\J'i'
etlt; ^ r* vi. mJL
Constitutiën
VAN DE
CONGREGATIE DER RARMHARTIGE RROEDERS
TE
AI()NTrAJ^ATJR.
x
-i--J-
TILBURG,
Stoomdrukkerij van het R. K. Jongens-Weeshuis. 1 890,
Wezen en doel van de Congregatie.
De Congregatie der Barmhartige Broeders is eene godvruchtige Vereeniging van leeken , die door de naleving der enkelvoudige Geloften van Armoede, Zuiverheid en Gehoorzaamheid en onder het bestuur van eenen Algemeenen Overste volgens bijzondere Constitutiën te zamen een arm leven leiden, en zich toeleggen op eigen heiliging, alsmede op het welzijn van den evenmensch door het verplegen van mannelijke zieken of krankzinnigen.
I.
mRÏCHTÏNG DKR COHGHEGATÏE.
A. Inwendige regeling.
§ 2.
Van liet Moederhuis, het Fostnlaat en het Noviciaat.
Het Moederhuis van de Congregatie der Barmhartige Broeders is gevestigd te Montabaur in het Diocees Limburg. Daar heeft de Algemeene Overste zijn verblijf, en bevinden zich het Postulaat en
het Noviciaat voor de Congregatie. Zonder goedkeuring van hét generaal Kapittel en het verlof van den Apostolischen Stoel, kan noch de zetelplaats van den Algemeenen Overste, noch het Postulaat of Noviciaat naar elders worden overgebracht , noch elders een ander Noviciaat worden opgericht.
§ 3.
Van den Algemeenen Overste.
De met de uitvoerende macht bekleede Alge-meene Overste heeft de opperste leiding van de geheele Congregatie overeenkomstig deze Consti-tutiën; onverminderd het gezag der Diocesaan-Bisschoppen , zooals hetzelve door de Kerkwetten is vastgesteld. Het is namelijk zijn plicht, zich volledig op de hoogte te stellen van het karakter, den handel en wandel van iederen Broeder en hen overeenkomstig het doel en den geest der Congregatie te leiden en te vormen. Tot dat einde moet hij ook nauwkeurig de berichten der plaatselijke Oversten nagaan , de diensvolgens noodzakelijk of nuttig gebleken bepalingen maken en minstens eenmaal 'sjaars de Succursaalhuizen visiteeren. In het bijzonder is het zijn plicht te waken , dat de Constitutiën der Congregatie door de Broeders nauwkeurig onderhouden worden, de goede geest
in dezelve worde bewaard en zij steeds aan haar oorspronkelijk doeleinde getrouw bhjve. De Alge-meene Overste zal met ijver zorg dragen , dat de Broeders aan de dagelijks wederkeerende oefeningen vasthouden , en op den weg naar den Hemel steeds vooruitgaan. Insgelijks zal hij ook alle zorg aanwenden voor het lichamelijk welzijn zijner onderhoorigen en het goede beheer en gebruik van het tijdelijk vermogen der Congregatie Met bijzondere zorgvuldigheid zal hij ook waken over de plaatselijke Oversten, van wier goed en voorzichtig bestuur het welzijn der Congregatie grootendeels afhangt.
§ 4.
Van de Algemeene Assistenten,
In het bestuur der Congregatie staan den Alge-meenen Overste 4 geprofeste Broeders als Alge-meene Assistenten ter zijde; eenen dezer benoemt hij tot Vicarius, eenen anderen tot Admonitor en eenen derden tot Procurator. De vierde heeft geene bijzondere bediening.
De eerste Algemeene Assistent, de Vicarius, vervangt den Algemeenen Overste, als deze van het Moederhuis afwezig of door ziekte verhinderd is. Is de Algemeene Overste overleden, dan bekleedt de Vicarius zoolang diens bediening, totdat het
6
door hem bijeengeroepen Kapittel eenen opvolger gekozen heeft.
De tweede Algemeene Assistent, de Admonitor, is verplicht den Algemeenen Overste opmerkzaam te maken op alle gebreken, welke der Congregatie tot ergernis of nadeel kunnen verstrekken.
De derde, de Procurator, heeft de zorg over de tijdelijke aangelegenheden der Congregatie onder het toezicht van den Algemeenen Overste.
De Algemeene Overste moet den raad der vier Assistenten bij alle gewichtige aangelegenheden inroepen ; n.1. bij de oprichting van nieuwe Suc-cursaalhuizen, de benoeming van Oversten en Onderoversten en van den Novicenmeester, alsmede bij de verplaatsing van Broeders van het ééne Huis naar het andere....
In de navolgende gevallen echter kan hij niets beslissen zonder de toestemming van minstens twee hunner; n.1.:
1» bij de aanneming van Postulanten en bij de toelating van Postulanten tot het Noviciaat en van Novicen tot de Professie.
2° bij de uitsluiting van een geprofesten Broeder uit de Congregatie, of bij het ontzetten van eenen Overste.
3° bij de bijeenroeping van een buitengewoon generaal Kapittel.
4° bij de opheffing van een Succursaalhuis.
5° bij de aanduiding van een Succursaalhuis om bij te dragen tot het onderhoud van het Moederhuis of andere Succursaalhuizen.
6° bij de vervreemding van de goederen der Congregatie of het doen van leeningen, waartoe daarenboven nog de goedkeuring van den Apos-tolischen Stoel volgens de HH. Kerkwetten en de pauselijke voorschriften vereischt wordt.
7° bij buitengewone uitgaven, welke het bedrag van 200 marken (120 gulden) te boven gaan.
Bij de raadsvergaderingen, waarin de Algemeene Overste moet voorzitten, moeten de Assistenten vrijmoedig naar weten en geweten hun gevoelen zeggen, maar daarbij toch steeds eene passende bescheidenheid in acht nemen.
§ 5.
Van den Kovicenmeester.
De Novicenmeester moet minstens 35 jaar oud zijn en de altijddurende beloften hebben afgelegd. Hij moet van alle bedieningen en lasten bevrijd blijven, welke hem in de leiding en vorming der Novicen kunnen verhinderen. . Zijne benoeming komt den Algemeenen Overste toe, die echter daarbij den raad zijner Assistenten moet hooren.
Zijne bediening duurt in den regel zoolang als de zesjarige bediening van den Algemeenen Overste, die hem benoemd heeft. Wanneer er spraak is van de Novicen, zoo kan hij op verzoek van den Algemeenen Overste de zittingen van den generalen raad bijwonen, om de noodige inlichtingen te geven.
quot;Wat de inwendige hoedanigheden van den So-vicenmeester betreft, hij moet steeds voorbeeldig zijn geweest en een man van gebed en versterving zijn. Hij moet uitmunten in wijsheid en christelijke liefde, ernst met vriendelijkheid, ijver voor Gods eer met zachtmoedigheid gepaard doen gaan ; hij moet zich wachten voor lichtgeraaktheid van hart en geest, n.1. voor gramschap en gevoeligheid, welke op zich zelf reeds een hinderpaal vormen tegen de beoefening der christelijke liefde, en eindelijk zich zoo gedragen, dat hij in alles ten voorbeeld strekke, opdat zijne onderhoorigen hem niet zoozeer vreezen als hoogschatten en eeren, en nimmer iets ten zijnen nadeele kunnen zeggen.
De vorming der Novicen en het bestuur van het Noviciaat is hem geheel en al toevertrouwd, zoodat niemand met uitzondering der hoogere Overheden het recht heeft, zich onder welk voorwendsel ook daarmede te bemoeien.
Hij zal alle zorg aanwenden , dat alle Novicen in 't geestelijk leven grondig onderwezen worden
9
en met -name de grootheid en verhevenheid der goddelijke roeping, die zij ontvangen hebben , inzien. Verder moet hij hen leeren, waarin de ware en volmaakte naleving der beloften bestaat en hoe noodzakelijk voor de Congregatie de onderhouding der Constitutiën is. Hij moet hen onderwijzen, hoe zij met vrucht het inwendig en mondgebed kunnen doen en hen leeren , hoe zij de booze neigingen, tot welke onze door de zonde verzwakte natuur steeds overhelt, door versterving en strengheid jegens zich zeiven , verbonden met vasten en boet-d'oeningen, in bedwang moeten houden, en hoe zij de reinheid des gewetens moeten betrachten , door herhaald onderzoek, het dikwijls ontvangen der Sacramenten, vooral der Biecht, door de beoefening der ootmoedigheid in het verrichten der geringe huiselijke bezigheden, en door bescheidenheid in geheel hun gedrag en ijverig onderhouden der stilzwijgendheid.
§ 6.
Van het generaal Kapittel.
Het generaal Kapittel der Congregatie is de plechtige vergadering van den Algemeenen Overste, de Algemeene Assistenten, den Novicenmeester, de plaatselijke Oversten en de afgevaardigden. Deze laatsten moeten in alle Succursaalhuizen, waar be-
10
halve de Overste nog 6 geproieste Broeders zijn , uit hun midden gekozen worden; namelijk: de Huizen met 6 tot en met 12 Geprofesten kiezen een, grootere twee afgevaardigden. — Deze keuze moet door den Overste gesteld worden op een dag, die valt 12 tot 15 dagen vóór het generaal Kapittel, en wordt beslist met stembriefjes in geheime stemming volgens de volstrekte meerderheid; — bij gelijk aantal stemmen is hij gekozen, die de oudste is naar professie of eventueel in jaren. Is een Broeder, die tot het generaal Kapittel behoort, verhinderd, dan mag hij zich niet door een ander doen vervangen. Het generaal Kapittel mag alleen in 't Moederhuis der Congregatie gehouden worden.
Het vergadert regelmatig alle zes jaren en ook bij het overlijden van den Algemeenen Overste, om eenen nieuwen Algemeenen Overste en 4 Assistenten te kiezen op de wijze, die in § 7 en 8 wordt aangegeven.
Daarenboven vergadert het na afloop der 3 eerste bestuursjaren van eiken Algemeenen Overste en wel bij den aanvang van 't 4de jaar zijner keuze, om over de gewichtigere aangelegenheden van de Congregatie te beraadslagen.
Verder kan het Kapittel nog buitengewoon worden samengeroepen door een besluit van den Algemeenen Overste der Congregatie (vergelijk § 4 n0 3),
11
zoo dikwijls bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk of raadzaam doen voorkomen. — De bijeenroeping van het generaal Kapittel moet schriftelijk geschieden door den Algemeenen Overste of den Vicarius met opgave van de zaken, waarover beraadslaagd moet worden. Het desbetreffend schrijven moet minstens 30 dagen vóór het begin der beraadslagingen naar de plaatselijke Oversten gezonden worden , tenware onvoorziene omstandigheden het onderhouden van dien termijn onmogelijk maakten. Terzelfder tijde zal men den Ordinarius der plaats, waar men vergadert, daarvan in kennis stellen, met het nederig verzoek, het generaal Kapittel wel te willen voorzitten , of daartoe een plaatsvervanger aan te wijzen. De Geprofesten van 't Moederlijs worden mondeling daarvan onderricht. De plaatselijke Oversten moeten de geprofeste Broeders van het Huis kennis geven van den oproepingsbrief en de te behandelen zaken, en de keuze van den afgevaardigde doen plaats hebben.
Tot de geldigheid van een besluit van het generaal Kapittel wordt de volstrekte meerderheid der stemmen vereischt. — De wettige, niet tegen de Constitutiën of de Kerkelijke wetten strijdende besluiten van 't generaal Kapittel zijn voor de geheele Congregatie verplichtend.
12
§ 7.
Van de keuze van den Algemeenen Overste.
De keuze van den Algemeenen Overste hoort aan het generaal Kapittel en geschiedt om de zes jaar. De stemming geschiedt met geslotene, niet onderteekende stembriefjes , welke de stemgerechtigden aan de twee door den voorzitter benoemde stemopnemers terhandstellen. Dezen tellen dan de stembrief jes en reiken die, als hun getal met dat der leden overeenkomt, aan den voorzitter over, die dezelve onder de oogen der stemopnemers opent en door hen laat opteekenen. Daarna wordt de uitslag door die drie gezamenlijk opgemaakt, waarna de voorzitter tot Algemeenen Overste uitroept, die de volstrekte meerderheid gekregen heeft. Als bij de eerste stemming niemand gekozen is, dan geschiedt er een tweede of derde op dezelfde wijze. Wordt bij derde stemming nog niemand gekozen , dan moeten de gezamenlijke stukken der keuze naar Rome aan de Congregatie der Bisschoppen en Regulieren worden gezonden, die den H. Vader voorlicht, om de zaak naar behooren te regelen.
Verkiesbaar is elke geprofeste Broeder, die minstens 35 jaar oud is, altijddurende belofte heeft afgelegd en reeds 10 jaar geprofest is.
Bij eene nieuwe keuze kan de vorige Algemeene
13
Overste weder herkozen worden. Bij de derde of verdere herkiezingen moet de bevestiging van den H. Stoel worden aangevraagd, terwijl intusschen de gekozene de Congregatie slechts voorloopig mag besturen. Wordt die goedkeuring onthouden , dan moet hij, in zooverre de Apostolische Stoel niets anders bepaalt, binnen 2 weken na den dag van het antwoord der Congregatie aan het generaal Kapittel, hetzelve bjjeenroepen , maar intusschen tot die nieuwe keuze de Congregatie besturen.
Wanneer een Algemeene Overste in den loop zijner zesjarige ambtsbetrekking komt te overlijden, dan moet de keuze van zijn opvolger binnen 50 dagen na den sterfdag geschieden en moet de Vica-rius alles, wat daarop betrekking heeft, regelen. Uitgezonderd dit geval, heeft de keuze plaats op den laatsten dag van den bepaalden duur der bediening , of als dit niet gevoeglijk kan geschieden, binnen de acht, daaraanvolgende dagen. Tot de nieuwe kiezing blijft de aftredende Algemeene Overste zijne bediening waarnemen. Het recht van eenen Algemeenen Overste af te zetten behoort uitsluitend aan den H. Stoel.
§ 8-
Van de keuze der Assistenten van den Algem. Overste.
Nadat de Algemeene Overste gekozen is, worden de 4 Assistenten in hetzelfde generaal Kapittel uit de
14
Geprofesten der Congregatie voor den tijd van 6 jaren bij volstrekte meerderheid van stemmen met geslotene, doch niet onderteekende stembriefjes gekozen , welke briefjes evenals bij de keuze van den Algemeenen Overste, worden opgehaald 3n geopend, en daarnaar wordt de uitslag vastgesteld, Vervolgens maakt de voorzitter den naam bekend van hen, die de volstrekte meerderheid verkregen hebben. Heeft de een of ander bij de eerste en tweede stemming geene geldige meerderheid, dan heeft er eene keuze plaats tus-schen de twee candidaten , die bij de tweede stemming de meeste stemmen gekregen hebben. Bij elke nieuwe keuze, kunnen de vorige Assistenten herkozen worden.
quot;Wordt de goedkeuring van den H. Stoel aan de keuze van den Algemeenen Overste onthouden, dan moet ook de keuze der 4 Assistenten opnieuw geschieden, waarbij echter de Assistenten, die eerst gekozen waren, kunnen worden herkozen.
Insgelijks worden er, bij de keuze van een opvolger voor een overleden Algemeenen Overste, vier nieuwe Assistenten gekozen , daar hunne bediening evenals die des Novicenmeesters op den dag der samenkomst van het Kapittel openvalt. —
Wanneer overigens na de derde stemming niemand geldig tot Algemeene Overste gekozen is en
15
dus de stukken der keuze naar de Congregatie der Bisschoppen en Regulieren te Rome moeten worden opgezonden , dan wordt de keuze der Assistenten verschoven tot de ontvangst van Rome's beslissing, en blijven de vorige Assistenten tot dan toe in bediening.
Komt een der Assistenten in den loop zijner bediening te overlijden of wordt hij door ziekte onbekwaam zijn ambt langer waar te nemen, dan kiezen de overigen te zamen met den Algemeenen Overste binnen 30 dagen na zijn dood of na de verklaring zijner onbekwaamheid een ander in zijne plaats.
Mocht een Assistent door herhaalde en zware overtredingen zijner plichten zich zijne bediening onwaardig maken , dan moet dit aan den H. Stoel worden bekend gemaakt, opdat deze daarop orde kunne stellen.
§ 9.
Van de Oversten en Onderoversten der Snccursaalhuizen.
Aan het hoofd van elk Succursaalhuis staat een geprofeste Broeder , die minstens 30 jaar oud moet zijn, en die deszelfs in- en uitwendig bestuur voert. Hij moet elke maand over den toestand des Huizes en het leven en werken van eiken Broeder aan den
16
Algemeenen Overste berielit zenden en diens voorschriften getrouw nakomen.
De plaatselijke Overste is verplicht voor het geestelijk en tijdelijk welzijn zijner onderhoorigen naar vermogen zorg te dragen. Hij moet hun hunne plichten voorhouden, alsmede hen, die ze verzuimen, vermanen en naar omstandigheden straffen, waarbij hij zich echter steeds op zachtmoedigheid en liefde moet toeleggen en alles vermijden, wat kan hinderen. Hij zal bijzondere zorg dragen voor de zieken. Wat de andere Broeders betreft, hij moet hen tot ijver en trouw in hunne bedieningen aanzetten, maar zich wachten , iets van hen te eischen , dat hunne krachten te boven gaat.
Hij zal zorgvuldig waken over het nakomen der Constitutiën en de trouwe opvolging der voorschriften van 't hooger gezag en bijzonder trachten, den geest der broederlijke liefde in zijne onderhoorigen te onderhouden.
Hij moet bezorgd zijn, dat de zieken, die aan zijne Broeders worden toevertrouwd, nauwgezet Verpleegd worden.
Hy zal ook de tijdelijke aangelegenheden van het Huis trouw ter harte nemen, een nauwkeurige lijst der bezittingen van het Huis houden en de boeken van inkomsten en uitgaven elke maand nagaan. Elke opmérking, welke hij van den Onder-
17
overate ontvangt, zal hij altoos met ootmoed en dankbaarheid aannemen, en zich wachten, zich over iets gevoelig te toonen.
De Overste wordt bijgestaan door een anderen geprofesten Broeder als Onderoverste, die hem in zijne bediening moet ondersteunen, bij verhindering hem vervangen en op zijne fouten eerbiedig opmerkzaam maken. Wanneer hij dit gepast oordeelt , kan hij ook aan den Algemeenen Overste bericht zenden, opdat deze na gedaan onderzoek met zijn gezag volgens plicht de zaak in orde brenge.
Bij aanwezigheid des Oversten is hij van zijne Medebroeders niet onderscheiden ; alleen in plichtbetrachting en volmaaktheid moet hij hen overtreffen. In rang volgt hij in de kerk, aan tafel enz. onmiddellijk op den Broeder Overste.
Zonder goedkeuring van den Onderoverste zal de Overste geene buitengewone uitgave mogen doen, welke de som van 30 mark (18 fl.) te boven gaat; bedraagt ze meer dan 60 mark (36 fl.), dan wordt daarenboven nog de goedkeuring van den Algemeenen Overste vereischt.
Telt een Huis meer dan 6 Broeders, dan moet er behalve de Onderoverste nog een Assistent benoemd worden, dien de Overste bij de vergaderingen ook zal raadplegen.
2
18
§ 10.
Van de benoeming der Oversten, Onderoversten en van hen, die huiselijke bedieningen bekleeden.
De Oversten, Onderoversten en Assistenten der Succursaalhuizen worden door den Algemeenen Overste, na ingewonnen raad zijner Assistenten, voor den tijd van 3 jaren benoemd. Na verloop van dien tijd kunnen zij wederom voor 3 jaren herbenoemd worden ; na echter 6 jaren zijne bediening te hebben waargenomen, moet elke Overste weder voor minstens één jaar als eenvoudig Broeder onder de zijnen verkeeren.
Zijn in een Succursaalhuis meer dan 6 Broeders, dan benoemt de Overste een hunner tot huisbezorger, die dan onder zijn toezicht voor de huiselijke noodwendigheden zorg draagt. Daarenboven zal hij, in zoover hij het noodig oordeelt, een der Broeders tot koster, en een ander tot portier aanstellen, en zoo insgelijks al de huiselijke bedieningen verdeelen.
§ li-Van de Visitatie.
De Algemeene Overste moet ten minste eenmaal 'sjaars elk Huis der Congregatie met betrekking tot zijn in- en uitwendigen toestand nauwlettend visiteeren. Daarbij moet hij nagaan , of de Broeders onder elkander en met de Oversten die liefde
19
en ootmoed aan den dag leggen, welke het schoonste sieraad van een goed kloosterling en de hechtste steun tegen alle bekoringen vormen. Daarenboven zal hij nauwkeurig nagaan , hoe de Broeders zich tegenover vreemdelingen en zieken gedragen, en daarnaar streven , dat zij steeds met die bescheidenheid en dat welwillend medelijden handelen, waardoor alleen zij in staat zijn , verre van 't gewoel en de zorgen dezer wereld zich zeiven te heiligen en niet alleen het lichamelijke, maar ook het geestelijke welzijn der hun toevertrouwde zieken te bevorderen.
Mocht de Algemeene Overste bij de Visitatie eene verandering in het bestuur van een Huis noodzakelijk achten en meenen in het belang van dat Huis of der Congregatie niet meer te kunnen uitstellen, dan kan hij onmiddellijk verordenen, wat hem dienstig schijnt en de eindregeling der zaak tot later verschuiven, als hij er met zijne Assistenten over gesproken heeft.
B. Van de opname in de Congregatie.
§ 12.
Van het Postulaat.
Wie verlangt in de Congregatie der Barmhartige Broeders aangenomen te worden, moet zich daartoe tot den Algemeenen Overste wenden, die hem tot
20
het Postulaat zal aanvaarden, als hij hem geschikt en tot het kloosterleven geroepen oordeelt, en er overigens niets tegen heeft.
De Aspiranten moeten ten minste 16 jaar oud zijn ; hebben zij den ouderdom van 30 jaar reeds bereikt, dan zullen zij in den regel niet meer aangenomen worden.
Het Postulaat moet gewoonlijk minstens 6 maanden duren. Gedurende dien tijd dragen de Postulanten kleederen van donkere kleur.
Het is de plicht van den Novicenmeester zorgvuldig te onderzoeken of zij geschikt en geroepen zijn tot het leven in de Congregatie.
Hö moet daarbij vóór alles nagaan, met welk inzicht en in welke gesteltenis de Postulant het kloosterleven heeft gekozen; of het is uit ijver voor zijn zieleheil en een volmaakter leven en om Grod beter te kunnen dienen, of uit lichtzinnigheid of eenige menschelijke beweegredenen, en of soms zijne ouders zijne hulp en ondersteuning niet behoeven en voor het geval zijner aanvaarding niet in nood zouden geraken.
Daarenboven moet de Novicenmeester de Postulanten bekend maken met de Constitutiën der Congregatie, de drie Beloften en het kloosterlijk leven in het algemeen, zoomede met het leven in deze Congregatie in 't bijzonder.
21
§ 13.
Van het Noviciaat.
Wanneer het Postulaat den door den Regel bepaalden tijd geduurd heeft en de Postulanten door den Algemeenen Overste en zijne Assistenten na voorafgegane beproeving geschikt bevonden worden, dan worden zij tot het Noviciaat toegelaten. Te dien einde houden zij eene retraite van 10 dagen en ontvangen vervolgens het kleed der Congregatie en den kloosterlijken naam.
De verblijfplaats der Novicen, waarin het noodig aantal woon- en slaapkamers moet aanwezig zijn, moet van die der Geprofesten zijn gescheiden, en behalve de Novicenmeester en voor zooveel noodig de Algemeene Overste, zal niemand onder welk voorwendsel ook bij de Novicen komen. Ook zal het niemand geoorloofd zijn zonder bijzonder verlof van den Novicenmeester met de Novicen om te gaan.
Iedere Novice zal zich dagelijks meermalen met het inwendig en mondgebed bezighouden, gelijk de Novicenmeester hem naargelang van zijn aanleg en bekwaamheid zal voorschrijven; ook zal ieder hunner geregeld zijn bijzonder en algemeen onderzoek doen. Evenzoo moeten zij dagelijks de H. Mis bijwonen en op de bepaalde uren het getijdengebed en
22
andere godsdienstplechtiglieden bijwonen. Ook zullen zij zich met lichamelijken arbeid bezighouden, geestelijke lezing doen en van tijd tot tijd zich op passende wijze ontspannen door eene gezamenlijke wandeling; bij deze echter moet de Novicenmeester tegenwoordig zijn en waken, dat enkelen zich niet van de anderen afzonderen; ook zal hij er zich gedurende dien tijd op toeleggen, om ieders natuurlijke neigingen na te gaan.
Gedurende het Noviciaat mogen zij , behalve in het koor en den refter, alsmede bij kerkelijke plechtigheden , nooit bij de Geprofesten komen en ook niet hen bij het uitgaan vergezellen.
De tijd der beproeving moet minstens een jaar duren , dat zonder onderbreking in het Noviciaat doorgebracht moet worden. Iedere Aspirant kan naar believen het Postulaat of Noviciaat verlaten, of ook tegen zijnen wil weggezonden worden.
§ 14.
Van de Professie.
Wanneer een Aspirant, na het Postulaat en het Noviciaat geregeld gehouden te hebben, in zijn voornemen van in de Congregatie te treden volhardt, dan zal hij tot de Professie worden toegelaten , als de Oversten , na voorafgeganen proeftijd , hem daartoe waardig keuren. Daartoe moet hij opnieuw
23
10 dagen retraite houden, waarna hij de drie eenvoudige Geloften van Armoede , Zuiverheid en Ge» hoorzaamheid voor 3 jaren aflegt. Na verloop van dezen tijd worden deze drie Beloften weer voor 3 jaren hernieuwd en na verloop van die 6 jaren, voor altijd afgelegd, na voorafgeganen proeftjjd en eene retraite van 10 dagen.
In deze drie eenvoudige Beloften, welke de Barmhartige Broeders afleggen, kan alleen de H. Stoel dispenseeren. Na de Professie kan een Broeder niet meer tegen zijn wil uit de Congregatie worden uitgesloten, wanneer hij niet door een zware overtreding die straf inloopt; maar deze straf kan alleen na goedkeuring van den H. Stoel worden toegepast.
Zieke, of tot den arbeid onbekwaam geworden Broeders moeten tot hun dood toe behoorlijk gevoed en verzorgd worden.
C. Van de uitbreiding der Congregatie.
§ 15.
Zonder goedkeuring van den Diocesaan-Bisschop kan geen Succursaalhuis der Congregatie worden opgericht. De Algemeene Overste heeft te zorgen voor alles, wat voor eene nieuwe stichting vereischt wordt, na eerst den raad zijner Assistenten te heb-
24
ben ingeroepen. Alle Succursaalhuizen zijn afhankelijk van 't Moederhuis te Montabaur en vormen met hetzelve een geheel, dat volgens dezelfde Consti-tutiën , dezelfde dagorde en dezelfde gebruiken bestuurd wordt. Voor het overige echter moeten de rechten der Ordinarissen in alles en nauwlettend in acht genomen worden , gelijk die door de wetten der Kerk , en met name door het H. Concilie van Trente (Cap. IX de reform. Sess. XXII) zijn yast-gesteld.
De Algemeene Overste moet eiken keer vijf jaren na zijne verkiezing, een door den Bisschop van 't Moederhuis onderteekend verslag over den toestand der Congregatie met betrekking tot tucht, uitbreiding , personeel en tijdelijk vermogen, alsmede over het Noviciaat, aan de H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren te Rome opzenden.
■! —5-
25
II.
MÏDDEMH TOT BERKIKIHG YAM HET BOEL IDER COEGREGATIE.
A. Middelen tot eigen heiliging.
§ 16-
De middelen tot bereiking van het eerste en gewichtigste doeleinde der Congregatie zijn twee in getal: nl.
1° Het nakomen der drie eenvoudige Geloften van A.rmoede, Zuiverheid en vrijwillige Gehoorzaamheid , en
2° Het onderhouden van den aan allen voorgeschreven levensregel.
1. De Geloften.
§ 17.
Van de gelofte der H. Armoede.
Door de gelofte der H. Armoede staan de Leden der Congregatie het beheer en het vruchtgebruik van hun vermogen af, en verplichten zich :
1° een arm leven in Christus te leiden.
2° Slechts die zaken te gebruiken, welke bun door de Oversten tot dat einde gegeven worden
26
en zonder verlof der Oversten niets te koopen , te leenen of onder zich te houden.
3° Niets van hetgeen de Oversten hun ten ge-bruike geven zonder hun uitdrukkelijk verlof weg te geven , te leenen , te ruilen of te veranderen.
De geprofeste Leden der Congregatie mogen dus het eigendomsrecht van hun vermogen (dominium radicale) behouden; maar het beheer over dat vermogen , de beschikking over deszelfs opbrengst, alsmede ook het persoonlijk vruchtgebruik zijn hun ten eenen male ontzegd. Zij moeten diensvolgens vóór de Professie voor hun persoon het beheer, alsmede de opbrengst en het vruchtgebruik aan anderen, die zij daartoe uitkiezen, of zelfs naar believen aan de Congregatie afstaan. Bij dit contract kan de slotbepaling gevoegd worden , dat het van weerskanten kan herroepen worden. Doch het is voor eiken Broeder een strenge verplichting, nooit van dat recht gebruik te maken zonder goedkeuring van den H. Stoel. Het zooeven gezegde geldt ook van de tijdelijke zaken, die hun na de Professie bij erfenis ten deel vallen. Voor het overige kunnen de Geprofesten over hun eigendomsrecht met verlof van den Algemeenen Overste zoowel bij testament als bij schenking onder de levenden beschikken. In het laatste geval echter vervalt elke door hen gemaakte bepaling, met betrekking tot het
27
beheer, de opbrengst en het vruchtgebruik van hun vermogen, als zij niet uitdrukkelijk vaststellen dat dezelve nog langer , volgens hun goeddunken , van kracht bljjft, niettegenstaande het eigendomsrecht is afgestaan. Voor het overige is het den Greprofesten niet verboden, de handelingen, die de wet opzichtens het bezittingsvermogen voorschrijft, met verlof van hun Overste te stellen.
quot;Wat de Geprofesten door eigen arbeid verdienen of als Lid der Congregatie verkrijgen , dat mogen zij niet voor zich aannemen of behouden maar alleen voor de Congregatie , tot welker algemeen welzijn het door de daartoe aangestelde personen moet worden aangewend.
Verlaat een Broeder na zijne professie vrijwillig de Congregatie of wordt hij tegen zijn wil weggezonden, dan vervalt van zelf elke vroegere afstand van zijn vermogen aan de Congregatie, en bekomt de uittredende weer alle rechten van beheer en vruchtgebruik betrekkelijk zijn vermogen terug. De Congregatie is echter in zulk geval niet verplicht terug te geven, wat zij tot dan toe van de opbrengsten van het kapitaal verbruikt heeft of rekenschap af te leggen , hoe zij tot dan toe dat vermogen beheerd heeft. Datzelfde geldt ook betrekkelijk de erfgenamen , aan wie het vermogen van een overleden Broeder ten deel valt, als hij
28
tijdens zijn leven bij testament of door schenking onder de levenden iets anders dienaangaande bepaald heeft. Behalve de afgifte van het kapitaal heeft de Congregatie jegens hen geene verdere verplichtingen.
§ 18.
Van de gelofte der H. Zuirerheld.
Door de gelofte van Zuiverheid verplichten zich de Barmhartige Broeders niet alleen om ongehuwd te blijven maar ook in gedachten, woorden en werken alles te vermijden , wat met de H. Deugd strijdig is. Om echter den schat der reinheid,, „welke wij in broze vaten ronddragenquot; (Cor. IV. 17), trouw te bewaren, is het ontwijfelbaar noodzakelijk, dat de kloosterling op de eerste plaats veel bidde; niemand toch kan anders kuisch blijven en dan wordt het hem van God gegeven (Sap. VIII. 11); dat hij op de tweede plaats het bitter lijden van Christus en de allerzuiverste Moeder Gods bijzonder vereere ; dat hij ten derde steeds matig en altijd nuttig bezig zij, en eindelijk en voornameljjk al zijne zintuigen en vooral zijne oogen bewake. Evenals Job moet hij een verbond met zijne oogen sluiten , om nooit aan eene maagd te denken, want welke gemeenschap zou God dan nog met hem hebben ?
29
De oogen zijn vensters, waardoor de dood in de ziel komt, als zij open staan.
§ 19.
Van de gelofte der H. Gehoorzaamheid.
Door de gelofte der H. Grehoorzaamheid verplichten zich de Broeders een leven te leiden overeenkomstig de Constitutiën der Congregatie en aan de bevelen der Oversten volgens diezelfde Constitutiën te gehoorzamen in alles, wat met de geboden van God of van de H. Kerk niet strijdig is.
Zij moeten echter niet slechts gehoorzamen met de daad , maar ook volgens den geest dier deugd, zoo namelijk, dat zij in de voorschriften der Oversten den wil Gods eeren , hunne zielen door de gehoorzaamheid zuiveren (1 Petr. I. 22) en als mannen van gehoorzaamheid alle gevaren en bekoringen roemrijk overwinnen (Prov. XXI. 28). Dat zij dan dikwijls de vermaning van den H. Apostel Paulus overwegen en behartigen : (Hebr. XIII. 17) „ Gehoorzaamt aan uwe Oversten en weest hun onderdanig ; want zij waken over u, indachtig zijnde, dat zij eenmaal over uwe zielen rekenschap moeten afleggen; zorgt dus, dat zij dit met blijdschap en niet al zuchtend doen , want dat zou u niet voor-deelig zijn.quot;
30
Ü. Levenesw^jze.
.§ 20.
Van het gebed.
Gelijk Christus de Heer bevolen heeft, dat men altijd moet bidden en nooit ophouden (Luc. XVIII. 1) en de Apostel der volkeren in zijnen brief aan de Colossensen de geloovigen vermaant: „ Weest volhardend in het gebed, wakend daarin met dankzegging zoo zullen de Barmhartige Broeders, om in de vervulling hunner ambtsplichten niet nalatig te worden, voortdurend zich op het gebed toeleggen, zoowel op het mondgebed als op de meditatie en ook op datgene, waardoor zij alles 5 wat zij doen en lijden volgens plicht tot God, het laatste doel des menschen, stieren, en Hem als een voortdurend offer van liefelijken geur dagelijks opdragen.
Vooreerst doen de Barmhartige Broeders des morgens na het opstaan, zoodra zij gekleed zijn, allen te zamen in de huiskapel het morgengebed, en houden daarna een half uur meditatie over de stof, welke voor hen den avond te voren tot dit einde is opgegeven. Hierna zullen zij en wel zoo mogelijk allen, het H. Misoffer bijwonen en op Zon- en Feestdagen de Hoogmis en de predikatie.
Daarenboven moeten zij op den door de dagorde bepaalden tijd de Getijden der H, Maagd te zamen
31
in koor bidden en 5 tientjes van den Rozenkrans. Ook zullen zij dagelijks op een door den Overste bepaald uur te zamen een bezoek bij het Allerh. Sacrament houden en ook elk voor zich zeiven, als het geschieden kan, hetzelve meermaals aanbidden. Als het Allerheiligste in de huiskapel niet bewaard wordt of zij om billijke reden verhinderd zijn , aan het bezoek deel te nemen , dan moeten zij minstens in den geest Hetzelve aanbidden.
Een ieder, die niet door bijzondere omstandigheden verhinderd is, doet dagelijks een half uur geestelijke lezing uit een boek, dat de Overste van het Huis hem hiervoor gegeven heeft.
Ook moet een ieder dagelijks vóór het middageten een bijzonder gewetensonderzoek houden, waarbij hij vooral daarop moet letten , dat hij de fouten , waarin hij het meeste valt, leert kennen en onvermoeid leert bestrijden.
Voordat de Broeders te ruste gaan, bidden zij gezamenlijk in de huiskapel het avondgebed en houden daarbij een algemeen onderzoek van geweten , om na te gaan, hoe zij zich gedurende den dag hebben gedragen , verder om God vergeving te vragen en goede voornemens ter verbetering te maken.
Om eindelijk bij de uitoefening hunner plichten den machtigen bijstand van de Heiligen des Hemels
32
niet te missen, moeten zij niet alleen de Koningin aller Heiligen, de allerzaligste Maagd Maria, kinderlijk liefhebben, maar ook bijzondere vereering bewijzen aan haren allerzuiversten bruidegom, den H. Jozef, alsmede aan den H. Augustinus, wiens regel de grondslag hunner Constitutiën vormt, aan den H. Johannes de Deo , hun verheven toonbeeld in het verplegen der zieken en aan den H. Aloysius, den alomgevierden beschermer der engelachtige zuiverheid.
§ 21.
Tan de HH. Sacramenten der Biecht en des Altaars.
De Barmhartige Broeders moeten minstens eenmaal 's weeks bij hunnen gewonen en viermaal 'sjaars bij hunnen buitengewonen biechtvader hunne zonden biechten. De eene zoowel als de andere wordt hun door den Diocesaan-Bisschop aangewezen. Maar het zal iederen broeder geoorloofd zijn met goedkeuring des Oversten ook somwijlen bij eenen anderen goedgekeurden biechtvader bij uitzondering te gaan biechten. Wanneer zij om den dienst der zieken of om andere billijke reden in eene plaats verblijven, waar geen Huis is gevestigd, dan kunnen zij bij eiken goedgekeurden biechtvader biechten.
De Geprofesten ontvangen op alle Zon- en ge-
33
boden Feestdagen en bovendien eiken Dinsdag en Donderdag de H. Communie; de Novicen op de Zondagen , Donderdagen en gebodenen Feestdagen. Daarenboven gaan allen, zoowel Geprofeaten als Novicen nog te communie op de volgende dagen:
Op 't feest van het H. Hart van Jesus, Kruisvinding en Kruisverheffing , op 't feest der zeven Smarten van Maria, op 't feest van Maria, Hulp der Christenen, Maria Bezoeking, Maria Geboorte, Maria Praesentatie, O. L. V. van den berg Karmel , op 'tfeest van Sint Jozef, den bruidegom der allerzaligste Maagd, den H. Aartsengel Michael, Paulus bekeering, van den H. Bisschop en Belijder Augus-tinus, de H. Maria Magdalena , den H. Johannes de Deo , den H. Aloysius en op het Patroonfeest van den Algemeenen Overste der Congregatie. Verder communiceert elkeen op zijn Patroonfeest, alsmede op dat des Bisschops van het Diocees, waar zij hun vast verblijf hebben.
Willen de Broeders nog op andere dagen, dan in de Constitutiën zijn opgenoemd, te communie gaan, dan hebben zij daartoe eiken keer het bijzonder verlof van den biechtvader noodig.
3
34
§ 22.
Van de maandelijksche afzondering en de jaarlijksche retraite.
De Broeders zullen zoo mogelijk op den eersten Zondag van elke maand en wel op een door den Overste, te bepalen tijd een half uur lang onderzoeken, hoe zij zich in de afgeloopen maand jegens God, hunne Oversten, hunne Medebroeders en de aan hunne zorg toevertrouwde kranken gedragen hebben, hoe zij de Constitutiën der Congregatie hebben nageleefd en hunne hoofddrift bestreden hebben. Met behulp van dit onderzoek zullen zij dan, door Gods genade ondersteund, goede voornemens voor de volgende maand maken , en om dezelve beter te kunnen uitvoeren , zich in de bescherming van eenen Heilige bijzonder aanbevelen.
Daarenboven zullen de Geprofesten eenmaal 's jaars onder de geestelijke leiding van een priester bij gedeelten 4 of 5 dagen lang en wel zoo mogelijk in het Moederhuis eene retraite houden, om daardoor de kracht te verkrijgen, van hunne plichten met grooteren ijver te vervullen. Zij , die aan de gezamenlijke oefeningen geen deel kunnen nemen, zullen die retraite op eenen anderen geschikten tijd voor zich alleen houden.
Zoowel ter gelegenheid dezer retraites alsook
35
bovendien meermalen 'sjaars zal de Algemeene Overste zorgen, dat een in 't geestelijk leven ervaren priester de Broeders op bevattelijke wijze in hunne kloosterlijke plichten zoo in 't algemeen als in 't bijzonder onderrichte en hen met zijnen raad bijsta in al hunne moeilijkheden in 't geestelijk leven.
§ 23.
Van de Stilzwijgendheid.
Met uitzondering van den ontspanningstijd moeten de Barmhartige Broeders op zoodanige wijze de stilzwijgendheid onderhouden, dat zij alleen dan spreken, wanneer de noodzakelijkheid of de christelijke liefde het schijnen te vorderen. „Want het is goedquot; gelijk de Propheet zegt, „ het heil Gods in stilzwijgendheid af te wachtenquot; (Thren, III. 26.) en ook geldt voor de Broeders, wat de Heer door den mond van den propheet Isaïas (XXX. 15.) aan de kinderen Israëls heeft voorgeschreven : „In de stilzwijgendheid en in de hoop zal uwe kracht bestaan.quot;
De strenge stilzwijgendheid, welke slechts in geval van volstrekte noodzakelijkheid verbroken mag worden, duurt van na het avondgebed tot na de H. Mis van den volgenden morgen. Opdat de Broeders echter niet zouden aangezet worden, de onderhouding der stilzwijgendheid voor iets onbe-
36
duidends aan te zien , moeten zij zich steeds het woord des Heeren herinneren (Matth. XII. 36.) Ik zeg u echter, dat de menschen van elk nutteloos woord, dat zij spreken, op den dag des oordeels rekenschap zullen geven.quot; „De lasteraar zal geen voorspoed hebben op aardequot; (Ps. 139. 12). „Hij is een voorwerp van vreeze in zijne stad (Sir. IX. 25.) en -de tong is een vuur, dat heelal van ongerechtigheid. De tong stelt zich onder onze ledematen aan als degene, die het gansche lichaam bevlekt.quot; (Jac. III. 6.)
§ 24.
Van de Boetedoeningen
Dewijl de beroepsbezigheden der Broeders reeds zoo vermoeiend zijn, worden hun slechts weinige oefeningen van boetvaardigheid opgelegd. Zij behoeven alleen te vasten en zich van vleeschspijzen te onthouden op die dagen, waarop alle volwassene geloovigen van het diocees, waar zij verblijven, daartoe verplicht zijn; het eerste ook op alle Vrijdagen des jaars, uitgenomen , als Kerstmis op een Vrijdag valt, en daarenboven op de vigiliën van Kerstmis, Pinksteren, St. Petrus en Paulus, Maria Hemelvaart, Allerheiligen en de feesten der Congregatie (§ 25). Mocht echter een geboden feestdag of een feest der Congregatie op een vigilie-of anderen vastendag der Congregatie vallen , dan
37
behoeft men alleen zich te onthouden van vleesch-spijzen, maar is niet verplicht te vasten. Overigens kunnen de Oversten die Broeders, welke buiten de Huizen met vermoeiende ziekenverpleging belast zijn, van de vasten en onthoudingsverplichting der Congregatie ontslaan. Dispensatiën betrekkelijk de kerkelijke vasten en onthoudingsdagen moeten' zoo noodig van de respectieve kerkelijke Overheden gevraagd worden.
§ 25.
Van de bijzondere feesten der Congregatie.
De volgende feesten moeten in de Congregatie bijzonder plechtig gevierd worden ; als feesten der eerste klas: 1. Maria Geboorte; 2. het feest van den H. Jozef, den bruidegom der allerzaligste Maagd en Patroon der Congregatie; 3. het Patroonfeest van het Huis en van de huiskapel. — Als feesten der tweede klas: 1. het feest van den H. Johannes de Deo ; 2. het feest van den H. Bisschop en Kerkvader Augustinus; 3. het feest van den H. Belijder Aloysius.
§ 26.
■
Van den eerbied, waarmede de Broeders hnnne Oversten bejegenen zullen.
.
De Broeders zullen hunne Oversten steeds als de hun van God aangewezen leidslieden vereeren.
38
Derhalve moeten zij zich wachten, voor verzet tegen hunne verordeningen , en hunnen raad en bijstand in alle noodwendigheden ootmoedig en vertrouwvol inroepen. — Zij zullen hunne vermaningen gewillig aanhooren, hunne berispingen eerbiedig aannemen en in ootmoed des harten aanstonds op eigen verbetering bedacht zijn, zonder lang hunne fouten te verontschuldigen. Zij zullen openhartig en naar waarheid de vragen der Oversten beantwoorden , en als soms hunne bevelen al te zwaar of gevaarlijk voorkomen , hun dat mededeelen, om den noodigen steun te erlangen en zoo het hun opgedragene naar best vermogen te kunnen vervullen. Want een gehoorzaam man zal van overwinning spreken. (Prov. XXI. 28.)
Overigens moet het eigenlijk gewetensbestuur aan den biechtvader blijven overgelaten, met wien alles wat daarop betrekking heeft, moet behandeld worden , met uitsluiting van elke inmenging van den kant der Oversten; want daar volgens den H. Gre-gorius het bestuur der zielen de kunst der kunsten is, zoo mag zich niemand verstouten , dezelve uit te oefenen, als hy door God daartoe niet geroepen is, en door Hem, den oppersten Herder onzer zielen, daartoe niet met het noodig gezag en de noodige genade is uitgerust.
39
§ 27.
Van de Taderlijke liefde der Oversten tot hunne onderdanen.
De Oversten zullen hunne onderhoorigen steeds vriendelijk en zachtmoedig behandelen en allen zonder aanzien van persoon vaderlijk liefhebbeu. Vooral echter moeten zij de vermaning van den Apostel der volken indachtig zijn (Tit. II. 7.): „ Betoon u zeiven in alles een voorbeeld van goede werken , in de leer , in oprechtheid , in waardigheid.quot; Want de oogen der onderdanen zijn op hunnen levenswandel en hun gedrag gericht als op hun regel en voorbeeld, dat zij in alles willen navolgen ; en hunne vermaningen zullen nutteloos blijven, als zij dezelve niet steeds door goede werken kracht bijzetten.
Opdat zij echter wegens hunne verhevene plaats niet hoovaardig zouden worden, moeten zij nooit vergeten, dat hunne bediening geen geringe last is, en dat zij daarover op den dag des oordeels een allerstrengste rekenschap zullen moeten afleggen, dewijl hun gezag van den Heer is geschonken en macht van den Allerhoogste, die hunne werken onderzoeken en hunne gedachten navorschen zal; vree-selijk en snel zal Hij voor hen verschijnen, daar een zeer streng oordeel zal gehouden worden over hen,
40
die over anderen gebieden; want den geringen mensch wedervaart erbarming; maar de machtigen zullen machtig gestraft worden. (Sap. VI. 4, 6, 7.) Want indien zij de hun verleende macht niet gebruiken tot hun eigen heil en dat hunner onderdanen en zich voor allen in woord en daad niet als ware religieuzen vertoonen, dan zal in hen de uitspraak van den Prediker bewaarheid worden : (Ecc. X. 5, 6.) „ Er is een kwaad , dat ik zag onder de zon, een kwaad, dat als door een misslag van den vorst uitgaat : ik zag een dwazen mensch in hooge eere-posten geplaatst, terwijl vermogenden (in deugd en verdiensten) in de laagte zaten.quot;
§ 28.
Van de verhouding der Broeders tot elkander.
De Broeders zullen elkander wederkeerig die liefde toedragen, welke zij moeten hebben voor dienaren van Christus en medearbeiders in het goede. Deze liefde is geduldig in 't verdragen van eens anders zwakheden ; gaarne betoont zij zich in geoorloofde zaken dienstwillig. Zij wordt niet afgunstig, wanneer de Medebroeder verheven wordt, en is niet zelfzuchtig op eigen voordeel bedacht; zij wordt door de haar geschonken gaven der natuur en dei-genaden niet opgeblazen en dingt niet roemzuchtig naar de eerste plaatsen en hoogste eer; zij zoekt
41
niet haar eigenbelang maar de eer van God en het welzijn des naasten; door beleedigingen geraakt zij niet in toorn ; zij denkt niet aanstonds kwaad van een Medebroeder, als zjj hem al eens iets minder goeds ziet doen ; zij heeft geen behagen in het kwaad, maar vermaant den gevallenen met broederlijke liefde tot inkeer ; zij bemint echter de waarheid, terwijl zij met woord en daad getuigenis voor haar aflegt, vooral dan , als het minder aangenaam is en het er op aan komt, zijne eigene fouten te erkennen en een verwijt desbetreffende van een Medebroeder ter harte te nemen, door zich te beteren ; zij verdraagt alles in Christus en om Christus wil; zij gelooft alles wat God veropenbaard heeft en ons door zijne Kerk voorhoudt te gelooven; zij verhoopt alles, wat de goddelijke Goedheid beloofd heeft, dewijl God, door wien wij tot de vereeniging met zijnen Zoon J. C. geroepen zijn , getrouw is ; zij lijdt liever alles , dan Christus te beleedigen, die ons bemind en in zijn bloed van onze zonden gereinigd hejft.
Dat de Broeders dus zich jegens elkander zoo gedragen dat zij vorderingen maken in de liefde en in de uitoefening van goede werken (Hebr. X. 24.) en steeds elkander de hartelijkste liefde toedragen , daar de liefde de menigte der zonden bedekt (1 Petr. IV. 8.). Daaraan zullen allen erkennen,
42
dat zij leerlingen van Christus zijn , als zij de onderlinge liefde steeds in 't hart dragen en uitwendig toonen.
Om echter deze broederlijke liefde steeds te bewaren , moeten de Boeders vooral op hunne hoede zijn tegen de zoogenaamde bijzondere vriendschappen , dewijl niets zoozeer in strijd is met het algemeen welzijn , als juist deze. Wanneer de plicht het niet van hen eiseht, zullen zij nooit letten op het leven en den levenswandel hunner Medebroeders, opdat zij, met naar den splinter in het oog des Broeders te zien, niet verhinderd worden den balk in hunne eigene oogen op te merken. — Zij zullen elk gesprek over de gebreken van anderen vluchten, het woord des Predikers indachtig (X. 11.) „Wie heimelijk belastert, staat gelijk met eene slang, die in 'stilte bijtwant de lasteraar is een voorwerp van afschuw voor de menschen (Prov. XXIV. 9.) en wie zijnen broeder lastert, of over zijnen broeder oordeelt, handelt tegen de wet en maakt zich tot rechter over de wet des Heeren. (Jac. IV. 11.) Wanneer gij echter soms iets ten nadeele van uwen naaste hoort, dan moet gij het in u laten wegsterven ; want gij kunt zeker zijn, dat gij er niet van zult omkomen. (Sir. XIX. 10.) Deze liefde eindelijk zullen zij vooral bewijzen aan hunne zieke Medebroeders, wier lijden zij uit alle vermogen
43
zullen pogen te verzachten , en aan de stervenden, die zij in den doodstrijd met hun gebed zullen bijstaan. Allen moeten verder bidden voor de afgestorvene Medebroeders, terwijl de Oversten zullen zorgen, dat voor elkeen in ieder Huis der Congregatie eene H. Mis gelezen worde.
§ 29.
Van de verhouding der Broeders opziclitens de vreemdelingen.
Tegenover vreemdelingen moeten de Broeders steeds groote bescheidenheid aan den dag leggen en niet te vertrouwelijk met hen omgaan. Gelijk Christus onze Heer, toen men Hem zeide : „ Zie , daarbuiten staan uwe moeder en uwe broeders en zij zoeken U,quot; terstond antwoordde : „Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broedersquot; en vervolgens op zijne leerlingen doelende er bij voegde : „ Ziet deze zijn mijne moeder en mijne broederszoo zullen ook de Barmhartige Broeders, dewijl zij hen, met wie zij in de wereld verbonden waren , verlaten hebben, uitsluitend hunne Medebroeders in de Congregatie in hunne plaats doen treden en in stichtenden omgang met hen zich zoeken te ontspannen. Met dit voorschrift strijdt echter geenszins die heilige liefde tot ouders en bloedverwanten, waardoor zij hen in God en om God beminnen ,
u
voortdurend voor hen bidden, en zoo hun meer zoeken van nut te zijn dan door veelvuldige bezoeken en gesprekken, welke slechts verstrooiingen veroorzaken. Dientengevolge zullen zij zich van alle onnoodig verkeer met vreemdelingen , voornamelijk met vrouwspersonen nauwkeurig onthouden, en als iemand hen komt bezoeken , de zaak voor zoover noodig is, kort doch vriendelijk afhandelen in eene zich bij de huisdeur bevindende spreekkamer en, als de Overste des Huizes dat goedvindt, in tegenwoordigheid van eenen anderen Broeder. In de huizen van bijzondere personen mogen zij zonder noodzakelijkheid niet ingaan en zonder voldoende reden ook niet reizen. Wanneer het een langduriger afwezigheid betreft, moet de toestemming van den Algemeenen Overste gevraagd worden. In zulke gevallen zullen zij , als het gevoeglijk kan geschieden , in gezelschap van een Medebroeder reizen en daarbij niet van den voorgeschreven weg afwijken, noch van elkander gaan. Vreemdelingen, die hen komen bezoeken, moeten zij, wanneer de christelijke liefde of de noodzakelijkheid dit vereischt, huisvesting geven ; die personen zullen echter slechts bediend worden door hen , die door den Overste daarvoor worden aangewezen ; al de overige Broeders moeten zich zorgvuldig wachten met hen om te gaan.
Wanneer de Broeders door de straten eener plaats
45
gaan, zullen zij, zooveel doetilijk de stilzwijgendheid onderhouden en de voorbijgangers niet zonder reden aanspreken , en als zij aangesproken worden kort en beleefd antwoorden , zonder zich langer op te houden of nuttelooze gesprekken aan te knoopen. Bij dit alles moeten zij eindelijk steeds het voorschrift des Heeren indachtig zijn. (Matth. V. 16.) : „Zoo zal uw licht voor de menschen schitteren, dat zij uwe goede werken zien en uwen Vader prijzen. Die in den Hemel is.quot;
§ 30.
Van het brieven schrijven.
De Overste zal alle brieven , welke de Broeders schrijven en ontvangen, lezen, met uitzondering van die, welke een hoogere Overste aan een Broeder schrijft, of welke een Broeder aan een hoogeren Overste zendt.
Daarbij moeten echter allen steeds zeer eenvoudig schrijven en niet zonder noodzakelijkheid, voornamelijk niet aan vreemdelingen. Hierop moeten de Oversten een waakzaam oog houden.
§ 31.
Yan de levenswijze, de kleeding, den arbeid en de uitspanning der Broeders.
De voeding der Broeders zal zijn , gelijk die van den gewonen werkman : zoo krachtig en toereikend,
46
dat zij daarbij hunne zware werkzaamheden kunnen volhouden.
Hunne kleeding bestaat in een toog van zwarte kleur van gewoon sterk laken, een gordel van zwart leder, een zwarten schoudermantel en zwarten hoed en een collare van wit linnen. Daarenboven dragen de Geprofesten aan den gordel eenen rozenkrans met eene medalje der H. Familie en onder den toog op de borst een kruis van den doodstrijd.
De Overste moet iederen Broeder dagelijks zijn werk aanwijzen; allen echter moeten , in zooverre zij niet voor de ziekenverpleging gebruikt worden op den door de dagorde bepaalden tijd in huis, of in den tuin , op het veld of met het ambacht, dat zij geleerd hebben, bezig zijn, opdat niemand ledig weze. Doch men moet acht geven , dat de Broeders bij veldarbeid niet te veel door de voorbijgangers kunnen gezien worden, en men begrijpt van zelf, dat zij bij al die werkzaamheden immer alleen voor de Congregatie arbeiden, en niet tegen belooning voor vreemdelingen.
Opdat zij echter de vereischte gelegenheid zouden hebben, om hunne krachten van ziel en lichaam te behouden en te vermeerderen zullen zij, buiten den gevorderden tijd voor nachtrust, dagelijks, zoowel na het middag- als na het avondeten, zoo mogelijk een vol uur, zich gezamenlijk ontspannen.
4-7
Gedurende dezen uitspanningstijd moet een ieder er zich op toeleggen, de broederlijke liefde jegens iedereen zonder onderscheid naar vermogen te beoefenen , zonder toe te geven aan zijne bijzondere neigingen en verlangens, opdat ook hierin het woord van den Psalmist vervuld worde. (Ps. CXXXII. 1—3.) „Ziet hoe goed en aangenaam het is, als broeders samen te wonen; want daar geeft de Heer zegen en het eeuwig leven.quot;
§ 32.
Van de Huizen der Congregatie.
De Huizen der Congregatie moeten van het noo-dige, doch eenvoudige en gewone huisraad voorzien zijn. Wanneer het gevoeglijk geschieden kan, zal iedere Broeder eene afzonderlijke cel hebben, doch welke niet gesloten kan worden of ook geen zaken voor afzonderlijk gebruik bevatten mag, die zouden gesloten kunnen worden.
De spreekkamers zullen wat beter ingericht mogen worden en den gasten mag men naar de omstandigheden van het Huis ook betere spijzen voorzetten, opdat men alzoo aan den plicht der christelijke gastvrijheid voldoe. (Vergel. § 29.)
B. Van de ziekenverpleging.
§ 33.
Na eigen heiliging bestaat de hoofdbezigheid der Barmhartige Broeders in de verpleging van mannelijke personen, die naar lichaam of geest ziek zijn, en zij bewijzen die voortdurend belangeloos ter liefde van God en hunnen evenmensch , zoodat niemand van hunne verpleging is uitgesloten, al zou zijne ziekte ook nog zoo aanstekelijk of walgelijk zijn.
Zij wijden zich aan deze ziekenverpleging zoowel in hospitalen als in de particuliere huizen der zieken. Ofschoon zij zich niet onttrekken aan de verpleging van rijkere zieken, zoo bewijzen zij toch voor alles aan de arme klassen hunne diensten en trachten daarbij de zieken op alle mogelijke wijze te verlichten. Wanneer arme menschen hun eene schadevergoeding aanbieden, moeten zij deze in alle omstandigheden weigeren; maar geschenken, welke hun van welgestelde menschen uit vrijen wil worden aangeboden zullen zij dankbaar voor _ hun Huis aannemen. Bij de verpleging der zieken onttrekken zij zich nooit aan eenig dienstbewijs, al is het ook nog zoo gering of terugstootend; overigens moeten zij zich streng aan de voorschriften der geneesheeren houden , zonder in iets eigenmachtig met betrekking tot deze zaak te handelen.
49
§ 34.
Van het gedrag der Broeders bij de Yerpleging Tan zieken aan hnis.
De Broeders, die ziekeu in hunne eigene huizen * verplegen, zullen daarbij de in de Congregatie voorgeschrevene dagorde zooveel doenlijk nakomen en met name dagelijks de kleine getijden van Maria en 5 tientjes van den rozenkrans bidden, hunne meditatie en gewetensonderzoek doen, het stilzwijgen zooveel mogelijk onderhouden en, als het kan, eene H. Mis bijwonen. Het is hun ten strengste verboden bij hun verblijf in de familiën, zich in te laten met derzelver huiselijke of geldelijke aangelegenheden, voornamelijk, wanneer er sprake is van het maken van een testament of andere beschikkingen ; in deze zaken zullen zij zelfs allen schijn naar vermogen vermijden. Aangaande datgene , wat zij bij het verkeer met zulke familiën aangaande hun I toestand te weten komen, moeten zij tegenover derde personen het strengste stilzwijgen in acht i nemen.
Tegenover vrouwelijke personen, die zij in de woningen der zieken ontmoeten, zullen zij de grootste voorzichtigheid en terughouding in acht nemen, den omgang met haar tot het volstrekt
4
50
noodzakelijke bepalen, en alle samenkomst met haar zonder getuigen zooveel mogelijk ontwijken. „ Beschouw geene maagd, om niet soms te struikelen door hare schoonheid; velen gingen verloren ter oorzake van de schoonheid eener vrouw, en daaraan ontvlamt de begeerlijkheid , als een vuur. Velen hebben de schoonheid eener vreemde vrouw bewonderd en gingen ten gronde; want hare gesprekken ontsteken als vuur; zet u volstrekt niet neder met een andermans vrouw.quot;
Heeft een Broeder met de verpleging van een vreemden zieke zooveel werk , dat hij aan de gemeenschappelijke maaltijden der Communiteit niet kan deelnemen, dan zal hij, zoo mogelijk, in dat huis afzonderlijk eten; hij zal tevreden zijn met hetgeen men hem voorzet en ook bij welhebbende familiën de matigheid in acht nemen, welke aan eenen religieus past; want het is zijn plicht, terwijl hij voor de lichamelijke verpleging van den zieke bezorgd is, tegelijk ook met betrekking tot het geestelijke hem en alle huisgenooten door een goed voorbeeld van ootmoed , bescheidenheid, matigheid en versterving te stichten en allen op den weg der zaligheid voort te helpen.
Ook moeten de Broeders bij de ziekenverpleging zich toeleggen op groot geduld en zachtmoedig-
51
heid ; zij moeten medelijden hebben met de smarten hunner verpleegden, den Heer Jesus Christus in hen beschouwen en er naar streven , om eenmaal het heerlijke loon des eeuwigen levens te verkrijgen , welke Hij , onze Meester, aan zijne getrouwe dienaren beloofd heeft met de woorden (Matth. XXV. 34 , 36 , 40). Voorwaar, Ilc zeg u , voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt gij het aan Mij.. . Komt, gij gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het koninkrijk, dat voor u bereid is van de grondvesting der wereld af; Want Ik was krank en gij hebt Mij bezocht,quot; enz.
Duurt de dienst bij de zieken langer en is de Broeder daarbij zoo met bezigheden overladen of door verren afstand van het klooster verhinderd, nu en dan in hetzelve te komen uitrusten, dan zal hij, zoo mogelijk, voor eenige dagen tot ontspanning van lichaam en ziel door eenen anderen Broeder vervangen worden.
Tot de verpleging van zieken , die meer dan 2 mijlen van het klooster verwijderd wonen , zullen de Broedors in den regel niet uitgezonden worden. De Algemeene Overste kan echter om dringende redenen hierin dispenseeren.
52
Slot.
§ 35.
De voorgaande Constitutiën zullen jaarlijks viermaal in alle Huizen der Barmhartige Broeders worden voorgelezen, opdat de Leden der Congregatie dezelven steeds in herinnering houden en tot getrouwe vervulling hunner plichten worden opgewekt.
■
_
I. DECREET.
Dewijl bij gebrek aan voorzichtigheid der Kloosteroversten in het aannemen en inkleeden der postulanten er groot gevaar is, dat onwaardigen in de Kloostergemeenten geraken, wat steeds tot groot nadeel strekt, zoo heeft onze H. Vader Pius IX door het tegenwoordig Decreet het volgende verordend :
Niemand zal in eenige Orde, Congregatie of Kloostergemeente tot de inkleeding worden toegelaten , zonder dat de postulant brieven vertoone, zoowel van den Bisschop zijner geboorteplaats, alsook van den Bisschop dier plaats, waar hij na zijn 15de jaar zich meer dan een jaar heeft opgehouden. In deze getuigschriften zullen de Bisschoppen na voorafgegaan nauwkeurig onderzoek over de volgende punten naar beste weten en overtuiging verslag uitbrengen: „over geboorte, ouderdom, karakter , leven, goeden naam, stand, opvoeding en wetenschap van den postulant; verder, of hij misschien onder eenige rechterlijke verdenking ligt, of hij eenige censuur, irregulariteit of eenig ander kerkelijk beletsel heeft ingeloopen, of hij schulden heeft en over het beheer van het een of ander nog rekenschap moet afleggen.quot;
Het inachtnemen van dit Decreet wordt aan alle
55
Oversten, tot welke Congregatie zij ook behooren, uit kracht der H. Gehoorzaamheid ten strengste bevolen en iedere Overste, die tegen de bepaling van dit Decreet iemand tot de inkleeding toelaat, vervalt daardoor in het verlies van alle bedieningen, der actieve en passieve stem en in de altijddurende onbekwaamheid voor alle toekomende bedieningen en ambten, en kan van deze straf niet ontheven worden, tenzij door dispensatie van den H. Stoel.
Dit Decreet zal op den lsten Januari van elk jaar aan de openbare tafel worden voorgelezen en wanneer dit niet geschiedt, vervallen de Oversten daardoor eveneens in de straf van het verlies hunner bediening , alsmede van hunne actieve en passieve stem.
Gegeven te Rome den 25 Januari 1848.
II. DECREET.
De Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting houdt in zijne onuitsprekelijke Voorzienigheid niet op, vooral in tijden van zware , over de Kerk losbrekende stormen, barmhartige mannen te verwekken, die zich uit eigen beweging aan werken van godsvrucht en naastenliefde toewijden, en zich met grooteren ijver op eigene heiliging en die van hunnen evenmensch toeleggen , en daar-
56
door den grondslag voor godvruchtige Congregatiën trachten te leggen tot groot nut van Kerk en staat.
Onder die godvruchtige vereenigingen, moet men voorzeker rekenen diegene, welke in 't jaar 1856 in het hospitaal van den H. Jozef te Hadamar in het bisdom Limburg ontstaan is, onder den naam van „ Barmhartige Broedersquot;, die behalve hunne eigene heiliging zich bijzonder ten doel stellen, — zieken van het mannelijk geslacht (bij voorkeur arme) en ouden van dagen, alsmede krankzinnigen, hetzij in gasthuizen of in bijzondere woningen met allen ijver en liefde te verplegen. De Broeders blijven leeken, leven te zamen onder het bestuur van eenen Alge-meenen Overste en leggen de drie gewone eenvoudige Geloften af nl. van Gehoorzaamheid, Armoede en Zuiverheid.
Hunne levenswijze en hunne werken van heldhaftige naastenliefde verwierven hun al spoedig den algemeenen bijval des volks. En zoo namen de Barmhartige Broeders tegelijk in ledental toe, zoodat zij in 't jaar 1861 zoowel in het stadje Montabaur als in de stad Wiesbaden nieuwe Huizen konden oprichten met dit gevolg, dat zij het Huis te Montabaur aanwezen tot Moederhuis, waar de Algemeene Overste der Congregatie met zijnen raad 'verblijf houdt; verder stichtten zij in 't jaar 1865 een ander Suecursaalhuis in 't stadje Höchst, en
57
richtten vervolgens in 't jaar 1868 een groot ziekenhuis op te Frankfort a/M.
Eindelijk heeft in 't jaar 1875 de nieuwe Congregatie de grenzen van 't bisdom Limburg overschreden en verdere Succursaalhuizen opgericht in de steden 's-Hertogenbosch , Haarlem en Amsterdam in Nederland, in 't aartsbisdom Keulen en in 't bisdom Munster, zoodat zij thans reeds zeer uitgebreid blijkt te zijn en het getal Huizen en Broeders onder Gods zegen dagelijks toeneemt. Dit alles heeft de Bisschop van Limburg aan onzen H. Vader Leo XIII medegedeeld en Z. H. daarbij namens gezegde Broeders dringend gesmeekt, dat Hij in zijne apostolische goedheid zich moge gewaardigen, genoemde Congregatie en derzelver Constitutiën, van welke hij een exemplaar ten onderzoek er bijvoegde, goed te keuren, of ten minste door eenig openbaar getuigschrift van den Apostolischen Stoel zijne ingenomenheid er mede te betuigen. Bij dit verzoek waren aanbevelingsbrieven van alle Bisschoppen gevoegd, in wier bisdommen Huizen dier godvruchtige Vereeniging bestaan.
Z. H. nu heeft, in eene aan den ondergeteeken-den Secretaris van de H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren op den 24 Augustus 1888 verleende audiëntie, voornamelijk met het oog op bovenvermelde aanbevelingsbrieven , na een rijp en
58
nauwkeurig onderzoek van den stand der zaken , om het verlangen der voornoemde Bisschoppen op de meest gewenschte wijze in te willigen, (Z. H. dan) heeft de goedheid gehad, het oogmerk en doeleinde van voornoemde Congregatie in loffelijke woorden te prijzen en aan te bevelen, gelijk uit kracht van het tegenwoordig Decreet het dool en het streven dezer Congregatie op voortreffelijke wijze geprezen en aanbevolen wordt, terwijl nochtans hierbij de jurisdictie der Ordinarissen naar de bepaling der H. Kerkwetten en apostolische Con-stitutiën wordt gewaarborgd en de goedkeuring der Congregatie en der Constitutiën, betreffende dewelke de H. Vader heeft bevolen eenige opmerkingen mede te deelen , tot een meer geschikten tijd verschoven wordt.
Daarenboven heeft Z. H. aan de Broeders dier prijzenswaardige Congregatie door het tegenwoordig Decreet volle aflaten verleend, die in den gewonen vorm der Kerk , op den dag der Kleeding, van de tijdelijke zoowel als altijddurende Professie en ook op den verjaardag der Professie , alsmede op het feest der Onbevlekte Ontvangenis der allerzaligste Maagd Maria en het Beschermfeest van den 11. Jozef, haren allerzaligsten Bruidegom, verdiend kunnen worden, onder voorwaarde , dat zij na eene rouwmoedige biecht en het ontvangen der H. Communie
59
nog eenigen tijd aandachtig tot God bidden voor de verheffing der H. Roomsche Kerk en de uitroeiing der ketterijen. Z. H. heeft echter te gelijk bevolen, dat het tegenwoordig Decreet betreffende die aflaten hetzelfde gezag hebbe, als ware daarover eene Breve uitgevaardigd ; al wat hiermede in strijd is, ook al moest het in 't bijzonder vernoemd worden , zal van geen kracht zijn. —
Ten slotte uit Z. H. de hoop, dat de Barmhartige Broeders, aangespoord door deze openlijke getuigenis van den Apostolischen Stoel, meer en meer in deugd zullen vooruitgaan, met de genaden steeds meer en meer zullen trachten mede te werken en met meer vreugde naar het bereiken van 't voorgestelde doel zullen streven, en daardoor eiken dag rijkere vruchten in den wijngaard des Heeren zullen inoogsten.
Gegeven te Rome in de Secretarie van voornoemde H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren den 21 September 1888.
J. Card. Mansotti , Prefect, f fr. Aloysius , Bissch. van Call.
n
ÏWquot; I
r
£
MB