c v ^ - -v vu } ' Y
-'S 'XtH
77 V m- ^ . ^,--4
.^-t; % ' igt; - - i, lt; v'^ ^-V . v^' V
X
. ■ ' - V'-^' -•;ƒ•
gt;quot; 1 «- i' • t quot; '' \ ' V't '■■*
■ V, quot;• ' ■ 4W 1 ^ quot; .-41 M quot;ï-
v-gt;'/ ' J J-.n.' r
i VT 'lt;l '4
?jS quot; H,'' 'l quot;'I '.'quot; '■* - /quot;'N^'
II--^/vv h/ ^ -■ 1 ^'
-• v _3f. /V -•.*; T/ v •'ïtk ' A ■ , / -.*• ? „ • ■gt;.,
') V-^h 'i,../ '■♦v^ ii: . Al
''■ ■ *V- fv V- ^v ■vfv'^.i « '-i
^rr.V K
-i S»i.: ' '■ v;,
-quot;Tv.
, r ; Vv-'
' • V-3 . quot; . yVf'Vi.' quot;T-- *' ' ■ .,v
^v - .^.^V A quot;v ,' i A]-/ /■
u lt;■ quot;JA. Ur15 i -,-.■
^ \ /•gt;..' gt; 'Ou',
•*- 'V ■ ^- 1 • , J^L*
^)*'\ *-■gt;.: \ f - \*! T ■ iJf- . ; L.------ • ( ^
^ ^ lt;n - * /
K'lr^ - * %
va» iö?f
V-. ^
■ quot;n j ■
^ ' V7V *
■ 4/^ v -■■ ,—«. - - W-Vlt;gt;
~bK:
jf.. .'V * ;
l
. M '-■ ^ .
•/ : ,■-
i St
--■' '4 ' 'quot;
;f ; 4,; -' --
iC, 'gt;■lt;'• ' ^r^rv . ~ I^Vf'V-ir
ir/
Jtmsterdam bij 2)ag en
NOVELLEN EN SCHETSEN
VAN
JUSTUS VAN MAURIK
AMSTERDAM VAN HOLKEMA amp; WARENDORF
Bibliotheek MINDERBROEDERS WEERT.
SNELPERSDRUK VAN U. C A. THIEME TE NIJMEGEN.
: J
INHOUD.
lïLADZ.
'T ONTWAKEND AMSTERDAM............. I
DE SLAAPSTEE VAN KOO..............14
SUFFE BET....................29
'T CAFÉ „GOENONG-APlquot;..............38
IN DE GROENE OS.................54
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM..........6l
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.........66
IN DE „KEMPHAANTJESquot;...............85
PINKSTERBLOMMEN................IOO
PALING-JAN....................122
EEN WERKELOOZE................ . 130
„GARRIBALDlquot;...................137
EEN STANDJE...................141
EEN ZONDAGMORGEN-VERRASSING...........I53
IN DEN NACHT...................157
EEN INTERVIEUW..................l6l
WAT DE KRUIER ONDERWEG VERTELDE........l66
'T WAS ER MAAR ÉÉNTJE..............172
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
Middernacht!
Langzaam slaat de klok van den ouden kerktoren twaalf slagen; plechtig en zwaar klinkt haar metalen stem door den klaren, kalmen winternacht.
Uit de verte antwoorden links en rechts andere klokken, zwak en dof, als fluisterden zij die ééne klok na; „Middernacht, middernacht!quot;
Ik zie mijn venster uit. Buiten is 't niet zoo donker als anders. Alles is wit. De grond is bedekt met een dikke laag van fijne, droge, vaste sneeuw, die onder de voetstappen van enkele late voorbijgangers kraakt; sommige kale plekken op straat glinsteren, als waren microscopische diamantjes over de keien uitgestrooid en tegen de onderkanten der huizen en stoepen heeft de wind kleine hoopjes poederige sneeuw samengewaaid.
Daken, gevels, deur- en vensterkozijnen zijn afgezet met een zachten, wit-donzen rand en op de ruiten tintelen de ijsbloemen en varens in kille, natuurlijke pracht.
Van 't blauw gewelf des hemels, zóó donker dat :het blauw bijna zwart schijnt, blikken ontelbare sterren omlaag, als heldere oogen die geruststellend lonken en knippen tegen de slapende stad; statig, vol en blinkend glijdt de maan voort aan den trans.
Haar helder schijnsel teekent, met diepzwarte grillige slagschaduwen, schoorsteenen en goten na op de besneeuwde daken, die door het maanlicht met een blauwzilveren glans overtogen worden.
I
4
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
Op den matglazen vloer, dien de wintervorst over het groene, kabbelende water heeft gelegd, glijden zwijgend en kalm de schaduwen der ontbladerde boomen heen en weer, wanneer de nachtwind zachtjes de takken beweegt.
't Wordt kouder in mijn kamer; mijn kachel begint haar plicht te verzaken en aan den onderkant der vensterruiten groeien de ijsbloemen langzaam en stil omhoog.
't Verkoelende ijzer van de kachel knapt zachtjes met korte tikjes; 't schijnt mij te willen herinneren dat 't tijd is om te gaan slapen en toch ben ik zóó wakker, zóó klaar wakker, dat ik nog niet den minsten lust gevoel om mijn legerstede op te zoeken.
Ik lig dikwijls zóó, uren wakker, en ik vind er een zeker droomerig genot in, om tusschen waken en slapen den loop van den nacht te volgen, luisterend naar de geluiden die van buiten af tot mij doordringen. Soms druil ik dan even in, als bevangen door 't bedwelmende van den dommeligen toon waarin alles klinkt, midden in den nacht. Dan weer ontwaak ik plotseling door een of ander geluid in mijn onmiddellijke nabijheid en met een wonderlijk aangenaam gevoel van gerustheid vlei ik mij weer neder om opnieuw te liggen luisteren naar die verschillende klanken, totdat mijn denkvermogen zich meer en meer omsluiert en ik eindelijk voor goed inslaap — onbewust van het oogenblik van overgang.
In een stad als Amsterdam wordt het eigenlijk nooit geheel en al stil. Al woont men ook op een, zoogenaamd stille gracht, toch hoort men altijd van uit de verte een geluid, dat aan 't verwijderd ruischen van de zee herinnert, nu eens zwakker, dan weer sterker, evenals de branding die achter de duinen tegen 't strand slaat, zacht ruischend afvloeit en telkens met kracht terugkeert.
De polsader der slapende stad houdt nooit op te kloppen; immer bruischt „het levenquot; voort over pleinen en grachten, door straten en stegen — altijd voort! Wel wordt het flauwer, zwakker en mat, maar stilstaan doet het nooit. Slechts in den overgang tusschen nacht en morgen schijnt gedurende een korte poos alles te zwijgen, te slapen; maar 'tis een zwijgen dat, evenals de kalmte vóór 't onweer, een voorbode is van drukke luidruchtigheid. Een slaap, die „'t levenquot; kracht geeft tot nieuwe uitingen van bedrijvigheid en waardoor het, bij 't ontwaken, als 't verfrischte bloed door de hartader, sneller vlietend, wordt voortgestuwd.
2
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
'k Lig te luisteren naar den nacht: daar rolt een rijtuig in de verte, 'k verneem verwijderd gezang, alles klinkt luider en duidelijker door 't heldere, vriezende weer.
Weer een rijtuig! — 'k hoor de wielen ratelen over de brug, 't komt nader, 't houdt stil.
Gedempte stemmen, een schel — 't portier wordt geopend en weer dichtgeslagen; 't is iemand, die bij een van mijn buren wordt t'huis gebracht, want ik hoor duidelijk ; „Bonsoir! — dank je wel voor 'tgeleide — adieu! wel t'huis.quot;
De vigilante rolt weer verder. In mijn verbeelding zie ik de handen van den koetsier, en hoe hij ze beurtelings tegen zijn schouders slaat om ze warm te kloppen; 'k zie hoe 't paard dampt en ... 't geratel van de wielen sterft langzaam weg, maar 'k hoor het nog heel lang, flauw, zeer flauw; 't smelt eindelijk samen met 't tikken van mijn pendule, die op den schoorsteenmantel staat.
Zij stond reeds op mijn kamer, toen ik nog in 't ouderlijk huis woonde, zij is een van mijn oudste vriendinnen.
Werktuigelijk tel ik met den slinger mee: „Een, twee! één, twee!quot;
Mijn nachtlicht brandt helder genoeg om de wijzerplaat schemerachtig te verlichten; 't komt mij voor dat ik er een goedig, oud gezicht in zie, dat uit het vergulde kransje — 't lijkt een ouderwetsche, geel geworden muts — mij lachend aankijkt, 't Is me alsof ik een langzame zachte stem verneem, die mij toefluistert; „Eén, twee — 'k heb je zoolang je leeft gekend, ik weet alles van den tijd toen je nog een kind waart.quot;
'k Herinner me plotseling dingen uit mijn kindsheid die mij heimelijk doen glimlachen of weemoedig stemmen.
„Eén, twee!quot; zegt de pendule, „je was een raar heer, toen je nog school ging, een wilde sinjeur, een platje, over dag, maar 's nachts heb je dikwijls naar mij liggen luisteren zooals nu — 'k heb je wel eens zien schreien ook, omdat je dacht dat 't zoo onpleizierig was dat 'n mensch eenmaal toch moest dood gaan; je had toen erg veel schik in je leven. — Eén, twee! en je bent nog niet veel wijzer geworden, je gelooft nog in de menschen, je bent nog geen pessimist en dat wordt je nooit. — Eén, twee! één, twee! — Je gaat niet mee met je tijd in dat opzicht en je zoekt nog naar 't goede, naar 't •opgewekte in den mensch; je denkt nog dat iedere nieuwe
3
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
dag een betere kan zijn. — Eén, twee! — slaap maar in „jongenquot; die je bent, slaap maar in, misschien droom je dan van 't geen je gelooft dat bestaat. Droomen! ha! ha! — De wijsheid heb jij nog niet, ha! ba! — als je ontwaakt zullen de menschen het je wel anders vertellen ha! ha! één, — twee!quot;...................
Bom, bam! Bom, bam! — 'k heb een heele poos geslapen, maar 'k ben op eens klaar wakker geworden; daar slaat de klok buiten vier uur.
Vier uur pas? — Wat komt zoo'n wintermorgen toch langzaam ! Zou die klok wel goed slaan ? Is 't nog niet later ?
Neen! mijn horloge wijst ook op vier. Neem mij niet kwalijk, goede oude kerkklok, dat ik een oogenblik aan u twijfelde, maar ge hebt mij wel eens meer gefopt en bovendien, ge zijt ook zoo bejaard dat 't geen wonder zou zijn wanneer ge den nacht heimelijk waarnaamt om eens een poosje uit te rusten van uw vermoeiend en eentonig werk. Ge hebt het immers ook wel eens bij dag gedaan en nog wel juist dan, als ik naar 't spoor moest en op uw waarschuwende stem of wijzers vertrouwde. Maar ik maak er u geen verwijt van, omdat ge ook maar al te dikwijls mijn zondenbok zijt geweest, evenals ge mijn barbier, die te laat kwam, of mijn keukenmeid, die niet op tijd opdischte, als bliksemafleider hebt gediend.
Ge zijt er niets minder om; ik blijf niettegenstaande uwe tekortkomingen steeds naar u opzien; 'k vertrouw dat ge daar boven, door weer en wind stijf en rheumatisch zijt geworden en daardoor belemmerd in uwe bewegingen; dat ge dikwijls niet meer kondet spelen ligt bepaald aan uw leeftijd. We zijn immers allen zondige schepselen, die ieder op hun beurt toegevendheid noodig hebben! En met u wil ik liefst goede vrienden blijven, want ik hoor uw stem zoo gaarne — vooral des nachts klinkt zij mij zoo ernstig vriendelijk, zoo geruststellend in de ooren.
'k Voel dat ik weer indommel, 't Is zoo stil overal, mijn pendule tikt: „Eén twee!quot; — Buiten is 't doodsch.
„Kwartier!quot; klinkt de stem van mijn oude kerkklok; 'k ga weer slapen; zult ge me roepen als 't tijd is om op te staan ?
Zes uur, sta op! de nacht is voorbij, de morgen begint!
Ik was al wakker, goede vriendin, want achter mijn woning.
4
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
in 't nauwe straatje, was reeds een porder aan 't porren geweest en hij maakte leven voor twee. Daar wonen ambachtslieden, menschen die vroeg uit de veeren moeten, en dat zij vast slapen, nadat zij vermoeid zijn te ruste gegaan, is geen wonder.
'k Heb dien porder hooren schellen en kloppen, in alle toonaarden en maten, van lento pianissimo tot fortissimo en furioso toe.
Hij maakte mij wakker, een oogenblik voordat ge zesmaal uw roepstem deedt hooren. Uw „bom, bam!quot; klonk anders dan van nacht, mij dunkt in een geheel anderen toon. Luider, vroolijker, niet waar? want ge verkondt den morgen en dat doet gij met vreugde. Ge roept den stedelingen toe: „Ziet! in het oosten schemert reeds het licht, de nieuwe dag wordt geboren! — ontwaakt!
De horizon kleurt zich met een zwakken gelen schijn en tegen de nog donkere, grauwe lucht, die langzaam ijler en dunner wordt, teekenen de besneeuwde daken en torens hun omtrekken scherper af.
't Wordt nog lichter; aan de kim schemert rozenrood, de dageraad. Dan klimt een plek helder karmijn, met gouden gloed overgoten, omhoog en, doortinteld van kleine gouden sprankjes, wemelend in allerlei onbepaalde, nevelachtige kleuren, rolt het sombere nachtfloers, met iedere seconde verder op, om plaats te maken voor heldere plekken blauwe lucht, die hier en daar nog in donker violet vervloeien, totdat eensklaps, als de juichtoon van 't ontwakend leven, een gouden straal naar boven schiet, om plaats te bereiden voor duizend andere stralen, die eensklaps het gewelf des hemels in vurig goud doen gloeien.
De zonneschijf stijgt boven de kim; quot;t zwerk wordt van violet, heerlijk blauw en in parelmoeren glans verdwijnen de enkele wolken die nog streden tegen de klaarheid van den wintermorgen.
't Zal een koude dag worden; de immer lichter en strakker staande lucht zegt dat duidelijk, maar zij belooft te gelijk een winterdag die heldere hoofden, levenslust en vroolijke gezichten geeft, al brengt zij ook roode neuzen of tintelende vingers en ooren mee.
Evenals 't licht zich 't allereerst aan den uitersten rand
5
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
van den gezichteinder vertoont, zóó ontwaakt ook „het levenquot;, de bedrijvigheid het eerst aan den zoom der stad.
't Is nog donker op den Sloter- en Amstelveenschen weg en de Weesper- en Utrechtsche zijden dommelen in grauw en nevelig duister. Op Y en Amstel glinstert 't maanlicht nog over 't ijs of spiegelt in de wakken, maar van alle kanten komen reeds „de boerenquot; naar Amsterdam; zij brengen voedsel naar de slapende stad; voor hen is 't reeds dag en werktijd.
Ziet! daar naderen ze van Sloten, uit de polders, van Ouwerkerk en van Amstelveen. Met wagens en karren komen ze aangereden, — de groenteboeren het eerst; zij brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt en lokken de negotianten uit het warme bed, naar de Prinsengracht. Daar komen de kinderen Israels hun te gemoet; zij hebben den naam van „vroeg op te staanquot; — maar ze doen 't ook in werkelijkheid. Als er wat te verdienen is zijn zij, met loffelijken ijver, bij de hand, vóór anderen; zij duwen hun handkar voort en — moeder de vrouw zit er in! Waarom zou ze niet rijden? 't Kost niets meer en straks zal ze nog genoeg moeten loopen, als ze haar groenten gaat uitventen, want „moederquot; loopt even hard met de savooie kool of rapen, als „vaderquot; met Hoornsche wortelen en uien.
Na de groenten, de melk.
De melkboeren komen iets later naar stad, maar toch zijn ze van vijf uur af al op weg, omdat tusschen vijf en zes uur de „tollenquot; open zijn. Achter en naast elkander rijden ze voort tot aan het „Stuivertje,quot; op den hoek van de Vondel-en Stadhouderskade; daar wordt 's morgens vroeg en ook tegen den avond, de melkmarkt gehouden. Alles en iedereen is daar druk in de weer; vóór de klok zes uur heeft geslagen wordt in „het Stuivertjequot; reeds geloofd en geboden, gebitterd en gegeten, gekibbeld en weer vrede gemaakt.
De opkoopers wachten in die herberg de boeren af en voorzien zich van de noodige hoeveelheid melk die zij, op ' hunne beurt weer, aan de „slijters over doen.quot; Veel buiten-boeren gaan zelf met hun wagens de stad in en enkelen onder hen bedienen zelfs particulieren, die liever niet van de Amsterdamsche melk-inrichtingen koopen, omdat „hun boerquot; geen duinwater in zijn melk doet. — Gelukkig dat de kikker-sloten niet klappen!
6
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
Bij half zeven!
De gaslantaarn voor mijn deur wordt uitgedraaid, 't zwakke roode weêrschijntje, dat 't eikenhout van mijn boekenkast naast 't venster doet blozen, verdwijnt.
Daar gaat de „lantaarnopstekerquot; met zijn karpoetsmuts over de ooren, zijn bouffante om den hals en zijn stok onder den arm; hij blaast op zijn vingers en loopt op een drafje voort, met kromme knieën.
Nu is hij aan den overkant; daar draait hij weer een lantaarn uit, — een politie-agent komt hem tegen. Ik zie aan hun bewegingen dat ze tot elkaar zeggen: „koud weertje!quot; Hij tikt even aan zijn muts en draaft verder; weer een lantaarn uit, nog een en nog een in de verte. Hij gaat de straat in; daar is 't nog bijna donker. Hij verdwijnt, als opgeslokt door de schemering.
't Wordt levendiger op straat; een paar werklui en jongens komen voorbij met hun blikken keteltje onder den arm of over den schouder, 'k Zie rook uit de schoorsteenen opstijgen, grijs tegen de allengs helderder blauwe lucht; hier en daar gaat een deur open en aan het eind der gracht verschijnt een „morgenster,quot; een voddenraper, die met omhoog getrokken schouders, de pet in den nek, den grooten, grauwen zak op den rug en een langen haakstok in de hand, langs den walkant loopt. Hij tuurt wrevelig naar 't ijs; hij houdt niet van den winter, die zijn terrein zoo eensklaps overmeestert. Een „water lansierquot; heeft natuurlijk het land, als 't water ontbreekt, waarin hij 'visschen wil naar lappen en drijvend afval, omdat op straat voor hem niet meer te „rapenquot; valt, sedert de straatreiniging zóó vroeg bij de hand is. Een uur van te voren heeft hij zich reeds geërgerd over die „stasmensenquot; die geen vuilnisbak meer ontzien en hutje met mutje in hun kar omkeeren.
Nu staat hij te praten met een baanveger, die er heel vroeg bij is om een bruggetje te maken; hij wijst op een paar planken en stokken, die de man op een handkar voortrijdt. ,
Hun gesprek wordt levendiger, ze maken gebaren die allen twijfel omtrent het onderwerp van hun gesprek opheffen en... de kar blijft een oogenblik aan den walkant onbeheerd staan; de baanveger verdwijnt met den „morgenster,quot; die ondergaat in den schaftkelder, op den hoek ginds, waar „'t vroolijke schippertjequot; uithangt. Daar zijn ze altijd vroeg bij de hand,
7
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
want de eigenaar is een steunpilaar van de vischmarkt, die voor dag en dauw er op uit gaat om te zien of er „negotiequot; is.
Schommelend en heupwiegend onder 't juk met manden, dat zij torsen, komt een drietal vischvrouwen tot vóór den kelder. Een van haar bukt zich voorover naar den ingang en roept: „Is Manes 'r al uit?quot;
„Al lang naar de markt!quot; klinkt 't terug uit de diepte.
„Dan gane me maar door, ajuussies!quot; en de vischvrouwen schommelen verder.
Uit de verte en van nabij klinken allerlei geluiden en stemmen mij in de ooren, maar nu niet zwak en eentonig meer zooals in den nacht.
Neen! duidelijk en helder klinkt elk geluid, iedere stem; het frissche, blonde morgenlicht schijnt alles en iedereen vroolijk en opgewekt te maken.
Kleine en groote karren rijden helder ratelend over de bruggen, of doffer over de harde sneeuw; lustig klinken de Schelletjes der paarden. Bij den melkboer schuin tegenover mij houdt een boerenkarretje stil.
„Mello-oh!quot;
„Ho, Jan!quot; 't paard staat stil. „Mello-oh!quot; — De melk-verkooper komt met zijn pijpje in den mond op den stoep en knikt den buitenboer, die hem melk komt brengen, even toe: „Gemorge!quot;
„Gemèrge!quot;
„Je bent laat!quot;
„Nou! 't is deksels slecht rije boïte, weerlichs koud v'n daeg, maer best weertje, hoor!quot;
„Nou!quot;
Al weer andere karren; ze ratelen onophoudelijk over bruggen en door de straten, altemaal melkkarren die in stad komen. Groene, roode, gele wagens met peenharige boertjes induffelsche pijakkers en groene, rood gerande bouffantes om den hals er op.
Sommigen rijden in stevigen draf, ineens door naar de melkinrichting, waar ze op tijd moeten leveren; anderen, die hun klanten onder de „partekuliere,quot; opkoopers en slijtersquot; hebben, nemen het zoo nauw niet en vinden zelfs den tijd om hier of daar eens even aan te leggen en van de kar af, hun voet nog tegen den krommen dissel te roepen; „Tijsquot; of „Kees,quot; geef m'n een klaintje veur de kou, zoo'n kieperlje 's mèrgens is gezond veur de maeg.quot;
8
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
„Hè-è-!quot; doen ze, als 't „kiepertjequot; naar binnen glijdt, met de groene want wisschen ze hun mond af, zeggen nog eens: „Blakstiens koud van daeg, maer best weertje, hoor!quot; en rijden verder.
'k Begin te verlangen naar mijn thee, als ik die nuttige boeren zie en ik gun hun van harte gaarne dat „klaintje,quot; omdat het waarlijk zoo koud is. Dat voel ik eerst goed als ik op straat kom en even blijf staan om te kijken naar een bakkersknecht, die ik uit alle macht aan de schel van een der naburige huizen zie trekken.
„Wat Zaterdag wordt dan toch wakker,quot; bromt hij en met kracht luidt hij nogmaals de schel.
„Goeie morgen! — ze schijnen je daar niet te hooren?quot;
„Morgen m'neer! Och, 't is tegewoordig een kruis met die booien, ze bennen zoo vlug als een slak op 'n warme stoof.quot; Tingelingelingeling! „Ze laten je maar blauwbekken, m'n toppen vallen haast af.quot; Tingelingelingeling! „'k Heb al zes maal gescheld.quot;
„O bakkertje!quot; klinkt 't boven uit een opengeschoven zoldervenster.
„Wel ?quot;
„'k Zei je helpe, we hebbe ons verslape!quot;
„Dat gebeurt jelui maar ééns, maak assieblief voort.quot;
„Melloh-oh! oh!quot; De melkboer komt de stoep op. „Ze binne weer loi, vandaag, bakker.quot;
„Nou!quot;
't Gerammel van een deurketting wordt een oogenblik hoorbaar, de huissleutel wordt met krachtige hand omgedraaid en tusschen deur en deurpost verschijnt een paars-katoenen nachtjakmouw, waaruit een roode winterhand steekt, die een groene melkkan vasthoudt.
„Zeg ben jelui nou mal, help je nou eerst dien melkboer?quot; zegt nijdig de bakker, die in een blauw geruiten doek twee brooden gereed houdt.
Als de stem van een buikspreker klinkt 't van binnen: „We hebben d'r maar één noodig vandaag.quot; De hand verschijnt opnieuw, maar nu met een mandje er in, en de stem herhaalt: „één knipbrood en vier kadetjes.quot;
„Ook al goed,quot; is 't knorrig antwoord en, terwijl de melkboer de kan vult, voegt de bakker er bij : „Jelui moet me wat gauwer opendoen, 'k heb meer klanten dan jijlui; versta je?quot;
9
IO 'x ONTWAKEND AMSTERDAM.
„Jawel! dag bakkertje, maak je niet dik, anders is je dag bedorve,quot; giechelt de stem achter de deur en als de moderne Esopus knorrig de stoep is afgedaald en de melkboer de kan om 't hoekje der deur reikt, zegt hij glimlachend: „Zeg meissie, 'n akelige kwaje kerel die'n bakker, zoo eentje nog voor je dood, hè meid! Gemorge !quot;
In alle stadsgedeelten is de bedrijvigheid ontwaakt. De vischmarkt zendt rechts en links haar afgezanten uit, die luidkeels verkondigen dat er „spie-iering, braed-spiering en bo-bo-botquot; te verkrijgen is. O vei al klinken de uitroepen en kreten der venters, die in de vroegte hun waar aan den man trachten te brengen en hier en daar daagt reeds een aschkar op. Handwerkslieden met en zonder gereedschap, jongens die naar fabrieken gaan, naaistertjes of corsettenmaaksters, die haar atelier opzoeken, barbiers die, hoe ooievaarachtig ze ook stappen, eeuwig te laat komen, winkeljuffrouwen met een slaperig uitzicht en pakhuisknechts die altijd op hun gemak loopen, doorkruisen de stad in alle richtingen. Overal ziet ge menschen draven, stappen of kuieren, al naar hun vak of tijd 't meebrengt.
Op den Dam staat reeds een tramwagen; „de eerste» die over 't spoor krispendeert,quot; zegt Levie, terwijl hij met zijn schoenhak onder den arm bij het commandantshuis staat en verlangend uitziet naar een paar schoenen die nog ongepoetst zijn of een valiesje dat gedragen wil worden, „'t Brood gaat den menschen den mond uit, door die mooie wagens,quot; zucht hij, terwijl hij overweegt, hoe de tram voor één dubbeltje èn reiziger èn bagage naar 't station brengt.
Op enkele grachten en in straten waar de handel zijn dienaren niet in die mate heeft als in het hart der stad, is 't nog stil; daar vieren de musschen feest en pikken, dik in hun veeren gedoken, in de sneeuw, zoekend naar een haverkorrel tje dat door een of andere rossinant onverteerd werd gelaten.
Fluitend komt een jongen langs de gracht; hij wandelt midden door den musschenzwerm heen; de brutaalste vogels blijven rustig verder ontbijten, anderen hippen eenvoudig een eindje op zij en de bangsten onder hen vliegen op stoepleuningen of pullijsten, om van die verhoogingerf af, met schuin gehouden kopjes en heldere schrandere oogjes het fluitende jongmensch na te zien.
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
De verschillende tramwagens beginnen te rijden en voeren van uit dé buitenwijken de eerste passagiers naar 't midden der stad, den Dam.
Door 't wit besneeuwde Vondelpark komen enkele menschen, die in Vondelstraat of P. C. Hooftstraat op de tram willen stappen. De gewoonte, misschien ook de haast die zij gemeenlijk hebben, doet hen weinig acht slaan op het heerlijke winterkleed, dat boom en struik omhangt, 't Spiegelend ijs der vijvers weerkaatst reeds de morgenzon en op de wonderlijk schoone, met sneeuwguirlandes en ijs-franje behangen boomen gloeit en tintelt een gulden schijn, die zonderling afsteekt bij 't wazig verlichte verschiet, dat blauwachtig schemerend wegdommelt.
Acht uur.
De eerste „trammen* zijn op den Dam gekomen en de aangebrachte passagiers stappen uit om plaats te maken voor andere, meestal kinderen, die „abonnementquot; hebben en naar school gaan. Meisjes, jongejuffrouwen met wangen als bellefleuren en roode neusjes, duwen elkander lachend en plagend op de tree of in den wagen. Zij maken een praatje met den conducteur, want hij is haar vriend; gewoonlijk sluiten ze een of- en defensief verbond met dien beambte en wel voornamelijk omdat de jeugdige heeren der schepping, die ook geabonneerd zijn, wel eens „aardigerquot; willen wezen dan de jonge dames noodig vinden.
Daar! — daar vliegt een sneeuwbal, nog een en nog een tegen de tramdeur aan; de defensieve conducteur dreigt de balwerpers met zijn vuist; de meisjes gieren van pret en lokken een nieuw bombardement uit door „achteropquot; te gaan staan. Hoofdschuddend zien een paar ouderen van dagen, die ook meerijden, binnen in, naar de jeugd die, volgens hunne meening, zóó heel veel anders is dan in hun dagen, toen er nog geen trammen waren en de kinderen „brave Hendrikquot; naar de kroon staken.
De postwagens met de brievenbestellers, die de eerste post zullen gaan rondbrengen, rijden mij bijna omver als ik in gedachten op den Dam sta te kijken, 't Is merkwaardig, zooveel verschillende menschen mij daar voorbijkomen, hoe haastig de meesten loopen en hoe weinig notitie zij van elkander nemen.
Soms vliegt een vluchtig „gemorgen,quot; 'n „bonjour,quot; een „mooi weerquot; of 'n „lekker frischquot; over en weer, maar in 't
II
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
algemeen gaat iedereen met spoed zijn weg. 's Morgens heeft niemand tijd dan de kantoorheertjes, die weten dat „de patroonquot; of „de chefquot; nooit de eerste is. Met een sigaartje tusschen de lippen flaneeren zij, zoo onverschillig mogelijk, naar hun kantoor, lachen knipoogend tegen de dienstmeisjes, die op den trottoir de vloermat of het karpet uitslaan en als zij er aan denken dat zij op hun bureau bijna evenveel te doen hebben als een commies op zijn ministerie, geeuwen zij heimelijk achter hun behandschoende vingers; — misschien ook is „'t Münchenerkind'lquot; of „der Spatenbrauquot; niet geheel vreemd aan die zenuwachtige beweging.
Als ik mijn huis nader, hoor ik in de verte het ratelen van den aschkarreman en zie ik den krantombrenger voor mij uitloopen. „Toon de hobbelaarquot; noemt de straatjeugd hem, omdat zijn linkerbeen niet met het rechter eensgezind is, maar in onophoudelijken wedstrijd leeft wie „den baasquot; het beste zal voorthelpen.
Onder zijn arm rusten sociaal-democratie en royalisme, eendrachtig in 't zelfde wasdoeken omhulsel. Handelsblad en Amsterdammer, Nieuwe Rotterdammer en Tijd liggen onder zijn bescherming onder één dek; en Nieuws v/d Dag, Haarlemmer en Vaderland gaan één weg. Tusschen Toon's duffelschen jas en mouw bereikt het liberalisme een volmaaktheid, die het ideaal nadert; alle richtingen zijn daar vereenigd en verbonden door wederkeerige toenadering. De man zelf is onbewust van zijn gewichtigheid; met stoïcijnsche kalmte steekt hij de kranten in de verschillende brievenbussen en 't deert hem niet in 't minst wanneer hij zich eens vergist en door een verkeerde greep soms de lont bij 't kruit legt. Als een echte philosoof laat ieder „ismequot; hem koud, geen enkel kranten-artikel maakt hem warm, want zie! hij blaast op zijn vingertoppen als hij de bladen onder de deuren door steekt of met een onverschillig gelaat in de gang op de steenen werpt, wanneer toevallig de huisdeur openstaat.
Toch is die eenvoudige Toon in waarheid een man, die „vrede en oorlogquot; in zijn hand heeft, die vroeger opstaat dan alle richtingen te zamen en die voor één kwartje met October of Nieuwjaar, dankbaarder is dan de lezers van een dagblad het zijn voor een goed geschreven hoofd-artikel.
Half negen!
Ik sta op de stoep te gelijk met den ossenslager, die zijn
12
'T ONTWAKEND AMSTERDAM.
mand met vleesch op de leuning zet en een vriendelijk: „Frisch weertje m'neerquot; zegt.
Mijn ontbijt staat gereed; 'k drink mijn kop thee en denk, terwijl ik een broodje verorber: Zoo'n tochtje door de stad geeft eetlust; menigeen die nu nog droomt van 't souper van gisterenavond en zich onder de dekens nog eens omkeert, heeft een stuk „levenquot; gemist en weet niet, hoe goed het ontbijt smaakt na een morgenwandeling.
Als ik mijn ochtendblad heb uitgelezen en 't samenvouw, hoor ik buiten de oude kerkklok negen uur slaan.
Weer klinkt haar stem mij anders in de ooren, voller en helderder schijnt ze mij toe te roepen, met vriendelijken ernst:
„Aan 't werk,quot; de morgen is voorbij, de dag is begonnen!
13
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
Een van de merkwaardigste en meest typische logementen van den 5en of 6en rang — 't komt niet op een paar rangen hooger aan — was zonder twijfel de slaapstee of het zoogenaamde „hotel van Kooquot; bijgenaamd „de kokquot; omdat hij vroeger als scheepskok ter koopvaardij had gevaren.
Tot uithangbord had hij, getrouw aan de herinnering van zijn vroeger beroep, een schip met volle zeilen gekozen en daaronder door dezelfde kunstvaardige hand, die met kobaltblauw en Spaansch groen lucht en water, en met zwart, vermiljoen en wit schip en zeilen maalde, laten schrijven:
„In 't zijlende frigat Goed nagtlosies.quot;
Herhaalde malen heb ik, na, het klokje van gehoorzaamheid, met Koo of zijn gasten zitten praten en in die oogenblikken meer „nachtvogelsquot; gezien of van en over hen gehoord, dan menigeen zich wel voorstellen kan.
Het „Zijlende Frigatquot; was in een smalle straat in 't hartje der stad gelegen en had al het uiterlijke van een gewone kroeg; alleen met dit onderscheid, dat achter het vrij breede venster, onder een wit papier met't opschrift:
men in de Staatsloterijquot; steeds eenige schalen met gebakken visch of gepelde garnalen waren uitgestald, geflankeerd door een aantal stopflesschen, vol ingelegde komkommers en roode bieten, een en ander omgeven en beschermd door een groen gordijntje, dat van een glad geschuurde koperen roe afhing.
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
Wanneer iemand de deur opendeed, wolkte hem dadelijk een warme, gemengde reuk van jenever, gebakken visch en tabak te gemoet; geen wonder dus, dat de meeste nachtvogels het hotel van Koo niet dan noode voorbijvlogen. Wanneer de deur toevallig open was, zou 't voor hen een onmogelijkheid zijn geweest, niet op dien reuk af te komen.
Allerlei menschen kwamen er binnen; van af den gewonen polderjongen, die met een paar beklonterde laarzen, een zak en houweel op den rug, bespat en zanderig, met den voet de deur openduwend, inkwam, tot den verloopen telg van een aristocratisch geslacht toe, die huiverend en schurkend in zijn dun, versleten jasje, door een restje van fatsoen gedreven, den slappen rand van zijn hoed aanraakte, als hij op hee-schen toon een borrel en een bed bestelde.
Dikwijls had ik de eer daar bekende straatvirtuozen of kermiskunstenaars te zien zitten eten en drinken als gewone stervelingen, en menigmaal ontmoette ik er ook menschen, wie de ellende, 't verdriet en de wanhoop op 't gelaat lag.
Lui, waar „'n hummetje an was en die met meheertjewat te doen hadde,quot; werden door Koo zooveel mogelijk geweerd, want „zijn losiement was deur en deur farsoenlijkquot; en met 't gerecht had hij „nooit niet wat uitstaande.quot;
„Zie je, mijnheer,quot; zei hij zeer gemoedelijk, toen ik hem voor 't eerst bezocht, „U is hier nou vreemd; anders zou je wete, dat ik 'n ronde jonge ben, die altijd op de hand van de polisie is. Kan ik ze helpe om een boef of'n geweldenaar te snappe, dan zal ik me niet retereere, dan steek ik m'n handen uit; maar om stiekum een verraaier van m'n klante te worde, kan ik niet met me gewete overeenbrenge, en daarom hou ik liefst 'tschuim m'n deur uit.
„Je verdient er toch geen zout an, je andere klandisie hou je vaster en verders heb je geen dinsighede met de heere. Met de overheid mot je maatjes blijve. Vat u ?quot;
Toen Koo dat zei, trok hij zijn breeden mond in een genoeglijke plooi, schoof het stukje negrohead, waar hij altijd op kauwde, op de punt van zijn tong, streek er sybaritisch mee langs zijn lippen en liet het langzaam weer in de holte van zijn rechterwang verzinken, terwijl hij met zijn groote, gespierde hand het lange, krullende, zwarte haar uit zijn oogen streek en zachtjes er bijvoegde: „Je mot uit d'rhandeblijve, begrijpt u ? Als losiementhouwer van zulk soort — hij wees
15
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
met een hoofdknik naar de klanten, die er zaten — heb je weerlichts gauw last van de smerissenquot; (dienders).
Koo „de kokquot; was een stevig gebouwd man; zooals zijn klanten het noemden: „een ribbemoos, 'n mannetjesputter, die vermogens in z'n hande had,quot; en waarlijk, hij zag eruit alsof het niet geraden was ruzie met hem tQ zoeken. Zijn kleine, schitterende, donkere oogen keken brutaal en vastberaden uit hun diepe kassen en in het fronsen van zijn zware, zwarte wenkbrauwen lag zulk een krachtige aanmaning tot rust, dat zelfs de oproerigste klanten er eerbied voor bleken te hebben en Koo meestal niet veel woorden en slechts zelden zijn handen noodig had om de gewenschte kalmte in zijn gelagkamer te doen ontstaan.
Was de tusschenkomst van zijn vuisten echter onvermijdelijk geworden, dan stroopte hij, als laatste voorafgaande waarschuwing, zijn hemdsmouwen op, wreef met de handen eenige malen over zijn zwaar gespierde, behaarde armen, deed met den aan zeelieden eigen, wiegelenden gang eenige stappen heen en weer en zei kalm: „Mot 't dan nou toch gebeuren? Allo! dan maar vooruit!quot;
Gewoonlijk kwam degeen, die hem tot dat „vooruit!quot; noodzaakte, van een zeer slechte kermis t'huis en bleek Koo's geoefendheid in „'t uitsmijtenquot; meer dan buitengewoon te zijn.
Kwaad was hij evenwel niet, eerder goedig van aard; zooals hij zelf zei: „rond van natuur en een vader voor zijn klante.quot;
Als men hem zag staan, altijd in zijn hemdsmouwen met een zwartzijden vest aan, waarop een dikke, vergulde horlogeketting schommelde, had hij werkelijk iets eerwaardigs. De lage omgeslagen boord en de op zeemanswijze geknoopte zwarte das deden zijn bruinen hals, die een erg stevig aanzien had, voordeelig uitkomen en de gouden ringetjes in zijn ooren schitterden vroolijk in 't schijnsel van 't licht, als hij op zijn geborduurde, roode pantoffels door de gelagkamer heen en weer liep, altijd gereed met een vriendelijk: „Aannemen?quot; „Ja dadelijk hoor!quot; of een vroolijk: „Wou je nog een kikkertje maat? 'k Zal je helpen!quot;
Hij. was „eigen met z'n volk,quot; hij kende de meeste bezoekers bij naam en toenaam, en „de vreempiesquot; heetten bij hem „kameraad, knaap, ouwe jongen of snuiter;quot; 't woord „meheerquot; gebruikte hij zelden.
10
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
Misschien wel vermeed hij dien titel om den eerbied, dien hij voor „meheertjequot; koesterde. Wanneer Koo aan 't vertellen ging over zijn reizen of „zijn verblijf op Cura9ao, toen ie nog in de groote vaart was,quot; bleek hij een gezellige baas te zijn, zóó gezellig dat de klantjes soms lang na het bij de wet bepaalde uur nog „rondjesquot; zaten te geven en te nemen, een aardigheid waarin Koo volstrekt geen kwaad zag, al was hij overigens ook „heelemaal op de hand van de wet.quot;
't Gebeurde niet zelden, dat hij zelf zoo goed was om van dezen of genen klant een „wippertje klarequot; of „'n kiepertje cognacquot; aan te nemen, want „gioosquot; was hij niet, aan de afschaffing „had ie een broertje doodquot; en voor zijn klanten offerde hij zelfs zijn nachtrust, zijn maag en zijn geweten op.
De gelagkamer van zijn logement was niet zeer groot, maar gezellig ingericht. Een fraai betimmerd buffet — Koo had dien mahoniehouten opstand „op 'n verkoopening uit 'n faljiete rommelquot; gekocht en zelf pasklaar gemaakt —besloeg den linkerwand geheel en al, terwijl de rechterkant van Jt lokaal versierd was met een spiegel, eenige oleographieën en een soort van console, waarop een mallemolen in miniatuur prijkte. Een barkschip onder glazen stolp, twee struisvogel-eieren, eenige vogelkooien met zingende kanaries, een opgezette aap en een gedroogde zaagvisch, aan de zoldering opgehangen, waren de overige merkwaardigheden der gelagkamer.
Voor 't buffet stond een lange met zink beslagen toonbank en daarop lag het echt oud-Hollandsche jenervaatje van glad hout met koperen hoepels en kraan.
Als een koning, gekroond met een schitterend mandje van kleurige glazen kralen, vol bonte papieren bloemen, zag het vaatje neer op de aan zijn voet zich uitbreidende blinkende vlakte, waar allerlei heerlijke zaken stonden te geuren, op schalen en borden, in flesschen en pptten.
De witte eieren staken tegen 't lichte rood van de aangesneden ham schel genoeg af, en de gebakken schol mengde haar bruine kleur met die van de botjes of spiering tot één aangename tint. Flesschen met uitjes, augurkjes en biet wisselden af met dito's vol leverbeuling in 't zuur, gemarineerde haring, en citroenen in pekel, terwijl broodjes en beschuiten zich hier en daar tusschen al die kostelijkheden bescheiden verscholen hielden.
17
2
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
En achter al die verlokkende lekkernijen zat Koo's eega, een knappe, heldere vrouw, weelderig van vormen en groot van omvang, ongeveer zes of zeven en veertig jaren oud. Een muts met hel rood lint prijkte op haar bruine lokken, haar gelaat zei duidelijk: „raak me niet aan,quot; en 't witte, hoog voorgespelde schort deed de reinheid vermoeden van het hart, dat achter het bolwerk klopte.
„Dat's nou m'n wijf,quot; zei Koo bij wijze van voorstelling; zeer luid voegde hij er bij: „Meheer komt ereis kijke,quot; en tot mij gewend: „'n Flink vrouwmensch, hè? Jammer dat ze zoo potdoof is; dat heit ze uit de roodvonk gehouwe. Maar ze kijkt goed uit 'r gate, hoor, en 't mot 'n knappe gauwerd (dief) weze, die d'r beduvelt. — Is 't niet zoo, doove Mandril?quot;
De juffrouw lachte, want haar echtvriend had deze woorden zoo luid gezegd, dat zij ze verstaan had; de benaming „Mandrilquot; was een bijnaam, dien Koo haar bij wijze van lief-koozing gaf. Zij vond dien zeker heel aardig en antwoordde daarom glimlachend, op eigenaardig doffen toon: „Ja, ja, dol jij maar met me; we kenne 't toch maar best same vinde in de affaire.quot;
„Zeker!quot; zei Koo. „Ze is best achter de toonbank, en al is ze nou wat zwaar geworde — ze weegt over de tweehonderd, meheer — kwiek is ze nog genogt; alleen het trappe loope wil niet. Afijn, dat doe ik. Och! 'k ben al zijn leve 't opëntere gewend geweest.quot;
„Ja, ja!quot; knikte de doove. „Ik versta je heel goed. Meheer ziet wel, dat 't er hier knappies en helder uitziet. Je hoeft hier niet vies te weze om ies te gebruike. Kan ik uwee diene?quot; Zij wees op de gebakken schol. „Wij,quot; met een knipoogje tegen haar man, „hebbe mekaar al gekeune, toen zijn eerste vrouw zaliger nog leefde — 'n bloed eige nicht van me •— maar 'n slof mensch, 'n sloome, die niet voor 't vak deugde. Ze kon hoore as de beste, maar ze was te veel madam, geen handen aan d'r lijf en geen overleg.
„Kijk! die bak vol gernale heb ik nou zoo onder de handweg gepeld. As je d'r voor gaat zitte, is 't tijd vermorse en 'n landziekig werk ook! en d'r is hier altijd genogt te doen; heel wat te reddere met de loseerders en ..
„Jawel, hou nou,je snater maar,quot; schreeuwde Koo; „'tzal meheer een zorg yfeze, of jij die gernale heb gepeld of 'n ander. — Zie je, meheer, de visch die bak ik altoos zeivers.
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
daar slaat geen ander 'n hand an; dat heb 'k aan boord geleerd. Proef nou voor de aardigheid ereis zoo'n scholletje,
— sjeneer je niet; 't is rejeel banket en zuiver in enkel olie gebakke, geen spat boter, hoor je! 't Is maar de slag van de behandeling; maar zie je, nou met spiering, dat's wel verdraaid as ik 't kan, dat doet m'n wijf. Ja! zoo heit ieder z'n eigen bekwamigheid.quot;
Ik proefde een stukje schol en verklaarde, dat 't voortreffelijk was. Die loftuiting scheen Koo te bevallen, want hij gaf me een klein duwtje in de zijde en zei zachtjes: „Hm! nou wou uwe zeker 't fijne van de zaak wel ereis zien, hé!
— Afijn! je bent me van hoogerhand gerikkemandeerd; en of je er over schrijft of niet, ken me niet schele, als je maar naar waarachtigheid getuigt, hoe goed 't hier is. Want zonder grootspraak, hoor! voor 10 een te losies met 'n kom koffie, en voor een kwartje 'n eige bed, ook met koffie maar met suiker, kan je, in de heele stad van Amsterdam niet zoo suffisant zindelijk en goed krijgen als bij Koo de kok. — Vrouw, steek de kaars an: ik ga met meheer ereis even naar benede.quot;
Ik keek verwonderd op, want de gelagkamer was gelijkstraats en ik verwachtte dus eer naar boven te zullen moeten gaan. Koo zag dit en voegde er bij: „Die van een dubbeltje heb ik in den kelder; maar hij is droog, nooit last van grondwater of zoo ies. Zóó! nou zal ik maar vooruitgaan. Stoot uwe je hoofd niet, buk 'n beetje, want je mot onder de trap door. — Wacht, gaat u eve op zij, dan zal ik 't luik opendoen.quot;
Onder de kromming van de trap, die naar boven leidde, opende Koo een luik, lichtte met de lamp mij voor, en terwijl we de acht oftien treden afgingen, zei hij, zich even omwendend : „Hou je sigaartje maar an, meheer, want 't ruikt hier niet na perfemeur; 't benne geen lui van de Keizersgracht, die hier losies neme. — Zoo! nou nog één treedje...quot; Hij opende een deur.
„Kijk! ik heb er van nacht maar achttien; 't loopt niet druk, er is plaats voor twee en dertig. — Jongens! uwe is een lang persoon; gaat u tussche de balke staan, anders stoot je je hoofd. Kijk! 't past persies met je hoed op.quot;
Ik werd een oogenblik min of meer bedwelmd door de allerakeligste, benauwde, warme lucht, die in den kelder heerschte. In de vrij groote ruimte brandde een gewone petroleumlamp die, met een blikken kap bedekt, slechts het
19
nd- fi
en
en; I ■
; zal f 'n 1 'ers, I
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
benedengedeelte van den kelder en voornamelijk den houten vloer tamelijk goed verlichtte. Al het overige was in een geheimzinnige schemering gehuld, waaraan ik mijn oogen eerst eenigermate moest gewennen, voordat ik de logeergasten kon onderscheiden. Eindelijk zag ik.
Langs beide wanden van den kelder was op den vloer een lange houten brits getimmerd en op ongeveer driekwart meter hooger een tweede dito, zoodat het geheel zeer groote overeenkomst had met het tusschendek van een landverhuizersschip. Op de onderste brits lagen verschillende mannen, meest grondwerkers en polderjongens, velen met het hoofd op hun laarzen of op hun zakken te slapen; sommigen lagen voorover, met het hoofd op de armen enkelen achterover op den rug, met de handen onder 't hoofd. Niemand werd wakker, maar van de bovenste brits keek plotseling een jongensgelaat met slaperige blikken, de verwilderde haren voor de oogen, naar beneden.
„Hou je gemak. Kees; 't is niks, ga maar weer op je wel te ruste,quot; zei Koo, en de jongen verdween.
„Dat's 'n zwerver,quot; zei hij verklarend; „die heb 'k maar uit barmhartigheid opgenome voor vijf cente; hij kwam hier van avond klesnat en met de koorts op z'n lijf. Ik heb z'n vader heel goed gekend: die was vaste klant bij me, en daarom gaf m'n wijf dien sukkel een kom koffie. Toen zei ie, dat ie geen onderkomme had, en toen gaf den eene hem 'n cent en den andere een cent, en toen ie d'r vijf had, toen dacht ik: Koo, je bent toch 'n Christemensch, en ik zei: „Allo, snuiter! ga maar naar 't vooronder en schiet je daar op.quot; Hm! ik weet niet of 'k hem houe kan, want hij is zoo ongedurig. Hij heit zeker al wat op z'n boekie; daarvan keek ie ook zoo benauwd, toen hij u zag; hij dacht misschien dat
u____Afijn, 't is mijn zaak ook niet wat of ie----Hé, kijk
dat's jandorie wat nieuws! Dat heb je nou van zulk volk! — Zeg!quot; en hij schudde een slapenden poldergast bij den arm.— „Zeg, word eens gauw wakker. Waar lig jij met je hoofd op? Ben je bedonderd ? Denk jij, dat ik er 'n kattebak op na hou voor jou?quot;
De polderwerker ontwaakte grommend, zag knipoogend naar de vlam der kaars, die Koo in de hand hield, en zei: „Nou! daar zal jouw kattebak ommers niet van bederve!quot;
„Nee! maar m'n kat wel. 't Beest is zoo zindelijk als 'n
20
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
brand. Maar als jij met je kop op z'n bak gaat ligge slape, weet 't beest niet waar ie naar toe mot.quot;
Aan 't eind van den kelder stond een kachel. Ik had die nog niet gezien; maar mijn aandacht werd er nu op gevestigd door een gegrinnik, dat ik plotseling in die richting hoorde. Ik keek scherper en ontwaarde achter de kachel, die nog flauw brandde, een ineengehurkte menschelijke gedaante. Nogmaals klonk het grinnikend lachen, en toen Koo vroeg: „Wat mot jij daar?quot; antwoordde een heesche, beverige stem: „Ik zit me te warme; hij heit 't molm uit de bak verbrand, want d'r was bekans geen vuur meer in de kachel — en 'k mos m'n borstrok droge.quot;
„Dat's potdori 'n mooie geschiedenis! — Nou! zeg, jij mot in 't vervolg maar 'n andere slaapstee opzoeke, hoor! Ik kan jou missen,quot; bromde Koo tot den polderwerker, die weer was ingedut, nu met 't hoofd op de armen, — en zich tot mij wendend vervolgde hij: „Ziet u, dat heb je nou voor dank! Nou behandel je zulk volk als je eige kindere, je geeft ze 'n kostelijk kop koffie en losies voor tien cente en ze make je kat onklaar en stoken 't molm op. — Is d'r nou goed an te doen, an zulke mensche?quot;
Koo had, door zijn verontwaardiging medegesleept zeer luid gesproken en daardoor was een man, die op de brits, achter mij lag, ontwaakt; hij hoestte hol en lang, en toen ik mij omwendde, schrikte ik onwillekeurig bij het zien van dat verwilderde, bèenige gelaat, waaruit een paar holle, diepliggende oogen mij zonderling vragend aanstaarden; een verwarde witte baard bedekte kin en wangen en enkele vlokken grijs haar welkten nog op den kalen, groezeligen schedel. Zijn magere, knokige hand naar mij uitstekend, zei hij: „Daar komt ie weer, zie je wel, meheer, — dat's de booze — hij wil me hebbe — maar ik wil niet — nee, ik wil niet. Koo weet 't wel, — en mijn tien cente benne net zoo goed als die van 'n ander. — Kijk!quot; hij grabbelde achter zich ineen mandje, dat met een stuk wasdoek bedekt was -— „dat benne de echte, ze gaan allemaal goed,quot; en eensklaps streek hij een waslucifer af, die knetterend ontvlamde.
„O, zoo! snap ik je daar weer met je negotie bij je? Zeg ouwe, je weet ommers wel, dat je 't niet doen mag. — Geef hier je mandje, gauw!quot;
De oude man aarzelde en keek mij aan: „Geef 't maar,quot; zei ik.
21
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
„Mot ik?quot;
„Allo gauw, hier die rommel! Denk je, dat ik brand door jou wil hebben? Neem je cente d'r maar uit, als je me niet vertrouwt.quot;
„Hè, hè, hè, hè,quot; grinnikte de andere, terwijl hij uit het mandje een hoopje centen nam en ze op zijn hand liet klinken. „Dat's nou m'n heele geld; maar de booze kan 't me toch niet afneme, — en jij wel, hé Koo? Daar!quot; Hij gaf 't mandje en liet zich met een zucht achterovervallen, pruttelde nog iets in zichzelf, wat ik niet verstond, en legde zich toen op de linkerzij om te gaan slapen.
„Dat's een ouwe, suffe vent, een beetje in z'n hersens gepikt; maar hij doet geen kwaad,quot; verklaarde mijn geleider. „Hij is vroeger een gezeten burgerman geweest, maar waardoor ie nou eigenlijk zoo miserabel is geworden weet niemand; hij komt hier al wel een maand of zes geregeld loseere, en als ik of m'n wijf hem zien inkome, neme we 'm z'n mand dadelijk af; nou had ze 'm zeker niet gesnapt.quot;
't Werd mij te benauwd daar beneden, de onbeschijfelijke lucht, die er heerschte, deed mij bijna onwel worden, en daarom verklaarde ik, dat ik van de dubbeltjeslogés genoeg had en gaarne ook de slaapgelegenheden van 25 ets wou zien.
„Met genoege, meneer,quot; antwoordde Koo. „Ja! ik begrijp wel, dat u 't hier niet permenent zou kenne uithouwe; maar u zal moeten toestemmen, dat 't voor een dubbeltje toch waarachtig niet beter en zindelijker kan. 't Is nou nog niet eens erg, maar als 't vol is — Hm! — dan kan ik 't zeivers temet niet harde. Afijn! de meeste lui benne üiet heelemaal kaarsschoon, als ze naar kooi gaan; ze hebbe d'r dan zoo geen benul van, vat u ?quot;
We klommen de trappen weer op, en toen mijn gids het luik achter zich liet vallen, hoorde ik hoe hij er een grendel opschoof. Daarom vroeg ik:
„Wat is dat, sluit je die menschen op?quot;
„Niks vaster als dat, meheer, anders kan ik 's nachts geen oog dicht doen, en ik slaap toch al niet veel. Je begrijpt d'r benne d'r altijd bij die vanwegesquot; — hij maakte een krabbende beweging met de rechterhand —, „niet zuiver op de graat benne.
„'t Is me in den beginne, toen ik pas in m'n affaire was, een paar maal gebeurd, dat die slampampers, toen ik zelf te
22
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
kooi was gegaan, stiekum derlui losies uitkwamme en m'n heele buffet hebbe leeggegete en opgedronke wat ze vonde. Daarom neem ik nou 't sicure voor 't onsicure.quot;
„Goeie hemel! maar als er nu eens brand kwam beneden, wat dan?quot;
„Brand? — Neen dat kan niet; ik ga altijd zeivers zien of de kachel uit is, en de lamp neem ik mee. — Nou motte we een treedje of zes op; 't licht hebbe we nou niet meer noodig.quot; Hij blies de kaars uit; wij stonden weer in de gelagkamer, en een oogenblik vond ik, dat tabaksrook en jeneverlucht heerlijke frissche geuren waren.
Koo ging mij voor, eenige treedjes op, naar een vrij ruime opkamer, achter de eigenlijke kroeg. Daar was het werkelijk goed ingericht, netjes en zindelijk; langs beide wanden stonden gewone ijzeren ledikanten in kleine ruimten, door meubelsitsen gordijnen van elkander gescheiden, en tusschen elk paar ledikanten stond een klein tafeltje met een lampetkom en kan.
„Dat's andere thee hier op 't salon, hé?quot; zei de slaapsteehouder en met innig welbehagen wreef hij zijn handen samen toen hij vervolgde: „Kostelijk beddegoed, 'n wolleen 'n katoene deke en alle weke schoone lakes, — waschwater en 'n spiegeltje; dan 's morgens een kop koffie, maar — met suiker. Wat wil je nog meer verlange voor één maffie?quot;
De eerlijkheid gebiedt mij te erkennen, dat Koo ditmaal volkomen gelijk had; de geheele inrichting was eenvoudig, maar practisch, zindelijk en uiterst goedkoop.
Over de kostelijkheid van 't beddegoed kon ik niet oor-deelen, maar ik geloof den eigenaar volkomen, vooral omdat hij zei: „Ik koop die bedde gewoonlijk op verkoopeninge; daar ken je nog wel ereis koopies snappe.quot; Toch kreeg ik—-'t was waarlijk niet zijn schuld — een rilling over mijn rug, want plotseling zag ik voor mijn geest het beeld oprijzen van mijn oude jichtige tante, die acht jaren bedlegerig was geweest en wier bed na haar dood, met ap- en dependenties naar de „verkoopeningquot; was gegaan en een oogenblik daarna dacht ik met innige dankbaarheid aan mijn eigen goede springveerenmatras te huis.
„Ik hou erg van de zedelijkheid, daar wordt 'n mensch oud bij,quot; zei Koo, „en daarom geef ik hier alleen losies aan manspersone: ik wil hier geen gekkigheid hebbe, begrijpt u?
23
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
Maar komme d'r getrouwde lui, als ze fatsoenlijk en netjes benne, nou! dan kijk ik derlui pampiere niet na, daarvoor heb ik bove nog 'n paar vrije kamertjes, heel kostelijk ingericht. Als u ze zien wil, dan.. . ?quot;
„O! neen, ik dank u; die zullen wel naar rato zijn.quot;
„Nou, of ze, erg na rato! Ik heb ze zeivers behangen en geschilderd. Op 't eene slaapt nou een tandetrekker met zijn vrouw — hm!quot; Koo knipoogde even tegen mij en vervolgde: „'n heele nette man; hij staat 's Maandags op 't Amstelveld, 's Zaterdags op de Nieuwmarkt en de andere dage is ie in Haarlem, Utrecht en zoo voort, 'n Knappe dentist! Hij trekt ze met 'n pijpensteel, verdekseld kwiek!quot;
„Ei! — en wat voor menschen logeeren nu hier voor een kwartje?quot;
„O! heel knappe lui. Op 't eerste bed leit 'n schippersknecht en daarnaast een moffe-stukadoor, die werk zoekt; dan heb 'k van nacht een stuk of zes blaaspoepen (Duitsche straatmuzikanten) en een hondenscheerder, en dan nog een paar lui, die 'k niet ken. Ze betalen me allemaal vooruit, dat begrijp u, want Koo „de kokquot; is niet van gistere. Af.jti! je loopt er toch nog wel eens tegen an.quot;
„Ei? ik dacht, dat. .. .quot;
„Dat ik te gaar was. Och, m'n beste meneer, je weet niet wat die lui al prakkezeere om je te beduvele. Verlede jaar nog, komt hier een kermisreiziger loseere; hij dee in haarolie, koek en suikergoed; hij had ook 'n draaiboid, weet u, voor 5 cente een kansie. Nou! 't was net in de halfvaste en de man stond met z'n kraam op de Westermarkt. Daar is geen gevaar bij, dacht ik, vooral, omdat ie zoo'n allemachtig groote kist met koek als anderzins bij me had staan. Ik had 'm ■acht dage; eerst dokte ie contant, maar van lieverlee slab-bakte dat, en m'n doove zag er ook geen been in om 'm krediet te geve. Hij verteert hier circa dertig gulden; toe gaat ie s'morgens de deur uit en komt niet weerom. „Nou!quot; zeg ik tegen me Mandril, „we hebbe de kist nog. Ik heb er gisteren nog an getild; hij is zwaar genoeg; d'r is geen scha an dien snuiter.quot; Maar eindelijk maken we de kist open, en wat zien we? Geen koek, hoor je — God mag wete hoe ie die 't huis uit gekrege heit, — maar m'n eige kolebak en 'n emmer vol water staat er in. 'n Smeerboel van belang, want toen ik' de kist kantelde, liep 't water er uit. Die kerel
24
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
zal voor mijn part.... Afijn! ik wensch 'm een lang leve en kiespijn. — Maar late we benede gaan zitte, dan kan ik meteen nog een oogie houwe op de tapperij. Wat mag ik uwe nou prissenteere ?quot;
Ik haastte mij om den vriendelijken waard te verzekeren, dat het aan mij was hem iets aan te bieden als cijns aan onze pas gesloten vriendschap; hij scheen daar dadelijk van overtuigd te zijn en was bescheiden genoeg te verklaren, dat hij „uitmuntende rooie wijnquot; had, die heel lang had gelegen, omdat hij er zoo zelden navraag naar had. „Vat u, dat komt hier zoo niet voor. De een of andere groene buiteman drinkt ze soms, maar anders niemand. Daarom durf ik hem uwe gerust anrecommandeere; goed en oud is ie.quot;
De flesch werd ontkurkt, een sigaar, die ik Koo offreerde, door hem dankbaar aangenomen en weldra zaten we als oude bekenden te praten.
't Was reeds laat, maar telkens kwamen er nog nieuwe klanten en bezoekers binnen.
„Kijk,quot; zei de waard, „die daar aan 't tafeltje zit zal uwe ■wel kenne: dat's Meier, de straatzanger. Jonges, meheer, die kan zoo orisineel uit z'n slof schiete, dat ie de heele boel an 't lachen maakt.
„'t Is eigenlijk 'n sjenie, maar 't is 'em niet voor de wind gegaan; 't is tegenwoordig geen goeie tijd meer voor de sjenieë, zeit ie; daarom is ie nou maar straatzanger en heit 't poovertjes. Vroeger was ie 'n man, die eigendomme had. Afijn! dat doet er nou ook niet toe, maar...quot; Eensklaps staakte Koo zijn betoog, stond op en ging naar een pas binnengekomen bezoeker, die half over de toonbank stond heen-geleund en met slaperige oogen, hikkende stem en vooruitgestoken wijsvinger aan de juffrouw trachtte te beduiden, dat hij niet „onbekwaamquot; was en een borrel verlangde.
De doove had even heel zachtjes „Koo!quot; geroepen, en de waard, die door zijn gesprek met mij niet op den beschonken klant had gelet, was hij bij het hooren van den eigenaardigen toon, waarop zijn „mandrilquot; die ééne lettergreep uitte, opgesprongen en wist dadelijk wat er aan de hand was.
Met een zekere vaderlijke vriendelijkheid naderde hij den man en zei; „Kom, ouwe jonge! je hebt meer dan genogt; ga naar huis; ik mag je toch niet tappe.quot;
„Maar je bent toch kastelein, hé?quot;
25
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
„Zeker, en juist daarom mag ik je niks geve; je bent sikker, dus...quot; Koo wees met zijn hoofd naar de deur en zei: „Asjeblieft!quot;
„En als ik nou niet wil?quot;
„Je zal wel wijzer weze. Kom! ga nou heen as 'n goeie kerel. Je wil mijn toch niet in ongelegenheid brenge, wèl ? Ik mag volgens me reglement geen gelag geve aan mensche, die niet persies nuchtere benne.quot;
„En as jij zeit, dat 'k dronke ben, dan lieg je as'n paarde-dief!quot;
„Ga nou goedschiks heen, hé! Anders ...quot;
„Anders, anders? — Dan doe jij nog niks, al heb je nog zoo'n grooten mond.quot;
„Maak nou geen jijles (moeilijkheid), ga nou bedaard heen.quot;
„Neen! eerst 'n borrel!quot;
„Geen druppel!quot;
„Ik wil! Sakkerju! mijn centen bennen net zoo goed as-die van 'n anderquot;; en bij die woorden sloeg de beschonkene geweldig met zijn vuist op de toonbank, zoodat de schaal met scholletjes opsprong en eenige van de kostelijke visschen. pp den zanderigen vloer vielen.
Dat was voor den braven Koo te beleedigend; zijn eigen baksel zóó te zien vernederen ging niet aan, en daarom nam hij plotseling heel handig den lastigen klant met de linkerhand bij den jaskraag, tilde met de rechter het achterste gedeelte van diens broek omhoog, zoodat er voor hem geen kwestie meer van evenwicht kon zijn, vroeg aan den't naast bij de deur zittenden klant: „Och! maak ereis eve opelucht,quot; en toen de deur bereidvaardig werd opengehouden, zette hij — 't viel mij waarlijk mee — zeer bedaard en zachtzinnig den beschonkene buiten de deur, riep hem een; „Wel te rusten, oome!quot; toe en kwam weer bij mij zitten, met de woorden: „'t Treft niet aardig, dat uwe nou net zoo'n schandaaltje ziet; maar ik kon m'n kostelijke schol toch niet door zoo'n zatte landkrab late vertrappe.quot;
Blijkbaar had de uitzetting van de landkrab aan Koo niet de minste inspanning gekost; hij was doodkalm, en daarom zei ik: „Je schijnt heel sterk te wezen.quot;
Dat scheen hem te vleien, want hij antwoordde: „Datgaat vrij wel, dank u! Maar aan zoo'n dronke mensch is ook geen eer te behalen. Neen! dan moest u ereis hebbe gezien hoe
20
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
ik voor een week of zes geleje een paar Deensche Jantjes (matrozen) heb afgerammeld. Dat was een lieihebberij: de een leit nou nog in 't gasthuis. Ze hadde me hier m'n heele boel ontrampeneerd. Ik zal d'r misschien nog voor motte vóórkomme ook. Afijn! ik ben in m'n recht!quot;
De kastelein ging weer bij mij zitten, stak zijn sigaar nog eens op en schonk zich zonder plichtplegingen een glas wijn in, dat hij met een: „Avoes, meheer!quot; leegdronk.
Een tweetal mannen, blijkbaar buitenlui, zaten aan een tafeltje met een paar anderen kaart te spelen. Welk spel 't was kon ik niet zien, maar wèl zag ik, dat Koo van tijd tot tijd oplettend naar het viertal keek, en terwijl hij met mij sprak, toch, zooals men dat noemt, „een oog in 't zeilquot; hield.
„Wat spelen ze daar?quot; vroeg ik.
„Daar zit ik ook al naar te kijke, meheer! Pandoere doen ze niet — ik weet niet wat 't is — kloppe is 't ook niet. Afijn! 't zal mijn ook een zorg weze, zoolang ze rustig zitte en wat vertere. Maar ik geloof, dat die twee buitenmenschen wel door die andere opgefrischt worde. Nou, dat motte ze zei vers wete. Als 't nou bepaald gokke was, zie je, dan zou ik er een end an make, want ik wil geen gedoe hebben met de — hm! — ze benne d'r tegenwoordig streng op, vat u?quot;
Terwijl wij daar zoo vriendschappelijk samen spraken, werd de straatdeur voorzichtig geopend en keek een man met één oog en zeer ongunstige physionomie om het hoekje, nam even zijn ouden gedeukten hoed af en vroeg, met een stem, waarin meer alcohol dan metaal klonk, zeer deemoedig; „Mag ik, Koo?quot;
De waard wenkte afwijzend met de hand en riep: „Nee, van avond niet, snij maar uit!quot; Maar plotseling zich bedenkend, verbeterde hij: „Of ja, kom maar ereis binne,quot; en tot mij gewend: „Dat is wèl ies voor u, meheer; zoo'n snuiter zal uwe in uw stiek niet kenne: dat's een moppe-verteller.quot;
„Een wat?quot; vroeg ik verwonderd.
„Dat's nou een soort verloope heertje; overdag doet ie an 't rekestenschrijve of maakt lijste en bedelbrieve voor de lui, die d'r van gediend wille weze, en zoo in den late haalt ie nog cente op met vertelle van allerlei moppies. Hm! fijn benne die niet, maar afijn! we benne hier onder ons meissies. Kom d'r maar in, snijboon, en neem dan 'n happie voor me-heers rekening; maar dan 'n paar mooie vertelle, hoor ie!quot;
27
DE SLAAPSTEE VAN KOO.
De snijboon was reeds tot voor ons tafeltje gekomen en maakte op mij den indruk van iemand,-die door en door gemeen en verliederlijkt was, maar ongetwijfeld niet uit het „plebsquot; ontsproot. Zijn eene oog keek glinsterend van onder de zwarte wenkbrauw naar het glaasje, dat hem door Koo, die inmiddels weer was opgestaan, werd toegereikt. Haastig dronk hij den inhoud op, smakte met de lippen, wischte met zijn onzindelijke rechterhand zijn stoppeligen zwarten knevel af en zei: .. . neen 1 wat hij zei, wil ik liefst niet herhalen. De anekdotes, die hij achtereenvolgens vertelde, waren zoo verbazend vies, vuil, gemeen en beestachtig, dat zelfs Koo ten slotte zei: „Zóó, nou is 't welletjes; ruk maar gauw in.quot; Toen ging de moppenverteller met een schoteltje, dat hij uit zijn jaszak haalde, bij de lachende gasten rond; maar ik geloof niet dat hij veel ophaalde, want het meerendeel van de aanwezigen was het volkomen oneens met de Schrift, dat „geven zaliger is dan ontvangen.quot;
„Er wordt al raar gescharreld om cente te verdiene,quot; grinnikte Koo, toen de man de gelagkamer verliet.
Ik beaamde het ten volle, want hoewel ik veel, zeer veel van het volk en zijn vermaken had gezien, wist ik toch niet, dat het vak van „moppenvertellerquot; bestond.
't Was inmiddels zeer laat geworden en zooals Koo zei: „tijd om de kast dicht te gooien.quot; Ik dankte dus voor de vriendelijke ontvangst ten zijnent genoten en nam afscheid met de stellige belofte van spoedig te zullen terugkomen.
Inderdaad ik heb die belofte trouw gehouden en heb juist in „'t Zijlende Frigatquot; typen en personen ontmoet, die men elders nooit vindt of ziet en die mij aanleiding gaven tot «enige van de schetsen en portretten, die ik achtereenvolgens hoop neer te schrijven. Ik heb bespottelijke, waarlijk comische, maar ook diep ongelukkige, tragische figuren aangetroffen en met hen gesproken in de slaapstee van Koo „de kokquot;, die sedert een paar jaren tot zijn vaderen is vergaderd en naar alle regelen der kunst door een van zijn buren, die aanspreker was, is begraven geworden. Zijn hotel is overgegaan in andere handen, en daarom heb ik er geen bezwaar in gezien om mijn destijds gemaakte aanteekeningen uit te werken en onder de aandacht van mijn lezers te brengen.
28
SUFFE BET.
Scherp en kil blaast de oostenwind tusschen de huizen door over de straten, 't donkere water in de grachten in lange groenzwarte dikke rimpelingen voortstuwend en den regen, die onophoudelijk neervalt, vóór zich uit drijvend tegen de vensters, waarvan de glasruiten bij iederen windstoot zachtjes trillen en klagen in den kouden, guren Novembernacht, die de slapende stad in droevig, vochtig duister hult.
Langzaam gaat een vrouw over de morsige, natte straat. Eenigszins voorovergebogen loopt zij voort, altijd in zichzelve pruttelend en van tijd tot tijd stilstaande om diep adem te halen, met de handen tegen de pijnlijk hijgende borst gedrukt.
Haar tred is onzeker; zij waggelt op haar voeten, en wanneer zij er kans toe ziet, houdt zij zich met de bevende handen aan een of ander vensterkozijn of stoepleuning vast, terwijl de dorre, knokige vingers zich krampachtig aan die steunpunten vastklemmen.
Een oude rafelige, zwarte rok, zwaar van den regen, dik bespat met modder en vuil, hangt over haar stokkerige beenen en wordt halverwege bedekt door een soort van jak, eigenlijk een afgesneden japon, haar door een medelijdende dame geschonken. quot; Over de hoog opgetrokken schouders draagt zij een kleinen zwart-wollen omslagdoek en op haar hoofd heeft zij een muts, waarvan de kleur niet meer te herkennen is.
Haar gelaat is vaalbleek, met donkerblauwe kringen onder de roodgerande oogen, die diep in hun kassen liggen en met een zonderling dwalenden blik rondzien. Twee scherpe groeven langs neus en mond en veel diepe rimpels rondom de oogen,
SUFFE BET.
bij de slapen en aan den hals, geven haar een oud en vervallen aanzien, — veel ouder dan zij in werkelijkheid is.
Zenuwachtig beven haar mondhoeken en de blauwachtige lippen zijn voortdurend in beweging, terwijl zij nu en dan met het hoofd, snel achter elkander, eenige malen knikt, als wilde zij bevestigen wat zij onhoorbaar in zichzelve zegt.
De roode kleur van den neus steekt scherp af bij de lijk-achtige tint van haar gelaat en wettigt den naam van „bittemeus,quot; haar maar al te dikwijls door dezen of genen plakker in kroeg of wijnhuis ten onrechte toegeroepen, want — „Suffe Betquot; drinkt geen droppel drank.
Waar zij eigenlijk woont, weet niemand; zij heeft geen „te huisquot;, maar slaapt, als zij geld heeft, in een slaapstee, en heeft zij dat niet, dan ergens in een opengebleven trapportaal, onder een afdak of in den hoek van een stoep.
Waarvan zij leeft, is evenzeer een raadsel. Bedelen doet zij niet; geeft iemand, bewogen door haar ellendig uiterlijk, haar echter iets, dan neemt zij die gave werktuiglijk aan zonder „dankiequot; te zeggen en sukkelt langzaam verder. Zij eet, wanneer zij iets heeft, en vast, als ze niets kreeg of kon koopen; werken doet zij niet meer: ze is er te suf voor, zeggen de menschen, met wie ze vroeger verkeerde. Anderen, die haar niet kennen, geloovende dat zij drinkt, keeren zich vol walging van het smerige schepsel af, maar enkelen, die haar in vroeger, beter dagen hebben gezien, geven haar uit medelijden een kleinigheid en bekommeren zich dan verder niet om de havelooze vrouw, die evenals de uil slechts 's avonds laat of 's nachts te voorschijn komt en soms tot 't aanbreken van den dag langs straten en grachten zwerft.
Voor elke kroeg, die nog open is, blijft zij staan, tracht door de ruiten naar binnen te zien of staat luisterend aan deur en vensters.
Soms drentelt zij geruimen tijd op de stoep heen en weer, vóórdat zij den moed vindt om de deur even te openen, 't hoofd om het hoekje te steken en zachtjes te vragen: „Is Hein d'r ook?quot; Meestal wordt zij door een barsch; „Wil jij wel ereis uitrukken, smerige totebel!quot; verjaagd en slechts zelden is de een of andere wijnhuisbaas menschlievend genoeg om haar te antwoorden: „Neen! hij is d'r niet!quot;
Geregeld bezoekt zij de Wijngaardsteeg en Zeedijk of zwerft door de Pieter-Jacobstraat en andere stegen, waar danshuizen
3°
SUFFE BET.
zijn. die nachtpermissie hebben. Ook daar staat zij op de stoepen en luistert, — maar niet naar de orgels, de krassende -violen of de schreeuwende klarinetten: zij hoort die wanklanken nauwelijks, want — 't is Heins stem, die ze hoopt te vernemen.
Van tijd tot tijd waagt zij het om binnen te gaan en op doffen toon haar gewone vraag: „Is Hein hier ook?quot; te doen hooren.
Maar al te dikwijls wordt zij daar door een troepje •opgewonden dansers of aangeschoten pretmaaksters in 't ootje genomen en als „Suffequot; of „Dronke Betquot; uitgelachen, heen -en weer gegooid en geplaagd, maar ze wordt er nooit kwaad om, zij scheldt niet terug, ze slaat niet van zich af. O neen! zij schreit maar alleen, en als men haar eindelijk met rust laat, veegt zij met haar wollen doek langs de roode, vochtige oogen en vraagt droevig: „Heb jelui Hein dan niet gezien?quot; — •een vraag die gewoonlijk met een uitbarsting van lachen wordt beantwoord, of een spottend: „Zoek jij je lief, oud mirakel ?quot; uitlokt.
„Ik zoek m'n man,quot; zegt ze dan, wezenloos rondziende; „is ie d'r niet?quot; En wankelend gaat zij verder, om elders haar vraag te herhalen en overal spot en minachting te •ondervinden.
„Suffe Bet! — zoekende Bet! — dronken Bet!quot; roepen de menschen die haar zien, maar niemand weet eigenlijk waarom.
En zij? — Ze hoort geduldig al die scheldwoorden aan, zij is er nu al aan gewend en zij herinnert zich zelfs den tijd niet meer, dat ze er boos om werd; zij weet bijna niet meer, dat zij leeft, en toch is het nog niet zoo heel lang geleden, dat zij een flinke, heldere vrouw was.
Soms, wanneer zij door de Pieter-Jacobstraat komt, blijft ze voor een danshuis, 't grootste dat er is, staan en als zoekend ziet zij rond, brengt de hand aan 't voorhoofd en wrijft met haar dorre vingers boven de oogen langs de grijze ■wenkbrauwen, als wilde zij zich iets herinneren; maar 't helpt haar niet, ze is 't vergeten, dat zij jaren geleden ook daar stond, met bonzend hart en met angstige oogen naar binnen starend.
31
SUFFE BET.
Toen had ze nog een fatsoenlijke, eenvoudige japon aan en waren haar voeten in goede leeren schoenen gestoken; toen droeg zij geen halfvergane pantoffels en kousen vol gaten zooals nu.
In dien nacht stond zij huiverend van kou voor dat verlichte lokaal en hoorde zijn stem boven alle andere uit^ zingend en schreeuwend van woest pleizier.
Bevend — zij was altijd min of meer beschrooind van aard geweest — opende zij de deur van de danszaal en trad schoorvoetend binnen. Daar zag zij Hein, — haar man! Hiji bestelde lachend en vloekend: „Twee glaze warme pons voor mijn en m'n meissie!quot;
Zij durfde hem niet naderen maar bleef, verscholen achter een paar breede matrozenruggen, wachten, totdat de dans, die juist begon, gedaan zou zijn.
Hij danste zoo goed en vlug die Hein, en de „meissiesquot; hadden schik in den flinken knappen man, die zoo „allemachtig rejaal trakteerde.quot;
Eindelijk was de Schotsche drie bijna uit en kwam Hein met een opgedirkte, verdacht blozende, ginnegappende deerne haar rakelings voorbij.
Schroomvallig strekte zij de hand langs de twee matrozen uit, raakte zijn arm even aan en vroeg op smartelijken toon: „Hein! kom asjeblieft mee naar huis! Toe, Hein, kom!quot;
„Wat mot jij hier?quot; schreeuwde haar man eensklaps zóó luid en heftig, dat zijn danseres hem verschrikt losliet en de muzikanten onwillekeurig even ophielden met strijken en blazen.
„Allo marsch! jij hoort hier niet!quot; riep hij haar toe en met een gevoeligen greep van zijn forsche rechterhand pakte hij haar bij den arm, en eer Betje recht wist wat er met haar gebeurd was, stond — neen! — lag zij op de natte straat.
Het hoofd deed haar pijn door den dreun van den val; ze was met haar gezicht tegen den kant van de stoep geslagen, haar knieën waren ontveld, en toen zij opstond, dropen haar kleederen van modder en water.
Stil schreiend en met de hand het bloed, dat neus en mond ontvloeide, afwisschend, sloop zij snikkend, door den regen, naar huis, — toen had zij nog een „thuisquot; al was 't dan ook alree een armelijke kamer, — met moeite ontkleedde zij zich en ging te bed.
32
SUFFE BET.
Tegen 't krieken van den dag kwam hij terug, warm en bezweet van het dansen en drinken, doortrokken van dranken tabakslucht. Zij sliep niet en hoorde hem de trap op-stommelen, binnentreden en de lamp aansteken.
„Och, Hein! och, Hein!quot; was alles wat zij zeggen kon; een tranenvloed verstikte haar stem en zij had geen kracht om iets te antwoorden, toen hij vloekend riep: „Zoo, dat's nou al de derde keer, dat je me zoo iets bakt; dat lap je me nou nooit weer, leelijk oud wijf!quot;
Wat kon zij, zwakke vrouw, doen tegen den forschen kerel, die, haar met zijn vuist dreigend, toeriep: „Als je je nest uitkomt, sla ik je de hersens in!quot; Zij moest lijdelijk aanzien, hoe hij de latafel opende, alles wat nog slechts eenige waarde had in zijn zakken deed verdwijnen en haar eindelijk zelfs de kralen met gouden slot (een erfstuk van haar moeder) van den hals deed, om ze met de woorden: „die zijn toch niet meer in de modequot; bij de andere voorwerpen te voegen.
Toen ging hij lachend heen, en na dien ochtend had zij hem nooit weerom gezien.
Sedert dien tijd was Betje zóó raar geworden, dat sommige buren zeiden: „Je zult zien, 't slaat die ziel nog ereis in d'ir hoofd; is me dat ook een leven, dat ze bij dien vent heit gehad. Zoo'n gemeene doordraaier, die z'n eige zachtzinnige vrouw besteelt!quot; Anderen wisten te vertellen, dat Hein vroeger nog eens van zijn vrouw was weggeloopen, en nog anderen beweerden dat „'t Betjes eige schuld was, want ze had moete begrijpe, dat oud bij jong niet paste en dat hij d'r alleen had genome om 'er spaarpot!quot;
Ja! zij had eenmaal geld gehad en wel bijna tweeduizend gulden.
„Opgespaard! — eerlijk opgespaard, toen ik nog diende, meneer.quot; Dat vertelde zij, vóórdat zij „raarquot; werd aan iedereen, die 't hooren wilde.
Zij had altijd „rejaale huizenquot; gehad en was grootgebracht door brave ouders, die, hoewel vroeg gestorven, haar toch zuinigheid en sparen hadden geleerd. Van haar zestiende jaar tot haar vijfenveertigste had ze gediend, trouw en
33
3
SUFFE BET.
eerlijk, en in al die jaren had ze maar vijf diensten gehad. In den laatsten was ze tien jaren achtereen gebleven en uit huis getrouwd.
Haar mevrouw, volgens Betjes eigen zeggen een „pleizierige, goeie damequot; had het doodjammer gevonden, dat haar meid trouwen ging en nog wel met een man van nog geen negenentwintig jaren, maar Bet had nu eenmaal haar zinnen op Hein gezet en stoorde zich dus niet aan het kalme: „'t is doodjammer, hoor!quot; van Mevrouw, evenmin als zij geloof wilde slaan aan Mevrouws waarschuwing: „Begrijp je dan niet, Betje, dat 't hem alleen om je spaarduitje te doen is? Hij weet, dat jij een appeltje voor den dorst bewaart; anders trouwt een man van zijn jaren geen vrouw van jouw leeftijd.quot;
Schouderophalend had zij geantwoord: „Och! uwe moet niet altijd 't kwaaiste van je evenmens denken; Hein is een goeie jongen en positief dol op me — dat zeit ie ommers alle dage — en wat komme d'r dan zoo'n paar jaartjes verschil op an; ik ben toch nog een ongerept meissie, en hij is een man, die goed z'n brood heit.quot;
Mevrouw deed er dus verder het zwijgen toe, maar dacht er het hare van, omdat Betje allesbehalve mooi en te goedig was om, zooals men dat noemt, „een man onder de pantoffel te krijgen.quot;
Zij trouwde en in de eerste maanden ging alles vrij goed ; maar al zeer spoedig was Betje op een avond bij haar „vroegere meheerquot; gekomen met het beleefde verzoek om „de pampiertjes,quot; die meheer nog altijd voor haar in bewaring had,quot; terug te mcgen hebben; „ze zouë same een zaakie beginne, want Hein was al een heele tijd zonder werk geweest en d'r was geen apperensie op, dat ie gauw 'n vaste baas zou krijge.quot;
Toen zij dien avond met „de pampiertjesquot; thuis kwam, was haar man erg vriendelijk geweest, had haar zijn „beste, goeie Betquot; genoemd en gezeid, „dat 't hem danig in de hand viel,quot; en toen was het trommeltje met den kostbaren inhoud netjes in de chiffonnière, mevrouws geschenk in haar huishouden, geborgen.
Een paar weken later vond zij, na eenige boodschappen te hebben gedaan, thuis komende, de chiffonnière opengebroken en het trommeltje, het appeltje voor den dorst, met Hein verdwenen.
34
suffe bet.
Zij dacht eerst nog, dat zij door een ander bestolen was, maar toen haar man 's nachts niet thuis kwam en ook de volgende dagen niets van zich liet hooren, begreep zij, dat niemand anders dan Hein de dief kon zijn. Haar eerlijk hart kon zooveel lage gemeenheid nauwelijks begrijpen en daarom liep zij overal heen, waar ze wist dat Hein wel eens kwam. Niemand had hem gezien, niemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.
Een paar weken verliepen en hij kwam niet terug; ze wist niet wat zij doen moest en zocht „Mevrouwquot; op, die haar treurig verhaal geduldig aanhoorde, maar vervolgens zei: „Heb ik 't je niet voorspeld, Bet, had ik je niet gewaarschuwd ? „Arme meid nu is 't te laat; wat moet je beginnen? Ik zou 't in jouw plaats aangeven; misschien vindt de politie hem en is er nog kans, dat je ten minste iets van je geldje terug-krijgt.quot;
Betje kon er nog niet zoo dadelijk toe besluiten om de politie in de zaak te mengen; in haar eenvoudigheid had zij een onbeschrijfelijken angst voor alles wat tot het gerecht behoorde en — „haar eige man aangeve — hij was toch echt met d'r getrouwd, — neen, dat vond ze te erg.quot;
Toevallig vernam zij later van een gedienstige kennis, dat Hein te Rotterdam was en daar met een meid uit een „kof-fé-sjantanquot; goede sier maakte en voor zijn doen veel geld verteerde. Dat bericht deed plotseling haar droefheid in woede veranderen. Bleek van ingehouden toom snelde zij naar den commissaris der sectie, waarin zij woonde, vertelde schreiend wat er gebeurd was en eindigde met de vraag: „Kan u 'm niet laten oppakke, meheer ? — Ziet uwe, niet dat ik 'm ongelukkig zou willen maken vanwegens gevangenisstraf of zoo iets, maar omdat ie met een ander mijn centjes verbambo-seert.quot;
De commissaris had het geheele relaas vriendelijk aangehoord en eindelijk medelijdend geantwoord : „Ja, vrouwtje, 't is ongelukkig, maar ik kan er niets aan doen, want tusschen man en vrouw bestaat geen diefstal; je kunt wegens moedwillige verlating echtscheiding aanvragen, dat is alles. Ik zal eens voor je naar mijn collega's te Rotterdam schrijven en probee-ren of je man voor overreding vatbaar is, maar ik twijfel er aan.quot;
Die twijfel bleek gegrond, want Hein was en bleef weg;
35
SUFFE BET.
Betje hoorde niets meer van hem en ontving op haar herhaalde vragen aan het politiebureau steeds hetzelfde antwoord; „Daar is weinig of niets aan te doen.quot;
De arme vrouw was ten einde raad, 't weinigje geld wat zij nog bezat was opgeteerd en de lommerd had reeds verscheidene stukjes lijfgoed verslonden, nadat zij, zooals de buren 't noemden, „al d'r zilver en goud had opgegete.quot;
Nogmaals zocht zij troost bij „haar Mevrouw,quot; en de goede dame, die zeer wel begreep, dat Betje van een herhaald verwijt: „dat heb ik je wel voorspeld!quot; niet leven kon, nam haar dadelijk als werkster in dienst, bezorgde haar verschillende andere schoonmaakhuizen en beval haar bij familie en kennissen aan, om 's Zondags te koken, als de keukenmeid uitging.
Betje was al haar leven lang werkzaam, zuinig en netjes geweest en kwam er langzamerhand weer bovenop: gelukkig had zij geen kinderen en kon dus van 't geen zij verdiende vrij goed rondkomen.
Ruim twee jaren lang leefde zij rustig en kalm; 't scheen zelfs alsof zij haar man geheel en al vergeten had, ze sprak ten minste nooit over hem, en vroeg iemand naar Hein, dan antwoordde zij, schouderophalend: „Weet ik waar ie zit; wat kan me die vent schelen?quot;
Op een avond, toen zij van een van haar werkhuizen kwam, stond hij plotseling weer vóór haar; hij had haar opgewacht bij haar woning.
Van schrik kon zij geen woord uiten; ze staarde hem aan met groote oogen en half geopenden mond; haar wilskracht was als verlamd, en eerst toen hij bij haar in de kamer stond en zei: „Bet, ik kom maar bij je weerom;'k heb me bekomst van 't reize en trekkequot; •— hervond zij haar spraak en stotterde : „Jij, jij! — wat mot jij hier?quot;
„Ik? Wel ik kom weer bij je wone! Wc benne immers getrouwd.quot;
Wat er tusschen die twee op dien avond werd verhandeld, heeft niemand ooit geheel juist geweten, maar „Mevrouwquot; haalde meelijdend de schouders op en schudde droevig het hoofd, toen Betje een paar dagen later op haar vraag: „Maar, Bet, hoe kun je nu zóo dom zijn?quot; antwoordde: „Och! Mevrouw, 'n mens is toch voor verbetering vatbaar en hij heit
3^
SUFFE BET.
me bij zijn ziel en zaligheid bezwore, dat die meid 'm eigenlijk zooveel als behekst had; die schepsels hebben van die kunste, die wij fatsoenlijke burgermense niet kenne, — weet u ? — En we benne toch echt voor de wet getrouwd, ziet u, en 'n Christemens mot vergevingsgezind weze, — dat zeit de Schrift.quot;
In de buurt was het dadelijk als oen loopend vuurtje rondgegaan: „Bet en Hein benne weer bij mekaar; daar zei je van hoore!quot;
En werkelijk men hoorde er van: want nauwelijks zes maanden later bracht Hein eiken avond in de Pieter-Jacob-straat zijn en Betjes verdiensten door en was plotseling voor goed verdwenen, „naquot; — zooals de praatgrage buren zeiden — „zijn vrouw bijna te hebbe doodgegooid.quot;
Sedert dien verschrikkelijken nacht werd de arme Bet hoe langer hoe suffer; zij was niet meer in staat om te werken. Een zware ziekte bracht haar in 't gasthuis, en toen zij, lichamelijk bijna hersteld, daaruit ontslagen was, bleek haar verstand zoodanig geschokt, dat de voorspelling van „de buurtquot; : „je zelt zien, 't slaat de arme ziel in d'r hoofdquot; uitkwam.
En sedert jaren doolt nu de arme „Suffe Betquot; 's avonds Iaat door de straten en altijd herhaalt ze schreiend haar vraag: „Heb je Hein ook gezien?quot; — En ze zal die blijven herhalen, totdat de dood haar medelijdend in zijn armen neemt en wegbrengt van de aarde, die voor haar niets meer is dan een poel van ellende.
Dan zal hier één ongelukkige minder zijn — en niemand zal het merken in het slapende Amsterdam!
37
't CAFÉ „ GOENONG-API.quot;
„lederen avond gtoote voorstelling. Fransche, Duitsche, Engelsche, Deensche en Hollandsche liederen en chansonnetten, voorgedragen door artiste?! van den eersten rang. Groot tooverballet Pantomime. Tombola om fraaie prijzen. Gelegenheid tot gebruiken van de Indische tijsttafel — in het rijk gedecoreerde lokaal Café Goenong-Api. Billijke consumptie. Entree vrij.quot;
Vooral de twee laatste woorden van dit verleidelijke aanplakbiljet, dat op de schuttingen van verschillende in aanbouw zijnde perceelen, en aan enkele huizen, waar aangeplakt werd, prijkte, waren wel in staat om mij te doen besluiten den langen weg naar het Café, dat zóóveel schoons beloofde, af te leggen.
't Was nog niet zoo heel gemakkelijk „Goenong-Apiquot; te vinden, want in wording zijnde straten van nieuwe wijken bestaan veelal slechts uit eenige geheel of half afgebouwde huizen, veel modderige plassen, kleine zandheuvels en met magere grassprietjes begroeide aardhoopen, waarin een paal staat met een houten bord, waarop de straatnaam is geschilderd.
Voor een Amsterdammer, die in het midden der stad woont, zijn dikwijls die wijken minstens even onbekend als de naam van den eigenaar, die het Café had geopend.
Eindelijk had ik, met een drietal vrienden, die mij de eer bewezen mij op mijn tocht te vergezellen en die ik gemakshalve als de lange, de dikke, en de blonde zal aanduiden, de straat, die we zochten, bereikt.
Een man, die de wacht hield bij een keet vóór een nieuw
't café „goenong-api.quot;
huis, waarin men 's avonds bij licht aan het werk was, had onsr op onze vraag, of hij „Goenong-Apiquot; kende, in de verte een roode lantaren gewezen en lachend gezegd: „Daar is 't. Nou! uwe zal d'r van geniete; 'k ben d'r gusterenavond ook ereis even ingeduikeld. 't Is fijne pik, hoor! — maar 't kost niet veul.quot;
We gingen nog eenige minuten verder en stonden toen in het reeds dicht bewoonde gedeelte der nieuwe straat, waar voor de deur van 't Café een hoopje volk stond te kijken naar een groot aanplakbiljet dat, door het roode licht uit de lantaren grillig beschenen, de bovenaangehaalde woorden deed lezen en tevens de afbeelding liet zien van een vuur-spuwenden berg die naar mij voorkwam, met chocolade, bessensap en saffraan was geschilderd.
We traden binnen en kwamen in een langwerpig lokaal, dat blijkbaar zoo lang en mager was geworden, doordien men de zij- en binnenkamer met het overdekt binnenplaatsje en een achterkamer had vereenigd tot één pijpenlavormige ruimte, die een honderdvijftigtal bezoekers, als haringen in een ton op elkaar gepakt, herbergde.
Een dikke mist van tabaksrook belette ons in de eerste ■oogenblikken het rijk gedecoreerde lokaal goed op te nemen; eindelyk lukte dat.
De wanden waren over de geheele lengte bespannen met papier-sans-fin en daarop was door de kunstvaardige hand van den „eigenaar-ondernemer der vermakelijkheid,quot; zoo noemde de man zich later zelf, een tropisch landschap geschilderd.
Getroffen door dat inderdaad eenige tafereel, schetste ik in mijn notitieboekje een der middenvakken waarvan ik de :getrouwe zincograpische reproductie mijn lezers hierbij aanbied.
Nauwelijks waren wij gezeten, of de eigenaar kwam naar ■ons toe. 't Was een halfblanks heer, wiens geelbruin gelaat, hier en daar versierd was met pokputjes, die zwartachtig getint waren. Het dun gezaaide zwarte baardje en de magere knevel verfraaiden zijn uiterlijk niet, en de talrijke naden en rimpels van zijn huid bewezen duidelijk dat de keerkringszon hem lang geblakerd had. In een sopperige witten pantalon en een loshangend wit jasje — hij leek wel een stukadoor —
4°
't café „goenong-api.quot;
liep hij rond en scheen behalve directeur en regisseur ook kellner te zijn, want hij kwam zeer beleefd tot ons met de vraag; „Wat zullen de heeren gebruiken, bier van 't vat of 'n krokkie?quot;
Wij bestelden „bier van 't vatquot; en boden hem tegelijk bij wijze van kennismaking een „krokkiequot; aan, omdat we meenden aan zijn neus te kunnen zien, dat hij meer van grog dan van 't edel gerstevocht hield. Hij was zoo beleefd ons aanbod minzaam aan te nemen, bracht ons 't bestelde, en terwijl hij al roerend in zijn glaasje naast ons stond en met welgevallen in zijn lokaal rondzag, vroeg hij; „Wat zeggen de heeren d'r van ? 'k Heb er veel werk an gehad: 't zijn heele lappen, en nooit onderwijs gehad in teek enen of schilderkunst, weet u — 't is alles eigen sjenie!quot;
Wij verzekerden hem eenparig, dat we nog nimmer zóó iets hadden gezien, en ik informeerde te gelijk bijzonder naar de Indische rijsttafel, want ik was uiterst verlangend om daar eens van te genieten.
„Och! eigenlijk gezeid is 't meer alleen voor de rariteit, weet u, dat ik die op 't progamma gezet heb; ik ben, met uw welnemen, vroeger koloniaal van m'n vak geweest en wegens lichaams-hoedanigheden gepasporteerd.quot;
„O zoo! dus de rijsttafel is hier niet te krijgen ?''
„Als d'r nou meer heeren waren, die d'r van wouën pro-fiteeren, dan zou ik wel ereis liefhebberij hebben om 'm an te richten, maar d'r is nog al bewerkelijkheid aan. Zoo'n rijsttafel bestaat uit rijst — dat vat je — droog gekookt en dan met allerlei sambals, gedroogde visch, lomboks, rooie makas-saarsche vissies, kip, kalfsvleesch, gebakken uitjes, kerry, klapperolie en meer van die dinsigheden. Om nou al die snaarderij voor 'n enkel persoon d'r op na te houwen gaat bezwaarlijk.quot;
„Maar u annonceert toch; „Gelegenheid om de Indische rijsttafel te gebruiken.quot;
„Nou ja — hm! de gelegenheid is d'r ook voor, daar an die ronde tafel vóór 't buffet,quot; antwoordde de man met een loos knipoogen, en dadelijk daarop riep hij ; „Anémè!quot; als de echo van een gastenstem, die 'tzelfde woord luid had uitgeschreeuwd.
Eenige oogenblikken later kwam hij bij ons terug en zei: „Nou komt de Vranzaise, mademezelle Pichot, bijgenaamd „de Ster van Parijs.quot; Dat's 'n knap vrouwtje, hm! — de
41
't café „goenong-api.quot;
moeite waard om je oogen an te verklaren, en 'n stem.... hm!quot; Tot dusverre had een ontstemde pianino, die dooreen voor ons onzichtbaar wezen verbazend wreedaardig werd gemarteld, tusschen ons gesprek en dat der aanwezige gasten heengeklonken en niemand had de gruwelijke pogingen van den piano-virtuoos in 't minst gestuit. Toen hij echter met een forsch akkoord en een vlug loopje zijn „Morceau de Salonquot; besloot, barstte een oorverdoovend handgeklap los — ik laat in 't midden, of 't een bijvalsbetuiging of een dankbaarheidsuiting voor „'t ophoudenquot; was.
Wij rekten vol verwachting en nieuwsgierigheid onze halzen uit om Mademoiselle Pichot, die nu „opkomenquot; moest, goed te zien, en als vanzelf beschouwden we ook met meer oplettendheid de schoonen, die in de alkoof, op matten stoelen, op de verhooging zaten.
Een viertal dames troonde daar, wazig verlicht, in de mistige verte, en ofschoon de rook onze oogen rood en branderige maakte, konden we toch zien, dat drie van haar „de chevronsquot; of de medaille voor 36-jarigen, trouwen dienst wel verdiend hadden. Haar rose, blauwe en witte kleedjes waren van onderen veel te hoog opgenomen, maar daarentegen van boven ook lager afgesneden dan voor vrouwen van zekeren leeftijd en magerte wel wenschelijk is. De vierde schoone echter, die naast een ledigen stoel zat, scheen eigenlijk nog een kind; zij droeg ten minste een hoogen boezelaar, heel korte rokjes, geborduurde pijpjes, witte kousen en lage schoentjes met kruisbanden; maar toen haar hoofd guitig van achter den waaier, dien zij met gratie voor 't gelaat heen en weer bewoog te voorschijn kwam, waren wij het dadelijk eens, dat zij zich waarschijnlijk zoo jeugdig kleedde, omdat zij de grootmoeder van de overige drie dames kon zijn.
Daar kwam de „Vranzaise.quot; Het viertal schoof eensklaps, als door een gemeenschappelijke ingeving gedreven, haar stoelen zoo ver achteruit als mogelijk was, om de „Ster van Parijsquot; niet op schoot te krijgen, terwijl zij haar diepe buiging maakte.
Een in 'n roodsatijnen sleepjapon geldeede, zeer sterk gedecolleteerde, erg vleezige dame maakt een nijging, die ons veroorloofde te zien, dat zij, met recht, uit volle borst zou zingen, veegde met een klein zakdoekje even langs haar lippen om de laatste sporen van de een of andere pas genoten
42
T CAFE „GOENONG-API.quot;
verversching te verwijderen, en begeleid door de piano, die ditmaal bescheidenlijk p; p: klonk, begon zij met een stem,
— die mij onmiddellijk herinnerde aan den verkouden omroeper, dien ik eenmaal in mijn jeugd te Naarden „een verloren alloziequot; hoorde omroepen, — te zingen:
Peties waszoos Fenee sur ma Venètre Mansjee du pijn,
Ke foes ofvre ma mijn.
Mansjees an biejijn osjoerdwie,
Kar peut ètere Ni foes ni mówa An mansjerons demijn.
Haar accent — ik trachtte het in letters weer te geven — was ontegenzeglijk niet geheel zuiver Parijsch, en toen het tweede vers door haar was gezongen, had ik de stellige overtuiging gekregen, dat zij minstens even goed hoog-Haar-lemmerdijksch als Fransch sprak.
Haar lichaamsomvang en prachtig gekleurde rozenwangen vergoedden echter veel, en toen zij, na het laatste couplet, nogmaals neeg, — veel dieper dan fatsoenshalve noodig was
— begreep ik waarom de jonge diamantslijpertjes en baarde-looze kantoorheertjes, die vlak vooraan zaten, zoo ontstuimig juichten en „bis! bis!quot; riepen. Zij gaf nog een chansonnette als toegift en besloot haar voordracht met eene — haar corpulentie in aanmerking genomen — zeer losse beenopheffing. Toen danste zij een soort van „cancanquot; die een waren orkaan van bijvalsbetuigingen deed losbreken.
Nauwelijks had zij het tooneel verlaten of een schelle, krijschende stem riep: „Tombola, heere! Tombola-a! — 'n dubbeltje 'n lot!quot;
We zaten tamelijk achteraan en moesten dus even opstaan om te zien, aan wie dat vischvrouwachtige orgaan toebehoorde.
't Was het onvervreemdbare, rechtmatige eigendom van een juffrouw met een opgezet, rood gelaat, dat onmiddellijk aan een grooten tomaatappel deed denken, die in een bijna witte muts was gestoken. Van uit die nevelige verte scheen in dien tomaat een zwarte opening te zijn, waaruit herhaaldelijk de kreet; „Tombolaa, heere!quot; klonk, en toen de woorden : „Tien vzente 'n lot, varszve koek en vsuikere mangelequot; er uit opstegen, wisten wij waarom die opening in den to-
43
't café „goenong-api.quot;
maat zoo zwart was: de juffrouw had geen tanden meer, maar als vergoeding daarvan sierde een klein donker kneveltje haar bovenlip.
Gelukkig stonden een aantal bezoekers, blijkbaar aanbidders van de „Vranzaisequot; op, want toen zij zich tot heengaan gereedmaakten, wierpen zij der schoone dame, die op den vijfden stoel was gaan zitten, eenige kushanden toe.
Wij drongen naar voren en konden dus beter van al de heerlijkheden van „Goenong-Apiquot; genieten. Wel hinderde ons het onophoudelijke, schelle: „Tombola-a, heere!quot; van de bejaarde juffrouw erger dan te voren, maar we merkten nu ten minste, dat zij naast een tafeltje stond, waarop een aantal keurige kermiskoeken en zakjes met gebrande amandelen waren uitgestald, terwijl in een stopflesch een menigte opgerolde papiertjes tot het nemen van een lootje uitlokte.
Mijn vriend „de langequot; beproefde zijn geluk en won een zakje amandelen, dat hij onmiddellijk met een hoffelijk woord aan een naast hem zittend juffertje, dat er volstrekt niet uitzag alsof ze voor 't eerst in een „chantantquot; was, aanbood.
Zij aanvaardde het geschenk dankbaar lachend en stak een paar van die gebrande zoetigheden in den mond van den haar begeleidenden lummelachtigen jongeling, die, met slaperige oogen en opgezette wangen, al het voorkomen had van iemand die veel bier 'en grog had genoten en beter deed t'huis bij moeder te blijven dan als cavalier een juffrouw met zwart-geschilderde oogranden en sterk geblankette wangen te begeleiden.
Ik won — gelukkige die ik was — op één lootje een kolossalen koek, die mij voorkwam zeer lang als lokvink op de ' uitstalling dienst te hebben gedaan, want toen ik, in beleefdheid voor mijn vriend „den langequot; niet onder willende doen, aan een vóór mij zittend, minnekoozend paartje een sneetje van mijn winst wilde aanbieden, kwam ik tot de ontdekking dat mijn zakmes niet bij machte was de cohaesie der koek-atomen te verbreken. Ik schonk die solide versnapering dus in haar geheel aan mijn vriend „den dikkequot;, die haar op zijn beurt weer aan een achter hem zittend jongmensch in boezeroen en pilow broek vereerde. Even met den voorvinger aan de klep van zijn hoog opgepofte, zijden pet tikkend, zei hij: „Dankie, maar ik lust liever 'n klare.quot;
44
„De blondequot; haastte zich hem een „klarequot; te offreeren en
S
't café „goenong-api.quot;
oogstte als dank daarvoor de woorden: „'kZal 't op uwees gezondheid gebruike en met die koek zelle we strakkies wel werke; wacht u maar tot 't ballet begint.quot; Die raadselachtige woorden werden niet nader verklaard op dat oogenblik.
Wij zaten nog altijd tamelijk achteraan, hunkerend dat er weer eenige bezoekers zouden opstaan en ons hunne plaatsen overlaten.
Dat gebeurde spoediger dan ik verwacht had, en wel onder het genot van een comisch lied, voorgedragen door een heer met een klein rond hoofd en ijselijk groote handen en voeten, die uit een rossig zwarten rok en ditö pantalon staken.
De man deed zijn best om heel komiek te zijn, vertrok zijn min of meer pokdalig gelaat op allerzonderlingste wijs en zong — met een allerongelukkigste, pieperige neusstem, die aan 't geluid van een knarsende deur herinnerde —:
„En dat merkt men zoo niet!quot;
— een couplet van Judels.
Een bezoeker, die waarschijnlijk eenigermate opgewonden was en niet van comische liederen hield, riep zeer onwellevend, terwijl de zanger deed wat hij vermocht: „Zeg! jij kan wel inrukken; 't is om ziek van te worde. Je heb 'n aardappel in je keel!quot;
„Hou je mond, asjeblieft!quot; — verzocht de komiek, even ophoudend met zingen.
„Als ik wil, toch altijd!quot; schreeuwde de ander.
„Bravo! Bravo! Bravo!quot; gilde het publiek.
En nu volgde een charivari die allervermakelijkst was. Allerlei stemmen spraken en schreeuwden dooréén, terwijl de komiek trachtte verder te zingen:
„En als men haar dan goed beziet,
Is men eenmaal getrouwd.
Dan is het vrouwtje vijftig oud;
Maar dat merk je eerst zoo niet.
„Ruk toch in, kerel; je bulktiquot;
„Hou je mond, anders ga je de deur uit!quot;
„Wie wou je meebrenge?quot;
„Bravo! Bravo! Bravo!quot;
45
't café „goenong-apiquot;.
„D'r uit! — d'r uit!!quot;
„Doorzingen!!quot;
„Ophouwen!quot;
„Gooi 'm de deur uit!quot;
De komiek vervolgde zijn lied; eindelijk konden we verstaan :
„Dan is het einde van het lied:
De man zoekt 't buitenshuis,
De vrouw is ook niet pluis,
Maar — dat merkt men dan zoo niet!quot;
„Je hebt 'n benauwde borst, ouwe!quot;
„Als je nou nog eens het hart hebt om me te hinderen, smijt ik je eigenhandig op straat.quot;
„Oho! jij zeit veel, maar jij doet niks, komieke akeligheid!quot;
Plotseling hield de pianist met spelen op, de eigenaar drong tusschen de stoelenrijen door, luidkeels de woorden uitend: „Jan, hou je gemak maar; ik zal 'm wel ereis even na z'n gezondheid vragen.quot; Maar de komiekzanger — ik wist nu, dat hij Jan heette; op 't program stond hij als de heer Melato, ie komiek, vermeld, — was reeds van het tooneel gesprongen, had den rustverstoorder stevig bij den kraag gegrepen en riep den naderenden directeur toe: „Niet noodig! Ik heb 'm al in zijn donder. — Hier! pak aan en kreukel 'm niet.quot;
Algemeen gelach om den nu waarlijk komieken komiek.
De groote handen van den heer Melato bleken meer kracht te ontwikkelen dan zijn stem, want in minder dan geen tijd was de onhebbelijke bezoeker overweldigd en uitgeleverd aan den patroon, die hem, met behulp van een paar gedienstige klanten, buiten de deur zette, welke hij afsloot, terwijl hij verontwaardigd zei: „Zoo'n halfvette slommeduikelaar zoude heele reputatie van m'n lokaal bederven.quot;
Een halve minuut later was de zanger weer op zijn post; de pianist sloeg een paar liefelijke akkoorden aan, en terwijl de heer Melato zijn boord, overhemd en das, die in de worsteling iets geleden hadden, weer in orde bracht, zong hij, zeer te pas improviseerend:
„Als in een schouwburgzaal Of een concertlokaal.
De een of ander rust verstoort.
Dan moet ie 'r uit en — voort!
46
't café „goening-api.quot;
Dan zeggen wij heel gauw, en snel:
Jij hebt het hier verbruid;
We zetten jou d'r uit! »
— En dan merkt die vent het wèl!quot;
„Bravo! Bravo! Hoera!quot; schreeuwde het lachende publiek.
Bom! Bom ! Bom! klonk 't buiten; 't was de in de buitenste duisternis geworpene, die tegen de deur trapte en bonsde.
„En zie je, hij merkt't wel!quot; herhaalde doodleuk de komiek, die ons nu heel erg meeviel.
Intusschen waren wij zoo vrij geweest om van de verwarring gebruik te maken en eenige ledig geworden stoelen, dicht bij het tooneel, te bezetten; wij wilden alles goed genieten.
We zaten nu vlak bij de piano en kwamen daardoor tot de ontdekking dat het instrument niet door een pianist, maar door een mager, tanig juffertje werd bespeeld. Haar kleine, gelige vingers schenen buitengewoon taai, lenig en gespierd, te zijn, want 't was opmerkelijk met hoeveel kracht en haast zij voortdurend op de toetsen timmerde. Toen ik op den stoel naast haar plaats nam keek zij even om, knikte — onder 't spelen door — met het hoofd en glimlachte, zoodat ik zag dat ze in een grooten mond met dikke lippen, prachtig witte tanden had, die bij haar bruine tint en donker haar mooi afstaken. Zij scheen hoogstens zeventien of achttien jaar oud en onwillekeurig gevoelde ik medelijden met dat schepseltje, gedoemd om avond aan avond in een soort van bokkinghang te zitten pianospelen.
Zij had een oogenblik rust, bladerde in het muziekboek dat op den lezenaar stond en keek gedachteloos voor zich uit.
„Mag ik u iets presenteeren, juffrouw? U zult hier wel dorst krijgen,quot; zei ik.
„Warief?quot; vroeg zij verwonderd.
„Of u ook iets gebruiken wilt?quot;
Haar antwoord stierf plotseling weg in een paar akkoorden, die zij haastig aansloeg, omdat een zonderling toegetakeld heer, met eenige muizenvallen op den rug, het tooneel betrad.
Het programma vermeldde hem als „Herr Koskinsky Gesangskomikerquot; en 't voor te dragen stuk heette „Mausefallen-wiedebum!quot; Iedere eenvoudige ziel die geen programma rijk was, zou hem echter onmiddellijk voor de type van een
47
't café „goenong-api.quot;
Amsterdamschen ouwe-kleerkoop hebben gehouden; vooral toen hij begon^te zingen:
„Mauzevarre whiedehhoem!quot;
„Zal u werkelijk niets gebruiken?quot;' vroeg ik nog eens.
Al spelend antwoordde zij: „Uwe is erg vrinderik, ar te veer bereefd!quot;
Goeie hemel! dacht ik wat lijken haar neus en haar accent sprekend op die van „Hérr Koskinsky.quot;
„Kom, wat zal 't wezen, juffrouw! 'n Kop chocolaad?quot;
„Trom-trom trom-tieretrom trom,quot; deed de piano, en de pianiste zei al spelend; „As vader 't goedvindt weet u — trom-trom tirom — zou 'k wer wat wirre drinke — tirom-trom — brrrrrbom!quot;
„Mausevarre whiedebhoem!quot; klonk 't refrein.
„Vader!— Vader!quot; riep zachtkens de virtuoze haar hoofd naar 't tooneel wendend.
De „Gesangskomikerquot; keek, al zingend het hoofd vooruitstekend, de pianiste met vragend opgetrokken wenkbrauwen aan en knikte toestemmend met het hoofd, toen zij gedempt vroeg, zonder met accompagneeren op te houden:
Trommetromtirom-trommetom. „Vader, as ik wat van die heer — met een hoofdwenk naar mij — gebruike mag?quot; Trom brrrrre bom!
„Zekers kind, maar geen phons! — Mhausevarre whiedebhoem!quot;
„'N graassie bier dan, assiebrief?quot; vroeg de pianiste mij toelachend. Trom trom brrrbom!
„Wil u er niets bij eten, juffrouw; zoo'n stukje koek bijvoorbeeld?quot; Ik wees op de „Tombola.quot;
„Nee dank u bereef!quot; Trom trom-tingeling.
„Kom geneer u je niet! 'n Zakje amandelen dan?quot;
„O nee!quot; brrrirrebommebom — tingtingting tingbom!quot;
„Niemendal?quot;
„Nou! as uwe 't dan apseruut wer, strakkies in de phauseering 'n gebakke vissie — assiebrief?quot; — Trom-bom-ting!
'k Wist waarlijk niet wat ik hoorde; maar toen ik even opstaande naar 't buffet keek, zag ik daar heusch een schotel met gebakken botjes staan, 'k Had dat zee-banket van te voren niet opgemerkt.
48
't café „goenong-api.quot;
Na een korte rustpoos, gedurende welke de Tombola nogal aftrek had en de pianiste met blijkbaar welgevallen haar „vissiequot; afkloof, begon de voorstelling opnieuw en wel met „de Fremersbergquot;. „'n Extra nummertje, voor piano — voor uwe,quot; zei de juffrouw toen zij het laatste graatje ter zijde legde, de twee vettige vingers die 't vast hadden gehouden even over de haren streek en met de andere hand preludeerde.
Verschillende liederen en romancen door de zangnimfen voorgedragen in 't Engelsch, Duitsch en Amsterdamsch brachten daarna het publiek beurtelings in vroolijke of luidruchtige stemming. De aanwezige jongelui zongen, met de magerste der drie, een Engelsche „songquot; mede, stampten met de voeten de maat en gilden het uit van pleizier, toen de lieve miss een „step-dancequot; uitvoerde. De enkele dames, die tot het publiek behoorden, waren van vrijer richting dan wij gewoon zijn in de kerk of op theetjes te ontmoeten en zetten haar geleiders aan om „bisquot; te roepen, toen het couplet der Amsterdamsche een „luchtjequot; had, en de heeren riepen zeer onwelwillend, als een of ander lied de eer niet had hun goedkeuring weg te dragen: „Annéme! 'n krokkiequot; of: „Een beiersch! — 'n conjakkie!quot; — juist alsof er niemand stond te zingen.
De rook werd hoe langer hoe ondoorzichtiger en de lucht buitengewoon verhit, zoodat een paar stemmen riepen: „Doe een raam open; 't is hier om te bezwijken;quot; maar toen de eigenaar een venster openzette, gilden weer anderen: „Dicht, dicht! We krijgen hier stijve nekken,quot; en intusschen zongen de artisten haar liederen verder, trommelde de juffrouw onbarmhartig op de toetsen, en gilde de Tombolafee: „'n Dubbeltje 'n lot! — Kom heere, kom!quot;
Voordat de pantomime begon, had er nog een klein incident plaats, dat ik vermelden wil op gevaar af van een heimelijk: „O, foei!quot; of een: „Dat 's een beetje ergquot; van mijn lezeressen te hooren, maar 't was al te vermakelijk om niet aan de vergetelheid te worden ontrukt.
Wie 't niet lezen wil, mag de volgende vijftig regels dus gerust overslaan.
Er waren namelijk middeni in de zaal tegen beide zijwanden twee witgeverfde houten kasten aangebracht, die we voor garderobes of spinden zouden hebben aangezien, wanneer niet op de linksche het woord | dam»s quot;] en op de rechtsche
49
4
T CAFE „GOENONG-API.quot;
de naam | heeren ~| ons uit dien waan had gebracht; bovendien waren zij door een, allen twijfel opheffende, „auraquot; omgeven. De vriendelijke eigenaar van „Goenong-Apiquot; verklaarde ons de aanwezigheid dier onooglijke vierkante hokken eenvoudig, door te zeggen: „Op 't binnenplaasie was een heel mooie, nette gelegenheid, weet u; maar dat 's nou overdekt en de. piano staat er tegenan. Ik kon van me ruimte niet veel missen, en zoo is 't fatsoenlijk en rein. U begrijpt, ik mot de luidjes binne houwen. Sorties geef ik niet, dan kan ik geen oog op de vertering hebben.quot;
Terwijl nu de Bebé-Grootmama een heel ondeugend Duitsch coupletje, quasi erg naïef, voordroeg, verdween een dikke buitenman met een wollen bouffante om en zijn programma in de hand in de linksche garderobe, maar o, schrik! een oogenblik later opende een guitig jongmensch, die er toevallig vlak naast zat, met een ruk, de deur, die niet goed op het haakje was gedaan.
„Kerjén! wat's dat nou? Laet 'm dicht! Blikstien! bin jai mal?quot; klonk 't gedempt en benauwd van binnen.
„Geneer je niet, boertje,quot; riep de guit terug; „dat kan de godvruchtigste mensch overkomen, ga op je gemak je gang maar. Je hoeft nou niks te verzuimen van derepresentatie!quot;
Ik heb zelden zóó hooren lachen, als op dat oogenblik; zelfs het zingende grootmoedertje schoot in een onbedwingbaren schaterlach, toen zij de wanhopige pogingen van 't boertje aanschouwde die met zijn bouffante — als lazzo gebruikt — den deurknop wilde vangen.
Om verschillende geldige redenen ontfermde ik mij over den ongelukkigen landbouwer en sloot, onder hevig protest van de overige gasten, de deur.
Wat er geroepen, geschreeuwd en aangemerkt werd, toen de buitenman kort daarna zijn plaats in de zaal weer kwam innemen, wil ik aan de verbeeldingskracht van mijn lezers overlaten en liever vertellen hoe schoon het ballet-pantomime „Pantalon bloemist, of de wraak van Arlequinquot; was, dat nu volgde.
De pianiste stond van haar krukje op, trok aan een touw ter zijde van het tooneel en dadelijk ruischten twee schuifgordijnen over een ijzeren roede naar elkaar toe — voor een valscherm was zeker geen plaats — en de alkoof had nu meer 't uiterlijk van een groote bedstede.
5°
't café „goenong-api.quot;
Na een oneindig lange pauze, die door een moorddadig pianosolo, aanhoudend voetgestamp en een voortdurend „Tombola, heere! Varsze koek en vszuikere mangele!quot; werd afgebroken, klonken drie slagen op het tooneel; de gordijnen werden opengetrokken en wij aanschouwden een liefelijk landschap, zonder eenigen twijfel door den eigenaar zelf geschilderd. In den rechterhoek van de alkoof stond een keurige, vuurroode boerenwoning — het huis van Pantalon — en links een spinaziegroene zodenbank.
De eerste die optrad was Pierrot en ondanks zijn witgeverfd gelaat, herkenden wij in hem dadelijk den heer Jan, alias Melato.
Arlequin werd voorgesteld door een der chanteuses — 't zwarte masker belette ons te zien welke — maar het bijzonder goed aansluitende kostuum verried dadelijk, dat Arlequin een dame en wel een gehuwde was — wij hoopten het ten minste hartelijk voor haar.
De „Vranzaisequot; was „Colombine.quot; Zij had de roode sleepjapon uitgedaan en zag er in èen zwart-fluweelen corsage en witte korte rokjes, die een paar waterzuchtige beenen lieten zien, zeer aanlokkelijk uit.
Pantalon kwam zooals gewoonlijk voorover loopend met de handen onder zijn zwarte sleepjas op den rug uit het huis te voorschijn, dat is te zeggen, hij wrong zich met moeite uit den hoek, waarin hij voor ons oog verborgen een tijdlang had staan wachten, omdat er geen „achteruitquot; aan de boerenwoning was.
Hij tripte naar Colombine, die met Arlequin in een hoekje stond te vrijen, en vatte haar bij 't oor, terwijl hij met de andere hand een geweldige drukte maakte, als wilde hij zeggen; „Hoe is het godsmogelijk, dat jij zin in zoo'n Arlequin kunt hebben?quot;
Daar snorde plotseling iets rakelings aan onze ooren voorbij en trof Pantalon tegen zijn valschen neus, die ten eind op zij schoof, maar door een tweede onmiddellijk volgend, grooter projectiel getroffen, afviel en daardoor, totalgemeene vroolijkheid, grootjes trekken deed zichtbaar worden.
De boezeroen-man werkte met de koek, dat begreep ik, en toen wij even naar hem omkeken, knikte hij ons toe, riep: „Lekker raak, hè ?quot; — en slingerde met kracht, maar zonder gevolg, het laatste stuk koek naar het tooneel, waarop de
51
I
,
T CAFE „GOENONG-API.quot;
pantomimisten, zonder boos te zijn geworden, verder speelden.
't Ballet was waarlijk eenig. Telkens als Pierrot van Arlequin een slag kreeg, ontving Pantalon of Colombine onvermijdelijk ook een deel van die kastijding, omdat er voor hen geen ruimte genoeg was om de zwaaiende brits te ontkomen. Het was een onophoudelijke vrij- en vechtpartij, afgewisseld door een pas de deux en een „horlepijpquot; van Pierrot, die op algemeen verlangen herhaald moest worden.
Het treffendste oogenblik kwam echter nog. Pierrot, wanhopig dat Colombine zijn oprechte liefde niet beantwoordde, besloot een einde aan zijn leven te maken. Gelegenheid om zich op te hangen bood het tooneel niet en daarom scheen hij zijn toevlucht tot vergif te willen nemen, ten minste hij haalde uit de zakken van zijn witten jas een stoutfleschje te voorschijn, waarop met duidelijke letters 't woord „vergiftquot; te lezen stond. Juist op het oogenblik, dat hij de noodlottige teug wilde nemen, riep een der toeschouwers: „Zeg! ouwe jongen, neem liever 'n kleintje cognac met 'n schijffie.quot; — „Annémè!
— een grokkie voor Piro!quot; —en — Pierrot liet zich gezeggen, hij stak de vergifflesch doodleuk weer in den zak en wipte de hem geoffreerde versnapering naar binnen, terwijl hij grijnzend rond zag en zijn maagstreek welbehagelijk wreef. Daarna kwam Pantalon met zijn neus, die door de koek tamelijk beschadigd was en niettegenstaande herhaalde terechtzettingen van zijn meester, voortdurend scheef hing, weer op het tooneel; hij sleep op de versleten zolen van zijn bottines een groot mes, waarmede hij op verraderlijke wijs den arme Arlequin, die alweer met Colombine zat te vrijen, wilde afmaken.
— Ofschoon hij bijna op den rug van het minnekozende paartje zat, merkten ze hem niet vóór hij een gebrul uitstiet en naar Arlequins hals greep. — Deze sprong nu eensklaps op, trok zijn brits en ranselde zijn schoonvader in spee onbarmhartig af echter niet zonder zijn beminde nu en dan gevoelig te raken waardoor zij een paar maal erg snibbig riep: „Stik een eind, kijk uit! je slaat me tegen me kop.quot;
Eindelijk was Pantalon overwonnen en bleef suf voor zich kijkend in den uitersten hoek zitten om aan den liefdegod gelegenheid te geven zich te vertoonen.
Changements a vue en tooverij kregen we niet te zien; maar wel een soort van Genius in een chambercloak, die aan 't eind van 't ballet eensklaps uit de zodenbank kroop en de handen
52
T CAFE „GOENONG-API.quot;
der gelieven in elkaar leggend, Pantalon noodzaakte Arlequin en Colombine — verlicht door Bengaalsch vuur — tot een gelukkig paar te maken.
De pianiste trommelde nog een afscheidsmarsch — en de voorstelling was afgeloopen.
Lachend, joelend en babbelend verliet het publiek de zaal, en toen wij — we waren ongeveer de laatsten — den eigenaar-ondernemer „vaarwelquot; wilden zeggen, vroeg hij beleefd; „Zijn de heeren voldaan? Dan verzoek ik om de recommandatie. — Hm! weet u, ik heb geen nachtpermissie, ik moet om twaalf uur sluiten, maarquot; — hij zag even rond, — „er is nou niemand meer dan de heeren, en als u d'r liefhebberij in hebt om ereis met de artisten kennis te maken, dan doen we de deur op slot, en 't licht op een kleintje. — Ik heb sampanje ook, heeren!quot;
Wij verzekerden eenparig, dat we meer dan tevreden waren en van die vriendelijke uitnoodiging geen gebruik zouden ma-„ ken, wierpen nog een laatsten blik op de heerlijke tropische landschappen aan den wand en verlieten „Goenong-Apiquot; met de overtuiging, dat Aemstels stad alweer een wonderlijken kunsttempel rijker was geworden.
53
IN DE GROENE OS.
't Is ongeveer half drie na-den-middag; in de gelagkamer van 't Cafe „De Groene Osquot; zitten aan een klein tafeltje een paar mannen kaart te spelen.
In 't buffet is de juffrouw bezig en tegen een hoek der schenktafel geleund staat de koffiehuishouder, een verloopen uitziend individu, met een paar gemeene boevenoogen, die onder een gedeukten flambard rondgluren. Schijnbaar is hij geheel verdiept in de lezing van een krant, maar in waarheid, houdt hij de spelers voortdurend scherp in 't oog en geeft nu en dan ongemerkt een teeken aan den vasten klant tegenover hem, die, met den zijden pofpet achterover op 't hoofd, een brandende sigaar tusschen de vingers, heel kalm en ernstig in zijn spel kijkt en geen spier vertrekt, als hij, ter sluiks opziende, zich de teekens van den waard ten nutte maakt.
Een korte, stevig gebouwde man, wiens gebruinde gelaatskleur en ringbaard den schipper verraden, zit met volle aandacht te spelen en grinnikt tevreden, omdat hij reeds een paar gulden gewonnen heeft en nu nóg een goed spel in de hand houdt. — Hij merkt niets van de geheime telegrafie tusschen den waard en zijn overbuur; hij weet niet in welk gezelschap hij verzeild is geraakt, argeloos en met een genoegelijk glimlachje loopt hij in de val — want hij is in Amsterdam onbekend, anders zou hij geweten hebben, dat hij in een berucht lokaal zit.
IK DE GROENE OS.
„De Groene Osquot; is een van die kleine koffiehuizen, zooals de hoofdstad er nog maar al te vele telt, waar heimelijk hazard gespeeld wordt, soms verbazend hoog. Niet door de jeunesse dorée, niet door gegoede burgers, maar door de arbeidende klasse, veekoopers, slagersknechts, kellners, half-blanks heeren, kermisreizigers, bedienden en andere kleine luiden.
De beruchtste kwartjesvinders zijn daar als kind in huis en de waard, bekend onder den naam van lange Koos, staat evenals zijn vrouw, niet al te best aangeschreven bij de politie.
Voorzichtigheidshalve en waarschijnlijk om minder eervolle antecedenten, heeft lange Koos de affaire op naam van zijn vrouw doen zetten: — zij is er vief en kwiek genoeg voor, beweert hij tegen iedereen en dat de meer intieme klantjes haar gare Jet noemen, zal niemand verwonderen, die de bazin kent.
Niet groot, maar zeer gezet en met een rond, rood gezicht, ziet zij er brutaal welvarend uit; haar kleine, gemeene, zwarte oogen nemen voortdurend allen en alles waar en haar radde tong is te gelijk met haar handen onophoudelijk in de weer.
Ze is gauw als water en brutaal als de beul, getuigt Koos van zijn eega, — en als ik haar moest missen, als onze lieve Heer haar opeischte, bleef ik niet hier, maar ging weer als kloniaal, ten minste als ze me weer hebben wouwen, voegt hij er cynisch grijnzend bij, omdat hij wel weet dat zijn paspoort niet geheel in orde is.
Dat echtpaar is aan elkaar gewaagd, heeft de commissaris van politie uit hun sectie nog onlangs getuigd, toen ze béiden verhoord werden, omdat heel toevallig, in hun café, de goedgevulde portefeuille van een veekooper was zoek geraakt. En toen gare Jet weer in de affaire terug was, zei ze hardop, zoodat iedereen, ook de twee „stille,quot; die zij wist, dat er zaten, 't hooren konden: — 'k heb maling aan den commissaris; hij maakt me niks, niemendal, en terwijl zij haar hand links op haar overweelderigen boezem druktè: — hier moet je zuiver op de graat wezen, dan kun je de heeren in de oogen zien; hier ben ik als een pasgeboren kind. Ba! een portefulje gappen 'k zal me d'r wel voor wachten! Zoo'n lekkere commissaris durft me nog vlak in mijn gezicht vragen: heb jij. zelf 'm soms ook benaderd, 't Was ook heel wat, nog
55
IN DE GROENE OS.
geen tweehonderd gulden. — Zoo'n mispunt! ik heb 'm zijn competente portie gegeven, hoor. Ik ben niet bang voor z'n groo-ten mond, 'k betaal vergunning, belasting, personeel, afijn alles wat ik te betalen heb pront op den dag af en d'r is nooit moeite met een of ander geweest. Met meisjes of vrouwen geef ik me niet af — ik hou 'n net burgercafe waar niemand, zie dat op zeggen kan. D'r wordt een kaartje gespeeld — dat's nou de heele sjoos!
Maar jij — toen wendde zij zich met verachtelijk omgekrulde lippen en opgehaalden neus, tot haar echtvriend — jij staat voor den commissaris als een kwajongen, jij bent lang voor niemendal, je staat aan je leelijke, gore snor te trekken, maar je houdt je waffel dicht. Wat ben jij voor 'n lammert, waarom spreek je niet van je af. Godbewaarme, wat zullen die Atjinezen vopr jou geloppen hebben, ha, ha! ha! 'k lach me nog ziek, en dan, tot een van de habituées: — geen stom woord zeid'ie en als ik d'r niet was geweest hadden ze 'm heelemaal overbluft. Ik ben niet bang, commissaris, zeg ik, bewijs me dat ik in mijn café hazard laat spelen — bewijs, zeg ik. Kom kijken, wanneer je wil. Mijn klantjes zijn allemaal nette burgerlui, die d'r eigen diverteeren met 'n pandoortje, 'n kruisjasje of'n schoppenvrouwtje, biljarten of dammen. Waarom mag 'n burger- of werkmensch nou niet net zoo goed een spelletje doen als 'n heer ? Daar zeg ik — nou u weer, maar hij hield z'n mond wel; hij weet blikslagers goed dat gare Jet niet zoo'n suffert is als haar inwonende man. Kijk 'ra daar nou staan met z'n bittertje. Ja dat kan ie, z'n eigen bedienen uit de kraf. Blijf je d'r af likkebroer — allo! m'n buffet uit.
Met een duw van haar stevigen arm zette zij langen Koos op zij en hernam haar plaats, achter de schenktafel, voortdurend nog brommend en mopperend over den commissaris, tot heimelijke voldoening van de twee stille agenten, die gare Jet zoo gaarne eens overtuigd hadden, dat ze in haar boezem niet zoo'n heel erg zuiver geweten omdraagt. Ze weten immers te goed hoe 't gewoonlijk 's avonds in „De Groene Osquot; toegaat. Dan worden de deuren, die de biljartkamer van 't café scheiden, gesloten met een kunstslot, zoodat ze, voor hem die het geheim niet kent, noch van binnen, noch van buiten kunnen worden geopend. Daardoor blijven ongenoode gasten, de politie enz., buiten en is het voor hen, die eenmaal in de knip
56
IN DE GROENE OS.
zijn onmogelijk om, zonder verlof van den koffiehuishouder, eruit te komen.
Als alles behoorlijk is voorzien, wordt de biljartkamer, speelhol — 't biljart, de groene tafel. De loop van 't hazardspel is doodeenvoudig. Er wordt ingezet door de verschillende spelers, men speelt twee voor twee; een der spelers werpt met twee dobbelsteenen op het biljart. Gooit hij twee zessen, vijf en zes of twee drieën, dan is de inzet voor hem; werpt hij twee eenen, twee tweeën of twee vieren, dan wint de andere, de overige worpen tellen niet en worden overgedaan.
De caféhouder zorgt, door 't kunstslot, de zorgvuldige sluiting der vensterluiken en door de aanwezigheid van drie reusachtige bloedhonden, waarvan er twee gedresseerd zijn om onder de zoogenaamde canapés verscholen te liggen, voor de veiligheid van zijn gasten, maar 't meest voor zich zelf, want de drie honden beginnen onmiddellijk te brommen en laten de tanden zien zoodra er oneenigheid komt. Ze worden dan op de slachtoffers, die in de val zijn, aangehitst door een knecht, die met den grootsten aan een ketting, bij de deur staat, gereed om hem, op kommando, den aangewezen persoon naar de keel te laten vliegen.
En oneenigheid ontstaat allicht met lange Koos — omdat hij een vrij zware belasting heft van de winners — zoogenaamd streepjes geld, gewoonlijk een vierde bedragend van de winst.
Jet beweert, dat haar man 't niet minder kan doen, omdat dobbelsteenen en leêren kokertjes niet voor niemendal te krijgen zijn en 't biljart, zoolang er op gedobbeld wordt, niet te bespelen is.
— Iedereen moet hebben wat 'm toekomt, zegt de bazin en al is m'n man maar een inwonend persoon, die hier niets te kommandeeren heeft zonder mij, toch komt hem z'n portie toe van 't geen een ander hier wint, want als zoo'n persoon niet in mijn café gekomen was, had ie niks niemendal gewonnen en dus is 't eerlijk en rechtvaardig, dat Koos er z'n percentengeld van neemt, 'n Kwartje van de gulden is zoo goed als niemendal, 't Is voor de gokkers toch allemaal gevonden geld, maar wij zitten op zware lasten en daarom doen wij 't niet anders; 't is alleen 'n kleerencentje voor Koos!
In zulke oogenblikken is gare Jet plotseling de meest liefhebbende en onbaatzuchtigste gade geworden. Zij gunt haar
57
IN DE GROENE OS.
Koos zijn percentjes van harte, zegt ze — omdat ze hem het geld, voor hij het verteren kan, behoorlijk afneemt en opbergt als noodpenning voor den kwaden of ouden dag. 'n Mensch kan nooit weten, waar 't goed voor is om 'n paar centen achter de hand te hebben, beweert zij — want t' avond of morgen rijen we d'r toch eens an, die commissaris is zoo'n beroerde valsche kerel — je kunt geen oogenblik op hem aan — hij zoekt ons bepaald, maar — en daar troost Jet zich mee, vóór hij ons geschoten heeft zijn we binnen
— want lange Koos heeft avonden dat hij veertig, vijftig gulden percentengeld heft, zonder de handen noodig te hebben.
* *
*
De kans aan het speeltafeltje is gekeerd.
De schipper heeft zijn gewonnen guldens reeds lang weer verloren en zonderling genoeg geen oogenblik meer veine gehad. Zijn hoofd gloeit, zijn slapen kloppen en 't bloed vliegt hem met geweld naar 't hoofd als hij, na alles wat hij in zijn beurs had te hebben verloren, nog een borreltje bestelt en op de vriendelijk hoonende vraag van den pofpet:
— Kom schippertje, durf je nou niet meer? antwoordt:
— Nou dan nog één spelletje; 'tlest moet alevel gewonnen spel wezen.
— Best! — Annéme, geef mij nog een pommerans.
Het bittertje wordt gebracht door Koos, die met een schier onmerkbaar oogknipje naar 't glaasje van den schipper wenkt.
— Zit jij op 'n droogie, maat? — Dat kan niet, nou zal ik je tracteeren. Kastelein, 'k geef 'n rondje — de winnende hand is mild; breng hier voor meneer nog een klare en neem zelf met je vrouw ook een aardigheidje.
De schipper schudt met zenuwachtige handen de kaarten, maar op het oogenblik dat hij coupeert en zal geven zegt zijn tegenpartij:
— Wacht 'reis maat, ik weet wat, ik wil je schade niet — hoeveel heb ik nou van je gewonnen ? — Santj es hoor, daar ga je!
— Cirka twintig gulden. A voes!
— Nou! dan zullen we quitt of dubbel doen — of heb je geen duiten?
58
IN DE GROENE OS.
— Hè! — de schipper is door de verschillende glaasjes klare niet heel helder meer en herhaalt: — Wat bedoel je?
— Nou! we spelen nog één spelletje. Ik zet die twintig pop — win jij dan krijg je je duiten weerom en win ik dan leg jij d'r tweemaal twintig bij. Heb je 'n papiertje van veertig?
— Dat zal wel lukken, denk ik.
De schipper haalt een dikke zwartlederen portefeuille uit den zak, windt het touwtje er af en min of meer bevend en onhandig, door de opkomende dronkenschap, laat hij een pak kwitanties, die hij te ontvangen heeft, een paar brieven en eenige bankbiljetten op den grond vallen.
Koos snelt hulpvaardig toe en geeft hem de papieren terug met een goedhartig: — Jongens, jongens pas toch op kerel, je hebt zooveel paperassen bij je, je kon licht wat verliezen, asjeblieft! Stop die boel maar goed weg. En de pofpet vraagt luchtig: — En waar is nou je veertigte.
— Hier — hier! — 't kan me niet bommen — ik wil nou 'reis kijken of ik m'n duiten niet van je weerom haal. Annéme — geef me nog 'n borrel! 'k Heb jandome anders altijd nog gewonnen. Vooruit, daar is de zeven en de vrouw — nou jij.
Met ingespannen aandacht spelen ze voort. Een paar minuten later springt de schipper eensklaps op, smijt zijn kaarten neer en schreeuwt: — Vuilik! jij speelt valsch — je hebt mienes gemaakt met die andere vent, achter me. Al heb ik 'n borrel op — daarom ben ik nog niet blind, hier m'n bankie, en met één snellen greep neemt hij 't bankbiljet van tafel en pakt zijn stoel bij de leuning. Wat let me of ik sla je je hersens in.
— Bedaar Arie! blijf in je pothuis — je bent niet frisch, je kijkt dubbel — daar liggen mijn kaarten. Kijk ze maar na — wie wou jij betichten hè ?
In minder dan geen tijd zijn de twee spelers handgemeen en mengen lange Koos en Jet zich in 't geschil om de vechtenden te scheiden.
De schipper is een stevige knaap en houdt de anderen met zijn stoel op een behoorlijken afstand, maar hij is niet al te vast meer op de beenen en wordt eindelijk door het drietal overmand en op straat gezet. Zijn bankje van veertig heeft hij gered, maar zijn twintig gulden is hij kwijt en als
59
i
60 IN DE GROENE OS.
hij, eindelijk weer ontnuchterd, na een slaapje aan boord van zijn tjalk, zijn papieren ordent om zijn boodschappen te gaan doen, komt hij tot de ontdekking, dat hij een bankbiljet van tweehonderd gulden mist.
Hij geeft het aan bij den commissaris van politie. Alle moeite wordt gedaan om de verloren waarde op te sporen — maar in „De Groene Osquot; weet niemand er iets van. Noch Koos noch Jet kennen den man, met wien de schipper in hun net café een kaartje legde.
— Er komen bij ons zooveel menschen, die we nooit gezien hebben, meneer de commissaris, zegt gare Jet — wij kunnen er geen oog op houden als er zoo iets gebeurt.
— Mijn man heeft nog gezorgd dat de schipper zijn bankie van veertig terug kreeg, want 't viel op stoep toen deschip-per, die 'n beetje aangeschoten was, de deur uitging. De buren kunnen 't getuigen meneer, de juffrouw uit den poelierswinkel en de baas uit den schaftkelder naast ons. Vraagt u ze maar gerust meneer! Ze waren er bij toen Koos 't briefje voor 'm opraapte en ze hebben evengoed als ik gehoord dat ie zei: — Schippertje wat ben je roekeloos; je laat zoo maar je bankies vallen. Toen heeft de juffrouw van ^f.11 Poe^er nog gezeid: — man, steek 't in je portefulje — want hij hield 't maar zoo los in z'n hand.
— 't Is de zuivere waarheid meneer! Wij zullen ons toch waarachtig aan geen bankie van veertig bezondigen — 't is nogal de peine waard, ba!
— Neen meneer de commissaris, daarvoor is „De Groene Osquot; een veel te net en fatsoenlijk café — we hebben 't waarachtig niet noodig, want Onze lieve heer is met ons en zegent de affaire; we denken er zelfs over om t'avond of morgen ons café te verkoopen en stil te gaan leven.
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM.
Schets uit 't volksleven.
Hij was verscheidene dagen niet in 't Lammetje geweest; Hein de mop, lange Toon, schele Arie en Klaas de natte hadden met de andere „jongensquot; avond aan avond op hem zitten wachten met de pandoerkaarten in de hand, maar hij kwam niet; zij begrepen er niets van.
Zoo zaten ze ook nu weer samen en zouden juist een spelletje beginnen, toen Kees, de kastelein, op zijn gebloemde pantoffels de vier treedjes naar 't opkamertje opging.
„Wat mot je?quot; riep schele Arie, zoodra hij de waterige oogen van Kees op zich gevestigd zag.
„Is hij er nog niet?quot; was 't antwoord.
„Wie?quot;
„De mottige; hij is al veertien dagen onder water, waar zou hij zitten?quot;
„Ingepakt1) is hij niet; dat zouen we wel gehoord hebben,quot; riep lange Toon.
„Wat duivel, waar is hij dan?quot; vroeg Hein, terwijl hij met schoppenaas tegen zijn stompen neus tikte.
„Op avontuur is hij ziek — geef me nog een proppie *), Kees!quot; zei Arie, die pandoer had.
Kees slofte terug naar zijn tapkast, terwijl hij riep: „Ziek ? kun je begrijpen! de mottige ziek ? neen dat is 't 'm niet — assieblief Toon, met suiker? — zoo'n ribbemoos 8) weet niet eens wat ziek is.quot;
') Gevangengenomen. *) Borreltje. 3) Stoere vent.
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM.
„Nou, dan heeft ie misschien zijn nek gebroken — zeg schele! die slag is voor mij, met hartenheer! — of hij heeft wat aan de hand en.... Verdomd, daar is hij!quot; en lange Toon wees met een verwonderd gezicht naar de voordeur van 't Lammetje, die langzaam werd opengedaan.
Mottige Janus kwam binnen; zijn forsche gestalte teekende zich een oogenblik zwart in silhouet tegen de grauwe avondlucht daarbuiten. Hij sloot de deur achter zich en ging naar 't opkamertje.
Er was een oogenblik van stilte, alle gasten keken min of meer verwonderd den nieuwaangekomene aan. Toen ging er een verward geschreeuw op van: „Kijk hij, — O mottige, wat's dat nou? — Ze hebben hem omgeruild!quot; gevolgd door een schaterend gelach.
Janus zag bleek, was geschoren, had een hoed op en een schoon boord en een halfhemdje aan.
Al „de jongensquot; keken eerst Janus en toen elkander verwonderd aan, omdat de mottige ernstig bleef kijken en zweeg.
„Sla zijn één-negentig in!quot; riep schele Arie.
Schaterend gilde de mop: „Doe 'm die mooie boord af.quot;
„Hij heit waarachtig zijn jas van Oome jan *) weerom gekregen!quot; lachte Toon en Klaas de natte sloeg met zijn vuist op tafel, terwijl hij riep: „Kees, geef me eerst nog een aardigheidje met suiker en dan zal ik den mottige eens op den grond leggen, boven op zijn schoone halfhempie.quot;
Janus antwoordde niet, maar er was iets in zijn blik eu houding, dat den anderen deed aarzelen; zijn gelaat was bleek, maar kalm; anders glom 't gewoonlijk roodachtig door de jenever.
Kees kwam met een borrel, maar Janus wees dien terug.
„Wat mankeert jou, mottige?quot; vroeg eindelijk lange Toon, toen hij zag dat Janus bedaard zijn hoed afzette, een rooden zakdoek uit den zak haalde, zijn voorhoofd afwischte, en langzaam zei: „Ik kom jelui goeiendag zeggen, jongens, ik drink ze niet meer.quot;
„Hij is fijn geworden! — 't is de blikken dominee, hij is van 't hondje gebeten!quot; klonk het in koor.
02
Een oogenblik flikkerde een toornige vonk in Janus' oogen, toen hij riep: „Hou je mond, schele! en jijlui Hein en Toon,
') Bank v. leening.
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM.
jelui weet, als ik wil, leg ik twee van jelui te gelijk neer, versta je? dat je ribbenkast er van kraakt! maar ik wil niet meer vechten en ik heb mijn laatste spatje gedronken; ik ga weer werken.quot;
„Mottige, ben je gek?quot; vroeg Toon hem naderend.
„Hij moet naar 't Buitenshuis!quot; 1) gilde de mop en al de anderen vielen in met schaterend gelach.
„Nou! hou jelui nou eens een oogenblik koest, dan zal ik je zeggen waarom — schuif je stoel wat op zij, natte! dan kom ik bij jelui zitten. Zoo! — neen! 'k zeg je immers, 'k wil geen spatje — stil dan nou!.... Jelui weet, ik heb al in de kast gezeten voor mijn vechten; 'k heb gezopen als een beest, dat weet jelui; de heele groenmarkt was bang voor den mottige, dat weet jelui ook, maar jelui weet niet, dat ik nog een ouwe moeder had.quot;
Algemeene verwondering!
„Ik heb nooit over haar gesproken. Hm! ik kwam nooit bij haar — omdat nou afijn! dat dondertjelui niet waarom — maar 't was 'n goeie ouwe stumperd, die uit werken ging zoo lang ze kon en .. .hij wachtte even en wischte zijn voorhoofd met den katoenen doek af.' „Eergisteren is ze begraven, vat jelui?quot;
„Ik heb haar gezien vóór ze stierf, een van de buren is mij komen roepen.quot;
„Toen ik bij haar kwam, zag ik dadelijk dat zij er van door ging.quot;
De natte hield even zijn glaasje besluiteloos tusschen de vingers, schudde toen het hoofd, wipte den inhoud naar binnen, kauwde, slikte, smakte met de lippen, stak het glas voor zich uit en riep: „Kees! nog een aardigheidje!quot; maar lange Toon, drukte zijn hand, met het glas er in, op tafel, terwijl hij zei; „Wacht nou even, laat de mottige eerst uitvertellen,quot; en tot Janus gewend vroeg hij: „Kende 't ouwe mensch je nog? Zei ze nog wat?quot;
63
„Ja, lange! ze zei wat en dat is 't juist wat me nou hindert. Toen ze me zag, stak ze haar hand uit de bedstee en zei: „Zoo jongen! ben je daar? Ik ga dood, kind! maar ik dacht wel, dat je me nog zou opzoeken vóór ik stierf en ....quot; Jongens! ik werd er beroerd van toen ze me dat zei en ik
') Buiten Gasthuis.
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM.
dacht: „ziezoo, nou zal ze je wel een uitbrander geven dat je zoo'n-hm! zoo'n .. .maar ze deed het niet, ze zei enkel maar: „Janus! nou blijf je zoo heelemaal alleen over, dat spijt me, kind! Ik heb altijd geprobeerd om een goeie moeder voor je te wezen, maar in den laatsten tijd kon ik 't je niet naar den zin maken. Och! dat spijt me zoo! — ik heb wat dikwijls onzen lieven Heer voor je gebeden en ik verlangde zoo naar je, maar ik wist niet waar je was en .... niemand wist het, en nou ben ik zoo dankbaar dat je nog komt, jongen----quot;
Weer kwam de roode zakdoek en deed zijn plicht, want de mottige kreeg 't warm van 't vertellen, zoo'n werk was 't. Hij vervolgde: „Toen kwamen een paar buurvrouwen binnen. Zie je, jongens, die wijven begonnen te grienen en te janken en dat maakte me toen nog beroerder, daarom stond ik op van mijn stoel voor 't bed; pakte er een bij haar vlerk en zei: „Ruk uit jelui! laat me alleen met 't ouwe mensch.quot;
„Ze gingen mopperend weg en men moeder zei: „Janus, geef me een zoen, want ik voel dat ik sterfquot; .... En toen ze me zoende en over mijn wang streek zei ze nog: „Kind! wat is 't toch jammer geweest, dat ik, toen je zoo de pokken hadt, je niet beter kon oppassen, dan was je nou niet zóó.quot; Toen trok ze me mijn hoofd vlak bij haar mond, want ze zag dat die satansche wijven weer in de deur stonden, en ze zei in mijn oor: „Kind! je vergooit je jonge leven heelemaal en 't kon toch anders wezen, als je maar wou, want er zit een goed hart in je. Ik zou geruster kunnen sterven, als je me nou vast beloven wou om niet meer te drinken; om weer fatsoenlijk te worden en te gaan werken; als je me dat nou belooft, zal je 't ook doen; dat geloof ik vast!quot;
„En omdat ik wist, dat je toch eindelijk wel komen zou, kind! heb ikquot; .... toen kneep ze me in mijn arm, ik voel 't nog — „een kleinigheid voor je op de spaarbank, voor gereedschap — 't boekje ligt in de latafel — 't is wel een heel klein....quot; toen kon ze niet meer; ze viel achterover en keek mij aan zoo! — zooi — ik kan jelui niet zeggen hoe, jongens! „Moeder,quot; zei ik, „ik beloof het je, — ik zal geen druppel meer drinken — 'k ga weer timmeren.quot;
„Dat heeft ze nog duidelijk gehoord, want toen lachte ze tegen me en... . ze stierf, terwijl ze mijn hand nog vasthield ....quot;
64
WAAROM DE MOTTIGE NIET KWAM.
„Zie je, jongens! Dat wou ik jelui maar komen vertellen; we zijn altijd te goeie maats geweest om er stiekum van door te gaan — morgen ga ik de stad uit; ik zal een baas zoeken.quot;
De mottige bleef met de handen op de knieën zitten, keek een poos strak voor zich uit, nam toen den rooden zakdoek uit zijn zak en veegde langzaam zijn voorhoofd af. Hij greep zijn hoed, stak de jongens de hand toe en terwijl hij een schuinschen blik naar de tapkast wierp, zei hij met een plotselinge verheffing van stem: „Ajuus dan!quot;
Eenige seconden was 't doodstil in „'t Lammetjequot; totdat lange Toon opstond, zijn breede hand met kracht op Janus' schouder deed neerkomen en zei: „Mottige! je hebt gelijk, jij kan niet anders,quot; — toen dronk hij zijn glas uit, zette 't met een korten tik op tafel en voegde er bij: „Zeg! die moeder van jou was een best wijf — Jt is zonde en jammer dat ze dood is!quot; — en tot Kees — „annème, — geef mijn nog een klare met suiker!quot;
65
5
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
De vischmerkt woelt vooruit en leeft van spartelvisschen Schaft stroom en zeevisch en bezorght de burgerdissen Met allerhande teelt van 't vochtig element.
(VONDEL.)
Van oudsher is „de vischmarktquot; een gewichtige plaats geweest in elke Hollandsche stad, en voornamelijk te Amsterdam was de groete vischmarkt, in alle tijden, een der meest typische plekken waar het volk zich liet zien en hooren zooals het was.
In het jaar 1841 bevond de „stapelplaets van 't keurig zeebanket,quot; zooals Wagenaar zegt, zich nog aan het Damrak. Op den i2den April 1841 werd zij voorgoed gesloten en verplaatst naar de Nieuwmarkt, bij de vroegere Sint Antho-niespoort, waar eenige houten barakken dienst deden, totdat in 1862 de nieuwe vischmarkt, ontworpen door den architect B. de Greeff Jr., door den aannemer P. Quant werd voltooid.
Tegenwoordig hebben de verkoopsters en handelaars daar hun stalletjes en „bankenquot;, en roepen zij van achter hun uitstalling u — om met Gerbr. Adriaansz. Bredero te spreken — toe:
„... Dat's een strangtvischje, dat's een gul, dat's een schellevis:
Ik heb ze met lever en kuijt, die zoo varsch als een wrongel is.quot;
J. ter Gouw heeft in zijn Amstelodamiana uitvoerig, aangenaam. en onderhoudend de oude vischmarkten der eerwaardige stad van Amstelredamme beschreven; Bredero schonk
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
ons eveneens een beeld uit het verleden der vischmarkt; waarom zou ik dan niet trachten een eenigszins uitvoerige schets te geven van de plaats, waar, zooals Vondel zegt:
„Het Galileesch geslacht, dat s'watcrs vruchten vinghquot;,
markt houdt, schreeuwt en joelt, pret heeft of kibbelt.
Sta vroeg op, wanneer ge haar naar de markt wilt zien gaan, de flinke, stoere vischvrouwen, die uw vischminnend hart door haar liefelijk „skelleviesch ! gemèlenquot; of „ael, braed-ael!quot; doen popelen van verlangen naar het geurig zeeooft, dat zij in haar manden en korven langs 's Heeren straten te koop te bieden.
Zij zijn vroeg bij de hand, onze „dames de la IIallequot;; want reeds vóór halfzes in de zomermaanden, des winters tegen halfzeven, begeven zij zich naar de Nieuwmarkt.
't Is een lange weg van de Willemstraat, Linden- of Looiersgracht, waar de meesten van haar gild wonen, naar de Geldersche kade, en daarom wandelen zij gewoonlijk met elkander, in groepjes van twee of drie, al keuvelend en kakelend voort. k
De meesten zien er helder en frisch uit. Haar lichtkleurig, gesteven en gestreken jak staat niet slecht bij de wittemuts, en het wollen voorschoot over den zwarten rok, geeft iets stevigs aan haar uiterlijk. Schommelend is haar gang, langzaam en vast haar tred; men ziet het haar aan, dat zij gewoon zijn aan het dragen vanhet juk met de zware manden; daarom ook zetten zij de breede voeten min of meer binnenwaarts, en steunen gewoonlijk de handen op de heupen, terwijl zij langzaam voortschrijden.
„Het Amsterdamsche gezegde; „haast je maar nietquot; ligt in haar mond bestorven; maar toch zijn zij drommels gauw-en bij de hand, wanneer het er op aankomt iets te verdienen, of den eenen of anderen botboer op den afslag een mooien koop visch voor den neus weg te mijnen.
Een vischvrouw en een botboer zijn twee wezens van dezelfde soort, alleen door het geslacht onderscheiden, zou men meenen? Neen, 't zijn twee geheel verschillende individuen, door hun eigenaardigheden geheel van elkander afwijkend.
De botboer is een wezen, dat deels uit gewoonte, deels om andere redenen, door de vischvrouw wordt geduld; misschien
67
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
ook wel alleen, omdat de boer een „hijquot; is en als zoodanig heer der schepping. „Intersiek hebben wijlui een broertje dood aan die pummelsquot;, zegt Lijsbet, de bejaarde maar toch nog flinke en krasse vischvrouw, die iedereen op de markt kent en eerbiedigt, omdat zij niet alleen haar aan de kin, maar ook op de tanden heeft.
Ik heb Lijsbet onlangs eens geïnterviewd en van haar een en ander omtrent die botboeren gehoord. Ik geloofde vroeger vast en heilig, dat zij 's morgens vóór dag en dauw met hun wagens vol visch uit het dorp Huizen of andere plaatsjes kwamen aankruien, na 's nachts in het zilte nat te hebben gevischt en gedobberd.
„Ken je begrijpen ! Ben je mooi mal, mensch?quot; zei Lijsbet, terwijl zij, op haar gemak op een omgekeerde vischmand zittend, uit een kommetje koffie slurpte. „An me nooit niet, hoor! zijlui zellevers visschen ? Ben je niet gaar? Ze weten bekans niet, hoe of de zee er uitziet; rapen en knollen kennen ze beter; daar loopen ze 's winters mee. Die prengels bederven ons genoeg de negotie. Weet u meheer! zij bivak-keeren zoo'n heele week, toesjoersdoor, hier in de stad. Als ze dan Zaterdags 't huis komen, dan hebben ze zooveel als de kost verdiend, en krijgt moeder de vrouw het noodige voor de kleine pummeltjes. Nou! Onze lieve heer mag ze voor mijn part ook een stuk brood geven, maar ons vrouwen doen ze veel schade, want een boel menschen hebben nog zoo 't idee, dat ze beter en goeiekooper koopen van die slaapmutskoppen, dan van ons. Malligheid, hoor! die boeren koopen haarlui visch, dat is te zeggen tong en schol, afijn! alles wat een beetje fijnigheid heeft, net zoo goed op de markt als wij. Is 't niet zoo, Kee ? O, Kee-éetje! kom jij ereis even hier en vertel jij meheer ereis alles van die wijdbroeken; jij kent ze nog, ja zoo goed als ik, die scheefkleppen. .en Lijsbet wees lachend op een boer, die zijn pet zóó scheef op het hoofd droeg, dat de klep zijn rechteroor bijna geheel bedekte.
Kee, een even resoluut wijf, maar iet of wat jonger dan moeder Lijs, veegde haar handen langs voorschoot en reukorgaan, trok haar rok wat op, kwam met de handen op de heupen bij ons staan en verhaalde met een soort van spijtigheid, dat die „graskauwersquot; 'n mensch soms de dampen aandeden van belang, maar dat zij daarentegen toch getuigen
68
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
moest, dat „zijlui d'r eigen, om een paar centen te verdienen, evengoed uit den naad liepen als de vrouwen.quot;
't Was in een grappig mengelmoes van jargon en plat Amsterdamsch, waarin het tweetal vrouwen mij vertelde, hoe die botboeren hun karretjes en wagens gedurende de geheele week in kelders en onderstukken, bepaald voor dat doel gehuurd, opbergen. De boeren zelf logeeren meestal in de Utrechtsche-dwarsstraat, Vijzelstraat en Reguliers-dwarsstraat— zonderling genoeg om den verren afstand van de Nieuw-markt. 's Morgens, zeer vroeg, gaan zij met hun wagens op weg, langs den Ringdijk, naar Zeeburg, waar zij de botters afwachten, die door hen, voor gezamelijke rekening, zijn afgehuurd om de bot of schol, die 's nachts in het IJ of de Zuiderzee gevangen is, aan te brengen.
Gewoonlijk gaan zij dan Zaterdags avonds naar huis om den Zondag in den schoot hunner familie door te brengen en te zorgen, dat vrouw en kinderen fatsoenlijk en netjes met hen ter kerke kunnen gaan; want zij zijn even kerksch en antirevolutionair als ruw en onbeschaafd. Den bijbel hebben zij 's morgens, het mes Js avonds in de hand, en in hun leven wisselen bekkesnijden en psalmzingen in aangename bontheid af.
't Is eigenaardig, dat de meeste botboeren hun wagens aan de zijde der Koningstraat langs het marktgebouw in regelmatige rijen plaatsen, terwijl de vischvrouwen, in bevallige groepeering, den kant van den Zeedijk en gedeeltelijk het trottoir langs de Nieuwmarkt beheerschen.
„Nou meheer! let er maar ereis op,quot; zij Lijsbet, ,/t is presies als op den dag des oordeels, de schapen zitten rechts en de bokken links, en als je nou nog eventjes wacht, heb je 't leven als een oordeel er bij, want ze beginnen op den steiger al mooi woelig te worden, hoor maar!quot;
„De steigerquot; is een lang, over het watervlak van de Gel-dersche kade uitgebouwd plankier, waar rechts en links tal van schuiten en vletten, soms tot zinkens toe vol visch geladen, aanleggen. Al naar den tijd van het jaar, wordt daar bot, aal, schol, garnalen, paling, spiering, poon of pieterman, platvisch en schelvisch verhandeld, 't Is voornamelijk de handwerksman, of liever zijn vrouw, die op den steiger inkoo-pen doet. Men koopt daar billijker dan op de eigenlijke markt, waar in den regel fijner visschen zijn, maai ook tot veel hooger prijzen.
69
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
't Is inderdaad de moeite waard, op dien steiger eens een kijkje te nemen. Wees voorzichtig met het afgaan der treden, die van de markt naar beneden leiden. De trap is hier en daar glibberig en glad door vischgrom en schubben. Pas op! laat dien aan alle kanten glimmenden en kleverige n visch-schoonmaker even voorbijgaan. Hij knikt u vriendelijk goedendag, als wilde hij zeggen: „God laat je gezond! ik heb vandaag geen nood, want er is overvloed van visch om schoon, en gelegenheid om mijzelf vuil te maken.quot; Hij is voorbij, maar ga nu nog even ter zijde voor dien „aandrager;quot; hij balanceert met groote kunstvaardigheid een hoogen stapel ledige manden; zonder u of iets te raken, gaat hij verder.
Wat een leven, wat een drukte, geschreeuw en beweging!
Allen schreeuwen door elkander. „Ik heb ze vandaag! Zoo heit 'n ander ze niet; mooie bot! mooie, dikke, vette, lekkere bot! Hierzoo moet je wezen,quot; roept een vischkooper, die bij den ijzeren driepoot, waaraan zijn schalen hangen, in zijn boezeroen, met opgestroopte mouwen en natte handen staat te wenken.
„Dertien centjes 't pond! Allo! Allo! Zulk bot eet je niet alle dagen. Vooruit! — maar niet allemaal te gelijkquot;, gilt een ander, die met hem concurreert in visch en heeschheid. „Hola! Hola! dat's eerst aal als paling! Zulke aal is een gulden waard; bij mijn krijg je voor een kwartje een zoodje. Hola! aal als een kachelpijp, wie koopt?quot; krijscht een jongen met een tobbe vol glibberige alen in den arm.
„Bot! Bot! Bot! Bè-ó-ot! levend en kapot. Oho! nooit nog zóó. Dat's eerst waar; koop ze maarquot;. Een goed gewicht en een vriendelijk gezicht, hier bij mijn moet je zijn, alles fijn, prijzen klein, allo, gauw! man en vrouw, koop ze maar, goeie waar!quot; rijmt een poëet, die zijn geest voelt vaardig worden, en met een gelaat scheef getrokken door tabak en inspanning, brult hij de slotregels uit: „O! wat 'n pret, ik heb nog wel honderd pond in mijn vlet.quot;
„Pie — Pie — Pieterman!'quot;
„Allemaal levend, ze springen de mand uit.quot;
„Hierzoo bij mijn krijg je je gewicht met een doorslag.quot;
„Vooruit maar! ik geef ze weg, twaalf centen om te kon-kereeren!quot;
„Ik sta hier niet voor mijn pleizier, alloh menschen, kom hier; voor een kwartje heb je er vier, scholletjes! bolletjes! Allo! Allo! Allo! nooit zag jelui ze zóó.quot;
7°
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
„Wie maakt me los, 'k heb nog drie pond aal, wie biedt er centjes?quot;
„Kom hier, juffrouw, je bent toch 'n klant van me, ik zal je bedienen naar je staat — kom hier!quot;
Onophoudelijk klinken deze en meer dergelijke uitroepen over den steiger, waar een menigte van burgervrouwen, zindelijk of onzindelijk gekleed, met mandjes, emmertjes en netjes in de hand, zich babbelend en lachend, biedend en pingelend, heen en weer beweegt. Handwerkslieden, die, vóór zij naar hun karwei of winkel gaan, nog eens even voor moeder de vrouw een zoodje zien te snappen; menschen, die alleen voor de aardigheid op den steiger gaan kijken: jongens, die een paar centen verdienen willen, door de eene of andere vischkoopster te helpen; mannen, die visch schoonmaken of naar huis brengen — allen loopen en woelen dooreen op het plankier.
Nu en dan houdt de eene of andere handelaar, die graag klandisie heeft, een voorbijgangster vast met de woorden: „Mot je mij nou zoo voorbij loopen, moeder? Ik heb ze vandaag kostelijk hoor! Twee duim dik visch op de graat; kijk ereis wat 'n beest!quot; en met de vlakke hand slaat hij tegen een bot, die hij met de andere aan den kop omhoog houdt.
„Zeg, blijf met je vischhanden van mijn jak, anders is de lucht er morgen nog niet af,quot; bromt de juffrouw, die vandaag geen zinnigheid heeft in bot, maar een eindje verder een zoodje aal gaat koopen; een omstandigheid, die den teleur-gestelden botverkooper de liefelijke ontboezeming op de lippen legt: „Ze mag er zich voor mijn part een stuip an eten!quot;
Allerlei groepen staan, in schilderachtige afwisseling verspreid, op den steiger en wekken de belangstelling van andere groepen of personen, die van de kade hen gadeslaan. Schertsende woorden, spotnamen en uitroepen klinken over en weer.
't Is alleraardigst om op te merken, op welke wijze ver-koopers en klanten met elkander omgaan. Er heerscht tusschen hen een zekere mate van vertrouwen en a 11 ij d een gewapende vrede, die, door de nietigste oorzaak, eensklaps in feilen strijd kan verkeeren. Vriendschappelijke stompen of slagen op den schouder veranderen soms in een seconde in heusche oor-peuters, opwaaiers en vuistslagen, die dikwijls de tusschenkomst van een der twee altijd op de vischmarkt aanwezige politiedienaren noodig maken.
71
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
Een dikke vrouw met hare groote, roode, nattig beschubde handen op de heupen staat te schreeuwen: „Vandaag heb ik ze dan bijzonder groot, dik en vet; veertien centjes 't pond, oho! wat 'n koopie.quot; Een koopster nadert. „Morgen, juffrouw! Hoe vaart uwee? Wou uwee 'n pondje of vijf? Of je daar genoeg aan hebt ? O, mensch ! zatter genoeg; kijk ereis wat een juweel van een visch. 't Vet ken je 'm zoo van z'n vinnetjes strijken. Vijf pondjes? Assieblieft! Uwee blijft er maar goed uitzien en uwes man ook, 'k heb 'm Zondag zien passeeren — nou hij zal wel lachen teug ens die lekkere botjes . . . Kristenzielen wat zeg je daar? Geef ik je je gewicht niet? Tik ik metm'n voet teugens de schaal? Dat zal je me waar maken, leelijke, ouwe snuifneus, uitgedroogd mirakel! Wat verbeeld jij je wel? Wou jij hier een fatsoenlijk mensch verschandaliseeren? Kijk zoo'n scharminkel! Nou krijg je ze niet. Klets! daar liggen ze weer in de schuit. Stik! voor mijn part; jij eet geen visch, hoor! . . . O, zoo! dacht uwee het maar, dat ik tikte. Nou, dan is het iets anders, dan heb ik niks niet gezeid, hoor! dan even goeie vrienden. Janus, geef de botjes maar weer in de schaal. Neen! m'n lieve mensch, ik tik nooit op of aan de schaal en m'n gewicht is geijkt, 'k Heb 't goddank niet noodig om m'n evennaaste té bedibberen; 'k heb fatsoenlijk m'n brood — daar dan, daar heb je d'r nog een ééntje toe, omdat uwee 't is, want 'k ben op je klandisie gesteld. Nou dag, juffrouw, wel thuis, eet ze met smaak.quot;
Nauwelijks is de juffrouw, met haar emmertje aan den arm, tusschen de menigte verdwenen, of de vertoornde verkoopster geeft haar gemoed nog eens lucht door een paar hartige vloeken te uiten, die haar buurman, wiens schuit met schol, naast de hare aan den steiger ligt, doen zeggen: „Jij laat de kaas ook niet van je brood eten, Trijn!quot;
„Dat moest er ook nog bijkomen, Leendert! en dan nog wel door zoo'n schrale perreplustok. An me nooit niet! versta je?quot;
„Ben je al los, Trijn?quot; ^
„Nagenoeg, 'k heb nog een dertig pond.quot;
72
„Ik heb m'n schuit nog half vol — allo! Satansche mank-poot, hobbel dan!quot; voegt Leendert een kreupelen jongen toe, die op zijn schuit het schoone vak van bothobbelaar uitoefent.
') Heb je alles al verkocht, Trijn?
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
Waarschijnlijk is dit vak niet algemeen bekend, patent is er ten minste niet voor noodig; daarom tot beter begrip van deze uitdrukking het volgende. In elke schuit met visch wordt een soort van wipplank gelegd, die door een man of jongen in staande houding, met den voet, wordt op en neer bewogen. Door het hobbelen van de plank komt het water in de schuit in kabbelende beweging en blijft de visch in leven.
Zulk een bothobbelaar verdient gewoonlijk per ochtend of dag één gulden; 't is een landziekig en vermoeiend werk om gedurende zooveel uren te staan, maar in veel gevallen hebben de individuen, die zich aan bot- of vischhobbelen wijden, zóó dikwijls of zóó lang „gezetenquot;, dat het staan voor hen een welkome afwisseling is.
„Wat Zaterdag! hobbel dan toch,quot; roept Leendert nogmaals, als hij ziet dat de hobbelaar ophoudt, „jij denkt zeker, laten de levendigen de dooien maar begraven. ') Neen, maat! daar blieven de klanten niet van gediend; als je nou nog ereis stilstaat, kieper ik je te water, begrepen?quot;
Dal dreigement helpt, want zonder poozen hobbelt de jongen voort en schreeuwt, als om te toonen dat hij hart heeft voor de zaak van zijn baas: „Hierzoo, hierzoo! levende waar! allemaal vars als mellek!quot;
De kinderen Israels zijn op den steiger in grooten getale te vinden; zij bewegen zich met de hun aangeboren levendigheid en drukte tusschen de groepen door. De een beveelt zich met luider stemme aan voor „'t schoonmakenquot; ; een ander schreeuwt met overdadige stemuitzetting, dat hij „nog een heel klein beetje puike aalquot; heeft, dat voor een spotprijs te koop is; en een derde loopt met een blikken pijpje in den mond, waarmede hij, met onnavolgbare behendigheid, den schelvisschen een bevallige rondheid weet in te blazen opdat ze er „seuïg en gevuldquot; zullen uitzien.
73
Tusschen halfacht en acht uur is het op den steiger meer dan vol, en niemand anders dan een volbloed Amsterdammer kan wijs worden uit de verschillende kreten, uitroepen en aanbiedingen, die verward door elkander klinken. Vooral de eigenaars van de vletten en schuiten zijn virtuozen in het schreeuwen en krijschen; zij doen met longen en tong, handen, armen en beenen hun best om de waar, die zij soms reeds
quot;) Gelijke uitdrukking voor: doode en levende visch dooreen verkoopen.
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
in den nacht gaan inkoopen, des ochtends kwijt te worden.
Meestal gaan zij met die vletten even na middernacht het IJ in en de botters te gemoet. Weer of geen weer, zij blijven, op stroom liggend, wachten totdat de visscherlieden van Schellingwoude, Marken of Durgerdam komen, en nemen de visch dan van hen over. Groote vischhandelaars hebben zelfs boeiers en vaartuigen, waarmede zij de visschers tot in zee te gemoet zeilen, alleen om slechts zeker te zijn, dat zij het verlangde deel zullen krijgen van „'t schubbig ooft, dat in de waeteren groeit.quot;
Op de markt zelf, d. w. z. onder het overdekte gedeelte, gaat het intusschen wel iets minder druk, maar toch levendig toe. Groote partijen visch, behalve door Hollandsche visschers, ook door Engelschen of Vlamingen aangebracht, worden daar omgezet.
De afslager — er zijn er drie, die elkander afwisselen — begint zijn taak. Men kan het hem aanzien, dat hij zich volkomen bewust is van zijn waardigheid, want met onverstoorbare kalmte en rust doet hij zijn gewichtig werk. De ringetjes in zijn ooren glinsteren in een straaltje der zon, die tusschen de openingen van het dak der markt en door de geopende deuren heengluurt. Met een snelle beweging van zijn kaakspieren herleidt hij de „vermakelijkheidquot; achter zijn kiezen tot een minimum, en na zijn neus zeer primitief te hebben gereinigd, begint hij zijn dagelijksch werk.
De vischvrouwen staan en leunen, tegen elkander gedrukt, om hem en zijn tafeltje heen. Enkele boeren, met hethennipzeel schuins over hun gespikkeld of gestreept blauw boezeroen, dringen van achteren op, zoodat een paar vrouwen het nuttig oordeelen hun de vermaning toe te duwen: „Als jelui opdringt, zeilen we je op je ziel speulen, leelijkers!quot; Zoodra er genoeg liefhebbers voor den afslag, zijn, klimt gewoonlijk de commissionair, die de visch op last van zijn principaal verkoopt, op een ledige kist of kar, opdat hij het terrein kan overzien, en wenkt den afslager, dat hij beginnen kan.
't Is een partij tong, die geveild wordt. Er is gewoonlijk veel liefhebberij voor dit artikel, en daarom groeit de menigte mannen en vrouwen nog steeds aan, zoodat de afslager het min of meer benauwd krijgt en derhalve tot de omstanders de beleefde waarschuwing richt: „Als jelui zoo dringen en duwen, blijf jelui allemaal nuchter van den boel.quot; Men maakt niimte, en hij
74
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
roept: „Allo dan! ik begin. Hawaar, jongens! daar liggen er tien.quot; Dat tien wordt door hem met een langen uithaal en op zonderling, somberen graftoon gezegd; 't klinkt als een De profundis voor de tien gestorven tongen, die inmiddels door een helper op de tafel worden gelegd.
„Hawaar, jongens, daar liggen d'r tie-è-è-èn? Wie geeft er wat voor die tie-è-è-èn? Heb jelui ze gezien? Hoeveel dan, wat geef je er voor? Vier gulden? Drie gulden? Twee gulden ? Een daalder ? — Dat's allemaal te gelijk! — Twee en dertig, drie en dertig, vier en dertig — niet aan, daar! — zes, zeven, acht en dertig — negen en dertig is hier achter me. Twee gulden allemaal!quot; Dat „allemaalquot; beduidt, dat al de omstanders als door één gemeenschappelijke ingeving geknikt hebben, ten bewijze dat zij de tien tongen voor twee gulden gaarne zouden willen hebben.
Aangemoedigd door dit toestemmend gebaar, gaat hij voort: „Twee gulden voor die tie-è-è-èn. Wie voor twee en veertig, drie, vier, vijf en veertig — hier naast me — zes en veertig, zeven en veertig — Ka Klomp!quot;
„Dat lieg je, ik heb te gelijk geknikt,quot; roept Naatje Mop, die haar stompen neus, de oorzaak van haar bijnaam, tusschen de twee hoofden van andere koopvrouwen te voorschijn brengt.
„Ka Klomp!quot; herhaalt, onverstoorbaar kalm, de afslager.
„Dat's valsch,quot; gilt Naatje, en met een afgunstigen blik op Ka voegt ze er bij: „Ik kan geen stroop smeren, en dat nog wel an zoo'n kreatuur van een vent; zij krijgt altijd de beste koopen, maar ik zal 't onthouden.quot;
„Hawaar, jongens! daar liggen er weer tie-è-è-èn,quot; begint de afslager opnieuw. Met een klein verschil van eenige stuivers brengt het tiental tongen ongeveer hetzelfde bedrag op. Herhaaldelijk ontstaat er geschil over de toewijzing der koopen, en nu en dan is de tusschenkomst van den commissionair noodig om de partijen te bevredigen, 't Gebeurt ook dikwijls, dat de eene of andere biedster haar bod niet houdt, omdat zij, heimelijk met vinger en duim de dikte der visschen keurend, tot de overtuiging is gekomen, dat zij te duur zou koopen. Dan klinkt het: 't Is nietes; ik heb niet geknikt.quot;
„Je hebt wèl geknikt.quot;
„'k Zal omvallen, als 't waar is!quot;
„Heeft zij geknikt of niet?quot; wordt dan door den afslager
75
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
aan de omstanders gevraagd. Gewoonlijk antwoordt men in koor „neen!quot;, omdat iedereen voor zich zelf denkt: „'t Is verstandig om elkander te helpen, men kan nooit weten of men niet in 't zelfde geval komt.quot;
„Jelui bent met één sop overgoten,quot; bromt de afslager, en hij veilt den afgewezen koop opnieuw. Onveranderlijk brengt het tiental visschen dan eenige stuivers minder op.
Gebeurt het, dat de een of ander, die niet tot het St.-Pietersgild behoort, zich tusschen de mannen en vrouwen bij den afslag waagt, dan is er dadelijk beweging of opschudding, 't Is: „een vreemde eend in de bijt!quot;, en met bijzondere scherpzinnigheid onderscheiden de vischdames dadelijk, of 't een „buitenmenschquot; is, die het uit onnoozelheid doet, of een „jakhalsquot;, die 'n mensch het brood uit den mond wil stooten door aan den afslag visch te koopen en den negotianten zoodoende hun winst te ontnemen.
Is het een buitenmensch, dan wordt hij eenvoudig met een; „Vaderlief, je bent verkeerd, hoor! je bent in de maling, dat's hier alleenig voor ons negotie-menschen,quot; op zijde geschoven: maar is 't een jakhals, dan neemt oud en jong hem in 't ootje, en dikwijls loopt hij eenige klappen of duwen op.
Heeft de jakhals toevallig een hoed op, dan is hij als aan de heidenen overgeleverd.
„Zeg ereis, hoei!quot; klinkt het dan. „Lust jij zoo graag goed-koope visch? Kom dan maar hier, m'n engel, hou je vijfkops-maat dan maar op. O, Trui! O, Bet! geef hem een dobber op zijn zondagschheid. Meheer lust graag visch, maar voor een koopie. Grom zal je eten, leelijke jakhals. O, Manus! doe hem een handjevol garnalen in zijn nek, dan kan hij krabbelen. Zeg, Teun! kom ereis hier en bekijk die meheer van godhelpme ereis — hij zal visch eten, hoor! maar als ze veertien dagen oud is .. . .quot;
Als de dames hem zonder andere scheldwoorden of handtastelijkheden terugdringen, mag hij van geluk spreken.
Het is een eigenaardig, ruw, ongemanierd, maar goedhartig soort, dat negctiantenvolk, en menigmaal schemert door de harde, bultige schors het weeke hart der vrouw heen, evenwel altijd op de meest wonderlijke, soms komische wijze.
Heeft de een of ander zich bezeerd of min of meer ernstig verwond, door vallen of anderszins, dan heffen de anderen in koor een klaaglied aan en hoort men uitdrukkingen als:
yó
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
„Och Jeses! wat bezeert die salamander zich daar,quot; of; „allemachtig! wat doet dat arme ouwe mirakel een smak. O! Hein, loop als de wind naar den dokter en zeg, dat Mie Beentjes der eigen uit mekaar heit gevallen.quot; De patiënt zelf wordt dan door de anderen voorloopig met zorg verpleegd, en niet zelden hoort men de eene of andere met tranen in de oogen tot de verwonde zeggen: „Stomme weerlicht, hoe kan je nou in je eigen mes gaan liggen! Doet 't je pijn, arme bliksem? Nou, hou je maar goed. Hein is al om den meester, die zal je wel weer aan mekaar naaien.quot;
Elkaar onderling te helpen, is een deugd, die op devisch-markt zeer dikwijls wordt betracht. Hiervan één staaltje. Het gebeurde eenigen tijd geleden, dat Daatje, een arme vischvrouw, die weinig klanten had en daarom slechts kleine inkoopen deed, 's morgens haar mand leeggestolen vond. Zij had zich eenige oogenblikken verwijderd, om in een der schaftkelders, die in die buurt in grooten getale aanwezig zijn en bijna alleen van de klandisie der vischvrouwen en boeren bestaan, voor zich zelve en een paar anderen een ketel koffie te gaan halen. Toen zij terugkwam met het dampende vocht, was haar juk verdwenen en waren haar manden leeg.
Eerst dacht zij, dat de een of ander met haar een grapje maakte, en dronk zij bedaard haar deel van de koffie, terwijl zij doodkalm en lachend zei: „Dat heit Mien Pot me geleverd, die maakt wel ereis meer een gèbbetje. Kom Mien, geef m'n juk en m'n visch weerom, ik moet aan 't loopen.quot;
„Je bent dol, mensch ! 'k heb ze niet gezien.quot;
„Ga nou door!quot; Daatje's elleboog verduidelijkte deze woorden door de bekende beweging.
„'k Zal staande sterven, als ik 't gedaan heb....quot;
„Heb je ze niet?quot;
„Neen Da, 'k zeg het met een woord van waarachtigheid, ik weet er niets van.quot;
„O! O! dan ben ik bestolen: m'n juk weg, m'n visch weg. 0, Kristenziele, dan is er een smeerlap bij m'n mand geweest: 'k wou dat 'k hem hier had; 'k zou hem z'n oogen op z'n wang halen. O, Lijs! O, Ka! O, Naas! komt ereis hier! ik ben begapt; m'n heele boel is gestolen, nou ben ik geri-nuweerd, wat moet ik beginnen? En ik heb nog driegulden schuld bij scheele Arie ook. Hi! Hi! Hi! Hi! zoo'ngemeene dief!quot;
77
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
De waterlanders begonnen te stroomen, en weldra was de bestolene omringd door een aantal vischvrouwen, die zich nog eens lieten vertellen wat er eigenlijk gebeurd was, en daarna in koor begonnen te lamenteeren.
Wanneer de dief, die zich natuurlijk reeds lang uit de voeten had gemaakt, de verschillende verwenschingen had kunnen hooren, zou het haar hem te berge zijn gerezen en het kippenvel hem een rilling hebben bezorgd; want geen wijze van sterven of doodvallen zou er te bedenken zijn, die hem niet door de verbolgen vrouwen werd toegebeten.
Eindelijk nam „Lange Truitjequot;, een der notabelen van het St.-Pietersgilde, het woord en zei: „Of jelui dien smerigen dief nou ook al de pokken of de doodstuipen wenscht, dat geeft voor Daatje niemendal: daar heit 't mensch haar negotie niet door weerom. Kom, staat niet te kletsen, maar geef ieder een paar vissies, dan komt ze ten minste niet te kort door dien schooier. Wat had je in je mand. Da?quot;
„Aal en een beetje bot,quot; snikte de beroofde, zich met haar zwart wollen voorschoot de oogen afdrogend.
„Zoo! 'n beetje bot; zeg! wrijf zoo niet met die vuiligheid in je gezicht, dan krijg je nog zeere oogen erbij. Allo, jongens 1)! ieder wat — botje bij botje; ik geef er vier. Da, hou je mand op!quot;
„Van mijn kan ze een zoodje aal krijgen, maar die gannef zal een rolling hebben van hier tot Haarlem, alle paaltjes raak.quot;
„Hier zoo. Da! daar heb je een paar scholletjes; 't zijn waarachtig beste — nou! hou je mand dan op!quot;
En nu ging het klets! klets! klets! Van alle kanten vielen bot en schol in de mand, zoodat eenige oogenblikken later de bestolene meer koopwaar bezat dan zij nog ooit had ingekocht.
„'t Is genoeg. Schei jelui maar uit,quot; schreeuwde zij, „'k heb al te veel! Zoo'n sallepatter! de langzame dood zal hij zich aan mijn visch eten. Neen, jongens! ik dank jelui; ik wil niet meer.quot;
7«
„Zoo! nou kan je je eigen ten minste weer redden,quot; riep Lange Truitje boven allen uit, en met de hand wenkend
') Zonderling genoeg spreken de vischvrouwen elkander dikwijls met „jongensquot; aan.
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
voegde zij er bij: „Wacht nou even, we motten nog centen hebben voor een nieuw juk; allo, jongens, ieder een paar spiesen 1), dan krijgt Da alles weerom. Op zij! daar komt de diaken met de bus. Kollekte assieblieft voor de gemeente !quot; En met een melkkan, die zij van een der stalletjes genomen had, ging zij, in gezelschap van een paar andere vrouwen, op de markt een kollekte houden. Iedereen werd aangesproken, tot zelfs de marktmeester en de keurmeesters moesten een kleine bijdrage geven, want, zei Truitje: „jelui verdienen er toch ook je brood door, en al is Da maar een klein klantje voor den afslag, ze betaalt haar marktcenten net evengoed als een ander.quot;
Met stoïcijnsche kalmte bleef de koliektante staan voor deze of gene, die geen lust toonde om iets af te schuiven; dan schudde zij haar kan op en neer, zoodat de centen er in rammelden en zei doodleuk: „Komaan! ik heb geen uren den tijd; geef op je centjes. Als je nog langer wacht, moet je dubbel geven; dat wascht 't water van de zee je niet af.quot;
Dank zij haar vasthoudendheid en doortastende maatregelen, gaf iedereen, die zij er toe bekwaam achtte, een kleinigheid, en toen eindelijk de melkkan in Daatje's voorschoot werd omgekeerd, was de inhoud meer dan voldoende om een nieuw juk te kunnen koopen.
Wanneer Lange Truitje niet een steunpilaar der markt was geweest, die algemeen een zekere achting en aanzien genoot, zou 't met de kollekte misschien niet zoo voordeelig en snel zijn gegaan; maar nu gaf de eene uit medelijden, de andere omdat zij niet anders durfde, want Truitje was een vrouw, die gewoonlijk goed bij kas, zonder hooge rente, geld voorschoot aan haar, die het noodig hadden.
De geldschieters en -schietsters onder de vischverkoopers zijn anders met geen kleinigheid tevreden; gewoonlijk zetten zij hun kapitaaltje dagelijks tegen een stevige rente uit; meestal ontvangen zij voor ƒ i,'s morgens uitgeleend,'s avonds /1.15, soms zelfs/1.25 terug.
79
Welk een woekerwinst! denkt men onwillekeurig, en inderdaad, 15 of 25 pet. per dag is geen te versmaden interest; maar toch geven de geldopnemers overgaarne die winst, omdat zij, juist door dat geleende geld, in staat worden gesteld
') Centen.
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
hun brood te verdienen. Zij zouden immers niet, zooals anderen, aan den afslag op krediet kunnen koopen. „Boter bij de visch,quot; zegt de commissionair, en daarom zijn zij blijde, als zij van anderen, al is die dan ook wat duur, de noodige boter kunnen krijgen.
Er zijn enkele geldschietsters, die op deze wijze een aardig stuivertje hebben verdiend en in haar eigen, meestal zeer net ingerichte, woning u een menigte geschenken kunnen laten zien, die zij van de geldneemsters vóór en na de leening hebben gekregen als blijken van dankbaarheid voor de verstrekte hulp.
Zoodra de leening voor eenigszins langen tijd en tot een ietwat grooter bedrag wordt aangegaan, is het geven van geschenken een bepaalde voorwaarde — van oudsher is het zóó de gewoonte geweest, en niemand vindt er iets onzedelijks in, al is men het er ook vrij wel over eens, dat 't een zonderling gebruik is.
Niet minder vreemd is de gewoonte, aan de Amsterdam-sche vischmarkt in ïwang, dat bij de afrekening tusschen visscher en vischkooper de laatste aan den eerste eenige sukadekoeken present moet geven.
De talrijke kroegjes, tapperijen en koffiehuizen, die aan beide zijden van de vischmarkt, op Geldersche kade en Nieuwmarkt, gevestigd zijn, dienen des Zaterdags tot verzamelplaats van schippers, visschers en handelaars.
In de gelagkamers wordt afgerekend; tusschen het klinken van de glazen door rinkelen de rijksdaalders, want een schipper zoowel als een visscher heeft liever specie dan papieren geld. Als dan geheel is afgerekend, wordt er nog een borrel gepakt, als zegel op de transactie, en vereert de betaler den visscher of botterman met een hoeveelheid van twee tot vier groote sukadekoeken, al naarmate de afrekening grooter of kleiner was.
Tusschen negen uur en halftien begint de eigenlijke verkoop van visch aan de banken op de markt.
Het eêlste wat de wateren bieden, ligt daar uitgestald om den lekkerbek te doen watertanden. Hebt ge zooeven het proletariaat van onze vischmarkt met een bezoek vereert, zie dan nu ook eens naar de aristocratie, de fine fleur van de verkoopsters en verkoopers. *
Keurig netjes, onberispelijk helder zijn de muts en het jak, dat de meestal bevallige, soms wulpsche rondingen der goed
8o
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM. 8l
gevoede vrouwen omhult, die als vischvorstinnen achter haar banken troonen; trotsche voldoening over de puike waar blinkt uit haar oogen, zij bedienen immers de hotels en de voorname huizen; zij voorzien den disch van den rijke met het keurigst zeebanket.
„Dat is geen spek voor je bekquot;, zegt de eigenares van een aantal groote tarbotten tot een burgerman, die er watertandend naar kijkt. „Dat's voor den rijkdom, vader! Hij kost veertien gulden, ja! dat's geen kleinigheid; maar zie je, als Krasnapolsky of 't Amstel-hotel komt, dan is hij in een ommezien geblazen.quot; En haar oog liefkoost vriendelijk die gevinde ƒ 14. De meeste hoteliers zenden hun afgevaardigde naar de markt om inkoopen te doen. Die inkoopers dalen niet af tot den steiger. O, neen ! zij willen voor de table d'hote het beste en fijnste hebben wat te krijgen is, en om dat te erlangen, moeten ze bij de bekende grootheden van de markt zijn. Geen wonder dus, dat die erkende vischaristocraten, bewust van haar waarde, zich niet zóó laten afdingen als het „mindere volkquot;, dat gemeenlijk genoegen neemt met een klein deel van hetgeen zij vorderen : „'k Vraag een fatsoenlijke prijs voor een fatsoenlijke vischquot;, zegt de dikke eigenares van bovengenoemde tarbot, „en overvragen doe ik niet. Wil je niet geven wat ik hebben wil, dat's minder, daarom even goede vrienden.quot;
Toch is dat, „even goede vrienden,quot; niet altijd waar; daarvan zou een mijner vrienden kunnen meepraten, die op een ochtend, in gezelschap van zijn zoontje, kennis maakte met de radheid van tong en de lichtgeraaktheid van de élite der markt. Als braaf en gezeggelijk huisvader had hij aan zijn eega beloofd, zelf eens te gaan zien naar een flinken kabeljauw; een visch, die door de vakmenschen, wanneer hij goed is, met den naam van „seuïgquot; of „effetief dillekaatquot; wordt geprezen. De goede, bezorgde huismoeder had hem, vóór hij zijn schreden naar de markt richtte, nog deze les medegegeven: „Karei! denk er om, ze overvragen gruwelijk, je moet altijd één derde bieden van 't geen ze willen hebben; dat's meer dan genoeg.quot; De gehoorzame man en vader ging met zijn zoontje, een ventje van een jaar of negen, op weg, vervuld van het aangename vooruitzicht op een gestoofden kabeljauw met schijfjes citroen en notemuskaat.
Met het knaapje aan de hand, wandelde hij langs de uitstallingen en vischbanken, nu en dan tersluiks een blik werpend
6
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
op het krimp-gesneden zeeooft, dat van alle banken hem verleidelijk toelachte.
„Morgen meheer! al zoo vroeg aan den wandel?quot; riep hem een zwaarlijvige matrone, van achter haar bank, toe, terwijl ze met haar mes een moot zalm van het stukje bloed, dat zich altijd aan de graat hecht, ontdeed. „Uwee is er knappies bijtijds bij — en de jongeheer ook al zoo vroeg opquot;, vervolgde zij, en om het hart van den vader stormenderhand te veroveren, riep zij tot de naast haar resideerende vrouw: „O, Wimpie! kijk ereis wat een hondje van een jongetje die meheer daar aan zijn hand heit. Nou meheer, uwee mag wel grootsch op hem wezen; wat een lief mannetje. He! jongeheer, lust uwes ook graag visch? Kom ereis hier schatje, dan zal je van mijn een paar aaltjes hebben, om in een kommetje met water te laten zwemmen, daar! kijk ereis wat 'n lieve beessies, — nou mot je aan je moessie om een beetje water vragen, hoor! en dan doe je er van tijd tot tijd een paar stukkies rauw vleesch in, lievert! dan blijven de aaltjes gezond.quot;
Vóórdat de vader het recht wist, had het knaapje zijn handjes vol glibberige alen, en spartelde in den zak van zijn overjasje een miniatuur-scholletje, dat, naar lucht snakkend, tusschen de aal-zoo had gelegen. „En mot uwee nou geen lekkere seuïge kabeljauw? Als ik in uwes plaats was, zou ik er mevrouw ereis mee verrassenquot;, zei de welbespraakte koopvrouw verder en tilde een prachtigen visch aan de kieuwen omhoog.
Mijnheers oogen begonnen te glinsteren, onbestemde voorgevoelens van groote ziltige schilvers, in boter en mosterdsaus gedompeld, kwamen in hem op, en met een kennersoog den visch bekijkend, vroeg hij: „Wat vraag je er voor?quot;
„Omdat uwee het is, zestien kwartjes!quot;
„Een derde gedeelte van zestien is ongeveer vijf en een derde kwartje, ergo iets meer dan één gulden vier en dertig cent — laat ik royaal zijn en een daalder bieden,quot; dacht mijnheer en zei daarom: „Er zal wel kwaad geld bij wezen, vrouwtje; ik geef je zes kwartjes — één daalder.quot;
De koopvrouw werd plotseling rood van kwaadheid; ze blies zich op als een pad, nam haar klant van het hoofd tot de voeten op, lachte spottend en vroeg: „Och kom, wou uwee voor een daalder een kabeljauw eten? Wel, wel! uwee is
82
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
ook niet van gisteren. Heeft uwes moeder meer zulke kindertjes ? Meent uwee dat; zes kwartjes?quot;
De verblufte kooplustige heer knikte met het hoofd.
Zonder met hem verder in woordenwisseling te treden, riep de vischvrouw met luider stemme: „O, Naas! O, Kee! O, Stijn! kom ereis hier en kijk me die mehecr, met dat kleine wurm aan z'n hand, ereis an; die wil kabeljauw eten voor z;es kwartjes; je zou je bedoen! Nee, meheer! Ga maar gerust naar moeder en zeg, dat 't mis is. Uwee eet vandaag geen visch, dat ken je van mijn op een pampiertje krijgen. Als uwee ereis weer dezen weg uitkomt, kom dan vooral weerom assieblieft; misschien heb ik dan wel weer kabeljauw, en misschien eet uwee hem dan weer niet. Dag, meheer, je welwezen, hoor! kompelement aan mevrouw. Wil ik hem soms ook nog schoonmaken en thuis brengen voor dien daalder? Uwee mot maar net persies zeggen, zooals uwes't hebben wil. Dag, jongeheer, — dag, broekie! Hou je aaltjes goed vast en geef ze thuis aan je moessie; misschien stooft zij ze wel: dan eet je je buikie ook ereis rond, hoor wurm! Een daalder voor een heelen kabeljauw; meheer wil z'n eigen ongelukkig maken!quot; gilde de zich meer en meer opwindende vrouw. „Een daalder, 't is om je te begillen! Dag, meheer! wel t'huis, bestendige gezondheid, en bij gelegenheid assieblief. Kom uwee vooral weer bij mijn, als uwes wat noodig heit; 'k zal vast een zootje katvisch voor uwe bewaren. Dag, jongeheer! — o, Naas! o. Trui! o. Bet! laat meheer assieblieft ereis uit!quot;
Mijn vriend was dadelijk na het begin der uitbarsting langzaam opgewandeld en dankte den hemel, dat hij den uitgang der markt had bereikt, vóórdat de dames Naas, Trui c. s. hem hadden kunnen „uitlaten.quot;
Nu was hij er nog goed afgekomen; maar wie weet wat hem boven het hoofd had gehangen, als hij hetzelfde bod op „den steigerquot; had gedaan!
Ik zou u nog kunnen vertellen, hoe enkele malen de markt in rep en roer geraakte, wanneer een onvoorzichtig aanspreker zich te dicht in de nabijheid der visch-feeën had gewaagd. Oorverdoovend klonk dan een somber „krae! krae! krae!quot; uit al die vrouwenkelen, en rijk versierd met ingewand, grom en visch-afval aan lamfer en steek, zocht de bidder, zeer verstandig, zijn heil in een overhaaste vlucht, terwijl men
83
OP DE VISCHMARKT TE AMSTERDAM.
hem, als uit één mond, het woord „dooienverklikkerquot; of „lijkenpikkerquot; naschreeuwde.
Ook over „'t in de maling nemenquot; van dezen of genen Bacchus-vriend, die 's morgens vroeg al een „bromquot; inhad, zou ik nog kunnen spreken, maar 't is onnoodig; iedereen, die meer van de vischmarkt wil weten, kan zich van alles op de hoogte stellen, want eiken morgen, 's zomers te vijf ure, in het najaar om zes en 's winters om zeven uur, geven de leden van het St.-Pietersgild op de groote Amsterdamsche vischmarkt een voorstelling,
„Vermaecklijk om te sien,
En nuttigh om te leeren,quot;
waar iedereen, die oogen heeft om te zien en ooren om te hooren, gratis wordt toegelaten.
84
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
't Is lang na middernacht, op straat is alles rustig en stil geworden: in de uren tusschen middernacht en 't aanbreken van den dag slaapt bijna iedereen in Amsterdam.
De Nieuwmarkt, voor een paar uren nog vol drukte en rumoer, ligt nu verlaten en eenzaam, en de brandende gas-lantarens beschijnen flauwtjes de over elkander gelegde schragen der uitstallingen en de geraamten der kraampjes, die, in den loop van den avond, verlicht door walmende petroleumfakkels, een drom van kooplustige Zaterdagavondklanten om zich heen hadden verzameld.
De dikbewolkte, donkere lucht, schijnt de spitse torendaken van de St. Anthonieswaag, die zwaar en log in den nacht oprijst, te naderen en slechts nu en dan, als de wind de wolken uiteenjaagt, werpt de maan een bleek schijnsel over de modderige straat.
Een man, met een dikke duffelsche pet over zijn ooren en voorhoofd getrokken en den kraag van zijn jas zoo ver mogelijk omhoog, zoodat de punt van zijn neus 't eenige zichtbare deel van zijn gelaat is, loopt haastig langs de donkerste zijde der Nieuwmarkt. Hij vermijdt zooveel hij kan de lichtkringen der lantarens en schrikt enkele malen even op, als angstig voor 't geluid van zijn eigen voetstappen ; achter een pothuis in een zeer donkeren hoek verschuilt hij zich een oogenblik, omdat hij naderende schreden hoort. Hij houdt den adem in, en als de dienstdoende politie-agent hem in den voorgeschreven pas op eenigen afstand voorbij is gegaan en hij diens regelmatigen tred niet meer verneemt, vervolgt de man zijn weg.
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
Plotseling is hij verdwenen, — als verzonken in den grond, verzwolgen door de duisternis.
In waarheid is hij snel en behendig het achttal steenen treden afgegaan, dat naar den beruchten dievenkelder „De Kemphaantjesquot; voert.
't Is pikdonker in dien kelderkuil; de lage deur en 't venster, van buiten met luiken voorzien, zijn goed gesloten; daarom klopt hij zachtjes aan en wacht.
Men schijnt daarbinnen nog te slapen, want alles blijft stil. Nogmaals kromt hij den voorvinger en herhaalt zijn kloppen ; Tik-tikketiktiktik! Nog een kleine poos staat hij in 't duister van de keldertrap verscholen, dan wordt zacht en behoedzaam de deur geopend, een paar woorden over en weer gefluisterd — en de man is in één oogwenk binnen.
„'k Most je eigenlijk niet meer inlate, 't is te laat,quot; zegt met schorre stem een kleine vrouw, die, terwijl ze de deur weer op 't nachtslot doet, er bijvoegt: „Ik hoorde al aan „de klopquot; dat jij 't was. Voorzichtig! trap niet op de jonges — d'r legge d'r verscheië — ik wil hier nou geen licht ansteke, d'r kon d'r es een je zien. Pas maar 'n beetje op, je weet de weg.quot;
Behoedzaam gaat Leen, zoo heette de vrouw, tusschen de op den grond liggende menschen door, en de man volgt haar op den voet naar den achterkelder, die flauw verlicht is door een kleine lamp.
Daar gekomen zegt hij bijna fluisterend: „Ik mot onder dak van nacht, en as ze hier mochte komme en na me vrage, dan ben 'k al van tien uur af hier — hoor ie?quot;
„Maar, Manus, je weet, dat ik met 't gemot (gerecht) niks te doen wil hebbe — ik heb m'n brood hier altijd eerlijk verdiend, zonder in handen te komme.... Maar afijn! kruip dan maar gauw in de bedstee.quot;
Terwijl de man haastig zijn laarzen uittrekt en zijn vochtige broekspijpen met een ouden rooden zakdoek zooveel mogelijk afdroogt, antwoordt hij: „Gekheid, Leen! Ze hebbe me, geloof ik niet eens geschote (gezien), maar je kan er nooit van op an: die grandiggers (politieagenten) hebben nou eenmaal eéns (achterdocht) op me en 'k heb geen lust om voor niemendal de baiës (gevangenis) in te gaan. — Heb je niks te drinke? — 'k Verga van de dorst.quot;
Leen kijkt met de armen over elkaar naar den nog jongen
86
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
man, die zijn natte jas samenvouwt, haar zoo ver mogelijk onder de bedstee duwt en dan, zonder zich verder van zijn kleederen te ontdoen, onder de wollen deken kruipt.
„Zeg, heb je niks?'
„'N kom kouwe koffie.quot;
„Geef maar op, — gauw dan!quot;
„'k Ben toch eigelijk mal dat 'k 't doe, maar — ik heb nou eenmaal zwak op je, omdat je zoo op m'n dooie jonge lijkt; anders kreeg je die bedstee ook niet en . . . .quot;
„Zeur niet, ouwe; geef op je koffie!quot;
„Nou, daar dan!quot;
Leen, die intusschen een kom koffie heeft ingeschonken, reikt haar Manus toe, die, na begeerig te hebben gedronken, met de lippen smakkend zegt: „Zoo! m'n tong zat vast, hè! —• Hei je geen slokkie?quot;
„Nee! — Ga nou ligge; ik mot ook slape.quot;
„Nou! dan niet.quot; Manus geeft de kom terug en draait zich brommend om.
Met de lamp in de hand gaat moeder Leen — „de jon-gesquot; (haar gasten) noemen haar zóó — naar den voorkelder, waar een kleine kachel staat, die nog lauw warm is, houdt de hand tegen de roestige kolom en pruttelt in zich zelve: „Bijna koud, hm!quot; Zij zet de lamp boven op de kachel en keert weer terug naar den achterkelder.
„Wat mot je?quot; vraagt Manus uit bed.
„Waar is je pet? Die is immers drijfnat!quot;
„BI—ksems! die had 'k vergete, die heb ik nog op. Daar, pak an — droog 'm.quot;
„Droog 'm! Droog 'm! — Ja! je heb maar te kommedeere.
— Och! 'k ben mal dat 'k zoo'n idee voor 'm heb, — maar ik kan d'r niks an doen,quot; bromt „moeder Leenquot;, terwijl ze met de natte pet in de hand weer naar voren gaat. Zij houdt haar tegen de kachel, en daar die geen warmte meer geeft, neemt ze de lamp, zet haar op den grond, knielt er bij neer en beweegt de pet zachtjes boven het glas heen en weer.
Terwijl zij dat doet, pruttelt ze binnensmonds: „Droog 'm! — 't is asof ie de koning is — Och! Och! wat lijkt ie toch op Hannes, die zou nou ook net zoo oud zijn geweest.
— 't Helpt niks bove die lamp. — Dat zoo'n jonge ook most sterreve — hm! 't Was anders 'n kostwinner voor me geweest. Nou mot ik op m'n ouwen dag alles nog zelf doen.
87
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
— Godvergeefme wat is dat ding nat: de damp slaat er af.
— Ze zouë 'm juist snappe door zoo'n natte pet!quot; Eensklaps richt zij zich op, neemt de lamp in de hand, houdt haar omhoog en ziet naar de slapende mannen, die om haar heen liggen.
„Hoe ken 'n mensch zóó stom weze,quot; zegt ze in zich zelf, „dat 'k 'r niet eerder op zon? Pette genoeg!quot; Voorzichtig nadert zij een der slapers, die voorover met het hoofd op de armen ligt, neemt hem zachtjes een ongeveer gelijksoortige pet van 't hoofd en legt die van Manus behoedzaam daarvoor in de plaats.
„Daar hei je 'n andere. Is je broek droog genoeg?quot; zegt ze fluisterend, als ze de bedstede nadert; maar Manus, die reeds half in slaap is geraakt, schrikt door die woorden en zit eensklaps recht overeind, terwijl hij zegt: „Wat weerlicht, laat me toch met rust! — O, zoo! was 't voor m'n pet ? Dankie! 't is goed; ruk nou maar uit!quot;
Moeder Leen gaat hoofdschuddend naar den voorkelder terug, zet de lamp weer op de kachel, strekt zich uit op een stroomatras die er naast ligt en dekt zich toe met een katoenen deken en een paar rokken.
In „De Kemphaantjesquot; is weldra alles in rust.
't Is een naargeestig verblijf die dievenkelder, maar toch nog beter dan de sjofele baiës (gevangenis), denken de gasten van Leen, die meestal langer dan hun lief was met de cel ■of de gewone gevangenissen van Leeuwarden en Hoorn hebben kennis gemaakt en voor het meerendeel, wanneer ze pas ontslagen zijn, geen werk hebben of 't niet kunnen krijgen.
Moeder Leen is geen verknoeister (verraadster), zij is een leepeneut (slim wijf), die als het noodig is bijtijds weet te zeggen: „Schof je voor de grandiggers (pas op! de politie komt)quot;, betuigen de gasten die haar schaftkelder bezoeken; en al is zij ook, zooals zij zelf zegt, op goeien voet met de verkleffers (rechercheurs), zij is gif (slim) genoeg om niet meer te zeggen dan noodig is. Zij heeft goede jenever, schenkt groote borrels en geeft koffie, brood en gebakken visch voor weinig geld.
In „De Kemphaantjesquot; is altijd een onderkomen te vinden, natuurlijk voor geld en goede woorden; maar ook dan, wanneer de ontslagen boef zijn uitgaanskas verteerd heeft en
88
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
zonder middel van bestaan rondzwerft, vindt hij bij Moeder Leen nog een wanne kachel en een kom koffie, op voorwaarde dat hij later, wanneer hij weer smiesen (geld) heeft, haar inrichting niet voorbijgaat.
Wat Lean's persoonlijkheid betreft, menigeen, die haar zag, zou niet gelooven, dat zij eenmaal een knappe jonge meid was, aan wie veel zal vergeven worden, omdat zij veel heeft liefgehad.
Zooals zij er nu uitziet, doet zij eer denken aan een kleinen, bruingebakken schippersknecht, die uit aardigheid een vrouwenrok aangetrokken en een muts opgezet heeft.
Haar gewone dracht is een roodbaaien mansborstrok met witte knoopen en lange mouwen, die zij gewoonlijk een eind omslaat, zoodat de dorre stokkerige armen gedeeltelijk zichtbaar zijn. Verder draagt zij een zwarten rok, grijze kousen en lage leeren schoenen of muilen. Een muts van niet te bepalen kleur bedekt haar hoofd en 't zwarte, hier en daar reeds vergrijsde haar, dat er achter uithangt, is allesbehalve sierlijk gevlochten of opgemaakt.
Wanneer zij de straat opgaat, — iets dat zelden gebeurt, — slaat zij over haar borstrok een grauwen omslagdoek en daarmede is haar uitgaanstoilet voltooid.
Er zijn voor haar meer redenen om thuis te blijven dan om uit te gaan, want gewoonlijk is haar kelder, zoowel bij nacht als bij dag, vol bezoekers, die bediend moeten worden, maar daardoor heeft zij ook altijd genoeg gedienstigen, die voor haar willen halen of bestellen wat zij noodig heeft.
Al zijn het voor het grootste deel ontslagen, gewezen of nog klimmende ridders (stelende dieven), die zij in haar dienst heeft, zij wordt beter en eerlijker bediend dan menige dame.
Moeder Leen bestelen! 'tzou immers geen rechtgeaarden boef ooit in de gedachte komen, evenmin als het Leen zelf zou invallen om — al was het ook maar een halven cent — af te nemen van het geld dat de heeren bezoekers haar op hun beurt toevertrouwen.
Zij is echter volstrekt geen saroespeelster (heelster); gestolen goed, ten minste als zij 't er voor houdt, komt nooit in haar kelder, en geld bewaart zij alleen voor „jongesquot;, die links hebben gegaan (gezeten hebben), pas weer buiten (vrij) zijn en een uitgaanskas hebben.
Lezen of schrijven kan zij slechts uiterst gebrekkig, maar
89
IN DE „KEMPHAANTJESquot;.
rekenen uit het hoofd doet ze opperbest; ze weet precies wat „de jonges dokke mottequot;, en onbegrijpelijk juist houdt zij al die conto's uiteen — met een stukje krijt en eenige hieroglyphen op een lei.
Aan de meesten bewijst zij daardoor een groote weldaad; want blijven „de jongesquot; er zelf meester over, dan ontmoeten zij gewoonlijk al zeer spoedig den een of anderen ouden schoolkameraad (gevangenismakker), die hen in een paar dagen dat duitje helpt opmaken. Bewaart moeder Leen daarentegen de philippes (het geld), dan gebeurt het meermalen dat het sommetje zoo lang strekt, totdat de eigenaar de een of andere betrekking of werk gevonden heeft.
„Breng 't maar gerust bij mijn,quot; zegt zij, wanneer zij op haar praatstoel komt; „ik weet wel hoe jelui er voor geploeterd hebt en dat 't niet alles is om 't in de lik (gevangenis), te verschere (verdienen), — 'k weet er alles van. Mijn goeie man zaliger heit ook vier jaar ziek gelege (gezeten) en toen ie weer thuis kwam, bracht ie honderd dertig guide mee. Ik heb ze direk onder me genome en daardoor hebben we d'r toen een stand voor kenne koope; daar hebbe we met Gos hulp een eerlijk broodje in verdiend. Zie je, mijn man was 'n goeie lummel, maar as ie 'n slokkie ophad, was ie 'n duvel. Ze hadden 'm op de groenmarkt getergd, en toen heit ie z'n baas een por gegeve, die raak was.
„Niet dat ie 'm met opzet pijger (dood) wou make. — och God nee ! hij was altijd 'n kalf van 'n vent, en toen ie hier in de affaire was en ik 'm onder m'n ooge had, geen kwestie hoegenaamd, — nooit niet, met niemand, hoor! En ie is erg godzalig gestorve, — hij had 't in Leeuwarde al op z'n borst gekrege. 'k Heb 'm netjes late begrave, en later m'n goeie Hannes ook; die leit naast z'n vader. — Jézes! Jézes! dat was zoo'n jammer. As die jonge maar was blijve leve, dan zat ik hier nou niet, waarachtig niet! want ik had 'm alles late leere! leze, schrijve en timmere. Hij was al jongmaatje. Ja! da's 'n nagel an me doodkist. Wat hei je er nou an, dat je zoo'n jonge altijd uit de weg heit gehouwe — 'k heb 'm bij m'n nicht late grootbrenge; 'k wou 'm hier niet hebbe — vat je? Zonder iemand «te affronteere, maar voor 'n jonge, die gif (slim) is, was hier te veel te hoore, en och! al had ik 'em nou ook onder m'n eige ooge, — zoo'n knaap kan je niet an 'n lijntje houwe.quot;
9°
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
Wanneer „moeder Leenquot; die woorden: „Onder m'n eige oogequot; zei, wekte ze zelfs geen enkele maal den lachlust van haar gasten op, al klonken ze ook zeer boud van de lippen eener kleine vrouw, want in moeder Leen was het spreekwoord : „Klein maar dapperquot; belichaamd. Haar gelaat was rimpelig, tanig en oud, maar uit haar kleine, gitzwarte oogen straalde nog een krachtige wil, en wanneer zij, de lippen samenknijpend, met gefronste wenkbrauwen den een of ander aanzag en zachtjes het hoofd schudde, behoefde zij geen woord te uiten om aan den gast te doen verstaan, dat zij niet over hem tevreden was. Zij wist zich te doen gehoorzamen en menige boef had meer ontzag voor dat zwijgend hoofdschudden van moeder Leen, dan voor de strenge woorden en blikken van commissaris van politie of rechter. Als Leen zei: „Jij hebt genoeg, ouwe jonge, voor jou loopt 't kraantje niet langer,quot; dan was er ook geen borrel meer van haar te krijgen, en niemand zou ooit haar waarschuwing: „Ze hebben je in de glimmerikke (in de gaten), — verkrummel je (maak dat je weg komt)quot; in den wind slaan; men wist immers, dat zij hart voor haar klanten had en nooit valsch alarm maakte.
Er was onder „de jongesquot; geen enkele, die, wanneer hij nuchter was, niet zweeg, als zij kalmpjes aanmaande: „Hou je koest, ventje!quot; Had de vermaande een borrel op en zocht hij ruzie of begon hij te vechten in huis, dan zei de tapster eenvoudig: „Och jonges, licht jelui een van alle die krabbe-daaier (vechtersbaas) ereis eve bij. In „De Kemphaantjesquot; mag geen ruzie weze.quot;
Dadelijk waren twintig handen, voor één, gereed om zoo'n weerspanneling de trappen „op te gooienquot; naar de straat. Als moeder Leen glimlachend en met een soort van kushand zei: „Dag, beste jonge, — frisch buite eerst 'n beetje op en kom dan maar weerom, as je zoet bentquot;, — mocht de oproerling terugkomen; maar zette zij de handen in de zijden en riep zij hem na; „En jij komt er nooit weer in, knaapie!quot; dan was die uitgeworpene ook voorgoed verbannen, — want Leen had maar één woord, één besluit, waaraan geen verwikken of verwegen» was.
Zoo bleef zij heerscheres in haar kelder, — gehoorzaamd door velen, beschermd door de meesten en ontzien door allen.
91
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
Alles slaapt in „De Kemphaantjesquot;; de half uitgedraaide lamp, die op de kachel staat, verspreidt een flauw licht, nauwelijks voldoende om de op den grond uitgestrekt liggende gestalten te kunnen onderscheiden.
't Is rustig in den dievenkelder; slechts 't snurken van een paar mannen en het ■ regelmatige tikken der kleine klok, die naast het zoogenaamd buffet hangt, breekt de stilte af.
Ook buiten op straat is 't nog nachtelijk eenzaam en doodsch; enkele malen klinkt, ver verwijderd, 't doffe geratel van een wagen, of een luide voetstap in de onmiddellijke nabijheid; dan wordt 't weer stil.
Heel in de verte blaft een hond, als waarschuwend; niemand hoort het, allen slapen voort, totdat een laid en kort kloppen op de deur van den kelder moeder Leen en een drietal van de „jongesquot; doet ontwaken.
„Doe open,quot; klinkt het bevelend van buiten.
Haastig werpt Leen de deken van zich af en wrijft zich de oogen; zij luistert met vooruitgestrekten hals, en zachtjes zegt een van de mannen tot den naast hem liggenden kameraad: „Dat 's de soemkoef (politie); semeij amge (pas op).quot;
„Waarvoor?quot; fluistert de andere terug. „Ze maken mijn niks; laat ze, voor mijn part, komme knijse (kijken).quot;
Intusschen is moeder Leen opgestaan en met de lamp in de hand naar de deur gegaan.
„Doe open! Politie!quot; klinkt het nogmaals, en als zij de deur opent, staan drie agenten-rechercheurs, in burgerkleeding, voor haar.
Door den kouden luchtstroom, die binnenkomt, gaat de lamp uit en heerscht er een oogenblik volslagen duisternis in den kelder.
De politiedienaren hebben, zoodra zij binnen zijn, de deur achter zich gesloten.
„'k Zal dadelijk licht make, heere,quot; zegt Leen en grabbelt in den zak van haar rok naar het doosje lucifers, dat zij steeds bij zich draagt.
„Doe 't maar op je dooie gemak an, moeder Leen, we zullen ons wel redden,quot; antwoordt een der politieagenten, die meteen van onder zijn jas een dievenlantaarn te voorschijn haalt.
Als hij de klep daarvan opent, valt de sterke lichtstraal plotseling op een bleek, ontdaan en vermagerd gelaat, dat, als
92
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
uit den grond opgerezen, met verschrikte, wijd geopende oogen, de dienaren des gerechts aanstaart.
De rechercheur bukt zich, houdt zijn lantaarn vlak voor den man, die zich, spookachtig verlicht, half heeft opgericht, en vraagt:
„Wie ben jij, hoe heet je ?quot;
„Ik — meheer! — Ik? — 'k Hiet Piet Meijer.quot;
„Zoo! Sta ereis op, laat je eens kijken! — Wat doe jij voor den kost?quot;
„'k Ben nooit in hande geweest. — 'k Loop op 'n sjouwtje aan de markt, meheer!quot; 's Mans stem beeft als hij antwoordt.
Achter uit het duister klinkt onderdrukt lachen en een van „de jongesquot; fluistert een ander toe: „Die is nog job, (onnoozel), hoor!quot;
Moeder Leen heeft inmiddels haar lamp weer aangestoken en trekt den rechercheur zachtjes aan de mouw, terwijl ze halfluid zegt: „Dat 's een nieuweling, nog erg nuchter, 'n kalf van een jonge: hij doet links geen kwaad, maar 't is een schoremerd (armoedige man), een zwerver. — Wien mot jelui hebbe?quot;
„De blauwe!quot;
„De blauwe? Nee maar, nou wou 'k je wijzer hebbe, die is hier al in geen veertien dage geweest; dat weet jelui net zoo goed als ik.quot;
„Zoo, zou je denken?quot;
„Wel ja, jelui zou niet wete, dat die teugeswoordig op de Looiersgracht bij Willems komt.quot;
„Wel mogelijk ; maar we zullen toch maar eens even kijken, moeder.quot;
Leen haalt de schouders op en zegt in zich zelf: „Ja, zezelle de blauwe zoeken! 't Zal wel een ander weze — die foef is te oud,quot; en luid: „Nou ga je gooi, heere!quot;
Het meerendeel der slapende mannen is ontwaakt en ziet nieuwsgierig naar de politiedienaren, die met hun lantaarn de overige slapers, of hen die zich slapend houden, vlak in 't gelaat lichten. Leen, met de lamp, volgt hen op den voet, onophoudelijk pratend.
„Dat's ouwe Jan, een goeie kennis, heere! — Dien krijg je niet bij z'n posetieve, die heit 'm erg om van nacht. — Zeg, Jan!quot; zij schudt hem bij den arm, „word ereis wakker, maat; d'r is visite!quot;
93
IK „DE KEMPHAANTJES
Jan is een oude boef, die bijna dertig jaren van zijn leven in verschillende tuchthuizen heeft doorgebracht. Hoewel hij met planeetlezen en kaartleggen vrij goed zijn brood verdient, raakt hij toch van tijd tot tijd door 't drinken, dat hij niet laten kan, zóó aan lager wal, dat hij geen kamerhuur kan betalen en dan, uit oude vriendschap, bij moeder Leen een onderkomen vindt.
„Jan de profeet is niet te spreken,quot; zegt grijnzend een naast hem op den grond uitgestrekt man, die op zijn ellebogen steunend, de rechercheurs onbeschaamd, uitdagend aanziet en knipoogend tegen 't schelle licht uit de lantaarn, hun toevoegt: „En an mijn is van nacht ook niks voor jelui te verdienen; 'k ben een eerlijke jonge.quot;
„God laat je gezond, heere! — Ik ook,quot; grinnikt een ander, die op een stoel tegen den wand geleund zit. „'k Heb las van zeere oogen en dat lich is zoo fel; doe 't weg assieblief! Uwe ken me toch wel ? 'k Mot morge ochtend 'n paar ossies hale; 'k bin ouwe Sam; 'n goeie kennis, heere! 'n Sjofele dalfenoor (arme drommel), maar eerlijk as goud.quot;
„Wacht jelui beurt maar af,quot; antwoordt als terloops de agent, die intusschen een gast, die met het hoofd op de armen voorover ligt, bij de schouders neemt en omkeert.
„Jij schijnt al heel erg vast te luimen (slapen) kameraad!quot; — 't Licht valt nu geheel op 's mans gelaat en de politiedienaar ze^t eensklaps; „Moeder Leen, dat 's zeker 'n vreempje, he?quot;
„Ja, ik ken 'm niet; maar 'k geloof, dat ie ook mooi zalig is: hij geeft ten minste geen aasem.quot;
„Wat ie gelijk heeft! — Kom! vrind, hou je nou maar niet zoo suf; jij bent onze man — jij bent „Schorre Dorisquot; en we zullen jou meenemen. — Sta maar eens gauw op en... quot;
Plotseling springt de schijnbaar stomdronken man op, slaat den rechercheur de lantaarn en Leen de lamp uit de hand en is in een oogwenk bij de straatdeur, maar — die deur is gesloten en de agent, die er bij op wacht staat, is pootiger dan „Schorre Dorisquot; verwachtte.
„Dat's eeuwig verdomd stom van je,quot; roept Leen en die lamp zal ik je laten betalen; wacht maar, je komt toch weer bij me terecht!quot;
„Wat 'n gammor (ezel)!quot; zegt ouwe Sam en schouder-
\ 94
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
ophalend voegt hij er bij: „Daar is makkes (ongeluk) voor 'm an, hoor je.quot;
De lantaarn is blijven branden en bij haar licht zien de overige „jongesquot; aan, hoe na een korte worsteling „de Schorrequot; door de drie agenten wordt overweldigd en gepaternosterd (geboeid). Wel uit deze en gene binnensmonds een vloekof sist een: „Verdomde grandiggers, bliksemsche verkleffersquot; tusschen de tanden door, maar niemand waagt het een hand uit te steken ten voordeele van den gearresteerde, die in machtelooze woede zijn geboeide polsen wringt en tandenknarsend zegt: „'k Zal 't jelui later wel betaald zetten.quot;
Niemand verroert zich, want niemand weet immers hoeveel smerissen (dienders) er nog op straat staan en allen hebben reeds meermalen kennis gemaakt met het seinhorentje der politie. Zij weten, dat er tegenwoordig geen gekheid mee te maken is. Vroeger met die „wachiesquot; was 't kinderspul,quot; beweert ouwe Jan; „die had 'k allemaal één voor één in m'n zak!quot;
„Breng jelui hem maar vast naar 't Bureau,quot; zegt de eerste rechercheur, en als hij zich omkeert, om de deur voor de anderen te openen, vliegt achter uit den duistersten hoek van den kelder, een halve flesch rakelings zijn hoofd voorbij en valt rinkelend op de steenen keldertrap in stukken.
„Dat's gemeen! Wie doet dat?quot; roept Leen en met de vuist dreigend, voegt ze er bij: „Als ik snap, wie dat gedaan heit, komt ie nooit m'n kelder meer in!quot;
„Maak je niet boos, moeder,quot; antwoordt kalmpjes de politieman, die intusschen de deur weer gesloten heeft, „ik kan wel begrijpen wie me dat bakt; dat's niemendal, dat komt allemaal later terecht. — 'k Wou nog wel ereis even in den achterkelder kijken.quot;
„Naar „den blauwe?quot;quot; klinkt 't spottend terug.
De rechercheur haalt even de schouders op en Leen grinnikt: „Dat zei 'k maar om te dolle; je begrijpt toch wel, dat 'k er alles van snapte? — Zeg wie mot je nou nog hebben? Er zit niks meer, hoor!quot;
Wanneer op dat oogenblik de politieman moeder Leens gelaat oplettend had kunnen gadeslaan, zou hij er een onmis-kenbaren, kleinen trek van angst, die echter dadelijk voor een listige uitdrukking plaats maakt, op hebben gezien, als zij vervolgt: „Je kan me een groot pleizier doen, meheer!quot;
95
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
„Zoo. Waarmee?quot;
„Och, ik heb teugenswoordig zoo'n last van die Manes; hij leit weer voor mirakel in de bedstee, al van gisterenavond halftien af.quot;
„Manus? Wien bedoel je?quot;
„Nou, zeg! je zou Manes niet kenne, die jonge van me zuster uit de Boomstraat. O, mens! ik heb zoo met 'r te doen; die jonge is iedere dag, die God geeft, schandalig in de olie en of we 'm nou al zegge: Manes doe 't niet; hij geeft er niks niet om. Als uwe 'm nou reis wou beduië, dat ie z'n eige betere mot, want dat 't anders verkeerd loopt, dan ...quot;
„Wel zeker! 'k heb daar tijd om zoo'n kerel onderhanden te nemen.quot;
„Kom zeit uwe 'm maar 'reis 'n hartig woordje; om ons geeft die beroerde jonge geen steek. Kijk daar leit ie in bed,quot; en Leen heft de lamp iets hooger. „Ik heb 'm uit barmhartigheid maar in de bedstee geprakkezeerd, want als ie zóó op straat loopt, is ie gauw binne mikkequot; (opgepakt).
„Heb je niemand meer achter?quot; vraagt de politieman, die maar half naar Leens woorden luistert en, den slapenden Manus nauwelijks met een blik verwaardigend, met zijn lantaarn rondlicht. „Wie is dat?quot; vraagt hij, op iemand wijzend, die met zijn hoofd op de zitting van een stoel en half in de daarop staande koekepan met een restant gebakken aardappelen ligt.
„Heere Krissie! dat 's 'n mooie,quot; roept Leen verwonderd ; „die is onder z'n ete in slaap gevalle! Och, meheer! da's 'n dood onschuldige, goeie jonge! Hij heit geen thuis, weetje? Hij hobbelt 'n beetje bot aan de vischmarkt en hij was dood moei gustereavond. Zeg, Piet! je leit met je hoofd in je sepee; word ereis wakker.' En als hij doorslaapt, niettegenstaande het schudden dat Leen hem doet, zegt de rechercheur: „Laat 'm maar liggen, 'k heb hem niet noodig,quot; en gaat terug naar den voorkelder, waar de overige gasten, in afwachting wat er nu nog zal gebeuren, op den grond liggen of zitten.
„Nou heit uwe ze allemaal gezien.quot;
„Dan zal ik je groeten, moeder!quot;
„Wel thuis, meheer!quot;
De rechercheur verlaat „De Kemphaantjes,quot; en als hij vertrokken is, sluit Leen achter hem de deur.
0
IN „DE KEMPHAANTJESquot;
„Ze hadde 'm toch niet geschote,quot; mompelt ze in zich zelf, terwijl ze naar achteren gaat en .bij de bedstee gekomen fluisterend zegt; „Manes! ze benne weg! — Heeregod! wat 'n jonge; hij slaapt waarachtig echt. — Manes! Manes! — Heereallemachtig! zoo ies heb ik nog nooit van me leven bijgewoond: ik zit voor hèm in de rats (angst), en hij slaapt.quot; Zij houdt de lamp omhoog, zoodat het licht op het gelaat van den waarlijk niet onknappen jongen man schijnt en pruttelt:
„Hij denkt zeker; 'k ben hier as kind in huis. Hm! — dan heit ie toch ook 'n borrel opgehad, anders was ie wel wakker geworde.quot; Zij ziet hem nogmaals lang en oplettend aan, neemt haar lamp en gaat weer naar voren, terwijl zij zuchtend zegt; „'t Is toch persies mijn Hannes. — Eeuwig zonde, dat die jonge dood is gegaan.quot;
Buiten slaat het vier uur!
Eenigen van „de jongensquot; zijn weer gaan liggen, alsof er niets was gebeurd, en een hunner roept haar toe; „Zeg! leg nou niet langer te hannessen met die lamp. Ga liever luimen; 'tis nog geen dag.quot;
„Hou jij je gemak maar, „Schele.quot; 't Is voor mijn de moeite niet meer waard.quot;
„Waarom niet?quot;
„'t Is al over viere; over 'n uurtje mot ik toch opstaan. Maar blijf jijlui maar ligge; 'k zal water overhange, dan kan je 'n kom koffie krijge.quot;
„Nou, toe dan maar. — Hm! zeg, Leen, wist jij er van, dat ze „de Schorrequot; zouën . . . ?quot;
„Ben je mooi gek ? Dan zou 'k 'm immers wel gewaar-schouwd hebbe. — Zeg! ken je moeder Leen nou nog niet ?quot;
„Nou, maak je maar niet dik! We wete wel, dat jij niet baldovert (verklikt), — maar 't kon toch weze, dat je. ..quot;
„Nee ! zeg ik je, dat kan nooit weze! Ik mot op goeie voet blijve met de prinserij (politie), dat begrijp ie, maar 'k heb nog nooit 't bed voor jelui verschud (den boel bedorven), hoor ie?quot;
„Nou goed, hou je kop maar dicht; we binne nou klaar wakker. — Zet de lamp op tafel en geef de kaarte,quot; roept Arie, een ander, die ook geen lust meer tot slapen heeft. „De Schelequot; en ik zelle 'n pandoertje spele.quot;
97
7
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
„Daar doe jelui verstandig an, jonges; dat's beter dan met moeder Leen mot make.; 'k zou uit me humeur komme. Daar pak an, de kaarte.quot;
„As ik toch meedoe?quot; roept ouwe Sam.
„Nou! — as je niet loensch gokt (valsch speelt).quot;
„God Iaat je gezond! ouwe Sam is 'n eerlijke gabberd (kameraad).quot;
„Ja! as ie op z'n vingers wordt gekeke!quot;
„Daar heb jelui 't lampie; 'k heb nog 'n end kaars, daar zal ik 't dan wel mee rooie. — Die stomme weerlicht van 'n Schorre smijt m'n mooie groote peterléumlamp stuk. Nou lij jijlui de last 'r van. Jijlui mot zorge, dat 'k 'n nieuwe krijg, hoor!quot;
„Wij? Ben je mal?quot; roept „de Schele,quot; die de kaarten schudt.
„Wis en waarachtig; dan doe jelui botje bij botje; 'n lamp mot 'k weerom hebbe.quot;
„Sam zal d'r wel een voor je gappe,quot; lacht Arie.
„Overwat mot jij ouwe Sam voor 'n marwieger (dief) houwe?quot;
„Speel op, jood — klavere troef — en hou je waffel.quot;
„Maar as jij toch zeit, as dat...quot;
„Dat je 'n lamp gappe mot, ja! — Troef heer.quot;
„Maar bij mijn gezond! as 'k toch een eerlijke koopman ben; jijlui zouë 'n mens z'n naam slecht make!quot;
„Stik ! — Die slag is voor mijn. Nou jij, Sam.quot;
„Schoppe-drie! — Maar 'k laat me als toch niet zegge, asdat 'k een gannef ben, Schele.quot;
„Speel op — klets niet. 'k Heb 't aas.quot;
„En ik de vrouw. — 'k Heb als nooit getucht (gezeten) zie je?quot;
„Maak je niet kwaad, Sam! 't Is jou schuld immers niet, dat ze je nooit treife verschut (op de daad betrapt) hebbe. — Arie speelt op.quot;
„Jijlui hintemalochem (joden) bent te goochem, hè?quot; lacht Arie, en terwijl hij de kaarten, die hij in de hand houdt, neerwerpt, roept hij luid: „Pandoer!quot;
„Wat 'n massel (geluk)!quot;
„Ja! dat's geen spek voor jouw bek.quot;
„Wat doet Sam met spek? Onkauscher goed, ba!quot;
„Had je maar 'n half pondje, vrome man!quot;
98
IN „DE KEMPHAANTJESquot;.
„God zegen' jelui! maar je bint mooie jonges. Afijn! ik kan wat van jelui vele; Sam weet wie 'tzeit! —Daar, nou is ruite troef en ik kom uit met harte-vrouw.quot;
„Harte bij. — Zeg, Sam, geef je 'n rondje? Pandoere zonder een spaan (bprrel) gaat niet. — Leen, kom ereis hier! Geef es 'n tikkie klare; 'k heb zoo'n kinderachtige smaak in me mond. Sam betaalt!quot;
„Ik betale ? Blijf gezond, 'k heb de dalles (armoed), geen moos (geld), hoor je ?quot;
„Nou,quot; zegt Arie, „dan drinke we op de lat. Leen weet wel, dat we d'r voor geen krakertje (borrel) bedibbere zelle.quot;
„Mijn ook één,quot; roept eén stem uit 't half duister. Even omziende, lacht de Schele: „Zóó, groene Kaffer, ben jij ook nog wakker?quot;
„Ja, 'k ben zoo flauw.quot;
„Dan mot je een pietsie bitter in je piereverlakker neme,quot; zegt Arie, en terwijl hij de kaarten schudt en daarna rondgeeft, vervolgt hij: „Leen! d'r is nog een liefhebber voorjajim (jenever) — dat nieuwkoopie daar op den grond.quot;
„Nou! 'k zal jelui maar 'reis credeteere,quot; antwoordt Leen, die bij 't licht der kaars bezig is om op een petroleumtoestel water te koken. „Ik zei jelui bediene naar je staat.quot; Zij schenkt vier glaasjes vol en deelt ze rond.
't Begint te schemeren buiten; uit de verte kraait een haan, en terwijl Arie zijn borrel uitdrinkt, vraagt hij lachend; „Hoor je'm Schele ? Dat's 't haantje van den melkboer uit de Dijk-straat. 't Wordt dag. — Schoppe is troef!quot;
■99
PINKSTERBLOMMEN.
Wij schrijven Anno 1862, tweede Pinksterdag, en we bevinden ons in de Willemstraat (het gedempte vroegere Fransche pad) te Amsterdam.
't Is prachtig heldor weer; 's morgens halfvijf.
De zon is ongeveer om halfvier opgegaan en schijnt reeds vroolijk, met gouden glans, tegen de bovengedeelten der kleine huizen van de eene zijde der vrij breede straat. Aan den schaduwkant, gluren de warme stralen der zon tusschen de huizen, snijingen en gangen door; zij teekenen lichte strepen of glimmende plekken in de schaduwpartij en tintelen in de vensterruiten der tegenoverliggende huizen. Aan het einde der straat, over de Lijnbaan heen, tusschen de toppen der boomen door, die op de Schans staan, voorspelt een blauw vak lucht, aan den horizon iets lichter getint, met hoog in 't zwerk drijvende, rozeroode wolkjes, een warmen dag.
't Is een eigenaardige straat; aan beide zijden staan kleinere en grootere, min of meer vervelooze of vervallen huizen, waartusschen een paar voddenloodsen met uithangborden, die elkander in fraaiheid en oorspronkelijkheid de loef afsteken, een schilderachtig effekt maken.
Enkele huisjes zien er zoo keurig geschilderd en netjes uit, dat men haast zou willen gelooven, dat zij niet bij de andere behooren, maar door een zonderling toeval er tusschen zijn geraakt.
Vooral de woning van Jans Kersten, in de buurt als „moeder Jans de vischvrouwquot; bekend, ziet er zoo frisch en goed onderhouden uit met de wit geschilderde kozijnen en goed
PINKSTERBLOMMEN.
geoliede steenen, dat de bloemrekjes vol potten met maandrozen en andere bloemen, voor de ramen met hagelwitte gordijntjes niet noodig zijn, om aan te toonen, dat de eigenares — moeder Jans — tot de notabelen en gegoeden van de Willemstraat behoort.
Voor de donkergroen geschilderde huisdeur, met blinkend koperen knop, staat een groote tentwagen, een zoogenaamde „Jan Pleizier,quot; waarin zonder den koetsier vijftien personen kunnen plaats nemen, te wachten.
IOI
Voor verschillende woningen in de straat, ziet men kleinere
tentwagens, een char a bancs en andere open rijtuigen stilstaan. Hier en daar rijdt reeds een wagen met zijn kostbare lading mannen en vrouwen af.
't Zijn de echte „Pinksterblommenquot; die, volgens oud Amsterdamsch gebruik, op Pinkster twee gaan toeren. Sedert onheugelijke jaren behoort het tot de genoegens van den minderen man, om op dien datum, hoofdzakelijk in „de Meerquot; ') een pleizierigen dag door te brengen. Meestal worden zulke tochtjes ondernomen door gezelschappen van vrienden of bloedverwanten, die gedurende den winter „botje bij botjequot;
') quot;Watergraafs- of Diemermeer.
PINKSTERBLOMM EN.
legden, om met de feestdagen het opgespaarde geld, soms zelfs vermeerderd door de opbrengst van, voor die gelegenheid, verpand huisraad of kleinoodiën te verteren.
Vroolijke gezichten ziet men overal in de straat, voor de ramen of op de stoepen. Tronies glimmend door 'twasschen met groene zeep, glad gestreken, gekamde en geplakte haren, nog nat van 't water, dat bij 't wasschen en kappen werd gebruikt, helder witte jakken, roode linten en strikken, enkele met oranjelint en bloemen versierde hoeden, petten en mutsen toonen aan, dat iedereen zijn best doet, om er recht feestelijk uit te zien.
Lachend roepen de jongens en meisjes elkander, over en weer, spotnamen en vroolijke woorden toe; opgewekt en lustig ziet oud en jong er uit en zelfs de kinderen, die in Zondagsdos reeds over de straatsteenen stoeien, schijnen minder onhebbelijk en ondeugend dan anders.
Voor het huis van moeder Jans staat de koetsier van den tentwagen, naast den kop van 't bijdehandsche paard. Hij drinkt met smaak een kop koffie leeg, die Trijntje, de jongste dochter van moeder Jans, hem heeft meegebracht.
Terwijl zij met de breede rechterhand, ruw en rood van 't werken,
langs den hals van 't magere paard strijkt, glinsteren een drietal gouden ringen, met ontzaglijk fraai gekleurde steenen in 't zonlicht, zoodat de koetsier even ophoudt met drinken en vol bewondering zegt: „Die bennen niet van de minsten, juffrouw!quot;
Met zijn vinger wijst hij op de kleinoodieën en vervolgt: „Die zeilen wel een paar centen hebben gekost.quot;
„Nou!quot; is 't antwoord van de stoere meid, die een dikke onderkin doet zien als zij, 't hoofd opheffend,
naar de lucht ziet en dan de armen onder de borst kruisend, knipoogend door 't kijken in 't licht, vraagt:
„Wat denk ie er van kessier, zouën we mooi weertje houën ?quot;
,i'Niks vaster als dat juffrouw! 't is vlak zuiëwind en de
I02
PINKSTERBLOMMEN.
lucht is zoo klaar als een klont; misschien van avond een buitje voor de frisschigheid, maar vandaag houën we 't sicuur goed.quot;
„Nou! 't mag dan ook wel kessier, want verleden jaar hebben we met Pinksteren allemaal een nat pak gehad van jewelste.quot;
„O, Trijn!quot; roept een stem uit huis.
„Wat is er moeder?quot;
„Vraag of de kessier ook een spatje wil voor den frisschen morgen.quot;
„Neen, juffrouw! dank ie wel, 't is me nog te vroegquot; roept de koetsier terug.
Aan 't eind van de straat wordt een zestal personen zichtbaar die, met petten, hoeden en zakdoeken wuivend, naderen.
't Zijn eenigen der vrienden van moeder Jans, die met haar den Pinkstertocht naar de Meer zullen ondernemen.
Hein Slabak, zoo genoemd omdat hij eenmaal het stoute stuk heeft bedreven, om uit een slabak, een bijzonder groote hoeveelheid „rood met suikerquot; te gebruiken, zonder dat „één mensquot; 't aan hem merken kon, wandelt voorop.
In de week oefent hij 't eerzame vak van vischkooper uit; nu is hij op zijn Zondags uitgemonsterd. Zijn haar,
zorgvuldig aan de slapen tot een spuuglok gelegd, is voor deze gelegenheid nog extra uit den nek weggeschoren en de ringetjes in zijn ooren zijn gepoetst, door de zeep waarmede hij zijn gelaat en hals rijkelijk heeft gewreven. Zijn linkerwang is buitengewoon bolvormig uitgezet door „een slaadjequot; dat hij al uit zijn tabaksdoos nam, vóór hij nog geheel wasgewas-schen en aangekleed.
Een spik-splintemieuwe fluweelen pet, een gekleurd overhemd, onder welks boord een, met lossen zwier, gestrikte zijden das te voorschijn komt, een lakensche jas en een dito broek, die over een paar gebloemde pantoffels met hakken hangt, kleeden hem zóó feestelijk, dat de achter hem aan hinkende kleermakersknecht, in „de straatquot; bekend onder den naam
103
P1NKSTERBLOMMLN.
van „'t Pootjequot; hem toeroept: „Slabak wat ben jij vandaag een bram! Wat zie je d'r fijn uit! Hoeveel had je wel op die jas en broek staan bij oome-Jan.quot; 1)
„Zeg manke lappendief! begin nou niet zoo vroeg,quot; schreeuwt lachend een lange magere vrouw, wier muts, met roode bloemen en wapperende blauwe en geie linten, scherp afsteekt tegen haar tanige gelaatskleur en karmozijnen neus. Met het hoofd wenkend roept ze: „Kom hier! help me liever een handje aan die trommel met broodjes; — 'k sleep er me dood an.quot;
Even omziende antwoordt de kleermaker: „Wat zou man lachen als 't waar was!quot;
„Geef maar hier, juffrouw Brans, 'k zal 'm wel overnemen,quot; zegt vrij galant een pokdalig jong-mensch met een hoogen hoed op,
waarom twee oranjelinten en een driekleurig wimpeltje prijken, waarvan de einden vroolijk in 't morgenkoeltje 'waaien en langs de gouden ringetjes, die in zijn groote ooren glinsteren, wuiven.
„Neen mottige! 't hoeft niet, ik zei 't alleen maar om den snijer een beetje in zijn humeur te zetten.quot;
„Nou als 't niet hoeft des te beter, want ik heb mijn bekomst al van dit zoodje,quot; en 't jonge mensch wijst op een zestal kruiken,
die hij met de ooren aan een touw geregen mede draagt.
Hij staat even stil en veegt met den rug van zijn rechterhand onder den rand van zijn hoed.
't Is Janus, opperman van beroep, een neef van Heiu Slabak en evenals hij in 't zwart gekleed, op pantoffels en zonder vest.
I04
je
„Is dat scharrebier?quot; vraagt een naast hem stilstaande jonge, stevige deern in een zwart kalminken rok. Het wit van haar katoenen bloeze, met een paar snoeren roode kralen om den hals en over de borst hangend, strijdt om den
') Pandjeshuis.
PINKSTERBLOMMEN.
prijs met haar hagelwitte tanden en volle roode lippen, die vriendelijk lachen, als zij de vraag nog eens herhaalt.
't Zwarte haar glimt als een spiegel, is in golvende lijnen langs de slapen geplakt en achter op 't hoofd tot eenige vlechten gestrengeld, die in de week bijna wegschuilen onder een blauw en wit geschakeerd wollen mutsje, dat lang niet kwaad past bij haar frissche, wel wat al te roode wangen; nu is zij blootshoofds en extra net gekapt.
„Lekker! — Haantjesbierquot; antwoordt Janus, de kruiken nederzettend, en plotseling den arm om haar midden slaande, zegt hij; „Bet! als je me een zoen geeft, mag je vast ereis proeven — sjeneer je je, ga dan maar even met me ampart; voor een zoen mag je. . . .quot;
„Kijk zoo'n vergiettest!quot; roept schaterend van pret het zich losrukkende meisje. „Wat denk je wel? Maak dat je wegkomt, akeligheid. O Hein! O! Slabak, hoe vindt je hem. Die gate-petiel, dat mottige mirakel begint nou al over zoenen te praten — kijk hij!quot;
„Zeg! schuimspaan, laat zwarte Bet met rust; wat moet dat van avond geven, als je nou al zoo begint,quot; roept Hein, die reeds een eind vooruit is, met grove stem.
Lachend neemt de zondaar zijn kruiken weer op en bereikt nu evenals de anderen, den tentwagen. Hein zet met een zucht van verlichting een tweetal kruiken en dubbel zooveel flesschen neer, die hij onder de armen en in de handen heeft gedragen.
„Dat's een toer geweest om zooveel jandoedel te dragen zonder ereis even van te proeven.quot; En tot den koetsier gewend, vraagt hij: „Bennen d'r al lui bij moeder Jans?quot;
„Nou! ze zitten al een uur op jelui te wachten. De juffrouw d'r dochter is al een paar maal buiten geweest om naar jelui te kijken.quot;
„Zoo! — We bennen d'r!quot; gilt Hein, en dadelijk daarop klinkt een stem uit huis als een echo terug:
„Ze bennen d'r!quot;
Een oogenblik daarna verschijnt een buitengewoon dikke vrouw, met een rood, glimmend gezicht, waaruit een paar
PINKSTERBLOMMEN.
kleine gitzwarte oogjes brutaal rondzien, op den drempel.
Een ontzaglijke muts met veelkleurig lint dekt haar reeds min of meer peper- en zoutkleurig haar; om haar breede schouders hangt los een sjaal met pahnen, die haar weelderige corpulentie, omkleed door een groene merinosjapon, voor-deelig doen uitkomen. Groote gouden oorbellen en een kolossale
broche, die in de zon schittert, als een verguld monument op een berg, doen haar dadelijk kennen als een vrouw, die „pittenquot; heeft.
„Zoo jongens, zijnne jelui daar?quot; roept zij als welkomstgroet de aangekomenen tegen, met een stem zoo heesch en ruw, dat iedereen er dadelijk het „Skelle-viesch!quot; — en „Mooie gamé-e-è-) len!quot; of „Ael braed ael!quot; in hoort - naklinken.
Een verward gezang en 't geluid van een harmonica, begeleid door allerlei gedruisch, gestamp en gehos klinkt van uit de woning, zoodat Jans zich even omdraait en op den toon van een Verkouden korporaal, die een sectie kommandeert, naar binnen schreeuwt: „Zijnne jelui betoeterd, begint de herrie nou al ? Kom, leg nou niet te zanikken, maar nou voort, dat we in den wagen kommen! O, Toos, heb je de koek en de neuten? — Kees, laat nou staan met dat gezaag op die handharmonika, kom nou!quot;
De charivari binnen eindigt en achtereenvolgens komen mooie Toos en blonde Fie, twee meiden die op de waskaarsenfabriek werken, met Kees, bijgenaamd de sorteerder, omdat hij 't vak van voddenraper uitoefent, naar buiten, onmiddellijk gevolgd door een bloedeigen neef van moeder Jans. 't Is Barend, de oudroest uit de dwarsstraat, een oud gebogen mannetje met grijs haar en een gezicht, dat aan een notenkraker van wortelhout doet denken.
„Kom meissies, help jelui ouwe Barend maar vast in de koets,quot; beveelt Jans.
„Uche! Uche! Uche!quot; kucht de oude man, die benauwd en vol op de borst is. „Langzaam aan hoor! Uche! Uche! Uche!quot;
io6
PINKSTERBLOMMEN.
Vier stevige mèisjesarmen helpen den ouden Barend in den wagen. Jans duwt hem van achteren op en zegt goedig; „Kom vadertje, hou je maar taai, niet zoo hoesten, anders schrikken de paarden. Koman ouwe heer, nu zullen die jonge meissies je wel ereis opkikkeren.quot;
„Uche! Uche! Godzegenme Jans, wat duw jij — waar moet ik zitten; hier zoo?quot;
„Op dQ tweede bank? Neen! waarachtig niet — Hé, meissies! hij moet op de achterbank, tegen 't zeiltje, tusschen mijn en Ka.quot;
„Ka is er nog niet, moeder,quot; schreeuwt Trijntja.
„Ga d'r dan derek halen, op avontuur heit ze d'r eigen verslapen, allo, gauw.quot;
„Zoo ouwe jongen! zoo zit je als een burgemeester,quot; lacht Toos en drukt „ouwe Barendquot; met kracht neer op de bank.
„Ben je dol meid? — Uche! Uche! je drukt me zoo hard op die bank.quot; —
„Nou, dat zal 'm geen zeer doen, oudje!quot;
„Neen! dat niet, maar Uche! — ik heb gevulde joden-koekies in men achterzakken en vijf eieren, half zacht.quot;
„Zeg dat dan!quot; roept verschrikt het tweetal.
Oude Barend staat op en laat zich reinigen; de koekjes zijn als door een wonder alleen maar tot gruis gedrukt en niet met de eieren in aanraking geweest.
Intusschen is Hein Slabak in den tentwagen geklommen en druk bezig met het opbergen van de verschillende kruiken en flesschen, trommeltjes en pakjes, die hem worden aangereikt door Janus en 't pootje. Hij bergt alles netjes onder de bank en vraagt: „Heb jelui nog meer? Er is plaats genoeg!quot;
„Hierzoo Slabak!quot; roept zwarte Bet, die even in huis is geweest.'
— „Pak ereis an. Scharren! ze bennen als zalm; kijk wat een pracht van een schol, ruik ereis hoe lekker!quot;
„Mangeltjes en rozijnen, ze smelten in je mond,quot; schreeuwt op hoogen toon de kleermaker en werpt te gelijk aan Hein een gevulden papieren zak toe, die hem handig opvangt en naast de scharren opbergt.
pinksterblommen.
„Wezepermoppen;quot; roept Kees en weer vangt Hein ze met vlugge hand.
„Nou de broodjes Hein,quot; zegt Trijntje, die hem een groote, groene trommel toereikt. — „Mooi, geef maar hier, daar zet ik meteen den boel mee vast.quot; De trommel wordt aangereikt en dient als bolwerk voor de andere provisiën. — „Daar is Ka!quot; klinkt het uit drie vier monden te gelijk en verschillende „Dag Kal's — en „Morgen Ka I'squot;, begroeten een vrouw, even mooi en opzichtig in de kleeren als moeder Jans en minstens even dik.
„Ka Mop,quot; in de buurt zoo genoemd om den zonderlingen, stompen vorm van haar reukorgaan, is een groentevrouw, die met Jans vriendin is en juist als zij, tot de fine-fléur van de Willemstraat gerekend wordt.
„Gemorgen samen! — Ik dacht, dat jelui me zou komen afhalen, maar k ben toch nog bijtijds genoeg.quot;
„Dat is je geluk Ka!quot; zegt moeder Tans.
„Waarom?quot;
„Omdat we je anders hadden laten zitten, dan was jij van de heele pret nuchter gebleven!quot;
„Nou, mijn 'n zorg, en jijlui was nuchter gebleven van ditquot; en met haar opgezette, spekkige hand zet zij een groote karabies in den wagen.
„Wat zit daarin Uche! Uche!quot; vraagt Barend.
„Gerookte paling, dikke.quot;
„Dat 's tof 1)quot; schreeuwt de snijer, die dol op paling is.
„Jij blijft er af hoor — 't is niet goed voor je!quot;
„Waarom niet?quot;
„Je mocht ereis dik van worden, magere sprinkhaan.quot;
„Ha! Ha! Ha!quot; schateren de anderen; Pootje haalt zijn schouders op, antwoordt lachend: „Je zal me niet kwaad maken, hoor, dikke gortzak!quot; en geeft der instappende vrouw een duw in den rug, die haar bijna voorover doet vallen en daarom de woofden ontlokt: „'k zal je wel krijgen, leelijke dradenbijter.quot;
io8
Terwijl zij plaats neemt, zegt ze, de hand uitstekend: „Geef me de vijf 2) ouwe heer!quot; Zij schudt Barend's hand
') Uitstekend. ') Ds hand.
PINKSTERBLOMMEN.
en vraagt medelijdend: „Hoe is 't met je; hebt je 't nog zoo op je borstrok?quot;
„'t Gaat nogal buurvrouw! Als dat hoesten maar wat minderder was. Uchel Uche!quot;
„We zullen in Frankendaal je ouwe karkas ereis goed wrijven, dan wordt je weer jong, kom Jans! kom jij nou zitten, dan kunnen de anderen er ook in.quot;
„Kijk die nou, ze komt 't laatst en maakt allemans praats, maar ze heit nog gelijk,quot; antwoordt de vischvrouw en met één: „Huup! — één ootje — twee ootje — drie ootje, huup!quot; wordt zij door Hein en Kees in den wagen getild.
„Je weegt bij mijn ziel driehonderd pond, schoon aan den haak,quot; lacht Slabak.
De achterste bank is gevuld.
Kees roept: „Komt jongens! nou allemaal er maar in,quot; en nu bestormen de overigen den wagen, zoodat Hein zich genoodzaakt ziet om een paar van de giechelende meiden op zij te duwen, met den krachtigen uitroep: „Op zij vee van de richel! eerst mot de ouderdom er in.quot;
„O! Ho! ouwe vent!quot;
„Slabak, denk je al om je kist ?quot;
„Hein! ben je al zestig!quot;
„Stilte!quot; beveelt moeder Jans; de schreeuwende meiden zwijgen een oogenblik en tot Hein gewend vervolgt zij : „Och ! hou jij een beetje derekzie, anders wordt dat jonge goed te dol!quot;
Zich van de bank opheffend, roept de vischkooper met stentorstem: „Toos en juffrouw Brans naast mijn, maar niet kietelen; dat kan ik niet velen. Trijntje over me, tusschen de sorteerder en Janus, dan zitten ze allebei naast een mooie meid.quot; Het drietal stapt lachend en pretmakend in. Jans, die voor Barend heen, druk met Ka aan 't praten is, ziet juist op en vraagt: „Wat's dat nou, zit Kees daar? Ben je bevroren Slabak, hoe kan je dat nou kommandeeren. Hij moet op de voorste bank; hij heit immers de handharmonica. Allo, muzikant! op je post.quot; Kees stapt over naar de voorste bank, neemt plaats met zijn instrument op den schoot en terwijl hij een zware van de acht in den mond steekt, reikt hij een dergelijke Havana aan den koetsier, die bij de paarden staat, toe met de woorden:
„Steek er den brand maar ereis in, kessiertje.quot;
PINKSTERBLOMMEN.
„Zeg Pootje!quot; roept Hein naar beneden, „kom jij dan maar naast Trijn zitten, maar geen familjarigheid hoor; je bent zoo'n oolijkert!quot;
„Heb je nog meer?quot; vraagt lachend de kleermaker en pakt Bet, die naast hem staat, om haar midden, geeft haar een zoen, die klapt en ontduikt vlug en handig de oorvijg dien zij hem wil toedienen.
„Als je veel bereddering maakt, ga ik met zwarte Bet in 't achterbakkie, niet waar lieffie?quot;
„'k Zal je zien aankomen hinkeldepink,quot; schatert knipoogend Bet, die eigenlijk den vroolijken snijer wel lijden mag en liever naast hem zit dan naast Kees, die haar nu als cavalier wordt aangewezen met de woorden: „Alloh Bet, jij naast den muzikant en Bebbetje tegen Pootjes rug.quot;
Bebbetje heet eigenlijk Mie en is een meisje van ongeveer 17 jaar, dat op een koffieverlezerij werkt en om de zonderlinge, min of meer onnoozele uitdrukking van haar gelaat en haar lijmerige spraak door haar kornuiten met dien spotnaam is vereerd.
„Moet ik nou naast Kees zitten, hè waarom?quot; vraagt ze onnoozel.
„Beval ik je niet schatje, ik ben toch een mooie jongen,quot; antwoordt de sorteerder en met de tong bevochtigt hij de voorvingers van zijn rechterhand en strijkt daarmee herhaaldelijk over -de lokken aan zijn slapen, al grinnikend: „Je mocht willen, dat je voor je dood nog zoo'n mannetje kreeg.quot;
„Kijk zoo'n waterlansier l), wat een verbeelding,quot; giert Bet en laat haar hand met alle kracht op Kees' schouder neerkomen, zoodat deze een pijnlijk gezicht trekt en vraagt: „Ben jij zestig? Schei uit.quot;
„Zeg Hein,quot; vraagt Bebbetje nogmaals, „waarom mag ik nou niet naast de kessier zitten? 'k Hou zooveel van die beesten en je hebt 't me gisteren beloofd — Och schei nou uit Kees, je trekt men rok stuk, ik ga toch niet zitten, hoor!quot;
„Alla, dan maar! Ga bij den kessier.quot;
„Wil ik je ereis helpen juffie?quot;
I IO
„Assieblieft!quot;
') Voddenraper: waterlansier, ómdat zij met een langen stok in den vorm eener lans de vodden uit de grachten ophalen.
PINKSTERBLOMMEN.
De koetsier helpt het meisje op den hoogen bok en neemt zelf naast haar plaats.
Met de leidsels in de hand, wacht hij 't sein tot vertrek en slaat inmiddels eens even met zijn zweep door de lucht.
„Zitten we nou allemaal goed?quot; schreeuwt Hein.
„Waar is Sefie?quot; vraagt moeder Jans.
„Sefie! — O! Fie! — Fie-ie-ie-tje!quot; gillen allen in koor.
Sophie is de oudste dochter van de vischvrouw. Zij komt nu uit huis, sluit de deur, stijgt in en neemt plaats naast Kees, die haar dadelijk omhelzen wil — maar in plaats van een kus een fermen klap op zijn arm krijgt met de woorden:
„Hou je gemak, Straffe-toerder.quot; 1)
„Niet schelden Fie!quot;
Moeder Jans rijst met moeite van haar plaatsje op en ziet rond. Met den voorvinger wijzend, telt zij al de passagiers en zegt:
„Koos met den bochel en Klaas de marionier bennen er nog niet.quot;
„Die zullen we op de Nieuwmarkt oppikken, dat hebben we gisterenavond afgesproken,quot; antwoordt Hein.
„Goed! dan maar vooruit kessier, — de Haarlemmerdijk langs en op de Nieuwmarkt eventjes stilhouen bij 't Visscher-tje, daar worden er nog twee opgeladen.quot;
„Bestig juffrouw,quot; zegt de koetsier van zijn verheven zitplaats even omziende.
Een klappen met de tong, een: „hort jongens!quot; en een slag met de zweep, doet de paarden aantrekken.
Onder een „Hoera!quot; van de passagiers ratelt de „Jan-pleizierquot; over de keien voort.
Rechts en links, voor en achter klinken vroolijke kreten en Hoera's; de buren juichen de vertrekkende feestvierders toe.
Uit een paar rijtuigen, die voor hen uitrijden wordt met zakdoeken en petten gegroet, totdat de afstand tusschen de rijtuigen grooter wordt.
Als zij over de houten brug voor de Oranjestraat rijden en het geraas der wielen minder sterk is, roept Jans „Komaan Kees! haal ereis een moppie op !quot;
HI
De harmonica laat een paar diepe zwaarmoedige zuchten
') Andere, minder vereerende volksnaam voor voddenraper.
PINKSTERBLOMM SN.
hooren om wind te verzamelen en met liefelijke neusklanken begeleidt zij het gezang der feestelingen. Zielverheffend klinkt hun
„Ben je met je moeder naar ie meer geweest !quot;
Vort jou leelijkert! Vort jou leelijkert!quot;
langs den Haarlemmerdijk.
In grooten getale zijn de wandelaars reeds op de been, zie n lachend den vroolijken troep na en beantwoorden meer of minder vriendelijk de groeten, die hun worden toegejuicht en nageroepen.
Bij de Haarlemmersluis gekomen, zegt Hein tot den muzikant: „Hou je nou maar een beetje koest, dat we fatsoenlijk doorrijen tot we in de Meer zijn.quot;
In draf gaat het verder langs den Buitenkant over den Zeedijk tot op de Nieuwmarkt. Bij „'t Visschertjequot; op de stoep wenkt reeds van verre een marinier, wiens glad gezicht en bolle wangen bewijzen dat hij de chevrons nog niet heeft verdiend, hun met een rooden zakdoek toe en op de groen geschilderde stoepbank van 't kroegje staat een klein gebocheld ventje, met een oolijk gelaat, dansend, allerlei seinen en teekens met zijn stroohoed te maken. Zijn geruite pantalon hangt hem op de hielen en over zijn hoogen rug trekt een grijs jasje, dat hem volstrekt niet past, allerlei zonderlinge plooien en rimpels.
Zoodra zij het tweetal bemerken, beginnen de Pinksterblommen als uit één mond te schreeuwen en te juichen.
„Daar staan ze! — O kriek, 'k heb een mooie plaats voor je,quot; roept Hein.
„Present!quot; antwoordt Koos met den bochel en met de hielen tegen elkander, maakt hij front en militair saluut.
„De puist moet in den achterbak,quot; gilt mottige Janus.
„Hou je gemak notemuscaatrasp. — Een achterbak heb 'k zelf, kijk maar!quot; antwoordt de bultenaar en draait op zijn hielen rond, een beweging die allen tot uitbundige vroolijk-heid stemt.
Inmiddels is de wagen stil blijven staan en zijn Janus en Pootje er uitgesprongen, tot groote ergernis van Hein, die toornig uitroept: „Wat is dat nou? Waarom ga jelui d'r uit ?quot;
„'n Sigaartje opsteken,quot; zegt Pootje en terwijl hij het Vis-
112
PINKSTERBLOMMEN.
schertjequot; binnengaat, draait hij zich nog even om en roept: „'k zal meteen een neutje ') gebruiken op de gezondheid van de dames!quot;
„Dag Sefie, hoe gaat het!quot; vraagt de marinier en lachend steekt hij haar zijn hand toe.
„'t Schikt nogal Klaas, zeg help me d'r even uit; 'k wou men criolien 'n beetje uit doen; hij neemt zoo'nplaats weg.quot;
„Heer in den Hemel! wat 'n putlut!quot; schreeuwt Jans.
„Och moeder, dat ding is zoo lastig!quot;
Vlug wipt Sophie uit het rijtuig, maakt onder haar bovenrok een bandje los en springt een paar maal op en neer, zoodat de „cagequot; (zooals men in dien tijd droeg) op de straatsteenen valt.
Schaterend zien eenige lieden, die om en bij den wagen zijn blijven staan, dit schouwspel aan en hun vroolijkheid stijgt ten top als Janus zeer beleefd het kostbare kleeding-stuk aan den kastelein, die in zijn hemdsmouwen voor de deur staat, in bewaring geeft met de woorden:
„Janbaas! bewaar jij Sefie d'r vogelkooitje zoolang; morgen zal ik 't wel weerom halen.quot;
„Komt nou! komt er nou in jongens; 't wordt zoo laat!quot; brult Hein.
„Waar moet ik zitten tante Jans?quot; vraagt de marinier.
„In 't bakkie!quot;
„Zonder meissie?quot;
„Zeg Sefie, ga jij bij Klaas zitten,quot; roept Jans, die wel weet, dat haar oudste dochter en neef elkaar goed mogen lijden.
„Komaan dan maar,quot; zegt Sophie, „zeg! Klaas-neef! geef me ereis een zetje.quot;
De marinier helpt haar en terwijl hij dat doet is Koos in een ommezien naast Fie geklauterd, omvat haar leest met zijn langen mageren rechterarm en roept op den krakerigen toon aan bultenaars eigen: „Dat heb 'k je afgesnoept kor-nel! ga jij nou maar op je gemak naast zwarte Bet zitten. — 't Zou ook geen pas geven, een overste in 't katte-bakkie!'
113
Een algemeen gelach en een geroep van: „Dat heit de krates netjes geleverd. — „Koos met de kastquot; is bijdehand-
') Borreltje.
8
PINKSTERBLOMMEN.
ter dan jij; hij is je te gauw af,quot; doet den krijgsman met een lang gezicht naast Bet plaats nemen, terwijl hij pruttelt; „Dat zal ik je straks wel inpeperen weerlichtsche kriek.quot;
Om zich te troosten haalt hij een pijpersfluitje uit den zak en blaast uit alle macht een marsch, terwijl ze voortrijden.
De harmonica begeleidt de fluit; juichend en zingend rijdt het nu voltallige gezelschap verder.
In flinken draf gaat het door de Jodenbreestraat naar de Plantage.
Door de Middellaan trekken een menigte rijtuigen en wandelaars naar de Muiderpoort, stof opwerkend, joelend, schreeuwend, lachend en pretmakend. Vlak bij de poort roept de bochel zoo hard hij kan: „Koetsier hou ereis even op, daar is oome Jan.quot;
De wagen houdt stil en allen schreeuwen zoo luid mogelijk : „Dag oome Jan! — Dag oome Jan!quot; tot een bejaard man, die met zijn vrouw aan den eenen en een parapluie onder den anderen arm, aan den kant van den weg, naar de voorbijsnorrende wagens kijkt.
't Is de pandjeshuishouder van de Lindengracht. Iedereen
H4
PINKSTERBLOMMEN.
kent hem, iedereen heeft hem op zijn beurt noodig en daarom klinken hem allerlei vriendelijke groeten tegen.
„Dag oome!quot; gilt Koos, „loopt mijn klokkie nog?quot;
„Heb je mijn jas wel afgeborsteld?quot;
„Compelement aan men vestkettir.g !quot;
„Zal je goed op mijn belletjes passen?quot;
„Pas je wel op, dat mijn perrepluie niet schimmelt!quot;
„Hoera! hiep! hiep! hoera! leve Oome Jan!quot; schreeuwen allen door elkaar.
„Neem je petten af voor Oome!quot; kraait Koos uit den kattenbak en met zijn hoed salueerend, voegt hij er bij: „Als hij kwaad op jelui wordt, geeft hij te weinig. Kijk, Slabak, hij lacht al tegen je jas; dat's een oude kennis van hem.quot;
Lachend en met zijn parapluie dreigend, antwoordt de pandjesbaas: „'k zal jelui wel krijgen, pas maar op!quot;
't Rijtuig rolt weder voort, door 't Muiderboschje naar den Oetewalerweg.
Tal van zuurkraampjes, kruiwagens waarop eieren, koud en warm, te koop zijn, stalletjes met allerlei eetwaar, als: gesmeerde broodjes, koek, scharren, gerookte geepen en paling zijn langs den weg geschaard. Hier en daar staan tafeltjes vol glazen karnemelk, die tot drinken nooden en blokken om koek op te hakken, waarbij de eigenaars luidkeels staan te schreeuwen om de aandacht van 't publiek te trekken.
Een „stap-op-en-laat-je-wegenquot; heeft reeds drukke klandisie en een half dozijn schoenpoetsers loopen met hun schuiers in de eene en een bundel planeetjes om „je fortuin te zien en zeilevers te lezenquot; in de andere hand, rond tusschen de wandelaars en rijtuigen. Bedelaars, van allerlei slag, met echte of nagemaakte lichaamsgebreken loopen of strompelen, om een aalmoes vragend, heen en weer.
De Pinksterblommen rijden al die heerlijkheden voorbij zonder er acht op te slaan. „Dat's voor van avond als we terugkomenquot; denken zij en als de koetsier, onwillekeurig, op dien kermisachtigen weg iets langzamer rijdt, klinkt een „vooruit kessiertje!quot; van Jans hem verwijtend in de ooren.
Naar Diemen! — dat is het doel van den tocht, daar zullen ze bij Vervetjes even stallen en 't dorp eens doorwandelen om dan terug te gaan naar 't Eldorado van alle Pinkster-gangers, — naar Frank endaal!
quot;5
pinksterblommen.
Het oude Frankendaal, vroeger een buitenplaats (thans de boomkweekerij Linnaeus) was in 1862 nog een der meest bezochte en gezochte theetuinen, waar de gegoede burger, maar vooral op Zon- en feestdagen de mindere man, zich gaarne te goed deed, liefst aan iets anders dan aan thee.
De talrijke boschjes, dicht begroeide laantjes en slingerpaden waren even zoovele wijkplaatsen voor jeugdige,f minnende harten en terecht kan men met den ouden dichter uitroepen:
Als elk boschaadje klappen kon Wat meldde 't al vrijagie
Bovendien was er op een klein eilandje, tusschen ruischende populieren een hermitage, waar een heusche hermiet, van hout, met een stoffige pij en dito baard, bij het binnentreden den bezoekers, in het muffige halfdonker van zijn kluis, een hoekigen hoofdknik ten beste gaf en met zijn ieder jaar opnieuw geschilderde en gelakte rechterhand deftig op een overeind staande doodkist wees, die tot kalme grafrust noodde, door het op 't deksel met zinkwit geschilderde „Gedenk te sterven.quot; Zulk een „memento moriquot; in een wulpsche omgeving van rozengeur, maneschijn, parfait d'amour, dubbele anisette en Curasao met elixer, moest op ieder gevoelig menschenhart door de grilligheid der tegenstelling een onbeschrijfelijken indruk maken.
Niemand wist dit beter dan de oude uitgedroogde boer, die met een grafstem aan de bezoekers van den kluizenaar de geheimen der hermitage verklaarde en zijn toespraak altijd steevast besloot met de woorden: „Zoo is 't dames en heeren en de fooi of 't drinkgeld laat ik aan uwes beleefdheid over.quot;
Die boer, was of door een gelukkig toeval óf door de vernuftige keus van den kastelein van Frankendaal, zoo volkomen in overeenstemming met den houten kluizenaar, dat het zelfs den meest eenvoudigen bezoeker opviel; getuige daarvan de matroos, die eenmaal bij 't verlaten der kluis aan den explicateur een dubbeltje in de hand stak met de gedenkwaardige woorden: „Dat's voor jou, ouwe heer,quot; en op den hermiet wijzend er bij voegde: „Dat 's zeker een broer van je, dien ze opgezet hebben, je mag hem wel ereis laten kalefateren, want hij heit de mot in zijn baard.quot;
ii6
PINKSTERBLOMMEN.
Stemde 't eilandje, met zijn toebehooren, tot ernst en weemoed, de kettingbrug over de giersloot was een treffend beeld van 't levenspad.
Op dien hobbeligen, onzekeren weg struikelde menige jongemeisjesvoet en zij, die zonder ongeval den overkant bereikten, stonden ademloos en hijgend van den bangen tocht, te zien naar anderen, die nog slingerden tusschen hoop en vrees, of zij veilig aan gene zijde zouden komen, dan wel in 't moddergraf den dood hunner witte kousen en geplooide rokken zouden moeten bejammeren.
En dan de schommel, — de wip! waren het niet de beste huwe-lijksmakelaars, die ooit op dit aardsche tranendal bestonden. Op 't schommelend hout, tusschen hemel en aarde zwevend, raakte menig lippenpaar elkander, vereenigden zich de beschroomde zuchtjes tot één ademtocht van liefde, evenals op de wip zich de weifelende handen plotseling ineensloegen en weerstrevende meisjes omstrengeld werden door beschermende armen, die 't beminde en minnende voorwerp voor schokken of vallen wilden behoeden.
En de boschjes! — Zwijg, herinnering! zwijg! O! Fran-kendaal, ge waart een lustoord, zooals men nu tevergeefs om of bij Amsterdam zal zoeken.
Waar anders dan op de zonnige grasperken van uw tuin, dan in uw schaduwrijke laantjes konden de „Pinksterblommenquot; zoo welig bloeien; waar anders vond men zulk een schoone gelegenheid, om „ereis eventjes ampart te gaanquot; en zonder jassen en vesten aan, een oude veete uit de wereld te helpen; waar elders vond men zulk frisch regenwater om de kampioenen af te wasschen en zulke groote weegbladeren, om schrammen en builen te bedekken; op geen anderen grond groeide zooveel Silliadon, dat zoo uitmuntend was voor kneuzingen en wonden.
Als de klassieke bodem, nu ontwijd door een kalme boom-kweekerij, spreken kon, zou hij u kunnen vertellen, hoe de Pinksterblommen binnen Frankendaal reden en uit den wagen stapten. Hij zou u iets verklappen van de blozende wangen en de gederangeerde toiletten van Trijn, Bet pi Toos, of u verhalen van „de kruip-door-sluipdoortjesquot; en „Patertjesquot; die 't gezelschap met verschillende Pinksterblommen, uit andere stadsgedeelten speelde en danste — en als de oude kastelein, met zijn langen sik en vriendelijk lachenden breeden mond
117
PINKSTERBLOMMEN.
118
nog leefde, zou hij, zonder twijfel, diep zijn fluweelen mutsje afnemen als hulde aan de dorstige kelen van Hein Slibak, juffrouw Brans en den „Schuimspaan.quot; Misschien zou hij ook nog weten te verhalen, hoe het geheele gezelschap slag leverde aan een bende Holklanten 1), concurrenten in den visch-, noten- en lompenhandel; een slag die met de algeheele nederlaag van de Troglodyten eindigde.
Helaas! de altijd ijverige kastelein is reeds lang ad Patres en zijn „assieblieft! armeme meheer! — Dadelijk! — 'k zal uwé direct helpenquot; is verstomd, begraven in het stof der vergetelheid.
't Wordt dus aan uw fantasie overgelaten, om u voor te stellen hoe het geheele gezelschap schommelde, wipte en over de kettingbrug holde, totdat de dames Trijn en Fie, met een min of meer onmogelijken bokkesprong, in de geurende sloot terecht kwamen en kennis maakten met eendekroos en waterleliën.
't Relaas van hun verdere avonturen te water en te land zult ge derhalve moeten missen — misschien is 't niet te betreuren, want door 't veelvuldig gebruik van 't scharrebier, de jandoedel, 't zoete slokje en de talrijke, andere geestrijke versnaperingen, die zij tot zich namen, geraakten zoowel
') Bewoners van 't Hol. een straatje op cbn Nieuwendijk.
PINKSTERBLOMMEN.
dames als heeren meer dan noodig en nuttig was onder Bacchus' invloed, en door den dubbelzinnigen toestand, waarin de feestvierenden bij 't huiswaarts keeren zich bevonden, zou eene beschrijving van hun doen en laten voor u allicht minder aantrekkelijk worden; misschien zelfs u weerzin inboezemen. Daarom zij het nogmaals aan uw verbeeldingskracht gegund om u een beeld te geven van den terugtocht der „Pinksterblommenquot; en hun tehuiskomst in de Willemstraat.
Alleen wil ik u nog mededeelen, dat bij 't uitstappen voor de deur van moeder Jans' woning, de eetbare proviand „schoon opquot; en de overgebleven passagiers voller waren dan de kruiken en flesschen, die in schilderachtige wanorde in den tentwagen verspreid lagen.
Ik zeg daar: „de overgebleven passagiers.quot; Weet ge waarom ?
Omdat de marinier bij vergissing onderweg ergens was achtergebleven. Waar? wist hij 's anderen daags, toen hij in de politiekamer ontwaakte, heusch niet meer. Kees de sorteerder was bij 't naar huis gaan 't laatst gezien bij den „stap-op-en laat-je-wegen.quot;
Moeder Jans herinnerde zich nog flauw, dat 't haar opge-
119
PINKSTERBLOMMEN.
vallen was, dat zijn hoofd door de blaasbalk van zijn harmonica stak en hoe vreemd zij 't vond, „dat 't ding toen geen meziek meer gaf.quot;
't Pootje, van nature reeds wankelend, was 's avonds zoo slecht ter been, dat hij den steun eener krachtige hand noodig had om naar meheertjequot;1) te kunnen loopen; iets dat hij niet dan onder luid protest en weerstrevend deed.
De bedaagde juffrouw Brans zat op Pinksterdrie, tegen den middag, nog plat op den grond met haar veelkleurige muts scheef voor 't gelaat, in een boschje van Frankendaal, waar zij een geheim tête a tête had gehad met een flesch dubbele anisette, die zij van onder de proviandbank had geschaakt.
Van de overige dames kan ik gelukkig melden, dat zij goed ■en wel weer thuis kwamen, behalve Ka Mop, die een oorbel had verloren en 't Bebbetje, dat iet of wat kreupel liep om dat zij, in den stal van Frankendaal, „ereis naar de beessies was gaan kijkenquot; en juist toen zij zich omkeerde „om heen te gaan van wegens dat ze nou d'r bekomst er van hadquot; een trap had gekregen van een vosmerrie; gelukkig tegen dat lichaamsdeel, waarop men heden ten dage de tournures draagt.
') Bureau van Politie.
I 20
PINKSTERBLOMMEN.
Zoo was dan de rijtoer naar wensch en genoegen van alle Pinksterblommen afgeloopen en toen Janus, veertien dagen later, uit het gasthuis kwam, waar hij een reparatie had ondergaan aan neus en linkeroor, die min of meer beschadigd waren geworden door een vriendschappelijk onderhoud met een aardappelkooper, dien hij bij den terugrid in 't Muider-bosch had ontmoet, ging hij dadelijk moeder Jans opzoeken.
Met luide, hoewel nog eenigszins zwakke stem verklaarde hij: „dat hij nog nooit zoo allemachtig veel pleizier had gehad en dat die Pinkstertocht naar de Meer, effetief rejaal en gezellig was afgeloopen.quot;
121
PALING-JAN.
„Heeren! mot je ook gerookte paling?
„Janqe, die is weer in de maling.quot;
't Was de gewone aanspraak van Paling-Jan, als hij zeer laat 's avonds of liever 's nachts in een of ander koffiehuis binnenkwam, waar nog enkele stamgasten — vulgo „plakkersquot; zaten.
Menigeen, die in een der cafés iri de Warmoesstraat nog laat een „potje bierquot; dronk, zal zich den man herinneren, die met zijn witte sloofje voor en de mand met gerookte paling aan den arm, op de stoep staande tegen de ruiten tikte en zijn bekend deuntje neuriënd op zijn mand wees.
Paling-Jan is nu dood; nog niet lang geleden heeft „vriend Heinquot; hem gehaald en daardoor zijn eigen rijmpje waar gemaakt.
„Heeft Jan geen paling meer te koop,
Dan is „vriend Heinquot; met m' op den loop.quot;
't Is zeker een te bekend persoon, een te merkwaardige nachtvogel, om hem niet aan de vergetelheid te ontrukken, door in deze regelen het beeld van Paling-Jan weer te geven.
Stelt u voor een middelmatig groot man, met dun grijsachtig haar aan de slapen tot een lok gekamd, met een gladgeschoren, erg pokdalig gelaat en een mond als twee andere. Kleine, sluwe, grijze oogjes, die tusschen de roodgerande oogleden doorgluurden, gaven met de hoogopgetrokken wenkbrauwen
PALING-JAN.
een zonderling loerende uitdrukking aan zijn physionomie. Zijn min of meer hinkende gang zou hem gevoeglijk voor Mephistopheles hebben kunnen doen houden, indien de natuur hem geen part had gespeeld door hem ieder spoor van geest op 't gelaat te onthouden.
Toch kon Jan, zoo niet geestig, dan toch grappig zijn en menigmaal was hij het, die bij „de plakkersquot; den slaap uit de oogen hield en den kastelein nog een extraatje bezorgde.
Kwam hij, binnengeroepen door dezen of genen, in een of ander koffiehuis, dan trachtte hij eerst zijn paling te ver-koopen, door ze met 't bovenaangehaalde rijmpje aan te bieden. Somtijds varieerde hij het door te zingen, altijd zeer sotto voce:
„Jantje, die is bij de hand;
Hij heeft paling in zijn mand,
Heeren! wilt er niet van schrikke;
Jan heeft dunne, — maar ook dikke.quot;
Of;
Paling, heeren, beste paling!
Jantje raakt weer in de maling.
Altijd als de heeren de beleefdheid hebben om hem een potje Beiersch te geven; want, heeren! je weet het. Jan drinkt nooit sterken drank; jenever is de pest. Bier! daar houdt iemand zijn verstand bij. Is er soms een van de heeren, die liefhebberij heeft om ereis te zien, hoe Jantje bier drinkt ?quot;
Gewoonlijk miste die aanspraak de verwachte uitwerking niet en dronk Jan zijn potje, met een zekeren „chicquot; het tusschen duim en wijsvinger vattend. Dat hij het ver gebracht had in de kunst van bierdrinken of een bijzonder groote bergplaats voor natte waren in zich omdroeg, bewijst de omstandigheid, dat Jan eenmaal zestien glazen Kitzinger dronk en om zijn maag, zooals hij zei, niet te bederven, er een half roggebroodje bij opat. Na dit heldenfeit liet hij zich verleiden, één klein pieren-verschrikkertje te nemen, om op te drogen, zooals hij beweerde. Na 't pierendoodertje nam hij nog met dankbaarheid een tweede, omdat de heeren er nu eenmaal op gesteld waren en Jan hart voor zijn klanten had.
't Gevolg van 's mans buitensporigheid was, dat hij dien-zelfden nacht van de trappen zijner kelderwoning rolde en
123
PALING-JAN.
den anderen morgen, tusschen zijn gerookte paling liggend, ontwaakte. „Zoo stijf als een dikke van zestien stuivers; 'tis zoo waar, menheer, als ik wel een glaassie Beiersch van u zou aannemen, als u de beleefdheid had 't mij te prissen-teeren.quot;
Jan's kelderwoning was gedeeltelijk ingericht tot winkel, maar kwam zelden over dag open. De eigenaar immers had iets van een lichtschuwen uil en kwam gewoonlijk eerst laat in den avond te voorschijn. Bovendien was het voor hem niet juist een „sweet, sweet home,quot; want zijn familie behoorde niet tot de élitie der stad. Mama Paling-Jan en de jongejuffrouwen, zijn dochters, konden tusschenbeide, minder gesticht over papa's nachtelijke tochten of bacchanaliën, zóó aangaan, dat manden, papieren, palingen, papa's pet en schoenen door elkander in dwarrelende vaart door den kelder vlogen of de straat voor den voorbijganger onveilig maakten.
't Was een huishouden van Kea! zooals men 't noemt, en hutje met mutje was aan elkaar gewaagd. Toch wist Jan nog eenig gezag over zijn dames uit te oefenen. Waardoor? -— Waarom? — Omdat mama en de jongejuffrouwen vermoedden, dat het hoofd des huisgezins een stille verklikker was en zij ieder afzonderlijk om verschillende redenen met den heiligen Hermandad liefst niets te maken hadden.
Of Paling-Jan werkelijk een politiespion was? Neen! — niet bepaald, maar 't had er toch wel iets van. Hij zwierf tot laat in den nacht of beter gezegd, tot vroeg in den morgen overal rond, zag, hoorde en onthield van alles, en was daardoor dikwijls de vraagbaak van de rechercheurs.
Meestal bewees hij goede diensten; zijn mand met paling was als het ware een pas, die hem overal toegang verschafte; Jan wist door een leuk praatje achter veel zaken te komen, die een ander niet te hooren kreeg. In de Wijngaard-, O. Z. Arm- en Hasselaarstegen en in elke andere, waar nachthuizen zijn, was hij overbekend; niemand lette op zijn tegenwoordigheid en aan zijn roep: „Pa-a-ling! dikke en dunne!quot; was men zoo gewend, dat men zich niet de moeite gaf om de tong te snoeren, als hij aankwam. Zijn overlijden is dus voor de recherche hier ter stede bepaald een verlies.
Wie hem hoorde praten, moest erkennen, dat Jan, niettegenstaande zijn zeer bescheiden voorkomen en broodwinning, sprak als iemand, die betere dagen had gekend. — 't Was
124
PALING-JAN.
ook zoo: eenmaal had hij in weelde geleefd en wel in een der havenplaatsen van ons land, waar hij, naar hij zelf vertelde, een zeer fatsoenlijk Café-chantant had gehouden. Maar: „onze lieve Heer is daar niet met me geweest!quot; zei hij in vertrouwelijke oogenblikken, terwijl hij even zijn pet oplichtte, „'k Heb alles gedaan wat ik kon, om met God en met eere door de wereld te komen; 'k heb een Café-sjantan gehad, met zoo'n beetje dans in de tusschenpauseering; 'k heb een portions-tafel gehouden voor den gaanden en komenden man. 't Liep alles in 't honderd!quot;
„Weet u, 'k was eigenlijk te fatsoenlijk voor m'n vak, ik deugde voor geen Café-sjantan. Eerstens had ik geen sjenie voor de muziek, — ik hoorde niet of ze goed of valsch zongen, — en tweedens had ik geen vermogens genoeg om de lui, die niet betaalden, de deur uit te gooien. — Ja! als mijn drie jonge meissies goeie stemmen hadden gehad, dan was er nóg een stuk brood te verdienen geweest, omdat het eigen volk was — maar de Heere was niet met me: de een had uit de mazelen zooveel als een heesigheid in de keel gehouden, de andere was een beetje mottig, en vat je, dat staat voor een sjanteuse niet aardig.
„De derde, nou ja, die kon er best mee door; 't was een heel knappe, volslagen mans-meid, maar of ze nou „Wien Neerlands bloedquot; of „Jan brandt de lamp nogquot; zong, 't klonk precies eender; dus dat ging ook niet. — Dan kwam er nog bij, dat de lui, die 15 centen voor'n conjakkie met'n klontje, of 20 centen voor een potje Beiersch betalen, Fransch of Duitsch willen hebben. Al verstaan ze 't niet, dat's minder, — maar 't staat meer gekleed in een sjantan, begrijpt u? — Afijn, 't heeft zeker zoo moeten wezen.quot;
Er lag een zekere berusting op Jan's gelaat, als hij dit vertelde, en onwillekeurig keek men hem aan om te zien, of hij wel in ernst sprak; maar zelfs niet de minste trilling zijner mondhoeken deed aan de oprechtheid zijner woorden twijfelen. Van nature was hij dichter, dit bemerkte men dadelijk aan zijn rijmpjes op de paling, die hij met talent wist te varieeren, naar gelang van de gelegenheden, waar hij dat zee-ooft ventte.
„Paling, dunne en dikke,
Lekker om te bikke,quot;
riep hij in een mindere buurt.
125
PALING-JAN.
„Paling! Paling! meneeren,
Om je te tracteeren.quot;
klonk het op beteren stand.
Ging hij tot meer comische poëzie over, dan zong hij voor den burgerman:
„Paling! lekker en gezond.
Ze smelten in je moo-nd!quot;
Voor den meer gegoeden stand reciteerde hij:
„Paling van een daalder het pond.
Als zalm is hij in je mond.quot;
of:
„Jantje zal het wel vertellen;
Paling is beter dan palingvellen.quot;
't Was inderdaad bewonderenswaardig, dat Jan zijn ongeluk met zooveel stoïcijnsche gelatenheid droeg, want 't is geen kleinigheid om plotseling uit de bedwelmende, weelderige omgeving van een „sjantan,quot; af te dalen in een altijd min of meer muffige kelderwoning. Wel tooverde hem zijn dichterlijke verbeelding somtijds nog tafereelen uit het verleden voor de oogen en droomde hij, als eertijds de onttroonde kalifen, van zijn „hourisquot; of zijne Sultane favorite, terwijl hij zuchtend zei; „'tWas 'n burgerbestaan wat ik toen had, een fatsoenlijk broodje, maar de konkerentie heeft me kapot gemaakt. M'n konkerent had 'n komiekeling, daar liepen de menschen de wereld mee uit. En wat dee de vent eigenlijk? Niks; niemendal; hij trok leelijke grimassen en zong als een varken dat gekeeld wordt. — Och! och! had ik tóen maar meer zegen gehad.quot; — Zóó sprak Jan echter alleen, als hij min of meer onder den invloed van het Beiersch was. O! dan kon hij zoo weemoedig zeggen:
't Is me niet aan mijn wieg voorgezongen, meneer dat ik met paling zou loopen, maar:
Jantje is eenmaal in de maling en daarom loopt hij nu met paling, — Dunne en dikke, heeren! O, wat binnen ze vet!quot;
Jan liet met veel behendigheid in 't midden, of hij de heeren dan wel de paling bedoelde.
Eens in zijn leven trof hem een gevoelige, slag. Een zijnet
120
PALING-JAN.
dochters namelijk, zoo vertelde hij, „'n meissie als melk en bloed, meneer! heeft haar eigen willen verdoen. — En waarom nou? Om een onnoozelen lummel van een jongen, een marionier. Ze was in den Voorburgwal gesprongen, maar — ze is er nog bijtijds uitgehaald. Zie je, meneer, 't is niet zoozeer om 't verdoen, dat het mij hinderde, maar meer om de schandaligheid in de buurt. Als je schot en lot behoorlijk betaalt, hou je niet van zulke dingen. Ik schaamde me effectief, want als ze me na dien tijd zagen, zeiën de menschen; daar heb je den vader van dat meissie, dat laatst in 't water is gesprongen. — Net of ik 't helpen kon, dat die jongen haar in den steek heeft gelaten.quot;
Toch is Jan ook dien slag te boven gekomen en heeft nog menig jaar daarna zijn waar rondgevent.
Korten tijd vóór zijn dood zag ik hem nog eens toevallig op een keer, dat ik eens buitengewoon laat in een koffiehuis zat.
„Wel, Jan, hoe gaat het?quot;
„Met Gods hulp redelijk, meneer!quot;
„Wil de negotie nogal?quot;
„Duffies, meneer! slappies. 't Is een slechte tijd, de menschen eten geen paling.quot;
„Vliegt je koopwaar nog wel eens door de steeg?quot;
„Jongens neen, meneer — alles is nou rustig, want m'n goeie vrouw is overleden.quot;
„Zoo! 'n glaasje cognac?quot;
„Uwé dolt met me.quot;
„Hoezoo?quot;
„Jan gebruikt nooit geen sterken drank, dat weet u wel.quot;
„'n Glaasje bier dan?quot;
„Dat zal ik niet refeseeren, omdat u er altijd een sigaartje bij presenteert.quot;
„Je bent oud geworden. Jan.quot;
„Nou, meneer, 't is ook geen wonder; 'k ben al lang over 't bruggetje. En meneer is er ook niet jonger op geworden.quot;
„Ken je mij dan nog?quot;
„Dat zal waar wezen — 'k heb vroeger jaren menigmaal een potje van u genoten. — Blieft u ook paling ? 'k Heb er nog een stuk of zes; maak me los, asjeblieft.. ., 'k geef ze voor een koopje, omdat u 't is.quot;
127
PALING-JAN.
„Dankje. — En hoe is 't met je dochter afgeloopen, die____quot;
„Uwé bedoelt die.....hm! afijn, die toen haar eigen ...
„Ja juist!quot;
„O! springlevend, 'n knap stuk vrouwspersoon geworden. Ze is getrouwd, meneer, en lieve kindertjes heeft ze ook! Al een stuk of negen.quot;
„Ei! ei! met den marinier?quot;
„Hoe heb ik het nou met uwé, meneer? Waarachtig niet! Met een stoker op een boot, ja! 't Was wel een beetje beneden haar stand, maar afijn! ze was onder dak, en als vader mocht 'k toch m'n dochters zinnigheid niet in den weg staan, niet waar?quot;
„Dat spreekt vanzelf. Jan!quot;
„Mijn jongste dochter heeft 't beter getroffen, die heeft een „Spelrecommandeerderquot; van Blanus. Al is er nu ook geen kermis meer hier in Amsterdam, op den boer halen ze toch rijkelijk hun kost op, als hij zijn stem maar mag behouen.quot;
„En je derde dochter?quot;
„Die is dood, meneer, in 't gasthuis gestorven. Die was anders erg goed voor me, ja! die gaf vader nog wel ereis wat.quot;
„Zoo, was die ook getrouwd?quot;
„Getrouwd? Hm! neen, dat nou juistement niet, maar — hm, ja! ziet uwé, 't was een ferme, mooie meid, en zoo — hm! .... zoo damesachtig; ze kon haar eigen zoo allemachtig netjes kleeden — met 't sienjon en een sleep — en ze had kennis aan een heelen netten heer; maar die ging trouwen en ... . afijn! uwé begrijpt me.... Toen was de koek op en zij ... . ja! als ze nou zuinig geweest was, dan — maar ze dacht aievel dat er geen opkomen aan was en .... toen is ze nog buffetjuffrouw geweest, maar daar was ze niet astrant genoeg voor. Later werd ze zoo mager als een hout, uwe begrijpt, altijd goed gewend geweest, en als 't dan geen vetpot meer is .... dan gaat de aardigheid er af.... Ja! dat's altijd erg jammer voor me geweest, dat ze niets meer aan me doen kon, want ik word oud en zij had voor vader nog wel een stuk brood over. Men andere kinderen bennen niet zoo in de gelegenheid om wat voor me te doen — die hebben allemaal genoeg aan d'r eigen zorgen. — Och ja! zoo gaat het in de wereld, onze lieve heer neemt de beste schapen het eerst in zijn hemelrijk; maar 't zal d'r wel angeschreven staan hier-
128
PALING-JAN.
namaals, dat ze goed voor d'r ouwe vader was. — Ja! 'k heb menig guldentje van d'r gehad, toen ze dien heer nog kende.... Maakt uwe me nu los van die paar palinkies, ze bennen versch en lekker. Uwe ken Jan toch, z'n woord is z'n zegel.quot;..................
Niet lang daarna hoorde ik, dat hij overleden was, en ik dacht: „'t Was toch een wonderlijk type!quot;
Neen, Paling-Jan was geen type — hij was slechts een rariteit!
129
9
EEN WERKELOOZE.
Amsterdamsche Schets.
I.
Moe, koud en nat komt Bossers 's avonds zijn woning binnen, hij ziet bleek, met blauwe kringen onder de diepliggende oogen; den deurknop kan hij nauw omdraaien, zoo koud zijn z'n handen. Den geheelen dag heeft hij door de stad geloopen om werk; hongerend en huiverend schurkt hij zijn schouders heen en weer, terwijl hij, de blauwroode handen samenwrijvend, het kleine fornuisje midden in de kamer nadert.
— Er is geen vuur in, Willem, zegt zijn vrouw, een bleek zwak menschje, dat bij een klein petroleumlampje een paar kinderkleertjes zit te verstellen.
— Zoo! . . . nou! . . . 't is hier toch nog beter dan buiten.
— Wat zie je bleek!
— Ja, ik ben ook beroerd; ik ben ziek van de kou; 'k heb de koorts op mijn lijf, zoo lam en zoo moe ! — werktuiglijk houdt hij de handen aan 't koude fornuis — hum! — geen vuur aangelegd?
— Neen! zucht de vrouw, we hebben brood gegeten,'n half brood met z'n zessen; ik heb de kinderen beloofd dat jij wat zou meebrengen, ze slapen nou — en opstaande: 'k heb nog een brokkie voor je bewaard.
Ze haalt een dunne snee brood, die ze, op een bord, voor
EEN WERKELOOZE.
haar man neerzet: — 't Is eigenlijk de moeite niet waard, maar. . . 'k heb niet meer.
Haar man knijpt in één greep het stuk brood samen, breekt het door en eet 't in een paar happen op. Geen wonder dat hij honger heeft, want van 's morgens vijf uur af is hij al op straat geweest — zonder eten of drinken.
— En ? vraagt de vrouw, weer voortgaande met 't verstelwerk.
— Niets . . . niemendal!
— Nergens?
— Nergens!
— Aan de stads-reiniging ook niet?
— Daar hebben ze al meer volk aangenomen dan noodig is.
— En ben je nog 'reis bij je ouwe bazen geweest?
— Spreekt vanzelf... 'k heb ze allemaal gesproken ... ze hebben bijna zelf geen werk; alléén 'n paar van d'r oudste knechts houwen ze an en . . .
— En wij kunnen onze keel aan den kapstok hangen!... 't is een mooie boel tegenwoordig. Nou ben je getrouwd, je hebt kinderen, je hebt een man, die een fatsoenlijk ambacht kent... en geen eten! De kinderen zien er bleek en mager uit, kon ik ze nog maar 'reis naar „de voedingquot; krijgen, maar de meesters geven de kaartjes om beurten — over acht dagen komen ze er eerst weer bij en . . .
—r Och zeur niet! dat geeft toch niks . . . Wat kunnen we nog missen ? . . . Hè, wat ben ik draaierig in m'n hoofd . . . dan moet dat maar weer achter de schuine deur, de kinderen moeten morgen toch een stuk brood hebben, — wat heb je nog?
— Nou, niet veel, 'n paar hemden, een baaien rok en m'n Stoffen japon.
— En m'n zwarte broek? . . .
— Och, dat weet je immers wel. .. verleden week al, met je pijekker en mijn omslagdoek ... 't kwam nog niet eens uit voor de huur; 'k moest nog een deken ook wegbrengen ...
Zwijgend, met gefronst voorhoofd, stil en strak voor zich uitblikkend, hoort de man zijn vrouw aan, maar haar stem wordt voor hem onduidelijker, zijn gedachten dwalen af, en in een kort oogenblik ziet hij, in den geest, al de treurige, benarde dagen die ze doorleefden terug, hoe stuk voor stuk van zijn huisraad naar den lommerd is gegaan en hoe 't geen
EEN WERKELOOZE.
er nog is denzelfden weg zal volgen. Hij ziet zich zelf overal rondloopen om werk — vragend bij vroegere bazen, groote en kleine, aan fabrieken en instellingen... overal! — En overal is 't: Neen! niet noodig!
Hoe is 't mogelijk. Hij is niet alleen een bekwaam scheepstimmerman, maar hij kan alles ; huistimmeren, meubelmaken, beeldhouwen zelfs en toch, al bijna drie maanden geen werk! — 't Is verschrikkelijk!
Hij hoort niet meer, dat zijn vrouw tot hem spreekt, hij verstaat haar opsomming van alles wat er al naar „Oome Janquot; ging, niet meer, hij denkt plotseling met alle kracht, die in hem is, aan de toekomst: Waar moet 't in Godsnaam heen ? Vijf kinderen, een vrouw die er niets bij verdienen kan; ze is zwak en heeft haar handen vol genoeg om de schapen knap en rein te houden. Al maanden lang geen werk en geen vooruitzicht ! Hij is toch een fatsoenlijk werkman, hij drinkt niet, hij houdt zich niet op met de socialen; de bazen hebben 'm allemaal goeie getuigschriften gegeven. Heel mooi! — maar eet daar 'reis van.
En hun boeltje? — ze hadden werkelijk 'n ordentelijk burgerlijk boeltje, zuinig en langzaam in hun trouwen bijeengegaard, — 't is gedund en geslonken — alles wat ze missen konden is verkocht of verpand. Wat weg is heeft veel geld gekost en bijna niets opgebracht; 't is duidelijk — hij wordt arm, dood-arm als 't zoo doorgaat.
Een van z'n vroegere maats is al naar de gratis brood- en koffie-uitdeeling gegaan, met z'n vrouw en twee kinderen — daar kan hij niet toe komen, hij heeft te veel eergevoel in 't lijf om met z'n vrouw en kinderen tusschen een hoop „schoremquot; in te gaan staan — en toch, zijn vroegere maat heeft eigenlijk gelijk — maar hij kan zich niet met hem gelijk stellen, met zoo'n verloopen kerel -— die nooit deugde, die dronk en z'n vrouw ranselde, — hij Willem Bossers, die zulke mooie getuigschriften heeft van eerlijkheid, bekwaamheid en goed gedrag.
Terwijl hij daar op zijn stoel, in elkaar gezakt, zit te suffen, zooals zijn vrouw, die al maar voortklagend en sprekend het vertrek opreddert, het noemt, steekt hij onwillekeurig zijn hand in den zak van zijn dun, versleten jasje en voelt daar een half verfrommeld strooibiljet, dat hem, van morgen vroeg toen hij aan „de stadquot; werk trachtte te krijgen, in de hand is gestopt.
132
EEN WERKELOOZE.
Werktuiglijk strijkt hij het glad op de tafel en leest, 't Is een oproeping van eenige volksvrienden: om niet langer het kapitaal ongemoeid te laten, maar te nemen wat men noodig heeft, wanneer het niet te verdienen is.
Wel schudt hij nog het hoofd over al die groote woorden als; revolutie, vernietiging van het privaatbezit, maar toch voelt, begrijpt hij, dat 't zóó als nu, niet langer kan voortduren. Er moet een verandering komen; een werkman, die zijn vak verstaat, die niet lui is, niet drinkt, maar eerlijk en fatsoenlijk is, moet ten minste altijd werk kunnen vinden.
Zijn vrouw heeft, nieuwsgierig, haar werk een oogenblik ter zijde gelegd, en als Bossers weer, stil in zich zelf verzonken, zit te staren, het papier naar zich toegehaald en gelezen. Met een trilling in haar stem zegt ze: — En nou hebben ze toch gelijk die soosjalen . .. je weet,'k heb je anders altijd aangeraden om er je niet mee te bemoeien.... maar als ze nou toch zeggen, dat ze brood en geld geven als je meedoet dan. . . ze ziet naar een hoek van 't vertrek, waar de twee jongens, dicht tegen elkaar aangedrukt, onder één dunne deken liggen, dan naar de bedstede, waar 't kleinste bij de twee meisjes slaapt, en hoofdschuddend voegt ze er bij: — ze worden mager en slappies — en jij ziet er meer dan slecht uit, vader 1
— D'r komt ook niks hartigs in, 'k ben den heelen dag flauw.
— En als je dan bedenkt, dat die rijke lui het maar voor 't grijpen hebben, alles volop en wij niemendal, dan zeg je toch: waarom gebeurt dat nou ? Zijn wij zooveel minder, zijn wij in ons soort slechter? Neen, waarachtig niet! Wij houden ons even fatsoenlijk, wij geven ook ieder wat hem toekomt; we moesten ten minste altijd eten hebben. Zie je! als alles op is, als je straatarm bent en als schooiers bij den weg loopt, dan kom je in beklag; als je bedelt met een tod en een vod aan je lijf — ja! — dan geven ze wat — maar zoolang je zorgt dat je kinderen knap in d'r spulletjes blijven en je zelf nog je fatsoen op wil houwen en niemand lastig valt, kom je niet in aanmerking. Ze moesten liever bijtijds zorgen, dat we ons hoofd boven water hielden.
Bossers zwijgt en huivert, 't gonst hem in de ooren, zijn slapen kloppen, zijn hoofd is gloeiend heet en zijn voeten ijskoud; hij klappertandt. Als hij nu maar iets warms had om te drinken, maar koffie is er niet; moeder had immers geen cent meer in huis!
133
EEN WERKELOOZE.
Buiten slaat het acht uur.
Hij staat op — neemt zijn pet en zegt met een heesche, schorre stem: — geef dan maar wat, gauw! 'k zal nog maar even naar den lommerd gaan.
Met een pak onder den arm verlaat hij de kamer; op straat blaast de Noordenwind nijdig door zijn kleeren heen; hij knoopt 't dunne zomerjasje zoo hoog mogelijk dicht en zet den kraag op; maar 't beschut hem niet voor de felle kou; ze dringt hem door merg en been. Zoo haastig hij kan loopt hij voort.
Achter de warm beslagen ruiten der koffiehuizen en restaurants ziet hij heeren zitten, die iets gebruiken; hier en daar ruikt hij de lauwe etenslucht, die nog uit ingang of keukenvenster naar buiten walmt en 't water komt hem in den mond. Hij gaat een schouwburg voorbij waar heeren en dames binnengaan — en in zich zelf mompelt hij : 't Is toch verdomd erg; zij alles en wij niks!
— Een uur later komt hij terug — nog bleeker, nog ver-kleumder, maar met twee lange brooden, een half ons koffie en eenig geld, dat hij aan zijn vrouw geeft.
Hij wankelt, al zijn leden beven, en zijn oogen staan zoo wonderlijk in zijn hoofd, dat zijn vrouw eensklaps uitroept; — God allemachtig, Willem! je bent dronken ... je hebt. . .
— Neen! waarachtig niet, Toos — 'k heb één borrel genomen — omdat ik zoo ellendig ben van binnen; maar 'k ben er nog beroerder van geworden, 'k kan me niet meer ophouden, laat me maar naar bed gaan.
II.
't Oproer was uitgebroken .... overal! In de achterbuurten waren barricaden opgeworpen; anarchisten en volksopruiers hadden hun best gedaan om 't geduldige, fatsoenlijke werkvolk over te halen, zich aan te sluiten bij de benden leegloopers en kwajongens, die, onder hun leiding, de opstootjes waren begonnen. Werkeloosheid, kou en honger bleven hun bond-genooten; er werd te veel geleden, er was te veel honger in de stad!
Van betoogingen en optochten kwam het tot wanordelijkheden en oproer; Kalverstraat, Heeren- en Keizersgracht moesten het ontgelden; een paar huizen waren geplunderd
134
EEN WERKELOOZE.
en enkele gauwdieven en boeven hadden in de verwarring hun slag geslagen. Toen was de Regeering krachtig tusschen-beide getreden.
Waarschuwingen en politiemaatregelen bleken onvoldoende, — de cavalerie rukte aan; 't was niet meer te vermijden geweest. Er werd gechargeerd, sabelhouwen rechts en links uitgedeeld, maar 't oproer woedde voort en 't volk bestookte de dragonders, uit de ramen, van de daken, met allerlei werptuig.
Toen moest er een eind aan komen. De infanterie werd tegenover 't ongelukkige volk gesteld. — Men sommeerde driemaal: — Uiteen of geweld zal worden gebruikt 1 — de oproerkraaiers antwoordden met steenen en revolverschoten.
Toen .. . Vuur!
Een salvo in de lucht! — de nieuwsgierigen stoven uiteen, maar de opgezweepten, de hongerigen en ellendigen hielden stand. Nogmaals een salvo . . . toen werden er dooden weggedragen — menschen, die met hun laatsten snik nog knarsetandend een vervloeking uitten tegen de rijken, de machtigen der aarde.
Maar de volksmenners, de opruiers, bleven weg — ver weg! — buiten 't bereik van de infanteriekogels.
Zij, goed gekleed, flink gevoed, hielden mooie, menschlievende redevoeringen in verwarmde lokalen en spoorden aan tot volhouden, verder verzet en oproer!
Zij redeneerden of schreven in hun binnenkameren theorieën tot heil van hun medebroederen, — die met hun bloed de straten kleurden.
Willem Bossers was er bij, hij had lang geaarzeld, maar er bleef hem niets meer te verliezen over. Zijn vrouw lag doodziek in 't gasthuis; hun jongste kind was gestorven en de anderen hadden geen brood, geen kleertjes, niets meer 1
Zijn onbarmhartige huisheer had hem op straat gezet; wat hij bezat was verteerd en zijn kinderen liepen te bedelen.
— Vooruit dus!... liever zich doodvechten dan doodhongeren !
Hij was niet bang, voor niemand! — Een agent, ba! dien telde hij niet eens. — Een dragonder ? daar lachte hij mee I — Als hij maar een geweer had, stond hij een ruiter! — hij was niet voor niemendal korporaal bij 't 4e geweest; bajonet-vechten kon hij als de beste. — Vooruit dus!
135
EEN WERKELOOZE.
't Kon hem niets meer schelen, wat er ook met hem gebeurde; voor zijn part hingen ze hem op, maar eerst zou hij toonen dat hij durfde en dat de maats ongelijk hadden, toen ze vroeger zeiden: dat ie een lafbek was.
Daar stond hij nu; op een barricade met een schutters-geweer en aan de bajonet een roode vlag.
— Kom maar op! . . . kom maar op! . . . schreeuwde hij . . . ik sta jelui. . . ik heb toch niks meer op de-wereld, schiet me maar voor m'n donder, dan ben ik er uit en...
— Dien kerel daar! .. . 'k heb hem driemaal gewaarschuwd . .. leg 'm nu maar neer, — beval de kommandeerende officier, verbitterd door de halsstarrigheid van den opstandeling. — Een paar schoten knalden en. . . Willem Bossers viel voorover — dood!
Zoo is het niet, maar zoo kan het worden; want een Willem Bossers is geen ideale figuur.
Het zijn niet altijd nietswaardigen, die bij een oproer de eersten zijn. Dezelfde man uit het volk, die zich niet bedenkt, als een vreemde man in het water valt, maar hem naspringt, zonder te denken aan eigen doodsgevaar, diezelfde warme natuur zal vooraanstaan, de roode vlag in de hand, wanneer ellende en honger hem tot het uiterste hebben gedreven!
Tot dat uiterste het niet te laten komen is de plicht van den rijkere. Het volk tot socialisme op te wekken, geeft niets, want het mist de macht en het oordeel tot veranderen. Onder de meer gegoeden, naar geld en naar geest, moet het denkbeeld zich nog meer verspreiden, dat overvloed gegeven is, om anderen wèl te doen.
Als aan het einde van den levenstocht — wanneer al wat begeerlijk was, zijn waarde heeft verloren — het eerlijk, gezonde verstand vraagt; — Waart ge een boom, die vruchten heeft afgeworpen, of zijt ge een dorre wijnstok geweest in de milde, vruchtbare natuur? — dan mag het antwoord daarop geen zelfbeschuldiging zijn.
136
„GARRIBALDIquot;.
„Dat's nou Garribaldi, meneer, zóó noemen de jongens 'm omdat ie zoo'n witten garribaldi-baard draagt,quot; zei Koo de Kok op een avond, dat ik nog laat met hem in „'t Zijlende Frigatquot; zat te praten en hij wees op een klein, bejaard man, die voor de toonbank stond en een kom koffie dronk.
„Kijk 'm maar eens goed an, nou gebruikt ie zooveel als z'n slaapmussie, van koffie — want drank drinkt ie niet — is 't niet waar Garribaldi?quot; lachte Koo.
De oude man keek drinkende om, haalde zijn zware grijze wenkbrauwen en zijn schouders op, beproefde een glimlach, die mislukte, en zei toen met fatsoenlijk accent: „geef me 'n scholletje, juffrouw?quot;
Uit een klein, vies zakje, haalde hij dertien centen, betaalde koffie eri schol en stak de visch, die hem in een stuk papier werd aangegeven, te gelijk met 't geldzakje, vóór in de borst van zijn armoedige jas, die om de heupen met een touw was vastgebonden. Naast hem op den grond lag een groote, grove, paklinnen zak ; hij hing hem over den linkerschouder, knikte tegen de juffrouw achter de toonbank en salueerde Koo en mij, op militaire wijze, door met één vinger even aan den rechterslaap van zijn hoofd te tikken — toen ging hij zwijgend de deur uit.
„Zoo doet ie nou avend op avend! 'n kom koffie en navenant dat er is, schol of bot, panharing of bokkes; die neemt ie mee voor z'n sepee en eet ze in zijn bivak op.quot;
„In zijn bivak, hoe bedoel je dat?quot;
„Wel, m'neer, hij bivakkeert hm! — hoe zal ik dat nou
„GARRIBALDlquot;.
netjes uitdrukke, wij mensche zegge maar zoo voor 't vaderland weg, onder de brug ') dat is zooveel als de bestekamer van de arme lui.quot;
„Och kom, je fopt me.quot;
„Waarachtig niet; Garribaldi — hoe hij eigenlijk heet weet niemand, — slaapt al wel vijf en twintig jaar onder de brug, die bij de Kolk over de N. Z. Voorburgwal leit. Overdag werkt hij in de Jodehouttuine bij de voddebaze, of bij de oud-roestkoopers, en meestal verdient ie geld genogt — maar waar ie 't laat mag de lieve God wete, ze zegge dat ie telkens postwissels koopt en wegstuurt. Hij verteert nog geen kwartje daags — kleêre heit ie haast niet an — die dikke jas ken ik al jaren an z'n lijf, zomer en winter — schoenen zoekt ie op, hier en daar langs de straat en bindt ze met een touw onder z'n bloote voete, dat heit u wel gezien. Spraak zit er niet in, vertelle doet ie niks en als je 'm wat vraagt geeft ie geen antwoord — ze noemde 'm vroeger: de stille. Hij moet van 'n fijne komaf weze, maar an z'n uitmonstering zou je 't niet Zegge; — hij is al wat dikwijls door de agente naar 't bero gebracht, omdat ie zonder dak was, maar telkens hebben ze 'm weer late loope — want ie komt telkens onder die brug weerom — hij doet niemand kwaad — alleen als de jonges 'm naroepe „Garribaldiquot; maakt ie z'n eige wel reis dik.quot;
„En weet je niet hoe hij zóó geworden is, wat deed hij vroeger?quot;
„Dat weet niemand, zelfs van de polisie hebbe ze d'r geen kijk op; ze hebbe hier al verteld dat ie 'n moord op z'n gewete heit, uit jaloersigheid, maar niemand weet 't sicure.quot;
„Misschien is de man niet wel bij 't hoofd?quot;
„'s Jongens nee, hij 's pinter genoegt; je kan 'm voor geen halve cent beduvele, en op de duite is ie, o!quot;
„Dus 'n bedelaar?quot;
„Waarachtig niet, geld waar ie niks voor gedaan heit pakt ie niet an, maar verdiene doet ie 't graag. Zoekt u 'm reis op, 's morgens vroeg, zoo tegen 4 of 5 uur, dan komt ie uit z'n welteruste te voorschijn, praat u reis met 'm, misschien hoor je wat; u heit er nogal slag van om 'n mensch z'n tong te schrape.quot;
') Onder verschillende bruggen te Amsterdam zijn publieke privaten, waarop 's nachts lieden zonder huisvesting, gaan zitten slapen.
„GARRIBALDlquot;.
Eenige dagen later ging ik met een vriend, 's nachts, bij half één, naar de brug over den N. Z. Voorburgwal bij de Kolk. 't Was donker, zoel regenachtig weer, en toen we onder de brug kwamen, struikelde ik al dadelijk over een slapenden man. Mijn lantaarntje openend, liet ik 't licht op zijn gelaat schijnen; twee waterige, zieke oogen zagen mij verschrikt aan, terwijl de man haastig opstond om zich ijlings uit de voeten te maken. Waarschijnlijk hield hij ons voor rechercheurs en was zijn geweten niet zuiver. Een tweede slaper, dien ik met mijn lantaarn verlichtte, was een in lompen gehuld man van middelbaren leeftijd, die op den rug lag en met open mond geweldig snorkte. Hij ontwaakte niet, maar een ander, die in een hoek van het privaat ineengedoken zat, riep ons toe: „Zeg 'reis as jelui van 't bero binnen, neem die kerel dan mee, hij zaagt zóó, — ik kan er niet van slapen — en doe me gordijnen dan maar dicht en ruk uit met je lantaren assieblief — is me dat 'n bediening hier in m'n hotelquot; — de kerel was bepaald humoristisch. In den anderen hoek, juist zooals Koo beschreven had, lag Garribaldi in een oude deken gerold op zijn zak te slapen. Toen het licht hem bescheen, bromde hij iets in zijn slaap — maar werd niet wakker. — We lieten hem liggen en toen we de trap weer opgingen naar de straat, riep de humorist ons na: „Zal jelui voor 'n paar eitjes, half zacht, voor m'n ontbijt zorgen?quot; Uit een anderen donkeren hoek klonk schor lachen. — Ik draaide mijn licht naar dien kant en zag nog een drietal mannen, tegen elkaar gehurkt, schijnbaar slapend.
Ongeveer drie maanden later werd de N. Z. Voorburgwal gedempt en zag ik Garribaldi op een morgen even na zessen, op een stoep zitten, vlak over de brug, die men bezig was af te breken. „Wel, man, zei ik, dat zal je niet bevallen — je bivak wordt weggebroken hé?quot;
Somber keek hij voor zich, terwijl hij antwoordde: „'t Is 'n schande — ik heb daar zes en twintig jaar geslapen en nou breken ze den boel weg — waar moet ik nou heen ?quot;
„Zou je in 'n gesticht willen, misschien zou er wel raad voor zijn.quot;
„Neen! neen! dat kan ik niet,quot; — hij kwam dicht bij
139
„GARRIBALDlquot;
mij staan en zei geheimzinnig: „ik mag niet in een huis slapen.quot;
„Waarom niet?quot;
„Omdat ik boete doe.quot;
„Waarvoor?quot;
„Dat kan ik niet zeggen.quot;
„Is 't dan zoo erg wat je gedaan hebt?quot;
De oude man zag me zwijgend aan, haalde zijn schouders op, nam den naast hem liggenden zak over den linkerschouder, tikte met den wijsvinger even aan den rechterkant van zijn hoofd en zei zuchtend: „Vijf en twintig jaar!quot; —en met een blik naar de puinhoopen der brug — „jammer, jammer!quot;
„O Garri—bal—di—i!quot; riep 'n jongen, die hoepelend kwam aanloopen. — „Zoo'n stommeling!quot; zei de man, zich onder 't heengaan half tot mij wendend. — „Ahasveros moest hij roepen, dan.. . 't verdere bromde hij zoo onduidelijk, dat ik 't niet verstond.
Ik zag hem langzaam, metslependen tred de St. Jacobstraat ingaan, nog eenmaal keek hij om, voor hij in de bochtige steeg verdween.
Was die man een gek ? — Was hij een boeteling ? niemand wist het — en niemand zal het ooit weten, want ongeveer een jaar geleden is Garribaldi 's morgens dood gevonden, liggende op zijn zak, onder een sleperskar, aan den walkant.
140
EEN STANDJE.
Arasterdamsche schets.
„Gauw! gauw de deur dicht; ik geloof dat de poes ... jawel, daar is ie al beneden. Ka!... Ka-aatje, doe de trapdeur dan toch dicht — poes, poessie!quot; schreeuwt boven van uit 't portaal een manke, oude juffrouw, met meer rimpels dan tanden en haren, tot het kleine morsige dagmeisje dat beneden op de stoep, voor de openstaande deur, met een vischvrouw over een paar bakscholletjes onderhandelt.
„Hij is d'r al uit, juffrouw, ik kon d'r niks an doen,quot; roept 't meisje terug, met een achterwaartschen hoofdwenk naar boven.
„O Heere! 't stomme dier is nog nooit op straat geweest,quot; klaagt de juffrouw, terwijl zij zoo haastig ze kan de steile treden afsukkelt en op de stoep staande nogmaals heel snel achter elkander „Poes-poes-poes-poes!quot; roept.
„'t Beessie heit zekers de vis geroke, juffrouw,quot; zegt de vischvrouw en met duim en vinger de dikte van de schol aanwijzend vraagt ze; „Heit uwe ze ooit zóó gezien — 'n vis as 'n tarbot — vier dubbeltjes voor uwe.quot;
„Poes! poes! poes!quot;
„Ken uwe begrijpe; maak je maar niet buiten aasem — die komt vooreerst niet weerom; hij neemt z'n vrije dag ereis. — Mot uwe ze dan hebbe voor zeuve stuivers?quot;
„Miessie, Miessie, Miessie! !quot;
EEN STANDJE.
„Och menslief, je katje komt wel van zeivers weerom, maar zulke schol niet.quot;
„Ik heb vandaag geen visch noodig! Och! heere m'n poes!quot; — de juffrouw kijkt links en rechts de straat in en de vischvrouw zegt snibbig: „En je laat me roepe door je meissie, 'k sta hier nou net voor mal, mot je dan nou weer géén vis?quot;
„Neen! — Och, gomme! waar zou ie nou naar toe gaan ?quot;
„Daar, daar!quot; roept eensklaps Kaatje, die op straat is gaan staan en met den vinger voor zich uitwijzend: „daar gaat ie hierover in de groenkelder!quot;
„Gauw dan Kaatje, haal 'm weerom!quot;
„Kristeziele wat 'n drukte om zoo'n kat. — Weet uwe 't nou wèl dat je géén schol wil ?quot;
„Neen, neen! vandaag maar niet,quot; angstig ziet de juffrouw het dienstmeisje na, dat zoo snel 't kan naar den groenkelder, schuins tegenover, loopt.
De kat, een doodgewone cypersche, is tusschen een paar groentemanden, aan den ingang der kelderwoning uitgestald, weggekropen, en slechts het puntje van haar staart is zichtbaar.
„Daar zit ie,quot; roept een jongen, die't geschreeuw hoorend, is blijven staan kijken.
„Waar?quot;
„Daarzoo, achter die mand met slaai!quot;
Op haar hurken zittend vleit het meisje: „Poê-poêtje-poessie! kom dan maar bij Kaatje!quot;
Het puntje van den staart verdwijnt en 't neusje der kat wordt even zichtbaar.
Een paar kinderen zijn naast den jongen neergehurkt en schreeuwen eensklaps: „Daar, kijk dan, nou zie je z'n snoet!quot;
De kat verdwijnt daardoor geheel en al.
„Kom dan poe?quot;
„Miauw!quot; klinkt het, schor en benauwd, achter de manden.
„Wat had je, meissie?quot; vraagt de groentevrouw uit den kelder aan de trap komend.
„De poes van de juffrouw twee hoog hierover zit achter uwes slaai.quot;
„Zoo! nou laat 'm maar zitte kind en gooi assieblief m'n negotie niet door mekaar — allo, jongens ! blijf van de mande af; dat beest doet jelui immers niks.quot;
142
EEN STANDJE.
Inmiddels zijn verschillende voorbijgangers en straatbengels blijven staan en verbazend snel groeit het getal nieuwsgierigen voor den groentenkelder aan.
„Wat is dat voor 'n standje, wat is er te doen?quot; vragen een paar stemmen.
„Ga toch heen, mensche,quot; bromt de groentevrouw, „'t is niks niemendal.quot;
„Er zit een kat in de juffrouw d'r groente,quot; roept een bengel.
„Anders niet!quot; enkele mannen en vrouwen gaan met teleurstelling op 't gelaat heen, maar de jongens en anderen, nieuw-aankomenden, blijven staan kijken.
„A-ka-aatsch!quot; schreeuwen eenige kinderen, en de groentevrouw, die het standje voor haar kelder onaangenaam begint te vinden, pakt een tweetal manden aan, schudt ze heftig heen en weer en laat een scherp: „Akiss! — vort! akiss!quot; hooren.
Poes springt verschrikt over een mand met tuinworteltjes heen, gooit in haar vaart een partijtje suikerdoppers om en snelt aan den overkant der straat een koomenijswinkel in.
„Akiss! akiss, ka-aatsch!quot; roept lachend de jeugd en terwijl de geheele menschengroep plotseling rechtsomkeert maakt, hompelt de juffrouw, vergetend dat zij nog in nachtjak en rok is, naar den winkel en vraagt zenuwachtig bevend:
„Och grut, doe dat niet, jongens! 't Beessie wordt er zoo schuw van.quot;
„Akiss ! ka-aatsch,quot; brult het koor als antwoord.
Het standje is nu verplaatst, vlak voor den koomenijswinkel; de eigenaar komt uit zijn kamer, ziet voor zijn deur een lachenden en joeligen troep menschen en vraagt kortaf: „Wat beduidt dat, wat moeten jelui?quot;
„Baas! de juffrouw d'r poessie is bij je hammetjes,quot; gilt een jongen en een ander voegt er bij: „Pas op je boter!quot;
„Geeft 'm 'n handje, baas,quot; schreeuwt een derde.
„O, heere neen! — doe — de — deur — toe, asjeblieft, dan — zal ik 'm komen — krijgen,quot; smeekt hijgend de juffrouw, als ze tusschen de menschen door tracht te dringen.
Juist wanneer zij voor de deur is, klinkt een vinnig: „Akiss, kiss!quot; — en vliegt de kat en achter haar een handstoffer den ■winkel uit.
„Daar gaat ie al! a-ka-aatsch!quot; juicht de jeugd opnieuw, en
143
EEN STANDJE.
als 't verschrikte dier, tusschen de beenen der aanschouw ers door, weer naar de tegenovergestelde zijde der straat snelt, schreeuwt en lacht de geheele bende! „Daar gaat ie, daar gaat ie!quot;
In een hoek onder de kar, die naast het pothuis tegen de woning van Hein den kruier staat, blijft de poes ineengedoken zitten; met dikken staart en de ooren in den nek blaast zij tegen haar vervolgers.
„Hij is dol! — kijk 't venijn zie je in zijn oogen,quot; zegt iemand.
„Weineen! hij is doodgoed, ik — zal 'm wel — krijgen. Och menschen — laat me — nou toch ereis door,quot; roept zenuwachtig de juffrouw, die alweer niet gauw genoeg vooraan is kunnen komen, omdat ze zoo mank loopt.
Haar huisheer en onderbuur zat voor zijn ramen doodkalm, zooals een klein burger-renteniertje dat doen kan, de krant te lezen, en is nu even op de stoep gekomen; nieuwsgierig vraagt hij aan de vischvrouw, die wijdmonds, met haar handen op de heupen, schaterend staat te lachen: „Wat is daar toch te doen?quot;
„O mens, 't is 'n paskwil! — die manke juffrouw van hier twee hoog bove is op de kattejacht; kijk daar zit ze op d'r hurke voor de kruier z'n kar. Op avontuur krijgt ze 'm toch niet — heit uwe geen zinnigheid in mooie schol ? Bakke of koke, net als je mondje begeert — voor uwe 'n half guldentje! — Niet? — 'n Botje dan? Ook geen gernale. Niemendal ? Nou dan bij gelegenheid assieblief. — Hoor d'r nou roepe; 't mensch is zekers 'n beetje. . .quot; De vischvrouw wijst met den rechtervoorvinger op haar voorhoofd en ziet den man naast haar vragend aan.
De goedige rentenier haalt even lachend de schouders op, als hij antwoordt: „Neen! 't is een doodgoed oud-mensch, maar 'n beetje zenuwachtig en eenzelvig;'n beetje poesjesgek.quot; Dan gaat hij blootshoofds, op zijn pantoffeltjes, naar het groepje menschen, dat, lachend en pretmakend voor de kruierswoning, de pogingen der juffrouw, die onophoudelijk: „Poe, poêtjequot; vleit, verijdelt.
„Och gommes! kwam de kruier nou maar uit zen huis, dan zou die 'm wel pakken,quot; zucht de oude juffrouw, zich hoe langer hoe meer voorover buigend om onder dè kar te kunnen grijpen.
144
EEN STANDJE.
„D'r is niemand t'huis!quot; krijscht een vrouw uit een venster boven de kruierij. „Ze binnen allemaal met een vrachie uit!quot;
„Jongens laat mij eens even doorquot; — vraagt kalmpjes de medelijdende rentenier, omdat hij trachten wil zijn huurster een dienst te bewijzen. Eenige kijkers gaan gewillig op zij en duwend en dringend werkt de dienstvaardige man zich verder tot in de nabijheid der juffrouw, die intusschen ondervindt, dat de straatjeugd er een onbarmhartig vermaak in schept haar te duwen en te plagen, terwijl zij alle krachten inspant om poes te bereiken. De een trekt haar aan haar jak, een ander duwt haar een eindje voorover, een derde tikt haar op 't hoofd en juist als zij op 't punt is om achterover te worden gehaald door een grooten lummel, is de reddende rentenier naast haar en zegt: „Allo jongens! laat de juffrouw met rust — hou je maar bedaard juffrouw Mullens, ik zal je wel ereis even helpen.quot; Hij knielt voorzichtig voor de kar, grijpt zoover hij kan er onder en tracht de vluchtelinge te vatten.
„Akiss! akiss! ka-aatsch!quot; schreeuwen de plaaggeesten.
„Hou jelui dan toch even stil, kwajongens!quot;
„Assieblief oome! — Akiss, kiss!quot;
„Schei dan tóch uit!quot; roept de rentenier, rood van 't bukken, zich even oprichtend.
Een oude slof vliegt rakelings zijn hoofd voorbij en doet de kat blazen; — de naast hem hurkende juffrouw krijgt opnieuw een duw, zoodat ze tegen hem aanvalt, 't Publiek juicht. De pret stijgt, de jongens beginnen op te dringen.
„Gaat u maar liever naar huis, juffrouw, ik zal 'm wel voor je krijgen,quot; zegt de goedige rentenier, en als hij ternauwernood de juffrouw nogmaals voor een tuimeling heeft behoed, voegt hij er dringend bij : „Ga naar binnen, m'n goeie mensch, want waarachtig! 't wordt hier katjesspel.quot;
„Zal uwe 'm dan pakken, meneer Teeuwsen?quot;
„Ja, ja! maar ga nu heen.quot;
„Hoera! daar gaat ze. — Hoera!... — Juffrouw pas op je poessie!quot; roepen en zingen de bengels, als de juffrouw met een angstig gelaat bevend en hinkend den aftocht aanvaardt en niet zonder nog een paar duwen te hebben opgeloopen haar stoep bereikt.
De vischvrouw slaat met haar groote roode hand, vinnig, naar een paar van de brutaalste achtervolgers, roept: „Ga nou toch heen rakkers!quot; en raadt dan goedig: „Zoo, mens!
145
10
EEN STANDJE.
ga nou maar gauw naar bove, anders raak je in de maling — mot je die scholletjes nou nog effe meeneme, m'n lieve mens ? De drie voor 'n guldetje dan?quot;
De juffrouw gaat zuchtend en telkens omkijkend, zonder te antwoorden, naar boven.
Voor de kruierswoning juichen en lachen de kijkers steeds luider. 1
„Dat beroerde dier!quot; bromt mijnheer Teeuwsen, die alles doet wat hij kan. — „Hou jelui toch stil, jongens, zóó krijg ik 'm nooit.quot;
„Op zij, sakkerdeju! op zij dan!quot; schreeuwt eensklaps met grove, schorre stem een groote zwaargebouwde kerel, die, met een hooge, opgepofte zijden pet schuins op zijn polka-haar, links en rechts met de ellebogen stootend, tusschen de menschen doordringt.
„Hou je roer recht!quot; roepen een paar jongens, als zij zien dat de man, die zich zoo ruw en geweldig baan breekt, niet nuchter is.
„Wat is d'r aan de hand ? Zeg waarom zit jij daar zoo op je hakke?quot; vraagt hikkend en met een eenigszins dubbelslaande tong de aangeschoten sjouwer.
„D'r zit een kat onder die kar!quot; roept een uit den hoop.
„'n Kat? Sakkerdeju! maak je daar zoo'n matschudding over? Wou je die weg hebbe? Dat's maar 'n kleinigheid, dat mot je 'm zóó levere, zóó!quot; en met een forschen greep vat de sjouwerman de kar aan, tilt haar op en schopt met zijn grooten voet er onder, terwijl hij niet zonder talent het blazen van een kater nabootst.
„Daar! — daar snijdt ie al uit!quot;
Met een vluggen sprong ontsnapt de poes en vliegt blazend van angst tegen het pothuis op, er over heen en dan, voortgejaagd door het gillen en schreeuwen der jongens, de straat in; een oogenblik later is zij uit 't gezicht.
„Dat staat je gemeen!quot; roept driftig wordend 't renteniertje. „Waar bemoei jij je mee?quot;
De sjouwerman zet een paar kwade oogen op, geeft een klap op zijn pof-pet, gaat eensklaps uitdagend voor mijnheer Teeuwsen staan en schreeuwt: „Zeg, mot je mijn hebbe?quot;
„Wat doe je met je handen aan de kar?quot;
„Ik zal an die kar komme, als ik wil, versta je?quot;
„Och man je bent dronken, ga heen!quot;
146
EEN STANDJE.
„Ga heen! — voor jou? Dronke! Weet je anders niet, Brani?quot;
De rentenier wil zich verwijderen, maar de menschenmuur die hem omringt is te dik en de sjouwer verspert hem den weg, terwijl hij, hem kwaadaardig aanziende, nogmaals schreeuwt; „Zoek je mij soms, heb je wat van me te zegge?quot;
„Ik praat met geen dronken menschen.quot; Teeuwsen ziet geen kans om weg te komen en herhaalt daardoor half driftig, half angstig: „Ruk nou uit, hé!quot;
„Kommedeer je hond en blaf zelf! Als je trek hebt om op je ziel te krijge mot je 't maar zegge, ik bin je man,quot; en plotseling houdt de sjouwerman zijn groote harde vuist voor de verschrikte oogen van 't renteniertje, dat eerst rood en dan bleek om zijn neus wordt, omdat hij heel goed begrijpt wat hem te wachten staat.
„Ik — kik — ik zei maar al — leen dat. .stottert hij.
„Jij zeit dat ik dronken ben, dat heb ik van jou niet te vele — je mot niet denke dat ik bang word voor jouquot; — hier slaat de beschonkene zich met de volle vuist herhaaldelijk krachtig op de breede borst en met een vloek: „Ik lust er wel tien zoo as jij!quot;
Teeuwsen wordt nog bleeker, maar door zijn brein schiet bliksemsnel de herinnering, dat hij eens gehoord heeft, dat men door een beschonkene flink in de oogen te zien hem in bedwang kan houden en daarom zet hij een paar verbazend groote oogen op en ziet zijn tegenpartij strak aan, te gelijk langzaam achteruitwijkend. Ontsnappen is onmogelijk, want nu er uitzicht komt op een vechtpartijtje dringen de nieuwsgierigen hevig op.
De beschonkene, met een erg kwaden dronk behept, windt zich meer en meer op en brult: „Ben jij een kerel, trek dan je jas üit, en leg me neer as je vermoges in je handen heb.quot;
Teeuwsen zwijgt en staart.
„Kom me nou ereis an m'n lijf, mooie meheer, met je pantoffels en je geschoren snuit, — hei je geen lef? Ik wel, daar leit mijn jas al.quot; De sjouwer stroopt zijn boezeroensmouwen op, toont twee zware, bruin behaarde armen — en de ongelukkige rentenier rilt.
„Ik kik — ik h—heb niets tegen je, man.quot;
„Maar ik tegen jou; — kijk me niet zoo an.quot;
„Aha!quot; denkt Teeuwsen, „dat schijnt hij toch niet te kun-
147
EEN STANDJE.
nen velenquot; — en eenigszins moediger kijkt hij nog strakker dan te voren en wijkt nog iets meer achteruit; hij kan nu niet verder en durft ook niet omzien of vragen om ruimte.
„Kijk voor je — en leg je jas neer, branil Ik heb trek in je, ik lust je — begin dan?quot;
Een koomenijsjongen — met een gevulde mand op 't hoofd en een netje met eieren in de hand — staat in de eerste rij toeschouwers, vlak naast den dronken man en lacht dat hij schatert. Dat lachen verveelt den sjouwer en met den uitroep: „Hou je bakkes, jij!quot; grijpt hij hem eensklaps de eieren uit de hand en slaat ze met een paar forsche slagen te pletter op 't hoofd van den rentenier, die werktuiglijk ineenduikt, terwijl hij de woorden hoort:
„Daar dan, nou ben ik begonne, trek nou je jas uit.quot; De koomenijsjongen begint te grienen en een brullend gelach gaat uit de menigte op. „Dat's flauw van je om zoo'n kind z'n eieren te rinuweeren!quot; roept een vrouw en een andere giert: „Meheer kan de'r wel teuge, maar voor de jonge is 't wat lekkers!quot; De goede Teeuwsen voelt zich — zien kan hij nauwelijks — door een paar medelijdende vrouwen achteruitschuiven. „Die is wèl af!quot; grinniken de kijkers, terwijl men lachend ruimte voor hem maakt. Als hij eindelijk zijn stoep bereikt, is de beschonkene, dien eenige omstanders tevergeefs hebben trachten tegen te houden, hem vlak op de hielen.
Zijn huisdeur is dicht, maar de deur der bovenwoning staat altijd aan, dat weet hij. Daarom vlucht hij haastig daar binnen en gooit de trapdeur in 't slot.
De vischvrouw, die nog altijd op de stoep staat, doet een poging om den geweldenaar met een: „Zeg, ga nou naar je huis!quot; tegen te houden, maar zonder gevolg; hij stoot haar ruw op zij, zoodat ze in zittende houding op haar visch-manden terechtkomt.
„Ik zal 'm hebbe, die beroerling — ik zal...quot; en met kracht trekt hij aan de schel van 't eerste bovenhuis, al roepend : „Kom d'r dan uit as je 'n kerel bint, komt d'r uit!quot;
Van boven af wordt de deur opengetrokken, terwijl, binnen, Teeuwsen heesch en angstig schreeuwt: „niet opendoen, niet opentrekken!quot;
Gelukkig is er in 't portaaltje een tusschendeur die toegang geeft tot de gang van het onderhuis. Hij vindt de knippen
148
EEN STANDJE.
in 't halfduister van 't portaaltje nogal spoedig en schuift ze met één hand terug, terwijl hij met de andere alle krachten inspant om de straatdeur dicht te houden.
„Niet trekken!quot; herhaalt hij, zoodra hij voelt dat van boven af het trektouw weer strak wordt aangehaald — „niet trekken daa-an!quot;
„Is d'r iemand beneden!quot; roept een kinderstem van boven.
„Niet trek— 1quot; nog één seconde en hij komt door de tus-schendeur in zijn huisgang, draait den sleutel, die altijd aan zijn kant zit, haastig om en voelt zich in veiligheid.
In datzelfde oogenblik gaat de trapdeur open en tuimelt de sjouwerman vloekend tegen de treden op.
„Waar is ie! sakkerdeju! ik zal 'm van bove hale. Kom d'r af, potmos ...
„D'r is niemand thuis,quot; roept een angstige kinderstem naar beneden en boven wordt een kamerdeur hard dichtgeslagen.
't Publiek op straat vermaakt zich bijzonder en brult het uit van pleizier, telkenmale als de sjouwerman een poging doet om de vrij steile trap op te klimmen.
„Och man!quot; zegt de vischvrouw, weer van haar schrik bekomen en nu, evenals de anderen, hartelijk lachend om den beschonkene, omdat hij als een kever met handen en voeten tegen de trap tracht op te kruipen. „Daar woont ie ommers niet,quot; en onvoorzichtig genoeg, voegt ze er bij: „hij woont in 't huis, ha! ha! ha!quot;
„Zoo! in 't huis?quot; — de sjouwer draait zich eensklaps te kort om, glijdt zittend een viertal treden af en komt op de stoep te land.
„Hou je roer recht! Dronken-Dirk! Ouwe likkert, je krijgt 'm toch niet, hij is al in z'n huis, daar, daar!quot; gillen verschillende stemmen.
Het roepen en schreeuwen maakt den vervolger woedend; vlugger dan men van iemand in zijn toestand zou verwachten staat hij op, duwt vloekend de vischvrouw nogmaals op zij en aangehitst door het tergen en lachen van de toeschouwers begint hij met beide vuisten op de huisdeur van Teeuwsen te beuken, al roepend:
„Kom d'r dan uit, salamander!quot;
Bleek van schrik en geel van de eieren staat de goedige rentenier in de keuken bij de waterleidingkraan; hij proest
149
EEN STANDJE.
van 't water, en de zeep die in zijn oogen komt doet hem pijn. In zijn stem trilt de angst nog na, als hij tot zijn huishoudster zegt: „Juffrouw doe de deur op 't nachtslot. Geef me de spons nog eens — God! God! wat zie ik er uit —quot;
„Bom! Bom! Bom!quot; klinkt 't huiten.
„Doe de ketting er ook op; — waar is de handdoek?quot;
„Bom! Bom! Bom! —quot;
„Dat er nou ook geen politie komt, — och juffrouw pak mijn vest even aan, en doe me dien kleverigen boord af.quot;
„Bom! Bom! —- rinkeldekinkeldekink!quot;
„Allemachtig, mijnheer! hij slaat de glazen van de zijkamer inquot; — met de spons in de eene en den handdoek in de andere hand blijft de huishoudster in de richting der voordeur staan kijken en mijnheer Teeuwsen laat zich moedeloos op een keukenstoel neervallen.
Wel een kwartier lang blijft hij zóó zitten, terwijl de juffrouw hem verder reinigt. Allerlei geluiden; stemmen, die schreeuwen en vloeken, schelden en gejuich dringen van buiten af, min of meer gedempt, in zijn oor en een paar maal hoort hij een uitbarsting van lachen en joelend pleizier; dan wordt het iets rustiger op straat en als hij eindelijk schoon gewasschen met een zindelijke boord om en een schoon overhemd aan zegt: „juffrouw, ik geloof dat je nu wel eens kan gaan kijken,quot; pruttelt hij in zich zelf: „zoo'n vervloekte kat!quot;
Een oogenblik later komt de huishoudster terug met een andere jas en de geruststellende tijding: „Meneer Teeuwsen 't standje is zoo goed als gedaan; hij is weg. — Er staan wel nog een boel menschen voor 't huis, maar die kijken alleen maar naar uw stukkende ruiten.quot;
„'t Is wat moois,quot; steunt de rentenier.
Dan gaat de juffrouw even in 't zijkamertje en komt weerom met de boodschap: „Twee ruiten en één roe d'r uit.quot;
„'t Is wat lekkers!quot;
Eindelijk is 't buiten bijna stil, slechts nu en dan dringt een dof gemurmel en gebrom nog in Teeuwsen's woning door; hij gaat nu zelf de zijkamer in om de geleden schade in oogenschouw te nemen. Zoodra hij zich daar voor de ruiten vertoont roept een jongen, die van 't begin af aan het standje heeft bijgewoond en aan eenige nakomers het feit vertelt: „Daar hei 'm, dat is ie zelf, — hij heit lekker op z'n kop gehad.quot;
EEN STANDJE.
De rentenier hoort die woorden en treedt rood van kwaadheid en ergernis terug, maar de jongen schreeuwt hem toe: „Meheer ! de pelisie heit 'm ingerukt, je kan nou wel voor den dag komme — hij bloeide as 'n rund — z'n heele hand lei ope.quot;
Die woorden brengen, hoe onchristelijk 't ook moge zijn, een genoeglijken glimlach om Teeuwsen's lippen en met een zucht van verlichting gaat hij in zijn achterkamer, die op 't kleine binnenplaatsje uitziet, een sigaar opsteken,
„'k Wou dat die lui daar buiten nu maar heengingen,quot;' denkt hij, want de behoefte aan een beetje versche lucht doet zich zeer duidelijk gevoelen, maar hij weet, als geboren Amsterdammer zeer goed, dat daar in 't eerste uur geen kans op is. Een standje — al is 't gedaan — heeft minstens één of anderhalf uur nawerking; de een blijft om den ander staan en nieuwsgierige menschen, die niets te doen of te verzuimen hebben, zijn er altijd. Bovendien heeft een gebroken ruit en een stukgeslagen vensterroe voor de voorbijgangers: altijd een groote aantrekkelijkheid, vooral wanneer zich op de stoep ettelijke bloeddroppels en in de vensterbank zelfs kleine bloedplasjes vertoonen. Dan is er altijd steevast een jongen of een juffrouw, „die zeivers 't heele geval gezien heitquot; en uit pure menschenmin staan blijft op de plek des onheils om aan de belangstellende voorbijgangers een kleine uitlegging te geven.
Teeuwsen gaat dus bij gebrek aan beter op het binnen-, plaatsje en begiet daar de potjes reseda en geranium, die in een hekje voor zijn venster staan.
De juffrouw is reeds bezig om in de keuken mijnheers; overhemd en boordje uit te spoelen; hoofdschuddend roept zij door 't kleine raampje: „'t Ziet er dan beestachtig uit; je zou zeggen, hoe is het mogelijk, zoo in ééns — en doet uw hoofd niet zeer? — Niet? — nou! u mag van geluk spreken,, dat je er zoo bent afgekomen.quot;
„Menheer!quot; klinkt het opeens boven hem: „Menheer Teeuwsen is uwé daar, wil ik uwe nou ereis wat vertellen?quot;' Hij ziet met het gietertje in de hand, het hoofd in den nek houdend, naar boven en ontwaart de juffrouw van twee hoog, die uit haar raam kijkt.
„O! is u 't, juffrouw Mullens! — wat zegt u d'r wel van?'quot; „Waarvan?quot;
EEN STANDJE.
„Watblief?quot;
„Waarvan, mijnheer Teeuwsen?quot;
„Heeft u dan niets meer gezien van de herrie?quot;
„Och, neen, m'n goeie man, ik had er meer dan m'n bekomst van — 't was heel best dat u me naar huis liet gaan, want verbeeld u, toen ik boven op m'n achterkamer kwam, was ik de wereld te rijk af, — Miessie zat heel zoet in d'r mandje; ik had me vergist — 't is een vreemde kat geweest.quot;
't Gietertje valt uit meneer Teeuwsen's hand; een langgerekt „Hè!quot; is alles wat hij zeggen kan en in de keuken schiet de huishoudster in een lachbui, die eerst overgaat als Teeuwsen vloekend met de vuist op de vensterbank slaat en hardop uitroept: „Dat's om donders te worden — hou op met lachen, ben ik niet genoeg in de maling, door zoo'n kat!quot;
152
EEN ZONDAGMORGEN-VERRASSING.
't Is een heerlijke Zondagmorgen in September, juist half® zeven geslagen. In een der hoofdstraten wandelt een eerzaam huisvader met zijn zoontje, om, voor zoover 't in Amsterdam mogelijk is, een weinig frissche lucht te scheppen. De meeste huizen en winkels zijn nog gesloten, want welk Amsterdamsch winkelier, die niet uit de stad gaat, staat op Zondagmorgen zoo vroeg op. Alleen een bakkerswinkel is open en de juffrouw is bezig om krentenbroodjes, bolussen en pain de luxe uit te stallen. Die heerlijke versnaperingen doen den kleinen wandelaar. watertanden.
„Pa! toe, koop me een krentenbroodje?quot;
„Ga je gang maar jongen!quot;
De vaderlijke hand daalt in den zak en geeft aan den smulgragen kleine een -cents-stuk.
Terwijl de knaap in den bakkerswinkel is, blijft vader op de s'toep er tegenover naar eene uitstalling van harmonica's en andere muziek-instrumenten kijken. Een stoer, als schipper gekleed, man staat eveneens voor de ruiten van dien winkel en als hij een heer naast zich bemerkt, wendt hij zich tot dezen met de woorden: „Potdorie, wat een mooie harmonica's, vindt je ook niet, meneer?quot;
De onmiskenbare zwaarheid van tong en een alcoholische geur, die uit zijn woorden straalt, zijn zekere bewijzen, dat de man niet precies zoo nuchter is, als iemand die pas het bed heeft verlaten. Zijn rechterhand steunt op de vensterbank en met zijn linker tikt hij den heer aan, herhalend; „Die
EEN ZONDAGMORGEN-VERRASSING.
middelste, dat's een baas van een harmonica hè ? 'n mooie —. „Hou jij van harmonica ?quot;
„Niet al te veel, goeie vriend!quot;
„Dan heb je er zeker nooit goed op hooren speulen. Potdorie, als ik er op speul, dan moet je dansen of je wilt of niet. Polka, wals, mazurka, Schotsche drie, alles wat je wilt, meneer! Je hoeft niet te denken dat ik een prul ben, omdat ik nou maar een boezeroen draag, verdikke neen ! ik lever 't je zoo goed als de beste muzikant.quot;
De kleine jongen, die intusschen zijn krentenbroodje heeft 1 gekocht, nadert al etend zijn vader, en dezen in gesprek ziende met een vreemden man, blijft hij verwonderd staan kijken.
„Dat is zeker je zoontje, hè — 'n bolletje, hoor —quot; zegt de schipper, en zich naar 't kind overbuigend, vraagt hij op den lijmerigen toon, aan halfdronken lieden eigen : „Geeft uwé me 'ereis een handje, jongeheer — wat smikkel je daar op ? — Een krentenbroodje? — Verdraaid flauwe kost, ik lust liever een klare ; zeg, hoor jij graag harmonica speulen ?quot; — 't Kind, half verschrikt, knikt van ja — en dadelijk daarop richt de man zich op met de woorden: „Zoo ! dat doet me verdomd veel plezier. Nou zal ik ereis voor je speulen, kleine jongen, en weerlichts mooi ook. — Dan moet de kerel zijn nest maar uit!quot;
Een oogenblik later heeft de harmonica-virtuoos den schelknop van de winkeldeur gegrepen en luidt uit alle macht.
De goede eigenaar van het magazijn ligt vermoedelijk nog in diepe rust, want 't schellen schijnt niet gehoord te worden. Een voorbijganger, een werkman, die den schipper heeft zien staan luien, vraagt zeer belangstellend: „Hooren ze je niet?quot;
„Neen, Pot — hier-en-gunter me, maar hij zal zijn kooi uit — ik moet een harmonica hebben.quot;
„Wacht, ik zal je helpen, maat; je moet zóó schellen, achter elkander en hard, net als een porder, dan hooren ze 'twel.quot;
Door die vereende pogingen wordt de winkelier wakker en ijlt, verschrikt over 't ongewone rumoer, naar beneden, om te zien wat er zoo vroeg aan de hand is. De man draagt een witten keper borstrok en een dito bekleeding aan zijn loopwerktuigen; hij heeft zich zelfs geen tijd gegund om kousen aan te trekken. Zijn haar is even verwilderd als zijn oogen, die wijd geopend den vroegen bezoeker aanstaren.
154
EEN ZONDAGMORGEN-VERRASSING.
als wilden zij vragen; „Mijn God! wat is er gebeurd ?quot;
„Doe dan toch open!quot; schreeuwt de schipper nog buiten.
„Dadelijk!quot; antwoordt van binnen de eigenaar.
Als de deur geopend is, zit de bezoeker in een oogenblik op een tabouretje voor de toonbank, ziet den winkelier, die in allerijl om 't onvolmaakte van zijn toilet er achter is gesprongen, met waterige oogen aan en vraagt: „Heb je goed geslapen, vader? — Jongens! je mag je wel ereis opknappen; is datje Zondagsche borstrok ? Je hebt wel ereis een verschooning noodig, maar dat hindert mijn niet — ik moet een harmonica hebben.quot;
„Van hoeveel, mijnheer?quot; Zoodra de winkelier hoort dat de man een harmonica hebben moet, noemt hij hem mijnheer.
„Dat dondert me niet, als hij maar goed is.quot;
„Een gulden of vijftien, zestien?quot;
„Vijf en twintig voor mijn part.quot;
„Asjeblieft! Kijk, dit is een uitstekende, met een blaasbalg van leer, nieuw-zilveren kleppen en drie registers; probeert u ze maar eens.quot; De harmonica wordt aan den klant toegereikt, die ze met de woorden: .„Nou zal je 'reis hooren wat er in een harmonica zit,quot; aanneemt.
Een oogenblik later klinkt: „Am schonen blauen Donau,quot; lang niet onverdienstelijk gespeeld, door den winkel.
Al spelend zegt de virtuoos: „Wat zeg je er van?— kan jij daarbij je beenen stil houden? Neen, dat is waar ook, je hebt nog geen broek aan, maar dat hindert niet; we zijn onder ons meisjes, dans maar op, vader, of heb je liever een polka? Daar gaat ie dan.quot; Een vroolijke polka klinkt en doet den winkelier met breedgetrokken mond lachend zeggen: „U speelt bijzonder goed — vindt u 't geen mooi instrument ?quot;
„Wis en waarachtig!quot;
„Zoo vol van toon en bepaald niet duur.quot;
„'k Vind hem verdraaid goedkoop, hoor! Zeg! nou zal ik ereis een opera voor je speulen. — De Trovi-tore. Haal de registers eens uit. Gauw dan! Zoo ! —quot;
't Miserere uit Le Trouvère lokt de dienstmeid, die nog in haar nachtgoed is, met des eigenaars gade, evenzoo gekleed, naar beneden. Ze staan om 't hoekje van de deur der achterkamer te kijken.
De vroolijke speelman ziet de vrouwen knipoogend aan en met een vrij kunstige wending gaat hij over van „Eleonore —
155
156 EEN ZONDAGMORGEN-VERRASSING.
adieu! —' in „Sara, Je rok zakt af,quot; een variatie die de vrouwen met een verschriktent blik op haar nachtgewaad ijlings den aftocht doet blazen.
„ Heel aardig! heel aardig!quot; zegt giegelend de winkelier en vraagt dan: „Wil u soms ook nog een andere accordeon probeeren?quot; —
„Dank je, ik heb er nou net mijn bekomst van,quot; antwoordt de schipper, die zijn spel met een dissonant besluit en de harmonica op de toonbank legt.
„Dus deze neemt u — die van vijfentwintig gulden?quot;
„Waarachtig niet!quot;
„Welke dan?quot;
„Wel, geen een — ik heb wel drie of vier harmonica's thuis, zoo goed dat de jouwe er niet aan ruiken kunnen.quot;
„Wat-a-at! dus, u koopt ze niet?quot;
„Neen, vader! geen haar op mijn hoofd dat er aan denkt; ik kwam hier voorbij en toen stond er zoo'n kleine jongen,— wat duivel waar is hij nou ? — die wou me reis hooren speulen en daarom heb ik jou begunstigd. — Als ik weer je buurt uitkom, wil ik je nog wel 'ris iets voorspeulen. —Adjuus!je zal die harmonica wel verkoopen, want ze is waarachtig niet kwaad.quot;
Sprakeloos van ontzetting staart de winkelier zijn klant aan. De toomader zwelt tusschen zijn oogen en met heesche stem voegt hij den schipper toe:
„Kerel! 't is je geluk dat ik geen broek aan heb — anders.....quot;
„Anders? — Anders deed je toch niks, uitgedroogde sprinkhaan — word nou maar niet zoo rood in je gezicht, want dat is ongezond — adjuus! ik ga een hapje nemen.quot;
De winkelier sluit met een vloek zijn winkel en heeft een bedorven Zondag.
DEN NACHT.quot;
s uit Amsterdam.
S c h e t
Even vóór middernacht — 't regent zachtjes, met dunne stralen, onophoudelijk; een kille fijne regen, die langzaam, alles doordringt, de straten vol glibberigen modder maakt en de huizen doet glimmen van afdruipend nat. Soms steekt de wind, in een felle, zoele vlaag even op, als de benauwde adem van den storm die in 't Zuid-Westen loerend ligt te wachten, tot hij uitschieten kan, geweldig en vernielend.
In een smalle straat, waar weinig armelijke huizen, kleine winkeltjes en een paar hooge smalle pakhuizen staan, is een kroeg nog open; helder verlicht zijn de vensters, met groene chassinetten voor de onderste helft en witte doorschijnende gordijnen met vvv'n, bier amp; liqueuren in groote onregelmatige zwarte letters er op, voor 't geheel.
't Getik van neergezette glaasjes op de zinken toonbank, ruw gezang en nu en dan een vloek of een schelle lach, breekt de stilte in de donkere straat, waar de winkeltjes gesloten zijn en slechts één stadslantaam op den hoek slaperig brandt. Van tijd tot tijd een haastige voetstap of de regelmatige tred van een politieagent — anders niets.
Uit de kroeg, door 't snijraam boven de deur, valt licht op het tegenoverliggend huis, hoog en smal, oud en vervallen, donker van onder en boven, met een paar zwak verlichte vensters onder 't dak. Op de ruiten van 't venster, naast de
„IN DEN NACHT.quot;
deur, is een wit papier geplakt waarop te lezen staat: „Te huur,quot; en vóór dat venster, op de stoep, ligt een vormelooze hoop huisraad, hoog opgestapeld tot bijna vóór 't witte papier
Een oude zwakke tafel draagt een matras — gescheurd en met uitstekende stroohalmen, die hei-geel glanzen in 't licht dat uit de kroeg er op schijnt — een opgerolde katoenen deken, verschoten en vuil, bijelkaar gebonden beddegoed en een bundel lappen en vodden, hangt in een oud gordijn halverwege van de tafel af op een stoel die nauwelijks krachtig genoeg is om een doofpot, een waschkuip en een paar potten en pannen te dragen — onder de tafel een andere stoel, een stoof, een paar emmers en een waschbord. Nog een tweetal stoelen staat met de zitting onder de tafel en tegen een opgestapelde massa oude kleeren, stukken tapijt, gebroken huisraad en een ontredderde wieg — alles haastig op en in elkander geworpen.
Een klein vierkant kastje ligt er naast op de stoep ; 't eene deurtje er van staat open omhoog, 't kan niet dicht, door al den rommel, die er half in-, half uitsteekt en voorover, met de zwarte gapende pijp naarboven, is een kleine potkachel er over heen gevallen.
't Regent steeds voort; van den vooroverhangenden gevel stroomt het water in dikke stralen op 't beddegoed en de vodden, langzaam ze doorweekend en bedervend; uit de kacheldeur vloeit zwart roetwater in en over het kastje.
Aan het einde der straat staat een nog jonge vrouw met een akelig bleek en verwrongen gelaat. Ze schuilt voor den regen onder een vooruitspringenden gevel, tegen den muur gedrukt. Onder een grijzen doek beschut zij haar kind ; huiverend trekt zij de schouders omhoog en opent nu en dan, met bevend gekromde werkvingers, de plooien van den doek om te zien of 't kind ook nat wordt. Als ze ziet dat 't wurmpje slaapt, tuurt ze met droevige, holle oogen naar de kroeg, schuins tegenover, waaruit het schorre geluid van een kijvende, vloekende mannenstem haar een siddering over 't lijf jaagt. Ze schreit niet; ze ziet alleen met strakke oogen vol angst en schrik naar die verlichte wijnhuisramen en met op elkaar gebeten lippen naar den hoop op straat geworpen huisraad — haar hebben en houwen.
't Slaat middernacht — zwaar hangt de galm der torenklok in de natte lucht — de kroeghouder gaat sluiten, zijn gasten moeten vertrekken.
„IN DEK NACHT.quot;
Binnen in de kroeg klinken luide kijvende stemmen, zware vereelte vuisten bonzen dreunend neer op een tafel en rinkelend vallen een paar glaasjes op den vloer. Een zware basstem overschreeuwt de andere en er ontstaat een oogenblik stilte — dan verheffen zich de eerste stemmen weer, maar minder heftig, minder luid. Er wordt gelachen, dan gezongen en eindelijk klinken glazen tegen elkander — de deur gaat open en een vijftal gasten vertrekt, zij loopen met opgezette jaskragen, de hoeden of petten diep in de oogen getrokken, haastig in verschillende richtingen de natte straat op.
Schaterend gelach antwoordt.
Nogmaals waarschuwde de zware stem en de gasten zwijgen een oogenblik.
Reeds is het licht achter de ramen flauwer geworden, want de eene gaspit na de andere wordt uitgedraaid.
Joelend en zingend, met schorre drankstemmen en groote breede gebaren, zwaaiend en struikelend, verlaten eindelijk drie mannen de herberg, zonder de vrouw op te merken, anderen gaan bedaard samen sprekend langs haar heen, maar een lange opgeschoten jongen, met de hooge pofpet schuins op drie haren, ziet haar, doet een greep naar haar lichaam en vraagt zwaar van tong; of ze soms gezelschap wil hebben.
Ze schopt hem van zich af, want in haar handen houdt zij het kind, dat nu door den schok ontwakend, begint te schreien, luidkeels en snerpend.
De vensters der kroeg worden donker, 't licht gaat daarbinnen uit, maar de deur wordt weer opengedaan en de stoere tapper, in witte hemdsmouwen, brengt een klant naar buiten, die half slapend reeds, nog vloekend tegenspartelt en zich te weer stelt.
Met een krachtigen greep vat de tapper hem aan, brengt hem tot midden op straat en geeft hem dan een duw vóóruit, zoodat hij tusschen den hoop huisraad terecht komt en vóórover, slap van drank en onbekwaam tot alles blijft liggen, met 't hoofd tegen de ontredderde wieg.
De wind is opgestoken en drijft den regen voor zich uit met schuinsche, geeselende stralen de straat in; de man ligt op de stoep in een plas, hij merkt dat niet, de roes maakt hem ongevoelig, hij snurkt; schuins in elkaar gezakt met 't hoofd op zij, de jenever sijfelt hem uit den mond.
De vrouw staat steeds aan 't eind van de straat en huivert;
159
„IN DEN NACHT.quot;
ze sust haar kind en als 't weer slaapt, schikt ze de plooien van den doek, met bibberende vingers, over 't hoofdje — angstig, met een diepen zucht, ziet ze naar den donkeren vormloozen klomp in haar nabijheid.
Als de tapper de grendels op zijn deur heeft gedaan en tot zijn dikke vrouw, die achter in de kamer smakelijk een boterham zit te eten, lachend zegt: „nou kan ie meteen op z'n huishouwen passen,quot; sluipt de vrouw langzaam naar haar op straat gezet boeltje en bukt zich voorzichtig, met 't slapende kind op den arm, naar den man .... Ze voelt zoo goed ze kan in zijn zakken, — niets! — ze legt het kind behoedzaam een oogenblik op de matras, om beter te kunnen zoeken, in zijn broekzak — in zijn vest; knorrend als een zwijn draait de man zich even om — nu kan ze ook bij den rechterzak .... Niets!
Ze neemt haar kind weer even voorzichtig op — drukt het vast aan de borst, onder den half doorweekten doek en gaat heen — zwijgend, ellendig, in den donkeren, natten, troost-loozen nacht!
i6o
EEN INTERVIEW. 1)
(Historisch).
— En nou heb ik met m'n vrouw zóó overlegd, dat we u dan maar voor de leveransie van hout en turf mosten bedanken, en dat ik alleen blijf voor 't oppasserswerk. 't Is jammer
voor ons, maar we doen 't ons eigen niet an.......Met
een zucht draaide mijn oppasser, die een poos voor mij had gestaan, zich langzaam, schouderophalend om en wilde heengaan.
Mijn: „Wacht nog eens even,quot; deed hem bij de deur stilstaan; hij wendde zich met een vragenden blik naar mij toe. 't Zonlicht scheen vol op zijn groezelig gelaat en 't viel mij op, dat hij er nog slechter dan gewoonlijk uitzag; geelbleek en met zware wallen onder de oogen; 't geheele gezicht vol kleine roode pukkels, als iemand, die pas een scherpen huiduitslag heeft gehad.
— Kom nog een beetje dichter bij, Willem — wat heb je in je gezicht, uitslag ?
— Neen m'neer, 't is van de muggen, anders niks; zijn breede mond vertrok zich even tot een pijnlijken glimlach — m'n vrouw ziet er nog veel erger uit en m'n kinderen — och heer! de schaapjes huilen van de jeuk en doordien ze geen benul genoeg hebben om niet te krabben, bennen d'r gezichies één wond en al.
— Kom eens vlak voor me staan Willem?
Hij aarzelde, en bleef op 'n pas of twee afstands.
II
Naar aanleiding van de enquête naar arbeiderswoningen, kelderwoningen, enz.
EEN INTERVIEW.
— Nu?
— Om u de waarheid te zeggen durf ik niet goed, want ik ruik zoo muf — dat bennen m'n kleêren. U heeft me al diverse malen gevraagd, als ik met uw goed op de slaapkamer kwam, wat er zoo muf rook. — 'n Mensch kan dat dan zoo niet in eens zeggen, want 't is net of je van je eigen onzindelijk of viezerig bent, maar 't is nooit niks anders geweest dan de kelderlucht die ik meebracht — m'n vrouw hangt de kleertjes van de kinderen 's morgens, heel vroeg, nog wel 'reis buiten, omdat ze op de stadsschool ook al een complement over derlui muffigheid gehad hebben.
't Was waar; Willem wasemde voortdurend een muffe, gore grondlucht uit en nu herinnerde ik me ook, dat ik die al dikwijls had waargenomen, als hij mij,'smorgens, mijn schoenen bracht.
Ik stak een sigaar op en vroeg verder: — Is die kelder waar je woont dan zóó vochtig?
— Vochtig? neen meneer, kletsnat — ik heb 't er nou bijna een jaar in uitgehouwen, maar 't gaat waarachtig niet langer — m'n vrouw, ze is toch al niet van de sterkste, heit 't voortdurend met koorts en hoesten te kwaad en m'n oudste dochtertje, die 's middags met me meeloopt naar de turf- en houtklanten, kan niet voort van de rimmetiek; ze loopt d'r krom van. De twee kleine jongens zien d'r ook slappies uit en beginnen te kuchen en 't jongste, nog geen jaar, gaat erg achteruit; om kort te gaan, m'neer, we krepeeren allemaal, als we d'r in blijven.
— En je standje dan?
— Ja, dat verlies ik — 't is jammer, want ik begon nou net weer zoo'n beetje te doen te krijgen van klanten, die hout, turf en briketten halen. Schafters en lui die koffie kwamen drinken hadden we niet veel meer.
— De straat is immers ook opgehoogd terwijl je daar woont.
— Praat me daar niet van m'neer, dat was de eerste doodstuip, die m'n affairetje kreeg; dat heit de stad me geleverd. — Toen ik den kelder huurde en de schaftaffaire overnam, was er één raam circa zóó hoog — hij wees ongeveer een halven meter — en toen ze de brug over de Keizersgracht verlaagd hebben en in de straat zoo'n brok trottoir maakten, hield ik één half ruitje over. We konden geen steek meer zien in den kelder en we moesten den heelen dag peterléum branden; — de klantjes, die ik had, bleven weg, om dat ze zeien: we
EEN INTERVIEW.
zitten hier in een spelonk, want van achteren heb ik ook geen licht — begrijp u?
— Je had anders nog al klandisie in den beginne, hè?
— Och dat schikte nog al; veel lui van de groentenmarkt, sjouwers, los volk en een enkele boer. De een nam een kom koffie, een ander een gebakken vissie of een ei, weer een ander een flessie bier of een broodje met kaas of een paar bokkings, al naar den tijd van 't jaar — maar m'n beste klanten ben ik door die ongelukkige ophooging dadelijk kwijt geraakt; dat spijt me nog, daar had ik geregeld alle weken een gulden of acht van, soms wel negen — al naardat ze ophaalden.
— Ophaalden, hoe bedoel je dat?
— Navenant dat ze hadden, met bedelen, 't was een heele familie, een stukadoor zonder werk, met z'n vrouw en vijf kinderen — de stukadoor liep de Keizersgracht, Amstel, Sar-phatistraat en Plantage met 't kleinste kind op z'n arm, de vrouw had ; Heerengracht, Singel, Kalverstraat en Nieuwendijk, met twee kinderen en zong er bij. De twee oudsten, een jongen en een meissie, liepen bij 't station, 's Middags, pront één uur, kwamen ze bij ons zooveel als desjeneeren; m'n vrouw zorgde altijd dat ze visch had, garnalen of eieren of 'n beetje ham, want 'n broodje met niemendal lustten ze niet. Dan ging de man even een happie nemen en een pijp rooken en dan tegen twee uur, half drie weer aan het loopen. 's Avonds om 'n uur of negen kwamen ze terug en dan hadden ze weer knapjes trek, dat begrijp u. Ja, dat waren beste klantjes, maar die was ik subiet kwijt toen m'n kelder zoo'n donker hol werd. Daar wouen ze d'r centen niet in verteren, zeien ze. 't Is dan ook reqel niet om uit te houwen; 't grondwater staat soms tot onder de tafel en geeft een lucht datje hart er van omdraait.
— En kon je huisheer daar niets aan doen, ben je nooit eens gaan vragen om verbetering?
— Welzeker meneer. God weet hoe dikwijls, maar zoo'n huisbaas is geen mensch, die zeit eenvoudig: „Is d'r water in je kelder? — dan mot je maar scheppen;quot; — m'n vrouw is later ook'reis bij hem geweest, om te klagen dat we vergingen van de ratten en muizen — ze vraten 's nachts aan 't goed van de kinderen en soms sprongen ze op ons bed — en toen zei hij: „dat's wel gezellig, maar als ze je vervelen mot je'reis een val zetten.quot;
EEN INTERVIEW.
De muggen bennen nog het ergste; over dag merk je ze zoo niet, maar 's avonds en 's nachts, doe je geen oog toe; alles zit vol, ze komen uit den zinkput die in den achterkelder is. M'n vrouw vroeg aan den huisbaas of hij daar dan niks aan doen kon, want dat we gek werden van de jeuk — toen zei hij: „dan mot je maar krabben, hoor! Zorg jij 's Zaterdags maar voor m'n drie gulden vijf en twintig en dank God dat ik je niet opsla.quot;
— Wat! — verwoon je daar drie en een kwart gulden!
— Ja meneer en nog wel omdat hij wist, dat ik hier en daar oppasser ben en hij zeker van zijn huur is. Hij wou anders drie en een halven gulden hebben, maar met lang soebatten heeft m'n vrouw er een kwartje afgekregen; het huis is aan een winkelier verhuurd en de twee bovenwoningen, brengen ook een aardig duitje op. Ja, die huisbaas weet uit zoo'n perceel wel centjes te slaan.
— Maar kon je dan niets van hem gedaan krijgen?
— Toen de vloer verrot was in den voorkelder en de timmerman zei, dat, als die niet gerippereerd werd, hij later nog grooter onkosten zou hebben, bennen d'r een paar nieuwe planken ingekomen, maar verder deed ie niks, niemendal.
Als 't hard geregend had kon je in den kelder wel zwemmen, dan kwam 't water tusschen de naden van de planken omhoog en liep 't achter tot voor 't bed.
Toen we er pas in waren, was m'n vrouw in pesisie, weet u, en kon d'r eigen niet zoo goed bukken, met scheppen en zei ze dikkels tegen een klant, waar ze 'n beetje eigen meê was: och Piet of Jan, schep jij 'r is wat water voor me uit — en dan gaf ze 'm 'n bokking of'n broodje, of'n kom koffie. — Ja, 't was soms verschrikkelijk erg. Een jongen van de groenmarkt heit 'reis voor 'n broodje en een haring vierdehalf-honderd emmers water uitgeschept — en met 'n flauw glimlachje liet Willem volgen:
— Dat 's niet te duur betaald geweest. — Hoe graag of ik wil meneer, ik kan d'r niet blijven wonen, al zal ik 't dan op 'n kamer nog 'n beetje minder hebben van eten en drinken — om je heele familie in zoo'n natten kelder te zien krepeeren, gaat toch waarachtig niet an. — Ik ben 't geld, wat ik voor 't affairetje heb gegeven, kwijt, dat spijt me 't meest — en 'k wou dat ik er maar een ander mee te pakken kon nemen; maar geen mensch kan d'r nou negotie in doen.
164
EEN INTERVIEW.
anders deed ik m'n boel nog wel an iemand over; dan zou ik 'm zeggen dat de kelder niet al te droog was en dat 'r wel reis een muissie rond liep — dan loog ik niet, ziet u — en dan moesten ze zelfs maar verder zien.
— Dus je bent vast besloten om je affaire te liquideeren — kun je geen anderen kelder krijgen?
— Neen, m'neer, in die buurt niet, en tegenwoordig is er met een schaftkelder ook haast geen droog zout te verdienen, alles gaat naar de volkskoffiehuizen. Je moet 't alzoo eens treffen, zooals ik in den beginne met dien stukadoor, maar dat's 'n witte raaf — ik hoor, hij komt nou met z'n familie ergens bij 'n weduwe in de Bloemstraat — afijn laat zoo'n mensch ook reis 'n vetje hebben — ik ben 'm toch voorgoed kwijt.
— En wanneer ga je verhuizen Willem?
— Als ik van u vrij mag, morgenochtend, dan heb ik de boel d'r percies uit vóór de opzichter komt om de huur; ik ben nog een week ten achter en dan deze week, dat's net een aardigheidje om van te verhuizen en een paar gordijntjes te koopen op m' kamer.
— Maar dat is niet eerlijk, dan betaal je twee weken huur te weinig.
— Och, dat 's zoo gewoonte bij ons menschen; de laatste weken betaal je nooit als je 't leveren kan — dat komt je van gods- en rechtswege toe tegenover zoo'n huisbaas.
WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE.
„Ik heb je toch niet al te lang laten wachten?quot; vroeg de juffrouw, die door den kruier, na een huiselijk avondje, dat zij bij een bevriende familie had doorgebracht, naar huis zou worden geleid.
„Dat maakt niet uit jongejuffrouw!quot; antwoordde de man, die een groot kwartier op de vloermat had staan wachten en beleefd lichtte hij zijn hoogen hoed — de kruier had zich voor die eervolle begeleiding als een heer aangekleed — even van het hoofd. „Wij menschen bennen dat, als ik ereis zeggen mag, wel gewend; haast uwee je maar nietquot; voegde hij er goedig bij, werktuigelijk de hand uitstrekkend naar de para-pluie, die de juffrouw reeds uit den stander genomen had, terwijl zij van de vrouw des huizes, met het gebruikelijke: „Nu, Mevrouw, a revoir, wel bedankt voor't gezellig avondje,quot; afscheid nam.
Buiten was het koud; 't had 's middags een paar uur lang geregend en gesneeuwd, maar tegen den avond was de wind omgeslagen; 't vroor dat het kraakte en de eerst glibberige straten waren nu door den feilen oostenwind spiegelglad geblazen. De vier treden van de hooge stoep glinsterden en blonken, als gepolijst staal in het maanlicht, toen de juffrouw met haar geleider ze betrad.
„Past uwee op jongejuffrouw! 't is verraaierlijk op de stoep — zoo! geef me maar even de hand....quot;
„Dankje ik ben er al....quot;
WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE.
„Heit uwee niks anders te dragen, geen muziekboek, een ridikuultje of anderszins?quot;
„Neen, niets! dankje — Hum! hoe heet-je ook weer?quot;
„Kent u me niet meer ? Ik ben Tienus, zóó noemen de klanten me ten minste in men vak; eigenlijk heet ik Martijn de Wit.quot;
„Ei! Ei! 'n klassieke naam,quot; lachte de juffrouw, misschien ben-je nog wel familie van den raadpensionaris, die....quot;
„Die ze op 't groene zoodje in 't Haagie zoo leelijk hebben gemaltraiteerd? Neen, juffrouw! van zoo'n hooge kom-afben ik niet....quot;
Zwijgend wandelden dame en kruier een poosje voort en terwijl „de jongejuffrouwquot; bij zich zelf overlegde dat haar geleider er veeleer deftig dan kruierachtig uitzag, in zijn duf-felschen overjas en hoogen heerenhoed met rouwband, viel het haar op dat de man nu en dan schuins naar haar keek, met een half verlegen, half bedrukt gelaat, waarop zij een onuitgesproken vraag geloofde te lezen.
Misschien zag zij niet juist, want de straatlantaarns verspreidden slechts een bescheiden licht; wellicht ook druktea zijn blikken alleen de onzekerheid uit, of het „jongejuffrouwquot; waarmede hij zijn dame aansprak, wel passelijk was.
Juist wilde „de jongejuffrouwquot; die — hoe bescheiden van aard ook — toch meende het meer eerbiedige „juffrouwquot; van haar geleider te mogen eischen, om een praatje te maken, schertsend vragen: „Zie je mij niet voor vol aan Tienus?quot; toen hij zelf het zwijgen verbrak door de vraag; „Ik loop toch niet. te hard voor uwee, wel?quot;
„Volstrekt niet!quot;
„O! dank u. — Ja! u moet me maar niet kwalijk nemen^ dat ik u zoo weinig verdiverteer onderweg, maarquot; — hij zuchtte — „dat wil van avond niet zoo recht — anders wat de bekendheid betreft, ziet u, daarvanwegens is het niet; ik bedien meneer uwes vader nu al een dikke twaalf jaar en mijn vader is al circa dertig jaar in uwes familie geweest. Ik heb al heel wat vrachies gedaan met de jongejuffrouw uwes zus, als ik haar van deze of gene afhaalde en met uwe zelf ook al een paar maal----quot;
Glimlachend om 's mans zonderlinge wijze van spreken antwoordde „het vrachiequot; dat hij nu had: „ja dat weet ik wel Tienus, maar ik kon strakjes niet op je naam komen. Ja! je bent erg stil van avond; ben je niet in je humeur?quot;
167
ï68 WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE.
„Och, neen! jongejuffrouw dat niet, maar____quot; een diepe
zucht ontwelde opnieuw aan de breede borst van den kruier, terwijl hij steelsgewijze den knop van de parapluie, die hij droeg, heel eventjes, in de hoekjes van zijn oogen drukte.
„Wat zucht je Tienus?quot;
„'t Kan alevel zoo wezen jongejuffrouw, 'n mensch kan quot;wel ereis last hebben van zijn bestaan — zware slagen gehad ■in de laatste maanden....quot;
„Is 't waar?quot; klonk 't antwoord van de dame en in den 'toon waarop zij die, misschien niet doordachte, woorden uitte, trilde een zóó zachte klank van medelijden, dat de kruier haar plotseling met een vertrouwelijken blik aanzag en, zijn pas iet of wat vertragend, zei: „voor twee maanden m'n zuster verloren; ze deed m'n huishouden weet u?....quot;
„Had je geen vrouw, Tienus? Ik meende toch dat____quot;
„Dat ik getrouwd was? — Geweest, jongejuffrouw! m'n •Chrisje is anderhalf jaar geleden aan de maag overleden; zwaar pijn gehad en met permissie altijd fumeeren — 't was een ijselijkheid! Past uwe op, jongejuffrouw, 't is hier zuiver glad hoor! — Och, ja ! we mochten mekanderen erg graag, nooit één kwaad woord samen gehad en dat voor menschen van ons stiek, dat wil wat zeggen. Afijn! 't heeft zeker zoo moeten wezen — loopt uwe liever op de groote steenen, die klinkertjes binnen weêrgaasch valsch van avond — ja! ik zit wel in den hoek waar de slagen vallen, Chrisje was zoo'n ;goed wijf, ik mocht 'r allemenselijk graagquot; — hij zuchtte — „en toen weer m'n zus dood en dan nou.quot;
„Arme man! hield je zooveel van je vrouw?quot;
„Machtig! jongejuffrouw, Jt was ook zoo'n best mensch en zindelijk! daar was 't end van weg.quot;
„Menschlief! ze kon zoo opspelen als ik 's avonds in de kamer prulleboel maakte — ik knutselde wel ereis zoo wat voor me zelf in m'n vrijen tijd ; zoo'n vogelkooitje, of 'n bloemen-bak dat geeft rommel en dien kon ze niet hebben — anders goedig, jongejuffrouw, goedig! daar weet je niet van — en ■een echte moeder voor de kindertjes, die ik had....quot;
„Die je had Tienus? Zijn die dan....quot;
„Ook al dood — jawel, jongejuffrouw allebei — 't kerkhof is me niet vreemd, 't Oudste is in de roodvonk gekomen, toen 't zes jaar was en gestorven en 't jongste, kleine -Mientje, heb ik gepasseerden Woensdag begraven. Ik ben
WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE. 169
nou weer alleen, — 'n vrije jongen, zooals de menschen 't noemen — pas vier en dertig jaar jongejuffrouw, maar ik voel me net alsof ik vijftig ben; verdriet maakt oud — jongens! jongens! past uwee toch op, daar had je bijna op je — hm! op den grond gelegen. Zou u me niet liever vasthouden? 't Is hier dan bar glad op de gracht. . .
„Graag, Tienus, geef mij je arm dan maar..
„Uwee heeft zeker nog nooit zoo'n kavaljee gehad, hé? Maar geneert uwe je maar niet, 't is toch donker en ik heb m'n zondagsche jas aan: best ratinee met 'n fluweelen kraag. — Wat 'n gladdigheid en dan die scherpe wind! 't Is nou geen pleizierig weer om te sullen — daar was die kleine Mientje, van me, dan dol op, weet u! Altijd wou ze glijen of een sulletje doen ; dan ging ze op d'r hurken zitten, en riep: meis-sies sulletje doen. Va! en dan lachte ze zóó, zóó....quot; de kruier onderdrukte iets dat klonk als een snik en schudde het hoofd.
„Hoe oud was ze Tienus?quot;
„Even over de vijf — heit uwe d'r nooit gezien, ze speelde dikwijls op de stoep, naast uwes stoep! 'n Mooi kind jongejuffrouw ! kastanjebruin haar, net als 'r moeder, blauwe oogies en kuiltjes in der wangen en in d'r handjes. — Och, ja! die kon je maandag nog zien, toen ze kwamen om haar te kisten. Ze lag net alsof ze sliep, niets veranderd, 'n mooi lijkie! 't Was de kroep, zei de dokter; 'n akelige ziekte, zóó gezond en zóó dood. Wil u me nou ook soms liever loslaten, 't is hier meer in de luwte en de winkels bennen nog open; 't staat toch niet gekleed, 'n jongejuffrouw gearmd met 'n kruier en. ... O! wil u liever blijven vasthouwen ? ook goed, zóó als u blieft! ... Of ze veel geleden heeft? Neen! Ik geloof het niet — ik hoop het niet, ze was niet meer bij d'r positieven; ze lei maar stil met 'r oogies dicht, 't Was anders een hart van 'n kind; zoo vroolijk en druk en aanhalig; iedereen was dol op d'r, dol! Van d'r opoetje heit ze 'n krans gehad en van d'r omoetje, van moeders kant, ook een — en van de buren twee groote, mooie, de peine waard om te zien. 't Was 'n fijne begrafenis en ik heb met vijf aansprekers laten buurten — maar daar heb je 't schatje niet mee weerom; och, God, neen!quot;
Hij liep een poosje zwijgend voort en zei toen met een zekere plotselinge verlegenheid: „Neem me niet kwalijk,
170 WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE.
jongejuffrouw, dat ik zoo familiaar met u heb loopen praten, maar ik kan 't waarachtig niet helpenquot; en trouwhartig haar aanziende voegde hij er bij: „U moet maar denken: waar 't hart vol van is.. .
„'k Heb innig medelijden met je, Tienus; je hebt veel ondervonden, hoe kun je 't dragen man?quot;
„Ja, jongejuffrouw! 't is zwaar genoeg en 't gaat je niet in je kleeren zitten, dat merk ik zelfs aan m'n werk — 'k was anders niet bang voor 'n pak Java tabak of 'n baal koffie maar nou. . . . afijn! je zet er je schouders toch onder, omdat 't moet, en als je dan maar eerst ereis goed huilen kan, dan . . . .quot;
„Arme man!quot;
„Ik kon eerst geen traan laten, toen Mientje dood was; ze zaten allemaal in m'n keel — Raar hè ? M'n ouwe vader nam 't me nog kwalijk en zei dat 'k geen hart in m'n lijf had. Vader was ijselijk naar over 't sterfgeval, maar ik, ik was er totaal sufferig van, dat begreep de ouwe man niet, maar de dominee — die heeft me ook bezocht — zei dat ie 't alevel wèl begreep, dat ik niet kon huilen. Dat 's een heel beste man, dien dominee; die weet wat 'n mensch toekomt, hij had reëel eigens de tranen in z'n oogen toen hij me toesprak, heel moöi, hoor! heel hartelijk maar; huilen kon ik toch niet — 'k was te. ...quot;
„En heb je nu nog niet kunnen schreien, Tienus?quot;
„Ja, jongejuffrouw! Goddank wel; gisteravond laat. O! dat heit me zoo goed gedaan, zóó, — hm! . . .. Ik zat bij m'n goeien vader t'huis, daar ben ik nou zooveel als com-mesaal, ziet u ? En toen, terwijl ik zoo prakkezeerde over een en ander, kwam 't me op eens in m'n gedachten, dat Mientje geen steen op d'r graffie heit, — de anderen hebben er wèl een. Ik sprak er zoo met m'n vader over, maar 't kost zoo'n geweldigen hoop centen, zoo'n steen en ik vond 't voor Mientje, 't was m'n lievelingetje weet u ? zoo, hm! ik weet niet wat het is, maar — nou, moet uwe me niet uitlachen jongejuffrouw — ik wou liever dat 't kind iets op d'r graffie kreeg, dat ik eigenzelfs had gemaakt en toen kwam ik op 't idee om van hout een grafbordje voor d'r te maken met 'r naam er op — ik knutselde vroeger altijd t'huis zoowat voor mezelf, ziet u? En — onze lieve Heer mag weten hoe 't kwam, maar bij dat idee schoot 'k in eens vol; ik begon te
WAT DE KRUIER, ONDERWEG, VERTELDE. 171
huilen als een kind, zóó te huilen dat m'n ouwe zei: Tienus neem 'n beetje spiritus, want 't heit je afgerazend te pakken. En toen heb ik gehuild totdat ik lucht kreeg. O 1 dat deed me zoo goed en van morgen vroeg ben ik dadelijk aan 't bordje begonnen; 'k had nog een mooi dik eiken deeltje zonder één kwast er in en. . . . jongejuffrouw uwee is d'r 1 Hier is dé perreplu; wel te rusten en bij gelegenheid, assie-blief?quot;
„T WAS ER MAAR ÉENTJE.quot;
Een schetsje naar 't leven.
Begin December, 's morgens halfzeven.
In een donkere, koude achterkamer — drie hoog — van een huis in de Tuindwarsstraat, stapt Hein, de oppasser, uit zijn bedstee. Zijn vrouw, die nog een kleintje aan de borst heeft, wekte hem toen ze de porster bij de buren hoorde schellen.
't Is verschrikkelijk koud in die kamer, want sedert den vorigen dag twee uur is er geen vuur meer in de kachel geweest.
Hein bibbert, nu hij een klein petroleumlampje opsteekt; zelfs in bed is hij niet geheel en al warm kunnen worden, de dekens zijn immers zoo oud en dun en in de bedstee tocht het door de naden van 't houten beschot.
Als de lamp brandt, kleedt hij zich aan en slaat met zijn vuist de ijslaag stuk, die het water in de teil, waarin hij zich wasschen zal, bedekt.
Op de koude kachel staat een koffieketeltje; hij zuigt even aan de tuit, maar spuwt onmiddellijk het bittere dik uit, dat hem in den mond komt.
„Heb je niks ?quot; vraagt hij aan zijn vrouw die, met 't kind aan de borst, onverschillig uit de bedstee kijkt.
„Niks! alles is op!quot; antwoordt ze met een licht schouderophalen; „'k zal zien dat ik voor de kinderen wat melk en brood, op de lat, krijg en wat aardappelen voor van middag.quot;
„'t Is dan verdomd koud,quot; bromt Hein, die de knoopen van zijn bovenkleeren nauwelijks dicht kan krijgen.
„Ja, en brand hebben we niet meer, want die paar houtjes, die d'r nog liggen, moet ik voor van middag bewaren om op te koken — heb je niks geen centen meer, Hein?quot;
„'k Heb nog elf centen, die kun je krijgen,quot; antwoordt hij gelaten, terwijl hij een dubbeltje en een cent op tafel legt.
„'t was er maar eentje.quot;
„Zeg Hein! roep jij Keetje even, dan kan ze ten minste melk halen en een halfie vuur, anders moeten die schapen weer nuchter naar school; ik kom d'r zelf dadelijk uit, maar Hannessie zuigt nou nog zoo lekker.quot;
In een vrij diepe muurkast slapen drie kinderen, twee jongens en een meisje, acht, negen en elf jaren oud, op een stroozak, op dengrond.
„Allo Keetje 1 word 'reis wakker, je moet melk halen en't wordt al tijd voor school ook,quot; roept Hein, die inmiddels een wollen bouffante omknoopt, zijn duffelschen jas aantrekt en zijn pet opzet. Dan verlaat hij met een kort: „Ajuussies 1quot; de kamer.
Op straat is 'tnog kouder; 't heeft een baksteen dik gevroren. Hij rilt; de kou gaat hem door merg en been. Met een leege maag, hij heeft sedert den vorigen middag twee uur niets anders gehad dan 's avonds een kop koffie, loopt hij bibberend voort, zijn voeten voelt hij nauwlijks en zijn vingertoppen tintelen, dik van de kou.
Onderweg krabbelt hij de enkele blaadjes tabak, die hij nog in zijn doos vindt, bij elkaar en steekt ze in den mond. 't Is ten minste iets tegen de flauwigheid.
Op den hoek van de Prinsengracht staat een kennis van hem, een kruier, bij zijn kar en slaat zich met kracht de armen om het lijf.
„Morgen Hein!quot; roept hij hem te gemoet.
„Gemorgen!quot;
„Verdomd koud, hè?'
„Nou! m'n beenen vallen haast af —quot;
„Je ziet er beroerd uit, kerel! Ben je niet goed?quot;
„Jawel, maar zoo bliksems koud, er was niks in huis, geen koffie, geen brood, niks —*
„Dat's minder dan niemendal!quot;
„Ja wèl is 't dat, maar 't is Vrijdag zie je, en dan moet de lamp wel schuins staan, dat begrijp je. Ik heb zeven gulden in de week en we bennen met z'n zessen. Afijn! 't is niet anders.quot;
„Zeg Hein, lus je 'n proppie?quot;
„Jongens, neen! zóó vroeg en mijn maag is leeg. Neen! als ik bij meheer kom en hij ruikt het, dan ben ik er positief bij. Hij is dan viament, tegen de neurie.quot;
„Kom! één krakertje, dan ben je in ééns warm.quot;
„Maar 'k heb geen centen —quot;
„Ben je nou mal en ik prissenteer 't je. Kom ééntje, 't
173
„'t was er maar eentje.quot;
is goed voor je —quot; en met de linkerhand duwt de kruiei de kar een eind op zij, terwijl hij met de rechter de deur van 't wijnhuis, waarvoor ze staan, opendoet.
In de kroeg heerscht een warme, benauwde jeneverlucht, voortdurend zwaarder en dikker wordend door den tabaksrook, die uit de verschillende pijpen en sigaren opstijgt.
In de buurt van Prinsengracht en Jordaan zijn 's morgens, vóór achten, de kroegen meestal reeds goed bezocht — ook deze. Hein ziet er verscheidene bekenden, die hem toeroepen; „Gemorgen Heintje!quot;
De warmte in het wijnhuis en de borrel doen hem goed. — „He! da's lekker, dat brandt op je maag, dat doet 'n mensch goed,quot; zegt hij en een welbehaaglijk gevoel doorstroomt hem geheel en al, als hij, na het eerste slokje, met een korte beweging, de rest van 't glaasje naar binnen heeft gewipt — hij schurkt zijn schouders heen en weer van genot.
Buiten slaat 't halfacht.
„Halfacht!quot; zegt Hein op eens, „'k moet maken dat 'k wegkom, anders krijg 'k 'n standje. — Ajuus, saluut!quot; — Hij verlaat de kroeg en gaat met haastigen stap naar den kant der Heerengracht.
„'t Is dan toch allemachtig raar weer,quot; denkt de man, als hij een paar oogenblikken op straat is. „Nou begint 't te misten — 't wordt glad ook; ik kan bijkans niet staan.quot; Hij ziet alles als door een trillenden nevel. Zijn voeten zijn zwaar als lood; hij kan zijn evenwicht nauwelijk bewaren — de kou bevangt hem meer en meer en zijn oogen vallen schier toe.
Werktuiglijk gaat hij voort — hij voelt bijna niet dat hij loopt, maar instinctmatig vindt hij toch den weg en ofschoon hij de grootste moeite heeft om zijn oogen open te houden, behoudt hij toch zooveel van zijn bewustzijn, dat hij de deur en de schel van het huis vindt, waar hij zijn moet.
De meid laat hem dadelijk binnen en zegt haastig: „Meneer is al op, ga maar gauw naar boven, op 't kantoor, je moet dadelijk naar de post, vóór achten moet de brief weg — gauw! meneer heeft al tweemaal naar je gevraagd.quot;
Sufferig en met 't hoofd een weinig voorover gebogen, ziet Hein de dienstbode aan; hij verstaat maar half wat zij zegt, maar toch begrijpt hij, dat hij op 't kantoor moet komen — en gaat dus naar boven.
Hij klopt aan en als meneer „binnenquot; heeft geroepen,
174
„'t was er maar eentje.quot;
opent hij de deur. In 't kantoor is 't zeer warm, de vulkachel heeft den geheelen nacht doorgebrand, en de warme lucht doet Hein even terugdeinzen; hij voelt eensklaps iets, dat op misselijkheid gelijkt; in zijn hoofd wordt 't nog doezeliger; hij ziet nauwelijks wie er is en neemt als een automaat zijn pet af, terwijl hij tracht te vragen: „Wat was er van uw's dienst?quot;
„Twee brieven voor de post en dit in de bus voor drukwerk ; dadelijk wegbrengen,quot; zegt de patroon even van zijn werk opziende.
De oppasser verroert zich niet, hij durft zich niet bewegen, want nu voelt hij maar al te goed dat hij dronken is, dat hij geen stap kan doen zonder te zwaaien. Hij kan, zonderling genoeg, beter denken dan een oogenblik van te voren, maar zeggen kan hij niets, zijn tong is dik en zwaar.
„Hoe is 't, hoor je me niet?quot; Meneer ziet hem eenige oogenblikken oplettend aan en zegt dan: „Kom eens hier.quot;
Hein doet zijn best om zich stijf te houden en komt een pas of twee vooruit.
Zijn patroon neemt hem van het hoofd tot de voeten op, fronst de wenkbrauwen en voegt hem barsch toe:
„Kerel! je bent dronken! Schaam je je niet zóó vroeg in den morgen dronken te wezen? Allo marsch, ga naar beneden en laat de meid bovenkomen.quot;
„Maar meheer, ik — ik — ik —quot; Hein doet, wankelend door schrik en beneveldheid, een paar stappen nader. „Meheer — ik — kik — kik—quot; hij staat nu vlak voor zijn patroon.
„Ga weg, je ruikt naar de jenever. Bah! wat 'n kerel; je kunt meteen je geld krijgen en vertrekken, versta je?quot;
„Och God, neen meheer! ik ben niet....quot; — Hein kan nu in 't geheel niets meer zeggen, maar met geweld springen de tranen hem uit de oogen en snikkend brengt hij eensklaps uit: „Och God! 't Was maar ééntje, meneer, voor de kou.quot;
„Dronkenmanstranen, praatjes, marsch!quot;
Hein begint te schreien, die plotselinge schrik heeft hem geheel ontnuchterd, hij haalt zijn bonten zakdoek uit den zak en frommelt dien verlegen in elkaar. Mijnheer kijkt hem nu niet meer boos, maar medelijdend aan, want hij ziet, hij voelt dat Hein niet liegt, als hij eenvoudig, waar en overtuigend zegt: „Waarachtig as God, meheer. ik werd getrakteerd door den kruier; 't was er maar ééntje, voor de kou,
175
„'t was er maar eentje.quot;
op den hoek van de Prinsengracht, u kan 't informeeren. Ik had niks gehad van morgen, want we hadden niks niemendal in huis, geen brood, geen kruimeltje koffie, geen brandje, niks, — ik was zoo bitter koud, meheer — en 't kostte me geen cent.quot;
Nog een oogenblik ziet de patroon hem zwijgend aan, en zegt daarop: „Zool nu, ga dan maar naar beneden en Iaat je een boterham geven.quot;
„En de brieven, meheer ? Waarachtig nou is 't /over; uwe kan ze gerust aan me vertrouwen — ik ben nou zoo nuch-teren as 'n kind.quot;'
„Goed! daar zijn ze — en gauw weêromkomen.quot;
Hein snelt de trap af — en is in een paar minuten terug. „Bezorgd, meheer!quot; „'t Is goed, dankje.quot;
„Meheer ?quot;
„Nu?quot;
„U wou me zoo in eens gedaan geven, meheer — Och God! dan ben ik gerinuweerd, want 't is' 'n slechte tijd om wat anders te krijgen. U vyeet niet wat 't is om zoo niks niemendal te hebben — enquot; — Hein's lippen trillen als hij verder vraagt; „Ik hoop, dat uwe 't me niet zoo kwalijk nemen zal — waarachtig meheer! 't is me toch nooit eerder overkomen.quot; Hij draait zijn pet rond in zijn handen, die zenuwachtig beven; met neergeslagen oogen staat hij voor zijn patroon en merkt daardoor niet, dat diens lippen zich tot een medelijdend glimlachje plooien. Hein ziet eerst op als hij de woorden hoort:
„Pas dan maar op voor 't vervolg en neem dit briefje mee, daar kun je twee mud cokes en 200 turven op krijgen bij Rommers in de ....quot; ,
„God allemachtig, meneer, da's roiaal van je. Och Jeses, wat zal me wijf blij wezen!quot; ....
„'t Is goed Hein,quot; lacht meneer, terwijl hij werktuiglijk „het blaadje van den scheurkalender, die voor hem staat, aftrekt en er een oogenblik peinzend op blijft staren, want 't is zeker erg toevallig, er staat op: Tout savoir, c'est tout par-donner.
176