/j» asw
7
C
/0amp;6' 21?. 28
De Indische liberale partij.
Onder liet opschrift „ Java's ontwikkelingquot; verscheen van mij een artikel in fa Java-Bode vzw 19 Januari 1888, ÏTo 16, waarin werd aangetoond hoe juist de inzichten der conservatieven waren, toen deze beweerden, dat de voorspiegeling der liberalen van de voordeelen welke de Staat van de particuliere ondernemingen zou trekken en blijven trekken, niets anders dan holle klanken waren, het algemeen belang zelfs bedreigende.
De Bantamsche onheilen geven dien conservatieven nog sterker en ernstiger gelijk in hunne bestrijding van het drijven der liberalen.
Het was de gouverneur-generaal Duijmaer van Twist die in ziekelijken vrijheidszin de belemmeringen verwijderde, vroeger en sedert tijden den Mekka-gang in den weg gelegd. De conservatieven verklaarden dien maatregel onverantwoordelijk en ten slotte tot uitbarstingen van fanatisme moetende leiden. De gezegde maatregel van Mr. Duijmaer van Twist ging echter door, Java werd overstroomd met hadjis en goeroes, fanatisme en opruiing volgden hierop; de Soekaboemische questie was eene ernstige waarschuwing en eindelijk drukten de Bantamsche moordtooneelen het zegel op dat alles; terwyl gisting op verscheidene plaatsen van Java zich voordoet, waarbij hadjis en vooral goeroes de hoofdrol spelen.
Die Bantamsche rampen zijn bovendien in de hand gewerkt door een anderen maatregel der voor Indië zoo verderfelijke liberale partij. Die maatregel bestaat in het afschaffen der pantjèn-diensten. Daardoor toch is het gezag der hoofden
2
in het oog der bevolking aangetast en wat meer zegt, door die afschaffing is aan die hoofden het bijna belangrijkste middel ontnomen om te weten te komen wat er in de dessas broeit. De in pantjèn-dienst opkomenden werden door vertrouwden der hoofden gesproken en deze vernamen alzoo waarover in de dessas gesproken werd en wat daarin gaande was. Het gemis van die stille bron van inlichting mag geoordeeld worden een hoofdfactor te zijn, welke aan het eensklaps uitbarsten van moorden en verzet in het Bantamsche de mogelijkheid schonk en bovendien had hadji- en goeroe-invloed het wettig gezag der hoofden verdrongen.
De roekelooze Atjeh-oorlog door een Fransen van de Putte op touw gezet en doorgedreven, tastte almede onze macht en ons gezag in deze gewesten sterk aan. Bovendien is die oorlog de oorzaak dat 's lands finantiën zwaarder werden aangesproken, dan de gewone middelen toelieten en hieruit sproot een algemeen en ook voor Bantam geldig, opdryven van het middel der landrente voort. Ook voor Bantam; want de staat van den aanslag der landrente opgenomen in het bijvoegsel van den Java-Bode van 22 Augustus 1888, No. 197, tot weêr-legging van deze beschuldiging bijgebracht en uit de Koloniale Verslagen geput, bewyst juist die opdrijving; aangezien de aanslag van dit belastings-middel voor Bantam in 1882 bedroeg f 735,860 en in 1886 f 677,480. Die aanslag van 1886 was veel te hoog. De Regeering heeft immers thans slechts recht op het 1/3 deel van den oogst, en de waarde van dit deel moet geschat worden naarmate van den padie-prijs van het loopend jaar voor het gewest dat den aanslag geldt. In 1882 werd iu het Buitenzorg-sche de tjain goede maar gewone padie van 1000 katties voor f 34 a ƒ 36 verkocht en in 1885 liep die waarde terug tot f lb h f 17 per tjain, soms minder. Over geheel Java deed soortgelyke daling zich gevoelen en ook in 1886 en 1887
3
was zij sterk merkbaar. Vergelijkt men nu dit verschil van prijzen met de daling bij den aanslag, dan komt men tot de overtuiging dat ook in het Bantamsche in 1886 de padie den inlander veel te hoog in prys bij den aanslag werd aangerekend.
Gelijke beschouwing geldt voor de 1886 voorafgaande en volgende jaren.
Opdryving der bedrijfsbelasting en invoering der tabaks-belasting bij den verkoop in het klein, voegden zich nog bij dien te zwaren belastingsdruk. Die op den verkoop van tabak moge thans ingetrokken zijn, doch de overlast daarvan heeft de bevolking, gedurende het bestaan van die inkomsten-bron, zwaar gevoeld en de intrekking er van heeft het vóór de intrekking geleden leed en de alzoo ontstane ontevredenheid niet doen verdwijnen. Opruiiers konden de ook alzoo ontstane ontevredenheid benutten, en zullen niet ingebreke zijn gebleven die onstaatkundige daad te exploiteeren.
Opdrijving van belasting en ook van landrente zit om gezegde redenen wel degelijk als medeoorzaak in de Bantamsche verwikkelingen. Zij zijn misschien zelfs het middel geweest welke hadjis en goeroes deed slagen.
Nu klaagt men dat de gouverneur-generaal O. van Rees zulke bittere teleurstellingen aan het eind zijntr regeering ondervindt; doch zij die dit doen zien over het hoofd, dat hij een der hoofdmannen is geweest en nog steeds is van die liberale partij welke zoo vele rampen over Indië uitstortte.
Ook het grievende van de verbanning der heeren Sol en de Sturler op 's koning last te moeten hebben intrekken, is aan eigen schuld te wijten. De aanhoudingen van den vorigen Minister van Koloniën en van den tegenwoordigen, om die verbanningen intetrekken, werden hardnekkig van de hand gewezen en dit bleef zelfs voortgaan, nadat de kadastrale opmeting en de officieele opnamen op het land Tjiomas, het groote
f
4
onrecht den eigenaar van dat land aangedaan, daghelder hadden bewezen.
De intrekking van dat besluit was eene daad van rechtvaardigheid en al de gevolgen uit de handelingen tegen Tjiomas voortvloeiende, be-hooren ten laste van dezen landvoogd en niet van zijn opvolger in het bestuur te vallen.
Eindelijk nog eene opmerking rakende Bantam. De demping van het verzet en het vatten der hoofdmoordenaars is, volgens ingewonnen berichten, niet weinig te danken aan den wrevel bij de Bantamsche bevolking opgewekt door het vermoorden van hoofden welke tot bij hen in aanzien staande en geliefde familiën behoorden.
In het Bataviaasch-Nieuwshlad van eenigen tijd geleden komen eenige vragen voor welke ernstige overweging verdienen en hierby voegt zich nog de omstandigheid, dat blijkens een schrijven in de Locomotief de vermoorde assistent-resident G. aan een bezoeker van hem, zijn vrees voor de opruiing door hadjis reeds vroeger heeft te kennen gegeven, en zou nu die assistent-resident zulke woelingen niet aan den resident van Bantam hebben medegedeeld en zou die resident die opruiingen en het gevaarlijke daarvan, voor de regeering hebben verzwegen? Een onderzoek ook hiernaar mag noodzakelijk worden geacht.
slndanglaija, 5 Sept. 1888.
C. H. F. Eiesz.