-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

\r U U a fa A ■ a ö

CANOSSA.

HISTORISCHE ROMAN

VAN

CONRAD VON BOLANDEN,

UIT HET HOOGDUITSCH

A. M...

EERSTE DEEIi.

ALKMAAR. - A. NUIJENS.

*1

-ocr page 6-
-ocr page 7-

0 A N O S 8 A.

i.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

DE EZELDRIJVER.

Op Saksen drukte de ijzeren hand van koning Hendrik IV. In het gansche land had hij dwangburchten gebouwd om hol fiere, op zijn vrijheid trotsche Saksische volk in bedwang te houden. In die dwangburchten legde de koning soldaten, hardvochtige, ire-voeilooze mannen. Uezc bedreven in de jaren 1072 en 1073 ongehoorde gruwelen. Zelfs Lambert, de koningsgezinde kroniekschrijver van Hersteld, schreef in 't jaar 1073.

aDe soldaten, die in de burchten in Saksen lagen, hielden op meer dan tyrannieke wijze huis. Dagelijks stroopten zij het omliggende land af, namen uit dorpen en hofsteden levensmiddelen weg, hieven onbetaalbare belastingen van woud en veld, dreven nu hier dan daar onder voorwendsel van tiendhefling gansche kudden weg. Niet alleen den gemeenen man, maar ook rijke en voorname, uit aanzienlijke huizen afstammende heeren behandelden zij als slaven, onteerden vrouwen en jonge dochters bijna onder de oogen der echtge-nooten en vaders, sleepten meisjes naar hunne burch-Can. D. I. 1

-ocr page 10-

2

ten, T)(gt;vrcflig(len tiaar limine lusten, totdat zij vohlaan wai'en en zonden daarna de onteerden naar hare verwanten terug. Waagde het een der beleedigden in woorden te uiten, wat in zijn binnenste omging, dan wierp men hem in boeien, dreigde met aanklachte van hoogverraad en wee hem, die leven en vrijheid niet ten koste zijner bezittingen loskocht. Alle klachten die over deze en andere dergelijke zaken aan het hof werden bekend gemaakt, werden door den koning glimlachend afgewezen.quot; ')

Lang droeg het zwaar verdrukte volk de dwingelandij zijns konings. Het bracht bijna onbetaalbare belastingen op, het offerde vrijheid en de eer der familie, het verdroeg het ongehoordste. Doch Hendrik IV, die boven alle mate wellustige en wreedaardige vorst uit het geslacht der Rijnlandsche Saliërs, wilde geen slaafsche onderwerping, maar den opstand der Saksers.

»Toen de koning bemerkte,quot; zoo schrijft de kroniekschrijver, »dat allen zonder tegenspraak gehoorzaamden, en dat vrees het gansche land in bedwang hield, besloot hij, de Saksers tot het uiterste te drijven, opdat hij later het oorlogsrecht en dat des veroveraars op de overwonnenen konde toepassen.quot; 2)

Het misdadige plan van den Saliër gelukte. Tot wanhoop gedreven, grepen de onderdrukten naar de wapenen, verwoestten de dwangburchten en verdreven of doodden hunne beulen.

Daarop riep de koning de vorsten des Rijks tot den krijg tegen de oproerige Saksers op, viel vernielend met zijn leger in het ongelukkige land en versloeg de Saksers den negenden Juni 1075 in den bloedigen, heeten slag aan de Unstrut.

'I Gfrörer, Paus Grogorius VII en zijn tijd, Deel VII, hl. J . gt;) Gfrörer, Deel II, bl. 357.

-ocr page 11-

De overwinning verzadigde geenszins den naar wraak dorstenden koning. Hij bedreigde liet geheele land niet een algemeene en vreeselijke verwoesting, indien de Saksische vorsten zicli niet vrijwillig gevangen gaven, üit had plaats op het einde van October bij Sonders-hausen, waar de Hertogen, Graven en Heeren in het open veld blootshoofds, blootsvoets en zonder wapenen, als slaven voor den koning verschenen. Zoo had de Saliër liet bevolen. Tegelijkertijd had hij een plechtigen eed gezworen, dat hij den gevangenen eer, leven en bezittingen zou laten .behouden, hen aan de beslissing van een vorstengericht zou overgeven en na een kort tijdsverloop weer op vrije voeten zou stellen. Doch Hendrik IV hield woord noch eed. Hij beriep geen vorstengericht, maar gaf de Saksische opperhoofden aan verschillende grooten des rijks in gijzeling en verdeelde hunne erfgoederen onder zijne gunstelingen. ')

Hendrik zelf hield den moedigsten en dappersten der Saksische vorsten, den markgraaf Udo, in verschillende versterkte plaatsen gevangen, totdat hij hem eindelijk in het voorjaar van 1076 in een kerker van den Trifels wiei p.

Genoemde bergvesting behoorde tot het allodium van het Salisch-frankische vorstenhuis; zij werd reeds ten tijde der Merovingers gebouwd.

Toen de Saliërs tot de waardigheid van Duitsch koning verheven werden, vergrootten zij den Trifels en bestemden hem tot schatkamer en tot gevangenis voor hooggeplaatste personen.

Schatten en gevangenen waren veilig in de onoverwinnelijke rotsvesting, die op den vijftien honderd voet hoogen Sonnenberg met eiken vijandelijken aanval spott'e. De Sonnenberg vormt wel is waar een geheel met de

'j Gforer, I).-VII, bl. 51(i.

-ocr page 12-

i

omliggende bergen van bel recbter Queichdal, maar hij maakt de uiterste grens uit van de met bosch begroeide hoogten en eindigt in een zeer steilen kegel. Op de spits van dezen kegel verheft zich een rotsmassa van twee honderd voet hoogte, welker rug den toren, en de gebouwen van den Trifels draagt. Om het geheel loopt een ringmuur van zware rotsblokken inet vooruitspringende torens — een zeer overbodig toevoegsel voor de van nature sterke stelling van den ouden Franken-burcht. De kerkers van den Trifels zijn in de geschiedenis berucht. De Saliers en Hohenstaufen wierpen een groot aantal Duitsche en Italiaansche groeten in die vreeselijke gewelven, waar velen in den schoot der rotsen hun ellendig leven eindigden. »Nullus exivit, qui vinctm ibidem inlravil,quot; schrijft de kroniekschrijver. «Niemand kwam er uit, die geboeid daar binnentrad.quot; Ook Richard Leeuwenhart, Engelands ridderlijke koning, versmachtte daar, totdat een losgeld van honderd duizend marken zilver hen) bevrijdde.

quot;Wild romantisch is de omgeving van den Trifels. Beuken- en eikenbosschen, pas in hear lentetooi prijkend, bedekken dalen en hoogten. Hier en daar loopt langs de bergwanden een donkere streep van pijnboo-men en dennen, als een statige zoom langs den groenen bergwand. Niet zelden steken de grijze koppen van verweerde rotsen boven de boomtoppen uit; steile steenwanden, do ar enkele pijnboomen vaneen gescheiden, hangen aan de bergen. De nauwe zijdalen, die tusschen hooge bergen zijn ingesloten en in het breedere Queichdal uitloopei , lokken den wannen natuuronderzoeker uit, hen te volgen in de wilde pracht en de stille eenzaamheid der bergen. Bloeiende velden en vruchtbare weiden, die de vlijtige menschenhand in de beperkte vlakten het woud ontrukt heeft, versieren het Queichdal, dat zich bescheiden langs den voet van

-ocr page 13-

den Sonnenberg en de volgende hoogten uitstrekt, totdat het in het trotsche Rijndal uitloopt. Molens klapperen aan de beek. een wapensmederij zendt hare rookwolken in de zuivere lucht, hofsteden en eenzame gehuchten, door onderhoorigen en vrijen bewoond, liggen hier en daar verstrooid, en het schoone dorp Annweiler ligt veilig onder de bescherming van den machtigen Trifels. Niet minder zeker arbeiden de Meden der rijke en oude abdij Klingen, welker noordelijke grenzen den Sonnenberg bijna raken; want de banvloek treft eiken machtigen die zich aan de beschermelingen der Kerk vergrijpt.

Drie wegen leiden naar den burcht, — een smal voetpad, een rijweg en een ezelspad. De rijweg slingert om den kegel naar de hoogte; het ezelspad gaat zigzagswijze naar boven; het voetpad doorsnijdt rechtlijnig het prachtige beukenwoud met zijn gladde stammen en zijn dicht bladerdak.

Dc gewapenden des konings, die den vorigen nacht den ongelukkigen markgraaf Udo van Saksen naar den Trifels brachten, rustten nog op hunne legersteden, toen drie zwaar beladen ezels de steilte opklauterden, leder langoor droeg op den rug twee korven, gevuld met meel uit den burchtmolen. Met den slakkengang kropen de graauwtjes naar boven. Voor hen uit gaat de drijver, een man met een lustig voorkomen en een stok in de hand, welke hem dient tot steun en tot besturing zijner dieren. Hij gaat eenige schreden voor de ezels uit, en naast hem een lijfeigene, zooals de metalen ring om het handgewricht aanduidt, waarop de woorden gegrift staan; ))Gundelkarl hoort toe aan graaf Wazo.quot; Dit levend eigendom van graaf quot;Wazo is gekleed in een lederen broek, een wambuis van buffelleder, een hoed uit boomschors gevlochten en schoenen met zware spijkers voorzien, fn de rech-

-ocr page 14-

fl

terhand draagt hij een dikken knoestigen stok en in de linker een brief. — De kleeding van zijn metgezel, den ezeldrijver, is nog eenvoudiger. Over de broek een linnen hemd, geen hoed op het hoofd, geen schoenen aan de voeten. Hij loopt veeleer op zijn eigene zolen en zijn dik kroeshaar maakt zijn geheele hoof;deksel uit. Daarentegen vertoonen zijne gelaatstrekken sporen van geestigheid, soms glanzen zelfs heldere lichtstralen van humoristische scherts in zijn listige oogen.

«Gelukkig, dat de gestrenge Heeren op de jacht zijnquot;, zeide de ezeldrijver. ))Uw7 graaf kon u anders wel eens bij de ooren pakken, als gij hem onder de oogen kwaamt. Misschien zou de goede graaf u wel laten geeselen of ophangen, omdat gij hom ontloopen zijt. Het geeselen of ophangen zou hij zeer goed met zijn Heeren geweten overeen kunnen brengen; want onze ïrifels ligt toch niet in 't gebied der abdij Klingen.quot;

»Gij zoudt wel gelijk kunnen hebbenquot;, zeide Gun-delkarl. »Graaf Wazo is wilder en woester, dan alle evers en beren uit onze wouden. Zijne onderhoorigen kwelt hij boven mate. Mij heeft hij mishandeld , dat ik bloed zweette. Nu ben ik een vrij man , een pachter van ons goed klooster. Ik leef als een koning onder de hoede van Klingen. »Ziet gij daar mijne hut?quot; riep hij vroolijk, terwijl hij door een opening der boomen naar het dal wees. »A1 het land om de hut is voor mijn geheel leven het mijne, en ieder Jaar vermeerdert mijn bouwland; want ik ontgin eiken winter een flink stuk hosch.quot;

))Gij woont als een Hertog, Gundel! En de belasting?quot;

Ieder jaar drie hoenders en twee varkentjes, wat mij niet te zwaar valt. Daarenboven zijn mijn beide jongens voor vast in het klooster werkzaam, de eene in de paardenstal, de andere in de bakkerij. Den

-ocr page 15-

oudsten heeft de goede abt zelfs een paardenleen beloofd, als hij zich goed gedraagt.quot;

»Gij zijt er waarachtig beter aan toe, dan ik en mijne ezels!quot; bekende Af bald. »Elken dag moeten wij met elkander dezen hemelhoogen berg op sukkelen en daarvoor krijgen wij juist zooveel tusschen de tanden, dat wij het eten niet verloeren. — Uw bakker heeft dus dezen brief uit de abdij hierheen gebracht? En de brief is aan mijn burchtvoogd? Wat mag er wel in den brief geschreven staan?quot;

Ik weet niet! De goede abt moet ziek — zeer ziek zijn.quot;

«Hm, -- als de goede abt sterft, mag de koning blijde zijn, want dan krijgt hij weder eenige zakken vol gekl voor den nieuwen abt. Jammer, dat ik niet eenige duizende marken zilver in de kas heb — dan zou ik spoedig abt van Klingen zijn.quot;

»Gij? Zijt gij dol? Een ezeldrijver — abt?quot;

Waarom niet? Het geld maakt bisschoppen, abten, proosten, graven — het geld maakt eerlijke lieden, dieven, moordenaars, schurken en duivels. Voor geld kunt gij aan 't hof alles krijgen. Verwondert gij u daarover? Gij zijt ook maar een pachtboer — maar ik ben een koninklijke ezeldrijver. Mijne ezels en ik hebben daar boven reeds vele dingen gehoord — schoone dingen en vreeselijke dingen.quot;

Zijn gelaat werd somber.

Vreeselijke dingen?quot; herhaalde Gundel nieuwsgierig.

Dat was me heden weer een nacht!quot; ging Afbald voort, gisteren zeide de poortwachter tegen mij,quot; houd uw ezels voor heden nacht gereed!quot; — Goed, — tegen middernacht wordt er aan mijn venster geklopt. Mijne ezels moesten er uit en pakken op hunne ruggen nemen, welke van pakpaarden waren afgeladen. Zware zakken, — Gundel, — zware zakken vol geld! Er

-ocr page 16-

8

konden wel geheele, bisdommen, stichten en abdijen in die zakken zijn. — Voor ons reden eenige zwarte ruiters, die geen woord met elkander spraken. In hun midden hadden zij een zeer langen man, eeu vogel voor den kerker, zoo als de wachter zegt. Men is weetgierig, — natuurlijk! Gaarne wil men eens hooren, hoe het daar buiten in de wereld toegaat, — derhalve plaatste ik mij zoo, dat ik wat op kon vangen. Mijne ezels en ik verstaan elkander en zoo kwamen wij juist den kerkertoren voorbij, toen de lange er in moest.

En dat vergeet ik mijn leven niet, Gundel, — liet was vreeselijk!quot; en de drijver krabde in zijn borstelig hoofdhaar.

Vertel maar verder, Afbald! In vreeselijke dingen heli ik genoegen. Gij kwaamt dus juist den kerkertoren voorbij — nu verder!'

Mijne ezels bleven staan dus moest ik ook blijven staan. Groote God — kon ik 't maar vertellen, zooals het eigenlijk was! Daar staat do vreemde man voor de open deur en de deur leidt naar den kerker of' liever naar zijn graf'. De burchtknechteii droegen pekfakkels in de handen en de pekvlammen schenen hem juist in 't gelaat, - en wat voor een gelaat was dat. liet gelaat was als van een witten steen en de oogen in het witte gelaat waren als van vuur. Zoo staat hij een vierde Vaderons lang voor de deur, dan balt hij de vuisten en roept woest uit.quot; Mijn vrouw heeft hij onteerd en vermoord, — mijne dochtor heeft hij geroofd, — en mij begraaft hij levend, - mij, den markgraaf Udo van Saksen! Vloek over hem,- vloek over den tyran; Misschien had hij nog meer gezegd, maar een ridder gaf hem, een stoot en de arme markgraaf Udo van Saksen tuimelde in den kerker. Daar kan hij nu versmachten en in levenden lijve verrotten,'quot;

-ocr page 17-

»I)at is tool) afsclmwelijk!'' zeide Gundelkarl.

«Dat is inenschelijk — echt menschelijk!quot; bpweerde Afbald.

J)e pachtboer keek den ezeldrijver verbluft aan.

»Noemt gij dat menschelijk op den Trifels.quot;

sDat is de geheele wereld door menschelijk, doiume Gundel! Let op, ik zal 't u verklaren.

Ziet gij, op aarde eet alles en alles wordt gegeten de grootste vraat evenwel is de mensch.

Verstaat gij dat weer niet? Let dan op!

Alles eet op aarde, — dat is toch duidelijk, mijne ezels begrijpen dat. Gij kunt mij niets opnoemen, wat niet eet. l)e vissclien in het water eten. de vogels

' O

in de lucht eten- — de een eet namelijk den ander op. De steenvalk eet kwikstaartjes, de kwikstaartjes eten muggen en kevers en de kevers eten elkander weder op. De wolf en de beer vreten, wat huu in den muil loopt. JJoort gij daarboven de jachthoorns in de bergen? De hoofdvraten, de menschen, zijn juist bezig orü wolven, beren, evers, herten en al wat voor hunne speer komt te dooden. In t vermoorden komt geen een den mensch nabij, de wolf en de beer zijn lammeren bij den mensch vergeleken. Niets is er in de lucht, iu het water, in het woud of op het veld voor hem veilig. Daarom is de mensch de grootste moordenaar en vraat; want hij spaart zelfs zijnsgelijken niet. De groote vreet den kleine, en de grooten en de kleinen vreten elkander onderling weer op. De markgraaf L'do ligt daarboven in den kerker. De kerker is de maag eens konings, die hem gegeten heeft en hem lot op de beenderen verteert. Daarenboven komen do menschen dikwijls bij duizenden bij elkander om elkander op te vreten door de scherpte hunner zwaarden. Zulke bijeenkomsten noemt men veldslagen, en die het best vermoordt, io de dapperste. Zoo hebben dft

-ocr page 18-

10

koning en zijn soldaten in het vorige jaar aan de ünstrut ongeveer tienduizend Saksers opgegeten en de Saksers hebben van hunnen kant bijna achtduizend van 's konings mannen vernietigd. Daarom zeg ik ; Alles eet op aarde en alles wordt gegeten, de grootste vraat evenwel is de mensch.quot;

»Dat had ik, bij mijn ziel, niet gedacht, — maar 't is toch zoo,'quot; bekende Gundelkarl.

«Liggen er behalve de markgraaf Udo nog anderen in de maag des konings, zoo als gij het noemt?quot;

))Nog verscheidenen, mijn zoon, nog verscheidenen! Hm — als de steenen van den Trifels spreken konden !quot;

»Ik heb een afschuw van dit slot!quot; verzekerde de pachtboer. — )gt;lk zou daar niet kunnen wonen, — zelfs niet voor de kroon des konings; want ik zou altijd aan die arme drommels moeten denken, welke onder mijne voeten levend begraven zijn.quot;

ïMijne ezels zijn ook van uw gevoelen Ziet gij niet zij knikken u goedkeurend toe. Koningen, vorsten en burchtheeren zijn daarentegen van een andere soort.

Wat voeren die heeren op hunne wapenschilden? Leeuwen, — tijgers, — beren, — gieren, — arenden, — griffioenen, — en ander verscheurend gedierte. Dat komt van de verwantschap, Gundel, zuivere verwantschap! Leeuwen, tijgers, gieren, ruiken gaarne bloed. Een ezelskop zult gij nog nooit op een wapenschild gezien hebben, ook geen boerenkop, — dat zijn veel te langmoedige onschuldige schepselen. Kijk eens, — zie deze korven eens, wat zoo'n ezelsrug dragen kan! En een boerenrug draagt rog meer, om niet eens van lijfeigenen en onderhoorigen te spreken.

»Dat is op mij niet meer van toepassing, Af bald! Ik heb weinig te dragen.'

»Omdat gij in den zachten schoot der Kerk geloopen

-ocr page 19-

I \

zijl. Onder de zweep van den graat' waart gij toch een echt lastdier.quot;

)gt;Dat zou ik meenen!'quot; bevestigde Gundelkarl. «Dag eti nacht gemarteld. Het vel werd mij bijna over het het hoofd gehaald.''

»En van uw vel zou Heer Wazo zich een paar schoenen hebben laten maken. Waarom draagt gij nog altijd dien moeien metalen band om uw handgewricht, — gij, een vrij man der Kerk?quot;

«Tot een aandenken aan mijn knechtschap; de vrijheid smaakt er des te beter om.quot;

))Een vreemde smaak!quot; antwoordde de ezeldrijver de schouders ophalend. »Mij zou dat ding den eetlust benemen. Wacht u maar voor de klauwen van Wazo!quot;

)iüe kerk beschermt mij.quot;

«Gij zijt een gek, Gundel! De graaf maalt om God noch duivel, — zou hij dan de Kerk eerbiedigen?quot; Ik ken den gestrengen Heer, — ik zou niet gaarne in zijn vel steken. Het schoonste stuk heeft hij uitgevoerd met zijn broeder en diens zoontje. Zijn broeder kwam van rechtswege het graafschap toe. Op zekeren dag ■ ging de goede Wazo met zijn broeder op jacht; bij die gelegenheid viel deze van een hooge rots en brak den hals. Natuurlijk viel de arme graaf niet vrijwillig van de rots en de goede Wazo verhinderde den val ook niet, afschoon hij juist achter zijn broeder stond, toen deze in de diepte stortte. Nu zou Wazo nog geen graaf zijn, maar het zoontje van den gestorven graaf.

Doch het zoontje werd gestolen, — zeide men, en zoo kwam het dat Wazo, de goede, edele, brave Wazo, graaf moest worden.quot;

))Denkt gij, dat Wazo zijn broeder en het knaapje Ileeft omgebracht?'

»Ik? Ik denk niets! Vraag het aan mijne ezels; -—

-ocr page 20-

13

ziet gij, zij knikken met den kop. — Nu maken wij halt,quot; zeide Afbald, toen zij aan de plaats kwamen, waar de rijweg liet ezelspad doorsnijdt.quot; «Hier is 't juist duizend voet, — vijfhonderd blijven er nog over. — Is dat geen schoone plaats? Kijk eens, welke boomen! Hoe dik, glad en blank van stam! En het groene dak, — daar kan geen zonnestraal doordringen. Maaier komt nog iets veel schooners, — wacht maar!quot; en de ezeldrijver keek over den weg naar de vesting.

»Wat komt er dan?' vroeg Gundelkarl.

))Eeii wonderkind, -een fee, — een engel, — wat gij maar wilt, het schoonste is het meest passende. Spoedig zult gij 't zien, want het is haar tijd. — Ga hier zitten, — zuiver mos en zacht! De zitplaats van den koning op zijn troon kan niet zoo zuiver en daarom ook niet zoo zacht zijn.

Stil, — luister! Dat is hare stem, helder als een zilveren klokje. Juist, daar kornt zijl Ziet gij, hoe mijn ezels de ooren spitsen? Dat geschiedt uit louter bewondering, uit dankbaarheid, uit huldebetooning. Den hoed af, Gundel, wees geen lomperd!quot;

Met lichten tred kwam een bloeiende maagd den weg af. De dracht der hoogste standen omgaf haar slank lichaam, welks schoone regelmatigheid en jeugdige vormen verhoogd en veredeld werden door een zeldzame bevalligheid in houding en beweging. Zij droeg een lang, de heupen nauw omsluitend kleed met enge mouwen. Het kleed was van witte wollen stof, aan den zoom en aan de handen met rijke stiksels versierd. Daarover droeg zij een bovenkleed zonder mouwen met blauwen grond, dat door witte strepen in kleine ruiten, die met goud bestikt waren, verdeeld werd. Dit kleed op den wapenrok der ridders gelijkend en daarom cutellae genoemd, was bijzonder geschikt om de slanke gedaante op het voordeeligst

-ocr page 21-

13

te (loon uitkomen. Om het hoofd droeg zij een zilveren band met een hingen sluier, welke een overvloed van zwarte glanzende lokken bedekte, die ver over den hals en den rug afhingen. Haar aangezicht was van een groote schoonheid en de lichtende sterren der blauwe oogen glansten van onschuld en goedhartigheid. Maar het lachen van haren mond was niet zonder zedigen ernst, en naast hare jonkvrouwelijke waardigheid lagen tegelijk in haar wezen wilskracht en een voor haren leeftijd zeldzame helderheid van geest. In de hand droeg zij een zilveren kroesje, dat nu, toen de ezels op haar toeliepen, door een korfje vervangen werd, hetwelk hare gezellin aan den arm droeg.

Terwijl Afbald in lompe buigingen haar zijn eerbied betuigde, stond Gundelkarl onbewegelijk en strak van bewondering, den hoed in de hand en de jonkvrouw met wijd opengespalkte oogen, aanstarend.

«Jonkvrouw üodila, ik en mijne ezels blijven uwe getrouwe knechten,quot; verzekerde Afbald onder linksche buigingen. «Wanneer mijne ezels op deze plaats komen, gaan zij geen stap verder, — het zijn slimme dieren. quot;

))Die gij met te zware vrachten belast,quot; zeide de jonkvrouw berispend. »De korven zijn tot aan de randen gevuld, — en deze steile, hooge berg! Gij zijt een hardvochtig man.quot;

xgt;Ik vraag u wel verschooning, genadige gebiedster, wij hebben van daag meel, dat moet gedragen worden, Morgen zijn het groenten, die zijn lichter.quot;

De ezels stonden voor Godila en vraten begeerig de stukken brood uit hare blanke hand. Zij ledigde het korfje niet do uitdrukking van kinderlijke vreugde, een uitdrukking, die hare glanzende lieftalligheid allerliefst stond. Haar heldere oogen straalden van genoegen

-ocr page 22-

14

over liet feit, dat zij geplaagde lastdieren op moeilijke wegen eene versterking kon geven.

»Wees wat toegevend, Afbald,quot; zeide zij. »De meel-dagen zijn altijd de slechtste. De arme (.lieren, -— zie hoe treurig zij de koppen laten hangen.quot;

«Dat doen zij uit eerbied voor onze gebiedster,quot; antwoordde de drijver. »De ezels zijn niet zoo dom, als men wel meent, zij weten zeer goed distelen en doornen van lelies en rozen te onderscheiden.quot;'

»Wien hebt gij daar bij u?1 vroeg zij een onderzoekenden blik op den briefdrager werpend.

))Een bode voor den voogd uit het stift Klingen, gestrenge gebiedster!'

»Uit Klingen, — een eerwaardige plaats!quot; hernam zij. »Ik bid daar gaarne voor het miraculeus beeld van Onze Lieve Vrouw. De monniken zijn allen vroom en goed, op geen enkelen rust den ban wegens het bezit cener vrouw.quot;

))Dat zal niet lang duren, edele gebiedster! zeide Afbald. ))De nieuwmodische monniken zijn heden ten dage zeer gesteld op het trouwen, en men zegt, dat de koning veel van geestelijken houdt die eene vrouw nemen. Een koning is nu in den Staat, wat een blaasbalg in een orgel is, — hij geeft den toon aan. Zijn de oude, vrome vaders in Klingen gestorven, dan zullen de nieuwe koningsmonniken onzen pastoor en burchtkapelaan navolgen, wien geen bar. van zijn vrouw afschrikt, en wien een lachje van onzen koning meer waard is, dan de toorn onzer Kerk.quot;

De heldere lichten van haar bekoorlijk gelaat verduisterden, zij neigde het hoofd groetend en ging verder.

De ezels en hun drijver klommen het steile pad verder op.

»Nu, Gundel, wat zegt ge van onze gebiedster?quot;

-ocr page 23-

jiZoo ii'ts schoons heb ik mijn leven niet gezien,' hekende Je pachtboer. »Zij lijkt wel een engel.'

»Zij is een engel, goed, rein en schoon, als een engel. De behoeftigen in Annweiler weten van haar te spreken. Ook de arme drommels in de kerkers kennen hare barmhartigheid en goedheid. Menigeen zou zonder haar reeds lang van honger omgekomen zijn. Vaak heb ik gezien, hoe zij «pijzen door de getraliede openingen schuift en met hare zoete stem de ellen-digen troost.1

sis zij het kind van den burchtvoogd.11 »Ha, — ha, gij zijt een gek, Gundel! Een gier heeft nog nooit een duif uitgebroed. De voogd, —• hm! Het heerschap is ongetrouwd, maar aan 't hof des konings en ook in Annweiler neemt hij, wat hem1 aanstaat, — begrepen? Dat is tegenwoordig zoo quot;t gebruik aan quot;t hof, de koning doet eveneens zoo. Menige knappe deern stijgt frisch naar den burcht op en keert na maanden, geheel neerslachtig huiswaarts — Hut — hut -— bu! Mijn ezels zijn de zuivere onschuld bij zoo'n lammergier vergeleken.quot;

Gundelkarl dacht over den zin van het gesprek na, en hief vervolgens bezorgd het hoofd tot den drijver op.

))üe blanke duif Godila in hot nest van den lammergier, — Afbald, dat is gevaarlijk!quot;

»Toch niet,quot; quot;hernam de andere. »Geen haartje van haar hoofd mag de voogd aanraken, als hem het leven lief is.quot;

oWie is Godila dan toch eigenlijk ?quot;

»Ik weet het niet, — in elk geval is zij een vorstenkind. Voor zes jaar kwam zij op het slot, — toen een meisje van elf jaar. Nu bloeit zij als een lelie in al haar pracht. Die haar als kind hierheen zond, zal spoedig naar de jonkvrouw komen vragen. En als die

-ocr page 24-

16

kimit, zou ik wel een ijzeren knots willen hebben, om die op den schedel van een schurk te beproeven.quot;

»Wie is uw »die,quot; —als ik vragen mag?quot;

«Vragen moogt gij, maar het antwoord blijf ik schuldig, domme Gundel! — Hut, — hut! Ziet gij, wanneer mijne en andere ezels een koning hadden, en de koning was niet als een ezel, maar als een tijger of als een duivel, dan hadden de ezels gelijk wanneer zij den koning de gehoorzaamheid opzegden. .Maar wanneer de menschen een koning hebben, dan moeten zij hem behouden, zelfs dan nog, als deze koning een tijger, of zelfs een duivel is.quot;

^Nu begrijp ik 't. — Groote God! Die arme * Godila! En weet zij niets?quot;

»In 't geheel niets! De zuiverste onschuld! Zij weet niet eens, dat zij een gevangene is, dat zij door de vrouw, die haar begeleidt, bewaakt wordt, dat hare geleidster zoodra zij naar Klingen, rijdt, hare gevangenbewaarster is. — Hu,- juli! Alles eet op aarde en alles wordt gegeten, — maar de hatelijkste worgers en vraten zijn de sperwers in rnenschengedaante. Zoo houd nu uw mond, wij zijn aan 't slot. Bezorg uwen brief, en maak dat gij weg komt, voor dat de goede graaf Wazo van de jacht terugkeert en u bij den kop pakt. — Ik ken den goeden graaf op een haar — wacht u voor zijn jachtspies.

-ocr page 25-

AAN DE P1RMINIÜSliRON.

Niet gehfie;] aan den voet van den Sonnenberg, in ile nabijheid van den weg, die naar de oude Benedictijner abdij Klingen voert, verheft zich een eikeboom van verbazenden omvang. Vijf mannen kunnen den stam nauwelijks omvatten. De takken, verweerd en knoestig, deels verdord en met grijs mos begroeid, beantwoorden aan den omvang van deti stam. De wortels hebben welligt in hunne jeugd nog het bloed gedronken dat de priesters van Wodan voor den heiligen eik geplengd hebben. Tegenwoordig is de eik eveneens geheiligd, doch niet door dien duisteren, duivelachtigen geest, die menschenbloed vordert, maar door een houten beeld van Onze Lieve Vrouw, het toonbeeld van reinheid, liefde en barmhartigheid. Het beeld staat in een kunstmatige holte van den boom, de Moeder van Smarten voorstellend, welke het lichaam van haren gekruisigden Zoon op den schoot heeft. Om het beeld der Moeder van Smarten is een eenvoudige kapel gebouwd, welker achtergrond door den eikeboom gevormd wordt. Een lompe bidbank staat onder het dak van mos en twijgen, maar een frissche krans van lentebloemen versiert de nis van het beeld. Een statige lommer omgeeft met feestelijken ernst de gewijde plaats. Zelden breken de zonnestralen door het loof der bladerkroon, en gebeurt dit, dan strooien zij schit-terende punten in 't rond en weven lichtende diamanten in het zachte mostapijt om de kapel. Verhoogd^ eerder dan gestoord, wordt de stilte van het woud Can. Dl. I. '2

-ocr page 26-

18

door den plassendeu val van een waterstraal, — die een honderd schreden lager dan de eik uit een rots te voorschijn komt, een natuurlijk bekken vult. en dan naar het dal stroomt. Naar men zegt heeft de H. Pirminius deze bron doen ontstaan, welker water genezende kracht bezit. Daarom wordt de bron bezocht door lijdenden en door hen, die door het gebruik van het water hunne gezondheid meenen te behouden.

Voor de bron, waarheen eenige trappen leiden, zijn op de vrije opening ruwe zitbanken aangebracht, van welke men tegelijkertijd uitzicht heeft op den weg naar Klingen, die langs den zoom van het woud loopt.

Godila, een ouderloos kind, dat hulp en bescherming zoekt bij de goede Moeder des Heeren, komt sinds jaren van den burcht af naar het beeld. Dit innig verkeer met de Hemelkoningin werkte reinigend en louterend op het gemoed van het kind en van de maagd. Al wat haar hart bezwaarde, beanstigde of verontrustte deelde Godila met een vast vertrouwen aan de Moeder der genade mede en nimmer werd de verwachting beschaamd van haar, die zoo onwrikbaar was in haar geloof. Haar godvruchtige biechtvader quot;Widerad, groot-prior in de abdij Klingen, wist zoo begeesterend en boeiend te spreken over de macht en de deugden van Maria, dat Godila van die goede Moeder alles verwachtte en met ijver er naar streefde hare schoone ziel te regelen naar het verheven voorbeeld van de Hemelkoningin. Lezen en andere vrouwelijke kundigheden had Godila geleerd bij de kloosterzusters van St. Magdalena, waar zij verscheidene maanden verbleef. De godvreezende moiiiiik had haar een boekje geschonken, dat hij zelf sierlijk op perkament had geschreven, en waarin wonderbare en stichtende verhalen te lezen waren over Gods lieve Heiligen.

Zoo kwam het dat Godiia, ofschoon afgesloten van

-ocr page 27-

de wereld, in onophoudelijk verkeer bleef met den geleerden monnik, en dat zij door het volgen van de neiging van haar kinderlijk gemoed voor het verhevene, een geestesontwikkeling verkreeg, die niet ontsierd noch aangestoken werd door den invloed van een bedorven en zedelijk diep geschnkten tijd. Ook de zuivere lucht der bergen, die zij inademde, zoowel als de grootschheid der haar omringende natuur, werkten tegelijkertijd heilzaam op lichaam en geest. Haai' lichaam ontwikkelde zich krachtig en haai' zuivere ziel was aangenaam aan God.

Toen zij heden de kapel naderde, zocht haar oog iets in de omgeving daarvan, en toen zij het gezochte niet vond, scheen zij ongerust.

«De boeteling is er niet,quot; zeide zij. «Hij ontbreekt nooit op dit uur; — de arme man zal toch niet ziek in zijn hut liggen?quot;

»Waarom zou hij ziek zijn?' antwoordde haarkamenier. »Wolferats lichaam is van ijzer en staal. Wellicht heeft hij van daag weder het werk van een lijfeigene op zich genomen. Ik kan u bij de litanie even goed antwoorden, als die sombere man. Wij hebben hem niet noodig.quot;

«Gij moet niet vertoornd op hern zijn, Oda! Hij is een ongelukkige, die medelijden verdient.'quot;

«Medelijden, — nu ja! Wie in dezen woesten tijd al zoo veel beleefd heeft, als ik, wantrouwt iederen man, al is hij ook een boeteling. Daarom ben ik vrij wat beter op mijn gemak, als ik den man volstrekt niet zie. Zwart en somber is hij. als een winternacht. Welligt rust menige bloedschuld op zijn ziel.

«Daarvoor boet hij streng, en wij mogen niet oor-deelen,'' antwoordde Ciodila.

Zij knielde op de bidbank neder, maakte het H. Kruisteeken en bad. lt;:da stond twee schreden achter

-ocr page 28-

haar en zag naar de Moeder van Smarten in de nis omhoog. Spoedig wendde zij ecliter het hoofd om en luisterde in de richting van de bron. De waterval bruischte, daartusschen klonken tonen, die even goed mannenstemmen konden zijn, als luchtstroomingen, welke door de hooge toppen der eiken streken. De kamenier luisterde, totdat zij ze eindelijk voor mannenstemmen hield.

Oda's gehoor bedroog haar niet. Om de bron had zich een groep mannen gelegerd, van welke twee door hun uiterlijk bijzonder in het oog vielen.

Een man, in de dracht van een onderhoorige, stond leunend op een houweel en beschouwde wantrouwig een gewapende, die voor hem op de bank zat. De onderhoorige was gedrongen van gestalte; zijn gelaat werd grootendeels door een borsteligen baard bedekt. Om den hals en de beide handgewrichten droeg hij ijzeren banden van ongewone breedte. Deze banden waren geenszins teekenen zijner lijfeigenschap, maar van zijn vrijwillig leven als boeteling. In dien tijd van bandelooze woestheid gebeurde het namelijk, dat groote misdadigers, door gewetenswroeging gefolterd, of verschrikt door de waarheden van het christelijk geloof, plotseling bleven staan op hun bloedige loopbaan en zich aan het strengste leven eens boetelings onderwierpen. Zwaard en dolk, de vroegere werktuigen hunner wreedheid, verbraken zij, smeedden van hun klingen banden en legden die om hals en armen. Hierbij gebeurde het soms, dat na verloop van tijd het vleesch over de ijzeren banden heen groeide, zoodat zij roestten, in tweeën braken en het vleesch verscheurden. ') Bij deze vrijwillig ondernomen boetedoeningen kwamen nog zware kerkelijke strafl'en. Misdadigers van

') Rttumer, Gesch. d. H. Leipz. 1825, D. VI, bl. 282.

-ocr page 29-

21

die soort mochten jaren lang geen kerk binnentreden,

zij waren van het ontvangen van alle H.H. Sacramenten uitgesloten, moesten vasten en boeten en ten slotte een reis naar Rome doen om door den Paus ontslagen te worden. Deze strenge boetplegingen waren niet alleen noodzakelijke heilmiddelen, maar ook afschrikwekkende waarschuwingen voor de verwilderde en losbandige karakters der elfde eeuw. Want roof, moord en afschuwelijke misdaden waren aan de oiile van den dag. In koelen bloede werden de afgrijselijkste gruweldaden bedreven. Terwijl verreweg het grootste gedeelte der mindere volksklasse getrouw bleef aan zijne godsdienstige verplichtingen en zijn zedelijke waarde behield, had een woest zedebederf de hoogere standen aangegrepen, sedert het koninklijk hof, onder de regeering van Hendrik IV in alle mogelijke schanddaden voorging. Het was geen zeldzaamheid, dat moeders hare kinderen terstond na de geboorte worgden of levend begroeven. Zelfs in de kerken werd gemoord. Bisschop Einhard van Spiers werden de oogen uitgestoken, waarna hem zijne beulen dood martelden. De Bisschoppen Fulco van Reims, Otbert van Straatsburg, Salomo van Constanz, Benno van Metz werden vermoord. In 't diocees van den bisschop van Worms alleen, werden in een jaar vijf en dertig moorden gepleegd. ')

Bij zulk een ontaarding was de strengheid der kerkelijke straften een levensvraag voor de maatschappij.

Zekerlijk bezwaarden ook groote misdaden de ziel van den boeteling aan de Pirminiusbron; want zijn gelaat was somber, zijn blik schuw en bij de geringste

') Bintarim, 111 D. St. 3, bl. 40.

-ocr page 30-

aiuileiding bleek het, dat zelfs tie grootste boetplegingen het wilde dier in den man nog geenszins gedood hadden. Voor eenige jaren was hij in die streek gekomen; niemand wist van waar hij kwam en van welken stand hij was. Steeds, karig op zijn woorden, leefde hij in een ellendige hut aan den zoom des wouds, arbeidde op de velden of ontgon boschgronden en dit alles zonder loon, ten dienste van lijfeigenen, die hem van grof voedsel voorzagen. Voor Godila had hij een bijzondere achting; hij scheen met de jonkvrouw in geheimzinnige betrekking te staan.

De gewapende op de bank tegenorer hem maakte een tegenovergestelden indruk. Lang van gestalte en sterk gebouwd, bewoog hij zich met gemak in de zware wapenrusting. Hij droeg een pantserrok van vierhoekige stukken staal, die bij iedere beweging zich zacht kletterend naar het lichaam voegden.

Zijn beenbedekkingen bestonden uit een ondoordringbaar vlechtwerk van kleine stalen ringen, die beenen en voeten bedekten. Voor hem stond een lang, zwaar, tweesnijdend zwaard van ongewone breedte, dat naar onderen tot aan de dreigende punt smal uitliep. Tegen den naasten boom stonden helm en lans, daarnaast een driehoekig metalen schild zonder wapensieraad. De kap van het pantser was over den rug neergeslagen. Zijn gelaat was jeugdig schoon, wilskracht en vastberadenheid lagen in de regelmatige trekken. Boven den licht gebogen neus fonkelde twee scherpe oogen, welke in vereeniging met de forschheid van het geiaat aan het hoofd eenige gelijkenis gaven met den kop eens adelaars. Wat echter den ridder wezenlijk onderscheidde van al de standgenooten van zijn tijd, was een zeldzame geleerdheid, die zijne gesprekken kruidde en de kloeke gestalte met een zacht licht omgaf.

Drie gewapenden met borstharnassen aan, blijkbaar

-ocr page 31-

23

de dienaren van den edelman, waren juist bezig hunne dorstige paarden uit de bron te drenken. Zij stegen naar het bekken af, schepten het heldere water in hunne helmen en hielden het den statigen rossen zoo lang voor, tot dat deze terug ti aden en van het jonge gras op de open plaats begonnen te eten. Daarna openden zij lederen tasschen, haalden koude spijzen te voorschijn, strekten zich op het zachte gras neder en aten.

»Mag ik ii uitnoodigenlquot; vroeg de geharnaste aan den boeteling, op brood, vleesch en wijn wyzend dat een dienaar op het schild voor zijn heer had nedergelegd.

sik dank u zeer, heer Ridder!quot; antwoordde de boeteling treurig. »Wolferat eet nooit vleesch en drinkt nooit wijn. Zwart haverbrood en water zijn goed genoeg voor een wild dier.quot;

»Duurt uw boete nog lang?quot; vraagde de andere een deelnemenden blik op den ter nedergedrukten man werpend.

i Wat is lang?quot; antwoordde Wolferat. »De verdoemden branden eeuwig in de hel. Al ben ik ook niet verdoemd, toch heb ik de verdoemenis wel verdiend.quot;

«Stellig branden de verdoemden eeuwig, omdat zij onboetvaardig afstierven, en boetvaardigheid aan gene zijde des grafs onmogelijk is,' hervatt'e de gewapende. ))De verdoemden zijn dit voor eeuwig, omdat zij God eeuwig weerstreven en eeuwig blind zijn voor het goddelijk licht. De verdoemden hebben nimmer berouw, waarom dus ook nimmer een verbetering van hun slecht bestaan en nimmer vergiffenis van den kant der goddelijke gerechtigheid mogelijk is. De hel is daarom een wereld, waar het vuur niet wordt uitge-bluscht en de worm niet sterft. — Gij daarentegen boet vrijwillig voor bedreven zonden, bijgevolg valt er ook niet te twijfelen aan uwe verbetering ten goede.

-ocr page 32-

Handel derhalve met onrechtvaardig jegens u zeiven, door u te vergelijken met de bewoners der hel.quot;

Wolferat keek den gewapende met bewondering aan en zijn wantrouwen jegens den vreemdeling verminderde eenigzins.

»Gij spreekt waarlijk, als een geleerde monnik!quot;1 zeide hij. «Een krijgsman geleerd, — dat is toch verwonderlijk!

»Dat is zeer natuurlijk, broeder Wolferat!quot; hernam de geharnaste glimlachend. »Van kindsbeen af dronk ik uit de bron der wetenschap te Clugnij; ik had derhalve wel een domoor moeten zijn, als het geduld en de opvoedkunde der godvreezende monniken niets bij mij hadden uitgeweikt.

»Zijt gij opgevoed in de wijd vermaarde abdij van Clugnij? Dat had ik waarlijk niet gedacht! Ik weet wel, dat verscheidene vorstenzonen te Clugnij in alle takken van wetenschap worden opgeleid, — maar gij ziet er uit, als of gij in het pantser zijt opgegroeid.quot;

«Lichaamsoefeningen worden te Clugnij in geenen deele veronachtzaamd,quot;' hervatt'e de vreemde. »De jeugd wordt er aangezet om hare ledematen te versterken, lenig te maken en te harden, maar het hart streng binnen de grenzen der christelijke tucht te houden. Den wapenhandel leerde ik aan het hof van den hertog van Bourgondië. Vervolgens leende ik mijn zwaard aan den grootsten man van den tegenwoor-digen tijd, aan Paus Gregorius.quot;

Even als de storm het zwarte wolkgevaarte vaneen rijt en het blauwe hemelgewelf zichtbaar maakt, zoodat het heldere zonlicht de aarde kan beschijnen, zoo dreven de laatste woorden van den ridder de duistere wolken van argwaan van het gelaat des boetelings en strooiden een gloed van blijde verrassing in de droevige gelaatstrekken.

-ocr page 33-

«Gij komt uit Italië? Gij komt uit Rome!'' riep hij in de grootste verrukking uit. »O — laat mij uwe hand kussen, welke in den dienst stroed van dien man, rlie zoo heldhaftig voor de heilige zaak van God optreedt!quot;

Hij viel op de knieën en drukte de rechterhand des vreemdelings aan zjn lippen.

sik had niet verwacht dat ik aan den voet van den koninklijken Trifels zulk een geestdrift voor Gregorius VII zou vinden,'' zeide de geharnaste met een vriendelijk lachje.

Oogenblikkelijk verdween alle glans van het hoofd van Wolferat en zijn gelaat drukte weder de sombere stemming uit, waarin zijn ziel verkeerde.

))Breng een satan niet in aanraking met eene heilige,quot; sprak hij somber. »Van alle boetplcgingen valt mij het zwaarste dagelijks dezen 'dwangburcht van den dwingeland, dat huis van gruwelen, te moeten aanschouwen.quot;

jiHoudt de Duiteche koning tegenwoordig zijn ver-bUjf op den Trifels?' onderzocht de vreemdeling.

»Neen! Maar weldra zal hij komen, om er een meesterstuk van schurkerij uit te voeren,quot; antwoordde de boeteling hartstochtelijk opgewonden. »Het zal hem niet gelukken, — het mag hem niet gelukken! Ha, — de ellendeling! Die driemaal duivelachtige vermoorder der onschuld, — Nooit!quot;

Hij balde de vuisten en woest fonkelden zijn oogen.

O Van welke schanddaad spreekt gij?' vraagde de onbekende.

De boeteling schudde heftig met het hoofd en zweeg.

De vreemdeling zag, hoe hij zijn driftig karakter trachtte meester te worden, en vermoedde, dat de kern van dien onaanzienlijken woudbewoner een persoon van hoogen rang kon zijn.

-ocr page 34-

))Laat ons hierovei' niet spreken!quot; begon na een oogenblik zwijgens Wolferat weder. Vergeef mij mijne opvliegendheid, edele heer! Gij ziet, dat zware arbeid, vasten en kastijdingen niet dadelijk van een wolf een zachtmoedig lam maken. En geen wonder — hemgt; die in den ban is, ontbreekt de zegen der Kerk en den machtelooze het H. Lichaam des Heeren. Het volgende jaar zal dat wel veranderen. Ik ga dan naar Rome om van den H. Vader de absolutie en vergiffenis voor mijne euveldaden af te smeeken.'

»Boetelingen uit alle landen zijn een gewone verschijning in Rome,quot; sprak de voedsterling van Clugnij. Allen ontvangt de H. Vader vol liefde en goedheid. Ik zelf was het vorige jaar getuige van een treffend voorval. Een ridder, Gerbodo genaamd, vermoordde zijn heer, graaf Arnulf van Vlaanderen. Tot dezs euveldaad had hem de vorst Robert omgekocht. Door gewetenswroegingen gefolterd, reisde Gerbodo naar Rome, bekende den Paus zijne mismaad en bood. als zoenoffer voor die euveldaad, zijn beide handen ter verminking aan. Toen de H. Vader het innig leedwezen van den misdadiger zag, zeide hij tot hem;

«Mijn ongelukkige zoon, de handen, die gij ten zoenoffer hebt aangeboden, behooren niet meer aan u, maar aan den Heer. Trek daarom naar Clugnij, naaiden daar wonenden abt Hugo, vertel hem alles, en doe wat hij u zal bevelen.quot; Gerbodo trok naai' Clugnij, waar de vermaningen van den abt zulk een indruk o]) hem maakten, dat hij weldra een der beste monniken van 't klooster werd. ')

»Eere zij den Paus voor deze goedheid!quot; zeide Wolferat. »Moge hij ook mij, die een nog grooter boosdoener ben. genadig zijn.''

') Gfrörer, D. VII. bl. 478.

-ocr page 35-

«Houd goeden moed!quot; antwoordde de gewapende troostend. «Paus Gregorius is volstrekt die hardvochtige man niet, waarvoor hij in Duitschland wordt uitgekreten.

«Wie schreeuwt er tegen den Paus?quot; vroeg de boeteling levendig. »Wie beschimpt en lastert hem? Op de eerste plaats die zedelooze geestelijken, welke o-een afstand willen doen van hunne bijzitten. Die

O

nietswaardigen, welke de , vuilnis van hun losbandig leven in het heiligdom des Heeren binnendragen.'quot;

»Vergeet den koning niet, den aartsvijand des Pausen.quot; voltooide de edelman. »Dit heerschap toch heeft het laatste Kerstfeest den Paus bijna laten vermoorden.quot;

«Ik heb daarvan gehoord ! Weet gij meer bijzonderheden van dat boevenstuk ? Hoe heeft zich dat toegedragen ?'quot;

«Eenvoudig zoo. Volgens overoud gebruik hield de Paus en de cardinalen in den heiligen nacht de vigi-lieën in de hoofdkerk Santa Maria Maggiore. Eensklaps stormde de ridder Cencius, de burchtgraaf des konings te Rome, met gewapenden de kerk binnen. De schurken slepen den Paus van zijn zetel, slaan hem, rukken hem de hoogepriesterlijke kleederen van het lijf, grijpen hem bij de haren en trekken reeds het zwaard om den H. Vader te dooden. Nu vallen de cardinalen deti onmensch in de armen. De bloedige daad wordt voorloopig uitgesteld maar zij slepen den heiligen grijsaard naai' buiten en werpen hem in den toren van Cencius. De misdaad wordt in de stad ruchtbaar, het volk loopt te zamen bestormt den toren en bevrijdt den Paus.quot; ')

«Afschuwelijk, — duivelachtig! En Cencius?

') Damberger, Synchr. (tesoh. D. VI. hl. 870.

-ocr page 36-

28

»Hij valt den Paus te voet, smeekt om vergiffenis en bekomt die.''

igt;0 wee, de H. Vader is te goed!quot; zeide Wolferat op een toon van berisping. »Zijnen vijanden wel te doen is niet altijd christelijk. — En Hendrik heeft den moordenaar Cencius omgekocht zegt gij?''

xDe sprekendste bewijzen zijn voorhanden. Een van de twaalf des konings werd destijds in Rome bij Cencius gezien. Gij weet toch wel van de koninklijke bende der twaalf monsters? Steeds omgeven deze twaalf schurken den Salior, ten allen tijde bereid, zijne moordbevelen ten uitvoer te brengen.quot;

De edelman, onderbroken door een vreemde beweging van Wolferat, eindigde zijn gesprek niet. Deze perste beide handen op de borst, als wilde hij een buitengewone smart onderdrukken, hief het hoofd op opende den mond wijd, als iemand die stikt, terwijl afgrijselijke zielesmarten zijn gelaat vertrokken.

»VVat scheelt U?quot; riep de vreemdeling, terwijl hij van zijn zitplaats opsprong en den boeteling omvatt'e. sWat overkomt U?quot;

De man kromde zich, als een worm en poogde iets vast te grijpen.

»Mij scheelt niets, — in 't geheel niets, — een oude kwaal, — een toeval!quot; steunde hij,

»Nog eenige oogenblikken en 't ia gedaan.''

»Gaat op die bank zitten, — gij zijt hevig aangedaan.quot; »Neen, naast u te zitten verdient een rnensch van mijn soort niet — Hevig aangedaan, — ja waarlijk hevig aangedaan.

Hij stond eenige oogenblikken zwijgend het hoofd op de borst gebogen. De jonge man keek hem deelnemend aan en zag, hoe langzamerhand het krampachtig trekken van zijn lichaam ophield.

^Gij hebt waarschijnlijk in dienst van den Paus

-ocr page 37-

*9

tegen de Noormannen gestreden?quot; vroeg tiij, een andere wending aan het gesprek gevend.

«Tegen Noormannen en Italiaansche roovers,quot; antwoordde de vreemdeling.

»Menig roofnest hebben wij ingenomen en vernield.quot;

«Vergeef mij, - mag ik uwen naam weten?quot;

sik heet Siegfried.''

»Ziilt gij lang in het stift te Klingen vertoeven?quot;

»Dat hangt van mij niet af,quot; antwoordde de edelman ontwijkend.

»Wacht u voor hinderlagen, heer Siegfried!quot; waarschuwde de boeteling. »Een man van uwe gezindheid is volstrekt niet zeker voor de bloedhonden des konings.quot;

De geharnaste omvatt'e glimlachend het gevest van zijn machtig zwaard. Wolferat bemerkte dat fier antwoord en knikte goedkeurend.

«Gij moogt wel op uw kracht vertrouwen, jonge Heer! Wees desniettemin steeds op uw hoede! De listen van Hendrik IV zijn grenzenloos, zijn stille verklikkers (Heimburge) luisteren overal en het moord-staal zijner gezellen is alomtegenwoordig.quot;

«Hartelijk dank voor uwe waarschuwing, broeder Wolferat! quot; antwoordde Siegfried met de onverschilligheid van iemand voor wien vrees en angst vreemde gewaarwordingen zijn. »Ue listen des konings verachten wij, en tegen zijne dwingelandij willen wij ons naar ons vermogen verweren.quot;

Deze moedige taal scheen den boeteling te bevallen; want hij zag met een weemoedig lachje op de ijzeren gestalte van den edelman.

»Maar, — wat is dat?quot; vroeg Siegfried, terwijl hij zijn oog naar de hoogte wendde, waar een heldere vrouwengestalte tusschen de boomstammen nedersteeg.

Wolferat liet de vraag onbeantwoord. De nabijheid

-ocr page 38-

.•50

van Güdila scheen hem nirt te behageiL; want eei» donkere schaduw kwam op zijn gelaat en de nauwelijks overwonnen argwaan jegens den vreemdeling scheen weder op te komen. Intusschen sloeg het scherpziend oog van Siegfried de. afstijgende gade, totdat kenmerken van de grootste verrassing zich op zijn gelaat af-teekenden.

De jonkvrouw verzuimde nooit, nadat zij haar gebed in de kapel geëindigd had, naar de bron van den H. Pirminius af te gaan, en met haar zilveren kroesje water uit de bron te scheppen. Het geheiligde water kon geen beter uitwerking hebben ; want Godila bloeide in onberispelijke gezondheid en jeugdige frischheid. Heden naderde zij de bron onder een mengeling van kinderlijke nieuwsgierigheid en blooheid. Die vreemde geharnaste mannen waren in een tijd toen er geen acht werd geslagen op de wetten, juist geen aanlokkende verschijning voor een weerloos meisje op deze eenzame plaats. Gewelddadige ontvoering en vrouwenroof was geen zeldzaamheid, daarom zou Godila het heden niet gewaagd hebben uit de hooggeschatte bron van den H. Pirminius te scheppen, had zij onder de mannen den boeteling niet opgemerkt.

De kamenier daarentegen vol wantrouwen jegens de booze wereld, deed haar uiterste besi om hare gebiedster af te schrikken van een waagstuk, dat zoo noodlottig in zijn gevolgen kon zijn.

■ »Ga toch om Godswil niet naar beneden!quot; vermaande de ontstelde Oda. «Worden er door woeste mannen geen jonkvrouwen geroofd? Werd nog voor drie weken de dochter van Waltbodo niet ontvoerd? Zegt men niet, dat in 't geheele Rijk de schoonste meisjes gestolen worden? En gij wilt u aan die vreemde mannen overleveren?''

Godila begon te aarzelen.

-ocr page 39-

oi

»Wolferat is bij lien, — wat kan mij deren/quot; »Wat u zou kunnen deren! Zie eens welk een krijger — die man zal u aangrijpen als de arend een duif, hij zal zich op zijn paard werpen en met zijn buit wegrennen. Terug, edele jonkvrouw — terug!quot; Zij beschouwde met aandacht den gewapende. «Gelijkt hij op een roover ? Neen! Zijne houding is edel en zijn wezen ridderlijk.'quot;

»Laat u niet door den schijn verblinden, — ook valken hebben schoone vederen en luipaarden hebben bonte huiden. Keer terug, edele gebiedster, —- keer om Godswil terug!quot;

Zij ging echter niet terug, maar steeg naar beneden, 't Scheen, dat Siegfried het bange aarzelen dei-vrouwen had opgemerkt; want hij naderde haar vriendelijk, boog voor Godila zijn knie en volbracht de ridderlijke huldebetooning van dien tijd met een bevalligheid, die hem wezenlijk onderscheidde van de plompe manier van doen van die heeren, welke de jonkvrouw op den Trifels leerde kennen.

nVergeef het mij, edele dame,quot; zeide hij, nog altijd met gebogen knie, «als dorstige en vermoeide reizigers op een plaats rusten, die u dierbaar en vertrouwd schijnt te zijn. Duld onze kortstondige tegenwoordigheid en sta mij toe, u te dienen.quot;

»Hij nam het zilveren kroesje uit hare hand, ging naar de waterstraal, vulde het en reikte het de blozende maagd onder een diepe buiging over.

»Dank, heer Ridder!quot; zeide zij, terwijl zij het kruikje aan de kamenier overgaf. «Waarschijnlijk heeft Wol-ferat u over 't bestaan van deze geneeskrachtige bron van den H. Pirminius gesproken.quot;

«Ja wel, edele jonkvrouw. Op weg naar de abdij. Klingen, wees ons de vrome woudbewoner hier heen.quot; «Gaat gij wellicht ter bedevaart naar het miracu-

-ocr page 40-

leuse beeld van Onze Lieve Vrouw te Klingen ?quot; ondervroeg zij met kinderlijke onbeschroomdheid.

«Dat niet mijne gebiedster!quot; hervatt'e hij. «Wij komen nu van Metz en wij zullen in het stift Klingen een man van hoogen rang ontmoeten, die van Mainz hierheen reist. Daar ik evenwel uit uwen moM kennis draag van het miraculeus beeld te Klingen, zal ik niet nalaten mij dringend in de bescherming van Onze Lieve Vrouw aan te bevelen.quot;'

Godila was uiterst verwonderd over een taal, die zij nimmer uit den mond van edellieden op den Trifels vernam. Haar helder oog rustte welgevallig op de statige gestalte van den jeugdigen vreemdeling en haar mond glimlachte goedig. Heer Siegfried stond vertaasd, verward en als geboeid door de macht van hare onvergelijkelijke schoonheid.

»Aan uwe spraak te hooren komt gij uit vreemde landen, heer Ridder?quot; vroeg zij.

«Uit Italië. Van geboorte ben ik eer. Duitscher. Ook gij, edele dame, spreekt de taal der Rijnfranken niet.quot;

»Dat hebt gij geraden,quot; lierman zij met bekoorlijke oprechtheid. ))Tk ben uit Saksen, — het kind van markgraaf Udo.quot;

»Van den markgraaf Udo, die zoo manhaftig strijdt voor de vrijheid en de rechten van zijn stam?'quot; riep hij met eerbiedige bewondering. ))De heldendaden van uw vorstelijken vader weerklonken over de Alpen en ik beklaag diep het ongeluk der Saksers.'quot;

»Het ongeluk der Saksers? Mijn God, — waarvan spreekt gij?quot;quot; vroeg zij onts'eld.

De boeteling had niet zonder groote bezorgdheid den loop van het gesprek gevolgd. Nu trad hij plotseling nader en gaf Siegfried een geheime wenk.

«Waarom zou ieder Duitscher niet klagen over het

-ocr page 41-

33

ongeluk van een broederstam, die onophoudelijk moet strijden voor recht en afkomst?quot; zeide Wolferat. ))Daarentegen kunt gij heldendaden van Udo opsommen, die ze'fs de bewondering des konings vorderden. Grootmoedigheid toch is niet de sterkste zijde van Hendrik IV — evenwel was hij rechtvaardig Jegens den markgraaf Udo wegens den laatsten opstand — het woord opstand genomen in de beteekenis, die er de koning van zijn standpunt aan hecht. Gij zult ook wel van de onderscheiding gehoord hebben, waarmede de Saliër den markgraaf boven alle vorsten behandelde.quot;

Siegfried verstond den wenk. Zijne waarheidsliefde stond hem evenwel niet toe, een verdicht feit te bevestigen; want hij kende het harde lot van alle Saksische grooten.

ïDat de koning den markgraaf Udo zoo onderscheidde,quot; zeide hij, «kwam wellicht minder uit achting voor diens dapperheid, dan uit schranderheid, om den moedigen, ondernemenden aanvoerder van zijn stam te winnen.quot;

sHfet kan zijn, dat gij juist oordeelt,quot; hernam de boeteling. ))Gij kunt er toch trotsch op zijn, edele jonkvrouw, dat uw vader geëerd en gevreesd is bij de vijanden der Saksers. Ook is het een bewijs van koninklijke hulde, dat gij in veiligheid op den Trifels uw verblijf houdt, totdat de volkomen beslechte twisten u den ongehinderden terugkeer veroorloven.quot;

»0, mijn geboortegrond, — mijn diep gekrenkt vaderland!quot; sprak zij innig bewogen. »Wel ben ik in den burcht des konings zeker, - maar het lijden der Saksers drukt als lood op mij, — daartegen beschutten mij torens noch muren. Mocht ik toch eindelijk eens naar mijn lieven geboortegrond terugkeeren!quot;

»Het oogenhlik van uw terugkeer is niet ver meer.

Can. ])1.1. i

-ocr page 42-

34

edele gebiedster!quot; verzekerde Wolferat. gt;)Dc ban des Pausen trof den goddeloozen koning. Zijne razernij tegen de Saksers moet opbonden.^

ïilk ben volkomen van uw gevoelen, broeder Wolferat!quot; zeide de edelman, die blijkbaar van meening was Godila gerust te stellen. «Koning Hendrik moet christelijk regeeren, of afstand doen van den troon. De ontevredenheid, over zijn wreedaardige handelwijze met de Saksers, is algemeen. Gezegend zij de leer van Jezus Christus en de ijver van Zijn Stedehouder op aarde, die de volkeren ontrekken aan de willekeur van machtige dwingelanden. Uw vurig verlangen naar uw dierbaren geboortegrond zal spoedig bevredigd worden, edele dame !quot;

»Ik dank u voor dien troost, heer Siegfried!quot; zeide zij. »Reis onder de bescherming van God en zijne gezegende Moeder!quot;

Nogmaals boog hij de knie, en zij reikte hem ten bewijze barer hulde de hand, die bij nauwelijks waagde met zijn lippen aan te raken. Godila steeg vlug en behendig het steile pad op. Siegfried stond onbewegelijk, met zijn blikken de glanzende verschijning volgend, totdat zij langzamerhand achter de boomen verdween.

«Vele landen en menschen heb ik gezien,quot; zeide de gewapende, maar een wezen van dergelijke schoonheid en zuivere waardigheid heb ik nimmer aangetroffen.quot;

Hij keek nadenkend voor zich, diep geroerd door de levendige indrukken, welke het beminnelijk kind van Udo op zijn gemoed gemaakt had. Vervolgens richtte hij zijn hoofd op tot den boeteling, even als iemand, die door een onverwachten inval schrikt.

«Broeder Wolferat, veroorloof mij u een vraag te doen!quot; zeide hij een onderzoekenden blik op den boeteling werpend. ïZag ik daar wellicht een lam, dat in het hol van den leeuw is terecht gekomen?''

-ocr page 43-

Do aangesprokene keek verwonderd op, zonder een heftige gemoedsaandoening geheel te kunnen onderdrukken.

»Wat bedoelt gij met die vraag?quot;

»Kom rond voor de waarheid uit,quot; ging de gewa pende voort, terwijl zijn hand als lood op den schouder rustte. »Gij weet meer dan gij voorgeeft. Is wellicht deze wonderschoone jonkvrouw bestemd om de bekende schurkenstreken des konings met een nog duivelachtiger streek te vermeerderen?quot;

«Begrijpt gij mij niet, — welnu, dan zal ik duidelijker spreken. Is er een sterke arm noodig, om Godila uit de onteerende hand van den schurkachtigen Saliër te redden, dan verlaat u op mij. Hebt gij mij nu begrepen ?

De woudbewoner schudde treurig het hoofd.

»Vraag mij niets, — ik weet niets,quot; antwoordde hij.

))Bij God, deze hardnekkigheid om booze daden geheim te houden, past een boeteling zeer slecht!quot; riep de gewapende mismoedigd uit. «Waartoe dient die geheimhouding? Is de schandelijke levenswandel des konings in het geheele Rijk niet bekend? Laat hij vrouwen en maagden niet wegvoeren ter bevrediging zijner dierlijke lusten? En het kind van den Saksischen vorst is een roof van den ellendeling, dat zweer ik! Onder voorwendsel van haar zeker te bewaren, liet hij de dochter van Udo naar den Trifels brengen, waar de schurk te gelegener tijd zal komen, om een schandelijke daad uit te voeren, zooals hij er reeds zoovelen bedreven heeft,quot;

«Gesteld, dat het zoo ware, — wilt gij dan den Trifels bestormen, om het kind van den Saksischen vorst te verlossen?quot;

»Er zijn nog duizende andere middelen ter redding,quot; antwoordde Siegfried.

«Duizende andere middelen? Wat zijt gij schrander!quot; hernam de woudbewoner somber.

-ocr page 44-

:3é

erlele gebiedster!quot; verzekerde Wolferat. ^l)o ban des Pausen trof den goddeloozen koning, Zijne razernij tegen de Saksers moet ophouden.quot;

»Ik ben volkomen van uw gevoelen, broeder Wolferat!quot; zeide de edelman, die blijkbaar van meening was Godila gerust te stellen. «Koning Hendrik moet christelijk regeeren, of afstand doen van den troon. De ontevredenheid, over zijn wreedaardige handelwijze met de Saksers, is algemeen. Gezegend zij de leer van Jezus Christus en de ijver van Zijn Stedehouder op aai'de, die de volkeren ontrekken aan de willekeur van machtige dwingelanden. Uw vurig verlangen naar uw dierbaren geboortegrond zal spoedig bevredigd worden, edele dame !quot;

sik dank u voor dien troost, lieer Siegfried!quot; zeide zij. ))Reis onder de bescherming van God en zijne gezegende Moeder!quot;

Nogmaals boog hij de knie, en zij reikte hem ten bewijze harer hulde de hand, die hij nauwelijks waagde met zijn lippen aan te raken. Godila steeg vlug en behendig bet steile pad op. Siegfried stond onbewegelijk, met zijn blikken de glanzende verschijning volgend, totdat zij langzamerhand achter de boomen verdween.

«Vele landen en menschen heb ik gezien,quot; zeide de gewapende, maar een wezen van dergelijke schoonheid en zuivere waardigheid heb ik nimmer aangetroffen.quot;

•4?

Hij keek nadenkend voor zich, diep geroerd door de j levendige indrukken, welke het beminnelijk kind van Udo op zijn gemoed gemaakt had. Vervolgens richtte hij zijn hoofd op tot den boeteling, even als iemand, die door een onverwachten inval schrikt.

«Broeder Wolferat, veroorloof mij u een vraag te doen!quot; zeide hij een onderzoekenden blik op den boeteling werpend. »Zag ik daar wellicht een lam, dat in het hol van den leeuw is terecht gekomen?''

-ocr page 45-

De aangesprokene keek verwonderd op, zonder een heftige gemoedsaandoening geheel te kunnen onderdrukken.

))Wat bedoelt gij met die vraag?quot;

))Kom rond voor de waarheid uit,quot; ging de gewa pende voort, terwijl zijn hand als lood op den schouder rustte. »Gij weet meer dan gij voorgeeft. Is wellicht deze wonderschoone jonkvrouw bestemd om de bekende schurkenstreken des konings met een nog duivelachtiger streek te vermeerderen?quot;

«Begrijpt gij mij niet, — welnu, dan zal ik duidelijker spreken. Is er een sterke arm noodig, om Godila uit de onteerende hand van den schurkachtigen Saliër te redden, dan verlaat u op mij. Hebt gij mij nu begrepen ?

Do woudbewoner schudde treurig het hoofd.

»Vraag mij niets, — ik weet niets,quot; antwoordde hij.

»Bij God, deze hardnekkigheid om booze daden geheim te houden, past een boeteling zeer slecht!quot; riep de gewapende mismoedigd uit. «Waartoe dient die geheimhouding? Is de schandelijke levenswandel des konings in het geheele Rijk niet bekend? Laat hij vrouwen en maagden niet wegvoeren ter bevrediging zijner dierlijke lusten? En het kind van den Saksischen vorst is een roof van den ellendeling, dat zweer ik! Onder voorwendsel van haar zeker te bewaren, liet hij de dochter van Udo naar den Trifels brengen, waar de schurk te gelegener tijd zal komen, om een schandelijke daad uit te voeren, zooals hij er reeds zoovelen bedreven heeft,quot;

»Gesteld, dat het zoo ware, — wilt gij dan den Trifels bestormen, om het kind van den Saksischen vorst te verlossen?quot;

»Er zijn nog duizende andere middelen ter redding,quot; antwoordde Siegfried.

«Duizende andere middelen? Wat zijt gij schrander!quot; hernam de woudbewoner somber.

-ocr page 46-

6:3

;)Keii ik de plannen van den Saliër? Mag ik beweren, dat liij met Godila wil handelen, gelijk een duivel? En wilde hij zich als een monster gedragen, zoudt gij, jeugdige, opvliegende heer de misdaad kunnen afweren? Gij juist in quot;t geheel niet, want gij hebt geen denkbeeld van de listen en streken des konings. Hij is als een valstrik, die allerwege dreigt. Bemoei u derhalve niet met zaken, die uwe onhandigheid slechts kan bederven.quot;

«Misschien hebt gij niet zoo geheel en al onrecht, man!quot; zeide de trotsche vreemdeling, xllet is mijne gewoonte niet, mij op te dringen aan hen, die mij hun vertrouwen weigeren. Zoudt gij evenwel later mijn bijstand noodig hebben, dan kunt gij mij vinden in de abdij Klingen.

«Hartelijk dank, heer ridder ?quot; antwoordde de boeteling bevredigd. «De zon stijgt hooger, — de abdij is nog ver verwijderd.quot;

Siegfried gaf het teeken tot vertrek. De dienaars sprongen in den zadel en na weinige minuten was het gezelschap verdwenen.

HET RECHT DER HEEREN.

De woudbewoner had de reizigers tot den nabijgelegen straatweg uitgeleide gedaan, vervolgens ging hij den weg op naar Annweiler, terwijl zich de gewapen-den in tegenovergestelde richting naar Klingen spoedden.

«Wie mag deze Siegfried zijn?quot; zeide Wolferat bij

-ocr page 47-

zich zeiven. «Wellicht een stille verklikker des konings, want zelfs de duivel is in staat zich in een engel des lichts te veranderen. Ik vertrouw den Saliër niet. Hij is volleerd in schelmstreken; hij is tot alles in staat. Deze Siegfried is knap van gestalte: — zou hij dien aardigen vogel hierheen gezonden hebben om Godila weg te voeren? Siegfried scheldt dapper op den koning dat bevalt mij juist niet. Natuurlijk — een man, die op den koning scheldt, kan niet op last van den koning handelen. Ontvoert hij Godila, dan geschiedt dit voor eigen rekening en niet op bevel van den goeden koning. Wordt de schoonste lelie in den maagdelijken bloemtuin gewelddadig geknakt, boosaardig van haren geur beroofd, — dan heeft dit de koning niet gedaan, maar deze vreemdeling, Siegfried, die zoo verbitterd op den misdadigen koning scheldt, — deze Siegfried, die zelfs een ridder des Pausen is. — Een dienstman van den Paus, — kostelijk verzonnen! Wil de duivel een meesterstuk uitvoeren, dan bezwaddert hij het heilige met zijn vuilnis, hij maakt het geestelijke verdacht, belastert het en trekt over zijne satansklau-wen witte handschoenen aan. — Bij alle heiligen zoo is 't! Deze vreemdeling is een afgezant van den koninklijken snoodaard. Wolferat wees op uw hoede! Gij kent immers de sluipwegen van uw voormaligen gebieder. — Ja, ja. Een schurk kan eerder duizend eerlijke lieden bedriegen, dan een enkele van zijn soort. Wolferat wees dag en nacht waakzaam. Dat gij een schurk geweest zijt diene u ten minste om het afschuwelijkste boevenstuk te verhinderen: — den geestelijken en lichamelijken moord van het edelste wezen op aarde.quot;

Deze levendige alleenspraak van den boeteling werd door een geroep onderbroken. Afbald dreef zijne ezels naar het dal.

-ocr page 48-

3S

»Hé — Wolferat, waar gaat gij heen ? Wacht een oogenhlik, — ik heb u wat te zeggen.quot;

De aangesprokene bleef staan.

sWaar gaat gij zoo haastig heen, broeder Wolferat ?quot;

sGinds naar het veld, den akker voor den zieken Boto omspitten.quot;

sZoudt gij morgen mijn ridderleen niet met haver kunnen bezaaien? Gij weet wel, dien lap gronds voor mijne ezels?quot;

«Waarom wilt gij een ander met iets belasten wat gij zelf doen kunt?quot;

»Luister eens, Wolferat, gij zijt niet verstandig. Mijne ezels en ik moeten de geheele week dag aan dag naar boven kuieren, — mijn vrouw ligt ziek te huis en iijdt een dorst, die bijna niet te lesschen is. Ben ik'niet op het ezelspad, dan sta ik mat de waterkruik voor het bed mijner vrouw — en gij vordert van mij, dat ik haver zal zaaien? Dat is volstrekt onmogelijk! Mijne ezels dragen ook maar zooveel zij kunnen, — en niets meer. De vorige maand had de haver reeds gezaaid moeten worden, haalt morgen uw vrome hand het verzuimde in dan zal de haver de schade ook wei inhalen.'

»Wat mankeert uw vrouw?quot;

»Haar mankeert niets, — in 't geheel niets, — in tegendeel, zij neemt toe. Haar hoofd is driemaal zoo dik, als een gewoon menschenhoofd, en haar gelaat zoo rood of zij de hel geblazen heeft.quot;

«Dat is gevaarlijk. Uw vrouw heeft de pokken. Zijt gij al bij den pastoor geweest?quot;

«Bij den pastoor is niemand te huis dan zijn vrouw, hij zelf jaagt met de Heeren op de bergen. Na de jacht is er groote slemppartij op den burcht daar boven. Na de slemppartij moet men uitslapen. Is dat afgeloopen dan is de pastoor ontvanger van de belas-

-ocr page 49-

■19

tingen voor graaf Wazo. Na den ontvanger komt de dobbelaar, de drinkebroer of de gedienstige echtgenoot. Hoe zou nu de pastoor tijd kunnen vinden om de doodzieke vrouw van een onderhoorigen biecht te hooren of haar het H. Lichaam des Heeren te brengen? En buitendien, weet gij wat? Ik bekommer mij al uiterst weinig om de geestelijke bediening van een pastoor, die tevens grafelijke boerenbeul, jager, drinkebroer, dobbelaar en zelfs als echtgenoot in den kerke-lijken ban is.

«Ontbied dan een godvreezende monnik uit Klingen.quot;

»De ezeldrijver greep van schrik naar zijn beide ooren.

»Wat raadt gij mij? Moet ik mijn goede ooren verliezen? Heeft Dedi, mijn gestrenge voogd, of liever 's konings voogd, heeft Dedi, zeg ik, niet gezworen iederen Christen, die naar de monniken gaat, de ooren te laten afsnijden? Den goeden, godvreezenden, getrouwen, vroolijken, goedhartigen pastoor en burchtkapelaan Lantbert moeten wij enkel en alleen als onzen herder beschouwen, — heeft Dedi gezegd. En Dedi heeft gelijk, — slechts de vroolijke, goedhartige hof-geestelijken met een ruim geweten zijn goede herders, als een koning do Kerk regeert. Maar de Paus, de bisschoppen, de abt en alle gezanten van Christus zijn booswichten, die het volk bederven — zoo denkt het godvreezende hof des konings. Wie bij de monniken van Klingen te rade gaat, boet het met zijn beide ooren, heeft Dedi gezegd. En zie mijn mooie, lange ooren eens, Wolferat! Zou liet geen jammer zijn van hen? — Nu, wilt gij haver voor mij zaaien? Gij zult twee roggebrooden en een flinken kaas hebben.

»Mag ik den zieken Boto in den steek laten? Wat gij moi'gen niet afkunt, doe dat overmorgen.

«Vraag het mijne ezels, of zoo iets mogelijk is.

-ocr page 50-

1-0

sinds wij dag aan dag moeten sjouwen, zoo lang die vreemde heeren daar boven verblijf houden, en dat zal nog wel eenige dagen duren.quot;

»Welke vreemde heeren?quot;

»Die heden nacht uit Saksen kwamen en de anderen die al sedert veertien dagen daar boven zitten.quot;

»Uit Saksen? Hoe weet gij dat?quot;

»Dat weet ik daarvandaan, omdat de man dien zij in het kerkerhol wierpen, zelf gezegd heeft, dat hij de markgraaf Udo uit Saksen was.quot;

W olferat stond als door den bliksem getroffen. Hij werd bleek, sidderde over zijn geheel lichaam en de houweel ontviel aan zijn handen.

»Wat scheelt u, Wolferat 1quot;

»Gij weet, dat ik vaak een toeval krijg,quot; antwoordde de boeteling, terwijl hij alles inspande om bij zijn stukken te blijven. Daarop beurde hij de houweel van den grond op, leunde er openzeide: »Dus den markgraaf Udo van Saksen hebben zij opgesloten! Al weer een meer.quot;

»Het gaat er vreemd toe,quot; antwoordde Afbald.

»Het ware te wenschen, dat in de plaats van dien eenen dezen nacht twee anderen in de afschuwelijke holen waren geworpen.quot;

»Dat is zoo! De goede markgraaf, het spijt mij van hem.quot;

»Kent gij hem?quot;

))Hoe zou ik hem kénnen? Toch spijt, het mij van hem want liij is een mensch.quot;

«Christelijk gesproken, broeder Wolferat!quot;

«Misschien is het de markgraaf wel niet, — gij zult wel verkeerd gehoord hebben.quot;

«Kijk eens naar mijn ooren, of die verkeerd kunnen hooren! En dan verkeerd hooren, als iemand zoo luidkeels schreeuwt, dat de Trifels er van trilt.quot;

-ocr page 51-

4]

sHeef't de markgraaf zoo geschreeuwd? Wat riep hij dan?quot;

»Hij stond juist voor zijn kerker en wel voor het grootste hol, voor dat met die twee luchtgaten, die er uitzien als twee hemelhooge schoorsteenen. Daar stond hij, balde de vuisten en riep: ))Mijn vrouw heeft hij onteerd en vermoord, mijne dochter heeft hij geroofd, en mij begraaft hij levend, — mij, den markgraaf Udo van Saksen. Vloek over hem, — vloek over den ty-ranquot; - - — Maar, wat overkomt u nu weer? God erbarme zich, — die verwenschte toevallen?quot;

De boeteling hield zijn beide handen tegen de borst aangedrukt werd bleek als een lijk, viel op den grond en slaakte diepe zuchten.

»Die duivelsche vallenae ziekte!quot; riep de ezeldrijver naar den duim van den vermeenden zieke zoekende. Den duim, — geef den duim hier, opdat ik hem open-breke, dan is 't dadelijk over. — — Zie zoo, nu broeder, — hoe gaat het nu?quot;

»Goed Afbald, - zeer goed?quot; hervatt'e de boeteling met zwakke stem. »Ga nu maar heen. Ik blijf hier zitten, tot dat het geheel over is.'

»Zoo als gij wilt, broeder Wolferat? God helpe u!quot;' zeide Afbald, terwijl hij naar zijne grauwtjes «nelde.

De man met den ijzeren halsband zat aan den kant van den weg, als iemand, die van schrik en smart als verpletterd is. Zijn hoofd rustte op beide handen op zijne knieën. Bij tusschenpoozen steunde hij sprakeloos, en dat gesteun kwam als uit de diepte, in welke zielesmart en wanhoop heerschten. Voorbijgangers spraken hem aan, doch hij gaf geen antwoord, hij beurde het hoofd niet op, hij hoorde niets in de diepte zijner ellende. Vervolgens verzamelde hij zijne krachten weder en sukkelde op de houweel steunend, over het veld naar zijne hut aan den zoom des wouds. De hut

-ocr page 52-

1.2

was gebouwd van op elkander gelegde pijnbooinstam-men, de voegen waren met mos en leem diclit gemaakt. Zij stond tegen een rotswand, was met stroo gedekt en de plaats was blijkbaar zoo gekozen, dat de bewoner steeds uitzicht had op den Trifels en op de drie wegen, die naar den burcht leiden. Een deur uit ruwe aaneengespijkerde planken bestaande, sloot den ingang, die tevens tot venster diende. Inwendig zag men een bank, een legerstede van stroo benevens een berenhuid tot dekking van den slapende. Eenige bijlen, spaden en houweelen stonden in een hoek. Naast den ingang waren eenige steenen armoedig op elkander gestapeld en vormden een haard, welks rook als de deur gesloten was, een uitweg vond door een gat boven de deur.

Wolferat viel op zijn legerstede neder en brak in luide klachten uit.

))Wee mij, wee mij!quot; riep hij uit, zijn hoofd tusschen de handen drukkend. «Mijne vrouw heeft hij onteerd en vermoord? Vermoord, — o God! — Mijn kind heeft hij geroofd, — mij begraaft hij levend!quot;

Dearmen van den boeteling vielen machteloos neder. Hij zat uitgeput, bleek, ontsteld, steunend als een stervende.

»Vermoord, — vermoord!quot; begon hij weder aan.

«Wie heeft vermoord'/ De koning? Neen, — markgraaf, — neen, — de koning heeft laten vermoorden. Uwe vrouw heeft hij onteerd — ja! De moordenaar uwer vrouw evenwel ben ik, — ik, op last des konings. Wee mij, — duizendmaal wee! Want het is niet de eenige moord, — o God, — o hemel en aarde!

Weder zat hij zwijgend en vreeselijke zielesmarten teekenden zich op zijn vermagerd gelaat af.

«Markgraaf Udo,quot; ging hij met een holle stem voort, ))gij versmacht onschuldig in den kerker, — gelukkige

-ocr page 53-

13

man! En ik? Honderd jaar lang zou ik alle dagen in den afzichtelijksten kerker moeten versmachten, om de schuld mijner euveldaden af te boeten. — Genade, o God, — genade, — barmhartigheid! — Weg wanhoop, — weg liopelooze nacht, — God is genadig en Zijne barmhartigheid duurt eeuwig. O gulden spreuk, gij hemelsche troost?quot; riep hij uit, waarbij een schemer van licht op zijn donkere gelaatstrekken viel, maar dit was slechts voorbijgaande; want donkere wolken daalden op zijn hoofd neder terwijl hij voortging: «Schrikkelijk lot!quot; De vader in den kerker op den burcht en de dochter, de zuivere Godila, op den zelfden burcht bewaard en opgesloten, opgroeiend in aanvallige schoonheid, — om ten slotte de lusten eens duivels te dienen. Udo haddet gij hiervan een voorgevoel? Als gij wist, waartoe uw kind, uw eenig kind wordt bewaard? ))Wat in een zeker oogenblik met uw kind zal gebeuren, — dat dit boven uw hoofd hangt? Udo, — brave man, ik ken u, — gij zoudt uw hoofd tegen de rotsen van uwen kerker verpletteren. — — Ha, — ha, er zijn zulke vreeselijke dingen, dat men gelijk zou worden aan een waanzinnige die er om lacht!quot; en de boeteling lachte, dat men er bang voor zou worden. »Ha, — ha, de geheele hel lacht over het plan van dien voortreffelijken koning. O gij prachtige satan in purper gekleed, gij onverzadelijke, diep gevallen snoodaard! Bedaar monster, — bedaar bloedhond! Bedaar, ik leef nog, — paltsgraaf Boemund, vroeger een werktuig uwer misdaden, ademt nog. Met arends-oogen zal ik Godila bewaken ! Raak haar zuiver lichaam niet aan met uwe handen, die nog van bloed rooken, of als een wraaknemende geest stijgt Boemund op uit het graf van zijn ontzettend boetelingsleven. Loerend lig ik hier in kwaadaardigheid een draak, in list een slang, in sterkte een leeuw gelijk; want openbaar ik

-ocr page 54-

44

hetgeen ik weet, dan zal dit geheim steenen wapenen tegen een koninklijken duivel, om hem van den troon te bonzen.quot;

Hartstochtelijk opgewonden had hij deze woorden gesproken en hij verviel weder in zijne gewone zwaarmoedigheid.

»0 God in den hemel, bad hij, heb medelijden met en erbarm u over de onschuld en ook over mij, den grooten misdadiger! Barmhartig hebt gij van mijn oogen de windselen gerukt, opdat ik de grootheid van mijn afzichtelijk bestaan erkende! Miserere mei Domine. — miserere] Wees, o God, het Duitsche rijk genadig, dat gekromd ligt onder de boosheid, ongerechtigheid en dwingelandij van een schurkachtigen koning! De snoodheid stijgt tot aan de wolken, — afgronden van goddeloosheid openen zich. Uwe geestelijken o Heer, worden gelasterd, uwe heiligen onderdrukt, mishandeld en vermoord.

De boeteling was op de knieën gevallen en hield de handen ten hemel geheven.

Eensklaps weerklonk het dal van jammerklachten. Hij sprong van den grond op en ging voor de hut. In de verte zag hij een groep weeklagende menschen. Opmerkzaam en luisterend beschouwde hij de menigte en spoedde zich naar de plaats, van waar de jarnmer-tonen kwamen.

Gundelkarl,quot; de vrije pachtboer van het stift Klingen, was na zijn terugkeer van den Trifels op den akker bezig. Stond hij even te rusten, dan keek hij in gelukkige tevredenheid op zijn huis, dat zich helder gewit achter een tuin verhief. De haan kraaide op het heem, hij geleidde de hoenders naar de mestvaalt voor den stal, waarin twee koeien stonden. Vervolgens keek Gundelkarl naar het woud der abdij, waarvan hij den eerst-volgenden winter weder een stuk tot bouwland hoopte te ontginnen. Ook hoorde hij de jachthoorns in de

-ocr page 55-

5

bergen en dacht aan den boosaardiger! graaf Wazo, wiens ondragelijke dienstbaarheid hij was ontvlucht naar het beschermende toevluchtsoord van het sticht. De hoorns had men sinds geruimen tijd niet meer hoeren weerklinken. De voogd zou nu met zijn gasten wel op den burclit zitten te brassen, — dacht Gundel-karl. Hij bedroog zich.

Twee ridders draafden uit het naburige woud over het veld. De boer hoorde den doffen tred der paarden en keek op. Met schrik herkende hij den graaf Wazo, die een jachtspies in de hand had en voor den bevende stil hield.

«Wat duivel, daar vind ik ten slotte nog een stuk rood wild, dat mijn gebied ontloopen is!quot; riep Wazo, een wanstaltig man met een pokdalig gezicht. ))Zie, heer Thietmar, die schobbert is rnij ontvlucht en naaide papen van Klingen overgeloopen.quot;

»Die gevallen komen menigvuldig voor sedert Hellebrand het onderhoorige gespuis in bescherming neemt en de leer verkondigt, dat de Kerk de moeder van allen is,quot; zeide Thietmar, een magere gestalte met listige gelaatstrekken. ')

De opmerking van Thietmar prikkelde den wrevel van Wazo.

sSpreek, schobbert, waarom ben je mij ontloopen?quot; vroeg hij zijn voormaligen slaaf.

«Wees genadig, gestrenge Heer!quot; smeekte Gundel-karl.

»Hond van een knecht, — zeg, waarom jij me ontloopen zijt?quot; herhaalde Wazo.

«Houd het mij ten goede, gestrenge heer, ik kon

') „Hellebrandquot; uoemden de vijauflen der Kerk den beroemden Uildebrand, die onder den naam van Gregorins VII, op den pauselijken troon zetelde.

-ocr page 56-

46

hot «iet uithouden, de last was mij te zwaar, (üj hebt mij met de zweep laten slaan, zoo als men het geen hond doet, en ik ben toch een mensch.',

»na, — ha, kijk eens, die kerel, wil een mensch zijn!quot; lachte de wanstaltige.

»Hij zingt zuiver het liedje van Hellebrand en zijne monniken, het lied van de rechten van den mensch,quot; zeide Thietmar. »Het zal niet lang duren of alle onder-hoorige knechten zullen zich inbeelden, vrije mannen te zijn.quot;

«Inbeelden?quot; riep de graaf woedend uit. «Wij zullen de honden die inbeelding wel afleeren en hen met zweepen aan onze rechten als Heercn herinneren. — Luister, schobbert, ik zal je zeggen, wat gij eigenlijk zijt! Je zijt mijn lijfeigene, mijn cnderhoorige knecht, mijn slaaf, mijn tweebeenig eigendom, met hetwelk ik doen kan wat ik wil. '

«Genade, heer graaf, ik ben een mensch!'quot; zeide Gun-delkarl in wiens borst het gevoel van menschel ij ke waarde opkwam. «Volgens de leer van onzen Heer en Heiland zijn alle menschen naar het evenbeeld van God als broeders onderling geschapen, omdat zij allen een en denzelfden Vader hebben. God in den hemel. Daarom bidt gij ook, gestrenge Heer Onze Vader die in de hemelen zijt.

«De dood over jou, hond van een slaaf!1' snauwde Wazo. «Ik jou broeder? Zeg je mij dat? Die onbeschaamdheid zul je met jou hondenleven betalen.quot;

«Een mensch ben ik, een christen, — geen hond,quot; her-vatt'e de boer doodbedaard. «Gij moogt u wel bezinnen, eer gij mij iets doet! want ik sta onder de hoede der Kerk. Op dezen grond zijn geen slaven, maar enkel vrije mannen, — hier sta ik op kerkelijken grond.quot;

Thietmar lachte boosaardig.

«De monniken van Hellebrand zitten niet stil, zij

-ocr page 57-

47

lialoii de lijfeigenpn op meesterlijke wijze het. Iioofd om,quot; zeide liij.

De graaf zat onbeweeglijk van verbazing en wrevel op zijn paard, met wijd opengespalkte oogen den pachtboer der abdij aanstarend.

»Zoo als gij weet, gestrenge Heer, is hij in den trrooten ban, die een haar krenkt van een der lieden

o '

van het klooster,quot; zeide Gundelkarl.

«Duivel en dood!'' schreeuwde de woedende graaf. «Onbeschaamde schoft, — razende hond, — met wien ik aldus handel volgens het recht der Heeren.

Hij zwaaide zijn jachtspies en slingerde dien in de borst van den ongelukkigen. Doorboord viel Gundelkarl neder en was een lijk.

»Een goed voorbeeld voor den oproerigen geest van het onderhoorige gespuis,quot; roemde Thietmar.

Wazo, wien het schuim op den mond stond, zwenkte zijn paard en beide vervolgden hun weg.

Do misdaad was opgemerkt door de lieden, die op de omliggende akkers werkzaam waren. Niemand waagde het, de plaats te naderen, alvorens de moordenaar in het woud van den Sonnenberg verdwenen was. Nu kwamen de menschen toegeloopen. Ook de vrouw van den vermoorde en diens kinderen kwamen weeklagend toegesneld en wierpen zich op het lijk van den man en vader.

«Waarom heeft graaf Wazo hem gedood?' vroeg een man.

«Omdat Gundelkarl beweerde, dat hij geen hond, maar een mensch was. Ik heb alles duidelijk gehoord,' antwoordde een ander.

Ook de ezeldrijver had zich in den kring geschaard en keek ontsteld naar het lijk.

«Ik had al lang verwacht, dat de arme Gundel zijn menschheid met zijn leven zou boeten,quot; zeide Afbald.

-ocr page 58-

48

«Natuurlijk, — alleen graven, voogden en edellieden zijn menschen, wij daarentegen zijn slaven, ossen, lastdieren, eigendom. Ik en mijne ezels weten dit reeds lang.quot;

»Ach God in den hemel P jammerde handenwringend de vrouw van den verslagene. »Mijn arme Gun-del, — mijn innig geliefde man! Zoo moest gij uw leven laten, — sterven moest gij door «'e speer van graaf Wazo! Vloek over den moordenaar! Wie zal nu voor mij en mijne kinderen werken? Wee ons elleti-digen! Vervloekt zij Wazo, — vloek over hem, — duizendwerf zij hij vervloekt!

))In Godsnaam, Kisa, zwijg! waarschuwde eene vrouw. xGinds rijdt de voogd met zijne lieden. Hooren de ge-strengen uwe verwenschingen, dan bezwijkt gij onder zweepslagen.

Vloek over graaf Wazo — ongeluk over hem!quot; riep nog steeds luider de wanhopige vrouw.

tBroeder Wolferat, zie eens hier, wat de godvree-zende graaf Wazo gedaan heeft!quot; zeide Afbald.» Omdat de domme Gundel een mensch wilde zijn, heeft hem de edele Heer omgebracht.quot;

»Wie heeft gezien dat graaf Wazo dezen man gedood heeft?quot; vroeg de boeteling.

»Ik — en ik — en ik!quot;' antwoordden verscheidene stemmen.

)gt;Goed! Gij allen zijt getuigen tegen den graaf.quot;

«Getuigen tegen den graaf?quot; riepen de verschrikten.

Op welken inval komt gij daar, boeteling? daarvan willen wij niets hooren. De toornige Wazo heeft nog meer speren.

«Weigert gij om tegen den moordenaar te getuigen?quot; vroeg de boeteling ontsteld.

«Natuurlijk! Wij willen niet gaarne doodgeslagen worden,quot; antwoordden de lieden.

-ocr page 59-

tP

«Gij wilt een bloedige daad verhelen, die liij klaren dag, in het open veld, voor uw oogen is gepleegd?

»Wat kunnen wij uitrichten, boeteling?quot;' vroeg hem een man. »Zouden weerlooze schapen een wolf tot zijn plicht kunnen brengen? Honden van slaven zijn wij, heeft de edele graaf Wazo gezegd, — onze voogd is van hetzelfde gevoelen en de koning heeft het vorige jaar een geheel volk, de Saksers, bewezen, dat zij knechts en slaven zijn. Verder toch niets onmogelijks, boeteling!

))Uw gevoelen is onchristelijk, omdat gij volgens de leer van Jezus, onzen Heiland, naar het evenbeeld van God geschapen, en geen honden zijt,quot; zeide de boeteling.

«Vertel dit aan graaf Wazo of aan den voogd Dedi en laat u ophangen,quot; hervatt e een andere.

))Het zij zoo, — maar ik zal uwe getuigenis tegen den moordenaar Wazo bezweren, als het moet zijn,quot; hernam Wolferat. sHct lijk draag ik morgen naar Klingen naar de godvruchtige vaders, opdat zij den ban over Wazo uitspreken.quot; Hij nam den verslagene op zijn rug en droeg het naar diens huis. Achter hem aan kwam de klagende Kisa met hare weenende kinderen.

OP DEN ÏRIFELS.

Godila zal te spinnen op haar hoog gelegen kamer, welker drie vensters in verschillende lichtingen het prachtigste uitzicht opleverden.

Can. 1). I. i

-ocr page 60-

50

Het middelste venster was drieledig en voerde naar een balkon, dat zeventien honderd voet boven het Queichdal gelegen was. Hier zat de Saksische vorstendochter gaarne, verlangend naar het oosten turend, waar een streep van het verafgelegen Rijndal tusschen de bergen te zien was. Rondom lagen bosschen, glinsterend groette de beek uit het dal, de blauwe geur om de hoogten verheugde het oog van Godila, en waar de akkers begonnen, waren bonte vierhoeken, sierlijke zaadvelden van alle kleuren in het tapijt aan hare voeten geweven. Om het balkon vloeide de zonneglans in zuivere stroomen; als de aanvallige maagd daar zat en de nabijheid van den Almachtige gevoelens bij haar opwekte, die in overeenstemming waren met het zonnige wezen barer zuivere ziel. Ook was het hier boven stil en plechtig ernstig; want Godila's vertrekken lagen verre van die gedeelten van den burcht, waar de voogd met zijne mannen huisde. Een binnenplaats benevens een sterke vierkante toren scheidde haar met hare kameniers van de overige bewoners van het slot, aan welke het streng verboden was, de woning van Godila te betreden. Zelfs Dedi, de voogd des konings, overigens een ruw, onverschillig man, betrad slechts in de uiterste noodzakelijkheid, of wanneer de dienst zulks vereischte, de vertrekken der vrouwen. Godila droeg hij hoogachting toe, volbracht gaarne, wat zij verlangde, was evenwel onverbiddelijk streng in kleinigheden, die, zoo als hij zeide, betrekking hadden op de bescherming en veiligheid der adelijke jonkvrouw. Nimmer mocht Godila een zekere grens in den omtrek van den burcht overschrijden. Strekten zich hare uitstapjes verder uit dan het Queichdal of tot aan de abdij Klingen, dan werd zij geregeld dooi' eenige gewapenden vergezeld.

»Mijn hoofd heb ik den koning voor uwe veiligheid

-ocr page 61-

51

verpand, adelijke jonkvrouw!quot; zeidc de voogd. «Daarom smeek ik it mijne voorzichtigheid in dezen woesten tijd te billijken.quot;

Godila nam die woorden argeloos op, zoo als zij gesproken werden, zonder te vermoeden, dat de beschermers tevens hare kerkerwachters waren. Daarentegen griefde haar het verbod zeer om St Magdalena te mogen bezoeken, waar zij bij de kloosterzusters zoo menige nuttige k.mdigheid had opgedaan.

»St. Magdalena,quot; zeide de voogd, ))is te ver af. Die streek wemelt van allerei struikroovers en slecht volk. Ik mag u nimmer toestaan, daar weken en dagen te vertoeven, hetgeen bovendien ook niet noodig is; want gij hebt van de kloosterzusters geleerd, wat gij noodig hebt. Ik wed en zweer bij mijn zwaard, dat geene non zoo sierlijk kan borduren en weven als gij, adelijke meesteres!quot;

Daarvandaan kwam het, dat de aanwezigheid van Godila op den ïrifels slechts in de naaste omgeving bekend was. Zij groeide in het verborgene op, geheel naar het plan en de berekening van haar koninklijken roover.

Ook de stoll'eering van Godila's vertrekken duidde de verhevenheid van haren stand aan. De muren waren bedekt met kostbare behangsels van wollen stof, met smaakvolle borduursels versierd, die grootendeels jacht-tooneelen voorstelden. De vloer was van gebakken vierkante steenen, op welke adelaars, gieren en ander gedierte waren afgebeeld. Op de kasten stonden gesneden doosjes met sieraden voor dames, houten beeldjes, zilveren vazen en andere zaken. Zitbankjes en stoelen waren voorzien met kussens geborduurd door Godila, waarvan de kleuren en den vorm goeden smaak en groote kunstvaardigheid verrieden. Ook met betrekking tot de geschiedenis was de woning van Godila aanlok-

-ocr page 62-

kelijk ; want diezelfde vertrekken pludiien keizer Koen-raad 11, en Hendrik Tlf, gedurende hun verblijf op den ouden stamburcht van hun geslacht te kiezen

Terwijl Godila vlijtig spon, volgde zij het gesprek van hare kamenier Oda.

)'Geen enkel man is te vertrouwen,quot; verzekerde de kamenier. «Siegfried is zeer schoon van gestalte. — dat zal ik volstrekt niet tegenspreken. Hij weet ook recht sierlijk te spreken, hij is niet zoo plomp, als onze ridders. Siegfried is slim, beschaafd, verstandig en hoffelijk, — maar juist daarom is hij des te gevaarlijker.

«Gevaarlijk?quot; herhaalde Godila verwonderd, terwijl zij het spinnewiel liet rusten.

«Gevaarlijk, — ja, gevaarlijk, om de onschuld te misleiden,'' beweerde Oda. »En gij zijt de zuiverste onschuld, bovenmate oprecht jegens vreemde Heeren, die men niet kent.

»Gij .echter zijt al te wantrouwendquot; berispte Godila. »Men moet van niemand kwaad denken, voor dat men daartoe reden heeft.

»Ik heb redenen, — duizend redenen!quot; hernam Oda. »Ik spreek niet zonder grond, mijn wantrouwen steunt op ondervinding. Alle mannen vond ik hardvochtig, valsch en wreed. Toen ik Siegfried zag, schoot mij ter stond een slachtoffer der mannen te binnen gravin Kunegunda, mijne meesteres zaliger gedachtenis; want Siegfried gelijkt op mijn vroegere gebiedster zoo sprekend, dat hij haar zoon zou kunnen zijn. Hoe hebben het die boosaardige mannen, zelfs de broeder van haar echtgenoot, met haar aangelegd? Ik huiver, als ik er aan denk! Haar eenig kind, dat ook Siegfried heette hebben de mannen geroofd, en was mijn goede meesteres niet van verdriet gestorven, dan hadden zij haai- ongetwijfeld omgebracht.

-ocr page 63-

«Wie heeft het kind aan die ongelukkige moeder ontroofd ?

»De broeder van h-iar man, de slechte graaf quot;Wazo, lt;lio zijn eigen broeder op de jacht vermoord heeft, zoo als de menschen beweren.

«Welk een slecht inensch! Wat gebeurde er met het kind Siegfried?

AVat? Ja — laat mij daarvan zwijgen! Hoe de kleine omkwam, weet niemand. Vier jaar was hij oud en sinds zijn al twintig jaar verloopen, — de kleine Siegfried zal al wel lang dood zijn.quot;

De oude zuchtte, en hare gewooidijk treurige wezens-trokken, werden nog somberder.

In het dal klonken jachthoorns. De jagers trokken den Sonnenberg op, achter hen aan kwamen pakpaarden met herten, evers, beren- en wolfshuiden, beladen.

«Wilt gij de jagers niet zien, edele jonkvrouw?

»Neen! De mannen zijn immers allen boosaardig en vooral de afschuwelijke broedermoorder Wazo,quot; antwoordde de bekoorlijke spinster.

»Was er de schoone Siegfried bij, dan zoudt gij wel op het balkon gaan, om u te laten groeten,quot; zeide de kamenier

»Wellicht ook dan niet; want Siegfried is immers een man, en geen man, verdient achting en vertrouwen.

))Als gij in uw wantrouwen tegen alle inanneu blijft volharden, gestrenge meesteres, dan zal uwe onschuld goed daarbij varen,quot; ondeiichtte Oda «Wantrouw dan op de eerste plaats den koning. Hij moet de ergste van allen zijn.

))Den koning?quot; herhaalde Godila verwonderd.

»lk heb hem nooit gezien — en ik zal hem wel nimmer zien.

«Wel stellig, genadige meesteres! Zoo als ik gisteren

-ocr page 64-

54

hoorde, komt hij binnen kort naar Worms, waar een vorstendag zal gehouden worden. En Worms is hier niet ver van daan.

»Kwame de koning maar! Dan zou ik een goed woord doen voor mijn dierbaren geboortegrond en hem berispen wegens zijne wreedheid tegen de Saksers.

))Neen — neen! Hij moet niet komen,quot; zeide do kamenier gebaren van schrik maken:!.

»Gij weet niet, wat gij zegt. Do koning is een groote fat.

»Een fat? Wat is dat?

»Een fat is een gevaarlijk persoon voor vrouwen, uiterlijk fijn en voorkomend, inwendig een verscheurende wolf. Wensch toch niet, dat de koning hierheen komt, — wensch liever te sterven, want het is zeer schoon, onschuldig en zuiver te sterven.

»Ik versta uwe woorden niet in het minst, Oda!

»Het is te hopen, dat gij die ook nimmer zult verstaan, edele jonkvrouw!

»Zal Siegfried zich naar Worms naar den vorstendag begeven ? Hoogst waarschijnlijk; hij zeide immers, dat hij een hooggeplaatst persoon te Klingen verwachtte; zeker een vorst, met wien hij naar Worms rijdt.

))Ik weet het niet!

»Ofschoon Siegfried een jonge man is, toont hij toch een goede inborst door de keuze zijner herbergen,quot; ging Godila naar een kort stilzwijgen voort. »Hij ging niet op een burcht, waar gedronken en gebrast wordt, maar bij de goede vaders te Klingen, ^ die God ijverig dienen.

»De vaders te Klingen maken ongetwijfeld eejlklof-felijke uitzondering, want ook de meeste monnikei^jn tegenwoordig nietswaardigen,quot; zeide Oda.

»Uwe tong is scherp!quot; berispte de vorstendochter.

»Zij spreekt waarheid, mijne tong,quot; verzekerde de

-ocr page 65-

kamenier. De monniken verbasteren geheel en al en houden de tucht niet meer. Velen koopen de waardigheid van abt en den bisschopshoed voor veel geld, dat zij bijeenschrapen. Wee over zulk een monnik, die geld heeft! Ooi; nemen zij vrouwen, dansen naar de pijpen des konings, schelden op den Paus, willen zich naar geen geestelijke voorschriften schikken en leven als vroolijk Fransje, juist als onze burchtkapelaan, — dien kent gij toch!

»Een diep bedorven mensch, een onwaardig priester!

»Ziet gij? De meesten zijn van dat slag. Het zout der aarde is smakeloos geworden en de wereld is uiterst bedorven en slecht. Klingen is voor ons een groot voorrecht, want Klingen is onder de kloosters wat een lam onder de wolven is.

sOvermorgen rijden wij naar het miraculeus beeld.

«Overmorgen, genadigste?quot; vroeg de kamenier verwonderd. sOvermorgen is 't onze dag niet.

«Dat is hetzelfde, — wij bezoeken het miraculeus - beeld.

«Overmorgen zal stellig Siegfried nog wel daar zijn,' zeide de oude. »Wellicht kunnen wij hem zien en spreken.quot;

Godila bloosde even.

))Ik zou hem zeer gaarne over vreemde landen ondervragen,quot; bekende zij oprecht.

Een andere kamenier trad binnen.

»Voogd Dedi zend mij tot u, om u te vragen, of hij u den paltsgraaf Thietmar mag voorstellen. Morgen ochtend vertrekt hij, en hij wenschte u voor zijn vertrek zijn hulde te bieden.

»Dat hij het gebruik volge,quot; antwoordde Godila onverschillig.

Thietmar, een der beruchte twaalf Paladijnen van Hendrik IV, was van lage afkomst. Zijn vader bezat

-ocr page 66-

56

het paardeleen van een koninklijk paleis. Door sluwheid, bereidwilligheid en ervarenheid in het volbrengen van koninklijke bevelen, steeg hij spoedig in de gunst van zijn meester. Hij werd opgenomen onder het getal der «twaalf,' die den geheimen raad des konings uitmaakten, en die tevens de werktuigen waren voor de uitvoering v^n nachtelijke daden en misdrijven. Eindelijk verhief hem Hendrik IV tot paltsgraaf, schonk hem zijn volle vertrouwen en liet door hem die zaken uitvoeren, welke geheim moesten blijven, zooals de opsluiting van den markgraaf Udo op den Trifels.

Thietmar kende de plannen van zijn oven wreeden als wellustigen meester met Godila en had zonder twijfel bevelen, welke met die snoode plannen in betrekking stonden.

Nauwelijks van de jacht teruggekeerd, trok hij zijne rijke hofkleeding aan, en wenschte (iodila te spreken.

»Dat is een zaak, die met eenige moeilijkheid gepaard gaat, antwoordde de voogd Dedi, van wiens blinde gehoorzaamheid de koning bewijzen had. «Onze Heei beval, het vorstelijk kind volgens haren rang en stand te behandelen. Wij moeten derhalve den eenig waren en geoorloofden weg volgen, om tot hare kamer toegelaten te worden. Ik hoop, dat zij uwe hulde niet van de hand zal wijzen, deed zij dit evenwel, dan zou het voor mij even raadzaam zijn, een gloeienden dolk te slikken, als tegen de gestrenge bevelen des konings te handelen.

«Ik ontving het bevel, om Godila te zien en te sprekenquot; hernam Thietmar.

«Ik begrijp u, heer paltsgraaf!quot; antwooidde Uedi met een woest gebaar. «Godila is wonderschoon, zij zal den koning bevallen. — meent gij, dat hoer Hendrik van Worms een uitstapje hierheen zal maken?

«Misschien, — waarschijnlijk, — dat zal afhangen

-ocr page 67-

57

van liet bericht en de omstandigheden' antwoordde de andere achterlioudend.

»U\v bericht zal zoo schitterend uitvallen, beste paltsgraaf, dat de omstandigheden den koning zullen veroorloven eenige dagen hier te vertoeven. Ik poch niet, — zie zelf. Ik za! belet bij haar laten vragen.'

De voogd ging heen en kwam na eenige minuten terug.

»Een woord in vertrouwen, beste paltsgraaf!quot; begon Dedi, met een dierlijk grijnzenden lach op het hardvochtig gelaat. »Godila zal den koning voor zich innemen, — hiervan ben ik overtuigd.

»Maar de wittebroodsweken gaan voorbij en dan wenscht, zoo als u bekend is, de edele vorst in den regel voor zijne vriendinnen een echtgenoot, wat is zooals hei, behoort. Meent gij, beste paltsgraaf, den koning iets aangenaams te zeggen met hem mede te deelen, dat Dedi eenmaal de gemaal van Godila wenscht te worden, doe het dan.quot;

Do voogd Dedi zinspeelde hier op een gewoonte van Hendrik IV, van welke Bruno, de Saksische kroniekschrijver spreekt:

»In den regel had hij twee tot drie bijzitten te gelijk, en nog was dit niet voldoende voor hem. Geen schoone vrouw, geen maagd was voor zijne begeerten veilig, en op zijne nachtelijke uitstapjes moet hij vaak de eer en het huiselijk geluk van aanzienlijke familiën verstoord hebben, maar ook moet hij menigwerf met moeite den wrekenden arm ontgaan zijn. Bijzitten, die hij niet meer verkoos, drong hij aan heeren van het hof als echtgenooten op; weldra dwong hij enkele voorname Saksers, hare schoonste dochters aan zijne gunstelingen uit te huwen, doch dan vorderde hij haar voor zich den eersten nacht. ')

') Gfrörer. I) II. bi, 102,

-ocr page 68-

58

»Nit, hoe denkt gij er over?quot; vroeg Dedi, toen Thietmar met somberen blik en zwijgend voor hem stond.

»Ik denk, beste voogd, dat deze zaak uiterst gevaarlijk is. Laat gij den koning uwe genegenheid voor Godila merken, dan zijt gij reddeloos verloren. Komt gij een der uitverkorenen van onzen meester te na, dan zijt gij een man des doods.

»Geen misverstand, lieve paltsgraaf!quot; zeide de voogd onthutst. ))De vriendin des konings is voor mij een kleinood, een voorwerp van vereering en hulde, — dat is duidelijk! Maar ik spreek over later, als Godila den koning onverschillig geworden zal zijn.

«Begrepen, — zooals gezegd is, de zaak is gevaarlijk, — laat baar rusten.

»Het was slechts een woordje in vertrouwen, beste paltsgraaf, — een wensch, die ik aan uwe vriendschap wilde aanbevelen. Gij weet. ik zou tot eiken wederdienst gaarne bereid zijn.

))Te gelegener tijd zal ik er aan denken,quot; liervatt'e koeltjes de andere. «Zoekt de koning een gade voor Godila, dan zult gij het poppetje hebben.quot;

Een bediende boodschapte, dat de jonkvrouw bereid was den paltsgraaf te ontvangen.

Beide begaven zich naar het noordelijk gedeelte van den burcht, waar tie vertrekken der vrouwen waren.

Godila ontving het bezoek, als een vorstin, die aan huldebetooningen gewoon is. Zij zat op een stoel met een kussen en gebeeldhouwde leuning, en hare voeten rustten op een voetbankje van ivoor. Ter linker- en rechterzijde stonden hare kamerjuffers, onbewegelijk, als standbeelden. De paltsgraaf trad zwijgend voor haar, boog de knie en kuste de aangeboden hand. Vervolgens stond hij op, ten hoogste verbaasd over de zeldzame schoonheid van Godila.

-ocr page 69-

59

«Edelste der jonkvrouwen!quot;' begon Thietmar. »De koning, mijn lieer wiens goedheid u hier zulk een schoon en veilig verblijf toestaat, totdat gij zonder gevaar naar Saksen kunt terugkeeren, laat u eerbiedig groeten. Tevens beveelt hij mij, uwe wenschen te vernemen.

«Hartelijk dank, heer paltsgraaf, voor de welwillendheid deskonings!quot; antwoordde zij ernstig en blijkbaar ontsteld door hot terugstootend wezen van den vreemdeling. »Zes jaar bevind ik mij hier op den Trifels, — sinds zes jaar verlang ik vurig naar mijn lief Saksen, naar mijn goeden vader. Verzoek den koning uit mijn naam, dat hij Saksen genadig zij, en het al-lesverslindende zwaard gebiede het bloedvergieten te staken. Bezweer den koning, dat het mij vergund zij eindelijk het aangezicht van mijn teeder geliefden vader te zien.quot;

Een diepe ontroering verstikte hare stem, en heldere tranen rolden over de verbleekte wangen.

«Bedaar, edele meesteres!quot; zeide de paltsgraaf.

»Wees niet bezorgd over uwen vader, die zoo ver van u verwijderd is, hij is gelukkig in de gunst en genade des konings.

»Ik heb van de onderscheiding gehoord, die mijn dierbaren vader is ten deel gevallen, en hiervoor dank ik den koning,quot; zeide zij. «Zou het niet natuurlijk zijn, als de vader zijn kind huiswaarts haalde?quot;

»Van de overgroote goedheid mijns meesters kunt gij alles verwerven,quot; hervatt'e de sluwe hoveling ontwijkend. «Te Worms is een vorstendag uitgeschreven. De koning zal zich binnen eenige dagen ook daarbe-vinden en zich in elk geval persoonlijk van den welstand van zijne beschermeling komen overtuigen. Dan kunt gij hein zelf over uwe aangelegenheden spreken, adelijke meesteres! Wat niemand in staat is te ver-

-ocr page 70-

fiO

krijgen van Hendrik IV, zult gij zeer gemakkelijk verwerven; want de koning heeft achting voor allen, die hij zijne bescherming en genade waardig keurt.quot;

Godila zat zwijgend en zichtbaar ongerust door de tijding van liet hözock dos Sciliërs,

»Mag ik den koning een vriendelijke ontvangst melden in hel huis, waar mijne meesteres Godila gebiedt;'quot; vroeg Thietmar.

«Zoo niet, heer Paltsgraaf!quot; hervatt'e zij. »Kan ik den burchtheer beletten, zijne sterkte te bezoeken? Ik zal hem danken voor zijne hoede en den bescherm-lieer van het recht smeeken, mij naar mijn geboortegrond en mijn dierbaren vader terug te zenden. ^ «Volgens uw bevel, adelijke meesteres!quot; antwoordde rhietmar, boog zijn knie en verliet met üedi het vertrek.

»Welnu, hoe vindt gij haar?quot; vroeg Dedi.

»Boven mate schoon, - onbeschrijfelijk schoon!quot; antwoordde Thietmar. sGodila zal hem geheel en al innemen en in vuur en vlammen zetten. Maar hare onschuld is een sterke vesting, — in goedheid zal de koning haar nauwelijks meester worden, - hij zal storm moeten loopen.

Zij gingen over het burchtplein.

»En hier,' zeide de paltsgraaf, terwijl hij bleef staan voor twee vierkante openingen, die met ijzeren traliën voorzien waren en even boven den grond uitkwamen, »hieronder ligt de vader van Godila in de gevangenish O, - als zij het vermoedde! Wees voorzichtig, voogd!

»Geen nood!quot; hervatt'e De,li. ))De oogen van Godila zouden bovennatuurlijk scherp moeten zijn, wilde zij door tweehonderd voet diepe luchtgaten in de duisternis van den kerker gluren en daar haren vader ontdekken. Geen sterk geluid dringt uit den schoot der

-ocr page 71-

rots niiiir boven, al zon ook (ie markgraaf uil volle borst roepen. Let eens op, ik zal liet u bewijzen!quot;

De voogd bukte zich op den grond en riep door de opening naar beneden.

»Heer Udo, - edele Udo!quot;

Het geroep klonk stei-k, als door een spreektrompet in de diepte. Beiden luisterden.

»Wie roept mij?quot; klonk het nauwelijks hoorbaar, als uit het middelpunt der aarde.

«Verlangt Zijn edel gestrenge ook iets?quot; riep Dedi naar beneden.

»Dood, - verlossing!quot; gaf deze ten antwoord, maar zoo, dat men het bijna niet hoorde.

»(iij ziet, elke ontdekking is onmogelijk,quot; zeide de voogd zijn gast naar diens kamer geleidend.

»Graaf Wazo zal zich intusschen met zijne evervangers onderhouden hebben. Ik kom onmiddelijk beneden,quot; zeide Thietmar toen de voogd heenging.

Na het vertrek van Dedi haastte zich de paltsgraaf volstrekt niet, om de prachtige hofkleeding met zijn gewone te verwisselen. Er ging iets in het binnenste van den man om; want hij stond somber voor zich te staren.

«Eigenaardige samenloop van omstandigheden!quot; morde hij. »De dochter in de pronkkamers van den burchtvoogd, de vader in den kerker van denzelfden burcht. De dochter bestemd om 's konings lusten te bevredigen, in glans en heerlijkheid eenige maanden te pralen, — ■ en de vader veroordeeld, om een langzamen dood te sterven. Hm, — hoe zonderling! Terwijl Hendrik in het vertrek daar boven de dochter verliefd aanziet en haar liefkoost, — ligt de vader der geliefkoosde hij padden en andere insecten. Is dat niet zeer opmerkelijk? Ik moet het bekennen, Hendrik maakt niet veel omslag met deze oude, trotsche geslachten

-ocr page 72-

62

van graven, markgraven en hertogen! Van den markgraaf Udo zal weldra niets meer over zijn, dan het laatste verloren vrouwelijk lid, - geheel en al verloren,

als zij eindelijk in de handen van Dedi valt. _

Daarentegen verheft de koning wakkere en bekwame mannen tot de hoogste ambten aan het hof. Mijn grootvader was koeherder, mijn vader bezat een klein leen en ik ben paltsgraaf door mijne verdienste en door 's koning* bedrevenheid om zich van bekwame mannen te doen omgeven. Mijne betrekking is hard en geenszins geschikt voor iemand, die nog een greintje

geweten in de borst draagt.---Toch hindert mij

de lucht van den Trifels. De handelwijze des konings met de familie van den markgraaf Udo riekt sterk naar onmenschelijke wreedheid, — dit moet ik zelf in in het geheim bekennen. Eerst onteert hij de schoone vrouw van Udo, vervolgens vermoordt hij haar. En deze Godila, — hoe heerlijk, hoe bekoorlijk, hoe onschuldig! Ik, ofschoon niet teeder van gemoed, zou de

10I van den Saliër niet over kunnen nemen, — neen, _

zoo iets ware mij onmogelijk! Drommels, — hij kust de dochter, zweert haar liefde, eeuwige trouw, hulde, genade, onderscheiding en duizende schoone zaken, en toch weet bij, dat de vader dezer dochter juist onder zijne voeten in de bitterste ellende zucht. Zij zal hem voor haren vader bidden, dien zij vrij in Saksen waant, zij zal als een ware dochter van de gelegenheid gebruik maken, om het aanzien van den vader te vergroeien, en de koning zal alles beloven, bezweren, eiken wensch zal hij haar van den mond kussen. Duivel. — dat is een rol, waaronder mijne eerlijkheid duizendmaal zou moeten bezwijken. De kleinzoon van een koeherder zou zoo iets niet klaar spelen, - daarvoor moet men een Saliër zijn.quot;

Gedurende deze alleenspraak had hij den korten

-ocr page 73-

mantel van scharlaken afgelegd, ilen zwart fluweelen, met goud geborduurden lijfrok nitgetiokken en een bovenkleed var wollen stof over het -wambuis aangetrokken. Vervolgens ging hij eene verdieping lager in een portaal, waar graaf Wazo de boodschap van een bediende aanhoorde. Dit portaal was een uitgestrekte ruimte zonder het minste sieraad. De wanden waren niet eens gewit, zoodat men de naakte rotsblokken van het muurwerk kon zien. Slechts het gewelf was met kalk bepleisterd en met ruwe kleuren bestreken. De vloer was van vierkante steenen en eene rij pilaren, die het portaal in tweeën verdeelde, droeg het gewelf. Eenige ronde ramen lieten het daglicht dooien verrieden tevens de ongewone dikte der muren. Aan de muren hingen wapenen, zwaarden, ijzeren knotsen, schilden in onderscheiden vorm van staal of van hout met leder overtrokken. Op een plompe tafel stonden koude spijzen en wijn in dikbuikige kruiken, die graat Wazo naar zijn hoogrood gelaat te oordeelen, reeds flink had aangesproken.

«Paltsgraaf, hoor eens, wat met het tweebeenig everzwijn gebeurd is, dat ik bij liet einde der jacht doodde,quot;' riep hij den hoveling toe. »Zij hebben hem naar de abdij Klingen gesleept, opdat de kaalhoofdige monniken den kerkdijken ban over mij zouden uitspreken. Is dat niet aardig?quot;' — en de graaf lachte zoo grimmig, dat de gewelven er van weerklonken.

»Siiids deze Hellebrand op den stoel van Rome zit, worden die papen voortdurend onbeschaamder en aanmatigender,quot; zeide de voogd Dedi toornig. «Het zou toch eindelijk wel eens tijd worden, dat de koning met een leger over de Alpen trekt, Hellebrand afzet en een Paus op den stoel van Petrus plaatst, die voor ons geschikt is.

»Alles zal wel komen, mijne vrienden!quot; antwoordde

-ocr page 74-

(54

Tliielmar. »Na eon kortou veldtocht tegen de Saksers gedurende dezen zomer, waartoe eerstdaags te Worms wordt besloten, trekken wij naar Rome. Gregorius VII zal het met zijn leven boeten, dat hij onzen koning in den ban gedaan heeft.

»Wagen het de monniken mij in den ban te doen, dan steek ik hun het klooster boven bet hoofd in brand,quot; dreigde Wazo.

ïDaar ontvang ik een schrijven uit Klingen aan mij,quot; zeide Dedi den brief vertoonende.

))Wat er in staat, weet ik niet.quot;

Thietmar beschouwde het schrift, hij kon het echter evenmin ontcijferen, als Dedi en Wazo.

«Lezen en schrijven heeft de duivel uitgedacht,quot; verzekerde de graaf geraakt. «Waar is Lantbert, de vroolijke kapelaan?

»Hij zal oogenblikkelijk komen,quot; antwoordde Dedi. «Het verwondert mij, 'dat hij heden zoo traag is; want waai' schotels rammelen en bekers klinken, daar is hij anders terstond bij de hand.

»Ja, — ja, onze burchtpaap is een slimme klant!quot; riep Wazo. »Zijne vrouw is aardig en rond en zijne geldzakken zijn ook rond. Eerlang zal hij voor zich eene abdij, of zelfs eep bisschopshoed van den koning k,jopen.

»Hoe komt hij aan het geld,quot; vroeg Thietmar,

»Zoo als alle monniken daaraan komen,quot; antwoordde Dedi. «Lantbert is ontvanger van de belastingen voor den graaf en in het gebied van den Trifels oefent hij hetzelfde ambt uit.

«De schelm verstaat het spekken van zijn eigen zak meesterlijk,'' zeide graaf Wazo. «Al mijne ontvangers betrekkingen heeft hij in pacht. De onderhoorigen en boeren laat hij betalen, dat zij bont en blauw worden, of zelfs wegloopen. Ik krijg ian de belastingen het

-ocr page 75-

minst, üe pastoor van Annweiler en burchtkapelaan van den Trifels rnest zicli vet van mijne bezittingen.

»Nii,quot; zeide Thietmar geruststellend, slaat de schelm toch bijeenschrapen voor de schatkist des konings! want daar in komt eindelijk toch alles te recht. En de koopprijs van de bisschopshoeden en abdijen besteedt onze koning weder ten beste van het Rijk.

«Ja, — ja, — zeer natuurlijk!quot; antwoordde Wazo op een toon, die geen geringe mate van twijfel te kennen gaf.

»Wie anders zouden ook rentmeesters kunnen zijn, dan monniken en papen?quot; vroeg Dedi. »Zij alleen kunnen lezen, schrijven en rekenen. Het is nu eenmaal zoo het gebruik, — en ook dit gebruik wil Paus Hellebrand afschaffen, om dat hierdoor de geestelijkheid bedorven wordt, zoo als hij zegt.

»Ha, — eindelijk, — daar komt onze godvreezende kapelaan aan!quot; riep Wazo den binnentredende toe.

Lantbert, pastoor van Annweiler en burchtkapelaan op den Trifels, behoorde tot die bedorven geestelijken welker getal onder de regeering van Hendrik IV met den dag toeman. Het lag in het plan van dien vorst, het verzet der geestelijkheid te ondersteunen en te beschermen, tegen de zedelijke en kerkelijke orde. Met veel behendigheid wist hij in den strijd met het kerkelijk Opperhoofd de lichtzinnige geestelijken voor zich te winnen en den Paus zooveel mogelijk gehaat te maken. Lantbert verried niets minder dan een nauwgezet, waardig geestelijke. Zijn kleeding onderscheidde zich nauwelijks van die der edellieden, zijn houding was vrij, soms wanvoegelijk, de spiegel eener diep gevallen ziel. Met duidelijke letters stond zijn handel en wandel even zoo op zijn vurig gelaat geschreven, als zijn afkeer van onthouding en zielzorg. In strijd met de kerkelijke wetten had hij eene vrouw

Can, 1)1. ]. 5

-ocr page 76-

genomen, gelijk velen van zijn stand, hij was di-rhalve in den ban, en had de bevoegdheid verloren zijn geestelijke bediening uit te oefenen. Maar de koning beschermde hem, even als hij dit alle priesters deed tegen de vonnissen van den Paus, met het doel om van de ongebondenheid en den afval van gewetenlooze geestelijken gebruik te maken, om met de wereldlijke macht tevens de geestelijke te vereenigen, een streven, dat allen despoten van alle tijden eigen is.

»\Vat drommel waar blijft gij, kapelaan?quot; riep de voogd. «Gij weet toch, dat telkens na de jacht de wijnbeker aan de beurt komt, dien onze altijd dorstige zielzorgers nimmer verzaken.

»Raas niet op hem, hij heeft een jonge vrouw, die hem toch wat nader aan het hart ligt, dan de wijnbeker,quot; zeide Wazo met een woesten lach.

sWeest toegevend, gestrenge Heeren!quot; verontschuldigde Lantbert zich. »De pastoor van Annweiler was verplicht, in den wijngaard te werken en ten slotte nog zijn brevier te bidden.

»0 wee, — gij en de brevier!'1 riep Dedi lachend.

»Dat is nu toch een al te grove uitvlucht, kapelaan! Ontken het maar niet: — (Jij kijkt liever in de oogen van uw jeugdige vrouw, dan in uwen brevier.

«Wijl de smaak van den koninklijken burchtkapelaan zich vormt naar de hoofsche gebruiken en niet naar roomsche misbruiken, spreekt dit van zelf,quot;' en de waardige kapelaan ledigde met ange teugen zijn beker.

»Daar is een brief uit Klingen, — lees eens, wat daarin staat.

Nauwelijks had Lantbert een blik op den brief geworpen, of zijn gelaat begon ten gevolge eener inwendige ontroering nog heviger te gloeien.

»Nu wat is het!'quot; vroeg Wazo.

»Een blijde tijding, gestrenge Heeren!quot; antwoordde

-ocr page 77-

67

de kapelaan, terwijl hij een veel beteekenenden blik op Wazo sloeg. ))En gij, voogd Dedi, kondet een zoo gewichtig document als een prulschrift behandelen? Den koning is dit perkament minstens twintig duizend mark waard.quot;

De edellieden zett'en groote oogen op.

»Uwe heiligheid wil toch niet met ons schertsen,quot; vroeg Thietmar op een toon van hoofsche onverschilligheid.

«Schertsen ? Daarvoor behoede mij God! Om het u in weinig woorden de zeggen, weet dan dat de abt van Klingen dezen nacht is overleden.

»Wat?quot; riepen de edellieden als uit eenen mond.

»In der daad een onverwacht geluk!quot; zeide Thietmar. »De abt behoorde tot de gestrenge partij van Hellebrand, — hij trotseerde den koning, en leverde voor den veldtocht tegen de Saksers geen enkel man.

«Hoort, mijne Heeren, wat Widerad, de grootprior van Klingen, schrijft!quot; en de burchtkapelaan las: «Aan Dedi, den voogd des konings op den Trifels. Onze eerwaarde, zeer geliefde vader en abt Dominicus ontsliep heden nacht in den Heer en ging tot een beter leven over, waar hij het loon voor zijn jarenlange getrouwe plichtsbetrachting zal ontvangen. Volgens oude gewoonte komt de staf van de opengevaller» betrokking weder aan den koning, die ter ontvangst voor u, als voogd des konings, hier in het klooster gereed ligt en dien gij volgens uw goedvinden naar het hof kunt zenden.quot;

Terwijl Dedi het schrijven zorvuldig bij zich stak, wisselde Lantbert teekens van verstandhouding met graaf Wazo.

«Hierover zal de koning verheugd zijn!quot; riep Dedi. »Gij, beste paltsgraaf, moet hem de blijde tijding brengen tegelijk met den staf.

-ocr page 78-

68

«Met genoegen, voogd! Zend oogenblikkelijk een leenman daarheen en laat den staf halen.quot;

Dedi verliet het portaal.

«Daar heeft de dood een goeden worp gedaan!quot; begon Wazo weder. «De abt is een rechte kwezelaar, een openlijk vijand des konings, een vurig aanhanger van den Paus Hellebrand geweest. Het is goed, dat hij uitgestapt is! Het is te hopen, dat de koning iemand met den staf zal beleenen, die het met hem en niet met den Paus houdt.

»Hoe is de geest der monniken?quot; vroeg Thietmar.

»Zoo verkeerd en slecht als dit maar mogelijk is,quot; antwoordde de burchtkapelaan. ))Die monniken zweren bij elk woord van dien onmenschelijken, barbaarschen zedenhervormer. Hellebrand. Gehuwde priesters zijn hun een gruwel. Zij prediken scherper, dan Joannes in de woestijn, zij maken het volk tot dommerikken van de ergste soort. De banvloek, dien Paus Hellebrand onlangs over den Koning heeft uitgesproken, hebben de onbeschaamde monniken openlijk van den kansel aan het volk voorgelezen. Zij doen het gebruikelijk gebed voor hem niet meer, noch van den preekstoel, noch bij de H. Mis. Kortom, ging het den monniken van Klingen naar den zin, dan zou onze Liev^, Heer niets te doen bebben, wat meer spoed vereischte, dan den edelen koning kroon en leven te ontnemen.

«Vervloekte papen!quot; zeide Thietmar met samengeperste lippen.

»De koning moet de monniken een duim op de oogen zetten, en hun een rechten abt gevenzeide Wazo. »In elk geval een abt, die een vrouw heeft, — dat is het beste rniddel, om de abdij te zuiveren; want alle monniken zullen wegloopen , zoodra de nieuwe abt met zijne vrouw het klooster binnentreedt.

-ocr page 79-

60

»Öok moet een man verheven worden, die de omstandigheden nauwkeurig kent,quot; zeide Lantbert. «Klingen moet geheel en al hervormd en bevolkt worden met nieuwe, vrijzinnige ordesgeestelijken, die geheel naai' den zin zijn vin onzen geëerbiedigden koning.

«Zulk een man zou ik weten,quot; zeide Wazo. »Een vrijzinnig, verstandig geestelijke.

»Wien bedoelt gij?quot; vroeg Thietmar.

»Ik bedoel den burchtkapelaan Lantbert,quot; antwoordde Wazo.

»Dat is al te veel eer, heer graaf!quot; hervatt e de kapelaan bescheiden. «Mijn koninklijke meester voor wien ik goed en leven veil heb, vertrouwde mij wel is waar de geestelijke bediening op den Trifels en te Annweiler, of hij mij echter met de abdij zal beleenen, daaraan valt wel te twijfelen. Dit zou ten minste niet kunnen gebeuren, zonder den toorn van Hellebrand gaande te maken.

«Die omstandigheid zou juist de beste aanbeveling zijn,quot; verzekerde de hoveling. «Wij weten juist, dat onze getrouwste aanhangers de vijanden van den Paus zijn.

«Wilt gij eeii goed woord doen, heer paltsgraaf, voor onzen Lantbert?quot; vroeg Wazo.

«Grenzenlooze dankbaarheid en de grootst mogelijke vergoeding van mijn kant zal niet ontbreken,quot; voegde de kapelaan hierbij.

«Wij zullen zien!quot; hernam de paltsgraaf. «De beste aanbeveling voor iemand, die zin heeft in de betrekking, blijft een aannemelijke betaling. De koning verkoopt abdijen van twintig tot honderd duizend mark, naar gelang van de opbrengsten der opengevallen prebenden.

»Ik betaal wat maar mogelijk is,quot; verzekerde de kapelaan.

-ocr page 80-

70

Ook Je teruggekeerde voogd hechtte zijne goedkeuring aan het plan, als zijnde Lantbert de geschiktste man voor Klingen.

»Dan zal het er vroolijk bij ons toe gaan!quot; riep hij. »Abt Lantbert bezet het klooster met monniken, die even levenslustig zijn, als hij. De spanning, die er tusschen den Trifels en Klingen bestaat, verandert dan in innige vriendschap en vroolijke gezelligheid. Onderwerpt dan Hendrik den trots der Saksers volkomen gedurende dezen zomer, dan trekt de abt Lantbert aan de spits van de stic.htsen ter heervaart

«Natuurlijk!quot; bevestigde de kapelaan. »Hoofd en hand, lichaam en ziel behooren aan mijn koninklijken meester.quot;

Paltsgraaf Thietmar kwam tot de overtuiging, dat de wereldsche, gehuwde kapelaan, zoo vijandig jegens Rome gezind, wezenlijk een man van dat slag was, zoo als de Saliër hen wenschte voor bisschopszetels en abdijen. Hij gaf den candidaat eenige hoop, maar wees weder op het geld.

»Wees daarover onbezorgd,quot; riep quot;VVazo. »Orize Lantbert is niet voor niemendal sinds jaren ontvanger geweest. Wat iemand kan betalen, dat doet hij.quot;

De bekers begonnen levendiger rond te gaan. Tol laat in den nacht zaten de drinkebroers bijeen. Tegen den morgen waggelde Lantbert op zwakke beenen naar Annweiler.

-ocr page 81-

71

EEN GEHUWD PRIESTER.

De hoogere en hoogste standen waren in de tweede helft der twaalfde eeuw zedelijk gevaarlijk ziek. In alle soort van ongebondenheid gaf de koning zelf het voorbeeld. Wijl zich de geest des Christendoms nimmer verzoenen kan met een zondige, despotleke barbaar-sche richting, wijl op het Christendom de waarde van den mensch, de beschouwing en de gebruiken van den jongsten tijd gegrond zijn, zocht de duivelachtig sluwe Saliër de werkdadigheid van Christus, den Verlosser der wereld, in en door Zijne Kerk te ondermijnen. Met sluwe berekening werkte hij er op, om de geestelijkheid onzedelijk te maken en te bederven. Noch roeping, noch geschiktheid, noch onberispelijk levensgedrag en wetenschap openden de loopbaan tot de hoogste betrekkingen van het priesterschap, maar inschikkelijkheid en gehoorzaamheid voor den allerhoogsten wil des konings en van zijne raadslieden. Openlijk werden de kerkelijke bedieningen aan de meestbiedenden bij opbod verkocht en daardoor reeds in de oogen des volks verachtelijk gemaakt. Wie het meest betaalde werd aartsbisschop, bisschop of abt. De meestbedor-ven menschen, vaak bekende moordenaars en roovers droegen den bisschopsmijter of voerden den staf als abt. Met voorliefde bevoorrechtte Hendrik IV de trouwlustigen ouder de geestelijken, wellicht daarom, omdat het hem was gebleken, dat gehuwde priesters onbekwaam zijn, de plichten van hun verheven roeping te vervullen. De bisschoppen en abten des konings

-ocr page 82-

73

hadden vrouwen en bijzitten. Deze ontaarding, gepaard met een onverzadelijke gierigheid en een schaainte-looze jacht op eerambten, was zelfs tot de monniken doorgedrongen. Een tijdgenoot van Hendrik IV, de monnik Lambert von Hersfeld, schrijft daaromtrent het volgende. '

ïZoo ver is het in den tegenwoordigen tijd gekomen, dat men bij de monniken geen zuiverheid van zeden meer waardeert, maar dat men slechts vraasrt,

' O '

of zij geld hebben. Niet de waardigsten worden tot abten gekozen, maar zij, die het meest betalen kunnen. In het openbaar verkoopt men de abdijen bij opbod, en al is de prijs nog zoo hoog, nimmer ontbreekt het aan koopers, wijl de monniken, volkomen onverschillig omtrent regelen en geestelijke tucht, slechts daarop uit zijn, door aanwinst van geld elkander de loef af te steken.quot; ')

Bij gevolg maakte de burchtkapelaan Lantbert geen uitzondering op zijn stand. Hij maakte een deel uit van dien vullen stroom, welks girtige golven alle betrekkingen dreigden te overstroomen en alle beschaving, de dochter des Christendoms, weg te spoelen. Dat wanorde en barbaarschheid de heerschappij niet kregen, dit heeft de geredde menschheid aan het vernuft en de geestkracht van Paus Gregorius VII te danken. Heiligheid en heldenmoed, werkdadigheid en getrouwheid aan zijne roeping daagden de geheele bedorvenheid zijner eeuw uit, welke door dezen vernuftigen man bedwongen werd in een strijd, waarvan men te vergeefs een tweede voorbeeld in de wereldgeschiedenis zoekt.

Op den morgen na het drinkgelag op den Trife's zat Lambert in zijn kamer voor een kist en telde

'1 Gfrörer D. IT. bl. 319,

-ocr page 83-

Ti

rollen geld. De rollen bevatt'en goud — en zilverstukken, sinds jaren tot den koop eener abdij bijeengegaard. De burchtkapelaan had de inkomsten van het graafschap van Wazo gepacht, vorderde de belastingen met groote gestreugheid in, mishandelde de boeren met stokslagen en was er op uit den laatsten penning af te persen. Even zoo legde hij het aan met de belastingen, die voor den Trifels geheven werden, en spoedig groeide de koopsom voor de abdij Klingen aan, welker vacature de burchtkapelaan sinds lang, op zijn lijstje had geplaatst.

Ook in de betrekking van ontvanger, pachter der belastingen en boerenbeul maakte Lanbert geen uitzondering op zijn stand. Monniken bekleedden dergelijke betrekkingen, tot schande van hun geestelijk karakter. Zij alleen bezaten voor deze bedieningen de vereischte kundigheden en Lantbert had zich hiertoe genoegzaam gevormd op de inrichting voor hooger onderwijs, welke de Saliërs te Spiers voor staats- en kerkelijken dienst hadden opgericht. l)

Terwijl Lantbert het draagvermogen van de gouden brug naar de abdij Klingen onderzocht, schreeuwde in de naastgelegen kamer een zuigeling luidkeels. Daar-tusschen klonken korte liederen of stillende woorden van Ella, de bijzit van Lantbert. Eindelijk was het geduld der vrouw uitgeput, en een stortvloed van scheldwoorden kwarn over hare lippen.

1-) Gfrorer U. II. bi. S-'O. Er bevond zich te Spiers destijds ook een landbouwschool waar alle vakken der landhuishouding, het bouwen van landelijke gebouwen, de veefokkerij, het verzorgen der velden en audere zaken van dien aard onderwezen werden, — een feit, dat die partijzuchtige, onrechtvaardige geschiedschrijvers den mond stopt, die zoo gaarne over de domme Middeleeuwen raaskallen.

-ocr page 84-

7lt;.

»Vervloekte schreeuwer, — wil je zwijgen?quot; schreeuwde zij. sStraks komt Paus Hellebrand en vreet je op, — leelijke huilbalk! Door je? - Men hoort niets van je dan — hu — hu!''

Zware voetstappen werden in 't portaal gehoord, de deur ging open en Afbald, de ezeldrijver trad binnen. üe kleine schreeuwbek zag den vreemden man en zweeg.

;gt;Rlla, waar is uw man? Of wacht eens! — Neen — met uw man heb ik niets te maken. Waar is de pastoor ?

))De pastoor is mijn man, — üat weet gij toch wel Afbald.

»Uw man? Met verlof, dat ding is nog wat nieuwmodisch, — ik kan mij er niet goed mede vereenigen.

»Welk ding is nieuwmodisch ?

»De pastoorsvrouw — met verlof gezegd.

»Wat ik een ding?'' riep zij toornig uit. »Gij zijt een lummel! Ik een ding? Mijn man zal het aan den voogd zeggen, en deze zal u wat zweepslagen laten toetellen.

»Ella, wees toch verstandig! Ik heb niet gezegd, dat gij een ding zijt, ik heb maar gezegd, dat ik het ding niet vatten kan, hetwelk daarin bestaat, dat geestelijken vrouwen hebben, wijl dat ding nieuwmodisch is.

Voor twintig jaar wist nog niemand van pastours-vrouwen te spreken. Maar sinds de Bijbel aan het Duitsche volk vervuld wordt, ziet men van alles gebeuren.

«Welken bijbeltekst meent gij ?

»Wee het volk, welks koning een kind is!

ïDe voogd zal u de tong laten uittrekken.

«Mij? Ik heb niets gedaan. Men zal toch wel bijbelteksten mogen opzeggen? — Nu waar is de pastoor?

-ocr page 85-

75

»Wat wilt gij van hem?

»Past deze vraag voor u, schoono Ella.

»Waarom zou zij mij niet passen? Mag een vrouw niet vragen, wat iemand van haar man wil ?

sVan uw man wil ik volstrekt niets, maar van den pastoor.

sGij zijt een gek, Mbald! De pastoor is toch mijn man, bijgevolg vraagt gij naar mijn man.

»Was toch maar een mijner ezels hier, om u te bewijzen, schoone Ella, dat de pastoor en uw man in den grond twee verschillende zaken zijn! Wees inschikkelijk, schoone Ella, geef mij eens antwoord op mijne vragen. — Heet uw man Lantbert?

«Ongetwijfeld.

sis Lantbert priester?

«Natuurlijk!

«Hoe is Lantbert priester geworden?

«Uoor de priesterwijding.

«Gij hebt een woordje vergeten, schoone Ella, namelijk «heilig''. Waarvandaan komt het H. Priesterschap? Ik bedoel, wie heeft het ingesteld?

«Onze Heer Jezus Christus.

«Wie wijdde Lantbert tot priester?

«De bisschop van Spiers.

«Op wiens bevel?

«Op bevel des konings.

«Verkeerd, misgeraden, schoone Ella! Op last der Kerk wijdde de bisschop. Wijden en zegenen is niet de zaak van koningen, wijl zij daartoe door onzen Heer Jezus Christus niet zijn aangesteld. Onder de leerlingen en apostelen van den Heiland was geen enkel koning.

«Ga maar voort! Ik wil toch eens zien, waarop gij doelt.

»Lantbert is derhalve priester door het H. Sacra-

-ocr page 86-

7fi

mem des priesterschaps, en hij werd gewijd door een bisschop, die een geestelijke zoon van den Paus, den Stedehouder Gods op aarde is. Zoo hebben het de godvreezende monniken van Klingen in een predikatie verklaard. Nu vraag ik: door wien is Lantbert uw man schoone Ella? Wanneer, waar, door wien '•ij1 gij beiden vereemgd?quot;

De vrouw keek verlegen voor zich.

»0 wee, gij blijft het antwoord schuldig! Toen Lantbert uw man werd, schoone Ella, is de Kerk niet daarbij geweest; want de Kerk heeft alle priesters in den ban gedaan, ilie een vrouw nemen , om dat de priesters als engelen moeten zijn, opdat zij liet H. Lichaam des Heeren in zuivere handen dragen. — Verder, schoone Ella! Wat doet Lantbert uw man? Nu, gij behoeft niet rood te worden. Die kleine zegt het volkomen, wat hij doet. Denk nu eens na, schoone Ella; hebben de handelingen van Lantbert, den priester eenige overeenkomst met die van Lantbert. uw man? Lantbert, de priester, voorziet de zieken van de laatste H. H. Sacramenten, hij begraaft dooden, doopt kinderen, leest de H. Mis, hoort biecht, wijdt en zegent. Doet uw man Lantbert iets vi»n dien aard? Neen! Derhalve is Lantbert, de priester, geheel wat anders, dan Lantbert uw man. Wijl ik nu Lantbert, den priester, moet spreken en niet uw man, daarom moet gij niet vragen, schoone Ella; want een priester mag geen vrouw hebben.quot;

Zij keek hem toornig aan.

»Gij zijt een onbeschaamde vent! Gij beleedigt mij. — pak u de deur uit!

«Afbald wil bij zijn pastoor zijn; dat kunt gij hem niet beletten, schoone Ella!

»Ga naar uw ezels, domkop! Mijn man zult gij niet ergeren met uw beleedigende praatjes.quot;

-ocr page 87-

77

Dat luid gebabbel lokte den burchtkapelaan n ar het woonvertrek.

»Wat is hier te doen?quot;

Die onbeschaamde vent zegt, dat gij mijn man niet zijt, — hij noemt mij bijzit, de schobbert!

»Redaar Ella! — Wel Afbald, hoe komt gij (ot zulk een lompheid?

»Tk zeide de waarheid en geen lompheid, mijnheer pastoor! Ik heb zoo gezegd: de priester Lantbert en de man van Ella zijn in den grnnd twee verschillende zaken. Heb ik gelijk of niet?

«Afbald is een geslepen, slim mensch, die alle streken van zijn ezels geleerd heeft; — heb ik gelijk of niet?

sMet uw verlof, mijnheer pastoor! Mijne ezels zijn zeer brave dieren, zij doen niemand onrecht, zij verbasteren nooit. Mijne ezels blijven immer onzen Lieven Heers getrouwe knechten, zij willen nimmer iets zijn, wat zij niet moeten zijn. Derhalve mag ik dergelijke goede, brave dieren veel eerder tot voorbeeld nemen dan menschen, die verbasteren en doen, wat zij niet doen moeten.

«Houd uw giftige tong stil, zeg maar kortaf, wat gij wilt,quot; viel hem de gehuwde in de rede.

sMijnheer pastoor, mijn vrouw ligt op sterven. Hoort haar biecht, geeft haar het H. Lichaam des Heeren, opdat zij in vrede van deze wereld scheide.quot;

Lantbert krabde zich achter de ooren.

))Is het gevaarlijk ? Illt; heb dringende bezigheden voor graaf Wazo.

«Hoogst gevaarlijk! De dood wacht niet, — de graaf kan wachten.

«Wat scheelt haar?

»Zij heeft een hoofd zoo dik als een vaatje, en een gelaat zoo vurig, als de oven in de wapensmederij daar ginds*

-ocr page 88-

78

«Dat is de zwarte dood.'' riep Ella. »Gij moogt niet naai- haar toe gaan, Lantbert! Dat goed is aanstekend.

Moet mijne vrouw met hare zonden ter helle varen?

sMoet mijn man den zwarten dood sterven en vrouw en kind achterlaten?

»Heb ik u niet gezegd, Ella, dat een priester geen vrouw en kind heeft? — Mijnheer pastoor, helpt mijn arme vrouw.

»Lantbert, ga niet, het is uw dood! — Schaam u, Afbald, zoo iets van mijn man te vergen!

)gt;Schaam u, Ella, een priester te beletten, een arme stervende ziel ter hulpe te snellen.

»Wat kan mij uwe vrouw schelen? Ik wil mijn man niet ongelukkig laten worden.

»W at kan mij uw man schelen ? Ik wil mijn vrouw niet ongelukkig laten worden.

«Kan hij haar gezond maken, domme Afbald!

»Uw man niet, verstandige Ella! Maar de priester kan haar biecht hooren en hare ziel redden.

»Albald, luister eens!quot; zeide de gehuwde. «Mijne vrouw beweert, de zwarte dood is aanstekend en doodelijk, eu zij heeft gelijk. Verder beweert zij, dat een man op de eerste plaats aan vrouw en kind moet denken, en ook daarin heeft zij gelijk. Om die redenen mag ik niet met u gaan, want op elk man rust de verplichting voor vrouw en kind te zorgen.

»En welke verplichtingen heeft de priester, ds zielzorger?

»Gij slaat een hoogen toon aan, Afbald — pak u weg!

»Gij wilt dus mijne vrouw zonder biecht en 'H. Communie laten sterven?

»Ik kan er niets aan doen, — ga heen!

»Zoo, — zoo! — mijnheer pastoor, hierboven is er

-ocr page 89-

79

één, die tusschen u eu mijn arme vrouw recht zal spreken,quot; zeide de man zeer ernstig en ging heen.

Lantbert stond onbewegelijk en keek voor zich.

»Luister niet naar het domme geleutel van den ezeldrijver, lieve man 1quot; fleemde de jonge vrouw. »Een onbeschaamde eisch, een huisvader bij een pestzieke te roepen ! Wie moet abt in Klingen worden, als gij sterft? Nu, lieve man, is het geld voor de abdij toereikend ?

»Ik ben met het tellen nog niet klaar,quot; antwoordde Lantbert en hij ging weer in het zijvertrek.

»Zie, zoo een geestelijke is toch van andere stof, dan elk ander,quot; mompelde de bijzit. »Hij zou waarachtig meegegaan zijn, — ik heb het duidelijk gemerkt. Geduld maar, ik zal hem die streken wel afwennen, die hem het priesterschap heeft opgelegd. Ben ik niet jong, niet .«choon, — bemint hij mij niet? Wij zullen eens zien, wie sterker is — een schoone, jeugdige

vrouw, of de priesterwijding. —--Wie komt daar

nu weer aan?quot; ging zij voort, door het raam kijkend. ))De oude Jepe, — wat wil zij ?quot;

Een bejaarde vrouw met stoute gelaatstrekken en fonkelende oogen trad zonder te groeten de woonkamer binnen. Met de handen in de zijde, stond zij onbewegelijk, kneep de lippen toornig op elkander en keek Ella nijdig aan.

))Kijk daar is Jepe! Komt gij mij ook eens bezoeken? Wat ben ik daar blij over.

»Ja, ik kom u eens bezoeken. Ik kom naar Ella de eerroofster, de leugenares Ella.

»Wat — ik een leugenaarster?

«Ja zeker — een afschuwelijke leugenaarster! Hebt gij in het dorp niet verteld, dat ik bij den molenaar aan de Queich een gans gestolen heb? Is dat niet gelogen, ledigloopster?

))Wilt gij dat ontkennen?.la, gij hebt de gans gestolen 1

-ocr page 90-

so

»Gelogen, onbeschaamd gelogen, bedriegster!

«Zeg dat tot u zelve, Jepe! want gij liegt! Hebt gij mijn man in de biecht niet bekend, dat gij de gans bij den molenaar gestolen hebt? Wilt gij dat ontkennen? Moet ik mijn man roepen ?

»Aha — nu nog mooier, — uw man klapt uit de biecht!

»Nu, — wat zou dat? Ben ik zijn vrouw niet? Hij zal het mij toch wel in vertrouwen mogen zeggen?

»En gij vertelt het in vertrouwen de geheele gemeente rond,quot; riep de oude vertoornd. «Geheel Ann-weiler is er vol van. Alle menschen kijken mij er op aan.

»Dat is niet waar! Het komt, omdat gij gestolen hebt.

»Wat. lichtekooi, durft gij mij dat in het gezicht te zeggen? Gij verwijt mij het stelen van een gans, — en wat doet gij dan? Uwe handelwijze is zoo slecht, zoo schandelijk-, dat men het niet 'zeggen kan, schaam-telooze, lichtekooi, ontuchtige, bijzit! Kijk, als ik u aanzie, walgt het mij, — gij braakmiddel! Ja, als ik u aanzie en denk, wat gij zijt, dan weet ik, dat de duivel in de wereld regeert; want de bijzit van een geestelijke is het grootste duivelswerk.

))Foei, schande, foei!

»Ja, foei over uw giftige tong, over uw venijnigen bek, Jepe! Gij behoeft niet hier te komen, om uw gal uit te braken. Wat weet gij op mijn man te zeggen?

»Is hij geen geestelijke met een bijzit? Is er iets slerhters denkbaar? Zeg hem, dat hij zich voor het daglicht moet schamen! Mijn leven biecht ik niet meer bij hem, en ik zou ook niet verstandig zijn, bij iemand te biechten, die in den ban is, — bij iemand te biechten, die bij den duivel op de lijst staat, — zeg hem dat maar!quot;

Lantbert luisterde aan de deur, doch hij waagde het niet in het strijdperk te komen.

-ocr page 91-

Si

«Wat sclieldt gij op mijn man? Ilij lieeft nog niel gestolen.

quot;Hij is de grootste dief en mover,quot; schreeuwde de oude luidkeels. »Hij moet een goede herder zijn en hij is een wolf, die de schapen door zijn slecht voorbeeld den weg ten hemel bijster maakt. Hij is een verachter van Gods wet; want God heeft geboden, gij zult geen onkuischheid bedrijven, -— en hij is onbeschaamd genoeg het zesde gebod voor de oogen van het geheele dorp eiken dag te overtreden. Wat doet hij nog meer ? Met zijn besmeurde handen onteert hij de H. H. Sacramenten. — hij klapt uit de biecht en beleedigt op die wijze rouwmoedige zielen, die zich willen verbeteren. Foei, wat een duivel! Wilt gij nog verder hooren, wat hij is? Een drinkebroer, — een tollenaar, — een boerenbeul, — een schrok, — een zielebederver is hij !quot;

Jepe's woordenvloed werd plotseling onderbroken.

Lantbert snelde met een gelaat gloeiend van toorn de kamer binnen, pakte de oude bij den arm en wierp haar de deur uit. Nu werd echter de zaak nog erger. J)e verbitterde, oude vrouw stond op straat en een stortvloed van scheldwoorden braakte zij uit. Oud en jong liep te been en luisterde naar den tekst van .lepe op den gehuwden pastoor, wiens levenswandel sedert lang ontevredenheid en ergernis verwekt had.

«Zoo iemand gooit mij de deur uit,quot; tierde .lepe.

»Zoo iemand, die een bijzit heeft? Is hij een geestelijke? Een vuilik is hij, in den kerkdijken ban, een apostel des duivels is hij! De brave monniken hebben hem weggejaagd uit Klingen, omdat hij het klooster met zijn liederlijkheid verpest heeft, — en wij moeten zoo iemand hebben? Onze kerk is ontwijd door zijn schandelijke levenswijze, hij stinkt, waar hij gaat. En zoo iemand, die uit de biecht klapt, werpt mij de deur uit, — mij eerlijke vrouw? Ja, — zet maar een

Can. I. G

-ocr page 92-

a-i

vuist achter de gordijnen, gij godslasteraar! Ik zeg het den duivel in 't gezicht, dat gij zijn leerling en volgeling zijt. Wij mogen u niet meer lijden, — maak maar dat gij weg komt! Wij willen een zuivere geestelijke, maar geen die er een lichtekooi op nahoudt. Liever sterf ik zonder biecht en H. Teerspijs, dan dat ik die aanneem van zulk een deugniet.

Op dien toon ging het al maar voort. De menigte stond rondom haar en knikte ten teeken van goedkeuring. Eindelijk ging Jepe heen, vergezeld door een schaar nieuwsgierigen, aan welke zij uitvoerig de oorzaak van haren toorn mededeelde.

«Daaraan moet een einde komen!quot; zeide Lanthert. »Bijna dagelijks word ik door dit plompe gespuis wegens mijn huwelijk beleedigd. Dat moet ophouden, — de voogd moet er één voorbeeldig straffen.

»Goed zoo, manlief! Jepe is een heks, de voogd moet haar de punt van hare venijnige tong laten afsnijden. Ik een lichtekooi, — een ontuchtige, — een bijzit! Hoort gij het, Lanthert? De voogd moet haaide tong laten uitsnijden.

.sEn ik een tollenaar, een boerenbeul, een zielebe-derver. Wacht maar, oude slet, dat zult gij boeten? Een man, als ik ben, die zoo zeer het vertrouwen des konings verdiend heb, op die wijze te beleedigen!

»Ook heeft zij gezegd, dat gij in den ban waart.

»De koning moet eiken monnik laten ophangen, die den ban uitspreekt; want hierdoor wordt het domme volk in zijn bijgeloof gestijfd. Ook moet elk bestraft worden, die zegt, dat een geestelijke n:,et trouwen kan. Over het geheel is de koning te mild jegens den godsdienst. Alle papen möest hij dwingen, den godsdienst van den koning en zijne raadslieden te prediken en niet dien des Pausen.quot;

Hij spoedde zich naar den Trifels.

-ocr page 93-

8-'5

l)en volgendon dag verschenen gewapende mannen voor hel huis van Jepe. Afhald met een zijner ezels volgde hen. De knechten van den voogd gingen het huis binnen. Men hoorde de schrille stem van Jepe en de bedreigingen van de mannen.

»Jepe komt op den ezel, omdat zij den pastoor gescholden heeft,quot; hoorde men.

»Jepe heeft het verdiend,quot; zeide Afbald; «want zij is oud genoeg en moest weten, dat men de waarheid niet mas: zeggen.quot;

Eindelijk sleurden de krijgsknechten .lepe vreemd toegetakeld de deur uit. Zij had een kroon van stroo op liet hoofd, ook haar bovenlijf was met stroo omwonden. Zij werd op den ezel gezet en langzaam door de straten geleid. Een krijgsknecht ging voorop en riep: »Zoo straft de koning booze vrouwentongen die op waardige geestelijken schelden.

Maar de straf had de bedoelde uitwerking niet. üe lieden morden om de bestraffing eener vrouw, die geheel naar hunnen ziu gesproken had. Ook vielen er harde woorden tegen den koning, wiens losbandig leven dagelijks meer ruchtbaar werd onder het volk.

fv L I N Gr E N.

Twee uren van den Trifels, aan den voet der Vogezen, ligt schilderachtig de oude abdij Klingen. Haar stichter was Dagobert I, koning der Franken. Luidens de oorkonden van stichting werd Dagobert door gewetenswroegingen, wegens zijn talrijke misdrijven, in

-ocr page 94-

84

het jaar 635 tot de stichting van dit klooster bewogen. Rijk begiftigde de vorst zijn* instelling met bos-schen en velden, gehuchten en bouwhoeven. Hij bevrijdde haar van de wereldlijke rechtsmacht, van belastingen en tollen en schonk haai' het muntrecht. Ook bracht de koning van Rome een geestelijk kleinood mede, namelijk het gebeente van den H. Theodulus, dat hij plechtig onder het hoogaltaar der kloosterkerk neder-legde. ')

Op den kruin van den steilen berg, aan welks oostelijken voet de abdij ligt, verheft zich de burcht Landeck, gebouwd tot bescherming van de weerlooze Benedictijner monniken. De voogd van Landeck, leenman der abdij, is verplicht. Klingen en het vrouwenklooster St. Magdalena, aan de westzijde van den berg gelegen, met sterken arm tegen machtige vijanden te beschermen. Dagobert had de abdij met drie honderd dertig duizend morgen lands en vijfhonderd dienstmannen begiftigd, bijgevolg kon zij steeds een talrijke, wel uitgeruste schare gewapenden onderhouden. Op het oogenblik is het burchtleen door den dood van den lartsten bezitter open en voorloopig onbezet, wijl er geen krijgskundig Heer te vinden is, aan wiens nauwgezetheid van geweten men de abdij kan toevertrouwen. Een andere zwarigheid is gelegen in de drijverijen van graaf Wazo in wiens gouw de abdij ligt. Deze heer dingt zelf naar die betrekking, met het plan, om zijne lusten aan eens anders eigendom te goed te doen. Maar de verstandige monniken doorzien zijn hart en verzetten er zich tegen, om het klooster aar den loerenden roover in de handen te leveren.

Reinliug, orig. Gescli van do kloosters eu abdijen. Deol I. bl. 88 v. v.

-ocr page 95-

Het klooster bestaat, uit een groep statige gebouwen, uit welker midden de groote kerk, geheel van gehouwen rotsblokken opgetrokken, boven uitsteekt. Een hooge ringmuur omgeeft het eigenlijk klooster, welks boerderijen zich in alle richtingen uitstrekken en bewoond worden door leekebroeders, wier beroep de landbouw is. De akkerbouw van Klingen kan ten voorbeeld strekken. Op de gunstig gelegen plaatsen praalden wijnbergen, die welig tierden onder de kundige en verzorgende hand der leekebroeders. Akkers en weiden werden met vlijt en omzichtigheid behandeld. Groote bedrijvigheid en drukte heerscht op alle boerderijen. Door de monniken, welker hoofdleider in den veldbouw op landbouwscholen de landhuishouding had geleerd, werden weder de boeren der omliggende dorpen en gehuchten onderwezen, zoodat ook in dit opzicht de abdij een zegen werd voor den geheelen omtrek.

De kloosterfamilie bedraagt eenige duizend zielen, want tot de familie der abdij worden niet alleen monniken en leekebroeders gerekend, maar ook de dienstmannen en eigenhoorigen.

Werkelijke priestermonniken bezit Klingen thans slechts vijfenveertig. Deze leiden een streng ordelevcn, aan de wetenschappen, geestelijke bespiegelingen, versterving en zielzorg gewijd; want de kwaal des tijds, ongebondenheid en schandelijke verbastering hadden dit gewijd oord nog niet verpest. Daarom staan de god-vreezende vaders van Klingen bij het volk in groot aanzien. Geheele scharen komen ter bedevaart naar het gebeente van den H. Theodulus, om geestelijke behoeften te bevredigen en de H. H. Sacramenten in de kloosterkerk te ontvangen. Doch dezelfde redenen , die de abdij tot een plaats van zegen en gena-denrijke werkzaamheid maakten, wekten nijd en te-

-ocr page 96-

86

genspraak van hoofscli- en wereldschgezinde geestelijken op.

Siegfried was op de hartelijkste wijze opgenomen De groot-prior Widerad, een eerwaardig persoon, ontving den jongen man nis een zoon. Hij drukte hem aan zijn borst en gaf hem den vredekus.

»Uwe aankomst, mijn zoon, is ons reeds door onzen hoogwaarden broeder, Hygynus per brief gemeldquot;, zeide de groot-prior op vaderlijken toon. sHyginus zelf, dien ik heb leeren hoogschatten en beminnen tijdens mijn verblijf (e Clugny, zal binnen weinige •lagen hier aankomen. — Gij vindt ons in rouw over het verscheiden van onzen geliefden vader Dominicus, ofschoon deze droefheid een menschlijke zwakheid is, waarover zich echte monniken moesten schamen; want Dominicus werd ontslagen van de aardsche beslommeringen. Hij is heengegaan naar zijn heerlijk vaderland, waarnaar wij allen vurig verlangen, om het eeuwig loon zijner aardsche trouw van den Heer te ontvangen. Hier beneden leven wij in ballingschap,quot; zeide de grootprior zuchtend. »daar boven is ons vaderland. Hier is de vreemdelingschap, do proeftijd, de strijd, — daar boven is de vaderlijke woning, de vrede, het geluk.quot;

Deze rede, in volkomen overeenstemming met den geest van het waar kloosterleven, wekten geenszins de bevreemding van den jeugdigen edelman. Hij wist, 'dat ware monniken slechts voor het andere leven werken, afgestorven voor alle genoegens dezer wereld. Zij bezaten geen persoonlijk eigendom, alles behoorde aan het klooster. Vrij van de banden van bloedver-wantschap, konden zij ongehinderd de neiging van hun godsdienstig gestemd gemoed volgen. En deze zedelijke gemoedsstemming werd verhoogd door regelmatige bespiegelingen, door aanhoudende afzondering van het gewoel der wereld, door dagelijksche beschouwing van

-ocr page 97-

87

den toestand dei- ziel in den spiegel der christelijke plichten en geestelijke raden. De wezenlijke monnik werd zulk een aandoenlijk fijngevoelig wezen, dat hij niet deti minsten tweedracht duldde tusschen Gods wil en de menschelijke verdorvenheid. Alle geestvermogens moesten reeds in overeenstemming zijn met den menschelijk bereikbaren graad van de eigenschappen des Allerhoogsten. Zoo als men van zelf kan begrijpen, kon een zoo verheven, bijna denkbeeldig standpunt slechts door een ernstig en volhardend sterven en heeten strijd bereikt en onderhouden worden. Daarom gold het kloosterleven als een bijzondere en bevoorrechte krijgsdienst onder de banier van Christus. De in mnik beschouwde zich zeiven in den geest van zijn heldhaftige tijd, als een krijgsman onder de bevelen van God. De regelen der orde waren de krijgstucht, aan welke zich iedere monnik vrijwillig, in de strengste gehoorzaamheid onderwierp. Trad de adelijke in een klooster, dan verwisselde hij den 'aardschen ridderstand met den hemelschen, de lichamelijke wapenen met de geestelijke, de vergankelijke zegepalm met den eeuwigen, hemelschen. Dapperheid, volharding, vriendelijkheid sierden den ridder, dezelfde deugden versierden den kloosterling, vooral echter ootmoed, zelfbeheersching, zuiverheid, gehoorzaamheid en zelfverloochening. Sombere kwezelarij en hoogmoedig farizeïsme mochten geen monnik bezoedelen. Hij moest oprecht, eerlijk, natuurlijk en vriendelijk zijn in den omgang, geduldig met de zwakhedön van anderen en gestreng jegens zich zeiven. Daarom vond Siegfried de vaderlijke vriendelijkheid van den eerwaardigen groot-prior even gewoon en natuurlijk, als hij de bedorvenheid van de geestelijkheid als een verbastering oordeelde ten gevolge van Jen boosaardigen invloed van het Salische hof. In het herbergsgebouw was hem een schoon

-ocr page 98-

88

vertrek aangewezen, en de frater hospitularms, gast-broeder, had zich aangeboden, om den heer alle merkwaardigheden van de oude eerwaardige abdij te toonen*. Siegfried wees voorloopig dit aanbod af; want iiij had behoefte, om alleen te zijn. Na het nuttigen van een flinken maaltijd- besteeg hij den burcht Lan-deck welker sterkte en krijgshaftige stelling hem verheugden. Van de hoogte overzag hij het rijke landschap. rijkbeladen velden, schoone gehuchten en boerderijen, waar pachtboeren en eigenhoorigen van de abdij gelukkig huishielden niet gedrukt dear het zachte bestuur van den kromstaf. Vervolgens zocht hij den Trifels, welke achter daar tuschen gelegen bergen verscholen lag. De bekoorlijke Godila kwam voor zijne verbeelding, en wel in den vollen glans barer wondervolle schoonheid. Hij dacht na over de duistere rede van den boeteling en schrok bij de gedachte, dat üo-dila wellicht een slachtofl'er zou zijn van den wellusti-gen Saliër, van wien verschrikkelijke zaken verhaald werden omtrent gewelddadigheden jegens vrouwen. Goed en bloed zou hij veil hebben ter bescherming van Godila, zooals de plicht van ridder vorderde. Maar reeds de eerstvolgende dagen zouden hem voor eeuwig hier van daan voeren. Met smart en diepen weemoed schikte hij zich in de noodzakelijkheid Godila aan een schrikkelijk dreigend lot te moeten overlaten.

Zoo stond hij lang nadenkend en over peinzend op de torentinne. De ondergaande zon goot hare gouden stralen over den bergen, welker toppen brandden en gloeiden in het avondrood. Plotseling kwam bij Siegfried een zonderling gevoel op. Hem dacht, dat hij deze heerlijke streek reeds vroeger gezien had, olsclioon hij er nu voor den eersten keer kwam.

Bergen en dalen lachten hem zoo vertrouwelijk toe.

-ocr page 99-

so

alsof liet zijn geboortegrond ware, vooral het vrouwenklooster, aan de westzijde van den slotberg gelegen, scheen liem wel bekend.

))Üat is toch eigenaardig!quot; mompelde hij.

))Ilet schijnt mij toe, alsof ik vroeger in deze bekoorlijke streek geleefd heb.quot;

De jonge man wist wel, dat hij in zijn prille jeugd door de monniken van Clugny als wees was opgenomen, maar van afkomst, noch geboortegrond droeg hij nader kennis. Sedert lang was 't voor hem genoeg te weten dat hij uit Duitschland afkomstig was, en hij was ei aan gewoon geraakt, om Clugny als zijn vaderlijke woning te beschouwen.

Eindelijk ging hij van den burcht naar beneden, bezocht als vroom ridder het Allerheiligste, woonde de Vespers der monniken bij en keerde daarna naar zijn woning terug.

Den volgenden morgen bemerkte liij een ongewone beweging op de binnenplaats. Leekebroeders, die met den dienst in de stallen en de huishouding belast waren liepen ontsteld over het plein, luide stemmen werden geboord, geheel in strijd met den regel van stilzwijgendheid. Siegfried ging naar benecfen, om de oorzaak van dat ongewone te onderzoeken en vond op de open plaats uitgestrekt voor de kerk, het lijk van Gundelkarl. Ivisa, de vrouw van den verslagene en drie kinderen lagen, bleek en met rood geschreide oogen, bij het lijk, meer naar achteren de boeteling. Kisa verhaalde onder hevig snikken de misdaad, en de omringende leekebroeders vernamen ontsteld, wat graaf VVazo misdreven had.

«Zoo heeft mijn arme Karei moeten sterven,quot; eindigde de weeklagende, «vermoord door den afschuwelijken VVazo. Wat mij en mijne kinderen overkomt, weet Uod. Wellicht zendt VVazo zijne knechten af, en

-ocr page 100-

90

dan zal men Kisa en hare drie jongste kinderen eens dood vinden.

«Denk het ergste niet, goede vrouw!quot; zeide Robert, een frater barbatus, met verstandige oogen en een lange sloof voor over de pij, waaraan de sporen zijner bezigheid te vinden waren.

»Onze eerwaarde vaders zijn juist in het kooi- en bidden de getijden der overledenen voor den abt zaliger gedachtenis, die heden ter aarde besteld wordt. Zonder twijfel zal onze groot-prior u sn uwe kinderen in bescherming nemen. Woes getroost en wacht hot einde der lijkplechtigheid af. Ik zelf wil den vader schatbewaarder verzoeken, dit den groot-prior voor te stellen.

«Dat zal nog wel eenige uren duren,quot; zeide Siegfried. «Derhalve zou het passen, voorloopig den vermoorde in de lijkenkamer te leggen.quot;

De doode werd opgenomon en naar een klein huisje in de nabijheid van het kerkhof gebracht, waar de leekebroeders, de bedienden en eigenhoorigen fier abdij begraven werden.

Siegfried naderde den boeteling VVolferat. Deze lag nog altijd op de knieën en keek, met de uitdrukking van de diepste zielesmart, naar de kerk, die voor hem g.isloten bleef tot liet einde van zijn strenge boete. Uit het kerkgebouw klonken de aandoenlijke melodieën van den Miserere, door welke de man zoo getroffen werd, dat hem de tranen over wangen en baard biggelden. In overwegingen verdiept, scheen hij den ridder 'liet te bemerken, die het voor ongepast hield, de aandacht van den boeteling te storen. Wijl hij echter zeer begeerig was, om iets naders omtrent Godila te vernemen, vooral met hef oog op de mogelijke gevaren, die haar in het huis des konings bedreigden, vertoefde hij in de nabijheid, totdat Wol-

-ocr page 101-

m

ferat zou opstaan. Doch ile boeteling ging voort met bidden zonder einde en nu stroomden van alle kanten godvreezenden toe om de begrafenisplechtigheid van den abt Dominicus bij te wonen, üe klokken begonnen te luiden, het portaal der kerk werd geopend. De boeteling knielde voor den ingang neder, met een roede in de hand, welke hij aan de binnentredende!! overreikte. Deze namen de roeden aan en sloegen op den rug van Wolferat, die eiken slag met zichtbare teekenen van droefheid en vermorseling des harten ontving.

Deze openbare geeselingen, aan welke zich de boetelingen onderwierpen, was een vrucht van de godsdienstige stemming van dien tijd, zeer geschikt, om het gevoel van zedelijkheid op te wekken. Bekende openbare misdadigers van het slag van graaf Wazo, uitgesloten van de godsdienstoefeningen en het ontvangen der H. H. Sacramenten, in boetekleederen voor de kerk, rouwmoedig en boetvaardig over bedreven euveldaden te zien, moest een levendigen afschuw voor moord en misdaden van dien aard bij het volk opwekken en het afschrik inboezemen voor een gelijke strafwaardigheid. En wijl de straffende .Moeder dergelijke boetple-gingen ook voor koningen en vorsten voorschreef werden gelijkheid en plicht voor de wet Gods alle standen duidelijk voor oogen gehouden. De vorstelijke misdadiger van dien woesten tijd werd door macht en aanzien gesteund, gekroonde hoofden mochten de booze neigingen van hun bedorven hart ongestraft inwilligen. Den zwakke mocht de sterke verdrukken en de hoorigen mocht hij behandelen zooals graaf Wazo len dorper Gundelkarl deed. De Kerk alleen kende geen voorrechten voor misdadigers. Tegen hooggeplaatste misdadigers verhief zij zoowel de tuch-tende hand, uls tegen minderen. Alle menschen ver-

-ocr page 102-

!1 J

klaarde zij onderworpen aan de zedewetten, van allen vorderde zij eerbied voor en inachtneming van de godsdienstplichten. Zoo was toenmaals, even als te allen tijde, de Kerk de uitsluitend onpartijdige leidsvrouw van de vorming des verstands en van de beschaving.

Ook Siegfried trad het met zwart behangen kerkgebouw binnen om de lijkplechtigheden bij te wonen. Op de hooge katafalk, romdom welke brandende kaarsen stonden, lag in een geopende kist de abt Dorainicus. De groot-prior Widerad deed den lijkdienst. De monniken zongen roerende treurliederen. Dominieus moest zeer bemind geweest; zijn want Siegfried zag velen schreien en de groote kerk kon allen niet bevatten, die uit den omtrek waren toegesneld. De jonge man bad aandachtig voor de zielerust van den overledene. Hierbij wendde hij zich met vooringenomenheid tot het miraculeus beeld, over hetwelk Godila gesproken had. Dit beeld van Onze Lieve Vrouw schitterde van goud en paarlen boven het altaar der H. Maagd. Siegfried dacht zich Godila geknield op de trappen van het altaar, de zuivere maagd voor het beeld van haar hemelsch toonbeeld, en in zijn hart versierde hij Godila met al die heerlijke eigenschappen, welke de christelijke ridderschap in geestdrift brachten en voor den edelen vrouwendienst wonnen.

De stoffelijke overblijfselen van den abt werden eindelijk in het graf neergelaten onder het luide gesnik van monniken en leeken. Vervolgens keerden de Benedictijnen in een lange rij naar de sacristie terug. Het volk bleef de gebeden bijwonen, die nu nog bij het graf werden gedaan.

Siegfried vond den boeteling niet meer voor het kerkportaal. Hij begaf zich naar het lijkenhuisje, waar Wolferat treurig bij de diepbedroefde familie

-ocr page 103-

93

van den vermoordt' zat. Ook Karei en Jlero, twee volwassen zonen van Giindcl, stonden weenend bij het lijk van hunnen vader, De laatste, een forsch persoon en bijna in het bezit van een paardenleen der abdij, viel den ridde'- bijzonder in het oop door zijn statig en krachtig voorkomen. Toen do edelman binnentrad stonden de zittenden aanstonds op.

»\Vaar huist toch eigenlijk de moordenaar, graaf Wazo?quot; vroeg Siegfried den boeteling.

jiOp een rotsvesting, drie uren var; hier,'' antwoordde de kluizenaar. »Wazo is graaf en een gunsteling van het hof. •

»Zijn wreedheid maakt hem waardig, een gunsteling van het Salischo hof te zijn,quot; hervatte Siegfried op een verachtenden toon. »Üver het geheel,quot; ging hij voort een scherpen blik op den boeteling werpend, «schijnt deze streek rijk te zijn aan openbare en geheime misdaden. Mannen, vrouwen en maagden schijnen weerloos aan allerlei soort van gewelddadigheden overgegeven te zijn.

»Daarin heeft uwe genade gelijk,quot; zeide Kisa. »Wazo is een woedend wreedaard en niemand gaat zijne boosheid tegen. Zijne hoorigen laat hij mishandelen, zooals men geen hond doen zou. Ach God, wat hebben wij verduurd en uitgestaan onder- de zweep van quot;Wazo! Wij konden het niet meer uithouden en wij vluchtten onder de bescherming der abdij., Gelukkig leefden wij daar als dorpers: want onder den kromstaf is het goed wonen. Daar komt deze W azo, vervloekt zij hij, — en vermoordt mijn goeden, lieven man. Mij en mijne ktnderen zal hij ook ombrengen, als ons de eerwaarde vaders niet beschermen.

»Vrees niet, moeder!quot; zeide Rero. »De abt zaligei gedachtenis beloofde mij wel een paardenleen, — ik

-ocr page 104-

94

wil dit echter laten varen en den eerwaarden vader Widerad verzoeken, bij n te mogen wonen.

»Neen, kind, neen! Gij blijft in veiligheid, waar gij zijt. Gij kunt ons niet beschermen tegen den wolf Wazo.

Een leekebroeder kwam binnen en verzocht Kisa met hare kinderen bij den groot-prior te komen.

Siegfried trad voor den boeteling en keek een oogen-blik zwijgend in de sombere blikken van den man.

uNauwelijks vertoef ik één dag in deze streek,quot; begon hij, »en reeds ontwaar ik ontzettende verschijnselen omtrent de manier van regeeren van Hendrik IV. Aan gene zijde der Alpen verhaalt men afgrijselijke zaken over de goddeloosheid van dezen koning. Mij dunkt, dat zulks in 't geheel niet overdreven is.

Wolferat antwoordde met een wantrouwenden blik en zweeg.

»Op burchten en in kloosters vreest men de geheime bespieders van den Saliër,quot; ging de jonge man voort. «Zelfs woudbewoners en boetelingen verdenken eiken vreemdeling, een zendeling en oppasser voor Hendrik te zijn. Het is ver gekomen in het Duitsche Rijk.

»lk begrijp u, heer Siegfried!quot; antwoordde Wolferat. D Vergeef liet zwakken en weerloozen, als zij zich door voorzichtigheid beschermen.

»Ook de zwakke moet niet zwijgen, wanneer het plicht ie te spreken,quot; hervatte de jonge man. »Het schijnt mij duidelijk, dat Godila, het bekoorlijk schoon vorstenkind, in groot gevaar verkeert in het huis van den snooden Saliër. Waarom verheft zich nergens eer wrekenden arm ter redding van deze verdrukte onschuld? Waarom verbergt de boeteling Wolferat een beraamde schanddaad door zwijgen? Is dit geen groot vergrijp tegen de plichten van een christen?

ïAangenomen, dat de toestand volkomen zoo ware,

-ocr page 105-

als gij hem aanduidt: waartoe zou U die kennis dan kunnen dienen'/

»Ik zou den koning dwingen, zijn gevangene los te laten. '

»Hoe zoo, heer Siegfried?

))Op den aanstaanden vorstendag te Worms zou ik als aanklager van den schandelijken Saliër optreden, dc beraamde euveldaad bekend maken en den misdadi-ger noodzaken zijn slachtoffer de vrijheid te schenken.quot;

De boeteling schudde treiu ig het hoofd.

«Gij kent het onderling verband van het Rijk en de eerlooze stemming der vorsten even slecht, als de kuiperijen van het Salische hof,quot; zeide hij. «Hendrik zou bewijzen, dat hij Godila met geen vinger aanraakte, dat hij de maagd uit zuivere inzichten huisvest, dan zoudt gij daar staan, als een strafwaardig lasteraar, blootgesteld aan de wraakzucht van den tyran. Godila zou op eens van den Trifels verdwenen zijn en niemand zou weten waarheen. — Neen, dat is de ware weg niet.

»Weet gij een beteren?

j)lk bid en waak,quot; antwoordde Wolferat somber.

«Luister eens naai- mij!quot; zeide Siegfried na een korte pauze, «Wellicht is mijn verblijf hier van langer duur. Ik woon buiten den ringmuur des kloosters in de groote herberg. Zou Godila met gevaar bedreigd worden, spoed u dan tot mij, — bij dag of nacht, gij zult mij bereid vinden, mijn plichten als ridder te doen.

))Een christelijk aanbod, — dit kan en mag ik niet van de hand slaan,quot; zeide Wolferat met een helderen blik op den vreemdeling,

))Geef mij uwe hand daarop! Zie zoo, vaarwel, tot weerziens!quot; zeide Siegfried en verliet het huis.

De leekebroeder was Kisa en hare kinderen voorge-

-ocr page 106-

nc,

gaan tiaar do woning van den. •spijsbezorger eon uitgestrekt gebouw van twee verdiepingen, waarin de be-diorj,den van den schatmeester woonden. Dit gebouw bevatte tevens die* vertrekken, waar do uitgedorschto vrurliton van allerlei aard geborgen waren. Hier naast stond een lange rij van scburen, wagenhuizen en stallingen. waar men bot landbouwgereedschap in stipte orde zag hangen en staan. Door de regelen van den H. Benedictns toch was, behalve strenge versterving en godsdienstige bespiegelingen, de landbouw voorgeschreven. Hi' monniken moesten hunne geringe behoeften aan den grond ontwoekeren. Daarom gingen zelfs priestersinonniken van behoeftige kloosters achter den ploeg, zij zaaiden en oogstten zelf. In Klingen werden dergelijke bezigheden slechts door leekebroeders verricht, terwijl de priesters studeerden, zeldzame handschriften vermenigvuldigden, dag en nacht de Metten in het koor zorgen en zich met de zielzorg belastten. Groot was hun weikkring en een zogen voor de levende en toekomende geslachten.

quot;Wijl het aan de vrouwen niet geoorloofd was, in het eigenlijke klooster te komen, had zich de grootprior Wideiad met den schatmeester Sigebert en den prior Witukind naai- de woning van den spijsbezorger begeven, waar de vrome vaders onder teekenen van grooto ontsteltenis het verhaal van Kisa aanhoorden. Ten slotte was de vrouw met hare vijf kinderen op de knieën gevallen, op een roerende wijze bescherming smoekend tegen den moordenaar Wazo.

))Wees gerust, mijne dochter!quot; zoide Widerad.

ïAVij doen voor u en uwe kinderen, wat mogelijk is.quot; Overigens, ging hij bedenkelijk voort, maken wij door onze deelneming den toorn gaande var den woes-ton graaf. Hij heeft een ziel. voor welke onze Heer Jezus gestorven is, niot ontzien, hij zal ook ons kloos-

-ocr page 107-

97

ter niet sparen. — Wat dunkt u, mijne broeders?quot; wendde hij zich in de latijnsche taal tot de beide waardigheidbekleeders.

»Ik deel uw gevoelen, eerwaarde vader!quot; antwoordde de prior Witukind in dezelfde taal. sDe graaf zal ons den oorlog verklaren, onze boerderijen in brand steken, onze velden verwoesten. Hij zal in deze Gode gewijde plaats vallen en het heiligdom onteeren. En wij zijn weerloos aan de aanvallen van dien verraderlijken, boosaardigen man prijs gegeven.

)■gt;Vergeet niet, eerwaarde vader,quot; herinnerde de schatmeester Sigebert, »dat Wazo sedert lang naar een gelegenheid zoekt, om ons te kunnen aanvallen. Met vreugde zal hij van deze aanleiding gebruik maken, om zijn roof- en moordlust te bevredigen.

«En waar zouden wij hulp en recht zoeken?quot; zeide quot;Witukind. «Iedere daad van geweld is tegenwoordig geoorloofd, elke euveldaad blijft ongestraft, — de koning zelf toch gaat voor, in al wat kwaad is. Men kent de arglistige kuiperijen van het hof, bij hetwelk wij gehaat zijn. Wie weet, of graaf Wazo niet op hooger gezag zoo handelt.quot;

»Mijn God, — welke tijden!quot; riep de groot-prior smartelijk uit. »Eeii roofdier heeft een schaap aan onze kudde ontroofd — en wij moeten aan dat roof-dier ook nog deze onschuldige schapen weerloos prijs geven? Wij zouden hen niet mogen beschermen.

»Wij kunnen het niet, zonder de geheele abdij aan lt;le grootste gevaren bloot te stellen,quot; hervatt'e de prior Witukind.

»Hoe, — zouden wij de leden van onze familie niet mogen beschermen tegen een man, op wien de kerkelijke ban rust, omdat deze man macht heeft?quot; ging Widerad voort.

«Zou dit geen lafheid zijn, mijne broeders? Zou dit

Cam. T. 7

-ocr page 108-

9S

geen groot plichtverzuim zijn jegens deze kinderen van onze geestelijke familie?

»Bedenk de gevaren die de geheele familie bedreigen,quot; bracht de schatmeester in. »De H. Schrift zegt toch: »het is beter, dat een man sterft, dan het geheele volk.quot; Het is beter, dat eenige schaapjes omkomen, dan de gansche kudde.quot;

Widerad schudd'e afkeurend het hoofd.

»Gij dwaalt, mijn zoon!quot; hernam de groot-prior ernstig. »De aangehaalde Schriftuurplaats kan hier niet toegepast worden. De zin uwer rede druischt tegen den geest van onzen heiligen godsdienst aan. Wat zou Jezus Christus, de Heer, in onze plaats doen? Zou hij deze armen weerloos aan den snoodaard overlaten? Stellig niet! Hij zou sterven voor zijne schaapjes, als de nood zulks vereischte. Laten wij derhalve in den geest van Jezus handelen. Deze vrouw en hare kinderen behooren tot onze kloosterfamile, bijgevolg rust op ons de verplichting, hen naar ons best vermogen te beschermen. Het overige laten wij over aan God, den almachtigen Helper.

De monniken zwegen gehoorzaam.

Kisa had gedurende dit latijnsch onderhoud met de teekens van de hoogste spanning en angst toegeluisterd. Wijl zij er geen woord van verstond, zocht zij, in. de gelaatstrekken der monniken te lezen en meende, den zin van het gesprek te gissen,

sTer wille van Gods barmhartigheid!quot; riep zij nu handenwringend uit, ïontfermt u over mij en mijne arme wormpjes! Beschermt ons tegen de slagtanden van den wolf Wazo! Zijn wij de slavernij van het monster niet ontloopen in de hoede en vrijheid van het klooster? O ontfermt u onzer — ontfermt u onzer!

«Luister naar mij, mijne dochter!quot; viel haar de

-ocr page 109-

99

groot-prior in de rede. »Kent gij een veilige plaats voor u en uwe kinderen binnen de grenzen der abdij?

«Laat mij bij mijn zoon Bero, eerwaarde vader!

))Bero krijgt slechts een klein paardenleen en hiervan kan hij geen geheele familie onderhouden,quot; bemerkte de schatmeester.

»Wat bedoelt gij, mijn zoon !quot; vroeg Widerad den leenman.

»Ik vraag u verschooning, eerwaarde vader, als ik in vertrouwen op uwe goedheid, een voorstel doe,quot; antwoordde Bero, »Na den dood mijns vaders vervalt de kluis met al het vee, gereedschap en land weer aan het klooster. Mijn vader zaliger gedachtenis heeft met groote vlijt gewerkt en voor de abdij minstens zestig morgens lands van den boschgrond ontgonnen. Laat gij ons, eerwaarde vader, de koeien en geeft ons daar bij zestig morgen bouwland, die aan het mij beloofde paardenleen grenzen, dan zal ik mijne broeders en zusters behoorlijk onderhouden.quot;

«Gij zijt een goed zoon!quot; prees de groot-prior. »Het geschiede, zoo als gij gezegd hebt.quot;

»Uod zegene u eerwaarde vader!'quot; riep de vrouw-dankend uit, terwijl zij den zoom van Wilderads kleed kuste.

»Laat dat, achterwege mijne dochter!quot; zeide de groot-prior. «Bid veeleer met uwe kinderen God, den Almachtigen, dat hij ons allen in zijn genadige bescherming neme.quot;

-ocr page 110-

100

EEN PAUSELIJK LEGAAT.

De gewoonte der Pausen, Legaten of Gezanten naar alle rijken en landen te zenden, bestond sedert de oudste tijden omdat deze gewoonte, als 't ware, uit de noodzakelijkheid der dingen voortkwam. De werkzaamheid dezer mannen, door de Opperhoofden dei-Kerk gezonden, was buitengewoon heilzaam voor alle menschelijke en staatkundige betrekkingen.

De legaten werkten ter bevestiging en uitbreiding van het Christendom en de kerkelijke tucht. Zij bezochten op last van den Paus kloosters, stiften en bisdommen, sneden vaak met scherpe hand het bedorvene uit. of verschaften recht aan de onderdrukten. Nu eens verschenen zij als vredestichters tusschen' vorsten en prelaten, dan als ernstige berispers aan de hoven der koningen, dan weder als afkondigers van. den banvloek over machtige misdadigers, dan als verdedigers van de kerkelijke rechten tegen de vergrijpen der wereldlijke macht. ')

De legaten van Paus Gregorius VII brachten zijne voorschriften, onderrichtingen en bevelen naai' alle werelddeelen. En de scherpzinnigheid en veelzijdige geest van Gregorius vond altijd voor zijn lastgevingen de geschikte mannen. Nu eens zond hij cardi-nalen, dan weer bisschoppen, abten, of eenvoudige monniken, maar altijd mannen van wetenschap, bekwaamheid en zuiveren levenswandel. Dat hij bij uitzondering den lichtzinnigen cardinaal Hugo Candidus met een gezantschap naar Spanje belastte, bracht de politieke noodzakelijkheid mede; want dit was te doen

•) Over do pauselijke legaten iu den Middeleeuwen Hurter, Innocentius III 1). Til bl. 193—202.

-ocr page 111-

101

om dezen aanhanger van het Salische hof uit Rome te verwijderen.

Gewoonlijk verschenen de legaten met uiterlijke praal, overeenkomstig den tijd en hunne hooge zending. Vorderden beleid en omstandigheden een rondreis, die geen opzien baarde, dan verschenen de legaten als eenvoudige, gewone monniken van klooster tot klooster reizende.

Onmiddelijk na de overwinning van Hendrik IV op de Saksers was de zending van pauselijke legaten naar Duitschland gevaarlijk, want overmoed, onwette-lijkheid en toorn van dezen koning tegen den bewaker van de christelijke zeden, tegen den Paus, hadden hun toppunt bereikt. Deinsde hij niet terug voor de misdaad, om Paus Gregorius in de kerk te laten overvallen mishandelen en in de gevangenis te werpen, evenmin kon men eerbied en veiligheid voor de pauselijke legaten in Duitschland verwachten. Derhalve reisden de gezanten des Pausen in het geheim, en toen de groot-prior Widerad van Klingen zijn ouden vriend, den prior Hyginus van Clugny omhelsde, vermoedde hij niet de buitengewone zending en waardigheid van dezen man.

Hyginus was een licht zijner orde, ijverig religieus ootmoedig rijk aan kennis, ervaren in zaken, moedig in de verdediging der kerkelijke vrijheid. In den omgang was hij vriendelijk, zachtmoedig met rouwmoedige zondaars, streng en bestraffend jegens den verharden booswicht. Hij droeg de gewone grove pij der Benedictijnen, hij had een eenvoudigen hoed op en ging blootsvoets op sandalen.. Onder een sterk geleide van de abdij Limburg kwam hij te Klingen aan, toen de monniken in het koor de vespers zongen. Hyginus bega!' er zich terstond heen, ging bij de biddenden in de rij staan en bad den brevier mede. Na het einde van liet koorgebed omhelsde Widerad zijn vriend.

-ocr page 112-

103

»Hoe goed is de Heer!quot; zeide de groot-prior glimlachend. «Kinderachtig en kleinmoedig mensch, die ik ben, dat ik den dood van onzen vader Dominicus niet met geduld heb gedragen, nu troost mij de Algoede door de komst van mijn innig geliefden vriend. Dierbare Hyginus, wees mij en alle broeders duizendmaal welkom!quot;

De legaat wss getroffen door deze hartelijke ontvangst.

sBeschuldig u zeiven van geen zwakheid over uwe droefheid wegens het afsterven van den eerwaardigen Dominicus, lieve Widerad! Ook de goede Heiland weende bij den dood van zijn vriend Lazarus. Dominicus was een monnik naar Gods hart, een getrouw en moedig dienstknecht van Jezus Christus. Hem zeiven beloont wel is waar de Heer met de eeuwige vreugde voor zijn trouw, maar voor uw klooster is zijn dood een groot verlies in dezen tijd van verbastering en boosheid.quot;

Dit gesprek werd op een fluisterenden toon gevoerd, terwijl beiden naar de cel van den groot-prior gingen, welker hoogst eenvoudig aanzien zich niet onderscheidde van de cellen der overige monniken. Twee lompe stoelen en een bidbank van eikenhout, een laag bed met een stroozak, een hoofdkussen en een wollen deken, — op een boekenplank verscheidene folianten en op de tafel schrijfgereedschap maakten de hoogst eenvoudige inrichting uit van het woonvertrek van den groot-prior te Klingen. Een vluchtige blik op die inrichting, die geheel met de regelen der orde overeen kwam, bevredigde den legaat des Pausen in de hoogste mate

ïiEerst moet ik u wat vragen, lieve Hyginus! Gij zijt een reiziger en hebt aanspraak op eenig gemak. Verlangt gij in de herberg voor vreemden te wonen?

-ocr page 113-

108

xilk onderwerp mij aan uwe bevelen, beste vriend! Toch zon liet mij aangenaam zijn, een cel in het klooster te mogen bewonen.quot;

»Goed! Gij zult de cel hebben van den overleden abt.quot;

»Welke grooter is, dan de overigen, — wellicht met sieraden voorzien?quot; vroeg de legaat.

«Niet grooter en niet verschillend van dé overige cellen,quot; antwoordde de groot-prior. »Wij houden ons streng aan de oude tucht.quot;

Het gelaat van Hyginus glanste van vreugde.

«Geloofd zij God!quot; riep hij uit. »ln de woestijn van Duitsche wanverhouding zijn toch nog eenige oasen van 't kloosterleven te vinden.quot;

»Sta mij nu toequot; n naar den refter te begeleiden, opdat eenige ververschingen uw vermoeid lichaam versterken.quot;

Ook deze woorden vernam de legaat met genoegen; want zij overtuigden hem, dat de regel werd nageleefd, door in de eetzaal en niet in de cellen te eten. Doch ook Klingen maakte hierin een loffelijke uitzondering op de andere kloosters. De verslapte en meestal vervallen tucht had de cellen in drinkvertrekken herschapen en de bespiegelende monniken in drinkebroers veranderd.

Voor Hyginus werden visschen met groenten opgediend. vervolgens brood en kaas, benevens een beker ouden wijn. Vleesch aten de monniken slechts op de hoogste feestdagen.

«Siegfried is toch gelukkig hier aangekomen?quot; vroeg de legaat.

«Gezond en wel!quot; antwoordde de groot-prior. »Wat is dat kind (link opgegroeid! De keur der christelijke ridderschap in goedhartigheid, vroomheid en stellig ook in dapperheid.quot;

«Een leeuw in het gevecht!quot; bevestigde Hyginus.

-ocr page 114-

JO'i

»In den strijd tegen de woeste Noormannen heeft hij buitengewone dingen gedaan. Toen Paus Gregorius beval, de roofnesten in den omtrek van Rome uit te roeien, spreidde Siegfried een omzichtigheid en moed, beleid en dapperheid ten toon, die zijne jaren ver overtrefl'en. Zonder overdrijving durf ik zeggen, dat Siegfried tot de dapperste dienstmannen van den apo-stolischen Stoel behoort.

«Daarover ben ik zeer blijde!'quot; zeide Widerad.

«Kent hij zijn afkomst en de nadere omstandigheden, welke hem naar Clugny brachten?

sNeen! Wij oordeelden het gepast liet verledene niet voor hem te onthullen. Intusschen heb ik van Clugny het bewijsstuk omtrent de afkomst van graaf Siegfried medegebracht, voor het geval dat de omstandigheden dit noodzakelijk maakten.

»De omstandigheden zijn op het oogenblik zeer ongunstig,quot; hervatt'e Widerad treurig. »Wazo leeft nog en wel vijandig gezind jegens de Kerk.

»Wij zullen hierover breedroerig spreken,quot; bemerkte de legaat. «Gedurende mijn verblijf alhier, bid ik u, aan alle geestelijke oefeningen te mogen deelnemen. — Wijs mij nu mijne cel, beste Widerad!quot; zeide Hygi-nus, terwijl hij opstond, het gebed na tafel sprak en hierop den groot-prior volgde.

Tot aan het avondmaal bleef de legaat in zijn cel, waar hij den mantelzak uitpakte, las en schreef. Toen de huisklok het teeken voor het eten gaf, stond Ily-ginus oogenblikkelijk op en ging naar de eetzaal, waaide monniken in een lange rij voor huune plaatsen stonden, het Benedicite baden on zich aan den soberen maaltijd nederzett'en. Gedurende den maaltijd werd geen woord gesproken en allen volgden den voorlezer uit den kerkvader Augustinus. Op den maaltijd volgde een vrije tijd van drie kwartier uurs. Widerad stelde

-ocr page 115-

105

Jen prior van de beroemde abdij Clugny aan de Benedictijnen voor. Zij zagen met eerbied op den voornamen gast neer, en dezen beviel de bescheidenheid der vaders van Klingen zeer wel. Bijna met allen knoopte een gesprek aan, wellicht met het plan om op de hoogte te komen van de vorming en stemming der monniken.

l)e legaat vond met bevrediging bij allen wetenschappelijke bekwaamheid of ten minste belezenheid in de voornaamste godgeleerde werken. Ook was hij niet weinig verheugd over de geestdrift voor den heldenmoed van Gregoriris VII tegen de vijanden der Kerk en van den godsdienst. Na den afloop der racrea-tie werd elk onderhoud gestaakt op het eerste teeken der klok. De kloosterlingen, begaven zich zwijgend naaide huiskapel tot de gemeenzame geestelijke bespiegeling, welke met het avondgebed het regelmatig dagwerk eindigde. Diepe stilte heerschte in het uitgestrekte gebouw tot middernacht. Dan luidde de klok weder, de monniken stonden van hunne stroozakken op spoedden zich naar de kerk, waar de Metten en Lauden deels gezongen, deels afwisselend in het koor gebeden werden. In den nacht weerklonk het eentonig gezang en de sterrenhemel zag vroolijk neder op de vrome plaats des gebeds, waar in psalmen en hymnen (lofzangen) Gods lof verkondigd en de hulp van den Almachtigen voor alle behoeften dei' lijdende meusch-heid werd afgesmeekt. Bij het einde der godsdienstoefening bemerkte Hyginus, hoe alle kloosterlingen treurig en diep geroerd naar het zwarte kleed met het witte kruis keken, dat over den stoel van den abt lag uitgepreid. Hierop ontstond een kort geruisch bij het opslaan der koorstoelen en na weinige oogenbiikken was d eerwaaardige vergadering uiteen gegaan, die eiken nacht hier verzameld was.

-ocr page 116-

1U6

Üeu volgenden morgen liet rfyginus den ridder Siegfried in de spreekkamer ontbieden, waar hij den jongen man vaderlijk omhelsde.

»Hebt gij te Metz uwe boodschap afgelegd mijn zoon?quot; vroeg de legaat na een hartelijken groet.

)gt;Zoo als gij bevolen hadt, eerwaarde vader! Hier is een schrijven van den bisschop Herman.quot; Hyginus brak den brief los en las. Zijn gelaatstrekken werder ernstig en streng.

«Gij brengt treurige tijding, mijn zoon! De abt van St. Eustachius behoort tot die verstokte zondaars, die langs slinksche wegen in den schaapstal komen en niet ophouden, den wijnberg des Heeren te verwoesten. Onze heilige vader Gregorius zal de strengste kerk-lijke straffen op dien huurling moeten toepassen.

Hij stak den brief bij zich.

»Zijn de dienstmannen van Limburg huiswaarts gekeerd?

»Dezen morgen, eerwaarde vader!

»quot;VVij zullen eenige dagen hier vertoeven en vervolgens naar Limburg terugkeeren,quot; zeide de legaat. ))Bij het uiterst treurig verval der kloostertucht in het Duitsche Rijk, bij de algemeene ongebondenheid en bedorvenheid in alle standen, verschaft de vrome geest van dit huis mij grooten troost.

»Ook hier oefenen snoodheid, boosheid en dwingelandij hunne macht uit eerwaarde vader! De onschuld wordt bedreigd, de zwakke door den machtige op de onbeschaamdste wijze onderdrukt.

sHoe bedoelt gij dat mijn zoon?quot; ondervroeg de legaat.

De jonge man verhaalde den moord door VVazo gepleegd aan een een lid der kloosterfamilie. Daarop deelde hij de overmaking mede van den opengevallen staf van abt aan den voogd des konings op den Trifels

-ocr page 117-

107

Vervolgens schilderde hij in levendige kleuren den jammerlijken toestand van Godila en eindigde met het gegrond vermoeden, dat de vorstelijke spruit even zoo een buit van den Salischen snoodaard zou zijn, als het reeds velen van haar geslacht geworden waren.

De legaat, zichtbaar getroffen, zat zwijgend tot het einde. Nu stond hij schielijk op.

«Almachtige God!quot; riep hij met opgeheven handen. «Welke afgronden van boosheid, welke schandelijke toestanden! En ik houd mij reeds een dag hier op, zonder een woord te hooren van de oversten des kloosters, over zaken, die den hemel om wraak roepen.quot;

Hij schudd'e hevig het hoofd en zijn toorn over de goddeloosheden, die hij daar had vernomen, deed zijn oogen fonkelen.

«Veroorloof mij, eerwaarde vader, dat ik den groot prior verontschuldige;quot; zeide Siegfried. »Gij bezoekt hem als vriend, weshalve hij u niet durfde bedroeven door het verhaal van zeer treurige zaken. Had Widerad in u den legaat van den Paus kunnen vermoeden, hij zou niet gezwegen hebben.

»(jij hebt gelijk!quot; hervatt'e Hyginus nog altijd bewogen. Teedere beweegredenen drongen den edelen Widerad, den last des kommers alleen te dragen. Ik ben begaan met het Duitsche volk, zoo buitengewoon bevoorrecht door God, en zoo zwaar bezocht door de regeering van een allerafschuwelijksten vorst. Mijn plicht vordert van mij hier tusschenbeide te komen. Gij echter, mijn zoon, wees op uwe hoede, want deze streek schijnt bevolkt te zijn met gevaarlijke roofdieren en duivelachtige monsters.quot;

Hij drukte hem warm de hand en spoedde zich naar de cel van den grootprior. Bij .zijn binnentreden had Hyginus de gewone rust en helderheid van geest

-ocr page 118-

108

herkregen die hem eigen waren, slechts zijn blik was ernstiger en scherper dan anders.

Widerad was bezig met schrijven aan een dier belangrijke jaarboeken of kronieken, aan welke de nakomelingschap de kennis van het verledene te danken heeft. Zonder de jaarboeken der monniken Lambert van Hersfeld, Bruno van Saksen en anderen, zouden de latere tijden geen voldoende inlichtingen omtrent de belangrijkste gebeurtenissen van die dagen verkregen hebben. Zelfs de schriften van Romeinsche en Grieksche geschiedschrijvers en dichters zouden verloren geraakt zijn, zonder de vlijtige handen der monniken.

»Ha, — gij houdt een nauwkeurig dagboek!quot; zeide de legaat na een vluchtigen blik op de perkamentbladen geworpen te hebben. «Hartelijk dank, onvermoeide, en zonder twijfel ook onpartijdige en onbevreesde kroniekschrijver !

«Waarom onbevreesde?quot; vroeg de groot-prior.

sOmdat er tegenwoordig veel moed toe vereischt wordt, de waarheid omtrent de snoode toestanden in het Duitsche Rijk op te schrijven,quot; antwoordde de geleerde prior van Clugny. ))In bijna alle kloosters heeft de koning zijne bespieders, — dikwijls zijn dit, horribile dictu, de abten zelf. Deze koninklijke spionnen houden nauwkeurig een wakend oog op het werk der kroniekschrijvers, opdat er geen volzin invloeie, die het Salische hof mishaagt. Alle misdaden des ko-nings en die zijner duivelachtige raadslieden moeten verzwegen worden. Daarentegen wordt met genoegen gezien, dat decreten, breven en bullen van den Paus vervalscht en schandelijk verminkt worden, opdat tijdgenoot en nakomelingschap grootelijks bedrogen en misleid worden omtrent den tegen woon ligea strijd tusschen licht en. duisternis. Ik heb mij overtuigd van de vrees van alle kroniekschrijvers, met welke ik per-

-ocr page 119-

109

soonlijk verkeerde. Zij weten, dat zij onringd zijn door spionnen van het hof, zij wagen het derhalve niet, de volle warrheid op te teekenen, — en de huurlingen en leugenaars onder hen werken in den geest des konings. Is een kroniekschrijver oprecht en waarheidlievend, dan bedreigt nem de kerker, zelfs de dood. De toorn echter van het Salische hof wordt slechts bedaard door datgene van de perkamentbladen weg te laten, wat aan hetzelve niet bevalt. Daar om zeide ik, — hartelijk dank, onbevreesde 'j!quot;

»Van de stille verklikkers van het hof heb ik gehoord,quot; zeide Widerad. «Een kunstig net van bespie. ders strekt zich over het geheele Rijk uit, om elke zedelijke verheffing tegen de goddeloooheid van den tegenwoordigen tijd in de kiem te smoren. Ook Lambert van Hersfeld schreef mij over die treurige feiten, hij schikte zich naar de omstandigheden hij durfde het niet wagen, de geheele waarheid mede te deelen. Slechts Bruno van Saksen zou rondweg kunnen spreken, omdat hij beschermd wordt door de vijanden des konings. — In dit huis, dierbare Hyginus, behoort er geenmoed toe, om de waarheid te schrijven, want geen enkele Judas leeft op het geheele gebied der abdij.quot;

»Wat zijt gij gelukkig! — Mag ik eens van naderbij zien ?quot;

»Met genoegen!quot; antwoordde de de groot-prior, het perkament voor den vriend leggend.

»Ei, — wat is dat?quot; riep de legaat uit, nadat hij een weinig gelezen had. »Graaf Wazo vermoordde Gundelkarl, een man van uwe kloosterfamilie? Wat schandelijke daad! Werd de moordenaar ter verantwoording geroepen? Toonde hij zich rouwmoedig — of

') Gfrörer. ü, VII. hl. 4!)8 —501.

-ocr page 120-

110

was het noodig, den ban uit te spreken over den misdadiger?

»Niets van dat alles heeft plaats gehad;quot; antwoordde de groot-prior bedrukt. sOnze abdij mist tegenwoordig elke bescherming, zij is weerloos aan de kwaadwilligheid der machtigen overgeleverd. Gij zult toch wel begrijpen, Hyginus, dat kerkelijke voorschriften niet altijd uitvoerbaar zijn.

))Ik vraag u wel verschooning, beste Widerad! Nooit mag menschelijk opzicht ons doen besluiten, datgene te laten, wat plicht vordert. Over dit punt zullen wij laten verder spreken. — En hier, — hoe, — is het mogelijk? Hebt gij den staf van den abt aan den koning overgegeven?

»Ik durfde liet niet wagen, een gebruik achter te laten, dat alleszins in strijd is met de regelen onzer orde en de voorschriften onzer H. Kerk,quot; hervatt'e de groot-prior treurig.

)gt;En gij wilt gelegenheid geven, dat Hendrik, die vloekwaardige Simonist, ook de waardigheid van abt in dit klooster aan een goddeloos mensch verkoopt? Dat zal nooit gebeuren, Widerad! Vergader nog van daag het convent voor de abtskeuze. Nimmer kunt gij voor God liet verzuim van zulk een gewichtigen plicht verantwoorden.quot;

De groote-prior, buitendien nauwgezet van geweten en gemakkelijk van de noodzakelijkheid zijner verplichtingen te overtuigen, erkende de misdadigheid van zijn gedrag en bewilligde in de bijeenroeping van het convent.

«Tevens vernam ik,quot; begon de legaat na een kort zwijgen, »dat een Saksische maagd, de dochter van den markgraaf Udo, door den koning op den Trifels met afschuwelijke inzichten wordt gevangen gehouden. Is dat bericht waar.

-ocr page 121-

in

«Gerloeltelijk,quot; antwoordde Widerad, verbaasd, dat zijn vriend zoo op de hoogte was van hetgeen in die streek voorviel. «Godila kwam voor zes jaren als een elfjarig meisje naar den Trifels, ontving onderricht bij de kloosterzusters van St. Magdalena, zij is tot een onschuldige zuivere maagd opgegroeid en vermoedt geenszins de boosaardige plannen des konings — zoo zij werkelijk bestaan. Wijl ik de biechtvader van Go-dila ben, kunt gij begrijpen, beste Hyginus, dat ik onmogelijk nadere verklaringen omtrent Godila kan geven.

»Het is wel mijn vriend! Maar gij zult mij de bede toch wel toestaan te allen tijde een waakzaam oog te houden als een vader, op dit weerloos schaapje.

»Dat zal ik doen, — ik zal de beangste zelfs een schuilplaats in ons klooster aanwijzen en haar zoo noodig met gevaar van mijn leven beschermen.

«Dat volkomen met uwe zorg als herder overeenkomt,quot; prees Hyginus. «Roep nu terstond het convent bij een en noodig mij daarbijquot;.

Toen Siegfried, na zijn terugkeer uit de spreekkamer, over het kloosterplein ging, verdween juist Godila met haar kamenier Oda onder den ingang der kerk. Op het gezicht der hoogveerde was de jonge man onwillekeurig blijven staan, terwijl een levendig rood zijn wangen kleurde. Zij had hem niet opgemerkt, en hij dacht na, of het gepast ware, insgelijks de kerk te bezoeken. De beantwoording dezer vraag had voor den teergevoeligen, christelijken ridder eenige zwarigheid ; want volgens zijne opvatting moest men de kerk altijd slechts met godsdienstige inzichten binnentreden. Doch de inspraak zijns harten, die hem nu naar de kerk dreef, vond zijn oorsprong geenszins in een godsdienstige stemming, maar in zijn neiging voor Godila Ook hielp de uitvlucht niet, met het doel van een

-ocr page 122-

112

kort gebed voor het aangezicht des Heeren te verschijnen ; want hij gevoelde, dat bij zijn hevige gemoedsbeweging in tegenwoordigheid van de hoog vereerde elk gebed onmogelijk was. Terwijl zoo de vrome kweekeling van Clugny besluiteloos aarzelde, bemerkte hij op het onverwachts een brug naar de kerk. De gevaarlijke toestand dér hulpelooze jonkvrouw verplichtte hem haar ter hulp te snellen, en naderde hij haar met deze bedoeling, dan vervulde hij den wil Gods, bijgevolg mocht hij, met dit echt christelijk doel, het heiligdom binnentreden, zonder dat hij behoefde te vreezen, het te ontheiligen door de bevrediging eener neiging, die niet onmiddelijk in verband stond met den dienst van God. Niet zoodra had Siegfried deze brug opgemerkt, of hij naderde met overhaaste schreden de kerk, opende haar zacht en ging bijna onhoorbaar binnen.

Godila knielde voor het miraculeus beeld, tot het welk zy hare handen smeekend ophief. Zij droeg heden een volstandiger kleeding, dan bij haar uitstapje naar den ouden eik. Haar hoofd was bedekt met een wit en rood geborduurde muts, welker vorm op de grafelijke kroon van dien tijd geleek. Onder het hoofddeksel hing beur haar los af over den nek en de schouders op een mantel van een witte en groene stof, oji de borst Ujeengehouden door een gouden haak. Onder dén mantel droeg zij een rijk met goud en zilver geborduurd bovenkleed over het lang, tot op de voeten afhangend onderkleed van blauwe kleur, dat aan den zoom met een breeden gouden rand versierd was.

Siegfried stond onbeweglijk achter een zware pilaar, die met hare zusterpilaren het gewelf der drie schepen droeg. Hij staarde naar de biddende, zag bare uitgestrekte armen en begreep den nood van een maagdelijk hart, die haar tot zulk een buitengewone en moeilijke houding aanspoorde. Hij kwam op wil le-

-ocr page 123-

113

keurig op de gedachte, oin hare uitgestrekte armen te ondersteunen, opdat zij zich niet zoude vermoeien. Maar de biddende scheen in deze houding geoefend te zijn; want zij bad voort zonder het minste teeken van vermoeienis. Het miraculeus beeld keek goedig op haar neder en het Kindje strekte zegenend de handjes over haar uit. Eindelijk stond Godila op en ging; met den plechtigen ernst van een levendig gevoelde godsvrucht op het gelaat, dour het middelschip. Siegfried maakte een bescheiden en verlegen beweging naar de naderende maagd. Zijn aangezicht gloeide, zijn gemoedsbeweging scheen buitengewoon groot te zijn, en zijn oog rustte als verblind op de bewonderde. Toen Godila hem bemerkte, kwam een glimlach om haar mond en hare heldere oogen glansten van een blij wederzien. De ridder boog zich diep, zwijgend ging hij naar het wijwatersvat en reikte haar, volgens gebruik, het wijwater. Hare vingertoppen raakten de zijnen, beiden maakten het H. Kruisteeken en verlieten de kerk.

«Verschoon mijne vrijpostigheid, adelijke jonkvrouw!quot; begon hij, zonder haar aan te zien. «Mag ik u mijne diensten aanbieden? Verlangt gij iets, hebt gij een boodschap aan de eerwaarde vaders?quot;

»Jk dank u, heer Siegfried!quot; antwoordde zij met een stern, die hem als een aangename muziek in de ooren klonk. »VVij bezochten heden het miraculeus beeld, volgens onze gewoonte, en keeren zonder toeven naai- den Trifels terug?quot;

«Verlangt gij niet de een of andere verversching, edele dame?quot; vroeg hij op een smeekenden toon.

«Ik heb daaraan niet de minste behoefte,quot; antwoordde zij. «Slechts op die dagen, wanneer ik tot de H. Tafel nader, maak ik gebruik van de gastvrijheid van Klingen, altijd in het gindsche gebouw,quot; en zij wees naar

Ga.n. D. I. amp;

-ocr page 124-

114

de groote herberg. »Hoe bevalt u het stift en zijn omgeving?quot; vroeg zij met een deelnemenden blik.

»Zeer wel! De streek is schoon, het stift eerwaardig en bewoond door achtenswaardige monniken.

«Blijft gij nog langer hier?

«Misschien acht dagen.

«Slechts acht dagen! En dan, heer Siegfried?

»Dan rijden wij naar Worms, waar de koning de vorsten heeft bijeengeroepen.

«Zult gij de vergadering der vorsten bijwonen?

«Toch niet, edele dame! Hiertoe ontbreekt den gewonen ridder het recht.

«De koning liet zich op den Trifels aanmelden. Hij zal voor eenige dagen daar komen, en ikquot;

Zij hield op, ontsteld door de plotselinge verandering van Siegfried, wiens gelaat doodsbleek werd.

«Zijt gij ongesteld, heer ridder? vroeg zij deelnemend.

«Bij het hooren spreken v;yi den koning,quot; antwoordde hij verward, «overvalt mij soms een zeer zonderling gevoel. Hendrik IV moet een uiterst gevaarlijk en verschrikkelijk mensch zijn, — en hij komt op den Trifels!

«Verschrikkelijk en gevaarlijk?quot; herhaalde zij ondervragend.

Siegfried zag de oogen van het kind vragend op zich gericht en erkende hot gemis van elk begrip omtrent de vermeende gevaarlijkheid van den Saliër.

«Alleszins gevaarlijk en verschrikkelijk; want hij onderdrukt onschuldigen en moet voor de grootste misdrijven niet terugdeinzen.

«De koning is ongetwijfeld rijk aan misdaden,quot; bevestigde zij met een treurig hoofdknikken «Op zijn bevel woedden moord en brand in Saksen. Toch verwacht ik met vurig verlangen den wreeden verwoester van mijn geboortegrond. Op mijne knieën zal ik hem verschooning srneeken voor de Saksers.

-ocr page 125-

115

))De H Schrift zegt: werpt liet heilige niet voor de honden,quot; hervatt'e de jonge man onrustig. Knielt gij voor den Saliër, dan zondigt gij tegen deze uitspraak der H. Schrift, adelijke jonkvrouw! Het past uwe waarde niet, de knie to buigen voor dezen mensch, — werpt liet heilige niet voor de honden. Vertrouw toch de woorden van dien heer niet — hij liegt. Alles belooft hij, maar hij houdt in niets zijn woord. Hij zweert eeden met het voornemen, ze te breken. Hij is een doortrapte booswicht, tot elke schandelijke daad in staat. Vermijd hem, ontvlied hem, op dat zijn pestademende nabijheid uwe reinheid niet bezoedele.quot;

Zij stond voor den waarschuwenden ridder en keek hem verwonderd aan.

«Gij denk al te slecht over den man,quot; zeide zij.

»Sedert zes jaren verleent liij de verlatene bescherming. Zijn voogd is vol goedheid en voorkomendheid, in elk geval zoo als het een slotvoogd betaamt. Nimmer wedervoer mij iets kwaads op den Trifels. Ik geloof', dat de koning mijn smeeken verhooren en mij naar mijn vader zal terugzenden.quot;

Hij weerhield zijn vrees en onderdrukte zijn angst ten gevalle van de schoone, omdat hij geen mogelijkheid zag, haar genoegzame hulp te kunnen verstrekken.

«God neme u in zijn almachtige hoede, edele dame!quot; zeide hij.

Zij kwamen bij het paard, dat een krijgsknecht bij den teugel hield. Vier andere dienstmannen van den Trifels zaten te paard. De kamenier steeg in den zadel. Siegfried huldigde de dame volgens ridderlijk gebruik, terwijl hij zich voor haar op een knie neder-liet en haar hand met de lippen aanraakte. Vervolgens besteeg zij, op zijn arm leunend, het paard riep hem vaarwel toe en reed aan de spits van het gevolg weg.

Lie jonge man keek de schoone paardrijdster na,

-ocr page 126-

nfi

totdat haar fladderend kleed achter den zoom van het woud verdween. Hierop keerde hij, in droevig nadenken verzonken, naar zijn woning terug.

DE ABTSKEUZE.

Intusschen hadden de monniken zich vereenigd in de huiskapel. Deze was bij de kerk aangebouwd, met een steenen altaar, muurschilderingen en heiligen beelden versierd. De monniken zaten op eenige rijen banken welker boveneinde door het altaar en welker ondereinde door den stoel van den abt, werd afgesloten. Deze stoel zeer oud en plomp van maaksel, was uit een enkelen steen gehouwen, in welken men een holte had aangebracht, die tot zetel diende, de leuning was van eenige ruwe ornementen voorzien. Deze stoel afkomstig uit den tijd van koning Dagobert, verhief zich op een vierkanten steen, tot welken twee treden leidden, er rechterzijde van den openstaanden stoel had Wide rad. de groot-prior, op een vierkante bank van eikenhout plaats genomen, ter linkerzijde zat Witukind, de prior, vervolgens Sigebert de schatmeester, Adalbert de aalmoezenier en eindelijk Hildolf, de deurwachter. Naast don minsten waardigheidsbekleeder des kloosters zat bescheiden Hyginus, de prior van Clugny.

Hoe geoefend de vrome vaders ook waren, om elke opwelling te onderdrukken en alle natuurlijke neigingen aan de regelen der orde dienstbaar te maken,

-ocr page 127-

117

toch kg op menig gelaat de uitdrukking eener hevige spanning, over deze plotselinge vergadering van het convent. Deze spanning werd vermeerderd, door den ongewonen ernst van den groot-prior, in wiens blikken de monniken de een of andere slechte tijding meelden te lezen. Toen Widerad, na het spreken van een • kort gebed, waarin hij den bijstand van den H. Geest over de aanstaande vergadering ai'smeekte, op zijn goedige en vaderlijke manier begon te spreken, luisterden allen met de grootste opmerkzaamheid, die weldra in angst en ontsteltenis zou veranderen.

«Eerwaarde broeders!quot;' begon de groot-prior.quot; Met uwe toestemming volbracht ik, door het overzenden van den opengevallen stal' van den abt aan den koning, een handeling, die tegenwoordig in gebruik is. Ongetwijfeld strijdt deze handeling met de regelen van onzen H. Vader Benedictus, die beveelt, terstond na den dood van den abt bij vrije keuze der monniken een nieuwen abt te kiezen. De eerste plechtige handeling van den nieuw gekozen abt moet de ter aarde bestelling van den overledene zijn. Door den eerwaarden broeder Hyginus, prior van Clugny, op dit zwaar vergrijp tegen de oude regelen der orde opmerkzaam gemaakt, haastte ik mij het convent bijeen te roepen, opdat gij, eerwaarde broeders, rijpelijk zoudt overwegen, of het mogelijk, raadzaam en verstandig is, in deze benauwde tijden den regel te vol' gen en onmiddelijk een abt te kiezen. Ofschoon mij de gevaren eener dergelijke keuze voor ons klooster duidelijk voor oogen staan, geef ik toch mijn stem, om den regel van den li. Vader Denedictus te gehoorzamen en door een oprechte keuze een waardigen abt voor onze geestelijke familie te kiezen.quot;

De uitwerking dezer toespraak op de monniken was buitengewoon. Allen zaten verbaasd en ontsteld; want

-ocr page 128-

IIS

allen erkenden de kwade gevolgen eener vrije abtskeuze onder liet despotieke bestuur van Hendrik IV. De scherpe oogen van den pauselijken legaat monsterden de sprakeloos zittende magere gestalten, wier zieloangst duidelijk op de voorhoofden geschreven stond. Geen enkele sprak een woord, aller hoofden zonken als door een zwaren last ter nedergedrukt, op do borst, en het uitdrukkelijk bevel van Widerad was noodig om de vergadering te noodzaken in deze gevaarlijke zaak hunne meening te uiten.

«Eerwaarde broeder, Sigebert,quot; wendde cle grootprior zich tot den schatmeester, «laat ons uw gevoelen hooren.

«Nimmer viel mij de gehoorzaamheid zwaarder, dan op ditoogenblik, eerwaarde vader!quot; hervatt'e de schatmeester. «Wel zegt de regel van den H. Benedictus: electio abatis Uberrima sit, — de keuze van den abt moet geheel vrij zijn. Wij hebben het recht een abt op dezen openstaanden eerwaardigen stoel te kiezen, zelfs rust op ons daartoe de verplichting. Maar de macht heeft ons van het recht beroofd, en macht gaat boven recht en plicht in dezen bedroevenden tijd van bandeloosheid. De koning benoemt de abten, en de koning is een hardvochtig, achteloos, wreed man. Hij zal ons een abt opdringen geheel naar zijn willekeur. Wij echter zijn onmachtig, wij zuchten onder da ijzeren hand van gewetenlooze machtbezitters, bijgevolg-zou het volbrengen van de regelen der orde nul en van geener waarde zijn.quot;

üe monniken knikten toestemmend, — een treurige waarneming voor den legaat des Pausen.

«Aangenomen,quot; zeide de prior Witukind, «dat wij toch een abt kiezen, welke gevolgen zou dit hebben '! Zonder in het minst acht te slaan op onze keuze, zou de koning een abt benoemen, en dengenen, dien wij

-ocr page 129-

119

gekozen hebben, van den stoel stooten. Soldaten zouden onze stille woning binnendringen, zij zouden het niet wapengekletter vervullen, misschien de eerwaarde broeders mishandèlen. Ik spreek over bekende zaken, men kent toch de handelwijze des koings in dergelijke gevallen. Voorbeelden spreken. Buitendien misnoegd en verbitterd over den geest onzer familie, zou de Saliër van deze gelegenheid gebruik kunnen maken, om zijn toorn aan de zonen van den H. Benedictus te bekoelen. Het zou hem nauwelijks voldoende zijn, den door ons gekozen abt uit het klooster te jagen, hij zou hem in den kerker werpen en mishandelen. De abdij zou hij van hare bezittingen en rechten berooven ten voordeele zijner schatkist; want Hendrik IV is niet alleen hardvochtig, heerschzuchtig en wreed, maar ook hebzuchtig. Nogmaals ik spreek niet zonder grond, ook hiervan zijn talrijke voorbeelden. Bij gevolg zou een abtskeuze van onzen kant niet alleen vergeefsche moeite, maar ook hoogst gevaarlijk en verderfelijk zijn.quot;

Weder knikten de monniken tóestemmend.

»lk sluit mij aan bij het votum van de eerwaarde broeders Sigebert en Witukindquot;, zeide Adalbert, de aalmoezenier.

De legaat voorzag, dat alle vijf en veertig monniken hi gelijken zin zouden stemmen. Met toestemming van den voorzitter stond hij op om te spreken.

aZeer geliefde broeders!' begon hij. »Wijl ook ik tot de groote familie van den H. Benediches behoor, zij het mij geoorloofd in deze gewichtige aangelegenheid eenige woorden tot u te spreken. De eerwaarde broeders hebben met recht gewezen op de gevaren voor een vrije, rechtstreeksche abtskeuze van den kant des Duitschen konings. In het geheele Rijk toch is de boosheid en willekeurige heerschappij van dezen man bekend. Hij deinst voor geen misdaad terug. Wie zich

-ocr page 130-

120

naar zijne dwingelandij niet schikken wil, maar God en zijn plicht meer gehoorzaamt, dan menschenvrees, dien valt 's konings wraak ten deel, bijzonder in de gevallen, welke de geldzucht van den Saliër nadeel toebrengen. Zooals bekend is verkoopt deze koning bisdommen en abdijen aan de meestbiedenden. Hij houdt een formeele markt, waarop hij bisschopmijters en de staven van abten te koop biedt. Om deze en andere misdrijven is hij sedert lang in den ban, en wijl de Algoede het licht van kennis van den misdadiger heeft weggenomen, daarom gaat hij voort op de baan van goddeloosheid zonder berouw en verbetering des levens. De meest bedorven en slechtste menschen, zelfs gehuwde priesters en moordenaars, plaatst hij op de stoelen van bisschoppen en abten, als zij slechts groote sommen betalen en de behulpzame hand aan den koning bieden op zijn weg des verderfs Zoo komt het, dal 'tegenwoordig in Duitschland en Italië een groot aantal huurlingen, simonisten en misdadigers de hoogste kerkelijke waardigheden bekleeden, ten verderve van vele zielen. (Jok in dit klooster, uitstekend door zijn tucht en den geest der monniken, zal hij een slecht mensch zenden. Hij zal dezen eerwaardigen stoel ont-eeren door Simonie, wellicht hem onteeren op de schandelijkste wijze door een gehuwd priester; in elk geval zal hij een werktuig zijner helsche plannen ook voor Klingen kiezen. — Nu vraag ik u, eerwaarde broeders, moogt gij, kunt gij een dergelijken abt aannemen? Zou de goddeloosheid ook binnen deze muren zijn intrek niet nemen? Zou een dusdanige abt niet die monniken verdrukken en kwellen, die stipt den regel willen houden? Zou ook niet spoedig de pest van tuchteloosheid en misdadigheid ih dit huis heerschen? Bovendien zou een waar monnik het leven onder een zoodanigen abt mogelijk zijn? — Bijgevolg zou het

-ocr page 131-

121

een groot plichtverzuim, een verschrikkelijke last op uw geweten zijn, eerwaarde broeders, als gij van den koning, dien vorst der duisternis, een Simonist, een roover en zielemoorder wildet aannemen. Vreest den koning niet, vreest alleen God. Onze goede Zaligmaker heeft toch gezegd: »Niet hen moet gij vreezen, die het lichaam dooden, doch de ïiel niet kunnen schaden, maar gij moet God vreezen, die lichaam en ziel in den afgrond der hel kan storten.quot; Weest ook niet beangst in uw gemoed wegens den treurigen toestand in hel Rijk, de verdrukking, mishandeling en gewelddadigheid ann de kerk en hare bedienaren gepleegd. Wel zegevier! de koning voor 't oogenhlik, wel gebruikt hij geweld in zijn hoovaardij tegen de getrouwe aanhangers van den apostolischen Stoel, — vergeet evenwel niet, dat God alleen de lieer is, dat hij do hoovaar-digen van den troon stort en de ontmoedigen verheft. Wil de Heer. onze smartvolle beproeving onzen prijzens-waardigen strijd beperken, dan verandert zijn Almacht den stand van zaken en breekt de horens van hen, die ons bedreigen. Daarom bid en bezweer ik u, gehoorzaamt aan God, gehoorzaamt aan den regel en kiest een waardigen abt.quot;

De rede van Hyginus maakte wel is waar indruk, maar de ontstelde monniken waren niet te bewegen, hnn klooster aan den toorn van den wraakgierigen Saliër over te leveren.

«Eerwaarde vader!quot; zeide Witukind, «wij danken u voor uwe vermaning. Geve de barmhartige God, dat de keuze van Hendrik op een bekwaam man vuile. Daarentegen was de ondergang van ons klooster-verzekerd, als wij een abt wilden kiezen. Derhalve kiezen wij, zooals het wijsste is, van twee kwaden het beste.

mIs dit de meening van u allen?quot; vroeg Hyginus aan de vergadering.

-ocr page 132-

133

»Wij bezitten geen vrijheid, geen keuze!quot; klonk liet treurige antwoord.

Nu verliet Hyginus zijn plaats en beklom tot over-groote verbazing van de ontstelde monniken de treden van den stoel van den abt, ging oj) den stoel zitten en reikte den groot-prior een perkament over, dat hij tussclien zijn kleed te voorschijn gehaald had.

»Lecs, geliefde broeder,quot; zeide hij, en deel het aan de eerwaardige vergadering mede.quot;

O o O

Nauwelijks had Widerad eenige regels gelezen of bij stond onder teekenen van de grootste verrassing op, maakte voor den legaat een diepe buiging, en wendde zicb toen, niet zonder verlegenbeid, tot de vergaderde vaders van Klingen.

))\Vat gij hier ziet,quot; begon hij, het perkament omhoog houdend, »is een decreet van den Paus, het Opperhoofd onzer H. Kerk, Paus Gregorius VU., hetwelk inhoudt, dat de eerwaarde prior Hyginus van Clugny als pauselijk legaat, voorzien met uitgebreide volmachten, naar het Duitsche Rijk is afgevaardigd.quot;

Alle monniken stonden van hunne zitplaatsen op, niet weinig onthutst en verward over een zoo' onverwachte, plotselinge onthulling, die /.ij niet hadden kunnen vermoeden. Hyginus behield zijn bevalligen ernst, terwijl hij de eerbiedige buigingen der monniken vriendelijk beantwoordde.

«Laten wij nu, eerwaarde broeders,quot; ging hij voort) »het onderwerp in den geest onzer H. Kerken volgens de voorschriften van onzen H. Vader, Gregorius, ten einde brengen. In het voorbijgaan echter een korte opmerking omtrent de onverwachte ontmaskering van een man in de hoedanigheid van apostolisch legaat, dien gij slechts als prior van Clugny moest leeren kennen. Zoo als u bekend is, eerwaarde broeders, brengt koning Hendrik op gewelddadige wijze het vrije verkeer

-ocr page 133-

123

van den Paus met het Duitsche Rijk, van den oppersten Herder met de kudde, in gevaar. Daarom verplicht de voorzichtigheid de legaten in het verborgen te reizen. Krachtens de gehoorzaamheid, die gij aan den apostolischen Stoel verschuldigd zijt, beveel ik u, eerwaarde broeders, het strengste stilzwijgen tegen iedereen te bewaren omtrent mijn Roedanigheid van pauselijk legaat, opdat een vergrijp aan den bode van het Opperhoofd der Kerk de talrijke misdaden van den Saliër niet vermeerdere. Had menschenvrees u niet doen besluiten, de regelen van den H. Benedictus en de voorschriften der Kerk, met betrekking tot de keuze van een abt, te willen overtreden, dan zoudt gij slechts den prior van Clugny hebben leeren kennen. Nu evenwel gedwongen, om in den geest en volgens de volmachten van den H. Stoel te handelen, heb ik vast besloten en ben verplicht, dit vroom klooster te behoeden, tegen een misstap zoo noodlottig in zijn gevolgen. Weet derhalve, eerwaarde broeders, dat volgens de besluiten der laatste kerkvergadering, niet Paschen te Rome gehouden, al diegenen afgezet en in den ban zijn, welke geestelijke waardigheden en ambten koopen of verkoopen. Insgelijks is gehoorzaamheid verboden aan hen, die door koop geestelijke ambten en waardigheden verkregen hebben, ('j — Zoudt gij van den koning een abt aannemen, welke door Simonie tot die waardigheid is gekomen, dan kan dit niet plaats hebben, zonder dat gij het gewicht van zware kerkelijke straffen op uwe zielen laadt. Daarom bid en bezweer ik u; alle menschenvrees af te leggen en liever te sterven, dan roovers en zielemoorders in het heiligdom te dulden-Vestig toch uwe blikken op onzen H. Vader, Gregorius Vil! Door den Allerhoogsten tot zijn Stedehouder op

1) Gfrörcr, D VII. bi. 399.

-ocr page 134-

124

aarde geroepen, is hij onvermoeid ^in het bestrijden vim het booze, in het uitroeien van het onkruid, dat welig opschiet in Kerk en Rijk, uitgestrooid door de kinderen des verderfs. Gruwelijk is de verbastering) Ontzettend de heerschappij en verwoesting der afzich-telijkste hartstochten. Verdrukking der onschuldigen en zwakken, mtiord en afgrijselijke misdaden hebben in alle landen plaats. Oprechte priesters en bisschoppen worden blind geni akt, gedood en gemarteld. Menschen, zonen van Belial, wier handen met bloed bevlekt zijn, koopen hooge kerkelijke waardigheden, en verspreiden door goddelooze leerstellingen en slechte voorbeelden do verdorvenheid hunner harten. Gehuwde geestelijken onteeren altaren en doen de Kerk, die zuivere bruid des Hoeren, schande aan. Tot reusachtige bergen zijn gruwelen en schanddaden van allerlei aard opgestapeld, en bedreigen alle beschaving en kennis, die aanvallige kinderen van het Christendom, Zoo is de stem des Pausen die van den roepende in de woestijn. Het heilig woord en de strenge wacht alleen verhindert het ineenstorten van alle christelijke orde, de verandering van godsvrucht in ruwheid, barbaarschheid en ongebondenheid. Zijn straffende hand schrikt de booswichten af, zijn herderlijke vermaningen bemoedigen de wankelenden en bevestigen de goeden. En met deze herderlijke woorden van het Opperhoofd der kerk treed ik voor u op, eerwaarde broeders! Legt alle menschenvrees af. Denkt niet aan het aardsche, maar aan het eeuwige. Kiest een oprechten, godvreezen den, verstandigen vader voor deze familie in Klingen.quot;

De rede van den pauselijken legaat maakte een veel dieperen indruk, dan de rede van den prior van Clugnij. Het bewustzijn, den plaatsbekleeder des Pausen voor zich te zien, verhief den moed der monniken, en de herinnering aan den heldhaftigen strijd van Gregorius

-ocr page 135-

met de machten van den booze was op een vruchtbaren bodem gevallen. Een begeesterde, blijde beweging greep de gehoele vergadering aan.

»Verre zij van ons elke gemeenschap met den god-delooze!quot; riep de groot-prior. «Eerwaarde broeders! verdrijft den wolf, — kiest den abt!quot;

»Wij willen hem kiezen ! ' riepen allen overschrokken.

»Zou het niet mogelijk zijn, eerwaarde vader,quot; vroeg de voorzichtige schatmeester, »de gehouden abtskeuze voor de openbaarheid geheim te houden, opdat niet de toorn des konings noodeloos opgewekt worde?

»Dit kan gebeuren,quot; zeide de legaat toestemmend. De openlijke, plechtige verheffing en wijding van den abt mag tot een geschikt tijdstip verschoven worden. Overweegt voor God, eerwaarde broeders, wicn gij op den openstaanden stoel wilt plaatsen. De keuze begint morgen volgens voorschrift met de H. Mis de Spiritu sancto. - Veroorlooft mij tevens het bespreken van een andere zaak, die ik, overeenkomstig mijne zending niet mag voorbijgaan. Paus Gregorius houdt zich stipt aan de plicht van den oppersten Herder, om alle verdrukten bescherming en recht te verleenen tegenover de machtigen. Nu heeft graaf Wazo den dorper Gun-delkarl, een lid uwer kloosterfamilie, in het open veld vermoord. Wegens deze euveldaad rust de banvloek op den graaf, een schuld, die slechts door gestrenge boete kan nitgewischt worden. Hot is mij wel bekend, dat vele adelijken en grooten bet leven hunner lijfeigenen zoo gering schatten, dat zij met hen handelen, als met redelooze dieren. De Kerk evenwel veroordeelt deze verachting der menschenwaarde, en leert, dat de ziel der lijfeigenen even zoo waardig en kostbaar voor God is, als de ziel eens konings. Omdat de moord gepleegd is aan een beschermeling der Kerk, welke met moederlijke liefde waakt over al

-ocr page 136-

12(;

hare kinderen, daarom groeit de misdaad van W azo tot zulk een groote aan, dat slechts de absolutie van den Paus den misdadiger van de bloedschuld kan ontheffen, — en slechts dan als hij zich in berouw en vermorzeling des harten aan de bepaalde boete onderwerpt. — Ik vraag nu, werd den graaf Wazo de groote zijner misdaad voor oogen gehouden? Werd hij tot boete en verbetering des levens vermaand?

»De moord had eerst voor twee dagen plaats,quot; antwoordde Widerad. ))Tot mijne beschaming moet ik bekennen, dat ik van droefheid over het verscheiden van onzen vader Dominicus, de mij voor oogen gestelde verplichting geheel over het hoofd heb gezien.

«Daarbij is het de vraag, of de woestheid en roekeloosheid van den moordenaar Wazo een vei maning vruchtdragend of raadzaam doen schijnen,quot; zeide Sige-bert, de schatmeester. »Deze Wazo is een gewetenloos mensch, tot elke daad van geweld in staat. Hij martelt en kwelt zijn lijfeigenen op de gruwelijkste wijze. Met den koning innig bevriend, invloedrijk aan het hof, uithoofde van het groot aantal zijner krijgsknechten. veroorlooft hij zich straffeloos elke wandaad. Kortom, graaf Wazo behoort tot die Rijksgrooten, die op goddelijke noch menschelijke voorschriften acht slaan, die alles doen, waartoe een wreede gemoedsstemming, wellust, hebzucht en andere hartstochten drijven. Wazo, meer heiden, dan christen, zou niet alleen elke vermaning verachten, maar ook diegepe niet de zweep laten afrossen, of dooden, die het waagden. hem een strafpredikatie te houden.

„Moet men dus Wazo ongehinderd laten voortwoeden,

_ laten martelen en moorden?quot; zeide de legaat inet

nadruk. »Dal zij verre! De Kerk werd door God in deze wereld gesticht, om het verlorene te redden, het kwaad te straffen, de onderdrukten te beschermen. Aan geen

-ocr page 137-

m

enkeion maclitige is het geoorloofd zwakken te mishandelen, te martelen, of te dooden. Daarom moet graaf Wazo aan het verstand gebracht worden, dat hij den misten zijner lijfeigenen moet achten als zijn naaste, als kind en evenbeeld van God, als erfgenaam van het eeuwig leven. Neen, nimmer,quot; riep hij uit op beslissenden toon, »de Kerk zul de menschenwaarde niet laten vertreden en onteeren! Krachtens mijne volmachten vermaan ik u, den moordenaar Wazo bekend te maken, dat de ban openlijk over hem is uitgesproken en dat hij van de gemeenschap der geloo-vigen blijft uitgesloten, totdat hij boete gedaan en voldoening gegeven lieeft.

«Daarover zal de graaf blijde zijn, heer legaat!quot; antwoordde Sigebert. «Sinds lang haakt hij, naar dlt;; goederen van ons sticht. Hij zal dus een oorlog beginnen, onze akkers en zaad velden verwoesten, onze boerderijen en gehuchten in bezit nemen. En wij zijn niet in staat, geweld met geweid te keeren.

«Ofschoon koning Dagobert dit stift met vijftien honderd dienstmannen begiftigde?quot; vroeg de legaat op berispenden toon. «Gij hebt, behalve tie zorg voor het zielenheil en de veredeling van den mensch, de uiterlijke bescherming in dezen woesten tijd verwaarloosd. Zelfs is Klingen voor het oogenblik zonder voogd.

«Omdat er geen krijgskundig man te vinden was, op wien wij ons konden verlaten,quot; verontschuldigde de schatmeester. «Wazo loert wel op de voogdij, maar dit zou zijn, onze familie in de klauwen van den wol werpen.quot;

Hijginus zat eenige oogenblikken nadenkend.

«Ik geloof, een jeugdig held gevonden te hebben,quot; zeide hij, «wiens dapperheid en krijgskunde in staat is deze abdij tegen alle vijanden te beschermen. 01'

-ocr page 138-

hij evenwel Je voogdij zal aannemen, is ivvijfelachtig. Ik zal trachten hem over te halen. — Is de burcht van Wazo hier ver af?quot; keerde hij zich tot Widerad.

»Drie uren van hier, in de Vogezen,quot; antwoordde de groot-prior.

))0p een flink paard kan hij in minder dan twee uren bereikt worden,quot; voltooide Sigebert.

»Uwe vrees, eerwaarde broeders, om berispend tegen dit monster op te treden, is begrijpelijk,quot; ging de legaat voort. «Wijl mij nu de Paus, onze heer, aangewezen en gevolmachtigd heeft, allerwege in het Duitsclie Rijk de kerkelijke wet zooveel mogelijk in aanzien to brengen, straffen over misdadigers uit te spreken, verdrukten te beschermen, de christelijke gebruiken en de rechten van den mensch te verdedigen, tegen den allesvernielenden stroom der ondeugden, den dam van godsdienstige tucht op te werpen. — zal ik zelf graaf Wazo zijn misdaad voorhouden. Ik zal hem tot boete vermanen en hem, naar het voorschrift de« Pausen voor dergelijke gevallen, opleggen, naar Rome te reizen en daar de absolutie af te srnee-ken.quot;

Dit besluit van den legaat bracht een heftige beweging onder de monniken te weeg. Een gemor van ontevredenheid verhief zich van alle zijden.

«Verschoon mij, heer legaat, dit kunnen wij onmogelijk toestaan!quot; riep Sigebert uit. »Wij kunnen de verantwoording niet op ons nemen, den gezant van den Vader der Christenheid aan dien wolf der Voge-r.en over te leveren.quot;

))Ik ben gaarne bereid, die boodschap op mij te nemen,quot; zeide Widerad. »Ja. alleen op mij, den grootprior, rust de verplichting, de rechten der abdij te vertegenwoordigen en den moordenaar van onzen dorper Oundelkarl tot erkentenis zijner misdaad te bewegen. '

-ocr page 139-

129

«Verschoon mij, eerwaarde varter, mij komt dit toe!quot; wierp Sigebert tegen. «Volgens de regelen van den H. Benedictus is de schatmeester verplicht de vrijheden, voorrechten, eigenhoorigen en bezittingen der abdij tegen vijandelijke aanvallen te beschermen. Bijgevolg zal ik mij naar het hol van 't wilde dier begeven.quot;

Widerart maakte tegenwerpingen en Hyginus glimlachte over dezen edelen wedstrijd.

»Wijl hier sprake is van een uitwendige aangelegenheid des kloosters,quot; zeide hij, «behoort alleszins die tocht naar den burcht van den graaf tot den werkkring van den schatmeester. En ik zal u, eerwaarde broeder, met de dienstmannen van den Paus derwaarts vergezellen. Wellicht kan ik u tot iets van nut zijn. Met het aanbreken van den tweeden dag trekken wij op. — Ik sluit deze vergadering met de vermaning, eerwaarde broeders. God te smeeken, dat hij u tot de abtskeuze zijn Geest schenke, den Geest van Wijsheid en Verstand.quot;

De legaat stond op. Na het spreken van een ge-meensdiappelijk gebed tot slot verlieten alle monniken de kapel. Zij gingen zwijgend door de gangen en begaven zich naar hunne cellen, niet weinig opgewonden door voorvallen, die de gewone stilte van hun bespiegelend leven onderbraken en de abdij met hevige stormen bedreigden.

Den volgenden morgen zat Hyginus in de kerk, op den troonzetel, die door de abten bij plechtige godsdienst oefeningen gebruikt werd. Hij had een rood ka-zuivel aan van kostbare stof, rijk met goud geborduurd, tevens een kunststuk van borduurwerk uit het vrouwenklooster St. Magdalena. Naast hem stonden twee diakens, in rijke dalmatica's gekleed. Voor de trappen van den troonhemel vormden de gezamenlijke monniken een grooten halven cirkel, terwijl zij de toespraak van den

CAS. I). I. lj

-ocr page 140-

130

van den legaat met teekenon van ile grootste opmerkzaamheid volgden. Behalve de monniken hevond zich niemand in de kerk, want tie keuze van den abt moest voorlot pig geheim blijven.

»Wat moet ieder klooster op de eerste plaats zijn. begon de legaat van Gregorius zijn aanspraak, x^let moet de onophoudelijk ten hemel opstijgende stem der Kerk zijn, welke zegen en genaden afsmeekt voor allen, maar bijzonder voor den oppersten Herder, den Paus, opdat God hem wijsheid en kracht verleene, het scheepje van Petrus zoo te besturen, dat geen ziel verloren ga, die zich in het scheepje bevindt. Deze geest van aanhoudend gebed moet elke kloosterfamilie bewaren en beoefenen. Gebeurt dit, dan zal zij ook de overige bestemmingen en doeleiden van haar bestaan vervullen. Zij zal de menscheiijke natuur, zoo zeer tot het kwade geneigd, beteugelen, gelijk de H. Paulus, zegt: Ik beteugel mijn lichaam en breng het onder bedwang. Een aanhoudende vooruitgang in alle deugden, een vruchtbaar streven naar ootmoed, kuischheid, geduld, wijsheid, welker begin de vreeze Gods is, — maar op de eerste plaats gehoorzaamheid, zal de monniken versieren. Ja, mijne broeders, gehoorzaamheid is de hoeksteen van allen zegen en allen goeden gang van zaken voor een geestelijk genootschap. Daarom wilde onze Heer Jezus Christus ons ook een voorbeeld van gehoorzaamheid geven, van een volmaakte gehoorzaamheid tot den dood des kruises. »Hij heeft zich zeiven vernederd, hij is gehoorzaam geworden tot den dood des kruises,quot; schrijft de H. Paulus aan die van Philippi. Gelijk de regelen der orde van de monniken strenge gehoorzaamheid aan hunne oversten vordert, zoo verkenen zij ook aan de abten uitgestrekte rechten. Daarom is de keuze van een vromen, verstandigen in de wetenschappen zeer ervaren abt voor elk klooster

-ocr page 141-

131

een levensvraag. De tegenspraak van deti wereldgeest tegen de hoogere orde van God dringt tot een aan-houdenden strijd. Job heeft reeds gezegd: »Ons leven is een krijgsdienst. »En de monniken moeten dappere ridders zijn onder de banier dos kruises. Zij moeten zonder ophouden strijden tegen de vijandelijke aanvallen die hen in- en uitwendig bedreigen. Daarom herinnert ons dagelijks de brevier in de completen aan de woorden van den H. Petrus: »Fratras. sobrii estote el vigil ale, quia adversarhis vestcr diabolus tamquam leo rugiens circuit, quaerens, quem devorel; cui resis-lile fortes in fide,'' — Broeders, weest matig en waakt, wijl de duivel, uw tegenstander, rondloopt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden, weerstaat hem dapper in het geloof. Alle monniken zijn krijgslieden en hun aanvoerder is de abt. Zullen de krijgsknechten zegevierren, ais hun aanvoerder traag, onwetend, bevreesd voor den strijd en lafhartig is? Gelijk het leger van den aanvoerder, zoo is het klooster de spiegel van zijn abt. De godsvrucht, de liefde voor orde, de lust voor de wetenschappen gaan van den abt even gemakkelijk op de monniken over, als diens plichtvergetelheid, wereldschgezindheid en lauwheid. Daarvandaan komt de belangrijkheid en hooge beteekenis van de keuze van een abt.quot; ')

Hyginus had niets ongewoons en nieuws verteld; hij luid den monniken eenvoudig den sinds langs bekenden en beoefenden geest van de regelen der orde voorgehouden; evenwel werden deze inleidende woorden van den legaat met levendige spanning aangehoord. Uit de hand van den diaken ontving hij het rituaal (boek der kerkgebruiken), hetwelk den vorm en de orde der abtskeuze voorschreef.

l) Hurter, lauocnutius 111 'J. lil bi, 6Gü.

-ocr page 142-

13-2

«Belooft derhalve voor God,quot; ging Hyginus voort. »wat onze Moeder, de H. Kerk, u gebiedt te beloven. sBelooft gij,quot; las Hyginus uit liet boek, «slechts hem tot abt te kiezen, dien gij in het geestelijke en het wereldlijke voor den bekwaamsten acht ?'

«Wij beloven!quot; antwoordden de monniken.

«Belooft gij dengene uwe stem te onthouden, die door geschenken, beloften of verzoeken, in eigen persoon of door anderen de waardigheid van abt heeft trachten te verkrijgen?quot;

»Wij beloven!quot; daverde het door de gewelven van het schip. ')

Hyginus deed het boek dicht, ging van den zetel en begon de H. Mis. I)o monniken namen plaats op hunne koorstoelen Na het einde der ii. Mis ging de legaat met de diakens en verdere bedienaren naaide sacristie. De monniken bleven op hunne stoelen zitten, haalden schrijfstiften en strooken perkament te voorschijn en schreven. De oudste van het klooster haalde do stemmen op. Hierop ging hij naar den hoo-ger geplaatsten zetel, welke voor den legaat aan het boveneinde van het koor was opgericht. Daar stond hij roerloos, als een beeld, totdat Hyginus, na het misgewaad afgelegd te hebben, verscheen, en de treden tot de eereplaats beklom. Hij opende de stembriefjes en las met luider stemme den gekozene van elke strook perkament af, terwijl do naast hem staande oudste kloosterling de stemmen opteekende. Vervolgens telde Hyginus de stemmen, welke allen, de stem van Widerad alleen uitgezonderd, op den grootprior vielen. Nu riep de oudste met luidder van blijde ontroering bevende stem door hot koor; »Ge-

') Hurter, t. a. p. bl. 070

-ocr page 143-

] 3:3

kozen tot onzen abt niet alle stemmen op één na, is onze eerwaarde vader groot-prior Widerad!quot;

»God zij dank!quot; antwoordden even verblijd de monniken.

Widerad ontstelde hevig. Hij beefde over zijn geheel lichaam en naderde met wankelende schreden den plaatsbeldeeder van den Paus. Deze ging hem te gemoet, omhelsde hem en gaf hem den vredekus. Vervolgens leidde hij hem de tred.en op, stak hem den herdersring aan den vinger en hield voor den nieuw gekozene een aanspraak in den geest van Gregorius VII.

»God heeft u van prior tot abt, van schaap tot herder verheven,quot; begon hij. «Draag aan God, en niet aan de menschen, dit geschenk op door een nauwgezette plichtsbetrachting. Wees welwillend, maar oprecht, — vroom, maar wijs. Wees toegevend jegens de zwakken, maar streng jegens de boozen. Wees ootmoedig, maar niet kruipend, — mild, maai' niet verkwistend, — spaarzaam, maar niet gierig. .Maak u door geduld het zilveren voetstuk van het huis des Heeren, — door onbuigzame rechtvaardigheid de marmeren zuil, en tot hare leliekroon door aanhoudende bespiegeling. Wees niet overijld in het rechtspreken, zwijg niet in den raad, spreek niet te veel aan tafel, wees niet aanmatigend onder de minderen en spreek geen kwaad in liet geheim. Huichelarij, bedrog en list blijve ver van u, wat gij ooit doet, doe het met God. Wat gij gebiedt, gebiedt zulks met den H Be-nedictus. Als heer over allen, beschouw u zeiven als aller dienaar. Verdeel uw werkend en bespiegelend leven zoo, dat gij nimmer ledig zijt. Beroem u nimmer op uw betrekking, wees veeleer uwe zwakheid indachtig, opdat Christus in u wone. Vergeet nooit, dat ilc Heer u eenmaal strenge rekenschap zal vragen voor de u toevertrouwde schapen.'quot;

-ocr page 144-

134

Gedurende deze toespraak waren de monniken op hunne koorstoelen geknield. Allen waren diep geroerd, velen weenden; want hun godsdienstig gemoed gevoelde de beteekenis der toegesproken woorden in versterkte mate, omdat zij, bij een voor hen zoo hoogst belangrijke gelegenheid, uit den mond kwamen van den plaatsbekleeder des Pausen.

De legaat en de monniken geleidden den abt naar het hoogaltaar, waar hij zwoer, de kloostergoederen getrouw te bewaren, ze nimmer te verpanden of te verkoopen, en de geheele kloosterfamilie in den geest van Jezus Christus en volgens de regelen van den H. Benedictus te leiden. a de eedsaflegging gingen allen naar het portaal der kerk, waar den nieuwen abt het klokke-touw in de hand gegeven werd, verbeeldend, dat op zijn stem iedereen moest gehoorzamen. De stoet keerde naar het hoogaltaar terug, waar Widerad op den stoel van den abt plaats nam. De monniken zwoeren hem den eed van gehoorzaamheid. Een voor een naderden zij, stegen de treden op, knielden neder, spraken de eedsformule uit en kusten ten slotte den her-dersring. Daarna stond Widerad op en zeide:

«Veelgeliefde zonen! De regelen van den H. Vader Benedictus verplichten ons, monniken, tot gestrenge gehoorzaamheid. In den geest dier gehoorzaamheid wil ik den zware last der verantwoording, onder Gods bijstand, dragen, dien gij op mijn zwakke schouders gelegd hebt. Gelukkig bekleedde ik tot nu toe een ondergeschikte betrekking; want het is gemakkelijker te gehoorzamen, dan te bevelen. Ik mocht mij met u op de vleugelen der bespiegeling boven het wereldsche verheffen, — nu verhindert mij, arme, maar al te zeer de zorg voor het geheel. Beklagenswaardig lot! Daarbij moet ik u een voorbeeld zijn in elke deugd, een toonbeeld van nauwgezette inachtneming

-ocr page 145-

van de regelen der orde. Mocht ik niet op Gods bij-stand vertrouwen, dan zou ik moedeloos worden wegens de grootheid mijner lasten en plichten, ik moest kleinmoedig worden wegens die splitsing tusschen het tijdelijke en het eeuwige. Daarom bid en bezweer ik u, geliefde broeders, mij, uwen abt, te vermanen, en terecht te wijzen, zoodra mijn voet struikelt. Ja, bij den levenden God bezweer ik u, nimmer of nooit te veroorloven, dat lauwheid en plichtverzuim in mijn levenswijze binnensluipe.

De kloosterlijke eenzaamheid moet ook den abt, even goed als elk monnik, een oefenplaats der ziel, een net tot de geestelijke vischvangst zijn. Het kloosterleven moet ook voor alles een lusttuin zijn, een school van hernelsche wijsheid, een leger van den Heer der Heerscharen, een lustwarande Gods. Gelijk de musschen zijn wij naar den berg des Heeren gevlogen en hebben wij in de scheurtjes der steenen in de rotskloven der versterving ons een nest gebouwd, dat geen storm van ijdele begeerte ons kan ontrooven, geen golven van vleeschelijke lusten kunnen overstroo-men, en waarin geen valstrikken van overdreven we-reldsche bekommeringen ons kunnen vangen.quot; ')

Op deze wijze sprak de godvreezende abt Widerad begeesterd en begeesterend. Aan het slot der toespraak verhief nogmaals do legaat zijn stem.

«Krachtens apostolische volmacht beveel ik, dat deze geheime keuze de openlijke plechtige inwijding van den eerwaarden Heer abt Widerad niet buitensluit, welke plaats moet hebben na diens wijding, zoodra gunstige tijdsomstandigheden zulks veroorloven.

Hij gaf den apostolischen zegen. Geestelijk opgewekt keerden allen naar 't klooster terug, zonder de ont-

Ij Llurter, 1). Hl. bi. 543.

-ocr page 146-

stclteiiis en stormen te vermoeden, welke de afgeloo-pen keuze over het oude sticht brengen zoude.

l'ALTSGRAAF BOEMÜjSTI).

De boeteling Wolferat hield de wacht op den Tri-fels bij dag en nacht met Argus-oogen. Niemand kon naar den burcht opgaan, of dien verlaten, zonder dooi' hem opgemerkt te worden. Dagelijks bezocht hij wel is waar den ouden eik met dezelfde regelmatigheid en op het zelfde uur, als Godila, maar het strenge toezicht van den Trifels liet hij geen oogenblik na; want hij spoedde zich haastig naar de vereerde plaats, knielde daar een half uurtje en keerde langs paden van de hoogte terug, welke hem diegenen te gemoet moesten voeren, die in zijn afwezigheid langzaam opgestegen waren. Des nachts sluimerde hij aan den voet van den Sonnenberg achter een boschje, en wel op dat punt, waar de drie wegen tot den burcht elkander kruisten, zoodat voorbijkomende ruiters of voetgangers den waakzame niet ontgaan konden. En deze aanhoudende wacht hield de boeteling met zulk een pijnlijke bezorgdheid, als gold het, een of andere verschrikkelijke misdaad te verhinderen, die eerlang zou gepleegd worden.

Eenige dagen na zijn terugkeer van Klingen meende Wolferat een geheel ongewone bedrijvigheid op de sterkte te bemerken. Zijn zintuigen hadden door onafgebroken oefening een buitengewone scherpte verkregen, en hij hoorde duidelijk in het dal, hoe in

-ocr page 147-

1:57

de kamers en portalen van het slot meiden tierden en raasden, die met poetsen bezig waren. Ook zag hij reinigende handen over de ronde glazen der vensters gaan en krijgsknechten, die achter de borstweringen stonden en hunne wapens poetsten. Deze beweging schenen twee vreemde ruiters veroorzaakt te hebben, die ter loops den TVifels bezocht hadden en door den boeteling waren opgemerkt.

Op het oogenblik zk Wolferat op een rotsblok bij het bekende puut van zijn nachtverblijf, waar voetpad, rijweg en ezelspad elkander raken. Juist legt hij de laatste hand aan een sierlijk korfje dat hij van geschilde wilgentakken gevlochten had. Van den berg kwam zingend eu lluitend een man naar beneden, dien de hoornen van het woud nog verborgen houden, totdat hij van het ezelspad op den breeden weg komt, — Afbald. Achter hem gaan de ezels met de ledige korven op den rug, schijnbaar luisterend naar het gezang van hun geleider eu niet weinig verbaasd over de vrooiijke stemming van hun gewoonlijk zwijgenden meester!

))Ha, — Wolferat! Wat drommel, ik geloof wezenlijk, dat gij mandenmaker geworden zijt?quot; riep de ezeldrijver lachend. »En wat een korfje! Wie had kuimen denken, dat uit uw dikke vuisten zulke fraaie, sierlijke korfjes te voorschijn konden komenWerkelijk, — een aardig ding van een korfje! Men zou het een koningin kunnen vereeren.

«Het is voor een koningin, voor Af balds koningin, --voor Godila.quot;

»Ha, — ha, — een goede inval,quot; riep de ezeldrijver zich de handen wrijvend, xGodila een koningin te noemen! liet is echter werkelijk zoo! De schoonste, deugdzaamste, heerlijkste vrouw dés Rijks is de koningin, zij moest het ten minste zijn, — derhalve

-ocr page 148-

138

is Godila kouiiigui. Nu moest gij ook een gesehikten inhoud voor liet aardige korfje hebben; want aan het schoonste korfje ontbkreekt de hoofdzaak, als het ledig is.

;)Uo inhoud dunkt me geschikt voor het korfje en ook gepast voor de koningin : de eerste rijpe aardbeziën.

«Aardbeziën, — in Mei? Gij zijt niet wijs!

»Een ongewoon vroeg jaar en een zonnig warm plaatsje in het boseh schonken mij die voor Godila.

»Dat zal haar blij maken en wat haar enkel blij maakt, doet mij dat dubbel, omdat Godila blij is. Ik en mijn ezels zouden volstrekt niet kunnen leven zonder haar. Komt Godila den berg af, dan denk ik, dat de zon opgaat. Spreekt zij met haar zoete stem, dan meen ik, de engelen in den hemel te hooren zingen. Lacht zij mij toe, dan zou ik dol worden van genoegen. En mijn ezels? Nu, die loopen haar te gemoet als lammetjes, — niet om het brood, dat zij hun toereikt, stellig niet, - maar uit louter genegenheid en bewondering.

ïWaarschijnlijk hebt gij zooeven lolliederen op Godila gezongen?

»Dat niet, — neen! Mijn schorre stem is volstrekt niet waardig, zulk een hemelsch wezen te bezingen. Mijn lied heett een geheel andere bron van vreugde. — Maar lomperd, die ik ben! riep hij uit, zich voor het voorhoofd slaande.quot; iJaar valt mij te binnen, dat ik u nog grooten dank schuldig ben, goede Wolferat! Gij hielpt mijn overleden vrouw naar het kerkhof dra-wen en haar graf maken. Wat ben ik daarmede ver-

o ' •pi

lo^Gii geweest! Geen rnensch in Annweilei durfde haar met hand of vinger aanraken wijl allen vreesden door den zwarten dood aangetast te worden. Tk alleen kon de doode niet wegdragen en zoo zou zij in mijn hut tot verrotting zijn overgegaan zonder uw broederlijke liefde, goede Wolferat!

-ocr page 149-

1:59

«Genoeg daarvan, Afbakt! Doodeu begraven is een plicht van barmhartigheid. - Mag ik weten waarom gij zoo even zoo vroolijk geweest zijt?

«Omdat de pest uit Annweiler vertrekt, — ja de pest! Ik heb het heden op den burcht daar boven vernomen. De pest gaat heen, — hoera, — fallera!quot;

De boeteling keek den man verwonderd aan.

)gt;Hoe zoo? Dat versta ik niet!

»Ik meen de pest Lantbert, broeder Wolferat! Gij diendet toch te weten, dat een gewijd man, die een vrouw heeft, een priester, die niet alleen slaapt, die woekert, die niet naar de stem van zijn geweten, maar naar die van een lichtekooi luistert, — dat zulk een kerel dc pest in levenden lijve is. Dus is Lantbert de pest, en deze pest vertrekt.

» Waarheen ?

»Naar Klingen, in het klooster. Het spijt mij van de arme monniken; want rle pest Lantbert zal het geheels klooster aansteken. Alle godsvrucht zal sterven in Klingen. Lieve God, — de pest Lantbert abt in Klingen, over een dergelijken inval mocht men wel dansen!

«Kortswijl ter zijde, — wat is er van de zaak?quot; vroeg de boeteling verbaasd.

»Ik gekscheer volstrekt niet! De zaak is geklonken. De ontvanger van graaf Wazo, de woekeraar en boe-renbeul Lantbert, koopt voor veel geld den stoel van den abt in het sticht daar boven. Dit kunt gij van eiken dienstman van den Trifels hooren. Heerlijke tijden! Monniken loopen uit de kloosters, nemen vrouwen, worden bisschoppen en abten. Had ik geld, dan zou ik voor mijn ezels van den goeden koning wel bis-schops.uijters koopen; want een goede ezel is toch altijd nog beter voor bisschop dan een geleerd slecht priester. /00 wat twaalf bisschopshoeden en abtsstaven

-ocr page 150-

1 J.0

hoorde ik, worden binnen kort te Worms door den koning te koop aangeboden. Wat zal de duivel blij zijn; want de bisSchopjien van onzen koning zijn de gezellen des duivels, Juh, — Juli!quot; riep hij tegen zijn ezels en ging verder.

quot;Wolferat zat onbeweeglijk en keek nadenkend voor zich.

»Eeii opmerkenswaardig, gezond oordeel van dezen hoorigen knecht!quot; zeide hij, «Hendriks uitverkorenen zijn werkelijk dienaars der hel. — Al gelukte het den sluwen Saliër ook, alle bisschopszetels en abdijen met verworpelingen te bezetten, dan zou hij het vloekwaardig spel nog verliezen, want het volk is vroom geloovig. De kudde zal hooren naai- de stem van hun oppersten Herder te Korne, en de afgrond van het volslagen verval blijft gesloten onder de voeten dei' Duitsche natie.

Hij sprong op en ijlde door het dal naar zijn hut. Daar zocht hij iets in het achterste gedeelte. Hij schoof een takkebos op zij, vervolgens een laag mos. Er rinkelde iets zacht in zijn handen, die een gouden ketting voor den dag haalden.

Hij stak dien zorgvuldig tusschen zijn kleederen. Vervolgens ging hij door het boschje naai' een vrij plaatsje, dat met roode aardbeziën prijkte. Hij plukte ijverig, waarbij hij niet ophield naar de wegen van den Trifels te gluren. De geurige vrucht van het woud vulde eindelijk het fraaie teenen mandje. - Wolferat keeide door het dal terug en begon haastig den Son-nenberg te beklimmen. Voor de wijd openstaande burchtpoort aangekomen, rustte hij eenige oogenblikken, diep ademhalend. De evervangers en wolfshonden blaf-ten en huilden aan hunne kettingen.

i»Wilt gij zwijgen!quot; riep een gebiedende stem, en haastige schreden klonken over de steenen van het burchtplein.

-ocr page 151-

441

Pe portier en gevangenbewaarder Hartmod trad voor den kluizenaar. Aan den gordel hing een zware bos sleutels, lüj droeg een kort buisje, een lederen broek en een muts zonder klep. tiet gelaat van den man was gevoelloos en ruw, zijn oog duister en gluipend.

»Gij zijt het?quot; zeide hij verachtelijk zijn hand van het gevest van zijn kort zwaard terugtrekkend. »Een wonder, — reeds aardbeziën?

»Voor onze meesteres, Hartmod! Wilt gij niet de goedheid hebben haar het korfje met de vruchten ter hand te stellen?

' ))Ik? Gij zijt oen gek! Mijne heerlijkheid durft het niet wagen den 'vleugel van het slot daar boven te betreden. Ha, — ha, — de gestrenge zou zelfs den gevangenbewaarder voor zulk een vergrijp in den turen laten opsluiten.,' riep hij boosaardig lachend uit.

»Neen ik leen mijn hand niet tot dergelijke kinderachtigheden.

«Veroorloof mij dan, het korfje zelf te bezorgen.

»Ho, ho, onbeschaamde schurk! Pak u weg!quot;*

Het gelaat van den kluizenaar trok stuipachtig en zijn oogen fonkelden, toen hij de zware hand van den gevangenbewaarder op de schouders voelde. Op hetzelfde oogenblik riep een vrouwenstem door het venster.

sWolferat, — broeder Wolferat, wacht een oogenblik!quot; en het vrouwenhoofd verdween.

»Nog wel de kamerjufl'rouw!quot; bromde de sombere man grimmig. «Hoor, kerel, waag liet niet weer, hier boven te komen, of ik laat je door de honden aan stukken scheuren.

))Gij spreekt niet, gelijk een christen betaamt, Hartmod!

sik spreek, als een gevangenbewaarder op den Tri-

-ocr page 152-

Hi

fels, — verstaan? Mijn ambt is hard, als de rotsen van den kerker, dus moeten ook mijn gevoel, mijne gesprekken, en handelingen hard zijn. Een mensch van vlees® en bloed, van hart en gevoel, zou eiken dag van hartzeer in mijn dienst sterven. Daarom ook hard als steen, doof als steen, blind als steen ; want steenen kunnen ook het afgrijselijkste verdragen. Jou echter zeg ik blijf buiten of je zult nimmer naar jou berenhol terug keeren.

«Zwijg, gij zijt een lomperd, een vlegel, Hartmod!quot; berispte Oda. »Wat gaat het u aan, als deze goede man onze gebiedster genoegen wil doen? — Welke prachtige aardbeziën! En zoo vroeg reeds - het is een zeldzaamheid!

«Verzoek onze edele meesteres,' zeide de boeteling deze kleine lentegift van mij in dank aan te nemen.

«Dat zal haar verblijden,quot; verzekerde de kamenier. Hartelijk dank, goede Wolferatl

»Ik had ii iets onder vier oogen te zeggen, gevangenbewaarder!quot; begon de kluizenaar nadat de kamenier was heengegaan.

»Gij? En onder vier oogen?

))Mijn verzoek moét u niet gemelijk maken,quot; her-vatt'e de boeteling. »Ik verdien wel de verachting van alle menschen; want goddeloos waren mijne handelingen. Ik wilde echter de misslagen van het verledene gaarne eenigermate goed maken en hiertoe heb ik uwen bijstand noodig, - - weiger mij dien niet.

»Wat kerel, jij wilt van mij een handlanger van een ellendeling rnaken, die een ijzeren halsband draagt? Mij, de gevangenbewaarder des konings, - mij, de portier van den Trifels? Aan de beenen zal ik je laten ophangen,

»Wees niet voorbarig, Hartmod,quot; Mijn verzoek zondigt niet tegen uwe betrekking, en mijn boodschap is niet tegen uw voordeel.quot;

-ocr page 153-

113

Oda keerde met de aardbeziën terug.

«Mijne meesteres laat u voor het schoone geschenk danken, goede broeder! Gij gevangenbewaarder moet de zoete vruchten ouder de arme gevangenen in de kerkers uitdeelen.quot;

Zij groette Wolferat en keerde terug.

»Dood en duivel over alle vrouwengrillen vloekte Hartrnod. «De genadige dame is er op uit, de vogels uit de uilennesten te voederen, en ik heb er de moeite van. En als zij eens wist, ha, — ha!quot; lachte hij boosaardig. «Als zij een mijner vogels eens kende!

«Bij uw leven man, — gij zijt des doods,'' zeide met half gesmoorde bevende stem de boeteling, «als Godila de gevangenschap liaars vaders te weten komt!

«Hartrnod keek verrast op over den plotseling veranderden kluizenaar wiens bescheidenheid in dreigende gramschap veranderd was.

«Wat duivel scheelt je, schurk?

«Breng mij naar uw kamer en gij zult hel verdere vernemen,quot; antwoordde de boeteling.

«Ha, — nu merk ik, dat de aardbeziën eigenlijk slechts de brug geweest zijn, om hierin te sluipen. Wat steekt je eigenlijk in het hoofd, kerel?quot; vroeg Hartrnod, terwijl hij beide armen op de borst kruiste en den kluizenaar ondervragend aankeek.

«Ik ben de bode van den paltsgraaf Boemund,quot; zeide Wolferat, nadat bij voorzichtig had rondgezien. «Wilt gij mij naar uwe kamer brengen ?quot;

Hartrnod begon woest te lachen.

«Gij de bode van een paltsgraaf? Bovendien van den paltsgraaf Boemund, van dien machtigen heer aan liet hof? Daarvoor zult gij met de zweep afgerost worden, onbeschaamde deugniet,quot; en hij strekte de hand naar een zweep uit, die aan den muur hing.

-ocr page 154-

141

Spocflig slfik do lioeteling de hand tiissclien zijiKi kleedei-en, trok den gouden ketting te voorschijn, en hield dien don gevangenbewaarder voor de oogen.

«Kent gij hem nog?quot;

Hartmod stond als vastgenageld, met een scherpe blik den ketting beschouwend, welks zeldzame lengte en sterkte van schalmen bij iedereen in het geheugen bleven, die bom maar eens gezien had.

»Waarachtig, do ketting van den paltsgraaf!quot; sprak hij ontsteld, en een lichte huivering voer over zijn geheel lichaam.

)gt;Wilt gij nu eindelijk den bode van Boornund een geheim onderl oud toestaan in uwe torenkamer, waar ons niemand kan beluisteren?

»Kom!quot; snauwde bom do gevangenbewaarder too on ging met Wolferat in de portierskamor, een laag, klein vertrok met een venstor op het burchtplein, en een smalle opening. Uitkijk genaamd, mot het uitzicht op de ophaalbrug. .De boeteling ging in den donkersten hoek op een bank zitten, strook het lange haar nog dieper inliet gezicht, zoodat baard en hoofdhaar van het gezicht slechts de oogen en den neus zichtbaar lieten. Hartmod wiens sombere trots in onrust en vrees veranderd waren, stond in gespannon verwachting voor den zittende.

»Zijt gij overtuigd, dat ik de bode van den paltsgraaf ben?

«Overtuigd? Hm, — dat juist niet. Gij zoudt den ketting wol gestolen of gevonden kunnen hebben.

»Eon zooi' onchristelijke gedachte!quot; berispte Wolferat. »lk zou mijn lichaam kastijden, — ik zou dag en nacht bidden en vasten, — ik zou naar de velden gaan werken om Godswil voor arme onderhoorigen — en stelen? Schaam u, gevangenbewaarder! Uw argwaan is onverstandig.

-ocr page 155-

145

»Nu ja, — lllt; geloof' eerder, dat oen kluizenaar steelt, dan dat paltsgraaf IBoetnimd zulk een mensch voor bode kiest. Illt; bedenk, verder, dat aan het hof vrome monniken en kluizenaars in slechten reuk staan, dat slechts vioolijke prelaten, die naar de pijpen des konings dansen, daar gaarne gezien worden, derhalve kan ik aan uwe boodschap maar in het geheel niet gel oo ven.

))Zou paltsgraaf Boemund geen redenen kunnen hebben, juist mij den stilzwijgenden kluizenaar, de boodschap toe te vertrouwen?quot;

De man met den bos sleutels schudd'e ongeloovig het hoofd.

»Ik moet werkelijk do scherpzinnigheid van den paltsgraaf bewonderen!quot; ging de boeteling voort. »Boe-mund moet u zeker van nabij kennen, anders had hij mij geen geheim toevertrouwd, uit hetwelk duidelijk blijkt, dat hij mij met een boodschap voor u belast heeft.

))I)e gouden ketting is geen zeker kenmerk,' her-vatt'e Hartmod.

sik bedoel den ketting niet, maar een geheim dat slechts aan den paltsgraaf, aan den koning, aan u en den alwetenden God bekend is. Een vreeselijk geheim, — ik huiver, als ik er aan denk.quot;

Werkelijk overviel den kluizenaar een rilling. Hij liet het hoofd op de borst vallen en een dof steunen kwam over zijn lippen.

»Wat hebt gij dan voor een geheim? Zeg op!quot; zeide de gevangenbewaarder met klem.

»Acht jaar is het geleden, — het was in Juni, — den twaalfden dag dier maand, dat Boemund hierheen kwam.quot;

Wolferat zweeg een oogenblik, hiertoe gedwongen door een heftige gemoedsaandoening.

CAN. 1). I. 10

-ocr page 156-

■M.(i

)).Tuist! Wat verder?

»Hij kwam op bevel des konings,quot; vervolgde de boeteling met veel moeite. moest hem, den paltsgraaf Boemund, den grooten kerker openen, — tegen middernacht, het geschiktste uur voor een daad, welke den dag in den nacht zou veranderd hebben. Gij traadt met hem den kerker binnen, waarin twee voorname heeren gevangen zaten. Gij hadt den fakkel in de hand, — de paltsgraaf trok zijn zwaard — en stiet de weeklagende gevangenen onbarmhartig neder,

— twee edellieden, wier eenigst vergrijp daarin bestond, dat zij een schoone bijzit dos konings gekust hadden.

— Toen de stuiptrekkende lichamen in hun bloed lagen te zwemmen, nam Boemund uit uw hand den fakkel en gebood u, een eeuwig stilzwijgen over deze gruweldaad te zweren. — O hoe schrikkelijk, — hoe ontzettend!quot; riep de krampachtig bevende kluizenaar uit, beide handen op de borst drukkend.

5gt;Nu geloof ik waarachtig, dat gij de bode van den paltsgraaf zijtlquot; zeidc de gevangenbewaarder somber. »Wat verlangt de paltsgraaf? Moet een gevangene het licht uitgeblazen worden? Nu •— wat kromt gij u?' De kerkers van den Trifels kennen zulke zaken. Wat de koning door Boemund beveelt, heb ik niet te verantwoorden.

»Geen verdere moord! Luister! Markgraaf Udo van Saksen zit hier gevangen. De grooten des Rijks, aan welke koning Hendrik de Saksische vorsten ter gevangenhouding overgaf, lieten hen ontsnappen, tegen des konings bevel. Slechts Markgraaf Udo en weinige anderen zitten nog gevangen. Paltsgraaf Boemund oordeelt het echter in het voordeel des konings, ook den markgraaf Udo de vrijheid te schenken. Daarom laat hij u aanzeggen, Udo te laten ontsnappen.

-ocr page 157-

»Oho, — wil mij de paltsgraaf aan de galg helpen?quot; riep Hartmod ontsteld, uit.

sBoemund zal het verantwoorden.

))Nadat mij de voogd hoeft laten ophangen? Neen, — neen, — daarvan kan niets komen!

»Gij weet toch, welken invloed Boemund bij den koning heeft.

«Dat weet ik! De paltsgraaf is een der twaalf paladijnen. — een van de twaalf machtigsten des Rijks. Wat de koning zelt niet doen of openlijk bevelen mag, dat laat hij heimelijk geschieden door die twaalf. Maar naar den strop verlang ik niet, — zelfs niet op het bevel van Boemund.

»Schenk dezen gouden ketting,quot; zeide de paltsgraaf tot mij, toen hij mij te Worms aantrof, waarheen ik een bedevaart naar het miraculeus beeld deed, «schenk dezen gouden ketting aan Hartmod tot loon, als hij den markgraaf laat ontsnappen.

))W at zou mij dien gouden ketting kunnen baten, als ik aan de galg hang?' hervatt'e de gevangenbewaarder. »Neen, — voor de geheele wereld laat ik den Sakser niet ontsnappen!

«Luister verder, wat de paltsgraaf my heeft opgedragen! — ))Zou Hartmod weigeren, zeide hij, den markgraaf te laten ontsnappen, dan gebied ik hem, den gevangene goed te verzorgen. Hij moet hem krachtig voedsel verstrekken, dagelijks moet hij den kerker reinigen, opriat de gevangene geen gebrek lijde. Verwaarloost Hartmod deze maatregelen, — besterft het de markgraaf en wordt hierdoor het voordeel des konings benadeeld, — dan boet Hartmod zulks met zijn leven, zoo waar ik paltsgraaf Boemund ben!quot; Hebt gij dat verstaan, man?

«Zeer goed!quot;

»Nog iels heeft de paltsgraaf gezegd,quot; ging Wolfe-

-ocr page 158-

* j 48

rat voort. »Na een korten tijd, vertelde liij, rijdt de koning naar den Trifels, wellicht vergezel ik hem en ik zal nazien, of Hartmod voor den markgraaf bezorgd seweest is en alles stipt heeft iu acht genomen. Wee hem, zoo hij den gevangene iets heeft laten ontbreken?

))Is dat alles, broeder Wolferat? Heeft hij anders uiets gezegd?

»0 ja! Ten slotte beval hij my en u hiervan te zwijgen. Volbracht gij mijn boodschap niet, zeide hij, verklaptet gij of Hartmod dit, wee dan u beiden!

»0 ik kan zwijgen!quot; verzekerde de gevangenbewaarder, «Dat heb ik van mijn kerkers geleerd, die eeuwig stom zijn. ik zal het gebod van den paltsgraaf ook getrouw nakomen. Udo zal onderhouden worden, als een markgraaf. Oogenblikkelijk moet hij deze aardbeziën hebben.quot;

De boeteling stond op.

»Neem mij niet kwalijk, broeder Wolferat, dat ik zoo even eenigszins grof tegen u geweest ben! ' verontschuldigde zich de gevangenbewaarder. »\\ ie had kunnen denken, dat gij de geheime bode van een zoo machtig heer zijt?

«Genoeg hiervan!quot; viel hem de kluizenaar in de i-ede. »Ik heb den last van Boemund vervuld, — doe gij nu uw plicht!

«Dat is duidelijk, — zoo stipt als iemand, die niet in de klauwen van dien geduchten heer wenscht te vallen. En als gij hem den ketting weder ter hand stelt, broeder Wolferat, doe dan een goed woord voor mij. Zeg hem, dat ik al het mogelijke wil doen voor mijn heer Boemund, -— maar ophangen wil ik mij niet laten doen.quot;

üe kluizenaar verliet na een korten groet de kamelen den burcht.

»Wat werkt de schrik van mijn naam!quot; zeide iiij bij zich zeiven den berg afgaande.

-ocr page 159-

1 111

»Zelfs deze liurdvoclitige, gevoellooze en wieedè mensch beeft voor den paltsgraaf Boemund, — vroeger 's konings rechterhand, altijd bereid tot de volvoering van elke euveldaad, — nu een worm, die zich van zijn schuld bewust, buigt voor den welverdienden toorn des Allerhoogsten. - — O God, — o God! — wees mij ellendige genadig en barmhartig!quot; zuchtte hij. rouwmoedig op de borst slaande. »Ik wil toch boeten en vergoeden, wat mogelijk is. - — Zoo is de man wiens vrouw ik op bevel des konings doodde, beveiligd voor den hongerdood. Godila's vader zal niet ellendig omkomen in dien naren kerker. — Maar Godila? O hemel en aarde 1 Wat kan ik doen om dit vlekkeloos lam aan de klauwen van den vreeselijke te ontrukken? Komt de koning, — en hij zal zeker komen, — wat kan ik dan doen om de onschuld te redden? Moet ik voor den misdadigen Saliër treden, — hem den voormaligen paltsgraaf in deze afschrikkende gedaante van boeteling toonen? Zullen mijne woorden zijn ziel treffen als gierenklauwen? — Het zou te vergeefs zijn! Ik ken hem. De verstokte snoodaard zon met mij spotten, — hij zou mij, den medeplichtige en volbrenger zijner bloedige daden, voor altijd tot zwijgen brengen. Neen, — neen, — langs dien weg gaat het niet!quot;

Wolferat was het hierin volkomen eens met het oordeel zijner tijdgenooten omtrent het onverbiddelijk wreed karakter van den Saliër.

»Voor allen was Hendrik IV vreeselijk, het meest echter voor rouwmoedige medeplichtigen van zijne geheimen,quot; schrijft de kroniekschrijver Bruno. »Verried een hunner ook slechts door onvrijwillige teekenen een afwijkende gemoedsstemming, dan was hij verloren.quot; ')

i) Gfrorcr D. Vil. bi. 51lt;J.

-ocr page 160-

150

Te vergeefs zoclit de boeteling naar middelen tot redding, totdat liij eindelijk, aan de mogelijkheid van elke menschelijke hulp wanhopend met opgeheven handen uit riep. »Altnachtige God, red haar, — red do onschuld!quot;

Daarop spoedde hij zich zwijgend naar het dal.

!)E G OUWKOJSTINCx WAZO.

De erfelijkheid der leenea had in de elfde eeuw voor een groot gedeelte van het Duitsche volk de nadeeligste gevolgen. Hertogen en graven kregen macht over land en menschen, over eigendom en eer, over leven' en dood van de dorpers. Vooral onder de despo-tieke regeering van Hendrik 17. aan de willekeur dei-kleine tyrannen wederrechtelijk overgeleverd, hadden de pachtboeren en eigenhoorigen veel te verduren. Niet tevreden met het getal hunner geërfde hoorigen, gebruikten de gestrenge heeren allerlei kunstgrepen, om vrije boeren door list en geweld onder hunne lijfeigenschap te brengen. Was de graaf of hertog gewetenloos en van nature wreed, dan had hij het in zijn macht, do woerlooze menschen op ongehoorde wijze te martelen, zelfs te doodon, als het den gestrenge beviel. Ook de beambten en voogden van bisschoppen en abten beproefden hét, in die richting den tijdgeest te huldigen, door het nabootsen van de dwingelandij en het despotisme der groote heeren. Maar hier kwam de Kerk, die nimmer den onrechtvaardigen tijdgeest mag toelaten, beslissend en krachtdadig tus-schen beide. Bisschoppon on abten boschorindon den gemoonen man van hun gebied. Zij stelden geestelijke

-ocr page 161-

151

liincliecliten in nis beschuttende dammen voor hunne grondbezitters tegen de pogingen ter onderdrukking van de machtigen. Het eerste dezer landrechten maakte bisschop Burkhard Aan Worms in het jaar 1020. Daarin heet het: )gt;Wegens onophoudelijke klachten der armen en wegens de dagelijkse he gewelddadigheden van velen, die de grondbezitters van den H. Petrus van Worms afbeulen, door hun nieuwe lasten op te leggen en den gemeenen man te onderdrukken door rechtsplegingen, heb ik, bisschop Burkhard, na beraad van mijne geestelijkheid, mijner vazallen en al mijne dorpers, de tegenwoordige wetten laten opteekenen, opdat voortaan de wet voor rijken en armen dezelfde zij.quot; ') In het algemeen toonde zich de Kerk allerwege een zorgende, milde en wijze moeder der geloovigen, waar bisschoppen en abten het bestuur in den geest der Kerk leidden. Het volk erkende zijne weldoenster, daarvandaan die geestdrift en trouw van de groote massa aan de Kerk in den heeten strijd van Gregorius VII tegen de dwingelandij en wetsverkrachting van Hendrik IV en zijn vorstelijke partijgenooten. Onder den kromstaf is goed wonen,quot; was een spreekwoord, dat in de geheele middeleeuwen in zwang bleef, tot zelfs in den nieuwen tijd van berooving en uitroeiing van de vorsten der Kerk. ,

ïot de heeren, die het ruimst gebruik maakten van de onbeperkte heerschappij over eigendom, lichaam en leven van de hoorigen, behoorde graaf Wazo. Hij gebood in zijn gouw als een Turksch sultan. In godsdienstig ojizicht de bedorven richting van het Salische hof volgend, en derhalve door geen zedelijke bezwa-ren teruggehouden, vond zijn willekeur geen grenzen. Zijn wil was wet. Zijn hoorigen behandelde hij als

J) üfrörer, D. 1. bl. óéé.

-ocr page 162-

slaven, vrije boeren dwong hij onder liet juk zijner dwingelandij. Wellustig van aard, bevredigde hij zijn dierlijke lusten naar zijn believen in gehuchten en op boerderijen. Zoover ging zijn onbeschaamdheid, dat hij er zich op beroemde met den koning te wedijveren in zedelooze uitspattingen. Algemeen gehaat wegens zijn onmenschelijkheid, waren zijn boosheid, sluwheid en wraakzucht gevreesd. Zijne hebzucht stelde soms aan zijn wreedheid grenzen, wijl ieder vernietigd men-schenleven zijn belang nadeel toebracht.

Dezen mensch schilderde de schatmeester Sigebert aan den pauselijken legaat, toen zij in den vroegen morgen met een klein gevolg van Klingen naar den burcht van Wazo gingen. Siegfried geheel gewapend, reed aan het hoofd der stichtsen. De krijgers waren allen goed gewapend en bereden. Zij droegen helmen, schilden, pantsers, zwaarden en lansen, de laasten geschikt om te ■verpen en te stooten. Ook de paarden waren in goeden staat en de statige stoet was een teeken van den rijkdom en de weerbaarheid van tie stichting van Dagobert, koning tier Franken.

Terwijl de beide geestelijken een eindje vooruitre-deu, de krijgsknechten keuvelden of liederen zongen, reed Siegfried alleen in gedachten verzonken. Het onderwerp van zijn ernstig en diep nadenken scheen van dien aard, dat hem elk ander onderhoud ongewenscht moest zijn. Die schoone, weerlooze en in haar hoogste goed bedreigde Godila maakte ook gedurende den rit naar den grafelijken burcht den onuitputtelijken inhoud uit van Siegfrieds beschouwingen.

»Met een bestraffende rede tegenover dezen man te verschijnen, is gevaarlijk;quot; eindigde Sigebert de karakterschildering van Wazo. »Wellicht komt van daag nog het bericht aan de abdij, dat wij beiden door den gewelddadi-gen graaf in den toren geworpen, of zelfs ged»ud zijn.

-ocr page 163-

15:?

«Eerwaarde broeder,quot; zeide de legaat, zijn paard inhoudend. «liet klooster zonder noodzakelijkheid van uwe bekwaamheid te berooven, zou niet verstandig zijn, ofschoon ik overtuigd ben, dat gij bereid zijt, ter wille van Jezus' naam lijden en dood te verduren. Derhalve moet gij terug keeren. Ik neem het op mij, den moordenaar en tyran Wazo de plichten van een christelijk vorst onder het oog te brengen, en hem tot boete en verbetering des levens aan te sporen. Blijft hij verstokt in zijn boosheid, dan 'zal hem de geheele strengheid der kerkelijke straffen bedreigen.

»Dit zij verre van mij!quot; riep de schatmeester Sigebert uit, zijn paard aandrijvend.

«Zelfs bij het vooruitzicht van een ouvermijdelijken dood, zou ik niet van uwe zijde wijken; want op ons rust in de eerste plaats de verplichting den graaf zijn christenplichten te herinneren. Op u, heer legaat daarentegen, rust geen verplichting om u aan kerker en dood bloot te stellen. Dierhalve smeek ik u, naar Klingen terug te keeren, en mij alleen te laten gaan.

»Gij vergist u betrekkelijk mijne plichten,quot; hervatt'e Hyginus.'' Onze H. Vader Gregorius droeg mij volmachten op voor alle geloovigen van het Duitsche Rijk. Waar en door wien ook tegen Gods geboden, tegen recht en wet wordt gezondigd, daar moet ik, krachtens mijne zending, de stem der Kerk laten weerklinken. Daarentegen is het uit verstandige oogmerken niet noo-dig, aan quot;Wazo den pauselijken legaat bekend te maken.''

»Sta mij dan ten minste toe, voor den graaf het woord te voeren, opdat zijn geheele woede zich slechts over mijn hoofd ontlaste,quot; smeekte Sigebert.

»Het toestaan van uw grootmoedig verlangen hangt van de omstandigheden af,quot; antwoordde Hyginus. » Wees overigens welgemoed. Onze Heer en Heiland zeide tot zijne Apostelen:

y-

-ocr page 164-

154

■»Ecce, ego mitto vos, sicut oven inter lupos, — zie, ik zend u, als schapen onder de wolven.quot; Ook dit woord des Heeren blijft eeuwig waar. liaat en vervolging eener booze wereld treden te allen tijde nauwgezette priesters. En altijd znllen de geestelijken weer-looze schapen, de goddeloozen grijpende en verscheurende wolven zijn; want het kwaad is in het bezit van de macht, zoo lang Gods vloek op deze zondige wereld rust. Deugd, recht, onschuld, waarheid, getrouwheid aan God worden altijd onderdrukt door do overmacht der slechten. Eerst bij de terugkomst van Jezus in het oordeel wordt tien goeden den schepter eener eeuwige heerschappij overgegeven, en de boozen worden in den afgrond van eindelooze slavernij geworpen. Tot dan toe leidt de Kerk het loven van haar goddelijken Stichter, een leven van onophoudelijken strijd en vervolgingen van allerlei aard.

»Zeer waar!quot; bevestigde met teekenen van overtuiging do schatmeester. ))Hoe in den loop der tijden ook de lotgevallen en het leven der natiën mogen veranderen, — de vijandschap der wereld tegen het Evangelie en zijne verkondigers zal nooit sterven.quot;

Van den anderen kant zal de Kerk nimmer ophouden,quot; hervatt'e Hyginus vol vuur, »voor alle hulpbehoevenden een reddende arke Noach's te zijn, welke op den stroom der tijden rondvaart, behoed door Gods almachtigen arm en bestuurd door den stuurman Petrus en zijn opvolgers. De manier van strijden van de duisternis tegen het licht blijft niet de zelfde, zij wisselt af volgens den heerschenden geest der eeuw. Eerst bracht de heidensche bloeddorstigheid de Christenen bij millioenen om. Vervolgens kwam het tijdperk van dwaling en leugen, welke hun oorlogskreet tegen de Kerk verhieven. Toen vluchtten alle uitverkorenen onder het onfeilbare leefaarsambt van den oppersten

-ocr page 165-

Herder. Nu zijn het onbeschaafdheid, hebzucht, wellust, ongerechtigheid en gewelddadigheid, die de Kerk den oorlog verklaarden den Paus dwingend, voor de onderdrukten in de bres te springen, zoo wel als voor de zuiverheid van den priesterlijken levenswandel, en luid zijn stem van Opperherder te verhellen tegen de pest der Simonie. Dan zullen er wellicht weer tijden komen, waarin ongeloof en hoovaardij de wereldheerschappij voeren, spottend met het Evangelie en de stem dei-Kerk versmadend. Maar de tijden snellen voorbij, — de menschen sterven allen, — hémel en aarde vergaan, maar de woorden van Christus blijven eeuwig waar en eeuwig reddend voor allen, die zich willen laten redden.

))AIs de wreede Wazo ons heden vermoord, zijn wij dan niet gelukkig te noemen?quot; riep Sigcbert blijge-moed uit, »Wij zouden martelaars zijn ; want wij waren gestorven voor de waarheid. Tevens waren wij verlost uit dit aardsch tranendal en zegevierend zouden wij ons hemelsch vaderland binnengegaan zijn.quot;

Terwijl Sigebert in deze weinige woorden den diep godsdienstigen geest van zijn tijd uitsprak gloeiden zijne wangen en zijn oogen fonkelden van geestdrift.

»Zie, daar ligt de burcht van den graaf!quot; zeidc hij. naar een donkere groep wijzend, die juist tusschen de bergen opdoemde. De groep nam schielijk toe en ontwikkelde zich tot een omvangrijke bergvesting met hooge ringmuren, dikke torens en luchtige tinnen.

»Is Wazo gehuwd?quot; vroeg Hyginus.

))Zijn vrouw stierf' voor twaalf jaren,quot; antwoordde Sigebert. ))De graaf heeft slechts één rechtmatigen zoon, een wilden, teugelloozen knaap van zestien jaar, door wiens aderen het bloed van zijn vader stroomt.quot;

Hyginus beschouwde met belangstelling den trotschen burcht. *

-ocr page 166-

15fi

»Dit is dus do wieg en hot rechtmatig eigendom van onzen Siegfried!quot; zoidc h.j. »Uet is te hopen, dut de omstandigheden weldra zoo veranderen, dat den roo-vcr en broedermoorder het vreemde goed ontnomen en den jongen man het erfdeel zijner vaderen kan teruggegeven worden. Siegfried zou een zegen vooi deze stieek zijn, want iiij is christelijk gezind, wijs, dapper en een getrouw zoon van zijn Moeder, de 11. Kerk.

5,0ver den jongen graaf is in het klooster maar eene stem, die van lof,quot; roemde de schatmeester. »Alle monniken bewonderen zijne hesclieidenheid en zijn vio-men zin. Moge de teruggaaf van zijn \adellijk eil-goed in den wil der Voorzienigheid liggen quot;

Het overige van den weg naar den burcht legden de geestelijken zwijgend en biddend af. Hoe moedig zij het gevaar ook te gemoet gingen, toch deelden zij in de zwakheden allen stervelingen eigen, waarom zij de beangste ziel door het gebed trachten te versterken.

Terwijl de vreemdelingen den burcht naderden, zat graaf Wazo met zijn gast, den gehuwden priester Lantbert, beraadslagend en ijverig onderzoekend in een kamer. Zij hadden met elkander tot laat in den nacht zitten pooien, eerst voor een uur het bed verlaten en waren juist bezig de maag voor verdere drinkgelagen op te wekken door het gebruik van ham eu gezouten visschen. Het gesprek werd op een hoogst vertrou-welijken toon gevoerd en gaf blijken van de gewetenloosheid en onbeschaafdheid van dit waardig paar.

sliet blijft derhalve bij onze afspraak van gisteren, kapellaan!quot; zeide graaf Wazo. sik bezorg u de abtlij Klingen en gij verschaft mij het Steinwald. De abdij heeft nog bosch genoeg en het Steinwald bedraagt slechts zes duizend morgen, — een geringe beluoning voor mijne moeite.

-ocr page 167-

157

jüDe monniken ziillen mij daarover wel beknorren, de Paus zal mij in den ban doen, maar dat beteekent volstrekt niets, heer graaf! Gij ontvangt het Steinwald. Oin de zaal? een goed voorkomen te geven, maakt gij aanspraak op het genoemde bosch w egens het beschermheerschap over Klingen gedurende drie jaren, waarvoor u het stift geen duit betaalde. Wel is waar is de zaak eenigzins anders, daar hut gebruik wil, dat de voogden voor het vruchtgebruik van kloostergoederen jaarlijks eenige duizend mark betalen, — maar dat geeft al weer niets. Gij kunt bezweren, dat gij van de voogdij over het klooster geen voordeel, maar veel nadeel hebt gehad, derhalve moeten uwe moeiten vergoed worden. Daarentegen drijft gij bij den koning door, dat ik de abdij voor een geringen prijs krijg.

«Voor tien duizend marken, — op mijn woord!' verzekerde VVazo. «Honderd duizend mark kan tie koning gemakkelijk voor het rijke stift krijgen, — gij zuil het hebben voor het tiende deel.

)gt;Zijt gij van den uitslag zeker?

«Geheel zeker! De koning lieeft mij noodig. In Saksen smeult het weer onder de asch. De muiters zullen binnen kort weer opstaan. Dan heeft de koning mijn arm en die mijner manschappen noodig. Ik doe dat evenwel niet voor niemendal, — natuurlijk! De eenige voorwaard van mijn leenplicht is, dat gij Klingen voor tien duizend mark ontvangt. Ook zal ik den koning uwe goede hoedanigheden roemen. Ik zal hem zeggen, dat gij een vroolijke klant zijt, die een aardig vrouwtje hebt en dat gij door Paus Hellebrand in den ban gedaan zijt. Dat zal onzen Hein bovenmate veel genoegen doen, — ik ken hem. Een enkele gehuwde abl is hem liever, dan alle ongehuwde bisschoppen en abten in het geheele Rijk te zamen, — wat ik ook voor verstandig houd: want de gehuwden staan hun koning

-ocr page 168-

158

trouw ter zijde tegen de heerscbzuclit dei- Roomsche Papen.

«Vergeet niet den koning te zeggen, dat ik te Klingen een tucht zai invoeren geheel overeenkomstig den tijd en dat ik die oude kwezelachtige manier van doen zal uitroeien.

sDat spreekt van zelf,quot; riep de gra;\f lachend uit. «Alle kwezelachtige monniken zullen wegloopen, zoodra gij met uw sclioone abdis binnenkomt. — Overmorgen rijden wij samen naar Worms, waar de koning reeds is aangekomen, om met de vorsten en bisschoppen een nieuwen Paus te kiezen, üij kunt van daag twee pakpaarden van mij medenemen, welke de tien duizend naar Worms zullen dragen; want Hein houdt van gereede betaling. Wij reizen natuurlijk met een sterk gevolg, opdat geen roovers het ons ontnemen, als zij er de lucht van krijgen. Omstreeks acht uur ben ik te Annweiler, gebruik mijn tweeden morgendrank bij u, kus met uw verlof uw aardig vrouwtje en dan gaan wij verder.

«Rijdt Dedi met ons?

»Neen! De burchtvoogd moet voor den koning op de schoone Godila passen. Verduiveld, — onze Hein is gelukkig en heeft smaak! Godila is uiterst schoon. Hein zal eenige dagen overkomen om te liefkozen. Ik gun hem de pret. Hij kweekt en plant toch reeds sedert zes jaar aan de bloem Godila, totdat zij is rij]) geworden.

»Wellicht komt Godila in aanzien aan het hof; zij zal er wel invloed krijgen,quot; zeide Lantbert.

«Het zou verstandig zijn, de genegenheid van deze schoone bijzit te verwerven.

»Neem u op dat punt wel in acht!quot; waarschuwde de graaf. »Menigeen liet heer Hein het licht uitbla-zan, die zijne bijzitten vriendelijk aansprak, of ook maar

-ocr page 169-

toelachte. Neen, — in dat opzicht verstaat hij geen scherts! Hij is jaloersch, als de duivel. — Ik zou voor u wel een andere kunstgreep weten, om de koninklijke genegenheid te verwerven. Uw vrouw is jong en aardig. Stel haar den koning voor, als hij naar den Tri-fels komt. Onze Hein is zoo verzot op alle aardige vrouwspersonen, dat zijn goede smaak maar niet bevredigd kan worden.

»Maar dat gaat niet, hestc graaf! Naast Godila is mijn vrouw een eenvoudig roosje bij een schitterende lelie vergeleken. In het bezit der lelie zal hem het roosje niet bevallen.

»üij zijt niet verstandig, broeder Lantbert,quot; riep de graaf lachend. »Onze Hein houdt zoo veel van bloemengeur, dat een geheele ruiker van rozen, leliën en viooltjes in eens hem niet hindert.quot;

Een vreeselijk geblaf van de jachthonden op het slotplein onderbrak het gesprek. Wazo stond op en keek door het venster.

»Wie komt daar aan? Twee monniken met gevolg? Zouden die pijen van Klingen komen? Juist, — den eene ken ik: de schatmeester Sigebert.quot;

Een huisbediende kwam binnen.

»Twee vaders uit de abdij Klingen wenschen u gestrenge te spreken,quot; berichtte de man.

«Breng hen in de gastzaal,quot; gebood Wazo.

;»Dien hun eten en drinken op, — de vrome vaders houden wei meer van het vasten en haten het vleesch,quot; voegde hij er spottend bij zich naar Lantbert keerend; »maar dat is minder, — de gastvrijheid moet niet verzuimd worden. Breng onze wijnbekers ook daarheen, opdat wij de vrome vaders met een goed voorbeeld voorgaan, terwijl wij onzen eersten morgendronk nemen.quot;

De bediende verdween.

-ocr page 170-

i(jO

«Wat zou hen hierheen voeren?quot; vroeg Lantbert.

«Ongetwijfeld hetzelfde onderwerp, dat wij reeds besproken hebben,quot; antwoordde Wazo. »De sluwe monniken komen mijn invloed bij het hot inroepen om een abt naar hun keus te krijgen. Ha, — ha! Zij zullen een abt hebben naar onze keus.

»Gij zult hun toch niets zeggen van onze afspraak?

»In zooverre onze afspraak het Steinwald betreft, moeten dc Papen niets vernemen. Wel wil ik zweren, dat ik geen vromer, wijzer, geleerder en bekwamer geestelijke tot abt voor Klingen ken, dan den burcht-kapellaan van den Trifels.

»Nu, dan wilde ik de lange gezichten van de monniken wel eens zien!quot; liep Lantbert uit.

«Dat zult gij ook, broeder abt, - gij zult de lange gezichten zien on er u in vermaken. — Nu naar de wijnkroes! Gij zult zoo goed dorst hebben als ik. Mijne visschen willen zwemmen, — ha — ha!quot;

De legaat was met Sigebert in een uitgestrekte zaal gebracht, waar de graaf, omgeven van talrijke drinkgezellen, gewoon was zijn woeste partijen te houden. Lompe eikenhouten tafels stonden daar en rondom deze even zulke plompe stoelen. Kale steenen muren hier en daar versierd met hertshoorns, evertanden, benevens andere zegeteekens en jachtbehoeften; een vloer van vierkante steenen; op houten voetstukken verbazend groote drinkvaten en kannen, vormden het geheele sieraad van de grafelijke receptiekamer, — Deze zaal werd geopend voor den pauselijken legaat wiens fijne reukorganen werden aangedaan door een bedorven, kwalijk riekende wijnlucht, welke de jongste uitspattingen hier hadden achtergelaten.

Twee bedienden bezett'en een tafel met volle wijnkruiken en koude vleeschspijzen op hetzelfde oogenblik toen Wazo met den burchtkapellaan van den Trifels

-ocr page 171-

10]

binnenkwam. Het gezicht van den gehuwden, in den kerkelijken ban vervallen priester, bracht droefheid en een sombere uitdrukking op het gelaat van Sigebert.

»Ha, — zijt gij het, heer schatmeester?quot; riep hem de graaf toe.quot; Welkom in mijn huis! Ga zitten, — wij willen samen het ontbijt gebruiken.

»Ik dank u wel, heer graaf,quot; antwoordde Sigebert. »Wij hebben geen behoefte aan spijs of drank.

«Ofschoon gij drie uren gereden hebt? Nu, — gelijk gij wilt!quot; zeide Wazo den zeer grooten wijnbeker aan den mond brengend, dien hij, tot verbazing van den legaat, in lange teugen ledigde. Ik weet reeds, waarom gij komt, lieer schatmeester! Ik heb u al lang verwacht,quot; ging de graaf voort.quot; :»\Vijl wij buren zijn, wensch ik dat de zaak in der minne en in vriendschap wordt bijgelegd. Waarachtig ik wil geen oorlog met Klingen! En gij zult een oorlog met graaf Wazo wel niet in het voordeel van uw stift vinden. Derhalve wederkeerige overeenstemming volgens recht on gebruik.quot;

Dit zeide Wazo, terwijl hij zijn geledigden beker uit een kan weder vulde.

»Uw welwillende gezindheid is verblijdend, heer graaf, zij maakt de oplossing van mijn zware taak gemakkelijker,quot; antwoordde hem Sigebert. »Ook de vergadering van ons klooster wenscht deze aangelegenheid naar recht en christelijk gebruik geregeld.

»Dat is al geregeld, beste schatmeester! Alles is

o O -

in orde,quot; riep Wazo. Gij koml een weinig te laat, — wat bovendien volstrekt niets te beteekenen heeft, want wij hebben op onze eigen verantwoording en naar ons goeddunken de zaak geschikt. Overmorgen rijd ik naar Worms, om bevestiging te verkrijgen, van den koning, die zonder twijfel met mijn voorstel geheel eens zijn zal.

Can. I). 1. 11

-ocr page 172-

»Mag ik uw voorstel kennen, heer graaf?quot; vroeg ile schatmeester bescheiden.

»Waarom niet? De zaak is geen geheim. Hier,quot; -- en hij wees op den burchtkapelaan, »ziet gij den aanstaanden abt voor het sticht Klingen in levenden lijve voor u.quot;

Sigeberf, tot nu toe in do meening, dat de woorden van quot;VVazo zinspeelden op den vermoorden dorper Gundelkarl, zat onbeweeglijk van ontzetting. Het schemerde hem voor de oogen, en de bloote mogelijkheid dien bedorven, gehuwden en van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten priester tot abt van zijn klooster verheven te zien, deed hem bijna in onmacht vallen. Hij hield zich aan de tafel vast en staarde Wazo aan, terwijl hij geen woord kon uitbrengen.

«Heeft u dit zoo getroffen, schatmeester?quot; riep de graaf woest lachend uit.quot; Of oordeelt gij misschien den burchtkapelaan des konings ongeschikt voor abt van uw stift? Bij mijn zwaard, — ik zou geen beteren weten! Lantbert is goedhartig, levenslustig, — geloof mij, de monniken zullen onder zijn bestuur vroolijke dagen beleven. Daar bij zelf een aardig vrouwtje heeft, zal hij van de arme drommels in do pij heel wat door de vingers zien, wat tot het genoegen van den man behoort.

«Zwijg, — om Godswil!quot; zeide Sigebert terwijl bij een afkeurende beweging met de hand maakte.

»Wie is deze burchtkapelaan Lantbert ? vroeg Hyginus.

«Waart gij reeds voor eenige jaren in het klooster te Klingen geweest, monnik, dan moest gij hem kennen, antwoordde de graaf het voorhoofd fronzend. Deze Lantbert, zooals uwe heiligheid zich gelieft uit te drukken, was vroeger de beste monnik van uw stift. Wijl de tucht van den ouden abt hem evenwel al te onmenschelijk streng geworden was, daarom

-ocr page 173-

1G3

ontliep hij zijn foltercel, werd pastoor te Amiwei-ler, burchtkapelaan op den Trifels en zelfs mijn rentmeester. Eindelijk nam hij, zoo als tegenwoordig het gebruik is, een aardig meisje, dat men hem zou benijden, tot vrouw.quot;

»En deze gehuwde, heiligschendende, geëxcommuniceerde, met den kerkdijken ban beladen priester moet abt worden?quot; vroeg Hyginus, nauwelijks in staat, zijn ontsteltenis te onderdrukken.

«Uwe verwenschte litanie verdient eigenlijk zweepslagen,- onbeschaamde monnik!quot; bedreigde Wazo, In-tusschen zal u de gastvrijheid beschermen, als gij uw scherpe tong voortaan wilt bedwingen. In elk geval wordt Lantbert die een tienmaal beter monnik is dan gij, abt van uw klooster, al zou het ook maar zijn, om u lomperd beleefd te maken. Juist de gehuwde priesters zijn den koning het liefst, omdat hij de aanhangers van Hellebrand niet dulden kan. En wat gij zegt van den kerkelijken ban, is maar gekheid. Wij vragen niets naar den ban van den afgezetten Hellebrand. De koning, de vorsten en bisschoppen zullen te Worms een Paus kiezen, die voor onzen tijd past, — een vrijzinnig man, en geen knorrepot, zooals deze Hellebrand geweest is.quot;

Een zoo groote mate van onbeschaamdheid en laaghartigheid dreef op het gelaat van den legaat een blos van billijken toorn.

»Hadt gij van de grootheid van ziel en heiligheid van Paus Gregorius maar het geringste denkbeeld,quot; zeide Hyginus. »Gij moest u over dergelijke uitdrukkingen schamen.

»Oho, — dat heeft wel iets van een terechtwijzing, riep de graaf. Zoo iets laat ik mij niet welgevallen; — en van zoo'n opgewonden monnik in het geheel niet. Wat gij daar zegt over de heiligheid van

-ocr page 174-

1(14

Hell ebrand, flat is gelogen, onbeschaamd gelogen. Heb ik zelf onlangs in Januari op de synode te Worms niet gehoord, hoe de grijze cardinaal Hugo uit Rome een geheele litanie van misdaden opsomde, waaraan Hellebrand zich heeft schuldig gemaakt? Zelfs den duivel bidt hij aan en hij oefent de zwarte kunst uit. En zulk een schurk noemt gij heilig, domme monnik?quot;

De pauselijke legaat kende reeds de belachelijke aanklachten van den kardinaal Hugo Candidus, welke deze aanhanger van den koning op de synode te Worms, 23 Januari 1070, tegen Gregorius VH had voortgebracht, om diens afzetting grond te geven

«De beschuldigingen van dien gewetenloozen cardinaal zijn zoutelooze verzinselen,quot; antwoordde Hyginus.

»Ja. — ja, dat beweren alle aanhangers van Uelle-brandlquot; viel Wazo hem in de rede, »Maar dat helpt niets! De aanbidder van den duivel is en blijft afgezet .

»Vloek over den tyran!quot; riep Lantbert toornig uit. ^Ondraaglijke lasten legde hij den geestelijken op, bij wilde ons dwingen, ongehuwd te leven, als engelen, als wezens zonder vleesch en bloed. Vloek, duizendinaal vloek over zijn oumenschelijke dwingelandij!

«Noemt gij de beteugeling van lage hartstochten dwingelandij?quot; vroeg Hyginus bedaard. »Is de geheele leer van Jezus Christus, den Verlosser der wereld, niet doordrongen, van een geest van versterving en onthouding? Gaf onze Heer zelf den priesters niét het voorbeeld van den ongehuwden staat? Leefden alle Apostelen niet zonder vrouwen, zoodra de Heer hen tot het priesterschap had geroepen? Moesten in het Oude Verbond de priesters zich niet van hunne vrouwen onthouden, als de H. Dienst hen in den tempel riep. Gregorius VII heeft niets nieuws ingevoerd, door de geestelijken den ongehuwden staat en de zuiverheid voor te schrijven, — neen, hij heelt slechts een oude

-ocr page 175-

165

tegenwoordig verachte instelling hersteld, [n het he-grip van het christelijk priesterschap ligt toch reeds het wezen van de zuiverheid en den vlekkeloozen levenswandel opgesloten. Of wist gij niet, dat de maagdelijke, uit een maagd geboren Hoogepriester Christus, ook een maagdelijk priesterschap gesticht heeft ? dat de maagdelijke staat een wezenlijk bestanddeel van het christelijk priesterschap uitmaakt ?

)gt;Bah! — dwaasheden!quot; riep Wazo. »Alle monniken, abten, bisschoppen en Pausen zijn van vleesch en bloed, daarom moeten zij ook vrouwen nemen.quot;

De legaat antwoordde hierop niets; want hij zag de onmogelijkheid, om den verdierlijkten drinkebroer Wazo de verhevenheid van de priesterlijke waardigheid aan het verstand te brengen.

))Laten wij dit onderwerp varen !quot; zeide de schatmeester. »Het doel onzer komst heeft geenszins betrekking op de abtskeuze, heer graaf, maar op de vermoording van don dorper Gundelkarl door uwe hand. Op mij rust de treurige verplichting, u te herinneren, dat gij wegens deze daad in den ban zijt.

»Alle duivels, — en dit zegt gij mij in het gezicht, vervloekte monnik,quot; schreeuwde de moordenaar opvliegend. »Aan den top van den hoogsten toren laat ik u ophangen voor uw onbeschaamde stoutheid, mij -mij, den machtigsten graaf der Vogeezen, mij, den vriend des konings, — mij in mijn eigen huis, — aan mijn tafel, mij met den ban bedreigen.quot;

Hij zou nog meer gescholden hebben, doch toorn en woede verstikten zijn stem. .Sigebert maakte van dit onvrijwillig stilzwijgen gebruik om den razende tot bedaren te brengen en hem zijne vermaning duidelijk te maken.

5gt;Ik bid u zeer, gestrenge heer, mijne woorden niet als een aanmatiging te beschouwen, daar zij slechts

-ocr page 176-

166

ontspringen uit de zorg voor uw eeuwig heil. De H. Schrift zegt: »Moordenaars kunnen niet in het rijk Gods binnengaan.quot; Bijgevolg is het in uw voordeel berouw te hebben over uw bloedige daad en daarvoor te boeten, wilt gij niet in de straffende hand van God vallen aan gene zijde des grafs.quot;

De bescheiden houding en de welmeenende taal van den schatmeester bedaarden eenigszins den toorn van Wazo.

»Wat spreekt gij van bloedige daad?quot; riep hij. »Die heb ik niet bedreven, derhalve behoef ik er ook geen berouw over te hebben, ot daarvoor te boeten. Ik doodde een onderhoorigen knecht, die mij ontloopen was, en daartoe heb ik het recht.

)gt;lk vraag u wel verschooning, heer graaf, wie kan ii het recht geven een onschuldig inensch te vermoorden?'' vroeg Hyginus. sMenschenmooord is nimmer geoorloofd, tenzij om zich te verdedigen, in geval van een rechtvaardigen oorlog, of ten gevolge eener wettelijke uitspraak des rechters over een misdadiger.

»Wie mij het recht geeft?quot; riep Wazo. sOnnoo-zele monnik, — de wet geeft mij het recht.

»Dc wet? dat is niet mogelijk!quot; hernam Hyginus. Mag ik u deu tekst van die wet verzoeken?

»üat is te veel gevergd van een graaf!quot; riep Wazo uit. »Lantbert geeft dien dommen monnik eens inlichtingen.

»De genadige heer graaf meent de wet Bawarika , verklaarde de burchtkapelaan. »Het achtste hoofdstuk, tweede titel dier wet luidt als volgt: »Heeft iemand op bevel van den koning of van den hertog een mensch gedood, öan kan de moordenaar niet tei tei verantwoording geroepen worden, evenmin kan hem

i) Walter, corp. jur. germ. I. 252

-ocr page 177-

167

tie bloedwraak treilen, wijl hij hel gebod van zijn heer volbracht, dien hij niet mocht weerstreven.

»Een zeer onchristelijke wet!quot; zeide de legaat. »Uit deze wet spreekt een heidensche geest, die niets wist van christenplichten en menschenwaarde. Al luidt gij op hovel des konings dien onschnldigen rnensch gedood, tocli blijft het een misdaad; want zelfs een koning heeft het recht niet een mensch naar willekeur te dood en.

»Hoor eens monnik, gij zijt een domme bloed!quot; riep Wazo. «Heb ik eerst een bevel des konings noodig, om een onderhoorigen knecht te tlooden, wanneer het mij behaagt? iion ik zelf geen koning in mijn gouw? Kan ik over eigendom, leven en dood mijner onderhoorigen niet vrij beschikken?

«Neen, dat kunt gij niet!quot; antwoordde de legaat op beslissender! toon. »Ook lijfeigenen, zijn menschen, evenbeelden van God, door het bloed van Christus vrijgekocht. Hijgevolg moogt gij met uwen naaste niet handelen, als met dieren.

»Aha, — ik merk, dat gij een Gregoriaan zijt, een aanhanger van dien verwenschten Hellebrandquot; riep Wazo. »Wij laten ons dergelijke nieuwigheden in het Rijk niet gevallen. Lijfeigen blijft lijfeigen! Als Hellebrand gebiedt, elk lijfeigene wordt een vrij man, zoodra hij zich onder de hoede van een klooster stelt, dan storen wij ons aan dat bevel volstrekt niet. De Paus heeft niets met onze zaken te maken, — volstrekt niets?quot;

«Heer graaf, wees zoo goed, te bedenken, dat Gre-gorius VII geen nieuwigheden verzon,quot; hervatt'e de legaat. ))Altijd heeft de Kerk die taal van waarheid, rechtvaardigheid en menschelijkheid gesproken. Altijd was de Kerk, Gods mond op aarde, geroepen, om den geest Gods te verspreiden, welke een geest van zacht-

-ocr page 178-

16S

moedigbeid on liefde, maar niet van wreedheid on dwingelandij is.

»Zwijg met uw predikatie!quot; viel hem Wazo in de rede. ))lk doodde den vent, omdat ik daartoe reclit had, ja, — recht, ook zonder de wet, want de sterkste vuist heeft altijd recht.

»Beroept gij u op het vuistrecht?quot; vroeg de legaat misnoegd. »üan zou elk vergrijp, elke misdaad aan den sterkste geoorloofd zijn. Zulk een uitlegging doet den naam van christen schande aan, — zij is een be-leediging voor liet aangezicht van God.

sHoor eens, monnik, als gij uw onbeschaaindcn muil niet diclit houdt, zal ik u op staanden voet laten ophangen, om u gevoelig te bewijzen, waartoe ik het recht heb. Ik ben koning in mijn gouw, — aan niemand ben ik verantwoording schuldig; want ik ben de sterkste.

»Gij vergist u, — er is een nog sterker boven u!

»Wie zou dat zijn? De koning misschien?

»De almachtige God, wien gij rekening en verantwoording zult moeten doen over uw geheel leven,quot; antwoordde de legaat plechtig.

sUa, — ha, — meent gij ine langs dien weg te naderen?quot; riep de moordenaar spottend uit. sSpaar uw moeite! Ik ben zoo'n domkop niet, dat ik aan een God geloof, zoo als de monniken hem gemaakt hebben. Op de eerste plaats ben ik gouwkoning en Lieve Heer in mijn land. Ik doe wat mij behaagt en vraag er geen duivel of dood naar. Wat zet gij groote oogen op? Waart gij niet altijd in uw cel opgesloten monnik, kwaamt gij in aanraking met de groote wereld, dan zoudt gij ondervinden, dat mijne beschouwingen tegenwoordig in gebruik zijn.quot;

De legaat werd duizelig over deze ruwheid van geest en woestiieid van zeden.

-ocr page 179-

160

»Ik beklaag uw standpunt, lieer graaf? Daulit gij toch aan de woorden van den Apostel: »Het is verschrikkelijk, te vallen in de hand van den rechtvaardigen God.

«Begint gij weer met uw predikatie?quot; viel Wazo toornig daar tusschen. ))Nog één woord uit rlen Bijbel en ik laat u, bij mijn zwaard, twee uren lang aan de beenen ophangen! Gij monniken moogt in uw kloosters doen, wat gij wilt, — dat kan mij niet schelen. Gij moogt vasten, boete doen, geeselen, bidden en Metten zingen dag en nacht, — blijft van mijnentwege gekken en leeft als botterikken. Maar buiten het klooster houdt dan uw muil dicht. Onze tijd kan dat oude domme wezen niet meer verdragen. Be oude koning, onze vroolijke Hein, zal wei een Paus kiezen, zoo als hij behoort te zijn. Maar een heerschzuchtig Stedehouder van Christus, die zich met alles bemoeit, die vroolijke monniken de vrouwen verbiedt, die goedhartige bisschoppen in den ban doet, die zelfs den koning buiten de gemeenschap der Christenen sluit, zulk een aanmatigenden paap kunnen wij niet gebruiken. En u monniken in Klingen zeg ik, als gij het nog eens waagt, een mijner lijfeigenen op te nemen, dan laat ik het geheele convent bont en blauw slaan.quot;

Beze bedreiging deed hij met de grootste verbittering, waarbij hij de vuist balde en op de tafel sloeg, dat de bekers dansten. Hoe woester graaf Wazo tegen de taal van den godsdienst uitvoer, ties te rustiger, ernstiger en zekerder werd de legaat des Pausen.

»Wij Benedictijnen, hebben het recht niet,quot; zuide hij,quot; onschuldig verdrukte lieden onze bescherming te weigeren. Be plicht gebiedt ons, hen op te nemen; want de Kerk is niet alleen de Moeder der grooten en machtigen, maar ook van de armen en zwakken. Ben dorper Gundelkarl hebt gij mishandeld, gekweld en

-ocr page 180-

170

als een redeloos dier gehouden tegen het recht, liet gebruik, de wet en den plicht als christen. V lucht een zoodanige verdrukte onder de hoede van het klooster, dan moet liij volgens de wetten der Kerk en van het Rijk opgenomen, en beschermd worden tegen zijne vervolgers. Tevens wordt zoo iemand vrij, gelijk alle eigenhoorigen der kloosters vrij moeten zijn; want slavernij en lijfeigenschap zijn kinderen van het heidendom.

sHel en duivel, — zijt gij gek?quot; schreeuwde Wazo, met de uitdrukking van verbazing den legaat aanstarend. »Ha, — ha! Praat maar voort! Tk zie gij zijl nog niet klaar,quot; zeide hij, op een tijger gelijkend, die de klauwen scherpt, om zijn prooi te verscheuren.

»Gij bedreigt de monniken van Klingen als zij liun plicht meer gehoorzamen, dan de menschenvrees,' ging Hyginus voort.quot; Voltrek uwe bedreiging maar, quot;•raai' Wazo? Val in liet klooster, als een moordenaar,

O

dood allen, — wij sterven met vreugde voor God en zijn dienst. Gij echter, dit zeg ik u, zult God den almachtigen rechter niet ontgaan. Want zoo spreekt de Heer: »Mij is de wraak, vergelden zal ik op zijnen tijd.quot; Voor God zijn alle menschen stof en asch, — ook gij zijt dat, graaf Wazo!

»Dat is toch heerlijk, — ha, ha! lachte de tyran bevend van woede. »Men zou meenen, dat do duivel in dien monnik gevaren is. Ga maar voort; — kom met alles maar voor den dag! Dan zullen wij

verder spreken.

sik sta voor u in den naam van God en zijne Kerk, welke zoo spreekt door mijn onwaardiger! mond. «Graaf ' Wazo, moordenaar van een onschuldig mensch, gij zijt uithoofde van die misdaad in den kerkelijken ban vervallen. Uitgesloten zijt gij van de gemeenschap dei-Christenen zoo lang, totdat gij berouw hebt over uwe misdaad, een reis naar Rome doet en van den \ ader

-ocr page 181-

171

lt;ler gelüovigon een boete hebt aangenomen, die beartt-woordt aan de grootte der misdaad.

»Nu is 't genoeg!quot; schreeuwde Wazo, blakend van woede van zijn stoei opspringend. »Houd op monnik,

— houd op, hond van een paap, — houd op met uw predikatie!quot;

Hij was genoodzaakt te zwijgen, want de woede verstikte zijn stem. Hyginus stond rustig en keek gelaten, ais een martelaar der eerste Christenen, op liet wilde, woedende dier. De schatmeester Sigebert wilde spreken, doch hij werd bedreigd dooi' de gebalde vuist van Wazo.

»Geen woord meer, — luister naar mij !quot; snauwde hij. «Vervloekte monnik, — schurk, — omdat gij het gewaagd hebt mij in mijn eigen huis te beschimpen. — mij te bedreigen met den ban, — mij den gouwkoning te behandelen als een slaaf; — daarom wordt gij op staanden voet daar aan dien haak opgehangen.

— Ho, — Rabodo, — Gyso, — Gozzo!quot; schreeuwde hij door de zaal tot zijne knechten. «Pakt dezen vent aan, — hangt hem oogenblikkelijk op voor mijn oogen. Zendt hem fluks ter helle, — hola, — komt gij haast ? Hoort gij niet, vervloekt slavengebroed ? — Ophangen moet gij dezen hond van een monnik! — Daar aan dien haak aan dien muur ophangen, opdat ik mij aan zijn stuiptrekkingen vermake.quot;

De woedende sloeg ei' aanvankelijk geen acht op, dat op zijn geroep noch liabodo, noch Gyzo of Gozzo verschenen. Nu nam hij een fluitje, dat aan een koord om zijn hals hing en ook de schrille toon van het fluitje bleef onbeantwoord.

«Wat is dat? Zijn de schobberts doof?quot; riep hij. «Wacht maar, — als de monnik opgehangen is, dan zal mijn zweep die doove stommerikken wel hoorend maken.quot;

-ocr page 182-

172

Hij sprong achter de tafel uit naar de deur, waar liet liem terstond duidelijk werd, waarom zijne bedienden niet verschenen.

Ridder Siegfried, een jeugdig maar voorzichtig heer, luid in het voorportaal der zaal plaats genomen. Daar zat hij op een steenen bank, zonder den helm van zijn hoofd te nemen, het schild naast zich aan den muur staande, het groote zwaard op de knieën, het lichaam met een ijzeren pantser omkleed — een schilderachtig schoone heldengestalte. De dienstdoende bedienden, die af- en aangingen, verzuimden gemakshalve de deur dei- zaal dicht te doen, zoodat Siegfried den geheelen loop van het gesprek hoorde. Het schreeuwen, bedreigen en schelden van Wazo overtuigden hem weldra van den hachelijken toestand, waarin zich Hyginus en Sigebert bevonden. Toen de graaf zijn rechtsbegrippen ontwikkelde en zich als een dier kleine tyrannen toonde, zooals de elfde eeuw er menigeen opleverde, ging Siegfried naar het burchtplein en gaf aan zijne lieden eenige bevelen. Twee van hen keerden met liem terug, en deze plaatste hij als wacht aan den ingang van het voorportaal der zaal. Tevens gaf hij le kennen, aan een bediende, die met ledige kannen uit de zaal terugkeerde, dat hij voorloopig het bedienen achterwege kon laten, omdat er gewichtige Staatsaange-iegenheden behandeld werden. De bediende, in de meening, dat Siegfried op last van den graaf handelde, stelde zijne makkers hiervan in kennis, en de beide wachters aan den ingang hielden eiken ongeroepen toehoorder terug. Door dezen maatregel van den sin-wen Siegfried was de graaf van zijne bedienden gescheiden en hierdoor bleef het bevel, om den pauselijken legaat op te knoopen, onuitgevoerd.

Toen nu graaf Wazo, van woede schuimbekkend, door de zaai liep eu zijne mannen riep, trad hem

-ocr page 183-

173

Siegfried te gemoet. Zonder den gewapende, wiens gelaat door den helm en den kap van het pantser grootendeels bedekt was, nader te beschouwen, herhaalde hij zijn bevel.

»Dien monnik uit Klingen hangt gij oogenblikkelijk op, en wel daar aan dien haak aan den muur, — voor mijn oogen zal hij ter helle varen.

»Wien bedoelt gij, heer graaf! Den'kleine of den gróote?quot; vroeg Siegfried.

»Deii kleine, — dat uitgemergelde' geraamte.

al)e kleine is niet van Klingen, heer, maar van Clugny in Frankrijk,quot;' hervatt'e de gewapende.

»Van Clugny in Frankrijk?quot; herhaalde Wazo eenigs-zins verrast.

»Ik ben de prior Hyginus van Clugny,quot; bevestigde de legaat.

»Dat is hetzelfde, — uit Klingen of uit Clugny, — hangen zal hij! Voorwaarts, — een strop! Daar neem dat touw van den muur, waarmede de honden vastgelegd worden, — het is goed genoeg, om er een hond van een monnik aan op te hangen.

«Eerwaarde vaders,quot; zeide Siegfried, »gij ziet op welke wijze de graaf de plichten der gastvrijheid beoefent. Aarzel derhalve geen ooge. blik om de paarden tot den terugtocht te bestijgen.quot;

Wazo wierp nu een onderzoekenden, toornigen blik op den gewapende.

»VVie zijt gij, onbeschaamde lummel?

»lk ben dé geleider van deze eerwaarde vaders, aan wien zij in dit moordhol van graaf Wazo zulke groote behoefte hebben,quot; antwoordde Siegfried. )gt;lk herhaal mijn verzoek,quot; wendde hij zich tot de monniken. »Verzuim geen oogenblik, verlaat terstond dit moordhol,quot;

Nauwelijks deden de geestelijken een schrede naar

-ocr page 184-

174

den nitgang, of Wazo liep naar den muur en trok een kort zwaard, dat op de everjachten gebruikt werd, uit de schee.-

»Zal hij niet hangen, dan zal hij aan zijn eind komen als een wild zwijn,quot; schreeuwde de verbitterde Wazo, op den pauselijken legaat aanvliegend.

Met de snelheid van den bliksem wierp zich Siegfried • tusschen Wazo en diens slachtoffer.

»Nog één stap,quot; riep hij uit, het zwaard trekkend, »en gij ligt in twee helften op den vloer.

))De graaf stond als vastgeklonken, zichtbaar verschrokken door het vreeselijk dreigend wapen van zijn tegenpartij.

»(ieen bloed vergieten, Siegfried!quot; smeekte de legaat.

«Naar omstandigheden!quot; riep de sterke man met het zwaard. »Ik zal dezen schurk niet verschoonen, om u te redden. Nogmaals, — verlaat dit slot, — geen beletsel zal u tegenhouden, — bestijg de paarden.quot;

Bij deze laatste woorden, tot de monniken gesproken, had Siegfried den vijand uit het oog verloren. Van dit oogenblik maakte de graaf spoedig gebruik, om den jongen man zulk een slag op het achterhoofd te geven, dat het zwaard boven het gevest in tweeën sprong. Siegfried wendde zich naar den sluipmoordenaar, terwijl een donkere gloed op zijn gelaat kwam. Met de uitdrukking van de diepste verachting keek hij naar Wazo, stiet het zwaard in de scheede, pakte den graaf bij ben nek, draaide hem als een tol in de rondte en slingerde hem met Hercules' kracht in den naastbijgelegen hoek. Vervolgens verliet hij de zaal, sloot de deur daarvan, ging door het voorportaal welks deur hij insgelijks sloot en welks sleutel hij er aftrok, sin den zadel!quot; beval hij de beide wachters.

Op het slotplein zaten de monniken reeds te paard.

-ocr page 185-

175

Onllt; Siegfried sprong op zijn strijos, edrn terwijl alle anderen over de brug reden, bleef hij op het plein achter, zich onderhoudend met den poortwachter, totdat hij zijn beschermelingen in snellen draf door het dal zag ijlen.

sHier is de sleutel van het vertrek vóór de zaal,quot; zeide hij, den verbaasden poortwachter de sleutels overhandigend. »Zie naar den graaf, hij mocht eens hulp behoeven.quot;

Hij zwenkte zijn paard en reed weg.

De graaf was in den hoek, als een levenlooze klomp blij ren liggen. Lantbert, voor wiens oogen alles in zulk een spoed had plaats gehad, die met ontzetting had gezien, hoe de zwaarden getrokken werden, en die Siegfrieds handelingen had bijgewoond, naderde nu den beweginglooze.

»Heer graaf, om Godswil, — graaf Wazo!quot; riep hij, terwijl hij den op den 'grond geworpen graaf schudd'e. »Heer graaf, — hoe vaart gij ?quot;

Na eenige pogingen richtte Wazo zich langzaam op, met de hand het voorhoofd wrijvend.

»Ach die verduivelde schurk! In vier stukken zal ik hem laten scheuren, — in vier stukken!quot; en hij hield zich met moeite op de beenen. )iHei en duivel, — ware mijn schedel niet hard als ijzer en staal, — hij had hem verpletterd. — Een beker wijn, broeder Lantbert, — een beker wijn!quot;

Hij ging wankelend naar de tafel en viel op een stoel neder, nog altijd het voorhoofd wrijvend.

))Eon misdaad, — een helsche euveldaad, uw gestrenge zoo te mishandelen,quot; verzekerde Lantbert, terwijl hij den beker van Wazo vulde. »Drink, heer graaf, dan wordt gij beter.

»Wraak, -- wraak! ' tierde Wazo. »Het klooster zal ik aan dc vier hoeken in brand steken, — alle

-ocr page 186-

nr.

landerijen der abdij zal ik in een woestijn veranderen, — de eene helft der monniken zal ik laten ophangen, lt;le andere helft zal ik met ie zweep laten afrossen, totdat Imn het vleesch van de beenderen valt, ja, dat wil ik, bij mijn zwaard!

»Wees verstandig, gestrenge lieer! Niet liet klooster lieeft zich tegen u vergrepen, maar de prior van Clugny en diens dienstman. Wees verstandig! Zoudt gij de abdij den oorlog aandoen en haar beschadigen, dan ware dit tegen uw eigen voordeel; want de Grego-rianen zouden u bij den Rijksdag aanklagen als een brandstichtér. Gij zoudt op die wijze de ongelegenheden des konings vermeerderen en mij, uw besten vriend oen verlaten sticht overgeven. Laat mij eerst maar abt worden, dan zult gij het Steinwald hebben en alle monniken tot bevrediging van uwe wraak. Wees nu verstandig en handel niet tegen uw voordeel.

»Gij hebt gelijk, — het zou tegen mijn voordeel zijn! Daarom wil ik mijne wraak tot gelegener tijd uitstellen. — Waar blijft gij honden?quot; schreeuwde Wazo de binnenkomende bedienden toe. »Gij laat uwen heer schelden en mishandelen? Dat zult gij duur betalen.quot;

De verbaasde bedienden verhaalden de toedracht en langzamerhand kwamen de voorzorgsmaatregelen van Siegfried aan den dag.

»Welk een sluwe schurk!quot; riep Wazo uit. ))En gij ezels laat u zoo verschalken?

«Hieruit kan uw gestrenge nu opmaken,quot; bemerkte Lantbert op vertrouwd ij ken loon, »dat sluwheid altijd tot het doel leidt.

))0, ik wil sluw zijn, als de duivel, om hen allen den hals te breken,quot; verzekerde Wazo, )gt;Ha, — ha, — over duizend jaren zal men er nog van spreken!

Van de bedienden vernamen de overige slotbe-

-ocr page 187-

woners, die uit meiden, jagers en eenige krijgsknechten bestonden, een voorval, dat zoo zonder geraas was afgeloopen. Geen enkele toonde eenige deelneming met den heer van het slot, wiens hardheid de harten niet won.

«Hoe zouden wij methet handjevol krijgsknechten den graaf hebben kunnen beschermen tegen de gewapende mannen?quot; zeide een jager. »De gestrenge stuurt de wapendragenden achter den ploeg en laat den burcht weerloos. Voor heden avond zijn stellig een twintig ruiters opgeroepen, maar zij komen te laat.quot;

De monniken hadden flink doorgereden, totdat zij den burcht ver achter den rug hadden, omdat zij vreesden, dat de manschappen van den graaf hen zonden nazetten en dat bloed vergoten zou worden.

«Zulk een mate van boosheid, snoodheid en goddeloosheid had ik toch niet verwacht,quot; begon de legaat, terwijl hij zijn paard in den stap liet gaan. »En die diep gevallen priester, - die burchtkapelaan Lantbert! Die zoon des duivels, — welke in den ban is, - ■ die met zijn bezoedelde handen het heiligdom Gods on-teert, — die zich aan Simonie schuldig maakt en langs den weg der misdaad abt wil worden! Schrikkelijke toestanden!

»Was er slechts één Lantbert en slechts één Wazo, dan zou men zich kunnen troosten,quot; antwoordde de schatmeester Sigebert. ))Maar Wazo en Lantbert zijn de vertegenwoordigers eener richting, eener machtige partij, aan welker spits de koning staat. Op de omverwerping van alle instellingen van Kerk en Staat is het gemunt. Het mindere volk moet onder het hardste slavenjuk gebukt gaan, en de godsdienst moet de dienstmaagd van het Salische hof worden.

»Zeer waar!quot; zeide de legaat toestemmend. «Het zedebederf in het Duitsche Rijk is groot. Hield de

Cax. IJ. I. 12

-ocr page 188-

177

Paus niet gestreng wacht over de geheele aarde, de Duitsche natie moest een buit worden van de snoodste willektiir van de onbeschaamdste verdrukking. Nimmer zal Gregorius van de Duitschers een volk van sla-, ven laten maken. En God zal met zijn Stedehouder zijn, hij zal den zwakke zijn almachtigen arm leenen, de trotschen van den troon bonzen en de ootmoedigen verheffen.

»Hoe moet dit geschieden, eerwaarde vader?quot; vroeg de schatmeester ontmoedigd. «Gregorius is zonder macht, bovendien rondom door vijanden ingesloten. In het zuiden liggen de Noormannen steeds op den loer, om den H. Vader te overvallen. In 't noorden zijn de Lombardische stieren op den ondergang van Gregorius uit. In Rome zelf is de Paus niet zeker, hij werd toch in den jongsten Kerstnacht door den burchtgraaf des konings bij de godsdienstoefening overvallen, mishandeld, in den toren geworpen en bijna gedood. Trekt de Saliër met zijn leger over de Alpen, om zijn tegenpaus, die in Worms zal gekozen worden, op den stoel van .Petrus te plaatsen, dan is Gregorius VII reddeloos verloren.

»Zoo schijnt het, eerwaarde broeder!quot; hernam de legaat. Do geheele booze wereld rust zich uit tot den storm tegen de Kerk, — dat is niets nieuws! Woeden deze stormen, met korte tusschenruimten, niet reeds sedert duizend jaren? En met welk gevolg? Met een gevolg, dat wondervol is, wijl God het bewerkt; want alle stormen hebben de wortelen van dat kleine mostaardzaadje slechts dieper gelegd en uitgebreid, zoodat het opgroeit-tot een boom, die de natiën overschaduwt. »De poorten der hel zullen niets tegen haar vermogen,quot; —• heeft de Heer gezegd en het woord van Christus alleen blijft eeuwig. Alle machtigen der aarde zijn machteloos voor dit woord. Ook zullen de stormen te-

-ocr page 189-

gen de instelling van Christus voortwoeden tot het einde der tijden, — zeer natuurlijk! quot;Want de Kerk is, als een schaap onder de wolven. De Kerk bestrijdt rusteloos de duisternis, de bedorvenheid dezer wereld, daarvandaan een strijd zonder ophouden. De overwin-» ning blijft evenwel ten slotte aan de Kerk, zij moet aan haar blijven, wijl God getrouw is.

»Dat is zoo, eerwaai'de vader! Maar volgens men-schelijke berekening moeten er wonderen geschieden, zal bij dezen tegenwoordige!) verschrikkelijken strijd de Kerk niet bezwijken. De menschen, maar vooral de grooten en machtigen, zijn al te zeer bedorven en zondig. En de zondigste van allen voert den schep-ter.quot;

«Slechts één voert den schepter, — God!quot; zeide de legaat ernstig. «De sterkte aller natiën is voor den almachtige een stroohalm. Doen wij maar stipt en onafgebroken, wat onze plicht is, dan zal God stellig het zijne doen. Weldra zult gij zien, eerwaarde broeder, hoe de Heer met zijne hulp toesnelt. Hiervan ben ik daarom overtuigd, wijl alle menschelijke middelen uitgeput zijn en God voor zijne in het nauw gebrachte bruid moet zorgen. Hij alleen heeft het lot der volken in zijne hand, — de algoede en getrouwe God. Meenen de roekeloozen, dat zij hun doel bereikt hebben, dan worden zij gewaar, dat zij slechts naar Gods raadsbesluiten kunnen werken. Juist daarom, wijl de onchristelijke wijze van regeeren van Hendrik IV tegen den geest der Kerk aandruischt, is zij niet van duur en kan zij niet van duur zijn; want de Heer kan de vernietiging zijner instelling niet toelaten. — Desniettemin moeten wij niet ophouden met wijs overleg te handelen. Graaf Wazo zal de abdij den oorlog aandoen, daarom moet Klingen zonder dralen een krijgshaftig beschermheer hebben. Rijd vooruit, ik wil

-ocr page 190-

179

met onzen redder uit de handen van den booswicht, eenige woorden spreken.quot;

Do legaat hield op die plaats stil, totdat Siegfried

kwam.

* »Ik dank u, mijn zoon, God loone u voor de bescherming, welke gij den legaat van den Stedehouder van Christus op aarde verleend hebt,quot; begon Hyginus. »Weer zijt gij een werktuig geweest in de hand van God.

»lk deed slechts mijn plicht, eerwaarde vader,quot; zeide de ridder bescheiden. «Maar ik vrees, dat de graai' een geschikte gelegenheid zal afwachten, om zijn toorn aan de abdij te koelen.

»Dat vrees ik ook!quot; bevestigde Hyginus. »Door de schenking van den Frankenkoning Dagobert bezit de abdij een talrijke schaar dienstmannen, maar de ziel, het hoofd, ontbreekt: een bekwaam voogd. Gij zelf hebt de onneembaarheid en de voorbeeldige sterkte van de burcht vesting Landeck geroemd.

»Zoo is het ook, eerwaarde vader! De stelling van Landeck is onneembaar. Bovendien bevinden zich torens en muren in den besten staat. De wapenkamers zijn voorzien van allerlei soort van wapenrustingen. Doch zij, die deze wapenrustingen zullen dragen, moeten geoefend zijn.

«Daarom juist is een krijgshaftig voogd noodzakelijk,quot; zeide Hyginus. ))De vrome vaders lieten tot nu to3 het beschermheerschap onvervuld, omdat zij geen nauw-gezetten, getrouwen en dapperen ridder konden vinden. Zoudt gij geen lust hebben,quot; vroeg hij op een verzoekenden toon, «beschermheer der abdij te worden ?quot;

Op deze onverwachte vraag kwam een blos op de wangen van den jeugdigen lieer en zijn scherpe oogen fonkelden.

«Gij weet, eerwaarde vader, dat ik dienstman des Pausen ben,quot; antwoordde bij.

-ocr page 191-

ISO

))lk bezit de volmacht, mijn zoon, a in den naam van den Paus van uwe verplichtingen als dienstman te onüieffen. Gregorius zal uwen dapperen arm wel is waar ongaarne missen, — maar wees overtuigd, dat hij in dezen gevaarlijken toestand, nu dit eerwaardig stift zonder bescherming is, zijn wonscli met mijn verzoek zal vereenigen, om u met het beschermheerschap te belasten.

»Als gij mijn geringe kracht voldoende acht, om deze gewichtige en moeilijke betrekking op mij te nemen, dan ben ik er mede tevreden,quot; antwoordde de jonge man na een kort stilzwijgen.

Hyginus keek verheugd en verrast op. Hij had deze bereidwilligheid niet verwacht; want hij vermoedde niet, dat de schoone, weerlooze en bedreigde dochter van den markgraaf Udo voor den jongen ridder een machtige reden zou zijn, bet aanbod niet af te wijzen.

)j(jlod zij dank!quot; riep Hyginus, »Gij neemt mij een zware zorg van het hart, lieve zoon. Morgen reeds zult gij den eed van getrouwheid afleggen. Op het oogenblik, wil ik den eerwaarden schatmeester de blijde boodschap melden.quot;

Hij gaf het paard de sporen en spoedde zich aan do zijde van Sigebert.

• Het aangezicht van den mannelijk schoonen ridder glanste van blijdschap. Hij kon in de nabijheid blijven van de hoogvereerde en bewonderde, hij kon haar zelfs een kleine macht en een sterke vesting ter beschikking stellen. Ondernemend en dapper, als hij was, begon hij voor de redding van Godila uit de hand van haren gevaarlijken vijand allerlei ontwerpen te vormen, waarmede hij voortging, totdat de stoet voor de ringmuren van het stift aankwam.

Den pauselijken legaal wachtte te Klingen een ge-

-ocr page 192-

1S1

volg uit Limburg, welks aanvoerder liem een schrijven van den bisschop Altmann van Passau overbracht. De brief bevatt'e voor Hyginus het bevel, onverwijld de terugreis naar Rome te aanvaarden. Ofschoon vermoeid van den rit naar den grafelijken burcht, gaf de legaat zonder toeven de noodige bevelen tot den aftocht. Vervolgens spoedde hij zich naar de cel van den abt Widerad, wien het plotseling vertrek van den vriend bedroefde.

))Sigcbert zal u omstandig den uitslag van onzen tocht verhalen, geliefde broeder !quot; zeide Hyginus. «Siegfried blijft hier, bereid, het beschermheerschap op zich te nemen.

»Den Heer zij dank!quot; riep de abt verblijd.

»Nog valt er een gewichtig punt voor den toekom-stigen voogd af te handelen,quot; ging tie legaat voort. sMij werd hot heden duidelijk, dat er voor onzen Siegfried geen hoop bestaat langs den weg van liet recht tot het zijne te geraken. Ook voor hem is onze H. Vader Gregorius de eenige toevlucht, zoo ais hij dit is voor alle onschuldig verdrukten en beroofden, papa est lapis adjutorii et refugiurn oppressorum, de Paus is een rots van hulp en een toevlucht voor de verdrukten. Ik ben besloten, den Paus deze aangelegenheid bloot te leggen, waartoe ik de bewijsstukken van Siegfried omtrent zijn afkomst en aanspraken op het graafschap noodig heb. Geef mij die, eerwaarde broeder!

))Met genoegen!quot; antwoordde do abt, den legaat naar de bibliotheek geleidende, waar hij eenige zorgvuldig bewaarde en verzegelde perkamenten te voorschijn haalde en die overgaf met de woorden : sGod zegene uwe bemoeiingen!

sRoep de eerwaarde vaders in de zaal van het convent bijeen!quot; zeide de legaat.

-ocr page 193-

182

«Hebt gij geen lichamelijke versterking noodig voor de reis?quot; vroeg de abt bezorgd. «Limburg is meer dan negen uur van hier.

«Juist, — tengevolge mijner zaken vergeet ik het eten geheel en al,quot; hervatt'e Hyginus glimlachend. «Laat mij in den refter een kleinigheid opdienen, terwijl ik van onzen Siegfried afscheid neem.quot;

Eenige minuten later wandelde Siegfried aan de zijde van den legaat onder het groene dak van een gang, die door loof gevormd was, in den kloostertuin. Die jonge man scheen treurig. Ongaarne verliet hij den dienst des Pausen en de nabijheid van een geeste lijke, wiens goedhartigheid, geleerdheid en godsvrucht hij had leeren bewonderen. Hyginus kon die gemoedsgesteldheid niet ontgaan.

«Onze scheiding is voorbijgaand, mijn zoon!quot; zeide hij. «Na een korten tijd zal ons de Heer daar boven vereenigen in dat hemelsch rijk, waar geen klachten, tranen, leed noch scheiding meer zijn. — Lieve Siegfried!', ging hij vaderlijk voort. «Gij zijt een kind van ons klooster Clugny. Daar groeidet gij op tot jongelingen man. Clugny heeft u geestelijk opgebracht, want het heeft uwe ziel gevormd naar het richtsnoer van het Evangelie. Blijf die opvoeding getrouw. Hot ridderschap verplicht u tot ondersteuning van de zwakken, — beoefen steeds moedig die schoone plicht. Geen verdrukte smeeke vergeefs om uwe hulp, — wees vaardig in het uitoefenen der christelijke liefde om Godswil. Verzuim nimmer de overige verbintenissen van het ridderschap. — wees dapper, bescheiden en zuiver in den wandel voor God. Gij weet, mijn zoon, dat zelfbeheersching en beteugeling van de kwade neigingen der menschelijke natuur tot de prijzenswaardigste daden van een ridder behooren. Alle wapenroem is zonder waarde, gaat hij niet gepaard met godsvrucht.

-ocr page 194-

179

met onzen redder uit de handen van den booswicht, eenige woorden spreken.quot;

De legaat hield op die plaats stil, totdat Siegfried

kwam.

' »Ik dank u, mijn zoon, God loone u voor de bescherming, welke gij den legaat van den Stedehouder van Christus op aarde verleend hebt,quot; begon Hygimis. »Weer zijt gij een werktuig geweest in de hand van God.

))lk deed slechts mijn plicht, eerwaarde vader,quot; zeide de ridder bescheiden. »Maar ik vrees, dat de graaf een geschikte gelegenheid zal afwachten, om zijn toorn aan de abdij te koelen.

«Dat vrees ik ook!quot; bevestigde Efyginus. «Door dc schenking van den Frankenkoning Dagobert bezit de abdij een talrijke schaar dienstmannen, maar de ziel, liet hoofd, ontbreekt: een bekwaam voogd. Gij zelf hebt de onneembaarheid en de voorbeeldige sterkte van de burchtvesting Landeck geroemd.

»Zoo is het ook, eerwaarde vader! De stelling van Landeck is onneembaar. Bovendien bevinden zich torens en muren in den besten staat. De wapenkamers zijn voorzien van allerlei soort van wapenrustingen. Doch zij, die deze wapenrustingen zullen dragen, moeten geoefend zijn.

«Daarom juist is een krijgshaftig voogd noodzakelijk,quot; zeide Hygimis. »De vrome vaders lieten tot nu toe het beschermheerschap onvervuld, omdat zij geen nauw-gezetten, getrouwen en dapperen ridder konden vinden. Zoudt gij geen lust hebben,quot; vroeg hij op een verzoekenden toon, «beschermheer der abdij te worden?quot;

Op deze onverwachte vraag kwam een blos op de wangen van den jeugdigen heer en zijn scherpe oogen fonkelden.

«Gij weet, eerwaarde vader, dat ik dienstman des Pausen ben,quot; antwoordde hij.

-ocr page 195-

ISO

»lk. bezit de volmacht, mijn zoun, u in den naam van den Paus van uwe verplichtingen als dienstman tu ontheffen. Gregorius zal uwen dapperen arm wel is waar ongaarne missen, — maar wees overtuigd, dat hij in dezen gevaarlijken toestand, nu dit eerwaardig stift zondei bescherming is, zijn wensch met mijn verzoek zal vereenigen, om u met het beschermheerschap te belasten.

»Als gij mijn geringe kracht voldoende acht, om deze gewichtige en moeilijke betrekking op mij te nemen, dan ben ik er mede tevreden,quot; antwoordde de jonge man na een kort stilzwijgen.

Hyginus keek verheugd en verrast op. Hij had deze bereidwilligheid niet verwacht; want hij vermoedde niet, dat de schoone, weerlooze en bedreigde dochter van den markgraaf Üdo voor den jongen ridder een machtige reden zou zijn, liet aanbod niet af te wijzén.

«God zij dank!quot; riep Hyginus, »Gij neemt mij een zware zorg van het hart, lieve zoon. Morgen reeds zult gij den eed van getrouwheid afleggen. Op het oogenblik, wil ik den eerwaarden schatmeester de blijde boodschap melden.quot;

Hij gaf het paard de sporen en spoedde zich aan de zijde van Sigebert.

• Met aangezicht van den mannelijk schoonen ridder glanste van blijdschap. Hij kon in de nabijheid blijven van de hoogvereerde en bewonderde, hij kon haar zelfs een kleine macht en een sterke vesting ter beschikking stellen. Ondernemend en dapper, als hij was, begon hij voor de redding van Godila uit de hand van haren gevaarlijken vijand allerlei ontwerpen te vormen, waarmede hij voortging, totdat de stoet voor de ringmuren van het stift aankwam.

Den pauselijken legaat wachtte te Klingen een ge-

-ocr page 196-

1S1

volg uit Limburg, welks aanvoerder hem een schrijven van den bisschop Altmann van Passau overbracht. De brief bevatt'e voor Hyginus het bevel, onverwijld de terugreis naar Rome te aanvaarden. Ofschoon vermoeid van den rit naar den grafelijken burcht, gaf de legaat zonder toeven de noodige bevelen tot den aftocht. Vervolgens spoedde hij zich naar de cel van den abt Widerad, wien het plotseling vertrek van den vriend bedroefde.

»Sigebert zal u omstandig den uitslag van onzen tocht verhalen, geliefde broeder !quot; zeide Hyginus. ))Sieg-fried blijft hier, bereid, het beschermheerschap op zich te nemen.

«Den Heer zij dank!quot; riep de abt verblijd.

»Nog valt er een gewichtig punt voor den toekom-stigen voogd af te handelen,quot; ging de legaat voort. 51 Mij werd het heden duidelijk, dat er voor onzen Siegfried geen hoop bestaat langs den weg van het recht tot het zijne te geraken. Ook voor hem is onze H. Vader Gregorius de eenige toevlucht, zoo ais hij dit is voor alle onschuldig verdrukten en beroofden, papa est lapis ad ju toni et refugium oppressorum, de Paus is een rots van hulp en een toevlucht voor de verdrukten. Ik ben besloten, den Paus deze aangelegenheid bloot te leggen, waartoe ik de bewijsstukken van Siegfried omtrent zijn afkomst en aanspraken op het graafschap noodig heb. Geef mij die, eerwaarde broeder!

))Met genoegen!quot; antwoordde de abt, den legaat naar de bibliotheek geleidende, waar hij eenige zorgvuldig bewaarde ea verzegelde perkamenten te voorschijn haalde en die overgaf met de woorden : «God zegene uwe bemoeiingen!

oKoep de eerwaarde vaders in de zaai van het convent bijeen!quot; zeide de legaat.

-ocr page 197-

182

«Hebt gij geen lichamelijke versterking noodig voor de reis?quot; vroeg de abt bezorgd. «Limburg is meer dan negen uur van hier.

«Juist, — tengevolge mijner zaken vergeet ik het eten geheel en al,quot; hervatt'e Hyginus glimlachend. «Laat mij in den refter een kleinigheid opdienen, terwijl ik van onzen Siegfried afscheid neem.quot;

Eenige minuten later wandelde Siegfried aan de zijde van den legaat onder het groene dak van een gang, die door loof gevormd was, in den kloostertuin. Die jonge man scheen treurig. Ongaarne verliet hij den dienst des Pausen en de nabijheid van een geeste lijke, wiens goedhartigheid, 'geleerdheid en godsvrucht hij had leeren bewonderen. Hyginus kon die gemoedsgesteldheid niet ontgaan.

«Onze scheiding is voorbijgaand, mijn zoon!quot; zeide hij. «Na een korten tijd zal ons de Heer daar boven vereenigen in dat hemelsch rijk, waar geen klachten, tranen, leed noch scheiding meer zijn. —• Lieve Siegfried!', ging hij vaderlijk voort. «Gij zijt een kind van ons klooster Clugny. Daar groeidet gij op tot jongeling en man. Clugny heeft u geestelijk opgebracht, want het heeft uwe ziel gevormd naar het richtsnoer van het Evangelie. Blijf die opvoeding getrouw. Het ridderschap verplicht u tot ondersteuning van de zwakken, — beoefen steeds moedig die schoone plicht. Geen verdrukte smeeke vergeefs om uwe hulp, — wees vaardig in het uitoefenen der christelijke liefde om Godswil. Verzuim nimmer de overige verbintenissen van het ridderschap. — wees dapper, bescheiden en zuiver in den wandel voor God. Gij weet, mijn zoon, dat zelfbeheersching en beteugeling van de kwade neigingen der menschelijke natuur tot de prijzenswaardigste daden van een ridder behooren. Alle wapenroem is zonder waarde, gaat hij niet gepaard met godsvrucht.

-ocr page 198-

1 S3

Al uwe liandelingen moeten een zuiver doel hebben eu de vei'hevenheid uwer plannen veredelen. Wees daarom geregeld in het gebed en houd niet op, u zeiven te bewaken, opdat niets verkeerds ongemerkt in uw ziel plaats vinde.

«Eerwaarde vader!quot; zeide de jonge man, aangedaan, sik dank u en ik zal mij er op toeleggen, om mijn leven naar de grondstellingen te regelen, die ik te Clugny heb aangeleerd.

»Doe dat, mijn zoon, en gij zult hier en hiernamaals gelukkig zijn? Word voor uw klooster een nauwgezet, omzichtig, wijs en getrouw voogd. De Heer verleene u alle eigenschappen, om deze gewichtige betrekking waardig te vervullen. Bescherm deze vrome monniken tegen de gewelddadigheden der loerende booswichten, en verdedig streng de rechten der abdij. Zijt gij verlegen, in moeilijke omstandigheden, ga dan bij den omzichtigen abt Widerad te rade. Uwe verheffing tot beschermheer zal stipt plaats hebben naar de voorschriften. Het convent zal u nog heden kiezen. Morgen ochtend biecht gij, nader dan tot de 11. Tafel, opdat gij uw werkkring in staat van genade aanvaardt. — Kom nu binnen en gebruik niet mij eenige spijzen.quot;

Na een soberen maaltijd nam de legaat van de verzamelde monniken afscheid en bad met hen het itinerarium of reisgebod in de kerk. Door den abt en de waardigheidbekleeders van het stift vergezeld, begaf zich Hyginus naar het voorplein, waar het gevolg-van Limburg en de dienstmannen van den Paus te paard zaten. De legaat gaf de kloosterlingen den vredekus, omhelsde Siegfried en steeg te paard.

-ocr page 199-

184

HET KEIZERLIJK PALEIS TE WORMS.

De toestand van liet Duitsche volk was onder de regeering van Hendrik IV7 bijna ondraaglijk geworden. Zoo ais reeds is opgemerkt, had de overmoed des ko-nings na zijn overwinning op de Saksers geen grenzen. Steeds begeerig naar verboden genot, zoowel als naar onbeperkte heerschappij, wilde hij bijna alles en over allen naar welgevallen gebieden. Wijl de vorsten steeds werktuigen vinden, tot de uitvoering van de schandelijkste daden, ontbrak het den Saliër ook niet aan een geheele schaar van verworpelingen, die hem steeds omringden. Wellustig en wreed, heersch- en hebzuchtig, als hij was, hield hij in het Rijk huis als een tyran en onteerde den troon door wraakroepende misdaden en gewelddadigheden, liet bederf had alle standen der maatschappij aangetast. De eerwaardigste ambten werden onteerd, de heiligste banden verbroken, elke zedelijke instelling verviel. Nergens vonden de verdrukte, gekwelde menschen hulp; want de wraak van Hendrik trof zeker en doodelijk allen, die zich tegen zijn dwingelandij verzetten. De Saksers hadden zich tot den algemeenen Vader der geloovigen gewend. Hunne boden brachten den Paus de ijselijkste berichten omtrent de toestanden in het Rijk.

))Geen verstand en gematigdheid zijn de middelen waar door hij regeert,quot; schreven zij, »maar gierigheid hoo-vaardij en moedwil, de getrouwe gezellen des konings. Eenigen zijn door roof en moord heeren geworden, op alle anderen drukt de dienstbaarheid als lood. De koning houdt zich met niets anders bezig dan met jagen en hij bevredigt slechts zijn wellustige begeerten. Het getal zijner misdaden van allerlei aard is onuit-

-ocr page 200-

185

sprekelijk. Slechte priesters, lichtekooien en losbandige jongelieden zijn zijne raadslieden, met deze kiest hij bisschoppen, abten en prelaten. Venus brengt hij offers en hij houdt voor haar feesten; met vrouwen leeft hij op de schandelijkste wijze. Zulk een koning is geen troon waardig.quot; ')

Op het hulpgeroep der Saksers zond de Paus legaten tot den koning, die hem moesten uitnoodigen op een synode te Rome te verschijnen, ter rechtvaardiging van de misdaden, die hem ten laste werden gelegd, — zoo niet, dan werd hij buiten tie gemeenschap der Kerk gesloten.

Ofschoon deze vermaning van den Paus in overeenkomst was met zijn plichten als Opperherder en deze ook strookte met den geest van dien tijd, verzett'e ile Saliër zich toch in buitengewone woede. Hij spott'e met Gregorius, beleedigde zijne legaten en joeg hem buiten het Kijk. Tevens was hij er op bedacht, om den Paus zijne wraak te laten voelen. Dientengevolge gaf hij Cencius, zijn burchtgraaf te Rome, het geheime bevel, Gregorius VTI van kant te maken. Cencius overviel den Paus in de kerk, mishandelde hem en wierp den ouden man in een sterken toren. Maar het Romeinsche volk sprong in de bres voor den H. Vader, bevrijdde hem eu verijdelde den aanslag van den Duitschen koning'. ')

Dit had plaats tegen het einde van het jaar 1075. ïe gelijkertijd beriep Hendrik een synode te Worms, waar acht en twintig bsschoppen, creaturen van het Salische hof en cardinaal Hugo Candidus bijeenkwamen. De laatste, welke in den ban was, een bruikbaar werktuig des konings, bracht ter vergadering

') Volgt, Gregorius VII cu ziju oeuw bl. iOS vv, ^ Sfrorer, D. VII bl, 501 vv.

-ocr page 201-

liS 6

de gemeenste en belachelijkste beschuldigingen tegen den Paus in. Hoe handtastelijk de verzinselen en lasteringen ook waren, zij waren voor den koning en zijne bisschoppen voldoende, om den 23 Januari 1076 den Paus formeel af te zetten en hem deze afzetting in een uitvoerig schrijven ter kennis te brengen. De koning richtte aan Gregoruis een eigen-handigen brief, die aldus luidde:

«Hendrik, niet door aanmatiging, maar door Gods H. Wil koning, aan Hildebrand, die van heden ai' aan geen Paus meer, doch een bedriegelijk monnik is. Dezen groet hebt gij door uwe schanddaden verdiend. Gij werpt de geheele wereldorde omver, treedt de bisschoppen met voeten, randt de koninklijke macht aan, als hadden wij de kroon van u ontvangen en als .ware de heerschappij en het keizerschap niet in Gods hand, maar in de uwe. Christus onze Heer was het, die mij tot de regeering riep, doch u heeft hij niet tot het priesterschap geroepen, gij hebt veeleer dooi' list geld, door geld gunst en door gunst het zwaard bemachtigd. Zoo hebt gij den Stoel des vre-des beklommen, van daar hebt gij de rust der wereld verstoord, door de onderdanen legen de overheid te wapenen, dooi' hen te leeren de bisschoppen te verachten, die door God zijn aangesteld en gij geeft den leeken de macht, om hen af te zetten. Petrus predikt: Vreest God eert den koning. Paulas sprak den vloek uit zelfs tegen engelen, als zij anders leerden dan hij. Deze vloek van Paulus treft u op de eerste plaats. Daarom zult gij, veroordeeld, als gij zijt door den Apostel, door de stem onzer bisschoppen en ook door mijn koninklijk woord, den Roomschen Stoel verlaten, opdat ia uw plaats een ander Paus worde, die de leer van Petrus verkondigt. Ik, Hendrik, door Gods genade koning, en met mij alle bisschoppen gebieden u, den Stoel

-ocr page 202-

187

van Petrus te verlaten, — verlaat hem eu zij vervloekt nu en in alle eeuwigheid.quot; ')

Deze brief schreef de wetteluoze, tijraunieke, zede-looze en misdadige Hendrik IV, aan den grootsten man zijner eeuw, aan den H. Paus Gregorius.

Ook aan de Romeinen richtte de koning een schrijven, hetgeen luidde als volgt. »Ik verzoek u, de besluiten in het hier boven aangehaald schrijven tegen den monnik Hildebrand te volbrengen. Als mijn ge-trouwste dienaren verzet u tegen hem, de eene ga den anderen voor in de vervloeking van den monnik. Mijn wil is niet, dat gij hem dood slaat, dewijl een lang leven na een schandelijke afzetting voor hem een harder pijniging is dan de dood; doch ik smeek u, dat gij hem, wanneer hij niet vrijwillig gaat, tot heengaan dwingt, en een anderen, dien ik in overeenstemming met alle bisschoppen cn ook met u tot Paus benoemen zal, in zijn plaats stelt.quot; ')

Deze brieven brachten de boden des konings naar Rome, waar juist honderd en tien bisschoppen uit Italië, Frankrijk, Spanje en andere landen om den Paus verzameld waren. Roland, een geestelijke uitParma, nam het op zich, aan het Opperhoofd der Kerk en de synode de besluiten der acht en twintig bisschoppen en van den Duitschen koning voor te dragen. Onbeschaamd trad hij voor Gregorius en sprak aldus.

»De koning, mijn heer, alsook de Duitsche en Lombardische bisschoppen gebieden u, den Stoel van Petrus, dien gij wederrechtelijk in bezit genomen hebt, on-middelijk te ruimen.quot;

Hierop wendde hij zich tol de honderd en tien bisschoppen met de woorden: ȟ, broeders, maak ik bij

i) Gfrörer I). VII. bl. 509. i) üfrörer 1). VII. bl. 5119.

-ocr page 203-

188

dezen bekend, dat gij tot aanstaanden Pinksteren tijd hebt om in de residentie des konings te verschijnen, ten einde uit zijn handen een Paus en Vader te ont- • vangen; want deze hier,quot; riep hij op Gregorius wijzend, sis geen Paus, maar een verscheurende wolf.quot; ')

De indruk van deze ongehoorde taa! was buitengewoon. De prefect der stad en de ridders, die tegenwoordig waren, vielen woedend op Roland aan. Zelfs balden enkele Spaansche en Italiaanse he, in drift ontstoken prelaten hunne vuisten tegen den ellendeling. Gregorius verliet in aller ijl zijn zetel en beschermde grootmoedig den vijand. Aan stukken zou Roland gescheurd zijn had de Paus hem niet beschermd, schrijft de Saksische kroniekschrijver Bruno.

Den volgenden dag, 23 Februari 107B, liet Gregorius de brieven van de synode te Worms aar. de verzamelde bisschoppen voorlezen. Daarop hield de Paus een aanspraak, waarin hij de verwijten, die hem de scheurmakers van Worms deden, wederlegde. De verzamelde bisschoppen verlangden de excommunicatie der achtentwintig scheurmakers van Worms. Gregorius echter, toegevend gezind en scherpziend, sprak slechts den ban uit over Siegfried van Mainz en over bisschop Willem van Utrecht, omdat zij het waagden, de bisschoppen en abten van het Duitsche Rijk van de H. Roomsche Kerk los te scheuren.

Tusschen de overige prelaten, welke de besluiten te Worms hadden onderteekend, maakte de Paus de volgende onderscheiding: »Hen die zulks uit eigen aandrift deden en in hun trotschheid willen volharden, treft de ban. Diegenen evenwel, welke slechts voor het geweld weken en door den koning misleid werden, wordt tijd gegeven tot den feestdag van St. Petrus

i) Gfrörer ü. VII. bl. 512.

-ocr page 204-

187

van Petrus te verlaten, — verlaat hem en zij vervloekt nu en in alle eeuwigheid.quot; ')

Deze brief schreef de wettelooze, tijrannieke, zede-looze en misdadige Hendrik IV, aan den grootsten man zijner eeuw, aan den H. Paus Gregorius.

Ook aan de Romeinen richtte de koning een schrijven, hetgeen luidde als volgt. »Ik verzoek u, de besluiten in het hier boven aangehaald schrijven tegen den monnik Hildebrand te volbrengen. Als mijn ge-trouwste dienaren verzet u tegen hem, de eene ga den anderen voor in de vervloeking van den monnik. Mijn wil is niet, dat gij hem dood slaat, dewijl een lang leven na een schandelijke afzetting voor hem een harder pijniging is dan de dood; doch ik smeek u, dat gij hem, wanneer hij niet vrijwillig gaat, tot heengaan dwingt, en een anderen, dien ik in overeenstemming met alle bisschoppen en ook met u tot Paus benoemen zal, in zijn plaats stelt.quot; ')

Deze brieven brachten de boden des konings naar Rome, waar juist honderd en tien bisschoppen uit Italië, Frankrijk, Spanje en andere landen om den Paus verzameld waren. Roland, een geestelijke uit Parma, nam het op zich, aan het Opperhoofd der Kerk en de synode do besluiten der acht en twintig bisschoppen en van den Duitschen koning voor te dragen. Onbeschaamd trad hij voor Gregorius en sprak aldus.

»De koning, mijn heer, alsook de Duitsche en Lombardische bisschoppen gebieden u, den Stoel van Petrus, dien gij wederrechtelijk in bezit genomen hebt, on-middelijk te ruimen.quot;

Hierop wendde hij zich tol de honderd en tien bisschoppen met de woorden; »U, broeders, maak ik bij

i) Gfrörer I). VII. bl. 509. ') Gfrörer 1). VU. bl. 5U9.

-ocr page 205-

188

dezon bok end. dat gij tot aanstaanden Pinksteren tijd hebt om in de residentie des konings te verschijnen, ten einde uit zijn handen een Paus en Vader te ont- • vangen; want deze hier,quot; nep hij op Gregorius wijzend, »is geen Paus, maar een verscheurende wolf.quot; ')

De indruk van deze ongehoorde taal was buitengewoon. De prefect der stad en de ridders, die tegenwoordig waren, vielen woedend op Roland aan. Zelfs balden enkele Spaansche en Italiaansche, in drift ontstoken prelaten hunne vuisten tegen den ellendeling. Gregorius verliet in aller ijl zijn zetel en beschermde grootmoedig den vijand. Aan stukken zou Roland gescheurd zijn had de Paus hem niet beschermd, schrijft de Saksische kroniekschrijver Bruno.

Den volgenden dag, 23 Februari 4076, liet Gregorius de brieven van de synode te Worms aar, de verzamelde bisschoppen voorlezen. Daarop hield de Paus een aanspraak, waarin hij de verwijten, die hem de scheurmakers van Worms deden, wederlegde. De verzamelde bisschoppen verlangden de excommunicatie der achtentwintig scheurmakers van Worms. Gregorius echter, toegevend gezind en scherpziend, sprak slechts den ban uit over Siegfried van Mainz en over bisschop Willem van Utrecht, omdat zij het waagden, de bisschoppen en abten van het Duitsche Rijk van de H. Roomsche Kerk los te scheuren.

Tusschen de overige prelaten, welke de besluiten te Worms hadden onderteekend, maakte de Paus de volgende onderscheiding: »Hen die zulks uit eigen aandrift deden en in hun trotschhcid willen volharden, treft de ban. Diegenen evenwel, welke slechts voor het geweld weken en door den koning misleid werden, wordt tijd gegeven tot den feestdag van St. Petrus

') Gfrorer T). VII. bl. 512,

-ocr page 206-

189

en Paulus, om den IJ. Stoel hun berouw in eigen per-$eon of door gevolmachtigden te toonen. i) • Ook over den koning werd den ban uitgesproken wegens de vele misdaden, die op hem drukten, wegens zijn verharde boosaardige gemoedsstemming, wegens zijn vertrouwelijker! omgang met de geëxcommuniceer-den en Simonisten en wegens zijn streven om de Duitschers van het Opperhoofd der Kerk los te scheuren -)

Zoodra de koning de besluiten van het concilie te Rome vernam, onstak hij in onbeschrijfelijke woede. Verre, om van zijn vijandige gezindheid jegens de Kerk en zijn schismatieke plannen af te zien, was hij tot het uiterste besloten. Daarom beriep hij alle bisschoppen en vorsten des Rijks tegen Pinksteren 1076 tot een Rijksdag te Worms, om een nieuwen Paus te kiezen. Van alle kanten stroomden de aanhangers van den Saliër en zij, die tot omverwerping van den wettigen toestand genegen waren, naar de oude stad aan den Rijn bijeen. Aanzienlijk was het getal van zede-looze monniken, die met het plan kwamen, om openstaande abdijen en bisschopszetels te koopen. Ook Guibert, aartsbisschop van Ravenna, een verbitterd vijand des Pausen en een werkzaam bondgenoot des konings, was over de Alpen gekomen en met een zwerm zijner aanhangers te Worms verschenen. Kort voor zijn vertrek had hij een synode te Pavia gehou-

!) Gfrorer. D. VII. bl. 515.

'-) Bamberger. 1). VI. 1)1 878, De meeste geschiedschrijvers verhalen, steunend op de leugenachtige berichten van eenigc; kroniekschijvers, dat Gregorius VII den koning niet alleen in den ban deed, maar ook van de regeering vervallen verklaard eu allo Duitschers van den eed vau getromvheid ontslagen heeft. Damberger vvederlegt; dit verzinsel eu nog in hot oog-loopeuder wederleggen zulks do gebourtenissoii op deu Kijks-dag tc Trier.

-ocr page 207-

190

den, welker leden de afzetting van Gregorius VII, door Hendrik en zijn bisschoppen in Januari uitgesproken, bevestigden en den ban over den Paus uitspraken. ')' Het verschijnen van den woelzieken aartsbisschop Guibert verheugde den koning zeer; niet minder het ontmoeten van geestelijke en wereldlijke grooten. die met gewapende benden aankwamen. De krijgslieden waren buiten de stad onder tenten gelegerd. Vorsten en heeren vonden voor behulp verblijven binnen de ringmuren. Do koning bewoonde zijn paleis, een gebouw ran twee verdiepingen in de nabijheid van de domkerk, uit rotsblokken opgetrokken en aan de vier hoeken met vooruitspringende torens voorzien. In alle straten en stegen vond men een bont gewemel van ruiters, voetgangers, burgers, edellieden, vorsten, monniken en bisschoppen. Dagelijks groeide de men-schenmassa aan, die uit alle deelen des Rijks samenstroomde. Deze menigte verscheen voorloopig in de residentie ter bevordering hunner persoonlijke belangen; want er zouden tot de opening van den Rijksdag, die tegen Pinksteren was uitgeschreven, nog acht dagen verloopen. Daarom was het meerendeel der bisschoppen nog niet aangekomen en van de hertogen geen enkele.

De koning, ofschoon eerst zes en twintig jaar oud. overtrof in sluwheid, menschenkennis en fijne berekening menig diplomaat, die in den dienst grijs geworden was. Genomen besluiten met groote stijfhoofdigheid vasthoudend, zooals zich dit van een wellusteling laat verwachten, schuwde hij geen moeilijkheden en versmaadde geen middelen, om de uitvoering zijne: wijd-strekkende plannen mogelijk te maken. Hij wist even goed van de bedreigingen van een vorst, als van het vleien van een gunsteling gebruik te maken naar ge-

') Dambergei'. 1) VI, bi. S83.

-ocr page 208-

191

lang van Je omstandigheden en het karakter en den stand van de betrokken personen. Thans bezig met de onttroning van Paus Gregorius VII, die hem zoozeer gehaat was, en de keuze van een nieuw Opperhoofd der Kerk, spaarde hij geen beloften aan bisschoppen en vorsten, om hen voor zijne plannen te winnen. Wel is waar wogen de beloften van Hendrik I\ zeer licht; want hij brak even onbedachtzaam zijn woord, als zijn eed. Toch deden zich omstandigheden voor, dat hij diegenen zijn gunst schonk welke hem innig genegen waren.

Sedert eenige dagen met de ontvangst en het bewerken van vorsten en prelaten bezig, lag de koning-juist vermoeid in een stoel met kussens en luisterde naar de woorden van een man, die tegenover hem stond. Van middelbare grootte en slanke gestalte, bezat Hendrik een aangenaam voorkomen. Zijn zwart oog was levendig en scherp, maar zijn blik was niet vrij van boosaardigheid en valschheid. Om de glad geschoren kin en de hoeken van den mond speelden hatelijke hartstochten, opgestegen uit de diepte eener wreede en met meenige bloedige daad besmeurde ziel. Maar deze, bij onbewaakte oogenbükken onwillekeurig te voorschijn komende kenmerken wist de Saliër behendig onder een bevallig of openhartig lachje te verbergen. Bovendien was hij een meester in het huichelen. Naar omstandigheden wist hij vaardig ieder mom te gebruiken om zijn wezen nu eens in gebiedenden toorn, dan weer in zoete vleierij te kleeden. In tijd van nood ontzag hij zich ook niet om voor de voeten van vijandige grooten op de knieën te vallen en op hetzelfde oogenhlik tranen te storten, waarop hij diegenen doode-lijke wraak zwoer, voor welke hij zich verootmoedigde.

• Tegenover den koning stond graaf Ulrich van Godes-heim, Hendriks meest vertrouwde gunsteling en raad-

-ocr page 209-

192

gever, het hoofd van die verschrikkelijke »t\vaalfquot; welke met de uitvoering van geheime misdaden en moord bevelen belast waren. De zedelijke bedorvenheid en gemeenheid van Ulrich waren even bekend door het geheele Rijk, als zijn godsdienstig ongeloof, waarom het volk hem gewoonlijk Ulrich van sGodeshaatquot; noemde i).

»Wij hebben een Paus noodig, die zich onvoorwaardelijk naar onze wenschen en plannen schikt,quot; zeide graaf Ulrich. .oSigifi id, de aartsbisschop van Mainz, ware ongetwijfeld de geschiktste van alle Duitsche prelaten, want hij danst gewoonlijk naar uwe pijpen, — gewoonlijk, maar niet altoos. Menigen keer speelde hij ons een leelijke poets en bijna had hem Hanno van Keulen, die gelukkig gestorven is, tot afval verleid. Sigifrid heeft geen vast karakter. Wel bindt hem zijn hebzucht door de Thuringsche tienden aan het belang des konings, maar deze band is niet onverbreekbaar en brengt ons menige ongelegenheid. Sigifrid is gesteld op uwe gunst, — maar zijn kerkelijke begrippen verhinderen hem de Kerk tot een dienende maagd, tot onderhoorige van den Staat te laten maken. — Guibert, de aartsbisschop van Ravenna daarentegen, zou geheel de man zijn voor onze plannen. Monnikachtige bezwaren en godsdienstige angstvalligheid kent hij niet. Van alle Lombardische stieren is hij de sterkste. Op zijn wenk vergaderden de bisschoppen van Opper-Italië, bevestigden op zijn voorstel onze afzetting van Hellebrand en spraken den ban over hem uit. Deze man zou het scheepje van Petrus allergehoorzaamst naar uwe bevelen besturen.

«Laten wij deze zaak voorloopig rusten, — men moet overleggen,quot; hernam de koning. »Gij zult wel

') Gtfrörer, D. II. bl, 92. 104. Can. L). 1.

13

-ocr page 210-

189

en Pauliis. om den H. Stoel liun berouw in eigen perpoon of door gevolmachtigden te toonen. ') • Ook over den koning werd den ban uitgesproken wegens de vele misdaden, die op hem drukten, wegens zijn verharde boosaardige gemoedsstemming, wegens zijn vertrouwd ij ken omgang met de geëxcommuniceer-den en Simonisten en wegens zijn streven om de Duitschers van het Opperhoofd der Kerk los te scheuren 1)

Zoodra de koning de besluiten van het concilie te Rome vernam, onstak hij in onbeschrijfelijke woede. Verre, om van zijn vijandige gezindheid jegens de Kerk en zijn schismatieke plannen af te zien, was hij tot het uiterste besloten. Daarom beriep hij alle bisschoppen en vorsten des Rijks tegen Pinksteren 1076 tot een Rijksdag te Worms, om een nieuwen Paus te kiezen. Van alle kanten stroomden de aanhangers van den Saliër en zij, die tot omverwerping van den wettigen toestand genegen waren, naar de oude stad aan den Rijn bijeen. Aanzienlijk was het getal van zede-looze monniken, die met het plan kwamen, om openstaande abdijen en bisschopszetels te koopen. Ook Guibert, aartsbisschop van Ravenna, een verbitterd vijand des Pausen en een werkzaam bondgenoot des konings, was over de Alpen gekomen en met een zwerm zijner aanhangers te Worms verschenen. Kort voor zijn vertrek had hij een synode te Pavia gehou-

1

-) Damberger. 1). VI, bl 878, De meeste geschiedsclirijvers verhalen, steunend op de leugenachtige berichten van eenigc kroniekschiivcrs, dat Gregorius VII den koniiig niet alleen in den ban deed, maar ook van de regeering vervallen verklaard en alle Duitschers van den eed van getrouwheid ontslagen heeft. Damberger weder legt dit verzinsel en nog in het oog-loopender wederleggen zulks de gebeurtenissen op den Rijksdag te Trier.

-ocr page 211-

190

den, welker leden de afzetting van Gregorius VII, door Hendrik en zijn bisschoppen in Januari uitgesproken, bevestigden en den ban over den Paus uitspraken. !)■ Het verschijnen van den woelzieken aartsbisschop Guibert verheugde den koning zeer; niet minder het ontmoeten van geestelijke en wereldlijke groeten, die met gewapende benden aankwamen. De krijgslieden waren buiten de stad onder tenten gelegerd. Vorsten en heeren vonden voor behulp verblijven binnen de ringmuren. De koning bewoonde zijn paleis, een gebouw van twee verdiepingen in de nabijheid van de domkerk, uit rotsblokken opgetrokken en aan de vier hoeken met vooruitspringende torens voorzien. In alle straten en stegen vond men een bont gewemel van ruiters, voetgangers, burgers, edellieden, vorsten, monniken en bisschoppen. Dagelijks groeide de men-schenmassa aan, die uit alle deelen des Rijks samenstroomde. Deze menigte verscheen voorloopig in de residentie ter bevordering hunner persoonlijke belangen; want er zouden tot de opening van den Rijksdag, die tegen Pinksteren was uitgeschreven, nog acht dagen verloopen. Daarom was het meerendeel der bisschoppen nog niet aangekomen en van de hertogen geen enkele.

De koning, ofschoon eerst zes en twintig jaar oud. overtrof in sluwheid, menschenkennis en fijne berekening menig diplomaat, die in den dienst grijs geworden was. Genomen besluiten met groote stijfhoofdigheid vasthoudend, zooals zich dit van een wellusteling laat verwachten, schuwde hij geen moeilijkheden en versmaadde geen middelen, om de uitvoering zijner wijd-strekkende plannen mogelijk te maken. Hij wist even goed van de bedreigingen van een vorst, als van het vleien van een gunsteling gebruik te maken naar ge-

') Damborger. 1) VI hl. S83.

-ocr page 212-

191

lang van de omstandigheden en het karakter en den stand van de betrokken personen. Thans bezig met de onttroning van Paus Gregorius VII, die hem zoozeer gehaat was, en de keuze van een nieuw Opperhoofd der Kerk, spaarde hij geen beloften aan bisschoppen en vorsten, om hen voor zijne plannen te winnen. Wel is waar wogen de beloften van Hendrik I\ zeer licht; want hij brak even onbedachtzaam ..ijn woord, als zijn eed. Toch deden zich omstandigheden voor, dat hij diegenen zijn gunst schonk welke hem innig genegen waren.

Sedert eenige dagen met de ontvangst en het bewerken van vorsten en prelaten bezig, lag de koning-juist vermoeid in een stoel met kussens en luisterde naar de woorden van een man, die tegenover hem stond. Van middelbare grootte en slanke gestalte, bezat Hendrik een aangenaam voorkomen. Zijn zwart oog was levendig en scherp, maar zijn blik was niet vrij van boosaardigheid en valschheid. Om de glad geschoren kin en de hoeken van den mond speelden hatelijke hartstochten, opgestegen uit de diepte eener wi eede en met meenige bloedige daad besmeurde ziel. Maar deze, bij onbewaakte oogenblikken onwillekeurig te voorschijn komende kenmerken wist de Saliër behendig onder een bevallig of openhartig lachje te verbergen. Bovendien was hij een meester in het huichelen. Naar omstandigheden wist hij vaardig ieder mom te gebruiken om zijn wezen nu eens in gebiedenden toorn, dau weer in zoete vleierij te kleeden. In tijd \an nood ontzag hij zich ook niet om voor de voeten van vijandige grooten op de knieën te vallen en op hetzelfde oogenhlik tranen te storten, waarop hij diegenen doode-lijke wraak zwoer, voor welke hij zich verootmoedigde. • Tegenover den koning stond graaf Ulrich van Godes-heim, Hendriks meest vertrouwde gunsteling en raad-

-ocr page 213-

192

gever, liet hoofd van die verschrikkelijke ))twaalfquot; welke met de uitvoering van geheime misdaden en moordbevelen belast waren. De zedelijke bedorvenheid en gemeenheid van Ulrich waren even bekend door het geheele Rijk, als zijn godsdienstig ongeloof, waarom het volk hem gewoonlijk Ulrich van »Godeshaatquot; noemde i).

»Wij hebben een Paus noodig, die zich onvoorwaardelijk naar onze wenschen en plannen schikt,quot; zeide graaf Ulrich. sSigifrid, de aartsbisschop van Mainz, ware ongetwijfeld de geschiktste van alle Duitsche prelaten, want hij danst gewoonlijk naar uwe pijpen, — gewoonlijk, maar niet altoos. Menigen keer speelde hij ons een leelijke poets en bijna had hem Hanno van Keulen, die gelukkig gestorven is, tot afval verleid. Sigifrid heeft geen vast karakter. Wel bindt hem zijn hebzucht door de Thuringsche tienden aan het belang des konings, maar deze band is niet onverbreekbaar ea brengt ons menige ongelegenheid. Sigifrid is gesteld op uwe gunst, — maar zijn kerkelijke begrippen verhinderen hem de Kerk tot een dienende maagd, tot onderhoorige van den Staat te laten maken. ■— Guibert, de aartsbisschop van Ravenna daarentegen, zou geheel de man zijn voor onze plannen. Monnikachtige bezwaren en godsdienstige angstvalligheid kent hij niet. Van alle Lombardische stieren is hij de sterkste. Op zijn wenk vergaderden de bisschoppen van Opper-Italië, bevestigden op zijn voorstel onze afzetting van Hellebrand en spraken den ban over hem uit. Deze man zou het scheepje van Petrus allergehoorzaamst naar uwe bevelen besturen.

«Laten wij deze zaak voorloopig rusten, — men moet overleggen,quot; hernam de koning. «Gij zult wel

') Gfrörer, D. 11. bl, 9-2. 104.. Caü. I). I.

13

-ocr page 214-

193

opgemerkt hebben, dat verscheidene vorsten en prelaten een Duitscher op den Stoel van Petrus wenschen. Het is mij hetzelfde, of de nieuwe Paus uit Italiaansche of Duitsche klei gevormd is — als de nieuwe Heiligheid maar doet, wat mij bevalt.

»Guibert zou te allen tijde de getrouwe dienstman van uwe heerlijkheid blijven,quot; verzekerde Godesheim »Ik ken den heer van nabij — hij is de volmaaktste slavenziel. Hij zal u krachtig ondersteunen, om het godsdienstig geloof der massa's voor Staatsbelangen aan te wenden. Guibert is juist het tegenovergestelde van Hellebrand.

»Ha, — die Gregorius VII, — die Hellebrand!quot; riep de Saliër woedend uit, terwijl hij zijne vuisten balde. «Vermeet zich de Paap, Ons, den koning, volgens de tucht der monniken te regelen, — Ons te bevelen, ja, — te bevelen, rein van zeden te leven, — den omgang met geëxcommuniceerden, die Onze getrouwen zijn, te vluchten, — rechtvaardig te regeeren, dat wil zeggen, te regeeren naar kerkelijke voorschriften. En omdat de koning zich naar de terechtwijzingen en leerstellingen van dien bekrompen zedemeester niet schikt, daarom excommuniceert hij hem, spreekt hij den ban over hem uit en scheidt hem van de gemeenschap der geloovigen. Welke onbeschaamdheid! Mijn vader gebood over Pausen naar believen, — en mij wil de Paus bevelen? Het is meer dan tijd om dezen heerschzuchtigen opkomenden geest der monniken te onderdrukken, — om de kroon de volkomen opperheerschappij over den Stoel van Rome terug te geven.

))Wat reeds in die richting gebeurde is van belang,quot; hernam Godesheim. «Bisschopszetels en abdijen bezet gij naar uw goedvinden met uw getrouwen. De Roomsche partij verliest dagelijks meer invloed in het Rijk. Het Duitsche volk is opgestaan wegens de excommunicatie

-ocr page 215-

191.

van zijn koning. — Dank aan de bemoeiingen onzer spionnen en getrouwe monniken. Trekken wij ten slotte met een leger over de Alpen om uwen Paus op den zetel te plaatsen, dan is het oppergezag van mijn koning in godsdienstige, kerkelijke en Staatszaken voltooid.quot;

Paltsgraaf Thietmar, een der twaalf, kwam binnen.

»Meldt gij eindelijk de aankomst van een hertog?quot; vroeg Godesheim in gespannen verwachting.

ïNeen, graaf! Maar de aankomst van graaf Wazo.quot;

Op het gelaat van Hendrik vertoonde zich bij dit bericht een uitdrukking van verlangen.

»Wees niet al te streng met de trage hertogen, Ulrich!quot; riep de koning op een spottenden toon. sGroote heeren laten zich lang wachten. Dan blijft ons nog een zwaar werk over,quot; voegde hij er somber bij, »na-melijk deze oproerige grooten in de ware betrekking tot onze kroon te brengen. De een na den ander. Het trotsche Saksenvolk ligt onderworpen aan mijn voeten, — de overmoed des Pausen veranderen wij in ootmoed, — vervolgens zullen wij den trots der vorsten bekeeren, — en eindelijk het Duitsche volk dwingen den keizer te geven, wat des keizers is, namelijk — belastingen en tollen, zooveel hij noodig heeft voor zijne krijgslieden. — Voor het overige ver-loopen er tot Pinksteren nog acht dagen en deze moeten aan de liefde gewijd worden. Bijna had ik eeu aangenaam avontuur vergeten, doch de aankomst van Wazo herinnert mij daaraan. Morgen rijd ik naar den Trifels om de aanvallige Godila mijne opwachting te maken. Het meisje moet wonderschoon zijn; want de paltsgraaf Thietmar vond geen woorden genoeg om hare schoonheid te roemen.quot;

»Ik heb niet overdreven!quot; antwoordde de paltsgraaf droogjes.

sik gun uwe heerlijkheid elk genoegen, — intus-

-ocr page 216-

195

schen schijnt mij liet oogeiililillt; nii.-t juist gekozen,quot; zeide üodesheirn.

«Zwijg, Ulrich! Gij moet mijn genoegen niet vei-gallen. Sedert vijf dagen ben ik bezig, prelaten en vorsten te lokken. Nu is bet de geschikte tijd voor een verpoozing, de drukte neemt wat af en veroorlooft een korte verademing voor dat wij ons werk eindigen.

Godesheim keek misnoegd voor zich.

«Vaardigheid en beleid ontbreken u niet, om den koning te vervangen, beste Ulrich!quot; ging de Saliör voort. »Met Pinksteren ben ik weer hier. — Wat verlangt AYazo de machtige gouwkoning der Vogezen?quot; vroeg hij op een sportenden toon. «Dat is ook een van die, wier vleugelen bij tijds gekort moeten worden! Hij komt vroeg, — waarschijnlijk heeft hij persoonlijke aangelegenheden?quot;

«Hij wil tot voorspraak dienen voor den burchtkapelaan Lantbert met betrekking tot de opengevallen abdij Klingen,quot; antwoordde Thietmar.

«Juist, — wij hebben dezen namiddag een dozijn bisschopshoeden en abtsstaven te verkoopen!quot; riep de koning.- «De kooppenningen zullen eenige honderd duizend marken voor onze schatkist opbrengen, — zeer van pas! — Breng den graaf binnen, alsmede den sollicitant. — wij moeten dien man eens zien.quot;

De paltsgraaf ging heen.

«Veroorloof mij een vraag!quot; zeide Godesheim.

«Gij hebt een zekeren monnik Ruthard de abdij Fulda en een anderen monnik Adelbert de abdij l.orsch, toegezegd. Beide monniken zijn arm. Fulda en Lorscli twee der rijkste abdijen, zouden stellig meer dan twee honderd duizend marken opbrengen.quot;

«En ik schenk ze aan twee arme drommels, — welke onnoozelheid!quot; riep de koning gemelijk uit. «Ik z:.l u de zaak verklaren, vriend Ulrich! liet is quot;waar, Adelbert

-ocr page 217-

196

en Ruthard kunnen u;elt;;n duit betalen, — maar zij zijn twee uitgelezen slavenzielen, — zoo als gij gewoon zijt te zeggen. FuMa en Lorsch, rijk en machtig zullen zoo doende voor mij door dik en dun gaan, en dat is meer waard dan twee honderd duizend marken. Beide abdijen worden van daag even als alle overigen te koop geveild. Ik zal ze evenwel mijne slavenzielen voor niemendal geven, en zoo het geloot aan koninklijke grootmoedigheid on gerechtigheid opwekken, die niet ziet op geld, maar op persoonlijke waarde.quot; ')

»Verstandig en meesterlijk, als altoos,quot; vleide de gunsteling.

»God spare mijn heer en koning!quot; groette de bin-nentredende Wazo, dien Lantbert in allerootmoedigste houding volgde.

»Eon uitmuntende slavenziel!quot; zeide de Saliër ter zijde tot zijn gunsteling, nadat hij den burchtkapelaan vluchtig had gemonsterd. «Welkom in ons paleis dappere wapenbroeder!quot; ging de koning voort, terwijl hij opstond en Wazo eenige schreden te gemoet ging.

»Denk eens in Saksen rumoert het weder! Mijn Saksische slaven en varkens wapenen zich in 't geheim tegen hun heer en koning. Naar 't schijnt handelden wij in den laatsten veldtocht al te toegevend, wij hadden meer gestrengheid in acht moeten nemen.quot;

»Uw hoogheid moet meer dwangburchten aanleggen en meer voogden naar Saksen zenden,quot; zeide Wazo, wiens hoogrood gelaat en luide taal te kennen gaven, dat hij reeds zijn tweeden morgendronk genuttigd had.

»Men moet de schobberts drillen, dat zij bloed spuwen, dan vergaat hun onwil. De zweep is een kostelijk middel tegen alle verzet. Heb ik een oproerig

') Ufrörer I). VIL bl. 478.

-ocr page 218-

197

lijfeigene, die zijn hoofd en wil laat gelden, dan komt de vent zoo lang onder de zweep, totdat hij er van afziet, zijn hoofd en wil te volgen. Doe nu even zoo met de Saksers. Neem hen onder de zweep, totdat de kerels tam worden, voor u kruipen en uwe voeten kussen.quot;

Den Saliër bevielen deze woorden; want zij kwamen overeen met zijn despotieke gezindheid cn zijn haat tegen de Saksers, welke hij zijnesknechten en slavenquot; placht te noemen.

»Uw raad is verstandiger, dan gemakkelijk in de uitvoering, beste graaf! — Wien brengt gij ons daar?

«Uwen burchtkapelaan van den Trifels, t'net verlof van uwe heerlijkheid! De oude abt van Klingen, een aarts-Hellebrander, is afgereisd, derhalve moet een nieuwe abt aangesteld worden, maar een zoodanige, die het met zijn koning houdt, en die een betere tuchi invoert, welke met den tijdgeest strookt.

«Wij hebben alleszins redenen, om met den geest van dat klooster ontevreden te zijn,quot; zeide de koning het voorhoofd fronzend. »Ofschoon wij den Paus van zijn ambt ontzett'en, moeten hem de monniken, naar men ons bericht, toch nog aanhangen, ja zij zouden nog openlijk voor hem bidden.

»Zoo is 't, hoogheid!quot; bevestigde Wazo. »Voor den Roomschen Hellebrand bidden de schobberts in liet openbaar, maar het gebed voor den koning laten zij weg, omdat hij in den ban is, zoo als de schurken beweren. Schenkt gij daarentegen den staf van den abt aan uwen getrouwen burchtkapelaan, dan wordt de zaak omgekeerd.

BKom wat nader!quot; beval Hendrik den gehuwde.

»Kom hier, beste Lantbert! Wees niet verlegen, — spreek maar vrij,quot; zoide de gouwkoning bemoedigend.

Lantbert kroop onder diepe buigingen nader cn

-ocr page 219-

198

stond nu, in gebogen houding, met het hoofd op de borst, de handen op de borst gekruist, in slaafsche houding voor den koning.

»Hoe oud zijt gij?quot; vroeg Hendrik.

«Veertig jaren, met verlof van uwe allergenadigste heerlijkheid,quot; antwoordde Lantbert.

«Klingen staat met Rome in nauw verkeer, daarvandaan verzet, trots eu opstand van deze abdij tegen ons,quot; zeide de Saliër somber.quot; De Roomsche duivels moeten uitgedreven en regelen ingevoerd worden, die met onze neigingen strookeu. Zoudt gij daartoe genegen zijn?

»De knecht en getrouwe dienstman van uw koninklijke heerlijkheid zal niet rusten, alvorens alle Roomsche duivels van aanmatiging en heerschzucht voor die inrichting hebben plaats gemaakt, welke mijn allerge-nadigste heer zich gewaardigt te bevelen,quot; antwoordde de burchtkapelaan. «Mij persoonlijk is reeds de Roomsche dwingelandij een gruwel, en nimmer heb ik jegens haar eenige toegevendheid gebruikt, zoo als graaf Wazo zou kunnen getuigen.

«Zoo is 't heer en koning. Lantbert vraagt even min naar Rome, als ik, of uwe heerlijkheid. Daarbij vertelt hij op onze partijen zeer aardige grappen van St. Benedictus en zingt de heerlijkste spotliederen op den Paus.quot;

sDus is uwe gezindheid boven allen twijfel verheven,quot; hernam de koning bevredigd. «Daarentegen zal het nog te bezien zijn, of gij de noodige kracht bezit, om die monniken het hoofd te buigen naar den tegenwoordi-gen loop van zaken. U zou wei eens een zware strijd kunnen wachten.

«Daarvoor is gezorgd!quot; riep graaf Wazo lachend. «Zoodra abt Lantbert binnen komt, zullen alle monniken, die niet deugen, vrijwillig wegloopen. Zijn bloot

-ocr page 220-

verschijnen zuivert Klingen van alle Kuomsche vuiligheid.

»Uwe woorden zijn niet reclit duidelijk, graaf!

»Weet dan, heer en koning,quot; verklaarde Wazo, »dat onze Lantbert een jong, aardig vrouwtje heeft. Ik wil mijn dolk inslikken, als de bloote verschijning van de abdis niet alle eigenzinnige monniken uit het klooster drijft. Ha, — ha, — ik verheug er mij nu al op, om die Roomsche pijen te zien loopen!

»Dat middel zou stellig werken,quot; hernam Hendrik met een onderdrukt lachje. ))Uw huwelijk, goede Lantbert, bewijst duidelijker uwe gezindheid, dan dit door woorden zou kunnen gedaan worden. Goed zoo, man! Het dwangbevel van Rome, dat alle geestelijken moeten leven als engelen, als wezens zonder vleesch en bloed, is de on menschel ij kste dwingelandij. In vroeger tijden mochten de geestelijken zich aan dat harde juk onderwerpen, — onze menschelijk denkende eeuw verwerpt dergelijke wreedheid. Nimmer zal ik dulden, dat het üermaansche volk en zijne geestelijkheid zucht onder het juk van Rome. Ik zal de geestelijken in hunne rechten beschermen, om menschel ijker w ijze te leven.quot;

Lantbert antwoordde met een oostersche buiging.

O O

»De inkomsten van het stift Klingen zijn aanzienlijk,quot; begon de Saliër weder. «Onze schatkist, dooiden laatsten oorlog uitgeput, dwingt ons, alle openstaande bisschopszetels en abdijen tot hooge prijzen te verkoopen. Uwe aanbeveling door onzen wapenbroeder quot;Wazo, alsook door uw persoonlijke waardigheid, zijn derhalve niet geheel en al voldoende.

»Heer en koning, — zie om mijnentwil wat door dé vingers,quot; zeide de graaf. »Lantbert verlangt de abdij niet voor niemendal, — tienduizend marken kan hij betalen,— geen duit moor.

-ocr page 221-

200

»Tieu duizend marken?quot; herhaalde de vorst lachend. »Dat zou iets beter zijn, dan geheel geschonken. In-tusschen willen wij u, ten gevalle van onzen dapperen wapenbroeder Wazo, den zetel van den abt billijker geven, dan iemand anders. Kom dus dezen namiddag bij de openbare verkooping,quot; — en terwijl hij eene beweging met de hand maakte zond hij den man weg, die onder aanhoudende buigingen achteruit naar de deur kroop en verdween.

»Het huwelijk der priesters is mijn sterkste bondgenoot,quot; riep de koning weltevreden. ))Alle gehuwde priesters, abten en bisschoppen tieren en razen tegen Rome. »Wij willen liever ons leven laten, dan onze vrouwen,quot; — roepen zij. Hoe sluw Hellebrand ook zijn mag, dat heeft hij niet bedacht, hoe hij mijne macht sterkt door zijn streng verbod aan de priesters om te huwen. De meeste geestelijken scharen zich aan de zijde van hun koning tegen den Paus, omdat de koning een vrouwenvriend is. Alle duivels, — wie zou ook kunnen leven zonder vrouwen.

»Dat kan Hellebrand ook niet,quot; riep Wazo.

«Heeft laatstleden Januari, hier op de S3-node, de cardinaal met de schele oogen en het witte hoofd niet verhaald, dat Hellebrand een echtbreker is.quot;

De koning lachte.

»Onder ons gezegd, heeft cardinaal Hugo Candidas toen sterk gelogen; want Hellebrand is een oude scharminkel, hij is niet in staat voor vrouwenliefde. ïoch was de leugen goed verzonnen voor allen, die llolle-brand niet persoonlijk kennen. — Komt gij dikwerf op den Trifels?quot;

«Elke maand om te jagen en te drinken,quot;

»Is Godila gezond?quot;

»Zoo gezond als een visch en schoon om er dol van te worden,'' verzekerde dierlijk grijnzend de graaf.

-ocr page 222-

201

sik raad u niet naar den Trifels te rijden — gij zoudt de verkiezing van den Paus, den vorstendag en alles vergeten. Lieve God, — als ik koning was!quot;

»Nu, — wat dan?quot;

»Ik vraag u wel verschooning — het is maar zoo'n gedachte, die evenwel geheel natuurlijk is, als men zich Godila voorstelt. Ja, als ik koning was, zou ik voor mij een harem aanleggen.

»Een harem? Wat is dat?

»Lach niet, — heer koning, luister naar mij, — in ernst! Met den aartsbisschop Sigifrid van Mainz was een mijner wapenbroeders naar Jeruzalem getogen. Deze verhaalde mij wonderlijke zaken van de aardige vrouwen des Sultans, die allen in een slot bijeen wonen, dat midden in een verbazend grooten tuin ligt. li ij de drie honderd vrouwen had de Sultan, de eene al schooner dan de andere. Die vrouwen laat hij oppassen door ontmande krijgslieden. Wie een bijzit des konings maar aanraakt, wordt in stukken gehouwen door de sabels der ontmanden. Den Sultan alleen behoort den harem. Zie, zulk een harem zou ik aanleggen, als ik koning was.quot;

De Saliër, wiens onverzadelijke begeerte de Turksche harem beviel, lachte dat hij schaterde.

»Dat is slechts een zoete vrijheid voor den Sultan, geen christelijk koning mocht zoo iets wagen,quot; zeide hij.

j)Waarom niet? Wie kan het u beletten?

»De Kerk, beste graaf!

»De Kerk, — al weer de Kerk! Overal staat zij het genoegen des levens in den weg,quot; zeide Wazo toornig. ;»\Vij moeten een andere Kerk invoeren, heer en Koning! Een Kerk die leeft en laat leven naar goedvinden.quot;

gt;gt;Daarnaar streven wij,quot; bekende de Saliër oprecht.

-ocr page 223-

202

»De onderneming is overigens gewaagd; want de banbliksems van Rome hebben hunne kracht nog niet verloren.

«Zoolang verbeelding en bijgeloof heerschen,quot; voegde Ulrich er bij.

))Heer en koning, riep Wazo uit. »Mijn hoofd geef ik in pand, als Godila het niet wint van alle schoonen des Sultans. Rijd naar den ïrifels, het zal u niet berouwen.

»Dat is niet mogelijk, graaf!quot; hernam de Saliër met schijnbare onverschilligheid. »De zorgen en bezigheden des konings gunnen den man bijna geen tijd tot uitspanning.quot;

Opstaande, noodigde hij den graaf aan tafel en toen zij de eetzaal binnentraden, wachtten reeds een groot aantal bisschoppen, abten en vorsten op de komst van den vorst. Al die prelaten waren Simonisten, dat wil zeggen zulken, die voor geld geestelijke waardigheden gekocht hadden.

Het woord sSimonie,quot; is, zooals bekend is, zijn oorsprong aan den liijbel schuldig. Een zekere Simon zag namelijk te Samaria de wonderen der Apostelen en bood hun geld voor de macht, dergelijke wonderen te wrochten. Daarop zeide de H. Apostel Petrus tot Simon: »Uw geld zij met u ten vorderve, omdat gij de gave Grods geacht hebt, voor geld verkrijgbaar te zijn.quot; ') Dit doemvonnis van den H. Petrus over de onbeschaamdheid van Simon, om de gaven Gods voor geld te koopen, werd de maatstaf voor de Kerk. Alle koopers en verkoopers van geestelijke bedieningen heetten «Simonistenquot; en waren in den ban. Hendrik IV dreef evenwel Simonie op de onbeschaamdste wijze, openlijk, zonder acht te slaan op de vermaningen van

]) Handel, der Apost. VIII, 20.

-ocr page 224-

203

den Paus, noch op de kerkelijke straffen. Onder dc bisschoppen en abten, die met hem aan tafel zaten, waren eenige dubbele Simonisten, wijl zij niet alleen hunne kerkelijke waardigheden van den koning voor geld gekocht, maar van hunnen kant weer mindere kerkelijke waardigheden verkocht hadden. Deze pest der Simonie werd voor de Kerk hoogst verderfelijk; want zij, die geen roeping tot de geestelijke waardigheid hadden of gewetenloozen en misdadigers verwoestten den wijnberg des Heeren en onteerden het heiligdom.

Maai' juist de zedelijke ondergang der geestelijkheid lag, zooals reeds is opgemerkt, in de berekening van den Saliër. Hij wi.st bij ondervinding, dat waardige, godvreezende bisschoppen en abten naar dc stem des Pausen hooren, dat zij hun leven regelen naar liet leven van Christus en de geboden der Kerk, dat zij in denzelfden ueest hunne kudde leiden. Deze zuivere en godsdienstig strenge richting was bij den losban-digen koning gehaat, zij maakte hem de willekeurige regeering onmogelijk, verdoemde zijne misdaden en veroordeelde zijne wreedheden. Bijgevolg was het streven van Hendrik natuurlijk, om de geestelijken naar zijne begrippen van zeden en godsdienst op te kweeken; - creaturen van het, liederlijk hof en gezworen vijanden van het Opperhoofd der Kerk. Sinds lang leverde de koninklijke hoogeschool te Goslar een ge-heele reeks van hof-bisschoppen. Maar die alma mater voldeed niet meer aan de wenschen van den Saliër. Daarom stichtte hij te Spiers de broederschap der kapittelheeren, gevormd door de gezamenlijke leden van het kerkelijk en zedelijk diep gezonken kapittel. Hendrik verleende aan deze broederschap aanzienlijke vrijheden en trad zelf als broeder toe. Het doel dezer zuivere broederschap was, geschikte bisschoppen in den zin van Hendrik IV te vormen. Dientengevolge

-ocr page 225-

204

stroomden de meest bedorven zonen van den llijn-landschen, Heijerschen en Zwabischen adel naar liet kapittel te Spiers, woonden daar de lessen in de koninklijke godgeleerdheid bij en verwierven die eigenschappen, welke hen bekwam maakten tot het verkrijgen van een bisschopszetel. ')

Een vormend en opvoedend medelid van genoemde broederschap te Spiers was een der aanwezig zijnde dischgenooten des konings geweest, bisschop Wernher van Straatsburg. De levenswandel en het gevoel van zedelijkheid van dezen vroegeren leeraar aan die school kenschetsen duidelijk den geest der Spierscbe academie voor hof-bisschoppen. Wernher kocht namelijk voor veel geld de schoone vrouw van een zijner vazallen. Met haar leefde hij openlijk in overspeligen en heiligschen-denden omgang, tot groote ergenis des volks. Daarover n Rome aangeklaagd, riep hem Gregorivs VII ter verantwoording. Wernher trok naar Rome, zwoer zijn zondig leven af, maai' zette hot na zijn terugkeer onafgebroken voort tot aan zijn plotselingen dood. -)

Een kweekeling van die beruchte school te Spiers had tie Saliër den openstaanden abtszetel te Klingen toegedacht. l)e slaafschheid en bedorvenheid van Lant-bert overtuigden hem echter van de uitmuntende geschiktheid van dezen man, om prelaat van 't Salische hof te worden. Daarom veranderde hij van besluit.

»Broeder Wernher quot; zeide hij op zuchten toon tot zijn naast hein zittenden dischgenoot, »onze Arnold kan de abdij Klingen niet krijgen.quot;

De bisschop zett'e groote oogen op.

»Waarom niet? Voor zijne geschiktheid blijf ik borg. Arnold stamt uit een doorluchtig huis, hij heeft be-

Grfrorer, Jgt;. VIf bi. 775 vv. -) Gl'röi-cv I). VII. bl. 034.

-ocr page 226-

205

roemde voorouders, is groot gebracht en gevoed met de melk van verstandige leerstellingen. Rome haat hij en zijn geestdrift voor u is grenzeloos.

))Toch kan het niet gebeuren,quot; fluisterde Hendrik. «Mijn burchtkapelaan van den Trifels wordt abt.

»Hoe heet hij?

»Lantbert.

»Eeii mij onbekende naam,quot; hernam de bisschop misnoegd. «Naar mijne meening, moet gij de kweeke-lingen van uwe instelling bij geen sollicitant achterstellen. Dat zal bij het kapittel ergernis wekken en de broederschap krenken.

sWees daaromtrent gerust, beste Wernher!quot; zeide de koning op vertrouwelijken toon. »Arnold kan bisschop van Metz werden, zoodra ik dien afvalligen, tot Hellebrand overgeloopen schurk, aan den kant gezet heb.

»Troost in de toekomst? Neen, heer en koning, — dat strijdt tegen uw belang,quot; sprak de bisschop tegen. ))Kan hij in Klingen geen abt worden, beleen hem dan met een der nu openstaande bisschopszetels.

»Wat mij betreft, — hij zal een bisschopsmijter hebben, — kies hem er zelf een. Maar ik verlang, dat hij heden bij de publieke verkooping verschijne, op de abdij biedt en den koopprijs opdrijft. Breng hem onze afspraak onder het oog.quot;

De bisschop knikte toestemmend en maakte van een geschikt oogenblik gebruik, om zich van tafel te verwijderen.

-ocr page 227-

£06

HOE EEN VORST KERKELIJKE WAARDIO-HEDEN UITDEELT ')

Middelerwijl naderde het uur voor het begin der markt van de openstaande bisdommen en abdijen.

In de groote zaal van het paleis stroomden de sollicitanten samen, vergezeld dooi- beschermheeren, vazallen, monniken en kanunniken der openstaande zetels. De vergadering was woelig. Allerwege opgewekte gezichten, levendige en heftige gebaren. Te koop bieden en eischen, bieden en opbieden, woelen en schreeuwen van verwarde stemmen vervulde de zaal. Ronddom de voogden en monniken der kloosters, of de kanunniken der bisschopszetels groepeerden zich de soliicitanden, de eersten daarop bedacht om het grootst mogelijk voordeel af te persen De sollicitanten waren met hunne beloften niet karig. Zij boden tegen elkander op door aanlokkende beloften, terwijl zij de monniken vrijheden, de voogden en vazallen leenen en de kanunniken gouden bergen beloofden. Het drukst was het gedrang om den voogd van het rijke en machtige klooster Fulda. Naast hem stonden eenige monniken dezer abdij. Om dit middel punt vormde zich een kring van sollicitanten en hunne vrienden en makelaars.

«Tachtig duizend marken gereede betaling,quot; riep een monnik met een vmjg gelaat en fonkelende oogen. »Voor den voogd duizend marken handgeld, — iederen ordebroeder een pond goud, — is samen zoowat honderd duizend marken. En, — op mijn eerewoord? — gereede betaling, hier te Worms, als de heeren van Fulda mijn sollicitatie bij den koning ondersteunen. Ik

') Gfrörcr, 1) VTI. bl. 771 vv.

-ocr page 228-

207

doe het hoogste hod, — stemt derhalve voor mij. Een toegevend abt zal ik zijn, eerwaarde broeders! verzekerde liij den monniken. »Ja, — toegevend en goedaardig, — geen menschenplager en groote beul.

Uw aanbod is niet sletfht, broeder Gero!quot; zeide de voogd met het hoofd knikkend. »Het zal nu de vraag maar zijn, of gij de tachtig duizend marken voor den koning, de duizend marken voor mij en de ponden goud voor ile monniken werkelijk bezit — dan wel of gij eerst een deel dezer som moet bijeenschrapen uit de inkomsten van Fulda.

»Hebt gij de geldzakken niet gezien in mijne herberg?quot; zeide Gero, «Vijf pakpaarden droegen liet goud en zilver hier heen. Of ben ik te Fulda niet in uw macht? Als ik een duit schuldig blijf, Jaag mij uit het klooster, — ja dood mij.

»Het geld alleen doet het niet,quot; riep een bedorven monnik. «Onze nieuwe abt moet een menschelijk bewind voeren. Hij moet de oude strenge regelen van Benedictus afschaffen. Hij moet de broeders toestaan, naar believen het kloester te verlaten en weer daarin terug te keeren. Hij moet de vastenspijzen afschaffen en het vleesch eten invoeren. Wilt gij dat alles doen?quot;

Gero aarzelde bedenkelijk; want die eischen schenen hem zelfs verkeerd.

))Hij wil het niet doen, — hij vreest den ban 1quot; riep spottend een ander sollicitant. »Ik heb wel is war.r geen goudberg bijeengedragen, zooals Gero, — ik kan geen tachtig duizend marken aan den koning, duizend marken aan den voogd en een pond goud aan eiken monnik betalen. Maar ik bied heel wat beters. De vrijheden, die gij verlangt zijn voor liiijne menschlie-vendheid nog lang niet voldoende. Alle dagen rnoogt gij vleesch eten en vastenspijzen, wanneer het u belieft. Het klooster moogt gij in- en uitgaan — ad

-ocr page 229-

20S

libitum. De wijnkelders moeten voor u openslaan — ad libitum. Vermaken moogt gij u — ad libitum. Daarvoor wil ik de nachtgetijden afschaffen; want een broeder, die des daags duchtig in het glaasje gekeken heeft, moet 's nachts zijn rust hebben.quot;

De monniken lachten.

«Luistert verder!' ging de Shnonist voort. «Iedere priestermonnik krijgt een boerderij in leen, daar mag hij wonen en zich ophouden — ad libitum.quot;

»Een kostelijke uitvinding!quot; riepen de monniken, sRubodo moet abt worden.quot;

De voogd haalde de schouders op.

»U, heer voogd,quot; zeide Rabodo, »kan ik wel geen duizend marken betalen, — daarvoor zult gij een leen ontvangen, dat twee duizend marken zuiver opbrengt.quot;

De voogd was bevredigd.

»Uw aanbod is werkelijk verleidend,quot; zeide hij.

«Gelooft hem niet!quot; riep Gero. »Mijn mededinger kan de beloften niet houden, zonder de abdij te ruïneeren. Hij zet niets in. — volstrekt niets! Ik echter zet honderd duizend marken in. Stemt voor mij, — houdt u aan mij!

«Vertrouwt hem niet, — hij is een geheime aanhanger van Hellebrand!quot; verzekerde Rabodo.

«Laster, — duivelsche laster!quot; schreeuwde Gero. «Ik erken dengenen niet meer voor Paus, dien onze heer en koning heeft afgezet.quot;

Op deze wijze werd gehandeld en geeischt, geboden en opgeboden bij elke groep. Een afgrond van de diepste bedorvenheid en verbastering der geestelijkheid openbaarde zich, in het leven geroepen en gevoed door de nietswaardige politiek van Hendrik IV en de slechte personen aan zijn hof. Om dezen afgrond te dempen, de Kerk te zuiveren van goddeloozen, de maatschappelijke orde te redden uit een chaos van ongerechtig-

Can. D. I 14

-ocr page 230-

2(19

lieid, gewelddadigheid en zedeloosheid, daartoe was de geestkracht, de heiligheid en de macht van Paus Gre-gorius VII noodig. Plotseling verstomde het gejoel in de zaal. Een deur was opengegaan. Lansen werden waargenomen, gedragen door de dienstmannen des ko-nings, welke den ingang tot de naastgelegen zaal bezet hielden. Een sterke stem riep in de zaal: »De abdij Lorsch wordt te koop geboden ! De monniken, de voogd en de vazallen der abdij, evenals de sollicitanten voor die waardigheid mogen voor het aangezicht van onzen heer en koning verschijnen.''

Er ontstond een korte maar hevige beweging. De opgeroepenen drongen door de menigte en gingen de aangrenzen i zaal binnen, welker deur achter hen dicht gemaakt werd.

De muren der zaal van het oudjï keizerlijk paleis bestonden uit gepolijste blokken van rooden zandsteen. Deze mure waren verbazend dik, zooals de nissen dei boogvensters aanduidden. Halve kolommen, die uit kort ineengedrongen pilaren vooruitsprongen, droegen de gewelven der zoldering, die beschilderd was. Voetstukken en helmdekken getuigden van een smakelooze ver-siering. Rondom in de kamer hingen aan de muren wapenrustingen, schilden, helmen en wapenen van allerlei aard uit vroeger tijden. De vloer was met gebakken vierkante steenen belegd en deze waren versierd met potsierlijke diergestalten. Op den voorgrond zat de koning aan een tafel, met een rood kleed Indekt, aan zijn rechterhand graaf'Ulrich van Godesheim, als lid van den geheimen raad. Ter linker zijde van Hendrik zat bisschop Wernher van Straatsburg, aangelokt door de bekoorlijkheid van het gewoonlijk levendig schouwspel bij het verkoopen van geestelijke bedieningen en leenen. Aan het einde der tafel, ter rechterzijde van den koning zat de schatmeester van de

-ocr page 231-

210

koninklijke schatkist, en tegenover dezen aan het andere einde een schrijver van den geheimen raad. Op de steenen banken, die langs de muren der zaal liepen, hadden eenige heeren plaats genomen en onder deze graaf AVazo, die zelfs den beker in den steek had gelaten, om Lantbert zoo noodig behulpzaam en van dienst te kunnen zijn.

Op een tweede tafel lagen herdersstaven van bisschoppen en abten. Zij lagen op kussens, en aan el-ken staf was een strook perkament bevestigd met den naam van het bisdom of de ubdij, waaraan hij behoorde. Deze herdersstaven, deels zeer oud en in vroeger tijden door heilige mannen gedragen, de zinnebeelden van eerwaardige kerkelijke bedieningen, moesten, in vergelijking met dun geest der tegenwoordige handeling, op ieder godsdienstig voelend gemoed een onuitsprekelijk treurigen indruk te weeg brengen.

Deze herdersstaven maakten even zooveel aanklachten uit tegen de hemeltergende handelingen van den Saliër, die voor geld of voor de belofte, om naar zijn zin den staf te voeren, aan de bedorvenste menschen de invloedrijkste kerkelijke waardigheden gaf.

Een troep monniken en soldaten van hot sticht Lorsch, benevens de sollicitanten naar deze abdij, waren binnengekomen. Onder de laatsten bevond .zich ook prior Gozzo uit Lorsch een volleerd hoveling en vurig aanhanger van den Saliër. Hij meende door een onbegrensde gehoorzaamheid en een onvoorwaardelijk volbrengen van de plannen van Hendrik IV, sinds lang recht op den openstaanden stoel verworven te hebben. ')

Bescheiden ter zijde stond een zwaarlijvig monnik, met heldere oogen en een sluw voorkomen, — Adalbert, de uitverkorene des konings voor Lorsch.

') Gfrörer, D. VII bi. 470.

-ocr page 232-

De schatmeester stond op.

«Door den dood van den abt Ulrich van Lorsch ^ kwam dit sticht open, en staat de beleening aan onzen heer en koning Hendrik IV. Onze lieer en koning noodigt de monniken van Lorsch uit, een man, die hun vertrouwen waardig is voor te stellen, evenwel met uitdrukkelijke inachtneming der schatkist.quot;

De woorden des schatmeesters verdeelden de menigte terstond in drie groepen, waardoor het den Saher duidelijk werd, dat er drie sollicitanten voor Lorsch

tegenwoordig waren.

»Heer en koning,quot;' riep de spreker der eerste groep, Bwij smeeken met aandrang, onzen eerwaarden prior Gozzo den staf te verleenen. Hij is, zooals bekend is, uwe heerlijkheid zeer genegen, een heftig tegenstander van Hellebrand en bereid Ie allen tijde zijn diensten te leenen met de mannen van het sticht.

«Heer en koning,quot; riepen de overige monniken ais uit eenen mond, ïwij smeeken er u om, dat de pï ior Gozzo onze abt worde.

»Als uwe heerlijkheid, allergenadigste koning en ]leer)quot; — begon Gozzo na een diepe alleronderdanigste buiging, — »mij gelukkig maakt met den stat van Lorsch, dan zal ik in de verschuldigde trouw nimmer te kort schieten. De schare der stichtste dienstmannen zal ik vermeerderen en aan hunne spits uwe hoogheid ter heervaart volgen. Ook ben ik bereid mot het oogop de aanzienlijke eischen van de schatkist uwer heerlijkheid onmiddelijk veertig duizend marken te betalen.

ïHeer en koning!quot; riep de tweede sollicitant. sGij kent mij uit den krijg tegen de Saksers, ik ben abt Dudo van Ramungen. Mijn strijdkolf heeft menig Sak-ser den schedel ingeslagen en aan de spits mijner mannen was ik steeds daar, waar bet gevecht het bloe-

-ocr page 233-

213

digst was. God weet liet, slechts de ijver, om uwe hoogheid met een sterker aantal manschappen ter heer-vaart te volgen, verleidt mij daartoe, om mijn staf met dien van Lorsch te verruilen. Twee honderd krijgsknechten bracht ik tot nu toe in het veld, — abt Dudo van Lorsch zou er duizend leveren. Veertig duizend marken heeft Gozzo geboden, — ik betaal er vijf en veertig duizend.

«Allergenadigste heer en koning!quot; begon de derde sollicitant. «Ware het niet, dat eigen lof stinkt, dan zou ik mijn onbeperkte trouw, en manhaftige gezindheid voor uwe heerlijkheid met vele bewijzen staven. Rome heeft een strijd begonnen met mijn heer en koning op dood en leven. In dien strijd hebt gij beproefde mannen en dappere ridders noodig. Niet alleen stel ik uwe heerlijkheid de soldaten van het sticht Lorsch ter beschikking, maar ook mijne pen, die uwe hoogheid niet onbekend is. Ook aarzel ik niet voor de abdij Lorsch mijn geheele bezitting te geven, vijftig duizend marken.quot;

Nauwelijks had de derde sollicitant gesproken of de eerste beval zich op nieuw aan en bood tegen de laatste som op. De tweede en derde vielen den eersten in de rede, de troep naderde de tafel al meer en meer, het eischen, bieden en schacheren werd al levendiger en walgelijker. De hoofden der partijen gloeiden, de gesprekken werden luider, er vielen bijtende woorden en een woest schreeuwen en tieren weerklonk door de zaal.

De koning zat onverschillig en keek rustig de beweging aan. Hij was aan dergelijke voorvallen sinds lang gewoon. Bisschop Wernher verheugde zich in dit schouwspel, hij lachte en keek vergenoegd in den damp der ontkluisterde hartstochten. Reeds was de koopprijs tot negentig duizend marken gestegen en liet toppunt was nog niet bereikt; want Lorsch bezat rijke inkom-

-ocr page 234-

313

sten en de kooper kon na verloop van eenige jaren de som uit de geestelijke goederen weer bijeenschrapen. Nu wierp de koning, als toevallig, zijn blik op Adalbert, die bescheiden van achteren stond. De Saliër verliet zijn zetel, naderde Adalbert, nam hem bij de hand en plaatste hem midden onder de monniken van Lorsch.

«Hier is uw abt!quot; zeide hij. »AIeer dan geld weegt in mijn oogen onwankelbare trouw. En deze abt Adalbert van Lorsch zal zijn koning steeds een getrouwe vazal zijn.quot; ')

De verbazing was algemeen. Adalbert toonde zich verrast en wees de hem toegedachte waardigheid met schijnbare vastberadénheid af.

sAIlergenadigste heer en koning,quot; bad hij, let op mijn onvermogen, — mijn geringe kennis tot de leiding van een zoo groot sticht!

»üwe bescheidenheid maakt u nog aanbevelenswaardiger,quot; viel hem de Saliër in de rede. «Lang leve abt Adalbert van Lorsch!

»Lang leve abt Adalbert!quot; herhaalden de monniken nauwelijks hoorbaar, de hovelingen daarentegen krachtig.

Ternedergeslagen of morrend verlieten de bedrogen Simonisten en hunne vrienden de zaal.

))Dat was heerlijk!quot; zeide bisschop Wernher. sik moet bekennen, dat ik mij bij geen tournooispel kostelijker vermaakt heb.

» Wacht maar, als de bisschopshoeden komen, dan zal het er toe gaan.quot; zeide de vorst.

»Maar, broeder Hendrik,quot; fluisterde Wernher vertrouwelijk, »waarom weest gij een zoo aanzienlijke som van de hand? Waarom hebt gij een staf weggegeven die stellig honderd duizend marken opgebracht had.'

gt;) Gfrörer, D. Vil, hl 471,

-ocr page 235-

211

»Oin de booze wereld te logenstraffen, welke beweert dat ik handel drijf in kerkelijke waardigheden. Ik ben waarachtig geen «schacheraarquot; geen «Judas Iscariot in het heiligdom, des Heeren, geen »too venaar Simonquot; zoo als ile aanhangers van Rome mij uitschelden. Adalbert en anderen zijn duidelijke bewijzen, dat in mijn oogen slechts persoonlijke waarde geldt.

»Eeii heerlijk werkend kunststuk van Staatsmans-wijsheid!quot; hernam bisschop Wernher glimlachend.

«De abdij Klingen!quot; riep de schatmeester de gewa-penden toe.

De deur der voorzaal werd geopend en de vorige stem riep in het oorverdoovend geraas; »Klingen, — de abdij Klingen! Monniken, voogd en vazallen van dit sticht, benevens de sollicitaiiten voor die abdij mogen verschijnen voor het aangezicht van onzen heer en koning.quot;

Deze keer was er geen gedrang. Eenige geestelijken van het kapittel te Spiers kwamen binnen, aan hun hoofd de kanunnik Arnold, een zeventienjarig jongeling, zwak van gestalte in rijke kleeding en hoofsche houding. Op dezen volgde Lantbert, de burchtkapelaan van den ïrifels.

»Zie eens, wat een knappe jongen!quot; roemde Wernher van Straatsburg. »Wel wat tenger en zwak voor de vermoeienissen des oorlogs. Des te beter zal u de vrije vorming van onzen kweekeling voor den bisschopszetel te pas komen.

»Gij hebt het hem toch aan 't verstand gebracht?quot; vroeg de koning.

«Volgens uw bevel!quot; antwoordde Wernher.

De schatmeester opende met de gebruikelijke formule de markt voor de abdij Klingen. Graaf Wazo had dicht achter den Saliër plaats genomen.

«Een geringe toeloop, — slechts twee sollicitanten? Dat is toch zeldzaam!quot; zeide de koning.

-ocr page 236-

215

«Geheel natuurlijk, uwe heerlijkheid!quot; antwoordde VVazo. De monniken van Klingen hebben den duivel in, — geen vredelievend en koningsgezind man wil zich met den zwaren arbeid belasten, die dolzinnige papen terecht te zetten. Maar Lantbert zal hen wel klaar spelen, — dat zweer ik u!

»Mijn heer en koning!' begon met een kinderachtige stem Arnold. »,]ong in jaren, maar rijp in wetenschappelijke vorming door geleerde meesters in de staatkunde en godgeleerdheid, alsook bevestigd in de trouw aan mijn heer en koning, waag ik het, in vei-trouwen op uwe hulde en genade, de abdij Klingen van uwe heerlijkheid af te smeeken. Uit dankbaarheid voor de gevraagde en bewezen gunst, stort ik veertig duizend marken in de koninklijke schatkist.

Bisschop Wernher had geluisterd met dé uitdrukking van een leermeester, welke zyn leerling een les laat opzeggen. Hij knikte bevredigd met het hoold. Daarentegen krabde Wazo achter de ooren. HetStein-wald dreigde hem te ontsnappen, dat hij bedongen had, om den burchtkapelaan de abdij voor tien duizend marken te bezorgen.

Lantbert kroop nader.

»Allergenadigste heer en koning! begon hij in slaafsche houding en niet wagend den blik van den grond op te slaan. ))Mijn armoede heeft wel is waar slechts over tien duizend marken te beschikken, welke ik u smeek aan te nemen voor de abdij Klingen. Daarentegen biedt zich de knecht van uw hoogheid met lichaam en ziel te uwen dienste aan. Een groote last van werkzaamheden wacht den nieuwen abt van Klingen; want in dat klooster gebiedt en heerscht de geest van den boozcn Hildebrand, eertijds Paus, tegenwoordig afgezet door uwe heerlijkheid, en in den ban door de uitspraak van de vergaderingen te Worms en

-ocr page 237-

216

Pavia. Alle krachten van mijn lichaam en geest zal ik aanwenden, om de Roomsche leugengeesten te verdrijven uit Klingen en de vijanden van uwe hoogheid in dat stift uit te roeien.quot;

Hier werd de spreker in de rede gevallen. Er werd met een ijzeren vuist aan de deur geklopt, die naar de zaal leidde. De koning en zijn omgeving luisterden verwonderd. Het kloppen werd hevig herhaald.

sDoe open!quot; beval Hendrik.

Nauwelijks waren de grendels teruggeschoven of een groot man, van het hoofd tot de voeten geharnast, trad binnen. Zijn lichaamsgrootte overtrof de gewone maat, zijn breede schouders, de krachtige ledematen, zijn trotsche houding en zijn moedig binnentreden boeiden aller blikken, maar vooral die van den Salier.

»Zie eens, welk een knap man!quot; riep hij onwillekeurig uit. »Zulk een lang persoon heeft mijn oog nog nimmer gezien.

»En hoe edel is zijn gelaat, — een schoon man!quot; voltooide Wernher,

Graaf Wazo deelde niet in die bewondering van den vreemdeling. Hij ging een schrede achteruit, en zag met een schuwen blik naar den ridder van zijn gast Hyginus.

De man was met zijn wapenen kletterend door de zaal gegaan en de vloer dreunde onder zijn zware voetstappen. Eenige schreden van de tafel bleef hij staan, maakte voor den koning een buiging, niet zeer diep, en streng naar de eischen aan een ridder gesteld. Aller» blikken volgden de bewegingen van den jeugdigen heer, en in de zaal heerschte gespannen verwachting.

))lk vraag u wel verschooning, heer en koning,quot; begon met een liefelijke stem de vreemdeling, »dat mij een kleine vertraging noodzaakte, tegen het ge-

-ocr page 238-

bruik van het hof in deze vergadering te komen, om dlt;? bezworen plichten van voogd der abdij Klingen te volbrengen.

»Als voogd van dat sticht hebt gij recht,quot; zeide de Saliër, )Kle keus van den nieuwen abt of liever de vervulling van dien zetel door onze vrije beslissing bij te wonen.

»Heer en koning geloof hem niet!quot; riep Wazo. »De voogd van Klingen is gestorven en de plaats is tot heden toe niet vervuld. Laat u niet bedriegen door de spiegelgevechten van dien rondreizenden ridder.quot;

Heer Siegfried nam den helm van het hoofd haalde een bezegeld perkament te voorschijn en reikte het den vorst over.

»Dit document,quot; zeide hij, »zal uwe hoogheid overtuigen van de vaische bewering van graaf Wazo.

»Inderdaad, — Siegfried, beschermheer van het sticht Klingen, — gekozen door de gezamenlijke priestermonniken,quot; zeide de koning lezend. »Maar wat is dat?quot; ging hij voort, in hooge mate verrast. «Hier heeft een abt Widerad van Klingen onderteekend?

«De eerwaardige groot-prior Widerad van Klingen werd voor eenige dagen door het convent des kloosters tot abt verheven,quot; antwoordde Siegfried.

De Saliër fronste het voorhoofd sterk, — Wazo stond met open mond, — dezelfde verrassing had allen bevangen.

»Wie gaf het convent van Klingen hiertoe het recht en de volmacht?quot; vroeg de koning streng.

»De regelen der orde van den H. Benedictus,quot; antwoordde de onverschrokken voogd vrijmoedig. »))Deze regelen verplichten dc monniken, terstond na het afsterven van den abt tot de keuze van een nieuwen over te gaan, hetgeen in Klingen volgens voorschrift geschied is.

-ocr page 239-

218

«Ligt daar niet du staf van dat sticht?quot; zeide de vorst naar do tafel wijzend. sHeeft niet prior Wi-derad volgens oud gebruik dezen staf aan ons gezonden?

»Dit lieeft hij gedaan, in dwaling gebracht door een misbruik van later tijd en met schending der kerkelijke wetten, antwoordde Siegfried. »Maar een tusschen-val toonde den groot-prior zijn begonnen misslag en hij haastte zich, dien weer goed te maken.

»Wat verstaat gij onder den tusschenval?quot; ondervroeg de koning.

»De legaat van Zijn Heiligheid, de prior Hyginus van Clugny, vereerde Klingen met zijn bezoek,quot; antwoordde de jonge man. »Zoo als te begrijpen is moest de pauselijke legaat op de stipte naleving van den kloosterregel aandringen. Widerad is de rechtmatig gekozen abt, en deze tijding zal u, heer en koning doen besluiten om een afgedane zaak te laten rusten.quot;

De Saliër hoorde de laatste woorden niet. Het belicht, dat een pauselijk legaat aan den Rijn was, deed een donkere gloed van toorn op zijn gelaat komen. Hij sloeg de fonkelende oogen neer, werd doodsbleek en zat zwijgend, ües te luider uitten zich de hovelingen.

)gt;Hooi t eens, een pauselijk legaat in onze nabijheid!quot; riep bisschop Wernher.

»Een zendeling van den afgezetten Gregorius, — van dien vervloekten Hellebrand!quot; grijnsde graaf Ulrich van Godesheim.

'Alle duivels!quot; bromde Wazo, zich met de vuist voor het hoofd slaande. »Die onbeschaamde paap uit Clugny is dus de legaat geweest? Dat had ik moeten weten!

«Heer en koning, laat den legaat aanhouden, hij zaait tweedracht in het Rijk,quot; riep een ander.

«Rustig, mijne heeren,-' gebood de vorst. «Wiji er

-ocr page 240-

219

tegenwoordig geen Paus is, kan er ook geen pauselijk legaat zijn. Heer voogd,quot; -— wendde hij zich op minzamen toon tot Siegfried, vereert ons wellicht de prior van de beroemde abdij Clugny met zijne nabijheid ?''

Den scherpen blik van den jongen, man ontging de loerende wraakzucht in het oog van den Saliër niet, en hij verheugde zich, dat de vaderlijke vriend buiten het bereik van den dwingeland was.

»De legaat is reeds over de Alpen,quot; antwoordde hij, »hij moet dus van zijn kant van de eer afzien om de bijzondere deelmening van uwe hoogheid te kunnen vernemen.

«Wij zouden hem alleszins,die deelneming geschonken hebben, die zijne onbeschaamdheid verdient, om in het Rijk oproer te stoken,quot; antwoordde de koning, terwijl hij zijn toorn weerhield. — »De abtskeuze van de monniken van Clugny is ongeldig. Wij alleen bezetten openstaande zetels. Wij dulden geen vreemde inmenging in onze koninklijke rechten, en wij zullen de onbeschaamde stoutmoedigheid dier weerbarstige monniken streng straffen.

»Heer en koning, leg den voogd van Klingen een vraag, die in den kring zijner verplichtingen valt, niet verkeerd uit,quot; zeide Siegfried aarzelend.

))Wat verlangt gij te weten?quot; vroeg Hendrik toen de gewapende zweeg.

« Volgens welk recht bezet gij alleen de herderszetels?quot;

De Saliër staarde den moedigen vrager met de teekenen van de hoogste verbazing aan. Dergelijke taal

wasvoor hem iets geheel ongehoords.

«Volgens welk recht, — vraagt gij ? hernam de vorst trotsch. «Volgens het recht van ons koninklijk opper-gezag.

«Volgens het recht lt;ter heeren,quot; riep Wazo. «Vol-

-ocr page 241-

220

gens het recht van den sterkste, — bijgevolg heeft iüj recht tot alles.

»Zwijg graaf! Laat deze merkwaardige voogd spreken,quot; gebood Hendrik, wiens edele, door misdaden over schaduwde inborst hem dwong de stoutmoedigheid van den jongen man te bewonderen. »Nu, lieer voogd, wat hebt gij ons te zeggen?

«Veroorloof mij mijne overtuiging vrij uit te spreken, lieer en koning!quot; antwoordde de voormalige kweekeling van Clugny. »Zoo ver ik weet strekt zich het recht der koningen wel uit tot het beschermheerschap dei-Kerk, maar niet tot haar inwendig bestuur. Ik zie, dat hier de herdersstaven en geestelijke waardigheden, als zaken van geen belang, aan de meestbiedenden worden verkocht. Deze misdadige handeling mag sedert tien jaren in gebruik zijn, — maar daarom is zij niet minder onrechtvaardig, goddeloos en verderfelijk. Uitgesloten van de gemeenschap der Kerk, in den ban zijn allen, die een geestelijk ambt koopen of verkoopen.quot;

Deze woorden brachten een groote opschudding teweeg. De heeren sprongen van hunne zetels op met doodelijke blikken op den vrijmoedigen jongen man. Scheldwoorden en beschimpingen vulden de zaal, het luidst schreeuwde Wazo. Hendrik alleen behield zijne bedaardheid.

»Stil toch, mijne heeren, stil!quot; riep hij. ;)Eeii vrij woord is altijd een eererecht van Duitsche mannen geweest. De voogd spreekt ronduit en daarvan houd ik. — Heer voogd, kunt gij wellicht uwe bewering bewijzen, dat alle koopers en verkoopers van geestelijke goederen in den ban zijn?

«Dat kan ik, heer en koning! De vastesynode te Rome onder het voorzitterschap van Paus Gregorius sprak den volgenden voor alle geloovige verbindenden rechtsregel uit: )gt;Elk geestelijke, die voortaan een bisdom of eene abdij uit de handen van een leek aanneemt.

-ocr page 242-

221

wordt niet als bisschop of abt behandeld, hij krijgt geen gehoor bij den Paus, maar vervalt zoo lang in den ban, totdat hij het ambt, dat hij onrechtmatig heeft ontvangen, rouwmoedig nederlegt. Niet minder is ieder keizer, koning, hertog, markgraaf of bezitter van een wereldlijk ambt, het heete hoe hot wil, die zich verstout, oen geestelijke met bisdommen abdijen of andere geestelijke waardigheden te beleenen, van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten.quot; ') De bespraaktheid en geheel ongewone ontwikkeling van den ridder, zoowel als diens onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, brachten allen in zulk een verbazing, dat zij onbeweeglijk op hunne zetels vastgenageld schenen.

»Ik moet bekennen,quot; zeide Hendrik op een toon van bitteren spot. »Gij zijt een zoo geleerd heer, dat gij menig doctor in de godgeleerdheid uit het zadel zoudt lichten. — Antwoord ons eens oprecht. Wat denkt gij, — zijn wij in den ban, omdat wij kerkelijke bedieningen naar ons goeddunken vergeven en verkoopen?

».Ta, - gij zijt in den ban en uitgesloten van de gemeenschap der geloovigen,quot; antwoordde de gewapende vastberaden.

«Pakt den vermetele aan, — pakt hem aan!quot; riep Wernher den gewapenden toe, terwijl hij woedend van den stoel sprong.

«Houwt den schurk aan stukken, — hij heeft den koning in den ban gedaan,1' schreeuwde W'azo.

sHült, geen schending van den koninklijken naami dreunde Siegfrieds stem door de zaal, den ijzeren arm uitstrekkend en zijn krijgshaftige gestalte dreigend verheffend. »lk antwoordde den koning op zijn vraag, — waarom nu gewelddadigheid? Zou het in 't Duitsche

') Gfrörer, D. VII. bi. 400.

-ocr page 243-

232

Rijk reeds zoo ver gekomen zijn, dat een vrij man voor den beschermheer des rechts geroepen, geen getuigenis der waarheid mag geven ? Is het een misdaad, voor den Duitschen koning de besluiten en stellingen onzer H. Kerk te herhalen? Is het een vergrijp, den koning vrij en frank de waarheid te zeggen? Liever in eere sterven, zoo als het een man betaamt, dan als een slaaf. Bezin u wei, heer en koning, een beslissend woord te spreken, dat uwen naam schande aandoen en deze zaal met bloed zou bespatten! Want ik zou mij verdedigen en beproeven mij een weg te banen met mijn zwaard.

«Zeer goed, — uitstekend!quot; roemde de vorst. «Volgens de Sahsche wet hebben wij het recht, ieder naar lijf en lichaam te straffen, als het ons belieft. Bijgevolg zouden wij u voor onze oogen kunnen laten nederhouwen. Maar wij versmaden het, een zoo vurig verdediger van kerkelijke heerschappij te straffen. Ga heen, — maar wacht u, voogd, dien man hindernissen in den weg te- stellen, dien wij tot abt van Klingen benoemen.

»Ik protesteer hier tegen elke Simonistische abtskeuze en zal de bezworen plichten van beschermheer van Klingen volbrengen,quot; antwoordde trotsch heer Siegfried, boog en verliet de zaal.

De houding van den hooghartigen, onverschrokken voogd, had de gemoederen van alle aanwezigen in hoogen graad opgewekt. Een taal, die zoo beslissend de Simonistische handelingen des konings veroordeelde, die zoo moedig den geest der Kerk uitsprak, was aan dit wetsverkrach-tend hof nimmer gehoord. De heeren keken elkander aan en begonnen in de sterkste bewoordingen hun misnoegen te kennen te geven over de onbeschaamdheid van den beschermheer van Klingen. De verkoop der kerkelijke waardigheden werd geschorst. Hendrik wenkte den hoofdman der twaalf, graaf Ulrich van Godesheim, in

-ocr page 244-

221

wordt niet als bisschop of abt behandeld, hij krijgt geen gehoor bij den Paus, maar vervalt zoo lang in den ban, totdat hij het ambt, dat hij onrechtmatig heeft ontvangen, rouwmoedig nederlegt. Niet minder is ieder keizer, koning, hertog, markgraaf of bezitter van een wereldlijk ambt, het heete hoe het wil, die zich verstout, een geestelijke met bisdommen abdijen of andere geestelijke waardTgheden te beleenen, van de kerkelijke gemeenschap uitgesloten.quot; ') De bespraaktheid en geheel ongewone ontwikkeling van den ridder, zoowel als diens onverschrokkenheid en vrijmoedigheid, brachten allen in zulk een verbazing, dat zij onbeweeglijk op hunne zetels vastgenageld schenen.

»11; moet bekennen,quot; zeide Hendrik op een toon van bitteren spot. ))Gij zijt een zoo geleerd heer, dat gij menig doctor in de godgeleerdheid uit het zadel zoudt lichten. — Antwoord ons eens oprecht. Wat denkt gij, — zijn wij in den ban, omdat wij kerkelijke bedieningen naar ons goeddunken vergeven en verkoopen?

».Ta, — gij zijt in den ban en uitgesloten van de gemeenschap der geloovigen,quot; antwoordde de gewapende vastberaden.

«Pakt den vermetele aan, — pakt hem aan!quot; riep Wernher den gewapenden toe, terwijl hij woedend van den stoel sprong.

»Houwt den schurk aan stukken, — hij heeft den koning in den ban gedaan,quot; schreeuwde Wazo.

«Halt, geen schending van den koninklijken naamI dreunde Siegfrieds stem door de zaal, den ijzeren arm uitstrekkend en zijn krijgshaftige gestalte dreigend verheffend. sik antwoordde den koning op zijn vraag, — waarom nu gewelddadigheid? Zou het in 't Duitsche

') GlVörer, D. VIL bi. iüO.

-ocr page 245-

232

Rijk reeds zoo ver gekomen zijn, dat een vrij man voor den beschermheer des rechts geroepen, geen getuigenis der waarheid mag geven ? Is het een misdaad, voor den Duitschen koning de besluiten en stellingen onzer H. Kerk te herhalen? Is het een vergrijp, den koning vrij en frank de waarheid te zeggen? Liever in eere sterven, zoo als het een man betaamt, dan als een slaaf. Bezin u wei, heer en koning, een beslissend woord te spreken, dat uwen naam schande aandoen en deze zaal met bloed zou bespatten! Want ik zou mij verdedigen en beproeven mij een weg te banen met mijn zwaard.

«Zeer goed, — uitstekend!quot; roemde de vorst. « Volgens de Sahsche wet hebben wij het recht, ieder naar lijf en lichaam te straffen, als het ons belieft. Bijgevolg zonden wij u voor onze oogen kunnen laten nederhouwen. Maar wij versmaden bet, een zoo vurig verdediger van kerkelijke heerschappij te straffen. Ga heen, — maar wacht u, voogd, dien man hindernissen in den weg te- stellen, dien wij tot abt van Klingen benoemen.

sik protesteer hier tegen elke Simonistische abtskeuze en zal de bezworen plichten van beschermheer van Klingen volbrengen,quot; antwoordde trotsch heer Siegfried, boog en verliet de zaal.

De houding van den hooghartigen, onverschrokken voogd, had de gemoederen van alle aanwezigen in hoogen graad opgewekt. Een taal, die zoo beslissend de Simonistische handelingen des konings veroordeelde, die zoo moedig den geest der Kerk uitsprak, was aan dit wetsverkrach-tend hof nimmer gehoord. Ue hoeren keken elkander aan en begonnen in de sterkste bewoordingen hun misnoegen te kennen te geven over de onbeschaamdheid van den beschermheer van Klingen. De verkoop der kerkelijke waardigheden werd geschorst. Hendrik wenkte den hoofdman der twaalf, graaf Ulrich van Godesheim, in

-ocr page 246-

12S

een vensternis. Ofschoon gewetenloos en wreed schuwde deze vorst toch de openlijke, bevrediging zijner wraak, ''ijn offers moesten in het geheim van kant geholpen worden. Het gift van omgekochte koks, of zwaarden sluipmoordenaarsdolk van een der twaalf voltrokken daarom grootendeels de moordbevelen van dezen on-menschelijken tyran. ')

Een dcrgelijken dood had hij den jeugdigen Siegfried toegedacht.

))Hoe is 't mogelijk,quot; begon de Saliër, »dat onzen spionnen de reis van den legaat verborgen kon blijven?

»Is de legaat geen verzinsel van dezen oproerigen voogd,quot; hernam Godesheim, «dan moet de bode van Hellebrand slechts zijn Intrek genomen hebben in enkele kloosters, zonder zijne hoedanigheid bekend te maken.

»Neen, — een verzinsel is de legaat zeker niet,quot; hervatte Hendrik met nadruk.quot; De kinderlijke oprechtheid en domme waarheidsliefde van dezen voogd maken elk bedrog onmogelijk Zou het 'uitblijven der hertogen wellicht ook in verband staan met de werkzaamheid van den legaat?

«Bepaald niet!quot; hernam Godesheim. «Alle hoven dei-hertogen, zijn met onze bespieders goed bezet. Niets geschiedt daar van eenig belang, dat ons geheim blijft. De hertogen hadden zich buitendien over hun wegblijven van den Rijksdag, waartoe zij onder den behoorlijken vorm werden uitgenoodigd, moeten verontschuldigen. Daar zij dit niet deden, zullen zij ongetwijfeld komen.

«Deze voogd, — is een hoogst gevaarlijk mensch' Hij moet van kant. Onderzoek naar zijn herberg, — laat die omsingelen en maak hem zonder opzien uit de voeten.quot;

') Gfrörer, D. VIT. bl. 519. 634.

-ocr page 247-

2U

Zij gingen weer aan de tafel zitten. De verkoop der herderstaven werd voortgezet. Lantbert kreeg de abdij Klingen uit bijzondere gunst, voor tien duizend marken. Eerst bij de verkooping van liet tweede bisdom stond Godesbeim op, om bet bevel des konings te volbrengen.

Voor dat het de lieden van Ulrich van Godesbeim gelukte, de herberg van Siegfried te ontdekken, reed deze aan de spits van zijn klein gevolg eenige uren van Worms. Hij bad namelijk, terstond na zijn terugkeer van het paleis, het bevel gegeven, de paarden te zadelen. Vervolgens had hij vluchtig iets genuttigd, een glas wijn gedronken, was te paard gestegen en zoo aan het moorddadig plan ontsnapt.

DE KÜNJjSiGr OP DEN TRIFELS

De dappere voogd van Klingen had de noodzakelijkheid ingezien, om de krijgsmacht van het sticht op den voet van oorlog te brengen. Hij had de dienstmannen opgeroepen, op het burchtplein monstering gehouden en vijf en twintig flinke ruiters, zestig voetknechten en twaalf handboogschutters mtgekozeu.

Terstond begonnen de wapenoefengen op een uitgestrekte weide aan den noordelijken voet van van den Son-nenberg. Ruiters en voetknechten leerden de gebruikelijke handgrepen, het gebruik van zwaard, schild en lans. De handboogschutters oefenden zich op de schijf. De manier van strijden in dien tijd kende het vechten niet in gesloten gelederen, evenmin als de bewegingen in liniën volgens de bevelen van den aanvoerder. De can. jj. i. 15

-ocr page 248-

225

vijandelijke strijdkrachten stormden eenvoudig op elkander los, en de sterksten, de meest geoefenden in den wapenhandel, behaalden de overwinning. Daarom was de taak van Siegfried niet bijzonder zwaar, en de ijver zijner flinke mannen bekroonde zijne moeite spoedig met een goeden uitslag. Toch weerklonken de omliggende wouden van de wapenkreten, en het krijgs-spcl lokte een menigte toeschouwers, die zich vermaakten in de zwaardslagen en de lansstooten der strijders.

De familieleden der abdij, verschrokken door den moord van Wazo aan Gundelkarl gepleegd, en de verdere gewelddadigheden van den graaf voorziende, waren verheugd over de sterke bescherming van den krijgshaftigen voogd. Zij schatten den ernstigen en toch gemeenzamen jongen man hoog, en bejegenden hem met grooten eerbied.

Ook de vroeger weerlooze monniken zagen met vertrouwen naar de vesting op, welker tinnen zich trot-scher in de lucht schenen te verheffen, sedert binnen die muren een mcedig, ondernemend man het bestuur had.

Don tweeden dag na zijn terugkeer uit Worms commandeerde Siegfried op het exercitieplein, toen hij den boeteling Wolferat bemerkte, die haastig kwam aangeloopen. Do voogd herinnerde zich de hardnekkige weigering van Wolferat, om nadere inlichtingen omtrent den toestand van Godila te geven en zijne neiging om slechts in geval van den hoogsten nood van de aangeboden hulp gebruik te maken. Wijl hij nu den boeteling in groote ontsteltenis zag aanspoe-den, verschrok Siegfried heftig. Waarschijnlijk bedreigde Godila gevaar. Wellicht was er reeds iets vreeselijks gebeurd.

De ridder staakte de wapenoefeningen, zond zijne

-ocr page 249-

220

manschappen heen en reed den kluizenaar te gemoet. Deze was uitgeput van vermoeienis op een steen gaan zitten, veegde het zweet van het voorhoofd en stond nu voor den voogd met angst en schrik in eiken zichtbaren trek van zijn met haren begroeid gelaat.

))Om Godswil, — wat is er voorgevallen?quot; riep Siegfried.

»Voorgevallen is nog niets,quot; antwoordde de boeteling hijgend. »Maar er zou iets kénnen voorvallen, dat nog schrikkelijker den hemel om wraak roept dan het bloed van Abel tegen Kain. Ja, — een zieleinoord is afschuwelijker dan een lichamelijke moord!quot;

Siegfried sprong van het paard.

))Spreek, — is de koning op den ïrifels?

»Ja. — de duivel is op den Tnfels. De gier schoot neer op zijn slachtoffer, — de brieschende leeuw kwam om zijn buit te verslinden.quot;

De jonge edelman bracht de hand aan het voorhoofd. Zijne oogen fonkelden woest en zijne ledematen trokken krampachtig.

«Heer voogd, bedwing uwe woede, — behoud een helder inzicht van den toestand, en luister bedaard naar mij!quot; smeekte Wolferat, zweeg een poos, om Siegfried tijd te geven zich te bezinnen en ging vervolgens voort. Wat de koning op den Trifels wil, verstaat ieder, die hem kent en die weet, dat een beeldschoon meisje aan de macht van den snoodaard is prijs gegeven. Onthoud haar evenwel uwen bijstand niet, dan zal de ellendeling zijn doel nimmer bereiken.

»Mijnen bijstand onthouden ? Mensch, — zijt gij zinneloos?quot; riep de ridder woedend.

Wolferat schudd'e misnoegd het hoofd.

»üw hevige hartstocht is de ware stemming niet,quot; zeide hij. »Wil iemand een tijger in diens hol zijn buit afnemen, dan moet hij bedaard en met overleg

-ocr page 250-

227

handelen. Woest en onzinnig er op los gaan kan de zaak slechts bederven.

»Gij hebt gelijk, Wolferat! Ik vraag u verschooning, dat ik een oogenblik mijn bewustzijn verloor. Spreek maar, — ik luister.

»De koning kwam gisteren op den Trifels. Slechts eenige ridders vergezelden hem. Dezen morgen bezocht hij Godila, voorloopig in de gedaante van den allerge-nadigsten. allerminzaamsten heerscher. Geen dubbelzinnig woord werd gesproken. De bekoorder begon zijne inleiding met deelnemende vragen naar de gezondheid van Godila, naar hare verlangens en andere kleinigheden. De maagd vertelde mij dezen morgen alles uitvoerig aan de Pirminiusbron. Zij vermoedt de goddelooze plannen niet van den vorst. Zij vond hem voortreffelijk, gemeenzaam en liefderijk. — »Ik had het uiterlijk des konings geheel anders gedacht, vertelde zij. Geen spoor vond ik aan hem van den tyran, dien ik mij in mijne verbeelding gevormd heb. Zijne taal is toegevend, zijn oog goedig, zijne lieftalligheid belooft alles.quot; — O ik ken dien volleerden huichelaar, — dien satan, die zich meesterlijk in een engel des lichts weet te kleeden! — — Ik beproefde Godila het mogelijke gevaar voor onschuld en zuiverheid aan te duiden. In het eerst begreep zij den zin mijner woorden niet Toen zij ze eindelijk verstond, kleurde een hoogrood hare wangen, zij verborg haar gelaat in de handen en weende. Niet zonder moeite gelukte het mij de verschrikte tot bedaren te brengen. Ik toon haarde den weg ter redding, zoodra gevaar dreigde »Verlangt de koning iets van u, wat gij voor God niet kunt toestaan, verzoek dan eenige uren uitstel. Dit zal hij u toestaan. Kom dan naar de Pirminiusbron, waar gij mij vindt en hulp u wacht.quot; Hebt gij mij goed verstaan, heer voogd?

-ocr page 251-

328

»Zeer goed! Ga maar voort!

»Van uwe bereidvaardigheid, om Godila uit de klauwen van den onteerder te redden, ben ik overtuigd,quot; ging de boeteling voort. »Dientengevolge verzoek itc u eiken morgen en eiken namiddag naaide Pirminiusbron te rijden. Vlucht Godila onder mijne hoede, dan zal ik haar in een veilige schuilplaats zoo lang verbergen, totdat gij komt.

»Is dit alles?

»Dat is voldoende,quot; antwoordde Wolferat. ))De redding moet gelukken.

»Als de schurk uitstel geeft, — wel! Maar in geval hij geen uitstel toestaat?

»Hij zal dat toestaan, — ik ken de manier van handelen van den woestaard. Een vrijwillig aangeboden genot verkiest hij boven dat, wat met geweld wordt verkregen.

«Gewaagd, — alles gewaagd!quot; riep Siegfried uit. ))ls er dan geen andere hulp mogelijk? Waarom verlaat Godila niet op staanden voet het huis waar haar het vreeselijkste gevaar bedreigt?

«Waarheen zou zij vluchten? Wie beschermt haar tegen de macht van Hendrik?

»Ik!quot; antwoordde vast beraden de jonge man. sLand-eck zal den Saliër trotseeren.

»Maar de abdij zal zijne wraak gevoelen,quot; hernam Wolferat.

»Uw plan tot redding brengt het sticht in hetzelfde gevaar,quot; zeide de voogd.

))Neen, heer ridder, mijn voorstel is niet gelijk! Vlucht Godila zonder werkelijke aanleiding naar het sticht dan heeft de koning recht zijn pleegkind op te eischen. Vlucht Godila' voor de vervolgingen van den verleider, dan beschermt de abdij volgens haren plicht een weerlooze verdrukte. De koning zal het

-ocr page 252-

239

ontsnapte slachtoffer niet terug verlangen, — zijne sluwheid zal alles vermijden, wat opzien kan baren.

«Verstandig gedacht, — gij hebt gelijk!quot; antwoordde Siegfried.

»Ik ken een kort pad in bet bosch naar de Pirrni-niusbron,quot; ging Wolferat voort. »Het pad loopt onafgebroken door bosschen. Zonder door iemand opgemerkt te worden, kunt gij dagelijks tweemaal heen en weer. Zijt gij bereid, mij te volgen?

«Zonder toeven!quot; antwoordde Siegfried, terwijl hij te paard steeg.

De boeteling ging voorop met groote schreden. Het pad liep een eind door het dal, vervolgens liep het langs de bergwanden op, door hoog geboomte en hakhout, zoodat Siegfried herhaalde malen afstijgen en het paard bij den teugel moest leiden. De boeteling liep, alsof hij met de' zweep werd nagereden. Eindelijk bleef hij tusschen hooge eikeboomen staan.

sZiet gij daar dien dikken boom?quot; vroeg hij zacht.

sDat is de eik, waarin het Lieve Vrouwenbeeld staat. Ongeveer honderd schreden lager ligt de Pirmi-niusbron. Kom geregeld 's morgens en 's namiddagSj gij zult mij altijd op deze plaats vinden. Nogmaals, — kom telkens geheel gewapend, voorzichtigheid schaadt niet.

De kluizenaar groette en verdween tusschen de boomstammen. Siegfried bleef onbeweeglijk op de plaats staan, naar den Trifels opziende, welks torens door de boomen zichtbaar waren. Niet het minste geruisch onderbrak de diepe stilte van het woud. Des te geweldiger ging het in de ziel van den jongen man on-;. Die; beruchte man der zonde onder één dak met Godila! Hare wondervolle schoonheid aan de hatelijkste aller ondeugden zonder bescherming overgeleverd?

))De beschouwingen van Siegfried wonden hem zoo

-ocr page 253-

230

op, dat hij soms zijne bezinning scheen te verliezen en gebaren maakte om, ongewapend als hij was, naar den Trifels te rijden en het vorstenkind te bevrijden. Gelukkig behaalde overleg en de herinnering aan het wijs bedacht redmiddel van den boeteling de overwinning. Eindelijk na lang wachten en luisteren zwenkte hij zijn paard en reed naar Landeck.

Wolferats wenken aan de Pirminiusbron met betrekking tot de gemeene stemming des konings, hadden Godila aanvankelijk met afkeer en ontzetting vervuld maar op den terugweg naar den Trifels kwam haar, bij nader overleg de zaak toch wsl wat ongeloofelijk voor. Het gedrag van Hendrik was volkomen met de regels van het dagelijksch leven in overeenkomst. Geen woord, geen gebaar kwetste de welvoegelijkheid. Integendeel, de bijna trotsche terughoudendheid kon onverschilligheid verraden, had niet de toegevendheid van den beschermer de gevoelloosheid van den heerscher verwarmd. En deze waardige, stipte, trotsche vorst zou naar zijn burcht komen, om aan een weerlooze maagd de afschuwelijkste misdaad te plegen? Ontsteld verwierp Godila de gedachte aan datgene, wat haar onaannemelijk voorkwam. Zij werd bijna boos op den boeteling en deed zich zeiven verwijten, dat zij een zoo vernederende en schandelijke beschuldiging niet had afgewezen, tegen een man wiens gedrag zich streng hield aan de grenzen der ridderlijke vormen, en dat geen spoor van gemeenheid verried.

Zoo oordeelde de onbedreven zeventienjarige maagd in onschuld en reinheid des harten. Een waarnemer, die bedreven. was in menschenkennis, zou anders geoordeeld hebben. Hem zou de inspanning van Hendrik niet ontgaan zijn, om elke uiting te verbergen van zijn opwellende hartstocht, die hevig ontvlamde op het gezicht van het bekoorlijk vorstenkind.

-ocr page 254-

2:31

Ervaren in den omgang met vrouwen, door tal van liefdesgeschiedenissen bedreven en geslepen op dat gebied, tevens een meester in het huichelen, viel het den Saliër niet moeilijk, Godila te misleiden. Van een aangenaam voorkomen en statig van gestalte verstond hij de kunst deze gaven door de pracht en den luister der koninklijke waardigheid te verhoogen, het vrouwelijk hart te boeien, in strikken te vangen en te winnen. En in dit opzicht beschouwde hij de eerste poging als gelukt. Nu deed hij de tweede.

Godila vond bij hare terugkomst kostbare geschenken, stoffen met goud gestikt, sieraden met edelsteenen bezet, gouden kettingen en armbanden. Deze verleidende zaken lagen op een tafel harer kamer uitgespreid. Vervolgens verscheen de kamerheer van den vorst en verzocht haar in naam van zijn meester, deze sieraden als teekenen zijner hooge genegenheid aan te nemen.

Godila stond verrast Hare gevoeligheid vond wel is waar den glans van het goud niet rein, maar de af-wijzing der geschenken kwam haar als een beleediging voor. Zij nam ze derhalve aan.

Godila 's kamerjuffers wedijverden in het roemen der prachtige geschenken. Oda alleen scheen treurirr

O'

want zij kende de beteekenis dezer koninklijke onderscheiding en ook de zekerheid van haar eigen lot als zij hare argelooze meesteres het naderend gevaar aantoonde.

»Welke prachtige zaken!quot; riep Jutze, de jongere kamenier. ))De koning is toch een zeer Hef en goed heer! Gij zult prijken met deze kleinooden, als een koningin.

nOnnoozel gebabbel!quot; morde Oda. »Wat siert de vrouwen, — edelsteenen? Ver mis! Iedereen kan zich opsieren en zich en goud en zijde steken, — zelfs diegene, die geen duit waard is. Sieraden en kleinooden

-ocr page 255-

233

schenken aan maagd noch vrouw eenige waarde, — integendeel! Voor menigeen waren sieraden het begin van een diepen val. Menigeen gaf voor paarlen en goud hare onschuld, — en dan was zij verder niets dan een aangekleede aap. Schenkt derhalve een man paarlen en goud, dan vo gt hieruit geenszins, dat hij goed is.

»Gij meent dus, dat de koning niet goed is jegens onze meesteres ?quot; vroeg Jutze met een boosaardig loerenden blik.

»Dat heb ik niet gezegd,quot; antwoordde Oda. ))Ik bedoel slechts, dat goud en edelgesteenten het sieraad en de bekoorlijkheid onzer meesteres niet uitmaken maar deugd en reinheid.

»Oda preekt weer! riep Jutze lachend. «Overal hoeft zij wat op aan te merken, — zelfs op goud en edelgesteenten.

»Als gij zooveel hebt ondervonden als ik, zal zulks ook met u het geval zijn,quot; zeide Üda. «Thans zijt gij nog een vogeltje, dat nauwelijks vlug geworden, op elk twijgje zijn liedje zingt en niet schijnt te weten dat valken en steenIcrijters loeren.

»Hu, — hoe wreeedlquot; riep Jutze. »lk geloof, dat gij nimmer vroolijke liederen hebt gezongen, arme Oda

»Stil, — de verklaring van Oda is verstandig,quot; zeide Godila, »En ik handelde niet wijs, om deze kostbare geschenken aan te nemen; geschenken maken ver-plichtingem, en wie ze geeft, heeft daarmede bedoelingen.

»Daarom vermanen ons de aangenomen geschenken tot voorzichtigheid, voegde Oda er bij.

»Ach, zie eens, — daar onder in het dal rijdt de koning met zijn ridders? zeide de jonge kamerjuffer, door het venster ziende. Een knap man! Hoe trotsch en schoon zit hij te paard? Ach, — zulk een koning! ook maar een handvol stof,quot; voltooide Oda.

-ocr page 256-

2S3

»Kom over honderd jaar eens weer en vraag naar Hendrik IV.

»0 wee, — nu komt er een lijkrede !quot; spott'e Jutze.

«Deze schoone ruiter is vol leven en jeugdige moed. — wie denkt daarbij aan stof en asch?

«Iedereen denkt daaraan'quot; antwoordde Oda ernstig, »die alles zoo beschouwt, als het is, en niet, zoo het schijnt. Wat is een jeugdig leven? Een vergankelijke droom.

»Droom maar zoet,quot; zeide Jutze.

»En ontwaak in ellende, schande en tranen,quot; her-vatt'e Oda.

»Wilt gij den koning niet zien, edele dame? Waarlijk, hij staat beneden stil en kijkt naar boven naar uwe ramen ! Wilt gij niet op het balkon gaan, meesteres

»Wilt gij zwijgen, gij slang!quot; berispte Oda.

sHcbt gij geen denkbeeld van vrouwenwaarde? De koning onzer meesteres is God, — tot hem ziet zij op en volgt de wenken van zijn heiligen wil.

))Jutze, ruim die sieraden op,quot; gebood de vorsten dochter.

»Met toornige blikken op Oda gehoorzaamde de kamenier.

Godila ging niet op het balkon, zij ging voor het borduurraam zitten en werkte. Haar gelaat werd nadenkend en treurig, als een bewolkte lentehemel. Vervolgens dreven de wolken voorbij en heldere lichtstralen, de liefelijke telgen van haar zuiver wezen, verlevendigden hare gelaatstrekken.

»Uw oordeel over Siegfried was niet juist, uw argwaan ongegrond begon zij. )gt;De vrome vaders van Klingen hebben hem tot hun beschermheer van het sticht verkozen, — een vereerend vertrouwen.

«Uiterlijk is de heer knap en voorkomend, — hoe hij inwendig is, zal de toekomst leeren,quot; hernam Oda.

-ocr page 257-

234.

«Menigeen gaat in gouden kleederen, met een lach op liet gelaat, op het hoofd zelfs een kroon, in de handen kostbare geschenken, — toch heeft hij niet veel goeds in zin. Verlaat n op mijne jaren, edele meesteres! Vertrouw geen man!quot;

Godilu verstond den wenk en weder verdween de bevalligheid van haar gelaat door de droevige trekken, die het aannam.

sik waardeer het beleid en de wijsheid der vaders van Klingen,quot; begon Oda weder. »Zij zullen den vreemden man niet zonder nauwkeurige beproeving tot voogd van het sticht gekozen hebben.

»Dat denk ik ook!quot; bevestigde Godila, met blijdschap het gesprek over dit onderwerp quot;voortzettend. «Siegfried moet een günstigen indruk te weeg brengen bij iedereen, die hem ziet. Zijn gedrag is ernstig, zijn taal oprecht en bescheiden.

»En hoe is zijne gestalte?quot; vroeg Jutze. »Mag hij zich bij den koning vergelijken? Ach, — zoo jong, zoo aardig, zoo verstandig en een — koning!

»A1 weer met uw koning!quot; morde Oda. »Men zou denken, dat de koning u een gouden tong heeft geschonken, om hem te prijzen.

»Men zou denken, dar de koning u een adrlertong geschonken heeft, om hem te steken, te versmaden en te vernederen,quot; hernam Jutze.

»Geeii twist!quot; gebood de vorstin. »Koningen in waarheid te roemen, is moeilijk en zelden mogelijk, — hen te berispen, is gevaarlijk. Dat derhalve de koning het onderwerp van het gesprek niet meer zij.

«Wanneer ik zeg, edele dame, heer Hendrik is u genegen, dan spreek ik de waarheid,quot; beweerde Jutze. sSedert jaren zijt gij veilig in zijn huis, zijn burcht-voogd en zijne mannen zijn uwe knechten. Als een liefhebbend vriend zorgt hij voor uwe verlangens en

-ocr page 258-

£35

behoeften. Nu rijdt hij zelfs van den vorstendag te Worms hierheen, om u te bezoeken, u zijn voortdurende genegenheid te verzekeren, en zich in uw welstand te verheugen. Zoudt gij een woord van dank, een liefdevollen blik over hebben voor den schoonen man,—

«Adder, pad, — wilt gij zwijgen!quot; viel Oda haar in de rede. »Of onze meesteres den koning dank of berispingen verschuldigd is, dat is nog de vraag.

«Berispingen? herhaalde .Tutze.

)).Ta, berispingen, huichelaarster! Veins maar, — gij kent de geschiedenis toch van het schaap en den wolf.

sGij droomt, — ik weet niets van dergelijke geschiedenis.

«Luister dan! En ook gij, adelijke meesteres, gij moogt die geschiedenis hooien, — zij is leerrijk,quot; zeide Oda en begon met de fabel. »Er was eens een wolf die gaarne vleesch at. Hoe meer vleesch de wolf gegeten had, des te hongeriger werd hij naar vleesch. Eens overviel hij een kudde schapen, verworgde c'.e ouden en at ze op. Het kleine lammetje echter spaarde hij. »Dat ding is nog te klein,quot; zeide de wolf, «het is 'niet geschikt om mijn honger te stillen. Ik wil het dus grootbrengen en goed verzorgen,quot; Daarop nam de wolf het kleine lammetje en bracht het naar zijn slot. Daar beval hij zijnen knechten, het lammetje goed op te passen, het goed voedsel en schocne kleederen te geven. De knechts en meiden van den burchtheer wisten zeer goed, waartoe het lammetje gevoed en verpleegd werd, maar zij deden, alsof zij het niet wisten. De wolf had aan het lammetje een sluwe meid gegeven. Deze moest den wolf prijzen en zeggen, hoe goed hij het met 't lammetje meende, hoe hij het behoedde en beschermde tegen de booze wolven. Het lammetje sloeg geloof aan de

-ocr page 259-

336

lofuitingen der booze meid op den wolf; want het kende de wereld niet. Nu kwam op een keer de wolf op zijn slot, zag het lammetje en vond het zeer schoon en bekoorlijk voor zijne begeerlijkheid. Hij viel op het lammetje aan en beroofde het van het leven. Dat is de geschiedenis, — Nu vraag ik; was liet lammetje den wolf dank verschuldigd, die het slecht daarom had opgevoed, verzorgd en gevoed om het va,n 't leven te berooven ?

»Een zeer eenvoudige geschiedenis,quot; riep Jutze verachtelijk. »Een sprookje voor kinderen.

Godila scheen van een ander gevoelen te zijn. Zij keek ernstig van haar werk op en en zeide: sik dank u voor uw sprookje, goede Oda. Het arme lammetje! Had het toch een ridder gevonden, die het verdedigde tegen deze wolf!

»Ach, — genadigste meesteres, wat zijt gij treurig ? Oda vertelde immers slechts een sprookje.

»Maar het sprookje is toch waar. Wacht u, o meesteres voor den wolf!quot; waarschuwde Oda op hetzelfde oogenblik, toen een kamerjuffer het bezoek des ko-nings meldde.

De jonkvrouw zat verrast en zichtbaar ontsteld. Het leven week uit hare gelaatstrekken en het bekoorlijk gelaat werd wit als een lelie. Deze gemoedsaandoening was echter slechts voorbijgaande; want zij stond met waardigheid en natuurlijke majesteit op, vast van wil en zeker onder Gods hoede. Trotsch trok het Saksische vorstenkind hare lippen en haar heldere oogen toonden moed en vastberadenheid.

»Volg mij!quot; gebood zij de kamerjuffers in de kamer gaande, welks balkon boven de diepte zweefde.

De koning, in prachtige kleederen gehuld, een gouden band met edelgesteenten om het hoofd, kwam haar eerbiedig tegemoet. De ernstige houding van

-ocr page 260-

2.37

Godila vorderde voorzichtigheid, Hendrik maakte een buiging, en hief het koninklijk hoofd trotsch op.

De kamerjufifers waren naar den achtergrond van het vertrek gegaan en stonden onbeweeglijk tegen den muur, als levenslooze beelden.

«Verschoon mij, edele vorstin,quot; begon de Saliër, »dat ik zoo laat op den dag naar uw welstand kom vernemen. Tevens dank ik u voor de goedheid, dat gij mijne geschenken niet hebt afgewezen. Moogt gij er vele jaren genoegen in vinden. Een koning heeft zelden vrienden,quot; ging hij voort op een behendige wijze droefheid daarover voorwendend, «oprechte genegenheid des harten is hem ontzegd. Velen buigen zich voor zijn glans, velen kruipen voor zijn troon, allen vreezen zijne macht, — maar de harten blijven voor hem gesloten. Wij] gij wenscht, mijn huis te vei'-laten en naar Saksen terug te keeren, waar partijschap en bittere haat de gemoederen ontvlammen, moeten u mijne geschenken overreden, niet in te stemmen in het woest getier tegen den koning. Mijne gebreken zijn menigvuldig en groot, wellicht is mijn streven niet vrij van eigenwaan om uwe genegenheid te verdienen, — uwe genegenheid, die zich verdedigend plaatst tusschen mij en mijne vijanden.quot;

De onervaren Godila stond verward en radeloos. De houding des vorsten was afgemeten, zijn taal bedaard, zijn wezen goedig, — onmogelijk kon hij een booswicht, zijn, die op iets kwaads bedacht was. Ook boeide de glans van koninklijke majesteit hare zintuigen. Zij keek klein op naar de hoogte zijner macht en haar -vrouwelijk hart kon niet vertoornd zijn op den machtige, die zoo vertrouwelijk van den troon tot haar kwam.

»Van mijne waarheidsliefde en ook van mijne dankbaarheid, heer en koning, moogt gij vorderen, dat ik in mijn geboorteland uwe verdedigster ben.

-ocr page 261-

338

»üank, edele vorstin!quot; zeide hij met zichtbare vreugde. «Uwe genegenheid maakt mij onuitsprekelijk gelukkig.

slntusschen, heer en koning,quot; — zij aarzelde en keek naar de kameniers.

»Laten wij op het balkon gaan, als gij verkiest,quot; bad hij, zacht hare hand aanrakend en haar naar het balkon geleidend. «Hier worden wij niet beluisterd. Spreek vrij en oprecht .

b Wat mij kwelt, heer en koning, zijn angst en be-zorgdheid voor het lot van mijn lieven vader. Voogd Dedi beweert wel, dat mijn vader bij uwe hoogheid in groote gunst staat. In den laatsten tijd evenwel ontstelden mij duistere geruchten omtrent de gevangenschap mijns vaders.

«Schandelijke laster!quot; zeide hij ontsteld. »Wij zijn wel gewoon aan het gesis van giftige adders, die niet ophouden, mijna eer en waardigheid te bezwalken. Maar deze leugen van de gevangenschap van den dapperen markgraaf Udo hindert ons. — Mag ik vragen, wiens boosaardige verzinselen u zoo met schrik vervulden?

«Een gerucht, dat ik bij toeval vernam, de uit-strooier ken ik niet,quot; antwoordde zij. «Opvallend is het mij evenwel, dat mijn vader zijn kind niet huiswaarts haalt.

«Zeer natuurlijk, edele vorstin. Luister eens bedaard naar mij,quot; hernam Hendrik, nimmer verlegen om een leugen te verzinnen. «Tot den slag aan de Unstrut, in Juni van het vorige jaar, behoorde uw vader tot mijne krachtigste tegenstanders. Markgraaf Udo was de ziel van den Saksischen opstand; want hij dacht voor allen, hij leidde alle draden van den opstand. Lastig, gevaarlijk was mij de rusteloos handelende man. Voorstellen, beloften, en bedreigingen van mijnen kant bleven vruchteloos Eindelijk meende ik een middel gevonden

-ocr page 262-

239

te hebben, om den oproerigen heer te winnen, Ik zond tot hem een mijner raadslieden met de boodschap, dat ik hem zijne dochter wilde teruggeven onder voorwaarde, dat hij mij op zijn woord van eer getrouw zou zijn. Ik vergiste mij. Uw vader gaf het trotsche antwoord; sMijn geboortegrond is mij meer waard, dan vrouw en kind.quot; — In die halsstarrige gezindheid volhardde hij tot aan de nederlaag der Saksers aun de Un-strut, waar hij als een leeuw streed. Maar God schonk mij de overwinning. Alle Saksische vorsten gaven zich gevangen, en onder hen uw dappere vader. Inzooverre bevatt'e de tijding waarheid, — ja, heer Udo was gevangen. Sedert vier maanden is hij vrij en bij hertog Otto van Nordheim de getrouwe vazal en wijze raadsman zijns konings.

»Hoe dank ik uwe hoogheid!quot; riep Godila uit den eersten beminnelijken blik op den Saliër slaande.

iGeen dank, edele vorstin!quot; hernam de koninklijke huichelaar. »Uw vader beloofde trouw en derhalve was het mijn plicht, den getrouwe vrijheid en genade te schenken.

«Sedert vier maanden, zegt gij, is hij vpij? Hoe zonderling!

jWat komt u zonderling voor, freule Godila?

))Dat een vader binnen die vier maanden geen tijd kon vinden, om zijn kind huiswaarts te halen.

«Alles op zijn tijd, vorstin Godila! Gij leefdet veilig op den Trifels en uw vader wordt door Staatsaan-gelegenheden. aan mijn hof gehouden. Wij hebben zijn bijstand al te zeer noodig tot bedwinging der Saksers. Toch zou het den koning wel mogelijk zijn, den onmisbaren staatsman eenige uren hier te laten ontbieden. Morgen kunt gij uw vader zien, begroeten en omhelzen.quot;

Godila stond sprakeloos van blijde verrassing.

«Hoogheid, — ik heb u toch verstaan? Mijn vader

-ocr page 263-

240

zou ik morgen hier kunnen omhelzen, — morgen?

»,Ta, vorstin, — morgen! Wij behoeven hem slechts van Worms hierheen te ontbieden.

»Verblijft hij te Worms? Mijn God, — zoo nabij !quot;

Zij stond met gevouwen handen, opgeruimd gelaat door de 'uitdrukking van kinderlijke blijdschap, en de heldere oogen op den boosaardigen verleider gericht. Dezen kostte het geen geringe inspanning, in tegenwoordigheid van deze schoone de rust der berekening te bewaren. Een zachte rilling voer door de ledematen van den laaghartigen slaaf der hartstochten, hij klemde zich vast aan de leuning van het balkon en keek in de diepte.

«Hoogheid,quot; — bad hare zoete stem, »zou het niet mogelijk zijn, mijn vader te zien, — slechts even te zien!quot;

»Den koning zou dit mogelijk zijn,quot; antwoordde hij zonder de smeekende aan te zien. «Beproef het den koning te bewegen,quot; zeide hij met een fijne zielkundige berekening.

De schijnbare rust en de waardige ernst van den sluwen huichelaar bemoedigden Godila. Zij deed een schrede nader tot hem.

ïAllergenadigste heer, vorder geen al te zware taak van mijn zwakke krachten. Dat de bede, het vurig smeeken u genoeg zij van een kind, dat zijn teergeliefden vader na een zesjarige scheiding wenscht te zien. Hoogheid, — wees goedhartig! Schenk mij mijn vader slechts voor één uur.

»Dit kan niet geschieden zonder aanzienlijke offers van den kant des gebieders; want de tijd van Udo is kostbaar,quot; antwoordde hij behoedzaam.

»Mag ik zoo vrij zijn, van mijn heer en koning een opoffering af te smeeken?

«Schat uwe waarde niet te gering, vorstin Godila!

Cak. D. I. 10

-ocr page 264-

24]

Opoffering tegen opoffering. Schenk den koning slechts een beschpiden deel van uw hart, en morgen ziet gij uwen vader. — Ha, — gij treedt terug? Het is, zoo als ik zeide: Koningen worden gevreesd, benijd, gehaat, — bemind worden zij niet;quot; ging hij treurig voort. »Den koning behooren het Rijk, de glans, de macht — maar niet de harten. Zelfs Godila, die redenen heeft, om haren koning te bedanken, weigert hem een gering gedeelte van haar hart te schenken.

»Verschooning, hoogheid, verschooning! Dank bewijs ik aan den weldoener ?n hoogachting aan den koning.

»Juist, zooals ik zeide: Dank, hoogachting en vrees. — maar geen liefde. Beklagenswaardig lot der koningen!quot; zuchtte hij.

2gt;Is mijn vader werkelijk te Worms? Zou ik hem wezenlijk morgen hier kunnen zien? Verschoon mij, maar dit geluk schijnt mij onmogelijk!

»Hoe, — vorstin Godila twijfelt aan mijn woorden?quot; vroeg hij op een toon van verwondering, sSmartelijke argwaan!

sGeen argwaan, allcrgenadigste heer, maar ongeloof aan de grootte van. zidk een geluk.

sis de verwezenlijking van dit geluk in staat mij uwe hulde te verschaffen?quot; vroeg hij vleiend.

«Geoorloofde hulde te weigeren, als zij verdiend werd, zou ondank zijn,quot; antwoordde zij.

»Goed, — ik houd u aan uw woord, vorstin Godila! Onverwijld rijdt een bode naar Worms. Morgen ziet gij uw vader.quot;

Hij maakte een buiging en ging heen.

Godila bleef verward en verschrikt staan.

»Hij houdt mij aan mijn woord?quot; zeide zij angstig bij zich zeiven. »Wat beloofde ik? ^Geoorloofde hulde wordt hem niet geweigerd.quot; — Daarin steekt toch niets kwaads. Toch beangstigt mij dat onbedacht ge-

-ocr page 265-

242

sproken woord. Vreemd en geheimzinnig is de ii.nidel-wijze des konings. Wat wil hij van mij? Wat is de be-teekenis van zijn begeerte? — Hij schijnt ongelukkig, — verlaten in zijn heerlijkheid. Hij bedelt om een gedeelte van mijn hart, de arme man 1 Hoe treurig stond hij voor mij, hoe verlaten! — Toch ligt er iets in zijn wezen, dat mij afschrikt. — — Mijn God,quot; bad zij met gevouwen handen en den blik ten hemel geslagen, »wees gij mijn beschermer en leidstar in mijn nood! Gij gebiedt den naaste te beminnen, — leer mij den koning beminnen in uwen geest!quot;

De Saliër was naar zijne vertrekken teruggekeerd. Graaf .Ortolf, een der twaaf, en vertrouwd gezel op de zondige paden van den vorst, trad hem vragend te gemoet.

»Daar gaat een zware wijs op, graaf!quot; zeide de koning misnoegd. »Wij kunnen ons niet verblijden over een aanwinst.

»Zonderling!quot; hei-nam Ortolf. «Vrouwenharten verzetten zich nimmer tegen den koning.

»Godi!a is bevestigd in de godsdienstige tucht,quot; zeide de verleider somber. sDedi heeft verkeerd se-

O

daan; hij had de vrome oefeningen van Godila te Klingen moeten beperken. Vervloekte monniken, wier werkzaamheid zelfs onze zoetste vreugden bemoeilijkt.

»Maak niet veel omslag, —- zij is in uwe macht,quot; raadde de graaf.

ïNog een middel in het goede!quot; hernam hij. «Blijft zij hardnekkig, — dan wapent zich de minnegod. — Zend mij den gevangenbewaarder boven.quot;

Ortolf ging- De vorst wierp zich in den stoel.

«Hoe hemelsch bekoorlijk is zij, — hoe onvergelijkelijk schoon! Geen enkele mijner vrouwen bezit die sierlijke regelmatigheid van vormen, — geen enkele den glans harer oogen, de bevalligheid van haar

-ocr page 266-

243

wezen. — Dwaze, maak gelukkig en word gelukkig! Heeft zij maar eens den eersten stap gedaan, — den eersten val, zooals die eigenzinnige zedepredikers, de Roomsche papen zeggen, dan behoort zij mij voor een geruimen tijd. Nimmer bracht een vrouw mijne hartstochten zoo in beweging, — een liefde, die aan waanzin grenst heeft zich van mij meester gemaakt! — Die schijnvrome, die dwaze die vreesachtige! Eer, hulde, glans en eerbewijzingen voor liefde en genegenheid tot den koning, — en zij verzet zich! — — Ortolf raadt geweld aan, — hm! Niemand handhaaft geweld meer van pas en maakt er meer gebruik van, dan wij. Lichaam en leven, goed en eer alles behoort mij; want ik ben koning. Trots weet ik te onderdrukken, geen tegenspraak bestaat voor mijn wil. Zwaard en dolk, strop en vergif werken in het openbaar en in het geheim. Geweld is mijn recht, — en toch, — gewelddadigheid aan haar? Neen! Foei, Ortolf, — foei! Ik ben volstrekt niet kleingeestig, — niet angstig, — verlegen om krachtdadige middelen. Wat mij verblijdt, gelukkig maakt, — al is het ook slechts voor eenige minuten, — moet my dienen. Geen enkele heeft •zich tegen mij verzet — zelfs niet beproefd mij te weerstaan, — een weinig dwang kwam menigeen gelegen. Maar Godila maakt op allen een uitzondering, — een keizerin in bevalligheid, in schoonheid in maagdelijke waardigheid, flare macht is sterker dan de mijne; want Godila dwingt mij, af te zien van het hoogste recht eens konings, van geweld. — Dit wondervol bekoorlijk wezer. geweld aandoen? Neen, neen, — zoo vermetel zijn wij niet en ook niet zoo duivelachtig. — Gelukt het maar den vader te winnen, dan is de dochter mijn,quot;

In de voorkamer weerklonken zware voetstappen. Hartmod, de gevangenbewaarder kwam binnen, maakte

-ocr page 267-

Ui

een lompe buiging en bleef aan de deur staan.

»Kom nader, man! — Hoe heet gij ?

»Hartmod, heer en koning!

»Uw naam past voor uw ambt: want hard moet de gevangenbewaarder zijn; — hard als de rots van den kerker, — onbuigzaam, als de gerechtigheid.quot;

»Zoo ben ik, heer.quot; Menigeen liet ik in de gewelven verhongeren, zonder meer daarbij te denken, dan dat iemand moet sterven, als hij niets meer tusschen de tanden krijgt. Menigeen zag ik door de paladijnen van mijn heer overhoop stooten, zonder daarbij meer te gevoelen, dan de koude muren. Uw knecht is hard, en dat moet hij zijn, heer en koning!

«Hoeveel gevangenen hebt gij tegenwoordig onder uw getrouwe hoede?

«Slechts vijf, heer! Twee daarvan voedde ik reeds vier jaren. Toen zij kwamen, waren het fijne, knappe ridders, — nu zijn het geraamten zonder oogen, ineen gegroeide, afzichtelijke wezens, die men fluks uit de wereld zou helpen.

»Stil, kerel! spreek niet van zaken, die gij niet verstaat. Wat niet gedood wordt door staal, honger of gift, leeft, totdat het sterft. Waagt gij het eigenmachtig een leven te verkorten, dan zal ik een anderen gevangenbewaarder aanstellen. Wij zijn meester van leven en dood. — Wanneer werd u de laatste gevangene aanvertrouwd?

»Deze maand, heer !

))Kent gij hem, zijn stand en naam?

»Vraag nooit, hoe mijne vogels heeten, heer en koning! Stand en naam van den laatsten weet ik daarvandaan, dat hij zich bekend maakte.

»Hoe heeft dit plaats gehad?

«Eenvoudig zoo, heer! Toen hij omstreeks middernacht hierheen gebracht werd en de gevangenis zou

-ocr page 268-

245

binnengaan bleef hij voor de deur staan, richtte zijn rijzige gestalte overeind, als wilde hij naar den hemel reiken, hief de handen naar de sterren op en riep: Mijn vrouw heeft hij onteerd en vermoord, mijn kind heeft hij geroofd, en mij begraaft hij levend, — mij den markgraaf üdo van Saksen.

De koning ontstelde hevig en zijn blik zocht schuw den vloer.

»Gij hebt hem toch goed verzorgd?quot; vroeg hij na een korte stilte.

»Volgens uw bevel, heer! Geen pond heeft hij aan gewicht verloren en het eten smaakt hem goed, sedert hij gelooft niet meer levend begraven te zijn; hij meent spoedig zijn vrijheid terug te krijgen.

«Luister naar mijn bevel, wachter ! Ga naar beneden tot den markgraaf Udo en meld hem, dat zijn koning hier is, en hem wil spreken. Gij verschaft hem de middelen, om zich te zuiveren, van alle onzindelijke kenmerken des kerkers. Gij onderzoekt hem nauwkeurig of hij een dolk, mes of eenig ander wapen bij zich draagt. Vervolgens levert gij hem over aan den voogd Dedi, welke den markgraaf voor mij moet brengen.

sGoed, heer en koning! zeide Hartmod met het hoofd knikkend, rammelde met den bos sleutels en ging heen.

))Hm, — paltsgraaf Boemund heeft dus toch goed voorzegd,quot; bromde hij de wenteltrap afgaande. »Had ik den kluizenaar destijds niet geloofd en den markgraaf van gebrek laten omkomen, dan zou het er voorwaar-met mijn hoofd slecht uitzien. — Op de eerste plaats, wil ik den voogd dit nieuws mededeelen, opdat hij zich bereid houde. Dedi is wel is waar de knecht mijns meesters, maar hij is meer maanden in 't jaar mijn meester, dan de koning dagen, — en een ondergeschikte moet zich altijd aan zijn naasten heer houden, en niet aan den oppersten.quot;

-ocr page 269-

246

GODILA'S VADER

Na het vertrek van Hartmod omgordde zich de Saliër met het zwaard en stak een langen dolk tusschen den degenriem.

»Men moet op alles bedacht zijn,quot; zeide hij, niet vrij van argwaan, het erfdeel van alle tyrannen. »De Saksers zijn verbitterd en wreed, maar vooral deze trotsche, oproerige markgraaf Udo. — Hoe riep hij! »Mijn vrouw heeft hij onteerd en vermoord, — mij begraaft hij levend! — Alles letterlijk waar en juist. Toch kan hem alles bestreden en ontkend worden; want bewijzen heeft hij niet. Daarentegen wil ik hem lee-ren gelooven aan mijn grootmoedigheid, aan mijn onschuld, aan mijn zuivere inzichten. Had een koning het voorrecht niet, zijne zwakheden met het purper te bedekken, zijne misdaden onder het goud der kroon te verbergen, — wat baatten hem dan purper en kroon? — De verleidende hemel aan de zijde zijner dochter is al een geringe moeite waard. Wie weet, of mij het ongeloofelijke niet gelukt? Heb ik den trotschen Otto van Nordheim ook niet voor mijne plannen gewonnen? Is die hertog der Saksers, vroeger mijn bitterste vijand, tegenwoordig niet mijn getrouwe vazal? Stellig,— markgraaf Udo is zoo gemakkelijk niet over te halen. De trots en onversaagdheid van alle Saksers leeft in hem, — hij zal den stijven nek nauwelijks buigen. — Daar komt hij. Ha — die stap, hoe vast, hoe zeker, hoe mannelijk trotsch!quot;

Hij ging op den stoel zitten, plaatste het zwaard tusschen de beenen, legde de hand op het gevest en op zijn gelaat stond bestraffende ernst te lezen. De

-ocr page 270-

217

deur ging open, een lang man kwam binnen, markgraaf Udo. Hij naderde den zittenden koning eenige schreden en bleef toen staan, zonder te groeten of een buiging te maken. De voogd van den Trifels bleef bescheiden aan den ingang staan.

Hendrik beschouwde zwijgend een der vele slachtoffers van zijn willekeur en despotisme, naar het scheen zonder eenig teeken van medelijden, waartoe het uiterlijk van den markgraaf voor elk menschelijk gevoelend wezen aanleiding gaf. Zijn gelaat was bleek en ziekelijk door de ongezonde lucht van den diepen kerker. De baard groeide verwilderd om wangen en kin. Zijn kleeding droeg vuile vlekken en verspreidde een nare lucht in de kamer.

ïVoogd Dedi,quot; zeide op strengen toon de koning, ))verzorgt gij op deze wijze onze gevangenen? Het schijnt wel, dat heer Udo met misdadigers in onderaardsche kerkers zit.

»lk vraag u wel verschooning, allergenadigste heer en koning, antwoordde Dedi ontsteld. »Den markgraaf werd op hooger bevel een diep gelegen gevangenis aangewezen

»Op hooger bevel ? Wie heeft hier buiten mij te bevelen? Zwijg,quot; riep hij, toen Dedi wilde spreken. «Wellicht verkiest markgraaf Udo zijn verblijf op den Trifels boven de vrijheid. In dat geval bewoont hij een hoog gelegen vertrek van den zuidelijken vleugel des kasteels. Breng hem daar kleederen, die voor zijn stand passen en al wat hij verder verlangt, — wapenen uitgezonderd. Bij uw hoofd, voogd,quot; dreigde de koning, «vorder ik de strengste opvolging mijner bevelen. Heeft markgraaf Udo bij ons eerstvolgend bezoek gegronde klachten over woning kleeding en ridderlijke behandeling, — dan, voogd, verspeelt gij uw hoofd — Ga nu heen!quot;

-ocr page 271-

248

Dedi vertrok.

De Saliër had toorn en ontsteltenis gehuicheld en gaf zich nn schijnbaar moeite om weer tot bezinning te komen.

Udo was onbeweeglijk blijven staan en hoorde Hendriks berisping en bedreiging onverschillig aan; want hij kende bij ondervinding de kunst in het huichelen, de leugenachtigheid en de onbeschaamdheid van den onderdrukker zijns volks.

»Heer markgraaf,quot; begon de vorst op een zachten berispenden toon, «gij hebt geen groet over voor uw koning ?

»Yoor den koning wel, — maar niet voor den ty-ran.

»Ha, — met verbonden oogen wilden wij hem erkennen, die aldus gesproken heeft,quot; zeide op strengen toon de Saliër. »Slechts een enkel man in liet geheele Rijk voert zulk een taal tegenover den koning, — markgraaf Udo!

»Wat markgraaf Udo ronduit bekend, dat denken millioenen over u, en nog veel ergers,quot; antwoordde trotsch de Saksische vorst.

»Wij achten uwe oprechtheid,quot; hernam Hendrik. »Nimmer zijt gij een geheim vijand geweest, — gij hebt altijd vrijmoedig de oproervaan geplant tegen uwen opperleenheer. Terwijl anderen met haat in het hart en met genegenheid op de lippen mij naderden, bleef huichelarij verre van u. Daarom achten wij u, markgraaf! Niet eens Otto van Nordheim, onze getrouwe vazal, durft zich in oprechte manhaftigheid met u te meten.

ȟtto van Nordheim uw getrouwe vazal?quot; herhaalde verrast de Sakser.

»Otto van Nordheim, eertijds uw wapenbroeder in den opstand, is thans mijn opperstadhouder van Sak-

-ocr page 272-

249

sen,quot; antwoordde gelaten de koning «Verwondert gy u daarover?

»Niet mogelijk, — neen, — niet mogelijk!quot; riep Udo aangedaan. »Nimmer wordt Otto van Nordheim een vazal van den verdrukker en tyran van Saksen.

»Denk wat zachter, markgraaf, opdat uwe taal niet al te ruw en kwetsend klinkt,quot; zeide de Saliër met waardigheid. »Otto draagt wel de vaan van Saksen, doch niet de oproervaan, maar die van gehoorzaamheid en trouw aan zijn koning. ')

»Beleedig Otto van Nordheim niet verder,quot; zeide de gevangene somber. »Zonder ontrouw aan zijn woord van eer en het verlies der vrijheid, kan Otto niet zijn, wat gij beweert.

sVolgens uw bekrompen oordeel, markgraaf! Otto overtuigde zich van de onwaarheid der grove beschuldigingen tegen ons, erkende het recht onzer eischen en begaf zich in den dienst van zijn heer. A'roegere ontrouw te boeten door trouw, is een man waardig, »Ik geloof niet aan uwen vazal en opperstadhouder, Otto van Nordheim,quot; zeide Udo.

))Goed! Wij doen u een voorstel, heer markgraaf! Gij rijdt naar den Hartsburg, den zetel van den stadhouder van Saksen. Vindt gij mijne woorden bewaarheid en Otto getrouw vazal van ons, dan volgt gij on-middelijk het voorbeeld van den Nordheimer.

»0 hemel en aarde!quot; riep de Saksische vorst hevig aangedaan uit. «Otto, — Otto gij hebt mijn geloof aan manhaftigheid en eer en liefde voor den geboortegrond diep geschokt! '

))Nu neemt gij mijn voorstel aan?

«Neen, koning! Ook Otto verliet de kleine schaar van ware mannen. Zijn wapenschild heeft hij be-

*) Gfrorer, ü VII bl 533 v,v

-ocr page 273-

250

smeurd, — zijn naam met eeuwige schande bedekt. Zendt mij echter naar den kerker terug en laat mij sterven in het bewustzijn, dat ik aan den verworger van mijn volk geen vonkje van eér verspild heb.

»Razende verblinding, — onzinnige weerspannigheid riep de Saliër onwillig uit. ))Gij slooptet mijne burchten in Saksen, — gij staakt de oproervaan op, — in open veldslag bestrijdt gij mij, uw koning; — en dit noemt gij eer?

))Ik sloopte uwe burchten, heer en koning, omdat gij ze gebouwd heb op den nek onzer vrijheid. Ik stak de oproervaan op, omdat uwe voogden ons wreedelijk vertrapten, ons nadeel toebrachten aan lichaam en leven aan goed en eer, — ik voerde mijn landslieden tegen u ten strijd, omdat ons het juk der slavernij tot wanhoop dreef. Gij zijt gewoon te zeggen; »De Saksers zijn mijn slaven! Bij den hemel, - ja, als slaven hebt gij ons mishandeld.

»Ik ken die machtspreuk, door boosaardige vijanden verzonnen!quot; riep de koning hem toe. «Nimmer ben ik zoo dwaas, zoo onrechtvaardig geweest, om te zeggen : de Saksers zijn mijn slaven! Boosaardige laster!

«Loochen, wat ik met getuigen niet kan bewijzen, — maar gij kunt niet ontkennen, dat gij ons als slaven behandeld hebt, daarvan ben ik getuige. En wat gij aan mij persoonlijk misdreven hebt, — ach, — -ach!quot; hij bracht de hand aan zijn voorhoofd en zijn geheele lichaam werd geschokt door een hevige gemoedsaandoening.

»Aan u persoonlijk misdreven? — Wat dan?quot; vroeg de Saliër met een gekunstelde verwondering.

De Saksenvorst stampte met den voet op den vloer en verborg met beide handen zijn gelaat.

»Zijt gij zinneloos, markgraaf? Antwoord! Wat misdreven wij aan u persoonlijk?quot;

-ocr page 274-

251

Udo keek met vurige oogen zwijgend op den vernietiger van zijn huiselijk geluk, kneep de lippen samen en trachtte te vergeefs den ziedenden toorn te onderdrukken.

sDeze woedende mensch, die zich zei ven niet meester is, is dan de mannelijk sterke markgraaf Udo,quot; zeide Hendrik op een verachtenden toon.

Deze woorden werkten op den Sakser, als een banvloek. De hartstochtelijke spanning van den verbitterde hield op.

»0, — er zijn zaken, koning, die ongetwijfeld iemand waanzinnig zonden kunnen maken!quot; riep hij op een toon van diepe smart. »Wat gij aan mij misdreven hebt? Hoor dan en verzink in den afgrond uwer misdaad: — mijn vrouw hebt gij onteerd en vermoord, — mijn kind geroofd!quot;

De koning zat als van den donder getroflen. Én zoo meesterlijk wendde hij verrassing, ontsteltenis en beledigde onschuld in zijn houding voor, dat het geloof van Udo aan den misdadige wankelde

»Dat is toch te veel, — al te ondragelijk!quot; zeide de koning met schijnbaar ingehouden toorn. »Uw vrouw onteerd, — vermoord — ik? Foei, schaam u! Ga, neem een strop en hangt daaraan uw boosaardige lastertong op. Ik uw kind geroofd ? Ha, — wat zal ik dezen man beschamen! Heden nog zult gij uw laag-hartigen leugen intrekken, — gedwongen door uw dochter.

ïWat is dat, heer en koning? Hoe moet ik die woorden verstaan?

ïUwe dochter werd niet geroofd, maar in gijzeling genomen door den koning. Wilt gij ons dit recht betwisten ?

»In gijzeling? Zoo — zoo! Mag ik naar haren welstand vragen?

-ocr page 275-

2Ó2

»Van daag nog zal u Godila zelf hierop kunnen antwoorden.quot;

De markgraaf stond boven mate verrast.

sGodila, — mijne Godila, — mijn eenig kind?quot; riep hij als zinneloos.

»Uwe Godila, — uw kind! Een kleinood in schoonheid, onschuld en zuiverheid van zeden.

»Droom Ik? Heer koning, om Godswil, spot niet met de gevoelens eens vaders! Spreek, waar is mijne Godila!

»Hier op den Trifels.

»In uw huis, — mijn kind? En een kleinood in reinheid van zeden? Koning, — koning,quot; — riep hij onder vreeselijke ontsteltenis en bedreiging, »als ik haar zoo niet vond.

»Dan hebt gij recht, aan den afschuwelijken onteerder van vrouwen en moordenaar te gelooven, waar-Voor gij den koning houdt. Doch, zoo als gezegd is, ik ben blij, den markgraaf Udo te kunnen dwingen, zijn hatelijke lastertaal in te trekken. Zie uw kind, onderzoek het nauwkeurig. Vindt gij haar zuiver, als een heilige, ongeschonden als een bloeiende lelie blijf dan wat gij zijt: een nietswaardig lasteraar van zijn heer.

»Wat moet ik denken? — wat zeggen? — Ik verlies mijne bezinning!quot; zeide de Sakser verward. «Verliest de vos zijn streken? Verandert de wolf in een lam? Worden duivels engelen, — engelen duivels, — tyrannen menschen ?

»Wat mompelt gij, markgraaf?

«Dingen, die ik niet begrijp, koning!

»Wilt gij Godila niet zien, niet spreken? U niet verheugen in hare beschouwing? Zijt gij vatbaar voor vaderlijke gevoelens? Hebt gij geen hart voor uw kind?

-ocr page 276-

253

«Slechts een hart, meent gij? Wat in mij leeft, zich beweegt, denkt, gevoelt, behoort naast God minder aan mij zeiven, dan aan mijn kind. Bedenk dus wel, heer en koning: — vind ik mijn kind niet ongeschonden, vind ik Godila bezoedeld door walgelijke lusten des hofs, het heiligdom harer ziel onteerd, — dan waarschuw ik den zielemoorder voor mijne wraak. Met deze vuisten worg ik hem, — met deze voeten vermorsel ik het hoofd, dat middelen en wegen verzon om de onschuld te misleiden, de zuiverheid te bevlekken en van Gods schoonste werk een verachtelijk ding te maken.

ïZeer goed, heer Udol Ware ik vader van zulk een dochter, ik zou even zoo denken. — Maar ik stel mijne voorwaarden. Gij moogt Godila niet ontstellen, haar niet door teekens of gebaren, of op een of andere wijze ongerust maken.

»Laat daarvoor den vader maar zorgen, koning!

«Luister verder! Godila vermoedt geenszins uwe gevangenschap. Zij meent, dat gij na een korte gevangenschap vrij geworden zijt en dat gij tegenwoordig een ambt aan het hof bekleedt. Ik zal Godila zeggen, dat gij haar te Worms wacht, en dat gij morgen, eenige uren hierheen zult komen. Deze misleiding is noodzakelijk voor den vrede van uw kind, en ik vraag of gij daarmede instemt?

«Volkomen, heer en koning! Uwe misleiding is uitstekend.

«Markgraaf, ik vorder uw woord van eer, dat gij alle voorwaarden, zoo als ik ze u gesteld heb ongeschonden houdt.

«Gij hebt mijn woord! Het vragen zij mij slechts geoorloofd.

jNatuurlijk, — ondervraag en onderzoek naar believen ! Zijt gij geen lasteraar, dan moeten de antwoor-

-ocr page 277-

254

den van Godila even zoovele vloek vonnissen zijn, uitgesproken over uwen koning. Ga nu heen 1 Tot ■wederziens morgen.quot;

Plendrik opende de dour van de voorkamer.

dVoogd, geleid den markgraaf naar zijne kamer.quot;

Udo volgde den vooruitgaanden üedi. Zij gingen door zeer langen gangen, gingen trappen op, verdwenen soms in het donker van half' verlichte corridors en kwamen eindelijk voor een deur. De voogd opende deze. Zij gingen in een vriendelijk helder vertrek, netjes versierd en met een zindelijk bed.

))Hier, heer markgraaf, zijn geschikte kleederen,quot; begon de voogd, op een kast wijzend. «Eertijds droeg ze keizer Hendrik III, die vaak en gaarne hier vertoefde. De keizer groot van gestalte en breed geschouderd, was van uwe grootte, daarom zullen n die kleederen wel passen.quot;

Udo keek, als zinneloos naar de geopende kast, uit welker halfdonker gouden koorden schitterden. Verward, en bedwelmd door de plotselinge verandering en nog meer door het onverwachte geluk om zijn sedert lang verloren gemeend kind te zien, was hij Dedi tot nu toe gevolgd, zonder te weten, wat met hem gebeurde. Nu wekte hem de rede uit zijne afgetrokkenheid.

»IIier is een scheermes, zeep en schaar,quot; ging Dedi voort. »Verlangt gij, dat mijn bediende u schere?

»Neen, ik doe dat altijd zelf.

«Verlangt gij iets, heer markgraaf, trek dan maar even aan dat schellekoord. — Gij hebt 's koning bevel en bedreiging vernomen. Ik hoop u geen reden tot klagen te geven.

iVrees niets, voogd!

De beambte maakte een buiging en ging heen, de deur achter zich sluitend.

-ocr page 278-

255

Udo viel op een stoel neder, leunde met het zware hoofd op de handeu en dacht na.

»Wat moet dit alles beduiden?quot; riejtliij uit. »Droom ik? Ben ik wakker? Mijn verloren kind leeft, — leeft hier op den burcht den konings? En zuiver, onbevlekt. Is dit geen wonder? — Otto van Nordheim de stadhouder des konings in Saksen, — is dat geen tweede wonder? — De wraakgierige Saliër biedt mij vrijheid en eer, mij den sterksten tegenstander zijner tyrannie, — mij, den onverzoenlijken vijand van zijn schurkachtig bestuur- Hoe komt dit alles? — — De sleutel tot al deze geheimen ligt wel in de verandering van zaken, de wereldloop is veranderd. Zou wellicht de H. Vader in Rome den Saliër tot nadenken

hebben gebracht.--Voorloopig vertrouw ik Hendrik

IV niet. Boosaardig is hij leugenachtig, geslepen, vol listen. Zijn glimlachen bracht menigeen den dood en wie hem vertrouwde, viel in het verderf. Zou nu deze koninklijke misdadiger en booswicht op eens een eerlijk man geworden zijn ? — — Mijn kind, — mijn lief, eenig kind, hoe zal ik u wederzien! zal Godila waardig zijn aan de vaderlijke borst te rusten? Of zou de verfoeilijke schurk mijn kind ook verleid hebben?quot; riep hij opspringend en zijn oogen fonkelden. »Waagt gij het schurk, mij uwe beminde voor te stellen, in wier aderen mijn hloed stroomt, dan. bij God, — ver-morselt mijn vuist de kweekplaats van onmetelijke misdaden, — uw hoofd. — — Ik ken mij zeiven niet meer, — een vurig jongeling. Rust, bedaardheid, een helder oog, helder verstand! Waartoe dient deze razernij ?quot;

Hij ging naar het raam en opende het. De ondergaande zon brandde achter de bergen, verguldde hunne toppen. Udo boog zich over den rand — een gapende afgrond onder hem. Van den uitgestrekten burcht zag

-ocr page 279-

256

hij slechts eenige vooruitspringende torens. Ook het vergezicht was beperkt door hoogten met bosch begroeid. Maar een lief, bekoorlijk dal van weiden liep aan den voet van den Sonnenberg en uit het bosch klonk het veelstemmig gezang der vogelen.

Lang stond de vorst in gedachten verzonken. De krachtige berglucht werkte treurig op de gemoedsstemming van den opgewonden man. Sinds lang was de zon ondergegaan, een schitterend heer van sterren begroette hem van den hemel. Het oog van Udo zocht om hulp naar boven, en nu zonk hij op de knieën voor den Heer.

De vreugde van Godila over het nabijzijnd wederzien van haren vader was onuitsprekelijk. Zij sprak zonder ophouden over hem, roemde zijne verheven hoedanigheden en schilderde nauwkeurig zijne gestalte en zijne gelaatstrekken. Hierbij kwam hare kinderlijke liefde op zulk een treffende wijze uit, dat Jutze zelfs tranen stortte en Oda luid snikte.

Later op den dag groeide de vreugde van Godila aan tot een koortsachtige opgewektheid. Toen zij te bed ging, vluchtte de slaap, totdat eindelijk de levendige voorstellingen van het wederzien zich voortzett'en in zoete droomen, gedurende welke zij den vader omhelsde en kuste.

Den volgenden morgen ontwaakte zij door het gezang van de meerle, die onder haar raam op den top van een eik zat. Terstond verviel zij weder in de stemming van den vorigen dag. Zelfs het gewone morgen gebed werd gestoord door die gemoedsstemming. Zij liet ook het dagelijksch bezoek aan den ouden eik achter, omdat zij de onmogelijkheid erkende om zich geestelijk af te zonderen. Elk oogenblik ging zij op het balkon, tuurde in de verte en luisterde naar elk geruisch in het bosch.

Can. D. 1. 17

-ocr page 280-

35?

«Genadige meesteres,quot; zeide Oda, ))gij kunt toch van het balkon den weg niet zien, langs welken uw vader komt, waarom gaat gij dan zoo onophoudelijk naar buiten?

))Ik kan het niet meer houden, Oda! O mijn vader, mijri lieve, goede vader!

sOok ik verheug mij, om den markgraaf te zien,quot; bekende Oda. ïVolgens uwe beschrijving is hij een statig ridder.

»Volgens mijn armoedige beschrijving 1 Zie hem eerst maar eens en gij zult bekennen, dat mijne beschrijving verre van juist was. — Wat dunkt u, lieve Oda zouden wij hem niet te gemoet rijden?

))Die gedachte zou goed zijn! Maar ik vrees, dat wij hem missen. Wellicht komt hij niet langs den grooten weg, maar langs een naderen. Terwijl wij hem te ge-moet rijden, komt hij hier aan, en wat zou dat jammer zijn, wijl zijn oponthoud, zooals de koning zegt, slechts eenige uren duren kan. Daarom is het beter, dat wij hier blijven. — Welke kleederen wilt gij dragen, meesteres?

»De kostbaarste, Oda, de prachtigste; want ik ontvang den hoogsten gast op aarde, mijn vader.

))Dan is het tijd, dat wij beginnen,quot; zeide de oude. ))Welk bovenkleed verlangt gij ? Het blauwe met het zilveren garnituur ?

»Neen, — maar het witte met de gouden stenen.

»Goed! Dan nemen wij een blauw onderkleed, — niet waar?

»Ja!quot;

De kamenier trok laden los en opende kasten. Het kleeden van de vorstendochter begon.

In de eerste uren van den namiddag was markgraaf Udo naar de vertrekken van Hendrik gebracht. Prachtig kleedden hem de keizerlijke gewaden, en Hendrik, die

-ocr page 281-

358

behagen schepte in knappe manspersonen, zag met innig welgevallen neer op den veranderden gevangene van gisteren.

»Uwe dochter brandt van verlangen, om u te zien,quot; begon hij. »U\ve opgewondetiheid is van dien aard, dat ik een schadelijke uitwerking van het plotseling wederzien vrees. Om die reden houd ik een voorafgaande kennisgeving van irwe aankomst voor noodzakelijk.

sZeer voorzichtig, heer en koning!

»Vergeet onze voorwaarden niet, — wees verschoo-nend en wijselijk bezorgd voor de rust van uw kind! Wij hopen en wenschen,quot; zeide hij met nadruk, «dat deze blijde gebeurtenis voor den vader den markgraaf tot trouw aan zijn heer zal aansporen.quot;

Udo haalde de schouders op.

»Uw wederzien zal zonder getuigen plaats hebben, o-a ongehinderd met uwe dochter om. Tntusschen zult

O O

gij mij het genoegen niet weigeren u beiden heden avond aan mijn tafel te zien

«Zeer genadig, heer en koning!quot;

Hendrik opende de deur. Ortolf trad hem te gemoet.

ïGraaf Ortolf zal u geleiden, heer markgraaf!quot; zeide de vorst een buiging met het hoofd makend.

Den eersten keer boog Udo zich voor den koning en volgde den hoveling.

Godila keerde juist van het balkon terug, waar zij had staan luisteren, of getrappel van paarden uit het dal naar boven klonk. Het witte bovenkleed met gouden sterren bezaaid en versierd met smaakvolle borduursels verhoogde de schoonheid barer gestalte en kleedde waardig de onschuld van haar wezen. Ongeduld en spanning hadden hare wangen rood gekleurd, de heldere oogen glansten van verlangen. Om het voorhoofd droeg zij een gouden band, welke tevens de glanzend zwarte haren bijeenhield, die langs rug en

-ocr page 282-

259

schouders neerhingen. Nu hoorde men stappen van mannen in de voorkamer. Godila luisterde met ingebonden adem. Een kamenier meldde graaf Ortolif aan. Zij verschrok lievig en vreesde een tijding, welke de komst des vaders herriep. Op haren wenk verscheen de hoveling, boog zich en stond zichtbaar verrast en getroffen over deze schitterende schoonheid.

»Wat komt gij mij melden, heer graaf?quot; vroeg zij, toen de man haar als bedwelmd aanstaarde.

»De koning laat mijne meesteres Godila weten, dat markgraaf Udo hier is aangekomen.

»Ach God, — mijn vader! Waar is hij,quot; riep zij uit, de handen in elkander slaande.

»Hier in de nabijheid, genadigste meesteres! Maar ik bid u, — wees op uwe hoede! Ook de vreugde kan doodelijk zijn.quot;

De deur ging open. De groote Saksenvorst verscheen aan den ingang, een onderzoekenden blik op de dochter werpend. Deze slaakte een schrille kreet van vreugde en viel aan zijne borst.

»Mijn vader, — o mijn teedergeliefde vader!quot; riep zij uit, den ontstelden vader aan do borst drukkend en kussend.

Udo sprak geen enkel woord, maar zijne lippen beefden en tranen kwamen hem in de oogen. Onschuldig en rein hield hij zijn kind in de armen, dit zeide hern onmiddelijk haar geheel voorkomen; want maagdelijke waardigheid versierde al te overtuigend haar wezen.

»Lief kind, — dierbare Godila!quot; begon hij met geroerde stem. »Geheel en al uwe moeder zaliger gedachtenis op uwe jaren. O, hoe rijk ben ik, hoe onuitsprekelijk gelukkig, dat ik zulk een dochter bezit] — Heer graaf, mag ik u verzoeken, ons alleen te laten?quot;

-ocr page 283-

260

De hoveling ging heen. De vader drukte Godila aan zijn borst en kuste haar op het voorhoofd. Zij streek hem over de wangen, en een hemel van kinderlijk genot straalde uit hare oogen.

«Niet waar, vader, nu mag ik bij u blijven? Gij neemt uwe Godila mede naar Worms?

)AYij zullen zien, of dat mogelijk is, mijn kind! In dit huis zijt gij wel bewaard, naar ik zie.

«Slechts twee zaken ontbreken mij, — mijn vader en mijn geboortegrond. Geef mij beiden en ik ben onuitsprekelijk gelukkig.

))Zoo als ik zeide, wij zullen de mogelijkheid overwegen, lief kind! Hoe zijn de bedienden van den burcht jegens u? Hebt gij ook reden van klagen?

«Neon, lieve vader! De voagd en zijne mannen zijn altijd voorkomend, mijne kameniers zijn mij getrouw en genegen.

»En de koning? vroeg hij met een scherpen blik.

«Hij bezocht mij enkele malen, was goedig en vriendelijk, weshalve ik hem verzocht u te veroorloven van Worms hierheen te komen.

»Is de koning bij zijne bezoeken zeer vriendelijk geweest, kind? Heeft hij veel gelachen en ook geschertst?

«Lachen heb ik hem nog niet zien doen, in tegendeel, hij was ernstig en streng, geheel zoo, als ik mij den koning had voorgesteld Heeft hij ook al niet geschertst en gelachen, dan bewijst dit volstrekt niets tegen zijn goedheid. De bestuurder van zulk een groot Rijk moet wel veel zorgen hebben, die hem droevig stemmen.

«Zeer verstandig, mijn kind! zeide Udo met een tevreden lachje. «Hoe hebt gij in deze zes jaren God gediend, Godila? Is hier geen goed klooster in de nabijheid?

«Zeker wel, lieve vader? De goede monniken uit het

-ocr page 284-

, 261

sticht Klingen toonden mij veel deelneming, Elke maand rijd ik daarheen, om de II. H. Sacramenten te ontvangen. En bij de eerwaarde kloosterzusters te St. Magdalena leerde ik de vrouwelijke handwerken. Dadelijk wil ik u eens wat laten zien,quot; zij spoedde zich naar een kast haalde er borduurwerk uit en spreidde het uit voor de oogen van den verbaasden maikgiaai.

»Ei, hoe schoon, hoe prachtig!quot; roemde hij. »De zes jaren zijn nuttig voor u geweest, Godila.

»Ik kan ook spinnen, vader, en ook weven op mijn kleinen stoel,quot; keuvelde het verrukte kind. »Als wij in Saksen zijn, zal ik in een fraaien wapenrok borduren. Zoo als ik zie is de versiering van uw kleed hier wat verouderd. Ik heb de nieuwste modellen.

jjGij zult mij ijdel maken, kind!quot;

Op deze wijze verliepen eenige gelukkige uren. Ook stelde Godila hare kameniers voor. Udo sprak haar eenige woorden toe en de kameniers bogen eerbiedig

voor den vorst.

Vervolgens werden zij aan de koninklijke tafel ge-noodigd. Vader en dochter begaven zich naar den zuidelijken vleugel van het slot, waar hen deSaliëi, omringd door vier heeren van zijn hof, in de eetzaal ontving.

sik deel in uw vaderlijke vreugde, heer markgraat!quot; zeide de monarch. sVondt gij uwe dochter naar wensch en volgens uwe verwachting?

«Geheel naar wensch, heer en koning! Ik breng u innigen dank voor de zorgen en trouwe hoede van mijn kind.

»Door de edele vorstin Godila in mijn sterken burcht een veilige schuilplaats aan te bieden, vei vulden ij eenvoudig de plichten van oppersten beschermheer,quot;

hernam de Saliër.

De maaltijd begon. Ter rechterzijde van den koning

-ocr page 285-

262

zat Goflila, ter linkerzijde de markgraaf. De overige plaatsen werden ingenomen door de vier hovelingen. Udo lett'e nauwkeurig op den koning in zijn onderhoud met Godila. Maar geen woord, geen enkele zinspeling schond de wetten der welvoegelijkheid. Integendeel de sluwe Hendrik was ernstiger, dan naar gewoonte, en schonk Godila nauwelijks de noodzakelijkste opmerkzaamheid. Slechts een vluchtigen oogopslag verried somtijds de onderdrukte hartstocht. Sluw in zijn berekeningen en behendig in hare uitvoering, misleidde hij geheel en al de waarnemingen van den angstig bezorgden vader.

Even verstandig koos hij de stof van het gesprek, dat bij de politieke verwikkelingen in het Rijk, bij zijn stelling tot de Saksers en den markgraaf bezwaarlijk moest zijn wegens de toevallige betrekkingen, die zich konden voordoen. Deze ontweek Hendrik behendig. Toen de stad Mainz genoemd werd, begon hij over den aartsbisschop dier stad, Sigifrid en diens tocht naar het H. Land te spreken. Niet zonder talent schilderde hij de lotgevallen van Sigifrid met de Mooren en gaf ten slotte te kennen, dat ook hij er aan dacht om met een leger naai' Palestina te trekken, ten einde de H. Stad aan de heidenen te ontrukken.

De laatste schotels waren sinds lang opgediend. Tot laat in den avond duurde het gesprek. Eindelijk verschoof de koning zijn stoel.

«Heer markgraaf,quot; zeide hij vriendelijk, srust eenige uren; want wij kunnen u van de noodzakelijkheid niet ontheffen, om dezen nacht naar Worms terug te rijden waar uwe ambtsbezigheden uwe tegenwoordigheid eischen. Wij zelf komen waarschijnlijk morgen avond naar Worms, omdat aanstaanden zondag de vorsten vergadering geopend wordt.

-ocr page 286-

«Heer en koning,quot; bad üodila. »sta mij toe, mijn vader te vergezellen.

»In den nacht, edele vorstin? Ik had gemeend, dat uw vader u na afloop van den Rijksdag zou komen afhalen. Intussohen,quot; wendde hij zich tot den markgraaf, laat ik deze aangelegenheid geheel aan de keuze van u gestrenge over.quot;

Udo verstond de beteekenis dezer woorden. Voorden prijs van trouw en gehoorzaamheid aan den overweldiger van Saksen, mocht hij vrij, in gezelschap van zijn kind de sterkte verlaten. Een oogenblik waren de vaderlijke gevoelens met de rechtsbegrippen van den vorst in strijd.

sGodila,quot; zeide hij toen, »gij blijft hier totdat ik u afhaal. — Veroorloof, heer en koning, dat ik mijne dochter naar hare vertrekken terugbreng.quot;

Hendrik en de hovelingen bogen zich voor de vorstin, welke aan de zijde baars vaders de zaal verliet.

Na het vertrek der Saksers werd het gesprek op een geheel anderen toon gevoerd. I)e hovelingen, misdadig en bedorven, als hun gebieder stelden zich nu schadeloos door ongebonden gesprekken voor den dwang, die hen de welvoegelijkheid had opgelegd.

»Len goddelijk meisje!quot; riep Ortolf uit. »\Velke schoone gestalte, — welke oogen, — het is om dol te worden!

»Ik werd bijna waanzinnig,quot; bekende ridder quot;Wilhelm. »Onze genadigste heer heeft daar een wezen groot gebracht, zooals er geen tweede op aarde is.quot;

Zoo ging liet voort, totdat de koning do wenkbrauwen somber fronste.

»Zwijgt!quot; gebood hij dreigend. »Gij weet, menigeen sloot voor altijd de uogen, die al te onbesehaamd in de zon gezien had.quot;

De hovelingen ontstelden. Zij kenden de licht ontvlambare jaloerschheid van den Saliër en wisten, dat

-ocr page 287-

264.

hij de meest vertrouwde gezellen op zijn zondige loopbaan liet vermoorden, omdat zij de verdenking van den koninklijken minnaar hadden opgewekt.

»Gij allen zijt wellustig, als de apen!quot; ging hij voort. ))En ik zeg u, ik zou gaarne afstand doen van de dochter, als ik hierdoor den vader kon winnen. I)e onvriendelijkste bejegening zou ik mij laten welgevallen, met geen vinger zou ik Grodila's kuiseh lichaam aanraken, als ik voor dien prijs den oproerigen, moedigen, ondernemenden en dapperen Saksischen vorst aan mij dienstbaar konde maken.quot;

Een dienaar naderde den koninu-,

o 1

»Markgraaf Udo laat uwe hoogheid vragen, of gij hem een geheim onderhoud wilt toestaan?

»Met genoegen!quot; antwoordde Hendrik verrast, dBreng hem in de gele kamer. Wat zou hij willen? Zou het mogelijk zijn, — zou de stijfkop zich overgeven?

Eenige minuten later stond de markgraaf tegenover hem.

»Fleer en koning,quot; begon de Sakser zeer ernstig. Man het ongeloofelijke overtuigd, van de kuischheid van mijn kind, dat in uwe macht is, oordeel ik het mij ten plicht, u om vergiffenis te smeeken voor de zware beschuldiging, die ik tegen u heb ingebracht.

»Het ware te wenschen, dat wij de bewijzen altijd zoo gelukkig bij de hand hadden als in het onderhavige geval,quot; antwoordde zegevierend de Saüër, »een geheele reeks andere beschuldigingen moet nog door u en uwe partijgenooten ingetrokken worden. — Volg het voorbeeld van Otto van Nordheim. Word een getrouw vazal van uw koning en gij zijt oogenblikkelijk vrij. Nog meer: ■- rijd morgen met uwe dochter naar Worms ter bijwoning van den vorstendag, daar zal uw verschijnen bijdragen tot geruststelling van vele gemoederen.quot;

-ocr page 288-

265

De markgraaf stond zwijgend. Een vreeselijke, geestelijke strijd spiegelde zich af in zijne trekken, üe' koning beschouwde hem oplettend, begreep den toestand van den Sakser, en schatt'e de eerlijkheid van den man hoog.

))Heer en koning, — vergeef mij, — ik kan niet!quot; zeide Udo met moeite. »quot;Wat in uw naam misdreven is, verbiedt een man van eer en plichtbesef, in uwen

dienst te treden.

«Onbuigzame!quot; riep de monarch onwillig uit. »Kiint gij een treurig verleden niet vergeten, — vergeven, als gij wilt, om een gelukkige toekomst mogelijk te maken ?

»Had ik slechts waarborg voor het geluk der toekomst, heer!

»Mijn woord strekke u ten onderpand!

sik vraag u wel verschooning, doorluchtige vorst! Ik wil geenszins beleedigen, ik wilde slechts feiten ter rechtvaardiging van mijne onbuigzaamheid aanvoeren.

_ Gij verpandt uw woord? Hoe dikwijls hebt gij uw

woord en eed aan de Saksers gebroken! Zou ik hier in de gevangenis kunnen liggen, als gij den eed hieldt?

»Dat is waar!quot; hernam de Saliër. »Wij hebben gezworen, alle Saksische vorsten de vrijheid te schenken na een korte gevangenschap. Ben ik niet bereid, den eed te houden? Oogenblikkelijke vrijheid hebt gij in uwe macht. Kunt gij echter vrijheid van ons vorderen, die gij tot nieuwe oorlogen en oproeren wilt misbruiken ?

«Geef mijn volk de ontnomen vrijheden en rechten terug,quot; hervatt'e Udo. »Ik ben de getronwste vazal van den rechtvaardigen koning, die volgens oude gewoonten en wetten regeert.

»Wanneer is een koning rechtvaardig, markgraaf? Als hij alle heethoofden den zin geeft? Als hij aan de

-ocr page 289-

266

meest overdreven eischen toegeeft? De adel van uw land verzet zicli om belastingen te betalen, omdat liet vroeger gebruik hen hiervan vrijspreekt. Maar het algemeen welzijn verplicht ook den Saksischen adel lasten te dragen. Wij regeeren niet volgens de Saksische, maar naar de Salische wet, aan welke zich allen in het Rijk moeten onderwerpen.

»WeUen laten zich keeren, wenden en uitleggen, heer en koning! Ook de dwangburchten in Saksen, de roofzieke, moorddadige en onderdrukkende voogden dier burchten, ontstonden insgelijks volgens de wet. Mijn geboortegrond werd vertrapt in den geest der wet, rechten en vrijheden vernietigde de wet, — en als wij, arme mishandelde Saksers, klagen, met het zwaard in de vuist een bestaan, den mensch waardig, willen verwerven, dan zijn wij wettelooze oproerlingen.

»Laat hot verledene maar rusten, let op het tegenwoordige en vertrouw op de toekomst,quot; zeide de vorst.

»quot;VVelaan, heer en koning, ik wil vertrouwen! Bovendien geven mij de gebeurtenissen van dezen dag aanleiding tot een verzoek. Sta mij toe briefwisseling te houden met Otto van Nordheim en den bisschop van Hildesheim. Verneem ik van deze heeren, dat de Saksers tegenwoordig christelijk geregeerd worden, dat roof, moord en afschuwelijke dwingelandij ophouden, — dan buig ik de knie met vreugde voor mijn koning Al mijne krachten van lichaam en geest zullen u dienen tot het geluk van Saksen en het geheele Rijk.

«Aangenomen, markgraaf! Mijn voogd zal boden tot uwen dienst stellen.

»En mijn kind, heer en koning?

»]jlijft hier bij den vader, wiens gevangenschap haar verborgen moet blijven — of niet?

»Zoo als gij verkiest, genadige heer! Leef wel?quot;

-ocr page 290-

267

Hij boog zicli en ging langzaam heen.

De koning bleef op dezelfde plaats staan, totdat de lange, krijgshaftige gestalte van den Sakser verdwenen was.

»Een man, — een man uit een stuk!quot; riep hij uit vol bewondering; want Hendrik IV, ofschoon diep gezonken, bezat edele talenten en geschiktheid om grootheid van ziel te waardeeren. »Welke offers brengt deze man! Zijn vrijheid wijst hij van de hand, wijl hij die niet wil koopen ten koste zijner eer. En zijn kind, — zijn beeldschoone, heerlijke Godila, aan welke zijn hart met treffende vaderlijke liefde gehecht is, — van zijn kind scheidt hij zich, omdat hij zich niet mag scheiden van zijn plicht! Welk een man, welk een heldenziel! O mijn God, — al verbrijzelde jk al mijne bisschoppen en prelaten in een reusachtigen vijzel, dan had ik nog niet zoo veel manhaftigheid, eergevoel en heldenmoed als deze Sakser alleen bezit. Ik moet hem zien te winnen — mijn eigendom moet hij worden! Zulk een ridder is meer waard, dan honderd duizend huurlingen. — En Godila? Kan ik haar laten varen?

Hij wierp zich op den stoel en verzonk in een somber zwijgen.

SIEGFRIED.

Godila zat te borduren. Slechts hare handen waren bij het werk, haar geest omzweefde haren vader. Het teederminnend kind verzadigde zich aan de gedachten van het wederzien. Zonder ophouden overwoog zij

-ocr page 291-

26S

de gelukkige uren, die zij had doorgebracht. Alle woorden van haren vader herhaalde zij honderde malen, en zijn lachen, zijn blik, zijn innige vaderlijke vreugde spiegelden zich levendig af op haar bekoorlijk gelaat. Zoo geheel was zij met deze gedachten bezig, dat zij de ongewone afwezigheid barer kameniers niet. eens bemerkte. Zij zat alleen in het huis des konings. De diepste stilte heerschte romdom haar, een zacht ge-klapwiek uitgezonderd, dat somwijlen door de openstaande ramen naar binnen klonk, — de torenvalken vlogen vroolijk in groote kringen om de ramen dei-maagd. Pijlsnel schoten zij in de diepte, stegen weer op, zweefde voor de open ramen en weer deden zij vermanend hun geklapwiekt aan de vorstendochter boo-ren. Godila beschouwde vaak met genoegen de stoute uitvallen, van hare medebewoners op den burcht, de torenvalken. Heden beijverde zich de vorstelijke vogels te vergeefs om de aandacht te boeien van de bekoorlijke schoone.

Nauwelijks kwam de koning Godila in de gedachten of haar gelaat nam een treurig stemming aan. Ofschoon hij naast haar aan tafel de strenge eischen der welvoegelijkheid had in acht genomen, wras aan bet scherpe vrouwenoog de minnebrand niet ontsnapt, die op het wezen des Saliërs te lezen stond.

Nu bemerkte zij de afwezigheid barer kameniers, de stilte des grafs, die om haar heerschte, beangstigde haar, en deze angst steeg al hooger en hooger. Sp iok-gestalten verschenen voor den geest der onschuldige en een duister voorgevoel, als het naderen van een vreese-lijk gevaar, overviel haar.

sMijn God, — wat overkomt mij?quot; zeide zij zacht.

De deur werd zacht geopend en de koning kwam binnen. Hij droeg prachtige kleederen van heldere kleuren en zijne houding verried lichtzinnigheid. De waar-

-ocr page 292-

269

digheid en de ernst van den vorst waren verdwenen, inquot;3 de plaats daarvan speelde om zijn mond een wellustig lachen en in zijne oogen brandde een vuur, voor hetwelk Godila onwillekeurig de oogen neersloeg. Vlug en behendig, voor dat de verraste kon opstaan, had hij een stoel aan hare zijde getrokken.

»Geen drukte, genadige vorstin! Mijn tegenwoordigheid moet de ijverige borduurster niet storen. quot;Welk prachtig werk! Hoe zou het ook anders mogelijk kunnen zijn ?' Schoone handen kunnen slechts datgene wat

schoon is voortbrengen.

Godila bloosde. Deze woorden hinderden haar, maar meer nog, de vrije, ongedwongen handeling van den

man. . ^

sDeze vleierij past uwe hoogheid zoo goed niet, als die ernstige behoedzaamheid van gisteren en eergisteren.

5,In uwe nabijheid, Godila,. verliest de koning zijne heerschappij, bijgevolg ook ernst en waardigheid,quot; zeide hij hartstochtelijk. ))De macht uwer schoonheid is zoo quot;root, zoo verleidend zoo wegslepend, dat geen man, z0elfs Hendrik IV niet togen haar bestand is.

«Hoogheid,quot; antwoordde zij anstig, «mijne begrippen van zedelijkheid veroorloven mij niet, dergelijke gesprekken aan te hooren.

^ce, — gij versmaadt de hulde des konings, edele

meesteres? Duizenden van uwe sekse zouden zonder aarzelen mijn verzoek toestaan, - en gij zijt streng, onverbiddelijk?

AVat verlangt gij van mij, heer en koning? «Wat ik verlang?quot; riep hij lachend uit. «Wel, — de inwisseling van uw gegeven woord. Gij hebt mij hulde beloofd voor het bezoek van uwen vader, — mijn belofte heb ik gehouden, houd, bid ik u, de uwe. ' «Geoorloofde hulde zeide ik, heer en koning!

«Goed, veroorloof mij dan mijne huldebetooningen,

-ocr page 293-

270

dierbare Godila! Wees mij een vriendin, een geliefde koningin mijns harten. Tafel en bed, kroon en schepter wil ik met u deelen.

»Met mij? Zij gij dan niet de gade van Bertha?

«Voor den vorm, allerliefste Godila! Maar ik zweer u het huwelijk tusschen mij en Bertha te laten ontbinden, zrodra ik een Paus op den stoel van Petrus verheven heb. Gij zult koningin zijn. In glans en pracht, zult gij over mij heerschen, zoowel als over liet Rijk. Vorsten en prelaten zullen u hulde doen, — eer, macht, glans en alle heerlijkheid der wereld zullen uw deel zijn. Gij zult een voorwerp van afgunst zijn voor allen van uw geslacht, zoo als nu, heerlijkste der vrouwen, üwe wondervolle schoonheid alle vrouwen in de schaduw stelt.

»Zwijg!quot; viel hem de Saksische vorstin onsteld in de rede. »Wat gij verlangt, is schandelijk, zondig, goddeloos eu slecht. »Schaamt gij u niet, heer en koning,quot; ging zij voort, met maagdelijke waardigheid van den stoel opstaande, «zaken te noemen, waarvoor zich de geringste knecht moest schamen? Foei — foei!

«Goddelijke toorn, — overweldigende aanvalligheid, gevat in het schitterend goud van de allerliefste versmading!quot; riep de man uit, als 't ware verslonden door het vuur der hartstocht. »U verlaten, Godila, zou even goed zijn als de dood! Zoo dierbaar mij mijn leven is, zoo dierbaar zijt gij mij.

»Zwijg, — ik zal mijne vrouwen roepen!

»Uwe kameniers, Godila, zoudt gij te vergeefs roepen, — wij zijn alleen!quot; zeide hij met een dierlijk grijnzen.

»Wij zijn niet alleen, koning!quot; zeide de godvree-zende plechtig. »13e Allerhoogste is hier tegenwoordig, aan Hem ben ik rekening en verantwoording schuldig voor datgene, wat verborgen moest blijven.

-ocr page 294-

271

»De straalkrans uwer oogen, o meesteres, maakt het zonnelicht onnoodig. Wees goed en lief jegens mij Godila! Een koning biedt u eeuwige liefde en trouw aan, en gij aarzelt, onbegrijpelijke? Alle heerlijkheid der aarde ligt aan uwe voeten en gij koestert wantrouwen ?

»Ik veracht u,quot; zeide zij trotsch. Meent gij, dat een christelijke maagd met kuischheid en eer spot, dat zij waardigheid met schande, Gods vriendschap met Gods haat verruilt, ter wille van aardsche ijdelheid? Liever wil ik sterven dan inwilligen in uw boosaardige plannen.

))Gij zijt versteend, Godila! Luister naar mij en bedenk wel; — versmaadt gij mijne liefde, dan keert uw vader terug naar zijne gevangenis, zoolang totdat gij uw stijf hoofd buigt.quot;

Zij ontstelde hevig.

«Mijn vader, in eeuwige gevangenschap? Koning,

— beschermheer van het recht, — van de onschuld,

— van de menschenwaarde, — van de wetten, — gij kuilt dergelijke hemeltergende bedreigingen uitspreken?

»Niet alleen uitspreken, maar ook volbrengen, — op mijn eerewoord! De Trifels zal den markgraaf opgesloten houden, hem niet meer loslaten, om de onbuigzaamheid zijner dochter.''

Zij stond bleek en handenwringend te kijken.

»0 God in den hemel, wees mijn sterkte in dezen nood!quot; riep zij.

«Godila,'' fluisterde hij, «vergeef mij die bedreiging,

— houd veel van mij! Uwen vader wil ik tot de hoogste waardigheden verheffen, tot den hoogsten rang van een vorst.

«Ter wille van de schande zijner dochter, — neen!quot; zeide zij afgemat maar vastberaden. ))Neen, — nooit) De vrijheid .en het leven kunt gij ons ontnemen, maar

-ocr page 295-

27:1

de onschuld en de /uiverlieid voor Clod niet. (Ja heen vraag mijn vader, of hij levenslange gevangenis en den dood, of de schande van zijn kind verlangt, — vraag het hem! En terstond zal hij u zijn hoofd aanbieden voor de bijl van uwen beul.

»Godila,quot; liep hij bevend van hartstochtelijkheid, »koni hier aan mijne borst!quot;

Nu onthulde zich voor de ontstelde blikken van Godila het dier in zijn volle afzichtelijkheid. Zij slaakte een schrillen, doordringenden kreet, vloog met de snelheid van den bliksem de deur uit. Zij ijlde door verlaten vertrekken, over corridors de trappen af, over het slotplein. Op haar gelaat stond ontsteltenis, toorn en schaamte te lezen.

De vier hovelingen stonden op het plein de ondernomen misdaad van hunnen heer te bespreken.

»Nog geen enkele heeft zich tegen hem verzet,quot; had juist graaf Ortolf gezegd, toen Godila voorbij snelde naar de poort. Nog stonden de heeren ontsteld, besluiteloos, toen de koning verscheen en hen toewenkte.

Godila keek om, zag den verleider en een luiden, scherpen angstkreet slakend, snelde zij naar buiten het bosch in.

»Zij ontliep mij, — ongelukkig!quot; verklaarde de vorst nader tredend. »Maakt geen drukte, geen opzien! Ver mag zij niet loopen en eerst de opgewondenheid bekoelen. Wij volgen van verre en brengen haar terug. Wachter,quot; beval hij aan Hartmod, »gij laat niemand naar buiten gaan.quot;

De maagd ijlde naar het dal langs het pad, dat naar het Lieve Vrouwenbeeld in den eik leidde. Soms bleef zij staan, adem scheppend, beide handen op de borst, de oogen smeekend ten hemel geslagen. Dan keek zij om, zag den koning met zijne ridders, die

Can. D. I. IS

-ocr page 296-

273

haar vervolgden, en weder slaakte zij een angstkreet. Deze kreet was slechts een enkel geluid, helder, vol, doordringend, gerekt en ver klinkend. Maar deze enkele kreet bevatt'e den geheelen schrik van het maagdelijk hart. Het was een kreet van ontzetting, een jammerklacht van de in 't nauw gebrachte onschuld, welke van de aarde ten hemel stijgt. Zoo dikwijls zij bleef staan en omkijkend den koning zag, herhaalde zij dien jammerlijken kreet en telkens herhaalden hem de bergwanden deelnemend. De ernstige eiken stonden luisterend, zij zagen Godila, hare schoonheid, haar bevende angst, hare vlucht voor den booswicht, en de trotsch opschietende zonen des wouds schenen die kreten te verstaan; want wrevelig en dreigend bewogen zij hunne toppen.

De dochter van Udo vluchtte altijd verder; de Saliër en zijne vier hovelingen bleven haar op eenigen afstand volgen. Niemand zag deze afschuwlijke jacht, de zon verborg zich, de vogels hielden op met zingen, het woud treurde. Zoo ging het voort tot bij den eik. Godila viel op de knieën hief de armen op tot het Mariabeeld en riep in onuitsprekelijke zieleangst: »Red mij, Maria! O mijne Moeder, bescherm mij!quot;

Zij verborg haar aangezicht met heiden handen, zett'e zich aan den voet van den boom neder en bleef in een toestand van halve bewusteloosheid.

«Eindelijk heeft zij opgehouden met loopen,quot; zeide graaf Hartman. «Houd u wat ter zijde, hoogheid, totdat wij de gekkin tot rede gebracht hebben.quot;

Plotseling kwam de boeteling achter de boomstammen te voorschijn. Met haastige — schreden naderde hij zonder den koning en diens begeleiders op te merken. Hij ging naar de beweginglooze en boog zich tot haar.

»Adelijke dame, — om Godswil, — wat is er gebeurd?quot;

-ocr page 297-

in

Zij verroerde zich niet.

»Wie zijt gij onbesclmamde kerel?quot; voer een ruwe Gtcm tegen den boeteling uit: »Terug met uw vuile handen!quot;

Wolferat zag de hovelingen, en toen hij den koning bemerkte, wankelde de man, als door den bliksem getroffen. Zoo sterk werkt het bewustzijn van bedreven misdaden in de ziel, dat de voormalige paltsgraaf Boe-mund als een zwak riet ineenzakte op het gezicht van den gebieder, op wiens bevelen hij menige bloedige daad volbracht. Hij viel op zijn gelaat eenige minuten ten prooi aan vreeselijke gewetenswroegingen. Zijn lichaam kromde zich, hevige krampen bogen zijne ledematen, terwijl een smartelijk gesteun in het mos op den grond smoorde.

De heeren, die met Godila bezig waren schonken niet de minste opmerkzaamheid aan den man op den grond.

))Genadigste freule sta op, als ik u bidden mag!quot; begon graaf Ortolf op een toon van de diepste onderdanigheid. «Edele vorstin, deze woeste plek is toch waarlijk geen waardige rustplaats voor uw teedere ledematen. Sta daarom op, bid ik u!

«Zij verroert zich niet, — mijn God, wat vangen wij aan?quot; wendde zich Hartman tot Hendrik, die ter zijde stond en hem een wenk gaf.

»Hoor, — zij bidt!quot; fluisterde ridder Wilhelm.

Aan den voet van den eik klonk het zacht en smee-kcnJ. »0 Maria, mijne Moeder, spreid uwen beschermenden mantel uit over mij arme! O heilige Maagd, zie mijn nood! O mijne Moeder, sta het ijselijkste niet toe, — sta op spoed u, om mij te helpen!quot;

De hovelingen lachtten spottend en spraken met elkander door teekens.

»A.delijke vorstin,quot; begon graaf Hartman weder, »ik

-ocr page 298-

275

kan u zoo niet zien liggen, als een onderhoorige dienstmaagd. Verschoon mij, als mijn stoute hand u aanraakt — u van dezen kouden grond opbeurt.quot;

Nauwelijks voelde Godila, dat zij aangeraakt werd, of zij stond van den grond op, streek het haar weg en keek de hovelingen ernstig aan.

)AVat wilt gij, mijne heeren? Wat stoort gij mij op deze heilige plaats?

«Edele vorstin, veroorloof ons, dat wij u naar den Trifels terug geleiden,quot; had Ortolf.

»Naar den Trifels?quot; riep zij huiverend. uNaar het hol van den roover? Neen, — hier hlijf ik in dit toevluchtsoord totdat hulp komt opdagen, hulp van hoven, of hulp van goede menschen.

»Hulp?quot; vroeg Ortolf verwonderd, «Vergeef mij, — die woorden klinken mij onverstaanbaar. Mag ik uw paard laten halen?

»Als gij mij daarvan het vrij gebruik toestaat, — ja!quot; antwoordde zij.

«Natuurlijk, voor uw vrij gebruik, adelijke meesteres. Ridder Gyso, spoed u naar den burcht en haal het paard van onze vorstin hierheen,quot; beval graaf Ortolf.

Gyso spoedde zich weg.

Middelerwijl had zich de boeteling half overeind gericht en knielde met voorover gebogen hoofd. Meermalen keek hij naar dien kant, van welken Siegfried moest komen. Maar geen hoefslag, geen wapengekletter verbrak de stilte van het woud.

»0 God!quot; mompelde hij in toenemenden angst. «Be-vleugel zijn paard, — laat hem de onschuld ten redder zijn! — Ik zelf ben machteloos, niets vermag ik! Erkende de Saliër het vroeger werktuig zijner misdaden, — dat was mijn zekere dood, — mijn nut-telooze dood. — — God in den hemel, zend genadig uwe heerscharen tot een spoedige hulp!quot;

-ocr page 299-

276

De hovelingen zetten hunne pogingen voort, om Godila tot bedaren te brengen.

))Noemt gij den Trifels eon roovershol, genadigste meesteres?quot; zeide graaf Hartman verbaasd. ))Naar mijn weten zijt gij vele jaren veilig en gelukkig geweest in het huis des konings!

ïTotdat de roover, de zielemoorder kwam,quot; hernam zij.

Wie kwam? Een roover en zielenmoor der? Verschrikkelijk ! Wie is dat, edele gebiedster?quot; vroeg ridder Wilhelm.

»Gij kent hem niet? Heeft hij ook u bedrogen, de huichelaar?quot; antwoordde de argelooze. »Als gij mannen zijt, die nog een greintje eer bezit, zweer dan zijn dienst af.

»Wij dienen niemand, dan den koning,quot; zeide graaf Ortolf trotsch.

»Juist uwen heer, den koning treft mijne beschuldiging,quot; antwoordde Godila vertoornd. «Schandelijk en eerloos heeft hij gehandeld. Den koninklijken naam heeft hij schande aangedaan, de eerbaarheid van den man heeft hij bezoedeld. Gij schudt uwe hoofden? Gij gelooft mij niet? Wezenlijk, mijne beschuldiging boezemt afschrik in en schijnt ongeloofelijk. Toch spreeK ik de waarheid. De koning bezit geen eerbaarheid, hij is een monster, een wild dier, dat op mij wilde aanvallen. Was de nietswaardige hier tegenwoordig, hij zou mijne beschuldiging moeten erkennen.quot;

Hendrik trad te voorschijn, zich buigend voor Godila, wier gelaat verbleekte en vervolgens door een hoogrood bedekt werd.

»Uwe woorden verscheuren mijn hart, Godila!quot; begon hij, smart en droefheid voorwendend. «Mij, die u vereer, die u aanbid, — mij noemt gij roover en zie-lenmoorder? Mij, die u liefheb met al, wat in mij is.

-ocr page 300-

277

mij die enkel en alleen geschapen ben om u gelukkig te maken, doorboort gij met scherpe dolksteken! O Godila, welk misverstand, welke vergissing stortte mij in uwe ongenade?

^Schandelijke man, gij waagt het uwe slechte inborst onder dien schijn van heiligheid voor te doen?quot; hernam zij ontsteld. ))Ja, een roover zijt gij; want mijn hoogste goed, mijne onschuld, wildet gij mij ontroo-ven. Zielenmoorder zijt gij; want tot een zonde, die voor God doodt, wildet gij mij verleiden.

»Gij spreekt in raadsels, dierbare Godila!quot; antwoordde onbeschroomd de 'gewetenlooze Hendrik. «Hulde en liefde smeekte ik van u, in de plaats daarvan bood ik mij zeiven aan, — is dat roof? Kan de bloem, door den schepper met welriekende geuren vervuld en met schitterende kleurenpracht versierd, — kan de bloem het een moord noemen, als de vlinder honig zuigt uit haren kelk? Gij zijt de bloem, — ik ben de vlinder, — waar is de moord?

»Foei, hoe laf!quot; riep zij. »Wie heeft u geleerd met schoone beelden uwe afschuwelijkheid te vermommen? Luister ik zal u de waarheid zonder beeldspraak zeggen: — gij zijt een boosaardig mensch, een misdadig verleider, - ik ben een weerlooze maagd; — waar blijft de koning, beschermer der verdrukte onschuld?

»Gij spreekt in koortsachtige opgewondenheid beminnenswaardige Godila! Verander de wetten der natuur toch niet, genadigste meesteres! Tracht datgene te zijn, wat u de hemel in de ruimste mate gemaakt heeft, — een schitterende, geurige bloem om de harten gelukkig te maken, die behoefte aan liefde hebben.

»Konde de geheele wereld het hooren, hoe een booswicht zijne snoodheid een schoon voorkomen weet te quot;even!quot; zeidc de Saksische vorstendochter. »Gij heeren laat u door hem niet misleiden! Hij is een duivel in

-ocr page 301-

273

menschengedaante, — een vuil stinkend graf in het gouden gewaad eens konings. Zijt gij mannen, edellieden, bescherm dan een maagd, zooals ridders betaamt teijen de aanvallen van dezen ellendeling.

O ~

»Ha, daar is het paard,quot; zeide Ortolf toen Gyzo met het dier verscheen. »Heb de goedheid, edele vorstin, uit uw heiligdom te komen.

»Beschermt gij mij tegen dezen verschrikkelijken man?

»Als gij bescherming noodig hebt - ja!quot; antwoord, den de hovelingen.

«Geleidt gij mij naar St. Magdalena?

«Waar is dat, genadigste meesteres?

»Dat is een vrouwenklooster, twee uren van hier.

»Kom hier, — wij zullen overleggen.

»Neen, ik wijk niet van deze plaats, voor dat ,gij mij op uw eerewoord een veilig geleide naar St. Magdalena hebt beloofd,quot; antwoordde zij kortaf.

»En wij kunnen niet toestaan, dat onze beschermeling aan den Trifels wordt ontvoerd,quot; zeide de koning.

sGod in den hemel, — help!quot; zeide de boeteling biddend, en naar de zon ziende voegde hij er bij: «Waar blijft Siegfried'toch! Zijn uur is daar, — en hij blijft weg! — Ik moet iets ondernemen, om de beslissing te vertragen. Mijn leven waag ik, — tien levens zou ik geven tot boete voor mijne misdaden, om Godila te redden.

«Verzet u niet langer,quot; zeide de Saliër op den toon van een zacht bevel. »Wat gij stijfhoofdig weigert, daartoe dwingt u ons geweld zonder moeite.

«Geweld aan een zwak meisje? Schaamt gij u niet voor die verfoeilijke daad in tegenwoordigheid dezer heeren? Hebt gij gehoord, waartoe hij in staat is? Twijfelt gij nog aan zijn schurkachtige natuur? Kunt gij nog toeven, om mij arme te beschermen?

-ocr page 302-

279

»Gij vergist u zeer, genadige dame!quot; antwoordde Ortolf. »Wij zijn onderdanig aan den wenk des ko-nings Beveelt hij, u met geweld naar den Trifels te brengen, — dan gehoorzamen wij. Wees verstandig, — doe vrijwillig, wat gij doen moet.

»God wees mij dan genadig!quot; zeide Godila tegen den stam van den eik leunend.

»Edele heeren, — veroorloof mij een woord te spreken!quot; zeide een ootmoedige stem.

«Wie zijt gij man?quot; vroeg Hendrik, een onderzoekenden blik op den kluizenaar slaande.

»Wat ik arme ben, zegt u dit teeken, heer!quot; hernam Wolferat op den ijzeren halsband wijzend. «Een misdadiger ben ik voor God en voor de menschen, — niet waardig, de lucht te ademen.

»Gij hebt ons beluisterd, kerel!quot; riep de Salicr dreigend.

«Beluisterd? Neen, — met dit doel kwam ik niet hierheen. Sedert vele jaren bad ik op deze gewijde plaats; zoo wilde ik ook heden doen, toen deze edele jonkvrouw, als een opgeschrikte ree, vol schrik en doodsangst kwam aanloopen Ivan ik de bedoeling van u edelen weten? Zooveel begrijpt mijn zwak verstand er evenwel van, dat die edele jonkvrouw niet wil, wat de quot;estrensre heeren willen. Daarom laat u waarschuwen

O quot; O

door uwen knecht, — doe niets kwaads voor God, deu alointegenwoordigen wreker van elke euveldaad.

))Stil, — eenvoudige boeteling, — stil dwaze vent!quot; viel hem de Saliër in de rede.

«Slechts een woord nog, edele heeren! Sinds jaren boet ik door honger en koude, door een leven, zooals een dier het nauwelijks zou kunnen verdragen, voor mijne misdaden, opdat God mij genadig zij. O — edele heeren, wordt niet gelijk aan mij in mijne goddelooze handelingen! Laat u gezeggen, weest verstandig, denk

-ocr page 303-

280

aan uwe eeuwige zaligheid; want verschrikkelijk is het, in de hand van den rechtvaardigen God te vallen.

»Nu is 't genoeg, schurk! Voort, pak u weg! Of een dol .steek bevrijdt u van uwe zotte streken,quot; riep de koning dreigend. »Voorwaarts, mijne heeren! Grijp de stijfhoofdige aan, — onze lankmoedigheid is ten einde.quot;

Twee hovelingen naderden de kleine kapel. Godila slaakte een luiden kreet. Deze jammerklacht deed een langgerekt echo door de bergen weergalmen en in de toppen der boomen een dof gonzen. Nog was de echo niet geheel weggestorven, toen de grond dreunde en een gekletter van wapenen door het woud ruischte. De koning en zijne ridders stonden verrast op het gezicht van een gewapende, die met veel behendigheid zijn gepantserd strijdros op een smal pad naar den eik stuurde. De boeteling zond een dankbaren blik ten hemel.

«Wat is hier te doen? Vernam ik hier zoo even geen hulpgeroep van een vrouw?quot; zeide Siegfried op strengen toon.

Godila had de stem erkend en kwam te voorschijn.

«Heer ridder, (J zendt God in den hemel!quot; riep zij uit. »Sta mij bij in den uitersten nood! Red mij uit de klauwen van deze roovers.quot;

De geharnaste wierp een blik van de diepste verachting op den koning en diens hovelingen, terwijl hij zijn strijdros tusschen Godila en hare belagers plaatste.

«Terug, ellendelingen!quot; riep hij toornig uit. »Ha. — bij St. Georgius, — maagdenroof in de nabijheid des konings, van hem wiens plicht liet is de beschermheer der verdrukten te zijn?quot;

Onder dezen uitroep sprong hij uit den zadel en toen ziji! voet de aarde raakte, trilde de grond, alsof een toren van metaal was afgestegen en zich beschermend tusschen de maagd en hare vijanden geplaatst had.

-ocr page 304-

281

«Vergissen wij ons niet, dan zijt gij de beschermheer van Klingen,quot; begon de Salier.

»Die ben ik!quot; antwoordde de moedige ridder. »En u erken ik met verbazing voor Hendrik IV. Hoe, — een koning in gezelschap van roevers? Een koning op het punt, om deze maagd gewelddadig weg te voeren ?

»Geen wegvoering, onbeschaamde knecht!quot; riep de Saliër verbitterd uit, «Vorstin Godila staat onder mijne hoede. Waag het niet, — bij uw leven! — de paden van mijn machtigen wil te kruisen.

»Adelijke dame,quot; wendde zich Siegfried tot Godila, »hebt gij reden dezen koning te vreezen? Mijne bescherming in te roepen? Spreek vrij en onbevreesd. Bij St. Georgius en alle heiligen, — beschermen zal ik u, zoo als een ridder betaamt, indien gij mijne bescherming noodig hebt.

»Als een zwak lam te midden van verscheurende wolven, heb ik hulp noodig antwoordde zij op smeekenden toon. «Hoor naar mijne beschuldiging, heer ridder, — hoor ze in tegenwoordigheid van den schuldige, opdat u het ongehoorde niet toeschijne, als leugen en laster. — De koning, die hier tegenwoordig is, dwong en bad mij, tafel en bed, kroon en schep-ter en allen glans van den troon met hem te deelen. Toen ik mijn afschuw van de zonde te kennen gaf en mijn rein kleed met het aangeboden slijk niet wilde bezoedelen, kwam deze man, wiens goddeloos hoofd een koningskroon onteert met geweld op mij aan, als een afschuwelijk dier. Door een overijlde vlucht aan zijn woeste aanraking ontloopen, zocht ik bescheiming op deze gewijde plaats. Maar ik bedroog mij in mijne meening, dat koning Hendrik eerbied zou hebben voor deze schuilplaats. Juist gebood hij zijnen mannen, mij aan te pakken en naar den ïrifels terug te brengen, toen gij, heer ridder, op het oogenblik van den hoog-

-ocr page 305-

282

sten nood, verscheent. Daarom smeek ik u nogmaals: — red mij, bescherm mij! Goe.Iheid, edelmoedigheid en vreeze Gods zijn evenzoo in uwe oogcn te lezen, als snoodheid en boosheid in le blikken dezer mannen. Bij ridderlijke plicht en mannelijke .eerbaarheid bezweer ik u, een weerlooze maagd aan de klauwen dezer ellendelingen te ontrukken.

))Heer en koning, wat hebt gij tegen deze vreese-lijke beschuldiging in te brengen?quot; vroeg Siegfried met een vertoornden blik.

))Aan u niets, hoorige knecht!quot; antwoordde de Saliër bevend van woede.

))Een hoorige knecht zijt gij koning, Hendrik!quot; riep de gewapende op wiens gelaat een donkere gloed van toorn lag. »Ja, gij zijt een knecht, een slaaf van woeste hartstochten, een misdadiger voor God, - een tyran voor de menschen. De verdorvenheid van uw bestuur vergiftigt alles! Een verwoester zijt gij in het heiligdom des Heeren, hetwelk uwe goddelooze Sirnonisten, uwe lage huurlingen onteeren. Uwe regeering bestaat uit leugen en bedrog, uit ongerechtigheid en verachting van alle goddelijke en menschelijke rechten. En uw voorbeeld? Foei, vrouwenonteerder, foei nietswaardige, erbarmelijke verdrukker der onschuld! Ja, uw levenswandel doet den Duitschen naam schande aan en verpest het Rijk!quot;

Terwijl Siegfried met diepe, bevende stem deze woorden sprak, stond de Salior onbeweeglijk, met samengeperste lippen, met doodelijke bedreigingen in de fonkelende oogen.

«Schurk, gij hebi u leven verbeurd !'quot; riep hij woedend uit. «Ortolf, Hartman, Wilhelm, Gyso, trekt uwe zwaarden, — doodt voor mijne oogen den misdadiger.quot;

De klingen blonken in fle handen der ridders. Ook Siegfried trok zijn verbazend groot zwaard, een breed

-ocr page 306-

283

tweesnijdend wapen, dat naar de punt spits uitliep. Ontniddelijk onder het gevest stonden met gouden letters de woorden: Benedictus Dominus, Deus meus qui docet manus meas ad praelium, ') gezegend zij de Heer, mijn God, die mijne handen onderwijst teu strijd. Inderdaad scheen er een hoogeren bijstand noo-dig, om met een bedaardheid en vertrouwen den on-geiijken strijd te aanvaarden, zoo als dit van den kant van Siegfried gebeurde. In de linkerhand het metalen schild, welks driehoekige, gewelfde vorm het bovenlijf beschermde, in de rechterhand het wichtige zwaard, van het hoofd tot de voeten in metaal gekleed, verwachtte hij den vijandelijken aanval. Do ridders omsingelden hem, met het plan, om den moedigen strijder, wiens lange gestalte naar de spanning der spieren te oordeelen zich nog scheen te rekken, van alle kanten aan te vallen. De hovelingen droegen wel geen wapenrusting en geen schilden, maar hunne drievoudige overmacht deed hen geen oogenblik aan de overwinning twijfelen.

Er ontstond een kortstondige stilte. De koning was ter zijde getreden, met spanning den strijd afwachtend. De boeteling lag op de knieën en bad. Godila hief hare handen naar het Lieve Vrouwenbeeld op in be-venden angst de woorden herhalend: » O, Maria, behoed zijn hoofd! O mijne Moeder, wees ons genadig en red ons!quot;

Het gerinkink der zwaarden verdoofde hare stem. In den rug door een boomstam gedekt, ving Siegfried met zijn schild de suizende slagen op, en dat wel met een vlugheid en behendigheid, dat de Saliër in luide bewondering losbarstte.

«Past op, mijne dapperen, past op!quot; riep hij.

Psalm. CXLI1I v. 1.

-ocr page 307-

284

«Gij hebt niet een wakkeren ridder te doen.quot;

Maar de ridders, beschaamd, dat zij rnet hun vieren dien eenen niet oogenblikkelijk konden bemachtigen, vochten steeds verbitterder, de houwen hunner zwaarden kletterden steeds heviger en spoediger op het schild. Soms trof een houw Siegfrieds helm, ook de metalen schouderbedekkingen kraakten onder de ontvangen slagen. De gepantserde scheen evenwel de krachtige slagen nauwelijks te voelen : want hij stond onverschrokken, voortdurend op zijne verdediging bedacht, nauwkeurig acht gevend om vat te krijgen op zijne vijanden. Graaf Hartman was een oogenblik niet op zijne hoede, plotseling kwam het zwaard van Siegfried neder en scheidde den arrn van den graaf aan den schouder van het lichaam. Hartman slaakte een schrille kreet, en viel achterover op den grond. Een stroom van bloed verfde het mos en na weinige minuten had hij den laatsten adem uitgeblazen.

»Vervloekt!quot; schreeuwde de koning tusschen het wapengekletter. «Weest bedaard, — we est voorzichtig! De duivel vecht met dezen strijder!

De ridders, door den val van Hartman gewaarschuwd, streden nu met behoedzaamheid, den tegenstander tot den aanval uitlokkend. Nu veranderde plotseling Siegfried zijne tot nu toe gevolgde manier van strijden en wel op een wijze, die in het Duitsche Rijk niet bekend was, en daarom was hij van den uitslag ook verzekerd. Hij deed met de snelheid des bliksems een sprong, terwijl hij uitriep: »H. Georgius, — U. Michael!quot; Iedere uitroep was van een suizenden slag vergezeld en elke houw wierp een der tegenstanders op den grond. Graaf Ortolf, op eenmaal alleen (tegenover dezen geduchten krijger, verweerde zich met den moed der wanhoop. Te vergeefs gebood de koning den strijd te staken, ten einde een der twaalf te redden. Op zijne woorden werd

-ocr page 308-

285

geen acht geslagen, — integendeel, graaf Ortolf ver-zamelde alle krachten, vatte met beide handen het zwaard en sloeg een geweldigen slag naar het hoofd varr zijn tegenstander. Deze ving den houw met zijn schild op, in welks rand hij een diepe groeve achterliet. Weer haalde hij uit, — nu verdeelde het scherpe wapen van Siegfried het hoofd van den graaf tot aan den hals in tweeën. De laatste viel bij de overigen neder.

De overwinnaar streek .zijn zwaard en keerde zich met een gloeiend gelaat tot den koning, die het ergste voor zijn persoon scheen te duchten.

«Koning Hendrik,quot; riep Siegfried dreigend, »trek terstond het «hoorige knecht,quot; in!

»A1 waart gij een hoorige knecht, dappere ridder,quot; antwoordde Hendrik met onzekere stem, »uwe dapperheid zou u vrij maken en adelen. Vergeef 't mij 1 Wat in drift gezegd werd, trek ik hiermede in.

j)Dat is nog aiet genoeg!quot; ging Siegfried voort op een toon, die van zijne hevige opgewondenheid getuigde. »Ik ben voogd van het stift Klingen, zooals u bekend is. De tegenwoordige vervulling van mijn ridderplicht heeft echter met mijn ambt niets uit te staan, — zij is enkel een vrije daad van mijn persoon. Beloof mij derhalve op uw woord van eer, de abdij Klingen ter wille van haren voogd niet te bestrijden, of op een of andere wijze nadeel toe te brengen.

«Deze belofte valt mij licht,quot; antwoordde Hendrik. sTIet sticht zal om de dapperheid van zijn voogd niet gekrenkt worden, - op mijn koninklijk woord! — Luister verder, heer Siegfried! Mijn beste mannen hebt gij voor mijne oogen verslagen en daarbij een kracht en moed ten toon gespreid, die mijn vroegere woede tegen u in genegenheid en hulde veranderden. Heer voogd, treedt in onzen dienst! Gij zijt waardig

-ocr page 309-

2Ï5Ö

en bekwaam, meer clan iemand anders, het .vaandel van een hertogdom uit onze hand te ontvangen.

sliet past den man niet,quot; antwoordde Siegfried het zwaard in de scheede stekend, »ter wille van een hertogdom diegenen te verlaten, die zich in kommervolle tijden aan zijne bescherming toevertrouwden.quot;

Hij keerde zich om en keek naar Godila en toen zijn. oog dc haren ontmoette, en zij in hulpelooze schoonheid voor hem stond, veranderde de man, die even te voren nog zoo woedend was, geheel en al. Hij werd zacht en goedhartig, boog zich voor de vorstendochter en vroeg bescheiden, wat zij verlangde.

))Heer Siegfried,quot; smeekte zij, »laten wij spoedig deze verschrikkelijke plaats verlaten!

»Zoo als gij beveelt, adelijke meesteres!quot;' antwoordde hij naar het ros omziende, dat Wolferat bij den teugel hield.

Op Siegfrieds arm gesteund, steeg zij in den zadel.

»God zij duizendmaal geloofd!quot; juichte de boeteling. «Genadige dame, volg mij! Ik zal u langs korter paden naar het klooster geleiden.quot;

Terstond begon hij, met vluggen tred vooruit te loopen.

Siegfried had zich ijlings op zijn ros geworpen, sloeg een vluchtigen blik naar den koning, welke voorover gebogen in het midden der lijken stond en reed weg.

Ofschoon hardvochtig en wreed van aard, bleef het bloedig en schielijk uiteinde zijner getrouwen niet zonder uitwerking op den Saliër. Smart en droefheid verduisterden zijne gelaatstrekken. Daar lagen zij voor hem met scheef getrokken gezichten, die hem gediend hadden zonder acht te slaan op zede- en hoogere wetten, lichamelijk koud en dood en op geestelijke wijze in de andere wereld, in die afgronden, aan welke hunne daden en gedachten behoorden gedurende hun leven

-ocr page 310-

287

op aarde. Diep boog de koninklijke rnisdadigei' liet trotsche hoofd en zijn misdadige ziel beefde in het bewustzijn hunner schulden. Eensklaps verbrak het luid gebalk van een ezel de stilte des wouds. Hendrik keek op. Ongeveer honderd schreden van hem verwijderd stond Afbald, achter hem groepeerden zich drie luisterende ezelskoppen. De monarch wenkte. Afbald kwam naderbij, de ezels liepen hem na.

))Hoe komt gij hier man? Wie zijt gij!

»Dat zijn eigenlijk tvueo vragen, heer, de eene na de andere wil ik beantwoorden,quot; hernam Afbald, «Hoe ik hier kom? Dat is wel mijn weg niet, heer; want ik had van den Trifels het ezelspad naar Annweiler moeten volgen. Maar ik hoorde een vreeselijk wapengekletter, en ik wilde eens zien. wat er te doen was. Ik kwam hier en zag een verschrikkelijke slachterij, waarvan deze arme drommels koud en stijf geworden zijn. Heilige Moeder Gods, — wat liggen zij daar! Welke wonden, zoo gapend en diep alsof het bergkloven zijn. Die deze wonden geslagen heeft, moet een Goliath zijn.

»Genoeg! Wie zijt gij?

«Dat is de tweede vraag, heer! Ik ben Afbald de ezeldrijver des konings.

»Goed! Nu zult gij de lijkendrager des konings worden. Laad deze verslagenen op uwe dieren en breng ze naar den burcht.

»Maar, heer, met uw verlof, — de dooden zijn zwaar, — mijne ezels zijn maar met hun drieën, — en dat zijn er vier.

»Uwe ezels zijn met hun drieën en gij zijt de vierde. Op eiken ezel een doode en den vierden op uwen rug.

sIJeer, — gij wilt toch geen lastdier van mij maken?

«Gehoorzaam, slaaf, of wij maken een hangende van u.

-ocr page 311-

288

Afbald viel op de knieën.

»0 wee, heer, — nu merk ik, dat gij de koning zelf zijt.

»Waaraan erkent gij den koning?

))Aan uwe kunst, heer, om van een christelijk mensch, zooals ik ben, een lastdier of een hangende temaken, — dit kan slechts een koning, derhalve moet gij de koning in levenden lijve zijn.

»Voorwaarts, — doe, wat u bevolen is!quot;

Afbald beurde met inspanning de lijken op de ruggen zijner ezels, belaadde zich zeiven met den lichtsten last en nam den terugweg naar den Trifels aan, waarheen hem de koning voorgring:.

o o o

Zoo diep wortelde de schandelijkste ondeugd in de ziel van Hendrik, en in zoo groote mate had Godila's schoonheid de hartstochtelijkheid van dezen wellusti-gen vorst ontvlamd, dat hij geenszins het voorwerp zijner vurige begeerte vaarwel zeide. Veeleer verzon hij middelen, om de ontvluchte weder in zijne macht te krijgen. Vindingrijk in alle mogelijke listen, had hij spoedig het juiste middel ontdekt, om zonder veel opzien te baren tot zijn doel te geraken.

Op zijn bevel verscheen Uedi, de burchtvoogd. In het kort deelde Hendrik hem het voorgevallene mede, waarbij hij niet naliet, Siegfrieds ongewone dapperheid te roemen en zich te beklagen over het verlies zijner getrouwen.

»Intusschen,quot; eindigde hij een teeken van berusting makend, »de dooden zijn weg, — wij moeten ons aan de levenden houden. Onze wil is het, om vorstin Go-dila hier terug te brengen, maar zonder opzien te verwekken. Laat uw voorstel hooren, op welke wijze zulks zou kunnen gebeuren.

»Zeer gemakkelijk, hoogheid! Als de genadige dame bij de kloosterzusters te St. Magdalena haren intrek

Can. D. I iy

-ocr page 312-

289

genomen heeft, dan zal een onverwachte overval u de dochter vati Udo overleveren.

))Dom, voogd, — zeer dom! In 't geheim moet zulks geschieden, daarbij door onbekenden, zonder achterdocht op te wekken, — of ten minste zonder de mogelijkheid om u te beschuldigen. De wereld verwijt ons genoeg dergelijke ,daden, — wij willen de lange reeks van beschuldigingen niet vermeerderen.quot;

De voogd stond nadenkend.

»In het geheim, — door onbekende, — zonder achterdocht op te wekken, — daar zal een zware wijs op gaan, Hoogheid!

»Zeer gemakkelijk, domkop! Luister naar mij en let goed op! — Binnen eenige dagen zal de burchtkapelaan Lambert met de abdij Klingen beleend, van Worms hierheen terugkeeren. Onder uw geleide rijdt hij daarheen, om bezit van zijn zetel te nemen. Siegfried, de voogd van het sticht zal onzen abt afwijzen. Gij protesteert tegen deze onwettige handeling. Gij dreigt den voogd, dat gij hem bij ons zult aanklagen. Die bedreiging zal vruchteloos blijven- Dan keert gij met Lantbert terug en zendt ons een bode met schriftelijke bezwaren en beschuldigingen. Ten gevolge daarvan dagen wij den voogd voor onzen rechterstoel. Zijne wijsheid zal hem raden, aan deze oproeping gevolg te geven. Siegfried zal naar het hof rijden en waarschijnlijk, volgens onze manier van spreken, om niet meer terug te keeren. Door spionnen, die gij uitstelt, zorgt gij op de hoogte te zijn van Siegfrieds reis. Dan betrekt gij graaf Wazo, onder belofte van geheimhouding op zijn eerewoord, in het geheim. Terwijl nu Wazo met zijne mannen den abt Lantbert naar Klin-i-en celeidt en daardoor met de dienstmannen van den

o Ö

voogd oen strijd ontstaat, overvallen eenige flinke dienstmannen het klooster St. Magdalena en ontvoeren Go-

-ocr page 313-

£90

clila. Toevallig bevindt gij u op jacht, ontmoet de roevers, bevrijdt Godila uit hunne handen en brengt haar hierheen. Natuurlijk moeten zij, die Godila in het klooster rooven, vermomd, zwart of op de eene of andere wijze onkenbaar gemaakt zijn. — Hebt gij mij begrepen?

»Zeer goed, hoogheid! Uitstekend verzonnen, — dit moet gelukken!

»Gelukt U de aanslag zonder veel opzien en drukte, dan zal u onzen koninklijken dank ten deel vallen.

»Heer en koning, gij zult over mij tevreden zijn! En Godila, — moet zij als vroeger behandeld worden? Is het haar in 't vervolg geoorloofd den burcht te verlaten?

»Niet zoo onbeperkt! Het stift Klingen mag zij natuurlijk nimmer wederzien. Maar in den omtrek van den burcht mag zij in het bosch wandelen, opdat hare gezondheid geen nadeel iijde. En bij uw hoofd, voogd,quot; riep hij dreigend, »kom haar niet in 't minst te na, behandel haar, gelijk een vorstin toekomt! Ga nu heen!quot;

Dedi vertrok.

))Zoo zal zij toch weer in mijne handen komen,quot; mompelde de koning bij zich zeiven. ^Zijn de drukke bezigheden te Worms afgeloopen is Hellebrands afzetting door alle bisschoppen en vorsten bekrachtigd en een Paus naar mijn zin op den Roomschen Stoel geplaatst, — dan hierheen tot uitspanning.quot;

Op het burchtplein weerklonken hoefslagen. Een groote stoet kwam aan, met stof bedekt, de paarden waren door en door bezweet. Eenige minuten later kwam paltsgraaf Thietmar voor den verrasten Saliër.

»Uw gelaat, paltsgraaf, meldt reeds een ongunstige tijding. Wat scheelt u? Wat meldt gij?

»Wat mij moeilijk valt u te melden, heer en koning, zegt dit schrijven van uwen getrouwen Ulrich van Godes-

-ocr page 314-

291

heim,quot; antwoordde ïhietmar een brief overhandigend.

De koning las. Zijn gelaat werd somber.

5gt;Zoo, — de heeren hertogen lieten zich allen verontschuldigen, — geen enkele komt!quot; zeide Hendrik met ingehouden toorn. »De gestrengen betreuren het, dat zij aan onze uitnoodiging, om den Rijksdag bij te wonen, geen gevolg kunnen geven! — Ach, — welke vernedering voor ons, — welke verootmoediging!quot; riep hij uit met een gloeiend gelaat. ')

Nu volgde een lang stilzwijgen. Thietmar stond met een hangend hoofd, de monarch zat te peinzen,

))AVat raadt Godesheim?quot; vroeg hij eindelijk.

))De uitschrijving van een vorstendag naar Mainz,quot; antwoordde Thietmar. »Ook de aartsbisschop van Mainz wankelt en kwam niet.

sNaar Mainz, — ik versta het!quot; zeide de koning na zich even bedacht te hebben. »Die raad is verstandig. Het komt er op aan, om zich van die belangrijke stad voor alle gevallen te verzekeren.

«Eindelijk bezweert Godesheim uwe hoogheid, onverwijld naar Worms terug te keeren; want eenige vorsten en prelaten, die het wegblijven der hertogen vernomen hebben beginnen te wankelen. Uwe tegenwoordigheid moet hen bevestigen in de u verschuldigde trouw.

»Die schurken, — die ellendigen, die lafle verraders !quot; zeide Hendrik met den voet stampend. »Zij allen beven voor Rome en zijne banbliksems. — die domkoppen!

»Geld en leenen, meent Godesheim, zouden de twij-felachtigen weer winnen.

»Hoe ? Zouden wij koopen, wat ons de gestrengen schuldig zijn, — gehoorzaamheid en trouw? O ja.

!) Bamberger, VI. bl. 833,

-ocr page 315-

292

voor geld en leenen hebben die schurken alles veil. Is het een wonder, dat men slecht wordt in deze booze wereld? — Plet zij zoo! Wij willen met volle handen uitdeelen. Maar niemand moet het ons kwalijk nemen, dat wij in het geluk der toekomst, in het volle bezit onzer macht, datgene dubbel terugnemen, wat wij in tijd van nood gedwongen gaven. — — Ga heen rust een uur; dan terug naar Worms.quot;

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

-ocr page 316-

291

heim,quot; antwoordde ïhietmar een brief overhandigend.

De koning las. Zijn gelaat werd somber.

5)Zoo, — de heeren hertogen lieten zich allen verontschuldigen, — geen enkele komt!quot; zeide Hendrik met ingehouden toorn. »De gestrengen betreuren het, dat zij aan onze uitnoodiging, om den Rijksdag bij te wonen, geen gevolg kunnen geven! — Ach, — welke vernedering voor ons, — welke verootmoediging!quot; riep hij uit met een gloeiend gelaat, i)

Nu volgde een lang stilzwijgen. Thietmar stond met een hangend hoofd, de monarch zat te peinzen,

))Wat raadt Godesheim?quot; vroeg hij eindelijk.

»De uitschrijving van een vorstendag naar Mainz,quot; antwoordde Thietmar. »Ook de aartsbisschop van Mainz wankelt en kwam niet.

»Naar Mainz, — ik versta het!quot; zeide de koning na zich even bedacht te hebben. »Die raad is verstandig. Het komt er op aan, om zich van die belangrijke stad voor alle gevallen te verzekeren.

«Eindelijk bezweert Godesheim uwe hoogheid, onverwijld naar Worms terug te keeren; want eenige vorsten en prelaten, die het wegblijven der hertogen vernomen hebben beginnen te wankelen. Uwe tegenwoordigheid moet hen bevestigen in de u verschuldigde trouw.

»Die schurken, — die ellendigen, die lafl'e verraders !quot; zeide Hendrik met den voet stampend. »Zij allen beven voor Rome en zijne banbliksems, — die domkoppen!

»Geld en leenen, meent Godesheim, zouden de twij-felachtigen weer winnen.

»Hoe? Zouden wij koopen, wat ons de gestrengen schuldig zijn, — gehoorzaamheid en trouw? O ja.

') Dambergcr, VI. bi. 833.

-ocr page 317-

292

voor geld en leenen hebben die schurken alles veil. Is het een wonder, dat men slecht wordt in deze booze wereld? — Het zij zoo! Wij willen niet volle handen uitdeelen. Maar niemand moet het ons kwalijk nemen, dat wij in het geluk der toekomst, in het volle bezit onzer macht, datgene dubbel terugnemen, wat wij in tijd van nood gedwongen gaven. — — Ga heen rust een uur; dan terug naar Worms.quot;

EINDE VAN UKÏ EERSTE DEEt.

»r—--ö-o-Q-O-® CO-O^-c-

-ocr page 318-
-ocr page 319-

IjStHOUD.

Bladz.

de ezeldrijver......................4

aan de pir1iiniusbr0n..................17

het recht der heeren..................30

op den tripels...........49

een gehuwd priester..................71

klingen............................83

een pauselijk legaat.........100

de abtskeuze............116

paltsgraaf boemund.........quot;136

de gouwkoning wazo.........15u

in het keizerlijk paleis te worms.....184

hoe een vorst kerkelijke waardigheden uitdeelt 206

de koning op den trifels.......224

godila's vader...........216

siegfried.............267

-ocr page 320-
-ocr page 321-

CANOSSA.

HISTORISCHE ROMAN

VAN

CONRAD VON BOLANDEN,

UIT HET HOOGDUITSCH

DOOR

A. M,...

TWEEDE DEEL.

A I. K M A A li. — A. ^ U IJ E N S.

-ocr page 322-
-ocr page 323-

DE RAAD VANquot; EEN KLUIZENAAR,

üe burchtvoogd Dedi van den Trifels was naar den burcht van graaf Wazo gereden en had hem onder belofte van stipte geheimhouding, het sluw bedacht plan des konings medegedeeld. Daarover verblijdde zich de woeste graaf.

»Dat komt juist in mijn kraam te pas!quot; riep hij uit met oogen van wraak fonkelend. nDien hond van een voogd, dien Siegfried, die mij in mijn eigen huis mishandelde, zal Hein toch natuurlijk laten ophangen. Hij zal van Mainz niet terugkeeren. De monniken van Klingen evenwel zullen onder mijne zweep kruipen en schreeuwen. De schatmeester Sigelert zal het aan de galg boeten, dat hij mij beleedigd heeft.quot;

Daarna had de burchtvoogd Dedi aan Siegfried dag en uur aangezegd, waarop hij den abt des konings naar het sticht zou vergezellen. Bij dit bericht verzocht hij tevens vriendelijk, dat de beschermheer den plechti-gen intocht van den nieuwen abt met zijn tegenwoordigheid zou vereeren.

üe sterke heer van Landeck kwam werkelijk van zijn burcht af en wel aan het hoofd van een gewapende schaar krijgslieden. Hij reed den naderende Dedi Can. D. II. 1

-ocr page 324-

2

te gemoet en verklaarde in korte woorden, dat zijn plicht liem gebood, den Simonistischen, gehuwden burchtkapelaan, die bovendien nog in den ban was, met gewapende quot;hand af te wijzen. De burchtvoogd van den Trifels hield zich verbaasd en onsteld over de handelwijze van Siegfried. Hij beschuldigde hem van een onwettige handeling en vorderde, in naam des konings, de opening van den medegebrachten vrijgeleibrief.

Lantbert haalde zegevierend eent perkament te voorschijn, waaraan een houten zegeldoosje hing en dat de koninklijke beleening met het sticht behelsde.

»Hier staat uitdrukkelijk,quot; riep hij, suithoofde van persoonlijke waardigheid beleenen Wij Onzen burchtkapelaan Lantbert van den Trifels met de abdij Klingen voor den geringen prijs van tienduizend marken. En gij wilt den weg verhinderen aan een man dien onze koning hoogschat?

»De koning waardeert u volgens uwe bruikbaarheid tot slechte doeleinden,quot; antwoordde met een blik van oprechte verachting de beschermheer. »lk evenwel schat u naar' uwe wezenlijke waarde, namelijk als een afvallig priester en geëxcommuniceerd Simonist.quot;

.Het liep tot bittere woorden, maar niet tot daden. Dedi verklaarde , dat hij geen last had van' den koning, om den nieuwen abt met geweld in het klooster te brengen.

»U echter,quot; dreigde Dedi, »za' ik bij den koning beschuldigen wegens deze oproerige handeling. Zoo gij niet oogenblikkelijk den weg opent, rijd ik weg en zend een bode naar de residentie.

sDoe gij uwen plicht, — ik doe den mijne,quot; antwoordde Siegfried.

De burchtvoogd zwenkte zonder te groeten het paard en keerde met zijn beschermeling terug.

-ocr page 325-

3

Bijgevolg was de oplossing der zaak geschorst, zonder dat de onverschrokken voogd die in haar volle be-teekenis erkend had.

Eenige dagen verliepen.

De monniken, bij welke de verheffing van een zoo diep bedorven man tot hoofd hunner kloosterfamilie ontsteltenis en afschuw had verwekt, wachtten in bezorgdheid den verderen loop af. Nu verscheen een koninklijke bode en dagvaardde den beschermheer tot verantwoording bij den koning te Mainz.

Den burchtvoogd kwam deze dagvaarding niet vreemd voor; hij had ze verwacht en vond ze billijk.

»De koning heeft recht mij voor zijn rechterstoel te dagen, en ik zal er onmiddelijk gevolg aan geven,quot; verklaarde Siegfried aan den abt Widerad, welke met een bezorgd hart de tijding vernam. »Mijne verantwoording valt niet moeilijk; want kerkelijke en Staatswetten heb ik duidelijk en bepaald aan mijne zijde. Maar de stoutheid schijnt mij vermetel toe om iemand te dagvaarden, wiens rechtvaardiging de wetsverkrachting van Hendrik IV moet openbaar maken.

sUwe rechtvaardiging maakt niets nieuws openbaar, heer voogd!quot; antwoordde de abt treurig. »Op hel lichten dag, voor de oogen der geheele natie, zondigt de koning tegen goddelijke en menschelijke instellingen. Daarentegen zal uw moed iets nieuws zijn, om de handelwijze van Hendrik IV naar de wetten te meten. Gij zult zijn woede opwekken,quot; ging hij voort met de uitdrukking van levendige bezorgheid. »Vrees en angst overvallen mij voor uwe veiligheid. De koning zal zijn vonnis vellen in den geest van willekeur en boosheid en niet in dien van het recht. Ware het mogelijk, u de vervulling, van uwen plicht af te raden, dan zou ik zeggen, rijd niet naar Mainz. Maar,quot; eindigde hij met onderwerping aan het onvermijdelijke, »wij moeten

-ocr page 326-

4

den plicht gehoorzamen, al zou ons de getrouwe plichtsbetrachting den dood ook aanbrengen.

»Wees niet bekommerd, eerwaarde vader! Tegenwoordig is de toestand van den Saliër niet van dien aard, om zijn oude schulden nog met nieuwe misdaden te kunnen vermeerderen. Zoo als ik met zekerheid vernam, bevindt hij zich in moeilijke omstandigheden. Luide stemmen gingen in Mainz op tegen zijn tyran-nieke regeering. Alle hertogen moeten van hem afgevallen en een legaat des Pausen moet aangekomen zijn.quot;

Zoo hadden de argelooze abt en de jonge man geen vermoeden van de eigenlijke plannen des konings. Beiden beschouwden de gevorderde verantwoording, omdat hij den intocht van Lantbert verhinderd had, als het eenige doel der dagvaarding, terwijl zij in werkelijkheid slechts tot middel en gelegenheid moest dienen ter uitvoering van verschillende misdaden.

Niet zoo vooringenomen oordeelde de boeteling Wo!-ferat. Sedert de vlucht van Godila van denquot; Trifels had hij zijn vroegere hut verlaten en een nieuwe gebouwd in de nabijheid van het vrouwenklooster St. Magda-lena, waar hij zijn strenge levenswijze voortzett'e. Toen nu Siegfried naar het klooster reed, om van Godila afscheid te nemen, liet de kluizenaar de houweel rusten, waarmede hij den grond bewerkte, en snelde den ridder te gemoet, zoodra hij hem bemerkte. De jonge man hield stil, beantwoordde den groet van Wolferat en deelde hem het bevel des konings mede.

»Dat is een hoogst bedenkelijke zaak, — een gevaarlijke woordenstrijd!quot; zeide zichtbaar verschrokken de boeteling. «Heer voogd rijd niet naar Mainz.quot;

De burchtvoogd van Landeck keek den angstig opgewonden man vreemd aan.

«De koning heeft recht mij ter verantwoording te

-ocr page 327-

5

roepen,quot; zeide hij. »Heeft hij dit recht, dan verbindt mij de plicht van gehoorzaamheid.

»Gij beschouwt de zaak verkeerd, heer voogd! De Saliër roept u niet ter verantwoording naar Mainz, maar tot bevrediging zijner wraak. In Worms heeft uw manhaftig optreden den toorn van den woestaard opgewekt, want nimmer duldt een tyran de waarheid. Het verwondert mij, dat gij er te Worms heelshuids afgekomen zijt, — ik ken Hendrik IV. Bovendien hebt gij ii zeer vergrepen aan de begeerte van den woestaard. Gij hebt op den ïrifels den ellendeling zijn prooi ontrukt, gij zijt getuige geweest van een voorgenomen boevenstuk. Deze getuige van kant te helpen, is het plan van den schuldige. Eindelijk hebt gij den intocht van 's konings abt te Klingen geweerd, — deze daad alleen maakt u in de oogen van den tyran des doods schuldig. — Nu vraag ik, is het wijs en verstandig, u aan den wraaklustigen despoot over te leveren.

»De juistheid van uw oordeel valt niet te betwisten,quot; antwoordde Siegfried. sDoodelijk haat mij dè Saliër. Zonder zich te bedenken zal hij de lange keten zijner misdaden met een schakel verlengen, als hij mij iaat dooden of vergiftigen. Toch rijd ik naar Mainz, want Hendriks goddeloosheid ontslaat mij geenszins van de verplichting, om aan een wettige dagvaarding des konings te gehoorzamen.quot;

Wolferat beschouwde verrast den jeugdigen held. »l)at is grootsch!quot; zeide hij met eerbied. »Wie zijn plicht onder alle omstandigheden vervult, zelfs op gevaar af, zijn leven daarbij te verliezen, is geen gewoon mensch.

sMaar een christen, broeder Wolferat!quot; hernam de jonge man glimlachend.

«Een christen, — ja — strikt genomen; want slechts deugd en nauwgezette plichtsbetrachting verdienen den

-ocr page 328-

6

christennaam. — Gij zult naar Mainz rijden,quot; ging hij treurig voort. »Gij zult u aan den bloeddorstigen, wree-den Hendrik overleveren, - geen waarschuwingen zullen u hiervan terugbrengen, — dat zie ik wel in. Maar versmaad mijn raad niet, u zoo mogelijk te behoeden tegen moorddadige valstrikken.

»Hoe meent gij ?

»Reis met een sterk gevolg, dat u beschermt tegen hinderlagen; want' altijd heeft de koning een bende moordenaars bij de hand, die op het open veld hunne offers weten te treffen. In Mainz aangekomen, ga dan niet naar het hof, maar stel u aan den aartsbisschop Sigifrid voor. Gij deelt hem de geheele zaak mede, smeekt om zijne bescherming en vordert gerechtelijk onderzoek. Hierdoor wordt het den tyran onmogelijk u zonder opzien uit de voeten te maken. De aartsbisschop van Mainz staat alleszins door menige slechte daad met den Saliër in betrekking, maar de uitvoering van een gemeene misdaad zal hij in zijne stad niet dulden.

»Uw raad verdient overweging,quot; antwoordde Siegfried.

»Volg hem en God behoede u!quot; zeide Wolferat, op het punt, den gestaakten arbeid voort te zetten. Nu keerde hij zich schielijk om, als iemand, die zich iets belangrijks herinnert en op zijn gelaat stond ernstige bezorgdheid te lezen.

»Heer voogd, — verschoon mij, — mij hindert nog iets anders. Wilt gij mij aanhooren?

»Met genoegen! Spreek maar vrijmoedig!

»De zaak is eenigszins bedenkelijk, — eenigszins lastig, — van teederen aard, of hoe moet ik het noemen,quot; ging de boeteling blijkbaar verlegen voort. »Maar de zaak is goed en noodzakelijk, — naar mijn oordeel. Wist ik maar, of zij ook goed en noodzakelijk is volgens uwe meening.

-ocr page 329-

7

»Waartoe al die plichtplegingen? Spreek maar op, — het overige zal wel terecht komen.

»Heer voogd,quot; begon de boeteling na zich even bedacht te hebben, »gij rijdt naar St. Magdalena naar Godila, — niet waar ?quot;

De jeugdige heer knikte bevestigend en op zijn gelaat kwamen blijde trekken.

«Godila is u meer, dan het leven verschuldigd,quot; ging Wolferat voort, »zij heeft u de vrijheid en de verlossing van onteerend en schandelijk geweld te danken. Voorloopig heeft het kind wel geen hinderlagen te vreezen; want gevaarlijke verwikkelingen dwingen den koninklijken woestaard, zijn schanddaden wat te beteugelen. Greloof evenwel niet, dat hij zijne schandelijke plannen heeft opgegeven. Ik ken het ouverza-delijk monster, ontvlamd door de onvergelijkelijke schoonheid van Godila. Heeft de Rijksdag te Worms de zware onweerswolken verstrooid, dan zal hij naaiden ïrifels terugkeeren en Godila gewelddadig laten wegvoeren.quot;

Siegfried maakte een hevige beweging en zijn oogeu brandden van een vreeselijken gloed.

»Godila laten wegvoeren! Ha, — ha!quot; riep hij vertoornd lachend. »Dit boevenstuk zal den Saliör nimmer gelukken.

»Gij kunt het verhinderen, als gij wilt, heervoogd!

))Of ik wil? Eer en plicht gebieden het, en tien levens zou ik wagen voor het kind van Udo,quot; riep de sterke heer van Landeck vurig uit.

»Toch is er maar een enkel middel, om de bedreigde tegon alle gevaren te beschermen,quot; zeide de boeteling. sMaar ik vrees een raad te geven, die u zou kunnen hinderen. De zaak is van teederen aard en mijn raad zeer voorbaris.

«Laat eens hooren, broeder Wolterat

-ocr page 330-

s

«Mijn raad is eenvoudig deze: — neem Godila tot vrouw, en zij, die nu in gevaar verkeert, is op den burcht Landeck voor altijd geborgen.quot;

De indruk dezer woorden op den statigen heer was buitengewoon. Op zijn gelaat kwam een donkere gloed, zijn blik zocht beschaamd den grond, de geestelijke aandoening had zelfs een lichte huivering zijner sterke ledematen ten gevolge. En wat nog verbazender is ook deelde zich deze heftige beweging aan zijn strijdros mede; want dit deed onverwachts een sprong en beet schuimbekkend en snuivend op het gebit. De ridder poogde het dier tot bedaren te brengen, wat hem gelukte, zoodra liij zelf zijn bewustzijn had herkregen.

»Welnu, — wat zegt gij van mijn raad, heer voogd?quot;

Weer kwam er op die vraag een blos van schaamte op het schoone gelaat van den jeugdigen ridder, wiens moed en sterkte in den strijd met mannen wel wisten te zegevieren, wien echter een kinderlijke schroomvalligheid overviel, zoodra hij met Godila in aanraking kwam.

De boeteling hield den gloed op de wangen voor een gevolg van toorn en haastte zich, zijn raad te verontschuldigen.

«Verschoon mijn welmeenende oprechtheid!quot; zeide hij. »lk dacht, gij stelt innig belang in Godila, en gij zoudt derhalve niet ongenegen wezen, het weerlooze kind, tegen alle boosaardige aanvallen des konings te beschermen, door de vorstin tot vrouw te nemen. Ik begrijp niet hoe mijn raadgeving u zoo kan vertoornen. Is de jonkvrouw wellicht uwe keus niet waardig? Godila is toch van aanzieidijke geboorte, — zij is zuiver en deugdzaam, zij is zelfs wonderschoon, — daarbij van gevaren omringd, — in hare onschuld bedreigd; en dit alles zou een edelman toch wel kunnen overhalen, om mijn raad goed te keuren.

-ocr page 331-

9

«Aangelegenheden des harten behandelt gij, als een handelszaak,quot; antwoordde de burchtheer van Landeck op een berispenden toon. »Als Godila weerloos, bedreigd, ongelukkig is, dan volgt hieruit niet, dat zij de gade moet worden van eiken man, die haar wenscht te trouwen.

ïVan eiken man, die haar wenscht te trouwen? Dit heb ik niet gezegd. Maar de vrouw van zulk een voortreffelijk man, al gij zijt, van uw stand, van uwe edelmoedigheid mocht zij wel worden, te meer wijl gij de jonkvrouw uit het vreeselijkste gevaar gered hebt.

»Uwe redenen, goede broeder, zouden voor Godila wel eens niet kunnen bestaan, de laatste uitgezonderd; want ik houd haar niet voor ondankbaar. Maar juist die plicht van dankbaarheid zou mij weerhouden, hand en hart dezer jonkvrouw te begeeren voor een daad, die mijn plicht was.

«Stellig, als gij de freule niet tot vrouw wilt, dan is mijne zaak afgedaan, en ik smeek uwe genade om vergiffenis, wegens mijn voorbarigen raad.

»Van weerzin van mijn kant was geen spraak,quot; antwoordde Siegfried. »Godila's geestelijke en lichamelijke voorrechten wekken ook mijne bewondering.

»Nu, wat hindert u dan, naar hare hand te dingen?

»Mijne onwaardigheid,quot; antwoordde de jonge man bescheiden.

))Zijt gij dan geen vrij geborene? Geen burchtvoogd van Landeck? Geen beschermheer van het sticht Klingen?

»Dit alles draagt volstrekt niet bij tot mijne waardigheid, om de edelste der vrouwen te begeeren,quot; antwoordde Siegfried.

»Ha, —- nu versta iku! riep de kluizenaar uit. «Volgens uw gevoelen zijt gij Godila niet evenboortig aan

-ocr page 332-

10

zielenadel, — en dit gevoelen kan u slechts eer aandoen. Want, wie het verhevene hoogschat, acht zich zeiven. En ik ben blij, dat gij de volle waarde van een vrouwelijk edelgesteente vat. Intusschen, heer voogd — vergeef mij mijne vrijmoedigheid, — is één man Godila waard, dan zijt gij het.quot;

Siegfried schudde ontkennend het hoofd.

)iMoet ik voor mijne bewering bewijzen aanvoeren?quot; vroeg Wolferat.

»Dat is niet noodiglquot; antwoordde de voogd ernstig. »Godila mocht uwe beschouwing eens niet deelen.

»Wie weet, — wellicht wel. Vraag het maar eens. Bied haar hart en hand aan. — Ach, — wat bloost gij! Nu merk ik, dat de dapperste ridder, dien ik ooit leerde kennen, geen moed bezit tegenover een meisje.

»Het is werkelijk zoo, broeder Wolferat!quot; bekende de verlegene.

»Wat steekt daarin?'quot; hernam de kluizenaar. »Een godvreezende vrouw te begeeren, behoort in zekeren zin tot de plichten van den man. Als gij haar dan nadert en zegt: adelijke dame, ik bemin u teeder, — liegt gij dan wellicht? En als gij niet liegt, moet gij daarom schaamrood worden? Zegt gij dan verder — lieve Godila, ik smeek volgens ridderlijk gebruik knielend om uw hart en uwe hand, wees mij een geliefde getrouwe gemalin, — zou dit een handeling zijn, waarover zich een echt ridder moest schamen? Als gij dan eindelijk zegt: verhoor mijne bede, dierbare Godila, en ik zal levenslang een goed echtgenoot voor u zijn, ik zal u behoeden en beschermen tegen iedereen met onwankelbare trouw, — zou dit niet prijzenswaardig zijn?

»En als Godila antwoordde: Heer voogd, ik deel ■ in uw gevoelen niet en ik moetu mijn hart en hand

-ocr page 333-

11

weigeren, — wat dan, broeder Wolferat? Zou dan geen schitterend gesternte verduisteren, dat aan den hemel mijns levens opgaat. Laat mij daarom zwijgen, wachten en hopen. Voorloopig mis ik elke aanspraak om uwen raad te volgen.quot;

De boeteling wreef met de hand in zijn onordelijk hoofdhaar en krabde zich achter de ooren, terwijl hij het hoofd schudd'e.

«Ronduit gezegd, heer voogd, ik versta u niet! Gij zijt een raadsel voor me. — Rijd met God naar Mainz en wees op uwe hoede.quot;

Hij boog zich groetend en keerde weer terug naar zijn landelijken arbeid.

Siegfried draafde naar het vrouwenklooster, geheel en al verdiept in de plannen van den kluizenaar. De man had uit het hart tot hem gesproken. Wat hij zich zeiven nauwelijks durfde bekennen, had gene ongedwongen verklaard. In maagdelijke waardigheid, deugd en schoonheid geleek geen enkele van haar geslacht op Godila, — namelijk naai- de vaste overtuiging van Siegfried. Bij elk bezoek te St. Magdalena waren de vereering en de teedere genegenheid voor de bewonderde toegenomen. Als een koningin, machtig en rijk aan deugden en bekoorlijkheid, stond zij in schitterende aanvalligheid voor zijn reinen geest, als het hoogste loon van aardsch geluk. Maar juist de ridderlijke, bijna ideale geest zijner liefde, deed hem dit geluk onwaardig toeschijnen. Zoo dikwijls hij kwam, ontving het vorstenkind haren redder uit dien neteligen toestand met oprechte vreugde. Zij sprak soms vertrouwelijk en openbaarde hem de bezorgdheid van haar kinderlijk hart voor haren vader, over wiens lot elke zekere tijding ontbrak. Maar nimmer merkte hij iets, wat hem ten bewijze van wederliefde kon strekken. Grond genoeg voor zulk een eerbaien en zedelijk stren-

f

r

r ï

■■■

-ocr page 334-

12

gen heer, als Siegfried, om van de opvolging van den raad des kluizenaars af te zien, al had hem daartoe ook den moed niet ontbroken.

»Hoe onnoozel en alledaags denkt de boeteling over eene zaak, die mij doet duizelen,quot; zeide hij bij zich zeiven. sWolferat is afgestorven voor elke aardsche neiging, — hij kent de opwellingen van het bloed niet evenmin als den twijfel en den angst des harten. Hij beschouwt eene zaak enkel van hare nuttige zijde, over welke wederkeerige liefde slechts kan beslissen. En voor wederliefde heb ik geen bewijzen,quot; voegde hij er treurig bij. sGodila heeft eerbeid voor haren redder, zij dankt hem, zij is gemeenzaam met den onwaardige, — en ik zou hare goedheid misbruiken door haar van een liefde te spreken, die voorbarig en aanmatigend zou zijn? Neen, — neen! De verhevene te zien en te spreken, in hare nabijheid te mogen vertoeven, is een geluk, waarmede ik mij tevreden moet stellen.quot;

Hij hield voor de kloosterpoort stil, bond den teugel van zijn paard om den stam van een boom en schelde. Twee onderzoekende oogen waren door de getraliede opening in de deur, vluchtig op hem gericht. Nu werd de poort voor den beschermheer des kloosters geopend. Een bejaarde leekezuster maakte een buiging voor den heer, vroeg, wat hij verlangde en ging hem volgens de kloosterregelen voor naar de huiskapel. Ue zware voetstappen van den rijzigen man weerklonken door de gewelfde gang en klonken als een stoornis in deze diepe stilte. Nimmer werden de voetstappen van mannen op deze plaats vernomen. De beschermheer en de biechtvader uitgezonderd, was aan alle mannelijke personen de toegang verboden. En zelfs deze mochten nimmer die grens in het klooster overschrijden, welke slot heet en door een muur wordt aangeduid, die tien gang doorsnijdt. Ook de ziekenkamer voor vrouwen lag

-ocr page 335-

13

binnen het slot, om het den nonnen mogelijk te maken, de zieken met zorgvuldige hand te verplegen. Even streng waren alle overige regelen, omdat de Kerk de zwakheid van het vrouwelijk geslacht met moederlijke voorzorg in hare bescherming neemt. Elke onzachte aanraking beschadigt do sierlijkheid en onvergelijkelijke witheid der lelie, een tijpe der christelijke maagd, weshalve de laatste in den tuin der kuischheid niet alleen door hooge muren, maar ook door een zorgvuldige verpleging en voorzichtigheid moet beschermd worden. L)o kloosterzusters werden beschouwd als lijfeigenen des Heeren, als bruiden van Christus, wiens dienst alle krachten van lichaam en ziel behoorden. Anderen beschouwden hem en zij deden dit ook zich zeiven, als die wijze maagden van het Evangelie, welke met de lampen der goede werken, met den olie van onafgebroken verstervingen en bespiegelingen, den god-delijken bruidegom te gemoet gingen. Van deze strenge levenswijze was de handenarbeid niet uitgesloten, die met wijze berekening en diepe kennis der menschelijke natuur in den cirkel der bespiegelingen was geweven. Behalve de werkzaamheid der nonnen in de ziekenkamer, schreven eenige van haar kostbare handschriften af in sierlijk schrift, anderen onderscheidden zich dooi- kunstig borduurwerk, met hetwelk zij de kerkor-nementen versierden 'j

De beschermheer van St. Magdalena had in het oratorium een kort gebed verricht en volgde nu de poortierster naar de spreekkamer. Deze was door een traliewerk in twee helften verdeeld, wijl ook het verkeer van vrouwelijke bloedverwanten met de kloosterzusters zooveel mogelijk beperkt moest zijn en slechts in tegenwoordigheid eener non mocht plaats hebben. De

') Hurter, Pans Innooentius III. D. JU bl. 570.

-ocr page 336-

14

inwendige versiering der spreekkamer was eenvoudig, een groot kruisbeeld aan den mmir, eenige heiligenbeelden en een buitengewone zindelijkheid maakten het geheele sieraad uit.

Terwijl de leekezuster heenging om aan de abdis de tegenwoordigheid van den voogd en diens verlangen om Godila te spreken, mede te deelen, stond Siegfried tegen het traliewerk, niet vrij van onrust en benauwdheid des harten. Nu eens keek hij luisterend naar de deur aan gene zijde van het traliewerk, dan ging hij in zichtbare opgewondenheid door het vertrek en dan weder stond hij stil in bijna angstige spanning. Zijn glanzende oogen waren getuigen van toenemende opgewondenheid en zijne wangen gloeiden, terwijl zijn hart hoorbaar klopte. Zoo geleek de dappere ridder op een oprechten en getrouwen onderdaan, die in de voorkamer beschroomd en angstig de komst zijner meesteres verwacht.

Zacht ging de deur open en even zacht verscheen een gesluierde vrouwelijke gestalte, die door een tweede, insgelijks gesluierde, gevolgd werd. De eerste droeg geen habijt, maar een wit gewaad van wollen stof, om de heupen door een gordel bijeengehouden. Over den rug hing lang gitzwart haar, en toen zij den sluier opsloeg, vormde een gouden band om het hoofd het eenige sieraad van de markgravin Godila.

Zeer diep boog zich de voogd. De ongewoon lange duur van deze gebogen houding, in verband met het versterkt blozen van zijn gelaat; deed vermoeden, dat de beschroomde van die daad van weKoegelijkheid gebruik maakte, om zijn bezinning te herkrijgen.

Godila kwam dicht bij het traliewerk, en haar aanvallige groet was vergezeld van een lachje van kinderlijke onbeschroomdheid. De kloosterzuster bleef aan de deur staan, gesluierd en onbeweeglijk als een standbeeld.

-ocr page 337-

15

»Brengt gij eindelijk tijding van mijn geliefden vader, heer voogd?quot; zeide de bezorgde dochter.

ïWel geen zekere tijding, adelijke dame! Maar mijne navorschingen hebben mij te weten doen komen, dat heer üdo op den Trifels niet gevangen zit, zooals ik vreesde. Hij reed, zooals mij verzekerd werd, in dien nacht naar Worms en keerde niet terug.

»Dan zal hem de wreede Hendrik ergens anders in den kerker geworpen hebben,quot; zeide zij met de diepste verslagenheid, »Hij heeft toch in dat verschrikkelijk oogenblik gezworen, dat hij mijn vader in den kerker wilde werpen, uit wraak voor mijne weigering. En waar, in welken afzichtelijken kerker, mag nu mijn arme vader smachten?quot; riep zij smartelijk uit.

»Die bewering van den ellendeling zal slechts een bedreiging zijn, in een oogenblik van hartstochtelijke opgewondenheid uitgesproken,quot; antwoordde Siegfried. »Ook tyrannen blijven menschen. Een vonkje rechtsgevoel gloort nog altijd in hunne borst. Maar de uitvoering van die bedreiging zou het werk eener zoo duivelachtige boosheid en waanzinnige wraaklust zijn, dat zich Hendrik IV zelf daarover zou moeten schamen.

»Voor zoo verre ik dien slechten man leerde kennen, valt het mij moeilijk, troost te putten uit uwe welmeenende woorden/' zeide zij. Dag en nacht kwellen mij angst en zorgen voor den dierbaren vader. Het pijnlijkst is mij echter de onzekerheid van zijn lot.

^Zekerheid zult gij weldra verkrijgen, edele dame Morgen rijd ik naar het hof. waar in elk geval iets naders omtrent den markgraaf is te vernemen.

«Rijdt gij naar het hof?quot; vroeg zij verrast en ontsteld.

«Ingevolge eener dagvaarding des konings om rekenschap te geven over mijn gedrag jegens den Si-monist Lantbert.

-ocr page 338-

16

Zij keek den spreker met groote oogen aan, haar gelaat werd bleeker en bleeker, totdat een angstkreet aan hare lippen ontsnapte.

»Om Godswil, heer Siegfried, — rijd niet naar het hof, — hij zal u vermoorden!quot; riep zij bevend van schrik. »Denk aan den strijd bij den eik, waar gij de mannen des konings verslagen hebt! Hendrik dorst naar uw bloed, ga niet naar het hof, de ver

schrikkelijke staat u naar het leven!quot;

Minder deze woorden, dan de angst in blikken en gebaren hadden aan den jeugdigen heer kunnen zeggen, dat hij het vorstenkind niet onverschillig was. Niet eens de bezorgdheid voor het lot haars vaders schokte hare ziel zoo zeer, als haar angst voor hem. Hij scheen ook minder ten gevolge van overleg, dan wel door middel van gewaarwording te gevoelen, dat de deelneming van Godila voor hem geen alledaagsche was; want hij glimlachte en keek met blijden, gelukkigen blik op de ontstelde.

»Ik dank u, edele dame, voor uwe groote bezorgdheid jegens mij! De waarneming dat u mijn lot niet onverschillig is, maakt mij onuitsprekelijk gelukkig.

De gevoelige, bijna hartstochtelijk bevende toon zijnei stem en de glans zijner oogen schenen te bewerken, dat zi] bloosde en schielijk de oogen neersloeg. Terstond sloeg zij den blik weer op hem en bekommering spiegelde zich af op haar bekoorlijk wezen.

DÖij blijft hier, niet waar?quot; vroeg zij smeekend.

«Vordert mijne meesteres Godila van mij, dat ik

een plicht verzuim?

»Neen!quot; antwoordde zij terstond kortaf. »Een christelijk ridder mag nimmer één enkele zijner verplichtingen overtreden, Maar juist daarom moet gij niet gaan, want Hendrik wil uwe verantwoording niet, hij staat u naar het leven.

-ocr page 339-

»Dat is mogelijk, edele dame! Maar de koning heeft recht mij voor zijn rechterstoel te dagen, en gegronde argwaan ontslaat geenszins van de plicht van gehoorzaamheid. God weet het,quot; ging hij aangedaan en met moeite voort, »mij valt het onuitsprekelijk zwaar, aan dien onverbiddelijken plicht te gehoorzamen, omdat u datgene mishaagt en angstig maakt, wat mij de plicht gebiedt.quot;

Zij stond sprakeloos en keek voor zich. Hij zag de smart harer ziel en de waarneming, dat een zoo bekoorlijk wezen om hem leed, dreigde hem zijn bewustzijn te verliezen.

»0 die plicht,quot; zeide zij, »die plicht, — die verschrikkelijke plicht!

)gt;Plichten binden, edele dame, en hunne vervulling alleen leidt ons tot een gelukkige oplossing van ons bestaan.quot;

Zij keek hem vol eerbied aan, en knikte even met het hoofd, dat zij op de bórst liet zinken. Zij worstelde met treurige gedachten, die haar lichaam schokten, tranen uit hare oogen persten en haar gelaat met een doodelijke bleekheid bedekten. Vervolgens sloeg zij de oogen naar hem op.

«Gehoorzaam, heer Siegfried!quot; zeide zij met doffe stem en nauwelijks hoorbaar. Rijd naar het hol van den leeuw. Aan ons, de veriatenen, van uwe sterke bescherming en hoede beroofden, is weinig gelegen. De Almachtige bescherme u.quot;

Zij keerde zich om en ging wankelend heen.

Hij stond, bij deze plotselinge wending in den hoogsten graad ontsteld, voortdurend de wijd geopende oogen naar de deur gericht, door welke de vrouwen vertrokken waren. Godila 's doodelijke angst was hem niet ontgaan, en nu leidde hij die van oorzaken af, die wel niet bestonden.

Can. D. U. 2

-ocr page 340-

18

»Het boevenstuk van den Saliër heeft hare teedere ziel met schrik vervuld,quot; zeide hij. »Daarom vreest zij het ergste in mijne afwezigheid en zij ziet gevaren waar er geen mogelijk zijn. Ofschoon doodelijk ontsteld op de tijding, dat zij mijne beschermende nabijheid voor eenige dagen moet missen, drong zij toch niet langer bij mij aan, omdat zij haren vermeenden nood aan de noodzakelijkheid mijner verplichtingen opofferde — dat is groot en edel! Een mensch, die liever groot ongemak verdraagt, dan de schending van den plicht van zijn naaste vordert, verdient eer bij God en zijne

heiligen.--Hoe roerend stond zij daar in haar be-

venden angst! Blank als een lelie, — ook geurend in hare kuischheid, als een lelie. Had haar deze schrik overvallen uit bezorgheid voor mij, — uit deelneming en neiging voor mij, — welk een geluk! — — Maar neen, — neen ik ijl, — ik ben een dwaas! Een sterk schild ben ik voor haar, — wat zou mijne onwaardigheid voor deze heerlijkste der vrouwen meer kunnen zijn? — Leef wel, Godila! Een sterkere waakt over u, dan ik- ben, — uw Schepper, welke u naar lichaam en geest op het heerlijkst heeft uitgerust. Uw God behoede u, als zijn oogappel, als het volmaaktste werk zijner handen.quot;

Hij bedekte zijn hoofd, nam het zwaard onder den arm en vertrok.

DE SLAVENHANDELAAR.

De mislukte Rijksdag te Worms ontmoedigde den koning geenszins. Hij beriep een tweede vergadering

-ocr page 341-

1!)

van vorsten naar Mainz tegen het feest van de H H. Petrus en Paulus. In zijn oproepingsbrief aan alle geestelijke en wereldlijke grooten gebruikte hij niet meer den bevelenden toon van den gebieder, hij vernederde zich om te schrijven als een smeekende. Want de toestand van Hendrik was gevaarlijk. Zijne misdaden en gruwelen, zijne verwoestingen in Kerk en Staat, wekten allerwege toorn en ontevredenheid. De meesten van de acht en twintig bisschoppen, die in Januari te Worms den Paus afgezet en den ban over hem uitgesproken hadden, toonden berouw over dit vergrijp. Zij wendden zich naar Rome, bekende hun misslag en smeekten om vergiffenis.

De gezamenlijke hertogen waren tot liet uiterste besloten. Zij waren op de afzetting van den misdadigen vorst bedacht; menigeen wellicht minder om zedelijke redenen, dan door het uitzicht op persoonlijke voor-deelen1^ daartoe bewogen. De uitnoodiging tot den Rijksdag te Mainz verachtten zij evenzeer, als die naar Worms.

Tot de bisschoppen, die te Rome vergiffenis verzocht en verkregen hadden, behoorde de aartsbisschop Udo van Trier, een machtig heer, en het Salische hof zeer genegen. Op de terugreis van Rome kwam hij eenige dagen voor de opening van den Rijksdag te Mainz aan, belast met welwillende opdrachten van den Paus voor den koning. Udo 's tijdgenoot, de kroniekschrijver van Hersfeld, meldt:

»Te Mainz aangekomen, weigerde Udo met de aartsbisschoppen van Mainz, Keulen en veie anderen om te gaan, welke in dien tijd het volste vertrouwen des konings genoten en zonder wier raad hij niets deed. Udo verklaarde: de koi.ing zoowel als die anderen zijn in den ban, nogtans heeft mij Paus Gregorius VII op mijn dringende bede veroorloofd, bij hem te komen, doch

-ocr page 342-

20

slechts voor kerkelijke en Staatszaken, niet aan tafel, noch bij godsdienstoefeningen, noch om een andere reden. Het voorbeeld van den metropolitaan van Trier volgend, trokken zich vele anderen, die God vreesden, en het algemeen welzijn tot richtsnoer van hun gedrag kozen, meer en meer van het hof terug. Daarover ontstak de tegenpartij in woede, vloekte en dreigde tegen üdo en diens volgelingen, bewerend, dat de ban van den Romeinschen Opperpriester de ellendelingen erkenden hem, zonder het zelf te weten, weder als Paus, — ongeldig was, omdat hij was uitgesproken in strijd met de gebruiken van het kerkelijk recht, die ten gunste van den onderdrukker waren ingevoerd; dat de aartsbisschop van Trier en zijn aanhangers schandelijk huichelden, en dat hij geheel andere zaken beoogde, dan die hij in den mond had; dat de niet-herstelling van de gekrenkte waardigheid van den Romeinschen Stoel hem aan het hart lag ^ maar dat hij onder voorwendsel van den godsdienst het Rijk en de kroon in het verderf wilde storten. Be koning moest op zijn goed recht steunend, de doodstraf uitrpreken over de lage verraders, die heimelijk tegen hem samenspanden en hem gehoorzaamheid weigerden ; want de Apostel zegt toch: de overheid draagt het zwaard niet de vergeefs.quot; ')

Doch die samenzweerders tegen elke zedelijke instelling, tegen de vrijheid en de rechten van het Duitsche volk, waren niet aan de zijde van Udo van Trier, maar aan die van het hof.

Ten tijde van verwarring vinden de hardste schreeuwers den grootsten aanhang, al zouden zij ook de verkeerdste plannen hebben en de verderfelijkste grondstellingen huldigen, als zij slechts de kunst verstaan

') (iftörer, i) VII bl 5Ü6 v.t.

-ocr page 343-

■Zi

sluw en behendig veel beweging te maken en de massa's te misleiden. En Hendrik dreef die misleiding systematisch. Bekwame en invloedrijke mannen, grooten-deels ontaarde monniken, had hij de taak opgedragen, in openbare redevoeringen en vlugschriften de plannen van den Paus verdacht te maken en de wettigheid van den ban over den koning en diens aanhang aan te vallen. Het Duitsche volk moesten zij opzetten tegen het Opperhoofd der Kerk, wijl hij gewaagd had, de tuchtroede van kerkelijke straflen te gebruiken tegen den misdadiger in purper gekleed. De gevolgen van die ophitsingen en leugenachtige verzinsels bleven niet uit. Het volk werd bedrogen, de ware toestand werd geheel verminkt. Daarvandaan tweedracht en partijen, hevige scheldwoorden op den Paus van den kant der bedrogenen, en verwenschingen op den koning door hen, die de zaak helder inzagen en zich niet lieten ophitsen of misleiden. De verwarring nam toe, het wankelen van den Staat werd bedenkelijk. l)

In die dagen toen de spanning een merkelijke hoogte had bereikt, valt de aankomst van Siegfried te Mainz. Wolfe rats wijzen raad volgend, en zelf overtuigd, dat Hendrik zijn verderf beoogde ging hij niet naar het hof. Hij beijverde zich, op de hoogte van de toestanden te komen en een machtig heer te vinden, wiens bescherming hij kon inroepen tegen de gewelddadigheid van den Saliër. Door twee wel gewapende mannen vergezeld, het zwaard onder den arm, van het hoofd tot de voeten geharnast, wandelde hij door de straten. Somwijlen trad hij de wijnhuizen binnen, om de menigte te beluisteren en het schimpen te hooren op den koning, op den Paus, maar vooral op den aartsbisschop Udo van Trier. Uit die gesprekken leidde hij af.

') Voigt, bl. 429. — Gfrörer, D. VII. bi. 5 29.

-ocr page 344-

22

dat Udo de voornaamste, invloedrijkste en machtigste tegenstander van den Saliër was. Daarom kwam bij hem de gedachte op, de bescherming van dezen prelaat tegen de listige wraak van den koning in te roepen.

Met dit doel had hij getracht de herberg van Udo te vinden, die zich in een monniksklooster. in de Rijnstraat bevond.

Langzaam ging de burchtvoogd door het gedrang naar den Rijn. Het levendig verkeer van wagens, ruiters en voetgangers stond in geen verband met den uitgeschreven Rijksdag, voor welken tot nu toe nog slechts enkele grooten waren aangekomen. Mainz was veeleer in de elfde eeuw een zeer volkrijke stad, bloeiend door handel en nijverheid, «liet gouden hoofd des Rijks,quot; zoo als zij genaamd werd, — in navolging van het Anrea Roma. Even als Keulen telde die stad ongeveer 300,000 inwoners. Bevonden zich on Ier dezen ook geen 600 opulentissimi, d. i. millionairs, wier schepen rivieren en zeeën bevoeren, zooals Keulen die bezat, toch had zij een groot aantal zeer rijke kooplieden. Zoo levendig was in Mainz het verkeer en zoo talrijk was de saamge'stroomde menigte menschen, dat men, gelijk de kroniekschrijver meldt, »wegens de drukte van gaande en komende menschen nauwelijks door de straten kon komen.quot; Den grond van den üuitschen wereldhandel hadden Karei de Groote en Otto I gelegd. Later verhief keizer Hendrik U, de heilige genaamd, haar tot een bloei, dat deze in geen latere eeuw, niet eens in de eeuw van stoombooten en spoorwegen in grootheid werd overtroffen. l)

Siegfried was door de menigte voortgedrongen tot aan den stroom, die breed en helder zijne golven voort-

') Cifrörer. 1gt; VII bl. 240 t.v.

-ocr page 345-

23

stuwde. Langs den oever verhief zich een onafzienbare rij prachtige gehouwen, huizen van rijke handelaars. De straat tusschen deze gebouwen en den stroom was zeer breed en geleek eerder op een uitgestrekt plein. Op zijn sterken rug droeg de Rijn naar berg en dal schepen en schuiten inet zwellende zeilen eu vliegende wimpels. Een groot aantal vaartuigen lag in de haven voor anker. Reusachtige pakgoederen, zeer zware balen werden gebeurd en gezeuld omringd door een oorverdoo-vend geraas en getier aan de los- en ladingsplaatsen. Daar was een gedrang van wagens, paarden en menschen dat het leven vaak gevaar liep. Siegfried, aan vrije beweging gewoon, had dikwerf moeite, zijne ijzeren gestalte naar het dringen en schuiven te voegen, en hij zocht een haven, waar hij zijn anker kon werpen. Dientengevolge richtte hij zijne schreden naar een klein huis, omniddelijk aan de rivier, waar helmen en lansen van eenige krijgslieden in de zon glinsterden. Dat kleine huis was een tolhuis van den aartsbisschop, waar, alle geankerde schepen een gering tolgeld moesten betalen. De tolbeambte, een lijvig man met strenge gelaatstrekken en scherpziende oogen, zat voor een tafel waarop een boek lag. Twee knechts waren bij hem bezig, om van de matrozen -den tol in ontvangst te nemen, die grootendeels in waren, zelden in klinkende munt bestond. In een tweede afdeeling zag men die waren opgestapeld, terwijl de schellingen en denarissen uit de hand van den beambte in een ijzeren kist gleden.

Toen Siegfried voor het tolhuis bleef staan, was de beambte met eenige matrozen in woordenwisseling geraakt.

»Uit Hoei aan de Maas zijt gij?quot; vroeg de beambte aan een matroos, die een kaas in den arm had.

«Ja, heer Poppo, zooals gij zegt, uit Hoei,quot; antwoordde de Nederlander. »Kent gij mij niet meer?

-ocr page 346-

24

Ik kom alle jaren tweemaal hier voorbij.

«Kennen, — hoe zou ik de duizenden kennen, die hier voorbij komen?quot; mompelde Poppo half kwaad. »Als gij uit Hoei zijt, dan moet gij ook den tol kennen, — twee denarissen, geen kaas.

»Ons tolgeld was altijd een kaas van drie pond, heer Poppo, geen geld!

«Wezenlijk ? Dan is het bij vergissing gebeurd. Ga heen met uw kaas, — twee denarissen '.

De matroos ging heen, een andere kwam in zijne plaats, terwijl hij een vaatje op de tafel zett'e.

«Uit Utrecht, — honderd en twintig stuks haringen,quot; zeide hij.

»Zijt gij van daag allen gek?quot; riep Poppo opvliegend. »Uit Utrecht en haringen? Het Utrechtsch tolgeld bedraagt een metalen ketel. Weg met de haringen!quot;

De achteraanstaanden drongen nader. Een pak rams-vellen werd den beambte voorgelegd.

»Uit Constanz!quot; zeide de matroos.

«Wat moet dat nu weer, — is van daag de geheele wereld verkeerd?quot; riep Poppo toornig. «Constanz betaalt hier in Mainz een honigraat van zes pond tolgeld. Weg met de vellen!quot;

Ook den derden bleef geen tijd tot tegenpruttelen over. Een vierde matroos drong nader en legde een denaris op de tafel.

«Uit Toul!quot; zeide hij.

«Eindelijk toch eens een verstandige!quot; bromde Poppo, •

sneed een beschreven strook perkament af van een vel en gaf dit aan den man uit Toul.

Zoo ging het voort. Kazen, zalmen, haringen, metalen schotels, honigraten, zwaarden, dolken, stukken laken, kruiken met wijn, goud en andere zaken gingen onophoudelijk door Poppo's handen.

De afgewezen matrozen waren ter zijde gaan staan,

-ocr page 347-

25

hadden een weinig gewacht en kwamen nu naai- den beambte.

»Heer Poppo,quot; begon die van Utrecht, »gij zoudt u wellicht vergist kunnen hebben, — dat is toch menschelijk. Utrecht betaalt altijd met haringen, Hoei met kaas en Constanz met huiden. Waarom zou dat van daag niet zoo zijn ?quot;

«Omdat het tegen den regel is, domkop!quot; antwoordde Poppo.

«Waarom is het van daag tegen den regel en vroeger niet?quot; vroeg de matroos. »Wij hebben vroeger betaald, gelijk wij nu doen, en gij zijt altijd tevreden geweest. Vergist gij u derhalve van daag niet, dan hebt gij u vroeger altijd vergist.quot;

«Heer Poppo,quot; zeide die van Constanz, «hebt de goedheid eens na te zien in uw tolboek. Ik kan niet gelooven, dat een man van uw verstand vroeger altijd zoo misgeschoten zou hebben.quot;

Tegen dit voorstel was nauwelijks wat in te brengen. De beambte gevoelde zich blijkbaar eenigszins onzeker en bladerde in het boek, dat het tarief bevatt'e van het tolgeld, dat moest betaald worden voor de schepen der vijftig steden , die Mainz bezochten of voorbij voeren.

«Luister! begon Poppo te lezen: «Het Maasgebied, Brabant en Vlaanderen : Hoei, Dinant, Namen, Luik, Antwerpen, Bommel, Harderwijk, Tiel, Deventer en andere steden in die streek betalen twee zilveren de-narissen. Utrecht betaalt bij uitzondering een metalen ketel, wijl daar vele fabrieken van koper en ijzerwerk zijn. Rijn—Franken; — Duisburg, Neus, Deutz, Keulen, Coblentz betalen twee ellen scharlaken. Bingen Lorsch, Bonn betalen met geitenvellen; Worms, Spiers met tien maten wijn. Het Moezelgebied: — Toul en Trier met een zilveren denaris. Het Maingebied: Wurzburg

-ocr page 348-

26

en de andere steden in dezelfde streek met vijf vaten wijn. Regensburg met een kaas van drie pond. Het hertogdom Allemannië: — Straatsburg betaalt met drie zwaarden, Constanz, Zurich en de andere met honigraten van zes pond. ') — Moet ik u het ge-heele boek voorlezen?quot; viel de beambte zich zeiven in de rede. »Gij hebt gehoord, hoeveel tolgeld gij moet betalen.quot;

))Neem ons niet kwalijk, heer Poppo 1quot; zeiden de matrozen en gingen heen.

sHeer, ziet gij het wel? Het wordt levendig opdat schip daar ginds,quot; zeide een der bedienden, naar een groot vaartuig wyzend, dat aan het uiterste einde der haven voor anker lag.

»Met arendsoogen tuurde de beambte naar het bedoelde schip, aan welks masttoppen het wapen en de kleuren der stad Spiers fladderden. Een bootje voer juist van het vaartuig af en schoot, door sterke riemslagen voortgedreven, naar het strand. In het midden der boot zat een man, naast hem een meisje.

»Ik wenschte wel eens te weten, wat dat vaartuig uit Spiers eigenlijk geladen heeft?quot; zeide Poppo bij zjch zeiven, voortdurend de boot in het oog houdend. »Het schip gaat niet diep, — het heeft gewapenden aan boord, die als schildwachten op en neergaan. — Verdacht, — hoogst zonderling! Het havengeld moet ook nog betaald worden! Maar, wat duivel, — de man in de boot is een jood, — een schelm, die ons bedriegen wil! He, Ralph, Hein!quot; riep hij twee beambten toe. »Ziet gij den jood daar, die juist aan wal komt? Gaat hem nfi, — brengt hem hierheen, - ik moet hem spreken!quot;

i) Gfrörer D. VII bl. 240. rv. Daar staan ook de waterwegen opgegeven, langs welke destijds schepen uit. Regens-burg, Zurich, Constanz, enz. te Mainz konden komen.

-ocr page 349-

27

De krijgslieden zagen de bonte, harde kleuren van de kleederen van den jood, die scherp afstaken bij de overige kleederdrachten, en spoedden zich naar de plaats, waar de jood juist aan wal kwam. Poppo stond er naar te kijken. Hij bemerkte de levendige beweging en het tegenstribbelen van den jood, de angstige houding van het meisje aan zijne zijde en eindelijk zag hij dat de knechts de overhand kregen en den jood naar het tolhuis brachten.

Met een strengen blik ontving de beambte den Israëliet, wiens kleeding zijn rijkdom verried. Het rood en geel bovenkleed was met kostbaar pelswerk geboord, en werd op de borst bijeengehouden door gouden haken. Het hoogroode onderkleed welks mouwen er onder uit kwamen, was aan den zoom met zilveren borduursel versierd. Op het hoofd, droeg hij in plaats van een hoed, een groenen doek, die lang over den rug afhing en die van rijk gouden borduursel schitterde. Aan de hand had hij een bleek, ongeveer vijftienjarig meisje van ontluikende schoonheid en een bedroefd voorkomen, blijkbaar een christenmeisje. De jood hield haar vast, als een schat, — niet als een bemind menschelijk wezen, maar als een kostbare koopwaar.

))quot;Wat zendt gij soldaten op mij af?quot; sprak de jood den beambte onbeschaamd aan. «Hebt gij recht mij als een misdadiger te laten slepen? Ik zal naar den koning gaan en u aanklagen; want gij hebt u aan mijne rechten, aan mijne vrijheid vergrepen, — gij hebt mij aan mijn goed benadeeld.quot;

Poppo zag aanstonds, dat hij met een man uit het huis van Israël te doen had, die durfde pochen op de koninklijke gunst. Hendrik IV had namelijk veel geld noodig. Om hem dit te verschaffen tot onderhoud voor zijne bijzitten, uitspattingen en oorlogen met de Saksers

-ocr page 350-

28

waren noch de kroongoederen, noch de opbrensten van de verkochte geestelijke waardigheden toereikend. Hij leende daarom aanzienlijke kapitalen van joden en verleende hun hiervoor rechten en vrijheden, zoo als de Christenen die niet bezaten. En de besnedenen, sluw op hun voordeel bedacht, persten den koning een reeks van voorrechten af, welke hen tot de heerschende kaste verhieven en die hen in staat stelden, door hun geld het Duitsche volk op een ongehoorde wijze te onderdrukken en uit te zuigen. 0

»Wat maakt gij een beweging, jood?'' antwoordde Poppo. »Twee dagen reeds ligt uw schip in de haven en nog hebt gij den tol niet betaald. Betaal, wat gij schuldig zijt en ga heen.quot;

«Betalen? Ik, waarachtig niet!' riep de gele uit. )gt;Ik kan door het geheele Rijk varen, kan op schepen, of wagens of pakpaarden mijne waren laden zonder tol te betalen. Ben ik niet Baruch Ben Marum uit Spiers? Bezit ik geen privilegie des Konings, dat mij ontheft van alle belastigen en tollen? Houdt de edele en groote, machtige en zeer wijze heer Hendrik zijn residentie niet hier inMainz?En gij wilt mijne rechten en vrijheden aanranden? Mijne privilegiën aanranden?quot;

»Ik zeg u,quot; zeide de beambte vol zelfvertrouwen, »uw schip zal de haven niet verlaten, voor dat de tien maten wijn voor mij op deze tafel staan.quot;

»Tien maten wijn?quot; riep Baruch spottend uit. «Geen druppel, — waarachtig geen druppel! Zou Baruch Ben Marum zich laten bestelen en afzetten door den opper-tolgaarder van den aartsbisschop? Neen, — waarachtig niet! onmiddelijk zal ik naar het paleis gaan, ik zal voor het aangezicht van den rechtvaardigen koning verschijnen en u aanklagen, wijl gij mij nadeel toebrengt.

') Gfrörer, i) VJI. bl. 759.

-ocr page 351-

29

— wij' gij mijn eigendom in gevaar brengt,mijn kostbaar eigendom, mijn dure waar,quot;

ïöij zijt niet verstandig Baruch! Wat heb ik met uwe waar te maken?quot;

»Daar kijk eens welk een lief meisje — is het mijne slavin niet, mijn eigendom, mijne waar die ik voor veel geld naar Spanje verkoop voor den harem der Saraceen-sche vorsten?quot; riep Baruch terwijl hij levendige gebaren maakte. »Heeft de geneesheer mij niet tegen negen uur 's morgens besteld, omdat mijn eigendom Ottiiie ziek is ? Gij houdt mij met geweld daarvan terug en als mijn kostbare waar bederft, dan hebt gij mij groote schade veroorzaakt. Maar bij den God mijner Vaderen, bij den koning zal ik u aanklagen en gij zult mijne schade vergoeden!quot;

Het getier van den jood had een grooten kring toehoorders gelokt. L)e mannen hoorden de verklaring van Baruch, zagen het bleeke, ziekelijke meisje en een gemor van ontevredenheid deed zich hooren.

»Hoort eens, — Christenmeisjes verschachert de jood aan Spaansche heidenen!quot; riep een stem, en een sterk man met opgestroopte hemdsmouwen en gespierde armen drong door de menigte, schoof zijn muts wat op zij en wierp grimmige blikken op Baruch Ben Marum. «Burgers, dat dulden wij niet! L)eze hond van een jood zal geen Christenen verkoopen, als slachtvee.quot;

»Arnold heeft gelijk, — wij dulden het niet!quot; klonk het beslissend uit de omstanders.

sPoppo, meester Poppoquot; zeide Arnold, »laat het schip van dezen vervloekten Baruch lossen. De schob-bert zal geen handel drijven in levend menschenvleesch. Wil hij de heidenen in Spanje van bijzitten voorzien, dat hij dan zijne eigen dochters daarheen verkoope, maar geen Christenen.quot;

,

w»!

I

-ocr page 352-

30

Ben Marum zag de dreigende houding der aangroeiende menigte en ontstelde.

»Goede burgers van Mainz,quot; zeide hij op smeekenden toon, «weest billijk en rechtvaardig! Handel is handel. Wat ik gekocht heb, zou ik dat niet weer mogen verkoopen ? Wilt gij beletten het vrije verkeer, wat zal dan achteruitgaan weldra uwe groote, heerlijke stad Mainz, waarin meer bewoners zijn, dan zandkorrels aan den oever der zee? Verhindert daarom Baruch Ben Marum niet te doen, waartoe hij recht heeft.quot;

»Zoudt gij recht hebben, menschen te verkoopen, vervloekte jood?quot; schreeuwde Arnold den gele toe.

»Wie kan tot zoo iets onchristelijks recht geven?quot; riepen anderen.

»Goede burgers, luistert naar mij! — Wie mij het recht gaf? De koning gaf het mij, — een schriftelijk en bezegeld recht. Wilt gij mij betwisten, wat geven kan de zeer machtige koning een zoodanig recht ? Wilt gij misachten, wat gedaan heeft de edele koning?

Diepe, verlegen stilte; want de Rijnsteden waren zeer gehecht aan den Saliër, gewonnen door verleende vrijheden en misleid door de burchtgraven van Hendrik omtrent het gewicht van den uitgebroken strijd met den Paus.

»Geen mensch, al ware hij ook een koning,quot; nep een stem, »kan veroorloven een goddeloosheid te begaan. De slavenhandel is een goddeloosheid, een misdaad door de Kerk veroordeeld en met den ban bedreigd. Bijgevolg kan • ook de koning het recht tot den slavenhandel niet geven.quot;

Deze moedige taal was van een monnik met schrandere gelaatstrekken en een edel voorkomen. Hij had de kap van zijn habijt over het hoofd getrokken en de beide handen in de mouwen gestoken, wellicht met het doel, om een fraaien, ring te verbergen, die aan zijn vinger schitterde.

-ocr page 353-

31

»Let op, — een vijand des konings, — een aanhanger van Hellebrand!quot; riep een stem waarschuwend.

))En al is hij een aanhanger van Hellebrand, gelijk heeft hij!quot; riep Arnold weer.

«Eeuwige schande zal op deze stad Mainz kleven als zij den slavenhandel duldt,quot; zeide met klem en bestraffend dê monnik.

Door den bedenkeljjken toestand ontsteld, had Ba-ruch de hand van het meisje losgelaten en door de dreigende houding der' menigte had hij zijn levende waar vergeten. Van deze omstandigheid maakte Ottilie gebruik. Zij vluchtte onder de hoede van Siegfried, die als een metalen toren in hare nabijheid stond.

»Om Godswil, red mij!quot; smeekte Ottilie met zulk ean aandoenlijke bespraaktheid, als gevaar en angst slechts kunnen ingeven. ))Red mij uit de handen van dezen verschrikkelijken jood, die mij verkoopen wil als een dier. Gij zijt een edel heer, een ridder, — wees uw plicht gedachtig, om alle verdrukten uw sterke hand te reiken, maar bijzonder aan hulpbehoevende vrouwen. Bij uwe eer bezweer ik u, een christin vrijgekocht en verlost door het bloed van Christus, niet over te laten aan een ongedoopte, die mij behandelt als een koopwaar, — die mij verkoopen wil op den burcht van een heiden!quot;

Siegfried zag op het verlaten wezen neder, dat de handen naar hem uitstak en zich in bevenden angst aan hem klemde.

»quot;Waar zijt gij van daan, meisje? Hoe kwaamt gij in de klauwen van dien eerloozen schurk?quot;

»Ik ben Ottilie uit Saksen, — mijne ouders werden gedood, — ik werd naar Verdun gebracht en daar als slavin aan de joden verkocht.quot;

»Uit Saksen, — uit haar geboorteland!quot; mompelde de gewapende, en een hevige beweging was op zijn

-ocr page 354-

82

gelaat zichtbaar. »Uit Saksen. — van flenzclfden stam als Godila!

gt;Heer ridder bij Onze Lieve Vrouw, ontferm n over mij, — red mij!quot; smeekte Ottilie dringender. »God in den hemel zal het u vergelden, wat gij doet aan mij arme verlatene.quot;

Baruch Ben Marum bemerkte nu, dat damp; ongelukkige aan de zijde van Siegfried stond. Als een giet' stortte hij op zijn prooi los. De edelman hief eensklaps de gepantserde vuist op.

»Terug jood! Dit meisje heeft niet te vergeefs mijne bescherming ingeroepen. Mijn schild dekt deze maagd en gij zult haar niet meer aan mij ontrukken.quot;

»De (iod van Abraham sta mij bij!quot; schreeuwde de slavenhandelaar ontsteld. »Gij wilt mij onthouden, mijn eigendom, mijne waar?

»Stel lig wil ik verhoeden, besnedene, dat gij Christenen, en vooral meisjes, als een koopwaar behandelt. Terug, als uw hoofd u dierbaar is!

«Recht en gerechtigheid mijn eigendom, mijn slavin, mijn schat!quot; tierde Baruch. »Ontrooven wilt' gij mij twee pond goud, mij ontrooven dezen schat voor het aangezicht des konings ? Hier mijn goud, — hier mijn eigendom, — hier mijn kleinood!-' en als een waanzinnige viel hij op Ottilie aan, die luidkeels schreeuwde en met beide handen den gepantserde omklemde.

Nu pakte Siegfried den jood bij den rug, hief hem omhoog en wierp hem, onder luid gelach der omstanders in den naastbijzijnden hoek op een pak geite-vellen. Ben Marum lag een oogenblik bewegingloos, vervolgens sukkelde hij op en schreeuwde om zijne knechten.

»Ruben, — Simon komt hier, — help mij! Goede Ruben, beste Simon, deze onbesnedene Philistijn,quot; ging hij in de hebreeuwsche taal voort, »heeft gestolen

-ocr page 355-

33

het goed vnn uwen heer, de slavin van uwen meester, — gebruikt uwe vuisten, en helpt mij weer aan mijn eigendom. Bij den levenden God van Israël, gij zult het niet voor niemendal, doen! Zegenen zal ik uwe handen, beloonen wil ik awen dienst.quot;

De beide knechts, twee ineengedrongen gestalten naderden Siegfried, achter wiens rug Ottilie gevlucht was.

))Man, geef het goed terug van onzen heer.quot; zeide Ruben.

De voogd hief dreigend zijn ijzersterke vuist op

siGroed zoo, heer ridder!quot; riep Arnold. »Sla de honden voor den kop.quot;

»Beste Simon, — beste Ruben, valt hem aan, pakt hem aan, — klemt u aan hem, - en ik zal nemen mijn goed!quot; zeide Baruch.

»Heer ridder wees op uwe hoede!quot; riepen eenige stemmen op het oogenblik, toen de beide knechts als twee evervangers, op den beschermer van Ottilie aanvielen. Ruben sprong tegen Siegfried op en ging aan diens hals hangen, ijverig in de weer en alle krachten inspannend om den heer te doen vallen. De voogd echter zette zijn rechtervoet vooruit en stond vast, als een eik. Simon omknelde den rechterarm van Siegfried, met het doel om dit gevaarlijkste lidmaat onschadelijk te maken. Te gelijkertijd liep Baruch naar het ongelukkig meisje, dat zich als een wanhopige om het linkerbeen van den voogd vastklemde. Zoo vormde Siegfried een oogenblik het middelpunt van een groep, die hem omsloten hield. Uit bezorgdheid, Ottilie te kwetsen, vermeed hij elke hevige beweging. Ruben die aan zijn hals hing, schudd'e hij er niet af, maar hij drukte hem met zulk een kracht tegen zijn ijzeren borstharnas, dat Ruben steunde, zijne beenderen kraakten, en zijne oogen ver uit de oogholten puilden. Als ge-Can. D. II. 3

-ocr page 356-

broken viel hij aan de voeten van Siegfried neder. Een beweging met den rechterarm slingerde Simon ver weg. Nu keerde zich de sterke ridder tot Baruch, die Ottilie poogde weg te trekken, greep hem bij den nek en ten tweedenmale vloog Ben Marum in den hoek op tie vellen en wel met zulk een kracht, dat hij eenige minuten als levenloos bleef liggen.

Het volk lachte, klapte in de handen en gaf luid zijn goedkeuring te kennen.

»He Baruch, — wilt gij nog uw goed, — uw eigendom, ___ uwe waar?quot; riepen verscheidene stemmen op

beschimpenden toon. ))Ziet eens, — hoe hij de oogen verdraait! O wee, — Ben Marum verkoopt geen Christenen meer!quot;

«Ik betuig ii mijn eerbied heer ridder!quot; prees Arnold. »Gij zijt een man, - mijn diepsten eerbied!quot;

Baruch stond langzaam van den grond op.

»0 quot;wai mijne ribben!quot; klaagde hij. O wai, mijne beenderen. Recht en gerechtigheid, ik klaag! Ik roep de wet te hulp, — ik vorder schadevergoeding, - ja, schadevergoeding voor mijne knechts. Geworpen hebt gij mij, als een bal, — Baruch Ben Marum ait Spiers. Nedergeworpen, geworgd hebt gij mijne knechten, — geroofd mijn eigendom! Recht en gerechtigheid wil ik bij den koning vragen. Wilt gij mij opgeven uw naam? Of moet ik de gerechtsdienaars roepen, opdat zij pakken een onbekende?quot;

»Mijn stand en naam moogt gij vernemen, jood!quot; hervatt'e trotsch de jonge man. »Mijne handelingen schuwen het licht niet, evenmin als zij zich verschuilen achter het schild van den onbekende. Ik ben de beschermheer van Klingen, Siegfried van Landeck.quot; -En zich tot de menigte keerend ging hij voort; »Dit ongelukkig meisje is geboortig uit Saksen, hare ouders werden in den oorlog gedood en zij zelve werd als sla-

-ocr page 357-

35

vin verkocht. Wijl Ottilie een vrije, een christin is en mijne bescherming inriep, vorderden eer en ridderlijke plicht, de verlatene uit de macht van dezen zielver-kooper te redden.quot;

Algemeene goedkeuring.

Eer en ridderlijke picht!' riep de jood spottend. »Wat is de eer van een Christen, wat de plicht van een ridder? - Mijne knechten worden mishandeld, mijn eigendom wordt geroofd, — ik zelf ben tweemaal geworpen als een ledigen zak.''

»En gij beleedigt de menschenwaarde, Gods evenbeeld koopend en verkoopend als een redeloos dier,quot; antwoordde de monnik bestraffend. »Had niet reeds uw ongeloof u buiten de gemeenschap der Christenen gesloten, dan zoudt gij in den ban zijn wegens uwe misdaden.

»Wilt gij veroordeelen, heilige man, wat de koning veroorloofde? riep Ben Marum vertoornd. »Of wilt gij beletten den zeer machtigen koning te doen, wat hem behaagt.

»Ook koningen staan onder de wet,quot; antwoordde de monnik. «Nimmer mag een koning iets kwaads goed keuren, nimmer vrijbrieven uitreiken voor slavenhandelaars. Gij evenwel beleedigt de koninklijke waardigheid, voorgevend en liegend, dat Hendrik u den slavenhandel toestaat.

»Liegen? Waarom zou Baruch Ben Marum liegen, heilige man? Heb ik de waarheid niet aan mijne zijde? Heb ik geen vrijbrief des konings?

»Ja, gij liegt, hond van een jood,quot; schreeuwden vele stemmen

»Gijjoodsche-schelmen zuigt de Christenen uit,quot; riep een andere, »gij schobberts neemt ons beet en bedriegt ons, wij dulden het. Maar Christenmeisje te ver-koopen aan heidenen, dat dulden wij niet.

»Ja, — ja, de joden zijn het ongedierte, de parasieten

-ocr page 358-

3'!

en bloedzuigers van het Duitseho volk,quot; riep Arnold ontsteld. »Meii moet er een einde aan maken en alle joden dood slaan.

»Booten hier, — naar het schip, — laten wij de arme slaven bevrijden!quot; schreeuwden de mannen dooreen.

jBurgers van Mainz,quot; verhief de monnik zijne stem gt;geen geweldadigheid 1 Luistert naar mijn voorstel! Laat de jood zijn beklag doen bij den burchtgraaf en daar voor het gerecht bewijzen, dat hij verlof van den koning heeft voor den slavenhandel. Kan hij dit niet, — en ik ben overtuigd, dat hij het niet kan, — dan moet hij alle slaven loslaten. Dit meisje echter wil ik, met uw verlof, heer ridder, onder de hoede stellen van de kloosterzusters van St Peter, totdat het vonnis van den rechter geveld is.

»Zoo moet het zijn!quot; riepen de mannen goedkeurend.

»Ook moet de jood voor den burchtgraaf bewijzen, voltooide Poppo, »dat hij vrij is van het havengeld, zooals hij beweert.

»Ik kan het, -- ik kan alles bewijzen door mijn vrijbrief,quot; zeide Baruch, «Ottilie kan gaan naar het klooster, daar zal ik morgen terugvorderen mijn goed. Gaat voor mij verloren mijn eigendom Ottilie, dat waard is minstens drie pond goud, dan zal ik mij houden aan Siegfried van Landeck, den voogd van het sticht Klingen, dat hij mij betaald vier pond goud. — Waar is uw herberg, opdat ik sturen kan een gerechtsdienaar om u uitnoodigen te laten bij den burchtgraaf?quot;

»In de Hemelladder.'

»Goed, in de Hemelladder, — die herberg ken ik!'

De monnik nam Ottilie aan de hand en geleidde haar naar het nabijzijnd vrouwenklooster. Baruch Ben Marum volgde hen tot aan de poort, braakte een hebreeuwschen vloek uit en spoedde zich naar het koninklijk paleis.

-ocr page 359-

■37

»Heer voogd,quot; zeide Arnold, den edelman eerbiedig naderend. «Gij hebt u dapper gedragen. Haddet gij slechts een weinig meer kracht aangewend en den jood den schedel ingeslagen. Dat stinkende galgenaas, dat joodsche gebroed, wordt dik en vet van de bedrogen Duitsche eerlijkheid. Met eerder zullen geluk en zegen het deel des volks zijn, dan nadat de joden allen daarheen verdreven zijn, waar zij vandaan kwamen.

))Het is te hopen, dat niet alle joden zoo bedorven zijn als deze Ben Marum,quot; antwoordde Siegfried.

»Ik zeg u, heer voogd, de beste van hen deugt nog niet. De eerlijkste jood is een spitsboef,quot;' verzekerde Arnord. «Met hun geld brengen zij allen en alles onder het juk. Werken wil dat gespuis niet, — slechs schacheren, bedriegen en afzetten. — Ter loops zeg ik u, heer Siegfried! Daar is mijn huis— bewijs mij de eer, ga met mij en versmaad een beker wijn niet.

De voogd sloeg de uitnoodiging van den goedharti-gen burger niet af. Hij gebood zijne knechten in de naburige herberg zijn terugkomst af te wachten en volgde Arnold. Verscheidene burgers sloten zich bij hen aan.

Arnold opende de deur van een zeer groot gebouw, waar een bedrijvig kloppen, hameren en schaven der kuipersgezellen van het binnenplein en de daaraan grenzende werkplaats, de straat deden weergalmen.

»Komt hierbinnen, waarde gasten!quot; zeide de kuipers-baas Arnold.

Eenige minuten later zaten de mannen om een tafel in de groote kamer. Volle wijnkruiken, vleesch en brood werden .voorgezet. Siegfried roemde de kracht en de deugdelijkheid van het Mainzer gewas.

De burgers zaten ernstig te kijken en dronken weinig.

-ocr page 360-

38

«Slechte tijden!quot; begon Arnolds oom, Hein de hand-schoenraaker. sEr gebeuren dingen, die maar niet te begrijpen zijn. Een eerlijk man zou zich ongerust maken en gaan geloo'-en, dat alle waarheid en gerechtigheid op de wereld uitgestorven zijn. Wat is dat tegenwoordig voor een beschuldigen, ophitsen en twist stoken in onze stad? En zoo moet het in het geheele Rijk toegaan en nog erger. Er wordt geroofd, gestolen en gemoord — zelfs slavenhandel gedreven in naam des konings. Als Hendrik IV ook maar het honderste deel gedaan heeft van datgene, waarvan men hein beschuldigt, — dan kan hij gerust afstand doen van den troon en koning bij de heidenen worden. Zulk een onchristen mag over geen Christenen heerschen.

»Geloof het niet, oom, — alles is gelogen!quot; beweerde Arnold. »De aanhangers van Hellebrand zouden onzen vroolijken, eerlijken Hein gaarne schepter en kroon afhandig maken, daarom verzinnen zij allerhande slechte zaken van hem.

))VeeI kan verzonnen zijn, maar alles niet,quot; hernam de handschoenmaker. »Wat is dat nu weer voor een ergerlijke geschiedenis met dien Baruch? De jood heeft niet gelogen, -- hij hield zich veel te stijf bij zijn stuk. De koning gaf hem werkelijk een vrijbrief voor den slavenhandel.quot;

Gij zijt niet verstandig!quot; antwoordde een ander lachend. »Zal ik u zeggen, wat daarvan is, burger? De jood Baruch liegt zoo van den koning, om hem verdacht en bij het volk gehaat te maken.

»Oho, broeder Hannes, — zoo dom is geen jood, om den koning valsch te beschuldigen van schurkenstreken en zoo zijn hals aan den strop te brengen,quot; sprak een ander tegen.

»Voor geld doen de joden alles,quot; antwoordde Hannes. »Ja, geld heeft Marum van de aanhangers van Helle-

-ocr page 361-

39

brand gekregen, opdat hij dat armzalig praatje over den slavenhandel zou uitstrooien.

»Gij zoudt waarlijk gelijk kunnen hebben! Slimme guiten zijn die aanhangers van Hellebrand, tot elk bedrog in staat, — dat heeft gisteren die monnik duidelijk bewezen in de vergadering

»Die monnik is zelf een schelm, hij heeft een vrouw en ik vertrouw geen gehuwd priester, die ontrouw is aan zijn eed,quot; antwoordde de handschoenmaker.

»quot;VVat was dat vour een vergadering?quot; vroeg Siegfried, die met eenig misnoegen bemerkte, dat hij met aanhangers van den Saliër aan tafel zat.

»Een prachtige vergadering, laat ik u dat eens vertellen, heer voogd!quot; antwoordde Arnold. gt;mij weet stellig, dat Paus Hellebrand allen geestelijken geboden heeft, hunne vrouwen weg te zenden, omdat dit tegen de kerkelijke wetten strijdt. Maar die goede menschen wenschen zich niet te scheiden van hunne vrouwen, — natuurlijk! Onze aartsbisschop stond hun een ge-ruimen tijd toe om zich te bedenken; — maar de vrouwen bleven in de pastoriön. Toen ontbood de aartsbisschop alle pastoors hierheen in zijn paleis tot het houden eener synode. Wel twee honderd kwamen. Ook vele aanzienlijke burgers werden uitgenoodigd. Sigifrid, de aartsbisschop, zat op de eereplaats. Naast hem stond een monnik van zijn hof, die een brief van den Paus voorlas. In dien brief stond, dat volgens de oude kerkelijke wetten geen geestelijke een vrouw mocht hebben, anders was hij in den ban. — Nauwelijks was de brief voorgelezen of een helsch geweld brak los. De pastoors schreeuwden ; »1)0 Paus is een groot ketter; want hij veracht den Bijbel, waarin geschreven staat: Die zich niet kan onthouden, mag trouwen, wijl het beter is te trouwen, dan in de hel te branden.quot; —-Een ander stond op en schreeuwde: «Hellebrand wil

-ocr page 362-

40

ons zwakke menschen dwingen, als engelen te leven. Dat kunnen wij niet. Wij behouden onze vrouwen, wij zenden ze. niet weg. Liever doen wij afstand van ons ambt, dan van onze vrouwen. Kan de Paus geen getrouwde priesters gebruiken, dat hij dan engelen uit den hemel late komen.quot; — Zoo ging het voort. Het was een oorverdoovend geweld. De aartsbisschop zeide, hij moest den Paus en de pastoors moesten hem gehoorzamen. Die hem niet wilde gehoorzamen, was van zijn ambt ontzet. Daarop werden de pastoors woedend. Zij schreeuwden: ))Rukt hem van den stoel, - slaat hem dood, — ook hij is een ketter!quot; De aartsbisschop werd bleek als een doek maar bleef zitten. De pastoors staken de hoofden bijeen en bespraken de zaak onderling. Daarop trad een hunner voor en zeide: ))Wij roepen de bescherming des konings in tegen de geweldenarij van Hellebrand en zijn aanhangers.quot; Nadat hij dit gezegd had, verlieten allen de zaal. ')

«Treurige voorvallen!quot; zeide Siegfried. sMij dunkt, dat de koning de gehuwde geestelijken tegen den Paus en den aarsrbisschop stijft. Want zij zeiden den Opperherder de gehoorzaamheid op en zij riepen tezelfder tijd de bescherming des konings in, — dat is verdacht.

sSte'lig stijft hen de koning en hij heeft gelijk!quot; antwoordde Hannes. ïDe Paus moet de monniken en de pastoors laten trouwen en hun geen onnatuurlijk juk opleggen.

»Zijt gij op de vergadering geweest. Hannes ?quot; vroeg de handschoenmaker.

»Neen! Dat spijt mij wel. Wie had kunnen veronderstellen, dat het dozen keer er zoo zou toegaan ?quot;

«) Gfrörer, 1) Vil. hl. 382 -587.

-ocr page 363-

11

En gij, kuiper,quot; ging de handschoenmaker voor, »gij hebt de hoofdzaak weggelaten Gij hebt niet verteld, hoe de monnik aan de zijde van den aartsbisschop, den ongehuwden staat der geestelijken niet weinig geroemd en verheven heeft.

sDat was mij te geleerd, — ik kon het niet 'onthouden.

»Yolstrekt niet geleerd, — een ware preek was het,quot; antwoordde de handschoenmaker. ))Op de eerste plaats heeft de monnink gezegd, dat de joodsche priester in het oude verbond op Gods bevel zich van hunne vrouwen moesten onthouden, als zij den H. Dienst in den tempel verrichtten, — de priesters van het Nieuwe Verbond zijn voortdurend in den H. Dienst en wel In een veel verhevener en heiliger Dienst, dan de joodsche geweest is, derhalve moeten zij zich altijd van de vrouwen onthouden. — Vervolgens heeft hij gezegd: Jezus Christus, de Hoogepriester, is ongehuwd geweest en naar zijn voorbeeld moeten zich alle Pausen, bisschoppen en priesters schikken. — Yerder heeft hij gezegd: de meeste Apostelen zijn ongehuwd geweest, en die, welke vrouwen hadden, hebben zich van hunne vrouwen onthouden, zoodra onze Heer en Zaligmaker hen tot priesters geroepen heeft. — Hij heeft ook gezegd: de Kerk heeft een maagdelijken Stichter, zij zelve is maagdelijk en zij wil ook een maagdelijk priesterschap; want een kuisch geslacht is aangenaam voor God. Wie zich van de vrouw niet kan onthouden moet zich niet tot priester laten wijden; - Ook heeft hij gezegd: dat de apostel Paulus aan die van Corinthe geschreven heeft: »\Vie zonder vrouw is, die is bezorgt voor datgene, wat des Heeren is, opdat hij Gode behage Wie echter een vrouw heeft, die is bezorgd voor datgene wat van de wereld is, opdat hij de vrouw behage,quot; Ren priester evenwel, heeft hij gezegd, moet

-ocr page 364-

t2

slecht aan God behagen, hij mag voor geen wereld-sche zaken, maar hij moet enkel voor het heil der zielen bezorgd zijn, derhalve kan hij niet trouwen.

»Wat heb gij die preek goed onthouden, Hein!

»0 ja, mijn oom heeft een geheugen als een vat van tien eimers, er gaat veel in ' roemde de kuiper.

»Wat heb ik er van onthouden, doch niet alles,quot; antwoordde bescheiden de handschoenmaicer. ïïGenoeg, ik werd volkomen overtuigd, dat priesters niet moeten of mogen trouwen, — dat het altijd zoo in de Kerk geweest is, — dat de ontevreden priesteis geheel uit den aard geslagen zijn. Ware ook Paus Hildebrand een slecht mensch, gelijk men van hem zegt, hij heeft gelijk met den priesters het huwelijk te verbieden.

»Oorn hebt gij ook gehoord hoe er een den monnik toeriep; »De apostel Paulus schrijft aan Timotheus : de bisschop is de man eener vrouw!

jStellig heb ik dat gehoord! En wat antwoordde de monnik daarop? Hij zeide; In den eersten tijd van het Christendom werden meestendeels bejaarde mannen, gedoopte joden of heidenen, omdat dit niet anders kon, bisschoppen. Deze mannen waren getrouwd geweest, en de Apostel gebood, enkel zulke mannen tot bisschoppen te kiezen, die slechts één vrouw hadden, maar niet zulke, die tweemaal gehuwd geweest waren. Derhalve, zeide de monnik, volgt uit dezen bijbeltekst ook de priesterlijke onthouding.

»Nu7 dat moet ik bekennen, dat ik niet gaarne bij een monnik of pastoor zou biechten, die een vrouw heeft!quot; riep lachend Arnold de kuiper. »De vrouwen verstaan de kunst uitmuntend, om achter alle geheimen te komen.

)gt;Daarom moest de koning ook geen teugellooze priesters ondersteunen en stijven tegen den Paus en de

bisschoppen,quot; zeide Siegfried.

gt;Ik merk, dat gij geen vriend des koning zijt her-

-ocr page 365-

43

nam Hannes met een onvriendelijken blik. ))Ga toch naar de kerken en hoor daar zijn lof verkondigen!

»Wordt er over den koning gepredikt?

»AlIe dagen, — en hoe? Dat het een lust is. Al zijne talenten en deugden worden geroemd. Buitendien wordt er gescholden op de listige streken van den slechten Hellebrand, die onzen goeden, vroolijken Hein afgezet en in den ban gedaan heeft, opdat hij over alles alleen zou kunnen heerschen.

»De Paus heeft den koning niet afgezet,quot; antwoordde Siegfried. iHij heeft hem geëxcommuniceerd en te recht; want koningen moeten even goed aan de goddelijke wetten gehoorzamen, als iemand anders.

»Dat ben ik met u eens, heer voogd! zeide de handschoenmaker. »En als de jood morgen bij den burcht-graaf bewijzen kan, dat hij van den koning het recht heeft ontvangen, om menschen te koopen of te ver-koopen dan weet ik, wat men daarvan moet denken.

»Ik kan het niet gelcoven, — het is ook volstrekt niet mogelijk! riep Arnold.

»Wij zuilen zien, ik ben zeer nieuwsgierig,quot; antwoordde de handschoenmaker.

»Wij gaan er allen heen! Burgers, dat is een hoogst gewichtige zaak,quot; riep Arnold zeer ernstig. «Ligt de koning zoo met den jood onder een deken, dat hij hem zelfs vrijbrieven geeft om menschenhandel te drijven, dan is Paus Hildenbrand geen duivel en aartsketter, zoo als de monniken des konings beweren, maar een heilig man.

Een duivel is echter een ander.

De lucht werd benauwd in de kamer. Siegfried stond op dankte den gastvrijen kuiper en verliet het huis.

-ocr page 366-

i4

DE VOORTVLUCHTIGE VORSTENKINDEREN.

De beschermheer van Klingen ging naar den oever, waar de drukte in algemeene werkeloosheid was veranderd. Matrozen en arbeiders rustten. De rnenschen aten en dronken in herbergen, op schepen, of zaten op den grond.

Siegfrieds geleiders hadden zijn terugkomst voor een herberg afgewacht. Zij ledigden hunne kruiken, hingen hunne schilden op den rug en volgden hun gebieder. Bero, de zoon van Gundelkarl, droeg twee schilden, namelijk zijn eigen en dat van den voogd; want hij meende in de nabijheid van zijn koninklijken doodsvijand elk oogenblik de ijzeren beschutting noodig te kunnen hebben.

In de nabijheid van het vrouwenklooster St Peter trad hem de monnik, die Ottiüe in veiligheid had gebracht vriendelijk tegen.

»Zij is in veilige haven en naar wij hopen gered uit de schandelijke slavernij ; want ik geloof niet aan de verzekering van den jood, dat hij een vrijbrief bezit voor den slavenhandel.

«Waarom niet?quot; vroeg hem de gewapende. ))Als de koning zelf de heiligste rechten van den mensch met voeten treedt, als hij op hemeltergende wijze door Simonie onratït in de Kerk stookt, als hij schaamteloos en in het openbaar tegen Gods geboden handelt, waarom zou hij dan een rijken jood geen vrijbrief verkoopen, om meuschenhandel te drijven? Volgens mijn oordeel is elk gewetenloos vorst een slavenhandelaar op groote schaal, omdat hij niets acht, uiets voor heilig houdt zelfs het heiligste niet; maar alles

-ocr page 367-

45

aan zijne hartstochten dienstbaar maakt. De slavenhandelaar Baruch Ben Marum is slechts een kramer tegen den groothandelaar Hendrik IV.quot;

De monnik - keek den man, die tegenover hem stond en wiens gelaat van toorn gloeide, verwonderd aan.

»Gij zijt zeer onbarmhartig jegens Hendrik IV, heer voogd!quot; zeide hij, terwijl een treurige aandoening op zijn gelaat te zien was, »Wie het goed meent met zijn volk, wie God lief heeft en zijne Kerk, moet stellig boos worden en klagen over verwoesting en verval van alle orde in het Rijk. Bovendien schijnt gij, heer voogd, om persoonlijke redenen vergramd te zijn op den Saliër.

»Stellig, eerwaarde vader! Men beeft mij gezegd, dat de aartsbisschop Udo van Trier hier aan den Rijn woont. Ik zoek juist diens herberg, met bet doel, mij onder de bescherming van dien vorst te stellen tegen de moorddadige plannen van Hendrik.

»Uwe woorden klinken zonderling en duister, heer voogd! Mag ik u een nadere verklaring verzoeken?quot;

De jonge man aarzelde. Het kon zijn, dat de monnik een vermomde aanhanger des konings was en dat hij het vertrouwen hem geschonken, tegen Siegfried zou misbruiken. De onbekende scheen dit wantrouwen van den dralende te gissen.

»Wees volstrekt niet bevreesd of bezorgd! Gij spreekt met den besten vriend van den aartsbisschop Udo. Ik zou u onmiddelyk aan den prelaat voorstellen, als hij op 't oogenblik te huis ware. Laten wij wat ter zijde onder die poort gaan. Op mijn priester woord, — verdient uwe zaak Udo's bescherming en bijstand, deze zullen u geworden!quot;

De vertrouwelijke taal van den monnik zoowel als

-ocr page 368-

'ifi

zijn gemoedelijke manier van doen en zijn vorstelijk voorkomen brachten Siegfried aan het spreken.

In korte woorden schilderde hij den toestand van liet stift Klingen, schetste den gehuwden, simonisti-schen Lantbert, door den koning tot abt verheven, deelde zijn protest mede, dat hij den Saliër te Worms had gedaan, de gewelddadig verhinderde inbezitneming van den abtszetel door Lantbert en eindelijk de dagvaarding des konings om rekenschap te geven.

De monnik had het verhaal met alle aandacht gevolgd. Hij sloeg een blik van hoogachting op den jongen man.

xDank en hoogachting voor uw getrouwe plichtsbetrachting, heer voogd! Gij hebt gehandeld volgens uwen plicht en gij doet verstandig om den bijstand van Udo in te roepen.quot;

Hij gaf hem de rechterhand. Siegfried bemerkte den herdersring aan den vinger van den monnik en ontstelde.

«Meent gij, eerwaarde vader, dat ik den heer Udo met mijne aangelegenheden lastig zou durven vallen ?quot;

))De aartsbisschop zal zich verplicht achten, u bij te staan; want uwe zaak is rechtvaardig. Derhalve zal Udo niet dralen, u met zijn schild voor elke daad van geweld te beschermen tegen den Saliër. — Gij woont in de Hemelladder ?quot;

»Ja, in de Hemelladder, eerwaarde vader!quot;

»Goed! Udo zal u laten roepen. Ga voor dien tijd niet naar het hof. — Heer voogd, het doet mij genoegen, kennis gemaakt te hebben, met een moedigen, nauwgezetten man van karakter.quot;

Hij boog zich groetend en ging heen.

Siegfried, gerustgesteld over den afloop zijner aangelegenheid, verliet de poort en ging bij een groepje

-ocr page 369-

-1.7

menschen, die met gespannen aandacht naar een bootje stonden te kijken, dat op den Rijn dreef. In het kleine vaartuig zat een man, die uit alle kracht met twee roeispanen werkte, om het land te bereiken. Voor hem laten twee knapen en achter de boot staken boven den waterspiegel de koppen en de halzen uit van twee zwemmende paarden. Aan den tegenovergestelden oever, waar de Main in den Rijn valt, liepen ge-wapenden heen en weer, blijkbaar een vaartuig zoekend. Somlijds schreeuwden en wenkten zij naar den overkant om de knapen in de boot gezeten in naam des konings aan te houden.

nWat mag dat toch zijn? Ziet, hoe prachtig die paarden zwemmen!quot; zeide een man uit de groep.

»En de schipper vaart van daag niet voor den eersten keer op den Rijn; — ziet eens hoe zeker hij naar 't land houdt, in weerwil van den stroom,quot; zeide een ander.

»Houdt ze aan, — in naam des konings, — houdt ze aan!quot; klonk het van de overzij.

))Het zijn uitgebroken spitsboeven, — hoort, in den naam des koning moeten wij hen aanhouden;quot; bemerkte een derde.

»Gij zijt een gek!quot; zeide een andere »Het zijn kinderen, — twee knapen, hoe zouden dat spitsboeven kunnen zijn?1quot;

De boot kwam aan wal. Twee bleekschoone knapen van dertien en veertien jaar verlieten het vaartuig terwijl zij hunne geborduurde bovenkleederen ach-terlietsn. Hunne kleeding was die der hoogste standen, hun wezen schuw en angstig. Ook de paarden, gezadeld en opgetuigd hadden het land bereikt en volgden, »als twee hondjes, de knapen.quot;' ')

') Uitdrukking vau den kroaieksclirijTer.

-ocr page 370-

48

«Houdt ze aan, in naam des konings, — houdt ze aan!quot; klonk het nogmaals van den overkant.

De kleinen zagen de aangroeiende menigte vreemde rnenschen, hoorden het geroep hunner vervolgers, de tranen kwamen hen in de oogen en rolden over de verbleekte wangen.

»Wat zijn dat aardige jongensquot; roemde een stevige visschersvrouw. ))Ziet eens hoe die kinderen sidderen van angst, — het is om medelijden met hen te krijgen. — Komt maar, er zal u geen leed geschieden! Komt maar, — vreest niet,quot; bemoedigde zij de dralenden.

De knapen kwamen aan de oever, door duizende vragen van nieuwgierigen als overstelpt.

»Wie zijt gij? Waar komt gij vandaan? Wat hebt gij gedaan? Wie is 't die u vervolgt?

ïHoudt uw monden toch dicht en laat hen spreken, riep een forsch matroos ontevreden. ï Weest maar niet bang, -- gij zijt twee moedige jongens,quot; en de groote matrozenhand streek hen liefkozend over de blonde krullekoppen.

De vluchtelingen' kregen moed, zij stonden in het midden van een grooten kring en de oudste begon:

»Ik ben Hendrik, de zoon van Adela van Brabant en Dedo van Saksen. Mijn dierbare kameraad is Frede-rik, de zoon van den markgraaf van Stade. De booze koning Hendrik houdt ons een jaar gevangen op den burcht van ridder Eberhard. Daar Eberhard een goed man is, mochten wij de kamer verlaten en op het slotplein spelen. Daarvoor ontving Eberhard fraaie geschenken van onze lieve ouders. En omdat wij brave jongens waren zooals ridder Eberhard zeide mochten wij met de dienstmannen uitrijden Ook nam ons de ridder mede op de jacht in het schoone woud. Wij kregen het heimwee. Wij wilden naar onze lieve ou-

-ocr page 371-

49

ders terug en niet meer ver van onzen geboortegrond gevangen zijn- Waren wij maar te Mainz bij onzen neef Sigifried, don aartsbisschop, die zou ons wel naar onze ouders terugzenden — zeiden wc tot elkander. Maar wij wisten weg noch steg, wij schreiden vaak in 't geheim tegen elkander. Dezen morgen nam ons Eberhard weer mode op de jacht. Op eens waren wij alleen midden in hot woud , omdat ridder Eberhard met zijue knechten de herten nazette. Toon zeido ik , lieve Frederik, nu kunnen wij vluchten, — wilt gij? •— Ja , liove Hendrik , zeido hij , ik wil gaarne, ■— maar waarheen ? De goede God zal ons geleiden, zeide ik. — Wij gaven onze paarden de sporen en zoo reden wij over borg en dal , totdat wij aan de Main kwamen. Daar zat een visscher in zijne boot. Wij beloofden hem onze bovenkleederen , als hij ons wilde overzetten, opdat ons Eberhard niet konde achterhalen. Do visscher nam liet aanbod aan. Wij stapten in de boot en voe-ren over. Onze paarden zwommen langs den oever. De visscher zeide, dat Mainz niet ver af was. Wij smeekten den goeden man, ons hierheen te brengen. Zoo go-beurde het. Wij voeren in do boot en aan den oever gingen onze getrouwe paarden. Nu ontdekte Eberhard ons spoor en zotte ons na. — Ach God , — hoort gij hem roepen ') ?

„Halloh, — houdt ze aan in naam des konings klonk het van de overzijde.

Tevens zag men Eberhard met zijne knechten in een schuitje van wal steken.

„Wij kunnen u niet helpen, kinderen, hoe gaarne wij dit ook zouden doen ,quot; zeide een burger. „De koning zou stellig dengene met den dood straffen, die zijne ge-

•) Voigt, W. 432 vv. Gfroier, D. VII, b!. 638 vv. gak. d. ii.

-ocr page 372-

50

vangenen verborg , of hunne vlucht mogelijk maakte.

„Ach God, — help ons, — Eberhard komt!quot; riep de jongste weenende.

„Wie ons verbergt zal door onzen neef Sigifried rijkelijk beloond worden,quot; verzekerde do oudste. „Lieve menschen van Mainz, ik smeek u vriendelijk, Aveest goed voor ons , — verbergt ons !

„Eberhard zal ons opsluiten en stratfen, omdat wij gevlucht zijn, — wij zullen ons vaderland en onze lieve ouders nimmer weer zien ,quot; klaagde de jeugdige markgraaf.

„Wij kunnen niet, — wij mogen niet, — wij zouden het duur moeten boeten,quot; zeiden de mannen, die in den kring stonden.

„Zie dan toch eens , welke aardige , knappe kinderen het zijn, helpt hen !quot; riep de visschersvronw. „Wil niemand medelijden hebben , — wil niemand zich over hen ontfermen ? Kinderen, ga dan met mij, ik zal u verbergen , de booze Eberhard zal u niet krijgen.

„Halt, Wilwirk , gij zijt niet verstandig!quot; zeide afwerend een man. „Die daad zou u aan de galg brengen. De gevangenen des konings verbergen ? Hij zou u onmiddellijk laten ophangen , domme gans !

„Maar zie dan toch dio arme kinderen eens ! Is het niet om te schreien?quot; riep de medelijdende. „Wee hen, als zij weder in de klauwen van Eberhard komen ! Zij hebben het daglicht voor den laatsten keer gezien.

„Dat gaat u niet aan , quot;Wilwirk ! Zorg voor uw eigen leven.

„En laat de onschuld te gronde gaan, — ja — ja, zoo is 's werelds loop zeide de visschersvronw toornig. „Ware ik maar een man, — of ook maar een ridder, zoo sterk als er daar een staat, — ik zou de bevende kinderen beschermen , ten spijt van tien koningen.quot;

-ocr page 373-

51

De laatste woorden waren op Siegfried gemunt, diemet levendige deelneming de beide jeugdige slaclitoffers van Hendrik IY beschouwde. Do vluchtelingen stamden af uit Saksen, het vaderland van Godila, een sterke beweegreden om liet medelijden van Siegfried voor do hulpbehoevenden op te wokken.

Hoe nader hot vaartuig van Eberhard kwam, hoe grooter de angst en hoe inniger het smeeken der knapen werd. Ka vielen zij voor Siegfried op de knieën en staken in doodangst de handen naar hem op.

„Heer ridder, als ons allen verlaten , gij kunt, gij moogt het niet!quot; riep de oudste. „Onze leermeester heeft ons gezegd, dat christelijke ridders wezen, zwakken en verdrukten moeten beschermen met schild en zwaard. Wij zijn nu weezen, wij zijn verdrukten en zwakken, — red ons! Help ons , armen, bij uw eer!

„Hoort toch eons, welke verstandige jongens het zijn!quot; riep Wilwirk, wie de tranen over de wangen biggelden. „Heer ridder, wees toch geen dommerik! Waartoe draagt gij uw zwaard en pantser ? Xu kunt gij toonen, of gij een echt ridder zijtquot;

Siegfried aarzelde, maar slechts zoo lang , totdat hem de billijkheid der bescherming voor de vluchtelingen en zijn plicht om hulp te verleenen duidelijk was geworden. Nu nam hij beide knapen bij do hand en liep ijlings niet hen naar het huis van den kuiper Arnold.

„Volgt mij , kinderen !quot; zeide hij. „Ik zal u naar mijn beste vermogen beschermen.quot;

De paarden volgden hunne meesters op den voet, en de verzamelden gaven luide hunne goedkeuring te kennen.

„Wie is deze rijzige edelman?quot; vroegen vele stemmen.

„Het is dezelfde, die heden het meisje uit de klauwen van den vervloekten jood gered heeft,quot; klonk het.

-ocr page 374-

52

„Ecu knap man , — een cilel heer, — God helpc hem !

„Hij doet eeu goed werk, het moet gelukken,quot; zeide een burger. „Ik was juist besloten, de voorname kinderen in mijn huis te verbergen; ik heb toch ook kinderen en medelijden.

„Gij denkt juist, als ik, buurman!quot; zeide goedkeurend een ander. „Ik wilde juist de vorstenkinderen , die neven van onzen aartsbisschop zijn, naar mijn huis brengen, toen mij de geharnaste voor was.

„Hoort eens!quot; riep AVilwirk spottend. „Xu wil ieder, zoo even niemand een edel beschermer zijn. Maar zoo gaat liet in de wereld. Niemand wil helpen in den nood; maar is geholpen, dan zou iedereen barmhartig willen zijn. Foei, foei, gij schijnheiligen !quot;

Op dat oogenblik kwam Eberhard aan wal. „Schuimbekkend van woede en wraaklust ,quot; zoo als de kroniekschrijver van Hersfeld getuigt. Met spanning en koele afgetrokkenheid ontvingen de omstanders hem en zijne knechten.

„Waar zijn do beide knapen ?quot; sprak Eberhard, een forsche gestalte met oogen van toorn fonkelend , do menigte aan. „Waar zijn de knapen, — 's konings gijzelaars ? Wilt gij antwoorden ?quot;

„Wat gaan ons de gijzelaars des konings aan?quot; zeide een matroos.

„Wat, vervloekte slaaf, gij durft mij tarten ?quot; tierde Eberhard. „Bij mijn eer, vind ik de knapen niet, dan zal ik geheel Maiuz in brand steken ') !quot;

„Dat is ecu onchristelijke bedreiging , heer !quot; hernam een burger. „Hoe kunt gij onze goede stad in brand willen steken; als een vreemdeling datgene deed, wat wij uit achting voor den koning niet doen wilden ?quot;

*) Gfrorer, D. VII, 540.

-ocr page 375-

hi

■'•v i' ):

I

PI

„Hoort dien lummel eens!quot; riep Wilwirk toornig. „Hebt gij zoo even niet gezegd , dat gij de kinderen hadt willen redden, was u de vreemde ridder niet voor geweest ? En nu kromt gij u als een kat voor dozen, omdat hij oogen in liet lioofd heeft, als vurige kolen? Schaam u, — Schaam u!quot;

Luid gelach der omstanders.

„Ik zal u in stukken houwen , vervloekt wijf!quot; riep Eberhard, hot zwaard trekkend.

Maar de tong van quot;Wilwirk was scherper, dan het zwaard van Eberhard.

„Kijk toch eens welk een dapper man , die weerlooze vrouwen in stukken houwen kan!quot; riep de onverschrok-kene. „Meent gij, dat ik bang voor u ben, omdat gij een gezicht trekt, zoo leolijk , als tien bandhonden.

Herhaald gelach. Eberhard trok schielijk de hand van het zwaard terug.

„Yoor den laatsten keer vraag ik : waar hebt gij de knapen verborgen?quot;

Algemeen stilzwijgen.

„Zoek ze, edele, dappere heer!quot; spotte Wilwirk. Mainz is groot, gij zult een aardig poosje moeten rondsnuffelen.

„Heer,quot; zeide oen knecht van Eberhard, „ik heb duidelijk gezien, dat de jongens die steeg niet een man zijn ingeloopen.

Eberhard wierp eene woedenden blik op de omstanders en ging met zijne lieden naar do naastbijgelegen steeg, die op de kade uitkwam.

Intusschen had Siegfried do vluchtelingen aan don kuipersbaas Arnold voorgesteld , in vliegenden haast hem hun toestand medegedeeld en verzocht, een knecht naar het aartsbisschoppelijk paleis te zenden. Hij verzocht den knapen voorloopig bescherming in zijn huis

!i ,

II

Hl

- ' :

till tl

~ ■ j! f • y

i

il

:ÉI

1

■üi

|

1

-ocr page 376-

54

te verleenen, totdat de vorst hulp gezonden had. Met eenigen tegenzin bewilligde Arnold in het verzoek. Een kniperskneolit liep naar het aartsbisschoppelijk paleis. Aan de knapen werd een kamer aangewezen. Nu bemerkte Siegfried de getrouwe paarden voor het huis. Hij verzocht, ook hen verblijf toe te staan. Deze omstandigheid verried de schuilplaats der vluchtelingen; want juist werd do poort van do binnenplaats achter do paarden dicht gemaakt, toen Eberhard met zijne knechten de steeg inkwam.

„Daar in dat huis zijn zij verborgen, juist werden de paarden binnengelaten,quot; zeide een der gewapenden.

„Doe open , — hedaar — doe open in naam dos konings iquot; riep Eberhard, met den knop van zijn zwaard op de gesloten deur kloppend.

„Wat verlangt gij , hoer ? vroeg Siegfried van binnen.

,,Do beide knapen verlang ik , die mij ontloopen en hier verscholen zijnantwoordde Eberhard, en sloeg weer tegen do deur.

„Laat dat kloppen! U blijft de toegang gesloten,quot; zcide Siegfried, terwijl hij den edelman terugstiet en zich voor de poort plaatste.

„Aha, — gij staat in gemeenschap met de snaken!quot; snauwde Eberhard den gewapende toe. „Terug, zeg ik, — in naam der wet!quot;

„In naam der wet sta ik hier, ter bescherming van weerlooze kinderen, antwoordde de voogd bedaard.

„Gij? Wie zijt gij?quot;

„Een edelman , op hot oogenblik de beschermer en do verdediger der onschuld.

.Heerlijk! — Uw naam? Uw ambt?

„Mijn naam is voor deze zaak onverschillig en mijn ambt is, zoo als ik gezegd heb, ridderdienst voor zwakken en weerloozen.quot;

-ocr page 377-

„Gij komt mij zeer verdacht voor; want geen eerlijk man verzwijgt zijn naam. Ik ben Eberhard, de getrouwe vazal des konings , — wie zijt gij?quot;

„Als u mijn naam van mijn eerlijkheid overtuigt, — goed ! Ik ben dan Siegfried, de beschermheer der abdij Klingen.quot;

„En gij wilt mij beletten , de gijzelaars des konings . op te eischen ? lieer Siegfried bedenk u wel! Uw hoofd is in gevaar.quot;

„Houd u goed, heer Siegfried, houd u goed!quot; riep Wilwirk uit de groep , die in de steeg was bijeenge-loopen. „Lever dezen wolf de arme schaapjes niet over, -— houd u goed !quot;

„Voor do laatste maal vorder ik in goedheid den vrijen toegang tot uit luns,quot; zeide Eberhard. „AVeigert gij, dan volgt geweld en bloedige straf voor uwe trotschheid.quot;

„Laat uw zwaard in de scheede rusten, beste heer!quot; antwoordde de voogd doodbedaard. „Gij en uwe mannen zijt zonder schilden , zonder wapenrusting , en ik heb geenszins trek om te zegevieren over ongewapenden.quot;

Eberhard beschouwde de rjjzige gestalte van den gewapende, de ijzeren kracht zijner ledematen, en oordeelde een strijd voor bedenkelijk.

„Dwing mij niet tot bloedvergieten, heer Siegfried, zeide hij Op een verwijtenden toon. „Ik heb recht, de knapen op te eischen. Hoe durft gij het wagen , een vazal des konings in de uitvoering zijner bediening tegen te werken ?quot;

„Ik neem aan ,quot; antwoordde Siegfried , „dat de bei-do Saksische vorstenkinderen even goed slachtoffers zijn van ongehoord geweld, als zoo vele andere Sak-sers , die in de kerkers dos konings versmachten. Mag ik bij een dergelijke meening de kinderen aan u uitleveren ? Noen , — bij mijn ridderplicht, neen ! Yorgis

-ocr page 378-

50

ik mij daarentegen , heeft Hendrik IV ■werkelijk wettig reelit op de knapen , dan kan hij ze terugeischen van den aartsbisschop Sigifrid, wiens bijstand zij hebben ingeroepen.quot;

„ITel en duivelschreeuwde Eberhard woedend en met de voeten stampend. „Mannen, trekt uwe zwaarden ! Deze Siegfried heeft den koning beleedigd, — hij heeft hem van een onwettige geweldenarij beticht, — hij verzet zich onbeschaamd tegen den beambte dos konings , houwt hem daarom neder!quot;

De krijgslieden trokken hunne korte jachtzwaarden. De wapenen rinkinkten en het groote zwaard van den sterken strijder flikkerde in den zonneschijn.

,llu , — welk een zwaard !quot; hoorde men onder de terugwijkende menigte. „Eberhard, — hebt gij gebiecht? Arme Eberhard , geen duit geef ik voor uw loven !quot;

Siegfried stond met opgeheven schild, naast hem Bero van Gimdelkarl en diens kameraad , eveneens tot den strijd gereed. Eberhard aarzelde.

„Nu •— begint het haast ? Gaat het er haast op los?quot; riep Wilwirk. Ik zou wel eens gaarne zien, hoe die dappere Eberhard vecht, die vrouwen aan stukken kan houwen.quot;

De schimpscheuten der inwoners van Mainz prikkelden den dralende beambte. Hij pakte zijn wapen vaster, keek met doodelijken blik op den vijand en was juist op het punt, het toeken tot den strijd te geven.

In dit noodlottig oogenblik hoorde men wapengekletter in dc steeg en den dreunenden looppas van aanrukkende dienstmannen. Eberhard stak het zwaard in de scheode en stond te luisteren.

„Hoerrah, — zij komen, zij komen, — de mannen van den aartsbisschop ?quot; schreeuwde het volk.

Een afdeeling krijgslieden, aangevoerd door graaf Koenraad van Lutzelburg , verscheen voor het huis.

-ocr page 379-

57

„Wat is hier te doen! quot;Waar zijn de vorstenzonen?quot; vroeg Koenraad.

„In dit huis,quot; antwoordde Siegfried, zijn zwaard in de scheede stootend en den toestand onderzoekend.

„Ik protesteer tegen deze schending van de hoog-heidsreehten des konings door den aartsbisschop,quot; riep Eberhard.

„Terug , ■— maakt plaats ,quot; gebood de graaf.

Eberhard en zijne mannen werden teruggedrongen , waarbij de krijgslieden van het Mainzer groot-kapittel op gevoelige wijze van hunne lansenschachten gebruik maakten. De deur van het huis werd geopend. Siegfried ging met den graaf binnen.

Eberhard knarsetandde van woede.

„Wraak, — wraak!quot; schreeuwde hij met gebalde vuisten. „Plaats, honden, slaven!quot; en hij drong door de menigte.

Wij zijn geen slaven, nog veel minder honden, — vrije burgers zijn wij !quot; riep oen der omstanders vertoornd.

„Ha , — ha , —- vrije burgers !quot; lachte spottend do voedende. „Wacht maar, — deze dag zal u heugen 1'quot;

„Omdat wij een woedenden hond gezien hebben ?quot; riep do babbelzieke Wilwirk. „De hond moet weten , dat wij zijn gebas niet vreezen.quot;

„Hebt maar geduld, gij zult huilen, ja huilen en kruipen onder de voeten des konings, onder de lansstooten zijner getrouwen ,quot; was hot antwoord van Eberhard.

„Hoort eens, burgers, hoe christelijk gezind de getrouwen des konings zijn !quot; riep een man. „Is het spreekwoord waar: Zoo heer, zoo knecht, —dan kan Hendrik IV wel afstand doen van don troon.quot;

„Goed en bloed voor onze vrijheid, voor ons recht!quot; riepen vele stemmen. „Leve Paus Gregorius , — weg met den tyran.quot;

#

-ocr page 380-

58

Eberhard ging heen op hetzelfde oogenblik , dat de poort openging en de beide knapen de steeg inreden , toegejuicht door het volk.

Lang reeds waren de geredden in het aartsbisschoppelijk paleis gekomen , cn altijd stonden nog groepjes mannen in stegen en straten , de voorvallen van dien dag besprekend. De slavenhandel op Hendriks vrijbrief gedreven , de vlucht dor jeugdige kinderen , de vreese-lijke bedreigingen van Eberhard , die met de plannen van zijn heer bekend moest zijn , dit alles bracht do gemoederen in opschudding. En de aanhangers van don Saliër waagden geen verdediging. Slechts hier en daar hoorde men van Hellobrands heerschzucht spreken , welke de Duitsche vrijheid bedreigde, — een list, die reeds aanmerkelijke gevolgen had gehad. Maar deze machtspreuken , door den koning en zijne raadslieden sluw verzonnen en onder het volk uitgestrooid , bleven heden zonder uitwerking. quot;Want ook de heerschappij van leugen en laster heeft hare grenzen , de waarheid zegeviert ten slotte toch.

KONING EN JOOD.

Terwijl goedhartigheid en edelmoedigheid Siegfried aanzetten om verdrukten en zwakken te beschermen , zat Hendrik IV peinzend in het keizerlijk paleis. Aller-wege zag hij do uitwerkselen van den ban , alsook de gevolgen van zijn zondig leven en van zijn despotieko regering. Nogmaals weigerden alle hertogen , op den

-ocr page 381-

59

Rijksdag te vorschijnen , ofschoon de koning hen dringend en sraeekend verzocht had. Ook andere grootcn vielen af, niet verder genegen den troon van den Sa-tier te ondersteunen , die bezoedeld en onteerd was door een tal van ongerechtigheden en misdaden. Toch liet Hendrik den moed niet zinken. Zijne moest vertrouwde raadslieden, tot welke graaf Ulrich van Godesheim, do paltsgraaf Thietmar, de graven Ebcrhard en Hartman, de bisschoppen van Straatsburg, Spiers en Bazel behoorden , maakten behendig van de zwakste zijde des vorston gebruik, om hem op den ingeslagen weg voort te drijven. Dit doden zij geenszins in het belang van den koning, nog minder om de verwarring in het Kijk te doen ophouden , maar enkel met het oog op persoonlijk voordeel. Want Paus Gregorius VII, vaderlijk bezorgd voor het welzijn der misleide en zedelijk bedorven vorsten, verlangde als eerste voorwaarde, om van den ban onthoven te worden , do verwijdering van alle booze raadgevers van het hof. Tot de boozen rekende Gregorius vooral Graaf Ulrich , den opper-palts-graaf Rapoto, de bisschoppen Rudiger van Spiers, Robert van Ramberg en Wernhcr van Straatsburg, -— de invloedrijkste en tevens de meest gewetenloozc gunstelingen van den Saliër ').

In een kamer van het paleis te Mainz werd tusschen don koning en zijne raadslieden ijverig gehandeld over de middelen en wegen, om de onafhankelijkheid en den glans der kroon te beschermen tegen de vijandige houding van eonige Rijksgrooten, alsook tegen de vermeende aanvallen van don pauselijken stool. quot;Wellust eu wreedheid boheerschten den koning als ook een toomelooze trots, dien zijne gunstelingen behendig voor hunne

*) Gfrörer, D. VII, bl. 550.

-ocr page 382-

60

plannen wisten to gebruiken. En de heerschzuchtige despoot bemerkte niet eens , hoe zijne lievelingen hem met de ketenen zijner hartstochten leidden en trokken naar believen.

„Do hertogen vallen af, het volk daarentegen blijft getrouwverzekerde bisschop Wernher van Straatsburg. „Allerwege heerscht ontevredenheid over de onbeschaamde aanmatiging van den Paus, dat hij den koning in den ban gedaan en van don troon vervallen verklaard heeft. Hot gezond verstand van hot Duitsche volk gevoelt levendig de onbeschaamdheid van Hellebrand , die op zoo 'n snoode wijze handelt met den beheerscher van de machtigste natie der wereld, met zijn roemrijken koning, wiens vader cn grootvader keizers geweest zijn. Het ligt aan u, koninklijke heer, om van deze gunstige stemming wijs gebruik to maken, om de ontevredenheid des volks tot bitteren haat aan te wakkeren en dan uwe vijanden aan te vallen.quot;

„Onzo monniken en de pastoors werken uitstekend,quot; roemde Godesheim. „In allo aanzienlijke steden des Rijks prediken zij den plicht van getrouwheid aan den rochtmatigon vorst. En hunne woorden vallen op vruch-baren grond. Het aanzien van Rome vermindert dagelijks , daarentegen nemen de liefde voor en trouw aan don koning toe.quot;

„Pastoors en monniken zijn ongetwijfeld mijne ijverigste strijders , — natuurlijk! — natuurlijk !quot; antwoordde Hendrik gemelijk. „Die goede menschen willen hunne vrouwen niet verlaten. Omdat ik mijn schild over hun bedreigd huwelijksbod uitgestrekt houd, ten einde tegen de dwingelandij van Hellebrand , de vrouwonlie-vondo geestelijken te beschermen , is hun verbittering togen don heiligen duivel in Rome even natuurlijk, als hunne gehechtheid aan mij.quot;

-ocr page 383-

61

„Omdat het huwelijk der priesters bijna algemeen geworden is voltooide de gehuwde bisschop van Straatsburg, „omdat geen mensch van vleesch en bloed zich kan en wil voegen naar het onmenschelijk juk van Hellebrand, daarom staat uwe zaak uitmuntend. Het spel van den afgezetten Paus is verloren. ÜMouniken en pastoors beheerschen de grootc massa, en deze wordt in ons voordeel geleid.quot;

„Dio ijverige mannen stellen zich niet eens meer tevreden met preekenzeide Godesheim, een geschrift toonende. Een aantal flinke schrijvers nam voor ons den strijd op. Dit geschrift, verscheidene duizendo malen dooi' ijverige kloostervrienden afgeschreven, wordt gelezen op openbare pleinen , in wijnhuizen en herbergen, in stegen en straten, in huisgezinnen en vriendenkringen. Het wordt als verslonden en als een stuk uit den Bijbel aangezien.quot; ')

„Van wien is dat geschrift?quot; vroeg de koning.

„Van Wenrich, den directeur dor kapittelschool te Trier. Het draagt ten opschrift: „Brief van bisschop Theodorich van Verdun aan Paus Gregorius VII.quot; — Wijs is de vorm, zoetsappig de inhoud, geheel en al naar den smaak van het volk ingericht. quot;Wenrich doet zich voor, als een ijverig aanhanger van Hellebrand. Hij huichelt met sluwe berekening vurige , begeesterde toegenegenheid voor Gregorius. Hij meent echter, dat de beschuldigingen tegen don H. Vader zoo groot en zwaar zijn , dat hij ze niet zou kunnen wederleggen, hij verzoekt derhalve Gregorius, zoo goed te zijn , hem op te geven wat een getrouw aanhanger van den H. Stoel heeft te antwoorden. Hoort nu, wat quot;Wenrich,

l) Gfrorer, D. VIT , 1)1. 790.

-ocr page 384-

62

onder den naam van den bisschop van Verdun, de vijanden van Hellebrand laat zeggen!quot;

Godeslieim zocht een vinnige plaats op en las :

„Xadat Hildebrand monnik geworden is , zeggen uwe vijanden, o heilige Vader, had hij in 't klooster moeten blijven, maar in plaats daarvan liep hij de groote steden van Italië, Duitschland cn Gallië af, als ook de hoven dor meeste vorsten. Terwijl de kloosterregelen eiken broeder het stilzwijgen ten plicht stellen, liet Hildebrand geen stand, geen waardigheid ongeschonden, overlaadde bisschoppen en aartsbisschoppen met de vuilste scheldwoorden, ja tegen geheele natiën braakte hij zijn spot en bedreigingen uit. Zijn hevigste hartstocht was en is nog de eerzucht, terwijl hij den ootmoedige speelt. Op de slechtste wijze schraapte hij geld bijeen , richtto daarna een leger op en versterkte burchten en steden. Op deze manier klom hij op tot de waardigheid van aarts-diaken. Toen hij meende de wereld genoegzaam in de war gebracht te hebben, en geen verantwoording meer behoefde te duchten, maakte hij zich meester van het Pausschap. Men zegt: dat Christus hem verschijnt en met hem spreekt, maar zouden schanddaden, als die, door Hildebrand bedreven, den weg ten hemel openen ! Men roemt, dat hij een doode heeft opgewekt, maar veel zekerder is het, — want wij hebben het met eigen oogen gezien, met eigen ooren gehoord, — dat door zijne schuld vele duizende mensehen gedood zijn.quot;

„Zeer goed? Wel wat overdreven,quot; zeide de Saliër.

„Het volk houdt van harde kleuren,quot; antwoordde Thietmar.

„En wat valt het geschrift Hellebrand aan , omdat hij den eed van getrouwheid heeft opgeheven!quot; riep Godeslieim uit, terwijl hij verder las : ,,Te allen tijde

-ocr page 385-

63

is de eed voor heilig en onschendbaar gehouden. Nu echter komt een man met een strook perkament, waarop de woorden van Hildebrand staan : ik ontsla u van den eed, ja ik noodzaak u dien eed niet te houden. Zeg , schrijf en gebied , wat gij wilt, — wij voor ons verklaren u in het gezicht , dat wij u, Paus Hildebrand, hierin niet gehoorzamen, maar dat wij vast besloten zijn de trouw te houden, die wij gezworen hebben.quot;

„Het schoonste van de zaak is ,quot; bemerkte bisschop Wernher lachend , „dat Hellebrand het volk volstrekt niet ontsloeg van den eed van getrouwheid aan zijn koning. Maar — mundus vult decipi — de mensehen willen bedrogen worden.quot;

„En alle wapenen zijn den vijand goed,quot; antwoordde graaf' Grodesheim.

„Wenrich is oen knappe kop, wij zullen aan hem denken,quot; zeide de Saliër. ')

„De begonnen volksbeweging onderhouden , en aangezet door de geestelijkheid , die aan den koning getrouw is, dat is gevaarlijk voor Rome en gunstig voor ons zeide Robert van Bamberg. „Het verzet der hertogen beteekefït niets; want het volk staat niet achter hen. Daarentegen mogen wij Rome en zijne aanhangers gceu tijd laten, om op de tegenwoordige stemming der groote menigte invloed uit te oefenen door wederlegging van onze beschuldigingen. Wij moeten een grooten, beslissenden slag slaan. Het volk moet erkennen , dat er een heerscher is in het Rijk , die genadig en goed voor de getrouwen , maar vree-selijk en doodelijk voor de meineedigen is.quot;

Al de aanwezige raadslieden gaven hun goedkeuring te kennen. Hendriks oogen fonkelden.

') Hendrik IV gaf hem later het bisdom Vereelli.

-ocr page 386-

64

„De gloed van den opstand flikkert in Saksen weer op,quot; zeide hij somber. „Alvorens den stijven nek van dien oproerigen stam geheel gebroken is , zijn wij geen onbeperkt meester in het Rijk.

„Zeer juist! Saksen is de bakermat van bet oproer,quot; bevestigde Godesheim. „Laat eerst uwen stratfenden arm duchtig gevoelen aan de Saksers mijn gebieder ! Neem vervolgens den hertog Eudolf van Zwaben gevangen ; want hij staat naar de kroon.

„Tuchtig vervolgens Welf van Beijeren en hertog Berthold van Karinthië , do bondgenooten van Rudolf in het verraad,quot; zeide Wernher.

„Aan den wil ontbreekt het niet, ook niet aan dappere krijgsknechten, maar wel aan geld,quot; antwoordde de Saliër misnoegd. „Met onze schatkist is het slecht gesteld. Hoe aan geld te komen ?

Als het ware ten antwoord op deze vraag kwam een bediende binnen en meldde Baruch Ben Marum uit Spiers aan. Hendriks gelaatstrekken helderden op.

„Welk een geluk!quot; riep hij uit. „Ben Marum, mijn kamerling , mijn goudjood! Laat hem terstond binnenkomen.quot;

De bediende ging heen.

„Wonderlijk ! De Voorzienigheid waakt over u, heer en koning Iquot; verzekerde Wcrnher.

„Baruch en zijn stamgenopt^i bezitten bergen van goud ,quot; riep de vorst gemelijk. „En wij verleenden hem uitgebreide vrijheden, om in het geheele Eijii edele metalen te verzamelen , natuurlijk togen erkentelijkheid. De besneden schelmen zuigen het volk meesterlijk uit. Alles slorpen zij op. Wij moeten deze bloedzuigers naar ons voordeel en onze behoefte wat weten uit te drukken. Ei , — hoe gelogen komt de jood !quot;

De deur ging langzaam open en onder aanhoudende buigingen sloop Baruch Beu Marum binnen.

-ocr page 387-

G5

„Do God mijner Vaderen, de God van Abraham, Izaak en Jacol) zegene en spare mijn lieer en koning!quot; begon de jood kruipend. „De overvloed zijner zegeningen late de Heer , mijn God , over mijn heer en koning nederdalen en verleene hem de overwinning over al zijne vijanden ; want zijne tegenstanders razen en tieren, en die hom haten, verheffen hunne horens tegen hem.quot;

„Zeer waar, Ben Marum: — zij verheffen hunne horens tegen mij!quot; zeide de koning somber.

„Maar dat zij ten schande worden en terugwijken, die uwe ziel vervolgen ,quot; ging de slavenhandelaar voort, niet het oostersch omwonden hoofd heen en weer knikkend en de armen op do borst gekruist. „Tot de vlucht mogen zij don rug keer en en in verwarring geraken, die het op 't ongeluk mijns konings gemunt hebben. Dat zij worden als stof voor den wind, en dat des Hoeren engel hen vernietige. Dat hunne wegen duister en glibberig worden; want zonder reden hebben zij strikken gespannen ten verderve van de ziel mijns konings; zonder grond hebben zij de eer mijns Hoeren smaad aangedaan. Maar spoedig kome verderf over de vijanden mijns konings , en de strikken , die zij mijnen gebieder gespannen hebben, komen over hen te hunnen verderve.

„Hartelijk dank voor uw goede wenschen, Baruch Bon Marum !quot; viel hom de vorst in do rode. „Met wenschen zijn wij evenwel niet geholpen. Bewijs mij uwe trouw door daden.quot;

„Mijn heer weet, dat zijn knecht trouw bewezen heeft door daden,quot; antwoordde ontsteld de slavenhandelaar, die den aanval van Hendrik op zijne geldzakken voorzag. „Tot zelfs boven mijn krachten heb ik den koning betaald. Bij den God mijner Vaderen, ledig zijn mijne geldzakken en mijne beurzen liggen

Cax. i). ii. 5

-ocr page 388-

66

opgehoopt, als dor loof, wijl zij lijden aan volslagen ledigheid. Twintig pond goud, dat is twintig maal tachtig gouden schellingen, of zestien honderd goudschellingen , heb ik arme jood betaald aan de schatkist mijns konings en waarachtig geen pond penningen zou nog kunnen betalen uw knecht.quot;

„Ho , ho, uitvluchten, jood !quot; hernam de Saliër barsch. „Uwe kelders, vol gemunt en ongemunt goud en zilver, logenstraffen uwe woorden. Ik kan u niet helpen. Wij zijn in nood en wij hebben den bijstand noodig van mijn rijken kamerling Baruch Ben Marum eu zijne ge-slachtgenooten.quot;

„Wee mijn hoofd !quot; klaagde Ben Marum. „Ben ik niet uitgeperst, als een citroen ? Kan een citroen geven een druppel sap , die niets meer is, dan huid en schil ?quot;

„Zwijg! Gij zijt geen citroen, maar een bloedzuiger , zooals het volk zegt , en wel een dikke volgezogen bloedzuiger,quot; riep de koning. „Uaven wij u, jood, geen volle vrijheid, handel te drijven en zaken te doen in het geheele Rijk? Leent gij geen geld tegen onbeperkte renten ? Zijt gij niet vrij van tollen en allo belastingen? Van heerendiensten en inkomende rechten ? Zijt gij niet vrij van den plaag der inkwartiering ') ?quot;

„Waarheid spreekt de mond mijns konings , en de God mijner Vaderen zegene hem, wijl hij barmhartigheid heeft bewezen aan do kinderen Israëls,quot; hernam Ben Marum.

„Als gij, joden, derhalve vrijheden en rechten bezit , waarop zich do Christenen niet kunnen beroemen,quot; ging de Saliër voort, „dan moet gij weten, dat die gunsten en genaden niet voor niemendal geschonken

') Gfrörer, D. VII, bi. 7G1.

-ocr page 389-

67

zijn. Gij zet de Christenen at', gij zuigt zc uit, gij schraapt bergen van goud bijeen. Leverden wij het christenvolk aan uwe woekerstreken over , duldden wij , dat gij uw vet mestet met het good van armen en rijken , dan is dit enkel en alleen gebeurd niet het oog daarop , dat wij de winst samen zouden deelen ').quot;

„Wat mijn heer zegt in tegenwoordigheid dezer mannen , mag dat uw knecht bevestigen?quot; vroeg Baruch, die niet zonder verrassing in tegenwoordigheid van anderen dingen vernam , die volgens zijne meening verborgen moesten blijven.

„Voor mijn geheime raadsleden bestaan er geen geheimen ,quot; antwoordde Hendrik. „Wilt gij betalen, jood? Natuurlijk gij efa uwe geslaehtgenooten.quot;

„Wijl mijn heer mij vrijheid gaf om te spreken, wil ik openen mijnen mond en inbrengen bittere klachten antwoordde kruipend Ben Marum. „Wel hebt gij gegeven ons joden een vrijbrief, om handel te drijven in bet geheele Rijk en vrij te zijn van alle tollen en belastingen. Het recht hebt gij genadig ons verleend, geld uit te leeneu tegen een onbeperkte rente; uwe knechten hebt gij liet privilegie geschonken, om niet voor een christen rechter gedaagd te worden, maar voor don rabbi van ons volk, — doch deze en andere groote gunsten waarvoor de Heer zegene mijn koning, worden zij door de Christenen in acht genomen ? Word ik niet aangehouden, om toch tol te betalen , ofschoon ik hob een vrijbrief van mijn koning ? Wordt niet geroofd mijne waar , mijne kostbare waar , door de godde-loozen? Werd ik van daag niet geslagen door de hand der boozen en geworpen, als een zaak van onwaarde, door de hand van een misdadiger ? Daarom, o Heer,

gt;) Gfrüror , D. VII, bi. 765.

-ocr page 390-

68

trek uw zwaard cn treed verdedigend tusschen lien , die mij geweld aandoen en vervolgen. Neem schild en wapenen , snel mij te liulp , opdat mijn mond de ge-reolitiglieid mijns konings prijze tot liet einde mijner dagen.quot;

„Waarvan spreekt gij toeli eigenlijk, jood ?quot; vroeg de vorst verwonderd.

Omstandig verhaalde de slavenliaudelaar het voorgevallene aan den Rijn , en toen Hendrik den naam van den dader hoorde, stond hij toornig op.

„Al weer die onbeschaamde, verachtelijke knecht, — dat zal hij boeten!quot; riep hij , gloeiend van wraakzucht.

„Een gelukkig toeval, hoogheid!quot; hernam met een veelbeteckenend lachje graaf Ulrich van Godesheim. „De verantwoording van den voogd van Klingen wordt overtollig door deze kostelijke ontdekking.quot;

Hendrik begreep den zin dor woorden. Om Siegfried in het verderf te storten en wel door een rechterlijk vonnis , was diens verdediging in eene zaak niet meer nopdig, welke de simonistische handeling van Hendrik zoo duidelijk aan den dag zou brengen.

„Gij dient oogonblikkelijk uwe klacht in bij onzen burchtgraafgebood de koning.

„En ik zal terug krijgen mijne slavin , welke gebracht heeft die stoute monnik naar liet klooster ?quot;

„Het klooster zal uw eigendom terug geven zoodra het vonnis geveld is. Gij hebt toch uwen vrijbrief bij u, opdat do rechter zijn oordeel daarnaar kunne richten?quot;

„Het afschrift, het letterlijk afschrift, gewaarmerkt en bezegeld door 's konings burchtgraaf in Spiers, draag ik hier — hier op mijn borstantwoordde Ben Marum op zijn borst wijzend. „Het oorspronkelijke is echter als een kleinood in bewaring gegeven

-ocr page 391-

69

te Spiers in het huis der Oudsten van ons geslacht. Kecht en gerechtigheid — hier op mijn borst! Als echter geslagen en mishandeld werd uw knecht door den ijzeren man , die zich noemt Siegfried , voogd van Klingen, — welke fchndeloosstelling, welke vergoeding voor de geleden pijnen moet uw knecht ontvangen ?quot; vroeg hij met oogen fonkelend van wraak. „Zou de rijke betalen een pond goud boete en dan lachen en spotten met den mishandelden kamerling mijns konings ? Zon hij zich verheugen en juichend uitroepen : Voor een pond .goud mag men gooien en slaan, als een speelbal, den jood Baruch Ben Marum ?quot;

„quot;Wat verlangt gij , dat hem geschiede ?quot;

„quot;Wat gebiedt mijn koning in deze oorkonde, dat zal hem geschiedenantwoordde Baruch een perkament toonende , dat hij in een lederen zakje onder zijn kleed droeg. „Mag ik lezen de woorden van de wet mijns heeren ?quot;

„Laat eens hooren ! Wij kunnen , ons de zaak niet juist meer herinneren, die eigenlijk tusschen u en den bisschop van Spiers is afgesproken.quot;

„Bij den God mijner Vaderen , goedgunstig en genadig is de bisschop Rudiger Hausmann van Spiers het jodendom , — dat hem de Heer zegene ! Nu lees ik , wat bepaald en bevolen heeft mijn koning, en wat betrekking hoeft op mijne zaak.quot;

Baruch zocht een oogenblik in het geschrift en las;

„quot;Wie een jood wondt, zóó dat de verwonding den dood niet tengevolge heeft, die moet een pond goud boete betalen. Is het een slaaf, die een jood verwondt of dood slaat, dan moet diens heer het weergeld betalen of den schuldige ter terechtstelling uitleveren. Heeft een vrij man een jood gewond of doodgeslagen en bezit de dader geen geld genoeg , om het weergeld

mi

li

lil

mw.

ê

ill

Sii;; li

S ï'l

ill1 i

PIE «t;

I

I

ail I ill

m 6gt; i ï

I i I 1

i.

i w

ill f iii ai«

I

-ocr page 392-

70

to dekken , dan worden hem ingevolge de verordening, welke reeds mijn vader, keizer Hendrik 111, uitvaardigde, de oogen uitgestoken en de rechtcrliand afgehouwen 1).quot; Nu is de ijzeren man Siegfried een vrij man, die geld heeft,quot; eindigde Ben Marum, „hij betaalt een pond goud en drijft met mij den spot.quot;

„Gij verlangt derhalve een gevoeliger straf — niet waar ?quot;

„Wijl ik bon kamerling mijns konings en geen gewoon man van mijn volk, wreke zich mijn heer op do vijanden van zijn knecht.quot;

„Hebt gij een straf uitgedacht?quot;

Baruch aarzelde. Hij bewoog besluiteloos hoofd on armen, en zijn oogen fonkelden boosaardig.

„Spreek op! Wat eischt gij?quot;

„Omdat mijn heer gebiedt to spreken, daarom zal ik sproken,quot; antwoordde do jood en met gebogen hoofd, den wijsvinger op het perkament, zeido hij mot heesche stem: „Uitgestoken worden hem beide oogen en afgehouwen de rechterhand.quot;

Een uitdrukking van afschuw en ontsteltenis kwam op hot gelaat der bisschoppen. Ook Godosheim en do paltsgraaf keken bedenkelijk voor zich. Hendrik IV dacht zoo evenwel niet. Zijne wreedheid en wraakzucht was in volkomen overeenstemming met den eisch van den jood. En wijl hij de gloeiende wraakgierigheid van Bon Marum bemerkte, besloot hij die tot zijn voordeel aan te wenden.

„Dat gaat niet, Baruch! Slechts slaven , wier heeren niet willen betalen, verliezen de oogen en de rechterhand. Do vrije man boet de mishandeling van een jood mot een pond goud , en Siegfried is een vrij man.quot;

') Gfrorer, D. VII, bl. 763 v.v.

-ocr page 393-

„En omdat hij is een vrij man , daarom mag hij het genoegen hebben, den kamerling mijns konings tc vertrappen?quot;

„Gij verdient ter nauwernood dien eerepost, om onze kamerling to zijn, Ben Marum !quot; antwoordde de vorst kooltjes. „Van onze gunsten en genaden maakt gij ruimschoots gebruik; maar verkeeren wij in nood en verlangen wij den bijstand van onzen kamerling, dan heeft hij geen geld.quot;

„Ik heb geld, — dat wil zeggen voor de beide oogen en de rechterhand van den zoon der boosheid antwoordde de jood door wraakgierigheid gedreven.

„Betaal honderd pond goud aan onze schatkist en gij ontvangt, wat gij verlang'tzeide de Saliër.

„God mijner Yaderen, — honderd pond!quot; riep Baruch sidderend uit. „Hoe kom ik aan die groote som ? Al perst gij allo joden in de goede stad Spiers als een spons uit, — dan zijn er geen achtduizend goudschellingen bijeen te halen. Wijl ik echter dankbaar wensch te zijn aan mijnen heer, wil ik leenen twintig pond goud van do mannen mijns volks en ik wil betalen do twintig pond goud voor de beide oogen en de rechterhand van dien Siegfried.quot;

„Yoorloopig aangenomen , Baruch ! Maar omdat ik honderd pond goud noodig heb, ontbreken er juist nog tachtig pond goud. Geen verontschuldigingen, — betalen moet gij schelmen !quot; ging de koning dreigend voort. „Van u alleen vorder ik het geld niet, maar van do gezamenlijke joden to Spiers. Binnen veertien dagen moet dat geld in onze schatkist gestort zijn. Weigert gij , dan vaardig ik een bevel uit aan mijn burchtgraaf te Spiers. De graaf zal dus spreken tot u, joden; Gij Baruch Ben Marum , gjj David Bon Meschullam , gij Mozes Ben Guthiel , gij Judas Ben

-ocr page 394-

Calonymus, gij Levi, gij Aaron, en hoc gij allen hondonzonen nog meer lieet, — hebt gij geen goud ingezogen, als bloedzuigers ? Hebt gij niet geheele steden en dorpen tot den bedelstaf gebracht ? Nu kom ik tot u , als Samson tot de Philistijncn , om u voor uw woekeren en afzetten te straffen. Betaalt gij niet onraiddelijk twee honderd pond goud, dan laat ik u de huid afstroopen. — Hebt gij mij begrepen, Baruch?quot;

,0 waih, — o waih!quot; weeklaagde de slavenhandelaar. „Do ijzeren raderen en de zware wagens der Amalekiten hebben verpletterd de kinderen Israëls — onze heer echter, de koning, legt ons arme joden onder de ijzeren dwangpers om den laatsten druppel bloed , het laatste merg uit onze beenderen te persen. „O waih, — o waih ons ellendigen!quot;

„Zwijg met u gejammer beval de Saliër. „Gij hebt mijne uitspraak gehoord; wees verstandig , en volg mijn raad. — Nu naar den burchtgraaf. Dien uw klacht in tegen Siegfried en den tolgaarder des aartsbisschops. Meld den burchtgraaf, dat hij onverwijld voor ons moet verschijnen.quot;

Baruch ging wankelend naar do deur. Daar koerde hij zich nogmaals tot den vorst.

„Vergeet niet mijn heer zijne belofte, mij te geven de twee oogen en do rechterhand van den misdadiger Siegfried , waarvoor ik betaal twintig pond goud , — ja , zestienhonderd goudschellingen , die ik leen van de mannen van mijn stam. Dat mijn heer in genade den burchtgraaf gebiede, te vellen het vonnis, zooals beloofd heeft mijn gebieder.quot;

„Uw dorst zal gelescht worden,quot; riep Hendrik hem toe.

De jood boog zich tot op den grond en zijn gele gedaante verdween achter de deur.

-ocr page 395-

„Kostelijk!quot; riep graaf Ulrieh lachend uit. „De jood levert aan ons mes een gehaten man en betaalt bovendien nog twintig pond goud. Voorwaar een zeldzaam geluk en een voorteeken van toekomstige overwinningen !quot;

„Welke de hemel schenke aan onzen koninklijken heer over Rome en alle vijanden wenschte Wernher, de gehuwde en geëxcommuniceerde bisschop van Straatsburg.

Mot betrekking tot het hemeltergend en wreed gedrag tegen Siegfried hadden de bedorven hoYolingen geen woord van berisping over. Daarentegen wakkerden zij den toorn van Hendrik en zijn licht ontvlambare wraakzucht aan tegen een man , die de welmeenendste gevoelens voor den Saliër koesterde.

„Dc gevaarlijkste tegenstander is Udo van Trier,quot; begon de paltsgraaf Thietmar. „Zijne handelingen in Mainz worden verdacht. Verkleed ging hij gisteren door de straten, bezocht herbergen en wijnhuizen, mengde zich onder groepen op openbare pleinen, — allerwege zag ik het zaad van de gisting opschieten , dat door Udo's hand word uitgestrooid. De aanhangers van don Paus roemen de groote deugden van dezen aartsbisschop, zijn liefde voor het welzijn des volks, zijne gerechtigheid en zijn afkeer van Simonie en tyrannie. Hieraan knoopen zij sluw de omstandigheid, dat Udo weigert, met de vrienden des konings te ver-keeren , omdat zij in den ban zijn. Ook bedreigingen en vloekwoorden vallen er voor tegen Udo, van den kant der getrouwen van uwe Hoogheid, van daag echter niet zoo hevig , als gisteren ; want veranderlijk als het weder is de stemming der groote massa. Gaat Udo zoo voort, werkt hij nog langer in don geest van Hellebrand, dan schaadt hij grootelijks don gun-stigen stand van onze zaak in Mainz.quot;

-ocr page 396-

74

„Dat ben ik met u eens, heer paltsgraaf!quot; bevestigde quot;Wernher. „Udo viel van de partij zijns konings af en liep tot die van Hellebrand over. Van alle vijanden zijn overloopers de gevaarlijksten. Gij hebt het in uwe macht, mijn gebieder , en het is ook in uw voordeel, die adder Udo de giftige tong uit te rukken.quot;

„Grootmoedigheid strekt den heerscher tot sieraad en toegevendheid jegens zijne vijanden past hem zeide Ulrich van Godesheim. „Zijn evenwel de vijanden hoogst gevaarlijk en rusteloos werkzaam, om don koning te bestrijden, dan wordt grootmoedigheid zwakheid en toegevendheid lafheid. Die verrader Udo moest het met zijn leven boeten, zooals hij het verdient.quot;

De oogen van den Saliër begonnen te gloeien, zijne gelaatstrekken werden somber, zijne lippen trokken krampachtig samen, toen de deur openging en dezelfde monnik binnentrad, welken Siegfried zijne aangelegenheden toevertrouwde, — de aartsbisschop Udo van Trier.

DE AARTSBISSCHOP UDO.

Tot die acht en twintig bisschoppen, welke in den afgeloopen Januari op de synode te Worms Paus Gre-gorius VII van zijn ambt ontzetten, behoorde ook de aartsbisschop Udo van Trier. Zijn misstap erkennend en berouwend, reisde hij naar Rome, onderwierp zich aan het Opperhoofd der Kerk en werd voorwaardelijk

-ocr page 397-

I O

van den ban vrijgesproken. Tevens ontving hij den lust, om in naam des Pausen den afgedwaalden en zondigen koning gunstig te stemmen voor de -(velmeenendo beden en vermaningen van Gregorius en hom op het pad der deugd terug te brsngen. Deze eervolle taak ondernam Udo met lust en ijver; want hij behoorde tot dien kleinen kring van helderziende mannen , die den gevaarlijken toestand van den Saliër inzagen en die trachtten hem te redden. Afgezien van zijn verheven stand in het Rijk , was Udo krachtens zijn afstamming uit het geslacht der graven van Xellenburg, in welk geslacht trouw en gehechtheid aan den koning als 't ware , erfelijk schenen , het geschiktste werktuig voor de edele plannen van Gregorius ').

Maar juist de invloedrijke belangrijkheid van Udo verbitterde in den hoogsten graad de partij, die der Kerk vijandig was. Door woedenden haat tegen den aartsbisschop gedreven , spoorden zij bij elke gelegenheid den Saliër tot geweld aan tegen den prelaat. „Zij braakten vloeken en bedreigingen uit tegen Udo,quot; schr jft de kroniekschrijver. Niet de herstelling van de gekrenkte waardigheid des Roomschen Stoels lag Udo na aan 't hart, maar onder het voorwendsel van den godsdienst, wilde hij hot Rijk en de kroon in het verderf storten. De koning moest, steunend op zijn goed recht, de doodstraf uitspreken over de laffe verraders, die heimelijk tegen hem samenzwoeren en hem de gehoorzaamheid weigerden ; want de Apostel zegt toch : de overheid draagt het zwaard niet te vergeefs quot;).quot;

') Gfrcirer, D. II, bl. 528. Eberhard van Nellenbuvg, broeder van den aartsbisschop, genoot zelfs de bijzondere genegenheid des konings.

2) Gfrörer, D. VII, bl. 527.

-ocr page 398-

76

Werkelijk scheen Hendrik IV genegen , om een bevel tot moord over den aartsbisschop uit te spreken , toen deze binnenkwam. Terstond veranderde het dreigend gelaat des konings , en weer gaf hij hierdoor een bewijs hoe ver hij het gebracht had in de kunst van veinzen en huichelen. Ofschoon zijn hart brandde van haat en wraakzucht tegen Üdo ; deed hij zich vriendelijk voor, hij stond zelfs van zijn stoel op, ging den vorst eenige schreden te gemoet en reikte hem de hand.

„Hoe, graaf Nellenburg in een monnikspij ?quot; riep hij schertsend. „Naast Keulen en Mainz de machtigste vorst des Rijks in dit ruw gewaad ?quot;

„Verschoon de enhoofsche dracht, heer koning, wier aflegging do drang der omstandigheden mij niet veroorloofdezeide de aartsbisschop ernstig. „Mag ik uwe hoogheid een onderhoud verzoeken?quot;

„Uwe heerlijkheid te hooren, strekte ons steeds tot genoegen,quot; antwoordde do Saliër. Hij wendde zich tot zijne gunstelingen en zeide op den toon van een vriendelijk verzoek; — „laat ons alleen.quot;

De raadsleden gingen heen.

„Welnu, heer aartsbisschop, wat goed nieuws?quot; ondervroeg do koning, nadat Udo had plaats genomen.

„Deze monnikspij,quot; begon graaf Ncllenburg, maakt het den aartsbisschop mogelijk ongehinderd wandelingen door de stad te doen; met het doel, de stemming en het gevoelen der menschen uit te vorschen.quot;

„Ha, — dat is werkelijk zeer verstandig!quot; riep de koning uit, den vertoornden blik nederslaande. „Hoe vindt gij de stemming der gemoederen ?quot;

„Verdeeld , heer koning , — verdeeld , zoo als het geheele Rijk !quot; antwoordde de vorst treurig. „Evenals in alle landen, zoo is het ook hier : „Voor den Paus —• of voor den koning.quot; Verdeeld zijn do bisschoppen,

-ocr page 399-

77

de abten, de gcheele geestelijkheid. Verdeeld zijn do hertogen, de graven, liet gehoele volk. En wat mij tot in het diepste mijner ziel roert, zijn de menigvuldige leugens en lasteringen , ■welke tegen het Opperhoofd der Kerk worden uitgestrooid. Gemeene mis-dacren cn lage onderhandelingen worden hem toegedicht. Zelfs van den preekstoel verkondigen bedorven geestelijken de schandelijkste zaken over Gregorius. Ten gevolge van dat giftzaad scheldt het misleide volk cn vervloekt een Paus, die een heilige is.quot;

„Zoo, — een heilige ? Zie toch eens, hoe spoedig de raeeningen kunnen veranderen!quot; riep de Saliër spottend. „Vijf maanden is hot geleden, dat Udo van »• Trier dezelfde gemeene misdaden en lage handelingen van Gregorius beaamde , die hij nu leugens, laster en giftzaad noemt.quot;

„Mij is deze herinnering aan een groot vergrijp zeer pijnlijk,quot; antwoordde Udo, „bijzonder pijnlijk is hot mij, die uit uwen mond te hooren , heer cn koning ! Wel is waar heb ik niet zeven en twintig bisschoppen te Worms dat afschuwelijk stuk geteekend, gedwongen en genoodzaakt, door de bedreigingen van uwe hoogheid. Dwangmiddelen, die gij geschikt oordeeldet om te gebruiken , noodzaakten do meeste prelaten tot de onderteekening. Doch dit moet,quot; voegde hij er spoedig bij , toen de koning een heftige beweging maakte , „geen beschuldiging, maar slechts een rechtvaardiging zijn '). — God zij dank , de misdaad is geboet, de ban opgeheven van mijne ziel, onder voorwaarde van openbare boete. Ik zal mij aan die openbare boete volgens de regelen der Kerk met vreugde onderwerpen, opdat ook de openbare ergernis geboet worde. Ik genoot op

!) Girorer, D. VII, bl. 82 en 506.

-ocr page 400-

78

mijn reis naar Rome het geluk, Grogorius VII persoonlijk te leeren kennen , wiens grijze eerwaardigheid, wiens vaderlijke goedheid en liefderijkheid, wiens groot verstand en uitgebreide konnis onbeperkte bewondering inboezemen.quot;

„Uitstekend, heer aartsbisschop ! Genoeg van den lof op dien trotschen, heerschzuchtigen Romein. Ter zake!quot;

„Ik vraag u verschooning, heer en koning , de Paus is trotseh noch heersehzuchtig , maar hij is zich bewust van de groote verplichtingen van zijne bediening als Opperpriester. Gij hadt hem moeten hooren, hoe liefdevol, hoe vaderlijk gezind hij over u sprak.quot; „Dagelijks zeide hij , „smook ik God , dat Hij den Duitschen koning verlichte, opdat hij de verderfelijke dwaalwegen leero kennen, op welke gevaarlijke raadgevers , goddelooze menschen hem gebracht hebben.quot;

„Inderdaad liefdevol!quot; antwoordde de koning op een spottenden toon.

„En mij gaf de II. Vader de volmacht, met u, ofschoon in den ban en uitgesloten van de gemeenschap der geloovigen, tot bijlogging dor dwalingen om te gaan.quot;

„Aartsbisschop zoo iets zegt gij mij in het gezicht?quot; riep de Saliër woedend uit.

„Als noodzakelijke inleiding tot het volgendequot;, antwoordde de prelaat dood bedaard.

„Zwijg, — niets verder!quot; gebood Hendrik. „Ruimschoots hebt gij mij uwe volmachten reeds uitgekraamd. Gij hebt mij 's Pausen goedheid, liefde en vergevingsgezindheid geroemd. Gij hebt mij in den naam des Pausen bezworen, den gevaarlijken weg, die ten verderve leidt, te verlaten. Gij hebt mij de vrijspraak van den ban en volledige vergiffenis van den Paus beloofd, — als ik

-ocr page 401-

79

boete en afstand doe van mijn gezag om een knecht van dien lieerschzuchtigen priester te worden. Genoog, — ga heen!quot;

Graaf Nellenburg bleef evenwel zitten.

„Gij behoeft geen afstand te doen van de koninklijke waardigheid, om eon knecht des Pausen te wordenquot;, zeide hij gelaten. „Gij kent de veel beproefde gezindheid van mijn huis voor den koning, — ook ik ben geheel en al een Nellenburg in trouw jegens het opperhoofd des Rijks. Juist dat spoort mij aan, mijn heer te redden; want het verderf bedreigt uw koninklijk hoofd, — zeker, en onvermijdelijk, als gij niet op het goede pad terugkeert.quot;

In do laatston woorden lag een zoo smartelijke overtuiging en in de houding van den graaf zulk een warme gehechiheid, dat de toorn van Hendrik ontwapend werd. Hij stond getroffen eu keerde naar zijn stoel terug.

„Wij deelen uwe onheilspellende meening niet, aartsbisschop ! i)o koning staat vast door de trouw van zijn volk.quot;

„Mijn God, welke dwaling!quot; riep Udo smartelijk uit. „Werden er toch nimmer booswichten geboren, om de koningen ten verderve van velen te bedriegen! — Mag ik mijnen heer de waarheid, de werkelijkheid der toestanden, vrijmoedig blootleggen?quot;

„Gerust, — wij luisteren.quot;

„Gij noemt den Paus heerschzuchtig en trotsch , omdat hij van don koning onderwerping verlangt naar den geest van het Evangelie.quot;

„Daarom niet,quot; viel de monarch hem in de rede , maar omdat hij zich heeft gesteld tot steun en beschermheer der Saksische oproerlingen , — omdat hij ons in den ban gedaan heeft, — omdat hij onze

-ocr page 402-

80

koninklijke waardigheid afhankelijk wil maken van don Stoel van Rome.quot;

„Noodlottige beschuldigingen !quot; antwoordde Udo zeer ernstig. „quot;Weiger mijn verzoek niet, heer cn koning, op de eerste plaats de ongegrondheid dezer boschnkli-gingen te mogen aantoonen; want dwalingen zijn te allen tijde gevaarlijk, maar vooral die tusschen koning en Paus.quot;

„Spreek maar vrij. Wij zijn begeerig, te vernemen, hoe het uwe scherpzinnigheid gelukken zal, Hilde-brands , onbegrensde heerschzucht en willekeurige handelingen jegens ons schoon te wasschen.quot;

„Verkeerde handelingen te verontschuldigen zou nimmer mijn doel kunnen zijn, zelfs dan niet, als de verkeerdheid aan de zijde des Pausen waszeide trotsch graaf Nollenburg. „De handelingen van Gregorius bewogen zich streng binnen de grenzen van zijn ambt als Opperherder. Overweeg eens ! De kerkelijke wetten bedreigen met hot anathema, den ban, allen, die geestelijke bedieningen en waardigheden verköopen. Mag nu Gregorius als opperste Wachter en Leider der kerkelijke voorschriften , stilzwijgend de openlijke overtreding dier kerkelijke wetten gedoogen ? Neen , dat mag hij niet, wil bij rekenschap aan God kunnen geven! De kerkelijke wetten bedreigen met den ban al degenen, die ketterij on scheuring in do Kerk brengen. Dit deden wij te Worms. Daar zetten wij den Paus van zijn ambt af, misleidden de geloovigen tot scheuring. Derhalve trof ons de ban ; want allen zijn aan de goddelijke wet onderworpen, ook de koningen. Mag ik nu aan uwe hoogheid vragen , hoe en wanneer de Paus uit heerschzucht handelde on niet uit plicht , toen hij den ban uitsprak ?quot;

„Van den ban door Hildebrand uitgesproken wil ik

-ocr page 403-

81

nog niets zeggen antwoordde de vorst misnoegd. „Maar lnj tast onze koninklijke waardigheid aan, bij ontneemt ons schepter en kroon, — hij ontslaat hot volk van don eed van getrouwheid.quot;

„Dat heeft Gregorins niet gedaan mijn heer en gebieder ! In de vastensynode van dit jaar , toen honderd en tien bisschoppen met den Paus vergaderd waren , trof u slechts den ban en zijne gevolgen.quot;

„Zijne gevolgen ? Daarin is liet juist gelegen ! Zeg het zelf eens : — quot;Waarin bestaan die gevolgen ?quot;

„De uitoefening der regeering is u verboden, totdat de ban is opgeheven.quot;

„Dus een schaduwkoning !quot; riep spottend de vorst. „Bovendien heeft de trotsche Romein Hildcbrand op die synode uitdrukkelijk gezegd: „Totisix retjn! Tento-niconmt et Italiae guhernacula contradico , — ik verbied den koning de regeering in liet geheele Duitsche Eijk en Italië.quot; Vermetele uitspraak ! immer zulien wij ons hoofd voor deze uitspraak buigen.quot;

„Dit vonnis velde Gregorius stellig niet, — hij kon het niet vellen ; want het zou in tegenspraak zijn met de kerkelijke wetten hernam IJdo. „Een hatelijke leugen op Gregorius te meer. Wel kan de Paus verklaard hebben, dat de uitoefening van de koninklijke macht ongeoorloofd , wellicht zelfs onmogelijk is, zoolang de ban blijft uitgesproken.quot;

„Hoe moet men dat verstaan ? Uwe woorden schijnen mij duister en tegenstrijdig toe , aartsbisschop !quot;

„Uwe hoogheid weet, - dat de ban uitsluit van de gemeenschap der geloovigen,quot; verklaarde Udo. „De geëxcommuniceerde priester heeft wel is waar de macht om de II. H. Sacramenten toe te dienen , maar hij mag ze niet toedienen omdat iiij een dood lid van het lichaam van Christus is. Ieder geëxcommuniceerde Can. d. ii. c

-ocr page 404-

bisschop , graaf, hertog of koning wordt ongeschikt voor de regeering, omdat hij buiten de gemeenschap der geloovigcn staat, aan welke het verkeer met den geëxcommuuiceerden verboden is.quot;

„Dat is juist die ellendige toestand!quot; riep de Saliër levendig uit. „De banvloek doodt elk ambt, elke waardigheid , zelfs dat des konings.quot;

„Wat gij ellendig vindt, heer en koning , dat vind ik grootsch, verheven, goddelijk zeide üdo met helderen blik. „Nimmer mogen goddeloosheid en ondeugd do gezellinnen van ambten en waardigheden in christelijke rijken zijn. Voor tyrannen en booswichten bestaan geen kronen geen herdersstaven. Christus heerscht, Christus regeert in het groote huisgezin der Christenheid , — niet de antichrist. — Hierin is hot nu gelegen, dat de geëxcommuuiceerden ongeschikt worden voor de regeering.quot;

De Saliër keek den aartsbisschop met gloeiende oogen aan. Vervolgens grijnslachte hij.

„Ha — ha, — ik moet bekennen, gij hebt in Rome flink het kunststuk geleerd om geestelijke heerschzucht in een vroom kleedje te stekenquot;, riep hij. „Foei, schaam u, aartsbisschop!quot;

„Wat mij in Duitschland iedereen uit het volk zegt, behoef ik in Rome niet te leeren,quot; antwoordde de aartsbisschop üdo. „Zou u dat onbekend zijn, heer en koning?quot;

„De meeningen der domme menigte kunnen ons niet tot maatstaf strekken. Uit oude tijden overgebrachte dwaasheden moeten nimmer invloed uitoefenen op onze manier van regeeren. Christus mag heerschen en zijn Stedehouder in Rome mag regeeren, — maar wij zijn koning.quot;

„Gij wilt diep ingewortelde meeningen in het leven

-ocr page 405-

83

des volks veranderen, Iiooglield? Beproef daaraan uwe krachten! Kunt gij do mensolien veranderen, opdat zij niot denken, niet gevoelen , niet oordeelen, niet handelen volgens de alles heheersehende grondstellingen van het godsdienstig geloof?quot;

„Ja, dat willen wij , — of te gronde gaan!quot; riep de vorst trotsch en heftig uit. „Bij Gods genade zijn wij, — vrij van bekrompen inbeeldingen, —- onafhankelijk van Home 's machtspreuken, — vijandig gezind jegens do bevelen van den Stedehouder van Christus.quot;

Graaf Kellenburg beschouwde iu don hoogsten graad verwonderd en ontsteld den jongen man, wiens oordeelvellingen 200 ver afweken van den geest en de richting van zijn tijd. En dit punt is niet het eenigste, dat Hendrik IV in het slechte tot een zoon der achttiende eeuw verlaagt. De menschelijke ontwikkeling streefde hij eeuwen vooruit, door het oprichten van staande legers, door het invoeren van directe algemeene belastingen, zoo als hij dit in het onderworpen Saksen beproefde en door het te wagen om liet absolutisme van den vorst in te voeren. Deze verrassende verschijning is zonder twijfel een vrucht van de ongodsdienstige en der Kerk vijandige gemoedsstemming van Hendrik IV. Zedelijk bedorven, als hij was, een vijand van het licht en zijne waardige dragers, was aan zijn despotiek gemoed elke vrijheid en zelfstandigheid gehaat , die zich in den katholieken geest der Middeleeuwen zoo rijk eu verscheiden ontwikkelde. Tyrannen zullen lummer vrienden der Kerk zijn, omdat de Kerk van Christus elke tyrannic moet bestrijden. Daarom vieren de moderne onderdrukking des volks, als ook liet stijve, onbarmhartige, alles onderwerpende militairis-nis hun geboortefeest sedert de natiën met do Kerk Gods gebroken hebben. Er is geen Paus meer, die in

6*

-ocr page 406-

84

naam der groote christolijkc Staton-familie hot absolutisme en het despotisme der tyrannen bestrijdt , — daarvandaan jammer en ellende , cnreclitmatigc dwang en onderdrukking in alle rijken.

Als de natiën de moederlijke tuelit der Kerk ont-loopen zijn, vallen zij onfeilbaar onder de ijzeren vuist van dwingelanden, om slaven te worden.

Er waren eenigo oogenolikken noodig , alvorens de aartsbisschop bekomen was van zijne verrassing en ook van zijn schrik over de uitdrukkingen des konings.

„Wel zijt gij koning bij Gods genade,quot; zeide hij nu, „en juist de Paus is ook tot wachter over de leer des Bijbels aangesteld: „Gehoorzaam do overheid; want zij is van God.quot; Nimmer kan en zal een Paus de volkeren ontslaan van den eed van getrouwheid aan een vorst, die in den geest des Evangelies regeert. Even zeker kan een Paus de regeering van een vorst niet billijken, die tegen do geloofsovertuiging van een volk aandruischt. Want de steun en grondslag van alle rijken en Staten is niet de willekeur der koningen, maar de godsdienst.quot;

Een sportend lachje speelde om Hendriks mond.

„Erkende toch uwe hoogheid de gevaren eener richting, die aan onzen tijd geheel vreemd en vijandig is,quot; ging de aartsbisschop met aandrang voort. „Naaide begrippen des volks moeten koningen en keizers dienaren Gods zijn; beschermheeren der Kerk, der zwakken en behoeftigen ; Ministri Dei, plaatsbekleeders van God zijn de koningen. En als Grogorius een vorst in den ban deed, die zich vijandig toonde aan de Kerk en aan hare leerstellingen dan handelde hij in den geest onzer eeuw. — Gij echter, mijn heer en gebieder, staat daar met geheel vreemde beschouwingen van het koningschap. Minachtend ziet gij van de

-ocr page 407-

85

hoogte des troons op don II. Vader dor' Christenheid neder. Xaar uw goeddunken en persoonlijk go-voelen handelt gij in Kerk en Stuat, gij meent alles te kunnen bedekken met het purper, wat met Gods wetten en hot geloof des volks in strijd is. Hoogheid, ik bezweer u , keer terug van dit pad , dat u zeker ten verdervo leidt! Al waren uwe kracht en uwe macht reusachtig , zij zouden moeten bezwijken in den strijd met de Kerk, die niet door menschenhanden gesticht is.quot;

Duister trok de Saliër de lippen samen en vijandig keek hij den prelaat aan.

„Overwinnen of bezwijkenhernam hij kort maar trotsch.

„Gehoorzaamheid volgens christelijke plicht aan den man , dien God als Herder over alle geloovigen heeft aangesteld , is een schoone overwinning , mijn vorst, — des te schooner en edeler naar mate do tegenkanting van hot egoïsme togen do eischen van den plicht heviger is.quot;

„Genoeg hiervan! Wij deelcn uwe meening niet. Hildebrand is een dubbelhartig monnik , die eerbied nog achting verdient.quot;

„Ik keu de handelingen van den Paus tamelijk nauwkeurig , altijd bleven zij gelijkmatig , altijd geleid door de ingevingen van zijn ambt als Opperherder. Op dubbelhartigheid hebben wij hem nimmer betrapt.quot;

„Gij zult onmiddelijk overtuigd wordenriep de Saliër, terwijl hij opstond en een kast opende, uit welke hij een prachtig bewerkt zilveren kistje nam. Hij lichtte het deksel op cn zocht in perkamenten.

„Hier, -— lees dezen brief van den vromen Paus Gregorius aan ons zeide hij , den aartsbisschop een schrijven overhandigend.

Udo las :

-ocr page 408-

86

„Daar,Wij niet alleen met U, wicn God tien hoogsten trap aanwees , maar met alle mensehen vrede in Christus ■\vcnsclien te hebben, — heeft het Ons verblijd, dat Gij de bemiddeling oener zaak , welke het welzijn der geheele Kerk betreft, aan twee vrome mannen hebt opgedragen , die niet hun eigen voordeel zoeken. quot;Weet derhalve: Wij zijn bereid, onder beraad der twee, U den schoot der Roomsche Kerk te heropenen, ü als heer , als broeder , als zoon te erkennen, en U zooveel mogelijk hulp te verleenen , onder voorwaarde namelijk, dat Gij naar de vermaningen luistert, die Wij U ter wille van Uw eigen zieleheil geven, en Uwen Schepper de Hem toekomende eer bewijst. Wrij verheugen Ons bovendien ter vrille van het welzijn dei-Kerk , dat de overmoed der Saksers, die op onrechtmatige wijze waren opgestaan, door een Godsgericht is verootmoedigd, maar wij betreuren het vergoten bloed. Uw plicht is het nu, zulk een gebruik van de overwinning te maken; dat zij strekke ter eere Gods en van de rechtvaardige zaak, maar niet om wraak te oefenen. Want een vorst mag altijd zonder vrees voor schuld duizend goddeloozen ter wille van de gerechtigheid tuchtigen, maar uit eerzucht ook slechts een enkel Christen te dooden, is oen zware zonde ')•quot;

Graaf Nellenburg keek verrast van hot perkament op naar den vorst.

„Een vaderlijk en ook een ootmoedig schrijven!quot; zeide hij. „De trotsche Gregorius noemt u hier zijn „broeder en zoon,quot; zelfs zijn „heer.quot; Mijn koning, hier is toch op treffende wijze uw verwijt van de hoo-vaardij en heerschzucht van Gregorius wederlegd.quot;

*) Gfrörer , D. VII, bl. 467 v.v.

-ocr page 409-

O 1 b 4

„Daarom gaf ik u het schrijven niet,quot; antwoordde' de vorst eenigszins verlegen. „Gij moest Hildebrands dubbelhartigheid daarin vinden. De brief is van den 11 September des vorigen jaars. Destijds noemt hij de Saksers oproerlingen , die door een Godsgericht zijn getuchtigd , — en heden neemt hij de Saksische zwijnen onder zijne hoede. Is dat geen dubbelhartigheid?quot;

„Deze briefis een antwoord op uw schrijven, heer en koning ! Gij luidt den Paus gemeld, dat de Saksers tegen allo recht en regel waren opgestaan en dat zij met Gods hulp in den slag aan de Unstrut onderworpen waren. Naar uwe wijze van voorstellen antwoordt u de Paus in dit schrijven. Middelerwijl zonden de Saksers , op de aanmaning van Gregorius om u te gehoorzamen , gezanten naar Some. Daar klaagden de Saksers over dwangburchten in hun land, over roof en moord op uw bevel, over onteering van vrouwen en maagden door uwe soldaten. Oordeel , heer en koning! Mocht de Vader der Christenheid lien , die zoo klaagden onbarmhartig en hardvochtig afwijzen ?quot;

„Hij menge zich niet in onze zaken , — wij dulden geen tweeden koning in het Rijk !quot; riep de Saliër.

„En de Paus kan en mag eene stelling niet verloochenen , welke de natiën hem geven , — of liever gezegd , hom opdringen hernam üdo. „quot;V olgens de begrippen der goheele Christenheid is de Paus sedert eeuwen oen lapis adjntorü, een refugium oppressovmi, — een rots der hulp , een toevlucht der onderdrukten. Ruk dit geloof uit de harten, als gij hot vermoogt ! Evenmin mag de Paus zijn geestelijk Vaderschap verloochenen. Ik kreeg te Rome inzage van een schrijven der Saksers. Daarin heet het: „ O ramus, obsecramus, supplicamus , id cans am paupertmi vóbis assumatis et contra potente* et violentos adcersario? defendatis , —

-ocr page 410-

88

wij bidden en bezweren u , wij smeeken u, dat gij u de zaak der armen aantrekket , dat gij hen verdedigt tegen de geweldenarijen van machtige vijanden. Want gij weet, H. Vader schreven de Saksers verder , „dat uw Stool diegene is, waarvan gezegd wordt: Hecht en gerechtigheid zijn do steunpilaren van uwen troon ; — en wederom : uwe rechterhand is vol rechtvaardigheid. En op een andere plaats: die recht verschaft aan hen, die onrecht lijden').quot; — Als met dergelijke klachten de Saksers bij den Paus komen , kan 'hij hen dan afwijzen ?quot;

„Evenmin willen wij hen afwijzen, die de verdediging van de koninklijke waardigheid van ons vorderen,quot; hernam Hendrik. „Ook zijn wij niet ongenegen voegde hij er op oen dreigenden toon bij , „onrustige verraders te laten vatten , wanneer zij, als 't ware, onder onze oogen het volk tegen ons ophitsen.quot;

„Moge u het ongeluk niet overkomen, heer en koning, oprechte vrienden voor vijanden te houden , en omge keerd ,quot; zeide de aartsbisschop. „Later zal het u berouwen , dat gij mijn raad hebt in den wind geslagen. Creen hand heeft nog de Kerk aangerand, die niet vermorzeld is. Slechts ongeloof en dwaasheid kunnen het ondernemen, datgene omver te werpen, wat God gesticht heeft.quot;

De koning gaf met de hand een teeken tot vertrek, üdo stond op, zonder evenwel Siegfried te vergeten.

„Gij hebt den beschermheer van Klingen ter verantwoording gedagvaard,quot; zeide hij. „Zou het niet in uw belang zijn die zaak te laten rusten?quot;

„Weet gij daar iets van!quot; vroeg de monarch verwonderd.

') Hergenröther, Kiith. Kerk en christl. Staat, bl. 25. Aanm.

-ocr page 411-

i

sa

„Door een toeval kwam mij die zaak ter kennis.quot; „Wij laten haar niet ruston,quot; hernam Hendrik met gefronst voorhoofd. „De onbeschaamde oproerling verantwoorde zich . en wee zijn leven, zoo het hem niet gelukt zich van de schuld vrij te pleiten 1quot;

„Do beschermheer deed zijn plichtantwoordde graaf Nellenburg. „Daarentegen zou een onderzoek aan den dag brengen, dat uwe hoogheid zich grootelijks heeft vergrepen aan de kerkelijke wetten, daar gij aan een gehuwd priester de waardigheid van abt voor de abdij Klingen verkocht hebt.quot;

oordeelden den gehuwde geschikt voor abt cn wij zijn voor onze koninklijke handelingen niemand rekenschap schuldig,quot; antwoordde de vorst barsch. „Ga heen, wij zijn niet genegen, verder naar uwe aanmatigingen te luisteren.quot;

Nu veranderde do houding van Nellen burg geheel en al. Met zelfgevoel hief hij het hoofd op en keek den Saliër met bestraffende oogen aan.

„Tot nu toe sprak tot u, heer en koning, de gezant des Pausen, en wel mot die goedheid en toegevendheid, welke met den vaderlijken geest van Gregorius strooken. Bij God, mij viel deze rol zwaar! Wie trots met zachtmoedigheid , boosheid met goedheid, belee-digingen met grootmoedige vergiffenis beantwoordt, zooals Gregorius dit tegenover u doet, — die moet een heilige zijn, — en ik ben geen heilige. Wel ben ik de Rijksvorst Udo van Trier, die alzoo tot u spreekt: Heer en koning! Wij dulden niet, dat gij regeert, niet gelijk een christelijk man , maar als een heidensch tyran! Wij dulden niet, dat gij vrijheid cn recht, eer en goed van een individu, ais ook van geheele stammen met voeten treedt. Wij dulden niet, dat zich de Duitscho koning in het slijk der schandelijkste on-

-ocr page 412-

90

deugden wentelt, dat hij bijzitten en lichtekooien houdt, als eon Moorsch vorst. V\ ij dulden niet, dat gij het heiligdom ontcert, het priesterschap verlaagt, aan slechte menschen, ja zelfs aan roovers en moordenaars abdijen en bisdommen verkoopt. Keert gij niet terug tot het pad der deugd , dan wordt gij ontwijfelbaar schandelijk van den troon gestooten. Een christelijk volk verdraagt geen tyrannic. Een christelijke natie laat haar heilig geloof niet onder hot juk brengen , reeds daarom niet, omdat het godsdienstig geloof de vader barer vrijheid is.

„Dit durft gij mij zeggen, aartsbisschop?quot; riep do Saliër uit in toomelooze woede. „Man, zijt gij uw leven moede?quot;

„Het dreigen van een tyran vreezen wij niet,quot; antwoordde trotseh de Eijksvorst. „Alvorens ons aan de bekende bloeddorstigheid van Hendrik IV bloot te stellen , waren wij op onze veiligheid bedacht. Onze vazallen staan onder de wapenen. Keer ik nu niet terug, dan zullen onze mannen ons hier zoeken. — Ik ga heen! Denk na over mijne waarschuwingen.quot;

Hij nijgde nauwelijks met liet hoofd en ging de deur uit.

Hendrik liep als een waanzinnige door het vertrek.

„Ha, — die schurk, — die oproermaker!quot; riep hij uit bevend van woede. „Wij moeten voor goed afrekening houden met dat addergebroed , dat onze hoogheid bezwadderd, — dat onze opperste macht trotseert. Welk een onbeschaamdheid! Wacht maar, gij hertogen, gij hoogmoedige aartbisschoppen, uwe macht zal gekortwiekt worden! Ik zal rusten noeh duren, voor dat er slechts één heer in het Rijk is, — voor dat deze slaven mijne voeten kussen. — — Hoe listig legde het deze schelm aan! Eerst wil hij ons bang maken, als een onmondigen knaap, met den geest des tijds

-ocr page 413-

91

met do godsdienstige gevoelens des volks, door ons gescliondcn en verloochend. Moet een koning eerst aan liet domino volk vragen, hoe hij den schepter moet voeren ? Jfeen, noch aan den Paus noch aan het volk, — wij zijn heer en gebieder in het Rijk, — en aan niemand verantwoording schuldig. — Vervolgens legt hij do voorgewende ootmoedigheid af, verheft trotsch liet hoofd en roept uit : Heer en koning, nu spreekt de Rijksvorst tot u! — Ha, — ha! Bedaart maar, gij heeren , —• allen zult gij naar nnjno pijpen dansen !quot;

De deur ging open. De burchtgraaf Ekbert, een man van gevorderden leeftijd, met sluwen blik en hardvochtige gelaatstrekken , trad binnen.

De hoogste koninklijke ambtenaar in bisschoppelijke steden was de burchtgraaf. Hij vormde het werktuig, waardoor het hof zijne plannen en geheime bevelen liet uitvoeren. Hendrik IY maakte van de burchtgraven gebruik om volksoproeren tegen bisschoppen, die niet gewild waren , te leiden. Zoo gebeurde het te Worms, welks bisschop de Saliër door zijn burchtgraaf te dier stede liet verdrijven. Om deze beambten vormde zich een koninklijke partij , altijd slagvaardig en bereid , naar de bevelen van het Salische hof te handelen. Ook spraken de burchtgraven recht naar den zin dos ko-nings en naar zijn allerhoogsten wil, ingevolge de onzedelijke grondstelling: quod principi placuit, ley is Uabet vigorern, — de willekeur des vorsten heeft kracht van wet. ')

Bij hot binnentreden van Ekbert ging de vorst op een stoel zitten , om wat te bekomen. Vervolgens hief hij het hoofd op tot den burchtgraaf.

!) Gfrorer D. VII bl. 489.

-ocr page 414-

„Is de jood Baruch Ben Marum bij u geweest, graaf?quot;

„Voor een nur. T)e aanklacht tegen Siegfried, be-sohermlicer van Klingen , en tegen Poppo , de tolgaarder des aartsbisscliops , werd opgenomen. Do gerechtsdienaars heb ik reeds bevelen gegeven. Morgen komen beide zaken voor de rechtbank van uwe hoogheid.quot;

„Hebt gij onzen vrijbrief, die aan de joden van Spiers is afgegeven , opmerkzaam gelezen ?quot;

„Ja, mijn gebieder!quot;

„Handel zoo streng mogelijk met Siegfried , die zicli aanhoudend vergrijpt aan ons oppergezag. Die schurk moet tot eiken prijs onschadelijk gemaakt worden. Onze vrijbrief zegt , die een jood mishandelt, verliest beide oogen en do rechterhand , zoo hij een slaaf is. Siegfried is wel een vrij man , die, volgens den vrijbrief, slechts mot een pond goud behoeft te booten. Evenwel bevelen wij , dat hij veroordeeld worde om beide oogen en do rechterhand te verliezen.quot;

„Zeer goed, mijn gebieder! Wat intusschen van daag verder gebeurd is , berooft Siegfried van alle rechten van een vrij man , en daardoor heeft hij den dood verdiend. Met de wapenen in do hand, door een hoop gepeupel ondersteund , heeft genoemde voogd geweld gebruikt tegen uwen beambte , den burchtwachter Eberhard.quot;

„Wat zegt gij ?quot; riep de koning ontsteld.

„Zoo even is Eberhard bij mij geweest,quot; ging de burchtgraaf voort en hij verhaalde het voorval.

„Hel en duivel , — dat is wat moois !quot; riep de Saliër uit van den stoel opspringend. „Die beide vorstenkinderen gevlucht, wier bezit mij de werkeloosheid van eenige Saksische grooten verzekerde ? Vervloekte geschiedenis ! Vorder onmiddelijk de beide

-ocr page 415-

93

vluchtelingen terug. Plaats u aan do spits mijner mannen , — voort, naar liet paleis van Sigifriod !quot;

„Do aartsbisschop schijnt tot het uiterste besloten , heer en koning ! Ik goloof niet, dat de knapen gewapenderhand te krijgen zijn.quot;

„Wat is dat, graaf?quot; schuimbekte de despoot. „Weigert do aartsbisschop do teruggave dor knapen , neem hem zeiven dan gevangen. Nu, — wat staat gij daar? Voorwaarts, — op het oogenblik mijne gevangenen.quot;

„Volgens liet bevel uwer heerlijkheid !quot; antwoordde de burchtgraaf onderdanig. „Veroorloof evenwel nog een enkele noodzakelijke bemerking. Sigifried liet zijn paleis sterk met gewapeuden bezetten, waarschijnlijk omdat liy den eisch van den gebieder voorzag. Zijne ridders en dienstmannen staan gewapend. De manschappen , die ik voor het oogenblik kan oproepen , zijn tegen de macht van den aartsbisschop niet opgewassen. Komt het tot een gevecht, dan is de nederlaag en een schandelijke aftocht ons deel.quot;

„Dunt gij mij dit zeggen, lafhartige slaaf?quot; schreeuwde Hendrik zicli zei ven niet meer meester , en een vloed van verwenschingen , vloeken en scheldwoorden kwam over zijne lippen in die dolle woede.

Ekbert kende die maniei; van doen van Hendrik IV. Hij wist, dat op dien hevigen storm spoedig rust volgde en stond bedaard.

Mijn toestand is wanhopig !quot; eindigde de koning, nadat hij zijn toom had laten uitwoeden. „Verraad , schelmerij , oproer , lafheid van alle zijden. — — Gij meent dus graaf, dat wij ons moeten schikken naar de vermetele onbeschaamdheid van den aartsbisschop ?quot;

„Dat niet, mijn gebieder! Volgens mijne meening kan men de knapen wel machtig worden door waarschuwingen

-ocr page 416-

94

of bedreigingen, — maar niet door geweld , omdat wij voor zulk een geval niet sterk genoeg uitgerust zijn.quot;

„Uw raad is verstandig. Beproeven wij het eerst in liet goede. Maar laat den schurk Siegfried, dien meineedigen oproermaker, ophangen, tot een waarschuwend voorbeeld voor allen van zijn soort. Laat hem eerst met hand en oogen do mishandeling boeten van onzen kamerling, den jood Baruch, — en dan naar de galg met hem !quot;

^Volgens uw bevel en dat van het recht !quot; antwoordde de burchtgraaf, met het hoofd knikkend. Hij maakte een buiging en ging heen.

VOOR HET GERECHT.

De mare van den slavenhandel van Baruch uit Spiers, gedreven onder de hoede van een koninklijken vrijbrief, was spoedig door de heelo stad bekend en had algemeonc ontsteltenis bij Hendriks tegenstanders, zelfs een afkeurend hoofdschudden bij zijn aanhangers opgewekt. G'roote spanning heersehte in de stad over don loop en den uitslag van Baruchs aanklacht tegen Siegfried. Do aanzienlijkste burgers spoedden zich in den vroegen morgen van den gerechtsdag naar het paleis. De groote voorkamer voor de rechtzaal was eivol met nieuwsgierigen, aan het hoofd daarvan Arnold, de kuiper en diens oom, de handschoenmaker. Deze voorkamer was door een hoog ijzeren traliewerk van de rechtzaal gescheiden, zoodat de toehoorders gemakke-

-ocr page 417-

95

lijk de verhandelingen konden volgen. De corridors en de ingangen waren met ge wapenden bezet. Zelfs in de spreekkamer bemerkte men lansen on hellebaarden. Siegfried verscheen van top tot teen gewapend , maar zijn dienstmannen werd het niet toegestaan hem in do rechtzaal te volgen. De beschuldigde zat op een bank aan den muur, naast hem Poppo , de tolgaarder. De jood Barucli Bon Marum stond zegevierend tegen oen vensternis te leuneti, bij zich zeiven sprekend, levendig gebaren makende en nu en dan den beschermer van Ot-tilie wraakzuchtige blikken toewerpend.

Vooraan in de zaal stond een lange tafel, waarop boeken, perkamentbladen en schrijfgereedschap lagen. Om deze tafel stonden drie stoelen, van welke de middelste uit één steen gehouwen en met een lederen kussen bekleed , de eereplaats voor den burchtgraaf vormde.

Het publiek in de voorzaal onderhield zich over de merkwaardige gebeurtenis. De aanhangers des konings bestreden het voorgewend bestaan van een vrijbrief voor den slavenhandel en beschuldigden den jood van bodrog en leugen. De tegenstanders van den Saliëi' spraken dit tegen.

„Op gevaar af van zijn hoofd te verliezen,quot; zeiden zij, „zal de jood geen voorwendsel verzinnen, dat hem toch niets kon baten. De vrijbrief voor den slavenhandel bestaat werkelijk en past volkomen in het bestuur van Hendrik IV. Geheel Saksen heeft hij toch van alle rechten en vrijheden beroofd en het slavenjuk opgelegd,— waarom zcu hij aan joden dan geen vrijbrieven voor den slavenhandel geven ? Het laatste is niet erger dan het eerste. Verkoopt de koning aan slechte menschen geen bisdommen , — waarom zou hij dan voor veel gold aan rijke joden den slavenhandel niet toestaan?quot;

-Wat twist gij ?quot; riep Arnold. „Ik ben een vriend

-ocr page 418-

96

des konings. Waro evenwel Hendrik IV zulk een schurk , gelijk gij beweert, dan ben ik de eerste, die zegt: van den troon mot zulk een booswicht, die wel over heidenen, maar niet over Christenen mag regecren! — Wacht maar, burgers! De zaak zal weldra opgehelderd worden.quot;

Zoo werd gestreden, totdat de burchtgraaf verscheen, gevolgd door twee bijzitters en Eberhard, den burcht-wachter des konings. Het gejoel in de zaal hield op.

Een gerechtsbode trad voor en riep met luider stem:

„Ecchtsban van koning Hendrik, den vierden van dien naam, gehouden door Ekbert, 's konings burcht-graaf alhier in Mainz. — Door den handelsjood Ba-ruch Ben Marum uit Spiers is aangeklaagd Siegfried, beschermheer van het sticht Klingen, omdat hij hem, namelijk genoemden jood, mishandeld en verscheidene keeren in een hoek geworpen heeft.quot;

„Dat heeft hij waarachtig , — geworpen heeft hij mij en geslagen mijne knechten,quot; riep Barueh.

Een strenge blik van den burchtgraaf deed hem zwijgen.

„Verder is aangeklaagd,quot; ging de gerechtsbode voort, „dezelfde Siegfried, omdat hij een slavin van genoemden jood aan haren eigenaar heeft ontrukt en door een monnik aan de kloosterzusters van St. Peter heeft overgegeven. Eindelijk is aangeklagd Poppo de ontvanger der havengelden voor den aartsbisschop Sigifried, omdat hij van den meergenoemden Baruch Ben Marum wederrechtelijk havengeld heeft gevorderd eu hem in geval van wanbetaling met geweld tegen diens eigendom bedreigd heeft.quot;

De beschuldigden en de beschuldigers kwamen voor de tafel.

„Barueh Ben Marum,quot; begon de burchtgraaf, „kunt

-ocr page 419-

i 97

gij bewijzen , dat u een vrijbrief van onzen koning ontheft van tolgeld en u tevens don slavenhandel toestaat ?quot;

„Recht en gerechtigheid, — gestrenge heer rechter, dat kan ik bewijzen!quot; riep Baruch het perkament van zijn lederen omkleedsel ontdoende. „Dezen vrijbrief heeft ons joden van Spiers geschonken onze allergenadigste koning, dien lang spare op zijn groot machtigen troon de God mijner Vaderen.quot;

„Dat behoort niet bij de zaak, — geef don brief over!quot; gebood Ekbert de burchtgraaf.

„Neem het kleinood in uwe gestrenge handen en lees, genadigste heer rechter!quot; zeide onderdanig de jood. „Neem het kostbaar perkament, den redder in mijn nood, het schild van een armen, geslagen en geworpen man. Neem liet en lees daarin recht en gerechtigheid voor een beroofden en mishandelden zoon van David.quot;

„Zwijg!quot; gebood de burchtgraaf, ontvouwde, bij doodsche stilte en buitengewone spanning van de toehoorders , het perkament en las :

„In den naam der heilige ondeelbare Drievuldigheid. Hendrik bij de genade Gods koning der Duitschers , de vierde van dien naam. Doen te weten aan alle bisschoppen , abten , hertogen , graven , als ook aan alle onderdanen van Ons Rijk , hoe zekere joden, Judas de zoon van Calonimus , David Ben Meschulam , Mozes Ben Guthiel, Baruch Beu Marum, benevens hunne stamgenooten te Spiers voor Ons aanschijn zijn verschonen , en Ons gesmeekt hebben , hen bonevens hunne kinderen en erfgenamen in Onze bijzondere bescherming te nemen. Wij bewilligden in dat verzoek en verleenden hun tevens door bemiddeling en voorspraak van don bisschop Hausmann van Spiers de volgende rechten: Niemand, van welken stand hij zij , groot noch klein , CAN. D. ii. 7

-ocr page 420-

98

vrije noch slaaf verstoute zich , een jood op onreclit-vaardige wijze lastig te vallen of hem zijn erfelijk eigendom , hofsteden , huizen , tuinen , wijnbergen , akkers, onderhoorigen, eenig roerend of onroerend eigendom te ontnemen. Wie in strijd daarmede handelt , betaalt aan Onze Rijks-schatkist of aan die des bisschops een boete van een pond goud en moet bovendien den benadeelden jood de waarde van het geroofde vergoeden. Uc jouen zullen vrijheid hebben, hunne zaken met lieden van allerlei stand te ruilen, in het geheelo Eijk vrij eu ongestoord rond te reizen (discur-rere), handel te drijven , en niemand mag van hen tollen of welke andere lasten ook vorderen , hetzij in naam van den Staat, hetzij in naam van privaat personen , {eel aliquant exactionem puhlieam tel privatum repetat.) Hunne huizen zullen zonder hunne toestemming geen inkwartiering ontvangen, evenmin is het geoorloofd van hen paarden voor den dienst des konings of van den bisschop te vorderen of eenige andere heeren-dienst van hen te eischen 1).quot;

Do burehtgraaf hield op met lezen.

„Volgens de duidelijke uitdrukking van dezen vrijbrief,quot; zeide hij tegen Poppo , „is hot jodendom in Spiers vrij van tollen en lasten Van alle soort. Want hier staat uitdrukkelijk ; „Niemand mag van hen tollen of welke andere lasten ook vorderen.quot; Bijgevolg hebt gij , tolgaarder Poppo , geen recht, van Baruch Ben Marum, die hier tegenwoordig is, iets te vorderen.quot;

„Hoort eens !quot; riep een stem in de voorzaal. „Slechts Christenen betalen tollen, — de joden zijn vrij.quot;

„Slechts Christenen moeten den last van heerendien-

') Eemling, Oorkondenboek , bl. 65 v.v.

-ocr page 421-

99

sten en inkwartieringen dragen, — do heeren joden nietriep een ander.

Ekbert wierp een dreigenden blik naar de voorzaal.

„Waagt het de tolgaarder Poppo ging de burcht-graaf voort, „den jood Barueh Ben Marum nog met geweld te dreigen, dan heeft genoemde Barueh het recht, onze bescherming tegen den tolgaarder Poppo in te roepen !quot;

„Eecht en gerechtigheid, gestrenge lieer rechter, allerwijste lieer rechter !quot; riep de jood. „Moet Poppo niet betalen mijn verzuimden tijd ? Met betalen mijn kostbaren tijd, dien hij mij roofde , daar hij mij grijpen en vasthouden liet door zijne knechten? Moet hij niet betalen zware boete voor zijn onbeschaamdheid, een kamerling van onzen zeer machtigen koning, een bevoorrechten des Sijks , behandeld te hebben . als een gemeenen slaaf?quot;

„Voor deze vordering , jood , bestaat geen artikel in de wetantwoordde Ekbert.

„Geen artikel in de wet? O waih, — een groot gebrek, — een groote leemte in de wet!quot; klaagde Barueh Ben Marum.

De burehtgraaf nam den vrijbrief en las vorder:

„Wordt gestolen goed bij een jood gevonden en beweert de jood, dat hij het bedoelde goed gekocht heeft, dan moet de jood volgens zijne wet zweren voor welken prijs hij het kocht en dan heeft hij het recht, dienzelfden prijs te eischeu voor de gestolen eigendommen , alvorens het goed terug te geven {et tantumdem recipiat, et sic ei rem, cujus erat, restituat.) — Memand vermete zich , lieidensche slaven , welke aan joden toebehooren, te doopen en hen daardoor van hunne slavernij te bevrijden {ah servitio avertat). Daarentegen is het den joden niet geoorloofd, christenslaven te koopen.quot;

-ocr page 422-

100

De burchtgraaf hield op.

,Hieruit blijkt,quot; zeide Ekbert, „dat, de joden van Spiers krachtens koninklijke bewilliging heidensche slaven mogen koopen en bijgevolg ook weder mogen verkoo-pen1).quot;

„Een wijs rechter , — een zeer wijs rechter!quot; verzekerde onder levendige bewegingen van hoofd en armen de jood.

. „Verder volgt uit dezen vrijbrief,quot; ging Ekbert voort, dat genoemde joden in het geheele Rijk volle vrijheid hebben , handel te drijven. Deze vrijheid zou evenwel niet geheel vrij en onbeperkt zijn , indien zij ook geen slavenhandel mochten drijven.quot;

„Welk een rechter, — een kleinood van een rechter!quot; riep Baruch vol geestdrift uit. „Een Daniël, een Salomon, — God mijner Vaderen, een juweel van een rechter!quot;

„Heeft nu,quot; eindigde de buichtgraaf, „Siegfried, beschermheer van Klingen, de slavin van den jood Baruch Ben Marum gewelddadig aan den eigenaar ontrukt, dan is hij strafwaardig en schuldig om, of de slavin terug te geven, of hare dubbele waarde te vergoeden.quot;

„Recht en gerechtigheid, dat moet hij!quot; bevestigde Baruch. „De dubbele waarde, ja de dubbele waarde, — namelijk tien pond goud; want gekocht heb ik mijne slavin te Verdun voor vijf pond goud.quot;

„Hoor dien leugenaar van een jood eens!quot; zeide Arnold , de kuiper, tot zijn oom den handschoenmaker. „Gisteren beweerde hij , dat hij het meisje voor twee pond goud gekocht had, — van daag zijn het vijf pond.quot;

„Wellicht zijn het nog niet eens twee pond , misschien heeft hij de arme geschacherd voor eenige zilveren denarissenquot; antwoordde Arnolds oom. „Doch stil, — luister verdér!quot;

') Gfrürer, D. VII, tl. 762.

-ocr page 423-

101

„Bekent de beschuldigde zijn scliuld? Spreek!quot; gebood Ekbert aan den beschermheer van Klingen.

„Ik loochen niet,quot; antwoordde Siegfried, „dat ik het ongelukkig meisje uit de slavernij van dezen jood bevrijd heb, omdat zij mijne bescherming inriep, en ridderplicht mij gebiedt, onderdrukten , wcezen en bedroefden te beschermen. Buitendien bepaalt de vrijbrief, dio zoo even is voorgelezen, uitdrukkelijk, dat het joden niet geoorloofd is, christenslaven te koopem Ottilio is een christin , die in Saksen geroofd is. Bijgevolg ben ik niet strafbaar, omdat ik een christin uit de slavernij bevrijd heb, maar Baruch Ben Marum is strafbaar, omdat hij oen christin kocht.quot;

In de voorzaal hoorde men teekenen van goedkeuring.

„Recht en gerechtigheid, — Ottilic een christin?quot; schreeuwde de jood. „Ik zou koopen of verkoopen christenen of christinnen en laden op mijn hoofd den toorn dor Christenen? Neen, ik niet, — ik waarachtig niet! Dat do tong verdroge, die mij aanklaagt van zulk een zware misdaad! Geen christin is Ottilie, een slavin is zij, gevangen in den oorlog , verkocht aan handelaars in Verdun. En daar te Verdun, heb ik weder gekocht mijne slavin Ottilic voor zes pond goud.quot;

„Hoort eens, — nu zijn het al zes pond!quot; mompelde Arnold.

„Krijgsgevangenen zijn alleszins slaven,quot; bevestigde do koninklijke beambte.

„Ja wel, — en allo Saksen zijn slaven, — de koning heeft het gezegd,quot; riep een stem uit de voorzaal in de rechtzaal.

„Krijgsgevangenschap vernietigt alle rechten cn vrijheden van den christen naamquot; verklaarde Ekbert.

„God mijner Vaderen, — een parel van een rechter!quot; verzekerde Baruch.

-ocr page 424-

^ 02

„Een hond van een jood klonk het weer uit do voorzaal.

„Krijgsgevangenen zijn geen slavenverhief Siegfried moedig zijn stem. „Bovendien zijn er in alle christenrijken der aarde geen slaven meer, omdat ieder mensch vrij is volgons den wil Gods en do wetten dor Kerk. Daarom protesteer ik, heer burehtgraaf, tegen uwe meening en verklaring. In verschillende synoden hebben Paus en bisschoppen den ban uitgesproken over allen, die slavenhandel drijven.quot;

„Wat hoor ik voogd? riep de burehtgraaf het voorhoofd fronzend. „Heeft niet de koning, onze heer, den joden veroorloofd, slaven te koopen en te verkoopen? Wilt gij den koning dit recht betwisten ?quot;

„Ja, dat betwist ik hem,quot; antwoordde de jonge man vastberaden. „Ook koningen zijn verplicht de geboden Gods te onderhouden en naar do stem der Kerk te luisteren. Simmer mag een koning vrijbrieven uitreiken voor vergrijpen aan de menschenwaarde. Daarom is de vrijbrief van Hendrik IV onchristelijk en veroordeolings-waardig.quot;

„Flink gesproken, •— een moedig ridder, — een edel heer!quot; werd er goedkeurend in de voorzaal geroepen.

„Inderdaad, zeer oprecht, boste voogd! Gij verloochent uw gevoelen niet, gij toont karakter te bezitten ,quot; zeide met het grijnzen van een tijger de burcht-graaf. En met een stem van woede bevend ging hij voort: „Oproermaker, ontruststoker door woord en daad, — dat zijt gij! Hebt gij het zwaard niet getrokken tegen een beambte des konings? Hebt gij den loop der wet niet tegengehouden en voortvluchtige gijzelaars in bescherming genomen? — Heer Eberhard,quot; keerde hij zich tot den burchtwachter, „brengt uwe beschuldiging voor, opdat onze uitspraak volledig zij.quot;

-ocr page 425-

103

Do klager deeldo uitvoerig hot voorgcvalleno medo, liot den trots ou de anti-koningsgezinde stemming van Siegfried duidelijk uitkomen on kwam eindelijk tot hot volgende besluit:

„Wijl het nu duidelijk blijkt, dat Siegfried, beschermheer van Klingen, do oproervaan tegen den koning, onzen heer, heeft opgestoken, toen hij mij, 's konings burehtwachter, met getrokken zwaard bedreigde, bij het vervullen van mijn ambt, dien ten gevolge heeft genoemde oproermaker volgens de koninklijke wetten don dood verdiend.quot;

„Bekent gij ook deze misdaad? vroeg de rechter aan den beschuldigde.

„Ik beging geen misdaad en ik heb de. oproervaan niet opgestoken,quot; antwoordde Siegfried. „Maar twee knapen, aan wie het gelukte, uit een onwettige gevangenschap te ontsnappen, nam ik in bescherming , omdat de beangstigde kinderen die inriepen.quot;

„Onwettige gevangenschap?quot; herhaalde Eberhard , do burchtwachter. „Gij zijt onbeschaamd genoeg, de inhechtenisneming van gevangen Saksers onwettig te noemen , en den koning van onrechtvaardigheid te beschuldigen ?

„Hiertoe is geen onbeschaamdheid noodig, maar wel waarheidsliefde, burchtwachter,quot; antwoordde Siegfried. „Niet alleen onwettig, maar hemeltergend en ergelijk is de handelwijze des konings jegens de Saksers. Laat Hendrik IV dezen volksstam niet mishandelen, als slaven? Spot hij niet met elk recht en alle vrijheid in Saksen? Laat hij vrije Duitsche mannen niet met de zweep slaan, als hoerige knechten? Laat hij hen niet kwellen en martelen door zijne dienstmannen in dwangburchten ? Onteert hij niet op do schandelijkste wijze de familiën? Zijn moord en roof geen alledaagsche verschijnselen in

-ocr page 426-

104

Saksen ? Toen ik twee arme wcerloozo Saksische kinderen , twee slachtoffers van don tyran, met schild en zwaard verdedigde, deed ik eenvoudig mijn plicht.quot;

Deze -woorden met levendige vervoering en met kracht gesproken, brachten in de voorzaal een groote opschudding te weeg. Een verbazend gejuich van goedkeuring brak los voor den moedigen heer. Bij dit gejoel dei-voorzaal mengden zich de vloeken en verwenschingen van Eberhard.

„Wacht maar, gij meineedige honden!quot; riep de burcht-wachter zijn vuist naar de voorzaal opheffend. „Schreeuwen en kruipen zult gij onder do voeten en kolfslagen. Gij allen zijt verraders, oproerlingen , als deze Siegfried , — dezelfde straf zal u treffen.quot;

Deze bedreigingen stierven weg in het aanhoudend gejuich , totdat het eindelijk bedaarde en de burgers met spanning den verderen loop van deze gebrekkige rechtzaak volgden.

„Voogd,quot; begon somber de burchtgraaf.quot; De woorden , die gij daar zoo even gesproken hebt, kan alleen de dood boeten. Dubbel hebt gij uw leven verbeurd.quot;

„Noch de dubbele, noch de honderdvoudige dood, mag een man van eer, een christenridder weerhouden, getuigenis van de waarheid te geven en de misdaad te veroordeelenzeide Siegfried. „De dood schrikt mij in het geheel niet af, wijl hij een bode is , die mij naar mijn vaderland daar boven geleidt. Beschouw ik daarbij de schandelijke dingen in het Duitsche Rijk, de tal-looze misdaden, de verdrukking van het volk door een duivelsch , arglistig hof, de vervolgingen der Kerk, de beschimping van God en zijn heiligen wil, don gewe-tenloozen tyran op den troon, om hem karakterlooze gemeene tafelschuimers, de dagelijksche heleedigingen van het heilige en de loftuitingen van het slechte, dan

-ocr page 427-

105

is voor mij dc dood geen straf, maar een belooning. quot;Wel is het leven onder dergelijke omstandigheden een straf. Vel uw vonnis maar, gestrenge burchtgraaf! Maar daar boven verwacht ik u, zoowel als den koning en zijne medebeulen voor een alwetenden, rechtvaardigen rechter!quot;

Diepe stilte volgde op deze rede. De menigte in de voorzaal scheen getroffen, en menig oog in tranen zwemmend , zag met eerbied op naar den cdelmoedigen jongen man. Zelfs de burchtgraaf verloor zijn tegenwoordigheid van geest; want ook hij , ofschoon bedorven en een gedwee werktuig van den tyran , was niet geheel vrij van den hccrschenden, godsdienstigon geest van zijn tijd.

„Ik spreek recht in naam en op bevel des konings, — uw beroep op het allerhoogste gerecht kan mij volstrekt geen schrik inboezemenzeide hij op een toon , die zijne verzekering logenstrafte. „Nog een punt blijft te beslissen over. Bekent gij den jood Baruch Ben Marum geslagen en mishandeld te hebben ?quot;

„Geslagen heb ik den jood niet , maar wel ter zijde geworpen, toen hij op de bevende maagd aanviel antwoordde de beschuldigde oprecht.

„Dat is mishandeling,quot; besliste de rechter. „Volgens een bijzondere beschikking des konings worden echter dengenen de oogen uitgestoken en de rechterhand afgehouwen , die een jood mishandelt. — Luister daarom naar uw vonnis ! Wijl gij beschuldigd zijt en gij bekend hebt, dat gij den jood Baruch Ben Marum van Spiers mishandeld hebt, worden u , Siegfried, beschermheer van Klingen, door den beul do beide oogen uitgestoken en de rechterhand afgehouwen.quot;

Hier werd de rechter door den jood Baruch in de rede gevallen. Deze had bij de uitspraak van het

-ocr page 428-

106

vonnis in de grootste spanning met oogen van ■wraakzucht fonkelend en met voorover gebogen bovenlijf gestaan. Nu hief bij zich overeind en breidde als door een duivelschen geest gedreven , beide armen uit.

„De God mijner Vaderen zij geloofd !quot; riep hij. „Recht en gerechtigheid viel den verdrukte , geslagene en geworpene ten deel. quot;Weg met zijn oogen, — weg met zijn hand ! Waar is een mes , om zijn oogen uit te steken, — waar een bijl om af te houwen zijne hand ?quot;

Een woedend getier in de voorzaal riep Baruch , die gloeide van wraakzucht, tot zijne bezinning terug.

„Slaat hem dood, den besneden hond!quot; riepen woedende mannenstemmen. „Ziet dien bloedzuiger, slavenhandelaar, Christenbeul eens ! Moeten wij het jodenjuk nog langer dragen ? Zijn de joden niet de hoeren en wij de knechten ? Weg mot den schacheraar! Dood aan don zielverkooper!quot;

Het sterke ijzeren traliewerk dreigde omver te vallen onder de grepen van forscho manshanden , en een onbeschrijfelijke woede , die reeds lang in do gemoederen gegist had, maakte zich meester van hen, die in de voorzaal stonden.

De zaak van Baruch uit Spiers was intusschen slechts een druppeltje van die vuile, het rijk verpestende massa, welke eenige tientallen jaren later de jodenvervolging ten gevolge had.

Met het oog op de eeuwige voorschriften des Christendoms moet men de wreedheid veroordeelen met welke de burgerij der grooterc Rijnsteden in liet begin van den eersten Syrischen kruistocht alle in hun midden wonende Joden als een kudde varkens slachtten. Maar de omstandigheden waren van dien aard , dat de daad tot een zekeren graad verschoonbaar schijnt; afschuwelijk

-ocr page 429-

107

moet de woeker geweest zijn , die het scliachervolk dreef. — De wetgevende macht moot rechtvaardig zijn jegens allen, ontst aat er evenwol een merkelijk verschil tusschen de belangen der verschillende standen, dan verdient de landbouw er. de klasse der boeren als de nuttigste van allen , het meest ontzien te worden. Het valt minder te betreuren , wanneer honderd joden omkomen , dan wanneer één boerenhuis instort. Begunstiging der joden en hunne onnatuurlijke bescherming leidt vroeger of later ontwijfelbaar tot een: „Hop, hop , slaat den jood op den kop ') !quot;

Do burchtgraaf liet den storm bodaren en ging voort:

„Wijl Siegfried , do beschermheer van Klingen , beschuldigd is en hij bekend heeft, dat hij de gevangenen des konings aan den burchtwachter Eberhard niet heeft overgeleverd, maar dezen ambtenaar zelfs met uitgetrokken zwaard bedreigd heeft, is hij een gemeen op-roermakor geworden tegen den koning, en heeft hij hierdoor den dood verdiend en zal mot de strop gestraft worden. Wijl wij echter niet geroepen zijn de ziel te dooden , maar het lichaam , staat het den veroordeelde vrij in den loop van dezen dag en den volgenden nacht met behulp van een godvreezend monnik zijne ziel voor te bereiden , opdat hij morgen bij het aanbreken van den dag kan te recht gesteld worden. — Aldus is het uitgesproken en geoordeeld.quot;

Nu kwam Baruch schielijk uit de vensternis te voorschijn , waarin hij gezeten had.

„Halt, — genadigste heer rechter, — halt! Moet ik niet hebben twaalf pond goud voor mijne slavin , geroofd door dezen mensch ? Wie zal mij betalen mijn eigendom, als opgehangen is de roover ?quot;

') Gfrörer, D. VII, W. 763.

-ocr page 430-

108

„Vorder uwe slavin van de kloosterzusters te St. Peter terug besliste de rechter.

„Zullen die kloosterzusters luisteren naar het verzoek van uwen knecht ?quot;

„Weigeren zij do teruggave uwer slavin, dan hebt gij recht een klacht in te brengen tegen die nonnen. — Alzoo gesproken en geoordeeld te Mainz in den gerechts-ban van Koning Hendrik den vierden van dien naam eindigde de burchtgraaf de zitting en verliet met zijn gevolg het vertrek.

Het gedrag dor burgers in dc voorzaal werd bij het einde der zitting eigenaardig. Dc uitvallen van ontevredenheid verstomden , maar toch hoorde men een dof gemor , de mannen staken de hoofden bijeen , verlieten onder handdrukken de voorzaal en spoedden zich in verschillende richtingen door de straten.

Siegfried werd door een langen gang van het paleis gebracht, aan welks einde een zware mot ijzer bokleede deur geopend werd. Hij trad zijn kerker binnen , de deur viel achter hem mot een doften slag in het slot, dè grendels werden er opgeschoven, do voetstappen van mannen stierven weg, en de stilte dor grafs heerschte om den gevangene. Hij wiep een onderzoekenden blik door het gewelfde vertrek, dat slechts eenige schreden lang en breed was. Een verroeste ketting met handboeien hing aan den muur. Op den vierkanten steen naast den ketting lag wat beschimmeld brood, waarschijnlijk overgelaten door den laatsten bewoner dezer treurige plaats. Een smal venster, met ijzeren staven voorzien, kwam uit op een binnenplein van het paleis en liet een weinig licht in het vertrek binnendringen. Een tweede deur, insgelijks door ijzeren banden versterkt, scheen naar een gang of een naastgelegen kerker te leiden.

-ocr page 431-

109

Siegfried plaatste zijn schild in een hoek ontdeed zich van zijn zwaard en ging op den vierkanten steen zitten.

De jonge man tot een wreeden dood veroordeeld, verdroeg met verwonder! jk geduld zijn hard lot. Zijne verzekering, dat hij don dood als zijn bevrijder begroette, was geen ijdele woordenpraal geweest, maar de uitdrukking der levendigste overtuiging. Door den gods-dienstigen geest van zijn tijd beheerscht, had hij dit aardsch leven leeren beschouwen als een krijgsdienst onder de banier des kruises en do plichten desgeloofs. Do bestemming en het doel van den mensch was voor hem een volkomen eeuwig geluk aan gene zijde des grafs en dit leven een strijdperk om dien grooten zegepalm te verdienen. Daar hij zich voor God niet van groote zonde bewust was en in de volvoering zijiier plichten den dood vond, zag hij welgemoed het einde zijner aardsche loopbaan to gemoet.

„Hoe waar is de vermaning van onzen goeden Jezus zeide hij bij zich zeiven, „die zegt: Werk aan uw heil, zoo lang het nog dag is; want ik kom, als een dief in den nacht. Gij echter weet dag noch uur,quot; — Kom, o mijn Heiland, ik ben bereid, want steeds droeg' ik mijn kleed opgeschort voor de reis in de eeuwigheid. Kom, ik verheug mij zelfs zeer, uw goddelijk aanschijn te aanschouwen! — Gaarne zou ik een godvreezend monnik bij mij ontvangen, om mijne biecht te spreken; want kleinigheden bevlekken mijne ziel. Maar aan dit hof van zonde en ondeugd , van Simonie en wreedheid , is geen godvreezend priester. Liever wil ik van het groot geluk afzien, om in mijn laatste uur het H. Lichaan dos Heeren te ontvangen, dan een slecht, simonistisch priester tot mijn troost to verlangen.quot;

Zoo bleef hij rustig in gedachten verzonken, totdat

-ocr page 432-

110

Godila in den kring zijner beseliomvingen kwam. Nu veranderde zijn wezen geheel en al. Hij sprong van den steen op, en wrong de handen; want weerloos was de maagd aan de schandelijke plannen van den Saliër overgeleverd. Siegfried twijfelde geen oogenblik aan den wil van den snoodaard, om van de eerste gelegenheid tot uitvoering zijner schanddaad gebruik te maken. Daarom ging hij onophoudelijk en hevig opgewonden door den kerker, nu in luide klachten over Godila's lot losbarstend , dan don hemel bestormend met beden voor haar, die met gevaar bedreigd werd.

Ook de bedreigde toestand van het sticht Klingen baarde hem groote zorg. Hij zag Lantbert, den gehuwden , geëxcommuniceerden priester als abt dat vroom klooster binnen trekken en dagen van onuitsprekelijke ellende zag hij voor de monniken aanbreken.

Door droefheid over het sticht ter nedergedrukt cn door smart bij de gedachte aan Godila verscheurd, vergat Siegfried zijn eigen toestand geheel en al, zonder acht te slaan op het spoedig einde van de laatste uren zijns levens.

MAAGDENROOF.

Terwijl den beschermheer tot straf voor zijn edelmoedigheid een wreeden dood wachtte , treurde Godila in het stille vrouwenklooster om hem. Hij had haar uit goddelooze handen gered , het kostbaarste kleinood , dat zij op aarde bezat, eer en onschuld, behouden ,

-ocr page 433-

Ill

dus was hare deelneming in zijn lot natuurlijk. Kict alleen het gevoel van dankbaarheid bezielde het vorstenkind voor den jongen man , maar nog een ander vreemd gevoel, dat zich sinds lang van haar had meester gemaakt. Moer dan bewondering en eerbied voor den rijzigen heer vervulde het hart der bloeiende maagd. Deze omstandigheid werd haar nu duidelijk door do zielsangst voor zijn lot. Zelfs de bezorgdheid voor haren vader trad op den achtergrond voor de bekommering, om Siegfried , die zich aan de handen van zijn koninklijken doodvijand had overgeleverd. En wat het lijden van Godila vermeerderde, was de onmogelijkheid, hare klachten vertrouwelijk te kunnen uitstorten in een ander deelnemend hart. Aan do kloosterzusters maakte zij wel hare bezorgdheid bekend voor do veiligheid van den voogd, en zij vond oprechte deelneming in haren kommer. Doch zij. waagde het niet, ook maar in de verte, do eigenlijke oorzaak haror kwellingen bloot te loggen on zjj hield do teedere genegenheid haars harten zorgvuldig verborgen.

Thans zit Godila bij haar borduurwerk in het met loof bedekt priëel van den kloostertuin. Zij laat hare handen ruston. Zij kijkt bezorgd voor zich en tranen vielen op haar schoot.

Den krijgsman bemerkt zij niet, die aan den bergwand daar boven staat en naar den kloostertuin gluurt. Nauwelijks bemerkt hij do statige gestalte van hot vorstenkind in het priëel, of hij verlaat in allerijl zijn standpunt en snelt den berg af.

Eenige minuten later klinkt wapengekletter uit de ■\orto; graaf \\ azo had mot zijne dienstmannen de abdij overvallen. Godila in smart en droefheid verzonken, hoort niets van hot dof gewoel uit do verte , ook niet eens het sterke scholloii aan de poort van het vrouwen-

-ocr page 434-

112

klooster. Toen echter drie gewapenden den tuin binnen drongen en naar het prieel snelden verschrok zij hevig. De mannen hebben het gelaat zwart gemaakt en zijn onkenbaar. Hot wit der oogen steekt scherp af, hunne stemmen zijn schor, hunne bewegingen duiden geweld aan. Godila slaakt een kreet van schrik, toen de woeste mannon haar onbeschaamd aanspraken.

„Op meisje, gij moet met ons gaan!quot; riep een der zwart gemaakten. „Het klooster wordt in brand gestoken, en gij zijt te kostbaar om verbrand te worden.quot;

„Wie zijt gij? Wat waagt gij?quot; antwoordde Godila.

„Wij hebben geen tijd, om praatjes te maken, — vooruit! riep een rijzig, broed geschouderd man, pakte de vorstendochter om hot lijf en droeg haar met haastige schreden door den tuin, door het klooster naar de poort, waar drie gezadelde paarden door een vierden gewapende werden vast gehouden. Vergeefs had Godila hulp geroepen. De kloosterzusters, door het binnenrukken der woeste mannen doodelijk verschrikt, vernamen den roof eerst, toen deze voltrokken was, en de zwart gemaakten met hun buit door het dal voortsnelden.

Wolferat, de boeteling, was op het veld aan het werk, en luisterde ontsteld naar do abdij daar boven. Nu joegen de roovers voorbij. Hij zag Godila in de armen van een ruiter, hij zwaaide zijn houweel , en snelde to hulp. Te vergeefs. De paarden snelden voorbij, en Wolferat, ten hoogste verschrokken en bijna buiten zich zeiven, op het gezicht der wegvoering van Godila, ijlde hen na. Na weinige oogehblikken verdwenen de ruiters uit de oogen van den boeteling in het woud, maar de voetstappen der paarden in het zand wezen het spoor der vluchtenden aan. In snellen loop volgde do boeteling de ruiters, soms een hulpkreet slakend, terwijl het zweet in groote droppels van zijn aangezicht

-ocr page 435-

113

droop. Zoo ging het een eindwegs voort in de richting van den Trifels. 2ui klonken kreten en hondengeblaf in het woud. Wolferat stond stil en luisterde. Mannenstemmen schreeuwden dooreen en nu snelden de vier roovers, zonder Godila, heni voorbij. Weer begon de boeteling te loopen, totdat hij een bende zag, die hem terstond den oorsprong en de beteekenis van den maagdenroof onthulde.

Dedi, de burchtvoogd van den Trifels , stond troostend en bemoedigend voor het vorstenkind, dat op een bemosten rotsblok zat. Een weinig terug stonden de dienstmannen van Dedi bij do paarden. De jachtspeer in de hand en de sterke evervangers aan de koorden bewezen, dat zij zich aan het jachtvermaak overgaven en hierbij de roovers ontmoet hadden.

Wolferat sloop onbemerkt nader door het kreupelhout en stond te luisteren.

„Welk een gelukkig toeval! Keen, wat zeg ik? Een beschikking des hemels bracht mij hierheen, adelijke dame!quot; verzekerde Dedi. .,Dat ik u aan schelmachtige roovershanden ontrukt heb, is de schoonste prijs mijns levens. — Welk een onbeschaamdheid, welk een misdaad, de gewijde muren der bruid van Christus te verbreken!quot; riep huichelachtig de burchtvoogd des konings. „Geen vonkje godsvrucht woont in de harten dier schurken , anders hadden zij zulk een boevenstuk niet durven wagen. Wat mij het meeste spijt is, dat ons die honden ontloopen zijn. Maar ik kon mijn jachtspeer niet gebruiken uit vrees, de adelijke gebiedster , te kwetsen.quot;

„De schobberd is een getrouw leerling uit de school van zijn heer,quot; mompelde Wolferat. „Liegen en huichelen verstaat hij als een hoveling van het Salische hof.quot;

„Ik dank u, heer Dedi, voor mijne redding,quot; zeide Can. d. ii. 8

-ocr page 436-

114

Godila, zonder in liet minst do ware toedracht dei-zaak te vermoeden. „Gij liebt mij uit de handen van afschuwelijke mensehen bevrijd, God loono het u!quot;

Ik heb mijn loon reeds ontvangen, namelijk het bewustzijn , dat ik een aangenamen ridderlijken plicht volbracht heb antwoordde ouder eeno diepe buiging de voogd. „Do knecht , dien ik naar den Trifels gezonden heb om een paard te halen, zal spoedig terug zijn. Mag ik mijne meesteres vragen, waarheen ik haar dan zal geleiden ?quot;

Deze vraag herinnerde Godila aan de hulpeloosheid van haar toestand. Nergens wist zij een veilige schuilplaats , nergens een bekwaam beschermer, wien zij haar leven en hare eer durfde toevertrouwen; want Siegfried was ver af , wellicht liet slachtoffer van zijn vijand. Zij liet do vraag van Dedi onbeantwoord , en haar hoofd zonk op de borst.

„Ik waag het niet mijne gebiedster naar St. Magdalena terug te brengenging de ellendeling voort; „want wij zagen toch , dat de poort van dat klooster niet bestand is tegen roofzieke aanvallen. quot;Wellicht openen de vrome vaders van Klingen den burcht Landeck minstens zoo lang, totdat gij onder vrijgeleide naar Saksen kunt terugkeeren.quot;

„Geleid mij naar de abdij zeide zij. „De waarde vaders zullen wel raad schaffen voor mij arme.quot;

„Volgens het bevel mijner meesteresantwoordde de voogd bereidwillig , in het bewustzijn der onmogelijkheid , om den wensch van Godila te vervullen. Ook de ontroerde zou dit weldra duidelijk worden.

„Wat is dat daar ?quot; riep Dedi zijn blik naar tweo monniken richtend, die in allerijl daar langs kwamen. Onder den arm droegen zij lijvige folianten en op hun gelaat stond schrik en ontsteltenis te lezen. De voogd riep hen toe.

-ocr page 437-

115

„Waarheen gaat gij , eerwaarde vaders ? Komt gij ■welliclit uit Klingen.quot;

De vluchtelingen stonden stil en besluiteloos , terwijl zij den vreemdeling wantrouwend aanzagen. Waarschijnlijk vreesden zij op nieuw in do handen van roovers gevallen te zijn , aan welke zij zoo even ontsnapt waren, en toonden geen lust om de vraag van Dedi te beantwoorden. Deze maakte zich echter bekend als de burchtvoogd des konings en sprak hen vriendelijk aan.

„Vertrouwt mij derhalve, goede vaders! Op uw gelaat lees ik de kenteekenen van een slechte tijding, — wat is er gebeurd ?quot;

„Verschrikkelijke , heiligschendende dingen zijn er gebeurd antwoordde een der monniken. „Ons klooster werd door booswichten overvallen , de broeders werden mishandeld. Waar God dag en nacht in gebeden en lofzangen werd geprezen, daar huizen nu de zonen des verderfs. Wij kunnen derhalve met den Psalmist uitroepen : „Staat op , o Heer , verhef uwe hand lt;,011 vergeet do armen niet! Verpletter den arm van den zondaar en den booze; want u is de arme gelaten, der weezen zult gij een helper zijn.quot;

„Ziet de zondaars hebben den boog gespannen, zij houden hunne pijlen bereid , om te schieten op hen, die recht van harte zijnvervolgde de tweede monnik. „Maar de heer ondervraagt don rechtvaardige en den booswicht, wie derhalve zonde doet, die haat zijne ziel. Strikken zal het regenen op de zondaars ; vuur en zwavel is hun deel.quot;

„Moge de hemel uwe gebeden verhoeren, en volgens gerechtigheid handelen met de roovers zeide Dedi. „Wie zijn het, die zich aan uw klooster vergrepen hebben ?quot;

„Graaf Wazo en zijn woeste krijgsknechten,quot; luidde

8*

-ocr page 438-

116

het antwoord. „Als heidenen , als Hunnen en Vandalen zijn zij op het klooster aangevallen. Zij braakten verschrikkelijke vloeken uit en de vlammende boosheid hunner oogen kondigde onheil aan.quot;

„Graaf quot;Wazo, — is het mogelijk?quot; riep Dedi, schijnbaar hoogst verrast en ontsteld. „Is wellicht de man gek , — waanzinnig ?quot;

„Zinneloos is elk misdadiger, omdat hij zijne ziel haat en het strafgericht Gods uitdaagt, — Wazo is een misdadiger , bijgevolg is hij geestelijk verblind en zinneloos zeide de oudste der beide monniken. „Als het gebrul van wilde dieren klonk het getier zijner dienstmannen door het klooster. En de graaf zelf, schuimbekt en woedt, als een losgelaten duivel , tegen onzen eerwaarden abt, dien God in zijne bescherming neme.quot;

„Ik zal u vervloekte monniken naar mijne zweep loeren dansen , — ik zal u honden verstandig maken, — schreeuwde onophoudelijk de woedende graaf,quot; vertelde d» tweede monnik. „Lantbert is uw abt , hem hebt gij te gehoorzamen, en zijne vrouw te huldigen,quot; — schreeuwde hij tegen ons. „Widerad echter,quot; zeide hij , „dien ouden spitsboef, die mij in den ban gedaan, en Sigebert, de schatmeester, die mij in mijn eigen huis grof beleedigd heeft, zal ik zoo lang met do zweep voorpreken, totdat zij bekeerd of voor den duivel zijn.quot;

Godila wrong sprakeloos de handen.

„Wat gij meldt, klinkt zoo ongehoord, zoo boven mate onmogelijk, dat uwe godsvrucht mij slechts kan noodzaken het te geloovenverzekerde Dedi. „Ik wil onmiddelijk daarheen ijlen en den razenden graaf uit het klooster jagen. — Pleegde hij die misdaad met een sterk gevolg ?quot;

„Met een menigte ruwe krijgsknechtenantwoordde de monnik. „De voorpleinen, de voorraadhuizen, het

-ocr page 439-

117

klooster, die gangen, de zalen alles was vol van dit ontuig. Te namvernood ontvluchtten wij, waarbij hot ons gelukte, deze Kerkvaders mede te nemen,quot; en hij wees op de lijvige folianten. „Het is te hopen, dat de overige broeders de nacht tot de vlucht ten dienste staat, want geen echt monnik kan mot een bondo duivels wonen.quot;

„Waarheen vlucht gij, eerwaarde vaders?quot; vroeg Dedi.

„Naar de oenzaambeid der bergen. „Ja, aan ons worden de woorden van den Psalmist vervuld , die zegt: „In het gebergte vluchten wij, als musschen, om ons daar een nest te bouwen in rotskloven, verre van de boosheid der menscbon.quot;

Zij namen hunne folianten van den grond op en spoedden zich verder. '

„Wat nu, genadige gebiedster?'' vroeg Dedi mot voorgewende radeloosheid. „Daar komt uw paard aan, -— waarheen moet hot u brengen?quot;

„Voort uit een Rijk, waar wetsverkrachting en wraakroepende gewelddadigheid hoerschon,quot; hernam ontsteld Godila. „Wat aan mij van daag misdreven werd , schijnt gering in vergelijkking van Wazo's gruweldaad aan Klingen gepleegd. En dio wandaad van den graaf is nog een zandkorrel in do Duitsche zandwoestijn van ongerechtigheid, boosheid en duivelachtige gezindheid. Bohago hot God, mij ongelukkige tot zich te nemen!quot;

„Ik deel in uwe ontsteltenis , edele vorstin! Wijl gij echter leeft en moet leven volgons Gods raadsbesluiten , is het de vraag maar, welke plaats gij met uwe tegenwoordigheid zult vereeren. Gaarne zou ik u de sterkte openen , welke de koning aan mijne hoede toevertrouwde. Doch zoo als ik zeide , ik ben op den Trifels slechts voogd en geen meester.quot;

-ocr page 440-

118

„Neen, niet naar den Trifels — dan ware ik liever dood!quot; antwoordde zij huiverend.

„Waarom genadigste meesteres?quot; vroeg hij verwonderd. „Zes jaren bracht gij daar door , totdat gij 't in het hoofd kreegt, zonder afscheid te vertrekken. Ik ben mij niet bewust, dat ik uwe ongenade verdiend heb eindigde hij misnoegd.

„De reden van mijn plotseling verdwijnen van den Trifels bleef u verborgen, heer voogd?quot;

„Ja, mijne gebiedster! Ik l^eb wel redenen hooren noemen, doch ik kon er niet goed uit wijs worden.quot;

„Bespaar mij de redenen te noemen, heer Dedi! Ik ging zonder afscheid te nemen heen, omdat mij geen tijd overbleef u goeden dag te zeggen en te bedanken voor uw betoonde goedheid.quot;

„Al te vriendelijk , adelijke vorstin! Zelfs op gevaar af den toorn des konings gaande te maken, bied ik u mijn dienst aan op den Trifels even als vroeger. Ik waag er niet veel bij; want in lange jaren bezoekt wellicht de koning den Trifels niet meer, en uw verblijf aldaar zou in elk geval van korten duur zijn.quot;

Zij dacht na en aarzelde.

„Uwe kameniers verlangen zeer naar uging de sluwe man voort. „Ik zelfs zou mij grootelijks verheugen over de vreugde der getrouwe kameniers bij het wederzien harer meesteres. Op uwe kamers staat en ligt nog alles, zooals gij ze verlaten hebt. Mijne eer en ridderplicht zouden u dienen , als vroeger.quot;

Haar bleef geen keus over. Door gevaren omringd, ontbloot van alle hulp, zonder ander toevluchtsoord en zich verlatend op de beproefde trouw en eerlijke gezindheid van Dedi, liet zij hare keus eindelijk op den Trifels vallen.

Toen do stoet weg was, kwam Wolferat uit zijn

-ocr page 441-

119

seliuillioek te voorschijn en hief de handen ten hemel.

„O alwetende, o allerreehtvaardigste God!quot; riep hij uit. „Gij kunt dit alles aanzien en daarbij zwijgen ? Hebt gij geen bliksems meer ? Is uw arm verzwakt, uw toorn bedaard jegens den misdadiger? —• Doch ik spreek dwaasheid! Vergeving, lieer, vergeving! Zonder uwe lankmoedigheid zou ik lang in den diepsten afgrond gestort zijn. Daarom genade, o God, genade voor mij en voor allen, die zich rouwmoedig en boetvaardig be-keeren! — — Godila, de onschuldige duif, weer in do klauwen van don gier. Ja, dit alles is hot werk van Hendrik: de overval van graaf Wazo, de maagdenroof, alles verzonnen door den boosaardigen, hardvochtigen tyran. En hij zal de maat zijner boosheid vol maken, hij zal den edelen Siegfried ombrengen. O God, — o God, welke gebeurtenissen! Wat is een koning zonder het richtsnoer uwer wet, o gij Heilige in den hemel daar boven? Wat is een koning zonder godsdienst, zonder geloof? Een machtig roover, een onbegrijpelijk snoodaard, een slaaf zijner hartstochten, een woestaard een despoot des volks. Wee het volk, welks koning een kind is — zegt de H. Schrift. Ja, wee het volk, welks heerscher een gewetenloos kind is on dubbel wee het volk, dat zulk een koning verdiende en duldt!quot;

Hij nam de houweel op den schouder en ging in do richting van Klingen door het woud.

-ocr page 442-

120

HET OVERVALLEN STICHT.

De goirwkoning dor Vogcezcu had do abdij Klingen met een sterke bende overrompeld. Eerst waren eenige ruiters uit liet naburige woud gekomen, waren het kloosterplein op komen rijden en hadden de poort bezet. Op deze volgde graaf Wazo mot de hoofdmacht. De kleine bezetting van den burcht Landeck, van haren aanvoerder beroofd, beproefde wel, de vijanden uit het klooster te verdrijven , zij werd echter met verlies teruggeslagen.

Do ontstelde monniken vluchtten in de kerk. Wazo liet de kerkdeuren sluiten en de opgeslotenen bewaken. Slechts aan weinige Benedictijnen gelukte het, door een poortje in de omliggende bosschen te ontsnappen.

Daarop begaf de graaf zich naar dc eetzaal en gaf zich daar aan dronkenschap over. De ruwe krijgslieden volgden het voorbeeld van hunnen meester. Zij lagen in de gangen, op do binnenpleinen, in de vertrekken dor aangrenzende gebouwen zuipend om de wijnvaten. Een woest geraas en getier weerklonk binnen die anders zoo vreedzaam stille kloostermuren.

Lantbert, de gehuwde pastoor van Annweiler, scheen nauwkeurig op de hoogte te zijn met den tijd, waarop liet klooster zou overvallen worden; want nauwelijks had Wazo den eersten beker geledigd, of die waardige priester verscheen, en werd door don graaf onder schaterend lachen ontvangen.

„Gij komt juist van pas, broeder Lantbert! Kostelijke wijn,, ha, — ha! Kom hier naast mij zitten, wak-

-ocr page 443-

121

kere kameraad! Wij zullen van daag eens de Motten houden, zooals in dit heilig huis sedert duizend jaren niet gebeurd is, — ha, — ha!quot;

De krijgslieden , die er om heen zaten barsten insgelijks in een luid gelach uit, terwijl voor Lantbert een volle kruik gezet werd.

„Op de gezondheid van den altijd overwinnenden graaf AVazo, den gouwkoning der Vogeczen!quot; riep Lantbert.

Lang zal hij leven ! Lang zal hij leven!quot; riepen de krijgslieden, terwijl zij van hunne zitplaatsen opstonden en de bekers ledigden.

■ Ha, — ha, — die melodie bevalt my!quot; hernam Wazo, de drinkebroer. „Komt bij zitten, makkers , — de bekers gevuld!quot;

Vervolgens stond de graaf op hield zijn kruik in de hand en riep : „Dezen beker op de gezondheid van onzen altijd dorstigen abt Lantbert, — lang zal hij loven!quot;

„Lang zal hij leven!quot; schreeuwden de drinkebroers, en er volgde, terwijl zij het vocht door hunne kelen lieten loopen, op dit getier een korte diepe stilte , onder welke, als uit de verte, het koorgebed der opgesloten monniken weerklonk.

„Prohatmn est, — een kostelijk nat!quot; roemde de abt des konings, terwijl hij de lippen aflekte en den beker neerzott'e. „De wijn is minstens tien jaar oud en van zoo'n goedo kwaliteit, dat men bij het drinken dorstig wordt.quot;

„En de engelen in den hemel op de viool hoort spelen, — zoo als de graaf pleegt te zeggen,quot; voltooide Krafto , een leenman van den gouwkoning.

„Onder den herdersstaf van onzen godvreezenden vader Lantbert zal hier geen gewas van den wijnstok

-ocr page 444-

122

tien jaar oud worden,quot; riep Wazo lachend. „Al wat oud is, kan hij niet uitstaan, daarom lieeft hij ook zoo'n piepjong aardig vrouwtje genomen, — ha, ha! Maar , — waar is toch uw schoono wederhelft ? Hebt gij Ella niet medegebracht ?quot;

„Zij komt morgen, beste graaf ! Gij weet toch, de vrouwen zijn nimmer reisvaardig, zij hebben altijd nog wat te bestellen en te regelen, — maar ik had grooten haast. Ronduit gezegd, buurmam , de abt van Klingen was bezorgd over den afloop daarom liet hij vrouw en kind in den steek, en jaagde hierheen met losse teugels.quot;

„Bezorgd over den afloop? Hoe zoo, abt vroeg?quot; Wazo.

„Nu, gij weet toch , dat daar boven in den burcht dertig of veertig man van den burchtvoogd Siegfried liggen.quot;

„En die veertig lafbekken van den knaap Siegfried zouden ons den weg versperren?quot; riep de graaf op verachtenden toon. „Ha, — ha! Krafto, vertel toch den abt eens welke poets wij die dappere mannen van don held Siegfried gespeeld hebben, — vertel het hem eens !quot;

„Dat is gauw verteld, antwoordde Krafto op een toon van hoogmoedige verachting. „Wij kwamen in dit klooster , als een onweersbui, die ongemerkt achter do borgen opkomt en eensklaps losbarst. Wij kwamen, als een stormwind , die onverhoeds de menschen overvalt. Wij kwamen zoo vlug als de wind, zoo snol als de bliksem , zoodat de arme drommels van leekebroeders niet eens den tijd hadden er aan te denken, om de poort te sluiten.quot;

„Goed gezegd, zoor goed gezegd!quot; prees Wazo. „Ga maar voort.quot;

-ocr page 445-

„En toen wij uit de zadels gestegen en juist bezig waren , onze paarden naar den stal te brengen, kwamen de dappere mannen van den held Siegfried, zoo als onze meester zegt, den berg af rijden en loopen , om ons den buit af te nemen. „Ha , — ba, kijk toch eens , daar komen waarachtig de jongens van den knaap Siegfried aan , om zich het hoofd te laten inslaaji!quot; riep de graaf, en fluks was hij weer in het zadel. Vervolgens nam hij zijn ijzeren knods, rende op de schelmen los , als een hagelbui, en sloeg, waarachtig, gij kunt mij gelooven , en sloeg met een enkelen slag twee mannen overhoop. Toen de overigen dit» zagen , kozen zij het hazenpad en verscholen zich achter de muren van den burcht.quot;

„Twee in één slag ? Zoo iets heeft de reus Goliath nog niet klaar gespeeldvleide Lantbert. „Beste graaf, onder uw sterk beschermheerschap vreezen wij in Klingen zelfs den duivel niet.quot;

„Broeder abt, hoor eens, gij zult door mij tegen wien ook verdedigd worden, — natuurlijk tegen behoorlijke erkentelijkheid. Niets voor niemendal dan de dood. Wat vleesch en bloed heeft, moet mijne lustige monniken hier ongemoeid laten en tegen den duivel zullen zij zich zclven wel weten te beschermen. Is 't niet zoo ? Ha , — ha !quot;

„Gij meent stellig den Eoomschen duivel, Hellebrand? Hoe ik dien haat!quot; verzekerde Lantbert woedend. Mijn eerste plechtige handeling zal daarin bestaan , dat ik van den kansel , voor al hot volk, Hellebrand in den ban doe. Alle vervloekingen, die in het Oude Verbond werden uitgesproken over de Philistijnen , Amalekiten en Moabiten , wil ik in den Bijbel bijeen zoeken en die over Hellebrand uitspreken.quot;

„Zoo hoor ik het gaarne, broeder abt ! Gij zijt

-ocr page 446-

124

cen man , dien wij kunnen gebruiken. Had de koning maar altijd geschikte bisschoppen, abten , pastoors en monniken , dan zou het hem gemakkelijk vallen , het volk te besturen gelijk een wild paard, dit met dwang-teugels gedaan wordt. Maar het is zoo gelegen , dat altijd do meeste papen van do partij des Pausen zijn en den koning bestrijden.quot;

„Laat hem maar tobben onzen wijzen Hein !quot; riep Lantbert. „Woldra zal hij alle bisschopszetels en .abdijen met de ware mannen bezet hebben , dan hoeft hij gewonnen spel. Want hij is koning en Paus te gelijk, hij heeft alle macht in zijne handen, — het geestelijke en het wereldlijke, den herdersstaf en het zwaard.quot;

„Drommels , gij hebt gelijk , broeder abt! Kon ik het van mij verkrijgen , om mijn lustigen drinkebroer te verliezen, dan zou ik den koning verzoeken , u het eersto aartsbisdom te geven , dat vacant komt. Waren alle monniken, abten en bisschoppen van uw soort, dan zou het een vroolijk Christendom zijn.quot;

„Do tien geboden zouden afgeschaft worden en een ieder zou kunnen doen, wat hem belieftvoltooide Krafto.

„Iedereen, — natuurlijk ieder vrijeverklaarde Wazo. „Daarentegen zou de zweep voor slaven en onderhoorigen eerst recht in eere komen. Geen Paus zou het voortaan nog durven wagen , de spreuk te bestrijden : Macht gaat boven recht.quot;

Die spreuk is tegenwoordig reeds geldig zoo ver de sterke arm van Hendrik IV reikt,quot; antwoordde Lantbert, „en aan die heerlijke spreuk heb ik do waardigheid van abt te danken. „Intusschen ging hij nadenkend voort, „do goeden zullen altijd vervolging lijden , zegt de H. Schrift. Ook mij zal zoo iets over-

-ocr page 447-

125

komen , als do vervloekte Siegfried, die onbescliaamdo knaap , terugkeert.quot;

„Siegfried zal nimmer terugkeeren , daarvoor blijf ik borg !quot; verzekerde Wazo. „De ezel , do lomperd , is vrijwillig in den muil van den leeuw geloopen en ik heb nog niet gehoord, dat een woedende leeuw den buit weer heeft losgelaten , dien hij tusschen zijn tanden kreeg. Het doet mij overigens leed van dcu aardigen windbuil; want ik heb nog een appeltje met hem te schillen. Gij weet het toch, broeder abt, — gij waart er immers bij !quot; riep hij mot toenemenden toorn. „En de betaling der rekening had ik den knaap Siegfried gaarne met mijn knods uit zijn schelmenkop geslagen. Nu — een ander heeft gedaan, wat ik gaarne zelf gedaan had. In do plaats daarvan heb ik dien schurk van een schatmeester Sigebert in mijn macht — en hij zal boeten!quot;

Hij zett'e de kruik aan zijn lippen en dronk met lange teugen.

„Hedaar, — Krafto!quot; riep hij den leenman toe. „Noem eenige krijgsknechten en breng die vervloekte monniken hier in de zaal. Pas op , dat er geen enkele ontsnapt!quot;

De leenman vertrok.

„Wat Avilt gij met de monniken aanvangen vriend Wazo?quot; vroeg Lantbert eenigzins ongerust over de sombere uitdrukking op hot glooiend gelaat van den graaf.

„Dat zult gij spoedig zien, abt! Doen de schobberds mijn zin niet, dan moeten zij allen hangen. Ja — hangen bij mijn zwaard!quot;

„Tegen het ophangen zou ik niets weten in te bron-gen , als het u behaagt, allergenadigste graaf! Maar bedenkt toch eens: wat moet een abt zonder monniken

-ocr page 448-

126

aanvangen? Dit huis zou voor mij en mijne Ella veel te groot zijn.quot;

„Dat kan mij niet schelen , — ik heb het gezworen hernam de gouwkoning. „Hangen zullen allen, dieniet doen, wat ik beveel.quot;

De deur der zaal werd geopend, en de monniken kwamen binnen, zwijgend, ter nedergeslagen, maar onbevreesd en op het vreeselijkste bedacht. Eenigen van hen waren bejaarde grijsaards, de meesten mannen op gevorderden leefüjd. Even'als een tijger zijn loerende blikken op zijn slachtoffer slaat, zoo zag \Vazo op de eerwaardige mannen neder.

„Kom hier, — voor mijn aanschijn!quot; gebood de graaf. „Waar is Sigebert, die schobberd van een schatmeester ? Die schurk plaatse zich naast Wider ad, die zich ten onrechte abt noemt, omdat mijn vriend Lant-bert de wezenlijke abt is.quot;

De priesterschaar stond voor den tyran te midden der gewapenden, als schapen onder de wolven. Er volgde een lange pauze. De broedermoorder Wazo beschouwde in zwijgende woede zijne slachtoffers. In de blikken der kloosterlingen las hij wel onderwerping en vastberadenheid , maar geen vrees en dit verhoogde zijne woede.

„Nu, — Duitsche honden van den Koomschen Hellebrand, hoe is 't met u?quot; begon hij spottend. „Voelt gij het mes aan uw ooren , neuzen en oogen! Of wilt gij eerst bont en blauw geslagen en dan opgehangen worden? Mij, den gouwkoning der Yogeezen, hebt gij in den ban gedaan, en daarvoor zult gij boeten! Gij onbeschaamde monniken, hoogmoedige papen, hebt het gewaagd, mij, den machtigen graaf, openlijk van den kansel te beleedigen, — mij tot een spot van het volk te maken ? — Spreek op schurken, wie is het, die mij en den koning in den ban deed ?quot;

-ocr page 449-

127

„Heer graaf, antwoordde gelaten abt Widerad , „niet willekeurig werd de ban over u uitgesproken. Uwe misdaad , uw euveldaad verdiende die kerkelijke straf. Opdat uw toom deze eerwaarde vaders niet treffe , weet dan, dat ik, volgons mijn jliclit, don ban over u heb uitgesproken.quot;

„Wat, gij oude duivel, — waagt gij liet, mij dit in het gezicht te zeggen?quot;

„Het past den man, rekening te geven van zijne handelingen ,quot; antwoordde Widerad. „Overigons is de duivel geenszins aan mijn zijde maar op de uwe , want gij hebt een lid van onze kloosterfamilie vermoord, den dorper Gundelkarl. Wegens dergelijke misdaad waart gij ipso fado in den ban, en mijn ambt vorderde, dat ik de kerkelijke straffen , die gij beloopen hadt, openlijk over u uitsprak. \V at uw jongste euveldaad aangaat, deil vijandelijken aanval op dit huis en de mishandelingen der monniken, weet dan , dat gij daardoor nogmaals in den kerkelijken ban vervallen zijt.quot;

„Ha, — ha, — oude gek, merkt gij nie!;, hoe gij met uw leven spot?quot; riep Wazo toornig' uit.

,)Uwe bedreigingen vrees ik niet, graaf Wazo! Ik ben de vermaning van onzen Heer Jezus Christus indachtig, die zegt: „Vrees niet hen, die wel het lichaam dooden, maar do ziel niet kunnen schaden, doch vrees hem, die lichaam en ziel in den afgrond der hel kan storten, waar het vuur niet wordt uitgebluscht, en waar de worm niet sterft.quot; Wilt gij de maat uwer misdaden vol maken dan kunt gij mij ouden man wel dooden, docli mijne ziel kunt gij niet schaden. Het berouwt mij geen oogenblik, dat ik mijn plicht gedaan en den ban over een booswicht heb uitgesproken.

Wazo knarsetandde van woede.

„Kr af to,quot; gebood hij, „sla den ouden hond in zijn bek!quot;

-ocr page 450-

128

Do man bracht den abt zulk een geducliten kaakslag toe , dat deze op den grond tuimelde.

„Ha, — ha — hoe smaakt u dat, oude schelm?quot; spotte de gouwkoning. „Zult gij uwen onbeschaamden bek nog meer roeren ?quot;

„Te recht,quot; antwoordde de mishandelde grijsaard, „staat in het boek der Spreuken: „AYie een spotter onderwijst berokkent zich zeiven onbeschoftheden en wie een goddelooze terecht wijst, bereidt zich zeiven be-leedigingen.quot; — Mijne woorden, heer graaf, moesten niet kwetsen en verbitteren, maar uwe ziel redden. De mishandeling is u van mijnen kant vergeven; want er staat geschreven: „Bemint uwe vijanden, doet goed aan hen, die u haten, opdat gij kinderen zijt van uwen vader in den hemel, die zijne zon laat schijnen over onrechtvaardigen en goddeloozen-quot; Derhalve bid ik u, vrees tocli God! Wees de woorden van den Apostel indachtig: Het is verschrikkelijk te vallen in de handen van den rechtvaardigen God.quot; Menschenbloed kleeft op uwe ziel en dit bloed roept ten hemel om wraak tegen u.quot;

„Houd den bek, oude gek, met uwe preek!quot; viel Wazo hem in de rede. „Ik ben niemand rekenschap van mijn daden schuldig. Yoor het overige doe ik niemand onrecht; want wie de macht heeft, die heeft liet recht, en ik heb de macht.quot;

„Dat is een goddelooze en verderfelijke stelling,quot; antwoordde Wider ad. „God alleen is de oorsprong van alle recht en zijn allerheiligste wil in de maatstaf voor alle menschen, ook voor hen, die de macht hebben.quot;

„Wilt gij zwijgen?quot;

„Heer graaf, ik zwijg! Maar mijn zwijgen moet door niemand, die hier tegenwoordig is, beschouwd worden , dat ik instem met uwe vermetele en goddelooze woorden.quot;

„Ik zie, gij zijt onverbeterlijk en gij moet ongetwijfeld

-ocr page 451-

129

opgehangen worden. Mot u ben ik klaarzeide Wazo, terwijl hij zich tot de overige monniken wendde. — Let op, wat ik zog ! Gij verdient wel is waar allen, dat ik u aan uw eigen koorden laat ophangen omdat gjj aanhangers van don Eoomschon Hellebrand zijt; toch wil ik u genade bewijzen, als gij twee dingen doet. Op de eerste plaats moet gij onmiddelijk Hellebrand afzweren, dion do koning en de bisschoppen to Worms reods hebben afgezet. Wilt gij dat?quot;

Algemeen zwijgen. Een grijs monnik rrad voor.

„Heer graaf, sta mij toe te sproken.quot;

„Spreek; — maar verstandig, anders zult gij in eeuwigheid geen Metten meer zingen; want ik zal u de tong laten uitrukken.quot;

„Gij vordert, dat wij Paus Gregorius quot;VII, dien gij voor Hellebrand uitscheldt, afzworen. Mogen wij dit voor God doen ? Noon! Want Gregorius VII is de rechtmatige Paus.quot;

„Houd den bek!quot; viel Wazo hem in de rede.quot; Hoe kunt gij Hellebrand den rechtmatigen Paus noemen, daar de koning hem afzette.quot;

„Heer graaf, veroorloof mij de opmerking,quot; antwoordde de grijze Benedictijn, dat God de koningen niet geroepen heeft om Pausen aan te stellen of af te zetten. Onze Heer Jezus Christus zelf heeft een Opperhoofd voor zijne Kerk aangesteld. Bijgevolg is de Paus door God en niet door den koning aangesteld.quot;

„Gij zijt een oude ezel!quot; beweerde Graaf Wazo. Bevalt Hendrik IV een Paus niet, dan jaagt hij hom weg en neemt een anderen. Sinds de koning heeft bevonden, dat Gregorius VII niet deugt, omdat hij een schurk en Hellebrand is, die alles bederven en verknoeien en den koning zelfs voorschrijven wil hoe hij moet regeeren, daarom Can. d. ii. 9

-ocr page 452-

130

zet Hendrik een Paus op den Stoel van Petrus, die naar zijn pijpen danst. Verstaan?quot;

„Wat gij daar zegt, heer graaf, is de afschuwelijkste ketterij ,quot; riep de abt ontsteld uit. „Niet van koningen en vorsten der aarde ontvangen de Pausen bevelen, hoe zij de Kerk, de groote kudde der Christenheid moeten leiden. Nimmer mag de Stedehouder van Christus een dienstknecht van de machtigen dezer aarde zijn, — wee hot heil der zielen , als dit ooit gebeurde! Het Opperhoofd der geheele Kerk is veeleer Leeraar en Herder der vorsten, om hen te vermanen volgens het Evangelie; ■want gelijk do Paus en allo mensehen gehoorzaamheid schuldig zijn aan het quot;Woord Gods, zoo ook de koningen en keizers.quot;

„Hoor eens , domkop , gij rijdt nog het oude stokpaardje !quot; riep Wazo. „Wat gij daar in 't midden brengt, was het gebruik in vroeger jaren. Dat geldt thans niet meer. De Paus moet afstand doen van Christus Stedehouderschap en hij moet zich onderdanig werpen aan de voeten des konings. quot;Wat de meester van het Duitsche rijk gebiedt, moet de Paus doen.quot;

„Heer graaf, eene vraag!quot; verzocht Widerad. „Is de Paus slechts de geestelijke Vader dor Duitschers , of is hij het Opperhoofd der geheele Kerk ? Behooren niet do Christenen in Gallië , Engeland , Spanje , Griekenland , Azië , Afrika tot de groote kudde welke de Paus geroepen is te leiden ?quot;

„Stellig, — dat wil ik niet tegenspreken,quot; antwoordde Wazo oprecht. „De man op den Stoel te Eome is ook de Paus der Franken , Anglen, Grieken en Mooren.quot;

„Veronderstel nu eens, heer graaf,quot; ging Widerad voort, „de Duitsche Koning beval den Paus een handeling of eene leer die niet alleen tegen het Evangelie streed, maar die ook de Christenvolkeren en vorsten

-ocr page 453-

131

in Europa , Azië en Afrika niet beviel, — wat dan ?quot;

„Dan kunnen de Franken Anglen en de overige volkeren een Paus kiezen , die naar hunne pijpen danst,quot; antwoordde de graaf lachend. „Zooveel rijken, zooveel Pausen.quot;

„Juist! Uwe woorden, heer graaf, bewijzen duidelijk, dat de Paus onafhankelijk en vrij moet zijn. Dat hij noch van den Duitschen koning , noch van don koning van een of andere natie bevelen kan aannemen , zonder de groote kudde der Christenheid te verdoelen, te verstrooien. Bijgevolg is de leer over het Pausschap door u verkondigd onmogelijk , verderfelijk , goddeloos.quot;

„Als ik je goed verstaan heb , uilskuiken , dan hebt gij daar weder een ezelsstreek begaan,quot; riep Wazo. „Hou je bek, opdat ik mijn preek voortzette. — Wijl derhalve de Paus door den Duitschen koning wordt aangesteld en doen moet, wat deze gebiedt, kun je denken, dat slechts vroolijke Pausen op den Stool te Eome komen. Zulk een duivel, als Hellebrand, die de geestelijken het trouwen en andere genoegens verbiedt , wordt nimmer aangesteld. Zijn er in het vervolg slechts vroolijke Pausen, die zorgen , dat de zaken in de wereld gaan, zoo als het nu gebeurt, dan is het duidelijk, dat gij monniken goede dagen krijgt. Hot vasten en kastijden is gedaan. Vleesch eten en wijn drinken moogt gij , zooveel gij maar wilt. Ook moogt gij trouwen. Ziet uw vrome abt Lantbert, — hij geeft een goed voorbeeld. Hij heeft een aardig, lief vrouwtje. Als die schoone abdis eens in het klooster is en voor uw oogen rondwandelt, dan zal u de lust ook wel bekruipen om zoo'n lieve Eva te hebben. Zijt gij derhalve niet geheel en al verstokt en dolzinnig, buigt dan uwe hoofden, zweert Hellebrand af en huldigt den Paus des konings. — Welnu , spreekt, — hoe is het?quot;

9*

-ocr page 454-

132

„Mag ik in naam van al mijno broeders antwoorden ?quot; vroeg de grijze monnik.

„Neen, gij zult niet antwoorden ; want gij zijt een uitgemergeld geraamte. Maar die jonge monnik daar moet antwoorden,quot; riep AVazo op een jeugdigen kloosterling wijzend. „Spreek , — wilt gij Hellebrand gehoorzamen en opgeliangen worden , — of wilt gij een levens-lustigen Paus en vroolijk leven bij vrouw en wijn ?quot;

„Uwe vraag is beleedigend , heer graaf, en verdient stilzwijgende verachting ,quot; antwoordde de monnik. „Als ik spreek , dan is het enkel, om u den afschuw kenbaar te maken , dien uwe schandelijke voorstellen mij en alle vaders inboezemen.quot;

„Zoo, — ha!quot; riep Wazo met ingehouden woede. „Verder, — ga maar voort!quot;

„Wij monniken ,quot; ging do Benedictijn voort, „hebben voor God vrijwillig de belofte afgelegd van kuischheid en onthouding van alle wereldsche zaken. Wij hebben onze ziel vrij gemaakt van beslommeringen , opdat zij zich door de beschouwing van het eeuwige gemakkelijk tot God kunnen verheffen. Wij loopen in het strijdperk onzer plichten en beloften naar het groote doel, dat de eeuwige zaligheid is. Wij strijden onder de banier des kruises tegen den satan, tegen de booze neigingen in ons, als ook tegen de aanlokselen tot het booze buiten ons. Veredeling onzer zoden , reiniging van den geest van zondige gewoonten , een ernstig streven om aan Christus gelijk te worden, dat is de staat dien wij gekozen hebben. Wij zijn ridders van Christus en als zoodanig wijzen wij met afschuw uwe voorstellen af, om ridders van den duivel te worden.quot;

Wazo staarde met open mond den spreker aan en barstte toen in een schaterend gelach uit, waarmede zijne bende instemde.

-ocr page 455-

133

„Gij wilt dus opgehangen worden, jonge kwast?quot; riep hij.

„Liever sterven dan God ontrouw wordenantwoordde de aangesprokene ernstig.

„En gij , — zijt gij allen van hetzelfde gevoelen ?quot;

„Ja, dat zijn wij!quot; antwoordden de Benedictijnen, eenparig.

„Goed, — gij zult allen opgehangen worden, — een aardig groepje !quot; zeide Wazo , op wien do moed en de waardige houding der kloosterlingen een merkbaren indruk maakten. „Opdat gij echter zult zienging hij voort, „dat ik aan uwe beterschap niet wanhoop , neemt ten minste de tweede voorwaarde aan ; — huldigt Lant-hert, uwen godvreezenden abt. Zijn wijs bestuur zal u bescheiden en verstandig maken. Hij zal u bekeeren tot vroolijke kloosterlingen , en oer een jaar verloopon is , zult gij allen den koning danken voor een zoo goeden liefderijken vader.quot;

„Onze abt is de eerwaarde vader quot;Widerad,quot; antwoordden de monniken.

„Ook in het tweede punt halsstarrig? Nu, — dan hale u de duivel!quot; riep Wazo vertoornd. „Goed zoo,— ik zal ii wel tam maken , schobberds !quot;

En een voorwerp zoekend , waaraan hij onmiddelijk zijn woede kon koelen , viel zijn blik op den geleider van den pauselijken legaat naar den grafelijken burcht.

„Hond van een schatmeester!quot; snauwde hij Sigebert toe. „Stopt ook gij uwe ooren toe ? Wilt gij onverwijld uwen abt Lantbert huldigen of niet ?quot;

„Ik deel de overtuiging mijner broeders ,quot; hernam de toegesnauwde. „Abt van Klingen is de eerwaarde Widerad, door ons gekozen volgens de regelen van den H. Benedictus. Lantbert daarentegen , een wegge-loopen monnik en gehuwd priester , bovendien Simonist

-ocr page 456-

134

cn verrader van het hoüigdora des Allerhoogsten, heeft dubbel en drievoudig don kerkdijken ban verdiend.quot;

„Ha, — schurk, dat zal u rouwen, zoo waar ik gouwkoning der Vogeezen ben! — Krafto , trek uwen dolk! Houw fluks dozen vervloekten schatmeester het linkeroor af, omdat hij mijne woorden in den wind slaat. — Ik zal u schelmen loeren, naar mijne bevelen luisteren! Hier ben ik koning, slaan en martelen zal ik u, totdat gij mijne voeten kust.quot;

Krafto naderde met het blinkende wapen om het wreede bevel van den graaf te volvoeren. Sigebert toonde niet den minsten tegenstand. Daarentegen begon de abt:

„Heer graaf, laat deze onmenschelijkhoid ! quot;Wees de bedreiging onzer Moeder do H. Kerk indachtig: „Si quis) suadende diabolo, clericum percusserit, anathema sit, — als iemand, door de ingeving des duivels gedreven , een geestelijke slaat, die is in den ban. Terg Gods straffende hand niet langer. Stapel toch niet misdaad op misdaad, en stort u zeiven niet in het eeuwig verderf.quot;

„Houd den bok , oude botterik ! Zorg voor uw eigen hoofd; want het is om u alleen te doen. De monniks-ooren cn oogen zullen goedkoop worden , ha, — ha! — Krafto, houw het oor af!quot;

De krijgsman greep met de linkerhand naar het genoemde lichaamsdeel en had de rechterhand met het wapen gereed. De monniken stonden smartelijk ontsteld , de meesten baden. Wazo keek dierlijk grijnzend

naar zijn slachtoffer.

„Halt!quot; riep hij , toen Krafto op het punt stond, het oor van het hoofd te scheiden. „Ofschoon gij een onbeschaamde vent zijt, die mij in mijn eigen huis be-leedigde, toch' wil ik u een bewijs mijner Duitsche

-ocr page 457-

135

edelmoedigheid geven. Het oor zal ik u laten, als gij mijn vuile laarzen aflekt. Waarachtig, alle grondsoorten van mijn gouw kleven aan mijne laarzen ! Lekt gij met uw tong de slijk netjes af, dan kunt gij uw oor behouden.quot;

„Uw voorstel moat ik afwijzen ; want gij vordert van mij een handeling die tégen de menschenwaarde strijdt en derhalv.e zondig is antwoordde Sigebert.

„Zoo ? Met wolk recht roemt men den ootmoed der monniken ? Gij zijt allen hoovaardigo schobbejakken. Bezat gij werkelijk een greintje ootmoed, gij zoudt met genoegen mijn voeten aflekken.quot;

„Ootmoed en vernedering zijn twéé zaken , die oneindig veel verschillen antwoordde de schatmeester.

„En gij monniken zijt, als de katten , gij valt altijd op do pooten , men gooie u, hoe men wil,quot; riep de graaf gemelijk uit. „Gij wilt mij dus het genoegen niet doen om mijn laarzen af te lekken? Gij allen zijt honden, heb ik iets van u gevorderd, wat gij niet doen kondet ? Het doet mij goed aan 'thart, als aan mijne voeten tweebeenige honden kwispelstaarten en lekken; want gouwkoning ben ik, u aller meester en gebieder. — Nu, hoe is 't ?quot;

De Benedictijn gaf geen antwoord.

„Zoo, kerel, gij keurt mij geen antwoord waardig? Goed zoo, als gij niet spreken wilt, zult gij huilen en kermen. Krafto, vooruit!quot; gebood de tyran.

quot;Weer greep de man naar het oor, een hevige snede, een gesmoorde kreet, en Krafto hield het afgesneden lichaamsdeel in de hand. Het bloed stroomde tot grooto vreugde van Wazo over de monnikspij.

„Ha, — ha, ziet eens, hoe hem het roode vocht uit het hoofd loopt!quot; riep de onmenschelijke. „Gij zijt mij eigenlijk dank schuldig, onnoozelo bloed; want uw

-ocr page 458-

136

pij wordt rood, gij zijt cardinaal, — ha — ha!quot;

De soldaten lachten om die laffe aardigheid.

„Maar dit is nog slechts kinderspelging de zwelger voort. „Verandert gij niet van gedachte, zweert gij Hellebrand niet af, huldigt gij den abt des konings niet, dan zal ik dit klooster zuiveren en u allen laten ophangen. Pakt u nu maar weg! Morgen zal ik u nog eens tijd van spreken geven. Blijft gij verhard en hard-hoorig, dan kan men twee monniksooren voor een penning koopen.quot;

De kloosterlingen werden naar de kerk teruggebracht en daar opgesloten.

„Gij zult geen enkelen bekeeren ,quot; zeide Lantbert. „Liever laten zij het leven, dan Hellebrand af te zweren.quot;

„Dan moeten zij allen opgehangen worden,quot; verzekerde Wazo. „Wat wilt gij ook met de schobberds aanvangen , die u gehoorzaamheid weigeren ? Aan ware monniken zal 't u niet ontbreken. Ik verkoop u drie of vier dozijn lijfeigenen , ■welke de pij even goed dragon en de wijnkruiken beter ledigen kunnen , dan deze geraamten. Naar het plan des konings moet buitendien het goheele kloosterwezen verbeterd worden. Het veel vasten, bidden en kastijden, maakt de menschen het hoofd op hol, daarom moet hot ophouden. Goed eten en flink drinken blijft altijd hoofdzaak, dat verstaan die schobbejakken met ingevallen oogen niet, — daarom aan de galg met hen. Uwe Ella zou geen gerust uur hier hebben, als er ook maar twee van hen in 't leven bleven. Ook zijn de raadslieden des konings van oordeel, dat de invloed der kloosterlingen op het volk verminderd en hun het biecht hooren, school houden en preeken verboden moet worden. Dan zal het volk, meenen de raadslieden, gemakkelijker daartoe

-ocr page 459-

137

te brengen zijn dat hot den koning voor don aller-hoogsten heer beschouwt, voor hem werkt en belastingen betaalt.quot;

„Moeten de kloosterlingen dan afgeschaft worden ?quot; vroeg Lantbert.

„Dat zal zoo gauw niet gaan, denkt graaf Godes-heini, wegons het volk hernam Wazo. „Langzamerhand moeten die pijen uitsterven , die met den koning niet door dik on dun willen gaan. Godesheim zegt, de monniken moeten in hunne kloosters vlijtig de rijko inkomsten verteren en vet worden, maar zich om het volk niet bekommeren; Godesheim hoeft gelijk.quot;

Lantbert knikte toestemmend.

„Zou hot niet goed zijn , beste vriend begon hij op vertrouwelijken toon , „een gedeelte uwer manschappen weg te zenden ? Binnen weinige dagen zijn alle vaten ledig gedronken en alle voorraad is opgeteerd. Waarmede moot ik dan mijn vroolijke monniken voeden ?quot;

„Mijne manschappen naar huis zenden? Daar komt niets van ! Dio kerels mogen ook wel eens goede dagen hebben.quot;

„Die ik hun van harte wenschhervatte Lantbert, „als het niet tot uw eigen schade ware , graaf!quot;

„Tot mijn schade? Dat zou ik niet weten. Als zich mijne zwijnen aan het goed van het stift vet mesten, hoe kan dat tot mijn schade zijn ?quot;

„Daarom tot uw schade, graaf, omdat hier die manschappen leegloopen. In plaats van op het veld te arbeiden, luieren de knechten hier. Hebt gij daarbij geen groote schade? Gij berokkent u zeiven, en wel geheel onnoodig, een verbazend nadeel.quot;

De sluwe Simonist had den hebzuehtigen graaf in zijn zwak aangetast.

„Gij hebt wezenlijk gelijk, vriend Lantbert! Mijne

-ocr page 460-

138

tweo honderd en vijftig, dio hier liggen hebben vijf honderd armen om te werken. Het zou de grootste dwaasheid zijn, mij zelven zulk een schade voor niets en zonder de minste roden te berokkenen. Daarom zal ik twee honderd mijner mannen naar huis zenden. Vijftig zijn toereikend, om die lafbekken daar boven op den burcht in bedwang te houden.quot;

„En ik verzoek u, vriend graaf, mij een twintig man hier te laten voor onbepaalden tijd, ter bescherming tegen de aanhangers van Hellebrand; want ik verwacht niets goeds van de schobberds. Liet gij mij weerloos achter, dan zouden zij het mij zuur maken.quot; „Wie ?quot;

„Do boeren van het sticht en do leekebrooders.quot;

„Dat moesten zij eens wagen!quot; riep quot;Wazo. „Mijno banier zal ik op de kloostermuren planten, en weo hen , die het wagen, oen haar van uw hoofd te krenken! Vrees niets, de schrik voor mijn naam beschermt u reeds. — Ho, daar valt mij iets te binnen, — wanneer schrijven wij de schenking ? Mijn woord heb ik gehouden. Gij zijt abt te Klingen, bijgevolg heb ik het' Steinwald eerlijk verdiend.quot;

„Natuurlijk, buurman!quot; antwoordde de Simonist. „Gij zult het prachtige bosch hebben. Morgen schrijven en bezegelen wij de oorkonde.quot;

Versche wijnkruiken werden binnengebracht. Er begon een woeste braspartij afgewisseld door gemeeno liederen en zoutelooze aardigheden. quot;Wazo bleef aan het zwelgen, totdat hij tegen middernacht van den stoel viel. Zijne manschappen beurden hem van den grond op , droegen den zuiper in de cel en legden hem daar op een stroozak.

-ocr page 461-

139

OPROER IN MAINZ.

Hoe dieper in een volk het godsdienstig bewustzijn geworteld is, des te meer gevoelt dit hot juk der dwingelandij ; want de godsdienst kweekt rechtsgevoel en hoogachting van de menschenwaarde. Slechts ontzenuwde natiën zijn rijp voor slavernij, omdat zij, door woeste hartstochten bedorven , de boeien hunner ondeugden dragen en het bewustzijn van het reine, Gode gelijkende menschdom verloren hebben. Ook zal een verbasterd volk van zijne regenten niet meer eischen om het naar de onveranderlijke wetten der gerechtigheid, die een beeld en uitvloeisel van de eeuwige goddelijke gerechtigheid zijn , te besturen.

De zedelooze, die naar de willekeur zijner booze neigingen leeft, heeft niet eens recht tot klagen, wanneer de machtige insgelijks de willekeur tot maatstaf neemt voor zijne handelingen en zoo despoot wordt; want aan wetsverkrachting en verzet tegen de instellingen Gods maken zich beiden schuldig.

Het Duitsche volk der elfde eeuw was voor het grootste gedeelte uiterst godsdienstig. Van den koning vorderde hot een christelijk bestuur , het wilde dat hij den schepter zou voeren volgens don Wil van God. Daarom kon zich Gregorius VII in zijn strijd tegen de machten der duisternis op het volk verlaten. Zonder deze bondgenooten van de godsdienstige menigte zou reeds in de elfde eeuw geschied zijn, wat eenmaal gebeuren zal, als zich de natiën van het licht afwenden , de stem van den Stedehouder van Christus op aarde

-ocr page 462-

140

verachten, en zoo reddeloos verloren gaan in den afgrond van een jammerlijken chaos.

Do pogingen van het Salischo hof om het volk door een simonistischo, bedorven geestelijkheid te verleiden, zijne overgeërfde door den godsdienst verlevendigde denkbeelden door nieuwe grondstellingen te vergiftigen en het van 'thart dor Kerk los te scheuren , mislukten volkomen. Ongetwijfeld richtten de heillooze bemoeiingen van den misdadigon Saliër op het gebied der openbare zedelijkheid , van Kerk en Staat groote verwoestingen aan; doch het godsdienstig geloof der natie was onwrikbaar. En dit geloof duldde geen koning wiens regee-ringswijze, geheel afwijkend van de christelijke begrippen van zedelijkheid , niet in den geest van het Evangelie wortelde, maar in het goeddunken van den machthebber. Tegenover deze reddende macht des ge-loofs, bleven alle politieke kunstgrepen van het koninklijk hof vruchteloos. Te vergeefs had Hendrik IV de Rijnsteden , door het verleenen van uitgebreide vrijheden, aan zijn plannen trachten dienstbaar te maken. Te vergeefs was zijn streven, om door vlugschriften en bedorven geestelijken zijn strijd mot Gregorius VIT, als een strijd der vrijheid tegen Eoomsche heerschzucht, te doen voorkomen. Duizenden mochten door uitgestrooide leugens omtrent de eigenlijke beteekenis van den uitgebroken strijd misleid zijn , dit was niet van duur. quot;Want een slechte zaak kan niet van duur zijn. Toevallen zijn vaak voldoende, om hun naakt, onwaar en bedorven wezen te onthullen, — voorondersteld, dat do oogen van de toeschouwers gezond en hun verstand voor het goede ontvankelijk is.

Zoo gebeurde het te Mainz.

De jood Barach Ben Marum van Spiers , die het havengeld niet betalen wilde , had door zijn vrijbrief den

-ocr page 463-

141

burgers van Mainz gelegenheid gegeven een blik te slaan in de lage manier van regeeren van Hendrik IV. Met de snelheid des bliksems werden in de stad de zaken bekend , die voor de rechtbank aan den dag gekomen waren en zij ontvlamden toorn en verbittering tegen den koning. Volgens de meening van de inwoners dier stad bevatt'e die vrijbrief niet alleen een bevoorrechting dor joden boven de christenen , maar een openlijken afval van het geloof en van de Kerk, die den slavenhandel veroordeelden.

„Hendrik IV is een afvallige, een heiden geworden, — hij heeft den troon onteert, de kroon aan joden verkocht , — hij kan en mag niet langer koning zijn!quot;

Deze en dergelijke gesprekken, doorweven met bedreigingen en verwenschingen, hoorde men allerwege bij de groepen , die in de straten en op de openbare pleinen stonden. Toen de mare ging , dat Ottilie met geweld bij do kloosterzusters weggehaald en aan den jood zou overgeleverd worden , liepen do burgers te wapen , om het klooster te beschermen.

In het palcis des konings was die volksbeweging niet onbekend gebleven. De aanbrengers dos konings hadden rondgeslopen, do gesprekken afgeluisterd en die overgebracht aan den paltsgraaf Thietmar. Onverwijld werd do geheime raad bijeengeroepen. De helderziende leden rieden wijze toegevendheid aan.

„Laat de jood naar den duivel loopen en die meid Ottilie laten , waar zij is,quot; zeide graaf ülrich van Go-desheim. „Do burgers zijn woedend, over den geoor-loofden slavenhandel en de joodsche vrijheden. Laten wij too om die meid met geweld uit het klooster te halen eu aan den slavenhandelaar uit te leveren , dat zou wel eens kwade gevolgen kunnen hebben.quot;

„Ik dool volstrekt niet in uw gevoelen antwoordde

-ocr page 464-

142

Eberhard , die zeer verbitterd was op de burgerij van Mainz. „Onze heer en koning gaf den jood het recht tot den slavenhandel, bijgevolg moeten de kloosterzusters den jood zijn eigendom teruggeven. In dien zin heeft de burchtgraaf reeds uitspraak gedaan, en wel in naam des konings. Krijgt do jood geen recht, wordt zijn vrijbrief niet erkend, het rechterlijk vonnis niet voltrokken, omdat dit alles den burgers van Mainz niet bevalt, dan worden hierdoor het aanzien en de macht des konings merkelijk benadeeld. Tasten wij dus flink door en toonen wij , dat slechts één wil in het Rijk geldig is , de wil des konings.quot;

„Maar als wij nu niet kunnen doortasten ?quot; hervatte paltsgraaf Thiotmar. „Ongetwijfeld is de wil des konings het hoogste gebod voor allen , — maar wij moeten uitgerust zijn , om hen te dwingen hot bevel des konings te gehoorzamen, die zulks niet willen.quot;

„Is daartoe een sterke uitrusting noodig, om een hoop gepeupel te onderwerpen ?quot; riep Eberhard verachtend uit. „ïfaar mijne meening moot eerder de ge-heele stad Mainz een puinhoop worden, dan dat des konings gezag benadeeld of beleedigd worde. Heeft deze stad geen straf met vuur en zwaard verdiend ? Heeft deze vervloekte burgerij geen partij gekozen tegen den koning, terwijl zij voortvluchtige gijzelaars opnam en verborg ? Hoe ver moet het nog komen ? Moet men wellicht den koning in zijn aangezicht beleodigen en honen ? — Gelieft mijn heer en meester, de gezamenlijke ridders en manschappen aan mijne bevelen toe te vertrouwen , dan zal ik ten spijt van geheel Mainz aan het vonnis en don vrijbrief uitvoering geven!quot;

„Het zij zoolquot; besliste de Saliër, wiens hooghartige, despotieke natuur buitendien tot gewelddadige maatregelen geneigd was. „AVij zijn meester in het Eijk en

-ocr page 465-

143

verplicht onze waardigheid te handhaven. Eberhard plaats u aan het hoofd van de hier aanwezige , geringe strijdmacht. Beliandel als oproerling elk, die zich verstout, de uitvoering van ons bevel te verhinderen.quot;

„Heil en overwinning aan Hendrik IV !quot; riep Eberhard , terwijl hij schielijk opstond en zich uit do kamer spoedde.

Toen de woedende Eberhard de dienstmannen des ko-nings samenriep om naar het vrouwenklooster te mar-cheeren, zat Siegfried ter nedergedrukt in zijn kerker. Aanhoudend stond hem Godila en haren weerloozen toestand voor den geest. Naauwelijks dacht hij aan den dood, die hem wachtte en aan de verminking die dezen moest voorafgaan. Zoo als reeds gezegd is, verruilde hij, volgens zijne begrippen van de bestemming des menschen, een ellendig leven voor de heerlijkheden des hemels, die alle voorstellingen, welke men er zich van maken kan, verre overtreffen. Maar Godila bleef achter, aan den machtigen arm van een verdierlijkt snoodaard prijs gegeven. En de overtuiging, dat de losbandige Saliër eon zoo bekoorlijk wezen niet vergeten, maar zich woer meester van haar zou maken, vervulde den jongen man met een onuitsprekelijk zielsverdriet en bittere smart.

Eensklaps wekte hem een geruisch uit zijn sombere mijmering. Hij luisterde en hoorde, hoe een sleutel in het slot werd omgedraaid. Hij dacht aan den priester, die hem op zijn reis naar de eeuwigheid moest voorbereiden. Doch die deur ging niet open, door welke hij was binnengekomen, maar de tweede, welke tegenover de eerste lag. Ook kwam geen monnik binnen, maar een geharnast man, wiens wapenrusting in de schemering van den kerker een weinig schitterde. De onbekende wierp een onderzoekenden blik op den gevangene

-ocr page 466-

144

„Mag ik uw naam vragen?quot; begon hij.

„Wat wilt gij van mij?quot; vraagde Siegfried.

„Heb eerst de goedlieid, mij uw naam te noemen,quot; antwoorddo de geharnaste. „Mijne boodschap is gericht aan een man, die mij van aanzien onbekend is, en voor alles wensehte ik wel te weten, of gij mijn man zijt.quot;

„Ik heet Siegfried, beschermheer van Klingen.quot;

„Dan zijt gij de rechte,quot; zeide de vreemdeling. „Volg mij, heer Siegfried.quot;

Maar de gevangene toonde geen lust, om aan het verzoek te gehoorzamen, hij bleef onbeweeglijk op zijne plaats zitten.

Omtrent de wreedheid van Hendrik 1Y liepen afschuwelijke geruchten. Personen, die zijn wraakgierigheid deden ontvlammen, zou hij op vreeselijke wijze hebben laten martelen. Het meeste mag verdicht of overdreven zijn; maar Siegfried dacht aan die ijzingwekkende praatjes en toonde geen genegenheid , den vreemdeling' naar een plaats te volgen, waar de beulen hem met hunne foltertuigen wachtten.

„Ik ben veroordeeld ,quot; zeide hij , „om morgen opgehangen te worden, nadat mij eerst de hand afgehouwen en de oogen uitgerukt zijn. Die folteringen zullen voor den tyran wel voldoende zijn.quot;

„Gij zult noch opgehangen, noch verminkt worden,quot; zeide de vreemdeling. „Ik ben Benno, een leenman van mijnen heer Sigifrid, den aartsbisschop, die mij gebood, u aan do klauwen der beulen te ontrukken. Vrees niet, mijn leenheer zal u weten te beschermen. Volg mij.

„Gij komt werkelijk om mij te redden?quot; riep de veroordeelde , terwijl hij van den steen opstond.

„Natuurlijk! Meent gij wellicht, dat Sigifrid een man zou laten dooden in zijne stad , als ware 't voor zijn

-ocr page 467-

145

oogen , — een onsclmldigen man , wien hij dankbaarheid schuldig is ? Gij hebt de beide neven des aartsbissehops bevrijd uit de macht des konings , red u nu de aartsbisschop uit de handen van dienzelfden koning, dan is dit volgens mijn gevoelen een plicht van dankbaarheid. Nogmaals , — volg mij !quot;

„Met het grootste genoegen !quot; antwoordde Siegfried, terwijl hij het zwaard aangordde en het schild opnam.

Zij verlieten den kerker en gingen een lage, donkere gang in , door welke zij langzaam voortgingen. Do rijzige Siegfried ging in gebogen houding , liep op den tast langs den muur en luisterde naar de stappen van zijn voorganger. Zoo kropen zij een poosje voort.

„Let op, — hier moet gij cenige treden afstappen,quot; zeide Benno. „Nog een weinig geduld, aanstonds zijn wij uit dezen mollengang.quot;

Door een smalle opening in don muur viel eenig licht. De openingen werden menigvuldiger. Benno liep sneller vooruit, en nu opende hij een deur, die in een corridor leidde.

„Hier zijn wij niet geheel veilig ; spoeden wij ons ,quot; zeide hij.

De haastige schreden der gewapendnn, benevens het gekletter hunner wapenen, weerklonk door den corridor, aan welks einde zich een weinig gebruikte deur bevond, af te leiden aan den roest harer grondels en aan de spinnewebben. Benno opende haar met zijn sleutel. De deur kraakte ten gevolge van den roest harer ge-hengen , en nu gingen zij een nauwe straat door.

„Wij hebben het paleis achter den rug , gij zijt in veiligheid,quot; zeide Benno. „Of het moest zijn , dat ons Eberhard , de koning , of iemand anders ontmoette, die u van aanzien kent. In dat geval zouden er eenige sabelhouwen gewisseld moeten worden, want ik ben

Cajï. d. ii. 10

-ocr page 468-

146

niet van zins , den beschermeling mijns heeren vrijwillig uit te leveren.quot;

„Zoo denk ik er ook over , edele lieer !quot; antwoordde de jeugdige held laeliend , terwijl hij aan de zijde van Benno met haastige schreden door de straat ging. „Levend zal mij de tyran met al zijn krijgsknechten niet krijgen. Mijne ledematen en mijn leven behooren mij, ik zal ze ter verdediging mijner vrijheid gebruiken en nimmer zal ik weer zoo dwaas zijn , dat ik van de rechtbank van een despoot rechtvaardigheid verwacht.quot;

Plotseling stonden zij stil op het hooren van een hevig gewoel en wapenkreten.

„Hoor , — wat is dat?quot; vroeg Benno terwijl hij bleef staan. „Klinkt dat niet als een gevecht ?quot;

Van den rivierkant weerklonk wapengekletter, met welke zich hot geroep vermengde : „Brand, — brand!quot; Alsook de wapenkreten der partijen: „Hier koning, — hier vrijheid !quot; kon men duidelijk hooren.

„O hemel, de burgers zijn in opstand tegen den koning ! zeide Benno.

„Laten wij hen bijstaan!quot; antwoordde Siegfried on snelde, zonder acht te slaan op de woorden van zijn geleider, in allerijl naar do plaats des oproers.

Eberhard was aan do spits van oen wel gewapende, dappere schaar naar hét vrouwenklooster gegaan, om Ottilie aan den joodschen slavenhandelaar van Spiers uit te leveren. Baruch Ben Marum volgde met twee knechten de krijgslieden.

Eberhards bedoeling bij deze onderneming was echter geenszins, om tegen alle recht en wet in een weerloos meisje aan don beschermenden arm te ontrukken, maar enkel de bevrediging zijner gloeiende wraak aan de burgers van Mainz. Hij wist, dat zij voornemens waren het klooster te beschermen en hij dacht, deze gelegenheid

-ocr page 469-

147

te gebruiken voor de inblazingen van zijn haat. Inderdaad vond hij een groote menigte gewapende burgers op het ruime plein, dat zich tot den Eijn uitstrekte. Zelfs de vischvrouwen , onder aanvoering van de welbespraakte quot;VVihvirk , droegen knuppels en zware stokken in de handen. Bij het aanrukken der geharnaste mannen oordeelden het de vrouwen verstandig, wat ter zijde te gaan en aan het sterke geslacht voorloo-pig de eer van den strijd over te laten.

Eberhard zag de gewapende menigte en hield een gewapenden aanval voor bedenkelijk. Hij liet zijne schaar halt maken en naderde, vergezeld van eenige ridders, de burgers.

„In naam des konings!quot; riep de burehtwachter op gebiedenden toon. „Trekt oogenblikkelijk van deze plaats af, opdat de weg naar het klooster voor ons vrij zij.quot;

„Wij hebben reden om niet af te trokkenantwoordde Arnold de kuiper, die een helm op en een pantser aan had; in de rechterhand droeg hij een kort zwaard, in de linker een houten met leder overtrokken schild. „Zoo ver is hot in het Duitsche rijk gekomen, dat burgers hunne gereedschappen met wapenen moeten verwisselen , om weerlooze vrouwen en geheiligde plaatsen te beschermen.quot;

„Daarom hebt gij u samengerot tegen den koning?quot; riep Eberhard hem toe.

Deze woorden vielen als vuur in een licht ontvlambare massa. Van alle kanten hoorde men een woest getier en oen heftig wapengekletter.

„Wij dulden geen tyran, — wij willen geen koning, die in den ban is, — weg met Hendrik IV!quot; riepen vele stemmen.

„Ja,quot; zeide Arnold, die hot woord opnam, „wil

10*

-ocr page 470-

148

Hendrik IV niet christelijk regeeren , hij make zich uit de voeten. Foei 't is schande , is dat een koning , die joden vrijbrieven verleent om slavenhandel te drijven,— die joden bevrijdt van tollen en belastingen, welke de christenen moeten betalen! Wil deze Saliër regeeren, als een heiden , laat hem dan naar de Mooren gaan ; wij kunnen slechts een christelijk gezind koning gebruiken.quot;

Eberhard zag do steeds aangroeiende menigte, vond zijne schaar te zwak, en riep een machtigen bondgenoot te hulp, het vuur. Hij liet een groot pakhuis, waarin olie en andere licht brandbare stoffen lagen, in hrand steken. Spoedig sloegen de vlammen door het dak en deelden zich mede aan de naastbij gelegen huizen ').

De burgers zagen de laaie vlammen en door een onwillekeurige natuurdrift gedreven schreeuwden zij : „Brand — brand!quot; en liepen om dien te blusschen. Ook Eberhard voerde zijne schaar terug, met het schijnbare plan , het woeste element te bedwingen. Toen hij evenwel de menigte voor het klooster op een klein hoopje na verstrooid zag, naderde hij met den stormpas. On-middelijk begon de strijd.

„Hier koning!quot; schreeuwden de manschappen van Eberhard. „Hier vrijheid!quot; antwoordden de moedige burgers van Mainz.

Het gevecht was weldra bloedig geworden. Eberhard , door woede en wraak geprikkeld , hieuw met zijn wichtig zwaard woedend op de burgers los. Zijn voorbeeld werd gevolgd door de dienstmannen des konings.

') Volgens het hericht van den kronietschrijvev Bruno van Saksen , werd bij deze gelegenheid een gedeelte der stad in de asch gelegd, hij zegt: „Civi/as a Bambergendbus incenditur, itaultota,

vel maxima pars ejus ursurc: vUleyetur.quot;

-ocr page 471-

149

Met het wapengekletter vermengde zich do wederzijd-seho ■wapenkreet, en uit do verte weerklonk zonder ophouden het verschrikkelijke: „Brand — brand!quot;

De bewoners van Mainz toonden moed en dapperheid. Ofschoon door overmacht aangevallen, weken zij geen voet breed. Maar hun wapenkreet: „Hier vrijheid!quot; werd zwakker en zwakker , terwijl: „Hier koning!quot; luider en zegevierender werd, hoe grooter hot getal dor nedergesabelde burgers was.

Baruch Ben Marum zag met genoegen hoe de beschermers van Ottilie werden nedergesabeld. Hoe verder dc overwinnaars voortrukten over de lijken der verslagenen en de kloosterpoort naderden, des te luider werd de zegekreet van den jood.

„Ruben — Simon, ziet eens, hoe zij vechten, de holden des konings!quot; riep hij zijnen knechten toe. „Ziet toch, ieder van hen is een David, ieder oen Jonathas! Hei — ziet gelijk vallen de halmen onder do sikkel der maaiers , zoo vallen de goim van Mainz onder de sabelhouwen van de krijgslieden des konings. Eecht en gerechtigheid — ik zal wederkrijgen mijne slavin! Hei — hei , hoe zij verslagen vallen de zonen van Mo-ab, wijl zij wilden mij hinderen menschen te koopen en menschen te verkoopen, zooals staat geschreven in mijn vrijbrief. Recht moot geschieden en gerechtigheid en een zwaard is het, dat straft do -misdadigers van Mainz, dat gebroed van Amalech, die wilden terughouden mijn eigendom, mijn rechtmatig eigendom, — het eigendom van Baruch Ben Marum uit Spiers , die is een kamerling van den zeer machtigen koning. Nog slechts weinig schreden, — terstond zijn de helden van Juda aan de poort, en mij zullen zij openen de poort, opdat ik neme mijn eigendom , mijne slavin! Ach — ziet toch eens, hoe zij wijken! Steekt de trompet, ons is

-ocr page 472-

150

de overwinning. Laat trompetten schallcn, wijl de nederlaag gekomen is over de vijanden, over de vervloekten van den God van Baruch.quot;

Inderdaad begonnen de burgers te wijken. Langzaam en steeds strijdend gingen zij terug. Maar de wraakzucht van Ebcrhard was nog niet gestild. Ofschoon het klooster reeds in zijn macht was , zwaaide hij toch nog het zwaard tegen deze uitgeputte verdedigers.

„Hier koning, — weg met de verraders, — weg met do honden!quot; schreeuwde hij, door woord en daad de zijnen tot voortzetting van het moorden opwekkend.

Wilwirk echter en hare stnjdgenooten, die tot nu toe den burgers moed hadden ingeboezemd en de goede zaak verloren zagen, toonden groote lust, met knuppels en stokken den aftocht der overwonnenen te dekken , Wilwirk kwam toegeloopen , greep echter niet naar den knuppel , maar naar een veel scherper wapen.

„Zijt gij een ridder, een edelman!quot; riep zij met \

schrille stem Eberhard toe. „Foei, duivel, schaam u, te slachten, als een bloedhond, als een heiden! Ziet dien dapperen Ebcrhard toch eens, die liet verstaat om met duizend ridders een honderd burgers dood te slaan! Wilt gij het slachten staken, laffe honden ? Bij de ziel mijner grootmoeder wij vischvrouwen vallen u met stokken en knuppels aan !quot;

Werkelijk rukten de woedende vrouwen onder luid geschreeuw aan. Eberhard sloeg geen acht op den dreigenden vijand in den vrouwenrok, hij was er enkel op bedacht, de burgers volkomen te verslaan , die' wel wisten te sterven, maar die geen vluchten verstonden.

Op dit oogenblik, toen de nood het grootst was, verscheen een sterk helper. Do reusachtige gestalte van Siegfried stormde over liet plein, ontvangen door zulke luide vreugdekreten van de vrouwen, dat zelfs

-ocr page 473-

151

Ebcrhard het zwaard liet rusten en naar do oorzaak van dat getier keek.

„Hoera — hij komt, — Siegfried komt!quot; riepen de ■vischvrouwen. „Hier vrijheid, — hier vrijheid! Strijd voor vrijheid, strijd voor recht, dappere ridder! Weg met don tyran — hier vrijheid!quot;

„Hier vrijheid!quot; antwoordde een sterke stom, oen lang breed zwaard schitterde en do jeugdige held mengde zich in den strijd.

„Hoort eens , — dat gaat!quot; juichte quot;Wilwirk, toen de vreeselijke sabelhouwen van Siegfried donderend neerkwamen, helmen verpletterden en schilden kloofden. „Hoera, — een weg baant hij zich midden door do vijanden! Volgt hem mannen, — volgt hem, —- vooruit , — hier vrijheid, — overwinning, — overwinning!quot; schreeuwden de vrouwen.

Het gevocht nam oen wending; want vreesolijk woedde hot moordend wapen van Siegfried onder do vijanden. Bijna elke sabelhouw wierp oen tegenstander op don grond. Do burgers vatt'on weer moed. Op nieuw hieven zij hun wapenkreet aan en rukten vooruit.

„Hier, lafhartige knecht van een gewetenloos tyran!quot; donderde Siegfried don dralenden-Eberhard toe. „Sta, — wijk niet, laffe schurk!quot; en do verbitterde ridder trachtte den burchtwachter te bereiken.

Maar Eberhard toonde geen lust, om mot don held in aanraking te komen, wiens zwaard van bloed droop en wiens schild en wapenrusting van bloed gekleurd waren. Koe meer en hoe voorzichtiger Eberhard week, dos te moor bracht hom do heer van Landeck in het nauw, wijl hij verder en verder op den vijand aankwam. Hierbij regende het sabelhouwen en lansstooten van alle kanten op hem. Gelijk oen toren, op een rots gebouwd, onwrikbaar staat te midden der stormen, zoo stond de

-ocr page 474-

152

jongo held to midden van den strijd. Gelijk zijn naamgenoot , do gehoornde Siegfried, scheen hij bestand tegen alle wapenen, terwijl zijn arm dood en verderf rondom zich verspreidde.

„Do duivel vecht met den schurk!quot; schreeuwde Ebcrhard. „Vecht, dappere mannen, vecht voor den koning, edele ridders. Een schitterende belooning-wacht u , — weg met den oproermaker ! Hier koning, — hier koning !quot;

„Hier vrijheid!quot; riepen de burgers moedig. „Hier vrijheid, — dood aan den tyran eu zijne dienstmannen!quot;

Nu kwam de burchtwachter zeer in het nauw. Door schaamte en gramschap gedreven, dat zij het togen dien enkelen niet konden houden en op het gezicht van do voortrukkendo burgers, die reeds geslagen waren , hadden de ridders zich in dichte gelederen gesloten. Eberhard vond in dozen muur geen enkele doortocht om te ontsnappen en kwam zoo onder het bereik van Siegfrieds arm.

„Wijk niet,'laffe slaaf!quot; riep hem de beschermheer toe, terwijl hij over een der ridders zijn gehaten vijand trachtte te bereiken.

Toen de burchtwachter eiken uitweg tot ontvluchting zag afgesloten , werd hij wanhopig. Hij liet het schild vallen , vatt'e met beide handen het zwaard en mikte op Siegfrieds hoofd. Wijl deze op hetzelfde oogenblik verscheidene aanvallen had af te weren, bereikte de houw van Eberh'ard zijn doel, doch hij vermocht niet den sterken helm te doorbreken.

„Ter helle, — booswicht!quot; riep Siegfried en deed deze woorden vergezeld gaan van een slag, die Eberhard op den grond deed tuimelen.

„O waih — o waih, gevallen is Jonathas!quot; schreeuwde

-ocr page 475-

de jood ontsteld. „Gebroken is het schild der zwakken, gebroken door dezen zoon der Philistijnen. Vervloekt zij hij en vernietigd worde zijn loven voor mijn oogen! Eccht en gerechtigheid, — weg met dezen Goliath ! Dat de zenuwen zijner armen verlammen, dat zijne boonderen murw v.'orden ! Strijdt, edele ridders , strijdt voor recht en gerechtigheid ! O waih , mijn eigendom, o waih mijne slavin!quot;

Nu bemerkten de vischvrouwen den jood en als een zwerm furiën vielen zij op hem aan.

„Hebben wij u , spitsboef!quot; sprak hom Wihvirk aan. „Wie is schuld aan het bloed, dat daar stroomt en reeds gestroomd is ?quot;

„Wie is schuld aan den dood van mijn man?quot; schreeuwde een andere, woedend om het hoofd van Baruch zwaaiend. „Gij zijt schuld aan zijn dood , — en sterven zult gij.quot;

„O waih, — recht en gerechtigheid!quot; riop Baruch met beide handen de tierende vrouwen afwerend. „Ben ik schuldig aan den dood van zooveel dappere mannen, — schuldig ik arme jood ? Mag niet verlangen een zoon van Israël, wat hem toekomt ? Mag ik niet vorderen mijn eigendom ?quot;

Dit was olie in het vuur.

„Wat, uw eigendom, hond? Christenen noemt gij uw eigendom ? Met monschon handelt gij als met slachtvee ? Christenmaagden verschachert gij aan geile heidenen?quot; schreeuwden do woedende vrouwen.

„Eecht en gerechtigheid mijn eigendom!quot; beweerde stijfhoofdig de jood.

„Wij znllen hem recht verschaffen , wij willen hem dood slaanzeide Wilwirk. „Gij duivel zult geen christenmeisjes meer vorkoopen aan verdierlijkte heidenen. Slaat hem dood — toe maar ! quot;

-ocr page 476-

154

„Slaat hem dood, — slaat hem dood!quot; antwoordden de razenden en zwaaiden dreigend hare stokken.

Baruch Ben Marum zag het gevaar en trok een langen dolk onder zijn kleed te voorschijn.

„Blijft mij van mijn lijf! Waarachtig ik stoot toe!quot; en dc zwarte oogen van den jood fonkelden scherper dan de kling van zijn dolk. „Mijne knechten, komt hier!quot; schreeuwde hij luidkeels. „Eubcn, Simon komt hier, — komt mij te hulp!quot;

„Jutze toe maar — sla er op!quot; gebood quot;Wilwirk een lange vrouw, die achter den jood stond.

„Wat, spitsboef, wilt gij ons met uw lang mes vermoorden, zooals gij onze mannen vermoord hebt? quot; riep Jutze en den stok zwaaiend, sloeg zij don slavenhandelaar met zulk een kracht op hot hoofd , dat hij onder het slaken van een schrillen kreet op den grond viel.

„Slaat hem dood, — slaat hem morsdood!quot; schreeuwden do woedende vrouwen en suizende slagen vielen op hot hoofd van don ongelukkige.

„In den Eijn met hot stinkend aas!quot; riep Jutze, den verslagene bij een voet aanpakkend.

„In den Kijn, — in den Rijn!quot; bevestigde dc menigte, en terstond sleepten zij den vermoorde over hot plein en wierpen het lijk in don stroom.

Baruchs knechten stonden schreiend en jammerend ter zijde. Zij hadden zich te ver van hun heer verwijderd om den strijd van nabij te kunnen zien , en kwamen dus mot de hulp te laat. Nu vluchtten zij voor de razende vrouwen, welker woede nog niet gestild scheen.

„Naar het schip, bevrijden wij de arme slaven!quot; riep Wilwirk.

„Naar het schip, — naar het schip!quot; antwoordden vele stemmen.

Terstond werden booten losgemaakt. Ook mannen

-ocr page 477-

] 55

sprongen in schuiten om deel te nemen aan den tocht der vrouwen en de levende menschenwaar van den jood uit de slavernij te verlossen.

Toen de vaartuigen van wal staken naar het slavenschip , vluchtten de soldaten des konings voor de aanrukkende dienstmannen des aartshisschops. Bruno, de geleider van Siegfried, was naar het vorstelijk paleis gesneld en had de tijding van den strijd voor het vrouwenklooster overgebracht. Do aartsbisschop gaf onmid-delijk bevel aan graaf Conrad van Lutzelburg om do burgers te hulp te snellen.

„Lieve God sta mij bij, welke moordpartij!quot; riep Benno ontsteld op het gezicht dor opgehoopte lijken.

„Het ging hier hevig toe, mijne heeren!quot; antwoordde Siegfried. „Ziet eens welk een groot aantal gedoode burgers! Het is treurig!quot;

„Dat wij allen niet tot den laatsten man door de beulsknechten van den tyrau zijn doodgeslagen , hebben wij alleen aan u te danken, edele heer Siegfried!quot; zeide Arnold, de kuiper , bloedend aan een wond aan den schouder.

„lieer voogd,quot; zeide Lutzelburg onder oen diepe buiging , „gij hebt manmoedig gestreden en den aartsbisschop dubbel aan u verplicht. Heb de goedheid mij naar het paleis te volgen.quot;

Op hetzelfde oogenblik hoorde men wapengekletter en geschreeuw op den Rijn. Men zag op het dek van den slavenhaler worstelende gestalten, zwaaiende bijlen, zwaarden en stokken , vliegende vrouwenharen en vallende mannen. De wacht op het schip van Baruch Ben Marum werd verslagen , en nu verkondigde een stormachtig vreugdegejuich , dat de bloedige daad voltrokken was.

„Als zelfs vrouwen naar de wapenen grijpen, om

-ocr page 478-

156

slaven te bevrijden, dan moeten dc zaken in hot Rijk ver gekomen zijn zeide Lutzelburg.

Hij liet een sterke wacht bij hot klooster achter en begaf zich met Siegfried naar het paleis , waar zich do dappere ridder voor alles aan een zuivering moest onderwerpen. Twee dienaars waren met groote sponsen om hom bezig, totdat de bloedroode gestalte verdween en de wapenrusting in vernieuwden glans schitterde.

Dc aartsbisschop -Sigifrid van Mainz , een onstandvastig man , door allerlei kunstgrepen van het Salisch hof in dc vijandschap tegen Rome medegesleept , had zich als werktuig des konings tot nu toe voor vele ergerlijke zaken laten gebruiken ').

Ook deze machtige prelaat behoorde tot die acht en twintig bisschoppen , welke in den jongsten Januari op de synode te Worms Gregorius VII afzett'en en in den ban deden. Vergeefs waren de beden , raadgevingen en bedreigingen van den Paus geweest, om den aartsbisschop tot zijn plicht te brengen. Wat de Paus niet vermocht, hiertoe dwongen hem de omstandigheden. Sigifrid moest op zijn heil bedacht zijn. De beide mislukte Rijksdagen te Worms en te Mainz toonden hem op welken wankelenden grond Hendriks troon stond. De gezamenlijke hertogen waren openlijk den koning afvallig geworden. Zij hadden een bijeenkomst te Ulm uitgeschreven, ja ronduit den treurigen toestand van het Rijk als doel van de dagvaarding opgegeven. Ook Sigifrid van Mainz erkende , dat een koning, wiens manier van regeeren alle grondstellingen des Christen-doms ondermijnde , ontwijfelbaar van den troon vervallen verklaard moest worden. Toen nu de Saliër de beide voortvluchtige vorstenkinderen terugeischte , wei-

') Koningin Bertha III , uitg. bl. 12, 75.

-ocr page 479-

157

gerde de aartsbisschop de teruggave der jeugdige neven. Deze weigering duidde de aanstaande vredebreuk aan van den metropolitaan met het Salische hof; de vijandige houding van de dienstmannon des aartsbisschops tegon de soldaten des konings voltooide die.

Siegfried werd door den aartsbisschop onder hartelijke dankbetuigingen ontvangen. Ook die monnik was er tegenwoordig, wieri Siegfried zijne aangelegenheden had toevertrouwd en dien hij nu als de aartsbisschop Udo van Trier leerde kennen.

„Bijna was het den koning gelukt , langs een omweg, dien wij gisteren niet voorzien konden, zijner wraakte bevredigen,quot; zeide üdo, nadat hij den moedigen ridder zijn oprechte bewondering over diens daden had te kennen gegeven. „Die overhaaste terechtzitting en hot bar-baarsch vonnis van den burchtgraaf golden minder den edelen beschermer van een verlaten meisje, dan den voogd van Klingen, die zoo nauwgezet is in de vervulling van zijn plicht. Danken wij God voor den gelukkigen afloop,quot; en Udo drukte den jongen man herhaalde malen hartelijk de hand.

„ïer herinnering aan uwe manmoedige daden in Mainz, bid ik u, dit klein geschenk van mij aan te nemen,quot; zeide de aartsbisschop Sigifrid, den moedigen strijder oen zwaren gouden ketting over den schouder hangend.

„Al te veel dankbaarheid! Ik deed slechts mijn plicht,quot; antwoordde bescheiden de voogd.

„Hebt gij verder mijn bijstand noodig,quot; zeide Udo, dan zal het mij genoegen doen u van dienst te kunnen zijn.quot;

„Dat vriendelijk aanbod neem ik dankbaar aan, eerwaarde vader !quot; antwoordde Siegfried. De toestand van de abdij Klingen is van dien aard, dat ik, bij de gewelddadige gezindheid eu het wraakgierig gemoed des

-ocr page 480-

158

konings, wellicht eerlang een maclitigen helper noodig kon hebben.quot;

„Vrees niets, heer voogd !quot; antwoordde ernstig de vorst van Trior. De verkrachting van recht en gerech- ' tigheid heeft in het Duitsohe Rijk haar toppunt bereikt. Geen christelijk denkend mensch zal zich aan de noodzakelijkheid kunnen onttrekkenging hij met klem voort, een veelbeteekenenden blik op den aartsbisschop van Mainz werpend, „om met de meest mogelijke kracht dit heidensch streven tegen te werken. De geschiedenis gaat geen duizend jaar terug. Ten tijde van den afgodendienst, die een vergoding van de booze geesten en keizers was, liet zich een slaafsch Staatswezen stichten. Het Christendom heeft do slavenketenen verbroken cn is er nu mede bezig om de laatste overblijfselen te vernietigen van de verlaging des menschen. Slechts dan zou het aan 't Salisoh hof mogelijk zijn den keizer-god, den ab-solutistischen naar willekeur heerschenden bestuurder en bijgevolg de slavernij des volks te vernieuwen, als de Duitscho natie van de Kerk en het Christendom afvallig werd. Wijl echter Christus regeert en zijne loert zetelt in de harten der menschen, daarom heeft een despotiek bestuur geen kans van slagen.quot;

„Zeer waar, — op helsche wijze wordt er huis ge-honden!quot; bevestigde Sigifrid. „Koof, moord, verval van elke redelijke orde in alle landen. Het christelijk volk lijdt onuitsprekelijk veel, het steekt de handen ten hemel om wraak — en hulp zal en moet hot ontvangen.quot;

Een bediende naderde den aartsbisschop Sigifrid on deelde hem iets mede.

„Heer voogd,quot; zeide hij, „ik neb uwe dienstmannen uit de herberg in mijn paleis laten komen, om verdere moeilijkheden te voorkomen. AVees van daag mijn gast en keer morgen tot uw werkkring terug.quot;

-ocr page 481-

159

„Dank, heer aartsbisschop ! Doch verschoon mij, nog heden wil ik mij huiswaarts begeven. Er moeten gedurende mijn afwezigheid in de abdij vreeselijke zaken zijn voorgevallen ; want een somber voorgevoel drukt mijn gemoed en een geheimzinnige stem vermaant mij tot terugkeer.

„Zoo als gij verkiest, heer voogd! Maar mijne uit-noodiging om dezen avond bij ons het avondmaal te gebruiken, moogt gij niet afwijzen. Dan kunt gjj in Gods naam vertrekken.quot;

I .

n

l||, IH

IH

m

: i

lila

-

Siegfried nam het vriendelijk aanbod aan. Daarop begaf hij zich naar het slotplein , waar de dienstmannen van hot sticht hun geredden gebieder aangedaan omringden. Allen gaf hij de hand, en de hartroerende uitdrukkingen der getrouwen over zijne redding, als ook de vreugdetranen, welke langs menige gebruinde wang rolde, waren hem als zoo vele bewijzen van oprechte genegenheid.

SIEGFRIEDS TERUGKEER.

Door een duister voorgevoel gedreven gunde Siegfried den paarden nauwelijks de noodige rust, en kreeg tegen den avond van don volgenden dag de hooge tinnen van den burcht Landeck in 't gezicht.

Juist zwenkte hij het paard van den grooton weg op hot kortere pad , dat naar Klingen leidde, toen de boeteling 'Wolferat aan den zoom des wouds verscheen, de helling afkwam, en aan den ingang van een niet mos

:

M

I

'L ü

mmm

.

-k'1

-ocr page 482-

160

begroeide bergkloof den stoet afwachtte. De verschijning van den boeteling vermeerderde de onrust van Siegfried. Hij gaf het paard de sporen en hield tegenover den kluizenaar stil, wiens gelaatstrekken treuriger waren dan gewoonlijk.

„Den hemel zij dank voor uw gelukkige terugkomst,quot; begon hij nadat hij even gegroet had. „Heer voogd, ik verwacht u sedert twee dagen hier. Heb de goedheid mij met uwe ruiters in deze kloof te volgen, opdat ik ti ongezien belangrijke mededeelingen kunne doen.

Na deze woorden ging hij hem in de kloof voor en bleef, nadat zij ongeveer twee honderd schreden gegaan waren, op een nauwe beperkte open ruimte tusschen hooge bergwanden staan. Do jonge man sprong uit den zadel en stond uu vol verwachting voor den boeteling.

„Heer voogd,quot; begon deze, „maak u sterk en behoud uwe tegenwoordigheid van geest om zeer treurige tijdingen bedaard aan te hoeren.quot;

„Dat komt geheel overeen met mijn voorgevoel! Wat is er voorgevallen ? Ga maar voort, ik ben op het

ergste voorbereid.quot;

„Graaf AVazo heeft de abdij Klingen met een sterke krii ff smacht overvallen en den Simonist Lantbert bene-vens diens vrouw daar binnen gebracht. De monniken, weinigen uitgezonderd, wien het gelukte te ontvluchten, heeft hij mishandeld en in de kerk op water en brood opgesloten. Een leekebroeder, die mij des nachts van alles onderrichtte, wat in het klooster gebenrt, verhaalde, dat Wazo den schatmeester Siegebert beide ooren heeft laten afsnijden en dat hij alle monniken wil laten ophangen, indien zij Lantbert niet als abt erkennen en Paus Gregorius de gehoorzaamheid niet opzeggen.quot;

„Wat gij daar zegt, broeder Wolferat,quot; antwoordde Siegfried met moeilijk ingehouden toorn , „is slechts een

-ocr page 483-

161

schakel in de lange keten van vergrijpen en euveldaden van den koning en zijne geestverwanten. God .zij gedankt, ik ben er nog! Yan daag nog wil ik met Wazo, dien onmenschelijken schurk, vreeseljjke afrekening houden. Waar bevindt zich Godila? De schelmen zullen toch het vrouwenklooster niet overvallen hebben?quot;

„Het kind van den markgraaf Udo,quot; antwoordde de boeteling , „werd op bevel des konlngs ontvoerd en naar den Trifels teruggebracht.quot;

Op het hooren van deze tijding stond Siegfried eenige oogenblikken sprakeloos. Zijn gelaat werd bleek, de lippen trokken samen, totdat eensklaps een donkere gloed dit doodsbleek verving en zijn oogen begonnen te fonkelen. Een onbeschrijfelijke woede maakte zich van den ridder meester. De bekende vfiiror teutonicus quot; gaf getuigenis van zijn afstamming en zijne bewegingen waren zoo heftig , dat de ketenringen zijner wapenrusting kraakten.

„Hemel en aarde!quot; riep hij met een stem, die de omringende bergwanden deed daveren. „O gij schelmen , gij slangengebroed der hel! Aarde,quot; schreeuwde hij met den voet op den grond stampend, „gij hebt uwe afgronden niet geopend , om de schurken te verslinden? Waren er in den schoot der wolken geen bliksems meer ? Hemel en aarde gij kondet rustige toeschouwers blijven en de misdadigers laten begaan ? Goed, mij alleen is de wraak! Weg medelijden, weg menschelijk gevoel, — wraak, wraak, — vreeselijkc wraak! Naar den Trifels gesleept in dat hol van den Salischen duivel ? Ha — de Trifels zal zijn slachtoffer teruggeven, al moest ik met deze handen de grondvesten zijner rotsen uitgraven!quot;

„Heer voogd, ik bid u, — gij ijlt!quot; zeide de boeteling. „Bezin u toch en luister naar mij. Voorloopig bedreigt Godila niet het minste gevaar.quot;

CAN. D. ii. 11

-ocr page 484-

1G2

„Geen gevaar? Ha — ha!quot; lachte hij woedend.

„Neen , — niet hot minste gevaar? Luister en oordeel zelf.quot;

Wolferat verhaalde de toedracht der wegvoering en eindigde met de woorden : „Bijgevolg meent Grodila , dat zij op een plaats is, waar zij veilig is tegen elke gewelddadigheid. Zij houdt den burchtvoogd voor een bevrijder en redder uit de klauwen der roovers. Ik daarentegen ben volkomen overtuigd, dat die zwart gemaakte mannen even goed op last van Hendrik IY handelden, als Dedi.quot;

„Natuurlijk! Een sluw aangelegd roofplan !quot; riep de jonge man uit. „Ook Wazo nam blijkbaar een rol op zich bij dit helsch werk; want hij overviel het sticht op hetzelfde oogenblik, waarop Godila weggevoerd werd. Hij maakte het aan de bezetting van Landeck onmogelijk , aan St. Magdalena hulp te ver-leenen. Welaan, den schelm treffe den eersten slag!''

„Heer voogd, luister naar mij!quot; smeekte Wolferat, toen de verbitterde ridder in het zadel wilde stijgen. „De graaf heeft nog ongeveer zestig welgewapende mannen bij zich, en uw gevolg telt slechts twintig krijgers.quot;

„Ik tel van daag geen vijandriep de gewapende. „Mijne armen zijn door woede gestaald. Ik voel kracht in mij, om een geheel leger te verslaan.quot;

„Toch smeek ik u, luister naar mij ! Haddet gij mijn vroegere raadgeving niet versmaad, Godila ware niet geroofd, het sticht zou niet overvallen zijn.quot;

„De tocht naar Mainz was noodzakelijk, plicht en eer geboden hem ,quot; antwoordde Siegfried. „Intussc'ien blijven mij nog eenigo oogenblikken overig, om uwe meening aan te hoor en. Wat raadt gij?quot;

„Wazo en zijne dienstknechten ontwijden het klooster door woeste braspartijen. Zij drinken den geheelen dag

-ocr page 485-

163

en lig-gcn 's avonds hier en daar dronlcon. Wacht dus den nacht af. Nader dan ongemerkt en overval de snoodaards. Eijdt gij echter op klaren dag naar het klooster, dan zullen u de lieden van graaf AVazo bemerken, zij zullen de poort sluiten en u dwingen, om storm te loopen. Daarbij zou menigeen uwer dienstmannen hot leven verliezen on het gelukte u waarschijnlijk toch niet, in het klooster te komen; want de ringmuren zijn hoog en de bezetting toereikend , om een sterken vijand te trotseeren. Maar al die zwarigheden vervallen als gij mijn raad volgt.quot;

Met eenige zelfverloochening verklaarde de voogd, dat hij met Wolferats wijzen raad instemde. Hij gebood zijnen krijgsknechten af te stijgen en hot overschot van hun mondbehoeften te gebruiken. Terwijl de ge-wapenden zich voor den aanstaanden strijd sterkten en de paarden de geurige kruiden des wouds afgraasden , stond Siegfried tegen een eikestam geleund en liet zich Godila's wegvoering nog eens uitvoerig verhalen.

„Wat mij vooral bij deze vloekwaardige daad treft,quot; riep de voogd aan het einde van het verhaal uit, „is de onmogelijkheid voor den koninklijken snoodaard , om zijn duivelsch werk te voltooien. Den ïrifcls kan hij niet bezoeken, weerhouden door dreigende verwikkelingen ; want allerwege in het Eijk pakken zich onweerswolken te zamen , welker bliksemflitsen den tyran van den troon zullen donderen. Bijgevolg blijft hem geen tijd over, ten tweeden male een afschuwelijke daad te wagen, die hem voor eenige weken mislukte.quot;

„God zij dank voor de opkomende omweerswolkon !quot; zeide Wolferat. „Lang heeft de smartelijke verschijning mij bedroefd, dat vorsten en volk het onchristelijk bestuur van dezen bedorven koning verdroegen. God zij geprezen, het volk wordt wakker!quot;

11*

-ocr page 486-

164

„Niet bij do zwaar tillende volksmassa had de reddende beweging haren oorsprong antwoordde Siegfried. ,,Als een koning sluwheid paart aan macht, dan kan hij alles wagen: recht en vrijheid vertrappen , de eene misdaad op de andere stapelen , — hot volk verdraagt het. Had God geen man tot herder over de natiën aangesteld , een man , wiens plicht het is 't christelijke gevoel, recht en vrijheid, menschenwaarde en waarheid te beschermen , — dan zou het volk sinds lang tot de barbaarschheid van het heidendom vervallen zijn. Maar de Plaatsbekleeder van Christus , toegerust met kracht van Boven, de Paus, bestuurt met vaste hand de orde van het rijk Gods op aarde. Mislukken de omwentelingsplannen van dozen snooden Saliër , ontsnapt de Duitsche natie aan het ijzeren juk van oen ondragelijke willekeurige heerschappij, dan heeft zij d t, naast God , enkel aan de verdienste van Gregorius VII te danken.quot;

„Dat bon ik mot u eens , heer voogd! Zonder den herder te Eome zou do kudde der Christenheid spoedig een prooi van de wolven en andere verscheurende dieren zijn.quot;

Intusschen was de nacht ingevallen. Siegfried riep zijne manschappen in een kring en gaf bevelen. Daarna bestegen zij hunne paarden en reden in de grootst mogelijke stilte naar het oude sticht.

Do krijgsknechten van graaf quot;Wazo hadden goede dagen. Met uitzondering van een wachtpost, die de bezetting van Landeck in 't oog moest houden , lagen de overigen om de wijnkruiken en braadspeten. Alle dagen werd een os van de boerderijen gehaald, geslacht en dan werden zijne beste stukken aan het spit gebraden. Ook hier bevestigde zich het spreekwoord: „Zoo de heer , zoo de knecht.quot; Wazo's dienstmannen waren

-ocr page 487-

165

even nnv en brooddronken , als luj zelf. De leckebroo-ders , welke op het veld werkten , of in de voorraadschuren en stallingen bezig waren , moesten bespottingen , beschimpingen , vaak zelfs mishandelingen van die verwilderde menscLen verdragen. Aan de zweep van hun kleinen tyran gewoon en slaafs aan hem onderworpen , hadden zij geen eerbied voor anderen, en slechts een zeer klein sprankje van godsdienstigen afkeer weerhield hen van grovere uitspattingen.

Op het oogenblik liggen zij midden op het plein des kloosters op stroo, zuipend en tierend. Is het voor een oogenblik stil, dan klinkt uit het kloostergebouw het gejoel van een woest drinkgelag. AVazo zit met Lantbert en eenige leenmannen in de eetzaal , voert oukuische gesprekken, of lacht met zijne dienstmannen over de geestige invallen van den koninklijken abt. De wijn hoeft aller hoofden verhit, en het flikkerende licht der kaarsen schildert do verdierlijkte gelaatstrekken van den gouwkoning nog hatelijker, dan zij werkelijk zijn.

Opmerkelijk was het, dat AVazo bij alle braspartijen elk oogenblik godsdienstige of kerkelijke onderwerpen in hot onderhoud mengde, — daarom opmerkelijk, omdat deze liefhebberij van een volslagen ongeloovig mensch, zonderling moest schijnen lag zij niet in de mensehelijke natuur opgesloten. „Anima naturaliter Christiana,'''' heeft de H. Augustinus gezegd, de ziel is van nature christelijk. En wijl Wazo mensch bleef, kon hij dien godsdienstigen trek evenmin afleggen , als zijne mensehelijke natuur in 't algemeen. En wijl hij met de godsdienstige elementen zijner ziel in doodelijke vijandschap leefde, daarom sprak hij met verachting of met haat over godsdienst, — eene verschijning , die zich ten allen tijde herhaalt. Juist de verachters van den godsdienst zijn zeer werkzaam op hot gebied van

-ocr page 488-

166

het godsdienstige, al is het ook verwoestend , — weer een treffchd bewijs voor de onmogelijkheid van een wezenlijke verachting des goloofs. Godsdienst is even onfeilbaar do as, om welke zich elke ontwikkeling der natiën draait, zoodat zelfs politieke bewegingen van belang altijd een godsdienstige kern hebben. Den nadenkenden onderzoeker en waarnemer dor geschiedenis ontmoeten derhalve bij iedere schrede die geheimzinnige banden, welke de mensehen aan het godsdienstige boeion , zonder hun evenwel de vrijheid eener werkelijke onverschilligheid too te staan.

Daarvandaan quot;Wazo's liefhebberij voor kerkelijke en godsdienstige onderwerpen.

„Komt het u niet zonderling voor, beste abt en dischgenootsprak quot;Wazo tot zijn buurman, „dat dio vervloekte monniken Hellebrand niet willen afzweren ? Den schatmeester zijn nu beide ooron afgesneden, wijl hij van den Roomschen tyran geen afstand wil doen. Ik wed, dat hij zich dezen avond liever aan dien haak wil laten ophangen, dan zich tot een vrij , vroolijk leven te bekeeren. Hoe kan nu iemand den dood, of de Roomsche zweep boven een lustig leven verkiezen ? Is dat niet de grootste zotternij der wereld ?quot;

„De Benedictijnen van Klingen zijn onverbeterlijke gekken,quot; verklaarde de gehuwde.

„En ik zeg u,quot; riep de gouwkoning, „onze Hein zal alle dwaasheden van hot pausdom uit het Duitscho rijk ranselen. Hij begint zeer verstandig. Alle bisdommen en abdijen bezet hij met vroolijke klanten, die van wijn en van het huwelijksbed houden. Dan moeten zij preeken en door de pastoors laten preeken volgens het Evangelie van het hof. Zijn echter eenmaal de gezamenlijke bisschoppen en abten verstandig en Rome's vijanden geworden, dan kan het niet missen , of

-ocr page 489-

167

ook het domme volk zal eindelijk verstandig worden.quot;

„Juist zoo, beste graaf! Simt rex, sicut gr ex, — zoo de herder, zoo de kudde bevestigde hoofdknik-kend Lantbert. „Hier in Klingen wil ik een kloosterloven invoeren, waarin onze Hein pret zal hebben. Naar den Paus en zijne dwingelandij vragen wij in het geheel niet, of het moest zijn , dat Hein een man op den stoel van Petrus plaatst, die leeft en laat leven.quot;

„Wat ergert mij de stijfhoofdigheid van die vervloekte monniken !quot; riep Wazo uit. „Geen bedreigingen , geen mishandelingen baten, niet eens de dood schrikt hen af. Ik houd het er zelfs voor, dat do schobberds zich verheugen om voor hun geloof te mogen sterven.quot;

„Zeer wel mogelijk ! Zij beschouwen zich als martelaars en erfgenamen van het eeuwig levenantwoordde Lantbert.

„Dat is 't juist, wat mij zoo vertoornd maakt,quot; schreeuwde Wazo, met de vuist op de tafel slaande. „Ten slotte doe ik de schelmen nog een dienst als ik ze te bengelen hang. Dat neemt niet weg, — de schatmeester moet van daag nog opgehangen worden. Hij moet de eerste zijn aan de galg. Krafto haal den schurk hierheen ! Wat heb ik toch een verschrikkelij-ken haat tegen Hellebrand en diens aanhangers ! Kon ik ze allen te zamen aan een enkelen strop opknoopen en zoo in een zet het rijk zuiveren van dat giftig gebroed, mijne linkerhand zou ik ervoor geven.quot;

„Gij zijt wel offervaardig, beste graaf!quot;

„Weet gij de reden van mijn toorn ?quot; ging de gouwkoning voort. „Ziet, mij hindert de onbeschaamdheid van den Paus, om ons wetten en gebruiken te willen voorschrijven. Hij bemoeit zich met alles. Jaagt iemand zijn vrouw weg, als zij hem niet bevalt, dan neemt de

-ocr page 490-

168

Paus fluks het klagende wijf in zijne hoede en bedreigt den man mot den banvloek, indien hij do weggejaagde niet weder tot zich neemt. Zoo heeft de Paus met den koning zeiven gedaan, toen hij zijne Bertha wegjaagde. Hein moest Bertha weder aannemen, of afstand doen van don troon en in den ban sterven, als een schurftig schaap. — Ros ik een slaaf af en sterft hij onder mijne slagen, dadelijk is de Paus er bij en behandelt mij als een menschcnmoorder. — Heeft iemand in toorn zijn buurman dood geslagen, dan vindt hij geen genade, voor dat hij berouw hoeft, schadevergoeding geeft aan de familie van den verslagene , zware boete en een reis naar Rome doet, om daar absolutie af te bedelen. — En zoo gaat liet in alle zaken , heer Paus steekt zijn neus overal in. Hij kwelt hooggeplaatsten en geringen. Hij legt allen het juk van godsdienstige plichten op en dwingt allen onder zijn herdersstaf. Daaraan moot een einde komen. Weg met den Paus, — wij hebben geen behoefte aan een dwingeland. Iedereen moet leven, zoo hij verkiest en gelijk hij kan. De heer zij heer omdat hij de macht heeft, — de slaaf zij slaaf, omdat hij geen macht heeft en daarom een ding zonder recht is.quot;

„Ook ik vind de plichten van het Christendom vaak lastig,quot; bekende Lantbert. „Leef er maar vroolijk op toe , zonder angst of gewetenswroegingen.quot;

„Dat is hot, die vervloekte gewetenswroegingen!quot; riep de broedermoorder uit. „Ik behandel mijne hoo-rigen en slaven ongetwijfeld menschelijk — ongeveer tien en nog eenigen sloeg ik dood, waartoe ik recht heb; want ik ben gouwkoning en bezit de macht, en macht geeft recht. Even als ik een aarden pot stuk mag slaan , als hij mij toebehoort, zoo kan ik ook een slaaf dood slaan als hij mijn eigendom is. Meent gij echter, dat ik mijn nachtrust heb ? O neen ! Alle

-ocr page 491-

169

nachten komen do verslagenen voor mijn bed, toonen hunne wonden, pijnigen mij door afzichtelijke droomen en jagen mij zooveel schrik aan, dat mij vaak het angstzweet in groote droppels van het voorhoofd loopt.quot;

„Dat zijn inbeeldingen, beste graaf ! Laat u door die dingen geen vrees aanjagen.quot;

„Zeg mij dit zooveel gij wilt, — het helpt niemendal.quot;

„Wijl gij een nauw geweten hebt, vriend!quot;

„Neen — neen! Mijn geweten is ruim, het heeft een goede maag, het verteert land, monschen en bos-schen zonder bezwaar, zelfs het groot^ Steinwald. Gij zult op hot oogenblik zien, met welk genoegen ik den schatmeester laat ophangen. Niet het geweten is de schuld van dat nachtelijk angstzweet, maar al weer enkel de Paus.quot;

„De Paus ? Hoe is dat mogelijk ?quot; vroeg Lantbort verwonderd.

„Dat zal ik u zeggen. Ja, de Paus alleen boezemt mij schrik in ; want hij leert en laat prediken, dat ook slaven menschen, Gods evenbeelden zijn, die men hoogschatten en christelijk behandelen moet. En wie van zijn heerenrecht gebruik maakt en een slaaf dood slaat, die is in den ban, gelijk ik zulks ben. Zou echter eenmaal deze lastige vermaner en prediker ophouden , de Paus namelijk, met banvloeken te dreigen en de men-schenwaarde dor lijfeigenen te laten prediken, dan zouden alle heeren dra vergeten zijn , dat een hoogste heer over hen regeert, wien zij eens rekenschap moeten geven. Was er geen Paus , men zou weldra niets meer weten van leeringen en geboden, die geen mensch kunnen bevallen , die naar zijn believen wenscht te leven. Derhalve weg met het pausdom ; want het verbittert het leven en beperkt onze heerenrechten.quot;

De deur der zaal ging open. Langzaam , zichtbaar

-ocr page 492-

17U

verzwakt, overschreden de monniken den drempel. Buitendien door ascetische strengheid zeer mager, geleken nu de Benedictijnen op levende geraamten , die in wijde kleederen ernstig rondwandelden ; want Wazo had aan de opgeslotenen slechts water en brood doen verstrekken en dit nog zeer karig. Maar op het gelaat der belijders lag een onbeschrijfelijke rust en aandoenlijke waardigheid. De mishandelden geleken op een schare onoverwinlijke helden , welke hun laatste levenskrachten ten beste gaven voor hunne overtuiging.

„Ziet eens, welko hongerige gezichten de schelmen trekken!quot; riep het onmensch Wazo lachend. „Ieder hunner zou gemakkelijk een bok tusschen de horens kunnen kussen zonder zich te stooten. Het verwondert mij maar, hoe zij hot kunnen uithouden! Moest ik vier dagen op water en brood vasten, dan zou ik reeds den tweeden dag van dorst sterven.quot;

„De monniken zijn aan het vasten gewoonzeide Lantbert.

Wazo sloeg zijn verdierlijkten blik op den schatmeester Sigebert, die een doek om het hoofd had.

„Hoe is 't er mee?quot; riep hij hem toe. „Wilt gij eindelijk Paus Hellebrand afzweren en dezen vromen man als uwen abt erkennen ? Bedenk u wel! Onze lankmoedigheid is ten einde. Ziet gij daar die krammen in den muur. Daaraan zal ik u onverwijld laten ophangen , als gij zoo hardnekkig blijft.quot;

Do schatmeester gaf geen antwoord , keek voor zich en bad. Wazo gaf aan dat zwijgen een beteekenis, die gunstig was voor zijn boosaardige plannen.

„Aha , — ik merk, dat gij op het laatste oogenblik toch nog verstandig wordt!quot; riep hij. „Gij hebt overigens veel tijd gebruikt, om uw voordeel waar te nomen. In uwe plaats zou ik terstond boreid geweest zijn , om

-ocr page 493-

171

con vroolijk loven onder den godvreezonden abt Lant-bert te verwisselen met vasten, kastijden, bidden, metten zingen on water drinken. Nu, kom hier, broeder Sigebert, doe den eed van getrouwheid aan uwen abt, geljjk het een braven knecht past en vervloek Paus Hellebrand.quot;

De schatmeester hief het hoofd op.

„Graaf quot;Wazo,quot; zeido hij dof maar vastberaden, „ik verafschuw uw. goddelooze plannen. Paus Grcgorius VII is het rechtmatig Opperhoofd der Kerk, do waarachtige Stedehouder van Christus. Geene kwellingen, zelfs de dood niet, zullen mij dwingen , aan do leerstellingen van onzen heiligen godsdienst ontrouw te worden.quot;

,Gij wilt dus opgehangen worden?quot;

„Ik wil leven,quot; antwoordde Sigebert, „zoo lang het God behaagt, die hoor is over leven en dood.quot;

„Wat, lomperd, merkt gij dan niet, dat ik heer ben over leven en dood! Wordt gij op mijnon wenk niet opgeknoopt?quot;

„Met Gods toelating, — ja! G[j echter, wreedo snoodaard, zult voor deze nieuwe misdaad de verdiende straf niet ontgaan.quot;

„Wat, noemt gij mij een snoodaard, gij hond?quot; brulde de graaf. „Aan de galg met hem, — onmid-delijk aan do galg. Krafto , hang hem aan zijn eigen koord op! Ik oen snoodaard? Laat hem spartelen!quot;

Sigebert maakte zelf het koord los en reikte het aan Krafto over. De gewapenden trokken een tafel aan don muur onder de krammen. Zij plaatsten een stool voor de tafel en geboden Siegebert er op te klimmen.

De overige monniken waren nauwelijks in staat zich staande te houden. Zij vielen op de knieën en riepen ten hemel.

t ü

I

-ocr page 494-

172

Wazo ledigde eon vollen lick er.

„Heda,quot; schreeuwde hij zijne knechten toe, „steekt daar boven aan don zolder de kaars aan, opdat men duidelijk kunne zien, hoe zoo'n slaaf in de pij sterft. Ha , — ha — ik een snoodaard ! Ik de gouwkoning der Vogeezen, ik de vriend en strijdgenoot van den Duitschen koning, — ik een wreed snoodaard! Weet, hond van een monnik, dat gij wegens deze beleediging van mijn persoon reeds den strop verdiend hadt! Ha — ha — ik een snoodaard !quot;

De kaars aan den zolder brandde, en hare lichtstralen goten over Siegebert, die op de tafel stond , een helderen glans. Krafto had aan het eene einde van het koord een strik geslagen en hot andere eind aan de kram bevestigd. Nu deed hij do strik om den hals van den kloekmoedigen belijder.

quot;Wazo keek met een duivelachtig genoegen naar deze toebereidselen.

„Hoe rustig is de kerel! quot; morde hij vertoornd. „Men zou denken, dat die vervloekte monnik een pleizierreisje ging doen.quot;

Krafto was naar beneden gekomen en op het punt om de tafel onder de voeten van Sigebert weg te nemen.

„Slechts een oogenblik geduld!quot; smeekte het slachtoffer , een horaelschen blik op de knielende Benedictijnen werpende. „Eerwaarde vaders, mijne broeders, leeft wel!quot; zeide hij op een blijmoedigen toon. Noemt mij gelukkig; want ik mag sterven voor ons heilig geloof. Beklaagt mij niet; want ik ga u voor in 't eeuwig rijk , waar slechts vrede, geluk en liefde heerschen.quot;

„Genoeg met dat gebabbel!quot; onderbrak de graaf de rede, die zoo pijnlijk voor hem zijn moest. „De tafel weg — laat hem spartelen !quot;

De knechts op het punt het bevel van hun heer te

-ocr page 495-

173

gehoorzamen , keken plotseling door de geopende vensters in de duisternis. Een woest getier en wapengekletter klonk over het kloosterplein.

„Hoort, — wat is dat?quot; zeide de gouwkoning. „Luistert, — wat een geschreeuw!quot;

„H. Benediotus — H. Benedictus!quot; weerklonk het in de duisternis.

„Hel en duivel, dat klinkt bijna als een overrompeling ! quot; schreeuwde AVazo op hetzelfde oogenblik , toen overhaaste schredcn in den gang gehoord werden en een krijger ademloos binnenstormde.

„Heer graaf — te hulp — de duivel — de duivel!quot; schreeuwde de ontstelde.

„Wie — wat — de duivel?quot; vroeg Wazo met wijd opengespalkte oogen.

„Ja de duivel is ons overvallen! Wat hij aanraakt, is dood. Zijn zwaard is zoolang, als de schacht eener lans, en zoo breed, als een schild. Alles slaat hij overhoop, wat niet weg loopt.quot;

„ïe wapen! Mijn helm, — mijn zwaard, mijn schild !quot; riej) de strijdlustige graaf.quot;

Er ontstond een onbegrijpelijke verwarring, terwijl allen door elkander schreeuwden en naar de wapenen grepen.

„Volgt mij makkers!quot; riep Wazo een strijdbijl zwaaiend. „Hier Steinwald, — hier Steinwald — zij de leus.quot;

En do gewapenden stormden naar buiten.

Ook Lantbert was op het punt de zaal te verlaten, doch niet door de deur, maar door het venster. Eensklaps hoorde hij zijn naam roepen , en Ella stortte ten halve aangekleed , met haar schreiend kind op den arm , de zaal in.

„Lantbert, om Godswil, wij zijn verloren, wij worden allen omgebracht!quot; schreeuwde de bijzit.quot;

-ocr page 496-

174

„Vervloekt wijf!quot; riep hij haar toe de vuist ballend. „Wilt gij zwijgen met uw geschreeuw? Moet uw gejank ons verraden ? quot;

„Ach Lantbert, red mij!quot;

„Dat zal ik, — maar houd u bedaard, dan zal zulks gebeuren! Stop dien schreeuwbalk den bek.quot;

Ella legde hare hand op den mond van het kind. Lantbert stond luisterend aan het venster. Arervolgens trok hij een stool naar zich toe en gebood zijn bijzit er op te gaan staan.

„Vooruit, — naar beneden , — de grond is nauwelijks drie armen lang van de vensterbankzeide hij , toen de bijslaapster aarzelde.

Een lichte val en een heftig schreeuwen van het kind duidden aan, dat Ella wat onhandig naar beneden gesprongen was. Lantbert wipte er behendig uit en verdween in den nacht.

De diepste stilte heerschte nu in de helder verlichte zaal. De monniken hoorden buiten het wapengekletter. het getier van strijdenden en zij hieven hunne handen ten hemel, bijstand afsmeekend voor de onbekende redders.

,,0 , Hoer der heerscharen riep Widerad, „verleen de overwinning aan do rechtvaardige zaak!quot;

Maar de pijnigende onzekerheid over den afloop van een strijd, die over leven en dood van Sigebert en wellicht van alle monniken besliste, bracht den abt in zulk een opgewonden stemming , dat hem tot de voortzetting van het gebed de noodige stemming ontbrak. Hij zweeg en luisterde.

„Hier Steinwald — hier Steinwald !quot; brulde Wazo.

Het geluid dezer stem klonk den monniken als het gehuil van een bloeddorstig dier toe. Nogmaals verhief Widerad zijne handen en bad luid met den Psalmist:

-ocr page 497-

175

„Oordeel, o Heer, die ons onrecht doen, bestrijd, die ons bestrijden!quot; ,

Onmiddelijk zetten de monniken den begonnen psalm voort, dien zij afwisselend , gelijk in het koor, met elkander baden.

„Neem -wapen en schild , sta op voor onze hulp!quot;

„Trek het zwaard , en treedt verdedigend tegen hen op, die ons vervolgen. Zeg tot mijne ziel, o Heer, uw heil ben ik.quot;

„Dat zij ten schande worden en wijken , die mijne ziel vervolgen.quot;

„Op de vlucht mogen zij den rug keeren eu in verwarring geraken, die op ons ongeluk bedacht zijn.quot;

„Dat zij worden als stof voor don wind, en'ü Heeren engel vernietige hen.quot;

Plotseling verstomde de beurtzang. Siegfried was de zaal binnengetreden, het zwaard van bloed druipende in de hand, aan den linkerarm het schild. Verrast keek hij op de knielende monniken en toen hij Sigebert bemerkte, die nog altijd op de tafel stond, met den strop om den hals , begreep hij alles.

„O, heilige God!quot; riep hij uit. Welk schouwspel!quot;

De Benedictijnen waren opgestaan en omringden verheugd hun redder.

„De Algoede heeft u hierheen geleid toen de nood het hoogst was ; wees welkom, wees gegroet, bode des hemels !quot; riep abt Widerad, den jongen man omhelzend.

Sigebert maakte den strop los en kwam van de tafel.

„Ik zou bijna boos op u zijn, heer voogd,quot; zeide hij op een vroolijken toon; „want gij hebt de schoonste reis mijns levens verhinderd.quot;

Siegfried zag het verminkte hoofd en beet op de tanden. Ook het lijdend voorkomen der overige monniken , hunne diepliggende oogen , de vermagerde aan-

-ocr page 498-

176

gezichten en handen deden don beschermheer smartelijk aan. Nauwelijks hoorde hij de hartelijke groeten, nauwelijks zag hij de vreugde op aller gelaat.

„O die schelmen , dat helsch gebroed !quot; riep hij uit.

„Wordt niet toornig in dit uur van een gelukkig wederzien !quot; smeekte Witukind, de prior. Wij hebben wat strenger gevast dan gewoonlijk , wij mochten voor den naam van Jezus eenige vervolgingen lijden en genieten nu de uiterst groote vreugde onzen geliefdon voogd weder te zien.quot;

„Dank, duizendvoudige dank aan onzen lieven beschermheer zeide de abt. „Maar ook dank aan den Allerhoogste. Volgt mij naar de kerk, eerwaarde broeders , opdat wij den Heer loven.quot;

Een gewapende, mot bloed bevlekt even als zijn gebieder kwam do zaal binnen.

„De graaf is niet onder de gevallenen meldde hij. „Hij moet zich ergens in hot klooster verscholen hebben.quot;

„Doorzoek het goheele huis,quot; gebood Siegfried, „doorsnuffel eiken hoek dor buitengebouwen naar dien bloedhond.quot;

Zoo gebeurde het. Maar do graaf word niet gevonden ; want het was hom gelukt te ontsnappen. Zonder zich op te houden , door schrik voortgezweopt, liep hij in don nacht naar zijn burcht. Op don weg daarheen vergezelden hom eenige krijgsknechten die insgelijks aan het bloedblad ontkomen waren. Deze begonnen de dapperheid van Siegfried overdreven af to schilderen.

„Do duivel heeft zijn zwaard gescherpt; want ik zag hoe hij een onzer makkers in tweeën hieuw,quot; zeide een krijger.

„Hij zelf is een duivel! quot; beweerde een ander; „want zoo vecht geen mensch. Komt zijn zwaard neer dan kraakt het als oen donderslag.quot;

-ocr page 499-

177

„Vooruit — vooruit, hij moest ons eens nazetten!quot; zuchtte Wazo , en liep zonder rusten , totdat hij geheel nuchter op zijn sterken burcht aankwam.

„Haalt de bruggen op , alle grendels en dwarsbalken voor de poort!quot; gebood hij. „Maakt allo honden van hunne kettingen los en zoodra 'zij aanblafi'en te wapen, om een schurk neder to schieten, die veilig is voor alle slagen.quot;

Eerst nadat zijne bevelen ten uitvoer gebracht waren voelde zich de gouwkoning veilig tusschen de hooge torens en muren. Hij begaf zich naar zijne vertrokken. Toen hij daarheen ging gevoelde hij een brandenden dorst.

„Gysogebood hij zijnen bediende, die een zilveren kandelaar met twee armen op de tafel plaatste, „tluks een kruik wijn, — haast u, de tong kleeft mij aan het verhemelte!quot;

Dit dringend bevel belette Gyso, zich van een boodschap te kwijten, welke do graaf uit de ontstelde blikken van den jongen had kunnen lezen. Hij ijlde de kamer uit, met het voornemen, om den gestrenge, bij zijn terugkomst te melden, wat hij niet langer durfde verzwijgen.

De gouwkoning zat aan de tafel, op welke zijn gebalde vuist lag, vloeken prevelend en op de tanden knarsend.

„Hel en duivel, dat was een avond!quot; begon hij. „Ongeveer dertig mijner krijgsknechten liggen verslagen en ik werd voortgezweopt als een schurftige hond. Alle bliksemstralen en donderslagen komen over dien voogd! Waarom heeft hem de koning te Mainz niet naar de andere wereld geholpen! quot;Waarom keerde hij terug, die moorddadige satan ? Wie had zoo iets kunnen vermoeden ? Nu wordt het mooi — nu wordt het heerlijk ! De schelm zal te vuur en te zwaard mijn gouw CAX. D. ii. 12

-ocr page 500-

178

verwoesten , — en ik, — ofschoon ik voor den duivel niet bang ben, — dezen kerel zou ik in het gevecht niet gaarne staan; want met hem is da geheele hel. Dood en verderf zitten op zijn zwaard. Krafto was de sterkste on dapperste mijner mannen, oen kampioen, tegen wien nog niemand in den strijd was opgewassen. En ik zag, hoe Krafto met beide handen liet zwaard nam en een slag naar het hoofd van dezen Siegfried bracht, een slag, die rotsen had kunnen doen splijten. Siegfried echter stond vast, als een berg, en sloeg mijn Krafto dood, — dood met één houw, die mij nu nog in de ooren klinkt. Ik zag het, — een geluk, dat ik het zag; want ik kon ter zijde sluipen en ontsnappen, dewijl ik slechts vecht niet menschen en niet met duivels.quot;

Gyso kwam binnen en plaatste oen dikbuikige kruik benevens een beke:' op de tafel. AVazo liet den beker onaangeroerd , greep naar de kruik , bracht haar net beide handen aan den mond en dronk met lange teugen.

De bediende stond met gebogen hoofd ter zijde met zich zeiven in tweestrijd.

„Genadigste heer,quot; begon hij verlegen, „ik had u nog iets te melden.quot;

„Ik wil niets hooren, ik heb voor heden genoeg,quot; viel hem de graaf in de rede.

„Met verlof, heerquot; —

„Alle duivels,quot; brulde quot;VVazo naar de zweep grijpend, „wilt gij zwijgen, hond ? Hob ik u niet gezegd, dat ik voor heden genoeg heb en niets hooren wil?quot;

Gyso stond in gebogen houding en bevend als een slaaf, die zijn rug zonder tegenweer voor de zweepslagen aanbiedt. De gouwkoning had evenwel op het oogenblik geen lust in het slaan, of wel hij had geen tijd; want hij greep weer naar de kruik.

„Heer , mag ik niets zeggen van uwen eenigen zoon?quot;

-ocr page 501-

179

Op deze woorden veranderde de toorn van den graaf wat; want hij beminde zijn jongen , die bandeloos en wild was als zijn vader.

„Van mijn zoon? quot;Wat is 't met liem ? quot;

„Verschoon mij, allergenadigste gebieder en word niet boos op uw getrouwe, als hij zegt — uw zoon stortte dezen namiddag van den AYetterstein en brak den hals.quot;

Wazo sprong van den stoel op, stond een oogenblik beweegloos , bracht beide handen aan het hoofd en slaakte een dierlijk gehuil. Plotseling hield hij op en keek den bediende ontsteld aan.

„Waar stortte hij af, — van den Wetterstein? Zei-det gij niet — van den Wetterstein?quot; vroeg hij met een holle stem.

„Ja, hoer van den Wetterstein!quot;

„O, — o — daar heb ik mijn broeder afgeworpen!quot; riep hij, viel achterover en lag buiten zich zeiven.

VADER EN KIND.

Godila had op den Trifels hare vroegere betrekkingen teruggevonden. Dedi was onderworpen en dienstvaardig. Enkel veroorloofde hij geen uitstapjes in den omtrek. Zelfs naar den ouden eik met het Mariabeeld moest Godüa een sterk geleide van gewapende mannen dulden.

„Gij weet bij ondervinding , adelijke meesteres zeide Dedi, „dat vermetele roovers in de bosschen loeren. Wijl gij mij met uwe bescherming vereert, veroorloof dan ook , dat ik mijn ridderplicht nakome.quot;

12 *

-ocr page 502-

180

Sedert eenige dagen moesten ook de bezoeken aan den ouden eik achterwege blijven.

„In den omtrek,quot; verklaarde Dedi, werden roovers gezien. Ik mag niet veroorloven, dat gij u aan ernstige gevaren blootstelt.quot;

Gevaar moest er werkelijk bestaan, want de burchtpoort bleef gesloten, zelfs de bruggen bleven opgehaald.

Godila verdroeg mot onderwerping die gevangenschap. Het verlies van vrije beweging werd nauwelijks gevoeld bij de diepte barer smart over het lot van hare vader en Siegfried. Als zij bij haar werk zat en hare tranen op het borduurwerk rolden, dan vloeiden deze minder om haren vader, dan om haren edelmoe-digen redder.

„Ween toch niet onophoudelijk,quot; smeekte Oda. „Er is nog niets verloren. Vertrouw op God. Hij zal u zeker helpen; want de goede God heeft nog niemand verlaten, die hem diende en met vertrouwen op hem hoopte.quot;

„Mij arme kan slechts de Almachtige redden, die ook dooden ten leven opwekt; want dood is Siegfried en wellicht ook mijn vader,quot; en op nieuw barstte zij in tranen los.

„Dat is nu maar zoo'n opgevat denkbeeld van u, waarmede gij u zeiven dag en nacht pijnigtantwoordde de kamenier „Waarom zou uw vader dood zijn? Een natuurlijken dood stierf hij zeker niet; want de markgraaf is gezond en sterk van lichaamsbouw, ileent gij dat de koning hem heeft laten ombrenger. ? Nu, gij weet, edele gebiedster, dat ik den koning houd voor hetgeen, hij werkelijk is, — voor een boosaardig, slecht mensch. Zou hij echter een onschuldig man laten ombrengen, die hem nimmer eenig leed gedaan

-ocr page 503-

181

heeft, dan moest do koning een duivel zijn, wat hij toch niet is.quot;

„Maar Siegfried?quot; zcide Godila een vreesaehtigen blik op Oda werpend , als duchtte zij, dat ook do kamenier geen mogelijkheid tot redding kende.

„Wel, Siegfried,quot; antwoordde de oude bedaard, „reed, naar Mainz naar het hof. Wijl hij weet, hoe zeer de koning hem haat, hoe hij hem naar het loven staat, zal hij zich niet onvoorwaardelijk aan zijn doodvijand overgeleverd hebben.quot;

„Wie zou hem kunnen beschermen tegen de macht des konings ? Bedrijft de Saliër in het rijk geen hemeltergende misdaden en niemand is er, die hem weerhoudt. Haat hij den edelmoedigen Siegfried niet, gelijk de duisternis het licht?quot;

„Met Hendrik IV is het niet meer zoo goed gesteld, edele meesteres! Integendeel, het staat slecht met hem. Gisteren hoorde ik Dedi tot een vreemden ridder zeggen, dat alle vorsten van den koning afvallig zijn geworden , dat in Mainz een vreeselijk oproer was losgebarsten , en dat de koning te nauwernood zijn leven gered heeft. Als derhalve de verschrikkelijke man er op bedacht moet zijn , om zijn eigen leven te redden, dan raag en kan hij er niet aan denken om andoren te vermoorden.quot;

Het diep bedroefde vorstenkind wilde juist antwoorden , toen de diepe stilte der omliggende bergen en wouden door den schetterendon klank van een jachthoorn werd afgebroken. Hot waren drie korte , door tusschenpoozon afgebroken stooten , zoo sterk , dat de bergwanden en kloven de tonen weerkaatsten. Godila sprong verschrikt op; Oda luisterde verbaasd.

„Zulk een jachthoorn heb ik in mijn loven nog niet gehoord,quot; zeide zij. „Die schettert luider dan tien

-ocr page 504-

182

trompctton. Die hom geblazen heeft, moet een borst hebben, als de held Roland, wiens jachthoorn men twintig mijlen ver hooren kon. Hoor, — er wordt weer geblazen!quot;

De drie stoeten werden herhaald, langer en sterker dan te voren. De ever- en wolfshonden blaften en huilden. Aan den zuidelijken vleugel van den burcht hoorde men een verward gewoel van mannenstemmen, wapengekletter en overhaaste stappen.

„Hoor eens, wat is dat?quot; zeide Oda. „Laat ons op hot balkon gaan , van daar kan men voor do burchtpoort zien.quot;

Nauwelijks was Godila op het balkon gekomen en had zij een blik naar beneden geworpen , of zij slaakte een schrillen kreet en beefde zoo hevig , dat zij zich aan do leuning moest vasthouden. Hoog te paard , in glinsterende wapenrusting stond Siegfried voor de opgehaalde brug van de gesloten burchtpoort. Achter hem stond een schare welgewapende, forsche krijgsknechten.

„Algoede Voorzienigheid, — daar is de fiere ridder in persoon!quot; riep Oda in blijde verrassing. „Zie, zeide ik niet, vertrouw op God ? Zeide ik het niet ? Nu is hij daar, om u naar St. Magdalena te begeleiden. Zie, hij spreekt met den voogd.quot;

Zij luisterden. Maar de afstand was te groot, het gesprok kon van daar niet verstaan worden. Plotseling verliet Godila het balkon en snelde door hare vertrekken naar liet burchtplein.

In den vleugel der poort was een vierkante getraliede opening opengemaakt; Dedi gluurde naar de vreemde gasten. Met verbazing en bewondering beschouwde hij do heldhaftige gestalte van Siegfried en met ontsteltenis diens sterk geleide.

-ocr page 505-

183

„Zijt gij Dedi, de voogd des konings alhier?quot; riep hem de gewapende toe.

„Dat ben ik! En wie zijt gij, die het wraa.gt, met zulk een strijdmacht voor het huis des konings te verschijnen ?quot;

rIk ben Siegfried , de beschermheer van het sticht Klingen. Do reden van mijne komst is de volgende: Gij hebt gedurende mijne afwezigheid Godila, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen, op 's konings bevel laten wegvoeren en houdt haar hier opgesloten tegen recht en eer. Wijl zich de geroofde binnen mijn beschermheerschap bevond, namelijk in hot klooster St. Magdalena, kom ik hier, om de gewelddadig ontvoerde terug te cisehen.quot;

„Ware het kwaadspreken een man waardig,quot; antwoordde do burchtvoogd , „dan zou ik u op goeden grond een leugenaar kunnen noemen en bovendien een beleedigcr van den koninklijken naam. Do zaak is volstrekt niet, zoo als gij beweert, maar zij heeft zieh aldus toegedragen: — Hoovers hebben de vorstin te St. Magdalena geroofd, en ik heb haar aan de schurken weder afgenomen, om haar een veilig toevluchtsoord op den Trifels te verleenen.quot;

„Ik weet, dat men aan het boevenstuk dien schijn heeft willen geven,quot; riep Siegfried met verachting. „Ik laat mij hierdoor niet bedriegen; want ik ken de boosaardige plannen van Hendrik IV met Godila. Het gcheele Rijk door is de snoodo, zedelooze stemming van dien man bekend. Zijt gij een man van eer, leen dan uwe hand niet tot schanddaden, die uw wapenschild met eeuwigen smaad bezoedelen. Zijt gij intus-schen niet vatbaar voor eergevoel, weigert gij de teruggave van de ontvoerde maagd, dan zal ik deze sterkte met geweld openen.quot;

-ocr page 506-

184

Een honend gelach klonk den moedigen ridder tegen.

„Gij wilt den Trifels openen ?quot; riep Dedi. „Gij zijt werkelijk een gehoornde Siegfried, — nu zitten u de horens aan het hoofd, waar zjj gewassen zijn, om rotsen omver te werpen en versterkte torens te doorboren.

Siegfried wilde op denzelfden toon antwoorden , toen een heldere stem hem bij den naam riep. Hjj keek op, en de gloed van toorn op zijn aangezicht veranderde in een purper van de innigste verrassing.

Boven de burchtpoort verhief zich een lage toren met een muurkroon. Daar stond Godila, de wonderschoone. Siegfried boog zijn gehelmd hoofd tot aan de manen van zijn paard, en nu keek hij op niet een angstvalligheid , als zag hij in den glans der zon.

„Wees gegroet, heer Siegfried!quot; riep zij naar beneden. „Loven wij Gods goedheid, die n behouden uit groote gevaren in den kring uwer plichten terugvoerde.quot;

„Dank, edele meesteres!quot; antwoordde de fiere ridder, terwijl hij zijne buiging herhaalde. Op het punt om verder te spreken, zag hij het wenken van Dedi.

De jonge man begreep den zin der woorden en billijkte dien.

,,Ik ben gekomen ,quot; ging hij voort, „om mijne meesteres naar die gewijde plaats terug te brengen, aan welke u roekelooze handen ontvoerd hebben, — dat wil zeggen , als gij het verblijf op den Trifels niet boven dat te St. Magdalena verkiest.quot;

„Gij kunt oordeelen,quot; antwoordde zij ernstig, „of mij het verblijf op den burcht des konings gewenscht zijn kan. Heer Dedi laat het wel niet aan een opmerkzame behandeling ontbreken , zijne handelwijze is ridderlijk en edel. Uitgenomen een vrije beweging worden al mijne wenschen bevredigd. Toch verlaat ik , uit licht te bevroeden redenen, met vreugde dit gastvrij huis.quot;

-ocr page 507-

185

Dedi verdween achter do opening en Terschoen terstond daarop aan de zijde van Godila.

Siegfried was eenigszins verlogen. Hij vond niet terstond de juiste vorm, om hot onderwerp te bespreken , zonder do maagd de oorzaak van haar gedwongen daar zijn en de werkelijkheid van haren toestand te verraden.

„De burchtvoogd maakt bezwaren, edele meesteres !quot; zeido nu Siegfried. „Hij meent, dat hij zich tegen uwen rit naar St. Magdalona moet verzetten.quot;

„Bezwaren? Welke bezwaren? Heer Dedi, ben ik wellicht uw gevangene?quot; vroeg zij ontsteld.

„Volkomen vrij, edele vorstin!quot; antwoordde deze niet oen buiging. „Doch , verschoon mij , ik waag het niot, u naar St. Magdalona te laten vertrekken. Die goddelooze roovers moesten eens terugkeeren.quot;

„Zij mogen hot beproeven,quot; riep do beschermheer. „Een schelmenstreek, die in mijne afwezigheid gelukte, zal in mijne tegenwoordigheid ongetwijfeld mislukken. Bovendien ben ik van meening , dat u het vrije besluit van vorstin Godila van elke verdere zorg on verplichting ontslaat.quot;

„Toch niet, hoor Siegfried!quot; zeide Dedi op zeer beleefden toon. „Hier bon ik voogd en heb ik mijne verplichtingen. Toon ik uit 's konings hand de vlag ontving en den eed zwoer, verpandde ik eer en loven voor een getrouwe, nauwgezette plichtsbetrachting. Oordeel nu zelf! De beschermheer van vorstin Godila is de koning, — zij werd te St. Magdalona geroofd , — gij wilt haar naar dio open plaats terugbrengen en aan nieuwe gevaren bloot stellen; zou de koninklijke beschermheer van onze edele meesteres uw plan billijken, zon hij zulks mogen doen ? Stellig niet! Derhalve zou mij met recht den toorn en de straf des konings tref-

-ocr page 508-

186

fen , indien zijn beschermeling de veiligheid van den Trifels met een hoogst gevaarlijke verblijfplaats verruilde.quot;

De jonge man bewonderde de onbeschroomdheid van Dedi, waarmede hij een geheele reeks van leugens en verwrongen zaken voorbracht. Een diepe afschuw jegens den huichelaar maakte zich van hem meester , en slechts de noodzakelijkheid, om aan Godila haren treurigen toestand niet te verraden, kon hom doen besluiten, deze laagheden zwijgend te dulden.

Des to bepaalder weersprak hem de dochter van den markgraaf.

,,Tk vind mijn verblijf te St. Magdalena onder de hoede van den edelen heer Siegfried volkomen zeker. Ik verzoek u Dedi, de burchtpoort te openen en mij te laten vertrekken.quot;

„Edele vorstinantwoordde Dedi. „Gij zelf zult moeten bekennen, dat ik u steeds op uwe wenken gehoorzaam. Vorder intusschen niet, dat ik mijn bezworen trouw als vazal breek, welke mij verplicht, al diegenen naar mijn vermogen te beschermen, welke mijn gebieder, de koning, zijn sterke hoede wil schenken.quot;

„Ik doe afstand van do bescherming des konings !quot; hernam zij. „Wilt gij niet de verdenking opwerpen, om mij onder allerlei voorwendselen hier te houden, verzet u dan niet langer tegen mijn verzoek.quot;

„Ik kan niet, ik mag niet,quot; antwoordde de voogd op een meewarigen toon.

„Gij moogt niet?quot; herhaalde zij ontsteld.

„Ik mag niet, wel te verstaan om de aangevoerde redenen,quot; voltooide Dedi.

„Naar de begrippen, die do burchtvoogd heeft van eer en vazallentrouw, vind ik deze weigering natuurlijk,quot; zeide Siegfried, die met de grootste moeite zijne

-ocr page 509-

187

ontsteltenis weerhield. „Daarentegen ben ik bereid , mijne genadige meesteres met geweld te bevrijden. Het zou zelfs voor mij een buitengewone aanlokkelijkheid hebben, den sterken Trifels te openen, die door een dappere bezetting verdedigd wordt en wel onder de bevelen van een zoo eerlijk, nauwgezet edelman, als Dedi is.quot;

De bnrchtvoogd verstond den bijtenden spot dezer woorden en wierp een woedenden blik op Siegfried.

„Neen — neen!quot; riep Godila afwerend. „Ik kan en mag een zoo stout en gevaarvol waagstuk niet billijken. Moet dan de toestemming van een rechtmatigen eisch met bloed gekocht worden ? Heer Dedi zal ridderlijk genoeg denken, om van een tegenstand af te zien , die mijne vrijheid diep krenkt.quot;

„God weet het, mij smart het bovenmate, dat ik uwen wensch niet kan voldoen, edele meesteres !quot; verzekerde Dedi. „Met de grootste vreugde zou ik uw bevel gehoorzamen, zoodra mij de koning zulks veroorlooft.quot;

„Dit zij zoo!quot; riep Siegfried. „Ik zal naar het hof rijden en een schriftelijk bevel des konings vorderen, hetgeen niet kan geweigerd worden.quot;

„Dat is goed!quot; antwoordde Dedi. „Toont gij een schriftelijk bevel, bekrachtigd door de onderteekening en het zegel des konings , dan acht ik mij van mijne verplichtingen ontslagen en zal de edele vorstin aan uwe hoede toevertrouwen.quot;

„Edele meesteres, wrees onbezorgd en welgemoed!quot; riep Siegfried. „Zooals ik heden vernam, vertrok de koning naar Saksen. Vertoef derhalve nog korten tijd in deze gedwongen verblijfplaats, tot het mij gelukt den nauwgezetten burchtvoogd te noodzaken , u de vrijheid weer te geven.quot;

1 i

r

|i

m

II

li

•if

f

-ocr page 510-

188

Dit besluit van den edelmoedigen redder , zich om harentwil aan nieuwe gevaren bloot te stellen , vervulde Godila met ontsteltenis. Maar cr bleef h^iar geen tijd over , om haren angst in woorden uit te drukken ; want nauwelijks had Siegfried gesproken, of hij maakte een diepe buiging, zwenkte zijn paard en reed in vollen draf weg.

Zij stond op de tinne des torens en keek hem na , totdat de schare achter do boomstammen verdween. Nu ging zij naar beneden , om naar hare vertrekken terug te koeren. Juist ging zij over het burchtplein en keek toevallig naar de vensters van den zuidelijken vleugel des gebouws. Eensklaps stond zij als vastgenageld. Een dier smalle vensters, welke licht en lucht geven aan de corridors , werd geopend. Zij zag in het raam duidelijk het hoofd haars vaders , die met de uitdrukking van diepe smart naar beneden scheen te zien. Godila, zonder het minste vermoeden van de gevangenschap van den markgraaf Udo op den Trifels , meende don geest van haar vermoorden vader te zien. Zij bracht de hand aan het voorhoofd, slaakte een luiden kreet en viel machteloos in do armen van Oda.

Ook de markgraaf van Saksen dacht niet aan de tegenwoordigheid van zijn innig geliefd kind op den Trifels. Van den knecht, die was aangewezen om hem te bedienen, had hij .slechts kunnen vernemen , dat Godila eenige uren voor hot vertrek des konings den burcht had verlaten. Deze omstandigheid vervulde do borst des vaders met diepe smart; want hij dacht aai de misdaden van Hendrik IV en duchtte voor zijn kind het vreeselijkste. Behalve deze vaderlijke gramschap en het lijden van don Sakser wegens zijn onderdrukt vaderland, verliep de gevangenschap volgens het ridderlijk gebruik. Zijne hooge rang werd in acht genomen,

-ocr page 511-

189

zelfs de vrije beweging werd hem zoo veel mogelijk toegestaan. Hij mocht naar believen zijn kamer ^verlaten en zich vrij bewegen in den langen gang , welks vensters op de binnenplaats uitkwamen. Daar bevond hij zich juist, i:oen op den hoorn geblazen werd , om de poort te openen. Hij maakte het raam open en keek naar beneden , doch hij kon van het gevoerde gesprek niets verstaan. Vervolgens bemerkte hij op de tinne des torens de vrouwelijke gestalte, die langs een inwendigen gang daarheen was gekomen. Daar hij slechts het bovenlijf op den rug zag , erkende hij Godila niet, voor dat zij over het plein ging en onder een luiden gil in bezwijming viel. Nu stormde Udo dooiden corridor, aan welks einde hij gedwongen bleef staan; want hij had op zijn ridderwoord moeten beloven, deze grens niet te overschrijden. Hij riep zijn bediende. In plaats van zijn bediende kwam Dedi bij hem.

„Heer Dedi, — om Godswil, — mijn kind — mijn kind!quot; riep Udo in de grootste opgewondenheid.

„Stellig een noodlottig toeval!quot; antwoordde de voogd misnoegd. „Zij heeft u gezien , heer markgraaf, en ik zal met haar wat te doen hebben.quot;

„Geef mij mijn woord terug, — open mij den weg tot mijn kind,quot; smeekte Udo dringend.

„Een gevaarlijke zaak, heer markgraaf!quot;

„Om ecu vader zijn kind te laten spreken? Brengt dit wellicht de zekerheid mijner gevangenschap in gevaar ?quot;

„Dat wel niet, en do koning verbood ook niet u met de vorstin te laten verkeeren.quot;

„Daarentegen beval hij u op straffe des doods, al mijne wenschen te vervullen, die met een ridderlijke gevangenschap overeen te brengen zijn. Derhalve moogt gij u wel bezinnen, heer voogd, en mij niet beletten tot mijn kind te gaan.quot;

-ocr page 512-

190

Dedi krabde zich achter de ooren en kon maar niet zoo oogenblikkelijk tot een besluit komen.

„Als gij uw eerewoord verpandtzeide hij eindelijk, „dat gij deze gelegenheid, namelijk het bezoek aan uwe dochter, nimmer wilt gebruiken tot een middel voor u of Godila, om te ontsnappen, dan zie ik niet in, dat het tegen den wil des konings strijdt, om u dit verlangen toe te staan.quot;

„Op mijn eorewoord, nimmer zal ik van uw vertrouwen misbruik maken, als ik mijne dochter of mijn persoon aan uwe hoede onttrek.quot;

„Nu, heer markgraaf, volg mij !quot;

De ontstelde kameniers waren intusschen met Godila bezig geweest. En zie, wat borstel, koud water, azijn en wijn niet vermochten, namelijk de bewustelooze tot zich zeiven te brengen , dat bewerkte de eerste woorden van Udo. Nauwelijks klonk de vaderlijke stem in de kamer, of Godila opende de oogen. In den beginne beschouwde zij met verwarde blikken den markgraaf, die voor haar stond. Vervolgens werd haar blik helder en een blijde glans straalde uit haar oogen.

„Mijn lief kind, hoe maakt gij het?quot;

„Ach — vader! Zijt gij het werkelijk? Is het geen schoone droom ?quot;

„Tk ben het werkelijk , mijn kind ! antwoordde hij, zacht hare hand drukkend.

Zij richtte zich op, sloeg beide handen om zijn hals en weende bitter.

Dedi ging uit de kamer.

„Bedaar, liefkind!quot; zeide de Saksische vorst, terwijl hij naast haar bed op een stoel ging zitten.

Zij hield met beide handen zijne rechterhand vast, uit vrees , dat de vaderlijke verschijning plotseling zou verdwijnen.

-ocr page 513-

191

^Lieve vader,quot; smeekte zij, nga niet meer weg, verlaat uw kind niet!quot;

„Wij blijven samen hier, mijne Godila! Denkt nu niet aan het verledene en ook niet aan zaken , die gebeuren kunnen in de toekomst. Ons lot is in de hand van den Almachtige. Vertrouw op God en wees bedaard.quot;

„Ik ben weer geheel wel, lieve vader ! Alles is weer gedaan. Ik kan opstaan, — Oda, mijn bovenkleed!quot;

Zij schoot het rijke kleed aan, schikte vluchtig heur haren en klemde zich weder aan haren vader.

„Nu wil Ik u de plaats toonen , waar ik hem voor een uur gezien en gesproken heb.quot;

„Wien meent gij, Godila?quot;

„Mijn redder , den edelen Siegfried.quot;

„Wie is dat, kind ?quot;

„Kom maar, ik zal u alles vertellen!quot;

Zij ileidde hem op het balkon en begon uitvoerig de gebeurtenissen van den laatsten tijd te verhalen. ïoen zij den schandelijken aanval des konings , hare vlucht naar den ouden eik en Siegfrieds strijd met de hovelingen schilderde, was de markgraaf nauwelijks in staat zijn tegenwoordigheid van geest te bewaren. De oogen van den ontstelden vader fonkelden, en de toorn stond op zijn gelaat geteekend. Hij onderbrak evenwel het verhaal niet en luisterde er naar met gespannen aandacht tot het einde toe.

„Do beschermheer van Klingen is een edelmoedig jongeling, eeu koen dapper ridder!quot; zeide hij, „O mijn God , welke slagen heeft uw algoede Voorzienigheid van mijn hoofd afgewend !quot; riep hij uit, bij de gedachte aan het misdadige plan van Hendrik IV.

„Moge de goede God ons ook verder beschermen , maar vooral den edelen Siegfriedzeide zij. „Als do verschrikkelijke Saliër hem maar geen leed doet.quot;

'

Mr.

■È ^lamp;v; *

mwiEi

É

-ocr page 514-

192

„Wees daaromtrent gerust t Kon de snoodaard uwen en mijnen redder schaden, hij zou dit stellig te Mainz gedaan hebben. Siegfried schijnt zeer machtige vrienden te bezitten, wier schild hem dekken. — De tyran is dus naar Saksen! Zou de banier der vrijheid weer op het veld wapperen?quot; zeide de markgraaf peinzend bij zich zeiven.

„Vertel mij nu eens, vader, hoe het n ging!quot;

„Mijne geschiedenis is kort, lief kind! Ik ben hier in ridderlijke gevangenschap , heb het goed, en ben bovenmate gelukkig nu ik met mijn eenige Godila op denzelfden burcht vertoef.quot;

„Waarom zijt gij in gevangenschap, vader?quot;

„Omdat ik de rechten en vrijheden der Saksers niet verraden en verkoopen wil aan den tyran.quot;

De burchtvoogd verscheen op het balkon.

„Heer Dedi,quot; zeide de markgraaf, „ik dank u voor de uitstekende behandeling van mijn kind. Wilt gij mij een ongehinderd verkeer mot Godila toestaan , dan zou uwe goedheid mij uiterst verplichten.quot;

„O stellig, heer Dedi heeft een menschelijk gevoel,quot; zeide zij op smeekenden toon. „Hij kan mijn verzoek niet afslaan, om elk uur van den dag mijn lieven vader te mogen zien en spreken.quot;

„Ik kan u dit werkelijk niet weigeren, edele meesteres!quot; antwoordde de slotvoogd. „Mijn streven is, u het verblijf op den Trifels zoo aangenaam mogelijk te maken.quot;

-ocr page 515-

193

T R I B U R.

Terwijl do koning to Mainz te vergeefs op de rijks-grooten wachtte , grepen de Saksers op nieuw naar de wapenen tegen hunne onderdrukkers , de voogden der dwangburchten.

Hendrik IV verzamelde zijne krachten, om den brand in het bloed der opstandelingen te blusschen. Hij gebood aan eenige vorsten, zich tot den krijg uit te rusten onder bijvoeging, hunne gewapende manschappen naar Meissen te voeren en ziek daar met hem te vereenigen ; want hij wilde Saksen aan den kant van Bo-heme aanvallen. Hetzelfde bevel zond hij door den bisschop van Zeiz aan zijn opperstadhouder in Saksen , Otto van Kbrdheim. Otto antwoordde aan den prelaat;

„Sedert maanden tracht ik den koning onder liet oog te brengen, dat hij zijn onrechtvaardige onderdrukking moet laten varen, dat hij de rechtmatige klachten verhoore, het volk zijn aloud recht teruggeve , en nu vordert hij nog, dat ik mijn zwaard zal trekken tegen de onderdrukten. Hendrik is door slechte raadslieden omringd , die hem zeker in het verderf zullen storten. Ik zeg hem hiermede den dienst op. Heer en bisschop, meld aan uwen gebieder, dat ik niet meer zijn beambte , maar nog een Sakser benquot; ').

Toen nu de koning met zijn troepen te Meissen kwam, vond hij noch Otto van jSbrdheim, noch andere vorsten met hunne strijdmachten. Slechts de hertog quot;Wiatislav van Bohemen voegde zich met eenige duizenden bij hem.

Op de mare van den aantocht van den gehatcn des-

') Gfrürer, D. VII, bl. 534. CAX. D. ii.

13

-ocr page 516-

194

poot, kwam geheel Saksen in beweging. De voorhoede van het Saksische leger , zevenduizend dappere ruiters, snelden toe met het plan, den tyran te vangen en te dooden. Maar do hoog gewassen Mulde belette den overtocht. En Hendrik IV ontsteld op het gezicht der vijandelijke massa's, ontbond zijn leger en keerde naar Worms terug.

Ondertusschen hadden de hertogen quot;Welf van Beijeren, Rudolf van Zwaben, Berthold van Karinthië, de bisschoppen Adalbero van Wurzburg , Adalbert van Worms en andere grooten te Ulm een bijeenkomst. Daar bespraken en overwogen zij den nameloos treurigen toestand van het Rijk en besloten, don zestienden October de vorsten tot een samenkomst te Tribur uit te noodigen. Zij vaardigden een dringende uitnoodiging uit aan allo vorsten van Zwaben, Beijeren, Saksen, Lotharingen en Dnitsch-Frankenland.

Dit schrijven had een bewonderenswaardige uitwerking. Op eens violen alle gedwongen aanhangers van den Saliër af, zoodra zij de onderdrukkende macht van den tyran gebroken zagen.

Ook aan den Paus hadden de vorsten een schrijven gericht, zij schilderden den noodlottigen toestand van het Duitsche Rijk en riepen den bijstand van Gregorius, in.

„Den apostolischen Heer zegt de kroniekschrijver Bruno,quot; smeekten de vorsten ootmoedig (ioor brieven, dat hij in persoon of door een legaat het bijna te gronde gericht volk troostend te hulp zou komen 1).quot;

Op den zestienden October kwamen de vorsten van alle kanten bijeen. Ook verschenen twee pauselijke legaten, namelijk bisschop Altmann van Passan en de Patriarch Sigihard van Aquileja, voorzien vau last-

') Bamberger, D. VI. bl. 886.

-ocr page 517-

195

brieven cn volmachten van den Paus. Slechts de Sak-sers ontbraken nog. Toen men hen zag komen, mot Otto van Nordheim aan het hoofd, trokken de legaten en de overige grooten m feestkleederen hen te gemoet. ïoen hertog Welf en Otto elkander erkenden, vielen zij in elkanders armen cn gaven elkander den vredekus. Insgelijks omhelsden de ridders en andere edeldn uit Zwal)en en Saksen elkander broederlijk; wat vijand geweest was, word vriend en wapenbroeder. Welf en Otto beloofden elkander in 't geheim, dat, als een van hen de koninklijke waardigheid ten deel viel, de andere hem deze niet zou betwisten

Om de stad Tribur werd een gemeenschappelijke legerplaats opgeslagen, waar onder linnen tenten do dienstmannen der vorsten gelegerd waren.

Aan gene zijde van den Eijn, bij het koninklijk slot Oppenheim, verzamelde Hendrik IV zijne aanhangers, slechts eenige duizenden, met welke hij geon invloed op de onderhandelingen in Tribur kon uitoefenen. Daarentegen wilde hij door smeekingen, verzekeringen en beloften van rijke belooningen de vorsten gunstig voor zich stemmen. Mislukte deze weg, dan was hij besloten, den schandelijken val door een laatste krachtsinspanning te beletten; want hij hoorde, dat de hertogen voornemens waren hem te onttronen en een nieuwen koning te kiezen.

De algemeene geest des volks was in overeenstemming met de plannen der hertogen. De dwingelandij van den losbandigen despoot scheen allen ondraaglijk en de keuze van een christelijk gezind vorst dringend noodzakelijk.

Op den dag voor de opening der vorstenvergadering

') Voigt, W. 4-54, v.t.

13*

-ocr page 518-

19G

was Siegfried te Tribur aangekomen, vast besloten hot uiterste te wagon om Godila uit de ontoeronde handen des konings to redden. Do mooilijkhoden dezer onderneming zag hij zeer goed in. Do Salior, onbeschaamd in zijne beweringen en vindingrijk in leugens en ver-koerde voorstellingen der dingen, kon Siegfrieds aanklacht als eou boosaardig verzinsel doen voorkomen en zijne vordering van de hand wijzen. En welke bewijzen stonden hom dan ten dienste, om don snoodaard te overtuigen? Geen ander dan het Godsgericht. Want Wolferat, die den strijd bij den ouden eik had bijgewoond, kon geen getuigenis afleggen, omdat hij, sinds jaren in den ban, voor eerloos werd gehouden.

Het zou buitendien ook nog de vraag zijn, of de vorstendag zich met deze ondergeschikte aangelegenheid zou inlaten. Als hot geluk en de welvaart van verscheidene millioenen op hot spel staan, dun schijnt het lot van een enkel persoon onbeduidend. Voor den jeugdigen held was er evenwel niets belangrijker en dringender , dan de verlossing van Godila. Toch twijfelde hij er geen oogenblik aan, dat er een onkel lid van den vorstendag dezelfde belangstelling voor de gevangene , in hare onschuld bedreigde maagd, zou hebben. En hij ontstelde hevig bij de gedachte, dat hij niet eens gehoor vinden en onverrichter zake van de hand zou gewezen worden.

In die bezorgdheid dacht hij aan den aartsbisschop Udo van Trier. Onmiddclijk kwam hij tot het besluit, om aan het beleid en den invloed van dezen prelaat de aangelegenheid zijns harten toe te vertrouwen.

In den morgen van den zestienden October reden de vorsten naar de kerk der abdij, waar de bisschop Alt-mann van Passau, de legaat des Pausen, de H. Mis de spiritu sancto las. om den bijstand van God over

-ocr page 519-

197

ele aanstaande verhandelingen af te smeek en. In do gestoelten van het middenschip knielden uit alle deelen van het groote Eijk biddend aartsbisschoppen, bisschoppen , abten, hertogen, markgraven en graven, — een schitterende menig:e in gouden vorstonkleederen of in wollen rijkgeboorde onderkleedoren. Om elke stoornis te voorkomen , was de kerk voor het volk ontoegankelijk, dewijl alle ingangen door gewapende mannen bewaakt werden.

Na do H. Mis, gingen do vorsten naar het koor der kerk, welks zitplaatsen door trapsgewijze plaatsen vermeerderd waren. In eene koornis stond eenige treden hooger den eenvoudigen stoel van den abt, thans rijk versierd en tot eereplaats voor den legaat Altmaan bestemd. De tweede legaat, Sigiliard van Aquileja, zat op een troon ter rechterzijde van Altmann. In do open ruimte tusschen de zitplaatsen cn slechts weinige schreden van Altmann, stond een tafel, aan welke de schrijvers van den vorstendag zaten.

Alvorens Altmann, na het misgewaad afgelegd te hebben, het koor binnenkwam, heerschte daar een gegons , als voor het uitbreken van een naderend onweder. Daar, waar do Saksers, met Otto van Nordheim aan hun hoofd, plaats genomen hadden, kon een aanhoudend en dreigend morren maar niet tot bedaren komen. De groote gestalte van Ofcto stak boven de omstanders uit, en de ingehouden toorn, die op zijne gelaatstrekken te lezen stond, deed in hem een beschuldiger van don Saliër vermoeden. En Otto's strengheid maakte geen uitzondering op do stemming zijner stamgenooten. Van die zijde was geen verschooning voor den koninklijken misdadiger te verwachten. In elke rimpel van de trot-schc voorhoofden der Saksers stond te lezen: „Weg met den tyran !quot;

-ocr page 520-

198

De houding der hertogen gaf onrustige spanning te kennen. Moest Hendrik IV afgezet en een nieuwe koning gekozen worden, dan viel, volgens oud gebruik, in elk geval de keuze op een van hen. In den mond dos volks werd de hertog van Zwaben, Eudolf, reeds als koning genoemd. Wijl echter Gregorius YII de afzetting van Hendrik niet bepaald had uitgesproken en de stem van het Opperhoofd der Kerk van groot gewicht was, wachtten do hertogen met ongeduld de opening door den legaat af. Deze keerde juist uit de sacristie terug en ging, de vorsten groetend, naar zijne eereplaats.

Bisschop Altmann van Passau, eofi man op gevorderden leeftijd, behoorde tot de deugdzaamste en geleerdste mannen van zijn tijd. In hot Duitschc Jtijk scheen hij voor zekere aangelegenheden het Opperhoofd der Kerk op den duur te vertegenwoordigen , want zijn tijdgenoot, de kroniekschrijver Lambert, schrijft: „Den bisschop van Passau, oen man van apostolischen levenswandel en groote deugd, heeft de Paus tot zijn plaatsbekleeder in de leiding van do aangelegenheden der Kerk in Duitsch-land benoemd.quot; Vereert derhalve Gregorius VII een man mot zulk een vertrouwen, dan moet hij zich onderscheiden door een vromen levenswandel, door zeldzame geleerdheid en buitengewoone fijnheid van verstand. Ook bij de verhandeling te Tribur vertegenwoordigde de patriarch Sigihard van Aquileja den Paus niet op die wijze, als bisschop Altmann ; want slechts de laatste bezat de volmacht, om van den ban te ontslaan, en niet Sigihard.

Altmann had zijn eereplaats beklommen, en doodsche stilte heerschte, toen hij begon.

„Daar mij, den onwaardigen vertegenwoordiger van dan Vader dor Christenheid, de doorluchtige en edele heeren.

-ocr page 521-

199

tot voorzifter bij dezo Tergadering benoemd hebben, verklaar ik hiermede den vorstendag voor geopend. Op de eerste plaats deel ik u een blijde tijding mede voor allen, die uit de gemeenschap der Kerk zijn uitgesloten. De Stedehouder van Christus op aarde, onze apostolische heer Gregorius, heeft mij do volmacht en de macht gegeven om, met uitzondering van den Duitschen koning, Hendrik IV, al diegenen van den ban te ontheffen, die zich in het bootekleed vertoonen. De bedreven zonden erkennende en betreurende, hebben mij reeds eenige prelaten verzocht, van mijne volmacht zonder toeven gebruik te maken. Ik zal dit volgaarne doen en wel morgen vroeg, voor het begin der godsdienstoefening, welke do verhandelingen dezer hooge vergadering voorafgaat. De eerwaardige abt van dezen stoel te Tribur zal zorg dragen, dat al die oefeningen en ceremoniën stipt plaats hebben, welke de ritus en het gebruik bij openbare boetedoeningen voorschrijven.quot;

De legaat zweeg. Vervolgens besprak hij een onderwerp , dat destijds do gemoederen in gisting bracht en door den aanhang van Hendrik ijverig tegen den Paus gebruikt werd.

Dwalende en boosaardige mensehen ,quot; begon de legaat weder, „hebben de meening uitgestrooid, dat onze apostolische heer , Gregorius VII, den koning ten onrechte in den ban heeft gedaan. Anderen gingen nog verder. Zij beweerden, dat geen Paus de macht had een koning van de gemeenschap der Kerk uit te sluiten. Daarom zou Gregorius zijne apostolische macht te buiten gegaan zijn. Onze H. Vader heeft nu de goedheid, die verwijten te beantwoorden en in een uitvoerig schrijven te wederleggen. Tevens duidt dit schrijven de tegenwoordige houding aan van den Paus tegenover Hendrik IV. Ik bid deze hooge vergadering met opmerk-

-ocr page 522-

200

zaamheid naar dezen apostolischen brief te luisteren.quot;

Op het teeken van Altmann stond aan de tafel, waaraan de schrijvers zaten, do diaken van den legaat op. Hij had een perkament in de hand, dat hij met duidelijke stem begon te lezen.

„Gregorius, dienaar dér dienaren Gods, allo bisschoppen , hertogen, graven en anderen in het Duitsche Eijk, welke het christelijk geloof verdedigen, heil en apostolischen zegen. Dat gij van den ban des konings kennis droegt, blijkt ons daa'ruit, dat eenigen in twijfel ver-keercn, of de koning met recht in don ban is. Wij willen derhalve, volgens ons geweten, de werkelijke redenen opsommen, die ons hiertoe geleid hebben, enkel en alleen om de meening te wederleggen van hen, dat wij het geestelijk zwaard onbezonnen en meer uit hartstochtelijkheid , dan uit goddelijke aansporing en ijver voor het recht getrokken hebben. — Reeds als diaken hebben wij van 's konings verkeerde handelingen veel gehoord. Reeds toen ter tijd lag het ons zeer aan het hart, door brieven en gezanten hem te vermanen, om zijn loven te veranderen, het zijn koninklijken, en als God het wil, zijn keizerlijken naam waardiger te maken. Nadat wij den pauselijken Stoel beklommen hebben, en de verkeerde gezindheid des konings mot de jaren is toegenomen, hebben wij alle middelen in hot werk gesteld , berispingen, vermaningen en aanmoedigingen, om hem op den weg der beterschap te brengen ; want wij bedachten, dat God eens de ziel des konings uit onze hand zal eischen. De koning heeft echter steeds ootmoedige beloften gedaan, doch metterdaad altijd alles met voeten getreden.quot;

Do hoofden van alle Saksers knikten toestemmend, en in den verderen loop van het schrijven steeds heviger en overtuigender.

-ocr page 523-

201

„Hoe Hendrik,'quot; las de diaken, „bisdommen en kloosters, in plaats van aan herders, aan wolven vergeeft, voor geld verkoopt en alles met Simonie bezoedeld, is bekend. Toen reeds een gedeelte van het Rijk in den Saksischen oorlog van den koning wilde afvallen , schreef deze weder ootmoedige brieven aan ons. Nadat hij de overwinning behaald had, sloeg hij daarop evenwel geen acht, veeleer heeft hij vele bisschoppen van Duitschland en Italië tot afval gebracht van dezen apostolischen Stoel. De maat van verkeerdheid was vol. Twee hoofdredenen dwongen er ons toe, den koning buiten de gemeenschap der Kerk te sluiten : — Ten eerste, wijl h[) zich niet wilde scheiden van hen, die wegens roof van het heiligdom en wegens Simonie in den ban zijn ; — ten tweede, wijl hij voor de misdaden zijns levens niet alleen geen boete deed, maar deze ook niet eens wilde beloven, omdat hij zich zelfs verstoutte, het lichaam van Christus, d. i. de eenheid der Kerk, te scheuren. — ■— /oude iemand dit besluit voor onrechtvaardig houden, dat deze dan naar de heilige verordeningen luistere, dat hij zich met datgene tevreden stelle, wat het goddelijk Gezag leert, wat het beslist, wat de eenparige uitspraak der H. Vaders voorschrijft; want wij hebben bloot gehandeld, in den geest der kerkelijke voorschriften. Ook gelooven wij niet, dat onder de geloovigen, die de besluiten der H. Kerk kennen, een enkele met de dwaling behept rs , om te mee-nen, dat alles niet naar den loop van het recht geschied is 1).quot;

Do voorlezer hield op. De rechtvaardiging van den Paus was geëindigd. Bevrediging en overeenstemming stond op aller gelaat te lezen. Bij verschillende punten

') Voigt, bl. 427, v.v.

-ocr page 524-

202

hoorde men een goedkeureiul gegons.. Nu stond Otto van Nordheim op.

„Wij danken don H. Vader,quot; zeide hij, „dat hij de goedheid gehad heeft, om de tegenwerpingen te wederleggen, die tegen hem waren ingebracht. Tegenover ons was overigens de rechtvaardiging van den Paus volstrekt niet noodig; want wij weten, dat onze Heer Jezus Christus den Apostel Petrus en diens opvolgers de macht gaf, om de groote kudde der geloovigen to leiden, bijgevolg ook ons, de vorsten en den koning. Slechts een heiden kan beweren, dat hij niet verplicht is, aan de herderlijke stem van den Paus te gehoorzamen. Insgelijks weten wij, dat alle Christenen, koningen en keizers niet uitgezonderd, aan de geboden Gods en aan de voorschriften der Kerk onderworpen zijn, omdat Jezus de Heer leerde : „Wie do Kerk niet hoort, dien zult gij houden voor een heiden.quot; Derhalve kan zich slechts een tyran verstouten, om do heiligste geboden en wetten der Kerk met voeten te treden, misdaden op misdaden te stapelen en zich dan te beklagen, als hein de straffende hand van don oppersten Herder treft!quot;

Algemeene toejuiching.

De diaken las verder, en nu bleek het weldra, dat de Paus met de vorsten niet van dezelfde meening was; want verbazing en misnoegen stond bij het einde van den brief op aller gelaat te lezen.

„Hoe de koning goed mot kwaad vergold, en, als het ware, den voet tegen don Stoel van Petrus verheffend, plan gemaakt heeft de H. Kerk te verscheuren , dat weet gij, geliefden , de mare daarvan ■weerklonk over do geheele aarde. Wijl het evenwel onze roeping is, de menschen lief te hebben en niet hunne ondeugden, en het booze weerstand te bieden , opdat zij van hunne goddeloosheid terngkeeren , — zoo verma-

-ocr page 525-

203

nen vrij mot het gezag van den Prins dor Apostelen en s me eken jii als de geliefdste broeders, om slechts op middelen bedacht te zijn , den koning uit de macht der boozen te redden, en tot ware boete te bewegen , opdat wij hem onder Gods bijstand, zooals de broederliefde van ons vordert, in den schoot onzer gemeenschappelijke Moeder, die hij trachtte te verscheuren , terug te kunnen roepen, echter zoo, dat er geen bedrog of huichelarij onder schuile. Ook de andere afgedwaalden, geestelijke en wereldlijke, zijn wij bereid liefderijk te ontvangen, als zij zich willen bekeeren. God is onze getuige, geen hoop op voordeelen, noch wereldsche gezindheid wapent ons tegen booze vorsten en gewe-tenlooze priesters, maar slechts do overweging van onze beroepsplichten en de verplichtende macht van den H. Stoel, die ons dagelijks beangstigd. Het is veel beter voor ons , door de hand van een tyran, als het moet zijn, aan don onvermijdelijke? dood des vleeschc^ overgeleverd te worden, dan dat wij door plichtverzuim, door lafheid en oen door eigenbaat ingegeven stilzwijgen , de verwoesting der christelijke wet goedkeuren. O dat God toch het hart van don koning tot boetvaardigheid stemme ! Hij zal dan ouder vindon , dat wij hem voel oprechter liefhebbon , dan die menschen, die hem nu bij zijne ongerechtigheden behulpzaam zijn en hem toegedaan schijnen. Ach wilde hij , door den geest Gods getroffen , in zich zeiven keeren! Steeds zal hij ons, in weerwil van alle geploegde misleidingen, bereid vinden, heiri weder in do heilige gemeenschap op to nemen , onder de voorwaarden, welke ons uwe liefde voor slaat. — Do almachtige God, van wien elke goede gave komt, moge om do verdiensten van onze H. Moedermaagd , en op do voorbede van de zalige Apostelen Petrus en Paulus uwe harten versterken en bewaren,

-ocr page 526-

2Üi

en de genade van zijnen Geest over u uitstorten, opdat gij volbrengt, wat hem welgevallig is, «en zoo zijne Bruid, onze Moeder , aan de klauwen der wolven ontrukt, en vrij van alle zonden tot hunne glorie in den hemel verdient te geraken I).quot;

Te vergeefs hadden de vorsten, vooral de Saksers, in brandend ongeduld een pauselijk vonnis verwacht, hetwelk den Saliër van den troon vervallen verklaarde. Nu vernamen zij juist het tegendeel: een verzoenende en liefderijke taal van Grogorius tegen den gehaten tyran. Daarvandaan een dof, ontevreden gemor in de vergadering. Dat de verkropte ontevredenheid niet in luide verwijten losbarstte, kwam enkel uit achting voor do hooge waardigheid en de veel bewonderde persoonlijkheid van Gregorius. Toch vormden zich onverwijld groepen tot tegenspraak. Hertog Magnus van Saksen naderde bisschop Werner van Merseburg en knoopte eesi levendig gesprek' met hem aan. Daarop verliet do prelaat haastig en met een gloeiend gelaat het koor.

De legaten keken alles af. Zij bemerkten allerwege het vaste besluit der vorsten om den Saliër te onttronen-en een nieuwen koning te kiezen.

„Wij zullen moeite hebben,quot; zeide Altmann tot den patriarch Sigihard, „om do toegevendheid en vergevingsgezindheid van onzen Vader Gregorius ingang en gehoor te verschaffen. De koning zal nauwelijks te redden zijn.quot;

„Als do Duitsche Standen hem den troon onwaardig verklaren, dan moot hij zich naar het onvermijdelijke schikken en afstand doen,quot; antwoordde Sigihard onverschillig.

„Wel, geliefde broeder !quot; antwoordde Altmann, „hot? is onze taak, om in den geest van Gregorius te werken,

') Damberger, D. VI. lil. 887, v.v.

-ocr page 527-

205

dat wil zoggen, den koning tot berouw en verbetering des levens, en de vorsten tot verzoening met den boetvaardige aan te sporen.quot;

„Dat is niet mogelijk!quot; zeide de patriarch. „Zie tocli eens, hoe spoedig de gisting toeneemt ! De Zwaben zijn verontwaardigd, de Saksers zijn niet te bedwingen, en de Beijeren worden door Otto van Nordheim en den paltsgraaf Frederik met goed gevolg bewerkt, naar het schijnt.quot;

Vele leden van don vorstendag hadden hunne zitplaatsen verlaten, gingen in groepen bij elkander staan en onderhandelden ijverig samen. De legaat-voorzitter, liet dit toe, wijl er destijds geen parlementaire orde bestond , en hij het wisselen van gedachten voor natuurlijk en geoorloofd hield.

Toen de bisschop Werner van Merseburg terugkeerde) met een perkamentrol in de hand , begaven zich allen naar hunne plaatsen. Er ontstond een afwachtende stilte. Werner opende de rol, welke uit verscheidene bladen bestond.

„De Duitsche standen,quot; begon hij met opgewonden stem, „vereenigden zich hier, om een man van den troon vervallen te verklaren, die niet regeert, als een christelijk koning , maar als een heiden.quot;

Oorverdoovende goedkeuring van alle kanten.

„Zijn wij besloten een nieuwen vorst te kiezen, dan • handelen wij niet alleen volgens onzen plicht, maar ook in den geest van den Paus. Op de vastensynode van dit jaar heeft de H. Vader den koning in den ban gedaan, van do gemeenschap der Kerk uitgesloten, alle onderdanen van den eed van getrouwheid ontslagen en hem de regeering verboden.quot;

amp; „Dit laatste heeft de Paus niet gedaan !quot; riep Sigihard.

„Hier is een nauwkeurig afschrift van het banformu-

-ocr page 528-

206

lier,quot; riep hem de bisschop van Merseburg toe. „Ik zal de plaats lezen, die daarop betrekking heeft.quot;

Hij keek in de rol en las:

„ Bijgevolg verbied ik, voor de eer en verdediging der Kerk, o H. Petrus, in den naam van den almach-tigen God den Vader, den Zoon en den H. Geest, krachtens uwe macht en waardigheid, aan den koning Hendrik, den zoon van keizer Hendrik, die tegen uwe Kerk met ongehoorden trots is opgestaan, de regeering van het geheele Duitsche Rijk en Italië, en ontsla alle Christenen van den eed, dien zij hem gezworen hebben of zullen zweren, en verbied, dat hem iemand voortaan als koning diene1).quot; quot; „Als nu,quot; ging de bisschop voort, „onze H. Vader op de laatste vastensynode te Eome Hendrik den vierden afzette, en al het volk van den eed van getrouwheid ontsloeg, — hoe kan hij dan heden van toegevendheid en vergiffenis schrijven ?quot;

Nu stond de pauselijke legaat Sigihard, patriarch van Aquileja op.

„Dezer dagen,quot; begon hij, „kreeg ik inzage van een zeer lang, in een gebed ingekleed banformulier, van hetwelk zich Gregorius VII op de vastensynode zou bediend hebben. Dit formulier begint met de woorden : „Zalige Petrus, Prins der Apostelen, nijg uw oor tot ons en luister naar mij , uwen knecht, dien gij van zijne kindsheid af opgevoed en voor de handen der zondaars bewaard hebt.quot; Aan dit formulier zijn ook de woorden ontleend, welke de eerwaarde bisschop van Merseburg, onze geliefde broeder , zoo even voorgelezen heeft. — Ik maak met genoegen van deze gelegenheid gebruik, om te verklaren , dat het geheele banformulier verdicht is , van het begin tot het einde. Ik zelf ben tegenwoor-

') Voigt, bl. 423.

-ocr page 529-

207

dig geweest bij de laatste vastensynode te Eome, en ik belijd voor God en bij mijn geweten , dat Gregorius zoo niet heeft gesproken gelijk dit formulier luidt. De Paus heeft op do gebruikelijke wijze, na rijp onderzoek der schuld , den koning van de gemeenschap dei-Kerk uitgesloten en met hem nog een goheele reeks van bisschoppen. Daarentegen hoeft Gregorius noch den koning de regeering verboden, noch de Christenen van den eed van getrouwheid ontslagen. — wat immers een ongehoorde nieuwigheid zou zijn, die nauwelijks te vereenigen is met de bediening van Opperherder.quot; ')

Deze verklaring van den legaat maakte een verba-zenden indruk. In het geheele Eijk was de meening verspreid, dat do Paus den Saliër do regeering verboden en alle Duitschors van den eed van getrouwheid ontslagen had. Op dit vermeende feit hadden de Eijks-grooten verder gebouwd. Zij hadden zich te Ulm ver-eenigd on dezen algemeenen vorstendag to Tribur uitgeschreven , om volgens de uitspraak des Pausen te handelen. Xu bleek het, dat de afzetting van Hendrik door Gregorius valsch was. Om de verlegenheid en verwarring ten toppunt te voeren, beval de Paus aan de vorsten verzoening mot don rouwtnoedigen koning.

De hoeren schenen geheel van hun stuk te zijn. Bisschop Wernor van Merseburg stond eenige minuten sprakeloos , en bleef den legaat aanstaren.

„Wij zijn uiterst verbaasd en getroifen ovor uwe medodeeliug , eerwaarde broeder !quot; zeide hij nu.

„Hoe was hot dan mogelijk, dat een dergelijke mare kon verzonnen en uitgestrooid worden, wanneer er geen woord van waar is?quot;

Weder stond de legaat Sigihard op.

') Damberger, D. VII bl. 879.

-ocr page 530-

208

„Er is geen dwaling zonder een greintje waarheid, — zoo ook hier,quot; antwoordde hij. „Ik meen mijne volmacht niet te buiten te gaan, als ik aan deze hooge vergadering, ter verklaring van de onderhavige dwaling, een voorval mededeel, dat op de laatste vastensynode plaats had. —

Er hadden namelijk eenige bisschoppen het voorstel gedaan, de Pans zoude verklaren: dat Hendrik, die uithoofde van zijn slechte handelingen, waarvan hij op zoo menigvuldige wijze had doen blijken, eindelijk geëxcommuniceerd was, elke aanspraak op de keizerskroon verloren had; want nimmer zou een man opperste beschermheer der Kerk kunnen worden, die zich als haren ergsten vijand had getoond. In dit voorstel der bisschoppen stemde echter de Paus niet toe, wijl hij niet twijfelt aan een wezenlijke verbetering van het leven des konings. Nu mag het waar zijn, dat losse geruchten over dit voorval bij de synode onder het volk uitgestrooid zijn. De een of andere kroniekschrijver kan » zich hiervan meester gemaakt dit bericht naar zijn zin gevormd , en ten slctte het bekende formulier verdicht hebben.quot; ')

De bisschop van Merseburg gaf zich evenwel nog niet gewonnen. Hij zocht in de perkamentrol en haalde met zegevierenden blik een blad te voorschijn.

„Maar hoe is het dan gelegen met don brief des Pausen van den derden der vorige maand?quot; liep hij. „Heeft de Paus niet aan alle bisschoppon, hertogen

1) Zoo -n-as het Trorkelijk geljenrd. De kroniekschrijver Berthold heeft dit gedaan en den l'aus iets laten doen en zeggen, wat hij niet gedaan en gezegd heeft. Het is te hopen, dat de geschiedschrijvers den kroniekschrijver Berthold niet verder afschrijven cn er voor zorgen, dat de leugens eindelijk ophouden, welke sedert eeuwen den grooten Paus Gregorius VII belasteren.

-ocr page 531-

209

en graven van het Duitscho Rijk een brief uitgevaardigd, waarin men liet volgende leest?quot;

En hjj las op eenigszins opgewonden toon.

„„Hoe hot met den koning gelegen is ziet men duidelijk uit het besluit der'vastensynode. Hij is van zijne koninklijke waardigheid vervallen verklaard en al hot volk van den eed van getrouwheid ontslagen1).quot;quot; „Zoo schrijft Gregorius den derden September. Hoe kan hij nu in geheel tegenovergestelden zin schrijven?quot;

„Deze brief van den Paus is valsch,quot; antwoordde de legaat, bisschop Altmann van Passau. Nimmer heeft de Paus een dergelijk schrijven aan de Duitsche Rijks-standen gericht. Veeleer werd dit schrijven vervaardigd en in omloop gebracht door mannen, die zich een zoodanige misleiding in het belang der Kerk en van hot Rijk meenden te kunnen veroorloven. Wij zijn de overbrengers van het echte schrijven des Pausen. Dit ware schrijven werd do hooge vergadering voorgelezen en bevat de wezenlijke en waarachtige gevoelens van den Pausquot; 2).

Werner ging het hoofd schuddend op zijne plaats zitten. Alle leden der vorstenvergadering waren door ontsteltenis bevangen. Verbazing of verontwaardiging stond op aller gelaat to lezen. Men hoorde zelfs afkeurende uitdrukkingen jegens den al te toegevenden Paus.

Nu stond bisschop Bucco van Halberstadt op, een doortastend ondernemend heer, een banierdrager der Saksische vrijheid. Gelijk de kroniekschrijver Lambert bericht, was Bucco een man eximiae sanctitatis, et optimaa in eeclesia Dei existimationis, die zelo Dei

14

1

') Voigt, bl. 450.

2

) Bamberger, D. VII, bl. 886 v.v. Cax. d. ii.

-ocr page 532-

210

et communis commodi ratione een onverzoenlijke vijand van den losbandigen Salier was. Jaren lang was Buc-co door den koning gevangen gehouden en eindelijk veroordeeld, om in een ongezonden kerker langzamerhand weg te kwijnen. Maar op reis naar de noodlottige plaats zijner gevangenis, was het hem gelukt te ontvluchten. ïo Tribur verscheen hij met het vaste voornemen , met de gewichtige bezwaren tegen de willekeurige heerschappij van den despoot voor den dag te komen ').

„De verklaringen van den legaat,quot; zeide hij, „zijn ons allen zoo verrassend en onverwacht , dat wij eenige uren beraad en overleg noodig hebben, om besluiten te kunnen nemen voor de welvaart van de Kerk en het Ifijk. Als gij het goedvindt schors dan den vorstendag, om morgen het ondernomen werk voort te zetten.quot;

„Zoo is het goed !quot; werd er van alle zijden geroepen.

Terstond werd de vergadering geschorst en de vorsten verlieten de kerk.

Middelerwijl had zich de grootmoedige vriend van Godila overtuigd van de onmogelijkheid, om den aartsbisschop Udo van Trier te kunnen sproken. Hij was naar zijne herberg teruggekeerd , die hij gevonden had in eene boerenwoning buiten de stad; want alle woningen in Tribur waren door de vorsten ingenomen. En Siegfried door duizend angsten gekweld en aan de redding van Godila twijfelend , vond geen rust. Tot verlichting van zijn bedrukt en bekneld gemoed verviel hij tot het gewone middel, hij zocht verstrooiing voor die uren , welke hij in volslagen werk ('loosheid moest doorbrengen. Dientengevolge begaf hij zich naar de legerplaats , welke door de ridders en dienstmannen der ver-

!) Voigt. W. 443. Koningin Bertha III uitgave, bl. 160 , v.v.

-ocr page 533-

211

scheidene Duitscho stammen was betrokken , en die de stad in een grooten kring omsloot. Verstrooiing vond kij spoedig; want een groote drukte en bedrijvigheid omringde hom. Onophoudelijk stroomden edele hoeren te paard , in schitterende wapenrusting en rijzige dienstmannen met lange lansen, met schilden , in helmen en borstharnassen, door de straten. Soms hadden zich voor de tenten groepen gevormd , die in een levendig of ernstig gesprek gewikkeld waren. Siegfried hoorde in het voorbijgaan , dat aller gesprekken over hetzelfde onderwerp liepen : den vorstendag en diens noodzakelijke besluiten tegen den Saliër. Terloops bewonderde hij menige reusachtige gestalte , vooral schepte hij behagen in de kracht der Beijeren, Saksers en Zwaben. De gewone etenstijd scheen nabij te zijn; want allerwege brandden groote vuren, boven welke groote stukken vleesch aan het spit braadden. Ook muziek en zang vervroolijkte de bedrijvigheid, vooral daar, waar de Beijeren en Zwaben gelegerd waren.

Intusschen maakte de rijzige gestalte van den jeugdigen held do verdiende opmerkzaamheid gaande. Ver-scheidenen groetten vriendelijk don schooiien onbekende, en kwam hij een groep voorbij, dan werd het onderhoud afgebroken en aller hoofden wendden zich naar hem.

Juist naderde hij een kleinen kring edellieden, die don maaltijd gebruikten. Die heeron zaten op den grond op houtblokken , hadden roggebrood in de handen en sneden daarbij beduidende stukken van een groot, sappig lendenstuk , dat op een schild lag. Een klein wijnvat lag voor de hand , waaruit de drinkhoorn, die in den kring rondging, dapper gevuld werd. Siegfried wilde groetend voorbijgaan. Nu kwam oen bejaard ridder , met grijzen baard en litteekens op het aangezicht, naar hem toe.

14*

-ocr page 534-

212

„Vriend zeide hij met een vriendelijk lachje, „ga niet voorbij , maar doet ons hot genoegen dit maal met ons te doelen. Gij ziet in dezen kring bijna alle Duit-sche stammen vertegenwoordigd: Zwaben, Saksers , Beijeren, Lotharingers. Bedriegt mij mijn oog niet, dan zijt gij een Frank, — niet zoo ?quot;

Deze vraag kon Siegfried niet goed beantwoorden; want hij zelf wist niet tot welken stam hij volgens zijne geboorte behoorde. Een bekentenis van deze omstandigheid zou hem moeilijk gevallen zijn , derhalve ontweek hij behendig deze vraag.

„Ik ben de voogd Siegfried van Klingen in Wasgau.quot;

„Ha , — nog wel een Eijnfrank !quot; riep de vroolijke oude. „Gij moet stellig bij ons aanzitten, heervoogd! Doe ons die eer, — neem hier plaats.quot;

Siegfried deed zijn zwaard af, ging op een blok zitten en terstond kresg hij ook een flink stuk roggebrood en een schijf van een lendenstuk in de handen.

„Dat is nu toch heerlijk!quot; riep de oude uit. „ï1 u zijn alle Duitsche stammen hier eendrachtig bijeen. AVijl gij zoo vriendelijk geweest zijt ons uwen stand en naam te noemen, wil ik u ook do onzen zeggen. Deze ridder is een ambtgenoot van u, te weten do voogd Eppo van Goslar, derhalve een Sakser. Deze is ridder Mein-rad, een leenman van den hertog Welf van Beijeren. Deze is Rumold, leenman van den bisschop Horimann van Metz. En ik ben Giselbert, burchtwachter van den hertog Eudolf van Zwaben.quot;

„Ik ben blij kennis met deze edele heeren te kunnen maken antwoordde Siegfried.

„Hebt gij den eerwaarden abt van uw sticht hierheen vergezeld ?quot; vroeg Eppo.

„Toch niet, heer voogd!quot; antwoordde Siegfried. „Ik ben voor persoonlijke aangelegenheden hier.quot;

-ocr page 535-

213

Terwijl hij dit zeide , kwam oou zoo sombere gloed over zijn schoon mannelijk gelaat, dat allen uit den kring het kenteeken van grievend leed opviel. Er heersehte een oogenblik ernstige stilte.

„Dus om persoonlijke aangelegenheden,quot; begon de Zwaab Giselbert. BWaarschijnlijk hebt gij een aanklacht tegen Hendrik den vierden. Is dit hot geval dan is uwe beschuldiging als een druppel in den algemeenen en diepen stroom van ellende, die zich over het rijk uitstort onder don schepter van dezen beruchten Saliër.quot;

„Uw vermoeden is juist,quot; antwoordde Siegfried, zonder evenwel het onderwerp zijner beschuldiging bekend te maken. „Hot zal de vraag maar zijn, of de vorstendag mijne zaak niet te onbeduidend oordeelt, om zich met haar bezig te houden.quot;

„Betreft uwe zaak een of ander gewelddadigheid van den Saliër jegens uw sticht, dan zullen de vorsten die ongetwijfeld aanhooren,quot; zeide Giselbert. „Overigens geloof ik, dat uwe beschuldiging, benevens nog dui-zende anderen met één woord afgedaan zullen worden. Hendrik IV moet maar zoo vriendelijk zijn , om afstand van den troon te doen, ten einde plaats te maken voor een christelijk vorst.quot;

„De tyran kan naar den duivel loopen !quot; riep met een gloeiend gelaat de Sakser. „Het Duitsche volk is deze Salische pest hartelijk moede.quot;

„Ik vrees,quot; zeide de oude behoedzaam, „dat het Duitsche volk wel eenigszins bedorven moet zijn, wijl het zulk een heidensch bestuur in het rijk zoo lang verdroeg. Als het waar is, dat ieder gezond lichaam een gezond hoofd heeft, en elk ziek lichaam een ziek hoofd , dan moet het groote Duitsche lichaam gevaarlijk ziek zijn , omdat het sinds tien jaren een zoo bedorven, etterachtig hoofd heeft, als deze Saliër.quot;

-ocr page 536-

214

„Gij oordeelt toch wel wat streng, heer Gisel'oert hernam Meinrad. „Het geheele volk verafschuwt een dusdanigen koning. De verontwaardiging over dezen liedorlijken, moordzieken tyran is algemeen. Dat hij sedert lang niet is weggejaagd, komt daarvandaan, omdat hij bij de duivel ter school gegaan is , om daar sluwheid, leugentaal en allerlei listen te loeren, tot misleiding van het volk. Door dergelijke helsche kunsten gelukte het hem , vele machtige vrienden en werkzame handlangers te winnen , die hem ondersteunen en het morrende volk vertrappen door een bloedig schrikbewind.quot;

„Zeer juist,quot; bevestigde Eumold. „Ook den strijd met de Kerk heeft de koning slechts aangeblazen om het Rijk in de war te sturen en in troebel water zijn despotieke regeering te kunnen uitbreiden en bevestigen.quot;

„Dat is niet de eenige reden van den strijd met de Kerk,quot; beweerde Giselbert. „Het plan van den Saliër strekt zich veel verder uit. Het vrome bestuur van den Paus behaagt noch aan zijne teugelloosheid, nocii aan zijne heerschzucht. Daarom wil hij het Eijk van Home scheiden , hij wil bisschoppen , abten en pastoors naar zijn boos hart hebben. Hij wil een nieuwen steel van Petrus stichten en zich zeiven als Paus daarop plaatsen.quot;

„Een dwaze onderneming!quot; riep Eppo uit.

„Bedaar, geachte wapenbroeder! Heer Giselbert heeft geen ongelijk,quot; antwoordde Meinrad. „Zoolang tyran-nen macht bezitten , wagen zij alles, — ook de uitzin-nigste misdaad. Ziet eens iu Saksen, — hoe ging de koning met dit volk te werk! Heeft hij de Saksers niet op een hemeltergende wijze mishandeld en gekneveld? Heeft hij hun leven , vrijheid, goed en eer niet geroofd ? Meent gij, dat de tyran terugdeinst voor de

-ocr page 537-

215

euveldaad , om ook den Opperherder aan het Duitsche volk te ontnemen? Juist de Paus is hom gehaat; want zoo lang er een Stedehouder van Christus regeert, gaat de vlieger voor den tyran niet op.quot;

Juist zoo!quot; zeide Rumold. „Had de Paus den ban niet uitgesproken over den booswicht, dan zouden de vorsten van daag niet in Tribur zijn, om een nieuwen koning te kiezen.quot;

„Stellig, — gij hebt gelijk!quot; zeide de Sakser met het hoofd knikkend. rHad de Paus het volk niet ontslagen van den eed van getrouwheid, dan zou het zonder hoop zuchten onder het slavenjuk. AVat mij aangaat is het pauselijk vonnis overbodig ; want mij binden geen eed en trouw aan een koning, die zelf geen eed en trouw kent.quot;

„Houdt gij de afzetting van Hendrik IV voor een uitgemaakte zaak?quot; vroeg Siegfried.

„Natuurlijk!quot; riepen allen vastberaden. „De schurk moet van den troon , om plaats te maken voor een christelijk vorst.quot;

„Dat is ook mijn vurigste wensch, antwoordde Siegfried. „Een slecht koning verslecht natuurlijk het geheele volk. Hij is, als de pest, die allo gezonde ledematen vergiftigt. — Zal echter de snoodaard vrijwillig afstand doen ? Zal hij niet naar het zwaard grijpen ? Naar ik verneem , ligt hij aan gene zijde mot een sterk leger.quot;

De edellieden keken over don Rijn, waar rookwolken opstegen.

„Daar ligt hij ongetwijfeld met eenige duizend man, die zoo godvergeten zijn, om eer en kracht ten beste te geven voor een slechte zaak,quot; hernam Eppo. „Vloek over die slaven van een tyran! Alle heeren , die ik sprak, zijn vol woede en wenschen over den

-ocr page 538-

216

Eijn gevoerd te worden, om den woestaard en zijne krijgsknechten te verslaan.quot;

Deze gevoelens stemden volkomen overeen met do neiging van Siegfried. Ook hij zou zich met geestdrift bij een strijd hebben aangesloten, welke het verkrachte recht , de vertrapte vrijheid en de goede zeden herstelde.

Na eenigc woorden van dankbetuiging voor het gastvrij onthaal, verliet hij do edellieden en keerde naar Tribui- terug.

DE BOETELINGEN.

Aartsbisschop IJdo van Trior bewoonde eenigc kamers van het spijsmagazijn des kloosters. Van de vorstenvergadering daar teruggekeerd , begon hij onverwijld , voor do redding des konings in den zin des Pausen te werken. Hij schreef aan den Saliër oen langen brief, waarin hij de stemming en de plannen van de vorsten schilderde en waarin hij hem tevens bezwoer, zich aan do uitspraak van den vorstendag te onderwerpen.

„Slechts een onvoorwaardelijke onderwerping kan u reddeneindigde hij. „Stel geen oogenblik uit, boden te zenden.

Vervolgens richtte hij aan eenige voorname hoofden der vorstenvergadering een uitnoodiging tot een vertrouwelijk onderhoud. In deze bezigheid werd hij gestoord door een binnentredende bediende.

-ocr page 539-

217

„Er is eon ridder, die ivwe hoogheid verlangt te spreken.quot;

„Laat hem later komen,quot; gebood de schrijvende, zonder op te zien.

De bediende ging heen en keerde na eenige oogen-blikken terug.

„De ridder laat zich niet afwijzen,quot; zeide hij. „Zijne aangelegenheid is van te groot belang. Hij is do voogd Siegfried van Klingen en uwe hoogheid Leeft hem veroorloofd zich tot u te wenden.quot;

De vorst schoen deze woorden nauwelijks gehoord te hebben, want hij sloeg er geen acht op en schroef ijverig voort.

„Do voogd van Klingen , — goed !quot; zeide hij verstrooid. „Geef dozen brief aan ridder Bomhard. Onverwijld moet hij te paard stijgen, naar Oppenheim rijden en den koning persoonlijk dit schrijven overhandigen.quot;

Do bediende nam het perkament aan en bleef staan.

„Xu , — waarop wacht gij ?quot; vroeg de vorst verwonderd.

„Wat wil uwe hoogheid, dat ik den beschermheer Siegfried van Klingen meld?

„Ah zoo — juist! Laat den man binnenkomen ! — Zeer ongelegen,quot; ging hij voort, toen do bediende was heengegaan. „Aan hot geheelo Eijk behoort elk oogon-blik van mijn kostbaren tijd on niet aan een onkel persoon. Intusschen — Siegfried, een sieraad van do ridderschap, verdient wel eenige onderscheiding.quot;

Met oen eerbiedige buiging verscheen de beschermheer voor den aartsbisschop , die bij het verschijnen van den statigon ridder zijn werk ter zijde legde.

„Welkom in Tribur!quot; zeide do vorst vriendelijk tot

-ocr page 540-

218

hem. „Neem plaats , heer Siegfried — en hij wees op een stoel aan zijne zijde.

„Verschoon mijne vrijpostigheid, eerwaarde Vader!

„Geen omwegen, mijn zoon!quot; viel hem de vorst in de rede. „Handen vol werk liggen voor mij. Het Kijk verkeert in barensnood; want het wil een nieuwen koning baren. Gij zult begrijpen , dat voor de Rijksvorsten in dergelijke oogenblikken elke minuut kostbaar is. Zeg mij derhalve in het kort uwe aangelegenheden , mijn zoon ! Zoo mijne hulp mogelijk is , zal zij u niet ontbreken.quot;

Siegfried deelde hem in hot kort zijne belangen mode. Toen hij sprak over de gevangenschap en het gevaar van Godila , de dochter van den markgraaf Udo van Saksen, die in het geheele Rijk zoo geacht was, volgde de vorst zijne woorden met de grootste opmerkzaamheid. Bij de schildering van den bloedigen strijd aan den ouden eik , alsook bij de vermelding van de voorgenomen gewelddadigheid des konings tegen Godila en van hare onlangs voltrokken wegvoering, beving den aartsbisschop een hevige verontwaardiging.

„Dat alles is noodlottig en misdadig !quot; riep hij uit, terwijl zijne wangen van toorn gloeiden. „Welk een koning ! Bij God, ook ik beklaag de toegevendheid des Pausen; wrant zulk een door en door bedorven mensch zal niet in zich zolven keeren.quot;

In do voorkamer hoorde men luide stommen. Udo keek een oogenblik nadenkend voor zich.

„Heer Siegfried,quot; zeide hij met een uitdrukking van hoogachting. „Uwe deelneming voor een weerlooze, in hare onschuld bedreigde maagd , is een der schoonste daden van een ridder. Op mijn vorstenwoord, Godila moet gered worden! Schitterender en waardiger is voor den Eeuwige de zuiverheid eener maagd, dan de kroon

-ocr page 541-

219

eons kon nigs. Daarom is mijne zorg voor Godila rechtmatiger , dan mijn streven voor de gouden kroon van Hendrik. Kom morgen op dit uur terug.quot;

Hij drukte hom hartelijk do hand en liet hem gaan.

Nauwelijks had Siegfried het vertrek verlaten, of van do andere zijde kwamen de aartsbisschop Sigifried van Mainz en de bisschop Hausmann van Spiers binnen. Beiden waren in den ban; want ook zij behoorden tot die acht en twintig prelaten, die op de synode te quot;Worms , aan den aandrang en de bedreigingen van den koning gehoorzamend , Paus Gregorius afzett'en.

„Is het mogelijk, wat wij vernamen? quot; vroeg Sigifried na een vluchtigen groet. „Heeft de Paus den koning niet vervallen verklaard van don troon ? Wenscht hij veeleer de verbetering en het rustig bezit van de kroon?quot;

„Zoo is het, eerwaarde broeder!quot; antwoordde Udo. „Het schrijven van Gregorius ademt goedheid voor den koning. Nimmer heeft de Paus het volk van den eed van getrouwheid ontslagen; nimmer heeft hij den Saliër de regeering verboden. De legaten verklaarden bepaald, dat hot sehrijven valsch en verdicht was.quot;

„God dank!quot; zeide Hausmann van Spiors.

„AVie zou zoo iets voor mogelijk gehouden hebben?quot; riep Sigifried verwonderd uit. „Hendriks handelwijze jegens den Paus was valsch, boosaardig en hoogst vijandig ; hij stond hem zelfs naar het leven. En nu deze toegevendheid van Gregorius jegens zijn doodvijand!quot;

„De H. Vader schijnt op den Saliër don bijbeltekst te willen toepassen: „Verzamelt gloeiende kolen op do hoofden uwer vijanden,quot; zeide Ldo. „Ik twijfel intusschen, of Hendrik den brand dezer gloeiende kolen gevoelen, of hij do grootmoedigheid van Gregorius Vil begrijpen zal.quot;

-ocr page 542-

220

„Inderdaad , onze Paus is een groot, verheven geest, een heilig man!quot; zeide do aartsbisschop van Mainz. „En wat zou do Paus bedoelen? Want iets moet toch gebeuren tot zoen voor de ontelbare misdaden van Hendrik. Zelfs Gregorius zal zijn kroon niet kunnen redden.quot;

„Voor alles is het streven van Gregorius, om den koning te verbeterenzeido üdo. „Aan den Saliër, die in ondeugden en euveldaden volhardt, biedt de Paus de hand niet. De eerste voorwaarde is Hendriks terugkeer op hot pad der deugd, zijne plechtige belofte om rechtvaardig te regeeren. Ook de eenheid des Rijks wil de Paus redden. Aan de scherpzinnigheid van Gregorius ontgaat den afgrond niet, die zich aan onze voeten bevindt. De hertog van Zwaben Eudolf en de verbitterde Saksers hebben dingen op het oog , welker gevolgen men niet kan overzien. Zij eischen de afzetting van Hendrik en de keus van een nieuwen koning. Hierdoor wordt de scheuring des Rijks voltrokken ; want liet Salischo huis is rijk en machtig. Aan strijdgenooten zal het hem niet ontbroken. Laten wij derhalve God danken, dat hij den Paus wijsheid schonk om de zaken grondig en in hare gevolgen te doorzien , en de vreeselijkste onheilen van het Rijk af te wenden. -— Wel is waar, is deze reddende weg slechts dan mogelijk, als Hendrik zijn zondige levensweg verlaat, als hij zijno misdaden boet, en zekere waarborgen stelt voor een christelijke regeering ').quot;

Er begon een langdurig onderhoud tusschen de vorsten. Dit had betrekking op de maatregelen, die genomen moesten worden , om de onderwerping van Hendrik aan de uitspraak van den vorstendag en diens

') Gfrorer, D. VII, bl. 525 v.v.

-ocr page 543-

221

gehoorzaamheid aan de vaderlijke vermaningen van den Paus te bewerken.

„quot;VVij betreuren het zeerzeide de aartsbisschop van Mainz , toen hij opstond om heen te gaan , „dat wij door den ban verhinderd zijn aan de besprekingen heden avond deel te kunnen nemen, waartoe gij de vorsten hebt uitgenoodigd.quot;

„Morgen zal ons de vertoornde Kerk, onze groote-lijks beleedigde Moeder, hare armen weder liefderijk openen,quot; zeide Udo zeer ernstig. „Wj]' hebben verdiend , wat wij lijden; want wij hebben gezondigd togen onzen H. Vader.quot;

De bisschop van Spiers streek onwillekeurig door zijne schoone haren, dat hem, togen kerkelijk voorschrift, sierde, en dat onder de schaar moest vallen; want capita tonsa , geschoren hoofden , waren noodzakelijke kenteekenen van hen, die openbare boete deden.

„Neemt gij ook deel aan den optocht der boetelingen ?quot; vroeg hij den aartsbisschop van Trier. „De Paus heeft u toch van den ban ontheven ?quot;

„Voorwaardelijk,quot; antwoordde Udo. „Gij hebt ergernis gegeven in uw vaderland, mijn broeder,quot; zeide Gregorius tot mij , „daarom is het billijk , dat gij openlijk boete doet voor de openbare ergernis.quot; •— Tot bevrediging mijner ziel zal ik mij morgen by de boetelingen aansluiten.quot;

Den volgenden morgen stroomde van alle kanten het volk in dichte drommen naar ïribur , om de processie der boetelingen , die in den ban waren, bij te wonen.

Bedevaarten , processiën en dergelijke godsdienstige plechtigheden bezitten voor de geloovige menigte altijd een groote aantrekkingskracht. Openbare optochten van boetelingen echter en de deelneming daaraan werden met bedevaarten naar gewijde plaatsen van het

-ocr page 544-

222

hoogste aanzien gelijk gesteld — en zulks niet ten onrechte. Want er lag in deze openbare boete voor begane misdaden en vergrijpen een diep zedelijke en verzedelijkende kracht. Elke zondige daad was niet alleen zonde voor den Allerhoogste, maar tegelijkertijd een vergrijp tegen de zedeljjke orde. Bijgevolg moesten openbare optochten van boetelingen aangenaam zijn voor den Heer , v. ijl zich de boetelingen rouwmoedig aan God onderwierpen , en ook de hoogere orde , die door hen verstoord was, herstelden. De bedreiging des Zaligmakers; „Wee de wereld ter wille vau de ergernis,quot; — werd als het ware gelogenstraft en de verdiende vloek in barmhartigheid veranderd.

En dewijl die geloovige tijd de zedelijke waarde van de vermorzeling der harten van de misdadigers begreep, even als de geesteljjke heldendaad eener oprechte verbetering des levens, zoo waren deze optochten van boetelingen niets beleedigends voor de boetelingen. Zij waren veeleer vereerende bewijzen voor de verandering van den ouden zondigen mensch in een nieuwen, die Gode welgevallig was.

Een lange stoet bewoog zich van liet kloosterplein door de aangrenzende straat naar de kerk. Voorop ging een kruisdrager, op dezen volgden in twee rijen de boetelingen. Vooraan de aartsbisschoppen van Mainz en Trier. Vervolgens de bisschoppen van Verdun, Luik, Munster, Bazel, Spiers, Utrecht en andere prelaten , die in den ban waren. Daarop volgden eenige wereldlijke grooten , onder dezen graaf Koenraad van Lutzelburg en het geheele kapittel van Mainz ').

Alle boetelingen gingen blootvoets, hunne hoofden waren geschoren; ook de lange lokken van den bis-

') Gfrorer , D. VII, LI. 545,

-ocr page 545-

223

sehop van Spiers waren onder de schaar gevallen. Op het hoofd, dat met oen zeer oud teeken van boete , met asch , bestrooid was, droegen zij geen bedekking. Hun eenigst kleedingstuk was een lang hemd, tunica genoemd, dat tot over de knieën afhing. Dit hemd was grijs, bij de prelaten van wol, terwijl de leeken ongebleekt linnen droegen.

Bij de boetelingen sloot zich oen onafzienbare menigte aan, welke wel is waar niet in den ban was , maar door berouw over begane zonden gedreven, hare schuld beleed door deel aan dezen optocht te nemen, en deelachtig wilde worden aan den zegen, die aan zulk een godsdienstige plechtigheid verbonden was.

Ook de toeschouwers op de straten en voor de ramen der omliggende huizen volgden met godsvrucht den optocht, en namen deel aan do luide gebeden of boet-gezangen.

De voorste boetelingen hadden juist de trappen bereikt, welke tot het voorportaal der kerk leidden. De vloer van dit portaal, hetwelk paradijs genoemd wordt, was met een zwart kleed belegd en de muren daarvan waren bekleed met zwart floers. Het portaal der kerk bleef gesloten, om aan te duiden , dat de geëxcommu-niceerden van de gemeenschap der Kerk uitgesloten zijn. De aartsbisschoppen , bisschoppen en abten plaatsten zich in twee rijen voor het portaal. Bij deze sloten zich de overige boetelingen aan. Ook het zingende koor van monniken ging in het voorportaal. Het grootste gedeelte der kanunniken van Mainz moest voor de kerk blijven staan, omdat het portaal allen niet kon bevatten.

Nauwelijks had het koor der monniken de roerende en aandoenlijke melodie van den boetpsalm Miserere aangeheven of do boetelingen wierpen zich op het aan-

-ocr page 546-

224

gezicht in den vorm van een kruis ter aarde. Terwijl de treurtonen onder de gewelven van het portaal weergalmden , gingen twee priesters in zwarte gewaden, met lange roeden in de handen , door de rijen der ter nedergestrekte boetelingen en dienden hun duchtige slagen op den rug toe.

Het volk en de edelen stonden of baden geknield. Op het gelaat der mannen van allo standen stond plechtige ernst te lezen en op menig wezen het teeken van een ontwaakt bewustzijn van schuld. Men zag toch Si-gifried van Mainz , den machtigsten Rijksvorst, en andere grooten, op hun aangezicht ter aarde liggen, hunne schuld belijdend voor den Heer en diens barmhartigheid afsmeekend. Diepe indrukken moest een dergelijk schouwspel op de gemoederen maken en ook den verstoktsten booswicht aanzetten, om aan het toekomstig oordeel van den goddelijken rechter te donken.

Een tijd echter , die openlijk ook de grooten en machtigen bedreven misdaden laat boeten, is oneindig ver verheven boven diegene, welke het bewustzijn van verschuldigde boete voor God verloren heeft, ja die de machtigen zelfs bevoorrecht, om straffeloos de zedelijke orde der gerechtigheid te vertrappen.

Het boetgezang was geëiudigd. De boetelingen stonden van den grond op. Op aller gelaat stond ernst of oprechte vermorzeling des harten te lozen. Sigifried van Mainz stortte zelfs tranen van berouw. De beide deurvleugels van het hoofdportaal der kerk gingen open. Een troonzetel werd onder den ingang geschoven. Door het middelschip kwam de pauselijke legaat, de bisschop Altmann van Passau, in kerkgewaad. Naast hem gingen twee diakens in levitenkleederen. Op hen volgden de aartsbisschoppen, bisschoppen, hertogen en graven , allen in plechtgewaden ; want het weder op-

-ocr page 547-

225

nemen in de gcmoensehap dor Kerk werd als een vreugdefeest beschouwd. Toon de legaat op den troonzetel had plaats genomen , knielden alle boetelingen neder. Een diaken opende hot rituaal en zong eenige verzen, welke de prelaten en wereldlijke grooten beantwoordden. Daarop begon de legaat overluid :

„Gelijk do H. Apostel Paulus onwaardigen van de gemeenschap der Kerk uitsloot, door de bedorven ledematen van het levend lichaam onzer H. Moeder , de Kerk , te scheiden , zoo heeft ook de Stedehouder van Christus, Paus Gregorius, de zevende van dien naam, u moeten uitsluiten van de gemeenschap der levenden, dewijl booze werken u in het rijk der dooden gevoerd hadden. God wil evenwel den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bckecre en leve. Dewijl gij nu rouwmoedig zijt, uwe misdaden betreurt en door dezen openbaren optocht geboet hebt, zoo ontvangt u onze geliefde Moeder, de Kerk , met open armen. —• Alvorens ik echter gebruik maken kan van de mij v-erleende apostolische volmacht, vraag ik u voor God, don Alwetende: Gelooft en belijdt gij, dat Paus Gregorius VII rechtmatig en volgens de canonieke wetten den Stoel van Petrus beklommen heeft ?quot;

„Vvlj gelooven en belijden!quot; antwoordden de boetelingen.

„Betreurt en veroordeelt gij de bedreven misslagen, welke uwe uitsluiting buiten de gemeenschap der Kerk ten gevolge moesten hebben?quot;

„Wij betreuren en veroordeelen !quot;

„Belooft gij verder door een godvruchtigen levenswandel en door werken van deugd het volk voor te lichten, en zoo de gegeven ergernis weg te nemen?quot;

„Wij beloven !quot;

De legaat stond op en strekte beide armen over do knielenden uit.

Can. d. ii. 15

-ocr page 548-

226

„Krachtens de maclit mij verleend door onzen aposto-lisclien Hoer riep bij op pleclitigen toon , „ontsla ik u van den ban , ik ontbind u van alle kerkelijke straffen, ik neem u op in de gemeenschap der geloovigen, opdat gij deel kunt hebben aan allo zegeningen , gebeden en offers der Kerk , in den naam des Vaders , en des Zoons en des heiligen Geestes.quot;

„God zij gedankt!quot; riepen zij, die van den ban ontslagen waren , terwijl zij van de knieën opstonden.

Op hetzelfde oogenblik viel het trompetgeschal in, het orgel gaf den lofzang , Te Deum , van den H. Am-brosins, aan , die door duizenden gezongen werd , en zoo ging de stoet de kerk binnen. Een plechtige iioog-dienst begon. ISTa den afloop daarvan keerde de stoet naar het klooster terug, waar zij, die van den ban ontslagen waren, hunne kleederen aantrokken en een gemeenschappelijken maaltijd gebruikten, bij welken zij door de aartsbisschoppen van Mainz en Trier bediend werden. Er heerschte een vroolijke stemming en op aller gelaat stond zielerust en levendige vreugde te lezen over de verlossing van den drukkenden last van den kerkdijken ban.

PAUS EïT KONING.

De vorsten waren vergaderd in het koor der kerk, om recht te spreken over den koning , en de wankelende grondvesten des Rijks te schragen.

De krijgshaftige bisschop Bucco van Halberstadt was

-ocr page 549-

227

in sterke wapenrusting verschonen; voor hem lagen lijvige folianten , in perkament gebonden en van groote koperen sloten voorzien.

Een overlegd plan tot bestrijding van den gehaten tyran scheen door de Saksers afgesproken ; want nauwelijks was ie zitting geopend , of allen keken naar den Saksischen hertog Magnus. Deze man had voor zijn vaderland al veel verduurd. Door den koning was hij gedurende verscheidene jaren in strenge gevangenschap gehouden en tegen diens wil vrij gelaten. Nu stond hij van zijne plaats op.

„Als ik den zin van het pauselijk schrijven aan deze hooge vergadering juist beoordeelbegon de Saksische hertog, „dan wenscht de Paus slechts, dat Hendrik IV zijne slechte raadslieden verwijdere, zich ernstig betere , de Kerk niet als een dienstmaagd behan-dele, en dat hij dan ongehinderd den schepter in het Duitsche Kijk voere. Dit gevoelen strookt wel met de vaderlijke goedheid van den Opperherder te Rome, maar niet met de ontredderde zaken in het Rijk. Iemand, die zoo ongebonden, leugenachtig, plichtvergeten en wreed is als Hendrik IV , kan en mag niet langer de kroon dragen. Deze ellendeling is niet in staat, en ook niet voornemens , de ontelbare wonden te heelen, die hij en zijne slechte raadgevers en helpers aan het Rijk geslagen hebben. Ook is het een dwaling, als de Paus meent , dat Hendrik IV in zich zeiven koeren en zijne ondeugden in deugden veranderen zal. Nooit is het gehoord , dat een wolf de natuur van een lam, of een gier die eener duif heeft aangenomen. Vroeg de Paus aan de Saksers eens en aan allen, die het ongeluk gehad hebben Hendrik IV nader te leeren kennen, of deze gier, deze wolf voor een waarachtige verbetering vatbaar is. Men ga naar Saksen,quot; ging hij voort

15*

stiftiaM

i -«' ;ijö

lü:

siii

m %

JfI

quot;WK!

SI

te

11

■■¥ i

.1 (

1$^

i m

twf,

i

-ocr page 550-

228

met verheffing van toon , „men hoore en zie hoe daar met land en volk , mot aanzienlijken en geringen, met geestelijken on leeken door Hendrik IV is omgesprongen ! Al onze vrijheden heeft hij vernietigd. Het juk der ellendigste slavernij heeft hij ons opgelegd. En toen de Saksers , tot wanhoop gedreven , naar hot zwaard grepen , riep hij liet geheele Rijk ter heervaart op en veranderde het land in een woestenij. Ik vraag u nu: handelt zoo een christelijk koning ? Neen, — zoo handelt slechts een gewetenloos tyran !quot;

„Zoo is het, — een tyran !quot; riepen vele stemmen.

„Gaat naar Saksen,quot; ging Magnus voort, vraagt do echtgenooten naar hunne vrouwen , vaders en moeders naar hunne dochters , — vraagt hun , hoe de koning en zijn handlangers in de dwangburchten met vrouwen en maagden te werk gingen. Niemand van het vrouwelijk geslacht is zeker voor de dierlijke wellust dier deugnieten. Schande, smaad en onteering brengen zij over de adeljjksto familiën ; want naar de meening van Hendrik IV zijnk alle Saksers verworpen knechten en slaven. Derhalve behandelde hij ook de edelste familiën, als slaven. Deze man, Hendrik IV, heeft geenszins genoeg aan de huwelijksplichten, — neen, — als een Moorsch vorst houdt hij er een groot aantal bijzitten op na. Zelfs de bijzitten bevredigen het ondier niet; waar hij een bevallige vrouw, of een schoone maagd ziet, rooft hij die met geweld , onteert en schandvlekt ze. En zoo de heer is, zoo zijn de knechten. De dienstmannen en voogden der talrijke dwangburchten handelen juist als Hendrik IV. De pest hunner ondeugden verbreidt zich over het geheele land. — Ik vraag u: is zulk een despoot, zulk een verdierlijkt monster waardig een volk te regee-ren ? quot;

-ocr page 551-

229

„Neon — neen! Van don troon met hem!quot; word er stormachtig van alle zijden geroepen.

„Tot in hot heiligdom verwoest de onteerendo hand van Hendrik IV,quot; ging Magnus voort. „Hij verkoopt bisdommen en abdijen aan de schandelijkste, zedelooste menschen, zelfs aan gemeene misdadigers en moordenaars. Deze huurlingen en knechten van den tyran verbreiden de pest der slechte zeden onder het volk. Wat moet er van de Duitsche natie worden, als zij mot duivelachtige plannen en berekeningen van hoogerhand zedelijk en godsdienstig te gronde gericht wordt ? Zou wellicht de koning het volk willen ontzenuwen, om het des te gemakkelijker onder het juk zijner dwingelandij te brengen ? Geenc herders zijn die ellendelingen , die veile Simonisten van den misdadigen Saliër , wTelke de kudde christelijk aanvoeren en leiden , maar wolven, die de zielen ongelukkig maken. Vrome bisschoppon en abten daarentegen, die tegen het bederf ijveren, jaagt Hendrik IV van hunne zetels , hij werpt hen in de gevangenis , hij laat ze vergiftigen en vermoorden. In deze vergadering zijn enkele prelaten , die uit eigen ondervinding mijne laatste beschuldiging kunnen bevestigen. Wie voert derhalve den schepter van Hendrik IV ? Wellicht gerechtigheid , eerbied voor den godsdienst en zijne bedienaren , zuiveren levenswandel en een edel voorbeeld voor het volk ? Neen , — van dit alles juist het tegendeel ! Onderdrukking , gewelddadigheid , wellust, plichtschending, roof en moord heer-schen in het Eijk. De geheele zedelijke orde wordt met den ondergang bedreigd. Derhalve ben ik niet in staat, de inzichten van den Paus te deeleu. Ik stem veeleer naar plicht en overtuiging voor de afzetting van Hendrik IV en voor de keuze van een nieuwen christelijk gezinden koning , zooals hij volgens zijn

-ocr page 552-

230

instelling, volgens do bepalingen der Rijkswetten en volgens den wil van liet Duitsche volk moet zijn.

Luide bijval , oorverdoovende goedkeuring.

„Ik dank u, mijn broeder, mannelijk hebt gij gesproken riep de markgraaf Otto uit, welke naast den hertog gezeten was, en die hem omhelsde.

Velen keken naar de legaten, om den indruk waar te nemen van de rede des hertogs. Zij behoefden niet lang in het onzekere te verkeeren. Bisschop Altmann van Passan stond op.

„Do doorluchtige hertog Magnus van Saksen,quot; zeide hij , „heeft de meening van den H. Vader niet juist gevat. Ongetwijfeld wenscht niemand de bekeering en do verbetering des levens van Hendrik IV vuriger, dan de Paus. Onder die voorwaarde wil hij hem van den ban ontslaan , en hem na volbrachte boete den vredekus geven. Maar in do inwendige zuiver politieke aangelegenheden van het Duitsche Rijk wil zich de Paus niet mengen. Als het deze hooge vergadering noodig oordeelt , Hendrik IV af te zetten en een nieuwen koning te kiezen , dan heeft de H. Vader tegen dit plan niets in te brengen. Zelf het ontslaan van Hendrik uit den ban, stelt de Paus afhankelijk van de besluiten der Duitsche Standen. Want de H. Vader zegt in zijn schrijven uitdrukkelijk: „ Wij zullen den koning in de heilige gemeenschap weder opnemen onder de voorwaarden , welke ons uwe liefde voorslaat.quot; Bijgevolg bestaat er volstrekt geen grond om aan te nemen, dat Gregorius VII een goddeloos man aan de Duitsche natie als koning wil aanbevelen.quot;

Deze verklaring van den legaat,, welke koeltjes opgenomen werd , scheen voorzien te zijn ; want onmid-delijk stond Bueco van Halberstadt achter zijn stapel folianten op ter beantwoording.

-ocr page 553-

231

„Wij kunnen ook mot deze nadere verklaring omtrent de inzicliten en bedoolmgen van den Paus geen vrede nemenbegon hij. r Als een kudde schapen door wolven aangevallen en verscheurd wordt, dan is het geenszins voldoende , dat do herder tegenpruttelt en in treffende woorden de natuur van den wolf afschildert , maar de herder moet zijne kudde manmoedig verdedigen cn de wolven dooden. Ik zeg dit, omdat Gregorius VII volstrekt niet die beslissende stelling tegen den koning inneemt, welke wij volgens de grondwet van het Eijk kunnen eischen. Ik zal het bewijs voor mijn billijken blaam trachten te leveren.

Bucco opende een der folianten.

„In de capitulariën van Karei den Groote lees ik als volgt: v »Wij willen cn bevelen, dat allen hunnen priesters, van hoogeren of minderen rang, van den geringste tot den hoogsten , als aan God den Allerhoogste j van AVien de priesters de gezanten zijn, zullen gehoorzamen. Want wij kunnen niet inzien, hoe diegenen ons getrouw kunnen zijn , die zich ontrouw jegens God en ongehoorzaamheid jegens Zijne priesters toonen, of hoe diegenen ons, onze dienaren en gezanten zullen gehoorzamen , die aan de priesters, welke over hen gesteld zijn , niet in goddelijke zaken en in do behoeften der Kerk gehoorzamen. Die daarin, wat verre zij , nalatig of ongehoorzaam bevonden worden, weten , dat zij , noch in Ons Rijk , zelfs als zij Onze zonen waren, eerepostcn ontvangen, noch een plaats in het paleis , noch met Ons en do Onzen verkeer en gemeenschap hebben , maar veeleer dat zij gestraft, als eerloos en verworpen beschouwd en met den verkoop hunner huizen verbannen zullen worden ').quot;

!) Cap. eccl. Carol. Magni, Labbé IX, p. 231 v.v.

-ocr page 554-

232

Bucco sloeg den foliant diolit en opende een tweeden.

„Onze broeder van Halberstadt,quot; zeide de pauselijke legaat glimlachend tot den patriarch van Aquileja , „gaat degelijk te werk. Aaiiitonds zal hij aantoonen , dat de vaderlijke toegevendheid van Gregorius tegen de grondwet dos Rijks strijdt.quot;

„quot;Werkelijk is dit ook het gevalantwoordde Sigi-hard.

„In het aanhangsel dor Frankische capitulariën staat verder,quot; ging Bucco voort, terwijl hij las: „ „-Rex komt af van recte nrjendo. Waarlijk, koning is slechts diegene, welke vroom , rechtvaardig , barmhartig handelt; zonder dat is elk heorscher een tyran. liet ambt van den koning verplicht hem, om het volk naar billijkheid en gerechtigheid te regeeren , vrede en eendracht te handhaven 1).quot;' quot;

Bucco deed den foliant toe en zeide met sterke stem: „Zooals genoegzaam bekend is, zijn do Frankische capitulariën, vervaardigd en goedgekeurd door den keizer en de vorsten , verbindend tot op den huldigen dag voor den Duitschen koning , voor de Rijksgrooten en voor het Duitsche volk. Naar den geest eu den inhoud dezer capitulariën gold en geldt nog de godsdienst als de grondslag des Ilijks, als de verlevendigende ziel van het groote staatslichaam. Daarom moet elk heerscher van een godvruchtige stemming doordrongen zijn. Nimmer kon of mag iemand koning genoemd worden , die zich niet laat leiden door godsdienstige drijfveer en ; want een koning is de plaatsbe-kleeder van God. God dienen, is heerschen. Uitdrukkelijk schrijft de H. Paulus aan de Romeinen: „Do regeerders zijn niet den goeden werke maar den kwaden

1

) Hergenrother , bk. 4.

-ocr page 555-

233

tot vreeze. Want zij is dienares van God , u ten goede. Maar zoo gij het kwaad doet, vrees! Want niet vergeefs draagt zij liet zwaard. Zij is dienares van God, wreekster , tot gramschap hom , die hot kwaad doet1).quot; — Koningen kunnen derhalve slechts diegenen zijn, welke de hun toevertrouwde macht volgens den wil van God tot heil des volks gebruiken ; want even hoog , als de rechten des konings, staan de rechten des volks, ja nog hooger. Het volk is er niet ter wille des konings, maar de koning is er ter wille des volks. Dien maatstaf geven de Rijkswetten aan den koning, en volgens dien maatstaf moet ook de Paus handelen. Is dit geschied van den kant des Pausen ? Komt zijne toegevendheid en vergevingsgezindheid overeen met de tallooze gruwelen en misdaden van Hendrik IV ?quot;

De bisschop zweeg en keek naar do legaten. Evenzoo waren aller oogen op de gezanten van den Paus gericht. De legaten zwegen.

„Ik vraag aan deze hooge vergadering riep Bucco uit, „heeft Hendrik IV zijne plichten als regent vervuld ? Heeft hij den schepter gevoerd volgens den wil van God, volgens de bepalingen der capitulariën, volgens de billijke wenschen des volks ?quot;

„Xeen , — neen! Integendeel! quot; antwoordden vele stem men.

„Een koningging de Sakser op strengen toon voort, „die zijn eed breekt, die zijn overeenkomst met hot volk niet nakomt, inhoudende, dat hij naar recht en gerechtigheid, in den geest van het Evangelie zal rogeeren , is van don troon vervallen. Eed , noch trouw bindt het volk verder aan hem , ofschoon de Paus Let volk niet van den eed van getrouwheid ont-

') Paulua aan de Eomeinen XIII ,3,4. (Vert. Lipman).

-ocr page 556-

234

sloeg. Is dit wellicht mijn persoonlijk gevoelen? Neen, het is de overtuiging der geheele Christenheid. Voor eenige maanden heeft koning Willem van Engeland een quot;verzameling van wetten uitgevaardigd, waarin het

volgende voorkomt.quot;

De bisschop opende den derden foliant en las; „Een koning echter, die de plaactshekleeder van don hoogsten koning is , werd daartoe aangesteld , dat hij het volk Gods en voor alles de H. Kerk eerbiedige, dat hij hen togen onrechtvaardige aanvallen verdedige , dat hij booswichten uit de voeten make en tegen hunne wandaden en Kerk en volk beschcrme. Doet hij dit met, dan verliest hij den naam en de waardigheid eens konings1).quot; — Uit dit alles moet u, doorluchtige hoeren en oerwaarde brooders, duidelijk zijn , dat een koning niet willekeurig mag regoeren, maar naar bepaalde wetten. Moet nu het Duitsche volk met een man op den troon genoegen nemen, die regeert, zooals het zijn goddeloos hart behaagt? Die allo wetten, alle plichten van een regent met voeten treedt ? Die een volslagen tyran is? Kan de Duitsche natie een koning dulden, die niet eens vrij , maar een slaaf is ? Want zoo schrijft de H. Augustinus in zijn werk de civitate Dei: „De booze is een slaaf, al ware hij ook een koning , en niet de slaaf vau een enkel pe-soon , maar van zooveel gebieders , als hij ondeugden heef-.quot; — Wie kan nu de ondeugden van Hendrik IV a'.len opsommen ? Zal iemand den roemrijken Duitschen koningstroon voortdurend mogen onteeren , en wel iemand wiens lage slavernij door het geheele Kijk bekend is ? Bijgevolg besluit ik : deze hooge vergadering zou Hendrik IV het beheer van het Eijk niet verder

1

) Hergenrolher , blz. 6. Aanm.

-ocr page 557-

235

kunnen toevertrouwen, al wilde zij zulks ook doen. Do Rijkswetten, de geest van onzen tijd, de meeningen der menschen, de duidelijke woorden des Bijbels , welke de overheid eene dienares van God noemt, — alles vordert noodzakelijk ie onttroning van den tyran, de afzetting van een man , die leeft en regeert, als een heiden. Naar jpjiclit en geweten stem ik : Hendrik IV moet van den troon.quot;

„Hij moet van den troon, — hij moet van den troon !quot; weerklonk het stormachtig in do kerk.

Nauwelijks waren de woorden van Bucco weggestorven , of Otto van Xordheim stond op om uit de rede van den bisschop wapenen te smeden tegen de toege-vendheid des Pausen.

„Do eerwaarde vader van Halberstadt toondo klaar en duidelijk, hoe een koning naar de wet en het aloud gebruik verplicht is te regeeren, en hoe zijne hand den schepter voert, zoodra hij in het koninkrijk Gods heerscht, als een heiden. Daarvandaan neemt, volgens mijn gevoelen, Paus Gregorius in onzen strijd met Hendrik IV niet die houding aan, die lijj behoorde aan te nemen. Wij hebben recht van den Paus te verlangen , dat hij bepaald , ja beslissend tusschenbeide kome, krachtens zijne waardigheid als Opperherder. Do Paus toch is de opperste Herder, de Vader aller Christenen. Elke onderdrukte wendt zich tot hem, en wordt de bijstand onthouden , dan schijnt do pauselijke plicht verzuimd. Do Stoel van Petrus wordt gehouden voor den zetel van recht en gerechtigheid, voor het toevluchtsoord van alle vervolgden. De Vader van alle weduwen en weezen en van het gehoelo christenvolk is de Paus. Derhalve hebben wij Saksers , en andere Duitscho stammen , herhaaldelijk boden naar Rome gezonden , onzen nood en ons ongeluk aan don Paus

-ocr page 558-

236

geklaagd , dringend om eene uitspraak tegen den koning, om hulp en bijstand tegen den tyran gesmeekt , — weshalve zwijgt de stedehouder Gods ? Weshalve verklaart hij den man van misdaden niet vervallen van den troon ? Waarom ontslaat hij vorsten cn volk niet van den eed van getrouwheid ? AVij vorderen dit van den Paus , wijl ons zijn ambt van Opperherder het recht geeft, dit van hem te vorderen. Wel is waar kunnen do standen van het Rijk, ook zonder den bijstand van den Paus , Hendrik IV afzetten en een nieuwen koning kiezen , heeft evenwel de Paus hiertoe zijne toestemming niet gegeven , dan mist onze handeling hare waarde en hot volle vertrouwen des volks. In den naam der gerechtigheid , — in den naam van het onderdrukte volk , — in den naam der smadelijk mishandelde Kerk, bidden en bezweren wij den H. Vader, eindelijk de geheele strengheid van zijn herdelijke bediening te gebruiken tegen den man der boosheid , tot heil der Kerk en van het Rijk.' '

De Saksische vorst zweeg en keek naar de pauselijke legaten. Deze zaten onbeweeglijk. Er ontstond een lange pauze van pijnlijke verwachting. Nu stond de aartsbisschop Udo van Trier op.

„De doorluchtige hertog Otto wraakt de verzoenende toegevendheid van den Paus voor den ongelukkigen koning,quot; zeide hij. „Ik kan niet instemmen met die beoordeeling. Ik bewonder veeleer de scherpzinnigheid en wijsheid van Gregorius VII. Werd ook Hendrik afgezet en een nieuwen koning gekozen, — dan zouden daarom de macht en den invloed van het Salische huis niet ophouden. Met deze woorden wil ik slechts op een gevaarlijk lot wijzen, dat het geheele Rijk wacht, tengevolge van een overijlden stap van dezen vorstendag ? quot;

-ocr page 559-

237

Algemeene ontevredenheid, gemor en een hoorbaar klinken der zwaarden. De aartsbisschop moest eenige minuten zwijgen. Vervolgens ging hij voort: „De doorluchtige heeren en eerwaarde broeders veroorloven mij , den verzoenenden geest van den Paus goed te keuren. Men moet do smeulende pit niet uitblusschen en het geknakte riet niet breken. Onze koning is een geknakt riet, een smeulende pit. In ootmoed buigt hij zijn gezalfd hoofd, bereid, het ergste af te wachten. Gisteren zond hij een bode, om deze hooge vergadering te melden, dat hij zich aan alles onderwerpen , en derhalve morgen vertrouwde mannen met nadere inlichtingen zenden wilde.quot;

Veler hoofden bewogen zich heftig en gaven hunne afkeuring te kennen.

„De leugenachtige huichelaar verdient verachting riep een ander.

„Dat is waar, de koning brak zijn woord even gewetenloos , als zijn heiligste eeden ,quot; antwoordde de aartsbisschop lido van Trier. „En omdat Hendrik IV geen geloof verdient en elke aanspraak op vertrouwen verloor , daarom zal de vorstendag middelen beramen , om den Saliör aan zijne besluiten te verbinden en hem daartoe te verplichten. Wijl eindelijk deze hooge vergadering eerbied voor en naleving van de wetten aanprijst , zal zij geen oogenblik aarzelen, deze op den koning toe te passen; want geen vrij man mag onverhoord gevonnisd en veroordeeld worden. Derhalve doe ik het voorstel, morgen de afgezanten van den onge-lukkigen monarch aan te hooren.quot;

Dit voorstel bracht een storm van afkeuring teweeg. De strijd was hevig. Wijl echter de eisch van Udo zijn oorsprong vond in de wet, kozen langzamerhand de scherpzinnigste en machtigste heeren zijne zijde. Do

-ocr page 560-

238

zitting werd eindelijk geschorst met het besluit, om de boden des konings aan te hooren.

Graaf Nellenburg staafde de bekende trouw aan den koning en de genegenheid , die zijne familie den vorst steeds had betoond. Hij spoedde zich naar zijne woning en berichtte de geheele toedracht aan den Saliër. Hij verzuimde niet, hem don zekeren ondergang voor oogen te houden, als hij weigerde, met een oprecht hart aan de vaderlijke en toegevende verzoeken van den Paus te voldoen en zich onvoorwaardelijk aan do uitspraak van den vorstendag te onderwerpen.

Vervolgens kwam Siegfried, die door den aartsbisschop vriendelijk werd ontvangen.

„Ik heb hot overwogen en raadzaam gevonden , dat gij den burchtheer van den ïrifols verzoekt, om Godila uit te leveren,quot; begon Udo. „Zouden uwe pogingen vruchteloos zijn, dan zul ik alles in het werk stellen.

De jonge man vernam met eenige verwondering dezen raad.

„Mij weerloos overleveren aan een man, die naar mijn bloed dorst? Verschoon mijn argwaan, eerwaarde vader! Ik vrees , dat de koning van deze gunstige gelegenheid gebruik zal maken, om iemand uit de voeten te maken , die met zijne schanddaden bekend is.''

„Dat zal hij niet, dat kan hij niet,quot; -.antwoordde Udo bepaald. „De vorstendag besloot, de boden des konings te ontvangen en aan te hooren. Mij hebben de groeten des Eijks de taak opgedragen , dit besluit ter kennis van den monarch te brengen, hetgeen door dit schrijven geschiedt. Bijgevolg zijt gij de overbrenger van dit schrijven, een Rijksbode, beveiligd voor allo hinderlagen.quot;

„In die hoedanigheid zou ik ongetwijfeld ongenaak- ,v baar zijn voor den wraakzuchtige,quot; zeide Siegfried.

-ocr page 561-

239

„Begeef u er onverwijld heenzeide Udo. „Om opzien te vermijden , — want de gemoederen zijn toch al reeds zoo verhit, zal uw geheel gevolg bestaan uit een trompetter , die mijne banier draagt.quot;

Een kwartier uurs later reed Siegfried aan den Eijn , voor hem uit een ridder van den aartsbisschop van Trier, met een vliegend vaandel. Een veerpont bracht hen over. Aan de overzijde werden zij opgewacht. Een schitterend gevolg van hovelingen ontving den Rijksbode en geleidde hem naar het vorstelijk verblijf.

Oppenheim ligt aan den voet van een heuvelrij vast aan den Rijn. Op de kruin dezer heuvelrij verheft zich een gebouw van twee verdiepingen, met een ringmuur omgeven, een dier kroongoederen, zoo als er tot Rome toe duizenden in het Rijk verstrooid liggen. Die kroongoederen waren zoo talrijk , dat de Duitsche koningen, op hunne tochten naar Rome, telkens op een goed , in een burcht of stad konden overnachten , welke aan de kroon behoorden.

Nauwelijks had Siegfried een voorkamer der koninklijke vertrekken betreden , of eene deur werd haastig geopend en Hendrik, als door onzichtbare machten gedreven, kwam binnengestormd. De jeugdige held stond verbaasd over de buitengewone verandering in het uiterlijk van den vorst. Die trotsche overmoed van zijn wezen, die zich boven elke orde van recht en wet misdadig verheft, had plaats gemaakt voor een schuwe, angstige houding. Kommer en zware zorgen knaagden aan eiken trek van ziju bleek gelaat. De oogen lagen diep in hunne kassen en waren een weinig ontstoken. Onzeker en haastig waren zijne bewegingen, — ken-teekenen van inwendige stormen. De mond was krampachtig saamgcknepen en droeg in zijne lijnen verscherpt elke uitdrukking van de verhardheid en wreedheid van

-ocr page 562-

240

den despoot. Ook in de blikken zag het er soms uit, als een vuur , dat uit een geestelijken afgrond opstijgt. — Zoo zou elk scherpzinnig mcnsclicnkenner op liet denkbeeld komen, dat de koning, wel is waar, het groote gevaar van een wanhopigen toestand inzag , maar dat een inwendige verandering ten goede nog geenszins voorhanden was.

Zonder den persoon van den Eijksbode te beschouwen , den onrustigen blik steeds op het schrijven in Siegfrieds hand gericht, trad de koning haastig toe en greep naar den brief.

„Wacht hier !quot; zeide hij , zich schielijk omkeerend en naar de kamer terugijlend , waar zijne vertrouwdste raadgevers en een gedeelte der „twaalfquot; wachtten.

„Hendrik verbrak met bevende hand het zegel , en terwijl hij las , hingen de onderzoekende blikken der raadslieden aan zijne gebaren. Zij meenden , een flauwe schemering van hoop op het gelaat van den lezende te bemerken , die evenwel spoedig in de uitdrukking der diepste neerslachtigheid veranderde. Zwijgend gaf hij den brief aan den bisschop Eobert van Bamberg , die hom luid voorlas. Intusschen zat de koning ter nedergedrukt, op de nagels bijtend, in somber gepeins verzonken.

De raadslieden erkenden, dat een verzoening van Hendrik met do Kerk on het Rijk hunnen val ten gevolge moest hebben. Daarom spanden zij al hunne krachten in , om een gelukkige wending te verhinderen.

„Nu wordt toch klaarblijkelijk de afval van den eed van getrouwheid dor vorsten aan hun koning openbaarriep bisschop Eppo van Zeiz uit, nadat Robert geëindigd had. „Zoo als üdo meldt, wil de vorstendag slechts onderhandelen onder voorwaarde van oen alge-heele onderworping des konings aan de besluiten der

-ocr page 563-

241

vergadering. quot;Wanneer is ooit een dergelijke onbeschaamdheid gehoord ? quot;

„Die oproerlingen hebben hot op de schandelijkste vernedering der kroon gemuntzeide toornig bisschop Werner van Straatsburg. Zelfs de vrijgevigste inwilligingen zouden die plichtvergetenen niet bevredigen. Een naamkoning willen zij , die slechts den koningstitel voert, terwijl zij alle macht in handen hebben.quot;

„De vorsten zijn er op uit om onzen gebieder te beleedigen , om het koninklijk gezag schand aan te doen,quot; riep Godesheim. „Nimmer werd het gehoord, dat een koning de onderhoorige knecht zijner vazallen kon worden.quot;

„Wij zijn niet weerloos hernam de oppor-paltsgraaf Rapoto. „Onze Heer is bereid te sterven voor de eer der kroon.quot;

„De vijanden overtreffen ons tienvoudig in macht,quot; antwoordde de Saliër met half gesmoorde stem.

„Dat doet er niet toe!quot; riep Godesheim. „Liever in eere sterven, dan in smaad en verachting leven.quot;

Te vergeefs. De gebruikelijke kunstgrepen der raadslieden , om Hendriks trots te prikkelen , bleven zonder gevolg. De vorst stond op , verliet zonder opheldering te geven de kamer en ging naar Siegfried.

„Groet den aartsbisschop van Trier van mij,quot; zeide hij. „Ik zal morgen boden zenden en mij alles laten welgevallen , wat met de waardigheid des konings niet strijdt.quot;

Hij keerde zich om en wilde het vertrek verlaten.

„Heer en koning,quot; begon Siegfried, „nog een tweede boodschap vordert oplossing, die niet minder belangrijk is, dan de eerste; zij betreft uwe eer. Gij hebt Godila, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen , ge-Can. d. ii. 16

-ocr page 564-

242

•welddadig uit het klooster St. Magdalena laten ontvoeren en naar den Trifels laten brengen.quot;

Hendrik beschouwde den spreker oplettend, herkende den vgogd van Klingen en een lichte blos kleurde zijn bleek gelaat. Trotsch hief hij het hoofd op en keek den koenen ridder streng aan.

„Behoort ook dezo nietswaardige aantijging tot uwe zending?quot; vroeg hij op een dreigenden toon.

„Zonder twijfel, hoer en koning ! Gij hebt niet de minste reden , mij voor pliehtvergeten te houden. Bijgevolg zult gij het zeer natuurlijk vindon , dat ik eene maagd, die onder mijne hoedo te St. Magdalena vertoefde en van daar door uwe dienstmannen geroofd werd, van u terugeisch.quot;

„Zouden wij het kind van den markgraaf Udo gewelddadig hebben laten ontvoeren ? Hoe komt gij aan die onbeschaamde beschuldiging ?quot;

„Dat blijkt zoo, antwoordde Siegfried. „Ik zelf sprak met de geroofde op den Trifels , waar zij tegen haren wil wordt vastgehouden.quot;

„En die omstandigheid moet de misdaad van maagdenroof bewijzen, — bedreven door mijne dienstmannen, — bovendien op ons bevel ? Zijt gij krankzinnig ?

„Loochen maar, dat die mannen op uwe bevelen handelden, — waarom weigert Dedi, uw voogd, dan de teruggave van Godila ?quot;

„De redenen zal hij zonder twijfel wel opgegeven hebben.quot;

„Redenen niet, maar wel niets beduidende voorwendselen ,quot; antwoordde Siegfried. „De eenige en ware reden van den maagdenroof en de gevangenschap van Godila op den Trifels hebt gij zelf feitelijk geleverd , — en deze reden is uw onuitsprekelijk slecht voornemen. De uitvoering eener schandelijke daad verhinderde mijn

-ocr page 565-

243

zwaard bij don ouden eik. „Ik moet bekennenquot; , ging hjj verontwaardigd voort , „de verleider van Godila is in zijne goddeloosheid verhard. Hard klinkt mijne taal en zonder aanzien van persoon , — als iemand , zelfs een koning en beschermheer van recht en wet, niet eens in grooten nood afstand wil doen van zijne schanddaden, dan is geen uitdrukking te hard.quot;

Hendrik keek don voogd met verkropte woede aan.

„Zijn wij op het oogenblik ook in verlegenheid zeide hij in dreigende rust, „dan veroorlooven wij toch nog geen beleediging.quot;

„Heer en koning ,quot; riep de jonge man met gloeiende oogen. „Kijk in het dikke boek, in hetwelk uwe schanddaden, wreedheden en gruwelen staan opgetee-kend, en gij zult vinden, dat zelfs een onbeschaamd, leugenachtig bedorven monsch , naast u geplaatst, de zuiverste onschuld zou zijn. Weigert gij Godila terug te geven, dan zal ik voor de vorsten optreden en de lange lijst, uwer schandelijke daden vermeerderen,quot;

„Gij hebt goene bewijzen.quot;

„Is mijn woord aan do vorsten niet voldoende , dan zal ik in het Godsgericht de waarheid mijner beschuldiging bewijzen. In geen geval zou mijne beschuldiging uwen toestand verbeteren.quot;

De Saliër bleef peinzend staan.

„Wat verlangt gij ?quot; vraagde hij met somberen blik.

„Uw burchtgraaf op den Trifels is bereid Godila de vrijheid te geven, tegen een schriftelijk en met het koninklijk zegel voorzien bevel,quot; antwoordde Siegfried.

Weer zweeg de vorst.

„Gij zult dit bevel hebben, — echter niet van daag, maar morgen of overmorgen , of op een anderen dag , wijl onze oogenblikken reeds allen door belangrijker

16*

-ocr page 566-

244

bezigheden worden ingenomen zeide de koning en hij verliet ijlings de kamer.

Siegfried was vertoornd en hij keek naar de deur , door welke de Saliër was heengegaan.

„Hoe zwaar valt het toch den duivel een schelmstuk achterwege te laten !quot; zeide do jonge held. „Welke verstoktheid, — welk een ondeugd ! Ik begin te ge-looven, dat alle trawanten en dienstknechten van satan onder een ijzeren schopter staan, dat zij allen mot ijzeren boeien gekneveld rondloopen , bijna onbekwaam , om van schurken eerlijke lieden to worden. Hoe zou anders zulk een waanzinnige versteendheid in het slechte te verklaren zijn? Blijkbaar is de snoodaard op nieuwe listen en sluipwegen bedacht, om zijn duivelswerk toch nog uit te voeren. Maar het zal hem niet gelukken. De aartsbisschop kan nu zijn gegeven woord gestand doen. Slaagt hij niet, dan maar openlijke beschuldiging voor de vorsten.quot;

Met dit besluit verliet Siegfried het koninklijk verblijf, besteeg zijn paard en keerde naar Tribur terug.

Nauwelijks hadden den volgenden morgen de Rijks-grooten hunne zitplaatsen in hot koor der kerk ingenomen , of er verschenen twee boden des konings, de opper-paltsgraaf Rapoto , oen der twaalf, en graaf He-rewart. Met vijandige blikken ontvangen en gevolgd , naderden zij den legaat en overhandigden hunne geloofsbrieven.

Terwijl bisschop Altmann het perkament opende en las , heerschte in de vergadering een drukkende stilte. Rapoto en Herewart lieten hunne oogen over dc lange rijen gaan. Allerwege ontmoetten zij duistere, dreigende gebaren en teekenen van verachting of toorn.

„De koningquot;, verklaarde Altmann van Passau, „zendt deze beide heeren van zijn hof, namelijk den opper-

-ocr page 567-

245

paltsgraaf Rapoto en graaf Hcrowart, om zijn verzoeken en voorstellen aan de liooge vergadering mede te deelen.quot;

Rapoto , een man van een onbehagelijk voorkomen, wien zijne taak zichtbaar zwaar viel , maakte een beweging , die voor buiging moest doorgaan en begon met oen stem, die zoo ruw klonk, als het rammelen der kettingen van zijn degenriem.

„Do koning, mijn heer , biedt op de eerste plaats deze hooge vorstenvergadering zijn groot.quot;

Terstond werd hij in de rede gevallen.

„Wij nemen den groot van een geëxcommuniceerden niet aanriep Otto van Nordheim.

„Den groet van een meineedigen en tyran verachten wij bevestigde hertog Magnus.

Rapoto wierp doodelijk vlammende blikken naar de Saksers.

„Ik bid de doorluchtige heeren, den spreker des ko-nings niet in de rede te vallenriep de legaat-voorzitter , toen er een oogenblik stilte heerschte.

„De koning , mijn heer begon de opper-paltsgraaf weder , „bekent oprecht voor God en deze hooge vergadering, dat hij, door jeugdige lichtzinnigheid en val-sche raadslieden verleid, de wetten des Rijks en die der Kerk, zelfs de geboden Gods, dikwijls en zwaar heeft overtreden. Hij bekent, veel onrecht gedaan en den schepter niet altijd gevoerd te hebben, zooals hij naar eed en plicht moest doen. Mijn heer en koning betreurt oprecht zijne misslagen. Derhalve belooft hij voor God en alle Heiligen, zijn loven te beteren en boete te doen voor het veelvuldig onrecht door weldaden , leenen en schenkingen. Mijn heer en koning verpandt zijn woord, dat hij nimmer in zaken van het Rijk iets zal ondernemen zonder den raad der vorsten, —

I

11

■ l|il f :|11

' li

•4il i

lm

■Uil

• *

111

I :pfl' li ^

-ocr page 568-

246

dat hij zelfs van al zijne rechten afstand wil doen cn de Rijksstanden volle vrijheid om te regeeren wil laten. Dat hot daarentegen deze hooge vergadering behagen moge hem den koninklijken naam en do onderscheidingsteeke-nen te laten behouden , die hij wettig ontving en die hij niet verliezen kan zonder den smaad van allen te ondervinden. Vertrouwt men zijne beloften niet, dan wil mijn heer en koning door eed en gijzelaars de zekerheid geven , dat geen dag zijns levens , geen verandering van zaken ooit zijn gemoedsgesteldheid zullen veranderen ïquot;^)

Deze onvoorwaardelijke onderwerping van den schuldigen Saliër veroorzaakte evenmin bevrediging , als men geloof sloeg aan zijn algeheele verbetering des levens. De man had door ongehoorde euveldaden, door het breken van woord en eed alle vertrouwen verloren. De rede van den koninklijken afgevaardigde was voortdurend vergezeld van gemor, heftig hoofdschudden der vorsten en andere teekenen van afkeuring en opgewondenheid.

Nauwelijks had Rapoto uitgesproken of velen sprongen van hunne zitplaatsen op , cn een verward geroep vervulde het koor.

Rapoto cn Herewart zagen de verbitterde gezichten, de ontstuimige gebaren, de groote verbittering, en beschouwden de zaak des konings verloren.

Paltsgraaf Frederik van Saksen was eindelijk aan het woord gekomen, waarvan hij mot groote bitterheid gebruik maakte.

„Als een wolf in den kuil ligt, doet hij mooie beloften , hij belooft alles, hij wil zelfs een zachtzinnig lam worden riep hij met eene stem , die van spot en

') Voigt, bl. 45G.

-ocr page 569-

247

gramschap beefde. „Diegenen echter zonden te beklagen zijn, die zoo dwaas waren, aan de beloften van den wolf geloof te slaan , en hom uit den kuil te trokken. Nauwelijks op vrije voeten, zou de wolf weder het oude, valsche, leugenachtige, roofzieke en moordzieke dier zijn. Weg met den wolf van den Duitschen troon!quot;

„Weg met den wolf, — den dood aan het roofdier!quot; riepen onderscheidene stemmen.

Nu stond Theodorich van Lotharingen op , een wijs en dapper heer.

„'s Konings trouw en woord behoeven niet eerst de proef te doorstaan zeide hij afgemeten. „De man belooft alles , maar hij volbrengt niets. Zooals genoegzaam bekend is , speelt hij met eeden en breekt ze als het hem goeddunkt, reeds op hetzelfde oogenblik De ondervinding leert zulks. Bijgevolg kunnen de be loften van dezen man voor ons geen waarde hebben Het toegeven is uit. Helaas , al te lang is toegegeven geraakte het geheele Rijk in verwarring

Leuven en bedrog , roof en moord

l'Xlï

en hierdoor en ontbinding.

echtbreuk en Simonie en allerlei slag van ondeugdei kwamen door het schandelijk bestuur van Hendrik aan de orde van den dag. Zulk een mensch verdient den naam en de waardigheid van koning niet. Hij doe afstand van den troon !quot;

„Hij doe afstand, — hij doe afstand!quot; riepen do vorsten.

„Onze bezittingen rooft hij, onze vrouwen onteert hij , onze heiligdommen ontheiligt hij, onze vrijheid vertrapt hij , — weg met den tyran !quot; riep hertog Magnus van Saksen onstuimig.

De legaat-voorzitter, de hopelooze en verbitterde stemming ziende , wendde zich tot de boden des konings.

„Meldt uwen gebieder,quot; zeide hij, „dat de hooge

-ocr page 570-

248

vorstenvergadering in zijne aanbiedingen niet kan treden, wijl het woord van Hendrik IV geen geloof verlient.quot;

„En wijl wij van meening zijn voltooide Otto van Nordheim , „dat een mensch , zoo goddeloos gezind als Hendrik, onverbeterlijk is.quot;

Do hovelingen verlieten het koor zonder te groeten of te buigen.

„Eerwaarde vaders en doorluchtige hoeren !quot; begon de hertog van Zwaben, Rudolf. „De Paus heeft ongetwijfeld do vorsten en het volk niet van den eed van getrouwheid ontslagen , hij heeft Hendrik IV do regeering ook niet verboden. Beschouwen wij intusschen de zaak nauwkeuriger , dan volgt uit den kerkelijken ban, noodzakelijk èn het ontslaan van den eed cn do onmogelijkheid voor Hendrik om te regeeren. Het is van algemeone bekendheid, dat elk verkeer met geëxcom-municeerden verboden is. Dewijl nu Hendrik IV in den ban is , wij en alle Christenen niet met hem in aanraking kunnen komen , daarom volgt hieruit de onmogelijkheid om te regeeren voor den geëxcommuniceerde. Do geheele Christenheid, het Duitsche volk, is een levend lichaam van vele ledematen. Elk geëxcommuniceerde , van de gemeenschap der Kerk uitgesloten misdadiger is een dood , van het groote lichaam afgesneden lid. Het is derhalve duidelijk, dat Hendrik zoolang onbekwaam is , om kroon en schepter te dragen, als hij van de Duitsche Christenfamilie gescheiden blijft. De Paus zou nu ongetwijfeld bereid zijn, den Saliër van den ban te ontslaan, als hij zijn zondig leven verlaat. Ik geloof niet aan die verandering. Wij kunnen veronderstellen, dat Gregorius waarschijnlijk bedrogen werd door veinzerij en huichelarij. Gij allen weet toch hoe ver Hendrik het gebracht heeft in het veinzen , liegen en huichelen. Laten wij zonder toeven

-ocr page 571-

249

een man tot koning kiezen, die ons voorgaat in den strijd tegen eiken overtreder der wet, tegen eiken vijand van den goddelijken wil, van liet Rijk en de Kerkquot; ').

Rudolfs voorstel vond algemeenen bijval. De machtigste vorsten waren het niet geheel eens omtrent den persoon van den nieuwen koning. Anderen wenschten , hunne stemmen aan leenen te verbinden en konden in die richting eersi werkzaam zijn, nadat de persoon , die gekozen zou worden , was aangewezen. Do geestelijke vorsten eindelijk waren ontevreden over de pauselijke toegevendheid jegens Hendrik.

Eindelijk greep de legaat in den verwarden , wankelenden loop der verhandelingen.

„Naar hetgeen ik heb opgemerktzeide hij, is de vraag omtrent de koningskeuze nog niet rijp. Ik bid de doorluchtige en eerwaarde heeren voor God en hun geweten die zaak ernstig te overwegen. Dat een ieder het recht en de gerechtigheid , den vrede der Kerk en van het Rijk, het heil der zielen en hot persoonlijk voordeel van niemand op het oog hebbe. Ik sluit heden do zitting , opdat, zoo hot mogt behagen , de keuze van een nieuwen koning morgen plaats hebbe.quot;

In hunne kwartieren teruggekeerd, begon er een druk verkeer tusschen de Rijksgrooten. Een groot aantal schaarde zich om den hertog Rudolf van Zwaben , vast besloten . hem de kroon to schenken. Daarentegen waren Udo van Trier , Sigifried van Mainz , benevens andere aartsbisschoppen , bisschoppen cn abten in de weer , om de plannen van den Paus te verwezenlijken. Dit deden zij geenszins enkel uit gehoorzaamheid aan den I aus , maar met het oog op de bloedige burgeroorlogen , als de spruit van het oude en machtige kei-

') Voigt, bl. 457.

-ocr page 572-

250

zershuis werd afgezet. Tot dat einde bezocht Udo van Trier den invloedrijksten vorst der Saksen , Otto van Nordheim. Beidon onderhandelden geruimen tijd met elkander en kwamen ten slotte tot een bevredigenden uitslag.

Nauwelijks werden de bemoeiingen van Udo rncht-baar , of er kwamen verscheidene opstekers in het leger , die uitstrooiden, dat het den Saliër gelukt was, de vorsten te misleiden en de kroon voor zich te behouden. Daarop ontstond een heftige beweging. De mannen liepen te wapen en maakten zich tot den slag gereed. Zij wilden den Rijn overtrekken , den koning verslaan en het Eijk van den tyran bevrijden. De pauselijke legaat, Altmann van Passau , ijlde naar den aartslis-schop Sigifried van Mainz en smeekte hem , onverwijld alle schepen en vaartuigen van den rechter Rijnoever te laten verwijderen. Zoo gebeurde het. Toen nu de strijdlustigen naderden, ontbraken hen de middelen, om over den Rijn te komen1).

Den volgenden morgen zond de koning nogmaals boden. Zij werden onverhoord van de vorstenvergadering afgewezen. Toen nam Otto van Nordheim het woord.

„Ik heb voor eenige dagen de stelling besproken, die de Stedehouder van Christus op aarde, de Paus, in het Kijk als opperste Herder der zielen, als Vader aller geloovigen , inneemt. Derhalve ben ik van meening , dat er bijzondere zegen op rust, om in overeenstemming met den Paus te handelen. Ik heb met eenige vorsten en wapenbroeders gesproken. Wy hebben samen overlegd en zijn tot het besluit gekomen , dat elke overijling en elke misgreep in een zoo hoogst

') Dambergsr, D. VII, tl. 890.

-ocr page 573-

251

gewichtige zaak het Rijk verscheuren en de allernoofliot-tigste gevolgen zou kunnen hebben. Wij willen evenwel de bestaande slechte toestanden wegnemen en geen ergere veroorzaken. Handelen wij derhalve in overeenstemming met de wijsheid des Pausen. Dientengevolge hebben wij eenige punten bijeengebracht, die zoowel ons geweten geru.ststellen , als het Rijk beveiligen tegen de verdere dwingelandij van den Saliör. Do eerwaarde vader , bisschop Bucco von Halberstadt, zal deze hooge vergadering de bedoelde punten ter behandeling voordragen.quot;

Onder algemeen gespannen verwachting stond Bucco op, met een beschreven perkament in de hand.

„Voorloopig begon hij, „liggen de punten los, zonder samenhang,, en zij moeten ingeval zij aangenomen worden , in den vorm van een verdrag omgewerkt worden.quot; Hij keek op het perkament en las : „Hendrik rv legt onverwijld alle koninklijke onderscheidingstee-kenen af en onthoudt zich van alle regeringszaken.quot;

„Dat is goed, — aangenomen!quot; riepen de vorston.

„De Paus zij scheidsrechter tusschen ons en den koning. Derhalve zullen wij den Paus verzoeken, op hot aanstaande foest van Maria Lichtmis bij ons te Augsburg te komen, om een rechtvaardig vonnis te vellen. Laat de koning één jaar en één dag verloopen zonder van den ban ontheven te zijn, dan heeft hij zijne waardigheid verbeurd.quot;

„Dat is goed!' riepen velo stemmen.

„De koning zal alle geëxcommuniceerden onverwijld uit zijne omgeving verwijderen , — hij zal onmiddelijk zijn leger afdanken, — hij zal in een stille stad als privaatpersoon gaan leven, — hij zal don bisschop van quot;Worms , die door hom verdreven is , terugroepen en genoemden bisschop het geroofde eigendom tcrug-

■gt;

Pi

villis

• '.M j--'. '-V:

-ocr page 574-

252

geven. Zou de koning eenige dezer punten overtreden, dan is hij afgezet en de vorsten zullen een nieuwen koning kiezen, zonder de beslissing des Pausen af te wacliten.quot;

„Placet, — dat is goed!quot; werd er van alle kanten geroepen.

Zelfs de onverzoenlijkste tegenstanders van den Saliër, bevielen deze harde punten buitengewoon goed, allen vonden die gelijk aan een afzetting.

BUitstel is geen afstelzeiden zij. „Komt de Paus op den Eijksdag te Augsburg , dan zullen wij alle ondeugden en euveldaden van den Saliër blootleggen. De Paus kan nooit zulk een tyran en woestaard tot koning over een christenvolk wenschen.quot;

Ten slotte werd aan Bucco van Halberstadt opgedragen de voorgelezen punten tot een verdrag te forrau-leeren, hetwelk de bisschop Udo van Trier aan den koning zou overbrengen.

ZONDER SCHEPTEH EN KROON.

Middelerwijl had do slechte ontvangst zijner afgevaardigden den Saliër ten hoogste ontstemd. De Rijksgrooten waren tot zijnen val en tot de keuze van oen nieuwen koning vast besloten , — dit zag hij duidelijk in. Vervolgens ontstelde hem de mare niet weinig, dat do vijand zich slagvaardig maakte en over de rivier komen, hem dooden en zijne aanhangers verslaan of uit elkander drijven wilde. In dien uitersten nood toonde Hen-

-ocr page 575-

253

drik moed en stoute vastberadenheid. Ofschoon in strijdkrachten lang niet tegen den vijand opgewassen , dacht hij toch niet aan een lafhartige vlucht. Veeleer gaf hij hevel, zijne krijgsbenden, die in dorpen en gehuchten om Oppenheim verstrooid lagen , ten krijg te ontbieden. Hij zelf gordde zijne wapenrusting aan , om persoonlijk de kroon te verdedigen , te overwinnen of met eer te sterven.

Er heerschte groote drukte in het koninklijk leger. Toen verscheen de aartsbisschop Udo van Trier met een klein gevolg en onder dit laatste de voogd van Klingen, Siegfried.

üdo verlangde een geheim onderhoud met Hendrik , dat onmiddelijk in oen vertrek van het koninklijk verblijf plaats had. Toen de koning in volle wapenrusting binnenkwam , en den aartsbisschop zag , werd hij hevig aangedaan. Het scheen dat hij de herhaaldelijk bewezen trouw van Udo indachtig word , alsook diens welmee-nende waarschuwingen, die nu zoo spoedig vervuld werden.

Vader Udo , is er geen redding meer mogelijk?quot; riep hij in bittere smart uit.

„Heil en redding hangen geheel af van de beslissing van uwe hoogheidhernam de prelaat. „De vorsten waren wel op het ergste bedacht, maar de invloedrijke voorspraak des Pausen en de bemoeiingen van zijne legaten stemden de grooten des Rijks tot toegevendheid.'^

Hendriks duistere blikken helderden op.

„Zou het mogelijk zijn ?quot; riep hij verrast uit. „Dank zij den H. Vader ! Toegevend en vaderlijk was Grego-rius altijd jegens mij gezind. Hoeft hij mij nu gered uit een wanhopigen toestand, dan zal ik dit nimmer vergeten.quot;

De aartsbisschop haalde het verdrag te voorschijn.

1

Pfll ^SHI

ïlf

(I Mi

ll

;gt;vs

■ KMÜS

If® lit

«11

'0f

Ai

' r iïi ' • - 'i ;'v'

illfc mm

• jfcÜ

p:1#

11

ïllf ' ■'lil*

^; -I m

ü-.ï

r

m

b

-ocr page 576-

254

„Bevallen u deze voorwaardenzeide hij op een smeekenden toon, „en zijt gij bereid, die nauwgezet te vervullen , dan verleene u de Voorzienigheid de genade , om door een wijze, rechtvaardige en christelijke regeering de zware vergrijpen en dwalingen van het verlcdene te boeten.quot;

De Saliër nam haastig het perkament, ging naar het raam en las. üdo sloeg den lezende nauwkeurig gade en trachtte de indrukken uit diens gebaren op te maken. Hij zag echter een gelaat zonder de minste uitdrukking, dat in geen enkele lijn een kenteeken van de inwendige stemming droeg.

Do koning had het stuk gelezen , stond trotsch op en gaf het perkament aan den prelaat terug.

„Aartsbisschop,quot; zeide hij met waardigheid, „het past den gezant van don vorstendag in een zoo hoogst belangrijke aangelegenheid behoorlijk te ontvangen en diens boodschap aan te nomen. Vertoef eenige cninii-ten, om dan met uw gevolg voor ons en ons hof te verschijnen.quot;

Nog stond Üdo verrast over deze onverwachte verklaring, toen de koning spoedig de kamer verliet.

„Wat moet dat beduiden?quot; zeide de prelaat bij zich zeiven. „Hij zal zyn besluit toch niet nomen volgens den raad zijner hovelingen ? Wee hem , als hij naar die menschen luistert, — naar die snoodaards zonder geweten, zonder doorzicht, — dio booswichten, die hem op den weg des verderfs gebracht hebben! — Algoede God !quot; bad hij met gevouwen handen en ten hemel geslagen oogen, „leer den ongelukkigen man wijsheid in deze noodlottige oogenblikken !quot;

Ongerust en bezorgd verliet de aartsbisschop het vertrek , naar zijn gevolg terugkeerend , dat in een portaal van het verblijf vertoefde.

-ocr page 577-

255

De tijd verliep. Udo bleef nauwelijks een oogenblik op dezelfde plaats staan , hevige onrust dreef hem heen en weer door het portaal. Hij bemerkte een groote bedrijvigheid in de uitgestrekte gebouwen, een druk heen en weer loopen door de gangen. Eindelijk verscheen de opper-kamerheer in zijn ambtsgewaad , met het gebruikelijk verzoek aan den aartsbisschop om hem te volgen.

De man met het zilveren stafje ging vooruit do trap op en geleidde Udo en diens gevolg in een groote zaal, die door de keizers, bij hun verblijf te Oppenheim, voor vergaderingen gebruikt werd. Aan het boveneinde der zaal stond een eikenhouten zetel en daarvoor een voetebankje. Kostbare tapijten lagen voor den stoel uitgespreid en boven dezen prijkte aan den muur het Eijkswapen. ïuemand bevond zich in de zaal, en Udo wachtte met klimmende onrust don verderen loop af. Nu ging een dubbele deur wagenwijd open. Men kon naderende voetstappen hooren. Twee kamerheeren in rijke kleederen kwamen binnen en oj) deze volgde het geheele hot, oen niet onbeduidend aantal bisschoppen , vorsten en lieeren. Allen droegen kostbare kleederen en op aller gelaat stond somberen ernst te lezen. Zonder acht te slaan op de tegenwoordigheid van Udo , gingen zij naar den troonzetel en elk nam daar volgens zijn rang en waardigheid de plaats in , die hem toekwam.

Onmiddelijk achter de bisschoppen Ludolf van Keulen en Burkhard van Lausanne volgde Hendrik in koninklijk gewaad, doch zonder Rijksappel. Op het hoofd droeg hij een gouden kroon, welker spangen groene steenen en witte paarlen sierden. Een rijk geplooid bovenkleed , door een gouden haak op de borst bijeengehouden , omhulde zijn geheele gestalte tot onder de knieën. Dit gewaad was van een donkere , iets naar het

-ocr page 578-

256

blauwe gelijkend roode stof — het purper van dien tijd. Dit purperen gewaad was met een breed gouden borduursel geboord. Vuurroode steenen van ovalen vorm , vierkante blauwe steenen en ronde paarlen in groot getal waren sierlijk in het gouden borduursel aangebracht. Een nauw onderkleed van bleekblauwe kleur , insgelijks met gouden borduursels, paarlen en edelgesteenten versierd , reikte tot op de schoenen , van een gouden stof vervaardigd. In de rechterhand draagt de koning een schepter, een langen zilveren staf, die in een gouden kogel eindigt, op welke een gouden duif met diamanten oogen zit. Hij bedient zich van den schepter bij het gaan, als van een staf, die hij in regelmatige tusschenpoozen opheft en nederzet.

Op het gelaat des konings ligt een waardige ernst, en geen teeken van onrust duidt zijn wanhopigen toestand aan. Do tegenwoordige houding van zekerheid en vastberadenheid kan wellicht zijn grond vinden in de reeds genomen besluiten en de volgende handeling zou slechts een formaliteit kunnen zijn.

Toen de monarch ging zitten, naderde den aartsbisschop van Trier een bediende met een zilveren schotel. Udo legde het perkament op den schotel en trad voelden koning.

„Do vorsten en Standen des Rijks te Tribur vergaderd zeide Udo na een diepe buiging , „hebben mij tot afgevaardigde aan uwe hoogheid gekozen. Dit schrijven bevat de besluiten van den vorstendag, — gevolgen van lange en rijke overweging. Heb de goedheid , heer en koning , kennis te nemen van den inhoud van dit schrijven en daarover uw gevoelen te kennen te geven.quot;

Hendrik nam het perkament van den schotel en gaf het aan bisschop Eobert van Bamberg over.

-ocr page 579-

257

„Laat eens ho oren , eerwaarde broeder, wat de vorsten ons melden zeide hij.

Terwijl Udo eenige schreden terugtrad en Robert het perkament ontvouwde stond op het gelaat der vorsten en hovelingen een brandende spanning te lezen.

De bisschop van Bamberg las:

De standen van het Duitsche Rijk, te ïribur vergaderd en beraadslagend op een vorstendag , bieden koning Hendrik , den vierden van dien naam, hunnen groet, zoo hij zich aan den geest der waarheid en gerechtigheid onderwerpt. — Dat gij in oorlog, evenmin als in vrede , wet noch recht gehouden hebt, willen wij nog eens op wettige wijze met u afhandelen.quot;

„De Paus zij rechter tusschen u en ons. Wij zullen hem verzoeken , dat hij op hot aanstaande feest van Maria Zuivering tot ons kome in de stad Augsburg. Daar zal door den vergaderden Rijksdag omtrent uwe zaak beslist worden. Ontheft do Paus u van den ban, dan blijft gij koning , veroordeelt hij u , dan hebt gij de kroon verbeurd.quot;

„Gebeurt het door uwe schuld, dat er één jaar en één dag van hot uur af, dat u den kerkolijkon ban trof verloopt, alvorens gij ontslagen zijt, dan hoeft uwe regeering opgehouden.quot;

Ten bewijze , dat het u ernst is , aan de beslissing van den Paus te gehoorzamen , dien Wij als scheidsrechter inroepen en benoemen , vorderen wij de navolgende punten : Ten eerste zult gij allen , die in den pauselijken ban zijn, onverwijld uit uwe omgeving verwijderen. Ten tweede zult gij uw leger afdanken. Ten dorde zult gij u naar do stad Spiers begeven en daar in gezelschap van den bisschop Theodorich van Verdun en eenige weinige anderen, van welke Wij weten, dat zij geen deel aan de schuld hebben , die op u drukt, Cax. d. ii. 17

-ocr page 580-

258

als privaat persoon leven , geen koninklijke bediening meer uitoefenen en op geen koninklijken voet leven. Gij zult verder do openbare godsdienstoefeningen niet bijwonen, maar stil en rustig de beslissing des Pausen afwachten. Gij zult verder uit de stad Worms , welks bisschop gij verdreven, en welke gij in een rooversnest veranderd hebt, uwe krijgsknechten laten aftrekken, genoemden bisschop zijn eigendom teruggeven en ook gijzelaars stellen , dat gij voortaan niets meer tegen hom en de stad zult beramen. Gij zult eindelijk uwe gemalin, die daar woont, tot u nemen.quot;

„Zoudt gij een dezer punten of allen te zamen in het minste overtreden , weet dan, dat wij ons tegenover u in niets meer gebonden achten, maar onverwijld tot een koningskeuze overgaan en dat Wij dan ook niet meer op de beslissing des Pausen zullen wachten 1).quot;

Dit schrijven der vorsten bracht op de omgeving des konings een geheel buitengewonen indruk te weeg. Ecnigen weerhielden met moeite hun ziedenden toorn, en aller oogen vlamden van woede. Graaf Ulrich van Godesheim, het hoofd der twaalf en van den raad, stond schijnbaar bedaard, voortdurend met gebogen hoofd, strak op den grond ziende en den inhoud van h'et schrijven volgende. Deze uiterlijke rust was evenwel slechts schijnbaar; want hij beet op de lippen , dat zij bloedden.

De koning alleen behield een waardige ernst.

Nauwelijks had Eobert geëindigd, of uitroepen van verontwaardiging en afschuw, vergezeld van heftige gebaren , lieten zich hooren.

„Onverdraaglijk, — beleedigend, — hemeltergerid, — dood aan de verraders!quot; en dergelijke uitdrukkingen werden gehoord.

Hendrik gebood stilte.

') Gfrorer, D. VII, bl. 54G v.v.

-ocr page 581-

259

„Daar ik do beschuldigde ben zeide hij , zonder het geringste teoken van ontevredenheid, „behouden wij ons voorloopig elk oordeel voor. Daarentegen oordeelt gij , mijne getrouwen! Heer aartsbisschop wendde hij zich tot Ludolf van Keulen, „zeg ons oprecht uwe meening. Zijn de eischen der Standen en grooten van het Rijk billijk , rechtvaardig , gepast ?quot;

„Niets van dat alles !quot; antwoordde met hartstochtelijk bevende stem de gunsteling. „Woorden zijn niet voldoende , om do verontwaardiging te schetsen , die mij bevangt wegens die vermetele daad der vorsten. Aan hun koning , wien zij trouw gezworen hebben, wien zij gehoorzaamheid verschuldigd zijn, hebben de vorsten geschreven , als aan oen hoorigen knecht. Voorwaarden hebben deze hoeren bijeengebracht, eischen hebben zij gesteld , die geheel ongehoord zijn in do Duitscho geschiedenis. Nimmer is een zoo onbeschaamde aanmatiging tegenover den vorst beleefd. Daarom houd ik het voor de koninklijke hoogheid volkomen onwaardig, om dit schrijven van openlijke oproerlingen tegen het Opperhoofd des Rijks ook slechts met een onkel woord te beantwoorden. Maar overweeg wel den Bijbeltekst, heer en koning : „Niet te vergeefs draagt de overheid het zwaard.quot; Gij moet in heiligen toorn opstaan en die misdadigers volgens de gerechtigheid straffen.quot;

„Wat die plichtvergetonen in Tribur u schrijven, heer en koning , is een onbegrijpelijke smaad en hoon ,quot; riep bisschop Benno van Osnabruck uit1). „Wanneer, — waar hebt gij recht en wet overtreden ? Gij beleent bisschoppen en abten met ring en staf, — doen dat ook andere koningen der Christenheid niet ? Doen zij dit niet met goedkeuring des Pausen? Weshalve rekent

') I^iet te verwarren met den gelijktijdigen H. Eenuo, bisschop van Meiszen, dien de koning streng gevangen hield.

17*

-ocr page 582-

260

men nu u deze uitoefening van de koninklijke macht en waardigheid tot eene misdaad aan? Toen gij het oproer in Saksen met sterke, zegevierende hand onder-druktet, toen gij de oproerige lieeren van dien stam den teugel van orde aanlegdet, — deedt gij toen niet uwen plicht als beschermheer der wet? Waar zijn derhalve de wetsovertredingen , waarvan die oproermakers hunnen koning beschuldigen ? — Zonder twijfel weet ik, dat goddoloozo mcnschen de eer van uwe hoogheid met den zwadder van hatelijken laster bezoedelen, — steunen wellicht die oproermakers te Tribur op dergelijke leugenachtige verzinselen ?quot;

Onwillekeurig sloeg Hendrik zijne blikken nu op de forsche gestalte van Siegfried , die op den achtergrond der zaal stond en met verwondering de verdediging van den bisschop van Osnabruck vernam.

„Wel mogen do mannen die op de burchten des ko-nings in Saksen liggen , menige daad plegen, die niet gebillijkt kan worden ging Benno voort, „doch die ook uwe hoogheid niet billijkt, maar diep beklaagt. Wanneer was cr evenwel een vorst op aarde, wiens beambten allen het pad der deugd bewandelden ? Kan daarom een koning verantwoordelijk gesteld worden voor elke handeling zijner krijgslieden ? — Daarentegen spreken vele bewijzen voor den vromen zin van uwe hoogheid. Vrijgevig zijt gij jegens kerken en kloosters. Gij hebt zelfs reeds eenige godshuizen en kloosters uit eigen middelen gesticht. Uw huiselijk leven is voorbeeldig , en eerbied koestert gij in uw hart voor alle waardige dienaren der Kerk, welke u naar plicht en geweten in trouwe gehoorzamen. — Bijgevolg zijn de beschuldigingen der eerloozen te Tribur valsch , leugenachtig , hunne eischen nietswaardig, hoogst strafbaar en vermetel.quot;

-ocr page 583-

261

Toen Benno geëindigd had , keek Hendrik den aartsbisschop van Trier aan in afwachting van cene v.-cdor-legging. Udo stond evenwel zwijgend, met een blik van verachting op Benno van Osnabruck.

„Het leger moet gij afdanken, mijn hoor cn gebieder zeide Ulrich van Godesheim , „weerloos moot gij u aan de handen uwer vijanden overleveren. Ik ben van het tegenovergestelde gevoelen. Met den dag nemen uwe aanhangers toe. Uit allo oorden des Eijks snellen zij toe, vol geestdrift voor den roem , te overwinnen of te sterven voor hunnen koning. Zou nu uwe hooijlieid die getrouwen wegzenden , zoudt gij aan dc dapperen geeno gelegenheid geven, de beleediging van hunnen heer in het bloed der vijanden te wreken: — zou het dan niet den schijn hebben, dat de beschuldigingen der vorsten waarheid bevatten ? Derhalve bid en bezweer ik uwe hoogheid, met de scherpte dos zwaards de koninklijke oor en waardigheid te verdedigen , alsook don toegebrachten smaad te straffen.quot;

„Al kondet gij ook deze vernederende voorwaarden aannemen,quot; zeide AVernher van Straatsburg, „dan zouden de oproerlingen van Tribur nog niet bevredigd zijn. Hun dool is veeleer, den geboren vorst van den troon te bonzen en een koning te kiezen , die zich verbindt, een pop in hunne hand te zijn. Derhalve bid ik uwe hoogheid, de waardigheid der kroon niet te schenden en haar door eerzuchtige grooten des Rijks niet in het stof te laten treden.quot;

„En uw gevoelen , heer aartsbisschop ?quot; wendde zich de koning tot Udo van Trier.

„Mijne zending is niet, om over besluiten gevoelens te uiten , die voor uwe heerlijkheid onaangenaam konden zijn antwoordde Udo.

„Toch smeeken wij u , uw gevoelen te zeggen , eer-

-ocr page 584-

262

waarde vader !quot; zeide do Saliër. „Weigert ons dat niet. Spreek opreclit en vrij, — moon niet ons te kwetsen door bittere waarheden. God weet het, op deze duistere paden des ongeluks hobben wij behoefte aan licht! Wederleg onze getrouwen , zoo gij het vermoogt, en verwacht van ons eene beslissing zelfs tegen den koning; want vast zijn wij besloten , naar beter inzicht te oordeelon.quot;

„Welaan, mijn heer en gebieder,quot; zeide Udo , een schrede nader tredend , „ik zal aan uw verzoek gehoorzamen en volgens mijn geweten mijne opvatting van do zaak blootleggen. — De bisschop van Osnabruck beweert , dat alleen aan u do beleoning met ring on staf • tot een misdaad wordt aangerekend , terwijl andere christelijke vorsten hetzelfde doen mot toestemming van den Taus. U alleen treft don ban om die reden en niet de andere vorsten. — Dat is een verdraaiing van de feiten. Niet daarom trof u don ban , omdat gij geestelijke ambten aan waardige mannen vergeeft, maar omdat gij geestelijke waardigheden verkoopt. Bedrijft een ander vorst Simonie , zooals gij het doet, mijn heer en koning, daii zal en moet hij ook dezelfde straf beloopen. — Verder roomt Benno- uwen godsdienstzin , die zich zou uiten door het stichten van kloosters. Wel is het een bewijs van godsdienstzin , het stichten van kloosters , — maar op het doel komt alles aan. Een kwade bedoeling moet ook de beste zaak tot een slechte maken. Werden wellicht ook kloosters gesticht, op dezelfde wijze als men burchten opricht in vijandelijk land, om ze mot krijgsknechten te bezetten , — waren derhalve de nieuw gestichte kloosters niets anders dan geestelijke dwang-burchten , bezet met monniken , die voor slechte bedoelingen strijden in don dienst van een hoer, die der Kerk vijandig is , dan waren dergelijke stichtingen van kloosters stellig geen bewijs van godsvrucht. — Bisschop

-ocr page 585-

263

Bcnno van Osnabruck noemt de klachten en beschuldigingen over wetschennis en misdaden des konings „leu-arenachtige laster.quot; Maar do vorsten wilden te Tribur

geen eindbesluit nemen. De Paus werd uitgenoodigd op den Rijksdag te Augsburg , daar zal het blijken , of do beschuldigingen der vorsten ongegrond of lasterlijk zijn, dan wel of zij op waarheid berusten. Ik twijfel niet, of do Rijksgrooten hebben bewijzen voor zulko zwaro beschuldigingen. Wilde uwe hoogheid de oogon opslaan, dan zoudt gij bevinden, dat zelfs in deze zaal een belangrijke getuige van schandelijke daden tegenwoordig is.quot;

Een lichte blos kleurde Hendriks wangen, terwijl hij zijn blik op den voogd van Klingen sloeg.

Oproermakers werden de vorston te Tribur genoemd,quot; Udo voort. „Waarom oproermakers ? Ik ben van een tegenovergesteld gevoelen. De standen des Rijks zijn geroepen en verplicht, de wet te bewaken, dien christelijken geest en die zedelijke orde te handhaven, aan welke het Rijk zijne grootheid en macht verschuldigd is. Vinden zij dat de koning van dat pad afwijkt, dan is aan hen het recht om te berispen en te onderzoeken, — ja zelfs hot recht, om schopter en kroon aan een nieuwen, waardigen vorst op te dragen. Want gehoorzaamheid is do Christenheid verschuldigd alleen aan die overheid , welke , „eene dienares van Godquot; is , gelijk de Apostel zegt — maar niet aan diegene, welke het zwaard draagt om de goeden goede

te onderdrukken , en het booze en de boozen te ondersteunen en te bevoorrechten. Zou naar eeuwen dit heerlijke Duitscho Rijk te niet gaan en een nieuw Duitsch Rijk gegrondvest worden op andere fondamenten , dan die van godsvrucht en goede zeden , ja , dan zou de koning of keizer van dat nieuw Duitscho onchristelijk

uil

'%

p|

■pp m

I

'Él

V

|

St':

ièjü

11

!Hl ■||

ifl si il

t.

r-. .il

ïl:

i I

-ocr page 586-

264

Rijk naar willekeur kunnen rogeeren. Hij zou de Kerk naar believen kunnen verknechten, hij zou in do Kerk zijne vijandin kunnen zien , hij zou de bisschoppen kunnen dwingen , de kudde naar zijne bevelen te leiden. Insgelijks zou hij het volk kunnen verdrukken en mis-handelen ; hij zou als 't ware het recht hebben, om een tyran te zijn , want niet op de grondslagen der gerechtigheid zou dit nieuw Duitsche Eijk zijn opgetrokken , maar op het drijfzand van menschelijke willekeur, — weshalve een dusdanig beklagenswaardig Eijk niet van duur zou kunnen zijn. — Dewijl nu echter het Duitsche Rijk gegrondvest is op don goddelijken Wil, op christelijke tucht, zeden en gerechtigheid , dientengevolge staat het den koning of keizer niet vrij naar zijn persoonlijk believen te rogeeren. Een dienaar Gods moet hij zijn. Een voorbeeld voor geheel zijn volk cp het pad der deugd. •— Als dienaar Gods hebben u , heer en koning, de vorston niet erkend, — verschoon mijne wclmeenende rondborstigheid. Derhalve smeek ik uwe heerlijkheid dringend dit vergelijk aan te nomen , do bedreven euveldaden te boeten en nog vele jaren roemrijk te rogoeron.quot;

Toon Udo zijne toespraak geëindigd had , verhief zich van alle zijden een hevige tegenspraak. De koning gebood stilte.

„Ik dank u , heer aartsbisschop voor de oprechtheid uwer verklaring,quot; zeide hij. „Smaakte ook menig woord bitter, toch gevoelden wij tevens den zoeten troost uwer trouw en vriendelijke gezindheid jegens cns. — Hoor mijne beslissing !quot; ging hij voort in dezelfde waardige houding, die hem gedurende de gohcele onderhandeling geen oogonblik verliet. „Twee wegen liggen voor ons open : — Strijd of onderwerping. Kiezen wij den eersten , dan twijfelen wij niet of onze getrouwen

O

-ocr page 587-

265

zullen dapper sirijden voor do eer en liet recht des konings. Veel bloed zou hierbij vergoten, menig talent en kracht vernietigd worden , welke God , do Kerk en het Eijk nog vele jaren zou kunnen dienen. Tot vermijding van dit ongeluk, — ook niet geheel vrij van schuld en bereid, om de gegeven ergernis te boeten , kiezen wij derhalve den tweeden weg : — de koning onderwerpt zich.quot;

Na deze woorden , die de hovelingen , als 't ware , in lovonloozo standbeelden veranderden, stond do Salicr op en wenkte den ópper-kamerheer. Dozen reikte hij den schepter, do kroon en hot purpergewaad over.

Daarop keerde hij zich tot de hovelingen.

„Mijne getrouwen!quot; zeide hij met eeno eenigszins bewogen stom. „Gij ziet uwen koning de teckenen zijner waardigheid afleggen; want zoo willen het de vorston. Verder eischen zij do verwijdering van alle geëxcommu-niceerden uit mijne omgeving ; — veroorlooft mij , dat ik ook deze harde voorwaarde vervul. Ik betuig u mijnen dank voor uwe bewezen trouw. Vertrouwt op do toekomst. Alles op aarde is onafgebroken aan verandering onderworpen. Wij moeten stormen oven manmoedig loeren verdragen , als den liefclijken zonneglans in een veelbelovende lente. Loeft wel, verwijdert u uit mijne doodsche nabijheid. — Hoer Udo, meldt de vorsten, wat gij gezien en gehoord hebt, alsook mijn besluit, om het vergelijk aan te nemen.quot;

Na doze woorden ging hij heen.

Udo van Trier oordeelde het raadzaam do zaal met zijn gevolg te verlaten, alvorens do ontslagenen van hunne ontsteltenis geheel bekomen waren. Verheugd over don gelukkigen uitslag zijner zending en de redding van Hendrik, naar wiens welvaart graaf Nellenburg streefde , spoedde hij zich door den gang , om zonder

-ocr page 588-

266

toeven de blijdo mare naar Tribur te brengen; want menig groote beklaagde het lot van den jeugdigen Saliër cn wensclitc hem op den troon te houden. Intusschen zou de terugkeer van don aartsbisschop onverwacht op een belangrijke hinderpaal stooten , dio niet gemakkelijk uit don weg te ruimen viel, en deze bestond in den ijzeren Siegfried.

Deze jonge man had mot onuitsprekelijk ongeduld verlangd naar hot oogenblik, dat den koninklijken roover zou dwingen, de vorstendochter terug te geven. Zoo gespannen was zijne verwachting , dat hem grootendeels den loop der onderhandeling , zelfs het roerende eind-tooneel ontging. Godila nam zoo zeer zijn geheele ziel in , dat er geen ruimte over bleef voor een ander voorwerp. Alle mogelijke denkbeelden en angsten kwelden hem , hoc do koning Udo's voorstel opnemen cn zelfs van de hand zou wijzen. Toen nu Hendrik de zaal verliet cn de aartsbisschop geen woord repte van eenc zaak, die naar het oordeel van Siegfried zoo zwaar woog , als een koningskroon , verschrok hij hevig en volgde den prelaat, van droefheid en smart overweldigd. De bedwelming was evenwel van korten duur. Udo had het einde van den gang nog niet bereikt, of zware voetstappen dreunden door den gang , die de vensterruiten deden rammelen. Udo keerde zich om. De jeugdige held trad voor met sterk gekleurde wangen en met angstige bezorgdheid in de oogen.

„Eerwaarde vader , vergeef mij , — gij hebt de geroofde dochter van don markgraaf Udo vergeten.quot;

Graaf Nellenburg maakte eene beweging, van spijt.

„Inderdaad, — zeer spijtig!quot; antwoordde de aartsbisschop. „Wie kon ook bij een zoo gewichtige aangelegenheid , welke bovendien zulk een onverwachten loop nam, aan deze ondergeschikte zaak denken ?quot;

-ocr page 589-

267

Die opvatting speet den braven Siegfried zoor.

,1k geloof, eerwaarde vader, dat de bedreigde onschuld eener vorstelijke maagd niet minder belangrijk is, dan het verdiende lot van dien man. Ook is het geen geringe plicht voor u om uw gegeven woord gestand te doen.quot;

„Gij kunt uw woord even goed doen , jonge man , als gij het zwaard weet te hanteeren ,quot; zeide de vorst glimlachend. „Wees gerust. De onderhandelingen mot den koning beginnen eerst. Ik zal bij do eerstvolgende gelegenheid er aan denken , uwen wensch te vervullen.quot;

„Gunstiger gelegenheid zal er nauwelijks komen, eerwaarde vader! De roover van Godila is op hot oogenblik ternedergeslagen en gemakkelijk te bewegen, een roof terug te geven , waaraan zijn hart met gloeiende hartstocht gehecht is. Ik bid vurig , zonder uitstel een goed werk te doen.quot;

Nellenburg aarzelde. Een kamerheer kwam voorbij. Udo wenkte hem.

„Zou ik om dringende zaken niet bij den koning kunnen toegelaten worden , zonder de hoeren te ontmoeten , dio uit do zaal terugkeeren ?quot;

„Dat kunt gij wel, heer aartsbisschop , als gij maar zoo goed wilt zijn, mij te volgenantwoordde de hofbeambte.

„Wacht mij in de voorzaal,quot; gebood do prelaat aan zijn gevolg.

Do kamerheer opende do naaste deur. Beiden gingen eon gehoelo reeks vertrekken door.

„Wacht hier een oogenblikzeide de beambte, verdween door een deur en keerde terstond terug , den graaf uitnoodigendo binnen te komen.

De koning zat achter eene tafel, op welke beschreven

-ocr page 590-

268

en onbeschreven perkcimontbladen, boeken, schrijfgereedschap en eenige zegels van verschillende grootte lagen, — blijkbaar Hendriks werkkamer. Zijn aangezicht droeg geen spoor van ontsteltenis of verwarring , maar wel de kcntoekenen van een werkzamen geest, die zich beijvert, om een neteligen toestand gunstig te stemmen.

Hij ontving don aartsbisschop met vriendelijk hoofdknikken.

„Ik dank u voor uwe welmeenende bemoeiingen, eerwaarde vader !quot; zeide hij. „Hadden wij achtgeslagen op do vermaningen van graaf Nellen burg van Mainz, dan zouden ons deze bittere oogenblikken gespaard zijn- — Overigens ben ik veel lichter, sinds mij de kroon van het hoofd genomen is.quot;

„Omdat uwe hoogheid in overeenstemming is met de Kerk en het Rijkquot; hernam Udo.

„Die overeenstemming zal niet meer door wanklanken gestoord worden,quot; antwoordde Hendrik. — „Mag ik te Spiers, bij de graven mijner voorvaderen , op uw aangenaam bezoek hopen ?quot;

„Zooals gij wenscht, mijn heer en koning! Beschik over mijn geheel vermogen in het belang van uw welzijn en dat van het Rijk.quot;

„Wij zullen ongetwijfeld uwen verstandigen raad en uwe geschikte hand noodig hebben ; want het vergelijk bevat een noodlottig punt. Doch hierover later. — Wat voert u tot mij ?quot;

„Het plan, om uwe hoogheid eene daad van gerechtigheid te verzoeken. De beschermheer Siegfried van Klingen vordert namelijk do uitlevering van Godila, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen, die uwe mannen tegen alle recht op den Trifcls gevangen houden. Heb de goedheid, tot bevrijding van Qodila

-ocr page 591-

269

mij eon schriftelijk bevel aan uwen burcht-wachter ter hand te stellen.quot;

„Is daarbij zoo'n haast?quot; vroeg de koning ontwijkend. „Mijne raadslieden zijn allen uit den dienst ontslagen , en ik ben op het oogenblik niet gestemd, om een brief te schrijven.quot;

„Veroorloof dan, dat ik u dicnezeide Udo , ging aan de tafel zitten , nam een blad perkament en schreef:

„Aan onzen burchtvoogd Dedi op den Trifels. Wij bevelen u bij lijf en leven , op het gezicht van dit schrijven, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen , Godila genaamd, met al hare have aan den voogd Siegfried van Klingen uit te leveren , opdat zij vrij en ongehinderd onzen burcht, den Trifels, verlate en zich naar believen een verblijf kieze.quot;

„Geschreven op ons koninklijk verblijf Oppenheim op het feest van den heiligen Evangelist Lucas.quot;

Udo legde het schrijven aan den koning voor met de woorden : „Heb de goedheid te teekenen.quot;

Hendrik toekende mot zware letters: „Henricus Itex.quot;

Graaf Nellenburg drukte hot zegel op het perkament, vouwde het toe en stak het in den zak.

„Tot het volstandig sluiten van ons verdrag ontbroken nog oenige formaliteitenzeide de Saliër. „Wees bode tusschen mij en do vorston; want op uwe trouw en genegenheid verlaat ik mij. Ook zou het ons aangenaam zijn de onderhandelingen spoedig geëindigd te zien , opdat wij in onze eenzaamheid te Spiers kunnen gaan.quot;

„Met vreugde en ijver zal ik mij beijveren, aan do wenschen van mv hoogheid te voldoen , zeide de aartsbisschop , boog zicli en verliet het vertrek.

Toen Udo in de voorzaal kwam ; snelde hem Siegfried te gomoet.

-ocr page 592-

270

„Hier mijn zoon!quot; zeide de prelaat, het schrijven overhandigend. „Ik hoop, dat deze sleutel Godila den kerker zal openen.quot;

Do voogd las en de vreugde stond op zijn gelaat te lezen.

„God loone u, eerwaarde vader! De onschuld is gered door uwe menschlievende bemoeiingen.quot;

Do aartsbisschop steeg te paard en keerde met zijn gevolg- naar Tribur terug.

Terwijl zich do vorsten verzamelden , om liet antwoord van den Saliür te vernemen , zat Siegfried in een kamer van zijn kwartier , las herhaalde malen het bevel dos konings aan Dodi en bekeek do onderteekening on het zegel. Groot was de ontroering van den jongen man, en het dierbare perkament behandelde hij als een kostbaren schat.

„Bero,quot; zeido hij tot den binnenkomenden zoon van Gundelkarl, „morgen in alle vroegte keeren wij huiswaarts. Godila is gered,quot; — en hij hield zegevierend het perkament omhoog.

„Gered, — door een stuk perkament? vroeg twijfelend de leenman van Klingen.

„Ongetwijfeld! Luister,quot; — en Siegfried las.

„Dat klinkt waarlijk zeer schoonzeide Bero. „De onderteekening is ook goed leesbaar , en de Rijksadelaar kan men duidelijk in het was zien. Overigens, — maar ,quot;

„Nu, wat dan ?quot; ondervroeg Siegfried, toen de krijgsknecht zweeg.

„Daarom is do geroofde maagd nog niet vrij . genadige heer !quot; antwoordde hij. „Gij kont toch de boosaardige listen van Hendrik IV. Wie kan hem vertrouwen?quot;

„quot;VVat wilt gij daarmede zeggen?quot; vroeg de voogd ecnigszius ontsteld.

-ocr page 593-

271

„Eenvoudig dit, genadige heer! Ik houd Hendrik IV voor alles in staat. Hij gaf wol dit bevel, omdat hij niet anders kon, — doch wellicht is nu reeds een koerier op weg naar den Trifels mot een tegenbevel aan Dedi. Komt gij op den Trifels en vordert] gij do uitlevering der markgravin , dan zou u de burchtvoogd wel sens kunnen zeggen , dat Godila gisteren is weggereden , — waarschijnlijk naar Saksen — bepaald weet hij het niet.quot;

„Bij St. Georgius , gij hebt gelijk!quot; riep Siegfried uit, terwijl hij opsprong. „Dat ik zelf niet op dien inval kwam. Laat de knechts oogenblikkelijk do paarden zadelen. — Vooruit, — onverwijld naar den Trifels.quot;

-ocr page 594-

INHOUD.

Biz.

Do raad van eon kluizenaar........1.

Do slavenhandelaar...........18.

Voortvluchtige vorstenkinderen.......44.

Koning en jood............58.

De aartsbisschop Udo..........74.

Voor het gerecht...........94.

Maagdenroof.............;110.

Het overvallen sticht..........] 20.

Oproer in Mainz............139.

Siegfrieds terugkeer...........159.

Vader en kind............179.

Tribur...............193.

De boetelingen............216.

Paus en koning............22G.

Zonder schepter en kroon......... 252.

-ocr page 595-

CANOSSA.

w

lil» BmEi

hill lipFJ

i Ira'S .

HISTORISCHE IIOMAN

CONRAD VON BOLANDEN,

ir:'' ..'i. ' iiiSi

UIT HET HOOGDUITSCH

A. M.

■ KKÏ'i

Hf'ir tfÉ i! ;

■ tfl

v-i

'rl-i.'

DERDE DEEL.

fi

A L K 3.1 A A K. — A. N LT IJ E N S.

, !:ö ■; 5

t Vl * ' ; '•

i i-i:i

.1\ )i

' ■ i

-ocr page 596-

268

en onbeschreven perkamentbladen, boeken, sehrijf-gereedsehap en ecnige zegels van verscliillende grootte lagen, — blijkbaar Hendriks werkkamer. Zijn aangezicht droeg geen spoor van ontsteltenis of verwarring , maar wel de kcnteekenen van een werkzamcn geest, die zich beijvert, om een neteligcn toestand gunstig te stemmen.

Hij ontving den aartsbisschop met vriendelijk hoofdknikken.

„Ik dank u voor uwe wolmcenendo bemoeiingen, eerwaarde vader !quot; zeide hij. „Hadden wij achtgeslagen op de vermaningen van graaf Xcllenburg van Mainz , dan zouden ons deze bittere oogenblikken gespaard zijn. — Overigens ben ik veel lichter, sinds mij de kroon van het hoofd genomen is.quot;

„Omdat uwe hoogheid in overeenstemming is mot de Kerk en het Eijkquot; hernam Udo.

„Die overeenstemming zal niet meer door wanklanken gestoord worden,quot; antwoordde Hendrik. — „Mag ik te Spiers, bij de graven mijner voorvaderen , op uw aangenaam bezoek hopen ?quot;

„Zooals gij wenscht, mijn heer en koning! Beschik over mijn geheel vermogen in het belang van uw welzijn en dat van het Eijk.quot;

„Wij zullen ongetwijfeld uwen vorstandigen raad en uwe geschikte hand noodig hebben ; want het vergelijk bevat een noodlottig punt. Doch hierover later. — Wat voert u tot mij ?quot;

„Het plan, om uwe hoogheid eene daad van gerechtigheid te verzoeken. De beschermheer Siegfried van Klingen vordert namelijk de uitlevering van Godila, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen , die uwe mannen tegen alle recht op den Trifels gevangen houden. Heb de goedheid , tot bevrijding van Godila

-ocr page 597-

269

mij con schriftelijk bevel aan uwen burchtwacliter ter hand te stellen.quot;

„Is daarbij zoo'n haast?quot; vroeg de koning ontwijkend. „Mijne raadslieden zijn allen uit den dienst ontslagen , en ik ben op het oogenblik niet gestemd, om een brief te schrijven.quot;

„Veroorloof dan, dat ik u dienezeide Udo , ging aan de tafel zitten , nam een blad perkament en schreef:

„Aan onzen burchtvoogd Dedi op den Trifels. Wij bevelen u bij lijf en leven, op het gezicht van dit schrijven, de dochter van den markgraaf Udo van Saksen, Godila genaamd , met al hare have aan den voogd Siegfried van Klingen uit te leveren, opdat zij vrij en ongehinderd onzen burcht, den Trifels, verlate en zich naar believen een verblijf kieze.quot;

„Geschreven op ons koninklijk verblijf Oppenheim op het feest van den heiligen Evangelist Lucas.quot;

Udo legde het schrijven aan den koning voor met de woorden : „Heb de goedheid te teekenen.quot;

Hendrik teckende met zware lettors: „Jleiiricas Hex.quot;

Graaf Ncllcnburg drukte hot zegel op het perkament, vouwde hot toe en stak het in den zak.

„Tot het volstandig sluiten van ons verdrag ontbreken nog eenige formaliteiten,quot; zeide de Saliër. „Wees bode tusschen mij en do vorsten; want op uwe trouw en genegenheid verlaat ik mij. Ook zou het ons aangenaam zijn de onderhandelingen spoedig geëindigd to zien, opdat wij in onze eenzaamheid te Spiors kunnen gaan.quot;

„Met vreugde en ijver zal ik mij beijveren, aan do wenschen van uw hoogheid te voldoen , zeide de aartsbisschop , boog zich en verliet het vertrek.

Toon Udo in do voorzaal kwam ; snelde hem Siegfried te gemoet.

ilSil i

v , ' ; ■ 1 1

rin IlSi

tHÉV-HÉV-

élfc . i i i ' v

■ ':: f

.. -IMIII

J t«:s

1

m -

jr.; ■; .

sfy!

-ocr page 598-

270

„Hier mijn zoon!quot; zeide de prelaat, het schrijven overhandigend. „Ik hoop , dat deze sleutel Godila den kerker zal openen.quot;

Do voogd las en de vreugde itond op zijn gelaat te lezen.

„God loone u, eerwaarde vader! De onsehuid is gered door uwe menschlievende bemoeiingen.quot;

Do aartsbisschop steeg te paard en keerde met zijn gevolg naar Tribur terug.

Terwijl zich do vorsten verzamelden, om het antwoord van don Saliër te vernemen , zat Siegfried in een kamer van zijn kwartier , las herhaalde malen het bevel des konings aan Dedi en bekeek de onderteekening en het zegel. Groot was de ontroering van don jongen man, en het dierbare perkament behandelde hij als oen kostbaren schat.

„Bcro,quot; zeide hij tot den binnenkomenden zoon van Gundelkarl, „morgen in alle vroegte keeren wij huiswaarts. Godila is gered,quot; — en hij hield zegevierend het perkament omhoog.

„Gered , — door een stuk perkament ? vroeg twijfelend do leenman van Klingen.

„Ongetwijfeld! Luister,quot; — en Siegfried las.

„Dat klinkt waarlijk zeer schoon ,quot; zeide Bero. „De onderteekening is ook goed leesbaar, en do Rijksadelaar kan men duidelijk in het was zien. Overigens , — maar ,quot;

„Nu, wat dan ?quot; ondervroeg Siegfried, toen de krijgsknecht zweeg.

„Daarom is de geroofde maagd nog niet vrij, genadige heer !quot; antwoordde hij. „Gij kent toch de boosaardige listen van Hendrik IV. Wie kan hem vertrouwen?quot;

„Wat wilt gij daarmede zeggen ?quot; vroeg de voogd eenigszius ontsteld.

-ocr page 599-

271

„Eenvoudig dit, genadige heer! Ik houd Hendrik TV voor alios in staat. Hij gaf wol dit bevel, omdat hij niet anders kon, — doch wellicht is nu reeds een koorier op weg naar den Trifels met een tegenbevel aan Dedi. Komt gij op den Trifels en vordert] gij de uitlevering der markgravin , dan zou u de burchtvoogd wel eens kunnen zeggen , dat Godila gisteren is ■weggereden, — waarschijnlijk naar Saksen — bepaald weet hij het niet.quot;

„Bij St. Gcorgius , gij hebt gelijk!quot; riep Siegfried uit, terwijl hij opsprong. „Dat ik zelf niet op dien inval kwam. Laat de knechts oqgenblikkelijk de paarden zadelen. — Vooruit, — onverwijld naar den Trifols.quot;

-ocr page 600-

INHOUD.

Biz.

Dc raad van een kluizenaar........1.

De slavenhandelaar...........18.

Voortvluchtige vorstenkinderen.......44.

Koning en jood............58.

De aartsbisschop Udo..........74.

Voor het gerecht...........94.

Maagdenroof.............110.

liet overvallen sticht..........120.

Oproer in Mainz............13'J.

Siegfrieds terugkeer...........150.

Vader en kind............179.

Tribur...............193.

De boetelingen............216.

Paus en koning............22G.

Zonder schepter en kroon..................252.

-ocr page 601-

CANOSSA.

ï; mmms j f|l l\ i Pf

Vii'i

HISÏ0EI8CHE ROMAN

f-:- f i':1;';

1 iiSi

ïfi ■' ■ ^ f

• ' •;

■ 1-4^ , W'Ari

H-p.:'-:

Pr'^.W

iiiij?

pif

ISI IM

DERDE DEEL.

A 1. K M A A i-;. — A. X U IJ E N S.

W01 ö

i111' .. ti: (■; ■ i

S h i

CONRAD VON BOLANDEN,

UIT HET HOOGDLTTSCH

A. M.

II

-ocr page 602-
-ocr page 603-

DE NACHTWACHT.

Op het punt, waar de drie wegen naar den Trifels zich kruisen, houdt do boeteling Wolferat de nachtwacht. Hij weet van Siegfrieds reis naar Tribur, hij kent het doel daarvan, en ducht om die reden de geheime ontvoering van Godila. De vroegere deelgenoot en helper van den losbandigen vorst meent, dat Hendrik zijne gevangene onder geene voorwaarde zal uitleveren, maar haar spoorloos zal laten verdwijnen. Dag en nacht bewaakt hij de wegen, die naar den Trifels leiden, met hot doel, om de gevreesde verandering van Godila's woonplaats te kennen, zoodra daartoe een poging aangewend zou worden.

Wolferat zit op een zodenbank in open ruimte tus-sehen de heesters en naast hom Afbald, de ezeldrijver. Over de oostelijk gelegen bergtoppen komt juist do maan op en stort hare bleeke stralen over het bergachtige landschap. En hoe hooger de bleeke maan stijgt, des te sneller ontwijken de donkere schaduwen naar de kloven dor westelijke bergwanden. Een zilverachtige vloed bedekt alles en een flauwe schemering-bedekt wanden en velden. Het beekje in het dal draagt een zwakken lichtglans door de weiden, totdat dunne nevels een zachten sluier over zijn spiegel uitspreiden.

Can. u. hi. 1

-ocr page 604-

2

Het vergulde kruis op den kerktoren te Annweiler glinstert en de ronde vensterruiten van den hooggelegen Trifels blinken in de verte. Uit den schoorsteen der wapensmederij schieten bij tusschenpoozen gloeiende vonken op, die het nachtelijk kleed der aarde met brandend roode robijnen versieren. Nachtelijke stilte ligt op do bergen, niet zelden afgebroken door de droefgeestige klaagtonen van den kerkuil en de bedrijvigheid van andere nachtvogels. Uilen roepen in de bos-schen, en van de rotsen dreigt met lange tusschenpoozen de ver klinkende stem van den koning der nachtvogels , den groeten katuil. Zelden wordt het schor geblaf en gehuil der wolven, welke in de bergen jagen en moorden, uit de verte gehoord, hetwelk aan den onafgebroken verdelgingsoorlog op aarde herinnert, die ook bij nacht niet ophoudt, zoo als blijkt uit Afbalds verstandig gezegde: „Alles eet op aarde en wordt gegeten.quot;

Thans slaat de bedilzieke ezeldrijver zijn oog naar de maan.

„Kijk nu eens, Wolferat, wat de maan scheeve gezichten trekt! De zaken op de wereld schijnen haar volstrekt maar niet te bevallen. Zij fronst het voorhoofd , trekt een scheeve mond, knijpt één oog toe en loert met het andere geheel verdacht naar den Trifels. Waarschijnlijk trekt de stank van de slemppartijen daar boven tot aan de maan op. Sinds drie dagen zit de eerwaardige graaf Wazo bij mijn voogd, tusschen hen beiden de vrome abt Lantbert, en de maan zelf zal moeten bekennen, dat er nooit een heerlijker klaverblad bijeen geweest is.quot;

„Weten de menschen in Annweiler nog niet,quot; vroeg de boeteling , „dat Paus Gregorius al het volk verboden heeft bij een getrouwden of simonistischen priester

-ocr page 605-

de H. Mis te hooren, te biechten, of oen ander H. Sacrament te ontvangen ?quot; ')

„Stellig -weten zij dat,quot; antwoordde Afbald. Maar omdat een ieder de ooren worden afgesneden , dio naaide vrome vaders te Klingen gaat en iedereen gaarne zijne ooren wil behouden , daarom baat het weten niet. De goede menschen van Annweiler zeggen: De Paus heeft gelijk, wanneer hij alle Christenen gebiedt, minstens op drie passen afstands te blijven van de Simo-nisten en gehuwde priesters en van hen geen zegen , geen H. Mis of eenig Sacrament aan te nemen. De duivel is een slechte zielzorger, — zeggen de menschen , — al zou ook, — zeggen de menschen, — de satan door den koning met ring en staf niet bisschops-of abtsmijter beleend worden. In gewetenszaken heeft ons de koning volstrekt niets te bevelen, — zeggen de menschen, — en als hij menschen, die in slechten reuk en op de lijst van Beelzebub staan, herdersstaven in de hand geeft, dan kan zich do koning, — zeggen do menschen, — door zulke herders ter helle laten voeren. Daarom blijven do menschen uit de kerk en van den biechtstoel, en menige arme ziel hongert en dorst te vergeefs naar hot Heilige.quot;

„Die toestanden zijn een gruwel voor God en een smaad voor de menschen ,quot; zeide Wolferat.

„Ja wol, een gruwel! Het verwondert mij maar, dat onze Lieve Heer deze gruwelen in hot rijk zoo lang geduldig kan aanzien,quot; riep de ezeldrijver. „Als ik onze Lieve Heer was, dan had ik al lang mijn gehee-len voorraad bliksemstralen op de hoofden der schobberds geworpen.quot;

„En als de bliksemstralen des Hoeren alle goddcloo-

V-

j sifii ■

P. : «Hfii

; 11 Is m | i;gt; .i

^ li \ ' i;vH|

■ ;:vuv.:

: ^,

l'i;'?#

miï

3, .. i

■M

li! 5

m

|l|l r. n Wv VI S !T

fti

S

1) Damberger, D. VI. bl. 853.

1*

-ocr page 606-

4

loozen verpletterden, wat zou dan het gevolg zijn?quot;

„Dat zou zeer heilzame gevolgen hebben,quot; antwoordde Afbald. „De lucht werd gezuiverd en het schelmenvolk zou niet meer opstaan.quot;

„Maar de menschelijke vrijheid zou vernietigd zijn zeido de boeteling ernstig. „God wil de vrijheid van den menschelijken wil, daarom moet hij ook het misbruik dezer vrijheid, namelijk do zonde, toelaten.quot;

„Zoo — hm ! Ik ben wel is waar slechts een ezeldrijver en , ik denk en spreek als een ezeldrijver en daarom meen ik, dat onze Lieve Heer dat ding der menschelijke vrijheid van don wil maar moest afschaffen. Dan zouden er geen moordenaars, geen Wazo, geen maagdenonteerders en echtbrekers zijn, — ook geen koningen, die op Hendrik IV en op een schurk gelijken , en die een engel aan schoonheid en reinheid afgrijselijk tracht te besmeuren. Er zou geen pest Lant-bert en geen vilder Dedi zijn, kortom, — er zouden geen spitsboeven en duivelsknechten meer zijn.quot;

„Er zouden ook geen godvreezende zielen en geen heiligen meer zijn,quot; antwoordde de boeteling. „quot;Want deugd en heiligheid zijn slechts te verdienen in den strijd tegen het booze, waar echter geen strijd is, daar is ook geen overwinning en geen verdienste. Bijgevolg is de vrijheid van den menschelijken wil noodzakelijk. En naar mijn gevoelen is een vrome, deugdzame men-schenziel in Gods oogen van zoo groote schoonheid eu heerlijkheid, een wezen van zoo'n onschatbare waarde, dat de aarde nog tienduizend Jaar moest blijven bestaan, al zou elk jaar, bij ieder volk, slechts een enkele ziel, slechts een enkel ecuwig schitterend kleinood voor den hemel gewonnen worden.quot;

„Dat is voor mij een nieuwigheid. broeder Wolferat! Ik blijf gaarne met do voeten op den grond, en van

-ocr page 607-

dit standpunt bezien, schijnt mij do wereld zeer vierhoekig , stekelig en bultig toe. Vooral ergert en hindert mij iets, — ik mag liet nemen, zoo ik wil, ik kan dat ding niet verteren. Die zaak is het gift voor alle gerechtigheid , daarenboven een braakmiddel, een zuiveringsmiddel voor alle eerlijkheid en een schande voor een fatsoenlijke huishouding. Had mijn vrouw zaliger zulk een huishouding in mijne hut aangetroffen, dan was zij zeker veertien dagen na de bruiloft gestorven ; want mijne Ella, was juist het tegenovergestelde van Lantberts Ella, — mijne Ella was een goede, zuivere ziel, die geen wanorde in zich zeiven en geen wanorde om zich heen kon verdragen. — En mijne ezels? Ik zeg u, broeder Wolferat, ging het in mijn stal zoo toe, als in do lieve wereld, — dan zouden mijne ezels van hartzeer sterven, of van gramschap of zelfs in het slijk stikken.quot;

„Maar waarover spreekt gij toch eigenlijk?quot; vroeg de boeteling.

„Gij hoort toch, dat ik over zaken spreek, die mijne oogen wel zien , maar die mijn begrip te boven gaan. Ik zie allerwege de slechten boven, — de goeden onder. Do slechten dragen gouden kronen , — de goeden dragen doornenkronen. De slechten worden geëerd, — de goeden worden onderdrukt, vervolgd, in den kerker geworpen, waar zij vaak verhongeren en omkomen. De slechten voeren het grooto woord en hebben altijd gelijk, — de goeden mogen den mond niet open doen en hebben altijd ongelijk. De greote woordvoerders liegen , gelijk de duivel, hun vader , — en men gelooft en volgt hen; de goeden spreken de waarheid, en men gelooft hen niet en bestrijdt hen. Kortom, het gaat in de wereld juist zoo toe , alsof onze Lieve Heer het bestuur daarvan aan den duivel heeft opgedragen. Zou

-ocr page 608-

6

dan do beste Cliristenmensch geen achterdocht krijgen P Wat is dat toch voor een huishouden in de -wereld ? — Alles gaat averechts!quot;

„Schreeuw niet zoo , Afbald, val toch zoo niet uit.quot;

„Is 't een wonder ? Mijne ezels vallen ook niet aardig uit, als zij buitengewoon door giftige horzels geplaagd worden. En wat zie ik in de wereld , dat steekt waarlijk meer , dan alle horzels.quot;

„Luister eens naar mij , Afbald, ik zal u eene geschiedenis verhalen, die vrij wel met uwe beschouwing van de dingen dezer wereld overeenstemt. — — Er was eens een huisvader, die tarwe op zijn akker zaaide. Bij nacht toen de menschen sliepen, kwam een vijand van den huisvader en zaaide onkruid onder do tarwe. Toon nu de halmen opschoten en vruchten begonnen te dragen , kwam ook het onkruid op. Nu kwamen de knechten van den huisvader bij hem en zeiden: lieer , hebt gij geen goed zaad op uwen akker gezaaid ? Waarvandaan komt dan liet onkruid ? — De eigenaar van den akker zeide tot hen : Een vijandig mensch heeft dit gedaan. — Nu zeiden de knechten: Wilt gij , dat wij het onkruid uitwieden ? — Daarop antwoordde de heer: Neen, opdat gij met het onkruid ook niet de tarwe uitplukket. Laat beide met elkander opwassen tot den oogst, en ten tijde van den oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bundels , om te verbranden ; maar de tarwe vergadert in mijne schuur.quot;1)

„Die geschiedenis is juist en past goed bjj do dingen dezer wereld bevestigde Afbald. „Nu moest de geschiedenis nog bevatten , dat op den akker meer onkruid dan tarwe wies. Tien handen zou ik moeten hebben,

') Mattheus XIII, 24—31.

-ocr page 609-

7

om op mijne vingers al de schobberds op te tellen , die ik ken en die in staat zouden zijn , om bij nacht onkruid onder de tarwe te zaaien. — quot;Waar heeft die geschiedenis plaats gehad?quot;

„Zij komt in de wereld voor van den eersten tot den laatsten dag.quot;

„Juisi zoo, broeder Wolferat! Uwe geschiedenis is duidelijk.quot;

„Niet mijne geschiedenis , — de Allerhoogste heeft haar verhaald , Jezus Christus onze Heer.quot;

Afbald maakte godvruchtig het kruisteeken.

„Dan moet die geschiedenis dubbel waar zijn en bovendien een geheel bijzondere beteckenis hebben,quot; zeide hij,

„Do verklaring heeft onze Heer Jezus zelf gegeven, toon hem zijne leerlingen ondervroegen. De Zaligmaker zeide: „Die het goed zaad zaaide, is de Zoon des menschen. De akker is do wereld. Het goede zaad zijn de kinderen van hot rijk Gods. Het onkruid zijn de kindoren des boozon. Do vijand, die het onkruid gezaaid heeft, is de duivel. De oogst is de voleinding der wereld. Do maaiers zijn de engelen. Gelijk nu het onkruid uitgewied en verbrand wordt, zoo zal het zijn in de voleinding der wereld. De Zoon des menschen zal zijne engelen uitzenden en zij zullen uit zijn rijk verzamelen allo ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen , en zij zullen die werpen in den oven dos vuurs. Aldaar zal geween en geknars der tanden zijn. Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon , in hot rijk huns Vaders.quot;1)

„Dat alles is zeer schoon en heerlijk, zoowel het vuur der hel voor het onkruid, als het hemelsch licht

') Mattheus XIII, 37—44.

-ocr page 610-

8

voor de tarwe. Maar het zal nog wel een aardig tijdje duren tot den jongsten dag. O wee, — het onkruid des duivels heeft nog lang tijd tot groeien!quot; klaagde Afbald. „Hoe zal er het onkruid na duizend jaren wel uitzien ? Ik geloof, dat het wel zoo hoog als hoornen opgeschoten en op een haar op den satan zal gelijken, die groot en machtig wilde zijn, als God.quot;

„Het is zeer goed mogelijk , dat de verkeerdheden der laatste dagen recht duivelsch zijnantwoordde de paltsgraaf, Boemund. „Maar God wil, dat zich alles op aarde ontwikkele , het goede zoowel als het hooze. Daarom moet de tarwe en het onkruid opgroeien tot den oogst, dat is , tot aan het einde van alle aardsche ontwikkeling. Eerst dan zal een volledige scheiding plaats hebben. Do boozen dalen in den afgrond neder; dc goeden stijgen op in het rijk Gods, waar geen tweespalt meer is , geen wanorde, geen tranen, geen klachten. Tot zoo lang moeten wij geduld hebben, lieve Afbald , en met alle vlijt ons best doen, dat wij op den akker der wereld niet tot het onkruid , maar tot dc tarwe gerekend worden.

„Uwe rede is verstandig en troostend,quot; antwoordde dc ezeldrijver. „Als God maar zorgt, dat de tarwe door het onkruid niet verstikt wordt. Zie ik echter, hoe het onkruid Lantbert den genaderegen van don hemel aan de tarwe, wel te verstaan aan do Christenzielen te Annweiler, ontsteelt, dan zou het kunnen gebeuren, dat de tarwe sterft. En gelijk in Annweiler de tarwe mot onvruchtbaarheid bedreigd wordt, zoo gaat liet in het gehoele Eijk. Het onkruid voert schep-ter en kroon, — het wordt al te machtig.quot;

„Maar niet machtiger, dan de goddelijke Zaaier,'quot;' zcide dc boeteling ernstig. „Hij, die de tarwe gezaaid heeft zal ook wel zorgen voor haar gedijen en vrucht-

-ocr page 611-

TX

a

rif'5

baarheid. Do Heer is goed en zijne barmhartigheid kent geene grenzen. Gcene ziel, die hom gotrouw wil dienen, verlaat hij in den nood. Sluit mcnschelijkc boosheid de bron der genade van de HH. Sacramenten af, dan zul do kracht Gods langs andere wegen in die harten nederdalen, welke hom zoeken. Hiorvan is mijn broeder Afbald oen treffend bewijs. Sinds hij genoodzaakt is de kerk van den gehuwden en geëxcommuni-eeerden Lantbert te mijden, bidt hij vuriger en zijn godsdienstige overtuiging won zichtbaar in sterkte en hechtheid.quot;

„Bij mijn ziel, gij hebt gelijk! Vroeger toen alles in het Eijk nog hoofd en voeten had en den goeden gang ging, slenterde ik maar voort langs don algo-mcenen breeden weg. Men kon zonder gedachten gaan met do anderen, die ook niet verder denken , dan hun neus reikt. Dat ik een heiligen Vader in Rome en eene ziel in of om het lichaam heb, wist ik nauwelijks. Dat er behalve punthelmen (piekelhauben), lansen en zwaarden nog andere wapenen bestaan, die elk christen moot voeren, kwam mij volstrekt niet in de gedachte. Wolven, beren en andere tweevoetige monschoneters hield ik voor de eenige vijanden van don mensch , daarom was ik evenmin in staat, om het wapenschild des geloofs tegen het holsch gebroed op to nomen , als ik mijn hoofd kon bedekken met den helm des gebeds, opdat do slagen des duivels niet zouden kwetsen.quot;

„Dat is niet slecht gezegd, — zeer goed!quot; knikte goedkeurend de boeteling.

„Sedert evenwel steenen in den weg liggen, waarover men struikelen en den hals breken kan , ben ik van mijn slenter genezen. Dewijl de duivel los is en de wolven om do Christenkuddc huilen, houd ik mijn goeden vader en herder te Koine in het oog, en be-

PikiPli

mÊt'n .

(■ ti W#.-' i

i: ' kf^i

f -m

•i- ■ -

Ü

-ocr page 612-

10

veel mij en hem dagelijks recht vurig in Gods hoede aan. Ik heb een gcheele reeks hartelijke gebeden uitgedacht, die wel is waar voor Gods oogen er wat lomp zullen uitzien , maar oprecht gemeend zijn ze allen. En weet gij , broeder Wolf er at, voor wien het langste en vurigste gebed is ? — Voor mijne meesteres Godila.quot;

„Zij heeft den goddelijken bijstand ook het meest noodig; want haar nood is groot en haar gevaar vree-selijk.quot;

„Nu, beste Wol for at, begin nu maar weer niet met uwe jammerklachten! De sterke Siegfried is immers naar het hof gereden, waar hij de sleutels van den Trifels wel zal vinden. Wat mij betreft, ik zeg uit den grond mijns harten , was het meiroosje , do zonnebloem Godila, toch geborgen en zeker voor de handen van een boozen schobbejak! Wat ik daar wensch, stemt wel niet overeen met het verlangen mijns harten, dewijl mijn hart aan Godila gehecht is, als aan het leven. Ging het naar mijn hartewensch, dan moest de heerlijke voor altijd daar boven wonen; want zij is, als een vriendelijk glanzende ster, die hare stralen op Af balds arm leven werpt. Voert haar de sterke ridder weg , dan zullen mijne drie ezels de koppen laten hangen , want dan vreten zij niet meer uit hare blanke hand. En ik zal het hoofd laten hangen; want er valt geen zonneschijn meer op mijn ezelspad.quot;

„Klaag niet en blijf bij uw beroep,quot; vermaande de boeteling. „Klein zal eenmaal uwe rekenschap zijn; want groote dingen werden u niet toevertrouwd.quot;

„Wat gij daar zegt, broeder Wolferat, klinkt toch wel wat wonderlijk! Ik moet niet klagen, — ik alleen niet ? Dat is te veel gevergd , sinds alles in de wereld klaagt. Gij kunt mij niets opnoemen, wat niet klaagt. Probeer het maar eens, — noem mij iets, dat niet

-ocr page 613-

11

klaagt of huilt of zucht, of deze wereld niet ellendig vindt.quot;

„Gij hebt don zin mijner rede verkeerd begrepen, goede Af bald ! Ik meende , dat gij met uw beroep tevreden moest zijn.quot;

„En wie tevreden kan zijn , behoeft niet te klagen. Maar wie reden hoeft tot klagen, kan niet tevreden zijn. Dewijl nu alles en iedereen in de wereld klaagt, zoo ontbreekt het ook allen aan tevredenheid. Is dat niet opmerkelijk , broeder quot;Wolferat ? Wie zou dat gedacht hebben : — Mets , volstrekt niets, is tevreden in de wTereld! Hoe wonderlijk is dat!quot;

„Uwe bewering klinkt mij wat overdreven.quot;

„Dat komt daarvandaan , beste Wolferat , omdat gij over mijne bewering nog niet hebt nagedacht. Als ik en mijne ezels den Sonncuberg opklauteren en afslente-ren, dan blijft ons veel tijd tot nadenken over. Om die reden valt ons veel in, waaraan verstandige men-scheu niet denken. En weet gij, wie mij op den inval gebracht hebben , dat alles klaagt in de wereld ? Wel mijne ezels. Hebt gij een ezel wel eens hooren balkon? Klinkt dat balken van een ezel niet, als een klaaglied?quot;

„Naar uwe verbeelding , Afbald !quot;

„Neen, —• neen, geenszins verbeelding! Hadt gij mijne lange ooren , dan zoudt gij de klachten , do smart, de ellende duidelijk vinden in het gebalk van den ezel. O hoe treurig, hoe kommervol klinkt de stem van den ezel! En ziet gij mijne ezels scherp in de oogen, dan zult gij hetzelfde ontdekken: klachten, ellende, droefheid, smart. Geloof evenwel niet, dat mijne ezels anders zijn, dan do overige ezels en viervoeters in de wereld. Kijk de dieren maar eens goed in de oogen , — hetzij dan hond, kat, koe , os, haas , ree , hert, of een of ander dier , — de klachten, de angst, de droefheid

-ocr page 614-

12

vindt gij bij allen. — Hoort gij de wolven daar ginds in do bergen ? Dat is toch een wezenlijk huilen! Hoort gij daar boven in dc rotsen de uilen ? Hoe klagend is hun lied! — Onderscheidene vogels zingen wel is waar vroolijke liederen , maar niet lang. Spoedig laten zij de kopjes hangen en zijn treurig. — En de mensch dan , — dat is eerst een rechte schreeuwer en huilebalk ! Nauwelijks wordt hij geboren, of hij begint zijn klaaglied, dat hjj zingt , totdat de dood hem de oogen sluit. Wel heeft de monscli ook vroolijke oogen-blikken, maar op een uur zonneschijn , volgt een dag onweder, op één dag van vreugde, volgen maanden van droefheid, kommer en ellende. — En niet alleen dieren en monschen klagen, — ook in de lucht wordt er geklaagd en gehuild. Onlangs woedde een hevige storm , er viel een stortregen. Mijne ezels en ik schuilden achter de muren van den Trifcls. Toen hadt gij het huilen , klagen , kermen en zuchten van de lucht om de torens en rotsen eens moeten hooren ! Kijk, kijk, dacht ik, zelfs de winden zingen klaagliederen , en alles in dc wereld is gestemd tot klagen! Waarvandaan komt dat nu ? — dacht ik verder. Wat zou wel de oorzaak kunnen zijn van al den kommer en ellende , die alom heerscht ? — op het veld, in het woud, in de hut, in den burcht, in het huis van den Paus. Waarvandaan komt dat? Weet gij het, broeder Wol-ferat ?quot;

„Luister , hoort gij niets ? — Ik meende hoefslagen op den weg daar boven te vernemen.quot;

Beiden luisterden. Diepe stilte.

„Gij hebt u vergist, Wolferat! Waarschijnlijk heeft de vrome Wazo met zijn beker op de tafel geslagen , dat do bergen weergalmden. — Welnu, waarom klaagt alles in de wereld ? Ik wil het u zeggen. Alles klaagt,

-ocr page 615-

13

omdat alles vervloekt is , — menschen en dieren, land on water, lucht en licht. Ja, ook het licht. Het schoonste en grootste licht, de zon , is ook niet louter zegen. Zij brandt in den zomer recht vinnig, zij veroorzaakt den zonnesteek, waaraan menschen en dieren moeten sterven, — en droogte, waardoor alles verwelkt. En een ander licht van den hemel , de bliksem , steekt huizen in brand en doodt menschen en dieren. En waarom is alles vervloekt ? Dat zal u onze Lieve Heer zeggen met de woorden : „Omdat gij gezondigd hebt, Adam , zij de aarde vervloekt om uwentwil. Distelen en doornen zal zij u voortbrengen en in het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten.quot; — Ja , zoo is het, en zoo blijft het, zoo lang er zonden bedreven worden, hetgeen wel duren zal zoo lang deze vervloekte aarde bestaat. Hoor ik daarom iemand pochen op de schoonheden , de genoegens en andere aardige dingen dezer prachtige wereld , dan sla ik 'zoo iemand eens naauwkeurig gade, om te weten te komen of hij een hoofd heeft, waaraan de hersenkamers ontbreken.quot;

„Strikt genomen, hebt gij gelijk, Afbald ! De aarde is een tranendal,quot; zeide de boeteling ter neder geslagen. „En de vader der bitterste en grievendste smarten , is de mensch zelf.quot;

„Bijgevolg heb ik recht tot klagen , broeder Wolfe-rat! Mijn goede vrouw is gestorven , den engel Godila zal ik niet meer zien, gij gaat weg naar Rome , — en zoo blijft mij volstrekt niets meer over, dan mijne ezels en de hoop , dat het een getrouwen knecht daar boven beter zal gaan.quot;

Volhard in die hoop , het kostbaarste kleinood dezer aarde,quot; zeide Wolferat. „Wie deze eenige hoop mist, die is, al ware hij de hoogstgeplaatste persoon op aarde , toch bovenmate ongelukkig.quot;

-ocr page 616-

14

„Of bovenmate vroolijkhernam Afbald. „Want die niet hopen kan, die wil ook niet gelooven. Wie niet gelooft aan den duivel na den dood , die is gewoonlijk een duivel in dit leven. En wie niet gelooft aan den hemel daar boven , die maakt zich een soort van hemel in deze wereld. Dat zie ik duidelijk aan graaf Wazo. Aan duivels gelooft hij niet, — maar zijne dienstknechten en onderhoorigen zweren , dat hij zelf een duivel is. Omdat hij geen reden heeft, om op een eeuwige gelukzaligheid te hopen, maakt hij zich eiken dag een aardsche gelukzaligheid , die hij uit dikbuikige wijnkruiken drinkt. Daarom is de gestrenge altijd zalig , ofschoon de menschen zeggen , dat hij zijn broeder vermoord en behalve den door en door braven Gundelkarl nog een twintigtal menschen doodgeslagen heeft.quot;

„Sedert den dood van zijn eenigen zoon moet hij zich geheel en al aan de dronkenschap overgegeven hebben.quot;

„Omgekeerd, broeder Wolferat! Niet heeft hij zich aan de dronkenschap, - maar deze heeft zich aan hem overgegeven. En wat heeft de dronkenschap van hem gemaakt? Een gedroogde visch. Gisteren kwam ik in de vroegte op den Trifels. Wazo scheen pas uit de veeren gekropen te zijn; want hij was nog niet zalig en keek op het burchtplein naar een wolfshond ; derhalve nam ik den graaf op. Wat vond ik aan hem? Geen enkel gezond stukje vleesch. Zijne handen beven, zijn hoofd schudt, en hij geeft een reuk van zich, dat mijne ezels hunne neuzen en ooren toehielden en tien passen achteruit gingen. Zelfs bij den wolfshond schijnt de graaf in slechten reuk te staan; want hij snuffelde om hem heen, trok zijn staart tusschen de pooten en kroop in zijn hok. Heeft evenwel de graaf

-ocr page 617-

15

den eersten beker in 'het lijf, dan houdt het leven op, en zijne zaligheid begint.quot;

„Een vloekwaardig mcnsch, tot elke misdaad bereid!quot; zeide Wolferat vertoornd.

„Dat is hij , en omdat hij dat is , zoekt hij zijne zaligheid in hot vergeten , en het vergeten in het wijn zuipen. Gij hadt onlangs den dapperen Wazo moeten zien loopen, toen hem de sterke ridder Siegfried te na kwam!quot; riep de ezeldrijver lachend uit. „De men-schen zeggen, dat er in dien nacht oen groot wonder gebeurd is ; want quot;Wazo is nuchter te huis gekomen. — Juist roept de nachtwacht tien uur. Nu zal ik naar mijne ezels gaan, en aan mijn broeder Wolferat het bidden en waken overlaten.quot;

„Hoort gij ? Geheel duidelijk, — een ruiter nadert!quot; zeidc de boeteling.

Beiden luisterden naar het dal, dat door een grooten weg doorsneden werd, die uit Lotharingen naar den Rijn voerde. Zij hoorden den hoefslag van een paard. Het dier scheen zeer afgemat te zijn; want zijn meester trachtte te vergeefs, het in een aanhoudenden galop to houden. Na een korten draf, ging het weder stapvoets , totdat het door de sporen geprikkeld, weer begon te loopen , om terstond weder stapvoets te gaan.

„Die twee daar beneden zijn van verschillend gevoelen,quot; zeide do ezeldrijver. „Die er op zit, zou gaarne spoedig vooruit willen, — maar die den last te dragen hoeft, wel te verstaan de klepper , vindt de vlugheid boven zijne krachten. Zoo iets komt tusschen mij en mijne ezels nimmer voor. Ik ben een genadige meester, en vorder van mijne onderdanen niets onbillijks. Zuchten mijne lijfeigenen onder zware lasten, dan heb ik medelijden met hen, gebruik nimmer de zweep, maar goede woorden , en richt mijne schreden naar die

-ocr page 618-

16

mijner onderdanen in. Ware dit overal in gebruik in de wereld tusschen de hoeren en de onderdanen , dan zou menigeen werkelijk een genadige heer zijn, van wien zijne knechten denken , dat hij een hardvochtig man , een wreedaard, een menschenbeul is.quot;

„Heilige God, — de man rijdt waarlijk van den weg naar den Trifels !quot; zeide de boeteling ongerust.

„Zoo is het, — ik zie hem , — nu komt hij aan de brug over de beek bevestigde Afbald. „Een geharnaste , —• ik zie duidelijk het blinken van zijn wapenrusting in de maneschijn. Het kan de sterke ridder Siegfried wel zijn, wien gij zegt, dat naar het hof gereden is.quot;

„Siegfried is het niet; want hij heeft een sterk gevolg bij zich. Algoede Voorzienigheid!quot; riep de boeteling uit, oogen en handen ten hemel slaande.

„quot;Wat scheelt u , broeder ? Houdt gij wellicht dozen vreemden man , die naar den Trifels komt, voor gevaarlijk ?quot;

„Een bode des konings!quot; antwoordde de boeteling in klimnienden angst.

„Welke mijnen gestrengen voogd eene boodschap brengt, — goed! Dit verklaart echter aan mijn zwak verstand de angstdruppels niet op uw voorhoofd.quot;

„God in don hemel, beschorme haar !quot; smeekte Wol-ferat met gevouwen handen. „Verijdel, o gij Vader der weezen en zwakken , — verijdel de vermetele plannen der boosheid tegen de onschuld.quot;

De verraste ezeldrijver stond peinzend te kijken.

„Meent gij wellicht, dat de bode des konings slechte tijding brengt voor onze meesteres Godila ?quot;

De boeteling antwoordde niet, maar zijne bewegingen en zijne houding verrieden een onuitsprekelijken angst.

„Zwijgen is ook een antwoord , — en ik ben een lomperd!quot; mompelde Afbald zich voor het hoofd slaande.

-ocr page 619-

17

„Die vele geschiedenissen kent, moet dingen te zamon kunnen rijmen , die wel is waar nog niet gebeurd zijn, maar die toch kunnen gebeuren. Ik ken do geschiedenis van Godila , in welke mijn opperste leenheer, de koning , eene rol speelt, die ik geen mijner ezels toe-wensch , — die ook geen mijner ezels zou overnemen , omdat genoemde rol heter voor een varken past, dan voor zulke zindelijke dieren als mijne grauwtjes zijn. En wijl do H. Georgius den gekroonden draak mijner meesteres Godila overwonnen heeft, doch de draak listig en sluw , als zijne nicht, de oude slang, het schoone vorstenkind niet wil vrijlaten , daarom liet hij het rooven en in zijn versterkt huis opsluiten. En nu zendt de draak een nieuwe boodschap in diezelfde geschiedenis. Hoe zou deze boodschap luiden ? — — Broeder Wolferat, nu begrijp ik uwe zweetdroppels! God weet het, ook mij is de schrik in alle ledematen geslagen !quot;

„Stil , — hij komt!quot; zeide de boeteling smartelijk.

Men hoorde den zwaren stap van het paard in het zand van den weg. Do donkere gestalte van den ruiter kwam van den achtergrond der boomen zwak te voorschijn. Hij was afgestegen, had •zijn wapenrok, als een deken over het paard geworpen, dat met zweet bedekt was , en ging voor het beest uit.

De boeteling stond in ademlooze spanning, de oogen op den naderenden vreemdeling gericht. Toen deze op eene plaats kwam , waar het volle maanlicht den rijzigen ridder bescheen , slaakte Wolferat een kreet van vreugde en snelde den ridder te gemoet.

„Zijt gij het Siegfried ? God zij duizendmaal geprezen !quot;

Do voogd stond stil en zag verrast naar de beide mannen.

CAN. D. iii. 2

-ocr page 620-

18

„Brooder AVolferat, — niot waar ?quot; vroeg hij.

„Ik bon het edele heer! En deze is Afbald, een trouwe ziel.quot;

„Wat nieuws op den Trifels ?quot; ondervroeg Siegfried. „Hoe bevindt zich Oodila ?quot;

„Zeer wel! En wat nieuws brengt gij van het hof des konings?quot; vroeg bevend van ontroering de boeteling.

„Den hemel zij dank!quot; zeide de voogd. „Ik vreesde, dat mij een of ander nieuw schelmstuk voor zou zijn. Daarom heb ik dag en nacht doorgereden , — ziet mijn edel dier , hoe afgedreven het isquot; en hij streek de manen van zijn pikzwart paard glad. „Mijn gevolg, welks paarden die inspanning niet konden uithouden , heb ik achtergelaten. Gij weet toch bepaald , dat Go-dila nog op den burcht is ?quot;

„Wees daaromtrent onbezorgd genadige heer ! Nogmaals — wat nieuws hebt gij ?quot;

„Een schriftelijk bevel des konings aan Dedi , hetwelk behelst, dat vorstin Godila onmiddelijk onder mijn geleide naar het vrouwenklooster St. Magdalena terug moet keeren.quot;

De boeteling keek dankend omhoog.

„God zij geloofd , allergenadigste heer yoogd !quot; zeido Afbald. „Gij hebt mij iets van het hart genomen, dat als een berg op mij drukte. Wij vreesden eene Jobstijding en wij ontvangen daarvoor een Evangelie, een zoo blijde boodschap , als eertijds de engelen eens gezongen hebben in den Kerstnacht. De pooten van uw paard hadden mij groeten schrik aangejaagd , want wij meenden, dat de paardepooten in beweging gebracht waren door den goeden koning, om een boodschap naar den Trifels te brengen, welke bij de welwillendheid van een hongerigen gier past, die een duif bewaakt.quot;

„Datgene, waarop Afbald zinspeelt, zou toch nog

-ocr page 621-

19

kunnen gebeuren zeide de kluizenaar. „Wellicht zijt gij slechts weinige uren vroeger aangekomen , dan een bode des konings , die een geheel ander bevel aan den burchtvoogd zal overbrengen.quot;

„Juist diezelfde vrees dreef mij van Oppenheim hierheen zeide de jonge edelman. „Derhalve zonder toeven naar den burcht.quot;

„De poort is gesloten,quot; antwoordde Wolferat. „Gij wordt op dit uur niet binnengelaten. Wazo zit juist met Dedi aan den wijn. De graaf, die u vijandig is en u haat, zal al zijn invloed aanwenden , Dedi te bewegen , om u af te wijzen onder voorwendsel van het nachtelijk uur.quot;

„Die reden zou gepast zijn , als hij gastvrij was,quot; zeide Afbald. „Ik weet nog een reden , die meer proefhoudend is. Als namelijk de deugd op het punt is, om tegen den duivel een proces te winnen , dan komt de geheele hel in oproer en loopt te wapen, om de deugd een leelijken poets te spelen. Eu wijl de gezamenlijke dienaars van don buik, waartoe zooals bekend is ook de zuipers behooren, veel vatbaarder zijn voor de beraadslagingen der duisternis, dan voor de ingevingen des lichts , dan zal het Lucifer niet zwaar vallen , zijne getrouwen over te halen , een bode van het goede niet te openen. — Wilt gij echter mijn raad volgen, al-lergenadigste heer voogd , dan zal ik sterker zijn , dan de duivels en u den Trifels toch openen.quot;

„Hoe legt gij dit aan?quot; vroeg de boeteling.

„Als oen mensch , die vele jaren met ezels heeft omgegaan. Daarom zou menig verstandig mensch mijne onderneming dom noemen, en mij een ezel. Om die reden wil ik u ook niet zeggen, broeder Wolferat, hoe ik de zaak aanleg. Gelukt het mij , dan verzoek ik den allergeuadigsten heer voogd en u, in het vervolg beter

2*

»'!quot; iBf-

!'. Ih-i 11

fiiiiPi

1 f-■ : i vi ■ \m

11 •'i' , :

a

■mm

Wm

w

P li' •it.w.jJS

i I ■

J li

-ocr page 622-

20

te donken over die ezels , welke do eenvoudigheid voorstellen en niet de domheid. Daarentegen weten alle eenvoudige ezels nauwkeurig , dat de dwaasheid niet aan hunne zijde te vinden is , maar bij hon , die zich wijs wanen. Om al deze redenen bid ik u , den rijweg op te gaan. Ik klauter langs mijn ezolspad naar boven, dat niet krom loopt, zooals de breede wegen, maar recht, steil en lastig. Tot woderziens op het burchtplein.quot;

Met deze woorden begon Afbald den berg te beklimmen.

„Een zonderling mensch! Zouden wij hem kunnen vertrouwen ?quot; vroeg de jonge man.

„Gerust! Zijn verstand is scherper , dan de ruwe aard van een onderhoorige zou doen verwachten. Deze ezeldrijver denkt en overlegt moer, dan menig hoofd, dat met een gouden kroon versierd is. Zijn gemoed is ontvankelijk voor al hot goede , verhevene en schoone, weshalve hij Grodila vereert, als oen heilige.quot;

„Komt hij soms met de vorstin in aanraking ?quot; vroeg Siegfried verwonderd.

„Vroeger eiken dag. Ik zal u dat vertellen onder het opgaan ; want ook het vorkeer met Afbald en zijne ezels onthult een schoone zijde van haar wezen.quot;

De burchttorens op de hooge kruin van don Sonnon-berg staken trotsch omhoog in den stillen nacht, die door de maan verlicht werd. Terwijl rondom in dalen en kloven sneeuwwitte nevelen lagen, was om den ïrifols de lucht zuiver on heldor. In zilveren stroo-mon vlooide het maanlicht om tinnen en muren, het schemerde op de rondo vensterruiten en spreidde zo.chte sluiers over de stijve rotsen.

Uit don nacht dos wouds trad Afbald in do ruimte voor de burchtpoort, dio door de maan verlicht word. De lijfeigene scheen snel naar boven geloopen te zijn; want hij hijgde heftig.

-ocr page 623-

„Ik moet eerst een beetje bijkomen zeiile lijj met den mouw van zijn buis het zweet van het voorhoofd vegende. „Als mijne ezels wisten, dat ik in een anderen pas den Sonnenberg had beklommen dan dien, waarin ik dit sedert twintig jaren en meer gedaan heb , dan zouden zij bedenkelijk het hoofd schudden. Mij zeiven komt de zaak potsierlijk voor , ofschoon ik weet, dat iedereen storm moet loopeu, die een sterken burcht veroveren, — of een goede daad verrichten, —of den duivel een poets spelen wil. Wie in slechte tijden , — en slecht is deze tijd stellig, — in een ezelsdraije den bravo op de been zou willen helpen , wordt door den vliegenden draak der hel duizendmaal achterhaald. quot;Want niet alleen de engelen hebben vleugels, maar ook de duivels , — lietgecn beteckent, dat de gevleugelden vlug zijn in hunne handelingen. — — Hm , — dat is toch ook nog nooit gebeurd , dat een ezeldrijver met zijne tong een sterke rotsvesting opende. Ofschoon de tong , bij hot ware licht bezien , scherper is, dan zwaarden en doodelijker, dan steenslingers. Ja, de tong heeft menig leven gedood , reeds menige sterkte ingenomen , reeds menige eer vernietigd. — De ophaalbrug heeft de goedhartige Hartmod niet opgehaald, en de poort zal geopend worden , als het mij gelukt, een man over te balen, die zich even gemakkelijk laat bepraten , als een steen, of als een stuk ijzer, of een ander hard voorwerp , dat harder is dan staal, maar weeker dan menig menschenhart. Daar ik intusschen van meening ben , dat do menschelijke geest ook steenen vermurwen en ijzer smelten kan, is mijn geest in de gelegenheid een proef van zijne kunst af te leggen.quot;

Hij liep de ophaalbrug op , vormde met beide hauden voor den mond een holte, en riep : „Hola — he , — Hartmod , — hola — he !quot;

-ocr page 624-

22

Afbalds sterke stem stoorde de nachtolijke stilte in hare rust. Do uilen, die op de muurkronen zaten en hunne vederen in orde brachten, of van de rotsen naaide diepte op hunne prooi gluurden , vlogen schreeuwend weg en alle bergwanden weerkaatsten: „Hola — he!quot; Ook do honden op hot burchtplein begonnen te blaffen, en het schuifje voor het Luginsland , dat in het vertrek van den poortwachter was aangebracht, werd opengemaakt. Twee oogen waren op den ezeldrijver gericht, en een barsche stem klonk uit den toren.

„Wat brult gij, vervloekte kinkel ? Hoe krijgt gij hot in 't hoofd, om in den nacht naar boven te komen en uwe ezelsstem te laten hooren?quot;

„Dat zal ik n terstond zeggen beste Hartmod, als gij maar zoo goed wilt zijn uwe honden het zwijgen op te leggen; want waar honden blaffen en huilen, daar zwijgt elk verstandig mensch.quot;

De wachter verdween achter het Luginsland. Dadelijk hoorde men hem de honden aanspreken , die zich brommend in hunne hokken terugtrokken. Vervolgens verscheen het gezicht van Hartmod achter de kleine, getraliede opening in de poort.

„Nu, wat wilt gij ? Hebt gij geen goede reden voor uw geschreeuw, dan zal ik u alle ribben in het lijf aan stukken slaan.quot;

„Wilt gij misschien ezeldrijver worden , edele Hartmod ? Daarvoor deugt gij niet, — of gij moest op Je eerste plaats een menschelijko levenswijze aannemen, dewijl mijne ezels slechts met fatsoenlijke menschen verkeer en.quot;

„Ik ezeldrijver, — schobberd ? Zijt gij naar boven gekomen, om mij grofheden te zeggen ?

„Stellig niet, edele Hartmod! Een ezeldrijver is even min een grofheid, als een poortwachter een fijn-

-ocr page 625-

23

lieicl, of als een geyangenbewaarder een goedhartigheid. Veeleer ben ik gekomen, om u te zeggen, dat gij fluks deze beide deurvleugels moet openen ; want er komt een hooge gast, of om u de rechte waarheid te zeggen, er komt oen gedeelte van don koning.quot;

„Kom, kom, geen ongepaste gekheden! Kort en goed; — wie komt ?quot;

„Gekheden? Gelooft gij, dat een redelijk menseh, die Ti maar een enkelen keer in uw vriendelijk gezicht gezien heeft, zich zal verstouten , om met n gekheid to maken? Dat zal hij wel laten! Wat mij aangaat, ik zal liever gekheid maken met een grimmigen beer, of met een huilenden wolf, dan mot den torenwachter Hartmod. — Vooruit dus, — opengedaan !quot;

„Voor wion open doen , — voor u misschien domme langoor ?quot;

„Voor mij volstrekt niet, want ik verkies het gezelschap mijner ezels boven het uwe. Maar gij moet voor den gestrenge , die komt, opendoen.quot;

„Om middernacht wordt de poort van den Trifels niet geopend.quot;

„Dat zijn twee groote leugens , beste Hartmod ! Vooreerst is hot op 'toogenblik tusschen tien en elf uur, dus geen middernacht. Ton andere wordt het huis van eiken heer geopend , als de heer komt, hetzij voor of na middernacht. Wilt gij echter bij uw wijs besluit volharden en voor den bode des konings, die nog heden den burchtvoogd jen gewichtige tijding moet brengen , do poort gesloten houden, dan zou ik uwen hals cn uwen rug niet gaarne hebben. Uwen hals niet ; want hij zou wel eens kennis kunnen maken met den strop. Uwen rug niet; want hij zou bont en blauw gekleurd kunnen worden.quot;

Do wachter bromde, vloekte en krabde achter do ooren.

lllli • |-vHu

-m

#1

i:

I

I

-ocr page 626-

2i

„Wat solicolt mij uw gebabbel ?quot; riep hij toornig. „En een bode des konings zie ik niet!quot;

„Gij zult hem echter terstond zien , domme Hartmod! Om u een bewijs mijner oprechtheid en broederlijke gezindheid to geven, zal ik u de zaak verklaren. — Gij weet, mijne hut ligt aan den straatweg. Juist kwam ik van mijne ezels uit den stal en er draaft een zeer groot ridder over den weg. Toen hij mij zag, vroeg hij: „Is die burcht daar boven den Trifels?quot; — Ja, edele heer, zeide ik. Daarop verzocht hij mij, hem den weg te wijzen , hetgeen ik gaarne deed; want men moet jegens vreemdelingen dienstvaardig zijn. Toon wij aan den Sonnenborg kwamen , steeg de ridder van zijn paard, omdat het zeer vermoeid was , zoo als hij zeide; want bij was een bode des konings en had sterk gereden. Toen hij bemerkte, dat de rijweg zig-zagsgewijze den borg oploopt, vroeg hij, hoe veel tijd men noodig hoeft, om aan den burcht te komen. Daarop zeide ik: Een groot half uur, edele heer, als gij vlug loopt, en eou uur, als gij langzaam loopt. Toon zeide hij : „Dat spijt mij, want mijne belangrijke boodschap eischt spoed. Bovendien zal de burchtpoort gesloten zijn en er zal nog een gerui-men tijd verloopen, alvorens de wachter opendoet. Zoudt gij niet langs een korteren weg vooruit kunnen gaan en mijne aankomst melden ?quot; —■ Zeer gaarne , edele heer ! zeide ik. Als gij komt, zal de poort open zijn ; want onzo wachter Hartmod is flink op ziju post. — — Zoo is de geschiedenis. Doe nu, wat gij wilt, onnoozele Hartmod. quot;Wordt gij afgerost, dan hebt gij het eerlijk verdient.quot;

„Heeft hij gevolg bij zich?quot; vroeg de poortwachter.

„Neon! — Hoort gij? Daar komt hij aan!quot;

Men hoorde het getrappel van het paard en de zware

-ocr page 627-

voetstappen van den geharnaste. De wachter luisterde. Toen hij zich van de komst van een enkel man overtuigd had, schoof hij ijlings de grendels terug en opende de poort.

Het paard bij den teugel leidend, kwam Siegfried onder de schaduw der boomen te voorschijn in het maanlicht, hetwelk zijn forschc wapenrusting flauw deed blinken.

„Hoer bode des koningsriep hem Af bald toe, „de poort is geopend, zooals gij ziet.quot;

„Ik dank u, goede man, voor uwe vriendelijkheid en dit is voor uwe moeite,quot; zeide hij, terwijl hij den ezeldrijver een stuk zilvergeld in de hand stopte. „Kan ik oogenblikkelijk don burchtvoogd Dedi sproken?quot; wendde hij zich tot Hartmod.

„Do gestrenge zit nog met zijne gasten aan den wijn ,quot; antwoordde de poortwachter. „Wien moet ik aanmelden?quot;

„Een bode des konings , die onverwijld en wol onder vier oogen met den voogd moet spreken antwoordde hij.

„Goeden nacht, bode des konings, en goeden afloop ,quot; wenschte Afbald en ging naar den boeteling , die op eenigen afstand achtergebleven was.

Siegfried vergat niet een vluchtigen blik te werpen naar het luchtige balkon voor Godila's vertrekken , terwijl hij Harmod op liet burchtplein volgde.

„Immad,quot; riep do wachter een knecht toe , nadat hij do poort gesloten had, „breng dit paard van den edelen heer naar den stal.quot;

„Pas het dier goed op, — aan mijne dankbaarheid in klinkende munt zal het niet ontbreken ,quot; zeide do edelman. „Wrijf het terstond flink af met een groven doek, want het is door en door bezweet.quot;

„Wij kennen dal; werk, genadige heer, — wij ken-

-ocr page 628-

26

non dat!quot; antwoordde Immad dienstvaardig. „Een schoon dier , — het zal goed behandeld worden.quot;

„Gestrenge heer , volg mi), als het u belieftquot; zeide Hartmod.

WAT DE GOITWKOMm VOORNEMENS IS.

De burehtvoogd Dedi zat met zijne gasten , den graai Wazo en den koninklijken abt Lantbert om een sterk gekruid reegebraad. Een gewei van een hert, tusschen welks takken zich het borstbeeld van een vrouwelijke gedaante verhief, met twee kaarsen in de handen, hing aan een sierlijken ketting van de zoldering en verlichtte de etenden.

„Het gebraad is te weinig gepeperd en gezouten, ook is de azijn bij de salade niet zuur genoeg gispte de gouwkoning. „Bovendien smaakt mij den wijn van daag slecht. Ik ben nog zoo nuchter , als dezen morgen. Flink peper en zout hadden mij aan eenigen dorst kunnen helpen en ik zou den dorst hebben kunnen stillen met den voortreftclijken wijn des konings. Nu moet ik echter van daag nuchter naar bed gaan, — iets , dat ik sinds tien jaren niet gedaan heb.quot;

„Ook mij wil het van daag niet smaken , — de nood van mijn koninklijken heer verdrijft honger en dorst zeide Lantbert. „Allerlei vreemde geruchten hoort men van Oppenheira, — ik zeg u geruchten, die mijn koningsgezind hart smart veroorzaken.quot;

„Maak u daarover niet ongerust. lieve drinkebroer antwoordde Wazo. „Abt zijt en blijft gij , trots Sieg-

-ocr page 629-

fried, den Paus en alle duivels. Geloof die kwade geruchten niet, hot zjjn leugens en verzinselen van do aanhangers van Hillebrand. Onzo Hein zal zijnen abt wel handhaven. En ik zal als oen bijzondere gunst van hom verzoeken, om die vervloekte monniken van Klingen allen te zamen op mijne kosten te laten ophangen.quot;

„Was er die krijgshaftige voogd maar niet,quot; hernam Lantbert. „Gij kent bij ondervinding do sterkte van zijn arm en de grootte zijnor dapperheid. Hij heeft immers te Worms den koning in het aangezicht getrotseerd en te Mainz heeft zij zelfs diens dienstmannen verslagen.quot;

„Meent gij , dat onze Hein dit ooit zal vergeten ?quot; riep Wazo. „Wacht maar , de koning zelf zal met een sterke legermacht komen , zoodra hij maar eenigszins lucht heeft, en hij zal dien onbeschaamden windbuil, dien Siegfried, inpalmen. Gij zult hem zien bengelen , — bongelen aan de hoogste torenspits van Landeck. Deze jonge melkbaard en gek behoort onherroepelijk aan de raven , — geloof mij !quot;

„Het is te hopen dat uwe voorzegging uitkomt, heer graaf!quot; wenschto Lantbert. „Tk brand van verlangen, om den koning mijne trouw te bewijzen. Nergens in het Eijk zal het oppergezag des konings meer geacht worden dan in mijn klooster en in het geheele gebied mijner abdij. Rome en zijne heerschzucht zij eeuwige vijandschap gezworen , totdat het mijn koninklijken heer gelukt is , een Paus naar zijn hart op den Stoel van Petrus te plaatsen. Den geest van overspannen kwezelarij , alsook het domme vasten en kastijden wil ik uit het klooster bannen, en daarvoor een vrooljjk leven invoeren. Ook zal ik niet ophouden, van den kansel de eigonhoorigen der abdij duchtig do les te lezen,

-ocr page 630-

28

wegens hunne gewoonten, om bedevaarten te houden naar miraculeuse beelden, of wegens hunnen ijver om te biechten en do Mis te hooren. Zulke zaken zijn louter tijdverkwisting. Arbeiden moeten do hoerige knechten, opdat de heeren in overvloed kunnen leven. Zij moeten wijnbergen , akkers en weiden vlijtig bebouwen, opdat de welvaart niet gestoord worde.quot;

„Waren toch alle abten en prelaten zoo wijs en loffelijk gezind , als mijn verstandige drinkebroer !quot; roemde Wazo. „Hot hemelrijk daarboven, hetwelk nog niemand gezien heeft, zou spoedig ophouden, om door bidden , vasten , biechten, Mis hooren , bedevaarten houden en kastijden de menschen het hoofd op hol te maken. Ook de hel, die insgelijks nog niemand gezien heeft, zou geen ziel meer angst aanjagen. En wat de hoofdzaak is: Aan Rome's heerschappij komt oeneindo; want op leugen, bedrog en misleiding heeft Hillebrand zijn bestuur gevestigd. Ja, leugen en bedrog, — hot kan niet anders! Anders moest elk vrij man , die volgens zijn believen en volgens het recht der heeren leeft, het erfdeel des duivels zijn, als de preek van liillcbrand en zijne aanhangers geen verzinselen en leugens waren.quot;

„Overweeg dergelijke zaken niet, genadige heer graaf!quot; raadde Lantbert, die de geestelijke onrust van den misdadiger kende. „Gij leeft te eenzaam op uwen burcht, en eenzaamheid brengt sombere gedachten voort. Kent gij liet beste middel, om de zwaarmoedigheid te verdrijven ?quot;

„Ja wel, — de wijn is een kostelijk geneesmiddel tegen alle booze invallen ,quot; antwoordde Wazo.

„Zonder twijfel, — vinum laetificat cor hominis, de wijn verblijdt 's menschen hart, zegt de II. Schrift,quot; bevestigde Lantbert. „De wijn alleen doet het evenwel

-ocr page 631-

29

niet. Eon vroolijk vrouwtje verdrijft alle treurigheid en grillen nog veel beter. Eu gij zijt ongehuwd en vrij , beste vriend !quot;

„Daarover heb ik ook al eens gedachtverzekerde Wazo. „Ik bon kinderloos , — ik ben waarlijk ook al te eenzaam. En een dor machtigste graven van hot Duitsche Rijk moest nakomelingen hebben. Wist ik maar een edele jonkvrouw, die lief, aardig en boven mate beminnelijk is ; — maar — ach!quot; hij zweeg en trommelde met de vingers op de tafel.

„Geen edele jonkvrouw in het geheele Rijk zou den machtigen gouwkoning der Vogezen hart en hand weigeren ,quot; vleide Lantbert.

„Natuurlijk, heer abt! Maar, die ik op het oog heb, is niet vrij. Nu, wat dunkt u van Godila?quot; wendde hij zich tot den voogd. „Meent gij, dat de koning haar zou vrijlaten?quot;

„Voor nog zooveel niet!quot; verzekerde Dedi. „Wie zulk een kleinood bezit, kan zich daarvan niet scheiden, vooral als hij zulk een liefhebber van schoonheden is , als de koning.quot;

„Wie weet, — zijn do geruchten waar, die over den nood des koniugs loopen , dan zou hij zich toch van zijn kleinood moeten scheiden,quot; zeide Lantbert.

„Kregen wij maar eens stellige berichten,quot; riep Dedi gemelijk uit. „Sinds de vorsten te Tribur vergaderd zijn, durft geen ridder den Trifels te bezoeken. En zoo moeten wij ons behelpen , met de sprookjes en vertelseltjes , die rondgestrooid worden. Ik zou waarlijk wel lust hebben, als het kon, om zelf naar Oppenheim te gaan, ten einde mij met eigen oogen van de zaken te overtuigen.quot;

De deur ging open eu Hartmod kwam binnen.

-ocr page 632-

30

„Gestrenge heer voogd, daar is een bode van den koning , die u verlangt te spreken.quot;

„Een bode des konings?quot; riepen als uit éénen mond de drinkebroers.

„Breng den edelen heer terstond binnen beval Dedi.

„Met uw verlof, gestrenge heer, do ridder verlangt u onder vier oogen te spreken , omdat zijne boodschap een geheim is.quot;

„Zoo — zoo!quot; zeide Dedi opstaande. „Breng den heer naar de kleine zaal. Ik kom terstond daar.quot;

Toen do wachter was teruggegaan, keken de drie elkander eenige seconden zwijgend en onderzoekend aan.

„Wat zal dat beduiden ? Een geheime boodschap ?quot; vroeg Lantbert.

„Ik kan het mij niet verbeeldenantwoordde de burchtvoogd. „Zou wellicht een hooggeplaatst persoon hier gekerkerd . — markgraaf Udo uit de gevangenis ontslagen , — of misschien uit de voeten gemaak: moeten worden? Het laatste kan ik evenwel moeilijk ge-looven; want de Sakser is een braaf man, die door mijn gebieder geacht wordt. Yoor het overige verandert de wind nergens schielijker , dan aan hot hof.quot;

„Ga heen en hoort eens !quot; zeide Wazo. „Vergeet niet, den heer te vragen, hoe de zaken te Oppenheim en te Tribur staan.quot;

Dedi verliet haastig de kamer.

„Deze renbode bevalt mij niet,quot; zeide Lantbert. „Hij komt mij voor als iemand, die een brand komt aanzeggen , — het brandt in Oppenheim.quot;

„Hm , — hm ! Zou onze Hein in den brand zitten ? Dat zal spoedig blijken. Laat hij Godila vrij , dan is het zeker, — dan staat het water hom tot aan den hals; want een valk laat eene duif even gemakkelijk uit zijne klauwen los, als onze vroolijke Hein oen

-ocr page 633-

31

aardig meisje uit zijne handenverzekerde Wazo. „En Godila is zonder weerga. Ik heb reeds vele vrouwen en jonge dochters gezien, maar nog geene, die hot in de verte bij de bekoorlijke dochter van den markgraaf Udo kon halen. Had ik zulk een schat, dan zou ik liever mijn land en onderhoorigen verliezen en mij in mijn burcht laten belegeren , dan zulk een meisje uit te leveren. Juist zoo denkt er de koning over, — dat weet ik, — ik keu hem. Ontslaat hij derhalve Godila, clan is zijne zaak verloren , — natuurlijk — voorloopig ! Gij verstaat mij : — slechts voorloopig !quot;

„Ik begrijp u, doch niot geheel,quot; antwoordde de gehuwde.

„Mijn „voorloopigquot; wil zeggen, onze Hein zit op het oogenbl.k in de klem, hij doet maar beloften, hij belooft alles, gelijk een vos in de val. Worden echter de hekken verhangen, komen voor Hein weder goede dagen en staat zijne zaak goed , dan haalt hij het verzuimde weer behoorlijk in. Degenen , die hem bittere oogenblikken bereidden, mogen dan op hunne hoede zijn , namelijk de Paus en diens aanhangers.quot;

De burchtvoogd keerde terug, met een perkament in de hand en niet weinig ontsteld.

„Neen, ik#kan het niet gelooven !quot; riep hij. „Het is niet mogeljjk ! Vriend Lantbert, lees, —• het is niet mogelijk ! De beschermheer van Klingen heeft mij wel is waar het bevel voorgelezen, — maar ik kan het niet gelooven.quot;

„De handteekening en het zegel deskonings,quot; zeide Lautbert het perkament beschouwende.

„Juist zoo!quot; bevestigde Wazo. „De eigenhandige onderteekening des konings, — die ken ik goed. Wat schrijft hij ?quot;

-ocr page 634-

32

De burchtkapelaan las:

„Aan onzen burclitvoogd Dedi op den Trifels. Wij bevelen u bij lijf en leven , op liet gezicht van dit schrijven, do dochter van don markgraaf Udo van Saksen, Godila genaamd, met al hare havo aan den voogd Siegfried van Klingen uit te leveren, opdat zij vrij en ongehinderd onzen burcht, den Trifels, verlate en zich naar believen een verblijf kieze.quot;

„Geschreven op ons koninklijk verblijf Opponhoim , op het feest van den heiligen Evangelist Lucas.

Henricus Bex.''''

„Zou het dan toch mogelijk zijn ?quot; riep Dedi. „Juist dezelfde woorden heeft ook de voogd gelezen.quot;

Wazo's gloeiend gelaat nam een verraderlijke uitdrukking aan.

„Een scherp bevel,quot; zeide hij. , Woes daarom wel op uwe hoede, beste voogd! Is uw lijf en loven u lief, doe dan , wat u bevolen wordt; want het bevel luidt: bij lijf en leven moet gij de dochter van den markgraaf uitleveren.quot;

„Hoo kan ik bij nacht en nevel de vorstin wegzenden ?quot; riep de ontstelde voogd uit.

„Er staat toch. „Op het gezicht van dit schrijven,quot; — en bevelen dos konings moeten stipt en letterlijk uitgevoerd worden,quot; hernam Lantbert. raad u derhalve aan , den beschermheer te vragen, of hij heden nog vertrekken wil. Stelt hij het vertrek tot morgen uit, wat waarschijnlijk is , dan valt alle verantwoording niet op u , maar op dien van Landeck.quot;

„Die raad is verstandig; volg hem,quot; zeide Wazo. „Hebt gij dien lummel van een voogd niet gevraagd, hoe het er te Oppenheim uitziet ?quot;

„Slecht genoeg ,quot; antwoordde Dedi. „De koning heeft zich aan do uitspraak der vorsten onderworpen. Deze

-ocr page 635-

33

hebben hem tot -voorwaarden gesteld , om schepter en kroon neder te leggen, zich niet met regeeringszaken te bemoeien , te Spiers stil te gaan loven en zijne zaak aan het oordeel van den Paus te onderwerpen.quot;

„O wee, — o wee!quot; riep de gehuwde uit, bleek als een doek.

„Ook is de koning genoodzaakt allen, die in den ban zijn , uit zijnen dienst te ontslaan en van hunne ambten te ontheffen.quot;

De geëxcommuniceerde Lantbert zat sprakeloos te kijken.

„Maak u daarover niet ongerust, vriend abt!quot; haastte Wazo. „Kunt gij op dit oogenblik niet in 't bezit van uwen zetel geraken, en verliest gij bovendien nog de betrekking van burchtkapelaan, dan is dit alles slechts — voorloopig. Do wereld is rond en draait. Wat van daag boven is , komt na maanden onder.quot;

„Maar ik ben met vrouw en kind zonder betrekking en zonder brood ,quot; klaagde de Simonist.

„Met zonder betrekking en niet zonder brood ; want gij zijt en blijft mijn rentmeester, ik geef u een woning in het dal, daar kunt gij gaan wonen en mijne tienden en pachtpenningen innen, als vroeger.quot;

„Duizendmaal dank, allergenadigste graaf! U hoeft de Voorzienigheid bestemd , om een verloren huisgezin het hoofd boven water te houden.quot;

4

„Bah — Voorzienigheid! Ik heb u en gij mij noo-dig, — dat is alles! — ïfu, voogd, wat staat gij daar leelijke gezichten te trekken?quot; riep de graaf lachend uit. „Valt u de scheiding van het schoone Saksische meisje zoo zwaar ? Maar dat is ook waar, daar valt mij wat in, — gij hadt in zin 'sKoning afgedankte bijzit, Godila, te trouwen. Doch dat is nu voorbij. Intusschen, — St. Magdalena is niet de wereld uit. Wat gij eenmaal voor den koning gedaan hebt, kunt Cax. D. HI. 8

-ocr page 636-

34

gij mi voor u zolven doen,quot; — eu Wazo keek Dedi vragend aan.

„Hoo meent gij dat?quot; vroeg de voogd.

„Ik meen , dat gij op een mooien dag, of in een stormaclitigen nacht, gemakkelijk den weg naar St. Magdalena kunt vinden en daar gaan kalen, wat u bevalt.quot;

„Wat denkt gij , graaf? Afgezien van andere bezwaren , zou mij de naijver des konings dergelijke daad stellig met lijf en leven laten boeten. Neen , — neen, — zulk een stouten stap zal ik wel laten, die zou wel aan een heer van uw slag kunnen gelukken, maar niet aan een afhankelijken burchtvoogd van den Trifels.quot;

„Ik moet bekennen, dat gij er verstandig en wijs over denkt,quot; prees de graaf. „Mijn voorstel is maar seberts geweest, — natuurlijk! De beschermheer verstaat in dergelijke zaken geen scherts. Deze ijzervreter zal toch niet hier komen ? Ik zou hom voor geen geld willen ontmoeten. Hij is wel uw gast en gasten moeten geëerbiedigd worden. Intusschen , — gij weet, men is zich zelven niet altijd meester, derhalve kan niemand voor zich zelven borg blijven.quot;

„Wees maar niet bezorgd, heer graaf! De bode des konings zit boven aan den maaltijd en ik kon bespeuren , dat hij van Opponheim Hinken honger medegebracht heeft.quot;

„Goed zoo! Gastvrij moet men altijd zijn,quot; zeide Wazo. „Als wij op reis zijn verlangen wij hetzelfde. Ofschoon ik den hond Siegfried haat, en met reden, — want hij heeft mijne beste knechten gedood , — ofschoon ik den schurk evenmin kan lijden , als knoflook in de soep , of honig in den wijn, toch raad ik u , hem gezelschap te houden. Do gastvrijheid vordert zulks. Tracht intusschen van hem de toedracht te Tribur te

-ocr page 637-

35

weten te komen; want het moet zich daar zeer bespottelijk toegedragen hebben.quot;

„Ik ben ook zeer nieuwsgierig, om van den vorstendag en den toestand des konings wat nader te vernemen,quot; antwoordde ])cdi. „Als het mijne geëerde gasten veroorlooven, ga ik met den beschermheer van Klingen eenige bekers ledigen.quot;

„Ga maar gerust, beste vriend! Lantbert en ik zullen den tijd tot middernacht wel rondkomen, — ga maar!quot;

Na hot vertrek van Dedi veranderde het gebarenspel van quot;Wazo in een sluw lachen.

„Ik heb hem opzettelijk weggezonden , vriend Lantbert ! Want ik moet u in vertrouwen een kostelijk plan mededeelen , — dat wil zeggen , als gij zwijgen kunt.quot;

„Als het graf, heer graaf.quot;

„Goed, — wij zullen het er op aan laten komen. Ik zeg u dit maarging de graaf voort, terwijl hij het voorhoofd fronste „verraadt gij mijn geheim aan Dedi of aan iemand anders, dan laat ik u aan den kousenband uwer Ella ophangen. — Kunt gij zwijgen ?quot;

„Als een vLscii ! Uwe bedreiging bekommert mij derhalve niet in het minst.quot;

Wazo schoof zijn stoel dichter bij zijn drinkebroer en liet sluwe lachen kwam weer op zijn gelaat.

„Gij riedt mij aan een vrouw te nemen; nietwaar?quot;

„Met do beste bedoeling, hoer graaf! Een aardige, vroolijke vrouw zou geschikt zijn , om uwe muizennesten en sombere gedachten te verdrijven.quot;

„Ik ben dat volkomen met u eens , vriend ! Een zeer schoone vrouw zou mij ten minste langen tijd in goede luim houden en den graaf een of meer kinderen schenken.quot;

„Ook zou er een heerlijke bruiloftsmaaltijd op volgen zeido Lantbert do handen wrijvend , „ die minstens , uwen verheven stand en uwen rijkdom in aan-

3*

-ocr page 638-

3G

merking genomen; veertien dagen en nog meer duren moest. Hebt gij reeds de jonkvrouw bepaald, welke hot geluk beschoren is, de gemalin van een zoo rijk en aanzienlijk heer te worden ?quot;

„Zonder twijfel heb ik mijne keus gemaakt, — gij zult er over verwonderd zijn!quot;

„Nu? Mag ik het weten? vroeg Lantbert.

„Een markgravin van geboorte en een keizerin aan schoonheid. — Godila \quot; antwoordde graaf Wazo.

„Zoo — zoo !quot; riep de Simonist uit op oen toon , die zoowel verwondering als bedenking bevatte.

„Wat zegt gij daarvan, — he ?quot; vroeg de broeder-moorder Wazo.

„Een gelukkige keuze! Geen bekoorlijker schepsel leeft onder de zon , — een kostelijke inval! Ik benijd u , heer graaf! Eu Hein zal van spijt barsten , als gij eene vorstin trouwt, die hij moest uitleveren.quot;

„Met waar? Ha, — ha! Ja, de geheele wereld zal mij benijden om eene vrouw, zoo als er geen tweede in het Rijk is.quot;

„Hebt gij reeds de toestemming van Godila?quot;

„Dat is de eenige zwarigheid , en gij moet mij bijstaan met uw wijzen raad. Sinds lang heeft mij de bekoorlijkheid van Godila de oogen uitgestoken. Ik wilde echter onzen Hein niet in den weg loopen. Wijl nu de koningsarend zijn buit moot laten varen en de vorstendochter vrij is, staat mijn besluit vast, als de rotsen van mijn burcht. Godila moet ik hebben, — goed- of kwaadschiks.quot;

„Denk vooreerst niet aan geweld, beste vriend! Wilt gij vrouwenharten winnen , begin dan met zoete woordjes, een vleiend lachje en een flink voorkomen.quot;

„Dat zal ik doen! Ik zal alle kunstjes beoefenen, met welke men het oog en het hart van lieve meisjes

-ocr page 639-

37

bekoort. quot;Welriekende kruiden zal ik in nijjue kleederen leggen, kancelolie z.il ik op mijn zakdoek, op mijne haren welrickonden balsem doen. Ook zal ik den tweeden en derden morgendronk achterwege laten, on mij in do plaats daarvan volproppen met aardige spreekwijzen. In scharlaken en fluweel zal ik mij klee-den en eiken morgen mijn aangezicht wasschen. Kortom, — ik wil zoo'n knappe jongen worden, als er ooit een vrijer geweest is.quot;

'„Dat helpt, — d.it helpt! Wel bezien , is uw plan voor Godila een buitenkansje. Zij is wel een geboren vorstin, maar zonder land of goed ; want nimmer zal de markgraaf Udo zijne leenen en allodiaal goederen terug ontvangen. Godila's geheele rijkdom bestaat in hare glanzende schoonheid. Zij zou in het klooster moeten verwelken cn een arme dienstmaagd van Christus worden . of zou zij daartoe ook niet genegen zijn. Biedt gij nu de verlatene, de arme hart en hand , verheft gij haar tot een machtige, aanzienlijke vrouw, dan zou zij wel dwaas en stekeblind moeten zijn , om zulk een geluk van de hand te wijzen. Bijgevolg heeft uw plan de beste vooruitzichten,quot;

„Wat dunkt u, zou ik haar morgen niet vragen. Ik brand van verlangen , om haar te trouweu.quot;

„Geen overhaasting, geliefde drinkebroer ! Volg mjjn raad, — tracht langs omwegen het hart van Godila te naderen, en verzuim niet, uwe goede voornemens omtrent uw uiterlijk voorkomen ten eerste uit te voeren. Gedraag u deftig, zweer het vloeken af, leg de mannelijke ruwheid af voor een fijne levenswijze, cn tracht voor alles den vader van Godila te winnen. De man moest wel zot zijn als hij niet met beide handen naar zulk een geluk voor zijne dochter greep.quot;

„Uw raad is verstandig, vriend, — zeer verstandig!''

Pfi rr,,

Hf . 3

ÏJv'ljli

-ocr page 640-

38

„Zou dc markgraaf, buiten verwachting, zich onwillig toonen, beloof hem dan verlossing uit de gevangenis voor de hand zijner dochter. Dit aanbod kan hij niet afwijzen en het zal u niet moeilijk vallen , bij Hein de vrijheid van den Sakser te bewerken. Met den oude hebt gij ook de dochter gewonnen; want Godila is een braaf kind , gehoorzaam aan het vaderlijk gebod.quot;

„Uw raad is uitmuntend !'' riep Wazo. „Mets toch gaat boven een wijzen vriend. Dat zal een vroolijke bruiloft geven, — ha — ha

„Dit is do weg in hot goede zeido Lantbcrt. „Brengt hij u niet tot het doel , wat ik niet geloof, neem dan met geweld, wat u de dwaasheid ontzegt. Maar de beschermheer, die vreeselijke ridder, zou op den weg van het geweld wel een hinderpaal kunnen zijn.quot;

„Bah , — het komt er meer op aan , om het rechte oogenblik af te wachten ,quot; zeide de graaf. „Dit wild zwijn , gehard en verzekerd in drakenbloed tegen alle aanvallen, zal niet altijd te huis blijven , hij zal nu en dan wel eens afwezig zijn. Mijne wolven zullen het vrouwenklooster overvallen , als de stichtshonden er niet op verdacht zijn. — Daar komt Dedi. Nu stil en zwijg ; want ik vertrouw den burchtvoogd niet. Hij is een smuller en lekkerbek. Kende hij mijn plan, dan zouden nijd en afgunst hem er toe brengen, om Godila heimelijk weg te voeren. Derhalve stil gezwegen. Vergeet den kouseband van uwe Ella niet. — Nu,quot; riep de graaf, „hebt gij den lummel afgevoederd ?quot;

„En te bed gebracht, antwoordde Dedi.

„Heeft hij gebiecht ?quot; vroeg Lantbert.

„Onbeschroomd, antwoordde de burchtvoogd. „Het is met den koning slechter gesteld , dan wij konden denken!quot;

Hij ging zitten en deelde aan zijn luisterende gasten mede, wat hij vernomen had.

-ocr page 641-

39

Nadat Siegfried tot de overtuiging was gekomen, dat Godila's gevangenbewaarder, Dodi, bereid, ja zelfs angstig bezorgd was, om de bevelen des konings te gehoorzamen en de vorstendochter onverwijld uit hare gevangenis te ontslaan, volgde hij gerust den vooruit-gaanden bediende naar do aangewezen slaapkamer. Daar boog hij , gelijk hot een christenman betaamt voor den Allerhoogste de knieën en sprak een kort avondgebed , dat zich echter tot een lang en hartelijk dankgebed uitbreidde. Levendig stonden hem de doorgestane moeilijkheden en de groote zorg ter redding der hulpbehoevende voor oogen. Ku hij gelukkig het doel eener lastige en bijna onuitvoerbare taak bereikt had, dankte hij de goddelijke Voorzienigheid vurig , van welke men terecht gelooft, dat zij kinderen, weezen en onschuldig verdrukten op een bijzondere wijze beschermt. Van Siegfrieds gevoelens en gemoedsgesteldheid gaf het dankgebed een treffende getuigenis ; want niet trotsch beriep hij zich op zijn betoonden moed, maar bescheiden gaf hij God en diens beschikking de eer.

Eindelijk stond hij op en begon zijn sterke ledematen te ontwapenen. Daarop legde hij zich neder en viel tengevolge van de doorgestane inspanning , in een diepen slaap. Tegen den morgen zweefden liefelijke droo-men voor zijn geest. Hij zag Godila door licht omstraald , in onuitsprekelijke bevalligheid en aanminnigheid. Zoo sterk was de glans , die van haar afstraalde, dat hij uit den slaap ontwaakte. Nu zag hij zich werkelijk door een lichtglans omgeven. Do zon wierp hare koesterende stralen op zijne legerstede, en het gesehal van de horens der herdprs op de bergen zeide hem , dat de dagtoorts al een eind van hare baan had afgelegd. Beschaamd over zijn lang slapen verliet hij haastig het bed , trok de noodzakelijkste kleedingstuk-

-ocr page 642-

40

ken aan en besteedde meer zorg dan gewoonlijk aan zijn toilet. Juist had hij zijn pantser over het lederen buis aangetrokken , toen de burchtvoogd Dedi binnen kwam.

Dezelfde zonnestralen, die voer de beteugelde verbeeldingskracht van den slapenden Siegfried liefelijke droomgestalten deden geboren worden, stortten hunnen gloed ook in de vertrekken van Grodila. De vorstin, die tot nu toe onbewust was van de aankonst van haren beschermer, zat aan het borduurraam, naast haar markgraaf Udo, ijverig bezig , om de zorgen en angst to bedaren van het kind voor den edelmoedigen jongeling, dio zich aan hot hof van zijn doodvijand gewaagd had.

„Ik verlang werkelijk zeer vurig, een heer te leeren kennen, wiens edele hoedanigheden mijne Godila niet genoeg roemen kan zeido do Sakser. „Tevens neem ik aan, dat zijne lichamelijke eigenschappen met de zoo hoog geroemde geestelijke overeenstemmen , dat Siegfrieds edele ziel in een bevallig lichaam woont.quot;

Deze woorden sprak de vorst op een bijna onver-schilligcn toon, maar met een doordringenden blik op zijne dochter.

„Hij heeft een flink voorkomen, vader,quot; antwoordde zij , zonder van haar werk op te zien. „Stoutmoedigheid spreekt uit zijne edele gelaatstrekken, scherpzinnigheid en edelmoedigheid uit zijn heldere oogen. Hij is groot cn sterk, als een trotsche eik, do verwezenlijking van dien moedigen ridder uit de holdensagen , — ten minste naar mijn gevoelen.quot;

„Hij schijnt het afbeeldsel te zijn van den held Eo-land, zoowel in kracht, als in vermetele stoutmoedigheidantwoordde de markgraaf glimlachend; „want wat zijn arm deed bij den eik, alsook te Mainz en in hot sticht Klingen, gaat de gewone mate van ridderlijke daden te boven.

-ocr page 643-

41

„Bescheiden 'is hij in zijn doen , zachtzinnig is zijn voorkomen ging zij levendig voort. „Niets vindt men aan hem van die ruwe, soms alledaagsche manieren der meeste heeren, die ik hier loerde kennen. Nimmer spreekt hij dubbelzinnig. Zijn voet vermijdt zorgvuldig elke verdachte plaats , en nooit zondigt hij tegen do strengste eischen der wolvoegelijkheid. Zijn jeugd is ernstig, als do rijpe ouderdom , en toch oprecht, rein en vroom , als de zonnige dagen der kindsheid.quot;

Udo keek ernstig voor zich. Duidelijk bemerkte hij de genegenheid van zijn goliofo' kind voor den vreemdeling , en de ervaren man schrok bij de gedachte, dat hij na een nauwkeurig onderzoek van den hoog geroemde , het oordeel van Godila niet kon onderschrijven.

Ik wensch vurig, den voogd overeenkomstig uwe schilderingen te vinden, zeidc hij. „Intusschen, — gij kent de wereld niet, mijn kind , en zoudt u wel eenigs-zins kunnen bedrogen hebben.quot;

Zij keek hem met groote oogen aan.

„Wat Siegfried voor ons gedaan heeft zijn doorslaande bewijzen van grootmoedigheid. Herhaalde malen heeft hij zijn leven voor ons in de waagschaal gesteld. Geen gevaar achtte hij, — en mij bevangt een onuitsprekelijke angst, dat deze laatste rit naar het hof, in de macht van den vreeselijken tyran, hem het dierbaar leven gekost heeft.quot;

Haar hoofd zonk op do borst, hare handen beefden, en nauwelijks was zij in staat hare tranen to weerhouden.

„Maak u niet nutteloos bezorgd, Godila! die verstandige Siegfried heeft zich zonder twijfel niet onvoorwaardelijk aan de wraakzucht van den Saliör overgeleverd. Do macht zijner vrienden zal hem beschermen. Klaag maar niet voor den tijd. — Wel getuigt het gevaar-

-ocr page 644-

42

vol pogen van den ridder voor zijn edelmoedigheidquot; ging hij op oen bedenkelijken toon voort, „doch alles hangt af van de grondoorzaken en bedoelingen, aan welke onze handelingen haren oorsprong ontleenen. De slang blijft een vergiftig dier , al doodt haar tand ook den tijger. Prijzenswaardige en nuttige handelingen moeten niet noodzakelijk bewijzen van iemands goedheid zijn. Er zijn menschen , die gevaren zoeken, liefhebbers van vermetele avonturen, welker halsbrekende ondernemingen , waanzinnige stoutmoedigheid , genot en vreugde bereiden. Zou Siegfried zoo iemand zijn, dan zou hij al, wat hij gedaan heeft, hebben kunnen doen, zonder daarom edelmoedigheid en christelijke naastenliefde te bezitten.quot;

„ O vaderriep zij uit, hare oogen naar haren vader opslaande, „hij is zulk een heldere spiegel vaneen groote ziel, dat hij eiken schijn van een vermetel, roofzuchtig gelukzoeker veroordeelt. Zie hem, — spreek hom, — beproef hem, en gij zult mijn gebrekkige schildering naar waarde moeten volmaken.quot;

„Het zal mij genoegen doen, als ik uwe senikle-ring bewaarheid vind, zeide de Saksenvorst terughoudend.

Zij begreep de strengheid haars vaders jegens den edelen heer niet. Het scheen toch, dat hij argwaan koesterde jegens den weldoener en huichelarij vond in diens verhevene handelingen. Een dergelijke oordeelvelling stiet haar tegen do borst, omdat zij niet alleen van de achtenswaardigheid van harer redder overtuigd was, maar ook van de reinheid zijner bedoelingen , die niet valsch of baatzuchtig waren. Na een lange pauze was zij op het punt om de verdediging van Siegfried mot warmte to beginnen toen de burchtvoogd binnen kwam.

-ocr page 645-

43

„ Adclijke moesteres !quot; begon Dcdi na een diepo buiging , „gisteren avond kwam de voogd van Klingen van Oppenheim terug.quot;

„Is hij weer ? God zij geloofd!quot; riep Godila, terwijl haar gelaat van vreugde blonk.

„Dit bevel des konings bracht hij,quot; ging Dcdi voort, de vorstin het perkament overhandigende. „Daarin kunt gij zien, dat mijn dienst heeft opgehouden.quot;

Zij las overluid het schrijven.

„Welke gelukkige oplossing !quot; riep zij uit na het gelezen te hebben.

Dc markgraaf knikte goedkeurend mot het hoofd. Toen zij haren vader aankeek verdwenen do vroolijke trekken van haar gelaat.

„O vader, -— mag ik u verlaten ?quot; zeide zij aangedaan. „Heer voogd, zoudt gij mijn verblijf hier niet langer toestaan ?quot;

„Onmogelijk , genadige vorstin !quot; antwoordde kortaf do beambte. „Lijf en leven heb ik geborgd voor do getrouwe naleving van het koninklijk bevel. Vorder mijn ondergang niet. Tevens zegt het schrijven, dat gij zonder toeven met uwe have den Trifcls moet verlaten. Daarom bid ik u , dat gij u onverwijld gereed maakt. Pakpaarden staan te uwen dienste. Wijl de koning u de kamenier Oda geschonken heeft, behoort deze ook tot uwe have.quot;

„Verheug u over een dergelijke verandering, mijn kind!quot; zeide Udo. „Bij de vrome kloosterzusters is een geschikte verblijfplaats voor u, — niet in het huis dos konings. Ware hot den heer Dcdi ook mogelijk, u hier te dulden, dan zou mijn vaderlijk gebod u een langer verblijf verbieden. Wij hebben reden, de al-goede Voorzienigheid voor dezo gunstige wending te danken. — Waar is Siegfried?quot; wendde zich de mark-

-ocr page 646-

44

graaf tot den burchtvoogd. „Kan ik den ridder niet bedanken voor zijne bemoeiingen ?quot;

„Toen ik voor een uur in zijne kamer kwam, sliep hij nog gerust',quot; antwoordde Dedi. „Dag en nacht was de jonge man van Oppenheim hierheen gereden en hij was zeer vermoeid.quot;

Godila kwam uit het zijvertrek terug met een kunstig gewerkte zilveren vaas in de hand.

„Neem dit kleinood aan als een teokeu mijner dankbaarheid ,quot; zeide zij, den beambte de vaas overhandigende. „Ook bid ik u, die goedheid en oplettendheid aan mijn vader te bewijzen, welke gij steeds aan mij getoond hebt.quot;

„Een kostbaar geschenk , ik zal het in eere houden en op uwe gezondheid er menigen keer uit drinken ,quot; zeide de burchtvoogd, die de vaas voor een sierlijken drinkbeker hield. „ Wees omtrent den markgraaf onbezorgd. liet bevel dos konings gebiedt mij reeds, den vorst volgens zijn stand te behandelen.quot;

„Staat gij mij toe, dat ik mijn vader nu en dan bezoek ?quot; smeekte zij.

De Trifels zal er steeds trotsch op zijn, u te mogen herbergen,quot; antwoordde Dedi.

„Zou ik den beschermheer van Klingen niet kunnen spreken ?quot; vroeg Udo.

„Ik zal hem onraiddelijk hierheen zenden, te meer daar het gebruik vordert, dat hij diegene zijne hulde biedt, welker geleide hem is toevertrouwd.quot;

„Mijn kind,quot; zeide de Sakser toen Dedi was heengegaan , „onbezonnen was uw verzoek aan den voogd. G-jj moot den Trifels, dit huis van boosaardig geweld, nimmer meer binnentreden. Wie weet, of do tyran niet spoedig berouw gevoelt over een besluit dat hem in nood is afgedwongen. Derhalve verbied ik u met

-ocr page 647-

45

al de gestrengheid van mijn vaderlijken %vil , mij hier te bezoeken. — Ga nu, lief kind quot; eindigde hij op vriendelijken toon, „en regel uwe zaken om te vertrekken.quot;

Zij gehoorzaamde en begon, geholpen door Oda , wier vreugde over de gelukkige wending zich uitte in onophoudelijke uitroepen van blijdschap, hare kleederen, borduursels en kleinooden in doeken te pakken.

Do markgraaf liep door do kamer in afwachting van Siegfrieds komst. Godila's onrust en gloeiende wangen zeiden hem , dat ook zij met gespannen verwachting do komst van den hoog geprezen ridder te gemoet zag.

Eindelijk weerklonken zware voetstappen in den gang. De gewapende kwam binnen , ontvangen door de onderzoekende blikken van Udo. liet vorstenkind kwam uit het zijvertrek toegeloopen en groette in verrukking haren edelmoedigen vriend. Hij echter bleef ernstig, knielde op eene knie en waagde hot nauwelijks de aangeboden hand met de lippen aan te raken. Zij hield zijne hand vast en leidde hem bij den markgraaf.

„De heer Siegfried, lieve vader, aan wien wij zoo oneindig veel verschuldigd zijn.quot;

Stellig, — onze schuld is groot aan u, heervoogd!quot; zeide de Sakser , die verbaasd was over Siegfrieds houding en mannelijke schoonheid. „Thans beklaag ik mijn ongeluk dubbel, omdat het mij belet, onzen weldoener eenigs/dns te vergelden. Ik mag u zelfs niet eens welkom heeten; want hier bon ik zelf vreemd. Maar mijne bewondering en hoogachting mag ik jegens u uitdrukken, en tevens een zoo diep gevoelde dankbaarheid, als slechts een vader kan gevoelen, voor wien gij het eenig kind gered hebt.quot;

Hij reikte den jongen man do hand en drukte die hartelijk.

-ocr page 648-

46

„Wat de plicht ons oplegt, heer markgraaf, kan geen aanspraak maken op dankbaarheid,quot; antwoordde Siegfried; „want elke plichtsbetrachting moet zoo natuurlijk zijn, als het glanzen van het licht, als de warmte des vuurs, als de getrouwheid van den hond, als het leven van alle dieren binnen de grenzen hunner bestemming. Wat elementen en dieren gedwongen doen volgens den wil des Scheppers , dat doet de mensch uit vrijen wil. Derhalve zoudeu donkere lichten, ontrouwe honden, koud vuur zulke tegenstrijdige , onnutte misgeboorten zijn , als een mensch , die zijne plichten vergeet. Bijgevolg zijt gij aan een ridder geen dank schuldig , die slechts zijn plicht gehoorzaamde, en die een hooger loon ontvangt, dan menscheu hem kunnen schenken.quot;

Men de grootste verbazing hoorde de vorst deze toespraak aan , die een gemoedsgesteldheid en beschaving verried, welke zich geheel onderscheidde van de gewone denkwijze.

Even bescheiden, als trotsch, even waar, als diep opgevat, „sprak de Sakser met een blik van bewondering voor den jongen man.quot; Ik beu zeer blij , persoonlijk kennis met u te maken.quot;

„En ik vernam met blijde verrassing uit don mond van don voogd van den Trifels , dat gij hier tegenwoordig waart,quot; antwoordde Siegfried. „Veroorlocf mij u mijnen eerbied te betuigen voor uwe opoffering en uw lijden ten dienste der goede zaak , voor uwen strijd en uwe moedige daden tegen de willekeurige heerschappij van Hendrik IV.quot;

„Ook ik deed slcchts wat een waar Sakser verplicht is, beste heer Siegfried!quot; zeide de markgraaf ernstig. „Zoo als ik ter loops vernam, zijn onze bemoeiingen vruchteloos geweest. Mag ik u verzoeken mij

-ocr page 649-

47

de toedracht te Oppenheim en to Tribur mede te deelon.quot;

„Met de grootste bereidwilligheid, wijl ik u slechts aangename tijding kan brengen,quot; antwoordde Siegfried.

„Mijn kind,quot; wendde zich Udo tot Godila, die ter zijde gestaan Lad en met verrukking den gunstigen indruk van haren redder op den gestrengen vader waargenomen had, „keer terug om uwe zaken in orde te brengen ; want het vordert spoed.quot;

Udo leidde don beschermheer naar eene vensternis.

„Voor alles heb ik u eene vraag te doen, waartoe een vader het meest gerechtigd is,quot; begon hij mot half gesmoorde stem. „In het volste vertrouwen stel ik mijn eenig kind onder uwe hoede. Maar ik vrees , dat het vrouwenklooster St. Magdalena ten tweeden male zal overvallen en Godila weggevoerd worden. Kunt gij borg blijven voor hare veiligheid?quot;

Ik blijf met lijf, leven en eer borg voor do veiligheid van uw kind,quot; antwoordde Siegfried. „Een schelmstuk, dat in mijne afwezigheid heeft plaats gehad , zal in mijne tegenwoordigheid bepaald niet gelukken.quot;

Dat is wol! Maar zoudt gij weder niet eens afwezig kunnen zijn ? Gij weet, wij hebben met oen buiten-gewoon sluwen en boosaardigen vijand te doen, die listig zijn tijd afwacht.quot;

„Een gevallen koning,quot; antwoordde de voogd, „zal eene wandaad niet herhalen, welke hom zijn lage hartstochten en bedorven hart in do dagen van voorspoed ingegeven hebben. Ongestoord zal uw kind op die gewijde plaats verblijven; want Hendriks schepter is gebroken, de kroon ontviel aan zijn hoofd en er drukken op hem zulke bergen van ongeluk en smaad, dat elke kiem van zondigen overmoed verstikt. Hij moot toch

P

tpSI

■M j-k' %

$ 4

»||a, •fs m

Mil

.■ r

p fj

i.v {

i

11

V'' ■

-ocr page 650-

48

allo krachten inspannen om niet geheel en al verloren te gaan.quot;

„Dat is voor den kommer van een Sakser goddelijke artsenij en liefelijke muziek /' zoide op blijmoedigen toon de vorst. „Als de zaken zoo staan, dan hen ik omtrent mijn kind gerust. Vertel mij toch eens , heer Siegfried, hoe zich don val van den tyran hoeft toegedragen.quot;

Do voogd doelde alles uitvoerig mede, herhaaldelijk onderbroken door uitroepen van goedkeuring van Udo. En toen Dodi kwam zeggen , dat alles tot den aftocht gereed was , vond hij den markgraaf bijna buiten zich zeiven van verrukking.

„Don homel zij dank !quot; riep h;j uit. „Do smaad is van het Rijk weggenomen! Vorsten en volk bewezen, dat vrije Duitsche mannen geen tyrannenjuk willen dragen ) — dai: zij de slavenketenen afschudden, welke list en heerschzucht, ongerechtigheid en willekeur gesmeed hebben. Dank, heer Siegfried , duizendmaal dank voor deze hemelscho boodschap! Al zou ik ook tot het einde mijns levens in de gevangenis moeten blijven , — dan zal ik dit geduldig verdragen in hot bewustzijn , dat ik naar mijn best vermogen den weg gebaand heb voor do heerlijke dagen van Tribur.quot;

Terwijl Godila zich gereed maakte, om do sterkte to verlaten, zaten Lantbert en quot;Wazo te beraadslagen in een kamer, welker ramen op het burchtplein uitzagen. Tusschen beidon stond op de tafel eon dikbuikige kruik, die don „eersten morgendronkquot; van den graaf inhield.

„Heden nacht deed ik een kostelijke vondst,quot; zeide de graaf. „Ik kon niet slapen, ik dacht onophoudelijk aan het schoone Saksische meisje en aan mijn plan, om die uitverkorene tot vrouw te nemen. Allerhande

-ocr page 651-

49

plannen gingen mij door het hoofd, hoe ik het zou aanleggen. Ik overdacht uwe raadgevingen, vriend abt, en vond die allen goed. Vooral beviel mij uwen wensch, om do zaak bedaard , zacht, voorzichtig en behoedzaam aan te pakken on niet grof met dc deur in 'thuis te vallen, zoo als ik dat gewoon bon. ïee-dere zaken willen toeder behandeld worden , — natuurlijk ! slechts dan wanneer do teederheid niet toereikend is, dan heeft ruw geweld recht, — dat is duidelyk! Ook beviel mij uwe terechtwijzing omtrent mijn voorkomen , — zie , ik heb mij dezen morgen al eens flink gewasschen, — wat anders mijne gewoonte niet is; Avant ik kan hot water niet lijden. Wacht maar, gij zult u weldra over een knap jong mensch verwonderen ! Ik zal een geur afgeven als alle reukwerken van het Oosten. Mijne kleeding zal enkel bestaan uit fluweel, scharlaken, sabelpels en goud. Mijne stem, van nature wat ruw, zal ik veranderen in een fijn, lief geluid, dat murmelt als een beekje en zangerig is als het gekweel van den leeuwerik. Ik zeg u , de liefde zal wonderen in mij wrochten! En ik bemin het lieve schepsel waarachtig ; — ik bemin haar meer dan mijn beste ever-vangers. — ZSu kom ik er op , wat ik eigenlijk zeggen wilde. Jïamelijk, als ik zoo mijne schoone gestalte beschouw, die in scharlaken, fluweel en goud schittert, als ik mijne fijne taal hoor en mijn vleiend lachje zie, — dan stuit ik eensklaps op een , — raadt eens waarop ?quot;

„Op een vergissing?quot;

„Toch niet! Ik vergis mij nooit, — dat behoort tot mijne heerenreohten. Maar ik stuit op iets, dat uwe wijsheid niet gevonden hooft. En toch lag het voor de hand. Maar zoo gaat het vaak in de wereld — men vindt menigen hinderpaal niet voor dat men zich daaraan stoot.quot;

CAN. D. III. 4

-ocr page 652-

50

„Tk zou toch niet weten, heer graaf, wie of wat uwe plannen zou kunnen verhinderen.quot;

„Wat ? Zal ik het u noemen , — de hinderpaal is een knappe jongen , die in een eenvoudigen wapenrok zich beter voordoet, dan ik in scharlaken , fluweel, sabel-pels en goud, Wie ? Een kerel, dien ik haat, dien ik mot een flinken knotsslag zou willen dooden, — de beschermheer Siegfried.quot;

„Is hij dan uw mededinger?quot;

„Hoe kunt gij zoo vragen , abt! Denk maar eens, wat de lummel gedaan heeft voor de dochter van den markgraaf. Meent gij dan , dat hij dit alles gedaan heeft , omdat hij Godila haat ? Mijn jachtzwaard wil ik inslikken , als hij niet dezelfde plannen hoeft, als ik.quot;

„Gij zoudt het wel eens geraden kunnen hebben, beste vriend ! Dit zou er leelijk uitzien ; want do ridder is rijzig van gestalte en hooft een flink voorkomen, dit kan men niet ontkennen. Daarbij kont nog, dat Godila hem vrijheid en eer verschuldigd is , — en zij zal zich niet ondankbaar jegens hem willen betoonen. Hm , — hm , een gevaarlijke mededinger !quot;

„Nu, wat meent gij ?quot; vroeg Wazo, met een boos-aardigen lach.

„Men zou moeten overleggen,quot; antwoordde Lantbert.

„Dat heb ik reeds gedaan en een list verzonnen, die mijn scliooncn mededinger moet verslaan, verzekerde Wazo, terwijl zijne oogen valsch en boosaardig fonkelden.

„Wilt gij hem doodslaan?quot; vroeg Lantbert met nadruk.

„Dat zou ik wel willen , beste vriend, want ik haat hem , als de dood , of als de leugen der hel. Grooter dan mijn haat, is echter mijn afkeer, om met den duivel te strijden. Daaraan heb ik in het geheel geen

-ocr page 653-

51

trek. Mijn doodslag is van geheel anderen aard, — namelijk een zoodanige, die men niet met de liand, maar met de tong volvoert. Duidelijk gesproken: — ik wil hem dooden in zijn eer. Van daag nog wil ik kennis maken met den vader van Godila. Ik zal Lem sluw onder hot oog brengen , wolk een schurk en aartsschelm die voogd van Klingen is. Ik zal den markgraaf zulk een afkeer van den schobberd doen krijgen, dat hij hem zijne dochter zou weigeren, al ware hij ook nog duizendmaal knapper.quot;

„Goed verzonnen !quot; prees Lantbert. „Als u de list maar gelukt.quot;

„Laat mij daarvoor maar zorgen, — ha — ha ! Het zwart maken met de tong, en het blauw verven met de zweep, versta ik uit de kunst, daarin evenaart mij niemand. — Doch, luister eens, daar vertrekken zij juist !quot;

De beide drinkebroers gingen naar het raam en keken op het burchtplein, waar Siegfrieds dienstmannen , die in den vroegen morgen op den Trifels waren aangekomen , te paard zaten. Twee pakpaarden waren met Godila's goed beladen. Een knecht hield de paarden der vrouwen vast. Het gepantserde strijdros van Siegfried stampte op den grond en hinnikte zijn meester te geraoet. Aan de hand haars vaders kwam Godila de trappen af; op haar volgden Oda , Siegfried en Dedi.

„Kijk toch eens, welk een heerlijk schepsel!quot; zeide Wazo. „Vlug als een hinde! Hare oogen schitteren en tlikkeren, als pas geslepen jachtspiesen in den zonneschijn. Haar aangezicht is als melk en bloed! Drommels, — kijk toch eens, — zij lacht tegen den beschermheer van Klingen ! Mijn God, — als zij mij zoo toelachte, dat zou mij beter bevallen dan het lachen van goudgelen wijn in een glazen beker.quot;

4*

-ocr page 654-

52

„En de voogd blijft koud en onverscliilHgzcide Lantbert. „Do mensch heeft geen gevoel voor vrou-wenschoonheid.quot;

„Bah, — een listige veinsaard!quot; riep Wazo uit. „Hij heeft het achter den elleboog.quot;

„Zie hij omhelst en kust haren vader \quot;

„En de hond van een Siegfried houdt haar den stijgbeugel , —• alle duivels, — hij helpt haar zelfs in don zadel!quot;

Terwijl Siegfried zijn hengst besteeg , nam de markgraaf afscheid van Grodila.

„Mijn kind, wees over mij niet bezorgd! Wij zijn onder Gods hoede. Ween niet, — ik ben hier gelukkig in het bewustzijn, dat ik voor een goede zaak lijd, die gezegevierd heeft. Dien God , lief kind , alle dagen uws levens. Volhard in de vreeze des Hoeren, in gehoorzaamheid aan zijn heiligen Wil, dan zal hij steeds een liefderijk wakend vader voor u zijn. Een inwendige stem zegt mij , dat wij elkander spoedig zullen wederzien. — — Heer Siegfried aan uwe heerlijkheid vertrouw ik, naast God, mijn kind! Yaarwel Iquot;

De stoet zette zich in beweging eu reed door do burchtpoort.

„Weg zijn zij!quot; zeide Wazo nadat hij een langen teug uit zijn beker genomen had. „Nu zal ik mij naar den markgraaf begeven en eon licht voor hem doen opgaan, aan wien hij zijne dochter toevertrouwde. En dit licht zal den Sakser op het hart branden. Ha — ha! Niets gaat toch boven een listigen jtreek.quot;

Udo stond op het slotplein en luisterde naar de wegstervende hoefslagen. Vervolgens keerde hij naar den burcht terug. Wazo trad hem vriendelijk groetend te gemoet,

„Dat was treffend, heer markgraaf, — werkelijk

-ocr page 655-

53

treffend ! Gij kunt mij geloovon, het was een Inrfolijk , hoogst aandoenlijk afscheid! Ik heb alles gezien. Nu uwe dochter is ook schoon , zeer schoon , daarom laat zich een dusdanig afscheid verklaren. Het is maar jammer; dat gij hier moet blijven; want zulk een schoon meisje zou do vaderlijke bescherming wel eens behoeven.quot;

Do Sakser keek den vreemdeling verwonderd aan.

„Wie zijt gij, die u mot do teederste aangelegenheden eens vaders bemoeit ?quot;

„Wat ben ik toch een domoor !quot; riep de ellendeling woest lachend uit. „Kondet gij aan mijn voorhoofd zien, wie ik ben ? Ha — ha ! Zonder er naar te vragen, wist ik ook niet, dat gij de markgraaf Udo van Saksen zijt. Ik heb naar u gevraagd , omdat ik, om zoo te zeggen , genegenheid voor u gevoel. Weet dan , dat ik graaf Wazo ben , die ook wel de gouwkoning der Vogezen genoemd wordt, -— bijgevolg de machtigste heer in de bergen , bovendien een vertrouwd vriend des konings.quot;

„Als gij een vertrouwd vriend des konings zijt, ga dan maar van mijzeide de Sakser somber.

Wazo bemerkte, dat hij een domheid begaan had en haastte zich, om die weer goed te maken.

„Gij neemt dat woord al te letterlijk op, heer markgraaf ! Mijne vriendschap strekt zich niet verder uit dan mijn eed als leenman , bijgevolg juist zoo ver, als de noodzakelijkheid zulks vordert. Ik wilde eigenlijk slechts zeggen, dat ik bij den koning zoo hoog aangeschreven sta , als een vertrouwd vriend; want hoe zou hij een graaf een verzoek kunnen weigeren, die twee duizend man in het veld kan brengen? Derhalve ben ik niet verder de vriend dos konings dan de plicht van vazal gebiedt, en de koning is mij geen nader vriend.

-ocr page 656-

54

dan dat hij mij noodig hoeft, — on hij heeft mij veel meer noodig, dan ik hom. — Daarom zou liet een kleinigheid voor mij zijn , om voor u do vrijheid te verkrijgen , ten minste als ik dat wilde. En ik zou het bijna willen doen; want ik houd het voor onrecht, om een vrij man, daarbij nog een vorst des Rijks, op den ïrifels gevangen te houden , ofschoon hij niets gebroken heeft, dan de schedels van eenige vijandelijke mannen, die zijn geboortegrond verwoestten.quot;

„Wijl gij met uwe redevoering klaar zijt, veroorloof mij, dat ik heengaquot; zeide Udo.

„En veroorloof gij mij, dat ik u tot aan uwe kamer vergezelle; want; zooals ik zoide, het afscheid van uw kind , dat gij aan een listigen man hebt moeten overlaten, was aandoenlijk.quot;

„Aan een listigen man!'' vroeg Udo den graaf strak aanziende.

„Do koning had ongelijk, om de dochter aan uwe zijde te ontrukken, en dubbel ongelijk heeft hij, om deze aanvallige jonkvrouw aan zulk een windbuil over te leveren.'

„Aan zulk een windbuil ?quot;

„Ware ik vader en hadde ik zulk eene dochter, geen uur mocht do schobbejak haar in zijne macht hebben.quot;

,,Dc schobbejak, — de windbuil? Spreekt gij over den voogd van Klingen?quot;

„Wel zeker! Zijt gij daarover verwonderd , heer markgraaf? Heeft zijn voorkomen u ook bedrogen ! Niet waar, gij zoudt niet vermoed hebben, dat schelmen zoo meesterlijk den onschuldige spelen kunnen? Nu,— men vergist zich, — dat gebeurt wel meer. Ik wil het wel bekennen, — hot is mij zeiven met dien Siegfried ook zoo gegaan. Ook ik hield hem voor een rechtschapen jong mensch , tot dat ik tot mijne schade dezen schelm en schurk leerde kennen.quot;

-ocr page 657-

55

„Hcor graaf,quot; zeide do Sakser ernstig, „ik veroorloof u niet kwaad te spreken van een afwezig edelman , die de treffendste bewijzen van edelmoedigheid gegeven, die voor de vrijheid en eer mijner dochter gestreden heeft.quot;

„Gij ziet de zaak verkeerd in, heer markgraaf! Ik heb soms wel eens valken gezien , die verscheidene dagen eene duif beloerden. Geene moeite viel de roofvogels zwaar. Onvermoeid vlogen zij om de duiventil , nu eens hoog in do lucht in de verte, dan weer in de nabijheid. Nu eens zaten zij in rotskloven verborgen , dan weer in struiken of boomen. Maar de jacht zetten zij voort, totdat eindelijk de duif in hunne klauwen viel. Als nu do schoongevederde Siegfried ook eens zulk een valk ware ? Als hij den koning slechts eene duif ontfutseld had, omdat hij haar zelf verlangt te hebben ? Ongetwijfeld is hij een gevaarlijk vrouwenjager , — zal zulk een dief de eer uwer dochter eerbiedigen ?quot;

„Zwijg, graaf AVazo ! Verander mijne rust niet in storm , — mijn vrede niet iu venijn. Edelmoedig gezind is de voogd, en niet zulk een schurk , gelijk gij hem schildert.quot;

„Goed, — blijf bij uwe meening !quot; hernam de lasteraar onverschillig. „Mijne waarschuwing vond enkel haren oorsprong in genegenheid voor u en uwe lieve dochter. Ik heb medelijden met haar! Het is werkelijk jammer van haar! Nu, — menige roos verwelkt , omdat zij uitgebloeid is , — en menige roos verwelkt , omdat haar een booze knaap heeft afgeplukt; — ten slotte is het voor beiden gelijk , dewijl alle bloemen moeten verwelken. Maar het zal niet lang duren, of gij leert den fielt Siegfried kennen. — — quot;Wat ik echter in vortrouwen gezegd heb, wat mij de deelne-

-ocr page 658-

56

mi jig had ingegeven, houd dat voor u; want Siegfried is tevens een twistziek en vermetel mensch. Hij heeft toch mij , vredelievend man als ik ben , in mijn eigen huis belcodigd en mishandeld. Vernam hij mijne waarschuwing , te vuur en te zwaard zou hij mijn gouw verwoesten. Daarom smeek ik u, heer markgraaf, verraad mij niet.''

„quot;Wees onbezorgd! Wat gij mij hebt toevertrouwd is zoo lasterlijk , dat ik het heden nog vergeten wil.quot;

„Ik heb slechts de waarheid gezegd, en niets wat lasterlijk was. Ik wilde u een welmeenenden wenk geven , hiertoe aangespoord door uw ongeluk en het aandoenlijk afscheid. quot;Vergeet mijn wenk , — goed! Brengt u evenwel do toekomst mijne waarschuwing in herinnering, wees dan mijne vriendschap gedachtig. — Hier is uwe kamer. Vaarwel!quot;

Do vorst opende de deur eu wilde binnengaan toen hij zich eensklaps weder naar Wazo wendde.

„Hoer graaf! Op uw eer en geweten, — hebt gij feiten, bewijzen voor uwe zware beschuldiging ? Steek niet zonder reden den dolk van de smartelijkste argwaan in het hart eens vaders tegen een man, aan wiens macht mijn kind is overgeleverd.quot;

„Feiten heb ik en bowjjzen voor den gevaarlijken aard van Siegfried ,quot; verzekerde onbeschaamd do ellendeling. „Bij mijn eerstvolgend bezoek zal ik feiten mededeelen en u daarvoor getuigen brengen, als mijn woord niet voldoende voor u is. Doch — had ik kunnen vermoeden , dat mijne waarschuwing u zoo gekrenkt en verontrust had, dan zou ik geen woord gezegd hebben. Maar wees voorloopig gerust. De onschuld cn reinheid uwer dochter is zoo sterk , als een toren. De vrouwenjager Siegfried zal veel tijd noodig hebben om die te doen wankelen. Daarvoor zijn wel wegen en

-ocr page 659-

middelen tc vinden , om de bedreigde maagd tegen allo strikken tc beveiligen. Om u oen verder bewijs mijner vriendschap te geven, zal ik overpeinzen, wat ik doen kan. Nogmaals , vaarwel, •— tot een spoedig wederzien

Wazo keerde naar do kamer terug , waar hem Lant-bort zat te wacliten.

„Nu, — hoe is het afgeloopen ?quot;

„Uitmuntend! De goede markgraaf hangt aan den prikkel van argwaan, gelijk een visch aan den angel,— ha — ha !'' — en de schelm deelde het gebeurde uitvoerig mode.

„Dat hebt gij wijs aangelegd,quot; zeido goedkeurend do gehuwde. „Komt de voogd om do hand der maagd vragen , dan zal do trotsche Sakser hem gepast van do hand wijzen.quot;

„Denk gij dat? Ha — ha! Geduld maar, wij zullen de zaak zoo overleggen , dat ik Godila krijg. Do ridderlijkheid van den markgraaf helpt mij daarbij uitmuntend. Was Udo een sluwe vos , een intrigant, een kenner van slinksohe wegen, — dan zou mijn pogen ijde1 zijn. Kijk, men misleidt eerder duizend eerlijke lieden, dan een enkelen spitsboef. Domme schapen loopen in de val, maar geen sluwe vossen en wolven.quot;

Hij groep naar den beker. Deze was ledig.

Ik heb don tweeden en derden morgendronk wel afgezworen ,quot; zoide de zuiper, „van daag maakt dit erven-wel een uitzondering. Volg mij naar Dedi. Laat ons het afscheid van Godila drinken. Maar, — en hij hief dreigend zijne hand op , „gezwegen !quot; Vergeet don kousenband uwer Ella niet.quot;

-ocr page 660-

58

OP LAKDECK.

November hult het Rijndal in een zoo van nevel,

die zich tot de Vogezen uitstrekt. Het geheclc land niet dorpen en steden , met burchten , kloosters en kerken , ligt in die zee begraven. Slechts do kruinen van hooge bergen steken, als donkere eilanden, uit dien witten vloed.

Tot die punten, welke de nevel niet bereikt, behoort ook de burcht Landeck, boven welks torens de blauwe hemel zich uitstrekt, en op welks ronde vensterruiten zich de zon spiegelt. Vooral schitteren de ruiten van het vooruitstekend raam , dat aan den zuidkant staat. Dit buitengewoon hoog en breed raam is door stcenon ribben in verschillojule afdeelingen verdeeld en door smaakvol, zinnebeeldig beeldhouwwerk van steen versierd. Allerlei slingerplanten van steen klimmen tegen de pilaren op en de muren zijn met prachtige ornamenten versierd, insgelijks aan de plantenwereld ontleend. Op gelijke lijn met dit raam, dat in drieën verdeeld is, bevonden zich aan beide zijden twee gewone ramen in spitsbogenstijl, aan welker pilaren hier en daar kleine draken van steen kruipen. Reeds deze kunstmatige versiering duidt aan, dat deze ramen tot het rijkste en ruimste vertrok van den burcht behooren, waarin de heer van Landeck gewoon is, zijn voorname gasten te ontvangen en te huisvesten.

Het inwendige dezer zaal draagt het kenmerk van do ruwe kracht dier tijden, en bevredigt tevens hare behoefte aan kunstmatige versierselen. Do muren zijn noch door schilderijen, noch door behangels, noch door verf versierd. Zij bestaan uit kale vierkante steenen.

-ocr page 661-

59

Maar deze zijn van een fijne, roode steensoort, zeer glad gepolijst en de voegen zorgvuldig met kalk van dezelfde kleur aangestreken. Op korte afstanden staan hal ve kolommen van steen, welke het gewelf der zoldering dragen. Deze zuilen zijn rijk van voetstukken en kapiteelen voorzien , versierd met allerlei dier-gestalten en omwonden mot klimop en bonten bladertooi. De vloer bestaat uit vierkante gebakken steenen, waarop potsierlijke vogels en griffioenen staan. In het midden der zaal staat een lange eikenhouten tafel, welker pooten gevleugelde leeuwen verbeelden. Eenige stoelen en banken maken het verdere sieraad uit, dat in overeenstemming met do eenvoudigheid van hot geheel j don aangenomen indruk van goeden smaak in oorspronkelijke kracht teweeg brengt.

In de groote vensternis bevinden zich aan weerszijden steenen zitbanken mot lederen kussens. Prachtig is bij helder weder het uitzicht van dat punt op het naburige landschap en in do verte.

Op het oogenblik zit op deze bank do burchtheer van Landeck, peinzend naar de nevelzee ziende. Zijne ledematen zijn door ijzer noch staal bedekt, maar hij heeft gewone kleedercn aan. Hij draagt een wollen onderkleed, dat tot aan de knieën reikt, een groene broek, kousen van roode geruite stof en gekleurde, fraai geborduurde schoenen. Do bloote hals staat krachtig op de breede schouders en het hoofd is bedekt met een rood fluweelen muts zonder klep.

In do gelaatstrekken van den jeugdigen held staat een treurige stemming te lozen , en in do scherpe oogen fonkelt een onverzadigbare bedrijvigheid. Zoo lang gevaarlijke ondernemingen tor redding van Godila en tot herstelling van Klingens weerbaarheid Siegfrieds krachtten bezig hielden, beviel hom de betrekking van be-

-ocr page 662-

60

schermheer , die hij op zich genomen had, vrij wel. Nu was de uitgelezen schaar der stichtscho dienstmannen geoefend , Godila in het vrouwenklooster in veiligheid cn de werkelooze eenzaamheid begon den ondorne-menden ridder zwaar te vallen.

Herhaaldelijk dacht hij er aan , om van graaf Wazo voldoening en vergoeding te vorderen voor de schade, die zijn overval aan de abdij had berokkend. Zonder de bevoegdheid van zijn ambt te overschrijden, zou de voogd onverwijld zijn plan hebben kunnen uitvoeren om den hatelijken Wazo te gaan beoorlogen. Doch de vermaning van zijn leermeester Ilyginus indachtig , om zonder den raad van den grijzen abt geen handeling van gewicht te ondernemen , stelde hij den prelaat zijn plan voor. En hij kreeg de toestemming van den vrede-lievenden grijsaard niet.

„Om Godswil, heer voogd, geen oorlog!quot; smeekte de abt ontsteld. „De gewetenlooze graaf heeft ons wel aanmerkelijk benadeeld , maar toch willen wij door bloedvergieten do schade niet hersteld hebben. Nimmer billijkt onze Moeder, de H. Kerk, een aanvallenden oorlog. Laten wij in dien geest handelen. Wat do boosheid der menschen aan het sticht ontneem'., zal Gods zegen rijkelijk vergoeden.quot;

De godsdienstige gevoelens van Siegfried onderwierpen zich aan deze beslissing, ofschoon het hem zwaar viel, dat hij den misdadiger niet mocht tuchtigen.

In plaats daarvan begon hij een oorlog tegen do verscheurende dieren , wolven en beren , welke de streek onveilig maakten , evenzoo tegen de wilde zwijnen, wier vernielingslust den akkerbouw benadeelde. Bijna eiken dag reed hij uit, vergezeld van Bero en eenige knechten, om zich aan dat gevaarlijk jachtvermaak over te geven.

Veel meer aanlokkelijkheid, dan do genoegens der

-ocr page 663-

61

jacht, hadden voor den burchtvoogd de overdenkingen over do deugdzame dochter van den markgraaf Udo. Uren lang kon hij op do vensterbank zitten en den idealen tocht der toenmalige ridderschap volgen, die hem Godilu's aanvalligheid en maagdelijkheid zoo be-tooverend afmaalde.

Den stouten raad van den boeteling om naar do hand der vorstendochter te dingen , zweefde hom onophoudelijk voor don geest. Stolde Inj zich de hoog vereerde als burchtvrouw van Landeck voor, dan bevingen hem genotvolle gewaarwordingen. Naar zijne meo-ning zou de onvergetelijke, die zoo rijk begaafd was met geostolijke en lichamelijke talenten , die eenzaamheid in geluk veranderen. Doch hem ontbrak de moed, om een waagstuk te ondernemen , op welks slagen zijne bescheidenheid niet konde hopen.

Dit was juist het onderwerp zijner overpeinzingen, toen de deur openging en Wolferat, do boeteling , binnenkwam. Hij had een langen pelgrimsstaf in de hand, een kleed van grove stof aan , sandalen aan de bloote voeten , een hoed met eenige mosselscholpen op hot hoofd en een lederen zak over don schouder.

„Ik kom, heer voogd , om van u afscheid te nemen;quot; begon hij na eerbiedig gegroet te hebben. pDo tijd mijner boete loopt ten einde. Ik ga naar Rome, opdat de H. Yader den ellendeling ontsla van zijn zware schuld , geboet door kastijdingen , welke een mensch nauwelijks kan verdragen.quot; De uitdrukking van een groot berouw lag op zijn gelaat, toen hij dit zeide. Do burchtvoogd schoof hem een stoel toe. Wolferat ging beseheiden op een houten voetbankje zitten.

„Gij onderneemt een zeer lastige reis, broeder Wolferat! Gij gaat in den winter op reis en zult bij het overtrekken dei-Alpen, onuitsprekelijke moeilijkheden ondervinden.quot;

-ocr page 664-

58

OP LAKDECK.

November hult het Rijndal in een zee van nevel, die zich tot de Yogczon uitstrekt. Het geheele land met dorpen en steden , met burchten, kloosters en kerken , ligt in die zoo begraven. Slechts do kruinen van hooge bergen steken, als donkere eilanden, uit dien witten vloed.

Tot die punten, welke do nevel niet bereikt, behoort ook de burcht Landock, boven welks torens do blauwe hemel zich uitstrekt, en op welks ronde vensterruiten zich de zon spiegelt. Vooral schitteren do ruiten van het vooruitstekend raam , dat aan den zuidkant staat. Dit buitengewoon hoog en breed raam is door steenen ribben in verschillende afdeelingen verdeeld en door smaakvol, zinnebeeldig beeldhouwwerk van steen versierd. Allerlei slingerplanten van steen klimmen tegen do pilaren op en de muren zijn met prachtige ornamenten versierd, insgelijks aan de plantenwereld ontleend. Op gelijke lijn met dit raam, dat in drieën verdeeld is, bevonden zich aan beide zijden twee gewone ramen in spitsbogenstijl, aan welker pilaren hier en daar kleine draken van steen kruipen. Reeds deze kunstmatige versiering duidt aan, dat deze ramen tot het rijkste en ruimste vertrok van den burcht bohooron, waarin de heer van Landeck gewoon is, zijn voorname gasten te ontvangen en te huisvesten.

Hot inwendige dezer zaal draagt hot kenmerk van de ruwe kracht dier tijden, en bevredigt tevens hare behoefte aan kunstmatige versierselen. De muren zijn noch door schilderijen, noch door behangels, noch dcor verf versierd. Zij bestaan uit kale vierkante steenen.

-ocr page 665-

Maar deze zijn van con fijne, roocle steensoort, zeer glad gepolijst en de voegen zorgvuldig met kalk van dezelfde kleur aangestreken. Op korte afstanden staan halve kolommen van steen, welke het gewelf der zoldering dragen. Deze zviilen zijn rijk van voetstukken en kapiteelen voorzien, versierd met allerlei dier-gestalten en omwonden met klimop en bonten bladertooi. De vloer bestaat uit vierkante gebakken steenen, waarop potsierlijke vogels en griffioenen staan. In het midden der zaal staat een lange eikenhouten tafel, welker pooten gevleugelde leeuwen verbeelden. Eenige stoelen en banken maken het verdere sieraad uit, dat in overeenstemming niet de eenvoudigheid van het geheel ) den aangenomen indruk van goeden smaak in oorspronkelijke kracht teweeg brengt.

In de groote vensternis bevinden zich aan weerszijden steenen zitbanken met lederen kussens. Prachtig is bij helder weder het uitzicht van dat punt op het naburige landschap en in de verte.

Op het oogenblik zit op deze bank do burchtheer van Landeck, peinzend naar de nevelzee ziende. Zijne ledematen zijn door ijzer noch staal bedekt, maar hij heeft gewone kleederen aan. Hij draagt een wollen onderkleed, dat tot aan de knieën reikt, een groene broek, kousen van roode geruite stof en gekleurde, fraai geborduurde schoenen. De bloote hals staat krachtig op de breede schouders en het hoofd is bedekt met een rood fluweelen muts zonder klep.

In de gelaatstrekken van den jeugdigen held staat een treurige stemming te lezen , en in do scherpe oogen fonkelt een onverzadigbare bedrijvigheid. Zoo lang gevaarlijke ondernemingen ter redding van Godila en tot herstelling van Klingens weerbaarheid Siegfrieds krachtten bezig hielden, beviel hem de betrekking van be-

-ocr page 666-

60

schermheer , die hij op zich genomen had, vrij wel. Nu was de uitgelezen schaar der stichtsche dienstmannen geoefend, Godila in hot vrouwenklooster in veiligheid en de werkelooze eenzaamheid begon den onderno-menden ridder zwaar te vallen.

Herhaaldelijk dacht hij er aan , om van graaf Wazo voldoening en vergoeding te vorderen voor de schade, die zijn overval aan de abdij had berokkend. Zonder de bevoegdheid van zijn ambt te overschrijden, zou de voogd onverwijld zijn plan hebben kunnen uitvoeren om den hatelijken Wazo te gaan beoorlogen. Doch de vermaning van zijn leermeester Hyginus indachtig , om zonder den raad van den grijzen abt geen handeling van gewicht te ondernemen , stelde hij den prelaat zijn plan voor. En hij kroeg de toestemming van den vrede-lievenden grijsaard niet.

„Om Godswil, heer voogd, geen oorlog!quot; smeekte de abt ontsteld. „De gewetenlooze graaf heeft ons wel aanmerkelijk benadeeld, maar toch willen wij door bloedvergieten de schade niet hersteld hebben. Nimmer billijkt onze Moedor, de H. Kerk, een aanvallenden oorlog. Laten wij in dien geest handelen. quot;Wat de boosheid der menschen aan het sticht ontneemt, zal Gods zegen rijkelijk vergoeden.quot;

De godsdienstige gevoelens van Siegfried onderwierpen zich aan deze beslissing, ofschoon het hem zwaar viel, dat hij den misdadiger niet mocht tuchtigen.

In plaats daarvan begon hij een oorlog tegen de verscheurende dieren, wolven en beren, welke de streek onveilig maakten , evenzoo tegen de wilde zwijnen, wier vernielingslust den akkerbouw benadeelde. Bijna eiken dag reed hij uit, vergezeld van Bero en eenige knechten , om zich aan dat gevaarlijk jachtvermaak over te geven.

Veel meer aanlokkelijkheid, dan do genoegens der

-ocr page 667-

61

jacht, hadden voor deu burchtvoogd de overdenkingen over do deugdzame dochter van den markgraaf Udo. Uren lang kon hij op de vensterbank zitten en don idealen tocht der toenmalige ridderschap volgen, die hem Grodila's aanvalligheid en maagdelijkheid zoo bo-tooverend afmaalde.

Den stouten raad van een boeteling om naar de hand der vorstendochter to dingen, zweefde hem onophoudelijk voor den geest. Stelde hij zich de hoog vereerde als burchtvrouw van Landcck voor, dan bevingen hem genotvolle gewaarwordingen. Naar zijne meening zou de onvergetelijke, die zoo rijk begaafd was met geestelijke en lichamelijke talenten , die eenzaamheid in geluk veranderen. Doch hem ontbrak de moed, om een waagstuk te ondernemen , op welks slagen zijne bescheidenheid niet konde hopen.

Dit was juist het onderwerp zijner overpeinzingen, toen de deur openging en Wolferat, de boeteling , binnenkwam. Hij had een langen pelgrimsstaf in de hand , een kleed van grove stof aan , sandalen aan de bloote voeten , een hoed met eenige mosselschelpen op het hoofd en een lederen zak over den schouder.

„Ik kom, heer voogd , om van u afscheid te nemen;quot; begon hij na eerbiedig gegroet te hebben. „Do tijd mijner boete loopt ten einde. Ik ga naar Rome, opdat de H. Vader den ellendeling ontsla van zijn zware schuld, geboet door kastijdingen , welke een mensch nauwelijks kan verdragen.quot; De uitdrukking van een groot berouw lag op zijn gelaat, toen hij dit zeide. De burchtvoogd schoof hom een stoel toe. Wolferat ging bescheiden op een houten voetbankje zitten.

„Ghj onderneemt een zeer lastige reis, broeder Wolferat! Gij gaat in den winter op reis en zult bij het overtrekken der Alpen, onuitsprekelijke moeilijkheden ondervinden.quot;

-ocr page 668-

62

„Hoe moeilijker, des te beter voor mijne zuivering hernam tie voormalige paltsgraaf Boemund. „Een mensch, die zooveel kwaad bedreven heeft als ik, hoeft reeds lang verdiend in do hol te branden , — hoe zou hij het ijs der Alpen vroezen ?quot;

„Do weg naar Rome is lang, — legt gij dien geheel te voet af?quot;

„Zoo luidt mijn voorschrift van de boete en dat moet ik in alles stipt nakomen , antwoordde Wolforat.

„Ik heb oene som gelds, met welke ik niets weet aan te vangen zeide Siegfried. „Wilt gij zoo vriendelijk zijn , iets daarvan aan te nomen, om u te beveiligen tegen onvoorziene toevallen ?quot;

„Ik dank u wel, heer voogd ! Mijn voorschrift zegt, dat ik geen cent mag bezitten, dat ik mijne geringe behoeften aan goede menschon om Godswil moot vragen. Dit is ook al weer goed tot volledige versterving van mijne buitengewone hoovaardij, die mij vroeger be-heerschte en aan den booze overleverde.quot;

„Ik bewonder uwe heldhaftigheid, om zelfs de grootste moeilijkheden te overwinnen,quot; zeide do beschermheer van Klingen , „want ontberingen en geestelijke overwinningen worden met de dapperste ridderfeiten gelijk gesteld.quot;

„Spreken wij daarover niet, heer Siegfried! De rechtvaardige God zou wel eens strenger kunnen oor-deelen, dan do menschelijke toegevendheid. — Maar bij gelegenheid van dit afscheid wenschte ik u te herinneren , als gij mij dit veroorlooft, aan mijn vroegere raadgeving. Ik heb sedert dien tijd de zaak rijpelijk overwogen en altijd gevonden , dat mijn raad uwe toestemming wel verdient.quot;

„Welken raad bedoelt gij ?quot; vroeg de jonge man in de grootste spanning.

-ocr page 669-

63

„Om naar de hand te dingen van de verlatene Go-dila, wier talenten en verheven hoedanigheden de vrouw van den meest aanmatigenden edelman ten sieraad zouden verstrekken.quot;

„O ja,quot; riep mot innige overtuiging Siegfried uit, „haar glans zou een keizerstroon sieren , hem aanzien en majesteit schenken, die hom vreemd en slechts aan de hoogste vrouwenwaarde eigen zijn. Mij past het niet, broeder Wolferat,quot; eindigde hij op treurigen toon, „naar do hand eener keizerin te dingen.quot;

„Maar het zou u toch wel passen een verlaten jonkvrouw in dezen sterken burcht als uwe gade te bergen tegou gevaarlijke kuiperijen.quot;

„Yerlaten? Niet verlaten en niet in gevaar verkee-rend. Veilig en zonder gevaar leeft zij bij de bruiden van Christus.quot;

„Gij vergist u, heer voogd! Gij kent toch onzen tijd , die in het slechte zoowel als in het goede zoo toegevend is. Ontelbare scharen klimmen met moeite langs het steile pad der deugd ten hemel, en wie in den afgrond gevallen is, zonder het leven daarbij te verliezen, klimt door strenge boete weer op. Van den troon des Allerhoogsten gezien, moeten de heerscharen der strijdende Kerk een bekoorlijk gezicht schenken en verscheidene duizend helden moeten in hunne wapenrustingen schitteren. Maar de hel is niet machteloos. In de hoogere en hoogste kringen der maatschappij is onze tijd gevaarlijk ziek aan zedebederf en zedeloosheid. Wel is waar heeft het kind van Udo voor het oogen-blik van den gevallen Saliër niets te duchten. Meen echter niet, dat Hendrik IV het eonige monster is, in staat, om maagden to rooven en de onschuld te onteeren. Al te lang gaf het hof het voorbeeld in het slechte; een geheel geslacht van adders heeft het

-ocr page 670-

64

slechte voorbeeld uitgebroed. Denk aan Wazo! Meent gij, dat deze mensch tot een dergelijke misdaad niet in staat zou zijn? Bedenk Godila's onvergelijkelijke schoonheid , — zal zij den booswicht niet tot een aanloksel en spoorslag zijn , om een boevenstreek uit te voeren ? Ik weet, wat gij zeggen wilt;quot; ging de boeteling voort, toen Siegfried heftige bewegingen met hoofd en armen maakte. „Maar gij zijt niet in staat , zelfs niet met de grootste zorgvuldigheid, iemand tegen onver-hoedsche aanvallen te beveiligen, die gij niet als een gevangene kunt opsluiten. In een onbewaakt oogen-blik zou St. Magdalena ten tweedenmale kunnen overvallen worden.quot;

„Hebt gij eenige zekerheid omtrent een roofziek plan van graaf Wazo ?quot; vroeg de burchtvoogd ongerust.

„Neen ! Ik wilde slechts op iemand wijzen, wiens vaardigheid in het kwaad voor niets terugdeinst. Daarom zou, naar mijne meening, Godila slechts als burchtvrouw van Landeck beveiligd zijn tegen begeerige roovers. Neem de bedreigde tot uwe gemalin en volbreng daardoor tegelijkertijd de tdele daad eens ridders. — Ook voor u zelven kon de keuze niet veelbelovende!- zijn ,quot; ging hij op raadgevenden toon voort. „Hebt gij reeds nagedacht over het belang cener vrouw? Ik zeg u, geluk of ongeluk , zegen of vloek , liefde of haat, de hemel of de hel brengt de vrouw aan den man. Zij maakt een gedeelte van hem uit, de Schepper heeft haar uit zijne zijde genomen, daarom zal de man vader en moeder verlaten en de vrouw aanhangen. En dat niet alleen — zeer veel mannen hebben deugden of ondeugden , hemel of hel, God of het booze verlaten ter wille der vrouw. Daarom zeg ik do vrouw is van het hoogste belang. Godila echter, die zuivere, geurige bloem in den tuin Gods, zal n hier en hier-

-ocr page 671-

65

namaals tot heil verstrekken. Haar schoon lichaam is slechts een zwak beeld en gelijkenis van haar veel schooneren geest. En als u zoo lichamelijk en geeste-telijk de hoogheid van de hemelsche omgeeft, dan zijt gij gevrijwaard voor eiken val in de diepte. — Waarom draalt gij dan ? Zijn er meer gegronde redenen om uwen wil naar uw geluk te leiden?quot;

„Aan den wil ontbreekt hot mij niet, maar wel aan den moed/' hernam Siegfried. „Zoo hoog verheven schittert de heerlijke boven mijne onwaardigheid, dat ik hot niet durf wagen, haar tot gemalin te vragen.quot;

„Vergeef mij, heer voogd, — ik houd dit aarzelen voor een onmannelijke zwakheid. Door God is het huwelijk ingesteld, — elk deugdzaam man verlangt naar een deugdzame gade: — waarom zoudt gij niet naar Godila's hand durven dingen ?quot;

„Al bewijst gij de roeping en het recht van den man nog sterker, — mij ontbreekt de moed. De glans harer aanvalligheid , de verhevenheid harer waardigheid doen mij dralen.''

„Gaarne had ik op mijne reis den troost medegenomen;quot; zeide de boeteling treurig, „dat gij eene maagd bemint en tot vrouw verlangt, aan welke ik groote verplichtingen heb.quot;

„Neem gerust dezen troost mede ,quot; hernam Siegfried vol vuur. „Of ik Godila bemin ? Meer dan iets anders ter wereld. Het overgroot geluk , aan hare zijde God te dienen, dit aardsche ballingschap met haar te deelen , zou mij dit leven tot een voorhof des hemels maken. Ontvang derhalve mijne plechtige belofte, dat ik zal trachten, door zuivering mijner ziel hare verhevenheid nader te komen. Dan zal de moed ook wel komen, om een geluk te begeeren, dat ik als het hoogste goed op aarde beschouw.quot;

CAN. D. iii. 5

-ocr page 672-

66

„Dat geve God! Vaarwel, heer voogd ! Is mijne bedevaart met den gewenschten uitslag bekroond , dan keer ik weer terug , om als de minste leekebroeder in hot stielit Klingen mijn aardscho loopbaan te eindigen. — Vaarwel, — tot wederziens !quot;

„Vaarwel, — God geleide u !quot; antwoordde Siegfried.

Do paltsgraaf Boemund boog zich en ging heen.

De burchtvoogd liep zichtbaar onrustig heen en weer door de zaal.

„Zou werkelijk gevaar dreigen ?quot; zeide hij. „Zou Wazo zich verstouten, een euveldaad te wagen, die hem dood en verderf moet brengen ? — Mijne voorzorgsmaatregelen moeten verscherpt worden, — niet alleen des nachts , maar ook des daags zal ik het klooster laten bewaken. — — Wel — do raad van deu boeteling zou allo gevaren voorkomen. Afgezien van mijne onwaardigheid , — mag ik een raad volgen , die mijne hoopvolle onzekerheid in de smartelijkste zekerheid zou kunnen veranderen ? Waar , wanneer , hoe ontving ik een teeken van hare genegenheid ? Dat zou ik niet weten ! En wanneer zij mij hare genegenheid weigert, mag ik dan do plicht harer dankbaarheid in de waagschaal leggen van mijn huwelijksaanzoek? Neen , — neen ! Foei, — hoe plomp , hoe baatzuchtig en laag! Daarom wil ik haar niet kwetsen met een aanzoek, dat hare edelmoedigheid zou toestaan, — toestaan tegen de afwijzende stem van haar gevoel, — toestaan als een zwaar otter, als een ondraaglijke last voor haar geheel leven.quot;

Hij ging naar het raam , en nam plaats op de bank. De nevels waren opgetrokken. Een schoon landschap , een bekoorlijk vergezicht, vertoonde zich aan het oog van den burchtvoogd. Hij zag niets van al dat schoone. Zoo diep was hij in zijne mijmeringen verzonken, dat

-ocr page 673-

67

*

hij niet eens do deur hoorde opengaan, die wijd geopend werd en waardoor Godila met hare kamenier binnenkwam.

De vorstendochter trad eenige schreden de zaal binnen, keek den beweginglooze aan en stond schuchter en besluiteloos stil. Hij keerde het hoofd niet om, in gedachten met diegene bezig , die hij ver van zich waande, aan wier genegenheid hij twijfelde, — die echter in werkelijkheid hem genegen was, gelijk elk menschonkenner op haar fijn gelaat kon lezen. Plotseling klonk eeiie stem iu het vertrek, die don burchtvoogd uit zijne mijmeringen wekte.

„God zegene u!quot; groette zij.

Hij keek om en stond ijlings op.

„lieer Siegfried, vergeef mij , dat ik ongeroepen binnengekomen ben , en u in uwe ernstige gedachten stoor,quot; smookte zij, lachend als een verlegen kind. „Wees niet vertoornd op mij, — de nood dreef mij hierheen.quot;

ISiu kwam er leven en beweging in den voogd. Zonder een woord te spreken, haastte hij zich , haar die hulde te bieden, waartoe edele vrouwendienst eiken ridder verplichtte. Toen hij opstond , werd zijn gelaat beurtelings hoogrood en bleek , even als een snelle afwisseling van licht of schaduw het gelaat der aarde bedekt, als hot in de lucht stormt.

„Adelijke meesteres , — wees welkom !quot;

Godila bemerkte zijne buitengewone verwarring en zeide:

„Ik belijd mijn vergrijp tegen de welvoegelijkheid , om onaangediend binnen te komen. Een bediende geleidde mij tot aan de deur van deze zaal, ik ging binnen in do moening, dat een kamerheer zijn heer eerst van mijn tegenwoordigheid zou verwittigen en mij hier

5*

-ocr page 674-

68

dan antwoord zou brengen. Nu overval ik u, heer Siegfried , en ik ben zeer beschaamd over mijne vrijpostigheid.quot;-

„Wanneer mijne meesteres mij met een bezoek vereert, dan strekt mij zulks tot groote vreugde,quot; zeide hij een stoel nader bij zich trekkend.

Zij ging naar het raam.

„Veroorloof, dat ik op deze bank ga zitten , — welk een bekoorlijk uitzicht! Men kon hier het einde dei-wereld zien,quot; zeide zij schertsend. „Wat zijn dat voor hooge, blauwe bergen, die zich daar ginds in het verre zuiden verheffen?quot;

„Het Schwarzwald, edele dame !quot;

„O hoe heerlijk, — hoe prachtig! Een groote, — uitgestrekte vlakte, met ontelbare dorpen en gehuclnen, met vruchtbare akkers en weiden. Hoe buitengewoon prachtig moet dat wel niet zijn , als de lente in 't Jand gekomen is! — Wat is dat voor een lange witte streep, die door het land loopt?quot;

„Dat zijn nevelen boven den Rijn.quot;

„Kan men Spiers niet zien, waar do koning tegenwoordig zijn verblijf houdt?quot;

„Zeer duidelijk kan men de torenspitsen van de hoofdkerk zien, — van daag evenwel niet, tengevolge van den nevel op den Rijn.quot;

„Is Spiers hier ver van daan ?quot;

„Ongeveer zeven uur, edele meesteres!quot;

„Hoe dicht bij zeide zij en haar gelaat nam een droevige uitdrukking aan. „Wilt gij niet gaan bitten, heer Siegfried en mijn verzoek aanhooren?quot;

Hij gehoorzaamde, ging op de tweede bank zitten en bevond zich nu tegenover haar in een toestand, die hem voor het oogenblik een heerlijken droom toescheen. De veelbewonderde, die zijne bescheidenheid slechts in

-ocr page 675-

69

de gcdachtcn durfde naderen , die zijne teergevoeligheid , geheel volgens hot ideaal der ridders van dien tijd, niet een bovenaardsche stralenkrans van maagdelijke waardigheid omgaf, zat nu juist op dezelfde plaats tegenover hem, waar hij zoo vaak aan haar gedacht had. Groot was do benauwdheid zijns harten, buitengewoon het gloeien zijner wangen, en nauwelijks waagde hij het naar haar op te zien. Zij evenwel zat ernstig te kijken, alsof zij over een gevaarlijke onderneming nadacht.

„Heer Siegfried,quot; begon zij na een korte pauze, „gij hebt voor mij veel meer gedaan, dan eon christelijk ridder voor vrouwen verplicht is te doen. Mijn gering vermogen zal nimmer de schuld van dankbaarheid kunnen voldoen, die ik aan u heb. En weder kom ik u verzoeken. Tot wien zou ik verlatene mij ook in mijn nood wenden? Vergeef mij derhalve mijn vrijpostigheid, heer Siegfried en hoor goedgunstig het smeeken eener hulpolooze aan.quot;

„U te mogen dienen, edele dame, behoort tot de aangenaamste plichten van mijn beroep ,quot; zeide hij, en de glans op zijn gelaat duidde aan, dat zijne verzekeringen goen beleefdheidstermen waren, maar do zuivere waarheid. „Spreek daarom onbeschroomd, — gebied over mij naar believen.quot;

„Dan zal ik het wagen in vertrouwen op uwe grootmoedigheid, die nog wint door uw edel pogen, om u beroep te belasten met datgene, wat slechts een uitvloeisel is van uw goed hart,quot; zeide zij. „Gij weet , mijn vader zucht in de gevangenis. Gelukt het niet den koning met mijn vader te verzoenen, dan zal hij nimmer zijne vrijheid terug erlangen. De eene dag na den anderen verloopt, en mijn onschuldige vader zal in de gevangenis sterven, als een misdadiger. Hoe mij dit zorg baart en kwelt, kan ik met geen woorden

-ocr page 676-

70

uitdrukken. Onophoudelijk zoekt mijn geest naar middelen en wegen om hem te redden. Reeds was ik op het punt, naar Spiers te rijden, om den koning te smeeken, eindelijk een vorst de vrijheid weer te geven, die zoo streng gestraft wordt, omdat hij voor de kwellingen , zijn geboortegrond aangedaan, niet gevoelloos geweest is en omdat hij het zwaard hoeft getrokken tegen de slavernij van een onmensohelijken tyran! Voor den koning smeekend te verschijnen, is waarlijk een taak , die mijn krachten ver te boven gaat. Maar een kind moet voor den lijdenden vader zelfs den bitter-sten kelk drinken, — en ik zal beproeven, hem te ledigen/'

„Toch niet, dat zult gij niet, dat moogt gij niet!quot; hernam de burchtvoogd ten hoogste ontsteld. „Uwe verhouding tot den koning verbiedt onder alle omstandigheden een zoo nuttelooze verootmoediging. Do ellendeling zou juichen over uwen kommer, en uw verzoek niet toestaan.quot;

„Dat denk ik ook,quot; zeide zij. „Alvorens het uiterste te beproeven, wilde ik uwen bijstand inroepen en u dringend verzoeken, naar Spiers te rijden en van den koning de vrijheid mijns vaders af te smeeken.quot;

„Niet alleen naar het naburige Spiers, — naar do grenzen der aarde zoude ik willen rijden in uwen dienst, edele meesteres ! Denk intusschen eens na over mijne verhouding tot Hendrik IV. Zal de wraakgierige het verzoek van een man toestaan, dien hij uoodelijk haat ? Ik geloof en vrees, dat mijne deelneming voor den gevangen markgraaf den tyran zal doen besluiten den vorst niet te ontslaan, maar zijne gevangenschap te verscherpen.quot;

Zij keek hem met groote oogen aan. Vervolgens liet zij haar hoofd treurig op de borst zinken.

-ocr page 677-

71

„Gij hebt gelijk zoide zij met berende stem. „Is er dan geen redding mogelijk?quot;

Hare oogen stonden vol tranen. Zij weende en haar gelaat werd wit als de sneeuw. Hij bemerkte de diepe smart van het bezorgde kind en keek haar eerbiedig aan.

„Waartoe ik niet in staat ben , dat vermag den eerwaarden abt Widerad ging hij voort na een korte overdenking. „Ik zal hem verzoeken, de voorspreker uws vaders bij den koning te zijn.quot;

„Een gelukkige inval!quot; riep zij uit, diep ademhalend. „O stellig, aan den vromen, grijzen vader kan Hendrik dat verzoek niet weigeren! Heer Siegfried, wat heb ik veel aan u te danken! Vergeef mij mijne bede, — zoudt gij den eerwaardigen abt nog heden niet om dezen liefdedienst verzoeken ?quot;

Hij knikte toestemmend met het hoofd. Zij stond op, zonder evenwel afscheid te nemen. Een tweede zaak scheen nog de oplossing te wachten en bedroog haar verlegen houding niet, dan was deze tweede zaak veel lastiger , of bezwaarlijker dan de eerste. Zij ging verder do zaal in en keek met onderzoekenden blik naar de ornamenten der kolommen.quot;

„De versierselen dor kolommen zijn schoon gevonden en fraaiprees zij. „Wat leeft dat loofwerk om den steen ! De nabootsing der natuur is zorgvuldig doorgevoerd en in verscheiden vormen weergegeven.quot;

De bereisde burchtvoogd, die de kunstschatten van Italië gezien had, vernam met verbazing dit treffend oordeel uit haren mond ; want hij waande haar onwetend in dergelijke zaken.

„Ik ben het met u eens en beschouw vaak met genot dat heerlijk werk, dat tevens een smaakvolle keuze verraadt van natuurlijke voorbeelden. Onze vrome vaders te Klingen zijn niet alleen streng in het geestelijk

-ocr page 678-

72

loven en ervaren in de -wetenschappen, maar ook lief-lielibers en beoefenaars der kunst. Yolgcns do kronieken hoeft de monnik Stephanus deze kunstwerken binnen twee jaar afgewerkt.quot;

Dit zeide hij zonder haar aan te zien.

„De patronen van mijn borduurwerk zijn ook aan de plantenwereld ontleendbegon zij verlegen. „Zou ik mijn gebrekkig werk aan uwe beoordeeling mogen onderwerpen ? Ik merk, dat gij een juist oordeel over dergelijke zaken kunt vellen ?

„Van vrouwenwerk versta ik niet het minste , edele meesteres zeide hij glimlachend.

„Verschoon mijne onnauwkeurige uitdrukking!quot; verzocht zij blozend. „Ik bedoel niet liet naaldwerk, maar de schoonheid dor patronen , het kunstmatige der vormen. Stellig hebt gij daarvan meer kennis dan ik, die nimmer buiten deze bergen geweest ben. En gij zijt te Rome geweest, waar men zoo veel zien en leo-ren kan.quot;

„Ik zag in Italië veel, ik verkeerde ook veel en dikwerf met die monniken te Clugny, welke zich op do kunsten toelegden, ik bezocht vaak hunne werkplaatsen en ik heb het een en ander afgeluisterd, — doch mijn oordeel zou toch van twijfelachtige waarde zijn.quot;

Zij wenkte hare kamenier , die een mandje op de tafel plaatste. Godila nam een pakje uit het mandje. Zij ontdeed dit van de omhulselen en spreidde voor do oogen van de verrasten burchtvoogd heerlijk borduurwerk uit. Dit borduurwerk waren eonige handen breedo strooken, verscheidene ellen lang in zijde, zilver en goud gewerkt. Een dikke bladerrijke rank verhief zich, kleine twijgjes sproten uit deze groote rank, kleine vogelen met zilveren vleugels en gouden snavels of veelkleurige beren wisselden smaakvol af.

-ocr page 679-

73

„Dat is meesterlijk!quot; riep hij verrukt uit. „Hier is waarlijk geen bijzondere kunstsmaak noodig, om dit werk te kunnen bewonderen. Het ongeoefend oog van een onderhoorige zou verrukt zijn over dergelijke schoonheden. En dit heerlijk werk is het voortbrengsel uwer handen ?quot;

Zij stond te glimlachen en hare oogen glansden van genoegen.

„Mijne verdienste daaraan is gering; want ik werkte naar deze patronen. En de handigheid in het borduren dank ik aan de lessen der vrome kloosterzusters te St. Magdalena. Op den eenzamen Trifels had ik veel tijd tot oefening, en het doet mij genoegen, dat u hot borduursel bevalt.quot;

„Wien zou dat niet bevallen ? antwoordde hij. „Het is toch buitengewoon prachtig en van zeldzame waarde, — waarschijnlijk tot versiering van kerkelijke gewaden bestemd.quot;

„Toch niet, heer Siegfried! Als gij aan mijn verzoek wilt voldoen , dan moet dit borduurwerk dienen, om hot onderkleed te versieren, dat gij op hooge feestdagen draagt.quot;

Hij sloeg een vluehtigen blik op haar, die bloosde van blijde verrassing.

„Een dergelijk geschenk is passend voor een keizer, maar niet voor den burchtvoogd van Landeck ,quot; zeide hij.

„Wat den keizer siert, mag ook eiken echten ridder waardig kleeden ,quot; antwoordde zij. „Ik smeek u, heer Siegfried , ontzeg mij het genoegen niet, mijn grootsten weldoener een gering bewijs mijner dankbaarheid te mogen geven.quot;

„Dan ben ik zoo vrij, edele meesteres, deze kostbaarheden aan te nomen ;quot; zeide hij na eenig aarzelen.

„Welk een vreugde!quot; riep zij uit, vroolijk als een

-ocr page 680-

74

kind, dat prachtige geschenken ontvangt. „Ook voor het kerkgewaad van mijn biechtvader, den eerwaarden abt quot;Widerad, mocht ik versierselen maken, — doch dat werk veroorzaakte mij zulk een vreugde niet, als dit.quot;

Een gelukkige verrassing schitterde bij deze verzekering in zijn oogen. En het aangezicht van Godila werd met een blos van schaamte bedekt; want zij had door de laatste woorden onbedacht een geheime plooi haars harten ontvouwd. Schielijk gaf zij nu aan het gesprek een andere wending.

„Is op Landeok geen kapel ?quot; vroeg zij.

„Stellig, edele meesteres ! Juist hier naast.quot;

„Mag ik die niet eens zien ?quot;

„Volgaarne geleid ik u naar die gewijde plaats, waar kostbare schatten bewaard worden,quot; antwoordde hij , door de zaal naar een deur gaande, welke hij opende.

Een tamelijk groot vertrek, door twee groote vensterramen verlicht, ontving de binnentredenden. In eene nis verhief zich eonige treden hoog het altaar, boven hetwelk een groot kruisbeeld stond en hetwelk versierd was met een kostbaar antipendium. Aan do epistel- en evangeliezijde rustten in glazen kasten eenige reliquieën, in goud en paarlen gevat. De zijwanden waren door schilderstukken versierd , welker onderwerpen aan de gewijde geschiedenis ontleend, en door \non-niken van de abdij Klingen geschilderd waren.

De vorstendochter knielde op de treden van het altaar en bad. Ook Siegfried knielde, doch een. aandachtig gebed wilde niet lukken. Al te sterk werkte hare tegenwoordigheid op geest en hart, en de gedachte , dat zij om zijnentwil haar verblijf verlengde, vervulde hem met vreugde.

-ocr page 681-

75

Godila stond op en ging naast hem staan.

„Van welke heiligen zijn de reliquieën ?quot; vroeg zij zacht.

„Yan de H. iï. Laurentius , Andreas, Chrysostomus en Bonifacius , — geschenken van koning Dagobert /' antwoordde hij.

Inderdaad kostbare schatten bevestigde zij, de kinderlijk geloovige oogen naar zaken gericht, die hooger geschat worden, dan goud en edelgesteenten. „Hoe gelukkig zijt gij , in zulk een onmiddelijke nabijheid van stoffelijke overblijfselen van HH. Martelaren te wonen. lieliquieën zijn wel is waar slechts zeer kleine stukjes been , maar zij behooren tot die lichamen, welke tempels van God en woningen van heilige zielen geweest zijn. Daarom zijn reliquieën gewijde zaken en voortdurende aansporingen tot navolging van groote deugden.quot;

Hij knikte toestemmend.

Zij keerden naar do zaal terug. Godila bleef nog eenigen tijd en ging eindelijk door Siegfried geleid tot aan de burchtpoort, naar het vrouwenklooster terug.

Een uur later begaf do burchtvoogd zich naar den abt, om hem het verzoek van de dochter van den markgraaf Udo mede te deelen. Tot spijt van den jongen man wees do prelaat het verzoek van do hand.

„Gij weet, heer voogd,quot; zoide de grijze abt, „dat eiken omgang met den geëxcommuniccerden verboden is. Aan de vorstelijke maagd Godila heb ik , in den geest onzer orde, de poorten van het vrouwenklooster geopend; want barmhartigheid en bescherming voor weezen en verdrukten behooren tot de regelen van den H. Bonedictus. Derhalve kan het kind vau Udo naar believen te St. Magdalena blijven. Ook ben ik bereid tot elke hulp on eiken bijstand van de verlatene. Maar

-ocr page 682-

76

do kerkelijke voorschriften zal ik onder geen enkele voorwaarde overtreden. Met eeu persoon , die in den ban is, verkeeren ? Neen, — daarvoor behoede mij God!quot;

„De Kerk verbiedt niet volstrekt het verkeer met geëxcommuniceerdenzeide hij. „Daarom konden ook do aartsbisschop Udo van Trier en andere brave prelaten met den koning verkeeren.quot;

„Wel konden zij dat in zaken, die Kerk en Staat be-trofi'en, hetgeen de canonieke bepalingen ongetwijfeld veroorloven,quot; antwoordde Widerad. „Maar zij mochten niet bij den maaltijd, niet bij godsdienstoefeningen of om een andere reden mot Hendrik verkeeren. Rex excoimmmicatus vitandus est, — elk geëxcommuniceerde moet vermeden worden.quot;

„Zon de bevrijding van den markgraaf niet als een Staatszaak te beschouwen zijn, eerwaarde vader?quot;

„Misschien, — ik wil dit niet betwisten,1' antwoordde de prelaat. „Maar tot de verplichtingen van den abt van Klingen behoort deze aangelegenheid blijkbaar niet.quot;

Siegfried zat te peinzen.

„De genegenheid mijns harten,quot; ging de grijsaard voort, „zou zonder twijfel zijn, om naar Spiers te rijden en den koning de bevrijding van den markgraaf te verzoeken, die een braaf heer moet zijn. Gij weet echter, mijn zoon , dat wij allo neigingen moeten onderdrukken, die oen duidelijk gegeven gebod Gods en van de Kerk weerspreken.quot;

„Ik vraag u wel vorschooning, eerwaarde vader, als ik een zaak behandel, die, strikt genomen, niet tot mijn ambt behoort,quot; begon do beschermheer weder. „Do abt van Klingen zou ovenwol door een kerkelijke aangelegenheid van het grootste gewicht genoodzaakt kunnen worden, met den geëxcommuniceerden Saliör te verkeeren.quot;

-ocr page 683-

77

„Wat bedoelt gij?quot; vroeg do prelaat verwonderd.

„Zooals u bekendis,quot; ging Siegfried voort, „ontsloeg de koning alle geëxcommuniceerden en Simonisten uit zijn dienst en verplichtte hen , absolutie aan den Paus te vragen. Desniettemin gaat de burchtkapelaan en pastoor van Annweiler met zijne bediening voort, — dit doet hij tot groote ergernis en tot verderf der zielen. Volgens mijn gevoelen zou het onze plicht zijn , daaraan een einde te maken.quot;

De abt ontstelde.

„Wie zou den koning verzoeken, Lantbert van do zielzorg te ontheffen , als gij zulks niet doet, eerwaarde vader?quot;

„Bij God , — ik kan on mag het niet ontkennen , — gij hebt gelijk!quot; riep Widerad uit. „Ongetwijfeld, — in die zaak rust op mij een zware verplichting.quot;

En als gij bij genoemde gelegenheid den Saliër om do vrijlating van den markgraaf verzoekt , dan vervult gij tevens een gebod van naastenliefde.quot;

„Gij zijt een verstandig heer !quot; zeide de grijsaard glimlachend. „Het zij zoo, wij rijden naar Spiers, echter eerst in de volgende week, wijl morgen hier do negendaagsche geestelijke oefeningen beginnen.

m HET PALEIS TE SPIERS.

Alvorens Hendrik IV van Oppenheim naar Spiers

vertrok , deden do Rijksvorsten het voorstel, gelijkluidende berichten aan don Paus te zenden. De koning

-ocr page 684-

78

keurde dit voorstel goed. Dientengevolge werd het schrijven dubbel vervaardigd , in tegenwoordigheid van don Saliër en alle vorsten voorgelezen en ten aanzien van de gehccle vergadering verzegeld. Daarop verklaarde de koning , dat hij zijn bericht door een eigen bode aan den Paus wilde zenden. (')

De vorsten kenden Hendriks wankelmoedigheid en arglistigheid , hielden deze zaak voor verdacht en besloten , insgelijks boden naar Rome te zenden , en de aangelegenheid niet aan den gezant des konings toe te vertrouwen.

Aan de Duitsche natie richtte Hendrik een schrijven, hetwelk in een waardigen vorm de belijdenis zijner schuld en de herroeping van de afzetting van Gregorius op de synode te Worms bevatte. Dit schrijven luidt als volgt:

„Wij Hendrik, koning door de genade Gods , doen weten aan de aartsbisschoppen , bisschoppen, markgraven , graven en aan alle anderen van eiken stand en waardigheid, de verzekering van onzen toegenegen wi;. Sinds wij vernomen hebben , dac Onze koninklijke toegevendheid door ongeschikten raad van Onze getrouwen tot misgrepen tegen den Apostolischen Stoel en diens tegemvoordigen bezitter, Paus Gregorius , is misleid, — herroepen Wij hiermede onze vroegere voorschriften betreffende deze zaak , en verklaren , dat Wij besloten zijn, naar het voorbeeld onzer voorgangers en vcor-vaderen , genoemden apostolischen Stoel en dengenen , die hem bekleedt, namelijk Paus Gregorius, in alles de vereischte gehoorzaamheid te betoenen, en ook datgene door gevorderde voldoening te boeten , wat Wij tegen dien Stoel misdreven hebben. Insgelijks is het

') Gfrörer , D. YIl , bl. 650.

-ocr page 685-

79

onze ernstige quot;Wil, dat ook gij , Ons voorbeeld volgend , den H. Petrus en zijn Plaatsbekleeder plechtige voldoening geeft. Diegenen van U, welke weten, dat de ban op hen drukt, zullen zich derhalve beijveren , vergiftenis van Paus Gregorius te verwerven.quot; ')

Ingevolge het verdrag, hetwelk den koning verplichtte , in Spiers zonder vorstelijke praal, als een privaat persoon te leven, ontsloeg hij zijn hofstoet en reisde in gezelschap van don aartsbisschop Udo van Trier en den bisschop Theodorich van Verdun naar Spiers. Zijne gemalin Bertha was met haar driejarig zoontje Koenraad eenige dagen te vuren daar aangekomen.

Zonder toeven begon de Saliër, het noodlottig verdrag van Tribur naar zijne plannen to veranderen en de gevaarlijkste puntjes daarvan af te breken. Hiertoe had hij de hulp noodig van een man , die te Rome en bij de Rijksgrooten in aanzien stond. Deze man was de aartsbisschop Udo van Trier, met onverbreekbare trouw aan het Salische huis gehecht en van edelaardige gevoelens. Hendrik maakte den prelaat met zijne geheime plannen bekend ; doch niet plotseling, maar langzamerhand.

Op het oogenblik zitten beiden in een kamer van het oude keizerlijk paleis te Spiers aan een tafel, die bedekt is met boeken en perkamenten. Zijne bereidwilligheid , om zich met eene bezending aan den Paus te belasten , had Udo reeds te kennen gegeven.

„Eerwaarde vader,quot; begon de sluwe Saliër, uwe scherpzinnigheid en wijsheid zal het niet ontgaan zijn , dat het verdrag van Tribur een punt bevat, hetwelk rechtstreeks oen smaad voor het koningschap is. Wij

') Gfrörer , D. VII, bi. ói9.

-ocr page 686-

80

hebben ons , wel is waar, onderworpen en zijn bereid, tot boete voor onze vergrijpen, hot hardste te verdragen , alle voorwaarden van het verdrag stipt te vov-vullen. Nu vraag ik u, — mag een koning de hand leenon, om de hoogste waardigheid in het Eijk met voeten te treden ? Dat de kroon , rijk aan eer en verdiensten , met smaad en schande voor al het volk bedekt wordt ? datgene te beschimpen, wat God gebiedt te eeren ?quot;

„Ik weet niet, waarop de woorden van uwe hoogheid doelen , — ik geloof echter te kunnen antwoorden , dat de eer en majesteit der kroon onder alle omstandigheden , geëerd moet worden.quot;

„Ik dank u voor deze beslissing , eerwaarde vader !quot; zeido de vorst opgeruimd. „Ik verklaar mij nader. In het verdrag staat; — „de Paus zij rechter tusschen Ons en U. Op den Rijksdag te Augsburg zal omtrent uwe zaak beslist worden.quot; — Gij kent mijne vijanden, eerwaarde vader! Deze zullen bergen van de schandelijkste beschuldigingen tegen mij opstapelen. Zeer vele , zelfs de meeste Rijksgrooten , zijn geenszins met zuivere, maar met lage inzichten jegens mij bezield. Zij zullen zich derhalve niet ontzien, te Augsburg, ten aanhoore van de geheele natie, de schandelijkste beschuldigingen tegen mij in te brengen. Mijne vijanden kennen inschikkelijkheid noch verschooning. „Ik belijd ,quot; ging hij rouwmoedig voort, „groot en talrijk zijn mijne misslagen. De vorsten zullen derhalve in alle vormen van het recht afschuwelijke zaken bewijzen , — en het Duitsche volk zal die bewijzen hooren. Wat kan nu het gevolg van een dergelijke handeling zijn? Mijn goede naam is voor altijd verloren. Ook de Paus moet zijn vaderlijke toegevendheid laten varen , hij zou genoodzaakt zijn, tegen mij te spreken. Zijn vonnis

-ocr page 687-

81

zou mij vervallen moeten verklaren van schepter en kroon. Dat zou nog niet genoeg zijn, — mijn persoonlijk lot heb ik wel is waar verdiend, — maar do eer dor Duitscho kroon wordt in liet slijk getreden , do koninklijke waardigheid beschimpt en bezoedeld. Nu geloof ik, dat een ergernis, die dergelijke gevolgen heeft, voorkomen moet worden.quot;

Hij zwoeg en koek den Eijksvorst in gespannon verwachting aan.

Ik ben van uw gevoelen, hoor koning! Er zou te Augsburg een schandaal plaats hebben, zoo als er nog nooit oen geweest is. De Duitscho natie , zou ten spot worden van allo volkoren. Dit grieft mij zoor, en ik gevoel pijnlijk een dergelijke voruodering. Toch moot hot verdrag nagekomen worden, eer en geweten verplichten daartoe. En ik zie niet in, hoe die slag is af te wenden, zonder hot verdrag te schenden.quot;

„Zeer gemakkelijk, eerwaarde vader! In mijn schrijven aan den Paus zal ik den wensch te kennen geven , dat hij niet naar Duitschland zal komen. Daarentegen ben ik bereid , de ontheffing van don ban persoonlijk in Eome te gaan afsmooken en elke boete tot uitdelging mijner misslagen aan te nomen. De redenen, die mij noodzaken om de reis van Gregorius af te weren, zult gij mondeling bij het overhandigen van mijn schrijven uiteen zetten. Ik bon ernstig van voornomen , de misslagen van het vorledene door een chris-telijken en onbesproken levenswandel to verbeteren, voortaan den schepter te voeren in den geest mijner ■voorvaderen. Niets zal mij van hot pad der deugd afbrengen. Eeeds heb ik bij rondgaanden open brief aan de geheelo natie mijne vergrijpen jegens den apostoli-schen Stoel beleden en do besluiten van Worms hor-roepen. Een rechtvaardige manier van regeeren, ge-Can. n. in. 6

-ocr page 688-

82

heel in den geest van het Evangelie zal mjjne verbit-terdste vijanden achting inboezemen. Kortom , — mij is het heilige ernst , het purper van dc smetten van het verledcne te zuiveren. En uwe verstandige bespraaktheid zal dit alles den Paus zoo duidelijk voorleggen , dat de vaderlijke goedheid van Grcgorius mijn wenscli vervullen en zijn inschikkelijke wijsheid de Duitsche kroon niet aan een onuitsprekelijke ellende bloot stellen zal.quot;

Do aartsbisschop , op de redding van den Saliër en diens wezenlijke verbetering des levens bedacht, billjjkte die gevoelens. Het bericht aan Gregorius VII werd uitvoerig besproken en opgeschreven.

Na middernacht was dit werk afgeloopen. De aartsbisschop Udo verliet de kamer. Hendrik zette zijn werk voort. Hij schreef in de Latijnsche taal den volgenden brief:

„Aan onzen lieven en getrouwen, burch(graal' te Rome, Censius, den zoon van Joannes! Dewijl de vorsten van Germanië van Ons verlangen, dat Wij Ons aan de uitspraak des Pausen onderwerpen, weshalve de grooten des Rijks den Paus uitnoodigen met aanstaanden Lichtmisdag naar Augsburg te komen, doch Wij om verschillende redenen de reis van Grcgorius afkeuren, — gebieden Wij u, al uwen invloed te besteden , om den Paus van bedoelde reis af te houden. Gelukt u dat, dan hebt gij u aan onze koninklijke waardigheid verplicht en moogt gij op Onze dankbaarheid rekenen. Geschreven in ons paleis te Spiers. Hendrik koning.quot; i)

Hij verzegelde den brief en zocht vermoeid zijn slaapvertrek.

') Gfrörer , D. VII, bl. 552.

-ocr page 689-

83

Den volgenden morgen verscheen graaf Balderich van Worms met eenige ridders. De heeren waren uitstekend uitgerust en gewapend en maakten deel uit van Udo's geleide. Graaf Balderich werd den prelaat als tweede bode des konings toegevoegd.

Met den graaf had de Saliër .een lang geheim onderhoud. Ten slotte reikte hij hem hot schrijven aan den burchtgraaf Cencius over. Onverwachts trad do aartsbisschop binnen, geheel reisvaardig. Hij zag den brief en huiverde. Hendriks scherpzinnigheid ontging noch de ontsteltenis van den prelaat, noch hare oorzaak.

.,Een brief aan onzen burchtgraaf Cencius te Eome zeidc hij onverschillig. „Ik wilde u met die zaak niet lastig vallen , eerwaarde vader !quot;

„Aan Censius ?quot; riep Udo ontsteld uit. „Aan dien goddeloozen man, die op het jongste Kerstfeest den Paus in de kerk overviel, verwondde , bijna vermoordde en hem vervolgens naar zijn toren sleepte? Aan dien mensch schrijft gij, koning?quot;

„Niet aan dien ellendigen Censius antwoordde Hendrik. „Die Censius is de zoon van Stephanus, een neef van onzen burchtgraaf, die een zoon van Joannes is. Wij hebben natuurlijk aan den zoon van Stephanus , tengevolge van zijne misdaad, de waardigheid van burchtgraaf ontnomen en die aan zijn neef geschonken. Do familie Censius bezit grooten invloed en sterke macht te liomo, weshalve ik voor raadzaam hield, onzen burchtgraaf tc verzoeken, onzen H. Vader van een gevaarvolle reis naar Duitschland af te brengen.quot; ')

„Waardoor afbrengen, heer koning,quot; vroeg Udo.

„Door dringende voorstellen, — niet met geweld,quot; antwoordde de koning.

l) Gfrurer, D. VII, bi. 487.

6*

-ocr page 690-

84

Do aartsbisschop was gerust gesteld. Daarop omhelsde hij den Saliör tot afscheid.

„De Hemel geleide u en zeg ene het werk der verzoening zeide Hendrik.

„En dat Gods genade uwe hoogheid late volharden op het pad der deugd,quot; hernam Udo.

De hoeren stegen te paard en reden weg.

Voortaan leefde Hendrik, ingevolge het verdrag, in de strengste afzondering. Hij droeg burgerkleeding, onthield zich van alle onderschcidingsteekenen der koninklijke waardigheid en verscheen hoogst zelden in hot openbaar. Maar eiken dag ging hij in gezelschap van koningin Bertha, die den gade een treffende trouw bewees in do dagen van rampspoed, naar do hoofdkerk, waar hij bij de graven zijns vaders en grootvaders bad.

De inwoners der oude bisschopstad ontmoetten den schuldigen en geëxcommuniceerden. vorst met ernstige terughouding. Ook zij verafschuwden en beklaagden sinds lang de onwettige handelingen des konings en vonden den tegenwoordigen toestand verdiend. Desniettemin weigerden de goede inwoners van Spiers het treurig lot van den zoon en kleinzoon van roemrijke keizers hunne deelneming niet. Met een godsdienstig gemoed baden zij God oprecht en vurig , dat hij do zware beproeving ten beste des konings en van het Kijk mocht besturen.

Zoo verliepen dagen en weken.

Nu kwam Hendrik op de gedachte, dat do verjaardag naderde , waarop hij in den ban gedaan was , en dat hij na één jaar en één dag in den ban gewees'; te zijn, volgens de wetten voor eerloos gehouden en voor altijd van de kroon vervallen verklaard werd. In deze bedruktheid nam hij het besluit, om in weerwil van den strengen winter, de reis over de Alpen aan te

-ocr page 691-

85

nomen. Maar de middelen ontbraken hem, want de Rijksdag van Tribur had de koninklijke inkomsten ingetrokken. ')

Den trotschen Saliör werd de vernedering opgelegd om bij do rijke heeron, die in het geluk zijne gunst genoten , geld te loon ce vragen. Hij werd bij de mees-tcn afgewezen.

Het kostte moeite om hot noodige reisgeld bijeen te krijgen,quot; zegt do kroniekschrijver Lantbert. „Velen, welke de koning in de dagen van voorspoed tot macht en rijkdommen verheven had, weigerden hem hot geringste in leen te geven. Slechts weinigen droegen iets bij uit dankbaarheid voor vroegere weldaden of uit medelijden. Want in zeer korten tijd was de koning van den hoogsten trap van aardsche heerlijkheid tot een bcklagenswaardigen toestand gezonken.quot; quot;)

Ten tijde van dien smartelijkon toestand valt do aankomst van Widerad , abt van Klingen, een dor rijkste stichten. Buiten verwachting vriendelijk ontving hem de koning.

„Uwe komst is voor mij een gewenschte gelegenheid,quot; zeide hij met de uitdrukking van een zoo oprecht berouw, dat Widerad diep aangedaan werd, „ten einde, u en de vrome monniken van Klingen om vergiffenis te bidden voor de droevige, kommervolle uren, die een onrecht van mijne zijde veroorzaakte. Ik herroep mijn vroegere benoeming. Wettig abt van hot eerbiedwaardig sticht Klingen zijt gij , vader Widerad, — niet Lantbert. In ons openbaar schrijven aan de Duitsche natie hebben wij roods aan den burchtkapelaan bevolen, vrijspraak van don ban af te smeeken aan Paus Grego-rius en zich tot zoo lang van elke bediening van zijn ambt te onthouden.quot;

') Gfrorer, D. VII, bl. 556. 2) Gfrörer, D. VII, bl. 555.

-ocr page 692-

86

„Dit punt is juist clc reden mijnor komst, hcerlijk-hcirl!quot; zoido de abt. „Do burchtkapelaan Lantbert slaat niet in het minst acht op uw gebod, maar gaat voort met het uitoefenen zijner bediening, tot groote ergernis en tot verderf der zielen.

„De vermetele!quot; zeide de vorst dreigend.

„Wilde uwe heerlijkheid zoo goed zijn, daaromtrent aan den burchtvoogd Dedi van den Trifels een bevel te geven , dan zou hierdoor een kwaad gestuit worden, dat zoo noodlottig is in zijne gevolgen.quot;

„Daarvoor zal ik zorgen, eerwaarde vader! Gij zelf kunt ons schriftelijk bevel aan Dedi medenemen en het door een vertrouwden bode naar den Trifels laten brengen.quot;

„Met de grootste bereidwilligheid, en vreugde belast ik mij mot die taak voor uwe hoogheid,quot; antwoordde Widerad.

„Tegelijkertijd moeten wij zorgen voor een waardig zielenherder van mijn onderhoorigen van den burcht,quot; ging do Saliër voort. „Het gebied van den Trifels mag niet zonder geestelijke leiding zijn. Weiger ons uwen wijzen raad en bijstand niet in deze zaak.quot;

De abt zat bevend van verrukking, zoo werkte op zijn vroom gemoed do waarneming van de oogenschijn-lijke verbetering des levens van den vroeger diep gezonken monarch. Geen ander verstandig keizer, niet eens de groote Karei, zou zich naar Widerads meenirg in een dergelijk geval christelijker hebben kunnen gedragen.

„God zegene uwe hoogheid voor de zorg, die gij voor een verlaten kudde hebt,quot; zoide de grijze abt. „Als gij het goedvindt, zal een monnik van ons klooster zich zoolang met de zielzorg van Annweiler en den Trifels belasten, totdat uwe heerlijkheid een

-ocr page 693-

87

godvreozend geestelijke gevonden heeft, welke duurzaam die waardigheid op zich neemt.quot;

„Uw aanbod verheugt mij en stelt mij gerusthernam Hendrik. „Benoem een godvreezend en verstandig monnik uit uw klooster. Ik zal den burchtvoogd van den Trifels gelasten, de inkomsten van die betrekking aan het sticht Klingen te storten.quot;

„Wij hechten . aan stoffelijke belooning geen bijzondere waarde zeide Widerad.

„quot;Wie het altaar bedient, moet daarvan leven, — elk arbeider is zijn loon waardzeide de vorst.

Do prelaat onderwierp zich gehoorzaam aan de woorden der H. Schrift.

„God loone uwe hoogheid,quot; zeide hij dankend en op het punt om zijn verzoek voor den gevangen markgraaf Udo voor te dragen. De koning voorkwam hom echter.

„Ik maak van deze gelegenheid gebruik,quot; begon hij, om uwen verstandigen raad in een persoonlijke aangelegenheid te vragen. Zoo als genoegzaam bekend is , bezwaart mij de ban des Pausen , — een drukkende last, waarvan ik gaarne bevrijd zoude zijn. Om die reden ben ik van plan naar Rome te reizen en van den H. Vader do ontheffing af te smeeken , — bereid onzen nek onder eiken aard van boete te buigen.quot;

Een Gode welgevallig plan , — een waarlijk christelijk voornemen !quot; roemde Widerad. „De Heer moge uwe hoogheid versterken en laten volharden in die godvruchtige ingeving.quot;

„Do reis is ver, eerwaarde vader, en kost veel geld ,quot; ging de koning voort. „Onze beperkte middelen veroorloven mij niet een gevolg mede te nemen , daarom zal ik reizen in gezelschap van een enkelen getrouwen en mijn lieve echtgenoot.'''

„In dit strenge jaargetijde ?quot; riep de grijsaard verwon-

%

-ocr page 694-

88

(lord uit. „Hot is to hopen, dat do koriiiigm afziot van deze gevaarvolle onderneming , dio hare krachten to boven gaat.quot;

„Geone voorstellen batenhernam Hendrik. „Bertha blijft er bij , om in het ongeluk niet van onze zijde te wijken.quot;

„Hoe edelmoedig, — hoe grootsch , — hoe vroom !quot; prees 'Widerad.

„Ronduit gezegd, heer abt, ook voor mij is het een zoete troost, in grooten tegenspoed, als de vroegere boste vrienden ons ondankbaar don rug toekeeren , in mijn gemalin een zoo getrouwe, toegenegene en liefhebbende ziel te vinden. — Intusschen ontbreken zelfs de middelen om een reis to aanvaarden , waartoe zoo weinig noodig is. Een geringe som ligt wel klaar, — maar or ontbreken nog altijd twee duizend marken. In dezen nood wensehto ik u wel te verzoeken , eerwaarde vader, mij tegen schriftelijk bewijs die twee duizend marken to loenen, — dat wil zeggen , als uw stisht daartoe in staat Is.quot;

Hij zweeg en keek den prelaat in angstige spanning aan.

„Ik verheug mij , uwe hoogheid to kunnen dienen en zoo oenigormate deel te kunnen nomen aan een Go de welgevallig vcornemenzeido Widerad. „Toch kan ik slechts voorwaardelijk aan de wenschen uwer heerlijkheid voldoen, maar ik twijfel niet of het convent zal mijn voorstel goedkeuren.quot;

„God zij dank, — en ook u zij dank , eerwaarde vader!quot; zeido de koning blijgemoed. „Gij noemi een zwaron last van mijne schouders , want overgrooc was mijne verlegenheid. Overal klopte ik smeekend aan ; — bijna overal werd ik afgewezen , of ik ontving geringe ondersteuning, •— zelfs van hen , die hooge posten en rijkdommen louter aan mijne genegenheid verschuldigd

-ocr page 695-

89

zijn. Zoo is do worelrl : — lachend en kruipend voor macht en rijkdom, — koud en hard voor de bchoet'te. De Voorzienigheid zij gedankt, die mij wijsheid leert in do school des ongeluks! Nimmer had ik kunnen denken , dat vrienden alle weldaden vergeten en zulke schob-berds konden worden. Gij daarentegen leert mij, god-vreezende vader, ware vriendschap van valscho onderscheiden. Juist zij, die mij in dagen van voorspoed tot slechte daden aanspoorden , die mijne hartstochten vleiden, om zich aan mijne goederen vet te mesten, — juist zij verlaten mij in den tegenspoed. Uw braaf sticht, waarop ik vertoornd was in den voorspoed, omdat het mijne slechte handelingen bestrafte, wordt mijne hulp en redding in den grooten nood. „Ik zal dit,quot; eindigde hij met nadruk, „van u en de abdij Klingen nimmer vergeten.quot;

„Ik smeek uwe hoogheid niet slechter en niet beter van ons te denken, dan wij werkelijk zijn,quot; hernam de prelaat bescheiden. „Hebben wij den ban des Pausen over don koning openlijk verkondigd, dan gebeurde dit, omdat het de Kerk, onze Moeder, beveelt. Leenon wij uwe hoogheid geld tot uitoefening van een goed werk; dan gebeurt dit ook om dezelfde reden; want onze Moeder gebiedt ons hulp en bijstand to verleenen aan allen , die in nood zijn, en dus op de eerste plaats aan den koning.

„En ik zal mij beijveren oen waardig zoon dier edele Moeder te worden,quot; zeide de Saliër ernstig.

„Veroorloof mij uwe heerlijkheid een ander onderwerp te bespreken,quot; begon Widerad niet zonder zijne natuurlijke blooheid te overwinnen. „Kent gij graaf Wazo persoonlijk ?quot;

„Helaas , dat is ook een van hen , die in den gouden regen van koninklijke gunst opgroeiden en ver-

-ocr page 696-

90

volgens, alle dankbaarheid vergetend, ons te vergeefs lieten aankloppen antwoordde Hendrik, terwijl een gloed van toorn over zijn gelaat gleed. „quot;Wij kennen dien mensch.quot;

„Graaf quot;Wazo had een ouder broeder Markwart ge-heetenging do abt voort. „Voor ongeveer twintig jaren reden beide broeders op de jacht. Markwart stortte van een rots en bleef dood. Er zouden menschen gezien hebben, dat graaf Wazo zijn broeder van do rots afstiet. Ook de vrouw van graaf Markwart stierf plotseling. Het vierjarig zoontje van Markwart werd in ons klooster gebracht, om het aan de vervolgingen van Wazo te onttrekken. Wij oordeelden hot kind op den duur bij ons niet veilig en zonden het ver weg , naar hot godvreezond klooster Clugny , waar de knaap tot man, bevestigd in den godsdienst en wel onderwezen in do wetenschappen, opgroeide. Met het geleide van den groot-prior Hyginus van Clugny kwam de zoon van graaf Markwart, Siegfried geheeten , naar Klingen en werd onze beschermheer.quot;

„Hoe, — die Siegfried is do zoon van graaf Markwart ?quot; riep de vorst hoogst verwonderd uit.

„Zoo is het, heer koning ? Wijl nu graaf Wazo ten onrechte hot leengoed bezit, hetwelk den zoon van den overleden graaf Markwart toekomt, reken iic het mij ten plicht, deze zaak aan den oppersten beschermheer des rechts te openbaren. Wij hebben destijds genoemde voorvallen uitvoerig opgeteekend en Je perkamenten , die daarop betrekking hebben werden door Hyginus den groot-prior naar Clugny medegenomen.quot;

„Ik dank u voor deze mededeeling, heer abt! Wij hebben wol geen reden, om den beschermheer Siegfried genegen te zijn, — maar hot recht moet zijn loop hebben ! Zoodra de schepter weder in onze hand

li

i

I i;..

li.

-ocr page 697-

91

rust, cn wij van den ban ontslagen zijn , moet quot;NVazo bestraft en Siegfried in liet bezit van het vaderlijk leen gesteld worden. Ook de grafelijke waardigheid in het Rijksleen, dat zijn vader heeft bezeten, zullen wij hem schenken, vooral nu deze Siegfried door wijsheid , onversaagdheid en dapperheid nauwelijks overtroffen kon worden.quot;

„De rechtvaardige en algoede God beloone u hiervoor overvloedigantwoordde Widerad. „En wijl ik mijn heer zoo genadig vind , waag ik het, hem om de bevrijding te smeeken van den markgraaf Udo van Saksen , die op den ïrifels gevangen zit.quot;

Do Saliër fronste het voorhoofd.

„Ook hier moet het recht zijn loop hebben!quot; zeide hjj op strengen toon. „Die man verdient een veel harder lot; want hij was een banierdrager van liet oproer togen ons in Saksen. Hem vrijlaten in deze onzekere tijdsomstandigheden , zou zijn do vlammen des oproers aanblazen. Wij betreuren derhalve de onmogelijkheid , om uw verzoek te kunnen toestaan.quot;

„Dan bezweer ik u, den markgraaf ten minste de hoop te geven voor zijn toekomstige vrijheid.quot;

„Op uwe voorspraak geschiede dithernam Hendrik. „Ook zal hij niet streng maar op ridderlijke wijze gevangen gehouden worden. Dit en mijne overige bevelen zal ik onverwijld aan den burchtvoogd schrijven. Ook zal ik een getrouwe benoemen , dié met u naar Klingen rijdt om de twee duizend marken zilver in ontvangst te nemen ; want ik heb rust noch duur , voor dat ik de reis naar Home heb ondernomen.quot;

„Het zij zoo, heer en koning. Intusschen wenschte ik nog eens naar de heerlijke hoofdkerk te gaan , die uwe voorvaderen , roemrijker gedachtenis , zoo prachtig lieten bouwen.quot;

-ocr page 698-

92

„Doe dat, eerwaarde vader, en vergeet niet ook mij , ongelukkige, in de genade des Hemels aan te bevelen.quot;

SIEGFRIEDS HUWELIJKSAANZOEK.

Godila verwachtte met ongeduld de aankomst van den beschermheer. Zij wist, dat hij laat in den avond van den vorigen dag van Spiers teruggekeerd was, en zij kon de tijding van de beslissing des konings nauwelijks afwachten. Zij zat aan een raam, dat op het pad uitzag , hetwelk naar den burcht Landeck voerde. Elk oogenblik keek zij van haar borduurwerk op het raam uit. Siegfrieds rijzige gestalte bleef onzichtbaar en het pad verlaten.

„Siegfried komt niet, — een slecht teeken!quot; zeide zij. „Mijn arme vader zal de vrijheid nimmer terugkrijgen. In de gevangenis zal hij sterven.quot;

„Ween toch zoo niet, edele meesteres !quot; smeekte de getrouwe Oda. „Gij hebt toch waarlijk geen reden tot weenen en klagen; want liefderijk en vol goedheid heeft de Voorzienigheid u beschermd. Ik zeide aitijd: vertrouw op God, hij zal u van den vreeselijken Trifels en uit de macht van een boosaardig mensch bevrijden. Zoo is het gebeurd. Vrij zijt gij en veilig in dit heilig huis , waar de bruiden van Christus wo.ien, bidden en Motten zingen, gelijk de engelen in den hemel. Nu zeg ik nogmaals: vertrouw op God, Hij zal den markgraaf de vrijheid schenken.quot;

„Gij vergist u antwoordde zij fruurig. „Kon mijn

-ocr page 699-

93

edelmoedige beschermer een blijde boodschap breugon, dan was hij reeds lang hier.quot;

„Dat is zeer wel mogelijk! De koning mag het verzoek van den eerwaarden abt Widerad afgewezen hebben. Wat echter gisteren mislukte, zal weldra stellig gelukken. Alle goede dingen komen langzaam. Uw vader wordt als een ridder behandeld op den Trifels. Bevond hij zich in een afzichtelijken kerker , bij padden en ongedierte, waar geen heldere lichtstraal doordringt , waar hot leven wegkwijnt en dc lichamen ineenkrimpen , — zie, dat zou ellendig zijn. Nu echter heer Udo een hoog gelegen, zindelijk, gezond vertrek bewoont, en het hem aan spijzen en eerbewijzing niet ontbreekt, kunnen wij geduldig afwachten.quot;

Doch de troostende woorden der kamenier misten hun doel. Het bedroefde kind bleef ter nedergeslagen, en bij tusschenpoozen viel uit hare oogen een heldere parel op het borduurwerk, — tot groot leedwezen van de getrouwe kamenier.

Nu nam Oda haren toevlucht tot een middel, hetwelk zij bij ondervinding wist, dat vreugde bracht en verzachting in de droefheid.

„Gij hebt gelijk, edele meesteres, — heer Siegfried zou niet toeven , om u een blijde tijding te brengen; want hij bemint en vereert u boven mate. Om uwentwil spijt hem do stijfhoofdigheid des konings voel meer, dan u zelve , — daarvan ben ik overtuigd. Hij waagt het niet, te komen en u te bedroeven. Welk een edelmoedig man ! Zijns gelijke heb ik niet leeren kennen ; — ja zijns gelijke is op aarde niet. Denk eens, wat hij voor u gedaan heeft! Verscheidene keeren stelde hij zijn leven voor u in de waagschaal. Zonder zijn sterke hand en zijne onversaagdheid zou mijne meesteres het vreeselijkste ongeluk getroffen hebben.

-ocr page 700-

94

liet lijdt geen twijfel , dat heer Siegfried een kleinood van een man , een held van een ridder is.quot;

„Ik vind hem veel beter, dan gij hem schildert,quot; hernam Godila. „Mijne woorden zijn niet bij machte, zijn edele handelingen naar waarde te schetsen. Mijne verlatenheid is hij een sterk schild , mijn ongeluk een zoeten troost, mijne gedachten helder licht, mijn go-voel oen wellust.quot;

„Van zijn schoonc gestalte wil ik niet eens spreken, — zulk een statig heer heb ik nimmer gezien ging de kamenier ijverig voort, toen zij den aangenamen indruk van het onderwerp op Godila's gemoed bemerkte. „Maar zijne bescheidenheid , z[jn kinderlijke ernst doen mij telkens verbaasd staan. Toen wij hem onlangs op Landeck bezochten, waagde hij liet nauwelijks ons aan te zien. Hij geleek op een bluoden, lieven knaap, en toch is hij zulk een sterk ridder , dapper en moodig, als een leeuw. Hoe merkwaardig 1quot;

„Hebt gij ook zijne verlegenheid opgemerkt ?quot; vroeg zij levendig, „^jjne houding gaf mij moed, toen ik hem verlogen en bloode zag. quot;Wat zou wel de raden van die verlegenheid geweest zijn ?quot;

„Raadt gij dit niet , edele meesteres ?quot; vroeg de kamenier sluw.

„Wat denkt gij? Ik kan hot mij niet verbeelden,quot; antwoordde Godila , zonder van haar werk op te zien.

„En ik kan het mij zoo gemakkelijk verbeelden, — het is toch zoo duidelijk! Hij draagt zijn hart en zijne gedachten op zijn wezen, dat is, als een open bock voor iedereen , die lozen kan.quot;

„Ik versta weinig of niets van dat schrift, goede Oda ! — Xu — wat laast gij ? Zeg het mij eens.quot;

„Oprechte liefde en vereering voor u, — r.ocm mij een zottin , als het zoo niet is.quot;

-ocr page 701-

95

Het vorstenkind bloosde cn boog haar beschaamd gelaat dieper op haar werk.

„Gij zoudt u kunnen vergissen,quot; zeide zij nauwelijks hoorbaar.

, Vergissen , — ik ? Dan had ik sinds vijftig jaar blind en doof geweest moeren zijn hernam zelfbewust de oude. „Wie mot goede oogen zoo vele jaren onder de mensehen verkeerd heeft , verstaat iets van hunne manier van doen. Heb ik u ook niet het karakter van den boos-aardigen koning haarklein en naar waarheid verklaard?quot;

„Zwijg van dien man, — het past bij ons onderwerp , als een stikdonkere nacht bij het schitterendst licht jquot; zeide Godila.

„Mij vergissen in een zoo handtastelijke zaak ? Stellig niet! Nu, — wie weet, wat nog gebeuren kan ! Als de knappe Siegfried , maar niet zoo bloode en verlegen was , — ten minste tegenover u !quot;

„Hoe meent gij dat ?quot;

„Ik spreek ronduit, genadige meesteres! De burchtvoogd van Landeck woont al te eenzaam daar boven. Hij zal derhalve een lieve wederhelft kiezen. Dit brengt 's werelds loop zoo mede. Wio nu zal de edele ridder kiezen? Deze vraag beantwoordt zich zelf: — natuurlijk diegene , die hij innig bemint en vereert. Daar hij echter tegenover deze maagd beschaamd en verlegen is , ontbreekt hem de moed, om datgene te begeeren , wat zijn hart wenscht. Daarom kunnen weken , maanden , misschien jaren verloopen , eer Siegfried do vrijheid neemt om een huwelijksaanzoek te doen. Zulk eene blooheid in een goede zaak is het eenig gebrek van don heer ; want in eer en deugd een brave wederhelft te zoeken, behoort toch stellig tot de boste zaken. Ware ik in uwe plaats, genadigsto meesteres, dan zou ik hem eenigszins behulpzaam zijn.quot;

-ocr page 702-

96

„Hoe zou ik dat kunnen ?quot;

„Laat het hom merken, dat hij u juist niet onverschillig is, — dat wil zeggen , als gij dien juweel van een ridder acht.quot;

Godila's hand beefde bij het werk.

„Hoe zou mij de redder en beschermer onverschillig kunnen zijn ?quot; zeide zij zacht.

„Welnu/' zeide de kamenier. „Wel is waar moet men niet trouwen uit louter dankbaarheid , — de edelmoedigheid van Siegfried zou zulks ook niet verlangen , daarvoor is hij veel te edel. Kunt gij hem echter liefhebben , zooals hij het verdient, -— dat zou de ware reden zijn , want teedere genegenheid des harten maakt den grondslag uit van het geluk des huwelijks. Als de liefde ontbreekt, dan wordt het huwelijk een ondraaglijk juk.quot;

„Gij zult mij toch niet voor een ongevoelige houden , goede Oda , die de hooge waarde van Siegfried niet weet te waarderen. Of ik hem liefheb ? Meer dan mijn eigen leven.quot;

„Laat het hem dan toch merken, edele meesteres!quot;

„Hoe kan dit plaats hebben zonder de maagdelijke zedigheid te kwetsen ? En bovendien, — waar heb ik bewijzen van zijne wederliefde ? quot;Wat hij voor mij arme deed, zou hij uit medelijden en niet uit liefde gedaan kunnen hebben. Hij zou het ook gedaan kunnen hebben met het doel om zijne ridderplichten te volbrengen.quot;

„Dat is waar 1 Toch zweer ik er tien eeden op , dat hij even goed uit liefde, als uit pliehtsbetrach)ing handelde. Geloof mij , edele gebiedster en twijfel niet! Wie zestig jaar oud is en derhalve vijftig jaar lang denkt en do menschen waarneemt, die weet van zulke zaken mee te praten. — — Hoe denkt gij er over ?

-ocr page 703-

97

Dewijl Siegfried den moed niet heeft tot ons te komen, laten wij tot hom gaan, om de uitspraak des konings to vernemen.quot;

„Ik stem toe in uwen raad,quot; antwoordde Godila. „Laten wij zonder^ toeven gaan. Hot zuivere huis van den heer van Landeck betree! ik met denzelfden moed, als hot huis Gods. — Mijn kleed met de pelzenmuts !quot;

Terwijl Godila zich gereed maakte om naar den burcht Landeck op te gaan , was Siegfried sinds lang gereed om naar St. Magdalena af te dalen. „Met over elkander geslagen armen stond hij voor den haard en keek peinzend in de vlammen. Op de tafel lag zijn bovenkleed, met kostbaar pelswerk geboord, daarnaast zijn hoed , sinds een uur wachtend op den tocht naar het vrouwenklooster.

„Mijne boodschap zal haar krenken en ter neder-slaan,quot; zeide hij bij zich zeiven. „Ofschoon ik als 't ware in hare nabijheid getrokken wordt, waar onschuld en bevalligheid zich bevinden , — waar ik bijna zinneloos word in de geurende omgeving harer schit-terende schoonheid , — toch is hot mij bijna onmogelijk de bittere smart door mijne Jobstijding over den glans harer aanvalligheid uit te storten. — — — De kluizenaar heeft inderdaad gelijk: „Te dingen naar do hand eener godsdienstige echtgenoot behoort in zekeren zin tot de plichten van den man.quot; En nu bood zich een geschikte gelegenheid aan , om dien plicht te volbrengen en datgene te doen , wat mijn hart met duizend stemmen vordert. — Waarom draal ik ? Leeft er in het uitgestrekte Rijk een man, die de deugden en verheven hoedanigheden van Godila beter acht dan ik ? Stellig niet! Waut met heldere blikken zie ik haar verheerlijkt wezen , de verhevenheid harer vrouwendeugd. Bemint iemand haar meer , dan ik ? Dat CAN. D. iii. 7

-ocr page 704-

98

is niet mogelijk; want naast God is er niets op aarde, wat ik mot al de krachten van mijn geest zoo innig genegen ben , als haar. — — Bijgevolg zou ik recht hebben haar ten huwelijk te vragen. Vrij van eigenbaat , onbevlekt van lage hartstochten, heeft mijne vereering en mijne liefde haren oorsprong in de overtuiging van den adel barer ziel. V\ aarom aarzel ik dan ? Omdat ik een afwijzend antwoord vrees ? — — Zou dit een onrecht zijn, mij aangedaan? Is een! Weigert zij mij hart en hand, dan zal ik , als een man , die grievende smart verdragen. Ik zal dan oprecht aan mij zeiven bekennen, dat ik barer onwaardig ben. — Ik wil bet dus wagen ! quot;Wat mij onophoudelijk bezig houdt, geschiede beden, — bet geschiede als de oplossing eener goede daad, als een belofte. En opdat geen uitvluchten mijn besluit verhinderen , wil ik mij voor mij zeiven verbinden, de onmannelijke vrees af te leggen , — en te dingen naar de band van UJo's edele dochter.quot;

Nauwelijks bad hij dit plan gemaakt, of de deur ging open en Godila kwam met hare kamenier binnen. Het fijne gelaat der vorstelijke maagd, door de snerpende winterkoude hoogrood gekleurd, kwam uit do pelzenmuts bevallig te voorschijn, en hare heldere oogen begroetten vroolijk den burebtvoogd.

„God zegene u , heer Siegfried. Verschoon mijn ongeduld, dat niet langer op uwe boodschap kon wachten. Wat tijding brengt gij uit Spiers? Wat zegt de koning ?

„Hartelijk welkom, edele vorstin!quot; zeide hij , en haastte zich , de sierlijke gestalte van haar pelzen gewaad to ontdoen. „Sedert een uur en nog langer , ben ik met mij zeiven in strijd om u een tijding te brengen, die niet geheel naar wenscb luidt.quot;

-ocr page 705-

99

„Wees de koning het verzoek van de hand ?quot; vroeg zij vol angst.

„Dat juist niet! Half stond hij het toe, half wees hij het af,quot; antwoordde Siegfried. „Hij wil later den markgraaf volledige vrijheid schenken , als de terugkeer van een zoo ondernemend man naar Saksen voor hem niet meer aan bedenking onderhevig is. Onverwijld beval hij Dedi; den vorst alle gemakken en eerbewij-zingen van een ridderlijke gevangenschap in den uitge-breidsten zin toe te staan. Bijgevolg kunnen wij gerust do volkomen vrijheid van uwen vader afwachten.quot;

Zij zat buitengewoon treurig en ter nedergeslagen te kijken.

„Konde ik uw gevoelen doelen !quot; zeide zij en hare oogen schoten vol tranen. „Maar ik vrees , dat de koning mijn vader nimmer de vrijheid zal terugschenken , — hij zal hem in gevangenschap laten sterven.quot;

„Verschoon mij, gij komt den Saliër te na! Het ongeluk heeft hem geleerd en tot beterschap gebracht. Denzelfden man , dien hij tot ;ibt van Klingen verhief, den burchtkapelaan Lantbert, ontzette hij van zijn ambt. Hendrik deed nog meer, hij deed iets wat men niet had kunnen verwachten : — de betrekking van burcht-kapelaan op den Trifels, als ook de pastorie van Ann-weiler droeg hij aan de vrome monniken in Klingen op. Naar het mij voorkomt, treffende bewijzen van prijzenswaardige gemoedsverandering.quot;

„Verrassend inderdaad!quot; zeide zij verheugd. „Deze Lantbert was een verscheurende wolf, geen waardig zielzorger. God zij geloofd , dat deze man, die zooveel ergernis gegeven heeft, ontzet is !quot;

„Tot nog grootscher daden maakt zich de koning gereedberichtte Siegfried verder. „Onverwijld rijdt hij naar Rome, om den H. Vader rouwmoedig zijne

-ocr page 706-

100

misslagen te belijden, boete aan te bieden en vrijspraak van don ban af te smeeken.quot;

Zij zat eenige seconden peinzend.

„Keist de koning naar Rome? — Hoe kostelijk zou deze omstandigheid kunnen aangewend worden voor do vrijheid mijns- vaders !quot;

„Hoe bedoelt gij dat, edele meesteres ?quot; vroeg hij , toon zij aarzelend ophield.

„Slechts een gedachte , heer Siegfried , — een schoone gedachte , welker uitvoering mij zeiven onmogelijk toeschijnt. Ik bedoel zoo: — Hendrik reist naar Rome , om vergiftenis af te smeeken voor onbeschrijfelijk onrecht en schrikkelijke misdaden. Zou de H. Vader een man van don ban ontslaan, weder in de gemeenschap dor Kerk kunnen opnemen, wiens berouw gehuicheld is, omdat hij voortgaat onrecht te doen? Voortdurend den onschuldigen markgraaf üdo van Saksen in gevangenschap houdt? Voortdurend aan hem zijn eed breekt? ) Neen, — stellig niet! Want slechts de rouwmoedige zondaar ontvangt -vergiffenis, niet do onboetvaardige huichelaar. Trad er maar een voorspreker voor mijn vader bij den Paus op, die hem zijne zaak blootlegt : — de koning zou gedwongen worden, zijne gramschap af te leggen en mijn vader de vrijheid te geven.quot;

„Bij God, eon heerlijk plan!quot; riep de burchtvoogd uit. „Mocht dit gelukken! Het moot gelukken! Om u een bewijs mijner onbeperkte vereering te geven, reis ik naar Rome, als voorspreker voor uw vader.quot;

Ten hoogste verbaasd keek zij den edelmoedigen man sprakeloos aan. Zij hief de gevouwen handen op tot aan de kin; boog het hoofd en beproefde een overweldigende beweging te onderdrukken.

') Canossa I D,, bl. 3.

-ocr page 707-

101

„Wat scheelt U, edele meesteres?quot; vroeg hij bezorgd.

„Het is te veel!quot; antwoordde zij , zonder van houding te veranderen. „Buitendien reeds uwe schulde-nares, kan ik dit onderpand van oen grenzenlooze edelmoedigheid niet aannemen.quot;

„Dan krenkt gij mij, Godila !quot;

„Ik zou slechts ouder eene voorwaarde kunnen toe-* stemmen,quot; zeide zij zacht.

„In de voorwaarde stem ik toe, voor dat ik ze go- ' hoord heb antwoordde hij.

„Mijne voorwaarde is ,quot; ging zij voort, zonder hem aan te zien , „dat gij mij de mogelijkheid toont, u to kunnen danken, — niet mot woorden, maar met daden. Want gij hebt mij reeds zoo zeer aan u verplicht , dat mijn geheel bestaan nauwelijks toereikend is om u te beloonen.quot;

„Edele Godila,quot; sprak hij met inspanning van al zijne krachten, „bevestigt uw hart, uwo genegenheid dit aanbod ?quot;

„ Ja , — mijn hart en al, wat God aan eene maagd veroorlooft te schenken, behoort aan U,quot; bekende zij met een blik van de teederste genegenheid. /

De jonge man stond op , scheen plechtig ernstig en viel voor haar op een knie neder.

„Wat ik niet durfde wenschen ,quot; zeide hij , „daartoe word ik onwaardige aangemoedigd door uwe goedheid. En zoo verzoek ik voor den alomtegenwoordigen God volgens don vorm en het voorschrift der ridderschap om uw hart en uwe hand. De Alwetende en zijne heiligen zijn mijne getuigen , dat ik voor den geheelen tijd mijner aardschc ballingschap u een getrouwe en liefhebbende echtgenoot wil zijn.quot;

Godila's gelaat glansde van vreugde.

-ocr page 708-

102

„Gij schenkt mij veel moer, clan gij ontvangtzeidc zij. „Voor den eersten keer beklaag ik mijne armoede, omdat zij mij onbekwaam maakt , u oenigszins te vergelden. Wat ik echter ben , behoort geheel en al aan li.quot;

Zij reikte hem de hand en beurde hem op. Volgons het gebruik dier tijden kusten de verloofden elkander op den mond.

Do kamenier had met verbazing den afloop waargenomen en met klimmende aandoening, totdat tranen van blijdschap over de gerimpelde wangen biggelden.

„Ach , — ach — hoe aandoenlijk !quot; mompelde zij. „God zij duizendmaal geloofd, — welk oen paar! Welke vreugde, — welk geluk ! Mijn hart springt op van vrengde, — ach hoe lief!quot;

„O Godila, mijn innig geliefde bruid, — nu bon ik de gelukkigste aller menschenzeide uitgelaten de jonge man.

„Gij vergist u, allerliefste Siegfried , — ik kon een nog gelukkiger , en deze ben ikantwoordde zij glimlachend. „Was toch mijn vader hier, om in onza vreugde to doelen en ons verbond te zegenen. Keis naar Rome , mijn geliefde, en na uwe terugkomst zal ons het heilig Sacrament voreenigen. Tot zoo lang zal ik in do strengste afzondering leven bij de vromo kloosterzusters , steeds vurig verlangend naar u, wien ik naast God, geheel toebehoor.quot;

„Ik wenschte in uwen dienst tot aan het einde der wereld te reizen, — toch beklaag ik den langen weg naar Eome, omdat hij mij scheidt van mijne Godiia ,quot; zeide Siegfried. „Maanden verloopen er nog tusschon deze gelukkigste oogenblikken mijns levens en dat tijdstip , waarop mij het recht geschonken wordt, u mijne getrouwe echtgenoot te noemen.quot;

-ocr page 709-

103

„Verlangt gij de voltrokking van ons huwelijk voor uw vertrek, lieve Siegfried?quot; vroeg zij welmeenond.

„Neen, Godila, neen! Kommer en angst om don gevangen vader moeten hunne schaduwen niet werpen op onze verbintenis. quot;Wij stellen het feest van ons geluk uit, totdat vader Udo vrij geworden is.quot;

„Hoe lang kan de reis doren?quot; vroeg zij.

„Tegen de lente kom ik weder, allerliefste bruid!quot;

„Een lange tijd! Is de reis gevaarlijk?quot;

„O neen, — zijt daarover niet bezorgd! Maar,quot; ging hij voort door zorg overvallen, „het verblijf mijner Godila in het weerloos vrouwenklooster zou gevaarlijk kunnen zijn gedurende mijne afwezigheid.quot;

„Wie zou mij bedreigen ?quot;

Hij dacht aan de waarschuwing van Wolfcrat.

„Zouden die goddelooze roovers niet kunnen terugkeer en?quot; antwoordde Siegfried ongerust. „Zouden zij het schelmstuk niet kunnen herhalen? Kan ik mijn leven, mijn tienvoudig leven in u, achterlaten in oen twijfelachtigen toestand? Neen!quot; riep hij door onrust gedreven en door het vertrek gaande., „Ik ga niet van hier, alvorens mijne bruid onbereikbaar is voor de hand van eiken misdadiger, — ongenaakbaar voor elk gevaar. — Hoe moet ik dat aanloggen ?quot;

Zij keek gelukkig naar den jongen man op, wiens getrouwe liefde in levendige zorg op hare veiligheid bedacht was.

„Zoo gaat hot!'' riep hij uit, naar de vensterbank terugkeerend. „Wilt gij in mijne afwezigheid een geringe beperking uwer vrijheid verdragen, mijne Godila ?quot;

„Elke beperking, die gij noodig oordeelt,quot; antwoordde zij.

„Blijf dan in dezen sterken burcht tot mijne terugkomst , smeekte hij. Wees burchtvoogdes van Landeck.

-ocr page 710-

100

misslagen to bolijdcn, boete aan te bieden en vrijspraak van den ban af te smeeken.quot;

Zij zat eenige seconden peinzend.

„Reist de koning naar Rome? — Hoe kostelijk zou deze omstandigheid kunnen aangewend worden voor de vrijheid mijns vaders !quot;

„Hoe bedoelt gij dat, edele meesteres?quot; vroeg hij, toen zij aarzelend ophield.

„Slechts een gedachte , hoer Siegfried , — een schoone gedachte , welker uitvoering mij zeiven onmogelijk toeschijnt. Ik bedoel zoo: — Hendrik reist naar Rome , om vergiffenis af te smeeken voor onbeschrijfelijk onrecht en schrikkelijke misdaden. Zou de H. Vader een man van den ban ontslaan, weder in de gemeenschap der Kerk kunnen opnemen, wiens berouw gehuicheld is , omdat hij voortgaat onrecht te doen ? Voortdurend den onschuldigen markgraaf üdo van Saksen in gevangenschap houdt ? Voortdurend aan hem zijn eed breekt ? ') Neen, — stellig niet! Want slechts de rouwmoedige zondaar ontvangt vergiffenis, niet de onboetvaardige huichelaar. Trad er maar een voorspreker voor mijn vader bij den Paus op, die hom zijne zaak blootlegt: — de koning zou gedwongen worden, zijne gramschap af te leggen en mijn vader de vrijheid te geven.quot;

„Bij God, een heerlijk plan!quot; riep de burchtvoogd uit. „Mocht dit gelukken! Het moet gelukken! Om u een bewijs mijner onbeperkte vereering te geven . reis ik naar Rome, als voorspreker voor uw vader.quot;

Ten hoogste verbaasd keek zij den edelmoediger, man sprakeloos aan. Zij hief de gevouwen handen op tot aan de kin; boog het hoofd en beproefde een overweldigende beweging te onderdrukken.

') Canossa I D., bl. 3.

-ocr page 711-

101

„Wat scheelt U, edele meesteres?quot; vroeg hij bezorgd.

„Het is te veel!quot; antwoordde zij, zonder van houding te veranderen. „Buitendien reeds uwe schulde-nares, kan ik dit onderpai:d van een grenzenlooze edelmoedigheid niet aannemen.''

„Dan krenkt gij mij, Godila!quot;

„Ik zou slechts onder eene voorwaarde kunnen toe-* stemmen,quot; zeido zij zacht.

„In de voorwaarde stom ik toe, voor dat ik ze gehoord heb ,quot; antwoordde hij.

„Mijne voorwaarde is ,quot; ging zij voort, zonder hem aan te zien, „dat gij mij de mogelijkheid toont, u tc kunnen danken , — niet met woorden , maar met daden. Want gij hebt mij reeds zoo zeer aan u vor-plicht, dat mijn geheel bestaan nauwelijks toereikend is om u te boloonon.quot;

„Edele Godilasprak hij met inspanning van al zijno krachten, „bevestigt uw hart, uwe genegenheid dit aanbod ?quot;

r Ja , — mijn hart en al, wat God aan eene maagd veroorlooft te schenken, behoort aan Ubekende zij met een blik van dc teederste genegenheid.

De jonge man stond op , scheen plechtig ernstig en viel voor haar op een knie neder.

„Wat ik niet durfde wenschen ,quot; zeido hij , „daartoe word ik onwaardige aangemoedigd door uwe goedheid. En zoo verzoek ik voor den alomtegenwoordigen God volgens den vorm en het voorschrift der ridderschap om uw hart en uwe hand. De Alwetende en zijno heiligen zijn mijne getuigen , dat ik voor den gehcelen tijd mijner aardsche ballingschap u een getrouwe en liefhebbende echtgenoot wil zijn.quot;

Godila's gelaat glansde van vreugde.

-ocr page 712-

102

„Gij schenkt mij veel meer, clan gij ontvangtzeide zij. „Voor den eersten keer beklaag ik mijne armoede, omdat zij mij onbekwaam maakt , u cenigszins te vergelden. Wat ik echter ben, behoort geheel en al aan ü.quot;

Zij reikte hem de hand en beurde hom op. Volgens het gebruik dier tijden kusten de verloofden elkander op den mond.

De kamenier had met verbazing den afloop waargenomen en met klimmende aandoening, totdat tranen van blijdschap over de gerimpelde wangen biggelden.

„Ach , — ach — hoe aandoenlijk !quot; mompelde zij. „God zij duizendmaal geloofd , — welk een paar! Welke vreugde, — welk geluk! Mijn hart springt op van vreugde, — ach hoe lief!quot;

„O Godila, mijn innig geliefde bruid, — nu ben ik de gelukkigste aller menschen,quot; zeide uitgelaten de jonge man.

„Gij vergist u, allerliefste Siegfried , — ik kon een nog gelukkiger , en deze ben ikantwoordde zij glimlachend. „Was toch mijn vader hier, om in onze vreugde te doelen en ons verbond te zegenen. Keis naar Rome , mijn geliefde, en na uwe terugkomst zal ons hot heilig Sacrament vereenigen. Tot zoo lang zal ik in de strengste afzondering leven bij de vrome kloosterzusters , steeds vurig verlangend naar u, wien ik naast God, geheel toebehoor.quot;

„Ik wonsebte in uwen dienst tot aan het einde der wereld te reizen, — toch beklaag ik den langen weg naar Rome, omdat hij mij scheidt van mijne Godila,quot; zeide Siegfried. „Maanden verloopen er nog tusschen deze gelukkigste oogenblikken mijns levens en dat tijdstip , waarop mij het recht geschonken wordt, u mijne getrouwe echtgenoot te noemen.quot;

-ocr page 713-

103

„Verlangt gij de voltrekking van ons huwelijk voor uw vertrek, lieve Siegfried?quot; vroeg zij welmeenend.

„Neen, Godila, neen! Kommer en angst om den gevangen vader moeten hunne schaduwen niet werpen op onze verbintenis. Wij stellen het feest van ons geluk uit, totdat vader üdo vrij geworden is.quot;

„Hoe lang kan de reis duren?quot; vroeg zij.

,Tegen de lente kom ik weder, allerliefste bruid!quot;

„Een lange tijd! Is de reis gevaarlijk?quot;

„O neen, — zijt daarover niet bezorgd! Maar,quot; ging hij voort door zorg overvallen, „hot verblijf mijner Godila in het weerloos vrouwenklooster zou gevaarlijk kunnen zijn gedurende mijne afwezigheid.quot;

„Wie zou mij bedreigen ?quot;

Hij dacht aan do waarschuwing van Wolferat.

„Zouden die goddelooze roovers niet kunnen terug-keeren?quot; antwoordde Siegfried ongerust. „Zouden zij het schelmstuk niet kunnen herhalen? Kan ik mijn leven, mijn tienvoudig leven in u, achterlaten in een twijfelachtigen toestand? Neen!quot; riep hij door onrust gedreven en door het vertrek gaande., „Ik ga niet van hier, alvorens mijne bruid onbereikbaar is voor do hand van eiken misdadiger, — ongenaakbaar voor elk gevaar. — Hoe moet ik dat aanleggen ?quot;

Zij keek gelukkig naar den jongen man op, wiens getrouwe liefde in levendige zorg op hare veiligheid bedacht was.

„Zoo gaat het!quot; riep hij uit, naar de vensterbank terugkeerend. „Wilt gij in mijne afwezigheid een geringe beperking uwer vrijheid verdragen, mijne Godila?quot;

„Elke beperking, die gij noodig oordeelt,quot; antwoordde zij.

„Blijf dan in dezen sterken burcht tot mijne terugkomst , smeekte hij. Wees burchtvoogdes van Landeck.

-ocr page 714-

104

Hetzelfde oogenblik, waarop ik van hier naar Rome vertrok, ziet u hier binnenkomen. Onoverwinnelijk is deze burcht, weinig dappere mannen kunnen hora togen een goheel leger verdedigen. Bewijs mij verder do gunst, lieve Godila, gedurende mijne afwezigheid geen uitstapje to ondernemen, opdat gij niet in do handen van loerende roovers vallet. Wandel slechts op het plein voor de torons van dit huis. Bezoek de kloosterkerk slochts onder geleide van uwe dienstmannon. — Wilt gij u aan deze beperkingen onderwerpen?quot;

„Zonder twijfel, mijn Siegfried! Bovendien past do strengste afzondering aan do bruid.quot;

„Heden nog wil ik den eerwaarden abt kennis geven van mijn reis naar Rome?quot; ging hij voort. „Vervolgons zal ik do kelders van levensmiddelen laten voorzien, alsof gij eon langdurig beleg moet uitstaan. Spot niet met mijn angstvalligheid, geliefde bruid! Het is toch goheel natuurlijk, zijn dierbaarst kleinood op au.rdc tegen alle mogelijke toevallen te beschermen.quot;

„En voor uwe bescherming op de lange reis kan ik volstrekt niets doen, dan zonder ophouden God bidden,quot; antwoordde zij.

„Doe dat, Godila! Do hemel verhoort allen, die zuiver van harte zijn.quot;

Zij ondervroeg naar de wegen, die naar Waadland leiden, naar mogelijke en onmogelijke gevaren, naar alle bijzonderheden der reis mot zulk eon angstvalligheid , dat hij mot vreugde deze kenteekenen harer liefde bemerkte.

Eindelijk nam zij afscheid en koorde naar St. Mag-dalepa terug, dool- Siegfried vergezeld tot aan de kloosterpoort.

Niet zonder vrees, dat de abt iets op zijn reis zou tegen hebben, bezocht de voogd tegen den avond den

-ocr page 715-

105

prelaat, om uitvoerig de noodzakelijkheid en den zekeren goeden uitslag van zijn voorgenomen bemoeiingen bloot te loggen.

„Bij den tegemvoordigen stand van zaken,quot; eindigde hij, „dreigt de abdij van geen kant gevaar. Ten overvloede zal ik Landeck met een dappere schaar bezetten.quot;

„Uwe deelneming voor den ongelukkigen markgraaf overschrijdt werkelijk de strenge verplichting van geboden naastenliefde, heer voogd!quot; zeide de abt prijzend. „Gevangenen te verlossen, is een werk van christelijke barmhartigheid, waar ik natuurlijk niets tegen heb. — De dochter van den markgraaf zal op Landeck wonen, zegt gij?quot;

„Ja, eerwaarde vader, — mijne bruid!quot;

„Uwe bruid?quot; vroeg de grijsaard verrast.

„Wij hebben ons heden verloofd.quot;

„Ei — zie, welk een onverwachte blijde boodschap !quot; riep de prelaat lachend uit'. „Ik wensch u geluk en Gods zegen van ganscher harte. Een goede keus , mijn zoon ! Deze vorstelijke maagd is een parel van haar geslacht, haar wandel is aangenaam voor den Heer. En de voltrekking van het huwelijk ?quot;

„Zal plaats hebben na mijn terugkomst , opdat vader Udo ons geluk kan doelen.quot;

„Schoono teergevoeligheid ! Ik zal zelf uw huwelijk inzegenen en Gods rijksten zegen over uw verbond af-smeeken,quot; zeide de grijsaard. „Dat wil zeggen ,quot; voegde hij er bij, „als de Heer mijne dagen zoo lang zal rekken. — — En nu, mijn zoon, is het de tijd, om u een geheim te onthullen,quot; begon quot;VViderad na een korte pauze. „Wapen u op een verrassing. — Hebt gij er nooit over gedacht, wiens kind gij zijt? Wie uwe ouders geweest zijn ?quot;

„Deze vragen zijn ongetwijfeld bij mij opgekomen

-ocr page 716-

106

antwoordde Siegfried. „Mijn geestelijke moeder ken ik) — het vrome sticht Clugny. Ook weet ik, dat ik uit Duitschland afkomstig ben en als wees naar Clugny gebracht werd.quot;

„Zoo is't, mijn zoon! Gij zijt geboortig uit Duitschland en wel uit deze streek. Hier verbleeft gij in uw prilste jeugd. De kleine Siegfried keek vaak uit Landecks vensterramen op het aanliggende landschap.quot;

Ach , — nu begrijp ik het, — nu is 't mij duidelijk , waarom deze streek mij toelachte, als een geliefd ouderlijk huis, als had ik eenmaal hier geleefd ! Wie zijn mijn lieve ouders geweest, eerwaarde vader ?quot; vroeg hij in gespannen verwachting.

„Uw vader was graaf Markwart, broeder van graaf Wazo.quot;

„Mijn God, is het mogelijk ?quot; riep de jonge man uit, niet aangenaam verrast over de nauwe verwantschap met dien ruwen en boosaardigen gouwkoning.

„Een braaf man is uw vader zaliger geweest, juist het tegendeel van zijn goddeloozen broeder Wazo ging Widcrad voort. „Wijl gij sedert twintig jaar een onderdrukte, in uwe rechten gekrenkte wees zijt, is het noodzakelijk , u alles bloot te leggen, — zelfs het smartelijkste en verschrikkelijkste. Vat daarom moed en luister met *de dapperheid van een christelijk ridder naar mijne mededeeling.quot;

Hij verhaalde in bijzonderheden den dood van Mark-wart en zeide wie zijn vermoedelijke moordenaar was , ook deelde hij het plotseling afsterven van Siegfrieds moeder mede, als ook den hacheljjken toestand van liet kind en deszelfs veilige schuilplaats in het afgelegen Clugny.

De jonge man word door een hevige gemoedsbeweging overvallen , nauwelijks vermocht hij , zijne aandoening

-ocr page 717-

107

te onderdrukken cn do woordon van den abt te volgen.

„Wijl gij nu,quot; ging de prelaat voort, met den koning bij den beschermheer dor zwakken, weezen cn verdrukten komt, bij den heiligen vader Gregorius, biedt zich de schoonste gelegenheid aan , om uwe reeh-

ten op het graafschap te doen gelden. Hoogst waar-*

schijnlijk vindt gij aan het; pauselijk hof den grootprior Hyginus of den abt Hugo van Clugny, in wier bezit de oorkonden zijn, van welke ik u sprak. Hierop , alsook op het getuigenis van die mannen steunende , — vordert gij uw recht uw vaderlijk erfgoed terug, dat u door een groote misdaad is ontnomen.quot;

„Dat wil ik , bij God \quot; riep de jonge man getroffen uit. „Foei Wazo , — vloek over den brocdermoordcr

„Mijn zoon, bedaar!quot; smeekte do grijsaard. „Geen haat! Toon u een waardig kweekeling onzer heilige orde, — vergeef den vijand, omdat God zulks wil. Drukt al niet de straffende hand des Hoeren in 't oog-loopend op Wazo? Is er een vreeselijker straf des hemels denkbaar dan de verblindheid des geestes ? Verstokt in zijne boosheid, valt Wazo van de eene misdaad in de andere, totdat hem do eeuwige afgrond verzwelgt. Wees derhalve niet op wraak bedacht, maar bedenk, wat de Heer zegt: „Mij is do wraak, ik zal vergelden te zijner tijd.quot;

De zoon van den vermoorden graaf Markwart stond ter nedergeslagen en vreeselijk rolden zijn oogen.

„Siegfried, —• Siegfried!quot; bad de grijsaard in warme woorden, tevens de hand nemend van den getroffen jongeling. „Siegfried, mijn innig geliefde zoon, — hoort gij mij? Verstaat gij mijne woorden?quot;

„ [k hoor u, mijn vader ! Den brocdermoordcr vergeven, — is dat mogelijk? Den vadermoorder vergiffenis schenken, — is dat geoorloofd?''

-ocr page 718-

108

„Siegfried,quot; smeekte Widerad, ..laat toch niet do duisternis van den afgrond de helderheid van uwen geest verduisteren ! Gij zijt toch de rechter niet over den misdadiger Wazo, — God is het, die ons gebiedt, de vijanden te vergeven.quot;

„Den moordenaar mijns vaders te vergeven? O hoe hard, hoe bovenmenscholijk!quot; riep de jeugdige held uit, wiens sterke ledematen zich kromden onder de kracht eener vrecselijke inwendige beproeving.

Widerads stem werd al smoekender en smeekondor, en als een geest des lichts stond hij den wankelende ter zijde in don zwaren strijd.

„Gij hebt gelijk, — bovonraenschelijkzeide hij. „Den vijand vergeven is goddelijk. Maar God, die ons gebiedt onze vijanden te beminnen, verleent ook de genade tot deze waarlijk goddelijke daad. Ik bezwoer u, mijn geliefde zoon, vertrap de slang van den haat in de geboorte, opdat zij niet opwasse, groot worde, tot bloedige daden verleide en uw zuiver wezen be-vlekke. Zijt gij niet de verloofde eener onschrldigo maagd ? Scheidt gij u niet van Godila door een booze neiging , — wordt gij daardoor harer niet onwaardig ?quot;

„Ach , — dit was een woord van pas! Ik dank u, vader, — ik dank u ! De verleidende stem der hol verstomt, — ik dank u eerwaarde vader! Mijn verduisterd oog wordt helder , — ik zie de diepte van don afgrond en treed terug.quot;

„Geloofd zij de Heer!quot; zeide do abt verheugd. „Niet waar, gij blijft bij uw goed voornemen?quot;

„Voor God verzaak ik aan elk gevoel tot wraak aan den moordenaar mijns vaders, — dat de Almachtige hem oordeele!quot; antwoordde Siegfried vastberaden. „Maar mijn erfgoed zal de booswicht teruggeven; want aan zijn onrecht kan ik mijne goedkeuring niet schenken.quot;

-ocr page 719-

109

„Dat moet hij, mijn zoon! Voor uw \crtrek zal ik u nog conige raadgevingen en ocn^schrijven aan den heiligen Yader geven. God zij met u en zijne genade zij een sterke toren tegen alle aanvallen van den boezen vijand.quot;

De voogd ging naar don burcht op, waar een menigte bezigheden hem wachtte.

Onder andere omstandigheden zou zelfs de kweeke-ling van Clugny niet zoo gemakkelijk de indrukken overwonnen hebben, welke de tijding van den vadermoord op zijn gemoed moest te weeg brengen. Waarschijnlijk ware de grootste inspanning noodig geweest om de vlammen der wraak te blusschen en den Christen te laten zegevieren over den hartstochtelijken zoon van die ruwe tijden. Nu begonnen voor don voogd dagen van groote onafgebroken werkzaamheid, die zijnen geest verstrooide en met duizenderlei zaken bezig hield. Torens en ringmuren, wapenkamers en vuurwapenen werden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Weldra klommen muilezels met gerookt vleesch, gedroogde vruchten, meel, groenten, specerijen eu andere zaken beladen, van de voorraadschuren der abdij naar den burcht op , en langzamerhand werden de kelders gevuld. Hot had den schijn, alsof Landeck een belegering wachtte.

Uit de dienstmannen van het sticht koos Siegfried vijf en twintig sterke en moedige mannen , in den wapenhandel geoefend en trouw in den dienst van hun meester. Deze vijf en twintig maakten de bezetting uit onder Bero, den zoon van Gundelkarl, op wiens wijsheid en dapperheid dc burchtvoogd zijn volle vertrouwen stelde.

Bijna dagelijks verscheen Godila voor korten tijd op Landeck, en als zij kwam, maakte hare tegenwoordig-

-ocr page 720-

110

hcid op Siegfried den indruk , als waren alle vertrekken van den burcht verlicht en werden de barre dreven in een liefelijke lente herschapen. Tot zijne verbazing verried de toekomstige slotvoogdes buitengewonen huis-houdelijken aanleg en praktischen zin. Op menige zaak maakte zij opmerkzaam , die tot een flinke huishouding behoorden, aan welke hij zelf niet in de verte zou gedacht hebben.

Ook de abt Widerad kwam ter loops zeggen, dat de voogd Dedi van den Trifels hem bezocht, zijne diensten aangeboden en een schriftelijk bevel des konings getoond had, om hot sticht Klingen in alles behulpzaam en genegen te zijn.

„Dit aanbod is ten minste , gedurende uwe afwezigheid een geruststellingzeide de prelaat. „Men kan toch niet weten , of niet een of andere booze geest don graaf AVazo aanzet tot roof en gewelddadigheid. —- Do koning is reeds van Spiers vertrokken , vergezeld van zijn getrouwe gade en zijn zoontje Koenraad. God geleide hen !quot;

„Ook ik zal binnen twee dagen van hier rijden, en u vooraf bezoeken , eerwaarde vader !quot; antwoordde Siegfried. „Voor het oogenblik blijft er nog veel te doen en te regelen over.quot;

De grijsaard bemerkte den haast van den bedrijvigcn voogd en ging ua een kort oponthoud weer naar het klooster terug.

Met Bero had de voogd een geheim onderhoud.

„Zijt gij nog voornemens en besloten , de aangeboden verantwoordelijkheid op u te nemen en in mijne handen den eed van getrouwheid voor alle bevelen af te leggen ?quot; begon de graaf ernstig.

„Ik ben voornemens , genadige heer, naar uwe bevelen te handelen!quot;

-ocr page 721-

Ill

„Ik herhaal mijne bevelen , — prent die diep in uw geheugenging Siegfried voort. „Gedurende mijne afwezigheid blijft de burchtpoort dag en nacht gesloten. Voor het vallen van den avond wordt de brug opgehaald. De poortwachter leent dien maatregel reeds. Gij zelf doet gedurende den nacht tweemaal de ronde om u van do waakzaamheid der burchtwachters te overtuigen. Geen vreemdeling , man of vrouw , geestelijke of leek mag don burcht betreden. Den dienstmannen is het niet geoorloofd , de vesting te verlaten , en zij moeten bij afwisseling op zon- en feestdagen de godsdienstoefening bijwonen. Gaat uwe meesteres , vorstin Go-dila, naar do kloosterkerk , dan vergezellen haar steeds tien welgewapende mannen. Alvorens gij don burcht verlaat, zult gij zelf van den wachttoren den omtrek onderzoekeu , of niet hier of daar een vijand in hinderlaag ligt. Ook zullen de andere vijftien dienstmannen onder de wapens staan , totdat uwe meesteres teruggekeerd is, om haar bij dreigend gevaar te hulp te snellen. De overige burchtbewoners houdt gij in strenge tucht, gij voorkomt elke uitspatting , waardoor het teeder gevoel uwer meesteres zou gekwetst kunnen worden. Geertruida wordt de vorstin als kamenier toegevoegd. Zoo als van zelf spreekt zijt gij in alles de stipste gehoorzaamheid aan uwe meesteres Godila verschuldigd. — Dat zijn mijne voorschriften. Vind ik u bij mijne terugkomst getrouw, dan zal het aan een rijke belooning niet ontbreken.quot;

„Genadigste heer, getrouw zult gij mij vinden , als zuiver goud, en vast, als de rotsen van Landeck,quot; verzekerde Bero.

„Volg mij !quot; gebood Siegfried.

Zij gingen in de kapel. Op het toeken van den graaf knielde Bero op de trappen van het altaar neder.

-ocr page 722-

112

„Leg nu den eed af en zeg mij na,quot; zeide Siegfried. — „Ik Bero , zoon van Gundelkarl, burchtwachter van Landeck gedurende do afwezigheid van mijn heer, zweer bij God almachtig, bij den alwetenden wreker van den meineid en bij het heil mijner ziel, dat ik deze sterkte Landeck, benevens al zijne inwoners, tegen eiken vijand, tegen elk gevaar, naar mijn beste vermogen zal bewaren en beschermen, alsook dat ik alle bevolen van mijn heer Siegfried nauwgezet zal volbrengen. Amen.quot;

Met dezen eed en de overneming van het burcht-wachterschap klom do zoon van den dorper Gundelkarl eon trap hooger in do maatschappij, werd later minister der abdij en stamvader van een adelijk geslacht.

Do morgen van den dag, waarop Siegfried zou. vertrekken , was aangebroken. Hij had Godila aan de burchtbewoners voorgesteld en hun trouw en gehoorzaamheid bevolen.

Vervolgens nam hij afscheid van Godila.

„Niets kan mij tot een scheiding van u bewegen, innig geliefde bruid,quot; zeide hij aangedaan, „dan de verplichting , die ik in uwen dienst blijgemoed op mij genomen heb. Leef wel. God behoede u!quot;

Zij viel in bezwijming en weende bitter aan zijne borst. Ook zijne stem beefde.

„Wees gerust, mijne Godila! Spoedig keer ik terug en breng de vrijheid voor uw vader!quot;

„God geleide u, Siegfried!quot; zeide zij stamelend.

Hij maakte zich los uit hare armen, snelde naar hot burchtplein, steeg te paard en reed met drie knechten weg.

Godila was op een stoel neergevallen, waar zij langdurig weende, in weerwil van de troostende woorden harer getrouwe Oda. Vervolgens verliet zij den stoel, beklom de hoogste torentinne, van waar zij den ge-

-ocr page 723-

113

liefde nakeek. Hij keek om en zij wenkte hem vaarwel met haren witten dook , die van tranen bevochtigd was. Hier stond zij lang en zoo vaak Siegfried omkeek , hotgeon dikwerf gebeurde , wenkte zij hem toe, totdat hij eindelijk achter een heuvel voor hare oogen verdween.

IN HET LATERAAN.

Do val van Hendrik IV en diens vermaning aan zijn getrouwen , om te trachten van den ban ontslagen te worden, bleven niet zonder gevolg voor de verandering van gemoedsstemming van geestelijke en wereldlijke hoeren. Juist do bedorvenste en invloedrijkste raadslieden dor kroon , do bisschoppen van Osnabruck , Lausanne , Zeiz , Straatsburg , Bamberg , vervolgens Rapoto, do opper-paltsgraaf, Ulrich van Godcsheim , paltsgraaf Thietmar en anderen beijverden zich om over de Alpen to trekken. Met uitzondering van bisschop Robert van Bamberg, die door hertog Welf gevangen gehouden werd, kwamen allen in Rome aan. ')

Eenigo dagen voor de genoemden waren do boden des konings , de aartsbisschop Udo van Trier en graaf Balderich, in de hoofdstad der Christenheid aangekomen. Maar de Paus verklaarde, dat hij de boden des konings slechts in tegenwoordigheid van de gezanten der Rijks-vorsten wilde hooren.2)

Tot dien voorzorgsmaatregel was Gregorius overgo-

!) Daruberger, D. VII, bl. S6S. ') Grfrörer, D. VII, bl. 553. Can. d. iii.

— Gfrürer, D. VII, bl. 569.— 8


-ocr page 724-

114

haald dooi- graaf Mangold van Veringen , die tot het gezantschap dor Rijks-standen hehoorde cn die don Paus voor den inhoud der koninklijke boodschap waarschuwde. Omdat bisschop Bucco van Halberstadt, de ziel van de gezanten der Rijks-vorsten, op de reis ziek werd en in een klooster achtergebleven was, moest Udo tot diens aankomst wachten.

Eiken dag verscheen de aartsbisschop van Trier in het Lateraan , do pauselijke residentie, om naar Bucco te vragen.

Hot Lateraan behoorde oorspronkelijk aan een oud Romeinsch geslacht — aedes Lateranomm , en werd door keizer Nero verbeurd verklaard, omdat Platius Lateranus in een samenzwering gewikkeld was. Dit Staatsgebouw schonk keizer Constantijn de Groote aan Paus Silvester on bouwde hier een basiliek, welke buitengewone kostbaarheden bezat en om die roden do gouden basiliek genoemd werd. In het jaar 896 verwoestte een aardbeving de kerk. Paus Sergius III liet haar van 904—911 in vijf schepen weder opbouwen. Deze basiliek komt onder alle kerken der Katholieke wereld den voorrang toe, want zij is de hoofdkerk van den bisschop van Rome, ^omnium Urbis et Orbis ec-clesiarum matey et caput,quot; — de moeder en het hoolJ van allo kerken der stad en van de aarde.

Van do vroegste tij don, tot op hunne terugkomst van Avignon , bewoonden de Pausen het Lateraan. Naar deze gewijde plaats kwamen gedurende vele eeuwen de boden van allo natiën der aarde. Daar leerden , zegenden , oordeelden cn beslechtten de Stedehouders van Christus, en na Bethlehem , Golgotha en Sinaï is er geen plaats op aarde van meer belang voor de wereldgeschiedenis , dan het Lateraan.

liet pauselijk paleis was ten tijde van Gregorius VII

-ocr page 725-

115

oen deftig gebouw van twee verdiepingen , in rondbo-genstijl opgetrokken. Hot lango front kwam op een plein uit, op hetwelk van den morgen tot den avond bijna onafgebroken wagens, ruiters en voetgangers zich van en naar het Lateraan bewogen. Do krachtige zonen van het hoogste Noorden, boden van de koningen uit Zweden en Noorwegen, blondlokkige Anglen , ge-zanten van Willem den Veroveraar , Oosterlingen in Eijk geplooide oostersche gewaden , ernstige Spanjaarden , levendige Franken , trotsche Duitschers, bespraakte Grieken, zwarte Afrikanen en bruine Arabieren verkondigden door hunne tegenwoordigheid de macht en den invloed van den Stedehouder van Christus. Van hier ging leven, orde, beschaving, geloof, hoop en liefde uit door het reusachtig lichaam der Katholieke Kerk , die over de geheele aarde verspreid is.

In een zaal van het paleis zaten of stonden prelaten van verschillende natiën het oogenblik af te wachten, waarop zij voor don Paus geroepen zouden worden. Do vleugeldeuren gaven gelegenheid om oen blik te slaan op een lange reeks van deuren, die in rechte lijn verscheidene zalen en vertrokken doorsneden. In al deze kamers bewogen zich hoeren in rijke kleoder-dracht, of monniken in eenvoudige pijen. Bij kortere of langere tusschenpoozen hoorde men de stem van den majordomus , en dan verdwenen een of meer der wachtenden , om zich naar de vertrekken van den Paus te begeven.

Graaf Ulrich van Godesheim , het hoofd der twaalf, op wiens ziel menige bloedschuld kleefde , stond in een vensternis, naast hem ridder Hartmann, insgelijks een der twaalf. Sombere trots stond op het gelaat van den graaf te lezen, hij kneep de lippen vast samen en hij sloeg zelden zijn schuwen blik van den grond op. Hij

8 *

-ocr page 726-

116

was blijkbaar niet op zijn gemak in deze vertrekken. Geen berouw over bedreven euveldaden , maar don drang dor omstandigheden, bracht den weerspannige op deze plaats.

Do opper-paltsgraaf Rapoto lag op zijn gemak in een leuningstool en beschouwde een groep Perzen, wier Aziatische kloedordracht hom niet minder schonen te bevallen , dan de vreemde toon hunner landtaal. Nog meer hield hij zich bezig met de uitrusting van bekeerde Sarraceoneu, die tot hot gevolg van een oos-tersch prelaat behoorden. Het fijn kunstig weefsel van het stalen pantser maakte zijne verwondering gaande, en de lichte, sterk gebogen degens persten hem een medelijdend hoofdschudden af.

„Graaf Ulrich,quot; zeide hij tot Godesheim, „zie dien Moor toch eens! Gelijkt zijn wapenrusting niet op een stalen spinneweb? Dat sierlijk weefsel zou tegen een Duitschen sabelhouw niet bestand zijn. Eu welk een degen. Zoo krom en licht, als een zeis, waarmede men gras maait. Het is om te lachen! Die ridder heeft ook niet veel te beteekenen!quot;

Godesheim toonde geen belangstelling voor het vreemde en nieuwe in zijn omgeving. Zijn sombere blik zocht weder den grond en het hoofd der twaalf was weder in diep gepeins verzonken.

In het aangrenzend vertrok zaten de Duitsche bisschoppen. Deze schonken op het oogenhlik hun volle opmerkzaamheid aan een onderhond , dat Burkhard van Lausanne met een Engelsch prelaat had aangeknoopt. De Engelschman was Lanfrank, aartsbisschop van Canterbury , een der grootste geleerden van zijn tijd , streng geloovig , een bewonderaar van Gregorius Vil, onverschrokken en moedig in den strijd der Kerk tegen de uitspattingen der machtigen. Onwrikbaar was zijn streven naar hoogere zaken, onverzadelijk zijne weetgierig-

-ocr page 727-

117

hcid, onuitputtelijk zijn geestige invallen in moeilijke omstandigheden. Toon hij nog prior was in de Fran-sche abdij Bec , sprak Paus Leo IX den ban uit over den vorst des lands , den hertog der Noormannen Willem , lal er do veroveraar en koning van Engeland , omdat zich deze vorst de onrechtvaardigste gewelddadigheden in kerkelijke zaken veroorloofde. Prior Lan-frank berispte onverschrokken den hertog en vermaande hem zich aan de kerkelijke wetten te onderwerpen. De trotsche Noorman ontstak in woede over de vrijmoedigheid van den prior en gebood hem binnen drie uren het land to ruimen. De prior gehoorzaamde zonder tegenspreken; hij zette zelfs zoo'n spoed bij de voltrekking van liet bevel des hertogs, dat hij het eenige middel gebruikte , dat bij de hand was , een oude knol, die aan het klooster behoorde. Toen hij op den klepper wegreed, ontmoette hem de hertog, dien Lanfrank eerbiedig groette, tevens drukte hij zijn leedwezen uit, dat hij bij gebreke van een vlugger paard , het bevel des hertogs niet spoediger kon uitvoeren. Willem keek den geleerde aan, die op den mageren knol gezeten was, barstte in een schaterend gelach uit en trok niet alleen hel bevel tot verbanning in, maar leende goedwillig gehoor aan de vermaningen van den prior. Op last van den hertog begaf Lanfrank zich naar Rome, om de vrijspraak van den ban te verzoeken. Hij slaagde hierin onder voorwaarde, dat Willem twee kloosters en vier gasthuizen stichten, zijn levenswijze veranderen en christelijk regeereu zou. ')

Lanfrank schreef eenige geleerde werken,, was te Pavia de eerste professor in de welsprekendheid en de wijsbegeerte en wordt gehouden voor den stichter der scholastiek. Eenige jaren later besteeg deze uitstekende man den aartsbisschoppelijkcn zetel van Canterbury.

') Damberger, D VI, bl. 595.

-ocr page 728-

118

Met een zekere voorliefde scheen hij zich in zijn onquot; derhoud met Burkhard van Lausanne van de Duitsche taal te bedienen, die hij volkoinen machtig was.

„Uw oordeel is valsch, eerwaarde broeder,quot; zeide Lanfrank. „Nimmer heeft Gregorius do manier van regeeren van Engelands koning in allo opzichten gebillijkt. Bestaat er reden tot berispen, vermanen of be-bodreigen, dan toont de Paus voor Willem den Veroveraar dezelfde onverschrokkenheid en trouw in het voeren van zijn gezag als Opperherder, als tegenover den koning der Duitschers.quot;

„Feiten logenstraffen uwe bewering,quot; hernam Burkhard. „Vroegere Pausen spraken over quot;Willem de strengste kerkelijke straffen uit. Om welke redenen vleit hem Gregorius? Is Willem van gevoelen veranderd? Geenszins! Op het oogenblik vergeeft hij nog even goed kerkelijke waardigheden aan gunstelingen als vroeger. Waardige abten en bisschoppen verjaagt hij van hunne zetels en benoemt gunstelingen in hunne plaats. Waarom trekt Gregorius het zwaard van den H. Petrus niet tegen den trotschen, ijzeren Veroveraar ? Waarom toont de Paus een grenzenlooze lankmoedigheid voor den Noorman en niet voor don Saliër?quot;

„Gij kent den staat van zaken in Engeland niet,quot; antwoordde de aartsbisschop van Canterbury. «Ongetwijfeld vergeeft Willem kerkelijke waardigheden, doch hij verkoopt die niet, gelijk de Duitsche koning doot. Willem duldt ook geen gehuwde priesters. Wil een geestelijke «ijn bijslaapster' niet verlaten, dan verliest hij de betrekking en de inkomsten op bevel van Willem. Do Saliër daarentegen begunstigt hot kuwelijk der priesters , hij staat het samenwonen van geestelijken fnet vrouwen voor. Trotsch en hoogmoedig is Willem , — doch den apostolischen Stoel bewijst hij trouw en gehoor-

-ocr page 729-

119

zaamheid in alles, waarin Gregorius het recht heeft deze gehoorzaamlieid te vorderen. ') — Do Saliër daarentegen beproefde ^een scheuring te bewerken , hij ontzette don Paus te Worm» van zijn waardigheid. — Gij hadt de sterke afkeurende uitdrukkingen van Willem moeten hooren over de besluiten van Worms. Derhalve bestaat er tusschen do koningen van Duitsehland en Engeland een wezenlijk onderscheid. Meen ook niet, dat Gregorius de oogen vreesachtig sluit voor de gebreken en misslagen van Willem. Zijne legaten spreken den koning vaak scherp toe. Gregorius schrijft hem niet alleen ernstige brieven, maar hij stelt hot mij ook soms tot taak, den dwalende terecht te wijzen. In dit opzicht kan ik u onmiddelijk overtuigen.quot;

Lanfrank haalde fenige perkamenten te voorschijn.

„De koning verbood mij de reis naar Rome verklaarde de aartsbisschop. „Nauwelijks droeg de Paus hiervan kennis, of hij schreef mij dezen brief. Lees hier!quot;

Burkhard nam het perkament, door Gregorius eigenhandig geschreven en las de aangeduidde plaats.

„ „Als den koning een nieuwe aanval van zijn trot-schen vermetele geest tegen don apostolischen Stoel in het harnas jaagt, of hij een voorbarig oordeel over Onzen persoon velt, dan moet dit Ons dos te smartelijker troffen, naar mate hij zich hierdoor do liefde, die Wij hem tot nu toe betoond hebben , onwaardig maakt. Spreek toch in vertrouwen mot hem en houd niet op , hem te waarschuwen, opdat hij de Roomsche Kerk , do moeder van allen , geen onrecht aan doe , zich nimmer onbeschaamd een gezag op het gebied van den godsdienst aanmatige , noch uwe of de godsvrucht van iemand anders verhinderé om den -apostolischen Stoel te bezoeken. 2)quot; quot;

') Gfrörer, D. II, bl. 420. — 2) Bamberger, D. VI, bl. 962.

-ocr page 730-

120

„Die woorden luiden ongetwijfeld seberp genoefr zcide de bisschop van Lausanne , „maar zij zijn aan u gericht on niet aan den koning. Hot is , gelijk ik zeide voor den koning van Engeland toont Gregorius een onbegrensde lankmoedigheid.quot;

„Heeft hij den koning der Duitschers niet een veel onbegrensder lankmoedigheid bewezen ?quot; riep Lanfrank uit. „Duldde hij niet tien jaar lang de schaamtelooste handelingen van den Salicr, zonder met kerkelijke straffen tusschenbeide te komen? Bepaalde zich de ge-heele gestrengheid des Pausen niet tot vaderlijke vermaningen en bedreigingen, welke veracht werden? En wat kon Gregorius ten slotte tegenover de besluiten te Worms doen ? Kon hij voor do voorgenomen scheuring in de Kerk, voor schisma en afzetting slechts vaderlijke vermaningen veil hebben? Ik beweer, dat de lankmoedigheid van Gregorius jegens de misdaden des Duitschen konings bijna aan plichtvergetelheid grenst. — En dan, eerwaarde broeder , nioet gij niet voorbij zien , dat Willem een rechtvaardig , streng zedelijk man is , — zoo streng, dat een zwak meisje, zonder eenig geleide, met een mand vol geld ongehinderd door geheel Engeland kan reizen.quot; ')

„Geen wonder ,quot; riep Burkhard lachend uit. „Aan eiken boom in Engeland hangt het geraamte van een dief.quot;

„Is het verschrikkelijk , in de handen van den rechtvaardigen God te vallen en is elk koning een dienaar Gods, dan kunnen stellig de boomen de gerechtigheid eens konings verkondigenquot; hernam Lanfrank. — „Ik betwist het niet: — de Paus koestert eerbied voor den koning van Engeland. Deze eerbied ontleent zijn oorsprong geenszins aan een blinde voor-

') Bamberger, D. VI, bl. 857.

-ocr page 731-

121

liefde, maar aan geheol billijke oorzaken. Lees den brief maar vorder.quot;

Burkhard las :

„ „Ofschoon do koning van Engeland in elk opzicht niet zoo godsdienstig is, als te wenschen ware, toch verdient hij voor alle andere vorston verre weg do voorkeur , en wel ten eerste wijl hij nimmer Godshuizen verkocht of verwoest heeft, — ten tweede wijl hij de gerechtigheid in zijn land handhaaft en den vrede bewaart , — ten derde, wijl hij, ofschoon door zekere vijanden des kruises uitgenoodigd om een verbond togen den H. Stoel te sluiten, zijne toestemming hiertoe volstandig heeft geweigerd , — ten vierde omdat hij zoowel gehuwde priesters noodzaakte hunne vrouwen vaarwel te zeggen , als hij do leokon dwong, die op onrechtvaardige wijze kerkelijke tienden bezaten, deze terug te geven. ')quot; quot;

„Gij ziet,quot; zeide Lanfrank, terwijl hij het schrijven wegstak, „do hoogachting van Gregorius voor don koning van Engeland is gegrond. Hij berispt de groote misslagen van den machtigen Noorman, zonder diens voorrechten te miskennen. De Paus is rechtvaardig in de beoordeeling der menschon. Waarom zou hij den Duitschon koning onrechtvaardig beoordeelen ? Neon, — nimmer! J)o geheel ongewone bedorvenheid van den Saliër rechtvaardigt en vordert de genezeiulo strengheid van Christus Stedehouder. Schandelijke slavenketenen van lage ondeugden ontoeren Hendrik IV. Streng, boosaardig, leugenachtig, moineedig, wellustig, wreed , moorddadig, heiligschendend, in den hoogsten graad simonistisch is de Saliër — oen schande voor het christelijk koningschap.quot;

') Gfrörer, D. II, bl. 420.

-ocr page 732-

122

Ifii sprong Benno, de bisschop van Osnabvuck driftig op.

„Wat roemt gij don Noorman teu koste van den Salicr?quot; riep hij met een gloeiend gelaat uit. De jeugdige leeftijd on de verkeerde opvoeding van Adalbert van Bremen kunnen den Duitschen koning verschoo-nen, — maar wat verontschuldigt den sluwen , geslepen Noorman ? Hendrik verkoopt wel bisschopsstaven en abtsmijters, — daaromtrent wil ik hem volstrekt niet verdedigen, — doch dit gebeurde uit nood en geldverlegenheid. En wat doet Willem van Engeland ? Hij verkoopt wel geen Kerkelijke waardigheden — maar hij brandschat de kloosters en stichten cn hij brengt ze tot armoede door ongehoorde geldafpersingen. Kerken verwoest hij niet, — maar menige abdij hoeft hij geruïneerd , en door zijn brandschatten zoo ver gebracht, dat zij hot niet te boven kan komen. Rechtvaardig is de Noorman , hij houdt orde in den Staat, — en hoe ? Ontsteelt hem iemand een hert of ever, dan laat hij den dief eenvoudig de oogeu uitsteken ; wie zal in Engeland nog herten willen stelen ? Geheelo streken laat hij verwoesten, om plaats te krijgen voor zijn jachtveld, hoe menschlievcnd, hoe vaderlijk! Onze Salicr logt slechts dwangburchten aan in Saksen, — uw Noorman bouwt dwangburchten door geheel Engeland , om zijn despotiek bestuur kracht bij te zetten. Waarom ziet gij, heer aartsbisschop, den splinter in het oog van den Salicr , maar niet den balk in 'toog van den Noorman Willem?quot; ')

Do Duitsche stem , weerklonk zoo krachtig door dc vertrekken, dat do prelaten en lecken van alle kanten kwamen toegeloopon. De vreemde nation, namelijk do Oosterlingen en Grieken, verstonden geen jota van het

') Bamberger, D. VI, bl. 856.

-ocr page 733-

123

bisschoppelijk gesprok , doch zij l^cn uit de opgewonden gelaatstrekken van Benno het gewicht van het onderwerp. Toon nu de aartsbisschop van Canterbury in de latijnsche taal antwoordde , nam plotseling hot onderhoud oen wending, waaruit men.do algemeen gevoelde en diep ingrijpende betoekenis kon opmaken van don strijd tusschon Kerk en Staat.

„Het valt mij volstrekt niet in , eerwaarde broeder, de groote en talrijke misslagen van den koning van Engeland te verschoonenantwoordde bedaard do geleerde aartsbisschop. „Onze Moedor , de H. Kerk , worstelt toch onophoudelijk met wetsverkrachting , willekeur , onbeschaafdheid, zodobedorf en wreedheid in alle landen. Ofschoon Willem bijna zoo handelt, als gij zegt, toch blijft het een uitgemaakte zaak, dat hij onder alle vorsten der aarde de Gode welgevallige plannen van don Paus enistig naleeft, — dat hij den H. Stool de voreischte trouw betoont, — dat hij geen kerkelijke waardigheden verkoopt, — dat hij geen Simo-nisten en gehuwde geestelijken duldt, — dat hij mot ijzeren strengheid de orde in het land handhaaft. Van den Duitschon koning, den geroepen beschermheer dor Kerk, kan men zulks helaas niet zeggen. De Saliër bewandelt schaamteloos booze wegen en onteert onbeschaamd hot heiligdom Gods.quot;

„Een ergernis voor do gehoele Kerk is de Duitscho koning,quot; zeide een Spanjaard. „Verhief hij niet vermetel do hand togen don Paus ? Beproefde hij niot door een scheuring hot hoofd van do ledematen te scheiden? Geen ander vorst op do geheolo aarde waagde een dergelijke euveldaad.quot;

„Hoe kan in 't algemeen de Duitsche natie hot waagstuk rechtvaardigen, om don apostolischen Stoel afhankelijk te maken van den wil harer koningen?quot; vroeg

-ocr page 734-

124

een prelaat van de Afrikaanse ho kust. „Do Paus is de Vader Van allo goloovigen on niet van do Duitschers alleen. Zijn herdersambt strekt zich over de gohcolo aarde nit. Alle natiën zijn trouw en gehoorzaamheid schuldig aan den Stedehouder van Christus. Let men nu op do pogingen van don Duitschen koning en diens aanhangers, dan krijgt het den schijn, alsof dat volk voornemens is, een andere orde in do Kerk in te voeren, dan die, welke Jezus Christus voor alle tijden en voor alle natiën heeft ingesteld.quot;

„Wij matigen ons geen recht aan, dat wij niet van rechtswege bezittenquot; antwoordde bisschop Eppo van Zeiz. „Gij kunt evenmin de groote en machtige Duit-sche natie vergelijken met andere onbeduidende volkeren , als den Duitschen koning mot koninkjes van andere stammen.quot;

Deze trotsche taal verwekte algemeen misnoegen.

„Aanmatigende zelfverheffing !quot; riep do Spanjaard geërgerd uit.

„Ben bewijs van groote onwetendheid!quot; ;ceide een Pers. „Hebt gij de millioenen van Azië geteld, die onder den herdersstaf van den Paus staan ?quot;

„Geen aanmatiging, — geen onwetendheid!quot; riep Eppo. „Onze natie bezit den voorrang boven alle volkeren , — slechts afgunst kan dit betwisten. Hebben niet sinds eeuwen de Duitsche keizers den Stoel van Petrus naar vrije keuzo bezet ? Welke andere natie kan zich op dergelijke rechten beroemen ?quot;

„Geen recht, — aanmatiging, — geweld!quot; werd er van alle kanten geroepen.

„Slechts de Duitsche koning is de beschermheer der Kerk,quot; riep do sterke stem van Benno boven het gejoel uit.

„Als uw koning de beschermheer der geheele Kerk

-ocr page 735-

125

fi| 'M li

is,quot; zeide een Oostersch bisschop met een langen baard , ,dat hij ons dan te hulp snelle tegen de woede der Sarraceenen.quot;

„De tuchtiging der Mooren behoort niet tot het bo-schermheerschap der Kerkbeweerde Weniher van Straatsburg.

„Maar wel de ontheiliging van den apostolischen Stoel/' hernam bijtend de Spanjaard.

„Eerwaarde broeders , geen bittere woorden!quot; smeekte een oude bisschop uit Noorwegen. „Zijn wij dan niet allen ledematen van hetzelfde lichaam ? Zonen van dezelfde Moeder? Moeten wij in allo landen niet strijden onder do banier des kruises tegen onmensehelijk-heul en boosheid van de machtige kinderen dezer wereld. Wij behooren, wel is waar, tot verschillende natiën, toch hebben wij allen dezelfde Moeder en denzelfden Tadev in den hemel en op aarde. Wat beteekeuen ook nationaliteiten? God kent geone natiën, maar slechts mouschen. Eerst sedert de Babylonische spraakverwarring bestaan er natiën , oorspronkelijk was het zoo niet, — er bestond slechts ééne groote familie, welker aller vader God was. In onze H. Kerk is de vloek der Babylonische verwarring opgeheven; want alle menschen zijn hier broeders, wijl allen dezelfde Moeder, denzelf-deu Vader hebben. Laat ons derhalve broederlijk ver-eenigd staan in eendracht tegen de machten der hel.quot;

„Goed gesproken, eerwaarde broeder!quot; hernam Lan-frank goedkeurend met het hoofd knikkend. „Bedaard ^ ioor den geest van liefde gedragen , gedane zaken in het licht te plaatsen; behoort insgelijks tot ons ambt, want bisschoppen moeten leeraars en verdedigers der waarheid zijn. Laat ons zonder naijver den adel, de macht, du voorrechten, mijnentwege ook den voorrang der Duit-schers boven alle natiën erkennen. Maar liet denkbeeld

fa ill

iii • 'li 'W-S

- . 11

vliM' If.

i: 1 f

■f# i

, ■:-|i ! §

) 3

ï'1# ;3f- h

4

■gt;11

■ u I

■ ■

■: ■ s'

:;l|

'M |

■II.

' . i ai

a

h-

-ocr page 736-

126

s

van het beschermheerschap der Kerk, zoo als liet Sali-sche hof dit opvat sedert do regeering van Hendrik III, moeten wij als valsch, verkeerd, gevaarlijk en hoogst hedcnkelijk verwerpen. Een dusdanige opvatting zou noodwendig tot do slavernij der Kerk door do wereldlijke macht leiden, cn den godsdienst tot dienstmaagd van den Staat verlagen.quot;

„Goed begrepen , — zeer juist!quot; zeiden de bisschoppen , die om hem heen stonden , de Duitschen uitgenomen.

„Dan zou ik wel eens gaarnezokle Benno van Osnabruck , „uwe uitlegging en verklaring van het be-schermheerschap onzer keizers over do Kerk willen hooren.quot;

„Ik beu volgaarne bereid, om aan uw verlangen te voldoen hernam Lanfrank van Canterbury. „Do herders van verschillende natiën, die hier tegenwoordig zijn , mogen beslissen , of ik do verhouding tusschen de christelijke en wereldlijke macht naar de meening der goheele Kerk verklaar.quot;

Hij zweeg eenige oogenblikken en nu begon hij, mot zekerheid de grondstellingen en beschouwingen te ontwikkelen , die destijds do gemoederen van het Westen verdeelden en een groote beweging naar de afgelogen-sto gewesten veroorzaakten. Daarvandaan gespannen opmerkzaamheid van alle aanwezigen voor de woorden van Lanfrank. Van den kant der Duitschers was in-tusschen de overeenstemming niet volkomen. Over de beperking van de macht der Duitsche keizers gaven de Duitsche bisschoppen hunne afkeuring te kennen door hoofdschudden en afkeurende gebaren mot de handen , terwijl de overige prelaten niet minder beslissend hunne goedkeuring te kennen gaven.

„Alle christelijke natiën der aarde maken een enkele

-ocr page 737-

127

groote familie uit, welker onzichtbaar hoofd Christus do lieer isbegon Lanfrank. „Volkomen dezelfde leer verkondigt de II. Paulus in zijn brief aan de Eo-meinen , twaalfde hoofdstuk, vierde en vijfde vers. Daar zegt hij : „Gelijk wij in één lichaam vele loden hebben , zoo zijn wij , de velen, één lichaam in Christus , en , elk afzonderlijk , zijn wij leden van elkander.quot; ') En dewijl ieder zichtbaar lichaam natuurlijk een zichtbaar hoofd moet hebben, maar Christus het onzichtbaar hoofd zijner Kerk is , daarom plaatste hij in zijn goddelijke Wijsheid in het primaat van Petrus een zichtbaar hoofd over deze christelijke gemeente, die over de gehoele aarde verspreid is. Zoo lang dit zichtbaar lichaam van Christus, deze zichtbare familie bestaat , moot ook haar zichtbaar hoofd bestaan. Daarom ging noodzakelijk hot primaat van Petrus op dions opvolgers in de waardigheid, op de bisschoppen van dezen Stoel te Rome over. Bijgevolg hebben wij in den Stedehouder Gods, in don Paus, een gemeenschappelijk hoofd , welks opperste herdersambt daarin bestaat, voor de eenheid van het geheel te waken, — in het geloof niet te wankelen, — de leer van Jezus Christus vrij te houden van allo ketterij , — de gehoele kiylde , de lammeren en de schapen, te leiden. „Weid mijne lammeren, hoed mijne schapen,quot; heeft Jezus, de Heer tot den eersten Paus gezegd. Daarom zijn allen , geestelijken en leckon, vorsten, koningen, keizers, tot zelfs de hoorigen, den Paus gehoorzaamheid verschuldigd.quot;

„Waarin? onderbrak Benno de doodsche stilte.

„In alles, wat het zielenheil betreft, daarmede in verband staat of er invloed op uit kan oefenen antwoordde Lanfrank. „Het Wetboek van het Pijk Gods

') Vertaling van Lipman. — Vert.

-ocr page 738-

128

op aarde, dat verbindend is voor allen, is het H. Evangelie, want het begrip van alle waarheid en gerechtigheid is het Evangelie. De belangrijkste werktuigen echter, door welker bemiddeling de Paus, de opperste door God aangestelde Herder, het veelledige lichaam van het goddelijk Kijk bestuurt, zijn dc bisschoppen en abten. Zij allen staan onder zijn onmiddelijk toezicht. Zoo als van zelf spreekt mag een geestelijke nimmer zonder toestemming van den Paus een bisdom of een abdij besturen. Derhalve hebben de koningen het recht niet, tegen den wil van den Paus geestelijke herders te benoemen, omdat zij hierdoor zouden komen op een gebied, waarop de wereldlijke macht geen recht bezit. — Ik vraag u, eerwaarde broeders, heb ik tot nu toe de leerstellingen verkondigd, zoo als zij vervat zijn in het Evangelie in de canons in de Overlevering?quot;

„Coiicedinms, — concedimus, wij stemmen toe !quot; antwoordden de aanwezige bisschoppen.

J)e Duitsche prelaten van hot Salische hof zwegen. „Ik ga nu over tot die betrekkingen tusschen Kerk en Staat, welke in de Kijken der Anglen , Franken, maar vooral in het Duitsche Kijk , zeer treurige twisten en verwikkelingen hebben doen ontstaan ,quot; ging dc geleerde aartsbisschop voort. „Voor zeshonderd jaar leerde de II. Augustinus in zijn werk: „c?e civitate Dei'''' dat God twee zwaarden gegeven heeft, een geestelijk in de hand des Pausen en een wereldlijk in do hand des konings. Het zwaard van ruw geweld mag dc Paus evenmin voeren , als dc koning bet zwaard der geestelijke macht. Dewijl nu elk mensch geboren wordt met kwade neigingen, dc bedorvenheid der menschelijko natuur zich verzet tegen do geboden van het Kijk Gods en de Paus niet mot geweld mag dwingen, — daarom zijn do rogenten ingevolge hunne waardigheid verplicht

-ocr page 739-

129

liet streven van den Paus bij liet handhaven der zedelijke orde te ondersteunen. De goeden moeten beloo-ning, de booswichten straf ontvangen door de hand des konings. Daarom schrijft de H. Paulus aan do Ko-meinen : „De regeerders zijn niet den goeden werke, maar den kwaden tot vreeze. Wilt gij dan de macht niet vreezen? Doe hot goede, en gij zult uit haar (de plichtsvervulling) lof hebbenquot; '). En omdat de Kerk , die te allen tijde aangevochten en gekweld wordt dooide machten der duisternis, een sterken arm noodig heeft tot havo bescherming , daarom kiezen de Pausen naar believen een beschermheer der Kerk. Met het zwaard der macht beschermt deze opperste beschermheer der Kerk do vrijheid van den apostolischen Stoel, opdat deze ongehinderd zijn heilige bediening kan uitoefenen. Hij straft do weerspannige boosheid en tuchtigt met het zwaard des bloeds de misdadigers. Deze opperste beschermheer dor Kerk, door den Paus gekozen, voert den titel van „keizer.quot; Vergeet de keizer de plichten zijner verheven roeping, wordt hij zelfs van voogd en beschermheer en vijand èn verdrukker der Kerk, dan mag de Paus naar goedvinden den ontrouwe afzetten en aan een ander vorst de keizerlijke waardigheid opdragen.quot; '-)

Deze geschiedkundig Juiste verklaring over den oorsprong , do roeping en de verhouding van het christelijk keizerschap maakte hot misnoegen der Duitsche hof-bisschoppen gaande. Terwijl Lanfrank nog sprak schudden zij heftig met do hoofden en hunne aangezichten gloeiden van verontwaardiging.

„Dat zijn Staatsgevaarlijke nieuwigheden!quot; riep Ep-

') Eom. XII, 3. Vertaling I.ipman. — 3) Gfrörer, D. II, bl. 422—425.

CAX. D. iii. 9

-ocr page 740-

130

po van Zoiz. „Do wereldlijke overheid draagt hot zwaard niet in leen van den Paus, maar van God.quot;

„Verdraai de woorden van den aartsbisschop niet,quot; riep de Spanjaard hem toe. „Hij heeft niet gezegd, dat de wereldlijke overheid door don Paus is, — neen luj heeft gezegd, dat zjj door God is. Maar hot beschermheerschap der Kerk, de keizerlijke waardigheid , draagt de Duitsche koning als leen van den Paus. Hoe is 'tmogelijk, oen zoo algemeen bekend feit tegen te spreken?quot;

„Dat heb ik niet tegengesproken verzekerde Eppo. „Maar wel beweer ik, dat de apostolische Stoel zijn macht overschrijdt, als hij den keizer gebiedt, hem voorschrijft , den schepter to voeren. De Paus mengo zich niet in wereldsche zaken.quot;

„En hij zwijge, wanneer zich de vorsten in geestelijke zaken bemoeien zeide op een toon van lichten spot een Griek. „Ga naar Konstantinopel! Daar heeft do keizer het gelukkig gebracht tot korkleeraar , paus, allerhoogsten. De hof-bisschoppen kussen hem do voeten en prediken, wat hij gebiedt. De keizer doet, wat hij wil -en hoeft do macht zijne ondeugden tot deugden te verklaren. De godsdienst is verlaagd tot slavin van den troon , en do Kerk is niets moer , dan een opvoedingsgesticht van den Staat. Deze jammerlijke toestanden moeten tot don val van het Oost-Ro-meinsche rijk leiden. — Wilt gij in het Duitsche Kijk het volk bederven , de kerken ontheiligen , den godsdienst vermenschclijken, do onderdanen tot slaven en den keizer tot God maken , •— verbied dan den Stedehouder van Christus, zijne herdersplichten aan den koning der Duitschers te vervullen.quot;

„Blijf bij do zaak!quot; hernam vlug bisschop Benno van Osnabruck. „Hoeft niet de goddelijke Heiland gezegd :

-ocr page 741-

131

Mijn rijk is niet van dczo worokl ? Hoc kan nu de Paus, de Stedehouder van Christus, zich mot zaken bemoeien , die hem niet zijn toevertrouwd ? Het geestelijke' strekt zich uit tot de prediking , de toediening der Sacramenten, de geestelijke leiding der zielen. De Staats- en burgerlijke orde te handhaven , behoort tot het ambt des konings. En do macht om te straffen, te gebieden, te verbieden , te regeeren hebben de vorsten niet van den Paus , maar van God ontvangen.quot;

„Toegegeven !quot; antwoordde Lanfrank. „Daarentegen heeft de Stedehouder van Christus , de herder der ge-heele kudde, het recht en op hem rust de verplichting te verlangen, dat de vorsten in den geest Gods regeeren.quot;

„Dit zou een hoogst gevaarlijke beperking van de koninklijke macht zijn beweerde Burkhard van Lausanne.

„Geen gevaarlijke, maar'een heilzame beperking,quot; riep do Spanjaard. „Een onbeperkt koningschap is — dwingelandij.quot;

„Wilt gij de uitspraken van de gezamenlijke Kerkvaders betwisten, voor welke de waarheid van Petrus' Stoel een rots geweest is?quot; zeide opgewonden een Oos-tersch prelaat. „Tot wien wendden zich de geloovigen der eerste eeuwen bij uitgebroken dwaalleeren, — misschien tot do Duitsche koningen ? Wie heeft de eerste Christenen gestef'kt in den strijd, wie heeft hen gezegend , onderwezen , wie hen behoed voor de hinderlagen des geloofs 'i Zijn het de Pausen niet geweest ? Wie heeft gezegevierd over de wreedheden van heidensche tyrannen, wie de vergoding der keizers veroordeeld ? Waren niet bijna alle Pausen der drie eerste eeuwen heilige martelaars, wier bloed en leven de reinheid van Christus' leer bezegelde ? Gij Duitschers hebt u

9*

hot

■i

t Éaifc

hot -dig-=aus. -ffen

ifi • m

' t'

km

•.li

life

... j

iilli

■PP0-zjjn oor-zicJi

I

ffi 1

•i

-ocr page 742-

132

afgewend van do bron , dor gezonde loer en zijt teruggekeerd tot de heidensche boschouwingen van de koi-zerlijko macht.quot;

„Zeg, wat gij verkiest,quot; riep Bonno van Osnabruck. „Even als de H. Paulus den II. Petrus in liet aange-ziclit tegensprak, zoo zal ik den Paus weerspreken, als hij het waagt, de waardigheid, hoogheid en macht van den Duitschen keizer te verlagen.quot;

Do woordenstrijd werd steeds levendiger. De hof-bisschoppon van Hendrik kwamen in lijnrechte tegenspraak met do prelaten van het Oosten en quot;Westen. Do strijdbare hovelingen weken niet In het minst voor do overmacht, en hunne sterke stemmen waren oven doordringend, als do slagen hunner ijzeren knodsen en strijdbijlen. Eensklaps werd do twist op oen onverwachte bijna koddige wijze bijgelegd.

Toen namelijk het luid spreken door de vertrekken weergalmde, kwam de Majordomus oen dor aangrenzende zalen binnen. Hij stond te luisteren. Op zijn gelaat kon men verbazing, ontsteltenis on eindelijk schrik lezen. De man hoorde dingen, die hom even prijzenswaardig , als verachtelijk moesten schijnen; want nu eens knikte hij toestemmend, dan weer schudde hij heftig het hoofd. Ten slotte doden de gewaagde beweringen der raadsleden van Hendrik IV een gloed van toorn op zijn gelaat komen. Ouder een luiden uitroep stormde hij do kamer binnen.

„Heu me miserum, — vae vohisriep hij. „Ach ik ongelukkige , — weo u ! Venerdbiles patres , isti Germanofum episcopi sunt anathematizati, — sunt vi-'tandi — simt vitandi! Eerwaarde Vaders , deze Duit-sche bisschoppen zijn in den ban, — moeten vermeden worden , — moeten vermeden worden !quot;

Deze woorden met luider stem uitgeroepen , en ver-

-ocr page 743-

133

gezel lt;1 door Irowegingen van schrik, maakten op allo aanwezigen een buitongewonen indruk. Verrast en ontsteld liepen de lieeron naar idle zijden cn vluchtten de deur uit. Slechts de gecxcommuniceerden bleven in de kamer.

„ Uhi sunt alii, — waar zijn de anderen?quot; riep de Majordomus hevig ontroerd.

Met reuzenschreden liep do ontstelde man in do aangrenzende zaal en trad berispend voor graaf ülrich van Godesheim en zijne gezellen.

„Wat moet dit beduiden, mijne hoeren? Waarom zijt gij niet op uwe plaats? Zonder toeven, als ik u verzoeken mag, daarheen, waar gij behoort!quot;

De Duitschers verstonden wel is waar do taal van den Romein niet , doch lazen uit zijn gebaren , vol uitdrukking , als ook uit do leidende bewegingen , die hij mot do handen maakte, de beteekonis zijner woorden en volgden hem naar de kamer.

„ Uhi est tabula, — waar is hot bordje ?quot; vroeg de Majordomus, die zijn blikken zoekend langs den muur liet gaan. „Gij hebt het bordje afgenomen. — waar is het ?quot;

Do hovelingen keken don ontroerden en beangsten Italiaan onverschillig aan.

„Het bordje , mijne hoeren , — waar is het bordje ?quot; riep do hofbeambte mot nadruk. „Wilt gij den regel van het huis dos Pausen storen ? Ben ik niet aansprakelijk en verantwoordelijk voor den regel des huizes ? Waarheen hebt gjj hot bordje gebracht ? Moet ik strafwaardig verschijnen voor het aangezicht van den Paus?quot;

Eppo van Zeiz tastte met do hand achter de leuning van de bank en haalde een bordje te voorschijn , waarop met groote witte letters stond: „Anathematizati.quot;

„Hier is uw bordje !quot; zeido hij in de Latijnscho taal

-ocr page 744-

134

on voegde er in hot Duitsch bij : Wat schrcemven die Romeinen , als men maar oen jota van hunne gebruiken afwijkt!quot;

Do Majordomus greep driftig naar het bordje en hing liet op een plaats, waar hot noodlottige woord eiken binnenkomende terstond in het oog moest vallen. Het opschrift duidde aan, dat deze kamer slechts bestemd was voor de geëxcommuniceerden, met welke elk nauw verkeer verboden was. Dientengevolge mochten zich de geëxcommuniceerden niet van de aangewezen plaats naar de aangrenzende zalen verwijderen, ülrich en zijne gezellen hadden op het voorschrift niet in het minst acht geslagen. De hof-bisschoppen zagen don eersten dag van hun verblijf do uitwerkselen van het bordje en ruimden vertoornd een voorwerp op, ten gevolge waarvan allen hunne nabijheid schuwden.

„Mag ik do hcoreii verzoeken, zich in ootmoed naar den regel van hot palcis te voegoj^?quot; vroeg de Romein.

„Onze ootmoed werd genoeg op do proef gestold antwoordde misnoegd Eppo van Zeiz. „Gisteren wachtten wij den goheolen dag te vergeefs op audientie, — zal ons ook heden de Paus niet hooren?quot;

„Ik vraag u wel verschooning, — van den morgen tot den avond ontvangt de H. Vader prelaten, vorsten en boden van alle streken der aarde,quot; hernam de hofbeambte. „Maar ieder moet zijn beurt afwachten.quot;

„En wij hebben er genoeg van, om onder die plak te zitten ,quot; zoidc barsch Benno van Osnabruck. „Zijn wij niot ten spot van alle natiën ? Al wie hiér voorbij komen uit Medië, Mesopotamië, Judoa, Kappadocië, Pontus en Azië, uit Phrygië en Pamphylië , uit Egypte en Creta, uit Arabië en Lybië , uit Spanje , Engeland cn Frankrijk, — allen zien met verachting op ons

-ocr page 745-

135

neer. Voor allen zijn wij uitvaagsol, boleedigden. Daaraan moot eon cinlo komen.quot;

„Er zal een einde aan komen, eer een uur vor-loopen is ; want do beurt is nu aan de Duitschors antwoordde do Majordomus. „Houdt u gereed , om voor het aanschijn des Pausen te verschijnen.quot;

Hij boog on ging hoon. Onmiddelijk keerde hij evenwel terug.

„Niet met verachting zien do geloovigen dor goheele aarde op u neder, maar met medelijden en hartzeer; want do hoeren bevinden zich in een beklagenswaardi-gon toestand, dio zij zich zeiven door hun eigen schuld op don hals haalden. Ook hebben do hoeren vroeger niet verstandig gehandeld , om het verderfelijk zaad van dwaalleeringen op deze plaats uit te strooien. Als ik den Paus de gesprekken mededeelde, die ik uit uwen mond gehoord heb, dan zou dat do aangelegenheid der hoeren geenszins bevorderen.quot;

„Ziet dien echten Romein eens!quot; riep Burkhard in do Duitscho taal. „Hij zou ons gaarne oonige geldstukken afpersen, om don mond te houden.quot;

„Niets zal hij hebben,quot; hernam Bomio. „Gij kunt doen, wat gij wilt, Majordomus! Ook voor don Paus zullen wij voor ouzo gevoelens strijden.

Do Majordomus ging hoon.

„Hot Romeinsche volk is nog juist zoo, als in do heidensche tijdon, omkoopbaar, veil, bedorven,quot; zeido Burkhard. „In Rome is voor goud alles te krijgen.quot;

„Alleen van don Paus niet ,quot; antwoordde Benno. „Al schenkt gij hem oen geheolen goudberg , dan wijkt hij geen haarbreed van datgene, wat hij voor recht en plicht houdt. Wij zullen een harden noot te kraken hebben. Er helpen geen aanbiedingen , of uitvluchten/'

„Ik ben niet hier, ton einde den Paus als een kla-

-ocr page 746-

136

gendc vrouw om genade tc smeeken, — ik bon hier, omdat do koning het gebood quot; zeido graaf Godesheim trotsch.

„Bedaar, heer graaf, bedaar maar!quot; waarschuwde bisschop quot;Werther van Straatsburg. „Gij moet eerst don kleinen monnik met de vurige oogen zien , dan zult gij zoo boud niet meer spreken.quot;

„Dat zullen wij zien, heer bisschop!quot; antwoordde Godesheim, terwijl hij met het zwaard rammelde. „Ik boef voor niemands oogen. Ik zal voor mijn zaak strijden bij den Paus, vrijmoedig en onbeschroomd , — al had hij ook tien vurige oogen in het hoofd. Zoo als ik zeidc , — ik ben maar hier, omdat de koning hot nuttig oordeelt. quot;VVil de Paus den ban niet opheffen, dan kan hij liet laten.quot;

Do Majordomus keerde terug mot den zilveren staf in de hand.

„Ik verzoek de heeren, mij te volgen voor hot aangezicht van onzen heer , Paus Gregorius ,quot; zeide hij do geexcommuniceerden naderende.

GREGORIUS VII.

Gregorius VII deelt hot lot van alle grootc mannen in do wereldgeschiedenis; want reeds zijne tijdgenoeten vertelden wonderlijke zaken van hem. Iljj zou van geringe afkomst en de zoon van een timmerman geweest zijn. Eens zou do kleine Ilildobrand bij zijn vader , toen deze aan het werk was, met krullen gespeeld hebben en die in den vorm van letters tot woor-

-ocr page 747-

137

den samengevoegd hebben. Een monnik, die daarbij gekomen was , zou liet spel van den knaap gezien en do bijeengevoegde woorden gelezen hebben ; „ Ik zal eens heerschon van zee tot zee.quot; Daarop zou de moi;-nik tot den timmerman gezegd hebben , dat zijn zoontje tot een uitstekend man zou opgroeien, dat het den Stoel van Petrus beklimmen en een Paus zou worden , zoo als er voor hem geen geweest was. Ten gevolge van deze voorzegging zou do arme timmerman den knaap ter school gezonden en wetenschappelijk hebben laten opleiden.

Het goheele verhaal is verdicht en blijkbaar naar do geschiedenis van het kind Jezus gevormd. Hillebrands' vader was geen timmerman, maar waarschijnlijk een voornaam man ; want Hildebrand bezocht de scholen te Clugny, waarheen destijds do hoogste standen hunne zonen ter wetenschappelijke vorming zonden.

Toch bevat hot sprookje van het wonderkind dos armen timmermans een gewichtige geschiedkundige waarheid, namelijk het geloof dor tijdgenooten, dat Hildebrand van zijn geboorte door do goddelijke Voorzienigheid tot iets groots bestemd en mot ongewone geestesgaven toegerust was.

Na het voleindigen zijner wetenschappelijke loopbaan te Clugny, kwam Hildebrand naar Rome, vergezelde later Paus Gregorius VI op een reis naar Duitschland, waar de schitterende talenten van den jeugdigen monnik do opmerkzaamheid van keizer Hendrik HI in hoogen graad trok. Na oen langdurig verblijf in Duitsch-land en Frankrijk keerde Hildebrand mot Paus Leo IX , opvolger van den overleden Gregorius VI, naar Rome terug, werd subdiaken en zaakwaarnemer van den apos-tolischen Stoel. Laatstgenoemd ambt gaf aanleiding tot het doorzoeken van het archief in het Lateraan en tot

-ocr page 748-

138

verwerving van dc kennissen, die voor den lateren Paus van liet grootste gewicht waren.

In hot jaar 1053 werd Hildebrand mot dc waardigheid van abt bekleed in het klooster van den H. Paulus te Eome. Maar de geleerde abt zon niet lang de stilte van het kloosterleven genieten. Leo IX zond hem als legaat naar Gallic ter bijlegging van do verwarringen , die hot gevolg waren der dwaalleeren van Bcren-garius. De legaat behandelde Berengarins op zulk een zachte, toegevende wijze , dat hij daaromtrent door velen gelaakt werd, liet gaf zelfs aanleiding tot de verdenking , dat hij met het gift dier ketterij besmet was. quot;Werkelijk maakten de liefderijke voorstellen en scherpzinnige terechtwijzingen van Hildebrand op Berengarins zulk een indruk, dat hij onderwerping beloofde.

Na den dood van Leo IX werd Hildebrand naar Hendrik III, keizer van Duitschland gezonden om dezen machtigen en invloedrijken vorst, die minder oen beschermer dan een verdrukker dor Kerk was, gunstig voor een goede Pauskeuze te stemmen. De kundige Hildebrand vond gehoor en droeg Gebhard voor, een neef des keizers en bisschop van Eichstildt, een god-vreezend en geleerd man. Do Salicr keurde het voorstel goed. Door de geestelijkheid en het volk in Kome gekozen , besteeg Gebhard onder den naam van Victor II den pauselijken Stoel.

Als legaat van den nieuwen Paus reisde Hildebrand naar Frankrijk en Duitschland ter bestrijding van de Simonie, het concubinaat en tot bevordering van een zedelijken levenswandel van vele geestelijken. De synoden vaardigden scherpe besluiten uit togen hat verderfelijk gift der Simonie. Op een vergadering te Tours gelukte het Hildebrand Bcrengarius te bewegen, dat hij openlijk zijne dwaalleeren herriep.

-ocr page 749-

130

Na don dood van Vistor II word door do bemoeiingen van Hildebrand weder een vroom , bekwaam man tot Paus gekozen, Nicolaas II. Dezen haalde Hildebrand , in hot jaar 1059 over, om een concilie van Latcranen bijeen te roepen , tot regeling der Pauskeuze.

De verbastering dier tijden had ook den geest en den vorm der Pauskeuze jammerlijk bedorven. Vaak beslisten niet de waardigheid, maar do macht en lage partijschappen. Hierdoor verviel de Stoel van Petrus in onteerende afhankelijkheid en werd bezoedeld door personen, die uit den bodem van vuige belangen en hartstochten opschoten. Hildebrand , intusschen cardi-naal geworden, gloeiend van ijver en vol geestdrift voor het zuiver gezag van den apostolischen Stool, spande al zijn krachten in, om aan die schandelijke toestanden oen einde te maken. Hij wilde de Kerk vrij maken van de vernederende dienstbaarheid ; de zedelijkheid der geestelijkheid en hun ijver voor het rijk Gods wilde hij verbeteren. Niet moeilijk viel het hem , Paus Mcolaas voor zijn edel streven to winnen.

Do Paus opende hot concilie van Latcranen mot de volgende aanspraak;

„Gij weet, geliefde broeders en mede-bisschoppen, welke rampen na den dood van Paus Stephanus X, onzen voorganger , do Roomseho Kerk getroffen hebben. Opdat in hot toekomende dergelijke rampen niot voorkomen , bevelen Wij , gesteund op de uitspraken onzer voorgangers en andere H Vaders , als volgt: — Is een Paus gestorven; dan moeten voor alle anderen do car-dinalen vergaderen en na wettig overleg tot de keuze overgaan. Dit moet geschieden met inachtneming van do oerbewijzingen en voorrechten van onzen geliefdon zoon Hendrik, die tegenwoordig koning is, on later mot Gods hulp keizer zijn zal , tengevolge van do af-

-ocr page 750-

140

spraken, die Wij met den kanselier van Lombardije, Wibcrt, zijn gevolmachtigde , getroffen hebben. Ook moet in hot vervolg op dezelfde wijze acht geslagen worden op de voorrechten der opvolgers van Hendrik, in soo verre zij persoonlijk hij den apostolischen Stoel om deze bevoegdheid verzoeken.''''

„Opdat do zonde van omkoopbaarheid voor altijd uitgeroeid worde, moeten in do eerste plaats genoemde cardinalen in overleg met onzen zoon Hendrik de keuze behandelen. In de tweede plaats zullen dan de overigen doel aan de kouze nemen. Zij moeten evenwel den Paus kiezen uit den schoot der Eomeinschc geestelijkheid zoolang onder deze oen waardig persoon te vinden is. Slechts dan, wanneer dit niet het geval is, mogen zij hunne oogen op loden eener andere kerk laten vallen.quot;

„In geval de boosheid van slcchto menschon het onmogelijk maakt, in do stad zelve oen vrije, zuivere keuzo te doen , die door geen omkooping ontoerd is , hebben genoemde cardinalen do volmacht, — al zou hun getal nog zoo klein zijn , — op een andere plaats, die zij geschikt oordeolen , tot do keuze over te gaan.quot;

„Wie tegen dit dooreet op oproerige en hoogverra-dorlijkc wijze gekozen, gewijd , op don H. Stoel geplaatst wordt, die zal niet als Stedehouder van Christus , maalais oen duivel, niet als Paus maar als oen afvallige aangezien , en met zijne aanhangers en volgelingen voor alhjd buiten do Kerk gesloten worden. ')

Hildobrands' bemoeiingen waren gelukt, do Pauskeuze was vrij. Geld , omkooping , geweld en andere hartstochten , zouden voortaan geen omvaardigon moor op don Stoel van Petrus brengen.

') Gfrörer, D. I , bl. 593.

-ocr page 751-

141

Ook do deelneming van den Duitschen koning was tot haar oorspronkelijke betcekenis teruggebracht, zij was geen recht, maar een gunst van don apostolischen Stool , om welke do heoren van zwaard en kroon moesten verzoeken.

Maar reeds do tweede opvolger van Nicolaas, Alexander II, moest aan den drang van ruw geweld toegeven. Bij een formeel verdrag moest hij aan het Salische hol' toestaan , dat do Uuitscho koningen het recht hadden , om do Pauskeuze te kunnen bevestigen of verwerpen. ') Toen Paus Alexander 11 don 21 April 1073 stierf, bowoes een voorval in wolk aanzien cardinaal llilde-brand bij het volk en de geestelijkheid stond.

Terwijl het lijk van Alexander begraven werd en de cardinaal daarbij de kerkelijke ceremoniën volbracht, stroomde hot Romeinsche volk , geestelijken , leoken , mannen on vrouwen bijeen on riep: „Hildebrand zij onze bisschop!quot; Do massa stroomde naar do kerk van don Verlosser waar juist do Ijjkplochtigheden ten einde liepen. Nauwelijks vernam Hildebrand de oorzaak van don oploop , of hij ontstelde lievig en spoedde zicli naaiden kansel, om door oen toespraak liet verlangen der menigte af te wijzen. Maar cardinaal Hugo Candidus, een sluw aanhanger van hot Salisch hof, kwam hom voor, besteeg don kansel en riep :

„Mannon en broeders! Gij weet, dat het deze Hildebrand geweest is, die sedert do dagen var. Paus Leo IX de Kerk in aanzien gebracht en hot Romein-sche gemeentewezen bevrijd hooft. Er is geen boter en waardiger persoon voor het Pontificaat, dan lijj. Kiezen wij hem derhalve, die u allen bekend en u allen dierbaar is, tot Paus.quot; 2)

') Gfrörer , D. II, bl. 63. — 2) Bonizo, bij Oefele II bl. 810.

-ocr page 752-

142

Intüsschcn waren , volgons do bcsluiton van liet concilie, do cardinalon , bisschoppen, presbyters en lovitcn vergaderd en deze hadden eenparig Hildebrand tot Paus verkozen. Nauwelijks vernam hot volk den uitslag, of hot nam den tegenstribbelenden Hildebrand op, bracht hom naar de basiliek in het Lateraan en plaatste hem mot geweld op den pauselijken Stoel.

Diepe droefheid en bekommering overvielen den gekozene , want zijn ootmoed was niet in staat de hoogste waardigheid der Christenheid te dragen, en zijne bescheidenheid meende, dat hij niet opgewassen was tegen de lasten eu plichten van het ambt van Opperherder. Dientengevolge schreef hij een brief aan koning Hendrik IV , waarin hij hem dringend verzocht , de keuze niet te bevestigen. Dit verzoek deed hij vergezeld gaan van een veelboteekenondo bedrei-

„Als uwe heerlijkheid mijne keuze des ondanks bevestigt ,quot; schroef hij , „weet dan wel on bedenk , dat gij aan mij oen strengen, onverbiddelijken wreker van elke misdaad zult vinden.quot; l)

Toen de Duitsche bisschoppon do verkiezing van Hildebrand vernamen-, beving velen van hen een panische schrik. Want zij kenden de zedelijke strengheid van den nieuw gekozene en diens vurigen ijver voor Gods zaak, en zij vreesden, dat hij , tot Paus gekozen , hen allen wegens plichtverzuim ter verantwoording zou roepen. Daarom bestormden zij den koning met verzoeken , de keuze, welke zonder zijne goedkeuring geschied was, voor nul en van geonor waarde te verklaren. Zij deden namelijk uitkomen, dat de koning, als hij dezen doordrijver op den Stoel van Petrus duldde.

') Gfrörer, D. II, bl. 38G.

-ocr page 753-

143

weldra zou ondervinden , hoe hij zich zclvon oen roede gebonden had. ')

Toch keurde de koning in zijn sluwe berekening do keus goed.

Een veeljarige ondervinding had hot Salische hof geloerd , dat do Stool van Petrus zicli van de afhankelijkheid van den Duitschen troon wilde vrij maken en de vrijheid der Kerk wilde bevechten. Evonzoo wist het Salische hof, dat de leider van dio richting cardinaal Ilildebrand was. Doch de Pausen hadden sedert Victor II slechts geduldig het brutaal geweld tegenstand geboden, zich hsrhaaldelijk voor de stormen gebogen en gunstige tijden afgewacht. Hendrik IV, even heersch-zuchtig en trotsch als moedig in den strijd, wilde met één slag den twist beslechten en den Eoomschen Stoel volkomen afhankelijk maken. Dewijl nu mannen als Victor II, Mcolaas II en Alexander II eiken heeton strijd ontweken en een beslissing onmogelijk maakten , wenschte do listige Saliër vurig den onverschrokken Ilildebrand tot Paus verheven te zien , omdat hij voorzag , dat deze zonder dralen een begin zou maken, om de zaken tot het uiterste te drijven. Dan wilde de koning met een sterk leger over de Alpen trekken , zego-vierend Rome binnen trekken , Ilildebrand van don troon stooten , een goedwillig gunsteling daarop plaatsen en er voor zorgen , dat de Pausen voor altijd gehoorzame dienaren van het Salische hof bleven. 2)

Om die redenen keurde Hendrik IV de keuze van Ilildebrand goed , die zich , bijna zeventig jaar oud liet wijden en den naam van Gregorius VII aannam.

Elk degelijk kenner «Ier geschiedenis zal volmondig bekennen, dat Gregorius VII een noodzakelijkheid voor

') Pertz V, 194. — ') Gfriirer, D. II, bl. 389 v.v.

-ocr page 754-

144

zijn tijd, dat hij van alle Pausen do onverschrokkcn-ste geweest is. De natiën bedreigden oplossing en verval ; want bedorvenheid en zedelijke ontbinding van boven begonnen de sterkste steunpilaren en natuurlijke dragers der maatschappelijke orde , do geestelijkheid op bedenkelijke wijze aan te steken, en zelfs verpestend door te dringen in de gezonde deelen des volks. En die machten der duisternis , welker sporen zich door de geheele geschiedenis der mensehheid vertoonen, steeds strijdend tegen het licht door den leugen, alsook tegen het goede door bedrog en zinnelijkheid, hadden toen ter tijd de vorsten aan zich gebonden , de Kerk onder 't juk gebracht en verspreidden hun helschen zwavelstank tot in liet heiligdom des Heeren.

Gregorius YJI kende do gevaren voor do beschaving, de zoden en het Christendom , even als lumne oorzaken , en hij maakte zich gereed om der mensehheid een redder to zijn, en den strijd te aanvaarden met de heerschendo machten der wereld.

Slechts een reuzenkracht, door den Allerhoogste met geheel buitengewone geestesgaven toegerust, vermocht hot te wagen, een wereld binnen hare grenzen terug te voeren , en dit slechts dan , als zij geloofde aan do heiligheid barer zaak en vast vertrouwende op den bijstand van don Almachtige.

De leidende grondregels van Gregorius quot;Vil zijn duidelijk uitgedrukt in zjjn talrijke brieven en laten zich op do volgende wijze kort samenvatten.

„De Kork Gods moot vrij zijn van bepaalde invloeden der woreldsche macht.quot;

„De Kerk is nu zoo zondig , omdat zij riet vrij is omdat zij aan de wereld en aan de woreldsche mon-schen verbonden is. Haro bedienaren zijn de waren niet, omdat zij door de menschen dezer wereld zijn aangesteld en

-ocr page 755-

145

slechts door done zijn, wat zij zijn. Daarom hebben do gezalfden van Christus, die opzieners der gemeenten hoeten , zondige begeerten en hartstochten ; daarom streven zij slechts naar het aardsche. Daarom bestaat onder hen, bij welke de vrede Gods moest wonon, twist en tweedracht, trots, hebzucht en afgunst. Daarom wordt door hen do Kerk zoo slecht bestierd, omdat zij in do wereld naar weroldscho dingen haken, in onderworpenheid aan den keizer doen, wat den keizer behaagt, als Staatsdienaars en in dienst aan den vorst verbonden, van do Kerk vervreemden.quot;

„Derhalve moet de Kerk vrij worden, en dit wel door haar zichtbaar Hoofd, door don eersten der Christenheid , door do zon des geloofs, don Paus.quot;

rDe Paus bekleedt de plaats van God; want hij bestuurt diens rijks op aarde.quot;

„Even als do zaken der wereld, zaken des keizers zijn , zoo zijn de aangelegenheden van God , aangelegenheden des Pausen. Derhalve moot de bedienaar des altaars zich vrij maken van de banden der wereldsche macht.quot;

„De wereld is thans bedorven , de eeuw een ijzeren eeuw, de Kerk allerwege verdrukt. Hare dienaren leven zondig en moeten zich beteren en bokeeren. Van het Hoofd der Kerk moet do verbetering en vernieuwing uitgaan. Dit Hoofd moet het boozo den verdelgingsoorlog verklaren , den vrede dor wereld stichten. Allen , die om recht on deugd verdrukt worden , moet de Paus bijstaan , vervolging en kommer mogen hom van dit heilig dool niet terughouden.quot;

„Wie de Kerk bedreigt, verdrukt of haar gewold aandoet is haar kind niet, maar oen kind dos duivels, en dus van haar uitgesloten.quot;

„Derhalve moet de Kerk vrij zijn, en alien in haar CAN. D. iii. 10

-ocr page 756-

146

onbesproken en rein. Dit te bewerken is het voornaamste streven van den Paus en zal liet ook zijn.quot; ')

Grondstellingen cn beschouwingen van dezen aard, ofschoon steunend op den geest van het Evangelie moesten natuurlijk een geweldige botsing met de bedorven elementen van alle landen te weeg brengen.

Bij dezen veelomvattendon strijd vergat Gregorius geenszins zijn plichten als vorst. De kroniekschrijver Wido, volstrekt geen aanhanger van Gregorius , maar van den tegen-Paus Clemens III, ontwerpt van den vorst der Kerkelijke Staten het volgende beeld.

„Sedert het oogenblik , dat Gregorius VII den Stool van Petrus beklom, besteedde hij al zijn zorg , om als getrouw bewaker van het apostolisch eigendom, do steden, dorpen , burchten en sloten van den Kerkelijken Staat te behouden , en al wat den heiligen Stoel afhandig gemaakt of met geweld ontroofd was, terug te krijgen. Tot dat einde verzamelde hij een groot aantal krijgslieden, niet uit ijdcle begeerte naar roem , maar met het plan , om de Koomsche Kerk, die verbazende verliezen geleden had door de Noormannen en naburige vorsten, weder aan haar rechtmatig eigendom te helpen. Weldra sloeg allen roovers van kerkelijke goederen de schrik om het hart. Italië stond verbaasd over het krijgsgeluk der pauselijke soldaten , die — ik zeg niet na verloop van ettelijke jaren , maar binnen weinige maanden, — onder dagelijkscho gevechten en marschen de verloren steden en burchten heroverden en de oproerlingen verdreven. Zoo kwam het, dat zelfs do stoutmoedigste en dapperste menschen den moed verloren , om zich in 't vervolg aan Roomsch kerkelijk goed te vergrijpen.quot; -)

!) Voigt, bl. 197—204. — 3) Gfrörer, D. VII, bl. 47G v.v.

-ocr page 757-

147

Vervolgens schildert Wido het privaat-leven van Gre-gorius , zijn onthouding en heiligen levenswandel.

„In weerwil van deze bezigheden , die hem do oorlog verschafte, vervulde Gregorius Vil de plichten des geloofs op het nauwkeurigst quot; gaat de kroniekschrijver voort. „Een vader der weduwen en weezen , een toevlucht van de verdrukten , oen quot;verdediger der armen, besteedde hij grooto sommen aan hot onderhoud dor bohoeftigen. Door vasten , gebed en studie werd zijn lichaam een tempel van Christus. Ofschoon hij tengevolge van bovonmenschelijke inspanning rust noodig had, overwon hij den slaap , en trotseerde hij honger en dorst. Mogen anderen, begeerig naar den naam van streng te leven, de gezelschappen vermijden , don omgang met vrouwen vluchten, mogen zij de steden verlaten en zich in de eenzaamheid afzonderen, in holen gaan wonen, zich met wortelen en kruiden voeden, — veel meer deed Gregorius , dewijl hij , in de uitoefening van zijn verheven bediening , te midden van wereldsch-gezinden, ja zonen der duisternis , als een heilige leefde. Ofschoon ik ooggetuige geweest ben, toch ben ik nauwelijks in staat te beschrijven, hoe vriendelijk hij jegens iedereen was. Onderhoorigen en hoeren, vorsten en onderdanen , zonen en vaders , mannen en vrouwen wees hij op de plichten , die een ieder volgens zijn roeping eigen waren. Door zijne vermaningen werd jong en oud gesticht, het bewustzijn der waarde van eiken stand opgewekt, de verstandelijke vermogens verheven, de zinnelijkheid binnen hare grenzen teruggevoerd, en niemand, die hem verlangde te spreken, ging ongetroost of zonder goede indrukken naar huis. Dagelijks hoorde hij de H. Mis of droeg die zelf op, en verbazend was het, om te zien, met welke godsvrucht en diepe ontroering, tot tranen toe bewogen , hij zich mei; God bezig hield.quot;

10*

-ocr page 758-

148

„Hij vastte eiken dag tot aan den avond, dan at hij een weinig. Zoodra de pauselijke waardigheid zulks vereischte ontbrak het aan zijne tafel niet aan glans. Dan waren de tafels met kostbare spijzen, met wildbraad van allerlei soort, met tam en wild gevogelte bedekt. Terwijl evenwol de genoodigden zich in dien overvloed verheugden ,*gebruikte hij slechts wat hij gewoon was: tuinvruchten, erwten, in water gekookte groenten.quot; ')

Zulk een loven van onthouding en strenge godsvrucht te midden van aardschen luister, op don hoogsten trap van aardsche eer, kenmerkt den heilige.

Vizioenen Schijnen Gregorius niet vreemd geweest te zijn; want zij waren algemeen bekend. Hendrik IV en zijne hofbisschoppen trachtten dit wonderbaar verkeer van den heilige met de onzichtbare wereld verdacht te maken, wijl zij op do synode te Worms verklaarden: „Algemeen zegt men, dat Christus de Heer met Hildebrand spreekt en Hem zijn wil openbaar maakt, doch niet Christus spreekt mot hem , maar de duivel.

Insgelijks belasterden zij de wonderkracht van Gregorius door te zeggen , dat hij tooverij bezigde en steeds een boek over de zwarte kunst bij zich droeg.

De tooverkracht van Gregorius op allen , die in zijne nabijheid kwamen, was wonderlijk, zelfs op onbeschaamde , in het kwaad verharde menschen. Toen hij in hot jaar 1055 op oene synode te Lyon voorzat tegen Simonisten en gehuwde priesters, was ook een Simo-nistisch bisschop aangeklaagd en voor den rechterstoel gebracht. Door geld cn overreding had do Simonist zijn beschuldigers overgehaald on van hen verkregen ,

') Gfrörer, D. VII, bl. 477 v.v.

-ocr page 759-

149

dat zij do beschuldiging als verdicht zouden intrekken. Evenzoo kocht hij valsche getuigen om, die zijne om-schuld moesten bezweren. Toen nu de synode in de kerk vergaderd was , verscheen ook de bisschop , sloeg met trotsche verachting zijne blikken op de vergadering en riep mot zegevierende stem : „Waar zijn mijne beschuldigers ?quot; Hildebrand richtte zijn oogen op den ellendeling en zeide:

„Gelooft gij, dat H. Geest een persoon der Allerheiligste Drievuldigheid is.

„Ik geloof het!quot; antwoordde de aangesprokene.

„Zeg danging Hildebrand voort. „Lof en eerc zij den Vader, den Zoon en den II. Geest.quot;

„Eere zij den Vader , den Zoon enquot; —

Verder kwam de bisschop niet. Zijn stem stokte. Hij kon met alle moeite de laatste woorden niet uitbrengen. Hij ontstelde en viel op don grond.

„Gij hebt don 11. Geest willen beliegen , ongelukkige!quot; zeide Hildebrand op bestraffenden toon. „Beken uwe schuld en wees boetvaardig.quot;

Hij bekende zijne schuld en deed boete. Bij de aanwezige bisschoppen had dit voorval zulk een ontstelte. nis te weeg gebracht, dat nog zestien van hen zich van Simonie beschuldigden en afstand deden van hunne zetels. ')

mm

il #-0(,

Ms

-if

pp

I» 1

ï, ■ I

■f« f

Van deze verbazende macht over de geesten getuigt ook een ander man in zijne brieven, de H. Petrus Damianus. Deze cardinaal laat zich in een schrijven

„In uwe tegenwoordig

aan Gregorius VII aldus uit:

heid heb ik geen wil. Steeds gehoorzaam ik in alles, wat gij onderneemt, aan u. Ik ben, als het ware, een bliksemstraal in den strijd, dien gij onderneemt.'' 2)

■m

Gfrorer, D. I, bl. 572. — 2) Epist. II, 8.

liH

-ocr page 760-

150

En in een andereu brief zegt Petrus Damiaïuis van Gregorius : „Als een tyran, als een Nero , als een leeuw, heeft hij mij tot al , wat goed is, gedrongen, als een heilige satan heeft hij mij behoerscht.quot; ')

Uit deze plaats spreekt een zekere ontevredenheid

y

van Damianus tegen den Paus, waarschijnlijk tengevolge van herhaaldelijk afgewezen verzoeken. De H. Petrus Damianus wilde zich aan het openbare leven onttrekken , en zich aan den vrede van het kloosterleven overgeven , daarom smeekte hij van legation ontslagen te worden. Gregorius echter, die de verheven eigenschappen van Damianus waardeerde, wees telkens het verzoek van do hand, en bracht hom onder 't oog, dat hij in den strijd der Kerk tegen de machten der booze wereld moest volharden.

Gregorius had behoefte aan dappere moedige strijdmakkers ; want zijne hand legde de bijl aan den wortel der hoofdkwaal van dien tijd , en de sterke bracht zulke slagen toe, dat het niet anders kon of de giftplant moest sterven. Het ontzettende gevaar werd afgeweerd , dat tyrannieke vorsten en wereldsgezinde bisschoppen benovens zodeloozo popen van de Westersche Kerk een treurig spook maakten , gelijk aan de Byzan-tynsche, Eussisehe en elke andere, die niet op de Rots van Petrus staat. Gregorius had hare onteerendste boeien met den hamer van zijn geest verbroken. Zijn heilige ijver wekte de geestenwereld uit haar sluimering, en zijn woord en voorbeeld ontvlamde de harten voor den godsdienst en tot heldendaden zoo reusachtig, dat dergelijke nimmer op aarde geweest zijn en wellicht niet meer komen zullen ; want ook de kruistochten zijn het werk van Gregorius VII. -)

') Epist. I, 16. — 2) Damberger, D. VI, 1)1. 1067.

-ocr page 761-

151

VOOR DEN STEDEHOUDER VAN CHRISTUS.

Terwijl de Duitsche prelaten met onkatholieke plannen do bissclioppen van verschillende werekldceleu ergerden , vernam Gregorius VII de berichten zijner legaten , do bisschoppen Godofred van Parijs en Hugo van Die; want ook in Gallië had do Kerk een hevigen strijd met hot bederf. Het getal dor gehuwde geestelijken was zeer groot en het gift der Simonie was overal doorgedrongen. Bisschoppen verkochten niet alleen kerkelijke ■waardigheden , zij schonken ook kerkelijke goederen aan hunne zonen en dochters. En omdat do verbastering der geestelijken en hot godsdienstig verval te allen tijde verwildering van do lagere en hoogere standen ten gevolge hebben, zag men hemeltergende dingen , moorden en groote misdaden gebeuren. Zelfs pauselijke legaten werden overvallen , uitgeschud en zoo lang gevangen gehouden , totdat den gevorderden losprijs betaald werd of een banbliksem de roovers verpletterde.

Ook naar Gallië stak Gregorius zijn reddende hand uit, even als naar alle deelen der wereld. Zijne verzoeken , voorstellen , terechtwijzingen , bedreigingen en banbliksems bevestigden de wankelenden , bemoedigden de goeden, straften do boosdoeners. Aanhoudend kwamen en gingen zijne legaten. Maar de jeugdige en lichtzinnige koning Philips I , van Frankrijk, ondersteunde de ijverige bemoeiingen van don Paus niet — integendeel. Het slechte voorbeeld van den Duitschen

-ocr page 762-

152

koning had hem ook aangezet om don Stedehouder te bestrijden. Ook hij was omgeven van een groep bedorven hof bisschoppen, die den Koning voortdurend tegen don Paus opzetten en , die er op uit waren , om de reiniging van hot heiligdom en de uitwerkselen van de kerkelijke tucht tegen te gaan. Bij die diep gevallen hofgeestelijkon sloten zich de wereldsche groo-ten aan , welke do geboden van God en do Kerk mishaagden , die gaarne leefden naar de lusten van hun bedorven hart, die hunne vrouwen wegjoegen , bijzitten hielden of tegen de voorschriften van het Evangelie trouwden.' En deze veelsoortige ontaarding verzette zich uit alle macht tegen den reddenden en verzedobj-kenden invloed van den apostolischen Stoel. l)c verkeerde inblazingen van z:jne omgeving gehoor gevend , verbood koning Philips I do reizen van pauselijke legaten en verhinderde de provinciale synoden. ')

Mot een bekommerd hart vernam Gregorius VII dergelijke klachten en berichten, van Godofred en Hugo. Zichtbaar was de smart op hot gelaat van den grijzen Paus , herhaalde malen veranderde den bijna boven-aardschen glans zijner oogen in een vuur van heiligen toorn. -—- Hij zat op een stoel , die eenigo treden hoog stond , gekleed in een wit wollen gewaad, dat hem tot op de voeten hing. Op dit gewaad droeg hij een zeer breede roode stool , die met goud geborduurd was, aan den vinger had hij den herdersring. Onder de pauselijke kroon, die rond van gedaante was met kruis-wijze loopende gouden spangen , kwam het hoofdhaar van den grijsaard uit, dat nog witter was, dan zijn gewaad. Ofschoon klein van gestalte, lag op zijn wezen een onbeschrijfelijke majesteit en in zijn zwarte

') Damberger, D VI, bl. 850, v.v.

-ocr page 763-

153

oogen ecu weerglans van (lie reuzenkracht, welke de wereld bedwong. Zijn blik had iets overmeesterend , tooverachtig glanzend. Gerustheid van geest en diepe scherpzinnigheid, die alles doorgrondt en alles bevat, spraken uit zijn oogen , die uit een hoogere onzichtbare wereld in het zichtbare nederzagen. Do flauw- gebogen smalle nous , die bijna op do sprekende lippen afhing , en het vermagerde gelaat, gaven den grijsaard een stout en krijgshaftig voorkomen. Daarentegen speelden goedheid en welwillendheid om don mond , verbonden met een liefdevol vaderlijk lachje. Zijne stem was helder en welluidend. Voorzichtig en afgemeten waren zijne woorden. Het dagelijksch vasten tot den avond, de onthouding van vleeschspijzen en het beperkt gebruik van tuinvruchten , lieten de weelderige lichaamsvormen niet gedijen. Gregorius VII was buitengewoon mager en tenger, een volmaakt beeld van een streng godsdienstig mensch, beperkt tot de noodzakelijkste lichamelijke bestanddeelen, dio een genie zich tot woonstede had uitverkoren, zoo als God er nauwelijks een tweede op de wereld gezonden heeft.

De pauselijke audiëntiezaal was een hoog licht vertrek , welks muren versierd waren met schilderstukken en meesterlijk gesneden heiligenbeelden, welker middelpunt een groot kruisbeeld vormde. De inrichting was zeer eenvoudig. Een rij stoelen in een halven cirkel voor den troonzetel geplaatst, een lange werktafel, met vele perkamenten bedekt, een boekenkast mot lijvige folianten, en een • lessenaar, achter welken een subdiaken stond, die bijna zonder ophouden schreef.

„Ik kom over de aangelegenheid spreken van den Simonist Johoenus, heilige Vader !quot; ging Godefred voort, een oom van den beroemden held Godfried van Bouillon. „Deze Johoenus, die gehuwd is en eenige

-ocr page 764-

154

kinderen heeft, kocht van graaf' Alan den mijter van het bisdom Dol. Volgens den last van uwe Heiligheid, smeekte ik Johoenus dringend, afstand te doen van zijne waardigheid. Ik wees hem op de straffen onzer H. Kerk , alsook op de onmogelijkheid, ooit de bevestiging van den apostolischen Stool te verkrijgen. Johoenus echter , steunend op de macht van den graaf, verachtte niet alleen mijne waarschuwingen, maar hij ging zoo ver, zijne dochters kerkelijke goederen ten huwelijk te geven. ') — — En gelijk graaf Alan zijn schild boven Johoenus houdt, zoo stijft graaf Ko-bert van Vlaanderen de bedorven geestelijken , gehoor gevend aan de verderfelijke raadgevingen van den aartsdiaken Hubert van St. Pol. De onbeschaamdheid van Hubert gaat zoo ver , dat hij de legaten van uwe Heiligheid in openbare vergaderingen bestrijdt, de onthouding der geestelijken, onder luiden bijval van gehuwde geestelijken, een ondraaglijken last noemt. Op verscheidene plaatsen kwam het tot ernstige voorvallen. Te Kamerijk werd zelfs een man , die het waagde , de reinheid \ an den geestelijken staat te roemen en tegen de gehuwde priesters scherpe bewoordingen te gebruiken, in het vuur geworpen en lovend verbrand 2) — — Bisschop Isembert van Poitiers houdt niet op tegen de Kerk uit te varen,quot; ging de legaat voort, nadat hij een blik geslagen had op het perkament, dat hij in de hand had. „De kanunniken van St. Hilarion berooft hij van hun eigendom en hunne rechten. Bij de schriftelijke stukken , die ik uwe Heiligheid overhandigde , bevindt zich een uitvoerig vertoog dezer kanunniken. Naar mijn gevoelen, zijn die door Isembert verdrukte geeste-

') Bamberger, D. VI, bl, 902. — 2) Dambcrger, D. VI, bl. 958.

-ocr page 765-

155

lijken in hun recht. - Bisschop Isembert een gedienstig hoveling, veroorloofde graaf Guido van Poitiers met oen vrouw te trouwen, waarmede hij zeer na verwant was. Toen wij hem daarover, en wegens een ge-heele reeks van handelingen, die mot de kerkelijke canons strijden, volgens den last van uwe Heiligheid op een synode ter verantwoording wilden roepen, — overviel hij de vergadering gewapenderhand en liet ze door zijne krijgslieden uiteen drijven.quot; ')

De bisschop Godofred van Parijs had zijn rede ton einde. De lange keten van treurige verschijnselen, welke hij en bisschop Hugo van Die den Paus voorlegden , getuigden van do zedelijke verwildering van een groot gedeelte der geestelijke en wereldlijke groo-ten van Frankrijk.

Gregorius had lang zwijgend voor zich gezien. Vervolgens keek hij naar den bisschop Hugo van Die.

„Eerwaarde broeder,quot; zeide hij , „ik vertrouw zeer op uw veel beproefd doorzicht en wenschte wel een rondborstig oordeel over den koning van Frankrijk van u te vernemen. Hebt gij bevonden , dat hij aan mijne voorstellen en vermaningen , betreffende de Simonie en het huwelijk der priesters, met een oprecht hart gehoor verleent, of zijn de verzekeringen van Philips slechts holle klanken en huichelarij ?quot;

„Naar mijn gevoelen, heilige Vader, helt de koning sterk naar de linkerzijde over quot; antwoordde Hugo. „Zijn ooren staan steeds open voor Simonisten en gehuwde geestelijken, voor de vijanden der Kerk on van den H. Stoel. Met zich zeiven in tegenspraak, omdat hij zulks met den konings des hemels is , heeft hij mij, wel is waar schriftelijk , voor God verzekerd , dat hij

') Bamberger, D. VI, bl. 959.

-ocr page 766-

156

vurig verlangde bij te dragen, dat onze legatie haar loffelijk en prijzenswaardig doel bereikte, — maar bijna op hetzelfde oogenblik hoeft hij graaf Willem bedreigd, dat hij hem als vijand en oproerling tegen het koninklijk gezag zou beschouwen, als hij ons veroorloofde, in zijn land synoden te houden. Ook hoeft de koning allo bisschoppen met lijfstraffen en den dood bedreigd, als zij de synoden bijwoonden en decreten goedkeurden, welke maar eenigszins, volgens Philips' huichelachtige •bewering, ten doel hadden, den glans zijner kroon en van de vorsten zijns rijks te verminderenquot; ')

„De heerschappij van het rijk Gods is ongetwijfeld een aanranding van de heerschappij der goddelooze kinderen van deze wereldhernam Gregorius.

„Uwe Heiligheid mogen wij een verderfelijk plan niet verzwijgen , dat zoo noodlottig in zijn gevolgen is , en dat Philips voor heeftquot; begon de bisschop van Parijs. „Het beoogt een volslagen schisma , een scheiding van de Kerk van Gallië van den apostolischen Stoel. De koning van Frankrijk wil eiken legaat van uwe Heiligheid het land verbieden , onder bedreiging van lijfstraf en den dood. Ook zal aan eiken Franschen prelaat op zware straf verboden worden, zich naar Rome te wenden. Voor dit goddeloos plan heeft do koning reeds eonige vorsten van Gallië gewonnen , zooals den aartsbisschop Manasses van Rhcims, de bisschoppen Thetbald van Soissons ; Guido van Beauvais, Gerard van Kamerijk , Roger van Chalons, Ratbod van Noyon en Ivo van Senlis. Tevens spant het hof alles in, ook Willem, den koning van Engeland , voor dit goddeloos plan te winnen.quot; 2)

„Bestaat bij het meerendeel der Fransche prelaten

') Bamberger, D. VI, bl. 956. — 2) Damberger, D. VI, bl. 963.

-ocr page 767-

157

genegenheid voor een scheuring?quot; vroeg Gregorius.

„Wel neen , heilige Vader ! Nog minder bij de massa des volks antwoordde Godofred. „En menig wankelende zou niet voor de bekoring bezwijken , menig misdadiger niet zoo stout het hoofd opsteken , als uwe Heiligheid minder den weg der toegevendheid , dan dien van rechtvaardige strengheid bewandelen wilde.quot;

Gregorius keek den berisper verrast aan.

„Spreek duidelijk en onbewimpeld, eerwaarde broeder lquot; zeide Gregorius den bisschop bemoedigend aanziende.

„Zoo als u bekend is, heilige Vader spreken wij censuren en kerkelijke straffen uit over Simonisten , bij-zithouders en andere misdadigers, geheel volgens de bepalingen der canons. Gerechtigheid moet booswichten straffen , goeden beschermen, wankelenden van het slechte pad afhouden. Komt echter toegevendheid en verschoonende goedheid in de plaats van de gerechtigheid , dan worden de booswichten niet gestraft en de wankelenden niet van het slechte pad afgehouden. Omdat gij nu , heilige Vader , maar al te vaak diegenen vergiffenis schenkt, die uwe legaten moesten straffen , verliezen onze vermaningen hare kracht, onze bedreigingen hare uitwerking. Mocht toch uwe Heiligheid verhoeden , dat men zich smadelijk tegen ons verzet, dewijl Simonisten en misdadigers, als zij door ons veroordeeld zijn , zich naar Itoine spoeden en van daar , waar de gerechtigheid hen nog zwaarder moest troffen, vroolijk als ontslagenen terugkoeren.quot; quot;)

„liouwmoedigon vergiffenis te schenken, het geknakte

') Damberger, D. VI, bl. 957. De bisschop van Parijs was niet de eenige, die de toegevendheid cn vergevings-gezindheid van Gregorius laakte.

-ocr page 768-

158

riet niet te breken , boetvaardige zondaars met open armen te ontvangen , stemt overeen met de barmhartige ver-gevingsgezindlieid van onzen Heer, wiens onwaardige Stedehouder ik ben,quot; hernam Gregorius. „Veelgeliefde broeders !quot; ging hij vaderlijk vermanend voort. „Cre-draagt u manmoedig en verstandig. Al wat gij doet, geschiede met liefde en zoo , dat de verdrukten in u wijze verdedigers, de verdrukkers warme vrienden der gerechtigheid vinden. — Ik dank n voor uwe bemoeiingen, en den zwaren strijd, dien gij hebt moeten voeren, tegen de vijanden van het rijk Gods. De Heer zal u daarvoor beloonen met eeuwige goederen. Weliswaar, schijnen de machten der duisternis in alle landen ontketend te zijn. Van alle kanten bestormt de boosheid de Kerk en dezen Stoel. En waar is de Heer, wiens almachtige arm ons en zijn heilige instellingen beschermt? Schijnt hij niet te slapen in deze hevige stormen, die het scheepje van Petrus bedreigen ? Zoo schijnt het ons kortzichtige menschen werkelijk toe, omda; wij geen denkbeeld hebben van dien onmetelijken maatstaf, welke de Heer der wereld gebruikt en omdat voor ons Gods raadsbesluiten onnaspeurlijk zijn. God slaapt niet. God is do aJwijze almacht, die alles bestuurt. Trachten wij derhalve de berisping niet te verdienen : „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeioovigen ? Waar is uw geloof? Weest derhalve niet bevreesd en wordt niet kleinmoedig ! De poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Houdt manmoedig stand in den strijd, verzamelt rijke verdiensten en twijfelt niet aan de overwinning dor zaak van God.quot;

Hij zweeg stil. De glans week van zijn gelaat en de uitdrukking eener smartelijke aandoening stond op zijn aangezicht te lezen.

Omtrent alle twijfelachtige punten zult gij inlichting

-ocr page 769-

159

ontvangen ging hij voort. „Eenige gevallen , namelijk de geschillen met bisschop Carlman schijnen mij niet duidelijk. Omdat ik mijne zwakheid niet vertrouw, wil ik Gods bijstand inroepen en wijsheid afsmeekcn. Ook den raad onzer eerwaarde broeders , de eardinalen, wil ik vernomen. Tot wederziens , geliefde broeders , over eenige dagen !quot;

De Paus stond op. De bisschoppen knielden neder. Gregorius gaf hun den zegen en liet hen vertrekken.

Nauwelijks hadden de legaten de zaal verlaten, of de subdiaken las met luider stem van een perkamentblad. Dat de Duitsche bisschoppen van Osnabruck, Zeiz, Lausanne en Straatsburg, de opper-paltsgraaf llapoto , graaf Ulrich van Godesheim , paltsgraaf Thiet-mar en ridder Hartmaun volgen.quot;

De stem zweeg. Zij had namen genoemd, die de rampzaligste en gewetenlooste raadslieden van den Duit-schen Koning aanduidden.

Gregorius slaakte een diepen zucht en sloeg een droevigen blik naar hot beeld van den Gekruisigden. Hij keerde naar zijn troonzetel terug , waar hij in gedachten verzonken zat, totdat de deur openging en do Duitschers binnenkwamen.

De Paus was van alles aan het Salische hof nauwkeurig onderricht. Hij wist welken invloed de twaalf bloeddorstige monschen hadden, aan welker hoofd graaf Ulrich van Godesheim stond, en die elk oogenblik bereid waren , op den wenk des konings onschuldigen om het leven te brengen. Evenzoo wist hij , dat de bisschoppen van Osnabruck, Zeiz, Straatsburg en Lausanne , Hendriks' meest vertrouwde gunstelingen waren , op wier raad hij de Kerk bestreed, de zedeloosheid der gevallen geestelijken aanwakkerde en den schande-lijksten handel in kerkelijke waardigheden dreef. Van

-ocr page 770-

160

al die misdaden en gruwelen , die in Saksen gebeurden , waren de vertrouwelingen medeplichtigen. Do oude keizerin Agnes , moeder van Hendrik IV , die in een klooster te Rome de zware misslagen van haar vorig leven door strenge boete trachtte af' te doen , had toch aan den Paus vaak verzekerd , dat de verleiders en slechte raadslieden van haren zoon de meeste schuld hadden aan diens ongerechtigheden en misdaden.

Nu verschenen deze hoofdaanleiders voor Gregorius , die hen met bestraffenden blik ontving.

Vergelijkt men de scherpe tegenstelling tusschen de verhevenheid van Gregorius VII en de bedorvenheid dor hovelingen , dan schijnt do indruk natuurlijk , dien de plichtigen op den grijsaard moesten maken. Zijn go-heel wezen veranderde. Do vaderlijke goedheid week en oen scherpe strengheid verstaalde do lijnen van hot ovaal gelaat van Gregorius. Hij zette groote oogon op en wierp toornige blikken op de misdadigers. Daarbij omstraalde do witte gestalte een ontzagwekkende majesteit en een gezag, dat tot gehoorzaamheid noodzaakte, bekleedde den Stedehouder van Christus.

Merkwaardig was de indruk, dien de grijze Paus maakte op den somberen , moorddadigen Ulrich van Go-desheim. Aanvankelijk koek hij mot trotsche nieuwsgierigheid naar den veelbesproken „ Hill ebrand.quot; Hij stond stijf, met de hand aan het gevest van zijn zwaard , verkropte w'oodo op het gelaat. Maar do macht van het licht is veel sterker dan die der duisternis. Spoedig week de trots van den woesten graaf. Nauwelijks trof hem Gregorius' blik, uit welken men een verpletterend strafgericht voor den booswicht kon lezen , of hij sloeg zijn oogen neer. Een hevige gomoodsaandoening schokte zijne ledematen en hij viel mot de overigen op de knieën.

-ocr page 771-

161

Gregorius sprak goen woord , blijkbaar zich gewold aandoende, om den toorn te onderdrukken, die hem overviel bij bot gezicht van mannen, wier lijvig schul-denboek geopend lag voor zijn geest.

„Staat op!quot; zeide hij eindelijk op een toon van diepe droefheid.

Vervolgens ging hij op den troonzetel zitten en wees do geëxcommuniceerden mot de hand naar de gereed staande stoelen.

„Uwe daden en namen zijn mij wel bekend, maar uwe personen niot, met uitzondering van quot;VVernher van Straatsburgbegon de Paus na een korte pauze in de Duitsche taal. „Heb de goedheid, mij do togen-woordigen voor te stellen.quot;

Wernher noemde elks stand en naam.

„Bijgevolg is het Benno van Osnabruck geweest, ging Gregorius voort, „die gezegd heeft, dat gij enkel op bevel des konings hier verschenen zijt, en niet door berouw gedreven, om van den ban ontslagen en weder in do gemeenschap der geloovigen opgenomen te worden.quot;

Benno kuchte verlegen.

„Ik hoop , dat uwe Heiligheid die woorden niot al te letterlijk opneemt /' verontschuldigde bij zich.

„Niettemin bevatten de gebezigde woorden het wezen van uw geheele handelwijze , die daarop gericht is don koning meer te gehoorzamen , dan God ,quot; hernam Gregorius. „Gij komt niet, omdat gij gezondigd hebt voor den Heer , — niet omdat gij uwe uitsluiting buiten de gemeenschap der Kerk diep betreurt, — niet omdat gij don H. Petrus en zijn goddeljjken Meester vergiffenis wilt afsmeekon voor de misdadige scheuring , die gij voorhadt, — gij komt enkel , omdat de koning het gebiedt.quot;

CAX. i). ui. 11

-ocr page 772-

162

„Den koning tc gehoorzamen, is het gebod van Godantwoordde Benno. „Als ik juist hier nadruk op dit gebod leg, dan doe ik zulks enkel en alleen met het doel om uwe Heiligheid te herinneren aan de onbeschaamde overtredingen van dit gebod en wol voornamelijk door hen , die geroepen zijn , gehoorzaamheid aan de overheid te leeren.quot;

Gregorius keek den vrijmoedigen spreker, wiens oprechtheid hem gcnooge;i deed, verrast aan; want hij hadeen afkeer van huichelarij en hield van ronde taal. Ook verstond hij do beteekenis van Bonno's rede. Niet onbekend waren hom de schotschriften, die in Duitsch-land over hem rondgestrooid werden , die do zuiverheid zijner bedoelingen verketterden en hem als een heersch-zuchtig tyran afschilderden. Hij wist, dat een schaar hoofsche broodschrijvers reeds voor twintig jaar de vrijheid der Kerk aan het koningschap verried, dat zelfs bisschoppon zich aan de spits der ■vijanden van don Paus gesteld hadden , te weten Herman van Bamberg , Adalbert van Bremen , de gewetcnloo;ie opvoeder van Hendrik IV, Waltram van Naumburg en Benno thans bisschop van Osnabruck , destijds leeraar aan do keizerlijke hoogeschool te Goslar.

Nu was de grootheid van ziel van een Gregorius VII noodig om zich grootmoedig te verheffen boven do bergen van smaad, leugen en schandelijken laster, — onkel beoogde hij de beterschap en redding dor afgo-dwaalden en verlorenen.

„Ik heb het geschrift van Benzo van A'.ba gelezen,quot; begon de Paus na een korte stilte. „Benzo en diens strijdgonooton , tot welke ook gij behoort, hoor Benno , verwijten mij heerschzucht, verachting der koninklijke waardigheid en veel andere zaken , van welke ik mij onschuldig ken voor den Alwetende. Green boosheid ,

-ocr page 773-

163

maar onwetendheid en misleiding veronderstellende, verzoek ik u , heer Benno, mij vrij en frank de waarheid te zeggen. Toon mij aan , op welke wijze ,ik de verschuldigde gehoorzaamheid der onderdanen aan den Koning schokte of ondermijnde. Zoo als van zelf spreekt zult gij slechts do loer dor H. Schrift, de overleveringen der II. Vaders en do H. Canons tegen mijn doen en laten aanvoeren. Slechts deze kunnen tot maatstaf verstrekken voor den Stedehouder van Christus — maar niet do veranderlijke en bedriegelijke meeningen der menschen.quot;

Dezo houding van den Paus, dien zich Benno als een hardvochtig, hartstochtelijk man had voorgesteld en wiens gerustheid en vaderlijke goedheid hem nu ten hoogste verrasten, bracht den hofbisschop geheel in verwarring.

„Ik vraag u wel verschooning , heilige Vader, — ik wilde niet kwetsen !quot; stamelde hij.

„Huichelarij en veinzerij kwetsen, maar geen oprechtheid,quot; hernam Gregorius. „Ik mag u wel mijn plan blootleggen , om door wisseling van gedachten , door wederlegging van verkeerde meeningen, u en uwe volgelingen voor de waarheid te winnen. Zullen wij verbeterd en tot berouw over onze zonden aangespoord worden, dan is voor alles oen helder inzicht van de grootte onzer schuld noodzakelijk. Daarom herhaal ik mijn verzoek, dat gij mij mijn vergrijpen tegen het koningschap in het licht des Evangelie's aantoont.quot;

In hot gevoel van boosaardige kuiperijen tegen het Opperhoofd der Kerk, schoof Benno verward en ontsteld heen en weer op den stoel, blijkbaar radeloos , hoe hij do gestelde vraag zou oplossen.

Ook de overige bisschoppen kekeu, zich van hunne schuld bewust, voor zich, en de graven wachtten in gespannen aandacht den vorderen loop af.

11*

-ocr page 774-

164

„Uwe Heiligheid zal toch wel niet willen tegenspreken begon dadelijk Benno , „als ik zeg , dat de beschouwingen van de rechten der Duitsche koningen in het Lateraan wezenlijk veranderd zijn, sedert Gij de leidende raadsman der Pausen geworden zijt. Donk eens aan de dagen van Hendrik III. Deze roemrijke keizer verscheen hier te Home met de bewering: „God had hem de zorg voor de Kerk opgedragen , en omdat zij aan groote gebreken leed, was het zijn duro plicht, een doortastende zuivering van de geestelijkheid te ondernemen.quot; ') — Volgens deze beschouwing handelde Hendrik, en niemand sprak hem tegen. Hij plaatste op don Stoel van Petrus Pausen naar believen , en do Roomsche geestelijkheid, zoowel als het Eomoinscho volk , keurden dit goed. Gij daarentegen, heilige Va-dor , gij betwist dit recht der Duitsche kroon , — en gij zijt hiermede in openlijke tegenspraak met het verledene.quot;

„Toen keizer Hendrik III beweerde, dat God hem do zorg voor de Kerk had opgedragen , deed hij dit met hot zwaard in de vuist en volgens de onchristelijke grondstelling. „Macht gaat boven recht!quot; antwoordde Gregorius gelaten. „Wat echter een keizer zegt on beveelt in godsdienstzaken , kan onmogelijk voor den Paus verbindend zijn. Niet een of ander keizer, maar God zelf heeft het Opperhoofd der Kerk don regel van zijn handelingen en do grenzen zijner werkzaamheid voorgeschreven. Heb derhalve do goedheid en toon mij uit do H. Schriften, dat Jezus Christus, de stichter onzer H. Kerk, den keizer, of een andere wereldlijke overheid, de godsdienstige leiding , het onderwijs zijner zielen en do zorg voor zijne Kerk hoeft opgedragen.quot;

') Gfriirer, D. VI, bl. 40G.

-ocr page 775-

165

„In de TI. Schriften is ongchvijfeld een dergelijke plaats niet te vinden hernam Benno.

„Juist daarom,quot; hernam do Paus, „hebben keizers en koningen, hertogen en overheden niet hot minste jus in sacra, — geon recht in godsdienstzaken. Den II. Petrus en diens opvolgers gaf de Heer de macht om fe ontbinden. Do Pausen heeft Christus tot opperste herders in de Kerk aangesteld. Petrus is do rots , waarop de Kerk rust, — niet de keizer. Petrus heeft de volmacht, om do lammeren en de schapen, de geestelijken on de leeken te weiden, — nie? de keizer. Gebood een of ander machthebbende in godsdienstzaken , dan was dit oen zondige aanmatiging , — zondig , wijl zij in tegenspraak was met do instelling van Christus. Als ik nu tengevolge van een verkeerd gebruik en deszelfs verderfelijke, vernielende gevolgen de vrijheid der Kerk weerstreef, dan handel ik volgens de plichten van mijn ambt als Opperherder en in trouw tegen de geboden Gods.quot;

„Wij wagen het niet, leerstellingen aan te randen, die hun oorsprong aan do II. Schriften ontloenen,quot; zeido bisschop Eppo van Zeiz , een even ijverig kampvechter van de onbeperkte macht dos konings, als Benno. „Maar er staat ook een uitspraak des Hoeren in den Bijbel, die luidt: „Geef den keizer , wat des keizers i»!quot; En omdat men tegenwoordig dit gebod niet eerbiedigt, en den keizer de gehoorzaamheid weigert , daarom heerscht allerwege verwarring en verdorvenheid in het Rjjk. De tijding , dat Uwe Heiligheid het volk van den eed van getrouwheid aan den koning ontslagen had, heeft onuitsprekelijk veel onheil gesticht.quot;

„De tijding,quot; hernam de Paus waardig, „dat ik de Duitschers van den eed van getrouwheid aan den ko-

-ocr page 776-

166

ning ontslagen had, berust oven zoo op waarheid, als die wraakademende, bloedige brieven , welke Hendrik IV , door zijne raadslieden , als door mij geschreven , werden voorgelegd, met het boosaardig plan, den jeugdigen vorst tegen dezen apostolischen Stoel te verbitteren.quot;

Do hof bisschoppen zaten als door den bliksem getroffen en werden doodsbleek; want zij hadden gedaan, wat Gregorins daar zoo even streng gispte.

„Neen , — ik heb het volk niet van den eed van getrouwhora aan zijn koning ontslagen,quot; ging de Paus voort. „Maar ik moest den koninklijken misdadiger buiten do gemeenschap der Kerk sluiten. Hebben heilige bisschoppen niet hetzelfde gedaan? Heeft do H. Ambrosius keizer Theodosius den Groote niet uit do Kerk gewezen, omdat hij onmenschehjk strafte ? Of heeft Christus do macht van zijn Stedehouder om to ontbinden beperkt, tegenover de machtigen der aarde ? Spreekt op, — toont mij mijn ongelijk!quot;

De bisschoppen zwegen.

Verbaasd zaten de graven. Zij zagen diegenen verstommen , wier taal in den raad des konings zoo bepaald geklonken had, die zulke zware beschuldigingen tegen Hildebrand hadden ingebracht.

„Het woord dos Heeren: „Geef den keizer, wat des keizers is , — bevat toch blijkbaar de rechten der vorston,quot; zeide Benno na een kort stilzwijgen. „Do maatschappelijke orde is aan hunne zorg en hoede overgelaten. Ook de koningen bekleeden hunne macht door Gods genade.''

„En juist daarom zijn hunne rechten begrensd door beperkingen van hooger ordo ,quot; voltooide Gregorins. „Hebt gij reeds nagedacht over de grenzen van een onbeperkt, heidensch koningschap ? Hij keek naar den

-ocr page 777-

167

subdiaken. ,,Humbert, mijn zoon jquot; gobood hjj den geestelijke , „neem daar van do tafel de schriften van het Oude Testament cn geef zo aan heer Benno.quot;

Humbert deed , wat hem bevolen was.

„Lees als het u belieft in hot eerste boek der koningen het achtste hoofdstuk vierde verszeide de Paus. „Maar lees in de Duitsche taal, opdat ook de leeken het hooren on verstaan.quot;

Benno las :

„Do oudsten van Israël kwamen bijeen en gingen naar Samuël, den profeet, te Ramatha. En zij zeiden tot hem : Zie , gij zijt oud en uwe zonen bewandelen uwe wegen niet; geef ons een koning, opdat hij rechter over ons zij, gelijk alle volkeren er een hebben.quot;

Dit gesprek behaagde Samuël niet, omdat zij zeiden: Geef ons een koning , opdat hij onze rechter zij. En Samuël bad tot den Heer.quot;

„De Heer echter zeide tot Samuël: Luister naar de stem des volks in alles , wat zij u zeggen; want niet u hebben zij verworpen, maar mij , opdat ik geen koning kon zijn over hom. Naar de wijze van al hunno daden, die zij bedreven van den dag af, dat ik ze uit Egypte voerde , tot op dezen dag , waarop zij mij verlieten en vreemde Goden dienden , zoo doen zij ook mot u. Luister daarom naar hunne stem; neem hen echter tot getuigen , en zeg hun van het recht des konings , die over hen heerschen zal.quot;

„Daarop zeide Samuël alle woorden des Hoeren tot het volk , hetwelk van hom oen koning verlangd had en zeide: Dat zal het recht des konings zijn, die over u heerschen zal. — Uwe zonen zal hij nemen en op zijne wagens plaatsen , en tot voerlieden en loopers voor zijne wagens maken; en hij zal aanvoerders en bevelhebbers aanstellen. En uwe dochters zal hij als zalf-

-ocr page 778-

168

mcngstcrs cn keukenmeiden en broodbaksters voor zich gebruiken. Ook uwe velden en -wijngaarden cn beste olijfgaarden zal hij nomen , cn aan zijne dienaren geven. Bovendien zal hij tienden vragen van uwe velden en wijnbergen en die aan zijne beambten en dienaars geven. En uwe beste knechten en meiden cn jongelingen en ezels zal hij nemen en tot zijn dienst gebruiken. Verder zult gij hem tienden van uwe kudden geven, en gij zult zijne knechten zijn. Dan zult gij smeeken op dien dag voor het aanschijn van uwen koning , dien gij u gekozen hebt, en de Heer zal u niet verhoeren op dien dag , omdat gij een koning verlangd hebt.quot;

„Het volk echter wilde niet luisteren naar de stem van Samuel, veeleer zeiden zij: Toch niet ! Wij hebben nu eenmaal een koning , cn ook wij willen zijn , gelijk alle volkeren , cn onze koning zal ons oordcelen cn voor ons uittrekken, en onze oorlogen voor ons voeren.quot;

„En Samuël vernam alle woorden des volks en bracht die aan den Heer over.quot;

„He Heer zeide daarop tot Samuël: Luister naar hunne stom en benoem een koning over hen.quot;

Benno sloeg zijn oogen op en keek den Paus aan.

„Wat vindt gij in do voorgelezen plaats uit den Bijbel over het koningschap ?quot; vroeg Gregorius.

„Ik vind zeer uitgebreide rechten der koningen antwoordde Benno. „De koning heeft het recht van God ontvangen, om de zonen der onderdanen naar goedvinden te nemen, tot voerlieden, 'loopers, voetknechten , veldarbeiders, wapensmeden , of wat hem belieft te gebruiken. De koningen hebben het recht van God ontvangen om niet alleen do zonen, maar ook de dochters der onderdanen te nemen, om van hen

-ocr page 779-

169

keukenmeiden on iets anders te maken. Bovendien neemt de koning met liet volste recht en volgens de duidelijke woorden der H. Schrift het zaaizaad de opbrengst der velden van do onderdanen , hunne knechten , dienstmaagden, ezels on kudden. Gij daarentegen , heilige Vadoi , verleent gehoor aan de onrechtmatige klachten der Saksors en laakt don Duitschen koning , omdat hij dwangburchten voor den onbuigza-men trots aanlegde , omdat hij do zonen en dochters, de knechten en meiden, de akkers en weiden, bos-schen en allodiaalgoederen der Saksors nam en die aan zijn getrouwen schonk , waartoe hij toch van God de macht en het recht bezit.quot;

De Paus kook den bisschop aan met een nauwelijks merkbaar hoofdschudden.

„Is het recht van dusdanige koningen voor do volken oen zegen of oen tuchtroede ?quot; zoide hij. „Wat zijn do menschon geweest voor hunne ontaarding tijdens den torenbouw van Babel ? Waren er destijds koningen en rijken ? Neon! Allo menschon vormden eón groot huisgezin, welks hoofd God de Heer geweest is. Er waren geon voerlieden, noch voorknoch-ton, noch legers, geen oorlogen, geen bloedige naijver van verschillende natiën. Gelukkig leefden de monsehen in den vrede Gods. En deze schoone verhouding werd voortgezet in het joodsche volk. God was do vader en beschermer van Israel , totdat het afviel van don Heer en oen koning verlangde, zooals de heidenen bezaten. Ook de joodsche koningen vorderden volgens het recht der macht monsehen en dieren, zonen en dochters, have en goed dor onderdanen. Voor latere koningen was dit niet eens voldoende. Zij wilden zelfs in Gods heiligdom regeoren. Zij plaagden en verdrukten het volk op ongehoorde wijze. Zij dwongen de menschon

-ocr page 780-

170

hunne slaven te zijn en vorderden, nis lum recht, leven en eigendom ter bevrediging hunner onverzadc-lijke heerschzucht. Schijnt het niet, dat de menschen slechts geschapen zijn , om onderworpen aan do koningen te zijn? Waar is de oplossing van deze enkele vraag: do zedelijke veredeling en heiliging van don mensch ? — Gij hebt den zin van den bijbeltekst over hot wezen van een onbeperkt koningschap niet begrepen. Lees daarom het achttiende en negentiende vers van het tiende en het zeventiende en negentiende vers van het twaalfde hoofdstuk.quot;

Bonno las:

„Zoo spreekt do Heer, de God van Israël : Ik heb Israël uit Egypte geleid en u verlost uit dc handen der Egyptonaren en uit de hand van alle koningen, die u verdrukten. Gij echter hebt uwen God verstootcn , die u alleen gered heeft uit alle lijden en benauwdheden en gij hebt gezegd: Toch niet! Stel liever een koning over ons aan.quot;

„Weet en erken, welk groot kwaad gij voor do oogen des Heeren gedaan hebt , wijl gij een koning verlangd hebt.quot;

„Nu vreesde het gansche volk en Samuel den Heer zeer, en het geheele volk zeide tot Samuël : Bid voor uwe dienaren tot den Heer, uwen God , opdat wij niet des doods zijn; ja wij hebben bij al onze zonden nog die gevoegd „dat wij een koning voor ons verlangden.quot;

Gregorius viel den lezende in de rede met de vraag:

„Is u nu het wezen duidelijk van het koningschap, dat niet regeert in den geest der goddelijke wet, maar naar den zin van heidensche regenten?''

De bisschop van Osnabruck staarde ontsteld en zwijgend op de Bijbelwoorden.

„Vergelijk het Pausschap met het koningschap,quot; ging

-ocr page 781-

171

Gregorius voort. „JIct plechtige woorden , als een zegen voor de geheele mensehheid, hoeft Christus do Heer het Pausschap gesticht. „Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de macht dei-hol zal haar niet overweldigen. En u zal ik de sleutels des hemels geven. Alles, wat gij op aarde zult binden , zal ook gebonden zijn in den hemel; en alles wat gij op aarde zult ontbinden, zal ontbonden zijn in den hemel.quot; De grondslag der stichting van Christus op aarde, hot hoofd der goheole Kerk, is derhalve Petrus en ieder , die hem opvolgt in het ambt van Opperherder. — En toon de Heer na zijn Verrijzenis aan Petrus en de overige Apostelen verscheen bij het moer van Tiberias , vroeg hij hem: Simon, zoon van Jonas, bemint gij mij meer dan deze?quot; Dit vroeg hij hom driemaal, en toen zeide de Hoor tot Petrus: „Weid mijne lammeren, weid mijne schapen.quot; Lammeren en schapen, geestelijken en leeken, zijn derhalve gehoorzaamheid schuldig aan den Stedehouder van Christus. — Vergelijk de instelling van het Pausschap met die van hot koningschap , — welk oen onderscheid ! Als een beleediging , God aangedaan , wordt het verlangen der Jodon naar een koning afgeschilderd , — en den Paus stelt de Allerhoogste aan als opperste Herder aller geloovigen, als een man, wiens geestelijke macht tot den hemel doordringt, als hoofd zijner goddelijke instelling, welker bestemming hot is, te loeren, te zegenen , te redden, wat verloren was. God en Gods wet en maatschappij hebben de eerste aanspraak op den mensch en do Leider dezer zedelijke maatschappij, aan welke ook koningen onderworpen zijn, is de Paus.quot;

„Heilige Vaderzeide Eppo van Zeiz , „nimmer hebben wij aan hot opperste Herdersambt des Pausen getwijfeld of het bestreden.quot;

-ocr page 782-

172

„Toch hebt gij zulks gedaanhernam Grcgorius. „Op de synode te Worms hebt gij u aangematigd rechter te zijn over den Paus , gij hebt hom van zijn ambt ontzet. En gij , dos konings raadslieden, hebt niet dezelfde verontschuldiging als de andere bisschoppen, welke aan de schismatieke synode hebben deel genomen. Alle overige bisschoppen konden zeggen : quot;Wij waren gedwongen door de bedreigingen des konings! Gij kunt dit niet inbrengen ; want naar uwen raad luistert de koning.quot;

Hunner schuld bewust keken zij zwijgend voor zich.

„Erkent gij de grootte van uwe misdaad?quot; vroeg de Paus.

„Wij erkennen en betreuren dieantwoordde Bcnno.

„Ik kom op hot koningschap terug,quot; ging de Paus voort. „Sedert eeuwen zijn er ontelbare koningen geweest in do verschillende rijken der aarde, — maar onder die groote menigte zijn j?r slechts zeer weinigen die den naam van heilige verdienen. Daarentegen bevinden in de rij der bisschoppen van een enkele stad, namelijk in de rij der Roomsche bisschoppen, van de tijden van den Prins der Apostelen, Petrus, tot op heden honderd heiligen. Waarvandaan dat verbazend onderscheid. Daarvandaan, omdat do koningen en vorsten der aarde, naar ijdelen roem strevend, hun tijdelijk voordeel boven do eer Gods stellen, terwijl die bisschoppen, vol van den geest van Christus, het vlecschelijke ondergeschikt maken aan act geestelijke. De koningen macht verleenen in de Kerk; wil zeggen; Gods werk aan de bedervende menschenhanden overleveren en de instelling van den Alwijzen Jezus omverwerpen.quot; ')

') Gfriirer, D. II, bl. 407.

-ocr page 783-

173

Dg Paus zweeg en zijn scherpe blik las in de gelaatstrekken der geëxcomrauiiiceerden. Hij vond ei-volstrekt de gewenschtc erkentenis hunner dwaling en schuld niet in.

„Gij zegt, dat ik de rechtsmacht van den koning wil beperken, — toon die bewering met feiten.quot;

„Nadat uwe heiligheid verzekerde, dat gij het volk niet van den eed van getrouwheid hebt ontslagen, vervalt het hoofdbezwaar,quot; antwoordde Eppo van Zeiz. „Daarentegen spreken er vele feiten voor, dat gij beweert recht te bezitten in wereldsche zaken, — dat gij u zelfs in liijks-aangelegenheden boven den koning stolt.quot;

„Uwe rede is zeer rekbaar,quot; hernam Grogorius. „De Paus heeft slechts een geestelijke, geen wereldlijke macht; want Christus de lieer leert: „Mijn rijk is niet van dezequot; wereld.quot; Sedert eeuwen zijn de Pausen tevens wereldlijke vorsten over een land, dat hun door vrome en verstandige vorsten is geschonken, en hetgeen noodzakelijk is, ter handhaving der vrijheid van den pauselijken Stoel. Ofschoon nu deze beperkte wereldlijke macht der Pausen een gevolg van de geschiedkundige ontwikkeling en een leiding der goddelijke Voorzienigheid is, ontleent deze beperkte macht over een klein land haren oorsprong geenszins

iaan de onmiddelijke instelling van God, zoo als de alles omvattende geestelijke macht der Pausen, aan welke alle geloovigen van alle landen, standen en waardigheden onderworpen zijn. Daarom herhaal ik: de Paus heeft slechts een geestelijke macht over de ge-heele kudde , geen wereldlijke. Nimmer zal ik mij in de rechten van welken koning ook mengen, of die willen beperken.quot;aan de onmiddelijke instelling van God, zoo als de alles omvattende geestelijke macht der Pausen, aan welke alle geloovigen van alle landen, standen en waardigheden onderworpen zijn. Daarom herhaal ik: de Paus heeft slechts een geestelijke macht over de ge-heele kudde , geen wereldlijke. Nimmer zal ik mij in de rechten van welken koning ook mengen, of die willen beperken.quot;

Gregorius zweeg. De hof bisschoppen knikten toestemmend , den verderen loop afwachtend; want blijk-

-ocr page 784-

174

baar zwoeg de grijze Opperherder slechts , om onmid-delijk oen nieuw onderwerp toe te lichten.

„De geschiedenis leertging hij voort, „dat aard-scho vorston al te gaarne op het godsdienstig gebied overgaan en ook do zielen aan hun incnschelijken wil dienstbaar maken. Dientengevolge — moet de Paus po-testatem indi rectum in tempor alia hebben , — dat wil zeggen , de Paus heeft in het tijdelijke macht, in zooverre die noodzakelijk is tot handhaving en bescherming van het geestelijk welzijn der geloovigen. Misbruikt een vorst zijne macht tot onderdrukking van waarheid en recht, ter verbreiding van dwaalleeren , tot opstand tegen Gods zedelijke wereldorde: — dan is de Stedehouder van God verplicht en gerechtigd, tegen den vorstelijkeu misdadiger op te komen. Do vorst is gehoorzaamheid schuldig aan den Paus; want koningen heeft do Heer niet uitgezonderd , toen hij Petrus met de zielzorg over geestelijken en leeken belastte. De Kerk is de Moeder van allen, ook van de vorsten en wie de Kerk niet hoort, zegt Christus de Heer, houd dien voor een heidon on openlijk misdadiger. — Zegt eens , wat moest er worden van de koninklijke macht, werd zij niet veredeld en begrensd door Gods heiligen wil, door gerechtigheid en waarheid? Werd de macht der koningen geen willekeur en dwingelandij ? Daarom is het de plicht des Pausen en hij heeft er ook de macht toe, om de wijze van regeeren der vorsten na te gaan , opdat deze binnen de grenzen der gerechtigheid blijve en niet in despotisme ontaarde. En omdat Hendrik IV onze veeljarige vermaningen verachtte, — omdat hij wet en recht met voeten trad, — omdat hij zwakken verdrukte, de Kerk den oorlog aandeed, slechte menschen tot bisschoppen en abten verhief, — omdat hij de pest der Simonie en do zedeloosheid van

-ocr page 785-

175

de geestelijken met zijne macht steunde, — omdat hij op hemeltergende wijze het Saksische volk mishandelde , omdat hij door wellust en andere zware vergrijpen openlijk tegen God zondigde, — omdat hij door zijn voorbeeld en zijn bestuur alle banden der zedelijke orde verbrak, — omdat hij beproefde een scheuring in de Kerk te brengen en van een dienaar Gods een dienaar des duivels is geworden , — en omdat mij onwaardige het opperste Herdersambt verplicht voor het welzijn en de eeuwige zaligheid der geheele kudde te waken, — daarom was ik genoodzaakt tegen de onwettige regceringswijze van den Duitschen koning op te treden en hot verderf het hoofd te bieden. Het koninkrijk van Christus strekt zich over alle landen uit. Christus heeft niet geleden, om zijne kinderen prijs te geven aan de dwingelandij der machtigen , hij heeft geleden om hen te verlossen van alle slavernij. Apostelen en bisschoppen heeft Christus gezonden , hij heeft zijne Kerk gesticht, om alle jnenschen tot hun eeuwige bestemming te brengen door een braven levenswandel. Christus heerscht, Christus regeert. Voor alle christelijke vorsten is het Evangelie , de leer van Christus, het opperste wetboek. Vermoet zich een koning deze instelling van Christus omver to werpen, niet Gods wil, maar zijn menschelijken wil, als hoogste wet voor te schrijven , de onderdanen tot slaven zijner willekeur te maken, de Kerk in de boeien van slavernij te slaan — dan moet de Stedehouder van Christus vermanend en bestraffend zijn stem verheffen. Dit en niet moer deed ik tegenover den Duitschen koning. — — Nu vraag ik u: heet dit de rechtsmacht der koningen beperken, — of heet het den koning aansporen om van zijn rechten een geoorloofd gebruik te maken ?'J

rWij kunnen het standpunt van uwe Heiligheid niet

-ocr page 786-

176

niet betwistenantwoordde Eppo. „Maar hot onwetende volk is niet in staat, zich tot de hoogte dezer beschouwing te verheffen. Ziet hot, dat do koning afhankelijk is, dan ontzegt het hem trotsch elke verschuldigde gehoorzaamheid.quot;

„Dan is het do roeping en de plicht der bisschoppen en priesters het onwetende volk te onderwijzen hernam Gregorius. „De H. Paulus toch schrijft aan de Romeinen: „Elk mensch zij aan de overheid hebbende macht onderworpen. Want er is geono macht, dan bij God. Daarom , die de macht wederstaat, wederstaat Gods verordening.quot;

„Mag ik uwe Heiligheid doen opmerken,quot; zeide Benno, „dat dezelfde Schriftuurplaats togen u gebruikt wordt. Men zegt, de overheid is van God , niet van den Paus. Bijgevolg hoeft ook de Paus geen recht don koning to bevelen.quot;

„Zeer Juist!quot; hernam Gregorius. „Zoo lang de koning binnen hot gebied zijner macht wettig en rechtvaardig handelt, zal zich geen Paus het recht aanmatigen, om hem te bevelen. Maar wat zegt do H. Paulus verder? Waarop grondt hij den plicht van gehoorzaamheid aan do overheden ? Want zij is dienares van God/' zegt hij. Houdt nu de overheid op, dienares van God te zijn, wordt zij veeleer Gods vijandin, dan heeft ook de plicht van gehoorzaamheid opgehouden. Hebben de H.H. Apostelen niet in dien zin gehandeld? Heeft de H. Petrus aan de overheid gehoorzaamheid bewezen, toen zij hem gebood, het prediken achterwege to laten? Geenszins! „Men moet God meer gehoorzamen, dan de menschen,quot; heeft hij gezegd en hij ging voort met prediken. Heeft de H. Paulus de overheid gehoorzaamd, toen zij hem beval, het Christendom te verzaken? Hebben millioenen martelaren

-ocr page 787-

177

aan de keizers gehoorzaamheid bewezen , die hun geboden , aan de afgoden te offeren ? Neen ! Allen weigerden gehoorzaamheid , omdat de overheid ophield, een dienares van God te zijn. — Bijgevolg is dit verwijt ongegrond , in tegenspraak met het gedrag van alle Apostelen en heilige martelaars.quot;

„Heilige Vader,quot; zeide Benno, „wij vermogen niet langer den geest der waarheid te weerstreven, die uit u spreekt. Wij bekennen onze schuld. quot;Wij verzaken onze dwalingen. Wij bidden en smeeken u, ons van den ban te ontslaan en ons weder in de gemeenschap der Kerk op te nomen.quot;

„Deelt gij allen dat gevoelen?quot; vroeg Gregorius.

„Wij deelen het!quot; antwoordden de geëxcomnumi-ceerden.

De grijze Paus wendde zich tot de bisschoppen in de latijnsche taal, en begon op een zacht berispenden toon:

„Gij behoort tot de schaar van die uitverkorenen,quot; zeide hij , „tot welke de Heer gezegd heeft : „Zooals mij de Vader gezonden heeft, zoo zend ik u. Gaat en leert alle volkeren. En wie u hoort, hoort mij , wie u versmaadt, versmaadt mij.quot; — Hoe hebt gij aan die verheven waardigheid en zending beantwoord ? Hebt gij Christus gepredikt door woord en daad ? Waart gij voor het volk, dat u toevertrouwd was , goede herders, die hun leven laten voor de schapen ? Hebt gij door leer en persoonlijk voorbeeld getracht het rijk Gods op aarde te verspreiden r Waart gij onbesproken bestuurders van het rijk Gods, — vol geestdrift voor het goede , — rechtvaardig , ■- matig , — sober , — heilig? Met de diepste smart moet ik zeggen: — noen , gij waart voor het volk geen goede herders, maar gij strektet het tot ergernis ! Met Christus hebt gij door woord en daad gepredikt, maar Belial. Met het rijk CAN. D. iii. 12

-ocr page 788-

178

Gods hebt gij bevorderd, maar het rijk van den booze. Gunst en vriendschap van een aardschen koning hebt gij gezocht en gevonden door gevoelens , welke u van de vriendschap des hemelschen konings beroofden. Uw heilig ambt hebt gij verkocht en verraden aan de zondige lusten en het goddeloos streven van een man, van een koning, die het slechtste gebruik maakt van zijn hooge betrekking. O mijne broeders , — bedenkt uwe groote zonden en misdaden ! Hoe kunt gij bestaan voor hot aanschijn Gods ! Staat er niet geschreven: „Het is verschrikkelijk te vallen in de handen van den rechtvaardigen God ?quot; Daarom , mijne ongelukkige broeders, is er berouw en boete noodig! Barmhartig is de Heer voor allen , die hom zoeken.quot;

Hij zweeg, zichtbaar diep aangedaan. En deze smart van treurende vaderliefde op hot edele gelaat van den hoogepriesterlijken grijsaard doorboorde de ziel dor ontaarden. Terwijl Gregorius trachtte zich zeiven meester te worden , en zijne gemoodsaandoering te onderdrukken , vielen de bisschoppen op de knieën, hieven smeekend hunne handen op en riepen :

„Vergiffenis , heilige Vader , vergiffenis voor al, wat wij togen u misdaan hebben !quot;

„Ik vergeef u van ganscher harte !quot; zeide liefderijk do Paus. „Hoe zou ik voor persoonlijke beleodigingen vergiffenis kunnen weigeren , dewijl ik zondig mensch zolf dagelijks vergiffenis van God noodig heb ? Staat op , mijne broeders , — ik vergeef u !quot;

H'j keerde zich tot de graven en ging in de Duitsche taal voort:

„Gij zijt gunstelingen en raadslieden des konings! Hoe hebt gij gebruik gemaakt van die invloedrijke betrekking ? Waren uwe raadgevingen bezield en geleid door den heiligen Wil Gods ? Helaas neen! Tot

-ocr page 789-

179

vele misdaden, tot afschuwelijke euveldaden en vergrijpen waart gij de leidslieden en helpers dos konings. Bloed kleeft aan uwe handen, — het bloed van onschuldige menschen, die gij vermoord hebt. Vooral gij , graaf Ulrich vart Godesheim , gij zijt voornameiyk mct talrijke euveldaden beladen. „Godcshaat quot; noemt u het Duitsche volk zeer te recht ; want gij hebt God sedert vele jaren gehaat en zijn rijk verwoest. Gij hebt niet gehandeld, als'een christen, maar als een ongeloovige heiden, — niet als een redelijk mensch, maar als een duivel. — Hoe zult gij allen het strafgericht Gods ontgaan? Is niet de eeuwige verdoemenis uw lot, als gij in uwe boosheid sterft, zonder berouw, zonder boete , zonder verbetering des levens ?quot;

„Heilige Vader zeide de paltsgraaf Thietmar , „wij zijn tot elke boete en tot verbetering des levens bereid. Ontsla ons , smeek en wij u, van den ban

„Welaan zeide do Paus , allen , die oprecht hunne zonden biechten en daarover berouw hebben, zal en mag geen barmhartigheid geweigerd worden. Maar het is noodzakelijk , uwe langdurige ongehoorzaamheid en de ingewortelde gewoonte van zondigen, door het vuur der boete weg te nemen. Doen u uwe misdaden werkelijk leed , dan zult gij geduldig de kerkelijke straffen ondergaan , met welke ik uwe wonden denk te genezen ; want op mij , als Opperhoofd der gcheele Kerk , rust de verplichting , te verhoeden , dat gij door een al te lichte vergiffenis de groote en vloekwaardige schuld , die gij op u geladen hebt, als nietsbeduidend beschouwt/' ') „Zonder morren onderwerpen wij ons aan de vaderlijke voorschriften van uwe Heiligheid /' verzekerde Benno van Osnabruck.

1) Gfrörer, D. VII, bl. 570.

12*

-ocr page 790-

180

„Luistert dan wat ik verlang , dat gij tot uw heil doet!quot; zeide Gregorius. „Gij allen begeeft u onverwijld naar het klooster van den H. Paulus. Daar zult gij van elkander gescheiden worden. Ieder uwer zal een afzonderlijke cel bewonen. Gij zult den geheelen dag vasten en slechts togen den avond een weinig nuttigen. Gij zult op verschillende uren in de kapel bijeen komen, naar de betrachtingen van den eerwaarden abt luisteren en die ter harte nemen. Hebt gij veertien dagen deze geestelijke oefeningen gehouden, dan zal ik u van den ban ontslaan , — echter onder voorwaarde, dat gij met den koning niet omgaat, tenzij tot zijne beterschap.quot; ')

„God zij dank!quot; antwoordden do geëxcommunicecr-den , bogen zich voor den Paus en verlieten de zaal.

Do Paus stond biddend voor het kruisbeeld, totdat de deur weder openging, Spaansche prelaten binnenkwamen en groote beschuldigingen inbrachten over verdrukkingen der Kerk door Christenen en Sarraceenen. Op de Spanjaarden volgden Engelschen , vervolgens Oosterlingen, en zoo ging het tot aan d311 avond. Allo natiën der aarde brachten hun leed en klachten voor den Stedehouder van Christus , allen smeekten om hulp in geestelijk of maatschappelijk lijden.

Vaderlijk en doeltreffend waren Gregorius' vertroostingen en wijs zijne voorschriften. Geen bedroefde verliet hopeloos „den toevlucht dor verdrukten.quot;

Toen do audientiën afgeloopen waren , lagen bergen van kommer en zorg op de ziel van den heiligen grijsaard. Zijn gevoelig hart, zijn ijver voor het rijks Gods, leden onuitsprekelijk veel.

.Mijn God , — 0 mijn God, welke bevindingen ,

l) Gfrörer, D. VII, bl. 571.

-ocr page 791-

181

li I:;|h

welke gruwelen en misdaden !quot; riep hij smartelijk uit. „Waarvandaan komt deze hardnekkige macht der boosheid ? Heer , — bevestig en verbreid uw rijk ! Waarom wandelt het grootste gedeelte der menschen op den breeden weg, die ten verderve leidt ? In alle landen verheffen booswichten zegevierend hunne hoofden. Uwe Kerk , o Heer, wordt bijna overal beoorloogd en onderdrukt ! In de meeste rijken schandelijke verbastering der geestelijkheid, Simonie en onwettige samenwoning. En de wereldlijke grooten, zjj vreezen u niet, Almachtige , zij loven als heidenen naar hunne lusten. Uwen Stedehouder willen zij beletten, met de geloo-vigen te verkeeren , de kudde te leiden en te besturen. O gij sterke God, — sta op tot onze hulp !quot;

Hij stond eonige oogenblikken zwijgend voor het kruisbeeld. Vervolgens naderde hij den subdiaken. „Gij hebt weder drukke bezigheden gehad , mijn zoon !quot; zei-de hij. „Ga heen , rust wat uit! — Op het bepaalde uur zijt gij in mijne kamer.quot;

De Paus verliet de zaal , ging door eenige vertrekken en betrad de kapel. Het uur tot hot bezoek van het heiligdom scheen regelmatig hetzelfde te zijn; want kaarslicht verlichtte de schemering van het vertrek, en een bekleeden bidstoel stond gereed. Hij ging don bidstoel voorbij en knielde neder op do marmeren trappen van het kleine , smaakvol versierde altaar. Daar hief hij zijne handen op naar de gouden duif, die het

w

i ■ i

f?

Sll$

m , ifi ■ U

lil

Bi

11

li

; V i

i

H. Sacrament droeg. Door kommer ter nedergedrukt begon hij, met de woorden van den Psalmist zijne smart uit te storten voor den Heer, alsook om verlossing uit dit aardsche tranendal te smeeken.

„Uit de diepte roep ik tot u, o Heer ! God verhoor mijne stem , neig uw ooren tot de stem mijner smeekingen ! Gelijk het hert dorst naar de waterbronnen ,

1

f

-ocr page 792-

182

zoo dorst mijile ziel naar u , o God! Mijne ziel dorst naar God, naar den machtigen en levenden God! quot;Wanneer zal ik daar komen, om Gods aanschijn te aanschouwen ? Mijne tranen zijn mijne spijs dag en nacht, wijl men dagelijks tot mij zegt; „Waar is uw God ?quot; — Wat zijt gij bedroefd , mijne ziel ? Waarom bedroeft gij mij ? Vertrouw op God; want hij is het heil van mijn aangezicht, en mijn Verlosser.quot;

Zijne lippen bewogen zich niet meer , hij gaf zich aan overwegingen over en eindelijk was hij in zielsverrukking ; want zijn gelaat glansde en zijn geest was aan de aarde ontrukt. Zoo lag hij lang geknield, bewegingloos , als lichamelijk dood. Ku riep hem de heldere klank van een klokje tot hot bewustzijn terug. Gregorius stond op , verliet do kapel , ging een gang door naar een eenvoudig vertrek, waar hem een tafeltje met den gewonen maaltijd wachtte. Hij sprak den zegen uit, ging zitten en at groenten, brood en ooft. Dit deed hij haastig , als iemand , die door kleinigheden van belangrijke zaken wordt afgehouden. Vervolgens opende hij een deur en ging in zijn werkkamer , waar de subdiaken Humbert, gereed om te schrijven , achter een lessenaar stond.

De Paus liep peinzend eenige minuten heen en weer. Zijne gelaatstrekken werden ernstig en streng, zijne stappen grooter en sneller. Vervolgens bleef hij staan.

„Aan Isembert, bisschop van Poitiers!quot; dicteerde Gregorius. „Hoe ver gaat toch uwe vermetelheid? Gesuspendeerd door den legaat var. den apostolischen Stool , hebt gij het gewaagd, u het bisschoppelijk ambt aan te matigen en in onbeschaamden trots in ongehoorzaamheid en verachting van hot apostolisch gezag te volharden. Want toen Onze legaat en Uw overste, aartsbisschop Gozelin , met andere godvreezende man-

-ocr page 793-

183

quot;W -p

nen vergaderd was wegens graaf Willem van Poitiers

en zijne nicht, die hij tot vrouw wilde nemen , — ' ^ ,

derhalve toen zij gehoorzaam aan den apostolisehen Stoel, wegens een zoo gewichtige , door den christelij-ken godsdienst geboaen zaak, vergaderd waren , hebt gij hunne vergadering door uwe krijgslieden goddeloos uiteen doen jagen. Als gij dus niet binnen drie maanden voor Ons verschijnt om u te verantwoorden , zijt gij gesuspendeerd en geëxcommuniceerd. Insgelijks zijn allen in den ban , geestelijken en leeken , die aan dia misdaad hebben deel genomen.quot; ')

Humbert sloot den brief met het gebruikelijk formulier. Gregorius onderteekende. Na een weinig nadenken dicteerde hij verder :

„Gregorius, dienaar der dienaren Gods , aan Willem,

koning van Engeland! De Almachtige hoeft u uit hot stof getrokken , hij heeft u tot een groot vorst gemaakt;

voor deze weldaad zijt gij Jezus Christus dank schuldig.

Stoor u nimmer aan het voorbeeld van slechte vorsten.

De groote massa is overal bedorven en slechts weinigen onderscheiden zich door deugd. Des te grooter roem is het voor den dapperen soldaat onwrikbaar in den strijd te staan , als alle anderen rondom hem lafhartig vluchten. Do edelgesteenten, die het zeldzaamst gevonden worden , zijn de kostbaarsten. Laat de machtigen dezer aarde, verblind door overmoed en booze begeerten , in hot verderf loopen , zoek gij echter uwe grootheid in den ootmoed voor God , in de trouw aan den Stedehouder van Christus , en streef naar de eer ,

om aan de geboden des Evangelies te gehoorzamen ,

m

n

opdat de woorden der H. Schrift vervuld worden: „Wie boos is, zij altijd boos , wie onrein is , zij altijd on-

') Bamberger, D. VI, bl. 960.

i liv'i'-'

-ocr page 794-

184

rein ; — maar wie vroom is , zij altijd vroom , en wie heilig is , zij altijd lieilig.quot; ')

liet briefschrijven duurde voort. Er volgden brieven aan bisschoppen en vorsten van verschillende landen, en allen ademden een geest van heiligen ijver voor het rijk Gods. ïen slotte dicteerde hij voor den abt Hugo van Clugny dien merkwaardigen brief, welke een zoo helderen blik in het hevig bewogen ziehclcven van Gregorius VII laat slaan.

„Allerliefste broeder! Do noodzakelijkheid om dagelijks met lieden van alle natiën te verkeeren en de menigvuldige bezigheden beletten mij-, u, dien ik hartelijk lief heb, meermalen te schrijven: Ik bid u allen s) , smeekt met een vast geloof en een vurig gebed de barmhartigheid van den Almachtigen af, dat hij mijn hart naar zijn wil leide en mij te midden van den storm in do haven des heils voeve. Zoo groot zijn de beslommeringen en zorgen , die mij tor neder-drukken, dat mijne omgeving die niet eens overzien kan, en al overzag zij de grootte daarvan, dan was zij nog minder in staat die te dragen. En ofschoon de goddelijke Zaligmaker leert, dat ieder het loon voor zijn lijden zal ontvangen . en ofschoon er geschreven staat: „Ik had veel kommer in mijn liart, maar uwe vertroostingen , o Heer , vervroolijken mijne ziel —-zoo is het leven mij toch vaak tot last en de dood des vleesches het doelwit mijner gedachten. Als Jezus , de arme , die zich zeiven verloochend heeft, dö trooster , welke waarachtig God cn waarachtig mensch is, een behoeftigen de hand reikt, dan vervult hij diens hart met grooten troost , dewijl hij mij echter zijne genade onttrekt, ben ik diep bedroefd. Dagelijks sterf

1) Gfrörer, D. II, bl. 404. 2) De monniken van Cluguy.

-ocr page 795-

185

iiil

ik in mij zeh cn en herleef slechts in hem , terwijl mij al mijne krachten begeven. Zuchtend roep ik tot hem: „haddot gij Mozes en Petrus dergelijke Lasten op de schouderen gelegd, ook zij zouden er onder bezweken zijn. Hoe moet heü mij dan gaan, die, vergeleken met Mozes en Petrus , niets ben ? Neem om die reden zelf met Petrus liet herdersambt op u, of wordt niet toornig, als het herdersambt door mijne zwakheid te schande gemaakt wordt.quot;

„In dergelijke uren van bekoring vind ik nog eenigen troost in de woorden der H. Schrift: „Heer, ontferm u mijner; want ik ben zwak! Voor velen ben ik een raadsel, maar gij, o Heer, gij zijt mijn sterke helper.quot;

Hij hield eenige oogenblikken stil, vervolgens ging hij voort:

ill

„Ik wenschte, dat gij den geheelen omvang der wederwaardigheden kendet, die mij beangstigen, alsmede de zorgen, die mij dagelijks op nieuw bestormen en bijna ter nederdrukken, opdat uw hart door medelijden over mijne droefheden bewogen, zich voor den Heer in het gebed uitstorte, Jezus den Schepper en Bestuurder van het heelal voor mij smeekend, dat hij mij de hand reike en zich met zijne bekende goedheid over mij arme ontferme. Reeds menigwerf heb ik hem aangeroepen, gelijk Hij zelf dit voorschrijft, dat Hij mij uit dit leven wegneme, of dat Hij mij de kracht schenke, ton nutte van onze gemeenschappelijke Moeder werkzaam te zijn. Hij heeft mij noch uit mijne groote benauwdheid verlost, noch mij in staat gesteld, genoemde Moeder, die ik zooveel verschuldigd ben, heilzame diensten te bewijzen. Onuitsprekelijke smart drukt mij, en hoeft geheel mijn hart vervuld, omdat ik moet

;; :5. idil

zien, dat de Oostersche Kerk grootendeels van het

-ocr page 796-

18G

Katholiek geloof is afvallig geworden , 011 Itoo do oudo erfvijand allerwege Christenen doodt.quot;

„Richt ik dan weder de oogen van mijn geest op de stroken van het Westen, Zuiden of Noorden , dan bespeur ik bijna nergens bisschoppen , wier leven en wandel met de wet des Heeren overeenstemt, of die liet christenvolk in priesterlijke liefde en niet met we-reldsche eerzucht besturen. Nog minder vind ik onder de wereldsche vorsten dusdanigen, die de eer Gods boven eigen eer stellen of die gerechtigheid boven voordeel verkiezen.quot;

„Degenen echter, in wier midden ik leef, do Ko-meinen , Longobarden en Noormannen , zijn, gelijk ik hun vaak bestraffend voorhoud, in zeker opzicht, slechter dan joden en heidenen.quot;

„Keer ik eindelijk in mijn eigen binnenste terug, dan vind ik mij door den last mijner bediening zoozeer bezwaard, dat mij geen andere hoop op do zaligheid overblijft, dan de ontferming van Jezus Christus. Hield mij niet het troostend vooruitzicht staande , dat ik mijn leven tracht te verbeteren en de Kerk Gods grooten dienst bewijs, dan zou ik het in Rome niet langer uithouden.quot;

„Zoo leef ik dobberend tusschen dagelijks vernieuwde smart en hoop , die maar al te lang gerekt worden , door duizend stormen heen- en weergeslingerd, meer dood, dan levend. Dagelijks verwacht ik Hem , die mij tegen mijn wil naar Rome gevoerd heeft , en mij daar in voortdurendon angst gekluisterd houdt. Zeer dikwijls zeg ik tot Hem: „Haast u Heer! Draal niet, bespoedig uwe komst, toef niet langer , bevrijd mij ter liefde van de allerzaligste Maagd Maria en van den H. Petrus !quot; — Maar dewijl lofprijzing en geboden uit den mond des zondaars , niet spoedig gehoor vinden ,

-ocr page 797-

187

bid en bezweer ik u, dat gij hen zult aansporen, die ter wille van de verdiensten huns levens op verhooring mogen hopen ') , dat zij voor mij tot den Heer smeeken met die liefde , welke zij verplicht zijn de algemeenc Moeder toe te dragen.quot;

„Do almachtige God leide u en allo u toevertrouwde broeders tot de eeuwige vreugde in den schoot van den patriarch Abraham.quot; :)

Het was middernacht geworden en Gregorius' dagwerk afgemaakt. Humbert knielde neder. De Paus gaf hem den zegen en liet hem gaan. Hij zelf begaf zich naar zijne slaapkamer, bad de Metten en Lauden, legde zich vervolgens op de armoedige legerstede neder, en sliep spoedig in.

DE PELGRIMSREIS VAN WAZO.

Op hetzelfde uur, waarop de raadslieden en gunstelingen van Hendrik IV do lessen en vermaningen uit den mond van Christus' Stedehouder vernamen, zat Wazo met zijn drinkebroer Lantbert bij den wijn. Hij, die in stilte naar do hand van Godila dong, had werkelijk een gedeelte van zijn plannen vervuld; — hij* was gewasschen, had prachtige kleederen aan, in de gekamde haren welriekende oliën en in de zakken sterk riekende kruiden. Zoo kwam het, dat Wazo een verscheidenheid van geuren verspreidde, als een wandelende apotheek. Insgelijks oefende hij zich in fijne manieren

') De monniken van Clngny. — 2) Gfrürer, D. VII, bl. 428—430,

-ocr page 798-

188

on spreekwijzen, welke zijn plompe manier van doen en zijne ruwheid te nauwernood kondon verbergen. Het wenscholijksto en beste doel zijner belofte evenwel, dat geschikt was om van den verdierlijkten zuiper iets mcn-sclielijks te maken, beschouwde hij , als iemand die aan zinsbedrog lijdt. Wel liet hij den tweeden en derden morgendronk na, maar in de plaats daarvan versterkte hij den eersten morgendronk zoodanig, dat deze tegelijkertijd de volle hoeveelheid van don tweeden en derden bevatte. Daarvandaan kwam het, dat Wazo aan ontnuchtering niet beterde, zijn neus de koperkleur niet verloor en de hatelijke roode vlokken van zijn gelaat niet verminderden.

Ook Lantbert, de afvallige priester, de abt des ko-nings en de man van Ella, spreidde werkelijken vooruitgang in geestelijk verval en zedelijke bedorvenheid ton toen. Het bovenmatig gebruik var. wijn gaf aan zijn gelaat een hoogroode kleur en aan zijn gelaatstrekken een uitdrukking van domheid. Vroeger onder de tucht van zijn klooster een ijverig en nuttig monnik , was hij door de hoflucht van den Trifols en het voedsel van een richting, die dor Kerk vijandig was, bedorven. Tegenover zijn broodheer, wiens onderhoo-rige lieden en boeren hij wreedaardig afzette, overtrof hij zich zeiven in slaafsche gehoorzaamheid en karak-terloozc kruiperij.

„Hoor eens, drinkebroer,quot; zeide AVazo op misnoegden toon, „gij zijt, wel is waar, mijn rentmeester, mijn tolgaarder, mijn boerenbeul, — dat zijt gij, omdat ik het u gemaakt heb. Maar gij kwelt en martelt die lummels toch al te erg. Gisteren is er al weer een gestorven aan de slagen, die gij den hond hebt laten toedienen. Daartegen zou ik juist niets hebben, werd daardoor het getal slaven en hoorigen niet kleiner.quot;

-ocr page 799-

189

„Mot uw verlof, gestrenge heer, — ik laat alleen diegenen afranselen, welke niet betalen willen. Mag ik toegeven dat die vervloekte boeren zwaar en vet, de schatkist en de geldkisten van mijn gebieder echter licht en mager worden ? Mag ik dat ? Kan ik dat ?quot;

„Neen ! do schobberds moeten betalen , al moeten zij er ook huid en haar hij laten,quot; riep Wazo.

„Ook is het beter, gestrenge heer, dat de boeren schreeuwen, dan dat zij lachen. Gij kent het spreekwoord toch wel: Rustica yens , mala yens , mala flens, sed pessima ridens, — het boerenvolk is een slecht volk , slecht als het schreeuwt, maar het slechtst, als het lacht. Bijgevolg is een schreeuwende boer niet zoo gevaarlijk als een lachende.quot;

„Laat ze dan maar huilen onder de zweep, maar gij zult hen niet morsdood slaan , omdat dit mij schade berokkent,quot; hernam do graaf, zette de kruik aan de lippen en dronk mot lange teugen. — „De koning zal nu wel over do Alpen zijn ,quot; ging hij voort om den Hellebrand te misleiden. Hij zal den H. Vader alles beloven en bezweren, om maar van den ban vrij te komen, doch ten slotte zal hij niets houden , dan zijn gramschap. Let op , — de koning zal nog al zijn vijanden met voeten treden , — en daartoe zal ik behoorlijk helpen. Maar voor den pelgrimstocht naar Rome gaf ik hem geen duit, ofschoon hij mij daarom dringend gebeden heeft. Drommels, — het is een schande, dat die groote paap te Home zulke macht over koningen heeft!quot; riep AVazo uit, met de vuist op de tafel slaande. „Een smaad is het, dat een Paus vorsten en grooten kan dwingen om christelijk te regeeren. Wat is christelijk ? Een dwaasheid, — zeg ik! Mijn da-gelijksche morgendronk is mij meer waard, dan het ge-heele Christendom. Een vrij man moet zich niet bekreu-

-ocr page 800-

190

nen om Christendom en Evangelie , — hij moet leven en omspringen met land en onderhoorigen, zoo als hem goeddunkt.quot;

„Ik ben volkomen van uw gevoelen gestrenge heer,quot; bevestigde Lantbert.

„Hein zit aardig onder den pantoffel, hij moet maar zien, hoe hij er onder uit komt,quot; zeide Wazo. „Maar hij had niet meer moeten doen, dan strikt noodzakelijk is. Noodzakelijk was het echter niet, dat hij de waardigheid van burchtkapelaan aan de monniken van Klingen opdroeg. Hierdoor viel mijn mooi plan met Go-dila's vader in 't water. Den markgraaf had ik reeds zoo ver , dat hij de ergste dingen over dien vervloekten Siegfried geloofde; want wat ik hem vertelde, bewees ik door eeden en getuigen. Alles ging gemakkelijk , de eeden waren mijn, en de getuigen waren ook mijn, namelijk mijne slaven, die moeten doen, wat ik gebied. De domme markgraaf geloofde mijne eeden en mijne getuigen, en hij zou zijn dochter liever aan den duivel, dan aan dien hond van een voogd gegeven hebben. Daarop kwam de monnik Bruno van Klingen naar den Trifels, prees den markgraaf, die onderzoek deed, de vroomheid en ridderlijkheid van den achtbaren Siegfried, — en mijn mooi plannetje viel in het water. Gij hadt eens moeten hooren, welke grofheden mij de Sakser naar het hoofd wierp! „Onbeschaamde leugenaar, — schelmachtige lasteraar , — schaamte-looze schurk,quot; en andere fraaie benamingen meer moest ik aanhooren, wilde ik geene kennis maken met de vuisten van den woedenden Sakser. — Maar dat is niemendal! Zijne dochter moet ik toch hebben.quot;

„Ook Dedi slaat een geheel anderen toon aan,quot; zeide Lantbert. „Bjj do monniken in Klingen maakt

-ocr page 801-

191

hij zijn hof, hij heeft hen zelfs de bescherming des konings tegen iedereen toegezegd.quot;

„Dit kan ik den burchtvoogd niet wijten hernam Wazo. „Dedi handelt volgens het bevel van zijn meester , waartoe iedereen gehouden is— en hij keek zijn rentmeester mot grijnzenden blik aan.

De graaf werd in zijn gesprek gestoord door het binnenkomen van een man. Deze was geheel in berenhuiden gehuld. Op het hoofd had hij een kap van ottervel , uit welken een sterk gekleurd gelaat met een paar schelmachtige oogen keken.

„Zijt gij daar weder Gozewin ?quot; riep hem Wazo nieuwsgierig toe. „Was 't weer , zooals altijd?''

„Juist zoo , gestrenge hoor!quot; antwoordde Gozewin. „Landeck wordt dag en nacht bewaakt, alsof er een keizerin haar verblijf houdt. De burchtpoort is altijd gesloten , ook des nachts wordt do brug opgehaald. Isiemaiul mag er uit of in. Op zon- en feestdagen gaan do bewoners en do burchtwacht beurtelings naar de Mis in het sticht. Even voor negen uur verlaat de freule met hare kameniers den burcht , en wel onder het geleide van tien gewapende mannen. Zoo gaat het alle zon- en feestdagen.quot;

„En vergezellen haar telkens tien mannen ?quot;

„Telkens tien , — niet meer of minder. Gedurende twaalf zon- en feestdagen was dit het geval , en het zal wel altijd zoo zijn. Bevoelt het echter , mijn heer , dan zal ik nog langer op den loer gaan liggen.quot;

Ik zal er eens over nadenken, — ga nu maar hoen!quot; zeide do graaf.

De man met de berenvellen ging heen.

„Mag ik vragen, wat gij in 't schild voert, gestrenge heer ?quot; begon Lantbort, toen de gouwkoning , duister kijkend, mot de vingers op do tafel trommelde.

-ocr page 802-

192

„Gij zijt te nieuwsgierig , rentmeester !quot; antwoordde de graaf morrend. „Die schobberd van een voogd heeft de zaak fijn aangelegd , — hij laat de bevallige Godila bewaken , als een kostbaar kleinood. Met geweld kan men niet bij haar komen.quot;

„Volgens mijn gevoelen moet gij niet mot geweld, maar met goedheid uw geluk beproeven om naar hare hand te dingen , genadige lieer !quot;

„In goedheid naar hare hand dingen, •— gij zijt een gek ! Hebt gij niet gehoord, dat Landeck dag en nacht do poort gesloten houdt ? Wat praat gij dan van goedheid ?quot;

„Ik vraag u wel verschooning , genadige gebieder ! Niet alleen do burchtpoort, maar zelfs de deur van Godila's kamer is te openen. Volg mijn raad, dan zullen Siegfrieds' maatregelen uw dingen naar hare hand niet beletten.quot;

„Kunt gij dat klaar spelen ?quot; riep Wazo verrast.

„En nog wel zonder groote moeilijkhedenantwoordde de man van Ella.

„Zoo? Laat dan eens hooren, beste drinkebroer.quot;

„In de burchtkapel van Landeckbegon do gehuwde , „bevinden zich hoogst beroemde en heilige reliquieën, door koning Dagobert uit Rome daarheen gebracht. Het zijn overblijfselen van den H. Apostel Andreas, van de heilige martelaren Bonifacius en Lau-rentius, die onder keizer Diocletianus ter dood gebracht werd , alsook van den kerkleeraar Chrysostomus. Sedert oude tijden komen vrome pelgrims naar do burchtkapel, om do reliquieën te vereeren , en met het doel om de aangelegenheden hunner harten aan genoemde heiligen aan te bevelen. Nu raad ik u, dat gij een belofte doet aan die reliquieën en gij vindt zoo gelegenheid, om Godila te spreken , en hare hand te vragen. Dewijl

-ocr page 803-

193

gij de machtigste en rijkste lieer in de bergen zijt, zal zij zonder twijfel beide handen naar het onverwachte aanbod uitsteken.quot;

„Ja , — daaraan twijfel ik niet! Maar meent gij , dat de mannen van Landeck zullen mcencn, dat AVazo een domme ezel geworden is, en de belofte heeft afgelegd om een bedevaart naar do kerk dier heiligen te doen ? Dat zullen zij evenmin gelooven, als ik zelf, — en ik zou onverrichter zake voor de gesloten burchtpoort kunnen aftrekken.quot;

„Ook die zwarigheid is weg te nemen , gestrenge ! Gij kleedt u in prachtige, welriekende kleederen zooals het iemand van uwen rang betaamt, die uit gaat vrijen. Over die rijke kleederen trekt gij echter een lang pelgrimsgewaad , welks kap uw hoofd en aangezicht verbergt. Wijl niet zelden pelgrims naam en stand verbergen , kunt gij van deze gewoonte gebruik maken en dan den poortwachter onbekend blijven. Eerst dan, wanneer u volgens gebruik, de meesteres van den burcht, spijs en drank aanbiedt, moogt gij u bekend maken.quot;

„Drommels, — uw plan is voortreffelijk, vriend Lantbert!quot; riep Wazo. „Maar ik vrees, dat de rol van pelgrim mij zwaar genoeg zal vallen.quot;

„Maak u daarover niet bezorgdhernam de Simo-nist. „Ik zal u iu dezelfde kleeding als tweede pelgrim vergezellen en steeds het woord doen. Gij hobt niets anders te doen, dan mijne houding en bewegingen na te bootsen.quot;

„Meesterlijk, — top — het is gedaan!quot; riep AVazo uit, Lantbert de hand drukkende. „Dezen vollen beker op den goeden uitslag onzer pelgrimsreis.quot;

Beiden ledigden de kruiken tot op den bodem.

„Ha, — ha, — een kostelijke inval!quot; lachte de graaf.

CAX. D. iii. 13

-ocr page 804-

194

„Wanneer denkt g-ij Godila de blijde tijding te brengen?quot;

„Morgen reeds , — morgen , beste vriend !quot;

„Maar de pelgrimskleederen

„Liggen reeds sedert jaren klaar,quot; antwoordde quot;Wazo. „Een half dozijn zulke pijen worden bewaard van mijn vader af, wiens smaak in dergelijk zot tuig verbazend moet geweest zijn. Hij reisde naar alle mogelijke bedevaartsplaatsen en is stellig ook wel bij de reliquieën van Landeck geweest. Ook pelgrimszakken en lange reisstokken zijn er nog, — wij kunnen ons deftig opknappen.quot;

„Vergeet niet u toe te leggen op schoone aanspraken, in welke gij de vrijerij te pas brengt,quot; raadde Lantbert.

„Dat is al kant en klaar. Daarop lieb ik mij al sinds lang toegelegd. Ik zal spreken als de fijnste hoveling. Onverwijld moet mijn huisknecht de kleede-ren hier brengen, -— ik zal ze zelf nazien. Gij blijft natuurlijk van daag hier. Als het morgen gelukt moogt gij u op bruiloftspartij dood en weder levend drinken.quot;

Hij begon woest te lachen en ging de kamer uit.

Den volgenden morgen stegen Wazo en Lantbert te paard , om hunne bedevaart te beginnen. Een knecht droeg de pelgrimskleederen, benevens zakken en reisstokken. Een tweede knecht had een wijnvaatje achter zich op het paard gebonden en voor zich een mand met hammen, gezouten visschen en twee drinkbekers. Zij reden tot aan een gehucht van den graaf, dicht bij het gebied van het stift gelegen. Daar werden de paarden gestald, de pelgrimskleederen aangetrokken, ook werd er eerst duchtig gedronken.

„Neem u in acht, gestrenge hoer , en vergeet ons vroom voornemen niet,quot; vermaande Lantbert, toen Wazo den drinkbeker nogmaals vulde.

-ocr page 805-

195

„Gij hebt gelijk , eerwaarde vader! Men moet zich zeiven overwinnen, — ten minste voor een paar uren. — Gij echterzoide hij tot de knechten , „raakt den wijn niet aan. Vind ik bij mijn terugkomst, dat gij er van gedronken hebt, dan laat ik u beide ooren afsnijden/'

Na deze bedreiging verlieten de- pelgrims hot gehucht en gingen barrevoets.

„Zoo als gezegd is, — let maar op mijherinnerde Lantbert. „Boots mijne bewegingen, mijne houding , mijne kniebuigingen voor de reliquieön na. Do misleiding zal zoo volmaakt zijn, dat u iedereen voor den vroomsten bedevaartganger houdt, die ooit do gezegende reliquieön te Landeck bezocht.quot;

„Ja, — dat zal ik! Maar gij moet niet al te vele bewegingen en kniebuigingen maken, dewijl mij dat zeer lastig valt. Wie nimmer zijn knie buigt, gaat even gemakkelijk op liet hoofd staan , als op do knieën zitten. Dus niet lang op de knieën rondgekropen, — dat is eigenlijk ook niet noodig, dewijl wij toch de reliquieön onze vereering niet willen betuigen, maar Godila.quot;

„Volg mijn raad, heer graaf! Bid zoolang en zoo aaiulachtig mogelijk! En wat de aandacht betreft let maar op mij, volg mij na. Want Godila zal zonder twijfel ons bezoek aan de reliquieën mot hare tegenwoordigheid vereeren, zij zal ons bespieden. Vond zij li oppervlakkig en lichtzinnig , dat zou uw voornemen niet begunstigen. Bemerkt zij daarentegen in uw ge-heele houding de uitdrukking van groote godsvrucht, houdt zij u voor een ootmoedigen vereerder der heiligen , dan zal deze meening uw plan werkelijk in de hand werken.quot;

„Hot kan zijn ! De hulp mijner godsvrucht is echter

13*

-ocr page 806-

196

geheel overbodig, om do aardige Godila te krijgen. Zij neemt mij stellig ook wel zonder godsvrucht, — of liever : ik neem haar , de arme, de verlatene, ofschoon zij een godvruchtige is, en ik den reuk van godsvrucht niet dulden kan.quot;

„Ook hierin deol ik hot gevoelen van uw gestren- » geverzekerde. Lantbert. „ Voorloopig moeten wij ons naar de omstandigheden schikken. Zijn evenwel do wittebroodsweken mot do schoonste aller vrouwen voorbij , dan zult gij haar wel aan het verstand brengen , dat zij uwe godsdienstige beginselen moet aannemen.quot;

„Ja, — dan zal ik die afschuwelijke gewoonten van godsvrucht wel verdrijven antwoordde Wazo. „Van daag zal ik mij echter zoo vroom houden , dat iedereen op Landeck mij voor den 11. Benedictus houdt.quot;

„De kap maar ver over het gezicht getrokken , opdat men u niet voor den tijd kent,quot; vermaande Lantbert. „Zoo is 't goed ! Men kan van uw aangezicht niets anders zien , dan twee oogen.quot;

„Zoo is 't bij u ook , vriend Lantbert! Uwe oogen fonkelen in het donker, als die van oen nachtuil.quot;

„Ik zal mijn stem zoo veranderen, dat mijne Ella, haar niet eens zou erkennen. Gij spreekt geen woord , heer graaf! Al het overige zooals afgesproken is. —-Neem nu een deftigen gang aan, — kijk eens naar mij; want men zal ons van Landeck beloeren.quot;

In gepaste houding beklom het waardige paar den berg, welks helling graaf Wazo in pruttelende vloeken verwenschte. Voor de burchtpoort aangekomen, werden zij door den wachter aangeroepen.

„Wat verlangt gij?quot;

„Vrede zij met u, geliefde broeder in den Heer!quot; antwoordde Lantbert, het hoofd groetend buigende,

-ocr page 807-

197

een beweging, die Wazo getrouw nabootste. „Zooals gij ziet, zijn wij twee pelgrims, die een bedevaart naar de gezegende reliquieën beloofd hebben, welke zich in de burchtkapel bevinden, — namelijk tot de eerwaardige overblijfselen van den heiligen Apostel Andreas, van de heilige mar velaren Laurentius en Bonifacius en van den heiligen Kerkleeraar Qhrysostomus. Heb derhalve de goedheid, onze belofte aan den burchtvoogd bekend te maken, als gij ons niet onmiddeljjk de deur durft openen, opdat wij zeiven hem onze bede voorstellen.''

De burchtwachter Bero, die de naderenden geruimen tijd gade geslagen en hun wensch vernomen had, trok de schuif in de poort terug en beschouwde de vreemdelingen.

„Gij hebt de heilige reliquieën nauwkeurig opgesomd,quot; hernam de poortwachter door het Luginsland, „tot welke uit verre landen zoo vele bedevaartgangers komen, doch gaat voorbij, — gaat voorbij! Ik mag u de poort niet openen, omdat mij zulks verboden is.quot;

„Gij vergist u zeer, goede man!quot; hernam Lantbert. „Wie zou u kunnen verbieden, vrome pelgrims binnen te laten?quot;

„De poortwachter heeft gelijk,quot; antwoordde Boro, „Gedurende de afwezigheid van don heer van Landeck, mag hier geen vreemdeling binnengelaten worden.quot;

„Naar uw uitdrukkelijk en bepaald bevel te oordee-len, voert gij hier het bevel, geliefde broeder in den Heer !quot; zeide Lantbert.

„ Gij hebt het geraden. Ik ben de burchtwachter , aan niemand ondergeschikt, dan aan mijne meesteres Godila.quot;

„Is Godila wellicht de gemalin van den afwezigen slotvoogd?quot; vroeg de pelgrim, die van verre gekomen

-ocr page 808-

198

;jj

schopn, wijl hij met de toestanden op Landeck volkomen onbekend was.

„Dat niet, — toch is zij onze meesteres antwoordde Bero.

„Dan bid ik u in den naam van Jezus , geen pelgrims af te wijzen, die van verre komen met een Gode welgevallig doel.quot;

„Spaar uwe woorden, gij komt niet binnenviel Bero hem in de rede.

„Ik bid u, heer burchtwaehter , wees toch niet hardvochtig jegens vreemdelingen, die door een heilige belofte hierheen geleid zijn. Bedenk tevens, dat gij een zware schuld op uwe ziel laadt, als gjj ons belet een godvruchtige belofte te volvoeren.quot;

„Komt weer na de terugkomst mijns meesters.quot;

„Dan is het te laat, geliefde broeder in Christus ! Onze belofte heeft ten doel, de voorbede af te smceken van de H.H. Andreas, Laurentius, Bonifacius en Chry-sostomus voor het wel slagen eener gewichtige onderneming. Daarom bezweer ik u bij God en bij het heil uwer eigen ziel , stel onze bede ten minste voor aan uwe genadige meesteres Godila. Wijst zij ons af, dan zullen wij , hoewel noode, ons aan de beslissing uwer genadige meesteres onderwerpen.quot;

„Dat kan ik aannemenzeide Bero. „Wie moet ik bij mijne meesteres aandienen?quot;

„Onze belofte sluit tevens de verplichting in , onbekend te blijven,quot; antwoordde Lantbert. „Meld daarom twee vreemde pelgrims aan , bid ik u , die uithoofde eener gewichtige en belangrijke aangelegenheid een

do

hoogvereerde on gezegende reli-

pelgrimsreis naar quieën doen.quot;

Bero deed de schuif dicht en ging over het binnenplein naar den ingang van hot slot.

-ocr page 809-

199

Godila zat te werken in hetzelfde vertrek , waar Siegfried hare hand gevraagd had. Bijna onafgebroken dacht zij aan haren geliefde en vaak word zij door angst gekweld, dat hem op do verre reis een of ander ongeluk mocht overkomen. Om dit laatste van den bruidegom af te ■wenden , smeekte zij den Heer vurig, knielde dagelijks herhaalde malen voor de reliquieën, om Siegfried aan de bescherming der heiligen aan te bevelen. Zij ging nog verder. Volgens de loer der Katholieke Kerk over de geestelijke gemeenschap en de mogelijkheid om zijne verdienste aan ledematen van dezelfde familie over te dragen, vastte zij en gaf aalmoezen , om do verdiensten harer goede werken aan Siegfried toe te voegen , opdat do hoede en zegen des hemels hem mochten beschermen. Insgelijks maakte Siegfried bijna het uitsluitend onderwerp haror gesprekken uit. De verheven eigenschappen van den burchtvoogd leverden aan do bespraakte Oda een onuitputte-lijke stof, wat zij reeds honderdo malen had verhaald, had voor Godila telkens nieuwe aantrekkelijkheid. En als Oda het geluk zijnor terugkomst en het huwelijksfeest schilderde, straalde hot aangezicht der vorstendochter van onuitsprekelijke vreugde.

De kamenier was juist weer bozig met een dergelijke schildering, toen do burchtwachter binnen kwam en hot verzoek der pelgrims mededeelde.

„Wat mij betreft, ik mag de bedevaartgangers niot toelateneindigde hij , „want het bevel van mijn meester luidt uitdrukkelijk: „I^ocb mannelijke, noch vrouwelijke , noch geestelijke , noch wereldlijke personen mogen toegelaten worden !quot; Gebiedt echter mijne meesteres do deur voor de pelgrims te openen , dan gehoorzaam ik tocli aan mijn gebieder ; want ik moest zweren u in alles te gehoorzamen.quot;

-ocr page 810-

200

„Hielden zij dan zoo dringend aan , Bero ?quot;

„Zeer dringend, genadige meesteres ! Zij hebben gesmeekt in don naam van Jezus.quot;

„Dan zou het toch onchristelijk zijn, hen af te wijzen. Wat denkt gij, Oda?quot;

„Ik ben hot geheel met u eens, genadige meesteres! In den naam van Jezus moet men niemand te vergeefs laten bidden.quot;

„Ga heen, Bero, breng de vrome pelgrims boven,quot; gebood de vorstin. „Maar blijf in de nabijheid zoo lang de vreemden hier zijn.quot;

De burchtwachter gehoorzaamde met een stomme buiging.

„Geertruida beval Godila aan de tweede kamenier, welke ijverig het spinnewiel draaide, zorg op de gebruikelijke wijze voor de pelgrims, voor brood, zoetemelk en honig. — Waar zouden die vrome mannen van daan komen ?quot; ging zij voort. „Wij nemen deel aan hunne godvruchtige oefeningen. Wellicht zulleu zij ons tijdingen uit den vreemde brengen. Misschien hebben zij iets van mijn Siegfried gehoord.quot;

„Dat zou ik ook wenschen,quot; hernam Oda. „Sedert wij zoo trouw bewaakt worden , hooren wij niets meer van hetgeen in de wereld omgaat.quot;

De deur ging open. Do pelgrims kwamen binnen, Lantbert vooruit, die zich diep boog voor de slotvoogdes.

„Vrede zij dit huis!quot; zeide hij met veranderde stem. „Om aan onze belofte te voldoen , verbindt het zwijgen onze lippen. Sta ons derhalve toe, beste der vrouwen, do gezegende reliquieën te mogen naderen.quot;

Godila keek met de nieuwsgierigheid eens kinds naar de vreemde, vermomde mannen , met pelgrimszakken over de schouders en lange staven in de handen. Opmerkelijk schenen haar twee gloeiende oogen toe,

-ocr page 811-

201

die nit liot donkpr dei' kap van den een en op haar gericht waren en nog opmerkelijker scheen haar een mengsel van fijne geuren en sterk riekende specerijen , welke van dezelfde gestalte uitstroomden. Deze opmerkingen maakte zij in do korto oogonblikkon tusschen de aanspraak van Lantbert en hare ontmoeting.

„Ik dank u voor uwen groot, vrome man!quot; zoide do vorstelijke jonkvrouw, onbeschrijfelijk schoon in het gewaad van plechtigon ernst dat op haar zuiver wezen lag. „Ik bon wol is waar zelf hier vreemd . maar ik verheug mij, u welkom te heoten met dit Godo welgevallig plan en ik bevoel de aangelegenheid inijns harten aan uwe godsvrucht. — Volgt mij naar de gewijde plaats.quot;

Zij ging door de zaal en opende do deur der kapel.

Oda was op don wenk haror meesteres gevolgd, doch èlechts tot aan den ingang. Daar koorde zij schielijk om, spoedde zich door do zaal terug, ging in de voorkamer , waar zij Bero vond.

„Heer burclitwachtor, houd streng wacht!quot; vermaande zij. „De beide vermomden bevallen mij volstrekt niet; dat zijn geen wezenlijke pelgrims. Zij rieken zoo sterk als een hooizolder vol heidekruiden. En de eene heeft oogen in het hoofd als oen tijgerkat, zoo gloeiend en vurig. Daarom bezweer ik u bij uw loven , wijk niet van deze plaats, al werdt gij ook geroepen.quot;

„Ik zal wel zorgen , goodo Oda ! Ook mij bevallen de vreemdelingen niet. In weerwil van alle reukwerken en specerijen , stinkt mij toch iets van hen toe.quot;

„Let daarom goed op ! Ik laat de zaaldeur een weinig open staan, opdat gjj goed kunt hooron, wat daar voorvaltzeide do voorzichtige en koorde naar de kapel terug.

Daar lag Lantbert op de knieën , hot hoofd tot op

-ocr page 812-

202

den vloer pjobogoii en gebeden prevelend. Wazo bootste alles na , behalve hot geprevel, uit vrees, dat hem onvoorziens eenige hoorbare vloeken over de hardheid van do vloorsteonen ontsnapten.

Ook Godila knielde biddend op den achtergrond, terwijl Oda aan hare zijde de vreemdelingen wantrouwend bespiedde.

Na verloop van een kwartier uurs begonnen de knieschijven van den graaf gevoelig pijn te doen. Hij schoof onophoudelijk heen en weer. Om do zaak te verergeren moest hij de menigvuldige buigingen nabootsen , van welke Lantbert zijne gebeden deed vergezeld gaan.

„ Gloria patri et filio et spiritui sancto, sicut erat in principio et nunc et semper et in saecula saeculorum /' zeide do gehuwde , zijn hoofd tot op de trappen van het altaar buigend.

En toen Wazo , vertoornd en ontevreden met heftigheid de buiging nabootste, sloeg hij met het voorhoofd zoo op den trap van het altaar , dat hij ecnigo oogen-blikken suizebolde.

„Miserere mei, Domine, miserere mei, secundum may nam miser icordiam tuam!'' smeekte Lantbert.

Wazo schoof dicht naast hem en deed voor hot eerst een ruw onverstaanbaar gemor hooren , doorweven van smartelijk steunen en zuchten.

„ Gloria , — houd op , — patri et filio , — mijne knieën zijn als vuur , — et spiritui sancto , — het is niet om uit te houden , — sicut erat, — alle duivels, het is genoeg , — in principio et nunc et semper , — mijn rug breekt, — et in saecula saeculorum, — ik sterf van pijn!quot;

„Kyrie eleison, — heb geduld,quot; mompelde Lantbert. „Christe eleison, — denk aan hot kostelijk loon voor do pijnen , —• Kyrie, eleison, — houd vol !quot;

-ocr page 813-

203

te ■ Na een poosje werden Wazo's vloeken en verwen-in j schingen zoo bedenkelijk , dat zicli Lantbert gedwongen id i zag, de gekkestreken af te breken. Van den vloer opstaande, maakte hij voor de reliquieën een diepe 1 j buiging en verliet de kapel. Wazo kon slechts met do iu- | hulp zijner beide handen en niet aanmerkelijke inspanning van krachten op de boenen komen en volgde zijn ic- gezel naar do zaal.

)of ?! Wij danken u, genadige gebiedster, voor de goed

en . heid, dat gij ons den toegang verleend hebt tot de an ; overblijfselen van die heilige mannenzeide Lantbert.

„Moge de hemel, op de voorbede van do HJI. Andreas, in [ Laurentius, Bonifacius en Chrysostomus, ons smeeken

goedgunstig vorhooren.

•an ! „Gaat niet heen, vrome pelgrims,quot; bad Godila, „zonder u tot de reis eenigszins versterkt te hebben.quot; ;ig- | Zij noodigde de vreemden aan tafel, waar de vreem-ofd J dolingen de gebruikelijke spijzen wachtten. Voor den en- j zuiper Wazo was het niet de gemakkelijkste taak zijner rol zoete melk en honig te gebruiken. Zoo dikwijls hij 'wn i; ^611 beker aan den mond bracht, wat hoogst zeidon

gebeurde, overviel hem onwillekeurig een huivering, srst i „Mag ik n vragen of uw vaderland ver van hier is ?quot; van l zeide de slotvoogdes.

„Verschoon mij, edele gebiedster, dat ik uwe vraag ijne ■ nict beantwoorden kan , dewijl mij een belofte verplicht t is i; onbekend te blijvenantwoordde Lantbert. „Voor els, ; zoo ver ik weet, is mijn begeleider door een dergelijke — ■ belofte niet gebonden.quot;

ik | „Neen , — volstrekt niet!quot; antwoordde Wazo , de | gloeiende oogen op Godila gericht. „Toch zou het ge-)ert. I raden kunnen zijn onbekend te blijven , dewijl ik juist roor ï nioi; i'1 geur van heiligheid sta. Gij ziet toch , adelijke dame , dat ik mij voorgenomen heb , een vroom mensch

-ocr page 814-

204

to -worden. Het vloeken en andere slechte gewoonten lieb ik afgezworen en ik heb liet er op aangelegd , om een ridder van Christus te worden. Ik hoop , dat Gods lieve heiligen in den hemel vurig bij God zullen bidden , opdat ik mijn voornemen kan volvoeren.quot;

„Het is te hopen , dat uw goede voornemens gelukken , heer!quot; zeide Godila , wier begeerte om stand en naam van de vreemdelingen te weten niet gering was. rMet Gods hulp werd Saulus een Paulus, en als gij slechts een gering gedeelte hebt van het berouw, dat Saulus had , over bedreven zonden, dan kunt gij hem navolgen op den weg van christelijke verbetering des levens.quot;

„Inderdaad, — ik wil een Paulus worden!quot; verzekerde quot;Wazo en hij staarde met toenemenden gloed op do burchtvrouw. „Het kwaad, dat ik bedreven heb, wil ik boeten en de menschen dwingen, slechts goed van mij re spreken. Dewijl ik echter op mij zeiven niet vertrouw , zou ik gaarne voor mijn goede voornemens een getrouwe steun zoeken , — namelijk een god-vreezende vrouw. Denkt gij , dat ik wijs daaraan doe, edele dame ?quot;

„Ongetwijfeld!quot; antwoordde Godila lachend. „Een gade, die gehoorzaam voor God wandelt, zou u zeer te pas komen in oogenblikken van twijfel.quot;

„Wat ben ik daarover verheugd !quot; riep Wazo, zijn woesten lach schielijk onderdrukkend. „En ik zal voor haar een getrouwe gade een lieve man zijn , — dat kunt gij ge-looven ! Ik zal haar op de handen dragen en al hare wenschen bevredigen; want gij moet weten , edele dame, dat ik zeer rijk en machtig ben. Een vrouw moet het bij mij aan opschik en eerbewijzingen niet ontbreken. Het valt mij maar zwaar de hand eencr dame te vragen — ofschoon ik anders niet verlegen ben.quot;

v-|| |:

J|i

t i. H i |{

lil

-ocr page 815-

205

„Ja — wat zal ik u zeggen, ik vrees wel voor geen weigering ; want, — zooals ik zeide , ik ben zeer rijk en machtig. Maar , — tegenover degene , die ik meen ,

bezit ik juist geen grooten moed.quot;

Zij glimlachte. Do plompe manier van doen van dezen man leverde voor haar niet weinig belachelijks.

„Gepast naar de hand te dingen van een gade behoort toch niet tot die ongeoorloofde zaken, waarover men zich behoeft te schamen. Houd daarom moed zeide zij.

„Veroorlooft gij mij dat ?quot; vroeg hij.

„Ik? Waarom zou ik u dat verbieden?quot; antwoordde zij.

„Nu, edele Godila, dan vraag ik om uwe hand!quot;

zeide Wazo.

„Om mijne hand?quot; riep zij uit, blozend en meteen schalksch lachje. „Heer, — dat is verrassend! Wie zijt gij ?quot;

„Verblijd u, — rijk en machtig is uw vrijer; want weot, ik ben graaf Wazo !quot; antwoordde hij , do kap neerslaande.

Oda slaakte een kreet van ontsteltenis en liep van de tafel. Godila verbleekte, toen zij plotseling het ruwe, dierlijk grijnzende gelaat van don boruchten

tyran en moordenaar zag. '/ij zat bewegingloos en ^ §(

niet in staat een woord te spreken. ,

„Niet waar, freule Godila, zulk een geluk hadt gij

.

niet gedroomd? Ha, ha!quot; riep de zuiper lachend.

,

„Waarom valt u dat zwaar ?quot;

MUil

: tS |: i '' §

„Ja, — gij zult werkelijk de rijkste, machtigste, aanzienlijkste gravin worden. Het is geen scherts. Ik heb mij nu eenmaal in het hoofd gezet, u gelukkig te maken.quot;

?on (

„Heer graaf,quot; begon de vorstendochter op bestraf-

amp; V| J

-ocr page 816-

20G

fenden toon, „hoe durft gij hot wagen, uwe met bloed bevlekte hand naar mij uit te steken ? Zijt gij geen tienvoudig menschenraoorder en zijt gij niet in den ker-kelijken ban ? Met afschuw wijs ik uw aanzoek van de hand. Gij zult zonder toeven dit huis verlaten.quot;

„Hoe — wat?quot; stamelde Wazo, als uit de wolken gevallen.

Nu voelde hij een zware hand op zijn schouder.

„Graaf Wazo, hebt gij niet gehoord, wat gij moet doen?quot; zeide de burchtwachter. „Voorwaarts, —weg van hier !quot; gebood ruw de krijgsman, en toen de graaf aarzelde, duwde hij hem de zaal uit.

„Kom, genadige heer, kom, — verlaten wij deze plaats van dwaasheid!quot; smeekte Lantbert.

„Zwijg stil!quot; dreigde Bero door den toorn en gramschap ontsteld op het gezicht van den moordenaar zijns vaders. „Beschermde u het recht van gastvrijheid niet, — bij God! — mijn arme vader, c'ien gij gedood hebt, zou gewroken worden. De deur uit tyran ! Pak u weg, wreede booswicht!quot;

Met deze woorden stiet hij hem de poort uit.

Wazo liep razend en tierend den berg af.

„Hel en duivel!quot; schreeuwde hij. „Mij versmaden, -— mij ? Daarenboven mij uit het huis stooten, als een slaaf, — mij ? Ha , ha ! Goed zoo , — wraak! Ha, — ha — het is goed zoo! Wraak, — bloedige wraak!quot;

„Uwe wraak is niet ongegrond, genadige heer! Gij hebt recht tot wraak, dat uw toorn haar treffe, die u versmaadde. Maar hoe zult gij do onbeschaamde aan het lijf komen ? Zij zal niet te krijgen zijn.quot;

„Niet te krijgen? Gek — ezel — schapekop! Niet te bereiken ? Ik zal haar wel krijgen.quot;

Lantbert zweeg en waagde niet, te onderzoeken naar het wraakgierig plan. Eerst laat in den avond, toon

-ocr page 817-

207

Wazo zijn woedo trachtte to koelen in den wijn, onthulde hij zijn drinkebroer de boosheid van zijn voornemen.quot;

„De meid Godila,quot; zeide hij, „gaat eiken zon- en feestdag van den burcht naar het klooster om de godsdienstoefeningen bij te wonen. Ik zal mij met een sterke bende in een hinderlaag leggen, de meid opvangen en tot mijne slavin maken, omdat zij weigerde mijne gemalin te worden.quot;

„Een heerlijk plan!quot; riep Lantbert. Zij is de uwe, — het moot gelukken!quot;

„Ot het gelukken moot? Ha — ha! Ik zal op het duifje aanvallen, gelijk een valk op een patrijs. En ; terwijl mijne ruiters het handjevol voetknechten in de ; pan hakt of uiteen jaagt, pak ik de aardige meid om het lijf, bestijg met haar mijn paard — en heisa — weg met haar naar mijn burcht!quot;

IFt : V

ii-r r iï gt; |

■i! ; « rü

'r,:H M

V ; ^ |

-i' • H ' ,«! . .t

|:i|

■ gt;

til i

-,v m 1 $ 1

'81

t .a1-

y| i;

r i ■

öil li'

DE PAUS VERKEERT IN GEVAAR.

: f.

Bisschop Bucco van Halbcrstadt was eindelijk te Rome aangekomen. Zonder verwijl werden de gezanten van de Duitsche standen en van den Saliër door Gregorius ontvangen, en het Lateraan weergalmde van de voetstappen van geharnaste mannen. Graaf Mangold van Veringen, een vroom en krijgshaftig vorst, had een

% . M

iiwii

sterk gevolg van ridders, dat hem, om den glans der zending te verhoogen, in volle wapenrusting naar hot Lateraan vergezelde. Hierbij kwamen nog do uienst-

-ocr page 818-

208

mannen van Udo van Trier, Bucco van Halberstadt en Balderich van Worms, een uitgelezen schaar krijgers.

Terwijl de gezanten naar de bovenvertrekken gingen , wachtte het gevolg in do benedenkamers van hot paleis.

Alle gezanten waren rijk gekleed, doch ongewapend, mot uitzondering van graaf Mangold, die geheel en al gewapend was en wiens schitterende wapenrusting door de vertrekken flikkerde. Zoodra de Stedehouder van Christus de zaal binnenkwam, bogen allen de knieën. Voor de deur staande, de kroon op het hoofd , begroette de Paus de gezanten en ging zitten. Aan beide zijden van den troon zaten op lagere gestoelten vier cardinalen in bloedroodo kleederen, welker kleur moest aanduiden, dat zij bereid waren ter wille van het geloof hun bloed te vergieten.

De boden hadden plaats genomen op de stoelen, die in een halven cirkel geplaatst waren. Nu stond aartsbisschop Udo van Trier op , met een brief ir. de hand.

„Moge het Uwe Heiligheid behagen,quot; zeide hy , „dit inleidend schrijven van don koning aan te hooren.quot;

„Het behaagt mij ,quot; antwoordde Oregorius in do Duitsche taal.

De subdiaken Humbert trad nader , opende den brief en las met luider stem :

„Wij Hendrik, door Gods genade koning, bieden aan Paus Gregorius VII Onzen groet! Ingevolge den raad Onzer getrouwen , Leloof ik den apostolischen Stoel en U , Paus Gregorius VII , in alles gehoorzaamheid ; ook ben ik bereid, datgene, wat wellicht ten nadeele van genoemden Stoel en van Uwe eer door Onze schuld is gepleegd , door een gepaste voldoening te boeten. En dewijl zware beschuldigingen zijn ingebracht. betreffende zekere misdaden, die Ik aan Uwen

-ocr page 819-

209

Stool on jegens dien eerbied beg-ing-, welke U tookomt, beloof Ik, of door liet bewijs van onschuld , of met Gods hulp mij te reinigen. Anders zal Ik, ingeval Ik tot beiden niet in staat ben, zonder morren do mij opgelegde boete ontvangen. Van den anderen kant vorder Ik , dat ook Uwe Heiligheid zekere kwade, U rakende geruchten, die ergernis in de Kerk verwekt hebben, wederlegge, hierdoor het openbaar geweten van een steen des aanstoots bevrijde en op die wijze de algemeene rust der Kerk en des .Rijks door wijsheid herstelle.quot; ')

„Wat verstaat de koning onder zekere kwade, mij betreffende geruchten, welke ergernis verwekt hebbenquot; en die ik moet wederleggen?quot; vroeg do Paus.

„Als ergernis -wordt algemeen gehouden antwoordde Udo , „dat Uwe Heiligheid den ban over een koning uitsprak.quot;

Bij deze woorden schudde Bucco , do Sakser, heftig met het hoofd, en slechts Gregorius' antwoord verhinderde zijn heftige tegenspraak.

„Ik heb in een uitvoerig schrijven aan de Duitsche vorsten do ongegrondheid der genomen ergernis blootgelegd en aangetoond , dat ongetwijfeld ook koningen zich moeten schikken naar Gods geboden en dat zij derhalve ook in kerkelijke straffen kunnen vervallen zeide de Paus.

„En ik moot in naam van alle christelijk gezinde Duitschers tegen do bewering protosteeren /' zeide Bucco, .,dat de bar., die rechtens over een vervolger dor Kerk, over een overtreder van wet en recht is uitgesproken, algemeen ergernis heeft verwekt. Integendeel! Iedereen verheugde zich over een duizend-

') Gfrörer, D. A'II, bl. 54S. Cax. i). in.

14

-ocr page 820-

210

voudig verdiende tuchtiging van Hendrik IV , alsook over het troostende feit, dat zelfs koningen niet ongestraft togen het heiligste mogen misdoen.quot;

„Wij zullen overwegen /' zeido Gregorius , „of het voor het heil der zielen noodig schijnt, aan de geheele Duitsche natie een ophelderend schrijven to richten hoever zich de straffende macht van den apostolischen Stoel uitstrekt. — In den zoo even voorgelezen brief zegt de koning: „Ik beloof den apostolischen Stoel en U , Paus Gregorius Vil , in ulles gehoorzaamheid.quot; Ook deze woorden zouden door onwetenden of kwaadwilligen , tot verwarring der gemoederen , uitgelegd kunnen worden , dat de koning tevens de waardigheid en de rechten der kroon aan dezen Stoel onderworpen heeft, en dat Wij in zondige heerschzucht, deze gehoorzaamheid aangenomen zouden hebben. Derhalve verklaren Wij uitdrukkelijk , dat Ons koningen, in do uitoefening hunner macht in zuiver wereldsche zaken niet in het minst gehoorzaamheid verschuidigd zijn , en dat Wij er verre af zijn , een dergelijke gehoorzaamheid te vorderen of aan te nemen. Wij verklaren, dat die gehoorzaamheid, door den koning beloofd , slechts het godsdienstige en kerkelijke insluit, alsook die zaken en betrekkingen van het koninklijk ambt, welke het geestelijk rijk van Christus betrefl'en , wiens onwaardige Stedehouder Wij zijn. Ieder zjjn recht, God, wat Godes , den keizer, wat des keizers is/'

Buceo van Halberstadt overhandigde een schrijven der Duitsche standen , alsook het verdrag van Tribur-Opponheim. Beiden werden voorgelezen.

En toen nu Udo van Trier een tweede schrijven van den koning overhandigde, werd de man uiterst verlegen ; want hij voorzag , wat er volgen moest.

Terwijl Humbert het koninklijk schrijven las , luisterde

-ocr page 821-

211

Bucco met verbazing , maakte heftige bewegingen, en een hoogrood van billijke verontwaardiging kleurde zijn gelaat. Nauwelijks had de subdiaken geëindigd , ot' hij snelde van zijne plaats.

„Vervalscht, — vervalseht!quot; riep do Sakser vertoornd. „Meer dan stout! Vermetel, lafhartig , leugenachtig ! Uwe Heiligheid kan daaruit weder de valscliheid , list en ontrouwheid aan liet eenmaal gegeven woord zien van Hendrik IV.quot;

„Verklaar u nader, eerwaarde broeder!'5 zeide Gre-gorius.

„Dat zal ik! Luister en oordeel, of zich de Saliër niet op een grove wijze aan bedrog schuldig maakt,quot; riep de Sakser. — „Te Tribur waren de Rijksvorsten met den koning overeengekomen, gelijkluidende berichten aan Uwe Heiligheid te zenden. Daarop werden do brieven van beide partijen opgesteld, in tegenwoordigheid van den koning en alle Rijksvorsten voorgelezen en ten aanzien van de gcheele vergadering verzegeld. — Wat heeft Hendrik IV nu gedaan? Hij heeft een valsch schrijven ondergeschoven, en daarin Juist het hoofdpunt van het verdrag weggelaten. In het verdragstaat namelijk: „De Paus zij rechter tusschen Ons en ü. Wij zullen hem verzoeken , dat hij tegen aanstaanden Lichtmisdag naar de stad Augsburg komt. Daar zal voor den vergaderden Rijksdag Uwe zaak beslist worden. Ontheft IJ de Paus van den ban , dan blijft gij koning, veroordeelt hjj U, dan hebt gij do kroon verbeurd.quot; — Zoo luidt het verdrag. En van deze hoogst belangrijke punten staat geen woord in den brief des konings. Daarentegen verlangt hij juist het tegendeel,quot; ging de Sakser heftig voort. „Hij verlangt de opheffing van den ban te Rome. Hij wil hierheen komen en zoo den Rijksdag van Augsburg doen mis-

14 *

-ocr page 822-

212

lukken. Ik vraag- het niet aan Uwe Heiligheid, — ik vraag het niet aan Christenen , maar ik vraag liet aan heidenen en Moeren ; wat moet men van iemand denken, die een bezworen verdrag bijna op hetzelfde oogenblik verbreekt, waarop hij het heeft bezworen ? En de Moeren en heidenen zullen allen antwoorden : „Een dergelijk mcnsch is een meineedige en den naam van Christen onwaardig.quot;

Gregorius keek in vragende verwondering naar Udo van Trier.

„Heilige Vader begon de aartsbisschop , „hoor do rechtvaardiging des konings , die ik in zijn naam mondeling voor do voeten Uwer Heiligheid zal nederleggen. — De eerwaarde bisschop Bucco spreekt do waarheid. De koning heeft het afgesproken schrijven, het verdrag, op genoemde wijze veranderd en wel na rijp overleg en nadat hij de noodzakelijkheid dezer verandering had ingezien. De Rijksstanden verlangen te Augsburg een openbare rechtspraak over den koning. Talrijk, onverzoenlijk , hoogst hartstochtelijk zijn echter do vijanden van Hendrik IV. Deze zullen de afschuwelijkste dingen verzinnen en onder groot misbaar de afgrijselijkste beschuldigingen inbrengen. En wat op den Rijksdag te Augsburg ook nog zoo schandelijk gelogen wordt, vindt weerklank in het gehoele Rijk. quot;Wat kan nu het gevolg van die verkeerde handeling zijn ? De minachting en beleediging van de koninklijke waardigheid. — Dit overwoog Hendrik. Ofschoon met vele misslagen bezwaard , — niet zoozeer de vruchten van persoonlijke boosheid, als die ecner verkeerde opvoeding in de jeugd, — bezielt den koning hoogachting voor do kroon, welker gezag hij niet in hot stof wil laten vertreden. Dientengevolge wenschte hij do openlijke en ergerlijke rechtspraak te voorkomen. Hij wenschte, rouwmoedig over bedreven misdaden , besloten tot een

-ocr page 823-

213

voorbeeldigen levenswandel, hierheen te reizen , elke boete gewillig aan te nemen, en Uwe Heiligheid te smecken , hem van den ban te ontslaan. Daarom bidt en bezweert hij U, heilige Vader, het aangeboden ambt van scheidsrechter af te wijzen.quot;

„Voorwendsels , — uitvluchten , — listen !quot; riep de Sakser. „Misdrijven en schanddaden te verzinnen is volstrekt niet noodig. Dc koning heeft zich bevlekt en beladen met alle bedenkelijke misdaden, wetsovertre-i dingen en gruwelen. Heilige Vader bad Bucco , den troon een schrede naderend , „ik smeek u in naam dor Duitsche natie, ontferm u over de onderdrukten , — wijs de listige stroken van het Salische hof af.quot;

„Wij vinden des konings voorwendsel ongegrond , om valsch beschuldigd te worden zeido de Paus bedaard.quot; Wordt hij niet reeds nu van elke schanddaad en van elk vergrijp beschuldigd ? Is er eene boosheid, die hem niet ten laste gelogd wordt ? Bijgevolg moet een openbare rechtspraak den koning juist welkom zijn , omdat de laster aan de kaak gesteld wordt en de waarheid zegeviert.quot;

„Elk oordeel moet zich richten naar de bekentenissen der getuigen antwoordde Udo. „Zoo als te voorzien is , zal de bitterste partijzucht tegen den koning dc afschuwelijkste zaken inbrengen, en uwe heiligheid moet zich schikken naar de verzinselen van den haat. Of hierdoor het aanzien van den apostolischen Stoel in dc oogen der weidenkenden zal winnen ? ik betwijfel het zeer! Daarom smeek ik nogmaals , het opgedragen scheidrechtcrschap af te wijzen , wijl het een blaam werpt op het gezag van den Stoel van Petrus , en omdat Uwe Heiligheid hiertoe niet verplicht is uithoofde van uw verheven ambt.quot; *»■-

Bucco van Halberstadt, een oprecht en eerlijk ka-

-ocr page 824-

214

rakter , doch onstuimig on opvliegend over sluipwegen en listen , doorzag de kunstgrepen van den sluwen Sa-liër en nauwelijks was de eerbied afdwingende majesteit van Gregorius VU in staat de woede van den Sakser te beteugelen.

..Hoe durft gjj liet wagensprak Bucco den aarts-bissehop aan , „op het besluit des Pausen door dergelijke voorspiegelingen invloed uit te oefenen ? Wat, — de Duitsche natie zou rustig toezien , dat haar koning onschuldig aangeklaagd, door valsche getuigen verketterd en gelasterd werd? Welke armzalige getuigenis legt gij hierdoor van de Duitsche natie af? Geen valsche getuigen ducht de koning , geen verdichte misdaden , — neen , hij vreest de getuigenis der waarheid , — hij vreest de getuigenis van het Duitsche volk , dat aan zijn zondig. heidensch leven is overgegeven. — Hoe kunt gij vorder zeggen , dat do Paus niet verplicht is, het onderdrukte volk te hulp te snellen ? Is de Paus niet de Vader aller geloovigen ? Is hij n;et de herder van alle schapen ? Is hij niet de toevlucht van alle verdrukten? Is hij niet de rots der waarheid, gerechtigheid en der goddelijke wetten? — — Daarom bezweer ik u , heilige Vader , hot ambt van scheidsrechter tusschen de Duitsche Rijksstanden en den koning aan te nemen ! Ik bezweer u , de boosheid , de listen , de dwingelandij in het licht te stellen, van den troon te stooten en te veroordeelen. Heilige Vader , duld niet, dat de Salische duivelsstreken nog langer het Rijk ten speelbal maken van hunne ongerechtigheden en misdaden.quot;

„Koningen van den troon te stooten, ligt geenszins in de macht van den apostolischen Stoelzeide graaf Balderich van Worms met nadruk.

„De Duitsche Rijksstanden geven hem die macht

-ocr page 825-

215

hernam Bucco. -De Paus zij scheidsrechter tusschen ons en den koning.quot;

„Wij matigen Ons niet aan koningen schep ter en kroon te ontnemen,quot; zeide de Paus. „Daarentegen legt het ambt van Opperherder Ons de verplichting op , te waken, dat christelijke vorsten ook christelijk regeeren. Het hoogste en belangrijkste wetboek voor allo christenvorsten is het Evangelie. Wijken zij -hiervan af, regeeren zij naar persoonlijk goedvinden, stellen zij in plaats van den goddel ijken hun eigen zondigen wil , veranderen zij recht in onrecht, onrecht in recht, wettigheid in tyrannie, — dan houden zulke vorston op, dienaren Gods te zijn. Christus de Heer,quot; ging de Paus voort op indrukwökkenden toon , „is de hoeksteen van alle christenrijken. Christus alleen is de weg, de waarheid en liet leven voor alle natiën der aarde. Wordt 'deze hoeksteen uit het Staatsgebouw genomen , cn de absolute wil van den vorst daarvoor in do plaats gesteld, dan stort het geheele Staatsgebouw ineen, tot een chaos van onwettige toestanden. Het onderdrukte volk wordt een buit van de ondraag-lijkste tyrannie. — Do Duitscho natie heeft het recht in grooten nood de hulp van dezen apostolischen Stoel in te roepen, cn op mij rust de verplichting aan dien roep gehoor te geven. Heeft niet de Heer , wiens onwaardige Stedehouder ik ben , heeft Christus niet gezegd : de goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen ? Heeft hij niet gezegd , de goedo herder volgt het verloren schaap naar de woestijn , om het te redden ? En als een geheel groot volk zijn herder om hulp smeekt, hoe kan en mag ik dan aarzelen ? ■— Derhalve zal ik , ondanks de strengheid van dezen winter en in weerwil van mijn drie en zeventigjarigen leeftijd, do reis naar Duitsch-land ondernomen. Op den bepaalden dag , Maria Licht-

-ocr page 826-

216

mis, wil ik to Augsburg scheidsrechter zijn , zoo als mij is opgedragen.quot;

„ God zij dank!quot; riepen Bucco en Mangold als uit éénen mond.

Dg cardinalen schoven sedert eenigen tijd angstig heen en weer op hunne stoelen en keken ontsteld naar de ramen , want tot de zaal drong een dof gejoel door, dat hot samenrotten eener aanzienlijke volksmassa aankondigde.

„Naar mijne meening,quot; begon Udo dralend, „zou liet besluit van uwe Heiligheid op hindernissen kunnen stooten, die sterk genoeg zijn, het ergste te doen duchten. Kort gezegd: — de Eomeinen zullen de gevaarvolle reis van hun grijzen Opperherder niet toestaan.quot;

„Heilige Vader,quot; zeide vreesachtig een cardinaal, die oen vluchtigcn blik door het raam geworpen had, „het volk loopt te hoop. liet draagt gedeeltelijk wapenen en schijnt zeer opgewonden.quot;

„Wat is do bedoeling ?quot; vroeg Gregorius met een doordringenden blik op do gezanten des Saliërs. En toen deze zwijgend voor zich zagen, ging de Paus op een toon van verontwaardiging voort: „Nauwelijks een jaar geleden overviel mij in do kerk een bende booswichten , aangevoerd door den burchtgraaf des konings , Cencius. Reeds was het zwaard voor den doodeljjken slag boven mijn hoofd opgeheven , — God liet die gruweldaad echter niet toe. Ik ken hem , op wiens bevel dien moorddadigen aanval gebeurde. Zou wellicht heden dat werk der duisternis herhaald worden ?quot;

„Ik verklaar plechtig mijn afschuw over elke daad van geweld aan Uw geheiligden persoon gepleegd hernam Udo. „Zuiver zijn mijne handen van elke mede-pliehtigheid aan schandelijke zaken. Intussehen herhaal ik : — er bestaat gevaar. De Romeinen zijn besloten Uwe Heiligheid niet op reis te laten gaan.quot;

¥

-ocr page 827-

„ïviet aan do Romeinen mooton wij rekcnschap geven over de uitoefening Onzer waardigheid, maar aan God,quot; zeide Gregorius. „ Wij hebben het Duitsche volk de gesmeekte hulp toegezegd. Wij zullen Onze belofte houden, of sterven.quot;

Hij liet de Duitsche gezanten vertrekken.

Het getier op liet pleiu van het Latcraan nam too. Do cardinalen , zichtbaar ontsteld on bezorgd voor liet leven des Pausen, baden vurig van de noodlottige reis af te zien.

„Heilige Vader , hoor toch eens wat een geraas en getier!quot; zeide cardinaal Petrus van St. Chrysogonus. „Het volk is woedend, waarschijnlijk opgehitst door zendelingen van den Duitschen koning.quot;

„Denk toch aan het groot aantal misnoegden in Rome,quot; herinnerde cardinaal Cur.o van St. Anastasius. „De goddeloozen haten uwe Heiligheid en schijnen het ergste voor te hebben.quot;

„Als wij de menschen vreesden hoe zouden wij dan Gods dienaar kunnen zijn ?quot; hernam de grijze held bedaard. „Keert terug naar uwe verblijven, eerwaarde broeders, en smeekt den Heer , dat hij ons allen den geest van sterkte en volharding in het goede verleene.quot;

Nauwelijks waren do cardinalen heengegaan of Cen-cius de burchtgraaf des konings , kwam buitengewoon schielijk en onrustig binnen. Cencius was tegelijkertijd bevelhebber van de soldaten des Pausen en van do wacht, die in den Engelenburcht lag. Vroeger een vijand van de orde , door Gregorius ingevoerd, keerde hij later in zich zeiven, legde bij den Paus een rouwmoedige biecht af en was besloten, in een klooster te gaan. Gregorius keurde dit besluit af en haalde hem over, den Stool van Petrus te dienen en zijn ambt getrouw te vervullen. ')

quot;) Gfriirer, D. VII , bl. 483 v.

-ocr page 828-

218

„Wat nieuws, mijn zoon ?quot; vroeg de Paus nadat de burchtgraaf van de knieën was opgestaan.

„Een slechte tijding, heilige Vader! Do heffe der Romeinen is in opstand. De ellendelingen schelden op de gestrengheid van Uwe Heiligheid jegens den Duit-schen koning en zij willen uwe reis niet dulden. Mij dunkt, voor velen is deze reden slechts een voorwendsel , om de boosheid hunner harten lucht te geven.quot;

Hier werd Cencius door het binnenkomen van een ontstelden kamerheer onderbroken , die de sprekers van het Romeinsche volk tot een audientie aanmeldde.quot;

„De sprekers van het Romeinsche volk ?quot; vroeg de Paus verwonderd. „Sedert wanneer beslaat dit nieuw ambt ?quot; Door wien is het in 't leven geroepen ? — Nu, wij zullen eens zien! Laat hen binnenkomen. — Ik ben zeer verlangend te weten, wa.t deze sprekers van hot Romeinsche volk mij te zeggen zullen hebben.quot;

De deur ging open en er kwamen vier jonge mannen binnen , wier kleeding juist niet uitgelezen en wier uiterlijk ver van bevallig was. Zjj bogen zich diep voor den Paus en waagden het niet hem vrijmoedig in de oogen te zien.

„Heilige Vader !quot; begon do woordvoerder na ecnig kuchen. „Sedert eenige dagen gaat het praatje, dat Gjj naar het Duitsche Rijk wilt reizen, om Hendrik IV, die voor ons een goed en toegevend heer is , af te zetten. Dit zult, dit nioogt gij niet doen. Oud en zwak , als gij zijt, blijf rustig in ons midden en laat de Duitschers doen , wat hun behaagt. Gingt gij werkelijk naar Augsburg om een vonnis tegen den koning te vellen, dan zou dit ontwijfelbaar den toorn van dien machtigen heer gaande maken. Hij zou met een sterk leger naar Rome komen , en wij moesten het gelag be-

-ocr page 829-

219

■1

I talon. Derhalve zult gij er niet heen gaan, — wij dulden het niet.quot;

Met verbazende bedaardheid hoorde de Paus de on-''P : beschaamde taal aan.

u1^' : „Hoe heet gij, mijn zoon ?quot;

j „Ik heet Rambald en ben de zoon van den priester Rambald , dien gij van zijn ambt ontzet en het brood

1' I •

■ uit den mond gestooten hebtantwoordde met fonke-

6611 j lende oogen deze waardige spruit van een concubijn.

van j „Uw ongelukkige vader kon zijn ambt behouden ,

onder voorwaarde van een zuiveren levenswandel,quot;

hernam Gregorius. „Dewijl hij echter het zondige,

; onpriesterlijke leven niet vaarwel wilde zeggen , moest I

Ihij volgens do bepalingen der canons gesuspendeerd I worden. Doch dit doet hier niets ter zake! — Zeg

spre-

aan degenen , die u gezonden hebben, dat zij rustig dien naar })lnquot;s gaan, hunne zielen niet met zware schuld ; beladen en liet den Paus overlaten , volgens zijn plicht man- i^e handelen.quot;

I

wier ; j)e Romeinen verlieten onder getier de zaal.

voor „Hebt gij Cencius gezien , — den verrader ?quot; klonk een toornige stem uit do voorkamer naar binnen. „Dood hem — hij sterve!quot;

„Dit oproer is toch schielijk opgekomen,quot; zcidc Gre-gorius tot den burchtgraaf. „Hoe kon dit smeulend oproer aan uwe waakzaamheid ontgaan, mijn zoon ?quot;

„Het gist sinds lang onder Rome's vuile elementen,quot; antwoordde Cencius. „De reinigende hand van Uwe Heiligheid zuiverde kerken en altaren van vuil en afzichtelijk onkruid , en dit onkruid broeit sinds jaren zijne woede tegen u. Het gezond verstand van het Romeinsche volk, dat Uwe Heiligheid genegen is, hield tot nu toe de verbitterde priesterszonen , hunne ontevredene vaders en zondige moeders , in bedwang, —

j de iemv Nu,

n de

3enig , dat idrik 3, af d en laat wer-ming dien sterk S' be-

-ocr page 830-

220

evenzoo de goddelooze bende der Mansionarii. Doch nu greep de bekwame hand van den geëxcommuni-ceerden cardinaal Hugo Candidas in dien modderpoel, en het oproer is daar. En Hugo Candidus was het werktuig van den geëxcommuniceerden aartsbisschop Ouibert van Ravenna, gelijk deze weer liet werktuig van een hoogeren is.'' ')

„Hebt gij bewijzen voor die meening?quot; vroeg de Paus.

„Die heb ik, —

dit is niet het geringste

antwoordde Cencius , liet Opperhoofd der Christenheid , Hendriks' brief overhandigend.

Terwijl de Paus las , luisterde Cencius naar buiten. Het was rustig geworden. De menigte scheen iets beters bedacht te hebben. Een dof gemor getuigde van hare tegenwoordigheid.

„Dit schrijven smart mij hier bij lang niet zoo , zeido Gregorius , op de borst wijzend, „als het bestaan der Mansionarii en der leden van den priesterstand , die met schande bedekt zijn.quot;

Hij keek zwijgend voor zich , en een diepe smart stond op het gelaat van den heiligen grijsaard te lezen.

Gregorius VII vond Rome sterk bevolkt met gehuwde priesters , met hunne kinderen en bijzitten. Streng aan de canonieke kerkelijke tucht houdend en besloten , de bedorven ranken af te snijden , liet hij aan de priesters de keus , of van hunne vrouwen of van hunne geestelijke ambten afstand te doen. Velen deden liever afstand van hunne geestelijke inkomsten, dan van hunne bijzitten. Maar de bijzitten hare kinderen en mannen, koesterden een bitteren haat tegen dengene, dien zij voor don aanlegger van hun ongeluk hielden. 1)

ii'

1

) Bonizo bij Oefele , II, 812».

-ocr page 831-

221

A

Behalve de gehuwde priesters, had te Kome een tweede niet minder gevaarlijke klasse partij gekozen tegen den Paus , namelijk de lagere kerkelijke bedienaren. Het hooge aanzien in hetwelk de Stoel van Petrus stond , heeft steeds ten gevolge gehad , dat de godsdienstoefeningen in de hoofdkerk der wereld met buitengewone pracht gehouden werden. Hiertoe had men vele deurwaarders , oppassers en andoren noodig , dio de mindere orden bezaten, en die allen van het altaar wilden leven. Men noemde deze klasse van mindere kerkelijke bedienaren „Mansionarii.quot; Zoolang de Roomsche Kerk over haar regelmatige inkomsten beschikte , leverde het onderhoud van dien zwerm van dienaren geen zwarigheid op. Maar sinds de Duitsche koningen nn keizers begonnen hadden, de bronnen der Eoomsche welvaart af te snijden , ontstonden hierdoor groote ongelegenheden. Do Pausen zetten oen menigte arme lieden tegen zich op, wier voorvaderen op de een of andere wijze sedert onheugelijke tijden in dienst van don heiligen Stoel gestaan hadden , en die nu aan armoede waren prijs gegeven. Van den anderen kant waren de in beslag genomen renten niet toereikend, om hen regelmatig te betalen. Zoo gebeurde, wat ouder dergelijke omstandigheden overal geschiedt. Met slinksche streken trachtten de bedreigden hun leven te onderhouden. Ergerlijke misbruiken kwamen in zwang. ') Over de Mansionarii schrijft de kroniekschrijver Bonizo: „Een ergerlijke gewoonte heerschte te Rome. In den St. Pieter waren zesiig of meer Mansionarii uit den leekenstand met de mindere kerkelijke diensten belast. Deze waren meestal gehuwd of zij leefden met bijzitten. Zoo vaak zij aan de beurt kwamen, bewaakten zij dag

¥

f',

*

l) Gfrörer, D. VII , bl. 482.

ĥ f

-ocr page 832-

222

en nacht den Sh Pieter. Tevens beschikten zij, met uitzondering van het hoofdaltaar, over de kleine altaren, dewijl zij het verlof, om aan deze te bidden, voor geld verkochten. Met geschoren gelaat, mijters op het hoofd , gaven zij zich voor cardinalen en priesters uit, bedrogen daardoor vele bedevaartgangers , vooral de Lombardische boeren , die zich in hunne gebeden aanbevalen. Bjj den nachtdienst pleegden zij bijna dagelijks diefstallen, of onteerden vrouwen. — Niet zonder groote bezwaren verdreef Gregorius VII deze booswichten uit den St. Pieter en beval , dat in hot algemeen bij nacht geen godsdienstoefeningen meer gehouden mochten worden.

Aan deze schandelijke, door hom afgeschafte misbruiken scheen Gregorius te denken, toen hij door bittere zielesmart getroffen , zwijgend voor zich zag.

„Het heiligdom des Hoeren heb ik van het vuil gezuiverd, — ik streef naar dc reinheid van don priesterlijken staat: — daarvoor treft mij haat en bedreigt mij oproer,quot; zeide hij. „God schenke hun vergeving en versterke mij !quot;

„Sta mij toe, heilige Vader, dat ik naar don Engelenburcht terugkeere zeide de burchtgraaf. „De samenzweerders schijnen wel is waar het uiterste niet te willen wagen, toch wensch ik voorzorgsmaatregelen te nemen.quot;

„Ga in vrede, mijn zoon!quot; hernam Gregorius, den burchtgraaf zegenend.

De Paus ging aan het raam en keek . op het plein. De menigte scheen onrustig, weifelend , besluiteloos. Uit de verte klonken alarmkreten. Op den toren van den Engelenburcht wapperde een roode vlag. Plotseling kwam de massa in beweging. Onder een woest getier, drong . zij naar het Lateraan. Blanke wapenen werden

-ocr page 833-

223

gezwaaid, en duidelijk kon men het gerinkink der zwaarden hooren. Blijkbaar was de strijd bij den ingang van het paleis begonnen , reeds hoorde men voetstappen van gewapenden in de gangen van het Lateraan. Nu snelde do aartsbisschop Udo van Trier binnen.

„Om Godswil, heilige Vader, vlucht, — red u! Het woedende volk bestormt het paleis, lieeds heeft het den burchtgraaf Cencius gedood en hot dorst naar uw bloed.quot;

„Cencius gedood ?quot; herhaalde vertoornd do Paus. „Vloekwaardige daad!quot; Vervolgens liet hij er bedaard opvolgen: ,,Wel hem; want iiij stierf in de uitoefening van zijne bediening. Gelukkig de man, die in de uitvoering van zjjn plicht sterft.quot;

„Heilige Vader,quot; bad üdo smeekend, „ik bezweer u , — vlucht ! Hoort gij ? Het woest getier komt al nader en nader !quot;

„Ik verwacht mijne moordenaars ,quot; hernam do Paus waardig. vMoi'i vu'hi lucrum , — sterven is voor mij een gewin.quot;

„Eén woord uit uwen mond brengt de oproerlingen tot bedaren ,quot; riep Udo. „Zeg het volk , dat gij niet naar Duitschland gaat.quot;

„En ik zog u , eerwaarde broeder , wat de Hoer Jezus Christus tot den smeekenden Petrus gezegd heeft : „Satan , gij zijt mij tot ergernis !quot; Neen , — al kon ik tienmaal mijn leven redden met een enkel plichtver-goten woord , ik zou dit niet uitspreken. Liever sterven , dan de wet van Christus overtreden. Paralus sum, Doinine , paralus sum, — ik ben bereid tot de reis naar mijn vaderland!quot;

Hij keerde zich om, knielde voor het kruisbeeld neder , strekte de armen uit en bad met luider stem.

„Op u , o Heer , heb ik gehoopt, in eeuwigheid zal

-ocr page 834-

224

ik niet beschaamd worden! Red mij volgens uwe g-e-reclitigheid ! Neig uw oor tot mij , haast u , om mij te helpen ! Want gij zijt mijn rots en mijn sterkte, en ter wille van uwen naam zult gij mij leiden. Bevrijd mij uit deze strikken; want gij zijt mijn beschermer. — In uwe handen beveel ik mijnen geest, gij verlost mij , o Heer, God van waarheid! Gij zult mij niet overleveren aan de handen mijner vijanden. Ontferm u mijner, o Heer, want ik ben in nood. Mijne vijanden hebben samengespannen, om mij van het leven te beroovou, doch ik vertrouw op u, o mijn God! In uwe handen is mijn lot. Ontruk mij aan de handen mijner vijanden. Laat uwen knecht uw aanschijn zien , — red mij naar uwe barmhartigheid ! Laat mij niet te schande worden, o Heer, omdat ik tot n geroepen heb. Dat de goddeloozen te schande worden, en naar het rijk der dooden verwezen worden. Oordeel mij, o God, en verdedig mijne zaak tegen het onheilige volk!quot;

Terwijl Gregorius de handen biddend ten hemel hief en aartsbisschop Udo allo tegenwoordigheid van geest verloren had , dorstte de woedende bende naar het bloed van Christus' Stedehouder. Dat hij niet reeds don laatsten adem onder de zwaarden en dolksteken had uitgeblazen, was aan het beleid ou de dapperheid van graaf Mangold van Veringen toe te schrijven.

Toen namelijk deze edelman op het punt stond met zijne ridders het Lateraan te verlaten, bemerkte hij den oploop van het gepeupel. Onmiddelijk bezette hij den ingang. Ook de kleine wacht van het paleis kwam onder de wapenen. De Eomeinen zagen de rijzige geharnaste mannen en deinsden terug. Vervolgens riepen zij de Duitschers bittere verwijten en dreigende woorden too, die deze echter niet verstonden.

-ocr page 835-

225

Terwijl zich de „sprekers van het Komeinschc volkquot; bij den Paus bevonden, nam de bende van het gepeupel meer en meer toe. Er vielen smaadredenen , gramschap en haat broeide bij de oproerige menigte , welke den terugkeer hunner afgevaardigden afwachtte. Eindelijk kwamen deze, en knoopten een levendig onderhoud met de hoofdmannen der oproerlingen aan. Vervolgens ging de uitslag van mond tot mond.

„Volgens mijn gevoelen laten zij hot bij getier ca trekken af,quot; zeide een breed geschouderd ridder tot graaf Mangold. „Zie eens, hoe tam zij op eenmaal geworden zijn !quot;

„Gij kent dit valsch kanalje niet,quot; antwoordde graaf Mangold. „De schelmen wachten slechts het geschikte oogenblik af. Spoedig zult gij hen zien toeloopen.quot;

„Daarom zou het verstandig zijn ,quot; zeide de hoofdman der wacht van bet paleis , „om de poort te sluiten, en voor de woedenden geen opening to laten.quot;

„Waart gij geen Zwitsers, maar Italianen, dan kon men dezen raad aan vrees toeschrijvenantwoordde graaf von Veringen wrevelig. Sluiten wij de poort, dan zal het kanalje ladders aandragen en door de stuk geslagen vensters binnenklimmen. Dan zou het gepeupel zooveel open poorten hebben als er ramen in de benedenverdieping zijn. Laten wij daarentegen de poort wijd open staan , dan zullen zij er niet aan denken om de ramen in te klimmen, maar zij zullen door de poort naar binnen willen.quot;

„Uwe meening is verstandig,quot; hernam de Zwitser, „en ik moet bekennen , dat gij gelijk hebt. Wij zullen het intusschen hard te verantwoorden krijgen, als do oproerlingen werkelijk losbreken.quot;

„Op het losbreken kunt gij u verlaten ,quot; antwoordde Mangold. „De schobberds staan op sprong. Laten wij Can. d. iii. 15

-ocr page 836-

226

slagvaardig zijn. — Beschouw dien kerel eens, die daar voor ons staat ! Welk een gauwdieventronie! Zijn dolk staat gereed in zijn gordel , — de schoft schijnt slechts op zijn slachtoffer te wachten.quot;

Dit gezegde betrof Eambald , de zoon van den gehuwden priester. Mot saamgeknepen lippen en venijnige blikken stond hij daar, naar het inwendige van het paleis luisterend. Toen Cencius onder de poort verscheen , vlamde een helsch vuur op het gelaat van den man. Onverhoeds viel hij op Cencius aan en stiet hem don dolk in het lichaam. Do burchtgraaf stortte stervend op den grond. Maar ook de sluipmoordenaar ontving onmiddellijk zijn loon. Graat Mangold zwaaide ziju zwaard en hot hoofd van den Romein vloog van den romp. Het gepeupel slaakte een woedenden kreet en viel de Duitschers met korte zwaarden en dolken aan.

„St. Georgius!quot; riep Mangold, het schild omhoog beurend.

„St. Georgius !quot; herhaalden de ridders en de suizende slagen hunner wichtige zwaarden vielen op do aanvallers neder.

Maar de aandrang dor woeste menigte was onweerstaanbaar. Do geharnasten weken tot onder de poort, en hier werd eenige minuten met zulke woede gestreden , dat wapengekletter en wapenkreten de gangen van hot paleis afgrijselijk deden weergalmen, en het bloed over den grond stroomde.

Als blinde woede bij de overwinning tot maatstaf kon strekken, dan zouden de razende Romeinen den graaf en zijne redders weldra overwonnen hebben; want zij vochten aanvankelijk met zulke onstuimigheid, dat zij , als bezetenen, op de Duitschers aanvielen. Mangold en zijne wapenbroeders waren echter zeer

-ocr page 837-

227

dappere , in den wapenhandel geoefende mannen. Met de schilden zieh dekkend tegen werpspiesen en dolken, vaak ook getroffen door krachtige sabelhouwen , die zonder uitwerking op de wapenrustingen afkaatsten, sloegen zij de vijanden in grooter aantal neder. De poort aan den ingang weerklonk van het wraakgeroep der razende Romeinen en van het weeklagen der gevallenen , terwijl de zwaarden van Mangold en zijne schaar, welke van bloed dropen , onafgebroken heen en weer gezwaaid werden , en hot bloed tegen de muren doden spatten.

Op eenmaal werd het gepeupel door een panischen schrik bevangen. Zij zagen het bloedbad, do onoverwinnelijke dapperheid der gewapende mannen en begonnen te wijken. Men hoorde het geschal der trompetten van den Engelenburcht, de vlag der Koomsche Kerk werd geheschen en de wacht van don burcht naderde. Tegelijkertijd worden van verschillende zijden horens geblazen , de gewapende burgerij snelde den bedreigden Paus te hulp , en het gepeupel, zoo even nog onbeschaamd en tierend , ging lafhartig op de vlucht.

Een kwartier uurs later ontving Gregorius oonige patriciërs, die hem de droefheid en deelneming dor burgerij kwamen te kennen geven , over den vermetelon en onberaden oploop. Toen de Paus den manmoedigon tegenstand vernam van Mangold en zijne ridders , liet hij do dapperen komen, prees hunne trouw en dapperheid , en gaf hun groote belooningen.

Aan de Duitsche Kijksotanden schreef Gregorius echter den volgenden eigenhandigen brief:

„Ik Gregorius , bisschop , knecht van den Prins der Apostelen , sta op het punt, om tegen den wil en den raad der Eomoinen , tot u te komen. Ik zal gaan, al kost het mij ook het leven , want ik vertrouw vast op

15 *

-ocr page 838-

228

de waarheid van het katholiek geloof. Ik kom tot u, bereid , ter eere Gods en voor het welzijn uwer zielen, in den dood te gaan. Dat u echter Degene zegcne, in wiens naam mij bij het graf van den Prins der Apostelen , op den dag , toen ik tot Paus werd verheven , toegeroepen werd : „Wat gij zegent, zai gezegend zijn , en wat gij ontbindt op aarde , zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot; ')

Dezen brief overhandigde Gregorius aan den graaf van Veringen , met het verzoek, onverwijld naar Duitsch-land terug te keeren.

Bisschop Bucco van Halberstadt hield de Paus bij zich, met do bede, in gezelschap van hem over de Alpen te trekken.

Aan de markgravin Mathilde van Canossa zond Gregorius oen koerier, om het geleide dezer machtige vorstin in te roepen. Aan dit verzoek werd spoedig gevolg gegeven. Mathilde verscheen met een dappere schaar , om den heiligen Vader te geleiden ; want zij had zich geheel aan don dienst van den Apostolischen Stoel gewijd, en zij bezat do geschiktheid , de grootheid van ziel van Gregorius en diens edel streven tot omkeering der bedorven wereld te bewonderen. De kroniekschrijver Lambert schrijft over deze merkwaardige vrouw:

„Sedert den dood van haren echtgenoot , den hertog Gots van Brabant, leefde zij geheel voor den dienst des Pausen. Wat do stervelingen als hoogste goederen der aarde beschouwden , bezat zij in overvloed ; want een groot gedeelte van Italië behoorde haar. En al hare inkomsten, hare krachten, haar persoon stelde zij ter beschikking van den Stedehouder van Christus ,

') Gfrorer , D. VII , bi. 552.

-ocr page 839-

22a

dien zij tevens als vader en als gebieder vereerde.quot; ') Deze getrouwe toegenegenheid vergold Gregorius met een onbeperkt vertrouwen.

„God is mijn getuige,quot; schreef hij aan Mathilde en aan hare moeder Beatrix, „dat er op aarde geen vorst is, dien ik meer vertrouw, ian u. Mogen kwalijk-gezinden door boosaardig uitgestrooide geruchten Ons trachten oneenig te maken, ik geloof niets van hetgeen men te uwen nadeele zegt, en ik weet, dat gij hetzelfde doet. Ik beschouw u als mijne zusters', of als dochters van den H. Petrus , en ik wensch in elke aangelegenheid uwen raad te hooren. Zijt verzekerd, dat al, wat mij de Almachtige aan geestelijke kracht en macht geschonken heeft. te uwen dienste staat, en dat ik u dagelijks in mijne gebeden gedenk.quot; 2)

De markgravin was bezield met een mannelijke, moedige geest, die steeds met wijsheid op het welzijn der onderdanen bedacht was. Ofschoon zij de nicht was van Hendrik IV , toch misbruikte zij nimmer haren invloed , om den levenswandel van haar bloedverwant te verontschuldigen, welken hare strenge zedelijkheid en godsdienstige overtuiging veroordeelden.

Daarentegen bezat zij den moed, om haar gevoelen tegenover den Paus te verdedigen , hem zelfs van al te groote goedheid en toegevendheid te beschuldigen , iets , waarin zij met velen harer tijdgenooten overeenstemde. En de Paus bewees haar zijne hoogachting daardoor, dat hij zich verwaardigde zijne handelwijze te rechtvaardigen.

„Alles ,quot; schreef hij aan Mathilde en aan hare moeder , „komt in Onze hand bijeen , weest daarom verzekerd , dat zoowel zij, die zich beteren vergiffenis

gt;) Gfrörer , D. VII, W. 572. 2) Gfrorer, D. II, bl. 423 v.

-ocr page 840-

230

ontvangen als dat tie wecrspanningon gestraft worden; Dewijl ik overtuigd bon , dat gij niet uit afkeer , maar uit genegenheid voor de Eoomsclie Kerk over Ons gemord hebt, daarom heb ik, het voorbeeld indachtig van mijn Heer en Meester, die het niet beneden zijne waardigheid vond , de leerlingen te onderrichten , welke over hem morden , u rekenschap van mijn gedrag gegeven , waarin gij een ondubbelzinnig bewijs mijner liefde voor u kunt zien. Het is mij niet onbekend, hoe verschillend de mensehen over Ons oordcelen , dewijl Ons wegens dezelfde zaken eenigen voor lichtvaardig , anderen voor zwak en te streng verklaren. Op dergelijke verwijten weet ik geen beter antwoord te geven , dan do woorden des Apostels : Ik tel het niet of ik door u, of door een menschelijken dag geoordeeld word.quot; ') In de eerste dagen van Januari 1077 verliet Gregorius de stad Eome. Het was een ongewoon strenge winter. Alle rivieren van Opper-Italie waren toegevroren en groote massa's sneeuw bedekten de Apennijnen , welke de grijze Paus onder namelooze bezwaren overtrok. Aan gene zijde van het gebergte gekomen, verraste hem de tijding , dat de koning in Italië was aangekomen en zich ophield te Vercelli. Deze tijding ging gepaard mot het gerucht, dat dc Saliër met een sterk gevolg verschenen was , met het plan, om den Paus te overvallen en gevangen te nemen. Nu ried Marga-retha de reis terstond te staken en een schuilplaats in de sterkte Canossa te zoeken. Gregorius vond den raad verstandig en volgde dien.

') Gfrörer, D. II, W. 432.

-ocr page 841-

231

LOMBARDISCHE STIEREN.

Hendrik IV , die arm en verlaten uit het Rijk was gegaan, was werkelijk mot een aanzienlijke strijdmacht te Vercelli aangekomen. Toen hij namelijk te Besaneon kwam, ontving hem de oom zijner moeder, graaf Willem , met open armen. Mot Willem vierde hij het Kerstfeest en zetto do reis voort van een deftig gevolg omgeven. Bij Genève trok Hendrik over do Rhone en toon hij aan do grenzen van Savoije kwam, wachtte hem daar zijne schoonmoeder, Adelhoid van Turijn, en haar zoon, markgraaf Amadous. Do oude markgravin was intusschon geenszins gekomen om hare dochter Bertha en haren schoonzoon te begroeten, maar mot hot lage plan om voordeel te trekken van de verlegenheid dos Duitschen konings. Hendrik moest namelijk over de hergen. Do sleutel tot den overtocht van den Mont Cenis bezat Adelheid in den vorm van burchten. Voor de toestemming , om don Mont Conis over to trokken, verlangde do baatzuchtige schoonmoeder van don koning vjjf bisdommen , welker voortreffelijke ligging het markgraafschap Savoije moest afronden. Hendrik verzette zich tegen dien onbeschaam-don eisch. Er werd lang onderhandeld. Amadeus en diens moeder bloven pal bij hunne vordering; want zij wisten , dat Hendrik , door den nood gedreven , moest toegeven. Hij schonk hun werkelijk de Bourgondische provincie Bugey , oen erfdeel van zijne moeder Agnes. Nu mocht de koning over den Mont Conis trekken, welken Adelheid en Amadeus in gezelschap van hunne bloedverwanten insgelijks overtrokken. ')

') Gfrorer, D. VII, bl. 575.

-ocr page 842-

232

In de Lombardische vlakte aangekomen , trok de Saliër naar Vercelli. De tijding van zijne aankomst liep met bliksemsnelheid door het land en verwekte bij alle vijanden dor Kerk , Simonisten en slechte geestelijken , groote vreugde ; want hot heette , dat de koning gekomen was , om den Pans van don Stoel te stooten. Van allo kanten kwamen de Lombardische stieren toegesneld , en spoedig was de Saliër door een wel gewapend leger omringd.

Gregorius VII vond namelijk in Italië de grootste tegenstanders van de vrijheid der Kerk , waarnaar hij streefde , en do woedendste vijanden van een onbesproken geestelijkheid. De laatste was namelijk het tegenovergestelde van hetgeen zij zijn moest, een veile, huichelachtige en vadzige adelskaste. Op den aartsbis-schoppolijken stoel van Milaan zat AVido, oen karakterloos kreatuur van het Salische hof, een berucht Simo-nist, bovendien leefde hij openlijk met een bijzit. Volgens het bericht van den kroniekschrijver Bonizo vond men op duizend geestelijken geen vijf mannen van onbesproken gedrag. Allen waren besmet met het concubinaat en de Simonie. Niet beter, dan quot;VVido van Milaan , waren de aartsbisschop Guibert van Ravenna en andere bisschoppen. Op de schandelijkste wijze werd er voordeel getrokken van den godsdienst en de kerkelijke waardigheden.

De voorstanders van deze ontaarde geestelijkheid waren de betrekkingen van een even bedorven adel. Kapiteins en edellieden verkochten geestelijke goederen, maakten de rijen der geestelijken voltallig door hunne zonen en neven, gaven hunne dochters , zusters en nichten aan dat slag van priesters tot vrouwen.

Bijgevolg verbond een laag eigenbelang den adel aan de slechte geestelijkheid en de bedorven politiek van

-ocr page 843-

233

het Salisclie liof tegen den ijveraar voor de vrijheid der Kerk en de waardigheid der geestelijkheid , tegen Gregorius VII. Allen te zamen haatten hem vinnig en zwoeren samen tot den ondergang van den heilige.

Aan de zijde des Pausen bevond zich de groote massa van het landvolk en de handwerkslieden der steden. Deze gezonde ledematen der Kerk verafschuwden het schandelijk levensgedrag der boeleerders en vonden geen smaak in bisschops- en pastoorsvrouwen. Niet minder verzetten zij zich tegen de ongehoorde verdrukking , die do adel hen aandeed in wereldsche zaken, alsook tegen diens geschacher met geestelijke goederen en de onteering van kerkelijke waardigheden.

Van deze goede stemming maakte Gregorius gebruik voor zijne edele bemoeiingen. Een vijand van elke tyrannic , stolde hij zich in gemeenschap met de democraten van Milaan. Zijn vormende hand bracht helderheid in de volksbeweging. Do Pataria ontstond , een democratisch verbond, dat zich langzamerhand over geheel Italië uitbreidde, dat met goed gevolg hot zedel^edcrf bestreed en dat in Milaan zelfs het despotisme omverwierp en zelf aan het bestuur kwam. ')

De Patarianen noemden de gehuwde geestelijken en hunne geestverwanten „Lombardische stieren.quot;

Te Pavia, de hoofdstad van Lombardije, bestormden adel en geestelijkheid den Saliër , niet mot Gregorius in aanraking te komen , maar vast te houden aan de koninklijke rechten en de dagelijks aanwassende legermacht te gebruiken tot den val van Hellebrand. Vooral beijverden zich hiervoor de aartsbisschop Guibert van Ravenna, die den pauselijken zetel dacht te beklimmen — inderdaad werd hij later als tegenpaus Cle-

') Gfrörer, D. II, bl. 564—509.

-ocr page 844-

234

mens III door don koning gekozen — en bisschop Dionysius van Piacenza.

„Uwe Hoogheid zag de duizende edele ridders en dappere mannen, welke bereid zijn , goed en bloed te geven voor do eer en waardigheid van hun koning zeide Guibert. „Een woord uit uwen mond zal de trouw dezer onoverwinnelijke strijdkrachten tot geestdrift opvoeren en Hellebrand, de tyran , zal overwonnen aan uwe voeten liggen. Daarom bid ik , wees onze besluiten te quot;Worms gedachtig ! Nu is hot geschikte uur geslagen om ze uit te voeren. Nu kunt gij hot monster van den Stoel van Petrus bonzen en een vrijzinnig man naar uw wijze keuze daarop plaatsen.quot;

„Wees ook do geestelijkheid godachtig , die in hare edelste monschenrcchton bedreigd wordtzeido Dionysius van Piacenza. „Overwint Hellebrand . moet uwe Hoogheid het onderspit delven , — wee dan ons ! Wee den geheelon adel! De geestelijken worden gedwongen van hunne vrouwen of van hunne betrekkingen at te zien. Zij worden gedwongen het zoetst levensgenot vaarwel te zeggen , of te verhongeren.quot; ^

„Zelfs met het gepeupel der steden en met de lijfeigenen van hot platteland heeft Hellebrand oen verbond aangegaanzoido graaf Lanzo, oen grijs ridder , wiens dochter met een bisschop gehuwd was en die niet het verkoop van geestelijke goederen goede zaken maakte. „Steeds vaster en uitgebreider organiseert zich die vervloekte partij dor Patarianen , als paddestoelen verspreidt zij zich over geheel Opper-Italië. De schurken dwingen do geestelijken, hunne vrouwen weg te zenden, doen zij dat niet goedwillig, dan gebruiken de honden geweld. In Milaan hebben deze handlangers en geestverwanten van Hellebrand zelfs den adel ten val gebracht en het bestuur in handen genomen. Waar

-ocr page 845-

235

moet dat heen ? Grijpt gij niet naar hot zwaard, heer en koning, dan zal het vuile , gemeeno handwerksvolk uwe waardigheid evenmin vorschoonen , als het dit de rechten van den adel gedaan hoeft. — Trok derhalve met een legermacht naar Canossa, neem den ouden samenzweerder gevangen on laat hom eon hoofd kleiner maken. Dan hoeft de reuzenslang Pataria haar hoofd verloren en bloedt dood.quot;

De koning luisterde naar de verschillende toespraken, koek onderzoekend naar den zwijgenden aartsbisschop Udo van Trier en gaf onbepaalde antwoorden.

„Onderwerpt gij u aan Hellebrand, dan is 'tvoor altijd met u gedaan , heer en koningverzekerde Guibert. ,,Do heerschzucht van dien ouden gok kent geen grenzen. Hij zal u wel schepter en kroon laton behouden, maar slechts onder de vernederende voorwaarde , dat gij naar zijne wonken regeert. En gij kleinzoon van beroemde keizers , wilt u tot zulk eon schaduwkoning laten verlagen ? Dat nooit! Gaat niet naar Canossa als iemand die gunsten afbedelt, maar als een gebieder.quot;

„Nu kloppen duizendo moedige harten voor uriep Lanzo met pathos. „Tienduizenden, in den wapenhandel geoefende edellieden en mannen, branden van verlangen om voor u ton strijd te gaan. Ontelbare geestelijken hopen en verwachten met hunne vrouwen en kinderen heil en redding van u. Smeed het ijzer, terwijl het heet is. Laat deze geestdrift niet ongebruikt voorbijgaan. Grijp naar de wapenen. Stoot dien Hellebrand , dien algemeen gehaten aartsketter en tyran , van den troon.quot;

Met dergelijke taal bestormden de Lombardische stieren den Saliër. Hij zag do oogen dor Italianen van woede fonkelend, vond hunne taal krachtig , en hun

-ocr page 846-

236

haat tegen den Paus verbazend groot. Toch mistrouwde hij den heldenmoed dien de Lombarden voorgaven.

„Wat dunkt u, eerwaarde Vader?quot; vroeg Hendrik aan den aartsbisschop Udo nadat de wilde stieren waren heengegaan. „God weet het, — mijn hart brandt in mijn binnenste bij dergelijke taal.quot;

„Vergis u niet, — verlaat u niet op hen , mijn koninklijke heer!quot; hernam de Rijksvorst ernstig. „Die bespraakte Italianen zouden u gaarne misbruiken tot hun eigen voordeel, — dat is alles. De Lombarden haten den Paus, zij schelden op den Paus op de gemeenste wijze , omdat hij met sterke hand de priesterschap van den smet wil zuiveren. Zij vreezen den Paus , en zij zoeken diens verzoening met u te verhinderen , wijl zij de verdiende straf voor hunne ontelbare euveldaden voorzien. Neen , gij moet u niet laten misbruiken door dit bedorven ras ! — En bovendien , — wat do Lombarden inbrengen , is nutteloos en ijdele praat. Zijt gij binnen vier weken niet van den ban ontslagen, dan komen de Eijksvorsten bijeen, kiezen een koning en do kroon van Duitschland ontvalt aan uw hoofd. Deze Italiaansche babbelaars zullen met hun gepoch geen onkelen Duitschen gewapende uit het veld slaan. Derhalve raad ik u, Pavia onverwijld te verlaten, naar Reggie te rijden en daar uw veelvermogende nicht Mathilde uit te noodigen , opdat zij uwe voorspreekster bij den Paus zij.quot;

De koning zat te peinzen. Blijkbaar was er van de gesprekken der Lombarden nog wel iets bij hem achtergebleven. Udo bemerkte met smart die stemming.

„Hoogheid, — begaat toch in Gods naam geen heil-looze dwaasheid!quot; smeekte de getrouwe en wijze pre-

-ocr page 847-

237

laat. „Donk aan den dag van Tribur! Zoudt gij met Italiaansche tongen en sabels tegen Duitsche zwaarden kunnen vechten? — Verzoen u met den eenvaardigen, vergevingsgezinden Gregorius, en alles is gered. Maak gemeene zaak met de Lombarden, en alles is verloren, — reddeloos voor altijd verloren.quot;

„Gij spreekt verstandig , eerwaarde vader ! Het geschiede naar don raad uwer trouw.'quot;

Nog denzelfdcu dag verliet Hendrik met zijn gevolg Pavia en reed naar Reggio. Van daar zond hij een bode naar hot nabijgelegen Canossa, ten einde zijne nicht Mathilde een onderhoud te verzoeken.

De markgravin kwam, niet weinig verbaasd over de pracht en do hoofsehe voorkomendheid van haren koninklijken neef. En Hendrik had wijze behendigheid noodig , om do strenge vrouw voor zijne plannon over te halen. ')

„Het verheugt mij zeer , mijne geliefde nicht persoonlijk te loeren kennen, welker grooten naam aan geno zijde der Alpon is bekend geworden en die beproefde Staatslieden achting afdwingt,quot; vleide de Saliër. „En wat u tot de grootste eer verstrekt, geliefde nicht, is hot vertrouwen van Gregorius op uwe onveranderlijke trouw.quot;

„Waarom zou een vader zijn gehoorzame dochter geen vertrouwen schenken, koninklijke neef? Gepaste gehoorzaamheid van den zoon zou dezelfde vader met een gelijk vertrouwen beantwoord hebben,quot; zeide zij, haar heldere donkere oogen op hem vestigend. „Maar de zoon heeft don vader steeds bittere en groote droefheid bereid.quot;

„Dat is helaas waar !quot; bekende rouwmoedig de go-

') Gfrörer, D. VII, bl. 377.

-ocr page 848-

238

excommuniceerde vorst. „Gregorius was te allen tijde vaderlijk gezind en ik vergold zijne liefde met ondank. Ik heb mijn hard lot verdiend. — Maar ik ben vast besloten alle zonden van het verledene te boeten. Do Duitsche natie wil ik een voorbeeld ten goede zijn. Mijn voet zal in het vervolg niet meer van het rechte pad afwijken. En nu ben ik hier ten einde den Vader der Christenheid om vergeving te smoeken en elke boete uit zijne hand aan te nemen. Mag ik voor deze Godo welgevallige daad op uwen bijstand hopen , lieve nicht?quot;

„Een hoogst bedenkelijk verzoek , neef !quot; antwoordde do markgravin. „Veel hoorde ik spreken over uwe vaardigheid in het beloven , en van uwe gewoonte , om een plechtig afgelegde belofte niet te houden. Vindt bloedverwantschap verontschuldiging , als zij instaat voor den weifelmoedige, den twijfelachtige? En als ik zelf u niet vertrouw , zou het dan niet tegen de waarheid zijn, dengenen aan de genegenheid des heiligen Vaders aan te bevolen, wiens verzekeringen ik nier. geloof?quot;

„Uwe berisping is scherp, Mathilde, maar gij hebt gelijk !quot; hernam do jonge man. „Smartelijk treft mij die taal uit uwen mond, — maar zij is verdiend. Neen, — mijn berouw zou niet oprecht zijn , wilde ik verdiende straf niet zonder morren aannemen. Kan iets de grootte mijner schuld verminderen, dan is het de verkeerde opvoeding in mijn jeugd. Ware ik toch nimmer in de handen gekomen van Adalbert van Bic-men , wiens onverantwoordelijke toegevendheid den wilden jongen den vrijen teugel liet! Die hem niet leerde, hartstochten te beteugelen en zich in onthouding te oefenen. Al mijn ongeluk wortelt in de bedorvenheid mijner jeugd.quot;

„Geen prijzenswaardige bekentenis voor den man,

-ocr page 849-

239

die moet doen , wat hij voor recht en billijk houdt zeide de vorstin.

„Bodaar, nicht, — bodaar! Tusschen inzien en willen liggen hooge bergen. Werd de jeugdige voet niet geoefend het steile pad der deugd to beklimmen , de verkeerde neigingen eener toomelooze natuur te buigen onder liet juk der goddelijke geboden , — dan leert de man uiterst moeilijk , wat de knaap en jongeling verzuimde.quot;

„Zeer waar !quot; bevestigde Mathilde.

„Daarenboven uitgesloten van de gemeenschap der Kerk, uitgesloten vau den zogen dier gemeenschap, uitgesloten van de genadebron der H.H. Sacramenten , beladen met den vloek van den man , wiens woord in den hemel geldig is, — hoe is dan redding mogelijk?quot; riep hij smartelijk uit. „Voor God en alle heiligen bclool'do ik wel is waar beterschap, en ik herhaal voor God deze belofte , — maar hoe zou do zwakke niet struikelen, als hem eiken steun ontzegd wordt? Zijt gij derhalve niet onverschillig voor het heil van uwen neef, help hem dan? Wees zijn voorspreekster bij den Paus, dat hij den ban opheft'o en den rouwmoedige weder in do gemeenschap dor Kerk opneme.quot;

De Saliër had niet berekende wijsheid de terughou-dondheid der nicht aangetast; echt godsdienstig, als zij was , kon Mathilde een dusdanig streven hare hulp niet weigeren.

„Kan ik stellig op den ernst van uw voornemen rekenen ?quot; vroeg zij.

De deur ging open en een rijzig grijsaard, met een langen witten baard, gekleed in een ruwe monnikspij, kwam binnen. Verstandig was zijn uiterlijk en de scherpe blik zijner oogen op den koning gericht. Zoo stond hij zwijgend, als een liefderijk vader , die met

-ocr page 850-

240

warme deelneming den ongelukldgen zoon beschomvt.

„ Wat is dat klein knaapje zeide met zware stem de oude , „dat ik voor meer dan zesentwintig jaar bij het H. Doopsel in mijn armen hield , tot een fiinken man opgegroeid !quot; ')

Onder den uitroep ; „Mijn God , — vader Hugo , mijn peetoom !quot; breidde Hendrik zijne armen naar den grijsaard uit, die hem vaderlijk aan zijn borst drukte.

„God zegene u , mijn zoon !quot; zeide de grijsaard. „Ook ii, höoge vrouwe , wcnscli ik des Hemels rijksten zegen wendde hij zicli ouder een diepe buiging tot de markgravin.

„Wees welkom in mijn land, eerwaarde vader!quot; hernam Mathilde.

„Hoe vaart do Paus?quot; vroeg do abt van Clugny.

„Naar omstandigheden wel antwoordde de markgravin. „Lichamelijk gezond, lijdt zijn ziel groote smart onder den last van zijn ambt als Opperherder en bij het gezicht der bedorven wereld.quot;

„God, die hem riep, sterke hem,quot; antwoordde Hugo.

„Gij komt als een bode des hemels in mijn nood,quot; zeide tje koning. „Van den doopheffer , van den geestelijken vader, mag de rouwmoedige stellig de voorspraak verwachten bij den Paus.quot;

„De rouwmoedige, — ja !quot; antwoordde Hugo van Clugny. „Aan voorsprekers zal het U niet ontbreken. Ook uwe schoonmoeder , Adelheid van Turijn, en uw zwager , de markgraaf Amadeus , kwamen met mij te Reggio aan en reden terstond naar Canossa.quot; 2)

„En ook gij zult mij de eer schenken , heer abt!quot; bad Mathilclc.

') Bamberger, D. VI, bl. 894. De abt Uugo van Clugny was de peetoom van Hendrik IV.

-) Gfrörer, D. VII, bl. 577.

-ocr page 851-

241

„Ik bon u zeer dankbaar , hooge vrouwe ! Wat mij vooral hierheen dreef, zijn bange zorgen voor het welzijn van uwe heerlijkheid,quot; wendde hij zioh tot don koning. „Geen dag gaat voorbij , zonder dat ik vurig bid tot God voor mijn petekind. Mag ik hopen , dat gij een einde maakt aan uw treurig verleden ?

Do Saliër bevestigde de beste voornemens.

Hugo en Mathilde verklaarden zich bereid den Paus naar hun beste vermogen over te halen om hem van den ban te ontslaan.

„Laat mij zoo spoedig mogelijk den uitslag uwer vriendelijke bemoeiingen weten ,quot; smeekte Hendrik bij het afscheid nemen.

De abt en de markgravin stegen te paard en reden met hun gevolg naar Canossa, welks torens op eenigen afstand van oen steile rots omhoog staken.

DE HEILIGE OREGORIUS.

Canossa , de stamburcht van een machtig geslacht, was oen sterkte van zeldzame uitgebreidheid. De burcht omvatte een aantal prachtige gebouwen, onder deze een sticht voor twaalf kanunniken , gesticht door don markgraaf Bonifacius. Drievoudige ringmuren , door vrije tusschenruimten van elkander gescheiden, vormden een steenen gordel om de hoogte. Uit de ringmuren verhieven zich ronde, zware torens met schietgaten, om naar alle richtingen met bogen en pijlen de zijden te kunnen bestrijken. Soms verhieven zich slank en Can. i). in. 16

-ocr page 852-

242

stout statige torons met niuurkronen cn steenen versierselen , trotseh en schilderachtig tevens den sterken gordel der maagd versierend; want Canossa was nog nooit door den vijand genomen.

In de ruime drievoudige burchtpleinen lagen de woningen voor de verdedigers van den burcht en de bedienden , alsook schoone huizen voor voorname gasten en hun gevolg. De kruin der hoogte werd bekroond door een trotseh paleis, een prachtige kerk en woningen voor de voornaamste bedienden van het hertogelijk huis. En al dat trotsche muurwerk met zijn slanke en zware torens met hooge glanzende tinnen en luchtige vertrekken , rust op een naakte kwartsrots , onbeklimbaar voor de stoutste vijanden.

De kroniekschrijver Jïonizo haalt, volgens middel-eeuwscli gebruik , den burcht Canossa zelfsprekend aldus aan : „Onkwetsbaar ben ik. Weinige krijgslieden zijn toereikend, om mij te verdedigen ; al werd ik ook tien jaren belegerd, toch zou mij de vijand niet kunnen bedwingen. Van onder ben ik rots , daar boven verheft zich het muurwerk; mijne voorraadhuizen zijn vol graan, vleesch en wijn. Geen wapenen kunnen mij beschadigen.quot; ')

Nadat zich Mathilde's hooge gasten aan den Paus hadden voorgesteld, begonnen zij een geheim onderhoud, verstandig overwegend, hoe den koninklijken bloedverwant van den ban te ontslaan was; want Grcgorius hield vast aan het verdrag van Tribur en aan zijne belofte, dat hij de Duitsche vorsten gegeven had.

Een gevaarlijken tegenstander vonden de vrienden van den Saliër aan bisschop Bucco van Halberstadt. Deze deelde den heiligen Vader hemeltergende zaken

1) Gfrörer, D. VII, bl. 573 v.

-ocr page 853-

243

over Hendriks schandelijke regeering mede, en in elk geval verzette zich de Sakser tegen de geringste schending van het verdrag.

Na een lang onderhoud waren Hugo en Mathilde, de bloedverwant van den Saliër , het eindelijk eens over de grondslagen eener mogelijke overeenkomst.

Den volgenden morgen dicteerde Gregorius zijn schrijver Humbert juist een brief, toen Mathilde met haar vorstelijke gasten binnenkwam. Na ecnige formaliteiten nam de oude markgravin Adelheid het woerd, die volgens de gewoonte der vrouwen hare rede van tranen en jammerklachten deed vergezeld gaan, om indruk te maken.

„Heilige Vader! quot;Wij komen tot u, als voorspreeksters en middelaarsters voor mijn ongelukkigen schoonzoon.

Hier moest reeds de ontroerde vorstin een dook nemen , om de tranen op te vangen.

„Met zijn vrouw, mijne Bertha, en zijn allerliefst zoontje Koenraad ,quot; ging zij voort, „kwam hij in dezen strengen winter over de Alpen , onuitsprekelijke bezwaren voor niets achtend , om van uwe goedheid en toegevendheid vergiffenis te erlangen. In het naburige Reggie wacht mijn zwaar beproefde schoonzoon op uwen wenk, rouwmoedig en vast besloten, elke boete aan te nemen. O heilige Vader ! — op mijn ouden dag kon mij geen grievender leed treffen, dan mijn kleinzoon en mijne dochter een zoo hard lot beschoren to zien,quot; verzekerde de vveenende vrouw. „Één woord uit uwen mond verandert mijne droefheid in blijdschap, mijn smart in vroolijkheid. Daarom smeek ik u, hef den verschrikkelijken ban van den ongelukkigen vorst op en stel hem weder in de gemeenschap der geloovigen.quot;

„Ik deel uwe smart, edele vrouwe!quot; hernam Gregorius. „Sedert tien jaren is God de getuige van mijn

16*

-ocr page 854-

244

kommer on mijn vurig smeeken voor den misleiden en hoogst schuldigen koning der Duitschers. Hoe vaak heb ik hem geschreven , — hoe vaak hem mijne beden , voorstellen en vaderlijke vermaningen doen geworden ! Hendrik beloofde wel is waar beterschap, maar hield geen enkelen keer zijne belofte , in tegendeel , — dieper en dieper stortte hij zich in euveldaden en misdrijven van allerlei soort. De Duitsche vorsten en volk hebben Ons vaak aangespoord , streng te straffen en niet te dulden, dat ondraaglijke tyrannie de zwakken en weerloozen onderdrukke, dat de schandelijkste Simonie de Kerk verwoeste. Lang aarzelden Wij het zwaard des Apostels tegen den misdadiger te trekken , totdat eindelijk de maat der gruwelen vol cn verdere toegevendheid onmogelijk was. Gerechtigheid vorderen de vorston van Duitschland en wij zijn geenszins in staat dien eisch te kunnen weigeren.quot;

„Heilige Yader, schenk toch geen geloof aan de Duitsche vorstenquot; zeide Hendriks zwager, de markgraaf Amadeus. „Niet uit liefde voor gerechtigheid, niet om eerlijke redenen beschuldigen zij hun rechtma-tigen gebieder , maar uit heerschzucht, uit laag eigenbelang cn mot hot doel, om hem van den troon te stoeten. Wat de Duitsche vorsten tegen mijn zwager inbrengen, klinkt zoo fabelachtig, zoo wonderlijk en overdreven, dat de schurkachtigste laster in alles doorstraalt.quot;

„Vertrouwt de koning op zijn onschuld, dat hij dan niet aarzole , op don Rijksdag te Worms tegen zijn beschuldigers op te tredenantwoordde de Paus. „Beide partijen zullen hunne bewijzen inbrengen, en ik zal beslissen, zonder aanzien dos porsoons, naar beste willen en weten, volgens de heilige canons. Maar het is onvoldoende, do zaak van oen boschul-

-ocr page 855-

245

cligde in afwezigheid der beschuldigers te beslissen.quot; ')

„Hendrik mag zijne zwakheden en gebreken hebben, toch is hij een goed mensch verzekerde de schoonmoeder. „Geloof de lasteraars toch niet , heilige Vader ! Goddelooze menschen deinzen voor de misdaad niet terug, om valsche getuigenis te geven tegen een onschuldigen. Geen moordenaar, geen onteerder van vrouwen , geen tyran is Hendrik, — neen , -— nooit, — ik zou het willen bezweren! Dat zijn duivelachtige leugens en belasteringen dor onschuld.quot;

De Paus zat zwijgend neder en een heldere glans lag op zijn eerwaardig gelaat. Vervolgens hief hij het hoofd op , keek mot bovennatuurlijk schitterende oogen de burchtvrouw aan.

„Mijne dochter smeekte hij , „heb de goedheid den pelgrim hierheen te laten brengen , die daar juist dooide poort ging.quot;

Allen keken den grijsaard verbaasd aan. Mathilde verliet schielijk de zaal.

„Gij zegt, de koning is onschuldig,quot; ging Gregorius voert. „De vorsten en het volk van Duitschland zijn lasteraars. Nu zendt de rechtvaardige God een man , die u van den koning zaken zal verhalen , dat u de haren te berge rijzen.quot;

„De man, van wien uwe Heiligheid spreekt, zou door Hendriks vijanden omgekocht kunnen zijn ,quot; antwoordde Amadeus.

„Ziet eerst den pelgrim, overtuig u van diens onomkoopbaarheid en waarheidsliefde,quot; zeide de Paus.

In de voorkamer hoorde men geruisch. Allen keken in gespannen verwachting naar de deur. Door Mathilde geleid, kwam Wolferat de zaal binnen.

') Gfrürer, D. VII, bl. 577.

-ocr page 856-

246

De ongewone verschijning van den boeteling bracht op de aanwezigen , een diepen indruk te weeg. Deelnemend of strak vestigden zij hunne blikken op eenc gestalte, welker uiterlijk in houding en klecding het kenmerk droeg van een lange en zware boete. Onordelijk hing hot haar om hot hoofd , verwilderd groeide de baard , diep lagen do oogen in hunne kassen. Over de beenderen van den schedel was een geelachtige huid gespannen, en de uitdrukking van een kwellend bewustzijn en een diep berouw lag op zijne gelaatstrekken. Hierbij kwam nog zulk een ruw gewaad, dat het de ledematen stuk schuurde en het gebruik daarvan alleen eene boeto was. Toen de vrouwen de bloote voeten van Wolferat zagen, waaruit het bloecl liep tengevolge van do strenge koude, en de stalen banden om den hals en polzen, door den langen duur van tijd in het vleesch gegroeid, — werden zij door ijzing en ontsteltenis bevangen.

Wolferat was in de kamer gekomen zonder dat hij kennis droeg van de tegenwoordigheid des Pausen. Hij meende, zoo als dit op do verre reis meermalen gebeurde, dat hij do nieuwsgierigheid der aanwezigen moest bevredigen door het verhaal zijner lotgevallen. Hij groette, als iemand, die ervaren was in de hoof-schc gebruiken en die zich vroeger oogcnschijnlijk in do hoogste kringen der maatschappij bewogen had. Toen hij de witte gestalte van Gregorius zag, viel hij op de knieën, boog het hoofd diep en bedekte zijn gelaat met beide handen.

De Paus, teergevoelig van aard , en ovenzoo toegevend en vergevingsgezind jegens rouwmoodigen, als onverbiddelijk en scherp jegens verstokte zondaars, keek aangedaan naar den boeteling.

Benige oogenblikken heerschte er een doodsche stilte,

-ocr page 857-

247

een zacht gesteun uitgezonderd, dat voortkwam uit de borst van den vreemdeling, als uit een afgrond van smart en schuld. De abt Hugo en de burchtvrouw sloegen hunne blikken smeckend op den Paus. De markgraaf Amadeus trok herhaalde malen de schouders op, en de schoonmoeder d js konings beving een gemengd gevoel van ijzing en walging. Nu klonk de stem van Gregorius op vaderlijken toon in de stilte.

„Mijn zoon, schep moed!quot; zeide hij. „Al waren uwé zonden zoo talrijk, als de sterren aan het hemelgewelf of gelijk do zandkorrels aan don oever dor zee, — God vergeeft den rouwmoedigen zondaar barmhartig. Daarom zeg ik: schep moed ! Sta op en antwoord mij.quot;

Wolfcrat deed gehoorzaam, wat hem de Paus geboden had en stond met neergeslagen oogen, die hij slechts zelden en dan nog vluchtig waagde op te slaan naar den Stedehouder van Christus.

„Hoe heet gij , mijn zoon rquot; begon Gregorius.

„Ik heet Boemund , heilige Vader !quot;

„Van wolken stand zijt gij ?quot;

„Vrij en van adelijke geboorte ?quot;

„Hebt gij een ambt bekleed ?quot;

„Ik ben paltsgraaf van den Duitschon koning , Hendrik IV, geweest.quot;

„Hoe lang doet gij boete ?quot;

„Zes jaar, vier maanden en tien dagen.quot;

„Veroorlooft gij , dat ik u in tegenwoordigheid dezer vorstelijke personen , naar uwe misslagen vraag ?quot;

„Ja, heilige Vader! Vraag maar en verschoon mij niet.quot;

Gregorius zweeg een poosje.

„Hebt gij geen brief van aanbeveling van een of anderen eerwaarden bisschop of -Sbt ?quot; vroeg hij nu.

„Ja wel , heilige Vader !quot; antwoordde Boemund een

-ocr page 858-

248

perkament onder zijn gewaad te voorschijn halend. „Een brief van den vromen bisschop Benno van Meiszen.quot;

Abt Hugo nam het schrijven uit Boemunds hand aan en reikte het den Paus over.

Volgens het toenmalig gebruik plachten groote misdadigers door gewone priesters of bisschoppen niet geabsolveerd te worden , maar zij werden met oen schrjj-vjen voorzien naar Homo gezonden. Dit kerkelijk gebruik had niet alleen ten doel , don misdadiger de boosheid en strafwaardigheid zijner gruwelen te doen inzien, maar ook om anderen van het hatelijke der zonde af te schrikken. Menigmaal gebeurde het ook, dat bisschoppen groote misdadigers veeljarige boeten oplegden, na afloop waarvan zij naar Rome reizen en daar van den Stedehouder van Christus de absolutie moesten afsmee-ken. Dit was hier nu ook het geval. De heilige Benno van Meiszen had wel is waar de biecht gehoord van den paltsgraaf, hem een bepaalde boete opgelegd, doch hem niet geabsolveerd, maar volgons toenmalig gebruik Boemund voorgeschreven , dat hij na volbrachte boete naar Itome moest reizen, om daar van den Paus de absolutie te erlangen. Al deze omstandigheden, alsook do misslagen van den paltsgraaf, waren in het bisschoppelijk schrijven vervat.

Gregorius las den brief zuchtend ; want hij zag daarin ijselijke zaken.

„Mijn God , — mijn God , — welk een opeenstapeling van moorden en euveldaden !quot; riep hij ten slotie jammerend uit.

Vervolgens kleurde een rood van verontwaardiging zijn gelaat en zijn stom nam een straffenden toon aan.

„Daar ziet gij een slachtoffer van den Duitschon koning !quot; riep hij uit, lt;jzich naar de vorsten keerend. „Daar ziet gij een met bloed bevlekt werktuig van den

-ocr page 859-

249

1 il

gocldeloozen Hendrik IV. Yijf onschuldige mcnschcn heeft de paltsgraaf Boemund gedood op het bevel dos konings. Vrouwen werden geroofd ten dienste van do dierlijke lusten van dienzelfden koning , de eer der fa-miliën werd op do gruwelijkste wijze geschonden. En gij vordert vergiffenis voor zulk een man?quot;

Uwe Heiligheid verklaarde zelf,quot; zeide Amadeus , „dat God vergiffenis schenkt, al zouden de zonden ook zoo talrijk zijn , als de sterren des hemels.quot;

„Ja, — God is barmhartig voor den rouwmoedigen zondaar !quot; hernam Gregorius. „Beschouwt dezen man! Door do genade getroffen, keerde hij in zich zelven. Hij verliet een schitterende loopbaan en werd een hoo-rige knecht. Meer dan zes jaren leefde hij in de strengste boete, in do holen der bosschen, bij de wilde dieren. Meer dan zes jaren at hij nooit vleesch, dronk geen wijn, voeddo zich armoedig met gemeene kost, — beschouwt dit lichaam van een acht en twintigjarigen man ! Ziet de metalen banden , eertijds do klingen zijner moordtuigen, in hot vleesch gegroeid! Zoo heeft de paltsgraaf Boemund boete gedaan. — Wat heeft de grootere misdadiger geboet? Welke boete heeft de koning gedaan ? Mets noemenswaardig. Met eens verschijnt hij vrijwillig voor den apostolischen Stoel , maar gedwongen door den Eijksdag van Tribur.quot;

Do voorsprekers van den Saliër zwegen.

„Veroorlooft, dat ik deze arme ziel mijne hulp ver-leene,quot; zeide Gregorius, terwijl hij opstond. „Volg mij , mijn zoon Boemund !quot;

Hij verliet met den paltsgraaf do zaal en ging in een daarnaast gelegen vertrek, waar hij een paarse stool omhing , eenige minuten knielend bad en vervolgens op een stoel ging zitten. Op zijn wenk knielde Boemund dich naast Gregorius, ontving den zegen en

I;' I

! I

1 ^

-ocr page 860-

250

beleed zijne zonden. Lang duurde de biecht, soms door korte vragen van den Paus onderbroken. Hierop volgde een vaderlijke vermaning en een zeer kleine boete. Vervolgens zeide de pauselijke biechtvader den rouwmoedigen biechteling oen akte van berouw voor , met het verzoek, dat hij het oprecht gemeend zou nazeggen.

Er volgde een pauze. Gregorius zat mot gevouwen handen, gesloten oogen, in plechtige aandacht verzonken , als voor een gewichtige handeling. Paltsgraaf Boemund, die nu zoo dicht bij die gelukkige oogon-blikken was , waarnaar hij sinds jaren zoo vurig verlangd had , beefde aan alle ledematen van inwendige ontroering.

Do Stedehouder van Christus hief oogen cn handen ton hemel en toen hij de woorden der absolutie uitsprak , die ontzagwekkende woorden, die in den hamel ontbinden , wat op do aarde ontbonden wordt, sprongen de metalen banden aan den hals en de handgewrichten van Boemund en vielen rammelend op don grond. Do ontroering van den paltsgraaf was zoo groot, dat hij het oogenschijnlijk wonder nauwelijks bemerkte. De Paus omhelsde hem en gaf hem den vredekus.

„Mijn lieve zoon,quot; zeide hij opgetogen van vreugde, „aan a is het woord van onzen Heer Jezus vervuld ; „Waarlijk ik zog u , do engelen des homols verheugen zich meer over één zondaar , die boetvaardigheid doet, dan over negenennegentig rechtvaardigen , die geen boetvaardigheid noodig hebben.quot; Vrede zij met u!quot;

En de vroeger zoo sombere , door gewetenswroegingen gefolterde boeteling Wolferat scheen geheel en al veranderd. Vreugdetranen liepen langs zijne wangen. Hij nam de handen van den heiligen grijsaard en kuste zo, als een overgelukkig kind.

-ocr page 861-

251

„O mijn Vader, — mijn Vader, wat ben ik onuitsprekelijk gelukkig !quot; riep hij uit. „Hoe licht is het mij nu om t hart. Alle drukkende lasten zijn nu van mijne ziel weggenomen.quot;

„Dank den goeden God en loof hem , zoo lang gij leefthernam Gregorius.

„Dat zal ik doen, mijn Vader! Sta mij daarom toe, dat ik als leekebroeder in het klooster te Klingen ga.quot;

„Stellig , mijn zoon ! Gij zult een aanbevelingsbrief van mij hebben aan don eerwaarden abt van dat god-vreezend sticht. —- Ga nu hoen, vertoon u aan do burchtvrouw en verzoek haar om geschikte kleederen. Reinig u dan ook naar het lichaam , wasch uw hoofd, uwe ledematen en ontvang morgen in do H. Mis uit mijne hand do H. Communie.quot;

Van geluk en vreugde als buiten zich zeiven , verliet Boemund het vertrek.

Gregorius raapte do motalen banden des boetolings van den grond op en bewaarde ze als kostbaarheden in een klein kastje.

Een kamerheer kwam binnen.

„Heilige Vader , oen edelman , eon boer en een kind verzoeken om gehoor.quot;

„Breng hen naar de zaal!quot; beval Gregorius, toen hij zich juist daarheen begaf en in een stoel ging zittten.

De aangedienden verschenen. De edelman had een beeldschoon knaapje van ongeveer vier jaren aan de hand, wiens fijn gezichtje door gouden lokken was omgeven, en dat vol vertrouwen de kinderlijke oogen op den lachenden grijsaard sloeg, terwijl de beide mannen op de knieën vielen. Gregorius wenkte den kleine bij zich , die zonder schroom do witte gestalte

-ocr page 862-

252

naderde. Hjj nam het kind bij de hand en keek het vriendelijk in de oogen.

„Hoe heet gij , mijn kind ?quot; vroeg hij in de Latijn-sche taal.

Do kleine verstond het niet.

„Waar komt gij van daan ?quot; vroeg Gregorius aan den edelman.

„Uit Bourgondic , heilige Vader !quot;

Do Paus herhaalde in de franschc taal : „Hoe heet gij , lief kind ?quot;

„Karei !quot; antwoordde de kleine.

„Kunt gij al bidden?quot;

De kleine knikte toestemmend.

„Wat kunt gij bidden ?quot;

„Het Onze Vader.quot;

Gregorius drukte het kind aan do borst en kuste het. Het knaapje bleef bij den grijsaard staan en terwijl de Paus zich met de mannen onderhield bekeek hot, op do wijze der kinderen , met groote oplettendheid den witten man en speelde met de franjes van de pauselijke stoel.

„Ik ben ridder Eilbert, leenman van den hertog van Bourgondië zeide de vreemdeling. „Deze man heet Ellenhart, vroeger een vrije boer in Bourgondië.''

„Zoo is 't, Vader Gregorius, — een vrije boer, totdat de goede hertog vertrok en ons aan do wolven overlietverzekerde Ellenhart mot landelijke eenvoudigheid.

„Wacht, mijn zoonviel Gregorius hem in de rede , „totdat ridder Eilbert zijne zaak heeft voorgedragen , dan moogt gij spreken.quot;

„Gelijk Uwe Heiligheid wel bekend is ging Eilbert voort, „legde hertog Hugo I van Bourgondië de regeering neder in de handen van zijn broeder Odo en werd

-ocr page 863-

253

monnik in hot sticht te Clugny. Hertog Hugo was een rechtvaardig ou wijs vorst, wiens sterke hand de orde in het land handhaafde. Van zijn broeder Odo kan dit helaas niet gezegd worden ; want dagelijks neemt de verwarring in Bourgondië toe, evenals de geweldenarij en het onrecht. Hiervan is dit kind, het ecnig zoontje van mijn overleden vriend Ruckbert, een voorbeeld. Naburige edellieden overvielen het gebied van den wees, ontnamen hom alles en hertog Odo heeft tot nog toe niet kunnen besluiten , de beroofde wees bij te staan. Sedert het vertrek van Hugo bestaat er bijna geen recht meer in het land. Odo is al te toegevend , of te traag , daarom steekt do goddeloosheid onbeschaamd het hoofd op. Derhalve oordeelde ik mij verplicht, mijner den armen verlaten wees van mijn vriend zaliger aan te trekken, en den Vader der Christenheid om hulp en gerechtigheid voor dit onderdrukte kind te smeeken.quot;

Bovenmate prijzenswaardig van u, mijn zoon!quot; prees Gregorius. „Onze Heer Jezus heeft gezegd: „Wie een dezer kleinen opnoemt , neemt mij op.quot; Derhalve hebt gij voor u bij God een groote verdienste verworven. Wees tevreden ! De onbeschaamde roovers zullen ter verantwoording geroepen en dit arm kind zijn vaderlijk erfgoed teruggegeven worden.quot;

De Paus ging naar don lessenaar en schreef eenige aan teek eningon op oen strook perkament. Vervolgens keerde hij naar zijn stoel terug.

„Nu Ellenhartwendde hij zich tot den boer, „draag uwe aangelegenheid voor.quot;

„Vader Gregorius,quot; begon deze met zeer luide stem, „wij boeren kunnen het in Bourgondië niet meer uithouden , sinds de goede hertog weg is. Bij ons loopt alles in de war. Wij boeren worden gekweld en ge-

-ocr page 864-

254

plaagd door goddelooze edellieden. Onze rechten en vrijheden worden ons met geweld ontnomen en wij worden tot hoorige knechten verlaagd. Wij moeten buitengewone vroon- en heerendiensten verrichten, zoodat wij daardoor allen ellendig moeten omkomen. De goede hertog Hugo zou zoo iets nimmer toegelaten hebben. Onder zijn bestuur was alles in de beste orde. Men kon leven en God dienen. Dewijl wij hoorden , dat Gij een zoo vroom Vader van alle Christenen zijt, en iedereen bij U hulp vindt, hebben vele boeren reisgeld bijeengebracht en mij naar Kome naar Vader Gregorius gezonden. Toevallig hoorde ik in Lombar-dije, dat Gij te Canossa waart, en nu ben ik hier gekomen , om U , Vader Gregorius , dringend bij Gods barmhartigheid te smeeken , dat Gij ons arme e i ellendige boeren toch helpen wilt uit de wreede handen der edellieden.quot;

„Gij zult die verre reis niet te vergeefs gedaan hebben, mijn zoon Ellenhart!quot; zeide de Paus. „Wij zullen den hertog Udo van Bourgondië ernstig aanmanen, dat hij even als zijn broeder Hugo , nauwgezet en rechtvaardig het welzijn zijner onderdanen ter harte neme.quot;

Gregorius schonk het kind een kostbaar gebedenboekje en liet de Bourgondiërs heengaan met de bemerking , dat zij over twee dagen weer bij hem moesten komen.

Weer ging hij naar de lessenaar en maakte eenige aanteekeningen. Vervolgens schelde hij.

„Ik verwacht den eerwaarden abt Hugo van Clugny,quot; zeide hij tot den binnentredenden kamerheer.

Tusschen Gregorius en Hugo bestond sedert vele jaren een innige vriendschap, welke reeds gesloten werd in de jongelingsjaren te Clugny, waar Hildebrand zijn opleiding genoten had. Deze vriendschap van

-ocr page 865-

255

beide mannon vond haren oorsprong in de gelijkheid van karakter in liet streven , om het rijk Gods op aarde te bevorderen. Toch deden zich somtijds oneenigheden voor, omdat Hugo , niet het scherpe, doordringende verstand van Gregorius bezat.

Ernstig , bijna streng , ontving do Paus zijn vriend , Eilborts en Ellenharts klachten onderzoekend.

„Ik had u bevolen , hertog Hugo niet in het klooster op te nemen,quot; ging hij voort. „Vermochten mijne aanmaningen niets op u , moendet gij aan het apostolisch bevel uwe gehoorzaamheid te mogen weigeren , waarom hebben u dan ton minste de zuchten der armen, de tranen der weduwen , do verlatenheid der kerken , het gejammer der weezen, de smart der priesters en monniken niet weerhouden, om de uitspraak van den apostolischen Stoel te vergeten : „De lietUe zoekt haar eigenbelang niet.quot; En wederom: „Wie den naaste bemint, heeft do wet vervuld.quot; Wat zou do H. Me-nedictus van Nursia van uw gedrag zoggen ? Wat do H. Paus Gregorius 1 'i Schrijft niet de H. Benodictus voor, dat elke novice een jaar lang beproefd moot worden ? Gebiedt Paus Gregorius I niet, een krijgsman eerst na driejarigen proeftijd aan te nemen ? Ik zog dit, omdat ik tot mijne droefheid de ervaring heb opgedaan, dat een goed vorst de grootste zeldzaamheid op aarde is. In don staat dor monniken , priesters , ridders en vooral onder do arme boeren, zjjn er velen, die God in waarheid vreezen, — maar in het goheelo Westen bevinden zich ouder de vorston nauwelijks twee of drie rechtvaardigen.quot; ')

„Hertog Hugo liet zich niet afwijzen , heilige Vader!quot; antwoordde de abt. „In roerende brieven , en persoon-

l) Gfrörer, D. IIbl. 417 v.

-ocr page 866-

25(5

lijk in mondeling onderhoud , schilderde hij zijn vurig verlangen naar den vrede des kloosters, waar hij God, ongehinderd door wereldsche zaken, wilde dienen.quot;

„ Dan hadt gij den hertog onder 't oog moeten brengen , hoe krachtdadig hij God door een rechtvaardige en wijze regeering kon dienen hernam Gregorius. „Maar hoven en groote heeren schijnen u meer aan 't hart te liggen, dan het lot der boeren. Derhalve moet ik u herinneren, dat onze Heer en Verlosser, die vrijwillig de armoede koos , ofschoon Hij in den' hemel het hoofd der engelenscharen is , toch op aarde het gezelschap der grootste zondaars niet versmaadde , maar mot hen at. Waarom waart gij de ellende en gevaren niet indachtig, in welke zich onze heilige Kerk bevindt? Waar zijn menschen te vinden, die vrijwillig en uit liefde tot God wederwaardigheden het hoofd bieden, goddeloozen bestrijden en voor gerechtigheid en waarheid den dood niet schuwen ? Diegenen, van welke men zou veronderstellen , dat zij God beminnen of vreezen, vluchten den strijd voor de zaak van Christus , vergeten de zorg voor hot welzijn dor broeders en zoeken , slechts aan zichzelven denkend , oen laffe rust. De herders vlieden met de wachters, welke de kudde moesten verdedigen. Daarvandaan komt het, dat wolven en roovers ongestraft in de kudde vallen. Op die wijze hebt gij, door het opnemen van den hertog in uw klooster, op u de schuld geladen, dat honderdduizend Christenen een beschermer ontberen.quot;

„De berisping Uwer Heiligheid doet mij pijnlijk aan, wijl zij verdiend is,quot; antwoordde abt Hugo. „Ik betreur den overijlden stap en verklaar mij bereid, de voorschriften van den Stedehouder van Christus te volbrengen.quot;

„Ik verlang uwe ondersteuning in deze aangelegen-

-ocr page 867-

heid, mijn broeder !quot; ging de Paus voort. „Gij moet in mijn naam aan hertog Hugo verklaren, dat ik hem van zijn kloosterbelofte ontsla en hem in geweten verplicht, zich weder met de regeering van zijn land . te belasten , als hij zjjn broeder, hertog Odo van Bourgondië niet overhaalt, weezen en weerloozen togen geweld te beschermen en een doortastende rechtspleging te handhaven. Ik zelf zal aan hertog Odo schrijven. Voor alles moet de beroofde wees Karei , het kind van den overleden ridder Ruckbert, het vaderlijk erfdeel onverminderd terug ontvangen, en het geweld van den roover moet bestraft worden. Insgelijks moet de boerenstand in zijn rechten beschermd en voor de geleden verliezen schadeloos gesteld worden.quot;

„Hertog Odo zal aan alle eischen Uwer Heiligheid voldoen verzekerde abt Hugo. ,,De man is van goeden wil. De bedreigde teruggave van het bewind aan zijn broeder zal hem natuurlijk tot plichtsvervulling aansporen.quot;

Intusschen waren Adelheid van Turijn en den markgraaf Amadeus naar Reggio teruggesneld, om den wachtenden Saliër het nieuws mede te deelen.

Hendrik ontstelde hevig, toen hij het plotseling verschijnen van een der twaalf, den paltsgraaf Bocmund , hoorde.

„Welk een ongeluk!'' riep hij als zinneloos. „Een verschrikkelijk toeval, — een allernoodlottigste gebeurtenis ! Boemund , — dien ik sinds lang in het graf waande., van de dooden opgestaan, — en wel op deze plaats . in Canossa , — op dit oogenblik, — wee mij!quot;

„Deze paltsgraaf heeft ongetwijfeld een geduchte streep door uwe rekening gemaakt quot; hernam Amadeus. „De verzekeringen uwer onschuld zijn ten einde, zwager.

Cax. d. hi. 1 T

-ocr page 868-

258

„Dat zijn de gevolgen uwer teugellooze hartstochten,quot; zei de grijze Adelheid. „Aan dien Boemund hebt gij zaken geboden , waarover zich een heiden moest schamen.quot;

„Om Godswil, schoonmoeder, geen verwijten,quot; smeekte Hendrik. „Wees veeleer op redding bedacht. Word ik binnen weinige dagen niet van den ban ontslagen , dan is kroon en schepter reddeloos verloren.quot;

„Gregorius is wel toegevend en goed, maar hij staat streng op rechtvaardigheid en christelijke tuchthernam Adelheid. „Ik weet geen raad !quot;

„Er blijft niets anders over dan het boetekleed aan te trekken, zwager!quot; zeide de markgraaf. „Overtuigt gij den Paus van uw berouw, dan zal hij niet aarzelen, u van den ban te ontslaan.quot;

„Tot alles ben ik gaarne bereid riep Hendrik uit. „Eaadt mij , — helpt mij , — redt mij !quot;

Men knoopte oen lang onderhoud aan. Vervolgens keerden Adelheid en Amadous naar Canossa terug.

DE BOETE.

De morgen van den vijf en twintigsten Januari in het jaar Onzes Hoeren 1077 grauwde en was buitengewoon koud. Een scherpe Noordewind droef grijze sneeuwwolken over het land, en alles was stijf bevroren.

Gregorius had de H. Mis gelezen en den gelukkigen paltsgraaf Boemund de H. Communie uitgereikt. Vervolgens was hij naar zijne vertrekken teruggekeerd ,

-ocr page 869-

259

had de geregelde geestelijke oefeningen gehouden en was aan zijn werk begonnen. Eensklaps werd de schrijvende Paus door een gezang afgeleid, welks treurige melodie van het burchtplein naar boven klonk. Hij ging naar het raam en keek naar beneden. Een roerend schouwspel vertoonde zich daar aan zijn oogen.

In de nabijheid der poort van den eersten ringmuur stond koning Hendrik, barrevoets en blootshoofd, slechts met een boethemd van lijnwaad gekleed. Zijne bloote voeten stonden op een verwarmden zandsteen. Zijne handen had hij gevouwen, zijn hoofd rouwmoedig gebogen , en bedroog do kunst in het huichelen van den Saliër niet, dan duidden zijne gelaatstrekken oprechte vermorzeling des harten aan. Achter hem stonden de kanunniken van Canossa, in warme pelzen gehuld, boetpsalmen zingend.

Openbare boetplegingen waren niets buitengewoons, en in zekeren zin vereerende godsdienstige oefeningen. Hendriks vader en grootvader de keizers Hendrik HI en Koenraad II, bekleedden zich herhaalde malen met het boetekleed en lieten zich openlijk om hunne zonden geeselen. Toch stond Gregorius diep aangedaan op het gezicht van den boetvaardigen Saliër. Hij herinnerde zich de jeugd van Hendrik, zijn zware vergrijpen , zijne vaak getoonde vijandelijke stemming jegens de Kerk , die hem , volgens de overtuiging van Gregorius, voor God veroordeelingswaardig maakten , — en de edele grijsaard zuchtte diep. Evenzoo dacht hij aan de moeder van Hendrik , de keizerlijke non Agnes , die niet ophield , haren bedorven zoon in de gebeden van Christus' Stedehouder aan te bevelen, en voor -wier moedersmart Gregorius zulk een achting had, dat hij herhaalde malen de waanzinnigste misgrepen van den jeugdigen vorst had toegegeven.

17*

-ocr page 870-

260

Zoo werd de grijze held door menschelijke aandoeningen overvallen, en hij gaf zich daaraan over, zonder oogenblikkelijk te bedenken, dat hij niet altijd mensehelijk gevoelen mag , wien plicht en roeping gebieden , voor goddelijke rechten te strijden tegen de bedorvenheid der wereld.

Nu verscheen bisschop Bucco van Halberstadt bij den Paus om hem de werkelijkheid der zaken te herinneren.

„Heilige Vader, laat u niet misleiden !quot; riep de Sakser. „Wat gij daar ziet , is niets dan leugen en bedrog.quot;

„Ik geloof, dat ik een ongelukkigen jongen man , een rouwmoedigen zondaar voor mij zie,quot; antwoordde Gregorius.

„Een huichelaar ziet gij!quot; riep de Sakser vertoornd, op het gezicht van den ontroerden grijsaard. „Geen zucht tot boete spoort hem aan, maar booze list en streken , om Uwe Heiligheid te misleiden.quot;

Gregorius keek naar den boeteling en schudde onge-loovig het hoofd.

„Zou hij de huichelarij zoo ver kunnen drijven ? Dat is niet mogelijk!quot;

„Werkelijk, heilige Vader, werkelijk! Juist hetzelfde heeft Hendrik IV voor vijf jaren te Luik gedaan. Daar stond hij niet alleen bij dag , maar gedurende den geheelen nacht, voor al het volk in het boetekleed bij de reliquieën van den heiligen Eemaclus. En waarom ? Om het misleide volk tegen den heiligen aartsbisschop Hanno van Keulen op te zetten. En de huichelarij gelukte hem. De menigte werd woedend , en bedreigde Hanno , als hij niet inwilligde in den on-rechtvaardigen eisch des konings ').--Het kortzich-

l) Gfrörer, D. II, bl. 279-285.

-ocr page 871-

261

Hgo volk van Luik kon door den listigcn huichelaar bedrogen worden, — u zal hij oehtor niet om den tuin leiden. Twijfel er niet aan. — De nood dwingt den tyran tot deze daad, maar niet do veranderde gemoedsstemming.quot;

„Toch kan ik den ongelukkigen mijn deelneming en medelijden niet weigeren antwoordde Gregorius.

Bucco koek den Paus mot groote oogen aan en de blikken van den Sakser schoten vlammen.

„Zou hot mogelijk zijn , heilige Vader, — Gij wilt hem van den ban ontslaan? Gij wilt het verdrag van Tribui- niet indachtig zijn? De ellende van het Duitsche volk niet achten? Zult gij geen acht slaan op do ontelbare euveldaden van den Saliër ?quot; — en Bucco's woorden werden al luider en heviger, zoodat hij een strafpredikatie voor den Paus scheen te houden. „Gij wilt de onderdrukking der geestelijkheid en de onderwerping der Kerk niet gedenken ? Do Simonistische gruwelen van Hendrik en zijne gunstelingen? De hemeltergende ongerechtigheden en wetsverkrachtingen ? Do slavernij der Saksors? Het vergoten bloed van onschuldige men-schen ?quot; De onteerdo familiën en de afschuwelijkste ondeugden van den Saliër, — ondeugden , die een christen niet mag noemen ') ? — Gij wilt hem van den ban ontslaan en hem de vrijheid geven , om zijne ty-rannie in de Kerk en het Rijk voort te zetten ?quot;

Eindelijk hield de verontwaardigde Sakser op.

„Geen misverstand , eerwaarde broeder !quot; antwoordde de Paus bedaard. „Mijne persoonlijke gevoelens mogen geen invloed uitoefenen op de plichten mijner waardigheid. Grootelijks heeft do koning zich vergrepen aan de goddelijke en menschelijke wetten. Jaren lang

') Bucco bedoelt de onnatuurlijke zonden van Hendrik — Sodomie — waarvan de kroniekschrijver Mangold spreekt. Floto. „Keizer Hendrik IVII, 155.

-ocr page 872-

262

stichtte hij onheil in Kerk en Staat. Hij strekte ten voorbeeld in al wat slecht was, — een schrikkelijke ergernis voor het volk. Men zegt toch; Regis ad exempltun totiis compon it ur orb is. En omdat zich de wereld richt naar liet voorbeeld der koningen , daarom is zij vreeselijk bedorven. — Neen , dergelijke misdaden wischt een boete in dezen eenzamen burcht niet uit. Het openbaar vonnis, gelijk de Duitsche Eijksvorsten vorderen, komt overeen met dc wetten der gerechtigheid.quot;

Bucco was tevreden gesteld.

Het boetgezang had opgehouden en de koning was in een nabijgelegen huis verdwenen, waar hem de aartsbisschoppen Udo van Trier en Liemar van Bremen wachtten. Versteven van koude, kwam Hendrik bij don haard. Zijn kamerheer wierp hem een pels om de schouders en bekleedde zijne voeten met kousen en schoenen.

Dc beide prelaten keken den Saliër onderzoekend aan.

„Eerwaarde vader!quot; wendde hij zich tot Udo, „laten wij dc geestelijke oefeningen voortzetten.quot;

Dc aartsbisschap opende het Evangelieboek en las ecnige hoofdstukken uit Mattheus voor, menige duistere plaats verklaarde hij op Hendriks verzoek , want deze toonde een levendige belangstelling in de woorden dor H. Schrift.

Onze Heer Jezus zegt: „Eerder gaat een kemel door het oog van een naald , dan dat een rijke het lijjk dor hemelen binnengaat.quot; Telkens stuit ik op dit beeld bekende de Saliër. „Het is volstrekt niet mogelijk dat oen kemel door het oog cener naald gaat. Zou het even onmogelijk zijn, dat een rijke in den hemel komt ?quot;

„Toch niet, koninklijke heer!quot; hernam Udo. „Dc Zaligmaker spreekt hier geenszins van een gewoon oog

-ocr page 873-

263

ccncr naald , hij doolt veclocr op oen joodsch gebruik en daarom is zijn beeld gepast en verstaanbaar voor zijne toehoorders. Aan do huizen in Palestina bevonden zich twee ingangen, een poort, door welke de kameelen en andere dieren binnengingen, en een deur, welke ten dienste der menschen gebruikt werd. Deze deur noemde men volgens joodsch gebruik „het oog der naald.quot; Onmogelijk nu is het juist niet, dat een kameel door de deur „het naaldenoogquot; kan komen , maar het gaat bezwaarlijk. De kameel zal er wel op de knieën kunnen doordringen, — evonzoo zal oen rijke hoofd en knieën moeten buigen en zich zeer moeten inspannen, „wil hij het Rijk der hemelen binnengaan.quot;

„Ha zoo ! — nu krijgt de gelijkenis een geheel andere gedaante !quot; zeide do Saliër. Nu is het beeld niet meer ongepast, maar zeer aardig en gepast.quot;

Op deze wijze onderzocht Hendrik en werd onderwezen.

Op het lezen van de H. Schrift volgde een lange pauze ter overweging van het voorgelezene. Daarna begon aartsbisschop Liemar een goestclijko overweging over de ijdelheid der aardsche zaken , welke den koning schcen te treffen. Zacht en liefderijk vloeide de woorden van do lippen van den eerwaarden prelaat eu hun indruk op de toehoorders moest des te grooter zijn , naarmate de voorgedragen waarheden door Liemar zeiven gevoeld werden.

Eindelijk verlieten de aartsbisschoppen den koning, die in den loop van den gehoelen dag at noch dronk.

Tegen den avond verschenen de kanunniken weder. Weer ging Hendrik barrevoets en blootshoofds in een linnen boetekleed op hot burchtplein staan, waar hij zoo lang in do strenge koude bleef, totdat do Litanie en eonigo gebeden gezongen waren. Vervolgens keerde

-ocr page 874-

264

hij naar huis terug-, om de koude lichaamsdeelen aan het vuur van don haard te verwarmen.

De aartsbisschop Liemar las toepasselijke stukken uit den profeet Isaïas. De abt Hugo van Clugny hield een ernstige overweging over don Dood en het Oordeel. Dc voorstellingen dezer aangrijpende waarheden hadden zulk een uitwerking, dat de koninklijke misdadiger zichtbaar ontroerd was.

• Jfa het einde der overwegingen at Hendrik in gezelschap van zijn peetoom groenten en brood. Tot laat in den avond bleef Hugo bij den vorst onuitputtelijk in wijze raadgevingen en vermaningen, alsook in vertroostingen voor den weifelende. ')

Den volgenden morgen verscheen de koning binnen den tweeden ringmuur. Weder zongen dc kanunniken dc boetpsalmen. Streng vasten en nog meer de angst voor het verlies van den troon hadden de overmoedige houding van den Saliër gebroken. Nu stond hij niet

1) Volgens het verhaal der meeste geschiedschrijvers stond Hendrik IV drie dagen, en wel onafgebroken van den morgen tot den avond, op het burchtplein van Canossa, geheel naakt , alleen met het boetekleed bedekt. Volgens de overeenstemmende berichten van alle kroniekschrijvers heerschte destijds een geheel buitengewone koude. Alle rivieren waren van November tot in Maart toegevro-ren. Over het ijs van de Po reden de zwaarste vrachtwagens. Hoe is 't mogelijk , dat een mensch bij zulk een koude barrevoets, slechts met één kleed aan, het in de open lucht ook slechts één uur uithoudt. In dc aderen van Hendrik IV moest geen warm, maar koud bloed vloeien, wilde hij niet verstijven. Bijgevolg zien de kroniek- en geschiedschrijvers, welke der Kerk vijandig zijn, over hot hoofd, dat zij iets onmogelijks beweren, en dat de haat tegen Gregorius VII, dien zij als een wreed tyran met sterke kleuren wilden afmalen, hen volslagen blind maakte. — 'Werkelijk kwam do boetplegende Saliör des morgens en des avonds voor korten tijd op het burchtplein van Canossa, er niet in het minst aan denkende om de proef te nemen met iets, wat de natuurwetten verbieden. Bamberger; D. VI, bl. 895.

-ocr page 875-

265

alleen, maar tusschen do bisschoppen Bibo van Toni cn graaf Eberhard van Nellenburg, broeder van den aarfsbis'scliop Udo van Trier. Deze waren insgelijks in don ban. Ook zij stonden barrevoets en blootshoofds in boetekleederen en smeekten om weder in de gemeenschap der Kerk te worden opgenomen.

Do bisschoppen Benno van Osnabruck, Eppo van Zeiz , Burkhard van Lausanne en quot;Wernher van Straatsburg , die van den ban ontslagen waren , kwamen met eonige cardinalen en italiaansche bisschoppen te Canossa aan, — allen ijverig in do weer om don Paus tot toegevendheid over te halen. Toen do koning in den namiddag van den tweeden dag weder met de overige boetelingen op het plein kwam, vertoonde zich voor don Paus een roerend schouwspel. De bloedverwanten van den Saliör bestormden Gregorius , de vrouwen weenden en jammerden. Koningin Bertha viel voor don Paus op de knieën, luid weenend on smeekend voor haren echtgenoot. Alle aanwezigen waren aangedaan , vooral Gregorius zelf, wiens aangeboren toegevendheid cn teederheid nameloos veel leden onder den bitteren last van de zware taak , die de plicht onverbiddelijk van hem vorderde.

„Heilige Vaderzeide de markgraaf Amadeus, „de koning onderwerpt zich in alles aan uwe uitspraak, dewijl hij vast op uwe rechtvaardigheid vertrouwt. Maar do nood der omstandigheden dwingt hem , spoe-. dig to handelen. De dag, waarop het vonnis ver-loopen is. nadert. Verstrijkt deze zonder dat hij van den ban ontheven is, dan hoeft de koning, volgens de wetten van het hof, alle aanspraken op den troon verloren. Daarom smeekt de koning niets vuriger, dan de ontheffing van den ban. En deze daad zal de overige bepalingen van het verdrag van Tribur geheel

-ocr page 876-

266

onaangeroerd laten. De koning verklaart zieli bereid, eiken dag, dien Uwe Heiligheid bepaalt, voor hot gerecht te verschijnen en op de beschuldigingen zijner tegenstanders te antwoorden. Wordt hij overtuigd, dan legt hij zonder tegenspraak de kroon neder. Ik herhaal in den naam van mijn zwager , dat de ontheffing van den ban zoo moet beschouwd worden , alsof zij in geen verband staat met de vraag van het recht op den troon.quot; ')

„ Dat zijn arglistige omwegen !quot; riep de Sakser Bucco. „Als bode en vertegenwoordiger van de Duit-sche Eijksvorsten, moot ik hiertegen protcsteereu. Sedert tien jaren heeft Hendrik IV de vorsten van Duitschland belogen en bedrogen. Met beloften en eeden is hij maar al te kwistig — doch hij houdt niets. Als hij van den ban ontslagen is , zal bij het oude , wetverkrachtend bestuur weder beginnen.quot;

„Bisschop, gij zijt een hardvochtig man !quot; riep Adel-heid van Turijn.

„Niet hardvochtig ben ik,quot; antwoordde Bucco, „maar gevoelig voor de namelooze ellende mijns volks. Hendrik IV heeft geheel Saksen het ondraaglijkst juk opgelegd. Sedert jaren behandelt hij ons als gemeene slaven. Zijne (misdrijven en euveldaden zijn ontelbaar. Zulk oen mensch is de kroon onwaardig.quot;

„Laster!quot; riep Amadous uit.

„Markgraaf,quot; antwoordde Bucco bcleedigd, „het voegt u niet, een Duitschor, daarbij oen bisschop, van laster te beschuldigen ! Kom naar Augsburg en hooide bewijzen, dat uw zwager oen listig huichelaar, een hardvochtig despoot, een misdadiger zonder gelijken geweest is. En wat doet uw zwager, de koning, nu?

') Gfrörer, D. VII, bl. ó78.

-ocr page 877-

267

In Tribur onderteokeiide eu bezwoer hij een verdrag , welks uitvoering hij arglistig tracht te ontduiken. Hij komt naar Italië , en bij zijn verschjjnen loopen alle vijanden van den Paus te wapen. Een geheel leger ligt tusschen hier en de Alpen , ori den Paus de reis naar Duitschland onmogelijk te maken. Zonder deze daad van geweld waren wij heden nog over de bergen. Handelt derhalve de koning niet, zelfs nog in deze dagen van zijn verdiend ongeluk , tegen zjjn woord , tegen zijn eed ? Verzet hij zich niet met inspanning van zijn laatste krachten tegen den loop van het recht, van de eer en welvaart van Duitschland ? Dwingt hij den Stedehouder van Christus niet naar deze versterkte plaats te vluchten, om beveiligd te zijn voor zijn vijandige aanslagen ? Waarlijk , dat is een eerlooze, listige handelwijze !quot;

„Koning Hendrik heeft de vijandige aanslagen der Lombarden geweerd,quot; zeide Mathilde van Canossa.

„Natuurlijk , — wat zouden hem de Lombardische stieren ook kunnen baten ?quot; riep de Sakser. „Niet omdat hij afstand doet van het kwaad, wees hij de aanslagen der Italianen af, maar omdat hij hot onvermijdelijk verlies van den troon voorziet , als het hem niet gelukt den Paus te misleiden. - Heilige Vader, in naam der gerechtigheid bezwoer ik u , houd u aan het verdrag van Tribur en wees scheidsrechter zooals gij hebt aangenomen ! Gij zijt de Vader der Christenheid , onze toevlucht. Zouden de vorsten en het volk van Duitschland te vergeefs om gerechtigheid smeeken ? Om verlossing uit de toestanden, die de Kerk en hot Rijk te gronde moeten richten ? Zou de kudde geslagen en verstrooid mooten worden, omdat de herder niet waakt, niet redt ?quot;

„Gij hebt het recht aan uwe zijde , eerwaarde broc-

-ocr page 878-

der !quot; begon dc Paus plechtig ernstig. „Naar ons per-soonljjk gevoelen moesten wij den ongelukkigen , diep gezonken vorst vergevend de liand reiken. Jtoept echter sinds jaren om gerechtigheid een volk , welks hoogste goederen met voeten getreden worden, dan mogen gemoedsaandoeningen onze handelingen niet bepalen. — Mij zeiven doet de koning thans geweld aan. Voor mijn oogen onderwerpt hij zich tegen mijn wil aan een openbare boete , om mij tot opheffing van den ban te dwingen. Spoedig zal ik uitgekreten worden als een hardvochtig man door allen, die geen kennis dragen van den loop der dingen. Ik zal geduldig den smaad verdragen, wijl ik er mij niet om bekreun , dooide menschen geoordeeld te worden. Zeg aan den koning, dat hij de openbare boete stake en zich houde aan de voorwaarden van het bezworen verdrag , van welke ik niet kan afwijken.quot;

„Heilige Vader!quot; bad cardinaal Cuno van St. Anas-tasius, „zie den deerniswaardigen man ! Isaïas toch zegt van ons aller Meester en goddelijk Voorbeeld: „Tiet geknakte riet zal hij niet breken , de glimmende pit zal hij niet uitblazen.quot; Wees daarom toegevend en vergeef den boeteling.quot;

„Genade, -- barmhartigheid!quot; riep Bertha, weer voor den Paus op de knieën vallend. „Ontferm u over mijn echtgenoot, — vergeef den schuldige grootmoedig!quot;

„Mijne dochterantwoordde Gregorius, „wat dc koning tegen mij persoonlijk misdaan heeft, vergeef ik hem van ganscher harte. Wat hij echter heeft misdreven tegen do Duitsche natie , de Kerk en het openbaar recht, kunnen wij hem niet vergeven.quot;

„Dat is wreedheid en tyrannic !quot; morde Adelheid van Turijn duidelijk hoorbaar.

„Het is een erfdeel der Pausenzeide Gregorius

-ocr page 879-

269

met een waardigen blik op de oude markgravin, „dat hunne bedoelingen misduid , hunne woorden verdraaid, hunne brieven vervalscht worden. Hetzelfde lot deelde Christus, de Heer; door de Joden werd hij als een volksopruier beschuldigd , — en de leerling is niet beter dan de meester. — — Ik' herhaal mijn verzoek, de koning dringe niet langer bij ons aan, hij stake de openbare boete en late mij naar Duitschland trekken. AVij moeten het recht zijn loop laten. — Daarentegen zijn wij bereid, don bisschop van Toul en graaf Nellen-burg in de gemeenschap der Kerk op te nemen.

De Paus stond op en verliet de zaal met de car-dinalen.

Hendrik voldeed niet aan het verzoek van Gregorius, maar ging voort, hem op geestelijke wijze te bestormen en lastig te vallen. Hierbij kwam hij al nader en nader bij den Paus. Op den morgen van den derden dag verscheen hij onmiddellijk voor het paleis. Sterk drongen de treurzangen door tot de pauselijke vertrekken.

De aanwezige bisschoppen en vorsten , eu groot was langzamerhand hun getal geworden , beschouwden met medelijden den koninklijken boeteling, wiens bleeke gelaatskleur en lichamelijke zwakheid , gevolgen van het streng vasten en van een werkelijk wanhopigen toestand , medelijden verwekten. Allen, Buceo alleen uitgezonderd , beklaagden hot harde lot van een vorst, wiens voorvaderen keizers geweest waren, die persoonlijk dapper, wijs en schoon van gestalte en tevens meester van hot Rijk en de Duitsche natie was. Aan het ergerlijk leven en hot despotisme van Hendrik werd nauwelijks gedacht, — zoo zwak, veranderlijk en wispelturig is de mensch. Wel morden velen tegen de onverbiddelijke strengheid van den Paus.

Bucco daarentegen bewaarde zijn vrij , helder oordeel.

-ocr page 880-

270

„ Wat beklaagt gij een enkel persoon ?quot; zeide de Saksor tot Benno van Osnabruck en diens gezellen. „Beklaag millioenen, welke deze eene in jammer en ellende gestort heeft. Misdaden en gruwelen worden niet geboet door eene koude van een kwartier uurs, maar door liet eeuwig vuur. Men moet rechtvaardig zijn ! Geloof mij , gelukte het den Saliër , weder op den troon te komen , dan zou hij even onchristelijk , onwettig en onmenschehjk regeeren , als hij zulks sinds jaren gedaan heeft.quot;

Het vervolg bevestigde helaas het oordeel van Buceo.

Do abt Hugo van Clugny was in de kamer van Grc-gorius gegaan, ter nedergeslagen over hot lot van zijn petekind. Hij bad en smeekte.

„Hugo vermeerder do bitterheid mijner ziel niet!quot; hervatte tie Paus bedroefd. „Welke zware beproevingen zendt de Heer over mij armen mensch ! De waarheid en het recht moet ik beschermen , — voor het mishandelde volk moet ik een reddend vader zijn tegen de willekeurige regeering van een boosaardig mensch, — de zedelijke orde moet ik handhaven en ondersteunen tegen de ondermijnende , bedervende hand van een gewetenloos koning, — het heiligdom Gods bevlekt en onteerd door Simonie en zedeloosheid eener bedorven geestelijkheid, moet ik reinigen; — en wat gebeurt er ? Mijne beste vrienden , mijne geroepen medearbeiders in den wijngaard des Heeren , welke mij, zwakke, moesten bemoedigen , hebben zich met do listige sluwheid des konings verbonden , om mij in de vervulling mijner herderlijke plichten tegen te werken. Doch, — liever sterven , dan ontrouw worden aan de wet van den rechtvaardigen God !quot;

„God is ook barmhartig hernam Hugo.

„Barmhartig jegens de rouwmoedigen, — ik kan

-ocr page 881-

271

maar geen geloof' hechten aan het berouw des konings. Met mijn leven zou ik den verlorene willen redden , — maar tegen mijne overtuiging zal ik nimmer handelen.quot;

,, Ik geloof aan Hendriks inwendige verandering en vermorzeling des hartenzeide de abt. „Hij vast streng van den morgen tot den avond, — en dan gebruikt hij nog maar weinig. Hij volgt met opmerkzaamheid de geestelijke betrachtingen en met aandacht do gebeden. Hij spreekt zelden en dan nog zijn het slechts klachten over zijne zonden.quot;

„Gevolgen van uitwendigen dwang, geen inwendigen omkeer zeide de Paus. „Wij mo^en ons niet laten bedriegen , — niet door eigen zwakheid en niet door huichelarij van anderen. Waarheidszin zij het richtsnoer van ons doen en laten. Do huichelarij en veinzerij dos konings zijn toch al te bekend ! Mij zelven heeft hij sinds jaren belogen en bedrogen. En het schouwspel, dat hij thans voor ons oogen opvoert, — maakt dat geen inbreuk op het verdrag door hem bezworen ? Stil en bedaard de beslissing van den Rijksdag af te wachten, heeft hij in het verdrag beloofd, — en nu komt hij naar Italië en belet mijne reis naar Augsburg.quot;

„Uwe Heiligheid herinnere zich , dat hij belooft en door getuigen bevestigt, het verdrag letterlijk na te komen. Do ontheffing van den ban zal er geen jota aan veranderen. Hij verschijnt voor hot gerecht; gelukt het hem niet zich vrij te pleiten, dan legt hij den schepter bereidwillig neder.quot;

„In dat opzicht zou de ban zonder do gerechtigheid te kwetsen , opgeheven kunnen worden ,quot; hernam Gre-gorius. „Maar hoe kan ik een schuldige weder in de gemeenschap der Kerk opnemen , van wiens berouw ik geen bewijzen heb ? Die voor mij staat, niet in het kleed van oen boeteling , maar in de schapevacht van

-ocr page 882-

272

een volleerd huichelaar ? Slechts een enkel bewijs van de inwendige verandering des konings ! — slechts een enkel overtuigend feit van zijn wezenlijk berouw! — — Mijne ziel lijdt onuitsprekelijk veel !quot; riep hij diep bedroefd uit. „Tusschen de diamanten van mijn plicht en beroep wordt mijn gevoel gewreven , —• en ik zucht en klaag onder den last der smarten. Wanneer zal God eindelijk aan mij arme zijne barmhartigheid toonen ? Wanneer zal hij mij wegrukken uit deze bedorven wereld , met welke ik zonder ophouden moet strijden ?quot;

De treurzangen hielden op. Hendrik keerde terug naar het huis , waar hem zijn bediende warme kleederen aantrok en Liemar van Breinen de geestelijke betrachtingen wilde beginnen, toen Benno van Osnabruck haastig kwam binnengeloopen en den koning iets in het oor fluisterde. Hendrik ontstelde hevig en zat als door den bliksem getroffen.

„Gij hebt u stellig vergistzeide hij daarop met doffe stem.

„Geen vergissing, heer en koning, hij is het werkelijk ,quot; antwoordde Benno.

„Eerwaarde Vader, haast u, breng hem hierheen,quot; zeide de beangste Saliër. „Gauw, — bezweer hem, — beloof hem alles, — breng hem bij mij!quot;

Ue bisschop van Osnabruck ging heen.

„Wat is het toch!''quot; vroeg üdo van ïrier.

„Ongeluk op ongeluk, —alles heeft tegen mij samengespannen!quot; riep de Saliër diep geroerd uit. „Do beschermheer van Klingen is hier aangekomen.quot;

Ook Udo ontstelde. Hij dacht aan de schanddaad van Hendrik jegens Godila en meende, het doel van Siegfrieds komst wel te kunnen gissen.

„Inderdaad noodlottig!quot; zeide hij. „Een bericht van den voogd moet den Paus vertoornen en de laatste straal van hoop vernietigen.quot;

-ocr page 883-

273

„God zij gedankt, — hij komt!quot; zeide de koning, die aan het venster had gestaan.

Godila's beschermer kwam binnen , en liet gekletter van wapenen stoorde de vreedzame stilte van het boet-vertrek.

„quot;Wees welkom hier in Canossa!quot; zeide de koning.

Udo begroette den edelen ridder en drukte hem warm de hand.

„Ik ben verbaasd , u hier te zien, mijn zoon !quot; zeide hij op vertrouwclijken toon.

„De nood dwong mij mijn toevlucht te nemen tot den Vader der geloovigenantwoordde Siegfried, met een blik op den Saliër.

„Zijt gij persoonlijk bekend met den Paus?quot; vroeg Udo.

„Ja, eerwaarde vader! Ik behoorde tot de wacht van het Lateraan.quot;

„Mag ik u een geheim onderhoud verzoeken, aan hetwelk ook vader Udo deel zal nemen ?quot; vroeg de koning.

„Ik ben tot uwen dienstantwoordde de voogd.

Zij gingen in een aangrenzend vertrek.

„Komt gij vijandig gezind jegens mij?quot; begon do Saliër.

„Haat en wraakzucht zijn verre van mij , heer en koning !quot; antwoordde de jonge man vriendelijk. „Het doel mijner komst is de bevrijding van den markgraaf Udo van Saksen. Gij houdt den vorst gevangen en geeft geen zekere hoop op toekomstige genade. Huiten-dien is Udo wederrechtelijk gevangen, en wildot gij uwen eed en uw gegeven woord gestand doen, dan had de markgraaf sinds lang te recht moeten staan en hij was onfeilbaar vrij gesproken. Bijgevolg blijft er niets anders over dan den beschermer dor gerechtigheid, den toevlucht der verdrukten, den Paus om bijstand te smeeken.quot;

CAX. D, iii. 18

-ocr page 884-

274

„Dat is niet noodig, beste voogd, volstrekt niet noodig! Markgraaf Udo , ofschoon mijn gevaarlijkste en woeligste vijand , zij vrij!quot;

„Heer en koning, vergeef mij , dat de ondervinding mij geleerd heeft , uw woord te wantrouwen.quot;

„Om Godswil, twijfel niet, — beschouw mijn be-klagenswaardigen toestand ! Sedert drie dagen ben ik zelf een smeekende. Ik vast, bid en waak. Ontbloot van alle teekenon mijner koninklijke waardigheid, sta ik als een boeteling op het plein van dezen burcht en smeek om genade. Hoe zou ik anderen datgene kunnen weigeren , wat ik zelf afsmeek , — genade ? Vertrouw mij ! Op mijn eerewoord, — de markgraaf Udo zij vrij ! Nog meer. Do eerwaarde vader Widerad van Klingen maakte mij met uw afkomst bekend. Gij zijt de zoon van graaf Markwart, die door zijn eigen broeder Wazo vermoord werd. Deze Wazo , de broeder-moorder, ontstal u het vaderlijk erfgoed. Ontvang uit onze handen het leengoed terug , bovendien de leenen van het Kijk, welke uw vader bezeten heeft. Van den broedermoorder echter zullen wij de strengste rekenschap vorderen , — hem naar lijf en leven straffen.

Siegfried zat en zweeg. Hij wantrouwde; want nergens vonden woorden noch eeden van den Saliër geloof meer. Daarentegen sneed hem de medelijdenwekkende verschijning van den boeteling door de ziel. Hoe was hij veranderd! Weg was alle trots efl overmoedige spotzucht. Ternedei'geslagen en ellendig, als een gebroken staf, scheen hem die vroeger zoo trotsche koning.

„Mijn zoon, twijfel niet!quot; bad Udo. „Vertrouw de woorden des konings. Zie toch uwen gebieder ! In de grootste strengheid boet hij voor bedreven misslagen; hij begaf zich op het pad der deugd. Toch weigert

-ocr page 885-

275

do Paus hem van den ban te ontslaan , omdat hij niet gelooft aan do oprechtheid van het berouw. Komt gij nu in dit beslissend oogenblik bij den Stedehouder van Christus en maakt gij hem bekend met daden en feiten, die nog onbekend zijn, dan dwingt gij , als ware het, den Paus om niet toe te geven, en de zaak des konings is voor altijd verloren. Handel derhalve christelijk, vergeet, vergeef, •— vertrouw!quot;

„Het zjj zoo! Ik zal niet alleen vergeven, maar ook vertrouwen Iquot; zei de Siegfried eindelijk. „Ik neem hot aanbod van uwe hoogheid aan , echter onder voorwaarde , dat gij onverwijld en duidelijk schriftelijk bevel , door onderteekening en zegel bekrachtigd, aan Dedi van den Trifels uitvaardigt, dat hij mij den markgraaf Udo van Saksen vrij on frank moet uitleveren. Als tweede voorwaarde vorder ik een bewijsschrift van mijn recht op het graafschap in de Wasgouw. De eerwaarde vader Hugo van Clugny , die zich , naar ik hoor, hier bevindt, zal mondeling ou schriftelijk getuigen , dat ik de zoon ben van den vermoorden graaf Markwart.quot;

„Alles geschiede volgens uw verlangen ,quot; verzekerde Hendrik.

„Om u , heer en koning , een bewijs mijner welwillende gezindheid te geven,quot; ging de voogd voort, „zal ik beproeven , den heiligen Vader te overtuigen , dat uw omkeer ten goede ernst is. Ik kan dit zonder bedrog doen, dewijl ik geloof, een treffend bewijs uwer gemoedsverandering te bezitten.quot;

„Daarvoor zegene u God !quot; riep de Saliër verheugd uit. „Ik vertrouw op uwe wijsheid , beste voogd , en wij zullen die liefdedienst nimmer vergeten.quot;

-ocr page 886-

27G

WAZO'S UITEINDE.

In die dagen rustte graaf Wazo zicli uit om den sluw bedachten maagdenroof te volvoeren.

Dat Godila den zuiper , die naar hare hand dong , had weggezonden, had diens gloed van dierlijke hartstochten verhoogd en tevens de boosheid van den moordenaar opgewekt. quot; In de eerste dagen van zjjn bedevaart sprak hij bijna onophoudelijk de woorden :

„Wraak, — wraak ! Mij heeft zij versmaad, -mij ? Wraak ?quot;

Zelfs als hij dronken lag en de laatste geestkrachten door den wijn had beneveld , dan knarsetandde hij nog en mompelde „Wraak !quot;

Hierbij ging hij met die sluwheid en voorzichtigheid te werk, welke booswichten vaak eigen zijn. Herhaalde malen bezocht en berekende hij in het geheim de plaatsen, welke Godila in zijne handen moesten leveren. Hij mat in het donker van den nacht hoe groot de afstand in schreden was van den voet des slotbergs tot de poort in de ringmuren van het sticht Klingen. Deze afstand was niet van belang, maar toch groot genoeg, om uit het naburige dennenbosch menschen te overvallen, die zich op deze vlakte bevuilden , zonder hun tijd te laten, de beschermende poort van het sticht, of den burcht Landeck te bereiken.

Buitendien liet Wazo door zijn bespieder gedurende eenige zondagen den kerkgang van Godila waarnemen. Zij keerde met stipte regelmaat weder. Geregeld kwam de vorstendochter met hare beide kameniers op den bepaalden tijd den berg af, om het Woord Gods te hoo-

-ocr page 887-

277

ren en den hoogdienst bij te wonen. En steeds maakten tien gewapenden haar gevolg uit.

„Het kan niet missen , — zjj wordt mijnquot; verzekerde Wazo aan zijn getrouwen drinkebroer Lantbert. rHa — ha, — dat de koning deze kostelijke bloem eigenlijk voor mij heeft aangekweekt! Drommels , — alle schoonheden van den vroolijken Hein te zamen, halen op verre na niet bij Godila !quot;

„Wat zijt gij van plan van haar te maken ? Echtgenoot of slavin ?quot;

„Dat zal ik nog eens zien ! Waarschijnlijk is zij toch te kostbaar voor slavinantwoordde Wazo met een gemeenen lach op het pokdalig gezicht. , „Maar zij heeft mijne hand versmaadvoegde hij er opgewonden bij , „daarom moet haar wil geschieden. Mijn vrouw wilde zij niet worden, dat zij dan mijne dienstmaagd , mijne slavin worde!quot;

„ Deflorescntur, — deflorescntur riep Lantbert, wiens oogen duivelachtig fonkelden. v Per eat virgiiiitas , omdat al wat roomsch-christelijk is de levensvreugden verbittert. — Gij zult toch uwen vroolijken drinkebroer niet te huis laten, heer graaf, als gij, gelijk een torenvalk , als een adelaar, op het blanke duifje neerschiet ?quot;

„Gij zult er bij zijn, wakkere boerenbeul!quot; antwoordde de graaf woest lachend. „Met dertig welgewapende mannen vallen wij de tien dienstmannen van den knaap Siegfried aan. Waarschijnlijk zullen de tien lafbekken op de vlucht gaan, zoodra zij ons met ons twee en dertigen zien toeloopen. Ik zal van mijn ros afspringen , de duif Godila in mijn klauwen pakken, weer in den zadel stijgen, en dan voorwaarts naar mijn nest op de rots! Ha — ha, — deze duivenjacht bevalt mij beter, dan honderd berenjachten!quot;

-ocr page 888-

278

Een heldere, nijpend koude zondagmorgen spreidde een bleekblauwen hemel over het land. Van de kerktorens der omliggende dorpen en kloosters klonk het gelui der klokken in de stilte van het winterlandschap.

Bero, gehoorzaam aan de bevolen zijns meesters , gluurde door een smalle opening van den wachttoren over de naaste omgeving naar loerende vijanden. Dit deed hij sedert do bedevaart van Wazo met bijna angstige zorgvuldigheid; want hij kende het woest en gewelddadig karakter van den graaf en vermoedde niet veel goeds.

Juist vestigt de burchtwachter zijn blik op hot dennenbosch , welks rand zich uitstrekt tot in de nabijheid van het klooster. De donkergroene naalden zijn rustig. Nergens kenteekenen van een loerende hinderlaag. Bero wil naar beneden gaan. Nogmaals tuurt zijn scherpziend oog in do diepte, en nu merkt hij door een opening der takken het schemeren van een helm. Hij staat ontsteld en als vastgenageld. Hij kijkt nog nauwkeuriger — hij vergist zich niet. In het bosch ligt een troop gewapenden verborgen.

„Ha, — ik heb het we! gedacht!quot; zegt de burcht-wachter. „Wazo loert met zijne wolven op het uitgaan mijner goede meesteres.quot;

Bero's oogen fonkelden toornig.

„Schurk, — moordenaar mijns vaders, — dit zal u slecht bekomen !quot;

Hij spoedde zich naar beneden en verzamelde do kleine bezetting op het voorplein.

„Wapenbroeders!quot; begon de wachter. „GraafWazo, de twintigvoudige moordenaar en booswicht, houdt zich in het dennenbosch op met zijne dienstmannen, om onze goede meesteres bij haren kerkgang te overvallen en te rooven. Wat dunkt u ? Moeten wij den strijd

-ocr page 889-

279

met de krijgsknechten van den wolf quot;VVazo wagen , — of zal ik de edele vorstin verzoeken, voor heden den kerkgang achterwege te laten ?quot;

„Bloed en leven voor onze adellijke meesteres!quot; riepen de krijgers als uit éenen mond. „Weg met Wazo , — den dood aan dien beul !quot;

„Gij denkt juist, als ik!quot; zeide Bero. „Honderd levens zou ik willen geven voor zulk een liefderijke, goede en buitengewoon schoone jonkvrouw, — bovendien de verloofde van onzen edelen meester. — Luistert naar mijn bevel ! De achttien voetknechten maken van daag het gevolg uit. De ruiters blijven hier, zadelen en wapenen zich onverwijld tot een uitval. De schurk Wazo zal het oogenblik afwachten , waarop Godila met hare kamervrouwen hot dal bereikt, dan zal hij uit hot bosch te voorschijn komen. Derhalve marcheert gij tot aan de haviksrots, welks wand uwen rug dekt. Daar wacht gij den aanval af. Houdt u dapper in den strijd. Ik zal met de ruiters zoo spoedig mogelijk te hulp snellen. Wapevi u met groote zorgvuldigheid. Beproeft de schachten uwer lanzen.quot;

Voetknechten en ruiters verlieten het plein vol moed voor den strijd en verbitterd over den schandelijken aanslag van Wazo.

Twee mannen met breede borst en ineengedrongen gestalte waren achtergebleven , handboogschutters, wier pijlen zelden het doel misten.

„Gij gaat onverwijld langs de zuidelijke helling van den berg af,quot; beval Bero. „Vervolgens sluipt gij dooide laagte en verbergt u zoo tusschen het gesteente van de haviksrots, dat de vijand in het bereik van uwe pijlen valt. Maar gij moet niet schieten , voor dat de strijd begonnen is. Den graaf verschoont gij, — die is voor mij ! Onderzoekt nauwkeurig de pezen

-ocr page 890-

280

uwer bogen , vult uwe pijlkokers. — Hebt gij mij begrepen ?quot;

„Zeer goed, heer burchtwachter!quot; riepen do moedige schutters en spoedden zich voort.

Bero ging naar don burcht bij Godila.

„Adelijke meesteres \quot; begon hij na een eerbiedige buiging, „veroorloof, dat heden de kamenier Gertruida in uwe plaats naar de kerk gaat.quot;

De vorstendochter keek verwonderd naar den wachter.

„Wat brengt n tot dit verzoek, getrouwe Bero?quot; vroeg zij.

I)e man deelde haar zijne bevinding mede. Godila verschrok.

,,Door den nood gedrongen zullen wij van daagde godsdienstoefeningen niet bijwonen zeide zij. „Mijn kameniers moeten zich aan geen gevaar bloot stellrn.quot;

„Verschoon mij, adelijke meesteres, — er bestaat volstrekt geen gevaar. Wij zijn sterk genoeg , om den strijd tegen den graaf te wagen. Ik wed tien tegen een , dat de krijgslieden van Wazo wegloopen , zoodra het ernst wordt, dewijl de dienstmannen van den woest-aard zelven hem haten. Niet het minste gevaar ! Gertruida is ongeveer zoo groot als mijne meesteres. Laat de kamenier uwe bovenkleederen aantrekken en ook de pelzenmuts , opdat de wolf in den val loopt. Als derde trekt een dienstmaagd de kleederen van Gertruida aan ; en gij , genadige meesteres , kunt van boven zien , hoe manmoedig wij voor u strijden.quot;

Godila aarzelde. Zij bracht verschillende kansen voor een ongelukkigen afloop in het midden, die echter allen door den wijzen Bero wederlegd werden.

„Adelijke meesteres , sta het verzoek van uwen dienaar toe! Heden zijn wij voorbereid. Laten wij nu

-ocr page 891-

281

den graaf ongestraft ontsnappen, dan zal hij een andoren schelmenstreek verzinnen en uitvoeren , als wij er niet op voorbereid zijn.quot;

„In Gods naam ! Uw wil geschiede, getrouwe ISoro!quot; zeide zij, niet zonder vrees.

Intusschen wachtte Wazo ongeduldig liet oogenblik af, waarop de burchtpoort geopend cn hom zjjn slachtoffer zou overgeleverd worden. Hjj twijfelde niet in het minst aan een 'gunstigen uitslag. Van dertig welgewapende mannen was hij vergezeld. Ieder hunner had hij twee kruiken wijn en twee zilveren denarissen beloofd bij de tehuiskomst.

De graaf had over de wapenrusting een kostbaar kleed van pelswerk aan , en zijne dienstmannen waren in schapevachten gehuld. Lantbert had een afgelegde pels van den graaf aan, dien hjj ten geschenke had ontvangen. Allen waren goed bereden , de paarden stonden in een dichte groep bijeen , en zochten bescherming tegen do felle koude. Aan den gordel van eiken krijger hing een lederen wijnzak, uit welken zij de stramme ledematen verwarmden. Aan don rand van het bosch, achter een dikken denneboom , stond een krijgsknecht , die naar den burcht tuurde.

„De poort zal spoedig opengaan , -- het kan niet lang meer duren,quot; zeide Wazo. „Luistert makkers ,quot; riep hij de krijgsknechten toe, „doet stipt, wat ik bevolen heb. Do vijf, die ik heb aangewezen , loopen op de kloosterpoort los en bezetten die. De andere vjjf, welke ik genoemd heb , snijden de vrouwen den terugtocht naaiden burcht af. Wij twee en twintig vallen op do schel-men van den knaap Siegfried aan , — dat wil zeggen ,■ als zij niet wegloopen. Maar weest op uwe hoede, dat niemand uwer do edelvrouw kwetst. Wie een haar van hour hoofd krenkt , dien laat ik , zoo waar ik

-ocr page 892-

282

gouwkoning der Vogeezen ben, met vier paarden aan duizend stukken uit elkander scheuren.quot;

De krijgsknechten hoorden de onmenschelijke bedreiging , dachten aan de geleden mishandelingen en menig oog fonkelde van haat.

De bespieder achter den boom kwam haastig tocgc-loopen.

„Zij komen!quot; meldde hij. „Het gevolg komt juist de poort uit.

„Te paard!quot; beval Wazo.

Allen grepen naar hunne schilden en lanzen en sprongen in den zadel.

Do kamervrouwen van Godila kwamen den berg af. Gcrtruida in de kleederen harer meesteres. Een muts van edelmarter, met sabel geboord, verborg het hoofd en een groot gedeelte van het gelaat, zoodat slechts de oplettende Waarnemer de gewaande vorstendothter kon herkennen. Voor haar uit gingen achttien voetknechten , wier helmen en borstharnassen in de zon blonken. Aan den linkerarm droegen zij hooge, gewelfde schilden van hout, mot dik leder overtrokken, op de schouders lanzen met lange schachten en korte zwaarden hadden ze op zij. Do houding der mannen was moedig en onverschrokken; want zij vertrouwden niet alleen op hunne kracht, maar ook op hoogeren bijstand, die volgens hun geloof aan een goddelijke leiding van aard-sche dingen, nimmer aan de goede zaak ontbreekt.

Toen zij aan den voet des bergs kwamen, bemerkten zij twee beerachtige schepsels tusschen de rotsen kruipend , — de beide scherpschutters in berenhuiden. welke op handen en voeten langzaam de plaats naderden, hun door Bero aangewezen. Deze was een lage rocs, vast aan den weg naar Klingen, en vormde het einde eener landtong, die in het dal uitliep. Daar bleven do man-

-ocr page 893-

283

nen in berenhuiden op hunnen buik liggen, tusschen steenen en rotsbrokken verborgen en naar het dennenbosch loerend.

De voetknechten naderden de havik-rots, waar zij, naar het voorschrift van Bero, den strijd tegen den vijand moesten wagen. Van hier was niets te zien.

-.0 wee, de wolven blijven achter de struiken zitten en vreezen onze lanzen,quot; zeidc een krijger.

„Maar niet stil gestaan, anders merken do wolven, dat wij de lucht van hen hebben en zij komen in't geheel niet,quot; hernam een ander, toen de krijgers langzamer en langzamer gingen en eindelijk bleven staan. „Langzaam vooruit en niemand zie naar de dennen, omdat al do wolven laffe honden zijn en slechts men-schen aanvallen, die niet oj) hunne hoede zijn.quot;

Do mannen van Landeck sloegen juist den weg in, die rechtlijnig van genoemde rots naar het klooster leidt. Eensklaps sprong Wazo met zijne krijgslieden uit het bosch. Oogenblikkelijk wendden zich de voetknechten om en liepen naar de rots terug. Daar plaatsten zij zich en wachtten den vijand strijdvaardig af.

De gunstige stelling voor den rotswand maakte een omsingeling door de ruiters even onmogelijk, als een aanval van den kant van het bosch; want het front der voetknechten was niet naar het bosch , maar naar het klooster gekeerd en hun linkervleugel was gedekt door een steile helling , om. welke zich de weg kronkelde. Terwijl Gertruida on de dienstmaagd angstig in een rotsholte kropen, beklom Oda onbevreesd de kruin van de rots, met oogen fonkelend van toorn op den graaf gericht, die in vollen draf kwam aanjagen, en zij opende haren mond tot een stortvloed van scheldwoorden , die den gehate weldra zou hooren.

Wazo bemerkte nauwelijks de sterke stelling der

-ocr page 894-

284

voetknechten, toen hij met zijne dienstmannen stil hield.

„Do schurken zijn waarachtig voornemens, een gevecht te leveren,quot; zeide hij. „Goed zoo, — zij zullen hunne bekomst hebben. Dewijl het echter den een of anderen mijner krijgsknechten het leven zou kunnen kosten en ik hierdoor schade zou hebben , wil ik het eerst in het goede beproeven.quot;

„Zeer verstandig, gestrenge heer!quot; antwoordde Lant-bert. „En ook zeer christelijk ; want slechts in geval van nood moet men bloed vergieten.quot;

Beiden naderden op den afstand van een schot met den boog den rotswand.

„Dappere mannen !quot; riep Wazo tot de mannen van Landeck. „Ik dorst niet naar uw bloed, noch naar uw leven. Levert de vorstin Godila aan mij uit en trekt in vrede weg. Zoo gij echter niet doet, wat ik verlang, dan zal ik met geweld trachten tc verkrijgen, wat gij mij weigert en menigeen uwer zal dit met zijn leven moeten boeten.quot;

„Wilt gij onze meesteres hebben , kom haar dan halen !quot; riepen zij hem toe.

„Wazo, — broedermoorder, bloedhond, — herkent gij mij ?quot; schreeuwde Oda van den top der rots. „ [k ben Oda , — de kamenier van die gravin , welke gij vergiftigd hebt. Ik ben Oda, de voedster van 't knaapje Siegfried, wiens vader gij vermoord hebt. Wazo, — monster, — booswicht, — nu slaat uw laatste uur! Van daag nog zult gij ter helle varen en eeuwig knarsetanden met de duivelen, op welke gij zoo juist gilijkt.quot;

„Vervloekte heks!quot; brulde Wazo. „In duizend stukken laat ik u scheuren ! Neen, ik laat u levend roosteren en braden, — vervloekt adderengebroed.quot;

-ocr page 895-

„Wazo, — beul, — goddelooze broedermoorder, — ik spot met u! Al het menschenbloed , dat gij hebt vergoten, schreit om wraak ten hemel , — en heden is do dag der wraak. Wee u , graaf Wazo , wee u , onmensehelijko tyran on booswicht !quot; schreeuwde de oude, dreigend haren arm ton hemel heffend. „quot;Vlucht niet, laffe schurk , — vlucht niet, — stort u in den strijd en in het verderf!quot;

De graaf, schuimbekkend van woede, keerde naaide ruiters terug. Hij voerde hen van den weg af over hot veld en plaatste hen in twee gelederen tegenover de voetknechten.

„Ziet gij daar die schelmen en boven hen dat leelijke wijf, die afschuwelijke heks , op de rots ?quot; riep hij. „Weg met hen ; want zij hebben uwen heer beleedigd ! Ieder uwer ontvangt tien zilveren denarissen , als gij dapper vecht! Denkt eens: - tien zilveren denarissen! Weest daarom dapper mannen, — laat u niet bespotten door de schelmen en wijven van Landeck. „\\ raak, wraak !quot; riep hij de lans zwaaiend. „Volg mij , — hier Wazo 1quot;

Onder een luiden wapenkreet, die alles deed weergalmen , rende Wazo met zijn ruiters op de voetknechten los. Een verschrikkelijk gekraak deed zich bij de ontmoeting hooren. Siegfried's wel geoefende mannen hadden do lanzen der vijanden behendig met hunne schilden opgevangen en staken nu met gespierde armen op de ruiters los. Tegelijkertijd tioten pijlen door de lucht en sloegen doodelijke wonden bij de vijanden. Deze ontvangst, dio hun eenige lieden kostte, daarbij de overhand der mannen van Landeck in het behandelen der wapenen, de doodelijke schoten van de rots en eindelijk de onmogelijkheid om den vijand van meer dan eene zijde aan te vallen , bracht, onder de krijgs-

-ocr page 896-

286

lieden van quot;Wazo zulk een schrik te weeg , dat zij na den eersten vruchteloozen aanval terugweken.

„Wat vlucht gij, laffe honden ?quot; schreeuwde de graaf woest. „Wat, — gij wilt u door een handvol voetknechten op de vlucht laten jagen ? Schaamt u ! Staat — lafaards , — staat — houdt vol!quot;

Eindelijk bracht Wazo de wijkenden tot staan. Eeni-gen van hen bloedden uit diepe wonden , zes lagen op de plaats dood en Lantbert was spoorloos verdwenen.

De tien ruiters, die de kloosterpoort bezet en den terugtocht naar den burcht afgesneden hadden , liet de graaf aanrukken. Om het gewicht van den aanval te versterken, plaatste hij do ruiters in drie gelederen achter elkander.

„Slijpt er de schaarden weder uit, — boort hen aan de rots !quot; riep Wazo zijn zwaard zwaaiend, dewijl hem een voetknecht de schacht der lans aan tweeën geslagen had. „Strijdt, dappere mannen, strijdt voor uwe eer! Tot op den jongsten dag zullen die van Landeck u bespotten en honen, als gij hen niet overwint. Strijdt, — overwint, vijftig zilveren denarissen voor elk , die een vijand verslaat !quot;

De graaf had zijne rede nog niet ten einde , toen de burchtwachter met zijne ruiters kwam aanjagen. Tegelijkertijd hieven de voetknechten een luiden wapenkreet aan en rukten met don stormpas op den vijand los. Nu bleek het, dat verleidende geldelijke beloften geen trouw in den nood bezorgen. Ongerechtigheid en hardvochtigheid wonnen de harten niet voor den graaf. Allen haatten en vreesden den dwingeland en waren er verre af, om ook maar een enkelen druppel bloods vrijwillig voor hem te vergieten.

„O wee, wij zijn verloren !quot; riep een stem. „Red

-ocr page 897-

287

zich, wie kan!quot; — en de ruiters van Wazo vluchtten naar alle kanten.

Do graaf was eensklaps op de plaats. Hij zag de aanrukkende vijanden en vluchtte niet, want een sprankje ridderlijk gevoel was hem nog overgebleven, cn zijn woede was zoo groot, dat hij do grootte van liet gevaar niet inzag.

„O gij laffe honden, — allen zult gij hangen!quot; schreeuwde hij de vluchtenden na.

„Hier, wolf der Vogeezen !quot; bulderde Bero den graaf toe. „Hier, booswicht! Mijns vaders bloed konie over u!quot;

„Vaar tor helle , onbeschaamde schoft! quot; antwoordde Wazo met getrokken zwaard op den burchtwachter toesnellend.

Een woedend tweogovccht begon. Manmoedig streed de graaf. Maar de ontzenuwde uitwerkselen zijner woeste hartstocht hadden do lichaamskrachten dermate verzwakt , dat hij zeer spoedig bezweek voor de aanvallen van Bero. Doodelijk getroffen stortte hij van het paard en onder het uitspreken der woorden: — „Hel en duivel quot; blies hij den laatsten adem uit.

Een veel smartelijker uiteinde vond Lantbert. Bij den eersten aanval drong een pijl in den hals van het paard. Het gepijnigde dier werd schuw en rende over liet veld. Lantbert een slecht ruiter, viel uit den zadel en bleef met eenen voet in den stijgbeugel hangen. Zoo werd hij over het veld gesleept en op verren afstand duidden de sporen van het bloed de richting aan, die het woedende dier genomen had. Eindelijk brak den stijgbeugel , en het lijk van Lantbert werd na eenige dagen met gebroken ledematen en onkenbaar gelaat gevonden.

Van de dienstmannen van het sticht hadden slechts

-ocr page 898-

288

weinigen onbeduidende wonden ontvangen, die door Godila eigenhandig verbonden werden.

Niemand treurde over den dood van Wazo. Daarentegen verwekte de verlossing uit de ijzeren vuist van den gouwkoning vreugde bij allen , die de zweep van den onmensch gevoeld hadden.

HOE DE H. GREGORIUS DEN SALIËR ONDERWIJST.

Gregovius VII had een bijzondere voorliefde voor do christelijke ridderschap. Vaak ontleent hij zijne beelden aan dezen stand. Hij roemt in zijne brieven de ridderlijke dapperheid , manhaftigen moed , en beveelt die als navolgenswaardige voorbeelden op zedelijk gebied.

Siegfried , door den abt Hugo aan don Faus aanbevolen en bij de wacht van het Lateraan geplaatst, verwierf door vromen levenswandel evenzoo Gregorius' bijzondere toegenegenheid, als door zijne dapperheid bij een tocht tegen do roofburchten in de nabijheid van Rome. De heilige Vader sprak vriendelijk met den jongen man , zoo vaak zich hiertoe do gelegenheid aanbood , hij onderscheidde hem, en vertrouwde hem, zooals bekend is , het geleide van zijn legaat naar Duitschland.

Nu ontving hij hem welwillend en vriendelijk te Canossa.

„God zegene u, lieve zoon!quot; zeide de grijsaard, den knielende de hand op het hoofd leggend. „Hy-

-ocr page 899-

289

ginus verhaalde mij bij zijn terugkomst uit Duitschland pi ijzenswaarclig'e zaken van u. Ongaarne misten wij u. Toch gaf ik mijne toestemming, ter verwisseling van uwe betrekking in der.1, dienst van den apostolisclien Stoel met de vereerende en invloedrijke waardigheid van voogd der abdij Klingen. Dat godvreezend klooster behoort tot de niet talrijke plaatsen, waar G ods geest heerscht, de broeders zuiver wandelen voor den Heer , en verstandige geestdrift gevonden wordt voor do handelingen van een oud , zwak man, die op den Stoel van Petrus zetelt. — Gij zijt toch tevreden en gelukkig in uwen werkkring, mijn zoon?quot;

„Ja, heilige Vader! De gezamenlijke monniken der abdij verzoeken ootmoedig aan den Stedehouder, van Christus hen zegenend te herdenken. Het overige bevat dit schrijven van den eerwaarden abt Widerad , gekozen abt van Klingen.quot;

De Paus verbrak het zegel van den overhandigden brief en las.

„Van ganscher harte en met vreugde bevestigen wij de keus van Widerad tot abt,quot; zeide hij. „De familie van Klingen heeft een vroom, verlicht en voor Gods eer ijverend hoofd. Waren alle geestelijken bezield met den moed van Widerad en versierd met zijn deugden, — er was helaas niet zooveel smakeloos zout, het Kijk Gods op aarde zou bloeien en hot zou or zoo jammerlijk niet mede geschapen staan.quot;

Hij las verder , en hoe verder hij las , des te groo-ter was de spanning, die op zijn gelaat stond uitgedrukt. Nu keek hij Siegfried sterk aan.

„De eerwaarde abt schrjjft hier over de verandering des konings, over zijn berouw en droefheid wegens begane euveldaden. Widerad looft God, wiens genade Saulus in een Paul us veranderd heeft. — Hoe kwam de

Can. d. ui. 19

-ocr page 900-

290

eerwaarde abt aan die opvatting omtrent den inwendi-gen toestand des konings?quot;

„Door sprekende feiten, heilige Vader. De koning-had een gehuwd priester, Lantbert geheeten , burcht-kapelaan van den Trifels , een sterkte van het Salische huis , tot abt van Klingen verheven. Ka de dagen van Tribui- reed de abt Widerad naar Spiers, om den koning te verzoeken, dat hij van Lantbert den stal' zou terug eischcn. Zonder tegenstribbelen willigde Hendrik dit verzoek in. Hij zette onmiddellijk zijn vrocgeren gunsteling af en keurde de keuze van \\ idc-rad goed. Hij bad den abt en do geheelo klooster-familie om vergiffenis wegens de krenking door de keuzo van Lantbert. Hij deed nog meer. Bezorgd over het ergerlijk levensgedrag van den burchtkapelaan, die tegelijkertijd pastoor van Annweiler is , smeekte hij den eerwaarden abt, de bediening van burchtkapelaan en pastoor door een vroom monnik van zijn klooster te laten waarnomen , totdat er een waardig priester gevonden was. Insgelijks beklaagde Hendrik zich over do grooto misslagen zijner regeering, toonde groot berouw en verzekerde , dat hij in de toekomst do misdaden van het verledene door een godvreezend levensgedrag en door een christelijk bestuur van het Rijk wilde boeten. In overeenstemming- met deze beloften stond Hendriks gedrag te Spiers. Hij leefde in de strengste afzondering, ontzegde zich elke praal, elk verkeer, en ging dagelijks met zijn vrouw naar de hoofdkerk, om daar bij de graven zijner voorvaderen to bidden.quot;

„Ik dank u, mijn zoon , voor deze blijde boodschap!quot; zeide do Paus tevreden.

„Ik zelf kreeg een bewijs van de veranderde ge-moedsstemming van Hendrikging Siegiried voort.

-ocr page 901-

291

„Van alle Saksische vorsten haatte hij voornamelijk markgraaf Udo , dien hij tot op dit oogenblik op don Trifels gevangen houdt. Smeekingen noch verzoeken waren in staat Hendrik te bewegen, om den markgraaf de vrijheid te schenken. Op het dringend verzoek van Godila , de dochter van Udo , die zich onder de hoede van ons sticht bevindt, begaf ik mij hierheen, om van den V ader der Christenheid hulp voor den gevangene af to smeeken. Ku vernam de Saliër, dat ik hier was, en nauwelijks hoorde hij het doel van mijn komst, of hij ontsloeg den markgraaf uit zijn gevangenschap , met de woorden: „Hoe zou ik anderen kunnen weigeren , wat ik zelf afsmeek, — genade ?quot; Eu hij gebood, zijn schriftelijk bevel aan den voogd van den Trifels te doen toekomen.quot;

Gregorius zag zwijgend voor zich. Vervolgens stond hij op, liet den voogd van Klingen vertrekken en begaf zich naar de kapel van het paleis. Daar bleef hij onafgebroken tot des avonds.

Siegfried ging naar de vertrekken van don abt Hugo van Clugny , die met een uitroep van de genoegelijkste verrassing zijn vroegeren kweekeling aan de borst drukte en hem vaderlijk kuste.

„Allerliefste Siegfried , welke vreugde !quot; riep hij uit. „Hyginus heeft mij alles verteld. Ook de oorkonden omtrent uwe afstamming heb ik bij mij; — gij zijt toch over uwe afkomst onderricht ?quot;

„Do eerwaarde abt Widerad heeft het mij gezegd.quot;

„Gij zult tot uw recht komen , mijn zoon ! Sedert lang verhinderde hot beklagenswaardig lot des konings elke andere daad,quot; voegde hij er treurig bij. „Nu, — Siegfried,quot; ging hij met vrooljjken blik voort, „de graaf zal aan het sticht Klingen toch niet den getrouwen en sterken beschermheer ontnemen ?quot;

19*

-ocr page 902-

292

„Neen, eerwaarde Vader! Het erfdeel mijner vaderen grenst onmiddelijk aan liet gebied der abdij. Tot aan het einde mijns levens zal ik mijne belofte houden en voor Klingen een goed voogd zijn.quot;

„Goed gesproken, beste! Hoe gaat het iderad en de vrome vaders ?quot;

„Allen groeten u hartelijk en verzoeken het geheelo sticht in uwe geboden indachtig te zijn.quot;

„Klingen is een ongeschonden huis en een schoone woning Gods,quot; prees abt Hugo. „Op mijne reis in Duitschland vertoefde ik daar eenige dagen.quot;

Nu begon do ondervindingrijke abt over alle mogelijke betrekkingen van het sticht Klingen eindelooze vragen te doen , welke Siegfried tot genoegen van den ondervrager kon beantwoorden.

Vervolgens vroeg de Jonge man naar zekeren Wol-ferat, die hierheen was gereisd voor boete.

„Gij zult hem bij de bedienden vinden ,quot; antwoordde Hugo. „Een heldenziel, — eertijds verschrikkelijk in het booze , — nu groot in ontbering , in verachting der wereld, gloeiend van liefde tot God. He vroegere paltsgraaf Boemund stelt er een eer in, als de geringste broeder in het sticht Klingen zijn leven te mogen eindigen.quot;

„Hoe ,quot; riep Siegfried verbaasd uit. „Wolferat zou de paltsgraaf Boemund zijn , die slechte hoveling, van welke zooveel schrikkelijke zaken verhaald worden '

„Ja, hij is het! Vergeet het verledene van Bte-mund om de heerlijke toekomst. Ik zeg u, mijn zoon, onder de bescherming van uw schild zal voortaan een

heilige leven ?quot;

He voogd begaf zich naar de vertrekken van het paleis, waar een groote menigte bedienden bezig was met hot klaar maken van datgene, wat het buitenge-

-ocr page 903-

293

woon aantal g-astcn noodig had. Hij wilde Boenuind begroeten. Hij vond den paltsgraaf bezig mot het schoonmaken van groenten. Op het gezicht van Siegfried sprong hij verheugd op en begroette hem hartelijk. Terwijl de jonge man hem het doel en den uitslag zijner overkomst mededeelde , bemerkte hij de opvallende verandering in het uiterlijk van den vroegeren kluizenaar. Die sombere zwaarmoedigheid was van hem geweken , en een natuurlijke opgeruimdheid , in welke zich vrede en zielerust afspiegelden, bezielden zijne heldere gelaatstrekken.

„God zegene u voor die daad , heer voogd lquot; zeide Boemund. „Gij hebt een gevangene verlost en een weerloos kind aan den vader teruggegeven.quot;

„Niet weerloos , Boemund!quot; herman do jonge man glimlachend. „Ik ben zoo stout geweest, om uwen raad te volgen. Godila is mijne bruid!quot;

„God zij geloofd ! Welk een groot geluk !quot; riop Boemund uit. „Hoe goed is de Hoer in zijne raadsbesluiten.quot;

„Ik heb van uw voornemen gehoord, om God in het sticht Klingen te dienen, — dit doet mij onuitsprekelijk veel genoegen. Mag ik u verzoeken, met mij daarheen terug te keeren ?quot;

„Ik neem uwe vriendelijke uitnoodiging blijgemoed aan, antwoordde Boemund. „Wanneer denkt gij te vertrekken ?quot;

„Morgen of overmorgen , — dit zal ik u nog nader zeggen, hernam Siegfried en hij verliet met een warmen handdruk zijn ouden bekende.

In den namiddag van den derden boetedag had Hendrik weder op het burchtplein gestaan en was vervolgens in het huis teruggekeerd om de geestelijke overwegingen te houden. Toen verscheen de abt Hugo , met een gelaat dat van vreugde blonk.

-ocr page 904-

294

„Dankt allen God !quot; riep de verheugde man. „Heer cn koning , de Paus neemt uwe voorwaarden aan en laat u verzoeken , naar do Kerk te komen, opdat hij den ban opheffe.quot;

Dc vreugde van Hendrik was onbeschrijfelijk. Hij omhelsde zijn peetoom en alle aanwezige prelaten.

Do markgravin had in aller ijl de toebereidselen gemaakt voor dc kerkelijke plechtigheid. Dc sacristeincn cn bedienden dor Kerk spreidden zwarte klcedcn uit voor het hoogaltaar en staken dc kaarsen aan , die op twee veelarmige kandelaars stonden. De waskaarsen op het altaar echter bleven uit.

„Volgens de voorschriften van het rituaal behoort deze godsdienstige handeling eigenlijk in het voorportaal der Kerk plaats te hebben,quot; verklaarde de subdiaken Humbert, die dc werkzaamheden der sacristeincn leidde. „Dewijl echter hot voorportaal aan deze Kerk ontbreekt, noodzaakt deze omstandigheid ons, van do strenge voorschriften af te wijken.quot;

Intusschen kwamen prelaten cn vorsten van allfe kanten tocgeloopen. Een schitterende en talrijke menigte vulde do Kerk. Toen do koning in het boetekleed door oen zijdeur binnenkwam , tusschen bisschop Ribo van Toul en graaf Eberhard van Nellenburg , beiden insgelijks barrevoets en in boetcklccderen , werden allo aanwezigen hevig aangedaan.

Do Saliër ging met zijne geleider , voor het altaar en knielde op dc driedubbel gelegde zwarte klecden.

Onmiddclijk achter de geëxcommuniceerden verscheen de Paus in pontificaal gewaad, do schitterende tiaar op het hoofd. Naast hem gingen twee assisteerondo bisschoppen in kostbare koorkappon. Toen Gregorius op de trappen van het altaar nederknielde, begonnen de zangers de voorgeschreven boctgczangen. Do drie

-ocr page 905-

295

boetelingen strekten zich in den vorm van een kruis op den grond uit, en een leviet diende hun met een roede slagen op den rug toe.

Alle tegenwoordige vorsten en prelaten, den Sakscr Bucco niet uitgezonderd, waren op iiet gezicht van den boetenden koning, die tor aarde lag uitgestrekt, meer of minder aangedaan. Velen stortten tranen van vreugde, wegens de verzoening van don Saliër met do Kerk.

Gregorius bad vurig.

Do blik van Udo ging afwisselend van den Paus op den Koning. Hem trof niet zoozeer het gewone dei-plechtigheid, als haar gewicht en de uitgebreidheid harer gevolgen. Daar lag overwonnen die hooghartige en despotieke vorst op zijn aangezicht, wiens ondeugden en wetsverkrachtingen jammer en ellende over Kerk en Rijk gebracht hadden. Hij dacht aan do vermetelheid des konings , om een scheuring in do Kerk te bewerkstelligen , de geloovigen van den apostolischen Stoel af te scheuren, de geestelijkheid te bederven en aan zijne plannen dienstbaar te maken, zich zeiven de hoogste macht toe te kennen, en de geestelijke machten van den godsdienst tot staatkundige doeleinden te gebruiken. En dit heilloos streven, dat aan hot oude heidensche tyrannic dor keizers deed denken, voorde den Saliër naar Canossa. Daar moest hij zich voor den drager dier wereldlijk ongewapende geestelijke macht buigen, die onoverwinnelijk cn eeuwig is, omdat do almachtige God haar gesticht heeft.

Door helsche krachten in beweging gebracht, bruist de stormvloed der eeuwen om den rots van Petrus, ten einde haar te verslinden of weg te spoelen. Doch ongedeerd en stevig staat deze oude Stoel, omdat hij gegrondvest is in don wil des Allerhoogsten.

Verbrijzelde de Saliër zijn stijfhoofdig despotisme

-ocr page 906-

296

togen die rots, moest hij overwonnen op het christelijk levenspad terug-koeren, dan had dit niet alleen plaats tot heil zijner ziel, maar ook tot heil van het Rijk, tot zegepraal der menschenwaarde en vrijheid over de willekeurige heerschappij en de dreigende slavernij.

Tn deze overwegingen werd Udo gestoord door het ophouden dor gezangen De geëxcommuniceerden stonden van den grond op. Gr ego mis beklom het altaar, keerde zich naar de verzamelde menigte en las oenige gebeden uit het rituaal. Vervolgens ontsloeg hjj met luider stemme don koning en zijne gezellen van den ban , van alle kerkelijke censuren en nam hen weder op in de gemeenschap dor kerk.

„God zij gedankt!quot; zongen do zangers.

„God zij gedankt!quot; zeiden de vorsten en prelaten.

Alle waskaarsen op het altaar worden aangestoken , vroolijk klonken do orgeltonen door het kerkruim , het Te Deum werd gezongen.

Gregorius naderde den Salier , omhelsde hem en gaf hem den vredekus, zeggende: „I'ax tecum, — vrede zij met u !quot;

Zoo deed hij ook met graaf Nellenburg en Bibo van Toul.

Na het eindigen van deze godsdienstplechtigheid verlieten de Paus, de koning en diens boetgezellen do kerk.

Ook de vorsten en prelaten keerden langzamerhand naar het palcis terug.

Slechts Udo van Trier wachtteen bijna angstige spanning op den komende.

Diepe stilte heerschte in het heiligdom. Dc godslamp brandde voor het H. Sacrament des Altaars en spreidde mot de vlammen der kaarsen op de beide kandelaars een zacht licht door de Kerk. Drie monniken , eerwaardige grijsaards, kwamen uit de sacristie

-ocr page 907-

en gingen in de biechtstoelen zitten. Op deze volgde dc koning in warme pelzen gehuld, insgelijks graaf Isellenhurg en Bibo van Toni. Zij knielden eenigen tijd biddend. Daarop gingen zij naar de biechtstoelen, om het H. Sacrament van boetvaardigheid te ontvangen.

He geheime beschuldigingen duurden lang. Soms

boorde men een zacht wederzijdsch gefluister, - de

vragen der biechtvaders en de antwoorden der biechtelingen.

Udo stond te wachten. De biechtvaders van den graaf en don bisschop spraken eindelijk do absolutie uit en heten de biechtelingen gaan.

Aan de biecht des konings kwam geen einde. Tus-schen hem en den biechtvader begon oen druk gesprek. Udo werd zeer ongerust. Hjj wist, dat een rechter in den biechtstoel slechts naar strenge regelen en wetten zijn oordeel kan vellen, en dat hij dit niet naar believen of goeddunken mag doen. De aartsbisschop vreesde, 'lat de zielstoestand en de wil van den koning de absolutie onwaardig zouden zijn. Wat hij duchtte gebeurde De koning verliet den biechtstoel zonder de absolutie

ontvangen te hebben en den getrouwen Udo beving een bittere smart.

Den volgenden morgen las de Paus de H. Mis en reikte de H. Communie uit aan hen , die van den ban ontslagen waren , alsook aan de markgravin Mathilde , benevens vele bisschoppon en vorsten. De koning naderde met, om het lichaam des Heeren te ontvangen ').

vn? g^chiedsehrijvers melden, dat Gregorius VII zich kort

voor de H. Communie tot den koning gewend had met de woorden: o- en mv, ilanhang beschuldigen mij , dat ik het Pausschap door Simonie verkregen en het door gruwelijke misdaden bezoedeld heb Iet zou mij gemakkelijk vallen, mij van dien blaam te zuiveren, door het getuigenis van hen, die mij van kindsbeen af gekend heb-

-ocr page 908-

298

In het palcis teruggekeerd, ontbeet de koning met den Paus. Gregorius was niet gaan zitten, om te eten, maar onkel om een bewijs zijner verzoenende gezindheid te geven. Dos te beter at de Saliër. De Paus sprak liefderijk en vaderlijk met hem. Vervolgens bracht hij hot gesprek op de verplichtingen , die Hendrik tegenover den Paus en het Duitsche Rijk had aangegaan.

„Met toestemming van Uwe Hoogheid,quot; zeide hij, „kunnen wij het stuk zonder toeven gereed laten maken.quot;

„Dat vind ik goed,quot; antwoordde Hendrik.

De Paus schelde. Humbert kwam binnen en ontving de noodige aanwijzingen. De koning schreef eenigc namen op een perkament.

„Hier zijn mijne getuigen,quot; zeide hij, het briefje aan Humbert ov rhandigend, die zich haastig verwijderde.

Eenige uren later waren de Paus en do koning door cardinalen, bisschoppen en vorston omgeven. De subdiaken Humbert las met luider stem. het volgende handvest van den Saliër voor:

ben; — maar neen, ik roep den Almachtige zeiven tot getuige 1 Ben ik schuldig aan de misdaad, die gij mij ten laste legt, dan treffe mij oogenblikkelijk de dood.quot; — Dit gezegd hebbende, nuttigde hij de helft dor H. Hostie. Vervolgens sprak hij den koning aldus aan : „De Duitsche vorsten hebben u bij mij van ontzettende misdaden aangeklaagd. Kent gij u zeiven vrij van die schuld, doe dan, wat gij mij zooeven hebt zien doen, — nuttig deze helft als Godsoordeel.quot; — De koning waagde het echter nic: het Lichaam des Heeren te ontvangen. — — Dit verhaal is verzonnen. Het strijdt niet alleen tegen den geest der Kerk, die elke beleediging in tegenwoordigheid van het Allerheiligste verbiedt, maar ook is het strijdig met do geestelijke grootheid van Gregorius VII. Hendrik IV ontving eenvoudig daarom de H. Communie niet, omdat hij wist, dat hij onwaardig was, en hij waagde het derhalve niet in dien toestand tot de H. Tafel te naderen. Damberger, D. VI, hl. 897.

-ocr page 909-

299

1

li ■ \ .

ll

j ni

Ik, koning- Hendrik IV, beloof met betrekking tot de beschuldigingen , welke aartsbisschoppen en bisschoppen , abten , hertogen, graven en andere vorsten van het Duitsche Rijk , tegen mij ingebracht hebben , binnen den tijd, welke Paus Gregorius zal vaststellen mij te onderwerpen aan zijn rechterlijke uitspraak, of volgens zijn raad een vergelijk aan te gaan. Zou mij een onvermijdelijk beletsel verhinderen, hot een of ander op don bepaalden dag te doen , dan zal ik terstond na hot wegnemen van dit beletsel mijn woord houden. Insgelijks beloof ik, dat indien Paus Gregorius over de Alpen of ergens anders heen wil reizen, hij zekerheid zal hebben van mijnen kant, alsook van den kant van hen, tlie onder mijne macht staan, tegen elke aanranding tics levens, benadeeling of gevangenschap. Deze zeker-fieid heeft de Paus niet alleen voor zich zeiven, maar 3ok diegenen, welke in zijn gevolg reizen, of die bjj naar een of andere plaats zendf, of die zich tot hem legeven. Zij hebben deze zekerheid op reis, gedurende iet verblijf en bij do terugkomst, niets zal hen met

mijne toestemming in den weg

gelegd

worden, wat

naar eenigszins tegen de eer van den Paus strijdt en ils een ander zoo iets zou beproeven, wil ik den Paus lelpen , om de daders te straften.'^

„Gedaan te Canossa den achtentwintigsten Januari an het Jaar onzes Heeren 1077. Tegenwoordig waren an den kant des heiligen Stoels de bisschoppen Humbert van Praeneste, Gerald van Ostia, de cardinalen 'etrus van St. Chrysogonus , Cuno van St. Anastasius, le diakens Gregorius en Bornardus, de subdiaken Hum-iprt. Van den kant des konings de aartsbisschoppen jiemar van Bremen, LTdo van Trier, de bisschoppen rregorius van Vercelli, Benno van Osnabruck, do abt Ingo van Clugny en vele edele heeren ').

J

') Pertz leg. II, 50.

-ocr page 910-

298

Tn het paleis teruggekeerd, ontheet lt;lo koning met den Paus. Gregorius was niet gaan zitten , om te eten, maar enkel om een bewijs zijner verzoenende gezindheid te geven. Des te beter at de Saliër. T)e Paus sprak liefderijk en vaderlijk met hem. Vervolgens bracht hij het gesprek op de verplichtingen , die Hendrik tegenover den Paus en hot Duitsche Rijk had aan-gegaan.

„Mot toestemming van Uwe Hoogheid,quot; zeide hij, „kunnen wij het stuk zonder toeven gereed laten maken.quot;

„Dat vind ik goed,quot; antwoordde Hendrik.

De Paus schelde. Humbert kwam binnen en ontving de noodige aanwijzingen. De koning schreef eenige namen op een perkament.

„Hier zijn mijne getuigenzeide hij, het briefje aan Humbert ov rhandigend, die zich haastig verwijderde.

Eenige uren later waren do Paus en de koning-door cardinalen, bisschoppen en vorsten omgeven. De subdiaken Humbert las met luider stem, het volgende handvest van den Saliër voor:

ben; _ maar neen, ik roep den Almachtige zeiven tot getuige! Ben' ik schuldig aan de misdaad, die gij mij ten laste legt, dan treffe mij oogenhlikkelijk de dood.quot; — Dit gezegd hebbende, nuttigde hij de helft der H. Hostie. Vervolgens sprak hij den koning aldus aan: „De Duitsche vorsten hehhen u bij mij van ontzettende misdaden aangeklaagd. Kent gij u zeiven vrij van die schuld, doe dan, wat gij mij zooeven hebt zien doen, — nuttig deze helft als Godsoordeel.quot; — De koning waagde het echter niet het Lichf.am

des Ileeren te ontvangen.--Dit verhaal is verzonnen. Het

strijdt niet alleen tegen den geest der Kerk, die elke beleediging in tegenwoordigheid van het Allerheiligste verbiedt, maar ook is het strijdig met de geestelijke grootheid van Gregorius A II. Hendrik IV ontving eenvoudig daarom de H. Communie met, omdat hij wist, dat hij onwaardig was , en hij waagde het derhalve niet in dien toestand tot de H. Tafel te naderen. Damberger, D. VI, bl. 897.

-ocr page 911-

299

„Ik, koning Hendrik IV, beloof met betrekking tot do beschuldigingen , welke aartsbisschoppen en bisschoppon , abten , hertogen, graven en andere vorsten van het Duitsche Eijk , tegen mij ingebracht hebben , binnen den tijd, welke Paus Gregorius zal vaststellen mij te onderwerpen aan zijn rechterlijke uitspraak, of volgons zijn raad een vergelijk aan te gaan. Zou mij een onvermijdelijk beletsel verhinderen, het een of ander op den bepaalden dag te doen, dan zal ik terstond na het wegnemen van dit beletsel mijn woord houden. Insge-Ijjks beloof ik, dat indien Paus Gregorius over de Alpen of ergens anders heen wil reizen, hij zekerheid zal hebben van mijnen kant, alsook van den kant van hen, die onder mijne macht staan, tegen olko aanranding des levens, benadeeling of gevangenschap. Doze zekerheid heeft de Paus niet alleen voor zich zeiven, maar ook diegenen, welke in zijn gevolg reizen, of die hij naar een of andere plaats zendf, of die zich tot hem begeven. Zij hebben deze zekerheid op reis, gedurende het verblijf en bij de terugkomst, niets zal hen met mijne toestemming in den weg gelegd worden, wat maar eenigszins tegen de eer van den Paus strijdt en als een ander zoo iets zou beproeven, wil ik den Paus helpen , om de daders te straffen.quot;

„Gedaan te Canossa den achtentwintigsten Januari \aii het jaar onzes Heeren 1077. Tegenwoordig waren van den kant des heiligen Stoels de bisschoppen Hum-bert van Praeneste, Gerald van Ostia, de cardinalen Petrus van St. Chrysogonus , Cuno van St. Anastasius, de diakens Gregorius en Bernardus, de subdiaken Hum-bert. Van don kant des konings de aartsbisschoppen Liemar van Bremen, Udo van Trier, de bisschoppen Gregorius van Vercelli, Benno van Osnabruck, de abt Hugo van Clugny en vele edele heeren ').

') Pertz leg. II, 50.

-ocr page 912-

300

Aan de Duitsche Rijksstanden echter zond Gregorius een schrijven, in hetwelk als 't ware tot verontschuldiging van de opheffing van don ban, het volgende staat:

„Nog voor dat de koning Italië betrad, hoeft hij gezanten aan Ons afgevaardigd en Ons volledige onderwerping aangeboden. Herhaaldelijk wezen Wij zijne aanzoeken terug, hem de grootte zijner schuld voorhoudend. Eindeljjk verscheen hij te Canossa, vreedzaam met een klein gevolg en stond drie dagen barrevoets in het boetekleed op het burchtplein. Reeds verweet Onze omgeving Ons wreedheid, als Wij hem langer de genade weigerden. Wij hebben hem werkelijk, onder voldoenden borgtocht, welker afschrift hierbij gaat, ontslagen, doch slechts van do zonde; do geheele politieke vraag, of Hendrik IV waardig is, den troon weder te beklimmen, is onaangeroerd gebleven en zal door Mij , in overeenstemming met u, op den Rijksdag beslist worden. Tot dat einde staat mijn besluit vast, even als vroeger, eerlang tot u te komenquot; ').

Met dit schrijven zond Gregorius den bisschop Buceo van Halberstadt naar Duitschland terug.

„Heilige Vader,quot; zeide de Sakser bij het afscheid nemen, „volgens het kerkelijk recht kunt gij den koning van den ban ontslaan , zonder het verdrag van Tribui-te schenden, zonder beperking van het ambt van scheidsrechter , dat de Duitsche vorsten aan Uwe Hailigheid hebben opgedragen en dat Gij hebt aangenomen; — toch vrees ik, dat de opneming van den Salier in de gemeenschap der Kerk, slechte vruchten zal dragen. De koning zal de eeden, die hij te Canossa gezworen heeft evenmin houden, als de vroegere. Er zijn men-

') Gfrörer , D. VII, bl. 580.

-ocr page 913-

301

schen, die zoo niet geheel, dan toch bijna geheel onverbeterlijk zijn. Deze soort, welke veel overeenkomst met de duivels heeft, moest altijd onschadelijk gemaakt worden, opdat zij geen onheil kan stichten. Hendrik IV bad en smeekte zoolang, totdat gij den ban hebt opgeheven, — weldra zal hij u dwingen den ban weder uit te spreken.quot;

„God verhoede dit!quot; antwoordde Gregorius. ,,Het zal mijn ijverig streven zijn, den koning in het goede te bevestigen. — Ga in vrede, eerwaarde broeder, en werk onverdroten aan de uitbreiding van het Rijk Gods.quot;

Den volgenden dag deed de Stedehouder van Christus zijn best, om de booze geesten uit te drijven, die den fealiër sedert jaren beheerschten. Volgens de denkwijze der heiligen en hun toegevend oordeel over anderen, legde Gregorius het zwaarste punt van Hendrik's verkeerde handelingen en tyrannic minder in een kwaden wil, dan in een schroomelijke onwetendheid op hot gebied van sacevdotiwn en impevium Wellicht vergiste zich do Paus hierin. De bedorvenheid van den koninklijken wil scheen grooter geweest te zijn, dan de gebrekkige vorming des verstands. ïeu minste het vervolg bewees, dat ook de onderwezen Saliër van de afgronden hield en zich gelijk bleef in den haat tegen de Kerk. Toch is het voornemen van den Paus prijzenswaardig, om den jongen man voor goed^te genezen en te redden. Daarom schonk hij hem al zijn kostbaren tijd, ging deelnemend met hem om, en de edelmoedige persoon des Pausen, de wijsheid en vaderlijke toegevendheid van den heiligen grijsaard maakten op den koning zeiven een diepen indruk.

„Ik weet, men heeft uwe Hoogheid wijs gemaakt,quot; zeide Gregorius, „dat ik nieuwe gebruiken invoerde, — dat ik het recht der koningen wilde beperken, het

-ocr page 914-

303

sacerdotiim onbillijk wilde opheffen , liet imperium on-derdrukken en liet Pausdom machten wilde verleenen, die God het niet geschonken heeft. Dergelijke zaken hebben u onophoudelijk menschen voorgespiegeld, wier boosaardige plannen er op uit zijn, tweedracht te stichten tussclien Kerk en Kijk. Daarover zijt gij vertoornd geworden op den Paus, en uwe jeugd, door slechte raadslieden geleid , stortte in heillooze en noodlottige dwalingen.quot;

„Het is juist zooals gij zegt, heilige Vader! Doch een ding is mij duidelijk geworden : — De macht van den geest is sterker, dan de macht des zwaards.quot;

„Maar is u do onwaarheid der beschuldigingen tegen mij niot duidelijk geworden?quot; vroeg de Paus vriendelijk. „Ik verzoek uwe Hoogheid dringend oprecht te zijn,quot; ging hij voort, toen de Saliër zijn blik schuw naar een hoek der kamer wendde. Hoe is hot -.mogelijk oncenigheden bij te leggen zonder oprechtheid ? Hoe kan de treurige twist een einde nemen zonder rondborstigheid ? Eendracht moet er bestaan tusschen Kerk en Kijk, ten zegen der menschen. Onze Heer Jezus heeft deze noodzakelijke eendracht tussclien het priesterschap en hot koningschap in zijn persoon voorgesteld; dewijl Hij de priesterlijke en koninklijke waardigheid in zich vereenigde. Daarom hoop ik , dat uwe Hoogheid rondborstig niet mij spreekt, en mij alles ronduit zegt, wat ik onrecht gedaan heb aan het koningschap.quot;

Deze openhartigheid en verschoonende goedheid verbaasde den Saliër zeer. Had hij over den gehaten „Hellebrandquot; gezegevierd , dan zou zijne houding tegenover don overwonnen grijsaard geheel anders geweest zijn. En niet als een zegevierend vijand zat de heersch-zuchtige Hildebrand voor hem, maar als een welwillend vriend , die om verwijdering verzoekt van al die din-

-ocr page 915-

303

gen, welke in de toekomst tot oneenighedcn aanleiding kunnen geven. Keek de jonge man in het aangezicht van den bejaarden grijsaard, die zich zoo vertrouwelijk en vriendschappelijk met hem onderhield, alsof hij van zijn leeftijd was, dan voelde hij zich onuitsprekelijk klein, voor de grootte van zulk een inborst.

Ik wil spreken en niet zwijgen, heilige Vader!quot; hernam Hendrik. Ik ben jong bij u vergeleken , — onwetend bij uwe geleerdheid, — onervaren bij uwe wereld- en menschenkennis. Had ik de welwillende en vaderlijke vermaningen uwer brieven gevolgd, en niet de verkeerde raadgevingen mijner gunstelingen, dan ware ik niet zoo diep in de ellende gezonken. — — Wat mij vooral in het harnas gejaagd heeft tegen mijn \ader Gregorius, was de gedurige verzekering mijner raadslieden , dat gij er naar streefdet, de koninklijke waardigheid van u afhankelijk te maken. Dat gij loochendet , dat de koninklijke macht van God komt. Dat gij u het recht voorbohieldt , al het volk te kunnen ontslaan van den eed van getrouwheid. Dat gij be-weerdet, de Paus kan naar believen dengenen de keizerskroon op het hoofd plaatsen, dien hij het waardig acht. Deze en dergelijke verzekeringen mijner raadslieden prikkelden de gramschap tegen u in mijn hart. Ik dacht aan de vroegere keizers, —- namelijk aan mijn vader , die Pausen naar zijn goedvinden op den Stoel van Petrus plaatste. En ik, de zoon van Hendrik III en zijn opvolger in het Kijk, zou mij laten behandelen, als een speelbal in de handen des Pausen! quot;

„A oor alles breng ik uwe koninklijke Hoogheid mijn oprechten dank voor deze rondborstigheid,quot; begon Gregorius \ I1, onder eeno eerbiedige buiging met liet hootd. 5, Op een enkel punt na, zijn alle beweringen uwer raadslieden onbeschaamde leugens, zelfs kettersche

-ocr page 916-

304

leerstellingen. Zou de Paus loochenen, dat de koninklijke macht van God is ? Schrijft niet de H. Paulus aan de Romeinen: „Er is geen overheid, dan van God ? Wie zich derhalve tegen de overheid verzet, verzet zich tegen het gebod Gods.quot; — Dewijl het nu de roeping des Pausen is, de zuiverheid der christelijke leerstellingen te handhaven, hoe zou ik dan kunnen beweren , het koningschap is niet van God, maar van den apostolischen Stoel? Verre van mij zij een dergelijke vermetelheid! Ik zeg veeleer: de Allerhoogste heeft de Pauselijke en de koninklijke waardigheid ingesteld. Het is de plicht en de roeping van den Opperherder, de geheele Kerk te leiden, de geloovigen door woord en voorbeeld te onderrichten in de leerstellingen en in de tucht des Heeren , den naaste , zelfs de vijanden lief te hebben en voor de vervolgers te bidden, de heilige genademiddelen uit te deelen, do hinderlagen des geloofs af te weren, en de zielen tot hun eenige bestemming, de eeuwige zaligheid, te brengen , — recht en gerechtigheid te beschermen, — misdadigers met geestelijke wapenen te bestraffen, — de goeden en den vrede der Kerk te beschermen. En de beide machten , door God ingesteld , de geestelijke en de wereldlijke , moeten eendrachtig samenwerken tot heil en zegen der geheele Christenheid. Beiden moeten elkander ondersteunen tot instandhouding dei-zedelijke orde , zoodat hij , die niet wordt afgehouden van het kwaad door do kerkelijke tucht, binnen de grenzen der wet gehouden wordt door den wereldlijken arm, — en zoodat hem de geestelijke straffen treffen , die in vertrouwen op zjjne macht en ongebondenheid het zwaard des konings veracht. — Dit is mijne opvatting omtrent de betrekking tusschen Kerk en Staat, tusschen geestelijke en wereldlijke macht, — en deze opvatting is gebazeerd op de leer van Christus.quot;

-ocr page 917-

305

„In zooverre ben ik het eens met het gevoelen van uwe Heiligheid zeide de koning. „Mag ik het ééne punt weten , dat van den kant mijner raadslieden geene onwaarheid bevatte , zoo als gij zegt ?quot;

„Dit punt betreft het keizerschap, — niet de koninklijke macht en waardigheidantwoordde Gregorius. „De keizerstitel is een vrijwillig geschenk van den pauselijken Stoel. De roeping van den keizer is het beschermheerschap uit te oefenen over de Kerk, en de Pausen kiezen dengene tot beschermheer de,!1 Kerk, dien zij vertrouwen kunnen. — Uw vader zaliger, keizer Hendrik III, was een machtig heer. Het is waar, — Pausen stelde hij naar zijn goeddunken aan. Wijl echter de Pauskeuze eene inwendige aangelegenheid der Kerk uitmaakt, veroorloofde zich Hendrik III onrechtvaardige aanmatigingen en kwetsing van de vrijheid der Kerk.quot;

De koning keek nadenkend voor zich. Het n-mo-

o o

in zijn binnenste woelig toe. Gregorius bemerkte die stemming.

„Ik bid uwe Hoogheid ,quot; zeide hij, „mij alle bedenkingen voor te houden.quot;

„Gij leert toch, heilige Vader, de koninkljjke waai'-digheid is even goed van God als die des Pausen ?quot;

„Dat is de leer der Kerk,quot; antwoordde Gregorius.

„Naar mijn persoonlijke ondervinding ging Hendrik voort, „stelt gjj de geestelijke macht boven de wereldlijke , de waardigheid des Pausen boven die des koniivs. Derhalve maakt gij het koningschap afhankelijk van liet Pausschap.quot;

„De gevolgtrekking van uwe Hoogheid is niet geheel juist, antwoordde de Paus. — „Laten wij de zaak nader beschouwen. De koninklijke macht is van God en volstrekt niet afhankelijk van den Paus in alle zaken. Daarentegen heeft natuurlijk de macht van den aposto-

Cax. Ü. iii. oq

-ocr page 918-

306

lischen Stoel den voorrang voor den scepter des konings; want de macht des Pausen is een geestelijke, de macht des konings een wereldlijke , een stoffelijke. Het zwaard der aardsche gebieders is van ijzer en staal, het zwaard der Stedehouders van Christus is geest en waarheid. Gelijk nu de geest boven het lichamelijke, zoo staat de Paus boven den koning. Deze ondergeschiktheid der koninklijke waardigheid onder de zending van Christus' Stedehouder is derhalve gegrond in de natuur der dingen, afgezien van uitdrukkelijke geboden Gods. Stond namelijk de Paus niet boven den koning, dan had Jezus Christus den Paus niet kunnen aanstellen tot geestelijk herder ook van vorsten en koningen. Aan het ambt van Opperherder is zelfs de persoon des Pausen onderworpen ; — ik wil zeggen: de Paus mag niet naar zijn goedvinden handelen , hij moet den herdersstaf voeren volgens die goddelijke voorschriften, welke in de H. Schrift en in de overleveringen zijn vervat. Want rdo zuil en het fondament der waarheid is de Kerk— loert do Bijbel. Bijgevolg bewaart en verzorgt do Kerk het hoogste goed der ruenschheid; want er is niets grooter dan de waarheid. Tot wachter der waarheid werd door God de Paus aangesteld met den koning. Petrus is de rots , op welke de Kerk staat. De Kerk ontving den last, de leermeesteres aller volkeren te zijn , — en niet het koningschap. De Paus is de loerende , de koning de hoorende , — beiden zijn dit naar Gods voorschrift. — Wie is nu de hoogste: de leeraar of de hoorder? Hoe zou de Stedehouder van Christus onder hen kunnen staan , aan welke God slechts het zwaard van ruw geweld gaf? Stond hot lichaam boven den geest, het koningschap boven het Pausschap, dan moest dit het verval en de vernietiging van alle christelijke verhoudingen en bijgevolg het verval

-ocr page 919-

307

der geheelo maatschappelijke orde ten gevolge hebben; want de moeder van alle beschaving en menschemvaarde is het Christendom, — niet het koningschap. Stond ruw geweld boven de goddelijke wet , welks wachter en bewaarder de Paus is, dan zou de willekeur der machthebbenden tot maatstaf strekken in alle dingen, en de goddelijke wereldorde moest ontwijfelbaar vernietigd worden. —■ Nemen wij een praktisch voorbeeld uit het leven van uwe hoogheid. Voor eenige jaren hebt gij uwe echtgenoot Bertha verstoeten tegen het uitdrukkelijk gebod Gods: „Wie zijne vrouw wegzendt en eene andere huwt, verbreekt het huwelijk.quot; Hier moest de Paus tusschen beiden komen en tot u zoggen: „Koning , hot is u niet^geoorloofd, uwe vrouw te verstooten, omdat God zulks verbiedt.quot;

Ware nu de wereldlijke macht hooger dan de geestelijke , dan hadt gij te recht de vermaning des Pausen van de hand kunnen wijzen en naar willekeur kunnen handelen. ... — Waarheen zou zoo iets voeren ? Tot het heidendom. Daar waren koningen en keizers de Allerhoogsten, zij waren Goden. Zij lieten zich aanbidden en hun wil was goddelijke wet. De menschen zouden aan de luimen van heidensche machthebbers overgegeven zijn, allen waren slaven en slachtoffers der tyrannen. In het Christendom is het zoo niet. De koningen mogen geenszins heerschen naar hunne luimen of naar willekeur, — zij moeten den schepter voeren in den geest des Christendoms en van den goddelijken wil. Daarom schrijft dc H. Paulus aan de Komeinen: „De dienares Gods is de overheid.quot; De Stedehouder van Christus nu heeft te waken , dat de overheid als dienares Gods handelt. Dat zij het zwaard voert volgens gerechtigheid en niet naar de booze grillen. Kwam er een tijd van afval van God en zijne heilige

20*

-ocr page 920-

308

Kerk, — een verschrikkelijke tijd, in welke de koningen en vorsten Gods wil verachtten en diens Stedehouder en zich zelven vergoodden en zeiden : „Men moet den keizer meer gehoorzamen, dan God,quot; — dan moesten ook de vreeselijkste toestanden van geestelijke en lichamelijke slavernij van hot oude heidendom weder-keeren; want dezelfde oorzaken hebben dezelfde gevolgen. Bijgevolg,quot; eindigde de grijsaard, „heeft niet alleen, volgens den duidelijk uitgesproken wil Gods , die zegt: „Wie de Kerk niet hoort, zij u als een heiden en openbaar zondaar,quot; do geestelijke macht dei-Kerk den voorrang boven de Staatsmacht der koningen, maar ook volgens de innerlijke noodzakelijkheid.quot;

„Ik'moet bekennen, heilige Vader, volgens uwe verklaring krijgen de genoemde verhoudingen een geheel ander aanzien. Wat gij zegt, is mij volkomen nieuw. Was dat ten allen tijde de leer der Kerk?quot; vroeg hij op twijfelachtigen toon.

„Van het begin af, Hoogheid. Ik zal u hiervan overtuigen , zoover de middelen van dit huis reiken.quot;

In de eerstvolgende bijeenkomst met den Paus vond de Saliër lijvige folianten op een lange tafel open liggen.

„Gij twijfeldet er aan begon Gregorius , „dat de voorrang der geestelijke macht boven de wereldlijke in de Kerk altijd is geleerd. Ik beloofde u , hiervan te overtuigen. De bibliotheek van dit kapittel bevat wel niet veel Kerkvaders, — doch ik geloof, dat deze voldoende zullen zijn. Wees zoo goed en luister , wai hier de heilige Kerkleeraar, bisschop Gregorius van Nazianzen, over het bedoelde onderwerp zegt.quot;

De l'aus ging met den koning naar den eersten foliant en las ;

„Zult gij dynasten en archonten mijne woorden aannemen? De wet van Christus onderwerpt u aan mijne

-ocr page 921-

309

macht en aan mijn' troon; want ook wij, bisschoppon, voeren een grooter en volkomener bewind. Of moet wellicht de geest bij het vleesch , het hemelsche bij het aardsche achterstaan ?quot; ')

„Hooren wij den H. Kerkvader Chrysostomus zeidc Gregorius , naar den tweeden foliant gaande.

„Die vorsten op aarde zijn las hij, „hebben wel de macht, om te binden, maar enkel de lichamen; alleen de priesterlijke macht om te binden betreft de ziel en reikt tot den hemel. Wat de priesters hier op aarde doen, bevestigt God daarboven en het oordeel der dienaren bekrachtigt de Heer; want alzoo spreekt Christus tot de priesters : „Wie gij de zonden vergeeft, dien zijn ze vergeven, en wien gij de zonden houdt, die zijn ze gehouden.quot; — Welke macht zou grooter kunnen zijn ? Alle oordeel heeft de Vader aan den Zoon gegeven , gelijk hij zegt bij Joannes met de woorden : „De Vader oordeelt niemand , maar hij heeft alle oordeel aan den Zoon gegeven.quot; Ik zie echter, dat de leerlingen alle oordeel van den Zoon ontvangen hebben, eenc macht, die zooveel boven de aardsche verheven is, als de hemel de aarde, de zielen de lichamen overtreffen.quot; 1)

„Uit deze plaatsen kan uwe hoogheid besluiten,quot; zeide de 1 aus, „dat ten tijde van den H. Chrysostomus, derhalve voor zeven honderd jaren, de voorrang van allo priesterlijke macht boven de koninklijke geleerd werd. — Luister nu, wat de heilige Paus Gelasius I voor zeshonderd Jaar aan keizer Anastasius schreef.quot;

Hij keek in den derden foliant en las:

„Twee machten zijn het voornamelijk, waardoor deze

1

) De Sacerdot.

-ocr page 922-

310

wereld geregeerd wordt, liet geheiligde gezag der bisschoppen en de koninklijke macht. Het gewicht der bisschoppen is des te zwaarder, omdat zij in het oordeel Gods zelfs voor de koningen rekenschap moeten afleggen. Hebt gij ook in waardigheid onder de menschen den voorrang , toch moet gij uwen nek buigen onder de gehoorzaamheid der kerkelijke overheden. Gij hebt ii naar hunne oordeelen te richten, en hen niet naar uw goedvinden te leiden. Hoeveel eerder moet gij u schikken naar den bisschop van den Stoel te Rome, dien Christus boven allen gesteld heeft, dien do Kerk steeds met eerbied voor haar hoofd gehouden heeft.quot; ')

Gregorius wilde de rij folianten nog verder nagaan; de Saliër echter bekende , dat hij overtuigd was.

„Dank, heilige Vader !quot; zeide hij. „Gij hebt m j volkomen overtuigd , dat de leer van den voorrang der pauselijke boven de koninklijke macht geen nieuwigheid, maar altijd geleerd is.quot;

„Geliefde Zoon !quot; zeide vaderlijk de heilige grijsaard. „In den naam Gods, wiens onwaardige Stedehouder ik ben, vermaan en bid ik u , vast te houden aan God, aan zijn' heiligsten wil, aan zijn zedelijke orde. Volhard op het pad dor deugd en gij zult den schepter der gerechtigheid voeren. Ik herhaal: wees deugdzaam ; want het bloote erkennen van het ware is niet voldoende , voor alles moet men volgens de waarheid leven. Wie zondigt, valt feitelijk van de waarheid af. Het gevolg van dezen afval is achtereenvolgens de verduistering van den geest, zoodat de waarheid niet helder ingezien en de dwaling voor waarheid gehouden wordt. Luister niet naar den raad en do inblazingen van booze menschen , — luister veeleer altijd naa-: de

') Ep. ad Anast. Imper. Mansi VIII. 31.

-ocr page 923-

.'ill

stom dei' Kct'k, die In stein Gods is. Houd uwe beloften , nwe goede voornemens en gij zult regeereu tot heil des volks en eenmaal rekenschap kunnen geven voor God.quot;

G E WO N N E N.

Om de luchtige tinnen van Landeek vliegen twee koperkleurige torenvalken. Soms staan zij , zonder schijnbare beweging der vleugels , onbeweeglijk stil en richten de scherpe oogen op een spleet onder de muur-kroon , waar de vogels hun nest hadden gebouwd; de lente was in het land gekomen. Daar, in die spleet, liggen eenige bruin gevlekte eieren op dorre takjes, waarop hot wijfje nederstrijkt om te broeden.

Het matinetje gaat op den vooruitstekenden rand der muurkroon zitten , spreidt de vleugels uit, loopt bevallig op de hooge gele pooten, met de schitterend zwarte, sterk gebogen klauwen en kijkt naar het nest. Dan weer vliegen beiden om den toren, schieten in de diepte, stijgen pijlsnel omhoog en weder ruischt suizend gcklap-wiek om de tinnen. Dit dartel spel zetten zij voort zonder vrees voor de vrouwengestalte, die binnen de muurkroon staat en verlangend in de verte ziet; want sedert lang waren de vogels aan een verschijning gewoon, die vertrouwen en geen vrees inboezemde.

Dagelijks beklom Godila de hoogte, bleef daar boven uren lang staan en keek naar het oosten in afwachting van haar terugkeerenden geliefde. Maar dagen en weken verliepen , de vurig verlangde kwam niet.

-ocr page 924-

312

,Tegen do lente ben ik terug-had hij bij liet scheiden gezegd. De lente was gekomen en spreidde haar pracht ten toon, zoodat zij zelfs troost in het bedroefde hart zou storten. Hoe bekoorlijk lachte alles de jonkvrouw op den hoogen toren toe ! Jong groen bedekte het heerlijke landschap , vroege bloemen versierden de grafplaatsen , de knoppen der boomen botten uit, de bloesem bedekte de struiken aan den zoom van hel woud on op de boomen der velden , en de bazuin des hemels , do bezielende zon , wekte alles uit den diepsten doodslaap lot de opstanding. Alles juichte en jubelde. Tot' aan de tinne des torens stegen de menigvuldige en liefelijke liederen op, welke de Heer aai' de gevederde zangers geschonken had. Ook kevers gonsden door de zoele lucht, en de kwinkeleerende leeuwrik steeg omhoog tot de verheven plaats, waar zich Godila bevond. Zij bleef echter ongevoelig voor elke vreugde. Voor haar was er geen lente; want haar schoon gelaat getuigde van diep leed en van grievende smart. Onafgewend volgde haar blik de eindelooze kronkelingen van den straatweg , op welke zich in de verte zeer kleine gestalten bewogen , ruiters , voetgangers en wagens. Soms schemerde het haar hoopvol in do oogen , als ruiters naderden. Maar de ruiters kwamen niet naar den eenzamen burcht; want Siegfried bevond zich niet bij hen. Weder tuurde zij in de verte , — nieuwe hoop, nieuwe vergissing. Zoo wachtte de bruid van den geliefde eiken dag. Zij stond , met korte tusschenpoozen , van den morgen tot den avond op de hoogte en keek over de velden en wegen naar haren Siegfried. En hoe talrijker de dagen van onge-stild verlangen werden , des te sterker werd haar verlangen. De morgenzon vond haar op de wacht, en het avonrood bestraalde haar op dezelfde plaats. Ein-

-ocr page 925-

313

deljjk werd haar vertrouwen op het geluk der toekomst geschokt, en met hot toenemen van een bang voorgevoel , stegen Godila's ernst en stilzwijgendheid en de uitdrukking van een onuitsprekelijk leed stond op haar gelaat te lezen.

„Groote God, — wat moet er van komen klaagde de getrouwe Oda aan do burehtwachtor : „Onze meesteres wordt al stiller en stiller, overkwam Siegfried wei kelijk een ongeluk , wat ik nu zelf bijna begin te gelooven , dewjjl hij maar niet komt, — dan ducht ik het ergste. Men heeft voorbeelden , dat menschen van harteleed krankzinnig geworden zijn.quot;

„Dat vrees ik nu juist niet voor onze adelijke meesteres , hernam Bero. „Treurig en ter nedergoslagen is zij , maar een spoor van krankzinnigheid heb ik aan haar nog niet waargenomen.quot;

„Niet ? Dat komt van uwe zwakke oogen , Bero ! Is dat geen bewijs van krankzinnigheid of ten minste een begin van krankzinnigheid , den geheel en dag daar boven op dezelfde plek te staan , en niets te doen , dan turen en turen ?quot;

„Het turen heeft zijn oorsprong in hare trouwe liefde, niet in krankzinnigheid,quot; zeide Bero. „Lieve God, — als mijn gebieder wist, hoe zeer hij bemind wordt ! Italië, waar het zoo buitengemeen schoon moet zjjn, zou hem geen minuut langer houden. Dag en nacht zou hij rijden , om te huis te komen.quot;

„En ik vrees , dat de edele ridder nimmer huiswaarts zal koeren, en het hart mijner goede meesteres zal bleken , klaagde Oda , terwijl haar de tranen over do wangen rolden.

„Dat zijn vreemde invallen ,quot; riep Bero gemelijk uit. „Waarom zou hij niet weder huiswaarts koeren?quot;

„Omdat hem een ongeluk is overkomen , — of om-

-ocr page 926-

314

dat hem de Italianen oragebrachl hebben , — of omdat hem do booze Hendrik Hot vergiftigen , — of omdat hij in do handen viel van roofridders , die hem doodden , toen hij zich verweerde , — of omdat hij aan kwaadaardige koortsen stierf. Zijn er op zoo'n verre reis geen dnizende zaken , die iemand kunnen doen sterven?quot;

„Bah , — bah , dat is altemaal niets !quot; riep de wachter uit. „Naar Rome is oen lange reis. Men moet weten te wachten. Tusschen Duitschland en Italië zijn hemelhooge bergen, bedekt met sneeuw en ijs, doorsneden van afgronden en bergkloven, — daar moet onze lieer heen en weer over heen trekken. Daar heet liet , langzaam vooruit! Do beste ruiter moet daar tegen opkruipen als een slak en van den andoren kant zijn paard voorzichtig bij den teugel afleiden. Ik begrijp zeer goed, dat men in de vlakte op een dag meer vordert, dan op de ijsbergen in een week.quot;

„Kijk, — kijk, — dat laat zich hooren !quot; zoide toestemmend de oude. „Daaraan heb ik bij mijne vertroostingen niet gedacht. De hemelhooge bergen houden op, — natuurlijk! En mij zijn deze afschuwelijke ijsbergen een ware troost, omdat zij het lange uitblijven van den edelen heer verklaren. Nu zal hij juist niet omgekomen zijn , — hij wordt maar opgehouden. Hoe verkwikt mij dat! Dadelijk ga ik de hemelhooge borgen aan onze bekommerde meesteres toonen.quot;

De bejaarde kamenier beklom met veel inspanning den wachttoren , waar zij hijgend en zuchtend aankwam. De valken vlogen angstig schreeuwend om de muur-kroon, en keken naar Oda, als op iets vreemds en vijandigs. Godila ontving de kamenier met een zwaarmoedig klagenden blik; deze haastte zich de nieuw ontdekte reden tot troost mede te deelen.

„Ik denk, dat gij te vroeg begonnen zijt om uit te

-ocr page 927-

315

kijken, genadige meesteres! begon zij. „Bedenk eens den verren — verren weg naar Rome! Drie maanden heen en drie maanden terug is niet te veel. Derhalve zou heer Siegfried in Juni kunnen terugkeeren, en nu hebben wij eerst het einde van April.quot;

„Tegen de lento ben ik terug, - heeft hij bij het scheiden gezegd,quot; antwoordde do vorstin. „De lento is gekomen, en ik kijk te vergeefs uit naar mijn Siegfried.quot;

„Nu ja, — dat heeft hij gezegd, om u te troosten,quot; hernam verstandig do kamenier. Hij zelf wist zeer goed, dat het zomer worden zou. quot;Waren het effene wegen naar Rome, dan zou men eiken dag een groot eind weegs kunnen afleggen. Maar daar zijn borgen, die tot aan de wolken reiken, en over deze hemelhooge borgen moet heer Siegfried bij do heen- en terugreis. Donk nu eens, hoeveel tijd heeft men daartoe noodig. Ook zijn er diepe afgronden in die bergen, en over de afgronden liggen geen bruggen, daar moet men langzaam en voorzichtig omheen rijden. Dan hoorde ik reeds vertellen , dat van die hemelhooge bergen sneeuwklompen rollen , zoo groot als heuvels. Als nu zulke lawinen naar beneden storten en zich op de wegen op-hoopen , hoeveel tijd heeft men dan niet noodig, voordat die sneeuw uit den weg geruimd is? Hot kan zeer goed gebeuren, dat heer Siegfried weken lang op dezelfde plaats moet blijven, alvorens hij verder komt en dat hij dan weder voor een nieuwen sneeuwklomp staat.quot;

„Uwe schilderij is Juist, goede Oda! Afgrijselijke afgronden en lawinen treft men in de Alpen aan. De afgronden kunnen mijnen Siegfried verslonden, de lawinen hem begraven hebben,quot; eindigde zij met bevende stem.

„Neen, — neen — stellig niet!quot; riep de oude vast-

-ocr page 928-

316

beraden uit: „Gods hand behoedt den vromen ridder even goed tegen do listen en boosheden der bergen , als zij hem behoed heeft tegen de listen en boosheden van Hendrik IV. De goede God verlaat nimmer een ziel, die hem dient. Even zeker als heer Siegfried God niet verlaat, even stellig zal God den edelen man niet verlaten.quot;

„Wij hebben geen recht, voor deze aarde don hemel te hulp te roepen, — van zware beproevingen is niemand uitgeslotenzeide Godila. „Met genoegen en het hoogste geluk had mij de Heer aan de zijde van mijn gade begenadigt, — weigert mij de Voorzienigheid dit geluk hier op aarde, — mag ik morren? Als Christin moet ik zeggen met den lijdenden Zaligmaker: „Vader, uw heilige wil geschiede!quot; En dan is daar mijn verblijf voor mijn geheele leven,quot; — en zij wees met de hand naar het vrouwenklooster St. Magdalena beneden.

„Gij wilt naar de maagden van Christus gaan?quot;' riep de oude op een afkeurenden toon uit.

„Waarheen zou een weerlooze jonkvrouw vluchten voor de valstrikken dezer booze wereld?quot; vroeg zjj. „Mijn Siegfried dood, — mijne moeder dood, — mijn vader in levenslange gevangenschap!quot; — en tranen verstikten hare stem.

„Verschoon mij, edele meesteres , dat is alles overdreven! Siegfried leeft en uw vader zal weldra uit de gevangenis ontslagen worden. In geen geval is er haast bij het klooster.quot;

„Is er geschikter verblijfplaats voor een ziel, die met de wereld heeft afgerekend, dan een godvreezend klooster?quot; Waarheen zou ik arme gaan? Had ik het geluk niet, mijn Siegfried op aarde te bezitten, dan wil ik mijn geest in het klooster veredelen, opdat hij

-ocr page 929-

317

in den hemel eeuwig met God zich ook over mijn bruidegom verblijde!quot;

De oude schudde misnoegd het hoofd.

„Aan den sluier moet gij voorloopig niet denken, edele meesteres ! Uw bruidegom, wien gij trouw gezworen hebt, zal ongetwijfeld wederkeeren.quot;

„Dat smeek ik zonder ophouden aan God eu zijn lieve heiligen,quot; antwoordde zij, en nauwelijks hoorbaar, met gevouwen handen en bevende stem voegde zij er bij: „O Siegfried, — mijn hartelijk geliefde, keer terug!quot;

Oda prevelde onverstaanbare woorden en keek naar beneden in de woeste dalen der Vogeezen. Godila sloeg de oogen hemelwaarts en bad.

Na eenigc oogenblikken trok een voorwerp de opmerkzaamheid der kamenier.

„Zie toch eens, wat is dat daar boven?quot; zeide zij, in de richting van den ïrifels wijzend.

„quot;VV at meent gij 'i Ik zie niets,quot; antwoordde Godila.

„Ja wel, — ja wel, — iets geheel vreemds komt hierheen geloopen!quot; verzekerde Oda, die nog altijd in de verte tuurde. „Beren zijn het niet, — het moeten kameelen zijn. Ik heb nog wel geen kameelen gezien , — maar zij konden wel dergelijke schepselen moeten verbeelden, dewijl ik het anders met niets kan vergelijken. — Zie toch eens op het pad, dat naaiden Trifels leidt, — hetzelfde gelukkige pad, dat wij zoo vaak beschouwden, omdat u heer Siegfried daar langs hierheen gebracht heeft, — daar loopt en draaft het! Nu is het in 't struikgewas verdwenen; — terstond echter zal het weder te voorschijn komen, daar bij die plaats aan den bergwand, waar de donkere dennen zoo dun staan. Juist, — daar is 't weder ! Ziet gij het nu?quot;

„Drie loopende dieren , •— het kunnen wel groote

-ocr page 930-

318

wolven zijn,quot; antwoordde Godila. „Men kan het niet nauwkeurig onderscheiden.quot;

„Wolven zijn het zeker niet,quot; beweerde Oda. „Ziet gij den springenden man ? Nu is hij eens achter , dan weer voor, — waren het wolven , dan zouden zij hem verscheuren. En wat hij loopt en draaft, — men zou denken, dat hem iets kwaads nazet. Kijk, — kijk , waarlijk, de man met de dingen komt regelrecht op Landeck af!quot;

De besproken voorwerpen verdwenen onder hooge boomen. De glurende vrouwen wachtten in de grootste spanning , tot dat do loopenden op een open ruimte , die het pad niet ver van den burcht doorsneed ; weder te voorschijn moesten komen.

„Wat mag dat zijn, genadige meesteres. Het komt zekerlijk van den Trifels. Ook is het voor ons , — een voorgevoel zegt het mij. Wat denkt gij er van , — zouden het wellicht Italiaansche dieren zijn , die heer Siegfried ons zendt ?quot;

„Uwe meening komt mij vreemd voor !quot; antwoordde Godila.

„Schijnt u alles niet vreemd toe ? Hebt gij ooit zoo iets gezien ?quot;

„De groote afstand bedriegt iilsook de takken der boomenantwoordde de vorstendochter.

„Nu zullen wij het terstond te zien krijgen, — daar moet het over de strook heide. — Ha , — zie , daar komt het weder te voorschijn!quot; riep Oda. „Waarlijk het is Af bald met zijn ezels ! Kijk maar , hoe hij huppelt ! Wat zou hij voor nieuws hebben ? In elk geval bericht van uwen vader, — en wel een blijde tijding.quot;

„Blijde tijding , dat is zeer twijfelachtig ; — van het huis des konings hooren wij zelden iets goeds,quot;

-ocr page 931-

319

antwoordde Godila met klimmende opgewondenheid.

„Blijde tijding brengt hij , dat is een uitgemaakte zaak ; anders zou hij zoo hard niet loopenbeweerde Oda. „Reeds is hij aan den burchtweg; — kom naar beneden , genadige meesteres , kom spoedig naar beneden !quot; en beiden verdwenen haastig van de tinne.

Afbald was met zij;i ezels van den Trifels naar Land-eek gegaan met een overijling , die geheel bijzondere gebeurtenissen aanduidde. Gedurende den langen weg bleef hij in den snelsten draf, zelfs bergop ging het in galop. Bergaf liep hij als bezeten en zijn ezels galoppeerden. Hierbij was het niet noodig, dat hij de grauwtjes aanspoorde, zij hielden zich stipt aan het voorbeeld van hun meester, en volgden hem op de hielen. Aan de haviksrots hielden do dieren stil. Afbald veegde het zweet van zjjn aangezicht en keek hevig ontsteld naar Landeck op. De ezels stonden om hem heen en loerden begeerig naar het jonge gras, aan den kant van den weg.

Af balds opzien duurde voort. Hij begon te peinzen , als voor een gewichtige taak, en zijn heldere oogen begonnen hun dartel spel.

„Afbald , — Afbald , — dezen keer hebt gij veel gewaagd !quot; mompelde hij hoofdschuddend en bange zorg deed hem het voorhoofd fronsen. „Een hoorige knecht met een hoofd mag wel meer ondernemen , dan een vorst zonder hoofd; — maar wanneer het zaken van het hart betreft, dan is do vlugste kop niet toereikend. En mijne boodschap is gericht aan een hart , — en dan wat voor een hart ? Hei — hei, — een edeler , warmer , zuiverder , grooter , godvreezender hart klopt er uiet in hot geheele Kijk , dan het hart van Godila , mijn edele meesteres! Ja! — haar hart is van zulk een fijn, feeder maaksel, dat het van mijn boodschap

-ocr page 932-

320

wel eens kon breken. Heeft men geen voorbeelden, dat harten gebroken zijn bij een vreeselijke tijding ? — of bij een onverwachte, geheel buitengewone t)lijde boodschap ? En is mijne boodschap niet van dien aard, dat zij het teeder hart van Godila moet breken ? De markgraaf üdp van Saksen had groot gelijk, toen hij zeide: „Verneemt mijne dochter plotseling alles, dan zou dit haar leven kosten; want zij is buitengemeen teergevoelig van aard. Daarom is het noodzakelijk, haar voor te bereiden.quot; Zoo heeft de verstandige heer gezegd, en ik was zoo beleefd, die voorbereiding te ondernemen! Domme, eenvoudige Af bald? Waartoe heeft u de al te groote vereering uwer edele meesteres, Godila, gedreven?--Maar — wie had de voorbereiding moeten ondernemen ? Misschien de ijzervreter Hartmod, — of de everjager Dedi ? Lieve tijd ! In elk oor mijnev ezels zit meer teergevoeligheid, dan in al de burchtwachters van den ïrifels. Bijgevolg bleef er niemand over voor een zaak, die wijs en zacht moet aangepakt worden , dan een ezeldrijver, wiens ring van hoerigheid gesprongen is. — — Vrijheid, — een groot woord! Vrijheid, — een Gode welbehageljjke stand! Want lijfeigenen noch slaven schiep God de Vader, maar vrije menschen; daarom is elke slavernij een hatelijk knoeiwerk der vijanden van den goddelijken wil. — Of Af bald, de vrjje , beter zal zijn, dan Af-bald de slaaf? Dat staat te bezien ! Want braafheid en deugd huisvesten vaker bij de geringen, dan bij de groote heeren. Maar ik wil 'uit mijne hoorigheid het vaste voornemen in mijne vrijheid overplanten, om alle dagen mijns levens voor God een eerlijk mensch te blijven. Derhalve wil ik nu ook eerlijk volbrengen, wat ik op mij genomen heb. — — Hm — eerlijk, — eerlijk! Hoe nauwkeuriger ik mijn onderneming be-

-ocr page 933-

321

schouw , des te duidelijker wordt het mij , dat eerlijkheid hier niet toereikend is. Al zou ik eerlijk spreken , alles eerlijk haarfijn biechten , dan zou mijn eerlijkheid een vreeselijk ongeluk aanrichten. Eerlijkheid alleen doet het dus niet, — de eerlijkheid moet gepaard gaan met list, sluwheid en spitsvondigheid. De goede Heer Jezus zegt nu tot mij: ,, Af bald, wees listig, als de slang!quot; Dat zal ik doen, omdat ik zie, dat in vele gevallen eerlijkheid de grootste domheid is. Mochten alle eerlijken deze woorden van Jezus toch in hun hoofd prenten en daarnaar handelen , dan zou de list niet alleen het deel der schurken en de wereld niet zoo verkeerd zijn. Kregen toch alle schapen bij hunne eenvoudigheid de wijsheid , dan zouden zij de heerschappij der wolven wel beperken. — Van mijn kant wil ik van daag een schaap zijn in goedhartigheid , — een vos in spitsvondigheid , een slang in list. Deze drie zullen het klaar spelen. Ik ben goedhartig ; want ik wensch van harte hot geluk en welzijn mijner edele meesteres. Spitsvondig ben ik , want mijn plan strekt zich verder uit, dan het schijnt. Listig ben ik; want slechts stuksgewijs kom ik met mijn boodschap voor den dag. En in het volle licht bezien , staat list bovenaan. Zou ik den geheelen inhoud mijner boodschap in eens in het hart van Godila uitstorten , — dan moest hot breken. Nu echter deel ik het haar met voordacht slechts bij druppels en langzamerhand mede, — en ik zal haar niet schaden. — — Zoo, — dit was het, — zoo gaat het, — ja!quot; hij klapte in de handen en knikte goedkeurend mot het hoofd.

„Maar, — wat is dat?quot; riep hij razend op de ezels, die van de alleenspraak huns meesters gebruik gemaakt hadden, om van het jonge gras te gaan grazen. „Doet gij uwe vrijheid zoo schande aan ? Huh, — hier — hier !quot;

Can. d. in. 21

-ocr page 934-

320

wel eens kon breken. Heeft men geen voorbeelden, dat harten gebroken zijn bij een vreeselijke tijding? — of bij een onverwachte, geheel buitengewone blijde boodschap? En is mijne boodschap niet van dien aard, dat zij het teeder hart van Godila moet breken ? De markgraaf Udp van Saksen had groot gelijk, toen hij zeide: „Verneemt mijne dochter plotseling alles, dan zou dit haar leven kosten; want zij is buitengemeen teergevoelig van aard. Daarom is het noodzakelijk, haar voor te bereiden.quot; Zoo heeft de verstandige heer gezegd, en ik was zoo beleefd, die voorbereiding te ondernemen! Domme, eenvoudige Af bald ? Waartoe heeft u de al te groote vereering uwer edele meesteres , Godila, gedreven ?--Maar — wie had de voorbereiding moeten ondernemen ? Misschien de ijzervreter Hartmod , — of de everjager Dedi ? Lieve tijd ! In elk oor mijner ezels zit meer teergevoeligheid, dan in al de burchtwachters van den Trifels. Bijgevolg bleef er niemand over voor een zaak, die wijs en zacht moet aangepakt worden , dan een ezeldrijver, wiens ring van hoorigheid gesprongen is. — — Vrijheid, — een groot woord! Vrijheid, — eeu Gode welbehagelijke stand! quot;Want lijfeigenen noch slaven schiep God de Vader, maar vrije menschen; daarom is elke slavernij een hatelijk knoeiwerk der vijanden van den goddelijken wil. — Of Af bald, de vrije, beter zal zijn, dan Af-bald de slaaf? Dat staat te bezien! Want braafheid en deugd huisvesten vaker bij de geringen, dan bij de groote heeren. Maar ik wil 'uit mijne hoorigheid het vaste voornemen in mijne vrijheid overplanten, om alle dagen mijns levens voor God een eerlijk mensch te blijven. Derhalve wil ik nu ook eerlijk vofbrengen, wat ik op mij genomen heb. — — Hm — eerlijk, — eerlijk! Hoe nauwkeuriger ik mijn onderneming be-

-ocr page 935-

321

schouw , des te duidelijker wordt liet mij , dat eerlijkheid hier niet toereikend is. Al zou ik eerlijk spreken , alles eerlijk haarfijn biechten , dan zou mijn eerlijkheid een vreeselijk ongeluk aanrichten. Eerlijkheid alleen doet het dus niet, — de eerlijkheid moet gepaard gaan met list, sluwheid en spitsvondigheid. De goede Heer Jezus zegt nu tot mij: „Afbald, wees listig, als de slang!quot; Dat zal ik doen, omdat ik zie, dat in vele gevallen eerlijkheid de grootste domheid is. Mochten alle eerlijken deze woorden van Jezus toch in hun hoofd prenten en daarnaar handelen , dan zou de list niet alleen het deel der schurken en de wereld niet zoo verkeerd zijn. Kregen toch alle schapen bjj hunne eenvoudigheid de wijsheid, dan zouden zij de heerschappij der wolven wel beperken. — Van mijn kant wil ik van daag een schaap zijn in goedhartigheid , — een vos in spitsvondigheid , een slang in list. Deze drie zullen het klaar spelen. Ik ben goedhartig ; want ik wensch van harte het geluk en welzijn mijner edele meesteres. Spitsvondig ben ik, want mijn plan strekt zich verder uit , dan het schijnt. Listig ben ik; want slechts stuksgewijs kom ik met mijn boodschap voor den dag. En in het volle licht bezien , staat list bovenaan. Zou ik den geheelen inhoud mijner boodschap in eens in het hart van Godila uitstorten , — dan moest het breken. Nu echter deel ik het haar met voordacht slechts bij druppels en langzamerhand mede, — en ik zal haar niet schaden. — — Zoo, — dit was het, — zoo gaat liet, — ja !quot; hij klapte in de handen en knikte goedkeurend met het hoofd.

„Maar, — wat is dat?quot; riep hij razend op de ezels, die van de alleenspraak huns meesters gebruik gemaakt hadden, om van het jonge gras te gaan grazen. „Doet gij uwe vrijheid zoo schande aan? Huh, — hier — hier!quot;

CAN. D. iii. 21

-ocr page 936-

322

Do grauwtjes kwamen gehoorzaam toegeloopen en lekten met voldoening liunne bekken.

„Toen gij nog hoerige knechten waart en zware korven den Sonnenberg opdroegt, kwaamt gij niet op den inval , om eens anders goed aan te raken , niet waar ? Steekt u nu de haver der vrijheid al ? Laat u gezeggen , ezels: — Wie van zijn vrijheid een slecht gebruik maakt, verdient zijn leven lang slaaf te zijn! Onthoudt dit wel. — Vooruit nu maar, booswichten, die onwaardig zijt uwe meesteres in de heldere oogen te zien !quot;

Hij begon den berg te beklimmen en was verbaasd, de burchtpoort geopend en Godila met hare vrouwen op de ophaalbrug te vinden. Op den toon harer heldere stem, liepen de ezels toe, sloegen vergenoegd met de ooren en trachtten de blanke handen der burchtvrouw te lekken. De wachter stond eerbiedig achter haar en vervolgens de dienstmannen, allen in gespannen verwachting , wat de ezeldrijver te zeggen had.

„God zegene, beware en behoede mijne allergena-digste meesteres ?quot; groette Af bald met een vergenoegden blik op de vereerde.

„Wees welkom. Af bald !quot; antwoordde zij, met angstige spanning op het gelaat. „Brengt gij ons een boodschap van den Trifels ?quot;

„Ja, edele meesteres , een belangrijke boodschap! Veroorloof echter, dat ik eerst mijne ezels bezorg, opdat zij ii niet naloopen naar uwe vertrekken. Dan zal ik mijne goede meesteres een blijde tijding mededeelea.quot;

Hij zag den glans van vreugde op haar gelaat en vond wijze voorzichtigheid geraden.

„Waarschijnlijk is deze man hier burchtwachter wendde zich Afbald tot Bero , koeltjes en afgemeten in woorden en beweging. „Wees zoo vriendelijk en

-ocr page 937-

323

wijs mij zelf, waar ik mijne grauwtjes kan plaatsen.quot;

„Doe het maar, Bero !quot; gebood de vorstin. En breng dan den man onverwijld boven.quot;

De wachter ging met Afbald naar den stal, achter hem volgden de ezels.

„Hé, — dat is een mooie stal!quot; zeide Afbald, die zijn oogen liet rondwaren. „Zoo zindelijk waren mijn grauwtjes hun geheel leven niet gehuisvest.quot;

Bero strooide geurig hooi en de ezels lieten het zich goed smaken.

„Heer burchtwachter, begon Afbald, na een scherpen blik op den krijgsman geworpen te hebben, „weet gij, waarom ik juist u verzocht, mijne dieren een stal aan te wijzen. Dat heeft zijne reden.quot;

Hij trad nader bij hem en sprak zacht. Opmerkelijk was de indruk van Af balds gefluister op den burcht-Wachter. Een bijna woeste vreugde kwam op zijn gelaat, hij strekte beide armen uit en slaakte een luiden kreet.

„In Gods naam, — houd u stil, — voorzichtig!quot; vermaande de ezeldrijver. „Als dit bericht u al zoo aandoet, die zenuwen hebt, zoo dik als klokketouwen, — dan is die tijding voor de teergevoeligheid van Godila stellig doodehjk. Laat er niets van merken, — zeg ik! Doe in het geheim, zonder opzien te baren, wat ik u gelast heb. En breng mij nu naar onze meesteres.quot;

Toen zij over het binnenplein gingen, keken de krijgslieden verbaasd op het vreemde gelaat van Bero, die tot hen zeide: „Alle mannen in de voorzaal, terstond ben ik daar!quot;

Hij geleidde den ezeldrijver tot aan de deur van Go-dila's kamer en ging met overhaaste schreden naar de voorzaal.

21*

-ocr page 938-

324

„Nu, Af bald, wat meldt gij ons?quot; vroeg zij, den binnenkomende te gomoet gaande.

„Vooreerst vele groeten van uwen vader , den markgraaf Udo van Saksen ,quot; antwoordde bedenkelijk de bode. „Vaart hij wel ?quot;

„Zeer wel, edele meesteres.quot;

„En is de voogd niet ruw tegen hen?quot;

„Toch niet! Zeer vriendelijk! De markgraaf is niet alsquot;een gevangene op den Trifels. Vrij mag hij gaan, waar het hem belieft. Eu ik moet u melden , dat hij

u hier denkt te bezoeken.quot;

„Welke vreugde, — welk geluk !quot; riep zij ontsteld. „Mijn vader komt, — mijn geliefde vader!quot;

ja ) _ de koning heeft hem toegestaan, zijn kind

te bezoeken , en wellicht zal hem de koning volledige

vrijheid schenken.quot;

„God zij geloofd!quot; riep Oda.

De vorstin zeide niets, zij vouwde hare handen en sloequot;- de oogen dankend ten hemel.

„Is het toch stellig waar, goede Af bald?quot; vroeg zij

in koortsachtige spanning.

„Zonder twijfel komt uw vader hierheen, genadige meesteres ! Gij kunt er stellig op aan, — Af bald heeft het gezegd , en Afbald zegt niets , wat hij niet verantwoorden kan.quot;

„Is het ook waar, dat hem do koning volkomen vrijheid schenkt?quot;

„Dat is ook waar! Gisteren avond kwam een bode

uit Italië naar den Trifels met een blijde tijding, — een vertrouwde bode , namelijk een bode des konings.quot; „Wie is die bode ?quot;

„Dat kan ik eigenlijk nu nog niet zeggen,quot; antwoordde Afbald behoedzaam en niet zonder zorg voor don toestand der hevig ontroerde. „Met uw verlof.

-ocr page 939-

edclo meesteres, -- naar mijn gevoelen moesten uwe ledematen niet zoo beven als zij doen; want mijne boodschap klinkt toch niet treurig of afschuwelijk.quot;

„Beven mijne ledematen?quot; vroeg zij met bevende stem. „Dat is vreugde, onuitsprekelijke vreugde! Lieve, goede vader! — ik zal u hier wederzien!quot;

„Bezin u toch, genadige meesteres!quot; smeekte Oda. „Ook vreugde kan schadelijk werken, als men zich daaraan geheel overgeeft. En wij hebben nog geen reden tot algeheele vreugde. Wel komt uw lieve vader, — wel zal de markgraaf de vrijheid herkrijgen , — doch waar blijft Siegfried?quot;

Deze opmerking werkte bekoelend. De vreugde van haar gelaat verdween, zij stond ernstig en diepe droefheid lag op haar wezen.

„Gij hebt gelijk , Oda !quot; zeide zij ter nedergeslagen. „Mijn vader wordt vrij , — maar mijn Siegfried ? Wellicht rust zijn lichaam reeds in een vreemd land in de aarde ?

Zij keerde zich om, ging naar liet venster en tranen biggelden over hare wangen.

„Wees daarover niet bekommerd , edele dame !quot; begon de ijzeldrijver weder. „Heer Siegfried leeft en denkt aan graf noch grafkelder. De bode uit Italië toch heeft ook van hem berichten medegebracht.quot;

Zij keek den man ongeloovig aan.

„Dat zegt gij maar, om mij te troosten , goede Afbald.quot;

„Toch niet, — stellig niet ! De bode meldde , dat heer Siegfried de vrijheid uws vaders van den koning verkregen had en dat hij op reis hierheen was.quot;

Zij schudde twijfelend het hoofd.

„Geloof mijne eerlijkheid , het is stellig zoo !quot; verzekerde hij. „Ik ben toch zelf een levend bewijs van

-ocr page 940-

326

de waarheidsliofde van den bode ; want de koning heeft mij aan u geschonken , edele meesteres , omdat hem de sterke ridder Siegfried verhaalde, dat gij genoegen schept in uwen knecht en zijn ezels. Daarom zijn wij nu hier en wij willen onze goede meesteres getrouw dienen , tot aan hot laatste oogenblik van ons leven , — dat wil zeggen, als gij de trouwe mijner hoorigheid niet versmaadt !quot;

Zij reikte hem de hand en keek den lijfeigene vriendelijk aan.

„Dubbel dierbaar en welkom is mij Af bald, omdat mijn Siegfried hem mij zendtzeide zij. „Doch niet als hoorige knecht zult gij dienen, maar als een vrij raan.quot;

„Gij denkt juist zoo, als de sterke ridder Siegfried,quot; hernam Af bald. „Ook hij ontsloeg mij van mijne hoerigheid.quot;

„Hoe weet gij dat ?quot;

„Van den bode, edele meesteres! Ook heeft de bode nog gezegd, dat Siegfried binnen eenige dagen , of nog eerder moest komen.quot;

„Lieve hemel, welke blijde, wonderlijke tijdingen brengt gij , Af bald !quot; riep de kamenier uit. „Genadige meesteres, — houd u toch goed! Heb ik het niet altijd gezegd , de edele ridder zal spoedig terugkeeren ? Wees toch bedaard en gelaten. Noem mij een zottin , als Af bald nog niet meer weet! Maar uw sidderen, beven en weenen hindert hem , om alles te zeggen , wat hem op het hart ligt. Afbald is een listig mensch; hij bezit meer streken , dan zijn drie ezels te zamen , — ik ken hem.quot;

„Ongetwijfeld heb ik iets van mijn ezels geleerd , namelijk behoedzaamheid,quot; antwoordde hij. „Ik heb nog nooit gezien , dat een ezel struikelt of valt, omdat voorzichtigheid de voornaamste deugd der ezels. is.

-ocr page 941-

327

Waren alle menschen gelijk aan clc ezels in behoedzaamheid en voorzichtigheid, dan zouden er niet zoo veel menschen vallen en struikelen in afgronden en diepten.quot;

„Gij spreekt wijs en verstandigquot; prees Oda. „Maar gij deugt niet voor bode, omdat het een eeuwigheid duurt, eer gij een klein gedeelte van uwe boodschap mededeelt.quot;

„En uwe tong deugt voor blijde boodschappen nog minder, goede Oda,'' antwoordde Af bald. „Gij zoudt do menschen dood praten en vergeten, dat harten van smart en van vreugde kunnen breken.quot;

De oude knikte toestemmend en keek naar Godila, die langzaam de blijde aandoeningen in haar gemoed overwon.

„Als mijn genadigste meesteres sterk zijn wil,quot; begon Afbald aarzelend, „dan zou ik het laatste gedeelte mijner boodschap wel willen zeggen.quot;

„Wees daarover niet bekommerd, goede Afbald! Het was verstandig van u, aan mijne zwakheid en opgewondenheid de onverwachte blijde boodschap slechts stuksgewijs toe te vertrouwen. Nu ben ik er op voorbereid, zooals gij ziet. — Wat hebt gij nog te melden?quot;

„Enkel dit nog: — van daag, wellicht over een uur, zal heer Udo met den sterken ridder Siegfried hier aankomen.quot;

Godila geraakte buiten zich zeiven. Zij slaakte een doordringenden kreet en viel achterover.

„Om Gods wil, — genadige meesteres!quot; riep de ontstelde Oda uit, terwijl zij hare armen om de wankelende sloeg.

Op dit oogenblik stak de torenwachter de trompet, een teeken , dat slechts bij buitengewone gelegenheden gegeven werd. De stoet naderde in gestrekten draf

-ocr page 942-

328

Vooraan wapperde do vlag van het Salischo huis, daarna volgde de markgraaf Udo van Saksen tusschen Siegfried en Dodi , vergezeld door de dienstmannen van den Trifels. Achteraan den stoet reed in een ruwe monnikspij een eenvoudig broeder , de paltsgraaf Boemund.

De korte , scherpe stoeten van den horen , die zonder onderbreking van de tinne des wachttorens langs de bergwanden en rotsen weergalmden, verschrokken de valken in de lucht en trokken menig bespiedend oog van leekebroeders en boeren , die op do akkers arbeidden , naar den burcht. Op hunne landbouwwerktuigen leunend , keken zij onderzoekend naar den hoogon bergkegel en zagen weldra de kleine schaar , langs het slingerend bergpad naar boven gaan. Zij bemerkten liet vliegende vaandel, de schitterende wapenrustingen, aan den groeten paal op den wachttoren de banier van het sticht, in trotsche plooien wapperend en de turenden zagen welgemoed de zoo lang vurig gewenschte terugkomst van den beschermheer. Van verschillende punten op de omliggende akkers zag men leekebroeders naar het klooster ijlen, om de blijde boodschap te melden.

Ook voor Grodila werkten de schrille tonen van den hoorn verkwikkend. Een sterke inspanning deed de geweldige aandoening verdwijnen, een sterke wilskracht bracht klaarheid in haren toestand; want menschen, die niet onderworpen zijn aan lage hartstochten, oefenen vaak een bewonderenswaardige geestkracht uit op de geschokte gemoedsaandoeningen. Godila's wangen gloeiden , en hare bevallige gestalte richtte zich ondernemend op.

„Onze voornaamste plicht is nu den naderenden burchtvoogd gepast te ontvangen,quot; zeide zij. „Afbald, loop spoedig naar beneden , en zeg den burchtwachter , dat

-ocr page 943-

329

hij terstond alle dienstmannen in volle wapenrusting op hot plein plaatse. — Oda, volg mij !quot;

Zij verliet spoedig het vertrek en begaf zich naar hare kamer. Daar wierp zij over de schouders een rijk geplooiden mantel van donkerrood fluweel, gevoerd met witte zijde en versierd met gouden boorden. Twee dikke gouden koorden hielden don mantel op de borst bijeen, terwijl deze door twee smaakvol gewerkte gouden haken mot elkander verbonden waren. Op haar hoofd zette Oda een gouden band met schitterende stee-nen en hour lang haar hing over de schouders en den rug af, als een zwart schitterende stroom. Door hare kameniers omringd spoedde zich de vorstin naar het burchtplein , over hetwelk zij haastig heen liep. Voor de poort gekomen, bemerkte zij Siegfrieds groote gestalte , die alleen vooruitgesneld was. Door zijn paard de sporen te geven legde hij den afstand met groote snelheid af en sprong uit den zadel. Godila stak hare armen naar hem uit en onder den uitroep : „Mijn Siegfried, — o mijn Siegfried !quot; rustte zij aan zijne borst.

De burchtwacht begroette den voogd op militaire wijze. De krijgslieden sloegen met hunne zwaarden op de schilden en vreugdekreten vermengden zich met dit wapengekletter.

„Lang leve heer Siegfried, — lang zal hij leven!quot; riepen de krijgers uit volle borst.

Dit gewoel herinnerde Grodila, dat zij niet alleen haren beminde begroette. Zij maakte zich los uit zijne armen, en de maagdelijke teergevoeligheid goot een blos op haar gelaat. Hij echter hield haar bij de handen vast en keek vergenoegd do blijde, wonderschoone maagd aan.

„Mijne Godila, — geliefde, allerliefste bruid!quot; riep ontroerd de jonge man , en weer kuste hij haar op het voorhoofd.

-ocr page 944-

330

„Wilt gij, mijn Siegfried , zoo goed zijn uwe woning binnen te gaan?quot; bad zij verlegen.

Hij nam haren arm en ging de ophaalbrug over, waar hem de krijgers groetend ontvingen. Nu hoorde men wapengekletter, en Siegfried's gevolg reed met de burchtwacht van den Trifels het plein op. Zonder oen woord gesproken te hebben, maar met tranen in de oogen, omhelsde de markgraaf Udo diep ontroerd zijn kind.

Hartelijk geliefde vader, wees duizendmaal welkom,quot; groette zij.

Dedi boog zijn knie voor de vorstin.

„Op bevel van mijn koninklijken gebieder,quot; zeide hij , heb ik de eer , den markgraaf hier heen te vergezellen. Deze aangename taak schenkt mij tevens de gelegenheid, u, edele dame, te begroeten en mijne vreugde te kennen te geven over de oplossing van treurige verwikkelingen.quot;

„Ik dank u, heer Dedi! quot;Wees ons welkom hier op Landeck!quot;

Ook Bero was nader getreden, om zijn meester te begroeten. Siegfried drukte hem warm de hand en groette alle krijgers met een vriendelijk hoofdknikken.

„Uwe trouw , goede Bero , zal mild beloond worden zeide de graaf. „Neem voor heden, tegenover de gasten, mijne zorgen en verplichtingen als burchtheer op u. Onthaal de mannen van den Trifels goed.quot;

Dezen last gaf Siegfried, terwijl hij de hulde van Dedi ontving. Nu gingen de gelukkigen naar de ridderzaal, Godila aan den arm van haren bruidegom, duizelend van genot en een zalig gevoel. Ook Oda kwam buigend voor den „sterken ridder,quot; terwijl haren groet bestond in een tranenvloed. Siegfried stak haar de hand toe , welke de kamenier eerbiedig kuste.

-ocr page 945-

331

„Ik ilank u, goede Oda, voor al do zorg, trouw en liefde in dienst uwer meesteres ! quot;

„Ach God, — genadige heer!quot; stamelde de kamenier. „Ofschoon ik reeds oud ben en reeds zooveel ondervonden heb, — toch heb ik nog nimmer een zoo gelukkigen dag beleefd.quot;

Markgraaf Udo was naar een vensternis gegaan, had een vluchtigen blik over het omliggende land geworpen en een spoedig besluit genomen. Nu kwam hij nader, met een plechtig ernstigen blik op Godila en Siegfried. Do verloofden verstonden den vader. Siegfried nam Godila bij de hand en ook zijne gelaatstrekken namen een ernstig voorkomen aan.

„Heer markgraaf! quot; begon hij , zonder den gewoonlijk vasten toon zijner stem. „Het gebruik en de gewoonte der ridders vorderen van ons de onverwijlde vervulling-van een schoenen plicht. — Voor dat ik naar Italië vertrokken ben, heb ik uw kind tot bruid gevraagd en ofschoon ik de edelste en zedigste aller vrouwen onwaardig ben, toch heb ik het jawoord ontvangen. Daarna verloofden wij ons voor het aanschijn Gods. Nu smeeken wij u om de vaderlijke toestemming en den zegen op onze verloving, opdat het H. Sacrament des huwelijks ons voor goed vereenige.quot;

Beiden wilden nederknielen. De markgraaf weerhield hen echter , en de gelaatstrekken van den Sakser, die anders reeds zoo ernstig waren, werden bijna norsch door de moeite, die hij zich gaf om de aandoening zijner geschokte iiel te onderdrukken.

elen vragen elkander ten huwelijk en gaan ook werkelijk een huwelijk aan ; want God heeft het ingesteld begon de vorst. „Vele vaders geven of weigeren hunne toestemming en hun zegen. Voor den alomtegenwoordigen God, voor do geheele wereld, moet

-ocr page 946-

332

echter bekend worden , dat de wegen ongewoon zijn geweest en ook ongewoon en geheel ongehoord de krachtsinspanning , den moed , de ridderlijke koenheid en den edelen zin van uwen kant, heer Siegfried , welke de oorzaak zijn geweest van dezen gelukkigsten dag mijns levens. Van mijnen kant heb ik volstrekt niets in te willigen, of te schenken; want gij hebt mijn kind door prijzenswaardige volharding verdiend en door dapperheid gewonnen. Nog meer , — voor mijn kind hebt gij het hoogste goed hier op aarde gered , — de eer. Bovendien ben ik u het leven en de vrijheid verschuldigd. Mijn schuld aan u kan ik nooit voldoen. Dewijl gij, graaf Siegfried, het sieraad en de roem der geheele ridderschap, mijne Godila tot echtgenoot begeert, bewijst gij den markgraaf Udo van Saksen een hooge eer. Ik dank u voor de hoogachting mijn kind bewezen , voor de grootmoedigheid haar betoond, voor de herhaalde malen, waarop gij om onzentwil uw leven in de waagschaal gesteld hebt. Nooit heeft een gelukkiger vader zijn zegen met meer vertrouwen op de goddelijke bevestiging over verloofden uitgesproken, dan ik hiermede doe.quot;

De verloofden knielden neder. De vorst legde zegenend zijne handen op hunne hoofden en sloeg de oogen ten hemel.quot;

„Almachtige, goede God!quot; begon hij met diepe, ontroerde stem. „Zie genadig neder op mijne kinderen! Zegen, groote God, de aanstaande loopbaan van graaf Siegfried en zijne echtgenoot! Verbind door uwe genade huune gevoelens , hunne lichaamskrachten , hunnen geest, aan uwe heilige wet! Versterk hen in dezen bedorven tijd op het pad der deugd, opdat hun voet nimmer struikele en de listige lagen des duivels hen niet ten val brengen. Laat graaf Siegfried rechtvaar-

-ocr page 947-

333

dig over zijn gouw heerschen, laat hem voor het volk een christelijk gezind vorst zijn, en schenk mijn kind een hart vol goedheid en mildheid. Strek, o sterke God, uw schild over het grafelijk huis, uit, wend er alle gevaren van af, verdrijf allo vijanden, overlaad hen mot uwen zegen hier op aarde, en voer Alwijze de verloofden in uw eeuwig rijk ! — — — In dien zin, lieve kinderen, zegene u de Algoedc en in dien zin zegen ik u, in den naam dos Vaders, des Zoons en dos Heiligen Geestes.quot;

Bij deze laatste woorden bewoog hij hand en arm in den vorm van een kruis boven de knielenden. Vervolgens omhelsde en kuste hij beiden.

Zes dagen later luidden alle klokken van het oude sticht. Van nabij en ver af waren nieuwsgierigen toegesneld , om de huwelijksplechtigheid bij te wonen, welke abt Widerad voltrok. Volgens het algemeen gevoelen was er nooit een schooner paar gezien. Naar het toenmalig gebruik duurden de feestelijkheden verscheiden dagen , aan welke ook de armen uit den omtrek deel namen. Groot was de milddadigheid van graaf Siegfried. Het was hem niet voldoende, dat de armen gespijzigd werden, hij schonk ook geld en kleedingstukken aan de behoeftigen. Toen het nieuws van Siegfrieds afstamming met bliksemsnelheid verspreid werd , werden de harten van alle bewoners van de quot;Waasgouw met groote vreugde vervuld , nu zij in de plaats van den tyran quot;VVazo een zoo milddadigen en godvreezenden heer gekregen hadden.

Terwijl zich allen gedurende de feestdagen verheugden en Godila in vreugde en schoonheid aan de zijde van den gelukkigen Siegfried glansde , zaten Boemund en Afbald in vertrouwelijk gesprek op een steenen bank in een verscholen hoek van den toren op het burcht-

-ocr page 948-

334

plein. De ezeldrijver kende de vroeger schitterende betrekking van den paltsgraaf niet, welke op het dringend verzoek van Boemund verborgen moest blijven , — maar de merkwaardige verandering van den vroegeren boeteling vervulde den eenvoudigen gebieder der grauwtjes met verbazing.

, Broeder Wolferatzeide hij, „ik kan u maarniet genoeg aanzien. Als een droefgeestige, oude , uitgeputte man zijt gij naar Italië vertrokken en gij komt terug jong , vroolijk en opgeruimd. Ik had niet kunnen denken , dat onze heilige Vader in Rome van ontevredene , zwaarmoedige menschen zulke vroolijke snaken kon maken. Dat is wonderlijk!quot;

„Het bewustzijn van groote schulden veroudert voor den tijd antwoordde Boemund. „Hoe kan een ziel vroolijk worden, die zich van God en zijne Kerk heeft gescheiden ?

— quot;Weg is de knagende worm van een slecht geweten. De vrede Gods leeft in mij. O, hoe gelukkig ben ik, goede Afbald!quot;

quot;Wij zijn allen gelukkig!quot; riep de ezeldrijver. „En toch hing de ondergang van ons allen aan een haar. Ware de sterke ridder Siegfried, nu onze goede graaf, niet gekomen, dan had de koning onze meesteres Godila schandelijk behandeld. Markgraaf Udo, nu een opgeruimd en statig man, was levend in den ïrifels verteerd. Ik zou mijn geheel leven een lioorige knecht gebleven zijn. De pest Lantbert had den geheelon omtrek vergiftigd. De menschenbeul Wazo zou nu nog moorden en martelen. Broeder Wolferat zou zich blind geschreid hebben over de schelmstreken van den koning aan Godila bedreven. Overal zou ellende , jammer en groote nood heerschen. Ik laat het mij niet uit het hoofd praten: God in den hemel heeft den edelen Siegfried hierheen gezonden.''

-ocr page 949-

335

„Ongetwijfeld God door zijn Stedehouder op aarde, den Pausantwoordde Boemund; „want Siegfried vergezelde op bevel van Gregorius VII zijn legaat Hyginus hierheen. Had Gregorius zijn legaat niet gezonden , dan was Siegfried ons aller redder niet geworden. Daarom zijn het de macht on het gezag des Pausen, die hulp brachten in onzen toestand, en verlossing uit groote verdrukking, evenals de Paus hulp en verlossing brengt in geheel Duitschland, ja in de geheele wereld. Gij hadt hem moeten zien, den heiligen grijsaard ! Bijna boventnenschelijk is zijn wezen , zijn karakter, zijn doen en laten; — hij is Gods Stedehouder op aarde. Zijn woorden vielen als verkwikkende dauw op den brand mijner zielesmart. Zijn vaderlijke goedheid heeft mij opgericht, en de warme bezielende, schoone oogen stortten leven in mijn verdord gebeente. Welk een man! — En zoo goedig als hij is voor de rouwmoedi-gen, zoo streng en onbuigzaam, als staal en marmer, is hij voor do verstokte boosheid. Hoe klein was de moorddadige trotsche tyran op het burchtplein van Canossa! Broeder Af bald , ik zeg u, toen werd het mij duidelijk, dat de geheele wereld in dwaasheid , zonde, ongerechtigheid en misdaden spoedig zou te gronde gaan, ware de Kerk niet de zuil der waarheid en de bewaarder der waarheid de Stedehouder van Christus! Hoe wonderlijk : — Met menschelijke oogen gezien , is de Paus slechts een zwak grijsaard; ziet men echter met de oogen der wereldgeschiedenis , dan is hij een reus , op wiens schouderen alle christelijke Staten rusten. En wat niet op de rots , op den Stedehouder van Christus rust, bederft en stort langzamerhand ineen.quot;

„Dat begrijp ik,quot; zeide toestemmend de ezeldrijver. „Is werkelijk de Paus Gods Stedehouder, dan kan het

-ocr page 950-

336

ook niet anders zijn. Slechts dat, wat God heeft ingesteld, houdt stand. Wat tegen God is, moet vergaan. Daarvandaan komt het ook, dat, zoo als gij mij verteldet, alle vijanden van onze Moeder der H. Kerk het hoofd hebben stuk gestooten aan den Stoel des Pausen. En alle schaapjes, welke Gods Stedehouder niet weidt, zullen langzamerhand verstrooid raken.quot;

„Dat is waar, broeder Af bald,quot; bevestigde paltsgraaf Boemund. „Het kleine en het groote vervalt, als het niet gegrondvest is op die onwrikbare zuil , welke God door zijn Zoon in de wereld geplaatst heeft. Dit ziet men bewaarheid in het leven van enkelen zoowel als in dat van geheele volkeren. Graaf Siegfried noemt gij onzen redder , — maar wie heeft Siegfried datgene gemaakt, wat hij is ? Onze Moeder de H. Kerk, wier geest in Clugny heerscht, vormt en opvoedt, — te Clugny de school van Siegfried. Wie heeft belet, dat ook Siegfried niet geworden is als zijn oom, de verschrikkelijke Wazo ? Dat hij geen ruw , bloeddorstig tyran , een boosaardig mensch geworden is ? De tucht en de vormende hand van onze Moeder heeft dat verhinderd. Wat van Siegfried kan gezegd worden , dat geldt ook van duizenden, van millioenen , die gered worden in de arke van Noë , in het scheepje van Petrus , dat op den zondvloed der tijden drijft. En wie bewaart de zuiverheid van de katholieke geloofs- en zedeleer , opdat haar goddelijke geest de harten der menschen veredele ? De Stedehouder van Christus, — ziet gij , zoo is de Paus het hart, waaruit alle hooger leven stroomt naar de tallooze ledematen onzer geestelijke gemeenschap , die men Kerk noemt.quot;

„Broeder Wolferat, mij dunkt de zegen des H. Vaders heeft u niet alleen vrede geschonken , maar ook groote wijsheid , — zoo geleerd spreekt gij. Ik zou u

-ocr page 951-

337

den golieolcn dag kunnen aanhooren. Als gij leeke-broodor zijt en op de boerderijen werkt, dau zal broeder Afbald u nog wel eens komen opzoeken.quot;

Na oenige weken nam Siegfried bezit van de rijke allodiale goederen van zijn huis en van het graafschap Waasgau. Met het laatste had hem de koning te Reg-gio beleend. Uit dankbaarheid , wellicht uit list , om een zoo stout en dapper ridder voor zich te winnen , schonk hem do Saliër nog eenige boerderijen , die tot den Trifols behoorden en aan Siegfrieds gouw grensden.

Voor de overhuizing van Landeck naar het rrotsche kasteel zijner voorvaderen had Siegfried allo zalen , vertrekken en voorzalen laten schoonmaken en de noodige veranderingen laten aanbrengen ; want vuil en smerig was de huishouding van quot;Wazo geweeest. De burchtkapol en al het overige was in ven al geraakt, de spinnen waren sinds jaren niet in hare bedrijvigheid gestoord, hare webben bedekten do muren en uilen nestelden ongestoord op de binnenpleinen. Omdat Siegfried zijne echtgenoot in een schoon en zindelijk huis wilde brengen , rustte hij niet, voor dat alle sporen van verval opgeruimd en allo muren weer helder geworden waren.

Ook de zegen van Udo werd door den goddelijken zegen bevestigd, liet grafelijk huis bloeide , na eenige jaren, krachtig in hoopvolle spruiten en een talrijk kroost omringde de gelukkigen.

Siegfried regeerde over do gouw rechtvaardig , niet als een streng gebieder maar als een deelnemend vriend, die er op uit was , om de onaangename gedachte der hoerigheid te verzachten. Daarvandaan ook de liefde , gehechtheid en trouw der onderdanen voor hunnen vorst.

De betrekking van beschermheer van Klingen liet Siegfried onveranderd. In de latere woelige tijden be-

-ocr page 952-

338

schcrmdc hij met sterke hand het oude sticht, en nimmer werd het bespiegelend leven der monniken en den veldarbeid der leekebroeders onderbroken.

Op Landeck woonde Bero , do zoon van Gundelkarl, door den graaf met de voogdij over den burcht beleend en op diens voorspraak tot minister van de abdij verheven.

Af bald en zijn ezels leidden een vroolijk , vrij leven. Nimmer behoefden de grauwtjes beladen korven te vervoeren. Daarentegen genoten zij nog de oer , de vroo-lijke kinderen van het grafelijk huis te dragen , onder de hoede en de leiding van den getrouwen Afbald.

-ocr page 953-

INHOUD.

Biz

De nachtwacht..............

Wat de gouwkoning voornemens is......26.

Op Landeck................

In het paleis te Spiers..........77.

Siegfrieds huwelijksaanzoek........92.

In het Lateraan............113.

Gregorius VII................

Voor den Stedehouder van Christus......151.

De pelgrimsreis van Wazo........187.

De Paus verkeert in gevaar........ 207.

Lombardische stieren..........231.

De heilige Gregorius..........241.

De boete.............. 258.

Wazo's uiteinde............276.

Hoe de H. Gregorius den Saliër onderwijst. . . 288. Gewonnen..................

-ocr page 954-
-ocr page 955-
-ocr page 956-
-ocr page 957-
-ocr page 958-