t: r
V
j
t I
i
M A R I A L I E D E R E N.
Vak 57
Vi;.K 57 Ho. VH
MARIALIEDEREN
Wijlen Mgr. P. van der PLOEG,
\^VAN ZANGWIJZEN VOOEZIEN
M. J. A. LANS,
Pastoor te Schiedam.
W. P. H. JANSEN,
Leeraar aan het Seminarie Hageveld te Voorhout.
TWEEDE UITGAVE. â¦
LEIDEN, J. W. VAN LEEUWEN,
Uitgever en Antiq. Boekh., Hooigracht 74.
1887.
IMPBIJIATÃR.
Datum Harlemi caspar
dle 19 Aprili8 l881- Episc. Harlemen.
Kt auteur^ckt is verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n0. 124).
VOORBERICHT.
De Marialiederen, bijeengezameld uit de âGezangen voor de Meimaandquot; van P. v. d. Ploeg, verschijnen in deze uitgave voorzien van zangwijzen. Later zullen de andere liederen van denzelfden dichter, ter eere van den Zaligmaker, verschillende Heiligen, enz,, op dezelfde wijze verschijnen. De bedoeling van de verzamelaars dezer melodieën is geweest, de schoone liederen van v. d. P. te doen zingen op melodieën, die meer passend, meer waardig, en vooral: meer geschikt zijn voor een gansche voVksmenigte, Nadere toelichting hieromtient kan men vinden in de Mei-aflevering van het Si. Gregorius-Blad dezes jaars.
Van deze zelfde liederen is bij den uitgever van dit boekje een partituur verschenen; daarin zal men een gedeelte der liederen vinden, éénstemmig mee orgelbegeleiding, een ander gedeelte in vierstemmige bewerking, welke tegelijkertijd voor orgelbegeleiding dient, als het lied éénstemmig gezongen wordt. Die orgelbegeleiding â en geen andere â worde bij het zingen gebruikt.
Bij het gebruik van dit boekje maken de verzamelaars opmerk-raam op het volgende:
1°. Voor het gemak der zangers zijn de melodieën (met uitzondering van öic welke slechts cên kruis $ of mol b aan den sleutel hebben) gezet in de toonladder van c.
2°. Achter de meeste liederen vindt men aangegeven hoevele maten men na iedere strophe moet rusten. Dit is aangeduid door een dwarsstreep Kgt;J , waarboven een cijfer het aantal maten rust aangeeft, gedurende welke de orgelist een klein tusschenspel speelt.
3°. Om door een gelijktijdig ademhalen het gelijkzingen te bevorderen, vindt men tusschen de noten hier en daar, gewoonlijk
op het ande van een versregel, ademhalingsstreepjes ---
4°. De verzamelaars vonden het doelmatiger om alle strophen van de verschillende liederen onder de melodie te plaatsen, en niet â zooals meermalen geschiedt â alleen de eerste strophe. Men lette dus bij het zingen voortdurend op de cijfertjes die vóór iederen regel van den tekst geplaatst zijn. Bijvoorbeeld in lied n®. i: wil men van dat lied de eerste strophe zingen, dan beginne men onder den eersten notenbalk met den regel waarvoor het cijfer i staat; is die regel afgezongen, dan springe men terstond over naar den tweeden notenbalk en zinge daar eveneens den regel waarvoor de I staat; is ook die regel afgezongen, dan zinge men onder den derden notenbalk den regel, waarvoor de i staat, en zoo verder. Op dezelfde wijze handele men met de tweede st^opfio de derde, enz.
5quot;. In een aanhangsel zijn enkele latijnsche gezangen opgenomen, die in een Maria-lof of in Congregatiën bet meest kunnen voorkomen.
Daar deze Marialiederen vooral ook in de Meimaand dienst kunnen doen, worden hierbij nog de aflaten opgegeven, welke door Paus Pius VII, 18 Juni X822, verleend zijn aan degenen die de Meimaand godvruchtig vieren ; zij zijn overgenomen uit het Voorbericht van de Gezangen voor de Meimaand:
I, een aflaat van driehonderd dagen voor eiken dag dier maand aan alle geloovigen, die de H. Maagd dan, hetzij in 't openbaar
of in 't bijzonder, door eerbiedige huldebewijzingen, vrome gebedsoefeningen en andere akten van deugd vereeren;
2. een volle aflaat in den loop der maand, op een dag naar verkiezing, mits men dan de gewone voorwaarden van rouwmoedige biecht. Communie en gebed naar de meening van Z. H. den Paus volbrengt.
Bij bijzondere vergunning van Paus Pius IX, van 8 Augustus 1859, kan men dien vollen aflaat ook op den eersten dag der maand Juni verdienen. Deze en ook de volgende aflaten kunnen aar. de Overledenen worden toegevoegd (Raccoltd).
Vroeger reeds, den 16 Januari 1817, heeft Paus Pius VII, om de geloovigen tot het zingen van geestelijke liederen op te we1 ken en het gebruik van gevaarlijke wereldsche liederen tegen te gaan, deze aflaten verleend :
1. een aflaat van één jaar, welken men zoo dikwijls verdienen kan, als men het zingen van geestelijke liederen bevordert;
2. een aflaat van honderd dagen aan diegenen welke, ten minste met een rouwmoedig hart, die vrome oefening bevorderen;
3. een vollen aflaat ééns in de maand aan diegenen, welke die vrome oefening in den loop der maand bevorderd en beoefend hebben. Men verdient dezen aflaat op den dag, dat men rouwmoedig te biecht, en te Communie gaat, en bidt naar de meening van Z. H. den Paus. â
Mogen deze gezangen veel bijdragen tot verheerlijking van de verheven Moeder des Heeren en tot opwekking harer kinderen !
|
Seminarie Hageveid, Feest van Maria-Boodschap, 1887. |
M. J. A. Lans, Pr. W. P. H. Jansen, Pr. |
VOORBERICHT VOOR DE TWEEDE UITGAVE.
Dat de eerste uitgave van deze Marialiederen in het tijdsverloop van enkele maanden uitverkocht zou zijn, is een uitkomst die de verzamelaars niet hadden kunnen verwachten; het is zeker reden genoeg om ook deze tweede uitgave met vertrouwen de wereld in te zenden.
Enkele fouten die nog in de eerste editie waren ingeslopen zijn in deze uitgave zooveel mogelijk verbeterd; in het bijzonder maken wij opmerkzaam op de wijziging welke No. 59 ondergaan heeft.
September 1887. M. J. A. L.
W. P. H. J.
INHOUD.
Bladz.
1. Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen . , , . i
2. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria. , 2
3. De geboorte van Maria....... . . . , 4
4. Maria's Opdracht in den Tempel ....... 5
5. Loflied aan Maria..........................7
6. Maria-Bezoek............................9
7. Liefdezucht tot Jesus en zijn H. Moeder.....10
8. De Vlucht naar Egypte......................11
9. Het Gebed te Nazareth...........13
10. Smeekzang tot de Moeder der Zeven Smarten ... 14
11. Maria onder het Kruis...........16
12. Stabat Mater ..............17
13. Lofzang ter eere van het H. en O. Hart van Maria.
I. Vóór Jesus' lijden........19
II. Bij Jesus' lijden.........20
III. Na Jesus' lijden.........21
14. Maria's Gebed in de Opperzaal........22
15. Maria-Tenhemelopneming..........24
16. Maria-Tenhemelopneming......... . 25
17. Feestlied op Maria-Tenhemelopneming. ..... 26
18. Lied op den Naam van Maria........28
19. De Vijftien Geheimen van den Rozenkrans.
I. De Vijf Blijde Geheimen ...... 29
II. De Vijf Droevige Geheimen.....30
III. De Vijf Glorierijke Geheimen .... 31
IV. Gebed............32
INHOUD.
Bladz.
20. De XV Geheimen van den Rozenkrans.
I. De Vijf Blijde Geheimen......33
II. De Vijf Droevige Geheimen.....35
III. De Vijf Glorierijke Geheimen .... 36
21. Ave Maris Stella. Bij alle feestgelegenheden , . 38
22. Ave Regina Coelorum..........39
23. Regina Coeli.................40
24. Alma Redemptoris Mater.........40
25. Salve Regina..............41
26. Meimaandzang..............42
27. Meimaandlied..............43
28. Avondgroet aan Maria...........44
29. Avondzang................................45
30. Het Lieve-Vrouwe-beeld..........46
31. Het H. Huisgezin: Jesus, Maria, Jozef.....48
32. Maria, Toevlucht der Zondaren.........49
43. Maria Wees gegroet..............51
34. O Moeder Gods ! â Gebed om troost en volharding. 53
35. Liefde tot Maria..................... 56
36. Liefdegroet aan de H. Maagd en Moeder Gods . . 56
37. Hulde en bede aan Maria..........58
38. Uitnoodiging tot den lof van Maria......61
39. Loflied aan de H. Maagd Maria....... . 64
40. Aan Maria eer!.............65
41. Ter eere van Maria............66
42. Litanie-lied van Onze Lieve Vrouw. . . ... . 68
43. Klaaglied.............. . 70
44. Maria, Troosteresse............72
45. Smeeklied tot Maria, om een zalig leven en sterven . 74
46. Litanie-zang tot Maria om een zaligen dood. ... 78
47. Smeeklied tot Maria voor de Overledenen ... . 81
inhoud.
Bladz.
48. Lof, Dank en Opdracht aan Maria's Moederhart . . 85
49. Gezang na de Opdracht...........86
50. Danklied...............88
51. Toewijding aan Maria, op den dag der H. Commu
nie .................89
52. De Onbevlekte Maagd...........91
53. Lofprijzing van Maria, Onbevlekte Maagd en Moeder
Gods................92
54. Angelus Domini. ............93
55. Het Wees Gegroet ... ...........94
56. Zie, ik kom !....gt;.........96
57. Nieuw Meilied.
I. Hulde aan Maria........ , 97
II. Bede aan Maria.........98
58. Oud Lied van het Rozenkransje........99
59. Kind'ren van Maria............ici
60. Meimaand-bede om een zalig sterven......103
61. Smeeklied to!' Maria om de bekeering van ons Vader
land ... ............104
62. Danklied aan Maria..................106
AANHANGSEL.
Adoro te devote.............108
Canticum Magnificat, Tonus V.......110-111
Ps 116. Laudate Dominum, Tonus V.....iio-ni
Canticum Magnificat, Tonus VIII..... 112 113
Ps 116. Laudate Dominum, Tonus VIII . . . 112-113
Litaniae B. M. V.............114
Vóór den Zegen met het Allerheiligste......116
1. JUBELLIED AAN MARIA Onbevlekt ontvangen,
M. J. A. Lans, Pr.
Een quot;kleine terts hoog er, in es.
üili
il
1. Lie - ve Moe - der van den Heer!
2. 't Heeft reeds wij - de we ⢠reld-rond,
3. Neen, dat lof - lied zwijgt niet meer;
4. En we voe - gen dank en beê
5. Zon - ne - zui - v're Moe - der-maagd!
'vgt; -#â¢
1. om uw ze - tel drin-gen, Laat uw kind'-ren u ter
2. schep-pend, o- ver - klon-ken/t Woord door Pi - us' mond ver-
3.'s we - relds ver-ste pa - len, Zul - len met het hemelsch
4. blij ⢠de feest-ge - zan-gen; Wie, wie dankt niet met ons
5. glo - rie u ge - ge - ven, Hoor ook wat ons hart u
Laat ons
En her-
Tot aan
Aan de
Om de
1.
2. 3. 4-
eer kond; heer meê
5. vraagt:
2
PPPÃ
li
|
1. 't Moet weer - klin - ken 2. Jub' - len op uw 3. 't Woord van 't za - lig 4. In het za - lig 5. Eeu - wig jub' - len luid en blij : |
feest - ge - tij: ju - bel - tij: ju - bel - tij : aan uw zij': Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der. |
8
|
ï/' |
-#â |
âcdâ |
-amp;â | ||
|
I. |
on - |
be - |
vlekt |
zijt |
gi|! |
|
2. |
on - |
be. - |
vlekt |
zijt |
fiii! |
|
3.. |
on - |
be - |
vlekt |
zijt |
gij! |
|
4. |
on - |
be - |
vlekt |
zijt |
gij! |
|
5- |
on - |
be - |
vlekt |
zijt |
gij! |
2. DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA.
M. J. A. Lans, Pr.
Een kleine terts hooger, in es.
Laat mij nog een lof - zang wek - ken. Schoon - ste !
U mocht nooit het von - nis tref - fen. Dat er
Haar zou de~eeuw'ge Geest om - zwe - ven. En zijn
Sa - tan sloeg in nieu - we woe - de, Toen hij
God van ein - de - loos ont - fer - men! Zie ons
wie de he - mei mint; Blan - ke le - lie zon - der
kleeft aan rt aardsch ge - slacht: God wil-de~u den vloek ont-
Bruid mocht niet be - vlekt, In wie Hij den God van
't vreemd ge - heim - nis zag, En zijn ne - der - laag ver-
aan met va - der - oog: Wil voor Sa - tan ons be-
Tusschenspel.
3
m
1. vlek ⢠ken, Ro - ze die geen weêr - ga vindt; Hel - d're
2. hef - fen, Die ons doemt in Sa - tans macht. Hij, die
3. 't le - ven Eens het aard - sche le - ven wekt. God - de-
4. moed - de Uit Ma - ri - a's wor-dings-dag Was hij
5. scher ⢠men, Die ons vaak aan U ont - toog; En Gij,
is=t; :zzd
| ||||||||||||||||||
|
1. ster aan 's he - mels kim « men, Smet - te - loo - ze mor - gen- 2. vóór al le~eeuw re - geer - de, Heer' van le - ven is en 3. lijk, Drie - ëe - nig we - zen! Va-der, Zoon, en Heil'- ge 4. nim - mer nog ge - we-ken, Greep hij 't kie-mend le - ven 5. Moe - der vol ge - na - de! Die de hel - slang hebt ver- |
| ||||||||||||
|
gloor! Laat mijn zang - toon tot u klim - men. Bloem van dood, Hij was 't die zijn Moe-der e'er - de, Toen zij Geest! Eeu - wig zij de gunst ge ⢠pre - zen, Die Gij aan: Hier, hier is zijn macht be - zwe - ken. Hier hem plet, Vraag, dat ons geen zon ⢠de scha - de, Maagd! ont- | ||||||||||||
1
Ju - da's
2
aan dit
3. DE GEBOORTE VAN MARIA.
Mohr : Jubilate no. 102^ gewijzigd.
3E
1. Wat ster ver - schijnt aan 's he - mels bo - gen, Wat
2. Reeds lacht het mor - gen - rood ons te - gen, En
3. Een ju - bel - toon dringt door de gra - ven. Een
4. Ook wij, wij knie - len dan - kend ne - der Om
| ||||||||
|
1, stra - len scheenT - ren in 't ver ⢠schiet! Zoo zacht een 2. kon - digt met zijn vriend' lijk licht De heil - zon 3, licht - straal door der doo - den nacht; Straks valt de 4. u - we wieg, o hei - lig kind! Uw le - ven |
£
1. licht rees voor on - ze 00 - gen In heel den loop der
2. aan, die, op - ge - - ste - - gen. De nacht vaagt voor haar
En uit is 't met de
boei der ker - ker - - sla
|
4. brengt ons 't le - ven we - der: Hém baart ge~ons, die den | ||||||||
|
1. eeu - wen niet. Is 't licht, zoo blij - demons toe - ge-
2. aan - ge - zicht. Ja, za - li ge' aar - de! stem uw
3. hel - le - macht I Blij juicht het koor der he ⢠mel-
4. dood ver - wint. Laat, laat ons God een - stem - mig
h
Zl
1. blon - ken. De ster - re niet van Jes - se's spruit? Is
2. zan - gen, Zij kwam, zij kwam, de He - mei-maagd! Door
3. lin - gen. En de^Eng'len-schaar ziet vol van min Op
4. prij ⢠zen, Het heil-uur on - - zer red - ding slaat: Ma-
s
fâ
it
â.jâ
1. daar geen zang ons 'toe âge - Hon - ken, Aan dequot;quot;uit- ver-
2. wie vrij 's Va-ders Zoon ont - van - gen, Het Lam, dat
3. 't kind - je neêr, dat zij reeds zin - gen Als hun -ne' en
:E
4. ri - - a leeft I de Zon gaat rij - zen, Wees wel - kom.
4
mi
He ⢠mei - bruid ? schul - den draagt. Ko - ning - - in. Da - ge - - raad!
1. ko - - ren
2. on - - ze
3. on - - ze
4. schoo ⢠ne
Tusschensfel.
4. MARIA'S OPDRACHT IN DEN TEMPEL.
Zangwijze als no. 3.
Eenigen.
1. Wie is het, die den heil'- gen drem - pel Zoo blij te
2. Hoe lief-lijk. Heer! is u - we wo-ning. Zoo roept ze'in
3. Daar schenkt zij Hem haar len - - te - da - gen, Door'swe-relds
4. O dat ook wij ons jeug - dig le - ven, Met de~uitver-
6
1. tem - pel Den Heer haar jeug - dig Ie ⢠ven geeft? Het
2. Ko - ning: Neem mij voor eeu - wig tot uw Bruid! En
3. ha - gen, Die Hem de rein - ste lief - de biedt; Zoo
4. ge - ven, En im ⢠mer doen wat Hém be - haagt. Ma-
|
-pâ^ 1_3=) | |||
|
..: k it LU |
-j |
1. is de Maagd, door God ver - ko - ren. Van al - le
2. Hem ge - wijd is 't een-zaam le - - ven Der vlek-ke-
3. staat in de~een - zaam - heid der da - - len, Ver-bor-gen
4. ri - - a! die- in 't hoog - ste lij - - den U trouw be-
1. zon - de - smet be-vrijd, Die Hem al - leen wil toe - be-
2. loo - ze tem - pel maagd; Zij kent geen zoe - ter zie - le-
3. voor des wand'-Iaars oog. De rei - ne le â lie stil te
4. toon - det aan uw woord, O vraag, dat wie den Heer zich
Allen.
1. hoo - ren. En al - ge ⢠heel en voor al - tijd. Refrein. O
2. stre - ven, Dan al te doen wat Hem be ⢠haagt. O
3. pra - len, En beurt haar blan - ken kelk om - hoog. O
4. wij - den, Hem ge - ven wat Hem toe - be - hoort. O
| ||||||||||
|
1. kind-je vol aan - min ⢠nig - he - den! Waar 'sHee-renoog ver- 2. kind-je vol aan - min ⢠nig - he - den! Waar 'sHee-renoog ver- 3. kind - je vol aan - min - nig - he - den! Waar 's Hee-ren oog ver- 4. kind-je vol aan - min - nig-he - denl Waar 'sHee-renoog ver- |
7
| ||||||||||
|
I. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge- at rukt op ziet; Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge- 3. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he â den Ge- 4. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge- |
1. heel aan Hem ten of - fer bied'. Tusschensfel.
2. heel aan Hem ten of - fer bied'.
3. heel aan Hem ten of - fer bied'.
4. heel aan Hem ten of - fer bied'.
gt;lt; 5. LOFLIED AAN MARIA.
Trierer Gesangbuch, 1695.
-*:
-----1--quot;â--»â⢠'-gt;
1. Jub'-lend wil ik u be - zin - gen, Moe - der-maagd! die
2.'t Vloekwoord op ons uit - ge-spro-ken, Kle-vend aan den
3. 's Hee - ren En ⢠gel werd ge - zon â den, Die van vrucht-baar
4. Dan wat zang komt hier te sta - de, Meldt Ma - ri â a's
5. D4ar is 't, dat ze~in lief - de - smar - te 't Of - fer van haar
|
1. op uw troon 2. schoot der vrouw, 3. licht om - huid, 4. lief - de - vuur : 5. Je - sus deelt. |
In het hoogst der he - mei â krin-gen Werd voor u al - - leen ver - bro - ken, U de boodschap kwam ver - kon - den, Hoog-ste lief - de der ge - na - de, En Hij aan haar moe - der - har - te |
8
1. Zijt ge - ze ⢠- ten naast uw Zoon; De^Eng'len^ om u
2. In wie God eens wo - nen zou; Vóór die heil - zon
3. Die't er - bar - mings - plm ver-vult; Ja, de he - mei
4. Hoog-ste lief - - - de der na-tuur!... Neen, geen tong heeft
5. Ons als kind'--ren aan - be - veelt; Moe - der dan, door
|
â fr»â1ânâ1âtt | ||
|
VL « J J 1 |
urn _ r ^ - | |
|
⢠- # i; 1 Ti la.' | ||
|
w * | ||
ï. op - ge - - va - ren Blij - ven met ver - rukt ge - moed
2. op ging va - ren, Schoot, voor'swe-relds wach-tend oog,
3. huwde^aan de^aar-de: Hij, dien gij in Beth-l'ems stal
4. dit ver - mo - gen: Christ'-nen! zoo gij 't wilt ver-staan,
5. God ge - - ge - ven! Bid voor ons, bid u - wen Zoon,
1. In het diep ge - heim - nis sta - ren Van U bei - der
2. Vlek-loos uit den nacht der ja - ren U - we mor-gen-
3. Zon-der pijn of smar - te baar - de, Was de Schep-per
4. Wendt dan naar liet kruis u-we~oo-gen, En ziet daar die
5. Dat hij eens in 't eeu - wig le - ven Ons zijn heer - lijk-
Tusschensfiel.
lief - de-gloed. ster om-hoog. van 't heel-al! Moe - der aan ! . . held ver-toon*.
6. MAEIA-BEZOEK.
W. P. II. Jansen, Pr.
|
1. Gods Moe - der, 's he - mels 2. Nauw komt ze^er groe ⢠tend 3. Drie maan - den wijdt er 4. O gunst - be - zoek! op 5. Ach, dat uw Zoon van |
Ko - - ning - in - ne, IJlt in - - - ge - tre - den, Of in 't ver - hor - gen Ma-ha - - - re schre - de Droeg zon - d.^ons hei - lig', Ons |
1. in haar teed'-re naas - ten - min - ne Naar Ju - - da's
2. ha - re nicht voelt op haar schre-den Het nad' - ren
3. ri - a ha - re teêr ⢠ste zor - gen Aan 't al - - ler-
4. zequot;ook haar Je - sus met zich me - de, En 's we - - relds
5. huis voor al â le kwaad be - vei - lig', Ons ze - - - ge-
-t-
-t-
|
snel - len tred. God en Heer! dienst - be - - toon ; wo - ning in : huis - ge - - zin : stad met van haar ned' - rigst heil die ne^en ons |
En o - ver 't hoog ge-Voelt zich van heil - ge-O lief - de!~o toonbeeld! Be scherm - ster, Moe - der O dan, - dat is ons |
_ ^ âiy r--^
-Pâ7--P-/-u
trt:
na - tier'. Die Moe - der, die haar ja - gend hart hoort
ste - gen! O Moe-der! hebt gij 'tklaag-ge - schrei ge-
re - zen! Vlucht, Moe-der! vlucht: het bloe-dig moord-staal
stre - ken. Den zuig'-ling bij het eer - ste licht ver-
ge - ven. Waar'tschul-dig volk in die - pen doods-nacht
Tusschenspil.
illi
1. slaan.
2. hoord ?... 3- gaat!...
4. sloeg?
5. zit?...
|
Ge - heim - vol Slijt de^Onschuld Hij ook, Hij O dan, Gods |
! is Je - - sus1 zelf als bal - - ling kwam door ei - - gen p 6. 7-S. 9- Zoon, Gods Moe - - der, Ja |
vlucht en 't eer ⢠- ste voor - beeld Voed - ster- |
-m-r-
----
6. zwer- ven. Ge - heim - vol is zijn bal - ling-schap op
zfz
7. Ie - ven, Als vreem - de - - ling bij 't zon - dig hei - lig-S. lee - ren: Geen vas - te woon is u op aard' ver-9. va - der! Voer om uw vlucht, on - schul - dig Huis - ge-
Z}=£~
!=5=EÃ
O VluchtMing Gods! o A - dam gij moest O juich! nu wordt de vrij - heid ons her-Wie God be - hoort zal tot Hem we - derzin ! En bal - ling - schap, ons, bal - lin - gen, U
aard'! dom :
6. 7-
8. leend;
13
m
O bal - ling! voor uw E - den vlamt het Als Is - rel eens, roept God zijn' Zoon weêr-Maar 't Gods-ge - zin wordt in Gods huis ver-En eens bij U de va - der - wo - ning
2
| ||||||
|
6. zwaard! Tusschensjbel, 7. om 8. eend. 9. in! |
9. HET GEBED TE NAZARETH.
Psalteiiolum 1642.
1. Gods on - ge-scha-pen Zoon, Ge ⢠daald van d'eeuw-gen
2. Met ha - ren Zoon en Heer, Knielt ook Ma - ri - a
3. O God! welk een ge - zicht!... Het hei - ligst Drie - tal
4. Wat dan, wat gaat hier om, In 't ar - me hei - lig-
5. Een Moe-der, Va - der, Kind, Be - min-nend en be-
6. Ik werp mij aan hun zij' : Om hén, neem ook van
7. Om 't won - der-zoet ge - bed In 't ar - me Na - za-
|
M |
rârât-rââdâ1- |
âJâ1â1ât~ | |
|
k |
J J yq |
1. troon, ligt hier te Na - za - reth ge-knield in ziels-ge-
2. neêr; En Jo - sef aan hun zij' Voegt er zijn smeeking
3. ligt. Die Moe-der. Va - der. Zoon! Aan - biddend voor uw
4. dom?... Hier biedt het nieuw Ge - zin U quot;t of - fer zij-ner
5. mind! Brengt U voor't eerst op aard' Een glo-rie U-wer
6. mij En heel mijn huis - ge - zin. Het of - fer on-zer
7. reth, Zie wel - ge - val - lig, Heer! Op al de mijnen
6. ster - ven,
7. ge - ven:
8. kee - ren :
9. na - der,
'4
ill
=|s=i!
Tusschensjiel.
1. bed.
2. bij.
3. troon !. , #
4. min. 5 ⢠waard.
6. min.
7. neèr.
10. SMEEKZANG TOT DE MOEDER DER ZEVEN SMARTEN.
Salzburger Gesangbuch 1781.
|
Een toon hoog er, in d. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
R |
--1-4- | ||||||
|
à P , ~ â | |||||||
|
VM7 m i - |
1 1 | ||||||
|
I. |
vol |
ver - |
trou - |
wen |
En vol deer - nis |
tot u gaan; | |
|
2» |
't |
moe |
-der - |
har - |
- te, |
Bij het woord van |
Si - me - on; |
|
s. |
't |
moe |
-der - |
har - |
- te, |
Toen gij Beth - lem |
om den dood |
|
4. |
't |
moe |
-der - |
har - |
- te |
Bij 't ver - lie - zen |
van uw Kind; |
|
5. |
't |
moe |
-der - |
har - |
- te, Toen ge uw Zoon ter |
dood zaagt gaan, | |
|
6. |
't |
moe |
-der - |
har - |
- te. |
Toen gij met uw |
Zoon ge - wond, |
|
i5 | ||||||||||||
|
1. Ziet gebons met uw smart be - wo - gen, Heb met ons ook
2. Hoe doorgriefde^u't vrees - lijk lij - den, Dat uw Je - sus
3. Van zijn wicht-jes hoor - de ker - men, En gij met uw
4. Dat geheerst na drie lan - ge da - gen, Na veel vra - gen,
5. En Hem on - der't kruis-hout hij - gend, Af - ge - mar - teld
6. Mét Hem al zijn pij - nen lij - dend, En den wree-den
Tusschen-
1. me - de - doo - gen, Hoor, ach hoor uw kind'-ren aan! sjiel.
2. door moest strij-den, Eer Hij dood en hel ver - won.
3. Kindje-in dequot; ar-men He - vend naar E - gyp - te vloodt.
4. en veel kla - gen, In den tem â pel we - - der-vindt.
5. ne - der - zij - gend't Smart'-lijk oog op u zaagt slaan.
6. dood-kamp strij-dend, On - der 'tbloe-dig kruis-hout stondt.
|
⢠JP n -| -]â â , â |
I j ^ |
â^---1--1-r |
|
âd--Ã-#_W- |
âJ J-u |
|
7. |
Hoor, ach hoor |
ons |
om |
de |
smar |
te, |
Die |
u |
ging |
door |
|
8. |
Hoor, ach hoor |
ons |
om |
de |
smar - |
te, |
Die |
u |
ging |
door |
|
Q. |
Moe - der dan |
der |
Ze |
ven |
Smar - |
ten, |
Trou- |
we |
troost |
der |
|
10. |
Ach, dat ik |
ge |
ne - |
zing |
von - |
de |
Van |
de |
won |
- de |
|
11. |
Ach! dat mij |
uw |
beê |
ver |
- wer - |
ve, |
Dat |
ik |
le |
ve, |
|
9. droe - ve 10. mij -ner 11. dat ik 7.'t moe-der - har â te. Toen, als al - - les was vol-bracht, 8.'t moe-der - har - -te, Toen ge^uw'Zoon, in 't graf ge - leid. o ik de |
har - - ten, Sta, zon - - de, Die ster - - ve In sta uw pleeg-de lief - de |
kind'-ren bij, keer op keer; van uw Zoon: |
i6
|
'ê': 7. Gij uw Zoon, van t kruis ge - 8. Aan u-we^oo - gen heel ont ⢠9. Dat we dra - gen al de 10. Voer, o Moe - der van er - 11. Dat ik, ze-gen - rijk - ste |
no - men, In u-we^ar - men to - gen. Diep - be - wo - gen da - gen 's Le - vens pla - gen bar-men! Voer mij in de Vrou - we! Eens uw heer - lijk- |
:ïfc=»=rnlâ..i;-
3
|
7. neèr zaagt ko-men. Toen aan 8. neêr-ge - bo - gen, Een-zaam, 9. zon-der Ida-gen, Leer ons 10. broe-der - ar - men Van uw 11.heid aan - schou-we, Waar gij |
Tusschen-al uw kind'-ren dacht! stel. Moe-der! hebt be-schreid. lij - den zoo als gij. lie - ven Je ⢠sus weêr. ze - telt naast zijn troon. |
11. MARIA OM DER HET KRUIS.
W. P. H. Jansen, Pr.
i=i=Ã=Ã
Ma - ri - a! 'k Zie uw Zoon aan 't bloe-dig kruis-hout
âO Vrou-we, Zie uw Zoon! o Zoon, zie u - we
Toen, Moe-der! hebt gij ons tot kind'-ren aan - ge-
Wil, Moe-der! bij uw Zoon voor ons ge - nd ver-
irrrjz
34:
iix3âmâ
han - gen, U ze - ven - maal ge - wond, aan zij - ne voe-ten Moe-der!quot; Zoo sprak Hij, en zijn oog daalt zeeg'-nendop ons no - men, O draag met ons Hem op, wat Hem ons har-te wer - ven ; Ons troos - ten in den nood, ons ster - ken in den
\£-
âo-
staan; Gij zijt daar om zijn blik, zijn zuch - ten op te neèr; U, Moe-der! gaf Hij ons, zich zei - ven ons tot biedt; Zie dui - zen - den tot u, bij dui - zend - tal - len strijd, En in ons ster - vens - uur, denk, hoe ge~uw kind zaagt
«7
|
FJ |
K 1 jl â I |
â H-rrf-ïâiHâ | |
1. van-gen: Zie, Moe-der! naar uw Kind, Hij ziet u stervend
2. Broe-der, He--laas! wat ge-ven wij voorzóó-veellief-de
3. stroo-men, Ver - smaad, o teed'-re Maagd! ons al - Ier be - de
4. ster-ven. Ma - ri - - a! toon ons dan, dat ge~on-ze Moe-der
1. aan. Tusschenspel,
2. weêr,
3. niet.
4. zijt.
12. STABAT MATER.
W. P. H. Jansen, Pr.
Naast het kruis met schrei - en-de^oo-gen, Stond de Moe - der, O hoe droef, hoe vol van rou - we, Was die Ze - gen-Wie die hier niet schrei - en zou - de. Die het grie - vend Voor de zon-den van de zij - nen, Zag zij Je - sus Geef, o Moe-der! bron van lief - de. Dat ik voe - le
\=lzr.
--T
--iz
1. diep - be - wo - gen, Daar de Zoon te
2. rijk ste Vrou - we Om Gods Ãén - ge
3. leed aanschouw - de, Dat Ma - ri - a's
4. zoo in pij - nen En in wree - de
5. wat u grief - de, Dat ik met u
1. En haar door het zuch-tend har - te, O - ver-stelpt van
2. Ach hoe streed zij ! ach, hoe kreet zij, En wat fol - te-
3. Wie kan zon - der meê te wee - nen, Chris -tus' Moe - der
4. Zag haar lie - ven Zoon zoo lij - den. Heel al - leen den
5. Dat mij't hart ont-gloei' van bin - nen In mijn God en
-C3
ster - ven hing, bo - ren Zoon. ziel verscheurt? gee - sel - straf; me - de-klaag';
2
â 8
Si
Tusschen-
wee en smar - te, 't Ze - ven - vou - dig slagzwaard ging. spel. rin ⢠gen leed zij Bij 't aan-schou-wen van dien hoon ! hoo - len ste - nen, Daar zij met haar Zoon hier treurt ? doodkamp strij-den, Tot Hij zij - nen geest her - gaf.
Heer te min-nen, Dat ik Hem al - leen be - haag'.
vte-
i=Ã=Ã
dâï:
Heil'-ge Moe - der 1 wil mij hoo-ren! Met de won - den Mocht ik kla - gen al mijn da - gen, En zijn pla - gen Maagd der maag-den ! nooit vol - pre - zen, Wil nu niet mij Laat mij, in zijn kruis ver - slon ⢠den, Laat zijn won-den Maak, dat mij het kruis be - wa - re, Dat dan Chris - tus'
â
6. mij door - bo - ren, Die Hij aan het kruis - hout leed;
7. waar - lijk dra - gen Tot mijn jong- ste ster - venssmart;
8. te - gen we - zen, Laat mij treu ⢠ren aan uw zij';
9. mij door-won - den Om de lief - de voor uw Zoon;
10. dood mij spa - re. Dat Hij mij ge - ml be-wijz'
â---
6. Ach, dat ik de pijn ge - voel - de, Die uw' lie - ven
7. Met u on - der't kruis te wee-nen, Met uw rou - we
8. Laat mij al de wree-de pla - gen En den dood van
9. Dan, in we - der - lief de~ont-sto- ken, Wor-de~ik door u 10. En als 't li chaam eens zal ster - ven, Doe mij dan de
5=
m
Tusschen-
6. Zoon doorwoel - de. Toen Hij ster - vend voor mij streed, spel.
7. mij ver - ee - nen. Dat ver - langt mijn zuch - tend hart.
8. Chris-tus dra- gen, Laat mij ster - ven zoo - als Hij.
9. voor -ge -spro - ken, Moe-der ! voor zijn rech ⢠ter-troon. 10. glo - rie er - ven Van het he - melsch Pa - ra - dijs.
»9
13. LOFZANG,
TER EERE VAN HET H. EN 0. HART VAN MAKIA.
I.
Vóór Jesus' Lijden.
Zangwijze als no. I.
Een kleine terts hooyer, in es.
|
!. |
Laat |
nu |
denaard' op |
blij - |
den toon |
't Dui |
zend- |
|
2. |
Spie - |
gel. |
gij ! van |
Go - |
des macht, |
Die |
voor |
|
3. |
Vlek |
loos |
Hart! wie |
zal |
uw lof, |
Wie |
uw |
|
4- |
Voor |
het |
mach - tig |
zon - |
ne - licht |
Wijkt |
de |
|
5- |
Rei - |
ner |
dan ooit |
sneeuw |
vlok viel, |
Waar |
dig |
|
ü 1. stem - mig feest-lied zin-gen, 2. de^erf-smet u be - vei-ligd, 3. za - lig - heid be - zin-gen! 4. stil - - le star-ren - luis - ter; 5. hier haar God te^aan-schou wen |
'xZ ' v Reeds vveêr-klinkt om 's Hee-ren En u on - der 't aardsch ge-De Eng'-len van het he-melsch Maar de zon haalt 't aan-ge-, Was de ne - de - ri - ge |
ii
--IZ
|
troon 't Lof - ge - zang slacht Zich ten woon |
hof Spre - ken in zicht En haar stra -ziel Der ge - ze -der he - - me - lin - gen; tent heeft ge - hei - ligd; hun hoo - - ge krin - gen, len weg in quot;t duis - ter gend - ste~al - Ier vrou - wen |
If=C
1.'tRuisch' der Moe - der van den Heer,
2. Hei - lig ⢠dom van Gods ge - nd,
3. Neen, zij spre - ken nim mer uit,
4. Voor de glo - rie van de Maagd,
5. Op die schoon heid zag de lieer
En haar Tem - pel Wat dit Die aan 't Van zijn
8
^}==s}m*Mi=^E=i
1. hei - lig Hart ter eer! Tusschensjpel,
2. zon - der we - der - gd 1
3. hei - lig hart om - sluit.
4. hart van God be - haagt.
5. hoo - gen ze - tel neêr.
II.
Bij Jesus' Lijden.
|
Vâ3------ |
---i--- | |||||||
|
j j | ||||||||
|
=* r |
-p-s-q |
ââ¢*=*- | ||||||
|
V-U fi IJ M | ||||||||
|
I. |
Toen |
nu 't quot;Woord in |
u - |
wen |
schoot, heugd, |
Moe - |
der- | |
|
2. |
Hoe |
was |
toen uw |
Hart |
ver - |
En |
in | |
|
3. |
U |
door |
grief - de |
wond |
bij |
wond |
Door |
ge- |
|
4. |
Uit |
dat |
li - chaam |
zoo |
ver-scheurd, |
Vloeit |
een | |
|
5. |
Ach! |
droog |
ha - re |
tra - |
nen |
af, |
Rijs, |
0 |
|
3F=\ -,-q |
z-\âF\ | |||
|
â * J -M s 0 |
âI|_j--1_^âC3-â¢â » ±- |
1. maagd! was neêr - ge - ko-men, En, be - reid ten of-fer-
2. lief - de - vuur ver - slon ⢠den, Want gij droegt der heera'-len
3. heel uw lij ⢠dend le - ven; Maar toen ge~on-der 't kruis-hout
4. bloed stroom voor haar ne - der; Wie, wie is er die niet
5. Ko-ning van het le-ven! Rijs weêr uit het duis-ter
|
quot;V--'i--- |
--1---- | |||||||||
|
vU ^ * ' | ||||||||||
|
1. |
dood, |
Knechts |
ge - |
stalt |
had |
aan |
- - ge |
- no - |
men, | |
|
2. |
vreugd; |
Maar, |
0 |
Moe - |
der! |
eens |
ook |
wond |
- den | |
|
3- 4- |
stondt, treurt |
En Met |
uw' een |
Zoon Moe - |
den - der |
geest - hart, |
zaagt zoo |
ge - tee |
ven der: | |
|
S- |
graf; |
En, |
van |
glo - |
rie |
licht |
om |
- ge - |
ven. | |
21
^=3=l=SH=!i{=i
1. O wat hebt gemeen lief - - de - gloed
2. Al de schich - ten van de smart
3. En een speer zijn zij* door - stak,
4. Maat - loos als de^on- meet - b're zee,
5. Troos-te^uw aan - - ge - zicht de smart
Tusschensfel,
1. Moe - der - hart ge - voed!
2. min - nend Moe - der - hart.
3. meldt, hoe 't Hart u brak,
4. ri - a's boe ⢠zem - wee.
|
s -1 | |
|
In |
uw |
|
Uw |
be- |
|
Ach! |
wie |
|
Is |
Ma- |
|
Van |
'tge- |
5. bro - ken Moe - der - hart.
III.
Na Jesus' lijden.
m
|
1. |
Wees, |
Ma |
- ri - - a! |
wees ge - troost: |
Lang |
zal |
|
2. |
Daar, |
daar |
ziet zij |
reeds haar God, |
Haar |
be |
|
3- |
Rust ⢠|
loos |
zucht haar |
min-nend Hart, |
Nu ze op | |
|
4- |
Als |
het |
maagd'-li|k |
was voor 't vuur, |
Voel |
de |
|
5- |
Hei - |
i'g |
Har - te ! |
vrij van smet, |
Troost |
voor |
m
i
rr-zzdr:
1. 'tlij - dens-uur niet we-zen; Eer de der - de mor-gen
2. min - den Zoon ge - na - ken. En een na - me - loos ge-
3. aard' nog moet ver-wij-len; O zij wil van lief - de-
4. zij haar hart ver - te -ren, En ver-smacht naar't z« - lig
5. wie op u ver-trouwen, Hoor ons kin - der - lijk ge-
22
-t-
1. bloost, Ziet ge^uw' Zoon, uit 't graf ge - re - zen,
2. not Voelt zij nu haar hart door - bla - ken
3. smart Op - waarts naar haar Je - sus ij - len^
4. uur, Dat de stem haar roep' des Hee - ren;
5. bed, O ge - - ze - gend-ste^al - Ier vrou - wen!
|
jâ | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
TusschensJ)el.
licht - ge - waad. zij' re - geert, toe - - be - reidt, lief ⢠- de - gloed.
5. liefde ons hart ont - vlamm'.
W. P. H. Jansen, Pr.
14. MARIA'S GEBED IN DE OPPERZAAL.
Een kleine terts hooyer, in
|
Mét hen zit Ma Wat ge - mis, wat Vol van lief - de Op zijn zij ⢠- de, Tot den Va - der iir^iip^lsL=ël Waar in 't god - lijk Lief - de - maal Daar bidt zijn a - - pos - - tel - ⢠tal, 1. 2 3 4 5 0 7 |
- n - - a neer; lief - de - smart slaat zij 't oog hand en voet, op zijn troon |
's Va - ders Eer het Je - sus Voor haar Smee-kend Thans ver-Spreekt het |
^3
|
âcdquot; -cdquot; 1. Zoon in de^op - per - zaal 2. uit - gaat door't heel - al, 3. klom ten he - mei weêr 4. een - zaam Moe - der - hart 1 5. naar haar Zoon om - hoog, 6. heer - lijkt, eens be - bloed ! . 7. of - - fer van den Zoon : |
j=^i=Lâ Zich ten of - - fer- Bei - der Geest, den Aan des Va - ders Wat ge - - bed, wat Laat het op zijn Dat doet al ⢠- les Ein - de - - loo - - - ze |
iüÃ
|
I. |
spij - |
ze |
gaf: |
|
2. |
Troos |
ter. |
af. |
|
3. |
rech - |
ter - |
hand; |
|
4- |
of - |
- fe - |
rand! |
|
5- |
won - |
den |
gaan; |
|
6. |
haar |
ver - |
staan ! |
|
7. |
lief |
de - |
daad ! |
m
|
m-1----4-«--- | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
8. I.icf-de is 't in Per - soon, Die der Kerk zich
9. lief - de - smar - ten uit: Neen, zij blijft niet 10. o ⢠â ver 't hei - - lig - dom. Naar 't ge - trouw bell. een - zaam Moe - der - hart; 't Hoort zijn fluist' - ren
12. Moe - der-maagd ter eer, Door de he - mel-
13. kom! vol - trek uw werk, God - de - - lij - - ke
Tusschensjpel.
24
-£=â¢
W-^-ë-
8. ge - ven
9. on - ver
10. lof - te
11. âZie ik
12. za - len
13. Brui - de -
Tusschcnsfiel.
gaat. hoord, woord, kom!quot; om; - gom
i»
15. MARIA-TENHEMELOPNEMING.
Een kleine terts hoog er, in es.
Zangwijze als no. 2.
JO
_ â âââ¢quot;
Wie, wie zie ik op - waarts zwe - ven, Van het
't Is de Maagd van God ver - - ko - ren, Door der
Blij dan zij haar lof ge - - zon â gen! Van ge-
O dat we^im-mer met ver - - trou - wen, In het
vifij
Lui - de moet ons lied dan rij - zen Om de
} â âoâchâ ââmâ'
eÃ=£^
~1-
â3-é-
1. zon - ne licht om-vloeid, Van een kroon - ge - stern-te^om
2. va - d ren stem voor - zeid, Die uit Da - vids stam ge-
3. slach - te tot ge - slacht Wor - de door on - tel - b're
4. Ie - ven, in den dood. Op - waarts naar Ma - ri - a
5. glo - rie die haar kroont, Lui - de Je - sus' lief - de
-ti
1. ge - ven, Dat haar om het voor - hoofd gloeit? Eng' - len
2. bo - ren, Eeu ⢠wen zuch-tend was ver - beid ; Zij, na
3. ton - gen 's We relds dank haar toe - ge ⢠bracht: Zij, zij
4. schou-wen, Die haar kind'-ren nooit ver - stoot; Waar Gods
5. prij-zen, Die on - ein-dig haar be - loont. He - den
25
| |||||||||||||||||||||
|
1. dar - te - len en sprei - en E - dens bloe - men voor haar 2. zoo - veel ban - ge ja - ren, Zij moest in een her - der- 3. is het, die aan de~aar-de Heil en vre - de we - der- 4. Eng' - len neêr - ge - bo - gen Staan om d'eeuw-gen glo - rie- 5. dan met de^Eng'-len-krin - gen Jui - chen wij, ver - voerd van | |||||||||||||||||||||
ü
tCâ
-d-
Waar zij on - der 't blij ge - lei - en naar haar
't Wich ⢠tje door een won - der ba - ren, Dat de
Want het Wich - tje, dat zij baar - de, Sloeg ons
Deelt zij Je - sus' rijks - ver - mo - gen, En be-Maar, nog aard - sche ban - ne - lin - gen, Roe - pen
8
S5
ÃÃ
---
1. Wel - be - min - de spoedt.
2. God was van 't heel - al.
3. Sa - tans kluis - ters af.
4. veelt ze^ons aan haar Zoon.
5. we^ook haar voor-spraak in.
TusschenspeL
16. MARIA -TEN HEMELOPNEMING.
M. J. A. Lans, Pr.
ï. voet,
2. stal, 3- gaf:
4. troon,
5. min;
|
I. |
Ma |
- ri - |
a, |
Moe |
- der |
van |
Gods |
Zoon, |
Ging |
|
2. |
Zij |
voe - |
ren |
met |
hun |
Ko |
- nin - |
⢠gin, |
Ver- |
|
3. |
Wat |
on - |
uit - |
spreek |
- lijk |
heil |
- ge - |
not! |
Zij |
|
4- |
Nu |
treedt |
zij |
in |
een |
zon |
- ne - |
gloor, |
Aan |
|
5- |
Zij, |
vol |
ge quot; |
- na - |
de~als |
vol |
van |
deugd, |
Ge- |
|
6. |
Zoo |
is |
zij |
's he |
mels |
Ko |
- nin |
gin, |
Maar |
20
|
1 1 r- | ||
|
W ' . ⢠r- |
[ c % P M |
1. he - den op naar 's he - mels troon; God zond zij ne~Eng'-len
2. rukt den o - - pen he - mel in; Daar komt met heel een
3. ziet Hem, ha - ren Zoon en God; Elk - a4r zien Zoon en
4. Je - sus' hand de heemquot; - len door; Een maag-de - lij - ke
5. niet de vol ⢠heid al - Ier vreugd ! Zij ze ⢠telt op den
6. Moe - der ook van 't aardsch ge - zin ; Zoo klimm' tot haar ons
1. tot haar af, Om haar te wek - ken uit het graf. Tusschen-
2. Eng'- len-stoet. De Zoon zijn Moe der in't ge - moet. sfel.
3. Moe-der aan: En zwij-gend ble - ven de Eng'len staan!...
4. ster - ren-krans Staat om haar hoofd in stil - len glans.
5. ee - re-troon, Naast Je-sus, ha - ren God en Zoon.
6. smee-kend lied : Ver-geet ons, u - we kind'-ren, niet.
17. FEESTLIED OP MARIA-TENHEMELOP-NEMING.
W. P. H. Jansen, Pr.
Een toon lager, in hos.
iïifeEiÃEE*EEE
Zie, daar klimt naar d'ee - re - troon Naast haar Zoon, Steekt ba - zuin en lof - trom - pet! Vrij van smet Strooit hier E - dens bloe - men uit Voor de Bruid Stemt voor'she - mels Ko - ning - in 't Feest-lied in, Breidt uw gul - den vleu - gel - slag Op deez' dag Maar daar treedt Gods eeuw' - ge Zoon Van zijn troon, -----0--»â1â---
-tK---
1. In de hoog - ste he - mei - za - len, 's Hee - ren Moe - der;
2. Is haar glans, als van uw zon - nen : Hem droeg ze^in haar
3. Van den Heer der le - ger - scha - ren ; Die om-lom-merd
4. Nim-mer-zwij-gende^Eng'-len - ko - ren ! Laat ook in uw
5. Schitt'rend uit, o Che - ru - bij-nen! En waar gij om
6. Om zijn Moe-der in te ha - len: Zie, met welk een
27
1. Eng'-len! spoedt Haar te moet, om haar jub'-lend in te
2. maag-den-schoot, Die den dood En de hei-slang heeft ver-
3. is ge - weest Van den Geest, En des Va - ders Zoon mocht
4. lof - ge - schal, Vad'-ren - tal I Laat de stem der eeu - wen-
5.'t god - lijk Lam Staat in vlam, Ju - belt meê, gij. Se - ra-
6. min - lijk - heid Hij haar leidt Door de hoog - ste he - mei-
1. ha - - len. Tusschenspel.
2. won - nen.
3. ba - - ren.
4. hoo - ren.
5. fij - - nen !
6. za - - len.
01
m
|
Stem - men, Zacht kwam En zij En de Laat ook Zie, o har -om draagt Geest on - ze Moe - der les zwijgt. Waar zij stijgt, ge - zicht 't Zon - ne - licht, ren - kroon. Die de Zoon zijn Bruid: Toen is luid - ge - toon Tot uw troon, den Heer ! Op ons neêr; al -aan -ster -straalt ze -van pen, haar de om ⢠|
7. Om haar glo-rie aan te sta - ren; En ver ⢠rukt nog
8. Als een glo-rie toe ⢠ge â gle - den; En de maag-de-
9. Haar ver - eeide~als Rijks-vor-stin - ne ; Haar aanschouw-de
10. Weêr der Eng'-len zang ge - ste - gen, Die zij dankt met
11. Glo-rie - rij - ke Moe-der! rij - zen; Laat ook ons, ont-
12. Toon uw kind'-ren me - de-doo - gen, Dat we~aan't eind der
28
mi
:~ïz
â
y.zoekt haar 't oog.Waar ze^omhoogTot haar troon is op- - ge-
8. lij - ke maan Ging er staan, Ten scha-bel voor ha - re
9. van om - hoog 's Va-dèrs oog Met ee- ne~on - be schrijfb' - re
10, zoe - ten lach ; Sinds deez' dag Lacht ze^inglo - rie ons ook
11,gloeid van min, Ko - ning-in ! Met het he - mei - koor u
12, pel-grims ⢠baan Tot u gaan En uw glo - rie schou-wen
|
y CD |
::Z?â | |
|
7. |
va - |
ren. |
|
8. |
schre |
den. |
|
9. |
min |
ne. |
|
10. |
te ⢠|
- gen. |
|
11. |
prij |
zen. |
|
12. |
mo |
gen. |
18. LTED OP DEN NAAM VAN MARIA.
Psalteriolum 1642.
1. Ma - ri - a's naam, die 't hart ver ⢠blijdt. Zij
2. Ach! bij uw moe ⢠⢠der - naam zoo zoet, Wij
3. Roep ik tot u in ziels - ver - - driet, Neen,
4. In al ⢠len nood, tot in den dood, Weer-
5. Ach ze - gen dan deez' kin ⢠der - - schaar, Hier
1. dit ons dank-baar lied ge - wijd; haar moe-der - naam zoo
2. bid - den u, dat gebons be - hoedt; Gij, die de hel-slang
3. Moe-der! gij ver-stoot mij niet; Hebt gij van ons uw
4. klinkt uw naam, zoo zoet, zoo groot: Wie weet niet dat gij
5. bid-dend bij uw feest-al - taar: Aan u die al - Ier
29
ÃHi
1. zoet, zoo groot, Is ons een troost in al - len nood, Is
2. hebt ver - plet. Gij zijt het, die door uw ge - bed, Ma-
3. naam ver - staan. Gij ziet ons uit den he - mei aan. En
4. 't kind aan-schouwt, Dat op uw moe-der-naam ver-trouwt, Naast
5. Moe - der zijt, Wier zee-te naam ons hart ver - blij dt. Zij
6
| ||||||||||||||||||||
|
1. ons een kracht tot in den dood. Tusschensjiel, 2. ri ⢠a! u - we kind'- ren redt. 3. on - ge - troost laat ge' ons niet gaan. 4. God op u zijn ho - pe bouwt. 5. dit ons dank-baar lied ge - wijd. |
19. DE VIJFTIEN GEHEIMEN VAN DEN ROZENKRANS.
I.
De vijf Blijde Geheimen.
Gesangbuch v. Leisentritt, 1584.
Een kleine terts lager, in a.
Eenigen. Allen.
Ã
|
Wij |
groe - |
ten u 0 rei - ne |
Maagd! |
! 0 |
Ko |
- ning in, |
0 | |
|
I. |
Ge ont-vingt in u des Va ders |
Zoon, |
O |
Ko |
- ning in. |
0 | ||
|
2. |
Gij |
gingt |
een lan-gen weg te |
voet, |
0 |
Ko |
- ning in, |
0 |
|
3- |
Gij |
hebt |
den Red der de - zer |
aard'. |
0 |
Ko |
- ning in. |
0 |
|
4. |
Oot - |
moe ⢠|
dig naar Gods huis ge |
- gaan. |
0 |
Ko |
- ning in. |
0 |
|
5. |
Drie |
da - |
gen trokt gij zoe-kend rond, |
0 |
Ko |
- ning in. |
0 | |
Alh
Eenigen.
'en.
ii
Ko-ning in ! Gij die uw' Scliep - per hebt be - haagd, O
1. Ko-ning in! Hij daal-dequot;quot;in u van 's he - mels troon, O
2. Koningin! En hebt uw blij - de Nicht be ⢠groet, O
3. Ko-ningin! Te Beth'- lem in een stal ge - baard, O
4. Ko-ning in! Boodt gij uw Zoon ten of - fer aan, O
5. Ko-ningin! Eer gij uw Je - sus we - der - vondt, O
Ko - r.ing ⢠in Ma - ri ⢠a! Tusschenspel.
Ring â
1. Ko ⢠ning - in Ma - ri - al
2. Ko - ning - in Ma - ri - a!
3. Ko - ning - in Ma - ri - a !
4. Ko - ning - in Ma â ri - a!
5. Ko - ning - in Ma ⢠ri - a !
van smart! -Ie - wee : - te - ring: en hoon: door - boord ! -te - ling: Eenigen,
II.
Se vijf Droevige Geheimen.
Eenigen. Corner's Gesangbuch 1631,
|
fol pijn nieuw mar | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Allen. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ââ Cââ | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3i
|
.2^.â ri - | |
|
I. ri - |
--al |
|
2. ri - |
- - a! |
|
3. ri - ⢠|
--al |
|
4. n - â |
--al |
|
5. ri - |
- - a! |
|
Allen. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
S==i=iiig=il
ri - - - a! Tusschenspel.
III.
De vijf Glorierijke Geheimen.
|
Een toon hooger, in d. Kenigen. -Sr- |
Dillingei Gesangbuch. 1675. Allen. 31=^=1 |
die lan - ge smart, O
des le - vens Heer, O
zijn heer - lijk - heid, O
op aard' ge - daald, O
een En - gel - rij, O
de glo - rie-kroon, O Eenigen.
Ã
Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in
o Ko - ning - in! Ver - rukt de
o Ko - ning - in! Ma - ri - a
o Ko - ning - in! Waar Hij een
o Ko - ning - in! Die met zijn
o Ko - ning - in ! En jui - chend
o Ko - ning - in ! Nu heerscht gij
Ver - heug u!
1. Ver - re - zen
2. Uw Zoon ging
na is in
3. Toen is zijn Geest
4. Uw Zoon zendt u
5. Uw Zoon geeft u
|
mmmm vreugd uw Moe - der hart, O 1. ziet haar Je - sus weer O 2. plaats ons toe - - be - reidt, O 3. licht Gods Kerk be - straalt, O 4. voert ze' u aan zijn zij', O 5. op uw he - - mei-troon, O |
Allen. 1« ^ , â -ö Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in â¢âI Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma- |
8
|
1 | ||
|
n - - |
- a! | |
|
I. |
n - - |
- a ! |
|
2. |
n - - |
- a! |
|
3- |
n - - |
- a! |
|
4. |
n - - |
- a! |
|
5. |
n - - |
- a! |
iüi
- - a! 7zisschensjiel.
IV.
Gebed.
Mohr. Cauiate no. 1. Allen.
Eenigen.
iamp;E-
1. O Gij! uw glo - rie in - ge - gaan, O
2. Bid voor de Kerk, voor Je - sus' Bruid, O
3. Bid voor 't be - min - de Hoofd der Kerk, O
4. Bid, dat uw Zoon de Her-der-schaar. O
5. Bid, dat hun kud - de tot hun vreugd, O
6. Bid, dat geen Chris - ten Vorst of Staat, O
7. Weer, Moe-der 1 al - le zon-de^en straf, O
8. Bid, bid voor ons in al - len nood, O
i ;S' ?
Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko ning in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in,
33
Allen. =t:l=
! Hoor 'tsmee-ken u - wer kind'- ren aan, O
Straal' zij - ne glo - rie in haar uit, O
Dat Je - sus hem ver ⢠lich-te' en sterk' O
In zijn ge-trou wen dienst be ⢠waar', O
Moog bloei - en, groei-en in de deugd, O
Aan 't heil van Kerk of zie - len schaad', O
Weer al - le gee - seis van ons af, O
En blijf ons bij tot in den dood, O
Eenigen.
1. Ko
2. Ko
3.K0
4. Ko
5. Ko
6. Ko
7 Ko-ning-m!
8 Ko-ning-in!
i-mng-in i-ning-in! ining-in 1 -ning-in!
o-nmg-in
3^=
£51
=1-
|
Ko - ning - in Ma ⢠ri Ko - ning - in Ma - ri Ko - ning - in Ma - ri Ko - ning - in Ma - ri Ko - ning ⢠in Ma - ri Ko - ning - in Ma - ri Ko - ning - in Ma - ri Ko - ning - in Ma - ri |
a! Tiisschmsjpel. a ! a! a I a I a I a! a I |
20. DE XV GEHEIMEN VAN DEN ROZENKEANS.
I.
De vijf Blijde Geheimen.
\V. P. II. Jansen. Pr.
Een toon hoog er, in cU Eenigen.
|
ïdiEEE oog Gods va - - der
|
relds Schep - per vids klei - ne ten of - fer de uw moe - der droeg, Is |
stad, Daar weêr In hart, Ma- ,---enânâ -t- sloeg de~aar - ga. Een ge - zant ge - hoord, Wat |
3
34
|
En |
- gel |
daalt |
met |
spoed |
âWees,quot; |
sprak hij. |
»o |
gü | |
|
I. |
's Hee |
- ren |
wil |
be - |
haagt: |
Of |
zij stemt |
m, |
- en |
|
2. |
tot |
haar |
Nicht |
ge - |
gaan, |
Om |
die - nend |
waar |
de |
|
3- |
baart |
zij |
t god |
lijk |
Kind, |
Dat |
mét haar |
t he - |
melsch |
|
4- |
Sa |
lems |
tem |
pel - |
steê : |
âLaat |
nu,quot; sprak |
Si |
me- |
|
5- |
n |
- a |
nu |
ge uw |
Kind, |
Zoo |
lang ge - |
zocht |
met |
|
Allen | ||||||
|
|
vol |
ge - na, Ma - ri - - a! |
wees |
- groet.quot; |
Ma- | ||
|
1. |
't eeu - |
wig Woord Nam 't vleesch aan |
uit |
de |
Maagd. |
Ma- |
|
2. |
nood |
het vroeg, Aan ha - re |
zij' |
te |
staan. |
Ma- |
|
heir |
aan - bad. En zij in |
doe - |
ken |
windt. |
Ma- | |
|
4- |
on, |
âo Heer! Uw die - naar |
gaan |
m |
vreè.quot; |
Ma- |
|
5- |
zoo - |
veel smart, In 's Hee - ren |
tem - |
pel |
vindt. |
Ma- |
|
â¢ttâ1--^âj-r~j~n---r~ _Tquot;^ | |||||||||
|
fM éi j é » i r j j |
â r | ||||||||
|
uw â¢â¢ ill - - - 1 | |||||||||
|
- a, |
Ko |
- ning |
in |
- ne! |
O |
Rij |
vol |
moe - der | |
|
i. r |
- a, |
Ko |
- ning |
in |
- ne! |
O |
s'i |
vol |
moe - der |
|
2 r |
- a. |
Ko |
- ning |
in |
- ne! |
O |
gij |
vol |
moe - der |
|
3- r |
- a, |
Ko |
- ning |
m |
- ne! |
O |
gij |
vol |
moe - der |
|
4- r |
- a, |
Ko |
- ning |
in |
- ne! |
o |
gij |
vol |
moe - der |
|
5- r |
- a, |
Ko |
- ning |
in |
- ne! |
o |
gij |
vol |
moe - der- |
|
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood. | |
|
i. |
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood, |
|
2. |
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood. |
|
3- |
min - |
ne, |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
â len |
nood. |
|
4- |
min - |
ne. |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood. |
|
5- |
min - |
ne. |
Sta |
ons |
bij |
in |
al |
- len |
nood, |
En - gel daalt met spoed: âWees,quot;
35
In In In In In In
i. 2.
3.
4.
5.
den den den den
den dood, Ma
den dood, Ma
dood, Ma
dood, Ma
dood, Ma
dood. Ma
? !r quot;- :!
a! Tusschenspel.
- n
- ri - a!
- ri - a!
- ri - a!
- ri - a I
- ri - a!
11.
De Vyf Droevige Geheimen.
Een toon hooger, in d. Een /gen
m
Wie is er, Moe - - der! die het meldt, Hoe
Gij zaagt den Heer, Geth - se - ma ⢠- né! Be-
Mijn Je - sus! ach, wat fol - te - ring!... 'k Zie
Nu mengt de moed - - wil pijn en hoon Wreed-
Mijn Je - sus sleept, be - dekt met bloed, Zijn
ZÃIZ
Hij sterft, aan't smart - - lijk kruis ge - hecht; Zijn
-TWZ
|
à : ⢠u het har - te brak, Toen droefd tot in den dood; Hoe die - pe wond bij wond, De aar - dig on ⢠der - een: Ruw kruis naar Gol - go - tha ; Wie Moe-der ziet het aan!... Ach, |
't zwaard door Si - me-'t Bloed, dat dequot;angst Hem strie - men van de vlecht de beul een on - zer draagt niet toen is 't zwaard, zoo Allen. |
|
on voor - speld, ü ze - ven -stor - ten deê, Op de^aar-de gee - se - ling, Die Gij voor door - nen kroon Om 's Hee - ren wel - ge - moed Voort-aan zijn lang voor - zegd, Diep door haar werf door - stak. Mane - der - - vloot. Ma-mij door - stondt. Ma-hoofd nog heen! Ma-kruis Hem na. Ma-ziel ge - gaan!... Ma- |
3amp;
|
i | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
m
Sta Sta Sta Sta Sta Sta
bij bij bij bij bij bij
min min min min min min
ne, ne, ne, ne, ne, ne,
ons ons ons ons ons ons
i. 2.
3-
4-
5-
in in
in in
al - ïen nood,
al - len nood,
al - len nood,
al - len nood,
al - len nood,
al - len nood,
In den dood. Ma - ri - a I
In den dood. Ma ⢠ri - a!
In den dood. Ma - ri - a!
In den dood, Ma ⢠ri - a!
In den dood. Ma - ri - a!
In den dood. Ma - ri - a!
Ã
TusschensJgt;el.
III.
Dé Vijf Glorierijke Geheimen.
Een toon hooger, in d. Eenigen.
|
Juich, Moe - der! juich, De Heer, de Heer Daar klimt Hij door Hij zendt hun d' af -Toen gij, o Maagd! Daar werdt gij door i. 2. 3. 4. 5. |
uw Zoon re - geert In is op - ge - - staan, En de ster - ren - baan. Een - ge ⢠be - den Geest, Die van lief - de stierft, Schonk uw ei - gen Zoon Ge- |
37
m
op - per - heer-schap - pij: Uw droef-heid is in
1. leeft nu voor al - - tijd! O dood! gij jaagt geen
2. Eng' - len ⢠paar daalt neêr, En kon -digt d' elf a-
3. licht en krach-ten geeft; De'a - post' - len lui - gen't
4. Hij u 't rijks - ge - bied, Dat ge in uw mart' - laar-
n|=;£:
5. kroond tot Ko - ning - in, En schit-tert naast zijn
|
Allen. | ||||||||
| ||||||||
|
vreugd |
ver |
keerd, |
Gij heerscht |
nu |
aan |
rijn |
zij'. |
Ma- | |
|
1. |
vrees |
meer |
aan : |
Uw prik - |
kei |
g'ngt |
gy |
kwijt. |
Ma- |
|
2. |
post' |
len |
aan : |
âZoo keert |
Hij |
een - |
maal |
weêr,quot; |
Ma- |
|
V |
on - |
be - |
vreesd, |
Dat Je - |
sus |
we |
der |
leeft. |
Ma- |
|
4- |
schap |
ver |
wierft. |
En thans |
met |
Hem |
ge |
- niet. |
Ma- |
|
s- |
glo - |
ne |
- troon, |
Voor u - |
we |
moe |
- der |
- mm. |
Ma- |
|
i | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
i
|
min |
* ne, |
Sta |
ons |
bij |
al |
len |
nood, | |
|
I. |
min |
Sta |
ons |
bij |
al |
len |
nood, | |
|
2. |
min |
Sta |
ons |
bij |
al |
len |
nood | |
|
3- |
min |
- ne, |
Sta |
ons |
bij |
al |
len |
nood |
|
4. |
min |
â ne» |
Sla |
ons |
bij |
al |
len |
nood |
|
5. |
min |
Sta |
ons |
bij |
al |
len |
nood |
38
ii==EsJ
0-
tz
den dood, Ma
den dood, Ma
den dood, Ma
den dood, Ma
den dood, Ma
den dood. Ma
In
1. In
2. In
a I Tu5schensJgt;el.
a I a! a! a!
In In
5. In
21. AVE MARIS STELLA.
BIJ ALLE FEESTGELEGENHEDEN.
Mainzer Cantional 1762.
iüüi
1.
2.
3-
4-
s-6.
7.
Wat Wil O Der
Ver Zij
Maag - den leen een God den
Ster - re van het meer! Ver-
el u heeft ver - kond, Neem
zon - daars van hun boei ont ⢠slaan, Breng
toon ons, dat gij Moe - der zijt, Dat
zon - der - lin - ge bloera, Zacht-
rei - ne le - vens - baan, Be-
Va - der lot' en eer. Met
Ga - bri
Ge - groet gij,
ii
-V-r«
-Nc«-
amp;h
P:
1. he - ven Moe - der van den Heer, En al - toos
2. 't A - ve van zijn eng' - len - mond ; Keer £ - va's
3. voor de blin - den 't heil - licht aan, Ver - drijf ons
4. Hij, die zich uw Zoon be ⢠- lijdt, Door u eens
5. moe ⢠di - ⢠ge! der zach - ten
6. vei - lig 't pad waar - - op we
7. Chris - tus, d' al - Ier - - hoog - sten
roem, Ik bid, dat gaan. Op - dat wij, Heer; Zij de^ei-geiv
39
=t==
Maagd; gij, He - mei - poort! Die ons't ver - - bei - de naam ten ze - gen - groet, Dat ge' ons in vre - de kwaad met al - le straf, Smeek al het tot ons heil ge - baard, Door u ook
ge' on - ze schuld-boei slaakt, Zacht - moe - dig
Je - sus ziend', ver - heugd Te zaam steeds
1. heil be - schoort. Tusschrnspil.
2. vest en hoedt.
3. voor ons af.
4. bed aan - vaard'.
5. zui - ver maakt.
6. in zijn vreugd.
7. eeu - wig - heid.
22. AVE REGINA COELORUM.
Een toon lager, in bes. Eenigen.
1. Ge - groet, o He-mel - ko - ning - in!
2. Heil u, o spruit! o zaal' - ge schoot!
3. Wees, glo-rie - rij - ke Maagd! \-er - blijd,
4. Ge - groet, o gij, zoo vol van eer!
:C-
i. 2.
3-
4-
5-6.
7-
de
geen chen
goe â ons ons jui -
den Geest be - reid, Den Drie éé - ne eer
in
Jubilate no. 69. Allen.
A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a.
4°
1^1
Allen,
-S'
Eenigen.
Pâ-JE
t:
1. Ge - groet, der En - ge - len vor-stin!
2. Waar - uit der we-reld 't licht ont-sproot.
3. Die on - der al - len 't schoon - ste zijt.
A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a.
4. En bid voor ons bij God den Heer.
23. REGINA COELI.
|
Een toon lager, in bes. Eenijen. |
Zangwijze als no. 22. Allen. |
|
1. Ver - blijd u,'s he-mels Ko - ning - in! 2. Stond, naar zijn woord, weer op uit 't graf, 3. De Heer ver-rees: o wees ver-blijd, Eenigen. i 1. Want dien gij droegt vol moe - der - min, 2. Bid God ge - nb, - de voor ons af. 3. Ma - ri - a! die zijn Moe - der zijt. |
Al - le - lu - ja! Al - le - lu - ja! Al - le - lu â¢ja! Allen. i Al - le - lu - ja! Al - le - lu - ja! Al - le - lu - ja I |
24. ALMA REDEMPTORIS MATER.
Zangwijze als no. 22.
Een toon lager in bes Eenigen.
Ver - he - ven moe-der! uit wier schoot O-ra pro no bis.
Gij, He-mel-poort! die o - - pen staat, O ra pro no-bis.
Breng 't val-lend voll^dat op wil staan, O-ra pro no bis.
Die, waar na - tuur ver - baasd op staart, O-ra pro no-bis.
Gij, Maagd, zoo vóór als na dien stond, O-ra pro 'no-bis.
En zie, o Moe-der van den Heer! O-ra pro no-bis.
Allen.
41
1. Ons al - Ier Za - lig - ma - ker sproot;
2. Gij, Zee-ster die ons niet ver - laat, 3 Breng gij het u - wen bij - stand aan,
4. Uw heil'-gen Schepper hebt ge - baard;
5. Neem 'tA-ve van des En - gels mond,
6. Ont â fer-mend op ons, zon - daars, neêr.
25. SALVE REGINA.
W. P. H. Jansen, Pr.
Wees ge - groet, o Ko - ning - in - ne ! Moe - der,
't Is tot u dan, dat wij vluch-ten, On - der
O dan nu, wü voor ons spre - ken, 't Goe - dig
En na dit ons bal-lings - le - ven, Toon ons
O dan Moe - der vol ont ⢠fer â ming. Toon ons
-â¢--
z\z~
âF--
gij vol tra - nen oog slaan Je - sus, kind' - ren.
teed' - re min - ne, Gij ons Ie - ven,
en veel zuch - ten, Tot u rijst ons
op ons smee - ken, Gij, die al - tijd
hoog - ver- - he - ven, Heil' - ge vrucht van
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no bis.
O-ra pro no bis.
O-ra pro no-bis.
O-ra pro no-bis.
uw be - scher -ming, O gij Maagd! zoo
i
|
1. hoop, zoo zoet, 2. klaag - ge - schal 3. voor ons pleit, 4. u - wen schoot, 5. vroom, zoo zoet, |
Wees, Ma - ri - - a! wees ge- In dit aard - sche tra - nen- Moe - der van barm - har - tig- Toon hem ons bij on - zen ' wees ge- Wees, Ma - ri - a! |
42
ii
a! Tusschenspel.
|
I. |
groet; |
Bid |
voor |
ons, |
Ma - ri |
a! |
|
2. |
dal; |
Bid |
voor |
ons. |
Ma - ri |
a! |
|
V |
heid! |
Bid |
voor |
ons. |
Ma - ri |
a ! |
|
4. |
dood; |
Bid |
voor |
ons. |
Ma - ri |
a! |
|
5- |
groet; |
Bid |
voor |
ons, |
Ma - ri |
a! |
26. MEIMAANDZANG.
C. Jaspers.
|
Een kleine terts lage?', in a. | ||||||||||
| ||||||||||
|
1. Weêr in jeug - dig, maagd'-lijk le - ven Prijkt de^ont- 2. In de heil - ge tem - pel - ko - ren Biedt zij 5. Maar die bloe -men, hoe zij pra - len In de 4. O dat bij dit nieu - we le - ven, Vlek - ke- |
=t=c-r^r-
lo - ken moe - der-aard'; Met
d'eer - sten bruids - tooi aan : Met fris sche feest - gier-land; Maar die lich - ten, hoe zij
loo - ze He - mei-bruid! Mij een lief - de werd ge'
--P-*â^-rââ----â----1â--âs---â!
^^3=!=^ââri~*â
1. zwe - ven, Met de schat - ten die zij baart, Met haar
2. bo - ren. Die ge in 't loo - ver - groen ziet staan En in
3. stra â len In de geur' - ge lust - wa - rand: 't Kan bij
4. ge - ven. Als uw maagd'-lijk hart om - sluit: Rein zou
ü
u t-y-
-T-
-O-
tr-
1.
2.
3-
4-
de geu - ren, die er die Moe - der, rein ge-
43
Mü
=t:-
tpâpâ_
|
1. zang en zon - - ne 2. maag -den - lich - ten 3.'t maagd'lijk hait niet |
4. 't Mei - lied tot u dre - ven, Schijnt zij E - dens glo ⢠ren, Is het heil ons ha - len, Dat van heil' - ge zwe-ven Met der Eng'-len |
len - - te ⢠gaard. Tit:scliensjgt;el. op - - ge - gaan.
lief - de brandt.
harp - ge - luid.
27. MEIMAANDLIED.
|
Ileu - veis, bos - schen, veld en da -Beek - jes! met het zacht ge-kla -Zingt de Moe - der, Ko - ning-in -Ou ⢠der Ju ⢠da's maag-den - tal -Zij, van eeu - wig uit - ver - ko -'t On - be - vlekt Ont - van - gen Ie -Nu, in 's he - mels wij - de za -Aar ⢠dé~en he - mei! zingt de Moe len, Vloe-den! wilt den ter Van uw zil - ver-ne, Zingt de Maagd en len Was zij ned'-rig ren Zal van wond'ren ven Heeft zij vlek-loos len. Spreidt zij ha - re der Vaa uw Schep-per |
lof her - ha ⢠len, En den luis - ter niet te ma - len hel - der wa - ter, Vo - gel ⢠koor! met zoet ge-scha - ter, Rijks-vor-stin - - ne, Zingt de trou - we Kruis-hel-din - ne, bo - ven al - len, En met eind'-loos wel - ge - val - len, luis - ter glo ⢠ren, Haar is 't moe - der - schap be-scho - ren weêr - ge - ge - ven. En door al - le deugd ver - he - ven: glo-rie - stra - len, Wat kan bij de Moe - der ha - len, en Be - hoe - der. Mijn Ver - los - ser en mijn Broe - der,
44
1. Dien Ma - ri - a's naam om ⢠sluit. TusschtnsJgt;el,
2. Roept Ma - ri - a's glo - rie uit.
3. Die haar Kind ten of - fer gaf.
4. Zag God op Ma - ri - a af.
5. Van Gods Ãén - ge - bo - ren Zoon.
6. Naar haar of - fer is haar loon.
7. Wie een Zoon, die God is, kroont?
8. Zingt de glo - rie waar re~in troont!
28. AVONDGROET AAN MARIA.
Melodie uit de i6e eeuw.
1. Ma - ri-a's beeld, te mid - den Van vroo - lijk flikk'-rend
2. Komt, nóg een kin - der - be - de Ma ⢠ri - a toe - ge-
3. Wij bid - den u te ga - der Bij 't ein - de van deez'
4. Be-vei-lig u - we kind'- ren, O Moe-der! de-zen
1. licht, Het noodt ons, hier te bid - - den. Bij't
2. bracht! En dan in 's Hee - ren vre - - - de Den
3. dag: Vraag, Moe-der! on - zen Va - â der, Wiens
4. nacht; Dan zal geen kwaad ons hind' - - ren, Dan
|
r y ff----1-7=!--- | ||||||||
|
m _i li | ||||||||
|
1 I | ||||||||
|
rUU 1 ⢠J J â | ||||||||
|
I. |
al - |
taar, |
haar |
ge - |
sticht. |
Komt |
Iaat |
ons tot haar |
|
2. |
slaap |
weêr |
in - |
ge - |
wacht |
Ge - |
rust |
en wel te |
|
3. |
wa - |
kend |
oog |
ons |
zag, |
Dat |
Hij |
ons kwaad ver- |
|
4- |
is |
ons |
sla - |
pen |
zacht; |
Dan |
ziet |
ge ons mor-gen |
45
-» â¢
1. ij - len, Lof - zin - gend daar ver-wij - len, Ma - ri - a. Ma-
2. moe - de, Ver - trou - wend op haar hoe - de, Ma - ri - a, Ma-
3. schoo - ne, Het goe- demons een-maal loo - ne. Ma - ri - a, Ma-
4. we - der, O Moe - der, goed en tee - der! Ma - ri â a. Ma-
6
-tâ«z
i
-t
1. ri - a, Moe - der! ze - gen ons. TiisschensJgt;cl.
2. ri - a, Moe - der! ze - gen ons.
3. ri ⢠a, Moe - der! bid voor ons.
4. ri - a, Moe - der ! wees ge - groet.
29. AVONDZANG.
W. P. H. Jansen, Pr.
-»ââ3-
C--L: â'1
1. Min ⢠lijk - lich-tend van den hoo-gen, Diep in't blauw van
2. Dooft de vreug-de - zon haar stra-len, Zien wij d'a-vond 3-
Zal het laat -ste licht ons stra - len,'s Le-vens a - vond
-t-
1.'she-mels bo - gen, Ziet gij als met me - de - doo - gen
2. om ons da - len. Gij ge-doogt niet, dat wij dwa - len
3. voor ons da - len,'t Bre - kend oog in nacht gaan dwa-len:
46
i. al -tijd ne - der, Of'teen blik is, zoet en tee - der, 2* pel-grims - le ⢠ven, Van den lij - dens - nacht om - ge - ven, 3. vol ver-schrikken, Wil ons, Moe-der! met irvr blik-ken,
i
1. Dien een Moe-der al - tijd we - der Op ons kin - der-
2. Als een straal, die uit komt /we - ven Van Ma - ri - a's
3. Vol van liefdeken licht, ver -kwik- ken : Wenk ons, tot u
8
1. tal laat gaan. Tusschenséel
2. aan - ge - zicht.
3. op te gaan!
30. HET LIEVE-VROUWE-BEELD.
Strassburg: Gesangbuch 1789.
1. 't Moe - der - godsbeeld trekt de blik-ken Van der vrou-wen
2. Met het Kind- jen op ha - re~ar-mer, Ziet zij ons zoo
3. Met de bloe-sems op de koo - nen, Na-dert haar'tver-
4. Wat er in dien blik mag stra - len Van't on-schul - dig
5. Lang ligt zij daar neêr - ge - bo - gen, Ziet het Kind, de
1. vroom ge - slacht; Wie ook vond er geen ver-kwik - ken
2. min - lijk aan: Neen, die Moe - der van er-bar - men
3. la - ten kind: âWil,quot; zoo bidt zij, â't wees-je too - nen,
4. maag - de - lijn, 't Is met woor - den niet te ma - len:
5. Moe - dér aan: âLeid mij,quot; zucht zij diep be-wo - gen.
it-
47
8
| ||||||
|
1. In de be - den daar ge - bracht. Tusschenspel, 2. Liet niet on - ge - troost ons gaan. 3. âDat ze^in 11 een Moe - der vindt.quot; . 4. 't Moet een teed' - re be - de zijn. 5. âOp een veil' - ge le - vens - baan.quot; |
sa
6. op 't ge - laat: Wis - selt blik - ken lang en tee - der,
7. in de hand, Gind - sche vrou - we, die daar he - den
8. we - duw-vrouw: Tra - nen stroo-men van haar wan - gen
9. hulp ver - beid; Ook Ma - ri - a heeft ge - le - den 10. trekt gij aan: Moe-der! wie op u ver-trou-we
8
3SE
m:9
6. Die een moe - der slechts ver ⢠staat. Tusschensjpel,
7.'t Dankbaar moe - der - of - fer brandt.
8. Troost hier zoekt zij in haar rouw.
9. Een -zaam aan het graf ge-schreid !, . . 10. Zal niet troost'-loos van u gaan.
48
31. HET H. HUISGEZIN: JESUS, MARIA, JOSEF.
|
Eenigen. Seraph: Lustgarten 1635. gewijzigd. | ||||||||
| ||||||||
|
1. U, Jo - sef! wijd ik mij - nen zang, Ma - ri - a zing ik 2. Was ooit ge - zin zoo goed en groot, En te-vens in zoo 3. Was ooit ge - zin op heel de-ze' aard'Zoo hei-lig, zoo ver- 4. Was ooit op aar-dequot;een huis - ge - zin, Zoo mild, zoo vol van |
h
w
1. Ie - vens-Iang; U Je - sus! mij - nen God en Heer, Ge-
2. diep een nood. Als 't al - Ier - hei - ligst Huis-ge - zin ? Dat
3. ee ⢠rens-waard? Het hoofd ge - bo - gen in het stof. Zing
4. men - schen - min ? Ik werp mij dan, mijn God en Heer! Voor
i
Allen. â -»*-
k
I
1. ve' aar - de~en he - mei eind' - loos eer. O
2. stort ons troost bij 'tlij - den in. O
3. ik dit Hei ⢠lig Drie - tal lof. O
Hei-lig Huis-ge-Hei-!ig Huis-ge-Hei lig Huis-ge-Hei-lig Huis-ge-
4. U ten dank-baar of - - fer neêr. O
m
|
1. zin! Ik 2. zin ! Ik 3. zin l Ik 4. zin! Ik |
eer er Jo - sef in ; eer er Jo - sef in ; eer er Jo -sef in ; eer er Jo -sef in ; |
Ik eer Ma - ri Ik eer. Ma - ri Ik eer Ma - ri |
Ik eer Ma - ri a, Moe- der-a, Moe- der-a, Moe- der-a, Moe- der- |
i
|
1. |
maagd, |
Ik |
aan |
- bid |
uw |
Kind, |
Dat |
ons |
teêr be-mint, |
En |
|
2. |
maagd, |
Ik |
aan |
- bid |
uw |
Kind, |
Dat |
ons |
teêr be-mint. |
En |
|
3- |
maagd. |
Ik |
aan |
- bid |
uw |
Kind, |
Dat |
ons |
teêr be-mint^ |
En |
|
4. |
maagd. |
Ik |
aan |
- bid |
uw |
Kind, |
Dat |
ons |
teêr be-mint. |
En |
49
3i=Nii=
Tusschemjiel.
we - der - lief - de vraagt,
we - der - lief - de vraagt,
we - der - lief - de vraagt,
we - der - lief - de vraagt.
Een toon lager, in bes.
3
32. MARIA, TOEVLUCHT DER ZONDAREN.
Herold's Gebangbuch 1808.
2EE£
Groo - te Ko-ning-in der heem'-len! Hoog ge - ze - ten Wie heeft im - mer u ge - be - den, En is troost-loos Zij, ja! heeft voor u ge - spro - ken, Zij, zij heeft uw Gij, die u-we^on - tel - b're zon - den Klimmen deedt met Werp u, zon-daar! in ha - re^ar-men; Zij, uw toe - vlucht
| ||||
|
1. op uw troon, waar on - tel - bare^Eng'-len weem'-len 2. heen - ge-gaan? Wie ver - eer - de^u hier-be - ne - den, 3. ziel ge - red; Ligt uw sla - ven - juk ver - bro - ken, 4. dag en uur, Eeu - wig waart gij reed? ver - slon -den 5. bij den Heer, Zij, een Moe - der vol er - bar-men, |
|
--»-5---- |
---1---1â |
â,--r*!--1ââ1 | |||||||||
|
A l* 1 1 P |
â*â |
â1â |
-.w |
â»- | |||||||
|
1 iij | |||||||||||
|
I. |
Voor |
het |
aan |
schijn |
van |
uw |
Zoon |
Laat |
ons |
't eer |
- ge- |
|
2. |
En |
gu |
hoor |
- det |
hem |
niet |
aan ? |
Vro- |
men |
wilt |
het |
|
3. |
Zon - |
daar! |
't is |
door |
haar |
ge quot; |
bed. |
Nim- |
mer, |
neen |
! heeft |
|
4- |
Door |
het |
wre |
- kend |
hel |
- Ie - |
vuur: |
Maar |
uw |
Moe |
- der |
|
5. |
Ziet |
goed |
â gun |
- stig |
op |
u |
neêr. |
Kunt |
gij |
nog |
haar |
4
5°
3=f3=g=Ãl
|
t. stoel - te na 2. lui - de tui 3 ze^af - ge - we |
4 bleef nog spre 5. hulp ver - sma ken, Waar u 'teen - wig lof-lied rijst; gen, Van uw wieg door haar be ⢠waakt; zen Wie bij haar zijn toe-vlucht zocht; ken, Keerde^uw na - de ⢠ren - de straf: den, Die zij tel - kens u weer biedt? |
1. Laat ons hart de zoet -heid sma - ken, Dat het ook uw
2. Wilt uw dank-b're knie - ën bui - gen, Zondaars! door haar
3. Hoe-veel be - den tot haar re - zen,'t Blonk te meer wat
4. Wil dan om haar voorspraak smee-ken, En ge - na daalt
5. Zon - daar, zon - daar! laat u ra - den, En ver - stoot haar
1. lief ⢠de prijst. Tusschenspel.
2. vrij - ge - maakt.
3. zij ver - mocht.
4. op u af
5. lief - de niet.
6. Wil haar droe - ve klach-ten hoo - ren, Hoe zij min - lijk
7. Was die troost mij bij - ge - ble - ven : Dat zijn dood het
8. Zóó, vol tee - der me - de - doo - gen, Zóó, met u - we
9. Moe-der ! ja, 'k wil de' u- we we-zen, 'k Heb ge - zegd en
|
quot;V-----1--iT | |||||||
|
rnH- ' â^ J i |
--i * | ||||||
|
* 4- |
t- |
^---y-1-- | |||||
|
6. |
tot |
u spreekt |
âKind! zult |
sii |
mij 't hart door - bo - |
ren, | |
|
7- |
heil |
ver-wierf. |
Gij wilt |
mij |
dien troost niet ge - |
ven. | |
|
8. |
ziel |
be - gaan, |
Zóó, roet |
lief |
⢠de |
stra - len-de 00 |
gen, |
|
9- |
keer |
nu weêr; |
Doet mijn |
zon |
- den |
- tal mij vree - |
zen, |
51
zi--»*'â*1
6. Dat voor lang van wee - dom breekt?'t Zwaard ging door de
7. Zoo Hij vrucht-loos voor u stierf; Hoor dan, zon daar!
8. Spreekt u u - we Moe - der aan. Zal die taal uw
9. Gij be - veelt mij aan den Heer. Zie hier ben ik^
6. ziel mij he - nen, Toen ik on - der't kruis-hout stond,
7. hoor mijn smee - ken: O keer we - der tot uw Heer!
8. hart niet win - nen, Dat ge^uw zon - dig le - ven haat:
9. diep mis - da - dig, Maar ver -mor-zeld van be-rouw:
6. En mijn ster - vend Kind zag wee - nen, Gansch van hoofd tot
7. 'k Zal als Moe - der voor u spre- ken, Hij dan wordt uw
8. En ge^uw' Je - sus gaat be - min-nen, En Hem nim-mer-
9. Ach ! maak mij uw Zoon ge - na - dig. Hem nu zweer ik
LSÃ
6. voet door-wond. Tusschensjiel.
7. Va - der weêr.quot; â
8. meer ver - Iaat ? ...
9. eeu-wig trouw.
33. MARIA WEES GEGROET.
W. P. H. Jansen, Pr.
|
Allen. | ||||||||
| ||||||||
|
Ma - ri - a! wees ge - groet, Ma - ri - a! wees ge- |
52
Twee.
-j-.
1 r p.#. F r |
^ O l
1. Ge - - groet een twee - - de maal, Nog
2. Ge - - groet on - - ein â dig - maal, Door
3. Van el - - ken Se - - ra - fijn, Van
4. Van heel hel Eng' - len - koor, Het
5. En met het he - - mei - hof, Paar*
ii
groet. lt;
1. dui - zend dui - zend maal. 1
2. al - - le tong en taal. /
3. el - ken Che - ru - bijn. gt; Ma - ri - a ! wees ge- groet, Ma-
4. klink' den he - mei door: l
5. heel de-ze^aard'haar lof: ]
|
ri - |
a! wees |
ge - |
groet. | ||||
|
Twee | |||||||
|
iïh r |
-1- |
_4â |
1 â -0--- |
âJât |
J | ||
|
m- |
-tfJ |
1 |
1 |
r' |
» | ||
|
1/ |
LJ |
gt;â |
1 | ||||
|
6. |
En |
al |
haar |
stem - |
- ge - |
luid |
Roe- |
|
7. |
Van |
al |
- - le |
stroom |
ge quot; |
bied, |
W eer- |
|
8. |
De |
wij |
- de |
we - |
reld - |
zee |
Her- |
|
9- |
Met |
al |
dat |
lof - |
ge - |
zang, |
Roep |
|
10. |
Roep |
ik |
m |
al - |
len |
nood, |
In 't |
|
II. |
Dan |
eens |
in |
'she - |
mels |
woon. |
Juich |
53
1 , , Allen.
'â¢1 11
_ I/ 1
6. pe on-ver - poosd het uit: ]
7. klink' het zoe - te lied ; j
8. haal van reê tot reê: ( ^
^ 1 , gt; Ma-n-a wees ge-groet, Ma-
9. ik mijn le - ven lang: / amp; b j
10. uur nog van mijn dood: \
11. ik na - bij uw troon: ]
ri - a! wees ge - groet.
34. O MOEDER GODS.
gebed om troost en volharding.
|
Een toon lager, in bes. i 1. O Moe - der Gods, o 2. Wij smee - ken u, laat 3. Ach, ver - - re van ons 4. O gij dan troost in 5. Gij weet het toch, hoe |
W. P. H. Jansen, Pr. -tâtââ: rein - ste Maagd! Naar uit het licht, Waar-va - der - land, Zijn al - - len nood! Wil Sa - tan woedt. En iti |
m
Zö-
|
1.'t voor-beeld on - zer vad' 2. in wij u zien stra â 3. wij hier ban - ne - - lin - 4. on - zer u er - - bar - 5. briescht om on - ze sclire - ren, - len, ⢠gen. ⢠men! |
Zoo ko - men Een troost - blik En zien ge- O Moe - der. - - den; Maar, als wel- |
54 ,
If
1. wij, daar 't u be - haagt, Uw' ze - tel bid - dend
2. van uw aan - ge â zicht Op u - we kind'-ren
3. staag, van al - len kant, Den vij - and ons be-
4. die geen kind ver - stoot, Wij vluch - ten in u-
5. eer, zal hem uw voet Den hel - schen kop ver-
mwmwMmmi
T. nacT â - - - ren. Tusschensprl.
2. da - - â - len.
3. sprin ----gen.
4. we ar â - - men.
5. tre - - - - - den.
3P
6. De we - reld tergt, ver - lokt en vleit, Dat
7. Diep in mij zelf, en zwaar ge - wond, Draag
8. O Moe - der dan! vraag van uw Zoon, Ons
9. O Moe - der dan! o vraag, dat wij In
ii
ifMMÃ
6. zij mijn lief - de win - - - ne; Ach! dat zij
7. ik mijn vij - and me - - - de; Het vleesch be-
8. dag aan dag te ster - - - ken, Dat wij, het
9. Je - sus' lief - de ster â - ven. En in dat
,_pa-
I
=|-:
=3:
rj;
6. nooit
7. dreigt
8. oog
9. uur:
mij op sta
eeu -wig heil be-wij ge - nA ver-
kind ver - leid', En 'k Je - sus trouw betel â ken stond, Hoe zei - den smaak ik 't he - melsch loon, Ons dan ons bij, Dat
55
ÃÃ
6. min ----- ne. TusschensJgt;el.
7. vre ----- de !
8. wer ----- ken.
9. wer - â - - ven.
35. LIEFDE TOT MARIA.
M. ). A. Lans, Pr.
isi
- t-w--i/-------*--
|
Ja! 'k voel in mij Neen, 'k zoek geen heil Komt 's we-relds glans, Of als ik zucht 1. 2. 3. 4. 5. |
Ma - ri - a's lief - de le - ven, 't Is in ijd'- le schijn-ver - ma - ken, In of vlei - taal mij be - ko - ren, Lokt bij droe - ve jam - mer-sla - gen, En Wat dan ver-kee-re in 's le-vens wis - sel-krin-gen, 't Zij |
ifrjctâ
1. mij zoo zoet, te zin-gen van haar lof; O kon ik haar zoo
2. wuft ge - not, ge - lijk de we - reltl biedt; Mag ik hier slechts Ma-
3. zij mij aan met haar betoov'-rend goed; Dan rui-sche mij Ma-
4. stil mijn leed in'twee-nend hart om-sluit, Een Moe-der heb ik
If!
5. 't vluch-tend uur mij vreugd of lij - den bied': Het blij ft mij zoet, Ma-
ife
groot een glo - rie ge - ven, Als de^Eng'- len - schaar in 't ri - a's lief - de sma - ken, 'k Ben rijk ge - noeg, o rl - a's naam in de^oo-ren, Die lief - - de - klank is die haar kind hoort kla - gen, Ik spreek haar naam, en ri - a's lof te zin-gen, Wel - za - - lig hij, die
56
-v
1. rei - ne he - mei - hof. TusschenspeL
2. meer ver - lang ik niet.
3. bo - ven al - les zoet!
4. al mijn smart heeft uit.
5. ha - re gunst ge - niet!
36. LIEFDEGROET AAN DE H. MAAGD EN MOEDER GODS.
Melodie uit de 15° eeuw.
|
Een toon hoog er, in d. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
t. wie ons 't heil-Iicht is ge-daagtl; Wij
2. he - mei - geur, der maag-den roem! Als
3. 't eeu- wig Woord is neêr - ge-daald, Die
4. wat er op-stond uit
5. Moe - der - beè aan God
6. komst heel denaarde heeft
7. ons ten eind' toe heeft
8.
u op
- lijn, zoo Geest de waar- heid
- win- nend kin - der-smar - te-
- lij - ke
den nacht, Heeft be- haagt; Die ver heugd, Ont - ' be - mind. Dat
groe - ten kris - tal door zijn ooit de al - ver ,'ang uit in den
schitt'-rend in den zon - ne - gloor, Door god - de
57
m
Moe - der van Gods een' - gen Zoon! Ttts-smet - te - loo - ze heil - fon-tein ! schenspel. Kerk steeds tri - om feert.
blijft haar god - lijk Hoofd I trou - we toe-vlucht zijt.
on - zen lief - de-groet.
laat - ste bloed ver-goot. wa - penmacht voor zwicht.
-1-
9. Gij, Ar â kc van het Nieuw Ver - bond! Op
10. O He - -mei - poor - te! rijk en schoon, Door
11. O Mor - gen - ster - re! lief - - lijk zacht, Na
12. Gij, Toe - vlucht der ver - lo - - ren ziel! Die
13. O Hulp van 't Chris - te - lijk ge - - zin, Gij
14. Hoor, Moe - der! met ons lot be--gaan, Hoor
15. Ge-groet Gods Doch - ter, op uw troon! Gij
1. u - wen troon, O
2. schitterend rein, O
3. waar-heid leert! En in zijn
4. haar ont-roofd, Want Je - sus
5. in den strijd, Der Kerk een
6. lijk ge-moed, O Moe-der!
7. lijk- sten dood Voor ons zijn
8. hand ge-sticht, Waar al - le
|
u is mij - ne hoop ge-grond; De u kwam de^on-ge - scha - pen Zoon, Mij, eeu- wen - lan - gen nacht; Gij God ver-viel, O Ko - ning- in ! Ach kind'-ren aan: Uw 9- 10. 11. 12. 13. 14. IS- zulk een jam-mer - lijk van al - Ier Heil'-gen de^u ge - ge - ven m Moe-der van Gods eeuw'-gen Zoon ! Gij, |
Se - ra - fij - nen 't eeu- wig Woord, Hij kon-digt't blij - de Troos-te - res in toon in on - zen Zoon heeft on - ze Bruid van God den 6 ziz : -3=r. |
|
9. daal - den neèr Om't gul - den Huis 10. werd uw Kind, Zoo tee - der heeft ir. heil-licht aan, Dat voor het aard 12. al - len nood! Gij redt ons uit 13. jong-sten strijd, Dat gij ons al â 14. schuld ge- boet, Wees, goe- de Moe â 15. Heil'-gen Geest 1 Die vóór en na |
van d' Op- per-heer. Tusschen-Hij ons bemind! s_pel, â rijk op zal gaan. den eeuw'gen dood. Ier Moe-der zijt! der ! wees ge-groet. zijt Maagd ge-weest! |
HULDE E.N BEDE AAN MARIA.
öi.
W. P. H. Jansen, Pr.
ip
hef - fen wij een lof - - lied aan, Luid on - ze lof ⢠u niet mis - haag', O oot ⢠moed was zoo ga - de - loos, Zoo woe - de sloeg de^ont - roer - de hel Om lief - lijk klonk der Eng' ⢠len toon Voor roe - pen nog met heel de Kerk Door
Ã=F=::
1. klimm' het op van de' aard', Tot voor den troon, waar
2. He - mei - ko - ning - in ! Al is de toon van
3. min - lijk in Gods oog, Dat u zijn Zoon tot
4. 't heil van ons ge - slacht, Toen u de^Aarts-en - gel
5. de~eer-ste maal op aard', Toen gij, o zuiv'-re
6. de~eeu-wen heen u aan: Heeft Je - sus 'teer-ste
|z==^=^t-
1. de~Eng'-len staan, 't Zij met hun lied ge - - paard. Wij
2. 't stof te laag. Hij dring' ten he - mei in. Wat
3. Moe - der koos En neêr-kwam van om - - hoog; O
4. Ga - bri - - ël De he - mei -bood-schap bracht. Hoe
5. MaagdI Gods Zoon In Beth'-lem hebt ge - - baard; Het
6. won - der - werk Niet op uw beê ge - - daan ? Ach,
Pi
1. zin - gen op den toon van 't stof, En knie - len voor u
2. sterv'-ling, die zoo - véél ver-mocht, Wat haalt er bij u-
3. Mor-gen-ster der za - lig - heid! Hij daal-de^op aar-de
4. Sa - tan dreig* bij el - ken tred, Wij vree - zen hem niet
5. he - mei-koor juich-te^in ons lot En daal-de^om'tkrib-je
6. zie be - scher-mend van om-hoog Hier op uw kind'-ren
59
|
âP- â» ât- | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
iÃE'E
|
8
|
7. Toen Je - sus aan het kruis - hout hing, Ons
8. Uw Moe - der is zij, Chris - ten - schaar! Die
9. Ach Moe - der van barm - har - tig - heid! Ont-
10. Wan - neer be - hoef-te~ons dreigt of drukt. Of
11. Als 't al - be - slis - send sterf - uur slaat, En
12. Be - - vei - lig on - ze le - vens-baan, En
|
ff |
--Ij- |
--- | |||||||
|
T1 -- 3 | |||||||||
|
tni L. r |
-----â¢â | ||||||||
|
VI u 1 â 1 1 | |||||||||
|
9 | |||||||||
|
7. |
't eeu - |
wig |
heil |
ver |
wierf, |
Gaf |
Hij |
u aan |
zijn |
|
8. |
u |
ge- |
Vrouw |
be - |
mint; |
Zeg, |
zeg |
in al |
le |
|
9- |
trek |
uw |
hulp |
ons |
niet; |
Als |
ons |
de we |
reld |
|
10. |
ramp |
bij |
ramp |
ons |
slaat ; |
Als |
wat we ook po |
gen | |
|
11. |
's le - |
vens |
licht |
ver - |
dwijnt |
Voor |
de eeu |
wig -heid, |
die |
|
12. |
waak |
aan |
on - |
ze |
zij'; |
Hoor, |
Moe - |
der! hoor |
uw |
6o
|
i-- |
--1^- |
tâ0â |
â#â |
ztfz»-»- | ||||
|
t |
âtâiâ4â: | |||||||
|
7. |
!ie |
- ve ⢠|
ling, |
Eer |
Hij |
voor al - |
len |
é stierf; Gij |
|
8. |
ziels |
-ge - |
vaar |
Ach |
Moe |
- der! hoor |
uw |
kind! Zie, |
|
Q. |
lokt |
en |
vleit |
En |
gij |
ons wank' |
len |
ziet, Of |
|
10. |
wreed |
mis - |
lukt, |
Ons |
al |
le hoop |
ver |
gaat; Als |
|
11. |
0 |
pen - |
gaat |
En |
aan |
de ziel |
ver - |
schijnt: Ach, |
|
f2. |
kind' |
- ren |
aan |
En |
blijf |
ons al - |
tijd |
bij. Wat |
7. werdt zijn moe - der, hij uw kind, Wij dee - len in die
8. lie - ve Moe - der, vol ge - nd! Zie op uw kind'-ren
9. Sa - tan ons zijn strik- ken zet, Door wel - lust goud of
10. ons de-ze^aard'geen troost meer biedt, Zie gij dan op ons
11. dat ik dan mijn bre-kend oog, Mijn Moe - der! tot u
12. lot ons in dit le - ven beid', U zin -gen wij ter
|
IHâ^-- |
-TT----H- |
-â ---Z--- --1--1 | |||||
|
âF-0-fâ â1--1--1-- |
=tâ'â | ||||||
|
â^-1--- |
---1-- |
---1 | |||||
|
7. |
eer; |
En |
ons |
hebt gij als |
hem |
be - mind, |
O |
|
8. |
neer: |
Uw |
lief - |
de heeft geen |
we |
- der - ga, |
O |
|
9. |
eer ; |
Ach, |
dat |
uw voor-spraak |
ons |
dan redd', |
O |
|
10. |
neer. |
En |
wei - |
ger ons uw |
hulp |
toch niet, |
O |
|
11. |
keer', |
Uw |
zoe - |
ten blik ont - |
moe |
te~om-hoog. |
O |
|
12. |
eer: |
U |
zin - |
gen we eens in |
eeu |
- w;g - heid, |
O |
|
â;â-tâât |
âKrr | ||||||
|
7- |
â0â Moe - |
der |
â0 â van |
den |
ï = ^ Heer ! |
TusschensJgt;el | |
|
8. |
Moe - |
der |
van |
den |
Heer! | ||
|
9- |
Moe - |
der |
van |
den |
Heer I | ||
|
10. |
Moe - |
der |
van |
den |
Heer! | ||
|
11. |
Moe - |
der |
van |
den |
Heer! | ||
|
12. |
Moe - |
der |
van |
den |
Heer! | ||
6i
3S. UITNOODIGING TOT DEN LOF VAN MARIA.
W. P. H. Jansen, Pr.
Eenigen.
is
|
Komt, spoedt u ! komt Ont - lokt uw speel -Vlecht, maag - den! om O moe - ders! reeds Gij, va - ders! hoe O jong' - ling! wijd |
Ma ⢠ri - a prij - zen: Zij tuig zoe - te klan - ken: Zij Ma - ri - a te^ee - ren, Een uw zui - ge - lin - gen Zijn ver - moeid van 't zwoe - gen, Zingt uw schoon - ste ja - ren Aan |
|
-p-h |
â^---- | ||||
|
slem en snaar haar laat uw stem haar mo- ge^uw le - lie-moogt gij ha - re of - fe - rand en redt u - we^onschuld |
|
be - | |||||||||
|
I. |
eer |
WIJ |
zen. |
Tot aan |
den |
dood. | |||
|
2. |
zin - |
gend |
dan - |
ken^ |
Met blij |
ge |
moed. | ||
|
3* |
wit |
ver - |
kee - |
ren |
In he - - |
- mei |
- glans. | ||
|
4- |
zorg |
be - |
zin - |
gen : |
Zij waakt |
al |
- tijd. | ||
|
5- |
ziels |
ge - |
noe - |
gen : |
Wat wilt |
gy |
meer ? | ||
|
6. |
uit |
ge - |
va - |
ren, |
Zoo gij |
het |
vraagt. | ||
|
Allen. | |||||||||
|
y i | |||||||||
|
-flWpâ^--«â |
-1-1-4 -i- -M | ||||||||
|
âh â |
-Mâi « â¢â |
âwââ | |||||||
|
m | |||||||||
|
i. |
Broe |
- ders, |
Zus |
- ters ! |
zwijgt nu |
niet. |
Zwijgt |
Ma- | |
|
2, |
Broe |
- ders, |
Zus |
- ters ! |
zwijgt KU |
niet. |
Zwijgt |
Ma- | |
|
3- |
Broe |
- ders, |
Zus |
- ters! |
zwijgt nu |
niet. |
Zwijgt |
Ma- | |
|
4- |
Broe |
- ders, |
Zus |
- ters! |
zwijgt nu |
niet. |
Zwijgt |
Ma- | |
|
5- |
Broe |
â ders |
Zus |
- ters! |
zwijgt nu |
niet. |
Zwijgt |
Ma- | |
|
o. |
Broe |
- ders |
Züs |
- ters! |
zwijgt nu |
niet, |
Zwijgt |
Ma- | |
62
|
y 1 1 |
. -I | |||||||||
|
/ h ï |
â¡ j | |||||||||
|
fnv J 1 |
^_1 |
é â |
m JL- | |||||||
|
|_ |
⢠| |||||||||
|
1. |
ri |
m ⢠a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver |
- beft |
haar |
in |
uw |
|
2. |
ri |
⢠a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver |
- heft |
haar |
in |
uw |
|
3- |
n |
â a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver |
- heft |
haar |
m |
uw |
|
4. |
n |
- a's |
groot-heid |
niet. |
Maar |
ver |
- heft |
haar |
111 |
uw |
|
s. |
n |
- a s |
groot-heid |
niet. |
Maar |
ver |
- heft |
haar |
in |
uw |
|
6. |
ri |
- a's |
groot-heid |
niet, |
Maar |
ver |
- heft |
haar |
m |
uw |
|
fâÃ-]--- |
. : | |||||
|
--W- |
â1â»âpâ |
ï i --vââ |
=i- | |||
lied, Wees ge - groet, Ma - ri
lied, Wees ge - groet, Ma - ri
lied. Wees ge - groet, Ma - ri
lied, Wees ge - groet, Ma - ri
lied, Wees ge - groet, Ma - ri
a
a I a! a! a! a I
lied, Wees ge - groet, Ma - ri
Eenigen.
üsgl
|
7- |
Wan |
⢠neer de |
scha - pen vei -! komt na 't storm |
lig |
gra - |
zen |
In |
|
8. |
En, |
scrieep'ling |
- ge - |
kla - |
ter |
D® | |
|
9. |
Wan |
- neer de |
dag-toorts met |
haar |
stra - |
len |
In |
|
10. |
En |
spreidt de |
zon in 't hee â |
â te |
Zui - |
den |
Haar |
|
11. |
Maar |
zinkt het |
licht naar de' a - |
vond |
- lan - |
den |
En |
|
12. |
Wij |
op de - |
ze~aar- de vreera |
⢠de |
- lin - |
gen, |
Gaan |
|
7. kla - - 8. kalm - - 9. 't Oos - 10. glans 11. daalt |
12. zuch - -ver - - wei , ⢠te weêr, - ten en de ⢠tend de dan hoo - re, moet de dan tot leidt ons, glimt, gloed, nacht, voort: |
Dan moet Be - zing Zij Dan Heft Zij her - der vrij, voor hoe tot be - de-haar uw die haar |
63
|
t quot; |
âtr-'mâ |
â^T-v | ||
|
k |
i ^ 3 « i * J JjE |
quot;cdiquot; |
-t-a-t---: |
7. 't lof - lied bla - zen Op zijn schal - mei.
S, lucht en wa - ter, Ma - ri - - - a's eer.
9. haar drie ma - len Het A - ⢠- ve klimt.
10. klok weêr lui - den Ten en - - - gel - groet.
11. hart en han - den: Groot is haar macht.
12. lief - de zin - gen, Naar't va ⢠⢠- der - oord.
Allen.
|
l-t- | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
tâj H-q - :ö â U ^ | ||||
|
*1 |
:-=i- | |||
|
7. ri - a's groot heid niet, 8. ri - a's groot-heid niet, 9. ri ⢠a's groot-heid niet, 10. ri - a's groot-heid niet, 11. ri - a's groot-heid niet, 12. ri - a's groot-heid niet. |
Maar ver - heft haar in uw Maar ver - heft haar in uw Maar ver - heft haar in uw Maar ver - heft haar in uw Maar ver - heft haar in uw Maar ver - heft haar in uw |
-----ââ----1â--gt;
7. lied. Wees ge - groet, Ma - ri
8. lied, Wees ge - groet, Ma - ri
9. lied. Wees ge - groet. Ma - ri
10. lied. Wees ge - groet, Ma - ri
11. lied. Wees ge - groet. Ma - ri
12. lied, Wees ge - groet. Ma - ri
a! a 1
04
39. LOFLIED AAN DE H. MAAGD MARIA.
Fk . \V i TT. gewijzigd.
=(:i
à He - mei - ko - ning - in ! Ik zing met hart en
De hel ⢠macht stond ont -steld, Toen u Gods En - gel
Daar-om zong luid en blijd, De Kerk ten al - len
Ja, Moe - der van Gods Zoon! Wie juicht niet opdien
En wij in 't aard-sche stof, Wij zin - gen tot uw
En luid in al ⢠len nood, Roep ik tot in den
En ster-vend bidt uw kind, Dat eeu - wig u be-
Eenigen.
i#=
i. 2.
4. 5* 6.
|
Allen 1=1=4 ïpÃi :='4=^ zin : Ge - groet zijt gij Ma 2. meldt: Ge-groet zijt gij Ma - 3. tijd : Ge - groet zijt gij Ma - 4. loon: Ge-groet zijt gij Ma - 5. lof: Ge ⢠groet zijt gij Ma - 6. dood : Ge - groet zijt gij Ma ⢠7. mint: Ge - groet zijt gij Ma ⢠|
ri a ! Ge ⢠groet zijt gij Ma-ri - a! Ge - groet zijt gij Ma ri ⢠a! Ge ⢠groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Marl - a I Ge - groet zijt gij Ma- |
|
Eenigen. Ã
|
voor denaard' be - - gin en smart, ons voor, be - koort, neêr, steê. Dat Van Elk Daar Wij Dan Dan niet het vreugd gaat ons ster - vend 's he - mels |
65
Allen.
:|---E=i=:fc=:
Ié
|
1. he - melsch woord ge - baard: 2. 's we - relds red - ding in: 3. dank - baar kin - der - hart: 4. zingt heel 't Eng' - len koor : 5. spre - ken 't mach-tig woord: 6. zucht ik nog te meer: 7. juich ik eeu - wig meê : |
Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ge - groet zijt Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma- g'J gij gij gij gij gij gij |
|
f-- |
quot;t-- |
â1 |
;=n|: : | ||||||
|
Li-c=3- |
-1â9â |
âmâ |
--1 â | ||||||
|
V 1/ 1 1 1 | |||||||||
|
I |
ri - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
gi |
Ma |
ri |
- a! |
|
2 |
n - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
Ma |
n |
- a ! | |
|
3 |
n - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
S1 |
Ma |
n |
- a! |
|
4 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
g1 |
Ma |
n |
- a! |
|
5 |
n - |
a ! |
Ge - |
groet |
zijt |
gl |
Ma |
n |
a ! |
|
6 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
gl |
Ma |
n |
- a! |
|
7 |
n - |
a! |
Ge - |
groet |
zijt |
g1 |
Ma |
n |
- a ! |
40. AAN MARIA EER!
W. P. H. Jansen, Pr,
2. 3-4.
|
Eon ronn lager, in bes. Eenigen. | ||||||||
| ||||||||
|
Ma - ri - a Ma - ri - a Ma - ri - a Ma - ri - a eer! wat lief eer! komt, laat eer! zou ik eer! zoo 'k in de^en ons haar haar luis - ter ne - der-ooit verlief ⢠de |
m
m
-t-
jamp;lgps
5
1
meng'-len Zich in dat hart, van al - Ie smet - ten
66
3
1. vrij ! Ma - ri - a eer! u Ko - ning - in der
2. Bruid; Ma - ri - a eer! de toe - vlucht on - zer
3. graf; En zou ik eens geen dank - baar kind meer
4. ducht; De Iaat - ste klank, die van mijn lip - pen
1
|
if 1. Eng'- len ! U, 2. zie - len ; Door 3. hee - ten : Breek 4. zwe - ve, Zij, Allen. |
vol ge - ni! u, Moe - der, zin - gen ha - re hand stort God zijn gun -sten lie - ver dan, o God I mijn da - gen Moe - der ! nog een teed' - re lief - de- |
|
1. wij. Ma - ri 2. uit. Ma - ri 3. af. Ma - ri 4. zucht. Ma - ri -jrrtr i 1. Eer aan Ma ⢠ri 2. Eer aan Ma - ri 3. Eer aan Ma - ri 4. Eer aan Ma - ri |
- a, Moe - der! Ach, hoor uw kind; - a, Moe - der ! Ach, hoor uw kind; - a, Moe - der ! Ach, hoor uw kind; - a, Moe-der! Ach, hoor uw* kind; 8 a! Die ons zoo teêr be - mint. Tusschenspel, a! Die ons zoo teêr be - mint. al Die ons zoo teêr be ⢠mint. a! Die ons zoo teêr be - mint. |
41. ÃER EERE VAN MARIA.
Eenigen. Herold's Gesangbuch, 1808.
|
ifeüHiliPj | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
c?
|
fc-y-ȉ------1----- | |||
|
quot; ; . 1 .1 ] ^ 1 | |||
|
1 tfli à |
: m r |
^ \ « |
.⢠r iquot; ! |
|
\-Wâ-- |
1- â | ||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Allen. |
m
1. ge - ven, Gij deelt uw gun-sten uit. Ach, dat ik u be-
2. Broe-der, Die nooit uw beê ver-smaadt.Ach, dat ik u be-
be - haagt. Ach, dat ik u beter eer. Ach, dat ik u be-
5. ha - gen, Als ik het vu - rig wensch. Ach, dat ik u be-
6. dra - gen, En die - nen mij - nen Heer. Ach, dat ik u be-
3. kon-den Ge - lijk het
4. pa - ren, En jub'-len
|
hl3*âf râ1 | ||||
|
â p 1 |
quot; f1 1â |
â1âiâlâ | ||
In In In In In In
smart smart smart smart smart smart
1.
2.
3-
4-
5.
6.
min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne,
blijd-schap en in blijd-schap en in blijd schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in
Druk diep mijn Ko-ning-
Druk diep mijn Ko-ning-
Druk diep mijn Ko-ning-
Druk diep mijn Ko-ning-
Druk diep mijn Ko-ning-
Druk diep mijn Ko-ning-
H-
beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis
TussckensJ)el.
in mijn in mijn in mijn in mijn in mijn in mijn
hart. hart. hart. hart. hart. hart.
|
1. |
in |
- ne! |
Uw |
|
2, |
in |
- ne ! |
Uw |
|
3. |
in |
- ne! |
Uw |
|
4. |
in |
- ne! |
Uw |
|
S- |
in |
- ne ! |
Uw |
|
6. |
in |
- ne ! |
Uw |
6S
42. LITANIE-LIED VAN ONZE LIEVE VROUW.
M. J. A. Lans, Pr.
EenUjcn.
⢠â¢
=t:
|
1. God en Heer! wil U ont - fer - men, 2. God en Heer! o wil ons hoo - ren, 3. Va - der, God! op 's he - mels troo - ne, 4. Heil' - ge Geest, God! hoog-ge - pre - zen, 5. O Ma - ri - aj hoog in ee - re, 6. Maagd der maag- den ! uit - ge - le - zen, 7. O gij Moe - der der ge - na - de, 8. Moe-der gij, en Maagd ge - ble - ven, 9. Gij, ten tem - pel Gods ge- hei - ligd, 10. Lief- ste, won - der - vol - le Moe - der, 11. Wij - ze Maagd, en hoog te prij - zen, 12. Groot in moe - der - lijk ver- mo - gen, |
Chris-tus, God! wil Chris-tus, God! wil Go- des Ãén ⢠ge-Drie Per - so - nen Heil'-ge Moe- dei-Om Gods Moe- der Wie geen erf- smet Hebt gij Je - sus En voor al - le Van den Schep-per Lof en eer moet Zacht en trouw in |
Allen.
|
I. |
ü |
ont |
- fer - |
men. |
Heer! wil |
ons |
ge |
- na |
- dig |
zijn. | |
|
2. |
ons |
ver |
- hoo - |
ren. |
H*eer! wil |
ons |
ge |
- na |
-dig |
zijn. | |
|
3 |
bo - |
ren |
Zo - |
ne! |
Heer! ont- |
ferm |
U |
0 - |
⢠ver |
ons. | |
|
4- |
één |
in |
we - |
zen! |
Heer! ont- |
ferm |
U |
0 - |
⢠ver |
ons. | |
|
5- |
van |
den |
Hee - |
re. |
O |
Ma |
- ri - |
a! |
bid |
voor |
ons. |
|
6. |
eens |
te |
we - |
zen. |
O |
Ma |
- ri - |
a I |
bid |
voor |
ons. |
|
7- |
im - |
mei- |
schaad ⢠|
- de. |
O |
Ma |
- ri - |
a ! |
bid |
voor |
ons. |
|
8. |
ons |
ge |
. ge - |
ven. |
O |
Ma |
- ri - |
a! |
bid |
voor |
ons. |
|
9- |
smet |
be |
- vei - |
ligd. |
O |
Ma |
- ri - |
a! |
bid |
voor |
ons. |
|
10. |
en |
Be |
- hoe - |
der. |
O |
Ma |
- ri - |
a! |
bid |
voor |
ons. |
|
11. |
tot |
u |
rij - |
zen. |
O |
Ma |
- ri - |
a ! |
bid |
voor |
ons. |
|
12. |
me - |
de - |
doo - |
gen. |
O |
Ma |
- ri ⢠|
a! |
bid |
voor |
ons. |
6,j
Eenigen.
|
gâr%!S=g« | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Allen. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
7°
43. KLAAGLIED.
M. J. A. Lans, Pr.
| ||||||||
|
1. Hier zijn we~al - len vreem-de - - lin - gen, Ver - re 2. Hier is 't zwoe - gen, hier is 't kla - gen, Rus - te 3. Acb, hoe ve - len, die wij min - den, Heb-ben 4. En hoe ve - len, reeds ont ⢠bon - den, Wier - pen 5. Een - zaam van het pad ge - sla ⢠gen, Doolt er |
Ijâ
|
1. van ons va - der - oord, 2. biedt de - ze' aar - de niet; 3. 's le - vens droe - ven nacht, 4. de~aard-sche boei - en af!... 5. me - nig hulp - loos kind; |
En door 's le ⢠vens Zuch - tend on - der Zon - der la - - fe- 't Le - ven heeft hun Ach, zijn zuch - ten |
ia
m
|
1. wis - sel - krin - gen 2. plaag bij pla - gen, 3. nis te vin - den, 4. ziel ge - von - den, 5. en zijn kla - gen |
Trek-ken wij naar deoe - vers Blik - ken w«~in een zwart ver-Al - tijd wee - nend door - ge-'t Li-chaam toeft het in zijn O - ver ⢠stormt de wil - de |
Waar de vreug - de - - bron - nen sprin - gen
Of ons oog er de~oe - vers da - gen,
Heil hun, zoo slechts bij 't ont ⢠bin - den
Wij, hoe krank aan ve - - le won - den,
Moog' den zwer - ver de~och-tend da - gen,
1. voort,
2. schiet,
3. bracht; 4- graf: 5. wind;
8
m
1. En het zaal' - gend licht ont - gloort.
2. D'eeuw'-gen mor - gen scheem'-ren ziet.
3. 't He - melsch licht hun te - gen - lacht.
4. Voe - ren nog den pel - grims - staf.
5. Dat hij ras de zij - nen vind'.
En door Val - len En ge-Ga ons.
ii
6. Ach, hoe ve - len die er zwer - ven
7. Wij, wat schuld ook ons be - - la - de,
8. Ach, dat wij, van schuld ont - - he - ven,
lljgll Tusschenspel.
9. Held' - re Ster aan 's he - mels tin - nen.
ë3=
m
|
6. Sa - tans list ver - strikt, 7. U, o God! te voet; 8. voed door 't le - vend Brood, 9. ban - ne - - lin - gen, voor. |
't Zoe - te licht der U, o Moe der Moe - dig naar den Eb be - straal ons |
::=fEz^
6. heem'-len der - ven. Wie geen boe ⢠te - traan ver-
7. vol ge - - na - de! Bren - gen we~on - zen dankb'-ren
8. he - mei stre - ven. Dien uw Zoon voor ons ont-
9. hart en zin - nen, Dat wij, de~aard-sche stor - men
I|ë
gÃlÃÃÃiii
6. kwikt, En in 't ho - pe - loo - - ze ster - ven
7. groet; Sla uw vriend-lijk oog ons ga - de,
8. sloot. En aan 't eind van 't vreemd'-lings - le - ven,
9. door, 't Va - der - land der rus - te win ⢠nen.
72
8
6.'tWach-tend hel -le- - vuur ver - schrikt!
7. Dat den zon - daar ho - pen doet.
8. Rus - te vin - den in den dood.
Tusschenspel.
9. Waar ons 't eeu ⢠wig licht ont - gloor'.
W. P. H. Jansen, Pr.
Ãi
44. MARIA, TROOSÃERESSE.
Een toon lager, in bes. Allen.
m
Refrein. 1. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
2. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
3. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver ⢠ee - ren,
4. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,
Ã
lp
1. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw
2. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw
3. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw
4. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw
'0-
|
I. |
lij - den, |
Is |
uw |
ver |
blij |
- den, |
O |
Moe |
der 1 |
g'j |
zoo |
|
2. |
lij - den, |
Is |
uw |
ver |
blij |
- den, |
0 |
Moe |
der ï |
g'j |
zoo |
|
3- |
lij - den, |
Is |
uw |
ver |
blij |
- den, |
O |
Moe |
der! |
g'j |
zoo |
|
4- |
lij - den, |
Is |
uw |
ver |
blij |
- den, |
O |
Moe |
der! |
g'j |
zoo |
73
Eenigen.
Gij schenkt ver - kwik - king Uw teed' - re hand droogt Uw moe - der - hart, zoo Wat ramp of krui - sen
ü
I
OâitjL_pa=i:
±=t:=it aan de on - ze vol meê-mij dan
goed, zoo goed, zoo goed, zoo goed, zoo
zoet! zoet I zoet! zoet!
i
1. zie - len, Die tot u roe - pen in den nood;
2. tra - nen, Uw zoe - te stem ver - zacht ons wee;
3. doo - gen, Is met ons a'1 - Ier leed be - gaan;
4. tref - fen, Ik wijd ze~aan u, mijn Moe - der! toe;
|
li 1. van den 2. bij met 3- en in 4. smart nog eeuw - gen u - we ster - ven blij te |
Allen.
moe. |
74
45. SMEEKLIED TOT MARIA, OM EEN ZALIG LEYEN EN STERVEN.
Eenigen.
te
denk ons lang we~in ons, 't zij kwijt - schei-zorg - zaam gij ons help ons
W. P. H. Jansen, Pr.
i
|
I. |
Oct - |
moe - dig |
val |
- len |
wequot;u |
te |
voe - |
ten, |
O |
|
2. |
Wij |
bid - den |
met |
be |
- wo - |
⢠een |
har - |
ten, |
O |
|
3- |
Wil |
ons uw |
trou |
- wen |
bij - |
stand |
ge - |
ven, |
O |
|
4- |
Wij |
bid - den |
u, |
wil |
u |
ont - fer - |
men, |
O | |
|
5- |
Ach |
bid, dat |
Te - sus |
on - |
ze |
zon - |
den, |
O | |
|
6. |
Dat |
weal-tijd |
om |
ver |
- ge - |
ving |
zuch - |
â ten, |
O |
|
7- |
En |
zijn we~in |
zie |
- le - |
smart |
of |
lij - |
den, |
O |
|
8. |
Naakt |
eens voor |
ons |
het |
uur |
van |
schei - |
den, |
O |
|
1. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
ning - |
in ! |
Ge - |
|
2. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
mng- |
in! |
Ge - |
|
3- |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
ning- |
in ! |
Zoo - |
|
4- |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
mng- |
in ! |
Wil |
|
S- |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
mng - |
ir,! |
Ons |
|
6. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
nmg- |
in I |
En |
|
7. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
nmg - |
in ! |
Wil |
|
8. |
goe - |
de |
He - |
mei |
ko |
nmg - |
in I |
Ach, |
|
1. we~u eer - bie - 2. om uw Ze -3 bal - ling- schap 4. rijk of arm, 5. de~om zijn dier - 6. al - le zon - 7. met uw troost |
8. tot den dood dig groe ven Smar hier le -be -scher -b're won -den vluch â ver - blij -be - rei - |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
75
Allen.
ü
1.
2.
huis - ge â
huis - ge
huis - ge â
huis - ge
huis - ge
huis - ge
huis - ge
huis ⢠ge â
O-
4.
5.
6.
7.
8.
'd
|
- zin. |
Refr, Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
w |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
Wl |
u |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
|
- zin. |
Zoo |
wi |
ü |
smee-ken |
Wat |
God |
be- |
i=
|
I. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed* - |
re |
Maagd |
Uw |
|
2. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed'- |
re |
Maagd |
Uw |
|
3. haagt; |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed'- |
re |
Maagd |
Uw |
|
4. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed'â |
re |
Maagd |
Uw |
|
5. haagt |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' - |
re |
Maagd |
Uw |
|
6. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken. |
Gij, |
teed' ⢠|
re |
Maagd |
Uw |
|
7. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken. |
Gij, |
teed' - |
re |
Maagd |
Uw |
|
8. haagt: |
Wil |
voor |
ons |
spre - |
ken, |
Gij, |
teed' ⢠|
re |
Maagd |
Uw |
Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat
vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt.
ge* ëe' ge-ge-ge-ge-ge-
Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal
'l schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken
gij Hem
gij Hem
gij Hem
gij Hem
gij Hem
gij Hem
gij Hem
gij Hem
En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind
70 *
den - ken, Dat
den - ken, Dat
den - ken, Dat
den - ken. Dat
den - ken, Dat
den - ken, Dat
den - ken, Dat
ü tot tot tot tot tot tot tot tot
klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.
den - ken. Dat
h
Eenigen.
Dekt reeds de doods-kleur on - ze wan - gen, O
Als Sa - tans lis - ten ons be - ko - ren, O
Kom dan, kom ons de ho - pe ge - ven, O
En in het uur van ons ver - schei-den, O
Dan zal Hij re ⢠ken- schap ons vra - gen, O
Sj' eek dan, spreek dan voor ons, o Moe - der, O
Ver - werf, dat wij in 's he - mels ho - ven, O
9-
10.
11. 12. «3-
14.
15.
11:
! Laat ons uw
! Laat ons uw
Van 't eeu - wig,
Ach! wil ons
Als Heer en
Bij u - wen
Met al - le
9
10
11
12 »3 14 'S
He He He He He
goe - de He goe - de He goe- de goe- de goe- de goe- de goe - de
mei - ko - ning - in
mei - ko - ning - in
mei - ko - ning - in !
mei - ko - ning - in !
mei - ko - ning - in !
mei - ko ⢠ning - in !
mei - ko - ning - in !
w
9. moe - der - hulp er - lan - gen,
10. zoe - te stem - me hoo - ren,
11. za - lig glo - rie - le - ven,
12. tot uw Je - sus lei - den,
13. Rech - ter on
14. Zoon en on
15. Hei - li - - gen u lo - ven,
ÃilÃiiëi
Als kind'-ren Ons, kind'-ren
Ons, kind'-ren
Als kind'-ren zer da - gen, Ons, kind'-ren
zen Broe - der. Als kind'-ren
van uw
van uw
van uw
van uw
van uw
van uw
Wij, kind'-ren van uw
77
|
iflêÃÃr huis - ge - zin. huis - ge - zin. huis - ge - zin. huis - ge - zin. huis - ge zin. huis - ge - zin. Allen, it: huis - ge - zm.Refr.7jOO wij 9- 10. 11. 12. 13. 14. IS- Zoo wij Zoo wij Zoo wij Zoo wij Zoo wij Zoo wij |
u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- u smee-ken Wat God be- |
|
g, haagt: Wil voor 10. haagt: Wil voor 11. haagt: Wil voor 12. haagt: Wil voor 13. haagt: Wil voor 14. haagt: Wil voor |
15. haagt: Wil voor ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! üw ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! Uw ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ⢠Uw ons spre - ken. Gij, teed' - re Maagd ! Uw ons spre - ken. Gij, teed' - re Maagd ! Uw ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! Uw ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd! Uw |
9. Zoon zal 't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En 't kind ge
10. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En't kind ge
11. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge
12. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En't kind ge
13. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge
14. Zoon zal 't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En 't kind ge
15. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge
9. den - ken, Dat
10. den - ken, Dat
11. den - ken, Dat
12. den - ken, Dat
13. den - ken, Dat
14. den - ken. Dat
15. den - ken. Dat
I
klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.
tot tot tot tot tot tot tot
7«
46. LITANIE-ZANG TOT MARIA OM EEN ZALIGEN DOOD.
W. P. 11. Jansen, Pr.
|
Een kleine terts hooger, in es. | ||||||||
| ||||||||
|
Wees, wees ons ge -Va - der! in dien Geest van licht en |
- be - vlek - te het li - chaam de ziel reeds het bloed ons ons half - ge -
⢠na - dig Heer; jong-sten strijd, lief-de' en kracht! Moe - der - maagd I zich ont - bindt, in 't ver - schiet reeds ver - stijft, bro - ken oog
Groo - te Wil U Hei - lig Strek ik Door de God haar Macht-loos Zich nog
ün Als Als Als Als
M
3-
Sm*
|
God van dood en le-ven! on - - zer dan ont - fer-men; en drie - - ee - - nig - We-zen! mij op 't sterf - bed ne-der, lan - ge, ban - ge smar-te, Rech - ter ziet ge - - na-ken, on - - ze ban - den be - ven, vest op Je - sus' won-den, |
Als Ik re - ken-Chris-tus, God! wil Oor-sprong, Ein - de, O mijn Moe - der! O - pen dan uw Laat, laat zij de Zij die troost ons Daar ver - ge - ving |
|
i 1. schap moet ge - ven, 2. ons be - scher men, 3. nooit vol - pre-zen! 4. goed en tee - der, 5. moe - der - har-te 6. gunst dan sma-ken, 7. dan ge - ⢠ge - ven, S. zoekt der zon-den, -t- |
En van de~aar - de we - der-Die voor ons ge - stor - ven Troost ons in dien ster - vens- Geef ons wat ons hart u Voor de ziel die u be- Dat gij haar uw bij - stand Moe ⢠der! dat gij bij ons Voer dien smeek-blik naar om- |
79
|
9 | ||||
|
P e ^ J |
âs-â¢â |
â = q» |
-j i â0--- |
|
1. |
keer: |
Wees |
ons |
dan |
Se |
- na - dig |
Heer! |
|
2. |
zijt. |
Sterk |
ons |
in |
dien |
jong-sten |
strijd. |
|
3- |
nacht. |
Geest |
van |
licht. |
van |
lief-de~en |
kracht! |
|
4- |
vraagt: |
Sta |
ons |
b'j, |
0 |
Moe-der - |
maagd: |
|
s. |
mint. |
Dat |
ZIJ |
daar |
een |
schuil-plaats |
vind', |
|
6. |
biedt, blijft, |
Moe - |
der! |
in |
dat |
bang ver - |
schiet. |
|
7- |
Als |
het |
bloed |
ons |
reeds ver - |
stijft, | |
|
8. |
hoog. |
Van |
het |
half - |
ge |
- bro - ken |
oog, |
4
1. Wees ons dan ge - na ⢠dig Heer! Tusschenspel.
2. Sterk ons in dien jong-sten strijd.
3. Geest van licht, van lief-de en kracht!
4. Sta ons bij, o Moe-der - maagd!
5. Dat zij daar een schuil-plaats vind'.
6. Moe - der! in dat bang ver - schiet.
7. Als het bloedons reeds ver - stijft.
8. Van het half - ge - bro - ken oog.
Moe - der Als de Als Als
Staat mijn ziel voor Gods ge - richt, God - lijk Lamlbarm - har - tig Heer! God - lijk Lam! barm - har - tig Heer! God - lijk Lam! barm - har - tig Heer 1
|
ââ«â' âÃ-- |
|
van barm - har - tig - heid! Ie - vens - kleur ver - dwijnt, voor 't laatst des vij - ands macht mij de~eeu-wig - heid ver - schijnt,
8o
|
-4zf- m 9- 10. 11. 12. 13. 14. IS-l6. van mijn dood-zweet fel - Ier 00 - gen van dit on - ze bitt' - re kruist vooi |
m Ach, ver - berg ons vee - ge lip - pen uit komt bre-ken, komt ont - roe-ren, blik van schei-den, aard - sche le - ven ster - vens-schrik-ken dood en lij - den on ⢠ze zon-den, |
Nog uw Moe-der! Ons tot Moe-der! Stren-ge Laat uw Ons in |
m d: teed'-ren ach! wil wan-hoop wil mijn re - ken-zoen-bloed 't ster-vens- |
|
-e----- |
mind â1 | ||||||
|
i 1 | |||||||
|
1 * A | |||||||
|
UU 1 1 | |||||||
|
9. |
naam hoort |
glip-pen: |
Ach, wees |
tot |
mijn |
hulp |
be- |
|
IQ. |
voor ons |
spre-ken, |
Als dit |
vrees |
- lijk |
uur |
ver- |
|
II. |
wil ver |
voeren, |
Dat uw |
blik |
den |
schrik |
ver- |
|
12. |
ziel ver |
- bei-den, |
Als 't heel |
- al |
voor |
haar |
ver- |
|
schap te |
ge - ven, |
Treed dan |
voor |
zijn |
aan - |
ge- | |
|
14. |
ons ver - |
kwik-ken; |
Da-le^één drup |
- pel |
op |
ons | |
|
15. |
uur ver |
blij-den. |
Zie ge - |
na - |
dig |
op |
ons |
|
I6. |
in uw |
won-den. |
Ach, ge - |
denk |
mijn |
schuld |
niet |
|
ifsgd 9. reid, 10. schijnt, 11. zacht', 12. dwijnt, 13. zicht, 14. neêr, 15. neêr, 16. meer. |
Moe - der En het Moe-der! O dat Spreek voor Spaar dan, Ach. ver -Maar ont ⢠|
van barm licht voor van dien gij dan mij in spaar ons, hoor ons ferm U |
ö - har - tig - heid ! ons ver - dwijnt, ster-vens - nacht, haar vei - schijnt! 't bang ge - richt, zon-daars. Heer! dan, o Heer! on - zer. Heer! |
Si
Ss=^Ei0=$=^i=5B3=i^^ii=
9. Moe-der van barm - har - tig - heid! Ttisschenspel,
10. En het licht voor ons ver - dwijnt,
11. Moe - der! van dien ster-vens - nacht.
12. O dat gij dan haar ver-schijnt!
13. Spreek voor mij in 'tbang ge - richt.
14. Spaar dan, spaar ons. zon-daars, Heer!
15. Ach, ver-hoor ons dan, o Heer!
16. Maar ont-ferm U on - zer Heer!
47. SMEEKLIED TOT MARIA VOOR DE OVERLEDENEN.
\V. P. H. Jansen, Pr.
Eenigen.
quot;cdquot;,-*âcH . J. ---- --1
m
iÃ
1. Uit de die - pe boe-te - kol-ken Dringt de wee-klacht
2. Aan des le-vens leed ont - he-ven, Is aan 't li-chaam
3. Uit Gods a - de - ming ont - spro-ten, Uit zijn le - ven
4. Wat al smart de ziel ook dra - ge, Hoe de wroe - ging
5. Hoe dOor-fol-terd ook van bin nen. God toch, God al-
6. Of zij zuch-ten, smee-ken, ker-men, Rust-loos roe - pen
|
â#â^ o |
âHâpsâP_F=~ |
-psr . tl |
|
P r c h=£==\ |
âS*âP_Ãâp_. |
r t- ^ |
|
1. |
naar |
de |
wol |
ken |
Al der doo-den. |
die |
dit |
uur |
|
2. |
rust |
ge - |
ge - |
ven; |
Maar de ziel! zij |
rust |
niet |
eer |
|
3- |
voort |
-ge. |
vlo - |
ten, |
Is voor haar geen |
heil - |
ge- |
not |
|
4- |
rust - |
loos |
kna |
ge: |
Ver - re van haar |
God |
te |
znn. |
|
,v |
léén |
be - |
min- |
nen |
En Hem der-ven!... |
wat |
ge-mis !. | |
|
6. |
om |
ont |
fer- |
men, |
Neen ! het baat bij |
Gods |
ge- |
mis. |
6
82
i:
|
1. Lij - den in het 2. Voor zij op - gaat 3. Dan in 't blij ge 4. Is haar de~al - Ier - 5. Groot, ach! als Gods |
6. 't Baat hun tot geen lout'-rend vuur: Heer! ont-ferm U tot den Heer: Heer! ont-ferm U zicht van God: Heer! ont - ferm U fel - ste pijn! Heer! ont - ferm U glo - rie is: Heer! ont-ferm U la - fe - nis: Heer! ont-ferm U |
Allen.
der der der der der der
En En En En En En
ner. ner. ner. ner. ner. ner.
1. hun
2. hun
3. hun
4. hun
5. hun
6. hun
gij Moe - der
gij Moe - der
gij Moe - der
gij Moe - der
gij Moe - der
gij Moe - der
ge - na - de ! ge - na - de! ge - na - de! ge - na - de ! ge - na - de! ge - na - de !
|
1. Sla hun smart'-lijk 2. Sla hun smart'-lijk 3. Sla hun smart'-lijk 4. Sla hun smart'-lijk 5. Sla hun smart'-lijk 6. Sla hun smart'-lijk zuch-ten ga - de, |
zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, |
Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten |
|
toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe -vlucht zijp, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn. |
In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn : In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: 2. 3- 4- 5-6. |
»3
|
itâlpâcrl--3â | ||
|
p-U---â |
Lâeâ-.-1 |
1. Bid voor hen, Ma - ri - a!
2. Bid voor hen, Ma - ri - a!
3. Bid voor hen. Ma - ri - a!
4. Bid voor hen, Ma - ri - a!
5. Bid voor hen, Ma - ri - a!
6. Bid voor hen, Ma - ri - a!
|
Eenigen. 7. Zij dan, in hun 8. Zij, ach! die zoo 9. Wil, ge-na-dig 10. Laat hen die toch 11. Geef hun, die in 12. Nogeens, voor U |
on - ver - mo-gen, droe-vig kla - gen, God! ver - ge - ven U be - min-den, ker - ker-nach-ten neêr - ge - bo - gen, |
Kla-gen ons met 't Zijn on-ze^ou-ders, Wat zij te - gen Laat hen nu ont-Naar uw va - der-Smee-ken we^U: Heb |
|
sraee-ken-de~oogen: kind'-ren, ma - gen, U mis - dre - ven, fer - ming vin - den: blik ver-smach-ten, me - de - doo - gen! 7-8. 9- 10. 11. 12. |
âWist gij, die op 't Is een ziel, -ach Ein - dig, ein - dig Om het lij - den Geef hun in uw Voer hen uit den aar - de zijt, wat ver-wijt !-hun - ne straf, van uw Zoon, aan - ge-zicht lan - gen nacht |
|
7- |
âWist gij, wat |
een |
ziel |
hier |
lijdt!quot; |
Heer! |
ont - |
ferm |
U |
|
8. |
Die door ons |
die |
smar |
- ten |
lijdt!quot; |
Heer! |
ont - |
ferm |
U |
|
Q. |
Wisch hun laat - |
ste |
smet |
- ten |
af: |
Heer! |
ont ⢠|
ferm |
u |
|
10. |
Geef hun 't lang |
ver - |
- bei |
- de |
loon : |
Heer! |
ont - |
ferm |
u |
|
11. |
De~eeuw'ge rust |
en |
eeu |
⢠wig |
licht: |
Heer! |
ont - |
ferm |
u |
|
12. |
In de glo - |
rie |
die |
hen |
wacht: |
Heer! |
ont - |
ferm |
u |
f=
7-
84
ner. ner. ner. ner. ner. ner.
En En En En En
gij Moe - der
gij Moe-der
gij Moe - der
gij Moe - der
gij Moe - der
dei-der der dei-der
ge - na - de ge - na - de ge ⢠na - de ge - na - de ge - na - de
11.
|
Allen. | |||||||||
| |||||||||
|
hun 8. hun 9. hun 10. hun En gij Moe - der der ge - na - de |
hun
12. hun
m
:â
-c=i-
|
7. Sla hun smart'-lijk 8. Sla hun smart'-lijk 9. Sla hun smart'-lijk 10. Sla hun smart'-lijk 11. Sla hun smart'-lijk 12. Sla hun smart'-lijk |
zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de. |
Ach, uil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten Ach, wil hun ten |
|
7. toe - vlucht zijn, 8. toe - vlucht zijn, 9. toe ⢠vlucht zijn, 10. toe - vlucht zijn, 11. toe - vlucht zijn, 12. toe - vlucht zijn, |
In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on - uit - spreek-b're pijn: In hun on ⢠uit - spreek-b're pijn: In hun on ⢠uit - spreek-b're pijn: |
i
i
_c=?'
a! a! a! a! a! a 1
Ma Ma Ma Ma Ma Ma
9.
10.
11.
12.
Bid voor hen, Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen.
»5
48. LOF, DANK EN OPDRACHT AAN MARIA'S MOEDERHART.
W. P. H. Jansen, Pr.
|
Een toon lager, in bes. | ||||||||||
| ||||||||||
1. O Maagd, o schoon-heid nooit vol - pre - zen! O
2. Wij der - ven in het aard - sche duis - ter 't Ge-
3. Ach, kon - den on - ze kin - der - klan - ken ü
4. Zie, Moe - der, al - tijd goed en tee - der I O
5. Dan spann' de we - reld vrij haar strik - ken, Dan
6. Met u dan zul - len wij ver - win - nen, Wij
ï. Moe-der van't on - ein - dig We - zen ! Wat luis - ter
2. not nog van uw he - mei - luis - ter, Maar sma - ken
3. voor de^on - tel ⢠b're ga - ven dan - ken. Ons toe - ge-
4. zie met wel - be - ha - gen ne - der Op 't of - fer
5. dreig' de hel ons met haar schrik - ken. Wat vij - and
6. blij - ven eeu- wig u be - min - nen, En zien u
T. schit - tert van uw troon; De Se - raf, aan zich zelf ont-
2. toch uw lief - de - gloed ; De Se - raf zin-gVuw heer- lijk-
3. vloeid door u - we hand: Ont-vang voor al die ze - ge-
4. van ons kin - der - hart; Omoog'het im-mer 't u - we
5. on - ze ziel be - strijd': Wij we-ten, wij, op wie wij
6. op uw glo - rie - troon ; Dan zul - len met de he - mei-
|
1. |
to - |
gen, |
Juicht, |
voor uw |
glo- rie |
neêr |
ge |
bo |
gen |
O | |
|
2. |
he - |
den. |
Wij |
dan. |
wij |
jui-chen |
hier - |
he |
ne - |
:len |
O |
|
3. |
nin - |
gen. |
Ma - |
ri |
a! |
van uw |
gun - |
ste |
lin - |
gen, |
Kun |
|
4. |
we - |
zen. |
Geen |
on- |
heil |
is ons |
dan |
te |
vree |
zen : |
Wij |
|
5. |
ho - |
pen, |
Uw |
moe |
der |
hart staat |
voor |
ons |
0 - |
pen. |
O |
|
6. |
krin - |
gen, |
Ook |
wij, |
0 |
Moe-der! |
eeu - |
wig |
zin |
gen |
; Wat |
86
li
|
1. Ko - ning - in ! wat 2. Moe - der ⢠maagd! wat 3. hart ten eeu - wig 4. zijn ge - troost in 5. gij, die on - ze 6. zijt gij goed, wat |
zijt gij schoon, Tusschenspel, zijt gij goed. lief - de - pand. al - le smart. toe - vlucht zijt! zijt gij schoon I |
49. GEZANG NA DE OPDRACHT.
Zangwijze als no. 3.
(-a-
he - mei - lin - gen! \Vij
2.
3-
4-
5-6.
Juicht, juicht met ons,
Zij heeft ons Je - sus, on - zen Broe- der, Uit
Zij is 't, die thans met wa ⢠ken- de~oo - gen Ons
Zij is het, die in ziels - ge - va - ren Ons
Haar naam dan le - ve in al - Ier har - te, En
O gij, om wie wij hier ver - gé - ren, O
i
1
1. zijn Ma - ri - a toe - ge - wijd; Haar al ⢠taar blij-ven
2. maag ⢠de - lij - ken schoot ge - baard ; Zij, als Gods Dochter,
3. ga -slaat van haar glo - rie - troon; Wat zou haar be - de
4. hoedt met moe - der - lij - ke hand ; De Zee - ster, die op
5. al - Ier hart zij haar ge - wijd; Het blaak' van liefde~in
6. leid ons op het pad der deugd, Tot-dat wij met de
i
ï. wij om - rin - gen: Zij zal ons ster - ken in den
2. Bruid en Moe - der. Van al - le zon - de - smet be-
3. niet ver - mo - gen Bij Je - sus, ha - ren God en
4. 's le - vens ba - ren Ons wenkt naar 't he- melsch va - der-
5. vreugd en smar ⢠te: Ze^is on - ze Moe - der voor al-
6. zaal' - ge scha - ren U zien in ein - de - loo - ze
87
|
rJ» {ijl | ||||
|
[â1âuây |
â » 1 â â ---«â |
|
I. |
strijd. O |
za |
hg |
uur |
vol |
ze |
- g? - |
nin |
- gen! |
Wij |
|
2. |
waard!. O |
za |
''g |
uur |
vol |
ze |
- ge - |
run |
- gâ¢! |
Wij |
|
3- |
Zoon ? O |
za |
'ig |
uur |
vol |
ze |
- ge - |
nin |
- gen I |
Wij |
|
4. |
land. O |
za |
üg |
uur |
vol |
ze |
- ge - |
nm |
- gen ! |
Wij |
|
5- |
tijd! O |
za |
lig |
uur |
vol |
ze |
- ge - |
nin |
- gen ! |
Wij |
|
6. |
vreugd! O |
za |
hg |
uur |
vol |
ze |
- ge - |
nin |
- gen ! |
Wij |
|
1. |
zijn |
Ma |
ri |
a |
toe |
- ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
2. |
zijn |
Ma |
ri - |
a |
toe |
- ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
3- |
zijn |
Ma |
ri - |
a |
toe |
- ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
4. |
zijn |
Ma |
ri - |
a |
toe |
- ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
5- |
zijn |
Ma |
ri - |
a |
toe |
- ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
6. |
zijn |
Ma |
ri - |
a |
toe |
⢠ge |
- wijd |
Laat |
ons |
ver- |
|
â^-- | ||||
|
P L r |
Lâ1---- |
â0â*-⢠|
i=3 |
|
1. |
eend |
Ma |
- ri |
a |
zin |
- gen |
Ze^is |
on |
- ze |
Moe - |
der |
|
2. |
eend |
Ma |
- n |
a |
zm |
- gen |
Ze^is |
on |
- ze |
Moe - |
der |
|
3. |
eend |
Ma |
- n |
a |
zin |
- gen |
Ze^is |
on |
- ze |
Moe - |
der |
|
4. |
eend |
Ma |
- n |
a |
zm |
- gen: |
Ze^is |
on |
- ze |
Moe - |
der |
|
s. |
eend |
Ma |
- n |
a |
zin |
- gen |
Zeis |
on |
- ze |
Moe - |
der |
|
6. |
eend |
Ma |
- n - |
a |
zm |
- gen: |
Ze is |
on |
- ze |
Moe - |
der |
i
tij d I TusscJunspel. tijd!
tijd!
tijd!
tijd!
tijd!
1. voor al
2. voor al
3. voor al
4. voor al
5. voor al
6. voor al
88
50. DANKLIED.
W. P. H. Jansen, Pr.
Een toon hoóger, in d.
35=
1. Weêr dan is de Mei-maand he - nen En haar laat - ste
2. Met de blij - de he - mel-krin - gen Moch- ten wij haar
3. Bij de lich ten, die er glo - ren, Bij de ko - ren,
4. U dan eer en dank ge - ge - ven, U dan zij ons
5. Zóó dan, Moe-der, nooit vol-pre-zen! Zul - len we^eeu-wig
Â¥
| ||||||
|
1. licht ver - sche - nen : Laat ons, trou - we kin - der-schaar! 2. lief - de zin - gen, Eén van hart en één van min, 3. die we hoo - ren O - ver heel de jui - chen-de~aard', 4. gan - sche le - ven En ons ster - ven toe - ge - wijd, 5. de^u- wen we - zen. Zien we^uw Zoon in 't eeu - wig licht, |
1=$
|
1. Om Ma - ri - a's feest - al - taar, 2. Als één en - kei huis - ge - zin 3. Waar de he - mei zich aan paart; 4. U, die on - ze Toe-vlucht zijt! 5 Aan - ge - zicht aan aan - ge - zicht; |
Laat ons met ver-Als van zóó - veel Bij de bloe - men Zóó dan, lief - de-Zien wij al zijn |
1. een - de klan-ken, On - ze teed'-re Moe-der dan-ken;
2. kin - der - le - den, Klom-men on - ze smeek-ge - be - den
3. die hier gen - ren, Bij de ze - ven - vou - de kleu - ren
4. rijk- ste Moe â der ! Voe-re~uw Je - sus, on - ze Broe- der,
5. glo - rie - stra - len O - ver u daar ne - der - da - len;
|
8Q | ||||||||||
| ||||||||||
1. Maar geen dui-zend - stem-mig lied Meldt het heil aan
2. Tot de Moe - der van den Heer; En zijn gun - sten
3. Aan den heil'-gen he - mei-boog, Klimme~ook on ⢠ze
4. 't Hem en u g6 - wijd ge - zin 't Ein - de - loo - ze
5. Jui - chen we~eeu\vig: âDank en eer Aan de Moe - der
=|3=P=p|i|gi|======
1. ons ge - schied ! Tussc/ienspel,
2. stroom-den neêr.
3. dank om - hoog!
4. dank - feest in !
5. van den Heer Iquot;
Zangwijze als no. 46.
51. TOEWIJDING AAN MARIA OP DEN DAG DER H. COMMUNIE.
Een kleine terts hooger, in es.
Moe - der Gods! zie op ons rieêr: He - dén,
Gij die u met ons ver - blijdt, Help ons
Wij nu op deez' groo-ten dag, Dat uw
Maar zoo zwak is on - ze deugd, 't Le - ven
U dan wijdt zich quot;t dank-baar kind, U voor
Toon, dat ge~on-ze Moe-der zijt! 0
ü
2. 3.
4-
s.
:±=r|z
PP
'4
m
naar ons ziels - ver - lan - gen, Moch-ten wij uw
u - wen Je - sus dan - ken: Ach, te zwak zijn
Zoon zich ons kwam ge - ven, Schen-ken Hem ge-
is zoo vol ge - va - ren; Wil dan, Moe - der!
al zijn le - vens - da-gen: Neem ons aan in
blijf, als wij u smee-ken, Blijf voor ons bij
9°
i
|
I. |
Zoon |
ont - |
van |
gen, |
On - |
zen |
God |
en |
on - |
zen |
|
2. |
kin - |
der - |
klan- |
ken ! |
Help |
ons |
die |
zijn |
Moe - |
der |
|
3- |
heel |
ons |
le - |
ven, |
Schen- |
ken |
wat |
ons |
hart |
ver- |
|
4- |
ons |
be - |
wa - |
ren, |
Wat |
ons |
wach |
quot; te, |
smart |
of |
|
s. |
wel |
be - |
ha - |
gen, |
Gij |
die |
ons |
zoo |
teèr |
be |
|
6. |
Je - |
sus |
spre- |
ken. |
He - |
den |
en |
ten |
al - |
ien |
| ||||||||||
|
Moe - der Gods ! 2ie neêr. |
op
Gij die u met ons ver - blijdt.
Moe - der! op deez' groo - ten dag.
Want zoo zwak is on - ze deugd,
U dan wijdt zich 't dank - baar kind,
Toon, dat ge on - ze Moe - der zijt!
Tusschensptl,
ii
1. Moe ⢠der Gods! zie op ons neêr.
2. Gij die u met ons ver ⢠blijdt.
3. Moe ⢠der op deez' groo - ten dag.
4. Want zoo zwak is on - ze deugd.
5. U dan wijdt zich't dank - baar kind.
6. Toon, dat ge quot;on ⢠ze Moe - der zijt!
1. Heer:
2. zijt: 3- mag,
4.vreugd,
5. mint,
6. tijd,
9
52. DE ONBEVLEKTE MAAGD.
(naar een syriesch dichter.)
Naar het oude âPner nobis nascitur,quot;
F#i:
1. De~uit-ver - ko - ren Moe - der â maagd, In ons
2. Zij ge ⢠viel Hem, toen Hij kwam Om met
3. 't Hoog ⢠ste top - punt van ge - nd Is wel
4. Ned' - rig, recht van zin en geest, Zui - ver
5. Was er rei - ner maagd wel - eer Op deezgt;
6. Had de Heer één vlek â je maar Op haar
7. Maagd en Moe - der, vrij van smet! Door uw
i
|
1. lied ver - he - 2. ons te we - 3. God te ba - 4. bo - ven al - 5. aard' ge - von â 6. ziel zien kle - 7. God ver - ko -
|
- ven. Heeft het hoogst aan God be- - zen; Moe - der werd zij van het - ren : Zij dan, zon - der we â der- - len, Is Ma ⢠ri - a 't Huis ge- - den: Aan Ma - ri - a had de - ven: Een dan zon - der smet voor- - ren, Wil het lof - en dank- ge- |
m
I hangd. Om haar hei - lig le - ven.
2. Lam, Moe - der. nooit vol - pre - zen.
3. gé., Is niet te~e - ve - na - ren.
4. weest Naar Gods wel - ge - val - len.
5. Heer D' En-gel niet ge ⢠zon - den.
6. waar Had Hij zoo ver - he ⢠ven.
7. bed Van uw kind'- ren hoo - ren.
Tusschens]gt;el.
92
53. LOFPEIJZING VAN MARIA, ONBEVLEKTE MAAGD EN MOEDER GODS.
(van den kardinaal-aartsbisschop j. von geissel.)
Corner's geistl. Nachtigall 1676.
Voe - dend be-Min - lij- ke^en
1=1=3;
i. Won - der van glo - rie - pracht! Won - der van
2 Schuld'-loos ge - bo ⢠re - ne, Ee - nig ⢠ver-
3. Gij trouw - ge - ble - ve - ne, En hoog - ver-
4. Gij, uw God ba - ren - d^
5. Al - tijd zacht - moe - di
:Jr-:
1. moe-der-macht! Liefd'-rij-keraan-min - ni - ge, he - mei - sche
2. ko - re - ne, Gij, tot Gods Doch - ter en Moe - der en
3. he - ve - ne, Gij, on - ze Leid-Ster! gij licht op ons
4. wa - ren ⢠de, Moe- der in vreug- den en smar- ten zoo
5. goe - di - ge Moe- der van God, van ge - na - de ver-
=*3
üüü
|
I. Vrouw! Wie ik Bruid! In al 3. neêr; Glo - ries 4. rijk, Was er 5. vuld; Wil ach |
|
|
1. hart mij wijd; Wie ik en 2. rein-ste^als gij ; Zelf koos de 3. he - me - len U als het 4. dul - di - ge Schuld'-loo - ze illiraipiiiiipil |
:t= li-chaam en ziel toe - ver- Heer u ten tem - pel zich naast bij den troon van uw Moe-der! in lij - den ge- 5. kon - di - gen, Na - mens uw Zoon, de ver - ge - ving der |
I
93
| ||||||||||
|
1. trouw: Goed, bloed en le - ven Wil ik u ge - ven; 2. uit; Gij vlek - ke loo - ze Le - lie en Ro - ze. 3. Heer; Gij, door uw zoet - heid. Toon-beeld van goed - heid, 4. lijk ? Gij, uit - ge ⢠le - zen, Za ⢠lig ge - pre - zen 5. schuld; VVil bij 't ver - schei - den. Wil ons ge - lei - den; |
8
m
1.'k Geef het vol vreug-de. Ma - ri - a! aan u. Tusschenspel.
2. He-mei en aard'biên u hul-de^op uw troon.
3. Zóó groet u dequot;aar-dequot;en het he - mei - sche hof.
4. Gij zijt de Moe - der, die zon - da - ren redt.
a-
5. Pleit voor ons, Moe - der! bij Je-sus, uw Zoon.
54. ANGELUS DOMINI. blt;C
|
(DE ENGEL DES HEEREN.) Eenigen. Naar Hsndel. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
94
| ||||||||
|
En zij heeft ont - van - gen van den Heil*-gen Het mo - ge ge - schie-den aan mij naar uw En nam in ons mid - den zijn blij ⢠ven - de Zoo wor - den wij Chris - tus7 be ⢠lof - ten eens | ||||||||
Allen.
-r-t-
1. Geest. Ge - groet, ge - groet, Ma - ri-a! ge - groet; Ge-
2, woord.quot; Ge - groet, ge - groet, Ma - ri-a! ge - groet; Ge-3 woon. Ge - groet, ge ⢠groet. Ma - ri-a! ge - groet; Ge-4. waard. Ge - groet, ge - groet. Ma - ri-a! ge-groet; Ge-
l§%=fi=3=ia=Ei=l=is£l
|
P- |
|
1. |
groet, |
ge |
- groet, |
Ma |
ri - |
a! |
ge |
- groet |
|
2. |
groet, |
ge |
- groet. |
Ma |
n - |
a! |
ge |
- groet |
|
3- |
groet, |
ge |
- g'oet, |
Ma |
n - |
a! |
ge |
- groet |
|
4. |
groet. |
ge |
- groet. |
Ma |
n - |
a! |
ge |
- groet |
55. HET WEES GEGROET.
Zangwijze als no. 1.
Een kleine terts hoog er, in es.
1. weest;
2. hoort;
3. Zoon,
4. baard,
|
â1--*â#â | |||||||
|
1, |
Wees |
ge - |
groet op |
kin - |
der |
toon, God, |
Wees ge- |
|
2. |
Al - |
le |
gunst vondt |
SM |
bij |
Al - le | |
|
3- |
Mét |
u |
is uw |
God |
en |
Heer! |
Wie zou |
|
4- |
Wie |
zal |
ons uw |
heil' |
- ge |
jeugd. |
Wie ge- |
|
S- |
la, |
dat |
mij uw |
God |
en |
Zoon, |
A1 - Ier |
|
6. |
Lie - |
ve |
M oe - der! |
0 |
mijn |
vreugd! |
Bid voor |
95
m
-j*
groet, Ma - ri - a! Moe-der Van Gods Eén - ge - bo - ren vol - heid van ge - na-den; Ach, zij ook zijn gunst- geil geen glo - rie ge - ven ? O mocht ik ook Hem ter ze - gend- ste^al-ler vrou-wen ! Vol ge - na - de~en vol van Za - lig - ma - ker, ze- gen'! Stroom zijn lief- dequot;en gunst-be-mij, en bid voor al - len. Die door gods-vrucht, rei - ne
|
1. Zoon, On - zen mensch - ge 2. not Mij ten troost op 3. eer, Al - tijd in zijn 4. deugd, Al uw heer - lijk 5. toon Op uw smeek - ge ⢠6. deugd, Stre - ven naar uw
|
wor - den Broe - der; 's le - vens pa - den, lief - de le - ven! ⢠heid ont - vou ⢠wen ? -bed mij te - gen! wel - ge - val ⢠len; |
U Dat Dat Dat Dat En
zijt, mij, mij, mij, mij, nood.
zij ik dit ook uw in 't
U die on - ze
Moe - der Gods! o
Bid, Ma - ri - a!
Bid, Ma - ri ⢠a!
Moe - der Gods! o
Bid voor ons in
Moe - der bid voor bid voor bid voor bid voor al - len
8
1. ook mijn lied ge - wijd!
2. Hem ge - val - lig zij.
3. al mijn stre ⢠ven zij.
4. ik ge - ze - gend zij.
5. Zoon mijn Je - sus zij.
6. uur van on - zen dóód.
| |||||||||||||||
|
TusschensJgt;el, |
96
56, ZIE, IK KOM!
(meilied.)
C. Jaspers.
Een kleine terts lager, in a.
éis
1. Moe-der! waar mijn blik - ken zwe - ven,'k Zie in
2. Is 't uw stem, o lie - - ve Moe- der! Of van
3. Zou dan ddar de Zoon niet we - zen Waar zijn
4. Is Ma - ri - a zoö ver - he - ven Door de
5. Zien wij haar thans tot ons tre - den In zoo
i
|
le - ven, 'k Zie nw beel - te - nis broe-der, Toen Hij, da - lend van ne - zen,'t Licht weêr zijn in duiS ge - ven Aan de zij - de van be - den, Brengt uw hul - de van |
al - om Van veel zijn troon, 's Le- vens ter ⢠nis, Dat wij, zijn troon; Ons te al - om : Je - sus* |
|
I. |
keur |
- ge - |
bloem |
te om |
-ge - |
ven, 't Is |
als |
suist |
er: |
|
2. |
Oor- |
sprong |
en |
Be - |
hoe - |
der, Hier |
door |
u |
eens |
|
3- |
uit |
ons |
graf |
ver - |
re - |
zen, 't Le |
ven |
vin - |
den^ |
|
4- |
hel |
- pen |
al |
ons |
le - |
ven, Is |
haar |
zoet - |
ste |
|
5. |
stem |
dan |
suist |
nog |
he - |
den : âZie, |
uw |
Moe - |
der! |
97
m
1. âZie, Ik kom!quot; Tusschenspel.
2. nam zijn woon.
3. aan zijn Disch ?
4. moe - der - loon.
5. zie, Ik kom!quot;
57. NIEUW MEI-LIED.
I.
Hulde aan Maria.
Zangwijze als no. 54,
Eenigen.
:i3=
|
I. |
**-aâ Wat |
zon - ni - |
Se |
dre |
- ven |
wat |
lief' - |
lijk |
a- |
|
2. |
Wat |
licht- gloed |
en |
kleu |
- ren |
ver - |
ruk - |
ken |
ons |
|
3. |
Die |
bloe - men, lof - lied |
die |
luis |
- ter, |
en |
wat |
er |
hier |
|
4. |
Uw |
zal |
rij |
- zen, |
't zal^ |
Moe - |
der! |
uw | |
|
5. |
De |
Heer toch |
der |
hee |
- ren. |
uw |
God |
en |
uw |
tfci-
|
1. zuur! 2. oog! 3. prijkt, Het keert in het 4. macht En za - lig u 5. Zoon, Wil eeu - wig u |
heel de geu - ren Wat bloei-end her - le - ven van Als wie- rook gaan zan - gen en na-om-be- Sequot; ten duis ter; 't gaat op en prij- zen door al - le ee - ren, uw lief - de |
98
Allen.
1. tuur!'t Roept, Moe-der! nu, het roept uw Ge - zin, Tot
2. hoog. Uw kin - der - schaar, die feest - ge - tij viert. Heeft
3. zwijkt. O Maagd! uw kroon, uw glo - rie en eer, 't Blijft
4. slacht. Als de~aar - de zwijgt, de he-mei toch niet: Daar
5. loon. Hoor, Moe - der 1 hoor, daar ge~ons zoo be â mint, Uit
|
voor ons zoo vol min. en beelt' - nis ge - sierd. en 't woord var den Heer. u 't ein - de - loos lied. 't u smee ⢠ken - de kind. |
II.
Bede aan HCaria.
|
Wij bid - den Bid Je - sus, Zoo wil dan |
Voor ons die te ga - der, Be - scherm -ster der 6 7 8 9 10 o Moe-der! dat Hij zich ont- de Ko - ren, van he - mei en hier strij - den, ach, bid in dit en vrucht- baar in Zij nieuw heel ons le - ven |
|
6. |
Kerk! |
Dat |
God |
on - |
zen |
Va |
- der, |
Paus |
Le |
- O |
ver- |
|
7. |
ferm'. |
Als |
Her- |
der |
en |
Hoe |
- der, |
de |
zij |
- nen |
be- |
|
8. |
aard', |
En |
óns |
ook |
nu |
hoo |
- ren, |
hier |
om |
u |
ver- |
|
9- |
uur, |
En |
al |
wie |
nog |
lij. |
den |
in |
't lou |
- te - |
rend |
|
10. |
deugd; |
't Zij |
Je - |
sus |
ge - |
ge- |
ven, |
in |
lij |
- den |
en |
99
amp;
6. sterk'. Paus Le - o lev'! God steu - ne zijn troon! Aan
7. scherm'. O zoet ge - not! dat ge al- tijd, o Maagd! Voor
8. gadrd. Tot u, tot u gaan be - den en lied, Dat
9. vuur. O Moe - der - maagd! o dat uw ge - bed. Dat 10. vreugd. Bid voor ons nu, in al on - zen nood;Roep
1=
|
i 35Ã | |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
58. OUD LIED VAN HET EOZENKRANSJE.
|
Een toon lager in bes. Zangwijze als no. 17. | ||||||||
|
1. Ro - zen - krans jen! u zij lof, Uit den hof
2. E - del kroon - tje, dat er staat Voor sie - raad
3. Al - Ier - lief - ste roos - plant- soen, Al - tijd groen.
4. Krans - je dat u zoo be - haagt, Moe - der maagd!
5. Psal - ter - tje ! gij maakt be - vreesd 'sBoo-zen geest,
6. Kos - te - lijk - ste ke - ten - tjen, Dat ik ken,
Allen.
1
Van den he - mei neêr - ge - zon - den, Van ver-schei-den
IOO
n
^---
|
be-kroont be-kwaam ge - bed, te taal and fel bloemp - jes schoon. die zeer Gods zoe -vij - |
Als een kroon, Wel En ver-schoont 's Hoo ⢠Staat de naam Van Won - der - net, Ziet Me - nig- maal Van Van de hel Krach ge - vloch - ten gen he - mels Ma - ri - a uw fris- sche 'tA - ve Ma-⢠te - loos en |
ÃÃ
1. en ge - bon - den. Tusschenspel.
2. Ko - ning - in - - ne.
3 uit - ver - ko - zen.
4. roos - jes schij - nen ').
5. ri - a zin - gen.
6. vast te bin - den.
1) Ue vijf Ouze Vaders eu de tieu Wees gegroeten.
7. Krans-jen! als ik zon - der-ling voor een ring
8. Gij ver- zelt mij waar ik ga, Waar ik sta;
9. Als ik in mijn ka - mer - tjen Met u ben,
10. Al - tijd ik u me - de ⢠voer Aan mijn snoer,
11. Dat dit lie - ve krans - je zij 't Snoer, dat mij
i=i
lOI
m
7. vaar - dig vat Go - li - ath Zijt gij mij een
8. weg en tijd, Die Tc ver - slijt Met te le - jen
9. al - te - met Ten ge - bed, Of voor een god-
10. zoe - ten schoot In den dood, Daar ik nim-mer
11. ik nu dien, Mo - ge zien, In het eeu-wig
i|=
iültüüi
7. Da - vids - slin - ger. Tusschensjtel.
8. en te pei - zen.
9. vruch - tig boek - je.
10. van moet schei - den.
11. le - ven. A - men.
W. P. H. Jansen, Pr.
59. KIND'REN VAN MAEIA.
Een kleine terts lager, in a.
m
|
1. Kind'- ren van Ma - ri - a! 2. Kind' - ren van Ma - ri - a ! 3. Kind' - ren van Ma - ri - a! 4. Kind' - ren van Ma - ri - a! 5. Kind' - ren van Ma - ri - al |
Op uw pel - grims- Op uw pel - grims- Op uw pel - grims- Op uw pel - grims- Op uw pel - grims- |
i
Eï
Heft nu 't Al - le - !u -
Heft nu 't Al - le - lu -
Heft nu 't Al - le - lu -
Heft nu 't Al - Ie - lu -
Heft nu 't Al - le - lu -
1. baan,
2. baan,
3. baan,
4. baan,
5. baan,
- ja, quot; ja.
- ia. quot; ja.
- ja.
102
| ||||||||||
|
1. Heft uw 2. Heft uw 3. Heft uw 4. Heft uw 5. Heft uw lof - lied aan. lof - lied aan. lof - lied aan. lof - lied aan. lof - lied aan. Op haar moe - der- 's Vij - ands le - ger- Haar zijn wij ge- Roept op al uw Moe - derl blijf ons |
m
-Cât-
|
i. |
be |
de |
Tot |
haar |
Zoon |
en |
Heer, |
|
2. |
scha |
ren |
Vhe - |
den |
vol |
van |
schrik; |
|
3- |
ge * |
ven. |
Toen |
haar |
Je |
sus |
stierf, |
|
4. |
we |
gequot;. |
Roept |
uw |
Moe |
- der |
in : |
|
5- |
lei - |
den. |
Naar |
de |
he - |
mei |
- woon; |
|
1. Daalt zijn lief - de~en vre - 2. Ons blijft zij be - wa - 3. En ons 't eeu - wig le 4. Nooit, neen, zon - der ze 5. Breng ons, bij 't ver - schei - |
In de har - ten Met haar moe - der- Door zijn dood ver- Laat zij haar ge- Tot uw God en |
4
m
1. neer.
2. blik.
3. wierf,
4. zin.
5. Zoon.
Tusschenspel.
io3
60. MEIMAAND-BEDE OM EEN ZALIG STERVEN.
Zangwijze als no. 10.
1. Als van doods-ge-waad om - to - gen, Lag heel de^aar-de
2. * Is de wet, aan denaard'ge - ge - ven: Uit den dood brengt
3. Slaat uw dank-baar oog dit ga - de, Zie in 'trijk ook
4. Zie slechts'ttoon-beeld ons ge - ge - ven Op den berg, waar
5. Ging ook, Moe-der!'t zwaard der smar - te U niet ze-ven-
6. Daar, Ma - ri - a! Kruis hel - din - ne! Werdt gij 'she-mels
7. O wil ons, die dag aan da - gen Vol ver-trou-wen
Ko-ning - in van u vra
voor on - ze^oo - gen Tn den lan ⢠gen win - ter - nacht; zij het le - - ven, Uit den nacht den mor-gen voort;
der ge - na - - de, Hoe een zelf - de won ⢠d re wet dood en le - - ven Stre - den om de ze - ge - kroon:
werf door't har - te. Toen gij bij zijn kruis-hout stondt?
ne. Werd die glo - rie u ver - leend,
gen, Dat gebons helpt in al - len nood,
âS--1-^ ----'--â¢â4~*-----â¢-aâI
1. 'tWas of al - le licht en luis- ter Weg-zonk in een
2. Hoort nu dui - zend stem-men rij - zen, Die 't ver-jeug-digd
3. Ons, ge - val - len ster - ve - lin - gen, Weêr voor'she-mels
4. Hij ver - won, wiens smaad en lij - den Ons van d'eeuw' gen
5. Toen gij ddar wat Hij ge - le - den En in 't ster - ven
6. Die u, voor uw moe-der- lij - den, Nu in'thoog-ste
7. Moe-der! wil in 't uur van't ster - ven 'tZa-lig le - ven
Een toon hooger, in d.
1. eind'-loos duis-ter, Dat geen blij - den mor-gen bracht. Tus-
2. Ie - ven prij - zen In ver - ruk-kend lof - ak-koord. schen-
3. glo- rie - krin - gen Uit den dood ten le - ven redt. sjiel
4. dood be-vrijd-de, Gods in 'tgraf ge - slo - ten Zoon!
5. heeft door-stre-den, Met Hem voel - det en ver-wont?
6. ziels-ver - blij - den Met uw God en Zoon ver - eent.
7. ons ver - wer - ven, Dat er op- gaat uit den dood.
61. SMEEKLIED OM DE BEKEERING VAN ONS VADERLAND.
W. P, H. Jansen, Pr.
1. O Moe - der - maagd! wat is 't ons zoet. Te
2. Ge - denk niet, Moe - der I wat al smaad U
3. O Moe - der van barm - har - tig - heid! Ge-
4. Ge - denk, hoe Je - sus' dier - b're Bruid, Zijn
5. Gij, die zoo ve - len hebt ge - red, Voer,
|
1. zin ⢠gen tot uw lof; 2. hier is toe - ge-bracht : 3. denk het bij den Heer, 4. Kerk, door u be - mind, 5. om uw moe - der - naam, |
Wat vreugd voor 'tkin - der-Is toch niet veel bij Wat glo - rie hier u U toe - zingt, dat ge~eeuw Voer al - len hier, door |
los
1. lijk ge - moed, En voor des he - mels hof.
2. ve ⢠Ier kwaad, Wat hun - ne schuld ver-zacht?
3. werd be - reid, En op - rijst meer en meer;
4. in, eeuw uit. De ket - te - rij ver - wint;
5. uw ge - bed, Tot éé - ne kud - de saam;
W-
=t-
m'7*-
-=tr;
~~rcz:
Ach! Is Klonk O O
1. hoe ver - langt de lief - de - brand, Die on - ze
2. door uw Zoon, ook hun ten zoen, De smeek - beê
3. niet wel - eer uw naam al - om Door al - le
4. vraag dan, dat wie hier ook dwaal*, Door Gods ge-
5. geef aan al - len, zoo - als wij, Te zin - gen
1. ziel ver - slindt, Dat ge^in ons dier-baar Va - der-
2. niet ge - schied: âVer - geef hun, Va - der!-wat zij
3. stad en veld? Wordt nu in huis en hei - lig-
4. nd ver - licht, Zich bij dien zach - ten lief - de-
5. tot uw lof, Hier, Moe - der! op uw feest - ge-
lo6
62. DANKLIED AAN MARIA.!
|
Thüodotus' Paradijs 1621. Een kleine terts hoog er, in es. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
vriend'-lijk beeld ge - schaard: Wij bren - gen
al - le kwaad; Gij bidt bij Hem be ⢠haagd; Ver - bor - gen
zie - le - lust; In u, die
lof, En wij te
zijn : Wij, zon - daars,
dank - ge - sta - mei niet, Ver - toon ons
hoedt ons trouw voor hebt van
eeu - wig hoop en zin â gen daar uw on - zer lief - de
zoe - te Eng' - len tol - ken smaadt ons
| |||||||||||||||
|
I. voor uw troon ge - knield. Den dank, die al - Ier |
|
2. u - wen 3. Roos! der 4. al - Ier 5. de - zer 6. val - len |
7. aan uw lie - ven Zoon, Dat maag-den bloem, Gij toe-vlucht zijt, Is heil' - ge steê. Wij voor u neêr, O lie - ven Zoon: Gij |
Hij ons zijn ge-'swe-relds vreugd en ook uw kin - der- zm - gen Moe - der zijt zoo met hun van den dicht toch |
1
----=i-
io7
|
blijd. meê. heer!.. troon, |
âz=i-
zielt. Tusschensjpel.
io8
AANHANGSEL.
ADOKO TE DEVOTE.
Een kleine terts hooger, in es.
fc/ lââ1 - f *» ââ-T
1. Ad - ó - ro te, Je - vó - te la - tens Dé - - i - tas,
2. V£ - sus, ta - c ais, gu - stus in te fal - - li - tur,
3. In cru - ce ia - té - bat so - la Dé - - 1 - tas:
4. Pla - gas, sic - ut Tho - mas, non in - tii - - e - or,
5. O me - mo - ri - a - Ie mor - tis Dó - mi - ni,
6. Pi - e Pel - li - ci - ne. Je - su Dó - mi - ne,
7. Je - su, quem ve - 14 - tum nunc ad - spi - - ci - o,
|
/ |
1 |
j |
1 | ||||||||
|
rm |
, | ||||||||||
|
V V |
} | ||||||||||
|
-O 1 | |||||||||||
|
I. |
quae |
sub |
his |
fi |
gu - |
ris |
ve - re |
ld - |
- ti |
- tas; | |
|
2. |
sed |
au |
- di |
tu |
so |
lo |
tu - to |
ere - |
- di |
- tur; | |
|
3- |
at |
hic |
la - |
tet |
SI - |
mul |
et hu |
- md - |
- ni |
tas: | |
|
4- |
De - |
um |
ta - |
men |
me - |
um |
te con |
- fi - |
- te |
or: | |
|
s. |
pa - |
nis |
VI - |
vus |
VI - |
tam |
prae-stans |
hó - |
- mi |
- m: | |
|
6. |
me |
im - |
mun - |
dum |
mun - |
da |
tu - 0 |
sdn - |
⢠SU1 |
- ne; | |
|
7. |
0 - |
ro |
fi - |
at |
11 - |
lud |
quod tam |
si - |
- ti |
- 0; | |
|
V 1 1 1 1 | |||||||||||
|
/ - 11 | |||||||||||
|
rM â! â! â1 0 â! II ! 1 | |||||||||||
|
; m | |||||||||||
|
1. |
ti - |
bi |
se |
cor |
me - |
um |
to - tum |
sub - |
li |
cit; | |
|
2. |
ere - |
do |
quid - |
quid |
di - |
xit |
De - i |
Fi |
li |
us; | |
|
3. |
am - |
bo |
ta - |
men |
ere - |
dens |
at - que |
con |
h - |
tens. | |
|
4- |
fac |
me |
ti - |
bi |
sem - |
per |
ma - gis |
ere - |
de |
re, | |
|
5, prde - |
sta |
me - |
ae |
men - |
ti |
de te |
vi - |
ve |
re, | ||
|
6. |
cu - |
JUS |
u - |
na |
stil - |
la |
sal - vum |
fd - |
ce |
- re. | |
|
7. |
ut |
te |
re - |
ve - |
ld - |
ta |
cer-nens |
fd - |
Cl |
e, | |
log
m
1. qui - a te con - tém plans to- turn dé - fi - cit.
2. nil hoc ver-bo ve - ri - ta-tis vé - ri - us.
3. pe- to quod pe - ti - vit la - tro poé - ni- tens.I
4. in te spem ha - bé ⢠re te di - li - ge - re.
5. et te il - li sem- per dul - ce sa - pe - re.
6. to-tum mundum quit ab o - mni scé - le - re.
7. vi- su sim be - 4 - tus tu - ae gló - ri - ae.
A - ve
Je
ad - - au â ge
Pa - stor
-öâ«âegt;-dé - li - um.
â -s- ^-lt;3- -g- -g- â -cr-
fi - dem ó-mni- um in te ere - dén - ti- um. A - men.
no
CANTICUM
To
(Sâ =a
i
I. Ma-gnl - fi - cat* anima me - a Do - mi - num.
=sJ:
2. Et ex - sultdvit spiritus.......
3. Qui - a respéxit | humilitdtem ancfllae . .
4. Qui - a fecit mihi magna qui potens
5. Et mi - sericórdia ejus | a progénie in pro-
6. Fe - cit poténtiam | in brdchio.....
7. De - p6 - suit I poténtes de.......
8. E - su - riéntes | implévit.......
9. Sus - cé - pit Israel püerum......
10. Sic - ut locütus est | ad patres . . . , .
11. Gló - ri - a Patri, et.........
12. Sic-ut erat in principio, | et nnnc et . .
ns'
ae :*
es*
o :* de,*
nis:* um,* stros, *
o,* per,*
me-su-Est :⦠géni-su-se-bo-su-no-Ffli-sem-
PS. 116. LAUDATE DOMI
i
|
Lau-da - |
te Dóminum, omnes........ |
gen- |
tes; * |
|
2. |
Quóniam confirmdta est super nos | misericórdia |
e- |
jus :* |
|
3- |
Glória Patri, et.......... |
Fili- |
0* |
|
4. |
Sicut erat in prindpio, | et nunc, et . . . |
sem- |
per,* |
111
MAGNIFICAT. NÃ8 V.
UM
To
|
2. in Deo salu- - -- -- -- -- - 3. ecce enim ex hoc j beitam me dicent omnes gene- 4. et sanctum............ 5-ti............... 6. dispérsit supérbos | mente....... 7. et exal ----------- 8. et dfvites | dim! - -- -..... 9. recorddtus | miseri ......... 10. Abraham, | et sémini é------- 11. et Spi- - -- -- -.....- 12. et in saécula saecu - -- -- -- - |
|
lMI NUM OMNES GENTES. tTnds V.
|
i. |
0- |
mnes |
pó- |
puli. | ||
|
2. |
et véritas Dómini | manet |
, , |
m |
ae- |
tér- |
num. |
|
3. |
et Spi |
- - |
rf- |
tui |
San- |
cto. |
|
4. |
et in saécula saecu - - - |
10- |
rum. |
A- |
men. |
CANTICUM To
kIA( itrs
3=
-t-
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
us' ae :*
me-su-Est :⦠géni-su-se-bo-su-no-Fili-sem-
pro
de,* nis :* um,*
stros,* o,* per,quot;
2. Et ex - sultdvit spiritus.....
3. Qui - a respéxit | humilitdtem andllae
4. Qui - a fecit mihi magna, qui potens
5. Et mi ⢠sericórdia ejus | a progénie in
6. Fe - cit poténtiam | in brachio
7. De - pó - suit I poténtes de . . S. E-su-riéntes | implévit. . . 9. Sus-cé-pit Israel püerum . .
lo. Sic-ut locütus est | ad patres n.Gló-ri - a Patri, et ... . 12. Sic-ut erat in principio, | et nunc, et
li
frui
Ps. 116. LAUDATE DOMI1
kus
I. Lau - dd - te Dóminum, omnes........Igen-jtes:*
2. Quóniam confirmata est super noslmisericórdia. { e- ljus:*
3. Gloria Patri et..........Fili-i o,*
4. Sicut erat in principio, | et nunc et ... , sem-lper,*
MAGNIFICAT, us VIII.
ÃM To
|
2. in Deo salu - -......... |
ta- |
ri |
me- |
0. |
|
3, ecce enira ex hoc |bedtam me dicent omnes gene- |
ra- |
ti |
ó- |
nes. |
|
no- |
men |
e- |
JUS. | |
|
5. timén - -- -- --...... |
ti- |
bus |
e- |
um. |
|
6. dispérsit supérbos | mente....... |
cor- |
dis |
su- |
1. |
|
7. et exal - -- -- -- -- -- - |
td- |
vit |
humi- |
les. |
|
8. et divites dimi - -- -- -- -- - |
sit |
m- |
a- |
nes. |
|
9. recorddtus | misericór ------- |
ae |
su- |
ne. | |
|
10. Abraham, | et sémini e- - - - ⢠- - - |
jus |
in |
saecu- |
la. |
|
11. et Spiri- ------------ |
tu- |
1 |
San- |
cto. |
|
12. et in saécula saecu - -- -- -- -- |
ló- |
rum. |
A- |
men |
KUM OMNES GENTES. MI!
kus VIII.
T amp;»
|
1. lauddte eum .... 2. et véritas Dómini | manet . 3. et Spiri....... 4. et in saécula saecu - - . |
|
114
LITANIAE B. M. V.
Een toon hooger, in g.
ippiiigii
Ky - ri - e e ⢠léi-son. Chri-ste e - léi- son. Ky - ri - e e - léi-son.
au - di - nos Chri ⢠ste ex - du - di - nos.
m
Chri - ste
Pater de .... coe - lis De - us, mi- se - ré - re no - bis.
Fill, Redémptor mun - di De - us, mi- se - ré - re no - bis.
Spiritus.....san - cte De - us^ mi- se ⢠ré - re no - bis.
Sancta Trinitas . . u - nus De - us, mi- se - ré - re no - bis.
$1
|
O - ra pro no - bis. |
|
I IS | ||||||
|
Spéculum ju ------ sti - tiae, O - ra pro no - bis.
Sedes sapi - - - - - . - én - tiae,
Causa nostrae lae- - - - - tl - tiae,
Vas spiritu --- - .. - a - le,
Vas hono - -- -- --ra- bile,
Vas insigne devoti - - - - ó - nis,
Rosa.........my - stica,
Turris Da ------- vi - dica,
Turris e- - -- -- -- biir- nea,
Domus.........aii- rea,
Foéderis........ar - ca,
Jdnua.........coe - li,
Stella matu- ------ ti - na,
Salus infir ------- mó - rum,
Refiigium pecca ----- tó - rum,
Consoldtrix affli ----- ctó - rum,
Auxllium Christia ----- nó - rum,
Regina Ange ------ 16 - rum,
Regfna Patriar ------ cha - rum,
Regina Prophe- ----- ta - rum,
Regina Aposto ----- ló - rum,
Regina........Mdr - tyrum,
Regina Confes- ----- so - rum,
Regina........Vir-ginum,
Regina Sanctórum.....ó - mnium,
Regina sine labe originili con- cé - pta,
Regina sacratissimi Ro - ⢠- si - rii,
|
1. A - gnus De - i, 2. A - gnus De - i, 3. A - gnus De - i, |
qui tol - lis pee - cd ⢠ta mun - di, qui tol - lis pee - cd - ta mun - di, qui tol - lis pee - cd - ta mun - di, |
1. par - ce no - bis Dó ⢠â¢i-ne.
2. ex - aii - di nos Dó - mi-ne.
3. mi ⢠se - ré - re no - ⢠bis.
116
P
i
Chri - ste au - di nos. Chri - sle ex - au - di nos.
â*âoâÃâ®âw
Ky- - ri - e e - léi - son. Chri - ste e - léi - son.
Ky
ri-e e--lé----i - son.
VOOR DEN ZEGEN MET HET ALLERHEILIGSTE.
1. Tan-tum er-go Sa - era-mén - tum ve - ne-ré-mur cér-nu - i:
2. Ge - ni - tó - ri, Ge - ni - to - que laus et ju - bi - ld - ti - o :
3i
2.
et an ⢠tf-quum do - cu - mén-tum no - vo ce-dat rf - tu - i: sa-lus, ho- nor, vir- tus quo-que slt, et be - ne- di- cti - o :
m
praé - stet fi - des sup - pie - mén - tum Pro - ce - dén ti ab u - tro - que
IP
----- -C5-âÃquot;
1. sén - su - um de - fé - ctu - i.
2. com- par sit lau - dd - ti - o.
m
A - men.
tr
f ' i
â A