-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

ffls

mÊmtèm

ffamp;f.

|i.....*■ ......:

I .... ... . ... ...... i

-ocr page 5-

EMIN PACHA IN DE EQUATOR!AAL-PROVINCIE.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1298 0854

-ocr page 7-

BIJ EMIN PACHA

IN DE

EQUATORI AAL-PROVINCIE.

DOOR JEPHSON ZELF BESCHREVEN.

Met loesiemining van den schrijoer en de uitgevers in het

JVederlandsch bewerkt.

nvtet I3 IJ-A-TE KT en

Arnhem-Nijmegen

GEBR. E. amp; M. COHEN.

BIBLIOTHEEK DE* RIJKSUNIVERSITEIT U T K E CH Ti

-ocr page 8-
-ocr page 9-

I IDT ZEI O TJ ID.

JEPHSON. EMIN PACHA

Een brief van Henry M. Stanley als inleiding . . . . , Voorrede ............

HOOFDSTUK I

Ons vertrek naar Emin .........

HOOFDSTUK II.

De ontmoeting tusschen Stanley en Emin. Bespreking van plannen

HOOFDSTUK III.

Van Wadelai naar Dufflé .....

HOOFDSTUK IV.

Onze onrust klimt ......

HOOFDSTUK V.

De Stam Bari .......

HOOFDSTUK VI.

Het uitbreken van den opstand ....

HOOFDSTUK VII.

Onze gevangenscha]) in Dufflé ....

HOOFDSTUK VIII.

()nze stoombootreis met opstandelingen aan boord

HOOFDSTUK IX.

De raad der opstandelingen. ....

HOOFDSTUK X.

De inval van de troepen van den Mahdi HOOFDSTUK XI.

Gevangenschap op eerewoord ....

HOOFDSTUK XII.

Onze vlucht uit Wadelai , ,

BLADZ.

I

VII

I

27 55

; 'I 1

■Hl

131

149 179 196 226 253 286

4 i

;; ■

-ocr page 10-
-ocr page 11-

OTJ3D.

JEPHSON. EMIN PACHA

BLADZ.

Een brief van Henry M, Stanley als inleiding ........ I

Voorrede ............... VII

HOOFDSTUK I

Ons vertrek naar Emin ............ i

HOOFDSTUK II.

De ontmoeting tusschen Stanley en Emin. Bespreking van plannen . . . 27

HOOFDSTUK III.

Van Wadelai naar Dufflé ............ 55

HOOFDSTUK IV.

Onze onrust klimt ............. 81

HOOFDSTUK V.

De Stam Bari . . . . . . . . . . . . . .112 HOOFDSTUK VI.

Het uitbreken van den opstand . . . . . . . . .131

HOOFDSTUK VIL

Onze gevangenschap in Dufflé ........... 149

HOOFDSTUK VIII.

Onze stoombootreis met opstandelingen aan boord . . . . . . .179 HOOFDSTUK IX.

De raad der opstandelingen. . . . . . . . . . ,196

HOOFDSTUK X.

De inval van de troepen van den Mahdi , . . . . . . .226

HOOFDSTUK XI.

Gevangenschap op eerewoord ..... ..... 253

HOOFDSTUK XII.

Onze vlucht uit Wadelai 286

iibTiH:

-ocr page 12-

HL ADZ.

HOOFDSTUK XIII.

Ons verblijf in Toengoeroe............^,0

HOOFDSTUK XIV.

Eindelijk bericht van Stanley ........... 342

HOOFDSTUK XV.

Onze terugkomst bij Stanley ........ • ■ 373

HOOFDSTUK XVI.

Emin's ontzet ................. 406

Besluit . . . . . . , . , .422

------{;■

-ocr page 13-

»1

LIJST DER PLATEN.

Afvaart om Emin te bereiken Het opperhoofd Mogo.

Emin Pacha.

Het station Mswa Dans bij den stam Loer Aanspraak van Emin tot de soldaten te Toengoeroe Boki's vrouw doet een goed woord voor hem Emin's huis van binnen Gezicht van Wadelai uit Aankomst te Dufflé Platte .grond van Dufflé.

Een kudde olifanlen Selim Bey .

Emin aan het determineeren van zijn voge Een Bari (man) .

Een Bari (vrouw).

Een Baridorp Houweel voor de mannen Spade voor de vrouwen Runderen en geiten van de Bari's Kookpotten en kruiken van de Bari's Het oproer te Lahore .

Bewoners van Emin's Provincie .

Op weg naar Dufflé .

Onze aankomst te Dufflé

De voorlezing van het Manifest van den Khediv Portret van kapitein Casati .

Earida en het halssnoer Zitting van den raad der opstandelingen Onze gevangenschap in Dufflé .

Osman Latif geeft zijn kinderen les Het martelen der Derwischen 1 )e Derwischen gaan voorbij en zien mij aan

BLADZ.

5 12

23 33 35 41 52 57 60

73

74 83 85

101

113

114 117

120

120

121 124 133 139 '45

151

i65 181 191 197 209 2I5

243

249

il

I - f

jf

I l

'ü I? i

'

1 i ■. i

den raad der opstandelingen

-ocr page 14-

BLADÜ.

Het omslaan van oen kano op den Nijl .

. 259

Slooping van de Advance .........

292

De vlucht uit, Wadelai. .........

295

Een avond aan de Albert Nyanza bij Toengocroe ....

• 333

Een dwerg met boog en pijl gewapend......

• 337

Eindelijk bericht van Stanley ........

• 353

Afscheid van Emin . .........

■ 375

Dankbaarheid van eene vrouw ........

• 378

Wij verlaten Toengoeroe, om ons bij Stanley te vervoegen.

• • . 385

Wij krijgen de Zanzibarieten in het gezicht .....

400

-ocr page 15-

EEN BRIEF

VAN

HENRY M. STANLEY,

JLXjS XJSTXj^TJDXJSra-.

-------------

LONDEN, Augustus 1890.

Waarde Jephson!

ijn huwelijk en mijn ziekte, zijn twee redenen, die, waren zij niet samengevallen, ieder op zich zelt, aidoende mogen heeten tot opheldering van het feit, dat ik tot dusver nog niets heb gedaan, om uwe wenschen en die van mijn uitgevers in Engeland en Amerika — het inleiden van uw boek bij uwe lezers aan beide zijden van den Oceaan — te bevredigen. Maar uw boek heeft inderdaad geen inleiding van mij noodig. Zij die »In Airika's donkere wildernissenquot; hebben gelezen, weten hoe hoog ik u schat.

Wat mij zelf betreft, ik durf u de oprechte verzekering te geven, dat het mij zeer aangenaam is te weten, dat gij dit boek dadelijk hebt geschreven. Ik wist natuurlijk wel, dat gij, op onze tochten door het donkere werelddeel, geen gelegenheid ongebruikt hadt gelaten, omaan-teekening te houden van al wat gij zaagt en van al wat gij deedt ; maar er wordt veel overdenking, veel arbeid gevergd, om dergelijke losse

-ocr page 16-

JEPHSON,

aanteekeningen om te zetten in een behoorlijk samenhangend verhaal.

Ik beken dat ik, na uw terugkeer in de beschaafde wereld uit de klauwen van den honger, de bezwaren aan 't kampeeren verbonden en de vermoeiende tochten door het verschrikkelijk woud, mij u had voorgesteld als badende in weelde en u verheugende in het ^enot. van voor

O O O 7

een korten tijd hoegenaamd niets te doen te hebben. Ik zie integendeel, dat gij den spot hebt gedreven met roemlooze gemakzucht en zelfs op het middernachtelijk uur geen olie hebt gespaard, om dit verhaal te kunnen schrijven; gij hebt daarmede goed gehandeld. Plicht gebood u het te boek te stellen; zelfs als gij het hadt gewild, zoudt gij u niet aan die verantwoordelijkheid hebben kunnen onttrekken. Gij hadt natuurlijk uw verhaal kunnen aanvangen met het begin van onze expeditie, maar gij hebt, dunkt mij, verstandig gehandeld, met geen koren, dat reeds gedorscht is, op nieuw onder den vlegel te nemen. Gij zijt uw verhaal begonnen ter plaatse, waar zich in het mijne een groote gaping bevindt, een gaping, die alleen door u kan worden aangevuld. Gij hebt uw verhaal op zulk een bescheiden toon gedaan en zijt zoo strikt waarheidlievend en loijaal tegenover mij, dat ik mij daarover verblijden en u dankbaar zijn moet. Er staat in uw boek veel, dat geheel nieuw voor mij is, veel dat mij uitermate treft en ontroert, terwijl het geheel wordt verteld met hoogst benijdenswaardige bekwaamheid en talenten op letterkundig gebied.

Toen ik tijdens onze expeditie, u, om uw moed en doortastendheid, belastte met het overbrengen van mijn' brief aan Emin en van mijn boodschappen aan zijn volk, wist ik, dat ik u een hoogst belangrijke taak op de schouders legde, maar zou ik niet hebben kunnen droomen, dat zij zou uitloopen op uw gedwongen verblijf, gedurende negen maanden. in een onbekend en vijandelijk land — en dat gij in langdurige gevangenschap zoudt moeten zuchten, met het dreigend gevaar van den dood, onder de handen van het op een dwaalspoor gebrachte volk, dat gij poogdet te redden.

Den 20quot;™ April 1888 zond ik u naar de Albert Nyanza met een brief voor Emin en den 29slen van dezelfde maand vergezelde hij u op uw' teruewee naar Kavalli. Den 22^quot; Mei daaraanvolo-ende heb ik u

11

-ocr page 17-

EMIN l'ACIIA.

met Emin Pacha te Nsabé achtergelaten en zijt gij weder met hem naar het meer gegaan, met een aanspraak van mij, die door n zijn soldaten moest worden voorgelezen, om hen allen voor te bereiden op een snelle en onmiddellijke ontruiming van Equatoria, terwijl ik teruggekeerd was, om de achterhoede op te zoeken.

Maanden lang vernam ik niets; eerst in Januari 1889 hoorde ik weder van u. In uw hoogst belangwekkend schrijven uit Kavalli, van 7 Februari 1S89, 't welk waarlijk wel een kort en duidelijk gesteld rapport mag heeten, openbaardet gij mij alles of bijna alles, wat mij tot dusverre bekend is van al die maanden van onzekerheid aan onzen kant en van kommer en lijden aan den uwen. Het is dus gemakkelijk te begrijpen, dat een aaneengeschakeld en uitvoerig verhaal, dat tot in de kleinste bijzonderheden van uwe avonturen rekenschap geeft, mij meer dan alle andere menschen het grootste belang moet inboezemen.

Ik weet, dat al uw mede-officieren zich onledig hebben gehouden

O Ö

met belangrijke aanteekeningen over de expeditie; enkele hunner zullen misschien hun indrukken te boek stellen en uitgeven. Ik koester voor hun aller arbeid mijn beste wenschen; maar wat uwe mededeelingen zoo eigenaardig en bijzonder belangrijk voor mij maakt, is, dat gij er geheel mede buiten mijn terrein blijft, iets wat zij natuurlijk niet konden, al beschouwen zij de zaken ook van hun eigen standpunt. Troup heeft geschreven, Bonny heeft geschreven — beiden hebben zij ongetwijfeld van hun eigen standpunt geschetst hetgeen zij deden en zagen, en ik hoop, dat mijn zeer gewaardeerde vriend, Dr. Parke, weldra tijd zal kunnen vinden, om ons verslag te doen van hetgeen hem overkwam. Ook Ward heeft, als ik het wel heb, een boek onderhanden. Voorts zal er een tijd komen, waarin wij mogen hopen te vernemen, wat Dr. Emin aan de wereld heeft te openbaren. Gij zult u herinneren, dat ik u nu en dan gekscherend heb beschuldigd een Eminist te zijn. Thans ben ik volstrekt niet gezind, om die, trouwens wel te dragen, beschuldiging in te trekken. De indruk, dien uw boek op elk onpartijdig lezer moet maken, is een indruk van veel bewondering, zelfs van genegenheid voor Emin, wat enkele punten van zijn karakter betreft, terwijl gij niet blind zijt gebleven voor de door hem betoonde tekortkomingen als Gouverneur. Het is overbodig hier in den breede het oordeel te geven, dat ik mij

Ill

-ocr page 18-

IV JEPHSON,

over Emin heb gevormd. Dit kan het best worden afgeleid uit een kort uittreksel uit een brief van mij aan Duitsche uitgevers, onlangs verschenen in de Duitsche vertaling van mijn arbeid. De Duitschers zijn even vatbaar voor aandoeningen en even prikkelbaar als de Franschen.

,.Om op de zaak van l'min terug te komen, wat waren zij voor Kmin ol hij voor hen, vóór hij door ons uit het land der Negers was geleid ? Emin gevoelde veel voor de Engelschen, al was hij Duitscher van afkomst. Hij haakte, wat hij nu ook moge zijn, naar Engelschen dienst; zijn brieven aan 't Engelsche Ministerie van Buitenlandsche Zaken kunnen het getuigen. Maar wat deed dat er voor mij eigenlijk toe? Ik had mij niet aangegord om een Duitscher ot een Engelschman bijstand te bieden, maar een model-Gouverneur, in mijne verbeelding een man, dien bijstand overwaardig. Hij had onder Gordon als Luitenant gediend, was ver weg naar Equatoria gezonden — werd, naar ik meende, belegerd door de Mahdisten, terwijl ik hoopte, dat hij door een nieuwen voorraad ammunitie, zich zou kunnen staande houden, totdat over zijn toestand nieuw licht was verspreid, waardoor de begeerte om hem bijstand te bieden algemeen werd.... Waarom zou ik, daar ik met geestdrift oprukte en gunstig ten zijnen opzichte gestemd was, voor Emin niet hetzeltde doen als voor Livingstone ? Eenvoudig omdat Emin het mij niet zou beletten. Hij is op de vreemdste manier te werk gegaan, om een scheeve richting te geven aan mijn beschouwingen over hem. Hij bezit eigenschappen, die voor mij meer dan ooit duister zijn.... Zoo ik iets in mij konde ontdekken, wat hem op de een of andere manier hinderlijk was, 'tzij in mijn houding, 't zij in mijn voorkomen, zou ik op dat punt een strenge tuchtiging op mij zeiven toepassen, maar zoolang niemand dit nog heeft ontdekt, moet ik mij tevreden stellen met verstomd te staan van verbazing. Zes en twintig dagen was ik gedurende mijn eerste bezoek bij hem, en mijn dagboek wemelt van aangename opmerkingen en van vroolijken kout aan den oever van het meer en ademt een zalige kalmte. Wij hebben samen druk gecorrespondeerd en elke brief getuigt van wederzijdsch genot.... Hoe dat alles is veranderd, spreekt het best uit het boek zelf, daar het vermeldt, wat er alle dagen voorviel. De waarheid moet gezegd worden, al blijft hij in mijn oog ook thans nog even onbegrijpelijk als destijds in het kamp van Kavalli. Elk zal een eigen oordeel omtrent hem opvatten — de een gaat daarbij met welwillendheid, een ander met hardheid te werk. Het is alleen mijn wensch een medium te zijn, dat indrukken teruggeeft.... Zoo hier, als bij andere gelegenheden, zullen hem zijn ziekelijke gevoeligheid en trots de grootste parten hebben gespeeld. Zijn ongeval te Bagamoyo heeft zeer zeker elke theorie, die ik ooit over hem mocht gehad hebben, omgeworpen. Toen hij naar het hospitaal ging, viel er tusschen ons beiden een schaduw zoo zwaar, dat de aangename verhouding, die ik mij eeuwigdurend had gedacht, geheel

-ocr page 19-

E.MIN l'ACIIA.

ophield. Al onze officieren, zelfs Casati, staan er van versteld en geen onzer kan zich een denkbeeld maken, hoe het zoover is gekomen.quot;

Toch moet niemand onzer vergeten, dat, hoe verschillend individuen of volkeren ook mogen denken over de middelen ter opherting van Afrika uit zijn oorspronkelijke duisternis, onze taak verheven moet zijn boven de twisten van het oogenblik, daar wij naar niets minder streven dan een steen bij te brengen voor de beschaving van een werelddeel, dat, naar mijn oordeel, in de toekomst voor geen ander zal wijken in vatbaarheid voor humaniteit.

De behoefte aan een internationale wet op het kopierecht kwam nimmer duidelijker uit dan ten opzichte van u. Er was twaalfduizend gulden ten uwen behoeve gestort, voor het voorrecht, om deel te mogen nemen aan het ontzet of de opsporing van Emin Pacha ; drie iaren en drie maanden hebt gij van uw leven opgeofferd, om alles te doen wat er werd gevorderd, om een man, die het waard was, buiten gevaar te brengen. Toch kan het verhaal van uwe lotgevallen, waardoor gij misschien een gedeelte zoudt kunnen terugkrijgen van het geld, dat gij in de zaak hebt gestoken, buiten en behalve de kosten van uitgifte, in Amerika niet worden gepubliceerd met eenig voordeel voor u, als gij geen Amerikaansch burger wordt of geen Amerikaansch burger aanneemt, om het met u te schrijven.

Welk een prachtige commentaar op de wetten op het kopierecht! Een Engelsch schrijver kan eenvoudig zijn recht niet krijgen, als hij niet werkt in vereeniging met een Amerikaan; — dus ligt er in het bestaan van de wet, of in de behoefte daaraan, iets, waartegen het gezond verstand en de eerlijkheid van 't algemeen met alle kracht behoort te protesteeren.

Wat nu de drom van bedriegers aangaat, die zonder twijfel om uw boek zullen gonzen, gelijk zij om het mijne aan beide zijden van den Atlantischen Oceaan hebben gegonsd, en navolgingen uitgeven, waartoe zij niet gemachtigd zijn, of lange uittreksels, waartoe zij geen recht hebben, men late hen, met een enkel woord van afkeuring, over aan de onvermijdelijke minachting van het publiek. Elk die uw boek leest, zal volkomen vatten, waarom ik er toe overging u te helpen bij het beschrijven van een gedeelte er van, al is het ook overbodig dit uit te duiden.

V

-ocr page 20-

jephson, emin pacha.

vi

Moge, waarde Jephson, uw geheele loopbaan, als schrijver en als man van de daad, beantwoorden aan het prachtig begin ; uit volle overtuiging roep ik de aandacht in van den lezer voor uw op waarheid gegrond en bescheiden verhaal van moedige en edele daden.

Ontvang intusschen de betuiging mijner oprechte genegenheid.

{getï) Henry M. Stanley.

-ocr page 21-

Voorrede.

edert mijn terugkomst uit Afrika, ben ik door velen aangezocht, om mijne wederwaardigheden bij Emin Pacha, in de Equatoriaal Provincie, te beschrijven over het tijdperk van 22 April 18S8, toen ik voor de eerste keer te M'swa kwam, tot 31 Januari 1889, toen ik Emin's Provincie verliet, om mij weder bij mijn chef, den heer Stanley, te vervoegen.

Mijn vrienden wezen er zoo sterk op, dat buiten mij geen ander deze gaping in het verhaal van de expeditie kon aanvullen, dat ik heb toegegeven en tot schrijven overging.

Er is tegenwoordig genoeg bekend van Emin Pacha, waaruit het algemeen gereedelijk kan afleiden, dat hij niet de man was, dien geheel Europa in hem zag, of liever «geen tweede Gordon », zooals enkele zijner bewonderaars hem betitelden.

Trotsch op zijn gewest en vol vertrouwen op de loyauteit van zijn onderdanen, vroeg hij Stanley een zijner officieren bij hem te laten, om hem behulpzaam te zijn in de uitrusting van zijn volk voor het vertrek naar de kust, wanneer het daartoe genegen was, en een rapport op te stellen over de Provincie.

Stanley wees mij aan en liet mij bij Emin, toen hij zelf naar Yamboeya terugkeerde, om de achterhoede op te halen.

-ocr page 22-

vm

Nog was ik niet lang in de Provincie, ot ik begon dingen waar te nemen, die mij grootelijks verwonderden en die ik slechts betreuren kon. Tucht, zooals ik haar verstond, werd er niet gehandhaafd, want Emin's bevelen werden door zijn volk openlijk besproken en onderzocht.

Toch was het denkbeeld, dat Emin was zooals wij allen hem ons hadden voorgesteld, zoo hecht in mijn' geest geworteld, dat ik eenigen tijd slechts met een vluchtig gevoel van verwondering zekere dingen zag, die ik destijds niet begreep.

Ik wist, dat Emin zijne Provincie gedurende vele jaren behouden en daarmede de bewondering van Europa afgedwongen had. Ik had zijn brieven naar Engeland gelezen, waarin hij het heldhaftig standhouden beschreef van zijn volk, tegen de aanvallen van den Mahdi. Ik had ook zijn beroep gelezen op het Engelsche volk, om getrouw te blijven aan de overleveringen omtrent zijn philanthropic en ik wist, dat de Engelsche natie, als antwoord op dat treffend beroep, als één man was opgestaan.

Tot aanvulling van deze brieven, heeft Dr. Eelkin nog de sympathie van 't algemeen ten gunste van Emin opgewekt, door een rijk gekleurde beschrijving van zijne Provincie, van zijn arbeid en van de bewonderenswaardige wijze, waarop hij iets van zijn eigen geestdrift had weten over te storten in de harten van zijne volgelingen, die hem vergoodden. De beschrijving kwam voor in de «Graphicquot; van Januari 1887, aan den vooravond van het vertrek der expeditie, en werd door iedereen gretig gelezen.

Men kan zich dus gemakkelijk voorstellen, dat ik eenigen tijd niet in staat was, mij te ontdoen van mijn geloof in Emin's wijsheid en bekwaamheden als Gouverneur.

Eerst toen ik getuige was van tal van betreurenswaardige voorbeelden van zijn zwakheid en wankelmoedigheid, begon ik mijn vertrouwen op mijn oordeel te verliezen, ja, nog later, toen ik herhaaldelijk met hem en zijn volk de aangelegenheden van zijn gewest en het terugslaan van de troepen van den Mahdi, vier jaren geleden, had besproken, merkte ik op, dat Emin slechts een gedeelte van zijn verhaal had gedaan, en wel alleen hetgeen zijn volk tot eer strekte.

Nu spreekt het misschien eenigermate van zelf, dat iemand, die zich

-ocr page 23-

EMIN PACHA.

tot taak heett gesteld zijn volk lief te hebben, liever stilstaat bij zijn goede, dan bij zijn slechte eigenschappen. Toch heelt zijn verhaal, zooals het in zijn brieven voorkomt, gestrekt, om Europa volkomen op het dwaalspoor te brengen.

In plaats dat wij dus door Emin's volk met open armen werden ontvangen, gelijk hij zelf ons had doen verwachten, werden wij door dat volk gewantrouwd en spande het van meet af aan samen, om ons te berooven en weg te jagen.

Zelfs na een verblijf van negen maanden in de Provincie, was het niet gemakkelijk te begrijpen, waaraan Emin's volk waarlijk behoefte had en welke denkbeelden het eigenlijk koesterde.

Kon Emin van daag geen woorden vinden, sterk genoeg om de laagheid en de wankelmoedigheid van zijn volk te beschrijven, morgen zou een woord van vertrouwen van mij in datzelfde volk, het sein geven voor ernstig ongenoegen over mijn oordeel. Evenals zijn volk, nam hij den een' dag een besluit, om het den volgenden weder te vernietigen, of om, naar zuiver Oostersch gebruik, een soort van vergelijk te treffen.

Nu is het mogelijk, dat door zijn langdurig verblijf in warme landen en den aanhoudend slechten staat van zijn gezondheid, zijn aangeboren ongeschiktheid om snel te handelen zeer was toegenomen.

Ik heb daarom mijn best gedaan, alles zoo eenvoudig mogelijk te verhalen, en moet aan mijn lezers overlaten, hun eigen gevolgtrekkingen te maken.

Ik wensch Emin volstrekt niet hard te vallen en heb omtrent zijn gebrek aan flinkheid, niets meer gezegd, dan ik volstrekt noodig acht, om mijn verhaal begrijpelijk te maken. Voor mij was hij altijd vriendelijk, edelmoedig, en, tot in kleinigheden, steeds voorkomend en zorgvuldig.

In een alledaagsch man zou zijn zwakheid weinig hebben geschaad, maar hetgeen in een ambteloos burger slechts een kleine afwijking is, wordt in den Gouverneur van een land een grove fout, en moet leiden tot tegenspoed en verderf.

Emin was een bij uitnemendheid wetenschappelijk man en ik weet van hem zelf, dat hij begonnen is met dienst te nemen als arts onder het Egyptische Gouvernement, ten einde in de Equatoriaal Provincie zijn wetenschappelijke onderzoekingen voort te zetten, waarmede hij reeds

IX

-ocr page 24-

jephson, emin pacha.

jaren geleden in het Oosten was begonnen. Door het toeval alleen was hij Moedir geworden. Genoemde onderzoekingen trokken zijn volle belangstelling, en brachten hem er dikwijls toe, de aan zijn rang verbonden verplichtingen uit het oog te verliezen.

Alvorens dit voorbericht te sluiten, maak ik van de gelegenheid gebruik, kortelijk mijn dank te betuigen aan den heer Stanley voor den bijstand, mij zoo bereidwillig verleend, om mijn boek voor den druk geschikt te maken; een bijstand, die in velerlei opzicht voor mij de grootste waarde had.

(get.) A. J. Mounteney Jephson.

LONDEN, Augustus 1890.

x

-ocr page 25-

EMIN PACHA.

HOOFDSTUK I.

ONS VERTREK NAAR EMIN.

Een brief van Emin Pacha. — De Nyanza-vlakte. — De Advance wordt op de Nyanza te water gelaten. — De Zanzibarieten-bemanning. — Hun gezang. — Aankomst te Kanama. — Vriendelijke ontvangst door de inboorlingen. — Waarschuwing van Oeledi. — Taal en gebaren van de inboorlingen. — Treffend gezicht op den oever van het meer. — Dorpen bij het meer. — Onaangename smaak van het water. — Bavianen. — Het opperhoofd Mogo. —Kajalf vertelt van Emin. — Mijn overdenkingen. — Wij bereiken Emin's eerste station. — Ontvangst te M'swa. — Shoekri Aga. — Ik vertel onze lotgevallen. — Onzehavelooze toestand. —Mijn pakkage. — Emin's onbegrijpelijke werkeloosheid. — Nadere tijding van Casati. — De Zan-zibarieten gelukkig ! — Brief van Emin. — Soeleiman Eftendi. —■ Aanplanting iu den omtrek van M'swa. — Kleermaken. — Ontmoeting met Emin. — Iets over ons vertrek. — Emin's vriendelijkheid. — Emin vraagt naar den oorsprong van de expeditie. — Onze brieven in Oeganda opgehouden.

yje lezers van gt;In Afrika's donkere wildernissen »en van Stan-•S!ley's brieven aan het Comité tot ontzet van Emin Pacha, opge-'nomen in de Engelsche dagbladen, zullen zich herinneren,

dat wij, in het midden van December 1887, toen wij voor de eerste maal bij de Albert Nyanza kwamen, alras genoodzaakt waren op onze schreden terug te keeren en weder naar het woud te marcheeren. Zij zullen zich ook herinneren, dat onze onverwachte terugkeer van het meer een gevolg was van het feit, dat Emin — hoewel hij bericht had ontvangen, dat er

-ocr page 26-

JEl'MSON,

een expeditie onderweg was, om hem te ontzetten, die zich begeven zou naar het zuidwestelijk uiteinde van het meer — geen stappen had gedaan, om zich in betrekking te stellen met de inboorlingen of hen te waarschuwen, dat zij onze verschijning in hun nabuurschap hadden te wachten. Dientengevolge konden wij niets van hem gewaar worden, terwijl er ook geen enkele gelegenheid was, om hem berichten te bezorgen. De inboorlingen hadde.i geen kano's, groot genoeg om er het meer mede te bevaren, en de stalen boot Advance, waarmede wij eerst van plan waren geweest naar Wadelai te gaan, hadden wij, diep in het woud, moeten achterlaten op den Itoeri bij Ipoto, toen onze manschappen, door ziekte ter neer gedrukt en verzwakt, doordien zij maanden lang honger hadden geleden, ten eenenmale buiten staat waren haar te dragen.

Den 8sten Januari 1888 kozen wij bij Ibwiri een plek uit, om er halt te houden, ongeveer 209 K. M. ten westen van het Albert meer en begonnen wij aan den bouw van Fort Bodo, om er, in afwachting van de

achterhoede en van het uitkomen der herstellenden, onze overbodige o-oe-

ö amp;

deren en zwakke lieden in te kunnen huisvesten. Inmiddels was luitenant Stairs met honderd man gezonden naar den Itoeri, 144 K M. naar het westen, om de boot op te halen. Toen dit gebeurd en het Fort afgebouwd was, en de velden ten behoeve van het garnizoen be plant en bezaaid waren, tukten wij den 2lt;len April op naar de Albert Nyanza, om opnieuw te beproeven Emin Pacha te vinden ; maar deze keer hadden wij de stalen boot Advance bij het zoeken tot onzen dienst.

Den i8llcquot; April was de voorhoede van de expeditie tot ontzet van Emin Pacha voor de tweede maal in den omtrek van het Albert meer aangekomen en had zij haar kamp opgeslagen bij het dorp van een opperhoofd, Kavalli geheeten, — een prachtexemplaar van den herders-stam der Wahoema's. Spoedig na onze komst vertoonde het opperhoofd een brief, gericht aan den heer H. M. Stanley, bevelhebber van de expeditie tot ontzet. Hij bleek de eerste tijding te bevatten van Emin Pacha, Gouverneur van Equatoria, den man om wiens redding wij zulk een' afstand hadden afgelegd. De brief was gedateerd Toengoeroe den 2581011 ]viaart 1888, een plaats, gelijk men zeide, aan het noordelijk uiteinde van het Albert meer gelegen.

2

-ocr page 27-

E.MIN TACHA.

Een paar dagen later gaf Stanley mij bevel de stalen boot in het meer te laten en, met een uitgelezen troep, Emin te gaan mededeelen, dat wij waren aangekomen en de eerste stappen tot ontzet hadden gedaan. De geneesheer Parke, onze brave dokter en een aantal anderen werden uitgekozen, om ons naar beneden te vergezellen naar den oever van het meer. Toen wij aldaar met de boot in de beste orde waren aangekomen, begon ik onmiddellijk de afdeelingen aan elkaar te schroeven.

Het had veel moeite gekost, om de boot den steilen berg af naar beneden te krijgen op de vlakte, aan wier andere zijde he»- meer was gelegen. Toch waren de manschappen in goeden toestand, werkten zij met lusten waren wij, na een marsch van 17 '/2 K. M., in staat tijd 'g. bij een groot dorp, ons kamp op te slaan. De inboorlingen waren zeer vriendelijk en brachten ons geiten en graan ten geschenke. Deze groote vlakte, gelegen aan den zuidwestelijken oever van het meer, omringd door een amphitheater van hooggerugde bergen, is zeer schoon. Zij gelijkt op een grootsch park, schilderachtig gesierd door kreupelhout en prachtige boomen. Op het korte, geurige gras kon men kudden antilopen en buftels vreedzaam zien weiden. Zij was voor den jager een volmaakt paradijs. Na den 2islen April den oever van het meer te hebben bereikt, begonnen wij onmiddellijk de boot in elkander te zetten.

Parke en ik moesten hier scheiden, hij, om met de overige lieden terug te keeren naar het dorp van Kavalli, ik, om met de bemanning van mijn boot Emin te gaan zoeken.

Mijn troep, vijftien man sterk, bestond uit enkelen van de besten bij de expeditie, daar Stanley mij had vergund mijn eigen bootsvolk uit te kiezen. Ik had diegenen gekozen, welke nu en dan de boot op den Kongo en den Aroewimi hadden geroeid, allen beproelde lieden en volkomen tehuis in het vaartuig. De trouwe Oeledi was stuurman en Moerabo en Soedi, die beiden Stanley op vroegere expedities hadden vergezeld, hanteerden de roeiriemen. De overigen waren flinke, handige menschen en allen nog jong. Het is in Afrika van het hoogste belang voor eene bijzondere opdracht, welke dan ook, jonge menschen te kiezen, daar de neger, zoodra hij den vijfentwintigjarigen leeftijd heeft bereikt, geregeld de macht verliest van snel en vaardig te handelen, 'twelk juist bij den Europeaan niet het geval is. Ik'had tijdig de boot in elkander

3

-ocr page 28-

JEl'MSON, E.MIN 1'ACIIA.

gekregen, en, toen wij ons proviand voor vijf dagen aan boord hadden, was het één uur. Op mijn bevel om van wal te steken, sprongen de vijf en veertig mannen, die met Parke naar het kamp van Stanley moesten terugkeeren, in het water, en stuwden ons, onder luide vreugdekreten, een groot eind het meer in. Parke zwaaide zijn hoed boven het hoofd, terwijl hij en zijne lieden ons een goeden uitslag toewenschten en ons hun driemaal herhaald hoezee toeriepen, dat wij uit de boot beantwoordden. gt;Nu jongens!quot; zeide ik, terwijl ik mij tot de bemanning wendde, sro' iJ' zooals gij vroeger nog nooit hebt geroeid, en Inshallah ! wij zullen den i Jidia binnen twee of drie dagen zien, na reeds zoo lang gezwoegd te hebben om hem te bereiken.quot; Zij antwoordden juichend ; »Inshallah meester !quot; en terwijl zij hun ruggen over de riemen kromden, spoedde de boot, de golven dartel klievend, zich verder. Moerabo hief een van die oude, geenzins onwelluidende liederen aan, welke Zan zibarsche schepelingen gewoon zijn onder het roeien te zingen, en, waarbij zij met hun riemen de maat houden. Hij bezong het woud en de bezwaren, die wij hadden doorworsteld, den lof van ons groot opperhoofd Boela Matari, de afstanden, die wij hadden afgelegd, om den Pacha ter hulp te snellen, en dat wij thans zoo dicht bij hem en aan het einde van onze moeielijkheden waren gekomen. De troep viel in met een koor, waarin de namen van Boela Matari en den Pacha voorkwamen.

Een frissche bries rimpelde de oppervlakte van het meer in kleine golfjes, de zon scheen helder, in het westen lag de prachtige op een park gelijkende vlakte, die wij dien morgen waren doorgetrokken ; in het oosten verhieven zich in de verte de fiere bergen van Oenyoro schier loodrecht uit het meer. Alles scheen frisch en helder en prachtvol, de omstandigheden werkten geestverheffend ; ook de bemanning-scheen zulks te gevoelen, en, terwijl zij met alle kracht de riemen hanteerde, joeg zij de boot dansend door het water.

Wij voeren voorbij het eiland Nyamsassi, waar de inboorlingen ons schuchter van achter de bosschages begluurden ; wij snelden door een nauw kanaal tusschen het vasteland en het eiland en kwamen binnen een groote baai, die van het eene uiteinde tot het andere 12 a 13 K. M. breed was. Hier waren groote scharen rivierpaarden aan het polte-

-ocr page 29-
-ocr page 30-

.....

, .. .. , — .....

-ocr page 31-

7

ren en plassen ; wij moesten het meer in sturen om hen te ontwijken, daar zij voorbij komende kano's of booten dikwijls aanvallen en vernielen.

Ongeveer 19 K. M verder eindigde de vlakte en liepen de bergen, scherp naar het oosten achteruit wijkend, eensklaps als een groot voorgebergte uit in het meer. Toen wij in de verte aan den voet van dat gebergte de blauwe rook van een groot dorp konden zien opstijgen, wees ik daarop mijne lieden als de plek, waar ik voornemens was dien nacht te kampeeren.

Emin had aan Stanley geschreven uit een plaats, die Toengoeroe heette, maar Katto, een van de broeders van Kavalli, die bij mij in de boot was en mij als tolk bij de inboorlingen langs den oever van het meer moest dienen, zeide, dat er een ander Egyptisch station, M'swa geheeten, iets nader bij ons lag en dat wij drie en een halven a vier dagen noodig zouden hebben, om het met de boot te bereiken.

Toen wij dichter bij de bergen waren gekomen, konden wij zien, dat het dorp vrij groot en door banaanboschjes omringd was. Eenige kano's lagen aan den oever opgehaald en een aantal vischnetten hingen te drogen ; de bevolking leefde klaarblijkelijk van de visscherij. Wij konden zien, dat de inboorlingen zich in het gras en achter de hutten hadden verborgen en telkens zich uitstrekten, om ons te bekijken. Katto ging in den boeg van de boot overeind staan en riep, terwijl hij teekenen van vriendschap gaf, op minzamen toon de inboorlingen toe, dat wij volk waren van Boela Matari, het groote blanke opperhoofd (Inkama), dat pas bij het meer was aangekomen en een bezoek ging brengen aan zijn broeder Mlidjoe (Emin Pacha) aan het noordelijke uiteinde van dat meer. Wij verhaalden hun, dat de zoon van Boela Matari in de boot was en in hun dorp den nacht wenschte door te brengen. Na eenige minuten met elkander overleg te hebben gepleegd, gedurende welken tijd Katto een onafgebroken vuur van vriendschappelijke begroetingen onderhield, kwamen de inboorlingen in dichten drom naar beneden aan den waterzoom en zeiden, dat zij zeer gaarne vriendschap wilden sluiten met den zoon van Boela Matari, hem wilden vergunnen in hun dorp te slapen, en zijn volk voedsel zouden verschaffen.

Na nog eenigen tijd verder te hebben gepraat, brachten wij de boot omstreeks half zes aan wal.

-ocr page 32-

JEPHSON,

Toen ik aan land gestapt en voorgesteld was aan het opperhoofd, dat mij mededeelde Vajoe te heeten, en dat Kanama de naam was van zijn dorp, vroeg hij, hoe ik heette, en zeide ik, dat mijn naam Boe-barika en ik een zoon was van Boela Matari. Vajoe was een oud man met ongunstig uiterlijk en een sterk door pokken geschonden gelaat; hij had slechts één oog, maar Yankoemboe, zijn zoon, ongeveer vijf-en twintig jaar oud, had een hoogst gunstig voorkomen en zeer aangename manieren, zoodat men instinctmatig gevoelde hem te kunnen vertrouwen. Ik gat vervolgens bevel de boot op te trekken, daar het meer onstuimig werd en tamelijk hooge golven op het strand rolden. Op het hooren van mijn bevel zeide Oeledi tot mij : ^ Meester, denk aan Boembireh en het vertelsel van den Bwana Mkoebwa ; laat de boot niet te ver ophalen.quot; Wij waren evenwel verplicht haar geheel uit het water te trekken, zou zij niet door de golven worden verbrijzeld, maar ik liet haar zoodanig stellen, dat wij, op het eerste sein, haar oogenblikkelijk weer te water konden laten.

Ik gaf de lieden last de vuren van het kamp op den oever te ontsteken, en zich allen, hun geweren naast zich, rondom de boot ter ruste te leggen. Ik zou, met de boot in het gezicht, slapen in het voorgedeelte van de hut van Yankoemboe, die mij bij zijn vrouw en zijn kind bracht, waarvan hij zeer veel scheen te houden.

Vajoe en eenige zijner opperhoofden brachten mij een weinig visch, gingen om mij heen zitten, terwijl ik mijn maaltijd nam, en keken met de grootste belangstelling, hoe ik mes en vork gebruikte.

\\ ij hielden een lang gesprek, waarin hij mij mededeelde, hoe hij vier maanden geleden had gehoord van de aankomst van Boela Matari bij het meer, en van het groot aantal geweren, dat wij bij ons hadden. Hij vertelde mij vernomen te hebben, dat bij onzen tweeden terugkeer naar het meer, al de stammen, behalve de Waregga's, een slecht volk, vriendschap met ons hadden gesloten en dat hij ook behoefte had vrienden te zijn met Boela Matari. Toen ik hem vroeg, of hij Mlidjoe (Emin) kende, zeide hij, dat Mlidjoe, die twee maanden geleden met zijn groote stoomboot het meer was afgekomen, in zijn dorp een paar uren aangelegd en hem een grooten geelkoperen beugel, dien hij mij zien liet, ten geschenke gegeven had.

8

-ocr page 33-

EMIN PACHA.

Ik zat laat op, terwijl ik mij met de inboorlingen onderhield, die groote vrienden schenen te zijn geworden van mijn Zanzibarieten ; zij lachten en praatten met elkander den halven nacht.

De Zanzibarieten trekken met karavanen door zoo velerlei landen, dat de meesten hunner de dialekten van een groot aantal stammen van Oostelijk Centraal Afrika voldoende verstaan ; zij vullen de weinige woorden, die zij kennen, met een groot aantal gebaren vol uitdrukking aan, zoodat zij volkomen in staat zijn zich door de inboorlingen te doen begrijpen.

Ik stond om halt vijt op en ontbeet met gedroogde visch en brij van maïsmeel. Toen ik om kwartier na vijf bevel gaf om de boot van stapel te doen loopen, kwamen de inboorlingen in grooten getale naar beneden, om ons te helpen haar te water te laten. Zij brachten mij ten geschenke eenige kuikens, bananen en verscheidene kruiken pombê ot inlandsch bier, gebrouwen uit een soort van mout, verkregen uit M'tama koren. Toen zij ons verlieten, betuigden zij herhaaldelijk hun vriendschappelijke gevoelens voor ons en gaven de hoop te kennen, dat ik mijn blanken broeder in welstand zou ontmoeten. Wij waren op nieuw getroffen door de kinderlijke eenvoudigheid, goedhartigheid en gastvrijheid van deze negers, die ons nooit hadden gezien en hoegenaamd niets te winnen hadden bij onze vriendschap.

Wij trokken nu door het prachtvolste landschap. Nu en dan verhieven de bergen zich tot eene hoogte van ruim 900 M. boven het meer. Groote rotsen drongen gelijk uitgestrekte vestingwerken het meer binnen, dat, met een geraas als van den donder, tegen zijn reusachtige wallen klotste en een massa schuim omhoog wierp. Sierlijke boomen groeiden in alle spleten en uithollingen van de rotsen, terwijl de hellingen vol stonden met boomen, waarop een overvloed van bavianen '), chimpanzee's, 1) en colobus-apen 2) verkeerde. De laatstge-

9

1

De Chimpanzee, Simia troglodytes Blum, komt uitsluitend voor in westelijk tropisch Afrika, aan den Kongo en in Angola. Vertaler.

2

Het geslacht Colobus behoort tot de familie der Semnopithecini (Slankapen), en bezit een kenmerkend onderscheid in het gemis van den duim aan de voorhanden. Om zijn kleurenpracht en om zijn krans, die een soort van diadeem vormt, noemen- de negers in Guinea eu Sierra Leona den Colobus den «Koning der Apen.quot; Vertaler

-ocr page 34-

JEPHSON,

noemden zijn zwart met een kraag van lang wit haar en zien er bijzonder bevallig uit, als zij de rotsen beklimmen of van den eenen boom op den anderen springen.

Hier en daar zit een op visch beluste arend op de over het water hangende hoornen en laat van tijd tot tijd zijn droeve tonen hoo-ren. Schitterende ijsvogels, 1) rood, wit en blauw, vliegen rond in den zonneschijn en doen zich voor als groote vlinders. Heel de met bosch begroeide oever is vol leven en beweging en men zou wanen in een paradijs te zijn, als men zijn oogen onbestemd liet weiden over het liefelijke landschap, waar wij langs gleden bij het ondergaan der zon.

Van tijd tot tijd zagen wij heldere en koele watervallen uit de bosch-jes te voorschijn komen en zich meer dan honderd meters naar beneden storten in het meer. De meeste grootere watervallen hadden vlakke delta's land gevormd, dikwijls grooter dan 2 H. A. Deze strekten zich uit in het meer en waren bedekt met kort gras en kleine struikjes mimosa. 2) Op al deze kleine vlakten hadden de inboorlingen hunne dorpen gebouwd ; zij vonden hun hoofdbestaan in de vischvangst of het bereiden van zout. Deze kleine nederzettingen waren zeer bevallig en zagen er vreedzaam uit; elke daarvan had hare eigene kudde geiten, die op de stille vlakten graasden, en werd omringd door haar eigen bosch van helder groene pisang-boomen. Sommige inboorlingen lagen bij hun geiten en hoenders rustig op den grond en rookten een pijp, terwijl anderen hun slanke eenpersoons kano's roeiden en bezig waren hunne vischnetten uit te zetten. Men zag op den oever van het meer vrouwen onder gelach en gesnap de visch schoon maken en drogen in de zon. Alles zag er stemmig en rustig uit, het volk scheen gelukkig en tevreden ; het was in waarheid een arcadia, waarin men zijn leven zalig zou hebben kunnen verdroomen.

i)])e familie der Halcyonidae ol' ijsvogels, behoorende tot de spleetsnavelige zangvogels, komt voor in Midden- cn Zuid-Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika. Verwante soorten vertoonen zich in Zuid-Afrika. — IJe Afrikaansche ijsvogel, Isfida Major Africana Edw. wordt door Brisson de Madagas-carsche genoemd, is van boven donkergroen en van onder blauwachtig groen, terwijl de keel wit, de boist met een witte dwarsstreep versierd is en de pooten rood zijn. Vertaler.

2) Plantengeslacht dat bij aanraking de blaadjes laat hangen. Daartoe behoort het Kruidje roer-mij-niet. Vertaler.

-ocr page 35-

EM IN 1'ACUA.

Zoo vaak als wij bij een dergelijke nederzetting kwamen, liet ik Katto aan land gaan en liep hij vooruit, om de inboorlingen te zeggen, dat wij vrienden waren en alleen het meer langs voeren, om een bezoek te brengen aan Mlidjoe. De inboorlingen bleven daardoor bij hun dorpen en begroetten ons vriendschappelijk als wij voorbij kwamen, maar waren zeer verbaasd, dat op onze ijzeren boot de Egyptische vlag van den achtersteven woei.

De zon brandde op het water en het zitten in de boot was haast ondragelijk, daar elke stalen plaat gloeiend heet was. Ik had ongelukkig niets op het hoofd dan een hoed van hertevel. Ikvulde mijn drinkflesch herhaaldelijk uit de koele watervallen, want, hoewel het water van het meer helder is als kristal, is het lauw en heeft het een onaangenamen, zoeten sodasmaak en schijnt een dronk er van niemand te verkwikken of te voldoen. De lieden verklaarden het voor zout en wilden het niet gebruiken ; zij dronken steeds uit de watervallen, wier water koud, helder, frisch en heerlijk was.

Wij kwamen tal van groote bavianen voorbij, die op den oever zaten of onverschillig heen en weer liepen, en hun staarten, die een schitterend hemelsblauwe kleur hadden, als een haak in de lucht ombogen. De wijze waarop zij hun staart dragen, geeft hun een hoogst grappig voorkomen. Zij sloegen niet het minste acht op ons, maar zaten precies tegen ons te knipoogen alsot wij een alledaagsche verschijning waren. De inboorlingen hebben, naar men mij zeide, groote vrees voor hen.

Wij hadden allen groote pret van een kleinigheid. Kibyia namelijk, een van mijne lieden, wandelde langs den oever, terwijl hij gelijken tred hield met de boot, toen onverwachts een groote baviaan van achter een rots te voorschijn sloop en hem op een afstand van 4 a 5 meter aanstaarde. Hij bleef onmiddellijk staan en riep uit: »Halloo, hoe heet gij ?quot;, waarop de baviaan zijn hoofd liet hangen en hem aankeek als wilde hij hem dezelfde vraag doen. Na elkander eenige seconden te hebben aangestaard, besloten zij geen nadere kennis te maken, keerden elkaar den rug toe en einden ieder huns weelt;rs.

00 o

Ik schoot een bijzonder groot exemplaar, 't welk op een afstand van omstreeks 75 M. op een rots zat; het dier had een prachtige huid, en ik zou het gaarne tot mij genomen hebben; maar, daar het meer on-

-ocr page 36-

JEPHSON,

stuimig en de oever rotsachtig was, durfde ik niet te landen, want bij de minste aanraking met een rots valt er een gat in den bodem van stalen booten, zoo dun als de onze.

In een dorp, 't welk aan het opperhoofd Boganza behoorde, troffen wij Mogo aan. Deze was een van Emin's hoofden van den stam Loer en had zijn brief aan Stanley overgebracht aan Nampigwa op'teiland Nyamsassie,

die hem had overgeleverd aan Kavalli, welke hem, vijf dagen geleden, bij onze aankomst in zijn dorp, aan Stanley ter hand stelde. Hij was op zijn terugreis naar Emin, zoodat wij hem bij ons in de boot namen, 't Was een vreemdsoortig en haveloos wezen met een goedaardig uiterlijk, groote ooren, dikke lippen en platten neus. Hij had een vuurrooden zakdoek om het hoofd, een zware keten van opaalkleurige koralen om den hals en een verbazend groote geelkoperen band om den pols, welke sieraden, zooals hij mij mededeelde, geschenken waren van Emin aan hem. Een gordel van zware ijzere schalmen, een inheemsch produkt, hield zijn vuile, gescheurde plunje van geitenvellen bijeen, terwijl zijn lang verward haar fantastisch opgebonden en met olie gedrenkt was. Een boog, een manden pijlkoker, een pijp en een kromme wandelstaf, allen groot van stuk, voltooiden zijne uitmonstering. Hij was bij uitnemendheid, gt; een voorwerp van lappen en lompen.quot; Hij had bij zich onderscheiden pakken zout en tabak en tal van groote kruiken pombé^ die mijn lieden spoedig voor hem verorberden.

Wij sloegen dien avond om hall zes ons kamp op te Magoenga, een dorp zooals ik reeds heb beschreven ; van daar konden wij op een

-ocr page 37-

EMIN PACHA.

afstand van bijna drie uren het station van Emin zien, terwijl uit de velden daaromheen, waarop de inboorlingen onkruid verbrandden, de rook in wolken opsteeg.

Kajalf, de zoon van het opperhoofd, kwam naar beneden, om ons op den oever te begroeten ; hij was een jongmensch, dat er bijzonder gunstig uitzag, en werd gevolgd door verscheidene inboorlingen, die mij groote trossen bananen en bundels gedroogde visch ten geschenke brachten ; ook had hij twee geiten bij zich, die ik aan mijn Zanzibarieten overdeed. Hij verlangde dat ik naar boven zou komen, om in zijn dorp te slapen, maar ik gaf de voorkeur aan een kamp in de open lucht, om bij de boot te zijn; bovendien waren de hutten vreeselijk stoffig en krioelden zij van insekten. Van hem vernam ik, dat hij zeer bevriend was met Emin en dikwijls uitstapjes maakte naar het station, dat, zooals hij mij zeide, den naam droeg van M'swa. Emin, zeide hij, had hem dikwijls beschermd tegen Melindwa, een machtig opperhoofd, wiens land aan het zijne paalde, en hij geloofde, dat Emin zelf tegenwoordig te M'swa was. Aan den eenen kant van het dorp lag een groote zandige vlakte, waarin het water liep, dat in het gebergte een waterval had gevormd en zijn weg vond naar het meer, in een stroom, breed genoeg om een watermolen in beweging te brengen. Ter zijde van dezen stroom kampeerden wij, doodden de Zanzibarieten de beide geiten en maakten zich gereed voor een groot feestmaal.

Na het eten had ik mijn stoel naar beneden laten dragen op den oever, waar een smalle landtong in het meer uitliep. Daar was ik gezeten, terwijl de golven den oever lekten en de Nyanza in het helle maanlicht als een zilveren vloerkleed aan mijn voeten lag. Daar zat ik mijn pijp te rooken, terwijl een koele bries van den kant der Nyanza om mij heen speelde en de stemmen en het gelach van mijn lieden flauwtjes over het water mijn oor bereikten. Wat zou de dag van morgen mij brengen ? Hier bevond ik mij in het gezicht van den eindpaal, om wien te bereiken wij de laatste vijftien maanden hadden geworsteld en gestreden. Morgen zou ik naar alle waarschijnlijkheid den man zien, over wien heel de beschaafde wereld sprak en aan wien ik, de nederige boodschapper van onzen grooten aanvoerder, tijdingen tot aanmoediging en eindelijk ontzet had te brengen. Maar de gevoelens van triomf, die ons voor

13

-ocr page 38-

14

den geest kwamen, veranderden in droefenis bij de gedachte aan de beproevingen, die onze lieden hadden ondervonden en den bitteren dood van zoo menig wakker man.

Wij vertrokken ten halt zeven met de Egyptische vlag in top, terwijl ik een geïmproviseerd zeil maakte van een mijner wollen dekens, omdat er een flinke bries woei. Daar de bemanning roeide als razenden, vlogen wij voor den wind vooruit en bereikten M'swa even voor negen. Er stond op den oever een eerewacht opgesteld om mij te ontvangen ; een krachtig geweervuur werd ter verwelkoming geopend, waarop ik met vliegende vaandels, onder het blazen van 't Egyptische volkslied door de trompetters, naar boven werd geleid naar het station, gelegen op den top van een lagen, vlakken heuvel, ruim 1U K. M. van het meer.

Hier vernam ik tot mijne groote teleurstelling, dat Emin te Toengoe-roe was, een afstand van een dagmarsch. Ik had tot daar in de boot verder willen gaan, maar Shoekri Aga, de commandant van het station, vertelde mij den vorigen avond van de inboorlingen te hebben gehoord, dat een blanke op het meer in een boot onderweg was en dat hij vroeg in den morgen boden had uitgezonden, om Emin het nieuws te vertellen. Hij zeide, dat Emin dadelijk in zijn stoomboot zou afkomen en om den middag van den volgenden dag hier zoude zijn, zoodat ik het best oordeelde te blijven waar ik was, daar ik hem onderweg zou kunnen missen, indien ik in de boot verder ging.

Het station was geheel van bamboes en gras gebouwd en buitengewoon properen zindelijk, terwijl al de hutten luchtig en koel waren. Het hoofd van het station, Shoekri Aga, droeg als opperkleed een lange blauwe uniform met verbazend groote gouden epauletten van de zeemacht, kers-roode broek, Fransche laarzen met hooge hakken, een groot zwaard en een fez. De soldaten dragen een soort van losse uniform van katoenen stof in de provincie vervaardigd, veel overeenkomst hebbende met die, welke in 't noorden van Soedan wordt gemaakt, gordels voor patronen van luipaar-denvel of half-gelooid leder, witte gebreide kousen en in het land vervaardigde pantoffels, terwijl bijna allen met Remingtons waren gewapend.

De geheele bevolking kwam als één man uit, om mij te verwelkomen

-ocr page 39-

EMIN PACHA.

en de hand te kussen — een vreeselijke gewoonte, waarvan ik veel te verduren heb gehad tijdens mijn verblijf in de provincie van den Pacha.

Ik werd een groote barazan of ontvangkamer met wanden van bamboes binnen geleid. Daar stond een rustbank met een Turksch tapijt er onder en kussens er op, om met het hoofd tegen te leunen, terwijl er stoelen dicht bij waren geplaatst voorde officieren en de voornaamste lieden van het station, en de rest van de bevolking op den achtergrond stond of zich verdrong in de deurposten. Mijn Zanzibarieten, die duchtig werden omhelsd door de geheele bevolking en ingehaald als bevrijders en broeders, kregen een mat en gingen achter mij zitten.

Voor mij werd een flesch sneeuwwitte geronnen melk binnen gebracht, terwijl groote kruiken M'tama bier aan mijn volk werden gegeven. Wij voerden toen een lang gesprek, want het volk moest alles omtrent ons weten, en terwijl ik, zoo eenvoudig als mij mogelijk was, het verhaal zat te doen van onze tochten in het woud, werden van alle kanten luide uitroepen van verbazing en medelijden gehoord en geraakten allen in de grootste opgewondenheid. Zij vertelden mij dat Emin wel was en niet in moeielijkheden verkeerde, dat hij ons reeds langen tijd verwacht en dit station gebouwd had, toen hij hoorde dat hij ons verwachten mocht aan het zuidwestelijk uiteinde van het meer, ten einde dicht bij ons een station te hebben.

Ik schreet toen met potlood in der haast een briefje en zond het af met twee bevriende inboorlingen, die beloofden dadelijk met een kano te zullen vertrekken en het aan Emin te overhandigen.

De lieden zagen er allen zeer levendig en proper uit in hunne kleeding van sneeuwwit of bruin katoen, een groote tegenstelling met ons, de afdeeling tot ontzet, die in lompen en morsig waren aangekomen en 't voorkomen hadden van veel grooter behoefte aan ontzet te hebben dan zij. Mijn Zanzibarieten hadden alleen stukken van huiden en overblijfsels van inlandsche schors tot bedekking en dat wel in zulke kleine hoeveelheden, dat zij nauwelijks welvoegelijk waren.

Ik was gekleed in een versleten en vuil pak, dat ik zelf had gemaakt van een oud flanellen hemd — het eenigfe dat ik bezat — ter-wijl mijn voeten staken in een paar schoenen, ook door mij zelf ver-

15

-ocr page 40-

JEl'llSOX ,

vaardige! uit het ongelooide vel van een zwartbonte koe met het haar er op.

Toen ik gezegd had wat ik verlangde, werd ik verwezen naar een groote hut van bamboes, ongeveer 81 M. in het veirkant en heerlijk luchtig en koel.

Men bracht mij een kolossale omelet, een stuk heerlijk brood en een kom melk voor middagmaal.

Hoe heerlijk was het hier te zitten en dit goede voedsel te nuttigen, na zoo langen tijd van een passend maal verstoken te zijn geweest ! Ik at een massa brood en dronk de melk in groote teugen ; ja, het speet mij bijna niet meer te kunnen eten.

Terwijl ik gedurende de laatste drie of vier nachten niet veel had geslapen, tengevolge der bekommernis, die mijn deel was geweest, lag ik neder op een bed en sliep vier uur.

Ik werd gewekt door een bediende, die een groote ronde ijzeren badkuip binnenbracht, gevuld met water, een spons, een rond stuk zeep, gekocht van Kmin's lieden in de Provincie, en een Egyptische loo/a. Ik had het bad niet gevraagd, maar men had klaarblijkelijk opgemerkt hoe vuil ik was, en, naar ik onderstel, gedacht dat het mij welkom zou wezen.

Men kan zich voorstellen, hoe aangenaam het was zich goed te kunnen reinigen, na vijf maanden zonder zeep te zijn geweest; nu gevoelde ik mij, voor het eerst, sedert ik Yamboeya verliet, werkelijk rein.

Met hoeveel weerzin en alkeer trekt men zijn vuile oude kleeren niet weder aan ! zij waren zoo vaak versteld en gewasschen en gedragen, dat zij geheel kaal waren geworden.

Hen bediende, gekleed in helder wit katoen, bracht mijn pakkage binnen en plaatste die onderdanig op een stoel. Zij bestond uit een oud tentzeil, waarin zich eenige laarzen, die ik zelf had gemaakt, mijn dagboek, een paar kousen, met vrij wat gaten, en twee wollen dekens bevonden ; voorts een oude mand, waarin een geitebout, gewikkeld in groene bladeren, een ketel, twee borden, een mes en vork en eenige kookpotten, die er vrij zwart en onooglijk uitzagen. Toen mijne naar het uiterlijk vrij vuile aardsche goederen door dezen zindelijk gekleeden man werden binnengebracht, gevoelde ik dat ik zichtbaar bloosde.

-ocr page 41-

E.MIN PACHA.

Toen mij des avonds een groote deputatie uit de bevolking, in mijn verblijf, een bezoek kwam brengen, werden buiten matten op den grondgelegd, en gingen allen op de hurken zitten praten. Shoe-kri Aga vertelde mij, dat Emin, vijf maanden geleden, een brief had ontvangen van den heer Holmwood. den tegenwoordigen consul-generaal in Zanzibar, waarin hij hem mededeelde, dat Stanley komen zou om hem te ontzetten en dat hij hem tegen het einde van September aan het zuidwestelijk uiteinde van het meer te wachten had, daar Stanley een weg ging openen via den Kongo. Sinds dien tijd was hij zeer be-zorgd geweest, dat wij niet zouden komen. Een der lieden zeide gt;de Pacha zal van nacht niet best slapen, als hij hoort dat gij hier zijt.quot;

Indien Emin had geweten, dat wij reeds zoo lang geleden hadden kunnen aankomen, en dat wij vermoedelijk aan het zuidwestelijk uiteinde van het meer zouden naderen, kan ik niet begrijpen, waarom hij geen maatregelen nam, om ons den weg te banen. Het zou voor hem zoo gemakkelijk zijn geweest, om met een zijner stoombooten naar het zuidelijk uiteinde van het meer af te komen en vriendschap te sluiten met de inboorlingen, hun te vertellen dat wij op komende wegen waren en een brief voor Stanley achter te laten in handen van een ot ander bevriend opperhoofd, om hem mededeeling te doen van zijn toestand en hoe wij hem het best zouden kunnen bereiken. Ook had hij de inboorlingen kunnen opdragen, Stanley te zeggen, dat hij moest blijven waar hij bij zijn aankomst was en het opperhoofd bewegen eenigen zij ner lieden met het bericht naar M'swa te zenden.

Dit zou ons meer dan vier maanden van harden arbeid en teleurstellingen hebben bespaard, want wij hadden al de ammunitie, die wij-voor hem bij ons hadden, door het woud moeten terug dragen en bergen in een fort, dat wij genoodzaakt waren geweest te bouwen.

Nelson en Parke zouden naar zijn Provincie hebben kunnen gaan en dat aanhoudend heen en weer trekken met onze afgematte en verzwakte lieden zou vermeden zijn, om niet te spreken van de menschen-levens, die wij op deze tochten verloren.

Naar alle verwachting zouden de moord op den armen Barttelot en de droeve dood van Jameson voorkomen zijn, als Emin zijn gezond verstand had gebruikt.

17

-ocr page 42-

JEPHSON,

Het was haast niet denkbaar, dat hij niet eenige stappen deed om ons te hulp te komen, nadat hij van de inboorlingen had gehoord, dat wij werkelijk bij het meer waren gekomen en teruggekeerd. Bovendien was het Stanley's bedoeling geweest, toen wij voor de eerste keer bij het meer kwamen, om, als hij een boot had kunnen krijgen, mij het meer over te zenden naar Kibero, om kapitein Casati, die daar vertoel-de, te vragen mij naar Wadelai te vergezellen. Was dit gebeurd, de bemanning van de kano en ik zouden waarschijnlijk in handen van Kabba Rega zijn gevallen, en dat alles, omdat wij elk woord van waarschuwing' van Emin misten.

Shoekri Aga verhaalde mij vele wreedheden door Kabba Rega, koning van Oenyoro, bedreven en hoe hij kapitein Casati had velbannen.

Het schijnt, dat kapitein Casati het tegenover Kabba Rega niet goed aanlegde en de Arabieren ongetwijfeld hielpen, om de breuk tus-schen deze beiden te vergrooten, tot het tot een beleediging kwam, die Casati het leven had kunnen kosten. Op zekeren morgen kwamen lieden van Kabba Rega Casati's huis binnen, grepen hem en bonden hem aan een boom. Na zijn huis geheel te hebben geplunderd, maakten zij hem los en zonden hem bijna naakt heen. De inboorlingen kregen bevel hem geen voedsel te geven en zich in niets, wat dan ook, met hem te bemoeien. Toen dit bericht Emin door een inboorling was overgebracht, ging hij onmiddellijk met zijn stoomboot het meer over naar den kant van Oenyoro, Bij het kruisen langs den oever, had hij met een wit kleed aan het eind van een stok als een signaal zien wuiven en ging hij in de boot van zijn stoomboot, om te vernemen wat dit beduidde. Hier vond hij Casati, die zich gedurende drie dagen in het gras schuil had gehouden, met nauwelijks een korstje brood om van te leven. Hij bevond zich in hoogst beklagenswaardiger! toestand en had alleen een hemd en een gescheurde broek aan. Men vertelde mij, dat Casati nu met Emin in Toengoeroe was.

Den volgenden morgen kwamen mij na het ontbijt eenige lieden een bezoek brengen, terwijl ook een groot aantal hoofden van de inboor lingen uit den omtrek binnen traden, om mij te begroeten, en den nieuwen blanken man aanstaarden, die pas in het land was gekomen.

-ocr page 43-

EM IN PACHA.

Zij waren allen zeer nieuwsgierig te vernemen, waar wij van daan kwamen en het een en ander te hooren over het groote donkere woud, waarin niemand hunner ooit was doorgedrongen, maar waaromtrent zij, altijd bij geruchten, hadden vernomen, dat er eeuwigdurende schemering heerschte en het door een wild en verraderlijk volk werd bewoond, In den namiddag ging ik mijne lieden opzoeken en bevond ik, dat zij uitstekend waren gehuisvest in een boma met vijf of zes hutten, waarvan zij het gebruik voor zich alleen hadden. Zij verwelkomden mij luide en deelden mij mede, hoe goed zij werden behandeld. Ieder man had een nieuwe runderhuid ontvangen om op te slapen ; er was een stier ten hunnen behoeve geslacht en tal van lekkernijen waren er bij gevoegd, zooals boter, melk en meel. Maar hetgeen hun het meest scheen te hebben getroffen, was het feit, dat hun voedsel eens weder was gekookt door vrouwen, hetwelk hun, na de ondervonden moeilijkheden, wel het toppunt van weelde scheen te zijn. Oeledi zeide tot mij ; gt;Mees-ter, wij hebben slechts te eten, drinken, slapen en rooken en gij weet, dat zulks voor een Zanzibariet een paradijs is.quot;

Ik schreef een brief aan Stanley, om hem mede te deelen, dat ik het station van Emin had bereikt, maar dat wij, door diens afwezigheid, eenig oponthoud hadden, zoodat hij over ons niet bezorgd moest zijn. Dezen brief gaf ik mede aan eenige bevriende inboorlingen, die beloof den hem in een kano het meer at te brengen en binnen vier dagen aan

O O

Stanley ter hand te stellen.

Den volgenden morgen kwam een Egyptisch officier, Soeleiman Ef-fendi, mij een brief van Emin overhandigen van dezen inhoud ;

gt;Toengoeroe, 24 April 1SS8.

»Waarde Heer 1

»Heden avond ontvingen wij uw brief van gisteren. Wees hartelijk welkom in ons midden ; wij hadden u reeds dagen lang verwacht. Ik had mij voorgesteld dadelijk af te reizen, om u te M'swa te ontmoeten; maar, daar de stoomboot uitgegaan is om eenig koren op te halen en liet volk druk bezig op zijn akkers, moest ik het van nood uitstellen, tot

19

-ocr page 44-

JEI'HSON,

de stoomboot terug is. Ik heb haar ontboden en verwacht haar morgen. Het staat vast, dat ik vertrek, zoodra zij is aangekomen.

»Ik heb mijn lieden bevel gegeven, u en uwe manschappen te voorzien van al wat gij benoodigd zijt; wees derhalve zoo goed alles waaraan gij behoefte hebt, op te geven aan Shoekri Aga, den bevelvoerenden officier van het station. Soeleiman Effendi, de overbrenger van dit schrijven, heeft in last bij u te blijven tot ik kom.

gt;In de hoop u spoedig te zien, ben ik

Uw. dw. dr.

DR. EMIX.

Soeleiman Effendi, een Egyptenaar met een aangenaam uiterlijk, was gekleed in een onberispelijk witte uniform ; hij sprak een weinig Fransch, maar toch zeer gebrekkig. Hij ging zitten, praatte met mij en vertelde mij van den staat van opgewondenheid, waarin de Pacha en heel het station was geraakt bij het ontvangen van het bericht, dat eindelijk de lang verwachte hulp was aangekomen. Hij maakte mij tal van complimenten, zeggende dat hij zijn nek onder mijn voet zou willen krommen en ik hem slechts had te bevelen, enz. enz., de gebruikelijke Oostersche wijze van beleefdheden betuigen. Des avonds wandelde ik de plaats rond met hem en Shoekri Aga, die mij alles vertoonde, wat er te zien was.

Het station was prachtig gelegen ; mits het bezet werd door vastberaden lieden, was het volkomen onneembaar bij aanvallen der inboorlingen, enkel van bogen en speren voorzien, maar een vijand met geweren bewapend zou het van de heuvels af kunnen bestrijken.

Hier vormen de bergen, ruim 760 M. hoog, een soort van amphitheater, binnen welks kromming zich een groote vruchtbare vlakte bevindt van omstreeks 2000 a 2500 H. A. land, nagenoeg op dezelfde hoogte als het meer. Uit het midden van deze vlakte verheft zich een breede dam ter hoogte van omstreeks 100 M. op wiens vlakke kruin het station werd gebouwd. Deze vlakte, besproeid door een schoonen en breeden stroom, die van de bergen komt als een breede waterval, is vrij dicht bevolkt en bevat een van de grootste nederzettingen van den stam Loer. Groote dorpen met uitgebreide kudden schapen en

2 O

-ocr page 45-

EM IN PACIIA.

geiten kon men uit het station als stippen verspreid zien over de vlakte, waarvan bijna elke morgen was ontgonnen. Groote velden met m'tama, maïs, zoete aardappelen en aardakkers, afgewisseld door banaangaarden, omringden de dorpen. Onmiddellijk beneden het station lagen de aanplantingen van de soldaten en de beambten van het Gouvernement, voornamelijk bestaande uit akkers met katoen, maïs, m'tama, gierst, se-samum (') Colocasia's (-), en allerlei andere gewassen.

Het station was in twee afzonderlijke blokken gebouwd, waarvan het eene Kmin's dienstpersoneel, zijn eigen vertrekken en de huizen der vreemdelingen bevatte, terwijl het andere bestond uit de kwartieren van de soldaten en beambten. Elke familie had een klein, afzonderlijk verblijf, waarin drie, vier of meer hutten waren, al naar gelang der uitgebreidheid van 't gezin. Tusschen de beide blokken lag een grooie openbare wandelplaats, op het midden waarvan zich de magazijnen van het Gouvernement bevonden en een hooge paal, waaraan de Egyptische vlag wapperde. Het geheele station, boma's en hutten, was gebouwd van lichtgeel bamboes, op enkele punten bepleisterd met een mengsel van modder en koedrek, terwijl de huizen met gras gedekt waren.

Op het grasland, tusschen het station en de bergen, bevond zich een groote kraal, die eenige honderden stuks vee, schapen en geiten bevatte. Daar was blijkbaar overvloedig voedsel van allerlei aard.

Tal van vrouwen, jongens en zelfs soldaten zag ik loopen of staan bij het station, met groote bundels ruw katoen onder hun linker armen, waaruit zij een draad sponnen, door vlug een klein krom spinrokken om te draaien. Als er een aantal spoelen met katoendraad klaar was, werd dit in de lengte uitgespannen langs palen, evenals in een lijnbaan in het klein, en was het gereed om geweven te worden.

Men bracht mij in een groote open hut, aan wier eene kant een gat was uitgegraven, waarin een buitengewone primitieve spil was bevestigd, die behandeld werd door een negerknaap met schrander uiterlijk. Hier werden stukken katoen gemaakt van verschillende kwaliteit ;

1) Vijgeboonen, volgens I.obel, wegens de zaadhuisjes, die zich boonachtig voordoen en wegens den zoeten smaak van het zaad. 'tZijn dikke vierribbige houwtjes, geelachtig witte zaadjes, waaruit in Egypte en Arabie een olie wordt geperst, meer in gebruik dan olijfolie. Vertaler.

2) Zij behooren tot de /Ij'ifm-soorten en groeien in Egypte op vochtige plaatsen; de bladen worden als gr ente genuttigd. Vertaler.

-ocr page 46-

JEPIISON,

sommigen, buitengemeen fijn, voor vrouwenkleeding, anderen ruwer, voor de tunicas en wijde Turksche broeken van de mannen. Met goed voor de mannen werd gewoonlijk warm roodbruin geverfd met een oplossing, verkregen door den bast van den wilden vijgeboom te stampen en te weeken. Deze vijgeboomen groeien in groote menigte overliet geheele land. Het goed was op het oog min of meer wollig, bijna even warm als flanel en zeer sterk en bruikbaar.

De 26i'en April kwam de stoomboot van Emin, des namiddags ten vijf uur, in bet gezicht. Zij voer juist om een rotsachtige landtong heen, omstreeks 8 K. M, van mij af, toen ik haar ontdekte.

Al de soldaten kwamen naar buiten en de olficieren trokken hun beste uniform aan, om hun Gouverneur te ontvangen ; het kleine kanon, dat aan het station behoorde, werd geladen om hem met een saluutschot te begroeten. Ik wandelde van het station naar beneden op den oever, gevolgd door de bemanning van mijn boot, die onze groote Egyptische vlag droeg, om aldaar bij de landing van Emin tegenwoordig te zijn. Het was bijna donker toen de stoomboot het anker uitwierp, terwijl mijn manschappen saluutschoten losten, toen de boot den oever naderde. Zoodra zij dien had bereikt, sprong Emin aan wal en heette mij met beide handen welkom. Telkens herhaalde hij zijn betuigingen van vreugde en hartelijke begroetingen, terwijl hij mijne beide handen in de zijne hield gesloten. Ik zou hem niet hebben herkend uit de beschrijving, die Dr. Felkin mij van hem had gegeven. In plaats van den «langen man met militaire houding,quot; zag ik een klein, tenger, net man, die evenwel een alles behalve krijgshaftig uiterlijk had, met de den Duitscher kenmerkende beleefdheid.

Hij sprak het Engelsch zeer gemakkelijk en vloeiend en drukte zich bijzonder hartelijk en vriendschappelijk uit. Hij werd gevolgd door kapitein Casati, een klein man van middelbaren leeftijd, bijna zwart geblakerd door het verblijf onder de zon. Deze verstond geen Engelsch, maar kon een weinig Eransch spreken.

Toen de begroeting was afgeloopen, legde Emin mij op vaderlijke wijze de hand op den schouder en wandelden wij te zamen op naar het station, gevolgd door al de beambten. Wij gingen buiten in het heldere maanlicht zitten praten en het was reeds laat, toen Emin zich afzonderde,

O O

-ocr page 47-

EM IN I'ACIIA.

om den brief van Stanley te lezen, dien ik hem had medegebracht. Hij zeide mij, dat wij eerst na een paar dagen naar het zuidelijk uiteinde van het meer zouden kunnen vertrekken, daar de geheele dag zou noo-dig zijn, om hout voor de stoomboot te verzamelen.

Vroeg in den morgen bracht men mij heerlijke sterke koffie, met

honig zoet gemaakt, in een sierlijk Turksch kopje. Voor ik geheel gekleed was, kwam Emin mijn hut binnen en ging op mijn bed zitten, om met mij te praten, terwijl ik mij kleedde. Daarop gingen wij naar buiten en zetten ons in de schaduw op den divan neder, teraijl ik mijn kaarten uitspreidde en hem onzen weg langs de rivier aanwees. Mij

-ocr page 48-

24

was sterk getroffen door den loop van de rivier de Nepoko en door de plaats, waar deze in den Aroewimi valt. Hij had over deze rivier veel gehoord van Dr. Junker, die, geloof ik, niet bepaald heeft uitgemaakt, tot welk stroomgebied zij behoorde.

Hij kende het land der Monboettoe's zeer goed, evenals de plaats waar Dr. )unker de Nepoko was overgetrokken, op een afstand van ongeveer 120 geographische mijlen van het punt van samenvloeiing met den Aroewimi. Hij scheen deze voor een uitstekende gelegenheid te houden, om zijn volk en zijn ivoor in kano's naar den Kongo te voeren. Ik wees hem op de verbazende moeilijkheden aan zulk een reisgelegenheid verbonden, de tallooze stroomversnellingen en watervallen in de rivier en den honger, dien hij onderweg zou lijden. Maar Stanley zou natuurlijk, zeide ik, hem het voor en tegen van zulk een weg beter kunnen mededeelen, dan ik.

Ik stelde hem een nummer van The Graphic ter hand, waar-in een verslag van dr. Felkin stond over hem en zijn werk, met tal van afbeeldingen van het volk en natuurtafereelen zijner Provincie.

Al mijne lieden kwamen hem hun eerbied betuigen. Hij bedankte hen voor al hetgeen zij voor hem en zijn volk hadden gedaan en beloofde hun eenige kleeding te geven, om hun naaktheid te bedekken. Ik wees hem op Oeledi en Moerabo, die hij beiden bij name moest kennen, daar hij van hen had gelezen in het boek van Stanley: »Through the Dark Continent.quot; Natuurlijk waren zij opgetogen bij het denkbeeld van kleeren te zullen krijgen — de arme schepsels zagen er inderdaad armzalig uit. Hij verwees hen naar Vita Hassan, een Jood uit Tunis, die voor acht jaar naar de Equatoriaal Provincie was gezonden, voorloopig als apotheker en adsistent van Emin, maar tegenwoordig ook optrad als magazijnmeester, als Emin s factotum en hoogst nuttig was. Deze roemde hem ten minste zeer. Na 't ontbijt vertoonde de Pacha een sigaar, die Dr. Junker hem, drie jaren geleden, had gegeven. Dit moge eenig denkbeeld geven van de zorgvuldigheid waarmede Emin alles bewaarde. Hij vertelde mij deze sigaar al dien tijd te hebben bespaard voor een feestelijke gelegenheid. Zij was een heele verkwikking voor mij, nu ik mij reeds zoovele maanden met inlandsche tabak had moeten behelpen.

-ocr page 49-

EMIN PACHA.

Daar men had opgemerkt in welk een haveloozen toestand mijn toilet verkeerde, werden mij op Emin's last kleeren gebracht, twee jassen en een broek van katoen. De eenigste kleermaker van het land — een Egyptenaar, die naar Emin's provincie was overgebracht om straatroof — nam mij de maat voor een broek en de schoenmaker werd geroepen, om mij schoenen aan te meten. Door mijn bediende liet men een partij rood Manchester in mijn hut brengen.

Emin haalde daarop zijn aanteekenboek voor der; dag, evenals alles wat hij had, een voorbeeld van netheid, en drong er op aan, dat ik zou zeggen, waaraan ik behoefte had. Slechts aarzelend, daar het mij min of meer hinderde om op die goedkoope manier een en ander te verkrijgen, zeide ik, dat een weinig zout, zeep, een aanteekenboek en een beetje olie mij zeer welkom zouden zijn, waarop hij al deze zaken opschreef en steeds bromde over de nietigheid van mijn verlangens. Hij noemde verschillende dingen op, die hij mij zou kunnen geven en scheen er het grootste genoegen in te vinden, dat hij in staat was zulks te kunnen doen. Zijn vriendelijkheid was overstelpend en klaarblijkelijk door en door welgemeend. Het was voor mij een genot, om met iemand, geheel vreemd voor mij, te kunnen spreken, bovenal met zulk een knap en verstandig man, wiens gesprekken ten allen tijde wel hoogst belangwekkend moesten zijn.

Emin vroeg mij hem het ontstaan van de expeditie mede te deelen, wie er de bevorderaars van waren, hoe zij tot stand was gekomen en at hetgeen de officieren betrof.

Ik vertelde hem het een en ander en schetste de algemeene belangstelling, niet alleen in Engeland, maar over geheel Europa, in zijn welzijn en veiligheid. De tranen sprongen hem in de oogen en terwijl hij mij de hand drukte, zeide hij ; gt;Hoe kunt gij mij dank betuigen voor de kleinigheden, die ik u kan geven en schroomvallig zijn ze aan te nemen. Al leefde ik honderd jaar, zou ik het Engelsche volk niet dankbaar genoeg kunnen zijn voor zijn belangelooze vriendelijkheid om mij hulp te zenden, nu ik door mijn eigen Gouvernement gedurende zoovele jaren aan mijn lot ben overgelaten.quot;

Emin zeide mij, dat hij een kort schrijven had ontvangen van den heer Holmwood, den tegenwoordigen consul-generaal in Zanzibar. Het

25

-ocr page 50-

JEPUSON,

was gedateerd 7 Februari 18S7 en hield in, dat er een Expeditie tot ontzet, onder bevel van Stanley, langs den Kongo in 't begin van Maart was opgetrokken en dat hij verwachtte, dat Stanley op zijn weg naar den Kongo binnen veertien dagen in Zanzibar zou komen. Hij kon hem tegeu 't begin van September aan het zuidwestelijk einde van het meer verwachten. 13e beide brieven door Stanley en Holmwood in 't laatst van Februari aan Emin geschreven, welke met particuliere boden over Oeganda waren verzonden, hadden hem niet bereikt.

Zij waren klaarblijkelijk nog in Oeganda, want Emin deelde mij mede, dat aldaar verscheiden pakketten brieven, enz. op ons wachtten. Mwanga, de koning van Oeganda, zond ze af, maar zij werden op de grenzen van Oenyoro, op bevel van KabbaRega, aangehouden en naar Oeganda teruggezonden.

20

-ocr page 51-

HOOFDSTUK II

DE ONTMOETING TUSSCHEN STANLEY EN EMIN. BESPREKING VAN PLANNEN.

De stoomboot Khcdlvc. — Haar toestand. — Emin komt in ons kamp, — Ontvangst door de Zanzibaricten. — Ons kamp te X'sabe. — Emin wenscht, dat Stanley een zijner officieren bij hem laat. — Plan om Fort Bodo te ontruimen. — Stanley en Parke aanvaardende terugreis. — Dood van Mabroeki. — Kmin's liefde voor en'omologie. — Aanval op Kibero. — Tuchtiging van Kabba Rega. — Het opperhoofd Ouma.—Bezoek van het opperhoofd Ouma. — — Dans van den stam Loer. — Eigenaardige reuk van de verschillende stammen. — Wij komen te Toengoeroe — Snelle daling van de Albert Xyanza. — Kuiperijen van Egyptische beambten. — Bestraffing van de schuldigen aan kuiperij. — Verhaal van den opstand van het iste Bataljon. — Karakter van Emin's officieren. — Brief van den Khedive. — Brief van Nubar Pacha. — Aanspraak van Stanley tot de soldaten van Emin. — Brieven aan het volk voorgelezen. — »Wij zullen onzen Gouverneur volgen !quot; — Natuurlijk verlangen van het volk om in de Provincie te blijven. — Van Toengoeroe naar Wadelai. — Boki s dorp. — Gevangenzetting van Boki. — Beschrijving van het land. — Lage waterstand op den Xyl. — t Opperhoofd Okello. — Sieraden van de inboorlingen. — t Opperhoofd Wadelai.

Den 26s'uquot; April vertrokken wij, om acht uur, in de stoomboot Khedive, welke veel geleek op een kleine pachthoeve, want er waren tal van melkkoeien, geiten, schapen en kippen aan boord, terwijl het ruim gevuld was met erraan voor onze lieden. Dit was de voorraad, die

O O

Stanley aan Emin verzocht had hem mede te brengen, om te kunnen kampeeren op den oever van het meer, waar het voedsel schaars was.

-ocr page 52-

28

De Khedive was een van de stoombooten door Sir Samuel Baker medegebracht, toen hij in 1870 de Provincie annexeerde voor den Khedive, Ismail Pacha. Zij was gebouwd door Samuda en nog een mooie sterke boot, ongeveer 18 M. lang, en in den bodem 6 M. breed. Plet was verwonderlijk, dat zij in zulk een goeden staat verkeerde en het pleitte wel voor de zorgvuldigheid van Emin, dat hij haar zoo goed had onderhouden. De ketels waren echter een weinig zwak geworden ; hoewel de machines noe eoed waren, durfde Emin haar niet harder aan-

O O '

zetten dan vijf knoopen in het uur. Plij had bovendien nog een andere kleine stoomboot, de Nyaiiza, en twee groote ijzeren walvischbooten, allen medegebracht door Sir Samuel Baker. Hij vertelde mij, dat de/e stoombooten en booten hem van het crrootste nut waren creweest en

ö O

krachtdadig hadden geholpen, dat hij zijn Provincie zoo lang had kunnen behouden.

Wij bereikten onze ankerplaats bij het eiland Nyamsassie, tegenover de plek, waar ik de boot in elkaar had gezet, tegen zeven uur. Wij bevonden, dat Stanley dien dag bergafwaarts naar het meer was gemarcheerd uit het dorp van Kavalli en omstreeks 5 K. M. van den oever af zijn kamp had opgeslagen. Hoe laat het ook was, Emin be sloot Stanley nog dien avond een bezoek te gaan brengen. De Zanzi-barieten kwamen bij troepen naar beneden snellen op den oever en droegen fakkels van verdord gras, terwijl zij hun geweren in de lucht ai-schoten en op de dolste manier joelden. Toen wij uit de boot aan wal stapten, ontmoetten wij D' Parke, die ook naar den oever was afgedaald, om Emin op te zoeken en hem en Casati naar het kamp te geleiden. De Zanzibarieten waren woest van uitgelatenheid en in hun ijver, om hem over de gaten in den bodem nabij het strand te helpen, tilden zij hem bij de beenen geheel en al op. Zij brachten hem ons kamp binnen onder daverend gejuich van al onze lieden. Stanley ontving hem zeer hartelijk en hoffelijk en alras waren wij allen voor zijn tent gezeten onder 't gebruik van een vijftal flesschen Champagne, die Stanley uit oude kousen voor den dag haalde en voor deze plechtige ontmoeting zorgvuldig had bewaard.

Plet kamp vertoonde bij die gelegenheid een schilderachtig too-neel, dat den diepsten indruk maakte. Er werden groote vuren aange-

-ocr page 53-

29

stoken, die de takken van de overhangende hoornen verlichtten met een doften o-loed, waaronder de Zanzlbarieten dansten als razenden en een hunner woudzangen lieten weerklinken, die het verhaal behelsde van onze; omzwervingen en ontberingen en de ontmoeting tusschen Stanley en Emin.

Dien avond ging Emin laat naar de stoomboot terug met de pakketten brieven, die wij voor hem hadden medegebracht.

Den volgenden dag gaf Stanley mij bevel de colonne langs den oever van het meer te doen marcheeren en een goede plek uit te zoeken voor ons kamp, omdat hij Emin had beloofd daar eenige dagen bij hem te vertoeven, alvorens hij terugkeerde om de achterhoede op te halen.

Na omstreeks 8 K.M. te hebben geloopen, koos ik een uitstekende plek, N'Sabe geheeten, alwaar de vlakte zich onverwachts ter hoogte van 15 M. boven het meer verhief. Het gras was kort; een groot aantal prachtige acasia's en tamarindeboomen stonden verspreid daarop. 1 lier kozen wij ons kamp, terwijl Emin en zijne lieden zich op een afstand van ongeveer 200 M, beneden ons legerden.

Stanley heeft geschreven over ons verblijf aan den oever van het meer van 28 April tot 24 Mei en over zijn veelvuldige gesprekken mei Emin, wat betreft zijn vertrek uit het land met ons. Hij heeft daaromtrent alles vermeld, zoodat ik uit dien tijd alleen opneem, wat betrekking heeft op mijn eigen samenzijn met Emin.

Ik zal hier een uittreksel inlasschen uit het dagboek, dat ik destijds hield.

«18 Mei. — Stanley kwam heden morgen naar mijn tent oversteken en vertelde mij, dat Emin hem had verzocht een zijner officieren bij hem te laten, als hij terugkeerde om Barttelot en de achterhoede op te halen en dat hij daarin toegestemd en mij aangewezen had. Het schijnt dat Emin aan Stanley had verteld, dat zijne officieren ons buitengewoon wantrouwden en niet geloofden, dat wij uit Egypte kwamen. 1 lij had daarom Stanley gevraagd een zijner officieren bij hem te laten, tot hij alhier met de achterhoede terugkwam. Hij wenschte, dat die officier zijn gast zou zijn, met hem al zijn stations over de geheele Provincie bezoeken en het volk toespreken zou, om het uit te leggen wie wij waren en waarom wij hier kwamen. Hij begeerde, dat deze officier de brie-

-ocr page 54-

JEI'I ISON,

ven van den Khedive en Nubar Pacha op ieder station aan het volk voorlas, te gelijk met een proclamatie van Stanley aan de soldaten. Met volk moest worden opgeroepen, om aan te hooren wat men het te zeggen had en zou den vertegenwoordiger van Stanley alle mogelijke vragen, b. v. over den weg, kunnen stellen, die deze had te beantwoorden. Emin meent, dat dit alleen het volk voldoening geven en de overtuiging schenken zou, dat wij uit Egypte kwamen. Dan zou het kunnen zien, of het al dan niet met ons wilde vertrekken ; voor het eeval, dat

O '

zijne lieden weigerden mede te gaan en Emin zelf met ons trok, zou men hem nooit kunnen beschuldigen zijn volk in den steek te hebben gelaten. Na mij deze uitlegging te hebben gegeven, vroeg Stanley mij, of ik de opdracht aannam. Ik zeide er over te zullen denken. Hoewel ik werkzaamheden voor de expeditie zou verrichten, had ik er weinig lust in Stanley zoo langen tijd te verlaten (het zou waarschijnlijk wel zeven of acht maanden worden), vooral daar ons thans zooveel zwaar werk te wachten stond en ik mij daaraan niet begeerde te onttrekken. Hij verklaarde mij, dat ik hem van veel dienst kon zijn, door het een en ander in gereedheid te brengen, opdat hij bij zijn terugkeer met zoo weinig mogelijk oponthoud naar Zanzibar zou kunnen vertrekken. Hij gaf mij te kennen, dat ik eerst den Pacha kon gaan opzoeken, als ik daar zin in had, en met dezen kon spreken, alvorens ik hem antwoordde. Des namiddags ging ik naar Emin en had met hem een langdurig onderhoud. Hij herhaalde mij nagenoeg hetzelfde wat hij Stanley had gezegd en verzocht mij, zoo ernstig mogelijk, bij hem te blijven. Hij zeide te gelooven, dat ik een werk, voor de Expeditie van het hoogste belang, zou verrichten, als ik met hem zijn land rondreisde en zijn volk toesprak. Ik beloofde derhalve bij hem te zullen blijven en deelde des avonds aan Stanley mijne beslissing mede; ik ben evenwel krachtig gestemd voor het vertrek en zou hebben verkozen mij bij Stanley te houden, als het van mij alleen had afgehangen. Maar Stanley begeert dat ik blijf en Emin dringt bij mij aan dat ik blijf — dus moet ik wel blijven — en daartoe is dus besloten,

8 Als ik door rond te reizen en het volk toe te spreken het kan bewegen met ons mede te trekken, zal ik een goed werk verrichten. Toch komt het ons vreemd voor, dat wij, gekomen om dit volk te helpen.

-ocr page 55-

EMIN PACHA.

genoodzaakt zijn het eerst uit te leggen, wie wij zijn. Mij dunkt dat er iets niet in den haak is.

«Op mijn wenk is er besloten, dat ik, en zoo mogelijk ook Emin, na al de stations bezocht en de bevolking gepolst te hebben, met een afdeeling soldaten en dragers naar Fort Bodo zal trekken, om de officieren en de aldaar opgeslagen goederen naar het meer te brengen.

»Wij zullen hier te N'sabe een station bouwen en Emin heeft beloofd ons dertig a veertig soldaten af te staan, om het te bezetten en ons te ondersteunen met runderen, geiten en graan voor officieren en manschappen. Emin zegt, dat wij, naar alle waarschijnlijkheid, twee ol drie maanden noodig zullen hebben, om onze taak in de Provincie te volbrengen, maar dit zal natuurlijk veel meer tijd vorderen ; het is altijd onmogelijk in Afrika te zeggen: sik zal dit of dat op een bepaalden dag doen,quot; daar er zooveel onvoorziene omstandigheden kunnen opkomen, om het te beletten. Wij twijfelen sterk, of Emin wel gereed zal zijn voor het vertrek, daar hij klaarblijkelijk veel te doen zal hebben met schikkingen voor de afreis naar de kust. Maar hiermede wil ik niet zeggen, dat ik het zelf wel zou kunnen, als hij mij genoeg dragers en soldaten geeft. De bouw en het versterken van een station en 't voeren mijner kleine expeditie naar Fort Bodo, is een taak die mij van harte verheugt. Ik schrijf Nelson om hem mede te deelen, dat ik, na niet veel meer dan twee maanden, te Fort Bodo zal zijn met groote hoeveelheden provisie. Arme oude jongen ! Ik verwacht dat hij een kleine opkwikking noodig zal hebben, want hij is nu reeds zoovele maanden zoo ziek en ter neer geslagen geweest.quot;

000

Den 24stcn Mei aanvaardden Stanley en Parke de terugreis en lieten mij bij Emin achter. Stanley liet mij drie Soedaneesche soldaten als oppassers en Binza als bediende. Hij was een knaap van den stam der Niam Niam, die zich aan Dr. Junker had gehecht en, na vier jaar bij hem te zijn geweest, hem naar Zanzibar was gevolgd. Hij sprak Arabisch en Swahili en zou mij als tolk dienen.

Een onzer lieden, Mabroeki, was door een buffel vreeselijk gewond; hij werd ook bij mij achter gelaten, maar stierf weinige uren, nadat Stanley was vertrokken. Wij bleven, na Stanley's vertrek, een paar dagen te N'sabe, want de stoombooten hadden weinig volk en er moest

31

-ocr page 56-

JEPIISON,

een groote voorraad hout worden verzameld, zoo wij in staat zouden zijn de twaalf uur stoomens naar N'sabe vol te houden. Het kamp zag er vrij akelig uit, toen de expeditie was vertrokken, en ik gevoelde mij maar al te zeer eenzaam en verlaten.

Emin had de lieden, die hem daarin gewoonlijk behulpzaam waren, er op uit gezonden om vogels te schieten voor zijne verzamelingen en ik ging uit en ving eenige mooie vlinders en kevers. Het is verwon; derlijk, welk een belang hij daarin stelde ; zijn gelaat helderde geheel op, als men hem den een of anderen kever bracht of een weegluis ') of een andere min gewone diersoort. Geen van de brieven, die wij hem hadden medegebracht, schonk hem zooveel genot als die, welke betrekking hadden op zijn wetenschappelijke onderzoekingen.

Een was er bij van het Britsch Museum, waarin de goede overkomst werd gemeld van een partij kisten met schedels, huiden, vogels en kevers, door hem eenige maanden geleden afgezonden. Dagen lang sprak hij vol geestdrift over dit schrijven.

Vele van de voornaamste wetenschappelijke vereenigingen hadden hem geschreven, om hem mede te deelen, dat hij onder hare leden was opgenomen.

Al deze brieven schonken hem het hoosfste cenot en voldoening.

o o o

Den 2 8Moquot; Mei vertrokken wij naar M'swa, maar er was iets niet in den haak aan de machines, zoodat wij dien avond slechts Magoenga bereikten, een plaats op 32 K. M. afstand van M'swa, waar ik een maand geleden had geslapen, toen ik met de boot ging om Emin te bezoeken.

Wij verlieten de heete en stoffige stoomboot en deden onze vouwstoelen op het strand brengen.

Na een groot kampvuur aangelegd te hebbben, aten wij bij het schijnsel daarvan en gingen vroegtijdig naar bed. Maar te twaalf uur begon het geducht te regenen en alras waren onze wollen dekens door en door nat. Zonder beschutting zaten wij druipnat neder, en waren blijde toen de morgen aanbrak.

') Cimcx Icciidarins, een insect dat het bloed van menschen zuigt en hoewel hel geen vleugels heeft, gerangschikt wordt in de orde der Hcmiptcra of Halfvleugoligen en de familie der Mmhnvuwci (Vliezige Wantsen). De Weegluis verbergt zich in ledikanten, reten en gaten van houtwerk, onder tapijten enz., doch wordt ook op duiven gevonden. Vertaler.

-ocr page 57-

33

emin 1'aciia.

■lip

Wij bereikten om half elf het station M'swa en van toen af begon mijn verblijf in Emin's Provincie.

Bij onze aankomst te M'swa, vertelde Emin mij, dat hij plan had een aanval te beramen op Kibero, de plaats in Oenyoro, wier bevol-

king op bevel van Kabba Rega, Casati's huis geplunderd, hem vast gebonden en uit het land gejaagd had. Emin oordeelde dat, wanneer dit ongestraft werd gelaten, het slechts blijken zou het begin te wezen van eene geheele reeks van aanvallen van Kabba Rega op zijn volk.

-ocr page 58-

34 JEPMSON,

Kibero is een district, dat verscheidene groote dorpen bevat en hoofdzakelijk zijn gewicht ontleent aan de omstandigheid, dat het de, eenige plaats is in dat gedeelte van het land, waarin eenigzins belangrijke hoeveelheden zout worden bereid. Het voorziet bijna geheel Oenyoro, Oeganda en de streken daaromheen van zout.

De stoombooten, die honderd man in hadden, vertrokken midden in den nacht en bereikten Kibero, dat aan den anderen kant van het meer tegenover M'swa is gelegen, den volgenden morgen voor de zon op was. Des daags konden wij in de richting van Kibero wolken van damp zien oprijzen aan den overkant van het meer. De stoombooten keerden des avonds terug en brachten vele honderden groote zoutblokken mede, meer dan zeshonderd geiten en schapen, tal van hoenders en een menigte andere zaken van allerlei soort. Emin's soldaten hadden grooten teeen-

ö O

stand ontmoet van de bevolking, waarvan velen geweren hadden ; zij hadden een aantal Kinyoro's gedood en een oud Tower-geweer bemachtigd, waarvan 't volk van Kabba Rega een menigte bezit. De officieren berichtten, dat er zulk een ontzaggelijke hoeveelheid zout was geweest, dat zij het niet op de stoomboot hadden kunnen bergen en verplicht waren geweest groote vuren aan te leggen en het te verbranden.

Dit was een groote slag voor Kabba Rega, want dat het zout daar in zulke groote hoeveelheden aanwezig was, bewees, dat de voorraad voor het regenseizoen nog niet was verspreid. Het regenseizoen was juist ingetreden en kon er gedurende verscheidene maanden geen zout meer worden gemaakt, zoodat de geheele handel een schok had ontvangen en de tuchtiging diep zou worden gevoeld. Enkele soldaten brachten mij eenige nog al mooie ijzeren en geelkoperen hals- en armbanden en een groot manden schild met een punt in het midden, van gelijken vorm als die van de oude kruisvaarders.

Een van de eersten, die mij een bezoek kwamen brengen, was een opperhoofd van den stam Loer, Ouma geheeten. Hij was een buitengewoon machtig opperhoofd en had een groot aantal krijgslieden. Vroeger was hij een krachtig bondgenoot van Oenyoro, maar voor eenigen tijd had Kabba Rega, om de eene of andere reden, getracht hem te doen vermoorden en had hij vriendschap gesloten met Emin. Ook deze vriendschap werd bewolkt door een vreemd geval.

-ocr page 59-

EMIN l'ACll A.

35

Toen Ourna eenige maanden geleden zijn station had bezocht, verzocht hij den Pacha om een ijzeren stoel zooals die, waarop deze zat. Hij zeide : »Beide zijn wij groote opperhoofden en gij zit op een ijzeren stoel, dus is het niet meer dan billijk dat ook ik, bij plechtige gelegenheden, op een ijzeren stoel zit.quot; Emin gaf hem ten antwoord, dat hij er maar één had, maar zond hem in plaats daarvan een keurig netten rieten stoel. Dit geschenk werd met verontwaardiging versmaad en van dien dag af was Ouma niet in het station geweest, tot hij mij kwam opzoe-

ken. Toen hij hoorde, dat er een blanke vreemdeling in de plaats was, kwam hij bij mij een bezoek afleggen en bracht mij een prachtig lui-paardenvel ten geschenke mede. Hij scheen zeer verbaasd, dat een blanke deze plaats had kunnen bereiken en vroeg aan Emin hoe ik was gekomen. De Pacha legde hem uit, dat, aangezien de wegen over Khartoem en Oenyoro waren gesloten, zijn vrienden een ander pad door het woud hadden geopend en deelde hem mede dat er velen van ons op weg waren. Onmiddellijk riep hij uit; »Ik kan wel zien dat hij een groot

-ocr page 60-

JEl'HSON,

man is en mij een flink geschenk zal geven.quot; Emin vertelde hem, dat al onze goederen achter waren gebleven, maar dat hij in mijn plaats, hem een geschenk wilde geven, met welke schikking hij volkomen tevreden was. Deze lieden waren de meest ingewortelde bedelaars. Ouma was een knap en krachtig man; hij zal ten minste 1.8 M. lang en naar evenredigheid breed en zwaar zijn geweest. Hij had iets belachelijks over zich en zeer opvallend vreemde manieren. Hij gesticuleerde geducht en versterkte iederen bewijsgrond, dien hij aanvoerde, met een groot uitwerpsel, dat hij over een afstand van vele meters heenzond, daar waar hij 't wilde hebben, met een juistheid, die inderdaad verwonderlijk was. Hij was altijd vergezeld van zijn eersten minister en voor-naamsten raadsman, een klein, zenuwachtig, lacherig mannetje, dat er steeds op uitwas, om de eenigzins ruwe opmerkingen van zijn chef te verzachten. Ouma had al zijne lieden medegebracht, om voor ons te dansen en na een poosje gepraat te hebben, gingen wij naar buiten om het dansen te zien, dat reeds op het plein van het station was begonnen.

Eenige honderden inboorlingen waren daar in een grooten kring aan het dansen, terwijl onder hen zich een troep van omstreeks vijftig mannen bevond, die trommen van allerlei vorm en grootte roerden en op lange ivoren of houten horens bliezen, welke laatsten met leder waren bedekt en vrij zware tonen gaven. Er waren ook vele soorten van duiten bij, vervaardigd uit pompoenstammen, die hetzelfde geluid gaven als fluitjes van veeren pennen. Het geraas van de trommen, horens en fluiten en de uitroepen der dansers was om doof van te worden, als men er te dicht bij kwam. De lieden dansten in het rond met hun rug naar den buitenkant in een soort van langzame, zwaaiende beweging, terwijl een zestigtal vrouwen buiten den kring dansten op den klank van de fluiten, en de maat aangaven door het rinkelen van de bellen, die haar van de enkels tot de knieën reikten.

Zij hadden niets aan het lijf, behalve een langen staart van rood lint, die van achteren neerhing van een band om het middel. De groote kunst van het dansen scheen te bestaan in het zooveel mogelijk bewegen van de staarten. Toen zij op kwamen, dansten zij tot onmiddellijk voor ons en was de uitwerking van zestig roode staarten, die op de maat van de fluiten en de rinkelende bellen tegen ons wuifden, hoogst kluch-

36

-ocr page 61-

37

tig. Inboorlingen schijnen genot te vinden in het dansen ; zij zullen uren voortdansen tot het zweet in stroomen bij hen neervalt, zonder eenige teekenen van vermoeienis te geven. Omstreeks vijf uur hield het dansen op, nadat het zonder tusschenpoozen van den middag af had geduurd. Deze lieden van den stam Loer waren over het algemeen een leelijk slag van volk; zij maakten zich daarenboven nog leelijker door schapen-of geitenwol in hun haar te vlechten, zoodat het in lange franje rondom hunne hoofden hing. Velen hunner besmeerden hunne hooiden met vet, vermengd met een soort van roode okerachtige klei, Enkelen onder hen zijn buitengewoon fraai gevormde menschen, maar over het algemeen zijn zij klein en hebben zij een bijzonder onaangenamen reuk. Emin vertelde mij, dat elke stam zijn eigen bijzonderen reuk heeft en dat men, als men de verschillende menschen wenscht te leeren kennen, in den blinde, alleen aan den reuk, altijd kan onderscheiden, tot welken stam zij behooren. Ik houd mij volkomen verzekerd, met een blinddoek, menschen te zullen herkennen ! Ik herinner mij, dat onze Zanzibarieten ons in het woud verhaalden, dat al de Kannibalen zoo akelig roken.

In de nabijheid van dit station bevond zich een groot maagdelijk woud, waarin tal van chimpansee's. Dit feit is van belang voor natuuronderzoekers, want ik geloof, dat tot dus ver nog niet bekend was, hoe ver naar het oosten de chimpansee's zich ophouden.

Bijna iederen dag kreeg ik een aanval van koorts, die maakte dat ik hoetrenaamd niets kon doen.

O

Daar er zoo vele beambten om verschillende aangelegenheden afwezig waren, sprak ik het volk niet toe, vóór wij M'swa verlieten.

Den ó'1'quot; Juni kwamen wij te Toengoeroe,'t welk omstreeks 14 K. M. was verwijderd van het noordelijk uiteinde van het meer.

Vroeger was er in den omtrek een station, Mahagi geheeten ; het werd door Gordon gebouwd, maar ontruimd, toen de stations M'roeli en M'goengoe, eenige jaren geleden, waren overgegeven. Iets meer dan twee jaar vroeger had Emin, daar hij stations in het zuiden wenschte te vestigen, op het hooren van den val van Khartoem, dit station gebouwd op grond, die toen nog een eiland was. Tengevolge van de snelle daling van het meer was het nu een schiereiland eewor-

O O

den en stond het op een lange zandtong, die omstreeks 2xk K. M. in

-ocr page 62-

38

het meer uitstak. Deze tong wordt aanhoudend grooter door de daling van het meer en het voortdurend aanslibben van zand. De bergen, die aan de zuidzijde van het station loodrecht boven het meer oprijzen, wijken meer en meer naar den zuidwestkant, zoodat er een breede platte vlakte tusschen hen en den oever wordt gevormd. Deze vlakte strekt zich bijna tot Wadelai uit, 't welk een afstand is van nagenoeg 50 K.M.

Het station is in een lange smalle lijn gebouwd, en mist alle verdedigingswerken. Hier bevinden zich groote menigten krokodillen en schildpadden, welke men kan zien als zij zwemmen of op de zandbanken slapen. De inboorlingen verzamelen hun eieren bij massa's, door ze uit het zand te delven.

Sedert onze aankomst te Toengoeroe had ik dagelijks erg de koorts en was ik niet in staat veel te doen.

Soeleiman Aga, het hoofd van het station, was afwezig bij onze aankomst, daar hij naar de bergen was getrokken om de graanschat-tingen van de inboorlingen in te zamelen. Tijdens zijne afwezigheid werd groote moedwil bedreven door twee Egyptenaren, genaamd Ach-met Effendi Mahmoud, een beambte, en Abdoel Wahab Effendi, een luitenant, herwaarts gebracht uit Egypte, omdat hij betrokken was in den opstand van Arabi. Deze beide mannen waren, naar het scheen, door Emin medegenomen naar ons kamp bij N'sabe. Terwijl zij daar waren, hadden zij zich naar Stanley begeven, om zich te beklagen over den Pacha, tegen wien zij allerlei beschuldigingen inbrachten. Stanley zeide hun slechts, dat hij van hun beklag geen notitie kon namen ; hij had er niet mede te maken en zoo zij iets tegen hun Gouverneur hadden in te brengen, moesten zij wachten, tot zij naar Egypte gingen. Hij liet hen vertrekken, maar achtte het niet de moeite waard er iets van te zeggen aan Emin. Toen de stoomboot terugkeerde, om nieuwe voorraden graan naar ons kamp te brengen, had Emin deze beide mannen, met anderen, weer naar hun post te Toengoeroe teruggezonden. Bij hun terugkomst te Toengoeroe ziende dat het hoofd van het station alwezig was, begonnen ,-:ij onmiddellijk moedwil te bedrijven. Zij spraken het volk in het station toe en verklaarden, dat Stanley ee bedrieger en een avonturier was en niet uit Egypte kwam, maar zich had verbonden met den Pacha, die met hem het plan had gemaakt om

-ocr page 63-

f

r

EMIN PACHA.

het volk uit het land te voeren en als slaven aan de Engelschen te verhandelen. Ook zonden zij brieven van dergelijken inhoud naar de verschillende stations.

Bij onze aankomst kwamen aan al de stations de beambten, volgens het gebruik, ons de handen kussen en den Pacha de verzekering geven van hun trouw en toegenegenheid. Ook deze beide Egyptenaars verschenen zonder te blozen en maakten de gebruikelijke plichtplegingen; maar den volgenden dag traden de Soedaneesche ambtenaren allen voor den Pacha en deelden hem mede, wat er, sedert den terugkeer van deze beide officierert, in het station was voorgevallen.

Onmiddellijk monsterde Emin zijn volk en werden de klerk, de luitenant en twee andere Egyptische officieren gearresteerd. Terwijl de klerk Achmet Effendi gevankelijk werd opgezonden naar Dufiflé, werden de drie officieren in hunne huizen onder bewakinpf afesteld. Dit sfe-

O O ö

beurde evenwel niet zonder praten over en weer, een inbreuk op de tucht, die mij grootelijks verwonderde.

Daarna sprak Emin de soldaten toe, deelde hun de straffen mede, die hij de samenzweerders had opgelegd en gelastte hen zich door zulke lieden niet te laten medeslepen. Verder gaf hij hun te kennen, dat ik, wanneer Soe-leiman Aga en de overige soldaten terug waren, als vertegenwoordiger van Stanley, plan had een toespraak te houden en hen omstandig van alles, wat onze Expeditie betrof, op de hoogte te brengen. De soldaten barstten in geestdrift uit en verzekerden hem hunne trouw en toewijding.

Toen ik mijn groote verbazing over de geheele zaak had te kennen gegeven, verhaalde Emin mij meer uitvoerig, in welk een onrust hij verkeerde omtrent de soldaten van het islu bataljon te Rejaf. Het verhaal luidde aldus :

Toen omstreeks vier jaar geleden de volgelingen van den Mahdi door de soldaten van Emin waren teruggeslagen, wilde hij al de stations ten noorden van Makraka, Eado en Rejat ontruimen en zijn volk naar het zuiden bijeentrekken, ten einde een weg naar Zanzibar te openen. Hij bouwde te Wadelai een station, om voor hoofdkwartier te dienen en stichtte Toengoeroe aan het meer. Maar de soldaten van het iste bataljon weigerden op te trekken en werden bovendien opgestookt tot rebellie door

39

11 ■ !|l

!l

t

m

-ocr page 64-

Jephson,

een Egyptisch officier, een van de betrokkenen in den opstand van Arabi, die zeide niet te gelooven, dat het gouvernement van Khartoem was gevallen en dat hun Gouverneur hen bedroog. Hij voegde er bij : gt; Waarom zouden wij schromen ons te verzetten tegen Emin Pacha, terwijl wij in Egypte niet bang waren voor rebellie tegen den Khedive zelven:quot;

Het gevolg was, dat de soldaten verklaarden niet langer aan de bevelen van hun Gouverneur te willen gehoorzamen en openlijk tegen hem in verzet kwamen. Men zond Emin een beleedigend schrijven, onderteekend door al de officieren en schrijvers van het iste bataljon. Kort daarna werden door zekeren Ali Aga Djabor, een Soedaneesch kapitein van het iste bataljon, twee pogingen gedaan, om Emin Pacha gevangen te nemen en hem geboeid naar Rejaf te voeren. Sinds dien tijd had het isle bataljon zijn Gouverneur getart en hem nu en dan be-leedigende brieven gezonden. Enkele Egyptische en Soedaneesche officieren vestigden zich in Makraka en de landen daar rondom, waar zij het leven leidden van rooverhoofden en de inboorlingen met groote wreedheid behandelden.

Het 2dc bataljon gaf zijn trouw en welgezindheid jegens zijn Gouverneur te kennen en, naar Emin mij vertelde, vertrouwde hij de soldaten onvoorwaardelijk en was hij verzekerd dat zij zijne bevelen zouden gehoorzamen. Terzelfder tijd zeide hij echter, dat er eenige officieren bij het 2 lu bataljon dienden, voornamelijk Egyptenaren, van wie hij wist, dat zij niet vriendschappelijk jegens hem waren gestemd.

Hij liet zich vrij sterk uit over de Egyptische otficieren en schrijvers, waarvan er zes en vijftig in de Provincie zouden zijn, en beklaagde zich bitter over de politiek van de Egyptische regeering, die zijn Provincie in een soort van Botany Hay had herschapen, werwaarts het schuim van Egypte werd verbannen. Naar zijne mededeeling was er nauwelijks één Egyptenaar in de Provincie, die op dat oogenblik geen banvonnis uit Egypte ten zijnen laste had voor moord, oproer of roof op den ope.ibaren weg.

Dit was voor mij een vrij belangrijke openbaring, want, hoewel wij uit hetgeen hij ons te N'sabe had verteld, allen wisten, dat hij moeilijkheden had in zijne Provincie, hadden wij niet gedacht, dat de opstand zoo diep wortel bij zijn volk had geschoten. Het verwonderde mij voorts, dat dr. Junker, die in het land was toen de opstand van het

-ocr page 65-
-ocr page 66-

......

... . .. ...... .-, ■

........

-ocr page 67-

lïï

i ffli

EMIN PACItA,,

43

'li , ai

iste bataljon uitbrak, daarvan niets in Europa had medegedeeld. Door Kapitein Casati kreeg ik dieper inzicht in den toestand en de overtuiging, dat er gevaar bestond. Hij vertelde mij, dat Kmin niet kon of wilde zien, hoe ernstig de staat van zaken in het land was geworden.

Toen Soeleiman Aga naar het station was teruggekeerd, liet ik hem roepen en sprak hem over vertrek uit het land. Hij antwoordde; »Waar de Pacha heengaat, volgen mijn soldaten en ikquot;; en zijn handen samenvouwende, zoodat zij een cirkel vormden, voegde hij erbij; gt;Dit zijn mijn soldaten en de Pacha loopt in het midden ; op die manier zullen wij optrekken, langs welken weg de Pacha verkiest.quot;

Hij sprak over hetgeen, tijdens zijne afwezigheid, in het station had plaats gehad en zeide, welk een eindelooze bron van onrust de Egyp-tenaars, en vooral de schrijvers, altijd voor den Gouverneur waren geweest, maar voegde er bij, dat door hunne meeningen volstrekt niet die van de Soedaneezen werden vertegenwoordigd, die, bij hen vergeleken, als dood waren.

, i it;

1

I 11 li

1

■ %

lij-I i

£; $ i-

ii;;1'

■ f

T n

Den volgenden dag gaf Emin bevel, al het volk te monsteren, opdat ik het zou toespreken en de manifesten van den Khedive en Nubar Pacha voorlezen, evenals Stanley's proclamatie aan de soldaten, welke luidden als volgt :

Aan Zijne Excellentie Mehmed Emin,

»Moedir van Ilaialastiva.quot;

gt;Eenigen tijd geleden heb ik u geprezen om uw dapperheid en om het stand houden van u, uwe officieren en soldaten, alsmede om uwe zegepraal over de tegenspoeden, die u beklemden, en heb ik u beloond, door u den hoogen rang van Generaal te verleenen, elke bevordering bekrachtigd, door u aan uwe officieren toegekend, en u van clit alles kennis gegeven bij mijn Souverein schrijven van 29 November 1886, nquot;. 31. Zeer zeker is u deze brief ter hand gekomen, tegelijk met de missive, door onzen Eersten Minister Nubar afgezonden. Ik ben zeer ingenomen met uw kloek gedrag en met al hetgeen gij, uwe officieren en soldaten hebt gedaan; en daarom heêft mijne regeering zich onledig gehouden met de middelen, om u te helpen, en, zoo mogelijk, te redden

-ocr page 68-

Jephson,

een Egyptisch officier, een van de betrokkenen in den opstand van Arabi, die zeide niet te gelooven, dat het gouvernement van Khartoem was gevallen en dat hun Gouverneur hen bedroog. Hij voegde er bij ; gt; Waarom zouden wij schromen ons te verzetten tegen Emin Pacha, terwijl wij in Egypte niet bang waren voor rebellie tegen den Khedive zeiven?quot;

Het trevole' was, dat de soldaten verklaarden niet langer aan de

O O ' O

bevelen van hun Gouverneur te willen gehoorzamen en openlijk tegen hem in verzet kwamen. Men zond Emin een beleedigend schrijven, onderteekend door al de officieren en schrijvers van het iste bataljon. Kort daarna werden door zekeren Ali Aga Djabor, een Soedaneesch kapitein van het iste bataljon, twee pogingen gedaan, om Emin Pacha gevangen te nemen en hem geboeid naar Rejaf te voeren. Sinds dien tijd had het iste bataljon zijn Gouverneur getart en hem nu en dan be-leedigende brieven gezonden. Enkele Egyptische en Soedaneesche officieren vestigden zich in Makraka en de landen daar rondom, waar zij het leven leidden van rooverhoofden en de inboorlingen met groote wreedheid behandelden.

Het 2de bataljon gaf zijn trouw en welgezindheid jegens zijn Gouverneur te kennen en, naar Emin mij vertelde, vertrouwde hij de soldaten onvoorwaardelijk en was hij verzekerd dat zij zijne bevelen zouden gehoorzamen. Terzelfder tijd zeide hij echter, dat er eenige officieren bij het 2'le bataljon dienden, voornamelijk Egyptenaren, van wie hij wist, dat zij niet vriendschappelijk jegens hem waren gestemd.

Hij liet zich vrij sterk uit over de Egyptische olficieren en schrijvers, waarvan er zes en vijftig in de Provincie zouden zijn, en beklaagde zich bitter over de politiek van de Egyptische regeering, die zijn Provincie in een soort van Botany Bay had herschapen, werwaarts het schuim van Egypte werd verbannen. Naar zijne mededeeling was er nauwelijks één Egyptenaar in de Provincie, die op dat oogenblik geen banvonnis uit Egypte ten zijnen laste had voor moord, oproer of roof op den openbaren weg.

Dit was voor mij een vrij belangrijke openbaring, want, hoewel wij uit hetgeen hij ons te N'sabe had verteld, allen wisten, dat hij moeilijkheden had in zijne Provincie, hadden wij niet gedacht, dat de opstand zoo diep wortel bij zijn volk had geschoten. Het verwonderde mij voorts, dat dr. Junker, die in het land was toen de opstand van het

-ocr page 69-

li ™ 'i

'■ '• ff

1;i liif

i

(fl i

;|;|H

i:|ffl

a

M

la

PIP |

ill

H

i |iH l'i :: ,,:S

IfM ■i li

ll

i; 'J.L

I |

; ü ;1

' l?

:ji

lii

-ocr page 70-

■ ■ ■ ■

-•V ■

in pi

.. .. , . :

-ocr page 71-

1

til

EMIN PACHA. 43

iste bataljon uitbrak, daarvan niets in Europa had medegedeeld. Door Kapitein Casati kreeg ik dieper inzicht in den toestand en de overtuiging, dat er gevaar bestond. Hij vertelde mij, dat Emin niet kon of wilde zien, hoe ernstig de staat van zaken in het land was geworden.

Toen Soeleiman Aga naar het station was teruggekeerd, liet ik hem roepen en sprak hem over vertrek uit het land. Hij antwoordde : AVaar de Pacha heengaat, volgen mijn soldaten en ikquot;; en zijn handen samenvouwende, zoodat zij een cirkel vormden, voegde hij erbij ; gt;üit zijn mijn soldaten en de Pacha loopt in het midden ; op die manier zullen wij optrekken, langs welken weg de Pacha verkiest.quot;

Hij sprak over hetgeen, tijdens zijne afwezigheid, in het station had plaats gehad en zeide, welk een eindelooze bron van onrust de Egyp-tenaars, en vooral de schrijvers, altijd voor den Gouverneur waren geweest, maar voegde er bij, dat door hunne meeningen volstrekt niet die van de Soedaneezen werden vertegenwoordigd, die, bij hen vergeleken, als dood waren.

Den volgenden dag gaf Emin bevel, al het volk te monsteren, opdat ik het zou toespreken en de manifesten van den Khedive en Nubar Pacha voorlezen, evenals Stanley's proclamatie aan de soldaten, welke luidden als volgt :

i \:'Üt

iAan Zijne Excellentie Mehrneci Eniin,

»Moedir van Hcitalastiva.quot;

ld :li® 11': I'

} i

S

II

' fi®

I; M ,gt;!'8 =

gt;Eenigen tijd geleden heb ik u geprezen om uw dapperheid en om het stand houden van u, uwe officieren en soldaten, alsmede om uwe zegepraal over de tegenspoeden, die u beklemden, en heb ik u beloond, door u den hoogen rang van Generaal te verleenen, elke bevordering bekrachtiofd, door u aan uwe officieren toegekend, en u van dit alles

O ' ö

kennis gegeven bij mijn Souverein schrijven van 29 November 1S86, nquot;. 31. Zeer zeker is u deze brief ter hand gekomen, tegelijk met de missive, door onzen Eersten Minister Nubar afgezonden. Ik ben zeer ingenomen met uw kloek gedrag en met al hetgeen gij, uwe officieren en soldaten hebt gedaan; en daarom heeft mijne regecring zich onledig gehouden met de middelen, om u te helpen, en, zoo mogelijk, te redden

If:

-lii

(

JiÉ

-ocr page 72-

jïïpiison,

uit de klem, waarin gij u bevindt. Nu is er een krijgsmacht op de been gebracht onder leiding van den heer Stanley, den uitnemenden geleerde, die bekend is in alle oorden van de wereld, om zijn groote kunde en voortreffelijkheid als reiziger. Deze Expeditie staat nu gereed, om zich tot u te begeven, met alles wat gij noodig hebt in levensmiddelen van allerlei soort, en om u, uwe officieren en soldaten naar Egypte te brengen, langs den weg, dien de heer Stanley het verkieselijkst en gemakkelijkst zal oordeelen om te volgen. Ik gelast u derhalve door dit mijn bevel, 't welk gij door middel van den heer Stanley bekomt, om u met al deze zaken bekend te maken, ze na ontvangst mede te deelen aan uwe officieren en soldaten en hun mijne Souvereine groeten voor te lezen, met de bedoeling hen van een en ander op de hoogte te stellen. Ter zelfder tijd geef ik u, uwe officieren en soldaten volledige vrijheid, om te blijven waar gij zijt of te zorgen mede te komen met de Expeditie, die u nu wordt gezonden Onze regeering heeft besloten, u en al de beambten, officieren cn soldaten al de traktementen en belooningen, aan ulieden verschuldigd, te betalen. Mocht evenwel eenig officier of soldaat in het land wenschen te blijven, hem staat zulks vrij ; maar hij doet dit dan op zijn eigen verantwoordelijkheid en iroet in 't vervolg hoegenaamd niet rekenen op eenigen steun van deze regeering. Breng hun dit alles nu duidelijk aan het verstand en deel het woordelijk aan al uwe officieren en soldaten mede, opdat elk wete wat hij wil. Dit is ons Souverein bevel.

gt; Mohammed Tewfik.quot;

8 Jumad Owel, 1304.

»A an Zijne Excellentie Mehmed Emin Pacha, Gonverneur van de Equatoriaal Provincie.quot;

»Ik heb u, door bemiddeling van het Engelsche Consulaat in Zanzibar, een brief doen toekomen van onzen Doorluchtigfen Soeverein.

O '

waarin hij u dank zegt voor de dapperheid en den moed, door u, uwe officieren en soldaten betoond, waarin hij u prijst om uw dapperheid, volharding en zegepraal over de tegenspoeden, die u beklemden en waarin hij zijn waardeering van u uitdrukte, u den verheven rang van

44

-ocr page 73-

i

T

f'; : 'ri

e.min 1'acha.

Generaal toekende en de bevorderingen en belooningen bekrachtigde, door u aan uwe officieren verleend. Tegelijkertijd gaf ik u kennis, dat er een Expeditie zou worden uitgezonden, en nu deze Expeditie is geformeerd, onder leiding van den heer Stanley, die u dezen brief zal ter hand stellen, en deze Expeditie thans gereed staat, om naar u te vertrekken.... naar Egypte langs den weg, die den heer Stanley het geschikst voorkomt.... Onze Verheven Souverein geeft u, de officieren en soldaten, die bij u zijn, de volle vrijheid..., om in staat te wezen, terug te keeren met de Expeditie, die u thans wordt toegezonden. Maar gij moet wel begrijpen en dit ook doen begrijpen door al uwe officieren, soldaten en anderen, dat het iemand, die mocht verlangen te blijven in het land, waarin hij nu is, vrij staat dit te doen ; maar dat hij zulks dan doet op zijn eigen verantwoordelijkheid en voor het vervolg niet de

minste ondersteunino; van dit Gouvernement behoeft te verwachten. Dit

«_gt;

is hetgeen onze Verheven Souverein van u verlangt duidelijk te doen begrijpen aan elk, die begeert te blijven. Het is onnoodig u te zeggen, dat wij u, uwe soldaten en burgerlijke beambten de soldijen en bezoldigingen, u verschuldigd, zullen uitbetalen, daar Onze Doorluchtige Meester al uwe rangen heelt bekrachtigd. Ziedaar alles ; ik hoop, dat de heer Stanley u in goede gezondheid en veiligheid mag aantreffen. Dit is de oprechte wensch van mij voor u allen.

Geschreven 9 jumad Owel, 1304 of 2 Februari 1887 nquot;. 2.

(get) Nub ar.

»Reis Medglis en Nuzar.quot; (d. i. Voorzitter van den Ministerraad).

De leemten in den brief van Nubar waren door vochtigheid uitgewischt.

Men zal uit deze brieven zien , dat Emin of zijn volk niet ronduit werd bevolen de Provincie te verlaten, terwijl hun ook geen belofte werd gegeven van indienststelling, als zij in Egypte kwamen. De brief van 29 November 1886, waarvan de Khedive in zijn schrijven spreekt, kwam Emin nooit in handen.

Thans volgt hier de aanspraak van Stanley tot de soldaten : —

45

a

i 11]

ill

1

■; v-

f

lil ii

ii

• V ' •?: f

: I

i.r m

v

|l 1;

I

'ml

V

1 '' : il

11

-ocr page 74-

JEl'IISON,

«Soldaten van Emin Facha !

»Na een langen tocht van Zanzibar af, heb ik eindelijk uwe Nyanza bereikt en uw Pacha gezien. Ik ben gekomen op uitdrukkelijk bevel van den Khedive Tewfik, om u uit dit land te geleiden en den weg te wijzen naar Egypte. Want gij moet weten, dat de rivier el Abiad gesloten en Khartoem in handen is van de aanhangers van Mohammed Achmet, dat de groote Pacha Gordon en al zijn volk, meer dan drie jaren geleden, werden gedood en dat het land en de rivier tusschen VVady Haifa en den Bahr Ghazal bezet is door uwe vijanden en de oproerlingen.

«Viermaal hebben de Khedive en uwe vrienden pogingen aangewend, om u te helpen. Eerst werd Gordon Pacha naar Khartoem gezonden, om u allen naar uw land terug te brengen, maar voor hij Khartoem veilig kon verlaten, werd die stad genomen en hijzelf gedood.

«Daarop naderden de Engelsche soldaten Khartoem, om te trachten Gordon te helpen, maar zij waren vier dagen te laat, want Gordon was dood en Khartoem verloren.

»Vervolgens kwam Dr. Fischer langs de Nyanza van Oeganda, maar hij trof te veel vijanden op zijn pad aan, keerde naar huis terug en stierf.

»Eindelijk kwam L)r. Lenz langs den Kongo, maar hij kon geen lieden genoeg bekomen, om zijn goederen te dragen en ging ook terug.

gt;lk deel u dit alles mede, om u te bewijzen, dat gij in Egypte niet werdt vergeten. Neen, de Khedive en zijn vizier Nubar Pacha hebben zich altijd met u bezig gehouden, hoewel zij u niet konden bereiken. Zij hebben over Oeganda van uw' Pacha gehoord, hoe dapper gij op uwe posten zijt gebleven en hoe getrouw gij zijt geweest aan uwe verplichtingen als soldaten.

♦ Daarom zenden zij mij, om u dit mede te deelen, en u te zeggen, dat men wel aan u heeft gedacht en uwe belooning u wacht. Tevens zegt de Khedive, dat gij, als gij denkt, dat de weg te lang is ot als gij tegen de reis opziet, hier moogt blijven, maar, als gij dit doet, niet langer zijn soldaten zijt, en uw soldij dadelijk ophoudt ; dat gij, als u later eenig onheil overkomt, volstrekt geen hulp van hem hebt te

46

-ocr page 75-

emin pacha.

wachten. Wanneer gij besluit hem te gehoorzamen en mij te volgen, wijs ik u den weg naar Zanzibar, breng u daar aan boord van een stoomboot, neem u mede naar Suez en van daar naar Kairo, terwijl uw soldij doorloopt, tot gij in Egypte aankomt, alle bevorderingen, hier gemaakt, u blijven gewaarborgd en alle u toegezegde belooningen u daar voluit zullen worden betaald.

gt;Ik zend een mijner officieren, den heer Jephson, om u deze boodschap voor te lezen, en opdat gij weten moogt, dat hij van mijnentwege komt, leen ik hem mijn zwaard. Ik ga nu een eind terug, om al mijn volk en (joederen te verzamelen en herwaarts te brengfen. Binnen wei-

O O

nige maanden — Inshallah — zal ik terugkomen, om te hooren, wat gij hebt te zeggen. Als gij zegt : »Laat ons naar Egypte gaan,quot; zal ik u een veiligen weg wijzen, u vergezellen en niet verlaten, vóór gij voor den Khedive staat. Als gij zegt: gt;Wij willen dit land niet verlaten!quot; zal ik u vaarwel zeggen, met mijn eigen volk naar Egypte terugkeeren en den Khedive uw antwoord overbrengen,

»Moge God u behoeden !

»Dit zijn de woorden van uw goeden vriend,

(get.) »stanley.quot;

De soldaten, schrijvers en beambten waren allen in't gelid geschaard en gekleed in hun beste uniformen en kleederen Zij zagen er werkelijk zeer goed uit, terwijl vijt Turksche vaandels wapperden en de trompetters in hun helder roode pakken aan het hoofd van de linie stonden. Toen Emin en ik naderden werd met de vaandels gesalueerd en bliezen de trompetters het Egyptische volkslied. Ik richtte daarop, door middel van Binza, het woord tot hen, en hield een korte toespraak, waarin ik hun mededeelde het ontstaan van de Expeditie, het een en ander van hetgeen ons onderweg was overkomen en de reden, waarom Stanley mij had afgezonden, om het woord tot hen te voeren. Ik gaf daarop den schrijver van het station bevel het manifest van den Khedive en den brief van Nubar Pacha voor te lezen, die in't Arabisch waren opgesteld; toen dit was afgeloopen, las ik hun Stanley's aanspraak voor.

Toen ik daarmede gereed was, hieldeu verschillende lieden korte betoogen, die allen uitdrukking moesten geven aan hun trouw en toewij-

47

-ocr page 76-

Jephson,

ding aan hun Gouverneur. Na hun te hebben medegedeeld, dat ik hen morgen zoude oproepen, om hun besluit te vernemen, oi zij verkozen in het land te blijven of het met ons te verlaten, hieven zij driemaal aan : »Leve de Khedive !quot; en rukten in.

Dien ten gevolge kreeg ik den volgenden dag al de lieden, om hun besluit mede te deelen.

Eerst verscheen Soeleiman Aga, de bevelhebber van de geregelde troepen te Toengoeroe en commandant van het station ; hij bracht zijn luitenant en zes sergeanten mede. Ik legde hun uit, dat de ontruiming van dit land niet gemakkelijk zou gaan en dat zij onder weg, indien zij met ons gingen, een zware taak zouden vinden. Ik vroeg hun vervolgens of zij naar Egypte wenschten te gaan, waarop zij ten antwoord gaven, dat zij dit alquot;es reeds met elkaar besproken en besloten hadden te blijven, wanneer de Pacha bleef; zoo de Pacha ging, gingen zij mede. Ibrahim Aga, de aanvoerder van de ongeregelde troepen, kwam vervolgens binnen met zijn zes onderofficieren, die mij op mijn vraag, oi zij al dan niet naar Egypte wenschten te vertrekken, hetzelfde antwoord gaven als de geregelde troepen. Deze lieden kwamen uit de streken in den omtrek van Dongola en waren van Emin's manschappen de bruik-baarsten. Daarop volgden de schrijvers en de burgerlijke beambten, die mij woordelijk hetzelfde antwoord gaven als de vorigen.

Het werd mij derhalve duidelijk, dat deze lieden geen neiging ge voelden om naar Egypte te gaan.

Zij spraken allen met den hoogsten eerbied van Effendina (den Khedive), maar voor hen was hij steeds gt;een man in de wolken.quot; Men had hun allen gezegd, dat hij hun sultan en de vlag, die zij met zooveel welgevallen, bij iedere gelegenheid zagen wapperen, de zijne was, maar dat alles, wat zij van hem wisten, daarin bestond, dat hij fraaie beloften had gegeven, maar hen al de verloopen jaren niet geholpen noch hun soldij betaald had. Zij hadden behoefte aan een man van vleesch en bloed, tot wien zij konden opzien als hun Gouverneur, en die hen verzorgde en kleedde. In den brief van den Khedive werd hun alleen de belofte gedaan van soldijbetaling tot op het tijdstip van aankomst in Egypte, en hoegenaamd geen melding gemaakt van hetgeen hun in 't vervolg te doen stond. Daarenboven waren de meesten van deze zoo

48

-ocr page 77-

EMIN PACHA.

genaamde Soedaneezen aangeworven uit de stammen van Dinka, Madi, Boroe,Shefaloe, Niam-Niam, Bongo, Makraka, Monboettoe of Moeroe, terwijl het land min of meer geleek op hun eigen bakermat, waar zij groote gezinnen konden houden en leven naar de wijze van het land. Zelfs voor het geval hun plaatsing in Egypte was beloofd, zouden zij nooit hunne ondergeschikten hun loon hebben kunnen verzekeren en nooit zouden zij te bewegen zijn hun vrouwen en kinderen in den steek te laten. Egypte bezat voor hen hoegenaamd geen aantrekkelijkheden, zoodat het volstrekt geen verbazing wekte, dat hun antwoord luidde dat zij hun Gouverneur wenschten te volgen, die zich tal van jaren met hen had bemoeid en hen gekleed.

Met de Egyptenaars stond de zaak natuurlijk heel anders en Emin dacht dat zij in elk geval zouden willen vertrekken.

Soeleiman Aga beweerde later, dat het goed zoude zijn, wanneer dit land als niet langer houdbaar werd beschouwd, het volk met zijn Gouverneur naar een landstreek te brengen, die van de zee was te bereiken en het vrij'te laten, zich daar te vestigen, 't Was opvallend dat hij aan zoodanig plan zou hebben gedacht, want in een zijner brieven aan Nubar Pacha had Emin zelf het reeds eenige maanden geleden gemaakt.

Toen Stanley bij het meer was gekomen, had hij den Pacha drie voorstellen gedaan, waarvan een de bedoeling had, dat Emin zijn volk zich zou laten vestigen in Kavirondo aan de Victoria Nyanza, voor't geval het niet naar Egypte wenschte te vertrekken. Dit strookte dus met de beide plannen van Soeleiman Aga, maar ik liet mij daaromtrent geen woord ontvallen, daar mij ernstig was opgedragen in het oog te houden, dat wij in de eerste plaats onze verplichtingen jegens den Khedive hadden te vervullen.

Met het oog op het feit, dat Emin, na zoo langdurige afwezigheid zeer veel te doen had, en op mijn aanhoudende aanvallen van koorts, waren wij niet vóór den 2 5sten Juni in staat uit Toengoeroe te vertrekken. Er was besloten, dat wij over land naar Wadelai zouden gaan, daar Emin eenige moeilijkheden wenschte uit den weg te ruimen, opgekomen tusschen zijn volk en een opperhoofd der inboorlingen, wiens land wij op onzen tocht naar Wadelai moesten doortrekken. Terwijl de soldaten,

49

-ocr page 78-

J El'HSON,

gelijk gewoonlijk, allen in het gelid stonden om den Gouverneur te begroeten, verlieten wij te half zeven het station.

Emin zat op een ezel en ik op een Abessynisch muildier, door mij geleend van den apotheker Vita Hassan ; 't was een aardig en mooi dier, had veel van een pony uit Shetland en droeg mij zeer goed. Onder het rijden deed Emin telkens waarnemingen met een kompas ; hij was er zeer op gesteld den weg tusschen Toengoeroe en Wadelai te volgen en zoodoende een volledig overzicht te krijgen van alle wegen, die zijn stations verbonden.

Het land, dat wij doortrokken, was een prachtig open veld, gelegen tusschen de bergen en het meer, hier en daar bezet met boomen en bloeiende heesters. Na een paar uren kwamen wij aan een mooie plek, begroeid met acasia's, die vrij lommerig en ruim van wild voorzien was. Na deze te zijn doorgetrokken, bereikten wij een gedeelte van de vlakte, rijker aan boomen en heesters, waaronder kudden spring-bokken 1) en koedoe's 2) graasden en het paarlhoen 3) menigvuldig; was. Den geheelen weg langs waren de sporen van olifanten, luipaarden en hyena's duidelijk in den weeken modder te herkennen.

Omstreeks tien uur kwamen wij weder in het vrije veld, waarop zich vele dorpen in kleine groepen bevonden en wij groote kudden geiten op verschillende punten van de vlakten zagen grazen, elke kudde onder de hoede van twee of drie inboorlingen, volledig met bogen en speren gewapend. Rondom ieder dorp, ot, om ons juister uit te drukken, rondom iedere afzonderlijke groep hutten bevond zich een boma of heining van dorre mimosastruiken, waarvan de takken zóó volkomen door een rag van spinnewebben waren bedekt, dat elk dorp omhangen scheen door een gordijn van het fijnste witte gaas. De hutten hadden allen den gewonen bijenkorfvorm en waren gebouwd van gras waarmede vrij kwis-

1

Naam afkomstig van de Nederlandsche Kolonisten aan de Kaap en overgenomen door de Duit-schers en ICngelschen (SpvinghocU, Springbuck); Antilope Enchore Forst. Vertaler.

2

Sircpsiceros Kudu. In een noot op blz. 371 deel I van Stanley: win Afrika's donkere Wilder nissenquot; staat 5quot; t rep sic er os Capcnsis. Vertaler.

3

Nnmida mcleagris; van eene andere soort, Numida ptiloryncha, voorkomende in de dorste streken van Oost-Afrika, stammen volgens enkele natuuronderzoekers de tamme paarlhoenders af (vergelijk Darwin : Huisdieren en Cultuurplanten, bewerkt door Dr. H. Hartogs Heys van Zouteveen en Dr. T. C. Winkler II, 340). Vertaler

-ocr page 79-

EMIN 1'ACIIA,

tig was omgegaan. De inboorlingen bestrijken den binnenkant ter hoogte van bijna 1 M. met een mengsel van modder en koemest, zoodat een soort van teerling over de geheele binnenruimte van de hut wordt gevormd. Elke hut had een eigenaardig portaal, dat het voorkomen had van een hooafe zakvormiwe muts. Met uitzondei inof van eenhje weinige

00 o o o

strooken gronds, waarop groenten werden verbouwd, zagen wij geen spoor van ontginning bij de dorpen. De inboorlingen voeden angst voor de strooptochten van Kabba Rega's onderdanen en hebben hun akkers met gierst '), doerrha •), maïs en aardappelen op de heuvels verderop, terwijl zij slechts een kleine hoeveelheid voor dagelijksch gebruik bewaren in de kleine graanschuren, midden in de dorpen. Wij hielden een half uur halt en rustten uit onder het lommer van een grooten vijgenboom, nabij het voornaamste dorp. toebehoorende aan Boki, het opperhoofd van dit dis-trikt. De inboorlingen brachten onze lieden in groote aarden kruiken massa's koel helder water en mij eene kolossale schaal gestremde melk, een ware verversching na den langen tocht in de zon. Van hier uit hadden wij een goed uitzicht op het einde van het meer, dat langzamerhand smaller wordt tot aan de plaats, waar de Nijl het verlaat en als een flinke rivier, in hoofdzakelijk noordelijke richting, wegstroomt. Wij konden in de verte de rivier zich als een zilveren lint door de vlakte zien slingeren. Naar het oosten kregen wij op grooten afstand het gezicht op eenige prachtige bergen van Oenyoro, die in drie scherp belijn-de pieken oprezen en 2100 a 2200 M. hoog zullen geweest zijn. Aan den overkant van de rivier lag het station Magoengoe, dat voor drie jaren was verlaten om Kabba Rega's vijandelijke houding. Er stak een aangename bries op uit het meer, die heel den bladerendos van onzen boom deed ruischen en ons een heerlijk gevoel van koelte en rust bezorgde.

Even voor ons vertrek kwam de lievelinsfsvrouw van Boki zich aan de voeten van den Pacha werpen, met de bede haar man te verlossen, die zich te Toengoeroe in gevangenschap bevond. Emin scheen vijf maand geleden aan Boki een brief voor Kabba Rega te hebben toevertrouwd, waarvan hij de bezorging op zich had genomen. Hij betaalde hem voor zijn moeite rijkelijk met ivoor, maar een maand geleden had

1) Panicum miliacmm. Vertaler.

2) Doema of Sorghum Vulgare. Vertaler.

51

-ocr page 80-

JEl'IISÜN,

een van de soldaten den briei in Boki's hut eevonden en hem aan den

O

Pacha gebracht, zoodat Boki gevangen werd gezet. In antwoord op haar verzoek, beloofde Emin de vrijlating van haren man ; hij was veel te weekhartig, om weerstand te kunnen bieden aan de smeekbeden van eene vrouw in tranen.

52

Na een uur rust trokken wij verder, want wij hadden een langen weg af te leggen, voor wij de plek waar wij wilden kampeeren, konden bereiken. De vlakte die wij doorliepen, was dicht bezet met acasia's en

jasmijnen. Deze acasia's zijn bedekt met lange en scherpe doornen, welke uit een soort van ronde holten groeien, waarin tallooze kleine zwarte mieren hare nesten maken. Met het oog op de doornen en de mieren, is een kreupelbosch van acasia's hoogst onaangenaam om door te rijden. Deze soort acasia's bereiken nimmer den wasdom van een groeten boom en worden nooit hooger dan 4l/2 a 5 M ; zij hebben vederachtige witte bloesems met zeer aangenamen reuk, waardoor, evenals door dien van de jasmijnen, de lucht geheel van geuren was vervuld.

-ocr page 81-

EMIN 1'ACIIA.

Tallooze vlinders fladderden om de bloesems rond, maar wij konden niet toeven, om er een enkelen van te vangen, 't geen mij zeer speet, omdat er vele soorten bij waren, die ik nog nooit had gezien. Diep in den namiddag trokken wij over twee breede, effene, lage vlakten, ruim I/a M. boven de oppervlakte van de rivier gelegen. 'Ms de waterstand op den Nijl hoog is, staan zij voor 't grootste gedeelte enkele meters onder water, maar hoewel hot juist de tijd was van hoog water op die rivier, had het dit jaar zoo weinig geregend, dat de waterstand nauwelijks hooger was dan bij lagen Nijl. Emin maakte de opmerking, dat hij den Nijl nimmer zoo laag had gezien, sedert hij in de Equatoriaal provincie verkeerde, als thans, waarop zich een gesprek ontspon, hoe het komen zou, dat de Nijl in Egypte zoo ondiep was: Later hoorde ik in Kaïro, dat in 1888 de laagste waterstand, sedert vijftien jaar, in Egypte op den Nijl was waargenomen. Hieruit valt op te maken, zelts op zulk een' grooten afstand van zijn uitmonding, welk een grooten invloed de Witte Nijl heeft op de hoofdrivier. Te half vijf bereikten wij een distrikt, toebehoorende aan een opperhoofd, Okello geheeten, die met onze komst bekend was en een groep hutten voor ons in gereedheid had gebracht. Hij was een dikke, vroolijke oude man, maar zeer vuil en verspreidde een onaangenamen reuk. Vroeger was hij een hardnekkig vijand van Emin, maar hij was geheel veranderd en rekende hem nu tot zijn beste vrienden. Wij aten kabobs, kleine stukken vleesch en spek, om het ander aan een stok geregen en bij het vuur gebraden — een lievelingsgerecht bij de Turken. Wij gingen vroeg naar bed, want ik was zeer vermoeid, daar wij 2quot;, K. M. in de brandende zon hadden afgelegd, waarvan ik de helft te voet had gedaan.

O

Den volgenden morgen braken wij om vier uur op. De zon was nog niet op en het was heerlijk frisch en koel. Het land, dat wij doortrokken, was zeer schoon en glooide flauw, maar miste elk spoor van een' weg. Te acht uur hielden wij halt in een dorp, waarvan Amadji het opperhoofd was, een knappe jonge man met aangename manieren en sierlijk uitgedost in goed bewerkte huiden. Ik merkte hier op, dat de vrouwen zich een eigenaardig sieraad van, helcier wit kwarts door de lippen staken. Deze ornamenten, zoo helder als kristal en prachtig ge-

53

-ocr page 82-

JEI'IISON ,

polijst, waren ongeveer 77, c.M. lang en gingen op de grappigste manier op en neer, als de draagster sprak.

Amadji gal ons tien zijner onderdanen mede, die elk een groote aarden kruik met water droegen, om onze lieden onder weg te laten drinken. De weg liep door een prachtige landstreek, die veel van een park had en langs een keten van eenige lage met bosch begroeide heuvels, van waar wij van tijd tot tijd prachtige gezichten hadden op de rivier. Wij bereikten vroegtijdig de plek van ons kamp, bestaande uit een schoone dreet met tamarinden, terwijl Emin's lieden in ongelooflijk korten tijd, groote hutten van gras in gereedheid brachten. Beneden ons lag de rivier, wier oevers omzoomd waren met papyruspoelen, waaruit tegen den avond wolken muskieten en insekten van allerlei aard opkwamen en ons vroegtijdig noopten, ons onder onze muskietenschermen terug te trekken.

Den geheelen nacht door zwierven op buit beluste luipaarden en hyena's om het kamp en vele malen werd er alarm geslagen, om hen te verdrijven. Na den volgenden dag een paar uren te hebben geloopen, kwamen wij bij een groote groep dorpen, onder het bestuur van een opperhoofd, Wadelai geheeten. liet geheele district en Emin's station waren naar hem genoemd. Wij ontmoetten hem, terwijl hij ons met enkele zijner hoofden voor een van de dorpen opwachtte. Hij was een bijzonder zwaar oud man, met goedig uiterlijk, gehuld in een lang morsig kleed, een soort van chambercloak ; nooit had ik zulk een zwaarlijvig inboorling gezien, daar zij in hun eigen land gewoonlijk mager zijn.

Hier vertoefden wij eenigen tijd, daar Emin verschillende zaken met hem had te regelen. Toen de «Shauriquot; was afgeloopen, vertrokken wij en konden, weldra nog slechts uit de verte, Wadelai zien, de plaats, waaruit Emin het laatst had geschreven en waarop de aandacht van de beschaafde wereld was gevestigd, toen wij Engeland verlieten. Zij was gelegen op den top van een afzonderlijken heuvel van bijna 100 M., die steil nevens de rivier oprees. Wij trokken door een schoon, maar klein bosch van acasia's, welke niet tot de kortstammingen behoorden, maar tot groote woudboomen waren opgegroeid. Er wies geen onderhout, maar alleen gras, waarop het zonlicht, tusschen de boomen door, in kleine schakeeringen neerviel, terwijl er een heerlijk koele bries door heen blies en een regen van witte bloesems op ons nederstortte.

54

-ocr page 83-

HOOFDSTUK III.

VAN WADELAI NAAR DUFFLÉ.

Aankomst te Wadelai. — Emin's huis van binnen. — Signor Marco. —Farida. —Erain's liefde voor de wetenschap. — Het station Wadelai. — De Wahoema's. — Herinneringen Sir Samuel Baker. — Nyadoeé of de Morgenster. — Deputatie van het isto bataljon. — Poging om Fort Bodo te ontzetten. — Faratch Aga. — Staat van zaken te Rejaf. — Emin in de schatting van Hamad Aga. — Twijfel aan Emin's wijsheid. — Beschaming van Faratch Aga. — Emin haalt een klucht uit. — Woestheid van de krokodillen. —Krokodillenjagers van den stam Bari. .— Antwoord van de soldaten te Wadelai. — Emin's ivoor. — Vertrek naar Duflló. —-Versperringen in den Nijl. — Wij komen in Dufflé aan. — Een vreemde gewoonte. — Beschrijving van 't station Dufflé. — Regeeringsgebouwen, — Hawashi Eftendi, — Hawashi Ef-fendi's oordeel over schurkerijen der Egyptenaren. — Een Arabierenfeest. — Waarschuwing van Hawashi Effendi. — Meerdere twijfel.

Te half twaalf bereikten wij Wadelai. l)e soldaten stonden allen in 't gelid en begroetten hun Gouverneur op de gebruikelijke wijze. Daar het Emin's hoofdkwartier was en de zetel der resfeerinof, waren de sol-

ö O 1

daten allen kranige lieden en veel beter gekleed dan die op de andere stations, terwijl er een uitgebreide staf schrijvers en beambten was van allerlei soort, gekleed in wijde wit katoenen pakken. Onder het spelen

van een vroolijke melodie, geleidde ons een eerewacht door het station

o

-ocr page 84-

56

naar Emin's divan, een groote ronde kamer van bamboes; zij was keurig gemeubileerd en zag er huiselijk uit. Twee groote boekenkasten droegen veel bij tot een gezellig uiterlijk. Hier kwamen al de beambten, de militaire zoowel als de burgerlijke, om Emin en mij te begroeten, en moesten wij ons de gebruikelijke onaangename handkussen laten welgevallen. In een lange rij kwamen zij de eene deur binnen, begroetten ons en gingen de andere weder uit. Toen deze plechtigheid was afgeloopen, kwam Signor Marco, een Grieksch koopman, vroeger in de provincie gekomen om handel te drijven, thans er van nood verblijf houdend, daar al de wegen naar de kust waren gesloten, ons een bezoek brengen. Hij bewaakte het huis van den Pacha en behandelde zijn particuliere zaken, wanneer deze afwezig was. Thans kwam hij verslag doen en bracht Emin's dochtertje Farida mede. Eenige jaren geleden had de Pacha een Abes-synische vrouw getrouwd, uit welk huwelijk twee kinderen, een jongen en een meisje, waren geboren. De jongen stierf kort na zijn geboorte, en de moeder overleed, kort nadat Farida ter wereld was gekomen, aan een inwendige kwaal.

Emin scheen zeer aan het kind gehecht; hij had het op den arm, toen hij mij kwam opzoeken en vertelde mij van den dood der moeder dien hij zelfs, na een tijdsverloop van drie jaar, nog zeer scheen te gevoelen. »De kleine Farida,quot; zeide hij, »is alles wat ik nu nog heb op de wereld.quot; Het was een vroolijk, aardig meisje, niet donkerder van gelaatskleur dan haar vader, op wien zij veel geleek. Zij droeg, als de kleine Arabische meisjes, bonte kleederen, maar zag er buitengemeen keurig uit.

Op bevel van den Gouverneur had men een nette hut voor mij in gereedheid gebracht, gelegen op hetzelfde voorplein als de divan en omgeven door een prachtigen lommerigen tuin, vol limoenboomen ', oranjes 1 en granaatappels :i, die allen rijkelijk droegen. Ook had men eenige mooie acasia's, van de soort die in Oeganda voorkomt, in de nabijheid van de woning geplant, welke een aangename schaduw gaven. Midden in den tuin bevonden zich een regenmeter en een gebouwtje, waarin Emin zijn aneroïde barometers, thermometers en andere instrumenten

1

Citrus aurantium. Vertaler.

3} De vrucht van een boom beboerende tot het geslacht Puuica. Vertaler.

-ocr page 85-
-ocr page 86-

JEPHSON,

naar Emin's divan, een groote ronde kamer van bamboes; zij was keurig gemeubileerd en zag er huiselijk uit. Twee groote boekenkasten droegen veel bij tot een gezellig uiterlijk. Hier kwamen al de beambten, de militaire zoowel als de burgerlijke, om Emin en mij te begroeten, en moesten wij ons de gebruikelijke onaangename handkussen laten welgevallen. In een lange rij kwamen zij de eene deur binnen, begroetten ons en gingen de andere weder uit. Toen deze plechtigheid was afgeloopen, kwam Signor Marco, een Grieksch koopman, vroeger in de provincie gekomen om handel te drijven, thans er van nood verblijf houdend, daar al de wegen naar de kust waren gesloten, ons een bezoek brengen. Hij bewaakte het huis van den Pacha en behandelde zijn particuliere zaken, wanneer deze afwezig was. Thans kwam hij verslag doen en bracht Emin's dochtertje Farida mede. Eenige jaren geleden had de Pacha een Abes-synische vrouw getrouwd, uit welk huwelijk twee kinderen, een jongen en een meisje, waren geboren. De jongen stierf kort na zijn geboorte, en de moeder overleed, kort nadat Farida ter wereld was gekomen, aan een inwendige kwaal.

Emin scheen zeer aan het kind gehecht; hij had het op den arm, toen hij mij kwam opzoeken en vertelde mij van den dood der moeder dien hij zelfs, na een tijdsverloop van drie jaar, nog zeer scheen te gevoelen. »De kleine Farida,quot; zeide hij, »is alles wat ik nu nog heb op de wereld.quot; Het was een vroolijk, aardig meisje, niet donkerder van gelaatskleur dan haar vader, op wien zij veel geleek. Zij droeg, als de kleine Arabische meisjes, bonte kleederen, maar zag er buitengemeen keurig uit.

Op bevel van den Gouverneur had men een nette hut voor mij in gereedheid gebracht, gelegen op hetzelfde voorplein als de divan en omgeven door een prachtigen lommerigen tuin, vol limoenboomen ', oranjes 1 en granaatappels ;i, die allen rijkelijk droegen. Ook had men eenige mooie acasia's, van de soort die in Oeganda voorkomt, in de nabijheid van de woning geplant, welke een aangename schaduw gaven. Midden in den tuin bevonden zich een regenmeter en een gebouwtje, waarin Emin zijn aneroïde barometers, thermometers en andere instrumenten

56

1

3j De vrucht van een boom behoorende tot het geslacht Pmiica. Vertaler.

-ocr page 87-
-ocr page 88-

mm

■ ■ v- |||S'

10

■ ■

-

............- ■ - -......

w\

'quot;i- •■ 'i' •quot; ■ v

(......... -

••■;•■-■ ,, ■ .....

:

;£'P^ ■ |

IP

I

.......

^vs.'^v-^:^;:, -• ,.•■.- IJ ... ., .,v. : ''fWs-^v, f' 'roiCv ' ^ ;. v : r ... .. c .....^., ,'1-.,-..V:.l ■ . :■ . .■..V'';;t-;;.';,:^:'r

, .. .

nn

:quot;'^^^sni mi

M

R

■ ■

'..'A.iiMÏ'-iv.t

.

.■ ,. . .....

., . lt;ïc',3ii

'••-•!■•:!:•?- -- : • t'. ■

, ...,,

■■■■■■•■■

.- .. .. ... ... ....

. .

s ■

. ., ■.,.. , . ,.. .......... .. .. • . . ,. . . - .

........ .. .......

...... . .....

. . tókui ...

)5fquot;'«w gt;4- ^ V 'ïf!' ^'f- 'lt;i- •

■■■■' • ........

.

........

... : . . .

-*pifi Vmm |m|B

H

■•gt; - ■ 1 .

-ocr page 89-

59

M#!

!i

L : J

EMIN PACHA.

r ill

bewaarde. Hij deed altijd drie keer daags meteorologische waarnemingen en heelt aanwijzingen van de laatste zeven ot acht jaar ; deze opgaven moeten bijzonder belangrijk zijn en waarde hebben voor de wetenschap.

Van dezen buitenhof kon men op een binnenplaats komen, waarop tien a vijftien hutten stonden, bewoond door Emin's bedienden en werkvolk ; ook bevonden er zich tal van graanschuren, die koren en mais bevatten voor huishoudelijk gebruik. Op deze binnenplaats liepen kippen, eenden, geiten, paarlhoenders, katten en honden, grijze papegaaien en een tamme arend. Het was haast een dorp op zich zelf.

Mijn hut was koel en over het geheel keurig gemeubileerd ; ik had een ledikant, door inboorlingen vervaardigde stoelen en tafels, in wier laden zich een groote verzameling gedroogde kikvorschen en kevers bevond, terwijl ik langs de wanden eenige prachtige luipaardenvellen ophing, die ik van de soldaten ten geschenke had gekregen. Toch was er een onaangename lucht, en toen ik naar het achtergedeelte van mijn hut ging, om te zien wat daarvan de oorzaak was, werd ik opnieuw herinnerd aan Emin's liefde voor de wetenschap. Daar stond een groote mand vol half geprepareerde schedels, enkele exemplaren, welke den Pacha hadden gediend voor zijn anthropologische studiën op de verschillende stammen in zijne provincie. Zij waren bestemd voor het Britsch Museum, werwaarts zij zouden worden gezonden, om ze met de schedels van andere stammen te kunnen vergelijken. Ik gevoelde een sterken aandrang, om ze over den muur te werpen ; maar met de gedachte aan Emin's gehechtheid aan zulke zaken en den blijkbaren ijver, waarmede hij ze had bijeengebracht, riep ik een bediende, waarop zij door verscheidene zwarte vrouwen, onder veel gesnap en gelach, werden verwijderd.

Wadelai zelf was een groot station en zal ongeveer 2000 inwoners hebben gehad ; er waren mooie breede straten, terwijl het geheel door een gracht en wallen was omringd. Aan eiken uithoek van het station, waarvan de aanleg groote zorg verried, stonden kleine forten, om de gracht te bestrijken, allen bewapend met een kanon. Het was precies in denzelfden stijl gebouwd als het station M'swa, dat ik reeds heb beschreven, en lag op een heuvel, een eindje van de rivier af, die hier in twee takken werd verdeeld door een eiland ter lengte van ongeveer 2500 M.

I ü

il 1 ;

\:|'i

: ff

I n.

f i

li t

i; mI- ' i5 li ill

ï li:

; H 1 l' •

' s 1 li

Wi-

-ocr page 90-

JEPHSON,

Het land aan den overkant was buitengewoon prachtig, overal gras en overvloed aan bosch ; het liep, van de rivier af, zeer aardig op tot het een lange rij lage heuvels vormde, waarachter het land der Shoeli's lag, een van de schoonste en vreedzaamste stammen van den omtrek. Het land om Wadelai wordt bewoond door den stam Loer, die ook een smalle strook lands bezit aan den anderen kant van de rivier, tusschen deze en de heuvels in. Hier woonden ook velen, die behoorden tot den stam der Wahoema's of Watoesi's, zooals zij in dit land worden genoemd en waarover Stanley heeft geschreven. Zij vormen een nomaden-

stam en houden zich alleen bezig met het hoeden hunner kudden ; men meent, dat zij van koninklijken bloede zijn, en Stanley noemt hen Herderkoningen.

Jaren geleden wierp Speke de theorie op, dat deze Wahoema's waren ontsproten uit de Galla-stammen, maar Emin helt over tot de meening, dat de Galla's voortkwamen uit de Wahoema's.

Het is een lang ras met beschaafd uiterlijk, betrekkelijk spitse neu-

6o

-ocr page 91-

6i

zen en dunne lippen, een scherpe tegenstelling met de Loer's, die, in den regel kort en gezet, weinig behagen scheppen in den krijg, maar scherpzinnig en zeer arbeidzaam zijn.

Rondom het station lagen uitgestrekte mais- en sesamumvelden, die aan Emin's lieden behoorden. Sesamum is een plant die veel van balsaminen heeft; uit de zaden wordt een heerlijke olie geslagen, terwijl ze gekookt veel door het volk wordt gegeten. Langs den oever van de rivier lagen, over een afstand van meer dan 3000 M., de tuinen van het station, waarin een menigte inlandsche kruiden en planten wassen, zoo-,als uijen, tomaten, colocasia's, erwten en allerlei soorten van boonen.

Daar hier de zetel der regeering was, had- Emin druk werk en tal van brieven te beantwoorden, tijdens zijn langdurige afwezigheid opgehoopt. Bijna eiken dag had ik een aanval van koorts, waaraan mijn gestel onderhevig scheen. Evenals de dokters van de ouderwetsche school zouden hebben gedaan, gaf Emin mij een sterk braakmiddel, dat wonderen uitrichtte en tijdelijk de koorts verdreef.

Zelfs gedurende de weinige weken, door mij in de Provincie doorgebracht, kon het niet anders, of het moest mij opvallen, dat bijna alles wat goed en blijvende was in de Provincie, door Sir Samuel Baker was ingevoerd. Ik hoorde voortdurend over hem en Lady Baker spreken en als men met de soldaten praatte, zeiden velen hunner met fierheid ; »Wij zijn geen soldaten van Gordon of Emin, maar van Baker.quot; Uit Latooka en Oenyoro gekomen soldaten hebben mij vaak van de Bakers gesproken, van hem als Mlidjoe of den Man met den Baard en van Lady Baker als Nyadoeé of de Morgenster, welken naam zij had gekregen van de algemeene bewondering voor haar prachtig haar. Menig oud soldaat schiep er behagen in over hen te keuvelen. Een oude snorbaard verhaalde mij, dat Baker Pacha eerst een man was en zijn manschappen altijd voorging in het gevecht ; hij vertelde dat hij voor zijn volk zeer goed, maar verbazend streng was en voegde er glimlachend bij gt;dat Baker Pacha het hoofd, maar Nyadoeé de hoed was.quot; 't Volgend verhaaltje liep omtrent Lady Baker. Zekere Faratch Aga, een Soedaneesch onderofficier van Baker Pacha's lijfwacht, was tweemaal gedeserteerd en door Baker tot den kogel veroordeeld. De man werd aan een boom gebonden en een escouade soldaten kreeg bevel hem neer te schieten.

-ocr page 92-

JEPHSON,

Toen Lady Baker dit hoorde, liep zij haar hut uit en het plein op, terwijl hare haren in den wind fladderden, en staakte zij, met opgeheven hand, de executie van Faratch, totdat zij zijn pardon bij Sir Samuel Baker had bepleit. De man kreeg vergiffenis en de vrijheid terug en van dien tijd af hadden de Baker's geen trouwer dienaar dan hij.

Voor de waarheid van deze verhalen kan ik niet instaan. Ik verhaal ze alleen, zooals ik ze hoorde in gesprekken met Ernin's lieden. Maar al stond het werk, door Baker voor twintig jaar zoo nobel begonnen, op het punt om onder te gaan, zijn naam en di^ van Lady Baker leefden nog ongerept voort in de herinneringen van het volk.

Onder de brieven, die voor Emin bij zijn aankomst gereed lagen, was er een van Hamad Aga, Majoor van het in opstand gekomen is|e bataljon soldaten te Rejaf. Deze man had altijd eerlijk jegens Emin gehandeld, maar hij was volslagen ongeschikt tot keering van den vloed in den opstand, verwekt door de Egyptische officieren, en werd eenvoudig, tegen zijn zin, met dien vloed medegesleurd. Hij had geschreven, om te berichten, dat de officieren van het is,u bataljon, op het vernemen, dat er bij het zuidelijk uiteinde van het meer, eene expeditie, met ammunitie voor de bevolking, uit Egypte was aangekomen, nu de overtuiging hadden, dat hun Gouverneur gelijk had gehad, hunne handelingen wenschten te verontschuldigen en zich aan hem wilden onderwerpen. Zij hadden daarom besloten als hun gemachtigden hem (Hamad Aga), Faratch Aga kapitein, Sheik Moorajan, den voornaamsten geestelijke, en een luitenant naar den Gouverneur te zenden, om hem vergiffenis te vragen en hem te smeeken naar Rejaf te komen met den vertegenwoordiger van den heer Stanley, dien zij allen vurig verlangden te zien. Hun Gouverneur mocht hun zijn eigen voorwaarden voorschrijven; zij zouden alles opvolgen, wat hij hun gelastte. Emin besloot daarom de komst dier afgezanten af te wachten, die er met tien dagen konden zijn. Destijds was hij ernstig ziek. Hij had een gebrek aan het hart en haalde, bij de minste inspanning, moeilijk adem, zoodat hij blijde was eenige dagen rust te kunnen nemen. Hij zag de toekomst zeer donker in en zeide te gevoelen, dat hij, zoo hij geen kalmte en rust kon zoeken in een koel klimaat, slechts één of twee jaar meer te leven had. Hij deelde mij mede, dat de dertien jaar van harden arbeid en moeilijkheden.

02

-ocr page 93-

EMIN PACHA.

in Afrika doorgebracht, vooral sedert hij de laatste vijf jaar aan zijn lot en zijn eigen hulpmiddelen was overgelaten, hem volkomen hadden uitgeput.

Gedachtig dat de tijd verliep — het was toen 7 Juli —en s'echts weinige weken mij scheidden van het tijdstip, waarop ik, ingevolge mijn belofte aan Nelson, te Fort Bode zoude komen, sprak ik met de manschappen over het: bouwen van een station te N'sabe en om met mij naar het Fort te gaan, om de officieren en goederen op te halen, Zij gaven hun' Gouverneur en mij ten antwoord, dat zij, alvorens stappen, welke dan ook, in die richting te doen, wel zouden willen vernemen, wat hun ♦ broedersquot; op de noordelijke stations er van zeiden ; bovendien was het herfst en konden zij niet heengaan, of zij moesten hun oogst hebben ingezameld. Dit kwam mij voor een min of meer vreemdsoortig antwoord te zijn op een bevel van hun Gouverneur, maar de oogen gingen mij van lieverlede open voor het feit, dat Emin, in zijn eigen Provincie, het bevel niet langer had kunnen voeren. Ik kon zien, dat het 2lt;l0 bataljon, waarop hij vertrouwen stelde, ongehoorzaam was in belangrijke aangelegenheden, al waren de manschappen ook vlug genoeg om voor hun Gouverneur te buigen en zijn wensch te vervullen in allerlei nietigheden. Ik had Stanley beloofd, voor het geval Emin mij genoeg soldaten en dragers gaf. Fort Bodo te zullen ontzetten en te M'sabe een station te bouwen. Zonder soldaten en dragers, kon ik niets doen tot vervulling mijner belofte.

Ik kon daarom alleen naar de noordelijke stations gaan, aldaar het volk toespreken en dan naar Walelai terugkeeren, om op nieuw de soldaten aan te drijven, om mij te helpen.

Emin scheen niet zonder hoop ten opzichte van het gezantschap dat van Rejaf kwam. Wij hoorden dat de officieren van het istc bataljon genoeg hadden van de langdurige wanregeering aldaar, dat al de inboorlingen uit den omtrek zich hadden teruggetrokken, op grond van slechte behandeling door de opstandelingen, en dat er geen rundvee meer was te krijgen. Bovendien was door gebrek aan regen het graanverbouw van de soldaten mislukt en de staat van zaken er over het algemeen treurig.

Het bleek dat Faratch Aga, de man, die Emin was komen op-

10

63

-ocr page 94-

JEPHSON,

64

zoeken, dezelfde was dien Lady Baker had gered. Zijn toewijding aan de Baker's kennende, besloot ik er, als een soort van zedelijken heiboom, gebruik van te maken, om hem te bewegen eerlijk jegens zijn Moedir te handelen. Emin zeide mij dat hij de afgezanten, als zij kwamen, niet wenschte te zien, maar verlangde dat ik hen zou ontvangen en hun het zware van het misdrijf van rebellie trachten aan te toonen. Het was zijn bedoeling hun ten slotte vergiffenis te schenken, wanneer hij zich overtuigd hield van de oprechtheid hunner betuigingen van berouw over 't geen zij hadden verricht, maar hij verlangde dat het niet zou schijnen, dat hij hun al te gemakkelijk vergiftenis verleende. Hij begeerde dat ik, na hun te hebben toegesproken, zou zeggen, dat hun Gouverneur zeer vertoornd op hen was, maar dat ik bij hem hun voorspraak wilde wezen, 't Was een dwaasheid, maar daar hij 't verlangde, nam ik de uitvoering op mij. Weldra kwamen de officieren en trad Hamad Aga binnen, om mij te bezoeken. Hij was een lang mager Soedanees: met aangename trekken en grijs haar. Hij deed een kort verhaal van al hetgeen te Rejaf was voorgevallen, en zeide mij, dat de zaken daar zeer slecht stonden en er weinig of geen voedsel in den omtrek was te krijgen, ten gevolge van het plunderen der inboorlingen door de opstandelingen. Hij zeide dat de soldaten links en rechts roofden en niemand in staat was hen in bedwang te houden, dat zij er vlug genoeg bij waren om hunne officieren te gehoorzamen in alles wat slecht was, maar dat elk bevel, gegeven met de bedoeling om de heillooze plunderingen der inboorlingen te keeren, volkomen in den wind werd geslagen. Hij betreurde den invloed door de Egyptische officieren en beambten altijd in het land uitgeoefend, en zeide dat de geheele opstand tegen den Gouverneur te Rejaf was verwekt door een Egyptisch officier, een zekeren Moestapha Effendi, die naar de Provincie was opgezonden, omdat hij betrokken was geweest in den opstand van Arabi. Hij liet zich sterk over Emin uit en zeide dat hij altijd de hoogste zelfopoffering voor zijne lieden veil had, maar dat hij niet krachtig genoeg tegen hen optrad. Voor dit volk zeide hij, was de roede noodig en nooit heeft de Gouverneur het die gegeven. Volgens Hamad Aga was het volk, de langdurige heerschappij van wanorde moede, oprecht in zijn betuigingen van beterschap en hoogst verlangend, mij te Rejaf te zien en uit

-ocr page 95-

EMIN PACHA.

mijn mond te hooren, wat wij te zeggen hadden. Hij eindigde met de woorden: »Nu gij gekomen zijt, zal alles te recht komen.quot; Daai aan twijfelde ik echter zeer, want ik was verbazend wantrouwend geworden jegens deze menschen. Nevens mij had ik den Pacha met zijn groote ondervinding, die mij de verzekering gaf, dat zijn volk goed en trouw was, en, om zijn gezegde te staven, wees op het feit, dat het den aanval van Keremallah, den generaal van den Madi, afgeslagen en hij sinds dien tijd het land onafgebroken behouden had, al was het ook afgesneden van alle ondersteuning. Bovendien weerklonk geheel Europa van loftuitingen over de wijsheid en standvastigheid van den Pacha en hadden wij huis en volk verlaten met de grootste geestdrift voor den man, die het zoovele jaren tegen alle moeilijkheden had uitgehouden en dien wij voor een van de scherpzinnigste personen van Afrika hielden. Toch fluisterde een zwakke stem in mijn binnenste ; gt;Wees op uwe hoede.'' En verder zoo dacht ik, wie zijt gij, met uw schrale ondervinding, dat gij uwe meening zoudt stellen tegenover die van dezen man met zijn wereldberoem-den naam, met zijn ondervinding van jaren her en zijn daadwerkelijk bestuur ? Was het dan wel te verwonderen, dat ik mijn eigen oordeel niet vertrouwde en te vroeg doof was, om die zwakke stem te kunnen hooren ?

Nadat Hamad Aga mijn hut had verlaten, kwam Faratch Aga mij bezoeken en mij eenige prachtig gesneden houten kommen en verscheidene groote en sierlijke Monboettoe messen aanbieden. Na het wisselen van de gebruikelijke plichtplegingen, hartelijke vragen naar den staat van mijn gezondheid en mijn bewondering voor de kunstvaardigheid, die uit zijn geschenken sprak, vroeg hij mij naar de Expeditie. Nauwelijks had ik mijn verhaal ten einde, of hij vroeg met nadruk, of ik Sir Samuel Baker en Lady Baker kende en of zij gezond waren. Nu wordt het tijd, dacht ik, om den zedelijken hefboom aan te wenden.

Ik verhaalde hem dat de oogen van geheel Europa op deze Expeditie waren gevestigd en Sir Samuel Baker ongetwijfeld al hare bewegingen volgde met de uiterste belangstelling en een van de eersten zou zijn om ons, als wij in ons land terug waren, met nadruk te vragen naar zijn vroegere provincie en naar het volk, dat zoo wakker onder hem had gestreden.

65

-ocr page 96-

JEPHSON,

Ik voegde er bij ; gt;Wat zal Baker Pacha zeggen, wat zal Nyadoeé denken, als ik hun vertel, dat gij de zijde van de muiters hebt gekozen in den opstand tegen uw Gouverneur?'

De tranen rolden hem over de wangen, terwijl hij de handen wrong met een gebaar van schaamte en berouw. Dit was zonder twijfel zijn kwetsbare plek, want hij scheen ter neer geslagen bij de gedachte, dat de Baker's zouden hooren, dat hij den opstand had omhelsd.

Hij verhaalde mij de zijde van de muiters gekozen en zijn naam geteekend te hebben op de beleedigende brieven, die aan den Gouverneur waren gezonden, niet omdat hij eenige vijandelijkheid had gekoesterd jegens den Pacha, maar omdat hij zich in een zwak oogenblik door de anderen had laten verleiden en niet genoeg zedelijken moed had bezeten, om een verbintenis met hen te weilt;reren.

Hij deed verwarde beloften van beterschap voor het vervolg en bad mij niet aan Baker Pacha te zeggen wat hij had gedaan, maar mijn oordeel op te schorten, tot ik zag, dat hij werkelijk eerlijk jegens den Gouverneur handelde en zich van zijn vroegere bondgenooten had gescheiden.

Den volgenden morgen kwamen Hamad Aga, Faratch Aga, de geestelijke en de tweede officier mij een bezoek brengen, en ging ik voort met hun alles, wat met de expeditie in verband stond, te verklaren. Emin had bij hun aankomst geweigerd hen te ontvangen, nu verzochten zij mij naar hen te willen mede gaan en hun voorspraak te wezen.

Emin ontving hen koel, onderhield zich langen tijd met hen, en berispte hen over hun verraad en wederspannigheid. Hij voegde hun toe, dat zij meer dan drie jaar ongehoorzaam waren geweest aan zijne bevelen en geweigerd hadden hem bijstand te bieden, terwijl zij, nu er ontzet was gekomen en hij hun hulp niet meer noodig had, hem vergiffenis kwamen vragen. Hij besloot met te zeggen, dat hij hoegenaamd niets met hen te maken wilde hebben, hetgeen ten hoogste hun verbazing opwekte en hen onderworpener maakte dan ooit. Met tranen in de oogen baden zij hem om vergeving en deden allerlei beloften voor het vervolg ; toch bleef hij weigeren hen aan te hooren en verliet het gezelschap. Ik gaf hun daarop te kennen, volkomen te kunnen begrijpen, dat de Pacha hun geen vergiffenis kon schenken, want opstand en on-

66

-ocr page 97-

EMIN PACHA.

dankbaarheid waren 't moeilijkste te vergeven. Ik ried hun naar hun kwartieren terug te keeren, terwijl ik mijn best zou doen, om het gevoel van wrok, dat de Pacha jegens hen koesterde, te verzachten. Na mij hun dank te hebben betuigd, gingen zij neerslachtig, maar niet zonder hoop, heen. Emin was van oordeel, dat bij al te gemakkelijk verkregen vergiffenis, zij later hu.i pardon niet genoeg op prijs zouden stellen.

In den loop van den avond hoorde ik dat Hamad Aga de soldaten toegesproken en gezegd had dat zij zich niet bedrinken mochten, zoolang ik in het station was, want het zou den Christen een gruwel zijn, als hij hen dronken zag. Arme stakker 1 Als hij eens had geweten, hoevele zoogenaamde Christenen rijk worden van den ivoorhandel, door 't invoeren van jenever en het dronken maken van de heidensche negers !

Verbazend groot was hier het aantal krokodillen in de rivier. Des daags waren de zandbanken in den stroom er mede bedekt en des avonds kon men ze in de rivier zien rondzwemmen met den neus en den kop even boven water. Zij waren hier zeer brutaal en sleurden jaarlijks vrouwen en kinderen in menigten weg. Zij waren gewoon te wachten tot de vrouwen tot aan haar knieën in het water stonden, om water te scheppen in haar aarden kruiken, deden dan een greep naar haar onder water en sleepten haar weg. Emin had een afrastering, zooals men ook wel ziet in sommige zwemplaatsen voor paarden, in de rivier laten maken, waar de krokodillen niet binnen konden komen, en bevel gegeven binnen dit paalwerk water te halen ; maar, om welke reden dan ook, de vrouwen verkozen het water van de open rivier, met het gevolg, dat velen van haar werden weggesleurd. Ik heb mij laten vertellen, dat zij er zelfs om lachen en den spot mede drijven, en, als zij den voet in 't water zetten, uitroepen : »Heb je ook honger? Heb je van daag ook zin in een stukje vleesch ?quot; 't Was nutteloos voor dergelijke menschen voorzorgsmaatregelen te nemen.

Destijds was er in het station eene negerfamilie van den stam Bari, die leefde van de jacht op krokodillen. Zij aten het vleesch van de jonge dieren, verkochten het vel om te looien en de tanden om er hals snoeren van te maken ; maar het gedeelte waarop zij den grootsten

67

-ocr page 98-

JEPHSON,

prijs stelden, was een kleine klier, die veel muskus afscheidde ; deze werd gedroogd, om den hals gehangen en als sieraad hoog gewaardeerd.

Zij plegen een kleinen jongen bij zich te hebben, dien zij het water inzenden als lokaas, terwijl zij zelf zich in het gras verbergen. Zoodra de krokodil een raam op den jongen doet, snellen zij te water, drijven een aan een touw bevestigden zwaren, ijzeren haak in de huids-plooien onder den hals en slaan het dier, na het uit het water te hebben getrokken, met knuppels dood. Toen zij eens een krokodil hadden gevangen, lieten zij mij dien bij mijn hut zien. Hij leefde, maar had het touw zoodanig om zijn kaken, dat hij niet bijten kon. Na hem bezien te hebben, wikkelde ik het touw af en gaf het dier speling, dat zich daarop in een hoek van het vertrek terugtrok, daar kleine sprongen maakte en naar iedereen greep, die in zijne nabijheid kwam. Later werd het weggebracht, gedood, opgestopt en geplaatst boven de poort van het station. Opgestopte krokodillen boven den ingang van een hof of huis brengen, volgens de inlandsche bevolking, geluk aan. Ik maakte de opmerking, dat de krokodillen hier en in het meer lichtgroen van kleur zijn met breede zwarte strepen rondom het lijf.

Gedurende mijn verblijf te Wadelai zag ik een vreemdsoortige huwelijksplechtigheid, onder de Soedaneezen echter algemeen in gebruik. Toen een paar Soedaneezen zouden trouwen, kwamen, op den avond voor het huwelijk, vele jonge Soedaneezen zich voor de hut van de bruid verzamelen en begonnen, na een kring te hebben gevormd, te zingen en elkander zoodanig te slaan met repen vel van nijlpaarden, dat het bloed zichtbaar werd. Dit moest, zoo het schijnt, de bruid het bewijs leveren, uit welk een moedig ras haar echtvriend was gesproten.

Eenige dagen later ontbood Emin Hamad Aga en de andere officieren uit Rejaf en zeide, dat hij had besloten hun vergiffenis te schenken, mits hem bleek, dat zij oprecht waren in hunne betuigingen ; hij zoude medegaan naar Rejaf en aldaar het volk toespreken, waarop allen te kennen gaven buitengemeen dankbaar en blijde te wezen, dat wij naar Rejaf gingen.

Eiken dag kwam Hamad Aga mij opzoeken ; uit de veelvuldige gesprekken, die ik met hem hield, ontwaarde ik, dat hij een was van

68

-ocr page 99-

!1

EMIN TACHA.

hen, die niet met Egypte op hadden en daarheen niet begeerden te vertrekken. Hij zeide dat het veel beter zou zijn voor het volk, als wij het brachten naar het een of ander goed land in verbinding met de zee en het zich daar nederzette. Dit was de tweede keer, dat een der officieren van Emin dat voorstel deed.

Daar het vaststond dat wij Dufflé zouden aandoen op onzen weg naar Rejaf, sprak ik de soldaten en beambten toe, vóór wij het station verlieten. Er waren hier meer dan 200 soldaten en een heirleger van schrijvers en beambten op de been, zoodat het heel wat voeten in de aarde had, met hen te spreken en hun beslissing te vernemen op het punt van blijven of gaan.

Ik sprak hun hoofdzakelijk op dezelfde wijze toe als te Toengoeroe en verzocht hun den volgenden dag mij hunne welmeening te komen zeggen over de ontruiming van de Provincie.

Allen zeiden, zooals ook de lieden te Toengoeroe hadden gedaan ; gt;Wij zullen onzen Gouverneur volgen ; als hij vertrekt, gaan wij mede; als hij blijft, blijven wij ook.quot;

Later kwam Kodi Aga, Commandant -van het station, een man in wien Emin groot vertrouwen stelde, mij zeggen, dat hij het goed achtte voor het volk, dat het ons volgde naar het een of ander land in de nabijheid van de beschaafde wereld, om zich daar neder te zetten. Hij zeide, dat de lieden nimmer in Egypte hunne vrouwen en kinderen zouden kunnen onderhouden en niet gezind waren hen in den steek te laten. Hij voegde er bij dat het van zelf sprak, dat de Egyptenaren en allen, die daar betrekkingen hadden, er de voorkeur aan zouden geven naar Egypte te gaan. Dit was nu de derde keer, dat men mij deze zienswijze mededeelde, zoodat ik slechts kon afleiden, dat in ieder geval, de stemming van de lieden in dit gedeelte der Provincie tegen Egypte was.

Ik liet daarom de Soedaneesche officieren en onderofficieren voor mij komen en sprak hen aldus aan;

»Uit hetgeen ik van enkele officieren heb gehoord, maak ik op, dat het geenszins uw wensch en die van de soldaten is, om naar Egypte te gaan, maar dat gij ons met uw' Gouverneur wilt volgen naar een landstreek, iets dichter bij de zee en u daar wilt vestigen. Is dat

- i; I

- Ir

. 'id

I ■ 'ïïm

11

ÓQ

!;.i •-.

: ,

Hf

É'*

-ocr page 100-

TEPHSON,

zoo ?quot; Ten antwoord volgde uit aller mond een oorverdoovend; »Aywah !quot;

Dat antwoord was duidelijk. De stemming was klaarblijkelijk tegen een vertrek naar Egypte.

De Egyptenaars, de Cirkassiers en de lieden van Khartoem wenschten natuurlijk naar Egypte terug te keeren, waar de meesten hunner bloedverwanten en vrienden hadden.

Alvorens het station te verlaten, leidde Kodi Aga mij rond bij de magazijnen en toonde mij het ivoor van het Gouvernement, dat er in groote hoeveelheden aanwezig en verdeeld was in verschillende hoopen, naar gelang van de grootte der tanden. Eén tand werd mij vertoond, die 73 1/2 K. G. woog ; het was de grootste, dien ik ooit in Afrika heb gezien. Emin vertelde, mij, dat ook in Dufflé groote hoeveelheden ivoor waren en hij omstreeks duizend tanden in Monboettoe, onder bewaking van de bevriende hooiden van dat land, had gelaten. De waarde aan ivoor in de gouvermentsmagazijnen beliep, naar hij zeide, 900,000 gulden bij een prijs van f 10,55 het K. G.; maar daar de prijs van het ivoor bij de kust tegenwoordig f 1*5,85 beliep, zou de werkelijke waarde van het ivoor in de Provincie f 1352133 bedragen.

Wij zouden al dit ivoor moeten achterlaten, daar wij het nooit naar de kust konden dragen, 't Was jammer zooveel geld als 't ware weg te smijten.

De Pacha vertelde mij dat hij, drie jaren geleden, het inzamelen van ivoor had opgegeven, daar hij wist er nooit eenig nut van te zullen hebben ; als hij met verzamelen was voortgegaan, zou hij het dubbele bedrag hebben gehad.

In den vroegen morgen van den i6cnJuli vertrokken wij per stoomboot naar Dufflé, 't welk 44413 K. M. van Wadelai lag. Daar eindigt de scheepvaart op de bovenrivier, want bijna onmiddellijk beneden Dufflé bevinden zich groote watervallen en vliet zij tusschen twee lange rijen bergen met een reeks van stroomversnellingen en watervallen tot aan Rejaf, waar zij weer breeder wordt en tot Khartoem onafgebroken bevaarbaar is. Wij hadden dus belangrijke voorbereidingsmaatregelen te nemen voor een tocht van 555 1/2 K. M. over land naar Rejaf.

De rivier is tusschen Wadelai en Dufflé uiterst moeilijk te bevaren,

-ocr page 101-

EMIN PACHA.

daar zij zich tallooze malen in stroomen splitst, die eilanden vormen, begroeid met riet en papyrus, tusschen welke een stoomboot zich niet dan hoogst voorzichtiaf malt;r bewetren.

o 000

Hier en daar verbreedt de rivier zich en vormt zij uitgestrekte ondiepten, waar men nijlpaarden bij troepen kan zien polteren en duiken, terwijl zij groote watermassa's uit hun neusgaten opwerpen.

Het moest geweldig hebben geregend op de landen die op de rivier afwateren, want in een paar dagen was het water bijna o. 6 M. gewassen en had het een donkere chocoladekleur gekregen. Ook was de stroom veel sneller, terwijl de rivier over hare geheele breedte bedekt was met drijvende planten, die op sommige punten kleine drijvende eilanden vormden, waarop ik reigers en velerlei soorten van waterwild zag zitten. Juist deze drijvende vegetatie vormt kolossale dammen in den Nijl ; worden zij niet bijtijds weggeruimd door stoombooten, varende tusschen de hooger gelegen Provinciën en Khartoem, zoo plegen zij de scheepvaart maanden lanef te stremmen. De wegruiming van den dam, die

o 00'

het laatst voorkwam, heeft Lupton Bey met twee stoombooten twee en een half jaar tijd gekost. Voor dit werk gebruikt men zware ijzeren haken, bevestigd aan sterke touwen. Men slaat deze in de opeengedrongen plan-tenmassa, die door de stoombooten wordt uiteengescheurd en dan de rivier afdrijven kan. Deze massa'szitten zoo dicht in elkander, datbij het wegruimen der planten vaak doode krokodillen en nijlpaarden worden gevonden, die er door den stroom in geraakten en zich zelf niet hadden kunnen loswerken.

Onder weg naar Dufflé moesten wij stilhouden bij een plaats, die Bora heette, om een nieuwen voorraad hout in te nemen, 't welk aan boord van de boot werd gebracht door inboorlingen van den stam der Shoeli's. 't Waren welgebouwde, krachtig ontwikkelde lieden, met aangenaam en vriendelijk uiterlijk; zij hadden evenwel geen spoor van kleeding aan het lijf, behalve eenige weinige snoeren van krokodilletanden.

De omstreken waren inderdaad schoon ; vlakten met hoog golvend gras, hier en daar afgewisseld door Palmyrapalmen Deze dragen groote oranjekleurige vruchten, die evenals de cocosnoot in trossen groeien en

1) Borassiis flabeUifcrmis: uit de sappen van het vruchtvleesch wordt de palmwijn gemaakt.

Vertaler.

71

-ocr page 102-

JEPHSON,

ongeveer denzelfden omvang hebben. Zij ruiken sterk, nagenoeg als de meloen, en bevatten een groote witte pit, waar een oranjeachtig vruchtvleesch om heen groeit, waar Emin's lieden een soort van sorbet uit bereidden, dat een aangenamen, bitteren smaak heeft, maar zeer ongezond is. De inboorlingen malen de pitten tot meel, waar zij gierste-meel bijvoegen en koeken van bakken.

Den geheelen dag stoomden wij de rivier af, wier oevers omzoomd waren door groote papyruspoelen en sloegen tegen 8 uur in den avond ons kamp op op den eersten vasten bodem dien wij mochten aantreffen.

Hier verkeerden de muskieten in zulk een aantal en waren zij zoo brutaal, dat wij blijde waren ons, toen het eten was afgeloopen, achter onze muskietenschermen teruo- te kunnen trekken.

O

Den volgenden morgen stoomden wij vroegtijdig op ; de rivier vormde weder één kanaal en was zeer breed en prachtig. Tallooze watervogels, reigers, ^ pelikanen, 1) ooievaars, kraanvogels ') en duikers ■') zaten op de rotsen, die vrij.talrijk uit de bedding van de rivier oprezen. Van eenden, ganzen en waterhoenders wemelden de oevers, die hier bedekt zijn met kleine ambatchboschjes. Het hout van dezen boom is lichter dan kurk en wordt door de inboorlingen gebruikt om er dobbers voor hunne hengels en korven van te maken.

Den i4'len Juli stoomden wij tegen den middag Dufflé binnen, het grootste en een van de eerste stations door Emin gevestigd. Het station was oorspronkelijk door Gordon gebouwd ; maar daar Emin het voor ongezond hield, verlegde hij het eenige honderde meters de rivier op, waar de oevers hooger waren. Daar er twee uit palen bestaande kaaien in de rivier uitliepen, konden de beide stoombooten tegen dezen worden vastgelegd.

Al de soldaten stonden in twee gelederen geschaard en brachten bij onze landing de gebruikelijke eerbewijzen, terwijl de trompetters het Egyptische volkslied bliezen. Toen ik uit de boot aan land was gestapt,

72

1

Pchcamts Onocralalns. Vertaler

-ocr page 103-

II

i 'lt;

EMIN PACHA.

sneden de soldaten een stier de keel af, zoodat ik verplicht was over het bloed te stappen, dat in stroomen wegvloeide. Dat was, naar zij mij zeiden, zoo de gewoonte van hun volk, wanneer zij een vreemdeling met eerbewijzen wenschten te ontvangen, die voor de eerste keer in het land kwam.

Wij werden door de gebruikelijke eerewacht op een groot plein geleid, in welks midden eenige zware vijgeboomen stonden, om wier voet een platte verhevenheid van zand was aangebracht, besloten in een steenen muur van bijna Vs M. die scheen te dienen om er iets op te kunnen plaatsen. Hier waren stoelen voor ons klaar gezet, zoodat wij die innamen. Nadat de sorbet was gepresenteerd, kwamen de ambte-

73

1

li

I,

'i mM

I ti

II ili ifi r ii-ï

ï lil

li

it

If ; ■(

naren, aan het station in functie, ons begroeten. Daarna gingen wij naar onze huizen, gelegen op een plein van omstreeks honderd meters in het vierkant, omringd door een boma ter hoogte van 2'2 M. De den Pacha en mij aangewezen huizen waren bijzonder goed gebouwd, luchtig en koel. De muren waren 1.0Ó7 M. dik en opgetrokken van in de zon gedroogde steenen ; de huizen hadden afzonderlijke voordeuren en ramen met sluitblinden, terwijl de vloer netjes met wit zand was bestrooid; 't waren de beste gebouwen, die ik in de Provincie heb gezien. Verder waren er op het plein bijgebouwen, bestemd voor keuken en voor onze oppassers en bedienden. Onmiddellijk achter die bijgebouwen groeiden

r V

i ; I

amp;

-ocr page 104-
-ocr page 105-

EMIN PACHA.

al te lange palmyra palmen, op welke des nachts tal van reigers sliepen, die ons, door hun akelige geluiden, zeer hinderden.

In het vallen van den avond kwam Hawashi Effendi oversteken, om mij het station rond te leiden, 't Was een groot, vierkant, goed aangelegd station, aan drie kanten omringd door een gracht, die 3'/2 M. diep en 41.2 M, breed was. De uit de gracht gegraven grond was aan de binnenzijde opgeworpen en vormde een borstwering van bijna 2Vj M. hoogte; de vierde kant werd door de rivier begrensd. Aan eiken hoek van het station verhief zich een bolwerk met een kanon, welke bolwerken de borstweringen flankeerden en de gracht bestreken. Twee hoofdwegen kruisten elkander in het station, waarvan de een van de rivier kwam en uitliep op een groote achterpoort, die tevens voor wachthuis diende. Dit was de hoofdingang van het station. De andere weg sneed den eersten onder een rechten hoek, terwijl hij met zijn beide uiteinden aansloot aan kleine achterpoorten, de zijingangen van het station. Deze wegen werden gesloten door zware houten poorten, met ijzeren beslag. Wanneer het station werd verdedigd door een vastberaden garnizoen, zou het onneembaar zijn, want in de nabijheid bevonden zich geen heuvels, van waar het kon worden bestreken.

De plek waar de kruiswegen elkaar sneden, was een groot plein, op welks midden drie verbazend hooge vijgeboomen stonden. Onder deze boomen bevond zich de vlakke zandhoogte, waarvan ik hier boven melding heb gemaakt. Zij gaven zooveel schaduw, dat het er op den warm-sten dag altijd koel en donker was. Het was de plek, waar de officieren gewoon waren elkander te ontmoeten en 's avonds rookten en praatten.

Onder deze boomen hebben Baker, Gordon, Gessi, Front, Mason en alle verdere bekende mannen van de Equatoriaal provincie zitten te redeneeren, onder een kop koffie en een sigaar, en de aangelegenheden der Provincie geregeld. Hier heeft ook de arme Lucas met Emin gezeten en wijd en breed gehandeld over zijn verijdelde hoop en den ondergang zijner Expeditie. Emin wist een menigte verhalen te doen van de gesprekken, onder deze boomen gevoerd ; ook van de dagen, dat Gordon daar zat met zijn kaart en zijn kompassen, om hem zijn plannen te ontvouwen, die dikwijls romantisch en hoogdravend, toch altijd den stempel droegen van zijn genie. Weldra zouden er onder deze boomen

75

-ocr page 106-

JEPHSON,

plannen worden beraamd, die al de vorigen in de schaduw zouden laten.

Aan den eenen kant van het plein lag Emin's woning en aan de overzijde een groote verzameling hutten, gebouwd voor Stanley en zijn volk, met het oog op hun bezoek aan het station. Naar het zuiden lag het verblijf van Hawashi Effendi, het hoofd van het station; dat gedeelte werd rijk beschaduwd door groote oranje- en lindeboomen, allen in vollen dos en met vruchten beladen.

Aan de zijde van het vierkant, welke het dichtst bij de rivier was gelegen, strekte zich de weg uit naar de moskee, de scholen en de Gouvernements tuinen, terwijl men er een aangenaam uitzicht had op de rivier aan den voet van den weg, overwelfd door prachtige boomen. De moskee en de scholen waren fraaie steenen gebouwen. Aan 't hoofd van de scholen, zoowel als van de moskee, stond een geestelijke, die, naar Emin zeide, herwaarts was verbannen, omdat hij in Egypte bij een moord betrokken was geweest. Nu leerde hij de kinderen der beambten uit den Koran lezen en schrijven, hij deed de vijf maal daags voorgeschreven gebeden en was, behalve de geestelijke, ook de rechtsgeleerde raadsman van het station.

De Gouvernementsgebouwen waren allen van steen en in een flinken, hechten stijl opgetrokken, terwijl voor dit afgelegen land, de moskee in waarheid een triomf mocht heeten voor de bouwkunst. Zij was een groot vierkant gebouw, keurig afgewerkt en wit gepleisterd, en van binnen geheel belecjd met een aardig soort van in het land gemaakte matten.

O O O O

Voorts was de moskee cretooid met tal van struisvoeeleieren, die van de

O O '

zoldering halverwege neerhingen, terwijl ook de nok van het dak aan de buitenzijde met dezelfde eieren was versierd. Deze eieren waren, geloof ik, de gebruikelijke versiering voor moskeeën, maar ik weet niet, wat er mede wordt bedoeld. Tegenover de rivier lagen de Gou-vernementstuinen, vol schoone vruchtboomen en planten; zij waren buitengewoon schaduwrijk en aangenaam en werden zeer goed onderhouden.

Tusschen de tuinen en de rivier bevond zich een soort van open plaats, waarop de lootsen stonden, om booten te bouwen, en de magazijnen, waarin de machinerien, bouten, staafijzers en allerlei gereedschappen werden bewaard, die Sir Samuel Baker had medegebracht. Op de helling stond juist een boot, gereed om te water te worden gelaten ;

76

-ocr page 107-

EMIN PACHA.

zij had den vorm van de gewone Nijlbooten, zonder ribben, maar gebouwd van dikke ongeschaafde planken, die door zware ijzeren bouten bij el-

i kander werden gehouden. Emin had een groot aantal zulke vaartuigen ge-

' bouwd en zeer bruikbaar bevonden, daar de beide walvischbooten door Sir

; ; Samuel Baker medegebracht, een weinig versleten en onbetrouwbaar waren,

i Om den buitenkant van 't station heen lagen groote tuinen, toebe-hoorende aan de beambten, waarin zich groote bedden bevonden met

5 erwten, boonen, uien, knoflook, andyvie en spinazie, terwijl in die tui-

; nen een groot aantal oranje-, limoen-, granaat-, appel-, guaiave- 1 en pa-

) paiboomen 2) waren, die allen bleken te dragen. Op den moerassigen

' v grond, langs den rivierzoom, zag men uitgebreide aanplantingen van ba-

1 nanen en suikerriet. Op een cirkelvormig terrein, met een straal van

, 3200 M. om het station gelegen, bevonden zich groote akkers, waarop

1 11 de bevolking van het station aardnoten, gierst, roode en witte dhoerra,

1 || sesamum en mais verbouwden.

1 Al deze gewassen stonden hier uitstekend, evenals de tarwe en de

I rijst, maar de laatste werden niet in groote hoeveelheden verbouwd.

Nabij het station was een marktplein, waarop vleesch, zout, groen-

1, , ' ten, matten enz. werden verhandeld. Ook waren daar schoen- en tim-

II i:merwinkels en werkplaatsen, waar matten en katoenen kleedingstukken n É werden gemaakt. In de buurt van 't station waren kleine dorpen gebouwd n door lieden van den stam Madi; deze menschen genoten de onmiddel-1. lijke bescherming van 't station en dienden, als het noodig was, voor e dragfers ot tolken. Het terrein was over 't algemeen in croeden staat en

o 00

e ' het station keurig net, daar het tweemaal per dag werd uitgeveegd. Het

1, geheele station was inderdaad zoo bevredigend mogelijk voor een land-

;t streek waar het volk zoo langen tijd aan zijn lot was overgelaten. Er

i- was een overvloed van rundvee en geiten, graan en groenten, terwijl

i- het volk in een mate van weelde leefde, die het in Egypte nooit zou

i. kunnen bereiken. De Pacha had alle mogelijke redenen om trotsch te

n zijn op dit station, dat hij met zooveel moeite tot stand had gebracht.

1- n __

|v| 1) Een tropische boom behoorcnde tot het geslacht Psidiiim; de meest bekende zijn P. pynfcnnn

] 1 of witte en P. pomifcrnm of roode Guava; de vrucht gelijkt op den graanapptl, doch is veel kleiner. Vertaler, 2) Carica papaya; heeft een kruidachtigen stam van 18 a 20 voet en vruchten ter grootte van een

1 i p; meloen. Vertaler.

77

-ocr page 108-

JEPHSON,

Als de avond was gevallen gingen wij onder de boomen van het plein zitten en, nauwelijks was er kofiie en sigaren gepresenteerd, ot Hawashi Effendi placht bij ons te komen praten.

't Was een Egyptenaar ; hij had den rang van Bimbashi ot Majoor en was de oudste oflicier bij Emin's troepen. Hij was in der tijd verbannen, omdat hij, in den oorlog tegen Abessynië, goederen van het Gouvernement aan den vijand had verkocht. Evenals de meeste Egyp-tenaren was hij een groote deugniet; maar, in tegenstelling met het gros, werkte hij zelt en liet ook zijn ondergeschikten werken. Zijn volk had een grooten hekel aan hem, omdat hij buitengewoon tiranniek en inhalig was; maar hij was voor Emin zeer bruikbaar, omdat hij zijn bevelen gehoorzaamde en de Pacha zelf ook overtuigd was, dat hij een hem gegeven opdracht uitvoerde.

Hawashi Effendi was cynisch in zijn schelmerij, daar hij er zich niet het minst over schaamde. Toen hij eens aan mij vertelde, welke groote schurken de Egyptenaars waren, zag Emin hem aan en vroeg: »En gij zeil ?quot; »0 !quot; gaf Hawashi Effendi ten antwoord, »Uwe Exellentie weet wel, dat ik precies ben als de rest.quot; Daarop zich tot mij wendende, vervolgde hij: »Gij zijt in dit land volslagen vreemd; onthoud dus, wat ik u zeggen zal en wees gewaarschuwd. In dit land zijn alleen Soe-daneezen en Egyptenaars. Als u een Soedanees nadert met stuursch gelaat en een geladen geweer, en, te gelijk, van den anderen kant een Egyptenaar bij u komt met een vloerkleed en u vriendschappelijk begroet, houd u dan aan den Soedanees ; van hem, met zijn geladen geweer, hebt gij minder kwaad te duchten dan van den Egyptenaar met zijn glimlachjes en zijn geschenken.quot;

Hawashi Effendi gaf dien avond ter mijner eere een zeer vroolijk feestmaal. In zijn ontvangkamer waren de stoelen om een kleine lage tafel geplaatst, waarop een groote koperen schotel prijkte. Emin en ik, Hawashi Effendi, Hamad Aga en Vita Hassan, de apotheker, zaten aan en doopten de vingers in de eetschalen.

De hoofdschotel, het piece de resistance, was een in haar geheel gebraden geit, met uijen, aardnoten en boonen. Haswashi Effendi nam het gebraad in de handen en trok er de pooten en schouders af; daarna brak hij den rug en stortte den inhoud van de maag op

78

-ocr page 109-

EMIN PACHA.

79

11

i ?

I ■' M

n

tm

11 ;l feil

lil

quot;li iM

if |

jij

rwi '.i 11

l 1- %

l ^||

i .,4

Hiïï

li

■•i- r

den schotel uit. Dit leverde een hoogst stuitend gezicht op, want het vet droop van zijn vingers, toen hij het dier in stukken verdeelde. Toch trof ik aan dezen disch zeer goede spijzen; vooral smaakten mij de aardnoten. De spijzen werden in een rijke verscheidenheid opgediend ; enkelen waren nagenoeg vloeibaar en kleverig, zoodat ik, niet gewend aan deze manier van eten, nog al moeite had, om het voedsel binnen te krijgen. Het groote gebrek van de kookkunst bestond daarin dat alles dreef in boter of olie, en, daar het niet gulweg eten van eiken schotel, u door uw' gastheer voorgezet, wordt beschouwd als het toppunt van ongemanierdheid, stond ik van tafel op met een gevoel, alsof ik geheel was volgepropt. Na het eten werden kommen rondgediend en ons een soort van boonenmeel, dat schuimde op de manier van zeep, aangeboden om de handen te wasschen. Nadat de koffie was gepresenteerd, stopte ik mijn pijp, ging naar buiten en had met Hawashi Effendi een uitvoerig gesprek over de aangelegenheden van de Provincie. Hij had in de meeste menschen het een of ander te gispen, maar roemde den Pacha, ofschoon hij verklaarde, dat deze niet krachtig genoeg optrad tegen de lieden, die hem overlaadden met beleefdheden en betuigingen van goede gezindheid, terwijl zij op hetzelfde oogenblik hem tegenwerkten en lagen legden. Hij zeide dat Hamad Aga, de Majoor van het iste bataljon, al hield hij niet van hem, naar zijn oordeel wel te vertrouwen was, ofschoon hij er bij voegde; »Hij heeft geen invloed op zijn officieren en soldaten.quot;

De soldaten en otlicieren vertrouwde hij niet, terwijl hij te kennen gaf, dat hij met bezorgdheid zag, hoe de Gouverneur en ik ons onder hen waagden. Het zou hem, naar hij zeide, verwonderen, of wij naar verder op gelegen stations zouden gaan. Ik legde hem uit dat de soldaten op de zuidelijke stations hadden geweigerd mij bij het bouwen van een station te N'Sabe te helpen en Fort Bodo te verlaten, voor zij hadden vernomen, wat hunne makkers op de noordelijke stations, Rejaf en Kirri, zeiden. Ik voegde er bij, dat de Pacha oordeelde dat wij niets anders te doen hadden, dan hen daar te gaan opzoeken. Hij besloot met de verklaring, dat dit alles, nu ik was gekomen, wel goed zoude gaan, maar bleef bij zijn bezorgdheid voor den Gouverneur en mij, als wij ons waagden onder de soldaten van het ie bataljon.

41

1 i

a

! ij É'lli

1

-ocr page 110-

JEPHSON ,

8o

Dit gesprek maakte een diepen indruk op mij, want het versterkte den twijfel, die dagelijks in mij aangroeide, of Emin den toestand wel begreep en zijn lieden werkelijk wel kende. Losse gezegden, verschillende lieden ontvallen — gezegden die destijds niet veel indruk op mijn' geest hadden gemaakt — rezen voor mij op, als ik nacht op nacht wakker lag te peinzen ! O ! kon ik thans slechts vijf minuten bij Stanley zijn en zijn heldere, verstandige raadgevingen genieten! Binnen vijf minuten zou hij den toestand hebben begrepen en mij precies kunnen zeggen wat mij te doen stond. Hij had mij gezegd, dat ik mij min of meer naar Emin moest voegen. Maar mijn' geest hield de vraag bezig, of ik mij nog meer moest voegen, dan wel zorgen mij minder te laten leiden door hetgeen hij zeide. Ik had te weinig zelfvertrouwen en ondervinding, zoodat ik de vraag niet tot beslissing kon brengen. Als ik thans op dit alles terugzie, nu ik weet hoe ik Emin's volk moet aanpakken, verbaas ik mij er over, dat ik één oogenblik heb kunnen aarzelen, want als ik tegen Emin's raad en oordeel had gehandeld, zou ik al onze vooruit opgewekte denkbeelden en de meening van geheel Europa omtrent hem hebben moeten verzaken. Men begrijpt dat dit een moeilijke sprong was, en ik nadere bevestiging van mijn twijfel noodig had, om dien sprong te wagen.

-ocr page 111-

ïi

|

m 1 ^

tf

HOOFDSTUK IV.

'I I,

ONZE ONRUST KLIMT.

Wij vertrekken naar Rejaf. — Een troep olifanten. — De omstreken van de watervallen bij Dufflé. — Chor Ayoe. — Het station Laboré. — Selim Aga. — Ezels uit die streken. — Bari-vrouwen. — Aankomst te Moeggi. — Abdoellah Aga Manzal. — Neiging tot stelen bij de soldaten van Emin. — Aankomst te Kirri. — Bachit Aga. — Gordon's lievelingspret. — Sieraden en kleedij bij de Bari's. — Toestand van het land, bezet door het iste bataljon. —Wij worden gewantrouwd door de soldaten van Kirri. — Aanspraak tot de bevolking van Kirri. — Muziek en dansen bij de Makraka's. — Briel' van Hamad Aga. — Ik word bevestigd in mijn slechtste verwachtingen. — Ongehoorzaamheid van de soldaten te Kirri. — Onze terugkeer naar Moeggi. — Verontrustende tijdingen uit Kirri. — Emin's treurig verhaal. —Bezoek aan Emin van soldaten uit Rejaf. — Emin's vertrouwen op zijn soldaten. — Berichten van Hawashi Ef-fendi. — Verhaal van Taha Mahomet. — Vreemdelingen in Latooka. — Edelmoedigheid van Bari-hoofden. — Gebeden van mijn bediende Binza. — Mogelijke terugkomst van de Mahdisten. — Het begin van de ontruiming van Moeggi. — Bevredigende toestand in de omstreken van Moeggi. — Gunstige invloed van Abdoellah Aga Manzal.

Na in den morgen van 17 Juli in gedrukte stemming en neerslachtig te zijn opgestaan en koftie te hebben gedronken vóór wij op marsch gingen, roerde ik bij Emin als ter loops mijn gesprek van denvorigen avond met Hawashi Effendi aan. Hij deed alsof hij er nieuw van op-

II' '

-ocr page 112-

JEPHSON,

hoorde, maar zeide mij besloten te hebben, niet rechtstreeks naar Re-jaf te gaan, doch in Kirri, een station twee dagmarschen aan dezen kant van Rejaf, te blijven, en Hamad Aga en de verdere officieren te gelasten, om de ofticieren van het iste bataljon van hunne ontmoeting met ons te verhalen. Als dit was geschied, moest Hamad Acfa ons te Kirri

O ' O

een brief schrijven, waarin hij zijne gedachten over den toestand blootlegde.

Door dit plan weder een weinig gerust gesteld, aanvaardden wij den marsch naar Chor Ayoe, een klein station, 2ll-i K. M. van Duftlé, aan de samenvloeiing van de Ayoe met den Nijl.

Onze Karavaan was werkelijk indrukwekkend; wij hadden meer dan 200 dragers, zoodat wij, met inbegrip van de beambten, ofticieren, soldaten en bedienden, 400 man zullen hebben geteld. Wij verlieten het station, tusschen soldaten in twee gelederen opgesteld, met vliegende vaandels en slaande trommen, zoodat mijn neerslachtigheid weldra week onder het voortschrijden in de koele morgenlucht. Bijna een uur lang trokken wij door korenakkers, die tot het station behoorden. Ik stond verbaasd over de uitgestrektheid van het bebouwde veld ; dit station moest, dacht ik, in zijn eigen onderhoud hebben kunnen voorzien, zelfs zonder de graanschatting van de inboorlingen. Wij hadden een prachtig gezicht op het station met zijn korenakkers, die beneden ons, zich in vrede en overvloed baadden, toen wij den top van een lagen heuvel hadden bereikt, om daarna langs een steil en gebaand pad naar de vallei af te dalen. De weg leidde door een vlakte tusschen de rivier en een daarmede evenwijdige hooge bergketen. Zij was rijk begroeid met boomen, voornamelijk acasiasoorten en hier en daar doorsneden door kleine bergstroomen, die diepe beddingen in den rotsachtigen bodem hadden uitgehold.

Terwijl wij zekere grazige streek doortrokken stuitten wij op tal-looze bewijzen van 't verkeer van olifanten, in den vorm van afgebroken boomen, omgewoelden grond en een breed spoor, gevormd door het betreden van tal van pooten. Binnen weinige minuten zagen wij iets dat ik vroeger nog nooit had gezien. Vlak bij ons bewoog zich, in dezelfde richting als wij, een groote kudde olifanten ten getale van omstreeks 200. Die nimmer een groote menigte olifanten in het wild bij elkaar

82

-ocr page 113-

EMIN TACHA.

83

heeft gezien, kan zich geen voorstelling maken van het indrukwekkend gezicht, dat zij oplevert. Het groot aantal logge zwarte gedaanten, die zich langzaam voortbewogen, terwijl hun lange witte slagtanden in de zon schitterden, was als 't ware overweldigend. Waarheen men zijn blikken richtte, over een afstand van meer dan een halve mijl zag men niets dan olifanten, die bedaard langs den voet van 't gebergte marcheerden. Zelfs de grond scheen zich te bewegen. Hier en daar werden de gelederen verbroken door de jonge olifanten, die in logge sprongen de kudde verlieten en zich als een reeks onbevallige gedaanten op het ruime veld

vertoonden. Het viel mij op dat een zeer groote olifant, een ware vleesch-berg, op zijn eentje, een vijftien meter vóór den troep liep. Toen ik Emin daarop wees, zeide hij, dat bij het trekken der oliianten, altijd het grootste wijfje voorop loopt. Het is eigenaardig dat bij olifantskudden een wijfje altijd de leiding heeft, terwijl wij bij buffels altijd opmerkten, dat de grootste stier als voorlooper optrad. Emin voegde er bij, dat hij bij ganzen en kraanvogels de opmerking had gemaakt, dat een wijfje, 't zij bij 't zwemmen, 't zij bij 't vliegen, steeds de voorste was. Toen Emin's onderhebbenden de olifanten zagen, waarvan enkelen

-ocr page 114-

JEPHSON,

niet meer dan 200 meter van hen at waren, begonnen zij te fluiten en als hanen te kraaien ; zij deden het in de meening, dat de olifanten daardoor van een aanval werden teruggehouden ; want bij hen heerscht, het bijgeloof, dat gefluit of hanengekraai de olifanten bijzonder belee-digt en zij maken dat zij weg komen zoodra zij het hooren.

Tegen den middag kwamen wij aan een gedeelte van de vlakte dat naar het oosten en westen meer en meer werd ingesloten door de bergen, die evenwijdig liepen aan de rivier ; op nagenoeg 400 M. daar van daan verliet het pad de hoogvlakte, om zich in de nabijheid van en langs haar linker oever voort te zetten. Aan den overkant van de vallei verhieven de bergen zich onverwachts uit de rivier, die door hen ingesloten hier zeer smal is en over de rotsen rolt in een lange reeks draaikolken. De landstreek is een toonbeeld van pracht en gelijkt, hoe woest ook, min of meer op een park. Enge valleien, bezet met heerlijke boo-men, liepen tegen de bergen op, terwijl de smalle strook tusschen de rivier en de heuvels bedekt was met kort afgeweid gras en bezet met groote en prachtige boomen. Over alles lag een niet uit te drukken geest van rust en vrede. Van alle zijden door de bergen ingesloten, smaakte men een gevoel van veiligheid en afzondering. Wij ontbeten onder de schaduw van een wijdvertakten boom in de nabijheid van den rivieroever en rustten een uur uit op het korte en geurige gras.

Te half vijt kwamen wij te Chor Ayoe, een klein station vlak bij de rivier, omringd door korenvelden en aardnotenakkers. Daar de voorposten eenigszins verdwaald waren geraakt, waren onze tenten niet voor ons in gereedheid gebracht ; maar ik had de koorts en was zeer blijde, mij in een soort van hut te kunnen nederleggen. Khamis Aga, het hoofd van het station, kwam ons begroeten, maar werd door den Pacha koel ontvangen, daar hij alles behalve was ingenomen met den toestand van het station.

Dit was het kleinste der stations van Emin, daar het garnizoen slechts bestond uit vijf en twintig manschappen en twee officieren. Emin had het in der tijd laten bouwen tot beveiliging der doorwaadbare plek in de Ayoe, waarvan de overtocht geregeld werd betwist door een nietbe-vrienden inboorlingenstam, die, hooger op, de bergen bewoonde. De Ayoe is een flinke rivier en moet in den regentijd een groote massa water

84

-ocr page 115-

quot;

!f: • Mi

I

ill

85

ll I ■

li ' G 'k

If

hi I:

% I

iU

ff

H

s

I

M

! I -li ■•n

■1 1. quot;ii

lil:, iVI li ! li' '

'

r H

afvoeren. Zij werd bevaren door een groote sterke boot, te Du filé gebouwd. Het was vreemd, als men bedacht hoe lang het Egyptische Gouvernement hier reeds was gevestigd, dat zoo vele kleine stammen uit den omtrek nog altijd vijandig bleven. Ik vermoed dat de soldaten, zoodra de Gouverneur zich verwijderd had, zeer veel vrijheid '•erkregen van de ofticieren, die meest allen in Egypte iets hadden misdreven. De stammen aan den overkant van de rivier waren hier nimmer tot onderwerping gebracht, en niet ver hier van daan werd de arme Linant de

Bellefonds, dien Stanley in 1875 in Oeganda had aangetroffen, tijdens het gouverneurschap van Gordon, door de in-boorlinsfen gedood.

O O

Den volgenden dag begonnen wij, niet vroeg, onzen marsch naar Laboré, een afstand van twee en een half uur. Het land zag er bijna precies uit als dat, hetwelk wij den vorigen dag waren doorgetrokken, maar van de smalle strook tusschen de beide stations was weinig land bebouwd, terwijl het voornaamste product uit aardnoten bestond. Te 10 uur bereikten wij Laboré, een flink station op de kruin van een hoogen rotsachtiofen heuvel, waarvan men uit-zicht had op de rivier. De soldaten, 90 man en zeven officieren, stonden, gelijk gebruikelijk was, in het gelid, om den Gouverneur bij zijn aankomst te begroeten. Ons logies lag lager dan het station, op een kleine vlakte tusschen de rivier en het station in. Selim Aga, de bevelhebber van het station, en de verdere ofticieren kwamen ons opzoeken, zoodat het aanbieden van koftie en sorbet onvermijdelijk moest volgen. Onze verblijven wa-

E.MIN PACHA.

ren keurig en koel, daar de wanden bestonden uit gevlochten bamboes.

Toen het tegen den avond koeler werd, gingen wij naar het station om Selim Aga een bezoek te brengen en dronken koftie bij hem. Hij was de

-ocr page 116-

JEl'HSON.

zwaarste Soedanees, dien ik ooit heb gezien. Hij zal minstens 1,9 M. lang zijn geweest en was verbazend zwaar en breed. Hij was zeer op zijn gemak gesteld, had een goedig en vreedzaam uiterlijk, maar een feeks van een vrouwtje, dat hem prachtig onder den duim hield. Hij was een van de officieren, die naar de vlakte waren gekomen om Stanley te bezoeken, toen de Pacha bij ons vertoefde in het kamp te N'sabe. Hij hoopte, naar hij zeide, dat alles terecht zou komen, nu ik het volk te Rejaf toe ging spreken. Hij vertelde mij plan te hebben ook een toespraak te houden tot de soldaten te Laboré en hen op onze terugkomst voor te bereiden; maar hij scheen met zijne uitlatingen Surore Aga, zijn plaatsvervanger in het commando, te verontrusten. Na eenigen tijd met hem geredeneerd te hebben, gingen wij het station door. Het was lang niel; zoo goed onderhouden of zoo net als de stations ten zuiden van Dufilé, die de Pacha meer rechtstreeks onder toezicht had. De grond was rotsachtig en ongelijk, terwijl het station omgeven was door een dikke sterke muur van drooge steen, van boven begroeid met dichte mimosa dorens. Dit placht, naar Emin mij vertelde, een goede plek te zijn voor 't katoenverbouw, maar ik had heel wat moeite om hier eenig katoen te krijgen. Selim Aga deelde mij echter mede dat het, wegens de droogte, een der slechtste katoenjaren was, die hij had gekend.

Wij verlieten het station Laboré den volgenden dag en vertrokken naar Moeggi, gelegen op een afstand van zeven uur. Terwijl de bergen hier weder van de rivier atweken, liep ons pad op eenigen afstand van den Nijl door eene heerlijke breede vlakte.

De rijezels zijn in dit land sterk maar zeer traag, zoodat ik gewoonlijk het grootste deel van den weg liep. Groote kudden van die dieren komen voor in een landstreek ten oosten van het Dinka-gebied, maar de inboorlingen houden ze alleen om de melk en niet als lastdieren. Wij verlieten nu het land bewoond door de Madi's en betraden dat van de Bari's. 't Was een aangename streek, al had ze weinig bijzonders; maar vogels waren er in menigte, zoodat ik lust kreeg een geweer te nemen en er eenigen van te schieten. Ik was geheel aangestoken door den lust van den Pacha voor ornithologie en vond het een hoogst belangwekkend onderwerp. Hr was een menigte prachtig scharlaken we-

86

-ocr page 117-

EMIN PACHA.

vervogels, terwijl staalachtig blauwe Lamprocolii naar alle richtingen in het lange gras rondfladderden.

O O

Toen wij het station Moeggi naderden, zagen wij aan beide kanten van den weg zeer uitgestrekte aanplantingen van de Bari's en een groot aantal paarlhoenders en ganzen, bezig hun voedsel te zoeken op de graanakkers. Daarop waren zeer vele vrouwen aan het werk; zij waren geheel naakt, met uitzondering van een klein voorschoot van blinkende ijzeren ringen, een soort pantser van kettingen. Ook droegen zij lange linten, die van achteren als staarten neerhingen, waarvan zij dienst hadden bij de knielende houding, die zij gewoon zijn aan te nemen bij den veldarbeid. Ik merkte met verbazing op, dat de meeste vrouwen en vele mannen uitgezette knieën hadden van den vorm, die in Engeland bekend is onder den naam van »werkmeidenkniequot;. 'tWas, vermoed ik, een gevolg van hun knielende houding. De deuren in de huizen, die wij voorbijkwamen, waren zoo laag, dat het den bewoner alleen mogelijk was op handen en voeten binnen te kruipen; ook dit moest zonder twijfel medewerken tot verergering van het gebrek, daar de kleine zand-deeltjes aanhoudend de huid binnendringen en een prikkeling moeten teweeg brengen. Men heeft mij verteld dat dit gebrek, hoe leelijk het ook staat, niet hinderlijk of pijnlijk is. De meeste Bari-vrouwen, die wij op de velden bezig zagen, droegen haar zuigelingen op den rug. Het lijkt bij het betreden van een veld der Bari's zonderling, tien ot twaalt vrouwen op hare knieën aan den arbeid te zien, elk met een kleinen zwarten dikken ruiter op den rug.

Te Moeggi aangekomen, girtgen wij het station niet binnen, maar regelrecht naar ons logies, dat een eindje verder lag, recht tegenover den oever van de rivier, die zich juist hier in een prachtigen waterval naar beneden stort. Het geruisch van het water zoo dicht bij de hutten was buitengewoon aangenaam; het is een geluid, dat ik altijd graag mag hooren. Abdoellah Aga Manzal, de commandant van het station, een van Emin's meest vertrouwde officieren, verscheen spoedig met de koffie. Hij hoopte zeer dat wij hier eenige dagen zouden vertoeven, maar wij hadden haast om de zaken te Rejaf in orde te brengen, ten einde in staat te zijn naar de zuidelijke stations terug te keeren en naar Fort Bodo op te rukken. Het viel mij op, dat Abdoellah Aga

13

87

-ocr page 118-

JEPHSON,

veel scherpzinniger was dan de meeste Soedaneesche officieren, die ik in deze streken had ontmoet. In den regel vroegen zij mij alleen over de Kxpeditie en onze wederwaardigheden onder weg, en stonden altijd sterk op mededeelingen over de bezwaren, verbonden aan het bekomen van voedsel en dergelijke. Abdoellah Aga vroeg daarentegen naar de inboorlingen, die wij onder weg hadden bejegend en stelde groot belang in de mate van welvaart, het verbouw, den lichaamsbouw, enz. van de stammen en volkeren, die hij in de woudstreken had gezien, zooals de Monboettoe's, Niam-Niam's en Makraka's. Het korte onderhoud met hem schonk mij veel genot.

Den I9dei' juli vertrokken wij vroegtijdig naar Kirri, een afstand van 41/j, uur marcheeren. Het land was schraal, maar aangenaam; steeds ofinsi het door dalen en stroomen en over heuvels, met kort '^ras be-

O O 'O

groeid. Op sommige plekken vonden wij, in groote cirkels en vierkanten, steenmassa's waardoor de plaatsen werden aangeduid waar eenmaal uitgestrekte Bari-dorpen lagen. De Bari's hadden reeds lang hun aan den weg gelegen dorpen verlaten en nieuwe nederzettingen gebouwd achter een lage heuvelreeks iets verder westelijk. Emin's soldaten hadden het, door hun aanmatigende manier van doen en hun zucht tot stelen, voor de inboorlingen onmogelijk gemaakt langer dorpen aan den weg te hebben. Toen wij verder noordelijk kwamen, waar de stations niet onder Emin's onmiddellijker! invloed stonden, kon ik aan de veelvuldige sporen van verlaten dorpen en de algeheele afwezigheid van mooi vee of geiten duidelijk zien, dat de soldaten de inboorlingen zóó geducht moesten hebben geplunderd, dat zij gedwongen waren hunne dorpen en kudden in den steek te laten en te zorgen, dat hunne goederen niet konden worden weggekaapt. Het was voor mij duidelijk dat de inboorlingen met Emin's lieden, zoo zij deze in handen kregen, korte wetten zouden maken, want zij hielden blijkbaar niet van de gebruiken der »Turkenquot;, zooals zij hen noemden. Wij legden een heel eind af door eenigermate aangemaakt 1and, dat voor de geologie vele merkwaardige verschijnselen aanbood. Men zag er natuurlijke terrassen, die zoo zuiver in éene richting lagen, dat het scheen alsof zij door menschenhanden zóó waren gemaakt. Ook vertoonden de rotsen aldaar vreemde verhevenheden en inzinkingen en merkwaardige

88

-ocr page 119-

EMIN PACHA.

aardlagen, die het hart van een geoloog zouden doen opspringen.

Wij bereikten vroegtijdig Kirri, een station met geringe bezetting, die nog kleiner was geworden door de menigvuldige deserties onder de soldaten, welke, onder den invloed van de partij te Rejaf, naar een station waren getrokken dat deze in Makraka had gebouwd.

Bachit Aga, de commandant van het station bleef den Pacha getrouw, maar was volstrekt niet in staat geweest om de deserties te kee-ren; hij was bruikbaar en gehoorzaam, maar ongelukkig een dronkaard. Ons verblijf lag buiten het station, dicht bij de rivier, en stak er hoog boven uit, daar het op een kleine rots was gebouwd. Dit was Gordon's lievelingsplek; daar placht hij te vertoeven zoo vaak hij, om zijn bezigheden, Ladó kon verlaten, en, evenals Gladstone, zich te ontspannen met het omhakken van boomen. Bachit Aga wist een vermakelijk verhaal te doen van Gordon's misnoegen, toen het hootd van het station eens het denkbeeld opperde, eenige manschappen te halen om den boom te vellen en Zijne Excellentie de verbazende moeite te besparen, die hij scheen aan te wenden.

Bij onze aankomst bevonden wij, dat de bezetting van het station, om onze verblijven buitengewoon mooi te maken, pas den bodem had belegd met versche koemest; wanneer men deze een paar dagen had kunnen laten drogen, zou de vloer uitstekend zijn geweest, maarzooals het er nu voor stond, kon men het in de hutten volstrekt niet uithouden. Maar nadat er een aantal Bari-vrouwen was geroepen, maakten deze spoedig een geheel nieuwe bevloering van prachtig wit zand. De hutten werden daarna berookt door het branden van een eigenaardig soort gom, ruikende als pastilles, welke gom in dit land veelvuldig voorkomt. Ik schepte veel behagen in de vlijt en de goedhartigheid, welke de vrouwen betoonden, toen zij ons dezen dienst bewezen. Haar opschik was zeer aardig; de meesten droegen om het middel lederen riemen, bedekt met kleine blinkende ronde ijzeren schijven, welke als een franje langs den geheelen gordel hingen; aan de voorzijde van den gordel droegen zij een schort van ijzeren ringen, dat op een maliënkolder geleek. Vaak wordt, in plaats daarvan, een aantal ijzeren kettingen gedragen die van voren naar beneden hangen, of een groote lap leder, waarop cilindervormige staatjes ijzer, zoo dik als een potlood, zijn vastgehecht.

89

-ocr page 120-

go JEPHSON,

Om den hals hadden zij stevige ijzeren ringen van allerlei vormen en afmetingen, terwijl zij gewoon waren ook ringen om de polsen en enkels te dragen,

Een ander sieraad, waarop mijn aandacht viel, was een soort van gordel, bestaande uit schelpen of ronde platte schijven, dicht op elkander geregen en in vele kringen om het middel gewonden, terwijl van achteren een lansfe dunne staart van draden neêrhinaf-

O O

Over 't geheel is een Bari-vrouw een rijkelijk opgetooid, maar wei-nig gekleed wezen, — terwijl de mannen, evenals bij den stam Madi, volslagen naakt loopen.

In den namiddag gingen wij koffie drinken bij Bachit en doorliepen het station. Het was klein en vrij slecht onderhouden; het werd omringd door een hoogen muur van steen met doorns aan den bovenkant. Al de stations ten noorden van Dufflé waren op deze manier gebouwd; men zou zeggen dat de inboorlingen ze nooit konden nemen.

In overeenstemming met zijn te Dufflé gemaakt plan, besloot de Pacha hier te vertoeven; hij zond Hamad Aga en de verdere officieren van het isU: bataljon naar Rejaf en was voornemens, alvorens verder te trekken, bericht af te wachten van Hamad Aga.

Hij droeg Hamad Aga op de soldaten te Rejaf mede te deelen, dat hij hier eenige dagen wilde blijven en, wanneer zij hun onderwerping kwamen aanbieden, hun vergiffenis zoude schenken, op voorwaarde dat zij hem de officieren uitleverden, die hen het eerst tot opstand hadden aangezet. Als zij dat weigerden, moest hij hen aan hun lot overlaten en de garnizoenen van Kirri, Moeggi, Laboré en Chor Ayoe terugtrekken in zijn meest zuidelijk station, als voorbereidende maatregel voor de ontruiming van het land bij de terugkomst van Stanley. Hij zeide mij, van gevoelen te zijn, dat een aantal soldaten, in geval de officieren weigerden hem te gehoorzamen, de partij van den opstand te Rejaf zouden verlaten en zich bij hem aansluiten. Dat betwijfel ik echter sterk.

Emin had zijn helpers uitgezonden om vogels te schieten, daar hij plan had, in afwachting van antwoord uit Rejaf, den tijd te besteden aan het uitbreiden zijner reeds bijeengebrachte aanzienlijke verzamelingen.

IJlL

-ocr page 121-

E.M1N PACHA.

Des nachts sliepen de zwaluwen bij vluchten in onze hutten ; zij waren van een bijzonder fraai soort, daar kop en rug staalblauw, de keel bruin en de buik wit waren; zij waren iets kleiner dan de Kuropeesche soorten. Het volk uit den omtrek bracht mij alleraardigste voorwerpen, zooals oorbellen, halsbanden, gordels, messen en uit hout gesneden gereedschappen. Eenige tot de bemanning der boot behoorende lieden brachten mij bogen en pijlen van de Hari's. De bogen waren lang en vervaardigd uit een soort van riet als de bamboes en werden gespannen door gevlochten dunne reepjes van huiden. De pijlen hadden een lengte van bijna i M. en zware ijzeren punten van 20 c.M. met vree-selijke weerhaken; zij waren niet bevederd, want de ijzeren punten zijn zoo zwaar, dat zij toch rechtuit vliegen. Zij waren dik belegd met vergif, verkregen uit de sappen van de Euphorbia Candelabra, aan het achtereind een weinig plomp, waar zij een inkeping hadden, om op de pees te sluiten. De bogen waren, evenmin als de pijlen, zoo sierlijk als die van de inboorlingen in het woud, die er prijs op schenen te stellen ze op te smukken en glad te maken.

Na verloop van eenige dagen kwam er een bri^t van Hamad Aga, die daarin mededeelde, na zijn aankomst te Rejaf, al de officieren bijeengeroepen en hun medegedeeld te hebben, dat de Moedir te Kirri was en naar Rejaf zou komen om het volk toe te spreken, wanneer de oifi-cieren eerst bij hem hunne onderwerping kwamen aanbieden. De officieren antwoordden, dat zij Ali Aga Dgabor en Mahmoud Effendi el Adeini schriftelijk hadden uitgenoodigd uit Makraka over te komen, om gezamenlijk te overleggen wat hun te doen stond, en, alvorens te vertrekken, gaarne de terugkomst van deze beide officieren wilden afwachten.

Deze beiden, de raddraaiers van den opstand, hadden zich, in strijd met de bevelen van den Pacha, in Makraka gevestigd en de halve garnizoenen van Bidden, Kirri en Rejaf medegebracht, benevens een groote hoeveelheid ammunitie van deze stations. Hier leidden zij, zooals ik reeds heb gezegd, een leven als roovei hooiden, voorzagen in hun onderhoud door strooptochten onder de inboorlingen, grepen groote kudden vee en vrouwen weg, terwijl zij de bevolking ophingen, neerschoten en verminkten. Beiden behoorden tot de grootste schurken in Emin's Provincie, en de officieren waren blijkbaar bevreesd, zonder hen iets te durven doen.

-ocr page 122-

jei'hson,

Emin zeide echter, dat hij zich volkomen overtuigd hield Ali Aga Dgabor geheel aan zijn zijde te zullen brengen, als hij hem maar eens kon spreken. Hij besloot daarom zijn komst uit Makraka af te wachten. Ik was van oordeel dat hij daarmede een vrij gevaarlijk waagstuk ondernam en nutteloos wachten en tijdverspillen er het gevolg van werd. Ik had in last al de stations van de Provincie te bezoeken, maar al kon ik niet naar Rejaf gaan, was het nog niet noodig hier te blijven. Ik wenschte mijn opdracht zoo spoedig mogelijk uit te voeren en dan onmiddellijk terug te keeren, want ik was volstrekt niet gerust op den staat van zaken, terwijl mijn ongerustheid nog was toegenomen na een gesprek met den schrijver op het station. Deze verhaalde mij, dat Achmet Effendi Mah-moud, de schrijver te Toengoeroe, die door Emin bij zijn terugkomst uit Stanley's kamp gevangen was gezet, omdat hij in het land opstand had gepredikt en naar Kirri had bericht dat ik slechts een werktuig was in de handen van Emin en Stanley, om te bedriegen ; dat wij in werkelijkheid niet verder clan uit Oeganda kwamen en dat de Soeda-neesche oppassers, die ik bij mij had, slechts medegenomen waren om als dekmantel te dienen dat de Expeditie zuiver een Expeditie van reizigers was en niets met de regeering in Egypte had te maken ; terwijl hij er bij voegde, dat de Khedive, als de Expeditie van hem kwam, geen drie, maar driehonderd soldaten zou hebben gezonden.

»Maar,quot; zoo vroeg ik den schrijver, »wat doet het er toe, of wij uit Egypte komen of niet, als wij bereid zijn het volk hulp te bieden?quot;

Daarop gaf hij ten antwoord, dat de menschen nimmer zouden vertrekken, voor zij overtuigd waren dat wij uit Egypte kwamen.

Nu had ik genoeg, ja was ik zoo onverschillig mogelijk ten opzichte van deze lieden en verzocht Emin zonder dralen naar het zuiden te vertrekken. Er werd daarop besloten, dat wij, nadat ik de bezetting van het station had toegesproken, den volgenden dag den terugmarsch naar Dufflé zouden aannemen.

Op den bepaalden tijd richtte ik een aanspraak tot de soldaten en las hun den brief van den Khedive en de proclamatie van Stanley voor. Mijn aanspraak was kort en scherp, want ik was ontstemd over hun domheid en gebrek aan dankbaarheid. Ik herinnerde hun, dat hun Moedir voor hen had gezwoegd, en hield hun voor, dat het in hun

92

-ocr page 123-

EMIN PACHA.

eigen belang was, zich nu aan hem te houden en niet te luisteren naar hetgeen de officieren te Rejaf hun hadden gezegd. Maar als zij liever luisterden naar woorden van anderen dan naar die van ons, stond hun zulks vrij en konden zij in het land blijven. Als Stanley terugkeerde, konden allen, die daartoe bereid waren, hem volgen, maar deze wilde op niemand, wien dan ook, wachten, die niet gereed was om te gelijk met hem te vertrekken, daar wij reeds veel te veel tijd in dit land hadden zoek gebracht. Ik besloot met een tafereel op te hangen van hun toestand, wanneer zij aan hun lot werden overgelaten en hield hun voor, dat hun ammunitie, mits zij er spaarzaam mede waren, nog een zekeren tijd, misschien een jaar, kon strekken, maar dat de inboorlingen, wier haat zij zich door honderden gewelddadige handelingen op den hals hadden gehaald, dan zonder genade het meerendeel hunner van den aardbodem zou vagen. De weinigen, die misschien mochten ontkomen, zouden zich met speren en bogen moeten wapenen en, als zij zich niet met groene bladeren wilden behelpen, naakt moeten loopen. Zij zouden precies gelijk worden aan de inboorlingen en terugkeeren tot den staat, waarin Emin hen voor tien jaar opnam, — een staat, waarvoor zij nu de grootste minachting koesterden. Bovendien waren zij dan vogelvrij.

Zij schenen diep getroffen door deze laatste opmerkingen, want zij stelden er een eer in voor beschaald door te traan en cmed aekleed te

O O O

zijn, zoodat hun trots vreeselijk werd geknakt door het gezegde, dat zij binnen een jaar weder zouden moeten vervallen in den wilden staat van vroeger.

Een van de onderofficieren ijlde naar buiten met de woorden: gt;Hoe jammer, dat gij niet naar Rejaf gaat om deze woorden te herhalen aan de soldaten, want als zij vernemen, wat door u heden gesproken is, zullen zij hun toestand helder inzien en zal alle bekommernis zijn opgeheven.quot;

Bachit Aga kwam mij den volgenden morgen een bezoek brengen en bracht zijn officieren en onderofficieren mede. Hij had zich gedurende den opstand altijd goed gedragen, en, hoewel hij tot het iste bataljon behoorde, had hij geweigerd zijn naam te leenen aan de be-leedigende brieven, die Emin had ontvangen, 't Sprak van zelf dat hij

li ii

1 \m

i mMI

i w-S Ivil

I r:; 1 {• i

93

ii ^ li ii li! 1

11 •.. ; I H

m

-ocr page 124-

JEPHSON,

vóór vertrek met den Gouverneur was ; zoo niet naar Egypte, naar elders was het hem ook goed.

Ik was evenwel niet voorbereid op den nadruk, waarmede de overige officieren en de lieden verklaarden met ons te willen oraai: en be-

ö o

reid te zijn zuidwaarts te trekken, wanneer hun Moedir het hun gelastte. Zij deelden mij mede dat de geheele bevolking had gesproken over heteeen ik den voricren das tot hen had eezegd en zich nu volkomen

o o ö o o

94

bewust was van haren toestand, ingeval zij onze hulp weigerde. Allen verzochten buiten bereik van de officieren te Rejaf te worden gebracht en verlangden, dat ik in mijn kitaab (aanteekenboek), waarvoor zij groo-ten eerbied schenen te hebben, zou opschrijven wat zij zeiden ; want zij hadden gehoord dat ik dagelijks alles opschreef, wat er in de Provincie voorviel. Zij hadden ook gehoord dat ik een voortreffelijk geweer had en verzochten mij of zij het eens zien mochten. Toen ik hun daarop mijn met vijftien patronen geladen Winchester vertoonde, vonden zij daarin veel behagen. Later op den dag, toen ik, na door Emin verzocht te zijn bij hem te willen komen, zijn kamer binnentrad, trof ik daar een deputatie soldaten aan, die een bezoek bij hem aflegden. Zij zeiden dat iemand op het station hun had verteld, dat Stanley niet toelaten wilde, dat zij hun vrouwen, kinderen en slaven medenamen, als zij met ons gingen, en kwamen nu vragen of dat zoo was. Ik gaf ten antwoord, dat wij met hunne huiselijke aangelegenheden niets hadden te maken en dat zij, wat ons betrof, mede konden nemen wie en wat zij verkozen ; in dat opzicht waren zij volkomen vrij. Na betuigd te hebben dat zij door dat antwoord gerust waren gesteld, gingen zij heen. Toen het 's avonds koeler was geworden, gingen Emin en ik naar het station ter bijwoning van een dans, dien de soldaten ter eere v^n ons zouden uitvoeren. Bijna al deze soldaten waren inboorlingen van Makraka. De muziek had meer van werkelijke muziek dan ik ooit bij de inboorlingen had aangetroffen. Zij hadden lange en korte horens, van kalebassen 1 en koehuiden gemaakt, en trommen van verschillende afmetingen, terwijl ieder danser een ratel in de hand had, waarmede hij de maat aangaf. De melodie bestond uit zes of zeven zware tonen van een grooten ho-

1

Cresccntia Cijele. Vertaler.

-ocr page 125-

EMIN PACHA.

ren, welke steeds werden herhaald onder begeleiding van ratels en trommen. Op een afstand klonk het niet kwaad. De Makraka's dansen niet zoo wild als andere stammen en onthouden zich van de onbehoorlijkheden, waarmede het dansen van den stam Loer gepaard gaat. De dansers maken op eiken voet, om beurten, telkens tweemaal een soort van schuivende beweging, op welke wijze zij bedaard om den troep muzikanten voortdansen. De vrouwen bewegen zich daarbij buitengewoon bevallig.

Op den terugweg naar ons verblijf, stelde een bode Emin een briefquot; ter hand; hij kwam uit Rejaf en was geschreven door Hamad Aga.

Zie hier de woordelijke vertaling uit het Arabisch;

Aan Zijne Excellentie den Gouverneur van Haialastiva.

»Na u met allen eerbied de hand te hebben gekust, bid ik God den Allerhoogsten mij niet lang van Uwe Excellentie gescheiden te houden. Ik verzoek er kennis van te nemen dat ik nog in Rejaf ben en zie verlangend uit naar gelegenheid om hier, waar ik gevangen word gehouden, van daan te komen, en mij bij Uwe Excellentie te vervoegen. Tevens deel ik u in uw belang mede, dat mij ter ooren is gekomen, dat de officieren alhier samenspannen om Uwe Excellentie te vatten, in ge val gij deze plaats met uwe tegenwoordigheid vereert. Zij zijn niet van zins u weer te laten vertrekken, maar hebben plan over Gondokoro te trekken om zich bij hunne regeering te vervoegen, die, gelijk zij mee-nen, xich nog altijd te Khartoem heeft staande gehouden.

»Het is Uwe Excellentie niet onbekend waartoe deze lieden al niet in staat zijn, en daar ik het, uit eerbied voor u, mijn plicht reken Uwe Excellentie te waarschuwen, meen ik dit complot aan het licht te moeten brengen. Wat mij zelf betreft, ik heb mij, sedert ik hier ben, hoegenaamd niet met de zaken bemoeid, en word, wat er ook gebeurt, in niets geraadpleegd. Mijn vurigste wensch is een middel te vinden om van hier te ontsnappen. Zoo de Heer mij Zijn hand reikt en mij redt, zij Hem de lof; gebeurt het niet, zoo

14

95

-ocr page 126-

jephson,

geschiede toch Zijn wil. Dit is alles wat ik Uwe Excellentie kan mededeelen.

(get.) Hamad Mahomet

»28 Juli 1888. Majoor van 't ist0 bataljon.quot;

Ziedaar mijn ergste vrees bevestigd! De wolk, die voor mijn geest was opgekomen ter breedte van een menschenhand, nam toe in omvang, verduisterde en stelde mijn vertrouwen op Emin's wijsheid geheel in de schaduw.

De boodschapper van Hamad Aga zeide ons dat hij des nachts heimelijk was vertrokken, en dat de soldaten, onmiddellijk nadat hij hun Emin's boodschap had overgebracht, het plan hadden beraamd om hem gevangen te nemen. Hij zeide dat al de soldaten ten hoogste op hunne officieren verbitterd waren, en, naar zijne overtuiging, zich bij Ernin zouden aansluiten, wanneer hij naar Rejaf ging, om die officieren gevangen te zetten. Dit was evenwel een al te gevaarlijk waagstuk, hoewel Emin nog altijd scheen te gelooven, dat de lieden nog wel te leiden zouden zijn.

Daar negen maanden geleden een zeker aantal officieren en soldaten van het iKU bataljon een poging hadden gedaan om Emin op de zelfde plek gevangen te nemen, besloten wij. uit vrees dat zulks herhaald mocht worden, onverwijld naar Moeggi te gaan.

Alvorens te vertrekken, gaf Emin, met het oog op de ontruiming van het station, Bachit Aga bevel om al de ammunitie daarvan mede te geven en alleen een voldoende hoeveelheid over te laten voor de tegenwoordige behoefte der bezetting. Nadat wij een uur hadden gemarcheerd, kwam ons een estafette achterop met de boodschap, dat de soldaten, toen hij de ammunitie uit het magazijn had willen nemen, om ze ons achterna te zenden, dit hadden omsingeld en geen ammunitie uit het station wilden laten vervoeren. Emin zond eenvoudie de bood-schap terug, dat hij aandrong op onmiddellijke afzending!

Zulk eene openlijke daad van insubordinatie was verregaand, zoodat ik hem verzocht terug te gaan en zelf te zorgen, dat zijn bevel ten uitvoer werd gelegd. Ik wist dat Stanley, wanneer hij vernam dat zijne

96

-ocr page 127-

EMIN PACHA.

manschappen een door hem gegeven bevel weigerden na te komen, zeer spo dig ter plaatse zou zijn geweest, om in persoon de ten uitvoerlegging bij te wonen. Deze tweede proef ontbrak er nog aan, om al de twijfelingen te bevestigen, die, bijna veertien dagen geleden, te Dufflé in mij waren opgekomen! Van dien dag af aan verloor ik al mijn vertrouwen op Emin's raadgevingen en verzekeringen ten opzichte van zijn volk, en gevoelde ik, dat zware wolken ons boven het hoofd hingen en ernstige ongelegenheden ons dreigden.

De soldaten hadden nu ronduit zijn bevelen getrotseerd, zoodat hij niet lancer gfehoorzaamheid van hen kon verwachten. Des namiddaofs

O O O

bereikten wij Moeggi, en 's avonds kwam er een bode uit Kirri, met bericht, dat de soldaten het nader hun door Emin gegeven bevel in den wind hadden geslagen.

De uitkomst was gelijk ik reeds had voorspeld, want des morgens gaf Bachit Aga bericht, dat de soldaten meer dan woedend waren over het bevel van den Pacha tot vervoer van de ammunitie, zonder dat zij waren verwittigd van zijn voornemen tot ontruiming van het station. Hij zeide dat zij blijkbaar dachten, dat hun Gouverneur trachtte hen op de een of andere manier om den tuin te leiden, en dat zij hadden verklaard hem niet te willen gelooven, maar te zullen overloopen naar de rebellen te Rejaf. Vooral bij negers is het geven van een bevel nood-lotticr, als men niet zeker is van de uitvoering-. Als de Pacha slechts

O O

den korten afstand naar het station had afgelegd, zou een enkel woord voldoende zijn geweest om de soldaten tot hun plicht te brengen en voorkomen zijn, hetgeen het begin bleek te wezen van de lange reeks ongevallen, die ons zouden treffen. Wij vernamen dat er boden uit Kirri waren afgezonden naar Rejaf, om de opstandelingen te berichten wat er was voorgevallen. Een paar dagen geleden, hadden de soldaten te Kirri verklaard hun Gouverneur te zullen gehoorzamen, en verzocht aan den invloed van het iste bataljon te worden onttrokken ; nu waren zij tegen hem opgestaan en verklaarden zij met de oproerpartij van Rejaf gemeene zaak te maken. Wat te beginnen met zulke lieden? Welk vertrouwen kon men nog stellen op hunne beloften van welgezindheid?

In den namiddag sprak ik de soldaten aan en las hun de brieven

97

-ocr page 128-

98

van den Khedive en Stanley voor; in 't geheel waren er te Moeggi negentig soldaten en hield men het garnizoen aldaar algemeen voor het getrouwste van allen ten noorden van Dufflé.

Emin rekende er sterk op, dat Abdoellah Aga het volk een voorbeeld zou geven, door zich onverwijld gereed te maken tot ontruiming van het station en overbrengfine van zijn garnizoen naar Dufllé. Het lae

O O J O ö

in zijn plan te bevorderen, dat de bezettingen van al de stations ten noorden van Dufllé zuidwaarts trokken naar den waterwee:, waarlangs

O ' O

hij hen op zijn stoombooten zou kunnen overbrengen naar het zuidelijk uiteinde van het meer. Hij dacht daarbij dat de overige bezettingen, wanneer zij Abdoellah Aga slechts met zijn manschappen naar Duffle zagen trekken, hem wel zouden volgen.

Midden in den nacht kwam Emin mijn kamer binnen en wekte mij. Hij had even te voren een brief ontvangen van Bachit Aga, den commandant van Kirri, waarin werd gemeld, dat dien avond soldaten uit Rejaf waren aangekomen, die zich van al de ammunitie meester gemaakt en hem in zijn eigen huis gevangen gezet hadden. Juist zooals ik, na het gebeurde op den vorigen dag, had verwacht. Hij las mij den brief voor en vroeg wat ik er van dacht, en liet ook Abdoellah Aga roepen, om te vernemen wat deze er van zeide. Ik ried hem aan om eenige soldaten en dragers, zooveel als hij kon krijgen, naar Kirri te zenden, met een stuk door hem onderteekend, om openlijk aan het volk te worden voorgelezen. Hij moest daarin zeggen, dat het elk, die zulks verlangde, volkomen vrij stond zich aan te sluiten bij de oproerlingen te Rejaf, want dat de Khedive had bevolen dat zij mochten blijven waar zij waren, als zij dat verlangden ; maar dat hij, voor 't geval er lieden mochten zijn, die er de voorkeur aan gaven hun lot met hem te deelen, over soldaten en dragers kon beschikken, om hen naar Moeggi te geleiden ; clat

lt;-gt; O O O

hij in zijn omgeving alleen menschen begeerde, die zulks verlangden en niemand zou dwingen hem tegen zijn zin te volgen. Hij had dit plan nauwelijks geopperd, of een deel der soldaten en dragers verliet des morgens om 3 uur Moeggi, onder aanvoering van Ismail Aga, een kranig Soedaneesch officier.

Het deed mij zeer leed, dat Emin zijn jarenlang verblijf in de Equatoriaal Provincie, met zijn onafgebroken moeielijkheden, moede was. Hij

-ocr page 129-

EM1N PACHA.

was het vroeger eens geweest met zijn volk ; hij had de aanvallen van den Mahdi, zonder hulp van de buitenwereld, afgeslagen en bij al zijn andere moeielijkheden van de drie jongste jaren was nu ook nog de opstand gekomen. Hij deelde mij mede, dat hij van dit alles genoeg had en blijde zou zijn zijn taak te kunnen nederleggen ; »maar,quot; zoo voegde hij er bij, «wie zal haar weder opvatten ?quot;

Ik had dien nacht een uitvoerig gesprek met hem, en toen ik hem zijn verhaal hoorde doen, voelde ik mij beschaamd, dat ik een paar dagen geleden zoo vertoornd was over zijn gebrek aan vastberadenheid. Het is voor een jongmensch, vol levenslust, moeilijk te begrijpen, hoe zwaar het dikwijls een man op rijperen leeftijd, naar lichaam en geest geknakt door menig jaar van harden arbeid en moeielijkheden, kan vallen altijd krachtig en vaardig te handelen.

Emin had meer dan tien jaar doorgebracht als arts in Turkschen dienst; hij had, naar hij mij zelf zeide, het grootste gedeelte daarvan verkeerd in een bijzonder warm klimaat, o.a. in Syrië en verschillende streken van Klein-Azië, zooals Armenië, 1'erzië en Arabië, en in Tripolis. Daarna was hij in Egyptischen dienst getreden en dertien jaar in de Equatoriaal Provincie geweest, waar het klimaat hoogst ongunstig was voor Europeanen en al de verantwoordelijkheid van het bestuur op zijn schouders rustte. Tijdens de eerste jaren van zijn bewind had hij met wanhoop en verontwaardiging moeten zien, dat al zijn ijver en moeite, aangewend ten beste zijner Provincie en zijn volk, werden gedwarsboomd en verijdeld door het schandelijk beleid van de regeering te Khartoem. Gedurende de vijf laatste jaren afgesneden van de buitenwereld, had alles, wat hij konde doen, bestaan in handhaving van zich zelf tegenover de moeielijkheden, die hem beklemden, en het volk, dat aan zijn hoede was toevertrouwd, al gaf het zelden van eenige dankbaarheid blijk, te kleeden en te verzorgen. Hij verkeerde in zoodanigen staat van overspanning, dat hij 's nachts zelden meer dan twee of drie uur sliep en van zorg en verdriet aan hartkloppingen leed.

Alleen dan, wanneer de moeilijkheden in zijne Provincie, zijn slapeloosheid en bekommering over zijn arbeid samenwerkten om zijn taak zoo zwaar te maken, dat hij haar niet scheen te kunnen vervullen, gat hij lucht aan zijn moedeloosheid en aan zijn gevoel van

99

-ocr page 130-

jEPnsox,

wanhoop, of er wel iemand zou zijn om zijn werk op te vatten, als hij het moest nederleeticn.

O O

Maar dergelijke aanvallen van neerslachtigheid duurden nimmer lang en in den regel was hij opgeruimd en bedrijvig. Zijn eenige ontspanning bestond in zijn ornithologische onderzoekingen, waarvoor hij een hartstochtelijke ingenomenheid koesterde. Zijn verzamelaars gingen dagelijks uit en brachten hem zeldzame vogelsoorten, terwijl men hem in zijn vrijen tijd zijn exemplaren kon zien determineeren en rangschikken met de echte belangstelling van den waren ornitholoog. Als man van karakter worstelend tegen de hem opgelegde beproevingen, terwijl hij zonder aarzelen zijn beste levensjaren opofferde voor het welzijn van zijn volk en door moeielijkheden van ver en van nabij omringd werd, moet hij altijd voor elk, die hem in zijn land heeft gezien en gekend, een voorwerp van bewondering en sympathie blijven. Zijn hartelijkheid, onbaatzuchtigheid, en edelmoedigheid dwongen allen, die hem meer van nabij kenden, oprechte genegenheid af.

Ik zal nooit dien nacht vergeten, waarin wij, tot het aanbreken van den dag, bij elkander zaten te redeneeren over allerlei dingen en over den loop, dien de zaken in zijn Provincie, naar mijn innige overtuiging, zouden nemen. Hij verhaalde mij van zijn levensloop, sprak van zijn hoop en vrees, zijn strijd en teleurstellingen, en dit alles met een eenvoud en een ernst, die mij wroeging bezorgden, als ik bedacht, hoe dikwijls ik mij zelf tot toorn had laten vervoeren over zijn gebrek aan geestkracht en zijn besluiteloosheid.

Toen des avonds de soldaten uit Kirri terugkeerden, stonden wij versteld over de mededeeling, dat zij een ofhcier en vijftien vandeop-gestane soldaten uit Rejaf hadden medegebracht. Abdoellah Aga Man-zal kwam ons verslag brengen. Met scheen dat Ismail Aga, de officier, die als bevelhebber van de soldaten uit Moeggi er mede naar Kirri was gegaan, bij zijn aankomst aldaar een toespraak had gehouden tot de soldaten uit Rejaf, om hun te zeggen, hoe dwaas zij handelden en hun had gevraagd of zij één enkel geval konden bijbrengen, waarin de Gouverneur hen slecht behandelde, zij het. dat hij hun iets ontnomen, of, met zijn weten, eenige daad van onrechtvaardigheid jegens hun beging. Op deze vragen hadden allen geantwoord; „Neen.quot; Toen hij hun ver-

IOO

-ocr page 131-

III

If

fivfo

-I

I' 11

:ti m

,HW

mm

ill I ^

m 1: li

I u

-ocr page 132-

■ .......... ■■ ^

ftlgè . ■ , I$ïiw 't- - 'M li gt; ......

,

■BÉH^ ■«' -

- . .-.v.^

I

'

pl^

-ocr page 133-

EMIN PACIIA.

volgens vroeg: „Heeft uw Moedir u niet gekleed, gevoed, geweren en ammunitie gegeven, verpleegd als gij ziek waart en u dertien jaar lang vaderlijk behandeld?quot; hadden allen wederom geantwoord : ,Ja.quot; „Waarom,quot; had Ismail Aga toen verder gezegd, ,,komt gij dan niet bij hem, om hem uw onderwerping aan te bieden?quot; Eenstemmig hadden allen daarop verklaard hem in Moeggi te zullen gaan opzoeken.

De eene helft was daarom met haar luitenant gegaan, terwijl de andere had gezegd den volgenden dag met den kapitein te zullen komen.

In den laten namiddag werden zij bij Emin toegelaten, die hen eerst op barschen toon, maar ten slotte bedaard toesprak, waardoor hun -/rees verdween. Zij deelden hem daarop mede, dat hun aanvoerders er de schuld van droegen dat zij hem ongehoorzaam waren geweest, en dat zij thans allen verlangend waren hem te Rejat te zien, terwijl zij hem naar de reden vroegen, waarom hij niet bij hen was gekomen. gt;Omdat uwe officieren plan hadden gemaakt om mij gevangen te nemen,quot; gaf hij ten antwoord. Hierdoor schenen zij zeer getroffen en zeiden hunne makkers te zullen zeggen, wat hunne officieren hadden gedaan.

Daarop vroeg Emin mij een toespraak tot hen te houden.

Ik deelde hun daarin mede, dat wij hier waren gekomen, omdat hun Gouverneur naar Engeland had geschreven om zijn volk hulp te brengen en het Engelsche volk zich bereid had verklaard tot het ver-leenen van bijstand, in vereeniging met den Khedive. Maar op hetzelfde tijdstip waarop hun Gouverneur om ondersteuning naar Europa geschreven en bericht had, hoe dapper zij tegen den Mahdi hadden gevochten, hadden zij een complot gesmeed om tegen hem op te staan. Allen schudden het hoofd en riepen uit ; gt;Ja, wij hebben slecht gehandeld, maar het was de schuld van onze officieren.quot; Ik las hun het manifest van den Khedive voor, legde het hun uit en deelde hun mede, dat wij uit Engeland waren gekomen, den Khedive bezocht en vele duizende mijlen afgelegd hadden, om hen te helpen, terwijl zij, nu wij met ammunitie en andere zaken voor hun waren aangekomen, ons durfden vragen wie wij waren en zeiden niet te gelooven, dat wij uit Egypte kwamen, in plaats van ons te bedanken voor hetgeen wij hadden verricht. Ik zeide verder dat ik hun officieren ten zeerste moest laken, maar dat ik

IO3

c

-ocr page 134-

I04 JEPHSON,

hen haast even slecht rekende, omdat zij zich door lastering van hun Gouverneur hadden laten verleiden, toen zij zijn eigen woorden hadden moeten betrachten. Zij schenen zich sterk over zich zelf te schamen en deden allerlei beloften, waarvan zij, ik hield er mij van verzekerd, toch geen enkele zouden vervullen. Voor het oogenblik meenden zij waarschijnlijk wat zij zeiden en zouden zij wellicht, zoo hun vrouwen en kinderen er bij waren geweest, er genoegen in nemen ons te volgen, maar als zij te Rejaf in den schoot der hunnen, die Emin niet hadden gezien, waren teruggekeerd, zou, naar mijne overtuiging, hunne oprechtheid dadelijk vervliegen en zouden de zaken weer in den vorigen toestand zijn. Zonder twijiel zouden hun oflicieren, bij hun terugkomst te Rejaf, zeer misnoegd zijn als zij hoorden, wat zij hadden gedaan, en zorgen hen later in het oog te houden.

Emin was omtrent dit alles vol hoop en dacht dat deze weinige lieden de geheele massa te Rejaf konden bewerken. Toen ik zeide dat te betwijfelen, voerde hij mij tegen: gt;In elk geval is het goede zaad uitgestrooid,quot; maar met de woorden van de schrift antwoordde ik, dat ik vreesde, dat het zaad op rotsgrond was gevallen en spoedig zou verdrogen.

Alvorens den volgenden dag naar Rejal terug te keeren, kwamen de soldaten ons bezoeken en herhaalden zij veel van hetgeen zij den vorigen dag hadden gezegd, doch betuigden in nog krachtiger termen hun oprechtheid. De Pacha gaf hun een kalf en eenige geiten, waarmede zij zeer in hun schik waren, want reeds sedert langen tijd hadden zij te Rejaf geen vleesch meer geproefd. Zij beloofden hun makkers te Kirri ook naar den Gouverneur te zullen zenden. Emin meende, dat nu alles in orde was. Het was verwonderlijk, dat hij, bij zijn ondervinding van zoo lange jaren, zooveel vertrouwen kon stellen op lieden, die hem zeker meer dan vijftig maal hadden bedrogen.

In den namiddag kreeg Emin een briet uit Dufflë van Hawashi Ef-fendi, waarin deze berichtte een aantal soldaten te hebben uitgezonden naar het land der Shoeli's ten oosten van de rivier, om de graanbelas-ting van de inboorlingen te innen. Een van de hoofden had aan den officier van Hawashi Effendi gezegd, dat een aantal lieden uit Khartoem, onder aanvoering van Taha Mahomet, Latooka waren binnengerukt. Zij

-ocr page 135-

Ül!;;

EMIN PACHA.

zouden allen met; geweren gewapend zijn en daarenboven een groot aantal gewapende negers bij zich hebben. Verder verklaarde hij een afdee-ling soldaten te hebben uitgezonden, om te trachten nadere berichten daarover in te winnen en voegde er bij; »God geve, dat het manschappen zijn van ons Gouvernement te Khartoem !quot;

Hawashi Effendi, een van de scherpzinnigsten uit Emin's omgeving, geloofde dus nog half en half, dat het bericht van den val van Khartoem valsch was geweest! Hij had Stanley te N'sabe ontmoet, was door hem geheel van den stand van zaken in Egypte op de hoogte gebracht, en toch kon hij zich niet losrukken van het denkbeeld, dat Egypte nog altijd in Khartoem, de regeering in handen had. De domheid van deze menschen was om razend van te worden; redeneeren met hen stond gelijk met praten tegen een steenen muur en 't was voor een Europeaan onmogelijk hun manier van betoogen en denken te begrijpen. «Men moet zelf een vledermuis zijn om te begrijpen waar een vleermuis heenvliegt,quot; pleegt Mevrouw Poyser te zeggen; zóó dient men ook een Egyptenaar of een Soedanees te wezen, om te vatten wat zij in hun schild voeren.

Wij waren natuurlijk zeer getroffen door de tijding, die, juist nu, wel een hoogst ongelukkige mocht heeten. Emin deelde mij mede, dat deze Tara Mahomet vrij goed bekend was in deze streken. Hij was oorspronkelijk door Sir Samuel Baker als staljongen uit Khartoem medegenomen op diens expeditie, toen hij de Albert Nyanza ontdekte. Baker was eenige maanden in Latooka gebleven en liet, bij zijn vertrek, daar Taha Mahomet achter, die langzamerhand manschappen en geweren wist te krijgen en van lieverlede een man van gewicht werd. Ten tijde van Gordon's verblijf als Gouverneur in de Equatoriaal Provincie, werd Latooka daarbij ingelijfd en, in overeenstemming met de zonderlinge keuze van vertegenwoordigers, waardoor hij zich tijdens zijn bestuur heeft onderscheiden, stelde Gordon Taha Mahomet aan tot Gouverneur van Latooka. In 1879 — sedert twee jaar was de Nijl toen reeds gesloten — zond Emin hem te land naar Khartoem, met brieven voor Gordon, destijds Gouverneur-Generaal van Soedan. Gordon hield hem in Khartoem bij zich en wilde hem niet naar zijn land terug laten gaan, maar zond hem ten laatste naar Bahr el Ghazal, om Gessi Pacha te helpen

I05

m

i 11

¥

3® «1

I

'l 1'

rfflalti

-ocr page 136-

JEPHSON,

in zijn strijd tegen Sebelir. Hij was tegenwoordig bij de inneming van Dem Sebehr, Sebehr's versterkte plaats, terwijl Gessi hem later naar Emin zond met flinke aanbevelingen en het verzoek, hem een betrekking te bezorgen. Toen hij een maand in Lado was geweest, ontving Emin een schrijven van Gessi, met verzoek Taha Mahomet gevankelijk aan hem op te zenden, omdat gebleken was, dat hij betrokken was geweest in een belangrijken dietstal, na de bestorming van Dem Sebehr. Nadat hij aan Gessi was overgeleverd, had men in de Equatoriaal Provincie niet meer van hem gehoord. Toen Emin in Khartoem kwam en naar hem vroeg, kreeg hij ten antwoord, dat Taha Mahomet alles, wat hij bezat, had verloren, naar Kordofan vertrokken en onderweg gestorven was. Emin zeide, dat hij ten minste 300 geweren bij zich moest hebben ; met kleiner aantal zou hij dit land nooit hebben durven betreden. Het stond bij ons vast, dat hij in verbinding stond met de aanhangers van den Mahdi in Khartoem, want het was hoogst onwaarschijn lijk, dat hij den grooten afstand zou hebben afgelegd om zich in dat land te vestigen, als hij niet zeker was geweest steeds nieuwen voorraad ammunitie te krijgen. Het doel van zijn komst zal waarschijnlijk het bemachtigen van ivoor en slaven zijn geweest. Daar hij zich zonder vergunning in Latooka, Egyptisch grondgebied, had gevestigd, moesten wij natuurlijk veronderstellen, dat hij niet vijandelijke bedoelingen was gekomen. Dat dit juist toen plaats greep, was ongelukkig, en zou kunnen blijken hoogst noodlottig te zijn, want het gebied Latooka lag slechts drie dagreizen van Rejaf en vijf van Dufflé, terwijl deze nederzetting van Taha Mahomet een toevluchtsoord kon worden voor al de misnoegde bewoners van de Equatoriaal Provincie.

De Pacha meende, dat in elk geval de officieren te Rejat, als hun het nieuws ter ooren kwam, zich bij hem zouden vervoegen, maar dat de soldaten zulks niet zouden doen, omdat, naar alle waarschijnlijkheid, hunne geweren, vrouwen en slaven verbeurd verklaard en zij zeil ook tot slaven gemaakt zouden worden. Toch waren zij zoo dwaas, want zij wisten niet wat zij moesten beginnen. Er waren eenige bewoners van Latooka in het station Laboré, zoodat Emin Selim Aga bevel gaf hen naar Latooka te zenden, om gewaar te worden, waar het volk toen verkeerde, hoe groot hun getal was en welke bedoeling zij hadden met

io6

-ocr page 137-

EM1N PACHA.

hunne vestiging aldaar. Het was natuurlijk zeer wel mogelijk dat niet Taha Mahomet, maar eenige aanhangers van den Mahdi uit Khartoem daar waren, met het doel om voor de tweede keer tegen Emin's volk op te trekken. Emin zeide het volstrekt niet voor onwaarschijnlijk te houden, dat er op nieuw, evenals drie jaar geleden, zou moeten worden gevochten. De rampen van den armen Pacha schenen zich meer en meer te vermenigvuldigen. Abdoellah Aga verzocht hem eenige dagen te wachten, tot de geheele ontruiming van het station had plaats gehad, want de tegenwoordigheid van den Gouverneur zou, naar hij zeide, een krachtige spoorslag zijn voor het volk om te vertrekken.

In den omtrek van Moeggi verkeerde allerlei soort van wild en gevogelte. Emin's bedienden hadden hem een paar trapganzen ' gebracht, die zeldzaam waren ; hij was bijzonder met deze dieren in zijn schik, omdat er tot dusver maar vijf exemplaren van naar Europa waren overgebracht. Deze waren door den Markies van Antinori uit Abessynië verzonden, die de smaak van hun vleesch, dat door hem verre verkozen wordt boven dat van alle andere Atrikaansche vogels, bijzonder roemde. Ik had er wel meer kunnen krijgen, maar daar Emin's jachtgeweren gebarsten en de kogels van inlandsch fabrikaat niet zuiver rond waren, weken zij at, zoodat men er slecht mede trof. Toen ik op zekeren dag was uitgegaan, overviel mij de avond en verdwaalde ik. Na eenigen tijd geloopen te hebben, vond ik het pad terug en ontmoette dicht bij het station eenige lieden onder aanvoering van mijn bediende Binza, die mij met een lantaarn zochten. Zij vertelden mij dat Abdoellah Aga, ongerust geworden over mijn wegblijven, drie ploegen in verschillende richtingen had uitgezonden om mij te zoeken.

De schrijver van 't station verhaalde mij den vorigen dag nabij de bergen een troep wilde zwijnen 1 te hebben aangetroffen, waarvan hij er een had aangeschoten, zoodat hij, toen het op hem afkwam, in een boom had moeten vluchten. Ik sprak met hem af, den volgenden dag

1

2 Het Afrikaansche wilde zwijn, Sus hirvatus, wijkt, meer dan andere soorten van zijn geslacht, af van het de Europeesche bosschen bewonende S. scrofa. Vertaler,

-ocr page 138-

JEPHSON,

te beproeven hen onder schot te krijgen. Wij gingen vroegtijdig uit en dwaalden langen tijd rond, maar vonden de evers niet. Wel zagen wij eenige gestreepte antilopen — Trage lap hus Scriplus — maar konden deze niet benaderen, daar er geen bedekking was en zij verbazend wild waren. Op onzen terugweg gingen wij een Bari-dorp in en praatten eenigen tijd met de inboorlingen, door middel van den schrijver van het station, die voor tolk speelde. De Bari's waren zeer vriendelijk en noodigden mij uit hunne hutten en huisraad te bezien, waaraan ik met veel genoegen voldeed, want zoolang ik onder deze menschen verkeerde, was het mijn lielhebberij een menigte bijzonderheden er van bij elkaar te brengen, zoodat ik gretig de gelegenheid aangreep, om in dat opzicht mijn kennis uit te breiden. Ik ging verschillende hutten binnen, onderzocht alles wat er te zien was en kocht een boog van een jong opperhoofd, dat mij mededeelde, dat de bogen van volwassenen zoo lang moesten zijn als de afstand van de kin tot de voeten. Ik moest mijn hoofd achteruit brengen, als mijn kin rusten zou op het ééne uiteinde van zijn boog, wanneer deze met het andere den grond raakte. De boog was vervaardigd van bamboes, 1 dat veel verschilde van de gewone soort bamboes, en meer had van riet •, hij was versierd met lange repen iguana-huid, 2 die er om heen waren gewonden. De man gat mij ook een pijl. Toen ik hem verzocht om mede te gaan naar het station, waar ik hem wilde betalen, vroeg hij mij om het een of ander klee-dingstuk ; maar ik kon mij niet voorstellen, welk stuk hij begeerde, want hij liep geheel naakt en was gewoon dit altijd te doen. Bij mijn hut gaf ik hem een van mijn versleten hemden, waarmede hij zeer voldaan weder vertrok, 's Avonds kwam hij evenwel terug met de boodschap, dat hij zoo ingenomen was met zijn hemd, dat hij er mij nog vier bogen bij vereerde. Ik haal dit aan, daar het zelden voorkomt, dat een inboorling, die tevreden is met zijn handel, zulks erkent en het nog zeldzamer voorvalt, dat hij iets op den koop toegeeft. Het stond mij best

io8

1

Bambusa aniiidinacea, evenals de andere soorten, alleen in tropische landen voorkomende, bereikt een hoogte van 12 M. Vertaler,

2

Waarschijnlijk de huid van Agamcn of Aard-Iguancny hagedissen die in Afrika lt; waar de Boom-Iguanen niet schijnen voor te komen) veelvuldig zijn. Vertaler.

-ocr page 139-

EMIN PACHA. I 09

aan, dat hij, daar zijn dorp meer dan 3000 M. van het station af lag, zelt de moeite genomen had dien afstand heen en tervig af te leggen en mij de bogen te brengen. Bovendien boden vele inboorlingen en ee-nige soldaten mij geschenken aan, bestaande uit prachtige speren, schilden, bogen en pijlen, snuisterijen van allerlei soort, waarvan enkelen uit ver naar het westen gelegen oorden. De messen van de Monboettoe's en de speren van dwergen, die zij mij brachten, waren bijzonder fraai. Tal van lieden bezorgden mij zoovele zaken, dat ik een geheele verzameling had ; het speet mij evenwel, dat ik ze niet zou kunnen bergen en dus moeten wegwerpen.

Wij hadden een oud soldaat, een van Emin's oppassers bij ons, die vroeger sterk had gedronken, maar nu op den weg van beterschap en zeer vroom was. Eiken avond deed hij zijn gebed en noodigde al zijn makkers uit mede te bidden. Daar Emin's bedienden uitnemend waren als heidens, maar slechte Mahomedanen zouden zijn geworden, verzocht hij hun het bidden te laten, 't welk zij dan ook zonder de minste bedenking deden. Maar men had mij gezegd, dat mijn bediende Binza, een Niam-Niam, toch voortging met hetgeen hij voor bidden hield. Sedert iemand hem het Arabische alphabet op een stuk papier had geschreven, placht hij eiken morgen zijn mat naar buiten te brengen, daarop neder te knielen, twee of driemaal te lezen hetgeen op zijn papier geschreven stond en, dit in zijn hand houdende, zich ten minste vijftig, in plaats van de bij de Mahomedaansche wet voorgeschreven gebruikelijke vijf keeren, voorover te buigen. Daarna stond hij op met het zalig bewustzijn tegenover zijn God zijn plicht te hebben betracht.

Ik heb hem niet belet met deze gewoonte voort te gaan, want ik geloof niet, dat hem van het alphabet eenig kwaad zal overkomen.

Ik had ondertusschen de soldaten te Moeggi toegesproken en hun uitvoerige mededeelingen over de Expeditie gedaan. Zij betuigden zeer ingenomen te zijn met mijne woorden, en verklaarden aan mij hun Gouverneur te willen volgen en onvoorwaardelijk te gehoorzamen. Ook Emin had hun toegesproken en gezegd onmiddellijk het station te willen ontruimen, vooreerst omdat hij hem op weg naar Dufflé wenschte te zien, voordat hij zuidwaarts trok, en ten tweede, omdat hij had vernomen, dat er in Latooka lieden uit Khartoem waren aangekomen, naar hij vreesde

-ocr page 140-

JEPHSON,

de aanhangers van Mahomet Achmet den valschen Profeet, of de Do-nagla's, zooals zijn ondergeschikten hen noemden. Deze horden zouden, gelijk hij zeide, als zij de Donagla's waren, zonder twijfel de Provincie aanvallen, zoodat, wanneer zij niet maakten dat zij naar het zuiden kwamen, de noodlottige gevolgen niet zouden uitblijven.

Allen stemden in met hetgeen Emin had gezeafd en beloofden alles,

O O O '

wat hem slechts beliefde hun te gelasten, ten uitvoer te zullen brengen. Hij gaf daarop bevel eerst de vrouwen en kinderen en dan de ammunitie naar Dufflé over te brengen. Daar zij ten antwoord gaven bereid te zijn op staanclen voet met het vervoer te beginnen, heerschte er gedurende de laatste dagen van ons verblijf te Moeggi eene geheele drukte, daar het station iederen dag door een menigte vrouwen, kinderen, vee en bagage werd ontruimd. De ammunitie werd regelrecht naar Dufflé verzonden ; voordat wij naar Laboré afreisden, was het station reeds bijna halt ledig. Dit waren de eenigsten in Emin's geheele Provincie, die gehoorzaamden en werkelijk de hand aan den ploeg sloegen, als zij zich eenmaal iets hadden voorgenomen. Zulks was, naar mijne meening, hoofdzakelijk daaraan toe te schrijven, dat zij onder bevel stonden van iemand als Abdoellah Aga Manzal, een scherpzinnig man en altijd bereid om zijn Gouverneur te gehoorzamen.

Moeggi stond van alle stations van Emin verreweg het meest onder tucht. Abdoellah Aga scheen op den besten voet met zijn soldaten te verkeeren en werd ten volle door hen ontzien. Daarenboven was hij de eenige van al de commandanten op de stations ten noorden van Dufflé, die in staat was, om zijn soldaten te weerhouden van plundertochten tegen de inboorlingen in den omtrek, 't Gevolg hiervan was geweest, dat in vele Bari-dorpen nabij het station, de inwoners zich hadden verzekerd van de bescherming der soldaten en in ongestoorde vrede en vriendschap met hen leefden, in plaats van, zooals bij de andere stations het geval was, hunne dorpen te verlaten en zoo ver mogelijk daar van daan weder te bouwen.

Op de grasvlakten in den omtrek van dit station kon men groote kudden vee zien weiden ; 't was een klein roomkleurig inlandsch ras, dat wij tusschen Dufflé en Rejaf niet meer aantroffen; ook waren hier aan de graanheffing geen misbruiken verbonden, zooals op de andere stations.

I IO

-ocr page 141-

quot;

lp | i

, II

!fA.i

EMIN PACHA.

De eigenaar van iedere hut was verplicht een kleine hoeveelheid koren aan het Gouvernement op te brengen welke belasting tweemaal in het jaar Averd opgehaald. Kleine afdeelingen soldaten, onder bevel van een luitenant, gingen op vaste tijden ter inzameling uit; men kan zich voorstellen, hoeveel misbruik van deze gewoonte, al was zij op zich zelf nog zoo kwaad niet, soms werd gemaakt. Onbeschofte soldaten schaamden zich dikwijls niet geiten, kippen, vee, ja zelfs vrouwen en kinderen te ontnemen aan de inboorlingen, die zich niet verzetten durfden, ook al vorderden zij de betaling der schatting drie of viermaal in het jaar. Deze gewoonte bestond ook ten tijde van Gordon en werd door hem gebrandmerkt als roof van de gemeenste soort.

Natuurlijk was op de zuidelijke stations, die meer onder Emin's on-middellijken invloed stonden, de staat van zaken veel beter, maar zelfs daar was hij niet bij machte om het misbruik voor goed te fnuiken.

Abdoellah Aga deed evenwel zijn best om zijn soldaten onder tucht te houden, zoodat de verhoudingen tusschen Emin's onderhebbenden en de inboorlingen uit den omtrek van Moeggi buitengewoon bevredigend was.

I I I

.. i

'

Vj

iil wil i.

:gt;■ '

j||Ï

; 'iill

i| ;|i|4 ; 1 liüf

li: tei||

'i i'i-

ij

! ■ 1

! |f. Hill

M.{

i

;l CTlf] li;1'

16

-ocr page 142-

HOOFDSTUK V.

DE STAM BARI.

Lichaamsbouw van de Bari's. — Kleeding. — IJzeren sieraden. — Bevoegdheden van de-opperhoofden. — Straffen voor verschillende beleedigingen. — Wijze van oorlogvoeren. — Wapenen. — De jacht. — Hutten en dorpen. — Het bereiden der spijzen. — Veelwijverij. — Honden. — Vee. — Over de veefokkerij. — Het melken. — Huisdieren. — Voeding. — Tabak. — Do kookkunst bij de Bari's. — Het huwelijk. — Gebruiken bij de geboorte van een kind. — De huwelijksplechtigheid. — De toestand van de vrouw. — Begrafenisplechtigheden. — Het bijgeloof in den godsdienst. — Het ambt van regen verwekker. — Gebruiken en gesteldheid.

Gedurende mijn verblijt te Kirri en Moeggi heb ik een groot aantal gegevens bijeengebracht omtrent de gewoonten, gebruiken enz. van de Bari's, een volksstam, die mij zeer veel belang inboezemde. Het land der Bari's strekt zich uit van Laboré tot Lado.

Emin deed mij bovendien vele mededeelingen over hun kleeding, huwelijksplechtigheden, straffen, enz.

De Bari's zijn lang en mager, velen zijn grooter dan 1.8 M. Zij hebben bijzonder lange beenen, die volstrekt niet in verhouding staan tot hun bovenlijf, zoodat zij opvallend in de knieën knikken. Hun huids-

-ocr page 143-

EMIN PACHA.

^'in

I I

kleur komt overeen met donkere chocolade, ofschoon de vrouwen iets lichter zijn dan de mannen. Zij hebben groote handen en voeten, welke laatsten, evenals bij de meeste negerstammen, buitengewoon plat zijn. Hun voorhoofden zijn hoog maar zeer smal, zoodat het gelaat een kegelvormige gedaante heeft. Zij hebben levendige oogen, een meestal goed o-ebit, hoewel het wat geel is en de vier voorste tanden van de

O O 7 «-5

benedenkaak altijd worden uitgetrokken.

Hoe leelijk de Bari's ook zijn, wat het ras betreft, is hun uiterlijk toch niet ongunstig en zijn zij veel goedaardiger dan de Madi's of de Loer's. Voor bedienden zijn zij niet geschikt en voor soldaten te lafhartig. De mannen loopen altijd bijna geheel naakt ;

alleen zij, die in de nabijheid van Emin's stations woonden of in dienst stonden van het Gouvernement, werden als soldaten gekleed. De meisjes dragen, totdat zij huwen,

gewoonlijk een gordel van inlandsch katoen met franje van voren en een tamelijk dikken kwast van achteren. Deze gordel wordt gewoonlijk met ijzeren sieraden opgesmukt en altijd rood geverfd met behulp van een soort van roodokerkleurige klei, die daar te lande voorkomt. Behalve deze soort van gordels bestaan er nog verschillende anderen van ongelooide huiden of van katoen, bestikt met ijzerdraad, terwijl er verschillende ijzeren sieraden van allerlei vormen aan bengelen, zooals halvemanen, belletjes, schijfjes, penningen en kleine kettinkjes. Deze kettinkjes worden vaak zoo in elkander gevlochten, dat zij een maliënkolderachtig voorschoot vormen. Het ijzer heeft bij hen te lande een hooge waarde, zoodat deze ijzeren sieraden alleen door de rijken worden gedragen.

Voordat de gehuwde vrouwen hebben gebaard, dragen zij van vo-

IS

:i 111

:!ii!

-ocr page 144-

JEPHSON,

ren een schort met franjes en van achteren een stuk van een gelooide huid, versierd met ijzeren kralen, die rood zijn geverfd ; maar zoodra de vrouwen een kind hebben, leggen zij het schort van franjes af en nemen zij als voorschoot een dergelijk stuk leder als zij van achteren dragen.

De mannen, zoowel als de vrouwen, dragen ijzeren armbanden en beenringen, vaak vijf of zes boven elkander. Zij hebben ook een groote verscheidenheid in hun ijzeren halsversieringen, —bewerkte snoeren van

dat metaal — en dragen om den hals bovendien aan elkander geregen wortelschijfjes, stukjes hout van allerlei vormen, en houten fluitjes. Zij zijn zeer verzot op kleine stukjes schildpad, maar niets gaat hun boven halsbanden van hondetanden.

Zij dragen geen ringen in de ooren en doorboren ook niet, gelijk bij de meeste om hen heen wonende stammen wel het geval is, hunne neuzen, terwijl zij evenmin bijzondere stammerken vertoonen.

Het tattoueeren bepaalt zich tot eenige weinige insnijdingen op de bovenarmen. Het haar op de hoofden van de mannen, zoowel als van de vrouwen, is altijd kortgeknipt, terwijl zij elk haartje op andere deelen van het lichaam zorgvuldig uittrekken. Zij houden er niet veel van om zich te reinigen, maar wel om zich bij elke gelegenheid van het hoofd tot de voeten in te smeren met een mengsel van olie en roode oker. De olie, die in hun land het meest wordt gebruikt, komt uit de zaden van den Stereospermum-boom. Toch verspreiden de Bari's niet den onaangena-men reuk, eigen aan zoovele andere stammen uit den omtrek.

Er zijn geen eigenlijk gezegde groote opperhoofden, maar de Bari's zijn verdeeld in kleine gemeenten, waarvan de hoofden oppermachtig zijn en alle kwestiën en geschillen onder hunne onderdanen strikt eerlijk uit den weg ruimen. Deze geschillen loopen gewoonlijk over diefstal van vee of ontstaan door de vrouwen, terwijl de schuldigen gestraft worden

ii4

-ocr page 145-

EM1N PACHA.

met boeten in rundvee, schapen, geiten of ijzeren houweelen, al naar mate van het gewicht van hun misdrijf.

Moordenaars worden gestraft met een boete van tien tot twintig koeien ; als zij niet kunnen betalen, worden zij uitgeleverd aan de familie van hun slachtoffer, die er naar eigen goedvinden mede kan handelen. Schaking ot verleiding wordt geboet in geiten, schapen of ijzeren spaden, doch niet meer dan twintig ; zoo de schuldige onvermogend is, krijgt hij in 't openbaar zweepslagen en wordt hij het dorp uitgejaagd. De vrouw of het meisje blijft ongestraft. Op diefstallen staan aan het misdrijf evenredige boeten; alleen wanneer de dief onverbeterlijk blijkt te zijn, slaat men hem de rechterhand af.

Een deel van iedere boete komt het hoofd ten goede; maar hij heeft niet de bevoegdheid schatting te vorderen van zijn onderdanen en mag alleen een zeker aantal hunner oproepen, om hem te helpen bij 't bebouwen van zijn akkers. Al het ivoor, dat ingevoerd wordt, behoort aan het hoofd.

Deze kleine gemeenten zijn altijd met elkander in oorlog en hun manier van strijden is eenigszins vreemd. Voordat het gevecht begint, gaan de hoofden van de strijdende partijen, met al hunne lieden, op een bepaalden afstand van elkander zitten en beginnen elkander te smaden, totdat het volk in zulk eene mate is opgehitst, dat het gevecht kan aanvangen. Dan trekken de hoofden zich teruef, laten het volk

O O

de zaak uitvechten en blijven zelf buiten schot. Deze manier van elkander vóór den strijd uit te schelden, herinnert ons aan de oude Skan-dinaviërs, die gewoon waren gt;Schimpdichtenquot; op elkaar te zingen. De strijders vallen op elkander aan, eerst op een flinken afstand, maar naar mate hun het bloed warmer wordt, worden zij met hunne speren drukker handgemeen. Niet dikwijls zijn er bij deze gevechten vele dooden te betreuren.

Oorlogsverklaringen worden gedaan door het opperhoofd, meestal na de oudsten onder zijn volk te hebben geraadpleegd, hoewel gewoonlijk niet veel waarde wordt gehecht aan de meeningen der oudsten en zij ook niet met veel onderscheiding worden behandeld.

De in den oorlog gebruikte wapenen zijn bogen, pijlen en speren. Eerstgenoemden zijn lang en weinig buigzaam; zij worden vervaardigd

US

-ocr page 146-

JEPHSON,

uit een soort van bamboes, dat op de bergen groeit en veel op riet gelijkt; de pijlen zijn ongevetlerd en hebben vrij zware spitsen van ijzer of van ebbenhout, dat in het land groeit. De laatsten worden altijd bedekt met een dikke laag vergif, bereid uit het hars van zekeren boom, den Candelabra Euphorbium, hetwelk, als het versch is, een sterke prikkeling te weeg brengt, maar niet altijd doodelijk is. De Bari's gebruiken in den krijg geen schilden; zij, die aan de grenzen van het land der Dinka's wonen, gebruiken de zware knotsen van de Dinka's. Op de jacht worden dezelfde wapenen gebruikt als in den oorlog, maar de Bari's zijn geen groote jagers; wanneer de luipaarden of leeuwen een slachting aanrichten onder hunne kudden, trekken zij dan ook niet in massa uit, zooals andere van veeteelt levende stammen, om de stroo-pers te jagen, maar gaan zij liever naar hun medicijnmeesters, om het een of ander toovermiddel, dat zij dikwijls zeer duur betalen met schapen ot geiten.

De olifanten en de antilopen worden door de jagers in gezelschappen achtervolgd, de eersten minder vaak dan de laatsten. Het vleesch wordt gelijkelijk verdeeld, maar een bepaald stuk, gewoonlijk de kop en de borst, wordt voor het opperhoofd afgezonderd. Zij zijn bijzonder gehecht aan hun eigen jachtvelden, en wanneer een aangeschoten antilope sterft op het grondgebied van een naburig dorp, heeft het opperhoofd het recht om voor zich zelf den kop en de achterpooten te houden. Nooit eten de Bari's het vleesch van honden of verscheurende dieren. Veel doen zij aan de visscherij, maar de kano's, die zij gebruiken bij het visschen of het oversteken van de rivieren, zijn altijd kleir, slecht gebouwd en a-ebrekkio- omtlat in den omtrek geen zware of rechte boo-

ö O O ' O

men worden aangetroffen. Zij drijven die vaartuigen over 't algemeen voort met lange stokken, maar ook wel met lange lepelvormige riemen. Zij vangen hun visch gewoonlijk in korven of met harpoenen, terwijl ijzeren haken ook veel worden gebruikt. Onder hen zijn krokedillejagers van beroep, welke deze dieren dooden met speren of harpoenen ; het vleesch van jonge krokodillen wordt door deze lieden opgegeten. Aan de klieren, die een stof afscheiden, wat den reuk betreft veel overeenkomst hebbende met muskus, hechten de Bari's groote waarde ; zij drogen ze, rijgen ze in snoeren en dragen ze om den hals. Voor de

-ocr page 147-
-ocr page 148-

lt;:# ■

■ ■ ■■

.... ,,

-ocr page 149-

EMIN PACHA.

jacht op nijlpaarden, gebruiken zij harpoenen met touwen en dobbers; het vleesch van deze beesten is zeer in trek.

De Bari-dorpen liggen ver uit elkander en niet altijd in de nabijheid van stroomend water. Zij bestaan uit groepen ronde hutten van allerlei vormen, meestal in een cirkel gebouwd, maar zonder omheining van doorns. De muren van de hutten zijn zeer laag en worden samengesteld uit stokken en gras; zij worden over 't algemeen bepleisterd met een mengsel van modder en koedrek.

Het dak van gras is hoog en steil, en steekt over de wanden uit, zoodat het een soort van lasfe veranda vormt om de creheele hut heen,

O O '

terwijl dikwijls de inrichting zoodanig is, dat de hutten een buiten- en een binnenwand hebben, en de ruimte tusschen deze beiden dient voor provisiekamer. Midden in de hut is een stookplaats, bestaande uit in den grond gewerkte steenen, met tusschenruimten om de potten en pannen in te plaatsen. Er zijn geen bepaalde slaapplaatsen, maar de vrouwen leggen matten op den grond en huiden dienen voor dek ; kinderen en volwassenen slapen bij elkander.

De waterkruiken, keuken- en landbouwgereedschappen, wapenen enz. hansfen aan het dak en zien er zwart uit van de rook. In de hutten is het zeer donker, daar er geen vensters in zijn en zij alleen licht ontvangen door kleine openingen, door welke de menschen op handen en voeten in- en uitgaan. Enkele hutten, voornamelijk die van de hoofden, hebben prachtig gladde vloeren, daar zij belegd zijn met een mengsel van modder en koemest, dat zoo lang wordt aangestampt tot het zoo hard is als steen. Enkele vloeren zijn keurig geplaveid met kleine driehoekige stukjes gebroken aardewerk en hebben, daar deze even netjes en gelijkmatig als aan elkaar sluitend zijn aangebracht, veel van zwart mozaïek. Bij goed weder wordt al het huiswerk buiten deur verricht, terwijl alle hutten een voor de zon afgeschoten gedeelte hebben, waar gekookt wordt en de kinderen spelen.

De hutdeuren worden vervaardigd uit gespleten bamboesriet; zij dekken den uitgang vrij volledig, gaan open en dicht in een sleuf en worden van binnen gesloten. Voor de deur vindt men bij iedere woning een bijzonder zindelijke deel, uit modder en koemest gemaakt, die steeds goed wordt onderhouden en dientom koren, groenten of meel op te drogen.

119

-ocr page 150-

JEPHSON,

120

Midden in ieder dorp bevindt zich een vloer, op dezelfde manier bereid, om op te dansen. Elke hut heeft haar eigen maalsteenen, waarmede evenwel alleen de vrouwen arbeiden ; zij heeft ook een of meer graanschuren van gespleten bamboes met modder bepleisterd, rustende op hooge houten palen of op steenen — de grooten voor koren, de kleinen voor sesamum of hyptts. Deze schuren dienen ook voor bewaarplaats van kleinodiën of huisraad dat de bewoners niet dagelijks gebruiken.

Bij de Bari's hangt de uitgebreidheid der veelwijverij alleen af van

het fortuin van den man. Elke vrouw heeft met haar kinderen haar eigen hut en graanschuren, waarin alles is wat zij behoeft om te zaaien en te oogsten, want de vrouw moet in haar eigen onderhoud en dat van hare kinderen voorzien. Zij zaait, wiedt, verzorgt en oogst zelf haar vruchten, terwijl haar man al het zware werk moet verrichten, zooals het omspitten van den grond, het bouwen der hutten, enz. Voor het spitten gebruiken de Bari's een groot hartvormig ijzeren houweel, met een zwaren en plompen steel, terwijl de vrouwen bij het wieden en planten gebruik maken van een nette, kleine spade. In elke hut vindt men een of twee honden van het in Afrika algemeen voorkomend ras. Hoewel de Bari's

-ocr page 151-

EMIN PACHA.

veel met hunne honden op hebben, dragen zij er weinig zorg voor, zoodat deze dieren groote dieven zijn. De meeste honden zijn gewoonlijk geelachtig met witte teenen, terwijl ook de punt van hun staart wit is; anderen zijn zwart en hebben dan bruine oogharen, terwijl de teenen en de uiteinden van den staart wit zijn. Volgens Darwin is dit de hond, waaruit alle andere soorten zijn ontstaan. Hoornvee, geiten, schapen, honden en kippen zijn hun eenige huisdieren. Een enkele maal vindt men katten bij de Bari's ; maar deze zijn uit Khartoem ingevoerd en staan bij de inboorlingen in groot aanzien. De katten planten gewoonlijk met de wilde katten uit den omtrek haar geslacht voort; de

afstammelingen verwilderen geheel, soms reeds in de eerste generatie.

Het vee is, gelijk overal elders in Airika, klein en gebult, bleek-roomkleurigf en heelt zelden lange horens ; de koeien zijn meest allen mager en schraal en geven weinig melk. De Bari's loopen hoog met hun rundvee; hun vee is het eenige, waarvoor zij werkelijk zorg hebben; ontneem een Bari zijn schapen, zelfs zijn vrouwen, hij kan het overzien; ontneemt gij hem echter zijn runderen, hij zal er om strijden op leven en dood; veel liever verliest hij zijn leven dan zijn vee, want het eerste heeft voor den Bari geen waarde. Bij ieder dorp bevindt zich een hooge omheining van Euphorbia's met nauwen ingang, die s nachts door

I 2 I

-ocr page 152-

JEPHSON,

dorens wordt versperd. Dit is de kraal voor het rundvee. Deze hagen zijn om de vergiftige dorens in der daad gevrijwaard voor aanvallen van menschen en wilde dieren. De grond binnen de hagen wordt altijd goed schoon gehouden; de koemest wordt op hoopen gezet, gedroogd en des avonds midden tusschen het vee in brand gestoken, daar het door den rook wordt beschermd tegen de beten van de muskieten. Langs den ge-heelen binnenkant van de kraal bevinden zich hutten voor de kalveren, de zieke runderen en de veehoeders.

Des morgens worden, zoodra er op de trom is geslagen, de koeien gemolken. Alvorens met melken te beginnen, wascht de melker zoowel zijn aangezicht en handen als den uier van de koe en zijn emmer met koeienurine. Het is de vrouwen verboden te melken of zich, in welk opzicht dan ook, met de koeien te bemoeien. Als 't melken gedaan en de dauw opgetrokken is, wordt al het vee naar buiten gedreven door volledig gewapende jongelingen, want de geheele veestapel van een dorp graast op een gemeenschappelijke weide. Tegen vijf uur wordt het vee weder naar huis gedreven en op nieuw gemolken. De Bari's drinken bijna nooit versche, maar geven de voorkeur aan gestremde melk; zij meenen dat zij in den laatsten toestand gemakkelijker is te verteren.

Zelden slacht men runderen, tenzij bij plechtige gelegenheden, bij voorbeeld bij de begrafenis of het huwelijk van een opperhoofd en bij 't sluiten van vrede, als er oorlog is gevoerd. Als het vee aan een ziekte sterft, wordt het vleesch altijd opgegeten. De meeste sterfgevallen onder het vee zijn een gevolg van long- of leverkwalen.

Krachtig vee wordt gelaten — een gebruik dat ook in Masai in zwang is; van het bloed, vermengd met olie en meel, wordt een soort van dikke brij gekookt, die zeer in trek is en zelfs als een groote lekkernij wordt beschouwd. Nooit wordt het vleesch rauw gegeten.

De bevolking is ongezind tot verkoop van haar vee en scheidt noode van die dieren, welke haar als bruidsgeschenk zijn aangekomen. De schapen en geiten zijn mager en geven, evenals de koeien, weinig melk, ten gevolge van het schrale gras en de vele woekerplanten, die op de weiden tieren en zich hechten aan elk dier, dat er graast.

Elk dorp bezit een groote kudde schapen en geiten, waarvan het

I 22

-ocr page 153-

EMIN PACHA.

vleesch betrekkelijk veel wordt gegeten; de huiden dezer dieren zijn zeer gezocht voor gordels en schorten. Kippen zijn zeer menigvuldig; zij zijn evenwel klein en leggen slecht.

Elk opperhoofd heeft een lievelingsgeit ot rund, welk dier een soort van vereering te beurt valt. Het wordt een opperhoofd tot groote schande aangerekend, als hem zijn lievelingsdier in een rooftocht door de buren wordt ontnomen.

De roode dhoerra, ^ een graansoort, die naar de beschrijving zeer bitter moet zijn, wordt veel verbouwd, maar is zeer traag in het rijp worden ; toch doet de bevolking geen moeite haar door een andere en zoetere soort van dhoerra te vervangen, uit vrees er niets van te kunnen inoogsten, om de millioenen wevers, 1) waardoor het land wordt geplaagd; want deze vogels laten de roode dhoerra geheel met rust. Het koren wordt niet alleen gebruikt om er brood van te bakken, maar ook om er een soort van dikken lobbigen drank van te maken, die, naar men wil, dronken maakt. Sesamum wordt veel verbouwd om de olie, die men verkrijgt door de zaden te roosten en te malen en het meel met water te koken. Van sesamum wordt, eveneens in gemalen toestand, ook een soort van saus bereid bij het vleesch en de groenten.

Verder groeien er bij de Bari's witte boonen, die evenwel niet lang kunnen duren en spoedig wormstekig worden. Hyptis is een sterk riekende plant met een peul vol kleine bijna zwarte of vuil witte zaden, waaruit een soort van olie kan worden verkregen ; van hyptis wordt ook brij gekookt. Ronde harde aardnoten :i) worden mede zeer veel verbouwd. Eleusine 2) of tullaboon, een laag, doch vruchtbaar soort van bruin graan, komt menigvuldig voor, maar deze soort wordt veelal vernield door de sprinkhanen. Ook treft men hybiscus sabdariffa aan, waarvan de onrijpe doppen min of meer zuur zijn en in de soep worden gebruikt, terwijl de bladen als spinazie worden gegeten en de rijpe

123

1

Het geslacht Ploceus. Deze vinkachtige zangvogels hebben hun naam te danken aan de kunst, waarmede zij hun nesten uit grashalmen samenvlechten. Velen geven aan hun nest den vorm van een retort, met den hals benedenwaarts gekeerd en aan een boomtak opgehangen. Vertaler.

2

Cynosurus coyacanus. Linn. Vertaler.

-ocr page 154-

JEPHSON,

zaden, die zwart moeten zijri, als zij gekookt worden, een soort van slijmerige vloeistof opleveren, die op brood wordt gesmeerd. De onderdanen van Emin Pacha gebruiken de zaden van deze plant als een surrogaat voor koffie. Voorts vindt men twee soorten van tabak, waarvan de eene witte en vleeschkleurige bloesems heeft en de andere gele; terwijl de eerste een zacht, de tweede een harder soort van tabaksbladeren levert. De tabak wordt alleen verbouwd in de nabijheid van hutten en dorpen, maar niet in zoo groote hoeveelheid, om er een handelsartikel van te maken. De Bari's stoppen hun groote komvormige pijpekoppen

slechts met weinig tabak, maar vullen ze aan tot den rand met roodgloeiende houtskool, waarvan de kolendamp eenigszins bedwelmend werkt.

De Bari's hebben geen vasten regel om tabak te bereiden. Zij wordt vrij algemeen in de zon gedroogd; maar de oostelijk wonende Bari's zamelen de bladen in terwijl zij nog groen zijn, stampen ze in een mortier, en maken van de aldus verkregen massa balletjes, die in de zon moeten drogen. Deze tabak riekt niet aangenaam, alleen tengevolge der gisting.

Behalve deze planten wassen er nog pompoenen, augurken en hoog-

124

-ocr page 155-

EMIN PACHA.

stammige aardappelen (Helmia) *) terwijl de velden wilde planten leveren, die als spinazie worden gegeten.

Bij het koken gaan de Bari's eenigszins ruw te werk en op hun potten en pannen zijn zij niet bijzonder zindelijk. Het aardewerk wordt altijd door de vrouwen gebakken, van de grootste waterkruiken af tot tabakspijpen toe. De waterkruiken en pannen hebben altijd een ronden bodem, vertoonen soms rechte lijnen op rijen, zijn altijd dof zwart en worden nimmer geverfd. De klei is daar te lande zeer geschikt voor aardewerk, dat dan ook beter en sterker is dan bij de meeste andere stammen. Het koken is altijd het werk van de vrouwen; elke vrouw doet het voor haar eigen gezin. Als haar echtvriend zegt, dat hij den avond bij haar wil doorbrengen, moet zij een kruik bier voor hem gereed maken. De man eet alleen ; de vrouw moet altijd wachten tot hij den maaltijd binnen heeft en mag er niet bij zitten. Als de man goed geluimd is, roept hij de kinderen van de vrouw, met wie hij tijdelijk samenwoont, bij zich aan tafel; maar 't is gebruik dat de kinderen met de moeder naeten. Vóór den maaltijd wordt er een kleine nette mat op den grond gelegd. In den regel zijn de Bari's zeer matige eters, maar hij feestelijke gelegenheden zwelgen zij. Toch kunnen zij, zonder klagen, dagen lang vasten. Dronkenschap behoort bij de Bari's tot de uitzonderingen, hoewel de mannen dagelijks van inlandsch bier vrij drinken hebben, dat uit roode dhoerra wordt gebrouwen.

De verhoudingen tusschen gehuwden is in den regel goed ; zelden wordt een vrouw door haar man geslagen; een vrouw met kinderen krijgt bijna nooit klappen. Onder elkander kijven de vrouwen veel; de eene is ook zeer jaloersch op de andere; haar zedelijkheidsbegrippen staan niet hoog, maar daar de mannen op dat punt niet bijzonder kieskeurig zijn, komen er zelden twisten uit voort. Onzedelijkheid is bij ongehuw-den eene hooge uitzondering, want een loszinnig meisje kan op eens hare handelswaarde verliezen.

125

Bij de geboorte van een kind gelden geen bijzondere plechtigheden.

1) Een ondergeslacht van Dioscona; aan de Kaap vindt men Helmia Dregeana Kunth; in Abessynie H. dumelorum Pax. Vertaler.

-ocr page 156-

120

Nauwelijks is het kind ter wereld gekomen, of het wordt ingewreven met een mengsel van olie en roode oker en dit moet om den anderen dag worden herhaald. De moeder blijft acht dagen na haar bevalling in haar eigen huis; op den achtsten dag brengt haar man haar een bezoek, met zijn eigen moeder of met zijn schoonmoeder en wordt er overgegaan tot het geven van een naam aan het kind. Jongens worden gewoonlijk naar dieren en meisjes naar bloemen genoemd, maar als het kind een opvallende bijzonderheid heeft aan het een of ander lichaamsdeel, wordt daarmede over het algemeen te rade gegaan bij de keuze van den naam. De geboorte van een meisje wordt in den regel met meer voldoening vernomen dan die van een jongen, behalve bij de opperhoofden, als hun een erfgenaam wordt geschonken; bij die gelegenheid wordt er verbazend gedronken en feest gevierd. Bij de Bari's is het sterftecijfer onder de kinderen tot den leeftijd van drie of vier jaren aanzienlijk; dit komt waarschijnlijk van de ongeregelde wijze van voeding.

Nu eens propt de moeder haar kinderen vol, dan weer laat zij hen dagen aanéén nauwelijks iets om te eten. Hieraan ligt het blijkbaar, dat jonge kinderen zoo veelvuldig maagkwalen hebben. De geboorte van tweelingen is geen ongewoon verschijnsel en wordt altijd als een geluk beschouwd. Tweelingen worden dikwijls Kengi en Tomba genoemd; treft men twee Bari's aan met deze beide namen, dan zijn zij meestal tweelingen. In den regel zijn de vrouwen niet bijzonder vruchtbaar, want een echtpaar met vier of vijf kinderen wordt gerekend een groot gezin te hebben. De meisjes huwen als zij twaalf of dertien jaar zijn, bij welke gelegenheid geen buitengewone plechtigheden plaats hebben, maar zwaar gedronken wordt; terwijl als kinderen van hoofden met elkander huwen, er eenige runderen geslacht en groote festijnen aangericht worden. De koopsom voor het meisje moet betaald zijn, alvorens eenige aanstalten voor het huwelijk mogen worden gemaakt en komt g;eheel ten bate van den vader van de bruid. Als de jonggehuwde na een zekeren termijn kinderen ter wereld brengt, moet haar vader haar een bepaald gedeelte terugbetalen van den prijs, dien haar man voor haar heeft besteed.

Deze runderen worden dan haar eigendom en strekken ter opvoe-

-ocr page 157-

t; s i m if«

I tiii

li p 1 • \mm

JH Ij

EMIN PACHA.

ding van hare kinderen. y\ls zij echter geen kinderen krijgt, heeft haar man het recht haar naar zijn schoonvader terug te zenden, en kan hij een bepaald getal van de door hem voor haar betaalde runderen terugeischen. Zulk eene vrouw mag wel een nieuw huwelijk aangaan, maar haar verkoopwaarde is ietwat gedaald. Het is aan de vrouwen vergund hare familiebetrekkingen op ver verwijderde dorpen te bezoeken, en bij de Bari's geldt als regel, dat deze vrouwen in geen enkel opzicht overlast wordt aangedaan, zelfs niet in oorlogstijd. Door deze omstandigheid kunnen zij dikwijls dienst doen als afgezanten en vredestichters tusschen strijdende stammen. Oude vrouwen staan hoog in eer en vervullen veelal de functiën van geneeskundigen ot toovenaressen. Tegen de moeder van een opperhoofd wordt hoog opgezien, maar zij heeft geen stem in de dorpsvergaderingen, oude mannen zijn daarentegen in het geheel niet in tel.

Voor negers gerekend, worden de Bari's over 't algemeen oud. Niet veel mismaakten of gebrekkigen treft men onder hen aan ; een vreese-lijke ziekte is een zeldzaamheid, maar oogziekten, gezwellen en syphilis zijn algemeen ; als voorbehoedmiddel tegen laatstgenoemde ziekte heeft nu en dan inenting plaats gehad, maar zonder goed gevolg. Epidemien van kinderpokken en kwaadaardige febris typhoidea slepen vaak duizenden ten grave, terwijl hongersnood, een gevolg van droogte, dikwijls het sterftecijfer nog aanzienlijk doet stijgen.

Als een gewoon man sterft, wordt er een paar dagen veel geweend en gejammerd en de doode in liggende houding begraven; maar, wanneer iemand van zeker aanzien bezwijkt, wordt hij in zittende houding bijgezet, met een koehuid over het hoofd en onder de voeten en eenig koren in zijne nabijheid. Als het graf gevuld en vlak gemaakt is, wordt er een os op geslacht en onder de bevolking verdeeld. Offeranden van meel en graan worden op het graf gelegd en wanneer een der familiebetrekkingen van den doode over hem droomt, haast hij zich zijn reeds gebracht offer te herhalen.

Er is hoegenaamd niets bekend van godsdienstige gebruiken der Bari's, noch of zij hoop koesteren op een volgend leven, noch of zij bijzondere plaatsen hebben voor aanbidding. Het eenigste bewijs, waardoor zij toonen een doode gedachtig te zijn, bestaat daarin, dat zij ruwe afbeeldingen van hem maken en in zijn huis plaatsen, maar zij bewijzen

127

$ ISI ■ ?

:!: l' ;- ' ^

lit K'jilr 'Sii'.'.

lil ij-,

lil MS-lil

it w

1 ii ■ i i lt;

! ui :

F'iTiïi

P r'

I )

1 f 1

IIP

18

-ocr page 158-

JEPHSON,

deze beelden geen bijzondere eer. Als een opperhoofd sterft, gaan al zijn bezittingen, vrouwen, vee, enz. in eigendom over op zijn oudsten zoon, wien het vrij staat zijn broeder te geven wat hij wil missen; zijn zusters krijgen niets. De vrouwen van den overleden vader gaan als wettige vrouwen over op den zoon, behalve diens eigen moeder.

Gelijk alle negerstammen zijn zij zeer bijgeloovig ; altijd komen bij hun bijgeloof dieren en toovenaars te pas. Het huilen van een jakhals ') ot het gekrijsch van een uil nabij het een of ander huis, is een voorteeken van den dood des bewoners. Als iemand zijn pad ziet kruisen door een haas, loopt hij ijlings naar huis terug en blijft er den geheelen dag binnen. Het gefluit van een kwikstaartje 1) bij zijn voordeur, kondigt de komst van een gast aan. Als de honden zonder bekende reden huilen, heet het dat er een ongeluk op til is. Men waant dat toovenaars de leeuwen en luipaarden onder bedwang hebben en geen menschen ot vee door die dieren worden aangevallen, als zij het niet bevelen. In hyaena's zien zij gedaanten, door menschen aangenomen, die rondsluipen om kwaad uit te richten — een geloof, dat ook wortel heeft geschoten bij de Arabieren.

Regenverwekkers. Het ambt van regenverwekker bij den geheelen stam, of bij een bepaald dorp dat er toe behoort, is erfelijk van vader op zoon. De regenverwekker is een bijzonder gewichtige persoonlijkheid en krijgt aanhoudend geschenken. Als de vader op sterven ligt, deelt hij de geheimen, aan het regenmaken verbonden, mede aan den zoon die bestemd is hem op te volgen, en overhandigt hem tevens een aantal stee-nen die bij de toovenarij worden gebruikt. Deze steenen zijn klein en plat, en verschillen op het oog in geen enkel opzicht van gewone steenen.

Als er regen zal worden verwekt, worden, om als offers te dienen, kippen, geiten, ja zelfs koeien geslacht en met hun bloed door een regenverwekker de steenen besprenkeld. Daarop doet hij de steenen in een kalebas met helder water, gaat er mede naar den naastbijzijnden stroom en houdt er de kalebas een kwartier ot soms iets langer in. Daarop

128

1

21 Behoorende tol hel geslacht MotaciUa ; de naam wordt afgeleid van de voortdurende beweging van den langen staart. Vertaler.

-ocr page 159-

EMIN PACHA. 129

neemt hij er de steenen weder uit, begraaft deze, gaat ten slotte op de plaats zitten, waar hij ze begroef en blijft dezelfde liederen zingen, die hij bij het begin der plechtigheid heeft aangeheven. De steenen blijven eenige uren onder den grond, soms zelfs dagen lang, en worden eerst opgedolven wanneer het werkelijk begint te regenen.

De bij het begin der ceremonie geslachte dieren worden het eigendom van de regenverwekkers. Deze lieden halen zich geregeld de wraak van hun stam op den hals als zij niet slagen en worden dan gewoonlijk gedood, terwijl hunne goederen worden verbeurd verklaard. Het is geen zeldzaamheid dat de hoofden zelf regenverwekkers zijn. Baker haalt in zijn werk over de ontdekking van de Albert Nyanza eenige vermakelijke staaltjes aan van een oud opperhoofd in Latooka, die bij zijn stam het ambt van regenverwekker bekleedde en van de kunstgrepen waarvan hij zich bediende, om zijn aanzien bij het volk te behouden. Hij zou geregeld bij Baker, die een aneroïde-barometer bezat, gekomen zijn, om te trachten bij hem gewaar te worden, of er kans op regen bestond, zoodat hij dit aan zijn stamgenooten zou kunnen mededee-len, de houding aannemen van een profeet en munt slaan uit hun lichtgeloovigheid. Hij placht zich altijd te beklagen over de geringheid der geschenken, waarmede zijn volk hem voor zijn weldaden beloonde.

Emin vertelde mij, dat eenige jaren geleden eens een opperhoofd uit het gebied van Latooka bij hem was komen vluchten, om bescherming te vragen tegen zijn eigen volk, dat verwoed was, omdat hij geen voldoende hoeveelheid regen had kunnen bezorgen, zoodat hij genoodzaakt was langer dan vijf maanden op het station van Emin te vertoeven, voordat de storm in die mate was bedaard, dat hij weer naar zijn volk durfde gaan.

Eenigen tijd geleden verdween een der regenverwekkers bij de Bari's 't zij uit vrees, 't zij misschien uit onvoldaanheid over de waarde van zijn geschenken. Kort daarop teruggekeerd, werd hij met groot gejuich begroet; de geschenken stroomden hem toe en zijn ambt praalde met nieuwen luister, alleen omdat een droog getijde op zijn verdwijnen was ingetreden. De Bari's kennen ongetwijfeld eenige eenvoudige regels

-ocr page 160-

JEl'HSON,

1

ten opzichte van het weder en wanneer zij maar goed opletten, weten z'j vr'j goed of men al dan niet regen verwachten mag. Misschien had deze man, om de eene of andere reden, wel voorzien dat er een drooge tijd op handen was en handelde hij in zijn eigen belang, door in plaats van te blijven en den haat van zijn volk op zich te laden, munt viit de zaak te slaan.

-ocr page 161-

I l ift i

CS tUi!

1 ; r : ':

HOOFDSTUK VI.

Mijl

HET UITBREKEN VAN DEN OPSTAND.

rii.- 'i11 I * iö: It

i\.ankomst te Laboré. — Het voorlezen der manifesten. — Muiterij onder de soldaten. — Toespraak tot de muiters. — Wantrouwen van de soldaten in hun Moedir. — Het gedrag van Emin's aanhangers. — De oproerlingen laten mij roepen. — Vertrek naar Chor Ayoe. — De Mahdisten te Boa. — Het manifest van den Khedive in afschrift naar Rejaf gezonden.

— Oordeel van Emin omtrent hot manifest van den Khedive. — Emin's oppasser gedeserteerd.

— Bericht omtrent den opstand van het 2lt;1,gt; bataljon. — Emin's droefheid over dat bericht.

— Kortzichtigheid van Emin's onderdanen. — Ons vertrek naar Dufflé. — Regen en zonneschijn. — Akelig voorkomen van de landstreek. — Wij maken ons gereed om Dufflé binnen te trekken. —

■ .lil

f' i

j*

Den i2'lcn Augustus kwamen wij te Laboré aan; wij waren voornemens er een paar dagen te blijven en ons dan zuidwaarts te spoeden naar Wadelai, om daar eveneens te trachten een troep naar Fort Bodo te krijgen. Bij onze aankomst zeide Selim Aga, dat hij al de soldaten te Laboré had toegesproken en deze hem hadden verklaard bereid te zijn met de ontruiming van het station te beginnen. Hij had een afdee-ling inboorlingen uit Latooka met vijf soldaten uitgezonden, om berich-

-ocr page 162-

132 JEPHSON,

ten omtrent de vreemdelingen in te winnen ; maar zij waren nog niet teruggekeerd.

Daags na onze aankomst ging ik met Emin naar het: station om met de lieden te spreken over vertrek naar het zuiden.

Ik las de manifesten van den Khedive en van Stanley voor en legde, zooals ik gewoon was, alles uit wat met de Expeditie in verband stond. Onder het spreken merkte ik, dat de soldaten niet zoo oplettend luisterden als over het algemeen het geval was geweest en dat er verbazend onder hen werd gefluisterd. Daarenboven had zich een groote menigte mannen, zoowel als vrouwen en kinderen, dicht op elkander geschaard op een kleine hoogte, vlak bij de plaats waar de soldaten in 't gelid stonden, terwijl zij zulke hartstochtelijke gebaren maakten, dat er iets ongewoons aan de hand scheen te zijn.

Nadat ik mijn aanspraak had gehouden, voegde Emin, gelijk zijn gewoonte was, er iets aan toe. Tijdens hij het woord voerde, trad een zwaar gebouwd Soedanees, met een uiterst brutaal en stug voorkomen, uit het gelid onder den uitroep ;

«Alles, wat gij ons hebt medegedeeld, is gelogen; de brief, dien gij ons hebt voorgelezen is bedrog, want als hij van den Khedive was, zou deze ons bevolen hebben te komen, en ons niet hebben gezegd, dat wij mochten doen, zooals ons het best voorkwam. Gij komt niet uit Egypte, wij kennen maar een' weg naar Egypte en deze loopt over Khartoem ; wij willen dien weg volgen of leven en sterven in dit land.quot;

Emin sprong onmiddellijk toe, greep hem aan, en riep, terwijl hij bezig was hem zijn geweer te ontwringen, zijn vier oppassers toe den man te arresteeren en naar de gevangenis te brengen. Een worsteling werd er het gevolg van, daar de muiteling zijn makkers te hulp riep. Het is onmogelijk een beschrijving te geven van het tooneel van verwarring en oproer, dat daarop ontstond. De soldaten verlieten de gelederen, stormden met geladen geweren op Emin en mij aan en omsingelden ons. Uitroepen van haat en vervloeking werden ons naar de ooren geslingerd door de muitelingen, die hun geweren van alle kanten op ons aanlegden. Emin trok zijn sabel en tartte hen te naderen. Wel was het oogenblik vreeselijk, toen wij ons omringd zagen door de woedende benden, die de vingers onheilspellend aan de trekkers hunner geladen

-ocr page 163-
-ocr page 164-

'^,0

,

-ocr page 165-

EM1N PACHA.

geweren brachten en ons vervloekten, hun dierlijke aangezichten verwrongen van woede en hun oogen fonkelend van haat. Voor de tweede keer dacht ik dat dit het einde zou zijn van onzen langdurigen worstelstrijd om Emin Pacha te verlossen, en levendig flikkerde mij de gedachte voor den geest aan Stanley en mijn makkers, waarvan ik zoo ver verwijderd was. Daar roept iemand uit, dat mijn oppassers zich van het kruitmagazijn wilden meester maken en metéén van dieonverhoedsche frontveranderingen, zoo kenmerkend in den neger, ontrukken de soldaten hun kameraad aan de handen van Emin's lieden en stormen zij, dien makker in hun midden, los op het magazijn, onder kreten van uitdaging en minachting. Daar stonden Emin en ik bijna geheel alleen, want bijna al onze getrouwen waren, bij de eerste uitbarsting, van schrik weggeloopen. Selim Aga en de andere officieren hadden gedaan wat zij konden, om de soldaten te kal-meeren; maar zij konden evengoed hebben beproefd de baren van den oceaan te stillen, daar hun woorden in het rumoer en de verwarring verloren gingen.

Ik verzocht Emin naar zijn huis te gaan, terwijl ik naar de magazijnen wilde, om te beproeven de soldaten in bedaring te brengen; maar hij weigerde het station te verlaten en zeide te willen blijven, waar hij was en mij te zullen wachten.

Ik ging daarop, alleen van mijn bediende Binza vergezeld, naar de magazijnen, waar de soldaten omheen stonden te razen en te tieren. Bij mijne nadering werd ik met gehuil en gegil ontvangen door de soldaten, die hun geweren op mij richtten en mij toeriepen terug te kee-ren. Ik zeide dat ik bloot als vriend tot hen kwam en voegde er bij ; gt;Gij ziet ik ben alleen en ongewapend; ik ben niet bang voor u, omdat gij soldaten, geen wilden, zijt.quot;

Daarop lieten zij hun geweren zakken en riepen mij toe : gt; Wij zullen u geen leed doen, gij hebt niets van ons te duchten.quot;

Nadat ik een paar minuten mijn best had gedaan om hen gerust te stellen, kregen zij hun kalmte in zoo ver terug, dat zij mij rustig konden aanhooren. Ik voegde hun toe, hoe verkeerd zij hadden gehandeld en hoe volslacjen noodeloos dit tooneel was oeweest, een tooneel

O O

dat bijna was uitgeloopen op de vermoording van hun Gouverneur en van mij, den vertegenwoordiger van Stanley, die deze Expeditie herig

135

-ocr page 166-

JEPHSON,

waarts had gevoerd om hun te hulp te komen. Als zij geen behoefte hadden om te vertrekken en niet wilden gelooven dat wij uit Egypte kwamen, konden zij mij zulks bedaard hebben gezegd; want, nadat ik hun had toegesproken, had ik hen uitgenoodigd den volgenden dag bij mij te komen, om mij over een ontruiming van het land hunne meening te zeggen. Zij riepen allen uit dat hun Gouverneur schuld had door het vatten van hun kameraad. »Maarquot;, gaf ik ten antwoord, »gij weet toch allen genoeg van de plichten van den soldaat, om te begrijpen dat een man die het gelid verlaat en zijn Gouverneur hoont, in de gevangenis dient te worden gebracht.'' Zij zeiden dat de Gouverneur, dien zij wantrouwden, den soldaat, al had hij ook verkeerd gehandeld, niet had moeten grijpen. Terwijl ik tot de soldaten sprak, zond Emin mij verschillende boodschappen, om mij te bewegen mij bij hem te voegen; maar ik merkte, nu de ergste beroering over was, dat ik niets van het volk had te duchten. De soldaten zeiden ten laatste een en ander ge-zamentlijk te willen overwegen, en vroegen mij of ik den volgenden dag alleen bij hen wilde komen om met hen te spreken, maar voegden er bij, dat zij hun Gouverneur niet zouden toelaten het station binnen te gaan. Daarop verliet ik hen, ging naar Emin terug en met hem naar ons verblijf.

Ware een der geladen geweren, waarmede de soldaten, met den vinger aan den trekker, bijna hadden losgebrand, afgegaan, er zou een algemeen bloedbad zijn gevolgd; want als er maar eenmaal één geweer was al-gevuurd, zou de opgewondenheid, die daaruit moest voortvloeien, niet te keeren zijn geweest en zouden wij allen er het leven bij hebben ingeschoten. Belachelijk was de houding van sommige van Emin's ondergeschikten tijdens de weinige minuten van deze eerste uitbarsting.

Rajab Effendi, Emin's secretaris, kroop weg achter een boom; zijn knieën knikten schier van schrik, terwijl hij, toen men hem later vond, op het punt stond van in elkaar te zakken. Arif Eftendi, een ander beambte, een kleine Circassier met hoogst eigenaardig voorkomen, liep gillende bij Selim Aga in huis, waar hij zich onder een ledikant verborg en uitriep dat de Moedir en de heer Jephson door de soldaten waren vermoord, terwijl de zwarte vrouwelijke dienstboden in een koor van angstkreten uitbarstten. Hassan Aga, de jager van den Pacha, wist niets be-

136

-ocr page 167-

ij! Uil; f|

hm

I • ,}

EMIN PACHA.

ters te doen dan op zijn knieën te vallen en biddend uit te roepen : gt;Wij hebben niets om ons mede te verdedigen, zij vermoorden ons ! zij vermoorden ons ! Allah, behoed ons !quot; De oppasser, die met onze bedienden in 't gebed was geweest, was dronken geworden en geraakte onder den voet van de verwoede soldaten, die hem zijn geweer afgrepen en vreeselijk schopten. De apotheker. Vita Hassan, was evenwel, toen er nog nauwelijks iets te doen was, naar de vertrekken van den Pacha gfesneld en had hem een revolver crehaald.

Emin [was den geheelen avond bang, dat de soldaten dien nacht een aanval op ons in den zin hadden, maar ik hield mij er stellig van overtuigd, dat zij zulks niet zouden doen. Na verloop van eenigen tijd liet ik Selim Aga en de officieren van het station roepen en veerden wij een langdurig gesprek met elkander. Zij verklaarden allen erg geschrikt te zijn van het voorgevallene en betreurden het gedrag der soldaten. Maar uit hetgeen hij zeide, of liever uit de manier waarop hij zich uitliet, begon ik mij zeer ongerust te maken ten aanzien van Surore Aga, den bevelhebber van het station. Eenige dagen later lekte uit, dat de oproerling, die de gelederen verlaten en Emin gehoond had, Su rore Aga's oppasser was en dat deze hem daartoe had opgestookt. Toevallig werden wij ook gewaar, dat Surore Aga, sedert Stanley's aankomst bij het meer, geregeld in verstandhouding had gestaan met de oproerlingen te Rejaf. In den loop van den avond zocht ik mijn eigen oppassers en die van Emin op en prees hen zeer om hunne houding tijdens het tumult. Zij hadden grooten moed betoond en met mijn bediende Binza het leeuwenaandeel gehad in het in bedwang houden van de soldaten.

Den volgenden morgen liet Selim Aga mij weten, dat de soldaten van het station allen in het gelid stonden en mij gaarne wilden spreken. Mijn eigen oppasser, zoowel als die van Emin, verzochten mij mede te mogen gaan; maar ik weigerde zulks, daar ik wist, dat een opgewonden menigte nooit kalmer wordt gestemd, dan wanneer men zich alleen, zonder vrees te toonen, in haar midden begeeft. Ik zeg tc tocnen, want ik moet erkennen, dat ik niets op mijn gemak was! Ik ging dus naar het station, alleen vergezeld van mijn' bediende Binza, die als tolk moest optreden: ik stak evenwel mijn revolver in den zak, voor 't geval de

137

: !;

I

i(!

■ •■p

: !l ij 1 j:-

i 1

ï

! I. '

f '

n: ; :•

li éi

1 pv

I

■1 11

ut

1 .

L

II

t

$

•'■ril

_

' -V; Wi

ifc-ll-* Pw

-ocr page 168-

JEPHSON,

nood aan den man kwam. Ik trof alle soldaten en hunne oificieren in hunne beste uiformen aan; bij mijne aankomst salueerden zij mij eerbiedig. Langen tijd sprak ik met hen en deelde hun mede, dat de hoofdschuld was te wijten aan den soldaat, die buiten het gelid was getreden, om ons toe te voegen, dat wij leugenaars waren. Zij gaven toe dat hij verkeerd had gehandeld, maar laakten in hun' Gouverneur, dat deze hem had gevat en voegden er bij, dat zij hem niet mochten lijden en ook niet vertrouwden. Ik gebruikte dezelfde argumenten als den vorigen dag en kreeg daarop ook dezelfde antwoorden ; en toen ik vervolgens vroeg, waarom zij hun Gouverneur, die dertien jaar bij hen was geweest, niet vertrouwden, en of zij één daad van wreedheid of onrechtvaardigheid van hem konden bijbrengen, moesten allen antwoorden, dat hij hun integendeel slechts goedheden had bewezen.

»Waarom denkt gij dan,quot; zeide ik, gt;terwijl gij zelf zegt, dat hij u dertien jaren lang louter goedheden bewees, dat hij zich nu tegen u heeft gekeerd?quot; Zij antwoordden, dat zij hem wantrouwden, omdat hij hun «broedersquot; te Rejaf in den steek liet. Toen ik hun gezegd had, dat juist zij hem in den steek gelaten en een complot gesmeed hadden om hem gevangen te nemen, wilden zij dat niet toegeven en bleek het noodelooze moeite te zijn, om te trachten hen te overtuigen. Ik gaf hun evenwel te kennen, dat zij volkomen vrij waren om te handelen zooals zij verkozen, en, naar eigen believen, gebruik te maken van onze hulp of die te versmaden. Wij waren mijlen ver gekomen, om hun bijstand te bieden, en hadden een groot aantal vijanden bevochten om hen te bereiken, maar in geen enkel van alle gevechten, door ons tegen onze vijanden geleverd, had ik zooveel wapenen op mij zien richten als gisteren, toen ik, hun gast, mij in hun midden had begeven, enkel met den wensch om menschen te helpen, die ik mij als vrienden had voorgesteld.

Zij schenen zich erg te schamen en zeiden, dat zij berouw gevoelden over 't geen den vorigen dag had plaats gehad, waarop ik afscheid nam en het station verliet.

Ik vond Emin en de zijnen min of meer ongerust over mijn lang uitblijven, want zij waren bang geweest, dat de soldaten mij gevangen zouden hebben genomen.

138

-ocr page 169-
-ocr page 170-

-ocr page 171-

Hi

Niet lang daarna kwamen Selim Aga en de officieren ons een afscheidsbezoek brengen, daar wij dien dag naar Chor Ayoe zouden vertrekken.

Zij herhaalden wat zij den vorigen dag hadden gezegd en voegden er bij, dat de soldaten tot kalmte waren gekomen door een boodschap uit Rejaf. Selim Aga, het distriktshoofd, had reeds een groot gedeelte zijner goederen naar Dufflé afgezonden, zoodat het scheen, dat hij met ons wenschte te trekken.

De Soedaneezen en Egyptenaren in Emin's Provincie hadden een ellendig karakter; zij konden ons hun vriendschap en betuigingen van oprechtheid komen aanbieden en op hetzelfde oogenblik in hun hart het afschuwelijkste verraad tegen ons beramen. Mijn bediende Binza heeft eens tegen mij gezegd; gt;Meester, deze lieden zijn zot; het materiaal, dat nog goed in hen is, is ontoereikend om een hut van te maken; van het slechte zou best een paleis kunnen worden gebouwd.''

Des namiddags bereikten wij Chor Ayoe; wij wilden daar drie dagen blijven, want wij hadden liet feest van el Kebir, een feest dat drie dagen duurde en voor de Mahomedanen het belangrijkste is van het geheele jaar.

Al die feestdaafen worden er veel bezoeken atgfelegd en wordt er

o o o

braaf gedronken en uitgehaald; maar daar de Pacha en ik minder lekker waren, wilden wij liever binnen het kalme station Chor Ayoe blijven dan naar Dufflé gaan, waar alles wel leven en beweging zou wezen. Pij onze aankomst lag er voor ons een brief uit Dufflé. Hawashi Effendi schreef daarin, dat hij, op het ontvangen van Emin's bevel, een tweeden troep had. uitgezonden, om te trachten nadere berichten in te winnen over de vreemdelingen in Latooka. Hij deelde verder mede, dat zijn officier had vernomen, dat de troep een deel was van de horden van den Mahdi uit Bahr el Ghazal. Zij waren te Boa geland en hadden

i) Vermoedelijk voor cl Kebir te lezen d Fitr; d. w. z. het feest hetwelk gevierd wordt na het einde van de groote Vastenmaand Ramadan en invalt op den eersten van de daarop volgende maand Sjaawal. Op den bewusten dag wenscht men elkander heil en in 't bijzonder geluk dat men de langdurige vasten te boven is. De godsdienstige viering bestaat deels in 't geven van aalmoezen, deels in een openbaar en gemeenschappelijk gebed in een groote moskee, terwijl bovendien bedevaarten worden gedaan naar de graven der afgestorvenen. Vertaler

-ocr page 172-

JEPHSON,

een rooftocht gedaan tegen de bevolking van Latooka, die in massa uitgetrokken was en hun een bloedige nederlaag had berokkend, waarop de Mahdisten teruggetrokken en de rivier met hun stoombooten en vaartuigen weder overgestoken waren.

Wij wisten wel dat de Mahdisten in de provincie Bahr el Ghazal waren, maar het trof ons, dat zij reeds zoo nabij waren geweest. Het zag er treurig uit. Wij kregen ook een brief uit Rejaf van Hamad Aga, waarin hij kennis gaf, dat Ali Aga Djabor en Mahomed Effendi el Adémi, de beide voornaamste muiters van het iste bataljon, uit Makraka in Rejaf waren aangekomen. Zij hadden gezegd hun Gouverneur geen bezoek te willen brengen; als hij wilde, kon hij bij hen komen. Hoe buitengewoon wellevend en vriendelijk 1 Op raad van den Pacha schreef ik Hamad Aga terug, dat ik van plan was geweest, als Stanley's vertegenwoordiger, naar Rejaf te gaan om het volk toe te spreken en het manifest van den Khedive voor te lezen. Maar nu wij op de hoogte waren van hunne bedoelingen jegens ons, oordeelden wij het raadzaam van onze komst af te zien, en sloot ik een afschrilt van het manifest van den Khedive in, om door hem aan de officieren en soldaten, na hen allen bij elkander te hebben geroepen, te worden voorgelezen. Ik schreef er bij, dat allen in Rejaf, die mij wenschten te spreken, nu naar Dufflé moesten gaan.

Dit afschrift van het manifest van den Khedive viel in handen van den generaal der Mahdisten, die het naar Khartoem zond. Hij adresseer de het aan Osman Digna, die het weder aan Generaal Grenfell zond, als een bewijs dat de Equatoriaal Provincie door de Mahdisten was veroverd.

Emin helde over tot de meening, dat de hoofden van den opstand te Rejaf, als zij hoorden, dat de zuidelijke stations waren ontruimd, met hunne garnizoenen naar Rejaf zouden oprukken. Van het begin af aan had Emin gezegd, dat het manifest van den Khedive een slechte uitwerking zou hebben op het volk en het bevel had moeten inhouden om naar Egypte te vertrekken, in plaats van de beslissing aan het volk-zelf over te laten. Het was bovendien jammer, dat men, toen eenmaal tot de uitzending der Expeditie was besloten, niet aan sommige be trekkingen van deze lieden in Egypte had verzocht, ons brieven voor

142

-ocr page 173-

lliil

EMIN l'ACIIA.

'43

Mmrn

hunne vrienden alhier mede te geven. Daarmede zou een eind gemaakt zijn aan den twijfel, dien zij koesterden op het punt van onze relation tot Egypte.

Emin deed mij opmerken dat hij waarschijnlijk verloren zou zijn geweest als wij zes maanden later waren gekomen, want zijn gezag had een gedüchten knak gekregen door den opstand in Rejaf. Het was te betreuren dat hij daarvan met geen enkel woord had gerept in zijne naar Europa geschreven brieven, want dan hadden er andere maatregelen kunnen zijn genomen.

Op den weg tusschen Rejaf en Chor Ayoe verdween de vrome, maar dronken oppasser; waarschijnlijk heeft hij zich aangesloten bij de oproerlingen te Rejaf. Emin had hem gelast om naar Dufllé t? gaan en zich bij zijn compagnie te vervoegen, daar hij hem niet langer a!s oppasser wilde hebben. Hij zal gedacht hebben dat hij, bij zijn aankomst te Dufflé, van Hawashi Effendi een strenge tuchtiging te goed had, zoodat hij in het hoofd kreeg naar den vijand over te loopen. Zoo liep het af met hem en met zijn gebeden en zijn dronkenschap. Er is onder dit slag van lieden, al schijnen zij zeer vrome Mahomedanen te zijn, geen enkele, die vesl waard is; het is niet pleizierig zulks te moeten zeggen, maar het is ongelukkig de waarheid.

Den i8den Augustus ontvingen wij 's avonds laat een brief van Hawashi Effendi, met bericht dat te Dufflé opstand was uitgebroken en hij gevangen zat. Drie officieren, Eadl el Moella Aga, Achmet Aga Dinkave en Abdoellah Aga el Apt, waren dien dag, met zestig soldaten, van het station Fabbo gekomen en hadden zich van de regeeringsge-bouwen en het kruitmagazijn meester gemaakt. Daarop hadden zij in een toespraak aan de soldaten te kennen gegeven dat zij zotten waren, als zij luisterden naar hetgeen de Pacha, Stanley en ik hun vertelden ; dat de weg, dien wij hen wilden laten inslaan, niet naar Egypte leidde, want dcit men daar alleen koude komen over Khartoem. De brieven, die wij hadden medegebracht, waren valsch; zij hielden er zich van verzekerd dat wij niet uit Egypte waren gekomen en hadden de stellige bewijzen in handen, dat ons eenig doel was de lieden uit het land te brengen en hen, met hunne vrouwen en kinderen, als slaven aan de Engelschen te verkoopen. Dit verspreidde zich als een loopend vuur onder

mil

{,:i

ii

liMI

-ocr page 174-

144 JEPHSON,

de domme menigte, zoodat de solditen gereedelijk de zijde van de muiters kozen. Al de officieren in Dufrlé sloten zich ook bij hen aan en kozen Fadl el Moella tot hun aanvoerder. Daarop stelden zij al hun gevangenen in vrijheid.

Dit was een vreeselijke tijding, want wij waren nu volkomen in den val geloopen. Achter ons Rejaf met het is,u bataljon in opstand, vóór ons Dufflé met een nieuwen opstand en in het Oosten en in het Westen stammen, die altijd hittere vijanden waren geweest van het Egyptische Gouvernement. Er was geen opening, waardoor wij konden ontsnappen; zelfs als wij Dufdé hadden kunnen vermijden, zou het ons niets hebben gebaat, want alles was rijp voor den opstand; men zou ons kortweg gevangen gjenomen en smadelijk naar Dufflé teruggezonden hebben. Het speet mij schromelijk voor den armen Emin; wat zijn persoon betreft deerde hem niets, want hij was van 't hoofd tot de voeten volkomen gezond, maar wat hem ijselijk griefde, was dat zijn volk, waarvoor hij zich allerlei opofferingen had getroost, ja. waaraan hij zich geheel had gewijd, zóó tegen hem te keer ging. Hij gaf mij te kennen, hoe zwaar het hem drukte, dat hij de oorzaak was geweest, dat ik in dit broeinest van allerlei onaangenaamheden was geraakt. Ik moest mij natuurlijk bepalen tot de verzekering, dat ik blijde was in zijn r.egen spoed te mogen deelen.

De toestand, waarin wij verkeerden, was zeer zeker vreeselijk en wat het einde zou worden was niet te voorzien.

Emin zond des nachts boden naar Eaboré om Selim Aga bevel te geven dadelijk over te komen en met hem naar Duflé te gaan, daar hij een man van eenigen invloed in de Provincie en altijd zeer bevriend met Emin was. Dien nacht deed de arme Pacha geen oog dicht; bij liep steeds heen en weder, het hoofd vervuld van zijn tegenspoeden. Den volgenden dag verscheen Selim Bey, maar er viel alle dagen zoo verbazend veel resren, dat de wee voor ons onbegaanbaar wa?.

O O O

Selim Aga, een vriend van Fquot;adl el Moella Aga, den voornaamsten onder de muiters, waarschuwde hem per brief niet overijld te handelen, daar hij en de Pacha den volgenden dag in Dufflé zouden komen. Er kwam op nieuw een brief van Hawashi Effendi, waarin werd gemekt, dat er tot dusver nog geen daad van geweld had plaats gevonden;

-ocr page 175-

145

dat hij dacht, dat het volk bang was geweest, dat hun Gouverneur het dwingen zou het land te verlaten en dat de ramp uit dat misverstand was voortgesproten. Hij voegde er bij reeds lang te hebben geweten dat niemand, zeer weinigen misschien uitgezonderd, het ernstig meende met den wensen tot vertrek uit het land; de lieden hadden het veel te goed daar, waar zij nu waren.

Reeds lang was ik tot de overtuiging gekomen, dat van Emin's onderdanen, al hadden zij ook vol geestdrift geantwoord en verklaard hun Gouverneur te willen volgen, haast geen enkele in zijn hart begeerde te vertrekken. Al de voorstellingen van den toestand, waarin zij zouden geraken als zij ons aanbod afwezen, hadden niet de geringste uitwerking; het »heden,quot; wat het ook gaf, namen zij aan, voor wat

-ocr page 176-

JEPHSON,

het bracht, maar voor denken aan den dag van morgen schenen zij ongeschikt te zijn.

Des avonds kwamen eenige soldaten uit Dufflé voorbij, maar zij meden het station en zwommen hooger op over de Ayoe. Se-lim Aga liep hen na en trachtte nog met hen te spreken, maar zij liepen weg. Zij brachten blijkbaar brieven van de muiters te Dufflé aan die in Rejaf, met wie zij ongetwijfeld nu gemeene zaak zochten te maken.

Den 20mquot;1 Augustus trokken wij op naar Dufflé; maar, daar wij geen dragers genoeg hadden kunnen krijgen, moesten wij vele goederen achterlaten.

Het water was verbazend hoog ; de Nijl was door de regenbuien van den nacht en van den vorigen dag bijna i' , M. gewassen. Overal in het rond, waar het water van de bergen was neergezweept, droeg het land de kenteekenen der verwoestinsf. De stroomen en waterleidingen die wij zagen, waren den vorigen dag diepe en snelvlietende, nu flauw loo-pende wateren ; zóó snel verdwijnt het water in deze bergachtige streken.

Het gebergte, dat in de verte evenwijdig liep aan ons pad, en op enkele punten geduchte, steile afgronden vertoonde van meer dan 180 M., werd in den helderen zonneschijn weerspiegeld door het water, dat van het tafelland kwam en langs zijn voet vloeide. De geheele bodem was doorweekt.

De dag, die op een dag en nacht volgt, waarop het aanhoudend heeft geregend, is in Centraal-Afrika over quot;t algemeen verbazend heet; ook deze maakte geen uitzondering op den regel. Toen de zon verrees boven de heuvels, met dampen overhuifd, lagen de valleien en lage landen geheel verscholen achter een ondoordringbaren sluier van mist. Maar na een paar uren was de mist opgetrokken, waren de dampen opgestegen en had de zon zich baan gebroken met een gloed en een kracht, die zelfs onze hersenen scheen aan te doen. Tegen den middag toen wij over de naakte en drooge vlakte schreden, werd de hitte schier ondraaglijk, en scheen de landstreek over haar geheele oppervlakte te trillen.

De niet onder woorden te brengen verlatenheid en eenzaamheid

-ocr page 177-

EMIN PACHA.

van deze groote rotsachtige en onbewoonde wildernis trof mij in nog hoogere mate dan op onzen tocht een maand geleden. Geen spoor van ontginning ot bewijs van bewoning was mijlen ver te ontdekken; slechts dorre strooken kwartsgrond, alleen afgewisseld door zware bergmassa's, ingebogen en oprijzend in allerlei vreemdsoortige vormen en gedaanten, zoodat velen op een afstand min of meer op bouwvallige burgten geleken. Op de geheele vlakte slechts stammen van dwergachtige heesters en nietige mimosa's. Aan den westkant was die vlakte omzoomd door een lange rij hooge, ruwe rotsen, een onherbergzaam oord, terwijl in het oosten, zoover het oog reikte, de dorre strook zich uitstrekte tot het ver afgelegen land der Shoeli's. Bij het beschouwen van deze vlakte kwam mij weder levendig een passage voor den geest, die ik ergens, denkelijk in een van Walter Scott's romans, had gelezen en als ik mij goed herinner, ongeveer in deze woorden was vervat ;

gt;De merkwaardige indruk van zulke uitgestrekte wildernissen bestaat daarin, dat zij een gevoel opwekken van eenzaamheid, zelfs bij hen, die ze bereizen in groote gezelschappen, door de kracht, waarmede op de verbeelding wordt gewerkt, tengevolge van het tegenstrijdige van de woestijn in het rond en het gezelschap, dat haar betreedt. Zulk een gevoel zullen de leden van karavanen, al zijn zij ook duizend personen sterk, in de woestijnen van Afrika of Arabic ondervinden; een gevoel van verlatenheid, onbekend aan den eenzamen reiziger, wiens pad loopt door een bedrijvige en bebouwde streek.quot;

Toen wij den top van den heuvel hadden bereikt, van waar wij Dufflé, op een afstand van 3000 a 3500 M., aan onze voeten konden zien liggen, hielden wij halt, om de achterhoede van onze karavaan te wachten.

Daar stonden wij dan bij elkander, Emin en ik. Vita Hassan, de apotheker, Rajab en Arif Effendi, Emin's schrijvers of secretarissen, Kismoellah, de man die voor Emin vogels verzamelde en opzette, onze bedienden en oppassers en een twintigtal dragers van den stam Madi. Wij staarden op het station en bepeinsden, welk een ontvangst er ons wachtte ; of wij in staat zouden zijn zooveel indruk op de muiters te maken, dat zij afzagen van hun complot, dan of wij misschien op het

147

-ocr page 178-

JEPHSON,

148

punt stonden voor langen tijd onze vrijheid vaarwel te moeten zeggen. Wij maakten onze helmhoeden schoon, reinigden ook ons zelf van het stof en lieten de gelederen opsluiten ; en, terwijl wij onzen moed vertoonden in wapperende vanen en banieren, stelden wij ons met opgeheven hoofden in beweging, om den heuvel af te dalen naar het station.

-ocr page 179-

HOOFDSTUK VII.

ONZE GEVANGENSCHAP IN

DUFFEÉ.

-------

Wij naderen Dufflé. — Houding van het volk. — Wij trekken het station binnen. — Onder bewaking van schildwachten. — Beleedigingen van de soldaten. — Groet van een Cir-kassisch wijsgeer. — Wij worden gevangen gezet. — Tegenstelling met onze komst, een maand geleden. — Selim Aga raadpleegt de muiters. — Fadl el Moella noemt de beweegredenen voor den opstand. — De muitende officieren uit Rejaf ontboden. — Ons verblijf in de gevangenis. — Onze bedienden beleedigd. — Toestand van Hawashi Effendi. — De rebellen vormen een plan om Stanley in den val te lokken. — Tijdingen uit M'swa. — Veronderstelling dat Stanley in Kavallis dorp was aangekomen. — Aankomst van de officieren der opstandelingen te Rejaf. — Mijn oppasser in verhoor. — Ik verschijn voor den raad der opstandelingen.

— Mijn verhoor. — In den raad voorgelezen brieven. — «Oij en uw meester zijn bedriegers!quot;

— Mijn scherpe uitval tegen de opstandelingen. — quot;Ridderlijkheid van een neger.quot; — Fadl el Moella verklaart zijn houding — Kmin t.eekent de stukken. — Kr vertrekt een stoomboot naar M'swa. — Ik maak mij gereed per stoomboot te vertrekken. — Afreis uit Dufflé. — Onaangename gewaarwordingen aan boord. — Aankomst te Wadelai. — De kleine Farida. —

— Een bevalling van vijf kinderen. — Overleg met de soldaten te Wadelai. — Alge-meene ontevredenheid te Wadelai — De lucht is bezwangerd met verraad.

Onder het afdalen van den heuvel zagen wij een groote volksmassa op de been, die het feest el Fitr vierde. Hei volk stond in breede

-ocr page 180-

I SO JEPHSON ,

groepen buiten het station bijeen en voerde onderling levendige gesprekken. Wij konden daaronder gedaanten, die vlug heen en weer liepen, onderscheiden en aan hunne levendige gebaren bemerken, dat zij het volk tot het een of ander aanhitsten, hoewel wij niet wisten tot wat. Toen wij op korten afstand van het station waren gekomen, gingen de groepen uiteen en schaarde men zich langs het pad, dat wij moesten volgen. Wij zagen dicht op elkaar gedrongen een aantal hooiden van lieden, die over de borstweringen van het station keken, veel gedruisch maakten en door elkaar schreeuwden. Bij onze aankomst ontstond er evenwel een doodelijk stilzwijgen en scheen elk zijn adem in te houden, in afwachting van de dingen, die zouden komen. Wij gingen tusschen de zwijgende rijen verder en eindelijk het station binnen. Geen schot werd gedaan om ons welkom te heeten; ook stonden de soldaten niet in het gelid om hun' Gouverneur te begroeten. Emin zag in een oogwenk, hoe nutteloos het was op dit oogenblik de menschen toe te spreken, want het was duidelijk te zien, hoe sterk er gedronken en hoe opgewonden iedereen was. Toen wij de achterpoort binnengingen, gaf een der Egyptische officieren een commando, waarop eenige schildwachten zich voor en achter ons posteerden en ons scheidden van onze lieden. Op hetzelfde oogenblik, waarop de schildwachten hun opdracht uitvoerden, had er een aanloop plaats op Kismoellah, den man, die voor den Pacha vogels en andere zaken verzamelde, werd hem zijn geweer uit de handen gerukt en hij, met eenige anderen, naar de gevangenis gesleept. Daarop brak een oorverdoovend rumoer van allerlei kreten los, scheen het station te wemelen van volk en drongen allen, mannen, vrouwen en kinderen naar voren, om getuige te zijn van de vernedering van hun'Gouverneur. De beambten en officieren hielden zich evenwel op den achtergrond, alsof zij zich schaamden hun Moedir onder het oog te komen. Tal van soldaten hadden zich op het plein voor de gevangenis verzameld; zij waren allen min of meer door drank verhit en begonnen te zingen en te tieren en ons scheldwoorden naar het hoofd te slingeren. Dat waren, naar mijne gedachten, de muitelingen uit Fabbo.

Inmiddels werden wij door het station geleid, gevolgd door het scheldend gespuis, terwijl wegen en paden dreunden onder de menigte van allerlei soort, die hevig opdrong, om ons te zien voorbijgaan, met

-ocr page 181-
-ocr page 182-

■ ■ ïitw . . ,

•:■ ■—'M. ■ -..........•

■ • • •• ......... -

• -: ' •

-ocr page 183-

153

li

EMIN PACHA.

den vinger naar ons te wijzen en ons te honen en te bespotten.

Op het plein vóór ons verblijf, had zich een groote volks menigte opgehoopt, om onze eigenlijke opsluiting te zien en ons hare verachting door beleedigende gebaren te toonen. De eenige die ons dien dag groette, was een kleine Cirkassiër, een geleerde. Zich niet storend aan de gefronste voorhoofden en uitdagende blikken van de menigte, trad hij vooruit en schudde den Pacha en mij de hand. Hij kon niet spreken van aandoening, maar alleen onze handen aan zijn lippen brengen en ons in stomme droefenis aanstaren. Daarop werden wij gebracht in ons verblijf, omgeven door een zware boma of heining, terwijl acht schildwachten den ingang bewaakten, met streng bevel, niemand in en uit te laten. Zóó begon onze gevangenschap.

Welk een tegenstelling tusschen het betreden van het station op heden en slechts weinig meer dan een maand geleden! Toen, alle soldaten in het gelid, om hun' Gouverneur te begroeten en hem de eer te bewijzen aan zijn rang verschuldigd, terwijl ik met toejuichingen was ontvangen als een welkom gast, als vertegenwoordiger van Stanley, den grooten reiziger, door den Khedive uitgezonden om hulp te brengen. Toen vloeiden hartelijke welkomstbetuigingen van aller lippen, toen verhelderde een vriendelijke glimlach aller aangezicht; thans sprak uit ieder gelaat hoon en spot en opende men zijn mond alleen voor beschimpingen. De Egyptische belhamels hadden werkelijk alle eer van hun werk; iedereen was tegen ons!

Al die kreten van smaad en schimp, bij het binnengaan, hadden mij koud gelaten. Het geheele plein gelegen vóór ons verblijf scheen vol halfdronken soldaten, terwijl, uit het gelach en getier om ons heen, duidelijk bleek, welk soort van lieden het waren, in wier handen wij ons bevonden.

Mijn bedienden en oppassers kwamen bij mij hun beklag doen, dat zij bij het brengen van onze bagage waren beleecligd, geduwd en be-spogen door het volk op het plein. Ik moest mij bepalen tot het verzoek dat alles te verdragen en, zoo goed als zij konden, te trachten alles te vermijden, waardoor de soldaten zich beleedigd zouden kunnen achten.

Fadl el Moella en Achmet Aga Dinkave, de beide hooidmuiters,

lil

quot;iii?

i

li i'li

mm

: • te'.: ■ Ü

,

IIIÉ

1

plftiill ! ■ 'I

r i.i É! 4

Mi 1

Jilfi

i-l-

■ l;

! H

III

1 E

. «1

jii

. lïi5 .. ij

-

-ocr page 184-

JEPHSON,

hadden zich bij onze aankomst niet vertoond. Wij hoorden dat zij hun intrek hadden genomen aan den overkant van het plein, in het verblijt bestemd om Stanley en zijn volgelingen te ontvangen.

Onze schildwachten behoorden tot de zestig soldaten, die zij uit Fabbo hadden medegebracht en geheel onder hun invloed stonden.

Emin had Selim Aga medegenomen uit Dufflé, om, zoo noodig, als boodschapper tusschen hem en de opstandelingen op te treden en hem verzocht Fadl el Moella te gaan opzoeken, om al het mogelijke omtrent den opstand te vernemen.

's Avonds kwam Selim Aga ons bezoeken, nadat hij een paar uren had doorgebracht met Fadl el Moella en de voornaamsten onder de muitelingen. Hij deelde ons mede, dat de hoofdoorzaak van den opstand lag bij Achmet Effendi. den beambte, die zich bij Stanley over Emin was gaan beklagen en later te Dulflc gevangen was gezet voor het aanzetten tot opstand in Toengoeroe. Het scheen dat hij aan Fadl el Moella een brief geschreven en leugens omtrent de expeditie in omloop gebracht had, en op het vernemen dat de ammunitie uit Moeggi verwijderd en de ontruiming van dat station begonnen was, zich opnieuw tot Fadl el Moella had gewend, met het verzoek om handelend op te treden.

Fadl el Moella verklaarde aan Selim Aga, dat een van de hoofdredenen voor den opstand daarin was te zoeken, dat sedert lang de officieren en soldaten een hekel hadden aan Hawashi Effendi, den oudsten officier bij Emin's krijgsmacht.

Tal van klachten waren bij Emin ingekomen over zijn inhaligheid en trots, maar nooit had deze er acht opgeslagen, zoodat Hawashi Effendi commandant van de soldaten was gebleven.

Een tweede reden bestond daarin, dat er, naar zij meenden, door hun Gouverneur en Stanley een poging zou worden gedaan, om hen te dwingen het land te ontruimen. Zij zouden hun vrouwen en kinderen en hunne goederen niet mogen medenemen; bovendien kenden zij den weg niet naar Egypte via Zanzibar en geloofden zij werkelijk niet, dat Khartoem was gevallen. Verschillende beschuldigingen van minder gewicht werden nog tegen hun' Gouverneur ingebracht. Om kort te gaan, alles kwam neer op een beschuldiging van verraad van zijne zijde te-

i54

-ocr page 185-

155

m

EiMIN PACHA.

genover den Khedive en zijn volk en van onrechtvaardigheid jegens zijn officieren. Allen drukten scherp hun afkeer uit van Signor Vita, den apotheker, die, naar zij zeiden, den Gouverneur voor spion diende en vele rampen over de Provincie had gebracht

Wat mij zeli betrelt, zeiden zij niets tegen mijn persoon te hebben, behalve dat ik een afgezant van Stanley en den Pacha en hun behulpzaam was in de uitvoering hunner plannen, om het volk te noodzaken de Provincie te verlaten; zij rekenden echter dat ik slechts mij gegeven bevelen uitvoerde. Ik mocht het station vrij doorloopen; maar waar ik ook kwam, overal moesten schildwachten mij volgen en van mijn handelingen rapport brengen.

De opstandelingen hadden een beroep gedaan op de muitende officieren van het i5-10 bataljon om zich bij hen aan te sluiten, evenals op die van de stations Bidden, Kirri, Moeggi en Laboré. Toen deze officieren waren aangekomen, werd er eene vergadering belegd, om te besluiten welke maatregelen tegenover den Gouverneur en Hawashi Effen-di behoorden te worden genomen in het belang van de veiligheid der Provincie voor het vervolg. Kr zouden punten van beschuldiging tegen Emin en zekere officieren opgemaakt en deze voor den Raad terecht gesteld worden, die bestaan zou uit vertegenwoordigers van alle stations in de Provincie. Selim Aga vertelde mij later, dat Fadl el Moella lang zoo slecht niet was als vele andere rebellen, maar dat hij onder den invloed stond van Achmet Aga üinkave, zijn plaatsvervanger in het commando, een van de ergste dwepers, die nergens voor staan, terwijl beiden slechts de werktuigen waren van een handvol schurkachtige Egyptische beambten en officieren. Uit hetgeen Selim zeide, bleek duidelijk een stemming tegen den Gouverneur, maar de reden daarvoor begreep ik niet goed, tenzij misschien, dat hij veel te goed was geweest voor zijn volk. Selim Aga voegde er nog bij dat de muitende officieren erg terughoudend en verre van vriendelijk tegen hem waren geweest. Hij vertelde ons nog het een en ander van Surore Aga te Laboré en van het aandeel, dat deze met zijn groeten vriend, Achmet Aga Dinkave, had genomen in het aanstoken van den opstand.

Wij hadden dus blijkbaar, met alle mogelijke geduld, de aankomst der officieren van de opstandelingen uit Rejaf af te wachten, want er

i.'ii

•V

ph'ffu1

■ lUli ijle.-! •-'I]

;i ^ ijl':

M fi!l

ï®

I

H

Miil

f -Ir

_

-ocr page 186-

JEPHSON,

viel op niets te rekenen, zoolang zij niet allen bij elkaar waren. Wij haakten natuurlijk vol ongeduld naar hun komst, want alles was verkieslijker clan de vreeselijke toestand van afwachting en onzekerheid over ons lot.

Ondertusschen leidden wij, opgesloten in een klein vertrek, midden in een druk station, een alles behalve aangenaam leven. De menschen schoolden samen op het plein en bespraken den keer, dien de zaken hadden genomen, op zulk een luidruchtige wijze, dat wij konden hooren wat zij zeiden. Om ons verblijf liepen wegen, waarop veel verkeer was, terwijl velen van de gelegenheid gebruik maakten om uitlatingen te doen, die voor ons minder aangenaam waren. Aan de eene zijde bevond zich de school, waarin de geestelijke onderwijs gaf aan de kinderen van het station, die den geheelen dag rumoer maakten. Aan den anderen kant woonde een Egyptisch officier, die er een groot aantal vrouwen en slaven op na hield, waarmede hij het aanhoudend aan den stok had, terwijl het geschreeuw en gegil van de ongelukkige wezens hartverscheurend was.

Aan Selim Aga was op last van de in opstand gekomen officieren, van het begin van onze gevangenschap af, den toegang tot ons geweigerd; het hing dus van onze bedienden af, of wij al dan niet kennis kregen van de nieuwtjes, die zij in 't station konden oploopen

Hawashi Effendi was eveneens een g-evanwene, maar onze bedienden

O O '

waren af en toe in de gelegenheid, een briefje van hem of van de welgezinde lieden op het station binnen te smokkelen met het meel ol de groenten, die zij voor ons hadden gekocht Onze bedienden en oppassers beklaagden zich bitter over de beschimpingen en beleedigingen, welke zij hadden te verduren van de soldaten, die hun, onder allerlei andere onbehoorlijkheden, hadden medegedeeld, dat het hunne meesters nooit zou worden vergund het land te verlaten.

Fadl el Moella had bevel gegeven, dat er altijd soldaten van zijn eigene te Fabbo te huis behoorende compagnie als schildwachten bij ons moesten worden geposteerd; hoewel deze veel woester en onbeschaamder waren dan de soldaten uit Duffle, had hij hen beter onder bedwang. Ook werden soldaten uit Fabbo als schildwachten bij de graan- en kruitmagazijnen geplaatst.

-ocr page 187-

EMIN PACHA.

Een gedeelte van de machinerieën onzer stoombooten had Fadl el Moella tot zich genomen, daar de bemanning de opstandelingen niet vriendschappelijk gezind was en men vreesde dat zij onze ontsnapping wenschte te bevorderen.

Van ter zijde kwamen ons verschillende geruchten ter ooren over de bedoelingen van de officieren der opstandelingen ten onzen opzichte, en de soldaten lieten zich van tijd tot tijd woorden ontvallen, waaruit wij konden afleiden, dat ons lot verre van aangenaam was. Hawashi Effendi was ernstig ziek bij zijne gevangenneming, en hoewei hij langzaam herstelde, koesterden wij vrij stellig de verwachting, dat hij zijn gevangenschap en leed niet zou te boven komen. Wij vernamen ook, dat er, zoodra alle in opstand gekomen officieren tegenwoordig waren, een aanslag tegen Stanley en de Expeditie, bij hun terugkeer naar het meer, zou worden beraamd.

Het plan bestond, zoodra zij zijn aankomst bij het meer hadden vernomen, de stoombooten vol soldaten af te zenden, een aanval te doen op het kamp, de geweren, ammunitie en al wat hij bij zich had te vermeesteren en hem daarna te verjagen. Ik twijfelde, of zij wel in staat zouden zijn dit plan zoo gemakkelijk uit te voeren als zij zich voorstelden, want ik had een onbegrensd vertrouwen in Stanley's voorzichtigheid en wijsheid; maar toch maakte ik mij er zoo bezorgd over, dat ik onmiddellijk een brief schreef om hem te waarschuwen, met de bedoeling dat schrijven door een vertrouwd boodschapper te zenden aan Shoekri Aga, commandant van M'swa, van wiens eerlijkheid ik mij overtuigd hield,

Ondertusschen vermeerderden dag aan dag de tallooze kwellingen en vernederingen, die wij ons moesten getroosten. Wij vernamen, dat de muitende officieren van het ie bataljon, met den hoogepriester van het land, uit Rejai waren vertrokken en binnen weinige dagen te Dufflé konden worden verwacht.

In den avond van den 26°quot; Augustus vernam ik, door mijn oppasser, dat er brieven uit Toengoeroe en M'swa waren aangekomen, die van groot gewicht mochten worden geacht, omdat Fadl el Moella onder het lezen, zich vreeselijk opgewonden betoond en onmiddellijk een ver-

157

-ocr page 188-

158 JEPHSON,

gadering van officieren uitgeschreven had ter kennisneming van den inhoud.

Deze bijeenkomst had met gesloten deuren plaats in de vergader zaal van de rebellen; omtrent den inhoud van de brieven werd zulk een streng stilzwijgen in acht genomen, dat wij niet gewaar konden worden, waarin hij eigenlijk bestond,

Emin maakte zich zeer ongerust over hetgeen wij te weten waren gekomen, zoodat wij dien avond lang opbleven, om er over te spreken en allerlei veronderstellingen maakten over 't green er in de bewuste

O O

brieven mocht staan.

Mijn bediende Binza vertelde mij, dat de eene brief zoude zijn van Soeleiman Aga in Toengoeroe, en het verzoek bevatten aan den Moedir, om zoodra mogelijk derwaarts te vertrekken. De sensatie, die er onder de rebellen door werd verwekt, deed verwachten, dat er iets van belang op til was.

Wij dachten dat misschien Kabba Rega's volk een der stations had aangetast olquot; dat de stoomboot Nyanza, die een van de dorpen aan het meer van Oenyoro moest aandoen, een ongeluk was overkomen, zoo er geen opstand was uitgebroken op een der stations aan het meer. In dit laatste geval zouden wij een vreeselijke ramp hebben te betreuren, want tot dusver had de muiterij zich nog niet bezuiden Dufflé uitgestrekt en zouden wij geheel van Stanley zijn afgesloten. Volgens een laatste, maar minst waarschijnlijke gissing, kon Stanley zijn aangekomen. Wij hadden hem niet in de eerste vier of vijf maanden verwacht, maar het zou mogelijk kunnen wezen, dat hij Barttelot eerder had ontmoet dan hij had gedacht en om die reden zooveel eerder was aangekomen. Maar na deze laatste gissing lang en breed te hebben besproken, verwierpen wij haar als al te onwaarschijnlijk, en gingen, zonder tot een bepaalde gevolgtrekking te zijn gekomen, laat naar bed.

Den volgenden morgen werd ik vroegtijdig gewekt door Emin, die mijn kamer binnentrad. Ik zag hem nauwelijks, of ik begreep dat hij een belangrijke tijding had, want hij droeg alleen zijn chambercloak, en in dat costuum zou hij nooit zijn verschenen, als er niet iets ongewoons aan de hand was.

Zijn nieuws bestond in de aankomst van Stanley bij het meer! Welk

-ocr page 189-

159

een heuglijke tijding juist op dat tijdstip! Ik sprong mijn bed uit en riep, daar ik er niets van geloofde: gt;Neen! Dat is onmogelijk!quot; Zulk een bericht was al te wonderlijk en onverwacht.

Selim Aga had dien morgen in de vroegte een briefje binnen gesmokkeld, waarin hij meldde dat er twee brieven waren aangekomen, een van Kodi Aga te Wadelaï en een van Shoekri Aga te M'swa. Uit den brief van Kodi Aga bleek, dat Stanley met een groot getal manschappen en goederen bij het meer was aangekomen en drie olifanten en een groote boot bij zich had. De olifanten en de boot bestonden, naar ik dacht, alleen in de verbeelding der inboorlingen; waarschijnlijk was er gezegd, dat er drie dieren (misschien ezels) in zijn gevolg waren en zal het tot overdrijving genegen volk hebben uitgemaakt, dat het olifanten moesten zijn. Soeleiman Aga was, naar men ons zeide, met de kleine stoomboot afgereisd, om Stanley te begroeten.

Van den brief van Shoekri Aga, gericht aan den Pacha, hadden de muiters zich meester gemaakt; maar, naar ons werd gezegd, hadden zij hem niet geopend, doch wilden zij daarmede wachten tot de officieren uit Rejaf waren aangekomen. Selim Aga maakte er ons opmerkzaam op, dat op den buitenkant stond geschreven: »Hoogst belangrijke tijding. Alle redenen van blijdschap.quot;

Niet dan met het grootste ongeduld konden wij de dingen, die komen zouden, afwachten.

Emin zeide het voor verstandig te houden, dat ik de officieren van Rejaf, zoodra zij waren aangekomen, opzocht, om te trachten van hen vergunning te krijgen, dat hij en ik aan Stanley een bezoek mochten brengen. Zoo zij die vergunning niet wilden verleenen, moest ik trachten hen te overreden mij toe te staan alleen te gaan, want Soeleiman Aga wist, evenmin als Shoekri Aga, wat er te Dufflé was voorgevallen, zoodat Stanley in het duister zou rondtasten. Ik gevoelde Stanley op de eene of andere wijze te moeten waarschuwen, 't geen in een kort briefje zou kunnen gebeuren, maar als ik hem te spreken kon krijgen ging alles veel beter.

Emin en ik schreven evenwel brieven aan Stanley, om hem van onzen toestand op de hoogte te stellen, met tal van bijzonderheden over het land, het volk, den weg, enz., en met aanwijzigingen omtrent de

22

-ocr page 190-

160 JEPHSON,

plannen, in geval hij het mogelijk achtte een poging te doen, om ons te verlossen. Ook gaf ik hem kennis van het plan, dat er, naar wij hadden vernomen, beraamd zou zijn om hem te vatten, en waarschuwde ik hem ten sterkste, buiten Soekri Aga, niemand te vertrouwen.

Het was mijn voornemen dezen briet toe te vertrouwen aan den stuurman op de stoomboot gt;K/iedive ', op wiens eerlijkheid ik durfde rekenen, om hem te overhandigen aan Shoekri Aga, die hem op zijn beurt met bevriende inboorlingen aan Stanley moest zenden. Natuurlijk stelde ik mij alleen voor zóó te handelen, in geval de rebellen mij weigerden naar mijn superieur te gaan. Ik had hoop hen te kunnen overreden mijn verzoek in te willigen, maar de arme Emin was soms zoo neerslachtig, dat ik dikwijls mijn best moest doen hem in een meer opgewekte stemming te brengen. Ik geloof dat hij blijde was dat ik mij bij hem bevond, maar menschen als wij, die vroeger nooit gevangen hadden gezeten, moest deze opsluiting in een kleine achterkamer wel zeer ter neer drukken ; ik begon haar dan ook verschrikkelijk te gevoelen, hoewel wij pas twaalf dagen van onze vrijheid waren beroofd. Het vooruitzicht was zeker donker genoeg om er door ter neet te worden gedrukt. De gedachte was verschrikkelijk, dat Stanley en mijn kameraden in dezelfde val konden loopen als ik, een gevangene, niet in staat een hand uit te steken oir. hen te helpen of zelfs te waarschuwen. Dat denkbeeld kwelde mij nacht en dag, zoodat ik in de grootste spanning mijn ontmoeting met de muitende officieren afwachtte.

Arme Emin! hij ging geheel gebukt onder het gewicht der slagen; zijn bitterste gedachte waren, dat hij zoovele jaren lang zich zelf had opgeofferd voor zijn volk, dat thans op die manier tegen hem optrad en dat zijn gezag moest blijken zoo onbeduidend te zijn geweest. Allen die onder Emin's onmiddellijk opzicht stonden, zijn secretarissen, klerken, helpers en bedienden waren in de gevangenis geworpen en wij stonden alleen, geheel alleen, zonder iemand, wie dan ook, in wien wij het geringste vertrouwen konden stellen. Hij behoorde tot de karakters zoo vatbaar voor aandoeningen, zoodat zijn gedachten hem destijds schromelijk moeten hebben gefolterd

In den middag van den 3 i5lcn Augustus verschenen de lieden uit Rejaf. Zij marcheerden het station in triomf binnen met vliegende vaan-

-ocr page 191-

EMIN PACHA.

dels en slaande trommen, terwijl de soldaten in 't gelid waren geschaard om hen te begroeten. Als om ons te bespotten, trok de stoet het station door en hield halt tegenover ons verblijf, onder het gejuich van de verzamelde menigte. Nadat eenige toespraken waren gehouden, rukten de soldaten in naar hunne kwartieren en betrokken de oflicieren kamers in het gedeelte, dat Fadl el Moella aan den overkant van het

lt;Tgt;

plein had ingenomen. De aankomst van deze opstandelingen vormde een schrille tegenstelling met de onze, die zoo eenvoudig was geweest.

De ofticieren uit Rejaf waren All Aga Djabor. Hamad Aga, Farratch Aga Ajok, Ali Aga Shamroek, Dowel Beijt Aga; verder twee beambten en Sheik Moorajan, de hoogepriester van de provincie. Uit Moeggi, Bachit Aga Ramadan en twee anderen, uit Laboré Surore Aga, terwijl er uit alle andere noordelijke stations officieren bij waren, wier namen ik niet ken. Zij brachten zestig soldaten mede, gelicht uit de verschillende stations, benevens een menigte bedienden en slaven.

De officieren zonderden zich af in hun vertrek; wij konden echter, over het plein, heen, hun levendige beraadslagingen hooren. Wilde kreten werden geuit en bevelen uitgedeeld, terwijl het geheele station daverde van het eewoel en het o-edruisch. De soldaten hadden zich onder

o

de boomen op het plein verzameld en lachten en praatten luid, terwijl zij klaarblijkelijk de kennismaking hernieuwden met de rebellen uit Rejaf, die zij in langen tijd niet hadden gezien.

Des avonds werden er aroote kruiken inlandsch bier en korenbran-dewijn, op bevel van Fadl et Moella, aan de in opstand gekomen officieren gebracht, die, te oordeelen naar het gelach en geschreeuw en gekijf dat wij hoorden, verbazend zwelgden

Wij konden afluisteren dat er den volgenden dag door al de opgestane officieren in de zaal een zitting zou worden gehouden, waarin men mij in verhoor wilde nemen en alles, wat met de Expeditie in verband stond, nauwkeurig onderzoeken. Er werd ook bepaald Hawashi Effendi te hooren en getuigen op te roepen, tot staving der tegen hem ingebrachte beschuldigingen.

Ik was bang dat het slecht zou afloopen met Hawashi Eftendi; want ieder, die met hem in aanraking was geweest, scheen iets tegen hem in te brengen te hebben. Ik hoopte dat de muitelingen hem alleen

-ocr page 192-

JEPHSON,

zouden gevangen zetten en niet ophangen, zooals, naar wij hadden gehoord, hun bedoeling zou zijn, want hij was getrouw geweest aan zijn Gouvernement en had er zijn best voor gedaan; zijn privaat karakter alleen was slecht.

Den volgenden morgen kwam Bachit, een mijner Soedaneesche oppassers, mij zeggen dat de officieren der opstandelingen krijgsraad hielden en hem, Abdoellah en Moorajan, mijn beide andere oppassers, hadden opgeroepen om voor te komen. Ik gaf hun dadelijk last te gaan, maar voorzichtig te zijn in hunne uitdrukkingen en alle vragen, die hun werden gedaan, strikt naar waarheid te beantwoorden, opdat er geen tegenspraak in hunne verklaringen kwam. Binnen een half uur waren zij terug en deden zij mij verslag. Allereerst was hun gevraagd, wie Stanley was en met welke bedoelingen hij uit Egypte was gekomen. Zij hadden geantwoord soldaten te zijn van den Khedive, die vier en zestig hunner aan Stanley had medegegeven tot ontzet van den Moedir en zijn volk. gt;Waar zijn dan uwe uniformen en uitrustingen?quot; hadden de rebellen gevraagd, waarop zij ten antwoord hadden gegeven, dat hun ua'formen reeds lang waren versleten in het woud, in hun streven om de bevelen van den Khedive ten uitvoer en onderstand in ammunitie te brengen aan dezelfde officieren, die hen nu zoo ruw in 't verhoor namen. De rebellen hadden geantwoord: gt;Gij zijt leugenaars en opgeraapt door Stanley, die zelf slechts een gelukzoeker is; gij zijt geen werkelijke soldaten en wij zullen u in de boeien slaan als gij geen waarheid spreektquot;; waarop Abdoellah, een vlugge jonge man, een stap vooruit gedaan, zijn Remington geweer opgenomen en gewezen had op het Egyptische wapen, de halve maan en de ster, waarmede de loop was gemerkt, onder den uitroep: gt;Ziehier het wapen van den Khedive; elk officier, die het belieft, kan mij met het geweer laten exerceeren en ik zal hem toonen of ik een soldaat ben of niet.quot; Daarop had men een proefexercitie met hem gehouden, waarin hij, naar ik hoorde, zoo glansrijk was geslaagd, dat de opgestane officieren mijn oppassers, na nog allerlei vragen te hebben gedaan omtrent Stanley, de Expeditie en mij, weder hadden laten gaan.

Kort daarop werd mijn bediende Binza voorgeroepen en hem gelast mij te berichten, dat men mij wenschte te hooren. Ik zond hem dade-

-ocr page 193-

EMIN PACHA.

lijk terug met de boodschap, dat ik volkomen bereid was te komen, maar niet gewoon was dergelijke boodschappen door mijn bediende te krijgen, en dat ik, als men verkoos mij een officier te zenden om het mij te verzoeken, hem onmiddellijk naar den Raad zou vergezellen. Daarop verscheen Ali Aga Shamroek, een Egyptisch officier, en vroeg mij beleefd mede te gaan.

Op dat oogenblik verkeerde het station in de grootste opschudding; men was begeerig den uitslag van de eerste zitting van den Raad te vernemen en een menigte volks was opgekomen, om de getuigen door de schildwachten over het plein naar de zaal te zien geleiden. Dit was de eerste keer, dat ik sedert mijn gevangenneming buiten kwam; het volk keek mij met nieuwsgierige blikken aan, toen ik over het plein ging, maar was volstrekt niet ruw en onthield zich van beschimping. Ik gevoelde mij eenigszins zenuwachtig als ik er aan dacht, hoe van dit verhoor alles at hing en welk lot ik van de muitende officieren had te wachten. Mijn bediende Binza nam ik als tolk mede.

Toen ik de zaal binnenkwam, stonden de officieren, ongeveer dertig in aantal, van hunne zetels op en begroetten mij bijna eerbiedig. Fadl el Moella en Ali Aga Djabor, dien ik voor den eersten keer zag, traden vooruit en stelden mij, na mij gezegd te hebben, dat zij tot voorzitters van den raad waren gekozen, voor aan de verschillende officieren, waarvan velen mij onbekend waren. Ik zeide toen, dat ik, daar zij hun verlangen te kennen hadden gegeven om mij te zien, hier verschenen was, om te hooren, wat zij mij te zeggen hadden en de vragen te beantwoorden, die zij mij wenschten te stellen. Madat zij hadden gebogen, volgde er een langdurige stilte, zoodat ik tijd vond, om eens rond te zien en de aangezichten van de verschillende officieren van den raad op te nemen.

Een breede, hooge steenen bank liep de geheele zaal rond, waarin hier en daar nette matten waren gespreid, waarop de officieren, bijna allen Soedaneezen, waren gezeten. Het was een stug en zwaar slag van lieden, dierlijk op het oog, met domme en onverschillige gezichten. Hier en daar kon men een kruipend en verraderlijk Egyptenaar ontdekken. Ook zag ik mijn vriend Surore Aga, bekend geworden door het gebeurde te Laboré, die vlak bij de deur achter mij zat en, toen

-ocr page 194-

JEPHSON,

ik een blik op hem wierp, zijn sluwe oogen neersloeg en een anderen kant uitkeek. Hamad Aga en Selim Aga waren er niet bij. Met gekruiste beenen hurkten vier schrijvers op een lange mat op den grond neder, met pen en inkt voor zich, om aan te teekenen wat ik zou verklaren ; 't waren Egyptenaren en Kopten. De drie personen, die mij het meest opvielen, waren de beide voorzitters van den raad en de hooge-priester, Sheik Moorajan.

Fadl el Moella, de aanlegger van den opstand, was een groot en bijzonder zwaarlijvig en gitzwart Soedanees, met een tamelijk scherpzinnig en volstrekt niet ongunstig uiterlijk; voor een Soedanees maakte hij zelfs een zeer goeden indruk. Ali Aga Djabor was een Soedanees van hetzelfde slag; uit hem sprak duidelijk de woesteling, de roover, en de dronkaard.

Sheik Moorajan trok door zijn lang wit kleed, grooten tulband en sneeuwwitten baard het meest van allen de aandacht. Hij was een uit Dongola afkomstig Arabier met joodsche trekken. Zoo dikwijls als ik opkeek, zag ik zijn kleine listige oogen op mij gevestigd, maar nauwelijks ontmoetten zij mijn blik, of hij wendde ze at.

Zoodra alles stil was, begon Fadl el Moella in naam der andere officieren te spreken. Hij ondervroeg mij scherp over het ontstaan en het doel der Expeditie. Ik antwoordde, dat het plan tot een Expeditie was gevormd ten gevolge der belangstelling, die de brieven van den Moedir in Europa hadden gewekt, en dat de Khedive zijn deelneming betoond en Stanley, voor hij naar Zanzibar vertrok, zijn laatste instruc-tiën gegeven had. Ik wees er op dat in de brieven van den Moedir slechts met den hoogsten lof van het volk werd gesproken, en hij alleen in 't belang van dat volk geschreven — en niets voor zichzelven gevraagd had. Daarop deed ik, zoo eenvoudig mogelijk, het verhaal van onzen tocht, en hoe wij eindelijk Emin hadden mogen ontmoeten. Fadl el Moella vroeg, waarom de Khedive, wanneer hij werkelijk de Expeditie had uitgezonden, niet aan een zijner eigen waardigheidsbe-kleeders, een krijgsman of een commandeerend Pacha, het bevel had opgedragen, en waarom wij, als wij uit Egypte kwamen, geen brieven van hunne vrienden en bloedverwanten aldaar bij ons hadden. Ik gal ten antwoord, dat Stanley, beter dan iemand anders, met Afrika bekend

164

-ocr page 195-
-ocr page 196-

I

...... .......

....

. . • .■ 01

. , ., ..... . ■ .....

■ ■

' ■

,-...

......

'

-ocr page 197-

EMIN PACHA.

was en voor den ^eschiksten man werd ofehouden, om het bevel over

O O 7

de Expeditie te voeren; ik ste nde evenwel t je, dat het een verzuim was van onzen kant, dat wij geen brieven van hunne vrienden bij ons hadden.

Daarop staakten de rebellen het verhoor, lluisterder; met elkander en wierpen nu en dan steelsgewijze op mij een blik, die mij zeide, dat ik het onderwerp van hun gesprek was.

Toen begon Fadl el Moella mij te vragen over den weg en op welke manier zij hunne kinderen en goederen konden laten overbrengen, ingeval zij het land ontruimden. Ook vroeg hij mij langs welken weg wij ons voorstelden te gaan, ot zij dan in de gelegenheid zouden zijn om voedsel te bekomen en ol er werkelijk wel een weg bestond, waarlangs men, over Zanzibar, Egypte kon bereiken. Ik beantwoordde al deze vragen zoo goed mogelijk, haalde de brieven van den Khedive en Noebar Pacha voor den daor en overhandigde die aan den eersten

O O

schrijver, met verzoek de stukken voor te lezen, opdat de lieden tot de overtuiging mochten komen, dat noch Effendina (de Khedive) noch hun Gouverneur hen begeerden te dwingen om het land te verlaten, als zij er de voorkeur aan mochten geven te blijven waar zij waren.

Daarop lazen de schrijvers de stukken voor, bekeken de handteekenin-gen nauwlettend en verklaarden die handteekeningen gaarne te willen vergelijken met die van den Khedive op hunne aanstellingen tot officier. Nadat ik gezegd had, dat zij zulks gerust mochten doen, gingen verschillende officieren hun aanstellingen halen.

In afwachting van hun terugkomst, begon Fadl el Moella te spreken over Hawashi Effendi en te vertellen hoe gehaat hij was bij al het volk, omdat hij vrouwen geroofd, runderen, schapen en graan weggenomen en in 't algemeen veel misbruik van zijn macht gemaakt had. Hij zeide dat de Moedir Hawashi, in alles wat hij deed, de hand boven het hoofd gehouden en met hem gekuipt had, waarover zij zeer op hem gebeten waren. Daarop vroeg hij, waarom de Moedir niet in Rejaf was ofeweest en waarom hij bevel had eegfeven tot ontruiminof van het

o J o o

station Moeggi, terwijl hij eindigde met te zeggen, dat Emin met Hawashi Effendi had afgesproken al de ammunitie te vervoeren en hen hulpeloos en zonder verdedigingsmiddelen in het land achter te laten, overgeleverd aan de crenade der inboorlingfen.

O O

2'J

167

-ocr page 198-

IÖ8 JEPHSON.

Ik beantwoordde al deze vragen en aantijgingen zoo goed mogelijk, maar ik zag wel dat ik geen geloof vond, daar de officieren mij aanhoudend met allerlei vragen in de rede vielen en steeds, zoolang ik sprak, uitriepen niets van mijn gezegden te kunnen aannemen.

Toen de officieren met hun aanstellingen terug waren, werden de onderteekeningen vergeleken met de handteekening van den Khedive onder het manifest, dat wij hadden medegebracht. Ongelukkig had dit stuk geleden van vochtigheid op onzen tocht door het woud en was de handteekening bijna verdwenen.

De stukken gingen van hand tot hand onder de schrijvers rond om te worden vergeleken; deze schenen niet in staat tot een beslissing te komen, want er werd verbazend over geredeneerd. Ten laatste wierp een der schrijvers mij het manliest voor de voeten onder den uitroep gt;'tls een schurkenstreek; gij en uw meester zijn bedriegers.quot; Had ik mijn eerste aandrift opgevolgd, ik had hem tegen den grond geworpen, maar met inspanning van alle krachten bedwong ik mij. De officieren moeten aan het een of ander op mijn gelaat hebben kunnen zien, hoe moeilijk het mij viel mijn toorn meester te blijven, want zij sleepten den schrijver weg en legden hem het zwijgen op.

Te midden van de groote opgewondenheid, die nu uitbrak, werd besloten sterk bemande stoombooten naar Stanley te zenden, die, zooals ik nu gewaar werd, te N'sabé aan het zuidelijk uiteinde van het meer was aangekomen.

Ik gaf te kennen, dat het volstrekt geen pas gat naar Stanley te gaan, zonder den Moedir of mij mede te nemen; hij zou immers dadelijk vragen: «Waar is uw Moedir? waar is mijn officier ?quot; begrijpen wat er was voorgevallen en hoogstwaarschijnlijk op hen laten schieten. Ik sloeg derhalve voor den Moedir en mij mede te laten gaan, allen te gelijk voor Stanley te verschijnen en de zaken in zijn kamp te bespreken.

Dit weigerden zij kortaf, met de verklaring dat hun Moedir zijn gevangenis te Dufflé niet mocht verlaten. Toen ik het nuttelooze inzag, om dit plan ingang te doen vinden, drong ik er op aan, dat zij mij medenamen. Ook dat weigerden zij; zij beweerden Stanley te zullen zeggen, dat wij hier bezigheden hadden en hem te willen vragen met hen

-ocr page 199-

EMIN PACIIA.

herwaarts te komen, om den Moedir en mij een bezoek te brengen. Hoewel ik de opmerking maakte dat zij den man niet kenden, met wien zij zich voorstelden het een en ander te bespreken en dat hij den sluier, dien zij over hun komplot wilden werpen, daghelder zou doorzien, zoodat hij dan ook wel weten zou wat hem te doen stond, bleven zij bij hun weigering om mij te laten vertrekken. Daarop gispte ik sterk de wijze waarop zij bezig waren een gast te behandelen, en verklaarde dat zij deden als de wilden. Terwijl ik alleen gekomen was om hulp te brengen, hadden zij mij, bij mijn komst in het land, wel met buigingen en vleiende woorden ontvangen, maar toch tegen mij samengespannen, was mijn leven in Labore bedreigd, werd ik hier gevangen gezet en gehoond en weigerden zij thans mij naar mijn eigen landslieden te laten gaan. „Komt mijquot;, zoo riep ik uit, „niet weder aan boord met uw strijkages en beleefdheidsbetuigingen, reikt mij nimmer weder de hand, want ik weet dat gij in uwe harten allerlei verraad opkropt jegens uw gast, die gekomen is om u te helpen. Gij zijt wilden, maar geen soldaten!quot; Na dezen uitval ontstond er een vervaarlijk geschreeuw door elkander; sommigen laakten mij om de vinnigheid van mijne woorden, vooral Ali Aga Djabor, anderen noemden ze schandelijk. Maar ik had in elk geval de juiste snaar aangeroerd, toen ik hun verweet dat zij hadden gehandeld in strijd met de duidelijke regelen der Mahome-daansche gastvrijheid; nooit zou ik iets hebben kunnen zeggen, dat hun harder viel om te hooren. Zelfs bij deze menschen, deze negers, heerscht nog een soort van ruwe ridderlijkheid. Ik heb dat niet alleen hier opgemerkt, maar ook dikwijls bij onze Zanzibarieten. „Ridderlijkheid in den neger!quot; hoor ik mij op een toon van minachting tegemoet voeren ; maar ik antwoord: „Ja, een neger heelt evengoed zijn ridderlijk gevoel als een Europeaanquot;. Dat gevoel moge bij hem niet in denzelfden vorm zijn gegoten als bij ons, maar toch is het ridderlijkheid van den waren aard. Als men slechts de goede snaar weet te treffen, het juiste accoord weet aan te slaan, komt er een melodie voor den dag, even zuiver van toon als bij den Europeaan.

Daar klonk hoog boven het rumoer de stem van Fadl el Moella: „Bij Allah! hij heeft de waarheid gesproken, hij zal naar zijn volk ! Als voorzitter van den Raad zweer ik het !quot;

-ocr page 200-

JEPHSON,

Op eene enkele uitzondering na vielen allen hem bij, zoodat er werd besloten dat over drie dagen de stoomboot vertrekken en ik mede gaan zou. Dat was juist wat ik noodig had; voor die ver gunning had ik mijn uiterste best gedaan en na Fadl el Moella de hand gfedrukt en voor de overigre officieren g-ebogen te hebben, verliet

O O O O

ik de zaal. Ik had dien dag erg de koorts; gedurende de drie uren, waarin ik met de muitelingen in de stikkend heete zaal had moeten spreken, draaide alles met mij in het rond en was ik verschillende keeren bijna in elkaar gezakt. Thuis gekomen, wierp ik mij van uitputting op de canapé en kwam Emin bij mij, om den uitslag te vernemen.

Hij had nauwelijks durven hopen, dat het hem vergund zou zijn Dufflé te verlaten, maar was zeer in zijn schik, dat ik de muitelingen had weten te bewegen, er mij verlof toe te geven. Wij bespraken tot welke plannen wij Stanley, als wij bij hem waren, zouden zien te bewegen, maar wij twijfelden, of hij zich sterk genoeg zou rekenen om zich van de stoomboot meester te maken en er mede naar Dufflé ter ig te keeren, om Emin te ontzetten.

Er liepen vele geruchten in de stations over de plannen, die de opstandelingen in hun schild zouden voeren, waarvan enkelen zoo smadelijk waren, dat men er nauwelijks geloof aan durfde slaan. Emin ontving van de muitende officieren een stuk, waarin zij, tot herstel van het vertrouwen onder de bevolking, de wenschelijkheid uitspraken, dat hij de gedegradeerde en ontslagen officieren en ambtenaren in hunne rangen en posten herstelde.

Deze lieden waren veroordeeld door een krijgsraad, samengesteld uit de officieren zeiven, zoodat het meer dan vreemd mocht schijnen, dat zij de vonnissen, door henzelven geslagen, wenschten te vernietigen. Maar voor den drang der omstandigheden zwichtend, teekende Emin.

Velen van deze lieden waren voor afschuwelijke euveldaden veroordeeld, bij voorbeeld voor het slaan van een hooger geplaatst officier of voor diefstal; zelfs was het geval voorgekomen, dat een soldaat moedwillig op zijn kapitein, Soeleiman Aga, geschoten en hem verwond had. Nu zou men hebben mogen verwachten, dat de vrijlating van deze mannen, wier misdaden bijna zonder uitzondering bestonden in vergrijpen jegens hun officieren, hun invloed over de soldaten zou ver

17°

-ocr page 201-

EMIN PACHA.

zwakken, maar ik geloof, dat zij er anders over dachten. Zij trachtten daardoor de volksgunst te winnen.

Als de Ieren waren zij «tegen het Gouvernement,quot; onverschillig wat het aan de unie stelde.

De muitelingen verzochten Emin verder een besluit te teekenen tot wijziging van het bestuur der Provincie; ook daaraan hechtte hij zijn zegel. Er was door de muitelingen bepaald, dat er niets zou gebeuren voor hun zending bij Stanley was afgeloopen, en dat, zoo 't bericht van zijn aankomst onjuist mocht zijn, daartoe aangewezen olficieren en beambten van de verschillende stations in het zuiden per stoomboot moesten worden afgehaald, ter bijwoning van den grooten raad die te Dufflé zitting zou houden. De opstandelingen hadden mij gezegd, dat de stoomboot den 4d''quot; September zou vertrekken, maar in den avond van den 2den hoorde ik van mijn bediende, dat er aanstalten werden gemaakt, om reeds den volgenden morgen van wal te steken. Ik zond hem daarom naar de boot, om den kapitein te vragen, hoe zijn orders luidden. Daar deze antwoordde last te hebben ontvangen, om den volgenden morgen vroegtijdig naar Wadelaï te vertrekken, zond ik dadelijk FadI el Moella de boodschap dat ik hem wilde spreken. Hij liet door twee zijner adjudanten mij zeer beleefd weten, dat het hem aangenaam zou zijn mij bij zich te zien, zoodat ik mij door hen vergezeld, naar zijn verblijf begaf. Hij bood mij cigaretten en koffie aan, waarvan ik gebruik maakte, terwijl wij eenigen tijd over onverschillige dingen, zooals over het reizen en de gewoonten in Afrika, zaten te praten. Eindelijk vroeg ik hern, hoe het kwam, dat hij, na mij beloofd te hebben dat ik met de stoomboot naar Stanley zou gaan, haar een dag eerder dan hij had gezegd, liet vertrekken, zonder er mij met een enkel woord kennis van te geven. Ik voegde er bij, dat het bleek, dat hij zijn woord niet gestand deed, — zijn woord, dat ik meer rekende dan hij zelf; was ik, na de besliste manier, waarop hij zich voor den Raad had uitgelaten, heen gegaan met een gevoel, dat ik hem kon vertrouwen, nu moest ik ondervinden, dat hij plan had mij te bedriegen.

Hij antwoordde, dat het volkomen waar was, dat hij mij bedroog; hij voegde er bij dat den vorigen avond Ali Aga Djabor, Moestapha Eftendi Mahmoud en eenige anderen bij hem waren gekomen en er op

-ocr page 202-

JEPHSON.

aangedrongen hadden, om mij het vertrekken te beletten, daar zij geraakt waren over de wijze waarop ik hen in de zitting had gekapitteld. Hoewel ongaarne, had hij toegegeven en beloofd de stoomboot, zonder er mij iets van te zeggen, te laten vertrekken. Nu zeide hij mij, dat zij den volgenden dag alvoer, en daar hij mij op zijn woord van eer had beloofd, dat ik zou gaan, wilde hij zijn best doen, dat ik werkelijk ging, ondanks de oppositie van enkele officieren. Na hem bedankt te hebben, verliet ik hem.

In ons verblijf teruggekeerd, deekle ik Emin mijn pas gehouden gesprek mede en begon dadelijk mijn goed voor den volgenden morgen bij elkander te zoeken, want ik gevoelde de/.e lieden niet te kunnen vertrouwen en achter te zullen worden gelaten als ik, zelfs nu, niet ter dege oppaste. Emin gaf mij sommige dingen te leen, waarvan ik, naar hij dacht, nut zou kunnen hebben,; ik moet zeggen, in dat opzicht waren zijn vriendelijkheid en mildheid onuitputtelijk. Nooit scheen hij het geven moede te worden.

Het denkbeeld van alleen achter te blijven scheen hem zeer te drukken, want ik was voor hem een soort van voorvechter terenover

O

de opstandelingen; hij verbeeldde zich, dat zij, wanneer ik, een vreemdeling, bij hem was, minder licht tot uitersten zouden overslaan.

Maar ik wist, dat ik, door te gaan, het meest in zijn belang handelde en beter in staat zou zijn hem uit zijne moeielijkheden te helpen. Hij droeg mij allerlei boodschappen in Wadelai op: ook moest ik zijn verzamelingen en al zijn dagboeken medenemen en aan Stanley overhandigen, in geval hem gedurende mijn afwezigheid iets overkwam. Ook moest ik mijn best doen brieven te bezorgen aan zekere personen, die hij als vertrouwbaar meende te mogen beschouwen. Hij verzocht mij daarin hoogst voorzichtig en bedachtzaam te zijn, want als de in opstand gekomen officieren iets merkten, zouden de bewuste personen en ik hoogstwaarschijnlijk op staanden voet in de gevangenis worden geworpen. Hij gaf mij eenige bevelen mede aan zijn dienstpersoneel in Wadelai en bezwoer mij, mijn uiterste best te doen, om hem door een vertrouwbaar tusschenpersoon bericht te zenden.

Den 3dtn September was ik in de vroegte opgestaan, maakte mijn pakkage gereed en zond aan Achmet Aga Dinkave, die het bevel over

-ocr page 203-

EMIN PACHA.

de militairen aan boord van de stoomboot zou voeren, een boodschap, om hem volk te vragen, om mijn goederen in de boot te brengen. Hij zond mijn bediende heen en had de onbeschaamdheid tegen hem te zeggen, dat, eerst als de bagage van de officieren aan boord was, de mijne zou volgen. Vreezende dat er een nieuwe poging zou worden gedaan om mij achter te laten, gelastte ik de oppassers van Emin en mij al mijn goed te gelijk op de stoomboot te brengen, in een van de hutten te bergen en mij er den sleutel van te geven.

Daarna zocht ik Fadl el Moella op, om hem te verzoeken, zorg te willen dragen, dat den Gouverneur, tijdens mijn afwezigheid, geen leed geschiedde. Ik voegde er bij, dat geweld, eenmaal uitgebroken, niet te keeren zou zijn, hem althans boven de macht kon gaan. Hij gaf mij de verzekering, dat de Gouverneur niets had te duchten, maar alles zou blijven gelijk het was, tot de officieren van de zuidelijke stations te Dufflé waren aangekomen. Onder ons gesprek kwam Ali Aga Djabor binnen ; op nieuw trachtte hij Fadl el Moella over te halen mijn vertrek te beletten, maar deze zeide, dat hij zijn woord aan mij had gegeven en dat gestand zoude doen.

Ik vond het treurig van Emin afscheid te moeten nemen, want men wist niet wat er kon gebeuren; misschien zou ik hem nooit terug zien. Hij vatte mijn hand en wenschte mij Gods zegen toe. Ik drukte op mijn beurt hem de hand haast ineen, want ik kon, alsof mij iets voor de keel zat, geen woord uitbrengen.

Toen ik bij de stoomboot kwam, zag ik dat de in opstand gekomen officieren nog niet aanwezig waren; evenwel ging ik op het dek zitten, om hun te toonen, dat ik vast besloten was te gaan, of het hun beviel of niet.

Na verloop van een half uur kwamen de officieren aan en liep bijna het geheele station ledig, om ons te zien vertrekken. Ik trad op Fadl el Moella toe, om hem te zeggen, dat ik onze stalen boot ^de Advancequot;, die ik bij mij had, mede moest hebben naar Stanley.

Al de olficieren kwamen daar tegen op en zeiden dat het overbodig was de boot mede te nemen, daar ik toch in Dufflé terugkwam; maar ik bleef er op aandringen, en ging zelf de noodige bevelen geven aan de bemanning om haar van stapel te laten loopen en er de riemen

173

-ocr page 204-

JEPHSON,

en roeiklampen in te zetten. Fadl el Moella zeide, dat hij haar alleen mede wilde laten gaan, wanneer ik hem beloofde, dat ik in elk geval, of Stanley al dan niet bij het meer was, naar Dufflé zou terug keeren. Dat beloofde ik hem terstond.

Hoewel ik slechts veertien dagen in gevangenschap had doorgebracht, was het toch heerlijk weder builen te verkeeren ; 't was alsoi de rivier tegen mij glimlachte; het gras was zoo groen en het gebergte in de verte zoo schoon !

Kr bevonden zich acht in opstand gekomen officieren en een groot aantal soldaten aan boord. Het gedrang en de verwarring op het dek was vreeselijk.

De officieren hadden er hunne rustbedden staan en lagen er den geheelen dag op ; er was geen ruimte om te staan, zoodat alle soldaten en bedienden zich op het achterdek moesten ophoopen, om beschutting te zoeken voor de zon. Steeds werd er om ons heen trerookt of gebeten,

O O O '

gespogen en gebraakt. Het was mij natuurlijk onmogelijk iets te gebruiken. Men kan zich niet voorstellen, hoe walglijk het was zoo dicht op al die menschen te moeten verkeeren, te meer, daar de reuk van 't eten. met slechte boter toebereid, de hitte der machines en het verblijf onder een brandende zon, alleen met een laag, gebogen, ijzeren dak boven het hoofd, samenwerkten om ons verblijf stikkend en onuitstaanbaar te maken. De officieren vroegen mij wel mede aan te schikken, maar ik bedankte met een vriendelijk lachje.

De meesten praatten veel me: mijn bediende Binza, naar hij mij zeide, alleen met de bedoeling om hem uit te hooren, of hij werkelijk uit Egypte kwam.

Als een gevolg van de verschrikkelijke hitte aan boord van de stoomboot. kreeg ik i.atuurlijk een aanval van koorts, en tegen den avond verzocht ik de officieren een plaats in te ruimen voor mijn rustbed. Maar te 9 uur stak er een geweldige donderbui op, zoodat ik tot op de huid nat werd en tot aan den morgen lag te rillen. Toen het begon te regenen, waren de bedienden en soldaten samengestroomd naar het achterdek, om beschutting te zoeken onder het ijzeren dak ; maar de regen sloeg dwars over het schip heen, zoodat enkelen onder mijn rustbed kropen en hun best deden mijn muskietenscherm naar beneden te trek-

i74

-ocr page 205-

EMIN PACHA.

ken, 't welk mijn onaangenaam gevoel nog verhoogde. Het eind van alles werd, dat ik zulk een vreeselijke koorts kreeg, dat ik bij aankomst te Wadelaï bijna niet staan kon.

De weinigen, die aan den waterkant de stoomboot stonden op te wachten, schenen zeer verbaasd, toen zij zagen, wie zich op de boot bevond; zij hadden wel gehoord, dat er te Dufflé iets te doen was, maar wisten eigenlijk niet, of het veel had te beteekenen.

Dadelijk ging ik naar het huis van den Pacha om daarin mijn intrek te nemen; vele welgezinde lieden kwamen mij bezoeken en vroegen wat er aan de hand was. Signor Marco en den magazijnmeester, een Christen, trof onze mededeeling zeer; de tranen rolden hun over de wangen, toen ik het verhaal deed van hetgeen wij hadden ondervonden. Zij zeiden niets naders van de komst van Stanley te hebben gehoord, en helden over tot de meening, dat het gerucht valsch was geweest. Natuurlijk was dit voor mij een bittere teleurstelling.

De arme kleine Farida kwam mij opzoeken met haar verzorgster en wilde weten, waarom ik haar »Babaquot; niet had medegebracht; zij voelde blijkbaar, dat er iets niet was, zooals het behoorde, al kon zij het rechte niet vatten

Onmiddellijk nadat de weinige menschen, die mij kwamen opzoeken, weder vertrokken waren, ging ik naar bed, want ik gevoelde mij vree-selijk ziek en onpasselijk. Den volgenden morgen bevond ik, bij het opstaan, mij nog tamelijk ellendig; maar ik had voor Emin zooveel te doen, dat het verkeerd zou zijn geweest, er aan toe te geven. Ik ontmoette vele personen, en gaf aan enkelen hunner brieven van Emin over Ik pakte de verzamelingen en dagboeken in, om deze te kunnen medenemen naar Stanley, en sprak met Emin's bedienden, die allen voor mij verschenen, om mij de verzekering te geven van hunne gehechtheid aan hun meester. Met Signor Marco, die eveneens verscheen, behandelde ik verschillende onderwerpen en trof ik de noodige schikkingen, zooals Emin mij had verzocht. Hij deelde mij mede, dat de in opstand gekomen officieren met die van Wadelaï waren vergaderd, doch zitting hielden met gesloten deuren, en hij tot dusver nog niets daaromtrent had kunnen gewaar worden. Ook deed hij mij de verrassende mededeeling, dat een inboorlinge in de vorige week van vijf kin-

175

-ocr page 206-

JEPHSON,

deren, drie jongens en twee meisjes, was bevallen. Hen van de jongens was gestorven, maar de overigen waren, evenals de moeder, welvarend. De kinderen waren klein, maar in alle opzichten welgeschapen; de vader was niet groot en gemeen van uiterlijk; hij werd vier jaren geleden, in den oorlog tegen de Mahdisten, bij Rimo zwaar verwond. Ik vereerde de moeder tien dollars.

Des namiddags kwamen de oproerlingen inspectie houden in de pakhuizen en het kruitmagazijn. Ik hoorde, dat zij voornemens waren op hun terugreis de helft van de ammunitie mede te nemen naar Dufflé en die plaats in te richten tot het hoofdkwartier van de Provincie.

Des avonds vernam ik. dat er dien dag een langdurige vergadering was gehouden door de officieren van Fabbo, VVadelai en Dufflé. lir was in besloten de ammunitie in tweeën te verdeden, zoodat de helft gereed werd gezet om te worden overgebracht. De soldaten waren daarmede alles behalve ingenomen.

Den volgenden morgen ontdekte ik dat er schildwachten voor mijn huis stonden en niemand, buiten mijn bediende en oppassers, mocht binnengaan. Zelfs Marco werd het verboden mij een bezoek te brengen! Ik maakte uit het een en ander op, dat de opgestane officieren, ziende dat het volk te Wadelai hun niet bijzonder vriendschappelijk gezind was, bang begonnen te worden, dat ik er mede zou samenspannen tegen de partij te Dufflé. Zoo was ik dan voor de tweede keer een gevangen man 1

Den volgenden dag zond Marco mij door een mijner oppassers een briefje, waarin hij meldde, dat de in opstand gekomen officieren, minder slaghoedjes in het magazijn vindende, dan zij zich hadden voorgesteld, van plan waren het verblijf van den Pacha te doorzoeken, evenals de huizen, waarin, volgens hun overtuiging, ammunitie verborgen moest zijn. Als dat gebeurde, zou een algemeene plundering het gevolg worden. Er heerschte groote ontevredenheid en veel gemor onder de soldaten over de willekeurige wijze, waarop de officieren te Dufflé handelden-, maar ik oordeelde, dat zulks niet veel had te beduiden, omdat zij veel hadden van een kudde schapen en altijd eindigden met te doen, wat de officieren hun gelastten.

Daar Kodi Aga, de commandant van het station, mij geen welkom-bezoek had gebracht liet ik hem driemaal roepen; maar telkens scheep-

-ocr page 207-

EMIN PACHA.

te hij mijn bediende af. Emin stelde een onbeperkt vertrouwen op hem en ik zelf had hem ook voor een goed soort van een man gehouden; ik wist dus niet, wat ik van hem denken moest, maar schreef zijn verzuim, om mij op te zoeken, toe aan het feit, dat de rebellen hem hadden verboden mijn verblijf binnen te gaan.

Ons langdurig oponthoud was zeer onaangenaam; bet volk scheen leeg te loopen, in plaats van hout in te zamelen voor de stoomboot, terwijl ik haakte naar een bevestiging, dat het gerucht van Stanley's aankomst werkelijk waar was geweest. Ook schenen de in opstand zijnde officieren volstrekt geen haast te hebben om te komen; ik vermoed, dat zij het station niet wilden verlaten, voor zij de bewoners naar hunne zfjde hadden overgehaald. Aanhoudend waren er op het station oneenigheden en twisten tusschen de officieren en de soldaten, die allen het bewijs begonnen te leveren, dat men hier minder sterk voor den opstand was dan men te Dufflé oordeelde. De bevolking waarover Emin had geregeerd, maakte een ellendig slag van menschen uit; het was mij een gruwel er onder te moeten verkeeren. Geen atmosfeer is zoo drukkend als een atmosfeer van verraad. Hoe wanhopig is het gevoel, als men iemand de hand moet reiken, van wien men niet zeker is hem te kunnen vertrouwen: als ieder woord en iedere handeling worden bedild en verkeerd uitgelegd door hen, voor wier welzijn alleen men denkt en werkt! Met geheele verhaal van 't verlies van Soedan hangt aan elkander van verraad. Nu was ik in staat beter te begrijpen wat Gordon moet hebben gevoeld, toen hij, na zijn leven op het spel te hebben gezet voor het volk, voor welks vrijheid hij zoo lang had gewerkt en gestreden, alleen teleurstelling ondervond en alle handelingen en alle pogingen, in 't belang van dat volk ondernomen, tot zijn eigen schade uitliepen, zonder begrepen te zijn. Wat moet Emin niet hebben gevoeld, toen hij in Duffié was opgesloten, met halve wilden om zich heen, die op niets anders zinden dan het uitdenken, welke nieuwe beleedigingen zij hem aandoen en welke nieuwe gunsten zij hem afdwingen konden? Nacht op nacht dezelfde dronkenmans-tooneelen in het verblijf der rebellen; ja, geen nacht ging voorbij, waarin zij zich bewust waren, in hun staat van dronkenschap en razernij, geen daad van geweld te plegen, waardoor het geheele station in vol-

177

-ocr page 208-

JEPHSON,

deren, drie jongens en twee meisjes, was bevallen. Een van de jongens was gestorven, maar de overigen waren, evenals de moeder, welvarend. De kinderen waren klein, maar in alle opzichten welgeschapen; de vader was niet groot en gemeen van uiterlijk; hij werd vier jaren geleden, in den oorlog tegen de Mahdisten, bij Rimo zwaar verwond. Ik vereerde de moeder tien dollars.

Des namiddags kwamen de oproerlingen inspectie houden in de pakhuizen en het kruitmagazijn. Ik hoorde, dat zij voornemens waren op hun terugreis de helft van de ammunitie mede te nemen naar Dufflé en die plaats in te richten tot het hoofdkwartier van de Provincie.

Des avonds vernam ik. dat er dien dag een langdurige vergadering was gehouden door de officieren van Fabbo, VVadelai en Dufflé. lir was in besloten de ammunitie in tweeën te verdeden, zoodat de helft gereed werd gezet om te worden overgebracht. De soldaten waren daarmede alles behalve ingenomen.

Den volgenden morgen ontdekte ik dat er schildwachten voor mijn huis stonden en niemand, buiten mijn bediende en oppassers, mocht binnengaan. Zelfs Marco werd het verboden mij een bezoek te brengen! Ik maakte uit het een en ander op, dat de opgestane officieren, ziende dat het volk te Wadelai hun niet bijzonder vriendschappelijk gezind was, bang begonnen te worden, dat ik er mede zou samenspannen tegen de partij te Dufflé. Zoo was ik dan voor de tweede keer een gevangen man!

Den volgenden dag zond Marco mij door een mijner oppassers een brieije, waarin hij meldde, dat de in opstand gekomen officieren, minder slaghoedjes in het magazijn vindende, dan zij zich hadden voorgesteld, van plan waren het verblijf van den Pacha te doorzoeken, evenals de huizen, waarin, volgens hun overtuiging, ammunitie verborgen moest zijn. Als dat gebeurde, zou een algemeene plundering het gevolg worden. Er heerschte groote ontevredenheid en veel gemor onder de soldaten over de willekeurige wijze, waarop de officieren te Duiflé handelden; maar ik oordeelde, dat zulks niet veel had te beduiden, omdat zij veel hadden van een kudde schapen en altijd eindigden met te doen, wat de officieren hun gelastten.

Daar Kodi Aga, de commandant van het station, mij geen welkom-bezoek had gebracht liet ik hem driemaal roepen; maar telkens scheep-

176

-ocr page 209-

EM1N PACHA.

te hij mijn bediende af. Emin stelde een onbeperkt vertrouwen op hem en ik zelf had hem ook voor een goed soort van een man gehouden; ik wist dus niet, wat ik van hem denken moest, maar schreef zijn verzuim, om mij op te zoeken, toe aan het feit, dat de rebellen hem hadden verboden mijn verblijf binnen te gaan.

Ons langdurig oponthoud was zeer onaangenaam ; het volk scheen leeg te loopen, in plaats van hout in te zamelen voor de stoomboot, terwijl ik haakte naar een bevestiging, dat het gerucht van Stanley's aankomst werkelijk waar was geweest. Ook schenen de in opstand zijnde officieren volstrekt geen haast te hebben om te komen; ik vermoed, dat zij het station niet wilden verlaten, voor zij de bewoners naar hunne ztjde hadden overgehaald. Aanhoudend waren er op het station oneenigheden en twisten tusschen de officieren en de soldaten, die allen het bewijs begonnen te leveren, dat men hier minder sterk voor den opstand was dan men te Dufflé oordeelde. De bevolking waarover Emin had geregeerd, maakte een ellendig slag van menschen uit; het was mij een gruwel er onder te moeten verkeeren. Geen atmosfeer is zoo drukkend als een atmosfeer van verraad. Hoe wanhopig is het gevoel, als men iemand de hand moet reiken, van wien men niet zeker is hem te kunnen vertrouwen : als ieder woord en iedere handeling worden bedild en verkeerd uitgelegd door hen, voor wier welzijn alleen men denkt en werkt! Het geheele verhaal van 't verlies van Soedan hangt aan elkander van verraad. Nu was ik in staat beter te begrijpen wat Gordon moet hebben gevoeld, toen hij, na zijn leven op het spel te hebben gezet voor het volk, voor welks vrijheid hij zoo lang had gewerkt en gestreden, alleen teleurstelling ondervond en alle handelingen en alle pogingen, in 't belang van dat volk ondernomen, tot zijn eigen schade uitliepen, zonder begrepen te zijn. Wat moet Emin niet hebben gevoeld, toen hij in Dufllé was opgesloten, met halve wilden om zich heen, die op niets anders zinden dan het uitdenken, welke nieuwe beleedigingen zij hem aandoen en welke nieuwe gunsten zij hem afdwingen konden? Nacht op nacht dezelfde dronkenmans-tooneelen in het verblijf der rebellen; ja, geen nacht ging voorbij, waarin zij zich bewust waren, in hun staat van dronkenschap en razernij, geen daad van geweld te plegen, waardoor .het geheele station in vol-

177

-ocr page 210-

JEPHSON.

slagen oproer geraken en een bloedbad volgen kon. Evenals Gordon, had ook de arme Emin van vele dingen ten behoeve van zijn volk afstand gedaan, zoodat ik ijsde bij de gedachte, dat hij alleen in Dufflé was achtergebleven.

Zijn zulke menschen niet in staat, om hunne noodelooze opofferingen te matigen ? Is niet alle arbeid, door hen in Soedan verricht met volkomen mislukking bekroond? Alles is te niet gegaan door verraad. Onwetendheid, trots, zelfs wreedheid kunnen worden uitgeroeid, maar verraad nimmer; verraad is een volk aangeboren en moet zich openbaren, want beschaving is niet in staat om het te verdelgen.

178

-ocr page 211-

HOOFDSTUK VIII

ONZE STOOM BOOTREIS MET OPSTANDELINGEN AAN BOORD.

Afval v:m Kodi Aga. — Zandbanken. — Aankomst te Toengoeroe. — De aankomst van Stanley wordt tegengesproken. — Grieven van Casati. — Abdoellah Vaab Effendi. — Casati's lotgevallen in de Provincie. — Redenen, waarom hij naar Afrika was gegaan. — Zijn behandeling door Kabba Rcga. —■ Soeleitnan Aga door zijn soldaten mishandeld. — Het huis van Vita geplunderd. — De ongeregelde troepen van Emin Pacha. — Vertrek van de stoomboot naar M'swa. -— Vriendschapsbetuigingen van Muzelmannen. — Invloed van de Egyptenaren op de Soedaneezen. — Boodschap van Shoekri Aga. — Shoekri Aga's geslepenheid. — De rebellen maken zich meester van ammunitie. — Van Toengoeroe naar Wadelaï. — Dronken officieren steken hun kamers in biand. — Ontbijt met Afrikaansche lekkernijen. — Farida on het halssnoer. — Reis per stoomboot naar Dufflé. — Emin's rechters. — Aankomst te Dufflé. — Treurig lot van den schrijver te Kirri.

Voor ik Wadelaï verliet, schreef ik Emin een brief, om hem van alles, wat er was voorgevallen, op de hoogte te brengen. Ik stelde dien brief ter hand aan Signor Marco, die mij beloofde hem door een tolk van den stam Loer te zullen laten bezorgen.

-ocr page 212-

Jeitison,

Toen wij, na een vei blijf van vier dagen, Wadelaï verlieten, bemerkte ik, dat Kodi Aga, de commandant van het station, medeging. Dit speet mij zeer, want daaruit bleek duidelijk, dat hij de partij der opstandelingen had omhelsd; het viel mij op, dat hij, als ik hem aankeek, vermeed mijn blik te ontmoeten. Een slecht voorteeken voor Emin, die onvoorwaardelijk op Kodi Aga had vertrouwd! Op een afstand van drie of vier uren van Wadelaï liep een zandbank dwars door de rivier, zoodat daar ter plaatse, bij lagen waterstand, op den Nijl niet veel vaarwater is. Wij raakten dan ook vast en daar de stoomboot zwaar geladen was, moest al het volk aan land worden gezet en was het noodig de lading te verminderen door een gedeelte van het hout te lossen. Eerst om vijf uur waren wij in staat over de zandbank heen te stoomen.

Op de zandbanken in de rivier lagen krokodillen van allerlei grootte; van pas geboren jongen at tot forsche dieren van bijna 7 M. toe. Deze beesten hebben een walgelijk voorkomen. Wegens het oponthoud bij de zandbank, konden wij dien dag Toengoeroe niet bereiken en moesten wij tegenover die bank blijven liggen, zoodra het duister werd. Zulk een gedwongen oponthoud op de rivier was in elk geval onaangenaam, want wij waren in het natte seizoen en des nachts vooral regende het geweldig; ook vlogen de muskieten bij zwermen rond.

Den volgenden morgen was het regenachtig en vinnig koud, want de rivier wordt, ter plaatse waar zij het meer verlaat, verbazend breed, terwijl een koude wind over het water joeg en ons deed rillen over het geheele lichaam.

Hier zag ik voor het eerst giraffen, die in groote kudden nabij den rivieroever graasden. In de verte waren het de vreemdsoortigste dieren, die ik ooit had gezien. Zij zetten bij het grazen op een eigenaardige manier de voorpooten ver uit elkander, om in staat te zijn het gras of hetgeen zij van den grond willen opnemen te bereiken; want hoe lang hun halzen ook mogen zijn, staan de dieren zoo hoog op de schoften, dat hun neus, als zij hun natuurlijken stand behouden, onmogelijk aan den grond kan komen. Zij maakten, bij het naderen van de stoomboot, allen dat zij weg kwamen, op een min of meer slingerenden draf, 't geen een kluchtig gezicht opleverde.

Bij onze aankomst te Toengoeroe vonden wij daar de kleine stoom-

i8o

-ocr page 213-

EMIN PACHA.

i8i

boot Nyanza en Soeleiman Aga, die ons op den oever opwachtte. Hij had blijkbaar gedronken; want, na mij de hand gedrukt te hebben, trachtte hij mij te omhelzen; het gelukte mij evenwel van die beproeving vrij te komen.

De soldaten stonden allen in het gelid geschaard en salueerden mij toen ik hen voorbijging, terwijl een menigte menschen mij kwamen

begroeten. Toen ik bij kapitein Casati's woning was aangekomen, heette hij mij welkom met echt zuidelijke hartelijkheid en vroeg onmiddellijk welk nieuws wij medebrachten. Wel hadden er geruchten geloopen dat er in het noorden ongeregeldheden waren uitgebroken, maar hij wist nog niet, waarin deze eigenlijk bestonden. Hij was droevig te moede, toen ik hem alles, wat er was voorgevallen, had verteld en hem een

fl

li ï r! i , 1 j ,

I II

mh

-ocr page 214-

JEPHRON.

brief overhandigde van den apotheker Vita Hassan, dien deze mij had medegegeven. Tijdens de afwezigheid van Vita had Casati voor hem toezicht gehouden op zijn huis en zijn dienstpersoneel. De brief behelsde een somber getint verslag van al wat er had plaats gegrepen; Vita had blijkbaar in een zeer gedrukten gemoedstoestand de pen gevoerd.

Van Kapitein Casati vernam ik, dat men niets naders had gehoord van het volk, dat, volgens bericht der inboorlingen, in de buurt van het meer zou zijn aangekomen. Alleen hadden de inboorlingen aan Shoekri Aga's ondergeschikten verteld, dat er een menigte menschen bij „de groote rivierquot; was aangekomen en haar overtrok. Ik hield de bewuste rivier voor den Itoeri.

Het bericht was afkomstig van Nampigwa, een van de krachtigste bondgenooten van Stanley onder de inboorlingen.

Achttien dagen waren nu voorbijgaan, sedert Shoekri Aga dat nieuws was gewaar geworden; dadelijk had hij het Opperhoofd Mogo, die ons vroeger het schrijven van den Pacha had ter hand gesteld met een brief uitgezonden, om dien achter te laten bij Kavalli, een ander met ons bevriend inboorling. Mogo werd ieder oogenblik terug verwacht, met berichten van hetgeen hij omtrent de vreemdelingen te weten had kunnen komen. Thans was hij er evenwel nog niet.

Algemeen was men van oordeel, dat het bij slot van rekening Stanley niet kon zijn, en ook zelf twijfelde ik niet meer, of het gerucht was valsch geweest. Het blijft altijd bezwaarlijk aan berichten van inboorlingen geloof te hechten; een nieuwtje loopt van den eenen stam naar den anderen en wordt op allerlei wijze opgesierd, zoodat eindelijk hij, die het in de wereld bracht, het niet meer zou kunnen herkennen.

Casati deed mij een lang verhaal van zijn grieven tegen Soeleiman Aga. Hij klaagde, dat hij hem geen graan had willen geven en hoe hij hem feitelijk had »geboycottquot;. Casati verkeerde in geen aangename omstandigheden; hij had een bediende. Vakeel, dien hij zeer genegen was, en die hem voortdurend verhalen deed, welke hij was te weten gekomen en waarmede hij over 't algemeen veel onheil stichtte in het station. Vakeel had zich daardoor aller haat en wantrouwen op den hals gehaald en Casati moest in dien haat deelen. Hij hing, wat voedingen kleeding betrof, geheel af van het Gouvernement, zoodat, in Kmin's af-

i82

-ocr page 215-

EMIN PACHA.

wezigheid, de commandant van het station het in zijn macht had, hem het leven zuur te maken.

Ik nam mijn intrek in mijn vorige kamer in Emin's woning, terwijl de bedienden van Vita mij, op last van hun meester, het eten en alles wat ik verder noodig had moesten brengen en het mij zoo huiselijk mogelijk maakten.

Abdoellah Vaab liffendi, een Egyptisch officier, die door Emin gevangen gezet, maar later door de opstandelingen weder in vrijheid gesteld was, kwam mij een bezoek brengen, om te vragen, ot hij iets voor mij doen kon; zijn geheele huis stond tot mijne beschikking, enz. enz. Hij was betrokken geweest in den opstand van Arabi en had Emin heftig gegispt; maar nu de opstand werkelijk was uitgebroken, scheen hij zich niet op zijn gemak te gevoelen. Abdoellah was iemand met een flink voorkomen, al had hij in zijn oogen iets van den vos.

Casati kwam mij dikwijls berichten wat er in het station voorviel, want de rebellen wilden mij niet toestaan mijn vertrekken te verlaten en beletten elk, behalve Casati, den toegang tot mij. Deze zeide plan te hebben met mij naar Duffté terug te keeren, om den Pacha zooveel mogelijk bijstand te verleenen. Er was, niet lang na mijn aankomst in de Provincie, tusschen Emin en hem een ernstig geschil gerezen, zoodat zij met elkander sedert drie maanden geen woord wisselden; maar Casati scheen, nu Emin in moeilijkheden verkeerde, alles te willen vergeven en vergeten.

Casati was acht jaren lang in Afrika geweest, had alle Europeesche gebruiken laten varen en leefde schier als een Oosterling. Hij verliet zijn huis bijna nooit voor de avond was gevallen en maakte dan gewoonlijk een praatje met de bewoners van het station. Hij zat den geheelen dag in zijn kamer te rooken; had geen lectuur en hield ook geen dagboek ; ik kon mij maar niet begrijpen, hoe hij eigenlijk den tijd doorkwam, maar voor Emin was hij zeer dienstvaardig.

Voor acht jaren had Gessi Pacha, destijds Gouverneur van Bahr el Ghazal, aan 't Aardrijkskundig Genootschap te Milaan geschreven, dat hij, wanneer het Genootschap een geograaf naar zijn Provincie wilde zenden, bereid was voor dezen de kosten van overtocht van Khartoem af te betalen en gedurende zijn verblijf de geheele zorg voor zijn

183

-ocr page 216-

JEI'IISON,

onderhoud op zich te nemen. Op die manier zou Gessi zijne Provincie in kaart zien gebracht en het Aardrijkskundig Genootschap te Milaan tal van belangwekkende bijzonderheden op aardrijkskundig gebied kunnen vernemen. Het voorstel werd aangfenomen en Casati uitee-

O O

zonden. Maar nauwelijks was Casati in Bahr-el-Ghazal, of Gessi vertrok naar Europa en stierf onder weg te Suez. Casati was feitelijk door Gessi aan zijn lot overgelaten; hij bleef ten minste zonder hulpmiddelen achter, zoodat hij zich genoopt zag naar Monboettoe te trekken, waar hij bijna drie jaren leetde als een inboorling. Eindelijk, toen hij in de hoogste verlegenheid verkeerde, ontfermde Emin zich over hem en verschafte hem in de Equatoriaal Provincie middelen van bestaan.

Omstreeks achttien maanden geleden had Casati zich bij Kibero in Oenyoro gevestigd, was daar zooveel als vertegenwoordiger van Emin aan het hof van Kabba Rega en bewees hem belangrijke diensten, door zijne brieven, over Oeganda, naar Zanzibar te bezorgen. Maar nu zes maanden geleden had Kabba Rega hem het land uitgejaagd en zijn schat van aardrijkskundige waarnemingen vernield, aan wier verzameling hij zoovele jaren had besteed.

Een van de eerste besluiten, door de rebellen in eene korte bijeenkomst met hun bondgenooten alhier genomen en ten uitvoer gelegd, was de afzetting van Soeleiman Aga. De soldaten hadden een hekel aan hem, omdat hij hen altijd liet slaan, zoodat zij maar al te bereid waren de rebellen te gehoorzamen; men heeft mij verteld, dat Soeleiman Aga zich verzette en hen tartte het kruitmagazijn binnen te gaan, maar dat hij door de soldaten op den grond geworpen en geslagen en er een stuitend tooneel uit voortgevloeid was. Ik kon duidelijk merken, dat de in opstand gekomen officieren een eeest van insubordinatie in de soldaten trachtten te brengen, die, naar ik mij stellig overtuigd hield, op hun eigen hoofden neder zou komen, want reeds was het volk rijp voor verzet, en stond het gereed het een of ander, in strijd met orde en wet, ten uitvoer te brengen.

De rebellen hadden in het station alles onderstboven gehaald, en niemand, al wilde hij 't nog zoo graag, durfde daar tegen opkomen

-ocr page 217-

EMIN PACHA.

Zij hadden Saleh Aga, een der hunnen, in plaats van Soeleiman Aga, tot commandant van het station aangesteld.

Den 1 ille11 September gingen al de officieren en beambten van de partij der opstandelingen naar het huis van Vita Hassan, om het geheel te doorzoeken. Hij hield, naar hun vaste overtuiging, Gouverne-ments eigendommen verborgen. Hoewel zij niets vonden dat aan het Gouvernement behoorde, maakten zij zich van vele zaken meester. Het dienstpersoneel, mannen zoowel als vrouwen, trachtte zulks te beletten, maar de rebellen stieten hen weg, zoodat er een oorverdoovend ge-druisch ontstond.

Deze beleedigfinof was om nooit te verbeven, en bewees hoe Q-eneo-en

ö ö O OO

het volk was om te rooven, te plunderen en zijn voordeel te doen met de verwarring, door den opstand in alles gebracht. In de stations M'swa en Toeneoeroe bevonden zich vele menschen uit den omtrek van Dongola. Zij waren jaren geleden, om handel te drijven, naar Bahr-el-Ghazal en Emin's Provincie gekomen en stonden in kwaden reuk bij de geregelde troepen, omdat zij tot dezelfde stammen behoorden als de soldaten van den Mahdi. Kmin had deze lieden gered uit de handen van zijn soldaten, toen zij, na den krijg met de Mahdisten, hen wilden doo-den, en hen vereenigd tot een regiment van ongeregelde troepen. Igt;ijna allen waren handwerkslieden en verstonden het een of ander vak, bij voorbeeld het schoenmaken of't weven van katoen; er waren zadelmakers onder en zilversmeden, die voor de vrouwen allerlei sieraden maakten. Zij waren in Emin's Provincie hoogst nuttige menschen en hadden tot dusver bij hem bescherming gevonden tegen de geregelde troepen.

Maar nu hij afgezet was, liepen zij groot gevaar en kwam Ibrahim Aga, hun hoofd, mij mededeelen, dat de soldaten een plan hadden beraamd om hen te dooden. Ik wist niet beter te doen dan hem aan te raden zijn onderhoorigen te gelasten, zoolang de opgewondenheid op het station bleef voortduren, binnenshuis te blijven en zich zorgvuldig te onthouden van alles wat de geregelde troepen zou kunnen hinderen, die blijkbaar naar een voorwendsel zochten, om openlijk tot geweld over te gaan.

Hamad Aga Dinkave, de voornaamste onder de rebellen aan boord

lS5

-ocr page 218-

JEl'lISON,

van de stoomboot, besloot in Toengoeroe te blijven en de boot naar M'swa te laten verder gaan, want het stond nu vast, dat het gerucht van Stanley's aankomst valsch was geweest. Nu ook ik mij daarvan overtuigd hield, besloot ik met Casati in Toengoeroe te blijven, daar het geheel overbodig zou zijn naar M'swa te gaan. Toen ik mijn voornemen aan de rebellen mededeelde, zeiden zij, dat ik kon doen, gelijk ik goedvond.

Na het vertrek van de stoomboot, met de in opstand gekomen officieren, naar M'swa, werd het rustiger op het station en waagden velen het mij een bezoek te brengen. Soeleiman Aga, die, zooals ik nu gewaar werd, een broeder was van Fadl el Moella, verscheen ook ; hij klaagde bitter over de behandeling hem door de rebellen aangedaan en betuigde luide zijn gehechtheid aan den Moedir en zijn vriendschappelijke gevoelens jegens mij. Ik hoorde dat alles ongeduldig aan, want ik had genoeg van al die praatjes, waarmede de Muzelmannen zoo kwistig kunnen zijn, terwijl zij te gelijk tegen u samenspannen.

Overigens gaf elk, die mij kwam bezoeken, mij de verzekering, dat hÜ een toegenegen vriend en onderdanige dienaar van mij was, dat al wat hij had mij toebehoorde, dat ik slechts had te bevelen, hem den voet op den nek mocht zetten en hij mij, als het noodig was, op zijn hoofd wilde dragen. Gewoonlijk was het slot, dat zij verzochten hun de tong te splijten of de keel af te snijden, als het bleek dat zij onwaarheid hadden gesproken. Maar het hinderlijkste van alles was, dat zij het volk in zulk een kwaden reuk brachten

Abdoellah Vaab Effendi kwam mij ook bezoeken en bracht drie waskaarsen mede, die hij voor mij had laten maken, om mij te toonen, hoe oprecht hij mij genegen was. Hij sprak veel over de wegen, die men zou kunnen kiezen als Stanley terug was en scheen er zeer tegen op te zien het land te verlaten.

De opstand was hoofdzakelijk ontstaan op aanhitsing van de Egyp-tenaren, en nu zij, om het zoo eens uit te drukken, zagen dat de Soe-claneezen de grootste brokken in den mond hadden gestoken en op het punt stonden de geheele Provincie in wanorde en verderf te brengen.

-ocr page 219-

EMIN PACHA.

begonnen zij bang te worden voor den storm, dien zij hadden doen opsteken en wilden zij terug.

Lang hadden zij van opstand en verraad gefluisterd aan de ooren der Soedaneezen, een volk, dat niet gemakkelijk denkbeelden in zich opneemt en nog moeielijker ten uitvoer brengt; maar als deze eenmaal wortel hebben geschoten, en door hun trage hersenmassa zijn opgenomen, om er eindelijk naar te handelen, slaan zij met de grootste dolzinnigheid tot allerlei uitersten over, gaan zij als razenden te werk, zoodat het vergeefsche moeite is hen tegen te houden. Als zij zich eenmaal iets in het hoofd hebben gehaald, is het volslagen onmogelijk er dat weder uit te krijgen.

De lieden, die echter de grootste ellende over de Provincie hebben gebracht, zijn de Egyptische beambten. Zij hadden wel een soort van opvoeding genoten en konden lezen en schrijven, zoodat zij de veel dommere Soedaneezen ver vooruit waren; maar toch was de opvoeding van deze Egyptenaren ontoereikend geweest, om een eigenlijk gezag te kunnen uitoefenen; zij hadden er dan ook alleen dienst van voor hunne uiterst lage bedoelingen.

Al lieten do Soedaneezen van hun'kant zich leiden door de Egyptenaren haatten zij er hen niet minder om en verachtten zij hen om hun onbeduidendheid en gebrek aan moed. Toen de Egyptenaren eindelijk de Soedaneezen hadden overgehaald tot maatregelen van geweld, begonnen zij zich beangst te maken over 'tgeen zij hadden gedaan, en wilden zij zich aan ons geleide onttrekken, om zich te redden uit de moeielijkhe-den, die zij zich zelf op den hals hadden gehaald. Toen dus de Soedaneezen zich tegen hen hadden gekeerd en zij door hun onoprechtheid van den Moedir waren vervreemd, zaten zij tusschen twee vuren in en gevoelden zich daarbij alles behalve op hun gemak. Ik had er evenwel volstrekt geen medelijden mede en hoopte, dat de Soedaneezen van de afelegenheid zouden gebruik maken, om hun verschillende oude zonden be-

O O O

taald te zetten.

Wij vernamen, dat de stoomboot, drie dagen na haar vertrek, hier weder uit M'swa teru werd verwacht, maar zulks hield ik voor zeer onwaarschijnlijk, want in dat geval zou zij slechts één dag in M'swa stil zijn geweest, terwijl ik wist, dat de rebellen nooit een station zouden

187

-ocr page 220-

JEPIISON ,

verlaten, of zij moesten zich eerst hebben bedronken, om daarna te vertrekken naar »versche weiden en nieuwe veldenquot;. Al wachtende op de terugkomst van de stoomboot, waren Casati en ik veel bij elkander. Hij placht mij te vertellen van 't geen hij in Oenyoro had ondervonden en van den tijd, door hem in Monboettoe doorgebracht; van hem werd ik ook allerlei nieuwe bijzonderheden omtrent de dwergen gewaar. In Monboettoe en omliggende landen wonen deze kleine lieden in grooten getale bijeen; herhaaldelijk was hij er mede in aanraking geweest.

Vijf dagen na haar vertrek van hier kwam de stoomboot terug; zij had de in opstand gekomen officieren aan boord, wier getal nog door twee officieren uit M'swa was versterkt. De schrijver van het station M'swa was medegekomen en bracht mij onmiddellijk een bezoek. Den volgenden dag keerde hij naar M'swa terug ; hij had de reis medegemaakt, schijnbaar om vee te koopen, maar in werkelijkheid om mij met den staat van zaken aldaar op de hoogte te stellen en een boodschap over te brengen van Shoekri Aga.

Het scheen dat Shoekri Aga, op het vernemen dat de in opstand geraakte officieren naar M'swa op reis waren, had besloten het station te verlaten, onder voorwendsel de graanbelasting te moeten innen, en zijn schrijver had opgedragen hem, zoodra de rebellen vertrokken waren, zulks te berichten. Hij liet mij weten, dit voor de beste manier te rekenen, om buiten moeielijkheden te blijven, want hij begeerde de rebellen niet te beleedigen, die hem, deed hij zulks, van zijn post ontzetten en door een der hunnen vervancren zouden, waardoor hem de gfe-

»-gt; Ö

legenheid geheel werd afgesneden om met Stanley, voor 't geval deze kwam, in aanraking te komen.

Dit was zeer juist van hem gezien ; ik wensch er hier bij te voe gen, dat hij gedurende den geheelen opstand zijn best deed, om zich in zijn post te handhaven en tevens de belangen van den Moedir te behartigen.

Daar de opstandelingen zulk een zet van Shoekri Aga niet hadden verwacht, hadden zij hem in zijn commando over het station gehandhaafd, maar de een en dertig kisten met Remington-geweren medegenomen, die wij hadden medegebracht, om een begin te kunnen maken met het ontzet van Emin, en die opgeborgen waren in het magazijn te M'swa.

-ocr page 221-

EMIN PACHA.

r

1 89

De schrijver deelde mij mede, dat zij zich ook van twee kisten met Winchester-ammunitie, door Stanley ter beschikking van Emin gesteld, zoodat zij ons toebehoorden, hadden meester gemaakt. Naar hun zeggen, geloofde Shoekri Aga nog altijd, dat Stanley moest zijn aangekomen ; maar het was nu al dertig dagen geleden, dat hem het gerucht voor het eerst had bereikt, zoodat ik, daar er geen brief of nadere bevestiging was gevolgd, mij wel overtuigd moest houden van de valschheid van dat gerucht.

Des avonds vervoegde ik mij bij al de in opstand gekomen officieren, om hun te zeggen, dat zij, naar ik hoorde, twee kisten met Win-chester-geweren bij zich hadden, die ik terug verzocht, omdat zij aan de Expeditie behoorden. Zulks weigerden zij, en toen mijn nader aanhouden niet hielp, ging ik zelf naar het magazijn en liet er de kisten uitnemen. Toen het 's avonds donker was geworden, werden zij overgebracht naar Casati's huis, om daar te blijven totdat ik er behoeite aan kreeg.

Den i8',L'n September verlieten wij met beide stoombooten Toen-goeroe en kwamen nog in den avond van dien dag te Wadelai. Wij brachten een aantal ollïcieren en beambten uit Toengoeroe mede, waaronder Soeleiman Aga. Casati had aan Achmet Aga Dinkave gezegd naar Dufflé te willen gaan en bekwam van hem daartoe verlof; hij was dus ook in ons gezelschap.

Te Wadelai begaf ik mij naar de woning van den Gouverneur, terwijl Casati zijn intrek nam in 't huis van Marco.

Ik maakte mij zeer bezorgd, toen ik vernam, dat Signor Marco mijn brief niet aan den Pacha had afgezonden. Hij zeide, dat op het station alles zoo in de war en hij aanhoudend door de bevolking zoo gesard was, omdat hij bevriend was met den Moedir, dat hij den brief niet had durven afzenden, uit angst dat zulks mocht uitlekken, in welk geval hij alle kans zou loopen, in de gevangenis te worden geworpen.

Emin moet een verbazenden angst hebben uitgestaan, omdat hij geen bericht van mij kreeg, want ik was nu juist drie weken van hem gescheiden en had ernstig beloofd hem te zullen schrijven. Ik kon mij voorstellen, dat hij zich alles voor den geest haalde over hetgeen

hi I 1

Ril hiiP M1

1

'■ f diiliHii h

I ■jlil

Mi H*5quot;' ItiïJ

■'! Ml - ■

lil : mg

gt;lt; ::'-i 11

iii fe-il r'

. 1' • j' \; J

iilli

1.

i! f1 '('l

Ell'ï?

ik

«iii

-ocr page 222-

JEPHSON,

er van ons kon zijn geworden en of Stanley al clan niet was aangekomen.

Volgens gewoonte hielden de opgestane officieren bij hun aankomst een geduchte slemppartij. Bij zijn vertrek uit het station had Kodi Aga last gegeven groote hoeveelheden bier en whiskey gereed te maken, zoodat zij bij hun terugkomst met een groot aantal kruiken bier en potten vol whiskey werden opgewacht.

Allen zaten des namiddags in een der vertrekken te drinken ; hoe meer zij droaken, des te zorgeloozer werden zij; 't gevolg daarvan was dat een hunner bij 't aansteken van een pijp zijn vertrek in brand stak. Daar de wanden alleen van gras en bamboes waren gemaakt, brandde de kamer totaal uit en waren reeds verscheidene belendende vertrekken in de asch gelegd, aleer men het vuur meester was. Een jaar geleden was het geheele station Wadelai afgebrand en werden daarbij groote massa's ivoor vernield. Daar de soldaten zich dien brand nog herinnerden, waren zij gelukkig spoedig ter plaatse toen er alarm werd geslagen en konden zij het vuur blusschen, voor er veel schade was aangericht; mij werd verteld, dat zij eenige kruiken met bier van Kodi Aga in de vlammen hadden geworpen, hetgeen het blusschen zeer in de hand zou hebben gewerkt; ik houd dit echter voor een aardigheid.

Verscheidene Egyptische en Koptische vrouwen en negerinnen kwamen mij haar heilgroeten aanbieden en mij vragen hare betuigingen van eerbied over te willen brengen aan haren Moedir, voor wien zij Allah hadden gebeden om spoedige verlossing uit de macht der opstandelingen. Zij waren allen keurig in het wit gekleed en maakten een schilderachtigen indruk.

Een bejaarde negerin. Hadji Fatma geheeten, met rimpelige en leelijke gelaatstrekken, kwam ook bij mij ; zij was een goede oude ziel, die mij deed lachen bij hare pogingen om tranen te storten cm den Pacha.

Emins bedienden zorgden goed voor mij en gaven mij bijzonder heerlijke spijzen; zij wilden hun belangstelling toonen in onze rampen, door mij te overladen met lekkernijen.

Voor ontbijt brachten zij mij om zeven uur een omelet, een schaaltje met honig, versch brood en melk, benevens een schotel heerlijk gestoof-

190

-ocr page 223-

EMIN PACHA. igi

de maïsstengels. Als tweede ontbijt en middagmaal werden allerlei schotels voor mij opgedischt, waaronder heerlijke salade en tomaten uit Emin's tuin; na iederen maaltijd kwam men met de gebruikelijke Arabische koppen koffie. Ongelukkig had ik te weinig eetlust voor al die

Afrikaansche lekkernijen, want ik zat altijd in angst bericht te zullen ontvangen, dat Emin tijdens mijne afwezigheid iets was overkomen, terwijl mijne vrees groot was, als ik bedacht, wat het gevolg zou kunnen worden van de zitting van den raad. Bij mijn terugkeer had ik de wispelturigheid opgemerkt, die er te Wadelai heerschte; ik begon dus

20

-ocr page 224-

JEPHSON,

meer en meer te vreezen, dat het er met Emin slecht voor stond, want de soldaten schenen hun gevoel van wrok jegens de bewoners van Dufilé geheel te hebben afgelegd ; ja, zij ontvingen hen zelfs vriendschappelijk.

Voor wij vertrokken kwam de kleine Farida mij goeden dag zeggen en verzocht zij mij haar halssnoer van koralen aan haar gt;Babaquot; te overhandigen. Zij had gehoord dat de bevolking van Dufflé hem niet veel eten gaf; daarom moest ik hem deze koralen geven en zeggen, dat hij er kippen voor koopen kon. Arm kind! Welk Europeesch meisje van vier jaren zou om zoo iets hebben gedacht?

Wij vertrokken tamelijk vroegtijdig uit Wadelai, met de bedoeling^ om zoo mogelijk nog denzelfden dag Dufflé te bereiken, maar er was zooals gewoonlijk, geen hout genoeg, zoodat wij bij de zandbank moesten overnachten.

De stoomboot was propvol, de verbazende onreinheid en de stank werden zoo erg, dat het bijna onmogelijk was adem te halen. Een massa lieden uit Wadelai en Toengoeroe — allen tot het schuim van de Provincie behoorende — trokken naar Dufflé met vrouwen, slaven en bagage, benevens een aantal schapen, geiten en kippen; ja zelfs hadden zij konijnen medegenomen, die een allerafschuwelijksten stank verspreidden.

Vele officieren kwamen dronken aan boord en de meesten waren zulks al lang geweest, want zij hadden de gewoonte den geheelen dag door te drinken. Als er iets aan boord verricht moest worden, sprong iedereen op en schreeuwden allen, zoo luide zij maar konden, verschillende bevelen uit. Het gevolg daarvan was eene algemeene verwarring, een chaos; de tijd werd verspild. Toen ik om mij heen de verschillende aangezichten beschouwde, sommigen dierlijk en stug, anderen verraderlijk en bedriegelijk, doch bijna allen gemeen, viel het mij op, dat ik nimmer gemeener slag van deugnieten en sluipmoordenaars had gezien.

Dat zouden nu Emin's rechters zijn ; die lieden hadden ons in hunne macht en moesten onze vonnissen vellen ! Wat moest er van ons worden in dergelijke handen! Ik wist alleen uit te roepen: »Goede hemel, wees ons genadig !quot;

192

-ocr page 225-

EMIN PACHA.

Omstreeks één uur bereikten wij den volgenden dag Dufflé en merkten, dat de kleine boot — de Nyanza — ons gedurende den nacht was voorbijgestoomd, zoodat Emin van onze komst op de hoogte was. Een ontzaggelijke menigte stond op den steiger, om ons te zien binnen vallen, want een groot aantal lieden, waaronder officieren en beambten, waren van de noordelijke stations aangekomen, om de zitting van den krijgsraad bij te wonen. Het station was vol men-schen ; velen moesten daarbuiten in de dorpen van de Madi's een on derkomen zoeken.

Fadl el Moella, AU Aga Djabor en de voornaamste rebellen stonden aan den kant bij elkander te luisteren naar het rapport, dat Ach-met Aga Dinkave druk bezig was voor te lezen. Casati trad op hen toe, om met hen te spreken, maar ik bepaalde mij in 't voorbijgaan tot een buiging. Terwijl ik mij naar Emin's verblijf begat, deden veln eenige schreden naar voren, om mij te begroeten ; daaronder een van Emin's oppassers. Na dezen inderhaast te hebben gevraagd: »Hoegaat het met den Moedir ?quot; mocht ik de verzekering ontvangen, dat hij zich wel bevond en niemand hem in iets had gedeerd, zoodat ik met een zucht van verlichting verder ging.

Toen ik bij 's Pacha's vertrekken was gekomen, plaatste zich een der schildwachten voor den ingang om mij te zeggen, dat ik, op bevel van de rebellen, niet langer in 't zelfde vertrek mocht zijn met den Moedir. In een aanval van verontwaardiging greep ik den soldaat bij den kraag en slingerde hem tegen den grond. Vreemd genoeg stonden de zeven andere schildwachten mij stom van verbazing aan te staren, zonder een lid te verroeren, zoodat ik zonder verdere bezwaren naar binnen kon gaan.

Ik bevond dat de Pacha er zeer goed uitzag; hij scheen blijde te zijn, dat ik terug was gekomen. Hij verhaalde mij, hoe langzaam de tijd, gedurende mijn afwezigheid, was omgegaan; buiten Vita Hassan had hij niemand gehad, om eens mede te praten ; leesboeken waren er niet en hij had nauwelijks eenig bericht van de buitenwereld gekregen. Zoolang ik weg was geweest, hadden de rebellen — als men hun aanhoudend gedrink en getwist buiten rekening liet — zich goed gedragen en geen geweld gebruikt. Hij zeide, naar mate de tijd verliep,.

193

-ocr page 226-

JEPI1SON,

zich er zekerder van te gevoelen, dat het bericht van Stanley's aankomst valsch was geweest, terwijl het hem bijzonder trof, dat Casati, toen hij van zijn gevangenschap had gehoord, onmiddellijk het besluit had opgevat om naar Dufflé te gaan, ten einde in zijn nabijheid te zijn en hem zooveel mogelijk te helpen.

Hij was hoogst verontwaardigd, toen ik hem vertelde, dat de rebellen het huis van Vita Hassan doorzocht en eenige goederen van

O ö

hem medegenomen hadden ; hij scheen daarin een mogelijk begin te zien van een lange reeks van dergelijke schandelijke handelingen van den kant der hoofden van den opstand.

Hem was ter oore gekcmen dat Achmet Aga Dinkave uit Wadelai een brief had geschreven, om verlof te vragen ook zijn huis te doorzoeken, maar dat Fadl el Moella zijn toestemming daartoe had geweigerd. Verder vernam ik, dat de reden, waarom zij bevel hadden gekregen het huis van Vita te doorzoeken, daaruit was voortgekomen, dat de magazijnmeester te Wadelai aan de rebellen gezegd zou hebben, dat hij zich er van verzekerd hield, dat Vita en de Moedir eigendommen van het Gouvernement in hunne huizen hadden.

Dat was nu de man, die tranen stortte, toen ik hem en Marco het verhaal deed van de gevangenneming van den Pacha! Het is inderdaad onmogelijk op Oosterlingen te bouwen, vooral als zij uit Egypte aikomstig zijn ! Tot mijn spijt vernam ik, dat de schrijver te Kirri, een brave, beste man, onder het baden in de rivier, door een krokodil was weggesleept. Weken lang had men een groote krokodil in den omtrek van de zwemplaats zien loeren ; drie of vier kinderen waren reeds vermist. De krokodillenjagers bij den stam Bari waren daarom ontboden en hadden het geluk het dier te bemachtigen. Het was zoo groot en sterk geweest, dat zij het niet levend uit het water konden trekken ; niet voordat de soldaten er een aantal kogels op hadden verschoten, kregen zij het op den wal. De krokodil was 6.i M. lang, en, voor zoover men wist, de grootste, die ooit in de Provincie was gezien. Hij werd in triomf door het station gedragen naar het huis van den schrijver van Kirri, alwaar de maag werd opengesneden, die een van zijn beenen bleek te be-

194

-ocr page 227-

EMIN PACHA.

vatten, 't Werd in katoen gewikkeld en voor de voeten van de weduwe nedergelegd, mijns inziens, een vreemde manier van troosten ! Eindelijk werd dat been in statigen optocht rondgedragen en buiten het station verbrand.

Casati verscheen kort daarop en nam zijn intrek in het gedeelte van Emin's huis, dat als magazijn werd gebruikt, zoodat wij, in elk geval, een makker rijker waren.

195

-ocr page 228-

HOOFDSTUK IX.

DE RAAD DER OPSTANDELINGEN.

Fadl el Moella opent het proces. — De tegen Emin ingebrachte beschuldigingen. — Loop van het proces op den eersten dag. — Acte van beschuldiging tegen den Gouverneur. — Emin ondeiteekent zijn afzetting. — Wat moet er met den Moedir geschieden ? — Emin zou gaarne het groen der boomen zien. — De zaak van Hawashi Elfendi. — De woede van het volk jegens hem. — Bewezen beschuldigingen. — Hawashi's bezittingen worden verbeurd verklaard, — Osman Latif. — Het manifest van den Khedive wordt voor echt erkend, — Emin moet naar Rejaf. ■— Onzekerheid. — Eectuur. — Twisten van de rebellen onderling. — Het hoofd van Hinza's vrouw is veel te hard. — Het geeselen van vrouwen. —Bezoek aan Osman Latif. — Algemeene desertie nnar de rebellen. — Einin's teleurstellingen. — Algemeene ontevredenheid onder de soldaten. — Emin maakt zijn testament. — Brief van Osman Latif. — Plannen van de rebellen, — Verhoor van Vita Hassan. — Wat Vita Hassan mij al niet durfde vragen. — Ongeschiktheid van het volk, om zich zelf te helpen. — Pretenties van dat volk. — Emin's huis wordt doorzocht. — De geest van «laisserfaiycquot; in de Provincie.

Den 24quot;'™ September begonnen de zittingen van den raad. Hij was samengesteld uit zestig a zeventig officieren, schrijvers en beambten van alle stations in de Provincie. De meeste ofticieren waren Soedaneezen,

-ocr page 229-
-ocr page 230-

■ ■ • ■ ■ .........

rrn

.

.

.

sfps

li-At . ■ ■ ■ • .

■ rs- ■■ -

x- ikii» quot;.v/'irr 1

-ocr page 231-

EMIN PACHA.

maar de schrijvers waren voornamelijk Egyptenaren, Kopten en lieden van gemengd bloed uit Khartoem.

De Raad kwam onder de boomen midden op het plein bijeen, terwijl er een soort van vergaderzaal was gemaakt, door de zetels voor de leden te plaatsen op het opgehoogd verdek, waarvan ik vroeger heb gesproken. Die zetels werden ingenomen door de voornaamste leden van den Raad, terwijl de verdere leden plaats vonden op zetels in een ruimen halven cirkel nevens het verdek. Daaromheen stonden de officieren, die niet voor den krijgsraad waren aangewezen; zij werden dan ook niet als leden aangemerkt, maar hadden door hunne mede-officieren van de zitting gehoord en waren eenvoudig belangstellenden.

Het ruime plein buiten dien kring was geheel met menschen bedekt, die elkander letterlijk verdrongen om naar de verhooren te luisteren. Een niet tot den krijgsraad behoorend officier en een groot aantal schildwachten waren belast met het voorbrengen van de getuigen en het handhaven der orde.

De eerste zitting duurde van acht uur 's morgens tot vier uur 's middags, maar later werden de zittingen in den regel gehouden tus-schen acht en één.

Na het openen der zitting stond Eadl el Moella op, om een toespraak te houden. Hij zeide daarin dat de Raad was opgeroepen om eenige handelingen van het Gouvernement te onderzoeken, die reeds lang PTOote ontevredenheid hadden verwekt onder de onderdanen van den Khedive in de Provincie Hatalastiva. Het was de bedoeling dat de Raad zijn volle aandacht zoude wijden aan alles, wat sedert i885 met de Regeering in verband stond, en al de boeken en bescheiden onderzoeken, die van Wadelai, den zetel der Regeering, herwaarts waren gebracht. Nu was, zes maanden geleden, de heer Stanley aangekomen ; na eenigen tijd bij den Moedir te hebben vertoefd, was hij vertrokken, met de bedoeling om terug te keeren, en had hij een zijner officieren bij den Moedir achtergelaten. Sedert waren er dingen aan het licht gekomen, waaruit bleek, dat de vroeger bij hen gerezen verdenkingen tegen hun Moedir juist waren geweest. Door een aantal officieren aangezocht om te handelen in 't belang der onderdanen van den Khedive, was hij naar Dufflé gekomen en had hij den Moedir en den vertegenwoordiger van

199

-ocr page 232-

JEPHSON,

den heer Stanley in verzekerde bewaring doen stellen, in afwachting van den afloop van het verhoor, dat op dit oogenblik stond gehouden te worden.

Er zouden omtrent verschillende onderwerpen beschuldigingen worden ingebracht tegen zijne Excellentie Mehmed Emin Pacha, den Moe-dir van Hatalastiva, tegen Hawashi Effendi, den senior Bimbashi, Vita Hassan Effendi, den apotheker, en een aantal andere personen, verdacht samen te hebben gespannen met den Moedir. Wanneer deze beschuldigingen voldoende werden bewezen, was het de taak van den Raad vonnis te vellen over de schuldigen en tevens maatregelen te beramen voor de rust en de welvaart der Provincie in de toekomst. Men had hem, Fadl el Moella, verzocht op te treden als Voorzitter van den Raad; hij had dat aangenomen, daar hij het welzijn van de Provincie wenschte te behartigen, gelijk het betaamt aan een getrouw en oprecht dienaar van den Khedive.

Nadat deze rede met bijvalsbetuigingen was begroet, toog men aan den arbeid.

In de eerste plaats werden alle boeken doorloopen, die de afschriften bevatten van de brieven van den Moedir aan het Gouvernement in Egypte, terwijl de belangrijksten door den eersten schrijver geheel werden voorgelezen. De achting, welke Emin daarin voor zijn volk betoonde, wekte 's Raads hoogste verbazing op. Eenige schrijvers uit Wadelai, behoorende tot het laagste gespuis in de Provincie, riepen uit, dat zij deze stukken niet hielden voor getrouwe afschriften van de brieven naar Egypte. Daarop werden enkele stukken betrekkelijk het finantiëel beheer en de administratie der Provincie nagegaan en besproken, maar daarin kon geen enkele fout worden aangetoond. Nauwkeurig onderzocht men vervolgens de rekeningen, daaronder Emins eigen rekening met het Gouvernement; er bleek van onregelmatigheden geen spoor. Alles scheen zakelijk, regelmatig en ordelijk.

Op deze punten teleurgesteld, begonnen de officieren enkele aangelegenheden te bespreken, die den Moedir persoonlijk raakten. Ten tijde dat de opstand nog in het opkomen was, had een gedeelte partij gekozen vóór den Moedir en sprong nu tamelijk breedvoerig voor hem in de bres ; een redetwist tusschen de beide partijen kwam daaruit voort, zoodat 't gekijf tot in den laten namiddag duurde.

200

-ocr page 233-

EM1N PACHA.

Om vier uur werden de werkzaamheden geschorst, zonder eenige nadeelige gevolgen veroorzaakt of veel tot beslissing gebracht te hebben ; de Raad ging uiteen en verdaagde de zitting tot den volgenden morgen te elf ure.

In onze kamers hadden wij alles kunnen hooren, wat daar buiten onder de boomen was voorgevallen ; 't moest voor Emin een ware beproeving zijn geweest.

In de zitting, die den volgenden dag werd gehouden, waren de tegenstanders van den Moedir aan 't woord. Men beeon met de voorle-

o ö

zing van een boosaardig en hartstochtelijk geschrift van de beambten, die daarbij in de sterkste bewoordingen uitvoeren tegen hun Gouverneur en hem beschuldigden van allerlei misdaden. Zij verzochten daarop verlof tot voorlezing hunner akte van beschuldiging tegen den Moedir, waarin alle door hem begane overtredingen, in 't geheel zeven en dertig punten, waren opgenomen. Het verlof werd verleend en de akte voorgelezen.

Ten eersten. Het stuk, dat hij, zooals hij zeide, van den Khedive had gekregen, houdende zijn aanstelling tot Pacha, was niet echt ; hij was geen Pacha, doch eenvoudig door Gordon tot Bey aangesteld.

Ten tweeden. De brieven in het Regeeringsboek, waarin de Moedir den lot van zijn volk verkondigd en zijne houding in den krijg met de Mahdisten geprezen had, welke brieven afschriften zouden zijn van naar Egypte verzonden stukken, waren verdicht; er waren nooit zulke brieven naar Egypte vertrokken.

Ten derden. He brieven, die Stanley had medegebracht als afkomstig van den Khedive en van Nubar Pacha, waren valsche stukken.

Ten vierden. Stanley was niet, zooals de Moedir had beweerd, uit Egypte gekomen, maar slechts een bedrieger en avonturier.

Ten vijjden. De Moedir had met Stanley samengespannen, om het volk, tegen zijn zin, uit het land te voeren en aan de Engelschen als slaven te verkoopen.

Ten zesden. De Moedir had, vijf jaren geleden, een plan gesmeed met Keremallah, den Generaal der Mahdisten, om het volk, met vrouwen en kinderen, over te leveren aan den Mahdi.

20 I

-ocr page 234-

JEPHSON,

Ten zevenden. De Moedir had alles, wat Hawashi Effendi deed, goedgekeurd en zijn schurkenstreken in de hand gewerkt.

Ten achtsten. Emin had, voor vier jaren, met Vita Hassan, den Majoor van het islu bataljon vergiftigd, enz. enz.

De overige beschuldigingen kwamen hoofdzakelijk neer op nalatigheden en onrechtvaardigheden jegens zijn volk, op begunstiging van enkelen en het aannemen van geschenken. Al deze beschuldigingen waren even beleedigend als ongerijmd.

Toen het lezen dezer akte van beschuldiging was afgeloopen, richtten de schrijvers zich opnieuw tot de vergadering met de verzekering, dat zij de beschuldigingen één voor één zouden kunnen bewijzen. Daarop vroegen zij de onverwijlde afzetting van den Moedir en haalden zij een stuk voor den dag, waarin te lezen stond, dat de Moedir was ontslagen op grond van oneerlijke handelingen jegens den Khedive en verraad jegens het volk, terwijl er tevens in bepaald was, dat de vergaderde officieren het moesten onderteekenen.

Deze waren zóó verbluft van de aantijgingen jegens den Moedir en van de heftigheid, waarmede de schrijvers verklaarden elke beschul-diging, die zij hadden ingebracht, te kunnen staven, dat Fadl el Moella deemoedig teekende en zijn voorbeeld door de verdere rebellen werd gevolgd. Hoewel er enkele officieren waren, die verklaarden hun zegel niet aan het stuk te kunnen hechten, werden zij door de overigen zóó aangevallen en bestormd, dat zij, na flauwen tegenstand, toegaven. Zooals ik reeds vroeger heb opgemerkt, geven de Soedaneezen, als men slechts volhoudt en hardnekkig blijft aandringen, bijna altijd toe.

Des avonds werd er een schrijven aan den Pacha verzonden, met de verklaring, dat hij op verlangen van zijn volk was afgezet en geen enkele betrekkine in de Provincie meer bekleedde. Hem werd tevens

O

gelast die verklaring te onderteekenen. Ik ried hem aan zijn naam niet te zetten, want als hij dat deed, zou hij zich zeiven onmogelijk hebben gemaakt. Toch meende hij het te moeten doen, te meer daar een stuk, onder dergelijke omstandigheden onderteekend, nimmer als verbindend kon worden beschouwd. Toen Casati gevraagd werd, wat hij er van dacht, oordeelde hij dat de Moedir voor gt;force majeure ' diende te zwichten. Daarop teekende Emin.

202

-ocr page 235-

EM1N PACHA.

Nu kwam de vraag bij de rebellen aan de orde, wat er met den Moedir diende te geschieden. Moest hij hier in Duftlé in gevangenschap blijven, of moest bij naar Rejaf, naar Kirri, of ergens anders heen worden gezonden ? Ik hoorde, dat er onder de ergste rebellen zelfs van doodstraf werd gefluisterd. De rebellen konden het echter op dat punt niet eens worden, hoewel zij er altijd over redeneerden en de zaak van alle kanten bekeken.

Wel werd de vraag, wat er met den Moedir moest gebeuren, steeds op zijde geschoven en werden dan andere onderwerpen in behandeling genomen, maar telkens kwamen de rebellen op die vraag terug, zonder haar tot beslissing te kunnen brengen.

Casati en ik werden beiden herhaaldelijk voor den Raad geroepen en over verschillende punten ondervraagd ; telkens, als er tot iets, dat buitengemeen smadelijk was, werd besloten, kwam Casati, dikwijls met goeden uitslag, er tegen op. Natuurlijk had ik, in mijn hoedanigheid als gevangene en afgezant van Stanley, in den Raad niets te zeggen.

Het was opmerkelijk, hoe deze menschen, die meer dan helsche plannen van wreedheid, roof en wanorde durfden maken, toch een schijn van beleefdheid en orde in acht namen en zich trachtten te rechtvaardigen in alles, wat zij deden. Men kan zich niet voorstellen, hoe een en ander samen kan gaan. Ik weet er niet anders van te zeggen, dan dat het toch plaats vond.

Gedurende onze gevangenschap opgesloten in een kleinen tuin, omringd door een hooge en breede heg, met een woelig station daarachter, haakte Emin des te meer naar een blik op de boom en en het groene gras. Ik deed de ontdekking, dat wij, door op een stoel te gaan staan, op een afstand van ruim 2000 M. van 't station, een klein grasperk, met vijf of zes Borassuspalmen ', te zien konden krijgen. Wij plachten daarom gedurig op onze stoelen te klimmen en op dit liefelijk tafereel te staren.

203

Na verloop van eenige dagen moest de zaak van Hawashi Kftendi dienen, zoodat hij voor den Raad werd gebracht en verhoord. Dit geval wekte groote belangstelling, want Hawashi Kffendi was bij iedereen zóó

1) Borassns flaleUiformis. Vertaler.

-ocr page 236-

JEPHSON,

gehaat, dat elk hem zijn val en vernedering gunde. Bovendien stond hij als zeer rijk bekend, dat wil zeggen, rijk voor Hatalastiva, zoodat elk zich spitste op een aandeel in den algemeenen aanval op zijn eigendommen. Het vellen van dien vijand en het plukken van zulk een duii had voor elk de grootst mogelijke aantrekkelijkheid.

Ik werd dien morgen opgeroepen om in den Raad te verschijnen, daar de rebellen antwoord van mij verlangden op eenige vragen, terwijl er bij gezegd werd, dat mijn tegenwoordigheid wenschelijk was bij het verhoor van Hawashi Effendi.

In den loop van den morgen werd Hawashi Effendi opgehaald. Toen hij onder geleide van schildwachten over het plein ging, rezen beschimpingen en verwenschingen op uit de menigte en stond op het gelaat van allen, van mannen zoowel als van vrouwen en kinderen, haat en verachting te lezen.

Mij kwamen dadelijk de regelen van Macaulay te binnen

,,Als Sixtus pas zijn aangezicht Vertoond heeft aan het oog,

Stijgt daar één kreet naar 't hemelruim Uit heel de stad omhoog.

Geen vrouw, die niet naar 't venster ijlt,

Hem uitjouwt, hoont en sart;

Geen kind, dat niet zijn smaad bedwingt.

Zijn vuist balt en hem tart.quot;

(Liederen uil het Oude Rome.)

Hawashi zag er verbazend zwak en vermagerd uit; zijn oogopslag toonde zóó duidelijk dat zijn geest was gebroken, dat het mij aan 't hart ging, hoe slecht hij ook mocht hebben gehandeld, 't Was pijnlijk een man, vroeger een macht op zich zelf in de Provincie, waarin hij een hooge plaats had bekleed, zóó vernederd en in zulk een toestand te zien. Altijd was hij mager geweest, maar nu was hij nauwelijks meer dan een skelet. Bijna zeventig jaar oud, hadden zijn val en zijn gevangenschap op hem nog te meer hun invloed kunnen doen gelden.

De eerste schrijver las de akte van beschuldiging voor, waarbij hij werd aangeklaagd van het op onwettige wijze tot zich nemen van goe-

204

h

i :

L

-ocr page 237-

EMIN PACHA.

deren, geld, vrouwen, slaven, vee, enz. Onder het lezen van deze akte kon men van alle kanten luid gemor hooren, terwijl er na atloop een storm van afkeuring over Hawashi Effendi losbrak, daar elk iets tegen

O ' O

hem scheen te hebben en hem het een of ander scheldwoord naar het hoofd te moeten werpen. Hij bleef betrekkelijk kalm onder die uitbarstingen, haalde alleen de schouders op en liet het volk, op echt Egy Pti-sche manier, de palmen zijner handen zien. Vele lieden legden verklaringen af, waarvan de meesten hem bezwaarden; — hun aantal was zoo groot, dat er haast tjeen eind aan scheen te zullen komen.

O ' O

Fadl el Moella deelde hem daarop mede, dat de verklaringen zeer bezwarend voor hem waren geweest en het vast stond, dat hij niet alleen de levenden, maar ook de dooden had geplunderd. De Raad. besliste dat al zijne goederen, geld, vee, geiten, enz. verbeurd waren verklaard en dat alle vrouwen en slaven, die hij het volk onwettig had ontnomen, aan de rechtmatige eigenaars terugkeerden.

Aan een officier werd bevel gegeven, met eenige soldaten, al het geld en alle goederen van Hawashi Effendi voor den Raad te brengen.

Dit bevel werd op staanden voet ten uitvoer gebracht; als er iets was te halen gehoorzaamden de Soedaneesche soldaten onverwijld.

Weldra keerden zij uit zijn woning terug met een aantal doozen, kleedingstukken, enz. Ook werden tafels, stoelen, bedden, keukengereedschappen, groote oliekruiken, honig en boter en andere niet op te sommen voorwerpen weggehaald en voor den Raad gedeponeerd. Hoewel 't bekend was dat hij veel geld had, vond men in zijn huis slechts 1020 gulden. Op de vraag, waar zijn ander geld was, zeide hij, dat hij niet meer bezat.

Met een blik vol minachting op Hawashi Effendi neerziende, gaf Fadl el Moella de soldaten bevel zijn vertrekken te doorzoeken en de vloeren overal op te breken. Na scherp gezocht te hebben, werd er nog een som van 10:0 gulden gevonden. De rebellen wisten dat er nog veel meer voor den dacr moest komen en gelastten daarom een onderzoek

O O

bij de tolken van den stam Madi.

Het duurde dan ook niet lang, of er werden aarden kruiken ontdekt met 2040 gulden, verborgen in den grond onder de hut van het opperhoofd der Madi's. Meer was er voor het ooyenbiik niet te vinden.

205

-ocr page 238-

JEl'HSON,

Fadl el Moella richtte vervolgens het woord tot mij en zeide gehoord te hebben, dat Hawashi Effendi mij, bij mijn aankomst in Duftlé, had gevraagd, eenige schuldbekentenissen in bewaring te nemen voor geld, door hem aan verschillende personen in de Provincie uitgeleend. Op de vraag of dat waar was, gaf ik een bevestigend antwoord, Die bevestiging veroorzaakte groote opgewondenheid onder de rebellen, die mij verzochten deze schuldbekentenissen te vertoonen. Ik beloofde zulks te doen, maar alleen wanneer Hawashi Effendi er niet tegen had. Toen deze, na met zijn schouders te hebben getrokken, gezegd had; »Och, ja, geef ze maar; want wat kan ik er nog mede beginnen ?quot; liet ik mijn schrijttessenaar halen en overhandigde het pakket schuldbekentenissen aan Fadl el Moella. Het bevatte een schuldbrief ad 1785 gulden ten laste van Dr. Juncker, benevens andere van verschillende personen tot een gezamenlijk bedrag van 1530 gulden. De inhoud van de verschillende doozen — een waar mengelmoes ! — werd vervolgens op het plein geworpen en een inventaris van al de goederen opgemaakt. Twee stellen kleederen en eenige kookpotten kreeg Hawashi Effendi terug voor dagelijksch gebruik, al het overige werd in de Gouvernements magazijnen gedeponeerd. Nadat Hawashi Effendi eindelijk weder naar zijn vertrek was geleid, werd de zitting gesloten.

Fadl el Moella gaf mij te kennen, dat ik, binnen het station, gaan kon waar ik verkoos, en daar Hamad Aga en Selim Aga mij uitnoo-digden hun den volgenden dag een bezoek te brengen, besloot ik daartoe.

Hier ontmoette ik voor den eersten keer Osman Latit Effendi, Va-keel of tweede bestuurder van de Provincie. Hij was een Egyptenaar en te Khartoem hoofdambtenaar geweest bij de politie. Vroeger had hij Emin veel last veroorzaakt, maar sedert den opstand had hij zich goed gedragen.

Hij stortte een vloed van plichtplegingen over mij uit en trachtte Fransch te spreken, doch drukte zich in die taal allerongelukkigst uit ; als hij bij voorbeeld de opmerking wilde maken : »lk heb het gezien,quot; zeide hij: »|e suis les yeux.'' Hij boezemde mij een, afkeer in door het kruipende en het slaafsche, hem als een echt Egyptenaar eigen, — hoewel ik moet bekennen, dat hij ons tijdens den opstand vele diensten

2o6

-ocr page 239-

EMIN PACHA.

heeft bewezen, door het zenden van berichten. Hij beloofde alles te doen wat hij kon, om ons op de hoogte te houden van hetgeen er in de Provincie voorviel. Ik sprak geruimen tijd met Hamad en Selim Aga over alles wat met den opstand in verband stond, en verzocht hun te bevorderen, dat voor het verblijf van den Moedir Wadelai of Dufflé werd aangewezen, 't welk te verkiezen was boven een overbrenging naar Rejaf.

Eenige dagen later bleek dat de in opstand gekomen officieren zich niet konden vereenigen met de meening van enkele schrijvers, die als hun gevoelen hadden uitgesproken, dat de brieven van den Khedive en van Nubar Pacha valsch waren geweest. Toen Abdoel Vaab Effendi, die doorging voor den kundigsten man van de Provincie, tijdens den opstand van Arabi in Egypte was geweest en de handteekeningen van den Khedive en Nubar wel kende, gevraagd had, om de stukken eens te mogen zien, liet Eadl el Moella ze halen en verklaarde Abdoel Vaab Effendi voor den Raad, dat de stukken zonder den minsten twijfel echt moesten zijn, want dat hij dezelfde handteekening in Egypte meer dan eens had gezien. Daarop nader door de klerken onderzocht, verklaarden ook deze, dat de handteekeningen echt en zij thans overtuigd waren, dat Stanley wel uit Egypte kwam. Het manifest van den Khedive ging daarop van hand tot hand, terwijl alle officieren, naar landsgebruik, de onder-teekenine kusten en driemaal herhaalden ; Leve de Khedive!quot; Uitbracht

O

evenwel, in hun oog, geen verandering ten aanzien van de beschuldigingen jegens den Moedir.

Inmiddels was de zaak van Hawashi Effendi een stap verder gekomen. Nog 765 gulden had men in het dak van een der hutten ontdekt, zoodat men nu in 't geheel 8ióo gulden terug had. Na soldaten te hebben uitgezonden om inventarissen te maken van zijn levende have, kreeg men een totaal bedrag van 700 runderen en 1100 geiten en schapen! Al dat vee, verkregen in rooftochten op de inboorlingen, werd onder de bevolking, elk naar zijn rang, verdeeld.

Eindelijk maakte Eadl el Moella bekend, dat de Raad, na langdurige beraadslagingen, had besloten den Moedir naar Rejaf te zenden en hem onder bewaking te stellen van Ali Aga Djabor ; Ali was een der gemeenste schurken van de Provincie, zoodat het slecht met Emin zou

207

-ocr page 240-

JEPHSON,

zijn afgeloopen, als deze uitspraak ten uitvoer was gelegd. Na verloop van tijd bleek duidelijk, dat het drie vierde gedeelte van de bevolking, niettegenstaande het manifest van den Khedive als echt was erkend, daaromtrent twijfel koesterde. Gedurende den geheelen opstand was hel onmogelijk altijd gewaar te worden, wat die bevolking al of niet geloofde, evenmin waaraan zij behoefte had. Zij maakte den eenen dag een plan, om het den volgenden dag te bestrijden. Daaraan hadden wij, naar mijne meening, hoofdzakelijk ons behoud te danken ; altijd gereed om allerlei plannen tegen Emin te smeden, was zij nimmer in staat het onderling eens te worden over de uitvoering. Voorts was er besloten dat Vita Hassan te Duftlé blijven , maar zijn Gouvernementsbetrekking verliezen zou. Havvashi Effendi werd het leven geschonken, maar hij werd tot kettingstraf in Makraka veroordeeld. Op dat bericht was Emin zeer ter neer geslagen, en hoewel ik betoogde dat dit besluit den volgenden of eenige dagen later wel weer kon zijn ingetrokken, geloofde hij dat het vaststond. Nu begon hij zich geheel aan zijn droefheid over te geven. Zulks was, na zulk een langen tijd van spanning, natuurlijk niet te verwonderen ; maar ik had wel gewenscht, dat hij tegenover zijn volk den schijn wat meer had in acht genomen, daar zijn droefheidsbetoon er een zeer slechte uitwerking op had

Ik merkte hem op, dat het volk weken aaneen kon spreken van komen, zonder er een enkelen stap voor te doen ; 't was alles vergeef sche moeite, want de minste zinspeling op het een en ander was voldoende, om hem in de diepste moedeloosheid te doen terugvallen. Het wachten en de onzekerheid waren werkelijk verschrikkelijk, en hoewel ik trachtte mijn oogen te sluiten voor het ernstige van onzen toestand, enkel om hem op te vroolijken, waren er oogenblikken, waarin zelfs ik, met al mijn aangeboren goeden moed, geen opgewekt gezelschap geweest kan zijn.

Vrees had hij niet ; dat lag niet in zijn aard. Maar zenuwachtigheid, voortgekomen uit gemis aan eetlust en slaap, maakte dat zijn hand beefde en hij bij het minste geluid opsprong.

Wij waren in het bezit van Royle's boek over Egypte en van Cameron's reisbeschrijvingen in het Fransch; terwijl wij, behalve een half dozijn romans van Walter Scott, ook nog het werk van Mevrouw Brown hadden

20S

-ocr page 241-
-ocr page 242-

■ - - V ■ ; ■

....... . .

..... ■ 1 ■ I

■ ' ....... .....

-

- ■ • ■ ■.....

,:pi. .

. .

-

.........

'

I M......... ,........ .....-...... ... ------ j • ■

1^«$ •«4- 11 '-•'

... . ■

............................IWijV-r-» ■

-ocr page 243-

EMIN PACHA.

over de Naald van Cleopatra. Hoe Emin aan laatstgenoemd werk kwam, heb ik nooit te v/eten kunnen komen. Al deze werken, zelfs dat van Mevrouw Brown, hebben wij herhaaldelijk met de grootste belangstel-ling gelezen. Buiten deze boeken hadden wij niets, behalve eenige geneeskundige werken en enkele oude Graphics. O die Graphics! Hoe dikwijls hebben wij ze doorbladerd; met welk een belangstelling zelfs de advertentiën nagegaan, tot aanprijzing van Pears' zeep of Bird's taarten meel !

Steeds liepen Casati en ik het station af en deden ons best, alle officieren, die Emin genegen waren, te overreden hun invloed ten zijnen gunste aan te wenden ; allen beloofden te doen wat zij konden , maar, uit vrees van in de gevangenis te worden geworpen, durfden zij openlijk niet veel te verrichten.

Osman Latif hield zich vrij goed en had zich tegenover alle officieren in hoogst afkeurenden zin uitgelaten over 't geen zij hadden gedaan, zoodat hij herhaaldelijk in ernstige moeilijkheden met de rebellen geraakte. Hij weigerde ten slotte zijn naam te plaatsen onder een stuk, dat beschuldicnnfren tegfen den Moedir bevatte, en toen de rebellen hem

O O O '

wilden dwingen om te teekenen, sprong hij in de rivier. Wel schreeuwden de rebellen: gt;Laat hem verdrinken! red dat galgenaas niet!quot; maar enkelen redden hem met een bootje en gelastten hem binnenshuis te blijven. Dat was jammer, want vroeger had hij geregeld in den omtrek van het station gewandeld en briefjes voor ons binnengesmokkeld.

Fadl el Moella verhoogde, in zijn hoedanigheid van Voorzitter van den Raad, vele der in opstand gekomen officieren in rang, terwijl hij en Hamad Aga, met algemeen goedvinden, den titel van Bey verkregen. Alle op de buitenstations geplaatste officieren, die bekend stonden als vrienden van Emin, werden naar Dufflé opgeroepen, gedegradeerd en vervangen door officieren, die de partij der opstandelingen hadden gekozen.

Herhaaldelijk ontving Emin aanstellingen van in opstand gekomen officieren, met verzoek die te willen onderteekenen, waaraan hij, op aanraden van Casati, voldeed. In dit geval werd zeer zeker de waarheid bevestigd van het spreekwoord ; »L''appctit vient en mangeant,quot;

2 I I

-ocr page 244-

JEPHSON,

want met dergelijke verzoeken, die steeds dringender en veeleischender werden, werd hij ten slotte bestormd.

De Raad 'hield ondertusschen dagelijks nog zittingen, om te beslissen over allerlei zaken rakende het bestuur der Provincie voor het vervolg. De opgestane officieren begonnen nu onder elkander druk te te twisten, want er zou eene oroote verandering komen in het beheer en elk verlangde een goede betrekking voor zich. De een was niet tevreden met zijn ambt; een tweede had iets tegen het station, waar hij was geplaatst; een derde wilde niet staan onder iemand, die boven hem was gesteld, terwijl een vierde dezen of genen niet als ondergeschikte verkoos te hebben. Luid en lang gekijf en getwist en tal van heftige tooneelen volgden. Daar Fadl el Moella trachtte het elk naar den zin te maken, gelukte het hem niet iemand te bevredigen. Zijn toestand was verre van benijdenswaardig, want hij werd bestormd door lieden, die allerlei soort van aanspraken op een goede betrekking onder de nieuwe regeering deden gelden.

Gedurende de eerste zittingen van den Raad hadden de rebellen een zekeren schijn van deftigheid in 't oog gehouden, maar dien na korten tijd laten varen, zoodat herhaaldelijk de meest stuitende tooneelen voorvielen.

De namiddagen en avonden werden gesleten in dronkenschap en ontucht. In zulke oogenblikken van opwinding werden de besluiten besproken, die den volgenden dag zouden worden genomen, zoodat ons lot dag aan dag op de weegschaal werd gelegd. In ons verblijf konden wij de leden van den Raad hooren schreeuwen, tieren en met elkander twisten, terwijl wij gevoelden, dat zij op het een of ander oogenblik een daad van geweld in hun hoofd konden krijgen. Het zal wel altijd een raadsel voor mij blijven, hoe wij dien tijd ongedeerd hebben doorgeworsteld. Dezelfde Voorzienigheid, die in het woud over ons waakte, zal nog over ons hebben gewaakt!

Toen de soldaten bemerkten wat er voorviel, werden zij, gelijk wij konden hooren, uiterst oproerig en ontevreden, terwijl Selim Aga mij verzekerde, dat de stemming onder hen steeds gunstiger werd voor den Moedir.

Casati en ik deden dus ons best om die gunstige stemming verder

2 12

-ocr page 245-

EMIN PACIIA.

aan te kweeken en te doen aangroeien. Wij gingen bevriende lieden opzoeken en verdochten hun, zoo vaak zij konden, met de soldaten te spreken ; wij moesten dit evenwel met de grootste omzichtigheid en met oordeel doen, want al onze bewegingen, in het bijzonder de mijne, werden streng nagegaan.

In dezen voor ons zoo onaangenamen tijd bracht mijn bediende Binza mij in de grootste verbazing door zijne verklaring, dat hij zijn tegenwoordige vrouw voor eene andere wenschte te ruilen, omdat haar hoofd, zooals hij zich uitdrukte, veel te hard was.

«Goede hemel!quot; riep ik uit, »is dit een tijd om aan trouwen en't ruilen van vrouwen te denken, nu ieder ooeenblik de slaof vallen en het

1 O O

einde daar zijn kan ; bovendien hebt gij uw vrouw pas veertien dagen geleden gekocht.quot;

gt;Ja meester,quot; gaf hij ten antwoord, »ik weet wel, dat het geen tijd is om aan zulke dingen te denken, maar — maar haar hoofd was zoo hard!quot;

De nadruk, dien hij legde op de hardheid van zijn vrouws hoofd, en de deftige toon waarop hij sprak, deden mij in een lachbui uitbarsten en hem verlof geven, om zijn vrouw te ruilen voor een andere, die gt; zachter hoofdquot; had.

Ik had bijzonder veel dienst van mijn bediende Binza, want elk mocht hem gaarne lijden, zoodat ik hem geregeld placht uit te zenden, om hier of daar in het station een praatje te maken en zoodoende gewaar te worden, in welke mate de cninstige stemming: jegens den Moe-

O O Ö J O

dir toenam. Hij vertelde mij, dat de soldaten elkander geregeld bezochten en bijna allen het er over eens waren, dat de zaken veel beter gingen toen Emin Moedir was; zij dreven over 't algemeen den spot met het besluit van Fadl el Moella omtrent de ranpfsverhooeingen van de

o 00

officieren en de aanstelling van llamad Aga tot »Bey.quot; Binza bracht mij van de weinige vrienden, die wij buitenaf hadden, gedurig briefjes, die hij in zijn kleeren verborg. Emin's oppassers werden hem door de rebellen ontnomen en weder naar Wadelai gezonden, om zich bij hunne compagnie aan te melden. Dit gaf wel niet veel, want ik had zelf drie oppassers en Emin vele bedienden — maar het was weder een van die kleine vernederingen, welke zij hem zoo gaarne berokkenden.

213

-ocr page 246-

JEl'IISON,

Het werd er niet beter op, toen de rebellen, onvoldaan over het bedrag dat zij aan geld bij Hawashi Kffendi hadden gevonden, al zijn bedienden en vrouwen grepen, vastbonden en niet zweepslagen dreigden, als zij niet bekenden, waar het verdere geld was verborgen.

Toen zij zeiden zulks niet te weten, viel er een hoogst stuitend tooneel voor, dat van den vroegen morgen tot den middag duurde. De mannen werden een voor een geslagen en ondervraagd, maar geen hunner liet een woord los over de bergplaats van het geld.

Toen daarop aï de vrouwen werden geslagen en de lange zweep zich om haar naakte ruggen krulde, uitten zij hartverscheurende kreten en jammerklachten. Daar wij in ons vertrek alles konden hooren wat er op het plein voorviel, begon ons het bloed te koken.

De vrouwen bekenden dat er in huis onder den grond een aantal ijzeren hoefnagels waren verstopt ; na opgegraven te zijn, werden zij naar het Gouvernementsmagazijn overgebracht. Hoefnagels dienen bij de inboorlingen in dit gedeelte van Afrika voor pasmunt.

De vrouwen werden daarop gevangen gezet in een tweetal woningen en Hawashi Effendi opgesloten in een van zijn eigen kleine gebouwen. Casati ging hem opzoeken, om hem te raden liever op staanden voet te zeggen, waar hij het overige geld had verborgen. Hij verkoos dat evenwel niet te doen. Hij was verbazend opgewonden, verv oekte den Moedir, vervloekte het land en zijn lot, den Khedive en den Profeet, en verder alles wat hem voor den geest kwam.

De zucht naar buit had blijkbaar vat gekregen op de in opstand gekomen oificieren, want zij schreven den Pacha om een opgave van alles, wat hij aan geld, ivoor, lijnwaad, ammunitie en papieren in zijn huis te Wadelai bezat. Zij gingen zelfs zoover van te zeggen, dat zij soldaten naar zijn huis zouden sturen, als hij hun niet dadelijk alles opgaf. Hij antwoordde in zijn huis hoegenaamd niets te hebben, dat eigendom kon zijn van het Gouvernement.

De officieren, blijkbaar niet voldaan over dat antwoord, besloten twee officieren en twee schrijvers per stoomboot te laten vertrekken, om het huis van den Moedir te doorzoeken, Al de oflicieren en beambten, die door het nieuwe bestuur uit de noordelijke stations waren weggenomen, werden per stoomboot vervoerd naar de zuidelijke

214

-ocr page 247-

EMIN PACHA.

ter vervanging der ambtenaren, die door de rebellen werden ontslagen, omdat zij bevriend waren met den Moedir. Zij namen hun gezinnen en goederen, benevens hun vee, mede. Casati zoude met de rebellen naar Wadelai gaan, om tegenwoordig te zijn bij het visiteeren van Emin's huis. Toen ik 's morgens de boot zag vertrekken, was zij zwaar bevracht met passagiers, waaronder vier van de dolzinnigste officieren en schrijvers, die het huis van den Pacha moesten doorzoeken. Op den terugweg ging ik Osman Latif mijn eerste bezoek in zijne woning brengen. Ik vond hem op een mat gezeten, bezig zijn vier jongens les te

geven in het lezen en schrijven. Als leerboek gebruikte hij, gelijk bij de Mahomedaansche jeugd altijd plaats heeft, den Koran

Hij was, zooals hij zeide, zeer vereerd dat ik hem opzocht en verontschuldigde zich sterk, dat hij eigenlijk niet behoorlijk gekleed was om mij te ontvangen. Had hij geweten dat ik komen zou, zoo enz. enz. — de gewone Egyptische complimenten.

Hij gaf luid lucht aan zijn betuigingen vanleedwezen en spijt over alles, wat er was voorgevallen, en zeide dat hij gedurig het volk er op had

215

-ocr page 248-

JEPHSON,

gewezen, dat men hiernamaals zou moeten boeten voor hetgeen men op de wereld misdreef. Hij was zeer nieuwsgierig eens van mij te vernemen, of ik dacht, dat Egypte of Engeland, wanneer het van kwaad tot erger kwam, een Expeditie zouden uitzenden, om deze beleedigingen te wreken ? Toen ik daarop antwoordde zulks voor mogelijk te houden, scheen hij daarover zeer voldaan. Daarop vroeg hij : «Gij zijt een Engelschman, de Moedir is een Duitscher, Casati een Italiaan, Dr. Juncker, die deze landstreek kent, een Rus ; waarom vereenigen zich al deze natiën van Europa, bevriend als zij met elkander zijn, nu niet, om zich van Soedan meester te maken ?quot;

»Omdat zij daaraan geen behoefte hebben,quot; hernam ik. Hij bepaalde zich tot de opmerking, dat hij wist, dat de Engelschen Abessynië hadden verwoest, omdat de koning drie of vier van hunne landgenooten had vergiftigd, zoodat hij niet kon inzien waarom zij het niet zouden doen. Hij verzocht mij alles, wat er in de Provincie voorviel, nauwkeurig aan te teekenen in mijn boek, dat ik, zooals hij had gehoord , dagelijks bijhield. Voor wij vertrokken haalde hij zijn moeder, een gerimpelde oude vrouw, die mij bijna flauw deed vallen van de vochtige kussen, die zij op mijn beide wangen drukte. Zij noemde mij haar zoon en smeekte Allah den Moedir en mij te willen zegenen.

Tegen een langdurige gevangenschap en de mishandelingen bleek Hawashi Effendi's fierheid niet bestand te zijn, want wij hoorden, dat hij. kort na de algemeene lichaamskastijdingen der zijnen, een stuk had gezonden aan Eadl el Moella, dat een getrouw verslag zou bevatten van al de geschenken, door hem aan den Moedir gegeven. De lijst was verbazen l lang en bevatte een groot aantal koeien, geiten, schapen, geld, vrouwen en allerlei dingen meer. In werkelijkheid had hij den Moedir geen grootere geschenken gegeven dan alle andere menschen uit vriendschap hadden gedaan ; at en toe eenige groenten ol vruchten en een enkele maal een pot met honing, of, wanneer Emin door zijn station trok, een paar geiten.

Emin had zich, in afwijking van de meeste Gouverneurs in Egypti-schen dienst, tot regel gesteld, van niemand een kostbaar geschenk aan te nemen. Iedereen in de Provincie kon dat getuigen. Maar, daar de rebellen geen enkele der beschuldigingen konden bewijzen, die zij tegen

-ocr page 249-

EMIN PACHA.

hun Moedir hadden ingebracht, waren zij er maar al te zeer op belust hem van iets te betichten, dat indruk kon maken op het volk.

Ook Kismullah, de man die vogels voor hem verzamelde en zijn grootste gunsteling was geweest, viel hem af en toonde de snoodste ondankbaarheid. Emin was altijd voor hem de vriendelijkheid zelf en had voor hem gedaan wat hij kon. Van alle kanten hoorden wij, dat officieren, op wie Emin het meest had vertrouwd, tot de rebellen waren overgeloopen.

Ik placht afkeer en minachting te gevoelen voor de lieden, die geen moed of volharding in hun binnenste hadden en zuchtten bij elk nieuw bewijs voor hunne trouweloosheid en ondankbaarheid. Maar, was dit eigenlijk wel geheel juist? Zij waren niet meer dan een domme en half-beschaafde bende ; zij zagen de kansen voor den Moedir, om ooit weder het hoofd boven water te krijgen, hand over hand minder worden. Inmiddels werd hun slechte behandeling door de in opstand gekomen officieren bij den dag ondragelijker; zij werden mishandeld, be-leedigd en geplunderd. Om hunne vrouwen en kinderen te redden, ot liever, om de middelen te bekomen, dat zij hen konden onderhouden, schaarden zij zich aan de zijde der rebelien en lieten hun Moedir in den steek. Zij gaven toe dat hij goed voor hen was geweest, maar, onder het optrekken der schouders, voegden zij er met gevouwen handen bij: »Wat kunnen wij er aan doen?'

Zoo vaak er een schandelijke ondankbaarheid aan het licht kwam van iemand, met wien Emin onafgebroken bevriend was geweest, ontstak ik in toorn en riep uit dat deze lieden geen enkele loffelijke eigenschap bezaten ; maar is het in dat opzicht beter gesteld bij beschaafde volkeren ? Wordt niet de Europeaan even sterk door eigenbelang beheerscht als de wilde ?

't Was daarom misschien niet zoo verwonderlijk, dat wij eiken dag hoorden van nieuwe pogingen tot desertie, van ondankbaarheid en bedrog. Maar het was om wanhopend te worden, de teleurstelling op Emin's gelaat te lezen en zijn ter neer geslagen blikken te aanschouwen,telkens als hem weer nieuwe gevallen van bedrog in zijn meest geliefde volgelingen ter oore kwamen. Dan schudde hij het moede hoofd en scheen men in zijn oogen te lezen: gt;Et Brute!quot;.

217

-ocr page 250-

JEPHSON,

De soldaten waren ontevreden, meer nog omdat zij zich niet konden schikken in de nieuwe regeling, dan omdat zij het met hun Gouverneur hielden. Wij hoorden hen steeds luider uiting geven aan hun weerzin jegens de rebellen, maar wij konden op hun hulp niet veel rekenen, daar een enkel woord der opgestane officieren in den regel voldoende was, om hun openhartigheid aan den kant te zetten, zoodat al hunne praatjes en hun gemor in rook vervlogen. Nog was één ding mogelijk, waarvan wij goede verwachtingen meenden te mogen koesteren, maar ook dit liep, als al het vorige, uit op niets.

Fadl el Moella en de verdere ofticieren waren namelijk te weten gekomen, dat de soldaten reeds lang ontevreden waren geweest en over alles, wat er voorviel, morden. Daarom monsterde Fadl el Moella op een goeden morgen de soldaten en vroeg hij wat er aan scheelde. Daarop verlieten vijf officieren de gelederen en zeiden dat zij een hekel hadden aan het nieuwe bestuur en het herstel van den Moedir besfeerden. Na gevat en in de gevangenis geworpen te zijn, wendde Fadl el Moella zich onmiddellijk tot de soldaten en riep uit: »Dwazen, die gij zijt 1 Toen ik hier kwam om u te vragen, of gij in het land wildet blijven of mede gaan naar Zanzibar, met achterlating van uwe vrouwen en kinderen, hebt gij geantwoord hier te willen blijven ; nu zegt gij den Pacha als uw Moedir te begeeren, die daarin anders wil handelen dan gij. Wat bedoelt gij dus ?quot;

De soldaten antwoordden uit één mond: gt;Wij willen hier blijven.quot; Daarop gelastte Fadl el Moella hun geen ontevredenheid meer te too-nen en liet hen heengaan. Maar na verloop van eenige uren kwamen de soldaten gezamenlijk op de in opstand gekomen officieren af, om de vrijlating hunner makkers te eischen, met de bedreiging dat zij, wanneer deze niet onmiddellijk in vrijheid werden gesteld, de gevangenis zouden afbreken om hen te verlossen. Aan dien eisch werd op staanden voet voldaan, want de rebellen gevoelden wel, dat zij de soldaten niet langer in bedwang konden houden. Daar zij evenwel een groot gedeelte van Hawashi Effendi's runderen en schapen onder het volk verdeelden, geraakten de soldaten weder in een goeden luim. Dergelijke tooneelen kwamen veelvuldig voor, maar liepen op dezelfde wijze op niets uit. Emin had sterk gerekend op een opstand van de soldaten en was zeer

2 I 8

-ocr page 251-

EMIN PACHA.

te leur gesteld over dezen afloop eener beweging, waarvan hij gemeend had een ommekeer ten zijnen gunste te mogen verwachten.

Hij stelde zich het ergste voor, liet twee officieren en een geestelijke roepen, maakte zijn testament en verzocht mij, na zijn dood, de zorg voor de kleine Farida op mij te willen nemen. Hij gat de officieren en den geestelijke te kennen, dat hij liever zijn laatsten adem zou willen uitblazen dan naar Rejaf vertrekken, zcodat hij zich op den dood wilde voorbereiden, ingeval de rebellen geweld tegen hem mochten gebruiken. Hij weigerde voortaan iets meer te teekenen, wat zij hem ook voorlegden. Zij mochten hem hebben afgezet, hij was en bleef de door den Khedive aangestelde Moedir en niemand in de Provincie had het recht hem te vonnissen.

Van lieverlede werd ons minder voedsel bezorgd en ten laatste zagen wij in het geheel geen vleesch meer; slechts een weinig graan, nauwelijks genoeg om 't leven bij te behouden, konden wij krijgen.

Hier laat ik de vertaling volgen van een brief van Osman Latif aan Emin ; deze kan als voorbeeld dienen van de vele stukken, die wij ontvingen, om ons op de hoogte te houden van hetgeen er dagelijks in het station voorviel. Men kan er uit zien, dat de soldaten, al werden zij door de officieren ook nog zoo sterk opgezet tegen hun Gouverneur, toch niet allen tegen hem waren.

gt;Mijn Weldoener !

»Uw dienaar heeft de eer u te vertellen, wat hem ter oore kwam. De soldaten hebben, toen de officieren hun het besluit voorlazen om u af te zetten, eenparig verklaard, dat zij uw ontslag niet verlangden. Zij wenschten alleen de verwijdering van Hawashi Effendi, Ibrahim Effendi en Abdoel Wahad Effendi en begeerden dat gij hier blijven zoudt, om hen te regeeren, omdat gij als 't ware hun een vader en een moeder waart. De soldaten waren daarin allen eenstemmigf. Toen men u schriftelijk gevraagd heeft om uw ivoor en andere dingen, hebt gij de rebellen geantwoord : gt;Ik ben uw Pacha en Moedir en niemand heeft het recht mij in verhoor te nemen, behalve de Egyptische Minister van Binnenlandsche Zaken;quot; gij hebt daaraan welgedaan want wat gij zei-

-ocr page 252-

JEPHSON,

det, is de zuivere waarheid en van dat oogenblik af aan deinzen zij er voor terug, u met verdere vragen lastig te vallen. De eerste schrijver, Achmed Effendi Raif, Moestapha Effendi en anderen, die zich aan 't hoofd der opstandelingen hebben gesteld, zijn volstrekt niet op hun gemak, zoodat de Raad nu louter tot een bespotting is geworden. Hoven-dien beginnen zij bang te worden voor de soldaten en zien zij tegen Stanley's terugkomst op. Laat de heer [ephson Fadl el Moella gaan verzoeken eenige dikstaartige schapen te mogen koopen van dezelfde soort als Hawashi Effendi werden afgenomen, voor zij allen weg zijn. Ik houd mij overtuigd, dat Fadl el Moella den heer [ephson alles toestaat, wat hij vraagt. Ik heb gehoord, dat de rebellen hebben besloten u hier in Dufflé te laten, daar zij bang zijn voor de soldaten, en dat ik gevankelijk naar Laboré zal worden opgezonden, omdat ik mij niet aan hun Gouverneur heb onderworpen. Maar ik sta niet voor de waarheid van dit gerucht in.

ïlk verzoek u den heer jephson hartelijk van mij te groeten. Laat hem bedaard de dingen afwachten ; want wij staan allen in Gods hand. Vriendelijk verzoek ik u om eenig antwoord, want een brief staat bijna voor de helft gelijk met een bezoek.

gt;Eerbiedig kus ik u de hand.

(get.) Osman Effendi Latif, Vakeel van Hatalastiva.quot;

Daar onze voorraad steeds minder werd, moest ik er op uit om vleesch van de opstandelingen te koopen, ot er bevriende lieden om te vragen. Het hinderde Emin zeer dat ik daartoe moest overgaan, maar er was niets aan te veranderen. Een voorraad, waarvan de Pacha, ik zelf en Vita Hassan, met mijn vier bedienden zoowel als die van Emin en Vita, moesten eten, ging natuurlijk vlug op

Hamad Aga en Selim Aga deden moeite om de rebellen te bewegen tot ontruiming van de stations in Makraka en van allen, die ten nocrden van Dufflé lagen, en om stations in het zuiden te vestigen, in de richting van de in Oenyoro gelegene, die door Gordon werden verlaten. Deze maatregel, dien Emin, reeds drie jaren geleden, had trachten ten uitvoer te leggen, was een der voornaamste oorzaken geweest

2 20

-ocr page 253-

EMIN PACHA.

van den opstand van het rtc bataljon, dat Lado en de noordelijke stations niet wilde laten varen en nooit recht gelooide, dat Khartoem was gevallen.

De toenmalige bezetting van de noordelijke stations wilde daarvan niet hooren ; maar nu zij het land in den omtrek van Rejaf bijna had geruïneerd door hare aanhoudende plundertochten onder de inboorlingen, zag menigeen er de noodzakelijkheid van in, want de levensmiddelen waren er schaars geworden.

De meerderheid der in opstand gekomen officieren was voor dit plan, maar enkelen waren er in hun midden, vooral Ali Aga Djabor, die er niet eens over wilden spreken. De Voorzitter van den Raad zeide dat er besloten was tot oprichting van stations in het zuiden en het oosten, en wel te Magoengoe, Fquot;atiko, M'roeli en de meeste andere plaatsen, waar ten tijde van Baker en Gordon stations waren geweest. Ali Aga Djabor kreeg bevel naar Rejaf te trekken om het station te ontruimen, al het volk naar het oosten over te brengen en daar stations te bouwen. Dit weigerde hij ronduit; na een onstuimige woordenwisseling, trok hij misnoegd naar huis en bleef daar verscheidene dagen drinken en zwelgen met alle officieren, die zich niet met de plannen van den Raad hadden kunnen vereenigen.

De bevolking was volkomen gedemoralizeerd ; elk had zijn eigen denkbeelden en wilde die ten uitvoer zien gelegd ; waar het op uitvoering van bevelen aankwam, kon men op niemand, zelfs niet op de soldaten meer rekenen ; overal heerschte verwarring en anarchie. De stoombooten hadden het verbazend druk met het vervoer van ambtenaren en officieren naar hun nieuwe standplaatsen ; maar deze waren zeer misnoegd en klaagden zonder ophouden, daar zij bijna allen geen zin hadden in de standplaatsen of betrekkingen hun door Fadl el Moella aangewezen.

Aanhoudend liepen er geruchten over allerlei onderwerpen, maar zij waren zoozeer met elkander in strijd, dat het overbodig is er hier bij stil te staan.

Vita Hassan, de apotheker, deelde onze gevangenschap en hield met ons verblijf onder hetzelfde dak; wij zagen hem weinig, behalve des avonds. Hij was droef te moede en gedrukt, want de terechtzittin-

22 1

-ocr page 254-

JEPHSON,

gen, waarin de beschuldigingen, tegen hem ingebracht, werden onderzocht, duurden reeds tal van dagen, terwijl er steeds dingen van hem aan het licht kwamen, die niemand had durven denken. Op al die zittingen kwamen er voortdurend zaken uit, waardoor ten duidelijkste bleek, hoe akelig en bedorven de toestand was, waarin de Provincie verkeerde — een bederf, dat onafscheidelijk scheen van de Mahomedaansche, bijna zou ik gezegd hebben, van de Egyptische levensmanier.

De rebellen waren op nieuw Vita's huis binnengegaan en hadden een groot aantal zijner goederen in bezit genomen; hij was daaromtrent zeer onverschillig en scheen alleen te moeten praten over Stanley's komst en onze kansen, dat wij dan goed en wel het land konden verlaten. 's Avonds kwamen wij met ons drieën bij elkaar om een pijpte rooken in de buitenlucht en te spreken over de voorvallen van den dag. Steeds waren Stanley's komst en het beste middel om met hem in aanraking te komen, de onderwerpen van onze gesprekken. Wij plachten gewoonlijk een kruik whiskey te koopen, om op onze bijeenkomsten iets te drinken te hebben, enkel en alleen, om de eentonigheid van onze afzondering te breken.

Onder de vele gesprekken met Vita bij die gelegenheden gehouden, herinner ik er mij een, dat een denkbeeld kan geven van de verregaande onbevattelijkheid van deze menschen op het punt van vertrek uit de Provincie. Hij was begonnen mij te vragen, hoeveel dragers Stanley hem voor zijn goederen zou kunnen geven, in geval hij in staat mocht zijn ons uit het land te geleiden. »Waarschijnlijk geen enkelen,quot; gaf ik ten antwoord. »En mijn vrouwen dan ?quot; merkte hij op. sZij moeten loo-pen.quot; »En mijn kinderen?quot; «Die moeten ook loopen, als de vrouwen hen ten minste niet kunnen dragen.quot; j.En mijn levensmiddelen ?quot; «Uw voedsel krijgt gij onder weg en gij en de uwen moeten er zelf voor zorgen, even goed als wij.quot; «En ons keukengereedschap, onze doozen, stoelen, canapés, bedden, enz.quot; »Gij kunt er het grootste gedeelte wel van wegwerpen,quot; hernam ik.

Daarop trok hij een benauwd gezicht, en zeide, na eenig nadenken, dat zulks naar zijn meening een hard geval was.

»Een hard geval? Wel man, wat hebben uw potten en pannen, uw

2 2 2

-ocr page 255-

EMIN PACHA.

bedden, uw doozea, tafels en stoelen te beduiden, in vergelijking met uw leven en uw vrijheid ?quot; Ik zeide dat wij een kist konden gebruiken voor tafel, een tweede voor stoel ; dat wij geen bedden noodig hadden, maar ons op den grond een leger konden maken van gras en groene bladeren, waarop wij even gemakkelijk konden uitrusten, zoodat het op hetzelfde neer kwam. Zóó spraken die menschen, het schuim van den aardbodem, het uitschot van Kaïro en Alexandrië, die in hun eigen land armoede hadden geleden en zich aanstelden, alsof zij al hun leven gewoon waren geweest aan bediening van een groot personeel. Zij waren verwend en door en door bedorven in Emin's Provincie, waar elk gewoon was aan dragers, zooveel hij verkoos. Zij verlangden alle mogelijke prullen mede te nemen ; zij begeerden een man om hun pijp en tabak te dragen, een tweeden voor hun badkuip en de hemel mag weten, hoeveel meer voor andere zaken. Zij hadden zich voorgesteld op die manier naar Zanzibar te reizen en al hun waardelooze goederen mede te voeren. Zij beschouwden het als dwingelandij, iets te moeten missen. Ook wilden zij al hunne vrouwen laten dragen, zoodat er voor elke vrouw dagelijks vier bedienden moesten zijn. Die vrouwen —- elk had er minstens vijf of zes — waren voor weinige jaren of maanden nog wilden en al haar leven gewoon geweest 0111 te loopen ! In 't geheel had Emin in Hatala-stiva misschien een eevolsf van acht duizend zielen ! Hoeveel dragers

OO O

werden er niet vereischt om de vrouwen, kinderen en goederen van deze menschen naar Zanzibar te brengen ! quot;t Land zou ons niet kunnen voeden en wij zouden oud zijn geworden, vóór wij aan de kust kwamen.

't Was om razend te worden, a!s men naging, hoe ongeschikt deze lieden waren om te begrijpen, dat zij, als zij onze hulp noodig hadden, tot zekere hoogte ook zich zelf moesten weten te redden. Er waren menschen bij, voor wie de ontruiming van het land een zaak van leven en dood was geworden (ik heb hier in't bijzonder de Egyptenaren, Kopten, joden en Grieken op het oog, die zeer zeker zouden worden vermoord na 't vertrek van Emin) en die, gelijk men zich kan voorstellen, er wel iets voor over mochten hebben om weg te komen, en toch morden, dat zij hun schamele bedden, tafels en potten moesten achterlaten.

Welk een verschil met mijn tochtgenooten, die allen, min of meer

223

-ocr page 256-

JEPHSON,

aan welstand gewend, hier waren gekomen om te arbeiden en allerlei beproevingen en onaangenaamheden hadden uitgestaan, enkel en alleen om menschen te helpen, die zij nooit te voren hadden gezien !

Als ik bedacht wat zij al niet hadden ondervonden , als ik dacht aan Nelson, aan zijn lot overgelaten in het woud, en daar tegenover ste'de wat ik moest hooren van deze op lagen trap staande, vadsige lieden, die begonnen te klagen, toen hun gezegd werd, dat zij zich tot zekere hoogte zelf moesten redden, kon het niet anders, of ik moest hen wel minachten.

Het aangehaalde is slechts een voorbeeld van al hetgeen ik te hooren kreeg, als de een of ander mij aansprak over de reis naar Zanzibar.

Dankbaar jegens ons was niemand. Toen zij hoorden van het bedrog, dat wij onder weg hadden ondervonden ; toen zij den ellendigen toestand zagen, waarin wij aankwamen ; toen zij op de hoogte werden gebracht, hoe slecht wij het op onzen tocht hadden gehad, beschimpten zij ons op den koop toe en konden er niets in vinden te bewonderen.

Als wij in nette met goud uitgemonsterde unifurmen waren aangekomen en een trotsche houding hadden aangenomen, zouden zij ons de voeten gekust en min of meer als hun bevrijders beschouwd hebben. Het baatte niet, of wij al vertelden, dat wij, officieren, bij het meer waren gekomen, elk met slechts twee dragers ; zij konden het zich niet voorstellen. De waarheidsliefde van den Europeaan, de wijze waarop deze zich uitdrukt, hadden in hun oog geen zin ; men zou de manier, waarop in Hatalastiva werd gedacht en gesproken, hebben moeten aannemen, om hen in staat te stellen een flauw begrip van het woord arbeid te krij gen.

De officieren en schrijvers, die Kmin's huis hadden doorzocht, namen, zooals wij hoorden, al zijn kleederen, koralen en koperstaven mede; ook zijn ammunitie, geweren en papieren, zoodat zij inderdaad een volslagen plundering ten uitvoer hadden gebracht. Het was bevreemdend zoo spoedig als de stemming tegen Hawashi Effendi verkeerde, toen de rebellen hem maar eenmaal beroofd hadden van alles, wat hij bezat. Zoo ging het, tot zekere hoogte, ook ten opzichte van Vita Hassan.

Toen maar eenmaal de huizen van de voornaamste kwelgeesten wa-

224

-ocr page 257-

EM1N PACHA. 225

ren geplunderd, verkoelde de hitte van den opstand en kwam er een al-gemeene geest van ontevredenheid en ^laisser fairequot; over de Provincie.

De opgestane officieren schenen het druk te hebben met zich te vergasten aan de vette schapen en geiten, waarvan zij Hawashi Effendi hadden beroofd. De Raad hield nog alle dagen een korte zitting, terwijl de commissie van onderzoek onafeehroken voorteine met het inbrenlt;jen

O ö O quot;

van beschuldigingen tegen den Moedir, Vita en anderen.

's Namiddags werd er geslapen, 's avonds gedronken en uitgespat, waarbij de officieren geheel in hun particulier getwist en ijverzucht schenen op te gaan.

-ocr page 258-

HOOFDSTUK X.

DE INVAL VAN DE TROEPEN VAN DEN MAHDI.

De Mahdisten naderen. — Algemeene ontsteltenis. — Het Ministerie van Koophandel.

— De Raad in der haast bijeengeroepen. — Er worden soldaten naar Rejaf gezonden. — Onverdedigbare toestand van de Provincie. — Aankomst van de Pauw-derwischen. — De Bijbel en het Zwaard. — Brief van den Generaal dor Mahdisten. — Emin wordt gesommeerd zich over te geven. — De rebellen vragen Emin om raad. — Abderrahim, de zoon van Osman Latif. —

— Zijn moedig gedrag. — Voornemens van de rebellen. — Verhoor der derwischen. — De stoomboot van Khartoem. — Het werk van Royle over Egypte. — De voorraad in 't magazijn van Khartoem. — Vluchtelingen in Dufflé. — Roof en geweldpleging onder de soldaten. — Emin's onbaatzuchtigheid. — Brief van Osman Latif. — De slag valt. — Rejaf wordt ingenomen. — Algemeene opstand van de inboorlingen. — De derwischen op de pijnbank. — Kloekmoedige dwepers. — Nadere tijdingen over den val van Rejaf. —Een gevaarlijke stap. — Bijgeloof onder de soldaten. — Dufflé in staat van verdediging gebracht. — Mijn raad aan de rebellen. — Onversaagdheid van de derwischen. — Hun wreede dood. — Martelaarschap.

Eensklaps kwam op den 15(]en October, als een donderslag temidden van de stilte, het bericht uit de lucht vallen, dat de Mahdisten in aantocht waren ! Er was in allerijl een soldaat, die dag en nacht moest

-ocr page 259-

EMIN PACHA.

doorreizen, met een brief naar Dufflé gezonden, die het bericht behelsde dat drie stoombooten met necren »Sandalsquot; en jNuo-grarsquot; uit Khartoem

O oö

te Lado waren aangekomen ; volgens den brief waren deze stoombooten en vaartuigen sterk bemand geweest. Op deze tijding sloeg den rebellen de schrik om het hart ; de trompet werd gestoken, een spoedeischende vergadering belegd, het geheele station kwam op de been. Enkelen beweerden, dat de naderende troepen moesten behooren aan het Egyptische Gouvernement ; eene meening, die gedurende eenige uren veld scheen te winnen, maar alras vervloog, daar er een boodschapper kwam met de tijding, dat een officier en vijftig soldaten, op het vernemen van het nieuws, dadelijk uit Rejaf vertrokken en teruggekeerd waren met het bericht, dat het werkelijk de verschrikkelijke Donagla's waren.

Ongetwijfeld waren het dezelfde vreemdelingen, die voor twee maanden, gelijk wij gehoord hadden, zich in Latooka bevonden. Werkelijk vernamen wij later, dat het dezelfde lieden waren; zij waren te Boa geland, hadden tegen de inboorlingen aldaar hardnekkig gevochten en daarbij veel manschappen verloren. Was dit niet voorgevallen, zoo waren zij reeds vier maanden eerder in Lado geweest

Toen ik, eenige maanden later, in Kairo was aangekomen, zond Majoor Wingate, het hoofd van het Ministerie van Koophandel, mij, tot mijn bevreemding, een buitengewoon nauwkeurig verslag van het gebeurde te Latooka, samengesteld uit berichten van de inboorlingen. Een paar zaken waren een weinig verward ; maar het pleit zeer ten gunste van het Ministerie, dat het, alleen uit inlandsche bronnen, zoo spoedig een getrouw verslag- kon samenstellen.

O O

Nadat tegen den avond een tweede vergadering was gehouden, vertrok Hamad Aga nog denzelfden nacht met twee of drie officieren, zestig soldaten en vier kisten met ammunitie, in allerijl naar Rejaf, ten einde het station zoodra mogelijk te ontzetten. Den volgenden dag vernamen wij, dat drie derwischen, boden van de Mahdisten, met een brief voor Emin naar Dufflé op reis waren. Uit de berichten in den brief konden wij afleiden, dat de Donagla's met bijzonder overleg moesten hebben gehandeld. Zij hadden te Lado hun kamp opgeslagen, op de plek waar het oude station had gestaan, en twee stations naar het westen opgericht, om alle gemeenschap met Makraka te beletten en zoodoende

227

-ocr page 260-

JEPIISON,

de soldaten en de bevolking aldaar te verhinderen zich met de hoofdmacht te Rejaf te vereenigen. Te Dufflé stond men versteld over het bericht, geen kik hoorde men in 't heele station geven ; elk was ten diepste gedrukt. Men was van schrik als aan den grond genageld en wist niet wat te beginnen.

Als het een afgesproken plan van de Donagla's was geweest, hadden zij op geen ongelukkiger tijd kunnen komen. Alles was in de Provincie in de war; op de noordelijke stations ontbraken een groot aantal officieren en soldaten , terwijl die te Dutflé ter bijwoning van den krijgsraad afwezig waren ; al de stations hadden dus gebrek aan flinke verdedigers en waren slechts bezet door soldaten, die met recht op hun officieren gebeten waren. Niemand stond aan het hoofd om de zal een te regelen, de officieren gaven wel honderd bevelen, maar allen in strijd met elkander, zoodat er geen enkel van werd opgevolgd; de geheele reeks noorderstations was werkelijk met geen mogelijkheid te verdedigen en lag open voor de Donagla's.

Den 17'1™ October kwamen des namiddags drie Pauw derwischen (zoo genoemd door Emin's onderhoorigen om hun bonte kleederdracht) met een brief voor Emin aan. Fadl el Moella nam dien brief onmiddellijk in beslag en las hem aan de officieren voor.

De drie derwischen waren knappe menschen van het echte Arabieren type, met fijn besneden trekken en een buitengewoon waardige houding. Zij waren alle drie precies gelijk gekleed en gewapend. Hun witte hemden van inlandsch katoen reikten nagenoeg tot aan de knieën en waren geheel bestikt met strooken rood, blauw, groen, geel en bont lijnwaad ; de hemden rafelden aan den kant uit, daar zij niet gezoomd waren. Om het middel droegen zij een katoenen rok, die de kleur van bufielleder had en tot op de enkels afhing, terwijl zij een verbazend grooten veelkleurigen tulband in vele omslagen om hun kaalgeschoren hoofden hadden gewonden. Over den rug liepen lederen riemen, waaraan een aantal kleine ronde, langwerpige en driehoekige stukjes leder bengelden, beschreven met allerlei spreuken uit den Koran. Allen hadden den Koran in klein formaat in de hand. De wapenen, die zij droegen, bestonden uit een breed, recht en tweesnijdend zwaard met zilveren gevest, in een lederen scheede, versierd met stukjes hagedissenvel, en

228

-ocr page 261-

EMIN PACIIA. 229

drie ontzagwekkende speren met breede ijzeren punten, ter lengte van 3.65 M. Die speerpunten waren 0,2 M. breed en geleken op sterk verlengde spaden. De schachten waren van bamboes, beslagen met ijzer en zullen 3Va a 4V2 M. lang geweest zijn.

Zij waren dus in letterlijken zin gewapend met den »Bijbel en het Zwaard.quot;

Toen zij het station binnen gingen, toonden zij nergens bang voor te zijn, en gaven, als men hun vroeg, wat zij kwamen doen, ten antwoord : gt;Wij zijn gekomen om u het rechte pad naar den Hemel te wijzen, en u, even als wij, ware geloovigen, het echte gebed der Muzelmannen te leeren uitspreken.quot; Er ontstond een groot verschil van gevoelen, wat er met die lieden moest gebeuren. Enkelen wilden hen geboeid opzenden naar Fabbo of een van de zuidelijke stations ; anderen beweerden dat zij onmiddellijk moesten worden gedood. Voorloopig werden zij evenwel geboeid en in een der gevangenissen opgesloten. Zij schenen niets te geven om hetgeen er met hen gebeurde. Wij hoorden, dat zich bij de Donagla's een zekere Osman Krbab bevond, vroeger een van Emin's schrijvers ; hij was goed bekend met den weg door het land, zoodat hij dubbel gevaarlijk kon worden. De soldaten verkeerden in de grootste opgewondenheid, trokken gezamenlijk naar het verblijf der rebellen en drongen er bij Fadl el Moella op aan, dat hij een beroep zou doen op den Moedir, om bijstand in den nood. I )aar hij vreeselijk was geschrikt van het gebeurde, gaf hij toe en zond een officier naar Emin, met de boodschap, dat de officieren allen plan hadden bij hem te komen, om hem te raadplegen over de pas ontvangen tijdingen. Op Emin's antwoord, dat hij bereid was hen te ontvangen, gingen, nadat de noodige stoelen in het vertrek waren geplaatst, allen naar binnen. De meesten zagen er bij het binnentreden zeer beschaamd uit, terwijl allen hem eerbiedig groetten. Wel mochten zij zich schamen, dat zij, na al wat zij hadden gedaan, zich ten slotte; nog genoopt moesten gevoelen, hem om raad te komen vragen.

De brief luidde als volgt :

-ocr page 262-

Jephson,

„Omar Saleh, een dienstknecht Godes, belast met de aangelegenheden dei-Provincie Hatalastiva, officier van den Mahdi, wien wij al onze groeten en betuigingen van eerbied aanbieden,

aan

„den Zeergeëerden Mahomet Emin, Moedir van Hatalastiva, dien God moge leiden langs de paden van Zijne Genade ! Amen.

„Na U mijn heilgroet te hebben gebracht, wensch ik U voor den geest te roepen, dat de wereld een huis is des verderfs en der ongerechtigheden. Alles wat van de aarde is, moet eenmaal ondergaan; zij bevat niets, dat voor een oprecht dienaar van den Eeuwige waarde heeft, behalve hetgeen hem dienen kan in het leven na dit leven. Als God Z'jn gunsten wil bewijzen aan Zijn' dienaar, maakt Hij hem beschaamd, maar zegent meteen wat hij doet. De Heer brengt zegen, overal waar Hij zich openbaart. Geen woord, geen daad van God, of zij dragen de blijken van Zijn onbegrens l mededoogen. God, de Heer van alle schepselen, bezit do sleutels voor alle dingen; in den hemel zoowel als op de aarde gaat niets Zijn macht te boven; Hij ziet alles van binnen en van buiten; alles, hetzij goed, hetzij kwaad, ligt in Gods hand. De Koning geeft Zijn geschenken, aan wien het Hem behaagt en als Hij zegt: .,Zoo zij het 1quot; gebeurt het ook.

„Gij zijt scherpzinnig en in staat een goeden raad te waardeeren. Zoo hebben wij dikwijls over u hooren spreken door velen van uwe vrienden, die ons van uw leven en uwe werken hebben verhaald, bovenal door Osman Krlab, uw boodschapper en onze vriend, toen hij bij ons was. Daar wij hebben gehoord, dat gij goed zijt voor uw volk en de rechtvaardigheid lief hebt, willen wij u zeggen, wat wij hebben gedaan en in welk een' toestand wij verkeeren, omdat wij vele vijanden hebben, die niet eerlijk over ons doen en laten spreken, zelfs de waarheid in het aangezicht slaan. Wij maken deel uit van de goddelijke heirr.charen en handelen alleen naar Gods woord. De overwinning vergezelt ons leger en wij volgen den Iman, Mahomet el Mahdi, den zoon van Abdoellah — tot wien wij ons aangetrokken gevoelen — den Kalief en Profeet van God, Wien wij onzen lof brengen. Van hem zeide ile Meester van alle dingen: „In die dagen zal er een man opstaan, die de aarde des te meer zal vervullen van rechtvaardigheid en licht, naar mate zij in duisternis en onrechtvaardigheid is gedompeld.quot; Thans komen wij op bevel van Hem en zal er niets op deze wereld, die voorbijgaat, verschijnen behalve het goede, dat hij verleent. Wij hebben als een offerande, Gode welgevallig, ons zelf, onze kinderen en onze goederen aan Hem gegeven. Aan Zijn getrouwe belijders schenkt Hij Zijn woord als een schat voor hunne zielen; hen begenadigt Hij met Zijn Paradijs. Als zij mochten vallen, vallen zij als een Hem welgevallig offer. Als zij sterven, sterven zij in Zijn dienst, gelijk geschreven staat in den Koran en het Oude Testament. Wie zijn plicht jegens God vervult, wordt door God teruggekocht.

230

-ocr page 263-

EMIN PACHA.

Wie zich geheel aan flem wijdt, wordt gekocht door den Heer van het heelal.

„In de maand liamadan van het jaar 1298 heeft God den Mahdi verwekt, dien wij verwachtten, hem tot Zijn dienaar verheven en omgord met het zwaard der overwinning. Wie den Mahdi vijandig is, lastert (Jod en Zijn Profeet, Hij zal smarten ondervinden in deze wereld, en in de volgende ; zijn kinderen en zijn goederen zullen in handen van de ware Muzelmannen vallen. De Mahdi zal al zijn tegenstanders verslaan, al waren zij ook zoo talrijk als het zand van de woestijn ; wie hem ongehoorzaam is, zal door God worden gestraft. De Heer heeft den Mahdi gewezen op alle engelen en heiligen, van den tijd van Adam af tot op den dag van heden toe; Hij heeft hem ook alle groote geesten en al de duivelen getoond. De Mahdi heeft tot voorbeeld het leger onder aanvoering van Israel; hem zij onze eerbied gebracht! Altijd blijft Israel zijn zegevierend leger van veertig duizend strijders ten voorbeeld. Bovendien heeft God velerlei wonderen aan den Mahdi verricht ; het zou onmogelijk zijn allen op te sommen, maar zij zijn zichtbaar als de zon op 't midden van den dag. En het volk, gehoorzaam aan den Eeuwige en den Proleet, zal hem volgen.

„De Mahdi zal het volk bevel geven om op te staan en hem te helpen in den strijd tegen zijn vijanden, van welken kant zij ook komen. Hij heeft aan den Gouverneur-Generaal te Khartoem en aan al de Gouverneurs van Soedan geschreven en zijn bevelen werden ten uitvoer gelegd. Hij heelt geschreven aan iederen Koning, allereerst aan den Sultan van Stamboel, Abdoel-Hamid. Plij heeft geschreven aan Mahomet Tewfik, Khedive van Egypte, en aan Vic -toria. Koningin van Groot Brittannie, omdat zij een bondgenocto was van de Egyptische regeering. Van alle kanten zijn daarop mannen gekomen, om zich te onderwerpen aan zijne wetten, en te zeggen, dat zij gehoorzaam wilden zijn aan God, aan den Proleet en aan hem, want er is maar één Opperwezen. Zij hebben verder beloofd zich van alle kwaad te zullen onthouden, geen diefstal, geen overspel te zullen bedrijven, noch iets anders, wat de Eeuwige mocht hebben verboden. Zij hebben beloofd zich van de wereld af te wenden, slechts te arbeiden voor Zijn heilig woord, en altijd den strijd aan te binden voor het heilig geloof.

„Ook wij hebben ondervonden, dat bij, de Mahdi, ons hartelijker lief heeft dan eene teedere moeder. Hij leeft te midden van de grooten, maar hij heeft medelijden met de geringen. Hij omringt zich met mannen van aanzien en ontvangt de generaals in zijn huis; hij spreekt rechtuit. Hij brengt de menschen tot God; helpt hen op deze wereld en wijst hun den weg ten hemel. Hij regeert over ons naar het goddelijk woord en de openbaring der profeten. En al de Muzelmannen zijn broeders geworden en staan elkaar bij ten bate van het algemeen welzijn en werden dienaren van den Alziende, die gezegd heeft: „Alle menschen zijn gelijk voor God.quot; God heeft gemaakt dat de tijd van den Mahdi aanbrak, dat diens vrienden de Zijne werden en dat bet volk in Hem geloofde, gelijk Abd-el-Kader el Oeli in Hem gelooft en zegt, dat hij die den Mahdi volgt, de eeuwige zegeningen deelachtig wordt, doch dat hij die hem loochent. God en

231

-ocr page 264-

JEPHSON,

Zijn Profeet verzaakt. Maar al de Turken in Soedan, die de wonderen en de voorspellingen hebben aanschouwd en er niet aan geloofden, zijn door God tot den ondergang gedoemd.

„Het eerste leger, dat tegen den Mahdi optrok, stond onder Aboe Soud Eey, die met een stoomboot te Abba kwam. Hoewel de Mahdi krachtig werd aangevallen, verdelgde God zijn vijanden. Toen gaf de Profeet hem bevel zich naar Gedir te begeven, en hij ging. Maar Raschid Iman, Moedir van Fashoda, volgde Aboe Soud Bey op. Daarna kwamen Youseph Pacha el Shilali, Mahomet Bey, Soeliman el Shaiki en Abdoellali Wadi Defallah, een koopman uit Kordotan, en met hen een ander machtig leger, maar God vernietigde het. Vervolgens vertoonden zich de troepen van Hicks, een man van naam, en met hem Al ed Din Pacha, Gouverneur Generaal van Soedan, en vele officieren met een talrijk leger, uit verschillende landen bijeengebracht — niemand behalve God kent hun aantal — en vele Krupp-kanonnen. Allen werden binnen het uur gedood; hun macht werd vernietigd bij Khartoem, den zetel van den Gouverneur-Generaal, een sterke vesting tusschen de twee stroomen.

„Te Khartoem sneuvelden Gordon Pacha, de Gouverneur, en de Consuls Hansal en Nicolaas Leontides, de Griek, Azer, de Kopt, en vele andere Christenen en opgestane Muzelmannen, Farradj Pacha Ezzeim, Mohamet Pacha Hassan, liachit, Batraki en Achmed Bey el Djelab. Al wie door de volgelingen van den Mahdi werd gedood, werd onmiddellijk verbrand. Uit is wel een der groote wonderen, die de waarheid bevestigen van de voorspellingen, waarvan de verwezenlijking het einde van de wereld zal voorafgaan. Een nieuw mirakel kwam aan het licht; al de lansen, die de aanhangers van den Mahdi voerden, droegen op de punten een vlam ; wij hebben dat met eigen oogen gezien en niet van hooren zeggen.

„Inmiddels volgde bij Soeakim en Dongola de eene gebeurtenis de andere op. Destijds sneuvelde de Generaal Stewart Pacha, de plaatsvervanger van Gordon, en met hem vele consuls bij Wadi Kama. Er kwam een tweede Stewart met Engelsche troepen in Abou Teléah, om Gordon Pacha te ontzetten. Maar hoe talrijk zij ook waren, zij ontvingen doodelijke slagen en God joeg hen smadelijk terug. Daarop namen geheel Soedan en de afhankelijke staten het bewind van den Mahdi aan en onderwierpen zich aan hem, den Iman. Door zich met hunne kinderen en hunne have aan hem over te geven, werden zij zijn volgelingen.

„De legerscharen van den Mahdi bedreigen Egypte onder aanvoering van onzen vriend Wad en Nedjoumi bij Wady Haifa en Abou Hamed. Bij Aksar Hoedjadg houdt onze vriend Osman Digna stand. Abessynie is in handen van onzen vriend Handan Abou Gandya gevallen. In een ontmoeting met de Abes-syniers stond God hem bij en doodde hij hen ; onder de gesneuvelden bevond zich het opperhoofd Ras Adrangi; van zijne zonen werden sommigen gedood, anderen als slaven weggevoerd. Onze krijgslieden zijn genaderd tot de groote kerk in de stad Gondar, een kerk beroemd bij de Christenheid. In Darfoer

232

-ocr page 265-

EMIN 1'ACHA,

heerscht een ander van onze vrienden, Osman Adem, daarin bijgestaan door Keremallah en Sebehr cl Fahal Shakka en Bahr el Ghazal. Flet gehcele land gehoorzaamt de soldaten die den strijd aanbonden tegen de belasteraars van den Mahdi, de vijanden van God. De kracht en de macht van den Onzienlijke maken hen altijd tot verwinnaars, gelijk Hij beloofde met de woorden: „Geloovigen, als gij strijdt, zal God u de overwinning schenken!quot; En verder: „De overwinning is aan hen die gelooven.quot; En verder: „God heeft een welbehagen in allen, die in Zijn dienst vielen, zij gelijken op liooge burgten.quot;

„En nu zijn wij in drie stoombooten, in sandals en nuggers gekomen, meteen leger, dat God onder onze bevelen heeft gesteld. Dat leger wordt u gezonden door Zijne Hoogheid den Opperste van alle Muzelmannen, den Alverwinnaar in den godsdienst, den man, die bouwt op God, den Kalief, den Mahdi — moge de Heer van hemel en aarde hem Zijn gunst betoonen ! Wij komen op zijn heilig bevel, dat uitging van den Profeet. Het staat aan u, u bij hem aan te sluiten, elk naar zijn godsdienstige overtuiging, aan u en aan elk, die bij u is, hij zij Muzelman, Christen of wat dan ook. Wij brengen u tijdingen, die voor u zullen opwegen tegen al het geluk 111 deze en in de volgende wereld. Wij zullen u zeggen, wat de wil is van God en van Zijn Profeet, en verzekeren u en een iegelijk, die u vergezelt, volledige vergiffenis, bescherming van uwe kinderen en goederen, alleen op voorwaarde dat gij u aan God onderwerpt.

„Onze meester heeft ons mededeeling gedaan van allerlei brieven, geschreven door eenigen uwer broeders, namelijk Abdoel Kader Slatin, voor korten tijd Moedir van Darfoer, Mahomet Said, vroeger genaamd Georgi Islamboulia, Ismail Abdoellah. een Kopt, te voren Bolos Salib geheeten, en tal van anderen, thans in eere door de gunst van den Mahdi. Wij hebben ook brieven van uwe makkers Abdoellah Lupton, vroeger Moedir van Bahr el Ghazal, Ibrahim Pacha Fauzi, Noer Bey-Ibrahim, Moedir van Sennaar, Sej'd Bey Joemah, Moedir van Fasher, en Eskender Bey, bevelhebber van Kordofan. God heeft allen Zijn zegen verleend, en thans leven zij op hun gemak, bevrijd van bekommeringen. God heeft hun aan aardsche goederen en hemelsche zegeningen meer geschonken dan zij ooit bezaten ; en als zij vrienden worden van den Mahdi, zal God er hen voor loonen.

«Nu de Khalief, de Mahdi, medelijden heeft gekregen met uw ellendigen toestand en u overgeleverd ziet aan de negers — gij hebt zonder twijfel alle hoop verloren, want er is sedert lang geen bericht van u gekomen — heeft hij mij met een legermacht gezonden, om u, zooals ik reeds zeide, te geleiden uit het land der ongeloovigen en u te vereenigen met uwe broeders, de Muzelmannen. Onderwerpt u dan tot uw eigen heil aan den wil van God en draalt niet tot mij te komen, waar ik ook ben. Op het oogenblik ben ik in uwe nabijheid en kan ik u de geheiligde bevelen bekend maken. Nevens het heil op deze wereld en hiernamaals, zult gij vrede vinden in God, den Albe-stuurder. Ik voeg er op bevel van Zijne Hoogheid bij — niemand zal

233

-ocr page 266-

2 34

het tegenspreken — dat ik u zal moeten ontzien en u aangenaam zijn. Met ons zult gij bevrediging vinden voor al uwe wenschen, en evengoed een waar geloovige worden, gelijk onze meester verlangt.

„Kn thans, verheug u en draal niet! Ik heb u genoeg gezegd, wat gij levendig kunt gevoelen. Wij bidden God, dat Hij u brengt tot onzen meester, want wij veronderstellen, dat gij behoort tot hen, die, als zij een goeden raad hooren, niet dralen met hem op te volgen; die eigenschap is een gave van God. Onder alles wat ten uwen gunste getuigt, behoort de brief, dien de Kalief en Mahdi van u heeft ontvangen door uwen vriend Osman Erbal, en waarin gij uwe onderwerping betuigt. Hij heeft uw brief gelezen en vond er welbehagen in ; om dien brief en om de belangstelling van den Kalief en Mahdi in uw lot zijn wij hier gekomen.

„God schenke u Zijn zegen en sta u bij in al uwe handelingen! Salaam.quot;

Een tweeden brief, echter veel korter dan deze, had Omar Saleh geschreven aan de christen regeeringsbeambten, om hun een onbeperkt pardon toe te kennen, mits zij konden besluiten het Mahomedanisme te omhelzen, en hun de verzekering te geven, dat zij in dat geval met open armen door den Mahdi zouden worden ontvangen.

Na de voorlezing van den brief, vroegen de officieren aan den Moe-dir, of hij hem wilde beantwoorden. Hij zeide van neen en voegde er bij, dat zij zelf hem uit zijn ambt ontzet en het land in deze ongelegenheden gebracht hadden, zoodat zij nu ook maar zelf zich moesten zien te redden. Als zij evenwel zijn raad begeerden, zou hij hun dien geven, niet om hunnentwille, maar ter wille van het volk, dat zij hadden misleid, en in 't belang van het Gouvernement, dat hij diende.

Toen zij hem daarop naar zijn gevoelen vroegen ten aanzien eener overgave, gaf hij ten antwoord, dat daaraan niet te denken viel, want dat zij dan allen zouden worden gedood, 't Was immers niet aan te nemen, dat zij vergeten zouden zijp, hoe zij drie jaren geleden door de troepen waren ontvangen en teruggeslagen. Daarin gaven de rebellen hem gelijk en. toen zij nader aanhielden, raadde Emin hun aan, te zien zooveel mogelijk tijd te winnen en zoo spoedig doenlijk alle vrouwen en kinderen van de noordelijke stations naar Dufflé over te brengen. De soldaten en de ammunitie konden het laatst vertrekken, maar dan moesten ook zij weg en de stations ten noorden van Dufflé worden verbrand. Verder raadde hij het volk aan zich te vereenigen te Toengoe-

-ocr page 267-

EMIN PACHA.

roe, 't welk op een schiereiland lag, terwijl zij gemakkelijk een breede gracht konden graven, zoodat het een eiland en bijna onneembaar werd, al moest het ook worden verdedigd door een betrekkelijk klein garnizoen. De stoombooten zouden het fort van voedsel kunnen voorzien.

Hij drong er ernstig op aan, de ongeregelde troepen, die in het land zeer talrijk waren, streng onder toezicht te houden ; zij waren landslieden van de Donagla's en zouden, als zij er kans toe zagen, ongetwij-teld naar dezen overloopen. Bovendien moesten zij verstandig omgaan met de stoombooten, want andere reddingsmiddelen hadden zij niet.

Zij keurden dit advies goed en zeiden het dadelijk in behandeling te willen nemen.

De voornaamste sprekers waren Selim Aga, Fadl el Moeüa, Osman Latif en Moestapha Effendi. Fadl el Moella werd zeer opgewonden en zeide niets tegen den Moedir te hebben, behalve dat hij, tegen aller wensch, Hawashi Effendi had gehandhaafd.

Daarop zeide de Pacha ; gt;Heb ik, toen gij u, meer dan een jaar geleden, te Wadelai over hem beklaagdet, niet gezegd, dat alle officieren, wanneer zij wenschten dat Hawashi Effendi werd ontslagen, mij een officiëelen brief moesten schrijven, die het verzoek daartoe bevatte, daar het anders niet mogelijk was ?quot;

gt;Ja, dat hebt gij gezegd,quot; hernam Fadl el Moella.

»Waarom hebt gij dan niet gedaan, zooals ik u zeide? Gij hebt dus op dit punt geen recht tot klagen.quot;

Daarop zonderden de in opstand gekomen officieren zich af, om Emin's verklaring te bespreken.

De brief, bedoeld in het laatste gedeelte van 't schrijven van Omar Saleh, was door Emin geschreven aan Keremallah, toen hij voor vier jaren naderde, en aan dezen ter hand gesteld door Osman Erbab, een zijner schrijvers. Keremallah had Emin tot overgave gesommeerd, waarop de Pacha zich schriftelijk aan hem onderwierp, alleen om tijd te winnen en zijn soldaten in het veld te kunnen brengen. De list gelukte, want toen Keremallah den brief van onderwerping in handen had en vernam, dat er in Bahr el Ghazal opstand was uitgebroken, zond hij het grootste gedeelte van zijn leger derwaarts, zoodat Emin's soldaten het overschot aantastten en in staat bleken het te verjagen. Men kan zich nu gemak-

235

-ocr page 268-

JEPHSON,

kelijk voorstellen, dat de Donagla's, hoe vriendschappelijk Omar Saleh's brief ook mocht luiden, brandden van lust om hun vorige nederlaag te wreken.

Ik heb hier gelegenheid voor de mededeeling, dat ik het afschrift van Omar Saleh's manifest verschuldiofd ben aan Osman Latif's zoon Abderrahim, een knaap van zeventien jaar. De rebellen wilden het stuk niet aan Emin afgeven, maar plaatsten het in hun archief bij de overige stukken van 't Gouvernement. Na Osman Latit te hebben gevraagd of hij niet maken kon dat ik het toch kreeg, ging Abderrahim des nachts het kantoor binnen en copiëerde er telkens een gedeelte van. Na verloop van acht dagen stelde hij mij de volledige kopie ter hand, die Emin later voor mij vertaalde. Veel ben ik derhalve verplicht aan Abderrahim, want hij sloop het kantoor binnen, met groot gevaar voor hem en zijn vader, dien de rebellen maar al te graag in handen hadden gehad.

Bijna onmiddellijk na hun gesprek met Emin, vertrokken Ali Aga Djabor, Earratch Aga Ajok en Ali Aga Shamroek, naar Rejaf, om er het krijgsvolk uit Makraka binnen te brengen. Zij namen zestig soldaten en achttien kisten met ammunitie mede.

Osman Latif kwam mij 's avonds den uitslag mededeelen van de bijeenkomst der officieren, gevolgd uit Emin's verklaring. Zij hadden vooreerst besloten zich niet te willen overgeven. Verder lag in hunne bedoeling, alle vrouwen en kinderen naar Dufflé te brengen en vervolgens naar

O lt;-gt;

de zuidelijke stations te laten trekken, gelijk Emin had aangeraden. Voorts zouden zij doen wat zij konden om de soldaten van Makraka naar Rejaf te krijgen, 't welk zij zoolang mogelijk moesten zien te behouden, opdat de tusschengelegen stations konden worden ontruimd. Tot regfeline der zaken moest een Raad van Oorloir te Dufflé v/orden

«3 O O

bijeengeroepen, samengesteld uit officieren en burgerlijke ambtenaren, die eiken dag van acht tot elf uur 's morgens zitting diende te houden.

O 00

De ongeregelde troepen moesten ontwapend en naar de zuidelijke stations gezonden worden. De drie derwischen, de overbrengers van 't manifest van Omar Saleh, moesten tot nader order in verzekerde bewaring blijven. Ieder die het station verliet in noordelijke richting, moest streng in 't oog worden gehouden, om te zien, of hij ook in betrekking stond

236

-ocr page 269-

EMIN PACHA.

niet den vijand. Aan Omar Saleli werd geschreven, dat de Moedir op reis was naar het zuidelijk gedeelte der Provincie; dat men hem had teruggeroepen en hij't stuk zou beantwoorden, zoodra hij weder in Dufïlé kwam. Natuurlijk werd dit enkel geschreven om tijd te winnen; maar wat hier achter stak lag zoo voor de hand, dat Omar Saleh, als hij nog niet op de hoogte van 't voorgevallene mocht zijn, 't bedrog zeer licht zou kunnen ontdekken. Bijna al deze maatregelen waren van den Pacha afkomstig.

De officieren der opstandelingen hadden de drie derwischen voor zich geroepen en ondervraagd over hun partijgenooten. Zij zeiden dat er drie stoombooten op weg waren, de Talahzoin, de Sa/ui en de Mahomet A/z, benevens negen »Sandalsquot; en gt;Nuggars.quot; Volgens de derwischen waren er bovendien nog twee stoombooten, met eenige booten, onderweg uit Khartoem. Zij verkozen niets meer te zeggen en ook geen antwoord te geven op de vraag, hoe sterk de stoombooten en de verdere vaartuigen waren bemand. Emin kende natuurlijk al de stoombooten van Gordon en kon dus ten naasten bij zeggen, hoeveel manschappen er op iedere boot konden zijn. De drie stoombooten zouden, naar zijn zeggen, elk omstreeks drie honderd vijftig man kunnen bevatten, de booten misschien veertig. Bij benadering mocht men dus rekenen op veertien honderd en tien man. Zonder twijfel waren deze lieden met Remingtons gewapend, terwijl zij volgens Emin hoogstwaarschijnlijk, even als voor vier jaar, ook wel kanonnen en vuurpijltoestellen zouden medebrengen Wij vernamen verder dat de stoombooten, die volgens de derwischen onderweg zouden zijn van Khartoem, de Bor dein en de waren.

De Jlor dein zou drie honderd vijftig, de Isrnailia vierhonderd vijftig opvarenden kunnen bevatten; beide zouden misschien ieder drie booten op sleeptouw hebben, elke boot met veertig man. Dit zou dus een getal worden van duizend veertig man, zoodat de geheele macht, met inbegrip van de reeds aangekomenen, dan klom tot tweeduizend vierhonderd en vijftig soldaten. Achthonderd soldaten zou Emin in het vuur kunnen voeren, zonder de zuidelijke stations daardoor in een al te gevaarlijken toestand te brengen. Misschien niet meer dan het twee derde gedeelte daarvan was bewapend met achterladers; bovendien waren zij ontevreden en bandeloos, en, als zij al wilden vechten, zouden zij het niet van harte

237

-ocr page 270-

JEPHSON,

doen. Er scheen dus niet veel hoop te bestaan, dat zij de Donagla's konden terugslaan. Ik las in 't boek van Royle over Egypte, dat de vier stoombooten, den stroom afgezonden om de Engelsche strijdkrachten boven Metemmeh te ontmoeten, behalve een vaartuig, welks naam niet wordt opgegeven, de Safia, de B or dein en de Tala/iwin waren. Beide laatstgenoemde zijn de stoombooten, waarmede Sir Charles Wilson en Luitenant Stuart Wortley naar Khartoem waren gegaan. Huiten den stroom geraakt, kwam de Talahrvin tegen een rots en liep spoedig vol water, terwijl later de B or dein op een blinde klip stootte, strandde en door Sir Charles Wilson moest worden verlaten. De Safta, of, volgens de spelling van Royle, de Safiych, het schip, waarmede Lord Charles Beresford aan Sir Charles Wilson hulp trachtte te bieden en welks stoomketel werd doorboord door een kogel uit de vijandelijke batterij te Wad-Ha-beshi, was genoodzaakt het anker uit te werpen, om onder het vuur van den vijand te worden gerepareerd. Eindelijk nam de 5#/% de op varenden van Sir Charles Wilson's schip aan boord en keerde naar Gubat terug. Dan volgt deze zinsnede: »Alvorens Gubat te verlaten, werden de beide overblijvende stoombooten onbruikbaar door het verlies van gedeelten der machinerie.quot; Met, het oog op het groote bedrag machineriën in het arsenaal te Khartoem, de gereedschappen, enz. voor't herstellen en bouwen van stoombooten, schijnt het jammer, dat zij niet nog onbruikbaarder waren gemaakt.'t Is mogelijk, dat daartoe de gelegenheid niet bestond, of dat de terugtocht te vlug moest plaats vinden ; maar het blijft in elk geval jammer, dat het niet gebeurde, want nu werden twee van diezelfde stoombooten door de Donagla s tegen ons in het vuur gebracht en waren de Bordcin en de Ismail ia in aantocht van Lado. Emin vertelde mij, dat er wel zooveel handwerkslieden in Khartoem waren, dat het repareeren en kalefateren van de stoombooten, als zij ten minste niet volslagen waren vernield, niet veel moeite kon hebben gekost.

Dagelijks kwamen er nu vluchtelingen, vrouwen en kinderen, van de noordelijke stations in Dufllc. Allen brachten gelijkluidende berichten mede over de ontevredenheid en het gebrek aan tucht onder de soldaten. Ook kwam de tijding, dat de Donagla's Rejaf aangetast en overmeesterd hadden, dat een menigte vrouwen en kinderen Pfevangfen werden p;enomen en

O 00 O

de soldaten, als door een paniek getroffen, naar Dufllé vluchtten.

238

-ocr page 271-

EMIN PACHA.

Inmiddels had men te Dufflé stil gezeten. Het station was niet in staat van verdediging gebracht ; geen enkel besluit, rakende het vervoer van de vrouwen en kinderen naar de zuidelijke stations, waarvan kennis werd gegeven aan den Raad van Oorlog, was ten uitvoer gelegd; de officieren aten en dronken .

Alsof het land niet in gevaar was, had men Gods water over Gods akkers laten loopen. Wij konden niets doen, want wij waren nog altijd gevangenen. Osman Latit schreef aan Emin : «Er is nog niets uitgevoerd door Fadl el Moella en de verdere officieren; zij doen niets als drinken en vette geiten eten. Er is niets, zou ik zeggen, dat eenigen invloed op die menschen uitoefent, en zonder hulp ben ik niet in staat de noodige voorzorgsmaatregelen te nemen.quot; Dagelijks moesten wij hooren van roof en geweld, door de soldaten gepleegd, terwijl de officieren veel te bang waren om te trachten hen in toom te houden.

Men kan er zich nauwelijks een voorstelling van maken, hoe de officieren de zaken, in een lijd, waarin hun allerlei rampen en ellende boven het hoofd hingen, zoo op hun beloop konden laten.

Emin verzocht mij destijds naar Fadl el Moella te gaan, om hem te verzoeken dat ik mij naar M'swa mocht begeven, uit welke plaats ik, naar hij hoopte, met behulp van Shoekri Aga, Fort Bodo zou kunnen bereiken. Dit kon natuurlijk niet als een toevallige omstandigheid worden beschouwd; het geleek al te veel op hetgeen Gordon placht te noemen »lont ruiken.quot; Ik vermeld het alleen om te toonen, dat Emin zich zelf beschuldigde, dat hij mij in deze omstandigheden had gebracht en gaarne zoude zien, dat ik hem verliet, om voor mijn eigen veiligheid te zorgen. Het kan niet anders, of deze onbaatzuchtige trek in zijn karakter moet hem ten allen tijde ieders genegenheid verzekeren. Ongelukkig was deze buitengewone grootmoedigheid aan zijn volk niet besteed, en had zij alleen gestrekt om het nog zelfzuchtiger te maken.

Onderstaand schrijven aan Emin van Osman Latif, neem ik op, daar het een tamelijk duidelijk verslag geeft van den val van Rejaf: —

«Mijn weldoener! — Ik heb gehoord dat de bevolking van Khartoem, in vereeniging met de volgelingen van het opperhoofd Befo, den

239

-ocr page 272-

jephson,

ig1'11 October, des namiddags te vier ure, te Rejaf zijn gekomen, onder voorwendsel van een strooptocht onder het vee van 't opperhoofd Loko te houden, en dat de soldaten uit het station zijn opgerukt om zulks te beletten. Het garnizoen van Khartoem maakte van deze gelegenheid gebruik om het station binnen te trekken, het te bezetten en vele soldaten, benevens de oflicieren Abd el Aga en Hassan Bein Aga Barema en den schrijver Achmet Zeinel te dooden. De overgebleven soldaten vluchtten, deels naar Makraka, deels naar Laboré. Allen die verder in 't station waren, vrouwen, kinderen en bedienden van soldaten en officieren, kwamen om. Daaronder behoorden ook de gezinnen van Hamad Aga, Ali Aga Djabor, Ali Aga Shamroek en Dgaden Aga.

gt;Ook vernam ik, dat de garnizoenen uit Bidden, Kirri en Moeggi zich in Laboré hebben vereenigd. Uit dat van Khartoem kwam tot dusver nog geen enkel soldaat in Bidden of Kirri, maar in Rejaf is men bezig de vrouwen, kinderen en bedienden te verwijderen.

»Ik bied u en den heer Jephson mijn handkus.

(get.) Osman Latif.quot;

Het was de waarheid. Vóór de officieren en soldaten uit Dufflé hun kameraden hadden kunnen bereiken, was de slag gevallen en Rejaf ingenomen. Wij hoorden later, dat de Donagla's, bij hun aankomsi: te Rejaf, het station waren omgetrokken, met de bedoeling om het garnizoen alle gemeenschap af te snijden met de zuidelijke stations. Bij den aanval op het station richtten zij een vreeselijke slachting aan. Wie ontkomen kon, vlood naar Makraka. De vrouwen en kinderen werden onder de Donagla's verdeeld en later naar Khartoem opgezonden.

Befo, een opperhoofd der Bari's, vroeger bevriend met Emin, maar na de ontruiming van 't station Lado zijn vijand, was van alle Bari-hoofden de machtigste en bestuurde de dorpen en het land op het gebergte Bilinian, nabij Gondokoro. Na den opstand der Dinka's, destijds drie of vier jaren geleden, kocht hij al het vee, de geweren en de ammunitie op, op Kmin's krijgsmacht, bij de inneming van Boa, door de Dinka's veroverd. Zoodoende was Befo voor de Donagla's een krachtig bondgenoot, terwijl natuurlijk de verdere Bari-hoofden, tuk op weerwraak voor de mishandelingen, jaren lang van de Turken ondervonden,

240

-ocr page 273-

EMIN PACHA.

zich tegen ons bij hem aansloten. Kmin had reeds van 't begin af voorspeld, dat Beio zich met de Donagla's zou verbinden.

Aanhoudend kwamen er berichten in van 't overloopen naar de Donagla's door lieden uit hun streek afkomstig ; onder de eersten, die overgingen, behoorde Sheik Moorajan, de opperpriester van de Equato-riaalprovincie. Ook deserteerden zekere gewapende tolken van den stam Madi, die door het Gouvernement in dienst waren genomen ; onder medeneming hunner geweren, Gouvernements eigendom, liepen zij allen te gelijk naar de Donagla's over. Men vond brieven van de Donagla's, waarin zij bepaalde personen in de Provincie uitnoodigden, zich bij hen aan te sluiten ; de lieden, in wier bezit men die brieven had aangetroffen, werden gevangen gezet. Ook werd er een brief ontdekt aan Tybe Effendi, beambte te Wadelai, geschreven door een soldaat, die naar den vijand was gedeserteerd en Tybe opwekte, om zijn voorbeeld te volgen. In en vlaag van woede plunderden de soldaten daarop Tybe Effen-di's huis.

Zelfs in deze omstandigheden hadden wij, als men zich slechts aaneengesloten, den Moedir aan het hoofd geplaatst en stipt naar zijne bevelen gehandeld had, wel iets kunnen uitrichten, waardoor menig leven gespaard had kunnen blijven. Maar men scheen besloten even onbezonnen voort te gaan als men twee maanden geleden was begonnen; ieders geestkracht was gebroken, niemand was in staat flink te denken en te handelen. Alleen een nieuwe ramp zou den lieden het gevaar, waarin zij verkeerden, kunnen doen begrijpen. Weldra was zij daan

De opgestane officieren hadden de derwischen op nieuw voorgeroepen. Zij herinnerden er de drie gezanten aan, dat, hoewel zij met vriendschapsbetuigingen, schriftelijke zoowel als mondelinge, van hun Generaal waren gekomen, deze nu Rejaf aangetast en een massa menschen gedood had, en voegden er bij, dat zij om die reden ter dood zouden worden gebracht, als zij geen volledige inlichtingen gaven omtrent de sterkte der Donagla's, enz, «Met ons ter dood te brengen,quot; hernamen

O ö

de derwischen, !gt;zult gij niets winnen ; want de wraak, die u boven het hoofd hangt, ontkomt gij niet. Gij, officieren, zult allen sneven ; maar de domme soldaten, die slechts handelen op uw bevel, zullen gespaard blijven.quot;

-ocr page 274-

JEPHSON,

Na vreeselijk bespot te zijn, werden de derwischen naar de gevangenis teruggebracht, en besloten de officieren, daar zij hen wilden dwingen tot het geven van inlichtingen omtrent hunne landslieden, tot de gruwelijke marteling van overvloedig zout voedsel, onder onthouding van water. Dit duurde meer dan twee dagen; de arme schepsels verdroegen het, zonder te morren, en bleven weigeren iets te zeggen. Dat verdroot de rebellen, zoodat zij, om de gewenschte inlichtingen te krijgen, besloten tot scherpere pijnigingen.

Te dien einde moesten de derwischen voor de tweede keer voorkomen en werd er tot een allerwreedste foltering, in Soedan trouwens algemeen in gebruik, besloten. Daartoe werd hun een stuk gekerfd bamboes om het hoofd gebonden, ter hoogte van de slapen, boven deooren. Die band werd zoo strak aangebonden,door middel van een stuk hout als draaiboom, dat hij tot op de beenderen door het vleesch drong. Hoewel ieder lid aan hunne lichamen trilde van de martelingen en zij zwak waren door verbazend bloedverlies, kwam quot;-een vraag naar hunne makkers, zelis geen

' O O ö

zucht over de lippen van deze koene lieden, die alleen steunden op hun dweepziek geloof en hun vertrouwen op God en op hun Profeet. Zij bepaalden zich tot een fluisterend: »God zal ons bitter wreken door Zijn Profeet.quot; De Egyptische officieren en beambten schiepen behagen in 't bijwonen van de foltering, lachten er om en dreven den spot met de arme derwischen, die in zwijm op den grond vielen, toen hun vleesch en bloed tegen den strijd niet meer bestand waren. Het gedrag van de Soedaneezen was evenwel minder stuitend dan dat van de lafhartige Egyptenaren, want hunne haast dierlijke aangezichten toonden geen zweem van vermaak bij 't aanschouwen ; zij staarden alleen de marteling aan met een soort van onnoozele onverschilligheid. Het volk drong in menigte op, om te zien wat er gaande was ; luide kreten van deelneming ontsnapten de vrouwen, die snikkende hare handen wrongen, vervuld van medelijden met deze arme menschen, die met ontembaren moed hun smarten verdroegen. Een godsdienst, die troost kan bieden onder zulke verschrikkelijke martelingen, staat waarlijk nog zoo laag niet! Niemand, die waard was een man te worden genoemd, kon beletten, dat er een gevoel van eerbiedige bewondering voor die arme dwepers in zijn hart opwelde. Een dergelijk gevoel zal ook bij Eadl el Moella

242

-ocr page 275-
-ocr page 276-

.....

• ■ tm ■ ■■ '•'.•s-; 1 v •• ..........$

. .. »;v;r, ■ ■!'■■■

Mr ,

mmfÊt ■ ■ ■ ■'■•■■

mMMM IMMHOI

....

-■■.v

-ocr page 277-

245

zijn opgekomen, daar hij de soldaten beve! gaf hun banden te slaken en water te geven, waarna zij in half-bewusteloozen toestand weder naar de gevangenis werden gebracht.

De officieren wisten, gelijk ik reeds heb gezegd, niet wat zij zouden beginnen, want hun bevelen werden niet ten uitvoer gelegd ; de soldaten morden en verkozen niets te doen. Achmet Aga Dinkave ging, op last van Fadl el Moella, naar Fabbo, om een gracht te doen graven om het station en het in staat van verdediging te brengen, 't Sprak van zelf, dat dit bevel niets te beduiden had ; want minstens twee maanden zouden noodig zijn voor 't graven van zulk een gracht met de arbeidskrachten in Fabbo beschikbaar, terwijl inmiddels de Donagla's zich reeds op 't station zouden hebben geworpen. Alles zat daarop vast, dat deze menschen er niet toe konden komen, iets van hunne vele nuttelooze zaken van de hand te doen, en nog liever alles kwijt waren, dan er een gedeelte van te redden.

Osman Effendi schreef nader :

»De officieren hebben plan hier bijeen te komen en de vrouwen en kinderen naar het zuiden te zenden met eenige soldaten, om een nieuw station in de nabijheid van M'swa op te richten. De overige soldaten zullen, naar ik hoor, hier blijven, maar wat zij in hun schild voeren, weet God alleen, Wien ik zal bidden om ons in onzen nood bij te staan.''

Wij hoorden van verschillende vluchtelingen, dat de Donagla's zich nu voor goed in Rejaf gevestigd en het station versterkt hadden. De stoombooten waren nog te Lado, waar een klein, maar goed verdedigbaar kamp was opgeslagen. Rejaf was echter het hoofdkwartier en het punt van uitgang voor de Donagla's. Tot de weinigen, die uit Rejaf hadden kunnen ontsnappen, behoorde een soldaat, die in Dufllé aankwam, vreeselijk door sabelhouwen aan hoofd en schouders verwond. Hij was door de Donagla's voor dood achtergelaten en had gebruik weten te maken van de duisternis om verder te kruipen; het was akelig om hem te zien, en schier een wonder dat hij met zulke wonden nog leven, hoeveel te meer nog ontsnappen kon. Men bracht hem naar den Pacha, die altijd bereid was de menschen in alles te helpen en hem dan ook met zorg verbond.

-ocr page 278-

J li I'll SON,

Hij deed ons een eenigzins ander verhaal over de inneming van Rejaf. Volgens hem waren de Donagla's omstreeks vijt uur in den namiddag, met vele honderde inboorlingen, het station genaderd. Zij waren het met vliegende vaandels en slaande trommen omgetrokken en liepen daarna storm op de achterpoort, die dadelijk bezweek. De soldaten hadden nauwelijks eenigen tegenstand geboden, daar zij meer dan beangst en ontzenuwd waren door de verwarring, die in het land heerschte sedert de afzetting van den Moedir, en, nu zij hun hoofd misten, geen moed hadden om te vechten. De Donagda's maakten weinigf eebruik

O 00

van hun geweren, daar zij slechte schutters waren, maar richtten een vreeselijk bloedbad aan met hun breede speren en lange zwaarden. Zij gebruikten geen genade, behalve jegens vrouwen en kleine kinderen. Vele soldaten verlieten het station aan den anderen kant en vloden naar Makraka, maar het aantal dooden was groot, daar de inboorlingen de vluchtenden nazetten en er in de vlucht velen van neersabelden.

De schrik was groot; zonder ophouden gin^ het vervoer van goederen uit de stations Bidden, Kirri en Muggi naar Laborc zijn gang, daar alles, zelfs de ammunitie, was achtergebleven. De Bari's drongen onmiddellijk de door de soldaten ontruimde stations binnen en maakten zich van alles meester.

Toen de eerste schrik over was, haalde Abdoellah Aga Manzal de officieren en de meeste soldaten — er zullen een driehonderdtal in Lahore geweest zijn — over, om naar Moeggi terug te keeren. Dit gebeurde op grond dat Moeggi een hecht, goed ingericht en betrekkelijk sterk station was. Verder hadden de officieren besloten een poging te doen om Rejaf te vermeesteren; hoewel altijd gevaarlijk, was dit thans in 't bijzonder een waagstuk, met het oog op den staat van ontevredenheid, waarin de soldaten verkeerden. Casati en ik gingen naar Fadl el Moella, om hem te verzoeken wel bij de lieden te willen aandringen, dat zij terugtrokken op Dufflé en zich daar vereenigden, in welk geval hun, met de rivier en de stoombooten in den rug, nooit de pas kon worden afgesneden. Selim Aga en verschillende andere officieren, die wij ontmoetten, waren het daarmede volkomen eens.

De eerste schrijver en Ibrahim Effendi El ham vertrokken daarop naar Moeggi om de opgestane officieren te bewegen van hun plan af te

246

-ocr page 279-

EMIN l'ACHA,,

zien ; maar zij weigerden dit ronduit en eischten versterking, zoowel in volk als in ammunitie. Naar het gerucht wilde, zou een zeker aantal ofticieren en soldaten, uit Kejaf ontkomen, zoo gelukkig zijn geweest, zich met de soldaten, in Makraka te vereenigen. Zij waren, gelijk wij vernamen, nu op marsch om zich bij de bezetting van Moeggi te voegen, die plan had hen aldaar te wachten. Ik vrees, dat deze lang naar hen zou kunnen uitzien.

Bevreemdend mag het heeten, dat de soldaten het stellig bijgeloof hadden, dat de l.'onagla's onder de eene of andere bekoring stonden, waardoor zij voor gewone kogels onkwetsbaar waren. Zij zeiden dat zij, na het vuren, de kogels als regen van de üonagla's konden zien afdroppelen. Nu goten zij, van het geld van Hawashi Effendi, in ieder hunner kogels een dollar, omdat zij de meening koesterden, dat zulke zilveren kogels in staat waren in het vleesch te dringen. Ook holden zij de gewone kogels wel uit, sloten de opening met een pin van ebbenhout of koper dicht en hielden zulke kogels dan voor bijna even doeltreffend als de zilveren. De werklieden waren er verscheidene daefen mede bezig en toen er eindelijk een groot aantal dergelijke kogels gereed was, werden zestig soldaten er mede gewapend en naar Moeggi gezonden. Zij vertrokken met nieuwe hoop en nieuwen moed, want zij stelden een onbeperkt vertrouwen in de doelmatigheid van deze vleesch-door-borende kogels, waarmede zij, naar hun vaste overtuiging, zelfs den duivel zouden kunnen dooden.

Wel mag het bevreemding wekken, dat dergelijk bijgeloof op het eind der verlichte negentiende eeuw nog stand kan houden onder halfbeschaafde volkeren. Als men echter nadenkt, zal men zien, dat dit geloof nog niet lang geleden ook in Schotland voorkwam ; want Claver-house werd ook beschouwd als tegen kogels bestand, maar eindelijk gedood te zijn door een zilveren knoop, — als kogel gebruikt — ten tijde der regeering van koning Willem en Maria. Naar ik hoor, bestaat zelfs heden ten dage nog het geloof aan zilveren kogels over het ge-heele Oosten.

Men is vaak geneigd zijn schouders op te halen en zijn minachting te kennen te geven voor het dwaze bijgeloof van de domme negers ; maar als men slechts een weinig in de geschiedenis teruggaat, zal men

247

-ocr page 280-

JEPHSON,

zien, clat er in Afrika geen bijgeloof voorkomt, hoe dom ook, of het vindt zijn evenknie in de betrekkelijk jonge geschiedboeken van Europa.

De officieren begonnen nu het station in staat van verdediging te brengen, want tot dusver was er nog geen onderzoek ingesteld naar de verdedigingsmiddelen, die in hun soort buitengewoon goed en sterk waren. De gracht was diep en breed, maar de aarden wallen, hoe sterk ook, hadden voorziening noodig. Selim Aga en enkele andere oflicieren verzochten mij het station mede rond te gaan, en alle mogelijke opmerkingen te maken, die ik in 't belang achtte eener verdere verdediging, in geval de soldaten uit Moeggi mochten worden verslagen en de Donagla's Dufflé bereikten. Ik voldeed daaraan, wees op de punten die versterking en aanvulling behoefden, en ried aan de'wallen van de gracht en de aarden verschansingen af te steken, om de troepen te beletten er tegen op te klauteren.

Ik gaf verder te kennen dat, naar mijn oordeel, de banaan-en sui-kerrietaanplantbgen met den grond gelijk gemaakt moesten worden, om den vijand geen bedekking te geven ; ook moesten de woningen der tolken geslecht en het graan in den omtrek van het station afgemaaid worden. Verder moest de gracht ook de wegen afsnijden, die op het station aanliepen, zoodat zij het geheele station omringde; men zou zoo lang planken als noodbruggen kunnen gebruiken. Maar vooral wees ik op een plek, dicht bij de rivier, waar de gracht niet doorliep; daar was namelijk een dam, waarvan de menschen, die in de tuinen aan den buitenkant werkten, gebruik maakten, om het station uit en in te kunnen gaan. Tien meters verderop bevond zich een dicht plantsoen van bananen en suikerriet, waarin honderden zich zouden kunnen verbergen. Kr werd lt;reen buitengewoon oreoelend oolt;r vereischt, om onmiddellijk te

O O ö O ' J

zien, dat deze plek zich bijzonder leende voor de tactiek der Donagla's. Zij konden zich daar verschuilen achter de banaangaarden, onverwachts het station binnendringen, de soldaten in de flanken en van achteren aantasten en hen daarmede afsnijden van de stoombooten, die aan de werven lagen, nabij de plaats waar de vijand binnen was gekomen.

Selim Aga en de officieren gaven eenparig de juistheid mijner opmerkingen toe en beloofden voor de uitvoering te zullen zorgen ; maar dat beteekent op zich zelf nog niets. Ik durfde beweren, dat de Donagla's,

-ocr page 281-

DE DERWFSCHEN GAAN VÜOR15IJ EN ZIEN MIJ AAN.

-ocr page 282-

..... 1 «WiV ' ' ...

Vïtfi ■ ■ ■ ■ ' .... •

B

■ ■

..■,.... ... ■ - ■ . ■ ' ■

........

.

quot;■t'

» v aaipwiwoMMipiimi yi .* *■ J

'

H

férniMb .

■. .


-

■ ....... - ■ • ■ ■ ■quot; - ■ ■

■ ■

..... • • ■ ...........■' quot;

f**rr......-• ...... Wk ' '

... ., • . hy.

if

ify^. mfti ■- .**■*•

•■ •- '

........ i mmm

-

......... ■ -

•-v.-quot; ■ amp;m :liPs ■ • -■ ■ W' .•• ■■ M Mi ........... ■ I

mi .....***gt; mm^

■ ■

■ -

.

- -

ii6#ïf!»p

-ocr page 283-

EMIN PACHA. 251

wanneer zij er in slaagden Dufllé te vermeesteren, juist op dit punt moesten binnendringen. Mijn raad werd evenwel niet opgevolgd en het bedreigde punt bleet in den toestand, waarin het verkeerde.

Na onze wandeling door het station, ging ik met de ofticieren in het wachthuis bij de poort en deelden zij mij hun plannen mede. Deze waren niet omvangrijk en schenen ook niet spoedeischend. Van haast zagen zij de noodzakelijkheid niet in ; dat lag zoo niet in hun aard. Terwijl wij daar zaten te praten, gingen de derwischen onder militaire geleide voorbij. Zij trokken van pijn slechts langzaam en moeielijk verder, want hun enkels waren in zware ijzeren ringen gesloten met een derden ring in het midden, waaraan een eind touw was bevestigd, waarmede zij de eerste ringen moesten optrekken als zij wilden loopen. Met een grijnslach wees Moestapha Effendi, een Egyptenaar, mij op de vreeselijke litteekens van de geleden folteringen, toen zij, onder den last hunner zware ketenen., met de grootste moeite voorbij strompelden. Hoewel zij den dood voor oogen hadden en ten diepste vernederd en beleedigd waren, was hun houding tegenover hun beulen waardig en zelfverheffend als altijd ; maar de woorden ontbreken mij, om den indruk te schetsen, die hunne arme verminkte hoofden en het waas van gelaten lijden op mij maakten. Ik kon mij nauwelijks weerhouden de vuist te schudden tegen de grijnzende, dierlijke Egyptenaren, die, met een gevoel van vermaak, wezen op de uitkomsten van hun wreedaardig werk. De derwischen keken in 't voorbijgaan mij aan, toen ik daar met de Egyptenaren was gezeten en dachten wellicht, dat ik de hand had gehad in het bevel tot de ondergane pijnigingen. Die blik kwam mij nog dagen lang telkens voor den geest. Dan was het mij, of ik het een of ander beest had gemarteld, dat zich omwendde en mij aankeek met het gelaat van een mensch.

De derwischen sleepten hun ellendig bestaan weken lang voort; zij waren meer dan halfdood en werden aanhoudend door de soldaten mishandeld ; maar ondanks hun eindeloos lijden, konden zij er nooit toe worden gebracht, de geringste mededeeling te doen ten nadeele hunner kameraden. Hun korans, hun eenige troostmiddelen, werden hun ontnomen; maar zoo dikwijls als ik voorbij kwam, placht ik hen in 't gebed te zien nederknielen, met een glans van verrukking op het gelaat, waaruit bleek, dat hun geloof in God en Zijn Profeet, al werden ook hun lichamen in

-ocr page 284-

JEPHSON,

boeien geslagen en verminkt, hen, met den dood in het aangezicht, in staat stellen kon, zich boven hun aardsch lijden te verheffen. Toen evenwel de Mahdisten voor Dufflé waren gekomen, besloten de oflicie-ren tot hun dood. Naar de rivier gevoerd, werden zij met knuppels doodgeslagen en hun lijken de krokodillen toegeworpen. De dood moet hun een welkome verlosser zijn geweest. Op onze lijsten van hen, die voor hun geloot hebben geleden, kan niemand met meer recht als martelaar worden vermeld, dan deze drie onverschrokken derwischen.

-ocr page 285-

/ 'i I!

|{

J

11 I

HOOFDSTUK XI.

GEVANGENSCHAP OP EERE

WOORD.

nfil.

'Nl 'i

Brief van Hassan Lutvi. — Geruchten omtrent de aankomst van Stanley. — De inboorlingen komen in opstand. — Het huis van Emin wordt doorzocht, — De toestand te Moeggi. ■—• Waarschuwend schrijven aan Stanley, — Osman Latil wordt naar Wadelai gezonden. — Moestapha berokkent door zweepslagen zijne vrouw den dood. — Kr verdrinken kinderen in de rivier. — Vreemde weersgesteldheid. — Epidemie onder het vee. — Tuchteloosheid onder de soldaten te Wadelai. — Een Shoeli-toovenaar. — Abdoellah is de dief. — Aanmatiging van Emin's soldaten. — Negerbenden. — Behandeling Emin door zijn soldaten aangedaan. — Nieuwe ramp te Rejaf. — Vluchtende officieren gedood. — Verhalen omtrent de soldaten in omloop. — De rebellen besluiten tot onze opzending naar Wadelai. — Emin's afscheid van Dufflé. — Aankomst te Wadelai. — Emin wordt met geestdrift ontvangen. — Lafhartigheid der bevolking bij t uitbreken van den opstand. — Emin ontheven van allo verantwoordelijkheid, — Vreugdobetuigingen bij Emin's terugkomst. — Onze toestand te Wadelai. — Het bevorderen van beschaving onder de negers. — Touwen van zand. — De verbreiding van het Mahdisme. — Bericht eener uitbarsting onder de ongeregelde troepen. — Geruchten over de nadering der Mahdisten. — Gebrek aan werklust bij de bevolking. — Onbeschaamdheid van Egyptenaren. — De soldaten doen een demonstratie. — Emin durft niet rechtuit zeggen waar het op staat. — Emin verklaart zijn volk te kennen. — Een verachtelijk Egyptenaar.

Wij laten hier een door ons ontvangen brief volgen, om aan te toonen hoe de massa gereedelijk en veel liever geloof wil slaan aan de

... u

-ocr page 286-

254

vreemdste gissingen en geruchten, dan het gevaar onder het oog zien en erkennen, dat de toestand bedenkelijk is : —

«Gisteren avond ontvingen wij een particulier schrijven van Hassan Effendi Lutvi, met de mededeeling, dat de officieren aanstalten maakten, om naar Rejaf te vertrekken, ten einde de rebellen te ontmoeten, daar zij zich verzekerd hielden, dat de soldaten uit Makraka met een groot gedeelte van den stam Bombé in Rejaf waren aangekomen. Na de Donagla's te hebben aangevallen, hadden zij hen verjaagd en het station hernomen. De Donagla's waren uit Khartoem in dat land gekomen, na op de vlucht geslagen te zijn door de soldaten van het Gouvernement en de Abessyniërs, want de Egyptische regeering had Soedan heroverd. Op de hand van de Donagla's waren nog een groot aantal geregelde troepen, vroeger in Egyptischen dienst, daar zij, gedurende den aanval van de Makraka's op Rejaf, hunne geweren in de lucht afgeschoten en twee of drie soldaten afgezonden hadden om hen aan te moedigen, met de verzekering, dat zij op hun vroegere makkers nooit wilden schieten. De Donagla's hebben een aantal vrouwen en kinderen van de voornaamsten uit Khartoem bij zich. Osman Effendi Erbab is niet vrijwillig gekomen, maar als gevangene. Dit schrijlt Hassan Lutvi, maar God weet, wat er van waar mag zijn.quot;

Zoo ging het altijd; bij de minste tegenkanting vervielen zij inde grootste neerslachtigheid, maar herstelden zich ook spoedig weder en geloofden dan op nieuw alle mogelijke verhalen, waardoor zij in staat werden gesteld aan den ernst van het oogenblik het hoold te bieden.

Het verhaal door Selim Aga mij gedaan, dat het voedsel in Khartoem schaars en er bijna geen kleeding te krijgen was, hetwelk, met hun zucht naar weerwraak, de oorzaak was geworden van den tweeden inval in het land, scheen juist te zijn.

Hawashi Effendi liet mij, nu mij vergund was geworden, mij vrijer door het station te bewegen, en ik elk, dien ik wilde, mocht opzoeken, herhaaldelijk vragen, eens bij hem te komen. Daar ik, na hetgeen er door hem was uitgevoerd, hem niet begeerde te zien, schreefhij mij een briefje, om mij te verzoeken niet boos op hem te zijn, om hetgeen hij tegen den Moedir had geschreven ; hij verdedigde zich, door te zeggen, dat de opgestane officieren bij hem gekomen waren en hem bedreigd

-ocr page 287-

EMIN PACHA.

hadden met de pijnbank, als hij niet opschreef, wat zij hem zouden dic-teeren. Door den nood gedwongen, had hij toegegeven, maar wat hij had geschreven, was onwaarheid.

Uit het Zuiden kwamen herhaaldelijk geruchten over Stanley's aankomst, maar wij hechtten er geen geloof aan, daar het altijd vage berichten waren van inboorlingen. Op zekeren dag zond Rajab Effendi, Emin's secretaris, die thans weder op vrije voeten was, mij een briefje, behelzende dat hij van eenige pas uit Wadelai gekomen lieden had gehoord, dat Stanley goed en wel te N'sabé was aangekomen. Het speet hem, dat hij mij dit niet zelf was komen zeggen; »Maarquot;, zoo voegde hij er bij : gt;ik was van morgen zoo dronken, dat ik mij nu nog niet best aan u kan vertoonen.quot; Ik hield het er dan ook voor, dat het ge-heele verhaal van Stanley's komst zijn oorsprong had in Rajab'3 dronkenschap. Inmiddels wachtten de officieren en soldaten te Moeggi nog altijd op de aankomst der troepen uit Makraka en schreven zij gedurig naar Dufflé om versterking. Er werden nog twintig soldaten meer aan het station Eabbo onttrokken, terwijl ook allen die, zonder gevaar voor de veiligheid, op de zuidelijke stations konden worden gemist, naar Dufflé geleid en naar Moeggi doorgezonden werden. Maar het geroep om nog meer versterking vóór de officieren konden besluiten tot den aanval op Rejaf, hield zóó lang aan, dat Fadl el Moella ontheven wenschte te zijn van zijn functiën als Voorzitter en berouw had die waardigheid ooit op zich te hebben gfenomen.

Inmiddels bleef de Majoor Hamad Aga te Moeggi steeds aandringen op versterking en dragers. Hij schreet dat de stam der Madi's geen dragersdiensten doen en geen graan en andere levensmiddelen bezorgen wilde, en voegde er bij : »de geheele stam van Madi komt tegen ons gezag in verzet en wacht slechts op de Donagla's, om openlijk op te staan en ons aan te vallen.quot; In Dufflé was het eveneens gesteld, daar de tolken der inboorlingen in den omtrek van het station ook hadden

O

geweig-erd oraan te bezorgen en alle bevelen in den wind sloegen; ook

öOOO O

de Shoeli's, aan den overkant van de rivier, tusschen Dufflé en Eabbo, waren opgestaan. Over den geheelen omtrek stonden de inboorlingen klaar om zich met ieder te verbinden, mits hij tegen de Turken was. Ook hoorden wij dat er oneenigheden waren opgekomen onder de offi-

255

-ocr page 288-

JEI'MSON,

eieren te Moeggi en de soldaten er in een staat van volslagen oproer verkeerden, daar zij hunne officieren openlijk verweten niet te hebben geluisterd naar de woorden, die de Moedir vier jaren geleden had gesproken, toen hij gewild had, dat zij de noordelijke stations ontruimen en naar het zuiden trekken zouden. En toen de Moedir en de heer Jeph-son, drie maanden geleden, gekomen waren om hun bijstand te verleenen, hadden hunne officieren hen op nieuw bedrogen.

Zij gaven verder te kennen, dat zij, als de officieren er maar niet waren geweest, thans niets te lijden en hunne vrouwen en kinderen niet verloren zouden hebben. Ali Aga Djabor deed zijn best, om een einde te maken aan het gemor en wilde zijn kracht zoeken in geeselingen en gevangenzettingen ; maar openlijk tartten zij hem een vinger naar hen uit te steken en verklaarden allen hun Moedir te willen gehoorzamen. Van alle kanten was onder de soldaten en officieren, door vrees en onaangenaamheden, uit de heerschende verwarring geboren, de stem-mine ten gunste van Emin verkeerd en wilde men hem hersteld zien als Moedir van de Equatoriaal Provincie. Verscheidene subalterne officieren kwamen des nachts heimelijk onze kamer binnen, om Emin mede te deelen, dat de soldaten besloten hadden hem in zijn ouden rang te herstellen. Een korporaal maakte zelfs de opmerking : gt; Belachelijk niet waar? Wel hebben de officieren u afgezet en allen andere namen aangenomen ; maar wat geven wij om hun Bey's, hun Ma-joor's en hun Kapiteins ; niemand is er onder ons, wien die titels iets kan schelen.quot; Emin ried de soldaten aan bedaard te wachten. Hoe treurig, dat hij dien raad, omtrent alles, aan iedereen gaf !

In den vroegen morgen van den 30sluquot; October verscheen de groote stoomboot uit Wadelai, met Casati aan boord. Wel hadden de opvarenden van de aankomst der Donagla's, maar niets van den val van Rejaf eehoord. Laatstgfenoemd nieuws stemde hen droevie. Casati wist mede

O ö O

te deelen, dat op de zuidelijke stations de grootste ontevredenheid en wanorde heerschten en dat aldaar, even als hier, de soldaten alle bevelen in den wind sloegen en niets verkozen te doen.

De beambten en officieren, die in opdracht hadden gekregen de vertrekken van den Pacha te doorsnuffelen, hadden er bijna alles uit geroofd, waren naar Toengoeroe getrokken, aldaar Vita Hassan's huis op

256

-ocr page 289-

EMIN PACHA.

nieuw binnen gegaan en hadden het nagenoeg volledig geplunderd. Uit Toengoeroe waren zij naar M'swa getrokken; maar nauwelijks had Shoe-kri Aga van hun komst gehoord, of hij verliet het station opnieuw, thans onder voorwendsel, dat hij er op uit ging om te zien, of hij niet iets kon gewaar worden tot bevestiging van het gerucht, dat Stanley zou zijn aangekomen. Zij hadden verscheidene dagen gewacht, maar toen hij niet terugkeerde, waren zij heengegaan, zonder hem het bevel over zijn station te ontnemen. Het was verwonderlijk, hoe de schrijvers en de opgestane officieren, in een tijd als dezen, terwijl de geheele Provincie ellende boven het hoofd hing, nog konden denken aan rooven en stelen.

Casati en ik gingen een bezoek brengen aan Ibrahim Effendi El-ham, die uit Moeggi terug was gekomen en ons mededeelde, dat de soldaten hadden verklaard, na aankomst hunner kameraden uit Makraka, gezamenlijk naar Dufflé te willen marcheeren tot herstel van hun Moe-dir. Fadl el Moella en de verdere officieren, die in opstand waren gekomen, begonnen hun toestand zeer donker in te zien en zouden blijde zijn, als de Pacha het bestuur weder op zich wilde nemen, hoewel zij vreesden dat hij, wanneer hij de teugels van 't gezag weder in handen had, van de gelegenheid gebruik zoude maken, om wraak op hen te nemen.

Toen Ali Aga Djabor zag, hoe de zaken ten gunste van den Moe-dir verkeerden, stelde hij aan de officieren en soldaten voor tot de Donagla's over te loopen, hetwelk zij evenwel ronduit weigerden; — als zij het hadden gedaan, zouden de Donagla's wel korte wetten met hen hebben gemaakt.

Reeds waren de stoombooten beladen met goederen van de vluchtelingen, die dagelijks bij troepen uit de noordelijke stations aankwamen. Ik was bij 't vertrek van de eerste boot tegenwoordig; vreemd-soortiger mengelmoes van allerlei menschen en goederen zou men zich niet hebben kunnen denken !

Nu de stoombooten weder voeren, konden wij ook weder berichten krijgen van de weinige getrouwen te M'swa en van Shoekri Aga. Zij smokkelden, door middel van den stuurman der stoomboot, brieven voor ons binnen, zoodat wij geheel op de hoogte waren van 't geen er op de

257

-ocr page 290-

JEPHSON,

zuidelijke stations voorviel. Wij hoorden van den schrijver van het station M'swa, dat hij te Wadelai was en op het punt stond om naar M'swa terug te keeren ; hij verzocht mij een brief aan Stanley te schrijven, dien hij hem door Shoekri Aga zou doen toekomen. Ik schreet Stanley daarop uitvoerig, om hem zoo goed mogelijk op de hoogte te brengen van den staat van zaken in het land en van de komst der Donagla's, terwijl ik hem waarschuwde om voorzichtig te zijn op zijn tocht herwaarts. Destijds hielden wij ons verzekerd, dat wij, als hij niet spoedig kwam, 't onderspit moesten delven tegen de Donagla's. Een vreeselijke ontknooping scheen ons boven het hoofd te hangen, want het kon niet lang meer duren of de benden van den Mahdi stonden voor Dufflé en dan was er, wij gevoelden het, geen redding meer mogelijk. Het was mij, onder het schrijven, alsof ik bezig was van Stanley en mijn medeofficieren, van mijn vaderland en mijn landgenooten afscheid te nemen. Ik stelde mij reeds niets anders voor, of ik wandelde barrevoets als een derwisch door de straten van Khartoem.

Onder de velen, die met hun gezinnen naar Wadelai werden gezonden, behoorde ook Osman Latif, zoodat wij nu schier niemand hadden, van wien wij op eenig bericht mochten rekenen van 't geen er in 't station voorviel. Daar hij hoofd was geweest van de politie in Khartoem, was hij uitstekend vertrouwd met het ophooren van nieuws, zonder zich in eenig opzicht bloot te geven. Hij was op de hoogte van allerlei kunstgrepen en streken en hoewel men hem eigenlijk voor niet beter dan de rest kon houden, was hij voor ons hoogst bruikbaar. Hij was iemand dien niemand mocht lijden en ieder wantrouwde.

Moestapha Effendi, de Egyptische officier, wiens verblijf aan't onze grensde, en die, zooals ik reeds mededeelde, zijn vrouwen aanhoudend sloeg, ranselde ten laatste een harer zoo verschrikkelijk, dat zij er het leven bij inschoot. Wij hoorden haar schreeuwen, en, na het geluid van een geweldigen klap, een dof gebons als of er iets op den grond viel ; daarna werd alles stil. Men wisu ons te vertellen, dat haar rutr vreeselijk was geteisterd en dat hij haar als een waanzinnige had mishandeld. Naar ik vermoed was hier jaloezie in het spel geweest. Deze Moestapha Effendi was dezelfde man, die met zooveel genot op de

-ocr page 291-
-ocr page 292-

• ■ . . . ■ .

-ocr page 293-

EMIN l'ACHA.

hoofdwonden der arme derwischen had gewezen. Hij was in zijn wreedheid het toonbeeld van den Egyptenaar.

Op zekeren dag had er een hoogst treurig voorval plaats. Drie jongens en twee meisjes waren in een kano de rivier overgestoken, om hout te halen. Er ging een sterke stroom en de wind blies fel, zoodat de kano, midden op de rivier, omsloeg en alle vijf onder de golven werden bedolven. Allerlei pogingen werden nog aangewend om hen te redden, maar geen er van gelukte. Misschien hebben de krokodillen hen wel gegrepen, nog voor zij dood waren. Ik beklaagde de arme moeder, die op den oever stond, en in een aanval van razernij, toen zij zag wat er voorviel, in het water sprong. Alle vrouwen kwamen naar buiten en brachten haar naar huis terug. Het was aandoenlijk te zien, hoe goed en vriendelijk deze zwarte slavinnen voor haar waren en hoe oprecht zij in haar leed schenen te deelen. Wij hoorden haar den geheelen nacht schreien en jammeren ; alles herinnerde mij aan een lersche nachtwake !

Voor den tijd van het jaar was het weder buitengemeen vreemd. Eiken dag was de lucht tegen twee uur in den middag gewoonlijk zoo zwart als inkt, zoodat het bijna schemerdonker werd ; de lucht was drukkend heet en zwoel ; geen blad bewoog ; zelfs de vogels zwegen. Dan streek op eens, met woest gehuil, de wind van de bergen neer op het station, steeds vergezeld van regen, die niet in droppelen, maar in een dichten stortvloed naar beneden scheen te vallen, :terwijl hij de hoornen zweepte en bij massa's ontwortelde. Dit placht omstreeks een uur te duren ; dan verdween de bui weder even snel als zij was opgekomen en hoorde men alleen het ruischen van de waterstroomen langs de rotsen. 1 loewel wij het droge seizoen hadden, was de rivier hooger, dan ik haar ooit in den regentijd heb gezien. In den eigenlijken regen tijd was het droog geweest en had de rivier een lagen waterstand gehad. Alles was verzengd, de oogst grootendeels mislukt ; er was bijna geen gras te bekennen. Op de zuidelijke stations stierf het vee bij honderden ; 't was alsof er een epidemie heerschte. Als een gevolg van de aanhoudende droogte, plaagden de vliegen ons geducht en waren al de grasvelden onkenbaar door de menigte insekten en woekerplanten van allerlei soort. Het ongelukkigfe vee zat vol ongedierte en werd

201

-ocr page 294-

JEPIISON,

zoodanig door vliegen gekweld, dat het geen rust had, vermagerde en en in menigte stierf. Bijna alle runderen op de stations M'swa en Toen-goeroe, een veestapel van meer dan twaalfhonderd stuks, kwamen om door de droogte ; en nu het droog behoorde te zijn, beliep het overblijvend gedeelte alle kansen, om onder den aanhoudenden regen te bezwijken. Te Wadelai was het weinig beter gesteld; ook daar stierf het hoornvee bij honderden. Emin zeide, dat hij zelden vreemder tijd had bijgewoond. De bijgeloovige massa schreef dat alles toe aan de komst der Donagla's, die, naar zij zich overtuigd hield, gepaard moest gaan met toovenarijen van allerlei aard.

Na door de opgestane officieren te zijn uitgeschud, kreeg Hawashi Effendi verlof, met zijn sterk ingekrompen dienstpersoneel en huisraad, naar Wadelai te vertrekken, terwijl Dufflé van lieverlede zijn overtollige bevolking kwijt raakte. Soeleiman Effendi had zich weder te Toen-goeroe gevestigd ; hij had, evenals zijn broeder Fadl el Moella, een grooten invloed en gebruikte dien om de rebellen te bewegen tot vrijlating van den Moedir. Hij verklaarde het station niet te zullen verlaten, alvorens hij Emin naar Wadelai had zien vertrekken. Kodi Aga, de commandant van Wadelai, drong te gelijker tijd bij Fadl el Moella aan op ontslag van den Moedir uit zijn gevangenschap, want de soldaten deserteerden en werden volslagen toomeloos, terwijl hij verklaarde, dat zij niet tot bedaren zouden zijn te brengen, tenzij misschien door den terugkeer van den Pacha. Toen hem dat alles was gezegd, gaf Fadl el Moella te kennen, dat hij op zich zelf niets tegen in vrijheid stelling van den Moedir had, maar daar niet toe konde overgaan, of hij moest met de officieren te Moeggi hebben gesproken. Die verklaring had een stormachtig too-neel ten gevolge, waarin Soeleiman zijn broeder verweet, dat de ware reden daarin bestond, dat hij, F'adl el Moella bang was, ingeval de Moedir in zijn vorige macht werd hersteld, een van de eersten te zullen zijn die straf beliepen.

Toen ik, eenige weken geleden, in Wadelai was, sloop op zekeren nacht een dief het verblijf van mijn bediende binnen en ontstal hem al zijn kleeren en achttien dollars aan geld. 't Werd een soldaat, Faralaja geheeten, bewezen, dat hij den diefstal pleegde; de kleederen gaf hij terug, maar hield vol het geld niet te hebben weggenomen. Nadat Kodi Aga hem

202

-ocr page 295-

EM1N PACHA 263

had laten boeien en gezegd had, dat hij niet eerder loskwam, of mijn bediende moest zijn geld terug hebben, verkocht hij kort daarop alles wat hij bezat en stelde de achttien dollars aan den bestolene ter hand; hij kwam evenwel, eenige dagen later, met een toovenaar uit den stam der Shoeli's te Dufflé, ging naar Fadl el Moella en zeide hem, dat het geld moest gestolen zijn door een van mijn drie oppassers, hoewel hij niet wist door welken, waarom hij een toovenaar had medegebracht, die den dief wel zou weten te ontdekken. Na hem bij mij binnen te hebben verzocht, liet ik ook mijn oppassers roepen. De toovenaar maakte toen eerst een ijzeren bout witgloeiend, bracht dien in aanraking met de tong van alle drie en verklaarde Moorajan voor den dief. Daarop maakte hij eenige geheimzinnige bewegingen met drie stroohalmen en een stukje hout, waarbij telkens het lot op Moorajan viel, zoodat deze als de schuldige werd aangewezen. Ik gaf evenwel te kennen geen straf te kunnen toedienen op dergelijk- soort van bewijs, maar liet mijn oppassers blijven, verhoorde hen en liet hun kleeding doorzoeken. In Abdoellah's zakken vond ik een aantal dollars, waarvan hij de herkomst niet voldoende kon aantoonen, zoodat ik, na een menisfte eetuicen lt;re-

lt;quot;quot;gt; O 00

hoord en de zaak uitgeplozen te hebben, tot de overtuiging kwam, dat Abdoellah de diet was, hetwelk hij, na veel vragen over en weer, eindelijk bekende. Ik vond evenwel niet meer dan tien dollars, zoodat ik er de rest bij deed en 't volle bedrag aan Farajala ter hand stelde. Ik gaf last Abdoellah zweepslagen toe te dienen ; hij ontving er honderdvijftig, zonder kik te geven, en toen de strafoefening afgeloopen was, groette hij mij beleefd en ging onder de woorden : »Goddank, meester,quot; naar huis, alsot er niets was voorgevallen. Hoe streng een neger ook wordt gestraft, nimmer is hij haatdragend, wanneer hij weet zijn straf te hebben verdiend. Abdoellah was iemand, van wien Kmin en ik gedurende onze gevangenschap alle mogelijke diensten hadden; altijd was hij net, dienstvaardig en beleefd, terwijl hij zijn verplichtingen als soldaat veel beter kende dan de meeste Soedaneezen, die wij bij ons hadden. Toen men Emin zijn oppasser had ontnomen en hij weinig dienstvolk over had, bediende Abdoellah altijd aan tafel en verrichtte hij ook wel ander huiswerk. Toen Stanley later hoorde hoe goed hij zich verder had gedragen, bevorderde hij hem op mijn aanbeveling tot onderofficier, met ruime traktementsverhooging.

35

-ocr page 296-

JEPHSON,

Omtrent hetgeen er verder te Moeggi voorviel, hoorden wij weinig; alleen, dat het in de bedoeling der officieren zou liggen op den 12dcn November Rejaf aan te tasten.

Toen de soldaten eenige dagen aan de verdedigingswerken van het station hadden gewerkt, weigerden zij, onder verklaring, dat zij soldaten, maar geen arbeiders waren, daarmede voor te gaan.

Werd hun, bij voorbeeld, het halen van hout voor de booten, het bouwen van hutten, of zelfs het graven aan de gracht ter versterking van het station gelast, dan riepen zij : »Neen, wij zijn soldaten en kennen geen ander werk dan vechten en op schildwacht staan!quot; Ook verkozen zij op marsch hun eigen proviand of kleeding niet te torschen en vroegen om dragers; ik heb zelfs soldaten gezien met een jongen bij zich, om 't geweer te dragen. Zij begrepen niets van de taak van den soldaat, voor tucht hadden zij geen gevoel; zelfs vatten zij niet, dat de allereerste plicht van den soldaat bestaat in 't gehoorzamen der bevelen en hadden zij geen flauw begrip van de vermoeiende marschen en den dienst van Europeesche militairen. Nu zou men wel iets door de vingers willen zien, wanneer zij maar flink in 't gevecht waren, maar dat waren zij alles behalve; want als zij tegenover een tamelijk dapperen vijand kwamen te staan, gingen zij geregeld op de vlucht. Emin zeide bij de eene ot andere gelegenheid eens tegen mij: gt;De vijand moet bij het eerste salvovuur aan den haal gaan, want vechten man tegen man zullen mijn manschappen nooit doen.quot; In den jongsten oorlog met den Mahdi sloegen zij ook geregeld op de vlucht voor de Mahdisten, en begonnen eerst op 't allerlaatst, als zij geheel door den vijand waren ingesloten, te vechten, 't Was mij niet mogelijk in hen een enkele benijdenswaardige eigenschap te ontdekken; zelf inboorlingen, zagen zij minachtend neer op de anderen, die »geen soldatenquot; waren, en behandelden hen vreeselijk uit de hoogte. Zij waren weinig beschaafd en kenden geen tucht, maar, ondanks hun domheid, namen zij een voorname houding aan en beroemden zich, zonder te weten hoe zij moesten gehoorzamen, er op kranige soldaten te zijn. Ik aarzel niet te verklaren, dat ik, als legerkorps, nimmer een minder bruikbare bende heb gezien. Emin had hoegenaamd geen schuld, want hij had een ellendig korps officieren, waarvan zelfs de meesten misdaden hadden begaan. Egt;e sol-

264

-ocr page 297-

EM1N PACHA.

daten zouden beter zijn geweest, wanneer zij waren aangevoerd door Europeanen, die hun konden leeren, wat dienst, tucht en gehoorzaamheid beteekenen ; maar nu zij onder verkeerde officieren stonden, waren zij lafhartig en niet te gebruiken. Soms vertoonden zij een woeste roekeloosheid, die ik niet met den naam van moed kan bestempelen, maar die, mits onder leiding en aanvuring van Europeesche officieren, er vrij wel tegen opwoog. Men meent in Europa dat al de negertroepen goed zijn, omdat men gelezen heelt, hoe dapper zij hebben gevochten in de veldtochten in Egypte en hoe Gordon hen prees, en geeft hun den algemeenen naam van Soedaneezen. Men schijnt evenwel niet te begrijpen, dat het zoogenaamde Soedan een verbazend groot land is en eigenlijk geen grenzen heeft. Het omvat wel honderd verschillende stammen, allen van elkander even onderscheiden in aanleg, lichaamsbouw en levenswijze als de volkeren van Europa onderling.

Neem bij voorbeeld de kleine troepenmacht van Emin. Daaronder waren Dinka's, Madi's, Bari's, Niam-niam's, Makraka's, Shoeli's, Wanyoro's, Shiloek's en lieden, die tot nog een zestal andere stammen behoorden; allen verschillen min of meer van elkaar. Zoo zijn b.v. de Dinka's en de Niam-niam's buitengewoon dapper, terwijl de Bari's en Makraka's lafhartige en ellendige soldaten opleveren. De Turksche of Egyptische levenswijze sterkt en stijft wel hun verwaandheid, maar doet hoogst zeldzaam de goede eigenschappen uitkomen, die zij in ruime mate bezitten.

Dat Emin zijn volk bedierf, kan niet worden ontkend ; hij was veel te slap en te goed; maar zijn goedheid was de ware niet, want het volk werd er hoe langer zoo veeleischender door.

Ik herinner mij, dat Emin, toen wij te Kirri waren, mij eens kwam zeggen, dat wij het station moesten verlaten, omdat zijn oppassers niets te eten hadden. gt;Maar is er dan geen graan in 't station ? ' vroeg ik. «Graan! Er is graan genoeg, maar zij hebben geen vrouwen om het te malen.quot; »Bedoelt gij, Pacha, dat uwe oppassers, die den godgansche-lijken dag niets te doen hebben, niet voor een paar dagen graan kunnen malen ?quot; gt;Gij kent, dunkt mij, de gebruiken niet van het land ; 't gaat hier niet aan, dat mijn oppassers hun eigen graan malen.quot; Ik trok met de schouders en bepaalde mij tot de opmerking: »Mij wel,

265

-ocr page 298-

JEPHSON,

Pacha, maar ik zou wel eens hebben willen zien, clat onze Zanzibarieten Stanley met dergelijke complimenten aan boord waren gekomen, zelfs als zij den geheelen dag ammunitie voor uwe soldaten hadden gedragen quot; Zulk verwennen was geen goedheid ; het bedierf de soldaten en maakte hen volslagen onbruikbaar voor alles.

Den i4,kquot; November kwamen ons geruchten ter ooren over een nieuwe ramp bij Rejaf, later bevestigd door Selim Aga, die ons kwam vertellen, dat hij uit Moeggi een briei had ontvangen. De soldaten hadden vier dagen geleden Moeggi verlaten en waren tegen Rejat opgetrokken. Zoodra zij bij het station waren aangekomen, deden de Donagla's een uitval en stormden als wilden op hen in. Na één salvovuur te hebben gelost, zagen de soldaten van verder standhouden af, maakten rechtsomkeert en vloden. Dat waren nu de dapperen, die gezegd hadden : «Wij zijn soldaten en kennen geen ander werk dan vechten en op schildwacht staan !quot; Velen vloden naar Makraka, enkelen kwamen nog in den nacht te Moeggi. Zeer velen vonden den dood, want honderden Bari's vervolgden de vluchtelingen en sloegen allen neder, die zij inhaalden.

Van de officieren sneuvelden Hamad Aga, de Majoor ; Abdoellah Vaab Effendi, een Egyptenaar, Ali Aga Djabor, Sheik Bachit en Salim Aga ; voorts, behalve de schrijver Hassan Effendi Lutvi, een aantal anderen, wier namen ik niet weet op te geven. Deze bijzonderheden zijn ontleend aan een schrijven van Abdoellah Aga Manzal, den bevelhebber van Moeggi, waarin tevens de officieren te Dufflé werden aangespoord om dragers te zenden, om in den terugtocht dienst te doen.

Daar wij deze ramp hadden voorzien, hadden, Emin zoowel als Casati en ik, ons best gedaan de officieren aan 't verstand te brengen, dat een poging tot herneming van Rejaf dwaasheid zou zijn, maar zij waren niet van hun plan af te brengen.

Het speet mij dat Hamad Aga was gevallen, daar hij van al de Soedaneesche officieren van Emin verreweg de beste was. Hij was een door en door braaf en eerlijk man, die rond voor zijn gevoelen uitkwam, en in voor- en tegenspoed zich steeds een warm vriend van Emin betoonde. Hij was zeer in aanzien bij de soldaten, vooral bij die uit Wadelai, waar hij vroeger het commando had gevoerd. Zijn dood maak-

-ocr page 299-

EMIN l'ACHA.

te een diepen indruk op de troepen en deed hen meer dan ooit een tegenzin krijgen in de opgestane officieren. Bij de inneming van Rejaf, eenige weken geleden, waren al zijne vrouwen en kinderen in handen van de Donagla's gevallen, hetwelk hij zich zoozeer had aangetrokken dat hij tot radeloosheid was overgeslagen. Hamad Aga was een oude neger met wit haar en iets patriarchaals in zijn voorkomen, zoodat het mij weemoedig stemde zijn goedig uiterlijk niet weer te zullen zien.

Later hoorden wij dat sommige officieren levend in handen van de Donagla's gevallen en door hen gedood waren ; deze sloegen hun de hooiden af en zetten die op palen tegenover de poort van het station.

Zóó bevonden wij ons letterlijk als ratten in de val ; wij konden vóór-noch achteruit en eiken dag zouden de Donagla's ons kunnen overvallen. Er heerschte een verbazende angst onder het volk ; alle uren kwamen geheele drommen, die alles wat zij bezaten in den steek gelaten ot weggeworpen hadden, het station binnenvluchten, tot het eindelijk niemand meer kon opnemen.

Eenstemmig; werd toen Selim Agfa tot hoofd van de Provincie uit-

O

geroepen. De laatst binnengekomen vluchtelingen werden op den voet ofevolgfd door de otficieren en soldaten. Allen verkeerden in de quot;rootste

ö O O

vrees, want tusschen ons en de Donagla's lagen slechts ontruimde en verlaten stations.

hen der soldaten uit Rejaf, die zich door de vlucht hadden gered, deed mij, naar aanleiding van den dood van Abdoel Vaab Effendi, een verhaal, volgens hetwelk de grootste schrik had geheerscht, toen de Donagla's naar buiten waren gestormd en, in vereeniging met al de Bari's, zich op de aanvalscolonne hadden geworpen. Abdoel Vaab Effendi had, zoo het scheen, een wonde aan zijn been, zoodat hij niet in staat was geweest, de soldaten in het vluchten bij te houden, ten laatste van uitputting was gevallen en een zijner soldaten had toegeroepen, hem bij zijn ezel te brengen, die ergens in de buurt aan een boom vastgebonden stond. In plaats van aan zijn verzoek te voldoen, had de soldaat hem zijn Snider-geweer uit de handen gerukt en hem zijn oud percussiegeweer toegeworpen, met de bijvoeging, dat zulk een geweer goed genoeg was voor een van de lafhartige Egyptenaars, die hun zooveel ellende hadden berokkend met hun gekuip en geknoei. Daar Abdoel Vaab Eftendi zijn

267

-ocr page 300-

JEPHSON,

ezel niet had kunnen bereiken en door de woeste Bari's werd ingehaald, viel hij, door meer dan honderd speren getroffen.

Door dergelijke verhalen werkte deze vreeselijke vlucht nog des te schrikwekkender op Emin's laffe benden.

Er werd een bijeenkomst gehouden, waarin breedvoerig over den Moedir werd gesproken. Enkelen wilden hem dadelijk herstellen, anderen naar Wadelai zenden, sommiofen bleven noe tegfen hem gestemd, 't Was

'O O O O

ons geluk, dat Ali Aga Djabor en vier andere van Emin's ergste vijanden op hun vlucht uit Rejaf waren gedood en daardoor de tegenstanders van den Moedir in de minderheid waren.

Daarenboven kwamen al de soldaten eenparig verklaren niets te willen doen, of de Moedir moest onmiddellijk in vrijheid worden gesteld ; zij rekenden dat alle ellende was begonnen met den dag zijner afzetting.

Den volgenden dag verschenen ook de officieren ; zij begonnen, gelijk hun gewoonte was, eenige oogenblikken over onverschillige dingen te praten, maar kwamen alras met de ware reden van hun bezoek voor den dag.

Zij zeiden overeenkomstig den wil van het volk te hebben besloten, den Moedir vergunning te verleenen naar Wadelai te gaan, waar hij op zijn eerewoord gevangen zou blijven, behoudens vergunning zich vrij door het station en in zijn tuin te bewegen. Met nadruk verklaarde Eadl el Moella, dat Emin hem op zijn woord van eer moest beloven, geen enkele poging te zullen doen om in zijn rang als Moedir te worden hersteld ot deel te nemen aan de regeering ; op die voorwaarden alleen mocht hij gaan. Emin antwoordde dat hij, met het oog op de wijze, waarop hij door zijn volk was behandeld, niet begeerde aan 't hoofd van 't bestuur te staan.

Tot dezen stap was men hoofdzakelijk overgegaan op aandrang van Selim Aga, maar veel verplichting hadden wij in zekeren zin ook aan de Donagla's; want, hadden zij niet zoo onverwachts voor ons gestaan, zoodat het volk de schrik om het hart was geslagen, zou 't alleen Gode bekend zijn, wat er van ons was geworden. Ik geloot nooit, dat wij er ons uit hadden grered.

Een feit is het, dat Emin, als de officieren slechts een greintje on-

208

-ocr page 301-

269

rechtvaardigheid en onregelmatigheid in zijne handelingen hadden kunnen bewijzen, in de eerste opgewonden weken van den opstand zijn leven zou hebben verloren. Maar zij konden niets bewijzen, want Emin bleek volkomen onschuldig op elk punt van beschuldiging tegen hem ingebracht.

Nog tot op het laatste oogenblik bleven de beambten aan 't kwaad-stoken ; zij gingen gezamenlijk FadI el Moella verzoeken den Moedir geen verlof te verleenen om te vertrekken ; hoe gelukkig dat Soeleiman Aga aanwezig was, een knuppel greep, de soldaten opriep en de beambten door het station nazette.

Hen I7den November werd Emin des morgens in vrijheid gesteld en onder plechtig geleide van de meeste officieren naar de stoomboot gebracht. Tijdens zijn gevangenschap, die juist drie maanden had geduurd, was hij geen enkele keer buiten de hooge muren van 't gebouw geweest.

Emin's ontslag was een triomf over zijn vijanden. De soldaten waren den heuvel af naar den oever gemarcheerd onder 't spelen van 't Egyptische volkslied. Zij stonden aan beide zijden van den weg op een rij en salueerden den Pacha toen hij langs hen ging. 't Kanon bulderde en het geheele station, een betrekkelijk klein aantal officieren uitgezonderd, kwam naar buiten om hem te begroeten en Gods zegen toe te wenschen.

Elk scheen ruimer adem te halen nu hij weder in vrijheid was. Bijna allen kwamen hem de hand kussen en geleidden hem in triomf naar de stoomboot. Zijn eigen vlag, de halve maan en de drie sterren, die hij als Gouverneur mocht voeren, woei van den voorsteven; twee andere vlaggen stonden achterop, precies als voor den opstand.

Te half acht verlieten wij Dufflé onder de krachtigste betuigingen van welwillendheid van iedereen. Emin was erg zenuwachtig. Aan 't kijken naar boomen, water en bergen scheen bij hem geen einde te komen ; het gevoel van weder vrij te zijn maakte hem onrustig en opgewonden. Wij spraken over de kansen van de üonagla's om Dufflé te nemen en over de onverwachte wenteling van het rad der fortuin, waardoor wij de vrijheid hadden herkregen. Wij zagen nog eens achterom naar Dulflé, dat. in de verte langzamerhand minder duidelijk, zichtbaa'* werd, het station.

-ocr page 302-

JEPHSON,

waarin wij zooveel hadden ondervonden, toen een bocht in de rivier het voor goed aan ons oog onttrok. Goddank, dat wij het nimmer terugzagen !

Eerst in den volgenden namiddag kwamen wij te Wadelai aan, want wij moesten te Bora, een klein station met één officier en vijf en twintig sold ten, aanhouden.

Dit station was door Emin gebouwd, om altijd een voldoenden voorraad hout te hebben voor de stoombooten tusschen Wadelai en Dufflé, per boot een reis van vijftien uren.

Ik lasch hier een stuk in uit mijn dagboek, om des te beter mijn toenmalige indrukken weer te kunnen geven.

»Drie keer moesten wij dien morgen stoppen om hout in te nemen, zoodat wij niet voor half drie Wadelai in 't gezicht kregen.

gt;Op 't zien van 's Moedir's vlag op den voorsteven, snelde ieder naar den oever en stoomden wij tegen drie uur voor de aanlegplaats, in tegenwoordigheid van de geheele bevolking van 't station, waarvan de soldaten in witte uniformen, in 't gelid stonden geschaard, ter begroeting van hun Gouverneur. Onmiddellijk nadat de stoomboot was vastgelegd, snelden de officieren, schrijvers, burgerlijke beambten en handwerkslieden aan boord, om den Pacha te beeroeten en hem onder luid gejuich naar zijne woning te geleiden, voor wier deur een schaap was geslacht, zoodat wij door het bloed moesten loopen ; als gelukspel-lend voorteeken had men ook een weinig bloed tegen de lijsten der deuren van onze verblijven gesprenkeld. Uit de deur kwam Hadji Fatma, een oude negerin, die op het huis van den Pacha had gepast, op ons af, terwijl de tranen haar langs de wangen rolden ; na den Pacha de handen te hebben gekust, danste zij voor hem uit tot aan de drempel, terwijl zij met de vingers het geluid van kleppers nadeed, de handen boven haar hoofd hield opgeheven en uitriep: «Allah zij geloofd !quot; De soldaten marcheerden op tot voor het huis van den Pacha om hem de militaire eer te bewijzen ; nadat hij hun kortelijk had toegesproken, defileerden zij voor hem. Al de officieren en militaire schrijvers, benevens de burgerlijke ambtenaren en verdere geëmployeerden werden binnen genoodigd op de koffie en vertrokken weder, naeenige oogenblikken met den Pacha gesproken en hem met zijn behouden te-

270

-ocr page 303-

EM1N PACHA. 271

rugkeer geluk te hebben gewenscht. Daarenboven werd hij in zijn huis bekocht door vijftig of zestig vrouwen te gelijk, die hem allen de hand wilden kussen en weenden van vreugde.

»Allen schijnen opgetogen dat zij hem terughebben; de grootste tevredenheid heeft blijkbaar allerwegen de overhand. De weinigen die aan hem verkleefd zijn gebleven, ondanks alle bedreigingen met gevangenschap en dood van de zijde der rebellen, loopen om hem heen met gezichten, die van vreugde stralen en het duidelijk bewijs leveren, hoe wel het hun te moede is, dat de slechte tijden voorbij zijn De terugkomst van den Pacha is hier een ware triomftocht. Ik geloof niet, dat de meerderheid van het volk ooit tegen hem is geweest; maar de rebellen handelden zóó vlug en zóo ter rechter tijd, dat het volk er door overbluft en met stomheid geslagen werd en eenige weken totaal verstrikt bleet in het net van leugens, dat zij om den Moedir hadden geweven. Zoo kwam het, dat zij lijdelijk bleven toezien en de rebellen lieten doen wat zij verkozen, een gewoonte, die zeer algemeen bij de negers voorkomt, als men maar vastberaden en moedig tegen hen optreedt. Daar kwam op eens de tijding van de nadering der Donagla's, zoodat het volk opnieuw in hooge mate schrok en versteld stond, toen het vernam, dat Khartoem werkelijk gevallen en de weg over die plaats afgesneden was. Toen zagen de menschen in, dat de politiek, die de Pacha gedurende de drie jongste jaren nu eens bevolen, dan weder gesmeekt had te volgen, de juiste was geweest en begrepen zij, hoe volkomen hun officieren hen op een dwaalspoor gebracht en hoe dwaas zij gehandeld hadden, door den Moedir over boord ie werpen, toen zulk een hachelijke toestand voor de deur stond.

De menschen waren geschrokken op het bericht van den val van Rejaf, van den dood der officieren en schrijvers en van de gevangenneming van alle vrouwen en kinderen. Zij zagen met verdriet hoe verregaand onbekwaam de in opstand gekomen officieren waren, die zich hadden vermeten in zulke hoogst moeilijke omstandigheden 't bestuur op zich te ne men. De geest van ontevredenheid en tuchteloosheid was hand over hand toegenomen en toen de tijding kwam van de laatstvermelde rampen, verdween alle gezag en verklaarde men zich eenparig en vol geestdrift voor den Moedir.

36

-ocr page 304-

JEPHSON,

'Hij is thans vrij, maar weigert het bestuur weder op zich te nemen, te meer, daar hij beloofd heeft het niet te zullen doen ; ik hoop in elk geval, dat men hem er niet toe dwingt. Het is veel beter voor hem er buiten te blijven, want, werd hij niet gehoorzaamd vóór zijne afzetting, nu zal zulks evenmin het geval zijn. Daarenboven zou hij de ge-heele verantwoordelijkheid op zich moeten nemen voor den toestand uit den opstand geboren en wanneer eenmaal soldaten gewend zijn aan tuchteloosheid en diefstal, is het moeilijk hen daarvan af te brengen. Zooals de zaken geloopen zijn is hij in geen geval verantwoordelijk voor iets van 't geen er gebeurt in het land, en als Stanley morgen mocht komen., kan hij smetteloos, als ambteloos burger vertrekken, en met achterlating van allen, die hem verzaakten, alle lieden medenemen, die hem volkomen getrouw bleven. Toen het volk hem eenmaal zijn afzetting had aangekondigd, was hij van alle verplichtingen ontheven, die hij er tegenover nog mocht hebben.

gt;'t Valt niet te ontkennen, dat die menschen verblijd waren over zijn terugkomst; maar, als de Donagla's niet waren verschenen, zouden zij nog niet tot inkeer zijn gekomen. Alle hoop op behoud meenen zij in hem te moeten zoeken. Voor drie vierde gedeelte is hun blijdschap over zijn terugkomst eigenbelang, daar zij wanen dat hij hun de moeite besparen zal van te moeten denken.

»Dertien jaren achtereen is hij bij hen geweest en nimmer heeft men in hem een beschuldiging van onrecht of onrechtvaardigheid van eenig aanbelang jegens wien dan ook, met bewijzen kunnen staven. Toch heelt zijn volk, onder erkenning, dat hij een rechtvaardig en welwillend bestuurder was, op gezag van de officieren geloof geslagen aan de leugens tegen hem uitgestrooid en hem uitgeworpen.

»Zijn onderdanen hebben geen hand uitgestoken toen hij gevangen werd gezet en zouden, geloof, ik kalm hebben toegekeken, wanneer men hem ter dood had gebracht ; nooit zouden zij tot de overtuiging zijn gekomen, dat hij gelijk en zij ongelijk hadden, als zij niet waren overrompeld door de komst der Donagla's. Hoewel het verloop hoogst onaangenaam was, is de opstand nog zoo kwaad niet geweest, want door hem werd de Pacha ontheven van de verantwoordelijkheid om een gt;dwaas en stijfzinnig volkquot; te moeten besturen.

272

-ocr page 305-

EMIN PACHA.

«Hem blijft thans alleen over het land te verlaten met het overschot van zijn aanhang, zonder zijn hoofd te breken om de anderen. Gevoelen zij behoefte om hem te volgen, laten zij het op alle mogelijke manieren beproeven, maar dan ook alle verantwoordelijkheid op zich nemen. Ik herhaal — thans is hij van alle verantwoording af.

• Groot is het genot, na drie maanden gevangenschap binnen een rumoerig station, weder vrij te zijn. Hier is alles zoo rustig mogelijk ; te Dufflé was niets te zien; 't was er zoo laag en gedrukt Het station hier is op een heuveltop gebouwd en, als ik aan de deur van mijn woning ga staan, heb ik een prachtig gezicht op de rivier, die aan mijne voeten slingert door een golvend grasveld, met boomen beplant, gt; ü op de bergen der Shoeli's in het verschiet.

5 Als men lanof in een laae eeleeen streek heeft verkeerd, is de

O O ö ö

indruk verbazend, dien de kruin van een hoogen heuvel op onzen geest en onze gedachten te weeg brengt. Het is mij lief mij op den een oi anderen berg af te zonderen en uit de hoogte neer te zien ; dan schijnt men min of meer zijn eigen nietigheid in de vallei aan zijn voet te vergeten. Met een ruim uitzicht en in den reinen, frisschen bries, schijnen onze gedachten en denkbeelden hunne wieken uit te slaan en omhoog te stijgen, waar het vrijer is en beter. Daarom bouwden de Joden dan ook op «hoog gelegen plaatsenquot; hun altaren.

gt;De lange en ellendige tijd, door ons in het woud gesleten, zonder iets te zien, lag nog versch in mijn geheugen en versterkte ongetwijfeld mijn gevoel van genot, dat ik altijd smaak, als ik een heuvel beklimmen en het land overzien kan.quot;

Gedurende tal van dagen na zijn aankomst kreeg Emin bezoek van velen, om hem geluk te wenschen met het ontslag uit zijn gevangenschap. Oificieren, tolken, hooiden van inboorlingen wedijverden in betuigingen van verkleefdheid en in het uiten hunner blijdschap, dat zij hem weder in hun midden mochten zien. Het oude opperhoofd van Wadelai kwam hem een grooten olifantstand brengen, smaakte de grootste blijdschap over een groot groen bierglas en zag er nog even welgedaan en vroolijk uit als vroeger.

Emin had het zeer druk, want, behalve een onbekende ziekte, heerschte er een soort van epidemische pneumonie in het station. Toen

273

-ocr page 306-

JEPHSON,

Kodi Aga er plotseling door was aangetast, liet hij Emin komen om hem te behandelen, ging ik mede en zag hoezeer Emin getroffen was door de wijze, waarop Kodi Aga hem herhaaldelijk de handen kuste en niet ophield met te verklaren, hoe blijde hij was hem weder te zien.

Hoogst natuurlijk was de wijze waarop Kodi Aga aan zijn gevoel uiting gat ; maar hoewel hij ten volle meende wat hij zeide, gat het zoo weinig; nooit zouden dergelijke menschen flink voor den dag komen om Emin te helpen, als hij werkelijk hun hulp noo-dig had.

Tal van verhalen werden ons gedaan over de handelingen der re-

ö O

bellen, toen zij voor de eerste keer te Wadelai waren gekomen.

Dagelijks kwamen geheele scharen Emin bezoeken, om op allerlei wijzen hun toewijding en gehechtheid aan hem te betuigen ; allen verhaalden, dat zij zeer geleden hadden onder hetgeen er te Dulflé was voorgevallen, maar niets hadden durven doen, uit vrees, dat hunne huizen geplunderd en zij in de gevangenis geworpen werden. Dergelijke betuigingen hadden natuurlijk hoegenaamd geen waarde, ten minste in mijn oog, daar zij werden geuit, toen alles voorbij was ; als deze menschen hadden gehandeld, zooals zij zeiden te hebben willen doen, en dadelijk eenigszins flink waren opgetreden, zou de opstand in zijn geboorte zijn gesmoord — en geen week hebben geduurd.

Daags na onze aankomst te Wadelai, verscheen de stoomboot gt;Khedivequot;, om nieuwe vluchtelingen naar de zuidelijke stations te brengen. Wij hadden allen verlangend naar haar uitgezien om nader bericht, want wij wisten, dat de Donagla's, naar alle waarschijnlijk heid, zonder veel toeven, hunne te Rejaf behaalde overwinning zouden vervolgen.

Gedurende zes of zeven dagen hoorden wij niets en ging alles te Wadelai bedaard zijn gang. Emin hield zich bezig met de zieken en gevoelde zich onuitsprekelijk gelukkig in zijn vrijheid en het gevoel, dat hij weer werkzaam was onder zijn volk. Meer dan iets anders was hem de gedwongen werkeloosheid ten tijde van zijn gevangenschap hard gevallen en nooit had hij zich gelukkiger gevoeld,

-ocr page 307-

EMIN PACHA.

dan toen hij naar Wadelai kon gaan, ter behandeling der zieken. Niets scheen hem te vermoeien; nooit was het hem te veel iets te doen voor het welzijn van zijn volk. Hij scheen alles te hebben vergeten en vergeven wat hem was aangedaan en geloofde volkomen in de hernieuwde betuigingen van verkleefdheid. Ik bleef op dat punt geheel anders gestemd ; want ik hield niet var; zijn volk. Nog heden ben ik van meening dat zij werkelijk blijde waren hem terug te hebben, maar dat het op zich zelfs niets beteekende; want ik wist dat, als er iets gebeurde, wij niet in het minst op hun hulp zouden kunnen rekenen.

Toch behoorden deze weinige dagen, die op zijn gevangenschap volgden, voor Emin tot de gelukkigsten ; het station was rustig en de soldaten gedroegen zich voorbeeldig.

In velerlei opzicht was onze toestand evenwel gevaarlijker dan ooit; want al waren wij vrij en al konden wij ons terugtrekken als ons iets overkwam, er lag niets tusschen Rejaf en Duftlé om de komst der Donagla's te stuiten en wanneer Dufflé viel, was het geheele land verloren. Niemand verkoos evenwel op de mogelijkheid daarvan te letten en vermeed zelfs opzettelijk er aan te denken; men scheen tevreden te zijn, dat alles in het station rustig, en de lange tijd van verwarring en teugelloosheid voorbij was.

Ziehier nog een uittreksel uit mijn dagboek.

»Het is meer dan bevreemdend, dat nog geen enkele stoomboot terug is; wij beginnen reeds te vreezen, dat zij niet meer zullen komen. Thans is alles mogelijk, want wij weten niet wat er gebeurd mag zijn, Soeleiman Aga heeft beloofd binnen weinige dagen met de stoomboot, Khedivi te Wadelai te komen, om den Pacha, Casati en mij mede te nemen naar Toengoeroe. Zij is nu reeds verscheidene dagen over haar tijd. 't Is zeer wel mogelijk, dat wij, in onze gewaande veiligheid voortduttend, op een goeden morgen ontwaken met de Donagla's voor onze poorten, door nog anderen in de stoombooten vergezeld.quot;

Emin had beloofd, dat wij Wadelai niet verlaten, maar blijven zouden tot Soeleiman Aga aankwam. Wij moesten dus wel, al waren wij niet zonder angst, geduldig op hem wachten.

275

-ocr page 308-

JEPHSON,

Ik ging eerst veel ter jacht op talingen, *) die in menigte op de poelen in den omtrek van het station verkeerden maar ik moest het opgeven, daar mijn beenen door ongedierte uit het gr^s werden overdekt. Eens van de jacht gekomen, trok men niet minder dan acht en vijftig tijken uit mijn beenen en voeten. Zij waren bijzonder klein, maar drongen met hun koppen zoodanig in het vleesch, dat het volslagen onmogelijk was hen met de vingers te verwijderen en men zijn toevlucht moest nemen tot haartangen. Zij verkeerden in het gras, dat destijds zeer hoog en droog was; onmiddellijk na 't afbranden, was het onraadzaam om uit te gaan. De plek, waar men door deze tijken werd gestoken, zwol geweldig op; want bij het uithalen met de tang, bleven de koppen dikwijls zitten en was alleen de jeukte vaak voldoende, om verscheidene da^en sfeducht de koorts te hebben.

O O

Emin was bezig zijn goederen na te zien, zijn verzameling vogels in te pakken en a lerlei onnutte dingen weg te werpen, om, onmiddellijk na Stanley's aankomst bij het meer, te kunnen vertrekken. Welk een verzameling was het, in al de jaren, door hem in de Provincie doorgebracht, geworden!

Onder het nazien van zijn brieven, liet hij er mij een lezen van Dr. [unker. Deze schreef daarin, dat hij, na zijn langdurig verblijf in de Provincie, tot de overtuiging was gekomen, dat de inboorlingen nooit tot eenigen trap van beschaving waren te krijgen. Het eenige wat de Europeanen vermochten, was te trachten zich te handhaven, terwijl nooit een zachte behandeling aan het doel zou beantwoorden. Hij eindigde met de woorden: «Zij moeten door ontzag in bedwang worden gehouden.quot; Dit was wel wat sterk en mij dunkt ook niet juist, al was er misschien veel waars in.

Toen Junker dit schreef, had men in Duitschland bitter weinig op met de negers ; maar men was er in zijn geringschatting even onrecht-vaardio-, als men zich in Eneeland te buiten eine aan bewondering voor

ö 1 ö O O O

276

hunne gewaande deugden en hoedanigheden. Een juist oordeel over hun karakter ligt, dunkt mij, in het midden. Ik geloof niet, dat de ne-

1

Boschas Crecca. Vertaler

-ocr page 309-

EMIN PACHA.

gers ooit zullen worden een groot volk, in staat om zichzelven te besturen, in den zin zooals de Europeanen bedoelen. Maar ik zie niet in waarom men verwachten kan ot waartoe het noodig is, van negers Ku-ropeanen te maken. Wel is het een feit, dat zij, door opvoeding, oneindig hooger en beter kunnen worden dan zij zijn ; elk, die Afrika en de negers eenigszins kent, zal dit duidelijk zijn. De neger heeft geheel eigenaardige karaktertrekken, die bij hem dikwijls scherper voor den dag komen dan bij den Europeaan ; het is beter die trekken in den neger te koesteren en aan te kweeken en hem met al zijn eigenaardigheden te laten zooals hij is, dan hem te beschaven en te verlichten. Bemoei u met hem en richt hem af, maar tracht nooit er een Europeaan van te maken: — iedere poging in die richting zal altijd vlak slaan. Onder de jonge zendelingen, die ik heb aangetroffen, waren de meesten niets waard ; zij praatten wel veel over Jezus Christus, maar deden alles behalve naar zijn voorbeeld. Met zachtheid zou ik mijn denkbeelden ingang willen doen vinden, en voor alles wenschen, dat de zendelingen er voor zorgden, dat hunne bekeerlingen niet de gewoonten en manieren der Europeanen overnamen of zelfs zich op Europeesche wijze kleedden. Men kan zich moeilijk iets voorstellen dat kluchtiger is, dan een neger, die in Europeesch kostuum, in zijn spreken en handelen, den Europeaan naaapt. Ook zien zij er veel oogelijker uit in hun eigen kleedij, of in Europeesche goederen, gedragen zooals in hun land gebruikelijk is, welke ook veel geschikter zijn voor hun zelt en het klimaat. Ik herinner mij nog een gesprek met een neger in Oesongo, een goed, tamelijk ontwikkeld man en, voor zoover ik kon nagaan, uitstekend te vertrouwen. Nu droeg hij Europeesche kleeren, scheen zich daarin niet prettig en op zijn gemak te gevoelen, en gedroeg zich dan ook vreeselijk linksch. Toen ik eens met hem redeneerde over spoorwegen, was hij het geheel met mij eens, dat het heerlijk zou zijn, als over de dorre en koortsachtige streek waardoor Centraal Afrika werd ingesloten, een brug werd gelegd, zoodat men snel in de gezonde en vruchtbare binnenlanden kon komen. »Ja,quot; riep hij uit, «als er een spoorweg wordt gelegd, geloof ik, dat Jezus Christus er mede hier komt !quot; Hij bedoelde daarmede volstrekt niet zich oneerbiedig uit te laten, terwijl hij evenmin, daarvan houd ik mij overtuigd, zich schuldig maakte aan huichelarij. Hij was slechts

-ocr page 310-

JEPHSON,

Ik ging eerst veel ter jacht op talingen, ^ die in menigte op de poelen in den omtrek van het station verkeerden; maar ik moest het opgeven, daar mijn beenen door ongedierte uit het gras werden overdekt, Eens van de jacht gekomen, trok men niet minder dan acht en vijftig tijken uit mijn beenen en voeten. Zij waren bijzonder klein, maar drongen met hun koppen zoodanig in het vleesch, dat het volslagen onmogelijk was hen met de vingers te verwijderen en men zijn toevlucht moest nemen tot haartangen. Zij verkeerden in het gras, dat destijds zeer hoog en droog was; onmiddellijk na 't afbranden, was het onraadzaam om uit te gaan. De plek, waar men door deze tijken werd gestoken, zwol geweldig op; want bij het uithalen met de tang, bleven de koppen dikwijls zitten en was alleen de jeukte vaak voldoende, om verscheidene da^en gfeducht de koorts te hebben.

o o

Emin was bezig zijn goederen na te zien, zijn verzameling vogels in te pakken en allerlei onnutte dingen weg te werpen, om, onmiddellijk na Stanley's aankomst bij het meer, te kunnen vertrekken. Welk een verzameling was het, in al de jaren, door hem in de Provincie doorgebracht, geworden!

Onder het nazien van zijn brieven, liet hij er mij een lezen van Dr. junker. Deze schreef daarin, dat hij, na zijn langdurig verblijf in de Provincie, tot de overtuiging was gekomen, dat de inboorlingen nooit tot eenigen trap van beschaving waren te krijgen. Het eenige wat de Europeanen vermochten, was te trachten zich te handhaven, terwijl nooit een zachte behandeling aan het doel zou beantwoorden. Hij eindigde met de woorden: «Zij moeten door ontzag in bedwang worden gehouden.quot; Dit was wel wat sterk en mij dunkt ook niet juist, al was er misschien veel waars in.

Toen Junker dit schreef, had men in Duitschland bitter weinig op met de negers ; maar men was er in zijn geringschatting even onrecht-vaarditj, als men zich in Engeland te buiten srin^ aan bewondering voor

o ' o o o o

276

hunne gewaande deugden en hoedanigheden. Een juist oordeel over hun karakter ligt, dunkt mij, in het midden. Ik geloof niet, dat de ne-

i) Bbschas Crccca. Vertaler

-ocr page 311-

EMIN PACHA.

gers ooit zullen worden een groot volk, ïn staat om zichzelven te besturen, in den zin zooals de Europeanen bedoelen. Maar ik zie niet in waarom men verwachten kan of waartoe het noodig is, van negers Europeanen te maken. Wel is het een feit, dat zij. door opvoeding, oneindig hooger en beter kunnen worden dan zij zijn ; elk, die Afrika en de negers eenigszins kent, zal dit duidelijk zijn. De neger heeft geheel eigenaardige karaktertrekken, die bij hem dikwijls scherper voor den dag komen dan bij den Europeaan ; het is beter die trekken in den neger te koesteren en aan te kweeken en hem met al zijn eigenaardigheden te laten zooals hij is, dan hem te beschaven en te verlichten. Bemoei u met hem en richt hem af, maar tracht nooit er een Europeaan van te maken; — iedere poging in die richting zal altijd vlak slaan. Onder de jonge zendelingen, die ik heb aangetroffen, waren de meesten niets waard; zij praatten wel veel over Jezus Christus, maar deden alles behalve naar zijn voorbeeld. Met zachtheid zou ik mijn denkbeelden ingang willen doen vinden, en voor alles wenschen, dat de zendelingen er voor zorgden, dat hunne bekeerlingen niet de gewoonten en manieren der Europeanen overnamen of zelfs zich op Europeesche wijze kleedden. Men kan zich moeilijk iets voorstellen dat kluchtiger is, dan een neger, die in Europeesch kostuum, in zijn spreken en handelen, den Europeaan naaapt. Ook zien zij er veel oogelijker uit in hun eigen kleedij, of in Europeesche goederen, gedragen zooals in hun land gebruikelijk is, welke ook veel geschikter zijn voor hun zelt en het klimaat. Ik herinner mij nog een gesprek met een neger in Oesongo, een goed, tamelijk ontwikkeld man en, voor zoover ik kon nagaan, uitstekend te vertrouwen. Nu droeg hij Europeesche kleeren, scheen zich daarin niet prettig en op zijn gemak te gevoelen, en gedroeg zich dan ook vreeselijk linksch. Toen ik eens met hem redeneerde over spoorwegen, was hij het geheel met mij eens, dat het heerlijk zou zijn, als over de dorre en koortsachtige streek waardoor Centraal Afrika werd ingesloten, een brug werd gelegd, zoodat men snel in de gezonde en vruchtbare binnenlanden kon komen. »ja,quot; riep hij uit, nals er een spoorweg wordt gelegd, geloof ik, datjezus Christus er mede hier komt!quot; Hij bedoelde daarmede volstrekt niet zich oneerbiedig uit te laten, terwijl hij evenmin, daarvan houd ik mij overtuigd, zich schuldig maakte aan huichelarij. Hij was slechts

-ocr page 312-

JEl'IlSON,

tot zekere hoogte Europeaan geworden, zonder te begrijpen, hoe een Europeaan zich uitdrukt.

De handel zal, dunkt mij, het beste en het krachtigste middel zijn, om in Afrika beschaving te brengen, want door hem kunnen de hulpbronnen van het land tot ontwikkeling komen. Als de inboorlingen maar eenmaal zien, dat hunne produkten gemakkelijk kunnen worden verhandeld, zullen zij hun land wel aanbreken en ontginnen. Tegenwoordig verbouwt elk inboorling niet meer dan hetgeen hij voor zijn gezin noo-dig heeft en besteedt hij al zijn vrijen tijd aan niets doen of twisten met zijn buren. Als hij tamelijk ruim met aardsche goederen is gezegend en eenig grondbezit heeft, zal hij zich wel tweemaal bedenken, voor hij om de geringste kleinigheid aan zijn buren den oorlog verklaart. Hij heeft in dat geval iets te verliezen en zal dan wel wijzer zijn.

Bovendien zou ik wel gaarne een beter soort goederen in Afrika willen zien invoeren dan de goedkoope, opzichtelijke Manchestersche katoenen, die thans worden ingeruild tegen inlandsche produkten. Nooit zal ik vergeten, hoezeer ik mij schaamde, toen ik ontdekte welk ellendig, dun soort goed wij op onze Expeditie bij ons hadden voor de inboorlingen. In zoo verre hadden wij geen schuld, daar wij goederen moesten medebrengen, die in het land voor geld golden; maar het leveren van zulke ellendige waar is niet bevorderlijk aan het krediet der kooplieden uit Manchester.

Enkele stammen staan, hoewel zij nimmer met de beschaafde wereld in aanraking kwamen, ver boven hun naburen.

Zoo staat bij voorbeeld het volk van Oeganda hooger in beschaving dan dat van Oenyoro, hetwelk op zijn beurt weer de omwonende stammen overtreft, terwijl de inboorlingen op de vlakten in den omtrek van Kacalli weer beschaafder zijn dan het volk in de nabijheid van Eort Bodo in Ibwiri. Het laagst staan, naar mijne meening, de boschbewoners aan den Opper-Aroewini, nabij het dorp Aveysheba ; te oor-deelen naar de lijken dergenen, die wij hebben gedood, een klein, slecht gegroeid en verbasterd ras.

Volgens eene mededeeling van Emin aan mij, bemerkt elk reiziger, zoodra hij in Oeganda komt, hoe zindelijk het volk aldaar is op

27B

-ocr page 313-

ÉMIN PACHA.

zijne woningen en hoe goed de wegen er zijn, terwijl alles spreekt van beschaving. Huisraad, kruiken, emmers, enz. zijn fraai, terwijl hun schorsbedekking netjes is en gepaste afmetingen heeft. Oenyoro streeft daarin Oeganda op zijde. De inboorlingen in den omtrek van Kavalli's dorp bouwen goede hutten en dragen bijzonder goedgelooide huiden, terwijl de vrouwen schoon van vormen en zedig zijn. Van Kavalli's dorp tot aan Aveijsheba, waar zij op de laagste sport staan, schijnen de inboorlingen op den maatschappelijken ladder te dalen.

Zeer zeker zullen de negers, al worden zij ooit een groot volk, nimmer roem kunnen dragen op hun land.

Emin vertelde mij, dat hij, altijd plan hebbende gehad Chineezen te importeeren ten behoeve van den landbouw, daarover een zeer belangwekkende correspondentie had gevoerd met Gordon, toen deze Gouverneur-Generaal te Khartoem was. Hoewel Gordon de juistheid van het denkbeeld moest toegeven, maakte hij in zoover bezwaar tegen het plan, dat de Chineezen het onzedelijkste volk was, dat onder de zon leefde, zoodat hij weigeren moest tot de uitvoering mede te werken.

Vurig had ik gevvenscht Emin's onderhebbenden mede te voeren, om hen te vestigen in een landstreek nabij het Victoria meer ; Emin had er over geschreven aan Nubar Pacha en velen waren er toe genegen ; het scheen verreweg het beste te zijn niet alleen voor hen, maar ook voor Egypte; want, wanneer al de onderdanen van den Khedive, die een regeeringsbetrekking bekleedden, met ons naar Egypte gingen, zou er een achterstand over vele jaren aan salarissen moeten worden betaald, die minstens 4.200.000 gulden zou bedragen en waar zou men die som, in Egypte, van daan krijgen?

Door den opstand had men evenwel alle gedachten aan uitvoering van Emin's plan moeten laten varen, en zou ik, nu ik wist uit welk een rooversbende de bevolking van Equatoria bestond, nooit willen medewerken haar over te brengen naar een nieuwe landstreek onder inboorlingen, die er niet tegen opgewassen waren. Waar zij met hun dun vernis van beschaving en al de ondeugden en ijdelheden der lurken ook kwamen, overal zouden zij verderf brengen. Elke schoone landstreek zouden zij alras hebben doen verkeeren in een hel op aarde. Hoe lammer dat Baker. Gordon en Emin over sreen beter volk te be-

279

-ocr page 314-

JEPHSON,

schikken hadden ! Welk een heerlijk land had er niet van Equatoria kunnen zijn geworden, als het vrij had mogen blijven van alle Turksche en Egyptische invloeden! Het orootsche werk door deze drie mannen met zoo-veel ijver en onder opzetting van hun eigen leven verricht, ging volslagen verloren, zoowel om de slechtheid van het materiaal, dat hun ten dienste stond, als om de verdorvenheid van het Egyptische Gouvernement. Men had evengoed kunnen probeeren touwen te maken van zand, want heel het raderwerk, dat de Provincie in beweging moest houden, was verrot en in alles kwam bederf aan het licht. Ik weet dat Gordon en Emin zich menigmaal beklaagden over de slechtheid van het materiaal, waarmede zij moesten werken, en ongetwijfeld zal dit ook met Baker het geval zijn geweest; ook hier blijkt de waarheid van het oude spreekwoord, dat zijden doeken in niets gelijk zijn aan varkenshaar. Bovendien zou de inval der Donagla's voor langen tijd de middelen van gemeenschap afsluiten met enkele van de rijkste landen — Makraka, Monboettoe, Eatooka en, om geen anderen te noemen, met Niam-Niam — want de horden van den Mahdi zouden ongetwijfeld al die landen overstroomen en door slavenjachten ontvolken, ze berooven van het ivoor en door onvoldoende bebouwing te gronde richten. Als er niets tegen het Mahdisme wordt gedaan, weet ik niet waar het zal ophouden, 't Is best mogelijk, dat de beweging zich in zuidelijke richting voortzet tot zij de Arabieren van Manyema in Zanzibar omvat, die langzamerhand noordelijker komen.

Nog altijd zagen wij reikhalzend uit naar de komst van een stoomboot, toen wij, bij geruchte, uit Toengoere en M'swa vernamen, dat Kodi Aga aan eenige inlandsche tolken een brief had medegegeven voor Soeleiman Aga te Dufflé, om hem aan te sporen, zoo spoedig mogelijk het commando over Toengoeroe, 't welk hem weder was opgedragen, te komen overnemen.

Volgens het gerucht hadden de ongerelde troepen te Toengoeroe en M'swa zich verbonden, om de stations te verbranden en zich dwars door het land te slaan, om zich met hun landgenooten, de Donagla's, in Rejaf te vereenigen. De ongeregelde troepen hadden op deze beide stations de meerderheid, terwijl het gevaar nog vergroot werd, doordien te Toengoeroe een schrijver was, Tybe Effendi geheeten, die

280

-ocr page 315-

EM IN PACHA.

uit Dongola kwam en bekend stond als bevriend met de Mahdisten. Hij was een dergenen, die het sterkst tegen Emin waren opgetreden en door Selim Aga van Dufflé naar Toengoeroe was gezonden, om hem buiteti bereik der Donagla's te houden, toen deze de troepen uit Rejaf hadden verslagen. Hij was een geboren indringer en 'f: was best mogelijk dat hij een onberekenbare ellende te weeg bracht. De ongeregelde troepen bleven, in 't begin van den opstand vrij wel in bedwang en ontzagf, door de houding- die de geoefende soldaten teyenover hen

O ' 00 «—

aannamen; maar toen de Donagla's verschenen waren en de laatsten herhaaldelijk hadden verslagen, begonnen zij meer en meer pretensien te krijgen. Ook was er een deel der soldaten naar Toengoeroe, om Tybe Effendi naar Wadelai terug te brengen. Aan de verwikkelingen in dit land scheen geen einde te komen ; ongevallen van allerlei aard hadden er gedurig overal plaats, bijna altijd gepaard met verraad en opstand.

Middelerwijl was er nog geen bericht uit Dufflé en begonnen wij er over te denken om over land naar Toengoeroe te gaan en niet lan-

O O

ger te wachten op Soeleiman Aga, want wij waren er van overtuigd, dat de Donagla's niet lang zouden dralen met het voortzetten van hun' triomftocht. Emin in beweging te krijgen, was 't eenige, waar het op vast zat.

Den is'en December kwam ons een gerucht ter ooren over het na-deren der Dongala's ; onder die dagteekening lees ik in mijn journaal:

gt; Heden kregen wij door inboorlingen bericht, dat een groote horde Donagla's uit Bahr el Ghazal was opgetrokken en de soldaten van Makra-ka aangevallen en verslagen had. Deze waren gevlucht naar zekeren berg, Gebel Wati genaamd, aan den weg van Makraka naar hier, en achtervolgd door de Donagla's, die hen voor den tweeden keer versloegen

O O 7 ö

en zich legerden op dien berg, slechts twee en een halven dagmarsch van ons station. Wij weten uit den brief van Omar Saleh dat Osman Adem het bevel voerde over de strijdkrachten van den Mahdi in Bahr el Ghazal en dat Keremallah zich bij hem bevond, de generaal, die vier jaren geleden door den Pacha in Amadi werd verslagen ; het is dus wel waarschijnlijk, dat hij brandt van verlangen, om de poets, hem destijds gespeeld, en de daaruit gevolgde nederlaag te wreken. Als 't be-

281

-ocr page 316-

JEPHSON,

richt waar is, is de toestand inderdaad ernstig, want er zal vooraf wel een schikking zijn getroffen met de bevolking van Rejat. Men mag het bericht des te eerder voor waar aannemen, omdat het ons altijd verbaasd had, dat de Donagla's, van Rejaf uit, geen van hunne beide overwinningen hebben voortgezet. Het schijnt derhalve wel, dat zij hun landgenooten opwachtten om zich in Bahr el Ghazal bij hen aan te sluiten, ten einde gemeenschappelijk voort te nikken. Het is ook mogelijk, dat zij een aanval op Dufflé gedaan, de stoombooten genomen en besloten hebben van Gebel Wati op ons aan te rukken en ter zelfder tijd de stoombooten van Dutflé te laten vertrekken, om ons te gelijk te water aan te vallen.

gt;Wij kunnen het hier nooit tegen hen volhouden, tenzij de soldaten moedig zijn en pal willen staan; maar dat doen zij niet. Bovendien is Wadelai slecht versterkt; wel is waar loopt er een gracht om het geheele station, maar met het oog op de gesteldheid van den bodem — hij bestaat geheel uit rotsblokken en grint — is het onmogelijk diep te graven en van de gracht een werkelijk middel van verdediging te maken. Bovendien is het station veel te groot, om het te kunnen behouden. Als Wadelai verloren gaat, verliezen wij Toengoeroe ook en zal M'swa weldra volgen, zoodat dan de geheele streek in handen is van de Donagla's. Welk een angstige tijd! Als het plan van den terugtocht slechts flink was aangevat, zouden Wadelai en Dufflé thans beide ontruimd en wij allen in veiligheid bijeen zijn geweest in Toengoeroe en M'swa, waar wij het allicht tegen de Donagla's hadden kunnen uit. houden.

»'t Is om razend te worden als men de lieden ziet werken, of liever niet-werken; — zij staan als zij moeten loopen, en zij loopen als hazen wanneer zij moeten stand houden, om den vijand het hoofd te bieden. Zeer te recht noemt mijn bediende Binza hen iVVatoe m'boroequot;, een »rot volkquot;; dat is het goede woord. Ik heb met Emin ernstig de wen-schelijkheid besproken, om onverwijld uit dit land te vertrekken; daarin is Kapitein Casati het met mij eens, Naar ik hoop, zal men wel willen aannemen, dat ik een der laatsten ben om voor terugtrekken te pleiten, zoolang wij met blijven nog iets kunnen winnen ; maar nu van alle kanten wordt toegegeven, dat alle verdediging onmogelijk is, zou ik niet

282

-ocr page 317-

EMIN PACHA.

weten, waartoe het moest dienen hier gevangen te worden genomen. Niemand kan daarbij winnen. Er zijn boden uitgezonden, om te vernemen of het bericht over het oprukken uit Gebel-Wati juist is en als dat het geval blijkt te zijn, raad ik Emin aan onmiddellijk te vertrekken naar Imandi, een plaats aan den zoom van het woud, aan den overkant van den Itoeri. Daardoor zouden wij een breede strook lands en den Itoeri tusschen ons en de Donagla's hebben en slechts zes dagen van Eort Bodo af zijn. Daar konden wij dan wachten op Stanley, en zoodra hij bij ons is, in zuidoostelijke richting marcheeren, waardoor wij meteen een eind van dit land af blijven. Met vijftig geweren is dit uitvoerbaar.

gt;Zoodra zeker Egyptisch officier had gehoord, dat de Donagla's bij Gebel Wati waren, kwam hij Emin vertellen, dat het volk in grooten angst verkeerde door die tijding en het niet verschijnen van de stoom-booten. Hij voegde er bij: gt;Gij zijt natuurlijk verantwoordelijk voor ons allen en moogt ons niet verlaten ; op bevel van het Gouvernement zijn wij uit Egypte gekomen om onder u te dienen ; op u rust dus de verplichting om ons te beschermen !quot;

gt;Och kom !quot; zeide de Pacha. «Gij schijnt te vergeten, dat ik een stuk bezit, waaruit blijkt dat de officieren mij hebben afgezet, en wen-schen, dat ik mij niet langer bemoei met de bestuursaangelegenheden en ophoud hun Gouverneur te zijn ; dit stuk is te Dufflé geschreven en door u allen onderteekend.quot;

»0 ! maar dat was alles onzin !quot;

»Onzin of niet,quot; antwoordde de Pacha, gt;men heeft mij drie maanden gevangen gehouden en als ik vrij was geweest in mijn handelingen, zouden wij nooit in dezen toestand zijn gekomen, zoodat ik er nu ook hoegenaamd niet voor aansprakelijk ben.quot;

De onbeschaamdheid van een Egyptenaar kent geen grenzen ! Aan de Egyptenaren alleen was de ongelukkige toestand van het land te wijten en toch wenschten zij, toen zij in de klem zaten, de verantwoordelijkheid op den Moedir te schuiven, 't Was misschien beter hen in Soedan te laten omkomen, dan dergelijk schuim nog mede te nemen naar Egypte.

Hier ontleen ik weder aan mijn dagboek :

283

-ocr page 318-

JEPHSON,

«In den nammiddag' marcheerden al de soldaten naar Emin en schaarden zich vóór zijn woning in het gelid ; dadelijk trad hij naar buiten om te hooren wat zij verlangden. Oificieren waren er niet bij ; de troep bestond alleen uit onderofficieren en soldaten. Pas was de Pacha buiten, of de onderofficieren traden op hem toe, om hem het doel hunner komst te zeggen, terwijl de soldaten alles in koor herhaalden. Zij begeerden, dat de Pacha opnieuw weder optrad als Moedir, daar,zooals zij zich uitdrukten, »een schip zonder stuurman moet vergaan.quot; Zij voegden er bij, dat, sedert zijn afzetting, alles in de war geloopen, er niets gedaan en de tucht niet gehandhaafd was. Het volk uit Dufflé. herwaarts gekomen, had veel onheil gesticht, maar als het terugkwam, zou het een ontvangst te beurt vallen om nooit te vergeten; want nu wist men te Wadelai zeer goed, hoeveel ellende het stichtte en hoe onbekwaam het was om het land te regeeren. Met de betuiging, dat de Pacha hun vader en Gouverneur was en hen moest behoeden en redden, eindigden zij. Uitvoerig werden zij door Emin beantwoord. Hij verklaarde niet in staat te zijn weder als vroeger het bestuur te voeren, want hij had aan de lieden te Dufflé beloofd daarvan af te zullen zien en hij wilde en konde zijn woord niet verbreken. Maar, zooals zij wisten, ging hij iederen dag naar Kodi Aya om te hooren wat er omging en hem raad te geven.

O 00 O

Ook wisten zij, dat hij, toen Dr. Juncker uit het land ging, had kunnen medegaan als hij gewild had, maar zulks niet had gedaan. Waar zijn volk was, behoorde hij ook te zijn ; maar, voegde hij er bij, als ik u op den een of anderen avond gelast om terug te trekken, moet gij mij niet tegenspreken, maar bereid zijn onmiddellijk den volgenden morgen te gaan. Natuurlijk verklaarden al de soldaten om strijd onmiddellijk te willen optrekken, als hij het hun gelastte; doch ik wist wel, dat zij 't nooit doen, maar den tijd verbeuzelen zouden, tot het te laat was. Daarop verwijderden de soldaten zich, blijde dat zij alles aan Emin konden overlaten ; dat hij de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid op zich had genomen en zij niets te doen hadden als eten en slapen. Emin liet zich geen enkel woord ontvallen over zijn ware bedoelingen, — zoo spoedig mogelijk te vertrekken, met allen, die hem tijdens den opstand getrouw waren gebleven, onder volkomen vrijlating aan de overigen, om te blijven of te volgen. Als zij weg willen zullen zij dat even gemakke-

284

-ocr page 319-

EMIN PACHA.

lijk kunnen als wij; maar hij is niet van plan zich voor hun veiligheid aansprakelijk te stellen en allen die dralen en omtreuzelen onder weg, laat hij in den steek. Dergelijke behandeling is eigenlijk voor zulk slag van volk nog veel te goed. Hij heeft hun gezegd, dat hij Kodi Aga van raad diende, maar juist dat maakt hem in hun oogen verantwoordelijk voor den gegeven raad en het voor zichzelven veel moeielijker er zich uit te redden. Bovendien heeft zijn toespraak verwachtingen opgewekt bij de soldaten, die hij niet van plan is te vervullen. Het zou veel beter zijn geweest, als hij hun ronduit had gezegd, dat de tegenwoordige omstandigheden een gevolg waren van den opstand en zijn gevangenneming, hetwelk de soldaten stilzwijgend zouden moeten toestemmen, zoodat hij dus nu ook voor niets verantwoordelijk kon zijn. Hij had moeten zeggen dat hij voor hen zou doen wat hij kon, maar de verantwoordelijkheid voor hunne veiligheid niet te kunnen aanvaarden.

üDeze beweging was klaarblijkelijk alleen door de officieren op het touw gezet, om hem de belofte te ontlokken hen te redden uit de klem, waarin zij allen hadden gebracht.

»Kapitein Casati en ik hadden niet veel op met deze toespraak van Emin tot de soldaten; Casati zeide : »Hij is een goed Gouverneur geweest, maar hij is niet geschikt in de tegenwoordige crisis,quot; of, om Casati's eigen woorden te gebruiken, »11 n'a pas de courage.quot; Hij durft niet ronduit en in kloeke taal te zesjfofen, dat het volk thans niets meer

O O '

van hem heeft te verwachten, daar het hem alle gezag uit de handen had genomen. Dit was gedurende den geheelen opstand, zelis reeds eerder, het geval.

t Hij is zonder twijfel een uitnemend Gouverneur geweest, en zou dat nog zijn, als alles maar kalm en rustig zijn gang was gegaan, maar hij is niet flink genoeg om in onverwachte omstandigheden vlug te handelen. Toen de soldaten hem terug wenschten, hebben Kapitein Casati en ik hem gesmeekt zich tegenover hen tot niets te verbinden. Daar had hij, gelijk hij zeide, ook geen plan op; hij wilde hun krachtig zeggen waar het op stond. Maar toen hij begon te spreken, was zijn taal alles behalve krachtig en wekte hij zeer zeker verwachtingen op, die hij, zooals ik boven reeds zeide, niet van plan was te vervullen. Later bemerkte hij, dat Casati en ik niet goedkeurden wat hij had gezegd, en

-ocr page 320-

JEPHSON,

beriep hij er zich op, dat hij bang was geweest de soldaten te beleedigen door al te krasse taal. 't Is onbetwistbaar noodig met dergelijk slag van menschen de lijn niet al te strak te spannen ; maar toen was het volstrekt geen tijd om zoete broodjes te bakken en diende men ronduit te zeggen, waar de zaken op stonden, want eerlang zal, als ik mij niet bedrieg, gelden het gt;Sauve qui peutquot;. Stanley zou, als hij hier was geweest, allen wel binnen de perken hebben gehouden. De Pacha geeft mij volkomen gelijk, als ik zeg, dat hij zijn soldaten voor niets heelt te danken, en toch zegt hij hen niet te veroordeelen om hetgeen er in dezen opstand is voorgevallen ; ook stemt hij mij toe, dat alleen de soldaten in het land iets hebben te zeggen en er geen opstand zou zijn voorgekomen, als zij met hem hadden samengewerkt ; toch is hij niet verstoord, dat zij lijdelijk bleven toen hij gevangen werd gezet, omdat zij, zooals hij zegt, geen enkele daad van geweld hebben verricht! Zelfs trachtten de schildwachten voor zijn deur te Dufflé niet eens den opstand te sussen, maar deden zij er aan mede ! Ik begrijp zijn redeneering niet; en ik zou denken, dat hier de woorden van de Heilige Schritt van toepassing zijn: gt;Wie niet voor Mij is, is tegen Mij, en die niet gezaaid heeft, zal ook niet oogsten.quot; Halve maatregelen baten bij opstand niet; het volk kan niet onzijdig blijven, maar moet partij kiezen. Het was om er gek van te worden. Emin zou zijn volk werkelijk veel grooter dienst hebben bewezen, als hij het flink en krach-tier had aangetast ; dan zou het hebben ineezien, dat het zich zelf

O O ' O

had moeten redden en niet hebben getreuzeld, tot het te laat was.quot;

Des avonds bespraken Emin, Casati en ik op nieuw het geval en waren wij het er over eens, dat het jammer was, dat de soldaten waren gekomen. Het was zonneklaar, dat de officieren, zoowel als de manschappen, den Moedir wenschten te noodzaken, op nieuw de verantwoordelijkheid op zich te nemen, niet zoozeer, omdat zij hem als Moedir begeerden, als wel, omdat zij bang waren dat hun iets mocht overkomen, en zij dachten, dat hij, als hij maar weder aan het hoofd stond, in staat zou zijn hen uit den nood te redden en te ontheffen van de zore om na te denken of iets te doen.

Emin herhaalde dat hij niet goed vond al te rond tot de soldaten te spreken, uit vrees, dat zij van hem vervreemdden, terwijl hij toch

286

-ocr page 321-

EMIN PACHA.

altijd hun hulp noodig kon hebben. Ik maakte oe opmerking, dat de soldaten, toen zij hem de verzekering gaven hem stipt te zullen gehoorzamen, er niets van meenden en hem nooit zouden bijstaan wanneer hij hen noodig mocht hebben. Toen hij daarop antwoordde: «Mijnheer Jephson, ik ken mijn volk reeds dertien jaar, gij pas zeven maanden; vergun mij dus dit zelf het beste te wetenquot;, hernam ik schouderophalend: »Mij wel, Pacha, ncvs verrons.quot; 't Bleef een hopeloos werk Emin duidelijk te maken dat zijn volk niet te vertrouwen was; want als zij iets verkeerds hadden gedaan, later hun spijt kwamen betuigen, dat zij aldus handelden, hem de verzekering van hunne innige gehechtheid gaven en beloofden in het vervolg te zullen gehoorzamen, was hij dadelijk bereid hun vergiffenis te schenken en weder op hen te vertrouwen. In iemand met dergelijke bekwaamheden mag het zeker wel bevreemding wekken, dat hij zoo weinig nut trok van de ondervinding.

Op den morgen, die op den dag volgde, waarop zich de soldaten en corps bij Emin hadden vervoegd, ging hij naar Kodi Aga, om hem te zeggen, dat hij voortaan van dergelijke demonstratien wensch-te verschoond te blijven. Destijds zou het volk, op raad van Emin, bij kleine gedeelten, overland naar Toengoeroe, en de vluchtelingen van de noordelijke stations, die naar Wadelai waren gebracht, langzamerhand naar de zuidelijke stations vervoerd worden. Kodi Agi klaagde evenwel, dat zij, zelts nu, niet naar Toengoeroe wilden, en velen, toen hij hun bevolen had te vertrekken, zulks hadden geweigerd, hoewel er inlanders gereed stonden om hunne bagage te dragen. Emin gaf hem last allen, die hem niet wilden gehoorzamen, in de gevangenis te werpen, zoodat dan ook Achmet Effendi Rajif, een schobbejak van een ambtenaar, toen hij weigerde het station te verlaten, werd opgesloten. Achmet was een hoogst verachtelijk wezen en in den Raad te Duiflé een van Emin's bitterste vijanden-

Geen enkele van de opgestane officieren, noch iemand van de manschappen hield van hem; hij had al zijn goed verkocht om te kunnen drinken; hij werd «weggejaagd als een straathondquot; en elk zorgde wel hem niet te helpen. Hij was een Egyptenaar, bijna een dwerg en zag er altijd vreeselijk vuil en haveloos uit. Hij had een laag en geslepen uiterlijk, koepelvormige beenen - en zette de voeten binnen-

287

-ocr page 322-

JEPHSON,

waarts. Mij kwamen altijd de afbeeldingen van Quilp in de gedachte als ik hem zag. Hij zou een goed model zijn geweest voor een kunstenaar, die het toppunt wenschte te schilderen van al wat laag, gemeen, wraakgierig en verachtelijk was en gekleed ging in lompen en vuil. Dat was nu een der juweelen, die wij wellicht naar Egypte zouden moeten vervoeren!

Denzelfden dag kwam Osman Latif vorderen, dat Emin de verantwoordelijkheid voor zijn volk op zich nemen en behouden zoude, maar matigde zich, toen Casati en ik met dat denkbeeld den spot begonnen te drijven.

288

-ocr page 323-

HOOFDSTUK XII.

ONZE VLUCHT UIT W ADEL AI

§m

Bericht van den val der noordelijke stations. — ILr wordt krijgsraad gehouden. — De soldaten smeeken Emin, het bevel weder op zich te nemen. — Besluit om te vluchten. — Wij maken ons tot de vlucht gereed. — Wij moeten goederen wegwerpen. — Ik maak de Advance onbruikbaar. — Binza, een bruikbaar mensch. — Onze vlucht uit Wadelai. — Desertie onder de soldaten. — De vreemdsoortige bagage van de vluchtelingen. — Hartverscheurend tooneel op de rivier. — Vreemde denkbeelden over de ontruiming van het land. — Wij kampeeren. — Aankomst van de stoomboot. — Brief van Selim Aga Matara. — Beschrijving van 't beleg van Dufflé. — Emins besluit om te vertrekken. — Nadere bijzonderheden omtrent het beleg van Dufflé. — Lafhartigheid door de soldaten aan den dag gelegd. — Wij ontkomen ter nauwernood het gevaar. — Het gedrag der soldaten in vroegere oorlogen met de Mahdisten. — Voorziene uitbarstingen, — Wij bereiken Okello's dorp. — Aankomst te Toengoeroe.

Den 4den December zagen wij, tegen den middag, eenige soldaten, vergezeld van enkele vrouwen en kinderen, zoo snel als zij konden, zich aan den overkant der rivier voortspoeden. Zoodra zij zich tegenover ons station bevonden, begon een hunner signalen te geven, door schier onzinnig een witte vlag te zwaaien. Na dadelijk een boot te hebben uit-

-ocr page 324-

290

gezonden om hen over te halen, bleken zij te behooren tot het garnizoen van Bora, een klein station halfweg Dufflé en Wadelai, en in allerijl gekomen te zijn om ons een bericht over te brengen, dat hun, was geworden van eenige bevriende inboorlingen uit den omtrek van Dufflé, behoorende tot den stam Loer. Hamad Aga, de commandant van Bora, liet ons daarin weten, dat Moeggi, Laboré, Chor Ayoe en Dufflé voor de Donagla's waren bezweken en deze ook Fabbo hadden bemachtigd. Een inboorling uit den omtrek van Bora was bij Hamad Aga gekomen met de boodschap, dat de tolken, die wij met brieven naar Dufflé hadden gezonden, onderweg waren gedood door de Shoeli's, die eenparig tegen de Turken waren opgestaan. Hij had gezegd hem dit, alsook het bericht van den val der noordelijke stations, mede te moeten deelen, omdat Hamad Aga altijd een vriend van Emin was geweest, terwijl hij hem had geraden zijn leven te redden door de vlucht en ons in Wadelai van een en ander op de hoogte te brengen.

Toen Kodi Aga met het een en ander in kennis was gesteld, riep hij al de officieren bijeen en gingen zij gezamenlijk naar Emin's woning. Daar hielden zij een langdurigen krijgsraad, waarin het woord werd gevoerd door al de officieren en men eindelijk tot het besluit kwam, om onmiddellijk het station te ontruimen ; nadat ook de onderofficieren waren opgeroepen, schonken zij er hun bijbal aan. Daarop werden de soldaten, compagnie's gewijze in 't geweer geroepen, in kennis gesteld met het besluit en door hun officieren toegesproken. Enkelen hunner waren voor onverwijld vertrek; maar de meerderheid wilde een paar dagen wachten of het bericht ook werd bevestigd. Als Dufflé was gevallen, hadden er, volgens hunne meening, vluchtelingen in Wadelai moeten zijn aangekomen. Wij rekenden evenwel, dat zulks niet het geval was, omdat al de inboorlingen tusschen Wadelai en Dufflé waren opgestaan, zoodat allen, die nog hadden kunnen vluchten wel zouden zijn omgekomen. Nadat zij eenigen tijd met hunne officieren hadden gesproken zonder tot een bepaald besluit te kunnen komen, werd goedgevonden, dat de soldaten zich naar den Pacha begaven. Bij Emin gekomen, herinnerde deze hen aan de belofte, hem pas twee dagen geleden gegeven, en werd er, nadat de zaak van alle kanten was bekeken, besloten den volgenden morgen vroegtijdig het station te ontruimen en naar

-ocr page 325-

EMIN PACHA.

Toengoeroe te vertrekken. Wij zouden aanrukken op M'swa en dan de bergen nemen, terwijl ik den weg naar Fort Bodo zou wijzen.

De officieren en soldaten smeekten eenparig den Pacha, weder als Gouverneur op te treden en tijdens de vlucht hun aanvoerder te zijn. Hoewel hij er zeer weinig zin in had, gaf hij, op aanhoudend bidden en smeeken, toe aan hun wensch, met uitdrukkelijk beding, dat zij onvoorwaardelijk hadden te gehoorzamen, daar hij anders niets zou kunnen uitvoeren. Allen beloofden al zijne bevelen stipt te zullen opvolgen. Den geheelen middag zaten wij in de grootste verlegenheid, welke voorwerpen wij zouden uitschiften en medenemen, daar er met moeite slechts enkele dragers waren te krijgen, nu de inboorlingen hoorden dat wij ons terugtrokken en geen bevelen van het station meer verkozen op te volgen. Een menigte goederen wierpen wij weg, omdat wij ze niet konden bergen.

Maanden lang had ik allerlei nuttige zaken voor mijn mede-otficie-ren bijeengebracht, zooals laarzen, kleeren, ondergoed, tabak, lederen portefeuilles, enz. Hoeveel ik mij ook had voorgesteld van het genot om ze hun tegen Stanley's komst te vereeren, moest ik al die zaken wegwerpen, om tijdens onze vlucht zoo weinig mogelijk bagage te hebben. Ook bezat ik een bijzonder rijke verzameling merkwaardigheden uit de verschillende deelen van Emin's Provincie ; zij bestond uit vreemdsoortige ivoren haarnaalden, bogen, pijlen, speren, schilden, armbanden en halsringen, schortjes en gordels van de Bari's, vervaardigd uit kleine ronde schijfjes van veelkleurige en witte schelpen, alles te samen een groote verscheidenheid. Bovendien een prachtige collectie groote ijzeren en koperen messen uit Monboettoe en Niam-Niam, alsmede speren van de dwergen, lichte rieten stoelen en groote ijzeren beilen van zeer vreemden vorm. Alles moesten wij in den steek laten; zelfs kon ik niet eens in zijn geheel den kleinen voorraad kleeren en schoenen behouden, die ik met zooveel moeiten en kosten in de Provincie machtig was geworden.

Hartverscheurend -was inderdaad het oogenblik waarop de Pacha scheiden moest van al zijn instrumenten, zijn sextant, thermometers en aneroïde barometers, zijn toestel om het menschelijk lichaam te meten en allerlei andere zaken van waarde. Al zijn boeken, kleederen, papieren, koralen, armbanden en allerlei andere nuttige voorwerpen, die hij voor

291

-ocr page 326-

JEPHSON,

292

onze landgenooten, met zooveel zorg en omzichtigheid, had weten te krijgen, moesten van de hand worden gedaan ; alleen wat wij strikt noo-dig hadden mochten wij medenemen, om op onze vlucht geen last van bagage te hebben. Emin bezat vier kisten met opgezette vogels, die hij zelf verzameld en bestemd had voor 't Britsch Museum ; maar ook deze moesten wij wegwerpen. Dit was een groot verlies voor de wetenschap.

daar er vele nieuwe en belangrijke soorten onder waren, zoodat het Emin nog des te meer hinderde. Ik maakte voor de kleine Farida een hangmat, door twee wollen dekens op een groot stuk licht bamboes te laten naaien. Gewoonlijk droeg men in Emin's Provincie de vrouwen op een angarep, die. om vlug voort te komen, echter te zwaar en te lomp werd geacht en bovendien vier dragers vereischte. Mijn hangmat was

-ocr page 327-

EMIN PACHA.

licht en gemakkelijk, zoodat zij uitstekend voldeed en Farida den ge-heelen weg tot aan de kust mocht dragen.

Elk gebruikte den namiddag om alles wat hij niet missen kon in te pakken en het overige weg te werpen, en, hoewel er eerst om drie uur tot vertrek was besloten, was ieder tegen den avond gereed om den volgenden morgen te kunnen gaan. Wij rekenden ons in zeker opzicht behouden, wanneer wij slechts de bergen van M'swa mochten bereiken ; maar wij wisten, dat wij verloren zouden zijn, wanneer de Donagla's van hun overwinningen gebruik maakten en in de stoombooten naderden; want per boot konden zij in één dag denzelfden afstand aflegger; als wij in vier te voet. In den krijgsraad van denzelfden middag werd mij opgedragen onze boot, de Advance, die Stanley onder mijne hoede had gelaten, te sloopen, opdat de Donagla's haar niet in handen kregen. Wij hadden er geen riemen bij en, al hadden wij ze gehad, geen manschappen om haar te roeien, zoodat ik, hoewel tegen wil en dank, móest toeeeven. Met een gewond hart schroefde ik des avonds twee der afdee-

O O

lingen los en wierp de bouten ver de rivier in.

Die arme boot was ons zoo nuttig geweest en nog zoo goed als nieuw. Nooit verloor ik haar uit het oog; altijd had mijn compagnie Zanzibarieten haar gedragen. Het toezicht er op, tijdens de Expeditie, was mij speciaal opgedragen; bij voorkomende gelegenheden moest ik haar in elkaar zetten of uit elkander nemen. Herhaaldelijk had ik dat gedaan, zoodat ik bijna alle bouten en schroeven van elkaar kon onderscheiden. Zij had ons, als wij ziek waren, mijlen ver 't loopen bespaard, en bij afwisseling allen vervoerd, toen wij op den Aroewimi aan de koorts leden. Zij was een soort van loods voor onze vloot geweest; door haar had Stanley altijd kunnen zorgen, dat onze kano's niet door de inboorlingen werden afgesneden of aangevallen ; steeds hadden wij geiten en levensmiddelen genoten, die wij zonder de Advance nooit hadden kunnen krijgen, zoodat wij wel droevig moesten worden gestemd, nu wij verplicht waren haar te vernietigen.

Daar lag nu de arme oude Advance in drie stukken in t mulle zand op den oever van Wadelai! Zelfs mijn drie Soedaneesche oppassers, die ik had medegenomen, om mij behulpzaam te zijn bij het sloopen, waren droevig te moede onder den arbeid en riepen uit: »Hoe

293

-ocr page 328-

JEPHSON,

goed is deze boot niet voor ons allen geweest!quot; Mijn bediende Binza hield een lange lijkrede, en gaf een soort van herhaling van de woor den: «Bij de wateren van Babyion zetten wij ons neder en weenden!quot; Hij roemde haar vorm en snelheid en weidde breed uit, hoe nuttig zij was geweest en wat wij al niet aan haar hadden te danken. Hij roerde op pathetischen toon aan, wat er in mij omging, nu ik verplicht was haar te sloopen, in mij, die zoolang met het toezicht belast was geweest en — het deed hem genoegen het te kunnen zeggen — zoo goed voor haar had gezorgd. Na beschreven te hebben, wat de Zan-zibarieten zouden zeggen, als zij de Advance niet terug zagen, eindigde hij met een vertaling van de op de geheele handeling toepasselijke woorden: »Sic transit gloria mundi!quot;

Binza was een bruikbaar man, al deed hij mij dikwijls lachen om zijn wonderlijke opmerkingen over personen en zaken. Hij was een kannibaal uit Niam-Niam, maar nam het voorkomen aan van zeer beschaafd te zijn en zag met de grootste minachting neer op de menschen, die hij beneden zich rekende in beschaving en manieren.

Toch was hij een goede ziel en stond altijd voor mij klaar. Hij loog; nu ja, de meeste negers, die niets geleerd hebben, liegen. Maar zoolang ik hem in dienst had, weet ik zeker, dat hij mij nimmer bestal en in Emin s Provincie placht ik hem herhaaldelijk mijn geld toe te vertrouwen. Hoewel hij af en toe van den duivel bezeten scheen en buien had, waarin hij lui en onverschillig was, hield ik veel van hem, te meer daar hij nooit brutaal was. Hij stond algemeen in de gunst bij Emin's volk, dat hem rijkelijk met allerlei kleedingstukken bedacht en was ook zeer gezien onder de Zanzibarieten; maar als iemand hem het lastig maakte of zich in zijn zaken mengde, kon hij een vloed van scheldwoorden over hem uitstorten en bediende hij zich in 't Arabisch of Swahili van uitdrukkingen zóó gemeen, dat ieder, die ze begreep, er de haren van te berge rezen. Hij behoorde tot het gewone negertype (platte neuzen en dikke lippen) uit de omstreken van Niam-Niam; zijn gelaat was eveneens tamelijk plat, en, van ter zijde gezien, was hij ook al niet mooi. Hoe leelijk hij echtcr mocht zijn — hij had iets goedigs en vriendelijks in zijn gelaat, waarop een uitdrukking lag, die duidelijk bewees, dat hij — en dat was zeker geen kwade eigenschap, — gemakkelijk lachte.

294

-ocr page 329-
-ocr page 330-

*

■ ; m

-

... - -. , - .... , .. ....

... ...

....

r . ... -

:

...

-ocr page 331-

EMIN PACHA.

Den 5'10quot; December stonden wij op, met het aanbreken van den dag, want wij hadden nog allerlei schikkingen voor de reis te maken. Wij hadden slechts weinig inboorlingen als dragers kunnen krijgen en volstrekt geen zekerheid, dat zij ons niet ontliepen. Ik knoopte mijn journalen in een ouden handdoek ; ik wilde ze zelt dragen, want, wat ik ook mocht verliezen, hen zou ik allerminst willen missen.

Ik liet daarop de soldaten naar de magazijnen marcheeren en alle ammunitie onder hen verdeelen. De 120 soldaten kregen elk 60 patronen. Bovendien had elk soldaat 40 a 50 patronen in zijn koppel, zocdra allen minstens van 100 patronen waren voorzien.

Nauwelijks was de ammunitie verdeeld, of de soldaten weigerden op te rukken en verklaarden er niet op gesteld te zijn met hun Moedir te gaan, maar elk naar zijn eigen land te willen ; met geen mogelijkheid konden de officieren hen tot andere gedachten brengen.

Dadelijk schoot mij te binnen, hoe Emin in zijn aanspraak voor een paar dagen gezegd had, zijn soldaten na een omgang van twaalf jaren te kennen ; wij hadden evenwel geen tijd te verliezen en vertrokken dus zonder hen. Van de 120 soldaten vergezelden ons slechts vijf; mijn drietal oppassers was gewapend met Remingtons, zelf had ik mijn Winchester repetitiegeweer, Emin een Remington, terwijl Marco en eenige schrijvers het met jachtgeweren afdeden. In 't geheel telden wij ongeveer twintig geweren.

In menigte stoven de vrouwen en kinderen op Emin's woning aan met het verzoek om gedragen te worden; want zij beweerden niet te kunnen loopen. De oude vrouwen en zieken kregen ezels ; er waren echter niet veel van deze dieren op 't station, zoodat wij begonnen te vreezen dat vele vrouwen en kinderen onder weg zouden blijven.

Hier ontleen ik aan mijn dagboek :

gt;Te zeven uur aanvaardden wij den tocht, en toen wij een eind buiten het station waren, aanschouwden wij over een afstand van 5000 M. een verwonderlijk bonte reeks vrouwen en kinderen, geiten, runderen en schapen, ezels en pakgoed, 't Was een drukte en verwarring van belang. Sommige vrouwen zag men, met hare goederen, voortspoeden en te gelijk kleine kinderen en geiten medeslepen. Anderen zaten in kleine groepen angstig op vaders of echtgenooten te wachten, met haar bagage voor

297

-ocr page 332-

JEPHSON,

zich, terwijl zij haar best deden schreiende kinderen tot bedaren te brengen. Zieken smeekten ons om hulp en wrongen weenende de handen, aan wanhoop ten prooi, dat zij werden achtergelaten. Het geschreeuw der volwassenen en het geschrei van de kinderen, het geloei van het vee en het geblaat van de geiten was om doof van te worden.

»Hier en daar zag men een vrouw kloekmoedig voortschrijden met een last op haar hoofd, een zuigeling op den rug en een klein kind aan de hand. 't Was een droevig schouwspel; langs den geheelen weg lagen allerlei dingen, die wel medegenomen, maar te zwaar gebleken waren om te dragen. Vele kleine kinderen zagen wij verlaten aan den weg staan.

gt; Menigeen nam de vreemdsoortigste dingen mede. Zoo zag ik een man zwoegen onder vier verbazend groote gedraaide pooten van een ledikant; een tweede had een geheelen bundel struisvederen bij zich, die, naar zijn zeggen, in Europa veel geld opbrachten. Een derde torschte een grooten hamer, een badkuip en een zware zaag, terwijl velen groote ijzeren braadpannen, ja zelfs maalsteenen medesleepten. Velen hadden hunne papegaaien bij zich, een der vrouwen niet minder dan drie, terwijl een der mannen zijn kat in een mandje droeg. Twee soldaten hadden de buizen van Emin's thermometers aan hunne koppels hangen, in de meening dat zij een soort van klok hadden en dus altijd konden zien, hoe laat het was. Ik zou in den lach geschoten zijn, als ik niet om zooveel anders had te denken; 't was aandoenlijk te zien, hoe deze halve wilden, zóó belast en beladen met allerlei nuttelooze dingen, dat zij er haast onder bezweken, nog daarenboven hun arme ongelukkige kleine kinderen moesten dragen of voortsleuren. Ondanks hun domheid, roerden zij de harten.

»Toen wij ergens een breede, doch ondiepe rivier over moesten, met steile oevers aan weerskanten, volgde er een tooneel van de uiterste verwarring. De hooge wal was in een ommezien één zwarte glibberige modder, die de vrouwen en de kinderen tot de knieën reikte en waarin zij aanhoudend uitgleden. Vreeselijk was het gedrang om aan den overkant te komen, en, wanneer een kind of eene vrouw het ongeluk hadden te vallen, ging de dicht opgesloten massa menschen en ezels over de rampzaligen heen en vertrapte hen. 't Was meer dan hartver-

298

-ocr page 333-

EMIN PACHA.

scheurend dat alles te zien en al die kreten om hulp te hooren. Bijna een .vol uur heb ik aan den kant gestaan, om zooveel vrouwen en kinderen op den oever te helpen, als mij mogelijk was. Menigmaal was ik in 't gedrang reeds bijna van de beenen geraakt, als ik de eene of andere vrouw of kind wilde behoeden voor vertrapping, tot ik, ziek van het akelig schouwspel, mij haasten moest, om mij weder naast den Pacha aan het hoofd van den troep te vervoegen. Nooit zijn de menschen wreeder dan wanneer zij angstig zijn, terwijl de vrees, dat de Donagla's ons op de hielen zaten, velen onmeedoogend maakte.

»Als men rustig in een hoekje van den haard zit, kan men zich nauwelijks een denkbeeld maken van hetgeen in deze streken »het land verlatenquot; beteekent. Men krijgt een bevel om »het land te verlatenquot; ongeveer even kalm als een waarschuwing dat het tijd wordt om te gaan eten ; en hij, die er last toe geeft, gevoelt niet, hoeveel harder hij handelt dan degeen die zijn waarschuwing om te eten laat hooren. Men rekent niet, hoeveel tijd er mede heengaat, hoeveel werk er aan verbonden is en hoe wanhopig de menschen worden onder het voortdurend in beweging zijn ; men geelt hoegenaamd niets om al de hartverscheurende en zielsbedroevende tooneelen die men dagelijks te zien krijgt, als 't vertrekken eens aan den gang is, en om al de kommer en ellende, aan een algemeene en overhaaste ontruiming verbonden.

5Toen wij de rivier over waren, kregen wij het wel iets beter, maar moesten herhaaldelijk halt houden, om de achterblijvende vrouwen en kinderen te wachten.

»Te drie uur sloegen wij ons kamp op, na een van de zwaarste en moeilijkste marschen, die ik ooit heb gemaakt, hoewel wij slechts 16.000 M. hadden afgelegd. De laatsten onzer kwamen niet voor half zes aan. Groot was de wanorde tijdens den tocht geweest: sommigen wilden hier, anderen weder daar kampeeren ; doch ten slotte kregen wij allen, doo-delijk vermoeid en met zeere voeten, weder bij ons.

gt;Van de laatste ongelukkigen, die het kamp bereikten, hoorden wij, dat zeer velen, het marcheeren moede, naar Wadslai waren teruggekeerd, waardoor onze karavaan tot op het één vierde gedeelte van hare oorspronkelijke sterkte was geslonken en nu omstreeks 400 zielen telde.

299

-ocr page 334-

JEPHSON,

Bij geruchte hoorden wij, dat de laatsten der onzen, toen zij het station verlieten, in de verte rook zouden hebben gezien van stoom-booten, die de rivier opvoeren. Wij kunnen heden over de waarheid daarvan nog niet oordeelen, maar zullen er misschien morgen nader van hooren. Als het de Donagla's zijn, overvallen zij ons misschien nog dezen nacht. Morgen zullen wij, naar alle waarschijnlijkheid, er meer van gewaar worden, en trekken, nu wij eens op weg zijn, in elk geval verder. Wij legerden ons in het gras en sliepen in de open lucht, na voor de vrouwen en kinderen kleine ruwe hutten en afschuttingen te hebben gemaakt. Gelukkig, dat wij in het droge jaargetijde zijn!quot;

Den volgenden morgen waren wij reeds vroeg bij de hand en trokken om zes uur verder; de menschen stapten beter op dan den vorigen dag ; maar, daar zij niet gewend waren aan het loopen, kregen zij blaren aan de voeten en gingen zij bij troepen aan de kanten van den weg zitten. Later hoorden wij dat eenigen hunner werden gedood door de inboorlingen, die, toen zij zagen dat wij aftrokken en hoorden om welke redenen, van de gelegenheid gebruik maakten, om eenige oude schulden af te rekenen, door enkele onge-lukkigen het leven te benemen.

Toen wij te negen uur, van een heuvel af, achter ons een boot de rivier zagen opstoomen, dachten wij niet anders, of het was met ons allen gedaan. De boot floot zonder ophouden ; eenigen onder ons wilden er op schieten en werkelijk knalden ook reeds een paar schoten, toen men van de boot bevriende seinen gaf en het bleek, dat zij eenigen van Emin's gewezen onderdanen aan boord had. Weinige uren na ons vertrek uit Wadelai, waren er de beide booten aangekomen met vluchtelingen en officieren uit Dufflé. Na in een dorp, omstreeks 800 M. van de rivier af, halt te hebben gehouden, om op hen te wachten, kwam alras de kapitein van de boot, en overhandigde Emin, na hem met den grootsten eerbied de handen te hebben gekust, een brief van Selim Aga Matara, waarvan de vertaling hier volgt ;

3°°

-ocr page 335-

emin pacha.

»Selim Aga Matara »aan

gt;Zijne Excellentie den Gouverneur »van Hatalastiva, Mehmed Emin gt;Pacha.

«Mijn gebieder! — Den i8(len November zijn hier de soldaten van de stations Moeggi en Laboré aangekomen, benevens 120 man van het ist0 bataljon uit Rejaf, die zich door de vlucht hadden gered. Ik t^af Bachit A(;a Mahmoud bevel met een klein detachement soldaten

O O

naar Laboré te gaan, om te vernemen, waar de Donagla's kampeerden, 's Mortrens om elf uur kwamen eenioen hunner terugf en vertelden

O O ö

ons, dat zij enkele Donagla's bij Chor Itteen hadden gezien, en tegen den avond kwamen ook de overigen met een schriltelijk bevel van den aanvoerder der Donagla's, Omar Saleh, om ons over te geven. Uit den brief bleek dat Hamad Aga, de Majoor, Abdoellah Vaab Ef-fendi, Ali Aga Djabor, Salem Eflendi en Hassan Effendi Lutvi dood waren en het plan bestond ons te verdelgen, als wij niet gehoorzaamden. Wij gaven op den brief geen antwoord, maar verbrandden hem.

gt;Den 25stcquot; November omsingelden de Donagla's het station, ons van alle kanten toeroepende »Wij zijn de troepen van den Mahdi.quot; Des middags om 4 uur ontvingen wij een tweede schrijven, waarin het bevel om ons over te geven werd herhaald ; maar de soldaten wierpen uit het station den brenger den brief weder toe. Op de vraag aan den bode, waartoe al dat volk was gekomen, gal hij alleen ten antwoord, dat de Donagla's het station in bezit wenschten te hebben. Den 2óstcl1 kwamen zij nader en hield het vuren aan van half tien des morgens tot drie uur 's middags, toen het garnizoen een uitval deed en de aanvalhrs, met een verlies van twaalt dooden en vele gewonden werden teruggeslagen; aan onzen kant hadden wij geene verliezen te betreuren. Den 2jstcquot; naderden de Donagla's opnieuw en werd er aan beide zijden geducht gevuurd. Den 285tequot; had er een nachtelijke aanval plaats, zoodat wij om 4 uur bij trommelslag onze soldaten op hun posten moesten roepen ; het vuren duurde tot het aanbreken van den dag. Bij die gelegenheid werden Achmet Aga el Assmti,- Bachit Aga Ali en Soeleiman

301

-ocr page 336-

JEPHSON,

Aga Soudan gewond ; deze door 't geschut, genen door sabelhouwen in handen en voeten. Bovendien ontvingen nog eenige soldaten en onderofficieren dergelijke wonden. Toen het gevecht op het hevigst was, gelukte het enkele Donagla's het station binnen te dringen en doodden zij Mahomet Effendi el N'djar, kapitein op de stoomboot «Nyanzaquot;, benevens Ali Achmet, machinist, Mooragan Derar, stuurman, Khamis Salim, eersten, en Faralaja Moroe, tweeden stoker op de »Khedivequot;. Na deze rampen, spanden wij zoozeer al onze krachten in, om de binnengedrongen Donagla's te dooden, dat wij tegen acht uur den strijd gewonnen en den vijand verjaagd hadden. Hij liet, voor zoover wij ze tellen konden, 21 o dooden achter, terwijl natuurlijk niet op te geven is, hoeveel gewonden hun kamp hebben kunnen bereiken. Wij veroverden elt vaandels, waaronder dat van den Emir, enkele Remingtons, percussie geweren en een aantal speren en zwaarden; ook hadden wij één krijgsgevangene.

«Na deze overwinning min of meer plechtig te hebben gevierd, keerden de soldaten naar hunne kwartieren terug.

gt;l)en 29sten gebeurde er niets bijzonders, hoewel er van beide zijden werd gevuurd. Den 3ostcn verscheen des morgens om acht uur een deel der bevolking van Eabbo en een uur later een Bari, die door de Donagla's eenigen tijd gevangen was gehouden en ons vertelde, dat zij zware verliezen hadden geleden en voornemens waren naar Rejaf te vertrekken. Eenige oogenblikken later kwam ons een bediende van Abdoel Bain Aga mededeelen, dat de Donagla's zich hadden verwijderd en tegen den avond kwam een soldaat van 't station Laboré dat bericht bevestigen.

»Eenige soldaten, die naar het kamp der Donagla's waren gegaan, vonden er vele dooden en gewonden. De laatsten maakten zij onmiddellijk af, en brachten eenige kisten mede, gevuld met hulzen van Reming-tonpatronen. Den isUquot; December kwam in de vroegte een soldaat, de gewezen oppasser van den overleden Majoor van het istl' bataljon, Rehan Aga, ons vertellen, dan hij met de Donagla's van Khartoem was gekomen en bevestigde hetgeen wij omtrent hun vlucht hadden vernomen ; hij voegde er bij, dat zij thans veel minder sterk in getal waren. Eenige tolken, door ons naar Chor Abdoel Aziz gezonden, hadden den weg bezaaid gevonden met lederen zakken, vol kleedingstukken en een Re-

302

-ocr page 337-

emin pacha.

mington bajonet, en dat alles naar het station medegenomen. Heden sprak ik Fadl el Moella, een soldaat van het station Moeggi, gevangen geraakt bij de affaire van Rejaf, die mij vertelde, dat de Donagla's in allerijl naar Rejaf waren getrokken. Zij hadden nog 150 gewonden bij zich gehad, doch velen waren onder weg gestorven. Evenals Chor Ayoe en Laboré verbrandden zij alle stations, die zij voorbij kwamen. Dit is alles wat ik Uwe Excellentie kan berichten omtrent de soldaten van het Gouvernement.

gt;(get.) Sklim Aga Matara,

Bimbashi.quot;

gt;P.S. Bij het gevecht sneuvelden enkele aanvoerders benevens de Kadi der Donagla's.quot;

Deze brief droeg geen nummer en kan dus niet gerekend worden een officieel stuk te zijn. Daardoor laat zich ook verklaren, dat Selim Aga den Pacha erkent en aanspreekt als Gouverneur van Hatalastiva, hoewel hij wist, dat hij niet meer in functie was.

Gelijk de meeste Arabische brieven, was ook deze eenigszins zwevend en onsamenhangend, zoodat men hem niet al te best kon begrijpen. Ongetwijfeld heerschte er overdrijving in het schatten van 't aantal dooden en gewonden, gelijk altijd bij Oosterlingen het geval is • maar de Donagla's moeten feilen tegenstand hebben ontmoet, daar zij tot den aftocht besloten en de stations achter zich in brand staken, alsof zij een vervolging verwachtten.

Een tweede brief aan Emin was van Kodi Aga, die hem daarin mededeelde, dat de stoombooten, weinige uren na ons vertrek van Wadelai, waren aangekomen. Nadat een bode hem bericht had gebracht van de aankomst der booten, was hij dadelijk naar het station teruggekeerd, met alle lieden, die bij hem waren. Daar Emin echter reeds te ver weg was om met hem te kunnen raadplegen, had hij de stoomboot afgezonden, ten einde hem naar Wadelai terug te brengen.

In een schrijven van de officieren, met de stoomboot van Duftlé gekomen, verklaarden deze Kodi Aga te zullen ondersteunen in zijn pogingen, om den Pacha te bewegen naar Wadelai terug te keeren. Allen

-10

303

-ocr page 338-

JEPHSON,

Aga Soudan gewond ; deze door 't geschut, genen door sabelhouwen in handen en voeten. Bovendien ontvingen nog eenige soldaten en onderofficieren dergelijke wonden. Toen het gevecht op het hevigst was, gelukte het enkele Donagla's het station binnen te dringen en doodden zij Mahomet Effendi el N'djar, kapitein op de stoomboot «Nyanzaquot;, benevens Ali Achmet, machinist, Mooragan Derar, stuurman, Khamis Salim, eersten, en Faralaja Moroe, tweeden stoker op de »Khedivequot;. Na deze rampen, spanden wij zoozeer al onze krachten in, om de binnengedrongen Donagla's te dooden, dat wij tegen acht uur den strijd gewonnen en den vijand verjaagd hadden. Hij liet, voor zoover wij ze tellen konden, 21o dooden achter, terwijl natuurlijk niet op te geven is, hoeveel gewonden hun kamp hebben kunnen bereiken. Wij veroverden eli vaandels, waaronder dat van den Emir, enkele Remingtons, percussie geweren en een aantal speren en zwaarden ; ook hadden wij één krijgsgevangene.

»Na deze overwinning min of meer plechtig te hebben gevierd, keerden de soldaten naar hunne kwartieren terug.

gt;Den 2 9stcn gebeurde er niets bijzonders, hoewel er van beide zijden werd gevuurd. Den 3oston verscheen des morgens om acht uur een deel der bevolking van Eabbo en een uur later een Bari, die door de Donagla's eenigen tijd gevangen was gehouden en ons vertelde, dat zij zware verliezen hadden geleden en voornemens waren naar Rejaf te vertrekken. Eenige oogenblikken later kwam ons een bediende van Abdoel Bain Aga mededeelen, dat de Donagla's zich hadden verwijderd en tegen den avond kwam een soldaat van 't station Laboré dat bericht bevestigen.

»Eenige soldaten, die naar het kamp der Donagla's waren gegaan, vonden er vele dooden en gewonden. De laatsten maakten zij onmiddellijk af, en brachten eenige kisten mede, gevuld met hulzen van Reming-tonpatronen. Den istequot; December kwam in de vroegte een soldaat, de gewezen oppasser van den overleden Majoor van het isle bataljon, Rehan Aga, ons vertellen, dan hij met de Donagla's van Khartoem was gekomen en bevestigde hetgeen wij omtrent hun vlucht hadden vernomen ; hij voegde er bij, dat zij thans veel minder sterk in getal waren. Eenige tolken, door ons naar Chor Abdoel Aziz gezonden, hadden den weg bezaaid gevonden met lederen zakken, vol kleedingstukken en een Re-

302

-ocr page 339-

emin pacha.

mington-bajonet, en dat alles naar het station medegenomen. Heden sprak ik Fadl el Moella, een soldaat van het station Moeggi, gevangen geraakt bij de affaire van Rejaf, die mij vertelde, dat de Donagla's in allerijl naar Rejaf waren getrokken. Zij hadden nog 150 gewonden bij zich gehad, doch velen waren onder weg gestorven. Evenals Chor Ayoe en Laboré verbrandden zij alle stations, die zij voorbij kwamen. Dit is alles wat ik Uwe Excellentie kan berichten omtrent de soldaten van het Gouvernement.

gt;(get.) Selim Aga Mataka,

Bimbashi.quot;

gt;F.S. Bij het gevecht sneuvelden enkele aanvoerders benevens de Kadi der Donagla's.quot;

Deze brief droeg geen nummer en kan dus niet gerekend worden een ofncieel stuk te zijn. Daardoor laat zich ook verklaren, dat Selim Aga den Pacha erkent en aanspreekt als Gouverneur van Hatalastiva, hoewel hij wist, dat hij niet meer in functie was.

Gelijk de meeste Arabische brieven, was ook deze eenigszins zwevend en onsamenhangend, zoodat men hem niet al te best kon begrijpen. Ongetwijfeld heerschte er overdrijving in het schatten van 't aantal dooden en gewonden, gelijk altijd bij Oosterlingen het geval is ; maar de Donagla's moeten feilen tegenstand hebben ontmoet, daar zij tot den aftocht besloten en de stations achter zich in brand staken, alsof zij een vervolmno; verwachtten.

O O

Een tweede brief aan Emin was van Kodi Aga, die hem daarin mededeelde, dat de stoombooten, weinige uren na ons vertrek van Wadelai, waren aangekomen. Nadat een bode hem bericht had gebracht van de aankomst der booten, was hij dadelijk naar het station teruggekeerd, met alle lieden, die bij hem waren. Daar Emin echter reeds te ver weg was om met hem te kunnen raadplegen, had hij de stoomboot afgezonden, ten einde hem naar Wadelai terug te brengen.

In een schrijven van de officieren, met de stoomboot van Duftlé gekomen, verklaarden deze Kodi Aga te zullen ondersteunen in zijn pogingen, om den Pacha te bewegen naar Wadelai terug te keeren. Allen

•10

303

-ocr page 340-

JEPHSON,

waren uitbundig in betuigingen hunner ingenomenheid met de overwinning op de Donagla's behaald en zeiden hem hun hartelijke gelukwen-schen aan te bieden. Maar met het oog op het gedrag van de soldaten daags te voren en hunne afgelegde en verbroken beloften, zou hij, zoo dacht ik, wel genoeg hebben van hunne betuigingen. Casati en ik betoogden op alle mogelijke gronden, dat wij verder moesten en niet konden terugkeeren. Wij verklaarden hem ronduit dat hij, als hij terugkeerde, op nieuw weder in dezelfde moeilijkheden zou zitten als bij Stanley's komst. Daarenboven had men ons verteld, dat wij nauwelijks het station hadden verlaten, of de soldaten waren onze huizen binnengedrongen, om alle vertrekken te plunderen. Door terug te keeren liep Emin zijn kwellingen en zorgen als 't ware in den mond en zoude hij wel dichter bij de Donagla's, maar verder van Stanley zijn. Op den top van een heuvel, van waar men over de rivier heen kon zien, riep Emin een soort van krijgsraad bijeen, waarin, na langdurige besprekingen, besloten werd, met de stoomboot naar Toengoeroe te gaan, en dan die boot met brieven naar Wadelai terug te zenden. Enkelen wilden terugkeeren, want zij gevoelden behoefte aan alles, wat zij in het station hadden achtergelaten ; doch Emin maakte er opmerkzaam op, dat zij gebruik konden maken van de stoomboot, als deze de terugreis aannam. Toen Emin den kapitein van de boot had gezegd, dat'^hij voornemens was naar Toengoeroe mede te varen en niet naar Wadelai terug te keeren, gaf deze ten antwoord, dat hij in opdracht had onmiddellijk met den Pacha terug te keeren. Wij legden evenwel beslag op de boot, begonnen met het volk aan boord te laten gaan en wachtten nog een paar uren om de achterblijvenden gelegenheid te geven nog mede te reizen. Toen de vrouwen en kinderen stromoe-lend en afgetobt waren aangekomen, bleek, hoe blijde zij waren op een stoomboot te kunnen plaats nemen; want, daar zij aan de voeten veel pijn hadden, werd het wel tijd, dat zij eenige verlichting kregen.

Te kwart voor twaalf aanvaardden wij onze reis met de boot, volgepropt met vluchtelingen.

Onder het varen gaf de stuurman mij het volgend kort verslag van de komst der Donagla's binnen Dufflé. Ik meen goed te doen met de inlassching, want zijn verhaal werpt het juiste licht op de soldaten :

304

-ocr page 341-

EMIN PACHA.

gt;Den 27^™ November besloten de officieren, uit vrees dat het station in de handen mocht vallen van de Donagla's, die er twee dagen geleden vóór waren verschenen, al de bewoners zoo snel mogelijk de rivier over te zetten. Den geheelen dag, zelfs des nachts, was men met de stoombooten bezig geweest allen, die een schuilplaats in het station hadden gezocht, naar den oostelijken rivieroever te brengen. Er was yezor^d stoom te houden, zoolang de booten aan de werven lagen ore-

O O O O O

meerd, omdat de bemanning eenigen tijd rust moest hebben, toen den 28sten des namiddags om 4 uur, veertig Donagla's, die zich niet ver van daar in een kleine banaanplanting op den rivieroever dicht bij de stoombooten hadden verscholen, over een smallen dam, waarlangs men gemakkelijk binnen kon komen een aanval op het station waagden. De soldaten gingen voor hen op de vlucht, waarop de Donagla's de stoombooten betraden, allen doodden, die niet weg konden komen, en de vaartuigen trachtten te vernielen. Daarna vielen zij het station binnen, zetten de soldaten na en joegen hen het station uit. Meer dan 500 soldaten in wilde vlucht voor niet meer dan 40 man ! Zóó zeker waren de Donagla's van het welslagen van hun krijgsplan, dat zij een afdeeling aan den anderen kant van het station hadden uitgezet, om de soldaten op hun vlucht te dooden. Maar, daar zij tusschen twee vnren zaten, stormden de soldaten het station weder binnen. Na de soldaten te hebben verjaagd, hadden de Donagla's zich op het groote vierkante plein verzameld en onder den uitroep: «Waar is Mahomed Emin, waar is de witte Christen ?quot; Emins verblijf bestormd. Toen zij hem evenwel niet aantroffen, verspreidden zij zich in het station, plunderden zooveel zij konden en namen de vrouwen gevangen, maar werden, daar de soldaten juist het station weder binnenkwamen en zagen dat zij verspreid waren, door hen aangevallen en den een na den ander gedood. Verstout door den uitslag en aangevuurd door hunne ollicieren, stormden zij op de overgebleven Donagla's aan en verjoegen hen van de wallen. Vreemd mag het heeten dat de Donagla's, toen zij de stoombooten en het station in hunne macht hadden, de poorten niet openden voor hunne kameraden. Ik kan dit alleen verklaren óf omdat het donker was en zij op het aanbreken van den dag wilden wachten, óf omdat zij de soldaten zoo weinig rekenden, dat zij volstrekt niet dachten, dat zij terugkeeren

305

-ocr page 342-

JEPHSON,

en hen aanvallen zouden. In elk geval handelden zij zeer verkeerd door het station, toen zij het eenmaal in hunne macht hadden, verloren te laten gaan. De plaats waar de Donagla's het station binnendrongen, was juist de plek, die ik Selim Aga had gewezen als de geschikste, om met goed gevolg een aanval op te kunnen doen.

Het had weinig gescheeld, of Emin en ik waren het gevaar niet ontkomen, want wij hadden Duftlé nog slechts drie dagen verlaten, toen de Donagla's verschenen en het station begonnen aan te vallen, en wanneer de Donagla's, bij het verjagen van de soldaten, onmiddellijk in zijn eigen huis Emin hadden gezocht en den »Witten Christen,quot; zouden wij waarschijnlijk tot de eersten hebben behoord, die het leven lieten.

Naar men mij vertelde, zouden de meeste schrijvers zich tijdens het gevecht schuil hebben gehouden in het riet en zelfs in de modderige ondiepe plekken in de rivier.

Deze ontmoetins/ met de Donaria's kwam sterk overeen met het-

O O

geen er plaats had, toen de Mahdisten vier jaar geleden de Provincie aanvielen, gelijk verschillende officieren mij herhaaldelijk mededeelden. Het schijnt dat de soldaten, toen de Mahdisten, voor vier jaar, onder Keremallah tegen Emin oprukten, rechts en links vluchtten en, precies zooals in dit geval, voor hen terugtrokken. Ten laatste moet een aantal soldaten te Rimo omsingeld zijn ; maar, nadat velen gesneuveld en hunne vrouwen en kinderen eevano-en genomen waren en de honlt;Ter beoron

O O O O O

te nijpen, sloegen de soldaten, door wanhoop gedreven, zich door de vijanden heen. Zoo verbaasd stonden de Mahdisten, toen zij zagen, dat de soldaten nog tot vechten in staat waren, dat zij bang werden en op de vlucht sloegen. Emin's soldaten waren groote lafaards en gingen steeds aan den haal als hun vijand slechts pal stond ; maar zoodra zij hunne vrouwen en kinderen verloren en erg in het nauw zaten, vochten zij ; zoo ook te Duftlé. Als de Donagla's de poorten van het station voor hunne kameraden hadden geopend, zou geen der soldaten er een woerd van naverteld en zij elkander nimmer weergezien hebben.

Ons werd verhaald, dat de Donagla's ook een stoomboot vol vrouwen en kinderen, waarvan zij zich in de Provincie hadden meester gemaakt, den stroom af hadden gezonden naar Khartoem. Ook hadden zij.

3O6

-ocr page 343-

EMIN PACHA.

volgens een hunner deserteurs, om versterking gevraagd. Wij wisten dat de bevolking van Khartoem, zoodra zij dit vernam en al de gevangen slaven zag, zich bij zwermen over het land zou verspreiden. Naar onze verwachting kon de versterking aanwezig zijn zes weken na het vertrek van de stoomboot uit Rejaf.

Tot zekere hoogte behelsde dus het ons ter ooren gekomen ire-

O OO

rucht van den val van Duftlé waarheid ; want een korten tijd waren station en stoombooten in de macht der Donagla's. Ook was het bericht juist, dat al de noordelijk gelegen stations, tusschen Rejaf en Dufflé, waren gevallen, want de bewoners waren van schrik, met achterlating van alles, vóór de komst der Donagla's op de vlucht gegaan. Het gerucht van den val van Fabbo werd spoedig opgehelderd.

Nauwelijks stonden de Donagla's voor Dufflé, of Selim Aga zond in allerijl een bode naar Achmet Aga Dinkave te Fabbo, met verzoek, om de soldaten en verdere bewoners van het station zoo spoedig mogelijk naar Dufflé over te brengen. Hij gaf hem bevel zooveel vlaggen mede te nemen als hij had en de vluchtelingen, als zij dicht bij het station kwamen, zoo geregeld in gelederen te laten opni?rcheeren, dat de Donagla's in den waan kwamen, dat van den overkant van de rivier een flinke versterking op Dufflé aantrok.

Op het ontvangen van dat bevel, ontruimde Achmet Aga Dinkave onmiddellijk het station en trok hij met slaande trommen op Dufflé aan, terwijl zijne lieden zich dapper voordeden door het zwaaien van vlaggen en kleedingstukken, ten einde de Donagla's omtrent hun aantal op het dwaalspoor te brengen. De Shoeli's, die reeds na den eersten aanval der Donagla's waren opgestaan, vielen de terugtrekkende colonne aan en maakten zich meester van een aantal vrouwen, runderen en geiten. Men was van schrik te bang om zich te verzetten, zoodat er, naar mijne meening, op dien terugtocht velen moeten zijn omgekomen.

Dit alles mag meer dan voldoende worden geacht om het gerucht, dat habbo viel, zelfs tot bij de ver verwijderde Loers, in den omtrek van Bora, te verspreiden.

Wij hebben evenwel nimmer bevestiging gekregen van het bericht dat een groot aantal Mahdisten, bij den berg Gebel Wati was aangekomen, een afstand van twee en een halven dair mar-

307

-ocr page 344-

JEPHSON,

cheeren van Wadelai, met de bedoeling om dit station aan ce vallen.

Het is mogelijk wel waar geweest ; want wij hoorden, dat de Do-nagla's, toen zij een aanval op Dufflé wilden doen, een atdeeling naar Wadelai hadden gezonden, om het, als Dufflé viel, aan te tasten; deze afdeeling zal afgetrokken en naar Rejaf teruggegaan zijn, toen zij hoorde, dat haar kameraden bij Dufflé het hoofd stieten.

Inmiddels hadden wij om halt vijf Okello's dorp bereikt, waar Emin en ik vijf maanden geleden, op onzen tocht naar Wadelai, kampeerden. Daar wij gebrek aan hout hadden, besloot Emin er te overnachten. Op de stoomboot was het zoo vol en vuil, dat wij blijde waren in deze liefelijke streek eens aan wal te kunnen gaan. Een heerlijke grasvlakte liep met flauwe helling op het meer aan en prijkte hier en daar met lommerig hout, terwijl alle dorpen door een laan van boomen waren omsingeld, die hun een bijzonder koel en vredig aanzien gaven. Hoewel nog vermoeid van den langen tocht ook van dien van den vorigen dag, sprongen de vluchtelingen opgewonden van de boot, en zwommen en plasten, onder gejuich en gejoel, in het helder blauwe water van het meer.

Onder een groep zware boomen, vlak bij Okello's dorp, sloegen wij ons kamp op en sliepen in de open lucht met geen andere beschutting als onze muskietenschermen. Hij het schijnsel van de vier groote vuren, die wij hadden ontstoken, aten Emin, Marco, Vita en ik, naar Arabisch gebruik, niet onze vinders uit denzelfden schotel. Daarna

O ' o

rookten wij een pijp en spraken met elkander over alles wat wij dien dag hadden beleefd. Hoe vermoeid wij ook waren, gingen wij met opzet een weinig later naar bed, om den geheelen nacht eens tlir.k te kunnen slapen, 't geen gewoonlijk in de open lucht goed gelukt, en God te danken, dat wij, althans dezen keer, niet in handen der Donagla's waren gevallen.

De bewoners van Okello's dorp brachten ons den volgenden morgen in de vroegte reeds hout voor de stoomboot, terwijl Okello bovendien persoonlijk den Pacha kwam opzoeken. Wij vertrokken om acht uur, maar moesten om elf uur bij Boki's dorp aanhouden, om op nieuw brandstof in te nemen. Daar wij de boot niet verlieten, kwam Boki, die eeni' gen tijd voor het uitbreken van den opstand door Emin uit zijn gevan-

3O8

-ocr page 345-

EMIN PACHA.

genschap was ontslagen, ons aan boord begroeten. Inmiddels waren de opvarenden bijna allen over boord gesprongen om een bad te nemen in het meer, zonder iets te geven om de krokodillen, die zich zeer menigvuldig vertoonden.

Te half vier stoomden wij Toengoeroe binnen, waar een menigte menschen aan den steiger kwam, om den Pacha te begroeten en ingenomenheid te betuigen met zijn terugkomst in hun midden.

-ocr page 346-

JEPHSON,

cheeren van Wadelai, met de bedoeling om dit station aan ce vallen.

Het is mogelijk wel waar geweest ; want wij hoorden, dat de Do-nagla's, toen zij een aanval op Dufflé wilden doen, een afcleeling naar Wadelai hadden gezonden, om het, als Dufllé viel, aan te tasten; deze afdeeling zal afgetrokken en naar Rejaf teruggegaan zijn, toen zij hoorde, dat haar kameraden bij Dufflé het hoofd stieten.

Inmiddels hadden wij om half vijf Okello's dorp bereikt, waar Emin en ik vijf maanden geleden, op onzen tocht naar Wadelai, kampeerden. Daar wij gebrek aan hout hadden, besloot Emin er te overnachten. Op de stoomboot was het zoo vol en vuil, dat wij blijde waren in deze liefelijke streek eens aan wal te kunnen gaan. Een heerlijke grasvlakte liep met flauwe helling op het meer aan en prijkte hier en daar met lommerig hout, terwijl alle dorpen door een laan van boomen waren omsingeld, die hun een bijzonder koel en vredig aanzien gaven. Hoewel nog vermoeid van den langen tocht ook van dien van den vorigen dag, sprongen de vluchtelingen opgewonden van de boot, en zwommen en plasten, onder gejuich en gejoel, in het helder blauwe water van het meer.

Onder een groep zware boomen, vlak bij Okello's dorp, sloegen wij ons kamp op en sliepen in de open lucht met geen andere beschutting als onze muskietenschermen. Bij het schijnsel van de vier groote vuren, die wij hadden ontstoken, aten Emin, Marco, Vita en ik, naar Arabisch gebruik, met onze vingers uit denzelfden schotel. Daarna rookten wij een pijp en spraken met elkander over alles wat wij dien dag hadden beleefd. Hoe vermoeid wij ook waren, gingen wij met opzet een weinig later naar bed, om den geheelen nacht eens llink te kunnen slapen, 't geen gewoonlijk in de open lucht goed gelukt, en God te danken, dat wij, althans dezen keer, niet in handen der Donagla's waren gevallen.

De bewoners van Okello's dorp brachten ons den volgenden morgen in de vroegte reeds hout voor de stoomboot, terwijl Okello bovendien persoonlijk den Pacha kwam opzoeken. Wij vertrokken om acht uur, maar moesten om elf uur bij Boki's dorp aanhouden, om op nieuw brandstof in te nemen. Daar wij de boot niet verlieten, kwam Boki, die eeni' gen tijd voor het uitbreken van den opstand door Emin uit zijn gevan-

3o8

-ocr page 347-

EMIN PACHA. 309

genschap was ontslagen, ons aan boord begroeten. Inmiddels waren de opvarenden bijna allen over boord gesprongen om een bad te nemen in het meer, zonder iets te geven om de krokodillen, die zich zeer menigvuldig vertoonden.

Te half vier stoomden wij Toengoeroe binnen, waar een menigte menschen aan den steiger kwam, om den Pacha te begroeten en ingenomenheid te betuigen met zijn terugkomst in hun midden.

-ocr page 348-

HOOFDSTUK XIII.

ONS VERBLIJF TE TOEN-GOEROE.

Het gerucht van muiterij onder de ongeregelde troepen blijkt onwaar te zijn. — Emin wil blijven waar hij is. — Nadere berichten uit Dufflé. — Verkeerde voorstellingen van Dr. Felkin. — Bevreemdend stilzwijgen omtrent den waren staat van zaken. — Brief van de opgestane officieren aan Selim Aga. — Beschuldigingen tegen Emin ingebracht. — Ellende ons door de schrijvers berokkend. — De Soedaneezen worden bedrogen door de Egyptenaren. — Soeleiman Aga komt gewond in Toengoeroe. — Onverschilligheid voor pijn bij de Soedaneezen.

— De Derwischen worden doodgeslagen. — Wandelingen in den omtrek van Toengoeroe. — Bezoek van Mogo. — Kerstfeest. — Dood van Soeleiman Aga. — Een Arabieren begrafenis.

— Laatste berichten van Lupton Bey. — De verovering van Bahr el Ghazal. — Negers snijden de vluchtelingen den pas af. — Dufflé verlaten en verbrand. — De vogels van de Equatoriaal Provincie. — Een dag op de jacht. — Beschrijving van de dwergstammen van Centraal-Afrika. —

De kapitein van de stoomboot besloot, ten einde geen tijd te verliezen, dadelijk naar Wadelai terug te keeren, zoodat Emin aan boord brieven schreef aan Kodi Aga en Selim Aga en door een van zijn bedienden afzond, om te zien of er, na de plundering door de soldaten, nog

-ocr page 349-

EMIN PACHA.

iets te redden viel uit onze huizen ; ik drukte hem op het hart ook op het mijne te letten en te redden wat nog te redden viel.

Behalve zeven of acht schrijvers en een menigte lagere beambten, waren met ons uit Wadelai gekomen. Casati, Osman Latif, Hawashi Effendi, Award Effendi, Signor Marco, Vita Hassan, Basilli Effendi en al hunne vrouwen, kinderen en bedienden. Hoewel zij bijna niets bij zich hadden, maakten zij in het station een drukte van belang bij het betrekken van huizen en borgden bij hunne vrienden zooveel zij maar konden. Tot mijn verdriet moest ik ondervinden, dat in mijne afwezigheid, Casati's personeel zijn geiten in mijn huis had gebracht, zoodat de vliegen mij er vreeselijk plaagden en ik mijn beddegoed buiten moest laten zuiveren.

Van muiterij, die, naar wij te Wadelai hoorden, onder de geregelde troepen zou heerschen, was geen zweem te bekennen; veeleer schenen zij blijde te zijn Emin te zien. Als wij weg konden komen, had ik altijd gehoopt deze troepen mede te nemen, daar zij onder weg bruikbaar en dienstvaardig en buitengewoon handig waren. Zij hadden veel meer moed en stonden beter onder appèl dan de geregelde troepen. Er was in het station geeu groote voorraad levensmiddelen, maar met vier dagen zouden wij naar M'swa vertrekken; Emin zeide ten minste het voornemen daartoe te hebben.

Een paar dagen na onze aankomst ontvingen wij uit M'swa een brief van Shoekri Aga, waarin hij te kennen gaf met genoegen te hebben gehoord, dat wij in Toengoeroe waren, en Emin verzocht, zoo spoedig mogelijk in M'swa te komen, daar hij zich verzekerd hield, dat Stanley niet lang meer uitbleel. Ook ik verlangde zeer daar te zijn, want wij zouden dan vijf dagmarschen van Wadelai verwijderd wezen en in vier dagen te N'sabé, ons vroeger kamp aan het meer, kunnen komen. Onder dagteekening van 7 December vind ik het volgende in mijn dagboek aangeteekend:

gt;Ik zal geen rust hebben voor wij te M'swa zijn; komt er dan iets in den weg, dan kunnen wij dadelijk de bergen nemen, eerst naar Ravalli's dorp en vervolgens naar Fort Bodo trekken, 'tls natuurlijk mogelijk, dat de Donagla's uit Rejaf terugkeeren, om Duftlé op nieuw aan te tasten, maar dat komt mij nu niet waarschijnlijk voor, daar zij al de

-ocr page 350-

JEPHSON,

stations achter zich hebben verbrand. Misschien kan er reeds de volgende maand krachtige versterking uit Khartoem voor de Donagla's komen opzetten, zoodat het, als Stanley niet vóór dien tijd hier is, waarschijnlijk met ons gedaan zal zijn.quot;

Emin besloot evenwel te Toengoeroe te wachten ; hij vreesde dat wij, met naar M'swa te trekken, onrust onder de bevolking zouden verwekken, die in dat geval denken kon, dat hij trachtte te ontsnappen. Wij bleven derhalve, zonder iets bijzonders te verrichten, vele dagen hier. Af en toe kreeg Emin brieven uit Wadelai en Dufflé, waarin allerlei voorvallen uit onzen vierdaagschen strijd bij Dufflé werden besproken. Zoo stond er in één dier brieven, dat enkele schrijvers, zoodra de Donagla's het station waren binnengestormd, naar de rivier waren gesneld en tot aan dan hals in 't water waren gaan zitten, 't Bleek nog altijd, dat het den lieden nog niet volkomen duidelijk was, dat Stanley wel degelijk uit Egypte kwam en wat met zijn komst werd beoogd want juist dezelfde schrijvers, die zich in 't water schuii hadden gehouden, trachtten de officieren over te halen tot overgave van 't star.ion aan de Donagla's, zoodra zij er vóór verschenen. Volgens hun eigen woorden was het beter zich over te geven aan Mahomedanen dan aan ongeloovigen, als de Engelschen.

Af en toe kregen wij brieven, houdende dat de bevolking op groote schaal Dufflé ontruimde. Zoo was er een bij van Kodi Aga aan Emin, waarin hij dezen schreef, dat de officieren te Wadelai groote feesten wilden aanrichten tot viering van hunne overwinning en hem uitnoodig-den deze te komen bijwonen. Emin's bediende meldde, dat hij niet in de gelegenheid was geweest veel uit de verwoesting te redden, want de soldaten waren onmiddellijk aan 't plunderen gegaan en hadden bijna niets verschoond, 't Was hem echter gelukt eenige van Emin's chirurgische instrumenten en zijn verbandkist te redden. Alle kisten waren, zooals hij schreef, door de soldaten opengebroken, en alles, wat zij niet konden gebruiken, hadden zij weggesmeten.

Onder de verschillende verhalen over het gedrag der soldaten te Dufflé, waren er eenige, die getuigden van ware dapperheid. Het flinkst schenen zich te hebben gedragen Soeleiman Aga, die vreeselijk was verwond, Selim Aga, Bachit Aga, Burgoot en eenige anderen, aan wier

312

-ocr page 351-

EMIN PACHA.

heldhaftigheid voornamelijk was toe te schrijven, dat de soldaten zich hereenigden, terwijl zij tevens het commando voerden in den beslissender! uitval, waarbij de Donagla's voor goed werden afgeslagen.

Casati en ik spraken veel over de aangelegenheden van het Moe-diraat; aangenaam was het mij te vernemen, dat hij over 't algemeen gelijk met mij dacht over hetgeen er was voorgevallen. Zoo waren wij het volmaakt eens, dat D' Felkin, D' Junker, zelfs Emin Pacha in eigen persoon, aan Europa een geheel verkeerde voorstelling van den toestand der Provincie hadden oresfeven. Volgfens D'Felkin las; over alles

O O O O

een glans van opgewektheid; nu was de staat van zaken gedurende zijn kort verblijf wel geheel anders als thans, maar toch volstrekt niet zóó als hij durft te schrijven. D' Junker wist dat het istc bataljon tegen den Gouverneur was opgestaan, en toch maakt hij er, om welke reden dan ook, geen melding van, evenmin als van allerlei andere dingen, die hij wel moet gezien hebben en waaruit duidelijk blijkt, hoe wuft en onbetrouwbaar het volk was. Alles wat Emin zelf naar Europa schreef, was volmaakt waar; maar hij deed vaak slechts de helft van een verhaal.

Zóó kwam het, dat wij Europa verlieten in het volle geloot, dat Emin den staf zwaaide over een eerlijk, betrouwbaar en gehoorzaam volk, aan hem verkleefd, en waarin hij, zo'oals D1' Felkin het uitdrukt, iets van zijn eigen ware geestdrift had weten over te storten. Algemeen waande men in Europa, dat Emin's soldaten loyaal waren en eéne lijn met hem trokken ; — had hij niet zelf in zijn brieven hen helden genoemd! en gezegd, dat al zijn moeielijkheden buiten de grenzen van zijn land waren te zoeken, daar hij slavenjagers in bedwang had te houden en vechten moest tegen vijandige stammen?

Men zal zich dus onze verbazing kunnen voorstellen, dat wij slechts een ijdel volk vonden, alleen bedacht op rebellie en samenzweringen; te meer nog, toen wij bemerkten, dat zulks in meerdere of mindere mate reeds jaren had geduurd.

Het placht mij dan ook altijd te hinderen als Emin, wanneer wij over de Expeditie spraken, de opmerking maakte, dat de heer Stanley zus of zóó schijnt te denken, omdat hij, evenals de bevolking van Europa, een wonderlijk begrip scheen te hebben van den toestand in

-ocr page 352-

314 JEPHSON,

deze streken. Maar door wie anders was men aan dergelijke begrippen gekomen dan door zijn vriend Felkin en door Emin zeiven?

't Sprak dus van zelf dat wij in den waan verkeerden, öf dat hij en zijn volk het land verlaten en ons volgen zouden, ot dat zij ons met betamelijke dankbaarheid ontvangen, de ammunitie, die wij hun medegebracht hadden,^aangenomen en ons een behouden tehuiskomst gewenscht hebben zouden.

Maar wij hadden nooit verwacht — ook had niemand ons eenige reden gegeven, om dat te kunnen doen —'dat, na al de gevaren en moeilijkheden van onzen tocht te hebben overwonnen, ons het grootste gevaar nog beidde, toen wij op Emin's grondgebied waren, een gevaar, datbestond in samenzweringen om ons aan te vallen en ons te berooven van onze geweren en ammunitie, gesmeed door hetzelfde volk, dat wij hulp hadden gebracht.

Heden ten dage begrijp ik nog niet, waarom D' Junker ons niet waarschuwde voozichtig te zijn tegenover Emin's volk. Als wij gewaarschuwd waren, hadden wij er ons op kunnen wapenen. Als in de gegeven omstandigheden onze aanvoerder slechts een greintje minder verstandig en bekwaam was geweest, zou Emin nooit ontzet geworden en de Expeditie te gronde gegaan zijn aan de oevers van de Albert Nyanza.

Den lyquot;10quot; December kwam de eerste stoomboot uit Dufflé. Zij bracht Soeleiman Aga mede, die zijn been had gebroken in het gevecht bij Dufflé, benevens twee andere officieren, die bij dezelfde gelegenheid gewond werden; genoemde officieren hadden al hunne vrouwen en kinderen bij zich. Al die menschen waren zich komen stellen onder de hoede van Emin, die, evenals altijd, de vriendelijkheid in persoon, daar dadelijk genoegen mede nam.

Rajab Effendi, een der getrouwen en secretaris van Emin, schreef uit Wadelai, dat, nu de angst voor de Donagla's, sedert zij geslagen waren, was geweken, ook de partij tegen den Moedir het hoofd weder begon op te steken. De oudste schrijver, die daags na ons vertrek in Wadelai was gekomen, had een opgeschroefd stuk over Emin's wanbedrijven in Wadelai opgesteld en verzonden aan Fadl el Moella en zijn medestanders in Dufflé, terwijl Rajab Effendi Emin het afschrift deed toekomen van onderstaand schrijven aan Selim Aga, als bevelhebber der soldaten.

-ocr page 353-

EMIN PACHA.

Het luidde als volgt;

gt;Aan Selim Aga Matara, Majoor van het 2d'' bataljon.

quot;Effendi! — Het is u bekend, dat Mehmed Pacha Emin, Hawashi Effendi, de majoor, en Vita Effendi, de apotheker, in de uitoefening hunner iunctiën zijn geschorst, daar zij zich schuldig hebben gemaakt aan knevelarij, het dooden van beambten en inboorlingen en het zich openlijk en heimelijk toeëigenen van Gouvernements goederen. 1 )eze euveldaden werden bewezen uit een reeks van verklaringen, die wij teeenwoordior in handen hebben en tegen bovengenoemden door allerlei

O O O O

bewoners van dit land zijn afgelegd. Ten einde het kwaad te herstellen, was nu wijlen Hamid Bey Mahomet benoemd tot Kaimakam {locuvi tenens) van de Provincie en waart gij bevorderd tot majoor bij het 2de bataljon. In een vergadering van officieren en beambten werd, in overeenstemming met den wensch van onze regeering, die op rechtvaardigheid en menschlievendheid is gegrondvest, bepaald, dat inkomstig niemand zou worden verongelijkt. Tengevolge der komst van de Donagla's, het uitbreken van den oorlog en den dood van eènisfe onzer

' O O

hoofden en mede-officieren is er een ommekeer in de zaken gekomen en hebben enkelen, wier namen wij u, als gij 't verlangt, zouden kunnen noemen, zooals wij allen weten, getracht onze vroegere besluiten om te stooten.

»Onder meer hebt gij Ibrahim Effendi Elham, als beheerder der transporten, naar Wadelai gezonden, die later, toen de Pacha en zijn vrienden daar waren aangekomen, deel nam aan hunne kuiperijen. Deze beschuldigden enkele lieden van verstandhouding met de Donagla's, wierpen hen in de gevangenis en besloten hen te dooden. Ibrahim Effendi Elham was hun ook behulpzaam, dat zij hunne goederen, die, op bevel van Hamid Bey en op veler verlangen, verbeurd waren verklaard, terugkregen. Verder bevorderde hij, op in het oog vallende wijze, hun vlucht uit Wadelai, het vernielen der eigendommen van het Gouvernement en van het volk, het werpen der kanonnen in de rivier en het vernietigen der registers van de magazijnen van Wadelai, zonder

-ocr page 354-

JEPHSON,

er zich om te bekreunen, hoe de soldaten zich verder zouden redden. Het lag in de bedoeling van opgenoemde lieden om ons hier te Dufflé af te snijden en ons over te leveren aan de negers of aan de Donagla's. Daarom maakten zij de soldaten in Wadelai diets, dat Fabbo en Dufflé vernield, en wij, soldaten en officieren, allen gedood waren door de Donagla's, hoewel de soldaten hun vijanden hadden overwonnen, gelijk gij officieel hebt bericht, 't Zou mij te ver voeren, als ik al de leugens ging opnoemen, uitgebazuind door Ibrahim Effendi Elham, Soeleiman Effendi, Abderrahim, den Pacha, den apotheker en den majoor.

Wijl het echter onze plicht is op te komen voor de eer van ons Gouvernement en de menschen te verzekeren, dat hun leven, hunne gezinnen en goederen niet bedreigd worden of gevaar loopen; wijl wij bovendien gehouden zijn allen te kastijden, die na nauwkeurig onderzoek blijken partij te kiezen voor de Donagla's, hebben wij besloten u dit alles te schrijven en u te verzoeken, onder dezen onzen brief, Kodi Aga schriftelijk te gelasten, Ibrahim Effendi in zijne functiën te schorsen en hem niet naar Toengoeroe te laten vertrekken, maar in Wadelai te houden, tot wij daar allen zijn aangekomen en een onderzoek kunnen instellen naar zijn gedrag en dat van allen, die door hem van verstandhouding met de rebellen worden beschuldigfd.

O O

gt;Wij kunnen u tevens de verzekering geven, dat wij in geen geval herstel van den Pacha in zijn rang willen en dat wij den vertegenwoordiger van ons Gouvernement (Stanley) of van Zijne Hoogheid onzen Souverein, indien wij hem ontmoeten, tot in de kleinste bijzonderheden, op de hoogte zullen brengen van de handelingen van den Pacha; als wij mochten vallen, blijven er altijd wel een paar over, die dat kunnen doen. Daar het evenwel hoog tijd is om naar onze zuidelijke grenzen om te zien en Soeleiman Aga daar vroeger verkeerde, zoudt gij hem met de stoomboot »Khedivequot; naar Toengoeroe kunnen zenden, Kodi Aga gelasten zijne bevelen op te volgen en hem Luitenant Ali Aga el Kourdi toe te voegen, tot zijn taak is afgeloopen. Zeg ook aan de beide kapiteins in Wadelai, dat wij. God zij gedankt, allen wel zijn en geen onzer is gesneuveld. Geef de oflicieren van Toengoeroe en M'swa last te zorgen, dat de Pacha en zijn vrienden eerstgenoemde plaats niet verlaten. Zoodra wij te Wadelai zijn en boden hebben uitgezon-

316

-ocr page 355-

em in pacha.

den om te vernemen, wat er van onze vrienden in Makraka is geworden, zullen wij beginnen met alles te regelen, ieder recht te verschaffen en onze taak opvatten, gelijk wij verplicht zijn aan het Gouvernement, dat ons met zijn keuze heeft vereerd.

• Gelief ons een bewijs van ontvangst van dit schrijven te geven.

510 December 188S.

(Geteekend.)

» Moesta i'iia el Adjemi.

» Surore Aca.

» 1'adl el MoELLA Aga.

5 Aciimet Aga Dinkave.

•; Billai, Aga Dinkave.

sNoer Aga Abdoel Bain.

gt; Moestapha Efeendi Aciimet.

1 Abdoel Aga hl Apt.

«Dowel Bevt Aga.

sBachit Aga Maiimoud.

.P, S.

»Wil Kocli Aga opdragen afschrilt van dezen brief te zenden naar Toengoeroe en M'swa, om het volk gerust te stellen en deel tevens de overwinning mede, behaald door de soldaten van het Gouvernement. Voeg er bij dat wij allen in leven zijn gebleven en dat de bewoners van Fabho, Bidden, Kirri, Moeggi en Lahore in veiligheid zijn.

(gïteekend.) »Fadl el Moella Aga.

hAchmet Aga Dinkave.

Achterop den brief had Selim Aga geschreven aan Kodi Aga: «Wees zoo goed hetgeen omtrent Ibrahim Kffendi Elham en Ali Aga el Kourdi wordt verlangd ten uitvoer te brengen.quot; Aangezien hij omtrent de overige punten in den brief niets zegt, weten wij niet of ze zijn nagekomen.

De ongerijmde en beleedigende beschuldigingen in dezen brief vervat, kunnen eenig denkbeeld geven, welk slag van menschen Emin's officieren waren en hoe gemakkelijk zij 'zich door de schrijvers het een

317

V

Kapiteins.quot;

Lzi? tenants.

-ocr page 356-

JEPHSON,

of ander omtrent hem op de mouw lieten spelden. Vooreerst beschuldigde men den Pacha, Vita Hassan en Hawashi Effendi, dat zij men-schen, die hun in den weg stonden, hadden vergiitigd; in de tweede plaats, dat zij openlijk en heimelijk eigendommen van 't Gouvernement ingepalmd en tegen de rust van het land samengespannen hadden, onmiddellijk na onze invrijheidstelling en vertrek naar Wadelai; ten slotte, dat de Pacha en zijn aanhang het verhaal van den val van Duftlé en Fabbo hadden uitgedacht, met de bedoeling om officieren en soldaten te verraden aan de Donagla's of aan de inboorlingen. Nog kwam er de beschuldiging bij van het verduisteren van Gouvernementseigendommen te Wadelai, het vernietigen der regeeringsregisters en het werpen van 't geschut in de rivier.

Hamid Aga, de commandant van 't station Bora, de man, die ons het bericht had gebracht van den val van Dufflé en Fabbo, was één dergenen, die in den opstand altijd tot de tegenstanders van den Moedir had behoord, en door de rebellen naar Bora was gezonden, ter vervanging van een officier, die geacht werd met Emin bevriend te zijn. Het vernietigen der regeeringsregisters te Wadelai en het in de rivier werpen van 't geschut hadden de soldaten zelf verricht in de alge-meene plundering, die op ons vertrek uit het station was gevolgd.

Hoogst vermakelijk was de gemoedelijke toon van den brief, vooral in 't gedeelte, waarin de in opstand gekomen officieren goedvonden te verklaren, dat niemand was verongelijkt en, in dat opzicht, men zijn verplichtingen had nagekomen jegens de Egyptische Regeering, »dieop rechtvaardigheid en menschlievendheid is gegrondvest.quot; Mij dunkt dat de Egyptische regeering hier voor den eersten keer van iets dergelijks wordt beschuldigd. Ook spraken zij op zorgelijken en vaderlijken toon van diet volk gerust te stellenquot;, 't welk hoogst grappig is, daar zij de opgewondenheid en verwarring in het land zeil hadden verwekt. Het bestuur der opgestane officieren was een tijdperk van roof en verdrukking; maar door hun gemoedelijken toon daalden zij af tot het volk en hulden zij zich in een soort van vaderlandslievend waas.

Bovendien is het niet onaardig op te merken, dat zij beginnen met Selim Aga aan te spreken als hun Majoor en commandeerend officier en daarna de vrijheid nemen hem duidelijke en krasse beve-

-ocr page 357-

EM IN 1'ACHA.

len te geven. Een bewijs te meer voor de kluchtigheid van de ge-heele zaak.

't Schijnt dat er de grootste opgewondenheid in het station Duffle ontstond, toen de brief van den eersten schrijver kwam, waarin deze zijne lezing gaf van 't geen er te Wadelai voorviel en de opgestane officieren mededeelde, dat de lJacha per stoomboot naar Toengoeroe was vertrokken. De schrijvers en hun bent liepen in allerijl naar Fadl el Moella en de opgestane officieren, om te verklaren dat de Pacha zich van de stoomboot had meester gemaakt, met het plan om het land te ontvluchten naar N'sabé en daar die boot te sloopen, zoodat zij haar nooit terug zouden zien. Toen zij dit ook aan de soldaten vertelden, barstten deze in verontwaardiging over Kmin los, terwijl zelfs Selin; Aga een poos wankelde in zijn goede gezindheid jegens den Moedir.

Zoo sterk was de opgewondenheid, dat Soeleiman Aga, hoe verwond en zwak hij ook was, zijn bedienden bevel gaf, hem op zijn rustbed bij de soldaten te brengen. Na opgericht te zijn, verklaarde hij de lieden er met zijn leven borg voor te blijven, dat de Pacha niet had gedaan, waar men hem van beschuldigde, en hoe dwaas zij handelden, dat zij zich om den tuin lieten leiden door de schrijvers, die hen reeds zoo dikwijls hadden gefopt, en wier gezegden, zooals zij zelf hadden gemerkt, altijd verkeerd uitkwamen.

Terwijl Soeleiman Aga sprak, zag men de stoomboot in de verte de rivier afkomen. Op dat oogenblik brak de woede los tegen de schrijvers en zwoeren enkele officieren den Moedir, zoodra zij bij hem waren, de voeten te zullen kussen.

Dwazen als zij waren ! Telkens en telkens zagen de soldaten zich bedrogen door de schrijvers, maar ook telkens en telkens waren zij er weer aan toe te gelooven wat zij zeiden. Nimmer zouden zij door ondervinding wijs worden. Hetzelfde spel zou wel twintig jaar kunnen duren en nog zouden zij gelooven wat men hun vertelde, mits het ten laste kwam van den Moedir en zijn bestuur. Zoodra zij gevoelden dat zij bedrogen waren, barstten zij uit in een soort van dierlijke razernij en dreigden zij alles te zullen doen, waar niets van kwam; maar den volgenden morgen geloofden zij weder even gereedelijk als ooit, wat de schrijvers hun vertelden. Deze Egyptische beambten speelden met de

domme Soedaneesche officieren en manschappen ; aan allerlei stukken,

•12

319

-ocr page 358-

JEPHSON,

die zij opstelden, hechtten de Soedaneezen, die lezen noch schrijven konden, hun zegel en zóó kwam de ellende in de wereld. Gordon moest precies hetzelfde ervaren; eerst, toen hij Gouverneur van de Equatoriaal Provincie, en later, toen hij Gouverneur-Generaal van Soedan was. Zijn secretarissen legden hem in 't Arabisch geschreven stukken voor en la' zen, 't geen zij beliefden te zeggen dat er in stond, waarna hij ze tee-kende, maar later geregeld bemerkte dat zij geheel anders luidden, dan hij zich verbeeldde. Emin wist die moeilijkheid te ontgaan door, zoodra hij Gouverneur werd het Arabisch te leeren lezen en schrijven, 't geen hem, bij de verwonderlijke gemakkelijkheid, waarmede hij vreemde talen aanleerde, niet veel moeite kostte. Maar de onwetende Soedaneezen waren licht te bedotten en bekrachtigden tijdens den opstand herhaaldelijk verklaringen, die zij nooit voornemens waren geweest te vervullen.

Zoo dikwijls als zij zich door de schrijvers bedrogen vonden, begonnen zij te snoeven, te zwetsen en overal mede te dreigen, zoodat iemand, die hen niet kende, den indruk kreeg, dat zij van plan waren iets verschrikkelijks te verrichten. Maar met eenige vriendelijke woorden van de schrijvers, met een paar vette geiten of schapen, kwam bij de soldaten de goede luim aldra terug en gingen zij hoogst voldaan over zichzelven heen; zij waren dan met groot geweld voor hunne rechten opgekomen, doch hadden eigenlijk alleen een beetje leven gemaakt.

Zoo dikwijls ik hen in dergelijke buien van woede allerlei dreigementen hoorde uitbraken, maar niets zag uitrichten, kwam mij Horatius versregel te binnen; gt;Parturiunt montes et nascitur ridiculus mus!quot;

Emin's tegenpartij was weder zoo machtig geworden, dat wij dagelijks de komst van eenige der opgestane officieren in Toengoeroe te ge-moet zagen, om het bestuur van 't station op zich te nemen, in welk geval wij hoogstwaarschijnlijk wel een strenge gevangenschap zouden moeten ondergaan. Weer zou er een raad in Wadelai bijeenkomen, om te overwegen wat er, na de ontruiming van üufflé, in de Provincie behoorde te geschieden. Wij vernamen dat de meesten zich wenschten te vestigen in de nabijheid van het zuidelijk uiteinde van het meer; maar wij wisten dat zij wel praten, doch niets ten uitvoer brengen konden, en dat was, zooals ik reeds heb opgemerkt, ons behoud.

Met Emin ging ik Soeleiman Aga, daags na zijn aankomst een be-

320

-ocr page 359-

EMIN PACHA.

zoek brengen. Het was treurig met zijn been gesteld; de beenderen waren letterlijk verbrijzeld en de vleeschdeelen weggescheurd. In geen drie weken was het behoorlijk omwonden en gereinigd en zat het nog in dezelfde groene bladeren, bestreken met ransige boter van de inboorlingen.

Eerst toen die bladeren werden weggenomen, bleek hoe ellendig de toestand was; Emin vreesde dan ook voor koudvuur. Zijn kist met chirurgische instrumenten was bij 't plunderen van zijn woning verdwenen, zoodat hij buiten staat was om eene operatie te doen. Daarom moest Emin de schilfers laten rusten, tot hij ze met een schaar en een tandentrekker, de eenige instrumenten die hij had, kon verwijderen. Verwondering moet het baren, hoe onverschillig Soedaneezen voor pijn zijn; want terwijl Emin peuterde en wroette om de schilfers te verwijderen of het ongezonde vleesch weg te snijden, slaakte Soeleiman Aga geen enkelen zucht of kreet en verdroeg hij alles met een soort van lijdelijke onverschilligheid. Ken Europeaan zou in zijn geval in zwijm zijn geraakt. Vaak heb ik Soedaneezen bedekt gezien met een wolk van muskieten, zonder dat zij zich verroerden of de moeite namen die dieren weg te slaan, terwijl een Europeaan, zelfs een Zanzibariet, zich hall razend zou hebben geslagen. De Zanzibarieten schijnen voor lichaamssmart gevoeliger te zijn dan de Soedaneezen uit het Nylgebicd, terwijl de Europeanen op dat punt weer de Zanzibarieten overtreffen.

Soeleiman Aga vertelde ons dat hij zijn wonden niet had te danken aan de Donagla's, maar aan zijn eigen soldaten, die in het wild achter zijn rug hadden gevuurd, met het gevolg dat een der kogels hem had geraakt. Het zou mij niets verwonderen, dat zulks met opzet was geschied, want Soeleiman Aga was gehaat bij zijne soldaten en reeds een keer eerder in zijn been gewond door een van zijn eigen manschappen, dien hij al te kras had gestraft. Hij hing een treurig tooneel op van 't gedrag zijner soldaten tijdens het beleg van Dufflc en vertelde, dat hij zestig met Remingtons gewapende soldaten het hazenpad had zien kiezen voor één Donagla, slechts voorzien van een zwaard en een speer. Eerst moesten drie of vier der hunnen door dat zwaard zijn gevallen, vóór zij schenen te begrijpen, daï zij nog geweren hadden. Dan hielden zij stand en gaven hun vervolger de volle laag, zoodat hij

321

-ocr page 360-

JEPHSON,

letterlijk over zijn geheele lichaam werd doorboord. Ook deed hij mij een afgrijselijk verhaal van de wijze, waarop de drie arme derwischen, de afgezanten van Omar Saleh, waren doodgeslagen en sprak met bewondering over de houding van Selim Aga, Addoel Aga Manzal, Bachit Aga en nog drie of vier andere officieren, die in de algemeene ontsteltenis schitterend gevochten en de soldaten ten laatste tot staan gekregen hadden. Aan deze officieren was het volgens hem te danken, dat het station behouden bleef.

Voordat de stoomboot naar Wadelai terugkeerde, zag ik haar na. Zij was vreeselijk gehavend door de kogels der Donagla's; maar hoewel de platen aanmerkelijk waren ingedeukt, was er slechts één kogel doorheen gegaan.

Men deed ons allerlei verhalen, hoe verschillende lieden zich gedroegen, toen de Donagla's het station binnen waren gedrongen. Zoo had een zeker schrijver, Achmet Effendi Mahmoud, een Egyptenaar, zich in het slijk der rivier verborgen en zijn hoofd met modder en gras bedekt, om niet te worden opgemerkt! Naast hem hield zich een zijner vrouwen schuil met haar kind dat hij, toen het begon te schreien, dreigde den hals af te snijden als het niet ophield; zóó bang was hij, dat zijn schuilplaats mocht worden ontdekt!

Soeleiman Aga bevestigde het gerucht, dat de Donagla's, onmiddellijk na hun komst in het station, begonnen waren het verblijf van den Pacha te doorzoeken. Naar zijne meening zouden de Pacha en ik, waren wij aanwezig geweest, medegenomen zijn naar Khartoem, want de Mahdisten zouden het als een grooten triomf hebben beschouwd den laatsten Gouverneur in de Soedanneesche gewesten in handen te hebben. Het verloop van Soeleiman Aga's wonden was ongunstig; maar Emin hoopte, met het oog op zijn sterk gestel, hem nog te kunnen behouden.

Zoolang wij in Toengoeroe waren, ging ik geregeld op de jacht, en was ik daardoor in de gelegenheid Emin eenige vogels te bezorgen, die den grondslag uitmaakten eener nieuwe verzameling, die hij mede wenschte te nemen, terwijl ik 's avonds, meestal alleen, een wandeling deed langs den oever van het meer. Al den tijd, dien wij in Toen-goeroe doorbrachten, woei het des avonds sterk en had ik er het grootste

322

-ocr page 361-

EMIN PACHA.

genot in van halt zes tot half acht mij langs het strand te bewegen. Het was heerlijk, op de punt van het schiereiland, in den helderen maneschijn, in zuidwestelijke richting over het meer te turen. Overal om mij heen was dan niets te zien behalve water, op een afstand van 6 a 7 K. M. begrensd door een trotsch en lier voorgebergte, dat als een zware purperen massa loodrecht oprees. Dan blies er een sterke zuidwestewind, warm en koel, met een kracht, die dikwijls tot een storm aanwakkerde, deed de bruischende golven rollen over het vlakke zandige strand en wierp, gelijk de zee, een massa onkruid daarop neder. Een lange smalle zandstrook scheidde het meer van een reeks breede en ondiepe lagunen, waarop geheele koppels eenden, ganzen, ooievaars, ibissen en reigers pokerden of visch trachtten te vangen, terwijl zich een menigte snippen') en pluvieren ■') tusschen de biezen op de meer beschutte kreken ophielden. Die zandstrook, een uitgestrektheid van verscheidene mijlen, koos ik geregeld voor mijn avondwandelingen en bekoorde mij, met niets om mij heen behalve water en gevogelte, in hooge mate.

In M'swa teruggekeerd, kwam Alogo ons te Toengoeroe een bezoek brengen ; hij beloofde zoodra mogelijk met mijn schrijven naar Stanley te vertrekken. Bij het te Wadelai geschrevene voegde ik nog een tweede postscriptum toe aan den brief, dien ik in Duiflé was begonnen, om Stanley mede te deelen, dat wij in Toengoeroe waren, maar in enkele opzichten in minder gunstige omstandigheden verkeerden dan te Wadelai. Daar waren wij vrij en konden wij doen wat wij wilden ; maar sedert de verdrijving van de Donagla's hadden Emin's tegenstanders het hoofd weder opgestoken en de officieren van de muitelingen in opdracht, ons vertrek uit Toengoeroe te beletten. Ik belooide Stanley mijn best te zullen doen om bij hem te komen, maar zeer te betwijfelen of Emin dat wel zou kunnen doen. Ik schreef dit in een postcriptum, want Emin had mij verzocht hem den brief te laten lezen. Wij hoopten, dat Mogo in de gelegenheid zou zijn Kavalli den brief vóór 5 Januari te overhandigen.

1 i Scolopll.v gitllilhjgo. Vertai.ku.

2) Vogels bchoorende tot het geslacht Cbarairins L. Vertai.ku.

-ocr page 362-

324 JEPHSON,

Daar Emin mij daags voor Kerstmis verzocht had gevogelte te gaan schieten voor ons kerstmaal, voldeed ik aan zijn wensch en had een gelukkige jacht, zoodat een vette Nijlgans als pi'cce dc rcsistancc op onzen disch prijkte. Naar duitsch gebruik vierden wij het feest op den vorigen avond en waren Casati en Marco onze gasten. Voor Centraal Afrika was het diner keurig, op de spijskaart stonden :

Soep.

Visch.

Entrees. — Coteletten a la Hatalastiva. — Hutspot.

Rot is. — Gans gevuld met aardnoten. — Lendestuk.

Leo nines. — Kolokasia's. — Balmia's —- Boonen.

Entremets. — Rijstpudding. —- Pisangschijfjes.

Eruits. — Bananen Meloen.

Na het eten maakte ik een brouwsel van geestrijk vocht (dat Emin in voorraad had voor 't inleggen van zijn kikvorschen, hagedissen en vledermuizen), honig, geleien en warm water. Hoewel het een weinigje naar wrijfwas smaakte, was het warm en heerlijk en een groote traktatie. Over 't geheel gaf het feest een aangename afwisseling in de ellende.

Op de kerstdagen schreef ik in mijn dagboek ;

sMet koorts te bed — een treurig kerstfeest. Allerlei onaangename geruchten ten aanzien der in opstand gekomen officieren van Wadelai en Dufflé. De Pacha nog steeds gedrukt en slecht geluimd, heeft weinig eetlust en kan niet slapen. Een jaar geleden geleidde ik, alleen in een hemd en een broek, de Expeditie dwars door den Itoeri, na dien reeds in den vroegen morgen te zijn overgezwommen, om een vl-t van banaanstammen te maken, daar wij booten noch kano's hadden. Toch was ik op dat Kerstfeest blijmoediger dan heden. Toen waren Stairs en ik schier vroolijk onder onzen soberen maaltijd, bovenal toen hij met fierheid onder uit zijn koffer een flesch whiskey voor den dag haalde, in oude lappen gewikkeld, die hij, voor eene feestelijke gelegenheid, uit onzen tijd van honger en ellende had weten te sparen.quot;

De geruchten, dat Emin's tegenstanders steeds machtiger werden hielden aan. Dufflé werd langzamerhand geheel ontvolkt en de tijd was niet verre meer, dat een nieuwe aanval van de Donagla's voor de

-ocr page 363-

EMIN PACHA.

deur stond, zoodat wij vurig naar Stanley begonnen te verlangen. Naar mate Emin's tegenpartij in kracht won, merkten wij op, dat de geest van onrust en bandeloosheid onder de soldaten, die sinds Emin's komst in het station in slaap was gewiegd, op nieuw opstak. Ook de inboorlingen uit den omtrek waren onrustig en veroorzaakten ernstige be zorgdheid; zelfs zóó, dat Emin mij verzocht mijn wandelingen in de omgeving van 't station te bekorten en ten minste altijd een paar oppassers mede te nemen.

In den nacht van 29 December bezweek Soeleiman Aga eindelijk, nadat zijn toestand dagelijks was verergerd. Toen de Pacha en ik 's avonds bij hem waren, zeide hij het niet lang meer te zullen maken; hij blies den laatsten adem uit in een pijnlijken aanval van hik.

Om half elf hoorden wij zijn vrouwen, omstreeks vijftig in aantal, weenen en weeklagen, zoodat wij wisten dat hij dood was. Den volgenden morgen werd hij begraven; Emin, Casati en ik bewezen hem de laatste eer.

Hij was bij iedereen in het station zóó gehaat, dat slechts weinigen de begrafenis bijwoonden. De geregelde troepen weigerden hem te volgen, en de geestelijke verkoos geen lijkdienst te doen. Alles moest dus door de ongeregelde troepen worden verricht; zij dolven het graf, droegen het lijk en bestelden het ter aarde ; een der hunnen, die een pelgrimstocht naar Mekka had gedaan en den titel droeg van Hadji, las een lijkpreek. Waren de ongeregelde troepen er niet geweest, zoo zou de begrafenis aanstootelijk zijn geworden; hoewel zij door Soeleiman Aga nog meer waren gesard en geplaagd dan zijn eigen soldaten, waren zij van betere geaardheid dan de geregelde troepen en edelmoe-ger, zoodat zij hem begroeven en alles eerbiedig ten uitvoer brachten. Een Mahomedaansche begrafenis levert altijd een belangwekkend gezicht op; zoolang de plechtigheid duurt, weenen de vrouwen en als het graf is aangevuld, vallen zij er als razenden op neer. Later hoorden wij, dat Soe'eiman Aga, in den nacht van zijn dood, zijn voornaamste vrouw ontboden en haar sterk tegen de soldaten opgezet had, zoodat zij hun geen groevemaal durfde geven. 'tWas gebruikelijk bij den dood van een man, dat er rijkelijk vleesch werd uitgedeeld van een stier, die op het graf moest worden geslacht; de vrouwen van den overledene moes-

-ocr page 364-

JEPIISON,

ten liet vleesch koken en aan de vrienden doen toekomen met groote schotels brood in het vleeschnat trevveekt. Zulks had in dit preval niet

o lt;_gt;

verzuimd moeten zijn, want Soeleiman was reeds gehaat genoeg, zoodat deze nienvve betuiging van zijn afkeer slechts strekte om de stemming tegen hem nog te doen toenemen.

Van Soeleiman Aga's dood zou Emin, naar wij vreesden, kwade gevolgen ondervinden; want hij was bevriend met hem geweest en, om zijn heftigheid, hadden de in opstand gekomen officieren hem weinig nadeel durven doen. Nu vreesden wij, dat zij vragen zouden om de benoeming van den tegenstander van Emin tot commandant van Toen-goeroe, zoodat de moeilijkheden nog grooter konden worden. Bovendien kwam er bij, dat de schrijvers hun best deden te verkondigen, dat de Pacha hem had vergiftigd, om munt te kunnen slaan uit zijn dood. Bij zulke menschen was alle kwaad mogelijk! Inmiddels werd als zijn op volger benoemd Saleh Aga, die reeds vóór Soeleiman Aga als commandant van het: station had gefungeerd. Hij was zeer gezien bij de opgestane officieren, zonder, naar onze meening, een man van veel invloed te zijn,

Op zekeren dag kwam het gesprek van Emin en mij op Lupton Bey en zeide hij, dat het jammer was geweest, dat hij, toen zijn soldaten deserteerden, niet naar de Equatoriaal Provincie was teruggetrokken Plij toonde mij de drie laatste brieven, door Lupton aan hem geschreven, en vergunde mij bereidwillig er afschrift van te nemen. Plij had ze ontvangen met vluchtelingen uit Bahr el Ghazal, die in zijne Provincie bescherming kwamen zoeken, zoodat Lupton, als hij gewild had, ook had kunnen ontkomen.

»12 April 1884.

gt;Waarde Emin, — De Mahdisten kampeeren thans zes uren hier van daan ; twee Derwischen, die hier zijn aangekomen, eischen dat ik hun het Moediraat overgeef. Ik wil mij evenwel tot het uiterste verdedigen. Ik heb mijne geweren laten bergen in een sterk fort en zal van daar uit, als zij er in slagen het Moediraat te veroveren, naar ik hoop, in staat zijn hen op mijn beurt te verjagen. Als ik den slag verlies, komen zij ook op u af-, wees dus op uwe hoede misschien is

326

-ocr page 365-

emin pacha.

deze mijn laatste brief aan u. Mijn toestand is wanhopig, daar mijn eigen volk bij benden overloopt. Ik heet voortaan Abdoellah en zal overwinnen of sterven; dus vaarwel! Groet D' Junker hartelijk van mij. Wil, als de stoombooten bij u komen, aan mijn vrienden schrijven dat ik verloren ben.

«Geheel de uwe, (get) »F. Lupton.quot;

»20 April 1884.

gt;Waarde Emin Bey! — liet grootste gedeelte vai. mijn soldaten heeft zich aangesloten bij de Mahdisten; Nazir Hucho en Nazir Liffe zijn met al de hunnen overgeloopen ; ook de bevolking van Goedyoe volgde hun voorbeeld met het graan van het Gouvernement. Ik weet niet waar het heen moet en heb Wazy Uller Effendi naar het kamp van den Mahdi gezonden. Ik weet bijna niet, of ik Lupton Bey ben ot Emir Abdoellah en zal 11 schrijven, zoodra Wazy Uller terug is. De vijanden moeten gewapend zijn met Remingtons en vier of vijfcompagnieën geregelde troepen tellen, benevens 8000 a 10000 Orban's en Jillaban's (dat zijn Arabieren uit de woestijn en handelaren), maar het juiste getal kan ik u eerst opgeven, zoodra ik alles beter weet; toch geloof ik niet, dat bovenstaande cijfers overdreven zijn. Slatin schreef mij slechts een kort brieije en zeide daarin: gt;Dit schrijven ontvangt gij door Hadj Moestapha Kismoellahquot; ; thans heet hij Emir Abd el Kader.

s Geheel de uwe, (get.) gt;F. Lupton.quot;

gt;26 April 1884.

»Waarde Emin ! — Het is hier met mij gedaan; iedereen koos de partij van den Mahdi cn zijn leger bezet overmorgen het Moediraat. Gij kunt u niet voorstellen, wat ik in de laatste dagen heb uitgestaan; ik sta geheel alleen. Hij, die u dit schrijven brengt, zal u de bijzonderheden vertellen. Naar ik hoor, moet nimmer een leger zoo totaal verslagen zijn als dat van Generaal Hicks; van de 16000 man zijn slechts 52 in leven gebleven en deze hebben bijna allen wonden bekomen. Wees op uw hoede; 8000 a 10000 goedgewapende krij-

327

-ocr page 366-

328

gers komen op u af. In de hoop dat wij elkaar weer mogen zien, blijf ik

gt; Geheel de uwe, (get.) »F. Lupton.quot;

Ziedaar de laatste tijdingen van den armen Lupton! Hij was eenige maanden te Lado bij Emin en zijn plaatsbekleeder in het distrikt Latooka geweest. Hij deed als Gouverneur van Latooka zoo goed zijn plicht, dat Gordon hem bevorderde tot Gouverneur van Bahr el Ghazal. Emin sprak over hem altijd met de grootste bewondering en toegenegenheid. Hij bleef slechts zestien maanden Gouverneur van Bahr el Ghazal ; maar toen Gessi zich terugtrok, geroepen tot het hoogste gezag in de Provincie, bevond hij zich in een broeinest van moeilijkheden. Bijna zoolang als hij Gouverneur was, had hij de handen vol met het dempen van oproeren onder de negers en gedroeg hij zich, naar Emin mij vertelde, meer dan ridderlijk. Toen hij pas Gouverneur van bahr el Ghaza! was, kreeg hij bevel bijna al zijn geregelde troepen de rivier af te zenden ter versterking van Khartoem, waarop hij een troep ongeoefenden wapende met de 900 Remingtons, die hij uit Khartoem naar zijn land had medegebracht; maar deze ongeoelenden waren landgenooten en vrienden van de Mahdisten. Had hij slechts bewoners van het land en de Niam-Niams, flinke soldaten, gewapend! 't Sprak van zelf, zeide Emin, dat, bij de nadering der Mahdisten, de troep Lupton eenparig in den steek liet en tot den Mahdi overliep. Hij bleef alleen staan met nauwelijks honderd geordende soldaten, wier trouw nog mocht worden betwijfeld, zoodat hij besloot een sterk fort te bouwen, waarin hij al zijn kanonnen bracht en zich verschanste. Dit was hoogst roekeloos, want hij mocht niet verwachten met zijn paar honderd man tegen 8000 a 10000, behalve nog de inboorlingen, iets te kunnen uitrichten. Zelfs sprak hij er van de strijdkrachten van den Mahdi buiten het fort te willen houden, wanneer zij in het land kwamen. Als hij zich had teruggetrokken met zijn klein aantal getrouwen, toen hij om zich heen al zijn volk zag deserteeren, zou hij hen en zich zeiven naar Emin's Provincie in veiligheid hebben kunnen brengen en dezen krachtig bijstaan, om de aanvallen van Keremallah af te slaan.

-ocr page 367-

EMIN PACHA.

Een vluchteling uit Bahr el Ghazal vertelde dat, toen de strijdmacht van den Mahdi voor het fort verscheen, de weinige honderden geoefende soldaten van Lupton te gelijk naar den Mahdi overliepen. Bijna geen schot werd gelost. Emin hoorde ook, dat de arme Lupton, toen hij in handen van den Mahdi was gevallen, met den meesten smaad werd behandeld. Men wist zelfs te verhalen, dat, toen hij, na de inneming van zijn fort. buiten zijn huis een sigaar had staan rooken, een voorbijkomend Arabier hem in t aangezicht sloeg, een ongeloovigen hond noemde en gelastte niet te rooken, daar zulks streed met de verordeningen van den Profeet.

Hoeveel braven hebben niet hun leven in Soedan moeten laten, alleen ten believe van de allerellendigste Egyptische regeering!

Den 30Bquot;;n December kregen wij brieven uit Wadelai, met nieuws uit Dufflé. Er zouden namelijk, ter bespoediging van 't ontruimen dier plaats, dagelijks een groot aantal lieden naar den oostelijken rivieroever worden overgezet, om, onder geleide van kleine afdeelingen soldaten, te voet naar Wadelai te gaan, terwijl de vrouwen en kinderen met de stoomboot werden verzonden. Voleens bedoelde brieven zou de geheele ontruiming van Dufflé in 't midden van Januari haar beslag hebben gekregen. Verder zou er te Wadelai een krijgsraad worden gehouden, waarin twee van de officieren uit Toengoeroe zitting zouden hebben.

Ook vernamen wij, dat Moestapha Effendi Achmet met een afdee-ling soldaten voor Toengoeroe was bestemd, om den Pacha in het oog te houden, terwijl hij weder, evenals vroeger in Dufflé, een schildwacht voor de deur zou krijgen.

Deze Moestapha Effendi was de eerste militaire schrijver, een halfbloed uit Khartoem en schier dweepziek in zijn vijandschap jegens Emin. Al de officieren, die tijdens 't beleg van Dufflé gewond waren, zouden, volgens dezelfde bron, zijn gestorven, zoodat er tusschen half October en einde November achttien oificieren, tencrevolgfe van den inval der

O O

Donagla's, het leven hadden verloren. Naar men wilde, werd er nog altijd verbazend getwist tusschen de officieren en schrijvers van Dufflé en Wadelai onderling, 't welk niet te verwonderen was, want gekijf alleen wekte hun geestdrift op en werden zij nimmer moede.

329

-ocr page 368-

JEPHSON,

Op Nieuwjaarsdag kwamen de vrienden Emin begroeten en een kop koffie bij hem drinken. Velen hunner vroegen mij dringend, wanneer Stanley toch zoude komen; maar ik moest antwoorden, dat ik het zelf niet wist. Wij hoorden bij die gelegenheid ook, dat de negers van de stammen Shoeli en Madi het den menschen, die langs den oostelijken rivieroever van Dufflé naar Wadelai trokken, zeer lastig maakten, hen voortdurend plaagden en, als zij alleen waren, uit den weg ruimden. Volgens Emin leed het geen twijfel of Kabba Rega's verspieders deden daaraan mede, want hij had overal in Emin's Provincie zijn handlangers en wist bijna even goed, wat daar voorviel, als in zijn eigen land.

Enkele soldaten die langs Boki's dorp waren gekomen, hadden, niet ver daar van daan, aan den oostkant van het meer, geweerschoten gehoord, terwijl Boki had verteld, dat Kabba Rega's soldaten daar bezig waren het land af te stroopen. Emin was van oordeel, dat na de ontruiming der Provincie, Kabba Rega hoogstwaarschijnlijk Okelli, Boki en al de verdere hoofden uit den omtrek, die met hem bevriend waren geweest, zou dooden. Wel was dat een hard gelag, want al waren zij, tegen hun zin, genoodzaakt geweest vrienden te worden met de Turken, zou Kabba Rega, bij ontruiming der Provincie, zulks ongetwijfeld op hen willen wreken.

Op den 5dcn januari was Dufflé geheel ontruimd en werd het ;n brand gestoken. Die ontruiming was vlugger gegaan dan men had verwacht, met het oog op de toenemende vijandelijke stemming der inboorlingen, die zich in aanzienlijk aantal op den oostelijken Nijloever hadden verzameld en dagelijks stoutmoediger werden. Nauwelijks hadden de laatste vluchtelingen per stoomboot Dufflé verlaten, of het station werd verbrand, terwijl Selim Aga met een groot aantal soldaten naar den oostelijken rivieroever overstak, ten einde te voet naar Wadelai te trekken, de inboorlingen onder weg aan te tasten en te straffen voor hun' aanval op de vluchtelingen.

Na tal van dorpen verbrand en een menigte runderen en geiten weggeroofd te hebben, trok hij op Wadelai aan, terwijl Fadl el Moella met een ander gedeelte der troepen naar Fabbo trok, om de Shoeli's te tuchtigen voor het grijpen en dooden van hen, die na het ontruimen van Eabbo van de colonne waren afgedwaald. Bij Fadl el Moella's terugkeer te

33°

-ocr page 369-

EMIN PACHA.

Wadelai hervatte de krijgsraad zijne zittingen, maar gedurende vele dagen hoorden wij niets van 't geen er in voorviel. Emin besloot te blijven waar hij was (te Toengoeroe), maar beloofde dadelijk naar M'swa te zullen trekken, zoodra hij hoorde dat Stanley bij het meer was aangekomen. Bijna dagelijks ging ik ter jacht en kon ik 's avonds Emin prachtexemplaren voor zijn verzameling ter hand stellen. Onder anderen schoot ik een ortolaan of ovenvogel *). Deze vogel heeft een hoogst eigenaardig voorkomen, is donkerbruin, bij 't zwarte af, van kleur en o, ó M. hoog, terwijl hij een kuif boven op den kop draagt, die hij naar believen kan opzetten en laten zakken. Zijn nest heeft veel van een oven en wordt gebouwd van twijgen door modder aangevuld gewoonlijk op rotsen ot op de plaats der vertakking van vrij zwareboomstammen. Vaak heefthet nest een middellijn van i. 8 M. en is het o, 9 M. hoog, terwijl het zoo sterk is, dat het een man kan dragen. Het is verdeeld in twee kamers met écn uitgang, terwijl beide van binnen met elkaar gemeenschap hebben. De binnenkamer is voor het wijfje, dat er haar eieren in legt ; die aan de buitenzijde is de proviandkamer en het schilderhuis voor- het mannetje. Deze vogel heeft de liefhebberij om allerlei schitterende stukjes steen of gebroken aardewerk en andere vreemdsoortige dingen in zijn proviandkamer te verzamelen. Als ik het wel heb, schrijft Schweinfurtb, leeft deze vogel gezellig in dicht bosch; maar in Emin's Provinciekomt hij veelvuldig voor op open terreinen en bouwt hij zijn nest op eenzame plekken. De nesten houden het twee, soms zelfs drie jaren vol, terwijl er menig broedsel uit voortkomt.

Ook zijn er tallooze geitenmelkers of nachtzwaluwen 1) van zeer eigenaardige gedaante. Zij zijn bijna zoo zwaar als valken en hebben een groote vlucht. Aan eiken vleugel komen, op korten afstand van elkander, twee lange vederen voor, wier schachten bijna geheel kaal zijn behalve aan de uiteinden, die er afgerond uitzien als het bovendeel van een pauweveer. Daar zij vrij lang zijn en bij het vliegen zeer vlug op en neer gaan, lijkt het alsof er vier kleine vogeltjes, vlak boven

1

Capyimulgus Enropaeiis, behoorende tot de spleetsnavelige zangvogels. (Fissirostresi. Vertaler.

-ocr page 370-

JEPHSON,

en onder den eeitemelker vlietren. Om deze reden noemen de Arabie-

ö o

ren dezen vogel Aboe Arba of vader van de vier.

Gedurende December en Januari vertoefden er in den omtrek van Toengoeroe vele Europeesche vogels, die er den winter doorbrachten; maar, tot onze bevreemding, zong er geen enkele van, terwijl de weinige tonen, die zij lieten hooren, niets hadden van het geluid, dat zij in Europa geven. Verder waren er nachtegalen, pluvieren, kwartels, zwaluwen, roodstaarten, snippen en allerlei andere vogels, die in Engeland wel bekend zijn, doch hier in Afrika niet ot bijna niet zingen. Emin had altijd veel moeite gehad met het noodige lood te krijgen voor kogels-, ik gebruikte daarom af en toe koralen; maar deze hadden de vereischtekracht niet, als ik den vogel niet zeer dicht onder schot had. Ook heb ik het met ronde steentjes geprobeerd; maar deze spreidden te veel en bedierven bovendien het geweer.

Op de lagunen bevonden zich allerlei vogels in grooten getale bijeen, 't geen ongetwijfeld moet worden toegeschreven aan de zwermen insekten, die om dezen tijd van het jaar aan den oever van het meer verkeerden, zoodat ik bijna eiken morgen met het geweer er op uittrok.

Ziehier een uittreksel uit mijn dagboek, dat eenig denkbeeld kan geven van het soort van jacht, door mij uitgeoefend.

gt;Ik had van daag een zeer gelukkige jacht. Ik schoot stelt-loopers,') byeneters, -) Europeesche pluvieren,:i) en andere vogels, waarvan ik de namen niet ken, voor de verzameling van den Pacha. Voor onzen middagpot bracht ik een groote gans en een zwarten ibis') mede; de laatste is een prachtige vogel met karmozijnrooden snavel en smaakt zeer goed.

»Het was den Pacha zeer naar den zin, dat hij zooveel vogels kon

1) Hymauiopus mclauoptcnis. Vertaler.

2) Tot het geslacht Mcrops behoorende en levendig gekleurde vogels met tamelijk langen, scherp-kantigen, bijna driehoekigen snavel ; in Europa komt voor M, apiastcv. Vertaler.

1 De Pluvieren, wier vleesch zeer smakelijk is, komen veelvuldig voor aan rivieroevers en vormen het geslacht Charndiius L Denkelijk wordt hier bedoeld de strandpluvier, Ch. Cantianus, Vertaler.

4 Steltloopers met zeer langen snavel; de meest beroemde van 't geslacht Ibis is Ibis rcligiosa, die eveneens in Afrika voorkomt en in 't oude Egypte hoog werd vereerd. Vertaler.

332

-ocr page 371-
-ocr page 372-

ItoctIP ' -i-'--:' -- -'' ■ h ■ - - m

i

|m ' • ^«8 ■--■■gt; •«»■»» .........

... .....

. . ...

■■ ■..... ... ...... .. .

... ...........

r

-ocr page 373-

EMIN PACHA.

krijgen; want in de dagen van rebellie had hij zich met zijne verzamelingen niet kunnen bezig houden. Mijn gisteren gemaakt schroot deed goede diensten, maar ik had ongelukkig slechts achttien percussiedopjes bij mij ; na het laatste gebruikt te hebben om den ibis te schieten, kwam ik bij een groote lagune, waarin honderden vogels van allerlei soort rondzwommen of zich op de zandbanken vermeiden en slakken en andere insekten zochten. Daar stonden ibissen, zwarte en witte, bij elkaar en uitten af en toe een schrillen klaagtoon ; ooievaars en duikers, eenden en ganzen zwommen in de kreken rond en staken tergend de staarten omhoog, nu ik niet in staat was een schot te doen. Allerlei soorten pluvieren en bonte snippen merkte ik op; terwijl, midden in de kreek, een groote kraanvogel *) met gouden kuif als een koning troonde.quot;

Tijdens mijn verblijf in Emin's Provincie heb ik allerlei inlichtingen over de dwergen ingewonnen. Zij maken een hoogst belangrijken volksstam uit en zijn daar zeer talrijk. Casati en Emin wisten er mij veel van te vertellen en herhaaldelijk had ik over de dwergen gesproken met de soldaten en inboorlingen uit Monboettoe en Makraka, waar zij zeer sterk zijn vertegenwoordigd. Zeer diep in 't woud ontdekten wij geregeld hun spoor en namen af en toe er enkelen van gevangen, meestal vrouwen en knapen. Zoolang ik in Hatalastiva vertoefde, trof ik vele dwergen aan, die het zeer goed met de soldaten konden vinden. Deze waren op strooptochten gevangen en eveneens grootendeels vrouwen en kinderen. Ik trachtte hen zooveel mogelijk uit te hooren, maar zij waren weinig spraakzaam en nog al schuw; wel een krachtig onderscheid met de inboorlingen uit den omtrek, die met den grootsten woordenvloed over zich zelf redeneerden.

Reeds bekend van de vroegste tijden af en besproken door Herodotus en andere oude Grieksche schrijvers, rekent men gewoonlijk, dat de dwergstammen van Centraal Afrika verspreide afstammelingen zijn van de oorspronkelijke bevolking van bijna geheel Equatoriaal Afrika, die door het verhuizen en trekken van de omwonende stammen en

i) Hen steltlooper van 't geslacht Gnis. De meest gewone soort in Grus cinerea, die 's zomers in Oostelijk Europa vertoeft. Vertaler.

4 i

335

-ocr page 374-

J El'li SOX,

volken uit één werd gejaagd. Schweinfurth heeft over de dwergen in Monboettoe geschreven; D' Lenz trof hen naar het westen aan tot zelfs bij de rivier de Opper Ogoweh. Daar het hebben van vaste woonplaatsen voor de dwergen eene zeldzaamheid is, zwerven zij tegenwoordig door de woudstreek in kleine troepen, bijna altijd samengesteld uit bloedverwanten, en gaan zij, naar men wil, nooit uit vrije verkiezing naar het open veld.

Daaruit mag dus worden afgeleid, dat zij den landbouw niet beoefenen, behalve over een zeer geringe uitgestrektheid, waar zij zich voor goed hebben gevestigd. 'tZijn jagers-, zij leven dus, behalve van't geen er meer in het woud is te krijgen, hoofdzakelijk van de jacht.

De dwergen dragen de onderstaande namen in de daarnevens vermelde streken:

Akka, in Monboettoe,

A ticky-ticky, in de streek A Sandai of Niam-Niam

Vorchow, in Momvoe.

A fi-fi, in Mabordai.

Batwa of Wattoea, in Oenyoro.

Obongo of Abongo, aan den Opper-Ogoweh.

Onze Zanzibarieten noemden hen Wamboetti's, toen wij, op onzen tocht door het woud, hen ontmoetten tusschen den Kongo en de Albert Nyanza. Geregeld troffen wij hun spoor aan van 270 30'O. L., weinige mijlen benoorden den Equator tot aan den zoom van het woud, vijf dagmarschen van de Albert-Nyanza. De dwergen vormen een driest en koen slag van volk, dat steeds gereed staat voor den strijd en zeer gevreesd wordt door de buren. Als men van Monboettoe in oostelijke richting marcheert tot op vijf dagen afstands van de Albert Nyanza, ontmoet men hen telkens. Zoodra een troep dwergen bij het een of ander dorp verschijnt, zorgt het hoofd onmiddellijk hen door allerlei geschenken, veelal koren en groente, gunstig te stemmen.

Zij vallen gewoonlijk neder bij de eene of andere beek midden in het woud, waar zij kleine hutten voor de gehuwden bouwen, terwijl de knapen en meisjes zich gewoonlijk zelf schuilplaatsen maken, door takken van jonge boomen te buigen en met bladeren te bedekken. De hutten zijn zeer klein, daar zij nauwelijks 1,2 M. hoog zijn en een middellijn

336

-ocr page 375-

EMIN PACHA.

337

van 0,9 M. hebben, terwijl zij, in den vorm van een bijenkorf, met weinig zorg worden gebouwd; men slaat eenvoudig lange dunne staken door ruw gevlochten twijg en bedekt dit met groene bladeren. Hun tijdelijke nederzettingen bevinden zich altijd op grooten afstand van dorpen en

liggen vaak verscholen onder boomen of kreupelhout; ik heb hier bepaald de nederzettingen in Monboettoe en aangrenzende streken op het oog; want de dwergkampen, die wij onder weg aantroffen, waren bijna altijd gebouwd op een open plek, meestal 1600 a 1700 M. van een

-ocr page 376-

JEPHSON,

dorp verwijderd, waar verschillende paden op uitkwamen. Ook waren de hutten, die wij in de dwergkampen zagen, veel grooter dan die in Monboettoe en aangrenzend gebied, daar zij meestal een hoogte van 1,5 a 1,8 M. hadden, bij een doorsnede van ongeveer 2,1 M. Daar men mij verteld had, dat in Monboettoe de dwergen gewoon waren te slapen met hun lichamen binnen en hun beenen buiten de hutten, alleen omdat deze zoo klein zijn, vroeg ik alle mogelijke inboorlingen van Monboettoe en alle dwergen er naar en verklaarden deze zulks voor waarheid.

Zoodra zij zich in een wildrijke streek hebben gevestigd, beginnen zij er te jagen en verruilen de opbrengst, veeren, huiden, vleesch, ivoor, enz, bij de dorpelingen tegen allerlei levensmiddelen, die zij begeeren. Zoolang deze ruilhandel eerlijk in zijn werk gaat, kunnen zij het met de dorpsbewoners zeer goed vinden; maar zoodra zij meenen op te merken, dat uit de hoogte op hen wordt nedergezien, — zij zijn zeer lichtgeraakt — aarzelen zij niet wraak te nemen, door de dorpers hinderlagen te leggen, er op te schieten van achter de boomen, hen te dooden en hunne akkers en banaangaarden te plunderen. De dwergen zijn uitstekende schutters en hoogst wraakzuchtig, terwijl zij met hunne kleine bogen en vergiftigde pijlen meestal doodelijk weten te treffen, zoodat men gemakkelijk kan begrijpen, dat de inboorlingen hun best doen goede vrienden te blijven en hun zelden moedwillig overlast aandoen. Dikwijls blijven zij een geruimen tijd op dezelfde plaats, als er maar voldoende wild is en zij het met de dorpsbewoners kunnen vinden, en vertrekken alleen, zoodra 't wild schaarscher begint te worden.

De dwergen nemen op hun zwerftochten geen huisraad, potten, enz. mede, maar koken het eten, gewoonlijk in bladen gewikkeld, boven gloeiende kolen. Echter schaffen zij zich, als zij er voor in de gelegenheid zijn, ook wel kookpotten aan in het dorp, in welks nabijheid zij kampeeren. Zij zijn, goed beschouwd, zoo primitief als geen ander volk ter wereld. In hun vaste nederzettingen zijn de hutten waarschijnlijk ruimer en veel beter ingericht. Van Casati, die vier jaar in Monboettoe verblijf heeft gehouden, evenals van menig inboorling aldaar, hoorde ik van een nederzetting van dwergen, die bestond uit twee groote en verscheidene kleinere dorpen onder zekeren M'Galima als

338

-ocr page 377-

EMIN PACHA.

koning. Ook Schweinfurth spreekt van dezelfde nederzetting, volgens hem in het Zuiden van Monboettoe gelegen aan de rivier de Nara, die ontspringt op den berg Abambola in het land Migo, onder het opperhoofd Nagiza. Ik heb tot dusver niemand mogen ontmoeten, die deze nederzetting met eigen oogen heeft aanschouwd, hoewel al de inboorlingen van Monboettoe, die ik er naar vroeg, zonder uitzondering, van haar bestaan aan de Nara kennis droegen.

c5

Uit een anthropologisch oogpunt beboeren de dwergen volstrekt niet tot een lager ras, gelijk ten onrechte door sommige schrijvers wordt beweerd. Zij zijn in den regel wel gemaakt en goed geproportioneerd , met flink ontwikkelde spieren ; voor hun omvang zijn de beenderen echter wat te zwaar.

Evenals bijna alle negers, hebben ook zij in hun jeugd last van uitzetting van de maag, naar mijn oordeel een gevolg van ongeregelde voeding, terwijl hunne beenen zwak schijnen in betrekking tot den omvang hunner lichamen ; maar zoodra zij hun vollen wasdom hebben bereikt. hebben ook deze een normale verhouding. Schweinfurth spreekt er van, dat zij «hangbuikenquot; hebben; maar nooit heb ik, hoeveel dwergen ik ook heb gezien, dat opgemerkt, behalve bij kinderen ; ook Emin en Casati hebben nimmer de juistheid van Schweinfurth's opmerking mogen waarnemen.

Zij zijn roodachtig lichtbruin, soms geel van kleur. De meesten meten i, 2 a 1, 202 M, hebben welgevormde ledematen en veel wollig haar op het hoofd. Alle metingen heb ik overgenomen uit Emin's anthropologische aanteekeningen; van al de dwergen, meestal vrouwen, die hij onder de maat heeft gehad, kwam er geen enkele boven 1, 202 M.

Dikwijls huwen zij met inboorlingen, in wier land zij tijdelijk verblijf houden ; hierdoor laat zich, dunkt mij, het verschil met de afmetingen van Schweinfurth verklaren, daar hij als lengten opgeeft 1, 368 a 1, 393 M.; ook heeft hij, geloof ik, nimmer een vrouwelijke dwerg gezien.

Over het geheele lichaam bevindt zich stijf grijsachtig haar, dat aan de dwergen hun eigenaardig voorkomen geeft. De huid verschilt in geen enkel opzicht van die der gewone negerstammen, ten minste bij de dwergen, die ik heb onderzocht; Schweinfurth spreekt evenwel van talrijke huidplooien bij de gewrichten.

339

-ocr page 378-

JEPHSON,

Zij hebben levendige en schitterende oogen; hun tanden zijn goed en gaaf; hun ooren iets te groot; hun lippen, die klein zijn, steken niet veel vooruit, terwijl hunne handen en voeten fraai gevormd zijn. De mannen hebben vaak zeer lange baarden; iets ongewoons bij negerrassen. Beide, mannen zoowel als vrouwen, verspreiden een eigenaardig scherpen en hoogst onaangenamen reuk.

Niet algemeen dragen zij sieraden of den stam onderscheidende teekenen, terwijl zij zich in geen enkel lichaamsdeel verminken. In de wouden loopen de mannen en de kinderen geheel naakt, terwijl de vrouwen het middel met groene bladeren omkransen en in sommige

ö O

streken smalle strooken leder of berkenschors dragen.

In den oorlog maken zij gebruik van bogen, vergiftigde pijlen en kleine speren ; de bogen zoowel als de speren hebben ijzeren punten met vreeselijke weerhaken. De dorpers, met welke zij handel drijven, vervaardigen hun deze wapenen. Zooals ik reeds heb opgemerkt, zijn ze hier schuw en achterhoudend, terwijl het schijnt, dat zij in hunne nederzettingen er een eigen taal op na houden, al spreken zij gewoonlijk de taal van het land, waarin zij gevestigd zijn.

Het Kannibalisme schijnt bij hen in zwang te wezen. Vele vrouwen zien er croecl uit en hebben fraaie vormen, zoodat de stammen uit de buurt, als zij kunnen, haar gaarne huwen. De mannen zien er in den regel minder goed uit dan de vrouwen en zijn over 't algemeen zelfs leelijk, terwijl zij, die buitengewoon lange baarden dragen, een aller-zotsten indruk te weeg brengen.

Mits de vrouwen jong op Emin's stations of nederzettingen kwamen, werden zij goede dienstboden en werkten zij onvermoeid door. Zoo had Emin een dwergin in zijn dienst, die eiken morgen mijn kamer placht schoon te maken en mijn badkuip te vullen, zeer vlijtig was en aitijd iets onderhanden scheen te moeten hebben, terwijl zij voortdurend opgeruimd en vriendelijk bleef. Emin had haar medegebracht naar ons kamp te N'sabé; doch toen wij haar met eene andere dwergin in aanraking lieten komen, die wij 2' 2 uur ten westen van het meer hadden aangetroffen, konden zij elkander eerst wel niet verstaan, maar schenen zij al spoedig elkaar vrij gemakkelijk alles duidelijk te kunnen maken. De dwergin van Emin was afkomstig uit Montboettoe. De mannen

34°

-ocr page 379-

EMIN PACHA.

worden wel goede bedienden, maar werken niet zoo hard als de vrouwen en zijn steeds ongedurig. Hoe jong ook op het station gekomen, wisten de mannen, zoowel als de vrouwen, altijd een soort van onafhankelijkheid ten toon te spreiden, die dikwijls overging in stijfhoofdigheid.

Onder de Loer's geldt de overlevering, dat de dwergen zich vroeger hebben uitgestrekt tot aan de oevers van de Albert Nyanza, maar westwaarts zijn gedrongen door den toevloed van volk uit Oenyoro, 't welk op zijn beurt weder werd verjaagd door de Loer's, die thans den noordwestelijken meeroever bewonen en hun grondgebied een eind langs beide boorden van de rivier voortzetten. De dwergen, die wij bij ons hadden, waren op de vlakte nooit goed gezond; zij schenen de zonnehitte en de koele nachten niet te kunnen verdragen, daar zij voortdurend tegen koorts hadden te strijden.

341

-ocr page 380-

HOOFDSTUK XIV.

EINDELIJK BERICHT VAN STANLEY.

De zittingen van den Raad der opstandelingen te Wadelai. — Emin wil niet optrekken.

— Saleh Aga door inboorlingen omsingeld. — Wijze van oorlogverklaren. — De graanbelas-ting. — De inboorlingen op het punt van algemeen in opstand te komen. — Dood van Boki.

— Oneenigheden onder de ofiicieren. — Dronkenschap cn uitspattingen in Wadelai — Gras-branden. — Hun invloed op de boomen. — Bijbelsche toestanden. — Eindelijk Stanley ! — Zijn brieven aan mij. — Officieel schrijven aan Hmin. — Een verhaal van dood en ellende.

— Treurig overschot van de achterhoede. — Over den dood van Barttelot en Jameson. — Saleh Aga's diepe verdorvenheid. — Hij wordt bang. — Emin schrijft aan Stanley. — Toebereidselen voor het vertrek. — Aankomst van dc stoomboot. — Wat men vertelde over Stanley's macht. — De geruchten over den Kaad worden bevestigd. — Emin de man van 't vergelijk.

Eindelijk kwam er bericht uit Wadelai. — De zittingen van den Raad waren zeer onstuimig geweest; maar Emin's tegenstanders hadden de overhand behouden, zoodat een vonnis werd geschreven en onderteekend door de meeste officieren en schrijvers, waarbij hij was veroordeeld om te worden opgehangen; Casati en ik zouden op dezelfde

-ocr page 381-

EMIN PACHA.

wijze worden ter dood gebracht, omdat wij Emin hadden opgezet tot en geholpen bij zijn vlucht uit Wadelai, bij het vernietigen der regee-ringsregisters en bij het in de rivier werpen van het geschut te Wadelai. Wij hebben nooit het vonnis gezien, waarbij wij ter dood werden veroordeeld; maar men heeft ons medegedeeld, dat het steunde op samenspanning tegen de veiligheid der bevolking van Duffle en van de Provincie in het algemeen, alsmede op het laihartige van onze vlucht uit Wadelai. Naar wij hoorden, zouden, zoodra eenige weinige punten van aanbelang op het stuk van verdediging der Provincie — voor 't geval de Donagla's mochten terugkeeren — hun beslag hadden gekregen, eenige der opgestane officieren met een compagnie soldaten in Toen-goeroe komen, om de vonnissen ten uitvoer te leggen.

Nauwelijks had Shoekri Aga dat vernomen, of hij zond uit M'swa een expresse met een brief aan Emin. Daarin drong hij zoo sterk mogelijk aan om naar M'swa over te komen. Als Emin hem dat slechts met een enkel woord wilde te kennen geven, zoude hij, binnen twee dagen, met 200 dragers en een aantal soldaten verschijnen, om ons met al onze bagage naar M'swa te brengen.

Ik laat hier uit mijn dagboek volgen; —

»l)e Pacha besloot eerst te slapen, voor hij durfde beslissen, welk antwoord hij geven moest op Shoekri Aga's voorstel Wij bespraken alles lang en breed, maar ik merk wel, dat hij tot het besluit zal komen, om te blijven waar hij is. 0Ospa 1 ospa! ospalquot; gt;Bokra! bokra! bokra! ' (gt; Wachten, wachten, wachten ! mor^cn^ morden! ^

schijnt de leus te zijn in Emin's Provincie voor Europeanen, zoowel als voor Soedaneezen en Egyptenaars. Er is natuurlijk wel iets te zeggen tegen een tocht naar M'swa; want de in opstand gekomen officieren zouden verwoed op ons worden, als wij dien ondernamen, en iioogst waarschijnlijk dadelijk een afdeeling uitzenden, om ons naar Wadelai terug te voeren en Shoekri Aga M'swa te ontrukken.

«Aan den anderen kant zouden wij, als wij naar M'swa gingen, slechts vier dagen van het dorp van Kavalli aan het meer en verder van Wadelai verwijderd zijn ; bovendien kan ons niets beletten M'swa op den dag, dat wij er aankomen, weder te verlaten met Shoekri Aga en al de soldaten, die ons wenschen te vergezellen, en rechtstreeks naar

343

-ocr page 382-

344

Kavalli's dorp te vertrekken. Kavalli zou ons, naar ik zeker ben, hoogst vriendschappelijk ontvangen, zoodat wij daar op Stanley konden wachten, die naar mijne overtuiging er spoedig zou zijn.

»Nu begrijp ik zeer goed, dat binnen kort, nu Soeleiman Aga dood is, enkelen van de ergste rebellen onder de officieren en soldaten zullen worden afgezonden, om het station over te nemen. Dan zullen wij voor de tweede maal gevangenen zijn, met Stanley zes dagen van ons af en slechts twee van Wadelai, het broeinest van den opstand. Ik heb mijn best gedaan Emin te bewegen tot oprukken, want ik wil natuurlijk alles doen wat ik kan, om Stanley bij zijn aankomst niet op te houden ; ik geloof evenwel niet, dat dit ook in Emin's bedoeling ligt; hij schijnt te denken, dat Stanley, nu hij er opdracht toe heeft, hem ook werkelijk dient te ontzetten. Ik merkte Emin op, dat hij vele verplichtingen had aan de Expeditie, die hem ter hulp was gesneld ; maar daardoor haalde ik mij de uitbarsting op den hals, hoe ik zoo onedelmoedig kon zijn hem er aan te herinneren, wat wij ten zijnen behoeve hadden verricht. Ik sprak er dus niet over door.

gt; 11 Januari. Gelijk ik vermoed had, heeft de Pacha besloten hier te blijven, alleen om de gebeurtenissen af te wachten, maar belooft hij, zoodra hij hoort, dat Stanley bij het meer is aangekomen, dadelijk op te trekken. De vraag is maar, of wij zulks dan ook kunnen. Als Emin gelijk heeft, hoop ik slechts dat het blijken zal; maar ik vrees er voor. Het is nu reeds bijna half Januari, en Stanley is bijna acht maanden onder weg. Natuurlijk zouden wij, zoodra wij hooren, dat hij werkelijk is aangekomen, het best doen naar Kavalli te vertrekken. Maar er is nog een ander bezwaar, waarom wij hier niet kunnen blijven, want binnen kort zullen de Donagla's, met versterking uit Khartoem, weder te Rejaf kunnen zijn.quot;

't Scheen haast, dat Emin, om zoo te spreken, geen moed had om M'swa te verlaten. Niets was er op dat oogenblik, dat ons, strikt genomen, in den weg kon staan ; mits wij maar flink voortmaakten, konden wij zeer goed langs het meer optrekken en met onze weinige getrouwen in Kavalli komen. Emin zou dan niemand in den steek laten, want bijna allen, die hem trouw waren, bevonden zich bij ons, en de weinigen, die te Wadelai achterbleven, zouden even gemakkelijk zonder

-ocr page 383-

EM IN PACHA.

ons kunnen wegkomen, want wij waren hoegenaamd niet in staat hun eenige hulp te verleenen. Zooals gebleken is, hadden onze bezwaren niets te beteekenen ; maar als de zaken geloopen waren, zooals men met reden mocht veronderstellen, zou Emin niemand iets te verwijten hebben gehad behalve zich zeiven, wanneer hij in handen van de rebellen was gevallen. Hij zou dan nooit in staat geweest zijn weg te komen en bovendien, nu hij zoo slecht kon gewennen aan het denkbeeld van vertrekken, allen hebben opgeofferd, waarvan hij met zooveel ophef had gezegd, dat hij hen niet opofferen mocht. Wij merkten op nieuw dat de soldaten, naarmate er meer geruchten en berichten over maatregelen, door den Raad in Wadelai tegen ons te nemen, het station bereikten, des te woeliger en bandeloozer werden. Was het regel voor veertien dagen koren uit te deelen, thans gingen de soldaten hun officieren rantsoenen voor een volle maand te gelijk vragen. Als zij het koren eenmaal hadden, gingen zij er merrisa of inlandsch bier van maken, zoodat er verbazend gedronken en getwist werd, 't welk in 't laatst op vechten uitliep, ten gevolge waarvan één der soldaten bijna gedood werd en velen naar Wadelai deserteerden.

Saleh Aga had een afdeeling soldaten medegenomen om op de tafellan-den boven het station de graanschatting in te zamelen. Toen hij drie dagen weg was, hoorden wij, dat de inboorlingen hem hadden aangevallen en er een gevecht had plaats gegrepen, waarin enkele soldaten en vele inboorlingen waren gesneuveld. Daar er slechts een kleine bezetting in het station lag, konden wij geen soldaten missen om hem te ontzetten, zoodat de officieren verschillende lieden moesten verzoeken hun bedienden te wapenen en uit te zenden. De Pacha gaf twee van zijn bedienden, ik twee van mijn oppassers en Casati eveneens twee lieden van zijn personeel. In 't geheel kregen wij acht en twintig met geweren gewapende mannen en een gelijk aantal speerdragers bij elkaar ; men mocht zeggen een behoorlijke versterking voor Saleh Aga en zijn twintig soldaten. Den volgenden dag hoorden wij evenwel, dat onze colonne tot ontzet eveneens door de inboorlingen was omsingeld, zich niet bij Selim Aga had kunnen voegen en daarenboven gesneuvelden telde. In de grootste opgewondenheid vertrokken denzeliden avond om acht uren noaf dertior soldaten om hunne makkers te verlossen.

O O

345

-ocr page 384-

JEPI-ISON,

dien nacht deed niemand haast een oog dicht, want het station was zoo goed als weerloos. De negers waren allen rijp voor den opstand, en deze zou ieder oogenblik kunnen uitbreken. Onze angst werd verder nog vermeerderd door het bericht, dat den vorigen dag verspieders van Kabba Rega het meer overgestoken en een jong meisje en een zwarten stier, door hen medegebracht, geslacht en begraven hadden op slechts enkele mijlen van het station in 't land van BokL

Dit is de gebruikelijke manier om aan een land den oorlog te verklaren in Oenyoro en Oeganda. Het was aan geen twijfel onderhevig, dat Kabba Rega's verspieders steeds druk in de weer waren geweest, sedert de opstand tegen den Pacha was uitgebroken, terwijl het nu zelfs scheen, dat hij van plan was oorlog tegen het land te voeren. Wij wisten dat al de inboorlingen, zoodra Kabba Rega het sein tot den aanval gaf, zich bij hem zouden aansluiten. Emin deelde mij mede, dat men in Oenyoro en Oeganda, zoodra men den oorlog met het een of ander land verlangt, lieden over de grenzen zendt, om een zwarte koe te slachten en een jongen tot aan den hals in den grond te begraven, zonder hem evenwel te dooden. Soms wordt hij er levend weder uitgehaald, vaak ook laat men hem sterven. Ook worden er rijkelijk menschen geofferd, om de geesten in het vijandelijke land gunstig te stemmen. Maar in bovenbedoeld geval werden zoowel de koe als he meisje, eene maagd, gedood en begraven. Voortdurend kwamen er dagelijks nieuwe berichten in van insubordinatie en ontevredenheid onder de inboorlingen; zelfs scheen een algemeene opstand rondom het station onvermijdelijk. Er waren twee dagen van vreeselijke spanning verloopen , toen wij eindelijk hoorden, dat Saleh Aga en de soldaten in veiligheid waren.

Mijn beide oppassers kwamen namelijk terug met het bericht, dat de tweede tot ontzet uitgezonden afdeeling hen had bereikt en zij gezamenlijk waren opgetrokken om Saleh Aga te verlossen, dien zij in een klein dorp hadden aangetroffen, waar hij in allerijl een ruwe boma om heen had geworpen. Hij was geheel ingesloten door groote scharen inboorlingen en had twee dagen in dien toestand doorgebracht. Van Saleh Aga's troep van twintig man waren een onderofficier en vijf soldaten gesneuveld. Niet lang daarna kwam Saleh Aga terug met zijn

346

-ocr page 385-

EMIN PACHA.

347

manschappen en zooveel koren als zij konden dragen. Nu was dit ophalen van de graanbelasting altijd de aanleiding geweest voor een plundering van de inboorlingen op groote schaal door Emin's lieden, zoodat de soldaten, naar mijn oppassers zeiden, meenende hetzelfde te kunnen doen als gewoonlijk, begonnen waren te plunderen. Maar de inboorlingen, aan den vooravond van den opstand, hadden hen aangevallen en zouden Saleh Aga en de zijnen hebben verdelgd, als wij niet tijdig waren gewaarschuwd en zonder dralen een afdeeling tot ontzet hadden uitgezonden. Deze schermutseling werkte slecht ten aanzien der inboorlingen ; want, behalve dat Saleh Aga eenige dorpen verbrandde en koren wegnam, had hij het, zelfs toen de partij tot ontzet was aangekomen, noodig gerekend te moeten terugtrekken, daar de inboorlingen van alle kanten tegen hem kwamen opzetten. Bij het inzamelen van de graanbelasting was er altijd, zelfs in Gordon's dagen, op een afschuwelijke wijze huis gehouden. Want, al gaven de Gouverneurs ook nog zulke strenge bevelen aan de soldaten om zich te onthouden van 't plunderen der inboorlingen, met halve barbaren was het volslagen onmogelijk het te keer te gaan. Kort hierop hoorden wij, dat het opperhoofd Boki onverwachts overleed, 's Morgens had hij geklaagd over pijn in de maag en, nog vóór de avond viel, was hij een lijk. Het valt haast met te betwijfelen, dat een handlanger van Kabba Rega hem heeft vergiftigd. Voor hij stierf had hij nog zijn groeten aan Emin verzocht en hem gevraagd zorg te willen dragen voor zijn zoon, die nu opperhoofd werd van het land. Emin vertelde mij, dat de zoon een goed mensch moest wezen ; hij had Boki echter altijd gewantrouwd en verdacht van te heulen met Kabba Rega ; het bleek echter dat hij 't mis had gehad. Boki had het, evenals de meeste hoofden in de Provincie, verre van gemakkelijk gehad Als zulke hoofden niet bevriend waren met het Gouvernement, werden hunne dorpen en akkers verwoest en hunne vrouwen, runderen en geiten hun ontnomen ; waren zij daarentegen wel bevriend, zoo moesten zij tweemaal in het jaar een graanbelasting opbrengen en een zekér aantal mannen, op bepaalde dagen van de week, aan het station leveren om te arbeiden. Tot belooning genoten zij dan het voorrecht hun eigen land te kunnen bewerken, maar verder weinig of geen bescherming. Het zal dus niemand ver-

-ocr page 386-

348

wonderen, dat de inboorlingen evenmin recht bevriend waren met het Egyptische Gouvernement als met Kabba Rega. Zij trachtten beiden tot vrienden te houden en werden daardoor, 't geen verkeerd was, dubbelhartig.

Toen ik ten laatste aan mijne beenen, door het oneindig aantal tyken en insekten op de grasvelden, vreeselijk veel pijn kreeg, moest ik de jacht er aan geven. Zij waren overdekt met wonden, die begonnen te zweren, zoodat ik aanhoudend koorts had en mij dagen lang verplicht zag het bed te houden. Emin behandelde mijn wonden met een oplossing van opium en zink; maar daar mijn beenen niet beter werden, besmeerde hij ze met een soort zalf, bestaande uit boter en asch van verbrande schillen van de katoenvrucht ; dit middel hielp, maar ik had zooveel pijn, dat ik er niets aan kon velen. Ik leed vreeselijk onder mijn gedwongen werkeloosheid en gevoelde mij zwak en ellendig, te meer, wijl de koorts mij bovendien afmatte en prikkelbaar maakte.

Wegens de vijandelijke gezindheid van de inboorlingen konden wij bijna geen koren krijgen en moesten wij alles, wat wij noodig hadden, ook groenten, van M'swa laten komen ; gelukkig dat Shoekri Aga ons pfetrouw tweemaal in de week een kano met levensmiddelen zond. Van een Egyptisch soldaat, die mij was komen bezoeken, hoorde ik, dat het in den omtrek van Wadelai eveneens gesteld was. Hij verhaalde mij dat al de inboorlingen er van spraken om op te staan, terwijl hij mij ook wist te zeggen, dat de soldaten en het grootste gedeelte der bevolkino- van Wadelai verklaard hadden niet te willen vertrekken, maar nog altijd hoopten Stanley in het land te kunnen lokken en hem van zijn geweren en ammunitie te berooven. Paar ik echter Stanley voor hun toeleg had gewaarschuwd en wij ook te weten waren gekomen, dat Mogo met mijn brieven behouden N'sabé had bereikt was ik op

O •'

dat punt gerust. Later kwamen er nog eenige soldaten uit Wadelai; maar het verhaal dat zij mij deden van 'tgeen er, sedert de ontruiming van Dufflé, was voorgevallen, begreep ik niet recht. Zij verhaalden mij namelijk, dat, toen zij uit Wadelai waren vertrokken, de Raad reeds tien dacren vergaderd was geweest. Eerst was de stemming tegen den Moe-dir zoo sterk, dat het besluit om ons te hangen binnen kort zou worden

-ocr page 387-

EMIN PACHA.

uitgevoerd ; maar weldra waren de officieren onderling zoodanig in twist geraakt over allerlei onderwerpen, dat onze veiligheid geen gevaar meer liep, daar zij niet in staat waren tot overeenstemming te komen; sommigen wilden weg, anderen weigerden het land te verlaten ; sommigen wilden stations bouwen op den oostelijken, anderen op den westelijken oever van de rivier. Tot eenstemmigheid konden zij het op geen enkel punt brengen. Zoo verhaalde men ons, dat het met de gewone dron-kenmanstooneelen en buitensporigheden zóó ver was gekomen, dat Wa-delai schier een hel was geworden. De soldaten gehoorzaamden er aan (quot;quot;een enkel bevel en eischten, evenals die van Dufflé, hun Moedir terug ; niet, zooals ik vroeger heb medegedeeld, uit zuivere toegenegenheid, maar omdat zij hadden ondervonden, hoe het land er onder de rebellen veel erger aan toe was dan onder Emin. Nu zagen de soldaten in, dat elk olficier greep wat hij krijgen kon en alleen op zijn eigen voordeel bedacht was, zoodat zij op nieuw al hun vertrouwen op de officieren hadden verloren. Dat waren nu de lieden, die zulk een hoogen toon over zedelijke verplichtingen hadden aangeslagen, toen zij uit Dufflé aan Selim Aga schreven over het gt;gedrag van den Pacha en zijn aanhang !quot;

Fadl el Moella was er vóór krasse maatregelen omtrent ons te nemen ; hij had dan ook zijn best gedaan de zaken flink aan te pakken, maar was niet geslaagd om den ouderlingen naijver onder de officieren. Deze hadden Selim Aga tot hun leider verkozen; maar hij werd volkomen ter zijde geschoven, daar Fadl el Moella bleef doen, alsof hij nog de man was. Tijdens de stormachtige zittingen van den Raad waren de officieren zelfs handgemeen geworden en heerschte op het station de schromelijkste verwarring. Naar wij vernamen, was de stoomboot Khedive, onder weg naar Toengoeroe, op een zandbank bij VVadelai geloopen, zoodat men, met het oog op de ondiepte van de rivier, de lading had moeten verminderen, waarbij de bemanning veel tijd verspilde, daar zij niet verkoos vlug te werken.

Daar wij thans midden in het droge jaargetijde verkeerden, brandden de inboorlingen de grasvelden, zoodat men alle nachten over geheele streken langs de berghellingen de vlammen zien en haar geknetter en geloei mijlen ver hooren kon. Een prachtig gezicht leverden vooral de

349

-ocr page 388-

JEPHSON,

vuren op de bergen van Oenyoro aan den overkant van het meer, een afstand van 32 K. M.

Deze jaarlijksche branden brengen een geheelen ommekeer in den plantengroei te weeg en zijn, dunkt mij, de hoofdredenen, waarom de boomen in grasrijke gedeelten zoo klein en schaarsch zijn. Op de tafel-landen in den omtrek van Kavalli waren, behalve in de ravijnen, bijna geen boomen te bekennen. Die men nog op de vlakte aantrot waren eigenlijk weinig meer dan heesters van 3.6 a 4 M., terwijl zij bovendien krom waren en er ongezond uitzagen, juist alsof hun levenskracht en gestel leden onder de jaarlijksche branden. Het is vreemd dat deze nog niet meer schade deden aan de insekten dan inderdaad het geval is. Hoewel de bodem geheel kaal is, wanneer het vuur eroverheen is gegaan, wist Emin mij te zeggen, dat na verloop van een paar maanden het gras weer bijna even overvloedig staat als voor den brand. De grasvlakten om Toengoeroe werden kaal gehouden door het vee en zagen er dor en verzengd uit, terwijl onze oogen veel te lijden hadden van de geelachtige kleur van het verdorde gras. Midden op de vlakte stond een hooge, wijdvertakte vijgeboom, dien ik dikwijls placht op te zoeken, om onder zijn schaduw uit te rusten, als ik op de jacht was. Bij wijze van tegenstelling is in deze verzengde streek alle schaduw dubbel aangenaam.

Nooit zal ik zeker gedeelte van Oenyamwezi vergeten, dat wij doortrokken op onzen tocht van het Victoria-meer naar de kust. Buiten Oesongo kwamen wij in eeil wildernis, die den naam M'goenda Makali droeg -, er bevond zich geen enkel dorp en water was er bijna niet te krijgen. Die plek was zóó droog, verbrand en verschroeid, dat er slechts een paar bladerlooze heesters stonden en men overal om zich heen niets kon zien of 't was kaal en geblakerd. Geheele vlakten trilden als het ware van de hitte, zoodat het gezicht alleen ons naar verademing deed snakken. Door den langen marsch afgetobd, waren wij reeds schier half gebraden en geblakerd, toen wij in de verte een hooge rotspiek, als een eiland op de vlakte, zagen oprijzen en besloten in haar schaduw te kampeeren. Nooit heb ik zóó goed begrepen als toen, hoe [esaja een ideaal van rust en verademing kon zien in gt;de schaduw van een hooo-e rots in een dor oord.quot; Die woorden schoten mij op het zien van onze

35°

-ocr page 389-

EMIN PACHA.

piek dadelijk te binnen ; het gaf mij een genot hen telkens en telkens te herhalen, toen ik werkelijk gezeten was in de schaduw van de hooge rots met het verzengde «dorre oordquot; er om heen. Men begrijpt sommige Bij-belsche gezegden en gelijkenissen veel beter, wanneer men in deze streken is geweest. Zoo herinner ik mij, dat ik, toen ik eens niets anders te lezen en Stanley mij zijn Bijbel geleend had, mij eerst in de vlakte van Kavalli er een heldere voorstelling heb leeren maken, hoe Abraham, Izaak en Jacob, volgens de beschrijving in den Bijbel, moeten hebben geleefd; terwijl, als ik later Genesis las, mij onmiddellijk onze Afrikaansche bergvlakten voor den geest kwamen. Dan scheen er voor mij een nieuwe bekoring te liggen in beschrijvingen, waarop ik vroeger geen acht sloeg.

Na bijna een week bedlegerig te zijn geweest, kon ik, hoewel mijn beenen nog in een ellendigen toestand verkeerden, mij weder bewegen. Ik placht dan in het station te wandelen en bezoeken af te leggen bij Casati, Vita, Marco en anderen, om hen aan te sporen met mij hun best te doen, om Emin te bewegen naar M'swa te trekken; want, hoewel de oproerlingen tot dusver nog geen der hunnen hadden afgezonden om ons in het oog te houden, waren wij volstrekt niet zeker, of zulks niet eiken dag kon gebeuren. Allen stemden toe dat onmiddellijk vertrek de voorkeur verdiende en wij, desnoods zonder ons te M'swa op te houden, naar het meer konden marcheeren en trachten Kavalli te bereiken. Marco, een kordaat man, was sterk voor onverwijld oprukken en verklaarde, als 't noodig was, het grootste gedeelte van zijn goederen te willen wegwerpen en zonder dralen den marsch te aanvaarden. Gedurende ons gesprek, liet hij mij een Colobus-aapje zien, dat slechts een week ouden gevangen was door een soldaat, nadat hij de moeder had gedood. Het beestje zag er alleraardigst uit, precies een zuigeling. Zijn aangezicht was rood en werd, toen het melk slurpte uit een stuk katoen, geheel bedekt met de witte zachte vloeistof; 't dier scheen vrij gezond te zijn.

Emin zeide onmiddellijk naar M'swa te willen vertrekken, zoodra hij vernam dat Stanley bij het meer was aangekomen, maar ook niet eerder ; 't was niet goed hem te drijven, want hij werd er maar stijfhoofdig door, zoodat ik berustte en mij be

351

-ocr page 390-

JEPHSON ,

palen moest tot de hoop, dat alles nog mocht terecht komen.

Na den volgenden dag, 26 Januari, gejaagd te hebben, nam ik juist een bad, toen Emin in allerijl binnen liep en in groote opgewondenheid mij twee brieven van Stanley ter hand stelde ; zelf had hij ook een schrijven ontvangen.

De trouwe Moofo was den vori^en avond in M'swa terusfeekomen

O O öö

en Shoekri Aga had dadelijk, in het holle van den nacht, een bode afgezonden, om de brieven aan Emin, in Toengoeroe, te overhandigen. Mogo was één dag voor Stanley te Kavalli aangekomen en had onmiddellijk met de brieven zijn terugreis aanvaard.

Ik sprong het bad uit en brak dadelijk de brieven los, die mij zeer troffen en aldus luidden ;

»Kamp bij Gavira, één dagmarsch »van de Nyanza, en één dagmarsch ten »oosten van Mazamboni's dorp.

»17 Januari 18S9.

5Mijn waarde Jephson !

«Ik heb uw briet van 7 November 1SS8, met twee postscriptums, 't eene van 24 November, 't andere van 18 December, ontvangen en van den inhoud kennis genomen.

»Ik zal uw schrijven niet kritiseeren en den inhoud niet bespreken. Ik houd er van zonder omhaal te zeggen, waar het op staat, en zend u daarom een beknopt bericht van 't geen op onzen tocht voorviel.

Op den 23en Mei van 't vorige jaar gingen wij van den Pacha al met afspraak, dat gij met of zonder hem binnen ongeveer twee maanden naar Fort Bodo zoudt optrekken, met een voldoend aantal dragers, om de goederen van het Fort naar de Nyanza over te brengen. De Pacha drong er sterk op aan den berg Pisgah en ons Fort te zien en wilde, als men op woorden staat kan maken, ons gaarne bijstand bieden voor zijn eigen ontzet. Wij koesterden eenigen twijfel of de omstandigheden hem wel zouden veroorloven afwezig te zijn, maar hielden ons overtuigd, dat gij niet werkeloos zoudt blijven.

352

-ocr page 391-
-ocr page 392-

.....■ • • ......

-ocr page 393-

EM1N PACHA.

gt;De afspraak was verder, dat de Pacha op het eiland Nyamsassi een klein station als proviandmagazijn zou oprichten, om onze Expeditie, bij aankomst aan het meer, levensmiddelen te doen vinden.

gt;Acht maanden zijn er nu verloopen en geen enkele belofte is tot vervulling gekomen.

»Van den anderen kant zijn wij, aan onze belofte getrouw, den 25st0quot; Mei uit de vlakte aan de Nyanza opgetrokken en den 8sten Juni aangekomen te Fort liodo, op vijftien dagmarschen van het meer gelegen. Na Luitenant Stairs en Kapitein Nelson uwe troostrijke verzekering te hebben overgebracht, dat gij binnen twee maanden daar zoudt zijn, en Stairs en Nelson verlof te hebben gegeven het Fort te ontruimen en u met het garnizoen, dat met de soldaten van den Pacha het depot op het eiland Nyamsassi tot eene sterkte zou hebben gemaakt, naar de Nyanza te vergezellen, begon ik op den i6d'quot; Juni alleen, zonder andere officieren, mijn tocht van Fort Bodo, om den Majoor en zijn colonne op te zoeken.

»Den io'1'quot; Augustus monsterden wij onze boden, die op den 15'1'quot; Februari met Stairs P'ort Bodo hadden verlaten. Van de twintig waren er drie dood, twee zóó zwak, als een gevolg hunner verwondingen door vergiftigde pijlen, dat zij weldra stierven, terwijl van de overige vijftien nog maar één in leven is.

gt;Op den 17''quot;quot; Augustus kregen wij des morgens ten 10 ure te Banalya, 145 K.M. van Yamboeya, 951 K.M. van de Nyanza, de achterhoede in het gezicht, op den 63*'™ dag, nadat wij Fort Bodo en den 85,lequot;, nadat wij het strand aan de Nyanza hadden verlaten. De achterhoede, die bij ons vertrek uit Yamboeya in 't geheel 271 man telcle, was niet meer dan een wrak. Majoor Barttelot was dood ; hij was in den morgen van den 2is'equot; Juli door een van Tippoe I ib s Manyoeëma's neergeschoten. Jameson was den 23slcn Juli naar Stanley Palis vertrokken en uit een brief van 12 Augustus, dus vijf dagen voor mijn aankomst te Banalya, blijkt dat hij op het punt stond, den Kongo af, naar Banalya te vertrekken ; ma:;r de boden, die ons zijn brief brachten, verzekerden ons ten stelligste, dat hij op het laatste oogenblik te rade was geworden stroomafwaarts naar Banana-Punt te efaan. De heer Plerbert Ward, die naar Bangala en verder naar

O -

355

-ocr page 394-

JEPHSON,

St. Paul de Loanda was gezonden, was teruggekomen en had Bangala bereikt met brieven en instructiën van het Comité, maar werd daar ter plaatse gevangen gehouden, op bevel van Majoor Barttelot ! John Rose Troup was in Juni 1888 wegens ziekte naar zijn vaderland teruggekeerd. Zoo kwam het, dat er bij het wrak van de achterhoede niemand was behalve William Bonny, die nu bij mij in dit kamp vertoeft. Een honderdtal Soedaneezen, Zanzibarieten en Somali's waren te Yam-boeya ter aarde besteld ; drie en dertig manschappen hulpeloos en met den dood voor oogen te Yoemboeya achtergebleven en daarvan reeds veertien gestorven ; zes en twintig deserteerden. Toen ik Bonny en zijn troep terugzag, telde dus de geheele achterhoede, Zanzibarieten, Somali's en Soedaneezen, nog slechts 102 van de 271 minderen en één olficier van de vijf! Daar kwam nog bij, dat het met de bagage even treurig was gesteld. Van de 660 lasten — elk van 30 K. G. — waren slechts 230, van dezelfde zwaarte, overgebleven. Al mijn kleederen, behalve mijn hoeden, laarzen en flanellen hemd, een rr.uts en een onderbroek, waren naar Bangala gezonden, op een gerucht van mijn dood en van het te gronde gaan van de voorhoede, waaraan niet meer dan dertig personen het geluk zouden hebben gehad van te ontkomen naar Oejiji ! ! !

gt;Ik zond bericht naar Stanley Falls en van daar uit naar Europa, en begon op den 31^quot; Augustus de terugreis naar de Nyanza. Twee dagen voor den bepaalden dag, 20 December, was ik te Fort Bodo. Den 2 4SIlquot; December trokken wij van Fort Bodo naar den Itoeri Ferry; maar, daar wij, omdat gij niet te Fort Bodo waart aangekomen, een grooter aantal lasten hadden, dan wij in één keer konden overbrengen, waren wij genoodzaakt dubbele marschen tusschen Fort Bodo en de plaats waar wij den Itoeri-Ferry overtrokken, heen en terug af te leggen, totdat wij op den ioden Januari, met het overschot der Expeditie en alle lasten, waren gekomen in een kamp, ten oosten van den Itoeri opgeslagen, op ongeveer 1 K. M. afstands van den Itoeri Ferry, waar wij zeker waren voor maanden lang levensmiddelen in overvloed te kunnen krijgen. Den i2'lcn Januari liet ik Stairs in dat kamp achter met 150 man en vertrok zelf met 210 man naar het meer, om tijding omtrent den Pacha en u in te winnen. Uwe afwezigheid van het Fort en het volslagen

356

-ocr page 395-

EMIN PACHA.

gemis van berichten van u allen deed ons vreezen, dat moeilijkheden van ernstigen aard waren opgekomen. Gisteren werd mij, zooals ik reeds heb gezegd, uw brief ter hand gesteld en helderde de inhoud den toestand op.

gt;De moeilijkheden waarmede ik te Banalya had te kampen, herhalen zich thans in de nabijheid van de Albert Nyanza, en alleen een kalm en kloek besluit kan maken, dat wij er niet geheel door worden overstelpt. Als ik te Banalya had geaarzeld, zou ik daar waarschijnlijk nog op Jameson en Ward zitten te wachten, terwijl mijn eigen manschappen bij dozijnen stierven en ik zelf mijn krachten, goederen en lieden verspilde.

gt;Zal den Pacha, Casati en u hetzelfde lot treffen? Als gij nog altijd ten prooi zijt aan besluiteloosheid, wensch ik u een langen goeden nacht ; maar zoolang als ik mijn zinnen nog bij elkaar heb, moet ik de Expeditie trachten te redden, en kunt ook gij worden gered, mits gij u verstandig gedraagt.

»In het »IIoog Bevelschrift van den Khedive van i Februari 18S7 no. 3 aan Emin Pacha, van welk stuk mij eene vertaling is ter hand gesteld, vind ik de volgende zinsneden ;

»»Daar het nu onze oprechte wensch is, u en uwe officieren en soldaten te verlossen uit den moeilijken toestand waarin gij u bevindt, heeft onze regeering een plan vastgesteld omtrent de wijze, waarop gij met officieren en soldaten uit uwe netelige omstandigheden zult kunnen worden gered.

»gt;Er is een expeditie tot ontzet gevormd en het bevel daarvan aan den heer Stanley, den beroemden enz. enz. enz., gegeven, die voornemens is zijne zending te beginnen met al hetgeen gij noodig hebt, om u, uwe soldaten en lieden langs den hem het geschikst voorkomenden weg naar Kaïro te brengen.

gt; «Daarom hebben wij dit «Hoog Bevelschrift' aan u uitgevaardigd, dat u door den heer Stanley zal worden ter hand gesteld, om u te doen weten wat geschied is, en verzoeken wij u, zooclra u dit beve1 bereikt, uwe officieren en

-ocr page 396-

JEPHSON,

manschappen onze beste wenschen over te brengen. Gij zijt volkomen vrij, om óf naar Kaïro af te marcheeren, óf met officieren en manschappen daar te blijven.

»i)Ons Gouvernement heeft besloten, u, zoowel als uwe officieren en manschappen, uw traktement te betalen.

'«De olficieren en manschappen welke verlangen te blijven, mogen dit op hun eigen verantwoording doen, maar kunnen in 't vervolg niet meer op hulp van de regeering rekenen.

»«Tracht den inhoud van dit geschrift goed te begrijpen en maak het bekend aan alle olficieren en manschappen, opdat zij weten wat hun te doen staat.quot;

»Ik zou u juist hetzelfde willen zegeen als de Khedive. Tracht dit

o o

alles grondig re begrijpen, om de gevolgen te ontgaan van de besluiteloosheid, welke u allen in 't verderf zal storten, als gij dezen raad in den wind slaat,

gt; Met eerste, wat tot zijn ontzet noodig was, is den Pacha omstreeks den iquot;'0quot; Mei overgeleverd. Het tweede en laatste gedeelte hebben wij hier in het kamp bij ons en staat klaar om aan den Pacha, op de eene ot andere plaats naar zijne keuze, en aan elk, die door hem tot de ontvangst der artikelen wordt gemachtigd, te worden ter hand gesteld. Als de Pacha het niet aanneemt of niet tot eene beslissing komt omtrent wat er mede moet gebeuren, moet ik zelf kortweg bepalen wat mij te doen staat.

«Het tweede doel van onze komst herwaarts was, om allen die se-negen waren Afrika te verlaten, in ons kamp op te nemen, en hen langs den kortsten en veiligsten weg naar hun land terug te brengen. Als niemand genegen is Afrika te ontruimen, heeft onze Expeditie in deze streken niets meer te verrichten en zal zij onmiddellijk huiswaarts keeren.

gt;Begrijp wel wat dit beteekent. Tracht u het geheel en voorgoed opgeven van alle verdere pogingen tot ontzet en het droevig uiteinde en noodlot van deze halsstarrige en op het dwaalspoor gebrachte lieden, welke de hun aangeboden hulp afwijzen, voor den geest te stellen !

358

-ocr page 397-

EMIN PACHA.

Van i Mei 1888 tot Januari 1889 is een tijdvak van negen maanden, een tijd lang genoeg voorwaar, om na te denken over de zeer eenvoudige vraag, of men Afrika moet verlaten of er blijven !

»Ik wijs daarom in den officieëlen en ambtelijken brief, welken ik insluit bij deze ophelderingen ten uwen behoeve, het dorp van Kavalli aan als het punt van vereeniging, waar ik bereid ben tot opneming van allen, welke Afrika wenschen te verlaten, onder beding natuurlijk dat een persoonlijk onderzoek of een nader schrijven van u geen nieuw licht op de duistere punten werpt.

»En nu wend ik mij tot u persoonlijk. Als gij u nog beschouwt als deelgenoot van de onder mijn bevel staande Expeditie, moet gij, onmiddellijk na de ontvangst van dezen brief, naar het dorp van Kavalli optrekken, met diegenen mijner lieden — Binza en de Soedaneezen — welke bereid zijn u te gehoorzamen en mij de eindbeslissing van Kmin Pacha en Signor Casati, wat hun persoonlijke voornemens betreft, over te brengen. Als ik niet in het dorp van Kavalli ben, moet gij daar blijven en een schrijven aan mijn adres, door middel van boden van Kavalli, zenden naar Mpinga, het opperhoofd van Gavira's dorp, die het verder naar Mazamboni kan doorzenden, bij wien ik het waarschijnlijk in handen zal krijgen.

»Gij zult u kunnen voorstellen dat wij van Kavalli's hulpbronnen te veel vergen, als hij ons langer dan zes dagen van levensmiddelen moet voorzien, en wij zullen dus, als gij boven dien tijd uitblijft, naar Mazamboni en ten slotte na;ir ons kamp aan den Itoeri moeten terugtrekken. Door anders te handelen, zouden wij ons met geweld levensmiddelen moeten verschaffen; maar elke daad van geweld zou het verkeer met de inboorlingen belemmeren en er een einde aan maken. Deze moeilijkheid hadden wij kunnen vermijden, als de Pacha mijn voorstel opgevolgd en te Nyamsassi een depot aangelegd had. Dat er te M'swa levensmiddelen zijn baat ons hoegenaamd niet. In Europa zijn ook wel levensmiddelen; maar wij kunnen er evenmin bij komen als bij die te M'swa. Wij hebben nu geen boot om over het meer in gemeenschap te treden, en wat er geworden is van de stoombooten *Khedivé' en ïNyanzciquot; meldt gij niet.

»Ik hoor dat de Pacha is afgezet en gevangen zit. Wie zal nu

359

-ocr page 398-

360 jephson,

met mij behandelen wat er moet gebeuren? Ik ben niet gemachtigd om mededeelingen van muitende officieren te ontvangen. De onderstelling was dat ik Emin Pacha en zijn lieden zou ontzetten; als Emin dood was had ik mij te wenden tot zijn wettigen opvolger in de re-geering. Maar nu Emin leeft, is het mij niet vergund, van wien dan ook, tenzij daartoe door den Pacha gemachtigd, officieële mededeelingen te ontvangen. Als de Pacha dus niet in staat is zelf met een voldoend geleide trouw gebleven manschappen bij mij in het dorp van Kavalli te komen, of mij iemand aan te wijzen, bevoegd om de middelen tot ontzet in ontvangst te nemen, zal mij alleen overblijven de ammunitie, welke wij met zooveel moeite herwaarts hebben gebracht, te vernielen en naar huis terug te keeren.

gt;Gij moet weten dat mijn lieden slechts dragers zijn. Zij hebben hun overeenkomst nageleefd met een trouw, waarvan geen tweede voorbeeld bekend is; zij hebben de boot en de goederen herwaarts gebracht, zoodat hun taak is afgeloopen. Gij hebt kunnen goedvinden de boot te vernietigen, maar daarmede ons onherstelbare schade gedaan ; ook de beide kisten met Winchester ammunitie, die bij den Pacha achterbleven, zullen wel te loor zijn gegaan.

gt;Ik dien hier te vermelden dat in het kamp bij den Itoeri Ferry de meeste lieden ziek zijn en 't nog wel een maand zal duren, voor zij zullen kunnen oprukken.

gt;Ik heb verder medegebracht omstreeks honderd Manyoeëma's, terwijl ik met twee en veertig hunner ben geaccordeerd, voor een olifantstand per hoofd, om twee en veertig lasten voor Emin Pacha herwaarts te brengen.

»Om hen te kunnen betalen, moet ik eins twee en veertig olifantstanden hebben en verzoek ik u te overwegen, hoe ik die het best kan krijgen.

»Wil er ook uwe gedachten over laten gaan hoe wij voedsel zullen krijgen, zoolang dit aan gebeurtenissen zoo rijk gedeelte van onzen tocht nog duren moet, als wij naar de omstreken van Kavalli's dorp of het meer dienen terug te keeren, om eindelijk de zoo lang verschoven beslissing van den Pacha en zijne lieden te vernemen.

gt;Zijn de lieden van den Pacha ten slotte genegen dit deel van

-ocr page 399-

emin pacha.

Afrika te verlaten en zich te vestigen in het een oi ander land, niet ver hier van daan, aan den oever van de Victoria Nyanza of langs den weg naar Zanzibar gelegen, dan ben ik gaarne bereid hen daarbij te ondersteunen, afgescheiden van het begeleiden van hen die naar huis willen; maar ik moet duidelijke en stellige verklaringen hebben, gevolgd door een snelle handeling volgens de orders, die ik noodig zal achten tot bereiking van dat doel te geven, of een duidelijke en stellige weigering, omdat wij niet ons geheele leven hier kunnen blijven wachten op lieden, die zelf niet goed schijnen te weten wat zij willen.

»Breng mijn beste wenschen over aan den Pacha en Signor Casati; ik hoop en bid dat wijsheid beiden moge leiden voor het te laat is. Ik verlang er naar u weder te zien, mijn waarde vriend ! en uit uw eigen mond uwe wederwaardigheden te hooren.

gt;Uw toeerenesren

«5 O

(get.) » Henry M. Stanley.

»Aan

5den Heer A. J. Mounteney Jephson.quot;

»Particulier Postscriptum.

«Kavalli, 18 Januari 1889, 's mid-gt;dags 3 uur.

gt;Mijn waarde Jephson !

»Op den dag mijner aankomst bij Mazamboni zond ik dadelijk een brief af, om het gerucht te bevestigen dat wij in de buurt waren, als dit u soms ter oore mocht zijn gekomen. Bij mijn komst alhier vertelt men mij, dat Mogo, die den brief medenam, heeft uitgerust in het dorp van Kyia Nkondo, die zijn nieuw dorp scheen te hebben gebouwd op dezelfde plek, waar wij den Pacha en u bij onze aankomst aan het meer hebben ontmoet.

»Heden zend ik dertig met geweren gewapende mannen en drie lieden van Kavalli met mijn brief naar het meer, en verzoek ik u dringend dadelijk een kano af te zenden en de boden te beloonen.

«Misschien ben ik in staat hier langer dan zes dagen te blijven.

361

-ocr page 400-

JEPI1S0N,

misschien wel tien dagen. Ik zal mijn best doen om mijn verblijf te rekken tot aan uw terugkomst, zonder den vrede te verstoren. Onze lieden hebben een behoorlijken voorraad glaskralen, kauri's en manufacturen, en ik ontdek dat de inboorlingen zeer gaarne handel drijven, zoodat Kavalli's hulpbronnen zullen worden versterkt, in geval hij onrustig mocht worden over ons langer vertoef.

gt;AIs gij voedingsmiddelen kunt medebrengen, bij voorbeeld graan of rundvee, zal het verblijf eenige dagen langer gerekt kunnen worden. Niet onwelkom zou ons ook zijn de whiskey van den Pacha en een weinig olie voor den middagkost der blanken.

«Blijf verstandig en vlug handelen ; verspil geen oogenblik tijd en brensf Binza en uw eig;en Soedaneezen mede. Ik heb uw brieven een half dozijn malen doorgelezen; maar het is mij niet gelukt den toestand volkomen te begrijpen, omdat de eene brief, ten opzichte van enkele gewichtige bijzonderheden, met den anderen in tegenspraak schijnt. In den eenen zegt gij dat de Pacha in strenge gevangenschap wordt gehouden, terwijl u een zekere mate van vrijheid wordt toegestaan ; in den anderen geeft gij te kennen tot mij te zullen komen, zoodra gij maar van mijn aankomst hier hoort, en spreekt gij de hoop uit, dat de Pacha in staat zal zijn mij, in uw gezelschap, te bezoeken. Dit alles is ons, die pas uit het woud zijn gekomen, niet zeer duidelijk. Hoe gij Toengoeroe zult kunnen verlaten, als gij er gevangen wordt gehouden, is mij een raadsel.

gt;Als de Pacha werkelijk kan komen, wil ons dan, zoodra gij in Kyia Nkondo's dorp zijt, een bode zenden om het mij te berichten; ik zal dan een sterk detachement sturen, om hem het plateau op te brengen en zoo noodig te dragen. Na den marsch van meer dan 2000 K.M. door mij afgelegd, gevoel ik mij te uitgeput om opnieuw naar het meer af te dalen. Ik hoop dat de Pacha een weinig medelijden met mij zal hebben. Wees over ons niet ongerust of bezorgd; ons kan op geen 20 K. M. vijandelijkheid dreigen, of ik weet er van. Ik bevind mij te midden eener vriendschappelijk gezinde bevolking, en als ik den oorlogskreet laat weerklinken, kan ik binnen vier uren 2000 krijgers voor mij hebben, om mij te helpen elke macht, die geweld in het schild voert, terug te slaan. Geldt het een strijd op het gebied van den list, dan sta ik den sluwsten Arabier.

302

-ocr page 401-

EM1N PACHA.

gt; Reeds vroeger merkte ik op dat ik uwe brieven een half dozijn malen heb moeten lezen, en bij iedere herlezing veranderde ik ten uwen opzichte van oordeel. Soms houd ik u voor een halven Mahdist of aanhanger van Arabi Pacha en dan weer voor een bewonderaar van Emin. Niet voor ik u teruggezien heb, zal ik op dat punt wijzer worden, ja-meson heeft twaalf duizend gulden betaald voor het voorrecht om met ons te mogen gaan. Welnu, gij ziet dat hij onze voorschriften niet heeft opgevolgd, zoodat wij 't geen hij deed voor zijn eigen rekening moeten laten. Ward was er, zooals gij weet, sterk op belust ons te vergezellen; maar ook hij heeft onze voorschriften niet opgevolgd en werd te Ban-gala het slachtoffer van zijn zucht voor nieuwe avonturen. De arme Barttelot verloor ook zijn leven, als slachtoffer zijner eigenzinnigheid. Wees gij, wat ik u bidden mag, ten minste niet eigenzinnig, maar gehoorzaam; laat mijn bevel voor u een hoofddoek tusschen de oogen zijn, dan zal alles met Gods genadige hulp nog tot een goed einde komen.

sik wil den Pacha op alle mogelijke manieren helpen, maar hij moet mij wederkeerig te hulp komen en mij vertrouwen. Als hij uit zijn moeilijkheden wil geraken, ben ik zijn dienstvaardigste dienaar en vriend ; maar als hij weder aarzelt, zou ik er verbaasd van staan en er door in de war komen. Ik zou een dozijn Pacha's kunnen redden als zij zich wilden laten redden. Ik zou mij voor den Pacha op de knieën kunnen werpen en hem smeeken zijn eigen toestand te bedenken. Hij heeft in alle andere dingen verstand genoeg; waar 't zijn eigen belang geldt, ontbreekt het hem. Wees vriendelijk en goed jegens hem, om zijne vele goede hoedanigheden; maar laat n niet, als anderen, inpalmen door de verderfelijke betoovering welke het Soedaneesche grondgebied in de laatste jaren op alle Europeanen schijnt te hebben uitgeoefend. Zoodra zij den bodem daarvan hebben betreden, schijnen zij als in een maalstroom te worden getrokken, welke hen naar beneden sleurt en met zijn golven overdekt. Het eenige middel om dien stroom te ontgaan, bestaat in het blindelings opvolgen van alle bevelen en gehoorzamen zonder vragen.

»Het Comité heeft ^ezetrd : »!gt; Ontzet Emin Pacha met deze ammu-

O O

nitie. Als hij het land wil verlaten, zal de ammunitie hem daartoe in

363

-ocr page 402-

364

staat stellen ; als hij verkiest te blijven, zal hij er nut van hebben.quot; quot; De Khedive heeft hetzelfde gezegd en er bij gevoegd; gt;»Maar als de Pacha en zijne lieden wenschen te blijven, doen zij dit op hun eigen verantwoording.quot; quot; Sir Evelijn Baring heeft in duidelijke en stellige bewoordingen hetzelfde verklaard; en nu ben ik hier, na een marsch van 6600 K. M., met het laatste gedeelte der middelen tot ontzet. Moge hij die daartoe gerechtigd is, ze overnemen. Kom, ik ben bereid hem met alle mijne krachten en al mijn verstand te helpen. Maar ditmaal mag er niet worden gedraald, doch verwacht ik een stellig ja of neen; daarna gaan wij naar huis terug.

gt;Uw toegenegen (get.) gt;H. M. Stanley.

»Den Heer

gt;A. J. Mounteney Jephson.quot;

»P.S. Gisteren ontving ik uw brief, terwijl ik vreeselijk de koorts had. Heden ben ik veel beter en bijna 2 K.M. nader bij u gekomen, onder genot van het heerlijkste weder.

(get.) »H. M. S.quot;

Zóó schreef Stanley aan mij. Zijn brief aan Emin luidde aldus :

gt;Kamp bij Mpinga, ruim een dag-»marsch van de Nyanza, 16 K.M. oost-»waarts van het dorp van Mazamboni.

»Aan

«Zijne Excellentie Emin Pacha,

«Gouverneur van de Equatoriaal »Provincie.

«Mijnheer !

«Ik heb de eer u te berichten, dat het tweede gedeelte der middelen van ontzet, welke deze Expeditie in last heeft u te brengen, zich thans bevindt in dit kamp en gereed ligt om afgeleverd te worden aan

-ocr page 403-

365

ieder, die door u tot de ontvangst wordt gemachtigd. Geeft gij er de voorkeur aan, dat wij ze opslaan bij Kavalli of in Kyia Nkondo's dorp aan het meer, clan zullen wij op ontvangst van uwe instructies daartoe bereid zijn.

«Dit tweede gedeelte der middelen tot ontzet bestaat uit 6°, kisten

o ^

Remingtonpatronen, 26 kisten kruit, elk van 20 K.G., 4 kisten slaghoedjes, 4 balen manufacturen, 1 baal goederen voor Signor Casati (een geschenk van mij), 2 rollen blauwwollen stoffen, schrijfpapier, enveloppen, aanteekenboeken enz.

»Na met groote moeite — erooter dan ik had verwacht — de croe-

00 o

deren herwaarts te hebben gebracht, ben ik genoopt u ten officieel bewijs van ontvangst van bovenstaande waren en goederen re verzoeken, benevens een stellig antwoord op de vraag, of gij van plan zijt ons geleide en onze hulp om Zanzibar te bereiken aan te nemen, of ook Signor Casati daar plan toe heeft en of er onder de officieren en manschappen ook worden gevonden, die van ons beschermend geleide naar de zee gebruik wenschen te maken. In het laatste geval zoudt gij mij zeer verplichten door zoo vriendelijk te zijn mij mede te deelen, hoe ik mij in betrekking kan stellen met de lieden, die Afrika wenschen te verlaten. Ik zou eerbiedig willen voorstellen, dat allen die onder mijn geleide het land wenschen te verlaten, naar Nsabé of naar Kyia Nkondo's dorp aan het meer gaan en daar een kamp opslaan, met een voorraad maïs, enz. waar wij een maand van kunnen leven, en dat mij daarvan mededeeling wordt gedaan in een schrijven over Kavalli's dorp, vanwaar ik het spoedig zou kunnen ontvangen.

jgt;Hij die het bevel voert over de lieden in dit kamp, zal wel zoo goed willen zijn mij stellig op te geven, of zij geneigd zijn ons beschermend geleide aan te nemen, en dan zal ik gaarne alle verdere zorg voor hen overnemen. Aan den voet van dit schrijven neem ik de vrijheid u een staat van onze bewegfinsfen te doen toekomen, met verzoek

O O

u daarvan op de hoogte te stellen, voor gij antwoordt, waar wij ons aan hebben te houden, met het oog op de schaarschheid van levensmiddelen in den omtrek van het meer en de onzekerheid om ze te krijgen, als men geen geweld wil gebruiken, hetgeen, met het oog op den staat van zaken in de Provincie, ook hoogst onverstandig zou zijn.

-ocr page 404-

jephson,

»Als ik na verloop van twintig dagen geen bericht van u of van den heer Jephson heb ontvangen, mag ik de verantwoordelijkheid voor hetgeen er misschien kan voorvallen niet meer op mij nemen. Wij zouden met genoegen in Kavalli's dorp blijven, als wij ten opzichte der levensmiddelen voldoende zeker waren; maar een groot gevolg kan daar niet vertoeven, zonder zijn toevlucht te nemen tot gewelddadige vorderingen, waardoor onze omgang met de inboorlingen geheel ophouden en wij belet zouden worden ons met u in verbinding te stellen.

»Als er met de stoombooten in Kyia Nkondo's dorp graan gelost en onder bewaking van zes of zeven manschappen achtergelaten kon worden, zou ik, zoodra ik daarvan bericht had, een afdeeling kunnen uitzenden om het graan het plateau op te brengen. Alleen het vraagstuk om levensmiddelen te krijgen wekt onze bezorgdheid. Gij zult dus begrijpen, dat ik genoodzaakt ben u te verzoeken zoo beslist en snel te handelen als ei kunt.

O w

gt;Als gij gedurende deze twintig dagen in de gelegenheid mocht zijn u met mij in verbinding te stellen en mij mede te deelen of aan te geven op welke wijze ik nuttige of krachtdadige hulp kan verleenen, beloof ik u alle mogelijke moeite te zullen aanwenden om u van dienst te zijn. Inmiddels vurig verlangend naar uw antwoord, blijf ik

gt;Uw dienstwillige dienaar (get.) »H. M. Stanley, sCommandant van de Expeditie tot ontzet.quot;

Zoo luidden de beide brieven. Stanley's schrijven aan Emin was natuurlijk een officiüele, allerminst een particuliere brief. Na de lezing bleef ik in mijn bed overeind zitten, schier versuft over de verschrikkelijke tijdingen aangaande de achterhoede. Wel hadden wij allen gedacht dat de toestand te Yamboeya ellendig moest zijn, maar zoo erg hadden wij ons dien niet durven voorstellen. Voor iemand die de Manyoeëma's zoo goed kende als ik, was het niet moeielijk de gapingen aan te vullen in Stadiey's kort verslag van zijne bevindingen bij aankomst te Banalya. Arme Barttelot, hoe droevig was uw uiteinde ! De tranen schoten mij in de oogen, als ik er aan dacht, hoe ik hem in zijn vaderland had gekend, vol leven en beweging en geest, opgeruimd en

366

-ocr page 405-

EMIN PACHA.

schitterend in 't genot eener welverdiende populariteit. Zoo was dan dat alles voorhij ! Het werd mij bang te moede, als ik dacht hoe onverwachts, zonder de minste waarschuwing, zijn korte maar eervolle loopbaan werd afgebroken door het verraderlijk schot van een slavenhaler uit Manyoeëma. Niet van zijn eigen physieke moeielijkheden, honger en teleurstellingen doet de reiziger in Afrika zijn droevigste ondervindingen op, maar van het lijden en sterven van zijn tochtgencoten, Europeanen of negers. Moeielijkheden en honger kunnen worden vergeten; maar de dood van mannen als Barttelot en Jameson en van onze trouwe Zanzi-barieten is om nooit te vergeten en komt mij telkens weder voor den geest, als de treurigste van alle herinneringen aan de drie verloopen jaren.

Nooit heb ik er aan getwijfeld, of Barttelot wel flink en eerlijk zijn plicht heeft gedaan; dat hij onrechtvaardig, dat hij te overhaast te werk ging kan mogelijk zijn. Nooit zal men, vrees ik, met volkomen juistheid te weten komen, wat er in dien bewusten vreeselijken tijd is voorgevallen; maar wat er ook moge gebeurd zijn, elk die hem werkelijk gekend heeft, zal ronduit moeten bekennen, dat hij zich als een man van eer, oprecht en dapper heeft gedragen en, als Lawrence, zijn best heeit gedaan om zijn plicht te vervullen.

Eerst veel later, toen wij Oesambiro aan de Victoria Nyanza hadden bereikt, hoorden wij van Jameson's dood. Lang hadden wij naar hem uitgezien, om uit zijn eigen mond het verhaal te hooren van de donkere dagen door de achterhoede beleefd. Het bericht van zijn dood trof Europeanen en Zanzibarieten even sterk. Vijf maanden hadden wij hem slechts gekend; maar dat korte tijdsbestek was voldoende om hem in al zijn beminnelijkheid te leeren waardeeren. De Zanzibarieten, die tot de achterhoede hebben behoord, waren over hem eenstemmig in hun lof, en wij allen, Europeanen zoowel als negers, gevoelden ons sterk tot hem aangetrokken om zijn vriendelijkheid, gemoedelijkheid en onbaatzuchtigheid.

Hoe reikhalzend hadden wij niet uitgezien naar Stanley en gehoopt, hoe erg de toestand ook mocht worden, met zijn hulp Emin, desnoods met geweld, te redden! Maar in plaats van ons moed in te spreken, kon hij alleen verhalen doen van lood en ellende.

367

48

-ocr page 406-

JEPIISON,

368

Maar met stilzitten en denken komt men niet verder, zoodat ik naar Emin ging, om hem Stanley's brief aan mij te laten lezen. Daar hij vreeselijk beleedigd scheen, dat Stanley een brief aan hem bij dien aan mij had ingesloten, trachtte ik hem te beduiden dat Stanley de brieven aan mijn adres zou hebben gezonden, uit angst dat de rebellen brieven voor hem mochten onderscheppen. Ik voegde er bij dat de kans nu gunstig stond om weg te komen, want dat Stanley bij Kavalli's dorp was en hem in zijn kamp afwachtte, en herinnerde hem dat hij tweemaal had gezegd zonder dralen te willen oprukken, zoodra Stanley bij het meer was aangekomen. Toch sprak hij weder van wachten en zien wat er gebeurde; aandringen zou niets baten. Daarom gaf ik hem te kennen, dat Stanley mij nadrukkelijk had bevolen, op ontvangst van zijn schrijven, onverwijld af te marcheeren, en dat ik van plan was ten volle naar dat bevel te handelen door den volgenden morgen den tocht te beginnen. Daarin nam hij onmiddellijk genoegen en deed al het mogelijke om mij te helpen gereed te komen. Ik liet Saleh Aga, den commandant van 't station, roepen en deelde hem mede dat Stanley was aangekomen en dat Emin de uitnoodiging had ontvangen van mijn chef, om zich onverwijld bij hem te vervoegen, zoodat ik htm om de kano's verzocht, ten einde M'swa te kunnen bereiken. Op zijn antwoord dat de kano's weg waren, zeide Emin, «welnu, bezorg dan den heer Jephson vijftien dragers en gidsen naar M'swa.quot; Selim Aga wist echter niet goed hoe hij met de zaak aan moest, want hij had van de in opstand gekomen officieren de stelligste bevelen ontvangen, niemand onzer van het station te laten vertrekken. Maar toen Emin nader aanhield, beloofde hij, naar 't mij toescheen met tegenzin, zijn best te zullen doen om de dragers te krijgen, maar wees er op, hoe moeilijk dat zoude gaan bij de verwarring, die er in het land heerschte. Onmiddellijk begon ik toen mijn voorbereidende maatregelen te nemen voor de landreis naar M'swa, dat ik binnen twee dagen hoopte te bereiken, 's Namiddags zond ik mijn bediende Binza naar het station, met opdracht om zonder dat zulks in het oog viel, te trachten gewaar te worden, welken indruk het bericht van Stanley's komst in 't algemeen op het volk had gemaakt. Toen hij na verloop van een paar uur terugkwam, wist hij mij te vertellen, dat iedereen er met de grootste opgewonden-

-ocr page 407-

EMIN PACHA.

heid over sprak, terwijl hij had gehoord dat Saleh Aga van plan zou zijn een brief te schrijven aan de in opstand gekomen officieren te Wadelai, om hen met Stanley's komst in kennis te stellen en te zeggen dat ik naar hem toe wilde, om welke reden hij hun kwam vragen mij daartoe verofunninof te verleenen. Ziedaar juist wat ik had gevreesd.

Ö ö J O

Ik zond daarom mijn bediende op staanden voet naar Saleh Aga met de boodschap, dat ik hem gaarne ten mijnent eens alleen zou willen spreken, waarop hij een half uur later verscheen. Hij moet wel erg verlegen zijn geweest onder den stroom van verwijten, die ik hem naar het hoofd slingerde, want hij keek strak voor zich en wiegde van het eene been op het andere, maar verzekerde mij niet de bedoeling te hebben gehad, die ik hem had toegeschreven. Na hem gezegd te hebben, dat ik geen enkel woord gelooide van 't geen Emin's lieden geliefden te zeggen, die tegen hem in opstand waren gekomen, deelde ik hem mede, dat ik van plan was den volgenden morgen vroegtijdig te vertrekken, met of zonder dragers, alleen mijn bediende Binza en mijn drie oppassers mede te nemen, en mijn manschappen bevel te zullen geven elk neer te schieten, die mij mocht durven tegenhouden; dat mijn Winchester met vijftien patronen was geladen en mijn drie oppassers allen voorzien waren van een Reminyton. Daar Saleh Aea eeen

O 00

groote held was en verbluft scheen over mijn krachtig dreigement, verliet hij mij, onder betuigingen dat mijn inlichtingen niet juist waren geweest en hier een volslagen misverstand moest hebben plaats gehad. Dat kon waar wezen, maar ik bleef bij mijn gezegde van te zullen vertrekken. Na Casati mededeeling te hebben gedaan van mijn gesprek met Saleh Aga, vroeg ik hem, daar hij gewoonlijk alle nieuwtjes wist, zijn best te willen doen, om gewaar te worden wat er op het station omging.

Emin schreef aan Stanley een brief, dien ik zou medenemen, en was, met zijn gewone vriendelijkheid, den geheelen middag bezig om te zorgen, dat zijn bedienden mij op reis het beste medegaven dat hij in huis had. Emin zou zich zeiven alles ontzeggen, alleen om het genoegen te smaken het anderen te kunnen geven, terwijl men hem geen grooter verdriet kon doen dan door zijn weldaden af te slaan. Op zich zelf waren die geschenken zoo groot niet, — de arme ziel had weinig

369

-ocr page 408-

JEPHSON,

genoeg om te kunnen geven ; maar zij leverden het bewijs van zijn onbaatzuchtige belangstelling, die de waarde er van verdubbelde. Alleen in zaken van grooter en gewichtiger belang was het niet mogelijk met hem verder te komen.

's Avonds kwam de stoomboot uit Wadelai aan met een groot aantal vluchtelingen, waaronder Hawashi Effendi en een aantal schrijvers. Na den kapitein te hebben ontboden, deelde Emin hem Stanley's aankomst mede en tevens dat ik, daar ik naar M'swa moest, wel met de boot mijn reis zou willen aanvaarden. Toen hij dit had goedgevonden, spraken wij at den volgenden morgen hout in te nemen, opdat ik 's middags met de boot kon afreizen. De kapitein behoorde onder hen, die bij de vermeestering van de stoombooten te Dufflé door de Donagla's gewond werden. Van een vreeselijken sabelhouw had hij een litteeken van het voorhoofd tot aan de kin behouden, terwijl zijn kaak, die geheel bloot had gelegen, op allermerkwaardigste wijze weder genezen was. Het is mij meermalen opgevallen, niet alleen hoeveel sneller bij negers verwondingen worden geheeld dan bij Europeanen, maar ook hoeveel erger zij aankomen. Bij negers schijnen de uitersten gewild te zijn. Voorts werd besloten dat de vluchtelingen, die met de stoomboot uit Wadelai mede waren gekomen, met mij naar M'swa zouden gaan ; verder dan M'swa verkoos de bemanning evenwel niet te stoomen, daar haar streng was bevolen, zoo spoedig doenlijk, naar Wadelai terug te keeren. Tengevolge der luiheid van de soldaten verkregen wij den volgenden dag slechts weinig hout ; zij legden het er klaarblijkelijk op toe mijn vertrek op te houden, tot de opgestane officieren te Wadelai bekend waren met de aankomst van Stanley. De geheele bemanning had, naar wij in den loop van den dag vernamen, de boot verlaten daar zij niet wilde werken; en, toen ook Casati er ons bericht van bracht, gingen wij zien wat er van aan was. Eerst verklaarde de bemanning eenparig niet naar M'swa te willen; maar, nadat ik geruimen tijd tegen haar had geredeneerd, stemde zij er in toe, op voorwaarde dat er een ander kapitein op de boot kwam, daar de tegenwoordige haar een doorn in het oog was. Er werd dus overeengekomen, dat zij zelf een kapitein mocht kiezen en de vorige te Toengoeroe zou blijven.

In den loop van den dag werd ik verder als 't ware bestormd door

37°

-ocr page 409-

EMIN PACHA.

lieden, die mij verzochten, als 't eenigszins kon, naar M'swa mede te mogen varen.

Kr was maar weinig hout voor de booten bijeengebracht, nauwelijks genoeg om een bepaald punt te bereiken in de nabijheid van de warme bronnen, waar het opperhoofd Ourna gewoon was hout voorradig te hebben. Ik besloot niettemin den volgenden morgen te vertrekken, in de hoop onderweg in de gelegenheid te zijn om hout te krijgen.

's Namiddags eraf ik Selim Aga bericht van Stanley's aankomst

ö O O J

en drong bij hem aan, zoo de stemming ten opzichte van den Pacha het toeliet, zoo mogelijk per boot naar Toengoeroe te gaan en den Pacha tot N'sabé mede te nemen naar Stanley. Verder verzocht ik hem twee en veertig olifantstanden mede te brengen, opdat Stanley de lieden van Tippoe Tib, die de ammunitie naar het meer hadden gedragen, kon betalen. Deze brief zou, na mijn vertrek uit Toengoeroe, door expressen naar Wadelai worden bezorgd.

Het gerucht van Stanley's komst, in 't station verspreid door den soldaat die met de brieven uit M'swa was gekomen, bracht een goede uitwerking te weeg, zoodat ik, hoewel ik zeker wist, dat het niet waar konde wezen, het niet tegensprak. Als een nieuwtje had hij er bij verteld, dat Stanley een verwonderlijk kanon bij zich had, waardoor het volk bij honderden werd weggemaaid en dat hem een ontzagwekkende horde Manyoeëma's van Tippoe Tib, de schrik van het land, vergezelde. Allerlei overdreven verhalen deden onder de inboorlingen de ronde van de gruwelijkheden door dergelijke Arabische slavenhalers bedreven, terwijl de soldaat het verhaal nog had vergroot, zoodat men den indruk kreeg dat Stanley zeer machtig was. Met bleek evenwel goed gezien de lieden ietwat op te winden, opdat zij de moeielijk-heden aan den kant zetten, die zij anders allicht aan mijn vertrek hadden in den weg gelegd.

De ons voor eenige dagen ter ooren gekomen geruchten over den Raad der opstandelingen en den algemeenen toestand in Wadelai werden bevestigd door de opvarenden van de boot; zij zeiden dat er thans wel zes verschillende partijen waren, die allen haar eigen gang gingen. De beide sterkste partijen werden geleid door Fadl

371

-ocr page 410-

JEPHSON,

el MoeJla en Selim Aga; maar ik geloof dat niemand eigenlijk goed wist wat hij wilde.

's Avonds las Emin mij zijn brief aan Stanley voor; ik vind daaromtrent het volgende in mijn dagboek aangeteekend:

»De Pacha schreef een brief aan Stanley als antwoord op den zijnen; maar volgens 't geen hij er mij uit voorlas, zou ik niet denken dat de inhoud zeer krachtig was, ja, zou ik zelfs opmaken, dat de Pacha in de gemakkelijkste en eenvoudigste aangelegenheden geen krachtig antwoord kan geven. Arme Pacha ! uw langdurig verblijf in het Oosten heeft u bij uitstek gestempeld tot een man van geven en nemen.quot;

372

-ocr page 411-

HOOFDSTUK XV.

ONZE TERUGKOMST BIJ STANLEY.

Ik verlaat Toengoeroe en vertrek naar M'swa. — Warme zwavelbronnen. — Aankomst te M'swa. — Hoe Shoekri Aga's ons behulpzaam was. — Schikkingen ten behoeve van de vluchtelingen. — Dankbaarheid van eene vrouw. — Verlaten toestand. — Overleg met de hoofden van den stam Loer. — Brief aan Emin. — Keuze van een lijfwacht. — Bevriende stammen opgeofferd. — Eindelijk vertrek in kano's. — «Vuur uit een steen.quot; — Hoe de inboorlingen elkander groeten. — Mayoenga. — Beklag van Magala. — 't Land van Melindwa. — Neiging tot stelen van de Leer's. — Flinke lichaamsbouw van de Wahoema's. — Ik bereik het dorp van Katonza. — Verplicht oponthoud. — Welke aandoeningen mijn spiegel verwekte. — Vermoeiende bijeenkomst met Katonza. — Wij beklimmen de bergen. —Ontmoeting met de boden van Stanley. — Onstuimige begroeting der Zanzibarieten. — Ik ontmoet mijn chef. — Brieven uit het vaderland.

Den 2 8slw' Januari vertrok ik per stoomboot naar M'swa; zelfs op het punt van vertrek legde Saleh Aga ons nog nieuwe moeilijkheden in den weg. Casati en ik maakten evenwel een verbazende haast en wisten hem door allerlei middelen aan het werk te krijgen.

Emin en Casati kwamen bij de boot om mij te zien afreizen. Zóó lang stonden eerstgenoemde en ik te p-aten over 't geen er tijdens

-ocr page 412-

JEPIISON,

mijn afwezigheid zou kunnen voorvallen, dat ik ten laatste nog spijt begon te krijgen hem te moeten verlaten. Maar ik wist dat ik het best handelde door naar Stanley te gaan om met hem te overleggen, hoe wij Emin het geschiktst konden redden. Het woord «Vaarwelquot; valt vaak zoo zwaar om uit te spreken en ik gevoelde zulks dubbel op het oogenblik toen Emin mij de hand drukte, zoodat ik haast niet durfde opzien. Emin bleet de stoomboot naoogen toen zij van wal was gestoken; — alleen, met al het verraderlijk volk om zich heen, wuifde hij voor den laatsten keer een alscheids^roet, toen het vaartuigf den hoek omsloepf.

O 7 O O

De boot was overladen van mannen, vrouwen en kinderen, en daar het meer tamelijk onstuimig was, werd bijna ieder ziek, 't welk, als een boot klein en meer dan vol is, alles nog zoo veel te onaangenamer maakt. Omstreeks twee uur in den namiddag bereikten wij de warme bronnen, waar de inboorlingen reeds een groote partij hout hadden bijeengebracht. Deze zwavelbronnen waren buitengewoon heet en waar het water van de rots gutste was het onmogelijk er de hand in te houden. Daar steeg een sterke zwavelreuk uit het water omhoog, terwijl de wanden van het bekken, dat het opving, door de zwavel-afscheidinor helder tjeel van kleur waren.

O O

Hier troffen wij een groot aantal Egyptenaren en Soedaneezen aan, die er hadden gebaad en beweerden, dat zwavelhoudend water een uitstekend middel was tegen huidziekten. De meesten leverden een afgrijselijk gezicht op met hun syphilitische zweren, die vrij algemeen voorkwamen in Emin's provincie.

Na deze menschen aan boord te hebben genomen, vertrokken wij dadelijk, maar bereikten M'swa niet voor het vallen van den avond; 't was reeds negen uur toen ik aan land ging. Shoekri Aga stond mij aan wal op te wachten en bracht mij naar mijn verblijf, waar ik den halven nacht met hem de aangelegenheden der Provincie en Stanley's aankomst besprak. Toen ik hem vroeg, of wij den kapitein en de bemanning van de boot zouden kunnen bewegen mij naar Nsabé te brengen, in welk geval ik van plan was al de vluchtelingen die het verlangden en 't voornemen hadden zich in Katonza's dorp te vestigen, mede te nemen, beloofde hij mij er zijn best voor te zullen doen en ging hij den kapitein van de boot nog in denzelfden nacht opzoeken.

374

-ocr page 413-
-ocr page 414-

• - WWtwW-W 1 tTiipWquot;'*quot;--1

■ -

s'-m

' ^tèrnn--

■ Squot;'-- quot; •rt-H'V '

.-, . lt;*amp;•■'■■ ■ ■ - ■' -#-• '•-■■ ■•

■ ■ . Sppt

-

-ocr page 415-

EMIN PACHA.

Den volgenden morgen kwam Shoekri Aga terug, om mij te zeggen dat hij den kapitein had gesproken. Hij had de bemanning flinke rantsoenen vleesch en maïs laten geven ; haar gezegd dat ik naar Stanley moest, alleen in haar eigen belang; dat het meer op het oogenblik zeer onstuimig en gevaarlijk was voor kano's, en eindelijk, dat het niet raadzaam voor mij mocht heeten met niet meer volgelingen dan in de kano's konden,] door het land van Melindwa te trekken. De bemanning had daartegen geen bezwaar, mits er zooveel hout aan boord werd gebracht, dat men regelrecht naar Nsabé kon stoomen. Daarop bood ik den kapitein, dien ik inmiddels had laten roepen, acht en dertig guldens aan — meer bezat ik niet — als hij mij naar het zuidelijk uiteinde van het meer bracht. Shoekri wilde mij vergezellen, om mij aan dragers te helpen, als wij in het dorp van Katonza ot Kyya Nkondo, zooals Stanley hem noemde, kwamen. Na hem verzocht te hebben allen, die met mij wilden, voor mij te brengen en duidelijk te maken wat ik verlangde, beloofde hij zulks en tevens om een hoeveelheid graan en verdere levensmiddelen op de boot te bezorgen, voldoende tot het tijdstip, waarop Stanley hen naar het plateau zou geleiden. Vijftien officieren en schrijvers gaven hun verlangen te kennen om met mij te gaan en beloofden mij gehoorzaamheid, toen ik hun mijn eischen kenbaar had gemaakt. Na door mij verzocht te zijn iemand als hun hoofd aan te wijzen, kozen zij Abdoel Wahad Effendi, een gewezen kapitein in Egyptischen dienst. Shoekri Aga had, naar ik hoorde, bij Katonza veertig runderen achtergelaten voor Stanley, als hij aankwam, en bracht een flinke hoeveelheid graan aan boord van de boot, zoodat er in het nieuwe kamp geen gebrek aan voedsel zou zijn.

Den geheelen namiddag besteedde ik met Shoekri Aga en de schrijvers; wij regelden allerlei zaken voor het kamp bij het dorp van Katonza, terwijl ik het grootste gedeelte der goederen van mijn tochtge-nooten en mij nog des avonds aan boord liet brengen, om den volgenden morgen zoo vroegtijdig mogelijk te kunnen vertrekken. Hoewel ik Shoekri Aga had verzocht soldaten op post te stellen bij de boot, om te zorgen dat er niets weg kwam, werd daaraan om de eene of andere reden niet voldaan, zooals later uit de nadeelige gevolgen bleek.

't Was hoogst moeilijk iets met de.7,e menschen en beambten tot

377

-ocr page 416-

■ .....

.

.

I

f

■ ■ Mm:

i.

,. . ...... . ... . ■

-ocr page 417-

EM IN PACHA.

Den volgenden morgen kwam Shoekri Aga terug, om mij te zeggen dat hij den kapitein had gesproken. Hij had de bemanning flinke rantsoenen vleesch en maïs laten geven ; haar gezegd dat ik naar Stanley moest, alleen in haar eigen belang; dat het meer op het oogenblik zeer onstuimig en gevaarlijk was voor kano's, en eindelijk, dat het niet raadzaam voor mij mocht heeten met niet meer volgelingen dan in de kano's konden,] door het land van Melindwa te trekken. De bemanning had daartegen sxeen bezwaar, mits er zooveel hout aan boord werd ge-

O O '

bracht, dat men regelrecht naar Nsabé kon stoomen. Daarop bood ik den kapitein, dien ik inmiddels had laten roepen, acht en dertig guldens aan — meer bezat ik niet — als hij mij naar het zuidelijk uiteinde van het meer bracht. Shoekri wilde mij vergezellen, om mij aan dragers te helpen, als wij in het dorp van Katonza ot Kyya Nkondo, zooals Stanley hem noemde, kwamen. Na hem verzocht te hebben allen, die met mij wilden, voor mij te brengen en duidelijk te maken wat ik verlangde, beloofde hij zulks en tevens om een hoeveelheid graan en verdere levensmiddelen op de boot te bezorgen, voldoende tot het tijdstip, waarop Stanley hen naar het plateau zou geleiden. Vijftien officieren en schrijvers gaven hun verlangen te kennen om met mij te gaan en beloofden mij gehoorzaamheid, toen ik hun mijn eischen kenbaar had gemaakt. Na door mij verzocht te zijn iemand als hun hoofd aan te wijzen, kozen zij Abdoel Wahad Effendi, een gewezen kapitein in Egyptischen dienst. Shoekri Aga had, naar ik hoorde, bij Katonza veertig runderen achtergelaten voor Stanley, als hij aankwam, en bracht een flinke hoeveelheid graan aan boord van de boot, zoodat er in het nieuwe kamp geen gebrek aan voedsel zou zijn.

Den geheelen namiddag besteedde ik met Shoekri Aga en de schrijvers; wij regelden allerlei zaken voor het kamp bij het dorp van Katonza, terwijl ik het grootste gedeelte der goederen van mijn tochtge-nooten en mij nog des avonds aan boord liet brengen, om den volgenden morgen zoo vroegtijdig mogelijk te kunnen vertrekken. Hoewel ik Shoekri Aga had verzocht soldaten op post te stellen bij de boot, om te zorgen dat er niets weg kwam, werd daaraan om de eene of andere reden niet voldaan, zooals later uit de nadeelige gevolgen bleek.

't Was hoogst moeilijk iets met deze menschen en beambten tot

377

-ocr page 418-

JEPHSON,

378

stand te brengen, daar zij nooit wilden inzien dat wij he: beter wisten dan zij en zij nooit blindelings gehoorzaamden, gelijk de Zanzibarieten. Den geheelen middag had ik het er druk mede en kwam ieder onbeduidend wezen mij met allerlei plannen aan boord; daar ik geen recht had hen te bevelen, moest ik al die plannen bestrijden, tot zij het eindelijk allen met mij eens waren ; wel een vermoeiende bezigheid! Dankbaarheid voor moeite, in hun belang aangewend, kenden zij niet ; wij deden met al onze moeite niet meer dan onzen plicht!

's Avonds na het eten zat ik na te denken over de onbeholpenheid en ondankbaarheid van deze lieden. Ik had mijn uiterste vlijt aangewend om alles in orde te brengen en hun te doen begrijpen, wat er voor hun eigen best moest gebeuren, toen ik eensklaps in de duisternis een wit kleed ontwaarde en, voor ik er op verdacht was, een negerin zich vóór mij op den grond wierp, om mij de voeten te kussen. Zij sprak op gejaagden en opgewonden toon en deelde mij mede gekomen te zijn om mij te bedanken, dat ik gewenscht en getracht had het volk behulp-

-ocr page 419-

EMIN PACHA.

zaam te zijn; en daar zij had gehoord, dat ik morgen zou vertrekken, had zij dezen avond niet kunnen laten voorbijgaan zonder Allah te bidden, dat hij mij zegenen mocht voor mijn weldaden aan de haren. Ook bood zij mij een weinig proviand voor de reis. Voor ik het konde beletten, kuste zij mijne voeten op nieuw en verdween, terwijl ik in de uiterste verbazing bleef zitten met twee manden nevens mij. De eene bevatte eenige gedroogde vruchten en zes versche eieren, de andere een gebraden hoen, dat er keurig en heerlijk uitzag, maar op een gewoon houten bord lag, 't welk zij getracht had te maskeeren, door brood om het hoen te stapelen. Arme ziel ! Al was het geschenk klein dat zij bracht, zij was ongetwijfeld slechts arm en zal mij het beste hebben willen geven wat zij bezat en, als een echte vrouw, er op bedacht zijn geweest, om mij eenig genot te bereiden. Zoo bleek dat het volk nog niet zóó ondankbaar was als ik eerst had gedacht, en bleef 't leveren van 't bewijs daarvoor beschoren aan eene vrouw, misschien een arm schepsel, gewoon om door haar meester geslagen en als een soort van lastdier en lager wezen beschouwd te worden.

Den volgenden morgen stond ik bijtijds op en ging eens kijken of alles op de stoomboot nog in goede orde en zij ook op het strand gezet was, daar het den geheelen nacht verbazend had gestormd. Ik werd bijna wanhopig, toen ik haar op den afstand van bijna een uur den hoek zag omslaan, op reis naar Wadelai, daar de bemanning 's nachts stoom had gemaakt en tegen 't aanbreken van den dag was vertrokken ! Elk stelle zich voor wat hij zou hebben gevoeld, als hij in mijn plaats was geweest, zulk een langen weg en de grootste moeielijkheden had doorworsteld, om hulp te brengen, en, op het laatste oogenblik, terwijl de redding nabij was, behandeld werd als een vijandelijk indringer. Toch placht Emin boos te worden, als ik niet inging op de vermeende deugden van zijn volk en het anders beschouwde als hij, met zijn vergoelijkend oog. Ik had een veel te groote reis gemaakt, om meer te doen dan mijn schouders op te halen en te denken, dat dit nog slechts ontbrak aan alle wanbedrijven van de jongste zes maanden. Sedert ik in Emin's Provincie verkeerde, was mij meer dan eens gezegd, dat wij, deelnemers aan de Expeditie, bedriegers waren, het volk tot slaven zochten te maken, valsche stukken hadden medegebracht en logen. Eens werden er

379

-ocr page 420-

JEPHSON,

negentig geladen geweren op mij aangelegd, zoodat ik te Lahore nauwelijks aan een moord ontsnapte ; vele maanden zat ik gevangen en heb nog een vonnis tot ophangen ten mijnen laste, omdat ik den Pacha hielp, en nu werd ik daarenboven nog bedrogen en verlaten door een handvol Egyptische en Soedaneesche schepelingen, alleen omdat ik hen had willen helpen.

Dadelijk liet ik Shoekri Aga roepen_ en toen ik hem vertelde wat er had plaats gehad, gal hij toe niet voldaan te hebben aan mijn verzoek, om soldaten bij de stoomboot op wacht te zetten. Hij zeide zulks onnoodig geacht te hebben, daar hij de overtuiging had gekoesterd, dat de kapitein eerlijke bedoelingen had. Ik droeg hem op onmiddellijk

Mosfo en de hoofden van den stam Loer uit den omtrek van 't station »_gt;

te ontbieden, die weldra verschenen, waarop ik hen op de hoogte bracht van mijn toestand, gelastte mij manschappen te leveren, die mij in kano's konden brengen naar het dorp van Katonza, aan het zuidelijk uiteinde van het meer, en beloofde mijn best te zullen doen, dat zij voor hunne moeite werden beloond. Daar Mogo ziek was en dus niet gaan kon, stond zijn broeder Masa op met de woorden : »Ik zal met des Pachas broeder gaan !quot; Zekere Nyoeyoe, iemand die met de boot uitstekend vertrouwd was en het meer door en door kende, verklaarde eveneens mede te zullen gaan, waarop onmiddellijk acht jonge lieden, aangemoedigd door hun voorbeeld, beloofden mij te zullen helpen en behouden te brengen bij «mijn vader Boela Matari.quot; Gelukkig kon Shoekri Aga beschikken over twee flinke kano's, die elk dertien man, benevens eeni-ge bagage, konden bergen, mits het meer kalm was. Wij gingen daarom dadelijk zien of de golven zoodanig bedaard waren dat wij konden afreizen ; maar het leek er niet naar dat ik den geheelen dag aan boord kon komen, daar 't meer nog zóó onstuimig was, dat elke kano in minder dan een minuut moest omslaan. Bij aankomst aan den oever merkten wij, dat de bemanning mijne drie kisten, die ik 's nachts aan boord had gelaten, op het strand gezet, maar alle schapen, geiten en graan, bestemd voor Stanley's tochtgenooten, medegenomen had.

De boot had een flinken voorraad hout aan boord, zoodat zij onder weg naar Toengoeroe niet behoefde aan te leggen ; klaarblijkelijk was de kapitein van plan regelrecht naar Wadelai te stoom en, om de

380

-ocr page 421-

emin pacha.

in opstand gekomen officieren in kennis te stellen met Stanley's aankomst en met mijn afreis zonder hun verlof Ik mocht dus niet zuimen met mijn vertrek in de kano's, te meer daar om dezen tijd van het jaar het meer bijna aanhoudend onstuimig was en ik 't voor zeker hield, dat de rebellen mij met de stoomboot zouden nazetten en er slechts zeven dagen overbleven om bij Stanley te komen, daar dezeEmin had medegedeeld den 6',',n Februari te zullen vertrekken, als hij niets van mij hoorde. Ik gat daarom Emin schriftelijk bericht van 't geen er had plaats gegrepen, met verzoek naar M'svva te gaan, waar Stanley door een marsch over de bergen bij hem konde komen. Mijn briet luidde aldus: —

jM'swa 30 Januari 1SS9.

gt;Waarde Pacha, — Zooals gij ziet, ben ik nog altijd hier: maar ik hoop morgen te vertrekken. Daags na mijn aankomst hebben Shoekri Aga en ik met den kapitein en de bemanning van de stoomboot gesproken, hun rijkelijk vleesch en graan gegeven en gevraagd of zij mij te N'sabé aan land wilden zetten; ook heb ik den kapitein acht en dertig gulden betaald, het laatste geld dat ik bezat, waarop zij mij, na eenig beraad, beloofden te vet trekken, zoodra er brandstof genoeg aan boord was «rebracht. Ik had de noodilt;re schikkingen oetroffen om

O OOO

enkele officieren, schrijvers en beambten mede te nemen en, zooa^.s Stanley had aangeraden, in het dorp van Katonza een kamp op te slaan, 't Hout kwam aan boord, benevens een aantal kisten van mijne lieden en drie van mijzelven, zoodat wij heden morgen tijdig konden afreizen. Daar ik reeds vroeg bij de hand was, was ik de eerste die ontwaren moest dat de stoomboot verdween, en kon ik haar in de verte nog juist den hoek zien omslaan, 's Nachts was de bemanning ons ontsnapt, na mijne goederen op den oever te hebben geworpen. Zoo ziet gij al weder, dat de eerlijkheid van een Europeaan niet opgewassen is tegen 't bedrog van Soedaneezen en Egyptenaren en zoo zal het wel altijd blijven, zoolang men dwaas genoeg is nog een greintje vertrouwen te stellen in uwe Heden.

»Met dat al ben ik weder een dag kwijt en blijven mij slechts zeven dagen over vóór den 6dlquot; Februari, op welken datum Stanley uit het dorp van Kavalli wil vertrekken. Verwondert het u nog en houdt

38I

-ocr page 422-

JEPHSON,

gij het nog voor onbillijk, dat ik uwe lieden niet vertrouw? Ik ben bovendien bang, dat zij, nu zij zooveel brandstof aan boord hebben, Toengoeroe niet eens zullen aandoen. Mocht dat het geval blijken te zijn, bid ik u ernstig en dring ik met klem bij u aan, Pacha! om met uw gevolg herwaarts te komen. Kom, als gij iets over hebt voor de weinigen, die het oprecht met u meenen, naar dit station•, dan beloof ik u mijn uiterste best te zullen doen om Stanley te bewegen naar een bepaald punt van het gebergte, hier in den omtrek, te marcheeren, waar gij u bij hem kunt vervoegen; veel bezwaren en gevaren zijn er niet aan verbonden, zoodat ik u nogmaals verzoek herwaarts te komen en onze pogingen om u te helpen niet te verijdelen. Doe ons dit genoegen, te meer, daar ook gij en uwe lieden er door worden gebaat; van onzen kant vragen wij waarlijk niet te veel, met het oog op de zware beproevingen, die de Expeditie, in hare pogingen om u te redden, reeds heeft moeten verduren.

»Toet niet en vertrouw niet langer op de stoomboot; want geloot mij, dan steunt gij op «'t gekrookte riet.quot; Ook Shoekri Aga, een flink man, hield zich goed en verlangt vurig dat gij hier komt; hij zegt dat zijn volk als één man bereid is over de bergen van Kavalli te trekken. Dit lag in ons plan, toen wij uit Wadelai vluchtten; zouden wij nu dat plan verwerpen, nu wij zoo goed als zeker zijn Stanley aan het hoofd te krijgen?

»Gij zult misschien denken dat ik gt;Stanleyistquot; ben; dat ben ik ook, maar geloof mij, ik ben ook — en daarvan beschuldigt mij Stanley — »Eministquot;; daarom kan ik ook niet verdragen, dat gij maar steeds wilt wachten, wachten en nog eens wachten, om te zien wat de dag van morgen geven zal. Maar ik vraag u, welk nut zullen uw lotge-nooten trekken uit dat wachten? Gij zoudt hun veel grooter dienst bewijzen, als gij onmiddellijk herwaarts trokt, in elk geval in staat zijn enkelen hunner te redden.

gt; |uist komt Shoekri Aga terug van zijn bezigheden. Hij heeft het een en ander voor mij, met het oog op de reis, in orde gebracht en nu ik met hem spreek over hetgeen ik u schrijf en gedaan heb om Stanley te bewegen herwaarts te komen, zegt hij, dat ik niet beter zou hebben kunnen handelen en bereid te zijn, zoodra gij slechts een enkel

382

-ocr page 423-

emin pacha.

woord spreekt, zooveel dragers te bezorgen als gij, benevens Casati, Marco, Vita Hassan en enkele anderen, met hunne gezinnen, noodig hebt. Als gij er geen belang in stelt voor u zeiven, denk dan ten minste om al de genoemden, want ik geloof, dat er geen andere uitweg bestaat om hier van daan te komen; thans valt er in geen geval iets te winnen bij gt;voorbeeldig stilzitten.quot; Ik deel u dit alles mede, om u te waarschuwen voor eene herhaling van 't geen er gebeurd is, en hoewel ik in kalme bewoordingen schrijf, moet gij er op rekenen, dat ik met moeite mijn verontwaardiging bedwing over dit vernieuwd bewijs van trouweloosheid en bedrog van uwe lieden jegens iemand, die alleen hun redding op het oog had.

gt;Vaarwel, goede vriend, houd moed en tracht flink te handelen. Als ik aan u denk, zoo geheel alleen onder al uwe vijanden, wordt het mij pijnlijk en droevig te moede.

gt; Geheel de uwe,

(get.) s A. J. Mounteney Jephson.quot;

Ik zond dezen brief met een bijzonder vluggen bode af, zoodat Emin hem nogf denzelfden avond in handen kreeoquot;.

O O

Later vernam ik, dat hij, na de lezing, op nieuw besloot tot afwachten. Ik moet bekennen, reeds onder het schrijven, niet veel vertrouwen te hebben gehad, dat ik hem tot handelen kon brengen. Reeds tweemaal had hij de kans laten voorbijgaan om naar M'swa te komen en den weg naar het dorp van Kavalli in te slaan, zoodat ik begon te vreezen hem, met woorden, geen stap nader tot ons te brengen, daar hij allerongelukkigst geheel doordrongen was van den algemeen heer-schenden geest in de Provincie: «Laat ons den dag van morgen afwachten.quot;

Als ik naar het zuidelijk uiteinde van het meer wilde, moest ik door het land van Melindwa, een machtig hoofd en groot vriend van Kabba Rega, koning van Oenyoro, en altijd een van Emin's bitterste vijanden. Ik wist dat wij twee nachten op zijn grondgebied zouden moeten kampeeren, daar het zich een heel eind langs den westelijken oever van het meer uitstrekte, zoodat ik aan de soldaten uit M'swa vroeg, of er ook enkelen onder hen waren, genegen om met mij in de kano's te gaan, daar

5 0

383

-ocr page 424-

JEPHSON,

ik slechts drie oppassers bij mij had met Remingtons en mijn eigen Winchester. Daar zich velen vrijwillig aanboden, koos ik zeven van de besten als mijn lijfwacht uit en kon dus over tien man beschikken. Den ge-heelen dag verkeerde ik in den grootsten tweestrijd, of ik al of niet zou vertrekken; maar hoewel de wind was afgenomen, sloegen de golven noor met zooveel geweld tecren den oever, dat ze door een kano

O O O '

onmogelijk konden worden gekheid. Masa stak op mijn verzoek nog met de grootste boot van wal, maar onmiddellijk sloegen de golven er over heen.

Toen in den loop van den dag mij vele opperhoofden van den stam Loer kwamen vragen, of het dan werkelijk waar was, dat de Moedir het land verliet, en ik hun een bevestigend antwoord had gegeven, schenen allen zeer ter neer geslagen, want als de Moedir weg was, zouden Kabba Rega en Melindwa hen aanvallen en tuchtigen, omdat zij met Emin bevriend waren geweest. Allen spraken met groote ingenomenheid over hem; zij wisten hoe hartelijk hij hun genegen was geweest en dat, al hadden zijn soldaten hen vaak slecht behandeld, zulks niet met den wil van den Moedir had plaats gegrepen ; want, zoo dikwijls zij hem hun nood hadden geklaagd, was hij bereid geweest de soldaten te straffen en te zorgen, dat hun het gestolene werd vergoed. Zij noemden het geval hard; het bericht van 'sMoedir's voorgenomen vertrek was zulk een zware slag, dat hunne harten er schier van ophielden te kloppen. Ik was dit volkomen eens ; 't geval was werkelijk hard, en zou een herhaling traven van 't sfeen er geschiedde, toen de Kn^elschen zich uit Soedan

O O O ' O

terugtrokken en alle bevriende stammen werden opgeofferd. Toen ik tijdens onze gevangenschap in Dufflé Royle's boek over Egypte las, trof mij in menig opzicht de sterke overeenkomst tusschen dezen opstand en dien van Arabi. Behalve dat al de betuigingen van Fadi el Moella en de bevolking, dat Emin »hun vader en hunne moeder wasquot;, precies overeenkomen met hetgeen Arabi, tijdens zijn'opstand, den Khedive toevoegde, waren er nog honderden andere punten van minder belang, waardoor de overeenkomst werd bevestigd.

's Avonds kreeg ik bezoek van Mogo en 't Opperhoofd Ouma; beiden bezorgden mij een aangename afleiding en drukten om strijd hunne verbazine uit over de dwaasheden van de blanke mannen. Ouma was

O

384

-ocr page 425-
-ocr page 426-

I I

.

.....^ ^

......

: . . gt;3iss# ■ • - -

• ' n-.- ■ - • -

. ..:,• ,....... ■ ..v..... ,

.. .

SïKS tjzïïl T^rr^r. :,.ssr-,

■ .....- - ■ ........... 'm '

.

S r: ■ .

,,

^Tilfe^fWt quot; Hi ' •■ ................quot; .........I ......

• ■ ■ ■

.•■■■■

... .... • %•

ml «ut*» ■• gt;'quot;': i;.*quot;quot;! -■■ *•quot; «a:■■■■«quot;: t'quot; '2'

■ ■ ■ ■ ■ ■ ■

,

gt;93$

-ocr page 427-

EMIN PACHA.

nog precies de oude en een groot vriend geworden van Shoekri Aga, een van de weinigen onder Emin's trawanten, die met de inboorlingen wisten om te gaan en voor wien zij ontzag hadden.

De inboorlingen van den stam Loer en de zeven soldaten, die ik bij mij had, sliepen niet ver van mij af, om onmiddellijk bij de hand te zijn, als het meer zóó kalm was, dat de kano's te water konden worden gelaten. Herhaaldelijk was ik des nachts opgestaan om naar het weder te kijken, maar de branding bleef met geweld het strand beuken, hoewel er volstrekt geen wind was. Het meer had veel tijd noodig om tot rust te komen, nu het zooveel dagen zoo sterk had gewaaid.

Op den 3is,en Januari was het meer des morgens we! zooveel kalmer, dat wij de kano's te water durfden laten. De menigte, die mij wilde zien vertrekken, was verbazend groot; elk trad op mij toe om mij goede reis te iwenschen; bijna niemand of hij smeekte mij hen niet te verlaten, maar te trachten Stanley te bewegen, dat hij hun hulp bracht. Ik had mijn bediende Binza, mijn drie Soedaneesche oppassers, zeven soldaten van Shoekri As^a en veertien inboorlingen van den stam

O O

Loer, als roeiers, bij mij, onder bevel van Mogo's broeder Masa, en Nyoeyoe als stuurman.

'tMeer stond hol; wij kregen reeds water binnen dadelijk naonsvertrek, zoodat ik mijn bediende en mijn oppassers voortdurend moest laten hoozen. Ook moest ik mijn zeven soldaten op het strand laten loopen, om de kano's te ontlasten en nu en dan van koers veranderen, om op te passen, dat wij niet op de rotsen stootten. Na verloop van twee of drie uur was het meer zoo bedaard geworden, dat wij aan land konden gaan, om, op een schaduwrijk plekje aan den oever, voor ontbijt eenige harde eieren te gebruiken en de soldaten op te wachten. Om half twaalf staken wij op nieuw van wal, maar moesten weldra weder landen en de kano terugzenden naar de plek waar ik had ontbeten, om vier soldaten op te halen, die ik den eersten keer niet aan boord durfde nemen, omdat het meer het niet gedoogde.

Ik wachtte hen op onder een boom midden in een dorp, waarvan het opperhoofd Voenya heette en zeer vriendelijk was; en toen de ge-heele bevolking in een grooten kring om mij heen was gaan zitten,

387

-ocr page 428-

JEPIISON,

voerden wij een druk gesprek. Nooit zal ik vergeten welk een indruk ik bij de inboorlingen te weeg bracht, toen ik in den loop van ons gesprek mijn pijp voor den dag haalde en aanstak bij een lucifer, dien ik op een steen aanstreek. Zoodra ik maar weer een lucifer uit het doosje nam en tegen een steen wilde aanstrijken, namen zij al mijn bewegingen nauwkeurig op, terwijl zij, op 't hooren van 't geknetter en het zien van de vlam, begonnen te klappertanden en mij wezenloos aan te staren. Maar nauwelijks hadden zij mij er de pijp mede zien aansteken of zij barstten eenparig uit in gelach en klopten elkaar op den schouder. j Hoe slecht,quot; riepen zij uit, gt;hoe slecht zijn de blanken; zie maar, de Inkama neemt vuur uit een steen !quot; De steen werd vervolgens op-. genomen en omzichtig aan alle kanten bekeken door den geheelenkring, om te zien of er ook iets bijzonders aan was te ontdekken. Zij waren niet tevreden, voor ik hun nieuwsgierigheid had bevredigd door meerdere lucifers aan te steken ; zoo vaak een lucifer knetterde, braken zij iii nieuwe lachbuien los, klopten elkaar op de schouders en kwamen zelfs cle vrouwen kijken wat er aan de hand was. Daar lucifers evenwel kostbare waar zijn in Centraal Afrika, weigerde ik er meer af te strijken, maar maakte Voenya gelukkig, door hem twee waslucifers aan te bieden, die hij zorgvuldig wikkelde in verscheidene reepen berkenschors en ergens onder zijn bekleeding wegborg.

Deze negers waren zoo getroffen van de handigheid, waarmede ik vuur uit een steen kon krijgen, dat zij, in hunne vriendelijkheid en gastvrijheid, een koe slachtten en de kano's bevrachtten met het vleesch voor mijne lieden.

Gaarne mocht ik zitten praten met zulke inboorlingen, aangetrokken door het levendige, gastvrije en opgeruimde in hun karakter.

Ook had ik veel schik in de eigenaardige manier, waarop de inboorlingen elkaar op dit gedeelte van den aardbodem groetten. Als twee inboorlingen elkander tegenkwamen, plaatsten zij beide handen op elkanders schouders en spuwden elkaar eerst op den rechter en daarna op den linker schouder. Masa scheen iedereen te kennen, en als de man dien hij kende een bijzondere vriend van hem was, spoog hij met een kracht, dat zijn vriend het speeksel bij de schouders neerliep. Zoo kon de mate van zijn vriendschap worden berekend naar den vorm en

388

-ocr page 429-

EMIN PACHA.

de breedte van zijn speekselstralen. Lieden waarmede hij weinig ophad, maakte hij de schouders ternauwernood nat. Zoo dikwijls als ik iemand nevens hem zag, dien het speeksel in twee dikke stralen langs het li chaam vloeide en hem vroeg'. gt;Masa, is die man een groot vriend van u ?quot; gaf hij ten antwoord : -Ja, meester, alsof hij mijn eigen broeder was ; ik ken hem al van zóó groot af,quot; en hield zijn hand omstreeks een halven meter boven den grond. De verschillende graden van har-

O O

telijkheid in zijn wijze van begroeting waren dus zóó scherp begrensd, dat ik altijd kon zeggen, wie zijn vrienden waren en welke menschen hij niet mocht lijden.

Om drie uur kwamen wij te Magoenga, waarvan het opperhoofd Magala tot mijn oude vrienden behoorde. Tweemaal had ik in zijn dorp overnacht, den eersten keer toen ik met de boot naar M'swa ging, den tweeden keer, toen ik met Emin op de stoomboot was. Prachtig is hier het gezicht op den oever van het meer ; men zou wanen in Zwitserland te zijn. Bij onze aankomst bemerkten wij dat de inboorlingen met voordacht waren verdwenen, zoodat wij het rijk alleen hadden. Magoenga was maar klein ; het telde niet meer dan negen of tien hutten en was slechts een visschersdorp van Magala ; het hoofddorp lag achter de bergen op het plateau, ter hoogte van ruim 5000 M. 't Was gebouwd op een vlak eiland van ruim 200 Aren, dat zijn ontstaan te danken had aan een prach-tigen en breeden stroom, die zich als een geduchte waterval van de

O 1 ö

bergen naar beneden stort. Het dorp zelf lag, als men op het meer was, verscholen achter een prachtig bosch van pisangboomen, wier evenbeeld ik nergens heb aangetroffen. In mijn oog is geen schaduw aangenamer dan die van een dicht pisangbosch, daar het er altijd koel en frisch in is. Want terwijl de schaduw, op de plaatsen waar zij valt, zwaar is, hebben lucht en wind vrij spel tusschen de stammen en mist men het gevoel van afsluiting of verstikking. Vlak aan den oever van het meer, hier een ingestorte rotsmassa, bevond zich een smalle strook mimosastruiken, in dezen tijd van het jaar bedekt met gele bloemtrossen, die riekten als jasmijnen en de lucht van hunne geuren vervulden. Daarachter gelegen bergen, die zich met flauwe helling boven de kleine vlakte aan hun voet verhieven, prijkten met prachtige boomen. Overal waar het terrein tusschen de boomgroepen

389

-ocr page 430-

JEPHSON,

kleine natuurlijke verhevenheden vertoonde, stond de hut van een inboorling, met een eigen tabaksveld; zoodat het geheel den indruk maakte van een hoog op de bergen gelegen hangenden tuin. De plek was uitlokkend, terwijl de rust en kalmte nog werd verhoogd door lommerrijke bananen en mimosa's.

Daar het nog vroeg was, ging ik baden in een ruime en diepe kolk aan den voet van den waterval. Aangenamer bad heb ik zelden eeno-

O O

ten; nooit heeft het koele water mijn lichaam meer verfrischt. Nu ik alles zóó ver had, dat ik den volgenden morgen tijdig kon vertrekken, ging ik vroeg naar bed; maar de soldaten en de Loer's zaten, daar het kamp, door het geschenk van Voenya, rijk was aan vleesch en ander voedsel, nog laat te eten, te praten en te lachen. Destijds was ik zoo gewend aan rumoer in het kamp, dat ik nimmer last er van had en ik zelfs wel gaarne het volk om mij heen hoorde lachen en praten. De wind bleef den geheelen nacht vrij krachtig en bedaarde eerst tegen den morgen; maar toen ik opstond bruiste het meer nog sterk. Al dat gedwongen uitstellen was erg vervelend, maar om dien tijd van het jaar kon men niet verwachten zonder flinken wind te zijn. Ik verkropte mijn ongeduld zoo goed mogelijk, zette mij neder en ontbeet flink met geroosterde pisang en hardgekookte eieren.

's Morgens om tien uur kwam Magala mij opzoeken, daar hij van zijn volk, dat mij, naar ik vermoed, van de bergen zal hebben gezien, had gehoord dat ik was aangekomen ; hij bracht mij rijpe bananen en bananenmeel ten geschenke mede. Eerst leverde hij een uitvoerig beklag in over een der soldaten van M'swa, die, zoo het scheen, twee van zijn lievelingsvrouwen had geschaakt, welke hij nu van mij kwam terugeischen. Ik beloofde hem er aan den Pacha over te zullen schrijven en zeide niet te twijfelen, of de Moedir zou zijn best doen hem zijn vrouwen terug te bezorgen. Hij vertelde mij vervolgens, dat, daar het de minst geschikte tijd was om te visschen, zijn volk het dorp had verlaten om den oogst in te halen van het hooger gelegen plateau. Hoewel er geen wind was, konden wij de booten niet van stapel laten loopen voor drie uur 's middags, zoodat ik besloot zoolang mogelijk in den nacht den tocht voort te zetten. Bijzonder troffen mij de prachtvolle oevers van dit gedeelte van het meer. De bero-en, die een hoogte

O O ' O

39°

-ocr page 431-

EM IN PACHA.

bereikten van óoo M. waren over 't geheel kantig en steil, maar helden flauw aan de buitenzijde, waar zij gedekt werden door allerheerlijkst groen gras en sierlijke boomen. De glijdende beweging van een kano, zoo kalm en bedaard, is veel aangenamer dan die van een boot, met de rukken en 't geplas van de riemen. De zon verdween juist achter de bergen, terwijl alles rust en vrede ademde en de doodelijke stilte alleen werd verbroken door den maatslag van onze riemen, begeleid door een zacht en slepend, maar verre van onwelluidend gezang van de Loer's. Men zou hebben kunnen wen-schen dat dit oogenblik uren mocht duren; maar helaas! daar tropische avonden kort zijn, viel de nacht alras.

Te half negen hadden wij het dorp van Maboko bereikt;'t lag aan den zoom van t gebied van Melindwa en werd er van gescheiden door een vriendelijk rnischenden bergstroom. De Loer's oordeelden het wen-schelijk hier rust te nemen en den volgenden morgen vroegtijdig verder te gaan, om, zoo mogelijk, het land van Melindwa in één dag door te komen.

Het opperhoofd was nog een oud vriend van Masa, die dan ook niet verzuimde hem op zijne eigenaardige gt;vochtigequot; wijze te begroeten. Hij ontving mij gastvrij en hartelijk en bracht mij een groote hoeveelheid bananen en eieren, 't Was stikdonker; de wind zette op van de bergen in rukken, die mij deden huiveren; maar onze lieden legden flinke vuren aan, gingen er om heen zitten en lieten weldra groote stukken vleesch dampen boven het roodgloeiend kolengruis. Na het eten kwam het opperhoofd mij een bezoek brengen; hij s,prak breedvoerig over zijn vriendschappelijke gevoelens voor Emin en liet mij een geschenk van dezen zien, bestaande uit twee groote armbanden. Ook hij gaf zijn bezorgdheid te kennen over de gevolgen van Emin's vertrek uit het land. 't Zou gevaarlijk voor mij kunnen worden te overnachten in 't land van Melindwa, daar deze erg gebeten was op Kmin, zoodat hij mij waarschuwde, als ik het deed, goed op mijn hoede te zijn. 't Volk van Melindwa was, zooals hij mij zeide, verraderlijk van aard en had nog onlangs een kleine afdeeling van zijn landgenooten in de pan gehakt, toen zij op zekeren nacht aan den voet van 't gebergte kampeerden.

't Was reeds laat toen ik mij te ruste begaf in een mij door het opperhoofd aangewezen hut. Toch sliep ik slecht, want het leefde er

391

-ocr page 432-

JEPHSON,

van ratten. Door den wind, die zooals gewoonlijk in den nacht weder was opgestoken, kon ik den volgenden morgen niet voor negen uur vertrekken. Een van de kano's sloeg om bij het van wal steken; gelukkig was het er niet een met soldaten aan boord. Wel zonken er geweren, maar daar het hier toevallig zeer ondiep was, slaafden wij er in allen terug te krijgen. De oever van het meer was nog altijd een voortzetting van de bergketen bij M'swa-, maar, hoe prachtig ook, wekte het landschap niet zooveel geestdrift in mij op als dat van den vorigen dag. Wel waren de bergen bijna even hoog, maar zij vertoonden veel minder afwisseling, terwijl er een langzamerhand breeder wordende kale vlakte tusschen 't gebergte en het meer lag. Om den middag namen wij rust bij een dorpje op een der vlakke eilandjes, gevormd door de bergstroomen. Gezeten in de schaduw van een grooten boom in de nabijheid van den oever, gebruikte ik mijn ontbijt, terwijl nevens mij een stroom zich met hevig bruischende golven in het meer stortte. Toen ik na het ontbijt een pijp zat te rooken, sloop een aantal inboorlingen met vijandelijke bedoelingen door het kreupelhout en schoot een tweetal pijlen af op enkele Loers, die bezig waren een bad te nemen.

Daar ik mijn Winchesters bij de hand had, schoot ik onmiddellijk een paar maal over hunne hoofden heen. De echo van die schoten, door tal van bergen herhaald, verwekte bij de inboorlingen zooveel schrik, d it zij hun biezen pakten en tegen den berg opklauterden, onder gejoel en geschreeuw van de Loers in mijn gevolg. Hun vreugdebetoon leverde een vermakelijk gezicht op, want uit hun aard waren zij zoo bijzonder heldhaftig niet. Zij gingen de hutten binnen, 't welk zij, omdat ik het had verboden, tot nu toe hadden nagelaten, haalden er een aantal korven uit met half gezouten visch en begonnen daarmede een der kano's te laden. Wij roeiden voort totdat het donker werd en kwamen vele aangenaam gelegen dorpen voorbij. Toen ons was gebleken dat wij di avond de grenzen van Melindwa's land niet konden bereiken, besloot ik te kampeeren in eene groote nederzetting, waarvan de bevolking, op onze nadering, de vlucht nam naar't gebergte. Bananen waren er in overvloed-, bovendien stal mijn gevolg, zooals het gewoon was te doen, links en rechts, hoenders, vischtuig of gedroogde visch;

392

-ocr page 433-

EMIN PACHA.

stelen lag zoozeer in den aard van de Loer's, dat het onmogelijk was het hun te beletten. Zij behoorden tot denzelfden stam als de onderdanen van Melindwa; maar daar zij met elkander niet op goeden voet verkeerden en de inboorlingen waren gevlucht, achtten zij zich gerechtigd alles weg te nemen, wat er van hun gading was. Ik zette drie schildwachten uit om het kamp, dat ik met voordacht zoo klein mogelijk had laten aanleggen en versterken door een omheining, samengesteld uit de twijgen deuren der hutten. Zoodoende waren wij ten minste beveiligd voor pijlen, terwijl ik de kano's onmiddellijk van stapel kon laten loopen, ingeval de inboorlingen, in een eenigszins belangrijk aantal, ons des nachts kwamen overvallen.

Ik durfde nauwelijks gaan slapen en stond herhaaldelijk op, om te zien of de schildwachten wel wakker en nog op hun post waren. Er woei den geheelen nacht een hevige wind, terwijl het bitter koud was; gelukkig dat de wind niet op den oever stond en het meer des morgens weder zoo effen was als de oppervlakte van een vijver. Ik had eenige moeite om des morgens de soldaten van Emin en de Loer's in de beenen te krijgen; want daar ik hun den vorigen avond een vet schaap en een flinke geit had gegeven, van Shoekri Aga voor proviand onderweg ontvangen, waren zij druk bezig die dieren op te maken vóór ons vertrek.

Te negen ure kwamen wij te Kanama, het groote dorp waar ik den eersten nacht verbleef, toen ik met de boot naar M'swa ging. De zoon van Vayoe en de verdere dorpelingen kwamen den heuvel at naar een zeker punt op den oever, waar zij mij verzochten te landen en een onderhoud met mij te mogen hebben. Een half uur spraken wij met elkander; zij deelden mij onder anderen mede dat Stanley nog altijd in het dorp van Kavalli was en daar had vertoefd van den dag af, waarop hij, nu drie weken geleden, was aangekomen. Aangezien de berichten van inboorlingen weinig vertrouwen verdienden, hechtte ik aan hunne mededeeling niet veel gewicht.

Zij wisten allerlei verhalen over Stanley te doen; onder meer, dat hij de Waregga's, Kavalli's vijanden, had bevochten en verslagen en dat de Waregga's langen tijd de plaag van den omtrek waren geweest, zoodat elk met genoegen kennis had genomen van hunne nederlaag.

393

-ocr page 434-

JEPIISON,

's Namiddags gingen wij langs het gewezen kamp van Stanley en Emin bij N'sabé, waarvan de hutten nog overeind stonden, hoewel zij eenigszins hadden geleden; maar alles was met gras begroeid, zoodat het geheele terrein er akelig en treurig uitzag. Om vijf uur bereikten wij het eiland Nyamsassie, bewoond door onderdanen van Nampigwa, die zich alleen bezig hielden met de zoutbereiding. Zij leverden het zout op het plateau, waar het aan de omwonende stammen werd verkocht. Nimmer zag ik zooveel kloeke menschen bij elkander; ieder man had de houding van een Sultan. Zij waren lang, welgebouwd en sterk. Alle mannen, droegen een lange, goed gelooide huid met een smallen zoom van witte haren, bij wijze van versiering, langs de randen. Deze huid hing over een' van de schouders, en werd vastgehouden door een blinkend ijzeren voorwerp, bedekte den romp geheel en reikte tot aan de knieën. Zij waren gewapend met groote, sterke speren, bogen en niet-vergiftigde pijlen. Allen hadden een bijzonder rein en gunstig uiterlijk met fijn besneden trekken; klaarblijkelijk behoorden zij tot den stam der Wahoema's. Daar wij nu in de nabijheid van het dorp van Katonza waren gekomen, besloot ik te kampeeren op het eiland en beloofde het opperhoofd mij den volgenden morgen lieden, om mijn goederen over te brengen naar het dorp van Katonza, ruim 1000 M. landwaarts van het meer. Ik durfde bijna zulke fiere mannen niet te vragen onze bagage uit de kano's te dragen; maar mijn Soedaneezen waren minder nauwnemend en zetten de inboorlingen zonder complimenten aan den arbeid. Deze Wahoema's vatten de goederen aan met een soort van deftigheid en glimlachten tegen elkander, alsof zij toonen wilden aan dergelijk werk niet gewend te zijn. Kr woonden op het eiland slechts dertig mannen, vrouwen en kinderen; de vrouwen hadden een schoon, regelmatig gelaat, met zeer vriendelijke en bescheiden trekken.

Het hinderde mij zooals mijn soldaten deze lieden behandelden. Zij commandeerden hen bijna, en 't was om wanhopend te worden onder de brutale manier, waarop zij de menschen duwden en stompten. Altijd had mij hun lompheid jegens gewone inboorlingen gehinderd, maar tegenover deze menschen scheen zij mij bepaald beleedigend. Natuurlijk bestaat er een ojoot onderscheid tusschen deze inboorlingen en de

O O

soldaten; maar 't voordeel was aan de zijde der inboorlingen. Zoover

394

-ocr page 435-

EMIN PACHA.

ik kon nagaan, kwam 't verschil hierop neder; de soldaten droegen een geweer, zonder te weten hoe zij 't moesten gebruiken, liepen in gescheurde kleederen, waren vuil en slaven: de inboorlinoren daarentegen droegen

' ' O O O

speren en bogen, die zij uitstekend wisten te hanteeren, zagen er proper en gunstig uit en waren smaakvol bekleed met fraai gelooide huiden en vrijen. Dat de soldaten zich zoo verheven achtten boven de inboorlingen was alleen daaraan toe te schrijven, dat zij geweren droegen. De inboorlingen hadden een nijlpaard gedood en beijverden zich het vleesch bij gedeelten te drogen, zoodat over de geheele plaats er stukken van hingen. Ik sliep in een zindelijke, maar kleine hut, mij aangewezen door het opperhoofd; het gras, waarvan zij was gebouwd, verspreidde een sterken, doch niet onaangenamen reuk.

Den volgenden morgen maakte ik mij zoo driftig over het tijd verbeuzelen van de soldaten, dat ik een stok nam om hen in de kano te jagen; 't bleef altijd een moeilijke taak hen 's morgens op tijd aan den arbeid te krijgen. Enkele Wahoema's kwamen zich aanbieden voor het dragen onzer lasten. Wij moesten bijna den afstand van een uur gaans roeien op een ondiep gedeelte van het meer, vol modder- en zandbanken. Op de laatsten lagen vele krokodillen, terwijl er snippen, pluvieren, ganzen en eendvogels in overvloed rondvlogen, zoodat ik spijt kreeg geen jachtgeweer bij mij te hebben. Na te half negen aan wal te zijn gestapt, gingen de inboorlingen naar een nabijgelegen dorpje, om meer dragers op te halen, want door de lompe behandeling, die de bewoners van het eiland Nyainsassie van mijn soldaten moesten ondervinden, hadden zich slechts vijf Wahoema's aangeboden. Weldra kwamen zij evenwel terug met de boodschap dat het dorp geheel was ontruimd en dat zij van een inboorling hadden gehoord, dat de bevolking van al de dorpen uit den omtrek naar de bergen was gevlucht, uit angst voor de benden van Kabba Rega, die bezig waren strooptochten in de buurt te doen.

Terwijl ik de overigen achterliet om op de kano en de goederen te passen, ging ik met zes soldaten en eenige Loer's naar het dorp van Katonza. Wij trokken over de plek, waar Stanley kampeerde bij zijne eerste ontmoeting met Emin. In Katonza's dorp aangekomen, vonden wij het door de geheele bevolking verlaten, behalve door twee inboorlingen, die mij vertelden, dat Katonza met zijn geiten, runderen, enz.

395

-ocr page 436-

JEPHSON,

met de groote meerderheid van de bevolking naar het gebergte was gevlucht. Hij had zijn dorp gesteld onder bewaking van zijn broeder N'gwaba en eenige anderen, die zich evenwel over de verschillende boschjes in de buurt hadden verspreid. Dadelijk zond ik een der inboorlingen naar N'gwaba, met de boodschap dat ik mij in zijn dorp bevond en zoo spoedig mogelijk eenige dragers moest hebben. Na verloop van een half uur verscheen hij, bij tusschenpoozen gevolgd door zijn volk, bij twee of drie te gelijk, met vrouwen en huisraad, totdat er ten laatsten omstreeks twintig mannen en tien vrouwen in het dorp bij elkander waren.

Terwijl wij op het volk zaten te wachten, had N'gwaba mij verteld, dat de Waganda's een inval deden in Oenyoro — een gewoon verschijnsel; en dat Kabba Rega zijn vrouwen, zijn veestapel en zijn schatten naar een plaats aan het zuidelijk uiteinde van het meer had gezonden. Aan een wacht van Wara Soera's was het opzicht daarover opgedragen ; Kabba Rega liet zijn Generaal Babadongo vechten teg^en de Waganda's, maar bleef zelf, zooals gewoonlijk bij dergelijke gelegenheden, op den achtergrond. Voor deze wacht waren de inboorlingen bang geworden, want zelf beangst dat de inboorlingen hen zouden aanvallen, hadden de Wara-Soera's besloten zich in staat van verdediging te stellen en velerlei strooptochten gedaan. Na een poos vertoetd te hebben, vertrokken N'gwaba en zijn volgelingen naar het meer, kwamen terug met mijn bagage en mijne lieden en richtten een hut voor mij in.

s Avonds liet ik N'gwaba roepen en sprak ik een geruimen tijd met hem. Toen ik hem zeide naar Kavalli's dorp te moeten, om mij bij Stanley te vervoegen, en hem vijftien of minstens tien dragers vroeg, gaf hij mij ten antwoord zeli geen enkelen drager te kunnen leveren, maar denzeltden morgen, onmiddellijk na mijn aankomst, een bode te hebben gezonden naar Katonza, om hem te zeggen dat ik mij hier bevond en hem te verzoeken dadelijk met manschappen herwaarts te komen. Zonder twijfel zou hij nog heden verschijnen, als hij zooveel volk missen kon, zoodat ik morgen op reis kon gaan. Daarom verzocht hij mij te blijven waar ik was en Katonza's komst af te wachten. Op allerlei manieren beproefde ik dragers van hem los te krijgen ; zelis dacht ik

396

-ocr page 437-

EMIN PACHA.

er over eenige lasten onder zijn toezicht achter te laten, als ik met mijn eigen lieden vertrok, en bij Kavalli gekomen eenige dragers naar beneden te zenden, om de rest naar het plateau te brengen. Maar daar Kabba Rega's stroopers in de buurt verkeerden, had ik weinig lust een deel van mijn bagage te laten op een plaats, waar het allicht zou worden weggekaapt, zoodat ik, evenwel met weerzin, besloot op de komst van Katonza nog een dag te wachten. Was hij er dan nog niet, dan zou ik, zooals ik N'gvvaba zeide, verplicht zijn te vertrekken en den tocht maken, zoo goed en kwaad als het ging.

N'gwaba scheen een goedhartig man te wezen; hij stond altijd klaar, ja zocht de gelegenheid op om mij van dienst te zijn; hij had, geloof ik, gelijk in zijne bewering, dat de reden, waarom hij zoo weinig lieden bij zich had, te zoeken was in den verwarden toestand van zijn gebied, 't Was vervelend, maar er was niets aan te veranderen; in Afrika dient men eene groote mate van geduld te hebben. Ik was reeds acht dagen onderweg; negen dagen geleden had ik Stanley's briei ontvangen en naar alle waarschijnlijkheid zou ik nog drie dagen noodig hebben, zoodat ik niet vóór 7 Februari kon aankomen, terwijl Stanley uitdrukkelijk had verklaard, dat als een van ons beiden, de Pacha of ik, den ó'1™ niet bij hem waren, hij zich verplicht rekende te vertrekken. Men kan zich dus voorstellen, hoe ongeduldig ik begon te worden onder ons herhaaldelijk oponthoud.

Toen 'savonds een aantal vrouwen bij ons een kijkje kwamen nemen, verschafte ik haar een groot genoegen door mijn spiegel te ver-toonen. Eerst schrikten zij voor de zuivere terugkaatsing van haar eigen gelaat, maar weldra raakten zij er aan gewend en lieten den spiegel van hand tot hand rondgaan. Zij staken de hoofden bij elkaar, om een blik te kunnen werpen op haar eigen troniën, lachten en hieven het hoofd op voor den spiegel en draaiden en wrongen het gelaat in allerlei bochten, om het op alle mogelijke wijzen te kunnen aanschouwen. 't Viel mij op dat de oudsten en leelijksten het langst den spiegel in handen hielden, zoodat ik hem nauwelijks terug kon krijgen van eene oude matrone, die haar rimpels zat te bewonderen met een glimlach van genot op de lippen. Weldra stond het geheele dorp, met inbegrip van het opperhoofd, voor mijn deur, om zich in den spiegel te

397

-ocr page 438-

JEPHSON.

bekijken, iets waarin de mannen evenveel behagen schiepen als de vrouwen.

Den volgenden dag hadden wij niets te doen als wachten op Katonza's komst. In den vroegen morgen kwamen N'gwaba en zijn gevolg mij de hand drukken — inboorlingen zullen u nooit de hand schudden — toen ik nog pas was opgestaan. De meeste inboorlingen zijn verzot op rooken, en, zonder er een woord bij te spreken, den blanken man aan te staren, 's Namiddags kwam Katonza met een koe, die hij aan mijn tochtgenooten vereerde. Bij dit bezoek werd hij vergezeld door een groot aantal zijner onderhoorigen.

Eerst kon ik niet best met hem overweg, want hij had eene lange lijst van klachten in te brengen tegen Kavalli en scheen er jaloersch van dat Stanley diens dorp voor verblijf had gekozen. Hij verlangde zeer dat Stanley ook in zijn dorp mocht vertoeven, om hem te beschermen tegen de strooptochten der onderdanen van Kabba Rega en verzocht mij onze lasten onder zijne hoede te laten, om ze aan Stanley te kunnen overgeven, zoodra hij op de vlakte zijn kamp kwam opslaan.

Ik zou hem niet gaarne hebben beleedigd met de mededeeling dat Stanley daar volstrekt geen plan op had, want dan zou hij hoogst waarschijnlijk geweigerd hebben mij verder van dienst te zijn, zoodat ik hem beloofde zijn voorstel aan Stanley over te brengen, die dan eene beslissing kon nemen. Ik drukte hem op het hart, dat ik er het grootste belang bij had den volgenden dag in het dorp van Kavalli te komen, en dat hij, als hij Stanley genoegen wilde doen, mij dragers voor mijn bagage moest bezorgen, om Stanley daardoor te toonen dat hij werkelijk prijs stelde op zijn vriendschap, waarop hij beloofde den volgenden morgen dragers te zullen leveren. Het verheugde hem zeer, toen ik hem zeide, dat Emin en enkele anderen misschien met de stoomboot kwamen en zich zouden willen ophouden in de nabijheid van zijn dorp; hij beloofde dan ook een goede behandeling en een overvloed van levensmiddelen. Allerlei verhalen wist hij mij te doen over de verschillende opperhoofden en de handelingen van Kabba Rega. Deze shauri of conversatie kostte mij niet minder dan vier en een half uur. Alles wat ik wenschte moest ik in't Ki Swahili zeggen aan mijn bediende

398

-ocr page 439-

EMIN PACHA,

Binza, die het in 't Arabisch overbracht aan een soldaat, door wien het in de taal der Loer's werd overgezet en medegedeeld aan Masa, die ten slotte in het Kinyoro aan Katonza betoogde wat ik verlangde. Tusschen het oogenblik waarop ik mijn vraag deed en dat waarop ik het antwoord bekwam, had ik tijd genoeg om een pijp uit te rooken; maar Katonza en ik maakten ons, en dat is 't voornaamste, aan elkander verstaanbaar. Ik vereerde hem en zijn broeder N'gwaba elk een groote lap wit katoen ; 't was alles waarover ik had te beschikken, maar zij schenen er meer dan tevreden mede.

's Avonds kreeg ik een nieuw gezelschap om mijn hut, dat mijn glazen kandelaar wenschte te zien, die binnen met een brandende waskaars van Emin stond te prijken. Allen drukten de grootste verbazing uit en waren zelfs zóó nieuwsgierig, dat zij begeerden te weten waar het voorwerp van was gemaakt, zoodat ik de lieden binnen noodigde, om het nader te bekijken. Niemand bleef buiten en niemand tikte tegen het glas, of hij schudde zijn hoofd en verklaarde dat de blanken een wonderlijk slag van menschen waren.

Den 6'lcquot; Februari stond ik vroeg op, om tijdig te kunnen vertrekken, en, vóór de zon al te sterk begon te branden, het bergbeklimmen achter den rug te hebben. Ik kende het bergpad nog van ouds; 'twas steil en rotsachtig en zat vol kleine scherpe kwartsbrokken, zoodat men vaak op de steilste gedeelten uitgleed. Op die manier moesten wij meer dan 600 M. klimmen vóór wij op de hooge tafellanden waren ■, om het dorp van Kavalli te bereiken moesten wij van den rand van 't plateau at nog twee en een half uur marcheeren, zoodat ik het zwaarste credeelte van onzen tocht naar boven o;aarne tegren den middaquot;' achter den

O 000

rug zou willen hebben. Maar wie meent te mogen verwachten vlug te kunnen voortkomen met negers, rekent buiten den waard, ondervindt gewoonlijk teleurstelling en moet een onuitputtelijk geduld gebruiken. In spijt van zijn krachtige beloften dat alles tijdig gereed zou zijn, kwam Katonza mij mededeelen, dat zijne lieden nog niet in zulk een voldoend aantal waren aangekomen, dat hij mij dragers kon medegeven. Langen tijd sprak ik met hem op een toon van ongeduldig geduld en bracht hem aan 't verstand, dat ik nog noodzakelijk denzelfden dag in Kavalli moest zijn. Toen ik hem te kennen gaf dat Stanley geen zin zou heb-

52

399

-ocr page 440-

JEPIISON,

400

ben hem van dienst te zijn tegen Kavalli, leverde hij mij, na veel gepraat en gehaspel, een achttal lieden. Enkele lasten droeg ik op aan de', Loer's, flinke kerels, die, in den tijd dien zij bij mij waren, zich zeer aan mij hechtten en veel zorg voor mij en mijn

have betoonden. Drie lasten liet ik bij Katonza achter op zijn belofte er op te willen passe i tot de dragers van Kavalli aankwamen, om ze naar het plateau te brengen. Hij overtrof evenwel zichzelven.

-ocr page 441-

EMIN PACHA.

daar hij de goederen een paar dagen later door zijn eigen onder-hoorigen liet bezorgen. Tegen 8 uur kon ik eindelijk vertrekken, een eind vergezeld door Katonza en N'gwaba, van wie ik afscheid nam aan den voet van 't gebergte, terwijl wij elkaar wederkeerig het beste wenschten

Ik merkte op dat een van mijn dragers een weinig jaloersch was op eene vrouw, die den zwaarsten van alle lasten had genomen, het toch tegen de mannen volhield en blijkbaar zonder de minste inspanning er flink 't gebergte mede beklom. Opgeruimd schreden wij voort door de op een liefelijk park gelijkende vlakte, waarop groote kudden Caa-ma's ^ Koedoe's 1) en springbokken 2) graasden. Buffels 3) stonden in groepen onder de wijdvertakte boomen en sloegen met de staarten heen en weer, terwijl wij van tijd tot tijd een paarlhoen rgt;) wormpjes zagen oppikken uit het malsche jonge gras. Alles ademde blijheid en levenlust en naar mate ik hooger klom in de reine en frissche atmosfeer van het tafelland, sloeg mijn geest zijn wieken vrijer uit. Hoe heerlijk was het mij te moede, nu ik mij buiten de dampen en zwoelte van Emin's Provincie bevond. Toen wij voor drievierde gedeelte den berg hadden beklommen, liet ik halt houden, om uit te rusten in de schaduw van een groep boomen nabij een koelen en vriendelijk ruischenden bergstroom, 't Volk wierp zijn lasten neer en sprong in het water; elk nam een bad, terwijl ik bezig was te ontbijten. Wij waren op het punt van verder te gaan, toen Masa, die op een heuvel stond, eensklaps uitriep, dat hij menschen in licht gekleurde kleederen van de bergen zag dalen. Na onmiddellijk ook dien heuvel te hebben beklommen, mocht ik in de verte een lange rij menschen langs het slingerpad naar beneden zien komen, liet hen nog een weinig naderen en uitte, onder het wuiven met den hoed, een luiden kreet. Zij

401

1

Strcpsiceros Kudu, een Antilope met lange gedraaide horens. Vertaler.

2

Antilope F.uchon. Vertaler.

3

Waarschijnlijk Bubalus Ca/cv. Vertaler,

-ocr page 442-

JEPHSON,

bleken een gedeelte te zijn van onze trouwe Zanzibarieten en kregen mij nauwelijks in het oog, of zij holden den berg af, onder luid gejuich en het lossen van vreugdeschoten. Zij schenen blijde te zijn dat zij mij terugzagen, joelden op hun gewone luidruchtige manier en riepen mij hun gelukwenschen en welkomstgroeten toe, terwijl de trouwe Oeledi zijn armen uitstrekte en mij omhelsde.

Zij deelden mij mede, hoe ongerust Stanley zich begon te maken, dat wij zoolang wegbleven; dat zijn onrust bij den dag was toegenomen en hij eindelijk had besloten Stairs met het verdere gedeelte van de Expeditie bij zich terug te roepen. Hij had overvloedig levensmiddelen van de inboorlingen kunnen krijgen, zoodat hij sedert den i8den lanuari steeds te Kavalli was gebleven.

Den vorigen nacht waren inboorlingen Stanley komen berichten dat te Nyamsassie een blanke met kano's was verschenen, waaruit hij dadelijk had opgemaakt dat ik de bewuste blanke moest zijn, zoodat hij een afdeeling Zanzibarieten had afgezonden om mij naar Kavalli te brengen. Na een halt uur rust te hebben genomen, ten behoeve der Zanzibarieten, die ondertusschen met ons allerlei vragen en antwoorden wisselden, trokken wij op. Bij een breeden stroom met helder water, niet ver van het dorp van Kavalli, commandeerde ik halt, nam een heerlijk bad en trok mijn beste uniform aan, om in gepast toilet in het kamp te verschijnen. Het geheele kamp liep uit om ons te zien aankomen, terwijl ik reeds de Manyoeëma's in hun witte kleeding heen en weer zag loopen. Stanley had allen wel gelast in 't gelid te blijven, maar toen ik naderbij kwam, konden zij het niet uithouden, verbraken de gelederen, namen mij in den kring, boden mij luide hun gelukwenschen aan en trokken mij daarbij de handen haast van het lijf. Zulk een onstuimig welkom was nog te heerlijker, daar ik zoovele maanden had gezucht onder Soedaneezen en Egyptenaars.

Stanley ontving mij op zijn gewone kalme manier, maar toch met een glimlach op de lippen; al geloof ik dat het hem genoegen deed mij weder te zien, ik weet hoe blijde ik was weder bij hem te zijn.

De aanvoerders der Manyoeëma's en vele anderen heetten mij hartelijk welkom, waarop Stanley mij — onder een regen van begroetin-

4-02

-ocr page 443-
-ocr page 444-

iiiU

.

, ............ ..... . . . .,........

T'ï li ^1 • .,i

Ptii*i*$m ?*amp;?*amp; . . , , .

....

-ocr page 445-

EMIN PACHA.

405

gen uit aller monden — naar zijn tent geleidde, een kop thee aanbood en vroeg wat ik had te vertellen. Toen mij in den loop van 't gesprek twee brieven werden ter hand gesteld van juni 1887, terwijl het nu Februari 1889 was, maakte ik ze ijlings los en las ze gretig, want het waren brieven van huis.

-ocr page 446-

HOOFDSTUK XVI.

EMIN'S ONTZET.

lt;£gt;•-

Ons kamp bij het dorp van Kavalli. — Dingen die zich moeilijk laten vertellen. — Bespreking van plannen. — Stanley doet Stairs ontbieden. — Brief aan Emin. — Onder vrienden terug. — Brief aan Emin. — Aankomst van Emin te Wéré. — Emin welkom ge-heeten door de Zanzibarieten. — Het verhaal van den Pacha. — Onverwachte wenteling van het rad der fortuin. — Vluchtelingen, die om dragers vragen, — Vertrek met Emin naar het dorp van Kavalli. — Lankmoedigheid van de Zanzibarieten. — Tweede ontmoeting tusschen Emin en Stanley. — Aankomst van Stairs en zijn volgelingen. — De Expeditie is weder bijeen. — «Dood ! Meester, dood !quot; — Beschouwingen. — Slot.

Ons kamp in de nabijheid van het dorp van Kavalli was zeer ruim, terwijl ongeveer 100 M. verder, beneden het onze, een tweede kamp werd opgeslagen voor de lieden van Tippoe-Tib. De Zanzibarieten bouwden hun hutten van gras in een kring om de tent van Stanley heen, in wier nabijheid een keurig verblijf voor mij in gereedheid werd gebracht. Alleen Bonny was bij Stanley. De drie officieren Stairs, Nelson en Parke waren nog in het kamp aan den Itoeri Ferry, met de zieken en een groot gedeelte der bagage.

-ocr page 447-

EM1N l'ACIIA.

Na bij Stanley het avondeten te hebben gebruikt, bleven wij tot diep in den nacht met elkander allerlei dingen bespreken. Zoo goed ik kon legde ik Stanley den toestand bloot waarin Emin verkeerde, en deelde — zooals mij bij ondervinding was gebleken — hem mede, dat tot dusver Emin zelf het grootste struikelblok was geweest voor zijn eigen ontzet, daar hij tweemaal de kans had laten voorbijgaan om naar Stanley te komen. Daar ik met tien geweren mij een weg konde banen, moest hij het hebben kunnen doen met de dertig of zooveel meer als hij toen bij zich had. Ik maakte Stanley duidelijk dat het mij geheel onmogelijk was, in korte woorden, hem den staat van zaken in de Provincie te schetsen. De eigenlijke bedoelingen van het volk had ik, ongeacht een verblijf van acht maanden, nooit volledig kunnen vatten. Ik kon alleen verhalen wat ik wist, mij beroepen op enkele voorvallen en eenige gesprekken weergeven, door mij met Emin gehouden, doch moest aan Stanley zeiven overlaten zijn gevolgtrekkingen te maken.

Toen Stanley mij vroeg naar welk plan, voor zoover ik het land nu kende, ik oordeelen zou Emin het best te kunnen helpen, gaf ik als mijn gevoelen te kennen, dat het het beste zou zijn te marcheeren naar het dorp van Magala, gelegen op het plateau boven Magoenga, 12 of 15 K.M. van M'swa, en dan, zoo Stanley het goedvond, met mijn bediende Binza, naar het station M'swa te gaan, 't welk ik de Zanziba-rieten zou kunnen wijzen van het plateau, waar zij behoorden te wachten. Was de Pacha aanwezig en geen onraad te duchten, dan konden de Zanzibarieten naar het station afdalen en Emin geleiden naar 't kamp van Stanley, terwijl wij konden gaan naar het dorp van Kavalli, om allen op te wachten, die alsnog genegen mochten zijn zich bij ons aan te sluiten. Ik geloof dat Stanley, hoewel hij het nooit heeft gezegd, wel geneigd was op dit plan in te gaan. Alleen gaf hij te kennen dat het laatste gedeelte der Expeditie in het dorp van Kavalli moest zijn, alvorens hij iets kon vaststellen, daar hij thans veel te weinig volk had, om een beslissenden stap, van welken aard dan ook, tot Emin's ontzet te kunnen doen.

Hij verklaarde verder, wanneer hij in het plan trad, niet te willen optrekken vóór hij met zekerheid vernam dat Emin te M'swa was.

407

-ocr page 448-

JEPHSON.

Zooals ik Emin kende, kwam mij Stanley's besluit buitengewoon verstandig voor.

Stanley bezit ééne eigenschap, waardoor 't werken onder zijne leiding zooveel belangrijker wordt; hij is namelijk altijd bereid bedaard te luisteren naar 't geen zijn officieren in het midden mochten willen brengen over een stap, dien hij hun heeft voorgesteld, en zelfs als hij het er niet mede eens is, bepaalt hij zich nooit tot kortweg te verklaren dat het plan onmogelijk is, maar legt hij tot in de kleinste bijzonderheden uit, in welk opzicht hij bedenkingen heeft of waarom het plan onuitvoerbaar is. Zoodoende kregen wij menige nuttige les, die wij anders zouden hebben gemist. Stanley was gewoon een denkbeeldigen toestand te schetsen en zich dan plotseling tot ons te wenden met de vraag, wat wij onder dergelijke omstandigheden zouden doen. Zijn leerschool is mij doelmatig gebleken.

Stanley had reeds aan Stairs geschreven om dadelijk over te komen en er uittrekkels uit de van mij ontvangen brieven bijgevoegd, waaruit bleek van de gevangenneming van den Pacha en mij. Thans deelde, hij hem in een nader schrijven mede, dat ik in zijn kamp was aangekomen. De daarmede voltooide brief werd den 7''un Februari, dus daags na mijn aankomst, door vijf en dertig man aan Stairs overgebracht.

Den 8s,en Februari aanvaardden de zeven soldaten, die met mij uit M'swa waren gekomen, nevens Masa en de lieden van den stam Loer, de terugreis derwaarts. Zij namen een brief van Stanley mede voor Emin, waarin hij hem uitnoodigde te M'swa te komen, waar hij naar alle waarschijnlijkheid in de gelegenheid zou zijn hem te helpen. Ook ik schreef aan Emin om hem op de hoogte te stellen van alles wat ik had mogen vernemen en mij aan te sluiten bij Stanley's voorstellen. Voor zij vertrokken, verzocht Stanley mij al de Loer's een halsband te geven van blauwe kralen en een aantal kauri's, waarmede zij ten hoogste waren ingenomen. Stanley verzocht verder zijn groeten aan Shoekir Aga en schonk hem een prachtige zijden sjerp.

Gedurende de weinige dagen, die wij nog over hadden, was er zeer veel te doen. Ik moest nog druk laten timmeren om de overige officieren der Expeditie, bij hunne aankomst, te kunnen huisvesten en uit

4o8

-ocr page 449-

EM1N PACHA.

het groote stuk zeildoek, dat mij er voor ter hand was gesteld, een tent voor mij zelf gereed te maken. Voorts moest ik voor Stanley nog een schriftelijk rapport opstellen over mijn verblijf in Emin's Provincie. Op de dagen, die wij op deze wijze te zamen doorbrachten, at ik met Stanley en spraken wij veel over 't geen mij was overkomen. Nadat ik het geheele verhaal gedaan, verschillende punten daarvan nader toegelicht en allerlei bijkomende omstandigheden, benevens mijne gesprekken met Emin, vermeld had, begreep Stanley ten laatste den geheelen staat van zaken.

Alle avonden zat ik met Stanley, onder 't genot van een pijp, buiten te praten. Nooit zal ik dien prettigen tijd vergeten. Na de wanorde en wankelmoedigheid in de bestuursaangelegenheden, waarvan ik in de laatste acht maanden getuige was geweest, voelde ik mijn zedelijke kracht herleven door de tegenwoordigheid niet alleen van een man, wiens woord wet was, die nooit aarzelde en gewoon was dat al zijn bevelen blindelings werden gehoorzaamd, maar ook door met h.em te spreken en naar zijn duidelijk en helder oordeel over de dingen te luisteren. Alles wat mij tot dusver min of meer vaag was gebleven, werd mij klaar, nu Stanley er zijn toelichtingen en bijvoegingen aan schonk, terwijl rondom ons heen de vuren van het kamp hun gloed verspreidden over de gelukkige en tevreden aangezichten van onze Zanzibarieten. Als de lieden om ons heen juichten en jubelden, was het mij een bron van zelfvoldoening en tevredenheid, achterover geleund in mijn gemakkelijken stoel, te mogen gevoelen dat de dagen van verraad, die mij zoozeer hadden beklemd, voorbij waren en ik eindelijk eens weder verwijlde onder betrouwbare vrienden, 't Was mij of ik weer in mijn eigen huis was.

Toen Stanley en ik den 13'1™ na het eten met elkaar zaten te redeneeren, kwam een inboorling hem een' brief overhandigen. Na vlug de enveloppe te hebben opengebroken, reikte hij mij een bij het zijne ingesloten schrijven toe. 't Waren brieven van Emin, die den vorigen avond per stoomboot was aangekomen in Weré, nabij 't eiland Nyam-sassie

Hij had een aantal officieren en verder gevolg bij zich, en schreel nu aan Stanley om manschappen, die hem naar het dorp van Kavalli.

409

-ocr page 450-

JEPHSON,

konden geleiden. Verder deelde hij mede de Advance, thans voorzien van nieuwe bouten en schroeven, bij zich te hebben, benevens zestig olifantstanden om Tippoe Tib's dragers te betalen.

Stanley was met deze tijding bijzonder in zijn schik, zoodat hij mij over de tafel heen de hand toestak en uitriep: «Kameraad, wij komen ten laatste toch tot ons doel!quot; Toen ik de opmerking maakte, dat wanneer iemand deze uitkomst verdiende, hij het moest zijn, omdat hij er zoo zwaar voor had gearbeid, liep Stanley naar buiten om zijn Zan-zibarieten te roepen, die in een ommezien toesnelden, en deelde hij hun mede dat de Pacha op Nyamsassie was aangekomen, zoodat wij toch in staat zouden zijn hem te redden. Na luid en lang blijk te hebben gegeven van hetgeen zij onder die mededeeling gevoelden, begonnen zij te zingen en te dansen en gingen daarmede den halven nacht voort.

Emin schreef mij het volgende;

»Kamp te Weré, nabij het dorp van Katonza, 13 Februari 1889.

»Waarde Jephson! Gisteren namiddag ben ik hier aangekomen met de beide stoombooten, in gezelschap van Casati, Marco, Vita, Selim Aga, Bilal Aga, Surore Aga (wel bekend uit Laboré !) en een aantal officieren en veertig soldaten als lijfwacht; verder Rajab en Arif Eftendi en eenige anderen, die allen hun goederen en lasten medebrengen. Voorts heb ik bij mij het ivoor en de Advance, die weder bruikbaar is. Den heer Stanley heb ik om dragers verzocht, die ten uwen behoeve sesamum en graan bij mij kunnen halen; maar, nu de officieren sterk beginnen te verlangen hem te ontmoeten en uit zijn eigen mond te hooren wat hij hun heeft voor te stellen, zal ik zoo mogelijk binnen twee of drie dagen, in hun gezelschap, naar uw kamp afreizen. Ik gevoel mij echter niet al te wel, terwijl het loopen mij moeilijk valt en pijn veroorzaakt; maar als ik niet kan komen, schrijf ik omstandig. Thans hebben wij ons lot weder in handen en moeten wij van de gelegenheid gebruik maken. De muitelingen hebben zich weder aan mij onderworpen en zijn volkomen bereid te gehoorzamen, maar ik denk toch niet, dat wij uit Wadelai allen hebben te wachten.

-ocr page 451-

EMIN 1'ACHA

»Tevens vergezellen mij de vrouwen van Bachit en Binza, twee meisjes, Saboeni, een knaap, en een vrouw met haar kind, die gij bij ons hebt achtergelaten en, geloof ik, behoort aan een van uwe lieden.

»Ik ben u zeer verplicht dat gij zoo vriendelijk waart u mijn dochtertje te herinneren; zij is natuurlijk hier en zendt u een kushand.

»Gij zult u kunnen voorstellen hoe gaarne ik bij u was. Wij hebben nog zoovele schikkingen te maken, dat alleen een onderhoud met den heer Stanley ons er door helpen kan. Daarom zal ik zoo spoedig doenlijk komen. Als gij iets uit M'swa noodig hebt, schrijf het mij dan, want de stoombooten gaan er weder heen om de schrijvers en de ongeregelde troepen op te halen. Ik hoop dat gij aangename en goede tijdingen van huis zult hebben gekregen; want na al uwe beproevingen onder weg, uw gevangenschap en de droeve dagen bij mij doorgebracht, hebt gij, zeer zeker, wel een kleine belooning verdiend. Hartelijk dank voor de couranten, die gij zoo goed waart mij te zenden.

sik heb mijn hart opgehaald aan een uitgeknipt courantenartikel, dat ik in een der brieven van Stanley aan mij heb gevonden, waaruit mij bleek, dat mijn geheele bezending voor het Britsch Museum ofoed is overcjekomen.

O O

gt;Wil zoo goed zijn uwe mede officieren voor mij te groeten ; Casati en de verdere vrienden verzoeken mij wederkeerig u hunne groeten te willen overbrengen.

sin de hoop u weldra te zullen ontmoeten, blijf ik

»(Jw toea^eneeen

O O

(get.) »Dr. Emin.quot;

gt;?. S. De mij door u aanbevolen lieden heb ik betaald. Het opper hootd van Magoenga zal zijn vrouwen hebben.quot;

Stanley verzocht mij op den volgenden morgen naar het meer te vertrekken met eenige Zanzibarieten en inboorlingen, om onverwijld Emin, met zijn gevolg en goederen, naar Kavalli te geleiden.

Ik vertrok dus den i4'lLn Februari om zeven uur met vierenzestig Zanzibarieten en omstreeks evenveel inboorlingen, als dragers, ter ophaling van den Pacha, zijn bagage en de officieren, die mede wilden ko-

-ocr page 452-

JEPHSON,

men om Stanley te spreken. Daarna zouden zij naar Wadelai terug-keeren en konden daar blijven of hun gezinnen medebrengen, al naar zij verlangden. Welgemoed trokken wij op; de karavaan marcheerde flink en had Oeledi met de Egyptische vlag aan de spits. Wij bereikten dus tijdig den voet van het gebergte, maar de inboorlingen, die ons den weg moesten wijzen naar het kamp van Emin, raakten verdwaald en leidden ons bergafwaarts langs een allerellendigst pad, dat veel geleek op de drooge rotsbedding van een bergstroom. Daarna leidden zij ons in een halven cirkel over de vlakte, zoodat wij niet voor omstreeks vijt uur bij het meer kwamen, na een warmen en vermoeienden tocht van 43/.i uur. Met doorgeloopen voeten en doodelijk vermoeid bereikten wij den oever; wij waren schier versmacht van dorst, daar het weinige water, dat wij onder weg hadden aangetroffen, onbeschrijfelijk vuil was. Wij zagen onder weg allerlei soorten van antilopen, buffels en zwijnen in troepen op de vlakte grazen; maar mijn tochtge-nooten waren veel te vermoeid om buiten de paden te gaan en op de dieren te schieten; zij wilden niets liever dan zoo spoedig mogelijk het kamp van Emin bereiken. Maar pas zagen de Zanzibarieten het meer, of zij vergaten hun vermoeienis, snelden als razenden naar het kamp en riepen uit zoo luid als zij konden; gt;Salaam! Basha! Salaam!quot;

Zij maakten al hun gewone dolle bewegingen, om kenbaar te maken hoe blijde zij waren den »Bashaquot;, zooals zij hem noemden, weder te zien ; en terwijl zij hem omringden en allerlei welkomstgroeten uit-kraaiden, stond Emin met een lach op de lippen in hun midden en toonde daardoor hoeveel behagen hij schiep in hunne luidruchtige begroetingen.

Verbazing stond te lezen op de dikke en stroeve aangezichten der Soedaneesche soldaten, toen zij getuigen waren van het gejoel der Zanzibarieten, terwijl zij zich blijkbaar niet konden voorstellen welk soort van lieden die uitgelaten en blijkbaar onbeschaalde Zanzibarieten toch konden wezen.

Emin scheen, hoewel hij mij hartelijk begroette, niet wel te zijn; toch deed hem de gedachte goed, dat hij thans het land kon verlaten. Nadat de kleine Earida bij mij was geweest, kwamen al de officieren, schrijvers en verdere lieden en bleven een geruimen tijd. Terwijl Emin

412

-ocr page 453-

EMIN PACHA.

mij mededeelde dat hij plan had al zijn officieren den volgenden dag bij elkander te roepen, verzocht hij mij een aanspraak te willen houden en allen te vragen, wat zij hadden besloten te doen.

Het kamp was in zeer voldoenden toestand en omstreeks 50 K.M. verwijderd van dat te N'sabé. De vlakte geleek er, evenals bij het dorp van Katonza, op een park en helde flauw naar bet meer, waarop men, tusschen de boomen door, uit de tent van den Pacha een heerlijk uitzicht had; maar het was verbazend heet en 't wemelde van muskieten. Na het eten gingen Casati, Emin en ik onder een sigaar in't maanlicht buiten zitten en vertelde Emin ons van zijne Provincie.

Nog altijd heerschte daar een algemeene verwarring en wanorde, terwijl de gewone onmogelijke verhalen en geruchten aanhielden. Van de Donagla's had men niet weder gehoord, behalve dat zij nog te Rejal waren en op versterking uit Khartoem wachtten. Emin betuigde dat hij er zelf verbaasd over was, hoe hij, na alles wat er was voorgevallen, nog uit het land had kunnen komen; wij mochten bij slot van rekening de Donagla's wel in waarde houden, daar zij zooveel schrik hadden verwekt, dat men ons uit Dufflé liet gaan ; wanneer de Donagla's niet gekomen waren, zouden wij zeer zeker verloren zijn geweest.

Hij had bij zich Selim Aga (thans Bey), Bilal Aga, die zoo dapper had gevochten in Dufflé; Surore Aga, die zijn best had gedaan om te Laboré Emin en mij te doen vermoorden en tal van andere oflicieren en schrijvers met hunne vrouwen en kinderen.

't Scheen dat Selim Bey, dadelijk na ontvangst, mijn brief, dien ik hem schreef vóór ons vertrek uit Toengoeroe, aan de in opstand gekomen officieren te Wadelai voorgelezen en te gelijk zijn voornemen te kennen gegeven had, om per stoomboot naar Stanley te gaan. Natuurlijk was er groot verschil van gevoelen ontstaan tusschen de officieren, die met ons wilden, en de overigen, die verlangden te blijven,'t welk zoo hoog liep, dat er een hevige twist uit voortkwam.

Maar officieren zoowel als soldaten waren zeer ontstemd, toen zij hoorden dat ik zonder hun voorkennis vertrokken en naar alle waarschijnlijkheid reeds bij Stanley aangekomen was, op het oogenblik waarop zij met den brief kennis maakten.

Van alle kanten hadden overdreven verhalen de ronde gedaan over

413

-ocr page 454-

JEPHSON,

Stanley's troepen, zoowel wat hun macht als wat hun aantal betrof, zoodat zij bang begonnen te worden, dat Stanley, zoodra ik hem 't verhaal van den opstand had gedaan, hen uit het zuiden aantasten zou, en zij, daar in het noorden de Donagla's verkeerden, als 't ware tusschen twee vuren geraakten. Zoodoende behielden de aanhangers van Selim Bey de overhand en kwamen een aantal officieren en anderen, met de stoomboot, mij de olifantstanden brengen, die ik voor de dragers van Tippoe Tib had verzocht en reisden zij door naar Toen-goeroe om Emin te bezoeken. Surore Aga en enkele andere oificieren hadden, naar ik mij verzekerd houd, geen plan gehad tot ons te komen, maar alleen eens willen weten, hoe sterk Stanley's legermacht eigenlijk was.

In Toengoeroe aangekomen, hadden allen zich bij Emin vervoegd met de vraag of zij hem naar M'swa mochten vergezellen, hetwelk hij hun toestond, zoodat hij de stoomboot betrad met Casati, Vita en zooveel anderen als er plaats op konden vinden.

Na een verblijf van eenige dagen te M'swa, waren de officieren op nieuw bij Emin gekomen, om hem te verzoeken mede te gaan naar Stanley. Tóen zij op zijn vraag in welke hoedanigheid, hem hadden geantwoord dat zij hem mede wilden hebben als hun tolk, verklaarde hij als zoodanig onmogelijk mede te kunnen gaan. Daarop vertrokken, hadden zij een vergadering — vergaderen was hun een behoefte — gehouden, waarin Shoekri Aga het woord genomen en ten gunste van den Pacha gesproken had. Hij hing zulk een droevig tafereel op van hun toekomst, als zij er niet in slaagden Stanley's vriendschap te verwerven, dat zij na langdurige besprekingen op nieuw besloten naar den Pacha te gaan. Op raad van Shoekri Aga en Selim Aga gingen zij dus gezamenlijk naar Emin en verklaarden dat zij bij hem waren gekomen, om hem hunne onderwerping aan te bieden en den wensch uit te spreken, dat hij als hun Moedir medeging naar Stanley. Op deze voorwaarde was Emin daartoe bereid. Natuurlijk verblijdde Shoekri Aga zich uitermate over den loop, dien de zaken hadden genomen en richtte hij een groot feest aan op het station. Er werd een verbazende hoeveelheid vleesch gebraden en opgedischt, zoodat de officieren naar hartelust konden eten en drinken en daardoor in een groede stemming kwa-

O O

men. Shoekri Aga wist met de menschen om te gaan !

414

-ocr page 455-

EMIN PACHA.

Emin bevorderde daarop Selirn Aga tot Bey — een titel gelijk staande met dien van onze Luitenant-Kolonels — en verzocht hem een opgave van allen, die zich in 't gevecht bij Dufflé hadden onderscheiden, daar hij hen in rang wilde verhoogen.

Zoo bevorderde hij, bij eigenhandig schrijven, Shoekri Aga — tot dusver tweede Luitenant — tot Kapitein, als blijk van waardeering van zijn flink gedrag tijdens den opstand.

Twee dagen later gingen allen aan boord van de boot en kwamen den i 2''°quot; Februari te Weré, juist zes dagen nadat ik in het dorp van Kavalli was verschenen.

Zóó ging alles naar wensch, behoefden wij niet naar M'swa te mar-cheeren en konden wij met de olifantstanden de dragers betalen.

Den volgenden morgen riep Emin al de officieren te zamen en sprak ik hun uitvoerig toe, waarop besloten werd dat Emin met acht officieren den volgenden dag naar het dorp van Kavalli zou vertrekken. De officieren moesten, na een onderhoud met Stanley te hebben gehad, eenige dagen te Kavalli blijven, om enkele zaken te regelen en dan naar Wadelai terugkeeren, om zich gereed te maken voor de afreis, loen zij mij voor drie dagen om twintig dragers vroegen voor hun bagage, beloofde ik hun die. Emin had een groot aantal lasten, maar zij bestonden hoofdzakelijk uit graan en sesasum, waarvan het grootste gedeelte voor ons was bestemd. Op mijn vraag aan Casati of hij den volgenden dag met ons ging, verklaarde hij liever nog wat te wachten, om al zijn lasten te gelijk te kunnen bezorgen.

Gevraagd hoeveel dragers hij dacht noodig te hebben, luidde zijn antwoord: »Och, ik ben nog al arm, ik heb zoo heel veel bagage niet; Kabba Rega heeft, zooals gij weet, mij alles ontnomen; ik zal dus aan tachtig dragers wel genoeg hebben!quot; Marco verlangde er zestig! Vita Hassan, de apotheker, vijftig! Dus honderd negentig dragers voor drie personen. In 't geheel hadden wij slechts tweehonderdvijftig man, die voor 't grootste gedeelte noodig waren voor het dragen van de ammunitie, de manufacturen en kralen voor pasmunt en dergelijke dingen. Ik hield mij overtuigd dat de tijd niet ver meer was, waarop zij een gevoelige les zouden ontvangen, zoodat ik mij met afwachten tevreden stelde.

415

-ocr page 456-

JEPHSON,

Emin deelde mij mede dat Casati er sterk tegen was dat hij naar M'swa zou gaan en bij hem had aangedrongen zich niet verder met ons in te laten, daar het niet verstandig was en hij er de hoofden van den opstand mede zou verbitteren. Die raad werd gegeven op het oogen-blik van de onverwachte uitkomst voor Emin om uit het land te geraken, een uitkomst die Emin zelf evenmin had durven verwachten als wij!

Ik ging met de meeste lieden een praatje maken en bevond dat zij nog even zelfzuchtig en onbeholpen waren als altijd, zoodat het mij bijna begon te walgen hunne zaken in orde te brengen, te meer, nu ik pas uit ons eigen goed ingericht en ordelijk kamp kwam. Selim Bey liet mij aan den oever vaii het meer onze boot zien, die hij weder voor ons in orde had laten brengen. In de magazijnen had hij eenige bouten gevonden die juist bij de boot pasten, zoodat zij weer geheel de oude was. Toch waren wij ongelukkig verplicht haar, toen wij vertrokken, op het meer achter te laten, daar het met onze kleine karavaan volslagen onmogelijk bleek haar mede te dragen.

In den loop van den dag kwamen Nampigwa en Katonza zich beide bij den Pacha beklagen over Kavalli. Daar wij geen vleesch in het kamp hadden, zond ik eenige lieden uit om ons een paar antilopen te schieten. Weldra kwamen zij terug met een hartebeest '), twee koe-doe's 1), een springbok :i) en een buffel '). Daar de Zanzibarieten slechte schutters waren, kan men zich uit deze opgave eenig denkbeeld maken van den overvloed en de makheid van het wild op de Nyanza vlakte. Ik hield uitdeeling van een groote partij zout, die Emin, onder veel andere zaken, had medegebracht, en waarmede ik de lieden bijzonder trakteerde, daar het zout in den omtrek zeer schaarsch was. Daar zij overvloedig meel van Emin's ondergeschikten konden krijgen, waren zij bijzonder ingenomen met het geschoten wild.

1

Stnpsiceros kudu, antilope van Zuid-Afrika, met lange sierlijk gedraaide horens. Vertaler.

-ocr page 457-

EMIN PACHA.

Den volgenden morgen stond ik vroeg op, om bij de verdeeling der lasten te zijn; met welk een verwarring en oponthoud wij hadden te kampen ten opzichte der lasten van de officieren en schrijvers, die mede moesten, valt niet te beschrijven. Enkele lasten waren veel te zwaar, anderen bespottelijk licht en de officieren waren te gemakkelijk om de moeite te nemen ze gelijk te maken. Zoo zag ik een groote partij potten, ketels en pannen, zwaar genoeg voor twee personen, naast een groote mand, waarin zich alleen een lantaarn en een pijp bevond. Werd alles met overleg verdeeld, zoo hadden er twee geschikte lasten van kunnen worden gemaakt, maar overleg kende Emin's volk niet.

De otficieren keken mij hoogst verbaasd aan, toen ik mijn manschappen in 't gelid riep en hun eigenhandig de lasten toedeelde, maar deden zelf niet de minste moeite om mij te helpen. Ik zag met een soort van genoegen, dat ik vijftig procent in hunne schatting was gedaald en zij mij eigenlijk als iemand van weinig afkomst beschouwden. Als ik er maar op een stoel bij was gaan zitten en een ander het werk had laten doen, zouden zij hoog tegen mij op hebben gekeken!

Ik verzocht Emin te willen gaan bij de aanvoerders van de Zanzi-barieten, om de voorhoede aan te voeren, terwijl ik het bevel over de achterhoede op mij wilde nemen, om tevens op 't verliezen van goederen te kunnen passen. Marco was zoo vriendelijk mij zijn ezel te leenen, daar mijn voeten waren opgezwollen op den langen marsch van het dorp van Kavalli bergafwaarts.

De Zanzibarieten stapten vlug op, zoodat ik, na drie uur te hebben afgelegd, stuitte op Emin en zijn troep, die bezig waren een uur rust te nemen bij een breeden stroom aan den voet van 't gebergte. Nadat ook wij een poos rust hadden gehad, begonnen wij den tocht, tegen 't gebergte op, naar de plaats waar wij een kamp wilden opslaan, in de nabijheid van een rivier en omstreeks drie kwartier van het dal.

Op dien tocht werd mijne verontwaardiging telkens in hooge mate opgewekt als ik zag hoe ijverig onze trouwe Zanzibarieten, in de brandende zon, zich opwerkten tegen de berghelling en zich kromden onder het zware gewicht der lasten van Emin's nietswaardige lotgenooten. De meeste lasten bestonden uit prullen, die weggeworpen hadden moeten zijn, toen wij naar Kavalli vertrokken. Selim liey, een zware en dikke

417

-ocr page 458-

JEPHSON,

Soedanees, een soort van vleeschdam, bereed bij 't beklimmen van den berg een kleinen ezel en zou nooit alstijgen, zelfs niet op de steilste gedeelten. Op mij, beneden, maakte het een allervermakelijksten indruk, toen ik hem en zijn ezel zag afsteken tegen de heldere lucht. De man was zoo zwaar en de ezel zoo klein, dat de neerhangende staart van het dier scheen te behooren aan den ruiter!

Wij kwamen op tijd aan op de plek waar wij wilden kampeeren; Emin en ik namen eerst een bad in den stroom en zochten daarna in diens rotsachtige oevers naar planten. Bijna eiken keer ontdekte Emin nieuwe schatten: als hij slechts de hoogte kon beklimmen om de veranderingen in de plantenwereld waar te nemen, smaakte hij het grootste genot. Dan ging ik op een rots midden in den stroom zitten en schiep er vermaak in, hoe hij tusschen de rotsblokken voortstrompelde, overal met zijn stok tusschen stak en alle hoeken en gaten, kortzichtig als hij was, nauwkeurig van nabij bekeek.

Wij sliepen in de open lucht, want tenten hadden wij niet; maar wij hadden het bitter koud, daar de plek geheel open lag voor den wind, die langs de bergen streek.

Den volgenden morgen konden wij niet best aan 't marcheeren komen, daar enkele inboorlingen, die wij als dragers hadden, 's nachts waren weggeloopen, omdat hunne lasten, behoorende aan officieren, veel te zwaar waren. Sommige officieren wilden nogf extra lasten voe-

O O

gen bij 't geen de Zanzibarieten nu reeds hadden te dragen en reeds veel te zwaar woocj, zoodat ik eenitre bewegincf merkende aan het andere

O ' O O O

einde van het kamp, daarheen ging en enkele mijner lieden luide hoorde uitvaren tegen officieren, die hunne lasten wilden verzwaren. Een hunner had de onbeschaamdheid een Zanzibariet met zijn stok te slaan, maar ik maakte aan dat alles een eind door Emin's officieren aan 't verstand te brengen, dat die menschen niet onze slaven, maar onze vrienden waren, waarop zij glimlachten, alsoi ik niet wel bij 't hoofd was. Nadat ik had gemaakt dat ook de bedienden der officieren moesten dragen en de rest werd overgegeven aan de Soedaneezen, kreeg ik het volk op de kruin van den berg, waar ik bij een opperhoofd in de buurt in de gelegenheid was er inboorlingen als dragers bij te krijgen. Twee maanden geleden hadden wij dezelfde moeilijkheden gehad bij

4i8

-ocr page 459-

EMIN PACHA.

't brengen der goederen van Emin's volk van het meer naar het plateau.

Wij hielden vervolgens halt op een half uur afstands van Kavalli's dorp, bij een rivier, waarin elk een bad nam, alvorens zijn beste uniform aan te trekken. Wij, in onze schitterende uniformen, en Emin's lieden, in hun hagelwit katoen, vormden inderdaad een karavaan die indruk maakte, toen wij met vliegende vanen, terwijl de trompetters het Egyptische volkslied lieten hooren, ons kamp binnen rukten. Zoo viel mij, voor de tweede keer, de eer te beurt getuige te zijn eener ontmoeting tusschen Stanley en Emin.

Tijdens mijne afwezigheid had Stanley een groote veranda tot ontvangkamer laten inrichten en in deze kwamen velen bijeen. Toen Stanley, Emin en ik na het eten met elkander zaten te praten, smaakten wij groote voldoening Emin eindelijk in ons kamp te mogen zien en gevoelden wij dat er thans alle kans bestond op het besluit van ons langdurig verblijf in Afrika.

Den i8dLquot; Februari 's morgens omstreeks tien uur, zagen wij over de heuvels de karavaan naderen, bestaande uit al de lasten, lieden en Europeanen uit Kandekori, het station aan den Itoeri Eerry, waarover Stanley het bevel aan Stairs had gegeven. Na verloop van anderhalt uur werd het kamp betreden door den voorman van de lange colonne, waarvan ik de meeste Zanzibarieten herkende, hoewel ik vele aangezichten, vooral in de achterhoede, niet terecht brengen kon.

Hoewel velen er goed uitzagen, waren er bij aan geraamten gelijk, die de ontberingen in het groote woud niet te boven hadden kunnen komen, terwijl menigeen nog vreeselijk leed aan zwerende voeten.

Stairs, Parke en Nelson zagen er allen goed uit, zoodat ik in dat opzicht alle reden van tevredenheid had en mij verheugde dat zij weder bij ons waren.

Zoo was dan de Expeditie voor het eerst hereenigd sedert wij te Stanley Pool scheidden. Vereenigd, maar helaas! hoe akelig gedund! Het werd mij droef te moede, als ik onder allen, die in het dorp van Kavalli bijeen waren, zocht naar welbekende gezichten en hooren moest dat ik nimmer hun gelaat terug zou zien.

Toen ik vroeg; »Oeledi, waar is Wadi Mabroeki, ik kan hem niet

419

-ocr page 460-

JEPHSON,

vinden?quot; luidde het antwoord; »Docd, meester, dood; hij is in de rivier verdronken.quot; gt;En waar is Markatoeboe ?quot; i'Ook dood, meester, doodgeschoten door de Washenzi'squot; (inboorlingen). En zoo ging het voort en moest ik den dood vernemen van zoovelen, die ons zoo lang met toewijding gediend en voedsel bezorgd hadden in den hongertijd. Als ik de schaar overzag, ontdekte ik bijna geen enkelen, die mij niet te eeniger tijd een vriendelijkheid had bewezen.

Het ligt niet in mijne bedoeling een beschrijving te geven van de moeilijkheden, die ons wachtten van de kuiperijen en het ondankbaar gedrag van Emin's volgelingen, of van den tocht naar Zanzibar. Veel beter dan ik het zou kunnen doen, heeft Stanley onze lotgevallen en onze ontdekkingen beschreven op onzen tocht naar de kust, en nevens honderde andere zaken melding gemaakt van de volharding en andere uitmuntende hoedanigheden van onze Zanzibarieten. Gedurende al de maanden van ons verblijf in Afrika, zoowel in de duisternis en de ellende van het woud als eedurende de weken van honger, onzekerheid en

O O '

lichaamskwalen en op onzen langdurigen tocht naar de kust, hebben drie zaken bovenal ons op de been gehouden en gemaakt dat wij standvastig en betrekkelijk opgeruimd konden blijven. In de eerste plaats de liefde voor en de belangstelling in onze taak; ten tweeden, het onbeperkt vertrouwen op en onverwrikt geloof in onzen aanvoerder; en ten derden, (niet de minst beteekenende al wordt zij het laatst genoemd) de warme vriendschap, die er altijd mocht bestaan tusschen Stairs, Nelson, Parke en mij. Met den hongerdood voor oogen, terwijl tal van trouwe tochtgenooten ons ontvielen en er geen uitzicht scheen te bestaan, dat de zwarte wolken, die boven onze hoofden hingen, eindelijk zouden breken, hebben de opgenoemde zaken ons gesterkt en voorkomen dat wij bezweken. Ik heb alleen het verhaal willen doen van hetgeen mij overkwam in Emin's Provincie, daar ik de eenige ben van Stanley's geheelen staf die de leemte, in dat opzicht in zijn verhaal van de Expeditie aanwezig, kon aanvullen.

Tijdens mijn verblijf in de Equatoriaal Provincie was ik in de gelegenheid dingen op te merken in de manier van regeeren en de behandeling der inboorlingen, die ik niet sterk genoeg kan betreuren. De schuld daarvan lag niet aan Emin, maar mag alleen worden toegeschre-

420

-ocr page 461-

EMIN PACHA.

ven aan de ellendige eigenschappen van het materiaal, waarmede hij werken moest

Het uitschot en het schuim van Egypte — lieden, die wegens allerlei vreeselijke misdaden waren veroordeeld, —- werd Emin toegezonden, om hem te helpen het bestuur te voeren over een land, zoo groot en bewoond door zulk een verscheidenheid van stammen, dat, zelfs met uitstekende ambtenaren, de regeeringstaak er uiterst moeilijk zou zijn geweest. De uitgestrektheid van het gebied maakte het hem onmogelijk een behoorlijk toezicht te houden over zijn personeel, misbruiken te voorkomen en afpersingen en mishandelingen te beletten, al hetwelk niemand sterker haatte en meer betreurde dan Emin zelf. Hoe veel medelijden ik er ook mede had, dat hij de teleurstelling niet kon ontgaan van het instorten van een gebouw, waaraan hij dertien jaren achter elkander had gearbeid, heb ik toch nimmer eenig leedwezen gevoeld over den val van het laatste der Soedaneesche gewesten, met zijn door en door bedorven Egyptische wijze van beheer.

Het land is prachtig — zelfs vruchtbaar — en zou, wanneer het slechts goed werd bestuurd, in een welvarende en machtige Provincie kunnen worden herschapen. Nu is het verloren, maar, naar ik hoop, niet voor goed. Haast zou ik zeggen, laat ons op nieuw trekken naar Centraal-Afrika, naar de Equatoriaal Provincie en er een Gouvernement stichten, dat rust op geheel andere grondslagen en niet weder op wreedheid, roof en omkooperij. Laat ons een nieuw Gouvernement stichten op de grondslagen van menschlievendheid, rechtvaardigheid en eerlijkheid in den handel ; dan alleen zal Afrika worden beschaafd en het voor goed licht worden in het Donkere Werelddeel.

421

-ocr page 462-

BESLUIT.

Emin's onverstandige wrok. — Harde behandeling van vrouwen op onzen marsch, — Brief van Majoor Wissmann. — Bevreemdende vergeetachtigheid van Emin. — Zijn aanval op Stanley. — Het Emin overkomen ongeluk. — Gedrag van de vluchtelingen in Zanzibar. — Afscheid van Emin. — Een vreemde combinatie van karaktertrekken.

De vorige hoofdstukken van dit boek waren allen voltooid op het einde van Maart 1890, dus voordat Emin een toon van vijandelijkheid, zooals niemand had durven of kunnen verwachten, aannam jegens de Expeditie, uitgezonden tot zijn ontzet. Ik heb er naar gestreefd in mijn boek afeen meldinof te maken van vele karaktertrekken in Emin, die

O o

naar mijne meening konden worden gemist, zonder dat de duidelijkheid er onder leed. Maar de vreemde manier waarop Emin en ik van elkaar scheidden, nadat ik maanden lang zijn gast en medegevangene was geweest in zijne Provincie, en zijn jongste uitvallen eischen dringend be spreking, voor ik van mijne lezers alscheid neem. Al zal misschien menigeen denken dat ik, in hetgeen ik nog te zeggen heb een krassen toon dien aan te slaan, wil ik mijn best doen mij zoo streng mogelijk te houden aan den toon van sympathie en welwillendheid, tot dusver door mij gebezigd als ik over hem sprak.

Mijn eigenlijke taak tegenover den Pacha was afgeloopen, toen hij te Kavalli was aangekomen. Van daar tot aan de Oostkust van Afrika had ik weinig ot niets met hem uit te staan, buiten het inachtnemen

-ocr page 463-

EMiN PACHA.

-der burgerlijke beleefdheden, die ik hem verplicht was als zijn gewezen gast en reisgenoot. Er ging bijna geen dag voorbij of wij ontmoetten en begroetten elkander beleefd, terwijl ik, als ik mijn dagtaak at had, in het kamp herhaaldelijk naar zijn tent ben gegaan om een praatje te maken. Ik ben zwijgend getuige geweest van 't geen er broeide in 't kamp van Kavalli; maar dat alles is breedvoerig door Stanley beschreven, zoodat ik rnij bepaal tot de opmerking, dat de afgod van mijne verbeelding niet geheel beantwoordde aan de verwachtingen, die ik van hem had gekoesterd. Wij hadden ons voorgesteld dat hij, wanneer hij maar eenmaal ontheven was van de drukkende verantwoordelijkheid aan zijn werkkring verbonden, zich in een beter licht voordoen en, zonder een oogenblik zijn positie in de maatschappij en zijn waardigheid uit het oog te verliezen, gretig alle gelegenheden aangrijpen zou, om den beminnelijken kant van zijn karakter te toonen. Dan zou hij wellicht algemeen zijn gehouden voor een aangenaam man in den omgang en toch zich hebben kunnen wijden aan zijn vogel- en insektenverzamelingen en zijn meteorologische waarnemingen; zou hij niet evengoed geneesmiddelen hebben kunnen verstrekken aan de vluchtelingen, die op het punt stonden met hem terug te keeren, en optreden als een vader voor de vele weezen, die met hem zijn Provincie verlieten, en te gelijk een aangenaam reisgenoot blijven voor hen, dieeenig en alleen verlangden hem zooveel mogelijk van dienst te zijn?

Ik zou over dat alles hebben gezwegen, wanneer hij zich slechts had weten te herinneren, dat hij ook plichten had te vervullen jegens zijn volk als Gouverneur en beschermer; jegens zijn eigen goeden naam, die — hoe scherp men daaromtrent ook mocht willen vorschen — nog altijd in staat was eerbied af te dwingen ; jegens ons, deelgenooten aan de Expeditie, die waarlijk wel een weinig erkentelijkheid verdienden. Doch zonder iets daarvan na te komen, stelde de Pacha zich tevreden met het bijeenbrengen van vogels en insekten, met vlijtig aanteekening te houden van de temperatuur en met zijn dagboek. Waren er zieken, zij werden toevertrouwd aan Dr. Parke, en ik weet mij geen geval te binnen te brengen, waarin de Pacha niet den schijn van onverschilligheid op zich laadde, als de patiënten vrouwen of kinderen waren. Hij bleef meestal binnenshuis, alsof hij toegaf aan een wrok jegens den een

423

-ocr page 464-

424 JEPHSON,

oi ander of leed aan een onverbeterlijke neerslachtigheid. Jegens zijn vriend Casati kon hij dikwijls vreeselijk op een aistand zijn; ook was hij maar al te vaak geneigd tot teruggetrokkenheid tegenover leden der Expeditie, hoewel ik er nooit een verklaring voor heb kunnen vinden. Bij zijn aankomst in ons kamp wijdde hij breedvoerig uit in loftuitingen over Vita Hassan den apotheker, maar in weinige weken was de vriendschap verkoeld en ten laatste geheel verbroken. Eerst kon hij geen woorden genoeg vinden om ons te vertellen, hoe bekwaam hij Shoekri Aga achtte, zoodat hij hem een aanstelling gaf als kapitein en dikwijls de hooge bewondering uitsprak, die hij voor hem koesterde ; maar weldra werd Shoekri Aga strengelijk vermeden en kon hij nooit nalaten een woord van geringschatting te laten hooren, wanneer een onzer het ongeluk had de opmerking te maken, dat hij in Shoekri, als een uitzondering op den regel, vertrouwen stelde. Zelts deden wij de ervaring op, dat dit stelsel van laken en afkeuren tegen ons allen in praktijk werd gebracht. Niemand van eenige beteekenis was er in het geheele kamp te vinden, die niet het ongeluk had gehad zich des Pacha s onredelijk misnoegen op den hals te halen.

Toch dachten wij dat dit alles wel veranderen zou, als wij maar eerst voor goed op marsch waren. Wij hadden dan ook het genoegen op te merken, dat zulks een paar dagen het geval was; maar toen Stanley in het dorp van Mazamboni gevaarlijk ziek werd, zoodat wij daar een geruimen tijd moesten verblijven, herleefde de kwade luim krachtiger dan ooit. Een tijd lang was het zelfs zoo erg, dat men hem niet herkennen zoude; niemand deugde meer. Men kon geen woord zeggen, of het verlokte hem tot aanmerkingen van het onaangenaamste gehalte. Heden was het Luitenant Stairs, tijdens de ziekte van onzen aanvoerder opgetreden als waarnemend commandant van het kamp, die zich brandde aan de onredelijke bitsheid van den Pacha, morgen weer iemand anders en zoo kregen allen hun beurt. Zoolang wij in het dorp van Mazamboni hebben vertoefd, heeft Emin tegen Casati zelfs geen woord gesproken.

Toen wij op reis waren, ging het eenige dagen beter. Ja, toen wij niet ver meer van Oesongora af waren en den Pacha het voorstel werd gedaan al de jonge en daartoe lichamelijk geschikte vluchtelingen tot een compagnie te vereenigen, om, op het grasland gekomen, te helpen

-ocr page 465-

Emin Paciia.

waken voor de algemeene veiligheid, stemde hij gereedelijk daarmede ia en gaf hij gulweg te kennen, dat deze maatregel gepast en ver standig mocht heeten.

Op het open veld gekomen werden de namen van allen, voor zoover zij voor den dienst geschikt waren, opgeschreven en op de monsterrol gebracht voor eene nieuwe compagnie, onder Shoekri Aga, den geschiksten officier, als kapitein. Na het uitdeelen van geweren en ammunitie, was daarmede een nieuwe, goed gewapende en uitgeruste compagnie in aller belang, aan de Expeditie toegevoegd. Maar zonder met een enkel woord vooral te hebben gezegd wat er aan haperde ot waarin men hem misschien niet behoorlijk had gekend, kwam de Pacha in de grootste opgewondenheid zijn lieden terugeischen. Hij had geen oppassers en wilde die hebben ; hij had geen schildwachten en zij kwamen hem toe; terwijl op den eisch van vier soldaten vóór en vier achter zich, van twee oppassers voor zijn dochter en twee voor zichzelven, behalve een paar bedienden voor 't schoonhouden der tent, hij den uitval tegen Stanley liet volgen: gt;Het spijt mij dat ik er toe ben overgegaan, om met u te trekken.'' 't Sprak van zelf, dat ook wij die taal hoogst buitensporig en ongepast rekenden, daar hij en zijn gezin steeds kwamen na de eerste compagnie en op den voet werden gevolgd door drie andere compagniën, terwijl de colonne gesloten werd door eene vijfde als achterhoede. Bovendien genoten twee van de meest geachte aanvoerders der Zanzibarieten de eer zijn dochter in haar hangmat te dragen, terwijl vele met geweren gewapende dragers waren aangewezen om zijn bedienden te helpen bij zijn bagage. Daar wij oordeelden dat het land, dat wij thans op het punt stonden te betreden, een vijandelijke houding zou aannemen, overstroomd als het was van Kabba Rega's bandieten, die ons mochten willen overvallen, was niets natuurlijker dan onze verwachting, dat de vluchtelingen, voor zoover hun lichaamsgesteldheid het toeliet, ons zouden helpen hen te verdedigen, nu wij hun zooveel geweren en ammunitie hadden moeten geven. Met genoegen deel ik hier evenwel mede, dat de Pacha zijn verontschuldigingen aanbood voor zijn heftigheid van den vorigen dag.

Het spijt mij te moeten zeggen dat wij op den weg tusschen de Albert en de Victoria Nyanza veel zagen, dat wij liever niet zouden

425

-ocr page 466-

Jephson,

hebben gezien. Met innig leedwezen zag ik, hoe dragers, met lasten der vluchtelingen op den rug, wreedelijk werden mishandeld door luie Egyptenaren en Soedaneezen. Onwillekeurig waren wij getuigen van allerlei gruweldaden. Ook hinderde en ergerde ons de ongevoeligheid, waarmede de vrouwen in ons gevolg werden behandeld, zóó geweldig, dat de verdere officieren en ik herhaaldelijk tusschen beide moesten komen. Men kon arme vrouwen, meisjes van twaalf tot dertien jaar, met zwerende ledematen en lijdende aan koorts en zeere voeten, mijlen ver achter de colonne zien aankomen, zwoegende onder allerlei prullen, die voor niemand eenige waarde of nut konden hebben. Het had den Pacha, gerugsteund door de macht waarover wij hadden te beschikken, slechts een enkel woord behoeven te kosten, om deze arme schepsels te verlossen van den zwaren strijd dien zij streden en menig harer in het leven te behouden; maar de Pacha kon of wilde nimmer zulk een bevel geven, en zoo wij geen breuk met hem wenschten, zou het onverstandig geweest zijn in dezen openlijk tusschen beide te komen ; toch ging er geen dag voorbij, waarop niet een van ons trachtte hem te beduiden, hoe wenschelijk het zoude wezen, dat hij zijn gezag eens liet gelden. Menigmaal heb ik evenwel zelf de draagster verlost van het ontuig, als ik zag dat de arme ziel er onder dreigde te bezwijken. Als de Pacha, toen het tijd was, er op had aangedrongen elk overtollig stuk, hoe kostbaar en sierlijk het ook mocht zijn, weg te werpen, zouden, naar mijn innige overtuiging, onze aanvoerder en mijn medeofficieren zulks hebben beschouwd als een hoogst menschlievende daad, terwijl ik geloof niet te overdrijven, als ik beweer, dat wij, in dat geval, met honderd vluchtelingen meer bij de kust zouden zijn aangekomen.

Behalve van deze afgrijselijkheden, die al te veel voorkwamen om er kalm onder te blijven, weet ik van geen onaangenaamheden tusschen den Pacha en iemand onzer, tijdens den tocht van Equatoria naar de kust. Als wij een dagmarsch achter den rug hadden, bezochten wij elkaar, dischten op en gingen aangenaam en vriendschappelijk met elkander om. Hoewel hij zich spoedig gekrenkt gevoelde — en naar mijne meening lag zulks in zijn gestel — ben ik mij niet bewust, dat hij er destijds de blijken van gaf, want anders zouden wij er wel de gevolgen van hebben ondervonden. Uit hetgeen Pater Schyntze heeft

420

-ocr page 467-

Emïn Pacha.

geschreven, verneem ik, dat hij dezen enkele van zijn ernstigste grieven jegens ons heeft geopenbaard; maar wat zouden wij er tegen doen, als geen van ons allen wist dat zij bestonden? Wat mij betreft, ik ben mij ten volle bewust hem nimmer eenige aanleiding tot ergernis te hebben gegeven, en op het gastmaal bij Mackay heeft hij openlijk erkend, dat ik alles voor hem had gedaan, wat bij van zijn besten vriend nauwelijks had mogen verwachten of begeeren.

Toen wij in Oegogo waren, liet hij ons een brief zien, dien hij van Majoor Wissmann had ontvangen, en die een zeer opmerkelijke zinsnede bevatte. Zij luidde: »Het is waar, de Engelschen hebben een Expeditie uitgezonden tot uw ontzet; maar ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat uwe landgenooten even gaarne hadden willen doen, wat de Engelschen hebben gedaan. Ik hoop dat gij, als gij te Bagamoyo zijt aangekomen, ons zult veroorloven u de gastvrijheid aan te bieden die gij verdient en gij, wat de Engelschen ook voor u hebben gedaan, bedenken zult dat wij, Duitschers, uwe landgenooten zijn.''

Toen een mijner mede-officieren dien brief hoorde voorlezen, veroorloofde hij zich de volgende stoute uitdrukking, die in de gevolgen gebleken is een juiste voorspelling te zijn geweest. »Ik zie welquot;, zoo sprak hij, »waar Wissmann heen wil; hij wil op den Pacha beslag leggen voor de Duitsche Comp ignie. Naar hetgeen wij in de laatste maanden van Emin hebben gezien, kan ik de Engelsche Compagnie daarmede slechts geluk wenschen, want de Pacha is bestemd om alles in de war te sturen, wat hij aanpakt.''

Ik helde over tot dezelfde meening, hoe gaarne ik ook, met de kennis, die ik meende te hebben opgedaan van Emin's welwillendheid en goedhartigheid, had willen aannemen, dat hij nooit in staat zou zijn geweest de later door hem aangenomen rol te spelen.

Dat Emin er de voorkeur aan gat zijn eigen land te dienen, is vol strekt niet vreemd, zelfs nu hij herhaaldelijk had verklaard, dat zijn eenige wensch zou zijn het Engelsche volk van dienst te wezen, welks hulp hij had ingeroepen en dat (het was hem een genoegen het te kunnen verklaren) zoo grootmoedig aan zijn roepstem gehoor had gegeven. Men mag ook niet vergeten, dat Emin, voor er nog sprake was van een Expeditie om hem te ontzetten, aan zijn vrienden in Engeland

427

-ocr page 468-

Jepiison.

schreef, dat het Egyptische gouvernement te zwak was om hem te redden ; dat zijn eigen landgenooten zich onverschillig jegens hem betoonden, maar dat hij hoopte, dat Engeland, getrouw aan de overlevering, de menschlievendheid hebben zou zijn redder in den nood te zijn.

Toen wij de kust hadden bereikt, ontving Emin, behalve tal van ielicitatie-telegrammen, bij zijn aankomst te Bagamoyo een brief van eene Engelsche lady, die een goeden naam heeft op 't gebied der phi-lantropie en ruimschoots had deelgenomen in het fonds tot ontzet, in welken brief zij voor hem en zijn dochter, zoolang hij verkoos, haar huis openstelde. Daarop antwoordde hij met een paar woorden nader te zullen schrijven, maar tot heden heeft de Lady er niets weer van gehoord.

Bij meer gelegenheden viel het mij op, dat Emin vergeetachtig was. De meesten onzer zouden vermakelijke staaltjes van dit vreemde gebrek kunnen opdisschen, terwijl er vele worden aangehaald in het onlangs verschenen boek: »Emin Pacha in Centraal Afrika.quot; Daaruit blijkt dat hij steeds gewoon was te schrijven ; gt;lk stel mij voor dit of dat morgen te doen, of ik ga binnenkort op reis naar deze of gene plaats, of ik vertrek de volgende week, of ik hoop binnenkort een bezoek te brengen aan 't opperhoofd zus of zoo;quot; maar het staat als een paal boven water, dat Emin bijna geregeld vergat te doen wat hij gewenscht of zich voorgesteld had. Zoo was hij van plan geweest naar het zuidelijk uiteinde van het meer te gaan, om berichten in te winnen over onze Expeditie; zoo wilde hij in Engelschen dienst overgaan ; zoo stelde hij zich voor in het dorp van Kavalli meteorologische waarnemingen voor ons te doen, waarvoor hij immers zijn instrumenten had ontvangen; zoo opperde hij, met een heele drukte, het denkbeeld om, bij het afscheid, iederen officier der Expeditie een klein aandenken te vereeren; zoo wilde hij in de Koninklijke Geografische Vereeniging een lezing houden en persoonlijk zijn dank gaan betuigen aan het »Comité tot ontzet van Emin Pachaquot; ; zoo wilde hij nog allerlei dingen meer ten uitvoer brengen, maar allen zijn, 't sprak haast van zelf, in 't vergeetboek geraakt.

Ik kwam op de hoogte van dat ongelukkig gebrek door het hier volgend belangwekkend geval, dat mij destijds onaangenaam aandeed.

428

-ocr page 469-

emin pacha.

Toen ik, op den morgen na onze eerste ontmoeting te M'swa, mijn bewondering te kennen gaf over den stoei, waarop ik plaats had genomen en zeide dat hij zoo gemakkelijk wss, merkte Emin op; »Ja, een uitstekende stoel. Ik heb hem gekregen van Gordon Pacha, die hem mij met allerlei vleiende woorden aanbood, toen ik voor het laatst bij hem in Khartoem was.quot; Maar toen wij 's middags aan 't spreken kwamen over Gessi Pacha, heette het; «En alvorens den Nijl af huiswaarts te keeren, gaf hij mij allerlei dingen, die hij niet medenemen kon en daaronder was ook de stoel, waar gij op zit.quot; Daar de stoel in mijn oog een soort van heiligdom was geworden, sedert de naam van Gordon er mede in verband was gebracht, voelde ik mij vreeselijk teleurgesteld en wist ik langen tijd niet, wat ik had aan dergelijke vreemde onjuistheden. Alras meende ik ze aan vergeetachtigheid te mogen toeschrijven. Het aangehaalde is slechts een van de vele voorbeelden, die Emin van de bewuste vreemde gewoonte ons gaf. Nog eens, ik noem haar liefst vergeetachtigheid.

Zie hier, om nog een ander voorbeeld aan te halen, een artikel uit de Pall Mall Gazette van 22 Augustus 1890;

»Eex nieuwe aanval van Emin Pacha op Stanley.

* Bijzonderheden omtrent de verhouding tot Wissman.

»In een brief uit Mpwapwa van den 30^'°quot; Juni jongstleden aan een zijner vrienden in Duitschland, heeft Emin Pacha, terwijl hij rekenschap geeft van de omstandigheden, waaronder in Afrika zijn overgang uit den dienst van Egypte in dien van Duitschland plaats greep, een nieuwen aanval gedaan op Stanley. De Berlijnsche correspondent van de Standard geeft van Emin's schrijven de volgende vertaling; —

»gt; Daags na mijn ongelukkigen val deed Stanley mijn lieden aan boord gaan, onder bedreiging, bij onwil, hen in de boeien te slaan, en dwong hen via Zanzibar mede te gaan naar Monbasa, zonder dat zij er met mij een woord over hadden kunnen spreken. Toen de Egyptische stoomboot, waar ik om had gevraagd, aankwam, deed Stanley alsol hij er over te commandeeren had en vervoerde mijn lieden naar

429

-ocr page 470-

JEPHSON,

Suez, zonder dat ik een hunner vooraf heb gesproken. Zelf ontving ik brieven en boodschappen, waarvan ik meen te mogen zeggen dat zij mij niet hadden moeten zijn gezonden, daar ik niet schrijven kon, omdat ik een schedelbreuk had Zoolang ik in 't hospitaal lag, heeft Wissmann zich in den waren zin een vriend betoond. Zoo als gij weet, hadden wij niets op zak toen wij de kust bereikten. Nooit heeft het Egyptische Gouvernement eens gevraagd of ik iets noodig had; nooit heeit het zich om mij bekommerd, als ik buiten rekening mag laten dat de Khedive zoo vriendelijk was nu en dan naar mijn gezondheid te vragen, waarvoor ik mij natuurlijk persoonlijk ten zeerste aan hem verplicht gevoel, maar dat mij slechts op kosten joeg, daar de correspondentie veel geld kostte en ik haast geen stuiver rijk was.

gt;i)Toen ik bij Mackay was en een ezel met zadel, een pak, een hemd en laarzen kocht van de Fransche zendelingen te Boekoembi, moest ik wel een wissel afgeven op het Engelsche Consulaat. Ik ging daartoe te eer over, omdat Nubar Pacha en Sir John Kirk mij officieel hadden gemachtigd wissels te trekken op dat Consulaat voor alles, wat ik noodig mocht hebben. Toch werd de betaling, f386.22, door het Consulaat geweigerd. (Hier heeft de Kölnische Zeitung, die den brief overnam, de onbeschaamdheid als noot in te voegen: »Emin rekent te veel op de duurzaamheid van Engelsche vriendschapquot;). Gij kunt u voorstellen hoe ik gestemd was; terwijl i'c bezorgd was voor mijn eigen toekomst en voor mijn volk en nog steeds in het hospitaal vertoefde, bleef Egypte onverschillig en smaadde Stanley mij. Toen dan ook Wissmann mij de vraag stelde oi ik dacht werkzaam te blijven voor Engeland, en ik daarop ten antwoord gaf, dat ik liever mijn eigen vaderland diende, verleende ik hem gaarne het gevraagde verlof, om daarvan zijn Keizer mededeeling te doen.

»»Toen dan ook bij verschillende gelegenheden de wenschelijkheid ter sprake kwam van een expeditie naar het binnenland en Wissmann zich beklaagde, dat hij niemand had die er geschikt voor was, heb ik eindelijk mij zelf aangeboden. Zijne Majesteit had mij weten te eeren; thans was ik in de gelegenheid hem mijne dankbaarheid te toonen. Omstreeks dien tijd verliet ik het hospitaal en betrok te Bagamoyo een woning. Op een telegram van Wissmann volgde de toestemming

43°

-ocr page 471-

Emin Pacha. 431

tot de Expeditie; verdere telegrammen van Wissmann lokten de verklaring uit, dat men geen bedenkingen zou maken tegen door mij te sluiten verdragen met de opperhoofden tusschen de Victoria- en Tanga-nyikameren en ik, in afwachting eener definitieve aanstelling, eerst als voorloopig commissaris in dienst kon treden. In April verliet ik Baga-moyo. Oi ik dezen keer behouden en in gezondheid terugkeer, schijnt mij twijfelachtig; maar Gods wil geschiede!quot;

Het volgende ontleen ik aan de Times van 26 Augustus 189c:

»De Oud-Minister von Hoffmann stelde een dronk in op den Keizer, die, zooals hij het uitdrukt, persoonlijk de hoogste belangstelling had betoond in de expeditie van Dr. Peters, en oogstte niet weinig bijval in, toen hij sprak van de »»geweldige achteruitzettingquot;quot; van Emin Pacha door Stanley.quot;

Het zou mij aangenaam zijn dat beide aanhalingen gedekt konden worden door Emin's vergeetachtigheid, maar toch vereischen zij eenig antwoord.

Dat antwoord kan, dunkt mij, niet op bevredigender wijze worden gegeven, dan door hier zoo eenvoudig mogelijk te verhalen, hoe wij in Bagamoyo kwamen en van Emin scheidden; want toevallig was ik van de geheele Expeditie de laatste, die te Bagamoyo afscheid nam van den Pacha, gelijk ik de eerste ben geweest, die hem in de Equatoriaal Provincie ontmoette.

Nooit zal ik mijn gevoel van triomf en voldoening vergeten bij het binnenrukken van Bagamoyo door de Expeditie. De aangezichten van onze afgematte Zanzibarieten straalden van vreugde en dankbaar heid, toen zij den Oceaan aan hunne voeten zagen en op nieuw het wel bekend geklots zijner golven hun oor bereikte.

Terwijl het Duitsche militaire muziekkorps het «God save the Queenquot; aanhief, marcheerden wij op de geestdrift wekkende maat van ons eigen volkslied de Duitsche nederzetting binnen.

Nu wij Emin behouden en gelukkig mochten zien te midden van zijn landgenooten, was onze taak afgeloopen en konden wij een zucht van verlichting niet bedwingen, dat wij er eindelijk van ontheven waren en rust mochten nemen.

De meeste Europeanen van Zanzibar en omstreken waren samenge-

-ocr page 472-

432 JEPHSON,

komen oin Emin hun hulde te brengen en hartelijk — ik mag wel zeggen — eerbiedig te begroeten.

Aan het gastmaal, door Majoor Wissir.ann en de Duitsche officieren ter eere van Emin gegeven, heerschte algemeene hartelijkheid. En. toen Emin een rede hield, een juweel naar inhoud en vorm, steeg de geestdrift ten top.

Emin ging de tafel rond en sprak ieder onzer afzonderlijk aan. Hij vertelde hoe hij maanden lang in Centraal Afrika van de beschaaide wereld was uitgesloten en dankte ons allen persoonlijk voor alle hulp, die ieder hem wel had willen verleenen.

Hij gewaagde er van niet te hebben durven verwachten, zich omringd te zullen zien van mannen, die als om strijd hem eer bewezen; hij scheen jonger te zijn geworden en van geluk en tevredenheid een geheel ander mensch.

Daar wordt, te midden van onze vreugde, onheilspellend gefluisterd^ dat Emin uit het venster viel en den geest gaf.

Onmiddellijk vliegen wij naar buiten en zien hem bewusteloos en badend in zijn bloed op de straat liggen. Wij laten hem naar het hospitaal dragen, waar onze brave dokter Parke, altijd gereed waar zijn hulp wordt vereischt, zijn verpleging op zich neemt, en trekken ons terug in de ons aangewezen huizen, om in verslagenheid na te denken over het treurig einde van dezen gelukkigen dag.

Den volgenden morgen kregen wij van den arts een tamelijk gunstig verslag over Emin's toestand, hoewel hij niet kon ontkennen dat het geval hoogst ernstig was.

Op last van het Comité tot ontzet waren uit Zanzibar groote balen katoen, bonte zakdoeken en kleederen, laarzen en keukengereedschap gezonden; later kwamen nog vrouwenkleederen, manden met brood en allerlei eetwaren.

Alles wei\i verdeeld onder de vluchtelingen, die in hoogst treurigen en armzaligen toestand waren aangekomen. Weldra veranderde het kamp in een tooneel van vroolijkheid en bedrijvigheid en maakte het bedienend personeel reeds aanstalten voor een feest; terwijl de hoofden der gezinnen met hunne vrouwen bij elkander kwamen en in hun blijdschap niet ophielden de nieuwe kleederen met elkaar te vergelijken en hun tevreden-

-ocr page 473-

EMIN PACHA.

heid te luchten, dat zij den tocht achter den rug hadden en weldra hunne vrienden in Egypte zouden terugzien.

Engelsche en Duitsche schepen, allen, van den voorsteven af tot den achtersteven toe, bont getooid met vlaggen en wimpels, lagen op de reede voor anker en waren gekomen om ons in triomf naar Zanzibar over te brengen. Men had afgesproken dat Emin, op het Engelsche oorlogschip Turquoise, den voortocht hebben moest en gevolgd behoorde te worden door de Spcrber, een Duitsch oorlogschip, met Stanley aan boord, om nevens de verdere Duitsche en Engeische schepen, waarop onze officieren en manschappen zich bevonden, statig en in triomf naar Zanzibar te zeilen.

Maar den 6tlen December kwam onze dokter Stanley zeggen, dat Emin in de eerste dagen niet vervoerd worden kon.

't Ging echter onmogelijk aan de schepen zoo lang te laten wachten, te meer da ir onze vluchtelingen sterk begonnen te verlangen om naar Egypte te komen, zoodat wij, met achterlating van Emin en al zijn bedienden en oppassers, aan boord gingen en nog des namiddags in Zanzibar kwamen. Gelijk wij zagen, had Generaal Matthews, bevelhebber van de troepen van den Sultan, tevens zijn rechterhand, het oude Britsche Consulaat voor de ontvangst der vluchtelingen ingericht. Na elk gezin o-eschikte en ruime kwartieren te hebben aanofewezen,

O O O '

werd aan allen eten gebracht, door de ondergeschikten van den Generaal in groote potten gekookt.

Hier bleven de vluchtelingen slechts zes dagen; zij werden er, dank zij het goede voedsel en de volkomen rust, echter weder flink en gezond.

Er waren namelijk den Consul-Generaal klachten ter ooren gekomen, dat de vluchtelingen zich bedronken en zwelgden, zoodat hij het wen-schelijk achtte hen over te brengen naar Monbasa. Daar zouden zij niet blootstaan aan de verleidingen van eene groote stad als Zanzibar en kalm kuanen wachten op de Egyptische stoomboot, door Stanley aangevraagd, toen wij de Victoria Nyanza hadden bereikt.

Tijdens ons verblijf in Zanzibar maakten de Consul-Generaal, Stanley en ik herhaaldelijk plannen om Emin in Bagamoyo een bezoek te brengen, zoodat er reeds een schip ter onze beschikking gereed lag; maar

433

-ocr page 474-

434 Jephson.

altijd werden wij in de uitvoering van ons voornemen belet door nieuwe berichten, dat Emin niet beter werd of weder was ingestort.

Daar onze brave Dr. Parke, onder Kmin's verpleging, werd aangetast door een kwaadaardige koorts, hingen wij, wat de berichten van s 1 acha s toestand betreft, geheel af van de Duitsche geneesheeren.

1 oen bij aankomst in Zanzibar van de Mansoura/i, een stoomboot van den Khedive, de kapitein vernam dat Emin nog altijd in Bagamoyo was, meldde hij zich aan bij den Consul-Generaal en bij Stanley. Ten gevolge daarvan ging de stoomboot, thans met Luitenant Stairs aan boord, naar Bagamoyo, daar de kapitein in opdracht had zich bij Emin te vervoegen en zijn orders te vragen Stairs en de kapitein van de Mansourah legden gezamenlijk een bezoek af bij Emin, 't welk eenige uren duurde, en waarin Emin te kennen gaf niet alleen ongaarne Bagamoyo te verlaten, doch er zelfs tegen op te zien een stap te doen buiten het hospitaal. De stoomboot ging toen naar Monbasa, nam de vluchtelingen op onder opzicht van Stairs en vertrok den volgenden dag naar Suez.

Voor ik Zanzibar verliet, drong Dr. Parke, die nog altijd in 't hospitaal lag, bij mij aan om te Bagamoyo te komen, om mijn best te doen Emin te overreden ons naar Egypte te vergezellen in de mailboot Katona, die juist was aangekomen en ons mede nemen kon naar Suez; naar zijn zeggen zou aan een zeereis Emin zijn behoud te danken hebben.

Ik ging derhalve den 2 8skquot; December des morgens naar Bagamoyo en bleet er bij Emin tot den volgenden dag. Het scheen hem aangenaam te zijn dat hij mij weerzag; hij vroeg mij zelfs waarom ik niet eens vaker was overgekomen, gt;want,quot; zoo drukte hij zich uit, Bgij weet dat ik voor de Duitschers, al zijn zij mijne landgenooten, niet zooveel gevoelens van vriendschap kan gevoelen als voor u en voor de Expeditie, daar gij mij ontzet hebt en zooveel gevaren en moeilijkheden om mij hebt doorleefd.quot;

Ik heb daarop geantwoord dat wij ons herhaaldelijk hadden voorgenomen bij hem te komen, maar dat de doctoren ons telkens hadden verklaard dat hij weder ingestort was, en dat een bezoek voor den patiënt niet raadzaam zou zijn, of dat er geen Duitsche stoomboo-ten beschikbaar waren oeweest.

-ocr page 475-

435

Hij scheen zeer ontstemd door mijn antwoord en liet zich heftig uit over Kapitein Rickelmann, den bevelhebber van Bagamoyo, die mij naar het hospitaal had gebracht.

Langen tijd bleef ik bij Emin praten en vertelde hem onder meer, dat Parke had gezegd, dat hij, voor wij te Suez waren, geheel hersteld zou zijn, als hij met de mailboot met ons ging.

Emin schudde daarop het hoofd en antwoordde op droeven toon: gt;Dat weet ik wel en ik wou dat ik met u kon reizen, maar ik kan het niet.quot;

't Zou onbeleefd geweest zijn nog langer bij hem aan te dringen, zoodat wij doorpraatten over hetgeen wij te zamen hadden beleefd en over zijn toekomst en die van de kleine Farida. Emin scheen ten prooi aan zware melancholie; hij klaagde over den drukken stand van het hospitaal, daar het geheel omringd werd door winkelhuizen, terwijl hem bovendien allerlei andere dingen door het hoofd speelden, en hij op nieuw verklaarde gaarne met ons te willen gaan, maar er even droevig op liet volgen, dat het niet kon.

Daarop vroeg hij mij het adres van al mijne medeofficieren; »wantquot;, zeide hij, »ik wil allen een klein aandenken geven en hoop dat gij 't beschouwen zult als een herinnering aan den tijd, dien wij met elkander doorbrachten.quot;

Bij 't heengaan drukte hij met beide handen de mijne en gaf nogmaals te kennen, hoe dankbaar hij was voor hetgeen wij voor hem hadden gedaan. gt;U zal ik nooit vergeten,quot; zoo sprak hij, »want gij zijt mijn lotgenoot en vriend geweest in de maanden van gevangenschap, de ellendigste van mijn geheele leven.quot;

't Had er veel van dat hier een afscheid voor de eeuwigheid werd

o

genomen, dat des te treffender was door onuitsprekelijke dofheid in zijn stem, zoodat ik nog eenmaal meende te moeten aanhouden om met ons te gaan. Maar op nieuw het hoofd schuddend, bleef hij er bij, dat zulks onmogelijk was, zoodat ik hem met aandoening vaarwel zeide en naar Zanzibar terugkeerde.

Ik heb hem geschreven uit Zanzibar, Aden en Egypte, maar tot heden toe geen antwoord ontvangen.

Ik houd mij stellig overtuigd, dat Hmin werkelijk meende wat hij

-ocr page 476-

434 Jephson.

altijd werden wij in de uitvoering van ons voornemen belet door nieuwe berichten, dat Emin niet beter werd of weder was ingestort.

Daar onze brave Dr. Parke, onder Kmin's verpleging, werd aangetast door een kwaadaardige koorts, hingen wij, wat de berichten van s 1 acha s toestand betreft, geheel af van de Duitsche geneesheeren.

loen bij aankomst in Zanzibar van de Mansoura/i, een stoomboot van den Khedive, de kapitein vernam dat Emin nog altijd in Bagamoyo was, meldde hij zich aan bij den Consul-Generaal en bij Stanley. Ten gevolge daarvan ging de stoomboot, thans met Luitenant Stairs aan boord, naar Bagamoyo, daar de kapitein in opdracht had zich bij Emin te vervoegen en zijn orders te vragen Stairs en de kapitein van de Mansourah legden gezamenlijk een bezoek af bij Emin, 't welk eenige uren duurde, en waarin Emin te kennen gaf niet alleen ongaarne Bagamoyo te verlaten, doch er zelfs tegen op te zien een stap te doen buiten het hospitaal. De stoomboot ging toen naar Monbasa, nam de vluchtelingen op onder opzicht van Stairs en vertrok den volgenden dag naar Suez.

Voor ik Zanzibar verliet, drong Dr. Parke, die nog altijd in 't hospitaal lag, bij mij aan om te Bagamoyo te komen, om mijn best te doen Emin te overreden ons naar Egypte te vergezellen in de mailboot Katoria, die juist was aangekomen en ons mede nemen kon naar Suez; naar zijn zeggen zou aan een zeereis Emin zijn behoud te danken hebben.

Ik ging derhalve den 28slequot; December des morgens naar Bagamoyo en bleet er bij Emin tot den volgenden dag. Plet scheen hem aangenaam te zijn dat hij mij weerzag; hij vroeg mij zelfs waarom ik niet eens vaker was overgekomen, »want,quot; zoo drukte hij zich uit, «gij weet dat ik voor de Duitschers, al zijn zij mijne landgenooten, niet zooveel gevoelens van vriendschap kan gevoelen als voor u en voor de Expeditie, daar gij mij ontzet hebt en zooveel gevaren en moeilijkheden om mij hebt doorleefd.quot;

Ik heb daarop geantwoord dat wij ons herhaaldelijk hadden voorgenomen bij hem te komen, maar dat de doctoren ons telkens hadden verklaard dat hij weder ingestort was, en dat een bezoek voor den patiënt niet raadzaam zou zijn, of dat er geen Duitsche stoomboo-ten beschikbaar waren geweest.

o

-ocr page 477-

EMIN PACHA.

Hij scheen zeer ontstemd door mijn antwoord en liet zich heitig uit over Kapitein Rickelmann, den bevelhebber van Bagamoyo, die mij naar het hospitaal had gebracht.

Langen tijd bleef ik bij Emin praten en vertelde hem onder meer, dat Parke had gezegd, dat hij, voor wij te Suez waren, geheel hersteld zou zijn, als hij met de mailboot met ons ging.

Emin schudde daarop het hoofd en antwoordde op droeven toon: gt;Dat weet ik wel en ik wou dat ik met u kon reizen, maar ik kan het niet.quot;

't Zou onbeleefd geweest zijn nog langer bij hem aan te dringen, zoodat wij doorpraatten over hetgeen wij te zamen hadden beleefd en over zijn toekomst en die van de kleine Farida. Emm scheen ten prooi aan zware melancholie; hij klaagde over den drukken stand van het hospitaal, daar het geheel omringd werd door winkelhuizen, terwijl hem bovendien allerlei andere dingen door het hoofd speelden, en hij op nieuw verklaarde gaarne met ons te willen gaan, maar er even droevig op liet volgen, dat het niet kon.

Daarop vroeg hij mij het adres van al mijne medeofficieren; »wantquot;, zeide hij, gt;ik wil allen een klein aandenken geven en hoop dat gij 't beschouwen zult als een herinnering aan den tijd, dien wij met elkander doorbrachten.quot;

Bij 't heengaan drukte hij met beide handen de mijne en gaf nogmaals te kennen, hoe dankbaar hij was voor hetgeen wij voor hem hadden gedaan. gt;U zal ik nooit vergeten,quot; zoo sprak hij, jwant gij zijt mijn lotgenoot en vriend geweest in de maanden van gevangenschap, de ellendigste van mijn geheele leven.quot;

't Had er veel van dat hier een afscheid voor de eeuwieheid werd genomen, dat des te treffender was door onuitsprekelijke dofheid in zijn stem, zoodat ik nog eenmaal meende te moeten aanhouden om met ons te gaan. Maar op nieuw het hoofd schuddend, bleef hij er bij, dat zulks onmogelijk was, zoodat ik hem met aandoening vaarwel zeide en naar Zanzibar teniüfkeerde.

Ik heb hem geschreven uit Zanzibar, Aden en Egypte, maar tot heden toe Q'een antwoord ontvangen.

«-gt; O

Ik houd mij stellig overtuigd, dat Emin werkelijk meende wat hij

435

-ocr page 478-

JEPHSON,

over de Expeditie sprak in de laatste uren, die ik bij hem doorbracht. De eenvoudige taal waarin en de treffende wijze waarop hij zijn vriendschap voor mij betuigde, kan ik niet als onoprecht beschouwen; maar een macht, sterker dan zijn eigen wil, moet hem hebben gedwongen te handelen tegen beter weten in, daar hij anders wel een geheel andere houdino; te^en ons zou hebben aancrenomen.

Ö ö O

Zijn aangeboren vriendelijkheid en zijn zachtmoedigheid waren niet opgewassen tegen de macht, die hem altijd scheen te dringen tot handelingen, in strijd met zijn beter ik, en hem te verlokken tot daden, die hij nooit uit zich zelf zou hebben verricht. Men zal Emin verdachtmakingen in de ooren hebben geblazen; men zal ons onedele drijfveeren tegenover hem hebben toegeschreven in alles wat wij deden; terwijl zijn ongelukkige teergevoeligheid ook haar rol zal hebben gespeeld, zoodat hij, tot razernij gebracht door de spotternijen en beschimpingen van zijn «vriendenquot;, tot den noodlottigen stap kwam, die hem afrukte van zijn voetstuk va:i sympathie en bewondering

Als ik Emin's aanhoudende opwellingen van spijt herlees, kan er soms een gevoel van verontwaardiging in mij opkomen, dat weldra overgaat in een gevoel van medelijden.

Want aan ons langdurig en nauw samenzijn ontleen ik de zekerheid, dat Emin, als hij nadenkt over hetgeen er in de laatste twee en een half jaar is gebeurd, blozen moet van schaamte en berouw, dat hij door slechten raad zich ten laatste op een dwaalspoor heeft laten leiden.

Hoeveel smart en ongelukken zou Emin zich niet hebben bespaard,

zoo hij eenvoudig even rechtuit was geweest als wij tegenover hem

waren. Sommigen wenschen misschien dat ik dit hoofdstuk besluit

met een flinke zedeles, maar van zedelessen geven heb ik weini»quot;

' «-gt; £gt;

slag.

Ik heb in dit boek alleen verhaald wat mij overkwam en het gewaagd mijne lezers het beeld te geven van Emin Pacha.

Een man met vriendelijke en edelmoedige trekken, physiek vol moed, maar moreel een lafaard.

Een man bij uitstek wetenschappelijk, bezield met geestdrift voor de studie der natuurlijke historie, maar niet standvastig genoeg, om aan

436

-ocr page 479-

EM1N PACHA.

het hoofd van anderen te staan of begaafd met eigenschappen, waardoor zij tot hem worden aangetrokken en hem gehoorzamen moeten.

Een man wiens aangeboren goedhartigheid geheel ten onder gaat in zijn teergevoeligheid en kinderlijke ijdelheid.

Een man met de rondborstigheid en stiptheid van den Europeaan, maar gelouterd door een al te lang verkeer met Oosterlingen.

En daarenboven, wanneer gij een beroep doet op zijn edelmoedigheid, zal hij u steeds meer dan halfweg te gemoet komen. Emin moest altijd tot zekere hoogte staan onder den invloed van hen met wie hij in aanraking kwam.

Hier neem ik afscheid van hem met een ge/oel van oprechte toegenegenheid, in mij opgewekt door zijn menigvuldige blijken van vriendschap in de moeilijke tijden die wij samen doorleefden, toen alle hoop voor ons vervlogen scheen en onze eenige afleiding bestond in onze wederzijdsche sympathie.

Maar hoezeer het mij leed doet, ik ben verplicht mijn groote verbazing en teleurstelling te betuigen over Emin's vreemdsoortig gedrag, sedert het ongeluk dat hem te Bagamoyo overkwam en waardoor hij menigeen van zijn oprechte vrienden heeft gekwetst. Nu eenmaal de eerste verontwaardiging voorbij is, gevoel ik alleen innig medelijden met den man, die aan een niet gerechtvaardigden wrok alle mogelijke gevoelens van dankbaarheid en vriendschap heeft kunnen ten otler brengen.

437

Emin was het gegeven te droomen van edele daden, ten uitvoer brengen kon hij ze niet, omdat hij, ongelukkig genoeg, zelden zijn eigen best heelt geweten.

EINDE

-ocr page 480-

KAART VAN EMIN PACHAS PROVINCIE.

-ocr page 481-

......... :• . ..

I0è'- ■ = •-:■

gt; ... ; ... . , .,

:

H' ■- .. ■.............. ..... ...

.- ,.,g0p ..:.v,^ ..

'im..... - ■■■■: ■ ......■ quot; ^

■■ ■ —......■ ■.....• ..... - .......

-1» lt; MI.. -f! M

■ ■ ■ - ..... • . . ■ .■

-ocr page 482-

..... ... ,. .. . ................- .......... ■ ■.......- ■ ........... ..........

. .. : . .. ....

......

.............

-■ •-!

-ocr page 483-