nH 'T'ik.
3la
BEDENKINGEN
TEGEN HET ONTWERP
aatselijke DiFeete Belasting
OP DE INKOMSTEN,
1)
IN DE jj-EMEENTE JJTRECHT,
Mr. N. F. VAN NOOTEN.
--■£383®!-
te
IE
JTE
UTRECHT,
Gebr. VAN DER POST. 1886.
-f
BEDENKINGEN
TEGEN HET ONTWERP
OP DE INKOMSTEN,
Mr. N. F. VAN NOOTEN.
-^CSl5Camp;-
U T K E c H ï ,
Gebr. VAN DEU POST. 1886.
In de vergadering van den Gemeenteraad van Utrecht van 14 October 188G ') is ingekomen eene voordracht van Burgemeester en Wethouders, dd. 12 October 1886, n0.29D.B.. tot vaststelling eener Verordening tot heffing eener plaatselijke directe belasting, berekend naar het inkomen, en is besloten deze voordracht te doen drukken en ronddeelen, voor het publiek verkrijgbaar te stellen en haar te verzenden naar de afdeelingen.
Heeft de Raad alzoo begrepen de bedoelde voordracht aan een grondig voorafgaand onderzoek te onderwerpen, hij heeft gemeend ook vóór de openbare behandeling dezer aangelegenheid, ieder belangstellende de gelegenheid te moeten verschaften van deze voordracht kennis te nemen, en zijne zienswijze daarover bekend te maken.
Wordt nu door belanghebbenden over dit onderwerp een eerbiedig stilzwijgen inachtgenomen, dan zou met grond beweerd kunnen worden dat bij de ingezetenen dezer gemeente geen bezwaar tegen het nieuw ingediende belastingplan bestaat.
Het komt S. dezes wenschelijk voor dit stilzwijgen niet te bewaren, al mocht ook zijne stem eene vox damans in deserto zijn.
Het onderwerp wordt ingeleid door eene Nota over de Plaatselijke Belasting te Utrecht, voerende de dagteekening Utrecht, September 1880, onderteekend „B. Reiger.quot;
') Bijv. Utr. Dagblad 23 October 1880.
4
Het wcrlc is dus niet voorbereid door eene bijzondere Kaadscommissie, door den Eaad zeiven gekozen, maar door ee'n Lid van den Kaad, den Heer Wethouder Mr. B. Eeiöer, met wiens arbeid B. en W. zich vereenigd hebben.
BI. 1—25 bespreekt de Heer Reiger de geschiedenis van de vastsstelling der bestaande belastingverordening. Zij is tot stand gekomen, nadat bij de wet van 13 Juli 1855 (Sb. n0. 103) de accijns op het gemaal was afgeschaft, waardoor aan de gemeentekas eene jaarlijksche bate van ongeveer ƒ 85,000.— ontviel.
Op 13 December 1855 schonk de Eaad zijne goedkeuring aan het voorstel eener Eaadscommissie om de ingezetenen, naar hun aanslag in 's Eijks personeele belasting met de Eijks-opcenten, te verdeelen in veertien klassen (de eerste van ƒ1.— tot ƒ 20.— en de veertiende van j 600.— enhooger), en het verteerbaar inkomen te berekenen door den aanslag te vermenigvuldigen met 20 voor de eerste klasse en geregeld voor elke klasse met 1 opklimmend tot en met 33 voor de hoogste klasse. Er werd eene vermeerdering of vermindering van den aanslag voorgesteld naar de talrijkheid van het gezin.
Een plan van eigene directe belasting was reeds voorbereid door eene Eaadscommissie, benoemd bij besluit van 27 Mei 1852, welke in December 1854 rapport heett uitgebracht, bij monde van haren rapporteur wijlen Mr. J. Ackersdijck. Dit plan had tot grondslag heffing eener directe belasting in evenredigheid der huurwaarde; beneden ƒ 500.— vrij, doch van ƒ 500.— tot ƒ 1,500.— en daarboven voor huurwaarde opklimmende in twaalf klassen. — „De omslag zalquot;, zeide de comm. bl. 7, „indien gij ons plan goedkeurt, worden uit-„ gestrekt over de bewoners van huizen van ƒ 500.— huur-swaarde en daarboven. Het maximum voor één persoon zal „bedragen 0 percent van de huur van ƒ 500.— tot ƒ 600.— „en met één percent klimmen bij elke ƒ 100.— meerdere „huur, zoodat over eene huur van ƒ 1,400.— tot ƒ 1,500.— „de belasting 15 percent der huur zal bedragen, en van ..ƒ 1,500.— en daarboven 16 percent. Doch te gelijk zal de
„belasting met een half percent verminderen voor eiken per-„soon meer dan ée'n, tot aan het getal van negen, zoodat „het minimum der belasting voor familiën van 9 of meer „personen zal bedragen van 2 tot 12 ten honderd van de „huurwaarde blijkens de tabelquot;, welke daarbij is gevoegd.
Nadat bij de behandeling der begrooting voor 1855 gebleken was, dat er nog eene som van ƒ 38,000.— moest gedekt worden, besloot de Kaad ook deze som door directe belasting te heften, en werd opnieuw aan eene Commissie de opdracht gegeven, „deze zaak nader te onderzoeken en „een voorstel te doen omtrent de wijze van heffing der directe „belastingquot; ').
„Deze Commissie benoemd 25 October 1855, bracht reeds „op 21 November daaraanvolgende haar rapport uit „waarmede de Eaad zich, zooals hierboven is vermeld, op 18 December 1855 vereenigd heeft.
Dienovereenkomstig is de verordening op de plaatselijke belasting alstoen door den Raad vastgesteld, zij is sedert meermalen gewijzigd, maar wat de grondslagen aangaat, is de directe belasting dezelfde gebleven; laatstelijk is de verordening op hare heffing vastgesteld bij Raadsbesluit van 29 October 1885 , en is de heffing dezer belasting naar aanleiding van de artt. 233 en 235, 2e lid der Gemeentewet, door B. en W. aan Ged. Staten der Provincie Utrecht voorgedragen en goedgekeurd bij Kon. besluit van 30 November 1885, n». 18.
Volgens deze Verordening geschiedt de aanslag in 25 klassen , de 1. omvattende alle aanslagen van ƒ 1. — tot en met ƒ 20.— , te vermenigvuldigen met 20 : voorts in opklimmende verhouding, zoodat naar de 25 klasse, omvattende alle aanslagen van / 1700.— en hooger, deze moeten worden vermenigvuldigd met 66.
Daar met de afschaffing van de belasting op het gemaal de geheele burgerij gebaat was, is het minimum der huurwaarde van f 500.— in 1854 voorgedragen, moeten vervallen.
Bij deze plaatselijke directe belasting, welker opbrengst
!) Nota bid. 6.
6
van den aanvang af jaarlijks klimmende is geweest, vooral tangevolge van de uitbreiding van het bebouwde deel dei-gemeente, heeft geen overwegend bezwaar plaats gevonden. Voor het dienstjaar 1885 bij de begrooting geraamd op ƒ 166,000.— heeft zij blijkens de rekening over dit dienstjaar zuiver opgebracht ƒ 170,364.17, terwijl er nog ƒ 26,610.825 te vorderen bleef, waarvan ƒ 8,125.97 als oninbaar is afgeschreven en nog ƒ 18,4.84.85' te verhalen bleef.
De invordering dezer belasting, welke een zeker burgerrecht in deze gemeente verkregen heeft, is hoogst eenvoudig.
Uit de gegevens welke de rijksontvanger aan den gemeenteontvanger levert, in verband met de hoegrootheid der gezinnen, volgens het bevolkings-register, wordt met nauwkeurigheid ieders aanslag berekend.
Welke redenen moeten er nu bestaan om hierin verandering te brengen ? Aandrang van enkele raadsleden om verandering had geen aanleiding mogen geven om van 13. en W. voorstellen eener andere plaatselijke belasting te vorderen! Geen raadsbesluit toch was er, waarbij het voorstellen eener inkomstenbelasting in plaats van de bestaande verlangd werd. Immers dan ware het voorzichtiger geweest, evenals vroeger, het onderwerp aan de voorlichting eener speciale raadscommissie toe te vertrouwen. Daarenboven, het stond die raadsleden , welke verandering begeerden, vrij om het initiatief te nemen en zelve plannen eener belasting op het inkomen voor te dragen.
Terecht zegt dan ook de heer Reiger', blz. 65: ,Tegen „elke verandering kan en zal ook wel worden aangevoerd , „dat de maatschappij zich naar het bestaande belastingstelsel „voegt, zoodat ook belastingen , die bij hare eerste invoering „aan sommigen uitsluitend, of aan sommigen in zeer onge-„lijke mate offers opleggen, op den duur te dien opzichte „geheel andere werkingen hebben. Na verloop van tijd ont-„staat eene zekere verplaatsing van druk, waardoor diegenen, „die al te zwaar belast zijn , een deel van den last op anderen „overbrengen.quot;
Het was in deze gemeente dezelfde klacht, als die welke
7
jaarlijks in de Staten-Generaal terugkeert, dat de belasting op het personeel, op het patent, en welke belastingen meer, behooren herzien te worden! Het was dezelfde aandrang als in de Tweede Kamer om eene belasting op het inkomen of op het roerend vermogen te doen invoeren, welke sedert 1848 telkens op onoverkomelijke bezwaren is afgestuit.
In onze gemeente zijn de ingezetenen aan de eigen plaatselijke directe belasting, zooals zij hier geheven wordt, gewoon geworden; haar bedrag is matig in vergelijking van dat in andere groote steden des lands. De bewoning dezer stad wordt door velen wenschelijk geacht omdat er gevestigd is de universiteit, het gymnasium en vele andere goede instellingen van middelbaar en van lager onderwijs. Onze stad is geen handelsstad ; de handel en de industrie zijn er hoofdzakelijk om te voorzien in de behoeften der ingezetenen. De handelsstand in deze gemeente, zoowel als de neringdoende, heeft er belang bij dat in deze stad, welke om hare schoone ligging in het midden des lands door gegoeden van elders tot woonplaats gekozen wordt, geen hoofdelijke omslag geheven worde, welke in andere steden, zooals te Arnhem en te Amsterdam voor de bewoners bezwarend wordt, met het gevolg, dat velen een andere woonplaats kiezen.
Blz. 56 erkent dan ook Mr. Reiger, „dat erin onze gemeente „inderdaad van ontevredenheid over de verdeeling der belastingen weinig is gebleken.quot;
Wat volgt hieruit ? Dat eigenlijk geene redenen voor gegronde klachten behoeven te worden opgespoord, zooals in de bedoeling van den verslaggever schijnt gelegen te zijn ; groepeering van cijfers, zooals die in het verslag gevonden wordt, stelt niet zonneklaar in het licht wat de verslaggever daarmede bewijzen wil.
Meer dan cijfers moeten degelijke argumenten bewijzen hetgeen men wil zien in het licht gesteld.
Zijn er in de middelklasse, wier verteringsvermogen eenigszins te hoog wordt gerekend, de omstandigheid dat zij een deel van hun woning aan een ander, of anderen, verhuren en bij het sluiten der huren op de plaatselijke belas-
8
ting rekenen, neemt dat bezwaar voor den hoofdbewoner weg.
Mr. Reiger is blijkbaar uitgegaan van de onderstelling, dat eene belasting op het inkomen de thans alhier bestaande directe belasting behoort te vervangen; hieruit volgde, dat op hem rustte als bewijslast dat cle belasting op het inkomen der ingezetenen de beste is, welke te bedenken valt.
Hij ontveinst zich niet de bezwaren, aan deze belasting verbonden; maar „men vergelijkequot; zegt bij bl. 58, „de ge-,breken der inkomsten-belasting met die van het equivalent ,en beoordeele wat beter maatstaf is voor de draagkracht: „het vermoedelijk inkomen, zooals het door schatting zal „worden vastgesteld, of de aanslag in het personeel.quot;
„Die schatting is ongetwijfeld eene uitermate moeielijke „en onaangename taak voor diegenen, die er mede belast „zullen zijn. Misslagen en vergissingen zullen zeker daarbij „niet ontbreken, maar langzamerhand zal hier evenals „elders eene betere kennis der inkomsten worden verkregen , „waardoor de kohieren meer en meer zullen naderen tot de „waarheid.quot;
Met deze voorstelling wordt dan toch niet het wen-schelijke eener rechtstreeksche inkomsten-belasting bewezen. Is reeds de schatting eene onaangename taak voor diegenen, welke er mede belast worden en zal, zoo het op raadsleden zal rusten, het lidmaatschap van den raad eene alles behalve aangename taak met zich brengen , het gevolg zal zijn, dat velen zich aan eene benoeming tot raadslid zullen ontrekken! zooals wij later zullen zien, willen B. en W. ook ingezetenen belasten met hen in deze voor te lichten , voorzeker eene taak voor deze niet minder onaangenaam dan voor de raadsleden; maar hoe kunnen ingezetenen worden gedwongen om zich zoodanige opdracht te laten welgevallen ? Waar is het wettelijke voorschrift dat den Raad de bevoegdheid verleent ingezetenen tot bijstand, tot voorlichting van het dagelijksch bestuur op te roepen; welke is de wet die ingezetenen liiertoe verplichten kan ? B. en W. voorgelicht door met do schatting belaste raadsleden, en door de Commissie van ingezetenen zullen zich moeten begeven in
9
de kennis van de huishouding der ingezetenen, die, tenzij het een inkomen geldt uit jaarwedden, vaste goederen , dividenden van aandeelen in maatschappijen, renten van inschrijvingen op de Grootboeken der Nationale schuld verkregen , slechts op de opgaven der ingezetenen zeiven rusten kan. Dan juist in dit laatste is verreweg het onaangenaamste voor de ingezetenen gelegen. Er zullen ingezetenen zijn, die genoodzaakt zijn meer te verteren dan hun inkomen is; deze worden bezwaard, omdat zij zich genoodzaakt zullen gevoelen hun inkomen op te geven boven het werkelijke bedrag; een koopman , wiens zaken achteruitgaan, zal desniettegenstaande om dezen achteruitgang te verbloemen zijne inkomsten hooger opgeven dan de werkelijkheid. Bovendien de inkomsten-belasting is , hoe billijk ook in het afgetrok-kene, niet populair; in het algemeen is men er afkeerig van. Zal het nieuwe belasting-stelsel dan minder klachten uitlokken dan het bestaande, hetwelk zooals erkend wordt, geen enkele reden tot klachten oplevert ? Ons equivalent, op enkele, niet uitsluitend op alle, grondslagen van de per-soneele belasting gevestigd, ontgaat al deze bezwaren welke de hoofdelijke omslag met zich voert. In 1874 is door daartoe benoemde Kaadscommissie, welke Mr. W. R. Boer tot Voorzitter had, een rapport uitgebracht; deze verklaarde zich tegen eene belasting op de inkomsten , maar droeg eene directe belasting voor naar grondslagen, wel overeenkomende met die der belasting op het personeel, maar van het bedrag daarvan onafhankelijk; ook dit heeft destijds geen gevolg gehad. Voor onzen tijd was het bewaard eene belasting op het inkomen te zien voorstellen. Mr. Reiger leverde met talent hiertoe de bouwstoffen.
Nadat Mr. Reiger het voor en tegen besproken heeft, is zijne Nota vergezeld van Ontwerp-Verordeningen op de heffing en de invordering eener plaatselijke directe belasting naar het inkomen, met Memorie van Toelichting, met welk een en ander B. en quot;W. zich vereenigd hebben.
Art. 1 van dit ontwerp luidt: „Er wordt in deze „gemeente eene plaatselijke belasting geheven van het jaar-„lijksch inkomen der belastingplichtigen.quot;
10
Naar hetgeen de steller van het Ontwerp in de Nota had opgemerkt, vereischte dat artikel voorzeker geene toelichting ; uit art. 5—7 zou blijken hoe het jaarlijksch inkomen berekend wordt.
Art. 2 bepaalt : „Het bedrag der heffing is hoogstens 2 „pet., en wordt jaarlijks door den Raad vastgesteld.quot; Hoogstens 2 pet. moge niet te bezwarend zijn; wanneer de Verordening bestaat heeft slechts herziening van dit voorschrift plaats te hebben , om het bedrag der heffing te verhoogen. De steller der Memorie meent echter, dat het bedrag der-heffing minder dan 2 pet. zal zijn, en zet met het oog op de opgaven, welke te vinden zijn in de Bijlage van de Memorie van Antwoord van den Minister van Financien op het Voorloopig Verslag over het ontwerp tot heffing eener klassenbelasting) ') met cijfers uiteen, dat bij eene heffing van 1.7 quot;/o de opbrengst in deze gemeente bedragen zal f 188,61:9; eene som welke ƒ 200,025 minder bedraagt , dan de verwachte zuivere opbrengst van het equivalent over 1885.
„Wegensafschrijvingen, restitutiën en oninvorderbare posten „zou de opbrengst iets minder zijn.quot;
Art 3 schrijft voor: „Ieder, die ingevolge artikel 245 der „gemeentewet in deze gemeente zijn verblijf houdt, of er „minstens slechts drie maanden van het jaar verblijft, en wiens „jaarlijksch inkomen ƒ 600 of meer bedraagt, is belastingplichtig.quot;
Dit artikel is geschreven met het oog op art. 245 der gemeentewet, zooals dit is gewijzigd bij art. 5 der wet van 7 Juli 1865 (Stbl. n0. 79). Het is Burgemeester en Wethouders wenschelijk voorgekomen, het minimum van belastbaarheid op f 600.— te stellen. „Hierdoor,quot; zegt de memorie , „wordt eenigszins tegemoetgekomen aan het bezwaar dat de minstgegoeden een deel dragen in een aantal accijn-sen en ook somtijds in het personeel, „dat niet evenredig „is aan hunne draagkracht en aan het aandeel, dat door
') Handelingen der Staten-Generaal. Bijlagen 1883—8i.
11
„raeergegoeden wordt betaald.quot; Het mag de vraag zijn, of deze beweeggrond juist is. Het bedrag van de personeele belasting heeft in vele opzichten een progressief karakter, zoodat de meergegoeden ook naar mate van hun vermogen, meer betalen.
Hebben dan de minder gegoede ingezetenen niet evenzeer bescherming van Staatswege dan de meergegoeden ; en is het daarom niet billijk, dat zij naar hun vermogen bijdragen in accijnsen , onder welke er zijn, dip zij zich vrijwillig opleggen?
Bij de primitieve vaststelling der verordening op de plaatselijke belasting, is in afwijking van het voorstel der eerste Eaadscommissie, hetwelk de huurwaarde tot grondslag had , en de aanslagen beneden de ƒ500.— vrij wilde laten, begrepen , dat ook lagere aanslagen als maatstaf van het verteringsvermogen in aanmerking moesten komen, omdat de ingezetenen van minder inkomen waren gebaat door de afschaf-ting van den accijns op het gemaal.
Volgens art. 3 der bestaiwide Verordening, is de laagste aanslag van een inkomen van ƒ 1—20. te vermenigvuldigen met ƒ 20.— ; de 2° van ƒ 20—40 bijv. te vermenigvuldigen met 21. Hebben de aanslagen tot dit bedrag dan zóó weinig opgeleverd dat men voortaan de heffing zal beginnen op een inkomen van ƒ 600.— ?
Het groote bezwaar tegen dit voorstel is, dat de aanslag nu niet meer zal rusten op de hoofden der gezinnen , maar op ieder, die geacht kan worden een inkomen van f 600.— en meer te hebben , zelfs op het kind van zijne geboorte af. , Alle ingezetenen, zonder onderscheid van leeftijd of (jeslacht''\ zegt de Memorie, „moeten daarin bijdragen.quot; De vader of de moeder , zoo zij de langstlevende is, zal moeten opgeven het jaarlijksch inkomen van elk hunner minderjarige kinderen die den vollen ouderdom van 20 jaren' zullen bereikt hebben, en van hunne minderjarige kinderen beneden dien leeftijd voor zooverre zij het vruchtgenot van hunne goederen niet bezitten.
In afwijking van art. 3 bepaalt art. 4: ,Onder het „inkomen is bij hoofden van echtvereenigingen begrepen, het ,inkomen der huwelijksgemeenschap, alsmede het eigen in-
12
„komen der vrouw, indien zij ingevolge artikel 245 der 6e-, meen te wet binnen de gemeente haar hoofdverblijf houdt of „er verblijft, en geen gerechtelijke scheiding van goederen „heeft plaats gehad. Na gerechtelijke scheiding van goede-„ren, wordt de vrouw afzonderlijk aangeslagen.quot;
,Minderjarigen zijn uitsluitend belastingplichtig voor het „inkomen, dat zij trekken uit eigen kapitaal of arbeid.quot;
De redactie van dit artikel is niet duidelijk ; is de bedoeling er van dat de man het eigen inkomen zijner vrouw bij dat der huwelijksgemeenschap voege, dan is dit in strijd met het beginsel van art. 3, en worden door deze samenvoeging de echtelieden in eene hoogere klasse gebracht dan die, onder welke zij volgens art. 8 van het Ontwerp zouden behoor en.
Maar hoe, wanneer de echtelieden buiten gemeenschap van goederen zijn getrouwd, en ieder een eigen inkomen heeft; moet dan de man opgave doen voor zijne vrouw? hoe, wanneer de vrouw zich bij huwelijkscontract het eigen beheer harer goederen heeft voorbehouden ? de verordening bepaalt het niet.
Bij art. 8 wordt omschreven wat door inkomen te verstaan is, art. 6, welke algemeene regelen gelden bij de toepassing van art. 5, art. 7 welke regelen gelden voor de berekening van het jaarlijksch inkomen. Men mag vragen: waartoe dienen deze voorschriften? Van niemand toch wordt gevraagd , op te geven hoeveel elk deel zijner inkomsten na aftrek van daarmede belaste uitgaven of elk deel zijner inkomsten , waarvan de aftrekking van noodzakelijke uitgaven is toegelaten, in het bijzonder bedraagt; bij de vragen toch , die in het Beschrijvingsbiljet worden voorgelegd, wordt zooals wij later zien zullen, dit niet gevorderd en alleen ten slotte gevraagd ; „In welke klasse meent gij te moeten worgden gerangschikt?quot; Aan deze meening toch is het gemeentebestuur niet gehouden, want art. 9 schrijft voor: „De „rangschikking en de aanslag geschieden ambtshalve.quot;
Dus bloote willekeur in strijd met art. 243 der Gemeentewet, bepalende: «Hoofdelijke omslagen en andere plaatse-
13
„lijke directe belastingen worden geheven naar grondslagen, „die voor een redelijken maatstaf van liet inkomen der belas-„tingscluüdigen te houden zijn.quot; De hoofdelijke omslag op het inkomen, die hier wordt voorgesteld, berust op gkën grondslagen hoegenaamd; de aanslag is geheel willekeurig.
De eigen directe belasting, welke wij nu hebben, heeft dit voordeel althans dat zij op grondslagen rust, niet in strijd met het laatste lid van art. 243 der Gemeentewet, omdat deze grondslagen wél aan die der personeele belasting ontleend zijn , doch niet uitsluitend. De artt. 10 tot en met 17 van het ontwerp leveren hier geen stof tot bespreking op, vermits deze meer de wijze van uitvoering regelen, die later ter sprake zal komen. Belangrijk is evenwel het voorschrift van art. 18, bepalende: „Bij het 'opmaken der kohieren ,kunnen Burgemeester en Wethouders zich doen voorlichten „door eene Commissie , bestaande uit een door hen te bepalen „getal ingezetenen.quot;
„De namen van de leden dezer Commissie worden door „Burgemeester en Wethouders aan den llaad medegedeeld.quot;
„De wijze van samenstelling en de regeling der werkzaamheden van deze commissie en de periodieke „aftreding barer leden worden bepaald bij afzonderlijk „reglement, door Burgemeester en Wethouders vast te „stellen. Het reglement wordt evenals de daarin later ge-„braclite wijzigingen, aan den Baad medegedeeld.quot;
Tot toelichting van dit voorschrift wordt door Burg. en Weth. gezegd.
„Het behandelen van al de aanslagen is een zooveel omvattende arbeid, dat Burgemeester en Wethouders daarin „wel zullen moeten worden bijgestaan door eene Commissie „uit de burgerij. In verschillende andere gemeenten is men „er in geslaagd dergelijke Commission samen te stellen, die „met uitnemend gevolg werkzaam zijn en wier arbeid door „burgerij en gemeente-bestuur ten zeerste wordt gewaardeerd. „Wij hebben de hoop, dat ook in onze gemeente een aantal „ingezetenen zich bereid zullen willen betoonen, om in het
14
„algemeen belang deze even moeilijke als kiesclie taak te „aanvaarden.quot;
Wat in andere gemeenten plaats heeft mag buiten beschouwing worden gelaten; indien de verrichtingen van eene Commissie als de bedoelde uit haren aard geheim moeten blijven, hoe kan de burgerij dan met haar werk ingenomen zijn ?
Trouwens de inlichtingen van dergelijke Commissie kannen niet dan op gissing berusten ; ingezetenen, die uit den aard van hunne betrekking of van hun bedrijf of nering in meerdere of mindere mate bekend zijn met het vermogen en de inkomsten van hunne medeburgers , zullen of rechtens of kieschheidshalve of uit gevoel van afhankelijkheid zich aan het lidmaatschap van zoodanige Commissie moeten onttrekken. De Kaad mist de bevoegdheid om bij verordening iemand te dwingen tot aanneming van dezen moeilijken post; hoe aangenaam die ook elders moge worden gevonden, in deze gemeente zullen voorzeker weinigen dien aangenaam vinden.
Het is ook te betwijfelen of de voorschriften der gemeente ■ wet eene voorlichting van Burg. en Weth. door eene Commissie van ingezetenen bij verordening in het leven geroepen toelaten. De gemeentewet toch laat in de artt. 54—57 alleen den bijstand van Burg. en Weth. door Commissiën van raadsleden, of de voorlichting van den Kaad door tijdelijke Commissiën van raadsleden toe. Artt. 264 en 265 derzelfde wet bepalen hoe de kohieren worden vastgesteld, hoe daartegen kan worden opgekomen.
De werkkring van de raadsleden wordt er ook niet aangenamer mede; volgens art. 19 toch „benoemt de Kaad uit „zijn midden één of meer Commissiën, ten einde alle bij „hem ingekomen bezwaarschriften van aangeslagenen over „hunnen aanslag te onderzoeken en daarover aan hem advies „uit te brengen.quot; Volgens de toelichting zal „het wel „raadzaam zijn voor de eerste jaren een drie of viertal Com-,,missiën te benoemen. Zoodoende wordt aan de aangeshi-„genen de meest mogelijke waarborg gegeven, dat hunne „bezwaren met nauwkeurigheid worden onderzocht.quot;
15
Verder bepaalt art. 18: „Deze Commission brengen geen ,advies uit dan na hem die een bezwaarschrift heeft inge-„diend in de gelegenheid te hebben gesteld, zijne bezwaren „mondeling toe te lichten of te doen toelichten.quot;
Er zal dus nog een geruime tijd verloopen alvorens, nadat de termijn om een bezwaarschrift in te dienen zal zijn verstreken , de kohieren zullen kunnen worden vastgesteld. Is dit overeenkomstig Art. 2(35 der gemeentewet, bepalende dat na afloop van den termijn voor het indienen van bezwaarschriften de Eaad de kohieren vaststelt ? Het is aan deze Commissiën dat de ingezetenen, die bezwaren tegen hunne aanslagen hebben , moeten opgeven hoeveel iedere bron van hun inkomen tot nauwkeurigheid van de bepaling van hun jaarlijksch inkomen bijdraagt, ten einde het bedrag van dit inkomen kunne worden bepaald. Dit op zich zelf is een bezwaar tegen de verordening voldoende om haar te verwerpen. Wat de Eaad niet directelijk van de ingezetenen wil gevraagd doen hebben wil hij nu indirectelijk doen opgeven , ten einde Burg. en Weth. kunnen beoordeelen of de bezwaren tegen een te hoogen aanslag gegrond zijn.
Art. 21 van het Ontwerp zegt: „De leden van den Kaad, „van het College van Burgemeester en Wethouders en de „leden der Commissie, bedoeld in artikel 19, zijn , ten op-„zichte van hetgeen bij het opmaken en het vaststellen der „kohieren verhandeld is, tot geheimhouding verplicht.quot;
Kan deze verplichting aan de leden van den Eaad en van het College van Burg. en Weth. worden opgelegd, voorzeker niet aan de leden dor Commissie bedoeld bij art. 19; voo r deze is de geheimhouding alleen eene zedelijke verplichting; de straf bij art. 272 van het wetboek van strafrecht bedreigd, zal niet op hen kunnen worden toegepast, indien het lidmaatschap van gemelde Commissie niet als een ambt of beroep mocht worden aangemerkt.
Volgens art. 14 van het ontwerp „wordt voor elk dienstjaar aan de woning van ieder, die op l Januari belastingplichtig is, of die het beheer heeft over goederen van „belastingplichtigen , zoo mogelijk vóór den Isten Februari
16
„een beschrijvingsbiljet uitgereikt overeenkomstig het door „den Kaad vastgesteld model.quot;
„Aan hen, die in den loop van het dienstjaar, door „vestiging of verblijf in de gemeente belastingplichtig zijn „geworden, of het beheer over goederen van belastingplich-,tigen hebben verkregen, wordt zoo spoedig mogelijk een „belastingbiljet uitgereikt.quot;
Art. 15 voegt hieraan toe; „Ieder, aan wiens woning een „beschrijvingsbiljet is uitgereikt, is gehouden op dat biljet „de daarin gestelde vragen stellig en zonder voorbehoud te „beantwoorden en met zijne handteekening te bekrachtigen.quot;
„Indien hij niet kan schrijven is hij verplicht, behoudens „eigen verantwoordelijkheid, een auder te machtigen tot invulling en onderteekening van zijn beschrijvingsbiljet, en „van deze machtiging, ten genoege van Burgemeester en „Wethouders te doen blijken.quot;
„Het staat den belastingplichtige vrij , op het beschrijvings-„biljet alle inlichtingen te geven, welke hem voor de „juiste rangschikking wenschelijk voorkomen. Bij rangschik-„king ambtshalve zal met deze inlichtingen rekening worden „gehouden.quot;
Aan het slot van de ontwerp-verordening wordt het Beschrijvingsbiljet vermeld; het bevat niet minder dan vijftien vragen, benevens een slotvraag, welke vragen, zooals in art. 14 gezegd wordt, ieder, aan wiens woning een beschrijvingsbiljet is uitgereikt, gehouden is stellig en zonder voor-hehoud te beantwoorden, en deze antwoorden met zijne handteekening te bekrachtigen, of zoo hij niet kan schrijven door een ander te doen invullen en onderteekenen als voormeld.
Er wordt hier echter niet gesproken van hen, die geen beschrijvingsbiljet ontvangen hebben, voor welk geval art. 16 bepaalt: „De in de eerste alinea van art. 14 bedoelde „personen, aan wier woning geen beschrijvingsbiljet is uitgereikt , zijn gehouden hiervan vóór 1 Maart kennis te geven „ter secretarie, afdeeling financiën ; die, bedoeld in de tweede „alinea binnen één maand na het tijdstip, waarop zij belastingplichtig geworden zijn.quot;
17
Van het uitreiken van een besclirijvingsbiljet aan deze personen is evenwel geen sprake. Toch wordt hij art. 23 tegen elke overtreding of ontduiking van hetgeen bij de artt. 15 en 17 is bepaald omtrent behoorlijke invulling, onderteekening of terugzending der beschrijvingsbiljetten en in art. 16 omtrent de kennisgeving, indien geen beschrijvings-biljet is uitgereikt, de straf bedreigd , bij art. 271 der gemeentewet voorgeschreven.
Er wordt bij de gestelde vragen opgave gevorderd van beroep, bedrijf, nering of handwerk, ambten of betrekkingen, waaraan eerig geldelijk voordeel verbonden is, vroegere ambten of betrekkingen, toelagen of pensioenen, gelden of goederen in vruchtgebruik van minderjarige kinderen beneden den leeftijd van 20 jaren, die alhier hoofdverblijf of verblijf hebben in den zin van 245 der gemeentewet, zonder dat echter opgave gevraagd wordt van het bedrag der daaruit verkregen inkomsten; dit kan men volgens art. 15 opgeven, daarmede wordt rekening gehouden.
Er wordt gevraagd naar de perceelen of perceelsgedeelten welke men bewoont, en welke dejaarlijksche,maandelijksche of wekelijksche huur bedraagt; bij huren moet dus wel het bedrag worden opgegeven; er wordt gevraagd of en hoeveel dienstboden men houdt, of het u bekend is dat andere personen dan de sub 2 en 3 genoemde, die bij u inwonen, ƒ 600.— of meer inkomen hebben ? zoo ja , welke hunne namen en voornamen zijn ? Er wordt gevraagd: „Hebt gij „het beheer over goederen, toebehoorende aan in deze ge-„meente hun hoofdverblijf of verblijf houdende personen, „die onder curateele staan en in het genot zijn der inkomsten „van hun vermogen, of over wier goederen gij bij rechterlijke „beschikking tot bewindvoerder zijt aangesteld ? Zoo ja, „welke zijn de namen en voornamen dier personen ?quot;i
Hoe kan de voogd, curator of bewindvoerder beoordeelen of de door hen vertegenwoordigde personen in de gemeente hun hoofdverblijf hebben ? Dit toch is eene rechtsvraag, zoo belangrijk dat de Burgemeester der gemeente Koog aan de Zaan het noodig heeft geacht daarover het advies in te
18
winnen van een bekwaam rechtsgeleerde, welk advies is afgedrukt in het Weekblad voor Notaris-ambt en Registratie van 7 Nov. 1886, no. 880. Daar de vragen stellig en zonder voorbehoud beantwoord moeten worden, ware het voorzichtiger de woorden „hun hoofdverblijf' weg te laten, en eenvoudig te vragen , waar bevinden deze personen zich, of waar worden zij verpleegd ? Volgens gemeld advies hebben de minderjarigen hun hoofdverblijf in de gemeente, waar hunne voogden hoofdverblijf hebben, al bevinden zij zich ook buiten de gemeente. Het is een vraag over welker beantwoording nog geen gevestigde jurisprudentie bestaat.
De 13de vraag luidt: „Zijt gij aangeslagen in de patent-,belasting? Zoo ja, in welke gemeente of gemeenten?quot;
De 14de „zijt gij aangeslagen in de belasting op het per-„soneel? Zoo ja, ik welke gemeente of gemeenten?quot;
Beide vragen hebben blijkbaar de strekking om het bedrag van patent- en personeele belasting, die elders betaald wordt, als element te doen dienen om het bedrag der inkomsten van den belastingschuldige te bepalen, evenals bij de bestaande verordening het bedrag der personeele belasting, die elders betaald wordt, tot bepaling van het verteringsvermogen in aanmerking komt. Juister zou men vragen: oefent gij een bedrijf uit in eene andere gemeente of andere gemeenten ?
Hebt gij ook eene woning in huur of in gebruik in eene of meer andere gemeenten ?
De IS'10 vraag luidt: „Zijt gij het vorige jaar in de grondbelas-„ting aangeslagen ? Zoo ja, in welke gemeente of gemeenten ?quot;
Eigenlijk wordt dus alleen gevraagd naar bestanddeelen, welke dienen om het verteringsvermogen te bepalen, evenals bij de bestaande verordening de belasting van een vermoedelijk verteringsvermogen geheven wordt. Naar goederen wordt dan ook alleen gevraagd onder nü. 9 met betrekking tot het beheer over goederen toebehoorende aan personae miserabiles.
De ingezetenen zullen dus niet weten hoe zij de slotvraag moeten beantwoorden, „welke inlichtingen voor de rangschik-„king wenscht gij verder te geven. In welke klasse meent „gij te moeten worden gerangschikt?quot;
19
Met uitzondering toch van de vraag sub nü. 9 gedaan, hebben alle vragen betrekking tot de bepaling van een vermoedelijk verteringsvermogen. De vragen zijn dus niet ingericht om het jaarlijksch inkomen der belastingschuldigen te bepalen, waarop volgens art. 1 van het Ontwerp in deze gemeente eene plaatselijke belasting zal gelieven worden.
Wanneer de zaak in den gemeenteraad zal behandeld werden, behoort in de eerste plaats te worden beslist of de Kaad zich met het voorschrift van art. 1 van het Ontwerp al dan niet vereenigt; wordt het artikel verworpen , dan is daarmede het geheele ontwerp met de daad verworpen.
De leden van den Raad zijn tot een moeilijken plicht geroepen; meer dan immer mogen zij doordrongen zijn van de bewustheid , dat op hen ieder in het bijzonder de verplichting rust de belangen niet slechts van de gemeente, maar ook van hare ingezetenen ieder naar zijn beste weten te bevorderen.
Laat de gemeente-wet het heffen een er plaatselijke belasting op de inkomsten toe, de gemeente-wetgever heeft gewild dat zij niet anders zal worden geheven, dan naar grondslagen, die voor eene redeliiken maatstaf van het inkomen der belastingschuldigen te honden zijn. Grondslagen worden in het Ontwerp te vergeefs gezocht. Aan willekeur mogen de belangen der ingezetenen niet worden prijs gegeven. De bloei van onze gemeente wordt bedreigd; de inkomsten der gemeente, met inbegrip van de eigen directe belasting zooals zij nu wordt geheven — de kortelings aangenomen begrooting voor het dienstjaar 1887 heeft het bewezen — zijn voldoende om hare uitgaven te bestrijden. De inkomsten-belasting zal niet slechts tal van moeiten voor B. en W., die den gewonen loop der zaken stremmen, na zich slepen; een afzonderlijk bureau zal ter secretarie moeten worden opgericht om de kohieren te bewerken, een goed bezoldigd personeel van ambtenaren zal vereischt worden. Van deze en alle verdere kosten, die op de heffing der inkomsten-belasting vallen zullen, wordt in de toelichting geene begrooting gevonden. Met deze kosten toch dient rekening gehouden te worden, indien men het bedrag van ƒ 188,000.— jaarlijks, dat nu het equi-
20
valent geacht wordt op te leveren, uit eene inkomstenbelasting verkrijgen wil; dan toch kan men niet met de heffing van l'/io % van het inkomen der ingezetenen volstaan. De Raad bestede liever zijn tijd aan aangelegenheden reeds sedert tal van jaren noodzakelijk geacht, als een slachthuis, eene korenbeurs of verzamelplaats voor marktbezoekers, eene inrichting voor de kaasmarkt, welke bij gebreke daarvan onbestaanbaar is. Dit een en ander en zoo vele aangelegenheden van belang voor deze gemeente zullen te meer op den achtergrond geraken , hoe meer 13. en W. zich zullen moeten bezighouden met de bronnen van de inkomsten der ingezetenen met nauwkeurigheid op te sporen. Moge de Raad dezer gemeente besluiten de nu gedane voordracht af te wijzen; hij zal aan Burgemeester en Wethouders, aan zich zeiven en aan de ingezetenen tal van moeiten en noodelooze bemoeiingen met hunne bijzondere aangelegenheden besparen.
ü t r e c ht, 8 November 1886.