonlyk te lezeu, welke misdaad door den kruiseling bedreven was. Pilatus zelf had er voor gezorgd, dat zulk een opschrift ook werd vastgehecht aan het kruis des Hoeren. En hoe luidde het ? Jezus de Nazarener, dc Koning der Joden. Het stond er in drie talen: de latynsche, de grieksche en de hebreeuwscho.
De Joden namen het Pilatus zeer kwalijk, daar het zeer onteerend moest geacht worden voor hen, dat hun Koning hing aan een kruis. Zy vroegen hem daarom het opschrift te veranderen , en to schrijven : Dcsc heeft gezegd: ik ben de Koning der Joden; maar Pilatus wilde daarvan niet weten. „Wat ik geschreven hebquot;, zoo zeide hij, „dat heb ik geschrevenquot;.
Toen do kruisiging der twee moordenaren en die van den Heer (men had hem in het midden gehangen als de grootste booswicht) was volbracht, hebben de romeinsche krijgsknechten de kleederen van den Heer onder elkander verdeeld, en over zgn opperkleed, waarin geen naad was, en dat zy daarom niet wilden scheuren , geloot, voor wien het wezen zou. Dit voorval deed denken aan Psalm. 22, waarin ook gesproken wordt van een Ijjder, wiens handen en voeten werden doorgraven, en over wiens kleederen het lot werd geworpen.
Heeft, zoo vraagt gü wellicht, niemand eenig medelijden betoond met den Heer? Heeft niemand eenig bewijs gegeven van afkeuring van die wreedheid en dat onrecht? Ja, de vrouwen deden het, toen hy dicht by de poort der stad was, en Simon het kruis voor hem had opgenomen. Zy weenden luidkeels. En de Heer, die het opmerkte, zeide: „Gij, dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over u zeiven en over uwe kinderen. De dagen zullen komen , waarin zij, die in het leven gespaard worden, in wanhoop zullen wen-schen, dat de bergen op hen vallen; en een einde maken aan hun bestaan ; want indien zy dit aan het gioen hoiit doen; indien zy my, die een rechtvaardige ben , zóó mishandelen, wat zal g eschieden aan het dorre hout, d. i. aan menschen, die Gods geboden telkens hebben overtreden ?quot; Den Heer stond hier voor den geest het lot, dat Jeruzalem zou treffen, wanneer het door do llomeinen ingenomen en gestraft zou worden.
Een der redenen, waarom de kruisdood zoo wreed en zoo gevreesd was, bestond in zijn langdurigheid. Gewoonlijk stierven de gekruisten niet binnen de twaalf uren, maar het gebeurde vaak, dat zij eerst na vierentwintig uren of nog later verlost werden uit hun lyden. Daar de Heer reeds vóór zün kruisiging veel had doorstaan, en hy dus zeer was uitgeput — heeft by niet zoo lang behoeven te wachten op den dood. Toch is by in die weinige uren ten prooi geweest aan de felste smart naar lichaam en naar geest. Wat erin hem omging, weten wij althans gedeelteiyk uit hetgeen hij aan het kruis heeit ge-
.....
m*-'quot;' - ■ - ft#
. quot; i ■•:■■■:.'.'■ ■■'rr--'
■
. . . . .. . ,
W^1
2(37
sprokcu. Voor ons zijn bewaard in de evangeliën do acvcti kruiswoorden, en wie zou ze willen missen, die laatste woorden van den stervenden Heer ? Zij doen ons zien, hoe zijn hart tot den einde toe vervuld was van liefde , en hoe hjj is gestorven vol vertrouwen in God, zijnen Vader.
Het eerste kruiswoord luidde: Vader, vergeef het him, want sij weten niet wat zij doen. Hij sprak die woorden, toen men bezig was hem te kruisigen. Aan wie hij dacht ? Aan allen, die hadden meegewerkt tot zijn veroordeeling, maar het meest zeker wel aan het Joodsche volk, dat zich had laten meeslepen door de overpriesters. Zóó te kunnen bidden, onder de felste smarten: is dat niet heerlijk en groot ?
Het tweede kruiswoord sprak de Heer tot Maria, zijne moeder, en tot Johannes den apostel. Maria stond bij het kruis van haren zoon. En wie beschrijft de smart, die zü ddar leed, geleund tegen dat akelig kruis ? Toen ging door haar ziel dat zwaard', waarvan de grijze Simeon tot haar gesproken had. En Jezus, zijn moeder ziende en den discipel, dien hjj liefhad, daarbij staande, zeide tot zijn moeder: „Vrouw! zie uw zoon!quot; en tot Johannes zeide hij; „Zoon, zie uwe moeder !quot; En van die ure nam Johannes haar in zijn huis. Zoo heeft hij voor zijn moeder gezorgd, en aan wie kon hjj haar beter toevertrouwen dan aan den apostel Johannes,?
Het derde kruiswoord was gericht tot een der twee moordenaren, met wie de Heer gekruist was. En wat gaf hem aanleiding het te spreken ? De eene moordenaar bespotte hem , zeggende: „Tndien gij Gods Zoon zijt, zoo verlos U zelf en ons !quot; Op die taal, waaruit laagheid van ziel en schrikkelijke verharding des harten spreken, heeft de Heer niet geantwoord. Maar zy wekte grooten weerzin bij den anderen moordenaar, die uitriep: „Vreest gij ook God niet, daar gij dezelfde straf ondergaat? Wij ontvangen ons loon , wü worden gestraft naar hetgeen wij misdreven , maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.quot; Daarop zich wendende tot den Heer, zeide hü: „Gedenk mijner, als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn.quot; Het blijkt, dat deze man een hooge gedachte had van 's Heeren macht en goedheid. Hij zag in hem, ofschoon hij daar hing aan 't kruis, een koning. Hij durfde, ofschoon hij den dood verdiend had, en stond aan het einde van zijn leven, toch nog hopen op de ontferming van den Heer. En die hoop is niet beschaamd geworden. Terstond zegt de Heiland tot hem; „Voorwaar zeg ik u : heden zult gij met mij in het Paradijs zijn!quot; Het „Paradijsquot; is hier de hemel. Nog dezen zelfden dag zou deze booswicht een plaats ontvangen in de eeuwige heerlijkheid. Voorwaar, dezen man is groote genade geschonken. Maar zü valt ieder te beurt, die gelooft zoo als hij. Het is niet goed zoo lang te wachten met de bekeering als deze moordenaar; maar van hom kunnen wjj toch leeren, dat ook zij, die zeer laat komen, niet worden verstoeten. „Jezus zendt geen zondaars heen.quot;
268
Om 12 uur werd het op den sterfdag des Heeren donker, alsof het middernacht was. Het akelige van hetgeen op Golgotha geschiedde, werd daardoor nog verhoogd. Wat er in dien tjjd omging in het hart des Heeren, zullen wjj nooit onder woorden kunnen brengen. Dat echter zyn lijden zwaar was, blpt uit zijn klacht, die hij uitte: „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?'' Het is de aanhet van Psalm 22. Een gevoel van verlatenheid had zich meester gemaakt van den Heer, maar toch , hjj hield ook in het donker, ook in het uur van sterven zich vast aan God, en noemt hem „MijnGodlquot;
Gelijk de Heer zich niet schaamt, zjjn zielesmart te uiten, heeft hjj ook zjjn lichamelijk lijden niet verborgen gehouden. Immers hoe luidt het vijfde kruiswoord? „Mij dorst!quot; Hem werd daarop door den krijgsknecht een spons toegereikt, die was gedoopt in zuren wijn. Ach, welk een lafenis voor hem, die zoo velen had welgedaan !
Maar toen het drie ;uren was na den middag, toen werd hy verlost van zjjn lijden. „Het is volbrachtquot; zoo riep hij uit. Het heerlp werk der verlossing, dat de Vader hem te doen'had Jgegeven, was nu voleindigd. Het offer dat hy moest brengen tot behoud der wereld — het was nu volbracht. Laat het volk spotten, en hem uitdagend toeroepen: „Toon nu, dat gij Gods Zoon zyt, kom nu af van het kruis! Anderen heeft hjj verlost — zich zeiven kan hü niet verlossen!quot; Laten zjjn vrienden van verre staan, en niemand hem vertroosten — hy weet, dat hy het werk en den wil des Vaders volvoert, en stervende aan de wereld het leven geeft. En daar hy dit weet, kan hy ook getroost scheiden van deze aarde, en zeggen: ,Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot; En het hoofd buigende, gaf hy den geest.
Het was.weêr licht geworden — en de middagzon wierp haar stralen op het bleek gelaat van den Heer, dat hy had laten vallen op zyn borst. En op dat zelfde oogenblik; scheurde te Jeruzalem in den tempel het voorhangsel, dat hing vóór het heilige der heiligen. Wat dit beteekende ? Dat nu niet alleen de hooge-priester der Joden, eenmaal 'sjaars, maar dat wy allen ten allen tyde, naderen mogen tot God. Wie wy ook zyn, de weg tot God staat voor een ieder onzer open. De Heer Jezus heeft onze zonden verzoend, en ons verzoend met God. Daarom heet hy de Middelaar Gods en der menschen, do Heiland, die de scheiding tusschen God en menschen heeft weggenomen.
De joodsche wet eischte, dat de drie kruiselingen vóór zonsondergang moesten ter aarde besteld zyn. Zy mochten geen nacht over hangen aan het kruis. Daar nu de twee moordenaars nog leefden, werden hun de beenderen stuk geslagen, en maakte men dus op die wyze een einde aan hun leven. Bij den Heer was dat niet noodig. Aan hem werd dus geen been gebroken. Toch wilde een der krugs-knechten volle zekerheid hebben, dat de Heer werkeiyk was gestorven. Daarom
mum
w Pi w to K
00 Lq P
00 (—1
w
PM
pci
Ü w pa
w P
268
Om 12 uur werd het op den sterfdag des Heeren donker, alsof het middernacht was. Het akelige van hetgeen op Golgotha geschiedde, werd daardoor nog verhoogd. Wat er in dien tyd omging in het hart des Heeren, zullen wij nooit onder woorden kunnen brengen. Dat echter zijn lijden zwaar was, blijkt uit zp klacht, die hy uitte: „Mijn God, mijn God, waarom heit gij mij verlaten?quot; Het is de aanhef van Psalm 22. Een gevoel van verlatenheid had zich meester gemaakt van den Heer, maar toch , hij hield ook in het donker, ook in het uur van sterven zich vast aan God, en noemt hem „MijnGodlquot;
Gelijk de Heer zich niet schaamt, zijn zielesmart te uiten, heeft hij ook zijn lichamelijk lijden niet verborgen gehouden. Immers hoe luidt het vijfde kruiswoord? „Mij dorst!quot; Hem werd daarop door den krijgsknecht een spons toegereikt, die was gedoopt in zuren wijn. Ach, welk een lafenis voor hem, die zoo velen had welgedaan !
Maar toen het drie iuren was na den middag, toen werd hy verlost van zyn lyden. „Het is volbracht,quot; zoo riep hy uit. Het heeriyk werk der verlossing, dat de Vader hem te doen! had ^gegeven, was nu voleindigd. Het offer dat hy moest brengen tot behoud der wereld — het was nu volbracht. Laat het volk spotten , en hem uitdagend toeroepen: „Toon nu, dat gij Gods Zoon zyt, kom nu af van het kruis! Anderen heeft hy verlost — zich zeiven kan hy niet verlossen!quot; Laten zyn vrienden van verre staan, en niemand hem vertroosten — hy weet, dat hy het werk en den wil des Vaders volvoert, en stervende aan de wereld het leven geeft. En daar hy dit weet, kan hy ook getroost scheiden van deze aarde, en zeggen: „ Vader, in uwe handen leveel ik mijnen geest.quot; En het hoofd buigende , gaf hy den geest.
Het was.weêr licht geworden — en de middagzon wierp haar stralen op het bleek gelaat van den Heer, dat hy had laten vallen op zyn borst. En op dat zelfde oogenblik;scheurde te Jeruzalem in den tempel het voorhangsel, dat hing vóór het heilige der heiligen. Wat dit, beteekende ? Dat nu niet alleen de hooge-priester der Joden, eenmaal 'sjaars, maar dat wy allen ten allen tyde, naderen mogen tot God. Wie wij ook zyn, de weg tot God staat voor een ieder onzer open. De Hoer Jezus heeft onze zonden verzoend, en ons verzoend met God. Daarom heet hy de Middelaar Gods en der menschen, de Heiland, die de scheiding tusschen God en menschen heeft weggenomen.
De joodsche wet eischte, dat de drie kruiselingen vóór zonsondergang moesten ter aarde besteld zyn. Zy mochten geen nacht over hangen aan het kruis. Daar nu de twee moordenaars nog leefden , werden hun de beenderen stuk geslagen, en maakte men dus op die wyze een einde aan hun leven. Bij den Heer was dat niet noodig. Aan hem werd dus geen been gebroken. Toch wilde een der krygs-knechten volle zekerheid hebben, dat de Heer werkelyk was gestorven. Daarom
269
nam hy zijn speer en stak baar in de zijde des Hceren. Als eene opmerkelijke bijzonderheid deelt Jobannes, die er bij tegenAvoordig was, mede, dat er bloed en water uit kwam.
Zoo was dan de Heer werkelijk gestorven. En het is voor ons van groot belang, dat te weten. Immers is by niet uit de dooden opgestaan. indien hij niet werkelijk een der dooden is geweest; en hij is niet voor onze zonden gestorven , indien zijn dood slechts schijnbaar en niet werkelijk geweest is. Het verdient opmerking, dat niet alleen Pilatus, Herodes en Judas hem onschuldig hebben verklaard, maar dat ook de romeinsche hoofdman, die by zijn irruisi-ging tegenwoordig was geweest, verklaarde : „Waarlijk, deze mensch was rechtvaardig; by was Gods Zoon !quot;
Een oude profetie luidde: „Men heeft zijn graf bij de goddeloozen gesteld, doch hij is bü de rijken in zijn dood geweest.quot; Die profetie is vervuld. De lijken der beide gekruiste moordenaars zijn zeker geworpen in een kuil, — maar het lijk des Heeren is begraven gelijk men een rijke begroef. Dit is te danken aan Nicodemus en Jozef van Arimathea, die bijgestaan werden door eenige vrouwen.
Nicodemus (dezelfde, die eens des nachts tot den Heer was gekomen) en Jozef, waren beiden achtbare, deftige mannen. Aan hen werd door Pilatus het lijk van den Heer afgestaan. Het werd door hen afgenomen van het kruis, en ach, met welk eene droefheid sloegen zij dat lichaam gade, dat van zoo veel mishandeling de duidelijke sporen droeg. Met hoeveel zorg werden die wonden gewasschen, die uitgerekte leden met hoeveel tranen werden zij besproeid ! Ofschoon er weinig tijd was, toch had men honderd pond specerijen, mirrhe en aloë, en fijn linnen. En eerst na te zijn gebalsemd, werd het lichaam des Heeren gewikkeld in het linnen, gelijk de Joden gewoonte hebben van begraven. Jozef had voor zijn familie een graf in gereedheid laten brengen, dat nog geheel nieuw was. En hij acht het een eer en een voorrecht, dat 's Heeren lyk, alsof hy een der zynen was geweest, in zyn graf zou worden bygezet. Het was een spelonk, niet ver van Golgotha. Daarheen werd de doode dan ook gedragen, terwyi de vrouwen volgden. Als in de spelonk het lyk is neergelegd, wordt een zware steen gewenteld voor de opening. De mannen verwyderen zich , maar nog lang biyven de vrouwen „zittende tegenover het graf.quot;
270
HOOFDSTUK XII. DE OPSTANDING EN DE VERSCHIJNINGEN DES HEEREN.
De Joden dacliten, dat zü over den Heer Jezus hadden gezegevierd. Hij was aan een kruis verhoogd gelijk een misdadiger. Hij was als ieder ander mensch gestorven. Zijn machteloosheid was gebleken — tegenover hunne macht.
Om echter volkomen gerust te kunnen zijn, vonden zjj het goed, dat zijn graf bewaakt werd: want ook tot hen was het gerucht doorgedrongen, dat de Heer had voorspeld te zullen opstaan uit de dooden. Zjj achtten zijn discipelen er toe in staat, zjjn lijk te stelen, en dan te verspreiden, dat hy opgestaan was. Zij verzoeken dus aan Pilatus, het graf te doen verzegelen, en er eenigen tijd een wacht bjj te plaatsen. Aan dat verzoek heeft Pilatus voldaan. Maar, hoe zjjn al die maatregelen der Joden gebleken ijdel te zjjn! Neen , zjj hebben den Heer niet kunnen houden in het graf, want op den derden dag, nier naar onze, maar naar de joodsche tijdrekening is gebeurd, wat de Heer had voorzegd.
Vroeg in den morgen, op Zondag, zijn engelen gedaald uit den hemel, en zjj namen den steen weg van het graf, en de Heer is daaruit levend te voorschijn gekomen. De wachters, die bjj hot graf waren geplaatst, zjjn gevloden, en ijlden naar de overpriesters, om te berichten wat er was gebeurd. De overpriesters gelastten hen daarop niets te verhalen van hetgeen zjj hadden gezien, maar te vertellen, dat het lijk des Heeren , terwijl zjj sliepen , door zjjn discipelen gestolen was. Ieder begrijpt, dat dit een onwaarheid was. Hoe konden zij weten , wat er was gebeurd terwijl zjj sliepen ?
Niet lang nadat de Heer het graf had verlaten, naderden eenige vrouwen , die ook zjjn begrafenis hadden bijgewoond. Zij meenden , dat de balseming van zijn lijk te haastig was geschied. Daarom hadden zij zalf gereed gemaakt, en bij 't opgaan der zon gaan zjj nu naar Jozefs hof, om nog eenmaal liet Ijjk van den dierbaren Meester te balsemen. Maar onderweg valt het haar te binnen, dat vóór de opening der spelonk een zware steen was gelegd, dien zjj niet zouden verwijderen kunnen. Zjj vragen dan ook elkander: Wie zal ons den steen afwentelen van het graf? Doch als zij genaderd zijn, zien zij, dat de steen afgewenteld is, en engelen, die tot haar zeggen: „Wat zoekt gij den levende bjj de dooden ? Hjj is niet hier; maar hij is opgestaan, en u voorgegaan naar Oalilea.quot;
271
De vrouwen ijlden toen terug naar Jeruzalem, behalve Maria Magdalena, uit wie de Heer eenmaal een aantal booze geesten had geworpen. Zjj kon nog niet gelooven, dat haar Heer en Meester werkelijk weder levend geworden, en'opgestaan was. Weenend , in droeve gedachten verdiept, wandelt zjj door den hof van Jozef van Arlmathea. Daar hoort zjj de voetstappen van iemand achter haar. Dat kon de hovenier wel zp, en tegelijk komt bij haar de gedachte op, dat het lijk van den Heer misschien uit het graf genomen en op een andere plaats neergelegd is. De hovenier zou 'tdan wel weten, en daarom vraagt zij hem: „Zeg mi), waar gÜ hem hebt neergelegd.quot; En hoe heeft de Heer zich aan die bedroefde vrouw bekend gemaakt ? Door haar naam uit te spreken, „Maria!quot; zoo zeide hij — en terstond herkent zij hem, en neervallend aan zijn voeten roept zij uit: „Rabboeni!quot; Dat wil zeggen: „Mijn Meester!quot; Zü heeft hem weder, haren dierbaren Heer, Zij wil zijn voeten omvatten , en is onuitsprekelijk blijde in't vooruitzicht , dat zjj weder als voorheen met hem zal mogen verkeeren. Maar de Heer weert haar af, en zegt: „Uaak mij niet aan; want ik ])en nog niet opgevaren tot mijnen Vader en tot uwen Vader; tot mijnen God en tot uwen God; maar zeg het mijn discipelen, dat ik opvaar,quot;
Maria moest het hier hooren, dat de Heer, die was opgestaan uit het graf, niet meer zou rondwandelen op aarde, niet meer lichamelijk met hen zou omgaan, en dat zyn discipelen voortaan alleen op geestelijke wijze, door gebed en door geloof met hem gemeenschap zouden oefenen.
De tweede verschijning van den Heer viel te beurt aan Petrus. Hij was met Johannes naar het graf gegaan , en had alles gevonden, zooals de vrouwen hadden gezegd. En als hij alleen is, daar aanschouwt hij den Heer, die aan hem alleen verschijnt, O, met welk een liefdevollen ernst zal de Meester zijn ontrouwen discipel hebben bestraft, en met welke bittere tranen zal Petrus hebben geweend aan de voeten van den Heer! Maar de Heer ging zeker niet heen zonder den berouwvollen apostel van harte te hebben vergeven.
Het gerucht, dat de Heer was opgestaan, bereikte niet terstond al zijn discipelen. Dat zien wij aan twee van hen, die op dien merkwaardigen Zondag gingen van Jeruzalem naar Emmaus, een afstand van twee uur. Zij waren zeer neerslachtig. Zg hadden gehoopt, dat Jezus van Nazareth de beloofde Messias was, dat hjj Israël zou verlossen. Doch ziet, hjj was gevangen genomen , gekruist, gestorven en begraven. En nu hadden zy dien morgen Avel gehoord dat zijn graf ledig was gevonden door de vrouwen, en dat engelen haar hadden verzekerd, dat Jezus leefde, maar hém zagen zij niet,
In zulk een droefgeestige stemming, die op hun gelaat te lezen stond, gingen zij voort — toen de Heer zich bg hen voegde; maar hun oogen werden gehouden dat zij hem niet kenden. Hij vroeg hen, waarover zij spraken , en waarom zij
272
zoo droevig zagen ? En zjj antwoordden, dat zjj spraken over hetgeen met Jozns van Nazareth was gebeurd. Zjj begrepen niet, hoe deze mede-reiziger, die zich bjj hen had gevoegd, de eenige vreemdeling te Jeruzalem was, die daarvan niets wist, en deelden het hem mede.
Doch daarop heeft de Heer hun uit het Oude Testament aangetoond, dat de Messias mor.st lyden, en dat hij eerst door lijden tot zyn heerlijkheid kon ingaan. Al sprekend bereiken zjj Emmaus , en zg dringen er op aan, dat de Heer bjj hen zou overnachten. Een avondmaaltijd wordt gereed gemaakt, en ziet, daar neemt de Heer een brood, zegent hot, en breekt het — en hun oogen Avorden geopend, en zij zien, ivie met hen gegaan was. Maar op .datzelfde oogenblik is hij verdwenen uit hun oogen.
Ofschoon het laat was en donker, besluiten zij toch terug te keeren naar Jeruzalem, om do blijde tijding meê te deelen aan de apostelen. Daar treden zij binnen, en wat roepen de apostelen hun toe? „De Heer is waarlijk opgestaan, en is van Petrus gezien Iquot;
Dienzelfden avond nog, ofschoon de deuren van het vertrek gesloten waren — daar stond de Heer in het midden der zijnen. Van blijdschap konden zij het eerst niet gelooven. Het kwam hun te groot, te heerlijk voor. Maar de Heer zegt tot hen: „Tast mü aan, en ziet, dat ik het werkelijk ben. Ik ben geen geestverschijning, geen spooksel. Ik ben het zelf.quot; En hij at en dronk voor hun oogen.
Bij die verschijning was Thomas niet tegenwoordig, en hij wilde er ook niets van gelooven. Daarom spreken wij van den ongcloovigeti Thomas. Hy wilde eerst zijn vinger leggen in de handen en voeten, en in de zyde des Heeren, in de likteekenen van zijn wonden , en dan zou hy gelooven.
En wat geschiedt op den eerstvolgenden Zondag? Wederom zyn de apostelen byeen, en nu is ook Thomas in hun midden. Daar staat plotseling de Heer voor hun oogen, en zegt tot Thomas: „Kom nu hier, en leg uw hand in myn zyde, en betast myn handen en voeten.quot; Maar Thomas behoefde dat niet te doen, om zyn Meester te herkennen. Hy valt voor hem neder, en roept hem toe: «Myn Heer en myn God!quot; En de Hesr zeide tot hem: „Omdat gij gezien hebt, Thomas, daarom hebt gij geloofd. Zalig zijn zy , die niet gezien en nochthans geloofd zullen hebben.quot;
Tot op den veertigsten dag na zyn opstanding is de Heer gedurig aan zyn discipelen verschenen, en heeft hy hen voorbereid op zijn heengaan naar den hemel. Niet al die verschoningen worden ons in den bybel verhaald, maar eene ervan heeft ons Johannes medegedeeld. Zeven apostelen waren visschende op het meer van Tiberias. Zy hadden echter den ganschen nacht niets gevangen. Toen de morgen aanbrak stond de Heer aan den oever, en vroeg hun: „Hebt
27a
gij niet eenige toespijs, eenige viscli om te eten bij mijn brood ?quot; En zij antwoordden: „Neenquot;; maar niemand kende hem.
Toen riep hij hun toe: „Werpt het net uit aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden.quot; En toen zij 'tgedaan hadden, en het net optrokken, konden zij 'tniet trekken van wege de menigte der visschen. Johannes, de leerling, dien Jezus lief had, begreep terstond, dat de Heer daar stond, en toen hij 't zeide aan Petrus, sprong deze in de zee, en zwom naar het strand. Toen nu een maaltijd gereed was gemaakt, en genuttigd, zeide Jezus tot Simon Petrus: „Simon Jona'szoon, hebt gij mij liever dan deze ?quot; Hij zeide tot hem: „Ja, Heer, gij weet, dat ik u bemin.quot; Hij zeide tot hem: „Hoed mijne lammeren!quot; De Heer heeft die vraag twee molm herhaald, eu bij de derde keer riep Petrus uit: „Heer, gij weet alle dingen, gij weet, dat ik u bemin.quot; Waarom vroeg de Heer het drie malen ? Het was eene herinnering er aan, dat hij drie malen den Heer had verloochend. Maar de Heer heeft hem op zijn verzekering , dat hij hem lief had, in zijn waardigheid als apostel hersteld, en hem tevens aangekondigd, dat hij eenmaal met den marteldood zjjn Meester verheerlijken zou , terwijl Johannes.al zijn mede-apostelen zou overleven.
Nadat de Heer in Galilea aan 500 discipelen tegelijk was verschenen, heeft hij zijn apostelen op den 40stoquot; dag na zjjn opstanding, vergaderd op den Olijfberg. Daar zegt hjj hun , dat hy, al ging hij heen , toch alle dagen met hen wezen zou, en dat alle macht in hemel en op aarde hem gegeven was. Zjjn apostelen moesten te Jeruzalem wachten op de uitstorting van den Heiligen Geest, dien hij zenden zou — en dan heen gaan en alle volken onderwijzen , hen doo-pende in den naam des Vaders , en des Zoons , en des H. Geestes. En terwijl hij sprak werd hjj opgenomen voor hun oogen, daar zij het zagen. En een wolk nam hem weg. Niet in een onweder , gelijk Elia, maar als een die na alles volbracht te hebben, terugkeert tot den Vader: zóó verlaat de Heer de aarde. En als zjjn apostelen nog lang staan en staren naar boven, dan komen engelen en zeggen: „Gij Galilésche mannen, wat staat gij, en ziet op naar den hoogen ? Deze Jezus, dien gij hebt zien heengaan, zal alzóó wederkomen , gelijk gij hem hebt zien henen varenquot;. En zij keerden terug naar Jeruzalem met groote blijdschap.
1«
274
HOOFDSTUK XIII.
DE UITSTORTING VAN DEN H, GEEST EN EERSTE DAGEN DER GEMEENTE.
Op een Donderdag is de Heer ten hemel gevaren, en zijn discipelen bleven te Jeruzalem, wachtende op de uitstorting van den H. Geest, dien hy beloofd had. Zjj kwamen gedurig bij elkander, mannen en vrouwen , en sterkten elkander het hart.
Op een van hun samenkomsten nam Petrus het woord en zeide, dat het wenscheiyk was een apostel te kiezen in de plaats van Judas. Dit werd door allen goedgevonden. Zij hebben daarop een tweetal mannen uitgekozen, en den Heer gebeden, dat hij door het lot aanwijzen zou, wie door hem bestemd was, om de ledige plaats in te nemen. En het lot viel op Matthias.
Op den tienden dag na 's Heeren hemelvaart, dus op den vijftigstm dag na zjjn opstanding, waren al de discipelen eendrachtig bijeen. Het was de dag waarop het joodsche pinksterfeest aanving. En wat geschiedt? Het huis, waaide discipelen bijeen waren, werd plotseling vervuld van een geluid, dat deed denken aan het gesuis van den wind. Men hoorde het in 't geheele huis, en daar buiten. En op hetzelfde oogenblik zweefden tongen als van vuur door 't vertrek, en plaatsten zich boven de hoofden der discipelen. En zij vingen aan te spreken in andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. Onder die teekenen, terwijl dit alles gezien en gehoord werd, had de uitstorting plaats van den H. Geest.
Waarom werden juist dcc verschijnselen, die wind, dat vuur, die vreemde talen waargenomen ? Omdat zij afbeeldden wat de H. Geest is, en hoe hij werken zou. Do ivind is het zinnebeeld van de vrije, aan geen plaats of volk gebonden werking des Geestes, die blaast waarheen hy wil. Door het vuur wordt afgebeeld, hoe de H. Geest is een louterende reinigende kracht, die alle onvolkomenheid uit de harten verdrijven wil. En door die vreemde talen wordt afgebeeld, hoe het evangelie is bestemd voor alle volken, die allen in hun eigen taal hooren moeten, hoe God voor een verloren wereld zijn eigen Zoon heeft overgegeven.
Deze teekenen bekekenen dus inderdaad niet weinig, maar hebben een diepen zin.
Welken indruk brachten zü teweeg op de menigte, die was toegestroomd ? Die indruk was zeer verschillend. Daar waren , die er mee spotten, en uitriepen :
275
„Ze zijn vol zoeten wjjns. Ze zijn dronken.quot; Maar anderen wisten niet, wat er van te denkon, en vroegen: „Wat mag toch dit zijn?quot; want vooral het hooren spreken in allerlei talon vervulde hen met verbazing.
Toen heeft Petrus, staande met de elve, het woord genomen, en tot al de aanwezigen zich richtende, hun verklaard, wat er eigenlijk was geschied. Neen, zij waren niet dronken, want het was eerst negen uur in den morgen, en geen Israëliet zou vóór dat uur, waarop in den tempel het otter gebracht werd, iels nuttigen. Het was geheel iets anders. Het was de vervulling van een profetie, door Jo'él gedaan, dat in het laatst der dagen God zijn Geest zou uitstorten over alle vleesch, over allerlei inenschen, niet alleen over Israëlieten, niet alleen over enkelen, maar ook over de heidenen, over mannen en vrouwen, over ouden en jongen, over dienstbaren en vrijen; toch zouden er zeer zware tijden en oor-deelen komen, maar die den naam des Heeren aanriep, die zou zalig worden. Zóó luidde de profetie, die nu in vervulling ging. Na daarop gewezen te hebben, zegt Petrus het den Joden aan, welk een misdaad zy hadden bedreven door Jezus van Nazareth te dooden, maar verkondigt het hun, dat God hem had opgewekt, daar de dood hem niet kon houden. Zoo was hjj waarlijk gebleken de Heer en de Christus te zijn, die Jezus, dien zjj gekruist hadden.
Op velen maakte deze rede van Petrus een diepen indruk, en zy vroegen: „Mannen broeders, wat zullen wjj doen ?quot; En Petrus zeide: „Bekeert ü, en laat ü doopen in den naam van Jezus Christus tot vergeving van uwe zonden, en ook gij zult ontvangen de gave des H, Geestes. Want U komt de belofte toe, en uwen kinderen , en allen die nog verre zijn, zoo velen als er de Heer onze God toe roepen zal.quot;
Niet minder dan 3000 inenschen werden er op dien dag gedoopt, en sloten zich aan bjj de apostelen, met wie zij de eerste christelijke gemeente vormden.
De indruk van Petrus' woorden werd nog verhoogd door de wonderen en teekenen , welke de apostelen verrichtten. Een dier wonderen is vooral opmerkelijk. Petrus en Johannes gingen op een namiddag te 3 uren naar den tempel, om aldaar hun gebed te verrichten. Aan de poort des tempels, welke zij binnengingen , zat naar gewoonte een bedelaar, die niet kon loopen , doch die daar eiken dag werd neergezet, om aalmoezen te ontvangen. Hij vroeg ook een gave aan de twee apostelen. Maar Petrus hem sterk aanziende zeide : „Zilver en goud heb ik niet. Maar wat ik heb, geef ik u: in den naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel!quot; Tegelijkertijd grijpt lijj hem bij de hand, en zijn voeten blijken de kracht te bezitten , om hem te dragen, en luide God prijzende, gaat de genezene met Pet.-'us en Johanneslden tempel binnen — ten aanschouwe van heel het volk, dat den man zeer wel kende, die daar altijd zat aan de poort van den tempel cn bedelde.
•270
Toen uien Petrus met verbazing aanzag en zich om hem verdrong, zeido hij: „(iy Israëlitische mannen, waarom zijt gij zoo verwonderd, en waarom ziet gij op ons, alsof ivij door onze kracht dezen man hebben genezen ? Neen, de God van Abraham, Isailk en Jacob doet het. Hij verheerlijkt nu zijn Zoon, dien gü gedood hebt, terwijl gü begeerdet, dat een doodslager zou worden vrijgelaten. Maar God heeft hem opgewekt uit de dooden.quot; Daarop betuigt Petrus, dat zij het onwetend hadden gedaan, en dat al hun zonden hun zouden vergeven worden , indien zjj zich bekeerden en geloofden in den Heer.
Velen gaven aan die prediking gehoor , en van die duizende eerste christenen wordt ons gezegd, dat zij „volhardende waren in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.quot; Welk een lieflijk beeld is dat! Al die mensclien , één hart en ziel! Eén groot huisgezin , waar allen zich beijveren om elkander te dienen, en te helpen Ja, zóó ver ging dat gevoel van één te zijn, en bij elkander te behooren, dat velen hun goederen verkochten , en de opbrengst nederlegden aan de voeten der apostelen. Zjj hadden , zoo lezen wij, alle dingen gemeen. Een dergenen, die zijn goed verkocht, was Barnabas, van wien wij later nog zullen spreken.
Was die eerste christelijke gemeente te Jeruzalem volmaakt? Ontbrak er niets aan de vroomheid en oprechtheid van een harer leden? Ook toen was er reeds onkruid tusschen de tarwe, gelijk de Heer had voorspeld, dat het altijd wezen zou. Wij denken aan de geschiedenis van Ananias en Saffira.
Die beide mensclien besloten een stuk land, dat zij luidden, te verkoopen en een gedeelte van de opbrengst aan de apostelen te geven, maar het te doen voorkomen , alsof zij alles wegschonken. Zij waren het beiden eens geworden over de som die zij zouden geven, en over de som , die zij zouden achterhouden. Zoo komt dan Ananias tot Petrus en logt het geld neder aan zijn voeten. Doch in plaats van een woord te hooren van lof en goedkeuring, waarop lijj had gerekend, hoort hij Petrus hem toeroepen: „Ananias, waarom heelt de satan uw hart vervuld, dat gij den H. Geest liegen zoudt, en afnemen van den prijs des lands ? Gü hadt uw land niet behoeven te verkoopen ; en toen gü 't hadt verkocht hadt gij nog de opbrengst aan u kunnen houden. Hoe hebt gij zoo iets in uw hart kunnen voornemen? Gij hebt geen mensclien voorgelogen, maar Gode.quot;
Bi) het vernemen van die woorden is Ananias zóó ontsteld, dat hij nederviel en don geest gaf. Eenige jonge mannen stonden toen op, te midden van de algemeene ontroering, droegen hem weg en begroeven hem.
Ongeveer drie uren later, komt ook Saffira binnen, nog niet wetende, wat er was geschied met haren man. Petrus wil haar bewegen , om eerlijk te bekennen wat zü met Ananias had overlegd, en vraagt haar, wüzende op het geld, dat daar nog lag onaangeroerd: „Zeg mü , is dat al het geld?quot; En zij zegt: „Ja.quot;
277
Zij wilde haar man met ontrouw worden, on hem niot to schande maken. Och, waarom volhardde zij in het spreken van omvaarhei l? Nu kon het niet anders , of' het lot van haar man moest ook het hare zijn. , Waaromquot;, zoo roept Petrus uit, „zijt gij overeen gekomen, om den Geest des Heeren te verzoeken ?quot; Zie, de voeten dergenen, die uwen man uitgedragen hebben, staan voor de deur, en zij zullen ook u uitdragen.quot; En terstond viel zij neder aan zijne voeten, en gaf den geest. En de jonge mannen, die juist binnenkwamen, vonden haar dood, en zij droegen haar uit, en begroeven haar bij haren man.
is dit niet een ontzettende geschiedenis ? Ja, de Heer verdelgt den leugenspreker.
Voor de Joden, die den Heer ter dood hadden doen brengen , was het een groote teleurstelling, dat zyn apostelen met zooveel kracht optraden in zijnen naam, en zulk een bijval vonden bij het volk. Zij hadden met de kruisiging van Jezus van Nazareth niets gewonnen, maar veeleer verloren. Zjj hebben er echter niet aan gedacht, zich te bekeeren, en te gelooven in den Heer. Neen, zjj stelden zich deze vraag: Kunnen wij niets doen, om die apostelen tot zwijgen te brengen ? Zy wilden het beproeven. Zij lieten Petrus en Johannes des avonds gevangen nemen, en stelden hen den volgenden morgen voor den joodschen Uaad, om hen in verhoor te nemen. Het biykt dat de raadsleden , die behoorden tot de party der Sadduceën, nog meer verbitterd waren dan de Parizeen. Zy begonnen met te vragen in wiens naam en door welke kracht zy den kreupele genezen hadden , en onbeschroomd antwoordt Petrus: , Wij hebben die weldaad bewezen door den naam van Jezus Christus, den Nazarener, dien gy gekruist hebt, maar God uit de dooden heeft opgewekt. Ook is er geen andere naam, door wien wij kunnen behouden worden.quot;
De vrijmoedigheid, waarmee Petrus sprak , verwonderde hen. Ook konden zij niet ontkennen, dat er werkelijk een wonder was geschied. Zij verzochten dus de apostelen, om buiten to staan, en besloten hen te verbieden, in den naam van Jezus te spreken, en hen, indien zij het bleven doen, te dreigen met gestrenge straften. Maar Petrus en Johannes antwoordden : „Oordeelt gij zeiven, of het recht voor God is, u meer te gehoorzamen dan God? Het is ons niet mogeiyk te zwijgen van hetgeen wij gezien en gehoord hebben.quot; Daarop, na nieuwe bedreigingen, liet de Raad hen weder vry.
Het bleek spoedig, dat do Joden met Petrus en de andere apostelen hun doel niet hadden bereikt. Zij hieven prediken, en wonderen doen. Toen hebben de hoogepriester en de leden van den Kaad, met nydigheid vervuld, hen weder gevangen laten nemen. Maar een engel des Heeren opende des nachts de ge-vangeni-i, en leidde hen uit. Toen nu do hoogepriester hen des morgens uit
278
den kerker wildo doen halen, kwamen de dienaren mot do tijding terug, dat de deuren van de gevangenis goed gesloten waren, maar dat zij niemand er binnen hadden gevonden. En bijna op betzelfde oogenblik kwam iemand binnen met het bericht, dat de apostelen in den tempel waren, loerende het volk.
Zjj werden daarom met vriendelijkheid gehaald, en voor den Raad gesteld. De hoogepriester vroeg hen toen: „Hebben wjj u niet verboden, te leeren in den naam van Jezus?quot; Maar Petrus en de apostelen antwoordden: „Men moet God meer gehoorzamen dan de menschen.quot; Toen daaraan door hen nog eenige woorden werden toegevoegd, wer Jen de leden van den Raad zóó toornig, dat zjj er over dachten , de apostelen te doen ombrengen. Maar toen verrees een hunner van zijn plaats, en verzocht, dat men de apostelen zou doen buitenstaan. Zijn naam was Gamaliel, eon zeer beroemd en geacht man. Hy kwam er met kracht tegenop, dat men de apostelen zou ter quot;dood brengen. Naar zijn moening zou men niet lang van Jezus hooren spreken. Het was al eens meer gebeurd, dat een tijdlang door velen werd gedacht, dat de Messias was gekomen, doch na eenigen tijd kwam men tot andere gedachten , en men hoorde er niet moer van. Indien nu do zaak van Jezus uit de menschen was, dan zou zij geen stand houden, en hehoefde men er dus niets tegen te doen. Maar was zij uit God — dan zou zij, ondanks allo verzet, niet ondergaan, en mocht men haarnie^bestrijden. Was liet menschen werk , het zou vergaan; was 't Godes werk , het zou bestaan.
De leden van den Kaad lieten zich door dit woord van Gamaliel overtuigen. Zy besloten, de apostelen niet om 'tleven te brengen , maar hen te geeselen, en nog eens weer te verbieden, om te spreken in den naam van Jezus. En de apostelen, ofschoon de geeseling hun groote smart veroorzaakte, gingen weg verblijd zijnde, daar zy de eer waren waardig gekeurd, snmdlieid te lijden voor hunnen Heer. Hij had zooveel geleden voor hen — zouden zy niet alles voor hem over hebben ?
De gemeante te Jeruzüem nam steeds toe in aantal leden , en de apostelen alleen konden niet meer al den arbeid verrichten, die van hen als haar bestuurders werd vereischt. Vooral do verzorging der ann3n^kostte veel tijd on inspanning. Daarom werd er besloten, mannen te benoemen, die meer bepaald zich bezig zouden houden met di uitleeling der liefdegaven vo)r behoeftigen. Men noemde hen diakenen, d. w. z. dienaren, en bepaalde hun getal op zeven. De meest bekenden van dit zevental zyn Stephanas en Phüippus.
Van Steph inus willen w'j u thans iets verhalen, want hy is de eerste mcirtelaar geweest, die zyn loven liet voor do zaak en den naam van den Hoer Jezus. Een martelaar beteokent eigenlijk een (jetuige, en voorzeker dien
naam mag Stephanus wel dragen.
Door zyn prediking vol kracht en genade, en door zyn opmerkelijke wonderen
wekte liy in lievige nuile de vijandschap op van do ongelooviye Joden. Vooral was lijj zeer gehaat door vrijgelaten slaven, die te Jeruzalem een eigen synagoge hadden, en libertijnen heetten. Met nog andere Joden trachtten zjj hem van dwaling te overtuigen, maar zy konden de kracht zijner woorden niet weerstaan. Toen hebben zij eenige mannen aangespoord, om Stephanus ervan te beschuldigen , dat hy lasterlijke woorden tegen Mozes en tegen God had gesproken , en onder een grooten toeloop werd hy meegesleept, en gebracht voor den Joodschen Raad. Zy beweerden daar , dat Jezus van Nazareth, naar het zeggen van Stephanus, den tempel af zou breken, en de wetten van Mozes veranderen. En allen , die in in den Raad zaten, hem aanstarende, zagen zyn aangezicht als het aangezicht eens engels.
Toen hy het woord ontvangen had, hield hy tot den joodschen Raad een redevoering, waarin hy de geschiedenis van Israël doorliep, en ten slotte er op wees hoe de Joden, toen z'ij Jezus verwierpen en doodden , herhaald hadden wat hun vaderen zoo dikwerf hadden gedaan met de profeten. Lang hoorden zij hem aan, maar eindelijk, daar wordt het hun te veel. Van woede knarsen zy tegen hem de tanden, maar hy zag met een verheerlijkt gelaat omhoog , en zeide: „Ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen staande aan de rechterhand Gods, gereed om my helpen.quot; Daar beginnen de leden van den Raad te schreeuwen, opdat niemand Stephanus meer verstaan zou; zij willen hem zelve ook niet meer hooren, houden hun ooren toe, werpen zich eindelijk gezamenlijk op hem, dryven'hem de stad uit — en steenigen hem.quot; Daar altijd bij de Joden de getuigen de eerste steenen op den ter dood veroordeelde werpen moesten, leggen deze hun kleederen af, en weldra gonzen de steenen om het hoofd van Stephanus, die uitriep: „Heer Jezus, ontvang mijnen geest!quot; Daar knielt hy neder en bidt: «Heer, reken hun deze zonde niet toe.'' En als hy dit gezegd had ontsliep hy, kalm en zonder vrees. Wie denkt hier niet aan het gebed des Heeren voor zijn vijanden op Golgotha ? En wie ziet niet in, dat men wel hooge gedachten moest opvatten van den Heer Jezus, wiens discipelen zoo blijmoedig en gerust voor hem het leven lieten ?
Na den dood van Stephanus ontstond er eene algemeene en heftige vervolging-der gemeente te Jeruzalem. Een groot aandeel werd daarin genomen door een jongen man, Saul us genaamd. Hy was ook by de steeniging van Stephanus tegenwoordig geweest, en aan zyn voeten hadden de getuigen hun kleederen neergelegd. Hij drong de huizen der discipelen binnen, sleepte mannen en vrouwen meê, en bracht hen in de gevangenis. Wat zal er toen in vele huisgezinnen rouw en angst hebben geheerscht, en welke vurige gebeden zullen er tot den Heer zyn opgezonden'! Toch had dit kwaad één goede zyde. Vele discipelen, en ook bestuurders der gemeente verlieten Jeruzalem, en begaven
280
zich naar Samaria en eldeiij, on predikten aldaar, en stichtten er gemeenten. Zoo werd ook hier hetgeen menschen ten kwade dachten, door God gekeerd ten goede.
HOOFDSTUK XIV.
UITBREIDING DER GEMEENTE BUITEN JERUZALEM.
Onder degenen, die Jeruzalem verlieten, behoorde ook J'hilippus, een dei-zeven diakenen. Op zjjn tochten kwam hij in een stad van Samaria, en hij wierp er booze geesten uit, genas er kreupelen en verkondigde er het Evangelie. Er heerschte dan ook groote blijdschap in die stad.
Maar in diezelfde plaats hield zich ook een toovenaar op , Simon genaamd. Het was hem gelukt een grooten aanhang te verwerven by kleinen en grooten, die hem hielden voor een toveraardsch wezen, voor „de groote kracht Gods.quot; •Een tijd lang had hij de zinnen der menschen verrukt; maar toen zjj Philippus hoorden , die hun den Heer Jezus verkondigde, lieten zij zich doopen, en voegden zich by de gemeente. Simon zelf liet zich ook doopen , en sloeg met verbazing de teekenen gade, welke werden verricht door Philippus.
Kort daarna werd Samaria bezocht door de apostelen Petrus en Johannes , en men bad hun, den H. Geest te mogen ontvangen, die nog niet op hen was uitgestort na den doop. Toen legden de apostelen hun de handen op, en zjj ontvingen den H. Geest.
Dat zag Simon, en nu ontstond in hem de begeerte, om ook door oplegging van handen den H. Geest te kunnen mededeelen, en hy bood daartoe den apostelen geld aan. Deze echter zeiden : „Uw geld zjj met u ten verderve, omdat gij meent de gave Gods voor geld te kunnen verwerven.quot;
Naar dezen Simon den toovenaar wordt Simonie genaamd het aanbieden en aannemen van geld, om in de kerk des Heeren een ambt te verkrijgen.
Filippns is kort daarna door een engel des Heeren gelast, uit Samaria zich te begeven naar het zuiden des lands, en wel naar den eenzamen weg, die van Jeru-quot; salem afdaalt naar Gaza. Wat hem op dien weg ontmoeten , wat hij daar te doen hebhen zou, wordt hem niet gezegd. Hij vraagt het ook niet — maar hij
281
gaat. Gaza ligt in liet zuid-westelijk gedeelte van l'alestina, en is o. a. bekend uit de geschiedenis van Simson den richter, die de poorten van üaza opnam en droeg naar een berg. Niet lang wandelt Filippus op den hem aangeduiden weg, of hij ziet eon reiswagen, en daarin was gezeten een groot, voornaam heer, een kamerling van Candacé, de koningin der Mooren. Uit Ethiopië , dat ten zuiden van Egypte ligt, was deze man gekomen , om te Jeruzalem den God der Joden te aanbidden, dien ook hij had leeren kennen als den eenigen waren God. Nu is hjj op zijn terugreis. En waarmee houdt hij zich bezig op den langen eenzamen weg ? Met het lezen van de profeten. Hjj heeft in handen een rol, waarop de godspraken stonden geschreven van den profeet Jesaia. Inhetdrie-en-vijftigste hoofdstuk spreekt de profeet van een lam, dat ter slachting is geleid en zjjn mond niet opendoet. De kamerling leest en herleest, maar kan 'tniet begrijpen. En nu zegt de Geest tot Filippus: Ga heen, en voeg u by dezen wagen. En Filippus hoort hem lezen, en zegt: „Verstaat gü ook wat gij leest?quot; En nederig en oprecht zegt de Moorsche kamerling. „Hoe zou ik 't kunnen, indien niet iemand het mij uitlegt ?quot; Daarop neemt Filippus plaats op den wagen naast den Moorman, en legt hem die woorden van Jesaia uit, en leert hem, dat zij betrekking hebben op den Heer Jezus. En hieruit nam luj hij aanleiding om aan dezen rijken, godvruchtigen heiden het Evangelie te verkondigen. En toen zij langs een water kwamen ,zeide de kamerling: „Ziedaar water, wat verhindert mij gedoopt te worden ?quot; En Filippus zeide: „Indien gij van harte gelooft, zoo mag het geschieden.quot; En de kamerling antwoordde : „Tk geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.quot;. Toen daalden zij beiden af in het water, en Filippus doopte hem. Daarna nam de Geest den evangelist weg, en de kamerling zag hem niet meer , want hij reisde zijn weg met blijdschap.
Van de latere levensdagen van dezen Moorman weten wy niets. Wij mogen echter vertrouwen, dat by in het verre Ethiopië het onderwijs van Filippus niet zal hebben vergeten , en ook door een heilig leven zyn geloof zal hebben beleden.
Van Filippus lezen wy, dat hy langs de kust van de Middellandsche Zee het evangelie verkondigde, totdat hy kwam te Gesarea.
De Moorsche kamerling is niet de eenige geloovige heiden, wiens bekeering ons in den bijbel verhaald wordt. Wy denken hier aan Cornelius, den Romein-schen hoofdman (wij zouden zeggen: kapitein), die met zijn manschappen verblijf hield, in garnizoen lag te Cesarea. Hy was een vroom man , die veel aalmoezen gaf aan het volk, en vele gebeden opzond tot God. Op een middag te 3 uren zag hy duidelijk een engel Gods tot hem inkomen, die hem zeide, dat.hy uit de stad Joppe (of Jaffa) moest ontbieden Simon, bijgenaamd Petrus, die gehuisvest was by een leerlooier, Simon geheeten, wiens huis aan do zee lag. En
282
toen do ongül was lioeiigegaan , riep hij twee huisknechten en een vromen krijgsknecht on zond hen naar Joppe.
Petrus wist van dat alles niets. Maar de dag daarna 's middags te 12 uren , was hy op het platte dak van zijn huis geklommen, om het middag-gebed te doen , en begeerde daarna te eten, want hij werd hongerig. Terwijl men de spijzen gereed maakte, kwam over hem een verrukking van zinnen. En wat zag hij ?
Een vat, als een groot laken, uit den hemel dalende, opgenomen aan de vier hoeken. En daarin bevonden zich viervoetige en kruipende dieren, en vogelen. En een stem zeide tot hem : „Sta op Petrus, slacht en eet!quot; Maar Petrus sprak: „Geenszins, Heer ! Nog nooit heb ik iets gegeten , dat naar de wet onrein is.quot; Maar de stem kwam ten tweede male en zeide: „Wat God voor rein heeft verklaard, zult gij niet onrein achten.quot; Dit geschiedde tot driemalen , en toen werd het vat opgenomen in den hemel.
Te vergeefs zocht Petrus naar een verklaring van dit zonderling verschijnsel. Het stond voor hem vast, dat bet iets beteekende; maar wat kon het zijn ? En terwijl hij daarover nadenkt — daar zijn de drie mannen, door Cornelius gezonden, aan de poort van het huis, en vragen naar Petrus. En de Geest zeide tot hem : „Kom af, en ga zonder vrees met ben , ik heb hen gezonden,quot; Des anderen daags is Petrus dan ook met hen heen gegaan. En wat had nu dat gezicht van die reine en onreine dieren beteekend ? Een Jood achtte de heidenen onrein, en zou nooit met hen eten of hun woning binnengaan. Ook Petrus zou tot geen prijs het huis van Cornelius hebben betreden, wanneer de Heer hem niet door dit vat vol reine en onreine dieren had kenbaar gemaakt, dat voor Hem alle menschen gelijk zijn, en het onderscheid tusschen Joden en heidenen , zooals dat door de Joden gemaakt was, nu moest ophouden te bestaan.
Toen Petrus het huis van Cornelius inkwam, viel deze aan de voeten van den apostel, en aanbad hem, maar Petrus zeide: „Sta op, ook ik ben een raenschquot;. Met groote klaarheid en blijdschap verkondigde hij aan Cornelius en allen, die in zijn huis waren samengekomen , het ^Evangelie — en terwijl hij sprak, daalde de H. Geest op allen neder. De Christenen, die voorbeen joden waren geweest en met Petrus waren meegekomen , zagen met ontzetting aan, hoe hier op heidenen de H. Geest nederdaalde, en Petrus zeide: „Waarom zouden wij hen niet doopen, die den H. Geest hebben ontvangen, evenals wij?quot; En zij werden gedoopt in den naam des Heeren.
Men ziet echter reeds in dit verhaal, dat er in die eerste christen-gemeenten twee partijen waren, waarvan de eene bestond uit christenen die in het jodendom, en de andere uit christenen, die als heidenen geboren waren. Wij zullen later daarvan nog meer moeten verhalen.
Eon tijdlang bleven de apostelen te Jeruzalem onverhinderd liet Evangelie
288
prediken, maar dit werd anders, toen Herodes Agrippa, ee.'i kleinzoon van den Koning, die de kinderen te Bethlehem had doen ombrengen , heerschte over het joodsche land. Hy liet enkele leden der gemeente gevangen zetten , en den apostel Jacobus liet hij onthoofden. Toen hij zag, dat dit welgevallig was aan de Joden, besloot hij de vervolging der gemeente voort te zetten en liet Petrus gevangen nemen. Om te voorkomen, dat hij zou ontsnappen, liet hij hem bewaken door vier viertallen van krijgsknechten , en zoodra het nabij zijnd Paasch-feest zou zijn gevierd, zou hij den apostel in het lot van Jacobus iloen deelen.
De geheele gemeente was door deze handelwijze van Herodes diepverslagen. Zü stelden op het leven en hot behoud van Petrus zulk een hoogen prys. Geen wonder, dat er door de gemeente vurig werd gebeden tot God. Maar de dag der terechtstelling naderde — en nog zat Petrus in de gevangenis, gebonden met twee ketenen, tusschen twee krijgsknechten. Toch sliep hij dien nacht gerust — maar zie, een engel des Heeren staat bij hem , en slaat hem op de zijde, maakt hem wakker, en zegt: „Sta haastig op.quot; En tegelijk vielen hem de ketenen van de handen. Maar Petrus nog van den slaap bevangen , bleef onbewegelijk staan. Toen zeide de engel tot hem: „Omgord u, en doe uw schoenen aan!quot; En Petrus deed alzoo. En de engel zegt tot hem: „Doe uw mantel om , en volg mij.quot; En Petrus ging uit en volgde, niet wetende ol het nu werkelijkheid was, dan of hy droomde, of een gezicht zag. Maar inmiddels ging de engel hem voor, de eerste en de tweede wacht voorbij , en zij kwamen aan de ijzeren poort, die naar de stad leidde, en de deur ging van zelf open. Nu zijn zjj op straat, en de engel gaat nog ééne straat verder en verlaat daarop den apostel, die nu eerst tot volle bezinning komt.
Na een oogenblik te hebben nagedacht, besluit Petrus te gaan naar het huis van Johannes Marcus, waar de discipelen dikwijls bijeenkwamen, en waar hij hen dan ook hoopte te vinden. Hij vindt de huisdeur gesloten , en klopt, maar hem wordt niet opengedaan. Het dienstmeisje, haar naam was Ehode, was zóó ontsteld, toen zij hoorde, dat Petrus daar aanklopte, dat zij zonder de deur te ontsluiten naar binnen was geyid, uitroepende : Petrus staat voor de deur! Toen zeiden sommigen : „Gij weet niet wat gij zegt.quot; Anderen zeiden: „Het is zyn beschermengel.quot; Inmiddels stond Petrus buiten en bleef kloppen. Eindelijk wordt hem open gedaan, en treedt luj binnen. Men kan zich voorstellen de verwondering en de biydschap der aanwezigen. Allen geiyk vragen hem, hoe hy was bevryd geworden. Toen wenkte de apostel met do hand, dat allen zouden zwygen, en dan zou hy 't hun mededeelen. Maar niet lang durfde hij in hun midden vertoeven. Het was voorzichtiger, om terstond Jeruzalem te verlaten , en te ontkomen aan de vervolging van Herodes. Hoe toornig deze vorst was, blijkt daaruit, dat hij de wachters in verloor nam , on hen ter dood liet brengen
Herotles zeil' is, niet lang ilaariw , eon outzetteuden dood gestorven. Hjj liield een rede tot het volk te Cesarea, gezeten op zijn rechterstoel, en gehuld in een koninklijk gewaad. Als lijj zijn rede geëindigd had , riep het volk: „Een stemme Gods en niet eens menschen!quot; lierodes liet zich die hulde, welke hij had moeten afwijzen, welgevallen; maar wat geschiedt ? Op datzelfde oogenblik werd hü door een vreeselijke ziekte aangetast. Terwijl hij nog leefde werd hij door de wormen verteerd. Dit was het einde van den man, die God de eer niet had gegeven.
HOOFDSTUK XV.
HET LEVEN VAN PAULUS. {Emie gedeelte.)
Wij maken thans een aanvang met u het leven en de werkzaamheid te verhalen van een man, die tot uitbreiding van Gods koninkrijk meer gedaan hoeft dan iemand anders, on aan wiens geschriften ook wjj nog onuitsprekelijk veel te danken hebben. Wij bedoelen Saulus, of, zoo als hg meestal wordt genoemd, Paulus.
Hij was geboren in Klein-Azië, in de landstreek Cilicië, in een groote, bekende stad, Tarsus genaamd. Om goed te worden onderwezen in de uitlegging der wet van Mozes, ging hij naar Jeruzalem, waar zooveel beroemde geleerden woonden, en werd er een leerling van Gamaliel. Gij herinnert u ongetwijfeld nog, wat wij van dezen wetgeleerde hebben meegedeeld.
Saulus werd een heftig voorstander van de partij der farizeën, en lijj meende in alle oprechtheid, dat luj vrede met God zou verkrijgen, indien hij stipt al de inzettingen hield der wet. Hij ging dus zeer veel naar den tempel en de synagogen, vastte gedurig, gaf overvloedig aalmoezen, bad lang en meermalen op één dag, en betoonde daarbij een vurigen haat tegen de volgelingen van den Heer Jezus.
Die haat vertoonde zich bij de steeniging van Stefanus. Toen toch bewaarde hij de kleederen dergenen, die den martelaar ter dood brachten. Daarna word hij de schrik der christenen to Jeruzalem. Hij drong in hun huizen, en sleepte zoowel vrouwen als mannen naar de gevangenis. Toen hy hoorde, dat ook te Damascus een gemeente was gesticht, vroeg en verkreeg hij van den Raad brieven , waarin hem dc macht gegeven werd, om de christenen te Damascus ge-
285
vangen te nemen, en te voeren naar Jeruzalem Hem werden ook eenige gewapende mannen meegegeven.
Zoo ging lijj dan op weg, blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren. Doch wat geschiedt ? Hij is niet ver meer van Damascus , en daar omschijnt hem plotseling een licht van don Hemel, dat hem van schrik ter aarde doet vallen, en een stem zegt tot hem: „Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?quot; En hij zeide: „Wio zp gij, Heer?quot; En de stem antwoordde: „Ik ben Jezus dien gü vervolgt. Het is u hard, de verzenen te prikkels te slaan.quot; Hy wordt hier vergeleken met een trekdier, dat men met een prikkel, een stok met ijzeren punt, prikt om het tot meerder spoed aan te sporen, en dat nu in plaats van sneller te gaan, ac'ateruit slaat, en zich dès te meer pijn veroorzaakt.
Zoo verzette zich Saulus ook tegen de stem van zijn geweten, dat hem wel di k-werf had gevraagd: „Waarom gelooft ook gij niet, dat Jezus is de Christus ?quot; En nu ziet en hoort hij den Heer, en moet lüj wel gelooven , dat üod den profeet van Nazareth had verhoogd en verheerlijkt als zijn Zoon. Geheel onsteld en bevende vraagt Paulus dan ook : „Wat wilt gij dat ik doen zal ?quot; En het antwoord luidde: „Sta op, 011 ga in de stad, en aldaar zal u gezegd worden, wat gjj doon moet.quot;
Toen hy opstond en de oogen opsloeg, zag hij niets. Hij was verblind door liet licht des hemels. Dus moest men bij de hand hem leiden , en zóó, geheel machteloos en verslagen, kwam hij Damascus binnen.
Drie dagen heeft hij er vertoefd, dat hij niet zag , niet at en niet dronk. Toen zeide de Heer tot een discipel, genaamd Ananias, dat hij tot Saulus gaan, hem de handen opleggen, en hem doopen moest. Ananias maakte daartegen eerst eenig bezwaar, omdat hjj wist, hoe Saulus de Christenen vervolgde. .Maaide Heer stelde hem gerust; lijj kon veilig gaan, daar Saulus een ander man was geworden. Zoo ging Ananias, en den blinden Saulus ziende, zeide hjj tot hem: „Saulus, Broader, de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is op den weg , dien gij kwaamt, opdat gij ziende en van den H. Geest vervuld worden zoudt.quot; En terstond vielen als schellen van zijn oogen, en lijj werd ziende; en lijj stond op en liet zich doopen.
Weinige dagen later verscheen Saulus in de synagoge der Joden , en verkondigde hun, dat Jezus is de Christus. De verbazing over diegrooteverandering in Saulus was algemeen; maar by verbazing bleef het niet. De Joden trachtten Saulus om het leven te brengen, en lieten dag en nacht de stadspoorten bewaken, om te verhinderen , dat hij ontkwam. Doch zijn vrienden lieten hem 's nachts in een mand over de stadsmuur — en zoo werd zijn leven gered.
Toen Saulus te Jeruzalem kwam, werd lijj eerst door de leden der gemeente niet vertrouwd. Men kon niet gelooven , dat hij van een vervolger, een volgeling
286
was geworden des Heeren. Doch Barnabas kwam, en stelde hen gerust door hen te verhalen, wat er met Saulus was geschied op den weg naar Damascus. Toen prezen zij God en namen hun voormaligen vijand als hun broeder aan.
Een der belangrijkste eerste christen-gemeenten was gevestigd te Antiochië in Syrië. Daar waren vele heidenen woonachtig, die geloofden in den Heer, en daar heeft men ook zp volgelingen het eerst „christenenquot; genoemd. In die gemeente is de begeerte opgekomen, om naar de heidenen er enkelen te zenden, die hun zouden prediken het Evangelie des Heeren. Tot dat doel werden plechtig afgevaardigd Paulus en Barnabas, die bovendien vergezeld werden door Marcus, een neef van Barnabas, en wiens naam reeds eenmaal door ons werd vermeld.
Het was een moeielijk en gevaarlijk werk, dat deze beide mannen ondernamen. Het reizen was toen niet zoo gemakkelijk als tegenwoordig , en stelde aan veel meer gevaren bloot. Bovendien hadden Paulus en Barnabas zich voor te bereiden op vijandschap en vervolging, zoowel van de joden als van de heidenen. Toch zijn zü onbevreesd hun arbeid begonnen, en reisden het eerst naar het niet ver verwijderde, welbekende eiland Cyprus. Zjj hadden zich tot een regel gesteld, om overal waar zü kwamen, eerst te gaan tot de Joden, in hun synagoge, en hun te verkondigen, dat Jezus van Nazareth de Christus, de Koning van Israël, de beloofde Zaligmaker was. Slechts weinige joden wilden dat gelooven. Bijna altyd werd Paulus met geweld uit de synagoge verwijderd , endoor de joden met groote vijandschap behandeld. Maar dan wendde hij zich tot de heidenen, en het gebeurde zelden, dat er onder hen niemand was, die geloofde. Gewoonlijk lieten eenigen door Paulus zich onderwijzen en doopen, en vormden zij met elkander den aanvang van een (jcmecnte, die voortdurend zich trachtte uit te breiden. — Aangekomen op Cyprus, waaide godin Venus werd vereerd, die aldaar, zoo als men zeide uit schuim geboren was, heeft Paulus het evangelie gepredikt aan den llomeinschen stadhouder Sergius Paulus. Deze nam het evangelie aan , nadat door Paulus een toovenaar , die groote macht over den stadhouder had, met blindheid was geslagen.
Van het eiland Cyprus staken Paulus en Barnabas over naar het vasteland van Klein-Azië, en doorreisden er meer dan een gewest. Marcus had zich echter teruggetrokken , misschien wel uit vrees voor 't gevaar, dat hij kon loopen, als bij medeging. Tot de steden, waar op deze reis het Evangelie werd verkondigd , behooren Ferqe, Iconium, Lystre en Bcrbe.
Zeer opmerkelijk is, wat geschiedde te Lystre. Aan de poort dier stad zat een man, die nooit bad kunnen gaan. En als Paulus predikt, en hem aanstaart, ontdekt de apostel, dat in liet hart van dien ongelukkige een groot vertrouwen
287
is ontwaakt, dat hij zou kuiineu genezen worden. Met Untie stem roept Paul us hem dan ook toe: »Sta recht op uwe voeten!quot; En hij springt op en wandelt. De schare, die dat zag, roept luide uit in de taal des lands, die Paulus niet verstond: „De goden zijn den menschen gelijk geworden, en tot ons nederge-daalt.quot; Zy kwamen op die gedachte, omdat volgens een oud verhaal, do goden Jupiter en Mercurius eens in dat land zich hadden vertoond. En nu zij dit wonder aanschouwen, meenen zij, dat werkelijk die goden wederom verschenen waren. Zjj ijlen dan ook de stad in , om offerdieren te halen, die zü met kransen versieren, en willen slachten ter eere van deze hemelsche bezoekers.
Maar als Paulus en Barnabas dat zien, scheuren zjj hun kleederen , en springen onder de schare, en roepen hun toe: „Mannen, wat doet gjj daar? Neen, wij zijn geen goden , maar menschen van gelijke beweging als gü, en wij verkondigen u, dat gij van deze ijdele dingen, van deze afgoden u moet bekeeren tot den levenden God. Heeft God tot heden de heidenen laten wandelen in hun wegen, en niet tot hen doen spreken door profeten of door wonderen — thans komen wjj tot u in zijn naam, en wekken u op, om te gelooven in zjjnen Zoon.quot;
Het was een groote teleurstelleng voor de inwoners van Lystre, te ontdekken, dat geen goden, maar gewone stervelingen voor hen stonden, en zü wisten niet goed, wat te doen met die fraai versierde offerdieren. En juist op dat oogenblik kwamen Joden uit de omliggende plaatsen, en zeiden hun , dat Paulus een Jood was en liet volk misleidde. Daarop werd hü aangegrepen, gesteenigd, en buiten de stad gesleept, want zjj meenden, dat hij dood was. Doch hy was slechts bewusteloos, en niet lang daarna kon hy opstaan, en gaan binnen de stad.
Op hun terugreis bezochten Paulus en Barnabas de gemeenten, die zij hadden gesticht, en vermaanden tot volharding in het geloof. Toen zij te Antiochië waren teruggekeerd, kwam de geheele gemeente samen, en verhaalden zjj mot groote blydschap, dat vele heidenen geloofden in den Heer.
Tegenover deze verblijdende gebeurtenis staat als een zaak van bedroevenden aard de verdeeldheid, welke in de jonge gemeente zich openbaarde tusschen de christenen, die vroeger jood, en hen , die vroeger heiden waren geweest. De christenen uit de Joden wilden, dat ook de christenen uit de heidenen zich zouden onderwerpen aan de wetten van Mozes, en dus eigenlijk eerst Jood worden , en dan lid worden der gemeente.
Om over dit geschil een uitspraak te doen, zy'n te Jeruzalem bij elkander gekomen apostelen, ouderlingen en leden der gemeente, en is door velen het woord gevoerd. Jacobus (niet de broeder van Johannes, die door Herodes onthoofd word, maar een der halve broeders van den Heer), Petrus, Paulus en Barnabas spraken er hun meening uit, en het dacht der vergadering good, aan do heidenen, die tot do gemeente overkwamen, niet de vervulling vau de jood-
288
sche wetten op te leggen. Over dit besluit waren de christenen te Antiochië, en elders niet weinig verblijd.
Toen Paulus te Antiochië was teruggekeerd, besloot hij weder een zendingsreis te ondernemen. Barnabas was bereid, hem te vergezellen, maar wilde zijn neef Marcus met zlcb nemen. Hiertegen nu had Paulus bezwaar. En over dit punt ontstond tusschen deze beide mannen een verbittering, Zij besloten daarom niet weer samen, maar ieder in een andere richting te gaan. Zoo reisde Barnabas met Marcus naar Cyprus, en Paulus ging met Silas (of Sylvanus) naar Klein-Azië. Hjj bezocht de gemeenten, die hy op zijn eerste reis had gesticht , en kwam ook te Lystre. Daar vond hij een .jeugdigen man, Timothens geheeten, zoon van een vrome moeder, wier naam was Eunice. Dezen nam hij mede. als zijn leerling en metgezel.
Hot werd Paulus duidelijk, dat liet Gods wil niet was, dat hij het evangelie zou verkondigen in Klein-Azië, maar dat hij moest gaan naar Europa. Paulus is dus de eerste prediker van het Evangelie geweest in ons werelddeel. Te Troas zag hy 's nachts een Macedonisch man, die hem wenkte en zeide: „Kom over, en help onsquot;. Hieruit verstond luj, dat hij naar Macedonië gaan moest. En hij deed het, nu ook vergezeld van Lucas , die zich te Troas bij hem had aangesloten.
De hoofdstad van Macedonië heette Filippi naar Filippus, den vader van Alexander den Groote , die haar gesticht had. Op den Sabbath ging Paulus met zijn vrienden buiten de stad aan de rivier, waar de Joden gewoon waren hun gebed te doen. Zij vonden er eenige vrouwen, die daar waren samengekomen, en predikten haar het Evangelie. En oen zekere vrouw, Lydia, een purperverkoopster hoorde, en de Heer opende haar hart, dat zij acht gaf op hetgeen door Paulus gesproken werd.
Maar nog meer bekend is de bekeering van den stoli- of (jevanyenhemarder te Filippi. Als Paulus door de stad ging, ontmoette hem een slavin , die, zooals men toen zeide, een waarzeggenden geest had. Zjj liep Paulus en zijn vrienden na, en riep: „Deze mannen zijn dienstknechten des allerhoogsten Gods, die ons den weg des behouds verkondigen.quot; Paulus wilde dit niet aanhooren , en verbood haar het waarzeggen. Daar zij hiermee veel geld won, werden de heeren, wier eigendom die slavin was, zeer vertoornd, en zjj brachten met geweld Paulus en Silas voor de overheden , en beschuldigden hen van 't verkondigen van nieuwigheden. Het volk ontstak daarop in toorn ; en de hoofdlieden geeselden hen, en lieten hen in de gevangenis brengen. De gevangenbewaarder had daar een welgevallen in. Hjj sloot hen in den binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in den stok.
Het zal wel een treurig en somber verblijf zijn geweest, waarin Paulus en Silas gebracht waren, maar zij klaagden niet. Integendeel, midden in den nacht
289
daar zingen zy Uodo lol'. Zeker wordt zelden zulk eon lied in een gevangenis vernomen. En God geeft van den hemel er een antwoord op. Plotseling ontstaat een geweldige aardbeving -- zoodat de fondamenten van de kerker schudden, de deuren openspringen, en de ketenen van allen los worden, üat hoort de gevangenbewaarder , die met het zwaard in de hand komt aansnellen. En als hij ziet, dat alle deuren zijn geopend, en vermoedt, dat alle gevangenen zijn ontvloden , wil hij in zyn 'wanhoop een einde maken aan zjjn leven, en trekt zijn zwaard. Maar Paulus, dat ziende, roept hem toe: „Doe u zelf geen kwaad, want wij zijn allen hier.quot; En als de gevangenbewaarder licht heeft doen komen, en ontdekt , dat niemand der gevangenen ontbreekt, komt hy tot het inzicht, dat Paulus en Silas geen booswichten waren, want dan waren zy wel ontvlucht: neen zy waren gewis afgezanten van God, en hén had hij zoo gepijnigd en mishandeld. Hü ziet het verkeerde en zondige van zijn handelwys in, en roept uit: „Wat moet ik doen, om behouden te worden ?quot; En Paulus antwoordt onmiddellijk : „Geloof in den Heer Jezus Christus, en gy zult behouden worden , gy en uw huis !quot;
Des anderen daags werden zy vrijgelaten, en wel op de meest eervolle wijze : want ieder, die te Tarsus was geboren, bezat het romeinsch burgerrecht, en daarom stond Paulus er ook op, dat men hem zijn eer als burger van den romein-schen staat niet zoude onthouden.
Van Pilippi zyn Paulus en Silas gegaan naar Thessalonica, waar velen werden bewogen tot het geloof; maar de Joden met behulp van marktboeven wisten te bewerken , dat de predikers van het Evangelie moesten wijken. Toch behield Paulus te Thessalonica vele vrienden, zoo als blijkt uit de brieven welke hij aan die gemeente schreef, en welke wy nog bezitten.
Te Berêa was hem een betere ontvangst bereid. Daar werd door de Joden hetgeen hij predikte vergeleken met de H. Schritten ; daar was het dus den men-scheu kennelijk om waarheid te doen. Na aldaar een korten tyd te hebben vertoefd , begaf Paulus zich naar de beroemde hoofdstad van Griekenland, naar Athene.
Niemand kende hem, toen hij daar aankwam , en onopgemerkt doorwandelde hy de stad, en bezag al de fraaie gebouwen , en tempels en beelden, waaraan Athene zoo ryk was; maar hij ergerde zich zeer aan al de afgoderij, die zich overal vertoonde.
Zwijgend en werkeloos kon echter een man als Paulus niet blijven. Tot de Joden sprak hy in hun synagoge, en met de Atheners knoopte hij gesprekken aan op de markt. Zij hadden de gewoonte, 's voormiddags naar de markt te gaan, en te hooren of er ook iets nieuws was. Ook gaven daar de wysgeeren, die behoorden tot de school der stoïcijnen en epicuristen hun lessen , en 't was vooral met hen, dat Paulus redetwistte. Het kwam hun voor, dat hij iets nieuws
290
verkoniiigdo, en ilut prikkelde hun nieuwsgengheid. Zy wilden er wel iets meer van hooren, en brachten hem naar een heuvel, Areopagus genoemd, om daar tot hen liet woord te voeren, 't Is een merkwaardige rede, welke Paulus daar uitsprak, en die voor een gedeelte met instemming werd aangehoord, maar die den weerzin der Atheners opwekte, toen hy gewaagde van de opstanding. Als zij van de opstanding der dooden hoorden, spotten sommigen; anderen zeiden: „We willen u nog wel eens hooren.quot; Enkelen echter geloofden. En zoo is Paulus uit hun midden weggegaan.
Niet ver van Athene lag het vermaarde Corinthe, een stad van handel en weelde, gelijk .Athene een stad voor kunsten en wetenschappen was. Met een gevoel van groote zwakte kwam Paulus er aan, niet wetende, wat de Heer er over hem zou brengen. Hij vatte het handwerk op , dat hjj in zjjn jeugd geleerd had, namelijk dat van tentenmaker, en nam zijn intrek bij een man, Aquila ge-lieeten, die hetzelfde handwerk uitoefende. Met zjjn vrouw Priseilla was dit israëlitisch gezin uit Kome geweken, omdat Keizer Claudius alle joden uit die stad verbannen had. Vele joden geloofden , zelfs de overste der synagoge , maar ook vele heidenen, en de Heer zeide tot Paulus in een gezicht: „Vrees niet, maar spreek en zwijg niet! Want ik ben met u, en niemand zal u aanraken, om u kwaad te doen ; want ik heb veel volks in deze stad.quot;
Paulus is dan ook een jaar en zes maanden te Corinthe gebleven. Wel trachten de joden hem te bemoeielyken, en klaagden zy hem aan voor den Uomein-schen landvoogd Gallio, maar deze wilde zich met deze zaak niet inlaten. Hy dreef de joden weg van den rechterstoel, en trok zich geen van deze dingen aan.
Na die langdurige afwezigheid begaf Paulus zich weder naar Antiochië, nadat hij eerst een kort bezoek had gebracht aan Efezus en Jeruzalem.
HOOFDSTU K XVI. LAATSTE REIZEN VAN PAULUS.
Lang heelt Paulus zich geen rust gegund. Spoedig ondernam hy een derde zendingsreis, en doorreisde allereerst een gedeelte van Klein-Azie. Hy had daar veel tegenstand van de christenen uit de joden, die beweerden , dat hy geen vertrouwen verdiende, en zich zelf' had opgeworpen tot apostel.
291
Op die derde reit; hooit hij niot niludor dan drio jaar verloofd 011 gepredikt te Efezus. Daar had reeds met voel vrucht gearbeid een man, genaamd Apollos, geboren te Alexandrië, welsprekend en zeer ervartn in de Schriften. Toen Paulus een tijdlang in die groote stad had gepredikt, hadden vele bekeerde heidenen zulk een afkeer gekregen van hun bijgeloof, dat z'u geschriften , waarmee tooverij gedreven werd, verbrandden tot een bedrag van wel ƒ 20,000.
Ook op een andere wijze bleek, hoe zeer het heidendom te Efezus in verval kwam. Er bevond zich in die stad een zeer beroemd beeld van de godin Diana. Men vertelde, dat het uit den hemel was gevallen, en daarom werd het voor zeer heilig gehouden. Voor dat beeld was een prachtige tempel gebouwd, en van dien tempel werden afbeeldingen vervaardigd in zilver, die in grooten getale werden gekocht. Doch toon vele Efeziërs tot de overtuiging kwamen , dat Diana niet bestond, en haar beeld ook niet uit den hemel was gevallen, kochten zy ook geen kleine zilveren tempels meer. Hierover waren de zilversmeden zeer ontevreden, en de voornaamste van hen, Demetrius, riep allen bijeen , en betoogde, dat zij niet alleen groote schade leden , door de uitbreiding van het christendom, maar dat ook de groote godin Diana er schrikkelijk over vertoornd zou zijn. Daarom liepen zij naar buiten, de stad door, uit alle macht roepende ; „Groot is de Diana der Efeziërs!quot;
Zij begaven zich naar de stadsschouwburg, maar de meesteu van de honderden , die waren samengestroomd, wisten eigenlijk niet, waarom zy daar gekomen waren. Ten slotte heeft de stadsschrijver een rede uitgesproken , die hen tot kalmte bracht en uiteen deed gaan. Niet lang daarna verliet ook Paulus Efezus — en begaf hy zich naar Macedonië en Griekenland. Overal verzamelde hij giften voor de gemeente te Jeruzalem, die luj weder wilde bezoeken.
Op zijn reis naar Jeruzalem bezocht luj Troas, waar luj op een Zondag do gemeente toesprak, en van de ouderlingen der gemeente Efezus nam hy afscheid op het strand van Miletus, Het was een roerend afscheid. Men weende luidkeels toen Paulus verzekerde, dat zij zijn aangezicht niet weder zien zouden. Wij zien daaruit, hoe innig allen aan den apostel waren gehecht, hoe vurig zjj hom lief hadden. Zij hadden zoo voel aan hem te danken. Zy vreesden , dat hjj te Jeruzalem gevangen genomen, of gedood zou worden ; maar niets hield hem terug. Hij wilde tot eiken prijs het paaschfeest te Jeruzalem vieren. Hy bleet bij dat voornemen , ook toen de profeet Agabus en anderen hem voorspelden, dat groote gevaren te Jeruzalem hem wachtten. En zie , deze profetie is vervuld geworden.
Te Jeruzalem aangekomen, werd hy herkend door joden uit Klein-Azië. Zy beschuldigden hem, dat luj heidenen met zich genomen had in den tempel , en daardoor het huis dos Heereu ontheiligd. Hem ziende roepen zü uit: „Gij Israëlitische mannen, komt te hulp! Deze is de monsch, die tegen hot volk en de
292
wet on deze iiluatü ulle man overal leeii, en l)oveiiiiieii lioei't liy tirioken inden tempel gebracht, en deze heilige plaats ontheiligd.quot; Groote opschudding ontstond en zjj grepen Paulus, trokken hem buiten den tempel, en wilden hem dooden. Maar de oversto der romeinsche soldaten , die Jeruzalem bezetten, was spoedig aanwezig, liet Paulus grypen , en boeien , en vroeg, wie hij was, en waarom dat tumult ontstond. Hij kon het echter uit de verwoede menigte niet te weten komen , en liet hem daarom wegvoeren naar de legerplaats. Het volk volgde in groote, dicht opeengedrongen menigte, al roepende: „Weg met hem !quot; Toen zij op de trappen dei-legerplaats waren aangekomen, verkreeg Paulus verlof, om tot het volk te spreken , en te midden van groote stilte begon hij het volk toe te spreken in de hebreeuwsche taal. Een tijdlang hebben zij geluisterd, maar als Paulus zeide, dat de Heer hem had gezonden tot de heidenen, riepen zij: „Weg van de aarde met zulk eene! Het is niet behoorlijk, dat hij leeft!quot; En zij smeten de kleederen van zich, en wierpen stof in de lucht. De romeinsche overste trachtte daarop Paulus door geeseling te bewegen, om te zeggen, wie hij was; maar Paulus verklaarde hem, dat hij, als romeinsch burger niet onverhoord mocht gegeeseld worden, waarop van dat voornemen werd afgezien.
Den volgenden dag werd de apostel gesteld voor den joodschen Kaad, gelijk eenmaal de Heer Jezus. Toen Paulus betuigde, dat hjj met een goed geweten voor God had gewandeld, beval de hoogepriester Ananias, dat zjj, die bij hem stonden, hem op den mond zonden slaan. Toen zeide Paulus tot Ananias: „God zal u slaan, gij gewitte wand!quot; Dat wil zeggen: „Gij huichelaar!quot; Toen men Paulus vroeg, of hij op die wijze mocht spreken tot den hoogepriester, zeide hij: „Ik wist niet, dat het de hoogepriester was.quot;
Nadat Paulus had uitgeroepen; „Ik word geoordeeld om de opstanding der dooden,quot; ontstond er groote verdeeldheid in den Raad, want de farizeën geloofden wel aan de opstanding , en de sadduceën niet. De twist liep zóó hoog , dat de romeinsche overste het geraden achtte Paulus maar weder weg te doen brengen. Een dag daarna spanden ruim veertig joden te Jerusalem, samen , en vervloekten zich zeiven, zeggende dat zy niet eten of drinken zouden , voordat zij Paulus om 't leven hadden gebracht. Door een neef van Paulus werd de overste hiermee bekend gemaakt, die 's nachts onder zeer sterk geleide van krijgsknechten den apostel uit Jeruzalem liet overbrengen naar Cesarea, waar de stadhouder woonde.
De stadhouder heette Felix, en hij nam Paulus in bewaring met het voornemen, oin zijn zaak te onderzoeken. En ziet, vijf dagen later, daar kwam de hoogepriester Ananias met de ouderlingen en met een advokaat Tertullus genaamd , om Paulus aan te klagen. Nadat nu van de zijde der joden en door Paulus het woord was gevoerd, heeft Felix besloten een beslissing uit te stel-
298
leu, totdat hij nadere inlichting zou hebben bekomen, en heelt hij Paulus' gevangenschap zeer dragelijk gemaakt, maar toch hem niet losgelaten.
Eens heeft Paulus het woord mogen voeren voor Felix eu zijn vrouw Drusilla , die een jodin was. Toen Paulus handelde van rechtvaardigheid, matigheid en toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd, en zeide : „Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tjjd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen.quot;
Hjj had de hoop, dat Paulus hem geld zou aanbieden, om te worden vrijgelaten, maar daaraan dacht de apostel niet. Na verloop van twee jaren werd Felix als stadhouder vervangen door Festus, maar Paulus bleef een gevangen man.
Misschien had Festus hem wel losgelaten, maar Paulus beriep zich op den Keizer, d. w. z. hij verlangde , dat de Keizer te Home over hem vonnnis zou vellen.
Bij gelegenheid, dat Festus bezoek had van Koning Agrippa en zijne vrouw Bernice, werd Paulus gebracht voor deze vorstelijke gasten , en een aantal hooggeplaatste personen van hun hofhouding, en verkreeg hjj de gelegenheid, om zich te verantwoorden. Hij heelt daarvan gebruik gemaakt, en een lange rede uitgesproken, waarin hjj o. a. zijn bekeering verhaalde op den weg naar Damascus. En toen hij van Christus' Ijjden en opstanding sprak, riep Festus uit: „Gij raast, Paulus, de groote geleerdheid brengt u tot razernij.quot;
Treffend is het slot van Paulus' rede, waarin hij, de gevangen en geboeide man, tot Agrippa zegt; „Ik wenschte wel van God, dat, en bijna en geheellijk , niet alleen gy, maar allen die heden mij hooren, zoodanig werden, geljjk als ik ben, uitgenomen deze banden.quot;
Ieder vond hem onschuldig, en Agrippa zeide tot Festus: „Deze menschzou kunnen losgelaten worden, indien hij zich op deu Keizer'niet had beroepen.quot; Maar — hij moest dau gevoerd worden naar Eome. Lucas en Aristarchus zouden hem vergezellen. Wy zullen u niet al de plaatsen opnoemen, waar Paulus is geweest of voorbij gevaren op die toen zoo lange en bezwaarlijke reis van Cesarea naar Kome. 't Was reeds ver in 't najaar, en toen zy op 't eiland Creta waren gekomen, gaf Paulus den raad, om aldaar te overwinteren. Maar die havenplaats was minder gelegen, en men besloot zee te kiezen , om aan 't andere einde van Creta binnen te loopen, en aldaar den winter door te brengen.
Maar niet lang waren zij de haven uit, of er ontstond een orkaan , die het schip slingerde, waarheen hy wilde Er was geen stuur in te houden. Weldra verkeerde men in levensgevaar. Met touwen, die men onder om het schip heensloeg, trachtte men het bij elkander te houden, terwijl alles, wat maar eenigszins kon worden gemist, in zee werd geworpen , om het schip te lichten. Eindelijk wierp men ook het scheepsgereedschap uit, want de storm hield aan; geen zon of maan of ster was zichtbaar , en alle hoop op behoudenis scheen verloren.
294
Toen zeide Paul us; ,0, mannen, had men maar geluisterd naar mij , en was men maar niet van Oreta afgevaren, dan was deze ramp ons niet overkomen, maar laat den moed niet zinken. Er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder n. Alleen het schip is verloren. Dezen zelfden nacht heelt hij mij gestaan een engel Gods, die tot my zeide: Vrees niet, Paulns; gij moet voor den Keizer gestold worden, en God heeft n geschonken allen, die met u waren. Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.quot; —
Na veertien dagen te hebben rondgezwalkt, begonnen de scheepslieden te vermoeden, dat zij land naderden. Daar 't nacht was en zij dus niet konden zien , wierpen zij het dieplood uit, om de diepte te peilen van het water. Zjj vonden twintig vademen. Een weinig later, vonden zij slechts vijftien vademen. Zij vreesden, dat zij onverwachts op een rots zouden stooten, en wierpen daarom vier ankers uit van het achterschip. En wat beproefden toen de scheepslieden ? De boot uit te zetten en te ontvluchten. Dit werd echter door Paulus verhinderd , die zeide : „Neemt liever spijzen, en sterkt uquot; — en hij dankte God in aller tegenwoordigheid en begon te eten. Er waren, allen bijeengenomen, 276 zielen aan boord. Toen het dag werd, bleek het, dat zij niet ver van den wal waren, maar zij kenden het land niet. Zij besloten echter het schip op het strand te laten loopen. De ankers werden ingehaald, het roer losgemaakt, een zeil geheschen, en zoo hielden zij aan op het strand. Doch niet lang duurde het, of het voorschip zat onbeweeglijk vast, en het achterschip begon stuk geslagen te worden door de golven. Toen wilden de krijgslieden, die aan boord waren, de gevangenen ombrengen, maar de hoofdman, die Paulus genegen was, verbood het, en beval, dat zij, die konden zwemmen van boord moesten springen en naar wal zien te komen. En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op een stuk van het schip, dreven' naar den oever, waar allen ten slotte behouden aankwamen.
Het bleek, dat zij waren gestrand op het eiland Malta, ten zuiden van Italië. Door de inwoners werden de schipbreukelingen vriendelijk ontvangen. Een groot vuur werd aangelegd en allen werden gehuisvest. Maar ziet, daar springt uit de takkebossen, die Paulus bijeen geraapt en op het vuur gelegd had, een adder en bijt hem in de hand. Doch Paulus wierp het vergiftigde beest in het vuur, en leed niets kwaads. Geen wonder, dat de inwoners van Malta hem met verbazing gadesloegen , en sommigen hem aanzagen voor een God.
Na drie maanden, vertrok een schip, — het heette Castor en Pollux — dat op Malta had overwinterd, naar Rome, en daarmeê vertrok ook Paulus.
Na een voorspoedige reis kwam hij in die machtige hoofdstad van het machtige liomeinsche rijk. Hy was er gevangen, maar in zijn eigen gehuurde woning-Velen kwamen er hem bezoeken , en wie zegt ons, hoe velen daar voor liet eerst
295
en met eeu geloovig hart hebben gehoord van het koninkrijk Gods, en van Jezus Christus den Heer?
En hier zijn wjj aan 't einde gekomen van de bijbelsche geschiedenis. Het is een lange weg, dien wij afgelegd hebben, van het Paradijs naar Rome. Over hoe vele menschen, goede en slechte, hebben wij gesproken! Hoe duidelijk bleek het, dat de zonde niets dan ellende brengt, terwijl het heerlijk en begeerlijk is den Heer te dienen.
Hoe gelukkig bovenal is het, dat in die geschiedenissen Hij zulk een eenige plaats bekleedt, die gekomen is om te zoeken en te behouden wat is verloren.
Laat ons allen vroeg den Heer zoeken, en gelooven in zijnen Zooa! Dan zullen wij telkens en telkens weder willen hooren wat de bijbel verhaalt van Gods liefde en wijsheid, en van de genade des Zaligmakers, waaraan wij al on/e lezers hartelijk aanbevelen.
1'! 1 N' I) !v
■
■
/
■
.
• ■1
'
.
__
_
t^u^SSSE ' ' ' '1''quot; quot; 11 ' '
^ ^ ^ {' gt; i v gt; lt; ,;
••
lt; -,lt;»!( *1- ■quot;.. j-, «Md» •* • '
nh:-
: :: s
•MM
I
■ ■ •
....... - •' -
1 quot;^vtipiNNM
■ H
■
• ï
- •' ■•
'