IN HOLLANDSCHE VERZEN
DOOIÏ
P. M. BOTS,
R. C. Pn,
LEIDEN,
G. VAN BRUSSEL,
1894,
Vak 10
184
AFRIKA.
.
AFRIKA,
HET BEKROONDE DRAMA VAN PROFESSOR DESCAMPS
VRIJ OVERGEBRACHT
IN HOLLANDSCHE VERZEN
DOOR
P. M. BOTS,
R C. Pe.
LEIDEN,
G. VAN BRUSSEL. 18 94.
Boekdrukkerij G. VAN BRUSSEL, te Leiden.
VOORWOORD VAN DEN VERTALER.
Den lezer wordt hier het meesterwerk aangeboden van den professor in de rechten te Leuven, den Sonateur van België, den heer Edouard Descamps. Wijlen kardinaal Lavigerie had een internationaal letterkundig concours uitgeschreven voor het beste werk over Afrika's slavernij; nevenstaand drama werd op dat concours met den prijs van 10.000 francs bekroond. 1) Ofschoon nu zeer wel bekend met het woord van Alphonse de Lamartine betreffende poëzie-vertaling: De tons les Uvres a aire, le plus difficile, c'est wie traduction f) en met dat van Bilder-dijk: eene goede vertaling is de quadratuur van den cirkel, heeft onder-geteekende toch, ten eere der slavernij-bestrijders, het drama
De jury bestond uit de heeren; M. M. Jules Simon, Bardoux, le Due de Broglie, Arthur Desjardins, Franck, Lefèvre-Pon talis, Georges de Picot, Le Marquis de Vogue, Walton, Gaspari en Julien Darignon.
De Jury bekroonde met algemeene stemmen het drama «Afrikaquot;. Er waren vijf-en-dertig inzendingen. — liet werk is verkrijgbaar le Leuven bij den heer Peelers, Rue do Namur 20, en tc Brussel: Rue Treurenberg 16.
t) Van alle boeken, die men maakt, is eene vertaling het moeielijkst.
afrika.
van Professor Descamps in Hollandsche verzen overgebracht. Ik dank het den grooten Dante-vertaler, Mr. J. Bohl, te Amsterdam, dat mijn aandacht op het werk van Professor Descamps reeds kort na de verschijning werd gevestigd.
Zooals elders meer uitvoeriger door mij is betoogd, mist dit drama wel den ouden eenvoud der classieken, alsook hun eenheid van tijd en plaats, maar dit kon — met het oog op het onderwerp — niet anders geschieden. En tegenover dit gemis staat, als vergoeding, primode heerlijke keuze van een grootsch onderwerp op een nieuw gebied; seamdo.- de historische grondslagen der Ougandeesche bedrijven; tertio; de daadzaak dat men met een drama, vol moderne — ietwat woelige too-neelen, — meer voor den Afrikaan zal verwerven dan met een drama naar ouderen stijl.
Overigens vult ook hier het getrouwe volhouden der eenmaal vooropgezette karakters, de meermalen wederkeerende lyrische poëzie in gebed, liederen enz., en vooral de levendige voorstelling van drie werelden: de Afrikaansche, de Mahome-daansche en de Christenwereld, heel het gemoed des lezers met aangename en liefderijke gevoelens voor hetgeen er op onze aarde aan ware deugd en verhevenheid voorkomt, terwijl men de afschuwelijkheden der boozen door verontwaardiging schier niet ten einde lezen kan.
En eindelijk ook het Broeriaansche idee der tragedie is hier vervuld. Zooals wij in het groote werelddrama wel Christus' lijden betreuren, maar toch in dat lijden ons moeten verheugen, zoo zien wij hier de heiligen van Ouganda lijden, maar ook de smarten van die goede, heilige menschen doen ons weldadig aan. Dat kan de kunst alleen bereiken, indien zij op het tooneel zóó de smart voorstelt, dat deze (evenals bij Christus) de glorie
vi
voorwoord van den vertaler.
voor zichzelve en voor den evennaaste bewerkt. Niemand, die rechtschapen is, zoude gaarne het lijden van anderen zien voorgesteld, indien niet dat lijden zijn Christelijk karakter van eind-victorie bezat. Der kunst echter is het opgelegd daL Christenkarakter goed op het tooneel weer te geven. *)
Mocht nu iemand dit drama, hetzij in het oorspronkelyke, hetzij in de vertaling, kunnen liefhebben, hij bedenke dat de verspreiding der ideën van dit stuk] eenig apostolaat kan worden ten voordeele der Afrikanen.
vii
Leiden, April 1894. DE VERTALER.
quot;) Welk profelisch karakter had zoodoende de tragedie dor oudheid.
VOOKKEDE VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
(VEK-T-A-ALID,)
Wij hebben dit drama geschreven onder den indruk dei-ontroering, die het lot der Zwarten in ons opwekte en in de hoogste opgetogenheid van bewondering voor hen, die aan de beschaving van Afrika arbeiden.
Onze blikken slaande naar gene zijde der zee, aanschouwden wij misdaden, die geen naam meer dragen en smarten zonder maat. Doch tevens hebben wij gezien, hoe de zuiverste zedelijke grootheid zich, of-wel als wreekster opstelde tegenover de misdaden, óf-wel als troosteresse zich nederboog over die smarten. Dit schouwspel werd voor altoos in ons gemoed opgenomen en daar met een krachtig geestesleven bezield.
Het drama «Afrikaquot; is de dichterlijke uiting van dit leven. De tegenwoordige nieuwere kunst durft alles te bestaan; men zal er ons dus geen verwijt van maken, dat wij eens een poging hebben gewaagd op het gebied van die gevoelens, welke bij
VOORREDE VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
uitstek geschikt zijn om dea mensch, bij het aanschouwen-quot;•an de heldhaftigheden van anderen, ook zclven te verheffen. Men zal ons ook verder — naar wij vertrouwen — het recht doen wedervaren, van in ons werk de zorg voor het aesthetisch-groote te erkennen, welke zorg ons voortdurend bezielde bij onzen arbeid.
Aller oogen vestigen zich in onze dagen op Afrika, alwaar eene beweging optreedt van zoo groote veredeling en beschaving, dat de jaarboeken der naastenliefde er luide van zullen blijven spreken.
Drie werelden ontmoeten elkaar op den Afrikaanachen bodem: de wereld der barbaarschheid, die der Muzelmannen en die der Christenen.
De strijd dezer drie werelden onderling openbaart zich, vreeselijk en scherp, in de quaestie der slavenbehandeling.
Wij nu hebben dezen strijd, waarvan de inzet zoo groot is en welke de heiligste rechten der menschheid raakt, een bezielde omlijsting gegeven. De waarlijk dramatische gebeurtenissen, welke in Ouganda voorvielen ten dage dat de Christenbeschaving voor het eerst in die streken doordrong, schenen ons geschikt tot een drama-plan.
Eene zoo kostbaren historischen grondslag hebben wij dadelijk aangegrepen en vastgehouden1).
IX
Al gebruikten wij dus eonerzijds ten opzichte dezer gebeurtenissen (behoudens de regels der waarschijnlijkheid), die vrijheid, welke den dramateur gelaten is, wij meenen toch anderzijds te kunnen zeggen met den dichter van Esther^), (mot wien wij ons overigens op geen enkeion titel vergelijken)
Zie deze historiën verhaald achter deze voorrede, t) Racine.
AFEIKA.
dat ons drama een inhoud bezit, welken de geschiedenis zelve eerst heeft afgespeeld.
Bij die gedeelten van ons werk, in welke wij ons moesten bezighouden met het plastisch voorstellen der zaken en personen, lieten wij ons leiden door eene ernstige bronnenstudie betreffende de wereld, waarin ons stuk ging spelen. Hiertoe behoorden werken van ontdekkers, brieven van missionarissen, memoriën enz. Wij hadden menige bladzijde kunnen voorzien met aanteekeningen, die onze voorstelling, naar echte bescheiden, zouden toegehcht en verdedigd hebben. Dit geldt zoowel de gedachten en gevoelens der personaadjes als de kleinere gebeurtenissen, welke tusschen het drama zelf als ingevlochten zijn. De Legende van het Moed bijvoorbeeld is eene Ougandeesche overlevering door Stanley in een zijner beroemdste werken weergegeven *).
Diegenen onzer lezers, welke de Koran-voorstellingen kennen, zullen ook gemakkelijk bij de voorstelling van Hassan's dood opmerken, hoezeer wij van die gegevens uit de Mahome-daansche doodenwereld hebben gebruik gemaakt. Evenzoo is het met onze voorstelling van den verstandigen aanleg en de algemeene verheffing der Ougandeezen boven de andere zwarte volken. Ook hiervoor zal men in het zooeven genoemde werk van Stanley onze verantwoording kunnen vinden. — Stanley's verhalen over zijne gesprekken met Ouganda's koning vormen tevens de aller-boeiendste mededeelingen over den zwarten vorst en diens hofhouding.
z
Volge een enkel woord, betreffende de karakters en de actie of behandeling in dit drama.
') Stanley. „Dwars door het donkere werelddeel,quot; I pag. 82S. (de groote uitgave.)
VOOBEEDB VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
De optredende personen behooren tot drie'zeer juiat onderscheiden groepen.
In de Europeesche groep gaven wij eene heerlijke plaats aan de apostelen van het evangelie. Wat godsdienst men immers belijde, voor iedereen is de Christen-apostel een karakter, dat in zijn grootheid aller sympathie en bewondering overheerscht. «O,quot; zoo riep Jules Simon eens op eene slavernij-conferentie uit; «O, wat dwalen wij met onze bewondering en dankbaarheid! Die Apostelen, zij alleen zijn de groote en edelmoedige zielen, wie de onsterfelijkheid der glorie overheerscht!quot;
Het schouwspel van den strijd dezer onbaatzuchtige helden met de geweldenaars en de trouweloozen eener nieuwe wereld leent zich daarenboven op uitmuntende wijze tot het gaande maken der dramatische vervoering. Hier niet te slagen op het tooneel is meer te wijten aan hetgeen de dichter van den Tohjeude de onmacht des kunstenaars noemde, dan aan eenige dorheid der stof.
Ons streven was verder om de liefde, welke in onze dagen het ras der kleurlingen te hulp komt, in twee voorname typen voor te stellen: vooreerst in Gérard, een priester, die de vurige toewijding van den arbeid der eerste ure vertolkt, en vervolgens in André, die hier optreedt in de latere, overdachte en meer langzame toewijding; deze toewijding evenwel, eenmaal tot het brengen haars offers besloten, behoeft in edelmoedigheid voor de eerste liefde van Gérard geen schrede te wijken.
Aan hunne zijde hebben wij Daniël, een' protestantsch' zendeling geplaatst. Door deze rol van Christen-broederschap te schrijven hebben wy een historisch feit willen herdenken en een zeer leerzaam voorbeeld in het volle licht willen plaatsen.
Op gelijken rechtstitel staat in onze Europeesche groep
XI
AFRIKA.
kapitein Richard de Ville-franche, als een type van de Afrikaan-sche reizigers op het tooneel. Wij brachten met deze rol hulde aan zoo menig wakker pionnier der beschaving, die uit de rangen van het leger voorttrad, en wij konden hier tevens eenige zeer belangrijke onderdeel en van ons drama in al hun omvang ontwikkelen, zooals bijv. het tooneel der ontmoeting met den slavenhaler.
Eindelijk staat nog, boven al de Europeërs uit, de zoete gestalte van Germaine de Eeuilly, de moeder van Gérard. Het is waar, bij het vertrek van haren zoon naar Afrika, wordt Germaine's hart vaneengereten; maar is eenmaal het moederlijk offer, te midden dier smarten, voltooid, dan wijdt juist diezelfde moeder zich aan het bevrijdingswerk der Zwarten, als aan een lievelingsarbeid, welke haar hart met het hart van haar zoon blijft vereenigen.
De groep der Afrikaansche slavenjagers omvat vooral twee personen.
Vooreerst Hassan, den menschenjager, een man, wiens inborst een vreemd mengsel vormt van wreedheid, van list en van huichelachtige humaniteit.
Vervolgens Rouma, den handelaar in slaven. Deze Rouma vertoont een dier Arabieren, die zich verraderlijk in de gunst der Zwarte opperhoofden indringen en die onder het vertoon van allerlei dienstbaarheid, toch de genoemde opperhoofden tot. de vervulling hunner Arabische moordplannen doen dienen.
De menschlievende en historisch-ware rol, door ons verder aan den Said (of Sultan) geschonken, en evenzoo de classifl-catiën, die Richard bij het brandmerken der handelingen van de slavenjagers maakt, dit alles moet aantoonen. hoe bezorgd
XII
VOORREDE VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
wij waren, om geen verschillende gezichtspunten op de slavernij met elkaar te verwarren, en om geen wrijvingen te veroorzaken, die de rechtvaardigheid en het belang der Afrikaansche slachtoffers ons dwongen te vermijden.
In de Afrikaansche groep hebben wij alle belangstelling bepaaldelijk vereenigd op den persoon van Prins Nelio, den zoon des konings, die hier het jeugdig geslacht van die Zwarten vertoont, welke onder Christen-invloed opgroeien en dus als de beste hoop van de Afrikaansche opstanding behooren te gelden. Gelijke belangstelling gaven wij aan Zaéma, Nelio's moeder, welke, door de stem der moederliefde tot de waarheid en den martelaarsdood komt.
Aan hunne zijden hebben wij twee typen van Inlandsche koningen geplaatst; de een is Sangali, een vorst wel vol hartstocht en zekere norschheid, maar niettemin vrij vatbaar voor den beschavenden invloed. Hij komt, door het ongeluk geleerd, tot verbroedering met de Europeanen. De tweede vorst is Rouméli. Deze, een eerzuchtig en toch laf karakter, wordt een gewillig werktuig der slavenjagers.
Boven deze lieden van meer hoogen rang hebben wij Akkar, den priester van den Fetish-dienst, en Fuké, de be-zweerster of toovenares, geplaatst, om in hunne rollen het Afrikaansche bijgeloof en zijn afschuwelijk bedrijf te kunnen vertoonen. Verder gaven wij de moederliefde en vooral het moederlijden te zien in Elma, een slavin-moeder; evenzoo de rampen van den jeugdigen gevangen slaaf, in Djalmé; eindelijk de gehechtheid der Zwarten aan hun meester in Evon; deze laatste personages hebben wij afgezonderd van die talrijke groep van slachtoffers, die wij dadelijk ontmoeten, zoodra wij Afrika's grond slechts aanschouwen.
XIII
AFRIKA.
Ziedaar de voornaamste karakters, die wij in dit drama zochten weêr te geven.
En wat nu de handeling aangaat of den loop dier gebeurtenissen, die wij als den oogenllikkelijk-optredenden strijd der drie werelden zouden willen omschrijven, hebben wij gehandeld als volgt:
I. In het eerste bedrijf beweegt zich de handeling geheel in de Europeesche wereld. Daar toch dient de allereerste overwinning behaald te worden. Een dubbele strijd treedt dus op, welke zoowel op de vriendschap als op de moederlijke liefde, die beiden Afrika's bevrijdingswerk in den weg staan, moet zegevieren. De vruchten van dat zegevieren worden later weergegeven. De moederliefde komt namelijk aan het einde van het tweede tooneel reeds tot zelfbeschuldiging, en de overwonnen vriend treedt op onder de bevrijders in het vierde bedrijf. Overigens zien wij reeds in het eerste bedrijf iets van de wereld der Muzelmannen en der Barbaren, zooals bijv. de bloedstreek en de slavenmishandeling, onze traagheid in het redden der Zwarten en hunne geschiktheid tot die redding; maar dat alles wordt hier nog slechts verhaald en in werkelijkheid blijft het als het ware nog verscholen achter de dampen van de Middel-landsche zee.
II. In het tweede bedrijf staat de wereld der Muzelmannen als voorop in de actie. De gevangenen der Arabische slavenjagers verschijnen, terwijl zij zelf het beeld hunner ramp tentoonstellen; ja, zij worden geheel slachtoffer van de onbeperkte macht der slavenmeesters, in de persoon vanElma. Die slavenmeesters zelf aanschouwt men dan aanstonds weêr met al hunne gevoelens en ook hunne handelingen. Doch wanneer hier
XIV
VOORREDE VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
xv
een dier slavenmeesters tegenover eene slavin*) een dier monsterachtige wreedheden pleegt, die de slavernij toch als van zelve meebrengt, wanneer Hassan namelijk het hart eener moeder heeft vertreden en die moeder zelve tot razernij en wanhoop heeft gebracht, dan zien wij, wanneer de slavernij ons dus op het leeïijkst is getoond, als tegenbeeld dier ellende, den Missionaris en den onderzoeker in Afrika optreden, en zoo is de Christenwereld ten tooneele gekomen. Sterker nog komt het contrast uit van Christendom tegen slavernij, in de afdaling des Missionaris tegenover den slaaf Evon. Daarna zien wij nog eens het vertoon der bijzondere trouweloosheid eens slavenhalers tegenover het Christendom in Hassan's redevoering, maar de Sultan geeft straks zijn bevrijdingsdecreet, hetwelk den slavenhalers als met een bliksemstraal treft. Evenwel, Afrika's kust bevrijd ziende, nemen die slavenhalers het vast besluit om althans meester te blijven van Gentraal-Afrika.
Hl. In het derde bedrijf speelt de actie in het hart van Afrika, in den streek der groote meeren, en nu staat de wereld der barbaarschheid vooraan. Eerst werkt de Petish-dienst, waarvan de Arabieren zoo sluw hun voordeel weten te trekken; daarna geeft de wereld der barbaarschheid de eerste kiemen van hare vernieuwing te aanschouwen, zoowel in het onderricht, door de Blanken haar voorgehouden, als in een volksfeest, door Ouganda's koning bijgewoond, en op zedige wijze gevierd. Hier rijst dus de morgenstond van den geheelen dag, die over Afrika zal opgaan. Dan, helaas! de kuiperijen der
'} Wederom tegenover Elma.
AFRIKA.
slavenhalers komen de goede verstandhouding tusschen de Europeanen en het zwarte stamhoofd verstoren. De slavenhalers triumfeeren en men ziet den brand van de hut der Blanken alsook de verbanning dier Blanken. Zoo kreeg de bedreiging van het tweede bedrijf haar uitvoering; de slavenhalers, van de kust verjaagd, zegevieren in Midden-Afrika.
IV. Het vierde bedrijf toont ons als naast elkaar: eener-zijds de voor het oogenblik verwounene beschavers van Afrika, die allen één werden in den tegenspoed, en anderzijds de ver-radene arme Wilden, die hier als het element der barbaarsch-heid kunnen gelden en in de handen der slavenhalers worden mishandeld. Tot in de ballingschap toe vervolgen de slavenhalers de vertegenwoordigers van den invloed des Christendoms. De nood der laatsten wordt evenwel nog afgekeerd doordat nieuwe krachten uit Europa komen opdagen en nieuwe medewerkers en beschermers der Missionarissen in Afrika landen. Die aankomst bezorgt nu, op een afgelegen hoek in Afrika's binnenland, de verzoening van de wereld der barbaarschheid met die van het Christendom, welke beide werelden door de kuiperijen der Arabieren weleer zoo sluw vaneen werden gehouden. Deze verzoening waarborgt ons reeds goede verwachting voor de toekomst; de zegepraal zelf echter is hier nog niet.
V. Het vijfde bedrijf doet ons in Ouganda datgene zien, wat uit de verdrijving der Europeanen volgen moet, namelijk de onderwerping der zwarte stamhoofden aan de slavenhalers en de vervolging tegen degenen, die, onder de Zwarten, Christen zijn gebleven. Eerst op het droevigst oogenblik dezer vervolging, wanneer namelijk de zoon van den vorigen koning zijn
XVI
VOOBEEDE VAN DEN DICHTER DESCAMPS.
geloof met zijn bloed bezegelt en hij zijne moeder in zijn marteldood medevoert, wordt de aankomst der Blanken gemeld en tevens die van den vorigen koning, weleer door de Arabieren veijaagd. — Ouganda's volk valt ras de Arabieren af en de terugkomst der Europeanen vormt de ontknooping en is een zegetocht. De apostel van Ouganda, die weleer was uitgedreven, hij ziet nu die Zwarte stamhoofden weder, die hij zoo liefhad. Dit is echter voor de laatste maal! De priesterlijke held kan slechts zijn zegening geven; hij kan, bij de lichamen der gevallene geloovigen, alleen Gods aandacht op het werk van Afrika's verlossing af-smeeken, en zijn eigen leven ten bate van dit heerlijk werk, Gode aanbieden! Te voren echter wordt het hem — onzen hoofdpersoon van het drama — vergund, de toekomstige verheffing van Afrika in visioen te aanschouwen en haar stervende te verkondigen.
Door nu te pogen dit drama in Fransche verzen zaam te stellen, hebben wij de moeielijkheden van onzen taak, hoe groot zij reeds waren, opnieuw verhoogd. Hot voorschrift van Horatius: Conamur tenues gfandia *) bezielde ons hart. Hoe hooger men zijn ideaal plaatst, des te meer wordt men gedwongen, zijn pogen, al arbeidende, te verzwaren!
Aan het einde dezer regelen wenden wij ons nog gaarne tot het jongere geslacht, dat in de beoefening der letteren thans zoo uitmunt. Wij voor ons durven geen herschepping in het drama te beproeven, maar de jeugd zal eenmaal doen wat de krachten van de ouderen hier te boven gaat. f)
Waarlijk, de poging om het hart van het tegenwoordig drama met een nieuw-optredend beginsel te herscheppen, dat is eene heerlijke taak onzer jongeren!
quot;) Laten wij, schoon wij klein zyn, groote dingen beproeven !
■H Hier is meer de bescheidenheid dan de waarheid aan het woord. Het onderworp van het drama AFRIKA is waarli; k een hervormlngsproeve des tooneels. [yert.] AFRIKA. **
XVII
afeika.
Mogtür^dus degenen, die een weinig van het „heilig vuurquot; der poëzie gevoelen, niet blijven staan bij de eerste beletselen op hunnen doornachtigen weg en niet luisteren naar hen, die zeggen; „De poëzie is ten einde en gaat ten dood!quot; — Dit woord toch is een leugenwoord. Immers, nóch de wetenschap, welke ons de geheimen der natuur blootlegt, nóch het positieve genie onzer eeuw, hetwelk met ijskoude hand de droomen dei-verbeelding wegvaagt, noch het stoffelijk belang, dat het ideaal in den mensch als verstikt, hebben de groote betooveresse aller eeuwen doodelijke slagen kunnen toebrengen. Neen, tusschen de oevers der altoos toenemende wetenschap bruist de stroom der poëzie in breede golven voort. Al wat de menschelijke liefde ooit aan bekoorlijks had, dat deden altoos en overal de groote meesters der dichtkunst — zij zoo algemeen bekend — in de zielen hunner tijdgenooten overvloeien. De dichterlijke vervoering vindt zoodoende juist een rijkdom van keus in duizende nieuwere veroveringen op elk gebied, bijzonder ook in de pas-ontdekte wereldgedeelten.
Poëzie is geen schitterend en voorbijgaand verschijnsel, enkel voor de kindschheid der volkeren dienende. Neen, hare wortelen houden zich vast aan de onsterfelijkheid onzor natuur en hare visioenen zijn visioenen van schoonheid over het bestaan van alle zaken en alle menschen. Dit alles moet in het men-schelijk woord weer te geven zijn, en de verzenvorm is zoodoende bij zulke buitengewone schoonheden, als eene natuurlijke uitdrukking geworden, gevende hij de hoogste volmaaktheid der taal aan het woord. Zoolang in 's menschen ziel de idee en het gevoel van het schoone zal bestaan, en zoolang het menschelijk woord de quot;overbrenger zal zijn onzer beste ontboezemingen, zoolang ook zal de poëzie leven in glorie!
Leuven, 15 Februari 1893,
iviii
GESCHIEDKUNDIGE AANTEEKENING.
Bijlage van den dichter Des camps.
(VZEIR/T^AIjID.)
Do gebeurtenissen, op welke in het eerste bedrijf wordt gezinspeeld, zijn zóó bekend, dat het overbodig is, haar hier in het geheugen der .lezers nog eens op te roepen. Men zie de rede uitgesproken door Z. M. den Koning der Belgen op de geo-graphische Conferentie van Brussel (op 12 September en 6 November 1876.) Evenzoo kunnen geraadpleegd worden de stukken over de stichting van het Liefdewerk tot bevrijding der slaven door Kardinaal Lavigerie (1889); de werken der documenten en onderzoekingen, gedaan voor de Conferentie te Brussel (1890), en die der internationale Conferentiën, zoowel te Berlijn in 1884 als te Brussel in 1890 gehouden.
Wat betreft het Bcvrijdings-decreet aan het einde van het tweede Bedrijf, leest men in de Acten en Bescheiden, betrekking hebbende op de wetgeving in het Oosten, (welke Acten en
AFRIKA.
Bescheiden voor de Conferentie van Brussel waren verzameld,) op pag. 49 het volgende: „Uit de nieuwste onderzoekingen is gebleken, dat de Sultan van Zanzibar de volgende besluiten heeft genomen. 1°. Elkeen, die na 1 November 1889 zijn grondgebied betreedt, is vrij; 2°. Elk kind, dat na 1 Januari 1890 in de bezittingen des Sultans zal geboren worden, geniet mede de vrijheid.
Betreffende de gebeurtenissen in Ouganda (3e, 4e, en 5e bedrijf) kan men hier de volgende uittreksels lezen van eenen brief, door den Primaat van Afrika aan M. den Baron Lambermont, president van de internationale Conferentie te Brussel, 19 Maart 1890 gezonden.
«Ouganda is het grootste negerrijk van de streek der Groote «Meeren. Het telt meerdere millioenen inwoners. Het was ons wsedert een halve eeuw door de onderzoekingen van Speke, Bur-wton, Baker en meer anderen bekend. Toch kan men zeggen dat «eerst Stanley, op afdoende wijze, de aandacht der wereld op «Ouganda heeft gevestigd.
«Niet tevreden met de aardrijkskundige bijzonderheden van «zijn onderzoek te doen kennen, alsmede de schoonheid der //landschappen, de rijkdommen der banaanbosschen, welke bij «den overvloedigen regen en Ouganda's betrekkelijk hooge ligging «door zacht klimaat zoo verbazend toenemen, — niet tevreden «met ons daarenboven te wijzen op dc talrijke bevolking, de //uitgestrektheid des Rijks met zijne onderhoorigheden, de «macht des zwarten Konings en zijn hof, heeft hij ook vooral «de aandacht gevestigd op de zedelijke en godsdienstige zijde «zijner ontdekkingen, op de opmerkelijke vsrstands-ontwikkelin-«gen en het karakter van de Negers, die in deze stroken wonen, «welke zoodoende, wat ontvankelijkheid voor geestes-indrukken
XX
OESCHIEDKUNDIÖB AANTEEKENIN6.
«aangaat, veel hoogar staan dan alle andere stammen, welke «Stanley te voren had ontmoet.
«Engelsche Protestansche zendelingen, die het eerst door «Stanley's beschrijvingen onderricht en als uitgelokt werden, «hebben aan het verlangen van hun beroemden landgenoot «voldaan en trokken taar Ouganda.
«Maar weldra was Stanley's boek in alle Europeesche talen «overgezet, en de Katholieke Missionarissen bleven nu nietten «achter, om dezelfde wilskracht te toonen als de Engelsche zende-«lingen hadden getoond.
«De Mahomedaansche slavenhalers (want ten slotte ia de «slavernij de oorsprong aller rampen van Afrika) waren echter «Ouganda reeds ingetrokken vóór de Europeesche onderzoekers «en zendelingen.
«Zij nu maakten den Koning Ouganda diets, dat zijne staten «door de soldaten van Europa zouden geroofd, of, zooals het «heete, „opgegetenquot; zouden worden en dat de Missionarissen «slechts voorloopers dier soldaten waren—
«Van toen af begon er eene bloedige vervolging, die wel het «allerbest de hooge zedelijke waarde der Christen-Ougandeezen in «het licht heeft gesteld en die goed deed uitkomen, welk recht «die lieden hebben op de achting en eerbied van het beschaafde «Europa. De verhalen der vervolgingen der eerste eeuwen zijn «niet schooner dan het verhaal dezer vervolging.
«De Koning van het land wilde echter de vervolgers niet «in alles volgen; daarom omgaven zij hem met hunne aan-«hangers, maakten hem machteloos, en op zekeren dag wier-«pen zij, door middel van een oproer, zijn troon ter neder, «en dreven den vorst zeiven in de hardste gevangenschap.
«Een der broeders van dezen vorst kloon nu ten troon en
UI
AFRIKA.
«hij beval zoowel de verbanning der Missionarissen als den wmoord der Christenen.
«Toen nu viel er een feit voor, dat de schoonste tijden //der kerk mag waardig heeten en dat alle Christenvolken tot ,/de eenheid van verdediging des Christendoms moet aansporen.
«Was de verhouding namelijk der Protestansche en Katho-*lieke zendelingen nooit zeer hartelijk geweest, bij het uitbreken «der vervolging overwon de broederlijke liefde.
«Katholieken en Engelsche Protestanten gingen te zaam *) en «gaven elkaar in hunne treurige omstandigheden, alle teekenen //eener teedere broederliefde.
//De Koning, die intusschen na zijne afzetting door de «Arabieren in de gevangenis was gehouden, ontkwam eindelijk «met eenigen van zijne hofdienaren. Nauwelijks was deze vorst //vrij, of hij begreep dat voor hem de veiligste schuilplaats bij whet verblijf der Katholieke Missionarissen was.
wHij dorst die priesters zoeken, gedreven als hij werd door «zeker gevoel van vertrouwen en eerbied, dat wel de schoonste «hulde v/as voor hun deugd. Stervende van honger en van «alles ontbloot, kwam de vorst bij hen aan en zie, hij werd «met dezelfde eerbewijzingen ontvangen, die hij in de dagen
«van zijn voorspoed had genoten____
«Meer nog! De Christenen van Ouganda, mishandeld door «den ingedrongen Koning en de Mahomedaansche slavenjagers, «vluchtten bij duizentallen heen naar de naburige (Christen) «provincie, die hen als bevrijders opnam.
IXI1
«Weldra zonden deze lieden een gezantschap tot den ont-«troonden Koning; de gezanten reisden op de prauwen van het
'j Evenwel niet in den geloove. [Vebt.I
GESCHIEDKUNDIGE AANÏEEKENINGEN.
«Meer en vroegen den Koning om zich aan hun hoofd te plaatsen, «de Mahomedanen te verjagen, en zijn koningrijk in bezit te «nemen.
«De Koning trok meê. Hij kreeg eerst zonder moeilijkheid «vasten voet op de eiïanden van het Meer, welke eilanden tot «zijn gebied behoorden; vervolgens verwon hij de Oostersche «oeverstreken van Ouganda, die zich reeds aan de willekeur «van den ingedrongenen vorst onttrokken.
«Toch bleef die ingedrongene vorst zich, met behulp der «Arabieren en der Negers, die door de Arabieren tot Moha-«medanen waren gemaakt, handhaven. En zoo ontstonden er «veldslagen en oorlogen, naar den trant dier halve wilde oor-«logen, die in de Middeleeuwen somtijds voorkwamen; ook «zeeslagen werden geleverd, evenals oudstijds de Middelandsche «Zee die heeft gezien.
«Wij ontvingen bericht dat het den verjaagden Koning en «den Christenen is gelukt, hun werk te voleindigen, dat zij den «indringer van den troon hebben verjaagd en de Mahomedanen «hebben verdreven.quot;
XXIII
HET DRAMA „AFRIKA.quot;
IPIBÜSOIISriBIlsr.
EUROPEESCHE GROEP:
GÉRARD DE REUTLLY, jonkheer (later missionaris). 1) DB KAPITEIN RICHARD DE VILLEPRANCHE, onderzoeker in Afrika en bevrijder der slaven.
ANDRÉ VARMONT, vriend van Gérard.
SIR DANIËL WALLACE, Engelsch zendeling.
OERMAINE DE REU1LLY, moeder van Gérard.
GROEP DER MAHOMEDANEN:
Menschenjagers cn Slavenhandelaars:
HASSAN, menschenjager.
ROUMA, slavenkoopman, minister van koning Sangali.
GROEP DER AFRIKANEN:
SANGALI, koning van Ouganda.
WELIO, zoon van Sangali.
ROUMÉLI, broeder van Sangali.
AKKAR, hoogepriester van den Fétish:dienst.
EVON, een vrijgelatene.
DJALMÉ, zoon van Elma.
SAW, slavenopzichter.
ZAÉMA, moeder van Nelio.
PITKÉ, de doodenbezweerster.
ELMA, slavin.
voorts:
a. De Saïd en de prinsen van zijn hof, alsook de Consuls der
Europeesche mogendheden.
b. Missionarissen van Afrika, matrozen, soldaten, wachten,
lijfknechten, priesters en priesteressen van den Fétish-dienst, slaven enz.
Het stuk speelt gedurende het eerste bedrijf in een Fransch kasteel, gedurende het tweede te Zanzibar, geurende het derde, vierde en vijfde bedrijf in Midden-Afrika.
Het oorspronkelijke drama telt 2006 verzen, t) De vertaling werd nog iets grooter.
Ter tegemoetkoming aan 's lezers memorie is de personeu-rei door den vertaler met een paar aanduidingen vermeerderd.
f) Dat deze omvang vrij groot is, blijkt wel uit de volgende gegevens. De Esther van IIacine is slechts 1345 verzen groot; de Mtrodate» van Broere-Smit telt er 1560; de Joseph in Dothan van Vondel 1622; de GijshrecM van Amstd 1896; de Lucifer alleen komt tot het getal van 2185.
EERSTE BEDRIJF.
De eerste overwinning.
Eene groote Gothische zaal in liet kasteel van Reuillv. — Wapentrophee en portrait van Eaoul de Reiiilly. — Een beeld der moeder Gods.— Op een tafel een album, boeken en aardrijkskundige kaarten. — Achter op liet toonoel eene opene galerij, waardoor men rechts do kapel der missionarissen voor Afrika ziet.
EERSTE TOONEEL.
De strijd der vriendschap.
GEHARD, ANDRE.
[Gerard toont aan Andrc een haart van Afrika, waarop Je streken zijn afyeteekend der meuHchenjacht, alsmede de wegen, icaarlangs de davenkaravanen trekken.)
GEHARD (spreekt).
Geheel deez' streek, mijn vriend, gekleurd in roode tint Zij is de streek des bloeds. De lijnen-reeks verbindt De steppen van het land, in duisternis bedolven. En wijst den slavenweg tot aan de zilte golven. Daarlangs dus zwoegt hij voort, de Zwarte, d' Afrikaan Aan wien de slavenboei zoo wreed werd aangedaan.
AFRIKA. 1
AFRIKA.
De zee hoort aan beur strand den galm van 't bitter schreien, Maar ach, de horizont brengt altoos nieuwe reien Van slaven, met den last van elpenbeen belaan. Hoe kromt de naakte rug, van al zijn vleesch ontdaan! Hoe doet ook 't fel klimaat de breede zonnestralen Als pijlen louter vuurs op 't hoofd ter nederdalen, Dat duizelt, of de vlijm van eene lans het raakt;
En toch. . . Wee die er toeft, wee die hier zuchten slaakt ,i Voortquot; — klinkt het — „of de dood!quot; Dra knett'ren de
[geweren.
Die ied'ren tegenstand den stervende verleeren;
Ach zie... hij zinkt reeds neêr... W eer heeft het slavenblocd Met tranen rijk vermengd, het dorre zand gevoed.
Kwam iemand, op zijn tocht in deze streek, te dwalen. Langs de geraamten-rei kou hij zijn weg bepalen.
ANDRÉ.
Ja, d' Afrikaansche slaaf! Gérard, o, die idee Voert uw gevangen geest, als in de boeien, mee. Nog gist'ren sloeg mijn oog u bij de vrienden gade. Een ieder juichte luid ... uw vreugd kwam steeds te spade...
GÉRAKD.
Ja wtiarlijk, ik dacht na. Wat is — zoo vroeg mijn geest— Bij menig levensm^, de XevQusvrucId geweest? Zoo vluchtig als de wind gaan de eerste liefden henen; Doet niet de zorg voor brood zoo menig harte stenen ? En, als in 't naast verschiet slechts hoop op vreugde daagt, Wordt aanstonds ieders tocht naar zulke kust gewaagd. De liefde zelfs, mijn vriend, zij moest veel hooger streven; Waarom niet naar die sfeer des hemels opgezweven.
Waar ieder voor zijn plicht, als voor een gast, zich weert. En door den broedermin voor allen wordt verteerd .J
EERSTE BEDRIJF.
Maar neen, de liefde zelfs, zij knot haar gouden vleug'ien, En laat zich in haar vlucht maar al te zeer beteug'len. Soms mint men zijns gelijk', hem deelt men gaarn' zijn schat, Maar, wie heeft ooit veel zorg voor 't Zwarte ras gehad ?
ANDRÉ.
Daarom juist was het tijd, dat een roemruchte Koning 1) Europa's sluimerzucht dorst storen in haar woning. Hoe roemrijk klonk zijn woord, een koningswoord zoo eêl: n Geopend en beschaafd zij 't donlcre werelddeel!quot; De volheid van de vreugd der vrijheid is gekomen. En de geschiedenis heeft blij haar Heil vernomen.
GEHARD.
Maar toch, mijn vriend! Gods kracht wrocht nog een
[wonder meer Las Caze moest opnieuw optreden voor Gods eer.
Weer moest de naastemin wnafasag in hoogen luister stralen, De vadsigheid haar schande en laagheid onderhalen,
Luid moest het weer verkond, hoe hier de dood begint, Maar eeuwig wordt voltooid in hem, die niet bemint.
ANDRÉ.
Gewis hem steunde God bij al zijn groote werken.
GÉRARD.
3
Helaas! André, de dood heeft met zijn vale vlerken Dien grijsaard reeds omhuld. Maar nog, nog ziet mijn oog Dien bisschop, f) wien de zorg der zijnen zoozeer woog. O, het Apostel-vuur ontgloeide hem het harte En, met dat Zieners-oog, wat alle toekomst tartte,
Koning Leopold van Eelgic. [Veut.] f) Mgr. Lavigorie. [Vrirr.l
AFRICA.
Verrees hij onder 't volk in vors ten-majesteit,
Voor 't donk're werelddeel, 't welk om erbarming schreit. O Afrika, u w leed, hoe lang heeft h ij 't geleden! Uw keten, ach zoo zwaar, was hem om 't hart gesmeden; En dikwerf, als zijn hand, door ouderdom reeds stram. Met 't bleeke ving'rental, de blanke hostie nam,
En haar voor 't heilig oog van God hield opgeheven, Kwam deze zielebeê hem van de lippen zweven:
„O, geef. Almachtig God ! O, geef toch op mijn beê f/Dat nog mijn oogen zien dit Zwarte volk in vreê. //Verhef uw sterke hand, die Pharoös heeft vei slagen „En doe mijn stervend volk den blijden morgen dagen, „Die al zijn smarten eindt.quot; — Maar eens, daar bad hij weêr Gelijk ik u verhaal, tot 's hemels Opperheer,
Toen uit dien hemel zelv' een antwoord scheen te komen. Deez' stemme, zoet en sterk, werd bij 't altaar vernomen; wGa uit, mijn heilgezant! Wees gij mijn wereldtolk „En meld het gruwzaam wee van 't Afrikaansche volk! „De liefde zal den haat en woekeraar verneêren,
„Mijn goddelijke wet móet eeuwig triumfeeren.quot; — En hij, d'Apostel ging. Hij droeg diep in het hart Dien. last van 't werelddeel, miskend bij al zijn smart. En hield dien last ons voor. Zooals de donderslagen Den moedigste op onze aard het hart soms doen versagen. Zoo klonk zijn woord alom: „O gij, die groot en rijk, „Gij volken, die beschaafd en overmachtig zijt,
„Staat op! Staat op en ziet! Wat baat het, dat uw krachten f/'t Veroverd werelddeel doet vreezen voor uw machten, „Als gij den inboorling ellendig laat vergaan?
„Voor d'Afrikaan alleen moet Afrika bestaan.
„Of, moet de woestenij daar ginds nog meer vermeeren? „Mag eer en rechtsgevoel Kich niet bij u verweren ?
4
EERSTE BEDRIJF
,/Wierp men het altaar oin van 't heilig medelij? ,/Hoe? Schreit Europa hier geen tranenvloeden bij, //En vliegt geen ridder meer, naar ouden trant, te wapen? //Zoo moet het eind der eeuw in laffe rust dan slapen, //Ofschoon de zwakke valt, de weezen ginds vergaan? //In hen wordt uw natuur toch schande aangedaan. //Maar, meer nog. Christenvolk! God zelf wordt daar bestreden.
//In allen, voor wien eens de Heiland heeft geleden, // Geleden als voor u, die d' Afrikaan vergeet ....
//Welaan dan, Broèders, komt! Ter hulpe thans gereed! //Uw eigen bloed roept ginds! Ja, hoort de moeders kermen //Als haar de drijver naakt, die, doof voor elk ontfermen, z/IIet vast-omklemde kind haar van den boezem scheurt. //Staat op, staat op ter hulp! 't Is reeds zoo vaak gebeurd, //Dat het verschrikkelijk woord // //Te laatquot;quot; hier werd
[vernomen,
//Weest tijdig dus bezorgd! Ik ben tot u gekomen //Als veldheer, als heraut, op wien de heirtocht wacht; //Geen hooger oorlogskreet kan worden uitgebracht.quot; Zoo sprak die bisschop, vriend! Ook ik trek naar die landen. Want d' eigen roeping Gods sloot mijne ziel in banden. Op éénen stond gesmeed! André, zie! voor mij troont Dat hoog're leven Gods, m' in visioen getoond: Een leven, hard voor 't vleesch, maar zalvend voor de zielen, Een leven, 't welk ons vaak bij lelies neêr doet knielen. Door Godes vruchtbaarheid in 's menschen ziel geteeld. Hier wordt de reuzenkamp des levens toebedeeld ;
Hier streden, in vroeg'ren tijd, die eed'le ridderknapen. Wie zielen-grootheid dwong Gods lauw'ren zaam te rapen ; Hier telt geen aardsche rust, maar al wie sneeft, juicht blij: uZoo is dan God, uw rijk, ook uitgebreid door mij.quot;
AFRICA.
ANDEÉ.
Uw hart is nu in vuur;
GÉRAED.
Gij hoort den wil slechts spreken. ANDRE.
Het vreemde trekt u aan;
GÉRARD.
Mijn plicht is mij gebleken.
ANDRÉ.
't Is waar, het klinkt wel schoon, de Zwarten te beschaven ; Maar als in duisternis ligt deze weg begraven.
Hebt gij wel ooit, Gerard, het doodental geteld Van hen, die door 'tklimaat daar worden neergeveld? Spreek! Moet gij zonder hulp ellendig ommedolen? Wie zal u bijstand biên?
GÉRARD.
God, die mij heeft bevolen.... Heeft iemand ooit dien God vergeefs om kracht gevraagd ? Wie krachtig ia in God, blijft eeuwig onversaagd.
ANDRÉ.
Maar gij verlaat mij dan; gij denkt niet aan die droomen, Waaraan ons beider ziel zich, zonder 't minste schroomen Voor toekomst of voor ramp, zoo dikwerf overgaf.
Alsof Gods lente kwam, en met heur tooverstaf Heel de natuur herschiep. Ach, nauw'lijks twintig jaren. Verwerpt gij uw geluk, hen, die uw vrienden waren. De wereld, en al 't schoon ....
GÉRARD.
O neen, Andrc! hoor toe!
(5
EERSTE BEDRIJF.
Wanneer ik u, o vriend, mijn afscheid hoovcn doe, U, die nog heden spreekt van broeder-idealen,
O neen, o, denk toch niet, dnt ooit de zonnestralen Van onze aloude trouw of vriendschap ondergaan. Die bloem van onze jeugd blijft eeuwig voortbestaan. VV a s zij steeds wonderschoon, nog schooner gaat zij
[wezen ;
Mij is een nieuwe kracht in 't vurig hart gerezen. De roeping Gods doodt niet, maar zij verheft ons eer Ver boven de natuur tot 's hemels eigen sfeer.
O vriend, ons ideaal, de liefde met haar droomen, Zij wordt thans in Gods hart nog hooger opgenomen.
ANDBÉ.
Hoe edel zijt gij, vriend ! . . . Maar kent gij wel dien stam. Wiens rampen en wiens kreet zoo dringend tot u kwam? Die zielen zonder gloed! Mijn God! Wat te beginnen ? Wat zulk een volk te doen?
GÉRAEX).
Het vurig te beminnen. Een gansche wereld is der liefde niet te zwaar;
Zij wekt ten leven op 't geen lang gestorven waar?
AWDRE.
Wie hoorde ooit zoo'n taal ? De Zwarten zoo te minnen! En voor dat broedertal zijn leerambt te beginnen!
GERARD.
Voorzeker, dierb're vriend! Om 't leven hen te biên Moet men de hunne zijn en blij Imn aanschijn zien. Wie and'ren 't groot geluk der liefde ooit wil geven Hij schroomt geen moei lijkheid, hij offert blij het leven.
7
AFRIKA
Maar verder, welke vreugd! De bloem van ons bestaan. Den zoeten Christenvreê, brengt men dien volken aan; Een nieuwe horizont doen wij ginds voor hen dagen, Gods zoete vadermin leert hen het leed verdragen. Men toont hen heel den zin van 't heerlijk Christenwoord: Van God, yehof en heil, van hope, nooit yehoord. Van offren, om Gods wil. Zoo zien dan ook hunne oogen, Dat eens de droefheid eindt, als straks daar in den hoogen De Vrede en Godes Recht in zoete omhelzing gaan. Om zelfs den laatsten boei des menschen af te slaan.
ANDRÉ.
Ach, zij begrijpen 't niet...
GERARD.
Snel kennen zij hun vriend. Al wie verlaten is gevoelt ras wie hem dient.
En, wie het diepste ligt in 't ongeluk verzonken,
Wie 't allermeest den kelk des Heeren mededronken. Zij, wie de kracht van 't hoofd, de gloed van 't hart verliet. Zij minnen dweepende wie hen zijn trouwe biedt. Dat voelt ook de Afrikaan; wij hebben dat vergeten, Wij konden van zijn trouw of liefde niet veel weten Omdat wij sterker zijn. Maar spoedig wordt 't ontdekt Hoe ware broedermin den armen Zwarte trekt.
Of, als ons, dierb're André, de vrienden vaak verblijden Zou daar een Afrikaan een waren vriend vermijden? Als klimop rond een eik, zoo stijgt hij met ons meê Tot aan den berg van licht, van vreugde en levensvree. Ja meer, hij zal naar 't heil steeds vuriger gaan hijgen, Den allerhoogsten top des heil'gen berg bestijgen;
En in zijn 'dankbaarheid, die nimmer wordt gebluscht, Snelt hij ten arbeid heen en vloekt zijn langen rust.
8
EERSTE BEDRIJF.
En zoo zal steeds uw kroost opnieuw, o menschheid, bloeien ! Een gulden vruchtental aan uwe takken groeien!
'k Zie reeds den overvloed, zoo blijde uitgespreid,
En de Afrikaan verrijkt, hem, wie zijn leed beschreit.
ANDBÉ.
Dit eischt een zware taak, die eeuwen-lang kan duren.
GERARD.
Dan aanstonds aan het werk! Geen krijger telt zijn uren. Maar trekt blijmoedig voort, zoolang 't commando prest; Zoo, vriend ! vergaat het mij. Welk levensdeel mij rest. Ik hoor alleen Gods stem. Maar, mocht de dood zich spoeden. Een ander komt mijn plaats, mijn arbeid rijk vergoeden. Zoo valt de krijgsman blij, al wordt hij ras doorboord Als slechts de zegepraal het stervend oog omgloort.
ANDRÉ.
Gij wilt dan 't moei'lijkst werk als uwe plicht verrichten.
GERARD.
Het moeielijkste werk zal 't meeste nut hier stichten.
ANDRÉ.
't Bedrog is zoo nabij. Vertrouw een droombeeld niet!
GÉRARD.
André, hoe! spreekt gij zoo ? De liefdeplicht gebiedt Om bij hun groot gevaar, de Zwarten te gaan helpen. Wie zal, bij laf verzuim, des hemels straffen stelpen? Europa heeft misdaan. Wee, als 't nog langer draalt! In voorspoed, al te groot, wordt Godes wraak betaald. Veroudering en vrees, de lafheid, het zijn straffen Voor haar, die Afrika zijn rechten moest verschnffen.
9
AFRIKA.
Hier komt belang en plicht, naast roem en schand' bijeen. Ook 's werelds-broederschap brak door haar duister heen. Vrij van den rassenhaat gaat zij hare- tenten bouwen. En wil geen enk'len stam meer als onterfd beschouwen In 't algemeen gezin. En zoo Andre, zoo licht Een nieuwe wereldloop voor Godes aangezicht.
En wijst Hij Zelf, die God, zijn wonder-nieuwe paden. Zoekt d' een niet Afrika om zich in roem te baden ? Een tweede zoekt er winst. De wapens in de hand Snelt weer een derde voort en sticht voor 't vaderland Ginds dorpen, snel bevolkt en vruchtbare valleien; Een vierde hoort het bloed vau de vervolgden schreien. Een vijfde gaat om God. Maar toch, 't wordt alles één; 't Komt al naar Afrika; God zendt ons allen heen.
ANDRE.
Maar kan dan onze ramp uw harte niet ontsteken ? Of woont het onsreluk alleen in verre streken?
O
Hoort gij den eigen grond niet beven bij uw tred.
Waar 't ontevreden volk zijn overheid verplet?
GÉRARD.
De liefde voor zijn land, men kan haar moedig vieren In vreemde wereldstreek, bij 't planten der banieren! Maar 'k antwoord op mijn beurt: n Waar is, waar is de kracht Van het beschaafde land, dat martelaars veracht!quot;
(Germaine treedt uit de kajiel.)
ANDRÉ.
Uw moeder!... — 'k Zie haar juist het heiligdom verlaten ; Weet zij uw plannen reeds? Hier kan geen zwijgen baten.
10
11
GERARD.
Ach neen, Andre! want, vriend! zoo vaak ik tot haar kom Verscheurt de smart mijn ziel en blijft mijn tonge stom; Zooeven had ik nog zoo gaarne haar gesproken,
Maar, 'k dorst het niet bestaan ; mijn harte scheen gebroken. Ach God ! Hoe ik hier lij'! Maar toch mijn vriend, vertrek! Het oogenblik is daar, waarop ik haar ontdek,
Hetgeen zoo lang mij kwelt!
ANDRE.
O bitt're moedertranen! GÉRARD.
Andrc, ach, niet zoo wreed!
ANDRÉ.
O neen, vriend ! wil niet wanen Dat 'k u bedroeven wil... Maar 't scheiden is zoo zwaar. Vergeef mij, wat ik sprak!
GÉRARD.
,/Vergeven?quot; Neen, voorwaar! Uw liefde eischt hoogen dank. Ach nog één woord, één bede! Niet waar ? Gij waakt op haar ? Gij treurt eens met haar mede Als ik.....
ANDRÉ.
O zeker vriend, ten zoon wil ik haar zijn. GÉRARD.
U, dierb're, zij mijn dank in mijne zielepijn.
(Andrc af.)
AFRICA.
TWEEDE TOONEEL.
So strijd der moederliefde.
GÈEABD, QEBMAINE.
GERMAINE.
Gérard! Mij dacht, André vertoefde hier zooeven.
GÉRABD.
Hij was het, moeder, ja; hij heeft mij juist begeven... Maar gij spraakt in de kerk zooeven uwe beê.
Gij dacht toch ook aan mij ?
GEBMAINE.
Wat ik ter heil quot;ge steê Tot mijnen Heiland sprak, mijn zoon, gij zult dat hooren. Geen moederlijk geheim mag onze liefde storen.
Welnu, ik heb dan weer u beiden vroom herdacht. Uw vader en ook u. O, als bij dag of nacht Mijn ziele slechts een wijl ten hemel op mag zweven. Dan spreekt zij van dit paar, zoolang ik slechts zal leven. Nu juist voor twintig jaar, o hoezeer heugt het mij ! Gérard — ik waakte daar......
(Zij te ijst naar een venster in het kasteel.)
Daar aan uw vaders zij En 'k beefde, toon de dood dien grooten held kwam treffen. Die boven ieder leed zijn ziel wist te verheffen.
GÉRARD.
Spreek Moeder, en verhaal nog eens van 's vaders moed!
GERMAINE.
p
12
Gij hadt, mijn dierb're zoon, nauw 't levenslicht begroet, Toen de oorlog allen riep. 1) Dat waren sombere uren Vol rouw en scheidingswee. Maar meer nog te verduren
In het jaar 1870. [Veut.]
EERSTE BEDRIJF.
Had God ons voorbeschikt, 't Was of de zonne stierf En een onvruchtbre lucht den wereldoogst bedierf, Ten dage dat ons land door vreemden werd bestreden. De vijand binnendrong daar in onze Oostersteden En hij ons volk versloeg. Nu wachtte uw' vader strijd. Maar strijd, die 't vaderland zijn bloed, zijn leven wijdt. Zoo is het dan geschied, toen, blind voor de gevaren, Uw vader en ons volk eens aan het strijden waren In zulk een minderheid, of één streed tegen vier, Dat Raoul de Reuilly, mijn echtgenoot, zoo dier.
Helaas, na weinig tijds in 't voorhoofd werd getroffen. En hij, van smart verdoofd, ter aard' moest nederploffeu. Intusschen wist hij nooit, welk allerdroevigst lot Ons allen later trof; want, toen hij viel, had God Juist voor een enk'len dag, de zege aan ons gegeven En deed Hij weer een lach door ieders tranen zweven. Zoo kwam uw vader dan ten mijnent bloedend weêr. Maar juichte in zegepraal, in volle krijgsmanseer.
En toen is het geschied, mijn zoon, bij al zijn smarte Dat vader naar u greep, u vast drukte aan het harte. En gij — 'k aanschouw het weer — gij waart zoo opgewekt. En hield op wond're wijz' uw armen uitgestrekt Of wrong met kleene hand in 's vaders breede lokken; En hij, wijl felle pijn hem vlijmde en deed schokken, Hij maakte u soms bevreesd door 't vloeien van zijn traan. Maar toonde dra weer vreugd en glimlachte u weer aan.
O O
Dan eensklaps daar sprong 't bloed uit zijn verbonden wonde En 't raakte u het hoofd, Gérard! in d'eigen stonde. Daarna zonk hij ineen, maar sprak in stervensnood:
//Blijf uwen plicht getrouw, mijn Zoon, tot in den dood.quot; Toen stierf uw vader dra .... Maar sinds hij is verscheiden, Vereent steeds mijn gebed den zoon en vader beiden.
13
AFRIKA.
Bid ik voor mijnen ga,
[Gerard aanziende vol teederheid^)
'k Voeg ras mijn zoon daarbij. En 'k vraag den goeden God: ,/Erbarm u over mij. „Gij naarat één steun mij weg, o Heer, wil verder sparen ,/En mij den and'ren steun (Gérard, u) toch bewaren.quot;
GÉRARD.
O vader-martelaar, ik voel, wat in u brandde:
Gij leefdet steeds vol eer, gij stierft ook zonder schande;
Maar moeder, juist die wil, 't volbrengen van zijn plicht
Altoos en overal, voor ieders aangezicht.
Het doet soms in ons hart zoo vreemde stemmen hooren;
(Na een kort stilzicijgeu!)
Treft 't leed des Afrikaans niet eiken dag onze ooren? O, waar' het mij vergund den zwarten bij te staan !
GERMAINE, (geheim zinnig.) Uw moeder, dierb're Zoon, heeft reeds uw wensch voldaan. Hoor gij in stilte hier, wat niemand voegt te weten. Wat zelfs mijn linkerhand behoorde te vergeten, 'k Ontsloot deez' morgen nog het welbekend kleinood. Waarin ons beider hand zoo menig goudstuk sloot.
Om in het herfstgetij dat reisplan te volvoeren Zoo vaak door ons bepaald. Hoe voelde ik mij ontroeren, Mijn Zoon ! bij al dat goud! //Ach,quot; dacht ik, ,/waarom niet ,/Die schatten aangeboón voor 't Africaansch gebied? z/Er wordt zoo schroom'lijk veel door 't Zwarte ras geleden; //Kan men dit schoon metaal op beter wijs besteden? //Een volk wordt daar vermoord, de nood zij prest zoozeer !. Ik lag toen, dierbaar kind, ons beider goud ter neer Voor een Apostel-held, die ons weer gaat verlaten Om ginds, daar overzee, den schikb're Negerstaten Nog verder bij te staan.
14
BERSTE BEDRUP.
GERARD.
O, moeder, o hoe goed! GERMAINE.
Mijn zoon, 'k sprak in mij zelv'; „Of uw' en mijne voet wTn 't herfstgctij d e e z' streek of and' r en zal betreden, //Spreek, wat beduidt deez zaak ? Maar de genoeglijkheden //Van eigen huis en haard, die vreugden, diep en teêr, Hen geeft de liefdegift juist duizendvoudig weêr.quot;
Maar hoe Gerard, gij zwijgt? Gij schijnt u te vermannen ? Is uw gemoed ontsteld? En stoort mijn woord uw plannen?
GÉRARD.
Neen, moeder, waarlijk neen ....
GERMAINE.
En toch, uw blik ontvliedt Den mijne, dierb're zoon! Dit hart bedriegt mij niet.
GERARD {nc/- aan haar hah werpende).
O moeder, hoe 'k u min!
GERMAINE.
Gérard, o wil toch spreken; Laat af, mijn zoon, laat af en wil dit spel verbreken.
GÉRARD.
Gij wilt het, moeder, dan ?
GERMAINE.
Ja, waarheid boven il!
GE ït A.ïtI3«
Die priester, moeder, hij, die gansch het groot getal Van onze stukken gouds ten aalmoes heeft ontvangen,
15
AFRIKA.
Moest eens zijns moeders hart niet eene smeekbeê prangen : Hij sprak van Afrika....
GERMAINE.
Maar gij nooit, o mijn zoon! Gij, gij verbant u niet uit 's moeders stille woon.
Neen, zulk een ramp zendt God niet uit zijne vaderhanden; Hij vroeg een weduvv' nooit haar zoon ten offeranden. Hij weet, wat ik reeds leed. Hij weet, die goede God, Dat ik u noodig heb in mijn zoo eenzaam lot;
Ik moet u telkens zien, u telkens hooren spreken Al gaf God een gebod, dan nog zou ik hem smeeken.
GÉBABD.
Gij zeidet, moeder, straks, hoe vader eenmaal viel Wijl plicht ten troone zat in zijn verheven' ziel;
Mag dan zijn zoon het deel van de Reuilly's niet erven? Behoort hun hooge deugd in mijn' ziel te bederven?
GEBMAINE.
O zoon! gij weet niet, neen, wat moeders harte lijdt, Als de verlatenheid haar liefde straks bestrijdt.
Hoe telt haar ouderdom dan de uren die vervlogen, Sinds zij den lieveling haar woning zag onttogen.
Soms zoekt ze in d' avondstond, op 't rotsblok, haren rust. Al starend naar het West, waar 't zonlicht wordt gebluscht... Al wie haar gadeslaat, hij spreekt; ,/Ach, gij verblinde! wHoe zoekt gij nog zoolang, wat niemand wedervinde. ,/Is dan 't verledene ooit op aard teruggetreên ?quot;
Maar zij blijft treuren toch en -denkt daar, gansch alleen, Hoe ginds haar zone toeft en hem geen dak kan dekken, Hoe hij het negerras tèn doelwit kan verstrekken Van hunnen blanken-haat. Hoe licht woeJt één verrader Waar er zoovelen zijn, ja, honderden te gader.
16
EERSTE BEDRIJF.
En voorts... de wolf, de slang, die zelfs zijn slaap bespiên... 0 God, neen ! 't is te veel. Gérard, ik moet u zien, U zien, zoolang ik leef. Ik kan mijn kind niet derven; Geen moeder wil toch ooit, dat hare zoon gaat sterven.. .
GÉRARD.
God maakt soms tot een schild het doodelijke zwaard : Vaak heeft de wreedste leeuw Gods heiligen gespaard.
GERMAINE.
Toch gaat gij nimmer heen, zoo heeft mijn wil besloten; Tracht toch dit dwaze plan u uit het hart te stooten. Of moet ik smeeken, kind ! op dezen droeven dag ? quot;Welnu, uw moeder smeekt, zij, die gebieden mag. Ik kon, zelfs uit den gang yan uwe vroegste jaren Niets dan de zoetste trouw ter heugenis bewaren! Hoe heilig waart ge als kind, hoe vol gehoorzaamheid! Hoe vaak hebt gij het hoofd mij aan het hart geleid! Uw dagen en de mijn' zij zijn te saam geweven Leidt niet ons beider ziel één en het zelfde leven P Zoovele banden, zoon! men slaat ze niet uitéén.
[Zeer ernstiy.)
En daarom weet het wel! O, gingt gij eenmaal heen. Nooit, nooit genas mijn wond.
{Met teederhdd.)
Zeg dus: 't geldt hier een droome ?
GE It AHgt;!D.
Een droom? Dat sterke plan, dat, hoe ik mij betoome, Mij altoos als verslindt? Nooit gloeide zoo mijn ziel. Dat plan torscht al de smart, waarin 'k, om n, verviel.
AFRIKA, o
17
AFRICA.
GERMAINE.
Ondankbare, ga voort! Moet dan mijn toorn u spreken?... Uw ondank is mij thans in al zijn kracht gebleken. Zie, zonder medelij en zonder zielsverdriet,
Betooverd door een beeld dat dwaasheên n slechts biedt, Geeft gij uw moeder prijs, uw moeder en u zeiven.
Konde ooit uw listigheid mij dieper afgrond delven? Neen, waan niet, dat gij ooit mijn tegenstand verbreekt. Of dat uw dr oefenis mijn teederheid verweekt.
Ik ga u teyen u, uit teederheid beschermen,
'k Zal bij de roof' mijns zoons als een leeuwinne kermen. Gij vaagt de dagen weg, die ik u eenmaal gaf En uwe vreemde deugd neemt mij mijn' kind'ren af? Ik vraag u in dit uur; kind, wil mij antwoord geven: Dat bloed, wat gij verspilt, wie deed het in u leven?
GEHARD.
God, moeder, hoort ons hier... Welnu, 'k vergeet het nooit, Wat banden tusschen ons Zijn almacht heeft voltooid; Zoo lang mijn adem gaat, waar zich mijn voeten keeren. Mijn' moeder wil ik steeds als d' Engel Gods vereeren. Doch neen, bedroef mij niet met onverdiend verwijt! Uw harte is thans verscheurd ... ach, ook het mijne lijdt... En in dat lijdend hart....
GERMAITSTE.
Hoe ben ik te beklagen! GÉRARD {zich tot haar hegevend).
Ach, moeder —
GERMAINE (hem terugduicende).
Neen, laat af!
{Zij zinkt neder op een hidgedodte)
Op mijn' zoo oude dagen
EERSTE BEDRIJF.
Wachtte ik de toekomst af, vol hoop en welgemoed. Dan ach. niets rest mij meer dan bitt're tegenspoed!
{Haar Mik ophefende tot hut portret van Raoul de Jlcitilli/.)
Gij beeldt'nis, zoo bemind! In de ure van mijn smarte Riep 'k staag uw geest tot mij, en hief tot u mijn harte. Welaan, aanschouw het weê, wat nu mijn geest verdooft. Nooit heeft de zwaarste ramp mij zooveel kracht ontroofd. Helaas! zoo onvoorziens!... Reuilly, ach hoor mij weenen. Wil uWe heldenkracht, aan uwe ga' verleenen.
/worl een ernstig voorspel van het hajtel-orgel?)
(Gernmine keert de oogen naar het Maria-leeld.)
O liefdevolle maagd, ik bid u: hoor mijn beê!
Gij, die geleden hebt, genees mijn harteweê.
Hoe is mijn kelke wrang! Wil toch mijn snikken hooren!
Gij eenmaal door den Heer tot moeder uitverkoren.
KOOR DER MISSIONARISSEN VAN AFRIKA,
{hinnen in de kapel.)
Stahai mater dolorosa Juxta cruccm lacryvwsa,
Bum pendebat Filius. *)
GÉRARD.
Die goddelijke zang, uit 't heiligdom gehoord! Ach, moeder! brengt hij niet de kalmte in u voort? Denk aan de moedermaagd, die ons haar zoon wou' geven ? Voegt niet op haar altaar het offer van mijn leven?
Naast hot kruis stond, droef van harte De arme moeder, gansch in smarte.
Toen haar Zoon lo sterven hing. [Vi:iit.]
19
AFRIKA.
KOOB DER MISSIONARISSEN,
(komende uit de kapel.)
Cujuft animam gementum Coniristatam et dolentum PertTCinswit yladius. 1)
GÉRARD.
Als, moeder! 't vaderland eens in zijn stervensnood Mijn bloed vroeg voor zijn eer, niet offers, eindloos groot. Dan zoudt gij zelve mij den wapenkreet doen hoeren. Ja, ware ik twintig jaar vóór dezen tijd geboren.
Toen onze vijand daagde en 't vaderland vertrad En hij geen medelij met onze schande had.
Gij hadt, voorwaar, gezegd : ,/Ga tot uw doodsnik strijden!quot; Welnu, thans ziet mijn oog ook arme broeders lijden. De kreet; uGod wil hel! ga!quot; klinkt door mijn ziele heen; Geldt nu voor 't moederhart het vaderland alleen? 'k Beken, bij deeen strijd hoort men geen echo's schallen Van 't lied, waarbij voorheen ons leger is gevallen; God biedt ons lauweren aan, van ied'ren bloedvlek vrij, Maar juist die zachte krijg — o, hoe behaagt hij mij! Daar gaat een liefdezucht ginds langs die heete stranden. En velen, mensch als wij, verheffen daar de handen. Zoo zwaar geboeid, tot ons! Ons heengaan maakt hen vrij, Ons blijven is hun dood. Nu, moeder! antwoord mij: Als zulk een horizon voor 't juichend oog gaat gloren. Mag ik dan vluchten gaan en slechts mij zelv' behooren? Mag ik den oorlogsroep van 's hemels Opperheer Verdooven in het hart, ten koste van mijn eer,
20
Eu haar schreiende en steenend'
En zoo droef met Jesus weenend',
't Slagzwaard door de ziele ging. [Veut.]
21
Of een verrader zijn van 't Heilplan in den hoogen?.... Nooit zoudt gij, moeder! zelv'zoo snoode daad gedoogen *) O, roep mij dus terug bij uw beminnend hart.
GERMAINE, (Je handen uitdrekkende)
Gerard! Ik sprak te stout in d' overvloed der smart! Ach! gij zoo verre heen, zoo jeugdig nog van jaren.... Dat onbekende ginds .... en alle die gevaren .... Ik vrees zoozeer voor u, ginds in die eenzaamheid!
Heel Afrika schijnt mij ten doodskleed u gespreid; Wil minstens dan bij God voor mij om krachten vragen.
(Germaine's hoofd rust op Gerard's borst.)
GÉBARD.
O Heer! wil hare ziel door uw genade dragen.
KOOR VAN MISSIONARISSEN VAN AFRIKA,
(teruggaande in de kapel.)
O quam trisiis et ajjlicia Fait illa benedicta,
Mater TJniyeniti! f)
{Bij de eerste Koorden dezer stroof daalt het scherm neer.)
*) De lezer bemerke, dat hier de zekere roeping wordt vooropgesteld in Gérard, eu dat hij hier in vervoering over die roeping spreekt.
[Vekt.]
f) O, hoe treurig, hoe vol ronwe
Deez' zoo zegenrijke vrouwe.
Moeder van den Een'gen Zoon! [Veiit.]
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
TWEEDE BEDRIJF.
Het bevrijdings-decreet.
Zanzibar. — Eene galerij bij hot paleis van den Saïd of Sultan. — Reclifs, op den aclitergrond, een groote paleispoort, welke gesloten is. — Links, in de diepte des tooneels de haveningang en de Minaret met vijf verdiepingen, gekroond inct een lantaarn of lichtbaak. — Op den voorgrond de woning van Hassan, inentehenjager en slavenkoopman; groepen van kinderen en vrouwen in slavernij, bevinden zich voor deze woring. Van verre bemerkt men eenige Europeesche matrozen in eon zeoboot.
EERSTE TOON BEL. De herinnering aan den geboortegrond.
RICHARD. DB CONSUL VAN ENGELAND. GROEP VAN EUROPEESCHE MATROZEN. SLAVENGROEP. ELMA. DJALMÉ.
MATROZEN-ZANG.
{J)ij het naderen van den hooi.)
Vrij ga' de zeeman verre varen En, wijk' de laatste stip van 't strand; Een heilig beeld zweeft op de baren, De beeldtcnis van 't vaderland.
TWEEDE BEDRIJF. 23
Al wiss'len Noord- en Zuiderstrckcn, De Noortlpoolkonde of Keerkriiiggloe.1,
Het lieflijk beeld doet altoos spreken ;
Wees, dierbaar Vaderland, gegroet!
{Richard komt uit de boot en reiki de hand aan den Etgehchen Consul, die hem opwacht aan hel strand.]
DE CONSUL VAN ENGELAND.
Zoo mag dan na een jaar weer Zanzibar u zien. *) De Sultan zal u straks zijn eigen woning biên.
Zijn Majesteit weet reeds: het geldt de binnenstreken.
RICHAHD.
'k Mag Eng'lands Consulaat mijn besten dank verspreken.
{Zij gaan het paleis binnen; de buol vencijdert zich.) MATEOZEN-ZANG.
De zeeman laat de zeilen zwellen
En koerst naar 't land van zijn geboort';
Zie, op de kristallijnen wellen
Licht hem zijn zoet gesternte voort.
Het onde beeld blijft hem omzweven.
En wiegt zijn droom van 't naad'rcnd strand; Straks kust de havengolf den steven;
Gegroet, o dierbaar vaderland!
{J)e boot vcrdicijnl.)
quot;j Naar de voorstolliiig des drama's heeft hier dus ook Engelauds invloed bewerkt, dat de Blanken Afrika kunnen bewerken. [Viïut.]
AFRIKA.
TWEEDE TOONEEL.
De klachten der gsvangena Trouwen.
SLAVEKTGHOFP. ELMA. DJALMÉ.
EEESTE SLAVIN.
Wij zien u dan nooit meer, o vaderland, 100 dier! Slavinnen werden wij en trekken ver van hier.
De blanke meester laat op vlucht noch uitkomst hopen; Helaas! het slavenwerk zal dra ons lichaam sloopen.
TWEEDE SLAVIN.
Hoe zwijgt nu alle vreugd van 't blijgestemde koord! Het speeltuig ligt vertreên en heel ons dorp verstoord. De jakhals sluipt daar ginds door de eenzame valleien. Terwijl de schimmen 's nachts om hun' verwanten schreien !
EEESTE SLAVIN.
Wat was hij schoon weleer, die koninklijke zon.
Als zij haar vuur'ge baan ter morgenstond begon; Hoe juichte 't hoog gewas in al die breede stralen. En stroomen, vorst'lijk-breed, weêr blonken in de dalen!
TWEEDE SLAVIN.
Helaas! hoe mist mijn hart de mannen zonder schroom ! De jagers in het woud, de roeiers op den stroom!
EEESTE SLAVIN.
Vergeefs, vergeefs gezocht! Waar zijn die fiere helden, Die met hun zwarte lans zoo menig vijand velden?
Trots elpenbeenen bijl, trots schitterend oorlogsschild. Verdwenen ze als de struik, die neerslaat in het wild.
TWEEDE SLAVIN.
O nacht! van onzen strijd. O nooit geziene stralen!
24
TWEEDE BEDRIJF.
Als bliksem sloeg de vlam uit flikk'rende metalen; En 't was of de onweerswolk haar donderslagen gaf. Ja, zelfs wie vluchten wou, hij vluchtte daar in het graf Door 't albereikend vuur. Ach, alle krijgers sneefden, En wij, hun vrouwental, die 't moorden overleefden. Ons dreef des vijands zweep als een begeerden buit Uit de verwoeste streek, gevangen, voor zich uit.
Straks zal hij ter vervoer, ons, armen, gaan vergaad'ren, Vergeefs zoekt 't treurend oog het erf van onze vad'ren.
EEN GRIJSAARD.
En toch, mijn ziele hoopt____Ja, kom, bevrijder, komi
De zee biede u een pad, en dat de wind verstomra'
Bij 't naad'ren van uw voet. O zie, wij strekken de armen Tot u in wanhoop uit; wil. Redder! u erbarmen.
Ons rest in 't veege lijf schier geene krachte meer; Kom, redder ! lang verwacht, en sla den vijand neêr.
ELMA.
{Ehtia, haren jeugdigen zoon beschouwend, die aan hare voeten rust en het hoofd op hare knieën doet rusten.)
Het hoofd werd dan te zwaar; de oogen zijn gesloten; En aan zijn moeders schoot rust Djalmc onverdroten. Want moeder blijft getrouw, zoo weet zelfs 't slapend hart. Hoe heb ik, lieveling, zoo vaak uw last getart,
(Dien last mij alles waard) in matten of in korven,
Toen op die droeve reis u 't leven werd geborgen.
Omdat ge op moeder zelv' nog voortgedragen zijt. Uw zwaar gezwollen voet hij toonde wel den tijd Dat men u torschen moest, maar ook uw moedig strijden. Mijn Djalmé, hij bezweek . . .
{Zij omhelst haren zoon.)
Dan, moeders medelijden,
25
Africa.
Het redde toen haar zoon. En toch, voor welk bestaan Heb ik n, in dat uur, mijn lichaam opgelaan ?
Als 'k u zoo slapen zie, en nog bij u mag waken, t
O kind, ik zie ze ook weer, die mij het harte braken.
En dieper treurt opnieuw mijn moederlijk gemoed.
Ach, alles is voorbij en onze toekomst voedt
Ter nauwernood een straal, waarop wij allen hopen
Maar, gaat die straal voorbij, wat uitkomst blijft meer open ?
Straks, in den donk'ren nacht, voert't slavenschip ons mee.
Dat vaartuig zonder vlag langs de onbezochte zee.
En dan... . o kind ! o kind!.... men komt ons beiden koopen.
Ja, moog'lijk scheidt men ons____ Maar neen, nog zal ik
[hopen____
Weg, weg dat somber beeld! Och Djalmé, slaap nog zoet.
Voor u verberg ik gaarn' den nood van mijn gemoed.
Voor u zal steeds een lach op mijne lippen zweven.
Rust, kind! De slaap is God bij 't vrees'lijk slavenleven.
DERDE TOONEEL.
De nadering des moestBrs.
DEZELFDENquot;. SAW. EEN SLAVENMEESTER.
SAW.
i
Op, haast u, en komt hier! Straks komt uw Meester weêr.
Fluks de arbeid aangevat. Gij, slaven, kent uw heer.
{Een dronken slaaf komt ieyen Saw aanloopen, die hem hard terugstoot.)
Hoe? Zijt gij hier beschonken?
DE SLAAF.
Mag dat een slaaf niet wezen ?
20
TWEEDE BEDRIJF.
SAW {licm met geweld wegdrijvend).
Vertrek ! Geen enkel woon!!
(11 ij geefl onder bedreigingen den slaven een teeken, om den dronkaard te verwijderen.)
Straks nog verdelg ik dezen.
{Hij ziet naar Til ma en haar kind, de het laatste binnenkomen.)
Die moeder en dat kind, voorwaar, zij treffen mij.
Ik zou hen .... Neen! Thans niet! de Meester is nabij.
VIERDE TOONEEL.
De menschenj ager on da slavenhandelaar.
HASSAN. nOuMA. SAW.
HASSAN, [aan Saw bevelen gevende.)
Saw, koop mij honderd ton met buskruit voor de booten. De neger mint gedruisch en Hassan mint de schoten. Ook voert gij Elma snel naar Cadi Gadmir 1) heên: Zij blijft daar als geschenk, aan Hassans overheên.
SAW.
Meester!
HASSAN.
Welnu ?
SAW.
Haar kind ? .. . .
HASSAN.
27
Dat kind wil ik bewaren.
De Cadi is een Arabisch rechter. [Veut.J
28
SAW.
Zij heeft dat kind zoo lief!
HASSAN.
Zou, U dit zorgen baren? SAW.
Indien gij dezen scheidt, treft beiden ras de dood.
HASSAN, {een leeken tot vertrek gevend)
Zwijg met uw dwaze taal. Wat raakt mij hunne nood?
{llij roept Saw terug.)
'k Dacht aan ons lastdier, Saw ! Geniet het dier zijn voeder ?
{Tot P.onma.)
Niets, niets zoo wonderlijk, o Rouma, als een moeder!.... Voor ieder is het klaar, dat zij en heel haar kind Den meester toebehoort. En toch, zoo g' ooit begint. Om, naar uw volle recht, dat kind aan haar te ontrooven, Onmidd'lijk rijst de troep; men komt u schier verdooven Met kermen, met geschrei, als had — bij Allah's hoofd — Men reeds het leven zelf der moeder weggeroofd: Nog gisteren is 't geschied, dat één' van mijn slavinnen Een scheidingsplan vermoedt, waarbij ik veel zou winnen, Zij veinst straks in het wed des strooms te zijn verdwaald, En wordt dra met haar kind verdronken opgehaald. Bedenk nu, dubbele scha! ....
ROUMA.
Die Zwarten ! .. .. Och, wat zorgen ! HASSAN.
Zij vallen soms in woede en gaan zich zelf verworgen. Soms weer in treurigheid, die langzaam hen verteert. Geen enkel lijfsgevaar, dat hunne zielen deert!
TWEEDE BEDRIJF.
ROUMA.
'k Herhaal: dat slavenvolk, wat kan het ons toch kwellen!
HASSAN.
Vaak blijft geen ar.d're keus dan hen ter neer te vellen Zelfs die men gaarn behield. Wie toch biedt voedsel aan, Waar 't voedsel niet verrijkt?... Zoo slinkt de karavaan En heeft men, keer op keer, verliezen te betreuren.
HOUMA.
Maar Hassan, op uw tocht, die onlangs mocht gebeuren, Hadt gij toch beter winst. Vijfhonderd stuks ivoor. En slayen zelfs te veel!
HASSAN.
Ach yeel, ging er te loör. Men rekent, na zijn vangst, yeel lieden te yerkoopen, Maar, 't eindgetal wordt klein. Men laat geheele hoopen Van lijken langs den weg, wijl 't water vaak ontbreekt, Hoe slecht torscht dan de slaaf! En hoe men tot hem spreekt, Hij geeft zijn lasten prijs; als zulke tijden naken Kan slechts het vaur en staal hem handelbaarder maken,
ROUMA.
Houd hen in angst en schrik!
HASSAN.
Veel ja, vermag de schrik. Maar wie te hevig kwelt, mist in één oogenblik Het beste deel der winst.
ROUMA.
'k Eeken, wie streng moet wezen, Mag het slechts vluchtig zijn en helpt de smart genezen. Neen, ik min wreedheid niet, noch woeste razernij.
29
AFRIKA.
HASSAN.
'k Ben uit beginsel zacht, mits.... 't mij gemakkelijk zij. Ook heeft de menschen-vangst somsgruwb've moei'lijkheden. Dc stammen, die nog woest, dit grondgebied betreden Zij vreezen wèl 't geweer, dat, als een oorlogsgod.
Met al hun tegenstand, hun moed en wapens spot; Die lieden liggen ras geboeid voor onze voeten.
Maar zoo niet overal. Soms vrees'Iijk moet hij boeten. Die meetrekt op de jacht; wanhopig handgemeen.
Strijdt zijne weerpartij door vuur en kogels heen. Dan brandt men vrij 't gewas om scliuilers op te jagen; De vader, vrouw en kind 't gaat al het leven wagen. En strijden, voet voor voet, om 't vaderlijk gebied.
Neen Rouma, uw verstand doorgrondt het waarlijk niet Wat d' Afrikaan doorstaat, om maar geen slaaf te worden 'k Zag eens een gansch gezin te midden van die horden, Zich werpen in hun staal. En, and'ren klommen op, Bestegen op hun hut den allerhoogsten top En staken 't al in brand om ijlings om te komen; 'k Heb zelf hun aller dood na weinig tijds vernomen. En 'k huldigde hun moed.
ROUMA {JiescJieidenlijk.)
Gelukkig, dat het hoofd Van eiken negerstam ons vaak zijn hulp belooft!
HASSANquot;.
Zij heeten ,/bondgenootquot;, maar strijden naar believen. Maar bovenal, mijn vriend, wat baat al ons bedriegen Sinds hier de Blanke komt? Nog slechts gaat hij voorbij En reeds een nieuwe kracht weêrstaat der slavernij;
Onze Afrikaan gevoelt d' alouden moed ontwaken.
En ons zal men ten schand van heel de wereld maken.
30
TWEEDE BEDRIJF
ROUMA.
Uw woord Hassan, is waar jNIaar ach, wat baat een woord! De blanke nadert sluw, zooals de dolkstoot moordt In 't stille avonduur. Hoe liegt zijn loos beweren. Dat men elk menschenras gelijkelijk moet eeren!
Is dat een hemelleer, die Allah dulden kan ? 1)
Neen 't is een gruwelwoord voor eiken Muselman. De blanke werpt voor ons de wereld uit haar naven,
Zijn leer miskent het recht van Meester over slaven. (Do uitroeper der openbare gebeden.) f)
(huiti'n.)
Geeft eerc aan God!
{Hassan en 'Rounia slaan een wijl gehogen.)
ROUMA.
Profeet §)! Slechts Allah volgen wij. HASSAN.
O, Allah, dat mijn beê u welgevallig zij,
Terwijl wij naar liet graf van Mahomed ons koeren !
(Zij verheffen zich weer in rechUfaande houding.)
Bij Allah! Christenhaat komt heel mijn hart vorteercn; d'Onreinen schuwt mijn ziel. Toch dringen zij steeds door En heel Ouganda, vriend! 't ging immers reeds te loor... 'k Heb menigmaal gedacht aan rust en zoete droomen; Maar thans roept heel mijn ziel: Ouyande moet hernomen.
ROUMA.
Gewis, maar 't blanke volk behcerscht ook onze zee; Hun duchtig oorlogsschip kruist steeds van reê tot reê,
31
Allah is de God der Mahomedanen of Arabieren. [Verï.]
AFRICA.
En waakt op ons vervoer. Voorheen bij 't slaven-varen Was heel het Oosten vrij. Wij toonden, wie wij waren; Wij heschen zeil en vlag, wij koersten alom vrij,
In elke havenstad, mijn vriend ! verkochten wij
Naar volle hartelust. En — thans---- ellendig pogen!
Eerst, als een donk're nacht daalt van de hemelbogen Kan 't vaartuig, laag en plat, met vreemde vlag in top, Soms nachten achtereen, daar op het ruime sop Gaan wenden, schuilen, ja, den felsten storm braveeren. De woede van de zee en 's hemels vuur trotseeren. Zal men 't vervloekte schip, dien kruiser, ooit ontgaan! Ja, juist als menigmaal al 't leed schijnt doorgestaan. En wij heraad'men, dan daagt daar aan de kimmen Weer 't stipje van dat schip, De Christ'nen verwinnen En voeren macht op zee, die rechtens ons behoort. O Nazareërs-troep! O waart gij uitgemoord!
{geheimzinnig^)
Maar Hassan, Ibrahim wil toch de golven klieven Voor Mekka, 't Geldt heden knaapjes...
HASSAN.
't Zal hem gerieven Dat ik er velen heb van kostbare waardij;
Hij kome, maar zij sluw! De Christen-maatschappij, Die Mogendheên van 't West, doen onzen Sultan schroomen.
(Ook geheimzinnig)
O, ik deel al uw vrees en heb genoeg vernomen----
Maar onze Vali kwam; 1) ga Rouma! ga tot hem! Verover door gesmeek, door jammeren, zijne stem,
32
De Vali, door Niebuhr (Afrika, bladz. 196) Wali geheeten, is een Arabisch Stadhouder of Consul van hooge geboorte. [Vert.]
TWEEDE BEDRIJF.
Opdat hij voor ons wake, en dat geen nieuwe wetten Den slavenhandel hier nog verder koom' beletten. Wij geven niets meer toe, men dwong te veel ons af.
ROUMA.
Welaan, mijn vriend, ik ga; o, dat eens Allah gaf Dat onze aloude kracht nogmaals mocht triumfeeren. Intusschen zeide ik straks: „Be Blanken overheeren Ougandas yrondgebied.quot; Nu, zie eens langs deez' straat Wat jonge Blanke weer daar voor onze oogen gaat.
HASSANquot;.
Steeds komt al meer en meer het vreemde volk hier binnen.
BOUMA.
Voorzeker, want ook hij gaat weer een reis beginnen. Die met een karavaan de Groote Moeren zoekt. Nog gisteren drong hij zelf, die Christen zoo gevloekt, In Séwa's eigen woon, om dragers af te huren.
HASSAN.
Hoe lang, bij Allah! zal die overheersching duren ?
Maar neen, ik duld het niet. Slechts haastig opgestaan. En 'k zal nog in dit uur naar Séwa's woning gaan. De haat jaagt in mijn bloed, die tijd mag niet verloopen.
VIJFDE ÏOONEEL.
Hassans menschlieyendheid.
DEZELFDEN. SAW. ELMA. DJALME.
(FJma houdt haar zoon DJalmc lij de hand, ynolgd door Saw en andere slaven.)
ELMA.
Hassan, ik kom tot u. Op üw woord zal ik hopen.
AFRIKA. ,
33
34
(Wijzende op Saw.)
Decz' mensch, hij bracht mij straks in vreeselijk verJriet; Ach, stel gij mij gerust! Maar hoe, gij antwoordt niet? Die boodschap?... dat bevel?...
(Haar zoon onder een tranenvloed omhelzend,)
Ach, Meester, wees zijn hoeder, Want ik heb niets dan hem.
DJALMÉ.
En ik heb niets dan moeder.
ELMA.
Spreek, Meester, toch tot mij! Geef mij de kalmte weur. Ik min mijn zoon zoo sterk mijn zoon, zoo lief en teêr. O Meester, heugt 't u nog? Toen brand ons dorp verteerde Hoe ik toen, met dit kind, mij eensklaps tot u keerde? Ik was ter dood vermoeid, maar had mijn kind gered. En gij volvoerdet 't recht der gruwbare oorlogswet En bloed kleefde aan uw hand... Toch gingt gij 't kindje
[streelen,
En gaaft mij 't leven weer, mij enkel van die velen. Aan wie ik was verwant----
(Zich voor Hassan op de knieën teer pende.)
O... laat mij toch dat kind. Hoe luttel is de scha, die gij hier ondervindt! Ach anders, hij en ik, wij missen dra het leven.
'k Wil dienen als slavin, maar wil mij Djalme geven. Denk aan uw moeder, denk----
HASSAN (haar met zijn voet wegschoppend.)
Wat wil dat mensch van mij ? Ik ken haar waarlijk niet? Waartoe die razernij?
De Cadi vroeg om haar!
TWEEDE BEDRIJF.
ELMA (zich vermannende en op Hassan aanvallende).
O, dan uw bloed, gij wreede!
(Hij neemt haar een dolk af. Rovma en Saw storten zich op Elma en ontwapenen haar. Hassan is eeniye schreden achtericaarts gegaan en heeft zijn pistool gegrepen?)
ROUMA.
Z' is een krankzinnige.
ELMA.
Versmader van mijn bede!
Gij zijt geheel vervloekt! Eens zult ge u zelv' verslaan.
(Daarna maakt Elma zich uit aller handen los en treedt naar haar kind. Hassan, die tot heden kalm was gebleven, springt nu vooruit en scheidt met kracht het kind van de moeder. Slaven voeren moeder en kind naar verschillende zijden.)
Mijn kind, mijn eenig kind!
DJALMÉ.
Neen, Moeder mag niet gaan !
(Op het oogenhlik dat Elma verdwijnt, overvalt haar de lach van den te aan zin.)
BOTJMA.
Zie, dat is weer voorbij. Eén dag en 't is geleden.
HASSAN.
'k Dacht eerst haar dood te slaan: doch zachtheid voeo-t
' O
[mijn zeden.
Maar Saw, vertrek nu fluks!
(Hij tcenkt hem weg te gaan.)
Daar komt die Christen aan.
Ronnm wendt zich naar dn zijde van het paleis. Hassan trekt zich terug achter op het tooneel; somtijds verschijnt hij in het gezicht en soms blijft hij verlorgen.
35
AFRIKA.
ZESDE TOONEEL.
Voor het aanschijn van Afrika.
GEKAKD, EVON.
GÉE.ARB.
Mijn vriend, kom straks terug! Ik blijf een weinig staan Hier in deez' galerij en blijv' uw komst verwacliten.
(Econ schijnt zich te verwijderen, maar hij blijft achter op het tooneel. Zoodra Hassan Econ ziet, verbergt Hassan zich een wijle.)
GEHARD {alleen).
Wat zijn die Negers goed, al hoort men hen verachten! Ik stond een wijle stil bij 't kiezen van de straat. En daad'lijk kwam er een, die aanstonds mij verstaat. En vriend'lijk hulpe bood, ja, die mij Meester heette. z/Wijquot; — sprak hij nederig — //beginnen wel te weten. Wie 't Zwarte volkje mint.quot; Hoe goedig is hun hart! O, 'k smacht naar 't binnenland ! Doch waartoe Richard mart ? Slechts zijn getrouwe hand brengt ons den Firman *) mede, Waardoor w' in veiligheid en in des Sultans vrede, Den grooten tocht bestaan naar 't verre binnenland. God! Welk een reuzenbeeld verrijst voor mijn verstand Als 't aan die stammen denk. 'k Heb Afrika betreden;
'k Sta als vóór Afrika____O geheimzinnigheden
Van 't groote wereldrond, zou hier uw einde zijn? O land, zoo wonderbaar, zelfs in uw zandwoeslijn.
Neen, God heeft in 't heelal u waarlijk niet geschapen Opdat , g'in duisternis en woestheid voort zoudt slapen Met uwe stammen, ginds in slavernij verstrikt.
O wreede slavernij, o woord dat elk verschrikt!----
Firman is een brief of bevelschrift. [Veut.]
36
TWEEDE BEDRIJF.
't Gebeurt dan feitelijk, dat waar deez' treurige aarde
Er velen voor 't geluk, voor louter weelde baarde,
Millioenen and'ren, op 't allerdiepst verlaagd,
En uit den hoogen rang des menscheu weggevaagd,
De rechten der natuur alleen bij name kennen.
De slaaf zijns meesters zaak !.... Men durft hem te gewennen
Dat hij, een reed'üjk mensch, vernietigt zijn persoon,
Dat hij de speelbal is van ieders lagen hoon,
Wanneer de meester vaak zijn toorn niet wil bedaren.
Of, om de zucht naar geld, zijn volk niet kan bewaren.
Helaas, nauw voelt de slaaf des koopers hand op 't hoofd
Of is terzelfder stond van ieder recht beroofd.
Nog eens: Hij 's meesters zaak !... In daden spreekt die heere:
//Mijn lust, hij is uw God; voor u noch recht, noch eere.
z/De laatste druppel bloeds, die door uw ad'ren stroomt,
,/De plannen, die uw hoofd , vol schranderheden, droomt,
z/De kracht van uwen arm, en al de heerlijkheden,
,/Die 't ware, 'tschoone, en 't goede in u ontkiemen deden,
//Dat alles hoort aan mij; ik kan het van u vragen;
//Uw liefde zelfs hoort mij. Kwel ik u voorts met plagen
//Van al mijn toorn te zaam, niets dat u hulpe schenkt.
//Of 't hart al deugdzaam zij, met wijsheid zelfs gedrenkt,
//Ik werp het vrij ter aard', dat hart met al zijn deugden;
//En als mijn voordeel spreekt, of and're levensvreugden,
«Ik zet u, zonder schroom, als koopwaar, van de hand.
«Gij zijt u zeiven niet; niet eens kan uw versland,
//Als ik het niet begeer, goed aan zichzelven denken.
// Wat spreek ik verder nog ? 'k Wil u de gunst niet schenken
//Dat gij het hoofd omhoog, den hernel aan zoudt zien;
,/Slechts met gebogen nek gaan onze slavenliên.quot;
(Op dit oogcnllik passeert een troep slaven (Oua-Hamalis.) Zij gaan gebukt onder zeer groofe lasten, die zij torscf/tii. Vele kindereu
37
AFRIKA.
volgen hen. Die hinderen dragen ook al pakken en reiken de hand aan grijsaards, die mede met overicichtige zakken zijn heiaden. Gerard ziet hen met droefheid aan. Zij verdwijnen weer.)
Och arme! Och, hoe vvraed ! mijn hart kan er van breken. Het kind, de grijsaard zelfs, gevangen in deez' streken, Zij zwoegen droevig voort. Zij allen, allen slaaf! Zie, boven en rondom, wat blij en snel gedraaf! Wat handel en wat gloed! Alleen de slaaf moet zuchten; Altoos in ballingschap en onder vreemde luchten! Een keten zonder eind kneust hem met ied'ren schalm. Geen recht, geen enk'le wet, telt ooit den droeven galm Uit 't somber slavenhök, waar zooveel boeien knellen. Ik — spreekt de slavenheer — ik heb het recht te kwellen Maar gij moogt niet weerstaan. De striemen van mijn zweep Zij dwingen uw natuur als met een leeuwengreep. En buigen u als 't kind, nooit tot een man gewassen. Al kwelde ik, dag aan dag, het kind der slavenrassen. Geen macht die 't mij verbiedt. Gij slaaf, zijt 't aarden vat. Dat hij gerust verbreekt, die 't eerst gebakken had. Wee, wee, als g' ooit ontvlucht en uw persoon zoudt
[stelen!...
Ook van uw huisgezin zult gij de vreugd niet deelen. Het wordt van één gespreid als 't zand van de woestijn. Zoodra ik dat begeer; hoe vrees'lijk is die pijn Van met uw dierbaar kroost gansch onbekend te wezen ! En, dan die arbeid nog! Gij wist het niet voor dezen, Wat ijz'ren kwelling 't zij, te werken bij den zweep, Ofschoon geen arbeidslust u in de ziele greep.
Omdat noch loon, noch kunst, nóch hoop u kan bezielen. Licht kan de vrije mensch voor Gode nederknielen En danken voor de vreugd en vruchten van zijn werk; Hem stempelt de arbeid juist als met een koningsmerk.
38
TWEEDE BEDRIJF.
Maar gij, verneérde slaaf, daar werkend bij uw horden, Gij zijt 't gereedschap slechts van d' arbeidstaak geworden. Wijs mij een enk'len straal, die aan uw hemel licht. Wijs mij één enkel doel, waarheen ge u hope richt! Doch neen, leeft gij maar voort, bij voedsel en bij kleed'ren! Niet eens mag zich uw hart in zijn verdriet verteed'ren. Gij schaduw van een mensch, ach, zeg mij, ja, waarvoor Zou de natuur bij u nog vragen om gehoor?
Iets, als een eeuw'ge droom, misleide steeds uw harten O slaaf! als gij niet sliept, gij stierfdet van uw smarten.
(Gedurende deze laatste woorden is Evnn hij Gerard genaderd; hij, Evon, knielt neer, in tranen badende en kust het boordsel van Gerards kleed.)
GERARD {Evon bemerkende.)
Hoe? Is nog iemand hier? Ach, zoet en droef gezicht! Neen, broeder, vrees mij niet; ik houd geen strafgericht.
(Evon oprichtende.)
Zijt gij het, dier'bre vriend? Gij komt hier spoedig weder.
EVON.
Ik ging wel heen, o Heer ! maar 'k zonk van droefheid neder; Ach, gij trekt zeker heen naar mijn geboortegrond. Ach, Heer! ik ben zoo sterk; o, als gij toeslaankondt... Och, Meester! ik zou gaarn' nu altoos bij u blijven. Gij kunt mij koopen, ja!
GÉRARD.
Men zou u henen drijven. EVONquot;.
Neen, die mijn meester was, hij stelt mij juist in 't bod. Hij zucht reeds lang in schuld en, bij zijn droevig lot. Zoo sprak hij zelf tot mij — moet hij ons gaan verkoopen, Ik had mijn meester lief... hij zag mijn tranen loopen ...
39
afrika.
Maar wist geen uitkomst meer. En, wie wordt nu mijn heer ? Zoo dacht mijn angstig hart Zie, daarom kwam ik weer Tot u, dien 'k had ontmoet; gij zult barmhartig wezen, Gij zult door uwe liefde ons kermend hart genezen; Spraakt gij niet menigmaal ons van den Grooten Geest ? 1) Ik ben reeds langen tijd aan uwe zij' geweest,
En ik wilde ook zoo gaarn, hoeverre gij mocht trekken, U ten verdediger en volgeling verstrekken.
GERARD {vol teederheid.)
Deez' eigen avond nog zal 'k tot uw meester gaan.
EVONquot;.
O, heer! Wat levensvreugd doet mij uw woord verstaan!
GERARD.
Uw naam?
EVONquot;.
Is Evon, heer.
GERAHD.
Wil ook uw meester noemen. EVON.
Hedjar is 's meesters naam !
(Evon af.)
ZEVENDE TOONEEL. De schurkerij van Hassan.
GERARD, HASSAN.
HASSAN (nu fink optredende uil het verborgene, zegt tot Gerard.)
Geev' Allah, wien wij roemen,
40
U 't overvloedigst heil!
Met dit woord wordt door de Negers God aangeduid. [Veiit.]
TWEEDE BEDRIJF.
GÉRARD. (ter zijde.)
Wat sombere Arabier!
Zijn blik is als de dood.
HASSAN.
Gij ziet in mij dan hier Den vriend van 't Blanken-volk; mijn trouw was steeds
[volkomen
Ontdekkers, groot van naam, ben ik ter hulp gekomen. Zelfs Stanley, u bekend, beklom eenmaal mijn schip. Ik reisde veel en ver. Gebergten, rots noch klip Belemmerden mijn tocht. De kloekste van de kloeken, Ben 'k onlangs, ginds in 't Oost, Onganda gaan bezoeken.
GÉRARD.
Versta ik wel uw woord? Ouganda noemt gij daar?
HASSAN.
Ik heb dat land bezocht, al heerschte er krijgsgevaar,
(Gerard maakt eenige beweging.)
Nooit toch heeft de oorlogsgloed mijn tieren moed doen tanen, Ik weet bij eiken r.ood mij nog een weg te banen Door bergen en gewas; ook zijn mijn wapens goed. Alleen... als ied're weg versperd is voor uw voet...
GÉRARD.
Gij waart dan waarlijk daar?
HASSAN.
Gewis, maar de oorlogsvlammen 1) Zijn snel omhooggejaagd door menig hoofd der stammen; Zoo sloot men ook mijn bend', nabij de Meeren, in.
41
Hassan zoekt uit eigenbelang, den Missionaris uit Ouganda te houden, maar wil — als de tocht toch geschiedt, — gaarne tegenwoordig zijn en het volk voor dien tocht leveren. [Vert.]
AFRIKA.
GERARD.
Toch trek ik voort.
HASSAN.
Het zij! Ikquot; merk hier het begin Van eenig avontuur. Men kan zijn lot licht werpen; Maar, hoor mijn woorden wèl. In dalen en op terpen Blaakt nog Ouganda's streek.
GÉRARD (Snel.)
Ik ga, wat ook gebeur'. HASSAN.
Welaan, ik ga met u! Voorzeker, Blanke! sleur
Vrij al mijn dienaars mee, om u te begeleiden.
Gij gaat? Ik zal dan zelf uw' volgers gaan bescheiden.
{Tc)' zijde.)
Verraderlijk gebroed!
ACHTSTE TOONEEL. De ontmoeting.
GÉBABD, HASSAN, EICHAED.
RICHARD {Gerard de hand reikend). De Firmans zijn gereed, Dc prijzen ook betaald.
(Ter zijde bij het yezicht van Hassan.)
Maar hemel... gij slechts weet Wat gruw'len er bestaan in dit Arabisch wezen !
HASSAN {in zich zeiven.)
Ik zag dien Christenhond reeds langen tijd voor dezen.
42
TWEEDE BEDRIJF
GERARD.
Richard, ontvang mijn dank! Door u begint de tocht; Dan, deze heeft onlangs Ouganda juist bezocht.
Ik zou van hem de prijs der volgers juist vernemen.
RICHARD {Hassan sterk aanziende)
Hij? Naar Ouganda? Neen! Dit moet naar leugen zweemen.
GÉRARD.
Hij zelf verhaalde 't mij op 't eigen oogenblik.
RICHARD.
Hassan, uw woord is valsch; Hassan, ik ken u, ik! Gij dacht voor snoode list deez' Blanke te doen bukken, Zooals gij ter woestijn eens mij wondt onderdrukken. Waar' ik niet sterk geweest. Der Manijema's oord Trof uwe laatste tocht. Ook mijn troep trok daar voort1) En 'k volgde daar uw spoor; o, als dat spoor kon spreken!...
HASSAN.
Wat is u van mijn doen of laten ooit gebleken ?
RICHARD.
43
Genoeg, Hassan, genoeg! Waarheen gij zijt gegaan Dat wijst de rijkste streek nog allerdroevigst aan. Ach, alles bloedt en brandt bij uwe jacht en slagen. Spreek! Ligt niet Ghellars stam, door uwe hand begraven? Geef reek'ning van het bloed, dat de aarde van u dronk ! Waar is het Wanga-volk ? Ontaarde! Neen, geen vonk Van meêlij kende uw hart voor die zoo zachte stammen. Hun rijkdom kwelde uw geest. En in uw woeste vlammen
Richard is Zouaven-kaptein. [Veut.]
AFRICA.
Is ook het dorp der Bars ellendig opgegaan.
Gij hebt al uw ivoor door diefstal opgedaan !
(Hassan maakt een beweging.)
Neen, geen hyéna-troep kan 't menschenvleesch verslinden Wat men na uwen tocht langs weg en baan kan vinden. 1)
HASSAN {ontsteld.)
Wat zal ik spreken, ik......
RICHARD.
Gij? Noem de gruwb're smart. De geesels, die de slaaf verdraagt met krimpend hart. De tranen en 't torment van uwe karavanen Uit 't binnenland naar zee. Werpt niet, trots alle tranen. Uw wapen ieder kind of kranke moeder neêr.
Wanneer hun onmacht kermt: ,/0 beul, ik kan niet meer!quot; Spreek, waar gaan z' allen heen, die gij den voet doet boeien ? Naar welk verwijderd strand gaan uw galeien roeien? Beken, ellendeling! beken uw groote schuld,
In plaats dat ge ons bedriegt of angstig maken zult.
HASSAN.
Veel woorden, doch geen zin ! 'k Weet: Eens in bange dagen Kwaamt gij, op zachten toon, mij, Hassan! hulpe vragen; En 'k gaf, vrij als ik was, u mijne hulpe niet.
't Schijnt, dat deez' weig'ring uw ziele lang verdriet.
Maar al wie hun geluk in 't binnenland beproeven Spreek, weten dezen niet dat zij ginds hulp behoeven?
44
Het getal der doodeu is zoo overvloedig dat deze dieren (de hyena's) zelfs niet talrijk genoeg zijn ter verslinding der lijken. Zij walgen van menschenvleeseli. Brief van M. Vijnoke.
[Noot van den Heer Descamps.J
TWEEDE BEDRIJF.
Dat men op zulken tocht een donk're toekomst heeft? Voorwaar, dat gij mij smaadt, wat zeg ik, dat gij leeft. Gij dankt liet nog aan mij. 'k Kon eens uw toorn voorkomen; Maar 'k wou geen Blankenkrijg, ik wil geen bloed doen
[stroomen;
Het is reeds laf genoeg, dat zoo men u slechts raakt. Gij, hier bij den Saïd, n aanstonds mart'laars maakt; Dat gij te samenzweert op alle de Arabieren.
Alsof de dolle wraak en tweedracht rond moet gieren. Neen, zoo is Hassan niet. Ik min geen wraakvertoon. Ik heb een zacht gemoed en ik schuw ied'ren hoon. Ook heeft mijn hand den slaaf eenvoudig willen leiên; Het is een dwaas vertoon, dat gij zulk volk gaat vleien; Gun ons weer 't oude recht, herstel wat is geroofd. Dan sluiten wij den vreê bij Allahs dierbaar hoofd.
Doch, spot gij met dit woord ... wee uw vermetel pogen! De Zwarte blijft aan ons, en wat zult gij vermogen Als wij u tegenstaan?
GÉBABD.
Heel 't menschdom is gelijk HASSAN.
Maar 't past den jongere, dat hij voor d' oude wijk'. God schiep het slavenras om dienstbaar meê te leven; Dewijl zijn vaderland veel voedsel pleegt te geven. Bederft zijn laffe ziel; hier leert hij matigheid.
Is niet die hooge deugd door Christus opgeleid ? Een slaaf is boos van aard; wat dwaasheid, hem te sparen!
RICHARD.
Hij was van oorsprong goed. 't Kwaad is hem ingevaren Door u, en door uw volk.
45
AFRICA.
HASSAN.
G' ontslaat hem zonder recht ! GKÉRABD.
Neen, wie de zielen schiep, heeft door Zijn' Zoon gezegd: Dat wat onsterflijk is een ieder diep moet eeren. God dreigt met felle wraak wie kleinen durft verneêren. Of wie zijn naaste doodt, of schandelijk verkoopt.
Hassan, de mensch heeft recht, dat gij zijn dorp niet sloopt. Dat hij geen dierenboei om zijnen hals moet dragen. Noch dat uw wreede zweep hem naar de kust gaat jagen. Aan hem behoort de vrucht, gewonnen in zijn zweet, De hemel heeft zich, ook voor hem, met licht bekleed. En eind'lijk, man noch kind, noch vrouwen zijn geschapen Om voor het vuilst genot te worden opgerapen.
HASSAN.
De neger woont het liefst, als slaaf, in 's meesters woon.
RICHARD.
Hebt gij hem, voor zijn boei, ooit vrijheid aangeboon?
HASSAN.
Wij volgen 's lands gebruik. Dus zeg ik, fiere Blanken! Aanbidt gij vrij uw God, maar ik blijf Allah danken. Onze Allah bouwt voor elk zijn toekomst en zijn lot; Wie vrij is, of wie slaaf, dat wijt ik aan mijn God!
RICHARD.
Gij lage huichelaars, die elks geluk durft stuiten, En u dan dienaars noemt van 's hemels raadsbesluiten, Gij zwelgt des naasten bloed, gij jaagt hem op, gij brandt En moordt, en steelt zijn haaf, gij doet in 't gansche land Den oenen Afrikaan op d' ander smarten spreiden.
46
tweede bedrijf.
Als wreedaards, die den bok in 's moeders melk bereiden. *) En daarna praalt gij hier, verwinnaars, of de schald En zielenwroeging nooit uw stalen hart vervult:
quot;Voor 't oog van d'armen slaaf, wien g'alles hebt ontnomen, Durft gij hier onbeschaamd in rijken tooi te komen. Welnu, wij gaan ten strijd. Gij maakt den dag tot nacht. Gij hebt de kuische min door wellust omgebracht. Gij schuwt al wat den mensch kan troosten of verheffen, Gij weet alle adeldom met uwen voet te treffen, Gij scheldt de hoogste kunst vooi' smadelijk bestaan. En gij, ellendig stof, van alle geest ontdaan.
Gij twist nog over 't recht, dat hier komt onderzoeken En uw onmensch'lijk juk en schand'lijk rijk komt vloeken?... Welaan, aanhoor mijn woord en overweeg het vrij:
f/Gij zijt het volk van schrik, wij dat van medelij.quot; Wij streven naar omhoog, gij zoekt den baan der wormen. Gij wilt u naar het beeld van slang en adders vormen, In u roept slechts het beest, hetwelk den engel doodt! En als gij dan den slaaf in zijnen bitt'ren nood Daar halstert als een dier, dan zouden wij maar rusten?.. . Wij mogen, wijl het strijdt met uwe lage lusten.
Geen broeder in hem zien ! Wij, met zijn lot begaan. Wij zouden zwijgen ja, van 't goddelijk bestaan.
47
Dat ook in hem weerstraalt, al vloeit zijn bloed bij stroomen. Neen, juist in dezen tijd gaat d'eerste glans weerkomen. En voor [geen enk'len prijs staan we Afrika u af. Gij zwaaidet hier wel schoon den hoogen heerschers-staf; Nooit hebt gij geregeerd dan enkel door tormenten; Bouwt dan het heilig recht op schurkerij zijn tenten?
s) liet Oiiil-Verbond verbood den Joden, om een geitebokje in de melk zijner eigene moeder te koken. [Vert.]
AFRICA.
Voor u dit Afiika?... Nogmaals wat zoudt gij doen, Dan 't houden in woestijn en, uwen lust ten zoen, Het, hulpeloos en moê, ten allen tijde, slachten ?
Neen, Afiika is ons. Gij foltert uw gedachten Vergeefs met ieder plan; want als gij meester bleeft. Zie, na een halve eeuw was 't al hier uitgeleefd.
HASSAN.
O neen, wij zorgden wel----
EICHARD.
Laat ik uw reek'ning stellen! Gij deedt in 't binnenland, gij, Kaïns-zonen, vellen: (Hetzij dan door uw list, hetzij door snood geweld) Hassan, wanneer de som op 't need'rigst wordt geteld. Acht honderd-duizendmaal een telg der Afrikanen.
En gij zoudt u dan goed of nog voorzichtig wanen ? .... Spreek ook nooit van uwGod, 't is hier geen edel woord; Want nooit heeft schandbedrijf uw Allah zelfs bekoord; Voor snoodaards voelt uw Heer geen medeplichtigheden Zelfs Allah zal met u eens ten gerichte treden. Ook verder, streel u niet met 't allerdwaast vermeen Dat 't Muzelmansch gebied alom ten strijd zal treên. 1) Uw vorsten schuwen zelf d'aloude vreeslijkheden: Zij willen, als om strijd, op zacht're wegen treden.
Waar slechts op 't wereldrond één mensch'lijk harte slaat. Daar wordt in eeuwigheid de tyrannic gehaat.
De volken schuwen wie in bloed zich durven baden. Een gansche wereld gaat op hen haar vloekwoord laden! Want God zelf en de mensch, verschillen hierbij niet.
48
Men onderscheide hier dus wel. Het drama stelt geen Oostersche Mogendheden, maar alleen bijzondere personen voor de slavenjachten aansprakelijk. [Vert.]
TWEEDE BEDRIJF.
Neen, Hassan, weet het wel, het is reeds eens geschied, Dat, midden op 't festijn van veel gekroonde hoofden. Toen ze in beschonkenheid hun eer en deugd verdoofden. Een ongeziene hand daar langs het muurvlak ging.
Toen stond het vonnis Gods daar in een vuur'gen kring; En zie, al 't feestgenot was dadelijk bedorven En al die machtigen, zij voelden zich bestorven.
Want 't eigen hart zei luid des Heeren vonnis na: ;/ Wfj allen zijn geteld, men weegt ons allen, ja! uEn daarna volgt Gods straf.quot; — Gij dan ook, beul der
[menschen,
Gij, dien de volkeren om 't gruwbaar leed verwenschen. Verrader! weet het wel, ook uw uur is nabij!
49
Gods wake dreigt omhoog; hoe spoedig nadert zij! Vergiet vrij menschenbloed, slemp vrij nog een'ge malen. Snel zal uw jammerkreet uw vreugd gaan achterhalen. Uw misdaan wegen reeds bij God en 's werelds faam; Ook uwe deugd weegt mee; maar neen, zij valt niet saam Ter weegschaal van 't gerecht. En zoo doen Godes schichten U, koning van het kwaad, voor heel de wereld zwichten.
4
AFRIKA.
AFRIKA.
NEGENDE TOONEEL.
De bekendmaking.
DEZELFDEN. DE SAID. DE PRINSEN VAN HET HOP.
DE CONSULS DEK MACHTIGSTE BUITENLANDSCHE MOGENDHEDEN. ROUMA. EEN HERAUT.
[Fanfares schetteren en de groote poort van het paleis van den Said gaat open. Be soldaten der paleiswacht en de Goaneezen die de fanfare van den Said Miezen, schikken zich in dubbele reien aan lelde zijden des tooneels en spelen een trmmfmarsch. Een schitterend geselschap, bestaande uit de Consuls der mogendheden, voorname Europeanen en prinsen uit het hof van den Said, komen uit het paleis. Juist op het oogenblik, waarop de optocht der zooeven genoemden eindigt, gaat ter een tweede deur open in het ander deel van het paleis en de Said verschijnt, gezeten op zijn troon en de hand aan zijn degen, liet volk komt van alle zijden te zamen; een heraut treedt voor, ümchen twee banierdragers.
DE HERAUT.
Zijn hoogheid Vorst Bargarsch Ben Saïd — Al]ahs vriend —
Beminnend wie zijn kroon in trouwe vriendschap dient,
Hij wi], dut vrij zal zijn wat in zijn Staat mag leven :
De loopkring van één jaar zal elk zijn vrijheid geven,
EEN DEEL DES VOLKS.
Den Saïd eer!... Hij leev'!
EEN GROEP SLAVENHANDELAARS.
Voor ons geen welvaart meer.
ROUMA.
Helaas! Men slaat den boom tot in zijn wortels neêr.
HASSAN [tot Gerard en Richard.)
Eens zien w' elkander weer. Of meent gij dat we ons
[krommen
En dat uw vuige smaad ons voortaan doet verstommen?
50
TWEEDE BEDRIJF.
Meent gij: wij zijn ten eind'? Weet dan, hier is 't begin. De bergen en het woud, wij nemen 't alles in,
Alsook de meeren ginds en de ongemeten streken.
Niets hebt gij hier gedaan, met Bargarschs macht te breken. O neen, heel Afrika verpandt aan ons zijn kracht:
Ginds, in het binnenland, wordt gij door mij verwacht!
GÉRARD.
O God, gewaardig U, mijn levenslot te aanvaarden.
51
Vrij naad'ren haat cn leed, die mij tot heden spaarden. Hassan, gij zegt: nDaar ginds blijft nog uw rijk bestaan; //Welnu, wien gij vernielt, breng ik verlossing aan!quot;
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
DEINDE BEDRIJF, Het gewei d.
De heuvel Eubaga aan de oevers van liet Victorla-Nyanza. Rotsen, door het meer bespoeld. Links de ingang van een tooverhol; een trap, ruw uitgehouwen in de rotsen, geeft toegang naar den top van het hol. Rechts — in de verte — de nederige woning der Afrikaan-sche missionarissen. Rijke tropische plauten-omgeving.
EERSTE TOONEEL. Do priesterossen.
TWEE PRIESTERESSEN VAN DEN PETISHEN-DIENST. 1) VERVOLGENS FUKÉ, DE BEZWEERSTER. VIER TOOVENARESSEN en AKKAR DE PETISH-PRIESTER.
{Het is nacht. Twee priesteressen, vreemd uitgedost en omgeven door een gordel vol amuletten of toovervooncerpen, zijn alleen op het tooneel. De eene houdt in haar hand een calehas of schaal met tooversteenen, de andere een korf vol afgodsvoorwerpen \^fetislien\).
EERSTE PBIESTEBES.
Hoort! Als de nacht intreedt, dan klinkt in deez' gewelve De stem van 't tooverhol en antwoordt aan haar zelve.
Ue Fetish-dienst berust op het bijgeloof, dat stoffelijke voorwerpen, op geheimvolle wijze door goden bewoond zijn. Boomen, planten, stukken hout, kunnen alljn een Fetish wezen. [Vert.]
DERDE BEDRIJF.
Zoo spreekt het geestenta), 't welk hier zijn macht vertoont.
TWEEDE PRIESTERES.
En dit is de Fetish, waarin de godheid woont,
EERSTE PRIESTERES.
Der elementen kracht doe 'k dooven en versterken.
TWEEDE PRIESTERES.
Maar wie blnscht ooit den vlam, als ik mijn vuur doe
[werken ?
EERSTE PRIESTERES.
Mijn hart weet, hoe de storm ginds huilt in 't woeste woud; Wat in de zeegolf loeit, in bliksemstralen blauwt; Hoe waat'ren daar omhoog tot wolken zich vermeêren En hoe een vleugelslag de toekomst ons kan leeren. Ja, als het smalle riet ginds aan den oever ruischt, Versta ik reeds den God, die in de Meeren huist.
Geen kwaal, die 'k niet genees, ik eindig alle lijden; Gelukkig die hun leed aan mijn verzorging wijden.
Door mengsel en door kruid drijf ik de smarten heen; Genezing is mijn naam; hoe eert mij iedereen!
TWEEDE PRIESTERES.
De wrake heet men mij. Ik doe de harten gloeien Zoodat ze, om roof en buit, de deugd en 't recht verfoeien; Ik gaf den Afrikaan 't bloeddorstig leeuwenhart. Ik schenk den krijgeren de spies vol gif en smart. Ik doe in 't ziedend bloed de aloude woede blaken. Die menschen naar den moord en eeuw'gen krijg doet haken.
EERSTE PRIESTERES.
Als 't kind geboren wordt, dan teeken ik het hoofd; Daarmee is ramp of vreugd, in laat'ren tijd, beloofd.
53
AFRIKA.
TWEEDE PRIESTEEES.
Ik teeken mee het hoofd, maar van de ellendelingen, Die, om hun gruweldaan, den dood tot straf ontvingen. Terwijl het klaar bewijs der gruwelen ontbreekt,
Hoe zulk een schurkental bij mijne kunst verbleekt! Zoo daalt dan op mijn stem het recht op 't aardrijk neder. Ik wijs den booswicht aan en wreek ook de onschuld weder '; Wee hem, die mij belaagt!
EERSTE PRIESTERES.
Wee hem, die mij ooit deert. TWEEDE PRIESTERES.
Hij wordt, op mijn bevel, door slangen overheerd.
EERSTE PRIESTERES.
Ik roep een gier te hulp, die't hart hem af komt scheuren.
TWEEDE PRIESTERES.
Wis, onze macht is groot; wat kan op aard gebeuren. Dat boven ons beheer, in duister nederligt?
Wij sporen de oorzaak na van droom- en nachtgezicht. Wij, door de kracht van lot en wondersteen verheven, Beheerschen elk, die leeft.
PXJKÉ, DE BEZWEERSTER [zich vertoonende te midden der priesteressen).
Maar, ik zie dooden leven! Ik raadpleeg hunnen geest en meld den sterveling; Welke offerand' hun vriend het allerliefst ontving.
Toch valt deez tijd mij zwaar. De wankelende hoofden Zij hoorden vreemden aan, die hun den geest verdoofden, En Fuké heerscht niet meer. O, hoe geheugt mijn hart D' alouden glorietijd, waarin de wreede smart Van den gestorven vriend ons allen kwam omsnoeren.
54
DERDE BEDRUP.
De dood kwam toen geen vorst hier uit ons midden voeren
Of telkens wierp ons staal ook levenden ter neer,
Als tot eene eerewacht rondom hun Opperheer:
Hij mocht in 't donk're rijk niet eenzaam ommedwalen.
Maar deed zijn zegetocht door vele volgers pralen.
En thans ? . . . . Een enk'le bok, of somtijds eenig rund.,
Verkondt den doode alleen, hoe men hem ruste gunt.
En nog door offerand' zijn leven wil herdenken.
Gij, .arme doodenrei! Hoe moet deez' tijd u krenken!
Uw halssnoer siert ons wel; maar zijn wij met u één?...
Mzmous, 'k hoor uw geklaag reeds maanden achtereen;
O heilig schimmen-tal, hoe zijt g' in toorn ontstoken !
En toch, gij weet het wel, Euké heeft nooit ontbroken
Aan haren heil'gen plicht, en haar arm wordt niet moede.
Zie, nauw' ontsnapt het kind aan de ouderlijke hoede.
Nauw' is het stil verdwaald, of denkende aan uw graf.
Snij ik meêdoogenloos het jeugdig leven af.
Om u het schoone bloed van de oude offeranden
Een wijle te doen zien. Deez' avond zijn mijn handen
N02: met zulk bloed bevlekt....
(Een hliksenutraal schittert, Fuke keert hare blikken naar de woonhui der Christen-Missionarissen).
O, Christen-fetish, neen! Verhef, verhef u niet! 'k tart uw stoutmoedigheên.
(De schaal schuddende).
O bloed, o mensehenbloed, in roode, warme kleure, Hoe hoog bedwelmt mij steeds uw smaak en zoete gcure! Mij, Euké, priesteres! . . . . Dan ach, weêr daagt de morgen;
(Roepende ter zijde van het hol).
Komt, laat ons voor 't gerecht der hellewereld zorgen!
(Vier priesteressen, uit het hol komende, hrengen de fetish-pot aan op een brandenden drievoet. Fake stort in den pot den inhoud van
55
AFRIKA.
haar schaal. Be andere fetish-diemressen werpen er kruiden in en verschillende andere hezuieerings-middelen; middelerwijl schellen zij luide met een schel.)
EERSTE PRIESTERES. 1)
De Fetish-olie wordt bereid,
TWEEDE PRIESTERES.
Die zooveel wonderbaars verspreidt.
EUKÉ, DE BEZWEERSTER.
Hij doodt een elk, die wonderdrank,
Of maakt het geestrennogen krank.
{Bans der vorig en).
Als de duistere uren Nog op aarde duren Dansen wij, vol kuren,
Dochters van den nacht.
Vlammen, gij moet rooken;
't Golfje bloed moet koken;
't Klokje niet verstoken!
Dansen w' in den nacht!
(Be donder rommelt ■can verre. Akkar, de fetish-priester, verschijnt op de rotspunt boven het hol.)
EUKÉ, DE BEZWEERSTER.
56
Hooi't, hoe een dof geluid heel de natuur doet ijzen; De goddelijke draak ook weigert zijne spijzen; En gist'ren overviel in 't woud mij de avondstond. En zie, een zwarte gier daalde op den heiligen grond. En heeft, tot driemaal toe, den vleugel vlak doen leggen. Een misdaad drukt 't gebergt' ? Maar welke tong zal zeggen ;
In deze en volgende tooneelen toont ons de auteur, hoe liet heidendom deu mensch verdierlijkt. [Veuï.]
DERDE BEDRUP.
Wie wel de moordenaar, of waar rijn offer zij?
Alleen de Groote Geest, van alle dwaling vrij,
Kan, ten bekwamen tijd, zijn naam en daad doen weten. Nooit blijft een gruweldaad ten allen tijd vergeten.
{Een teeken gevende aan de priesteressen om linnen te gaan.)
(Akkar klimt langzaam van zijn rots af. Be priesteressen verdwijnen, terwijl zij den pot met fethh-drank met zich wegdragen. Op het oogenhlik, waarop ook Akkar zelf zal binnengaan, komt Hassan optreden).
TWEEDE TOONEEL. Ce samenzwering.
AKKAR, HASSAJT.
AKKAR.
Hassan ?
HASSAN {naderend).
Ja, hoor mij aan, ik heb schier geenen tijd.
{Hassan toerpt hem een hand vol paarlensnoercn toe. Akkar vangt die op vol hebzucht).
Gij haat het blanken-volk?
AKKAR.
Met een volslagen nijd, HASSANquot;.
Volg mij naar Rouma's hut!
AKKAR.
Ik zal er dra verschijnen. HASSAN {wijzende op Gc'rards woning). Hem wijde ik uwe straf. O, doe hem toch verdwijnen.
57
AFRIKA.
AKKAH.
(AkJtar gaat nu het hol binnen. Hassan beklimt den trap, die toegang geeft tot de rotspunt. — De dageraad breekt door. — Hassan ziet om zich henen. Hij ziet Nelio en Gerard aankomen).
HASSAN.
Ja, 't is die Blanke zelf. Maar zie, de koningszoon 1)
Volgt dezen aterling gewillig naar zijn woon.
Daar doet de Blanke hem zijn godsdienstleere hooren.
Welaan____ Volg, Blanke, nw plan.... Ik ia! dat plan
[verstoren.
(Hassan zegt deze laatste Koorden op het oogenblik, waarop Gerard en Nelio binnengaan. Hij verbergt zich een wijle om hun onderhoud af te luisteren).
DERDE TOONEEL. De onderwijzing.
gerard, nelio.
NELIO {met een boek in du hand.) Dus, op dien langen tocht, dien eens uit het verre Oost, Een drietal koningen zich blijde heeft getroost,
ïoog hunne karavaan eerst naar die hoofdstad henen; En, toen was heel de Ster van 't firmament verdwenen?
GÉRARD.
De sterre ja, verdween zoodra hun karavaan De poorten van de stad, vermoeid, was ingegaan;
Maar nauw'lijks was men weer de poort der stad onttogen. Daar rees ook weer de ster voor hunne zoekende oogen,
58
De lezer zal hier in den Blanke den Missionaris Gerard herkennen. De koningszoon is Nelio, prins van Ouganda, een pasbekeerde Christen.
[Vert.]
DERDE BEDRIJF.
En zij verliet hen niet tot aan den blijden stond,
Waarop het koningstal het godd'lijk Kindje vond, Dat zij, met hun gevolg, als Heer en God begroetten; Ook lieten zij een gaaf daar aan die kleine voeten Van wierook, myrrhe en goud, 't welk zeer veel deed verstaan.
NELIO.
Maar wijst geen and're leer nog deze tocht ons aan? Toen daar, vol plechtbetoon, de Vorsten God aanbaden En d' eerste huldiging daar kroonden met hun daden. Toen Vader, was er ook een Zwarte Koning bij?
GÉEAED.
Zoo geloove ik met u, schoon 't niet beschreven zij; Maar 't is, van eeuw tot eeuw, verkondigd door de vromen.
NELIO.
Wat heil is op 't geslacht dier Vorsten toen gekomen !... Maar vader, nu nog meer ! Toen eens, bij Salems muur Op d' allerdroefsten dag van heel den wereldduur. De Heiland werd gedood op 't kruis, door Hem gedragen. Heeft toen een Zwarte beul den Heer aan't kruis geslagen?
GÉEAED.
Een Zwarte? Neen, mijn zoon!
NELIO {haastig.)
Zoo had ik ook gedacht! O, hoe verfoeit mijn ziel dat goddeloos geslacht. Dat Christus, de onschuld zelv', eerst vrees'lijk dorst verbreden
En toen nog op het hout daar kruisigden zijn leden. O, vader! het gebeurt soms midden in den nacht. Als alles slaapt en rust, en als de wind zoo zacht
59
AFRIKA.
Langs 't aardrijk zucht en klaagt, dat er een wond're smart. Schoon midden in den slaap, komt rijzen in mijn hart; Dan ben ik ver van hier bij Jezus op die straten Waarlangs Hij 't kruishout sleepte, en waar Hem de onverlaten
Mishandelden naar lust, ofschoon zijn Moeder weent. En Hij slechts, als een lam voor zijnen scheerder, steent. Ja, 'k zie 't soms al te zaam : het Kruis, de bloedige armen. Den dood, de doornenkroon en hoe daar, vol erbarmen, De Heiland voor ons stierf.... Maar, o, dat beulenrot! De felste hemelstraf vraag ik voor hen bij God.
GÉRARD.
Neen prins, een Christen mag slechts zegeningen wenschen. Juist in het uur des doods, leert Jezus aan de menschen Te minnen zooals Hij, door 't voorbeeld wat Hij gaf. Al deelen wij dan zelfs in Jezus eigen straf:
Wij bidden met den Heer: wO, vader, wil vergeven; vDe menschen wisten niet hetgeen zij ons misdreven.quot;
{Foor deze laaide woorden werden gezegd, is Al-har op den drempel van het hol verschenen en hij is onopgemerkt en hehoedzaam uit dat hol gegaan en daarna hij Hassan gekomen. Beiden deze lieden verbergen zich een oogenhlik en lidsteren naar Kelio en Gerard. Daarna verdwijnen zij ic zamen.)
NELIO.
'k Zal dan niet vloeken, neen! wijl Jezus, bij zijn dood. Ook aan den wreeden beul nng weer vergeving bood.
Een les, zoo wonderbaar, nooit zal ik haar vergeten----
Dan, nu voor 't laatst gevraagd. Mijn Vader, wil dan weten Dat ik deez' eigen nacht de drie Hebreëen zag. Die Babels Opperheer, ten grooten jubeldag,
60
DERDE BEDRIJF.
In d' oven werpen deed. Wat slangen vuurs, wat wolken Van rooden hellegloed zag 'k rijzen uit die kolken!... Maar 'k zag ook, dat deez' drie, die, ora hun trouw aan God, Hier schenen weggedoemd tot het verschrikk'lijkst lot. Daar vrij en ongedeerd, door heel dien helgloed traden. Ja, dat z'in lofgezang luid tot den hemel baden;
En zie, één riep tot mij: ,/Kom Broeder, ons nabij!quot; Toen aarzelde ik vol angst. Dan zie, gij kwaamt tot mij, Gij toondet mij den weg... daar traden w' in de vlammen.... En 't ging m' in d' eigen stond als 't kind der Joodsche
[stammen:
Ik voelde vuur en gloed, maar jubelde toch luid .... Dan vader, d' ochtendstond heeft mijnen droom gestuit. En hoe nu mijn verstand en hart zich kwellen mogen. Heel de inhoud van ons lied is voor mijn geest vervlogen. Dus, vader! ik vraag u — verhaal gij mij hun lied.
GÉRABD.
Den jubel, dien het hart hen van de lippen stiet Mijn zoon, was 't scheppingslied. Zij riepen daar in d' oven. Dat alle schepselen eenparig zouden loven Den Allerhoogsten God, wiens hand hen allen schiep, En Die zelfs 't blakend vuur tot zachte koelte riep. Zij zongen dus: ,/0, God! Gij gaaft het licht zijn stralen ,/Steeds moge dan die glans uw heerlijkheid verhalen; ,/Gij schonkt de liefde aan ons; o, dat z' u loven moog' ,/En met een nieuwen gloed uw majesteit verhoog'!
wDat men uw heü'gen naam van eeuw tot eeuw vereere wEn op uw Koningstroon de luister zich vermeêre 1quot; f/0, jubelt met ons mee — zoo klonk hun verd're lof — ,/Gij heü'gen, die Gods troon omgeeft in 's hemels hof! ,/En gij ook, fakkel Gods, o zonne, juich nu mede,
wGij sterren, en gij maan, ter nachtelijke stede !
61
AFRIKA.
,/Ruisch mee, gij Oceaan! Dat uwe diepste kolk ,/De heerlijkheid van God al juichende vertolk'! „Gij, bergen, vlakte, en meer, gij bronnen en gij stroomen, „Gij wouden, dier en plant, o, wilt te zamen komen „In hymnen, met het heir, dat klapwiekt in de lucht, „Of dat in 't slijk der aard het zonnelicht ontvlucht. „Maar, gij, verhef den Heer, o mensch, gij boven allen, „Waar g' ook op aarde woont! 't Is u te beurt gevallen „Gods eigen kind te zijn en eens te gaan tot Hem; „Luid klinke 't allerhoogst, o mensch, uw jubelstem.quot;
NELIO.
Ja vader, zoo was 't lied van Godes koningseere.
Wat is hij groot en goed. Hij waarlijk de Opperheere!... Zelfs vader, als gij spreekt, gij Godes afgezant.
Verrijst een Paradijs voor mijn verrukt verstand.
Neen, ik zal langer niet alleen Uw God belijden,
Hij zelf zal heel dit land met zijn gena verblijden .... Ik zie Zijn Christenleer, zoo schoon door u verhaald, Ook in het arme hart der Negers neergedaald.
Zij toont ook hunne smart mijn blijde vergezichten----
Maar vader, 't Blankenvolk kwam reeds deez' leer verlichten; Daar heeft dus iedereen veel liefde voor zijn God En leeft ook ieder mensch wis een gelukkig lot. O, hemelsch rechtsgebied der heil'ge Christenlanden,
Waar niemand zonde pleegt, noch oorlog doet ontbranden !..
GrÉBARD.
Onschuldig, dierbaar kind! {ter zijde) O, dat hij nimmer weet, Hoezeer de Christenheid reeds eeuwen lang misdeed.
NELIO,
Nooit heerscht bij 't Christenvolk de haat of vuige listen,
62
DERDE BEDRIJF.
Die hier in Afrika het broederbloed doet gisten Der stammen ondereen.
GÉRARD.
Mijn kind, de lage haat,
Die in het broederhart zelfs zijne klauwen slaat.
Voegt zeker Christ'nen niet. Hun eerste wet is liefde En 't geloove is haar gezel.
NELIO.
Hoe, vader, 't u wel griefde Toen g' in uw Christenland een moeder achterliet?
GÉRARD [leicogen.)
Ach zoon, nooit schetst mijn tong dit bitt're zielsverdriet.
NELIO {met vuur.)
O goede! Trots uw smart, hebt gij haar toch verlaten Om ons... en reeds zoo lang... Uw moeder mint deez'
[staten?____
GÉRARD [tenprooi aan hevige ontroering.)
Mijn moeder! Goede God !
NELIO (Gerard ontroerd ziende)
O, smart u dus mijn woord? GÉRARD {Nelio omhelzend.)
Neen zoon, mijn dier'bre zoon!
NELIO.
Mijn ouderpaar, het hoort Schier alles uit mijn mond, wat gij eerst mij kwaamt leeren Ik spreek van 't heilig boek, dat we als Gods stem vereeren, Van God en van Zijn kerk. Och, dat mijn vaders hart Eens luist're naar mijn raad, naar 't treuren mijner smart!
68
Waarom mint Sangali den lagen slavenhoeder Ronma, ot een Hassan? (Na een kort zwijgen) Zaema, mijne
[moeder,
Bemint reeds 't Christendom; doch, als, bij 't zoetst vermaan, Ik, smeekend aan haar hart, mijn moeder doe verstaan. Dat heilig Christendom voortaan te gaan belijden. Dan streelt zij slechts haar kind. Kom vader, laat ons wijden. Een bede voor hen bei tot d'allerbesten God!
gérabd.
Ja, vragen wij voor hen een beter levenslot!
NBIiIA {biddend.)
Schoon, vader u niet toebehoore.
Leen, God der Blanken, mij uwe oore!
Doe Gij uit uwen gouden woon.
Waar de engel bidt voor uwen troon.
En waar uw hand de zon doet stralen.
Uw heillicht op hen nederdalen.
Die ik het diepst in 't harte draag,
Voor wie ik ied'ren morgen vraag.
Wil Heer, door m ij n e n mond hen spreken, Hun hardheid door mijn woorden breken;
O Gij, die, naar uw eigen woord.
Een ieders smeekgebed verhoort!
O, legg' Uw hand aan bei mijn' oud'ren Uw lieflijk juk op hunne schoud'ren.
Maak Gij hun' zielen gansch bekwaam
Voor al de zoetheid yan uw naam.
{Hij knielt neder)
gébabd.
Voltooi, Heer, uw barmhartigheden!
DEINDE BEDRIJF.
Verhoor, verhoor Gij onze beden.
Zend uw Bevrijder. Dat zijn dag Den Zwarten heerlijk rijzen mag !
O Gij, die allen hebt geschapen,
Laat onze hoop op U niet slapen!
Verhaast, verhaast. Heer! uwe schreên,
Troost eiken kleurling, in geween!
VIERDE TOONEEL. Do Bloed-Legende.
DEZELFDEN. EVON. EEN GROEP ZWABTE CHRISTENEN. KOOR VAN ZWARTEN {huiten)
Zij eer aan God en vrede op aard !
Komt, voegt u bij de hemellingen;
Dat wij het Kerstgeheim bezingen, Om 't godd'lijk Kindje hier vergaard.
{Van alle zijdtn naderen jonge Negers, door hunne ouders vergezeld. Zij naderen Gerard en ooh Nelio, die weder ia opgestaan)
GÉRARD.
Komt, kind'ren, komt en weest verheugd!
Looft uwen Heer in Christenvreugd.
DE MENIGTE.
't Is Kerstmis, 't groote feest van 's Heeren blij geboort'.
{Gerard wijst nu op Nelio, om wien zich deze jonge Christenen uit Sangalishof, als pages, vereenigen)
GÉRARD.
Welnu, Ouganda's volk, mijn zwarte zonen, hoort! U voegt op 't groote feest ook groote vreugdbetooning : Prins Nelio, de zoon van uw' beroemden konin»
O '
Wil, dat, naar Christenleer, een voegzaam spel geschiedt.
AFKIKA. -
65
AFRIKA.
NELIO.
Ja, Broeders! Sangali, uw koning zelf, gebiedt Dat gij elk volksgebruik met eerbaarheid zult vieren. En hij belooft door mij, dat hij het ommezwieren En 't schuldeloos vermaak straks zelf komt gadeslaan. (Tot JEvori) Maar Evon, gisteren sprak u een grijsaard aan ? Een harp droeg zijne hand?----
EVON.
Prins! hij zong een legende. {Den grijze ziende aankomen) Deez' is 't.
NELIO.
Kom, grijze! en zing!
DE GEIJSAARD (naderbij gekomen)
Mits ik u allen kende. Want 't blindelingsch verhaal kwetst dikwerf onverwacht.
NELIO.
Komt vrienden! (tot den grijsaard.) Zing in vreê; u dekt
[des konings macht,
DE GRIJSAARD (zingende.)
De Legende des bloeds 1)
Nauw kwam de zon ter kimmen gloren.
Geen sterv'ling was er nog geboren.
Toen grondde vorst Kinntou ons ras. Van Kartou's hoogte, en uit het Noorden,
Bracht hij zijn gade naar deez' oorden.
66
Die zacht en vol gepeinzen was.
Historische, nog voortlereude Ougaudeesche legende. Zie de voorrede. [Veiit.]
DERDE BEDRIJF.
Zijn arbeid deed de vlakte bloeien,
Hij schiep het wond, deed planten groeien. Banaan en granen schonk zijn hand.
Trouw, liefde en kuischheid was zijn trone; De vree, het recht toefde in zijn wone, En menschenbloed gold hem een' schand'.
Doch zonen van zoo grooten name.
Zij schonden 's vaders eer en fame;
Bedwelming joeg hun hand tot moord;
Zelfs Kinntou stonden zij naar 't leven; Het bloedrood staal werd opgeheven. En Kinntou's zacht gepeins verstoord.
Des grijsaards blik deed hen verdwijnen;
Maar, in diens droeve ziel bleef schijnen Het beeld des bloeds, bij veel geween. ,/Kom!quot; — sprak hij tot zijn dierb're gade, — r/'t Is al besmeurd waarin ik wade.quot; En____ 's avonds was de Wijze heen !
Men treurde veel bij dit verscheiden;
Men ging zich, zoekende, verspreiden;
Kinntou — zoo' wist men — stierf hier nooit. En twintig vorsten, zij begonnen Dit zoeken, eind'loos uitgesponnen;
Maar nimmer werd hun werk voltooid.
Mannda slechts, voor ons volk zoo teeder,
Zag in een woud Kinntou eens weder. Met grijsaards, luist'rend aan zijn voet;
//Mijn hartquot; — riep Mannda — //brengt u eere.quot; //Neenquot; — riep Kinntou — //aanschouw uw speere.quot; //Welnu?quot; — vroeg Mannda — //Ja, 'k zie bloed.quot;
67
AFRIKA.
Vorst Kinntou's schim ging weêr verloren. Mannda kon slechts dit woord nog hooren: t/O, Zoon en vorst van vroom gemoed,
,/Wil uwe hand mijn kroon eens raken,
z/Zal uwe ziel eens vreugde smaken,
//O Zoon, stort nimmer menschenbloed!
t/O Zoon, stort nimmer menschenbloed! 1)
{Groote goedkeuring van de menigte. Gerard en Neüo reiken de hand aan den grijsaard. Fuke', de bezweerder, vl'iegt dreigende henn. Groot rumoer huiten.)
VIJFDE TOONEEL.
Het vrij held sfe est.
DEZELFDEN. SANGALI, ZAÉMA, PRINSEN EN PAGES VAN HUN HOF.
{Een gondel met een paviljoen verschijnt. Sangali en Zaema komen daaruit met meerdere personen van hun hof. Nelio gaat voor zijn vader en moeder uit en houdt zich aan hen vast hij het voortgaan. Allen huigen zich voor hen.)
SANGALI (tot Gerard)
Ik meldde u, blanke vriend, mijn komst reeds in dit oord.
Gij ziet: uw koning kwam, verbonden door zijn woord.
{Vervolgens tot Nelio.)
Hassan had mij een slaaf, o Nelio ! gegeven.
Dien ik in boeien sloot, want Akkar vroeg zijn leven.
Gij echter badt voor hem, aanvaard hem; zie, hij komt!
68
KONINGIN ZAÉMA {tot den gevangene) Verheug u, o, mijn kind! blijf langer niet gekromd!
Wij meenden voor een volkslegende de meer statige Alexandrijnen hier tegen kortere verzen te verwisselen. Zie ook de slotliyrane aan het einde des drama's. [Vert.]
DERDE BEDRIJF.
NÉLIO {vroolijk zijne ouders omhelzende en daarna op Djalme, den geloeide, aankomende^)
Wees vrij!
(Nelio verbreekt de hoeien.)
DJALMÉ 1).
O wond're dag! Wat licht verblindt mijn oogen! NELIO.
Verhef thans weêr het hoofd ter blijde hemelbogen!
DJALMÉ.
Maar 't kan geen waarheid zijn. Mijn boeien in het stof?...
NELIO.
Wis! 't is geen droomgezicht! Geef, broeder, Gode lof!
DJALMÉ.
Ik zoude uw broeder zijn ? . . ..
NELIO.
Eén vader schiep ons allen. DJALMÉ.
Ik schreide veel alleen ....
NELIO.
Thans is die smart vervallen, DJALMÉ.
'k Heb zooveel leeds doorstaan ....
NELIO.
69
Thans troost u onze min. Doch spreek ons van uw stam, uw ouderlijk gezin.
Dit is het weggevoerde kind der ongelukkige Elma, die in het 2de bedrijf aan den Cadi ten gesehonke werd gegeven. [Vriit.]
AFRIKA*
DJALMÉ.
Ach, ik ben gansch alleen, 't Vuur deed mijn vader sneven. En ik vermoed, o Prins! de smart verbrak het leven Van 't arme moederhart, dat mij eens scheiden zag;
Maar hoe... Gij, 's Koningszoon ? Aanhoort gij mijn beklag?
NELIO.
U hooren?... 'k Heb u lief; 'k zal alle vreugd u geven.
DJALMÉ.
Voorwaar, nooit zag ons land een prins, als deze, leven. Wat naam voor zooveel deugd?
NELIO.
God eischt ze als Christenmin. DJALMÉ.
Nooit hoorde ik ran uw God.
NELIO.
Welnu, maak een begin: Hij werd, deez' eigen dag, voor aller heil geboren. En Hij werd mensch als wij. Hij heeft het ook verkoren Om eens, gelijk aan u, de boeien in te gaan.
Het boek der Christenleer toont al dit heil ons aan; En God zendt ons dit boek, {ojj Gêrard wijzende) verklaard
[door zijn gezanten. Hoor, waar zij 't heilig kruis van hunnen Heiland planten, Daar luidt hun eerste roep: n God zegt: nu bemint elkaar.quot; quot;
DJALMÉ.
Mint God de kleinen dan?
70
NELIO.
Of hij hun vader waar*.
DERDE BEDRIJF.
DJALMÉ.
Maar Zwarten haat Hij toch?
NELIO.
Hij gaf voor hen het leven.
O vriend, moog' uwe wil mijn plannen niet weerstreven,
Gij blijft dan steeds bij mij, gij hoort al 's Heeren lof,
{Op zijn pages wijzende?)
En dient hem, vol geluk, als dienaar in mijn hof.
(Tot de CJiristenpages.)
Komt Broeders, wilt deez' dag uw feestgezangen wijden.
{Het koor der Zwarten herhaalt htt gezang ,,Zij eer aan God!quot; — Het orgel der kapel klinkt als een echo op dat gezang. — Men voert dansen en spelen uit op de tonen der inlandsche muzieh. — Een wacht van Zwarte Christenen trekt, terwijl zij palmtakken wuiven, koning Sungali, ter huldiging, voorhij. — Op een tee ken van Sangali verspreidt zich de menigte. Ook Nelio trekt zich terug met zijne moeder, Zaema en met Djahne, den vrijgelatene; Sangali en Gerard llijven alleen over.)
ZESDE TOONEEL. De ondervraging.
SANGALI, GEKARD.
SANGALI.
O Blanke, 'k moet het wel oprecht voor u belijden : De God, die u beschermt, heeft wijsheid en heeft kracht. Mijn eigen hand heeft u mijn zoone toegebracht,
Opdat gij in zijn geest de schatten zoudt doen vloeien, Door God u toevertrouwd. O, hoe zal later bloeien De koning Nelio, gevormd door uwe hand.
Als glorie van zijn stam, als wijsste van het land.
71
AFRIKA.
GERARD.
O Koning, moog' den prins mijn dubbele ijver baten!
SANGALL
Ik zelf ben oorlogsheld; d' ontzaggelijkste staten Vernamen mijnen roem met doodelijken schroom.
Mijn wraak, altoos gereed, erkent geen enk'len toom Voor 't roemrijk krijgsgeluk. Driemaal ben ik besprongen Door een vijandig volk, 'k heb driemaal het bedwongen En schatting afgeëischt, voordat ik vrede gaf;
Maar u acht ik getrouw aan mijnen koningsstaf.
Ik weet hoe, op uw woord, mijn slaven zich vermoeien Ten bate van hun heer; 'k zie nieuwe kunsten bloeien, 'k Weet hoe het handwerk ons een beet're toekomst borgt... Ik geloove in mijn harl, dat gij ons heil bezorgt.
Maar spreek! Die groote Geest, dien gij steeds pleegt te
[roemen.
En Dien uw wond're taal met d' eigen naam kan noemen, Verbood hij, dat een vorst zichzelv' de staten schenkt Van 't Zwarte Negervolk ?
GÉBABD.
Ja, 't recht wordt dus gekrenkt; Ook tot den oorlogsheld sprak God/Gij zult niet stelen!quot;
SANGALI.
Ik kan, o Blanke mensch, dan langer niet verhelen.
Dat gij geen waarheid spreekt. Zelfs lieden vol verstand,
Zij hebben mij verhaald, dat vorsten van uw land
Geheel ons Afrika om strijd gaan overheeren.
Dat z' ied'ren Zwarten vorst tot leenman gaan verneêren;
Ja, dat men twisten zoekt en ons weldra verplet.
En daarom 't Blanke volk . . . ook gij. . • den voet hier zet.
72
DERDE BEDRIJF.
GÉRARD.
De waarheid, groote vorst, zal enkel mij doen spreken En zonder voorbehoud. Wij toeven in deez' streken In naam van d' een'gen God, den God van zoeten vreê, En deelen u aHeen van onze goed'ren meê Veel bronnen van geluk, dat nooit behoeft te tanen.
Veel schatten zijn ons deel. Als wij dan tot u kwamen, (Mijn vorst, vergeet dit nooit) dan was alleen ons doel Te sterken uw geluk ten hoogen heersehersstoei; Wel verre van uw rijk of heerschappij te stuiten.
Vraagt elk yan ons Gods heil op u en uw besluiten.
SANGALI.
'kWeet, Blanke, heel uw woord wordt zonder list gezegd. Maar toch: heeft uwe leer niet mijne macht geslecht ? Vraag het den Ougandees!... Vrij kan ik wetten geven. Eerst vraagt hij, hoe uw leer hem wel gebiedt te leven.
GÉRARD.
Gij spreekt de waarheid, vorst! Doch, o, hoor uit mijn' mond. Wat Godes eigen wet, omtrent dit stuk, verkondt: Gij overheerscht door schrik uw woeste slavenbenden; Welnu, ver van geweld, dat ooit uw macht zoude enden. Brengt onze leere hier den zoeten dag nabij,
Waarop een elk u dient uit liefdedrang en vrij.
SANGALI.
Gij wilt uw strenge wet den Zwarten op gaan dringen.
GÉRARD.
Beproef slechts onze wet; gij zult haar lof bezingen.
SANGALI.
Slavin is heel uw vrouw van 't stugste zelfbeheer.. .
78
AFRIKA.
GÉRARD.
Ja, 't schoone wierp God nooit voor ieders voeten neêr.
SANGALI.
Uw God zegt: houdt geen slaaf.
GÉRARD.
Neen, God mint alle menschen. SANGALI.
Acht hij ze dan gelijk?
GÉRARD.
Moet zulks uw hart niet wenschen? SANGALI.
Ik zoude huiveren van zulk een leer en plicht.
GÉRARD.
Neen, 's Heeren juk is zoet, en Zijne last is licht.
SANGALI.
Maar wat spreekt gij tot God, wanneer gij Hem gaat vragen Voor mij, uw Opperheer?
GÉRARD.
Dat u Zijn licht moog' dagen.
SANGALI.
Ook zegt men, Blanke, nog, dat gij, met wond're list. Een vreemden drank bereidt, die ieders lot beslist.
Mijn liefste huisslavin viel krank juist dezer dagen;
Deel mij uw tooverdrank. 'k Kan Walra's ramp niet dragen.
GÉRARD.
Tk heb voor Walra reeds een mengsel toebereid, Vertrouwend op Gods hulp.
74
DERDE BEDRIJF.
SANG-ALI.
Nu, hoor mijn eindbescheid r 'k Neem vrede met uw leer. Maar Blanke, wil toch waken, Dat gij in geen geval mijn toorn zoudt gaande maken. Want, brak ooit in dit land de straf der Blanken aan, Gewis, men zou. u snel van Oost tot West verslaan.
Alsof de wind ons spoor verdelgt ter woestenijen. O, Christ'nen, weest toch trouw!
GÉRARD.
God zelf zal voor ons strij'en! Maar, ieder Christen, Vorst, steunt reeds uw rijksgebied, Een beter onderdaan heeft uwe kroone niet.
{Sangali vertrekt)
ZEVENDE TOONEEL.
De mensch der boosheid.
GÉRARD {alleen.)
O, laster! 'k heb u dan het masker afgetrokken, 1)
Maar niet uw hand, uw tong. f) Te vorst die is vertrokken. Hij is geen booze, neen; hij laat ons zelfs zijn kind. O, waar' hij slechts alleen!.... Maar de Arabier, hij vindt Hier zijnen loopbaan vrij. Waar hij ons ziet verschijnen. Ontplooit hij dadelijk naast ons zijn tentgordijnen En kent noch eer, noch plicht. Beangstigt hem 't gevaar, Hoe listig veinst zijn tong! Doch straks is de ure daar Van overmacht en krijg, nu gaat hij elk braveeren.
75
De lasteraar is Hassan en de Mooren, die de Ougandeezen tegen de Blanken verbitteren. [Vert.]
f) De hand en tong, dat is, niet uw macht en taal. [Vert.]
afrika.
Zoo kon hij ook dit volk gemakk'lijk overheeren,
Wijl het eenvoudig is, en ons van krijg verdenkt.
Doch, ziet ge. Europa, niet, wie dus uw plannen krenkt? Het is die Muzelman, in vroeger eeuw verslagen,
Toen de Oostenrijksche vorst het Labarum deed dagen En fier den zeeslag won. 1) Te lang hebt gij gerust. Gij hebt uw oorlogsmoed voor Godes zaak gebluscht, Vertoevend bij krakeel en laffe broederveeten.
Intusschen heeft de Moor geen heerschappij vergeten; Hij trok naar Afrika; verwinnaar zou hij zijn. En, smoorende in de list zijn wraak en zielepijn.
Liet hij zijn wisse prooi behoedzaam voorwaarts treden. Toen eerst greep hij den strik, onmerkbaar toegegleden, Om straks met boei en vuur den Zwarte te verslaan; Nu schrikte Europa op en zag het droevig aan: \^at bloed, wat kracht, wat vreugd den kleurling werd
[ontnomen.
Doch, 't is helaas, te laat! Ja, nu wij. Blanken, komen. En vragen, op Gods last aan 't snoode Cains-kind:
Waar zich 't vergoten bloed der broederen bevindt.
Durft het den Afrikaan nog van ons hart te keeren; //Europa — durven snood die Arabieren leeren — //Europa komt ten roof en is gelijk der roos,
//Die zich het giftig dier tot zijne schuilplaats koos; //Wij Mooren, zijn uw heil, op ons slecht moet gij bouwen.quot; Helaas, zoo valt onze eer. Maar toch, wij gaan vertrouwen; Europa heeft verzuimd, doch 't stelt zich thans te weer, En wat de mensch bedierf, herstelt der menschen Heer.
76
Bij Lepanto. Het Labarum is het vaandel, waarop, rondom het kmisteeken, te lezen staat: dit teeken zult gij overwinnen.quot;
[Vebt.]
DERDE BEDRIJF.
ACHTSTE TOONEEL.
Evons ontdekking,
EVOBT, GERARD.
EVON.
Mijn vader, groot gevaar gaat ons weldra genaken. Hassan belaagt u zeer.
GERARD.
Zal nooit hij 't kwellen staken ?... EVON.
Ik zag hem Rouma's hut zeer haastig binnengaan,
Doch volgde mede snel om aanstonds te verstaan: Wat deze snoode liên te zamen zouden spreken. Het volgend overleg is mij, helaas! gebleken.
z/De Blanke — sprak Hassan — had 't mengsel toebereid //Voor 'skonings huisslavin. Welnu, 'k heb gif verspreid win dezen wonderdrank. Straks zal de vorst dus klagen // Dat deze Blanke moordt en 'k zie hem reeds verslagen.quot; En Rouma sprak: //Hassan, toch kan het nog geschiên //Dat Sangali uw list, al twijflend, zal doorzien;
//Welnu, als hij volhardt met Christenen te sparen, //Dan voegt het onzen moed manhaftig voort te varen. //Wij nemen Sangali de kroon en scepter af;
//Rouméli voer' voortaan zijns broeders heerschersstaf.quot;
GÉRARD.
Genoeg, Evon! genoeg! Zóó, Hassan, wilt g' u wreken ? Uw oude haat op mij, op Richard, is gebleken. Gij, oorlogsman vol kracht, hoe schijnt gij 't laf serpent, Voor welks gevreesde beet geen heulsap is bekend ! O, hemel, gij slechts weet, welk bitter lot ons wacht!
77
AFRIKA.
NEGENDE TOONEEL. De Christelijke broederschap.
GÉEAED, EVON, DANIËL1).
DANIËL.
Vlucht, vader, Walra sterft, en u houdt men verdacht Van dezen snellen dood. Akkar omgeeft den koning----
GÉRABD.
Ik ken dit huichelspel; toch blijve ik in deez' woning.
DANIËL.
Ik rade u, vader, vlucht, en win een weinig tijd.
Opdat ge op 't oogenblik niet ingesloten zijt.
Men kwelt des konings hart en Rouma weigert allen Aan Walra's stervensspond'. 't Mocht mij te beurte vallen. Dat in het gansch gebied, waar ik Gods woord verkond'. Ik nimmer mij in nood of koningstoorn bevond.
Houd moed dan! Heel dit feit kan ons ten voordeel strekken. Mijn Christen-broedermin zal, als een schild, u dekken. Ik tart dit huichelspel met onbezweken zin.
GÉRARD (Jiem de hand reikend.)
Heb dank, o, Daniël! O, broederlijk gewin Van zulk een Christenvriend, schoon, ach, in leer ver-
[scheiden! f)
Maar vluchten ?____Nooit, mijn vriend! 'k Zal alles hier
[verbeiden,
Hier, waar de plicht mij roept.
78
Op historisclien grond steunt het tier geschilderde gedrag van eenen sn-katholieken zendeling. [Vert.]
f) In leer verscheiden. Daniël is Anglikaan. [Vert.]
DERDE BEDRIJF.
DANIËL. {Rumoer luiten?)
Hoor, hoe men ons genaakt! EVON.
't Is Hassan____Rouma ook.. . .
DANIËL.
De God, Die ons bewaakt. Zal u beschermen, vriend ! Reeds valt niet meer te vluchten; Maar wat ons beider zaak van Piassan moge duchten. Ik geef haar nimmer prijs; uw eere zij de mijn'!
TIENDE TOONEEL.
Het geweld.
DEZELFDEN. EOUMELI, KOUMA, HASSAN, AKKAK, EUKÉ DE BEZWEERSTER EN EENIGE SOLDATEN.
BOUMA.
Het is op konings wil, dat wij vergaderd zijn. {Tot Gerard?) Spreek, Christen: Is het waar ? Gij hebt een
[drank geboden. Aan onzen koning zelf, die zijn slavin moest dooden.
GERARD.
Rouma, gij kent dit feit, bedrog is heel uw woord.
Doch zoo de koning slechts mij, zijnen dienaar, hoort,
Dan zal ik wis den vorst----
ROUMA.
Neen, ik voer 's konings rechten Uw zwijgen, en uw schimp doen ras het pleit beslechten.
DE MENIGTE.
Dood aan den moordenaar!
79
afrika
GÉRAEX), {op Hassan wijzend.)
Deez', deez' bedreef den moord! HASSAN.
Hoe! Ik ?.... Was ik dan hier ?... Bespaar uw lasterwoord; Ik weet: reeds langen tijd misgunt gij ons het leven, Maar leer uw grove kunst eerst beet'ren schijn te geven.
EVON.
Gij hebt uw plan verhaald, daar ginds in Rouma's tent.
BOUMA.
Hoor, deze lastert mee, een man, gansch onbekend!____
TUKÉ, DE BEZWEERSTEB.
{op Gerard, wijzende.)
Waar 't slechts hun éénig kwaad! Neen, zij gaan kind'ren
[slachten!
Hun God vraagt kinderbloed ter eer der hellemachten.
DANIËL.
Wij vragen: voert ons heen naar 't koninklijk paleis!
BOUMA.
Zwijg, laffe Christenhond, zwijg uwen dwazen eisch. 1) Ik zal het rechtersambt vervullen naar behooren: Men voer' die Christ'nen weg, die 't rechtsgeding verstoren.
Ik spreek nu straffen uit, gelijk het recht bepaalt.
DE MENIGTE.
Straft allen met den dood!
DANIËL (tot Gerard.)
Ik ga! Thans niet gedraald!
80
Het wordt hier duidelijk, dat Daniël het ontzag des Mahomedanen voor Engeland heeft overschat. Straks zal die teleurstelling nog duidelijker worden. [Vert.]
derde bedrijf.
Ik blijv' en wreek uw eer; de smart blijft ons vereenen.
{Men voert hem weg. — Ook Fuku de bezweerder vertrekt.')
DB MENIGTE.
Ter dood! De dood voor hen!
HASSAN.
O neen, men doode er genen ! ^el kan de looze klacht eens Christens 1) mij niet schaan. Doch laat ons 't boos gespuis, met 's konings vloek belaan. Verjagen over 't Meer. (2er zijde) Meer dan mijn straf-
[bedrijven
Werkt daar de hongerdood. {Hij zal het tooneel verlaten)
GERARD.
Neen, Hassan, wil nog blijven. Nog eens roep ik het uit; den teug vol medicijn Heeft uwe hand vermengd met doodelijk venijn.
HASSAN {de hand aan zijn degen.)
Welk schandelijk verwijt! 't Riekt naar uw Christenlande !
GÉRARD.
Vermoord uw offers, schurk! doch maak hen niet ten
[schande!
HASSAN.
Weg Nazareër, gij! Bied anderen uw drank!
De raaf der woestenij zingt spoedig u zijn dank!
ROUMELI.
81
Wij zweren 't allen, ja, den vreemdling te verjagen Die naar O Uganda's wet zich nimmer leert gedragen.
De klacht bij Consuls ilor Etiropeesclie mogendheden. [Yert.] AÏRIKA. quot;
AFRIKA.
DE MENIGTE.
Hoezee! Roumeli heil!
GERARD.
'k Doorzie reeds heel hun plan.
ELFDE TOONEEL.
De stem van den grooten geest.
DEZELFDEN, AKKAK DE FETISH-PKIESTER, VERDEK DE • PKIBSTEKESSEN.
AKKAR, DE PRIESTER.
(Verschijnend op den top van het hol der Priesteressen)
De Geest spreekt thans in mij, zoo sterk de Fetish 't kan.
Hoor, wat nabij het meer, aan mijn verwonderde ooren
De stem des grooten Geest in d' avond heeft doen hooren:
,/In naam van 't Godenheir, dat gij uw hulde biedt,
„In naam van uw geslacht, verdraagt den Blanke niet,
z/Wil toch het gansche ras, hun' God en priester bannen.quot;
Toen zag ik over ons een wolkengroep zich spannen.
Die altoos grooter werd; zij was gekleurd als bloed.
Nu, Hemelvlammen! komt en wilt door uwen spoed.
Door uwe dolle jacht mijn woord getuig'nis geven !
[De woning der Missionarissen is in roode tint gekleurd. — Be vlammen van een brand verschijnen, terwijl Gerard treurig de handen ten hemel heft. Hassan wijst met een uitdrukking van zegepraal op het vuur. Priesteressen met Fuké aan het hoofd, komen met hrandende toortsen aanloopen. Gerard is beladen met ketenen)
PUKÉ, DE BEZWEERSTER.
Komt naar der Christ'nen woon. De hemel doe hen sneven ! Akkar, kom neem uw toorts en voer ons allen aan.
GÉRARD.
O, brand! Ach hemel, brand! Het vuur doet 't al vergaan ...
82
DERDE BEDRIJF.
Nu rest geen steen ons meer om 't hoofd op te doen rusten, Vergaan, vergaan Gods rijk op deez' verlaten kusten ! En straks bant men ons weg geheel beroofd en naakt. .,. Hoelang had eerst mijn ziel haar heilig plan gemaakt. Daarna begon dan 't werk bij 't juichen van Gods zonnen ! Ik zag reeds mijnen taak al verder uitgesponnen.
En nu----juist bij den oogst____verstuift geheel de vrucht
Van drie jaar prediking daar in die roode lucht.
Heer! Heb ik voor uw rijk niet alles eens verlaten? Ik kon uw Zwarten zoon, uw jongsten zoon niet haten;
Ik heb in zorg gezaaid .... nu gaat mijn oogst daarheen____
Maar toch... Uw heil'ge wil zij altoos aaugebeên! Al slaat g' uw dienaar, Heer, hij blijft U toch vereeren, En ik zal stervend nog, mij tot uw aanschijn keeren.
TWAALFDE ÏOONEEL.
De Engel.
dezelfden nelio.
NELIO (zich in Gérards hatiden werpende.) JNeen, gij o heilige hebt 't schelmstuk niet bestaan Zulk werk der duisternis 1) ving uwe hand nooit aan. Hier troont de liefde zelv'; gij leeft in licht en vreugden; Hij kent u, vader, niet, die schimpt op uwe deugden.
GEHARD.
88
Uw geloove in mijn hart, strekt u, mijn prins, tot eer. Leg uw onschuldig hart in vreê op 't mijne neer. Ja, wees geloofd, o God! Ik zie, hoe bij de wrake Bij al 't geknars der hel, uw Engel mij genake.
Dat is: de dood van de vergiftigde Walra. [Vert.]
AFRIKA.
NELIO {sicJt tot Gerard ■uitrukkende.) Neen, ik verlaat u niet, 'k blijf leven aan uw zij.
Gr£j RARD .
Waagt gij u aan hun haat? Neen, Nelio hóór mij!
Blijf! Laat in uwe ziel het godd'lijk zaad vrij groeien. God doet het — buiten mij — ook even heerlijk bloeien. Ja, moed, mijn Nelio! Beproeving maakt ons groot; Straks trekt de wolk weer heen die onze zon omsloot. O denk, als ik weldra zoover zal ommedwalen.
Dat er hier boven nog, daar in de hemelzalen,
Ons beter schuilplaats wacht; uwe ziele en de mijn' Zij zullen daar altoos opnieuw vereenigd zijn;
Gods hart vereenigt ons, ik geef u al mijn zegen.
(Tot de Arabieren.)
Maar gij, die mij vervolgt op alle mijne wegen. Gij snoodaards, spaart gij nooit dit arme zwarte volk? Nauw leven zij een wijl, omdat des Heeren tolk Dit arme ras bszoekt, en zie, gij drijft ons henen.
NELIO {vol gezag tot de Arabieren.)
Wie zond u met dien boei? 'k Zeg u: gebruik er genen!
ROUMA.
Het vonnis is bepaald, ik duld geen tegenstand.
HASSAN [ongeduldig.)
Voorzeker, 't is genoeg. Voert z' eind'lijk uit dit land.
GÉBARD.
Hassan! ik klaag u aan voor 't aangezicht des Heeren 'k Zal voor Gods rechterstoel eenmaal mijn zaak verweeren. Daar zien we elkander weer, opdat de wereld weet Wat onrechtvaardig wee de Christenheid hier leed.
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
84
VIERDE BEDRIJF.
D c b a 11 i ii «' s c li a p.
Een woeste streek aan de oevers van de Victoria-Nyanza. Eotsen op de oevers van liet meer. Op den achtergrond rechts een terp, waarop een graftombe met kruis. Op het oogenblik, waarop het scherm opgaat, liggen Gerard en Daniël aan den voet van het kruis. Zij staan op en dalen langzamerhand den grafheuvel af.
EERSTE TOO NE EL. De Ballingen,
DASIEL, GEBAHD.
DANIËL.
Gelijk op 't naakte strand zijn wij hier neergeworpen, Hier nergens vruchtbaarheid; geen steden hier noch doqoen. Van heel de wereld los, maakt slecht één enk'le band, De bard van 't ongeluk ons nog aan d' aard verwant. Hoe zwaar is onze ramp? Ons hengen vroeg're dagen. Ons heugt het vaderland, zoo diep in 't hart gedragen,
AFRIKA.
Vooral het oud'renpaar, om God alleen ontvloon, En... niemand wordt de vrucht dier offers aangeboón; Al 't vorige is vergaan. Ons resten slechts woestijnen, Ellende, hongersnood en langzaam henenkwijnen ...
[11 ij stcijgt eui wijl en gaat dan weder voort.)
En leedt gij, dierbre vriend, zoo veel op uwen tocht?
GÉRARD.
Nog gruwt mijn geest er van ... God had ons zwaar bezocht.. Men had ter kleine boot ons tiental ingeladen Met boeien aan de hand. Maar verder, hoe wij baden Ging men, getweeën ons, nog binden aan elkaar,
En, om den hals, die ring!
DANIËL.
O, wat torment! 'k Zie daar Nog d' indruk van uw wond!
GÉRARD.
Ook stond in 't schip beneden, Als in een drassig graf, veel water. Onze leden Verstijfden dag aan dag. Voorts had Hassan een paar Seïden uitgezocht, gelijkend aan elkaar,
86
Die met hun zeemansoog de roeiers moesten leiden. En, over hen en ons, ontzag en toorn verspreiden; O vriend, nog staat het beeld dier wreedaards in mijn hart. En dan... dat afscheid ginds ... peil vriend, mijn zielesmart. Toen nog een laatste wensch mijn kudde kwam bezielen. En allen op het strand daar gingen nederknielen Om mijne zegening... Met boei en koord bedekt
*) Men herinnere zicli: Gérard was als gevomisde vervoerd. [ViEiit.]
VIERDE BEDRIJF.
Heb ik mijn handen toen vol liefde uitgestrekt Zoover ik strekken kon ... En toen... daar voer ik henen ... Ja, hoe men jammerde, hoe allen bleven weenen,
'k Was reeds met 't broedertal het scheepsruim ingelaan. Wij allen zwegen daar; God heeft 't alleen verstaan Hoe ieders hart schier brak in gruwb're zielepijnen... Maar, ook den moed kwam toen in vollen luister schijnen. Een zwarte jongeling, die deelnam in ons lot Bevond zich nevens mij in 't zelfde ketenslot.
Ik zag vaak op hem neêr. Ik meende als ouder broeder Zijn Raphael te zijn, zijn trouwe zielehoeder.
Dan, zie, terwijl een traan hem d' oogen komt ontspringen, Tracht hij het droevig hart mij aan het hart te dringen. En zacht klonk toen zijn woord: wNeen vader, 'k ween
[niet meer;
Ik lijde voor 't geloof in Christus onzen Heer!quot;
DANIËL.
Voorwaar, wat heilige!
GEHARD.
Straks nu kwam d' avond vallen Met zijne duisternis. Het voedsel voor ons allen,
Eene kleine handvol rijst, was gansch ontoebereid. Dan... wat beteekent spijs, als ieders harte schreit ? Neen, and're nood trad in. Een storm kwam ons beloopen. En hoe men worst'len mocht er viel dra niets te hopen. Van scheepsbeleid of kunst, maar op der golven top Vloog dwarrelend ons schip de woeste branding op. Nu trad het bijgeloof in plaats van stuurmanskunste; Men bood der Oceaan een offer voor haar gunste. En wierp, o gruw'bre schand, in de verwoede kolk Een scheep'ling uit het ruim, één van ons Christenvolk.
87
AFRIKA.
En, wijl toen de Oceaan nog immer bleef verbolgen.
Deed men een tweede ras den eersten Christen volgen; En nogmaals, nogmaals ja! — Zes Christ'nen nam de zee Naar 't grondelooze diep in hare baren mee.
[Danül geeft een teeken van afgrijzend)
Toen rees weer ander leed! Bij 't hong'ren en het lijden Had nu de jongeling, aan mijne zij, te strijden Met krankte, dag aan dag. Zijn oog vergoot geen traan Maar 't vreeselijkst geschok greep d' armen lijder aan. En, daar het veege lijf hier rusten kon, noch leunen. Moest altoos mijne borst hem zoo de schouders steunen Of ik een moeder waar', die, 't offren steeds gewoon. Geen enk'le moeite telt ten bate van heur zoon Ja, wijl zelfs zijn verstand en heug'nis hevig leden Vroeg hij steeds meer'dre zorg en dubb'le teederheden. Welnu, ik gaf die blij. En als dan ook 't gelaat Des lijders weer vertrok, zag ik, zelfs in den staat Van vreeselijken angst, zijn razernij bedaren.
Wanneer hij mij, zijn vriend, slechts in het oog mocht staren. Zoo leden wij dan saam; dan eens, daar scheen de smart En alle zieleleed geweken uit zijn hart.
Zijn hand trok mijne hand, hij deed den schalm mij raken, Waarin wij beiden reeds zoovele dagen staken;
Dan sloeg hij 't oog omhoog en zachtkens rnischte een lied Zooals onze eeredienst bij feestgetij ons biedt;
Toen, langzaam zweeg de stem; hij glimlachte mij blijde; Hij boog.... en ach, zijn lijk hing reeds aan mijne zijde. {Hij zwijc/t een wijle.) Zoo kwam ik banneling, naar deze
[dorre streek.
Nu, broeder! spreek ook gij! Meld m' eens van Hassan.
[Spreek,
88
vierde bedrijf.
Hoe 't hem gelukken mocht, ook u zelfs te verjagen ? 1)
DANIËL.
Eerst vleide hij m' een wijl. Maar 'k ging hem zelf
[verklagen.
En ik zeide andermaal tot dien geweldenaar,
Hoe 'k mede Christen ben, hoe ik uw broeder waar!
GÉRARD.
Zoo rijt g' uit vrijen wil dan hier met ons gevangen!
DANIËL.
Uit Christenbroederschap. Ons bleef het noodlot prangen Dat u verdreven had. Doch Hassan, voor den schijn. Deed mij voor ied're boei en straffe veilig zijn;
Slechts moest, in vollen vreê, ik aanstonds henentrekken, Dan zoude Hassans hulp en medelij mij dekken.
GÉRAED.
Zijn hulp ? — Zijn medelij ?____Bleef Evon nog gespaard ?
DANIËL.
Evon is weggevlucht, 't Lijf bleef den knaap bewaard; Maar verder zwierf hij heen!
GÉRARD.
En Nelio, mijn zone! Beheerscht hem de Arabier?
DANIËL.
Hassan en Rouma bei beheerschen 's prinsen wone.
Eerst later zal uw zoon zijn moeder wederzien.
GÉRARD.
89
O God! wil in den nood van Nelio voorzien!
Deu vrijen Engelschen onderdaan. [Vekt.]
AFRIKA.
DANIËL.
Ook Sangali vlood heen; hij dwaalde door de wouden, Dewijl zijn broeders volk en wachters hem benauwden. En men zijn krone stal.
GÉRARD.
O ramp! De Christenstreek Die daar voor weinig tijds nog 't paradijs geleek Ligt nu voor ieders oog verwoest, en als verworpen.
DANIËIj.
Ja schoon was wel ons werk, die nieuwe Christendorpen Schoon voor ons beiden, vriend! Een weinig ijverzucht 1) Neen, zij werd nooit als vloek bij Christus werk geducht; Zij kan slechts lutt'le ramp, nooit ware tweedracht stichten En thans, o dier'bre vriend, om schier gelijke plichten Beproeft de hemel ons als goud in 't hevig vuur.
Houd moed dan! Duizenden zie ik dit eigen uur God vragen in 't gebed dat wij eens wederkeeren. En door ons beider leer het heidendom verneêren
GÉRARD.
Voorwaar, ik hoop als gij. God voer' tot 't groot gezin
Van zijne heil'ge kerk eens alle broeders in!
Als liefde ons eerst vereent, wat durft de hoop niet wagen ?
Hield Christus aan het kruis niet de armen uitgeslagen
Voor al, die droevig doolt? Europa's maatschappij
Wil reeds dat Christus-leer alom gepredikt zij!
God weet alleen mijn vriend, wat zeeg'ning uit den hoogen
90
De volk'ren eens vereent voor onze jub'lende oogen.
Daniël is de niet-katholieke zendeling; liij spreekt dus zeer kortzichtig over het verschil iu dogma's. [Vert.]
VIERDE BEDRIJF.
DANIËL.
De hope kent geen eind.
GKÉRABD.
En hope voegt gebed. DANIËL.
O God van liefde, hoor! Geef dat uw heil'ge wet Eens allen samenvoer' ter eindelooze zegen!
TWEEDE TOONEEL. De vluchteling.
DEZELFDEXf, BANGALI, EVON. EEN JEUGDIGE ZWARTE. DE JEUGDIGE ZWARTE.
Twee lieden nad'ren ons. Doch d' een vermijdt de wegen En schouwt zoo somber rond.
GÉRARD.
Bied beiden onze tent! We ontvangen blij den gast, dien ons de hemel zendt; En, al wie lijden moog' biên wij ons medelijden.
(Evon komt aamnellen en werpt zich aan de voeten van Gerard.)
EVON.
Ik groet u. Meester!... Neen, wil u nog niet verblijden! Een ander is nabij... Vorst Sangali verscheen.
(Sangali verschijnt.)
Ik arme, neen geen vorst; Ik ben geen koning, neen I Ik ben een booze slechts, die 's hemels straf moet wachten. O, hoe zal iedereen eens Sangali verachten.
Die u verjagen deed. Zie, God verjaagt ook mij.
Maar hoe ? In deez' woestijn ? Spaart gij mij 't leven, gij ?
91
AFRIKA.
GÉRARD.
Het lijden maakt ons een, wij bieden u deez' wone Vergeten uwe fout 1) en eeren slechts uw krone.
SANG-ALL Hoe, gij vergeeft mij dan?
GÉRARD.
Door ons wordt slecht herdacht Wat 't onrecht dorst bestaan op uwe koningsmacht
SANGALL Ge erkent mij dan als vorst?
GÉRARD.
God roofde nooit uw krone. SANGALI.
Te laat, ach, zie ik thans, hoe koningsstaf en trone Door Christ'nen wordt gesteund, en welk een heerlijk lot Een vromen koning wacht bij d' eerdienst ran uw God. 'k Heb and'ren met mijn gunst en gaven overladen En ach, zij kwellen mij en vonnissen mijn daden.
Te laat bemin ik u, te laat getuigt mijn geest Wie u, en Afrika, ten vijand is geweest.
Nu zie ik zonneklaar, wat booze u wou beschamen Waarom de Blanken hier in ons Ouganda kwamen. Hoe huldig ik hun recht, hun hooge broedermin Hun reine vriendentrouw voor 't koninklijk gezin!
Maar gij Arabisch ras, in stilte omhoog geschoten, Gij worgt ons Afrika in uw vervloekte loten:
Gij dreeft ook tot de straf der Christenen mij aan; O vreeselijk wanbedrijf, hoe dorst ik u bestaan!
92
Die Walra's vergiftiging door de Arabieren op de Cliristenen liet verhalen, maar spoedig door die zelfde Arabieren verjaagd werd, naar den gewonen gang der laisser-aller-politiek. [Vert.]
VIERDE BEDRIJF.
GÉRARD.
Een koning die zich zelv' durft koninklijk beschamen Heeft God tot bondgenoot. Zoo rampen op u kwamen, Zulks is alleen geschied tot delging van uw schand.
SANGALI.
Voorwaar! Mijn laatst verbet bezweek voor's Heeren hand. Een lichtstraal van Zijn troon is mij in 't hart geschoten En heeft mij, oproerling, ter aarde neêrgestooten En toch, hoe min ik Hem 'k Gevoel dat bij zijn straf Hij mij den zoeten troost der onderwerping gaf. Voorwaar, mijn hart zal voor God zich eeuwig buigen, .Ik wil zoolang ik leef, des Heeren naam getuigen, Ik ben, van af deex' stond, tot 't Christendom bereid.
GÉRARD.
Weet, koning Sangali! Hem, die zijn schuld beschreit En 't Christendom omhelst, hem binden Christus wetten Zal onze strenge leer uw plannen niet beletten? 'tls groot in 't Christenhart te dragen God den Heer; Maar eens vraagt Hij 't geloove in woekerwinste weêr.
SANGALI.
Neen; zoo Gods hand nog eens de mijnen wedergeve, En zoo de koningin Zaéma dan nog leve Wordt zij naar 't heilig recht, alleen mijn levensga. Zie ik mijn slaven weêr, 'k ontsla hen allen dra. Met zorg en dankbaar hart zal ik Gods leer beleven En, los van de oude vloek, naar 's Heeren liefde streven
GÉRARD.
Welaan dan, Sangali! Kniel voor uw God ter aarde
{Sangali knielt.)
98
AFRIKA.
't Is u niet onbekend, wat allerhoogste waarde Wat trouw, in Afrika, 't verbond steeds gelden doet, Waarbij men zich verbindt tot ,/broederschap van't bloedquot;; Welnu, God wil, o vorst, u diep in 't harte dragen, Maar komt van uwe zij' die broedervriendschap vragen; Spreek! Is vorst Sangali tot dit verbond bereid?
SANG-ALL
Voor eeuwig blijv' mijn trouw aan Gode toegezeid!
GÉBARD,
(Sangali de handen opleggend.)
Ik spreek in naam van God: Wees de eerste Christenkoning!
{Sangali opheffend)
Nu daal' Gods kracht op u van uit Zijn hemelwoning! Zijn hand is niet verkort. Licht kan God uwe kroon Herstellen, en u, vorst, weer plaatsen op den troon; O, zoo dit ooit geschiedt, denk dan aan deze dagen En wie uw laatste macht, uw scepter, bleven schragen! En gij, Almachtige! Aanschouw Gij onzen nood Wij priesters en deez' vorst, van alles schier ontbloot Waar vinden wij nu steun ? Toch zullen wij niet vreezen; Als God maar met ons is, wie zal dan tegen wezen? O schenk gij Groote God, voor wien elk schepsel zwicht Aan onzen wil de kracht, aan ons verstand het licht Uw altaar ligt ter neer, wil gij zijn puin herbouwen. Red uw vervolgden, Heer, en zegen uw getrouwen.
94
VIERDE BEDRIJF.
DERDE TOONEEL.
Rouma's stoutmoedigheid.
dezelfden. houma. troepen van soldaten.
{Rouma en zijne soldaten komen hespiedende op.)
ROUMA.
Zoo vinden w' eindelijk dat adderengebroed
't Welk hier te samenkruipt en 't rijk nog sidd'ren doet.
SANGALI.
Ontrouwe dienaar! zij, die hier ooit samenzweeren Het zijn dezelfde liên, die koningen onteeren.
ROUMA.
Ontrouw, ik? Sangali? Hoe valsch spreekt uwe spijt; Omdat Ouganda's volk u gruweldaan verwijt Riep het Roumeli uit tot legerhoofd en koning.
Ik huldig dus deez' vorst en breng hem eerbetooning, Of, eischt gij eerbetoon, die kroon en scepter liet?
SANGALI.
Verrader, die gij zijt.
ROUMA.
Houd op, spreek langer niet! 'k Heb 't Europeesch gebroed een' and'ren last te melden Uw woning paalt te veel nog aan Ouganda's velden. Wie weet wat zorg uw list ons andermaal straks baar' Gij allen — 't is bekend — wacht een heroveraar. Des konings last zegt u: Trekt heen... zoekt and're streken...
DANIEL.
Zoo is 't nu zonneklaar, o Rouma, dan gebleken.
95
AFRIKA.
Wij die ellendigen, wij zijn uw levensschrik.
(Rouma sterk aanziende, zoodat deze zich afkeert.)
Welaan, keer u niet af en toon mij uwen blik!
Gij d' overwinnaar zelf, die ons hebt doen verjagen Gij Rouma, zoo gevleid, gediend bij nacht en dagen, Gij oogst niet eens het loon van 't zondige genot.
Maar vreest ons dag aan dag in uw ellendig lot.
BOUMA.
'k Deed u mijn last verstaan. Mijn woorden voegen daden.
Een vaartuig ligt gereed, om u weer in te laden.
Gij trekt straks uit dit oord. Maar Sangali mijn vrees.
Dat men u al te veel, toegevendheid bewees,
Is al te zeker, ja. Om uwe gruwelstukken
Gaat andermaal het recht met nieuwe straf u drukken.
(Ter zijde.)
'k Verwijs hem straks ter dood; en stort hem in het meer...
SANGALI.
Rouma, 'k ben Christen thans.
ROUMA.
In 't slijk wierpt gij u neêr, En sloegt uw eigen staat nog altoos dieper wonden, 't Is of de hemel zelf verblind is voor uw zonden.
SANGALI.
Rouma 'k ben Christen thans: ik blijf het tot den dood.
ROUMA.
Bespot uw rechter vrij; straks volgt uw stervensnood. Ook Evon voere ik mee; zelfs hij werd een verrader.
96
EVON.
O, God, voer mij ten dood, doch spaar Gérard, mijn vader,
VIERDE BEDRIJF.
DANIEL.
Hoor, Rouma, nog een woord ! Eens breekt Gods oordeel aan ; Spreek! Met welk aangezicht zult gij ter vierschaar staan Als daar de Zwarte klaagt ten rechterstoel des Heeren?
ROUMA.
(Sangali, Evon aanwijzend.)
Voert ijlings beiden weg!
{Be wachten vermeesteren Evon en Sanyali.)
G-ÉRARD {ter zijde.)
O uur van diep verneêren!
Wij drinken dan opnieuw, o Heer, uw lijdenskelk !____
O bloem van mijne hoop, stort neder en verwelk!
Weer komt u in ons hart het zware kruis verpletten.
(Tot Sangali en Evon.)
O Evon, Sangali! Wie zal dien mensch beletten
Dat hij u kwelt en rooft? Maar ach, hoe 't harte schreit,
Denk altoos bij uw leed aan Gods barmhartigheid;
Ras naakt het uur des doods... dan rusten alle plagen ...
Ontvangt mijn zegening! (tot Rouma) Maar hoe u te beklagen,
O, booswicht! God, wat lot!....
EEN SOLDATENHOOFDMAN (tot Rouma.)
Hoor, meester! hoor, men vuurt! ROUMA.
Ons scheepsvolk maakt gedruisch dewijl ons toeven duurt. Men zal ginds op het schip zijn wapenen beproeven Of moog'lijk een'gen dienst van 't naaste strand behoeven.
DE HOOFDMAN.
't Vuur klinkt van d' and're zij.
AFRIKA. 7
97
AFRIKA.
ROUMA (opgeruimd.)
Welnu, mist gij uw moed? DE HOOFDMAN.
Men rukt in stormpas aan! De krijgers zijn verwoed.
BOUMA [schertsend.)
Nog eenmaal! 't Is ons volk. Doch vreest gij, wil dan vluchten !
(Een teeken aan de ioldaten gevende en op Eron en Sangali wijzend.)
Komt, voert hen eind'lijk weg.
GERARD.
Vergaan! vergaan de vruchten, Die, Heer, uw oogst ons schonk.
DANIEL.
Verrijs Gij, sterke God ! En red toch in dit uur ons allerdroevigst lot!
(Rumoer luiten?)
EEN SOLDAAT (snel tankomend.) Een vaandel in 't gezicht!
EEN ANDERE SOLDAAT (bevreesd.)
Vlucht! 't Is de geest der meeren ! 't Schijnt dat de Godheên zelf de Christ'nen gaan verweren; Waar 't geestenheer verschijnt, baat moed noch wapen meer !
{Het rumoer nadert. Be Zwarten vluchten weg op het toon eel.)
ROUMA' (zijn geweer grijpend en ac/itteruiitreMend.)
Ik stel mij moedig op en leg den vijand neer.
98
VIERDE BEDRIJF.
VIERDE TOONEEL.
De bevrijders.
DEZELFDEN. RICHARD. ANDRE. WACHT VAN SOLDATEN.
RICHARD {huiten zijnde en luid sprtkend.)
Ontwapen ieder hoofd!
ROUMA.
Heipt! Ben ik ingesloten ?____
Waar zijn mijn Askari's? Zij vluchten naar de booten. De lafaards !... Ik alleen !. ..
RICHARD (verschijnend.)
Araab ! geen tegenweer! Gij zijt gevangene, leg uwe wapens neêr!
ROUMA.
Verloren! Wat verraad komt Rouma's kracht verdringen !
RICHARD.
(De soldaten of Zouaven van Richard ooermeesteren Rouma.)
Wilt zorgen dat de boei deez' woest'ling moog bedwingen
En maakt de negers vrij. {Gerard ziende?) Hoezee____
[Gérard! Hoe ? Gij ?
GÉRARD.
Maar, is het werkelijkheid ? Is Richard mij nabij ?
RICHARD.
Ja, Richard staat voor u er straks volgt nog een broeder.
GÉRARD.
(Andre komt en snelt in Gérard* armen.)
And ré, mijn hartevriendl Verhaal, André, van moeder!
99
AFRIKA.
ANDBÉ.
Zij leeft!
GÉRARD.
O, God ! Wat vreugd !
ANDRÉ.
Ook zegent zij haar zoon. Lang heeft zij 't heilig krais slechts tranen aangeboon. Voordat na uw vertrek, haar zielskracht kwam ontwaken. Thans echter tracht zij blij haar offer te volmaken: Zij leeft voor Afrika, zij moedigde mij aan____
GÉRARD.
Genoeg, genoeg, André! Wat vreugd mag ik verstaan! Geheel mijn kinderhart snelt naar Europa henen; O, moeder !... O, uw kus!... O, ouderhuis!.. Wij weenen Van louter vreugde thans.
ANDRÉ.
Maar, vroeger ?.\. 'k Zie, gij leedt! Hoe bleek is uw gelaat!
GÉRARD.
O, neen, André, 'k vergeet Het allerbitterst lot, dat God ons wou beschikken. Omdat weer beter ster op ons komt nederblikken.
Maar dier'bre, in de vreugd, nu ik u wederzie.
Vergeet ik ied're vraag. Welaan André, spreek, wie?...
ANDRÉ.
100
Wie mij hierhenan riep? Gerard, de zwarte broeder1)
De hier gebruikte woorden zijn letterlijk de woorden, eens door Gerard gesproken. Zie eerste bedrijf, eerste tooneel. [Vert.]
VIERDE BEDRIJF.
Lijdt d' allerhoogste smart; voegt hem dan geen behoeder? Vaak werd ik meegesleept door duizend nietigheên;
Naar ieder lachend oord richtte ik mijn wufte schreên. Mijn liefde zelfs, Gerard! zij rustte in lage sferen En sloeg de vleug'len saam als kon haar niets onteeren; Zij klom niet tot den berg, door lichtgloed overhcerd. Waar ieder voor zijn plicht, als voor een gast, zich weert. Maar eind'lijk was ik, vriend, tot beter keus besloten En zie, aan dat besluit is ras een daad ontsproten.
GrÉRARD {diep geroerd.)
André !...
ANDRÉ.
Ja Broeder, God staat op in majesteit En nieuwe werelden heeft hij ons toebereid!
Was ware naastemin, zoolang reeds ingeslapen.
Zij snelt voor Afrika nu eindelijk te wapen.
Geen lafaards duldt God meer. Europa sprak: „Ik wil!quot; En 't was of stond op eens een achttal eeuwen stil. En rezen ze uit hun graf, de aloude Christenvorsten, Die met hun ridderschaar den Islam tarten dofsten.
Weer gaan de Vorsten saam; zij eischen, sterk in God, Dat 't donker werrelddeel niet langer zij bespot; Dat allen, die den slaaf in boeien deden zuchten.
Voor 't uitgetogen zwaard der Christ'nen zullen vluchten.
KICHABD.
Greep dus André het kruis, Gerard! ik greep het zwaard; Ik heb het noch gevecht noch lauweren bespaard.
Thans kwam een vluchteling, een Christen, hier verdreven. Ons ook van uw gevaar en lijden kondschap geven.
101
afrika.
Zoo blonk dus weêr mijn staal!... Doch spreek, nog weet
[ik niet
Wat deed hier de Arabier op 't Christ'lijk grondgebied?
GERARD {Op Sangali wijzend)
Zij sloegen Sangali, den Christenvorst, in banden.
{Richard en Andre huiyen eerbiedig voor Sangali)
Tot Sir Wallace *) en ons zei men, dat alle stranden En heel het binnenland, hem, d' Arabier, behoort; Hij treedt als meester dus der Afrikanen voort.
Hij duldt de blanken niet in zijne slavenstaten En zal, bij tegenstand, ons nooit in vrede laten
RICHARD.
Welnu, geef eere aan God! Beproev' vrij elk tiran Of men het blanke volk voortaan verbannen kan!
Neen, als ter riddertijd, zijn 't heilig kruis en zwaard Tot Christus vrijheidskrijg in vreugd weêr saamgepaard, En u behoeft geen vrees, noch wanhoop te bezielen: Wij gaan, als krijg'ren Gods, voor God alleen ook knielen. De kleurling ziet alreeds hoe hoog zijn heilzon daagt, En hoe zijn vijanden alomme zijn verjaagd.
Trots al het vloekgespuis, trots al die Arabieren,
Gaan wij het heilig kruis, den heil'gen degen vieren.
102
(Op dit oogenblik verschijnt de achtergeblevene menigte der Christenkaravaan, die, (met hare volgers of soldaten) de slaven in Afrika bevrijden kwam. Eerst wordt er te voren de trompet gestoken. Dan komen Gerard de Missionaris, Richard de kapitein en André (Jinn, beider vriend in Afrika) meer vooraan op het tooneel en zij dragen de volgende zangen voor op het Kruis en op den Degen. André spreekt hierbij den eersten zang uit, Richard den tweede, en Gerard den derde. Eindelijk vereenigen allen zich te
-*) Daniël, den zendeling. [Vert.]
VIERDE BEDRIJF.
zaïnen nog met Daniël, den niet-kathoiieken zendeling, zoodat aller handen ineen worden gevoegd, en dan spreekt Daniël de vier laaide versregelen^
Het lied op den Degen en liet Kruis.
1.
O Degen, aan de kracht gewijd,
U, die met roem doortrokken zijt,
U vieren wij, o hulp van 't recht!
Hoe straalt ge als 's vijands tred weerklinkt. Het hart der moeders nederzinkt En willekeur elk pleit beslecht!
Gij Wreker tegen 't vloekverbond,
't Welk zwakken straffeloos verwondt Heil u, verwinnaar van den moord! Gij toornt, als misdaad 't hoofd opsteekt, De man des bloeds luidruchtig spreekt.
Dien g' op zijn vloekfestijnen stoort.
O, gij, die moedig 't al weerstaat.
Dat, in zijn woekerwinst en haat.
Zijn armen broeder werpt ter neer;
O, heilig blank, hel-schitt'rend staal.
Dat vrij uw lemmet nederdaal';
Verrijs, o degen, u zij eer!
H.
O Kruis, dat ons hebt vrijgekocht.
Waarop de Liefde 't offer wrocht. Dat stervend onze schuld voldeed;
108
AFRIKA.
O toevlucht, gij, van alle smart,
O zoete hope voor elks hart.
Met heilgeluk zijt gij omkleed!
O bloedig hout der oude schand'. Als boom des levens ons geplant,
Hoe plet uw stam den hellevorst!
Blij draagt uw kracht het wereldrond, Voltooiende wat God verkondt.
Maar wat de helle schenden dorst!
Volheerlijk pand van zegepraal,
Der gloriezonne hoogste straal.
Hoog overwint gij in uw' Heer!
Rijs schit'trend Kruis, rijs vruchtbaar hout.
Aan u dankt alles zijn behoud;
Verrijs, o kruishout; U zij eer!
III.
De Degen en het heilig Kruis
Zij gaan te zaam in 't krijgsgedruisch
Voor Afrika, hun buit zoo eêl.
Ge omhelst, o Kruis, uw' zwarten zoon.
Zie, voor den lagen slavenhoon
Valt hem 't verlossingsheil ten deel.
Gij Degen, schit'trend voorgetreên. Bewakend Gods barmhartigheên ! Gij, Paladijn van Christus' kerk!
Heil u, die met uw schaduw dekt Den eersten oogst, door God verwekt, O, steun van ons verlossingswerk!
104
VIERDE BEDRIJF.
IV.
Hat nieuwe Afrika.
O God, maak gij op onze been
Heel Afrika in 't geloove één!
Moog 't Kruis steeds voor den Degen gaan.
105
De Degen fier naast 't Kruishout staan!
EINDE VAN HET VIERDE BEDRIJF.
VIJFDE BEDRIJF.
De zegepraal.
De stad Kibonga, residentie der koningen van Ouganda aan de oevers van het groote meer. — Rechts de tent van Akkar, de Fetish-priester. Links de tent van Hassan.
EERSTE TOONEEL.
Hassans liefde.
HASSAN. ZAÉMA, EENE SLAVIN.
HASSAN.
{Tot eenu slavin, voordat Zaema binnentreedt.)
Zaagt gij Zaéraa reeds? Blijft zij nog altoos weenen En toornt zij voort op mij ?
DE SLAVIN.
't Is alles als voorhenen: Zaéma denkt altoos aan 't weggenomen kind.
HASSAN.
Spreek, komt zij daad'lijk! En weet zij wie haar mint?
VIJFDE BEDRIJF.
DE SLAVIN.
Zij komt daar, Meester, reeds!
(Zaema kamt linnen; de slavin vertrekt.)
HASSAN.
Zaema, wil mij holoren Vorst Sangali, hij viel. Wat Allah had beschoren Op troon en in paleis, dat alles is geschied!
Toch roofde men alsnog Zaéma's vrijheid niet.
Want ik heb u beschermd. Als in de schaanw van vleug'len Staat gij thans nevens mij en 'k wil uw ramp beteug'len. Gij zijt nog koningin____
ZAÉMA.
Maar, geef mij eerst mijn zoon! HASSAN.
Zijn vrijheid strijdt wellicht met het belang der kroon.
ZAÉMA.
Ik vraag mijn zoon terug.
HASSAN.
Rouméli, pas verheven.
Vreest moog'lijk: Nélio dreigt eens zijn kroon en leven En wreekt zijn vaders lot. Hij volgt de Christenvaan.
ZAÉMA.
't Is alles mij bekend, wat gij mij deedt verstaan.
Maar toch, ach! geef mijn zoon.
HASSAN.
Welaan, uit konings strikken.
Red ik uw kind! Maar hoe?____ Waartoe die blikken?
Schenkt gij geen enkel woord mijn edel hart ten loon?
107
AFRIKA.
Ja, als het niet gelukt, hetgeen ik voor uw zoon Of voor u zelv' besta, zult gij mij aanstonds haten!
ZAÉMA.
G' onthoudt mij eerst mijn zoon Wat kan m' uw liefde baten ? Neen, Hassan! heel mijn hart vreest aanstonds slangenlist. Spreek: rust ooit de leeuwin, als zij haar welpen mist? Ik gruw van mingenot... Voorts, waartoe — durf ik vragen — Waartoe die Christenhaat zoo diep in 't hart gedragen? Maar toch: zoo al die vrees mij Nelio ontrooft.
Boog dan Zaéma ooit voor Christus leer het hoofd? Heb ik de aloude leer der vad'ren niet beleden, De godhêen van mijn stam niet altoos aangebeden?
Neen, wreede, 'k moet alleen voor u het schouwspel zijn: Hoezeer een moeder kermt in hare zielepijn.
Men zeide: Nelio was in een tent verborgen;
O, 'k heb die tent omdwaald van 'd avond tot den morgen. Zoo scheidt gij al dien tijd Zaéma van haar kind.
En gij vraagt liefde____ Gij____ Wordt wreedheid ooit
[bemind ?
HASSAN.
Zaéma, hoor! Een plan....
ZAÉMA.
Wil dan ook niets verhelen. Waartoe een edel plan zijn lichtglans ooit te ontstolen? Ja, valt zelfs Nelio, nog zij het mij ontdekt!
Mijn vrees'lijk ongeduld word' langer niet gerekt!
Helaas, 'k doorzie uw list. Men doet mijn zone sneven. Doch wil hem, stervend zelfs, niet zijne moeder geven. Neen, midd'lerwijl ik toef, treft hem het moordend staal, Gij laffe kinderbeul, geniet uw zegepraal____
108
VIJFDE BEDRIJF.
hassan.
Uw moederliefde dwaalt; zij weegt noch telt haar woorden; Voorwaar, ik spaar hen lang die eens mijn hart bekoorden. Welk ander sterveling uw waagstuk had bestaan, Het waar in d' eigen stond met heel zijn lot gedaan i Tan gij, Zaéma, hoor! Nog wil ik hulp verschaffen Nog bied ik goedheid aan, waar allen zouden straffen; Uw zoon dreigt lijfsgevaar. {Zaéma onMelt.) Zal hij dus
[veilig zijn?
zaéma (angttig.)
Ja----veilig!.... en uw plan ?____
hassan.
Geen hulp, tenzij de mijn'; Doch wil nu voor een wijl naar gindsche tenten vluchten. Want weet: Roumeli komt. Zoo 'k hem niet heb te duchten, Gij ziet uw zoon straks weêr.
zaéma.
Hassan! Zal ik hem zien ? hassan.
Ik hoop met eigen hand den prins u aan te biên.
zaéma.
Maar Hassan, zoo de knaap u kwetsen mocht met woorden. Zooals zijn jeugd die spreekt?____
hassan.
Ontvlucht nu slechts deez' oorden; Wat Nelio ook doe, mijn trouw bewaakt zijn hoofd.
109
AFRKA.
TWEEDE TOONEEL.
Gods bliksemscliicht naakt.
HASSAN ALLEEN, STBAKS DE SCHIM VAN ELMA. HASSAN.
Hoe ?____ Heeft de liefde mij van mijne kracht beroofd ?
Zou werkelijk in 't verschiet de vreugde voor mij dagen ? Of dwaalt het koel verstand en lig ik straks verslagen? Verdeel — sprak de oudheid reeds — verdeel, dan rijst
[uw troon:
Welnu, ik roof mijn vorst gemakkelijk de kroon,
Indien ik Nelio verhef uit zijne schanden En ik Zaéma eer als koningin der landen.
Doch____niet te snel gejuicht! Als Nelio mij smaadt.
Wat heeft mijn schranderheid, mijn overleg gebaat?----
Voorts, hoeveel stroomen bloeds moet 'k weer opnieuw gaan
[plengen!
En hoeveel offers weer aan mijne heerschzucht brengen ! Doch 't zij! Ik streed... ik won. En toch ... wat somberheid !.. Ik word als naar den muil eens afgronds heengeleid.
Vrij moge mijn gelaat van moed en kalmte spreken,
Mijn hart dreigt in mijn borst van somb'ren angst te breken. Ja soms, o gruwzaamheid! soms klieft een bliksemschicht Mijne ziele-duisternis met haar afzicht'lijk licht En toont me, als in 't verschiet, al mijn vermoorde slaven, AI die gevangenen, in 't kerkerhol begraven;
Ik zie dan bloed en wond, 'k hoor kermen en geween, Ja, als een monsterslang sluipt straks die rei daarheen. En hij omkronkelt mij. Dan neen.... 't zijn ijd'le droomen... En toch, ik kan die macht, die vloek'bre macht niet toornen.
no
Vijfde bedrijf.
Heb 'k Allahs hand geraakt?1)
{Elmo's schim verschijnt.)
HASSAN.
Vaar heen, vaar henen, gij! DE SCHIM.
'k Ben Elma, de slavin, Elma in razernij, f)
HASSAN {de hand aan zijn zwaard.)
Vaar heen, ellendige.... Of meent gij; ik zou vreezen? Zou Hassans scherpe kling voor u onmachtig wezen?
DE SCHIM.
Ja, Hassan ! vreeze op u!____De dag der wrake naakt____
HASSAN.
Mijn vuist voert nog een kling, die voor haar meester waakt. Spreek, wat verlangt gij hier?
ELMA.
Uw bloed kom 'k, Hassan, vragen!
(Elmo's schim verdwijnt, den lach der hranlczinnigheid uitstortendeï)
HASSAN.
Wis, deze lach baart ramp .. . {Met moeite grijnslachend.)
Het geldt dus mijne dagen....
Doch, ik zou vreezen, ik?____ En toch, hoe kan 't mij
[kwellen ?____
Ill
|
[Vert.] Hassan Elraa's kind behield, en geschenke zond (tweede bedrijf). [Vert.] |
Mahomedaansclie uitdrukking, f) De lezer herinnere zich, hoe Elma, dc moeder aan den Cadi ten
AFRIKA.
DERDE TOONEEL.
Eoumóli's droom.
HASSAN. KOUMÈLI. WACHTEN.
ROUMÉLI.
Een droomgezicht, Hassan, deed vrees'lijk mij ontstellen.
HASSAN.
Een droom? In dezen nacht?
BOuacÉLi.
Maarthans ook, sinds ik waak____
HASSAN.
O Vorst, dat toch de vrees u niet kleinmoedig maak'.
EOUMÉLI.
Ik vrees niet, Hassan, neen! Maar, hoor! Ik zag mijn vader En aan mijns vaders zij' trad ook mijn broeder nader, De speer nog in de hand. Hoe schitterden zij schoon Als waar' hun fiere leest de rusting nog gewoon, En ging straks hun bevel weer 't volk ten aanval voeren! Maar mij deed hun gezicht tot in de ziel ontroeren; Hoe ik mij wenden mocht, hun blikken, als vol bloed. Zij dreigden m' overal; die oogen, zoo verwoed.
Verlieten mij niet meer.
HASSAN.
Verbeelding kan u plagen! ROUMÉLI.
Verbeelding? Maar ik heb hun stemmen hooren klagen,
HASSAN.
Die klacht ontsprong der wind, die suisde door het woud.
112
VIJFDE BEDRIJF.
ROUMÉLI.
Neen, 't is mij, of hun hand opnieuw de mijne houdt. Hoe meer ik vluchten ging, hoe dichter zij genaakten. Totdat hun hoofden zelfs mijn hoofd een wijle raakten En dood'lijk huiveren mij door de leden liep.
HASSAN.
Zoo treft de nachtkou, vorst! die, nu uw ziele sliep, U krenkte in het gevoel.
ROUMÉLI.
Neen, 't scheen: mijn tent ging branden! 'k Ontvlood mijn ruststeê zelfs, om ginds bij de oeverstranden, In koude en eenzaamheid, het schimmenpaar te ontgaan; Maar Hassan, 't doodenpaar kwam meê daar ijlings aan En 'k heb hun tred gehoord.
HASSAN.
Neen! de echo van de bergen! ROUMÉLI.
Neen, Hassan! hunne schim bleef al mijn aandacht vergen. Zie, nauw'lijks zag mijn blik den spiegel van het meer. Daar kaatste 't watervlak al hunne trekken weêr.
Terwijl hun stemmen mij in vreemde klanken riepen, 'k Wou toen in 't sterrental mijn aandacht gaan verdiepen Dan daad'lijk schouwden zij van uit het firmament; Nog heb ik mijne schreên naar 't stille woud gewend; Maar ieder blad van 't woud wist aanstonds zich te kronk'len, En deed zoo uit zijn schoot weer bei die oogen fonk'len ; 'k Geloove in waarheid, vriend, dat mijne broeder leeft.
HASSAN.
Wie?
afrika. 8
113
AFRIKA.
ROTJMÉLI.
Mijn broeder zelf!
HASSAN.
Neen, wie hem weêr 't leven geeft Vermag meer dan een droom!
BOXJMÉIiI.
Hij kan ons dan niet volgen ? HASSAN.
Heeft dan het diepste meer uw broeder niet verzwolgen Ten aas voor haar gediert', sinds Rouma hem verjoeg?
EOUMÉLI.
Maar, zoo de Fétish-wraak der Blanken ons eens sloeg?
HASSAN.
Neen koning, waarlijk neen!
ROTJMÉLI.
Ik zou dan veilig wezen ?.... Maar nu, Hassan, wat haat komt mij in 't hart gerezen Voor 't jeugdig Christenkind, dat gij nog altoos spaart!
HASSAN.
Verwin uw hartstocht, vorst! Het kind bleef wei-bewaard En d' eenzaamheid heeft vast 't oproerig hart genezen: Voortaan zal Nelio uw trouwe dienaar wezen.
ROUMÉLI.
Welnu! Ik wil hem zien! Gij wachten, voert hem aan, Nog eens hem ondervraagd, wat hij toch wil bestaan!
114
VIJFDE BEDRIJF.
VIERDE ÏOONEEL.
De verklaring van den Fétish-priester.
DEZELFDEN. AKKAR, DE PÉTISH-PBIESTEE. FUKÉ, DE BEZWEEESTER.
ROUMÉLI (met AM;ar vaoruityetreJen.)
O Akkar, gij, mijn vriend, die trouw mijn troon wondt
[schragen.
Gij, die 't verborgne kent en telt des menschen dagen. Ach, stel mijn hart gerust; 'k verga van zielsverdriet, Zoodra op 't Christenkind mijn blik slechts nederziet. En voorts____ dat droomgezicht!
AKKAR.
Gij kent wie u verderven. Hun bloed moet stroomen, vorst, wilt gij ooit rust verwerven ! Ik heb het u voorspeld. Staat gij, Rouméli, toe. Dat slechts één Christen hier zijn Fétish hulde doe. Dan zal Akkar vergeefs zijn priestermacht beproeven.
HASSAN {achter' den koning, zacht tol den priester sprekend)
Wat hebt gij hem gezegd?
{Zij spreken een wijle zeer zacht, terwijl Ra time li met Fnkc spreekt.)
ROUMÉIil {ontsteld.)
En waar mag Rouma toeven?
Hem wacht ik lang terug.
FUKÉ, DE BEZWEERSTER.
Laat Rouma's hand begaan: Te beter wordt, ginds vorst, aan onze wraak voldaan.
115
AFRIKA.
AKKAR (tceder tot Roumcli.)
Ik sprak van 's hemels toorn. Nu, koning, wilt gij pogen Om 's hemels oppermacht, als oudtijds te verhoogen Eu ieder neêr te slaan, door Christ'nen hier verleid. Voorwaar, dan is da rust uw dagen toegezeid Naar 's hemels eigen woord. Maar koning, zoo gij niet____
HASSAN (tot dtn priester.) Gij priester, zwijg een wijl'!
VIJFDE TOONEEL.
De getuigen Gods.
DEZELFDEN. NELIO, DOOK DE WACHTEN OPGEVOEBD.
NELIO (ter zijde.)
O God, die 't al gebiedt. Geef dat uw kind, o Heer, u waardig moog' belijden.
HASSAN (ter zijde.)
Voorwaar, wat edel kind, vol smart en vol verblijden! Hoe moedig spreekt het oog. al zwijgt de tonge stil!
ROUMÉLI.
Gij zijt dan Nelio, verschenen op mijn wil.
En weet, wat vaderzorg ik u heb toegedragen?
Welaan, spreek, Nelio! Weer hoor ik u verklagen; Men zegt: in mijne tent, u liefd'rijk afgestaan,
Roept gij den valschen God der blanke volk'ren aan.
NELIO.
Ik eer mijn God nog heden.
116
VIJFDE BEDRIJF.
BOUMÉLI.
Gij kendet mijn bevel ?
NELIO.
'k Heb dat bevel bestreden. EOUMÉLI.
Wat taal! Hoe, Nelio, gij dwaze, meent toch niet Dat gij kimt vvederstaan aan 't geen een vorst gebiedt; Of waant gij, dat mijn macht niet doodelijk kan treffen?
NELIO.
Een Christen moet de wet van God het meest verheffen.
ROUMÉLI.
Uw God heeft nooit bestaan. Eerbiedig 't Godental, Dat waarlijk goden telt.
NELIO.
O vorst, in 't gansch heelal Zijn al uw goden niets dan droome, vrees of leugen; Nooit komt hun lieflijkheid een mensch'lijk hart verhengen. Noch kan hun oppermacht het aardrijk gadeslaan.
(Oji Akkar wijzend.)
En dan uw Fétish-dienst____ Bied slechts dien priester aan
Dat goud, wat woekeraars zich in dit land verwerven. En zie, uw godspraak, vorst, zal nooit zijn zeeg'ning derven.
BOUMÉLI.
Bedwing u! Meent gij, knaap, dat vreeze ooit in ons leeft?
NELIO.
De vrees is niet in u en 'k zie toch dat gij beeft!
HASSAN.
Maar, niemand kan u toch aan 's konings macht onttrekken ?
117
AFRIKA.
NELIO.
Maar God kan onverwacht zijn hemelwraak verwekken, En Hij slaat eensklaps neêr al wat Hem wederstaat Of wie het booze pleegt. Wee, als uw ure slaat!
Hassan! Als Satans klacht op u haar lied gaat huilen. Spreek! Wie redt uwe ziel ? Waar zult g' u dan verschuilen ?
HASSAN.
Bespaar uw moeite, knaap! u voegt het dreigen niet.
NELIO.
Gods bliksemschicht toeft nog, zoolang de Heer 't gebiedt, Maar, 'k zie hem reeds nabij.
ROUMÉLI.
Men zegt: bij d' offeranden: Smeekt gij, dat 's hemels toorn op allen moog' ontbranden Die hier geen Christen zijn; Gij werpt om ons het lot.
NELIO.
Wie sprak deez' dwaze taal?
ROUMÉLI.
De leer van uwen God! NELIO.
Neen; niet de leer van God ! {Op Hassan wjzcnd) Hij, vader
[van den leugen;
Maar weet dan, o mijn vorst, de Christ'nen, zij verheugen Zich om uw aller heil, en hunnen Heraelheer Legt men geen moord noch schand' aan Zijne voeten neêr. Neen daag'lijks vangt men aan, Mom biddende te prangen. Dat Hij zijn koningschap op 't aardrijk aan doe vangen; Dat Hij ons ied'reu dag wil geven 't daaglijksch brood; Dat Hij vergeven wil, de zondeschuld, zoo snood.
118
VIJFDE BEDRIJF.
Wijl wij, op onze beurt, den menschen 't al vergeven. Wat zij in hunne schuld ooit tegen ons misdreven.
EOUMÉLI.
Spreek van geen Christ'nen meer. Ik heb hen weggevoerd En 'k vraag deez' laatste maal: Zoo u mijn liefde roert. Of wel uw eenzaamheid, leer eind'lijk anders spreken.
NELIO.
Ik eenzaam?____ Dacht gij het?.... Neen, God gaf mij
[een teeken
Dat Hij mij vaak bezocht. O, juichen deed Hij mij----
Wanneer gij allen dacht: ,/Wellicht reeds aarzelt hij ,/En nooit zal Nelio zijn eenzaamheid verdragen,quot; Dan sprak mijn hemelvriend, juist in die droefste dagen, Een wond're taal tot mij, te voren nooit gehoord. Ras vlood de nacht dan heen; en, blonk strak in ons oord De koninklijke zon, nog ging mijn God niet henen. n Houd moed — sprak zijne mond — zoo vaak Hij mij
[zag weenen, ,/Ik, die zooveel eens leed. Ik ben u thans nabij ,/En alle Christensmart voert in het eind tot Mij,
,/En tot mijn heerlijkheên, die ginds in 't Oosten stralen.quot; O zoete stemme Gods, welzalig die u kent En als getuige Gods blijmoedig 't leven endt!
KOUMÉLI.
Red toch dat leven, knaap!
NELIO.
Nooit zult gij mij verleiden.
ROUMÉLI.
Ik kan u sterven doen.
119
AFRIKA.
NELIO.
Ik zal den Heer verbeiden. BOUMÉLI.
Vrees toch mijn feilen toorn!
NELIO.
Gods bijstand is zoo groot. BOUMÉLI.
Straks stroomt uw hartebloed!
NELIO.
'k Ga blij in Christus dood.
ZESDE TOONEEL.
De moeder.
DEZELFDEN. KAÉMA EEN SLAAP.
BOUMÉLI.
Spreek! wat geschiedt aldaar?
HASSAN (vcrholyen.)
Zaema dringt zich binnen.
(Zaèmn, aan dc wachten ontsnappende, dia beproeven haar tegen te houden en aanstonds op Nelio toetredend.)
ZAÉMA.
O, zoon! O Nelio.
NELIO.
O moeder!....
BOUMÉLI.
Altoos winnen Die lieden het van mij In waarheid, 'k was te laf!
120
VIJFDE BEDRIJF.
Hassan, ik sla voortaan al uwe beden af.
{Op Zaéma wijzend.) Men voer' haar ijlings heen!....
HASSAN.
Vorst, laat die moeder spreken; Weet: zij is geen Christin, laat zij haar kind nog sraeeken.
NELIO (op Hassan wijzend^
Hoor, moeder! Deze raensch belet de beê tot God.
ZAÉMA (Nelio met liefde aanziende!)
Gij zijt mij dan ontroofd!____Ach Nelio, welk lot!
O zoon, mijn eigen bloed, wat kon mij zwaarder treffen? De wreedaards kunnen het, o zone, nooit beseffen, Hoe heel mijn ziel verging tot eéne liefdevlam.
Toen ik voor de eerste maal u in mijn' armen nam. Die vlam schoot hooger steeds. Mijn kind, u maar te aanschouwen
En nooit in dat genot der oogen te verflauwen,
Gij weet het, Nelio, 't was van uw' prilste jeugd Voor mij, de koningin, de reinste zielevreugd.
Hoe kwam uw ademtocht vaak langs mijn adem zweven, Hoe heb ik aan uw' tred haar fiere kracht gegeven! En hemel, o wat vreugd, toen 'k zag, wat liefdeschat Naast groei en lichaamskracht, uw hart verworven had.
Dan nu---- 't is al voorbij wat gij mij schonkt te voren;
De zon van ons geluk ging in tempeest verloren. En schoon, o Nelio, mijn hart u niets verwijt.
Uw moeder waarschuwt toch, dat ge ongelukkig zijt. Aanschouw, aanschouw ze wel, aanschouw die gruwbre
[zaken.
Die u de marteling, den dood zelfs doen genaken.
Denk, zoon denk aan uw lot, maar denk ook aan het mijn'!
121
AFRIKA.
NELIO.
O wondergroot geluk, zóó trouw bemind te zijn!
O moeder, zoo ge wist!____ Maar spreek, mag 'k Christus
[haten
Of Godsverzaker zijn, mag 'k deugd en trouw verlaten ?
EOTJMÉLI.
Zaéma! Ieder ziet, hoe Nelio u mint;
Weet: hevig dringt de tijd dat gij zijn geest verwint; Ik zal hem fluks daarna aan uwe liefde schenken En in milddadigheid zijn afkomst zelfs herdenken.
ZAÉMA {smeekend.)
Welnu, spreek, Nelio!
NÉLIO.
't Kan, moeder nooit geschion. ZAÉMA.
Gij hebt Rouméli nu zijn' tegenstand gezien.
Ik kwel hem langer niet. Maar gij, o neig m' uw oore En geef dat Nelio mij voortaan toch behoore. Dan trekken wij van hier en nooit ziet gij ons weêr Aanschouw Rouméli, hem; hoe is hij jong én teêr! Welnu, ik zweer het u, hij zal het nimmer leeren Hoe anderen hun zwaard en wapenen hanteeren Opdat gij veilig blijft op uwen koningstroon;
O sta mijn smeekbeê toe. 'k Zal gaarne met mijn zoon De stroomen en de zee, de wouden gaan trotseeren Ik wil vallei en rots, ja 't wild gediert' braveeren.
Straks rijst er tusschen ons een halve wereld op quot;Van zeeën zonder naam of menig bcrgentop Als gij, Rouméli, slechts mijn zone vrij wilt spreken ! Verhoor, verhoor mijn beê, zie m' aan uw voeten smeeken. (Zij tcerpt zich voor Roumcli's voelen^
122
VIJFDE BEDRIJF.
KOUMÉLI.
Zijn lot beheerscht hij zelf. Ik hield mijn wil hem voor; Gehoorzaamheid of dood! Nooit ga ons recht te loor!
HASSAN (zacht tegen Nelio sprekend.) Beloof! Straks leert de tijd, of gij het kunt volbrengen.
NELIO.
Neen 'k kan in eeuwigheid geen Judaswerk gehengen, Hoe? Meent gij, dat de straf, of hoop op tijd'lijk loon Mijn voorhoofd schenden zal met eene duivelkroon ?
'k Ben Christen en ik bid____God moog' mijn zaak verweren;
Hassan, verderf mij vrij, maar tracht mij niet te onteeren.
HASSAN.
't Is alles razernij, die recht ten afgrond vaart.
NELIO.
Geen grooter razernij dan die ons gruw'len baart,
ZAÉMA.
Mijn zone! Gij spreekt recht. Hassan! ja! Het is waar. Geen booze is u gelijk, afschuwTijke Barbaar!
Hoe meer gij u verbergt, hoe meer uw misdaan schreien Spreek; wat misdeed dit kind, dat gij ter dood gaat lei'en ? Ach, 't is de duive zelv' gegrepen door den gier.
Doch,, hoor gij monster wel, bloeddorstige Arabier; Een moeder durft deez' stond u luid te profeteeren; De heem'len en deez' aard, zij gaan u ras verneêren!
HASSAN {ontsteld.)
Vervloekte! 'k was uw hulp! Blijf vrij thans in uw nood; Uw eigen moeder, prins, st'gt;rt u thans in den dood.
AFRIKA.
NELIO.
Vaarwel! Zoo 'k ooit misdeed, wil, moeder, 't mij vergeven, 'k Zou, moeder, ook voor u als God het vroeg, gaan sneven.
ROITMÉLI.
Nu, voer dien muit'ling heen!
ZAËMA (Nelio omhelzend)
Nog toeve een wijl' uw voet! Kind, zijt gij nog mijn zoon? O welk een hemelgloed Van bovenaardschen glans speelt rond uw ledematen ! Die palm ook in uw hand! Neen; 'k zal u niet verlaten! O heerlijk visioen, 'k draag Christus in mijn hart!
Voert ons ter slachtplaats heen. Komt beulen, niet gemard.
NELIO.
O wees gezegend. Heer! Neen, 'k zou uw hulp niet derven. Ik leefde aan moeders hart, wij gaan te zaam ook sterven.
(Zij houden elkaar omhelzende vast; de wachten trachtten vergeefs hen te scheiden.)
AKKAR, DE FÉTISH-PRIESTER.
De Groote Geest, mijn vorst, eischt eind'lijk offerand.
ROUMÉLI {een teelten gevend om de gevangenen weg te voeren.)
Zij gaan; en wie hen volgt, hij deel' eens in hun schand! (Men voert Zacma en Nelio heen)
HASSAN (in drift)
Vertrekt, de liefde wijkt ten laatste voor mijn woede Weest beiden omgebracht, versmaders mijner hoede.
EEN SLAAP (tot Boumcli,)
Mijn vorst, een Blankental ontscheept daar op de kust; Zij zwerven door het land naar volle hartelust.
124
VIJFDE BEDRIJF.
BOUMÉLI.
En Rouma?
DE SLAAF.
Eén gerucht zegt: Rouma ging eens vluchten. Maar and'ren, dat hij lang in kerkerstraf zou zuchten.
KOUMÉLI (bevend)
Zou dan?
HASSAN [in woede ontstoken) Wat wilt gij toch? Nog is het, koning, tijd! Akkar, ter vlakte heen! Vlieg, onderzoek den strijd, En, of men ons genaakt. Rouméli, uw soldaten.
Stel ze allen om mij heen; op mijnen moed verlaten Wij allen ons te zaam en slaan die Christ'nen neêr; Ons lust nu geen verdrag met die verraders meer.
(Al-har en Rouméli snellen heen. Fukc, de hezweerster, gij Mij ft en volgt met schrik Hassans volgende bètoegingen.)
ZEVENDE TOONEEL.
Hassans krankzinnigheid.
HASSAN. FUKÉ, DE BEZWEEHSTER.
HASSAN.
Bloed! Ja, nog altoos bloed! O heerlijk bloedgeuieten! De drift des koningsleeuvvs komt door mijn aad'ren schieten. Dood ! Aan u allen, dood! Ellendig Christental,
Hoe ik met zoet genot u weer verscheuren zal!
En toch, ellendig lot! Juist in die oogenblikken.
Waarin ik bloed vergiet, daar komt mij weer verschrikken.
125
AFRIKA.
Dat wonderbaar gevoel.... Zou dat nu wroeging zijn ? Waar ga ik, Hassan, heen?.... Hoe woedde mijn venijn Op Nelio, op haar! De zoon viel met de moeder!
Bloed, overal slechts bloed. Bloed, aller gieren voeder, Hoe vloeit, hoe rookt gij weêr! Maar wie, wie treedt daar aan, Wie mag daar op die zee van roode stmomen gaan? O schrik! 't Is Hassan zelf. Help m'uit die woeste golven Help, Hassan wordt in bloed en duisternis bedolven ! Zie weer dat bleeke licht, die toorts daar heen en weêr!
In welk een kloof van schrik wierp mij het leven neêr----
'k Zie duizend duizenden zoo yrees'Iijk op mij staren. Maar neen! Ik, vreezen? Neen! Doch hoe hen te bedaren? O Afrika, nog houdt mijn vuist uw leden vast.
Gejaagd, verbrand, vernield, gemoord en dan gebrast! Hoe mint nog mijne ziel die harmonie yan 't schreien, Dien laatsten snik des doods in zooveel slavenreien!
(Een angstkreet slakend.)
Wee! Wat krioelen daar die Zwarten rondom mij!
Afgrijselijke berg! Spaart, wreeden ! Medelij!----
Een ieder scheurt mijn vleesch; noch kleed, noch wapens
[ baten!
Moet ik u al mijn bloed, mijn laatsten bloeddrop laten? Voort, wolven! O, mijn hoofd! O, vrees'lijk lot!.... Mijn
[hart!____
rUKE, DE BEZWEERSTEB.
't Is Hassan! 't is de vloek!
(Zij vlucht verschrikt heen.)
126
VIJFDE BEDRIJF.
ACHTSTE TOONEEL.
De wanhoop.
hassan. kouméli. zwarte opperhoofden. ROTJMÉLI.
't Staat vast, dat men ons tart.
Hassan! Wees legerhoofd!
HASSAN {als uit een droom ontwakend?)
Hoe doet deez' mensch mij lijden!
O, heb toch medelij!
ROITMÉLI.
Voort Hassan, denk aan 't strijden! HASSAN.
Ik hoor, men spreekt mijn naam. Wat heeft zij toch gezegd? Ik min d' Europeaan, ik huldig heel zijn recht.
Toch sprak men van vergif. Zie, ik was ingeslapen. En konde haar niet zien____
BOUMELI.
Hassan, denk aan uw wapen!
HASSAN.
Akkar, kom, nader mij; gij vloekt uw Hassan niet; Ik had Zaéma lief, schoon ik haar sterven liet.
O, deel van mijn geluk____Waarheen gaan uwe schreden?
127
O, Houri, zwarte maagd, de vreugd verlicht uw treden. Gij vlucht... Neen, kom hierheen; gij toont u mij zoo stug.,. Wiens vrees'lijk oog is daar? Zie, 'tblikt op mij terug1) En het doorboort mijn hart als met een gloeiend wapen.
Hassaus wanhoop schildert hier de MaJiomedaansche voorstellingen van het oordeel na dit leven, van de eeuwige verwerping enz. [Vert.]
AFRIKA.
Waar vlucht nu Hassan heen? Zou Allah mij genaken Zelfs, Houris, in uw woon en vorstelijk paleis?
O Allah welk een boek van oorlog, straf en peys Omvat uw linkerhand! Gij opent! Neen! Genade!
Mijn oude oorlogskracht komt m' eenmaal nog te stade, En rukt mij los van 't boek. Och, Allah, hij gebiedt, Dat 't boek geopend wordt, en dat mijn ziel zich ziet Als in een spiegelbeeld. O vloek, wat wereldwonde Verrijst daar voor mijn blik in deze wreede stonde! 'k Zie kind'ren, vrouwen daar, en grijsaards aan hun rij. O, wreede spiegels, zwicht! O Allah, hoe ik lij,
En ach, hoe folt'ren mij die roodgekleurde blaaren! Dat schuldboek mijner schand, 'k moet eeuwig daarop staren !
{Gedurende deze laatste woorden wordt er een scherm verlicht en het vertoont slavenjacht en ■mishandeling. Roumcli en de Zwarten staan als versteend.)
Neen, ik kan niet meer zien, o klaarheid, zoo vol schrik ! Ik haat u en ik vhicht. O, dat op 't oogenblik. Het duister nederdaal' op mijn ontaarde werken!
Helaas____ Te laat! Te laat! Wie zal den vlam beperken
Van 't helsche strafgericht? Spreek 't vonnis, Allah, God! Gij Iblis, voer mijn ziel naar haar rampzalig lot.
(//y doorsteekt zich. De hliJcsem flikkert en schijnt llassan» lichaam, ah het ware, te omwikkelen!)
NEGENDE TOONEEL. De terugkomst.
DEZELFDEN. EEN SLAAP. HICHAHD. ZIJNE SOLDATEN. DJALMÉ. ANDKÉ. GEHARD EN EEN CHBISTENMENIGTE.
DE SLAAF (pp Rounte'li aanloopend!)
't Volk juicht de Blanken toe. Akkar slaat aan het vluchten, Rouma was reeds hun prooi en heeft nu veel te duchten.
128
VIJFDE BEDRIJF'. ] •) 9
ROUMÉLI (op Jfassail wijzend.)
Eerst dan verdierft gij mij, gij, Hassan de Arabier ! En nu verlaat gij mij bij 't Christen-oorlogsvier.
(Hij hcgeej'l zich naar den achtergrond. Rumoer luiten.)
RICHARD (nog luiten)
Roumeli, houd hier stand en hoor naar mijn' bevelen !
(Richards soldaten vullen het tooneel en maken zich dadelijk van Roumeli meester. Richard treedt linnen, hel pistool in de hand.)
Het volk hoort d' oorlogsmarsch van zijn bevrijders spelen. Uw rijk loopt vast ten eind, vervolgers van dit land! Gij, hoofden, legt alreeds de waap'nen uit de hand! Voorts zij de schurk Hassan onmidd'lijk vastgeklonken ! Hassan ... Maar hoe ? {het lijk ziende) vermoord ?...
EEN SOLDAAT.
O, neen! als weggezonken In razernij des bloeds, gaf hij zich zelf den dood.
RICHARD.
Verwijder dan zijn lijk; de walging is te groot. De lafaard, die het juk des doods alom deed prangen. Hij dorst dan zelf den dood niet uit Gods hand te ontvangen.
DJALMÉ (Hassans lijk ziende)
't Licht der gerechtigheid brak eindelijk dan door !
(Hen Ir eng t Hassans lijk weg. Van alle zijden komen Christenen Richard omringen.)
U, vrienden, wacht veel heils. Uw vader treedt straks voor. Hij keert, schoon koorts hem kwelt, nog naar dit oord
[zijn schreden.
(Men hoort in de verlu een lied, gelijkend op het lied aan het einde derde hedrijf.)
AFRIKA. 9
AFRIKA.
Hosanna! Zingt! Gij ziet hem weêr Onganda, uwen vader, teêr;
Met 's hemels eng'len ons gepaard:
Zij eere aan God en vrede op aard !
(G ér ar cl de rerhannene Missionaris, verschijnt in een draagstoel, door Andre, zijn ouden vriend in Evropa, ffesteimd. Het volk omringt hem, met palmen wuivende.)
RICHARD, [tut André.)
Lijdt hij veel zware smart?
ANDRÉ.
De rust is ingetreden, Zij overheerscht de pijn en zalft hem weêr met kracht. Doch zie, die droom !....
GÉRARD, {sprei-end in zijn droom) Wat stem, die als met toovermacht Mij roept naar 't bedehuis! Aan moeders arm getogen. Zie ik 't gewijde licht. Bij 't altaar neergebogen. Aanbidden wij te zaam. O, zoet is de adem hier !
Heel 't oude vaderland behield zijn breeden sier.
Maar gij!____gij schouwt daarheen nog steeds met droevig
oog?
Ach moeder... schrei niet meer! Omhoog! Het harte omhoog !
(Hij ontwaakt.')
Waar ben ik?____Ik zag haar. ... Hoe schoon haar plechtig gewaden !
O doe mij, zoete lucht, weêr in die vreugde baden.
(André en Richard ziende, die hij hen gebogen staan.)
André? Hoe?____Richard hier?____'k Verkreeg dan, God !
[mijn wensch.
(Tot de Christenmenigte.)
Komt, nadert, kinderen! O, nooit heeft eenig mensch
130
VIJFDE BEDRIJF.
Zoo naar zijn volk verlangd als ik n wensch te aanschouwen. Ougande, gij, mijn kroon! O, eeuwig zou 't mij rouwen U, kind'ren, niet te zien terwijl ik sterven ga;
Helaas! Die laatste tocht____
(Andre en Richard knielen, naad het rmtf/esloelte, terwijl zij Gerard omringen. Eerbiedig wijkt de menigte ter zijde.)
ANDRE [den zieke de hand drukkend.)
Misschien, dat Gods gena ?.. .. GERARD.
O, neen, André! 'k Gevoel de slooping van het leven ; Doch, dierbre vriend, wat nood ? Moog' al het lichaam sneven. De heiige vriendschapsband der zielen blijft bestaan. Ach, waarom treurt de mensch bij 't jeugdig henengaan 't Welk nimmer bloedverwant noch vrienden doet vergeten. Maar door het sterven juist, als door een gouden keten 't Bestaande eeuwig hecht. Een wijle duurt de strijd Met, onze lichaamsboei; dan, van het vleesch bevrijd. Stort zich de vrome ziel in 't midden van Gods eng'len. Die reeds de stervensspond in breede rei omstreng'len; En aanstonds vangt de tocht ten schoonen hemel aan Die hemel, waar de vreugd, 't geluk nooit ondergaan____
[Ah in vervoari/ig.)
Die hemel____ Hoort gij niet het lied der gouden snaren
Die eangen zonder eind voor Godes troon gevaren.
Dewijl de Christen blij zijnen grooten Heiland zingt En 't groote Scheppingslied de hemelen doordringt?
(Strijdende met de smarten.)
De dorst, uw eigen smart, moet Heer ! uw kind nu lijden .... O Jesus, op het kruis, 'k wil mijn u doodstrijd wijden.
131
afrika.
Vergeving voor ons al'... Vergeving?... Hassan daar?... Toch, Heer, vergeving, ja! ook voor mijn moordenaar.
ANDRE (de oogen vol tranen ten hemel.)
Subvenite Sancti! 1)
GÉRARD {tot Richard, die zich over hen henenbuigt.)
Richard, nog kan 't gebeuren Dat g' eens mijn moeder ziet. O, als zij dan zal treuren Om mij, haar eenig kind, zeg haar dan, hoe dit uur Ik nog van moeder sprak. Verhaal, hoe ik den duur Der eeuw'ge liefdevlam nog stervend heb beleden. Hoe allen, die om God hun hartegloed bestreden.
Maar 't meest de weduwe, die Hem haar zone gaf. Elkander wederzien bij d'uitgang van het graf;
Ja 'kzul.... ten jongsten dag.... altoos____met moeder
[leven.
RICHARD.
Mijn vriend, nog kan de Heer herstel en uitkomst geven !
GÉRARD.
Ik ga ten hemel op, 'k bereid u daar een woón.
[Andre met liefde aanziende?)
Thans al uw hoop op God! Ouganda was mijn kroon, 'k Laat u dit dierbaar volk. Wil hen ten vader wezen; Gij zult op hun gelaat nooit iets dan trouwe lezen.
En gij ook, Nelio____ Mijn zoon.... Kom thans nabij.
Ik hoor uw stemme niet____ Waar toeft, waar aarzelt gij ?
132
«Komt, heil'gen, hem (cr hulp!quot; Aldus luidt de aanvang van een dier gebeden die in het Roomsoh-Ritueel do gebeden der stervenden besluiten. [Vert.]
VIJFDE BEDRIJF.
TIENDE TOONEEL.
Ds Martelaren.
DEZELFDEN. EVON. SANGALI. CHBISTENDIENAABE VAN HET HOF.
{T/cee der dienaren dragen onder een doek op een baar de lichamen aan van Ndio en zijne moeder, voor het geloof gemarteld; Evon, de vrijgemaakte, gaat voorop. Een straal van zacht licht omhmtert de lichamen der martelaren^)
EVON.
Ziehier dan Nelio, de vreugd van heel uw leven; Zie hier Zaéma ook. De vijand deed hem sneven Om hunne trouw aan God! Gezegend zij hun moed!
{Gerard verheft zich een weinig: zijne oogen staan vol tranen en hij heft die oogen ten hemel. Sangali {de koning) komt op dit oogeuhlik linnen en werpt zich aan de voeten der gestorvene martelaren?)
SANGALI.
Zaéma, Nelio!
GÉRARD [als opnieuw herlevend?)
Getuigen gij tot 't bloed, Gij hebt de zegepraal voor uwen God volstreden,
O zie, wij schreien wel bij uw verminkte leden.
Maar juichend biedt 't geloove u ook de koningseer.
(Hij knielt neder?)
'kAanbid in dezen dood uw heil'go plannen, Heer! Ontsluit thans voor hun ziel uw schoonste hemeldeuren En gij, o eng'lenschaar, daal op uw wierookgeuren Ter neder naar deez' aard, die, waar ze uit liefde leeft. Naast heel uw hemelkoor ook hare engelen heeft.
{Naar Nelio en Zacma's lichamen ziende.)
133
AFRIKA.
O, Koor der Martelaars! Gij, die ten hemelbane Uw palmen blijde wuift, ontplooi opnieuw uw vane En bidt, bij Christus troon, voor Christus volk in nood.
(Zich opheffende en naar Sangali ziende.)
O, dier'bre Sangali! Gij, vader, echtgenoot!
O, zende God U zelf het troostwoord voor uw nooden.
En!----Thans één beê nog. Heer! Veel tranen zijn gevloden,
Veel bloeds werd hier gestort. Bij 't Kruis dan van uw Zoon, Bij al de martelaars, die kwamen tot uw troon,
Uit deze Christenstreek, wil ons gebed verhooren.
En ga dit menschenras toch langer niet verloren. Zie, Afrika sleept reeds zoo lang zijn keten meê,
Gij dan, die uw gebed zoo vaak voor de armen deê', En voor de ellendigen, van iedereen verlaten.
Kom Afrika te hulp en sla hen, die ons haten.
Verstuif heel de overmacht der boozen, als het kaf. En schenk dit werelddeel den vree, dien 't kruis ons gaf; Dat ginds uw Christenvolk alom erkennen moge Wat nieuwe stemme Gods hen oproept uit den hooge; Hun pogen zij door U steeds met geluk bekroond;
Hoog glanz' de broederschap, in Christus ons betoond; En eind'lijk moog' Euroop, haar vorsten, diep beseffen Hoe nergens eenig leed de zwakken ooit kan treffen. Wanneer haar Heilverbond waakt voor den wereldvreê En zij het bloedig zwaard ter neerwerpt in de schee.
(Op dit oogenhlik wordt hel doek op dm achtergrond verlicht en er verschijnt op treffende wijze een voorstelling van het JJrika, der toekomst! Gerard komt in vervoering en als met een prrfetischen geest vervuld, zegt hij de volgende woorden:
Hoe wordt gij, Afrika, verheven!
Een schitt'rend kruis komt op u zweven.
De Christen-morgen brak nu door;
184
135
O, volg ook gij de zoete zeden,
Die, broeders, u reeds kennen deden ;
Victorie ga' uw schreden yoor!
Hoe zijn alreeds de woeste horden
Bevriende volkeren geworden !
De vree verdreef den broedermoord!
De handel kwam den woeker sloopen;
De mensch durft, neen, geen mensch verkoopen;
Ook in den kleurling wast Gods woord.
Al heetten, Afrika, uw leden Van het heelal, als afgesneden.
Sta op, gij, 't nieuwe werelddeel!
Verrijs uit 't graf, omglanst van stralen! Men kwam uw grafsteen oramehalen;
Bezing die liefde, godd'lijk eêl!
Zie, volk'ren bieden u hun gaven.
Zij zien u bij uw schatten draven En krijgers waken voor uw eer.
De woestenij zal 't loover sieren.
Zij vluchten weg, uw laffe gieren;
Uw jubel klinkt langs berg en meer!
Gij, die 't Hosanna vaak deed hooren.
Komt, kind'ren, volgt de hemelkoren.
Zingt mij voor 't laatst uw lied nog weêr! De dood zal Christ'nen nooit bedroeven;
Wie 's Heeren hulpe moog' behoeven.
Werp' zich in Christus' armen neêr!
AFRIKA.
{Nu knielt hef koor ter neder en het herhaalt met zachte stem: Hosannah ! Hosamiah! Middelerwijl spreekt Gerard, door Andre en Richard ondersteund, niet den Mik ten hemel geslayea, deze laatste woorden.)
Hosannah.... God!... Breek aller banden ! Doe hier uw Christenmachten landen.
Dat niemand meer den mensch verkoop !
Bind.... Afrika.... Gij----aan Euroop!....
U____groete ik____ zoete Christenvrede----
Deel____ Gij.... uw heil____aan allen mede....
[Gerard sterft?)
(A i» o t h e o s e.)
Een hemelsch licht komt over hem. Het tooueel wordt aan de achterzijde met velerlei klaarheid vervuld en Gérards beeldtenis verschijnt, houdende in de eene hand het kruis en in de andere verbrijzelde boeien; hij is rondom met hemelglans omgeven en stijgt ten hemel op, terwijl Nelio en Zaéma hem elk aan eene zijde omgeven, met palmen in de handen.
13G
Lager en van voren verbeeldt een doek de galerij van het kasteel \ au J het kasteel van Keuilly en de kapel der missionarissen van Afrika. Het koor der missionarissen ligt op de treden der kapel geknield en Germaine staat beneden; zij verheft de handen tot haren zoon en houdt de oogen op haar hemelsch-visioen. — Op het oogenblik, waarop het scherm valt, wordt Germaine van de aarde opgeheven eu stijgt ook zij zelve ten hemel.
EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE BEDRIJF.
i