Vak 61
PH]. so cent an edGiiands rotestanten.
HET „HUIS OP DE STEENROTSquot;.
STOOMOhUK. ■ EDUARD IJOO. • LEiOtN.
/a k ( i
/5 ^
AAN NEDERLANDS PROTESTANTEN.
Het „Huis op de Steenrotsquot;
DOOR
H. E R M A N N,
Leeracir aan 't Gymnasinm te Katwijk aan den Rijn.
Amsterdam, C. L. VAN LANGENHUIJSEN, 1895.
„Wij moeten de eenheid zoekeu, niet maken, maar zoeken.... Rome is nog altijd groot en het Protestantisme vaak zoo zwak door inwendige verscheuring en verdeeldheid.quot;
De Nederlander, 9 Dec. 1894.
Eon geloovig- predikant die nog aan de H. Schrift een goddelijk gezag toekent, haar beschouwt als Gods Woord en als den eenigen regel van geloof en leven en ook de Drie Formulieren Kan Eeniglmd, namelijk de Neder-landsche Geloofsbelijdenis, den Heidelhergschen Catechismus en de Leerregels van Dordrecht waardeert als „hoog te schatten getuigenissen der Kerk, tot verklaring en bevestiging der Goddelijke waarheden,quot; 1) heeft vriendschap aangeknoopt met een Roomsch-Katholiek geestelijke. Beide vrienden bezoeken elkander dikwerf en spreken dan met onderling goedvinden over geloofszaken. Als fatsoenlijke lui houden zij den goeden toon; dat is eene stilzwijgende voorwaarde, nochtans hebben zij uitdrukkelijk bepaald niet kittelachtig te zijn en uit liefde voor de waarheid zich rondborstig te uiten. Menig vraagpunt was reeds op het tapijt gebracht, doch een der voornaamsten bleef nog onaangeroerd : het primaatschap van Petrus en diens opvolgers.
De vrienden kwamen overeen ook omtrent dat teere onderwerp elkander den pols te voelen. Zoo zaten zij den 6 Januari 1895 bij elkaar. De Roomsch-Katholieke geestelijke dien wij met de letter II aanduiden begon het volgend gesprek :
!) De f/oddelijke ivaarheden door ,1. II. Dormer, 2e druk, bfz. '2.
6
H. Wat verstaat gij door de Kerk of gemeente van Christus ?
Gr. „De vergadering van alle ware geloovigen.quot; (Ds. J. H. Do nu er) ').
H. Waar is de Kerk?
G. „Hier op aarde en in den Hemel.quot; (Ds. A. He 11 en-broek) 1).
H. Hoe wordt de Kerk op aarde genoemd?
G. „De strijdende Kerk.quot; (Ds. A. Hellenbroek).
H. Hoe wordt de Kerk in deu Hemel genoemd?
G. „De trium fee rende Kerk.quot; (Ds. J. H. Donner)
H. Zijn dat dan twee onderscheidene Kerken?
G. „Keen; het zijn maar twee verscheidene gedeelten van eene en dezelfde Kerk.quot; (Ds. A. Hellenbroek).
H. Is er meer dan eene Kerk?
G. „Neen!quot; (Ds. A. Hellenbroek).
H. Is er altijd eene Kerk?
G. „Ja; Matth. 16:18: „En ik zeg n ook, dat gij zijt Petrus, en op deze Petra zal ik mijne Gemeentequot; (de vergadering van alle geloovigen) „bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigenquot; (Ds. A. Helle n b r o e k).
H. Hoedanig is de macht der Kerk?
G. Zij is eene bedienende macht, onder het eenig Hoofd der Kerk, Jezus Christus. — „Noch zult gij meesters genoemd worden; want één is uw Meester, Christusquot; (Matth. 23:10). (Ds. Donner).
H. Wat beteekenen die woorden?
G. Dat het verkeerd is met de Roomschen „eene zichtbare en uitwendige eenheid der Kerk onder haar zichtbaar
) Voorbeeld der goddelijke ivaarheden.
7
hoofd, den Pausquot; te leeren. „De Paus is de Antichristquot;, zegt Ds. Hellen broek. De macht der Kerk is eene bedienende macht.
H. Waarin bestaat die macht ?
G. „In het gebruik van de sleutelen des Hemelrijksquot; (Ds. Hellen broek), en „de sleutelen des Hemelrijks zijn twee : de verkondiging des H. Evangelies en de Christelijke banquot; (Ds. Donner) „of uitsluiting uit de Christelijke gemeente,quot; zegt de Catech. (Zondag 31).
H. Komt die ban of uitsluiting ook van de bedienende macht, of m. a. w, oefenen zij, die iemand bannen of uitsluiten, een bedienende macht?
Gr. Ja, doch alleen zij hebben die macht, die daartoe aangesteld zijn door de gemeente.
li. Is het zeker, dat gij door „sleutelen des Hemelrijksquot; do verkondiging des H. Evangelies en den Christelijken ban te verstaan hebt ?
G. Ja. Want Matth. 28:19 zegt: „Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes, 1 eerend e hen onderhouden alles, wat ik u geboden heb.quot;
En aangaande den ban lees ik in Matth. 16:18,19: ,,En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze Petra zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.quot;
H. Dus door „de verkondiging des heiligen Evangeliumsquot; wordt het hemelrijk den geloovigen opengedaan of den ongeloovigen toegesloten ?
G. Ja.
8
H. Onder liet bestuur van Calvijn werd in 1561 te Genève een kerkelijke wet gemaakt, die bepaalde, dat er eiken dag twee of drie preeken moesten gehouden worden. »Wie de preek verzuimde, werd gestraft. Op Zondagen was iedereen verplicht — op straffe van 3 sous (volgens de hedendaagsche geldswaarde 3 frank) — de preek bij te wonen; op de dagen der week moest om bovengemelde boete te ontgaan minstens één lid der familie aanwezig zijn.quot; :) Ging dat kerkelijk voorschrift ook uit van de bedienende macht ?
Gr. Zeker.
H. En hun die „onder den Christelijken naam onchristelijke leer of leven voerenquot;, wordt het hemelrijk toegesloten, en „wanneer zij waarachtige beterschap beloven en bewjj-zenquot; wederom ontsloten, niet waar?
Gr. Zoo is het volgens den SI8'™ Zondag van den Catechismus.
H. Maar gij zijt niet zeker, dat deze uitlegging de ware is, want de Catechismus, het werk van ürsinus, „is onvolkomen en kan feilen bevatten. En van die onvolkomenheid van Ur sinus' werk kan elk zich overtuigen, die het met onpartijdigheid in oogenschouw neemt en aan Gods Woord in den Bijbel ten toets brengt,quot; zegt Dr. G. D. J. Schotel. En daarom voegt hij er bij : laten wij trouwe houden „aan de leus onzer vaderen: de Bijbel en de Bijbel alleen.quot;
G. Dat zegt Dr. Schotel, maar wat besluit gij daaruit ?
fl. Ik heb het reeds gezegd: gij zijt niet zeker, dat die
') F. W. Kampschnlte, Johnnii Calvin. Leipzig I. 457; vgl. S. 449. 450.
9
uitlegging van „sleutelen des Hemelrijksquot; de ware is. Gij hebt geen onfeilbaar leeraarsambt.
Ik heb echter een ander bezwaar. Die woorden zijn gesproken tot P e ; r u s.
G. Niet enkel tot Petrus, want deze had uit naam van allen gesproken, dus spreekt Christus, zich tot Petrus richtende, ook tot allen.
H. Daarop zal ik u aanstonds antwoorden. Eerst moet ik u vragen; Wat zeide Christus, toen Andreas zijn broeder Simon tot Hem leidde ?
G. En Jezus hem aanziende, zeide: „Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd worden Kefa, hetwelk overgezet wordt Petrus.quot; (Johann. 1 : 43).
Matth. 10 : 2 schrijft: „Simon, gezegd Petrus,quot; en Mark. 3 : 16: „En Simon gaf hij den toenaam Petrus,quot; en Lukas 6:14: „Simon, welken hij ook Petrus noemde.quot;
H. Jezus heeft derhalve aan Simon een tweeden naam gegeven en hem Kefa genoemd; dat is een Arameesch woord en beteekent rots, steenrots, en zoover wij weten is dat te voren nooit een eigennaam, de naam van een persoon geweest.
G. Nu, wat wilt gij daarmee?
H. Dunkt u niet, dat Christus door zulk een naam aan Simon te geven, bepaald iets van plan was, b, v. hem eene bijzondere waardigheid of macht te verleenen?
G. Men zou geneigd zijn het te denken.
H. Welnu, Hij verleende hem eene waardigheid, en welke die waardigheid was, heeft Hij later duidelijker uitgelegd.
G. Laat hooren.
H. Toen Petrus de heerlijke belijdenis had afgelegd; „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods,quot; ant-
10
woordde Jezus; „Zalig zijt gij Simon, Bar (zoon van) Jona! want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Yader, die in de liemelen is. En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus (Kefa), en op deze Petra zal ik mijne gemeente (Kerk) bouwen, en de poorten der bel zullen dezelve niet overweldigen. En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal inde liemelen ontbonden zijn.quot; (ilatth. 16:17—19).
Wat dunkt u, zijn die woorden tot Petrus gesproken of niet?
Gr. Ik herhaal het: niet enkel tot Petrus, want deze had uit naam van allen gesproken, dus spreekt Christus, zich tot Petrus richtende, ook tot allen.
H. Ten eerste, vriend, blijkt uit niets, dat Petrus uit naam van allen gesproken had. Vervolgens hoe is 't mogelijk, dat Christus' woorden: „Zalig zijt gij Simon, Bar Jona. ... En ik zeg u, dat gij zijt Petrus [Kefa = steenrots] en op deze petra [Kefa] zal ik mijne gemeente [Kerk] bouwenop allen terugslaan ?
Waarom heeft Christus Simon Kefa [= Trirpx] genoemd, indien dit niet iets bijzonders in Simon beteekenen moest?
Gr. Maar ik lees bij Johannes 20 : 21—24 : „Jezus dan zeide wederom tot henquot; (namelijk tot de discipelen, zooals blijkt uit vers 20); Vrede zij ulieden! gelijker wijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden. En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen : Ontvangt den Heiligen Greest. Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zjj vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.quot;
H. Wij, Katholieken, leeren, dat met deze woorden de
11
Heer aan zijne Apostelen de macht gaf om in het Sacrament der Boetvaardigheid de zonden te vergeven en te houden.
Dat is een gedeeltelijke macht, aan alle Apostelen geschonken; bieren in Matth. 18 spreekt Christus tot cdle Apostelen en belooft bun oen macht, die hun allen gemeen zal zijn, doch in lioofdst. 16 richt de Heiland het woord alleen tot Petrus en belooft hem tor loon zijner belijdenis een bijzonder voorrecht. Ofschoon Petrus derhalve de bovengemelde macht met de Apostelen gemeen heeft, bezit hij daarenboven nog eene bijzondere macht, die niemand der overige Apostelen bezit.
G. Waaruit wordt dat bewezen ?
H. Bij voorbeeld uit dc woorden bij Matth. 16 : 18 : „En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra (steenrots) zal ik mijne gemeente (Kerk) bouwen , en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.quot; Dit vers is met het volgende door 't woordje en verbonden: „En ik zal u geven de sleuteleu van het Koninkrijk der hemelenquot; enz. Ook zou anders vers 17 —19 allen redelijken zin missen. Vers 16 luidt: „En Simon Petrus, antwoordende, zeide: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levendigen Gods. quot; En toen sprak de Heiland: „Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vleescli en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus en op deze petra enz. enz.quot;
G. De Heiland bedoelde : Uw geloof is de petra, en op deze petra zal ik bouwen.
H. Dat heeft Christus niet gezegd, maar wel: Simon Bar-Jona, gij zijt Petrus (Kefa) en op deze petra (Kefa) zal ik bouwen.
G. Ik heb nochtans eene groote moeielijkheid uit Augus-tinus, den bisschop van Hippo (f 430), die volgens de
12
»
schrijfster van De Geschiedenis der Christelijke Kerk ') „wellicht meer dan allen voor de Kerk ten zegen is geweest.quot; Augustinus schrijft: „Ik heb ergens van den Apostel Petrus gezegd, dat de Kerk op h e m als op de rots is gebouwd.. . . maar ik weet hetgeen door den Heer gezegd is : Gij zijt Petrus enz. later zeer dikwijls zóó te hebben verklaard, dat zou verstaan worden : op Hem, dien Petrus beleden heeft. . . . Want hem (Simon) is niet gezegd : Gij zijt petra, maar gij zijt Petrus; de petra was Christus... De lezer moge kiezen welke van die twee meeningen de waarschijnlijkste is.quot; 1),
Gij ziet dus, dat die Kerkleeraar Christus als de rots, de petra aanwijst.
A. Omdat Augustinus den lezer kiezen laat, kan zijn gezag niet tegen ons worden ingeroepen, want wij hebben reeds bewezen, dat petra in dien tekst niet op Christus kan terugslaan.
Vervolgens teekent Bellarminus zeer juist aan:
„Augustinus vergiste zich enkel hierom, wijl hij de Hebreeuwsche taal niet kende; want zijn bewijs luidt, omdat niet gezegd is : Gij zijt petra, maar gij zijt Petrus. . . Had hij geweten dat Kefa niets anders beteekenen kan dan petra, en de Heer verklaard heeft: Gij zijt petra en op deze petra enz., zou hij aan do waarheid van ons gevoelen niet getwijfeld hebben.quot; 2).
G. Maar O r i g e n e s noemt eiken navolger van Christus een petra, waarop de Kerk gebouwd wordt.
H. In zekeren zin is dat zeer juist, maar het is hier niet de bedoeling van Christus. 3).
-) Retract. 1. 1, c. 21 ; Migne 32, 618.
) De Rom. Pont. 1, 1 , c. quot;10.
') Palmieri , De Rom. Pont. p. 317 seq.
13
(i. Daar zijn echter nog eenige Kerkvaders, die den tekst anders verstaan.
H. Dat wil zeggen: zij maken in dat geval zedelijke toepassingen, zooals O rigenes, maar leggen den tekst niet anders uit dan wij.quot;'
Bell ar minus 1), Petavius -), Passaglia 3) enz. geven een heele reeks van Kerkvaders, die eenstemmig den tekst verstaan zooals wij.
G. Kan die tekst niet verklaard worden als volgt:
Toen Christus tot Petrus gezegd had: „En ik zeg u
ook, dat gij zijt Pjetrus,quot; wees Hij eensklaps als met den vinger op zich zei ven en zei toen: „En op deze petra (steenrots, d. i. op mij) zal ik mijne gemeente (Kerk) bouwen.quot;
H. Dat is al een heel willekeurige uitleg. Staat dat in de H. Schrift ?
Gr. Het is de uitleg van Christoph quot;Wolf, Salma-sius, Chrysander enz.
H. Zijn die personen onfeilbaar? Zie eens, hoe geweldig zij Christus' woorden verdraaien. De redeneering van den Heiland zou dan hierop neerkomen: Zalig zijt gij, Simon, Jonas' zoon, dat gij mij den Zoon Gods genoemd hebt; en ik zeg u, dat gij zijt Petrus [Kefa = steenrots], maar niet op u, doch op de steenrots, die i/i; bon, zal ik mijne gemeente bouwen. Welk een scheeve redeneering zou dat zijn !
Wij, Katholieken, ontkennen wel is waar niet, dat Christus de voornaamste steenrots en wel uit zichzelven is, doch Simon w e r d de steenrots, niet uit zichzelven , doch door Christus, van welke steenrots (Christus) hij (Simon)
') Dc Roin. 1'ont. I. 1 , u. 10.
-) De ecclesiast. Inerarchia, I. 3 , c. 7 . n. 9.
3) De Praerogativis B. Petri p. 400 , 408 seq.
12
schrijfster van De Geschiedenis der Christelijke Kerk ') „wellicht meer dan allen voor de Kerk ten zegen is geweest.quot; Augustinus schrijft: „Ik heb ergens van den Apostel Petrus gezegd, dat de Kerk op h e m als op de rots is gebouwd. . . . maar ik weet hetgeen door den Pleer gezegd is : Gij zijt Petrus enz. later zeer dikwijls zoo te hebben verklaard, dat zou verstaan worden : op Hem, dien Petrus beleden heeft. . . . Want hem (Simon) is niet gezegd : Gij zijt petra, maar gij zijt Petrus; de petra was Christus... De lezer moge kiezen welke van die twee meeningen de waarschijnlijkste is.quot; 1),
Gij ziet dus, dat die Kerkleeraar Christus als de rots, de petra aanwijst.
A. Omdat Augustinus den lezer kiezen laat, kan zijn gezag niet tegen ons worden ingeroepen, want wij hebben reeds bewezen, dat petra in dien tekst niet op Christus kan terugslaan.
Vervolgens teekent Bellarminus zeer juist aan:
„Augustinus vergiste zich enkel hierom, wijl hij de Hebreeuwsche taal niet kende; want zijn bewijs luidt, omdat niet gezegd is: Gij zjjt petra, maar gij zijt Petrus. . . Had hij geweten dat Kefa niets anders beteekenen kan dan petra, en de Heer verklaard heeft: Gij zijt petra en op deze petra enz., zou hij aan de waarheid van ons gevoelen niet getwijfeld hebben.quot; 2).
G. Maar Origenes noemt eiken navolger van Christus een petra, waarop de Kerk gebouwd wordt.
H. In zekeren zin is dat zeer juist, maar het is hier niet de bedoeling van Christus. 3).
) Betrad. 1. l , e. 2-1 ; Migne 32, 618.
) De Bom. Pont. 1, 1, c. 10.
3) Palmieri, De Ram. Pont. p. 317 seq.
13
(I. Daar zijn echter Tiog eenige Kerkvaders, die den tekst anders verstaan.
H. Dat wil zeggen: zij maken in dat geval zedelijke toepassingen, zooals 0:rigenos, maar leggen den tekst niet anders uit dan wij.quot;
Bellarminus ^, Petavius Passaglia 3) enz. geven een heele reeks van Kerkvaders, die eenstemmig den tekst verstaan zooals wij.
Gr. Kan die tekst niet verklaard worden als volgt:
Toen Christus tot Petrus gezegd had; „Eu ik zeg u ook, dat gij zijt Piet rus,quot; wees Hij eensklaps als met den vinger op zich zeiven en zei toen: „En op deze petra (steenrots, d. i. op mij) zal ik mijne gemeente (Kerk) bouwen.quot;
H. Dat is al een heel willekeurige uitleg. Staat dat in de H. Schrift?
G. Het is de uitleg van Christoph Wolf, Salma-sius, Chrysander enz.
H. Zijn die personen onfeilbaar? Zie eens, hoe geweldig zij Christus' woorden verdraaien. De redeneering van den Heiland zou dan hierop neerkomen: Zalig zijt gij, Simon, Jonas' zoon, dat gij mij den Zoon Gods genoemd hebt; en ik zeg u, dat gij zijt Petrus [Kefa = steenrots], maar niet op u, doch op de steenrots, die «A; bon, zal ik mijne gemeente bouwen. Welk een scheeve redeneering zou dat zijn!
Wij, Katholieken. ontkennen wel is waar niet, dat Christus de voornaamste steenrots en wel uit zichzelven is, doch Simon werd de steenrots, niet uit zichzelven, doch door Christus, van welke steenrots (Christus) hij (Simon)
') Ue Rom. Ponl. I. i , c. 10.
-) Dc er.clesiast. hierarchia, 1. 3 , c. 7 . n. 9.
Dc Praerogativis B. Petri p. 'iOO . 408 seii.
14
zijne vastheid heeft. Lees de woorden van den Zaligmaker, en geen redelijke twijfel is mogelijk.
Gr. En wat houdt gij van den uitleg der Maagdenburg-sche Centuriatoren ? Volgens hen beteekent petra of steenrots niets anders dan de één enkelen keer afgelegde belijdenis van Petrus. En wat dunkt u van de verklaring van M e i s n e r , volgens wien met het woord steenrots èn Christus' belijdenis èn die van Petrus bedoeld worden ? of als die uitleg u niet aanstaat, dan zoudt gij met Flacius kunnen zeggen: de steenrots, d. i. leer en godsdienst van Christus, of met Prisch: leer over Christus.
H. Zijn al die uitleggingen waar ? Allen beroepen zich op de Schrift. Grij vergeet, dat hier niet de vraag luidt: waarom de Heiland Simon tot steenrots heeft uitverkoren, de reden kan zeer goed het geloof van Petrus geweest zijn, maar de vraag is: wie die Kef a, die jjdra, die steenrots is, waarop de Kerk zal gebouwd worden.
G. Zeg dan met Brünings: petra beteekent niets dan een steenachtige plaats. K och er verklaart, dat de uitleggingen der Protestantsche godgeleerden wonderbaar variëeren. Gij hebt dus keuze.
H. Hoor eens! Weet gij, waarom er zoovele verschillende uitleggingen zijn van dien tekst?
G. Waarschijnlijk, omdat hij zoo moeielijk is.
H. Neen, waarschijnlijk, wijl hij zoo gemakkelijk is.
G. Ik begrijp u niet.
H. De woorden zijn zóó klaar en duidelijk, dat vele moderne Protestanten veel eenvoudiger te werk gaan en stoutweg zeggen : Christus heeft ze niet gesproken. Zoo schrijft b. v. Harnack 1): „Die Herrenworte Matth. 16, 18 und 18, 17 gehören erst dem 2. Jahrhundert an.quot;
') Dogmenyeschichte 1 , 69, nota 1.
15
Neen, vriend, de Paus wordt door Christus' woord bedoeld. Dat lean men wei loochenen, maar dan geschiedt het uit kracht van vooroordeelen. Dat vooroordeel zou hier zijn ; Christus heeft zeker geen Paus of een zichtbaar hoofd der Kerk aangesteld, dus.... Vooroordeelen verblinden, en zooals Pascal zeide, heeft het hart bewijzen, die toch geene bewijzen zijn ').
De Zaligmaker spreekt Petrus aan, noemt hem een steenrots en zegt dan : „Op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen.quot; Petrus dus en niemand en niets anders dan Petrus is de grondslag van Christus' Kerk, ofschoon afhankelijk van Christus, den voortreflfelijksten, maar on-zichtbaren grondslag.
(x. Ja, dat is de leer der Roomschen.
H. Zeer zeker. Ik houd voor ontwijfelbaar, dat in allen geval Petrus in dien tekst door Christus de steenrots genoemd is. Dq Protestantsche geleerde Holtzmann, die „met verwerping aller oud- en nieuw-Protestantsche ïen-d e n z e x e g e s e de belofte op den persoon van Petrus laat terugslaan, door wien menschelijkerwijze liet bestaan der ecclesia verzekerd schijnt,quot; heeft juist geoordeeld 1).
G. Nu ja, ik weet, dat er Protestanten zijn, die het woord steenrots op Petrus laten doelen, o. m. Roseu-müller, Schleussner, Bloomfield, Marsh, Kuin-oel, Weiss, Holtzmann, Michaelis enz. enz.
Zelfs de Christus-loochenaar en hoofd des Evangelischen Bundes in Duitschland, Professor Beyschlag neemt dat aan, maar de woorden bij Mattheus beteekenen volgens hem dit: P e t r u s is de zichtbare grondslag der Kerk, in zoover hij „de eerste en tot dan toe de eenige geloo-
) Zeitschr. far wiss. Theol. 1878, S. '115. Dr. Einig blz. 31.
lü
vige, de eerste Christen was in den zin vun het Nieuwe Testament.quot;
H. Die Professor schijnt de. H. Schrift niet te kennen. Was dan Joannes, die sprak: „Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geen „geloovige en a-een „Christenquot; vóór Petrus? En is de enkele eer-ste steen van een gebouw reeds de geheele grondslag van het gebouw ?
G. Christian Stork heeft nog een anderen uitleg, „riérpsrquot; zegt hij, beteekent den steen, die heen en weer geworpen en van de eene plaats naar de andere kan worden bewogen.quot; ')
H. Christus hoeft dus op zulk een steen zijn Kerk gebouwd ?
Gr. Dr. C a r o 1 u s H a s e weet er iets anders op : Simon wordt Kefu, d. i. steenrots genoemd, omdat hij uitgekozen werd, om het eerst van allen aan de Joden en Heidenen het Evangelie te verkondigen en aldus den vasten grondslag der Kerk te leggen 2).
H. Vriend, zou de Heiland met de plechtigs te woorden ter belooning van de belijdenis van Petrus hem aangekondigd hebben, dat hij de eerste in tijd mocht zijn om het geloof te verkondigen?
Overigens blijkt duidelijk uit de beeldspraak die Christus gebruikt — Hij spreekt van steenrots, grondslag —, dst hier een hijzonder, een blijvend voorrecht van Petrus bedoeld wordt.
G. Dat zie ik niet in.
H. Het straalt uit de woorden, die de Heer laat volgen; En de poorten der he! zullen dezelve niet overweldigen.
i) C la vis linguae sanctae N. T. s. v. nérpoc, -) Polemik |ed. 3] p. 121 sq.
17
Gr. Zij beteekenen alleen, dat do gemeente, de Kerk, niet zal vernietigd worden.
H. Maar de reden, waarom de Kerk niet kan vernietigd worden is, omdat op Petrus als op de steenrots de Kerk gebouwd is. Christus redeneert om zoo te spreken als een bouwkunstenaar : Ik zal oen huis bouwen op de steenrots en geen vijandelijke macht zal dezelve verwoesten, m. a. w. : opdat liet huis niet verwoest worde, zal ik het op oen steenrots bouwen en omdat ik het op een steenrots bouw, zal dat huis niet te gronde gaan ').
G. Maar wat beteekenen tocli : de poorten der hel?
H. Hel [' 'Aio-/,:] beteekent of in 't algemeen de onderwereld , waarheen de zielen der afgestorvenen afdalen (Handel. 2:27, 31; 1 Cor. 15:53; Openb. 20:13, 14), of in 't bijzonder de woonplaats der verdoemden (Luk. 1G: 22) enz. Deze plaats wordt voorgesteld als een stad, die poorten heeft, welke door sleutels gesloten worden (Openb. 9:1), „de hel of plaats daar de onreine geesten en god-delooze menschen in de eeuwigheid zullen gepijnigd wordenquot; 2). De inwoners van die stad strijden tegen het rijk van Christus (zie 1 Petr. 5:8; Openb. 12:7 seq.).
Vandaar wanneer Christus de „poorten der helquot; voorstelt als trachtende tegen de Kerk te woeden, dan bedoelt Hij
Mattli, 7 : ^24—27 : wEen iegelijk dan die deze mijne woorden hoon en dezelve doet. dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. En daar is slagregen nederge-vallen , en de waterstroomen zijn gekomen en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangevallen en het is niet gevallen . iranl het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk die deze mijne woorden hoort en dezelve niet en doet . die zal bij een dwazen man vergeleken worden , die zijn huis op het zand gebouwd heeft.quot;
-) Kantteekening van den Statenbijbel.
18
dat vijandelijk rijk, die stad en haar macht; want poorten beteokenen macht, omdat in de poorten recht gesproken wordt (Job 5:4; Jesaia 29: 21 ; Spr. 22 : 22); met de poorten wordt soms het rijk zelf bedoeld (Gen. 22 : 17; Jes. 38: 10). zooals wij nu nog, liet Turksche rijk bedoelende, spreken van de Ottomanische Parte. Derhalve zijn de poorten, die tegen het rijk van Christus strijden, de machten des duivels en van diens handlangers, met wie de volgers van Christus in aanhoudenden strijd zijn (Eph. 6 : 12). Maar Christus' Kerk heeft door Petrus zulk een vastheid, dat de vijanden haar niet kunnen overweldigen ; ik zeg: door Petrus, niet volgens hetgeen hij uitzichzolven is, maar in zoover hij door den Heiland als grondslag is gesteld en zijn vastheid, door Christus hem gegeven, aan de Kerk meedeelt. Dat die vastheid niet als een voorbijgaande handeling van Petrus verstaan kan worden, maar met diens blijvend ambt samenhangt, is duidelijk. Daarom, besluiten wij , Katholieken, uit die woorden, dat in de voorafgaande woorden aan Petrus het primaatschap der rechtsmacht en rechtspraak beloofd werd.
Ik zeg beloofd en nog niet (jegeven, want Christus zeide: „Zal ik mijne Kerk bouwen.quot; Toen was Petrus nog niet de grondslag der Kerk, maar hij werd het na den dood des Heeren.
Gr. Als dat alles waar was, dan hadden wij den onfeil-baren Paus, want Petrus is gestorven en hij moet de grondslag, de rotssteen blijven en de volmacht hebben.
H. Dat dunkt mij ook.
G. Ik heb nochtans eene moeielijkheid tegen die volmacht.
H. Laat hooren.
G. Beyschlag kan gelijk hebben, als hij zegt: „De sleutelen des Hemelrijks zijn de waarheden van
19
't Evangelie,quot; zoodat Cliristus' woorden luiden: „En ik zeg u, dat gij zjjt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen. En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen,quot; d. \v. z. : de waarheden van 't Evangelie.
H. Mijn hemel, welk een uitleg! Weet die geleerde Professor dan niet, wat het beteekent, wanneer aan een veldheer de sleutels der stad worden ter hand gesteld? Het beduidt immers eenvoudig, dat dien veldheer alle macht over die stad verleend wordt, Volgens de H. Schrift zelve zijn de sleutelen het zinnebeeld van heerschappij en eigendom. De Statenbijbel zegt: „Als men in der Koningen hoven iemand den sleutel geeft, dat beteekent, dat hem in zijn dienst macht en yezay gegeven wordt.quot;
(Vgl. Jes. 22 : 22; Luk 11 : 52 ; Openb. 1:18; 3:7; 9:1; 20 : 1) *).
Doch veronderstel voor een oogenblik, dat die sleutelen des he meirijks enkel beteekenen de waarheden van t Evangelie, dan zijn aan Petrus die waarheden
') Jesiiia 22:22. )gt;En ik zal ilen sleutel des huis Davids op zijn schouder leggen , en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten , en hij zal sluiten , en niemand zal opendoen.quot;
Lukas li; 52. «quot;Wee u, gij wetgeleerden! want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen: gij zeiven zijt niet ingegaan, on die ingingen, hebt gij verhinderd.quot;
Openb. 1 : 18. «En ik heb de sleutels der hel en des doods.quot;
3:7: «Dit zegt de Heilige, de Waarachtige die den sleutel Davids heeft; die opent, en niemand sluit, en hij sluit, en niemand opent.quot;
9:1: ». . . . en haar werd gegeven do sleutel van den put des afgronds.quot;
20 : 1 «En ik zag eenen engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds eu eene groote koten in zijne hand.quot;
20
toevertrouwd en wel aan Petrus en zijne opvolgers, den Petrus voor alle tijden, de petru, den grondslag van de Kerk, en dan zijn de waarheden van 't Evangelie niet bij u, Gereformeerden, want gij hebt den P e t r u s niet.
G. Alles wat gij daar zegt is echt Katholiek.
H. ,,Dc sleutels can het hemelrijixquot; beteekenen echter niet de waarheden van 't Evangelie, maar de volmacht. Het rijk der hemelen is hier hetzelfde als de Kerk van Christus. Derhalve zooals de Heiland gezegd beeft, dat Petrus de grondslag der Kerk zal zijn, zoo verklaart Hij hier, dat Petrus de sleuteldrager zal wezen om te openen en te sluiten, te binden en te ontbinden. En ofschoon het hemelrijk beteekenen kan zoowel de strijdende Kerk op aarde als de triumfeerende Kerk hierboven, bedoelt de Verlosser toch rechtstreeks de strijdende Kerk, omdat in de triumfeer ende Kerk geen sprake kan zijn van binden en ontbinden ').
Petrus heeft dus in de strijdende Iverk de macht om te openen en te sluiten, d. w. z. de bevoegdheid der rechtsmacht en rechtspraak over de geheele Kerk. Christus is wel per se het hoofd der Kerk, „de waarachtige, die den sleutel Davids heeft; die opent, en niemand sluit, en hij sluit, en niemand opent,quot; -) maar Hij deelt die macht aan Petrus mede, opdat Petrus in zijn plaats in de strijdende Kerk de hoogste macht zou hebben.
De overgave der sleutels van een plaats beteekent altijd, vooral in 't Oosten de overgave of de erkenning der hoogste, ten minste plaatsvervangende macht.
Thans nog, zoo verhaalt Guthe, vragen de Joden te
') Palmieri: De Hum. Pont. p. 332
-j Apoc. 3 ; 7.
21
Jeruzalem elk jaar den gouverneur verlof eenige uren of hoogstens een nacht de sleutels der stad te bewaren, iets wat hun (tegen een behoorlijk geschenk natuurlijk) gaarne wordt toegestaan. Tengevolge dezer overgave der sleutelen beschouwen zij Jeruzalem nu als eene Joochche stad. Tol-gens de Talmudische bepaling mogen zij dan op den Sabbat door geheel Jeruzalem lasten vervoeren, die zij anders alleen in eigen huis of erf mochten dragen ').
G. Dat is een zonderling feit.
H. En het bekrachtigt mijne stelling. Overigens: Prof. Pfleiderer is zoo vast overtuigd, dat de Katholieke leer van het pausdom duidelijk en klaar in het Evangelie van Mattheus te lezen staat, dat hij daaroui het geheele Evangelie van Mattheus als onecht verwerpt; verwierp hij het niet dan moest hij Katholiek worden. Hij schrijft in zijn ürchristentum blz. 541: „Dogma, zedenleer, kerkgenootschap der wordende Katholiek e Kerk , van dit alles vindt men aanleg en opzet in het Evangelie van Mattheus.
Katholiek is zijn Drieëenheids doopformulier. Katholiek is zijne Christus-leer, waarin de Zoon van David en Abraham eenvoudig als één gedacht is met den waarach-tigen, bovennatuurlijken Zoon van Grod, Katholiek is de zaligheidsleer. Katholiek is de zedenleer, volgens welke het ascetisch leven in vrijwillige armoede en ongehuwden staat reeds als hoogere volmaaktheid geldt. Katholiek is eindelijk de aan Petrus gedane belofte van hem te maken tot grondslag der algemeene Kerk en drager van de macht der sleutelen, wiens binden en ontbinden vooruit in den Hemel bekrachtigd is.quot; '-).
') Ausgrdbungen bei Jerusalem. Zie Zeitsehr. des cleutschen Palüslina-Vereins V, 31 f. — Wiseman.
l) Dr. Einig I blz. 33.
22
Dat noem ik onbevooroordeelde schriftuitlegging.
G. Maar lieeft Prof. Pfleiderer gelijk?
IJ. In elk geval is hier geen Katholiek vooroordeel iu 't spel; Pfleider er is Protestant. Ik heb redenen zijn uitleg voor waar te houden, vooral wijl aan Prof. B e y s c h 1 a g de volgende rondborstige bekentenis ontsnapte; „Zonder twijfel zijn niet alle tegen ver klaringen der Protestanten gelukkig geweest. Dat Jezus met „de steenrotsquot;, waarop Hij zijne Kerk bouwen wil, niet zichzelven bedoelt, ook niet „de belijdenisquot; van Petrus of liet „geloof,quot; dat Petrus kort te voren beleden iieeft, maar den man zeiven, aan wien Hij den naam van steenrots gaf en voor wien Hij dien naam bevestigde als zijnde verdiend, daarover kan ten overstaan van de woorden „Gij zijl Petrus en oj) deze steenrots enz.quot; onder verstandige lieden geen strijd zijn. En nu schijnen zeer zeker de volgende woorden „En ik zal u de sleutelen des Hemelrijlcs gevenquot; het idee van een plaa tsbek le eder en Christus stedehouder op aarde op een afdoende wijze te bevestigen. Want met het beeld (dor sleutels) kan geen deurwachter bedoeld zijn. . . . ook geen huisopzichter, die de sleutels van de voorraadkamers heeft. Er wordt integendeel een soort koningschap bedoeld, waarvan Jesaia spreekt in het 22ste hoofdstuk, liet ambt van een Overste over het Koninklijke huis. .. . Is er sprake van het aardsch bestaan van het rijk Gods, en wordt Jezus zelf daarin als Koning gedacht, dan kan Jezus dat ambt ook aan een ander vergeven. Hij staat op 't punt van de aarde te scheiden ; Hij heeft een plaatsbe-kleeder, een hoofdambtenaar, zooals daar in Israël, noodig, die nu moet voortgaan in Christus' naam den menschen het hemelrijk te ontsluiten of naar bevind van zaken ook te sluiten, en nu stelt Hij Petrus tot dezen Zijn sleuteldrager aan.... Er moest in dit stadhouderschap voort-
durend een of ander zijn, die Petrus in zijn waardigheid opvolgt, en dan zon het eiken anderen bisschop of waardigheidbekleeder der Kerk altijd zwaar vallen, betere wettelijke rechten te doen gelden dan do bisschop 'van Rome
Wat zegt gij van zulk eene bekentenis?
(1. Een Katholiek zou elk woord van dien professor kunnen onderschrijven. quot;Waarom wordt de man niet Eoomsch? Volgens zijne overtuiging toch is die plaats van Mattheus in Katholieken zin te verstaan.
H. Ja, waarom wordt hij niet Roomsch ? Ik zou haast zeggen : omdat hij geen Christen meer is. Roomsch worden zou do natuurlijke gevolgtrekking zijn uit zijne bewering, indien hij den Bijbel nog als Gods Woord beschouwde. Doch daarvan is hij reeds ver verwijderd. Hij is in andere richting consequent geweest. Uit Protestantsche beginselen redeneerende, kwam hij met vele anderen tot de verwerping van het gezag des Bijbels.
Gr. Hoe dat ?
H. Ik kan mij dit aldus verklaren: Het Katholicisme steunt op de overlevering. In de Kerk belichaamd is de overlevering do stevigste grondslag van den godde-lijken oorsprong van 't Evangelie; de overlevering is om zoo te zeggen het levende bewijs van hot Evangelie.... De Protestanten hebben de overlevering- en de Kerk verworpen. Doch waardoor vervingen zij het ontzagwekkend gezag eener eeuwenoude overlevering, die in de Kerk was neergelegd ? — Gij, Protestanten , neemt eene g o d d e-lijke openbaring aan, die noodzakelijk is ter zaligheid; deze openbaring is vervat in een op bovennatuurlijke wijze ingegeven boek. Maar wie zal met zekerheid den waren
') Beyschlag, Seutest. Theologie, 1 Bd. 1 B., 7 cap.
24
zin der heilige teksten bepalen? Terwijl gij Protestanten, het gezag der Kerk venvierpt, liet gij de uitlegging dei-Schrift over aan 't persoonlijk oordeel van eiken geloovige. Dat was niet alleen de deur openzetten voor eindelooze veranderingen, liet was do openbaring zelve blootstellen en prijsgeven. Konden er geene personen gevonden worden , die in do Heilige Boeken lezen wilden, dat Jezus Christus geen God is? Van den aanvang der Hervorming zijn er zulke twijfelaars geweest, en niettegenstaande do hevige uitvallen van Luther tegen hen, hielden zij zich staande en vormden eene machtige sekte. Maar wat wordt er van 't Christendom, als Christus niet meer de Zoon Gods is ?
Er lag echter een nog grooter gevaar in het Protestantsch beginsel. Streng genomen blijft het Christendom een geopenbaarde godsdienst zoolang de Heilige Boeken erkend worden hot Woord Gods te zjjn. Het quot;Woord Gods is eene onmetelijke groote kracht voor hem, die gelooft dat onfeilbaar gezag voor zich te hebben; het gaf aan Luther een wonderbaar zelfvertrouwen; het was zijn burcht, waarin hij zich onoverwinnelijk voelde. Maar wie bleef Item hory. dat die bladen papier, irelke men de Schrift noemde, het Woord God* bevatten? Als man can geloof en opgegroeid in de Katholieke overlevering, ben aarde hij zijn geloof aan de Schrift, nadat zijn geloof aan de Kerk was uitgedoofd. Zoo was het echter niet gesteld met de latere geslachten; zij vroegen, waarop dan toch de goddelijkheid der Schrift steunde. Deze vraag verontrustte Calvijn zeer. Hij voelde heel goed, dat de bewering : „De Schrift is door God ingegeven , wijl zij afstamt van de leerlingen van Christus, en door dc verhevenheid van haren inhoud uitmunt en zich van menscheljjke boeken onderscheidtquot; of, zooals Ds. Don-ner in zijn Catechismus zegt, wijl het blijkt „uit haar
25
goddelijk karakter, hetwelk zoo klaar uitblinkt, dat de blinden zelfs tasten kunnen, dat de dingen, daarin vervat, van niemand anders dan van God zijn,quot; hij voelde, zeg ik, zeer goed, dat deze bewijzen eene waarschijnlijkheid, maar geene zekerheid konden geven. Calvijn was ook een man van geloof ; hij antwoordde op de twijfelingen dei-rede, dat de goddelijkheid der Schrift geene bewijzen 1100-dig had. Heeft iemand er ooit aan gedacht het bestaan dei-zon te bewijzen? 1) Dit bewijs was goed voor hen, die geloofden, maar dezen behoeven geene bewijzen. Voor hen echter, die een grond van zekerheid verlangden, was de door Calvijn beweerde klaarblijkelijkheid geen reden om te gelooven; hadden zij geen recht te zeggen, dat in hun oog die klaarblijkelijkheid niet bestond ? En was dit niet ten slotte hetzelfde als het bewijs voor liet goddelijk karakter dor Schrift in menschelijke ingeving zoeken? quot;Waar is het, dat Calvijn beweerde: de ingeving komt van God. God zelf is liet, die getuigenis geeft voor Zijn quot;Woord, '-) of zooals Ds. Don ner in zjjn Catechismus zegt: „des Christens naaste bewijs voor de goddelijkheid der Schriftquot; is „het getuigenis des Heiligen Geestes iu zijn hart, dat de Geest, door Wien de Schrift is ingegeven, de waarheid is,quot; maar deze gewaande goddelijke ingeving had een gevaarlijke klip, waarop het Protestantisme stranden moest: van den eenen kant maakte het Mysticisme zich daarvan meester, om zijne dwaasheden te rechtvaardigen en van de andere zijde opende zij do deur voor het Rationalisme. En werkelijk: kan de ingeving, die Calvijn aan God toeschrijft, niet uit de menschelijke rede voortspruiten? yl/s dat kan, wordt de rede ten slotte beslisster over de open-
) Calvijn, Institut. I , 7 . 2.
26
haring; maar dat is de ontkenning der geopenbaarde waarheid ').
In 't licht van die treffende woorden begrijp ik de afdwaling van Prof. Beyschlag. Hij erkende geen onfeilbaar leeraarsambt. Hij is Rationalist geworden en loochent nn de godheid van Christus. Al blijkt hem thans uit den tekst van Mattheus het onfeilbare pausschap, heeft die plaats voor hem geen gezag, want Christus is geen God.
Gr. Het is verschrikkelijk! En die man staat aan het hoofd des „Evangelischen Bundesquot; in Duitschland !
H. JSFu begrijpt gij, waarom Ter tui li aan (j 220) Petrus noemt ..steenrots der Kerkquot;, en Origenes (1254) van Petrus zegt: „grondslag en alierhechtste steenrots, waarop Christus de Kerk heeft gebouwdquot; en Ambrosius (f 397) „grondslag van het hemelrijkquot; en Hilarius (t 368) „deurwachter van het hemelrijkquot; en alweer Origenes (f 254) „Vorst der Apostelenquot; en hot Ro-meinsche brevier (18 Jan. en 22 Febr.) nog vele dergelijke titels geeft.
G. En de getuigenissen zijn inderdaad sterk van uitdrukking.
H. In de aangehaalde teksten van Mattheus beloofde Christus de volmacht of het primaatschap. Hij heeft die belofte vervuld.
G. Waar staat dat in de H. Schrift?
H. Eerst zeg ik u dit: wanneer eenmaal gebleken is, zooals wij bij Mattheus gezien hebben, dat Christus 'iet primaatschap aan Petrus beloofd heeft, dan is het ontwijfelbaar zeker, dat die belofte vervuld is, al zou de H.
1) T. Laurent Professor te Gent , Etudes sur l'histoire de Vhumanité VIII. La Rèforme.
27
Schrift geen woord reppen van de vervullimj dier belofte.
G. T3ie opmerking is onnoodig, vriend; dat spreekt als een boek. God schendt zijn woord niet.
H. J^eem nu den Statenbijbel en sla liet -ilste hoofdstuk van Johannes op.
G. Gij beroept u alweer op Gods Woord. Als waarlijk Gereformeerde juich ik dit toe.
H. De Evangelist zegt daar duidelijk, wanneer Petrus dat primaatschap, die waardigheid gekregen heeft, namelijk bij gelegenheid van Jezus' verschijning aan zijne Apostelen „aan de zee van Tiberias.quot;
Lees nu eens vers 15—17.
G. „Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden , zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij liever dan dezen? Hij zeide tot hem: Ja, Heere! gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem : weid mijne lammeren.
Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon , zoon van Jonas! hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem ; Ja, Heere! gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: hoed mijne schapen.
Hij zeide tot hem ten derden maal : Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tot hem: Heere! gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem : weid mijne schapen.
H. Duidelijk niet waar en treffend!
G. Eenige Protestanten echter beweren, dat Christus «ie# sprak tot Petrus alleen.
H. Uw gezond verstand zal hen weerspreken; overigens die bewering is maar van zeer weinige Protestanten. Men behoeft den tekst eventjes te lozen om overtuigd te zijn.
28
De Evangelist bevestigt dit: „Hij zeide tot Simon Te-ti us , Christus drukt het uit ; Simon, zoon van Johannes, hebt gij mij lief? Hij onderscheidt hem zelfs zonneklaar van de andere Apostelen: „Hebt gij mij liever dan dezen ? d. i, deze Apostelen hier tegenwoordig.
G. Ja, het is overduidelijk.
H. En bijgevolg ook overduidelijk dat die woorden: ,,weid, hoed enkel tot Petrus gezegd worden, evenals de woorden, die daarop volgen in vers 18 en 19, waarin Christus over den toekomstigen dood van Petrus spreekt. ')
G-. Het springt in 't oog.
Waarom zegt de Heiland in vers 15 „mijne lammerenquot; en in vers 17 „mijne schapenquot;?
11. Zonder twijfel duidt hij daarmee op zijne cjehsele kudde. Christus' kudde zijn de geloovigen, die allen behooren tot de ééne kudde, waarvan Hij de Herder is. Lees b. \. liet lOii' hoofdstuk van Johannes, vers 14 15, 16.
Daai do Heiland zelf onderscheid maakt tusschen lavi-meren en schapen (er zijn zelfs lezingen van „Jammeren , schaapjes en schapenquot;), duidt Hij waarschijnlijk op eenige ongelijkheid onder de kudde, als tusschen overheden en onderdanen, zoodat door de woorden: weid mijne lammeren weid mijne schapen, de zorg over alle overheden en onderdanen aan Petrus wordt toevertrouwd.
G. Wat zou het verschil zijn tusschen weiden (jSócry.eu) en hoeden {rroiy.xhsu) ?
H. In den tekst zijn zij van gelijke beteekenis en beide beteekenen eenvoudig de herderlijke hed.iening jegens de geloovigen van Christus. Herder over menschen zijn is bij ongewijde en gewijde schrijvers hetzelfde als menschen lei-
*) Passaglia , De pmerogat. S. Petri 1. 2, c. 15. n0. 223 sqq.
29
den, besturen of' rechtsmacht en gezag over hen hebben. Homerus noemt de koningen „herders der volken.quot; Zie ook: 2 Kon. 5:2; Jesaja 44: 28; Matth. 2 ; 6. Daarom noemt de Heer, die over de geloovigen de hoogste macht heeft, zichzelven den Herder, wiens stem zij hooren. (Joh. 10:26, 27).
G. Ik zie nu wel duidelijk, dat Christus in die teksten aan Petrus rechtsmacht, volmacht, iurisdictie geeft, maar overduidelijk is liet mij nog niet, dat daarmede noodzakelijk het primaatschap of het; voorzitterschap, de hoogste bevoegd-lieid van die iurisdictie bedoeld wordt.
H. En toch zult gij het inzien, naar ik hoop.
Eenmaal aangenomen, dat hier alleen aan Petrus rechtsmacht gegeven wordt, volgt daaruit reeds, dat Petrus de hoogste macht kreeg.
G. Waarom ?
H. Omdat Petrus de macht (iurisdictie), die aan het apostelschap verbonden is, evenals de andere Apostelen reeds ontvangen had, zooals blijkt uit Johannes hoofdstuk 2U vers 21 enz., maar hier in ons hoofdstuk is sprake van een bijzonder voorrecht, dat alleen Petrus ontvangt, nadat hij belijdenis gedaan heeft van zijne bijzondere liefde voor den Heer.
Bovendien werd Petrus het bestuur opgedragen over de geheele kudde van Christus, „Weid mijne lammeren, mijne schalden, d. w. z. mijne gemeente, mijne Kerk, dus ook over de Apostelen, die onderling gelijk zijn en onder wie de geloovigen staan.quot;
Vergelijkt men derhalve deze woorden uit het 21^tu hoofdstuk van Johannes met de volstrekte belofte van het primaatschap bij Mattheus (IG^e hoofdstuk) dan kan er geen twijfel bestaan of Christus heeft hier (in het 2l^e hoofdstuk van Johannes) vervuld, wat hij vroeger (Matth. lü)
30
beloofde. En zoo is dus Petrus aangesteld tot primaat der cjeheele Kerk of als gij wilt: gemeente.
Met de hand op 't liart, vriend: Ik voor mij zie wel kans aan de waarheid van Petrus' primaatschap eenigszins te twijfelen, maar dan moet ik den Ihjbel dichtslaan en enkel het oor leenen aan alle bedenkingen , die ooit tegen het primaatschap gemaakt zijn.
Gr. Inderdaad uit den Bijbel straalt de waarheid.
H. En nu begrijpt gij, waarom Petrus in de lijst dei-Apostelen altijd op de eerste plaats gesteld wordt, terwijl de namen der overige leerlingen dooreenloopen (Matth. 10 : 2; Mark. 3:16; Luk. 6 ; 14; Hand. 1 : 13). Door Mattheus wordt hij „de eerste' onder de Apostelen genoemd.
Gr. De Statenbijbel teekent aan „de eerstequot;, d. w. z. omdat hij „van Christus tot het Apostelschap eerst geroepen was.quot;
H. Wist dan de vervaardiger van die kantteekeningen (Hommins) niet, dat twee anderen vóór Petrus geroepen zijn; vergat hij wat Johannes verhaalt in het eerste hoofdstuk 41: „Andreas, de broeder van Simon Petrus, was één van de twee, die bet van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren?quot; Nu begrijp ik waarom Epis-copius van de kantteekeningen zegt:
„Sunt bona, sunt quaedam mediocria, sunt mala multa.quot;
„Men vindt er goede onder, er zijn nogal middelmatige, vele zijn slecht.quot; ')
G. De Statenbijbel teekent ook aan: „de eerstequot;, d. i. omdat hij zoo het schijnt, de oudste was.
H. „Zoo het schijnt'''quot;? Dat schijnt nergens uit geen enkelen Evangelist; daarenboven de rangorde volgens ouderdom houden de Evangelisten in 't opnoemen der Apostelen vol-
■) Ypey II. Aanl. 431. Naar Martialis.
31
strekt niet. Zij zeggen geenszins: Be eerste: Petrus, die de oudste of ouder was, maar Simon, die bijgenaamd werd Petrus; de reden van liet eerste-zijn of liet primaat-scliap ligt hierin, dat Simon is Petrus.
Buitendien dat woordje „de eerstequot; bij Mattheus is niet geplaatst bij wijze van optelling, want er volgt niet: de tweede, de derde enz.; er staat enkel „de eerste: Petrus.
Gr. Hommins vergist zich deerlijk; dat zie ik in.
II. Bij het licht van de teksten van Matth. 16: „Gij zijt Petrusquot; enz. en van Johannes 21 ; 15—17 „Weid mijne schapenquot; begrijpt men ook, waarom Petrus door Christus op eene bijzondere wijze geëerd werd, en waarom hij telkens, wanneer de Apostelen samen zijn, om zoo te spreken voorzit, zooals blijkt uit de H. Schrift, b. v. bij de verkiezing-van Matthias (Hand. 1) en eveneens op Pinksteren (Hand. 2), en zoo in tegenwoordigheid van overheden en oudere Joden (Hand. 4). Petrus is de eerste, die de Heidenen in de Kerk opneemt (Hand. 10), die 't eerste uitspraak doet in de vergadering der Apostelen (Hand. 15): hij bezoekt en bevestigt de Kerken (Hand. 9 : 32).
Dit alles, vriend, toont aan, dat in de oorspronkelijke Kerk de stand, de verhouding, de waardigheid van Petrus iets geheel bijzonders was, en van dien stand is geen andere reden aan te geven dan juist het primaatschap.
En nu is het duidelijk, waarom de Protestant Pabricius ') schreef: „Plet is zeker, dat Petrus de eerste onder de Apostelen was, en God de orde lief heeft,quot; en waarom de Protestant Pfaff -) verklaart: „Wij kunnen niet ontkennen, dat al de oudste Vaders van de overtuiging uitgingen: in de Kerk is een opperste bisschop.quot;
G. Ik heb echter nog een groot bezwaar: het schijnt dat
') Vertheidigung M0~. 2) De Orig. Jes. Eed. art. 3.
32
Pan lus het primaatschap niet heeft erkend. Ik lees in den brief aan de Galaten 2:11: „En toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraften was.quot; Paulus heeft Petrus berispt, derhalve was Petrus niet boven Paulus iiesteld.
O
iï. Ik antwoord u : Er is een tweevoudige berisping, een uit gezag en een uit liefde. Dat Paulus over de overige Apostelen en dus ook over Petrus gezag oefende, zal wel niemand beweren; dus was het een berisping uit liefde, een broederlijke herispiny, die in zekere omstandigheden ook door een onderdaan tot zijne overheid kan gericht worden. Want als een handelwijze van een overste met of zonder zijn schuld, aanleiding kan geven tot ergernis, dan moet een ondergeschikte, die het op een passende wijze doen kan, zijne overheid waarschuwen zelfs in tegenwoordigheid van anderen. Wijl derhalve de handelwijze van Petrus, ofschoon buiten diens schuld, inderdaad ergernis had gegeven, en dit kwaad op geene andere manier naar 't schijnt kon verholpen worden, heeft Paulus, die als Apostel der Heidenen en als ambtgenoot van Petrus dit het geschikst van allen doen kon, hem in 't aangezicht weerstaan.
Petrus, zoo lees ik in de Suitnna Apologetica enz. van Er, J. v. de Groot Ord. Praed1), was te bestraffen ofte berispen, omdat luj onvoorzichtig was geweest, niet wijl hij iets onwaars geleerd had.
„Het is geen heel ongewoon verschijnsel,quot; schrijft Kardinaal Gibbons, „dat geestelijken, die eene ondergeschikte stelling in de Kerk innemen, zelfs den Paus eene vermaning geven. De H. Bern ar dus, hoewel maar een monnik, schreef een werk, waarin hij met apostolische vrijmoe-
') 1 , Ijl. 154.
33
digheid aan Paus Eugeuius III raadgevingen gaf en hem waarschuwde omtrent de gevaren, waaraan zijn verheven ambt hem blootstelde. Toch had niemand meer eerbied voor een Paus dan B er nardus voor dezen grooten Opperpriester.quot;
„Wat meer zegt: ik trek uit die berisping van Paul us liet duidelijkst bewijs voor Petrus' oppermacht.
Paulus acht het feit van Petrus in 't aangezicht weerstaan te hebben meldenswaard. Denkt gij, dat het vermelding verdiende als Paulus een ander b. v. Jakobus, Johannes of Barnabas terechtgewezen had? Volstrekt niet. Of de eene broeder den andere berispt, dat trekt niet bijzonder de aandacht. Maar berispt een zoon zijn vader of wederstaat een priester zijn bisschop in 't aangezicht, dan begrijpen wij, dat zij het de moeite waard achten van dit feit te gewagen. Vandaar wanneer Paulus ons verhaalt aan Petrus zijne ontevredenheid getoond te hebben over diens handelwijze, dan vermeldt hij dit als eene buitengewone daad van Apostolische vrijmoedigheid en laat blijkbaar in onzen geest de gevolgtrekking achter dat Petrus zijn overste was.quot; ')
G. Dat alles moge waar zijn, en zelfs Calvijn schrijft: „Dat Petrus de eerste was onder de Apostelen, erkennen wij gaarne, maarquot;—-zoo gaat hij voort — „niets machtigt ons om wat voor weinigen gold tot de geheele wereld uit te breiden.quot;
11. Hij wil m. a. w. zeggen : het is niet bewezen, dat Petrus een opvolger moest hebben in het primaatschap?quot;
') The faith of our Falhers by James Cardinal Gibbons, arch-bishop of Baltimore. Thirtij-Seventh Edition. 1891.
Wie zal dat populair en degelijk werk des beroemden Kardinaals bij liet licht van de Summa Apologetica van onzen hoogleeraar Rev. Pater de Groot, Ord. Praed. voor Nederland bewerken? Hij zou Katholieken en Protestanten een onvergetelijken dienst bewijzen.
3
34
G. Juist; als dat bewezen was, dan....
H. Heeft Christus gewild, dat de Kerk altijd zou bestaan ?
Gr. Dat spreekt.
TT. Dan heeft Hij ook gewild, dat het primaatschap altijd bestaan en niet enkel een persoonlijk voorrecht van Petrus zou zijn.
G. Hoe dat?
li. Hij heeft het primaatschap ingesteld, opdat op dien hechten grondslag de Kerk staan zou tegen de poorten der hel. „Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen enz.quot;
Heeft van den eenen kant een gebouw zonder grondslag geen vastheid en moet van den anderen kant de Kerk immer den aanval der hel weerstaan, dan heeft Christus gewild, dat de Kerk immer bare hechtheid zou hebben van of door die hechtheid en vastheid, welke zij uit het primaatschap als grondslag bezit. Bergens toch heeft Christus een ander middel aangewezen, waardoor de Kerk, wanneer haar eerste grondslag niet meer zijn zou, gevestigd en gegrondvest kon blijven; maar Hij zeide de geheele Kerk, „mijn Kerk, op Petrus te willen bouwen. Die hoogste macht derhalve van te onderwijzen en te besturen, waardoor Petrus de grondslag der Kerk is, moet zoolang bestaan, als de Kerk zelve, d. i. tot het einde der wereld.
Christus heeft aan Petrus geheel de kudde toevertrouwd om deze te weiden, d. i. te onderrichten en te besturen. Welnu de geheele kudde van Christus bestaat niet alleen uit de geloovigen, die ten tijde van Petrus leefden; niet over dezen alleen was hem de herderlijke zorg opgedragen, maar over allen, die in den loop der tijden in Christus zouden gelooven.
Over ééne kudde moet één opperherder staan, en dit is een gewoon ambt, noodzakelijk om de kudde goed te be-
hoeden. Petrus nu, die dit ambt van Christus ontving, kreeg dit niet als een buitengewoon en tijdelijk ambt, maar als een gewoon en voortdurend d. w. z. voor zich en zijne opvolgers.
Het primaatschap van Petrus is ingesteld, opdat de Kerk volmaakt één zon zijn. Welnu, de volmaakte eenheid moet zij immer hebben, omdat zij altijd „een lichaam'' is (1 Cor. 12:12 seq.). Derhalve moet het beginsel van die eenheid d. i. het primaatschap, altoos in de Kerk bestaan. De Kerk toch zou niet wezenlijk één zijn indien maar aan 't hoofd van elke Kerk in 't bijzonder bisschoppen stonden. 1)
Daarom zegt de H. Ambrosius (f397): „Waar Petrus is, daar is de Kerkquot;, en de H. Cyprian us (f258): „God is één en Christus is één en de leerstoel is één, door 't woord des Ileeren op Petrus gestichtquot;, en de H. Petrus Chrysologus (f 451): „Petrus leeft en zit altijd voorop den eigen zetel, om de waarheid des geloofs aan hen die haar zoeken, te gevenquot;, en de H. Leo de Groote (f461): „Petrus heeft, daar hij in de ontvangen kracht der rots blijft, hot bestuur, dat hem over de Kerk is opgedragen, niet verloren.quot;
Het primaatschap van Petrus was wel is waar een persoonlijk recht in zoover het hem en niet den anderen Apostelen gegeven is, maar niet in dien zin persoonlijk, dat het na zijn dood ophield. Mij dunkt, dat gij, Protestanten, die of het primaatschap van Petrus of deszelfs voortduring loochent, een treurig voorbeeld zijt in wat al sekten de gemeente uiteenspat, als zij het verheven beginsel der eenheid mist.
G. Hoe zult gij mij bewijzen, dat de Paus van Rome de opvolger van Petrus is in het primaatschap?
') Palmieri, l)e Rom. Pont. thes. 7; Pescli Pars 11 n0. 317.
36
H. Ik ben reeds een heel eind op weg. Maar luister verder : Eenmaal aangenomen, dat de Heer het primaatschap heeft ingesteld en wilde dat het altijddurend zou zijn, redeneer ik als volgt; of' de Paus van Rome is de primaat of niemand, want niemand behalve de Paus van Rome is ooit in de Kerk erkend de opvolger van Petrus te zijn. Welnu iemand moet de primaat wezen, derhalve is het de Paus van R o m e.
G. De redeneering gaat op, indien het waar is, dat Christus het primaatschap heeft ingesteld en wilde dat het zou voortduren.
H. Ik voor mij kan daaraan niet twijfelen.
Wij kunnen ook redeneeren als volgt: niet alleen heeft de algemeene Kerk gedurende vele eeuwen het primaatschap van den Paus van Bome erkend, maar zelfs vele concilies, te beginnen met dat van Ephesus (431) tot het Vaticaan-sche toe (1871) hebben lietzelfde plechtig vastgesteld. Welnu in zulk een voornaam punt kan de Kerk niet dwalen, anders is o. a. liet woord van Christus niet waar : „Ik zal met u zijn tot het einde der eeuwenquot; en „de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigenquot; enz. enz. Derhalve is de Paus van Rome de opvolger van Petrus.
Gr. En het is niet eens historisch bewezen, dat Petrus te Rome is geweest.
H. Streng genomen hangt van deze vraag het primaatschap van den Roomschen Paus niet af; maar als dat niet historisch bewezen is dan moeten wij wanhopen eenig historisch feit uit vroegere eeuwen ooit te kunnen vaststellen. Neen vriend, daaraan twijfelt geen enkel onbevooroordeeld brein.
De Protestant Grieseler (1791—-1854) zegt; „Het was partijdige polemiek, toen eenige Protestanten loochenen wilden, dat Petrus ooit in Rome is geweest.quot;
37
De Protestautsche geleerden Ne ander (1789—1850) 1), Bleeck (1827—1875) en Olsliausen (1800—1882) 2), S e y e r 1 e n 3) beroepen zicli op liet getuigenis van Clemens (91—100?) die zegt, dat Petrus en Paul us onder Nero gemarteld zijn.
Ireuaeus, gestorven in't jaar 202, zegt hetzelfde.
Dion y si us van Corinthe (omstreeks 170) en C ai us (omstreeks 180) Ter tulliaan (omstreeks 190) enz. enz. zeggen liet ook.
De Rationalist Adolf Hilgenfeld (geb. 1823) verklaart „de aan wezen dheid van Petrus in Rome als een uitgemaakt historiscli feit,quot; en het tegenovergestelde gevoelen stempelt hij „eene onhoudbare ontkenning, waardoor de Protestantsche godgeleerden zich blootgeven aan de Katho-ieke Theologiequot; 4).
En de Protestant Samuel Basnage 1688—1721 getuigt: Loochent men dat Petrus in Rome is geweest, dan werpt men alle historische geloofwaardigheid over boord 5).
En de Protestant Wm. Cave (jl713) zegt: „Het zou eene groote dwaasheid zijn, wilde men loochenen, dat Petrus in Rome geweest is, daar de kerk gevestigd en met zijn bloed verheerlijkt heeft0).
En Von Herder: „Petrus en Paul us liggen te R o m e vreedzaam begraven ').
Vergeet toch niet, dat zij die dit het eerst in twijfe
!) Geseli. der P/lanzuny dar Kirche II , 601.
s-» Stud. it. Krit.
) Entstehung der Christengem. zu Rom. S. 51 , 11',
) Hist. Kril. Einltg. ins Ar. 7quot;. .S. 6'20.
3) Annal. Ecclcs. Polil. ad an 62.
quot;) Vom er.ilen Christenlhume.
') Ideen zur Philosnphie der Gesehichte der Menschheit.
38
trokken de Waldenzen zijn geweest d. i. na 1170. Daarna kwamen Mar si li us Patavinus (f 1328), Ulricus Velenus in 1520, Prederik Spanheim (1632 —1701), ua dezen Ferdinand Christian Baur (1792—1860), Scli weg Ier (1819—1857), Zeiler, David Strausz (1808—1874) alle vier loochenaars van de Godheid van Christus.
Richard Albertus Lipsius (geh. 1830) is met eenige weinige Protestanten wetenschappelijker te werk gegaan, maar zijne voornaamste bewijzen voor de onhoudbare stelling put hij uit de geschriften van een P s e u d o-Clemens, die volgens het oordeel van de Protestanten zei ven niet geschikt zijn om historische kwesties op te lossen 1).
G. Docli de Handelingen der Apostelen maken geen melding van Petrus' arbeid en marteldood in Rome.
H. Die tegenwerping is krachteloos, mijn vriend. Ik antwoord u met Kardinaal Gibbons: „Om dezelfde reden kunnen wij dan ook ontkennen, dat Paul us te Rome onthoofd, Johannes in Ephesus gestorven en A n d r e a s gekruisigd zijn. De H. Schrift gewaagt niet van deze historische feiten, die nochtans door niemand in twijfel worden getrokken.2)
Weet gij, waarom de Protestanten zoo gaarne zouden onwaar maken, dat Petrus te Rome is geweest?
G. Waarom ?
H. Het blijkt uit de oprechte bekentenis van Lip si us: Als Petrus te Rome is geweest, dan heeft het primaatschap van den Roomschen Paus een historisch en grondslag, en dat kunnen de Protestanten niet toegeven.
') Dr. .1. K. Huther. Kritisch-exegetisches Handbu h über den erslen Brief Petri (5 Aull. von Dr. E. Kühl. Gottingen 1887 p. 10.
The faith of our Fathers by James Cardinal Gibbons.
39
Adolf Hilgenfelcl vermaant echter omtrent dit punt zeer juist: „Tn de gescliiedvorsching moet niet partijhaat, maar reine waarheidsliefde beslissen. Ook mag de Prote-stantsche geschiedvorscher zich niet storen aan anti-katholieke vooroordeelenquot; '■). Zoo spreken ook Harnack, Dr. C. v. Weizsacker enz. Waren vroeger de Centuriatoren van Maagdenburg, Scaliger (1540 — 1G09), Uslier (1580— 1656) Hugo do Groot (15S3—1646) Newton en andere overtuigd van Petrus' verblijf te Rome, in onze dagen erkennen Mynster, Gieseler (1791 —1854) Olshau-sen (1800 — 1882) Karl August Credner (1797 — 1857). Wieseler, .laffe (1819—1870) enz. enz. dezelfde waarheid.
GL Nu ik acht de zaak voor bewezen.
H. Dat is verstandig, zoo denken verreweg de meeste Protestanten van onzen tijd.
En houd vooral dit puntje vast: allen zonder uitzondering zijn overtuigd, dat er in de Kerk reeds op het einde der 2jc eeuw een vaste en algemeene overlevering bestond omtrent Petrus' verblijf te Rome. Om die overlevering te verklaren worden de dolste hypothesen opgesteld, die elkander omverstooten. Lees daarover eens de Simmen ana Maria-Lxach 1872 pag, 480 sq., dan blijkt liet u, dat men strijden wil tegen de historische waarheid.
In zijn Institutiones propaedeuticae ad sacra in theologiam geeft Christiaan Pesch in tijdrekenkundige orde de verschillende getuigenissen. Lees ze eens vriend, en uwe overtuiging staat vast als een rots.
G. Goed, Petrus is in Rome geweest, doch niet a l s bisschop van Rome!
') Zeilschr. für proleslant. Theologie Leipzig 1877 p. 486, 508.
40
H. Tn welke hoedanigheid dan? vraag ik met Dr. Einig. Als professor in de godgeleerdheid misschien of als eenvoudig predikant ?
De zeker onverdachte Protestant Lip sins zegt uitdrukkelijk : „Heeft de voet van den prins der Apostelen ooit de eeuwige stad betreden, dan is deze zeker niet als eenvoudig reiziger, maar krachtens zijne apostolische volmacht daar gekomen, en zijn marteldood onder Nero vormt dan maar het glorierijke einde van zijne werkzaamheid onder de Romeinen uit kracht van zijn ambt. En wanneer, zooals nog vele Protestanten verdedigen, het episcopaat van rechtstreeksche apostolische instelling is, dan blijkt het recht der Eoomsche Kerk volstrekt niet zoo ongerijmd, de reeks harer bisschoppen onmiddellijk tot op den Apostel Petrus terug te brengenquot;
En zoo kon Cobbett zeggen: „Do H- Petrus stierf te Rome als martelaar ongeveer GO jaren na de geboorte van Christus. Maar een ander nam zijn plaats in en er bestaat v o 1 k o m e n zekerheid, dat de opvolging van dien dag af tot heden onafgebroken gebleven isquot;. 2).
G. Maar Calvijn zegt: „Dat Petrus als bisschop vooral langen tijd te Rome geweest is, daarvan kan ik niet overtuigd worden,quot;
H. En toch als men geloof wil schenken aan Ign a tiu s, bisschop van Antiochië (flOT). Pa pi as, bisschop van Hierapolis, een leerling van den Evangelist Joannes, Dionysius, bisschop van Corinthe, Irenaeus (f202), Tertulliaan (f 220), en een tijdgenoot van dezen laatste, den schrijver van Carmen ad Marcionem,
') Jahrhtichei' fïir protest. Theoloijie (Leipzig '187G. p. 5Ü2). 2) Geschied, dey Hervorming in Engeland en Ierland. BI. 4.
41
en Cyprian us, bisschop van Carthago (f 258), van wien de schrijfster van de Geschiedenis der Christelijke Kerk {met een voorwoord van J. TI. D o n n e r) zegt, dat luj is „ingegaan in de eeuwige vreugde,quot; en aan de catalogen en aan Hegesippus (f 181), E p i p h a n i u s (f 402), Optatus, bisschop van Mi leve (f 384) in zijn leerzaam werk over de scheuring der Donatisten, dan is zelfs de minste twijfel onredelijk.
Overweeg nog eens de woorden van Lipsius. „Voor mij staat het ontwijfelbaar vast, dat Petrus te Rome kwam, daar zijn zetel vestigde en daar stierf, m. a. w. bisschop van Rome ofRomeinsch bisschop is geweest.quot;
Voor een oogenblik echter verondersteld, dat Petrus «ie# naar Rome kwam, zich daar dus niet vestigde, dan zegt een Katholiek: dat zelfs is de voornaamste vraag niet; de kern der zaak ligt hierin, aan welken zetel Petrus zij» waardigheid van primaat verhouden heeft m. a. w. ik behoef alleen te bewijzen, dat het primaatschap van Petrus aan den zetel van Rome verbleven is. Het zou denkbaar zijn, dat Petrus, bisschop van Rome zijnde, bij zijn leven een bisschoppe-lijken coadiutor heeft aangesteld en door dezen de Kerk van Rome heeft laten besturen, (zooals ook nu nog ploegt te geschieden).
Zeker is het, dat de Roomsche Pausen zichzelven het primaatschap toekenden, bijvoorbeeld Clemens, (91 —100?) Victor (192—201), Zephyr inus (201—218), Step bamis (253—257) Julius I (337—352), Lib er ins (352— 366), Siricius (385—398) Innocentins I (402—417), Zosimus (417 — 418') enz. enz.
Gr. Dat de Pausen, die gij daar uit de eerste eeuwen opnoemdet, zichzelven het primaatschap toekenden, bewijst niet, dat zij het werkelijk hadden.
11. Gij zult toch wel toegeven, dat ook de Pausen recht
42
hebben getuigenis af te leggen, en wanneer die Pausen luide en in 't openbaar tegenover liet Oosten en het W'esten verklaren: de macht van Petrus, door Christus hem verleend, gaat over op den bisschop van Rome, en wanneer niemand hun die macht betwist, zult gij toch wel aannemen, dat die macht openlijk ook door anderen erkend werd, niet waar?
Gr. Dat dunkt mij aannemelijk. Maar gij weet toch, dat Prof. Beyschlag den bisschop van Trier heeft uitgedaagd één enkelen Kerkvader te noemen, die de woorden van Christus: „Gij zijt Petrus enz., en: „lïekl mijne lammerenquot; enz. op de bisschoppen van Rome laat terugslaan ?
H. Ja, dat weet ik en ook dit: Prof. Dr. Einig heeft dien Christus-loochenaar Beyschlag zóó beschaamd gemaakt, dat de vrienden van Beyschlag in de uitdaging-van dat hoofd des Evangelisch en Ban des allesbehalve een bijslag hebben gehad.
Xu wij toch aan 't praten zijn, zal ik ü eens voorlezen, hoe Prof. Einig zijn tegenstander over dit punt gekapitteld heeft.
G. Dat wil ik wel eens hooren.
H. Wij kunnen er ook iets uit leeren.
Vooreerst, Professor, — zoo schrijft Einig — wanneer de Kerkvaders in die woorden van Christus het primaatschap van Petrus erkennen en van den anderen kant verklaren, dat Christus' Kerk ook na den dood van Petrus zóó moet blijven bestaan, als de Heiland haar gesticht heeft en daarenboven nog uitdrukkelijk den bisschop van Rome als P e t r u s' opvolger in het primaatschap eer bewijzen — wat eigenlijk nauwelijks noodig is, daar er van een anderen bisschop geen sprake kan zijn — dan zult gij toch zeker wel willen toegeven, dat die Kerkvaders daardoor, al is 't ook niet
43
rechtstreeks, dan toch zeer duidelijk die woorden van Christus op de bisschoppen van Rome laten terugslaan. Dat volgens alle Kerkvaders de Kerk van Christus zóó moet blijven bestaan, als Hij ze gesticht heeft, zal ik wel niet behoeven te bewijzen. Dat verder, zelfs volgens de alleroudste Kerkvaders, de bisschop van Rome de opvolger van Petrus is, hebben wij vroeger gezien. Er blijft dus maar over te bewijzen, dat er ook Kerkvaders gevonden worden, die in de aangehaalde woorden van Christus liet primaatschap van Petrus zien uitgedrukt. Welnu, ook zulke Kerkvaders zijn er en wel, afgezien ook van hen , die zeiven Paus waren, niet zoo maar de een of ander, doch per dozijn. Gij kunt niet van mij verwachten, dat ik hier hunne woorden aanhaal. Ik zal u enkel de plaatsen aangeven, waar gij ze vinden kunt; dan moogt gij ze zelf lozen. Getuigenissen derhalve, waar het primaatschap van Petrus uit de woorden van Christus vooral uit die bij Mattheus 16 : 18 wordt afgeleid, zijn: Tertull. de praescr. c. 22, Origen. in c. 18, Hilarius, Hieronym. in c. 16 MattJi., Cypr. de unit. eccl., Basil, in c. 2 ƒ*., Epiph. Ancor. c. 8, Cy-rill. Alex, in Joan. I. 2 c. 12, Greg. Nanz, or. 32.«/. 2G. c. 18, Greg. Nyss. inland. St. Stephani, Chrysost. hom. 4 in illud.: Vidi Dominunt, Nil us ep. 261, Ambr. in Luc. c. 6 en in ps. 80, Aug. in ps. 30 en Retract. I c. 21 enz. Verder niet alleen eenige Vaders, maar zelfs geheele Conciliën, als de synoden van Ephese (Act. 3) en van Chalcedon (Act. 3). Wat zegt gij daarvan, professor, — geen enkele Kerkvader?
G. Het is een aanmerkelijk getal.
H. Vervolgens, wat zult gij zeggen, wanneer ik u Kerkvaders noem , die zelfs rechtstreeks en u i t d r u k k e 1 ij k Christus' woorden op de bisschoppen van Rome laten slaan? Gij zegt: „Geen enkele doet het.quot; Men zou dus bij zulk
44
een uitspraak wel moeten denken, dat het mij moeilijk viel er één te vinden. Volstrekt niet, Professor! Integendeel zeer gemakkelijk, en zelfs meer dan één heb ik gevonden. Of neen, niet ik heb ze gevonden, een uwer vrienden, de oud-Katholieke professor Langen heeft ze voor mij gezocht. Tk geef hem het woord. Ook zij no vertaling dei-plaatsen zult gij wel als onbevooroordeeld laten gelden. „Zoo schrijftquot;—uw vriend Langen is aan 't woord ') — „de H. Hieronymus aan Paus Damasus 2): „Met Uwe heiligheid, d. i. mot den Stoel van Petrus, sta ik in verbinding, ik weet dat op die rots de Kerk is gebouwd.quot; Paus Bonifacius T (f 422) 3) : „De Kerk is op Petrus en diens opvolgers gestic h t.quot;
„Bij zijne opvolgers blijft,quot; zegt Paus Simplicius (f 488) 4) „dezelfde leerregel des Apostels, aan wien de Heer de zorg over zijn geheele kudde overdroeg, en bij wien Hij beloofde te blijven tot het einde der wereld, en dien de Poorten der hel nooit zouden overweldigen, en wiens bindende rechterlijke uitspraak in den Hemel niet zou vernietigd worden.quot;
Paus Grelasius5) (f 496) waarschuwt: „Niemand keere zich tegen den Apostolischen Stoel, want de Heer heeft beloofd, dat de Poorten der hel de belijdenis van Petrus niet zullen overweldigen.quot;
Dubbelzinnig (!) schrijft Paus Felix HI (i) aan Keizer Zeno: „Is het niet mijn geloof, hetwelk door den Heer als eenig en door geene vijandschap te overwinnen gestempeld werd, door den Hoer, die aan Zijne op mijne belijde-
') Das Vatikanische Dogma enz. '2 Teil, § 7, n0. 5.
2) Ep. 15, 2. «) Ep. 45. 1. J) Ep. 4.
3) Ep. 4. lgt;) Ep. 2.
45
nis gestichte Kerk beloofde, dat de Poorten der hel haar nooit zouden overweldigen ?quot;
In de geloofsbelijdenis, door Paus Hormisdas (f 523) aan de Oosterse he bisschoppen voorgelegd (en door deze laatsten onderteekend), luidt hot: „De woorden : gij zijt Petrus enz. zijn bewaarheid, omdat bij den Apostoli-schen Stoel de godsdienst steeds zuiver bewaard bleef of bewaard blijft.quot;
G. Mag ik u even onderbreken ?
H. Zeker.
G. 't Is u niet ontgaan, hoop ik, dat die getuigenissen alle, behalve dat van Hieronymus, van de Pausen zeiven komen ?
H. Ik heb u reeds geantwoord of liever Dr. Einig heeft dit gedaan, üe Pausen mogen toch ook wel een woordje meespreken.
En de schrijfster van de Geschiedenis der Christelijke Kerk zegt: „Reeds vroeger was aan den bisschop van Rome eenige voorrang boven de anderen toegekend,quot; vroeger d. w. z. volgens dezelfde schrijfster vóór Justinian us I, dus vóór 518.
Maar hoor nu verder eenige getuigenissen van personen, die geen Paus waren, dan zult gij tevens vernemen, wat de uitdrukking „eenige roorrancf beteekent. ,,Zoo wendt zich ookquot; — Prof. La ngen is weer aan 't woord — „de bisschop Possessor tot Paus Hormisdas (f 523) met de woorden : „Van wien is meer de bevestiging van 't wankelend geloof te verwachten, dan van het hoofd des zetels, welks eerste bezitter uit den mond van Christus vernam : Gij zijt Petrus enz. ?quot;
Met de woorden van II o r m i s d a s schrijft J u s t i n i a-nus I (voorzeker geen Kerkvader, maar als Oost-Romeinsch Keizer een des te meer vertrouwbare bijbelverklaarder) aan
46
Paus Agapetus (f 536): „De woorden: Gij zijt Petrus enz. zijn door de ervaring bewaarheid, omdat op den Apos-tolischen Stoel de Katholieke godsdienst vlekkeloos bewaard werd. Van dit geloof zullen wij ons niet afscheiden.quot;
Sergius van Cyprus schrijft in een zeer vromen brief aan Paus Theodorus (f 649): De Romeinsche zetel zij de grondslag der geheele Kerk naar de belofte des Heeren; „Gij zijt Petrusquot; enz.
G. Ja, maar wilden zij de Pausen niet vleien?
H. Mijn hemel! „waar blijft dan de mogelijkheid voor geschiedenis en schriftverklaring,quot; vraagt Prof. Einig, „wanneer men zelfs zonder eenigen schijn van bewijs eerlijken lieden zoo maar de beschuldiging van vleierij naar 'thoofd mag werpen? En wie moet dan gevleid hebben? De bisschop Possessor, een Afrikaan? Sergius van Cyprus? Al de O o s t e r s c h e bisschoppen, die onder Keizer An astasias te Constantinopel vergaderd waren? Keizer Justinian us, die zelf gaarne een soort van Pans wilde zijn? Hieronymus? Hie r o n y mus zou gevleid en om te vleien zelfs den zin der H. Schrift hebben ver-valscht, hij Hieronymus! Wee den hoogleeraar Langen te Bonn, als Hieronymus nog leefde! Ja wee ons beiden. Professor, dat wij maar over de mogelijkheid van zulk eene vleierij spreken!
Overigens, Professor, moet gij ook niet meenen, dat mijnheer Langen alle Vaders heeft opgenoemd, die hier in aanmerking komen. Verscheidene, en wel geheel vertrouwbare, moeten nog worden bijgeteld. Zoo bijvoorbeeld Optatus, een vriend van Augustinus (f 430). Hij schrijft in zijn boek tegen den Donatist Parmenianus '): „Gijku.it derhalve niet loochenen te weten, dat aan Petrus als
') II, 2.
47
den eerste de bisschoppelijke zetel in de stad Rome verleend is, op welken zetel het hoofd der Apostelen Petrus zit; daarom werd hij ook de Rots genoemd. Op dezen leerstoel moet de eenheid van allen bewaard worden, opdat niet ieder der overige Apostelen op den zijne aanspraak zou maken. Daarom is zondaar en ketter hij, die tegen dezen eenigen leerstoel een anderen opricht.quot;
Hierbij behooren verder: Bnnodius (473—521) {Lib. apol. pro syn.), Theodorus S t u d i t a {1.2 ep. 12), de quot;Vaders van 't Concilie van Ephese {Act. 3), op welke kerkvergadering Philippus, de Apostolische gezant, zonder dat iemand er iets tegen inbracht, dorst verklaren; „Petrus, do Prins der Apostelen, de zuil en de grondslag der Kerk, hij die de Sleutels des Hem el rijks ontving, leeft en oordeelt tot op dit uur in zijne opvolgers,quot; d. w. z. de Roomsche Pausen, van wie hier sprake was.
Die woorden dagteekenen uit 'tjaar 43i.
Hiertoe behooren ook de getuigenissen van de S y r o. Chaldeeuwsche Kerk, die te vinden zijn in het werk Antiqua eccl. syr.-chald. traditio circa Petri eiusque sticces-sorum Bom pontif. divinum primatmn, anct. Jos. David chorep. Mossulensi, Bom. 1870. Ik zal maar een enkele plaats aanhalen: „Gelukzalig zijt gij, o roemrijk Rome, waarin als in een burcht Petrus woont, het hoofd dei-Apostelen, op wiens vastheid onze Heiland zijne reclit-geloovige Kerk gebouwd heeft.quot;
Wat zegt gij nu, Professor? „Geen enkele?quot;
Ter straf moet gij minstens de woorden van één dier Vaders lezen. Een overgroot voordeel zou het voor u zijn, indien gij ze behartigdet. Zij zijn van den edelen en vrij-moedigen Afrikaanschen bisschop Cyprian us.
Hij is waarachtig geen vleier.
48
G. Is dat dezelfde Cyprianus, van wien de schrijfster vau de Geschiedenis der Christelijke Kerk zegt: „Zijne toewijding aan den dienst des Heeren, de ernst en liefde, waarmede hij niet alleen de aan hem toevertrouwde gemeente verzorgde, maar de belangen der geheele Kerk behartigde, maakte hem tot nitgebreiden zegen voor de gemeente des Heeren?quot;
H. Dezelfde. In 't jaar 258 viel zijn hoofd. „De leden zijner gemeente waren hem weenende gevolgdquot; — zoo lees ik in het boekje van die schrijfster — en spraken: „Laat ons met onzen bisschop sterven. Zij spreidden doeken op den grond om zijn bloed op te vangen.
Luister nu verder naar Dr. Einig tegen Beyschlag, gij zult verbaasd opzien.
Den 14'ie11 September 258 werd Cyprian as voor den heidenscheu Proconsul gebracht. Op de vraag naar zijn naam antwoordde hij: „Ik ben Christen en bisschop.quot; Op 't bevel den goden te offeren, klonk het uit ziju mond: „Dat doe ik niet!quot; En toeu men hem verzocht aan zijn welzijn te denken, zeide hij; „In zulk een rechtvaardige zaak bestaat geen bedenken. En daarna viel zijn hoofd door het zwaard van den beul. Deze Cyprianus nu. Professor, richt het woord tot u. In zijn voortreffelijk in 't jaar 251 geschreven boekje „De catholicae ecclesiae imitatequot; waarschuwt hij tegen de pogingen des duivels, den stichter aller ketterijen, tegenover welke men aan de eenheid dei-Kerk moet houden; daarna stelt hij liet beginsel dezer eenheid vast en leidt dat beginsel af uit het wezen Gods en der Kerk zelve. „Eén God en eén Christus en een Kerk van Christus en één geloof en één volk, is door de kleefstof der eendracht tot vaste eenheid van één lichaam verbonden. De eenheid kan niet verscheurd, noch het ééne lichaam door het splijten van den samenhang verdeeld, noch
49
door scheiding en losrukking der ledematen in stukken gebroken worden. Wat zich ooit van den moederschoot losrukt, kan niet blijven leven en ademhalen; het verliest de grondvoorwaarde van zijn welvaren.quot;
Daarna spreekt hij over het zinnebeeld dezer eenheid, :s Heeren onverdeeld kleed zonder naad. „Omdat het volk van Christus niet vaneengescheurd kan worden. werd het uit één stuk geweven kleed des Heilands door de soldaten niet verdeeld. Ongedeeld, onverbonden, in eens gc-weven, wijst dat kleed op de samenhangende eendracht van ons, die Christus hebben aangedaan. Door het geheimvolle teeken des kleeds heeft Hij de eenheid der Kerk voorgesteld. quot;\\ ie Christus' Kerk scheurt en splijt, kan niet in 't bezit zijn van Christus' kleed.quot;
Vervolgens spreekt Cyprian us van de eenheid des episcopaats en zegt: ,.Doze eenheid moeten wij beslist vasthouden en vooral moeten wij bisschoppen, die bestuurders der Kerk zijn, er voor instaan ook hot episcopaat zelf insgelijks als één en ongedeeld te doen blijken. Niemand bedriege de broederschap door logen, niemand vervalsche door trouwolooze verdraaiing hot geloof der waarheid. Eén is het episcopaat, waaraan ieder afzonderlijk één voor allen en allen voor één met liet geheel een deel bezitten. Eén is ook de Kerk, die zich tot de veelheid door vruchtbare uit-groeiing verder uitzet: de zonnestralen zijn veel in getal, doch liet licht is één, de takken der boomen zijn talrijk, maar slechts één stam is vastgegroeid op den sterken wortel en uit één bron vloeien vele beken, en ofschoon door den overvloed van liet uitstroomend water het den schijn heeft, dat een groot aantal beken worden uitgestort, blijft toch de eenheid in den oorsprong bewaard. Scheid een zonnestraal af van de zon : de eenheid des lichts is ondeelbaar. Breek van den boom een tak: liet gebrokene zal niet in
4
50
knoppen schieten. Dam de bron af, de beek droogt uit. '
Eindelijk geleidt ons Cyprianus naar de bron dezer eenheid. In een heele reeks van brieven heeft hij deze bron helder en duidelijk getoond: het is de bisschop van Rome, de opvolger van Petrus. Zoo luidt het bij voorbeeld in den 59sten brief over de kettersche Kovatianen: „Gij durft oversteken naar den Stoel van Petrus (cathedra Petriquot;) en naar de hoofdkerk, van waar de priesterlijke eenheid is uitgegaan .... en gij bedenkt niet dat daar die Romeinen zijn, wier geloof door den Apostel geprezen is en fot wie het ongeloof en de dwaling geen toegang kunnen hebben!quot;
In het boek „rfe unitatéquot; spreekt hij aldus : „Scheuring en ketterij vinden hierin haar oorsprong, dat men niet tot do bron der waarheid gaat, noch het hoofd opzoekt noch naar het onderricht des Hemelschen leermeesters luistert. Wie daarop acht slaat, heeft geene lange uiteenzetting, noch wijdloopige bewijzen noodig. De Heer zegt tot Petrus: Ik zeg u, gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mij ne Kerk bon wen (Matth.16:18)... Weid mijne schapen!quot; (Joh. 21: 16). Op dien eenen bouwt Hij Zijne Kerk. En hoewel Hij aan alle Apostelen na Zijne opstanding de gelijke macht verleent en zegt: zooals de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend ik u; ontvangt den H. Geest.... heeft Hij toch om de eenheid zichtbaar te maken, den oorsprong van dezelfde eenheid als van één beginnende door Zijn gezag vastgesteld. Wel waren ook de andere Apostelen datgene wat Petrus was, met gelijke gemeenschap van eer en volmacht begiftigd, maar de aanvang gaat van de eenheid uit: opdat tie Kerk van Christus als één zou blijken.quot; En nu nog eens. Professor: „De Heer zegt tot Petrus: „Ik zeg u, gij zijt Petrus en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen; weid mijne
51
schapen... en dat is de aanvang der eenheid in Zijne Kerk.quot; Zoo spreekt de H. Cyprianus.
Wat dunkt u, viiend? Heeft Cyprianus aan Pruf. B e y s c h 1 a g niet duchtig de les gelezen ?
Gr. Ik sta verstomd! Cyprianus, die in 258 als martelaar de eeuwige vreugde is ingegaan, erkende den bisschop van Rome als het zichtbaar opperhoofd der Kerk en zegt in de duidelijkste taal: wie zich van dat hoofd afkeert, is een gebroken tak, waaraan geen bladeren of knoppen komen kunnen. Mijn hemel! Zouden Luther en Calvijn die woorden van Cyprianus gelezen hebben?
H. Ik weet het niet.
Gr. Heeft Cyprianus gedwaald?
H. En mot hem alle andere Kerkvaders enz.? En Cyprianus beroept zich ook op de H. Schrift en leest daarin het primaatschap.
Gr. Vriend, wat heeft Prof. Beyschlag toch wel geantwoord op al die getuigenissen ? Ik brand van nieuwsgierigheid.
H. Gij begrijpt, dat ook ik er benieuwd naar was. Ik verwachtte natuurlijk een antwoord en wel geen ander dan: ul die getuigenissen zijn onecht, maar wie schetst mijne verbazing, toen ik de woorden te lezen kreeg: „wat de Kerkvaders zeggen, is in dit punt voor mij slechts bijzaak ... Zij passen den tekst: Gjj zijt Petrus enz. zoo maar bij gelegenheid op Petrus en de Pausen toe... en erkenden in Petrus enkel een e e r e v o o r r e c h t {Ehrenvorzug) onder zijns gelijken ... en het zijn deels Pausen en deels vleiers van den Paus, die zoo gesproken hebben.quot;
Gr. Is dat het antwoord van een geleerden professor?
H. Dat is het antwoord van Dr. Willibald Beyschlag, professor in de Evangelische godgeleerdheid en Rector Magnificus der Universiteit van Halle, die in
52
September 1893 zijn zeventigsten verjaardag heeft gevierd.
flet zal u thans wel niet verwonderen, dat de Neue Lutherische Kirclienzeltung gezucht heeft: „De Eooiusclie heeft de overwinning behaald... Het geschrift van Ein ig is een schande 1 ijke nederlaag voor ey-schlag ').
„Als Evangelisch Christen,quot; zegt do Ally. Konservatine Monatschrift „kan men deze plaatsen uit het Roorasche verweerschrift niet zonder beklemdheid lezen,quot; en ik voeg er bij : als lid der Gereformeerde Kerken in Nederland ook niet of liever nog minder, want een lid dier Kerken staat nog verder van den Paus dan een Lutheraan.
G. Is Einig na 't onnoozel bescheid van Beyschlag oostindisch doof geweest?
H. O neen, hij beeft hem zoo goed getracteerd, dat men liet op de lachspieren zou krijgen, als de zaak zelve niet zoo ernstig was.
Gr. Wat heeft hij toch wel gezegd van dat „e ere voorrecht onder zijns gelijken?
n. Luister. „Derhalve wanneer de Vaders verklaren: Christus heeft aan Petrus liet primaatschap gegeven, om de e e n h e i d der Kerk te beschermen en te bevestigen (Chrysost., A ra bros., Cyprianus), zoodat iedereen, al ware hij Apostel, een scheurmaker en zondaar zou zijn, als hij tegen dezen éénen leerstoel een andere zou oprichten (O p t a t u s); en wanneer die Vaders zeggen : Christus heeft aan Petrus het primaatschap verleend om de grondslag te zijn, waarop de Kerk onwrikbaar en te allen tijde steunen moot (Orig., Tertull., Maxim. Taur,), en om de sleutelen des hemelrijks d. i. om wezenlijke macht te bezitten, en om do macht van bin-
*) Zie ook liet hoofdartikel van liet Cenlrum 16 Mei 1801.
den en ontbinden te oefenen in alles en in alle kerken des aardbols (Maxim.) en herder te zijn over de lammeren en schapen van Christus d. \v. z. niet enkel herder, maar herder der herders, herder van kleinen en grooten, herder van onderdanen en hoofden (Ambros. Eucher.) dan hebben de Vaders aan Petrus enkel een eerevoorrecht toegekend! ')
Gr. Ik heb toch vele moeielijkheden. Prof. Harnaek oordeelt dat liet primaatschap niet uit de instelling van Christus, maar uit de natuurlijke overmacht der Kerk van Rome is voortgesproten 1). Verder meent hij, dat dit primaatschap in den beginne niet bij den bisschop, maaibij de vergadering van geloovigen gevonden werd en van daar langzamerhand tot den bisschop van Rome overging. 2) H. Goede vriend, waar blijft gij met de woorden van Christus: „Gij zijt Petrus enz. Weid mijne schapen?quot; Daarenboven beroepen zich de Vaders altijd op de Apostolische opvolging der bisschoppen, vooral de Romeinse he bisschoppen. De onhoudbaarheid van Harnacks stelling-of liever veronderstelling blijkt zonneklaar uit een brief van Paus Victor (192—202) aan Poly crates, den bisschop van Ephese, uit Zephyrinus (202—210) 3), uit Stephanus (f 257) 4), uit Julius I, die Athanasius op den zetel van Alexandrië herstelde l!), uit L i b e r i u s (f 366) '), uit een brief van Siricius (in 't jaar 385) aan Himerius 5), uit een scbrijven van Innocentius I (in 417) aan de bisschoppen van 't concilie van Carthago 0),
i) Zie F. L. v. iïamrnerstein , vEdrjar'' 7 Auil. S. 156 ss.
-) Dotfmemfescfi. 1, 407. 3) 1. c. 41
) Adv. Prax. '21 ; Migne 2, 155 sqq.
*') Knseb. . H. E. 1. 7, c. 5: Migne , 64l2,
!)) Ep. 20. Constant I. c. 1 . 888 sq.
54
uit een brief van Zosimus (418) aan de bisschoppen van Afrika ').
G. Zijn dat allen echte getuigenissen ?
H. Niemand twijfelt er aan.
Ik voor mij zie duidelijk in, dat Christus het primaatschap heeft ingesteld ook voor de volgende eeuwen.
G. Doch veronderstel nu eens, dat Petrus zelfs niet in Rome is geweest, dan stonden de Katholieken toch verlegen.
H. Petrus is in Rome geweest. De Protestant Wm. Cave o. a. zal 't u nog eens zeggen: „Het zou eene groote dwaasheid zijn, wilde men loochenen, dat Petrus in Rome is geweest, daar de Kerk gevestigd en haar met zijn bloed verheerlijkt heeft.quot;2)
Evenwel mij goed: Petrus is niet te Rome geweest, maar, goede vriend, dan blijft de leer omtrent het primaatschap van den Paus van Rome nog vaststaan, omdat alleen bij den zetel van Rome datgene gevonden wordt, wat beantwoordt aan de instelling van Christus. Ik zal mijne bedoeling toelichten. Om de waarheid van Rome's primaatschap te kunnen staven, behoeven maar drie zaken bewezen te worden:
1) dat Christus het primaatschap heeft ingesteld, en daaraan valt niet te twijfelen dunkt mij;
2) dat Christus de voortduring van dat primaatschap gewild heeft, en die waarheid straalt mij in de oogen ;
3) dat de Kerk alleen in den zetel van Rome het primaatschap heeft erkend. quot;Welnu dit laatste wordt door de leer en praktijk aller eeuwen zóó bewezen, dat zelfs de vijanden van den Paus toegeven: de Kerk heeft ver over
') Ep. '12. Constant 1. c. 1 , 974 s. -) Yom ersten Cliristentiuime.
00
de duizend jaren het primaatschap van Home of het Roraeinsch primaatschap erkend, en er kan geen tijd aangewezen worden, waarop die overtuiging een aanvang nam.
Gij meent dus, dat Paus Leo XIII de opvolger van Petrus is in al diens rechten en geheel zijne waardigheid?
H. Vriend, ik heb daaromtrent geen zweem van twijfel. Ik blijf overtuigd, totdat men mij zwart op wit de onhoudbaarheid mijner overtuiging aantoont. Bewijs mij helder en duidelijk, dat ik dwaal, en aanstonds wend ik mij af van den Paus. Ik vraag hechte, soliede bewijzen, niet waarschijnlijke maar zekere; de zaak is mij te duidelijk en van te groot belang.
G. Goed, ik zal u door C a 1 v ij n overtuigen. Hij zegt: „Om nu eens alles, wat men aangaande Petrus beweert, toe te geven, zoolang hot bewijs niet geleverd is, dat goddelooze en heiligschennige apostaten opvolgers van Petrus zijn, doet de waardigheid diens Apostels niets af ten voordeele van den zetel van Rome;quot; m. a. w.: toegegeven dat Petrus het primaatschap bezeten heeft, dan volgt daar niets uit voor de Pausen van Rome, daar men onder hen goddelooze en heiligschennige apostaten aantreft, die onmogelijk Petrus' opvolgers kunnen genoemd worden.
H. Ik antwoord u met Dr. Schaepman: „Geen kerkelijk geschiedschrijver heeft ooit ontkend of zal ontkennen, dat er Pausen gevonden zijn, die Christus' wet te schande hebben gemaakt. Niemand heeft dit ontkend, wat waar is, sommigen hebben de schuld der Pausen eer verzwaard dan verlichtquot; .... maar „evenmin heeft de Kerk gemeend in de boosheid van sommige Pausen de veroordeeling van het Pausdom te moeten zien. De belijdenis van Petrus is door de verloochening in den 1 ij dens nacht niet te niet gedaan en de belofte is door de voorspelling van de zwakheid niet
teruggenomen .. . . I) a n t e A1 i g li i e r i heeft in den hem vloekwaardigen Bonifacius VIII den Gran Prete gehuldigd, den onaantast,baren Stedehouder Gods.' ')
Slechte Pausen zijn er geweest, denk b. v. aan Alexander VI.
Gr. Kan dan een zedelooze Paus teveus het uitverkoren werktuig des H. Geestes zijn ?
II. Ik zal r)r. Einig laten antwoorden:
1.) Ja, ook een zedelooze Paus kan liet werktuig des H. Greestes voor anderen zijn. Ook Judas was als Apostel liet werktuig van den H. Geest en heeft wellicht zelfs wonderen gewerkt, en toch was hij de Judas! Ambt en persoon zijn tweeërlei. En ook behoeft Gods genade niet afhankelijk te zijn van de waardigheid van hem, die ze naar Gods wil aan anderen doet toekomen. Of de landman zijn zaad strooit met reine of onreine handen, het zaad ontkiemt; het kanaal, waardoor het water vloeit, moge van goud of van steen zijn, het water zelf blijft helder; het zegel zij van zilver of lood, aan den zegelafdruk merkt men dat niet; de brandende kaars verteert zichzelve, zij verlicht toch anderen. Zoo spreken reeds de Kerkvaders.
2.) Waarom toch de tegenstanders der Katholieke Kerk van de 259 Pausen, onder wie volgens de telling van Lutlier 46 martelaars en zeer vele heiligen en bjjna altjjd slechts mannen van uitstekende deugd waren, altoos en altoos met zulk een groote voorliefde zich bezig houden met den een of anderen Paus, die minder deugdzaam en zelfs zedeloos was? Professor, weet gij een antwoord?
3.) Uw Luther, Professor, was toch ook, zooals gij meent, een werktuig des H. Geestes. „Geen mensch,quot;
') Roomsch Becht legen Protestantsch verweer blz. 15 (Utrecht. Wed. .T. R. Van Rossum 1892.)
57
getuigt li ij van zichzelven, „heeft ooit geleerd zooals ik; ik bekreun mij over geen enkele spreuk der Schrift; ik heb voor mijne leer geene bewijzen noodig; in de plaats van alle bewijzen geldt mijn wil; ik, Doctor Mar tin us Luther, wil het zoo; ik ben wijzer dan de geheele wereld.quot;1) Eu verder, Professor: raoest Luther, indien God door hem, zooals gij meent, de geheele Kerk hervormen en een nieuwen godsdienst stichten wilde, wat sedert Christus niet geschied was , inuest die L u t h e r niet veel meer het werktuig des H. Greestos zijn, dan zoo'n Paus, die een van de 259 is? — En nu, Professor, hoe staat het met den persoon van L u t h e r ?
Vriend, hier laat ik Lr. Einig niet meer aan 't woord. Hij haalt tegen den persoon van dien begaafden man getuigenissen aan die, vooral wijl zij van de vrienden des grooten hervormers komen, het hart bedroeven.
Ik stem liever met Dr. Schaepman in, die zonder Luther in het minst voor zondeloos te houden, hem van geeu schandelijke zonde verdenkt.
Maar het karakteristiek portret van het kind met zijn harde, droevige, sombere jeugd, met dat groot en warm hart, groot en warm genoeg om soms onstuimig en onge_ regeld te kunnen zijn, — van den jongeling, zichzelven voor een oogenblik vergetend, maar niet verzakend, —van den monnik, die in het klooster geleden en gestreden heeft van zieleleed met zielenood, en wiens ziel op een somberewereld, een chaos van licht en duisternis gelijkt, dat portret, door de meesterhand van den eerlijken Rijsenburgschen Doctor in Roomsch Recht mot niet minder breede dan scherpe lijnen getrokken, staat in mijn gemoed onuitwischbaar afgedrukt, en, dierbare vriend, in dat portret kan ik geen
') Luther, Wittenb, A usg. 5, 107.
58
uitverkoren werktuig des H. Geestes, namelijk geen hervormer van G-ods Kerk op aarde zien.
G. En blijfc dan een onwaardige Paus de „onaantastbare Stedehouder Gods.quot;
11. De H. Leo schrijft te recht, dat de zetel als zoodanig niets aan waardigheid verliest, doordien somtijds een slechtaard hem inneemt; op den Heiligen Stoel kunnen dus menschen zetelen, die volstrekt niet heilig zijn. „De goddeloosheid van Dioscorus heeft de waardigheid van den Alexandrijnschen zetel niet verduisterd: iets anders is de zetel, iets anders zijn zij, die daarop zetelen,quot; zegt hij ') „want hoewel de verdiensten der prelaten soms verschillen, niettemin blijven de rechten der zetels.quot; -)
G. En zal dan zulk een onwaardige Paus nooit dwalen?
H. Onder de lange reeks van opperpriesters, waarbij volgens den Protestant Macauly de fierste koningshuizen met haar vergeleken als van gisteren zijn en niet zulke waarborgen van duur en vastheid als zij kunnen geven, is geen enkele apostaat te vinden in dien zin, dat hij als herder en leeraar aller Christenen, overeenkomstig zijn apostolisch gezag optredend of ex cathedra sprekend, ooit iets omtrent geloof en zeden aan de geheele Kerk te ge-looven heefc voorgesteld, wat met de zuiverheid van 't geloof en der zeden in strijd was.
G. Heeft Paus Liberius (352—366) het Ariaansch of Semi-ariaansch symbool niet onderteekend?
H. Als gij Hef el e 3), „een der geschiedschrijvers die de heer Dr. J. H. Gunning met zijn achting vereert,quot; openslaat dan zegt gij: neen.
') £gt;. -lOfi, c. 5; :gt;ƒ. 54, 1007.
2) Ep. 113, c. 3; M. 54, -1043.
quot;) Conciliengeschichte 2e edit. I p. 682.
4) Dr. Schaepman: lioomsch recht blz. 17.
59
Maar al zou Liberius het onderteekend hebben, aan een zonde ware hij schuldig geweest, doch dat doet hier niets ter zake, wijl die onderteekening geen uitspraak ex cathedra was.
GL En is Paus Vigilius (538 — 555), doordien hij de geschriften of de zoogenaamde drie kapittels van I b a s, Theodoretus en Theodorus van Mopsuestia op het vijfde algemeene, het tweede Concilie van Constanti-nopel (553) veroordeelde, niet in tegenspraak gekomen met het Concilie van Chalcedon (451)?
H. Ik heb dat ernstig onderzocht en raad u het ook te doen. Lees bjj voorbeeld Muzzarelli,/gt;lt;? auct. Bom. pont. t. II cap. IX. § 5, of Christian Pescli S. J., Praelect-dogmat, of Hergenröther, Allgem. Kirchengesch. of Fr. J. V. de Grroot, O. Praed., Summa apologetical, 281, of J. de Bruijn, Theológiae dogmaticae compendium t. 1. 320. Het is mij duidelijk, dat Paus Vigilius hoogstens gebrek aan standvastigheid hoeft getoond; van ketterij of dwaling is geen sprake. Het was een kwestie van personen, niet van de leer.
G. En heeft Ilonorius I (t)25—G38) niet aanSergius van Constantinopel twee brieven geschreven., die Sergius' dwaalleer steunden?
H. Ja, argeloos en niet opgewassen tegen de Grieksche sluwheid, is hij in de val geraakt, maar die brieven behelsden uit kracht der woorden niets kettersch. Hier geldt het geen geloofsbesluit. ')
G. Heeft Paus Paul us V den 5 Maart 1616 Galilei niet veroordeeld door te bevelen, het besluit van de Congregatie van den Index volgens hetwelk de leer van Galilei
1) l)e Katholiek, D. 57 bldz. 149; Mgr. Bottemanne: De Jfonorii Papae epistolanim corruptione.
GU
gestempeld werd als strijdig met de H. Schrift, openbaar te maken ?
TI. De Paus heeft de openbaarmaking van dat besluit bevolen, maar hij deed dat niet als sprekende ex cathedra of gebruik makende van zijn hoogst gezag. Als gij Gr is ar ') leest en Bouix ■) zult gij daarvan overtuigd worden.
Hebt gij nog meer tegenwerpingen?
Gr. Pius IX. (1S4()—1878) heeft in 1854 de Hoeder Gods onbevlekt ontvangen verklaard.
H. Welnu?
G. Dat is een dwaling en de Paus sprak ex cathedra.
II. Waaruit volgt dat dit een dwaling is?
G. Het staat niet in de H. Schrift.
H. Ik wil hier niet de onhoudbaarheid der stelling bespreken, dat de M. Schrift de gansche geopenbaarde waarheid behelst. Maar bovendien antwoordt de Katholieke Kerk met te onderscheiden: dat leerstuk staat niet uitdrukkelijk, met even zooveel woorden in de H. Schrift het zij ; doch het staat duidelijk genoeg in de H. Schrift aangeduid en volgt uit vele andere waarheden omtrent Christus en zijne Moeder, welke waarheden wel uitdrulikelijk in de H. Schrift staan.
De Onbevlekte Ontvangenis van de II. Maagd is een waarheid zoo oud als de groetenis des engels. Die waarheid behoort tot de openbaring, door de Apostelen overgeleverd. Het vraagstuk echter der Onbevlekte Ontvangenis eischt tegenover u eene breedere behandeling. Laten wij dat vandaag laten rusten. Ik geef u liever iets algemeens ter overdenking.
Ziehier wat de Katholiek houdt: de Kerk is onfeil-
') (ialileisludien.
2) Hevne des sciences eed. 4866.
61
baar in hot vaststellen ee uer geopenbaarde waarheid. Dit verklaart hij zoo: De Kerk moet de geopenbaarde waarheid, depositum revelatum, bewaren, maar geene nieuwe openbaringen verwachten of nieuwe leerstukken uitdenken. Wanneer dus de Kerk eenige waarheid als een leerstuk te gelooven voorstelt, doet zij daarmee niets anders dan krachtens het haar geschonken gezag verklaren, dat die waarheid behoort tot de openbaring door de Apostelen overgeleverd. De Kerk leert dan niet iets nieuws, dat vroeger volstrekt onbekend was, maar stelt uitdrukkelijk te gelooven voor wat voorheen reeds als in kiem (implicite) in de kerkelijke leer was vervat. Zoo bijvoorbeeld de geopenbaarde waarheid: God is mensch geworden behelst (implicite) vele waarheden omtrent de twee naturen in Christus, omtrent zijne oneindige heiligheid en kennis enz., welke waarheden vroeger niet uitdrukkelijk (explicite) als zoodanig door allen gekend waren noch onder bepaalde termen vielen. Nochtans moet men dit niet met Gr ü nth er en Hub er zóó verstaan, alsof van den aanvang der Kerk bijna niets in het uitdrukkelijk geloof der Kerk lag behalve de grondwaarheid der menschwording en verlossing, en alsof de overige waarheden langzamerhand daaruit zijn voortgekomen. De Kerk is altijd overtuigd geweest, dat de Apostelen door het licht des 11. Geestes dat hen bestraalde, alle waarheden beter hebben doorschouwd dan allen, die na hen komen zouden, ofschoon die Apostelen nog niet de wetenschappelijke termen gehad hebben.
G. Mt lar de Paus heeft zich onfeilbaar verklaard ; ik vind dat een bedenkelijk punt.
H, Die onfeilbaarheid volgt uit het Primaatschap, doch daarover eeu anderen keer. Laten wij nu ons onderhoud staken.
Overweeg eenige dagen, wat wij besproken hebben.
62
Denk zonder vooroordeelen na over de teksten van Matth. 16: „Gij zijt Petrusquot; en van Johannes 21: „Weid mijne lamineren.quot; Die teksten vooral zijn oorzaak geweest, dat zeer velen uit de deftigste en geleerdste kringen in Duitseh-land, Groot-Brittanië, Rusland en Nederland tot de Katholieke Kerk overgingen en vooral in onze dagen van twijfelzucht overgaan, ofschoon de erkenning van het pauselijk oppergezag een zwaar offer schijnt te vorderen van hen, die in het Protestantisme zijn opgevoed. Dit blijkt o. a. uit de woorden van Kardinaal Vaughan door de Times in November 1894 medegedeeld: „Eene menigte Engelsche geestelijken van den deftigen stand en van liooge ontwikkeling en een groot aantal leeken belijden de Katholieke leer bijna in geheel hare volledigheid en hun ontbreekt nog maar de onderwerping aan den Paus om echte Katholieken te zijn.quot;
En toch, wie het gezag des Pausen verwerpt, moet alle gezag in de Kerk laten vallen. Heinrich von Treitschke, professor in de geschiedenis aan de hoogeschool van Berlijn zegt van Milton: „Zijn sterke geest, gewoon om de dingen der historie in de heele scherpte hunner tegenstellingen te begrijpen, beleed de stelling: wie gezag zegt, spreekt het woord Paus uit, of hij zegt niets.quot; ■)
quot;Wanneer gij, zooals gij belijdt, het Woord Gods niet uitlegt naar ieders particulier verstand, doch naar de analogie des geloofs, naar de groote harmonie der Apostolische Geloofsbelijdenis en der Niceïsche Belijdenis des Drieëenigen Gods, dan hebt gij het woord Paus uitgesproken en behoeft maar consequent te zijn. En indien gij de Kerk niet opvat gelijk Dr. J. H. Gunning J. Hzn., als een gedachten-ding , het afgetrokken denkbeeld van de menigte der geloo-
') Ilislor. und polit. Aufsatze 1865, S. 82—84.
63
vigen en wat zij meer is, vereeniging van gemeenten, geordende maatschappij als louter menscheniverk '), dan spreekt gij liet woord Paus uit, en wanneer de woorden van Mattheus en Johannes iets beteekenen dan beteekenen zij den Paus voor alle eeuwen en voorspelden Leo Xlll.
Denk over dit alles na. dan zult gij begrijpen, waarom de beroemde Engelsche geschiedschrijver Henry Thomas Buckle kort voor zijn dood tot een Katholieken Schot, Mr. Alexander Hill Gray kon zeggen: „Het Protestantisme is de tegenstrijdigheid zelve. . . Het Katholicisme is ten minste logisch.... Wanneer men mij bewijst, dat Christus de Zoon Gods was, word ik aanstonds Katholiek.quot; 1)
Gij zult dan tevens inzien, hoe juist de onkatholieke Arnold Ruge het Protestantisme gekarakteriseerd heeft: „In de plaats der geestelijke Hierarchie zetten de Protestanten de geestelijke Anarchie.quot; 2)
Wie weet of gij ook niet met Fr. A1 berti den wensch uit: „Indien het waar is, dat in de Protestantsche Kerk geene leerstellige eenheid bestaat noch bestaan kan, laten wij dan het graf naderen van L u t h e r en zuchtende zeggen : Een ieder Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest (Matth. 12 : 25). Keeren wij derhalve terug in den schoot der Katholieke Kerk, die de machtigste is, omdat zij de eenheid bewaart.quot; 3)
De Protestant Wolters durft verklaren: „De oorsprong en de voortduring der pauselijke macht door de geheel e geschiedenis heen is zoo gewichtig en belangrijk, dat de Katholieken met het volste recht dit
) A. H. Huth: The Life and Writings of Henry Thomas Bucl.ie, London 1880, U. '203, 204.
) GeschichCe unserer Zeil, 1881. S. 2.
■)) Theobald, 1828.
64
historisch feit als een afdoend bewijs voor do waarheid ran hun godsdienst laten gelden.quot; ')
Ook de Historie is „het vlammend schrift van den heiligen God,quot; zegt Jhr. Mr. A. T. Savor nin L ohm an. „Ik bewonder die uitdrukking,quot; herneemt Dr. Schaep-man, „maar de vraag rijst; welke historie? Voor mij, ik erken hot gaarne, staat die Historie belichaamd in een levend stuk historie, in eeu mensch door Gods bijzondere genade daartoe uitgerust en gesteld, in een mensch, die als drager van Gods Woord de heraut en de tolk is der historie : de Paus.quot; 2)
Met de beloften van Christus voor oogen: „ Do Poorten der hel zullen haar niet overweldigen,quot; en met dat plechtig woord: „Gij zijt Petrusquot; en met de gedachte aan die «sleutelenquot;, aan liet weiden der schapen zult gij begrijpen, hoe onze dichter bjj 't licht der geschiedenis vau negentien eeuwen met evenveel geestdrift als waarheid jubelen mag:
't Zijn achttien honderd jaaiquot;! en nog, nog staat de rots Onwrikbaar als voorheen, hoe fel de branding klots,
Als zuil der waarheid, als het middelpunt der tijden.
Ziet, eeuwen gaan voorbij, en brengen vreugd en lijden En schand en eere; met den stroom des tijds vergaat Wat van den tijd is — en de rols van Petrus staat!' 3)
!) in der Minerva, '1810.
-) Onze Wachter ISSi- le deel, blz. 327.
:!) Dr. Schaepman : De Paus.
■