-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-

i

-ocr page 7-

//

DE

H.0. HierööjiBiis ea kim

VAN WEEET,

twee der 19 beroemde Martelaren van Gorcum.

MKT

eenig e aanteekeningen, eena Novene en Litanie

TER EERE VAN DIE j-ÏEILIGEN, GKTLLUSTREEHD MET IIUX.VE PORTRETTEN EN

EEN ArBEELDSEL VAN HET MOEDERBARE

BLOEM TAK JE.

Door een Kloosterling.

Kerkelijk goedgekeurd.

WEERT. EMM. SM E ETS.

1894

-ocr page 8-

IMPKBJATÜK.

S. Tbeol. Lie. P. J. H. KÜSSEL, Cajj. Theol. ït libkoet-m Qvssox, RuraetruBdae, 23 Judü 1894.

-ocr page 9-

INLEIDING.

Uit de stad Weert zijn vele voortreffelijke mannen voortgekomen, wier namen nog ten huidigen dage met eer worden genoemd. Onder deze munten vooral uit de h.h. Hieronymus en Antoniut. Beiden behoorden tot het negentiental der beroemde martelaren van Gorcum, die den 9ew Juli 1572 te Brielle (Z.-H.), uit haat tegen het katholiek geloof, op meer dan bar-baarsche wijze, door de geuzen zijn ter dood gebracht. Z. H. paus Clemens X stelde hen 14 November 1675 onder htt getal der gelukzaligen, en 29 Juni. 1867 sprak Z.H. paus Pius, roemrijker gedachteniê, hunne heiligverklaring uit. Deze plechtigheid had plaats op denzelfden dag, dat de Kerk het 18e eeuwfeest vierde van de h.h. Apostelen Petrus en Paulus.

Van deze twee beroemde Weertenaren Hieronymus en Antonius, die ten prijze van hun bloed tot de heer-

-ocr page 10-

lijkheid der hemelkroon zijn verheven, en ons het voorbeeld van een onverwinnelijken moed heiben wa-gelaten, gaan wij eenige bizonderheden mededeelen, getrokken uit geloofwaardige schrijvers en oorspronkelijke bescheiden, hopende hierdoor iets te zullen bijdragen tot meerdere verheerlijking van deze heiligen^ die wij met de andere martelaren van Gorcum met recht ome bizondere beschermers en machtige voorsprekers bij God mogen noemen. Thans in den hemel versierd met de kroon der onsterfelijkheid zullen zij voorzeker hunne hier op aarde nog lijdende en strijdende broeders en zusters niet vergeten, vooral dan niet) wanneer zij hunne voetstappen zullen drukken en met goed vertrouwen hunne voorspraak inroepen.

Weert, 1893V

-ocr page 11-
-ocr page 12-

H1ER0NYMUS

Martelaar van Gorcum.

-ocr page 13-

De H. Hieronymus.

Deze kloekmoedige geloofsheld werd in 1522 te Weert (Limburg) uit deugdzame en welgestelde ouders geboren. Hoogst godsdienstig als zij waren, voedden zij hun kroost met de grootste zorgvuldigheid in de vreeze des Heeren op. Geen hunner kinderen echter beantwoordde zoo goed aan hunne nauwlettende zorgen en blijde verwachting als Hieronymus, die reeds van zijne teederste jeugd af blijken gaf van teedere godsvrucht en deugd. Het huis, waarin hij volgens de oude overlevering ter wereld kwam, of althans de plaats, waar het gestaan heeft, wordt te Weert nog aangewezen. De familienaam van den Heilige is niet bekend, en het wordt zelfs door eenige schrijvers betwijfeld, of «Hieronymus gt; wel zijn doopnaam geweest ia. Volgens hunne meening zou hij dien naam eerst gekregen hebben bij zijn intrede in de orde van den heiligen Franciscus. Trouwens het was van oudsher in de Roosters gebruikelijk om den nieuwelingen een anderen Heilige tot patroon te geven.

-ocr page 14-

wiens naam zij dan verkregen. Zoo zou ook onze heilige Weertenaar, toen hij het kloosterleven omhelsde, den H. Kerkleeraar Hieronymus, die de patroon is van het Minderbroedersklooster (1) te

(1) Hel klooster is eene slichting van Jacobus I, graaf vau Horne. Op verzoek van zijne godvrucbiige gemalin Johanna, gravin van Meurs, die hem op haar sterfbed dit verzocht bad, heeft hij voor de minderhr.-observanten buiten de stad op den Aldenborch een klooster gebouwd. De goede gravin had eene groole devotie lot den h. vader Fraociscus, en was lijnen geestelijken zonen zeer genegen. Zij ov«rleed te Wou-drichem 2 April 1461, destijds de hoofdplaats van het land van Altena waarvan graaf Jacobus ook beer was. Reeds bel volgende jaar 2 Mei 146*2 werden kerk en klooster ingewijd door Mgr .^Judocus, wijbisschop van den Utiecbtschen bisschop David van fiourgondië, edoch met goedkeuring van den bisschop van Luik, waaronder de stad Weert toen kerkelijk behoorde. (Zie meester Poell besch. van Limburg hl. 312). De graaf is later minderbroeder geworden in het klooster te Hulst (Z. Br.); priester gewijd, keerde hij naar zijn geliefkoosd Weert terug, niet om daar een gemakkelijk leven te leiden of ais heer tegebieden; maar om zijne overige levensdagen in strenge boetvaardigheid door te brengen. Hij die te voren zoo machtig en rijk was, bad nu van alles afstand gedaan en wilde als de minste van allen gehoorzamen aan een overste, die in de wereld tmI Kinder in rang en aanzien zou geweest zijn dan bij. Het celletje, deor hem bewoond en waarin hij den 2en Mei ■1488 als een heilig kloosterling overleed, is nog in wezen. Het is met de kerk het eenigste overblijfsel van bet door hem gestichte klooster. Het tegenwoordige dagteekent, althans voor het grootste gedeelte, van 1710.

-ocr page 15-

Weert, tot patroon hebben bekomen en hij naar dien Heilige genoemd zijn. Hetzelfde zegt men van Pater Antonius, den stadgenoot en medemartelaar van Hieronymus. Ook van dezen is de familienaam onbekend. Hij zou den heiligen Antonius van Padua, die in de Minderbroederskerk als een vermaard wonderdoener vereerd wordt, tot patroon hebben gekregen en diens naam ontvangen. Hieronymus heeft in de parochiekerk te Weert het H. Doopsel ontvangen en waarschijnlijk boven dezelfde doopvont, welke nu nog in gebruik is, want deze dagteekent uit de XVe eeuw. (1) Reeds vroegtijdig gevoelde hij een hevig verlangen naar het religieuse leven in zijn hart ontwaken en wenschte eenmaal het geluk te hebben als priester aan de zaligheid der zielen te kunnen arbeiden. Tot deze verhevene en gewichtige roeping bezat hij, naar de meening van allen, die hem kenden, alle vereischten, want hij onderscheidde zich reeds als knaap door eene bevallige eenvoudigheid, zedigheid en meer dan gewone godsvrucht, zoodat zelfs velen hem eer voor een engel dan voor een mensch hielden. Hij had een grooten afkeer van alle wereldsche praal en groot-

(1) De koperen doopvont ie V/eert is uit de XVe eeuw, de oubeioitJg een geschenk tan den beroemden generaal Jan van der Croon, van Weert geboortig, gegeven in 1662. (J. Habels, Rijksarchivaris in Limburg, Geschiedenis van bet tegenwoordig Bisdom, Roermond bl. 478 3e deel.)

-ocr page 16-

— 10 —

held, en toonde, ofschoon no# zeer jong, de verraderlijke strikken, welke de wereld spant om onschuldige zielen in hare netten te vangen en hen tijdelijk en eeuwig ongelukkig te maken, zeer goed te kennen. Men zag hem zeer zeldzaam op straat en nooit in gezelschap van wereldschgezinde jongelieden. Door aanhoudende waakzaamheid op zich zei-ven en een vurig gebed wist hij zijne onschuldige ziel voor het verderf der wereld en de zonde te bewaren.

Naarmate Hieronymus in jaren vorderde, zag hg al meer en meer de ijdelheid der wereld in en begreep hij, dat bij haar geen ware zielsrust, geen waar geluk te vinden was. Dit maakte in hem het verlangen naar het kloosterleven en den priesterlijken staat nog sterker. De brave jongeling legde zich met allen ijver toe op de lagere studiën, waarvoor hij bizonder veel aanleg had. Daartoe vond hjj in zijne geboorteplaats eene goede gelegenheid, wgl reeds in dien tijd te Weert een vermaard gymnasium bestond. (1) \

(1) De Lalijnsche scholen te Weerl waren reeds beroemd in hel hegin der zestiende eeuw. Trouwens de bekende taalkundige Joannes Knaepen (Servilius), die in 4S36 !e Antwerpen doceerde, was van Weert geboortig. Ook een tijdgenoot van Knaepen, de taalkundige Jacobus Marin of Marinus, was een Weerlenaar van geboorte en tevens zeer ervaren in het Griekscli en het Latijn. Wel een bewijs, dat de studiën der klassische talen in deze stad goed behartigd werden. (J. Habets 3e dl bl. SS3.)

-ocr page 17-

— n —

Toen hij met goed gevolg de klassen had voleind, bracht hij zijn lang gemaakt Toornemen ten uitvoer, en omhelsde op ongevser achttieniarigen leeftijd den religieusen staat in de orde van den H. Prancissus.

Tijdens het proefjaar gaf hij zgner edele en groote ziel en zijn van ijver en liefde blakend hart de volle vlucht. Reeds in die voor hem zoo gelukkige dagen legde hij de hechte grondslagen der verhevene deugden, die wij later op zoo voortreffelijke wijze in hem zien uitblinken, van die Evangelische onverschrokkenheid, waarmede hij als priester de waarheid der Katholieke Kerk tegen de ketters hoeft verdedigd en de zondaars tot boetvaardigheid en een beter leven opwekte. Geheel afgetrokken van de wereld, leerde de toekomstige martelaar, in de eenzaamheid, neergeknield op de trappen van het altaar, waar zijn Heer en God in het Tabernakel rustte, die hemelsche kloekmoedigheid, welke hij te Gorcum en te Brielle op zoo wonderbare wijze heeft getoond. In een woord Hieronymus leerde reeds in het begin van zgn kloosterleven die hooge wetenschap der heiligen, waardoor hij later het wonder van zijn tijd is geworden en een der vermaardste mannen die de Kerk in Nederland door hunne deugd en geleerdheid hebben versierd. Niet zonder reden mocht hij dan ook later zeggen, gelijk zoovele anderen hebben gezegd, dat hij de dagen van zijn

-ocr page 18-

— 12 —

proeftijd onder de gelukkigste van zijn leven rekende.

Na de plechtige beloften te hebben afgelegd en nu Toorgoed een zoon geworden van den serafijnschen vader Pranciscus, werd hij door den Provinciaal-overste naar een ander klooster gezonden, om zich aldaar op de hoogere wetenschappen toe te leggen, en tevens voor te bereiden tot het H. Priesterschap. Naar welk klooster hij toen gezonden werd, is niet bekend, vermits in die dagen de hoogere stadiën in verschillende kloosters der orde bestonden. Doch wij weten uit Pater Thielman, dat Pater Hierony-mus een flink student was, en dat hij na zijne hoogere studiën met zeer gelukkigen uitslag te hebben voltooid, waardig werd geoordeeld het H. Priesterschap te ontvangen.

Zoo was dan de wensch van onzen waardigen Weertenaar vervuld.

Hij werd priester gewijd; welk een schoone dag ! welk een trefiend oogenblik ! voor iederen priester, maar vooral voor een priester zooals onze Hie-ronymus. Al spoedig bleek het, wat in de toekomst voor het heil der Kerk en de glorie zijner orde, van zulk een man kon verwacht worden. Want behalve zijne meer dan gewone bekwaamheid als priester, bezat hij een buitengewoon talent als prediker, gepaard met een ijver voor de zaligheid der zielen gelijkende aan dien van den Apostel, die alles voor allen was geworden, om allen voor Jesus Christus

-ocr page 19-

— 13 -

te winnen. Nog geen vol jaar had hij met een waren apostolischen geest zijne priesterlijke bediening vervuld, toen hem door zijn overste een taak werd opgedragen, waarvoor menig oudere in 's Heeren dienst zou terugdeinzen. Doch Pater Hieronymus, om de woorden van Estius te gebruiken, stond voor niets stil, wanneer het de eer van God en de zaligheid der zielen betrof. Het volbrengen der bevelen van zijn overste ging bij hem boven alles ; in diens wil zag hij den wil van God. Een wenk van zijn gardiaan was reeds voldoende, om hem de moeielijkste en lastigste zaken te doen ondernemen. Hiervan zal het volgende ons het bewijs leveren.

Er was in de parochie van Over-ijsche, een aanzienlek dorp in Z.-Brabant, thans ongeveer vier duizend zielen tellende, een stoornis verwekt, doordien twee priesters aldaar, naar het pastoorsambt dongen. De bisschop verzocht aan den overste der Minderbroeders een zijner paters, welken hij geschikt oordeelde, naar die plaats te zenden, om daar, zoolang het mocht noodig zijn, de pastoreele bediening waar te nemen. Met deze waarlijk niet gemakke-lijke en aangename taak werd Pater Hieronymus belast, ofschoon nog jong en korten tijd in bediening. Het bleek echter al spoedig, dat de overste zich in zijn persoon niet vergist had. Want binnen weinige maanden, had hij tot aller genoegen de

-ocr page 20-

— 14 —

zaak in quaestie geregeld, dank zij zijn ijver en ■voorzichtig beleid. Verheugd met Gods hulp iets goeds te hebben verricht, keerde hij naar zijn klooster weder. Het schijnt, dat eenige schrijvers ten gevolge van dit voorval en het verblijf van Pater Hieronymus te Over-ijsche in de verkeerde meening zijn geraakt, dat hij voor zijn intrede in de orde der Minderbroeders reeds wereldlijk priester was geweest en zelfs pastoor op (;en der dorpen in de Kempen. Dit is echter zoo niet. De Heilige heeft slechts als assistentiepater eenige maanden de pastorij van Oyer-ijsche bediend, zooals dit nog somtijds gedaan wordt door de paters zijner orde, wanneer zij daartoe verzocht worden. (Zie hierover de belangrijke Chroniek van Weert door A. J. Fla-ment bi. 137—39).

Na zijne te Over-ijsche zoo goed geslaagde zending is Hieronymus kort daarop als pelgrim naar het H. Land getrokken, om, zegt Estius, uit god-vruchtigen ijver de plaatsen te bezoeken, die door de voetstappen des Zaligmakers zoo vermaard en eerbiedwaardig waren geworden. Hij is daar hoogstens een paar jaren geweest en hield zijn verblijf in de kloosters van zijn orde. Toen hij in 1549 terug kwam, werd hem te Weert in zgne geboortestad, op kosten der stad, zoowel van den kant zijner medeburgers, als van zijne familie en

-ocr page 21-

— 15 —

medebroeders een schoone ovatie gebracht. Trouwens in die dagen werd zulk een pelgrimstocht beschouwd, als een daad van buitengewonen christelijken moed en godsvrucht. Inderdaad, de gevaren waren groot, de weg vermoeiend en lang, het doel heilig. Zij die zulk een reis ondernamen, werden bij hun vertrek, volgens ritueele plechtigheden, uitgeleid en bi) hunne wederkomst feestelijk ingehaald.

Toen onze pater na zijn vertrek naar Jerusalem voor de eerste maal zijn vaderstad wederzag, werd hem die eer ook aangedaan. De onkosten van dit feest beliepen zoo wat vijf of zes gulden; doch het geld had toen meer waarde dan nu. (Zie Chroniek van Weert bl. 34 en 137).

Op dezen pelgrimstocht zinspeelde Pater Hiero-nymus, toen hy ruim twintig jaren later in 1572 met zijne metgezellen in de straten van de stad Brielle als misdadigers rondgeleid, door het geineene volk en afvallige burgers, waaronder zelfs vrouwen en kinderen, op schandelijke wyze werd bespot en mishandeld.

Op welke plaatsen en hoelang de Heilige gedurende zijn loopbaan als priester en religieus gewoond heeft, kunnen wij niet met zekerheid zeggen- Nochtans blijkt ons uit de oorspronkelijke bescheiden, dat hij in de kloosters van Bergen-op-Zoom en Gorcum

-ocr page 22-

— 16 —

zijn verblijf heeft gehad. In de eerste stad heeft hij het ambt van gardiaan, en in de tweede van vica-nus bediend. Tjjdens zijn verblijf te Bergen-op-Zoom was hij niet alleen bjj de geestelijkheid maar ook bij de burgers hoog in aanzien. Men schrijft het vooral toe aan zijn ijver en bekwaamheid, dat de ketterij, die reeds vele plaatsen van ons land besmet had, daar ter stede zich nog niet had kunnen nestelen. Zoodra hij vernam, dat er hier of daar een burger was, die de ketteri] aankleefde, of daarvan verdacht werd, ging hij hem opzoeken, en deed een nauwkeurig onderzoek. Wanneer hij bevond, dat de persoon werkelijk op den dwaalweg was, vermaande hij hem met alle zachtzinnigheid, overtuigde hem van de valschheid der kettersche leer en de waarheid van het katholiek geloof, smeekte den ongelukkige met de teederste woorden, welke de liefde hem ingaf, zijne dwaling te verlaten en op het goede pad terug te keeren. Baatte dit niet, bleef hg hardnekkig weigeren zich met God en de Kerk te verzoenen, dan gebruikte hij gestrenge middelen, om de goede schapen te behoeden voor de doodelijke beeten van dien wolf. Hij wist dan door zijn krachtigen invloed bij de stadsregeering te bewerken, dat de gevaarlijke burger uit de stad werd gebannen. Van zulk een geval maakt Estius melding, (2e boek. 5e hoofdst.) hetwelk wij later zullen vermelden.

Nadat dan onze Pater Eieronymus eenige jaren

-ocr page 23-

— 17 —

met veel vrucht te Bergen-op-Zoom was werkzaam geweest, werd den 16en Juli 1570 te Amsterdam een provinciaal kapittel zijner orde gehouden, waarin waarschijnlijk ook Nicolaas Pieck als gardiaan en Hieronymus van Weert als vi-carius gekozen werden van het Minderbroedersklooster te Gorcum, twee mannen van welke men met alle recht kan zeggen, dat zij door God waren uitverkoren om door hun woord en voorbeeld de zijnen te versterken in die bedroevende dagen, toen de vervolgers der Kerk in Nederland, haar in bloed en tranen meenden te smoren. Inderdaad, de zoogenaamde kerkhervormers der XVI eeuw wilden den katholieken godsdienst met wortel en tak uitroeien bij onze voorouders, en om dit doel des te zekerder te bereiken, begonnen zij met Gods huis en zijne dienaren aan te randen. God echter leefde en maakte hunne helsche plannen te schande; want waar de vervolgers de Kerk in bloed en tranen meenden te smoren, daar werden dat bloed en die tranen de vruchtbare sappen, die kracht en leven schonken aan den boom dier Kerk, en hem staande hielden ondanks de stormen, die zijn stam schokten en zjjn kruin deden schudden.

Te Gorcum vond de ijver van Pater Hieronymus een ruim veld om te bebouwen. Er bevond zich daar eene menigte ketters, en wat al niet veel minder is, zoo niet erger in zekeren zin, men vond daar

-ocr page 24-

— 18 _

vele onverschillige katholieken, dat is, katholieken die zich aan hunne eeuwige belangens al zeer weinig laten gelegen liggen, wanneer het met hunne tijdelijke maar goed gaat. Wel is waar had Gor-cum in dien tijd geen gebrek aan voorbeeldige en ijverige priesters, want de pastoor Leonardus Vechel en de onderpastoor Nicolaas van Poppel, pater Nicasius van Hèeze, Antonius van Weert met nog vijf andere Minderbroeders, Godefridus van Duijn, Joannes van Oosterwijk van de orde der re-ligieuse kanunnikken, die allen op denzelfden dag te Beielle den marteldood zijn gestorven, hadden reeds voor de komst van P. Nicolaas Pifck gardiaan en P. Hiöronymus vicarius, eenige jaren in 's Heeren wijngaard daar gearbeid; maar in zulke dagen van zedeloosheid en gebrek aan levendig geloof, zijn heilige mannen als onze Nicolaas en Hieronymus waarlijk een zegen, en zijn er nimmer te veel.

Men moet zich evenwel niet voorstellen, alsof Gorcum eerst in de laatste dagen voor haar afval van de Kerk in zulk een deerniswaardigen toestand was geraakt Geenszins, reeds in 1522, toen Luther nauwelijks vijf jaren te voren in 1517 zijne valsche leer begon te verkondigen, overleed er aldaar eene zekere juffrouw, Adriana Glimmers genaamd, die zijne leer was toegedaan. (1) Dit is zoo al-

(1) Archief van Kerk. en W. gesch. door J. J. Dodl van Flensburg, d, 3. bl. 4

-ocr page 25-

— 19 —

lengskens toegenomen, zoodat er in 1558 bij de aanstelling van den h. martelaar Leonardus Vechel als pastoor dezer stad reeds een groot ge^ tal ketters was. In 1566 werd dit nog grooter door de aankomst der kalvinisten vooral uit Frank-rijk en Brabant, die zich daar vestigden. In 1572 was de ellende ten top gestegen. Zeer veel tot Gor-cums ongeluk heeft bijgedragen, dat zij die het burgerlijk bestuur in handen hadden, nalatig waren in het vervullen van hun plicht. In den gemeenteraad zaten eenige ledeu, die de kettery heimelijk waren toegedaan, doch uit vrees voor den geduchten Alva er toen nog niet goed mèe voor den dag durfden komen. In 1572 is dit gebleken. In plaats van de geestelykheid in de hand te werken, verijdelden zij hunne zoo goed gemeende pogingen ter verbetering. Hierover beklaagde zich de h. pastoor Leonard meermalen, zegt Estius. Toen hij eens een slecht vrouwspersoon, die veel kwaad stichtte onder de burgerij en openlijk kettersche stellingen verspreidde, uit de stad wilde verwijderd hebben, wilde de raad daarin niet toestemmen Zelfs de koninklijke bevelhebber, was nalatig in zijn plicht (1). Ofschoon

(1) Wie deze geweest is, zegt Eslius niet. In alle geval niel Caspar Turck. Deze was wel Commandant van de slad en Drossaard, maar wordt door genoemden schrijver en andere zeer geprezen om ïijn ijver voor den Godsdierst. Hij heeft de priesters en de kloosterlingen op het kasteel een schuilplaats

-ocr page 26-

— 20 —

katholiek, zegt Estius, was hij nalatig in het vervullen zijner ambtsplichten. De ketters liet hij ongestraft, zelfs heeft hij personen, van ketterij verdacht, in den raad gebracht, die hem echter later veracht en bespot hebben, zoo zelfs, dat hij van hunnentwege voor zijn leven beducht was. Geen wonder dus, dat de ketterij ondanks den onver-moeiden ijver der herders en andere zielzorgers daar zoozeer had toegenomen.

In zulke betreurenswaardige omstandigheden heeft ook P. Hieronymus geleefd. Diep bedroefd over het verlies van zoovele zielen, spande hij met de andere geestelijken der stad, met zijne medebroeders, vooral met zijn dierbaren gardiaan, en zijn stadgenoot Antonius alle krachten in om de verdwaalde schapen weer tot den waren schaapstal terug te brengen en hen, die nog getrouw gebleven waren, voor het kwaad te bewaren. Om zijne kloek-

gegeven, toen de watergeuzen 25 Juni voor de stad verschenen. En toen het kasteel in hunne handen was gevallen, verwelen zij hem deze edele daad. «Als gij het hart van Turek opensnijdt, zeide Marinas Brant, hoofdman der watei geuwn zult gij er niets anders in vinden dan papen en monniken.» Ondervraagd zijnde, waarom hij de geestelijke personen op het kasteel had genomen, gaf de moedige man ten antwoord : «Omdat zij mijne beste vrienden zijn.» Zeer veel heeft hij, xegt Estius, voor hel geloof moeten uitstaan. Hij werd met de martelaren gevangen genomen, en is later naar Brielle vervoerd. Sedert is van hem niets meer gehoord.

-ocr page 27-

— 21 —

moedigheid en onverschrokkenheid in het verdedigen der waarheid van het katholiek geloof eu het aantoonen der vaischheid van de nieuwe leer, stond hij menigmaal aan levensgevaar bloot van den kant der geuzen, die hem haatten als de pest. Desniettemin zette hij zijn apostolischen arbeid voort en stoorde zich niet het minst aan hunne bedreigingen. Ofschoon van inborst zeer zachtzinnig, minzaam iu zijn omgang, ongeveinsd in zijn manieren, scheen hij als in een leeuw veranderd, wanneer de eer van God of de heiligheid der Kerk werd aangerand. (1) God had hem vele schoone gaven geschonken, en bij gebruikte ze, doch alleen ter Zijner eer en tot zaligheid der zielen. Zijne welsprekendheid werd algemeen erkend en geroemd ; zelfs de ketters kwamen zijne predikatiën bijwonen, hoewel ia hunne verblindheid meer gedreven door nieuwsgierigheid dan door het verlangen de waarheid te hooren verkondigen. Door zijne veeljarige ondervinding wist hij de aan zijne zorgen toevertrouwde zielen tot een hoogen graad van volmaaktheid op te voeren. Diep medelijden had hij met de zwakken en met hen, die meer gevallen waren door ds listen der -ketters dan uit kwaadwilligheid. Hij beurde hen op, troostte hen en sprak hun moed in het hart, terwijl hij van den andereu kant de onverschilligen en on verbeterlijken met de strenge oordeelen God»

(1) Estius 2e boek, He hoofdstuk. 2.

-ocr page 28-

— 22 —

bedreigde. «Pater Hieronyrausquot;. zegt Estius, «was een deftig en voorzichtig man ; door eene veeljarige ondervinding geleerd, wist hij iedereen goeden raad te geven. Hij deed niets liever dan die werken, welke de gehoorzaamheid hem voorschreef. Zijne oprechtheid, minzaamheid, vrijmoedigheid en eenvoudigheid in zijne manieren maakten hem bi zonder beminnelijk. Zijn woord op het preek-gestoelte bracht eene heilige opgeruimdheid in de zielen voort. De zoetheid van dat woord was geen weekheid, zij was eene ware evangelische. Hij sprak met eene geheel apostolische vrijheid, spaarde de misbruiken niet, vanwaar zij ook kwamen.» Zie hiervan een voorbeeld tot bewijs. Op zekeren Zondag, slechts korten tijd voor het aanbreken der jammervolle dagen van 1572, predikte hij in de kloosterkerk over de droevige tijdsomstandigheiden Onder de vrij talrijke menigte toehoorders bevonden zich ook eenige raadsleden en andere aanzienlijke personen, zelfs zag men er ketters, die klaarblijkelijk niet met de beste bedoelingen bezield waren. De beilige man klaagde er bitter over, dat de katholieke godsdienst door zoovelen werd veracht en bespot, dat het woord van God met onverschilligheid aanhoord werd en bij velen geen vruchten voortbracht.

«Burgers dezer stad, boe zult gij bet u eens be-

-ocr page 29-

klagen!» riep hij als in geestverrukking uit. Met alle nadruk vermaande, ja bezwoer hij alle nog aan de Kerk getrouw gebleven geloovigen van toch geen gemeenschap te houden met hen, die door hun gedrag en woorden toonden, dat zij de ketterij waren toegedaan. «Gij stelt uwe ziel in gevaar van eeuwig verloren te gaanquot;, zeide hij, «want gij zult onverschillig worden ; uw geloof zal verflauwen en eindelijk geheel en al in u uitgedoofd worden.» Vervolgens zeide hij : «Men draagt thans niet de minste zorg om den Godsdienst te beschermen. Nergens worden de ketters opgezocht. Het schijnt den magistraten onverschillig te zgn, of die onheilstichters vernielen of vernield worden. De wetten worden niet ten uitvoer gebracht, de Inquisitie slaapt, de ketterijen ontkiemen en groeien welig en, omdat niemand ze straft of zelfs te keer gaat, verspreiden zij zich alom. Men is slechts in de weer om den tienden penning te innen, daaraan alleen denkt men in onze dagen. Dit is het eenige waarom men nog bekommerd is. Wat zal ik zeggen ? allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jesus Christus ( Phil. 2. 21)» (1) Zoo sprak

(1) P:iter Paulinas Timmer zegt in zijn leven der H.H. Martelaren bl. 38 over deze preek van den H. Hieronymus, dat de Hertog van Alva zich le zeer bezig bieid met bet nemen van zeer strenge maatregelen voor het tijdelijk en politiek weiva-

-ocr page 30-

— 24 —

onze heilige Pater ten aanhoore van mannen, die voor een groot gedeelte de schuld waren van de groote verwarring, welke toen te Gorcum bestond. Men ziet dus wel, dat hi] de aanzienlijken der aarde niet vleide, maar zonder aanzien van persoon de waarheid verkondigde. Reeds meer dan eens had hij zijn gevoelen te kennen gegeven aangaande de invoering van den zoo berucht geworden tienden penning. Hrj noemde dit een ramp, zoowel voor de Kerk als voor den Staat, en voorspelde daaruit de grootste onheilen. Hij beklaagde, zegt Estius, dezen maatregel, als zeer verderfelijk voor de goede zaak. Trouwens de ketters hadden meermalen aan de katholieke burgers te Gorcum gezegd, dat hunne geestelijken alleen hun eigenbelang beoogden, en zich weinig bekommerden om de ellende van het yolk, dat door Alva's knevelarij en door het heffen

reo des lands en te weinig lorg droeg voor hel handhaven van den Katholieken Godsdienst in Nederland. Op deze zorgeloosheid had Pater Hieronymus toen hel oog. De kalvinisten kregen te Gorcum al meer en meer voet. Hel was hun wel verboden in de stad te preken, maar zij deden het builen, eerst in de open luchl, daarna in een schuur. Het gevolg was, dat hel volk altijd begeerig naar nieuwigheden, er naar toeliep ondanks de verncaningen der priesters. Vele ongeleerde en lichigeloovige chrislene.., zegt genoemde schrijver, werden bedrogen. Hel ?e-(al keilers nam dagelijks toe en ook hunne stoutmoedigheid. Op het laalsl kwamen zij zelfs gewapend in de kerk naar de preken luisteren.

-ocr page 31-

— 26 —

zijner wraakroepende belastingen nog tot den bedelstaf zou geraken. Uwe priesters en monniken, zoo strooiden zij onder het volk uit, zoeken u slechts onder hun macht en bedwang te houden. Daarom, ijveren zij zóó voor het belang van den Spaanschen dwingeland Filip en diens beulsknecht Alva. (1) Uit vermelde woorden van Pater Hieronymus konden nu alle burgers opmaken, hoe hunne geestelijken gezin d waren, en dat de praatjes van de geuzen louter lasteringen waren, uitgedacht om de goeden te misleiden.

Doch het was niet de eenige keer, dat Hieronymus in zulke vrijmoedige taal sprak, en ook was hij de eenige niet, die in Gorcum zijne stem tegen de

(I) Tijdens de belegering der stad door de watergeuzen werden dergelijke praatjes nog meer rondgestrooid en nog gretiger aangenomen. De geuzen, zegt de schrijver der geschiedenis der Martelaren (uitgaaf 's Bosch 1881 bl. 20) verspreidden het gerucht, dat in alle steden, welke in hunne macht vielen de Katholieke Godsdienst ongeschonden bleef, en allen, zelfs priesters en religieuzen, niet het minste leed ondervonden, maar volle vrijheid genoten om hun heilig geloof Ie belijden ; ook dat de schallingen verminderden en de prijzen der levensmiddelen daalden. Om aan die laatste Levering een schijn van waarheid te geven, deden zij eene aanzienlijke boegt;felheid graan, dat zij op de dotpen in den smtrek aan de landbouwers ontstolen hadden, in de stad voor zeer lagen prijs ver-koopen. Dit stemde het gemoed van mesigen wankelenden ttorcummer gunstig voor hen. Hetzelfde lezen wij ook in Estius ■en meer andere schrijvers.

-ocr page 32-

— 26 —

ketterij en de misbruiken verhief. De pastoor, de Heilige Leonardus, een man door het gansche land om zijne geleerdheid en godsvrucht bekend, Nico-laus Pieck, gardiaan, die soms driemaal op een dag den predikstoel beklom. Pater Hicasius van Heeze, Pater Antonius van Weert, en meer anderen preekten in dienzelfden geest. Eens, dat Pater Hierony-mus den predikstoel besteeg en over het Evangelie van den goeden herder handelde, die zijn leven geeft voor zijne schapen (Joan X), geraakte hij gedurende zgn preek als in geestverroering. Hij voorspelde de rampen, welke over het vaderland zouden komen en bizondur de burgers der stad naar ziel en lichaam zouden treffen. (1)

(1) De ondervinding heeft bewezen, dal de woorden van den prediker vervuld zijn. Althans Estius (2e boek I hoofdst.) sprekende van het laatst vaarwel, dat pastoor Leonardus, in den nacht der overvoering der Martelaren naar Brielle, Gorcnm toeriep, toen hij zeide »Goreum, Goreum! wat hangt u eene menigte van rampen boven het hoofd'', zegt, dat burgeroorlog, pest, hongersnood en andere geesels deze stad hebben geteisterd. Maar dat het ergste van alles was, dat God, de rechtvaardige wreker der boosheid, toeliet, dat de verfoeielijke ketterij er de overhand kreeg, zoodat, zegt de schrijver der geschiedenis der Martelaren (uitgaaf 's Bosch bl. 89), Gorcum een stad werd zonder Godsdienst en zonder offer. Nergens was het zoo moeielijk om een priester te bekomen als daar. Deze toestand heeft geduurd tot 1616. Immers wij weten uit echte bronnen, dat in genoemd jaar, voor bet eerst na 1572, een

-ocr page 33-

Toen den 25en Juni 1572^ 13 schepen der watergeuzen, bemand met ongeveer 150 koppen, voor Gorcum verschenen, waren de katholieken, die het nog goed meenden, zeer ontsteld/ Geen wonder, want zij wisten, wat die roovers onder het masker van hulpvaardigheid in het schild voerden. Overal, waar zij meester werden, maakten zij zich schuldig aan plundering, vernieling, moord en andere schandelijke daden. Het ergste was echter te

priester le Gorcum zich beefl durven verloonen, en toen nog moest hij zijne heilige bediening tersluiks verrichten. Deie eerbiedwaardige man heette Herman Strick. Hij kwam van Utrecht, waar hij reeds als onderpastoor in bediening was geweest, en was geionden door den Vicarius Apostolicus Roovers (Rovenius). Eenige jaren daarna kwam als de tweede priester de Minderbroeder Paler Joannes van Roij, ook wel van Hoije genoemd, vermoedelijk een bloedverwant van den vierentwintigjarigen heiligen martelaar Pai.er Franciscus van Roij of van Roije uit Brussel. Paler van Roij kwam waarschijnlijk uit een der kloosters van Zuid-Brabant. Eenigen meenen, dat bij uit het klooster van Megen naar Gorcum is gekomen ; doch dit is onmogelijk, want het klooster aldaar werd aerst in 1645 gesticht. In 1648 overleed Pater van Roij te Gorcum. Ruim 20 jaren was bij daar missionaris geweest en beeft van de geuzen veel te lijden gehad. Toen hij eenigen tijd te Gorcum was, schreef hij aan zijn overste, dat de katholieken, wier getal nog tamelijk groot was, zeer veel achteruit waren gegaan. Hij trof er velen aan, die niet eens de noodzakelijkste punten des ge-loofs kenden. De voorzegging van Pater Hieronymus was dus wel vervuld geworden.

-ocr page 34-

vreezen voor de geest el jjken en vooral, zegt Estius, voor de Minderbroeders, die zeer goed wisten, dat de haat der geuzen ten hunnen opzichte onverzoenlijk zou zijn. Op het eerste bericht van de ver-schijmng dw watergeuzen (1) vergaderde de gardiaan van het klooster Nic. Pieck zijne medebroeders in de kapittelkamer en hield tot hen eene zeer aandoenlijke toespraak: «Mijne geliefde broeders, reeds lang wordt deze stad met een vreeselijke ramp bedreigd. Gods gramschap, opgewekt door de vele zonden barer burgers, vooral van hen, die hunue Moeder de H. Kerk hebben verlaten, schijnt thans op haar te zullen neerkomen. Het uur der beproeving zal ook voor ons aaubieken, doch blijven wij standvastig.

(I) Do watergeuzen waren Ie Dordrecht en werden door eenige afvallige burgers van Gorcum dringend uitgenoodigd om hunne sladgenoolen le helpen en den Spaanschen soldaten, die tot omzet der stad werden verwacht, den pas af te snijden. Cas-pnr Turck, de. commandan! der vesting, had zijn zoon Willem, ollicier in Sp:iaiischen dienst, naar den «oninklijken bevelhebber van hot ie; er tc Utreebt gezonden, om voor Gorcum de hulp-troepen le bekomen, welke bij beloofd bad le zullen zenden in tijd van nood. DdcIi hij was daartoe niet bij machle, zooals hij zeide. Het gevolg was, dat Gorcum moest bezwijken voor de overmacht. Gaspar Turck, zegt Eslius, had ter nauwernood een twintigtal soldalen en gebrek zoowel aan ammunitie als aan voedingsmiddelen. Zelfs ontbrak een geneesheer om de gewon-deu te verbinden.

-ocr page 35-

— 29 —

Hij, die ons tot den strijd roept, zal ons krachten geven die te ovèrwinnen. Doch daar wij zwak zijn en niet weten, of wij de martelkroon wel verdiend hebben, zoo geef ik, als overste, n allen verlof om het klooster en de stad te verlaten.» Slechts twee paters hebben dien dag Gorcum verlaten en, zooals blijkt, zich begeven naar het klooster te 'sBosch (1), want wij vonden later hunne namen vermeld onder de getuigen, die verklaarden, dat de portretten der Martelaren, geschilderd in 1572-1573 door zekeren Jan Thibaut Diersksz, een bekwaam schilder te Gorcum, die de Heiligen van nabij gekend had, volmaakt gelijkend waren.

Den volgenden dag, toen het gevaar al meer en meer naderde, hernieuwde de gardiaan het verlof, den voorgaanden dag reeds door hem gegeven. Toen wilde ook Pater Hieronymus met nog eenige zijner broeders vertrekken, want uit nederigheid meende hi) de martelkroon niet waardig te zijn. Trouwens hij wist, dat, volgens de getuigenis van den H. Thomas van Aquinen, God niet gewoon is den mensch een buitengewone genade te schenken, tot eene hooge waardigheid te verheffen, of hij moet zich te voren door een onschuldigen, bizonder gods-vruchtigen en heiligen levenswandel daartoe hebben

(1) De namen dezer twee paters zijn, Pater Paulus, en Pr. Jacobus Gemont (zie hierover prof, Reusens Iconograpbie pag. 42 en volg.)

-ocr page 36-

— 30 —

voorbereid. En kon na den dood van Christus aan eene ziel wel een grooter genade worden geschon-dan die van het martelaarschap ? Kan eene ziel wel tot een schitterender waardigheid worden verheven dan tot die van bloedgetuige te zijn voor Jezus' heilig geloof ? Van den anderen kant berustte op hem als tweeden overste znlk eene zware verplichting niet, vooral daar er in de stad nog priesters genoeg overbleven, om geestelijke hulp te ver-leenen. Ook schijnt de heilige gardiaan by Pater Hieronymus aangedrongen te hebben tot zijn vertrek. God evenwel had de martelkroon ook voor onzen Hieronymus bestemd, want toen hy aan een der stadspoorten kwam wilden de wachten hem niet doorlaten. Hij ging nu met de zynen naar het kasteel, waar de geestelijken met eenige der voornaamste katholieken zich veiligheidshalve een schuilplaats hadden gekozen.Doch dit was van korten duur.. Nog denzelfden dag, 's middags om 2 uur, viel de stad in de handen der geuzen ; deze vielen daarna het kasteel aan, welks poort omstreeks middernacht hun ontsloten werd. (1) Niettegenstaande de hoof-

(Ij Het kasteel bestond eigenlijk uit drie deelen, het derde gedeelte aan den rivierkant was het sterkste. Daar stond de zoogenaamde blauwe toren, waar het hevigste gevecht beeft plaals gehad. In bet tweede gedeelte stond de oaderaardscbe gevangenis, waarin de martelaren gezet zijn na de inneming van het kasteel. De plaats wordt nog aangewezen. De overle-

-ocr page 37-

den der geuzen onder eed gezworen hadden, dat aan niemand der belegerden eenig kwaad zou geschieden, mits het kasteel met alle zich daarin bevindende goederen hun zou worden afgestaan, namen zi) evenwel allen ia hechtenis. Aan de leeken, uitgenomen drie, werd later voor een grooten los-prijs de vrijheid herschonken. Daarna zijn ook de priesters door hunne familie losgekocht, maar de anderen, 18 in getal, waaronder ook onze Pater Hieronymus, hield men gevangen. (1)

vering te Gorcuin zegl, dat het dezelfde gevangenis is, maar het gebouw dat er boven staat is eerst van 1698. De beschrijving van Estius van die gevangenis komt goed overeen met de plaats, welke er nu voor geliouden word t. Er staat voordurend water in. Het is wel opvallond, dat het water in den omtrek brak en onbruikbaar zijnde, dit van de beste qualiteit is.

(!) Eenige dagen later werd hun geial met een vermeerderd, te weten met den pastoor van Hoornaar, een dorpje ruim een uur van Gorcum gelegen, de geboorteplaats van den H. Pater Minderbroeder Anlonius, een der 19 martelaren. Deze pastoor Juanaes genaamd, was een predikheer van de Duilsche Provincie. Toen hij hoorde, dat de priesters van Goreum gevangen waren, ging hij aldaar de katholieken bedienen en kinderen doopen. Hij werd ontdekt, volgens eenigen verraden door een valsehen katholiek, en ook op het kasteel gevangen gezet. Hij is met de martelaren naar de stad Brielle gevoerd en daar met hen den marteldood gestorven. Zij waren dus 19 in getal, en ook zooveel zijn van Gorcum weggevoerd. Te Brielle vielen er 3 van ben af, van welke later twee zijn bekeerd. Te Brielle kwamen er weer 3 nieuwe belijders bij, zoodat door eene bizondere beschikking van Gods voorzienigheid het getal negentien tocb gebleven is.

-ocr page 38-

— 32 —

Gedurende tien dagen en nachten stonden de belijders bloot aan de wreedste en schandelijkste folteringen. Reeds den eersten nacht na hunne gevangenneming nam die reeks van gruwelen een aanvang. Daar de soldaten van Lumeij meenden, dat Pater Hieronynms de overste der Minderbroeders was, vielen zij als woedende leeuwen op hem aan, sloegen den goeden man geweldig in zijn aangezicht, plaatsten een dolk op zijn borst, schopten en trokken hem heen en weer. Niet anders mee-nende dan dat zijn laatste uur geslagen was, beval hij zijne ziel aan God onder het uitspreken der hartelijkste woorden, verheugd zijnde voor zijnen Heer en God zulke versmaadheid en pijnen te mogen lijden. Gaarne bood hij zijn leven aan als een offer aan Hem, die op het kruis zich als een offer voor allen had opgedragen. Met een enkel woord had Pater Hieronymus zich kunnen vrijmaken door hunne vergissing bekend te maken; doch dit wilde hij niet, zoowel, omdat hij vurig naar den marteldood verlangde, als uit liefde en eerbied voor zijn gardiaan, dien hij niet alleen als zijn overste groo-telijks bemindp, maar ook als een heilige vereerde en liefhad. Hadde de gardiaan Nic. Pieck zich zelve niet voorgedaan en aan de beulen gezegd, dat niet Pater Hieronymus, maar hij de overste was, wie weet, of onze heilige niet toen reeds de martelkroon zou verkregen hebben, althans te oordeelea

-ocr page 39-

— 33 —

naar hetgeen met den edelmoedigen gardiaan daarna plaats greep. De beulen door hun misverstand nog meer in woede ontstoken, grepen nu den overste aan, mishandelde hem nog op veel wieeder wijze, dan zij het zijn vicarius gedaan hadden ; ontnamen hem het koord, dat zijne lendenen omgordde, deden dat bi] wijze van strop om zijn hals, wierpen het eene eind over de deur der gevangenis, trokken hem vervolgens op en neer, zoolang tot het koord brak en het lichaam op den grond neerstortte. (1) Daar hij geen enkel teeken van leven meer gaf, wilden de woestaards zich van ziju dood overtuigen. Met hunne brandende toortsen schroeiden zij zijn schedel, voorhoofd, ooren, wangen, lippen en kin, ja deden in hunne afschuwelijke wreed ia rdij^heid de vlam in zijne neusgaten dringen om zoodoende zijne hersenen te verzengen. Daarna braken zij met geweld zjjn mond open, staken er een gloeienden fakkel in en verwondden zijne tong en verhemelte

(I) Onder die wreedaards waren er drie geboren Gorcum-mers, zegt pastoor L. Deckers, (leven der Marl. v. G. bl. tH) die zich door hunne razende verwoedheid bizonder onderscheidden. Twee van hen waren zonen van eene eerlooze en kwaadaardige vrouw uit Gorcura, dezelfde, van wie wij reeds gesproken hebben. Volgens Estius was zij verloskundige en heette Swertekens. Een harer zonen zeide tegen de andere beulen. • Wij zullen den paap ophangen met zijn eigen koordquot;. Geen wonder, zegt pastoor Deckers, dal zulke eerlooze moeder zulke ontaarde kinderen opkweekte.

-ocr page 40-

— 34 ~

zoo zwaar, dat hij van dat oogenblik af de eene spijs of drank van de andere niet meer konde onderscheiden. Steenen zouden vermurwd zijn bi] zulk een schouwspel, maar bij zulke wreedaards was alle gevoel van menschelijkheid uitgedoofd. Grijnzend beschouwden zij den martelaar met eene duivelsche voldoening, en niet anders meenende dan dat hij werkelijk dood was, schopten zij met verachting het vermeende lijk weg, en zeiden: «Aan dezen monnik is niets gelegen ; wie zal er naar vragen !»— Welk een smart voor de overige belijders, die dit alles moesten aanzien ! Pater Hieronymus, zelf zoo gekneusd, dat zijn geheel lichaam hem pijn deed, vergat zijn eigen lijden, en toen de beulen waren vertrokken, omhelsde hij het ontzielde lichaam van zijn dierbaren gardiaan onder een vloed van tranen. Immers, ook hij en zijne medegevangenen dachten niet anders, dan dat de heilige martelaar, hun vader, den laat sten adem uitgeblazen en den palm der overwinning reeds in den hemel geplukt had. Diep smartte het hun, dat hun leidsman zooveel had moeten lijden, maar van den anderen kant waren zij vervuld van heilige blijdschap over zijne glansrijke zege. Doch ziet, terwijl Pater Hieronymus het eerdiedwaardig lichaam van zijnen gardiaan nog in zijn armen gekneld houdt en met heilige aandoening omhelsd, terwijl de overigen den mishanden martelaar beschouwen en elkander wijzen op de

-ocr page 41-

vele en zware wonden van den beminden Pater, herkreeg deze tot hun aller verbazing en blijdschap het bewustzijn en loosde een zware zucht ten teeken, dat het leven in hem nog niet was uitgedoofd. Aanstonds verkwikten zg hun goeden vader, zooveel de omstandigheden het hun toelieten- Allengskens kwam ook de spraak weder, en nu stortte de gardiaan zijn hart uit voor zijn vicarius P. Hierony-mus en zijne andere medegevangenen: «0 mijne Broeders, in wat een toestand ben ik nu gebracht! Ach hadde het God beliefd, mijne ziel van de banden des lichaams los te maken en tot zich te nemen. Ik vertrouw, dat de goede Meester mij in zijn rijk zoude opgenomen hebben ; doch nu Hem dit niet behaagd heeft, zoo geschiede zijn heilige wil in al wat Hij over mij besloten heeft.... Ja, mijne broeders, het is weinig met een kort en licht lijden van eenige uren, eenige dagen, een onverwelkbare kroon en een eeuwig geluk te betalen, zoodat het wel waar is, wat de Apostel zegt (liom. 8, 18), dat de kwellingen dezes levens niet in vergelijking kunnen komen met de toekomstige glorie, die in ons geopenbaard zal worden.quot;

Met deze woorden trachtte de kloeke belijder van Jezus Christus zijne medegezellen te vertroosten en te versterken. Met recht mag men hem dubbel martelaar noemen, zegt Estius, vermits hij zooveel het in hem was, in den eersten nacht hunner ge-

-ocr page 42-

— 36 —

Tangenis reeds den marteldood heeft ondergaan. Slechts door een wonder bleef de heilige gardiaan in het leven gespaard, alzoo dezelfde schrijver. God wilde het oöer van zijn dienaar nog niet aannemen, deels om zijn kroon in den hemel door nog veel zwaarder lijden en door de openbare belijdenis van het katholiek geloof nog schitterender te maken, deels om den zwakkeren en hun, die met minder moed bezield waren, in zijn persoon een voorbeeld te geven, opdat zg door zijn voorbeeld en woord zouden worden versterkt en krachtig genoeg zijn, om den wreeden marteldood met blijdschap te gemoet te gaan en dankbaar uit Gods handen aan te nemen. Toen de beulen den volgenden dag in de gevangenis kwamen met het doel, om het lijk van den gardiaan in stukken te houwen en daarna aan de poorten der stad te hechten, waren zij zeer verbaasd hem nog levend te vinden. In plaats van nu ten minste hem geen leed meer aan te doen, begonnen zij op nieuw, als ware hun slachtoffer nog niet wreed genoeg gemarteld. Hoe hard moet dit nieuwe beulswerk niet gevallen zijn aan Pater Hieronymus ! o hoe gaarne zou hij, ofschoon zelf vol smarten, gedeeld hebben in het lijden van zijn vader en broeder ! Nog eenige dagen en zijn wensch naar het martelaarschap zal vervuld worden.

Tien dagen en even zooveel nachten bleven de geestelijken, zoo wereldlijke als kloosterlingen, aan

-ocr page 43-

— Si

de wreedste mishandelingen, aan spot en lage verguizingen blootgesteld. Men gaf hun zelfs dikwijls niet een stuk brood en een dronk water, zoodat zij zeer afgemat werden. Doch God sterkte hen door Zijn hemelsche kracht. Geen zucht of klacht kwam over hunne lippen, verheugd als zij waren, iets te mogen lijden uit liefde tot Hem, die om de menschen zalig te maken zelf zooveel lijden, versmading en vervolging, ja den dood heeft willen ondergaan. In den nacht van den 5en op den 6en Juli werden de belijders in een stinkende modderschuit naar Brielle gevoerd, alwaar zij hun Calvarië, maar ook hun verheerlijkt Thabor zouden vinden, door hun roemrijken marteldood gezuiverd in het bloed van het Goddelijk Lam.

Deze overvoering geschiedde, dunkt ons, niet zonder eene bizondere beschikking van Gods voorzienigheid, die meermalen de plannen der godde-loozen toelaat, om er ter Zijner eere goed uit te trekken. Want zouden onze Heiligen, ten minste allen, de martelkroon wel verkregen hebben, indien zij te Gorcum waren gebleven ? Menschelijkerwijz e gesproken, zouden wij zeggen, neen. Immers het getal der katholieken te Gorcum, dat wil zeggen, van hen, die het geloof nog niet openlijk hadden verzaakt, ofschoon verscheidenen onder hen zich met den naam tevreden stelden, was veel grooter

3.

-ocr page 44-

— 38 —

dan dat der ketters ; men stelt zelfs deze laatsten slechts op een derde der bevolking (1). Daarenboven waren er zelfs onder de kalvinisten velen, die, toen zij vernamen, hoe schrikkelijk hunne stad-genooten werden mishandeld, dit grootelyks afkeurden en luide hun misnoegen daarover betoonden. De watergeuzen en die, welke zich uit de stad bi) hen geschaard hadden, konden dus terecht vreezen, dat er, indien zij met de mishandeling der geestelijken voortgingen, in de stad ernstige verwikkelingen konden ontstaan, welke voor hen al licht minder aangename gevolgen zouden hebben. Om deze moeielijkheden te ontwijken en aan hun moordzucht toch bevrediging te schenken, voerden zg de belijders naar eene stad, waar zij vrij spel hadden en een aanvoerder, wiens ontembare wreedheid en onverzoenlijke haat tegen de priesters en monniken hun wel bekend waren. Hiertoe werden zg nog meer aangespoord, toen zij vernamen, dat er vanwege de stadsregeering en van een groot aantal zoo kettersche als katholieke burgers, een yerzoekschrift (2) naar den prins van Oranje gezon-

(1) l'e slad had in 1572 niet veel meer dan 5000 inwoners. De heilige pastoor Leonard Vechel, in den Brielle gevraagd zijnde naar het getal der afvalligen, stelde dit op een derde, dus twee katholieken tegen één ketter.

(2) Het ori£.ineele stuk. dal vanwege de stad naar den prins is opgezonden, zal denkenlijk wel verloren zijn geraakt, maar de zin daarvan is ons toch bewaard gebleven. Het behels-

-ocr page 45-

— 39 —

den was, om den geestelijken, die door Marinus Brant, hoofd der watergeuzen en toen commandant der stad, op het kasteel gevangen gehouden en zeer mishandeld werden, de vrijheid te geven. De prins gaf aanstonds bevel van allen in vrijheid te stellen en niet verder om hun geloof te vervolgen. Doch toen dit antwoord 's Maandags na den middag te Gorcum aankwam, hadden de geuzen de uitvoering van het bevel onmogelijk gemaakt: onze goede Heiligen waren reeds in den nacht tusschen den 5en en 6en Juli, van Zaterdag op Zondag, te voren op orde van Lumey (1) door zijn niet minder goddeloo-zen en wreeden kapitein van Omaal naar Brielle ge-i voerd. Wel werd aanstonds vanwege de stadsregee-ring een rechtsgeleerde als afgevaardigde naar Brielle gezonden, maar zijne zending bleef vruchtede eene schoone lofspraak op alle gevangen priesters en kloosterlingen zonder uitzondering. Er werd daarin gezegd, dat zij allen onberispelijke mannen waren en goede burgers, die nooit aan iemand eenig kwaad badden berokkend, ja zelfs zich bij bunne medeburgers, zoo in het openbaar als ia bizondere gevallen, zeer verdienstelijk badden gemaakt, (zie Ëstius 2e 3 boek, ^e boofdst.)

(1) De naam van dezen man is zoo verschrikkelijk, dat men er niet aan kan denken zonder te huiveren. Gedurende zijn bloedbewind zijn Ie Brielle ongeveer 180 geestelijke personen ter dood gebracht uit haat tegen hel Katholiek Geloof. Dit monster stierf te Luik 1 Mei 1578 ten gevolge van een i beet van zijn eigen bond.

.

-ocr page 46-

— 40 —

loos. Lumey, dat monster, bleef onverbiddelijk. Hij gaf alleen ten antwoord : «Sedert lang heb ik gezworen, alle papen en monniken, die naar Brielle gebracht worden, ter dood te brengenquot;.

De zuster van den H. pastoor Leonardus bood tien duizend dukaten voor de vrijheid van haar broeder, maar alles te vergeefs. Het voorgaande pleit dus voor onze meening, dat God heeft toegelaten, dat die overvoering naar Brielle is geschied, om zijne heilige dienaars daar de kroon der martelaren te schenken, die zij te Gorcum wel verdiend, maar wellicht niet zouden bekomen hebben. Een reden te meer voor ons gevoelen vinden wij nog hierin, dat Marinus Brant ofschoon hij er van harte mede ingenomen was, dat de belijders naar Brielle werden overgebracht, aan van O maal (1) den raad gaf, zijn plan niet ge-

(1) Van Onaaal is door Lumey naar Gorcum gezonden om de gevangen priesters en kloosterlingen naar Brielle te voeren. Eenige k'waadgezinde burgers van Gorcum hadden vermoeden, dat men de belijders zou loslaten en gaven Lumey kennis van den toestand. De H. Leonardos, die de vrijheid had verkregen om twee zijner brave katholieke burgers voor te bereiden ' tot den dood, waartoe zij veroordeeld waren door de geuzenrecht-bank, had in de stad de gruwelijke mishandelingen bekend gemaakt, welke de gevangenen op het kasteel te verduren hadden. Uit mishaagde zeer aan de katholieken en aan zeer vele andersgezinden. Vooral, omdat het tegen de aangenomen voorwaarde was bij de overgaaf van het kasteel, namelijk, dat niemand eenig leed zon geschieden. Men begon er nu van

-ocr page 47-

— 41 -

durende den dag, maar 's nachts uit te voeren, wijl hi] vreesde, dat de burgers in verzet zoude komen. Alles is dan ook zoo geheim mogelijk gehouden, zoodat de zaak eerst den volgenden morgen bekend werd, waarop eene algemeene ontevredenheid volgde.

Gedurende den overtocht naar Brielle hebben de belijders veel moeten doorstaan. Te Dordrecht, waar zi] op Zondag omstreeks negen uren in den voormiddag aankwamen, werden zij voor geld ten toon gesteld.

te spreken een verzoekselirift aan den prins te zenJen tot vrijlating van alle gevangen geeslelijken. De kwaadgezinden, vreezende dat hunne moordzucht niet zou voldaan worden, gaven van een en ander kennis aan Lumey, die nu van Omaal zond on ze te halen. Doch toen hij kwam, tvas er nog geen verzoek aan den prins gedaan. Hij maakte eerst nog een uitstapje naar Bommel, waar hij echter builen den waard had gerekend. Bij ïijne wederkomst Ie Gorcum vernam hij, dat een bode naar den prins was gezonden, en deed toen met behulp van Marinus Bram en de zijnen de belijders inschepen en naar Brielle vervoeren.

Dat pastoor Leonard in vrijheid werd gesteld, was ook niet uit welwillendheid, want Marinus Brant was bang voor oproer. Eenige dagen later werd de pastoor op verraderlijke wijze weer gevangen gezel. De twee katholieke burgers hadden geen andere misdaad bedreven, dan, dat zij ijverige mannen waren voor het geloof en zich over de braafheid der watergeuzen min gunstig hadden uitgelaten. Hunne namen zullen zonder twijfel in het boek des levens zijn opgeteekend. De een heette Dirk Bommer en de andere Arnold de Koning.

-ocr page 48-

— 42 —

By hunne aankomst te Brielle werden zij uitgejouwd door het gemeen en de afvallige burgers. Men vond er zelf personen onder, zoo vrouwen als mannen, die opzettelijk uit Gorcum waren gekomen om de zaak der gevangenen te bezwaren ; zoover ging bij hen de haat tegeu den godsdienst en zijne dienaren. Zelfs de meest barbaarsche volken toonen een grooteu eerbied en een zeker ontzag voor den ouderdom, doch ia de straten te Brielle verwekten de hooge jaren van eenige belijders, zoo als van Pater Wilhadus, die ruim 90, Pater Theo-dorus van der Eem, de wereldlijke priester Gode-fridus van Duijn en Joannes van Oosterwijk, regulier kanunnik, die meer dan 70 jaren telden, niet het minste medelijden. Men sloeg de martelaren, vooral de kloosterlingen, met takken, van de hoornen gescheurd, zoo geweldig in het aangezicht, op het hoofd en in den hals, dat zij zelfs voor hunne vrienden niet meer te herkennen waren. De goddelooze Lumeij, in zijne werken meer gelijkende op een duivel dan op een mensch, had, te paard gezeten, een rietstok in de hand, waarmede hg hen voor zich uitdreef en jammerlijk sloeg. Doch nog het ergste van alles, en wat die heilige mannen het meeste in hunne ziel griefde, was, dat zij de afschuwelijkste godslasteringen en schimptaal moesten aanhooren tegen de heiligste geheimen des geloofs. De pijnen en smarten, die

-ocr page 49-

— 43 —

men hun aandeed, de onteerende taal, die zij tegen huane onbevlekte deugd als priesters en kloosterlingen hoorden uitbraken, trof hen weliswaar diep in het hart, maar toen zii hoorden, dat het H. Sacrament des Altaars door meer dan sa-tanischen schimp en verachting werd aangerand, schenen zij van smart te zullen bezwijken. Onze goede Pater Hieronymus kon zich niet meer inhouden en was door deze onwaardige handeling zoo zeer getroffen, dat hij tot dit ontaarde en verblinde volk zeide : «Wat zijn dat voor barbaarsche zeden ? of welk volk ter wereld heeft zoozeer alle gevoel van menschelijkheid afgelegd, dat het zijne gevangenen op zulke wijze bejegent ? ik ben voorheen in de handen gevallen van Turken, Grieken en Saracenen ; nochtans herinner ik mij niet, dat men mij, ofschoon ik hun gevangene was, ooit smaad aangedaan of een enkelen slag gegeven heeft.quot; Zoo handelden, zegt Pater Thielmann (Gesch. der mart.), de volgelingen der nieuwe leer van Luther en Calvijn, die hij schertsenderwijze de uitvinders noemt van het vijfde Evangelie.

^ Worden moordenaars en brandstichters niet mis

handeld, zelfs dan niet wanneer zij tot een rechtvaardige straf veroordeeld zijn ; de martelaren daarentegen, hoewel onschuldige slachtoffers, worden , reeds voor hun vonnis van iedereen gepijnigd, gesla

gen en gehoond. In eiken omstander vinden zij

-ocr page 50-

— 44 —

eenen beul. Driemaal moesten zij onder het zingen van kerkelijke liederen processiesgewijze om ea onder de galg loopen. Daarna werden zij in eene afzichtelijke gevangenis geworpen, als waren zij de grootste misdadigers, Na eenige uren daarin opgesloten te zijn geweest zonder eenig voedsel of drank te ontvangen, (1) werden zij er uitgehaald, om op bevel van Lumei] en in zijne tegenwoordigheid, alsmede van een groot aantal zijner beruchte en kettersche handlangers, omtrent hun geloof te worden ondervraagd. (2) Toen dit verhoor was geëindigd, werden zij wederom naar den kerker geleid behalve drie : de pastoor van Maasdam, Adri-anus Banders, de kanunnik Pontns Heuterus en broeder Eeuricus. (3) De plaats echter, waar zij nu

(1) Reeds twee dagon hadden zij zonder eten of drinken doorgebraclit, zegt pastoor L. Deckers (bl. 182). Niemand dacht er aan hunnen honger te stillen of hunnen dorst te lesschen.

(2) Dit verhoor had plaats op het stadhuis 's Maandags den 7en Juli. De zaal moet nog hestaan. Hel was bij deze gelejen-heid, dat de heilige broeder Cornelius van Wijk het schoone en bondige antwoord gaf, dat hij alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde, wel wetende, dat deze een man was van goed geloof en deugd.

(3) Deze vielen toen jammerlijk af of gaven ten minste aan de ketters eenige hoop. De pastoor van Maasdam (niet ver van Dordrecht) was in zijn pastorij 's nachts door de geuzen opgelicht en naar Brielle gevoerd.

-ocr page 51-

— 45 —

gezet werden, was minder onrein. Den volgenden dag 8 Juli had andermaal een onderzoek plaats. Es-tius zegt, (2e boek 13 hoofdst), dat het doel daarvan voornamelijk was, de belijders over te halen het gezag van den Paus te verzaken. Trouwens, die handlangers van den duivel wisten maar al te wel, dat dit alleen reeds genoeg is om iemand in het verderf te storten. Ook dit verhoor had plaats op order van Lurneg, die daarbij zelf tegenwoordig was met eenige edellieden van zijn allooi en den schout of burgemeester der stad, Jan van Duivenvoord, en meer anderen. Slechts de voornaamste der belijders werden opgeroepen, en daaronder was ook onze Pater Hieronymus. Het moet voorzeker voor hem en de zes andere belijders eene groote en grievende beleediging geweest zijn, omdat zij voor twee kal-vinistische predikanten als zoogenaamde geloofsonderzoekers in het verhoor moesten komen. De eene onderzoeker, zegt Estius, was een gewezen schipper van Gorcum (1), een befaamde drinker; hij kende geen wóórd latijn of liever verstond niets dan schelden en razen tegen de priesters. Hij was evenwel geschikt genoeg om bij de kalvinisten te Brielle het ambt van predikant te bedienen. Zooals

(1) Zijn broeder Andreas was nog schipper Ie Gorcum en een der kwaadaardigste vijanden van den pastoor Leonardus en den gardiaan.

-ocr page 52-

— 46 —

wel te voorzien was, werd de predikant Cornelius, zoo heette hij, door zijne geleerde en heilige tegenpartij zoodanig in het nauw gebracht, dat hij geen gepast woord meer kon zeggen. Beschaamd over ziju nederlaag, begon hij nu zoo hard mogelijk te schreeuwen : «Hangt ze maar op, hangt ze maar op !quot; De andere predikant, die aangewezen was om de priesters en kloosterlingen te overtuigen, dat zij tot dan toe gedwaald hadden met de katholieke leer te beliiden en aan anderen te verkondigen, was een afgevallen pastoor. Bstius noemt hem Andreas en zegt, dat hij pastoor was geweest te Brielle (1). Deze Andreas bezat wel eenige meerdere kennis dan Cornelius, maar was toch volstrekt niet opgewassen tegen zulke geleerde en heilige mannen, tegen wie hij moest disputeeren, zooals pastoor Leonardus Vegchel, Nic Pieck gardiaan, Nic. van Poppel, onderpastoor van Gorcum, Pater Nicasius van Heeze, Pater Hieronymus. De vier eerste waren oudleerlingen der universiteit van Leuven, en allen waren mannen, die reeds jaren in 's Heeren dienst hadden doorgebracht en bekend

(1) Wij vonden bij een anderen schrijver, dat hij Andreas Cor-nelissen beetle en een Hagenaar was. Bij Kornelius van Alkemade en Mr. P. van der Schelling, Gesch. van de stad Brielle bi, 98. lezen wij, dat Andreas Cornelius H.igius in 1S72 predikant was te Brielle maar later naar Sneek in. Friesland is vertrokken. Deze zal dezelfde zijn, dien Estius bedoelt. Hugius duidt aan, dat bij een Hagenaar was.

-ocr page 53-

— 47 —

stonden om hunne deugd en geleerdheid. Andreas moest dan ook den koop opgeven ; hij geraakte zoozeer in het nauw, dat de burgemeester van Brielle hem te hulp moest komen door te zeggen : »Maar Andreas ! waarom antwoordt gij niet ? weet gij niet, wie u het Evangelie van Christus heeft overgeleverd ?quot; Andreas echter maakte zich van de zaak af met te zeggen, dat die verleiders (?) zich altijd van drogredenen bedienen. Lumeij zelf scheen met zijne predikanten verlegen te zijn ; althans de discussie werd gestaakt, en hij deed de belijders weer naar de gevangenis terugvoeren. Hun werd nu voor het eerst door toedoen der twee broeders i van den gardiaan, die van Gorcum naar Brielle

waren gekomen om hun broeder vrij te maken, eenig verkwikkend voedsel gegeven.

Eindelijk was het door de goddelijke raadsbesluiten bestemde uur gekomen, dat onze moedige kampvechters van Jezus Christus het loon voor hunnen kloekmoedigen strijd en lijden, de glorievolle kroon van het martelaarschap, zonden ontvangen. De onverbiddelijke Lumeij gaf het bevel hen allen ter dood te brengen. Meer dan hij placht, zegt Estius, had hij zich dien avond aan den wijn te buiten gegaan. In opgewonden toestand, nog ziedend van toorn over den brief aan den prins van

éi

-ocr page 54-

— 48 —

Oranje (1) zegt hij : «Nu zal ik eens toonen, dat ik waarlijk heer en meester ben van het land.quot; Hij beval alle priesters en kloosterlingen, die hij gevangen hield, onverwijld naar de galg te brengen. Zoo werd dan het alleronrechtvaardigst vonnis van de allerschandelijkste doodstraf uitgesproken door een rechter, wiens verstand door den drank beneveld was, en dat op een uur, waarop de wetten verbieden zelfs een rechtvaardig vonnis uit te spreken. Reeds te voren in den kerker te Gorcum, hadden de heilige belijders hunne zielen door het heilig Sacrament der Biecht gezuiverd van de vlekken der zonden, opdat zij smetteloos den laatsten strijd en den offerdood moediger zouden kunnen afwachten. Zelfs hadden zij het geluk gehad, op het kasteel uit de handen van den heiligen onderpastoor Nic. van Poppel het Allerheiligste Sacrament des Altaars te ontvangen, hetwelk deze heilige priester uit de parochiekerk had medegebracht, op den dag, dat hij naar het kasteel de wijk nam. Nu zij geleid worden naar de plaats, waar zij hnn offer aan God zullen opdragen, willen zij nog eens hun« ne zielen zuiveren en afwasschen in het bloed des

(1) Deze was nogal zijn meester ; dat wil zeggen, de prins begrijpende dat hij vourzijn doel met de watergeuzen nog al heel wat kon uitzetten, zocht ze voor zich te winnen, plaatste zich aan hun hoofd en gaf hun zijne hevelen, (zie Pastoor Hogenboom, Leven der Mart.)

-ocr page 55-

— 49 —

Lams, dat hun ter eeuwige bruiloft noodigt.

De martelaren doen hunnen laatsten tocht op aarde. Buiten de stad Brielle gaat het moordtoo-neel vertoond worden in een oude turfschuur, het eenige gebouw, dat nog was blijven staan van het klooster der reguliere Augustijnen, door de geuzen verwoest eenige maanden te voren. De plaats werd genoemd «Ten Ruggequot;. Daar gaan zij de onver-welkbare kroon van het martelaarschap bekomen, daar zullen onze Hieronymus en Antonius met nog zeventien anderen als heldhaftige belijders van het geloof hun bloed gaan storten. Volgen wij in den geest onze heilige stadgenooten met hunne andere broeders.

Wat droevig en ijzingwekkend tooneel stelt de schuur van Ten Rugge op dit nachtelijk uur voor oogen ! Gelijk eene bende razende dieren loop en de beulen rondom hunne prooi ; zij vloeken, tieren en slaan met verwoedheid hunne arme slachtoffers, die zooveel zy kunnen, zich verweren om eenige hunner kleederen te behouden, wijl zij huiveren gansch naakt voor de schaamtelooze menigte ten toongesteld te worden. De goede God heeft echter zijne dienaren voor die schandelijke onteering tijdens hun leven bewaard. (1). De beulen maken

(1) Na hun dood hebben de soldaten en beulen hun de kleederen van het lichaam afgescheurd, zegt Eslius. De minderbroeders hadden alleen hun onderkleed aan ; het bovenkleed was hun reeds te Gorcum ontnomen.

-ocr page 56-

— 50 —

gebruik van hunne wapenen om de heilige mannen te kwetsen en te steken. Een kettersche predikant loopt in de rei der belijders rönd als een briezende leeuw, zoekende dezen of genen hunner te verslinden. Op de jongeren en zwakkeren heeft hij het vooral gemunt. Rondom de belijders en buiten de schuur staat de menigte te huilen en in de handen te klappen, uitzinnig door het vermaak bij dit droevig schouwspel. De Martelaren versterken elkander, moedigen elkander aan tot geduld en lijdzaamheid met die welsprekende woorden, die God in de laatste oogenblikken zijnen belijders in den mond geeft. Nicolaas Pieck en niet minder zijn vicaris Pater Hieronymus wyzen met al het vuur van hun liefdevol hart hunne medebroeders op den Hemel en sporen allen tot volharding aan. Dit geschiedt, terwijl de soldaten en het ontaarde volk de verschrikkelijkste verwenschingen tegen hen uiten en de kettersche predikant zijne duivelsche voorstellingen doet. Alles woelt dooreen bij het vale licht der fakkels, dat te midden der duisternis van den nacht een akeligen en helschen gloed verspreidt. De rampzalige priesterhater van Omaal is belast met de uitvoering van Lumey's moordplan. Hij geeft zijne orders en spoort zijne helsche trawanten aan.

Als eerste slachtoffer hunner onverzaadbare moordlust wordt de moedige gardiaan Nicolaas

-ocr page 57-

— 51 —

Pieck (1) aangewezen. Voordat hij de ladder gaat

(I) De heilige was geboren Ie Gorcum den 29en Aug. dS34 ■ uit brave katholieke ouders en was de jongste van zes kinderen 4 zoons en 2 dochlers. De vader Joannes Pieck was reeds overleden, toen ïijn zoon marlelaar werd. Hij stamde af van hel adellijk geslacht Pieck, in 1339 uit het Graafschap Nassau naar deze gewesten gekomen. Een tak dezer familie vestigde zich te Beesd in Gelderland en had vermoedelijk tol stamvader Arnold Pieck. wiens zoon later heer werd van Beesd. Een tweede tak vestigde zich Ie Gorcura omirent denzelfden tijd ; van deze was Nicolaas Pieck, die in 1360 gast-buismeester aldaar was, hoogstwaarschijnlijk de slamvader. Arnold en Nicolaas werden voor broeders gehouden. De beer W. de Hsas, die in 1880 een geslachtslijst heeft vervaardigd van de adellijke familie Pieck, houdt ook onzen heiligen martelaar Nicolaas voor een aflammeling van die familie, maar bet schijnt, dat hij hem niet juist weel te plaatsen, (zie W. de Haas, bet geslacht Pieck bi. 52, en 54) De familie van onzen Heilige, zegt Pater Thielman (Levens der marl. bl. 1091 is later wel minder in aanzien geworden, maar behoorde toch tot de aanzienlijkslen der stad. Dezelfde schrijver beweert ook, dat onze martelaar Nicolaas zou afstammen van het hoogadellijk geslacht der Gorcumsche heeren van Ar-kel, doch hierin vergist hij zich. Wel is dit hel geval met de

' familie Pieck van Beesd, wegens een in 1528 aangegaan hu

welijk tusschen een kleinzoon van Ruiger van den Boetse-laar, zwager van Arent Pieck, met Bertba van Arkel, dochter van Otto van Arkel, heer van Heukelum. (zie Kok dl. 7 bl.

, 640 en 642.) De moeder van onzen martelaar Nic. Pieck beeU

Ite Hendrica Caltf en was van eene deftige Gorcumsche familie. Zij is gestorven in hetzelfde jaar, dat haar zoon de martelkroon ontving.te Hendrica Caltf en was van eene deftige Gorcumsche familie. Zij is gestorven in hetzelfde jaar, dat haar zoon de martelkroon ontving.

I

^ ___________

-ocr page 58-

— 52 —

betreden, wil hij zijne broeders en andere metgezellen nog eens omhelzen. De beulen staan hem dit op zijn vurig verlangen toe; en nu bad en bezwoer hij hen met de krachtigste woorden, zooals hij reeds meermalen gedurende hun lijdensdagen had gedaan, tot den laatsten ademtocht kloekmoedig ea onwrikbaar te blijven en te strijden voor het geloof. Onverschrokken treedt hij nu vooruit, beklimt blijmoedig en met vluggen tred de ladder, terwijl hij zegt: «Ziet, mijne broeders, ik toon u den weg, den weg ten hemel ; volgt mi] dan als dappere krijgsknechten van Christus, en dat er, nadat wij te za-men gestreden hebben, ook geen onzer ontbreke aan de zegepraal, die ons hierboven wacht.» Aldus bleef de moedige leidsman en het hoofd van Jezus' uitverkoren schaar voortgaan met spreken, totdat de strop hem de keel dichtsnoerde en de spraak op zijn lippen smoorde. Zoo heeft dan de eerste martelaar den zegepalm ontvangen, die gepurperd was in het bloed van het Goddelijk Lam.

Nauwelijks heeft de gardiaan de zijnen verlaten, of de onversaagde vicaris. Pater Hieronymus, neemt zgne plaats in. Hij sterkt zijne broeders tegen de laatste aanvallen in den gewichtigen strijd. lt;Nog eenige oogenblikken, mijne broedersquot;, zegt hij, «en de Hemel zal voor ons geopend zijn. Ziet opwaarts, het lichaam van onzen beminden gardiaan hangt aan den balk, maar zijne ziel juicht reeds voor

-ocr page 59-

eeuwig in de rei van Gods uitverkorenen. Hij is ons voorgegaan; komt, laten wij hem volgen.» Vooral beijverde hij zich om hen, die nog jeugdig waren en met minder moed bezield, aan te sporen tot volharding. Krachtig werd hij daarin bijgestaan door pater Nicasius, pastoor Leonardus en Nicolaas van Poppel. Om hen te beter in deze laatste worsteling te kunnen besehutten, schaarden zij de jongeren zooveel mogelijk binnen den kring der andere martelaars, die hun, als het ware, tot borstwering strekten. Zi] stelden zich voor hen in de weer en antwoordden voor hen, zoodat de verraderlijke pijlen van de bedriegelijke en valsche vleitaal der geuzen afstompten op het schild van hun mannelijk en van hemelsche wijsheid doordrongen woord. Echter kon Pater Hieronymus niet voorkomen, dat een der jongste broeders (1) jammerlijk afviel. Die afval veroorzaakte aan allen groote smart; maar het diepst en pijnlijkst van allen was misschien wel Pater Hieronymus getrofien. Toen deze de ladder beklom om op zijne beurt zijn leven aan God ten offer te brengen, wilde de predikant, die reeds den zwakken broeder had misleid, ook hem overhalen

(1) Deze broeder, Henrious genaamd, achttien jaar oud, was door een predikant verleid ; na den dood der martelaren is hij door Gods barmhartigheid bekeerd en een zaligen dood gestorven in het klooster Ie 's Hertogenbosch in iSTS.

4.

-ocr page 60-

— 54 —

het geloof te verzaken. Hij begon dan met godzalige woorden Pater Hieronymus te troosten en te bemoedigen by den dood. Hij vermaande hem de paapscbe bjjgeloovigheid af te zweren en de onver-valschte leer van bet Evangelie, zooals by zijn ket-terij noemde, te ombelzen. Maar Pater Hieronymus luisterde niet eens naar den onzin van dien verleider. Hg bield zich alleen bezig met zijne broeders door de krachtigste woorden tot standvastigheid op te wekken. Toen bij zijno ziel stelde in de handen van God en de voorspraak en bescherming der allerheiligste Moeder Gods en der andere Heiligen inriep, viel dezelfde predikant hem schaamteloos in de rede, zeggende : lt;Roep toch de H. Maria of den H. Petrus of die andere onzinnige afgoden niet aan ; zij hooren u toch niet, maar aanbid alleen den waren God». Toen de heilige man deze godslasterende taal hoorde, ontstak hij in eene heilige verontwaardiging, duwde met zijn voet den ketter, die een weinig onder hem stond, van de leer af, zoodat hij op den grond viel. «Ga van mij, gij booze mensch en handlanger van ^atan,gt; zeide hij hem, «gij toch verkondigt die leer niet, maar satan beeft door uwen mond gesproken. Gij meent, dat ik ongelukkig ben, omdat ik zoo aanstonds zal moeten sterven, maar gij dwaalt; ik sterf zeer gaarne^ en zelfs al ware bet een ongeluk, ook dan nog zoude ik geene behoefte gevoelen aan een troos-

-ocr page 61-

ter, gelyk gij zgt. (1) Maar daar is een ongeluk vreeselijker dau alle martelpijn ; en wat mij grieft tot in het binnenste mijner ziel, is, dat uwe verleidelijke taal een eenvoudig en ongeoefend jongeling, die zich bij ons in zijn proeftijd bevond, op jammerlijke wijze bedrogen en tot uwe verfoeielijke gemeenschap heeft overgehaald; gij, dienaar van satan, zult eens voor God het eeuwig verderf zijner ziel moeten verantwoordend Uit deze woorden van Pater Hieronymus, zeggen de schrijvers van het leven der martelaren, blijkt overduidelijk, dat de heilige vicaris niet handelde uit een gevoel van wraak over persoonlijke beleedigingen, hem door dien predikant aangedaan, en nog wel, toen hij reeds op de ladder stond om üod zijn leven te offeren, maar door eene heilige gramschap gedreven werd, vertoornd als hij was op den predikant, wijl deze de verleider en de bewerker was van het ongeluk zijns betreurden kloosterbroeders. «Deze ongewone daad van den

(1) De heilige bevestigde hier, hetgeen hij reeds te Gor-cum legen den goddeloozsn en wreeden van Omaal gezegd had, toen deze met een stuursch gelaat zeide : «Maakt u gereed, bedriegers der menschen ; de graaf Lumeij heeft mij gezonden om u allen op te hangenquot;. — .Doe gelijk gij zegt,quot; antwoordde hem aanstonds Pater Hieronymus, «wij zoeken geen uitstel. Wij zijn allen gereed om te sterven ; niemand zal er zich tegen verzetten.quot; Het speet hem daarom des te meer, dat broeder Henricus op hel punt zijnde de martelkroon te verkrijgen, afvallig was geworden.

-ocr page 62-

— 56 —

heiligen martelaar, zegt Pater Paulinus Timmer» (L. d. Mart. bl. 136), zal missctiien eenigen vreemd voorkomen ; doch bemerkt, dat Hieronymus aldus niet handelde uit wraakzucht maar eenigszins uit plicht, wijl hij na den marteldood van den gardiaan als overste voor de zaligheid zijner onderdanen, zooveel van hem afhing, moest instaan, en geen beter middel vond dan deze buitengewone daad, opdat broeder Henricus, dien men verwijderde, den moed van zjjn overste ziende, nog zou bewogen worden en tot inkeer komen.» Dit hadden de ketters ook wel opgemerkt, want terstond zorgden zij, dat Henricus uit het oog der martelaren werd verwijderd, opdat hij bij het zien van hunne kloekmoedigheid niet op nieuw van gedachte zou veranderen en met hen voor het geloof sterven. Het voorval van Pater Hieronymus met den predikant en niet minder de scherpe woorden, welke hij daarbij tot hem en de ketters alsook tot zijne beulen sprak, maakten hen allen woedend. Zi] trokken hem van de ladder, doorkerfden zijn gelaat met een mes, zoodat het bloed van alle kanten stroomde en hij onkenbaar was geworden. Die verwoede vijanden van Christus' kruis, sneden zelfs uit zijne borst en zgn rechterarm het kruisteeken, hetwelk hg als gedachtenis aan het H. Land vol eerbied in het lichaam had gegrift. En bij al die smarten en pijnen liet de martelaar geen enkele klacht, geen enkele

-ocr page 63-

— 57 —

zucht hooren. Hij bad en leed met zijne gewone geestkracht en onderwerping aan God, troostte en wekte zijne metgezellen zonder ophouden op tot moed en volharding door hen slechts op den Hemel te wijzen : «Volgt mij, mijne broeders, gelijk ik onzen allerbesten vader en broeder naar den Hemel volg.» Daarna trokken zij hem weer de ladder op, nog een oogenblik, en onze heilige stadgenoot Hie-ronymus zag de hemelen geopend, om daar voor strijd en lijden als overwinnaar voor eeuwig gekroond te worden.

Twee uren hebben de ketters aan het beulswerk besteed. Toen zij eindigden, was het omtrent het vierde uur in den morgenstond van den 9en Juli 1572, een dag die eeuwig in de jaarboeken der H. Kerk als roemrijk zal aangeteekend bleven. De dageraad is aangebroken, de eerste stralen der oprijzende zon zouden in de schuur dringen ; maar helaas ! welk droevig schouwspel beschijnen zij! negentien gemartelde lichamen (1) hangen aan de

(I) De volgorde der martelaren volgens de decreten der zaligverklaring onder paus Clemens X, 14 Nov. 1675, en der heiligverklaring onder paus Pius IX, 29 Juni 1867, is als volgt; 4, Nicolaas Pieck van Gorcum, gardiaan. 2, Hieronymus van Weert, vicaris. 3, Theodoricus van der Eem, van Amersfoort. 4, Nicasius van Heeze. 5, Wilhadus van Denemarken. 6, Godefridus van Mervel. 7, Anlonius van Weert. 8, Anlonius van Hoornaar bij Gorcum. 9, Franciscus van Roij van Brus-

-ocr page 64-

— 68 —

balken. Eenigen hunner worstelen nog stuiptrekkend tegen den nakenden dood, wijl de beulen zeer onachtzaam hun werk hadden verricht. (Men vond er die op klaarlichten dag nog leefden, onder an-

sel, allen priesters. 10, Pelrus van Assche, en 41, Cornelius van Wijk, deze iwee leekebroeders, doch allen beboorende lot de orde van den H. Fraticiseus. — Verders 12, Joannes priester van de orde der predikheeren. 13, Adrianus van Hilva-renbeek, 14, Jacobus Lacops van Oudenaarde, deze twee van de orde van Premonstreit. 15, Joannas van Oosterwijk, regulier kanunnik van Sl. Augustinus 16, Leonardos Vecliel, pastoor ie Gorcum. 17, Nicolaas van Poppel, onderpastoor aldaar, 18, Godefridus van Duijn of van Duijnen, van Gorcum, wereldlijk priester. 19, Andreas Wouters, wereldlijk pastoor van Heiroord bij Dordrecht. — De naam van Joannes van Oosterwijk komt voor in de kronijk van hel voormalig klooster Maria-Wijngaard in de Maasstraat alhier, nu bewoond door de eerwaarde zusters Brigitlinessefi. Daarin vonden wij op bl. 39, 44 en 69 van Pater Jan (Joannes) van Oosterwijk, regulier kanunnik, gesproken. Hij is 12 jaar rector geweest alhier in hel klooster, waarin toen Augusiinessen woonden. Hij wordt geprezen als een heilig man. In 1569 8e Nov. keerde hij naar zijn klooster terug. Mogelijk is hij dezelfde als de martelaar, die een man was van 70 jaren. Hij werd uit hel klooster ^an »Ten Ruggequot; van de orde dei Reguliere Kanunniken naar Gorcum gezonden, doch heeft niet zoo heel lang aldaar als rector der zusters van dezelfde orde gefungeerd. Hij was de laatste rector. De geuzen hebben in 1572 dit klooster gansch verwoest nu slaat op dezelfde plaats in de Haarstraal het algemeen slads-ziekenhuis. Uil de kronijk op bl. 11 blijkt ook, dal het klooster in de Maasstraat alhier in bet begin bewoond is door zusters van de Derde orde van St. Franciscus. — In 1436 was Lambrecht Gijskens, vader en Geertruid Gijskens van Sevenum, moeder van dit feloosier. In 14o6 namen zij het kleed van de orde van den H. Augustinus aan en schaarden zich onder den regel van Windesheim (lees J. Habets 3e d. bl. 691 kerk. gesch. v. Roermond.)

-ocr page 65-

deren pater Nicasius van Heeze) De wreedaards rusten nu eenige oogenblikken en beschouwen hunne slachtofiers met de vergenoegdheid des giers, als hij de klauwen in zijn prooi slaat. Het ontaarde volk dringt de schuur binnen om zich te verlustigen ia het voor hen zoo genoegelijk gezicht van zoovele vijanden hunner nieuwe leer aan den strop te zien hangen. Zij spotten en lachen, zoo dikwijls zij de een of anderen martelaar zich krampachtig zien bewegen en houden niet op hen luidkeels te beschimpen. Waarlijk de schuur van Ten Rugge, kunnen wij met pastoor L. Deckers (bl. 248) zeggen, lt;geleek aan een rooverskrocht, een inoordenaarshol. Maar in den Hemel is er op ditzelfde oogenblik eene onbegrensde vreugde, een jubelend onthaal, welk Sions zalen van blijde zangen en vreugdekreten doet weergalmen :» Negentien gouden kronen worden er uitgedeeld aan negentien kloeke belijders. Twee daarvan worden door God zei ven, in gezelschap Zgner heilige Moeder Maria en van het gan-sche heir der Engelen en Heiligen, onzen twee roemrijken stadgenooten, Hieronymus en Antonius, op het hoofd gezet. O driewerf gelukkige dag! zullen nu onze twee Weertsche geloofshelden in alle eeuwigheid mogen jubelen, die ons zooveel heil heeft aangebracht. Nu toch zien zij het woord van hunnen aanleider en vaandrager ten Hemel, den heiligen gardiaan Nic. Pieck bewaarheid en ver-

-ocr page 66-

vuld : «dat de kwellingen van dit leven niet in vergelijking kunnen komen met de toekomstige glorie, die in ons geopenbaard zal worden (Rora. VIII, 18).quot;

Ofschoon onze heilige Pater Hieronymus zich reeds in de glorie des Hemels verheugde en geen teeken van leven meer gaf, konden die onmenschen zich niet onthouden zijn eerbiedwaardig lichaam op de afschuwelijkste wijze te schenden en te ont-eeren Met de andere martelaren heeft dit ook wel plaats gehad, nochtans niet op die wijze, als zij met zyn lichaam gedaan hebben. Alle gevoel van mehschelijkheid afschuddende, zooals Estius verhaalt, zonken die barbaren der XVIe eeuw zoo diep, dat het walgelijk is om er zelfs aan te denken. Zij namen het ontzielde lichaam van de galg, bonden het naakt op een ladder, sneden het open en onderzochten de ingewanden. Te recht kan men van de martelaars ook na hun dood zeggen : zij zyn een schouwspel geworden voor de wereld. (1)

(!) Door toedoen van een braven kalboliek uit Gorcum met nog eenigen zijner geloofsgenooten werd voor veel geld verkregen, dal de lichamen begraven weiden ; hel gebeurde 's nachts en zeer onbetamelijk. De martelaren waren aan twee dwarsbalken opgehangen ; de eens was zeer korl, daaraan hingen de gardiaan, Broeder Cornelius en de priester Godefridus van Duijn ; aan de andere veel langer de lichamen van 15 martelaren ; Jacobus Lacops werd aan een ladder gehangen. Juist onder die balken groeven de heschonke soldaten twee

-ocr page 67-

— 61 _

Zelfs kettersche schrijvers ziin gedrongen geweest de hatelijke en barbaarscbe handelwijze der geuzen te schandvlekken. Pieter Bor drukt zich aldus uit (Historie van Nederland bl. 277) ; »Zij hebben de geestelijken en bizonder de Minderbroeders zeer onbarmhartig behandeld enz. enz. Pieter Hooft (Nederl. Historiën bl. 243) is nog duidelijker: »De verovering van Gorcum, zegt hij, heeft men met allerlei lasten van tuchtelooze ongeregeldheid en uitgelaten moedwil bezoedeld .... De smaad, de mishandeling en overvuile vinnigheid aan deze geestelijken gepleegd, bewijzen, dat het aardrijk geen ongedierte zoo fel voedt als de mensch is, bereden van de boosheid zijner woeste lusten, teiïens God en zijn eer vergeet.quot; Van Zomeren (beschr. van Gorcum, uitg. 1755 bl. 31) keurt zulke schanddaden ook ten hoogste af. Doch, vragen wij, zijn Lumeij en zijne trawanten alleen daarvan de bewerkers geweest? Met Estius meenen wij te kunnen ant-

putlen, de eene iels grooler dan de andere, en wierpen daar de heilige lichamen in, welke mei een weinig aarde bedekt werden, zoodal zelfs nog eenige ledematen zicblhaar bleven. Dil gezichi veroorzaakte groole jammer aan de vrome katholieken ; doeb zij konden en mochten er niels aan veranderen. Er werd een wachl hij geplaatst om te beletten, dal de katholieken de marlelaren zouden vereeren en iets van hunne overblijfsels medenemen om er, zooals de keilers zeiden en nog heden beweren, afgoderij mede te plegen.

-ocr page 68-

— 62 —

woorden, dat het de wrange vruchten waren der nieuwe sekte, van het zoogenaamde zuivere evangelie. o De ketters hebben zich overal door zulke vruchten doen kennenquot; zegt Pater Tiramers (hl, 144), en hij voegt daarbij ; »Neen zij,die onderden schijn van meerdere vrijheid de ware kerk van Christus verlaten en door een blinde drift zulke leer volgen, welke met zoo wreede daden begonnen is en niet het werk van God, maar van den duivel moet genoemd worden, zijn voor Gods rechterstoel niet te verontschuldigen. Hoe weinig geleken die nieuwe Evangelie-predikers op de eerste Apostelen van Belgie en Nederland ! Het Evangelie van Jezus Christus was in de handen van die nieuwsoortige apostelen een brandtoorts geworden, die overal verwoesting en schrik verspreidde. Alle zedelooze lieden en landloopers van Frankrijk, Duitschland en de Nederlanden sloten zich bij hen aan, en die bende van gewaande hervormers bedreven in onze gewesten buitensporigheden, waartoe wilde volkstammen niet in staat zouden geweest zijn (Mgr. Laforet, in leven Rector magn. v. d. kath. Hooge-school te Leuven bl. 21).

Ziedaar, geachte lezer, eenige bizonderheden uit het zoo schoone en stichtende leven van onzen eersten en oudsten martelaar, den heiligen Pater Hie-ronymus van Weert. Thans wenschen wij met Gods hulp u ook nader bekend te maken met on-

-ocr page 69-

— 68 —

zen tweeden en jongeren stadgenoot, den heiligen Pater Antonius, die niet minder achtingswaardig is om zijne hooge deugden en werken voor de eer van God en de zaligheid der zielen, waarvoor hij tot belooning ook de martelkroon met zijn heiligen vriend heeft verkregen.

-ocr page 70-

De H. Antonius.

Deze goede Heilige is evenals Pater Hieronymus te Weert geboren, doch in welk jaar is niet bekend. Wij weten alleen, dat hij eenige jaren jonger was dan zijne heilige stadgenoot, hetgeen ook blijkt uit zijne afbeelding in het werkje der martelaren van Gorcum van den welbekenden Minderbroeder Joannes Boener (1). De Heilige heeft daar

(1) Het werkje van Paler Boener, in t6'23 te 's Bosch gedrukt bij Antoon Scheffer «in de Missaelquot; beva» slechts de afbeeldingen der 15 martelaren, die uit Gorcum zijn voortgekomen. De gravuren zijn genomen naar de echte geschilderde portretlen van Jan Tblbaut Diercksz, een bekwaam schilder te Gorcum. Hij was een godvruchlig man eu zeer bevriend met de martelaren. Door negen geloofwaardige getuigen, waarvan de meesten priesters waren, allen vrienden der beiligeo te Gorcum, is een schriftelijk bewijs gegeven, dat de portretten der 15 heiligen, door Jan Thibaut geschilderd, zoo goed gelijkend waren, dat er niets op aan te merken viel. Zij zijn door hem begonnen reeds in betzelfde jaar van hun marteldood en waren in het volgende jaar afgewerkt (zie hierover prof. Reusens. Iconographie des martijrs pag. 9 en gevolg.)

In het iMinderbroedersklooster te Sint-Truijen (Belgie) bestaat nog een origineel stuk van J. Thibaut. voorstellende den heiligen gardiaan Nic. Pieck. Naar dit zijn eenige goede copiën genomen door den beer Janssen, in leven kunstschilder te Weert. In bet patersklooster alhier heeft men zulk een copie.

-ocr page 71-

H, ANT0N1US,

Martelaar van Gorcm.

-ocr page 72-
-ocr page 73-

— 65 -

het voorkomen van iemand, die 45 a 46 jaren oud is ; althans zijne gelaatstrekken zijn minder oud dan die van Pater Hieronymus, die volgens Estius den leeftijd van bijna vijftig jaren had bereikt, toen hij de martelkroon verwierf.

Van het leven des Heiligen zijn ons minder bizonderheden bekend dan van Pater Hieronymus, hetwelk wij hoofdzakelijk toeschrijven aan de droevige tijdsomstandigheden, waarin hij, te Gorcum althans, veel langer verkeerd heeft dan deze. Daarenboven lezen wij niet, dat Pater Antonius in de Orde een ambt heeft bekleed zooals zijn heilige stadgenoot, wiens naam en werken daarom meer bekend zijn geworden en opgeteekend in het archief der kloosters, waar hij gewoond heeft. Ondanks de woelige tijden zijn weliswaar de archieven van sommige kloosters, ten minste voor een gedeelte, quot;bewaard gebleven of later wedergevonden; maar die van het klooster te Gorcum en van de parochie-

Ook te Brielle hebben wij er een gezien. Het portret van denzelfden heilige in de pastorie te Gorcum wordt voor een origineel vari Thibaut gehouden; aldaar is in de sacrislie ook een afbeelding ie zien van pastoor Leonardus Vechel, geheel overeenkomende met de beschrijving van Estius en volgens de teekening van Pater Boener, doch de naam des schilders is onbekend.

Het werkje van Boener is zeer zeldzaam. De vlaamsche uitgaaf heeft voor titel • Waerachtige ende levende figueren van de H.H. martelaers van Gorcum met een cort verhael van hen leven ende sterven.quot;

-ocr page 74-

— 66 —

kerk aldaar zijn door de geuzen vernield en verbrand, bij de inneming van het kasteel, waar, zooals Estius zegt, de voornaamste kerksieraden en belangrijke stukken door de geestelijken in veilig» heid waren gebracht. De bibliotheek van het klooster, die nog al merkwaardig moet geweest zijn, was door de zorg van den gardiaan Nic, Pieck ook aldaar geborgen. Geen enkel boekje is er van overgebleven. Geen wonder dus dat vele bizonderheden uit het leven van onzen Heilige ook onbekend zgn. Nochtans weten wij genoeg om hem alle achting en eerbied toe te dragen, want ook hij is niet minder dan Pater Hieronymus voor zijne deugden en groote werken, tot eer van God en de zaligheid der zielen verricht, in den Hemel met de martelaarskroon versierd, zoodat ook onze jongere Weertenaar zoowel onder maatschappelijk als godsdienstig opzicht het sieraad zijner geboorteplaats zal blijven. Ja, Pater Antonius zal gelijk Pater Hieronymus door alle goede Weertenaren steeds gerekend worden onder de edelste hunner stadge-nooten. Beiden zullen door hen als Heiligen hoog vereerd en als hunne beschermers en machtige voorsprekers by God aangeroepen worden.

De familienaam van Pater Antonius is, zooals wy reeds in het leven van Pater Hieronymus gezegd hebben, niet bekend. Doch er bestaat alhier van dezen Heilige een oude volksoverlevering, vol-

-ocr page 75-

— 67 —

gens welke hij in een der gehuchten «Laarquot; en wel in dat gedeelte dat den naam draagt van »de Raakquot; zou geboren zijn. Hij is evenals Pater Hieronymus in de parochiekerk gedoopt en hoogst waar-schgnlijk boven dezelfde doopvont, dus daar, waar zoovelen dezer gemeente de genade der wedergeboorte ontvingen. Ook had hij het geluk aldaar zijne eerste H. Communie te doen. Later priester geworden heeft hij denkelijk ook daar, zoo niet zijn eerste H. Mis, dan toch een der eerste opgedragen en bg de eene of andere gelegenheid voor zijne stadgenooten het woord Gods verkondigd. Te veiliger gaan we van die onderstelling uit, omdat volgens het getuigenis van den geschiedschrijver, den Weleerw. Pastoor van Ürthen L. H. C. Schutjes z. g. zulks destijds nog al gebruikelijk was.

Over zijne jongelingsjaren ligt voor ons een dichte sluier; dit belet evenwel niet, dat wij dien even oplichten. De Heilige, nog verkeereude in het huis zijner godsdienstige ouders, had van kindsbeen af, reeds eene groote genegenheid voor de deugd en godsvrucht; zijn vurig verlangen was, om God in de stilte van het kloosterleven te dienen en later als priester aan het heil zijner medemenschen te werken. Tot die verhevene en zeer belangrijke roeping bereidde hij zich voor door gebed en studie, waarin hij dank zijn ijver en goeden aanleg groote vorderingen maakte. Eene gunstige gelegenheid om

-ocr page 76-

— 68 —

ziine lagere oi voorbereidende studiën te doen, vondt ook hg in zijne geboorteplaats, alwaar eene beroemde latijnsche school bestond. Na de ver-eischte bekwaamheid te hebben verkregen, melde hij zich bij den klooster-overste der Minderbroeders aan en gaf hem zfln verlangen te kennen om in de orde te worden aangenomen. Voor den braven jongeling zal dit verzoek wel geen moeielijkheid ot merkelijk bezwaar ontmoet hebben, wijl hi] als inwoner van het gehucht, dat slechts op een kwartier afstands van het patersklooster is gelegen, geen onbekende was. Althans hij werd door den hoogeerwaarden Pater Provinciaal, wien alleen deze macht toekomt, in de orde aangenomen.

Het is niet volkomen zeker, maar toch zeer waarschijnlgk, dat Antonius naar het klooster te 's Bosch gezonden is om aldaar het ordekleed te ontvangen en zijn novicaat te beginnen. O gezegende dag, waarop die engel van onschuld de kloosterdrempel overschreed ! O gelukkige muren, die meer dan een jaar getuigen waren van het streng en boetvaardig leven eens jöngelings, die reeds in den bloei zijner jaren zich aan den dienst van God toewijdde, die zal uitmunten door heiligheid en eens met de martelkroon worden versierd I Met reden meenden de oversten, dat die jongeling een nuttig lid der orde en een waardig priester voor de Kerk zoude worden. Daarom werd Antonius

-ocr page 77-

dan ook, na gedurende een jaar in alles een voorbeeld van deugd te zijn geweest, waardig geacht zijne groote of plechtige beloften af te leggen. Neergeknield op de trappen van het altaar in tegenwoordigheid van zijn in het Allerheiligste Sacrament verborgen God, legde hg in handen van zijn overste de belofte af om zijn gansche leven als een ware minderbroeder den regel van den H, Francis-ens te zullen onderhouden, door te leven in gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. Hiermede had hij den eersten stap gedaan in het heiligdom des Heeren, en door nauwgezette onderhouding der afgelegde beloften ging hij met reuzenschreden vooruit op den weg der volmaaktheid.

Doch werpen wij, voor zoover ons dit mogelijk is, een blik in de schoone ziel van den zoo gelukkigen Antonius op het oogenblik, dat hij zich als minderbroeder aan God geheel en al ten offer brengt. Met geheel zijn geest meer in den hemel dan op aarde, verneemt hij twee geheel tegenstrijdige stemmen. De eene roept hem toe: «Hoe, zult gij mij dan verlaten en u voor altijd berooven van duizenden levensgenoegens en de heerlijke vooruitzichten, welke ik mijnen volgelingen beloof ? zult gij een leven van genot en vreugde gaan verwisselen tegen het somber quot;en eentoonig verblijf in een klooster ? gij zijt jong, waarom doet gij niet

5.

-ocr page 78-

— 70 —

wat zoovele anderen van uw leeftijd doen? wat dwaasheid ! kunt gij dan ook niet in mijn verkeer uwe zaligheid bewerken ?quot; Maar tegelijkertijd hoorde de brave jongeling een andere stem, welke niet van de aarde, maar uit den hemel kwam. Het wao de liefelijke stem van zijn hemelschen bruidegom en zaligmaker Jezus Christus: gt;Kom, Antonius,quot; zoo hoorde hij, «volg mij ; Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Luister niet naar de taal der bedriegelijke wereld, want zij is vol hoovaardij, hebzucht en zingenot ; zij is de gezworen vijandin van mij en allen, die My liethebben. Ik zal u honderdvoudig terugschenken wat gij uit liefde tot Mjj verlaten hebtquot; ... En der wereld ten spijt, den Hemel ten vreugde verlaat Antonius eene wereld met al hare beloften en valsche voorspiegelingen, om in de armoedige pij als Franciscaan zijn beste deel te kiezen.

Antonius heeft dan beloofd tot aan zijn dood te zullen leven in gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid. Hoe heeft hg daaraan beantwoord ? flooren wfl wat de schrijvers van hem getuigen. Met welke heerlijke trekken maalt vooral Estius zjjn persoon af! gt;Antonius,quot; zegt big, »was een uitstekend lid der Orde van den H. Franciscus en een onvermoeide arbeider in 's Heeren wijngaard.quot; Wat schooner lofspraak kan aan een kloosterling en priester gegeven wor den ! Bn die woorden van Estius zijn geen ij dele klanken ; integendeel die

-ocr page 79-

- 71 —

lofspraak was ia niets overdreven. Trouwens Aa-tonius' gehoorzaamheid was als die van een kind ; hg beminde zijn overste als zyn vader, eerbiedigde hem als den plaatsbekleeder van God. Daarom was hem alles lief wat hem werd opgelegd of verzocht te volbrengen, hetzij groot of klein, moeie-lijk of gemakkelijk, vernederend of eervol. De armoede beschouwde hij op het voorbeeld van zijn Serafijnschen Vader als zijne bruid. Meermalen ontzegde hij zich het gebruik der noodzakelijkste dingen om zoo volmaakt mogelijk den armen Jezus te volgen, die arm geboren in een stal te Bethlehem, op Calvarië voor de zaligheid der menschen in den armoedigsten staat aan een kruishout stierf. De zuiverheid, die engelachtige deugd, het schoonste sieraad eener ziel, was hem zoo eigen, dat zij op zijn gelaat uitscheen. De voorzorgen om deze heilige deugd te bewaren dreef hij tot het uiterste; hi] geloofde niet, dat iemand daarin ooit te voorzichtig zou kunnen wezen. Hierop doelt Estius, wanneer hij van den Heilige schrijft, dat hij een zeer gestrenge levenswijze onderhield. Door gebnd en versterving verstierf hg zijn vleesch en maakte het dienstbaar aan den geest. Niet alleen zgna kloosterbroeders, maar ook wereldsche personen beschouwden in hem eer een engel dan een mensch. Met recht mogen wij daarom zeggen, dat onze VVeertsche Antonius een zeer gelgkend afbeeldsel

-ocr page 80-

was van zijn heiligen naamgenoot en patroon, den heiligen Antonius van Padua. Hg droeg dien naam niet, gelijk zoovele anderen als een bloote klank, maar met recht als een korte aanduiding zijner heilige werken. Zoo was hij reeds in de lentedagen van zijn kloosterleven een waardige zoon van den H. Franciscns.

Eenigen tgd later nadat Antonius zijne plechtige beloften had afgelegd, werd hg naar een ander klooster (1) gezonden, om aldaar onder de leiding van bekwame en vrome leermeesters in de hoogere wetenschappen onderwezen te worden. Toen hg ook deze met goed gevolg had voleind, werd hjj

(1) Velen zijn van gevoelen, dat de heilige naar bet klooster van Leuven werd gezonden. Dil klooster, zegt Mgr. Laforet (L. d. Mart. pag. 46), was evenals die van nog eenige andere Orden ingelijfd bij of vereenigd met de Universiteit. Volgens bet eerste artikel der vereenigings akle moesten de kloosterlingen zicb doen inschrijven of immatriculeeren in de Universiteit. Destijds was daar de geleerde minderbroeder Adam Sasbout, hoogleeraar in de wijsbegeerte. Deze Pater was een zoon van den burgemeester van Delft, Joannes Sasbout, en een oudleerling van d«n vermaarden Ruard Tapper, die aan zijne leerlingen meermalen voorzegd beeft, dat eenigen van hen voor het katholiek geloof hun bloed zouden vergieten, hetgeen is be* waarheid is geworden in eenigen der martelaars van Gorcum, maar ook in nog een groot getal andere priesters. Pater Sasbout wa? de oom van den eersten ?icarius-Apostolicu» na d» Reformatie, Sasbout. Vosmeer.

-ocr page 81-

— 73 —

priestër gewijd. De dag, waarop hem dit geluk te beurt viel, alsook die toen hij voor de eerste maal de H. Mis opdroeg, waren de gelukkigste zijns levens. Het scheen dat zijne ziel toen in een zee van hemelsche geneugten baadde en reeds op aarde den voorsmaak genoot van die vreugde, welke alleen door Gods engelen en heiligen in den hemel genoten wordt. Zij aan wie eenmaal ditzelfde geluk te beurt viel, of daarvan getuigen waren in een hunner bloedverwanten of vrienden, zullen wel het beste begrijpen, hoe onze Heilige toen zal gesteld zijn geweest. Inderdaad indrukwekkend is de plechtigheid eener priesterwijding en der eerste H. Mis voor iemand, die bezield is met een goed geloof, maar vooral voor hem, die de H. Wijding ontvangt. Zulk een dag wordt nooit vergeten, en zeker heeft Antonius zich dit merkwaardige oogen-blik meermalen voor den geest gesteld, vooral in de dagen, dat hij ter wille van het geloof zoo vervolgd werd en smartelijk te lijden had. Wij twijfelen er geen oogenblik aan, dat die waardige man toen hij voor de eerste maal het altaar betrad om als priester van het Nieuwe Verbond het onbloedig offer van Jezus' vleescb en bloed op te dragen, ook zich zeiven geheel en al aan God ten offer gebracht heeft en dit gedurende zijn gansche leven herhaalde, zoo dikwijls hij deze heilige handeling verrichtte. Wat toch is het leven van een priester

-ocr page 82-

anders dan eene voortdurende zelfoffering voor de eer van God en het heil zijner medebroeders ? en wat kan men van een man, zooals Antonius was, anders verwachten ?

Had hij tot nog toe tal van jaren door gebed, overweging, versterving en studie zich op eigen volmaaktheid toegelegd, nu is de tijd gekomen, dat hij als priester ook aan de zaligheid van anderen moet gaan arbeiden. De genoegelijke dagen, die hij in den hartelijken omgang met zijne ordebroeders had doorgebracht, de oefeningen van godsvrucht in een klooster zoo talrijk en zoo schoon, welke hij immer met zooveel genoegen volgde, zullen nu soms moeten onderbroken worden voor het heil der zielen. Nu zal hij van tijd tot tijd cel en eenzaamheid moeten verlaten, om in de wereld zielen voor Jezus Christus te winnen; doch beter gezegd : overal waar de gehoorzaamheid hem zond, droeg hij zijne cel, broeders, zijn Heer en God met zich in het hart. Ofschoon te midden der wereld om de plichten van zijn staat te volbrengen, deerde hem de omgang der menschen niet, maar was hg steeds dezelfde goede kloosterling en priester. Dit heeft hg getoond in al zijn werken, en wel op zulk eene wgze, dat volgens het getuigenis van Estius, Pater Antonius zelfs door vele ketters te Gorcum, toen hij daar als kloosterpater in 's Heeren wijngaard werkzaam was, hoog werd geacht, wgl zij hem

-ocr page 83-

— 7B —

voor een man hielden van oprechte deugd.

Of onze Heilige voor hg naar Gorcum gezonden werd nog op eene andere plaats gewoond heeft, is moeielijk te beslissen, wijl de noodige bescheiden daaromtrent ontbreken. Doch dit doet ook weinig af, nu wij met alle zekerheid weten, dat hij aldaar (1) in het klooster heeft gewoond en

(i) Het klooster van Gorcum gesticht in 1454, was toegewijd aan 0. L. Vr. van Bethlehem. Hel heeft gestaan op het einde van. de Arkel- en Haarstraat. Een gedeelte van de tegen-woordiga Varkensmarkt behoorde er ook bij. Verschillende malen heeft men daar ter plaatse doodsbeenderen opgedolven, afkomstig van de graven der kloosterlingen en mogelijk ook wel van eenige wereldlijke personen, die volgens toenmalig gebruik in hunne kerk verlangden begraven te worden. Dit klooster was niet groot. In 1572 kort voor de inneming der stad lelde het maar 18 religieuzen, 12 p-iesters en 6 leekebroeders, waarvan 9 priesters en 2 leekebroeders martelaars zijn geworden ; 2 paters waren een paar dagen voor de gevangenneming naar 's Bosch vertrokken. In 1577 is dit klooster tot den laat-sten steen toe afgebroken op dringend verlangen van de predikanten der nieuwe leer van Calvijn. De Staten van Holland en de Prins van Oranje hadden hem daartoe gemachtigd, vermits de toenmalige burgemeesters, naar bet scheen, daartoe niet wilden overgaan. (Een dezer burgemeesters Hendrik Pieck, katholiek, was een neef van den gardiaan Nic. Pieck. Na 1605 werd geen katholiek meer ais lid van den gemeenteraad toegelaten, of hij moest, zou men in onze dagen zeggen, liberaal-katholiek zijn. «Liefhebbers des Vaderlands, beminders en de geaffectioneerde tot de Gereformeerde religie ende goede pa-

-ocr page 84-

vele jaren verbleef, ofschoon men niet kan zeggen in welk jaar hii daar is gekomen. Zijne zending naar Gorcum was niet het werk der menschen maar van God, die voor Zijne eer en tot luister Zijner Kerk altijd de juist» mannen weet te kiezen, die, door zijne genade gesterkt, tot elke opoffering bereid zijn en zelfs niet schroomen, als het noodig is, uit liefde tot Hem hun bloed en leven veil te hebben. Zulk een man, was zooals wij gezien hebben. Pater Hieronymus, maar ook niet minder onze Antonius. Trouwens hij was met den ongelukkigen toestand van Gorcum reeds ten volle bekend, voor hij er misschien nog aan dacht, ooit een voet in die stad te zullen zetten. Doch nauwelijks heeft de gehoorzaamheid zich doen hooren, ot de kloekmoedige man is bereid, om zjjne medebroeders behulpzaam te zijn en naar z^n vermogen den op hunne schouders zoo zwaar drukkenden

Iriollen enz. Zie van Zomeren bl. 539.) De plaats, waar het klooster gestaan heeft, is nu door particuliere woningen bezet. Toen in 1534 te Weert de pest was uitgebroken, waaraan zeer veel menschen stierven en ook acht paters, die hun de H. Sacramenten hadden toegediend, kwam de gardiaan van hel Gorcunisclie klooster, Albertus van Gouda genoemd, naar Weert om de nog overgebleveo paters in hun liefdewerk bij te sUan. Ook hij bezweek aan de pest als martelaar der liefde, om zoo te zeggen in den vooravond der geboorte van den bloedgetuige Nie. Pieck, die hem laterals gardiaan te Gorcum is opgevolgd.

-ocr page 85-

— 77 —

last te helpen verlichten. Dat hem te Gorcum niet vele genoegelijke dagen wachtten en hij in zjjne heilige bediening ter oorzake van de ketteri] en het verval der goede zeden aldaar vele moeielijke en onaangename gevallen zoude ondervinden, begreep hij zeer goed. Doch zonder een oogenblik te dralen gaat hg, waarheen de gehoorzaamheid roept, overtuigd dat met den wil zgns oversten te volgen hij volbrengt wat God zelf van hem verlangde. Zonder twgfel toonde Antonius door deze bereidvaardigheid een man te zijn, die zijn plichten als religieus volkomen begreep en met de meeste nauwgezetheid wist te volbrengen. Wie zou hem daarom niet moeten prijzen ? Doch hoe meer zal onze bewondering en achting voor zijn persoon stggen, wanneer wij in aanmerking nemen, dat hij niet zooals zijn heilige stadgenoot Hieronymus eene krachtige gezondheid genoot. (1). Een woord van den heilige zou daarom wellicht reeds voldoende geweest zijn, om den overste te bewegen een meer geschikten werkman in zijne plaats naar Gorcum te zenden, om daar den zoo verwilderden zielenakker te helpen herstellen. Doch verre van daar ; zulke gedachten kwamen niet eens in zijn geest op. Juist in de

(1) Uil hel werkje van Pater Boener, reeds vroeger vermeld, blijkt, dat Pater Antonius van Weert niet sterk moet geweest zijn, want hij heeft een tenger voorkomen. Pater Hieronymus daarentegen was een krachtig gebouwd man.

-ocr page 86-

— 78 —

moeielgkste en lastigste werken vond hg zijn behagen, want waar het de eer van God en de zaligheid der zielen gold, rekende hij het een groot geluk iets te mogen doen. Wij zien hiervan de be-wijzen in de schoon e lofspraak van Estius en andere schrijvers, die hem allen uit een mond noemen, gt;een uitstekend lid van de orde van den H. Franciscus en een onvermoeiden arbeider in 's fleeren wijngaard.quot; Op een andere plaats (3e boek hoofdst. 7) zegt Estius. »De levenswijze van Pater Antonius was zeer vermoeiend en zijne versterving zeer streng.quot; Deze lofspraken bezitten des te meer waarde, omdat zij voortkomen uit den mond van een man die èn door geleerdheid en door godsvrucht alom bekend is en Pater Antonius persoonlek gekend heeft.

De Heilige dan begeeft zich op weg, niets jter wereld kon hem weerhouden, 's Heeren stem had hem evenals den jongen Samuel geroepen : met Samuel had hij geantwoord: hier ben ik ; spreek Heer! uw dienaar luistert (l B. d. Kon. 3.) Gezegend zij God ! mogen wij hier uitroepen, die den Provinciaal-overste de gedachte ingaf dezun kloeken Weertenaar naar Gorcums vesten te zenden, want daaraan dankt de Kerk van Nederland in Antonius een Heilige te meer, en daardoor verkregen de inwoners van Weert in hunnen stadgenoot een tweeden machtigen voorspreker bij God.

-ocr page 87-

— 19 —

Toen Antonius de plaats van zijne bestemming bereikt had, wordt door zijne medebroeders met de hartelijkste genegenheid ontvangen als ware hen een engel uit den hemel gezonden. Eenigen hunner kenden reeds zijne deugd en zijn ijver voor Gods glorie, de anderen, die hem niet kenden, hadden er van hooren spreken, doch nu zullen ook zij er ooggetuigen van worden. De waardige zoon van den H. Franciscus gaat uit om in naam van zgn Goddelijken Meester het geestelijk zaad in de harten te strooien. Door woord en voorbeeld zal hg de

I goede geloovigen van Gorcum versterken, de wan goede geloovigen van Gorcum versterken, de wan

kelenden ondersteunen en de dwalenden op den rechten weg brengen. Allen wil hg naar ziel en lichaam gelukkig maken. Zijne goedaardigheid en minzaamheid in den omgang, zgn verstorven voorkomen maakten al spoedig een goeden indruk; inderdaad hij had, om ons van de gewone spreekwijze te bedienen, een eigenaardige bevalligheid aan zich, die zelfs op personen, die der Kerk vijandig waren en de priesters en kloosterlingen beschouwden als een soort van onmenschen, allerganstigst werkte. Immers, zooals wij reeds boven gezegd heb

ben, Estius verklaart, dat Pater Antonius om zijne hooge deugden niet alleen bg de vrome katholieken, maar zelfs bg vele kalvinisten in hooge achting stond. Zijn deugd had niets sombers of treurigs. In zgne gesprekken schemerde een ongedwon-

-ocr page 88-

-SO-

gen en mededeelende vroolijkheid door, terwijl nochtans die opgeruimdheid des geestes altijd gepaard ging met een ongekunstelden en deftigen ernst. Op het voorbeeld van alle waarlijk heilige zielen droeg zijn gelaat nimmer een teeken van droefgeestigheid ; integendeel altijd vol moed zelfs te midden der vele onaangenaamheden, die hi) in zijne heilige bediening ondervond, stelde hij zijn eheele hoop en vertrouwen op God. Daarom dan ook mocht Estius zeggen, gt;dat Antonius hoezeer ook door bezigheden overladen en afgemat, evenwel deze door zijne opgeruimdheid des gemoeds verzachtte. Gebeurde het soms, dat de menschen hem onderhielden over zijne gestrenge levenswijze en versterving, dan wendde hg het gesprek op een ander punt of wist op eene gepaste vroolijke wijze hen af te leiden, zoodat hij op behendige wyze zijne gestrengheid bedekte. Hij deed dit met geen ander doel dan om hen uit zijne opgeruimdheid te doen denken, dat hij zoo streng niet leefde als zij meenden, en het er nog ver van af was om den naam van heilig te verdienen. Op deze wijze zien wij altijd den waren heilige handelen, hij beschouwt zich als den minste en onwaardigste van allen, houdt ieder ander voor veel volmaakter dan zich zeiven. Hiervan vinden wij een voorbeeld in den heiligen Vader Pranciscus, die zich den grootsten zondaar der wereld noemde en zich ook werkelijk daarvoor

-ocr page 89-

— 81 —

hield, zooals wij in zijn levensbeschrijving lezen. Toen namelyk deze Heilige eens door een zijner metgezellen gevraagd werd of hij werkelijk meende zoo groote boosdoener te zijn, als hij zeide, gaf hij tot antwoord: »ja mijn broeder, want als God aan een anderen zondaar die genade in zoo groo-ten overvloed hadde gegeven, als Hij aan mij heeft verleend, dan zou die mensch er meer goed mede gedaan hebben dan ik.quot; Dat de heiligen zoo spraken, komt voort uit hunne diepe ootmoedigheid, wijl zij diep doordrongen wareu van hunne nietigheid en de heiligheid van God. Het is dus begrijpelijk, dat ook onze Antonius zoo sprak, wijl hij immer geringe gedachten van zich zeiven had. Doch, al wilde hij voor geen heilige gehouden worden, de achting, die men voor hem had, verminderde er niet in het minste door, maar vermeerderde integendeel. En hoe kon het ook anders ? Zijne werken voor de eer God en het heil der zielen konden niet verborgen bljjven, maar gaven luide getuigenis van zijn heilige meening en oprechtheid des harten, waarmede hij te werk ging. Trouwens gedurende al den tijd, dat hij te Gorcum in bediening was, toonde hij, dat het hem niet om de gunst der menschen te doen was maar om hunne zielen zalig te maken. Want ofschoon hjj aldaar door vele kalvinisten zelfs geeerd werd als een braaf en oprecht priester, spaarde hg hen

-ocr page 90-

— 82 —

evenwel niet, ze^t Estius, hierdoor willende te kennen geven, dat Pater Antonius hoe zachtmoedig, medelijdend en toegevend ook voor anderen, noch-thans wat het geloof en de goede zeden betrof geen haarbreed van zijn plicht afweek. Als men hem op den preekstoel over de waarheden van het katholiek geloof hoorde spreken, dan zou men niet gezegd hebben, dat hij dezelfde man was, die in zijn gewonen omgang altijd zoo bedaard en eenvoudig was. Met onverschrokken kracht en moed bestreed hij dan de ketterjj, weerlegde de valsche leerstellingen der zoogenaamde evangelie-predikers, en toonde door de duidelijkste bewijzen aan, dat de waarheid alleen in de Roomsch-katholieke Kerk gevonden wordt en buiten haar geen zaligheid te vinden is.

Vooral dan toonde de Heilige zijn ijver voor het katholiek geloof, wanneer hij bemerkte, dat zich onder zi]n gehoor een of meer personen bevonden, welke de dwaalleer aankleefden, of die hij als zoodanig verdacht hield wegens hunne onverschilligheid in het waarnemen hunner christelijke plichten, alsook om den te gemeenzamen omgang met de ketters. Het lag wel niet in zijn aard om iemand in het openbaar te berispen ; toch spaarde hij, zooals Estius zegt, de ketters niet, en bestreed hij met de onverwin-nelijke wapenen van het Evangelie de dwaling en hare aanhangers. Dit deed hij evenwel niet op bitsigea

-ocr page 91-

— 83 —

toon, maar gelijk een teerminnende vader, die zijn afgedwaalden zoon met de teederste woorden toespreekt, hem zijn ongeregeld leven voor oogen houdt, doet gevoelen wat smart hij hem veroorzaakt, en hem daarom dringend aanmaant zgn gedrag te verbeteren. Wel bleef het liefdevolle woord van den ijverigen Pater bij velen zonder goede uitwerking, omdat zij geheel verblind en verstokt waren ; maar toch gebeurde het meermalen dat deze of gene, met wien het zoover nog niet gekomen was, naar zijne zalige vermaningen luisterde, de dwaling afzwoer, en voortaan als een goed katholiek ging leven. Trouwens wij weten, dat het vooral aan den ijver der priesters en kloosterlingen, destijds te Gorcum in bediening, te danken is, dat ondanks de verleidingen der geuzen gebezigd om door beloften en geschenken het volk tot afval te brengen, de groote meerderheid toch aan de moederkerk getrouw bleef, al mocht dan soms op den ijver voor het geloof bij eenigen nog al iets aan te merken vallen. De geuzen beproefden niet alleen om de katholieken tot de nieuwe leer over te halen, maar deden ook, volgens Estius' getuigenis, hun uiterste best om deze of genen priester voor hunne party te winnen. Zy beloofden hem groote tijdelijke voordeelen, eerambten of een winstgevende predikantspiaats, indien hg de paap-sche religie afzwoer en voortaan het Evangelie

-ocr page 92-

— 84 —

wilde prediken naar de verklaring hunner leeraars. Zulk een aanbod werd aan pastoor Leonard Vechel, den gardiaan Nic. Pieck, Pater Hieronymus van Weert, Pater Antonius van Weert, en wie weet aan hoeveel andere geestelijke personen gedaan. Wij hebben echter niet gelezen, dat van de bijna dertig geestelijken die te Gorcum in bediening waren, een is afgevallen. (1) Zij die zich te zwak rekenden om den marteldood te onderstaan» verlieten bijtijds de stad, en de drie, welke het ongeluk hebben gehad van ontrouw te worden» zijn niet te Gorcum, maar eerst te Brielle, en dan nog wel alleen uit vrees van den dood, bezweken. Ook Pater Antonius heeft men op de proef willen stellen. Op zijn persoon hadden de ketters het dan ook bizonder begrepen, aangezien zij hem, zooals wij reeds gezegd hebben, beschouwden als een man van oprechte deugd. Voorzeker zou de afval van zulk een beminden en jjverigen kloosterling voor hunne partij eene schoone overwinning geweest zijn, wijl dan menige katholiek hem wellicht zou gevolgd zijn. Doch toen zij hem op den preekstoel

(1) Te Gorcum waren in die dagen in het geheel 28 priesters, te welen : 12 Paters minderbroeders, 13 kanunniken in de groote kerk, waaronder pastoor Leonard Vechel, een onderpastoor Nic. van Poppel, een rector der Augustinessen, Joannes van Oosterwijk, en een rustend pastoor Godefridas van Duijn of van Duijnen,

-ocr page 93-

— 85 —

zoo herhaalde malen tegen de ketterij hoorden te velde trekken en met allen ijver en vuur voor het katholiek geloof strijden, begrepen zij wel, dat alle pogingen op zulk een onverschrokken prediker schipbreuk zouden lijden. Zij gaven daarom de hoop op en vielen den heiligen man in het vervolg niet meer lastig.

Doch Antonius beijverde zich niet alleen om de afgedwaalden op den rechten weg terug te brengen of de waarheden des geloofs grondig te bewijzen en te verdedigen tegen de dwaalleeraars, maar hij sprak ook als een waar apostel over de misbruiken en ondeugden, die onder de katholieken bestonden. Trouwens de zedeloosheid was in die dagen zeer algemeen en ook te Gorcum geen zeldzaamheid. Zgne levensbeschrijvers zeggen, dat hij daaromtrent niemand ontzag, want de ondeugd verfoeide hij evenzeer als de ketterij. Zoowel de rijken als de armen, de aanzienlijke als de mindere standen deed hi) gevoelen wat zij te doen hadden ; daarbij wekte hil zijne toehoorders gestadig op om hunnen afgedwaalden broeders een goed voorbeeld te geven van deugd en ijver voor het geloof. Zeldzaam, zegt Es-tius, zou hij zijn preek eindigen alvorens allen te hebben aangespaard om veel te bidden voor de vervolgde Kerk en de bekeering der ongelukkigeu, die haar vervolgden. Met klem en vuur drukte

6.

-ocr page 94-

— 86 —

hij den nog getrouw geblevenea op het hart, toch geene bizondere vriendschap of gemeenzaamheid aan te gaan of te onderhouden met de ketters, wijl dezen door hun afval hunne heilige moeder bedroefden en onteerden en zoo ontaard waren dat zy haar, die hun het leven der ziel had geschonken en van wie zij alle geluk en zegen hadden ontvangen, nu met ondankbaarheid bejegenden Dat Antonius zoo sprak, moet ons niet verwonderen, want als man van ondervinding had hij, vooral te Gorcutn, een groote kennis van het menschelijk hart opgedaan, en wist hij daarom, dat niets zoo aanstekelijk werkt als een te vrije gemeenzaamheid met personen van bedorven zeden of van hen, die zulke leeringen aannemen, welke Ijjnrecht in strijd zijn met de leer der katholieke Kerk. Wij ge-looven dan ook vastelijk, dat onder de voornaamste oorzaken vau den afval te Gorcum en op andere plaatsen ook deze behoort, dat men met de vijanden van Gods Kerk, meestal uit kettersche landen afkomstig, veel te gemeenzaam was. De geuzen maakten er hun werk van de geestelijke personen in minachting te brengen bij de geloovigen. Zij strooiden van hen allerhande leugenachtige praat-tjes uit, en dat op eene wijze, die de lachlust op wekte, maar daarom juist des te gretiger ingang vonden, vooral bij menschen, die lichtgeloovig, in hun godsdienst weinig onderwezen waren of naar

-ocr page 95-

— 87 —

«en gemakkelijk en zinnelijk leven verlangden. Immers men vond in die dagen ook onder de voorname lieden van het land een niet gering getal die, niet om de wille der waarheid of godzaligheid, zooals men toen zeide en nog dikwijls hoort, maar om tijdelijk gewin de oude moederkerk vaarwel zeiden en zicli bij het leger der nieuwe hervormers aansloten. Na hunne goederen en gelden ten gevolge van een verkwistend en losbandig leven te hebben verbrast zochten zij in de nieuwe leer een middel om hunne vervallen grootheid zoo goed mogelijk te herstellen, en men moet met da schrijvers over dit tijdvak zeggen, dat het met menigeen naar wensch gegaan is. Het geheele doeleinde van hunne beweging was, zegt Cachard, om de rijken arm en de armen rgk en de goederen gemeen te maken. (Relation des troubles de Gand. bl. 23. 35).

Pater Antonius had nog een andere reden, waarom hjj zijn katholieke toehoorders zoo waarschuwde voor de vriendschap met de ketters. Tijdens den beeldstorm te Gorcum in 1566 was hij getuige geweest van een aanval, door de geuzen op zjjn klooster gedaan ; (1) later vernam hjj ook, op wel-

(i) Tijdens den beeldstorm bebben de geuzen in het min-dérbroedersklooster veel sebade aangericht; doch in de grooia kerk nog meer. Voor honderden guideni bebben zij daar vernield en geroofd. Het 0. L. Vr.-altaar, een waar kunststuk,

-ocr page 96-

— sa

ke schromelijke wijze zij hadden huisgehouden in de groote kerk, toegewijd aan den H. Martinus van Tours en den H. Vincentius (l). Toen leerde

dal veel waarde had, werd geheel verbrijzeld. Hel slelile voor de slam van Jesse, zegt \an Zomeren (hl. 15 Gesch. v. Gor-cum). Bet evens dit zijn nog andere altaren geschonden, alsook eenige scbilderslukken, heiligen heelden en andere kerkelijke meubelen en sieraden. Ook hebben zij volgens denzelfden schrijver (hl. 20) verscheidene zilveren doozen met reli-quien geroofd. Dit alles is geschied, luen de stad nog in spaansche macht was, een jaar voor de komst van Alva. De muren der grooie kerk, kunstig beschilderd mot tafereelen uil hel 0. en N. Testament, werden met een dikke laag kalk bestreken, toen de kalvinisten haar in . 4572 in gebruik namen. Bij bet afbreken dar kerk in 1844 kwamen de schilderingen te voorschijn en werden gecopieerd, zegt Van der Aa; de copiën zijn verzonden naar het Museum van Prins Maurits te 's Hage. (Zie over deze copiën prof. W. Moll, Kerk. Gesch. 2e dl. 3e stuk bl. 187).

(■I) De gioote Collegiale kerk was een hecht en fraai gebouw. Onder beer Jan van Arkel IX, bijgenaamd »de Sterkequot; zoon en opvolger van Jan van Arkel VIII, stichter der stad io 1230, werd zij in 1263 plechtig geconsacreerd. Er hebben 24 altaren in gestaan, bet eene al schooner dan het andere. Zij bezat vele goederen en i nkomsten, meest daaraan vermaakt door de beeren van Arkel lol luister van den katholieken godsdienst. Van 1572 lol 1844 heeft zij tot protes-tantsche kerk gedietid; in dit laatste jaar werd zij afgtbroken en een nieuwe in de plaats gebouwd, welke in 1851 in gebrul 's genomen. Bij het af breken van den preekstoel ont-

-ocr page 97-

— 89 —

hij eerst voorgoed die mannen kenner, welke men nu nog gaarne de grondleggers van de christelijke en maatschappelijke vrijheid pleegt te noemen.

Wellicht had de goedaardige man tot nog toe niet gedacht, dat de volgelingen der nieuwe leer zoo boosaardig zouden zijn, om hen, die niet verkozen hen te volgen, waar zij wilden gaan, op zulke gruwzame wijze te krenken, door hunne aan God geheiligde plaatsen op zoo heiligschendende wi]ze te onteeren, en die misschien oog verder zouden gegaan zi]n, indien zij niet uit vrees voor de katholieken en vooral voor de soldaten van den

dekte men op een der pilaren, waartegen hij gestaan had, nog een rood igl kruis als teeken der wijding der kerk ; wel een bewijs, dat het dezelfde preekstoel was, waarop onze heilige martelaren zoo dikwijls Gods woord verkondigd hebben. De laatste preek werd gehouden door pastoor Leonard den 9en Juli, zijnde hel feest van 0. L. Vrouw Bezoeking. De martelaren waren toen reeds gevangen op het kasteel, maar hij had op verzoek van eenige katholieken en goedgezinde kalvi-nisien van Brant, kapitein der watergeuzen, verlof bekomen, om de twee katholieke burgers, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben, lol den galgdood voor te bereiden. Hij bleef daarna nog vrij en op belofle van hel zuivere evangelie te verkondigen werd hem toegestaan in de groote kerk le prediken. De keltet s verwacblten een preek volgens Lui her of Calvijn : doch Leonardus, verkondigde ofschoon niet zonder groot levensgevaar, de lof van Maria en moedigde zijne toehoorders aan, om liever te sterven dan het katkoliek geloof te verzaken.

-ocr page 98-

— 90 —

dapperen drossaard Gaspar Turck, commandant van de stad en het kasteel, hun wandalisme gestaakt hadden (1). Antonius heeft ook bijgewoond, dat de geuzen herhaalde malen 's nachts de glazen verbrijzelden in de pastorie van pastoor Leonardus en zelfs, dat die goede herder, eens van de bediening eens zieken met het Allerheiligste terugkeerende, door baldadige geuzen op klaarlichten dag werd bespot en mishandeld, Ja, het ging zelfs zoover dat, gelijk Estius verhaalt, de onderpastoor Nic. van Poppel het Allerheiligste 's nachts niet meer in de kerk vertrouwde en het daarom alle avonden bracht in het huis van de ouders van Estius (2) niet ver van de kerk, om het daar te bewaren tegen vermoedelijke

(1) De beeldstorm geschiedde bij overrompeling ; noch ia het kloosler, noch in de parochiekerk bad men er aan gedacht, anders zou men op zijn hoede zijn geweest.

(2) Dit huis bestaat nog, doch is later merkelijk verbouwd. Het was het stamhuis der familie van Est te Gorcum. Die familie is echter oorspronkelijk van de heerlijkheid Est bij Tiel, waarvan hunne voorzaten heeren waren. Het buis staat op den boek van de korte Hoogstraat en Tinnengietersteeg. In de voorpui leest men op een steen : «Vreest den Heer, doet Hem eer, want den dach van sterven baast Hem zeerquot; ; verder het jaartal 1566 en daaronder : «Dit is in Betblemequot; benevens eene afbeelding van de gehoor Ie des Zaligmakers. Volgens het jaartal is bet gebouwd in hetzelfde jaar, dat de beeldstorming heeft plaats gehad, die te Gorcum denkelijk •mstreeks de laatste helft van Augustus gebeurd is.

-ocr page 99-

heiligschennis der ketters. Welk een toestand heeft dus Antoniua beleefd ! Is het dan wel wonder, wanneer wij hem zoo tegen de ketterij zien optreden en hen, die nog goed waren, met kracht vermanen, om zich te wachten voor menschen, die zoo gesteld waren, die zij het Heilige der heiligen niet ontzagen. Met recht mocht hij zoo spreken, te meer omdat het te voorzien was, dat, als zij eenmaal geheel meester zouden zga, nog veel verder zouden gaan, want zij hadden vast besloten den katholieken godsdienst met wortel en tak van den vaderlandschen bodem uit te roeien.

Ofschoon de ketters bij de komst van den hertog van Alva, die in 1567 door koning Philip II als landvoogd over de Nederlanden was aangesteld, hunne woestheid zooveel hadden ingetoomd, dat nu alle twist voorgoed geeindigd scheen (1), zoo vertrouwden nochtans de geestelijken en andere wijze mannen hen niet. Zij begrepen zeer goed, dat die uiterlijke rust slechts gedwongen fraaiheid was, en in dit gevoelen werden zij nog meer gesterkt, toen zij ondervonden, dat de ketters niet nalieten, bij zekere gunstige gelegenheden, hunne plannen ia het geheim voort te zetten. Het eenigste doel der ketters was en bleef, den katholieken godsdienst en het wettig gezag des konings zooveel mogelyk te onderinjjnen en allengskens ge-(1) Zie Strade Ve boek bl. 408.

-ocr page 100-

92 _

heel te vernietigen. Wij lezen wel bij Estius, dat te Gorcum en elders velen van hen die afgevallen waren, tot de moederkerk terugkeerden, maar wij zien ook bij denzelfden schrijver, dat, toen de toestand der geuzen in 1572 ten hunnen voordeele zoo was veranderd, dat zij zelfs meester waren geworden van bet land, velen dier zoogenaamde bekeerlingen weer kleur bekenden voor de kalvinis-ten. Toen Gorcum in de handen der watergeuzen was gevallen en deze het kasteel binnendrongen, zag men onder hen ook eene menigte van dit soort bekeerlingen zoowel van den meer gegoeden als minderen stand. Een hunner roemde er zelfs op, dat hij den hoofdman der watergeuzen nu met dezelfde flambouw voorlichtte (1), waarmede hij op Heilig Sacramentsdag in de processie had gegaan. Hij voegde er spotsgewijze nog bij: »Ziet, ze brandt nu toch evengoed als te voren bij de processie.quot; Een ander, en nog wel een aanzienlijk burger, dreef zijn tergenden spotlust nog verder. Toen hij den onderpastoor Nic. van Poppel opmerkte, zeide hij hem, »zie, paapje, nu is uw rijk uit ; weet gij nog wel, dat gij, toen gij met uw Mahomed (eene godslasterende uitdrukking voor het H. Sacrament) langs de straten ging, in mgn huis loerde om te zien, of ik of een der mijnen

(1) Hal was loen omslreeks middernacht.

-ocr page 101-

— 93 —

wel netjes neerknielde.quot; Men trof onder dat soort nieuwbekeerden zelfs personen aan, die, zooals wij reeds in het leven van den H. Hieronymus «er-meld hebben, in menig opzicht de soldaten van Lumeij in wreedheid en brooddronkenheid overtroffen.

Vooral de Minderbroeders vertrouwden die stil-houdendheid der ketters niet ; zij hielden de rust, welke op Alva's komst volgde, meer voor een wapenstilstand van den kant der ketters dan voor een terugkeer tot de goede orde. Zoo lezen wij onder anderen, dat de goede Pater Nicasius van Heeze, als met prophetischen geest bezield, den naderenden storm van den kalvinistischen opstand en de wreede geloofsvervolging van 1572 met volle zekerheid aankondigde (Estius 3e boek hooldst. 14 lat. uitg. 1655). Deze voorspelling deed hij korten tgd, nadat de eerste onlusten der geuzen in 1566 onderdrukt waren, en de kerk in Nederland tot zulk een rust was teruggekeerd, dat de katholieken alle vrees van verdere storing van den godsdienst hadden afgelegd, meenende, dat nu Alva maar in het land was, de kracht der oproerlingen geheel gebroken en hunne partij ten eenemale onderdrukt zou zijn. De heilige en geleerde man wilde de katholieken, die al te veel vertrouwen stelden, op een betere toekomst, van hunne dwaling genezen, en zeide daarom, »dat zij zich met kracht moesten

-ocr page 102-

wapenen en met allen ijver voorbereiden tot den strijd die hen zeker wachtte doch, voegt Estius daarbij, gt;men sloeg geen geloof aan zijn woord, en er waren er zelfs, die den spot met hem dreven, als hij daarvan sprak.quot; Vijf jaren later ondervonden zij echter, hoe juist de voortreffelijke Pater gezien had. De andere priesters en zielzorgers te Gorcum waren van hetzelfde gevoelen als Pater Nicasius (1) ; zelfs onderhielden zij elkander dikwijls

(1) Deze geleerde en heilige man is in 1322 (e Heeze, een dorp bij Eindhoven, geboren. Voor hij minderbroeder werd, bad hij den graad van baccalaureus bekomen aan de beroemde Universiteit van Leuven. Zeer ervaren was hij in de H. Schrift, zoodal Ëstius verhaalt, dat hij de psalmen van David, de boeken van het Nieuwe Testament, vooral de brieven der Apostelen, zonder bijna een oogenblik te aarzelen, kon opzeggen. Mgr. De Ram z. g. Rector magn. der Universiteit zegt, (in zijn Martijrs de Gorcum, pag. 42) dal Pater Nicasius, een der beste en meest geliefde sludenleti was van den geleerden boogleeraar Martinus Rijthoven, naderhand de eerste bisschop van Yperen, De heilige vertaalde voor zijne biechtelingen te Gorcum eenige geestelijke werkjas en leidde ben tot hooge volmaaktheid op. Hij was zeer gezocht voor bet geven van goeden raad en voor bel vertroosten der bedroefden. Zijne preeken waren wel wal te boog en daarom minder toegankelijk voor bet gewone verstand der menigte, maar om hare hoogere vlucht voor anderen ook rijker in opwekking (Zie hel leven des heiligen, gedr. te Haarlem, kerk. goedgekeurd 1881). Hij dronk nooit wijn dan uit noodzakelijkheid van ziekte of zwakte en zorgde altijd voor

-ocr page 103-

over de mogelijkheid, dat eenigen hunner voor hA geloof zouden sterven, en zoo spraken zij reeds in de dagen, toen de meeste burgers meenden, dat nu alles in rust en vrede zou blijven.

Wij hebben reeds gezien, dat de geestelijken

anderen nooil voor zich zeiven. Toen hij van het klooster van Leijden naar dat van Haarlem verhuisde, alwaar hij biechtvader werd van de Barrevoeter-Nonnen, die tot den derden regel van St. Franciscus behoorden, bracht hij niels anders mede, dan zijn brevier en twee zakdoeken ; zoozeer beminde bij de heilige armoede. Als hij in den btorngaard eenige afgevallen vruchten opraapte, dan gaf bij die aan de zieken en aan andere zusters. Dit lezen wij in de getuigenis van een der zusters van Haarlem, Crijnigen Gerrits, die in lS6i oud zijnde zestien jaar, onder Pater Nicasius, ha-e professie beeft gedaan. Dezelfde zuster, den 23e Mei 1628 nog in leven, heeft toen onder eed de verklaring afgelegd van het heilig leven van Pater Nicasius. (Zie hetzelfde leven als boven bl. T en 14). In 156S is bij naar het klooster van Gorcum gezonden. Bij zijn marteldood was bij van denzelfden leeftijd als Pater Hieronymus. In zijn geboorteplaats wordt zijn feestdag jaarlijks met den mee^len luister gevierd; van heinde en verre komt men den Heilige vereeren, en naar men ons beeft verzekerd, wordt daar die dag als Zondag gevierd. Volgens zeggen van den kerk. geschiedschrijver Schutjes z. g. (Bisdom van 's Bosch) is door wijlen pastoor Gast in 1867 bet plekje grond aangekocht, waarop het buis gestaan beeft, waar de Heilige geboren is, ia bet gehucht Kreijl onder Heeze. Ia de kathedrale kerk te Haarlem is een schoon beeld van den H. Nicasius opgericht door de vereeniging tot vereering der H. H. martelaren van Gorcum.

-ocr page 104-

— 96 —

zoo wereldlijke als kloosterlingen, ondanks dien zoogenaamden vrede, wel reden hadden, de geloo-vigen dringend te vermanen en te waarschuwen voor de huichelarij der ketters en ook aan te sporen om door hunne werken een grooten ijver te betoonen voor het geloof. Dat ook Pater Antonius op het voorbeeld van zijne medebroeders al zijne krachten heeft ingespannen om de Gorcumsche katholieken te overtuigen, dat de ketters, als er zich voor hen een goede gelegenheid aanboodt, weer zouden opstaan en dan nog erger, dan zij tot nog toe gedaan hadden, zouden handelen, behoeft niet gezegd te worden. Trouwens wij lezen, dat ook hij meermalen in zyne preeken die nabijzijnde vervolging des geloofs heeft voorzegd.

Zeer veel goed heeft onze Heilige gedaan voor het tijdelijk en eeuwig geluk der inwoners van Gorcum gedurende de jaren, welke hij daar als werkman in 's Heeren dienst heeft doorgebracht; doch zijn ijver bepaalde zich niet bij de burgers dezer stad alleen, neen, ook op de dorpen van den omtrek ging hij zijn apostolischen arbeid verrichten (1). Zulks deelt ons Estius met weinige maar

(■1) Ook de dorpen in den omtrek van Gorcum waren door de letlerij aangetast. Van Dordrecht af lot Varik over Bommel, zijnde een afstand van ongeveer 9 uren, trefl men, behalve te Gorcum, geen enkele Roomsche Kerk aan. Op een groot getal dorpen van den polder rondom Gorcum woon! zelfs geen enkele katholiek.

-ocr page 105-

— 97 —

veel omvattende woorden mede, wanneer hg schrijft: »Pater Antonius ging van dorp tot dorp om in naam van zijn Goddelijken Meester het geestelijk zaad in de harten te strooien.quot; Hij beschouwde de verkondiging van Gods woord als een der noodzakelijkste en geschiktste middelen, om de zielen tot God te brengen. Dit was vooral in zijn ti)d het geval, toen de kennis van den godsdienst bij een groot getal katholieken veel te wen-schen overliet. Daarom was hij, zoo dikwijls de overste hem daarmede belastte of hem een andere taak van de priesterlijke bediening oplegde, aanstonds bereid, onverschillig of hij in de stad of de dorpen arbeiden moest, want hij rekende alle werken tot eer van God gedaan, groot en verdienstelijk. Ofschoon hij niet van de sterksten was, spaarde hjj zich evenwel niet, en verdient dus wel een onvermoeide arbeider in 's Heeren dienst genoemd te worden.

Van zijn talent als prediker vinden wij wel geen bizonder gewag gemaakt, zooals wij zulks lezen van zijn stadgenoot Hieronymus, die daarmede buitengewoon bedeeld was ; nochtans kan men uit Estius genoeg bemerken, dat deze voor den priester zoo schoone gave ook hem niet ontbroken heeft Immers wij lezen, dat het volk hem gaarne hoorde en zijne preeken en onderrichtingen vele vruchten in de zielen hebben voortgebracht. Pater

-ocr page 106-

— 98 —

Antonius was volgens onze gewone manier van spreken, een echte volksman, dien men overal gaarne zag komen, terwijl nog lang na zijn vertrek de duidelijkste sporen van zijne schoone woorden en voorbeelden in de harten der vrome christenen overbleven. Zij, die hem hoorden preken, waren overtuigd, dat de vermaningen en lessen, welke hij gaf, uit een welmeenend hart voortkwamen en dat hij zelf reeds lang te voren in beoefening had go-bracht, wat hjj aan anderen als plicht voorhield. Vandaar dat zelfs vele ketters hem zeer genegen waren en, zooals wij reeds uit Estius vermeld hebben, voor een degelijk man en oprecht priester hielden.

Hij maakte er in zijne preeken ook veel werk van, de geloovigen op te wekken tot de beoefening des gebeds, overtuigd als hij was, dat dit het noodzakelijk middel is om in de wereld de zaligheid te bewerken. Meermalen herhaalde hij de woorden van den H. Chrijsostomus: «dat het onmogelijk is om zonder te bidden een deugdzaam leven te leiden, wjjl het gebed de bron is van alle goederen, de grondslag en wortel van een eerbaar en lofwaardig gedrag.» Indien hij soms ook over een andere stof sprak, toch zou hij niet achterlaten, voor hij eindigde, zijne toehoorders op te wekken om zich ia een vurig gebed tot God te wenden. Dit deed hjj niet alleen in de laatste dagen voor de treurige ge-

-ocr page 107-

— 99 —

loofsvervolging, maar reeds lang te voren. lt;Meer dan ooit is het noodig, zeide hij dikwijls, veel en goed te bidden, wijl de dagen bang en boos zijn.» «Het scheen, zegt Estius, alsot Pater Antonius door eene goddelijke ingeving een voorgevoel had van de nabijzijnde vervolging en treurige verwoesting der Kerk in Nederland. Dikwijls hoorde men hem zeggen : «het zwaard is reeds aan den hals en de bijl aan den wortel van den boom gelegd.» Hiermede wilde hij den katholieken op het hart drukken, dat zij met alle vurigheid de genade eener standvastige volharding moesten atsmeeken van den Gever van alle sterkte. Wie oojr was daartoe beter in staat, ot liever, wie kon met meer recht zulke liefderijke vermaningen geven dan onze Heilige, die volgens de getuigenis van allen, die het leven der martelaren van Gorcum hebben beschreven, zich voortdurend door het gebed met God bezighield ! Tot aan het laatste oogenblik van zijn glorierijken marteldood zag men hem bidden, want toen hij reeds op de ladder stond met den strop om den hals, merkte men aan het bewegen zijner lippen nog, dat hij in gebed verzonken was, zoodat wi] kunnen zeggen, dat Pater Antonins al biddende den schoo-□en Hemel is binnengegaan.

Wij hebben reeds gezien, hoe groot zijn ijver was voor bet heil der zielen, maar de liefde en genegenheid voor zijne kloosterbroeders was niet

-ocr page 108-

—100—

minder. Hij gaf hun daarvan de duidelijkste bewijzen en bood hun zijne diensten aan, zoo dikwijls zij die noodig hadden. Zoo lezen wij, dat hij ten behoeve van het klooster bij de landlieden de aalmoezen van koren en andere benoodigdheden inzamelde. «Voor het voedsel der ziel.» zegt Estius, dat hij hun rijkelijk uitdeelde, schonken de godvruchtige landlieden hem, op hunne beurt, milde aalmoezen om in het onderhoud zijner arme kloosterbroeders te voorzien.quot; Dit lastige en moeielijke werk verrichtte hg met zooveel liefde, dat de overste door hem daarmede te belasten hem een groote gunst scheen te bewijzen.

Toen onze Heilige reeds eenige jaren te Gor-cum in bediening was geweest, zag hij tot zijn groote vreugde zijn ouden vriend en stadgenoot Pater Hieronymus aankomen, die door het kapittel der orde in 1570 tot vicarius van het klooster aldaar gekozen was. Gedurende twee jaren bleven zij als getrouwe dienstknechten van Jezus Christus in Zijn wijngaard arbeiden, tot eindelijk de dag aanbrak, waarop zij ter belooning hunner verdiensten in den hemel met de martelkroon werden versierd. Pater Antonius werd met Pater Hieronymus en zijne andere metgezellen in den nacht van den 26en op den 27en Juni te Gorcum door de geuzen gevangen genomen, in den nacht van den 5en op den 6en Juli naar Brielle gevoerd, en aldaar in

-ocr page 109-

—ini_

den vroegen morgenstond van den 9en daarop volgende ter dood gebracht. Wel had hij van de geuzen zooveel niet te lijden als zijn heilige vriend, op wien de ketters het bizonder gemunt hadden, zooals wij in het leven van dien heilige hebben gezien ; nochthans heeft ook hij gedurende veertien dagen een smartelijk lijden moeten ondergaan, hetwelk hij met alle kloekmoedigheid en geduld verduurde.

In al dien tijd toch, namelijk van het oogenblik af, dat hij te Gorcum door de geuzen werd gevangen genomen, totdat hi) in de schuur te Brielle zijn leven als martelaar aan God ten offer bracht, toonde hij geen enkel teeken van menschelijke zwakheid. Deze heldhaftigheid had een heilzamen invloed op het gedrag der jongeren. Onder dezen waren er enkelen, die bij het zien der gruwelijke mishandelingen en barbaarsche wreedheid, waarmede de beulen te werk gingen, begonnen te huiveren en erbarmelijk smeekten om het behoud van hun leven ; doch toen zij van de soldaten vernamen, dat zij dan hun geloof moesten afzweren, wilden zij liever naar het voorbeeld der andere broeders duizendmaal den wreedsten dood ondergaan dan zich aan zulk een misdaad schuldig maken. Ook zij ondergingen met geduld en kloekmoedigheid den schandelyken en smartelijken galgdood en

7.

-ocr page 110-

— 10?-

verdienden onder de Martelaren te worden opgenomen, terwijl zg de vlek hunner natuurlijke vrees door hun bloed hebben uitgewischt. Het is waar, volgaarne bekennen wi], dat God meer verheerlijkt werd door diegenen, die dit verlangen van hun tjj-delijk leven te behouden door eeue grootere begeerte naar de hemelsche glorie onderdrukten, zooals wij dit onder anderen Pater Antonius zagen doen. Doch die gesteltenis was eene buitengewone genade van God en alleen het werk van den fl. Geest, die hen als voorbeeld voor de anderen wilde stellen, opdat zij, die zwakker waren, door het zien dier onverschrokkenheid in het lijden tot een heilige geestdrift zouden worden aangespoord, om, door Zijne genade ondersteund, den natuurlijken afschrik des doods te overwinnen. Verwonderen wij ons echter niet, wanneer wij zien, dat niet allen even kloekmoedig waren als onze Hieronymus en Antonius, want de afschrik des doods is zoo diep 's menschen harte geworteld, »dat Jezus Christus zelf, onze Verlosser,quot; zegt pastoor L. Deckers, (L. d. mart. bl. 242) «bij den aanvang van Zijn bitter Ijjden heeft toegelaten, dat Hij met angst en droefheid bevangen werd, en die natuurlijke bewegingen heeft Hij gewillig aangenomen, opdat Zijne dienaars, als zij ooit door menschelijke krankheid iets dergelijks zouden gevoelen, voor wanhoop zouden bewaard en door zgn voorbeeld vertroost worden.quot;

-ocr page 111-

103 —

Wij zien dus, dat ook onze Antonius, die zulk een groot verlangen naar den marteldood had en geen enkel teeken van menschelgke zwakheid gaf, God op buitengewone wijze heeft verheerlijkt, en hij daarom met recht onder de voortreffelijkste der Martelaren van Gorcum mag gerekend worden. Hij is derhalve, gelijk wij reeds bij den aanvang van zijn levensbeschrijving zeiden, niet minder onze hoogachting, bewondering en vereering waardig dan zijn heilige stadgenoot Hieronymus.

Reeds waren zes zijner oudere medebroeders Pater A.ntonius naar den hemel voorgegaan, toen eindelijk ook hij op zijne beurt ditzelfde geluk zou deelachtig worden. Doch voor hij den bitteren lijdenskelk, hem door den Goddelijken Meester toegereikt en welken hij met beide handen aannam, tot den bodem zou ledigen, moest zijn hart nog met een scherpsnijdend zwaard van smarten doorboord worden door den jammerlijken a^val van drie zijner metgezellen uit Gorcum en van een anderen, welken hg te Brielle voor het eerst in den kerker had leeren kennen ; vooral speet het hem, andermaal den jongen broeder Henricus te zien bezwjjken. Toen de eerbiedwaardige man door den beul werd aangegrepen en naar de ladder voortgesleurd, scheen hij in den geest reeds met zijne broeders in den hemel te verkeeren. Gelijk een lam, dat naar de slachtbank , wordt geleid,

-ocr page 112-

—104—

laat hij zich door den beul zonder tegenspraak mishandelen, verheugd dat hij nu het oogenblik ziet genaderd, waarop hij het grootste bewijs zijner liefde aan God zal kunnen geven, door uit liefde tot Hem te sterven, die ook uit liefde voor alle menschen op Calvarië Zijn leven ten offer bracht. Antonius beveelt nu zijne ziel aan God, roept de voorspraak in van Maria en de andere Heiligen. Dan werpt de beul hem de strop om den hals. Even moedig als Hieronymus en zijne medebroeders, die hem waren voorgegaan, beklimt hij de ladder, steeds voortgaande met bidden, totdat de dood een einde aan zijn leven maakt, en zijne ziel ten hemel opstijgt, om daar tot loon zijner deugden voor eeuwig met de glorierijke kroon van het martelaarschap versierd te worden.

Ziedaar, geachte lezer, de voornaamste bizon derheden uit het heilig leven en den glorievollen dood van twee mannen, zooals er in deze stad tot nu toe geen grooter zgn opgestaan. Zij zijn onze glorie, onze kroon, ons sieraad zoowel in maatschap-pelijk als godsdienstig opzicht. Als onbezweken strijders van Jezus Christus, stonden zij als rotsen onwrikbaar pal in den strijd en stierven als helden om als overwinnaars gekroond te worden. De namen van Hieronymus en Antonius, moeten ons daarom het hart van geestdrift doen kloppen en met heiligen naijver vervullen. Alle Weertenaren

-ocr page 113-

— 105—

toch zijn op gansch bizondere wijze broeders en zusters van deze twee zoo hoog verheerlijkte bloedgetuigen. Op denzelfden bodem immers, welken wij thans betreden, zijn zij geboren en opgevoed. Op dezelfde wegen hebben zij zich bewogen, en zoo zij al niet op Weertschen grond den martelpalm hebben geplukt, toch hebben zij hier de grondslagen gelegd van hun heilig leven, waardoor zij die buitengewone eer waardig zijn bevonden. Dan, wij zijn met hen verbonden, niet alleen door dezelfde geboorteplaats maar vooral door hetzelfde geloof, en bijgevolg zijn zij onze machtige voorsprekers en beschermers bij God. Van uit den schoonen hemel blikken zij op ons allen en op ieder onzer in het bizonder neer ; ofschoon wel niet lichamelijk met ons vereenigd, zijn en blijven zij het nog meer door de onverbreekbare banden der genade, waarvan zij in de heerlijkheid Gods geheel vervuld zijn. Alle kinderen der Kerk zijn ook broeders der Heiligen, maar Hieronymus en Antonius zijn voor de Weertenaren meer dan voor anderen broeders en beschermers. Niet zonder reden zegt daarom wijlen Mgr. Laforet (in zijn Leven der Martelaren bl. 86) ; »Aan de stad Weert is een groote eer en geluk ten deel gevallen, dat zij twee Heiligen voor de Kerk heeft voortgebracht.quot; Doch is dit voldoende ? Geenszins, wij moeten trachten ons die eer en dat geluk waardig te maken door een echt

-ocr page 114-

—106 —

christelijk leven te leiden. Hiertoe zal de godsvrucht tot onze heilige martelaren Hieronymus en Anto-nius veel kunnen bijdragen, en ons geluk voor dit en het andere leven zal verzekerd zijn, zooals wij lezen in de bulle der zaligverklaring onzer heilige Martelaren van paus Clemens X . .. . gt;Zij zullen onze voorspraak bij ons Hoofd zjjn, die zelf geeerd wordt door den roem van hun dapper strijden, en Dien zij dag en nacht in wit gewaad in zijn tempel dienen, en zij zullen voor onze zwakheid, die te midden der bekoringen dezer eeuw zoozeer blootgesteld is, de genaden verwerven, waardoor wij het rechte levenspad zullen volgen en de eeuwige kroon verdienen, welke ons is voorbereid.quot;

Ofschoon uit de door ons medegedeelde bizon-derheden aangaande het leven onzer Weertsche Martelaren reeds voldoende blijkt, tot welk een hoo-gen graad van heerlijkheid zij door God zijn verheven, zoo willen wij evenwel tot meerdere eer van God en Zijne bloedgetuigen nog eenige merkwaardigheden laten volgen, waaruit nog meer zal blijken, op hoe wonderbare wijze God hunne heiligheid aan de menschen heeft getoond. Wij doen dit te meer, omdat het volgende zeer weinig bekend is, en wij vertrouwen, dat de vele veresrders der Heiligen in deze stad, gaarne daarvan iets meer wenschen te weten.

-ocr page 115-

ZEGEPRAAL EN VERHEERLIJKING

DER MARTELAREN,

Wij lezen in de H. Schrift (I Koningen 2.30): »AIwie mij zal verheerlijkt hebben, dien zal ik ook verheerlijkenquot;, en onze Goddelijke Zaligmaker zeide tot zijne Apostelen, toen Hij hun de zending opdroeg van in de wereld het Evangelie te verkondigen. (Math. 10. 32) »Eenieder nu, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in den hemel is.quot; Deze woorden of liever deze beloften zyn naar de letter in de negentien heilige Martelaren van Gorcum vervuld. Daar nu onze twee Weertenaren Hierony mus en Antonius tot dit uitverkoren, getal behoo-ren, kan men ook van h°n zeggen, dat zij door hun kloekmoedig strijden en lijden God hebben verheerlijkt en daarvoor ook van Hem eene groote verheerlijking hebben terug ontvangen. Immers, de Martelaren van Gorcum hebben niet alleen de kroon des eeuwigen levens ontvangen in den hemel, maar God heeft ook op aarde hunne verhevene glorie en heiligh«id door schier ontelbare en treffende won-derteekenen geopenbaard ; zoodat zij, die in hun leven werden miskend en veracht, na hun dood met allen mogelijken luister worden vereerd als behoo-

-ocr page 116-

— 108 —

rende tot de voornaamste en voortreffelijkste mannen, die ooit op aarde geleefd hebben. Ja, men kan zelfs zeggen, dat zij reeds vóór hun dood door God verheerlijkt zijn ; immers nog waren bij allen de levensgeesten niet uitgedoofd, toen zij reeds aan twee brave katholieke burgers te Gorcum in verheerlijkten glans verschenen, en juist op hetzelfde uur, omtrent vier uren in den morgenstond, waarop de laatste hunner was opgehangen. Ziehier, wat wij bij Estius en andere schrijvers omtrent dit wonderbare voorval vinden opgeteekend. Sedert de gevangenneming der belijders en vooral na hunne overvoering naar Brielle hielden de vrome katholieken te Gorcum niet op God vurig te bidden voor het welzijn der stad en bizonder voor de verlossing hunner dierbare priesters en kloosterlingen. Twee aanzienlijke ea deugdzame burgers Mathias van Thore en Mathias van Est waren gewoon alle nachten op te staan en tot ditzelfde doel te bidden. Mathias van Thore omtrent het vierde morgenuur nog daarmede bezig, ziet op eens de Martelaren voor zich verschijnen. Allen waren in sneeuwwitte kleederen gedost, met gouden kronen van een wonderbaren glans op hunne hoofden, terwijl hunne haren golvend over de schouders hingen, hetgeen een majestueuze uitdrukking aan hun gelaat gaf. Terstond begaf hij zich tot die katholieken, welke met hem zoo vurig naar der gevan-

-ocr page 117-

- 109—

genen bevrijding verlangden en die alles hoopten van het schrijven van Oranje. Hg zeide hun: »Mijne broeders, laat de hoop varen van de belijders hier terug te zullen zie» ; zij zijn reeds den marteldood gestorven en hebben de kroon van het martelaarschap reeds ontvangen. Gelooft mij: ik zelf heb hen reeds gekroond gezien.quot;

Denzelfden morgen en op hetzelfde uur verschenen zij aan Mathias van Est (1) en zijn vrouw, eenvoudige en godvreezende lieden. Na het grootste gedeelte van den nacht in het gebed doorgebracht en zich juist ter ruste te hebben begeven, zien zij nog volkomen wakker de heilige Martelaren voor hun legerstede staan, schitterend van glans, vol bevalligheid, stralend van vreugde. De kloosterlingen waren in hun gewoon habijt, de wereldlijke priesters in koorgewaad. Mathias zag, dat de gardiaan hem met bizondere vriendelijkheid toelachte, gelijk hij dit in zijn leven placht te doen, en dat, toen zij zich verwijderden, de onderpastoor Nicolaas van Poppel zi]n vrouw, wier biechtvader hij was, den zegen gaf. Deze verschijning was geen droom of inbeelding want de rechtzinnige en godvreezende man was, volgens de getuigenis van Estius, volkomen wakker. Er was dan ook in Gorcum geen

(I) Mathias van Est was de oom van Estius, den geschiedschrijver der Marlelaren, wiens naam oorspronkelijk 'van Est gelatiniseerd is.

-ocr page 118-

katholiek, die hun verhaal in twijfel trok, en de uitkomst heeft nog dienzelfden dag de waarheid er van bevestigd. Want eenige burgers, zoo katholieke als kettersche, die tegen het vallen van den avond van Brielle te Gorcum terugkeerden, verhaalden dat, omtrent vier uren van dien morgen, de laatste belijder (1) aan den balk gehangen was. Wg kunnen dus geenszins twijfelen, of de verschijning zoowel van Mathias van Est als van Mathias van Thore (2) is waarlijk geschied. (Pater P. Timmer L. d. Mart. bl. 163.)

(1) Hel is wel opvallend, dal zoowel de laalste als de eerste der Martelaren te Gorcum waren geboren. De eerste was de gardiaan van bol minderbroedcrskloosler. de laatste (jodefri • dus van Duijnen, vroeger pastoor in Frankrijk nabij de Belgische grenzen, daarna rustend in zijn geboortestad. Vroeger scl,'jnl hij een bediening aan de Universiteit van Parijs te hebben bekleed (Estius lib. 3. c. 34). üe goede man had soms we eens oogenblikken van zwakte der geestvermogens, doch dil belette hem niet, dagelijks de H. Mis te lezen en zyn brevier te bidden, ook zelfs soms biecht le hooren. De geuzen hielaen hem voor een dwaas; dat hij dien naam niet verdiende, heeft bij getoond bij zijn marteldood, zegi Estius. Hel scheelde niet veel, of de beulen zouden hem gespaard hebben, doch een afvallige burger uit Gorcum zeide hun »Hij is niet gek, die paap, want hij kan dagelijks wel zijn God maken. Op aanhoudend en vurig aandrinyen van den martelaar, die^ zeide : «Laat mij met mijne broeders naar den Hemel gaan,' hebben de beulen heui ten laatste ook opgehangen en hij ontving de martelkroon in den ouderdom van 70 jaren.

(2) Deze Mathias van Thore is eenigen tijd later door de voorspraak der Martelaren genezen van eene gevaarlijke en pijnlijke breuk, die volgens de geneesheeren ongeneesbaar was.

-ocr page 119-

—Ill—

»God nam behagen, zegt Mgr. Laforet (L. d. M. bl. 192) om terstond de heerlijkheid der Martelaren te openbaren, dewijl door hunne voorspraak bizon-dere weldaden en gunsten verleend werden. Verscheidene wonderdadige genezingen, kort na hun dood door de aanroeping hunner namen geschied, betuigden aan de wereld de macht, die door den volstrekten meester van leven en dood hun toevertrouwd is.quot;

Aangezien de wonderen en gunsten, door de voorspraak der martelaren verkregen, schier ontelbaar zijn, zoodat wij ze alle onmogelijk aan onze lezers kunnen mededeelen, zullen wij ons slechts bij eenige der voornaamsten bepalen, waarbij wij dan nog eenige bizonderheden zullen voegen, die op de geschiedenis onzer Heiligen betrekking hebben en minder bekend zijn.

Reeds van het oogenblik af, dat onze geloofshelden waren ter dood gebracht, werden zij als Heiligen beschouwd en vereerd. Immers, zoodra de katholieken van Gorcum met zekerheid wisten, dat hunne geestelijke vaders en vrienden voor het geloof waren gestorven, riepen zij hunne voorspraak in; zelfs begaven eenigen hunner zich naar Brielle, om op de plaats zelve, waar zij hunne glorierijke overwinning hadden behaald, hen te vereeren en aan te roepen als machtige voorsprekers bij God. Dat de katholieken van Gorcum zulk een hoogen dunk

-ocr page 120-

hadden van de heiligheid hunner belijders en ook de eerste zijn geweest, die het gewaagd hebben hunne graven te bezoeken, is geenszins te verwonderen, want zij waren reeds jaren getuigen geweest van den heiligen levenswandel hunner martelaren. Te Gorcum konden z\] echter in het openbaar geen uiting geven van hunne godsdienstige gevoelens, want alles moest zoo geheim mogelijk binnenshuis geschieden, dewijl de geuzen hun kerken, kapellen, kloosters en gestichten ontnomen hadden en hun de uitoefening van den katholieken godsdienst op zware straf verboden was.

Het was dus wel een waagstuk vooral in de eerste dagen, met zulk een doel naar Brielle te gaan, want ook daar stonden zij aan vele gevaren bloot van den kant der geuzen, die al hun krachten inspanden om de ter dood gebrachte belijders in de algemeene opinie zoo verachtelijk mogelijk te maken. Immers zij wilden volstrekt beletten, dat de katholieken de Martelaren zouden vereeren of een gedeelte hunner lichamen als reliquie mede-nemen. Zij verzochten Lumeij een sterke wacht van soldaten bij de graven te plaatsen, opdat alle toegang onmogelijk zou zijn ; dit was dan ook het geval. Daar wij echter bij Estius en bij andere schrijvers lezen, dat reeds in de eerste dagen na den marteldood de graven der belijders door eenige katholieken uit Gorcum bezocht zijn, meenen wij

-ocr page 121-

-US-

met grond te mogen besluiten, dat, evenals Lumeij zich voor een goede som geld liet bewegen om de eerbiedwaardige lijken door zijne soldaten te doen begraven, ook de soldaten op hunne beurt zich onder die voorwaarde zullen hebben laten verbidden. Trouwens de geuzen haatten wel de katholieken, maar daarom hun geld niet.

Velen kwamen dan, zooals wij zeiden, uit Gor-cum en later ook van andere plaatsen reeds spoedig de Heiligen te Brielle vereeren en zich in hunne voorspaak aanbevelen. De roep der heiligheid van Gods dienaren verbreidde zich alom, en de godsvrucht der geloovigen nam meer en meer toe ondanks de strenge maatregelen der geuzen, om den goeden dunk van de bloedgetuigen, ook zelfs onder de katholieke bevolking te doen verzwakken en geheel weg te nemen. Zij meenden stellig, dat nu de lichamen waren begraven ook hune gedachtenis onder de aarde zou bedolven zijn. Doch nu moesten zij tot hun spijt en jammer al spoedig ondervinden, dat God zelf de mannen kwam verheerlijken, die zij in hunne verblindheid, en mogelijk nog meer uit godsdiensthaat beschouwden als het uitvaagsel der maatschappij, over wie zelfs God zijn gramschap had uitgestort, zooals zij zeiden. Er gebeurden welhaast zooveel wonderen en buitengewone teekenen, dat eenige ketters daarin de hand des Heeren moesten erkennen, want gelijk wij lezen,

-ocr page 122-

-Ui-

menige afgedwaalde keerde tot de Moederkerk terug. Estius spreekt van eene genezing, die hij zelf te danken heeft gehad aan de voorspraak der heilige Martelaren. De geneesheern hadden hem opgegeven, en reeds bereidde hij zich tot een zaligen dood voor, toen hg op, aanraden zijner vrienden, ofschoon reeds te vergeefs zijn toevlucht genomen hebbende tot vele andere heiligen, de belofte deed, om, wanneer hij zjjne gezondheid terugbekwam, de graven der Martelaren te zullen bezoeken. Zijn gebed werd verhoord, en hij heeft zijn belofte getrouw volbracht. In zijne geschiedenis der Martelaren verhaalt hij vele wonderbare gunsten, die door de voorspraak der Heiligen aan verschillende personen verleend zgn. Onder anderen getuigt hij, dat ook zijn broeder Rutger door hunne voorspraak genezen is en daarna nog twintig jaar heeft geleefd (I).

(■1) Deze Ruiger was een eerste ijveraar voor de verheerlijking der Martelaren. Om zijn groolen ijver voor het katholiek geloof en genegenheid tot de priesters en kloosterlingen, werd hij door de geuzen op het kasteel le Gorcum gevangen gezet, doch wist, als door een wonder, le ontvluchten. Hij begaf zich daarna naar Utrecht, alwaar hij tol zijn dood in 1594 als balling voor hel geloof heeft geleefd, zich bezighoudende mei hel verzamelen van documenten omtrent bel leven en de laatste oogenbiikken der Martelaars, welke hij in handen stelde van zijn oudsten broeder Willem, die na een rijp onderzoek van 30 jaren zijne geschiedenis heeft samengesteld. Rul-

-ocr page 123-

-115-

Om nog meer te bewijzen, dat men reeds vroeg aan de heiligheid der Martelaren en hun groot vermogen bi] God vastelijk geloofde, zegt Estius, dat in 1573, dus reeds in het eerste jaar na hun zaligen dood, den negenden Juli door zeer vele kathe-lieken met bizondere godsvrucht werd gevierd, en dat zij sinds op d'en dag door lofzangen, gebeden en andere godvruchtige oefeningen den Heer plachten te prijzen in Zijne Heiligeö, wier voorspraak zi] inriepen. In deze godvruchtige stemming werden zij nog meer gesterkt door hetgeen niet lang na den dood der Martelaren op hunne graven te Briel-le geschiedde ; een waarlijk wonderbaar verschijnsel, waaruit ten volle blijkt, hoe wonderbaar God is in Zijne werken, en hoezeer Hij dit in de verheerlijking Zijner getrouwe dienaren toont. Het

ger was bizonder dierbaar aan zijn oom, den Martelaar Nic. Pieck, omdat hij zoo deugdzaam was. Wederkeeris; droeg hij zijn oom groote achting en genegenheid toe, wijl hij hem ais een waren Heilige beschouwde, die het sieraail was der geeslelijkheid van Gorcum, de vreugde en eer zijner familie en een voorbeeld van deugd voor de gansche slad. Na den dood der Martelaren vasle hij jaarlijks op den 8en Juli, vigiliedag van hun heilig afsterven, op water en brood, en vierde in zijn huis hun sterfdag 9 Juli als een herinneringsfeest. Deze gewoonte bestond ook bij vele katholieken, en wij herinneren ons nog, dal de katholieken van den echten ouden stempel die vasten onderhielden, ofschoon daartoe niet Terplicht.

-ocr page 124-

—116—

wordt ons door de meeste schrijvers ongeveer op de volgende wijze medegedeeld :

Het dierbaar overschot der geloofshelden rustte nog niet lang in de kille aarde binnen de schuur van het voormalig klooster »ten lluggequot;, toen men eene groote menigte sneeuwwitte, schoon gevormde bloempjes op hunne graven zag te voor-schijn komen. Niemand bad die te Brielle noch ergens in het land ooit te voren gezien of er van hooren spreken. De katholieken noemden ze »bloe-men der Martelarenquot;, de geuzen gaven er den naam aan van »bloetnen der onnoozele Patriarchenquot;. Volgens de afbeelding van een takje dezer bloempjes in het werkje van Pater Boener zou men zeggen, dat zij veel geleken op onze welbekende dubbele asters, doch van de kleinste soort en wit van kleur. Deze bloempjes werden door iedereen als een wonderbaar verschijnsel beschouwd ; ja, sommigen zagen daarin een wonder-teeken van God, om Zijne Heiligen ook voor het oog der ketters te verheerlijken. Niemand toch wist te verklaren, vanwaar die liefelijke bloempjes voortkwamen en dan nog wel op geen andere plaats te zien waren dan alleen op de graven binnen de schuur. Het wonderbaarste van alles was nog, dat, niettegenstaande die schuur langs alle kanten besloten was, zoodat er noch dauw noch regen noch zonnestralen konden binnendringen, om

-ocr page 125-

DIT BLOEMTAKJE GEPLUKT OP DE2

Flo res Appar vervnt InTerraNostb \cm: SvpcvivslsTc In LocoMartynySSMartyrvm GorcomienFropeBfielamIn Hollavüia DECERPTVSpyXlDIQltiCtVSVsHABDïS 3Vei4 Flo ScvLosBffiNTnoPosTA'iói? InvenivsIst nö Sine Mipacvlo In Totide Excrcvissl qvot

SSMwiyrcb 'rv£pi:,ld Est Novemdeci/»\.

sva siaavr j vx Wr:nio o nva^

-ocr page 126-

—118—

nis, een takje mede, waaraan vier of vijf bloempjes zaten, en sloot dit zorgvuldig in een doos. Twee jaren later opent hjj de doos en ziet tot zyne groote verbazing, dat er nu geen vier of vijf, maar negentien bloempjes aan het takje zijn, juist volgens het getal der martelaren. Dit voorval verwekte groot opy.ien, en men beschouwde het als nog grooter be-wiis van Gods almacht ter verheerlijking zijner heilige dienaren. Ditzelfde takje is later ten geschenke gegeven aan de Aartshertogin Isabella, die onze martelaren zeer vereerde. Bij haar dood heeft zij het met andere van hare kostbare relequiën vermaakt aan de schatkamer der St. Gudulakerk te Brussel (1), alwaar het nog te zien is. Van dit wonderbaar takje nu heeft pater Boener een afbeelding gegeven, waarvan later verscheidene copiën zijn gemaakt. Zoo wordt er een gezien in de martelaarskapel te Brielle op de deur van het Tabernakel op het hoogaltaar. Deze martelaarsbloempjes (2) zijn later geheel verdwenen ; doch hebben mo-

(1) Zie Navorscher (jaarg. 1873 bl. 320).

(2) Eenigen hebben gemeend, dat al de marlelaarsslruikjes uil 19 bloempjes bestonden, doch dit is alleen bet geval geweest met het wonderbare van pastoor van Oorschot na de ontdekking, want toen hij het takje in de doos sloot waren er maar 4 a 5 bloempjes aan te zien. Ook hebben wij geen enkelen ouden schrijver gevonden die dat vermoeden voorstaat, -r- Tal van katholieke schrijvers hebben over de martelaars-bloempjes geschreven, onder anderen, Arnoldus Raissius (auct.

-ocr page 127-

— 119 —

gelijk wel vijftig jaar, de graven versierd. Die, welke men in onze dagen ook martelaarsbloempjes noemt, hebben er niets gemeen mede ; zij zijn geheel anders van vorm en eer grijs dan wit te noemen, van dit soort worden er soms in menigte op moerassige of vochtige gronden aangetroffen.

Nadat sedert den dood der Martelaren 43 jaren waren verloopen, en de roem hunner heiligheid door vele wonderen, door hunne bemiddeling geschied, zich alom had verspreid, werd op verzoek van den Hoogeerw. pater Andreas a Soto, Commissaris-generaal der Minderbroeders en biechtvader der Infante, door den Aartshertog Albertus en diens vrome echtgenoote Isabella besloten, om het gebeente der Heiligen te doen opgraven en naar katholieke streken over te voeren. Zij benoemden ten dien einde eene commissie, waarvan Everardus Botters, een zeer deugdzame Geldersche Edelman, te Utrecht woonachtig, als hoofd werd aangesteld. Drie minderbroeders werden hem als commissieleden toege-voegd, te weten ; pater Nessens, pr. Arnoldus de Witte en pr. Joannes Tijras, Botters getuigt en

Mol), de paters Boener, Thiellmann, Timmer, van den Berck, pastoor Hogenboom en meer anderen, allen geloofwaardige en geleerde priesters. Zeker ongenoemde proleslantsche schrijver in de Navorscher (bl. 320 en 347 jaarg. 1873) ontkent bet bestaan dezer bloempjes wel niet, doch schijnt er niets buitengewoons in te zien; wij katboiiekea d«s te meer.

-ocr page 128-

—120—

bevestigt, dat hij in het jaar 1615 den 4en Sept. met drie religieuzen 's morgens ten vier uren op de plaats, aangeduid door eene godsdienstige weduwe, Anna Centen, deed graven en verscheidene overblijfselen ontdekte.

Deze weduwe woonde met haar zoon Leendert, reeds sedert de vierde maand na den dood der heilige Martelaren in de onmiddelijke nabijheid der martelplaats en is daar onafgebroken woonachtig gebleven tot in het laatst van 1619. Zg en haar zoon waren toenmaals de eenige katholieken in den omtrek, en voor het kerkelijk onderzoek in 1619 in zake der martelaren ingesteld, was hunne getuigenis van buitengewoon belang. De bouwvallen van het klooster en de turfschuur hadden zg wel twintig jaren als voor de oogen gehad en eindelgk den grond tot weiland zien inrichten. De zoon had zelfs bijgewoond, dat gt;de graeuers om de plaetse effen te maeken, cleijne putten daer omtrent ge-maekt hebben, als van 3 of 4 voeten diep., in de welcke zij die (de opgedolven beenderen der martelaren) geworpen hebben, de selüwe met aerde be-deckendequot; ; de moeder had de echte begraafplaats leeren kennen van een negentigjarige vrouw, Helena Jacobs, die bg de marteling en begrafenis was tegenwoordig geweest. Die oude vrouw had haar meermalen gezegd, dat zij die plaats goed moest onthouden. Vrouw Centen heeft dit gedaan en on-

-ocr page 129-

—121—

der eed getuigd »dat na de Martelaren niemand anders daar begraven was en hadde zulckz gedaen geweest, dattet niet en hadde connen verborgen blijven voor haer, die daer soo bij woonde, ende 't selüe van ruijt hare huysdoreézoude hebben connen zienquot;. Ook heeft zij en haar zoon menigwerf die plaats aangewezen aan de bezoekers der heilige graven. Tot deze vrouw, toen reeds hoog bejaard, en haar zoon, wendden zich de Edelman Botters en zijne gezellen om verdere inlichting ; na aanduiding der plaats, werd met de opgraving begonnen. Al spoedig bleek het, dat men op de rechte plaats was, want »uit de zalige overblijfselen wasemde (zegt pater Timmer) een hemelsche geur, hetgeen de aanwezigen met eerbied en aandoening vervuldequot;. Het werk moest echter met spoed geschieden uit vrees, dat de ketters van Brielle het zouden beletten en wellicht wegens grafschennis hen in de gevangenis werpen. Want ofschoon tijdens het vredesverdrag tusschen Spanje en Nederland, en misschien nog meer ten gevolge der geloofsverdeeldheid, in die dagen, tusschen de geuzen, het opzicht over de katholieken zoo scherp niet meer gehouden werd, zouden zij evenwel nooit geduld hebben, dat men de overblijfselen zou ontgraven en vervoeren. God heeft ook wonderbaar meegewerkt, wijl menigvuldige deelea der Marte-

-ocr page 130-

—124—

regen plotseling op, totdat alles was afgeloopen.

Twee wonderen vooral verdienen onze aandacht, omdat zij door den H. Stoel zgn goedgekeurd uit de vele, welke ten onderzoek aan de Congregatie der Riten waren voorgelegd. Het eerste geschiedde den 18en October 1618 met een zesjarig kind. Jan Dircksz. genaamd, zoon van Hendrik en Anna Beekman die, zooals de ouders hadden opgemerkt, reeds van den vijftienden dag na zijne geboorte af aan een gebrek leed, dat na verloop van tijd verergerde ondanks de krachtigste pogingen der ge-neesheeren. Toen het kind zes jaren oud was geworden, kon het zelfs met behulp der aangewende werktuigen niet dan onder de hevigste smarten loopen. Zijne ouders, die een groot vertrouwen stelden op de macht der Gorkumsche Martelaren, deden de belofte van een ons zilver ter eere der Heiligen te zullen offeren, als hun kind genas. Het kind kermde van pijn, terwijl ten laatste het loopen geheel onmogelijk werd. Den ISen October 1618 zijnde de door den aartsbisschop bepaalde dag, zooals hierboven gezegd is, waarop de plechtige verheffing der overblijfselen zou plaats hebben, ging de vader daaraan deelnemen, doch onderzocht alvorens nog eens zijn kind. Hij bevond echter dat het nog in denzelfden beklagenswaar-digen toestand verkeerde. Vol vertrouwen gaat hij naar de kerk en woonde ook de processie bij.

-ocr page 131-

—125—

Vurig bad hij de Martelaren om de genezing van zijn kind. Na afloop der plechtigheid naar huis terugkeerende, ziet hij reeds in de verte het knaapje loopen, zonder dat het de minste teekenen van pijn gaf. Bij onderzoek bleek dan ook dat het volkomen genezen was. Dit feit is niet alleen door de geneesheeren van Brussel, maar ook door vele andere geloofwaardige personen als een wonder bevestigd.

Het tweede, bijna van denzelfden aard, geschiedde een jaar later, den 22en October 1619, aan zekeren Aegidius Tilman, zoon van Ludovicus en Antonia Couvreur. Deze bevoorrechte persoon was een religieus van de abdij flautmont en reeds diaken gewijd. Na alle zoo stoffelijke als geestelijke middelen te vergeefs beproefd te hebben, besloot hg deel te nemen aan de processie en andere plechtigheden, die te Quesnoij ter gelegenheid der overbrenging van eenige overblijfselen der Martelaren naar de Minderbroederskerk aldaar zouden plaats hebben. Zijne moeder en oom vergezelden hem, en hij deed dezen pelgrimstocht zonder iets te voren genuttigd te hebben. Nauwelijks ter plaatse gekomen, waar reeds eene groote menigte volk bijeen was, gevoelde hij zich plotseling genezen. Uit dankbaarheid hing hij de banden, die hij tot dan toe gedragen had, als teekenen zijner kwaal en tevens als bewijzen van zijne wonderdadige genezing

-ocr page 132-

ISO-

van Kuilenburg (jaarg. 4 art. Jacobus Lacops).

Onder het negentiental Martelaren, behoorden ook Andrianus van Hilvarenbeek en Jacobus Lacops. Beiden waren van de orde van Premonstreit en werkzaam te Monster nabij 's Gravenhage, eerstge-noemde als pastoor, de tweede als kapelaan. Zij werden in den nacht van den 6en op 7en Juli door de bende van Lumeij in hunne pastorie verraderlijk opgelicht en naar Brielle gevoerd. Zekere Jan Vrouwelingh, een afvallige katholiek uit Naaldwijk (Z. H.), door geld omgekocht, diende hun als werktuig. Hij geleidde de soldaten naar Monster en wist onder voorwendsel, dat hij den pastoor voor een zieke kwam halen, 's nachts in huis te komen, op den voet gevolgd door de soldaten, die beide priesters gavangen namen en wegvoerden. Ook Vrouwelingh volgde hen en dreef de onbeschaamdheid zoo ver, dat hy met den pastoor den spot dreef, toen deze er over klaagde zijn gemeente zonder priester te moeten achterltaten. »Ach Pastoor, zeide de deugniet, wees maar niet bezorgd, nog dezen morgen zult gg hangen.quot; Toen zij met de belijders in het gehucht »Ter Heijdequot; onder Monster kwamen, wilden de soldaten hen voor een ton bier verkoopen, maar niemand der inwoners wilde die losprijs betalen. Welk ondankbaar en ontaard volk ! Te Brielle werden de belijders met de andere martelaren ter dood gebracht.

-ocr page 133-

Toen Vrouwelingh later te Naaldwijk was teruggekeerd, verhaalde hij, dat, toen de pastoor werd opgehangen, er een soort van aardbeving ontstond. Ook beroemd^ hij zich meermalen over zijn schelmstuk, zeggende, »jongens toen was er nog iets te verdienen, ik zou de papen nu nog wel beter vinden,quot; en terwijl hij dit zeide, wees hij op het ouderlijk huis van den deken. Deze getuigde, hem dit meermalen te hebben hooren zeggen, en voegde er bij, dat hij het verhaalde oot van zijne ouders en andere brave katholieken dikwijls gehoord had, en het in den geheelen omtrek bekend was. Tot zichtbare straf van God stier! de booswicht Jan Vrouwelingh een ellendigen dood, want hij werd razend ten gevolge van een beet eens dollen honds.

Uit deze mededeeling van den hooggeachten deken, Cornelius van Keijnegom, (1) die ook ter wille van het geloof vele onrustige dagen heeft beleefd, blijkt alweder welke vruchten de zoogenaamde nieuwe hervormingsleer voortbracht, en aan welke soort

(1) De eerbiedwaardige man is in 1640 te Delft overleden. — Tot slot van bovenvermelde getuigenis, voegt de Zeereerw. heer Bauer, in leven pastoor te Monster, hierbij dat, de heilige Adrianus en Jacobus te Monster bizonder door de gehuwden voor eene gelukki»e geboorte hunner kinderen vereerd worden, en dat sedert de openbare vereering der Martelaren, aldaar nog geen kind zonder doopsel is gestorven en aan geene moeder de geboorte van haar kind het leven hooft gekost.

-ocr page 134-

—133 —

van menschen onze Martelaren waren overgeleverd. Is het dan wonder, dat God, die alles weet, wat zij uit liefde tot Hem en het welzijn hunner broeders hebben geleden, hen zoo hoog verheerlijkt heeft ?

Nadat nu, gelijk wij reeds gezien hebben, meer dan eeiie eeuw sedert den dood der Martelaren was voorbijgegaan, en ruim vijftig jaren waren besteed aan het onderzoek van hun heilig leven en heiligen dood, brak eindelijk de tijd aan, waarop het Gode behaagde door zgn Stedehouder op aarde, de zaligverklaring Zijner heilige dienaren te doen uitspreken. Dit geschiedde den 14en Nov. 1675 door paus Clemens X.

Deze uitspraak der EL Kerk heeft zonder twijfel zeer veel bijgedragen ter meerdere verheerlg -king der Martelaren en de godsvrucht der geloo-vigen tot hen, nog meer doen toenemen en verder verspreiden. Immers nu de openbare vereering der Martelaren door het hoogste gezag in Gods Kerk gewettigd en in den hemel bekrachtigd was, konden de geloovigen ten volle verzekerd zijn, dat het vertrouwen op hunne voorspraak op hechte gronden steunde, wjjl zij nu door Christus' Stedehouder zelf, de namen der 19 Martelaren en van elk hunner in het bgzonder als van Gelukzaligen, hadden hooren afkondigen, en tegelijkertijd vernomen hadden dat zij, uit haat tegen het Katholiek Geloof,

-ocr page 135-

— 133 —

bizonder, tegen het Opperhoofd der Roomsche Kerk en het Hoogwaardig Sakrament des Altaars waren ter dood gebracht en derhalve waarachtig martelaren waren. Door deze beslissende uitspraak werd ook voorgoed de valsche bewering der ketters en van eeuige vreemdsoortige katholieken we-derlegd, die zeiden, dat de gelukzaligen geen martelaren waren, omdat zij alleen uit staatkundige beweegredenen hun leven hadden opgeofferd.

Dan, ofschoon paus Clemens X reeds den 14en Nov. het decreet der zaligverklaring had goedgekeurd, volgde echter de plechtige afkondiging eerst tien dagen later den 24en Nov. Nadat Z. H. op dien dag het decreet had voorgelezen, werd een plechtig »Te Deum laudamusquot; gezongen, en het gedonder van het kanon op het kasteel Sant-An-gelo maakte aan Eome en de geheele katholieke wereld bekend, dat de negentien bloedgetuigen van Gorcum onder het groot getal der Gelukzaligen waren gesteld, en als zoodanig moesten vereerd worden. Daarna droeg Z. ü. zelf de Hoogmis op. Deze plechtigheden maakten op de katholieke harten een diepen indruk. Gedurende drie achtereenvolgende dagen, duurden te Rome de feestelijkheden voort. Toen bleek het, zegt een ooggetuige, dat de reusachtige Sint-Pieterskerk nog veel te klein was voor al het volk te bevatten, hetwelk

9.

-ocr page 136-

— 134—

getuige wilde zijn van de roemrijEe zegepraal, welke de H. Kerk, andermaal over de hel en hare trawanten had behaald, door het bloed harer verheerlijkte Martelaren. Verbazend groot was het getal vreemdelingen, wijl het toen juist ook te Rome het groote jubeljaar was. De gansche stad was in feestdos, en de nacht zelf scheen door het vuurwerk en verlichting als in een klaren dag veranderd. Niet alleen de kerken, maar ook de straten weergalmden van zegeliederen en gezangen ter eere van de gelukzalige bloedgetuigen. Uit duizende en duizende monden en in verschillende talen hoorde men de voorspraak inroepen van hen, die over de ketterij en de dwaalleer hadden gezegepraald.

Doch de vreugde over deze heuglijke gebeurtenis bepaalde zich niet bij de eeuwige stad ; ook de katholieken van Nederland waren buitengewoon verheugd. Zij ontvingen deze nieuwstijding als ware zij hun door een engel uit den hemel gebracht, en vierden, zoo goed zij konden, feest. Trouwens zij konden overal niet doen wat zij wilden, omdat de meeste plaatsen toen onder het kalvinistische juk verzuchtten. Het zou daarom zeer gevaaarlijk geweest zijn, om daar, waar zij in de minderheid waren of niet zoo machtig als de kalvinisten, eenige openbare teekenen van eerbied en vreugde te too-nen jegens mannen, die nog altijd door de tegenpartij beschpuwd werden als de grootste

-ocr page 137-

—135—

vijanden hunner leer en des vaderlands, en die bijgevolg, door hunne godzalige voorvaderen niet ten onrechte, tot den galgdood waren verwezen. Men moest dus in dit opzicht zeer voorzichtig te werk gaan. Want, al was de toestand voor de katholieken toen iets beter dan vroeger, toch hing het zwaard van Damocles aan denzelfden fijnen draad boven hunne hoofden ; bij de minste beweging kon die draad breken en daaruit voor hen doodelijke gevolgen ontstaan, dat is : de duurgekochte zoo» genaamde gunst van op een zolder, in een schuur of in een achterhuis van de eene of andere stille steeg, kerk of bedehuis te mogen houden, kon elk oogeublik weer worden ingetrokken en de oogluikend toegelaten priesters verbannen worden (1).

(1) In een bandschrift van wijlen den heer J. van Nune, den verdienstelijken architect der katholieke kerk Ie Gorcum, lezen wij, dal hij in een huis op de Hoogstraat aldaar, nog een groote kamer heeft gekend, welke door de katholieken tot bedehuis gebruikt was, sedert tij weer een priester hadden, die echter niet erkend was. Op die kamer onder anderen, was de plaats van het altaar nog te zien. De opvolgende eigenaars waren katholiek en lieten alles in staiu quo, zegt van Nune. Later is dit buis in banden gekomen van een protestant, die het geheel heeft laten verbouwen. Om geen argwaan te geven gingen de katholieken beurtelings achter in een steeg binnen langs een onooglijk poortje. In hetzelde handschrift lezen wij, dat de kalboiieken om hun godsdienst te mogen uitoefenen in bun bedehuis, (de naam van

-ocr page 138-

—136—

Er kon dus in protestantsche streken geen spraak zijn van feestvieren en tot eer der Martelaren niet datgene gedaan worden, wat vrij geschieden mocht in plaatsen, waar de katholieken meester waren zooals b. v. in België, Limburg, enz. Wat zij echter voor het uiterlijke niet konden doen, betoonden zij niet minder dan anderen door hun goeden wil. In alle gevallen hebben ook zij zich ten hoogste verblijd over de groote eer, die hunnen geloofshelden te beurt viel door de Zaligverklaring.

Verheugd als zij waren, bedankten zij den Heer en Koning der Martelaren, die hunne broeders in den strijd had ondersteund, hunne tranen en bloeddroppels in paarlen veranderd en door zoovele wonderwerken getuigenis had gegeven van hunne groote glorie en macht in den Hemel.

Den 9en Juli van het jaar 1772 vierde men andermaal een overheerlijk feest, te weten: het tweede groote jubeljaar van den roemryken dood

kerk mocht hot niet bebbeo) alle jaren bij den Drossaard honderd rijksdaalders moesten storten, en dit beeft geduurd lot lt;795 toen de Franscben ons land bezetten. Zij mochten ook geen orgel of ander muziekinstrument gebruiken, en het was hun streng verboden de kerk tegelijk met die der protestanten te laten uilgaan. Doch in 1195 schafte het kerkbestuur een huisorgel aan, en liet een organist (Brakenhof genoemd) uit Utrecht komen.

-ocr page 139-

—137—

der Martelaren. Ofschoon ons daaromtrent de noo-dige plaatselijke bescheiden ontbreken, die, gelijk wij reeds vroeger gezegd hebben, rerloren zijn geraakt, ten gevolge der ongelukkige tijden, voor de kloosters en andere geestelijke instellingen ; zoo vinden wij nochtans opgeteekend, dat dit feest overal met den meesten luister gevierd is, en op eenige plaatsen zelfs bij uitnemendheid. Zoo lezen wij onder anderen in de werkjes van Mgr. de Ram en Mgr. Laforet, liectoren der Leuvensche ünuiversi-teit, dat de «Alma mater», toen een barer luister-rijkste feesten heeft gevierd, hetgeen niet te verwonderen was, omdat zij, onder de 19 Martelaren van Gorcum, vier barer edelste en bekwaamste leerlingen telde, te weten : Leonardus Vecbel, Nico-laas van Poppel, Nicolaas Pieck en Nicaaius van Heeze. Bij de Minderbroeders te Leuven duurden de feesten verscheidene dagen, en de toeloop van het volk, dat in hunne kerk de Gelukzaligen kwam vereeren en hunne voorspraak afsmeeken, was buitengewoon groot. De geleerde en godvruchtige Lannoij, zegfc in zijn levensbeschrijving der Martelaren, door hem ter gelegenheid van die feesten uitgegeven, dat in de Minderbroederskerk te Leuven gedurende die feestdagen, niet minder dan zevenendertig duizend personen tot de H. Communie na-

-ocr page 140-

—188—

derden (1).

Dat dit feest ook in onze stad Weert luisterrijk en onder een grooten toeloop van volk gevierd is, blijkt duidelijk genoeg uit de volgende belangrijke bizonderheid, die wij bij eenige schrijvers vinden opgeteekend. »ln het jaar 1772 heeft de Hoogeerw. Pater Joannes Snijers, Provinciaal der minderbroeders, een rondgaand schrijven tot alle kloosters zijner orde in Nederland gericht, waarbij hij gelastte, dat dit tweede eeuwfeest der Martelaren in de kloosters zoo plechtig mogelijk moest gevierd worden ; waaraan onder algemeene deelneming werd voldaan.» Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat de Weertenaren met hunne Pater» aan dit tweede eeuwfeest hebben deelgenomen, en dat het, ook in de parochiekerk, waar twee der Martelaren de genade der wedergeboorte ontvangen badden, niet onopgemerkt zal zijn voorbijgegaan.

Met dit alles was echter, althans voor de ge-loovigen, het werk der hoogste verheerlijking van Jezus, bloedgetuigen nog niet geheel volbracht. Er ontbrak weliswaar niets aan de schoone gloriekroon, waarmede zij reeds bij hun intrede in het

(1) Paus Clemens XIV verleende aan bet klooster van Leuven door eene bizondere gunst een Bul, tot viering van een Jubilé, beginnende den Sen Juli 1772, en eindigende den 19en van dezelfde maand (Laforet L. d. M. bl. 204).

-ocr page 141-

—139 —

hemelsche Jerusalem, op het oogenblik van hun marteldood, door God waren getooid; maar er moest ter hunner volkomen verheerlijking op aarde, nog meer gedaan worden. Immers de plechtige heiligverklaring, krachtens welke de Martelaren door de gansche christenheid als Heiligen zouden mogen vereerd worden, moest nog plaats hebben. Nu wij katholieken weten, dat eene Zaligverklaring wel de vereering van Gods dienaren toelaat, maar om zoo te zeggen, slechts een zuiver plaatselijk kal-akter heeft, dat is, de openbare vereering is daardoor nog niet overal toegelaten. Al schitterden de belijders dan ook al in den hemel met de kroon der onsterfelijkheid hier op aarde, toch konden wij hun die opperste eer nog niet bewijzen. Dit werk ter verheerlijking was volgens de plannen der voorzienigheid voor onzen tijd weggelegd en aan den grooten paus Pius IX roemrijke gedachtenis voorbehouden. Hij, die gedurende zijne pauselijke regeering reeds zooveel gedaan had tot eer van God, Zjjner heiligen en tot luister der H. Kerk, die door den Hemel geroepen was, om de schoonste eerkroon der Onbevlekte Ontvangenis op het hoofd van de Moedermaagd Maria te plaatsen, was ook verkoren de hoofden der Martelaren van Gor-cum met den lauwerkrans der Heiligen te sieren, en dat wel in een tijd, waarin de Stoel van Petrus aan de hevigste aanvallen blootstond, en op

-ocr page 142-

140 —

denzelfden dag, dat de Kerk, de bruid van Jezus Christus, het achttiende eeuwfeest vierde van de H. H. Apostelen Petrus en Paulus, door paus Leo den groote zoo terecht, de vaders van het christe-Iflk Rome genoemd.

Menschelijkerwijze gesproken, zou men niet verwacht hebben, dat vooraleer deze gebeurtenis zou plaats hebben nog twee eeuwen moesten verloo-pen; want toen de zaligverklaring eenmaal gedaan was, dacht men, dat ook de heiligverklaring spoedig zou volgen. Immers, de H. Congregatie der kerkgebruiken was bij de zaligverklaring reeds van oordeel, dat men nu ook veilig tot de heiligverklaring kon overgaan, èn de H. Stoel had dat oordeel met zijne goedkeuring bekrachtigd, zoodat nu daaromtrent geen nieuw onderzoek meer noo-dig was. Doch ook hier zien wg, hoezeer de oor-deelen Gods verschillen van die der menschen. »Op het eerste gezicht zou zulk een lang uitstel ons misschien vreemd voorkomen ; zegt pastoor Ho-genboom (L. d. Mart. Inleiding), zoo wij echter bedenken, dat de Martelaren van Gorcum vooral geleden hebben en gestorven zrjn voor de belijdenis van het Primaatschap van den Roomschen Paus, dan zien wij duidelijk in dit uitstel de Goddelijke wijsheid schitteren, die haat doel met kracht nastreeft. doch met zekerheid de middelen tot dit doel ordent en toepast.quot; De heiligverklaring toch

-ocr page 143-

-Ul-

zou een schitterend bewijs leveren, dat de Room-sche Opperpriester de eerste persoon der wereld is, dat tot Hem allen hun toevlucht moeten nemen, om aan de wereld den waren vrede te verschaffen. Zes en twintig jaren zijn verstreken sinds de heiligverklaring onzer Martelaren, en het aanzien van den Paus, hoewel van tijdelijke macht thans nog beroofd, is wonderbaar groot geworden. Overal doet zich de invloed van zijne geestelijke macht gevoelen, overal wordt die kracht erkend. Zelfs onkatholieke Torsten zoeken in staatsverwikkelinger bij den algemeenen Vader der christenheid steun en kracht. De volken naar rust eu vrede hakende in onze verwarde tijden, zien op naar de eeuwige stad, als verwachten zij alleen een betere toekomst, van den gryzen Priester-koning. De feiten zijn zoo in het oog loopend, dat zelfs de onpartijdige onge-loovige hierover verbaasd staat. Is dit niet bij het jongste, gouden Bisschops-jubilé van Leo XIII duidelijk gebleken ? (1). Toen zag men eene openbaring van geloof en liefde, van eerbied en vertrouwen van vorsten en volken, van ongeloovigen

(1) Wij lezen in de . Maasbodtquot; (1 Maart 1893); De Sultan beeft volgens de Moniieur de Rome lot zijn buiten-gewonen gezant geïegd : «Breng mijne gelukweuscben en geschenken over aan Paus Leo XIH, die groote zedelijke macbt, welke alleen in staal is Europa van bet socialistisch vuur te reddenquot;.

-ocr page 144-

en christenen, van katholieken en onkatholieken, ongekend in de geschiedenis van het menschdom. Die algemeene deelneming in 's Pausen Jubelfeest bewees duidelijk genoeg dat, voor de diepgezonken maatschappij, van Rome, alle heil voor het tijdelijk en eeuwig welzijn verwacht wordt. Welnu, dit danken wij ook gedeeltelijk aan de merkwaardige gebeurtenis der heiligverklaring onzer Gor-cumsche Martelaren. Blijkbaar is sedert eene nieuwe kracht van Christus' Stedehouder uitgegaan, waardoor hij vorsten en volken zal genezen. Zeer te recht zegt dan ook onze reeds genoemde schrij -ver (pastoor H.) : »De stoot tot herstel onzer heden-daagsche maatschappij is door de heiligverklaring der Gorcumsche Martelaren gegeven en zal zijn kracht dagelijks meer en meer doen gevoelen.quot; Hoe wonderbaar handelt toch Gods voorzienigheid ! en hoe dankbaar moeten wij niet zi]n aan Hem, wijl wij het geluk hebben gehad, dien heerlijken dag 29 Juni 1867, te hebben mogen beleven, waarnaar onze vrome voorvaderen reeds me«r dan twee eeuwen zoo reikhalzend, maar te vergeefs hadden uitgezien !

In 1864 dienden de Hoogwaardige Pater Raphael a Ponticulo, generaal van de orde der minderbroeders, en Mgr. Petrus Minetti, bevorderaar des Ge-loofs, een verzoekschrift in bij Z. H. paus Pius IX, waarbij zij nederig, maar met aandrang en op

-ocr page 145-

- 143—

goede gronden verzochten om de negentien Martelaren van Gorcum onder het getal der Heiligen te plaatsen. Paus Pius, persoonlijk zeer gestemd voor de heiligverklaring dier Gelukzaligen, tot welke hij eene bizondere godsvrucht had, nam dit verzoekschrift met vreugde aan. Na de zaak meermalen aan het oordeel van de Congregatie der kerkgebruiken, van de kardinalen en de bisschoppen (1) onderworpen te hebben en nadat vele en vurige gebeden waren gedaan, om de verlichting des H. Geestes in deze zoo gewichtige zaak af te smeken, verklaarde Z. H. in een openbaar consistorie gehouden den 25en Juni 1866 in het Vati-caansch Paleis, dat hij nu vast besloten was, tot de heiligverklaring over te gaan. Daarbij bepaalde hij, dat de plechtige uitspraak zou plaats hebben den 29en Juni 1867, zijnde toen juist de dag, waarop voor achtien eeuwen de heilige Apostelen Petrus en Paulus te Rome, den marteldood hadden ondergaan. Z. H. verlangde namelijk, dat dit eeuwfeest zoo luisterrijk mogelijk zou gevierd worden. Voorzeker zou de heiligverklaring der Gor-cumsche Martelaren en van nog andere dienaren en dienaressen Gods, wier heiligverklaring tot op dien feestdag was uitgesteld, er buitengewoon veel

(I) Wij lezen, dat op uitdrukkelijk verlangen van den paus, ook de bisschoppen van Holland en België, in de zaak der heiligverklaring geraadpleegd zijn.

-ocr page 146-

—144 —

luister bijzetten. Bovendien richtte de groote bevorderaar van Gods glorie en Zijner Heiligen op aarde, eenige maanden voor dien heerlijken feestdag tot de tardinalen, aartsbisschoppen en andere hooggeplaatste geestelijken der geheele wereld een schrijven, waarin Hij hen uitnoodigde de plechtigheden, die alsdan te Rome in de groote basiliek van den H. Petrus zouden plaats hebben, te komen bijwonen. Aan het verlangen van den grijzen Opperpriester werd ten volle voldaan. Immers toen de bepaalde dag der plechtige heiligverklaring was aangebroken, waren 45 kardinalen, omtrent 500 aartsbisschoppen en bisschoppen, vele duizenden priesters en eene ontelbare menigte ge-loovigen uit alle streken der wereld rondom den stoel van Petrus geschaard, waarop de onsterfelijke Pius IX gezeteld was. Voorwaar een treffend schouwspel! en tegelijk een sprekend bewijs van een levendig geloof, zoo duidelijk mogelijk getoond, door de gevoelens van eerbied en liefde jegens het Opperhoofd der Kerk, jegens Jezus-Stede houder op aarde. Alleen toch, op verlangen van den Paus stroomde zelfs van de verst afgelegen landen der aarde, eene zoo groote menigte geestelijken en leeken naar Rome als te voren wellicht nooit gebeurd was. (1) De geestdrift der katholieken,

(1) Bij de heiligverklaring zijo verschillende familieleden der Martelaren tegenwoordig geweest. Alsmede de oversten

-ocr page 147-

5-145—

zegt zeker sehryver was zoo groot, dat, ware het mogelgk geweest, allen naar Rome zouden gesneld zijn, niet alleen om getuigen en deelgenooten te zijn der plechtige feestviering ter eere der twee voornaamste prinsen der H. Kerk, Petrus en Pau-lus ; maar ook om de heiligverklaring der roemden Orden, wier leden men ging verheffen. De Nederduilscbe Provincie der Minderbroeders, welke onder de roemrijke Martelaren elf barer zonen telde, was vertegenwoordigd door de Hoogeerwaarde Paters Micbael van der Mazen, destijds provinciaal overl. in 1878, en Joannes Doinmicus De Bruijn, oud-provinciaal nog in leven, terwijl een groot getal geestelijken en voorname katholieken uit Nederland zicb toen ook te Rome bevonden. Uil de reisbeschrijving van Z. D. H. Mgr. F. H. Boermans destijds nog deken van Weert en kanunnik van het bisdom van Uoermond, blijkt, dat ook wijlen Mgr. Wilmer bisschop van Haarlem, wijlen Mgr. Schaepman toen nog coadjutor van wijlen Z. O. H. Mgr. 1. Zwijsen, aartsbisschop van Utrecht, te Rome waren, terwijl hij zelf als vertegenwoordiger van wijlen Z. D. H. Mgr. J. A. Paredis, den zoo beminden bisschop van Roermond, was gedelegeerd. Dit stuk berust op de pastorie te Weert en is in sierlijk Latijn eo met veel gevoel geschreven. Men kan er uit zien welke groote godsvrutht omen doorluchligen kerkvorst voor de Martelaren bezielt, bizonder voor de H. H. Uieronymus en Antonius, die uit zijne hem zoo dierbare parochie waren voortgekomen. Te recht kan men zeggen, dat van de later zoozeer toege* nomen devotie tot de heilige Martelaren alhier, door Z. D. Hoogwaardigheid de grondslag is gelegd, zooals later zal blijken.

-ocr page 148-

—146—

rijke Martelaren van Gorcum bij te wonen. Kon er ter verheerlijking onzer heilige landgenooten wel schooner dag zijn uitgekozen, dan juist deze, van het 18e eeuwfeest der twee zuilen van Jezus' Kerk, van hen, die het heidensche Rome door hun bloed geheiligd en haar, tot de stad der pausen hebben verheven ? Doch, ook welke schoone overeenkomst ! Voor datzelfde Geloof hebben onze Martelaren in de 16e eeuw hun bloed gestort. In navolging dezer H. H. Apostelen hebben ook zij getuigenis afgelegd van het Geloof en door hun bloed onzen Vaderlandschen grond geheiligd.

Wy vinden dien dag nog om eene andere reden merkwaardig en voor het feest zeer geeigend, ja wij zien ook daarin eene bijzondere beschikking van Gods Voorzienigheid, welke de heiligverklaring der Martelaren, juist op het feest der Apostelen wilde doen plaats hebben. Immers de feestelijkheden namen te Rome reeds een aanvang den 28 Juni met de eerste Vespers van het feest der H. H. Petrus en Paulus. Toen werd dezelfde hymnus gezongen, welke in de dagen toen de Martelaren nog te Gorcum in den kerker verzuchtten, door een afvalligen katholiek, spotsgewijze op hen werd gezongen en toegepast. Welk een treffende ja wonderbare verandering! De Martelaren vierden in 1572 het feest der EL H. Apostelen Petrus en Paulus in den kerker te Gorcum, te midden van ver-

-ocr page 149-

— 147 —

stnadingen, verguizingen, smarten en lijden, zij hoorden hoe een trawant van Satan zijn verachting tegen het Geloof, tegen Jezus en Zijne getrouwe dienaren zoover dreef, dat hjj zich niet schaamde, de zoo schoone en verhevene lofzang door de Kerk aan de twee groote Apostelen gewijd, uit spotternij in hunne tegenwoordigheid te zingen en op hun toestand toe te passen. »0 Roma felixquot;, zoo zong de deugniet met luide stem, O gelukkig Rome, dat door het glorierijk bloed der twee prinsen geheiligd zijt.quot; En ziet drie eeuwen later, wordt op den vooravond van denzelfden feestdag, door Christus' Stedehouder en duizende geloovigen diezelfde lofzang herhaald, en dezelfde Martelaren, toen door de ketters zoo gesmaad, bespot, zullen op den volgenden dag in de rei der Heiligen geplaatst worden. Wonderbar» tegenstelling, maar tevens heerlijk schouwspel voor hemel en aarde !

De lezer zal wel begrijpen, dat het ondoenlijk is om al het schoone en indrukwekkende der plechtigheden te beschrjjven, die op den 29 Juni 1867 in de groote Sint-Pieterskerk hebben plaats gehad. Wij kunnen er eciiter niet geheel van zwijgen ; hoe weinig dan ook willen wij er toch iets van mededeelen. De ruime basiliek van St. Pieter was met de kostbaarste tapijten behangen, terwijl ruim vijftien duizend waskaarsen hun zacht licht ver-

-ocr page 150-

— 148 —

spreidden, hetgeen een majestueus gezicht opleverde.

Reeds in den vroegen morgenstond, was de kerk schier geheel met menschen gevuld, omdat men bevreesd was later geen plaats meer te zullen vinden. Dit was dan ook het geval, want duizenden waren genoodzaakt op het voorplein te big ven staan. Men heeft berekend, dat zoo binnen als buiten de Sint-Pieter, ruim honderd duizend personen tegenwoordig waren. Allen die het geluk hebben gehad in die dagen de feesten bij te wonen, getuigen eenparig, dat zij nooit iets dergelijks hebben gezien en nooit meer zullen zien. Velen waren zoo getroffen van bewondering en opgetogenheid, dat zij hunne tranen niet konden wederhouden, en niet zelden hoorde men dezen of genen vol geestdrift uitroepen ; »0 wat is de Katholieke Godsdienst toch schoon, hoe zielsverhefitend zijn hare plechtigheden en feesten ! Jaren nog daarna, zeide een geacht geestelijke uit ons bisdom : «Niemand is in staat om den indruk te beschrijven, welken die dag van 29 Juni op mij en met mg, op duizenden heeft gemaakt.» «Ik zal, zeide een ander, het oogenblik nooit vergeten, toen ik, nadat verscheidene plechtigheden waren voorafgegaan, den grijzen Opperherder in pontificaal ornaat van zijn troonzetel zag opstaan, en met nog heldere en krachtige stem de heiligverklaring der Martelaren

-ocr page 151-

— 149 —

hoorde uitspreken. De fit. Vader drukte zich ongeveer in de volgende woorden uit: »Tot eer der heilige en onverdeelbare Drievuldigheid, tot verheffing van het Katholiek Geloof, tot vermeerdering van den Godsdienst, uit gezag van onzen Heer Jezus Christus en van de H. H. Apostelen Petrus en Paulus en uit ons gezag; na voorafgaande rijpe overweging, na meermalen de Goddelijke hulp te hebben afgesmeekt en op raad van onze eerbiedwaardige broeders de Kardinalen der H. Roomsche

Kerk, verklaren wij: dat..... de gelukzalige

Nicolaus Pieck met zijne gezellen enz..... onder

de heilige Martelaren met godsvrucht moeten geëerd worden .... In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.quot;

Men kon het duidelijk aan de houding der duizenden aanwezigen zien, dat die woorden van den zoo eerbied «vaardigen Opperherder en Leeraar der Kerk gesproken, een hemelsche uitwerking maakten. Allen stonden toen Hij die beslissende uitspraak deed recht op, men hoorde niets dan zijne stem, of liever, Jezus Christus zelf spreken door den mond van Pius. Daarna hief Z. H. het plechtig »Te Deumquot; aan, hetwelk door duizende stemmen, zoowel op het voorplein als binnen de basiliek, werd vervolgd. Terwijl intusschen, het geschut van Sant-Angelo losbrandde, werden alle klokken van

10.

-ocr page 152-

-ISO-

Rome geluid, alsof zij de wereld uitnoodigden tot vreugde en dankbaarheid aan God, die nu de tal-rijke en zoolang verwachte wenschen, door de heiligverklaring zijner bloedgetuigen op aarde, had vervuld. Inderdaad, allen loofden en dankten den Heer in die zalige stonden, welke zonder twijfel met onuitwischbare letteren in onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis zullen geboekt blijven. Geheel Rome was toen in feestdos en tot laat in den avond, terwijl de gansche stad prachtig geillamineerd was, hoorde men overal, tot zelfs in de onaanzienlijke buurten, lof- en dankliederen aanheffen ter eere der H.H. Martelaren. Luide riep men de voorspraak in der nieuwe Heiligen, »H. Martelaren van Gor-kum bidt voor ons.quot;

Doch men vierde niet alleen in de hoofdstad der katholieke wereld feest, ook in ons vaderland bleef m«n niet achter. Trouwens hel moet tot eer van onze landgenooten gezegd worden, dat zij, doch vooral op die plaatsen, welke min of meer in betrekking hadden gestaan met de Martelaren, hunne vreugde en deelneming op buitengewone wijze hebben getoond. Onder deze mogen wij, m^t recht, aan onze stad Weert, eene eereplaats geven. Daar de Weerlenaren van onheuglijke tijden af éene groote liefde en hoogachting voor de Martelaren van Gorcum in het algemeen, en voor hunne heilige stadgenooten Hieronymus en Antonius in het bi-

-ocr page 153-

—161 —

zonder, gehad hebben, is het geenszins te verwonderen, dat zjj in die dagen zich hebben onderscheiden door hunne betoonde godsvrucht. Jijene kleine herinnering uit dien zoo gelukkigen en vreugde-vollen tijd zal, vertrouwen wij, onzen lezers zeer aangenaam en voordeelig zijn.

-ocr page 154-

Verheerlijking der Martelaren

TE WEERT.

sEr ontstaan in den boezem der Katholieke bevolkingen nu en dan bewegingen van godsdien-stigen aard, die over de massa nederdalen met een kracht, die geheel de ziel aangrijpt, en zich uitspreken in een vreugde en jubel, in een overvloed van blijdschap en heilige overtuiging, die als levende wateren stroomen. Zulke opwellingen van algemeene en godsdienstige geestdrift ontwaren wij niet zelden bij het vieren van een buitengewoon kerkelijk feest, en vooral dan, wanneer het een eerbewijs betreft van een of meer Heiligen, met wie het volk eener plaats door zekere banden in betrekking staat. De invloed eener hoogere orde is dan duidelijk waar te nemen. Het is alsof het volk van aandoening siddert en tegelijk van teederheid smelt. Die opwellingen mogen zich, naarmate de gestellen zijn, op verschillende wijze openbaren, maar allen zijn er vol van, geheel de menigte is er van vervuld.quot;

-ocr page 155-

153—

Ongeveer op deze wijze, spreekt de heer J. He-zenmans, over de feestviering destijds te 's-Herto-genbosch gehouden ter eere van den H. Leonard Vechel, een der Martelaren van Gorcum. Deze woorden zijn, volkomen toepasselijk op de feesten, welke te Weert ter eere van de H. H. Martelaren Hieronymus en Antonius hebben plaats gehad. Inderdaad, toen ook heeft men in deze stad iets dergelijks gezien. De Weertenaren waren opgetogen van godsdienstige geestdrift voor hunne zoo dierbare heilige stadgenooten. In den volsten zin des woords hebben zij hen op waardige wijze verheerlijkt, door tweemaal een buitengewoon feest ter hunner eere te vieren. Het eene is gehouden in 1867, het andere in 1885.

De eerste feestviering vond plaats, toen onze beminde bisschop Mgr. F. H. Boermans nog deken van Weert was. Zooals wij reeds gezegd hebben, was hij door wijlen Mgr. J. A. Paredis, die wegens zijne hooge jar ei? de reis naar Kome niet kon ondernemen, tot diens vertegenwoordiger bij de feesten en zaakgelastigde bij den H. Vader aangesteld. De twee eerwaarde heeren, P. Creemers, destijds pastoor van Baarlo, en J. A. JBemelmans, kapelaan te Weert, waren zijne reisgezellen naar de eeuwige stad. (1) Gedurende zijn verblijf te Ro-

(1) Beide heeren zijn thans overleden. De naam van den verdienstelijken kapelaan Bemelmans, zal hij de Weertenaren nog lang in zalig aandenken blijven.

-ocr page 156-

—154—

me was de ijvervolle herder er op bedacht om voor zgne geliefde parochianen van den H. Stoel eenige bizondere geestelijke gunsten te verkrijgen, welke bem dan ook volgaarne zijn toegestaan. Vooreerst, Terkreeg hij een vollen aflaat voor allen, die ten minste vijfmaal de geestelijke oefeningen zouden bgwonen, welke hij van plan was alhier in zijne parochiekerk te laten houden, en daarbij de gewone voorwaarden zouden vervullen. Ook werd bem de faculteit toegestaan, om in de eerste maand na zijne tehuiskomst, aan zijne gemeentenaren den pauselijken zegen te geven. En eindelijk verkreeg tij voor allen een vollen aflaat, te verdienen öp den feestdag der H. H. Martelaren, of op den daarop volgenden Zondag, door hen, die na de gewone voorwaarden volbracht te hebben, de parochiekerk alhier zouden be/oeken en bidden tot intentie van onze moeder de H. Kerk. Deze laatste gunst was voor 10 jaren gegeven. Zij is later opnieuw aangevraagd en bevestigd, dus nog altjjd van kracht.

Na zijne voorspoedige terugkeer uit Rome, bepaalde de ijverige deken en groot vereerder der Martelaren de plechtige feestviering hunner heiligverklaring op den len November van hetzelfde jaar, welke zou eindigen op het patroonsfeest der Kerk, namelijk op den feestdag van den H. Mar-tinna. Om de feestviering nog meer luister bij te

-ocr page 157-

156 —

zetten en tevens de godsvrucht zijner onderhoorige gemeentenaren tot hunne twee Heiligen op te wekken, verzocht hij twee Minderbroeders der Belgische Provincie, doch geboortig van Weert, te weten : Pater Hieronymus Van Rooy z. g. en Pater Desideratus Princen, om gedurende die dagen, bij wijze van missie, ter eere der Martelaren die geestelijke oefeningen te houden.

Op den voorlaatsten dag der sluiting werd op plechtige wijze de relequie der Martelaren van de pastorie, toen nog in de Beekstraat, waar nu het Lieidegesticht staat, afgehaald en processiesgewijze naar de parochie-kerk overgevoerd. (1) Behalve een groot aantal geestelijken en de Paters van het klooster, vormden de waardigheidsbekleeders en vele andere aanzienlijke personen der stad den stoet,

(1) be nieuwgebuuwile fraaie kapel der oerwaarde Zusters van bet liefdegeslicht in de Beekstraat iieefl de heilige Martelaren Hieronymus en Anlonius tot patronen. Dit liefdehuis, een der schoonste slichlingen van Weert, dagleekent van l Maart 1869, alihans toen werd het door drie zusters uit hel moederhuis van Tilburg heirokken. Aanstaande jaar l Maart lal hel dus zijn vijf-en-iwintig-jarig beslaan kunnen vieren. Indien wij ons niel vergissen, is onze beminde biss:hop Mgr. Eoermans de stichter van het huis, zeker welen wij, dal Z. C. H. er veel voor gedaan heeft, en hel hem nog zeer ter harte gaat.

-ocr page 158-

—156 —

welke van de pastorie langs den Hoogensteenweg, de Hoogstraat en zoo vervolgens over de Markt de kerk binnentrok. De relequiekast der H. Martelaren werd op een kleine versierde baar door vier Weertsche geestelijken gedragen, namelijk twee wereldlijke priesters en twee Paters Minderbroeders. Beurtelings werden door de zoo wel bekende fanfaregezelschappen en het zangkoor der parochiekerk de schoonste en treffendste melodiën en lofzangen ter eere der Martelaren aangeheven. Niet alleen binnen maar ook buiten, was de kerk luisterrijk en op waardige wijze versierd ; terwijl de stad, vooral in die straten, waar de stoet doortrok, geheel in feestdos was getooid. Op dien dag werd de plechtige Hoogmis opgedragen door den Hoog-Eerw. heer S. Moonen, kanunnik en plebaan der kathedrale kerk te Roermond en Weertenaar van geboorte.

Niet weinig werd het feest opgeluisterd, door de tegenwoordigheid van den grijzen en om zijne vele goede hoedanigheden zoo hooggeachten en beminden kerkvoogd Mgr. J. A. Paredis, die tegen den avond van denzelfden dag, zijnde daags voor het feest van den H. patroon Martinus, onze stad Weert bezocht. Z. D. Hoogwaardigheid verlangde met zijne geestelijke kinderen deel te nemen aan de feestelijkheden, welke ter eere hunner twee zoo vermaarde Heiligen gehouden werden. Den vol-

-ocr page 159-

genden dag assisteerde Z. D. H. in pontificaal gewaad.

Dat in die dagen, maar vooral op dien vooravond, en nog meer op het feest van St Martinus, een ontzaglijke menigte op de been was, laat zich begrijpen. De stad werd toen door honderde vreemdelingen bezocht, die van heinde en verre ter bedevaart kwamen, om de H. H. Hieronymus en Antonius, te komen vereeren en hunne voorspraak in te roepen. Zooals wij in de aanteekeningen van Mgr. Boermans, toen deken van Weert, over de feestviering der heiligverklaring, der Weertsche Heiligen lezen, zijn er in die negen dagen, omtrent 6500 Communiën uitgereikt. Voorwaar een groot getal, waarui t wij met recht mogen besluiten, dat de bewoners dezer stad met een waren godsdien-stigen geest bezield zijn ; want waar men zulk eene groote hoogachting en liefde jegens het H. Sacrament des Altaars ziet bewijzen, en waar de eerbied voor den algemeenen Vader der christenheid en zijne priesters zoo openlijk wordt te kennen gegeven, mag men veilig zeggen, dat daar ware Godsdienstzin bestaat. (1)

Grootelijks verheugde zich dan ook, niet zonder reden, de hooggeachte herder over de goede gesteltenis zijner parochianen, en drukte hij daarbij het

(I) De parochie teil ruim 6000 ComnmniciinleD.

-ocr page 160-

—158— .

«

verlangen uit, dat zij altijd daarin zouden blijven volharden. De feestelijkheden werden gesloten met een plechtig lof, waaronder Pater Hieronymus van Rooy, nog eene schoone predikatie hield, en waarna de lofzang »Te Deum laudatuusquot; werd gezongen. Een ontzaglijke menigte volks vulde toen het kerkgebouw en niettegenstaande de overgroote drukte, zoo binnen als buiten, viel er niets ont-stichtends of ongeregelds voor. Allen waren diep doordrongen van de groote beteekenis van dit tnar-telaarsfeest. Vele Weertenaren zullen zonder twijfel zich die indrukwekkende feestviering van 1867 nog wel herinneren, en zij, die sedert overleden zjjn, zullen in den Hemel, willen wij hopen, met de heilige Hieronymus en Antonius vereenigd zijn, als deelgenooten van dezelfde glorie, waarmede die twee bloedgetuigen van Jezus Christus, voor alle eeuwigheid versierd zijn.

Sedert dit feest is de godsvrucht der Weertenaren tot hunne Heiligen met reuzenschreden voor-uitgegaan, dank zij den ijver der geestelijkheid dezer plaats. Men moet het hun tot lof nageven, dat zij hun uiterste best hebben gedaan, de aan hunne geestelijke zorgen toevertrouwde parochianen, eene teedere godsvrucht in te prenten tot de heilige Martelaren, Hieronymus en Antonius, overtuigd als zfl waren, en nog zijn, dat, (zooals wij ook reeds vroeger gezegd hebben) naarmate die vereering

-ocr page 161-

-169—

algemeener is en dieper iu de harten gegrondvest, ook het tijdelijk en eeuwig welzijn der gemeente zal toenemen. Immers met de heilige dienaren van Christus te verheerlijken en door de navolging hunner deugden te vereeren, verheerlijken en vereoren wij God zelf. tot Wiens eere zjj hun bloed hebben gestort en die hen in den Hemel zoo hoog verheven heeft. Met een welwillend oog ziet Hij neder op hen, die Zijne Heiligen hoogachten, en zal Hy hen zegenen naar ziel en lichaam.

Dat wy niet te veel zeiden, toen wij boven beweerden, dat de vereering onzer Heiligen, in onze goede stad, zoozeer is toegenomen, getuigt ook de geestdriftige stemming, die zich van allen meester maakte tijdens de feesten van 1885.

Toen in 1877 de hoogeerwaarde heer, S. Moo-nen, deken van Roermond en kanunnik der Kathedrale Kerk, het eeuwige met het tijdelijke verwisseld had, werd de deken van Weert, nu onze beminde bisschop, in diens plaats aangesteld. Ongaarne en met groote droefheid zagen de Weer te-naren den goeden herder vertrekken, die hen geurende 15 jaren, door woord en voorbeeld zoo goed had geleid en door hen als een vader werd bemind. (I) Doch Gods voorzienigheid vergoedde

(1) Eer.igen lijd voor de benoeming van Mgr. Boermans tol deken en plebaan van Roermond werd onze kerk mei een zeer kostbare verguld-zilveren remonstrans verrijkt. Dil kunsl-

-ocr page 162-

-160—

het gemis van dezen voortreffelijken leidsman, door aan Weert een waardigen opvolger te schenken in den persoon van den hoogeerwaarden heer, Jacobus Van Muiken. Dan helaas ! slechts zes jaren mocht deze gemeente zich in zgn bezit verheugen, toen hij vol verdiensten en om zoo te zeggen nog in de volle kracht zijns levens, aan de liefde zijner parochianen door den dood werd ontrukt, om in den Hemel het loon zjjner talrijke deugden en goede werken te gaan ontvangen (l). Doch ook andermaal kwam de goede God, de door het vroegtydig

stuk werd vervaardigd door den beroemden goudsmid H. Esser z. g. Onder meer andere beeldjes van heiligen, prijken aan de (wee uilzijden (er boogie der lunula ook die van de martelaren Hieronymus en Antonius.

(1) Deken Van Muiken overleed den 27.en Febr. 1883. quot;Wij vonden van bein opgeteekend, dat hij was een braaf en ijverig priester, vol medelijden jegens de armen en door zijn parochianen leederlijk bemind. Hij stierf als een heilige geheel overgegeven aan Gods wil. Meermalen hoorde men hem zeggen, dat hij niet bevreesd was voor de hel, maar wel voor hel vagevuur ; doch de veelvuldige en hartelijke gebeden zijner parochianen zullen hem ook daarvan bevrijd hebben. Zijne lijdelijke goederen vermaakte hij groolendeels aan geestelijke stichtingen alhier. Groot ook was zijn godsvrucht tot de H. Martelaren. Hel fraaie gedenkteekeu door zijne parochianen op zijn graf gesticht spreeki luide, hoe zeer zij bem liefhadden .

-ocr page 163-

— 161 —

afsterven van den beminden deken » Van M ulkenquot; zoo zwaar beproefde en bedroefde gemeentenaren helpen en troosten, door hen een nieuwen herder te geven, zijn edelen voorganger volkomen waardig. Op Paaschdag namelijk, 25 Maart 1883 benoemde wijlen Mgr. J. A. Paredis tot aller genoegen, den Hoogeerwaarden en Zeergeleerden Heer J. G. Ousters, professor der Theologie-Dogm. in het grootseminarie van Roermond en kanunnik der kathedraal, tot deken-pastoor van Weert (1). Reeds tien jaren genieten wi] alzoo het geluk dezen waardi-gen en voorbeeldigen man als herder in ons midden te hebben. Ons voornemen is echter niet zijne talrijke goede en waarlijk groote werken aan onze lezers in herinnering te brengen. Wat de hooggeachte man tot eer van God, tot heil der zielen en tot opluistering van Gods huis gedaan heeft, is aan allen bekend. Niet alleen de inwoners dezer stad maar ook anderen kunnen zich daarvan overtuigen. Wij bespreken hier slechts datgene, wat hij reeds van zijn eerste optreden af, als onze herder en geesteljjk hoofd ter verheerlijking onzer lieve

(1) Deken Custers is geboren te Sitlard ilO Maart 1824; priester gewijd 28 Aug. 1848 ; professor benoemd te Veoloo 1 Oct. 1848 ; professor der Wijsbegeerle te RoMuc i Oct. 18S6 ; der Tbeol. Dogm. tt Roermond 1 Oct. 1864 ; kanunnik benoemd 1881, en deken-pastoor alhier 2S Maart 1883,

-ocr page 164-

—162—

Martelaren, zooals hij ze gewoon is te noemen, gedaan heeft. Op het voorbeeld zijner twee onverge-telijke voorgangers heeft hij zich steeds beijverd de twee groote Heiligen zijner parochie te verheer-lijken en alles aangewend om de godsvrucht tot hen te prenten in de harten der aan zijne zorg toevertrouwde zielen. Hij getuigt dat hij niet alleen voor zyn persoon; maar ook voor het geestelijk en tijdelijk welzijn zijner gemeente de heerlijkste vruchten uit deze vereering getrokken heeft. »Met veel vertrouwen en goed, zeer goed gevolg, zoo teekent hij aan, heb ik mij steeds in alle behoeften, vooral bij het opbouwen van den toren gewend tot onze lieve heilige stadgenootenquot; (1). Daarom, konden wij reeds te voren met recht zeggen, dat Mgr. Boermans, toen hij nog onze herder en deken was, de grondslagen heeft gelegd van het geestelijk gebouw der later zoozeer toegenomen devotie tot de H. Martelaren alhier, nu voegen wij er bij, dat onze tegenwoordige deken dit gebouw geheel heeft voltrokken. Het volgende zal onzen lezers daarvan de duidelijkste bewijzen leveren.

Reeds lang te voren had onze herder het voor-

(1) De Weeilsche toren is volgens deskundigen «en waar meertersluk. Ondanks de vele en groole gevaren mei hel bouwen gepaard, liep alles voorspoedig en gunstig af. De boogie van toren mei kruis, bedraagl volgens zeggen 408 Meier.

-ocr page 165-

—163 —

nemen gemaakt, in zijne kerk een bizonder gedenk-teeken der eere der heilige Martelaren te stichten. Hij wenschte daar een monument geplaatst te zien, dat niet alleen zou dienen tot sprekend bewijs der liefde en groote godsvrucht der Weerte-tenaren tot hunne twee beroemde stadgenooten ; maar tevens ook een schoon sieraad voor onze prachtige parochie-kerk zou zijn. Trouwens wij allen weten, dat de inwendige godsdienstige gevoelens ook grootelijks worden opgewekt door uiterlijke teekenen.

Het plan van on^en deken was dus zeer prijzenswaardig en zeer geschikt voor zijn doel. Maar wat hg zou doen, bleef vooralsnog onbeslist. Het gedenkteeken moest een fraai en duurzaam kleinood zijn, maar van den anderen kant moest ook met het financieele rekening gehouden worden, te meer, wijl de zoo noodzakelijke uitgaven voor het herstellen en versieren der kerk reeds vrg aanzienlijk waren geworden. Dan de goede God, die hem het plan had ingegeven en zijne goede meening kende, stond zijn getrouwen dienaar op waarlyk wonderbare wijze ter zijde. Het scheen in Gods raadsbesluiten vastgesteld te zijn, dat Zijne bloedgetuigen, Hieronymus en Antoaius, door hunne stadgenooten nog hooger moesten verheerlijkt worden, dan tot nog toe was gedaan. Althans uit vele bijkomende omstandigheden heeft men dit later

-ocr page 166-

kunnen opmaken, en daarom is het werk ook tot stand gekomen.

Men stelle zich evenwel niet voor, dat bi) het uit te voeren plan, hetwelk echter toen nog niet voor goed bepaald was, zich geen moeielijkheden of bezwaren zouden voordoen. Geenszins, dit zou ook niet goed zi)n geweest, immers volgens den gewonen loop der Goddelijke Voorzienigheid zien wij, dat bij het in leven roepen van groote en verdienstelijke werken tot eer van God, zich min of meer hinderpalen voordoen, als wilde God hierdoor te kennen geven, dat niet de rnenschen, maar Hg het is, die alles doet en regelt tot zijne meerdere eer en glorie, en dat de verdiensten van een werk des te grooter en Hem aangenamer zijn, naarmate wij ons daarvoor meer moeite, geduld en opoffering moeten getroosten. Wonderbaar inderdaad handelt God soms met de Zijnen, hiervan zouden duizenden voorbeelden uit het dagelijksch leven kunnen worden aangehaald. Juist dan wanneer men alle hoop verloren waant, daagt op een oogenblik Gods hulp op, gelijk wij soms uit een bewolkten hemel de liefelijke zonnestralen zien te voorschijn komen.

De deken, zeiden wij, wist toep nog niet goed, wat hij voor de Martelaren doen zou, doch op zekeren dag ontving hij een bezoek van een zijner hoogeerwaarde vrienden, Mgr. Rutten deken van Maastricht. Deze man eerbiedwaardig om zijne

-ocr page 167-

—166—

hechte deugd en veelomTattende geleerdheid, bezat ook zeer veel kennis der bouwkunde. Bg het beschouwen onzer kerk viel zijn oog op een, tot dan toe, geheel verborgen en onaanzienlijk hokje in een der zijmuren, afgescheiden van de kerk en voorzien van een deur. Dit hokje, want beter naam kon men het toen niet geven, diende vroeger tot koorkapel voor de edele Graven van Hoorn, doch werd in lateren tijd slechts als bergplaats gebruikt. (1) Opmerkzaam gemaakt zijnde door Mgr. Eutten, dat dit onooglijk vertrekje groote bouwkundige waarde bezat, kwam al aanstonds bg den Hoogeerwaarden Heer deken de gedachte op »dat was goed voor onze twee lieve Weertsche Heiligen.quot; De restauratiekosten zouden echter niet gering zgn ; doch geholpen door ruime giften van eenige welgezeten parochianen, en vooral door de milde bijdragen van twee Weertsche priesters, werkman in het buitenland (Noord-America), scheen het hem

(1) Dil graven-koortje is in 4SOO gebouwd tegelijk met de parochie-kerk onder Jacob van Hoorn 2, zoon van den stichter van het Paterskiposter Jacobus 1, op een steen aan de zuidermuur staat te lezen :

»In het gulden jaar van vijftien hondert Is gebroken dij aide kerck u niets en wondert En op avont Magdaleen

Is gelach t dij ierste steen.quot; (Kroniek van Weert door A. J. Flament bl. 25.) H,

-ocr page 168-

—186 —

mogelijk een begin te maken met de verwezen-Igking -van zijn plan. Hierbij kwam later nog eene weliswaar op zich zelve droevige omstandigheid, maar die hem toch in staat stelde het plan geheel ten uitvoer te leggen. Omtrent dien tijd, nameljjk Aug. 1884, werd de vrome en geleerde directeur ■van0 het Collegie van Weert, de Zeereerw. heer P. Maessen geheel onverwachts door den goeden God tot Zich geroepen. Uit hoogachting en dankbaarheid verlangden zgne oud-leerlingen ter zalige herinnering van dien dierbaren priester, een monument op te richten. Het bedrag der daarvoor ingezamelde gelden was vrij aanzienlek. Na rijp beraad werd eindelijk met algemeene stemmen goedgevonden, dit geld te besteden tot de verdere restauratie der vroegere kapel der Graven, en deze, dan ter eere der H, H. Martelaren, ook als monument hunner achting en liefde toe te wijden, aan de zalige gedachtenis van hun Hoogeerw. dierbaren leermeester en vriend. Zoo kwam er een waardig en overheerlijk schoon monument tot eer van Jezus' bloedgetuigen tot stand, dat tevens een voortreffelijk sieraad is voor onze wijd vermaarde kerk, en een schoone en blijvende herinnering ter nagedachtenis van den zeereerw. en diep betreurden Directeur. Ja, wij gelooven dat, als hij, van uit den Hemel, zgne dankbare leerlingen had kunnen toespreken, wel geen ander liefdebewijs zou verlangd hebben,

-ocr page 169-

—167—

dan dit kapelletje, waarin nu de H. Martelaren zoo menigmaal worden vereerd, de H. Mis wordt opgedragen en zoovele gebeden ten Hemel opgaan. Gewis zullen zij die daar hun gebed komen storten, den priester niet vergeten, wiens naam op een steen in de muur met het Latynsch opschrift te lezen staat: »Ter nagedachtenis van den Directeur P. Maessen hebben de dankbare oud-leerlingen dit koor hersteld en toegewijd aan de twee H.H. Martelaren van Weertquot;.

Toen nu het koortje der vroegere graven van Hoorn geheel gerestaureerd was, en nu zulk een aanzien had gekregen, dat het inderdaad wel een juweeltje mag genoemd worden van schoonheid en kunst, achtte de Hoogeerw. deken het doelmatig, dit fraai gedenkteeken gt;ter verheerlijking der lieve Martelaren, met eenige plechtigheid in te huldigen.quot; Dit geschiedde op Zondag den 9.en Aug. 1885 in den namiddag om half vier.

Buitengewoon groot was de vreugde der Weert-sche burgers, toen zij op Zondag-morgen 9 Aug. 1885 hunnen voormaligen herder gt;Mgr. Boermansquot; (1) in hun midden mochten ontvangen. Z. D. H. was gekomen voornamelijk met het doel, om deel

(1) Mgr. Boermans was toen nog coadjutor van Z. D. H. Mgr. Paredis. Bij den dood van dezen waardigen prelaat volgde hij bem onmiddelijk op als bisschop van Roermond. Te voren droeg bij den titel van bisschip van Tbermopylis i. p. i.

-ocr page 170-

—les

te nemen aan de luisterrjke feestviering, welke ter eere der H. Martelaren, Hieronymus en Antoniusr zoude gehouden worden; maar ook om tegelijkertijd aan zijne vroegere parochianen een bewijs te geven van zijne bizondere hoogachting en toegenegenheid. Dat zijne tegenwoordigheid de godsdienstige geestdrift der Weertenaren voor hunne Heiligen niet weinig deed stijgen en aan het feest nog veel meer luister bijzette, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Zij toch die er getuigen en deel-genooten van waren, zijn nog meest in leven, en zullen zich den indruk, welken dit feest op hen gemaakt heeft, nog zeer goed herinneren. Mochten er onder hen ook al eenigeu zijn, bij wie die eerste vurigheid is verminderd, zoo gelooven wij toch, dat bij de meesten, de goede gevolgen daarvan zijn overgebleven.

Wel was de feestviering van 1867 ter eere der Heiligen gehouden overschoen en indrukwekkend, zooals wij reeds gezegd hebben ; maar die van 1885 ging haar evenwel om verschillende bijkomende omstandigheden en vooral wat het hooge doel betreft, nog verre te boven. Immers met dit feest beoogde men niet alleen, eene nieuwe verheerlijking der Martelaren, maar ook eene soort van openbare en algemeene toewijding aan de twee Heiligen dezer stad. Dit was, zooals wij uit alles kunnen opmaken, het doel van onzen ijverigen herder den ont-

-ocr page 171-

—169—

werper van het feest, die zich ook op uitnemende wijze heeft gekweten van de inderdaad niet gemakkelijke taak, de wijze en de volgorde der feestviering vast te stellen en te regelen. Doch ook de parochianen zelf verlangden vurig zich onder de bizondere bescherming hunner twee beroemde stad-genooten Hieronymus en Antonius te stellen. Velen hunner hadden dit weliswaar reeds gedaan, door hen als zoodanig te vereeren ; maar die toewijding was slechts persoonlijk. Nu zou de gansche gemeente, om zoo te zeggen, eene openbare toewg-dingsakte gaan doen en zich vaa dit oogenblik af geheel en voor altijd onder de bescherming hunner Heiligen gaan stellen. Nu kozen allen hen, tot hunne machtige voorsprekers bij God, opdat zij voor hen, de genade zouden verwerven van eenmaal in den Hemel met hen vereenigd te worden.

De plechtige toewijding der Weertenaren aan hunne twee heilige stadgenooten, werd, zooals wij zeiden, vastgesteld op Zondag namiddag om half vier, 9 Aug. Om het volk nog meer de hooge be-teekenis daarvan te doen begrijpen, en tevens op te wekken, dit martelaarsfeest met echt godsdienstigen geest te vieren; verscheen daags te voren in «Het Kantongt; eene treffende aankondiging der feestviering en van de volgorde der plechtigheden, die alsdan zouden gehouden worden. «Terecht» zoo schreef dit weekblad, wordt in de geschiedenis der Volke-

-ocr page 172-

—Ho

ren, niet die eeuw groot en schoon genoemd, die schitterend door hooge wapenfeiten of rijk is aan uitvindingen ; maar waarlijk, waarlijk groot wordt geheeten de eeuw die Heiligen voortbrengt, omdat deze alleen en enkel, de roeping en het doel der menschheid in den volsten zin des woords volbrengen.

Kan dus eene eeuw zich veredeld gevoelen in godsdienstigen zin, wanneer meerdere kinderen des tijds zich boven het aardsche verheffen, dan voorzeker deelt het Volk, eene stad, in den luister en in de eer zijner Heiligen, en de volgende geslachten die den bodem en de woonplaats hunner heilige voorgangers betreden, gevoelen zich door hen veredeld en gesterkt.

Het katholieke Limburg is een bij voorkeur door Heiligen beroemd oord. Van de eerste eeuwen at waren Odiliënberg, Susteren, Houthem, Maastricht getuigen van den vromen en heiligen levenswandel van bisschoppen, priesters en leeken. Odilia, Ger-lachus, Gertrudis, Oda, Servatius, Lambertus, om slechts eenige te noemen, waren op dezen grond geboren, of hebben hier ten minste geleefd. Onder de Heiligen echter nemen de martelaren de eereplaats in, die met hun leven en bloed getuigenis hebben afgelegd van hun onwankelbaar Geloof en hunne onbegrensde Liefde tot God : daarom kan Weert dan ook terecht fier zijn boven vele andere

-ocr page 173-

—171—

plaatsen, omdat twee harer Zonen, op den 9en Juli 1572 te Brielle de martelkroon verwierven.gt;

Na vervolgens den Weertenaren herinnerd te hebben aan het beleefd verzoek van den Hoogeerw. Deken, om innige deelneming te betoonen in dit voor hunne stad zoo grootsche feest, — waaraan ten volle voldaan werd — sluit genoemd Weekblad zijn feest-artikel met de volgende woorden : «Het dankbare en katholieke Weert, gaat zich morgen, plechtig onder de bescherming stellen van zijne twee heilige Zonen, zal hen als zoodanig, inhuldigen en hulde bewijzen.»

Evenals voor achtien jaren, ter gelegenheid van het feest der heiligverklaring, was nu ook de gan-sche stad in feestdos getooid. Reeds in den vroegen morgen wapperde de nationale driekleur aller-wege ; elke straat, ja ieder huis was versierd. Een prachtige eereboog prijkte bij den ingang der van binnen rijk gesmukte parochiekerk, terwijl van daar af tot aan het Patersklooster de gansche weg, waarlangs de plechtige optocht zou gehouden worden, met boompjes was afgezet, in wier toppen slingers en vaantjes wapperden. Reeds in den voormiddag waren de straten met volk gevuld ; ontelbare vreemdelingen waren aangekomen en nog meer waren in aantocht. Onder het statig klokkengelui van de Sint-Martinuskerk en van het klooster, trok op den vastgestelden tgd de feestdoet uit eerstgenoemde

-ocr page 174-

—172—

kerk, onder de begeleidende muziek der drie fanfaregezelschappen naar het Patersklooster, te midden van een groot aantal belangstellenden. Mgr. Boer-mans was omgeven door drie Hoogeerwaarde kanunniken, te weten : onzen hooggeachten heei* deken, den hoogeerwaarden heer van Meijel, secretaris van het bisdom, en den hoogeerwaarden zeer geleerden heer Hussel, professor in het groot-semi-narie ; alsmede door een groot aantal geestelijken, waaronder velen geboortig uit Weert, daarbij waren ook tegenwoordig de leden van het Kerkbestuur en van den Gemeenteraad. Behalve dezen, volgden nog vele andere aanzienlijke personen den stoet. De twee fraaie beeldjes (1) voorstellende de twee Heiligen waren reeds te voren naar het klooster overgebracht, alwaar zij zouden gewijd worden, om daarna naar de parochiekerk gevoerd te worden. Voorwaar een schoone gedachte, immers Hieronymus en An-tonius hebben, voor zoover althans bekend is, wel niet als religieus alhier in het klooster gewoond, maar zij behoorden toch tot dezelfde orde van den H. Franciscus en hebben zonder twijfel bij het bezoek hunner vaderstad, meermalen in dit klooster overnacht en in de kerk de H. Offerande opgedra-

(1) De twee beeldjes der H. Martelaren zijn overschoen; xij zijn geleverd door den welbekenden Weertscbeo beeldbou-w«r den heer Smeels.

-ocr page 175-

— 178—

gen. (1)

Aanvankelijk was het plan om de beeldjes binnen de Paterskerk te wijden, doch hiervan moest men afzien wegens de verbazende menigte volks. Mgr. JBoermans verrichtte daarom deze heilige handeling vóór den hoofdingang der kerk ia het bijzijn van al de kloosterlingen en de reeds vermelde wereldlijke geestelijken, Het is onbegrijpelijk, dat niettegenstaande de ongehoorde toegestroomde menigte geen ongeluk is voorgevallen, ja zelfs niet de minste stoornis heeft plaats gehad. Om den lezer slechts een klein denkbeeld te geven van de verbazende drukte, zij opgemerkt, dat, toen de voorsten van den stoet reeds den ganschen tuin van het klooster in processie waren doorgegaan en de anderen bij de wagenpoort ontmoetten, de bisschop met de geestelijkheid nog pas tot de Hoogpoort was genaderd, en na hen volgde nog een bijna evengroot getal als reeds voorop was gegaan. Om alle verwarring te vermijden passeerde men elkander, en trokken de eersten van den stoet door de kleine laan weer stadwaarts. Terwijl de anderen langs den grooten

(1) De lezer zal zich nog wel Leritmeren, dal wij vroeger hebben gewag gemaakt van aen plechtig welkomsonthaal van den H. Hieronymus door zijne stadgeooolen en ordebroeders op kosten der stad. Deze eer beeft men den Heilige aangedaan, toen bij voor de eerste maal in 1549, na zijn volbrachte pelgrimsreis naar bet Heilig Land, zijn vaderstad bezocht.

-ocr page 176-

—174—

weg naar het klooster trokken. Zoo iets was volgens de oudst bekende oorkonden nooit voorgevallen. Desniettegenstaande hoorde of zag men niets anders dan teekenen van godsvrucht. Er werd gezongen en gebeden, zoo vurig en hartelijk, als dit wellicht ooit te voren op eene plaats bij dergelijke godsdienstige gelegenheden geschied was. De schoone kerkgezangen en de melodische tonen der muziekkorpsen schenen de harten der duizenden vereerders der Martelaren met een zoete en heilige aandoening te hebben vervuld.

Toen nu de plechtige wijding der beeldjes was volbracht, stelde de stoet zich weer in beweging en toog men stadwaarts (1) langs denzelfden weg en in dezelfde orde als men gekomen was. De beeldjes der Heiligen waren gesteld op een prachtig versierde baar, gedragen door vier eerwaarde leeke-broeders uit het klooster. Aller oogen waren op die twee beeldjes gevestigd, die nu door den door-luchtigen Kerkvoogd gezegend, nog veel schooner voorkwamen dan te voren en nog veel meer waarde schenen verkregen te hebben. Het was alsof er nu eene bovennatuurlijke kracht uit straalde, die de menigte aangreep en allen tot eerbied en godsvrucht

(1) Eigenlijk gezegd, bleef men voorttrekken ; alleen de Bisschop en de geestelijken bleven voor de kerkdeur staan en toen de wijding geschied was duurde het nog geruimen lijd eer zij hunne vorige plaats in den stoel konden nemen.

-ocr page 177-

—175—

dwong. Inderdaad, men zou gezegd hebben dat de H.H. flieronymus en Antonius, ofschoon slechts in deze beeldjes voorgesteld, zelf tegenwoordig waren om nu, door hunne stadgenooten in triumf te worden ingehaald als de helden van Jezus Christus, versierd met de onsterfelijke kroon van het martelaarschap. Een ieder was diep bewogen bij het gezicht van dit zoo treffend schouwspel, en menig oog werd met tranen van aandoening gevuld. Nooit deed een machtig en groot koning met meer luister en onder meer algemeene vreugde de intrede in zijn hoofdstad. Nooit heeft men zooveel liefde en eer bewezen aan de groote heerschers dezer wereld, als hier in 1885 getoond werd door de Weertenaren aan de twee verheerlijkte zonen hunner stad. Volkomen stemmen wij in met den trouwen verslaggever in »het Kanton Weertquot; : gt;Het Katholieke Weert is eenig om zulke feesten te vierenquot;. Nooit voorzeker ook heeft zij, zoolang zij bestaat, zulk eene feestelijkheid aanschouwd als deze zege-pralende intocht onzer heiligen. (1)

(1) Hel juiste jaai der stichiing van onze stad is onbekend. Volijens Poell bi. 296 Witkamp bl. 1332, Van der Aa dl. 12, bl. 193, zou Weert reeds in 693 door de H.H. Willebrordus en Swiibertus lol het christelijk geloof bekeerd zijn, en de H. Oda in 712 hier eenigoa lijd gewoond hebben. Sommige schrijvers beweren, dat de oudste der bewaard gebleven oorkonden eerst dagteekent van 1147, doch Flament, maakt in zijn Kroniek van Weert, bl. 17 gewag van een diploom van 21 Sept. 1062, Het gebucbt Altweerl moei, volgens zeggen, de oorspronkelijke plaats van Weert geweest zijn.

-ocr page 178-

Toen eindelijk de stoet de parochiekerk had bereikt, werd, bijgestaan door de drie hoogeerwaarde heeren kanunniken en omgeven door de andere geestelijken met de Paters van het klooster door Mgr. Boermans een pontificaal lof gehouden. Een der Paters Minderbroeders hield de feestrede, waarin hg aan de schier onafzienbare schaar geloovigen de lof verkondigde der Martelaren van Gorcum en bizonder van Hieronymus en Antonius. Na aangetoond te hebben, welk een geluk en eer het voor deze parochie is, twee Heiligen te bezitten, die uit haar zijn voortgekomen, wekte hg zijn gehoor krachtig op, om hen steeds te blijven vereeren en dit vooral te doen door het navolgen hunner deugden. Daarna werd het plechtig «Te Deum laudamus» gezongen en de zegen gegeven met het Allerheiligste, waarmede de feestelijkheid van dien dag eindigde.

Den volgenden dag Maandag 10 Aug. had om 9 uren de plechtige Hoogmis plaats, welke werd opgedragen voor het tijdelijk en eeuwig welzijn van allen, die voor de restauratie en opluistering der Martelaarskapel hadden bijgedragen. Onder deze Hoogmis werd door denzelfden Pater, andermaal eene predikatie op de H. Martelaren gehouden, waarin hij zgne toehoorders de schoonheid der deugd afschilderde en hen vooral wees op het voorbeeld der twee Heiligen, die van hunne jeugd af steeds de godsvrucht hadden bemind en een grooten af-

-ocr page 179-

—177—

schuw getoond voor het kwaad. «Gedenkt, «inwoners vaa Weert,» ten alle tgde, zeide hg, dat gg broeders en zusters van twee Heiligen zijt» :

Des avonds van denzelfden dag had tot sluiting der feestviering een plechtig Lof plaats, waaronder door denzelfden Pater nog een hartelijk woord, tot de talrijke schaar der feestvierenden werd gesproken, dat niet minder dan zijne twee vorige schoone predikatiën, met groote aandacht werd aanhoord en zichtbaar een diepen indruk op de harten maakte.

Vervolgens werd de zegen met het Allerheiligste gegeven, en had daarna de plechtige overbrenging der twee martelaars-beeldjes naar de kapel plaats. Dit geschiedde in processie door de kerk, onder het zingen van kerkgezangen toepasselijk op de H. Martelaren.

Om den z egen van God over deze gemeente af te smeken en de goede vruchten van deze feestviering duurzamer te doen blijven, werd door den hoogeerwaarden deken eene noveen afgekondigd, die ter eere der Martelaren zou gehouden worden. lederen avond (1) zou een lof geschieden en daaronder driemaal het Onze Yader en Wees-gegroet worden gebeden, tot uitroeing

(1) Gedurende de negendaafscbe avonddiensten ter eere der Weerler-Marlelaren werd de Sinl-Marlinuskerk alhier, goed bezocht, vooral ia de Martelaars-kapel veel gebeden («Het Kanton Weert* i2 Aug. 1885.)

-ocr page 180-

— 178—

der zonden en kwade misbruiken. Alle parochianen werden uitgenoodigd daarbij tegenwoordig te zgn, en zij, die wettig belet waren, verzocht,om tehuis deze gebeden te verrichten. De noveen heeft volgens de getuigenis van den geachten deken de gelukkigste gevolgen gehad.

Van dien tijd af, werd in de parochiekerk het prijzenswaardig gebruik ingevoerd, jaarlijks met het feest der H. Martelaren 9 Juli, gedurende negen achtereenvolgende dagen een lof te houden, ter eere der twee Heiligen van Weert, gt;Hieronymus en Antonius.quot; Hieraan ook, schrijft men vooral het meermalen naderen tot de H. Sacramenten in deze gemeente toe.

Wij zeiden dus niet zonder reden, dat ook in deze stad veel gedaan is ter verheerlijking der Martelaren, ja, wjj zouden er zelfs kunnen bijvoegen, dat Weert in dit opzicht niet behoeft onder te doen voor vele andere plaatsen, waar men hun de verschuldigde eer bewees. Immers dit blijkt uit de twee schoone feestvieringen, welke wij zoo getrouw mogelijk hebben beschreven, maar kan ook bewezen worden uit de kapel, welke hier ter eere der H. Martelaren Hieronymus en Antonius is gesticht. Dit dierbare kleinood zal, wanneer niemand onzer meer in leven is, nog openlijk getuigenis geven van de godsvrucht en eerbied der Weertenaren tot hunne verheerlijkte stadgenooten. Het zal voor onze na-

-ocr page 181-

-179 —

komelingen een trefiend gedenkteeken blij ven, en de vreemdelingen, die in latere tijden de fraaie Sint-Martinuskerk bezoeken, tot godsvrucht jegens onze Heiligen opwekken.

Doch hiermede moeten wij ons niet tevreden stellen. Het is immers niet genoeg, dat wij de Heiligen verheerlijken en door uiterlijke teekenen onze godsvrucht toonen; ja al zouden wij zelfs zeer veel goeds aan die vereering naar ziel en lichaam te danken hebben, dan nog blijft er nog veel te doen over. Wij moeten de Heiligen, die ons door eene bizondere goedheid van God als beschermers en voorsprekers op aarde gegeven zijn, vooral vereeren door hen na te volgen in die deugden, waardoor zij zich tijdens hun leven onderscheiden hebben, want, zooals wg reeds meermalen hebben opgemerkt, daarin juist is de ware vereering der Heiligen gelegen. Daarom moeten wij, om zoo te zeggen, meer acht geven op hetgeen Hieronymus en Anto-nius voor den Hemel gedaan hebben, dan op de heerlijkheid, waarmede zij in den Hemel door God versierd zijn, wgl deze slechts de belooning is, welke zij ontvangen hebben voor hun heilig leven. Indien wij dan ook eenmaal aan dezelfde hemelsche heerlijkheid willen deelachtig worden, is het voor alles noodig, dat wij ons beg veren haar door goede werken te verdienen. Dit is zoo moeilijk niet, waarde lezer, als velen zich voorstellen; doen wjj slechts

-ocr page 182-

—180—

wat wij kunnen en God zal ons helpen ; ondersteund door de vermogende voorspraak der Heiligen zullen wij de genade verkregen der volharding. Geve God, dat alle stadgenooten van Hieronymus en Antonius hen in den Hemel wederzien !

Thans zouden wij de reeks onzer artikelen over het leven, den dood en verheerlijking der Martelaren van Gorcum en in het bizonder van Hieronymus en Antonius van Weert kunnen eindigen. Toch weerhoudt ons nog eene merkwaardige zaak de pen neer te leggen, te weten : de wonderbare wijze, waarop het Gode heeft behaagd, nog in onze dagen Zijne getrouwe dienaren te verheerlijken door de plaats zelve waar zij werden ter dood gebracht en hunne dierbare overblijfselen gedurende drie en veertig jaren in den schoot der aarde hebben gerust, totdat men ze begon op te delven en op onze altaren ter vereering voor te stellen. Deze plek gronds door de ketters en allen, die onze Moeder de H. Kerk haten, steeds beschouwd als een plaats van afgrijzen, verachting en schande, maar allen katholieken dierbaar, is door eene bizondere beschikking van Gods Voorzienigheid eerst voor een kleine dertig jaren weder ontdekt en nu in een zeer bezochte en overheerlijke bedeplaats herschapen. Dit zal den lezer wellicht verwonderen. Hoe is het mogelijk, zal hg vragen, dat die plaats door het bloed en tranen van zoo vele voortreffelgke

-ocr page 183-

— 181 —

mannen geheiligd, in vergetelheid kon geraken ? En toch is het een feit, hoe onbegrijpelijk ook, dat men in latere dagen, toen de stad Brielle met minder bezwaren door de katholieken kon bezocht worden, om aldaar de graven der Heiligen te bezoeken en hunne gedachtenis te vereeren, dit godvruchtig werk op eene plaats ging verrichten, die er in hoegenaamd niet de minste betrekking mede stond. Tot opheldering diene het volgende.

«De overlevering, zegt de onbekende schrijver van het leven der Martelaren van Gorkum, gedrukt te 's Bosch (bi. 230), omtrent de ware plaats van den marteldood was in den beginne, ook toen de plaatsen reeds nagenoeg onkennelijk waren geworden, nauwgezet onder de katholieken van Brielle bewaard : in het verloop echter der 17e of 18e eeuw moet zij zijn verloren gegaan, zoodat het mogelijk werd, —■ wat inderdaad geschiedde, — dat men, door een gelijkluidenden naam misleid, later de schuur eener boerderij, het Huis ten Rugge genaamd, voor de martelplaats aanzag. Deze grond werd indertijd door Z. D. H. Mgr. C. L, Baron van Wijkerslooth, Heer van Schalkwijk, Bisschop van Curium i. p. i., aangekocht, en er werd een lokaal tot kapel ingericht, alwaar nog voor weinige jaren de godvruchtige pelgrims op hun terugweg van het ware martelveld naar de stad eenige

12.

-ocr page 184-

—182—

oogenblikken plachten te komen bidden. Gods Voorzienigheid, die deze dwaling had toegelaten, had echter tevens geborgd, dat de middelen om die te herstellen, bewaard bleven, en ten geschikten tijde de aandacht trokken van een vereerder der H.H. Martelaren, den Warmondschen hoogleeraar J. W. Smit, die reeds te voren in menig degelijk opstel in het verdienstelijk maandschrift «De Katholiekgt; verschillende punten, de geschiedenis onzer Martelaren betreffende, tot klaarheid had gebracht of met nieuwe bewijzen gestaafd. Door zijne onvermoeide en scherpzinnige nasporingen, door vergelijking der oude plaatsbeschrijvingen en oorkonden werd het boven alle twijfel verheven, dat het klooster Sint-Elisabeth ten llugge, in welks turfschuur de 19 martelaren waren ter dood gebracht, een ander was dan dat, waarvan het Huis ten Rugge een overblijfsel kon wezen, en aan de overzijde van den weg moest gelegen zijn; en men kon zelfs nauwkeurig, uit onbetwistbare gegevens den omtrek der turfschuur bepalen». Zoover de schrijver.

De geestelijke overheid met die ontdekking bekend gemaakt, benoemde eene commissie die belast werd om de zaak nader te onderzoeken. Toen men na een nauwkeurig onderzoek voor zeker hield, dat men de echte plaats had gevonden, werden krachtige pogingen in het werk gesteld om in bezit daarvan te komen. Dit gelukte eindelek na veel moeite

-ocr page 185-

—183—

en het storten van een groote som gelds. De martelplaats namelijk behoorde in eigendom aan het protestantsche weeshuis te Brielle. De overdracht geschiedde op den 2en December 1865, juist in de dagen, toen te Rome de beraadslagingen over de heiligverklaring gehouden werden. Welk eene opvallende gebeurtenis ! blijkbaar zien wi] hierin de leiding der Voorzienigheid, die wilde, dat, tegelgk met de aanstaande nieuwe verheerlijking der bloedgetuigen, ook de plaats, waar zij ter Zijner eere hun leven hadden ten oöer gebracht, zoude ontdekt worden en in handen der katholieken komen.

Wie tegenwoordig het martelveld te Brielle beschouwt en dan den tijd in het geheugen terug roept, dat niemand er de minste aandacht op sloeg ■en alleu het slechts beschouwden als eene gewone weide, waarop des zomers het vee graasde, zal de banden in een slaan en vol verwondering uitroepen : «Waarlijk dit is het werk van God, en het ia wonderbaar in onze oogengt;. (ps. 117, 21). Inderdaad niet zonder reden zegt men, dat het tegenwoordige martelveld een der merkwaardigste en indrukwekkendste bedeplaatsen van ons land mag genoemd worden. Allen die deze plaats bezochten, getuigen, dat zij iets geheel eigenaardigs bezit wat men elders niet vindt en dat men door geen woorden kan uitdrukken. Wanneer men staat op de plek, welke getuige was van den marteldood en

-ocr page 186-

—184—

waar de heilige overblijfselen zoo lang gerust hebben, dan komt het ons voor, hebben vele pelgrims; gezegd, alsof uit dien door het bloed der Heiligen doorweekten grond eene stem opgaat, gelijk aan die, welke Mozes weleer van uit het brandende braam» bosch hoorde, die hem zeide; «Ontdoe u van uw schoeisel, want de plaats, waar gij staat, is heilig». «Men kan, zegt de eerw. heer A. Van de Laar (Leven van den H. Martelaar Leonardus Vechel, bl.

168).....«moeielijk het gevoel uitdrukken, wat

men ontwaart, als men daar ter plaatse geknield zich voor den geest roept, wat er in den nacht tusschen 8 en 9 Juli van het jaar 1572 gebeurd is.» Inderdaad het is als zagen wij nog in den geest Hieronymus en Antonius met hunne metgezellen door de beulen mishandeld worden, daarna welgemoed de ladder bestijgen, geheel verslonden in de liefde tot God eo brandend van begeerte naar het Hemelsch Jerusalem.

Geen wonder dan, dat het getal der pelgrims uit alle oorden van ons land van jaar tot jaar toeneemt. Men telt ze thans niet brj honderden maar bij duizenden, die jaarlijks naar Brielle ter bedevaart trekken : vooral in de maanden Juni en Juli is hun getal buitengewoon groot. Reeds in 1867 toen de processies eerst voorgoed een aanvang namen, togen niet minder dan zes honderd pelgrims naar Brielle om er den 9en Juli te vieren. In 1870,

-ocr page 187-

—185—

zoo schrijft de heer J. Watereus (Leven der Martelaren bl. 107) kwamen meer dan zes duizend pelgrims te Brielle de H. Martelaars vereeren. In 1872 was dit getal tot boven de negen duizend gestegen en daaronder waren ruim honderd priesters (Van de Laar bl. 168). In 1889 trokken er reeds uit negen en twintig plaatsen processies heen ; in 1891 was het getal pelgrims tien duizend zeven honderd acht en zeventig ; verleden jaar waren er meer dan twaalf duizend, behalve de velen, die afzonderlijk de heilige plaats bezoeken. Zulke cijfers doen ons zien, dat de vereering der Martelaren van Gorkum bij de katholieken van Nederland als gevestigd mag beschouwd worden. Mogen wij dit niet een ware zegepraal noemen van het Katholiek Geloof, vooral in die streken, waar de ketterij sedert haar ontstaan ontelbaren naar ziel en lichaam heeft ongelukkig gemaakt?

Sedert het martelveld een eigendom werd van het bisdom van Haarlem, is het versierd met eene schoone, ruime en doelmatige bedevaartskerk, waaruit men, bij ongunstig weder, door een breeden overdekten omgang in processie rondom de martelplaats kan trekken. De altaren binnen de kerk zijn overschoon ; de negentien beelden der Heiligen, levensgroot en in verheerlijkten staat voorgesteld, treffen door hunne sierlijkheid en kunst ieders bewondering, in een woord, alles wekt in dit heilig-

-ocr page 188-

—186—

dom tot bewondering en tegelijk tot godsvrucht op. In het midden der begraafplaats is een schoon stee-nen altaar opgericht; aldaar wordt bi] gunstig weder, zoo dikwerf eene processie gehouden wordt, de zegen met het Allerheiligste gegeven. Zulk een oogenblik vooral is zeer indrukwekkend, wijl de zegen wordt gegeven juist op dezelfde plaats, waar de Martelaren voor het geheim van het H. Sacrament van Jezus Vleesch en Bloed, geleden hebben, gestorven en begraven zijn. In de onmiddelijke nabijheid van het martelveld ziet men nog den vijver van het voormalig klooster, nu een gemetselde waterkom, waarin volgens geloofwaardige overlevering de geuzen eenige heilige voorwerpen geworpen hebben, men spreekt zelfs van de heilige hosties; volgens J. Watereus (bl, 101) heeft men er de beenderen der Heiligen in afgewasschen, toen zij waren opgedolven. Uit dien hoofde noemt men dien vijver nog »de Heilige Putquot;. Vele genezingen worden aan het godvruchtig gebruik van dit water en aan de vurige gebeden tot de Martelaren gericht toegeschreven.

Zoo is dan, Gode zij dank, dit kostbaar erfdeel onzer katholieke voorvaderen weer in handen gekomen hunner rechtmatige zonen en erfgenamen. Daar kunnen wij katholieken nu vrijelijk onze hulde gaan bewijzen aan onze Nederlandsche Heiligen. Ook daar kunnen wij onze heilige stadgenooten

-ocr page 189-

—187—

Hieronymus en Antonius, op de plaats zelve, waar zij ten Hemel zijn opgestegen, gaan vereeren. Daar hebben zij te midden hunner smarten en lijden ook aan u gedacht, Weertenaren, eu stervende voor het geloof, hebben zij ook voor n hun bloed vergoten, en thans vragen zij als burgers van het Heinelsch Jerusalem aan God, om ook u aan de verdiensten van Zijn kruisdood en van hun marteldom deelachtig te maken.

Wiens hart moet niet van bewondering en heilige geestdrift kloppen bij het zien van zulke wonderbare zaken, waarmede God de heerlijkheid Zijner Heiligen heeft getoond ? Ook Hieronymus en An-tonius heeft Hij niet alleen in den Hemel, maar ook op aarde gekroond. Wat zoete vreugde moet dan niet de borst van eiken waren Weertenaar doortintelen, ziende, hoe zijne broeders bij uitnemendheid den strijd volstreden en de kronen wonnen hun van eeuwigheid voorbestemd ! Zij leden en stierven voor de zaak van God, en tot belori.iing voor hunne versmading en foltering worden zij met den krans der onsterfelijkheid versierd.

Hieronymus en Antonius met hunne andere gezellen, weleer aan een schandbalk gehangen, zijn nu in de rei der Martelaren tot de hoogste eer opgestegen. Hunne kleederen wit gewassehen hebbende in het bloed des Lams, worden zij in den Hemel door het koor der Engelen als overwinnaars

-ocr page 190-

— 188—

juichend begroet en op aarde als machtige voorsprekers vereeid en geprezen. Hun voor de wereld verachte naam is nu in zegening; alle geslachten, die bestaan en nog komen, zullen jubelen om hun triomf en schenken hun l')f en eer en zegening. Thans baden onze twee Weerlsche helden in de stroomeu van onuitsprekelijke geneugten, die God voor Zijne edelmoedige dienaars heeft weggelegd. O dat deze gedachte aan haune sflorie ons sterke en quot;bemoedige, om onbezweken, als zij, den harden strijd te voeten tegen de vijanden onzer zaligheid. Strijden is ons aller deel op aarde, doch daardoor dan ook komen wij waarheen zij ons zijn voorgegaan.

Wij eindigen deze levensbeschrijving van onze twee heilige Weertenaren met de woorden van een schrijver, die zijn vau liefde voor de Martelaren van Gorcum overvol gemoed aldus ontboezemt : »Gelukzalige Martelaren, ontvangt in uwe glorie onze gelukwenschen en ootmoedige gebeden : aanschouwt de steden en plaatsen, die gij hebt bewandeld, waar gij gearbeid, gestreden en eindelijk de kroon verdiend hebt, waar nu uw lof wordt verkondigd en overal uwe heilige relequiën vereerd worden ! Dat toch door uwe voorspraak, het roomsch geloof moge herleven, waar het met uw zweet en bloed is besproeid 1quot; — Wij sluiten met diezelfde bede op de lippen, doch vooral in het hart. EINDE.

fl.H. Martelaren van Gorcum bidt voor ons.

-ocr page 191-

EIJ^TOEO-SEXj,

getrokken uit de Acta voor de Beatificatie van de Martelaren van Gorcum (zie bl. 27).

-uèuumimiiiiim-

In 1628, 30 April of volgens onze tijdrekening 10 Mei, werd te Utrecht, een getuigenverhoor gehouden, in zake der Beatificatie van de Martelaren van Gorcum.

«Is voor ons verschenen de Zeereerw. heer Hermanns Strick, Andreasz. priester en pastoor van Gorcum, en aldaar reeds 27 jaren de katholieken bedienende, maar dat hij dit om de vervolgingen slechts in het geheim konde doen. Hij getuigt, uit katholieke ouders geboren te zijn, en meer dan vijf jaren te Leuven in het koninklijk seminarie (semi-nario Regio) zijne studiën gedaan te hebben. Op de tot hem gerichtte vragen heeft hij geantwoord als volgt :

1°. Dat hij een Utrechtenaar, en ruim 69 jaren oud was, waarvan hij reeds 32 het priesterlijk ambt bekleedde. Dat hij deels van zijn eigen erfdeel, deels van de inkomsten van het beneficie leefde, dat hij in de kerk van den H. Petrus te Utrecht bezat. Dat hij dagelijks de H. Mis opdroeg, nu eens te Gorcum, dan eens te Utrecht, in de huizen der ka-

-ocr page 192-

—190—

tholieken, die hem dit verzochten, wegens de vervolgingen.

2°. Dat hg altijd gehoord heeft, en ook algemeen wordt gezegd, dat zoowel de wereldlijke priesters als de Minderbroeders zeer vurig en ijverig waren in het opdragen der H. Mis en het verrichten van het Goddelijk Officie, hetwelk zij dag en nacht met groote majesteit en eerbied volbrachten, en dat de altaren altijd zuiver en schoon werden gehouden, en in de parochiekerk zeer kostbare sieraden werden gebruikt.

3°. Dat hij meermalen heeft hoor en zeggen, dat de twee pastoors zeer streng leefden en vele werken van boetvaardigheid deden. Dat de Minderbroeders hunnen regel met de uiterste nauwgezetheid naleefden, en dat hij van niemand uit Gorcum ooit iets kwaads van hen heeft gehoord.

Verder lezen wij nog in gn. acta : dat hij gedurende 30 jaren en nog meer, ten tijde der vervolgingen te Gorcum, meermalen in het jaar de pasto-reele bediening heeft uitgeoefend, omdat geen enkele priester zich aldaar voor vast durfde te vestigen. Pastoor Strick overleed te Utrecht 29 Juli 1636, en was baccalaureus in de Godgeleerdheid.

-ocr page 193-

quot;VERSmj-^GK,

aangaande de werkzaamheden van Pater van Eoij, in 1653 naar Home gezonden.

-iiiiiiiiiiiiimmim-

Uit dit verslag blijkt, dat hij in 1628 uit Friesland, alwaar hij zich sedert eenigen tijd had opgehouden, en hier en daar in het geheim de katholieken had bijgestaan, door den Hoogwaardigen heer Rovenius naar Gorcum werd gezonden. Sinds 55 jaren was daar geen vaste pastoor geweest, want de andere (pastoor Strick) kwam daar maar drie tot viermalen in het jaar, en dan verschenen er nog maar zeer weinig katholieken, zoodat het naderen tot de H. Sacramenten en het bijwonen der H. Mis, zeer zeldzaam was. Sommigen hadden zelfs in 10, anderen in geen 12 jaren gebiecht, vandaar dat er velen waren, die maar met den naam katholiek waren. Hij heeft te Gorcum met zeerveel moeielijkheden te kampen gehad, en dit des te meer, omdat de katholieken zelf hem tegenwerkten. Zij waren erg bevreesd, dat zijn verblijf voor hen gevaarlijk zou worden, en de ketters tegen al de katholieken verbitterd zouden worden. Maar met Gods hulp liet hij zich niet afschrikken, hij deed zijn plicht zonder de minste vrees, en heeft het weldra zoo ver weten te brengen, dat nu (1653) reeds vier priesters te

-ocr page 194-

—192—

Gorcum zijn, nauwelijks genoeg om alle werkzaamheden te verrichten. Pater van Rog heeft daar 20 jaar lang, onvermoeid gearbeid. Zeerveel heeft hjj echter moeten lijden en boeten betalen. Eens werd hij zelfs de stad uitgedreven, door toedoen der kal-vinistische predikanten, maar werd, tot hunne groote spijt, weer teruggeroepen, en dat nog wel, door den Magistraat, die geheel uit kalvinisten bestond. (1) De katholieken waren daarover ten hoogste verheugd, zij noemden hem gewoonlijk hunnen Apostel. Later door een geuzen-schipper herkend, werd hij door dezen onmensch schandelijk mishandeld, en zoo geslagen, dat hij ten gevolge daarvan stierf. Sedert dien tijd althans gevoelde hij zijne krachten verminderen en zijn einde met rassche schreden naderen. De haat der ketters tegen hem was zóó venijnig, dat zij na zgn dood, zijne afbeelding, onder groot gejubel, op de groote markt verbrand hebben. Dat nu (1653) de woede der ketters gestild is, en de katholieke godsdienstoefeningen tamelijk wel kunnen gehouden worden, schrijven wij aan de machtige voorspraak der H. Martelaren toe.

1

De reden waarom de Magistraat Pater J. van Roij zoo genegen was, bestond voornamelijk hierin, dat bij zicii tijdens de pestziekte, welke bij zijne komst te Gorcum beersebte, zeer verdienstelijk bad gemaakt. De predikanten en zeervele hunner volgelingen waren den goeden man, voor zijne betoonde opoffering zóó dankbaar niet.

-ocr page 195-

—198—

Corrigenda.

Op bl. 118 hebben wij gezegd, dat wij een dezer bloempjes gezien hadden in de Martelaarskapel te Brielle, op de deur van het tabernakel, van het hoofdaltaar, doch later hebben wi] opgemerkt, dat dit op de tombe geschilderd was.

Uit de acta en het verslag blgkt dus, dat Herman Strick, wel is waar als de eerste pastoor van Gorcum, na de reformatie, is aangesteld, maar dat hg daar geen vast verblijf heeft gehad. Pater van Rog daarentegen bleef daar voortdurend werkzaam en is dus, als de eerste vaste pastoor-Missionaris van Gorcum te beschouwen.

Verder blgkt uit dezelfde stukken, dat pastoor Herman Strick, reeds in 1601 of 1602 tot pastoor van Gorcum was aangesteld, vermits hij in 1628 1 getuigt, aldaar toen reeds 27 jaren de katholieken bediend te hebben. Hieruit volgt dus, dat hij niet door den Vic. Apost. Rovenius, maar reeds door diens voorganger, Sasbaldus-Vosmeer, als Missionaris-pastoor naar Gorcum werd gezonden.

-ocr page 196-

DNTO^IEDSriB

ter eere der H.H. Hieronymus en Antonius van Weert, Martelaren van Gorcam.

Bemerking. Het houden van eene novene wordt zeer aangeraden, vermits wij daardoor God groote-lijks verheerlijken in zijne Heiligen. Voor deze novene ter eere van de heilige Hieronymus en An-tonius van Weert, die tot het negentiental der beroemde Martelaren van Gorcum behooren, zijn de volgende gebeden en overwegingen zeer dienstig. Om echter uit de novene de gewenschte vruchten te trekken moet men ze beginnen en eindigen met een ootmoedig hart, een vast vertrouwen en volkomen overgeving aan Gods wil. Ook wordt zeer aanbevolen ten minste eenmaal ter eere dezer Heiligen tot de H. H. Sacramenten te naderen en dagelijks de H. Mis te hooren. Zoo dit niet kan geschieden, dan boude men eene geestelijke communie. Offer ook uwe werken gedurende de noveen aan God op, ter eere der Heiligen.

-ocr page 197-

Voorbereidend gebed.

Kom H. Geest, vervul de harten uwer geloovigen, en ontsteek in hen het vuur Uwer goddelijke liefde.

i. Zend uwen Geest uit, en zij zullen geschapen worden.

ü. En Gij zult het aanzien der aarde vernieuwen.

LAAT ONS BIDDEN.

O God ! die de harten der geloovigen door de verlichting van den H. Geest hebt onderwezen, geef ons, dat wij in denzelfden Geest de ware wijsheid bezitten, en ons altijd over zijne vertroosting verblijden. Door Christus onzen Heer. Amen.

Door uwe allerheiligste maagdelijkheid en uwe Onbevlekte Ontvangenis, O reinste der maagden ! zuiver mijn hart en vleesch, in den naam des vaders f en des Zoons f en des H. Geestes f, Amen.

Heilige Hieronymus en Antonius, ik heb mij voorgenomen deze novene te doen tot meerdere glorie van God en ter uwer eere. Verkrijgt voor mg de genade, welke ik daartoe noodig heb, en bidt voor mij, opdat ik van God moge verkregen, wat mi) zalig is naar ziel en lichaam, vooral, (noem hier wat gij wenscht te bekomen).

-ocr page 198-

—196—

EERSTE DAG.

De liefde van de H.H. Hieronymus en Antoniut tot God.

God had de harten van onze Heiligen, reeds van hunne ieugd af, zoodanig door het vuur zijner liefde ontstoken, dat zij meer aan engelen dan aan meuHchen schenen gelijk te zijn. Immers reeds vroeg muntten zij uit in deugd en godsvrucht. Zij waren voor de jongelieden hunner geboortestad een voorbeeld van zedigheid, gehoorzaamheid en vlijt. Om hunne zielen voor het bederf der wereld te bewaren, namen zij op nauwelijks ach tien jarigen leeftijd het edelmoedig besluit het kloosterleven te aanvaarden in de strenge orde van den H. Vader Pranciscus. Toen zij priester waren geworden, stortte dezelfde liefde in hunne harten een onvermoeiden ijver voor de zaligheid der zielen en bezielde hen met eene evangelische kloekmoedigheid in het verkondigen van Gods woord en het bestrgden der ondeugd en ketterg. Vurig verlangden zi] voor de glorie van God en de zaligheid hunner medemenschen hun bloed te storten. Dit geluk is hun met de andere Martelaren van Gorcum ten deel gevallen. Te midden hunner pijnen en smarten, versmadingen en schande verheugden zy zich voor Jezus te mogen lijden en te sterven, zoodat de beulen zelf daarover verbaasd stonden.

-ocr page 199-

—197—

O mijn God ! welke schande zoa het voor mi} zgn, wanneer ook mijn hart niet brandde van liefde tot U, die mijn opperste Goed zijt. Zuiver mijn geest van alle aangekleefdheid tot de schepselen en aardsche dingen, opdat ik alleen behagen scheppe in ü en slechts de hemelsche goederen verlange. Verleen mg daarom, zij het dan ook maar een vonkje van dit liefdevuur, hetwelk in uwe heilige Hieronymus en Antonius en de andere Martelaren zoo hevig blaakte, opdat ik naar hun voorbeeld mjj steeds geheel aan ü toewgdde door eene getrouwe vervulling der plichten van mjjn staat.

Heilige Hieronymus en Antonius, verkrijgt mij de genade om altoos te werken en te lijden uit liefde tot God.

Bidt voor ons, heilige Hieronymus en Antonius.

Opdat wij naar uw voorbeeld steeds kloekmoedig ons geloof mogen belijden.

LAAT ONS BIDDEN.

O God, die den glorierijken strijd van den H. Nicolaas en zijne gezellen voor het ware Geloof, met den lauwertak der eeuwige glorie hebt verheerlijkt en Tj gewaardigd hebt ook twee onzer stadgenooten, Hieronymus en Antonius, onder dat verheerlijkt negeatiental eene plaats te schenken ; geef ons genadiglijk, dit smeeken wij ü, dat wij, na hier op aarde getrouw te hebben gestreden, een-

-ocr page 200-

—198 —

maal, gelgk zjj, mogen gekroond worden in den hemel. Door Jezus Christus onzer Heer. Amen.

(Hierna zal men bidden negenmaal Ome Vader, en Wee» gegroet, ter eere der Martelaren, hetwelk men dagelijks doen zal, na elke oefening.)

TWEEDE DAG.

Se liefde van de E.H. Hieronymns en Antoniue tot den naaste.

(Voorbereidend gebed bl. 195).

Uit hunne brandende liefde tot God ontsproo t hunne overgroote liefde tot den evenmeusch. Reeds voor zij den kloosterlijken staat hadden omhelsd, -waren zjj vol medelijden voor arme en ongelukkige menschen ; maar toen zij als priester in 's Heeren wijngaard arbeidden en de ellende van het mensch-dom voor goed leerden kennen, groeide hunne naasteliefde nog meer aan. Wanneer zij een noodlijdende ontmoetten werd hun hart diep getroflen. Konden zjj als kloosterlingen niet in zijn lichamelgken nood voorzien, dan gaven zij hem troost en opbeuring. Doch vooral waren de noodljjdenden naar de ziel het voorwerp hunner liefdadige zorgen. Om dezulken te helpen, spaarden zij noch moeite noch tranend Zij verdubbelden dan hunne gebeden, en verstervingen om van God de bekeering van zulke ongeluk-kigen af te smeeken. Ja, hunne liefde ging zelfa

-ocr page 201-

—199—

zoover, dat zg met gevaar van hun leven, de ketters in hunne huizen opzochten en met al de kracht der liefde vermaanden tot Jezus schaapstal terug te keeren.

O mgn God, hoever ben ik nog verwgderd van deze voortreffelijke voorbeelden van naasteliefde ! mgn eigenliefde maakt mg dikwgls onverschillig Toer het leed van anderen, vooral voor hen, die in geestelgken nood verkeeren. Stort in mgn hart een sprank uwer liefde, opdat ik eenieder voortaan be-minne als mg zei ven. Ik zal vooral veel voor de bekeering der zondaars en ongeloovigen bidden. Gg mgne dierbare Heiligen, verkrijgt mg een hart gelgk het uwe, dat is, een hart van ware broederliefde. Bidt voor mg !

(Vers en gebed als boven bl. 197).

DERDE DAG.

3)e grooto ijver van do H.H. Hieronymus en Antonius voor het Geloof.

(Voorbereidend gebed bl. 195),

Onze Heiligen waren bezield met een buitengewonen gver voor het Geloof. Als ware zonen van den H. Vader Franciscus brandden zij, evenals hg, van gver voor de eer van God en den luister van den waren Godsdienst. Onbevreesd verkondigden

-ocr page 202-

— 200—

zij de waarheden des Geloofs en hielden zonder aanzien van persoon aan elk zijn plichten voor. Door hunne geleerde en bondige bewijzen toonden zij meermalen in tegenwoordigheid van vele ketters de valschheid aan der zoogenaamde nieuwe leer. De vurige Hieronymus bewees te Brielle, voor de kwaadaardigste vijanden der priesters en kloosterlingen, met klem en kracht, dat buiten de Katholieke Kerk geen zaligheid te vinden is. Hetzelfde deed ook Antonius, toen hg te Gorcum en op de dorpen in den omtrek met veel ijver dezelfde waarheden verkondigde. God had aan deze heilige mannen vele talenten geschonken, en zij hebben ze alleen gebruikt tot Zijne Glorie en de verbreiding des Geloofs.

Ik bedank U, mijn God, voor het onwaardeerbaar geluk, dat gij mij hebt geschonken, door mij in Uw H. Kerk te doen opnemen. Ik moet echter bekennen, dat ik dit niet altijd naar waarde heb weten te schatten en nalatig ben geweest in het vervullen mijner christelijke plichten. Uit mensche-lijk opzicht heb ik mij wel eens laten terughouden van een goed werk en mij niet gekweten van de plicht den mijnen door een goed voorbeeld te stichten. Verleen mij de genade mijn geluk, een kind uwer fl. Kerk te zijn, beter te waardeeren, en beziel mij met den geest uwer Martelaren, en schenk mij hun ijver voor Uwen dienst, H. H. Martelaren,

-ocr page 203-

—201—

bidt voor mij, opdat ik, evenals gij, als een waar iind der Kerk moge leven en sterven !

(Vers en gebed als boven bi. 197).

VIERDE DAG.

De godsvrucht van de H.H. Eieronymus en An-tonius tot het h. Sacrament des Altaars en hun eerbied voor het gezag van Christus' Stedehouder. . (Voorbereidend gebed bi. 195).

Ook door hunne godsvrucht tot het Heilig Sacrament van Jezus' Vleesch en Bloed enhungroo-ten eerbied voor den Paus van Rome hebben onze Heiligen uitgemunt. Voornamelijk voor deze twee geloofspunten hebben zij hun bloed gestort.

Als zy stonden voor den bloedraad te Brielle, beleden zij, dat Christus waarachtig en wezenlijk in het H. Sacrament tegenwoordig is.

Ter wille van deze waarheid hebben zij van het begin van hun martelaarschap af vele gruwzame godslasteringen moeten aanhooren. Dit veroorzaakte hun nog meer smart en droefheid dan alles, wat zij in het lichaam te lijden hadden. Dagelijks droegen die heilige mannen het H. Misoffer op om hunne ziel te versterken met de kostbare spijs en ■den hemelschen drank van Jezus' Vleesch en Bloed,

-ocr page 204-

—208—

zoodat het hun de grootste smart veroorzaakte gedurende den tijd van hun gevangenschap dit geluk te moeten derven. De geuzen beloofden, hen te zullen vrglaten en tot groote eerambten en winstgevende bedieningen te verheffen, wanneer zg den Paus wilden afvallen ; maar zij wilden liever duizendmaal sterven dan Jezus' stedehouder verloochenen. Dierbare Jezus, Gg noodigt ook mg zoo dringend uit om aan uwe H. Tafel mij dikwgls-te komen versterken met het brood des Eeuwigen Levens.

Hoe slecht geef ik gehoor aan Uwe zoo liefelijke uitnoodiging! Hoe kond is mgn hart steeds voor U, zelfs als ik U daarin heb ontvangen ! Ach, ik bid U, stort ook in mg zulk een groot verlangen naar de H. Communie, als waarvan de H.H. Hieronymus en Antonius brandden ; geef, dat ik dikwijls waardig tot Uwe H. Tafel nadere, opdat ik, gesterkt door Uw heilig Vleesch en Bloed, de vele vganden mijner zaligheid met evenveel moed moge bestrijden en met evenveel roem overwinnen^ als zg hebben gedaan.

O hoe gelukkig zijn zij, die U, mgn Jesus, waardig en met godsvrucht ontvangen! Geef, dat ik steeds met eerbied gehoorzame aan Uwen Stedehouder hier op aarde, dat ik hem steeds als Uw plaatsbekleeder vereere en mg door niets late bewegen zijne voorschriften te overtreden.

-ocr page 205-

—203—

H.H. dienaren Gods, bidt voor mij, opdat ik steeds godvruchtig moge zijn en blijven tot het H. Sacrament des Altaars. Verkrijgt mg ook eene grooten eerbied voor het Opperhoofd der Eerk, den Paus van Rome.

(Vers en gebed als boven bi. 197).

VIJFDE DAG.

De ▼erdaldtgheld van de H«H. Hleronynins en Antonlaa In Itet lijden.

(Voorbereidend gebed als bl. 195).

Van het oogenblik af dat Hieronymus en An-tonius, uit haat tegen het Katholiek Geloof, door de bende van den goddeloozen Lumeij, te Gorcum werden gevangen genomen, totdat zij te Brielle den marteldood hebben ondergaan, toonden zij geen enkel teeken van ongeduld of afkeer van het lijden. Integendeel zij waren ten hoogste verheugd dea dood te mogen ondergaan uit liefde tot God en ter eere van Zjjn heiligen naam. Doordrongen als zg waren van den geest huns Serafijnschen Vaders Franciscus, verlangden zij vurig Gode het grootste liefdebewijs te kunnen geven door het storten van hun bloed voor het Geloof. Hun Ijjden was smartelijk en schandelijk tevens ; geen marteling, welke de barbaarschheid der beulen kon uitdenken, werd nagelaten in die veertien dagen hunner gevangen-

-ocr page 206-

—204—

schap.

Onze Martelaren echter leden met geduld en Tolkomen overgeving aan Gods wil, zij zagen hunne smarten en versmadingen aan als geschenken, hun door den Hemel toegezonden. Zij ledigden verheugd den kelk van smarten en deden door hun geduld zelfs hunne beulen verbaasd staan.

O mijn Zaligmaker! wanneer zal ik geduld en moed genoeg hebben om de pijnen en smarten te onderstaan met dezelfde vreugde, waarmede ik de genoegens en vertroostingen ontvang. Het denken van uw heilig lijden is het middel om alles wat uw Goddelijke wil mg overzendt, met liefde te aanvaarden. Maar zonder uwe hulp kan ik onmogelijk ü in het lijden navolgen.

Deze groote genade smeek ik, mgn Verlosser ! van ü af met een ootmoedig hart.

Roemrijke Martelaren, verwerft door uwe vermogende tusschenkomst voor mij deze genade, en leert mij door uwe verduldigheid, uit liefde tot «God, alles wat mij overkomt, met geduld te lijden.

(Vers en gebed als boven bl. 197).

•iiimiiiiiiiMiiiiimiiiiiiiiiii'

-ocr page 207-

—205—

ZESDE DAG.

De Keelt van gebed der H.II. HleronymM en Antonlns.

(Voorbereidend gebed bl. 195).

Onze Heiligen waren inderdaad mannen des ge-beds. Ja, men kan zeggen, dat zij hunne heiligheid grootendeels aan hunne veelvuldige en vurige gebeden te danken hebben. Want daardoor verkregen zij een schat van genaden, welke hun dage-lijks in volmaaktheid deed vooruitgaan. Hun leven was een leven van offergebed, dat met een zoo schoonen offerdood werd voltrokken.

Hetgeen Jezus ons heett geleerd, toen Hij zeide, (Luc. 18. 1) dat wij altijd moeten bidden, en waartoe de Apostel Paulus ons dringend vermaant, zeggende (1 Thess. c. 5. v. 17), dat wjj zonder ophouden ons met bidden moeten bezighouden, hebben zjj naar de letter volbracht. Overtuigd van de groote kracht en de voordeelen des gebeds, hebben zij ook aan anderen eene groote liefde voor dit zoo nood-zakelijk middel ter zaligheid ingeprent. Zij predikten hierover nog in hun laatste levensdagen. Toen zij met de andere Martelaren reeds op het punt stonden om ter dood te worden gebracht, baden zij te zamen. Als zij reeds de noodlottige ladder beklommen, kon men aan het bewegen hunner lippen zien, dat zij in gebed verslonden waren. Zij ▼raagden aan God voor zich de genade der volhar-

-ocr page 208-

—206—

ding, voor de Eerk van Nederland hare zegepraal» en zelfs hebben zij voor hunne vijanden en beulen gebeden naar het voorbeeld van Jezus: «Heer vergeeft het hun, want zij weten niet wat zjj doen.» Thans in den Hemel verheerlijkt, bidden zij voor ons.

Met schaamte moet ik bekennen, o mijn Godf dat mijn gebed dikwijls verre van vurig is geweest. Ik was menigmaal zeer verstrooid door eigen schuld, omdat mijn geest meer bezig was met we-reldsche beslommeringen en beuzelingen, dan met u. Ik begon dikwijls te bidden zonder mg naar behooren te hebben voorbereid door te overwegen met wien ik ging spreken. Ik vroeg ü meer om van lichamelijke dan van mijne geestelijke kwalen verlost te worden. Geef mij toch de genade des ge-beds, dit smeek ik U ; Heer, leer mg bidden naar het voorbeeld Uwer heilige bloedgetuigen.

Groote Heiligen, bidt voor mij, opdat ik van God, evenals Gg, de gave des gebeds moge verkregen en er aan beantwoorden. Dit vraag ik U, H.H. Hieronymus en Antonius, om de liefde welke voor het heil van uwe medemenschen altgd getoond hebt.

(Vers en gebod als boven bl. 197).

-ocr page 209-

-ZOT-

ZEVENDE DAG.

0« liefde tad de H«H* Hleronynaaii en Am-tonina tot de ■■■▼evlield.

(Voorbereidend gebed als op bl. 195).

Onze Heiligen bebben de kostbare parel der zuiverheid meer geacht dan alle schatten en grootheden dezer aarde. Reeds in hunne jengd verkozen zjj God in den maagdelgken staat te dienen. Om hunne ziel voor de gevaren der zonde te behoeden en de zuiverheid des harten te bewaren, namen zij het heldhaftig besluit zich geheel aan God toe te wgden in de strenge orde van Sint-Franciscus. Op het voorbeeld van zoovele Heiligen verstierven zg hun vleesch en maakten het dienstbaar aan den geest. De engelachtige deugd der kuischheid hebben zg in hare hooge volmaaktheid beoefend. Om haar ongeschonden te bewaren gebruikten zg alle voorzorgen. «Hieronymus en Antonius, zegt hun levensbeschrgver, voerden een gestrenge levenswgze en verstierven zich in alles. Zg geloofden, dat men de zorg om de zuiverheid der ziel te bewaren niet lichtelgk kan overdrgven». Geen wonder dan ook, dat zelfs vele ketters groote achting voor hen hadden, omdat zg hen beschouwden als priesters van oprechten geest en zuiveren levenswandel ; Ja, op hun gelaat zelfs blonk de zuiverheid hunner ziel uit.

Ik begrgp het nu mijn God, waarom deze twee

-ocr page 210-

—208—

heilige mannen den strijd tegen de vijanden des geloofs zoo kloekmoedig hebben onderstaan en als overwinnaars door U gekroond zgo, want zij hadden reeds lang te voren de zegepraal behaald over hunne inwendige vijanden. Door gebed, versterving en gedurige waakzaamheid op zich zeiven hadden zij die met roem ten onder gebracht. O Heer, geef toch, dat ik nimmer vergete, hoe overschoon in uwe oogen eene zuivere ziel is in een onbevlekt lichaam, en dat de deugd der kuischheid alle pracht en schoonheid der wereld te boven gaat. Maar Heer, deze deugd heeft vele vijanden, zij staat aan vele gevaren bloot vooral voor hen. die in de wereld leven. Sta mij daarom bij in elk gevaar. Herinner mij in de bekoringen, wanneer de vleiende woorden van den verleider mij zoeken tot val te brengen, dat mijne ziel niet aan de wereld maar aan ü toebehoort. Geef mij Uwe genade, die mij versterkt.

H. H. Hieronymus en Antonius, gij, die de kost-kostbare parel der zuiverheid door gebed, waakzaamheid en versterving ongeschonden hebt weten te bewaren, bidt voor mg, en helpt mg ook over de vijanden mijner Zaligheid zegepralen.

(Vers en gebed als boven bl. 197).

-ocr page 211-

—209—

AOHSTE DAG.

lie godmTrmeht Tan de H. H. Hier»nynaHa en Antontns tot naris.

(Voorbereidend gebed bi. 195).

De godsvrucht tot Maria is volgens den H. Ber-nardinus van Siena een zeker teeken der toekomende zaligheid, en de H. Bernardus getuigt, dat een dienaar van Maria niet zal verloren gaan. In onze Heiligen is deze waarheid volkomen bevestigd. Immers hunne godsvrucht tot de onbevlekte Moeder des Heeren was zeer groot. Zij hebben Maria reeds vereerd en zich onder hare moederlijke bescherming gesteld, toen zij nog als kinderen in hun ouderlijk huis verkeerden. Toen zij geestelijke zonen van den Serafijnschen Vader Franciscus waren geworden, hebben zij zich geheel aan den dienst van Maria toegewijd. Maria toch was als de Onbevlekte Moedermaagd de patrones van hunne orde. Geen dag of nacht ging voorbij, zonder dat zij met hunne medebroeders lofgezangen en gebeden ter eere van Maria hemelwaarts opzonden. Hoe menigmaal hebben zij op den predikstoel de lof van Maria verkondigd en hunne biechtelingen opgewekt om Haar te vereeren als de moeder der schoone liefde en barmhartigheid. Met de namen van Jezus en Maria op de lippen zijn zij den hemel binnengegaan, want nog in het uur van hun marteldood riepen zij Maria's bjj-

-ocr page 212-

-aio—

«tand in.

O mjjn God, hoe gelukkig, zijn de ware kinderen van Maria. Niets kan ban schade toebrengen, de dood zelf wordt voor hen in zoetheid veranderd. Dit hebben Hieronymus en Antonius met zooveel andere Heiligen ondervonden. Ik ook heb het geluk een kind van Maria te zijn, geef my de genade dit immer te blijven. O Maria, lieve Moeder Gods verlaat mg niet !

Dierbare Martelaren, die thans in den hemel zoo dicht bij den troon van onze machtige en liefderijke Moeder gezeten zijt, bidt voor mg, vraagt aan Maria, de Koningin der Martelaren, dat zij mij bescherme en beware als haar kind en eigendom voor alle kwaad naar lichaam en ziel, opdat ik ook eenmaal, zooals gij, het geluk moge hebben te sterven met de zoete namen van Jezus en Maria op de lippen.

(Vers en gebed als boven bl. 197).

NEGENoi DAG.

■et groot Terlangen Tan de H. H. Hler-

onymiia en AntonlM Baar dea hemel.

(Voorbereidend gebed bl. 195).

Gedurende hun leven hadden onze Heiligen hunne gedachten steeds op den hemel gevestigd. Zjj beschouwden zich, zooals zoovele Heiligen hebben gedaan, slechts als vreemdelingen en pelgrims, die

-ocr page 213-

—211 —

bier geen vaste woonplaats hebben.

Het aardsche leven scheen hun maar een doorgang te zijn naar het hemelsch vaderland. Daarom hadden zg zoo groote afkeer voor de goederen en grootheid dezer wereld, waardoor zoo meaigeen, die ze najaagde, voor eeuwig ongelukkig is geworden. Vandaar ook hun afschuw voor de vermaken en genoegens, die het hart van God aftrekken, den geest onverschillig maken voor de hemel-sche dingen, en de ziel, die naar Gods evenbeeld en gelijkenis is geschapen, het brooze schepsel boven den schepper doen stellen, dat is, de zonde boven de deugd doen verkiezen. Wetende dat, volgens de getuigenis van de Eeuwige Waarheid, gt;de vleeschelijke mensch de dingen van hierboven niet begryptquot;, mishaagde hun alles, wat God niet waa of tot Bem niet voerde. Zy verzuchtten met den Apostel »boe walgt my deze aarde, wanneer ik den Hemel aanschouwquot;, en verlangden daarom met hem gt;om ontbonden te worden en met Christus te zynquot;, met Christus, Dien zy immer hadden liefgehad en in hun sterven zyn nagevolgd. Gezuiverd in het bloed des Lams zyn zjj nu voor den troon van God, hem dag en nacht dienende.

O mijn God, hoe groot was het verlangen uwer heilige dienaren om U te bezitten ! Hoe vurig hebben zy begeerd de hemelache goederen te bekomen ! Hun geest was zonder ophouden met U

-ocr page 214-

—212—

vereenigd, hun Opperste Goed. Voor den hemel hebben zij gearbeid, hun zweet, tranen en bloed opgeofferd. Mocht ik hun voorbeeld volgen door ten minste zooveel voor den hemel en mijne Zaligheid te doen, als ik dikwijls moeite en zorgen besteed voor myne tijdelijke belanden. Verleen mg als vrucht dezer novene ook vooral die genade, om immer te denken aan mijn laatste doel en schenk mjj een aanhoudend verlangen naar den hemel, waar alleen het ware geluk voor mg te vinden is.

fl. H. Hieronymus en Antonius, tot wiens eere ik deze novene gehouden heb, gg zoo hoog verheven en verheerlijkt bij God, ziet mgne ellende, ach helpt mij. Wendt alles van mij af, wat mg naar ziel en lichaam zou kunnen schaden, en mgne ziel berooven van de vreugde des hemels.

Bidt voor mg en allen, die mij dierbaar zgn, opdat wg naar uw voorbeeld deugdzaam en gelukkig mogen leven, en eenmaal met U en uwe heilige metgezellen in den Hemel gekroond worden. Dit smeek ik ü om de liefde van Jezus en Maria. Amen.

(Vers en gebed als boven bl. 197).

-ocr page 215-

Mé M T Jl at M M3

TOT DB

H.H. Hieronymus en Autonius

van WEERT,

Martelaren van Gorcum.

-iimiiiiiiinmiiMi-

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemelsche Vader, ontferm U onzer. God, zoon verlosser der wereld, ontferm ü onzer. God, Heilige Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer. H. Maria, moeder Gods onbevlekt ontvangen, bid voor ons.

Koningin der Martelaren, bid voor ons.

H. Jozef bruidegom van Maria en voedstervader van het Goddelijk kind Jezus, b. v. o. H. Apostelen Petrus en Paulus, b. v. o. H. Willebrordus, Apostel van Nederland, b, v. o. H. Martinus, patroon der stad Weert, b. v. o. H. Franciscus, insteller van de Orde der Minderbroeders, b. v. o.

H. H. negentien Martelaren van Gorkum, b. v. o. H. H. Hieronymus en Antonius van Weert, b. v. o.

-ocr page 216-

—314—

Dappere krggsknechten van Jezus Christus,

Vreugde der Kerk,

Sieraden der serafijnsche orde,

Roem van uwe geboortestad,

Die reeds in uwe jeugd hebt uitgemunt in

deugd en godsvrucht,

Oprechte zonen en navolgers van uwen H.

Vader Franciscus,

Onvermoeide arbeiders in 's Heeren wijngaard, m Die alles voor allen zijt geworden, om allen •g voor Jezus Christus te winnen,

S Die vele zondaars tot een beter leven hebt 43 bekeerd en vele ketters tot het ware geloof a hebt teruggebracht, o-

oj Kloekmoedige verdedigers van het Katholiek £| g Geloof, voornamelijk betreflende het H. Sa- ^ S crament des Altaars en het primaatschap van g s? Christus' Stedehouder op aarde, M

2 Die om uw ijver voor de eer van God en de g verkondiging der waarheid door de dwaal- 5° leeraars en andere vijanden van het Kruis Cn doodelijk werd gehaat en vervolgd, K Brandende van begeerte naar den marteldood. Roemvolle mannen, die noch door beloften, noch door bedreiging ü tot afval hebt laten bewegen.

Die gedurende uw lijden niet het minste teeken van menschelijke zwakheid hebt getoond, maar alle slagen, boeien en kerkers met geduld en vreugde hebt verduurd.

Die, hoe ook gefolterd en bespot, voor uwe vganden gebeden hebt,

-ocr page 217-

-216-

Die als martelaars gestorven en door Jezus als

overwinnaars gekroond zijt,

Die op hetzelfde uur van uw dood, te Gorkum met uwe metgezellen in verheerlijkten staat aan twee brave burgers verschenen zijt, Die door tal van wonderen door God zijt ver- ET heerlijkt en door het volk als Heiligen wordt ^ vereerd, lt;

Door wiens tusschenkomst velen geholpen en © m genezen zijn, 0

S Die nog altijd bereid zijt om degenen te helpen g _o en te vertroosten, die u met vertrouwen, ver- quot; eeren en uwe voorspraak inroepen,

Die, «uit groote vervolging gekomen». God nu ai voor Zijnen troon dag en nacht moocht dienen, ® Die ons den weg ten Hemel aanwijst,

g Bidt voor ons, opdat wi] met het grootste geduld alle wederwaardigheden van dit leven verdra-g gen, dit smeeken wij ü.

■S Bidt voor ons, opdat wij ootmoedig en zachtzinnig, vaardig elke beleedising vergeven, dit a smeeken wij ü.

tC Bidt voor ons, opdat wij de armen en onge-lukkigen met liefde bejegenen en helpen, „ Bidt voor ons, opdat wij in vlekkelooze zui- » verheid leven, B

Bidt voor ons, opdat wij niets verlangen dan

hetgeen God behaagt, g

Bidt voor ons, opdat wij ons aan het aardsche ^ onthechten en alleen het hemelsche zoeken, ü: Bidt voor ons, opdat onze harten altoos bran- ö den van liefde tot God,

Oj

-ocr page 218-

—816—

Bidt voor ons, opdat wg immer bezield zi]n

met een levendig geloof.

Bidt voor ons, opdat wij in de biecht immer

rouwmoedig onze zonden belgden,

Bidt voor ons, opdat wij Jezus in de H. Communie steeds met de teederste liefde ontvangen,

Bidt voor ons, opdat wij het allerheiligst Bart van Jezus met alle vurigheid beminnen,

«o Bidt voor ons, opdat wij Maria, onze lieve •2 Moeder, altoos kinderlijke liefde betuigen, S Bidt voor ons, opdat wij in het goede volharden a 0n versterkt worden in geloof, hoop en liefde, amp; Bidt voor ons, opdat wij niet onvoorbereid K § sterven, en dat wij iu het bange sterfuur | 2 worden vertroost door de genademiddelen g der H, Kerk, g

^ Bidt voor ons, opdat Jezus ons in het oordeel ^ 2 genadig zij en wij de eeuwige zaligheid be- ca: •S ërven, cj

. Bidt voor den bloei der U. Kerk, voor den • 35 Paus, de Bisschoppen, Priesters, Religieusen 33 en alle geloovigen.

Bidt voor de bekeering der zondaars, ketters en anderen, die buiten de Kerk leven, in ons vaderland.

Bidt voor onze familiebetrekkingen, weldoeners, vrienden en vijanden, en voor allen aan wie wij ooit ergernis hebben gegeven,

Bidb voor de zielen, die in het vagevuur naar

Gods aanschijn smachten.

Bidt voor de priesters, de overheden en vooi

-ocr page 219-

—817—

alle leden dezer gemeente, waarvan gij de bizon-dere beschermers zijt, dit smeeken wjj U. Lam Gods, dat wegneemt enz.

*• Bidt voor ons H,H. Hieronymus en Antonius, opdat wij mogen waardig worden de beloften van Christus.

LATEN WIJ BIDDEN.

Lieve Jezus, wij smeeken U om de liefde van onze heilige Martelaren tot Uw H. Hart, om vergiffenis van al onze zonden. Naar hun voorbeeld willen wij heilig leven en zullen dan ook de zonde als het grootste kwaad verafschuwen en ons geluk stellen in de trouwe vervulling der plichten van onzen staat. Help ons toch, o Jezus, want wij zijn zwak en kunnen niets zonder de hulp Uwer genade. Leer ons, zorgvuldig alles vluchten wat tot verderf leidt, en doe ons leven in onthechting aan al het aardsche en U uit alle krachten beminnen. Barmhartige Jezus, ontsteek in onze koude harten het vuur uwer liefde, opdat wij U zoo teeder beminnen, als de H.H. Hieronymus en Antonius met hunne metgezellen U bemind hebben. Geef ons den geest van gebed, ootmoed, versterving, liefde tot het lijden, en verleen ons de genade steeds het oog op deze Heilige Martelaren gevestigd te houden. Lieve Jezus, zie om Hen, barmhartig op ons neder; versterk ons in den strijd tegen de bekoringen : troost ons in alle smarten en kwellingen, en doe ons na dit kortstondig leven deelhebben aan de heerlijkheid, waarmede Gij in den Hemel uwe kloekmoedige bloedgetuigen hebt gekroond.

-ocr page 220-

-ais-

Heer verhoor ons gebed, en laat ook de zielen der geloovigen door uwe barmhartigheid in vrede rusten Amen.

-ocr page 221-

-ais-

Lof- en smeeklied

aan de twee heilige Martelaren van (rorkum,

Hieronymus en Antonius,

Wijze : „O Gij die troont.quot;

1.-

Hieronymus, Antonius,

Wat zijt gij hoog verheven ! Wat schitterende Gloriekroon,

Heeft God aan uigegeven ! (bis.)

Gij hebt reeds van uw vroege jeuo-d Het pad der deugd betreden, 0 ]VTWa' Uw 'jestneuren kon Met alle zorg vermeden, (bis.)

Daarom hebt gij u reeds zoo vroeg

In t kloosterslot begeven.

Daar hebt gij toen den grond gelegd Van uw zoo heilig leven, (bis.) .. . 4.

Daar hebt gij in de kloostercel

Door bidden en studeeren U voorbereid tot 't priesterschap.

Om zielen te bekeeren. (bis)

5-

Want daarvoor had God u bestemd

In deze droeve tijden.

Toen Jezus' Kerk van ketterjj Zoo smartvol had te lijden, (bis.)

-ocr page 222-

-320—

6.

Doch zij vond tot haar groote vreugd, In u twee kloeke helden

Die tegen 't helsche wangedrocht Hun kracht en ijver stelden, (hs.)

7.

Gij zocht voor u geen ijd'le lof •

Maar Jezus te behagen, r-

En daarom ook ter Zijner eer U zeiven op te dragen, (big.)

S.

Te Gorkum, en nog meer te Briell'

Hadt gij veel smart te lijden ;

Maar Jezus' liefde deed uw hart Zich in die smart verblijden, (bis.)

9.

Met recht zijt gy de roem van Weert En zult dit immer blijven.

De liefde zal bij 't nageslacht.

Uw naam in 't hart nog schrijven, (bis.)

iö.

Maar nu gij zoo verheerlijkt zijt,

Wendt uit des Hemels koren

Uw blikken neder op de stad,

Waar gij eens zijt geboren, (bts.)

11.

Bidt Martelaren ! bidt voor ons,

Opdat wij na dit leven

Ook deelen in dezelfde vreugd,

Die God u heeft gegeven, (bis.)

-ocr page 223-

HEsTIHIOUID-

htkidinrj...............bl. F.

De II. Jlicroinjinus............ 7,

De H. Anlcnius............» C4.

Verheerlijking der Mnrlelnren. . ......» ')06.

Ver he er lij kin der Mnrldaren te Weert . » Uiiï.

Bijvoegsel...............»189.

Verslag ...............«191.

Corrigenda..............»193.

iïovene...............»194.

Litanie................. 213.

Lof- en Smeeklied............»219.

.1. SI D. G.

-ocr page 224-
-ocr page 225-
-ocr page 226-
-ocr page 227-
-ocr page 228-

sry AH'-V quot; .v. ■

'/r^ /quot;N /S ^v ^

?^^,AA«aSs^S

[■''/- ■^^lv, .^. ^ O ^ .Qn W /^n P

c-^ /s^ i /^ '■: .quot;■■ /^, ' / \ /^ /O, / •

i^oPamp;S^S»?

■M fi.- rs n f\ i /-\ /?: /H A, A; A Q A n r-., /-x p:

' - quot; I v j X, •/lt;p^ ;/E\ • '/-V ! I « / gt;rv. , ,

Q r^.'quot;quot; /^ ^ A ^ A ^ ^

• '^stN /^^\ ,-•

-ocr page 229-
-ocr page 230-