ocr page 1
ocr page 2

t: r

V

j

t I

ocr page 3

i

M A R I A L I E D E R E N.

Vak 57

ocr page 4
ocr page 5

Vi;.K 57 Ho. VH

MARIALIEDEREN

Wijlen Mgr. P. van der PLOEG,

\^VAN ZANGWIJZEN VOOEZIEN

M. J. A. LANS,

Pastoor te Schiedam.

W. P. H. JANSEN,

Leeraar aan het Seminarie Hageveld te Voorhout.

TWEEDE UITGAVE. ♦

LEIDEN, J. W. VAN LEEUWEN,

Uitgever en Antiq. Boekh., Hooigracht 74.

1887.

ocr page 6

IMPBIJIATÜR.

Datum Harlemi caspar

dle 19 Aprili8 l881- Episc. Harlemen.

Kt auteur^ckt is verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad n0. 124).

ocr page 7

VOORBERICHT.

De Marialiederen, bijeengezameld uit de „Gezangen voor de Meimaandquot; van P. v. d. Ploeg, verschijnen in deze uitgave voorzien van zangwijzen. Later zullen de andere liederen van denzelfden dichter, ter eere van den Zaligmaker, verschillende Heiligen, enz,, op dezelfde wijze verschijnen. De bedoeling van de verzamelaars dezer melodieën is geweest, de schoone liederen van v. d. P. te doen zingen op melodieën, die meer passend, meer waardig, en vooral: meer geschikt zijn voor een gansche voVksmenigte, Nadere toelichting hieromtient kan men vinden in de Mei-aflevering van het Si. Gregorius-Blad dezes jaars.

Van deze zelfde liederen is bij den uitgever van dit boekje een partituur verschenen; daarin zal men een gedeelte der liederen vinden, éénstemmig mee orgelbegeleiding, een ander gedeelte in vierstemmige bewerking, welke tegelijkertijd voor orgelbegeleiding dient, als het lied éénstemmig gezongen wordt. Die orgelbegeleiding — en geen andere — worde bij het zingen gebruikt.

Bij het gebruik van dit boekje maken de verzamelaars opmerk-raam op het volgende:

1°. Voor het gemak der zangers zijn de melodieën (met uitzondering van öic welke slechts cên kruis $ of mol b aan den sleutel hebben) gezet in de toonladder van c.

ocr page 8

2°. Achter de meeste liederen vindt men aangegeven hoevele maten men na iedere strophe moet rusten. Dit is aangeduid door een dwarsstreep Kgt;J , waarboven een cijfer het aantal maten rust aangeeft, gedurende welke de orgelist een klein tusschenspel speelt.

3°. Om door een gelijktijdig ademhalen het gelijkzingen te bevorderen, vindt men tusschen de noten hier en daar, gewoonlijk

op het ande van een versregel, ademhalingsstreepjes ---

4°. De verzamelaars vonden het doelmatiger om alle strophen van de verschillende liederen onder de melodie te plaatsen, en niet — zooals meermalen geschiedt — alleen de eerste strophe. Men lette dus bij het zingen voortdurend op de cijfertjes die vóór iederen regel van den tekst geplaatst zijn. Bijvoorbeeld in lied n®. i: wil men van dat lied de eerste strophe zingen, dan beginne men onder den eersten notenbalk met den regel waarvoor het cijfer i staat; is die regel afgezongen, dan springe men terstond over naar den tweeden notenbalk en zinge daar eveneens den regel waarvoor de I staat; is ook die regel afgezongen, dan zinge men onder den derden notenbalk den regel, waarvoor de i staat, en zoo verder. Op dezelfde wijze handele men met de tweede st^opfio de derde, enz.

5quot;. In een aanhangsel zijn enkele latijnsche gezangen opgenomen, die in een Maria-lof of in Congregatiën bet meest kunnen voorkomen.

Daar deze Marialiederen vooral ook in de Meimaand dienst kunnen doen, worden hierbij nog de aflaten opgegeven, welke door Paus Pius VII, 18 Juni X822, verleend zijn aan degenen die de Meimaand godvruchtig vieren ; zij zijn overgenomen uit het Voorbericht van de Gezangen voor de Meimaand:

I, een aflaat van driehonderd dagen voor eiken dag dier maand aan alle geloovigen, die de H. Maagd dan, hetzij in 't openbaar

ocr page 9

of in 't bijzonder, door eerbiedige huldebewijzingen, vrome gebedsoefeningen en andere akten van deugd vereeren;

2. een volle aflaat in den loop der maand, op een dag naar verkiezing, mits men dan de gewone voorwaarden van rouwmoedige biecht. Communie en gebed naar de meening van Z. H. den Paus volbrengt.

Bij bijzondere vergunning van Paus Pius IX, van 8 Augustus 1859, kan men dien vollen aflaat ook op den eersten dag der maand Juni verdienen. Deze en ook de volgende aflaten kunnen aar. de Overledenen worden toegevoegd (Raccoltd).

Vroeger reeds, den 16 Januari 1817, heeft Paus Pius VII, om de geloovigen tot het zingen van geestelijke liederen op te we1 ken en het gebruik van gevaarlijke wereldsche liederen tegen te gaan, deze aflaten verleend :

1. een aflaat van één jaar, welken men zoo dikwijls verdienen kan, als men het zingen van geestelijke liederen bevordert;

2. een aflaat van honderd dagen aan diegenen welke, ten minste met een rouwmoedig hart, die vrome oefening bevorderen;

3. een vollen aflaat ééns in de maand aan diegenen, welke die vrome oefening in den loop der maand bevorderd en beoefend hebben. Men verdient dezen aflaat op den dag, dat men rouwmoedig te biecht, en te Communie gaat, en bidt naar de meening van Z. H. den Paus. —

Mogen deze gezangen veel bijdragen tot verheerlijking van de verheven Moeder des Heeren en tot opwekking harer kinderen !

Seminarie Hageveid,

Feest van Maria-Boodschap, 1887.

M. J. A. Lans, Pr. W. P. H. Jansen, Pr.


ocr page 10

VOORBERICHT VOOR DE TWEEDE UITGAVE.

Dat de eerste uitgave van deze Marialiederen in het tijdsverloop van enkele maanden uitverkocht zou zijn, is een uitkomst die de verzamelaars niet hadden kunnen verwachten; het is zeker reden genoeg om ook deze tweede uitgave met vertrouwen de wereld in te zenden.

Enkele fouten die nog in de eerste editie waren ingeslopen zijn in deze uitgave zooveel mogelijk verbeterd; in het bijzonder maken wij opmerkzaam op de wijziging welke No. 59 ondergaan heeft.

September 1887. M. J. A. L.

W. P. H. J.

ocr page 11

INHOUD.

Bladz.

1. Jubellied aan Maria, Onbevlekt Ontvangen . , , . i

2. De Onbevlekte Ontvangenis van Maria. , 2

3. De geboorte van Maria....... . . . , 4

4. Maria's Opdracht in den Tempel ....... 5

5. Loflied aan Maria..........................7

6. Maria-Bezoek............................9

7. Liefdezucht tot Jesus en zijn H. Moeder.....10

8. De Vlucht naar Egypte......................11

9. Het Gebed te Nazareth...........13

10. Smeekzang tot de Moeder der Zeven Smarten ... 14

11. Maria onder het Kruis...........16

12. Stabat Mater ..............17

13. Lofzang ter eere van het H. en O. Hart van Maria.

I. Vóór Jesus' lijden........19

II. Bij Jesus' lijden.........20

III. Na Jesus' lijden.........21

14. Maria's Gebed in de Opperzaal........22

15. Maria-Tenhemelopneming..........24

16. Maria-Tenhemelopneming......... . 25

17. Feestlied op Maria-Tenhemelopneming. ..... 26

18. Lied op den Naam van Maria........28

19. De Vijftien Geheimen van den Rozenkrans.

I. De Vijf Blijde Geheimen ...... 29

II. De Vijf Droevige Geheimen.....30

III. De Vijf Glorierijke Geheimen .... 31

IV. Gebed............32

ocr page 12

INHOUD.

Bladz.

20. De XV Geheimen van den Rozenkrans.

I. De Vijf Blijde Geheimen......33

II. De Vijf Droevige Geheimen.....35

III. De Vijf Glorierijke Geheimen .... 36

21. Ave Maris Stella. Bij alle feestgelegenheden , . 38

22. Ave Regina Coelorum..........39

23. Regina Coeli.................40

24. Alma Redemptoris Mater.........40

25. Salve Regina..............41

26. Meimaandzang..............42

27. Meimaandlied..............43

28. Avondgroet aan Maria...........44

29. Avondzang................................45

30. Het Lieve-Vrouwe-beeld..........46

31. Het H. Huisgezin: Jesus, Maria, Jozef.....48

32. Maria, Toevlucht der Zondaren.........49

43. Maria Wees gegroet..............51

34. O Moeder Gods ! — Gebed om troost en volharding. 53

35. Liefde tot Maria..................... 56

36. Liefdegroet aan de H. Maagd en Moeder Gods . . 56

37. Hulde en bede aan Maria..........58

38. Uitnoodiging tot den lof van Maria......61

39. Loflied aan de H. Maagd Maria....... . 64

40. Aan Maria eer!.............65

41. Ter eere van Maria............66

42. Litanie-lied van Onze Lieve Vrouw. . . ... . 68

43. Klaaglied.............. . 70

44. Maria, Troosteresse............72

45. Smeeklied tot Maria, om een zalig leven en sterven . 74

46. Litanie-zang tot Maria om een zaligen dood. ... 78

47. Smeeklied tot Maria voor de Overledenen ... . 81

ocr page 13

inhoud.

Bladz.

48. Lof, Dank en Opdracht aan Maria's Moederhart . . 85

49. Gezang na de Opdracht...........86

50. Danklied...............88

51. Toewijding aan Maria, op den dag der H. Commu

nie .................89

52. De Onbevlekte Maagd...........91

53. Lofprijzing van Maria, Onbevlekte Maagd en Moeder

Gods................92

54. Angelus Domini. ............93

55. Het Wees Gegroet ... ...........94

56. Zie, ik kom !....gt;.........96

57. Nieuw Meilied.

I. Hulde aan Maria........ , 97

II. Bede aan Maria.........98

58. Oud Lied van het Rozenkransje........99

59. Kind'ren van Maria............ici

60. Meimaand-bede om een zalig sterven......103

61. Smeeklied to!' Maria om de bekeering van ons Vader

land ... ............104

62. Danklied aan Maria..................106

AANHANGSEL.

Adoro te devote.............108

Canticum Magnificat, Tonus V.......110-111

Ps 116. Laudate Dominum, Tonus V.....iio-ni

Canticum Magnificat, Tonus VIII..... 112 113

Ps 116. Laudate Dominum, Tonus VIII . . . 112-113

Litaniae B. M. V.............114

Vóór den Zegen met het Allerheiligste......116

ocr page 14
ocr page 15

1. JUBELLIED AAN MARIA Onbevlekt ontvangen,

M. J. A. Lans, Pr.

Een quot;kleine terts hoog er, in es.

üili

il

1. Lie - ve Moe - der van den Heer!

2. 't Heeft reeds wij - de we • reld-rond,

3. Neen, dat lof - lied zwijgt niet meer;

4. En we voe - gen dank en beê

5. Zon - ne - zui - v're Moe - der-maagd!

'vgt; -#•

1. om uw ze - tel drin-gen, Laat uw kind'-ren u ter

2. schep-pend, o- ver - klon-ken/t Woord door Pi - us' mond ver-

3.'s we - relds ver-ste pa - len, Zul - len met het hemelsch

4. blij • de feest-ge - zan-gen; Wie, wie dankt niet met ons

5. glo - rie u ge - ge - ven, Hoor ook wat ons hart u

Laat ons

En her-

Tot aan

Aan de

Om de

1.

2. 3. 4-

eer kond; heer meê

5. vraagt:

ocr page 16

2

PPPÜ

li

1. 't Moet weer - klin - ken

2. Jub' - len op uw

3. 't Woord van 't za - lig

4. In het za - lig

5. Eeu - wig jub' - len luid en blij :

feest - ge - tij:

ju - bel - tij:

ju - bel - tij :

aan uw zij':

Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der, Moe - der.


8

ï/'

-#—

—cd—

-amp;■

I.

on -

be -

vlekt

zijt

gi|!

2.

on -

be. -

vlekt

zijt

fiii!

3..

on -

be -

vlekt

zijt

gij!

4.

on -

be -

vlekt

zijt

gij!

5-

on -

be -

vlekt

zijt

gij!

2. DE ONBEVLEKTE ONTVANGENIS VAN MARIA.

M. J. A. Lans, Pr.

Een kleine terts hooger, in es.

Laat mij nog een lof - zang wek - ken. Schoon - ste !

U mocht nooit het von - nis tref - fen. Dat er

Haar zou de~eeuw'ge Geest om - zwe - ven. En zijn

Sa - tan sloeg in nieu - we woe - de, Toen hij

God van ein - de - loos ont - fer - men! Zie ons

wie de he - mei mint; Blan - ke le - lie zon - der

kleeft aan rt aardsch ge - slacht: God wil-de~u den vloek ont-

Bruid mocht niet be - vlekt, In wie Hij den God van

't vreemd ge - heim - nis zag, En zijn ne - der - laag ver-

aan met va - der - oog: Wil voor Sa - tan ons be-

Tusschenspel.

ocr page 17

3

m

1. vlek • ken, Ro - ze die geen weêr - ga vindt; Hel - d're

2. hef - fen, Die ons doemt in Sa - tans macht. Hij, die

3. 't le - ven Eens het aard - sche le - ven wekt. God - de-

4. moed - de Uit Ma - ri - a's wor-dings-dag Was hij

5. scher • men, Die ons vaak aan U ont - toog; En Gij,

is=t; :zzd

-

-1--1—

[ '1 t:

--1—cd-

f-1 1

--1—

P-ö--

--€3—1

-J- 5=^

1. ster aan 's he - mels kim « men, Smet - te - loo - ze mor - gen-

2. vóór al le~eeuw re - geer - de, Heer' van le - ven is en

3. lijk, Drie - ëe - nig we - zen! Va-der, Zoon, en Heil'- ge

4. nim - mer nog ge - we-ken, Greep hij 't kie-mend le - ven

5. Moe - der vol ge - na - de! Die de hel - slang hebt ver-

£ i J

—•.--r4—m---14—1—!-

-1 t-

r—

i f2.

s-t t

—

-s—

d—

-J—S

gloor! Laat mijn zang - toon tot u klim - men. Bloem van

dood, Hij was 't die zijn Moe-der e'er - de, Toen zij

Geest! Eeu - wig zij de gunst ge • pre - zen, Die Gij

aan: Hier, hier is zijn macht be - zwe - ken. Hier hem

plet, Vraag, dat ons geen zon • de scha - de, Maagd! ont-

1

Ju - da's

2

aan dit

ocr page 18

3. DE GEBOORTE VAN MARIA.

Mohr : Jubilate no. 102^ gewijzigd.

3E

1. Wat ster ver - schijnt aan 's he - mels bo - gen, Wat

2. Reeds lacht het mor - gen - rood ons te - gen, En

3. Een ju - bel - toon dringt door de gra - ven. Een

4. Ook wij, wij knie - len dan - kend ne - der Om

—ö-0 —

tw.

t: t

F ö M -'-H

1, stra - len scheenT - ren in 't ver • schiet! Zoo zacht een

2. kon - digt met zijn vriend' lijk licht De heil - zon

3, licht - straal door der doo - den nacht; Straks valt de

4. u - we wieg, o hei - lig kind! Uw le - ven

£

1. licht rees voor on - ze 00 - gen In heel den loop der

2. aan, die, op - ge - - ste - - gen. De nacht vaagt voor haar

En uit is 't met de

boei der ker - ker - - sla

4. brengt ons 't le - ven we - der: Hém baart ge~ons, die den

—f=

-SfSZ--«-l-J--

w

^ t/

t E—53 g» 3

1. eeu - wen niet. Is 't licht, zoo blij - demons toe - ge-

2. aan - ge - zicht. Ja, za - li ge' aar - de! stem uw

3. hel - le - macht I Blij juicht het koor der he • mel-

4. dood ver - wint. Laat, laat ons God een - stem - mig

h

Zl

1. blon - ken. De ster - re niet van Jes - se's spruit? Is

2. zan - gen, Zij kwam, zij kwam, de He - mei-maagd! Door

3. lin - gen. En de^Eng'len-schaar ziet vol van min Op

4. prij • zen, Het heil-uur on - - zer red - ding slaat: Ma-

ocr page 19

s

f—

it

—.j—

1. daar geen zang ons 'toe —ge - Hon - ken, Aan dequot;quot;uit- ver-

2. wie vrij 's Va-ders Zoon ont - van - gen, Het Lam, dat

3. 't kind - je neêr, dat zij reeds zin - gen Als hun -ne' en

:E

4. ri - - a leeft I de Zon gaat rij - zen, Wees wel - kom.

4

mi

He • mei - bruid ? schul - den draagt. Ko - ning - - in. Da - ge - - raad!

1. ko - - ren

2. on - - ze

3. on - - ze

4. schoo • ne

Tusschensfel.

4. MARIA'S OPDRACHT IN DEN TEMPEL.

Zangwijze als no. 3.

Eenigen.

1. Wie is het, die den heil'- gen drem - pel Zoo blij te

2. Hoe lief-lijk. Heer! is u - we wo-ning. Zoo roept ze'in

3. Daar schenkt zij Hem haar len - - te - da - gen, Door'swe-relds

4. O dat ook wij ons jeug - dig le - ven, Met de~uitver-

ocr page 20

6

1. tem - pel Den Heer haar jeug - dig Ie • ven geeft? Het

2. Ko - ning: Neem mij voor eeu - wig tot uw Bruid! En

3. ha - gen, Die Hem de rein - ste lief - de biedt; Zoo

4. ge - ven, En im • mer doen wat Hém be - haagt. Ma-

-p—^ 1_3=)

..: k

it LU

-j

1. is de Maagd, door God ver - ko - ren. Van al - le

2. Hem ge - wijd is 't een-zaam le - - ven Der vlek-ke-

3. staat in de~een - zaam - heid der da - - len, Ver-bor-gen

4. ri - - a! die- in 't hoog - ste lij - - den U trouw be-

1. zon - de - smet be-vrijd, Die Hem al - leen wil toe - be-

2. loo - ze tem - pel maagd; Zij kent geen zoe - ter zie - le-

3. voor des wand'-Iaars oog. De rei - ne le ■ lie stil te

4. toon - det aan uw woord, O vraag, dat wie den Heer zich

Allen.

1. hoo - ren. En al - ge • heel en voor al - tijd. Refrein. O

2. stre - ven, Dan al te doen wat Hem be • haagt. O

3. pra - len, En beurt haar blan - ken kelk om - hoog. O

4. wij - den, Hem ge - ven wat Hem toe - be - hoort. O

tEf-t—H

1. kind-je vol aan - min • nig - he - den! Waar 'sHee-renoog ver-

2. kind-je vol aan - min • nig - he - den! Waar 'sHee-renoog ver-

3. kind - je vol aan - min - nig - he - den! Waar 's Hee-ren oog ver-

4. kind-je vol aan - min - nig-he - denl Waar 'sHee-renoog ver-

ocr page 21

7

Efcfr-U f |— t r

-S—B--

ö—« ^

TT t-

4- t

I. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-

at rukt op ziet; Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-

3. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he ■ den Ge-

4. rukt op ziet: Gij roept mij toe, dat ik mij he - den Ge-

1. heel aan Hem ten of - fer bied'. Tusschensfel.

2. heel aan Hem ten of - fer bied'.

3. heel aan Hem ten of - fer bied'.

4. heel aan Hem ten of - fer bied'.

gt;lt; 5. LOFLIED AAN MARIA.

Trierer Gesangbuch, 1695.

-*:

-----1--quot;—--»—• '-gt;

1. Jub'-lend wil ik u be - zin - gen, Moe - der-maagd! die

2.'t Vloekwoord op ons uit - ge-spro-ken, Kle-vend aan den

3. 's Hee - ren En • gel werd ge - zon ■ den, Die van vrucht-baar

4. Dan wat zang komt hier te sta - de, Meldt Ma - ri — a's

5. D4ar is 't, dat ze~in lief - de - smar - te 't Of - fer van haar

1. op uw troon

2. schoot der vrouw,

3. licht om - huid,

4. lief - de - vuur :

5. Je - sus deelt.

In het hoogst der he - mei ■ krin-gen Werd voor u al - - leen ver - bro - ken, U de boodschap kwam ver - kon - den, Hoog-ste lief - de der ge - na - de, En Hij aan haar moe - der - har - te


ocr page 22

8

1. Zijt ge - ze • - ten naast uw Zoon; De^Eng'len^ om u

2. In wie God eens wo - nen zou; Vóór die heil - zon

3. Die't er - bar - mings - plm ver-vult; Ja, de he - mei

4. Hoog-ste lief - - - de der na-tuur!... Neen, geen tong heeft

5. Ons als kind'--ren aan - be - veelt; Moe - der dan, door

■fr»—1—n—1—tt

VL « J J 1

urn _ r ^ -

• - # i; 1 Ti la.'

w *

ï. op - ge - - va - ren Blij - ven met ver - rukt ge - moed

2. op ging va - ren, Schoot, voor'swe-relds wach-tend oog,

3. huwde^aan de^aar-de: Hij, dien gij in Beth-l'ems stal

4. dit ver - mo - gen: Christ'-nen! zoo gij 't wilt ver-staan,

5. God ge - - ge - ven! Bid voor ons, bid u - wen Zoon,

1. In het diep ge - heim - nis sta - ren Van U bei - der

2. Vlek-loos uit den nacht der ja - ren U - we mor-gen-

3. Zon-der pijn of smar - te baar - de, Was de Schep-per

4. Wendt dan naar liet kruis u-we~oo-gen, En ziet daar die

5. Dat hij eens in 't eeu - wig le - ven Ons zijn heer - lijk-

Tusschensfiel.

lief - de-gloed. ster om-hoog. van 't heel-al! Moe - der aan ! . . held ver-toon*.

ocr page 23

6. MAEIA-BEZOEK.

W. P. II. Jansen, Pr.

1. Gods Moe - der, 's he - mels

2. Nauw komt ze^er groe • tend

3. Drie maan - den wijdt er

4. O gunst - be - zoek! op

5. Ach, dat uw Zoon van

Ko - - ning - in - ne, IJlt in - - - ge - tre - den, Of in 't ver - hor - gen Ma-ha - - - re schre - de Droeg zon - d.^ons hei - lig', Ons


1. in haar teed'-re naas - ten - min - ne Naar Ju - - da's

2. ha - re nicht voelt op haar schre-den Het nad' - ren

3. ri - a ha - re teêr • ste zor - gen Aan 't al - - ler-

4. zequot;ook haar Je - sus met zich me - de, En 's we - - relds

5. huis voor al ■ le kwaad be - vei - lig', Ons ze - - - ge-

-t-

-t-

snel - len tred. God en Heer! dienst - be - - toon ; wo - ning in : huis - ge - - zin :

stad

met van haar ned' - rigst heil die ne^en ons

En o - ver 't hoog ge-Voelt zich van heil - ge-O lief - de!~o toonbeeld! Be scherm - ster, Moe - der O dan, - dat is ons


ocr page 24

_ ^ —iy r--^

-P—7--P-/-u

trt:

na - tier'. Die Moe - der, die haar ja - gend hart hoort

ste - gen! O Moe-der! hebt gij 'tklaag-ge - schrei ge-

re - zen! Vlucht, Moe-der! vlucht: het bloe-dig moord-staal

stre - ken. Den zuig'-ling bij het eer - ste licht ver-

ge - ven. Waar'tschul-dig volk in die - pen doods-nacht

Tusschenspil.

illi

1. slaan.

2. hoord ?... 3- gaat!...

4. sloeg?

5. zit?...

Ge - heim - vol Slijt de^Onschuld Hij ook, Hij O dan, Gods

! is Je - - sus1

zelf als bal - - ling

kwam door ei - - gen

p

6.

7-S.

9-

Zoon, Gods Moe - - der,

Ja

vlucht en 't eer • - ste voor - beeld Voed - ster-


-m-r-

----

6. zwer- ven. Ge - heim - vol is zijn bal - ling-schap op

zfz

7. Ie - ven, Als vreem - de - - ling bij 't zon - dig hei - lig-S. lee - ren: Geen vas - te woon is u op aard' ver-9. va - der! Voer om uw vlucht, on - schul - dig Huis - ge-

Z}=£~

!=5=EÜ

O VluchtMing Gods! o A - dam gij moest O juich! nu wordt de vrij - heid ons her-Wie God be - hoort zal tot Hem we - derzin ! En bal - ling - schap, ons, bal - lin - gen, U

aard'! dom :

6. 7-

8. leend;

ocr page 25

13

m

O bal - ling! voor uw E - den vlamt het Als Is - rel eens, roept God zijn' Zoon weêr-Maar 't Gods-ge - zin wordt in Gods huis ver-En eens bij U de va - der - wo - ning

2

1

IN

1

l 1

—hsquot;!—-

m t ■ i

1 .

6. zwaard! Tusschensjbel,

7. om

8. eend.

9. in!

9. HET GEBED TE NAZARETH.

Psalteiiolum 1642.

1. Gods on - ge-scha-pen Zoon, Ge • daald van d'eeuw-gen

2. Met ha - ren Zoon en Heer, Knielt ook Ma - ri - a

3. O God! welk een ge - zicht!... Het hei - ligst Drie - tal

4. Wat dan, wat gaat hier om, In 't ar - me hei - lig-

5. Een Moe-der, Va - der, Kind, Be - min-nend en be-

6. Ik werp mij aan hun zij' : Om hén, neem ook van

7. Om 't won - der-zoet ge - bed In 't ar - me Na - za-

M

r—r—t-r——d—1-

—J—1—1—t~

k

J J yq

1. troon, ligt hier te Na - za - reth ge-knield in ziels-ge-

2. neêr; En Jo - sef aan hun zij' Voegt er zijn smeeking

3. ligt. Die Moe-der. Va - der. Zoon! Aan - biddend voor uw

4. dom?... Hier biedt het nieuw Ge - zin U quot;t of - fer zij-ner

5. mind! Brengt U voor't eerst op aard' Een glo-rie U-wer

6. mij En heel mijn huis - ge - zin. Het of - fer on-zer

7. reth, Zie wel - ge - val - lig, Heer! Op al de mijnen

6. ster - ven,

7. ge - ven:

8. kee - ren :

9. na - der,

ocr page 26

'4

ill

=|s=i!

Tusschensjiel.

1. bed.

2. bij.

3. troon !. , #

4. min. 5 • waard.

6. min.

7. neèr.

10. SMEEKZANG TOT DE MOEDER DER ZEVEN SMARTEN.

Salzburger Gesangbuch 1781.

Een toon hoog er, in d.

■ y---1—1---l~n---~rquot;—r

A f* 1 1 1 fi

i 1 m

^ w

*

m

I.

O

gij, droe

vig-ste^al

-Ier

vrou

-wen! Laat

ons

Moe

- der!

2.

Hoor,

ach hoor

ons om

de

smar

- te,

Die

u

door

3-

Hoor,

ach hoor

ons om

de

smar

quot; te,

Die

u

glng

door

4-

Hoor,

ach hoor

ons om

de

smar

- te.

Die

u

door

5-

Hoor,

ach hoor

ons om

de

smar

- te,

Die

u

ging

door

6.

Hoor,

ach hoor

ons om

de

smar

- te,

Die

u

ging

door

R

--1-4-

É P , ~ —

VM7 m i -

1 1

I.

vol

ver -

trou -

wen

En vol deer - nis

tot u gaan;

2»

't

moe

-der -

har -

- te,

Bij het woord van

Si - me - on;

s.

't

moe

-der -

har -

- te,

Toen gij Beth - lem

om den dood

4.

't

moe

-der -

har -

- te

Bij 't ver - lie - zen

van uw Kind;

5.

't

moe

-der -

har -

- te, Toen ge uw Zoon ter

dood zaagt gaan,

6.

't

moe

-der -

har -

- te.

Toen gij met uw

Zoon ge - wond,

ocr page 27

i5

quot;V--i--i----

. .

1 1 1

i ii

' rm J J

m m J 1

tüjl—d--W--a-É-

• # —*— *

l~gt;—*—J—

1. Ziet gebons met uw smart be - wo - gen, Heb met ons ook

2. Hoe doorgriefde^u't vrees - lijk lij - den, Dat uw Je - sus

3. Van zijn wicht-jes hoor - de ker - men, En gij met uw

4. Dat geheerst na drie lan - ge da - gen, Na veel vra - gen,

5. En Hem on - der't kruis-hout hij - gend, Af - ge - mar - teld

6. Mét Hem al zijn pij - nen lij - dend, En den wree-den

Tusschen-

1. me - de - doo - gen, Hoor, ach hoor uw kind'-ren aan! sjiel.

2. door moest strij-den, Eer Hij dood en hel ver - won.

3. Kindje-in dequot; ar-men He - vend naar E - gyp - te vloodt.

4. en veel kla - gen, In den tem ■ pel we - - der-vindt.

5. ne - der - zij - gend't Smart'-lijk oog op u zaagt slaan.

6. dood-kamp strij-dend, On - der 'tbloe-dig kruis-hout stondt.

• JP n -| -]■■ , ■

I j ^

—^---1--1-r

—d--É-#_W-

—J J-u

7.

Hoor, ach hoor

ons

om

de

smar

te,

Die

u

ging

door

8.

Hoor, ach hoor

ons

om

de

smar -

te,

Die

u

ging

door

Q.

Moe - der dan

der

Ze

ven

Smar -

ten,

Trou-

we

troost

der

10.

Ach, dat ik

ge

ne -

zing

von -

de

Van

de

won

- de

11.

Ach! dat mij

uw

beê

ver

- wer -

ve,

Dat

ik

le

ve,

9. droe - ve

10. mij -ner

11. dat ik

7.'t moe-der - har — te. Toen, als al - - les was vol-bracht,

8.'t moe-der - har - -te, Toen ge^uw'Zoon, in 't graf ge - leid.

o ik de

har - - ten, Sta, zon - - de, Die ster - - ve In sta uw pleeg-de lief - de

kind'-ren bij, keer op keer; van uw Zoon:


ocr page 28

i6

'ê':

7. Gij uw Zoon, van t kruis ge -

8. Aan u-we^oo - gen heel ont •

9. Dat we dra - gen al de

10. Voer, o Moe - der van er -

11. Dat ik, ze-gen - rijk - ste

no - men, In u-we^ar - men to - gen. Diep - be - wo - gen da - gen 's Le - vens pla - gen bar-men! Voer mij in de Vrou - we! Eens uw heer - lijk-


:ïfc=»=rnl—..i;-

3

7. neèr zaagt ko-men. Toen aan

8. neêr-ge - bo - gen, Een-zaam,

9. zon-der Ida-gen, Leer ons

10. broe-der - ar - men Van uw

11.heid aan - schou-we, Waar gij

Tusschen-al uw kind'-ren dacht! stel. Moe-der! hebt be-schreid. lij - den zoo als gij.

lie - ven Je • sus weêr.

ze - telt naast zijn troon.


11. MARIA OM DER HET KRUIS.

W. P. H. Jansen, Pr.

i=i=Ê=Ê

Ma - ri - a! 'k Zie uw Zoon aan 't bloe-dig kruis-hout

„O Vrou-we, Zie uw Zoon! o Zoon, zie u - we

Toen, Moe-der! hebt gij ons tot kind'-ren aan - ge-

Wil, Moe-der! bij uw Zoon voor ons ge - nd ver-

irrrjz

34:

iix3—m—

han - gen, U ze - ven - maal ge - wond, aan zij - ne voe-ten Moe-der!quot; Zoo sprak Hij, en zijn oog daalt zeeg'-nendop ons no - men, O draag met ons Hem op, wat Hem ons har-te wer - ven ; Ons troos - ten in den nood, ons ster - ken in den

\£-

—o-

staan; Gij zijt daar om zijn blik, zijn zuch - ten op te neèr; U, Moe-der! gaf Hij ons, zich zei - ven ons tot biedt; Zie dui - zen - den tot u, bij dui - zend - tal - len strijd, En in ons ster - vens - uur, denk, hoe ge~uw kind zaagt

ocr page 29

«7

FJ

K 1 jl ■ I

■H-rrf-ï—iH—

1. van-gen: Zie, Moe-der! naar uw Kind, Hij ziet u stervend

2. Broe-der, He--laas! wat ge-ven wij voorzóó-veellief-de

3. stroo-men, Ver - smaad, o teed'-re Maagd! ons al - Ier be - de

4. ster-ven. Ma - ri - - a! toon ons dan, dat ge~on-ze Moe-der

1. aan. Tusschenspel,

2. weêr,

3. niet.

4. zijt.

12. STABAT MATER.

W. P. H. Jansen, Pr.

Naast het kruis met schrei - en-de^oo-gen, Stond de Moe - der, O hoe droef, hoe vol van rou - we, Was die Ze - gen-Wie die hier niet schrei - en zou - de. Die het grie - vend Voor de zon-den van de zij - nen, Zag zij Je - sus Geef, o Moe-der! bron van lief - de. Dat ik voe - le

\=lzr.

--T

--iz

1. diep - be - wo - gen, Daar de Zoon te

2. rijk ste Vrou - we Om Gods Één - ge

3. leed aanschouw - de, Dat Ma - ri - a's

4. zoo in pij - nen En in wree - de

5. wat u grief - de, Dat ik met u

1. En haar door het zuch-tend har - te, O - ver-stelpt van

2. Ach hoe streed zij ! ach, hoe kreet zij, En wat fol - te-

3. Wie kan zon - der meê te wee - nen, Chris -tus' Moe - der

4. Zag haar lie - ven Zoon zoo lij - den. Heel al - leen den

5. Dat mij't hart ont-gloei' van bin - nen In mijn God en

-C3

ster - ven hing, bo - ren Zoon. ziel verscheurt? gee - sel - straf; me - de-klaag';

2

ocr page 30

■ 8

Si

Tusschen-

wee en smar - te, 't Ze - ven - vou - dig slagzwaard ging. spel. rin • gen leed zij Bij 't aan-schou-wen van dien hoon ! hoo - len ste - nen, Daar zij met haar Zoon hier treurt ? doodkamp strij-den, Tot Hij zij - nen geest her - gaf.

Heer te min-nen, Dat ik Hem al - leen be - haag'.

vte-

i=Ü=É

d—ï:

Heil'-ge Moe - der 1 wil mij hoo-ren! Met de won - den Mocht ik kla - gen al mijn da - gen, En zijn pla - gen Maagd der maag-den ! nooit vol - pre - zen, Wil nu niet mij Laat mij, in zijn kruis ver - slon • den, Laat zijn won-den Maak, dat mij het kruis be - wa - re, Dat dan Chris - tus'

—

6. mij door - bo - ren, Die Hij aan het kruis - hout leed;

7. waar - lijk dra - gen Tot mijn jong- ste ster - venssmart;

8. te - gen we - zen, Laat mij treu • ren aan uw zij';

9. mij door-won - den Om de lief - de voor uw Zoon;

10. dood mij spa - re. Dat Hij mij ge - ml be-wijz'

„---

6. Ach, dat ik de pijn ge - voel - de, Die uw' lie - ven

7. Met u on - der't kruis te wee-nen, Met uw rou - we

8. Laat mij al de wree-de pla - gen En den dood van

9. Dan, in we - der - lief de~ont-sto- ken, Wor-de~ik door u 10. En als 't li chaam eens zal ster - ven, Doe mij dan de

5=

m

Tusschen-

6. Zoon doorwoel - de. Toen Hij ster - vend voor mij streed, spel.

7. mij ver - ee - nen. Dat ver - langt mijn zuch - tend hart.

8. Chris-tus dra- gen, Laat mij ster - ven zoo - als Hij.

9. voor -ge -spro - ken, Moe-der ! voor zijn rech • ter-troon. 10. glo - rie er - ven Van het he - melsch Pa - ra - dijs.

ocr page 31

»9

13. LOFZANG,

TER EERE VAN HET H. EN 0. HART VAN MAKIA.

I.

Vóór Jesus' Lijden.

Zangwijze als no. I.

Een kleine terts hooyer, in es.

!.

Laat

nu

denaard' op

blij -

den toon

't Dui

zend-

2.

Spie -

gel.

gij ! van

Go -

des macht,

Die

voor

3.

Vlek

loos

Hart! wie

zal

uw lof,

Wie

uw

4-

Voor

het

mach - tig

zon -

ne - licht

Wijkt

de

5-

Rei -

ner

dan ooit

sneeuw

vlok viel,

Waar

dig

ü

1. stem - mig feest-lied zin-gen,

2. de^erf-smet u be - vei-ligd,

3. za - lig - heid be - zin-gen!

4. stil - - le star-ren - luis - ter;

5. hier haar God te^aan-schou wen

'xZ ' v

Reeds vveêr-klinkt om 's Hee-ren En u on - der 't aardsch ge-De Eng'-len van het he-melsch Maar de zon haalt 't aan-ge-, Was de ne - de - ri - ge


ii

--IZ

troon 't Lof - ge - zang

slacht Zich ten woon

hof Spre - ken in zicht En haar stra -ziel Der ge - ze -der he - - me - lin - gen; tent heeft ge - hei - ligd; hun hoo - - ge krin - gen, len weg in quot;t duis - ter gend - ste~al - Ier vrou - wen


If=C

1.'tRuisch' der Moe - der van den Heer,

2. Hei - lig • dom van Gods ge - nd,

3. Neen, zij spre - ken nim mer uit,

4. Voor de glo - rie van de Maagd,

5. Op die schoon heid zag de lieer

En haar Tem - pel Wat dit Die aan 't Van zijn

ocr page 32

8

^}==s}m*Mi=^E=i

1. hei - lig Hart ter eer! Tusschensjpel,

2. zon - der we - der - gd 1

3. hei - lig hart om - sluit.

4. hart van God be - haagt.

5. hoo - gen ze - tel neêr.

II.

Bij Jesus' Lijden.

V—3------

---i---

j j

=* r

-p-s-q

—•*=*-

V-U fi IJ M

I.

Toen

nu 't quot;Woord in

u -

wen

schoot, heugd,

Moe -

der-

2.

Hoe

was

toen uw

Hart

ver -

En

in

3.

U

door

grief - de

wond

bij

wond

Door

ge-

4.

Uit

dat

li - chaam

zoo

ver-scheurd,

Vloeit

een

5.

Ach!

droog

ha - re

tra -

nen

af,

Rijs,

0

3F=\ -,-q

z-\—F\

■* J -M

s 0

—I|_j--1_^—C3-•—

» ±-

1. maagd! was neêr - ge - ko-men, En, be - reid ten of-fer-

2. lief - de - vuur ver - slon • den, Want gij droegt der heera'-len

3. heel uw lij • dend le - ven; Maar toen ge~on-der 't kruis-hout

4. bloed stroom voor haar ne - der; Wie, wie is er die niet

5. Ko-ning van het le-ven! Rijs weêr uit het duis-ter

quot;V--'i---

--1----

vU ^ * '

1.

dood,

Knechts

ge -

stalt

had

aan

- - ge

- no -

men,

2.

vreugd;

Maar,

0

Moe -

der!

eens

ook

wond

- den

3-

4-

stondt, treurt

En Met

uw' een

Zoon Moe -

den - der

geest - hart,

zaagt zoo

ge -

tee

ven der:

S-

graf;

En,

van

glo -

rie

licht

om

- ge -

ven.

ocr page 33

21

^=3=l=SH=!i{=i

1. O wat hebt gemeen lief - - de - gloed

2. Al de schich - ten van de smart

3. En een speer zijn zij* door - stak,

4. Maat - loos als de^on- meet - b're zee,

5. Troos-te^uw aan - - ge - zicht de smart

Tusschensfel,

1. Moe - der - hart ge - voed!

2. min - nend Moe - der - hart.

3. meldt, hoe 't Hart u brak,

4. ri - a's boe • zem - wee.

s -1

In

uw

Uw

be-

Ach!

wie

Is

Ma-

Van

'tge-

5. bro - ken Moe - der - hart.

III.

Na Jesus' lijden.

m

1.

Wees,

Ma

- ri - - a!

wees ge - troost:

Lang

zal

2.

Daar,

daar

ziet zij

reeds haar God,

Haar

be

3-

Rust •

loos

zucht haar

min-nend Hart,

Nu ze op

4-

Als

het

maagd'-li|k

was voor 't vuur,

Voel

de

5-

Hei -

i'g

Har - te !

vrij van smet,

Troost

voor

m

i

rr-zzdr:

1. 'tlij - dens-uur niet we-zen; Eer de der - de mor-gen

2. min - den Zoon ge - na - ken. En een na - me - loos ge-

3. aard' nog moet ver-wij-len; O zij wil van lief - de-

4. zij haar hart ver - te -ren, En ver-smacht naar't z« - lig

5. wie op u ver-trouwen, Hoor ons kin - der - lijk ge-

ocr page 34

22

-t-

1. bloost, Ziet ge^uw' Zoon, uit 't graf ge - re - zen,

2. not Voelt zij nu haar hart door - bla - ken

3. smart Op - waarts naar haar Je - sus ij - len^

4. uur, Dat de stem haar roep' des Hee - ren;

5. bed, O ge - - ze - gend-ste^al - Ier vrou - wen!

j—

I.

Vrij

van

smart

en

vrij

van

smaad.

In

t on-

2.

Tot

Hij,

in

tri

- umf

ge

keerd,

Aan

des

3

Die

in

s Va

ders

heer

- lijk

- heid

Reeds

haar

4.

Toen

kwam

Ie -

- sus

haar

te

moet,

En

zij

5-

V raag

nu,

vraag

van

:t god

- lijk

Lam,

Dat

zijn

TusschensJ)el.

licht - ge - waad. zij' re - geert, toe - - be - reidt, lief • - de - gloed.

5. liefde ons hart ont - vlamm'.

W. P. H. Jansen, Pr.

14. MARIA'S GEBED IN DE OPPERZAAL.

Een kleine terts hooyer, in

Mét hen zit Ma

Wat ge - mis, wat

Vol van lief - de

Op zijn zij • - de,

Tot den Va - der

iir^iip^lsL=ël

Waar in 't god - lijk Lief - de - maal Daar bidt zijn a - - pos - - tel - • tal,

1.

2

3

4

5

0 7

- n - - a neer; lief - de - smart

slaat zij 't oog

hand en voet,

op zijn troon

's Va - ders Eer het Je - sus Voor haar Smee-kend Thans ver-Spreekt het


ocr page 35

^3

—cdquot;

-cdquot;

1. Zoon in de^op - per - zaal

2. uit - gaat door't heel - al,

3. klom ten he - mei weêr

4. een - zaam Moe - der - hart 1

5. naar haar Zoon om - hoog,

6. heer - lijkt, eens be - bloed ! .

7. of - - fer van den Zoon :

j=^i=L—

Zich ten of - - fer-

Bei - der Geest, den

Aan des Va - ders

Wat ge - - bed, wat

Laat het op zijn

Dat doet al • - les

Ein - de - - loo - - - ze


iüÈ

I.

spij -

ze

gaf:

2.

Troos

ter.

af.

3.

rech -

ter -

hand;

4-

of -

- fe -

rand!

5-

won -

den

gaan;

6.

haar

ver -

staan !

7.

lief

de -

daad !

m

m-1----4-«---

8.

Ein

- de

- loos

is

ook

het

loon :

Bei - der

Q.

't Is

een

Doch

- Ier,

Moe

- der,

Braid,

Die haar

10.

Nog

een

wijl;

de

Brui

- de -

gom

Daalt er

11.

Zij

- ne

lief

de

troost

de

smart

Van haar

12.

Lof

- ge

zang

van

't he-

melsch

heer

Ruischt der

13.

Maar

zij

bidt

met

Je

sus'

Kerk :

„Kom, 0

8. I.icf-de is 't in Per - soon, Die der Kerk zich

9. lief - de - smar - ten uit: Neen, zij blijft niet 10. o • ■ ver 't hei - - lig - dom. Naar 't ge - trouw bell. een - zaam Moe - der - hart; 't Hoort zijn fluist' - ren

12. Moe - der-maagd ter eer, Door de he - mel-

13. kom! vol - trek uw werk, God - de - - lij - - ke

Tusschensjpel.

ocr page 36

24

-£=•

W-^-ë-

8. ge - ven

9. on - ver

10. lof - te

11. „Zie ik

12. za - len

13. Brui - de -

Tusschcnsfiel.

gaat. hoord, woord, kom!quot; om; - gom

i»

15. MARIA-TENHEMELOPNEMING.

Een kleine terts hoog er, in es.

Zangwijze als no. 2.

JO

_ — ——•quot;

Wie, wie zie ik op - waarts zwe - ven, Van het

't Is de Maagd van God ver - - ko - ren, Door der

Blij dan zij haar lof ge - - zon ■ gen! Van ge-

O dat we^im-mer met ver - - trou - wen, In het

vifij

Lui - de moet ons lied dan rij - zen Om de

} — —o—ch— ——m—'

eÈ=£^

~1-

—3-é-

1. zon - ne licht om-vloeid, Van een kroon - ge - stern-te^om

2. va - d ren stem voor - zeid, Die uit Da - vids stam ge-

3. slach - te tot ge - slacht Wor - de door on - tel - b're

4. Ie - ven, in den dood. Op - waarts naar Ma - ri - a

5. glo - rie die haar kroont, Lui - de Je - sus' lief - de

-ti

1. ge - ven, Dat haar om het voor - hoofd gloeit? Eng' - len

2. bo - ren, Eeu • wen zuch-tend was ver - beid ; Zij, na

3. ton - gen 's We relds dank haar toe - ge • bracht: Zij, zij

4. schou-wen, Die haar kind'-ren nooit ver - stoot; Waar Gods

5. prij-zen, Die on - ein-dig haar be - loont. He - den

ocr page 37

25

M

^--

--1-

t—quot;j—

fo F* H

—

'■-s- ^ '

1. dar - te - len en sprei - en E - dens bloe - men voor haar

2. zoo - veel ban - ge ja - ren, Zij moest in een her - der-

3. is het, die aan de~aar-de Heil en vre - de we - der-

4. Eng' - len neêr - ge - bo - gen Staan om d'eeuw-gen glo - rie-

5. dan met de^Eng'-len-krin - gen Jui - chen wij, ver - voerd van

ü

tC—

-d-

Waar zij on - der 't blij ge - lei - en naar haar

't Wich • tje door een won - der ba - ren, Dat de

Want het Wich - tje, dat zij baar - de, Sloeg ons

Deelt zij Je - sus' rijks - ver - mo - gen, En be-Maar, nog aard - sche ban - ne - lin - gen, Roe - pen

8

S5

ÜÜ

---

1. Wel - be - min - de spoedt.

2. God was van 't heel - al.

3. Sa - tans kluis - ters af.

4. veelt ze^ons aan haar Zoon.

5. we^ook haar voor-spraak in.

TusschenspeL

16. MARIA -TEN HEMELOPNEMING.

M. J. A. Lans, Pr.

ï. voet,

2. stal, 3- gaf:

4. troon,

5. min;

I.

Ma

- ri -

a,

Moe

- der

van

Gods

Zoon,

Ging

2.

Zij

voe -

ren

met

hun

Ko

- nin -

• gin,

Ver-

3.

Wat

on -

uit -

spreek

- lijk

heil

- ge -

not!

Zij

4-

Nu

treedt

zij

in

een

zon

- ne -

gloor,

Aan

5-

Zij,

vol

ge quot;

- na -

de~als

vol

van

deugd,

Ge-

6.

Zoo

is

zij

's he

mels

Ko

- nin

gin,

Maar

ocr page 38

20

1 1 r-

W ' . • r-

[ c % P M

1. he - den op naar 's he - mels troon; God zond zij ne~Eng'-len

2. rukt den o - - pen he - mel in; Daar komt met heel een

3. ziet Hem, ha - ren Zoon en God; Elk - a4r zien Zoon en

4. Je - sus' hand de heemquot; - len door; Een maag-de - lij - ke

5. niet de vol • heid al - Ier vreugd ! Zij ze • telt op den

6. Moe - der ook van 't aardsch ge - zin ; Zoo klimm' tot haar ons

1. tot haar af, Om haar te wek - ken uit het graf. Tusschen-

2. Eng'- len-stoet. De Zoon zijn Moe der in't ge - moet. sfel.

3. Moe-der aan: En zwij-gend ble - ven de Eng'len staan!...

4. ster - ren-krans Staat om haar hoofd in stil - len glans.

5. ee - re-troon, Naast Je-sus, ha - ren God en Zoon.

6. smee-kend lied : Ver-geet ons, u - we kind'-ren, niet.

17. FEESTLIED OP MARIA-TENHEMELOP-NEMING.

W. P. H. Jansen, Pr.

Een toon lager, in hos.

iïifeEiÈEE*EEE

Zie, daar klimt naar d'ee - re - troon Naast haar Zoon, Steekt ba - zuin en lof - trom - pet! Vrij van smet Strooit hier E - dens bloe - men uit Voor de Bruid Stemt voor'she - mels Ko - ning - in 't Feest-lied in, Breidt uw gul - den vleu - gel - slag Op deez' dag Maar daar treedt Gods eeuw' - ge Zoon Van zijn troon, -----0--»—1—---

-tK---

1. In de hoog - ste he - mei - za - len, 's Hee - ren Moe - der;

2. Is haar glans, als van uw zon - nen : Hem droeg ze^in haar

3. Van den Heer der le - ger - scha - ren ; Die om-lom-merd

4. Nim-mer-zwij-gende^Eng'-len - ko - ren ! Laat ook in uw

5. Schitt'rend uit, o Che - ru - bij-nen! En waar gij om

6. Om zijn Moe-der in te ha - len: Zie, met welk een

ocr page 39

27

1. Eng'-len! spoedt Haar te moet, om haar jub'-lend in te

2. maag-den-schoot, Die den dood En de hei-slang heeft ver-

3. is ge - weest Van den Geest, En des Va - ders Zoon mocht

4. lof - ge - schal, Vad'-ren - tal I Laat de stem der eeu - wen-

5.'t god - lijk Lam Staat in vlam, Ju - belt meê, gij. Se - ra-

6. min - lijk - heid Hij haar leidt Door de hoog - ste he - mei-

1. ha - - len. Tusschenspel.

2. won - nen.

3. ba - - ren.

4. hoo - ren.

5. fij - - nen !

6. za - - len.

01

m

Stem - men, Zacht kwam En zij En de Laat ook Zie, o har -om draagt Geest on - ze Moe - der les zwijgt. Waar zij stijgt, ge - zicht 't Zon - ne - licht, ren - kroon. Die de Zoon zijn Bruid: Toen is luid - ge - toon Tot uw troon, den Heer ! Op ons neêr;

al -aan -ster -straalt ze -van

pen, haar de om •


7. Om haar glo-rie aan te sta - ren; En ver • rukt nog

8. Als een glo-rie toe • ge ■ gle - den; En de maag-de-

9. Haar ver - eeide~als Rijks-vor-stin - ne ; Haar aanschouw-de

10. Weêr der Eng'-len zang ge - ste - gen, Die zij dankt met

11. Glo-rie - rij - ke Moe-der! rij - zen; Laat ook ons, ont-

12. Toon uw kind'-ren me - de-doo - gen, Dat we~aan't eind der

ocr page 40

28

mi

:~ïz

—

y.zoekt haar 't oog.Waar ze^omhoogTot haar troon is op- - ge-

8. lij - ke maan Ging er staan, Ten scha-bel voor ha - re

9. van om - hoog 's Va-dèrs oog Met ee- ne~on - be schrijfb' - re

10, zoe - ten lach ; Sinds deez' dag Lacht ze^inglo - rie ons ook

11,gloeid van min, Ko - ning-in ! Met het he - mei - koor u

12, pel-grims • baan Tot u gaan En uw glo - rie schou-wen

y CD

::Z?—

7.

va -

ren.

8.

schre

den.

9.

min

ne.

10.

te •

- gen.

11.

prij

zen.

12.

mo

gen.

18. LTED OP DEN NAAM VAN MARIA.

Psalteriolum 1642.

1. Ma - ri - a's naam, die 't hart ver • blijdt. Zij

2. Ach! bij uw moe • • der - naam zoo zoet, Wij

3. Roep ik tot u in ziels - ver - - driet, Neen,

4. In al • len nood, tot in den dood, Weer-

5. Ach ze - gen dan deez' kin • der - - schaar, Hier

1. dit ons dank-baar lied ge - wijd; haar moe-der - naam zoo

2. bid - den u, dat gebons be - hoedt; Gij, die de hel-slang

3. Moe-der! gij ver-stoot mij niet; Hebt gij van ons uw

4. klinkt uw naam, zoo zoet, zoo groot: Wie weet niet dat gij

5. bid-dend bij uw feest-al - taar: Aan u die al - Ier

ocr page 41

29

ÜHi

1. zoet, zoo groot, Is ons een troost in al - len nood, Is

2. hebt ver - plet. Gij zijt het, die door uw ge - bed, Ma-

3. naam ver - staan. Gij ziet ons uit den he - mei aan. En

4. 't kind aan-schouwt, Dat op uw moe-der-naam ver-trouwt, Naast

5. Moe - der zijt, Wier zee-te naam ons hart ver - blij dt. Zij

6

■Vff

1 m . .

t#---t-i

---1—1—^-amp;2_.

1. ons een kracht tot in den dood. Tusschensjiel,

2. ri • a! u - we kind'- ren redt.

3. on - ge - troost laat ge' ons niet gaan.

4. God op u zijn ho - pe bouwt.

5. dit ons dank-baar lied ge - wijd.

19. DE VIJFTIEN GEHEIMEN VAN DEN ROZENKRANS.

I.

De vijf Blijde Geheimen.

Gesangbuch v. Leisentritt, 1584.

Een kleine terts lager, in a.

Eenigen. Allen.

Ü

Wij

groe -

ten u 0 rei - ne

Maagd!

! 0

Ko

- ning in,

0

I.

Ge ont-vingt in u des Va ders

Zoon,

O

Ko

- ning in.

0

2.

Gij

gingt

een lan-gen weg te

voet,

0

Ko

- ning in,

0

3-

Gij

hebt

den Red der de - zer

aard'.

0

Ko

- ning in.

0

4.

Oot -

moe •

dig naar Gods huis ge

- gaan.

0

Ko

- ning in.

0

5.

Drie

da -

gen trokt gij zoe-kend rond,

0

Ko

- ning in.

0

ocr page 42

Alh

Eenigen.

'en.

ii

Ko-ning in ! Gij die uw' Scliep - per hebt be - haagd, O

1. Ko-ning in! Hij daal-dequot;quot;in u van 's he - mels troon, O

2. Koningin! En hebt uw blij - de Nicht be • groet, O

3. Ko-ningin! Te Beth'- lem in een stal ge - baard, O

4. Ko-ning in! Boodt gij uw Zoon ten of - fer aan, O

5. Ko-ningin! Eer gij uw Je - sus we - der - vondt, O

Ko - r.ing • in Ma - ri • a! Tusschenspel.

Ring ■

1. Ko • ning - in Ma - ri - al

2. Ko - ning - in Ma - ri - a!

3. Ko - ning - in Ma - ri - a !

4. Ko - ning - in Ma ■ ri - a!

5. Ko - ning - in Ma • ri - a !

van smart! -Ie - wee : - te - ring: en hoon: door - boord ! -te - ling: Eenigen,

II.

Se vijf Droevige Geheimen.

Eenigen. Corner's Gesangbuch 1631,

0

droe -

ve

Moe -

der.

I.

0

Moe -

der!

welk

een

2.

O

Moe -

der!

welk

een

3-

O

Moe -

der!

welk

een

4-

O

Moe -

der -

hart,

op

5-

O

Moe -

der!

welk

een

fol pijn nieuw mar

Allen.

—■ C——

O

Ko-

ning

0

Ko

- ning -

in I

Wat die - pe

1.

O

Ko-

ning

- lni

0

Ko

-ning -

in!

Bij 't bloedzweet

2.

O

Ko-

ning

- 'n,

0

Ko

-ning -

in !

Bij Je - sus'

3-

O

Ko-

ning

- in.

0

Ko

-ning •

in !

Uw Je - sus

4-

O

Ko-

ninS

- 'n,

0

Ko

- ning -

in !

Uw Je - sus

5-

O

Ko -

ning

- in,

0

Ko

-ning •

in!

Toen Hij aan

ocr page 43

3i

.2^.—

ri -

I. ri -

--al

2. ri -

- - a!

3. ri - •

--al

4. n - ■

--al

5. ri -

- - a!

Allen.

M

-4-3-

- - -1

V

CD

——1

---1-

—sH-

.OJ

—

1

won

- de

droeg

uw

hart.

O

Ko

- ning -

in

Ma-

I.

in

Geth

- se -

ma

- ne,

O

Ko

- ning -

m

Ma-

2.

wree

de

gee

se

- ling.

O

Ko

- ning -

in

Ma-

3

draagt

een

door -

nen

kroon,

O

Ko

- nmg -

m

Ma-

4

sleept

zijn

kruis -

hout

voort,

O

Ko

- ning -

in

Ma-

5

't kruis

te

ster -

ven

hing,

O

Ko

- nmg -

111

Ma-

S==i=iiig=il

ri - - - a! Tusschenspel.

III.

De vijf Glorierijke Geheimen.

Een toon hooger, in d. Kenigen.

-Sr-

Dillingei Gesangbuch. 1675.

Allen.

31=^=1


die lan - ge smart, O

des le - vens Heer, O

zijn heer - lijk - heid, O

op aard' ge - daald, O

een En - gel - rij, O

de glo - rie-kroon, O Eenigen.

Ü

Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in

o Ko - ning - in! Ver - rukt de

o Ko - ning - in! Ma - ri - a

o Ko - ning - in! Waar Hij een

o Ko - ning - in! Die met zijn

o Ko - ning - in ! En jui - chend

o Ko - ning - in ! Nu heerscht gij

Ver - heug u!

1. Ver - re - zen

2. Uw Zoon ging

na is in

3. Toen is zijn Geest

4. Uw Zoon zendt u

5. Uw Zoon geeft u

ocr page 44

mmmm

vreugd uw Moe - der hart, O

1. ziet haar Je - sus weer O

2. plaats ons toe - - be - reidt, O

3. licht Gods Kerk be - straalt, O

4. voert ze' u aan zijn zij', O

5. op uw he - - mei-troon, O

Allen.

1«

^ , ■ -ö

Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in Ko - ning - in

•—I

Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-


8

1

n - -

- a!

I.

n - -

- a !

2.

n - -

- a!

3-

n - -

- a!

4.

n - -

- a!

5.

n - -

- a!

iüi

- - a! 7zisschensjiel.

IV.

Gebed.

Mohr. Cauiate no. 1. Allen.

Eenigen.

iamp;E-

1. O Gij! uw glo - rie in - ge - gaan, O

2. Bid voor de Kerk, voor Je - sus' Bruid, O

3. Bid voor 't be - min - de Hoofd der Kerk, O

4. Bid, dat uw Zoon de Her-der-schaar. O

5. Bid, dat hun kud - de tot hun vreugd, O

6. Bid, dat geen Chris - ten Vorst of Staat, O

7. Weer, Moe-der 1 al - le zon-de^en straf, O

8. Bid, bid voor ons in al - len nood, O

i ;S' ?

Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko ning in, Ko-ning-in, Ko-ning-in, Ko-ning-in,

ocr page 45

33

Allen. =t:l=

! Hoor 'tsmee-ken u - wer kind'- ren aan, O

Straal' zij - ne glo - rie in haar uit, O

Dat Je - sus hem ver • lich-te' en sterk' O

In zijn ge-trou wen dienst be • waar', O

Moog bloei - en, groei-en in de deugd, O

Aan 't heil van Kerk of zie - len schaad', O

Weer al - le gee - seis van ons af, O

En blijf ons bij tot in den dood, O

Eenigen.

1. Ko

2. Ko

3.K0

4. Ko

5. Ko

6. Ko

7 Ko-ning-m!

8 Ko-ning-in!

i-mng-in i-ning-in! ining-in 1 -ning-in!

o-nmg-in

3^=

£51

=1-

Ko - ning - in Ma • ri

Ko - ning - in Ma - ri

Ko - ning - in Ma - ri

Ko - ning - in Ma - ri

Ko - ning • in Ma - ri

Ko - ning - in Ma - ri

Ko - ning - in Ma - ri

Ko - ning - in Ma - ri

a! Tiisschmsjpel. a !

a!

a I a I a I a!

a I


20. DE XV GEHEIMEN VAN DEN ROZENKEANS.

I.

De vijf Blijde Geheimen.

\V. P. II. Jansen. Pr.

Een toon hoog er, in cU Eenigen.

ïdiEEE

oog

Gods va - - der

I.

Nauw

2.

En

3-

Zij

4-

Zij

5-

Wat

zij, die 's we trekt naar Da bood het God blijd -schap voel

relds Schep - per vids klei - ne ten of - fer de uw moe - der droeg, Is

stad, Daar weêr In

hart, Ma-

,---en—n—

-t-

sloeg de~aar - ga. Een

ge - zant ge - hoord, Wat


3

ocr page 46

34

En

- gel

daalt

met

spoed

„Wees,quot;

sprak hij.

»o

gü

I.

's Hee

- ren

wil

be -

haagt:

Of

zij stemt

m,

- en

2.

tot

haar

Nicht

ge -

gaan,

Om

die - nend

waar

de

3-

baart

zij

t god

lijk

Kind,

Dat

mét haar

t he -

melsch

4-

Sa

lems

tem

pel -

steê :

„Laat

nu,quot; sprak

Si

me-

5-

n

- a

nu

ge uw

Kind,

Zoo

lang ge -

zocht

met

Allen

F-S—J , 1

?—-t H

[ t- • g jf* I

—S--A---#-

vol

ge - na, Ma - ri - - a!

wees

- groet.quot;

Ma-

1.

't eeu -

wig Woord Nam 't vleesch aan

uit

de

Maagd.

Ma-

2.

nood

het vroeg, Aan ha - re

zij'

te

staan.

Ma-

heir

aan - bad. En zij in

doe -

ken

windt.

Ma-

4-

on,

„o Heer! Uw die - naar

gaan

m

vreè.quot;

Ma-

5-

zoo -

veel smart, In 's Hee - ren

tem -

pel

vindt.

Ma-

•tt—1--^—j-r~j~n---r~ _Tquot;^

fM éi j é » i r j j

■ r

uw •• ill - - - 1

- a,

Ko

- ning

in

- ne!

O

Rij

vol

moe - der

i. r

- a,

Ko

- ning

in

- ne!

O

s'i

vol

moe - der

2 r

- a.

Ko

- ning

in

- ne!

O

gij

vol

moe - der

3- r

- a,

Ko

- ning

m

- ne!

O

gij

vol

moe - der

4- r

- a,

Ko

- ning

in

- ne!

o

gij

vol

moe - der

5- r

- a,

Ko

- ning

in

- ne!

o

gij

vol

moe - der-

min -

ne,

Sta

ons

bij

in

al

- len

nood.

i.

min -

ne,

Sta

ons

bij

in

al

- len

nood,

2.

min -

ne,

Sta

ons

bij

in

al

- len

nood.

3-

min -

ne,

Sta

ons

bij

in

al

■ len

nood.

4-

min -

ne.

Sta

ons

bij

in

al

- len

nood.

5-

min -

ne.

Sta

ons

bij

in

al

- len

nood,

En - gel daalt met spoed: „Wees,quot;

ocr page 47

35

In In In In In In

i. 2.

3.

4.

5.

den den den den

den dood, Ma

den dood, Ma

dood, Ma

dood, Ma

dood, Ma

dood. Ma

? !r quot;- :!

a! Tusschenspel.

- n

- ri - a!

- ri - a!

- ri - a!

- ri - a I

- ri - a!

11.

De Vyf Droevige Geheimen.

Een toon hooger, in d. Een /gen

m

Wie is er, Moe - - der! die het meldt, Hoe

Gij zaagt den Heer, Geth - se - ma • - né! Be-

Mijn Je - sus! ach, wat fol - te - ring!... 'k Zie

Nu mengt de moed - - wil pijn en hoon Wreed-

Mijn Je - sus sleept, be - dekt met bloed, Zijn

ZÉIZ

Hij sterft, aan't smart - - lijk kruis ge - hecht; Zijn

-TWZ

Ö : •

u het har - te brak, Toen droefd tot in den dood; Hoe die - pe wond bij wond, De aar - dig on • der - een: Ruw kruis naar Gol - go - tha ; Wie Moe-der ziet het aan!... Ach,

't zwaard door Si - me-'t Bloed, dat dequot;angst Hem strie - men van de vlecht de beul een on - zer draagt niet toen is 't zwaard, zoo Allen.


on voor - speld, ü ze - ven -stor - ten deê, Op de^aar-de gee - se - ling, Die Gij voor door - nen kroon Om 's Hee - ren wel - ge - moed Voort-aan zijn lang voor - zegd, Diep door haar werf door - stak. Mane - der - - vloot. Ma-mij door - stondt. Ma-hoofd nog heen! Ma-kruis Hem na. Ma-ziel ge - gaan!... Ma-


ocr page 48

3amp;

i

ri

agt;

Ko

ning -

in -

ne!

0

gii!

vol

moe - der

I.

n

a,

Ko

ning -

in -

ne!

0

gii !

vol

moe - der

2.

n

a,

Ko

ning -

in •

ne!

O

S'i!

vol

moe - der

3-

n

a.

Ko

ning -

in -

ne!

0

gij!

vol

moe - der

4-

n

a.

Ko

ning -

in -

ne!

O

ggt;i!

vol

moe - der

5-

n

a,

Ko

ning -

in -

ne!

ü

gij!

vol

moe - der-

m

Sta Sta Sta Sta Sta Sta

bij bij bij bij bij bij

min min min min min min

ne, ne, ne, ne, ne, ne,

ons ons ons ons ons ons

i. 2.

3-

4-

5-

in in

in in

al - ïen nood,

al - len nood,

al - len nood,

al - len nood,

al - len nood,

al - len nood,

In den dood. Ma - ri - a I

In den dood. Ma • ri - a!

In den dood. Ma - ri - a!

In den dood, Ma • ri - a!

In den dood. Ma - ri - a!

In den dood. Ma - ri - a!

Ü

TusschensJgt;el.

III.

Dé Vijf Glorierijke Geheimen.

Een toon hooger, in d. Eenigen.

Juich, Moe - der! juich, De Heer, de Heer Daar klimt Hij door Hij zendt hun d' af -Toen gij, o Maagd! Daar werdt gij door

i.

2.

3.

4.

5.

uw Zoon re - geert In is op - ge - - staan, En de ster - ren - baan. Een - ge • be - den Geest, Die van lief - de stierft, Schonk uw ei - gen Zoon Ge-


ocr page 49

37

m

op - per - heer-schap - pij: Uw droef-heid is in

1. leeft nu voor al - - tijd! O dood! gij jaagt geen

2. Eng' - len • paar daalt neêr, En kon -digt d' elf a-

3. licht en krach-ten geeft; De'a - post' - len lui - gen't

4. Hij u 't rijks - ge - bied, Dat ge in uw mart' - laar-

n|=;£:

5. kroond tot Ko - ning - in, En schit-tert naast zijn

Allen.

p-,t :

M

vreugd

ver

keerd,

Gij heerscht

nu

aan

rijn

zij'.

Ma-

1.

vrees

meer

aan :

Uw prik -

kei

g'ngt

gy

kwijt.

Ma-

2.

post'

len

aan :

„Zoo keert

Hij

een -

maal

weêr,quot;

Ma-

V

on -

be -

vreesd,

Dat Je -

sus

we

der

leeft.

Ma-

4-

schap

ver

wierft.

En thans

met

Hem

ge

- niet.

Ma-

s-

glo -

ne

- troon,

Voor u -

we

moe

- der

- mm.

Ma-

i

ri

- a.

Ko

- ning

in -

ne!

O

gij •

vol

moe

der

I.

ri

a,

Ko

ning

in -

ne!

0

gii !

vol

moe

der-

2.

n

- a,

Ko

- ning

in -

ne!

O

gij !

vol

moe

der

3-

n

- a.

Ko

quot; ning

in -

ne!

O

gij !

vol

moe

de r-

4-

n

- a,

Ko

- ning

in -

ne!

O

g'i '•

vol

moe

der-

5-

n

- a,

Ko

- nmg

m -

ne!

ü

gij !

vol

moe

der-

i

min

* ne,

Sta

ons

bij

al

len

nood,

I.

min

Sta

ons

bij

al

len

nood,

2.

min

Sta

ons

bij

al

len

nood

3-

min

- ne,

Sta

ons

bij

al

len

nood

4.

min

■ ne»

Sla

ons

bij

al

len

nood

5.

min

Sta

ons

bij

al

len

nood

ocr page 50

38

ii==EsJ

0-

tz

den dood, Ma

den dood, Ma

den dood, Ma

den dood, Ma

den dood, Ma

den dood. Ma

In

1. In

2. In

a I Tu5schensJgt;el.

a I a! a! a!

In In

5. In

21. AVE MARIS STELLA.

BIJ ALLE FEESTGELEGENHEDEN.

Mainzer Cantional 1762.

iüüi

1.

2.

3-

4-

s-6.

7.

Wat Wil O Der

Ver Zij

Maag - den leen een God den

Ster - re van het meer! Ver-

el u heeft ver - kond, Neem

zon - daars van hun boei ont • slaan, Breng

toon ons, dat gij Moe - der zijt, Dat

zon - der - lin - ge bloera, Zacht-

rei - ne le - vens - baan, Be-

Va - der lot' en eer. Met

Ga - bri

Ge - groet gij,

ii

-V-r«

-Nc«-

amp;h

P:

1. he - ven Moe - der van den Heer, En al - toos

2. 't A - ve van zijn eng' - len - mond ; Keer £ - va's

3. voor de blin - den 't heil - licht aan, Ver - drijf ons

4. Hij, die zich uw Zoon be • - lijdt, Door u eens

5. moe • di - • ge! der zach - ten

6. vei - lig 't pad waar - - op we

7. Chris - tus, d' al - Ier - - hoog - sten

roem, Ik bid, dat gaan. Op - dat wij, Heer; Zij de^ei-geiv

ocr page 51

39

=t==

Maagd; gij, He - mei - poort! Die ons't ver - - bei - de naam ten ze - gen - groet, Dat ge' ons in vre - de kwaad met al - le straf, Smeek al het tot ons heil ge - baard, Door u ook

ge' on - ze schuld-boei slaakt, Zacht - moe - dig

Je - sus ziend', ver - heugd Te zaam steeds

1. heil be - schoort. Tusschrnspil.

2. vest en hoedt.

3. voor ons af.

4. bed aan - vaard'.

5. zui - ver maakt.

6. in zijn vreugd.

7. eeu - wig - heid.

22. AVE REGINA COELORUM.

Een toon lager, in bes. Eenigen.

1. Ge - groet, o He-mel - ko - ning - in!

2. Heil u, o spruit! o zaal' - ge schoot!

3. Wees, glo-rie - rij - ke Maagd! \-er - blijd,

4. Ge - groet, o gij, zoo vol van eer!

:C-

i. 2.

3-

4-

5-6.

7-

de

geen chen

goe ■ ons ons jui -

den Geest be - reid, Den Drie éé - ne eer

in

Jubilate no. 69. Allen.

A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a.

ocr page 52

4°

1^1

Allen,

-S'

Eenigen.

P—-JE

t:

1. Ge - groet, der En - ge - len vor-stin!

2. Waar - uit der we-reld 't licht ont-sproot.

3. Die on - der al - len 't schoon - ste zijt.

A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a. A-ve Ma - ri - a.

4. En bid voor ons bij God den Heer.

23. REGINA COELI.

Een toon lager, in bes. Eenijen.

Zangwijze als no. 22. Allen.


1. Ver - blijd u,'s he-mels Ko - ning - in!

2. Stond, naar zijn woord, weer op uit 't graf,

3. De Heer ver-rees: o wees ver-blijd,

Eenigen.

i

1. Want dien gij droegt vol moe - der - min,

2. Bid God ge - nb, - de voor ons af.

3. Ma - ri - a! die zijn Moe - der zijt.

Al - le - lu - ja!

Al - le - lu - ja!

Al - le - lu •ja!

Allen.

i

Al - le - lu - ja! Al - le - lu - ja! Al - le - lu - ja I


24. ALMA REDEMPTORIS MATER.

Zangwijze als no. 22.

Een toon lager in bes Eenigen.

Ver - he - ven moe-der! uit wier schoot O-ra pro no bis.

Gij, He-mel-poort! die o - - pen staat, O ra pro no-bis.

Breng 't val-lend voll^dat op wil staan, O-ra pro no bis.

Die, waar na - tuur ver - baasd op staart, O-ra pro no-bis.

Gij, Maagd, zoo vóór als na dien stond, O-ra pro 'no-bis.

En zie, o Moe-der van den Heer! O-ra pro no-bis.

Allen.

ocr page 53

41

1. Ons al - Ier Za - lig - ma - ker sproot;

2. Gij, Zee-ster die ons niet ver - laat, 3 Breng gij het u - wen bij - stand aan,

4. Uw heil'-gen Schepper hebt ge - baard;

5. Neem 'tA-ve van des En - gels mond,

6. Ont ■ fer-mend op ons, zon - daars, neêr.

25. SALVE REGINA.

W. P. H. Jansen, Pr.

Wees ge - groet, o Ko - ning - in - ne ! Moe - der,

't Is tot u dan, dat wij vluch-ten, On - der

O dan nu, wü voor ons spre - ken, 't Goe - dig

En na dit ons bal-lings - le - ven, Toon ons

O dan Moe - der vol ont • fer ■ ming. Toon ons

-•--

z\z~

—F--

gij vol tra - nen oog slaan Je - sus, kind' - ren.

teed' - re min - ne, Gij ons Ie - ven,

en veel zuch - ten, Tot u rijst ons

op ons smee - ken, Gij, die al - tijd

hoog - ver- - he - ven, Heil' - ge vrucht van

O-ra pro no-bis.

O-ra pro no-bis.

O-ra pro no bis.

O-ra pro no bis.

O-ra pro no-bis.

O-ra pro no-bis.

uw be - scher -ming, O gij Maagd! zoo

i

1. hoop, zoo zoet,

2. klaag - ge - schal

3. voor ons pleit,

4. u - wen schoot,

5. vroom, zoo zoet,

Wees, Ma - ri - - a! wees ge-

In dit aard - sche tra - nen-

Moe - der van barm - har - tig-

Toon hem ons bij on - zen

' wees ge-

Wees, Ma - ri - a!


ocr page 54

42

ii

a! Tusschenspel.

I.

groet;

Bid

voor

ons,

Ma - ri

a!

2.

dal;

Bid

voor

ons.

Ma - ri

a!

V

heid!

Bid

voor

ons.

Ma - ri

a !

4.

dood;

Bid

voor

ons.

Ma - ri

a!

5-

groet;

Bid

voor

ons,

Ma - ri

a!

26. MEIMAANDZANG.

C. Jaspers.

Een kleine terts lage?', in a.

^—r

—i--

r h5 -* 3

-W-*—-■—^

1. Weêr in jeug - dig, maagd'-lijk le - ven Prijkt de^ont-

2. In de heil - ge tem - pel - ko - ren Biedt zij 5. Maar die bloe -men, hoe zij pra - len In de 4. O dat bij dit nieu - we le - ven, Vlek - ke-

=t=c-r^r-

lo - ken moe - der-aard'; Met

d'eer - sten bruids - tooi aan : Met fris sche feest - gier-land; Maar die lich - ten, hoe zij

loo - ze He - mei-bruid! Mij een lief - de werd ge'

--P-*—^-r——----—----1—--—s---—!

^^3=!=^——ri~*—

1. zwe - ven, Met de schat - ten die zij baart, Met haar

2. bo - ren. Die ge in 't loo - ver - groen ziet staan En in

3. stra ■ len In de geur' - ge lust - wa - rand: 't Kan bij

4. ge - ven. Als uw maagd'-lijk hart om - sluit: Rein zou

ü

u t-y-

-T-

-O-

tr-

1.

2.

3-

4-

de geu - ren, die er die Moe - der, rein ge-

ocr page 55

43

Mü

=t:-

tp—p—_

1. zang en zon - - ne

2. maag -den - lich - ten

3.'t maagd'lijk hait niet

4. 't Mei - lied tot u dre - ven, Schijnt zij E - dens

glo • ren, Is het heil ons

ha - len, Dat van heil' - ge

zwe-ven Met der Eng'-len


len - - te • gaard. Tit:scliensjgt;el. op - - ge - gaan.

lief - de brandt.

harp - ge - luid.

27. MEIMAANDLIED.

Ileu - veis, bos - schen, veld en da -Beek - jes! met het zacht ge-kla -Zingt de Moe - der, Ko - ning-in -Ou • der Ju • da's maag-den - tal -Zij, van eeu - wig uit - ver - ko -'t On - be - vlekt Ont - van - gen Ie -Nu, in 's he - mels wij - de za -Aar • dé~en he - mei! zingt de Moe len, Vloe-den! wilt den ter Van uw zil - ver-ne, Zingt de Maagd en len Was zij ned'-rig ren Zal van wond'ren ven Heeft zij vlek-loos len. Spreidt zij ha - re der Vaa uw Schep-per


lof her - ha • len, En den luis - ter niet te ma - len hel - der wa - ter, Vo - gel • koor! met zoet ge-scha - ter, Rijks-vor-stin - - ne, Zingt de trou - we Kruis-hel-din - ne, bo - ven al - len, En met eind'-loos wel - ge - val - len, luis - ter glo • ren, Haar is 't moe - der - schap be-scho - ren weêr - ge - ge - ven. En door al - le deugd ver - he - ven: glo-rie - stra - len, Wat kan bij de Moe - der ha - len, en Be - hoe - der. Mijn Ver - los - ser en mijn Broe - der,

ocr page 56

44

1. Dien Ma - ri - a's naam om • sluit. TusschtnsJgt;el,

2. Roept Ma - ri - a's glo - rie uit.

3. Die haar Kind ten of - fer gaf.

4. Zag God op Ma - ri - a af.

5. Van Gods Één - ge - bo - ren Zoon.

6. Naar haar of - fer is haar loon.

7. Wie een Zoon, die God is, kroont?

8. Zingt de glo - rie waar re~in troont!

28. AVONDGROET AAN MARIA.

Melodie uit de i6e eeuw.

1. Ma - ri-a's beeld, te mid - den Van vroo - lijk flikk'-rend

2. Komt, nóg een kin - der - be - de Ma • ri - a toe - ge-

3. Wij bid - den u te ga - der Bij 't ein - de van deez'

4. Be-vei-lig u - we kind'- ren, O Moe-der! de-zen

1. licht, Het noodt ons, hier te bid - - den. Bij't

2. bracht! En dan in 's Hee - ren vre - - - de Den

3. dag: Vraag, Moe-der! on - zen Va - — der, Wiens

4. nacht; Dan zal geen kwaad ons hind' - - ren, Dan

r y ff----1-7=!---

m _i li

1 I

rUU 1 • J J ■

I.

al -

taar,

haar

ge -

sticht.

Komt

Iaat

ons tot haar

2.

slaap

weêr

in -

ge -

wacht

Ge -

rust

en wel te

3.

wa -

kend

oog

ons

zag,

Dat

Hij

ons kwaad ver-

4-

is

ons

sla -

pen

zacht;

Dan

ziet

ge ons mor-gen

ocr page 57

45

-» •

1. ij - len, Lof - zin - gend daar ver-wij - len, Ma - ri - a. Ma-

2. moe - de, Ver - trou - wend op haar hoe - de, Ma - ri - a, Ma-

3. schoo - ne, Het goe- demons een-maal loo - ne. Ma - ri - a, Ma-

4. we - der, O Moe - der, goed en tee - der! Ma - ri ■ a. Ma-

6

-t—«z

i

-t

1. ri - a, Moe - der! ze - gen ons. TiisschensJgt;cl.

2. ri - a, Moe - der! ze - gen ons.

3. ri • a, Moe - der! bid voor ons.

4. ri - a, Moe - der ! wees ge - groet.

29. AVONDZANG.

W. P. H. Jansen, Pr.

-»——3-

C--L: —'1

1. Min • lijk - lich-tend van den hoo-gen, Diep in't blauw van

2. Dooft de vreug-de - zon haar stra-len, Zien wij d'a-vond 3-

Zal het laat -ste licht ons stra - len,'s Le-vens a - vond

-t-

1.'she-mels bo - gen, Ziet gij als met me - de - doo - gen

2. om ons da - len. Gij ge-doogt niet, dat wij dwa - len

3. voor ons da - len,'t Bre - kend oog in nacht gaan dwa-len:

ocr page 58

46

i. al -tijd ne - der, Of'teen blik is, zoet en tee - der, 2* pel-grims - le • ven, Van den lij - dens - nacht om - ge - ven, 3. vol ver-schrikken, Wil ons, Moe-der! met irvr blik-ken,

i

1. Dien een Moe-der al - tijd we - der Op ons kin - der-

2. Als een straal, die uit komt /we - ven Van Ma - ri - a's

3. Vol van liefdeken licht, ver -kwik- ken : Wenk ons, tot u

8

1. tal laat gaan. Tusschenséel

2. aan - ge - zicht.

3. op te gaan!

30. HET LIEVE-VROUWE-BEELD.

Strassburg: Gesangbuch 1789.

1. 't Moe - der - godsbeeld trekt de blik-ken Van der vrou-wen

2. Met het Kind- jen op ha - re~ar-mer, Ziet zij ons zoo

3. Met de bloe-sems op de koo - nen, Na-dert haar'tver-

4. Wat er in dien blik mag stra - len Van't on-schul - dig

5. Lang ligt zij daar neêr - ge - bo - gen, Ziet het Kind, de

1. vroom ge - slacht; Wie ook vond er geen ver-kwik - ken

2. min - lijk aan: Neen, die Moe - der van er-bar - men

3. la - ten kind: „Wil,quot; zoo bidt zij, „'t wees-je too - nen,

4. maag - de - lijn, 't Is met woor - den niet te ma - len:

5. Moe - dér aan: „Leid mij,quot; zucht zij diep be-wo - gen.

it-

ocr page 59

47

8

W ff

Ep- t • ' iJU

b.—3—4-1

1. In de be - den daar ge - bracht. Tusschenspel,

2. Liet niet on - ge - troost ons gaan.

3. „Dat ze^in 11 een Moe - der vindt.quot; .

4. 't Moet een teed' - re be - de zijn.

5. „Op een veil' - ge le - vens - baan.quot;

sa

6. op 't ge - laat: Wis - selt blik - ken lang en tee - der,

7. in de hand, Gind - sche vrou - we, die daar he - den

8. we - duw-vrouw: Tra - nen stroo-men van haar wan - gen

9. hulp ver - beid; Ook Ma - ri - a heeft ge - le - den 10. trekt gij aan: Moe-der! wie op u ver-trou-we

8

3SE

m:9

6. Die een moe - der slechts ver • staat. Tusschensjpel,

7.'t Dankbaar moe - der - of - fer brandt.

8. Troost hier zoekt zij in haar rouw.

9. Een -zaam aan het graf ge-schreid !, . . 10. Zal niet troost'-loos van u gaan.

ocr page 60

48

31. HET H. HUISGEZIN: JESUS, MARIA, JOSEF.

Eenigen. Seraph: Lustgarten 1635. gewijzigd.

n 1 i^.

[ t- 1 j-J

—*--^—J-f—

1. U, Jo - sef! wijd ik mij - nen zang, Ma - ri - a zing ik

2. Was ooit ge - zin zoo goed en groot, En te-vens in zoo

3. Was ooit ge - zin op heel de-ze' aard'Zoo hei-lig, zoo ver-

4. Was ooit op aar-dequot;een huis - ge - zin, Zoo mild, zoo vol van

h

w

1. Ie - vens-Iang; U Je - sus! mij - nen God en Heer, Ge-

2. diep een nood. Als 't al - Ier - hei - ligst Huis-ge - zin ? Dat

3. ee • rens-waard? Het hoofd ge - bo - gen in het stof. Zing

4. men - schen - min ? Ik werp mij dan, mijn God en Heer! Voor

i

Allen. — -»*-

k

I

1. ve' aar - de~en he - mei eind' - loos eer. O

2. stort ons troost bij 'tlij - den in. O

3. ik dit Hei • lig Drie - tal lof. O

Hei-lig Huis-ge-Hei-!ig Huis-ge-Hei lig Huis-ge-Hei-lig Huis-ge-

4. U ten dank-baar of - - fer neêr. O

m

1. zin! Ik

2. zin ! Ik

3. zin l Ik

4. zin! Ik

eer er Jo - sef in ; eer er Jo - sef in ; eer er Jo -sef in ; eer er Jo -sef in ;

Ik eer Ma - ri Ik eer. Ma - ri

Ik eer Ma - ri

Ik eer Ma - ri a, Moe- der-a, Moe- der-a, Moe- der-a, Moe- der-


i

1.

maagd,

Ik

aan

- bid

uw

Kind,

Dat

ons

teêr be-mint,

En

2.

maagd,

Ik

aan

- bid

uw

Kind,

Dat

ons

teêr be-mint.

En

3-

maagd.

Ik

aan

- bid

uw

Kind,

Dat

ons

teêr be-mint^

En

4.

maagd.

Ik

aan

- bid

uw

Kind,

Dat

ons

teêr be-mint.

En

ocr page 61

49

3i=Nii=

Tusschemjiel.

we - der - lief - de vraagt,

we - der - lief - de vraagt,

we - der - lief - de vraagt,

we - der - lief - de vraagt.

Een toon lager, in bes.

3

32. MARIA, TOEVLUCHT DER ZONDAREN.

Herold's Gebangbuch 1808.

2EE£

Groo - te Ko-ning-in der heem'-len! Hoog ge - ze - ten Wie heeft im - mer u ge - be - den, En is troost-loos Zij, ja! heeft voor u ge - spro - ken, Zij, zij heeft uw Gij, die u-we^on - tel - b're zon - den Klimmen deedt met Werp u, zon-daar! in ha - re^ar-men; Zij, uw toe - vlucht

tp J j—i*-

^ F—

J r--h hH L '' r • H

--1--1--1—1----kw---1----

1. op uw troon, waar on - tel - bare^Eng'-len weem'-len

2. heen - ge-gaan? Wie ver - eer - de^u hier-be - ne - den,

3. ziel ge - red; Ligt uw sla - ven - juk ver - bro - ken,

4. dag en uur, Eeu - wig waart gij reed? ver - slon -den

5. bij den Heer, Zij, een Moe - der vol er - bar-men,

--»-5----

---1---1—

—,--r*!--1——1

A l* 1 1 P

—*—

—1—

-.w

—»-

1 iij

I.

Voor

het

aan

schijn

van

uw

Zoon

Laat

ons

't eer

- ge-

2.

En

gu

hoor

- det

hem

niet

aan ?

Vro-

men

wilt

het

3.

Zon -

daar!

't is

door

haar

ge quot;

bed.

Nim-

mer,

neen

! heeft

4-

Door

het

wre

- kend

hel

- Ie -

vuur:

Maar

uw

Moe

- der

5.

Ziet

goed

■gun

- stig

op

u

neêr.

Kunt

gij

nog

haar

4

ocr page 62

5°

3=f3=g=Èl

t. stoel - te na 2. lui - de tui

3 ze^af - ge - we

4 bleef nog spre 5. hulp ver - sma ken, Waar u 'teen - wig lof-lied rijst; gen, Van uw wieg door haar be • waakt; zen Wie bij haar zijn toe-vlucht zocht; ken, Keerde^uw na - de • ren - de straf: den, Die zij tel - kens u weer biedt?


1. Laat ons hart de zoet -heid sma - ken, Dat het ook uw

2. Wilt uw dank-b're knie - ën bui - gen, Zondaars! door haar

3. Hoe-veel be - den tot haar re - zen,'t Blonk te meer wat

4. Wil dan om haar voorspraak smee-ken, En ge - na daalt

5. Zon - daar, zon - daar! laat u ra - den, En ver - stoot haar

1. lief • de prijst. Tusschenspel.

2. vrij - ge - maakt.

3. zij ver - mocht.

4. op u af

5. lief - de niet.

6. Wil haar droe - ve klach-ten hoo - ren, Hoe zij min - lijk

7. Was die troost mij bij - ge - ble - ven : Dat zijn dood het

8. Zóó, vol tee - der me - de - doo - gen, Zóó, met u - we

9. Moe-der ! ja, 'k wil de' u- we we-zen, 'k Heb ge - zegd en

quot;V-----1--iT

rnH- ' —^ J i

--i *

* 4-

t-

^---y-1--

6.

tot

u spreekt

„Kind! zult

sii

mij 't hart door - bo -

ren,

7-

heil

ver-wierf.

Gij wilt

mij

dien troost niet ge -

ven.

8.

ziel

be - gaan,

Zóó, roet

lief

• de

stra - len-de 00

gen,

9-

keer

nu weêr;

Doet mijn

zon

- den

- tal mij vree -

zen,

ocr page 63

51

zi--»*'—*1

6. Dat voor lang van wee - dom breekt?'t Zwaard ging door de

7. Zoo Hij vrucht-loos voor u stierf; Hoor dan, zon daar!

8. Spreekt u u - we Moe - der aan. Zal die taal uw

9. Gij be - veelt mij aan den Heer. Zie hier ben ik^

6. ziel mij he - nen, Toen ik on - der't kruis-hout stond,

7. hoor mijn smee - ken: O keer we - der tot uw Heer!

8. hart niet win - nen, Dat ge^uw zon - dig le - ven haat:

9. diep mis - da - dig, Maar ver -mor-zeld van be-rouw:

6. En mijn ster - vend Kind zag wee - nen, Gansch van hoofd tot

7. 'k Zal als Moe - der voor u spre- ken, Hij dan wordt uw

8. En ge^uw' Je - sus gaat be - min-nen, En Hem nim-mer-

9. Ach ! maak mij uw Zoon ge - na - dig. Hem nu zweer ik

LSË

6. voet door-wond. Tusschensjiel.

7. Va - der weêr.quot; —

8. meer ver - Iaat ? ...

9. eeu-wig trouw.

33. MARIA WEES GEGROET.

W. P. H. Jansen, Pr.

Allen.

0 1 iquot;

-*~é—

1 * •

_1__

Ma - ri - a! wees ge - groet, Ma - ri - a! wees ge-

ocr page 64

52

Twee.

-j-.

1 r p.#. F r |

^ O l

1. Ge - - groet een twee - - de maal, Nog

2. Ge - - groet on - - ein — dig - maal, Door

3. Van el - - ken Se - - ra - fijn, Van

4. Van heel hel Eng' - len - koor, Het

5. En met het he - - mei - hof, Paar*

ii

groet. lt;

1. dui - zend dui - zend maal. 1

2. al - - le tong en taal. /

3. el - ken Che - ru - bijn. gt; Ma - ri - a ! wees ge- groet, Ma-

4. klink' den he - mei door: l

5. heel de-ze^aard'haar lof: ]

ri -

a! wees

ge -

groet.

Twee

iïh r

-1-

_4—

1

■ -0---

—J—t

J

m-

-tfJ

1

1

r'

»

1/

LJ

gt;■

1

6.

En

al

haar

stem -

- ge -

luid

Roe-

7.

Van

al

- - le

stroom

ge quot;

bied,

W eer-

8.

De

wij

- de

we -

reld -

zee

Her-

9-

Met

al

dat

lof -

ge -

zang,

Roep

10.

Roep

ik

m

al -

len

nood,

In 't

II.

Dan

eens

in

'she -

mels

woon.

Juich

ocr page 65

53

1 , , Allen.

'•1 11

_ I/ 1

6. pe on-ver - poosd het uit: ]

7. klink' het zoe - te lied ; j

8. haal van reê tot reê: ( ^

^ 1 , gt; Ma-n-a wees ge-groet, Ma-

9. ik mijn le - ven lang: / amp; b j

10. uur nog van mijn dood: \

11. ik na - bij uw troon: ]

ri - a! wees ge - groet.

34. O MOEDER GODS.

gebed om troost en volharding.

Een toon lager, in bes.

i

1. O Moe - der Gods, o

2. Wij smee - ken u, laat

3. Ach, ver - - re van ons

4. O gij dan troost in

5. Gij weet het toch, hoe

W. P. H. Jansen, Pr.

-t—t——:

rein - ste Maagd! Naar uit het licht, Waar-va - der - land, Zijn al - - len nood! Wil Sa - tan woedt. En

iti


m

Zö-

1.'t voor-beeld on - zer vad'

2. in wij u zien stra ■

3. wij hier ban - ne - - lin -

4. on - zer u er - - bar -

5. briescht om on - ze sclire

- ren,

- len,

• gen.

• men!

Zoo ko - men

Een troost - blik

En zien ge-

O Moe - der.

- - den; Maar, als wel-


ocr page 66

54 ,

If

1. wij, daar 't u be - haagt, Uw' ze - tel bid - dend

2. van uw aan - ge ■ zicht Op u - we kind'-ren

3. staag, van al - len kant, Den vij - and ons be-

4. die geen kind ver - stoot, Wij vluch - ten in u-

5. eer, zal hem uw voet Den hel - schen kop ver-

mwmwMmmi

T. nacT — - - - ren. Tusschensprl.

2. da - - — - len.

3. sprin ----gen.

4. we ar — - - men.

5. tre - - - - - den.

3P

6. De we - reld tergt, ver - lokt en vleit, Dat

7. Diep in mij zelf, en zwaar ge - wond, Draag

8. O Moe - der dan! vraag van uw Zoon, Ons

9. O Moe - der dan! o vraag, dat wij In

ii

ifMMÜ

6. zij mijn lief - de win - - - ne; Ach! dat zij

7. ik mijn vij - and me - - - de; Het vleesch be-

8. dag aan dag te ster - - - ken, Dat wij, het

9. Je - sus' lief - de ster — - ven. En in dat

,_pa-

I

=|-:

=3:

rj;

6. nooit

7. dreigt

8. oog

9. uur:

mij op sta

eeu -wig heil be-wij ge - nA ver-

kind ver - leid', En 'k Je - sus trouw betel — ken stond, Hoe zei - den smaak ik 't he - melsch loon, Ons dan ons bij, Dat

ocr page 67

55

ÜÜ

6. min ----- ne. TusschensJgt;el.

7. vre ----- de !

8. wer ----- ken.

9. wer - — - - ven.

35. LIEFDE TOT MARIA.

M. ). A. Lans, Pr.

isi

- t-w--i/-------*--

Ja! 'k voel in mij Neen, 'k zoek geen heil Komt 's we-relds glans, Of als ik zucht

1.

2.

3.

4.

5.

Ma - ri - a's lief - de le - ven, 't Is in ijd'- le schijn-ver - ma - ken, In of vlei - taal mij be - ko - ren, Lokt bij droe - ve jam - mer-sla - gen, En

Wat dan ver-kee-re in 's le-vens wis - sel-krin-gen, 't Zij


ifrjct—

1. mij zoo zoet, te zin-gen van haar lof; O kon ik haar zoo

2. wuft ge - not, ge - lijk de we - reltl biedt; Mag ik hier slechts Ma-

3. zij mij aan met haar betoov'-rend goed; Dan rui-sche mij Ma-

4. stil mijn leed in'twee-nend hart om-sluit, Een Moe-der heb ik

If!

5. 't vluch-tend uur mij vreugd of lij - den bied': Het blij ft mij zoet, Ma-

ife

groot een glo - rie ge - ven, Als de^Eng'- len - schaar in 't ri - a's lief - de sma - ken, 'k Ben rijk ge - noeg, o rl - a's naam in de^oo-ren, Die lief - - de - klank is die haar kind hoort kla - gen, Ik spreek haar naam, en ri - a's lof te zin-gen, Wel - za - - lig hij, die

ocr page 68

56

-v

1. rei - ne he - mei - hof. TusschenspeL

2. meer ver - lang ik niet.

3. bo - ven al - les zoet!

4. al mijn smart heeft uit.

5. ha - re gunst ge - niet!

36. LIEFDEGROET AAN DE H. MAAGD EN MOEDER GODS.

Melodie uit de 15° eeuw.

Een toon hoog er, in d.

i 1—-

-P r

l* r

——t-

—«--

1

i

Wij

groe

- ten

u,

0

zui -

v're

Maagd! Door

2

0

rei

- ne

Maagd!

0

ed' -

le

bloem! Vol

3

0

Ze

- tel,

waar

de

quot;Wijs -

heid

straalt, Waar

4

Geen

we

- reld-

of

geen

hel -

le -

macht, Of

5

Gij

Zl]t

die

On -

be -

vlek -

te

Maagd, Wier

6

Gij,

oor

- zaak

on

zer

zie -

le -

vreugd. Wier

7

Be -

veel

ons

aan

uw

god -

lijk

Kind, Dat

8

O

Da

- vids

To - -

ren

van

i -

- voor! Wijd

t. wie ons 't heil-Iicht is ge-daagtl; Wij

2. he - mei - geur, der maag-den roem! Als

3. 't eeu- wig Woord is neêr - ge-daald, Die

4. wat er op-stond uit

5. Moe - der - beè aan God

6. komst heel denaarde heeft

7. ons ten eind' toe heeft

8.

u op

- lijn, zoo Geest de waar- heid

- win- nend kin - der-smar - te-

- lij - ke

den nacht, Heeft be- haagt; Die ver heugd, Ont - ' be - mind. Dat

groe - ten kris - tal door zijn ooit de al - ver ,'ang uit in den

schitt'-rend in den zon - ne - gloor, Door god - de

ocr page 69

57

m

Moe - der van Gods een' - gen Zoon! Ttts-smet - te - loo - ze heil - fon-tein ! schenspel. Kerk steeds tri - om feert.

blijft haar god - lijk Hoofd I trou - we toe-vlucht zijt.

on - zen lief - de-groet.

laat - ste bloed ver-goot. wa - penmacht voor zwicht.

-1-

9. Gij, Ar — kc van het Nieuw Ver - bond! Op

10. O He - -mei - poor - te! rijk en schoon, Door

11. O Mor - gen - ster - re! lief - - lijk zacht, Na

12. Gij, Toe - vlucht der ver - lo - - ren ziel! Die

13. O Hulp van 't Chris - te - lijk ge - - zin, Gij

14. Hoor, Moe - der! met ons lot be--gaan, Hoor

15. Ge-groet Gods Doch - ter, op uw troon! Gij

1. u - wen troon, O

2. schitterend rein, O

3. waar-heid leert! En in zijn

4. haar ont-roofd, Want Je - sus

5. in den strijd, Der Kerk een

6. lijk ge-moed, O Moe-der!

7. lijk- sten dood Voor ons zijn

8. hand ge-sticht, Waar al - le

u is mij - ne hoop ge-grond; De u kwam de^on-ge - scha - pen Zoon, Mij, eeu- wen - lan - gen nacht; Gij God ver-viel, O Ko - ning- in ! Ach kind'-ren aan: Uw

9-

10.

11.

12.

13.

14. IS-

zulk een jam-mer - lijk van al - Ier Heil'-gen de^u ge - ge - ven

m

Moe-der van Gods eeuw'-gen Zoon ! Gij,

Se - ra - fij - nen 't eeu- wig Woord, Hij kon-digt't blij - de Troos-te - res in toon in on - zen Zoon heeft on - ze Bruid van God den 6

ziz :

-3=r.


9. daal - den neèr Om't gul - den Huis 10. werd uw Kind, Zoo tee - der heeft ir. heil-licht aan, Dat voor het aard

12. al - len nood! Gij redt ons uit

13. jong-sten strijd, Dat gij ons al ■

14. schuld ge- boet, Wees, goe- de Moe ■

15. Heil'-gen Geest 1 Die vóór en na

van d' Op- per-heer. Tusschen-Hij ons bemind! s_pel, ■ rijk op zal gaan. den eeuw'gen dood. Ier Moe-der zijt! der ! wees ge-groet.

zijt Maagd ge-weest!


ocr page 70

HULDE E.N BEDE AAN MARIA.

öi.

W. P. H. Jansen, Pr.

ip

hef - fen wij een lof - - lied aan, Luid on - ze lof • u niet mis - haag', O oot • moed was zoo ga - de - loos, Zoo woe - de sloeg de^ont - roer - de hel Om lief - lijk klonk der Eng' • len toon Voor roe - pen nog met heel de Kerk Door

Ï=F=::

1. klimm' het op van de' aard', Tot voor den troon, waar

2. He - mei - ko - ning - in ! Al is de toon van

3. min - lijk in Gods oog, Dat u zijn Zoon tot

4. 't heil van ons ge - slacht, Toen u de^Aarts-en - gel

5. de~eer-ste maal op aard', Toen gij, o zuiv'-re

6. de~eeu-wen heen u aan: Heeft Je - sus 'teer-ste

|z==^=^t-

1. de~Eng'-len staan, 't Zij met hun lied ge - - paard. Wij

2. 't stof te laag. Hij dring' ten he - mei in. Wat

3. Moe - der koos En neêr-kwam van om - - hoog; O

4. Ga - bri - - ël De he - mei -bood-schap bracht. Hoe

5. MaagdI Gods Zoon In Beth'-lem hebt ge - - baard; Het

6. won - der - werk Niet op uw beê ge - - daan ? Ach,

Pi

1. zin - gen op den toon van 't stof, En knie - len voor u

2. sterv'-ling, die zoo - véél ver-mocht, Wat haalt er bij u-

3. Mor-gen-ster der za - lig - heid! Hij daal-de^op aar-de

4. Sa - tan dreig* bij el - ken tred, Wij vree - zen hem niet

5. he - mei-koor juich-te^in ons lot En daal-de^om'tkrib-je

6. zie be - scher-mend van om-hoog Hier op uw kind'-ren

ocr page 71

59

—P-

—»

—t-

I.

neêr,

Wij staam* - len

dank -

baar

u -

wen

lof,

0

2.

wegeer ?

Nooit is uw

hslp

ver -

geefs

ge -

zochtl

O

3.

neêr,

De Red - der.

eeu -

wen -

lang

ver -

beid,

O

4-

meer:

Uw Zoon heeft

hem

den

kop

ver -

plet,

O

s-

neêr:

Het zag - een

mensch

-ge -

wor -

den

God!

U

6

neer,

Aan-schouw ons

met

mee

doo -

gend

oog.

O

iÉE'E

1.

Moe -

dei-

van

den

ITeer!

2.

Moe -

der

van

den

Heer!

,v

Moe -

der

van

den

lieer!

4-

Moe -

der

van

den

lieer!

s.

Moe -

der

van

den

11eer!

6.

Moe -

der

van

den

Heer!

8

---'-Hi

II!

UJ

i 1 1

Tusschenspel.


7. Toen Je - sus aan het kruis - hout hing, Ons

8. Uw Moe - der is zij, Chris - ten - schaar! Die

9. Ach Moe - der van barm - har - tig - heid! Ont-

10. Wan - neer be - hoef-te~ons dreigt of drukt. Of

11. Als 't al - be - slis - send sterf - uur slaat, En

12. Be - - vei - lig on - ze le - vens-baan, En

ff

--Ij-

---

T1 -- 3

tni L. r

-----•—

VI u 1 ■ 1 1

9

7.

't eeu -

wig

heil

ver

wierf,

Gaf

Hij

u aan

zijn

8.

u

ge-

Vrouw

be -

mint;

Zeg,

zeg

in al

le

9-

trek

uw

hulp

ons

niet;

Als

ons

de we

reld

10.

ramp

bij

ramp

ons

slaat ;

Als

wat we ook po

gen

11.

's le -

vens

licht

ver -

dwijnt

Voor

de eeu

wig -heid,

die

12.

waak

aan

on -

ze

zij';

Hoor,

Moe -

der! hoor

uw

ocr page 72

6o

i--

--1^-

t—0—

—#—

ztfz»-»-

t

—t—i—4—:

7.

!ie

- ve •

ling,

Eer

Hij

voor al -

len

é

stierf; Gij

8.

ziels

-ge -

vaar

Ach

Moe

- der! hoor

uw

kind! Zie,

Q.

lokt

en

vleit

En

gij

ons wank'

len

ziet, Of

10.

wreed

mis -

lukt,

Ons

al

le hoop

ver

gaat; Als

11.

0

pen -

gaat

En

aan

de ziel

ver -

schijnt: Ach,

f2.

kind'

- ren

aan

En

blijf

ons al -

tijd

bij. Wat

7. werdt zijn moe - der, hij uw kind, Wij dee - len in die

8. lie - ve Moe - der, vol ge - nd! Zie op uw kind'-ren

9. Sa - tan ons zijn strik- ken zet, Door wel - lust goud of

10. ons de-ze^aard'geen troost meer biedt, Zie gij dan op ons

11. dat ik dan mijn bre-kend oog, Mijn Moe - der! tot u

12. lot ons in dit le - ven beid', U zin -gen wij ter

IH—^--

-TT----H-

-■---Z--- --1--1

—F-0-f—

—1--1--1--

=t—'—

—^-1---

---1--

---1

7.

eer;

En

ons

hebt gij als

hem

be - mind,

O

8.

neer:

Uw

lief -

de heeft geen

we

- der - ga,

O

9.

eer ;

Ach,

dat

uw voor-spraak

ons

dan redd',

O

10.

neer.

En

wei -

ger ons uw

hulp

toch niet,

O

11.

keer',

Uw

zoe -

ten blik ont -

moe

te~om-hoog.

O

12.

eer:

U

zin -

gen we eens in

eeu

- w;g - heid,

O

—;—-t——t

—Krr

7-

—0—

Moe -

der

—0 — van

den

ï = ^

Heer !

TusschensJgt;el

8.

Moe -

der

van

den

Heer!

9-

Moe -

der

van

den

Heer I

10.

Moe -

der

van

den

Heer!

11.

Moe -

der

van

den

Heer!

12.

Moe -

der

van

den

Heer!

ocr page 73

6i

3S. UITNOODIGING TOT DEN LOF VAN MARIA.

W. P. H. Jansen, Pr.

Eenigen.

is

Komt, spoedt u ! komt Ont - lokt uw speel -Vlecht, maag - den! om O moe - ders! reeds Gij, va - ders! hoe O jong' - ling! wijd

Ma • ri - a prij - zen: Zij tuig zoe - te klan - ken: Zij Ma - ri - a te^ee - ren, Een uw zui - ge - lin - gen Zijn ver - moeid van 't zwoe - gen, Zingt uw schoon - ste ja - ren Aan


-p-h

—^----

l.

is

zoo

groot!

Met

2.

IS

zoo

goed!

En

3-

le •

- - lie

krans :

Eens

4-

haar

ge

wijd;

Vrij

5-

haar

ter

eer;

't Wordt

6.

de -

- ze

Maagd :

Zij

slem en snaar haar laat uw stem haar mo- ge^uw le - lie-moogt gij ha - re of - fe - rand en redt u - we^onschuld


be -

I.

eer

WIJ

zen.

Tot aan

den

dood.

2.

zin -

gend

dan -

ken^

Met blij

ge

moed.

3*

wit

ver -

kee -

ren

In he - -

- mei

- glans.

4-

zorg

be -

zin -

gen :

Zij waakt

al

- tijd.

5-

ziels

ge -

noe -

gen :

Wat wilt

gy

meer ?

6.

uit

ge -

va -

ren,

Zoo gij

het

vraagt.

Allen.

y i

-flWp—^--«—

-1-1-4 -i- -M

—h —

-M—i « •—

—w——

m

i.

Broe

- ders,

Zus

- ters !

zwijgt nu

niet.

Zwijgt

Ma-

2,

Broe

- ders,

Zus

- ters !

zwijgt KU

niet.

Zwijgt

Ma-

3-

Broe

- ders,

Zus

- ters!

zwijgt nu

niet.

Zwijgt

Ma-

4-

Broe

- ders,

Zus

- ters!

zwijgt nu

niet.

Zwijgt

Ma-

5-

Broe

■ ders

Zus

- ters!

zwijgt nu

niet.

Zwijgt

Ma-

o.

Broe

- ders

Züs

- ters!

zwijgt nu

niet,

Zwijgt

Ma-

ocr page 74

62

y 1 1

. -I

/ h ï

□ j

fnv J 1

^_1

é ■

m JL-

|_

•

1.

ri

m

• a's

groot-heid

niet,

Maar

ver

- beft

haar

in

uw

2.

ri

• a's

groot-heid

niet,

Maar

ver

- heft

haar

in

uw

3-

n

■ a's

groot-heid

niet,

Maar

ver

- heft

haar

m

uw

4.

n

- a's

groot-heid

niet.

Maar

ver

- heft

haar

111

uw

s.

n

- a s

groot-heid

niet.

Maar

ver

- heft

haar

in

uw

6.

ri

- a's

groot-heid

niet,

Maar

ver

- heft

haar

m

uw

f—Ö-]---

. :

--W-

—1—»—p—

ï i

--v——

=i-

lied, Wees ge - groet, Ma - ri

lied, Wees ge - groet, Ma - ri

lied. Wees ge - groet, Ma - ri

lied, Wees ge - groet, Ma - ri

lied, Wees ge - groet, Ma - ri

a

a I a! a! a! a I

lied, Wees ge - groet, Ma - ri

Eenigen.

üsgl

7-

Wan

• neer de

scha - pen vei -! komt na 't storm

lig

gra -

zen

In

8.

En,

scrieep'ling

- ge -

kla -

ter

D®

9.

Wan

- neer de

dag-toorts met

haar

stra -

len

In

10.

En

spreidt de

zon in 't hee ■

■ te

Zui -

den

Haar

11.

Maar

zinkt het

licht naar de' a -

vond

- lan -

den

En

12.

Wij

op de -

ze~aar- de vreera

• de

- lin -

gen,

Gaan

7. kla - -

8. kalm - -

9. 't Oos -

10. glans

11. daalt

12. zuch - -ver - - wei , • te weêr,

- ten

en de • tend

de dan hoo - re, moet de dan tot leidt ons,

glimt, gloed, nacht, voort:

Dan moet Be - zing Zij Dan Heft Zij her - der vrij, voor hoe tot be - de-haar uw die haar


ocr page 75

63

t quot;

—tr-'m—

—^T-v

k

i ^ 3 « i * J JjE

quot;cdiquot;

-t-a-t---:

7. 't lof - lied bla - zen Op zijn schal - mei.

S, lucht en wa - ter, Ma - ri - - - a's eer.

9. haar drie ma - len Het A - • - ve klimt.

10. klok weêr lui - den Ten en - - - gel - groet.

11. hart en han - den: Groot is haar macht.

12. lief - de zin - gen, Naar't va • • - der - oord.

Allen.

l-t-

m

-9-

7.

Broe

ders,

Zus -

ters!

zwijgt

nu

niet,

Zwijgt

Ma-

8.

Broe

ders,

Zus -

ters !

zwijgt

nu

niet,

Zwijgt

Ma-

Q.

Broe

ders,

Zus -

ters !

zwijgt

nu

niet,

Zwijgt

Ma-

10.

Broe

ders,

Zus -

ters !

zwijgt

nu

niet.

Zwijgt

Ma-

11.

Broe

ders,

Zus -

ters !

zwijgt

nu

niet,

Zwijgt

Ma-

12.

Broe

ders,

Zus -

ters !

zwijgt

nu

niet,

Zwijgt

Ma-

t—j H-q - :ö „ U ^

*1

:-=i-

7. ri - a's groot heid niet,

8. ri - a's groot-heid niet,

9. ri • a's groot-heid niet,

10. ri - a's groot-heid niet,

11. ri - a's groot-heid niet,

12. ri - a's groot-heid niet.

Maar ver - heft haar in uw

Maar ver - heft haar in uw

Maar ver - heft haar in uw

Maar ver - heft haar in uw

Maar ver - heft haar in uw

Maar ver - heft haar in uw


-----——----1—--gt;

7. lied. Wees ge - groet, Ma - ri

8. lied, Wees ge - groet, Ma - ri

9. lied. Wees ge - groet. Ma - ri

10. lied. Wees ge - groet, Ma - ri

11. lied. Wees ge - groet. Ma - ri

12. lied, Wees ge - groet. Ma - ri

a! a 1

ocr page 76

04

39. LOFLIED AAN DE H. MAAGD MARIA.

Fk . \V i TT. gewijzigd.

=(:i

Ö He - mei - ko - ning - in ! Ik zing met hart en

De hel • macht stond ont -steld, Toen u Gods En - gel

Daar-om zong luid en blijd, De Kerk ten al - len

Ja, Moe - der van Gods Zoon! Wie juicht niet opdien

En wij in 't aard-sche stof, Wij zin - gen tot uw

En luid in al • len nood, Roep ik tot in den

En ster-vend bidt uw kind, Dat eeu - wig u be-

Eenigen.

i#=

i. 2.

4. 5* 6.

Allen

1=1=4

ïpËi

:='4=^

zin : Ge - groet zijt gij Ma

2. meldt: Ge-groet zijt gij Ma -

3. tijd : Ge - groet zijt gij Ma -

4. loon: Ge-groet zijt gij Ma -

5. lof: Ge • groet zijt gij Ma -

6. dood : Ge - groet zijt gij Ma •

7. mint: Ge - groet zijt gij Ma •

ri a ! Ge • groet zijt gij Ma-ri - a! Ge - groet zijt gij Ma ri • a! Ge • groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Ma-ri - a ! Ge - groet zijt gij Marl - a I Ge - groet zijt gij Ma-


Eenigen.

Ü

—w ^

a !

Wat

heil

heeft

a !

Die

groet

had

a !

Nog

zingt

in

a!

De

he -

mei

a!

Als

Sa -

tan

a !

En

Hg

ik

a I

O

dan

m

voor denaard' be - - gin en smart, ons voor, be - koort, neêr, steê.

Dat Van Elk Daar Wij Dan Dan

niet het vreugd gaat ons ster - vend 's he - mels


ocr page 77

65

Allen.

:|---E=i=:fc=:

Ié

1. he - melsch woord ge - baard:

2. 's we - relds red - ding in:

3. dank - baar kin - der - hart:

4. zingt heel 't Eng' - len koor :

5. spre - ken 't mach-tig woord:

6. zucht ik nog te meer:

7. juich ik eeu - wig meê :

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ge - groet zijt

Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-Ma-

g'J gij gij gij gij gij gij


f--

quot;t--

—1

;=n|:

:

Li-c=3-

-1—9—

—m—

--1 —

V 1/ 1 1 1

I

ri -

a !

Ge -

groet

zijt

gi

Ma

ri

- a!

2

n -

a !

Ge -

groet

zijt

Ma

n

- a !

3

n -

a !

Ge -

groet

zijt

S1

Ma

n

- a!

4

n -

a!

Ge -

groet

zijt

g1

Ma

n

- a!

5

n -

a !

Ge -

groet

zijt

gl

Ma

n

a !

6

n -

a!

Ge -

groet

zijt

gl

Ma

n

- a!

7

n -

a!

Ge -

groet

zijt

g1

Ma

n

- a !

40. AAN MARIA EER!

W. P. H. Jansen, Pr,

2. 3-4.

Eon ronn lager, in bes. Eenigen.

—* • •

Ma - ri - a

Ma - ri - a

Ma - ri - a

Ma - ri - a

eer! wat lief

eer! komt, laat

eer! zou ik

eer! zoo 'k in

de^en ons haar haar

luis - ter ne - der-ooit verlief • de

m

m

-t-

jamp;lgps

5

1

meng'-len Zich in dat hart, van al - Ie smet - ten

ocr page 78

66

3

1. vrij ! Ma - ri - a eer! u Ko - ning - in der

2. Bruid; Ma - ri - a eer! de toe - vlucht on - zer

3. graf; En zou ik eens geen dank - baar kind meer

4. ducht; De Iaat - ste klank, die van mijn lip - pen

1

if

1. Eng'- len ! U,

2. zie - len ; Door

3. hee - ten : Breek

4. zwe - ve, Zij,

Allen.

vol ge - ni! u, Moe - der, zin - gen

ha - re hand stort God zijn gun -sten

lie - ver dan, o God I mijn da - gen

Moe - der ! nog een teed' - re lief - de-


1. wij. Ma - ri

2. uit. Ma - ri

3. af. Ma - ri

4. zucht. Ma - ri

-jrrtr

i

1. Eer aan Ma • ri

2. Eer aan Ma - ri

3. Eer aan Ma - ri

4. Eer aan Ma - ri

- a, Moe - der! Ach, hoor uw kind;

- a, Moe - der ! Ach, hoor uw kind;

- a, Moe - der ! Ach, hoor uw kind;

- a, Moe-der! Ach, hoor uw* kind;

8

a! Die ons zoo teêr be - mint. Tusschenspel,

a! Die ons zoo teêr be - mint.

al Die ons zoo teêr be • mint.

a! Die ons zoo teêr be - mint.


41. ÏER EERE VAN MARIA.

Eenigen. Herold's Gesangbuch, 1808.

ifeüHiliPj

I.

O

beeld

van

't rein -

ste

le - -

ven,

Ma-

2,

O

Jo -

zefs

Bruid,

mijn

Moe -

der!

Mijn

3-

Ach,

was

ik

rein

van

zon -

den,

O

4-

'k Zou

met

uw

trou -

we

scha -

ren.

En

s.

He -

- laas!

hoe

moet

ik

kla -

gen,

Dat

6.

Maar

'k wil

mij

al •

le

da -

gen,

Mijn

ocr page 79

c?

fc-y-»—------1-----

quot; ; . 1 .1 ] ^ 1

1 tfli É

: m r

^ \ «

.• r iquot; !

\-W—--

1- ■

1.

ri

-• a, Jo

zefs

Bruid!

Zoo

wij ons

hart

u

2.

trou

- we toe

ver

- laat!

Werd

niet uw

Zoon

mijn

3.

vlek

ke - loo

ze

Maagd !

Ik

zou uw

lof

ver

4-

'Mui

chend he ■

mei

- heer,

Mijn

dank-baar

lof -

lied

s.

ik

on - waar

-dig

mensch.

U

zoo niet

kan

be-

6.

Moe

- der! u

ter

eer,

God

vruch-ti •

ger

ge-

Allen.

m

1. ge - ven, Gij deelt uw gun-sten uit. Ach, dat ik u be-

2. Broe-der, Die nooit uw beê ver-smaadt.Ach, dat ik u be-

be - haagt. Ach, dat ik u beter eer. Ach, dat ik u be-

5. ha - gen, Als ik het vu - rig wensch. Ach, dat ik u be-

6. dra - gen, En die - nen mij - nen Heer. Ach, dat ik u be-

3. kon-den Ge - lijk het

4. pa - ren, En jub'-len

hl3*—f r—1

■ p 1

quot; f1 1—

—1—i—l—

In In In In In In

smart smart smart smart smart smart

1.

2.

3-

4-

5.

6.

min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne, min - ne,

blijd-schap en in blijd-schap en in blijd schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in blijd-schap en in

Druk diep mijn Ko-ning-

Druk diep mijn Ko-ning-

Druk diep mijn Ko-ning-

Druk diep mijn Ko-ning-

Druk diep mijn Ko-ning-

Druk diep mijn Ko-ning-

H-

beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis beelt'-nis

TussckensJ)el.

in mijn in mijn in mijn in mijn in mijn in mijn

hart. hart. hart. hart. hart. hart.

1.

in

- ne!

Uw

2,

in

- ne !

Uw

3.

in

- ne!

Uw

4.

in

- ne!

Uw

S-

in

- ne !

Uw

6.

in

- ne !

Uw

ocr page 80

6S

42. LITANIE-LIED VAN ONZE LIEVE VROUW.

M. J. A. Lans, Pr.

EenUjcn.

• •

=t:

1. God en Heer! wil U ont - fer - men,

2. God en Heer! o wil ons hoo - ren,

3. Va - der, God! op 's he - mels troo - ne,

4. Heil' - ge Geest, God! hoog-ge - pre - zen,

5. O Ma - ri - aj hoog in ee - re,

6. Maagd der maag- den ! uit - ge - le - zen,

7. O gij Moe - der der ge - na - de,

8. Moe-der gij, en Maagd ge - ble - ven,

9. Gij, ten tem - pel Gods ge- hei - ligd,

10. Lief- ste, won - der - vol - le Moe - der,

11. Wij - ze Maagd, en hoog te prij - zen,

12. Groot in moe - der - lijk ver- mo - gen,

Chris-tus, God! wil Chris-tus, God! wil Go- des Één • ge-Drie Per - so - nen Heil'-ge Moe- dei-Om Gods Moe- der Wie geen erf- smet Hebt gij Je - sus En voor al - le Van den Schep-per Lof en eer moet Zacht en trouw in


Allen.

I.

ü

ont

- fer -

men.

Heer! wil

ons

ge

- na

- dig

zijn.

2.

ons

ver

- hoo -

ren.

H*eer! wil

ons

ge

- na

-dig

zijn.

3

bo -

ren

Zo -

ne!

Heer! ont-

ferm

U

0 -

• ver

ons.

4-

één

in

we -

zen!

Heer! ont-

ferm

U

0 -

• ver

ons.

5-

van

den

Hee -

re.

O

Ma

- ri -

a!

bid

voor

ons.

6.

eens

te

we -

zen.

O

Ma

- ri -

a I

bid

voor

ons.

7-

im -

mei-

schaad •

- de.

O

Ma

- ri -

a !

bid

voor

ons.

8.

ons

ge

. ge -

ven.

O

Ma

- ri -

a!

bid

voor

ons.

9-

smet

be

- vei -

ligd.

O

Ma

- ri -

a!

bid

voor

ons.

10.

en

Be

- hoe -

der.

O

Ma

- ri -

a!

bid

voor

ons.

11.

tot

u

rij -

zen.

O

Ma

- ri -

a !

bid

voor

ons.

12.

me -

de -

doo -

gen.

O

Ma

- ri •

a!

bid

voor

ons.

ocr page 81

6,j

Eenigen.

g—r%!S=g«

13.

Rei - ne spie - gel al - ler

vro

men

Vreugd is

ons door

14.

Vat, vol van den Geest des

Hee

- ren.

Wie kan

waar-

dig

i5-

Vat van godsvrucht, geur van

E

den,

Ro - ze

vol

ver

16.

Da- vids to - ren, ze - ge

tee

ken,

El - pen

to -

ren,

17.

Gul-den huis en's Hee-ren

WO

ning,

Bonds - ark

zij -

ner

18.

Deu - re tot des he-mels

luis

- ter,

Mor - gen

- ster

na

19

Gij, ons heil bij krankte en won

-den,

Toe-vlucht voor

wie

20.

Troos- te - res van al - le

droe

ven.

Hulp voor

al

wie

21.

Ko- ning - in der Eng'- len

ran-

gen,

Gij, der

Vad'-

ren

22.

Ko- ning - in - ne der Pro

- fe -

ten.

En A -

post'

len

23-

Ko- ning - in der Mar - te -

la -

ren.

Maag - den-

en

Be

24.

Ko- ning - in van al - le

Heil'

•gen,

Laat uw

voorspraak

25-

Ko- ning - in - ne ! wie de

zon

de

Van den

eer -

sten

26.

Ko- ning - in ! als bij ons

strij

den

Wij den

Ro

zen

27.

God-lijk Lam! dat neemt de

zon -

den.

Door uw

kruis

uw

28.

God-lijk Lam! wil ons be-

vrij -

den, Door uw

dood

en

29.

God-lijk Lam! ons heil en

le -

ven.

Wil ons

on

ze

Allen.

~i -

J'

l i

'j

—\

r i

*

1 i -

.4 r

! \

quot;y

1 l-

é

J 1

m

13.

u

ge -

ko -

men.

0

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

14.

u

ver -

ee -

ren.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons

is-

bor -

gen

he -

den.

0

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

16.

nooit

be •

zwe -

ken.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

17.

gunst

be -

too

ning.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

18.

't lan -

ge

duis -

ter.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

19.

zucht

in

zon

den.

O

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

20.

hulp

be

• hoe

ven.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

21.

ziels

ver

- lan

gen.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

22.

hoog

- ge

- ze

ten.

O

Ma

- rl -

a

bid

voor

ons.

23.

lijd*

- ren

- scha

- ren.

O

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

24.

ons

be

- veil'

-gen.

O

Ma

- n -

a

bid

voor

ons.

2 s*

mensch niet

wond- de :

O

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

26.

krans

u

wij

den

O

Ma

- ri -

a

bid

voor

ons.

27.

dood

en

won

den,

Spaar

ons,

zondaars

,spaar

ons,

Heer!

28.

smart'

-lijk

lij ■

den,

Zie

ge

- na -

dig

op

ons

neer.

29.

schuld

ver

- ge-

ven,

Ach,

ont

ferm

U

on

zer.

Heer!

ocr page 82

7°

43. KLAAGLIED.

M. J. A. Lans, Pr.

--jf-fc-jnr—1--!—

quot;1,

---1-l-l—

1 ■

-r—r-f-P—^

—0—0—

-p--

1. Hier zijn we~al - len vreem-de - - lin - gen, Ver - re

2. Hier is 't zwoe - gen, hier is 't kla - gen, Rus - te

3. Acb, hoe ve - len, die wij min - den, Heb-ben

4. En hoe ve - len, reeds ont • bon - den, Wier - pen

5. Een - zaam van het pad ge - sla • gen, Doolt er

Ij—

1. van ons va - der - oord,

2. biedt de - ze' aar - de niet;

3. 's le - vens droe - ven nacht,

4. de~aard-sche boei - en af!...

5. me - nig hulp - loos kind;

En door 's le • vens

Zuch - tend on - der

Zon - der la - - fe-

't Le - ven heeft hun

Ach, zijn zuch - ten


ia

m

1. wis - sel - krin - gen

2. plaag bij pla - gen,

3. nis te vin - den,

4. ziel ge - von - den,

5. en zijn kla - gen

Trek-ken wij naar deoe - vers Blik - ken w«~in een zwart ver-Al - tijd wee - nend door - ge-'t Li-chaam toeft het in zijn O - ver • stormt de wil - de


Waar de vreug - de - - bron - nen sprin - gen

Of ons oog er de~oe - vers da - gen,

Heil hun, zoo slechts bij 't ont • bin - den

Wij, hoe krank aan ve - - le won - den,

Moog' den zwer - ver de~och-tend da - gen,

1. voort,

2. schiet,

3. bracht; 4- graf: 5. wind;

ocr page 83

8

m

1. En het zaal' - gend licht ont - gloort.

2. D'eeuw'-gen mor - gen scheem'-ren ziet.

3. 't He - melsch licht hun te - gen - lacht.

4. Voe - ren nog den pel - grims - staf.

5. Dat hij ras de zij - nen vind'.

En door Val - len En ge-Ga ons.

ii

6. Ach, hoe ve - len die er zwer - ven

7. Wij, wat schuld ook ons be - - la - de,

8. Ach, dat wij, van schuld ont - - he - ven,

lljgll Tusschenspel.

9. Held' - re Ster aan 's he - mels tin - nen.

ë3=

m

6. Sa - tans list ver - strikt,

7. U, o God! te voet;

8. voed door 't le - vend Brood,

9. ban - ne - - lin - gen, voor.

't Zoe - te licht der

U, o Moe der

Moe - dig naar den

Eb be - straal ons


::=fEz^

6. heem'-len der - ven. Wie geen boe • te - traan ver-

7. vol ge - - na - de! Bren - gen we~on - zen dankb'-ren

8. he - mei stre - ven. Dien uw Zoon voor ons ont-

9. hart en zin - nen, Dat wij, de~aard-sche stor - men

I|ë

gËlËÜËiii

6. kwikt, En in 't ho - pe - loo - - ze ster - ven

7. groet; Sla uw vriend-lijk oog ons ga - de,

8. sloot. En aan 't eind van 't vreemd'-lings - le - ven,

9. door, 't Va - der - land der rus - te win • nen.

ocr page 84

72

8

6.'tWach-tend hel -le- - vuur ver - schrikt!

7. Dat den zon - daar ho - pen doet.

8. Rus - te vin - den in den dood.

Tusschenspel.

9. Waar ons 't eeu • wig licht ont - gloor'.

W. P. H. Jansen, Pr.

Üi

44. MARIA, TROOSÏERESSE.

Een toon lager, in bes. Allen.

m

Refrein. 1. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,

2. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,

3. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver • ee - ren,

4. Moe - der des Hee - ren! 'k Wil u ver - ee - ren,

Ü

lp

1. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw

2. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw

3. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw

4. O zoe - te troost voor 't hart in smart; Groot als uw

'0-

I.

lij - den,

Is

uw

ver

blij

- den,

O

Moe

der 1

g'j

zoo

2.

lij - den,

Is

uw

ver

blij

- den,

0

Moe

der ï

g'j

zoo

3-

lij - den,

Is

uw

ver

blij

- den,

O

Moe

der!

g'j

zoo

4-

lij - den,

Is

uw

ver

blij

- den,

O

Moe

der!

g'j

zoo

ocr page 85

73

Eenigen.

Gij schenkt ver - kwik - king Uw teed' - re hand droogt Uw moe - der - hart, zoo Wat ramp of krui - sen

ü

I

O—itjL_pa=i:

±=t:=it aan de on - ze vol meê-mij dan

goed, zoo goed, zoo goed, zoo goed, zoo

zoet! zoet I zoet! zoet!

i

1. zie - len, Die tot u roe - pen in den nood;

2. tra - nen, Uw zoe - te stem ver - zacht ons wee;

3. doo - gen, Is met ons a'1 - Ier leed be - gaan;

4. tref - fen, Ik wijd ze~aan u, mijn Moe - der! toe;

li

1. van den

2. bij met 3- en in 4. smart nog

eeuw - gen u - we ster - ven blij te

Allen.

dood. Refr.: Moe- der beê. Moe-der

aan. Moe-der

Moe-der

des

enz.

des

enz.

des

enz.

des

enz.

moe.


ocr page 86

74

45. SMEEKLIED TOT MARIA, OM EEN ZALIG LEYEN EN STERVEN.

Eenigen.

te

denk ons lang we~in ons, 't zij kwijt - schei-zorg - zaam gij ons help ons

W. P. H. Jansen, Pr.

i

I.

Oct -

moe - dig

val

- len

wequot;u

te

voe -

ten,

O

2.

Wij

bid - den

met

be

- wo -

• een

har -

ten,

O

3-

Wil

ons uw

trou

- wen

bij -

stand

ge -

ven,

O

4-

Wij

bid - den

u,

wil

u

ont - fer -

men,

O

5-

Ach

bid, dat

Te - sus

on -

ze

zon -

den,

O

6.

Dat

weal-tijd

om

ver

- ge -

ving

zuch -

■ ten,

O

7-

En

zijn we~in

zie

- le -

smart

of

lij -

den,

O

8.

Naakt

eens voor

ons

het

uur

van

schei -

den,

O

1.

goe -

de

He -

mei

ko

ning -

in !

Ge -

2.

goe -

de

He -

mei

ko

mng-

in!

Ge -

3-

goe -

de

He -

mei

ko

ning-

in !

Zoo -

4-

goe -

de

He -

mei

ko

mng-

in !

Wil

S-

goe -

de

He -

mei

ko

mng -

ir,!

Ons

6.

goe -

de

He -

mei

ko

nmg-

in I

En

7.

goe -

de

He -

mei

ko

nmg -

in !

Wil

8.

goe -

de

He -

mei

ko

nmg -

in I

Ach,

1. we~u eer - bie -

2. om uw Ze -3 bal - ling- schap

4. rijk of arm,

5. de~om zijn dier -

6. al - le zon -

7. met uw troost

8. tot den dood dig groe ven Smar hier le -be -scher -b're won -den vluch ■ ver - blij -be - rei -

den, den.

Als

kind*

ren

van

uw

Als

kind'-

ren

van

uw

Wij,

kind'-

ren

van

uw

Als

kind'-

ren

van

uw

Als

kind'-

ren

van

uw

Als

kind'-

ren

van

uw

Als

kind'-

ren

van

uw

Ons, kind'-

ren

van

uw


ocr page 87

75

Allen.

ü

1.

2.

huis - ge ■

huis - ge

huis - ge ■

huis - ge

huis - ge

huis - ge

huis - ge

huis • ge ■

O-

4.

5.

6.

7.

8.

'd

- zin.

Refr, Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

w

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

Wl

u

smee-ken

Wat

God

be-

- zin.

Zoo

wi

ü

smee-ken

Wat

God

be-

i=

I. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed* -

re

Maagd

Uw

2. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed'-

re

Maagd

Uw

3. haagt;

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed'-

re

Maagd

Uw

4. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed'■

re

Maagd

Uw

5. haagt

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed' -

re

Maagd

Uw

6. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken.

Gij,

teed' •

re

Maagd

Uw

7. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken.

Gij,

teed' -

re

Maagd

Uw

8. haagt:

Wil

voor

ons

spre -

ken,

Gij,

teed' •

re

Maagd

Uw

Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat Wat

vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt, vraagt.

ge* ëe' ge-ge-ge-ge-ge-

Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal Zoon zal

'l schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken 't schen - ken

gij Hem

gij Hem

gij Hem

gij Hem

gij Hem

gij Hem

gij Hem

gij Hem

En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind En 't kind

ocr page 88

70 *

den - ken, Dat

den - ken, Dat

den - ken, Dat

den - ken. Dat

den - ken, Dat

den - ken, Dat

den - ken, Dat

ü tot tot tot tot tot tot tot tot

klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.

den - ken. Dat

h

Eenigen.

Dekt reeds de doods-kleur on - ze wan - gen, O

Als Sa - tans lis - ten ons be - ko - ren, O

Kom dan, kom ons de ho - pe ge - ven, O

En in het uur van ons ver - schei-den, O

Dan zal Hij re • ken- schap ons vra - gen, O

Sj' eek dan, spreek dan voor ons, o Moe - der, O

Ver - werf, dat wij in 's he - mels ho - ven, O

9-

10.

11. 12. «3-

14.

15.

11:

! Laat ons uw

! Laat ons uw

Van 't eeu - wig,

Ach! wil ons

Als Heer en

Bij u - wen

Met al - le

9

10

11

12 »3 14 'S

He He He He He

goe - de He goe - de He goe- de goe- de goe- de goe- de goe - de

mei - ko - ning - in

mei - ko - ning - in

mei - ko - ning - in !

mei - ko - ning - in !

mei - ko - ning - in !

mei - ko • ning - in !

mei - ko - ning - in !

w

9. moe - der - hulp er - lan - gen,

10. zoe - te stem - me hoo - ren,

11. za - lig glo - rie - le - ven,

12. tot uw Je - sus lei - den,

13. Rech - ter on

14. Zoon en on

15. Hei - li - - gen u lo - ven,

ÈilÉiiëi

Als kind'-ren Ons, kind'-ren

Ons, kind'-ren

Als kind'-ren zer da - gen, Ons, kind'-ren

zen Broe - der. Als kind'-ren

van uw

van uw

van uw

van uw

van uw

van uw

Wij, kind'-ren van uw

ocr page 89

77

iflêÜËr

huis - ge - zin.

huis - ge - zin.

huis - ge - zin.

huis - ge - zin.

huis - ge zin.

huis - ge - zin.

Allen,

it:

huis - ge - zm.Refr.7jOO wij

9-

10.

11. 12.

13.

14.

IS-

Zoo wij

Zoo wij

Zoo wij

Zoo wij

Zoo wij

Zoo wij

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-

u smee-ken Wat God be-


g, haagt: Wil voor

10. haagt: Wil voor

11. haagt: Wil voor

12. haagt: Wil voor

13. haagt: Wil voor

14. haagt: Wil voor

15. haagt: Wil voor ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! üw

ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! Uw

ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd • Uw

ons spre - ken. Gij, teed' - re Maagd ! Uw

ons spre - ken. Gij, teed' - re Maagd ! Uw

ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd ! Uw

ons spre - ken, Gij, teed' - re Maagd! Uw


9. Zoon zal 't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En 't kind ge

10. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En't kind ge

11. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge

12. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En't kind ge

13. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge

14. Zoon zal 't schen - ken Wat gij Hem vraagt. En 't kind ge

15. Zoon zal't schen - ken Wat gij Hem vraagt, En't kind ge

9. den - ken, Dat

10. den - ken, Dat

11. den - ken, Dat

12. den - ken, Dat

13. den - ken, Dat

14. den - ken. Dat

15. den - ken. Dat

I

klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt, klaagt.

tot tot tot tot tot tot tot

ocr page 90

7«

46. LITANIE-ZANG TOT MARIA OM EEN ZALIGEN DOOD.

W. P. 11. Jansen, Pr.

Een kleine terts hooger, in es.

==1— —jZT'

4 J

-^—#—4—cd——

-—1—J-:

S» «—H

Wees, wees ons ge -Va - der! in dien Geest van licht en

- be - vlek - te het li - chaam de ziel reeds het bloed ons ons half - ge -

• na - dig Heer; jong-sten strijd, lief-de' en kracht! Moe - der - maagd I zich ont - bindt, in 't ver - schiet reeds ver - stijft, bro - ken oog

Groo - te Wil U Hei - lig Strek ik Door de God haar Macht-loos Zich nog

ün Als Als Als Als

M

3-

Sm*

God van dood en le-ven!

on - - zer dan ont - fer-men; en drie - - ee - - nig - We-zen!

mij op 't sterf - bed ne-der,

lan - ge, ban - ge smar-te,

Rech - ter ziet ge - - na-ken,

on - - ze ban - den be - ven,

vest op Je - sus' won-den,

Als Ik re - ken-Chris-tus, God! wil Oor-sprong, Ein - de, O mijn Moe - der! O - pen dan uw Laat, laat zij de Zij die troost ons Daar ver - ge - ving


i

1. schap moet ge - ven,

2. ons be - scher men,

3. nooit vol - pre-zen!

4. goed en tee - der,

5. moe - der - har-te

6. gunst dan sma-ken,

7. dan ge - • ge - ven, S. zoekt der zon-den,

-t-

En van de~aar - de we - der-Die voor ons ge - stor - ven

Troost ons in dien ster - vens-

Geef ons wat ons hart u

Voor de ziel die u be-

Dat gij haar uw bij - stand

Moe • der! dat gij bij ons

Voer dien smeek-blik naar om-


ocr page 91

79

9

P e ^ J

—s-•—

■ = q»

-j i —0---

1.

keer:

Wees

ons

dan

Se

- na - dig

Heer!

2.

zijt.

Sterk

ons

in

dien

jong-sten

strijd.

3-

nacht.

Geest

van

licht.

van

lief-de~en

kracht!

4-

vraagt:

Sta

ons

b'j,

0

Moe-der -

maagd:

s.

mint.

Dat

ZIJ

daar

een

schuil-plaats

vind',

6.

biedt, blijft,

Moe -

der!

in

dat

bang ver -

schiet.

7-

Als

het

bloed

ons

reeds ver -

stijft,

8.

hoog.

Van

het

half -

ge

- bro - ken

oog,

4

1. Wees ons dan ge - na • dig Heer! Tusschenspel.

2. Sterk ons in dien jong-sten strijd.

3. Geest van licht, van lief-de en kracht!

4. Sta ons bij, o Moe-der - maagd!

5. Dat zij daar een schuil-plaats vind'.

6. Moe - der! in dat bang ver - schiet.

7. Als het bloedons reeds ver - stijft.

8. Van het half - ge - bro - ken oog.

Moe - der Als de Als Als

Staat mijn ziel voor Gods ge - richt, God - lijk Lamlbarm - har - tig Heer! God - lijk Lam! barm - har - tig Heer! God - lijk Lam! barm - har - tig Heer 1

——«—' —Ö--

-j—

—1—

—es—

Als

gij

Ons

het

Ons

te

In

het

Om

Hem

Laat

in

Laat

uw

Gij,

ge-

van barm - har - tig - heid! Ie - vens - kleur ver - dwijnt, voor 't laatst des vij - ands macht mij de~eeu-wig - heid ver - schijnt,

ocr page 92

8o

-4zf-

m

9-

10.

11. 12.

13.

14. IS-l6.

van mijn dood-zweet fel - Ier 00 - gen van dit on - ze bitt' - re kruist vooi

m

Ach, ver - berg ons

vee - ge lip - pen uit komt bre-ken, komt ont - roe-ren, blik van schei-den, aard - sche le - ven ster - vens-schrik-ken dood en lij - den on • ze zon-den,

Nog uw Moe-der! Ons tot Moe-der! Stren-ge Laat uw Ons in

m

d:

teed'-ren ach! wil wan-hoop wil mijn re - ken-zoen-bloed 't ster-vens-


-e-----

mind —1

i 1

1 * A

UU 1 1

9.

naam hoort

glip-pen:

Ach, wees

tot

mijn

hulp

be-

IQ.

voor ons

spre-ken,

Als dit

vrees

- lijk

uur

ver-

II.

wil ver

voeren,

Dat uw

blik

den

schrik

ver-

12.

ziel ver

- bei-den,

Als 't heel

- al

voor

haar

ver-

schap te

ge - ven,

Treed dan

voor

zijn

aan -

ge-

14.

ons ver -

kwik-ken;

Da-le^één drup

- pel

op

ons

15.

uur ver

blij-den.

Zie ge -

na -

dig

op

ons

I6.

in uw

won-den.

Ach, ge -

denk

mijn

schuld

niet

ifsgd

9. reid,

10. schijnt,

11. zacht',

12. dwijnt,

13. zicht,

14. neêr,

15. neêr,

16. meer.

Moe - der En het Moe-der! O dat Spreek voor Spaar dan, Ach. ver -Maar ont •

van barm licht voor van dien gij dan mij in spaar ons, hoor ons ferm U

ö

- har - tig - heid ! ons ver - dwijnt, ster-vens - nacht, haar vei - schijnt!

't bang ge - richt, zon-daars. Heer! dan, o Heer! on - zer. Heer!


ocr page 93

Si

Ss=^Ei0=$=^i=5B3=i^^ii=

9. Moe-der van barm - har - tig - heid! Ttisschenspel,

10. En het licht voor ons ver - dwijnt,

11. Moe - der! van dien ster-vens - nacht.

12. O dat gij dan haar ver-schijnt!

13. Spreek voor mij in 'tbang ge - richt.

14. Spaar dan, spaar ons. zon-daars, Heer!

15. Ach, ver-hoor ons dan, o Heer!

16. Maar ont-ferm U on - zer Heer!

47. SMEEKLIED TOT MARIA VOOR DE OVERLEDENEN.

\V. P. H. Jansen, Pr.

Eenigen.

quot;cdquot;,-*—cH . J. ---- --1

m

iÜ

1. Uit de die - pe boe-te - kol-ken Dringt de wee-klacht

2. Aan des le-vens leed ont - he-ven, Is aan 't li-chaam

3. Uit Gods a - de - ming ont - spro-ten, Uit zijn le - ven

4. Wat al smart de ziel ook dra - ge, Hoe de wroe - ging

5. Hoe dOor-fol-terd ook van bin nen. God toch, God al-

6. Of zij zuch-ten, smee-ken, ker-men, Rust-loos roe - pen

—#—^ o

—H—ps—P_F=~

-psr . tl

P r c h=£==\

—S*—P_Ë—p_.

r t- ^

1.

naar

de

wol

ken

Al der doo-den.

die

dit

uur

2.

rust

ge -

ge -

ven;

Maar de ziel! zij

rust

niet

eer

3-

voort

-ge.

vlo -

ten,

Is voor haar geen

heil -

ge-

not

4-

rust -

loos

kna

ge:

Ver - re van haar

God

te

znn.

,v

léén

be -

min-

nen

En Hem der-ven!...

wat

ge-mis !.

6.

om

ont

fer-

men,

Neen ! het baat bij

Gods

ge-

mis.

6

ocr page 94

82

i:

1. Lij - den in het

2. Voor zij op - gaat

3. Dan in 't blij ge

4. Is haar de~al - Ier -

5. Groot, ach! als Gods

6. 't Baat hun tot geen lout'-rend vuur: Heer! ont-ferm U

tot den Heer: Heer! ont-ferm U

zicht van God: Heer! ont - ferm U

fel - ste pijn! Heer! ont - ferm U

glo - rie is: Heer! ont-ferm U

la - fe - nis: Heer! ont-ferm U


Allen.

der der der der der der

En En En En En En

ner. ner. ner. ner. ner. ner.

1. hun

2. hun

3. hun

4. hun

5. hun

6. hun

gij Moe - der

gij Moe - der

gij Moe - der

gij Moe - der

gij Moe - der

gij Moe - der

ge - na - de ! ge - na - de! ge - na - de! ge - na - de ! ge - na - de! ge - na - de !

1. Sla hun smart'-lijk

2. Sla hun smart'-lijk

3. Sla hun smart'-lijk

4. Sla hun smart'-lijk

5. Sla hun smart'-lijk

6. Sla hun smart'-lijk zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten


toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn, toe -vlucht zijp, toe - vlucht zijn, toe - vlucht zijn.

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn :

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

2.

3-

4-

5-6.


ocr page 95

»3

it—lp—crl--3—

p-U---—

L—e—-.-1

1. Bid voor hen, Ma - ri - a!

2. Bid voor hen, Ma - ri - a!

3. Bid voor hen. Ma - ri - a!

4. Bid voor hen, Ma - ri - a!

5. Bid voor hen, Ma - ri - a!

6. Bid voor hen, Ma - ri - a!

Eenigen.

7. Zij dan, in hun

8. Zij, ach! die zoo

9. Wil, ge-na-dig

10. Laat hen die toch

11. Geef hun, die in

12. Nogeens, voor U

on - ver - mo-gen, droe-vig kla - gen, God! ver - ge - ven U be - min-den, ker - ker-nach-ten neêr - ge - bo - gen,

Kla-gen ons met 't Zijn on-ze^ou-ders, Wat zij te - gen Laat hen nu ont-Naar uw va - der-Smee-ken we^U: Heb


sraee-ken-de~oogen: kind'-ren, ma - gen, U mis - dre - ven, fer - ming vin - den: blik ver-smach-ten, me - de - doo - gen!

7-8. 9-

10.

11.

12.

„Wist gij, die op 't Is een ziel, -ach Ein - dig, ein - dig Om het lij - den Geef hun in uw Voer hen uit den aar - de zijt, wat ver-wijt !-hun - ne straf, van uw Zoon, aan - ge-zicht lan - gen nacht


7-

„Wist gij, wat

een

ziel

hier

lijdt!quot;

Heer!

ont -

ferm

U

8.

Die door ons

die

smar

- ten

lijdt!quot;

Heer!

ont -

ferm

U

Q.

Wisch hun laat -

ste

smet

- ten

af:

Heer!

ont •

ferm

u

10.

Geef hun 't lang

ver -

- bei

- de

loon :

Heer!

ont -

ferm

u

11.

De~eeuw'ge rust

en

eeu

• wig

licht:

Heer!

ont -

ferm

u

12.

In de glo -

rie

die

hen

wacht:

Heer!

ont -

ferm

u

f=

7-

ocr page 96

84

ner. ner. ner. ner. ner. ner.

En En En En En

gij Moe - der

gij Moe-der

gij Moe - der

gij Moe - der

gij Moe - der

dei-der der dei-der

ge - na - de ge - na - de ge • na - de ge - na - de ge - na - de

11.

Allen.

t'jr 1

. 1 a=H

--quot;1--|---

r r p-—r

--F2*—»—cd-ö--

1:^2-- -

-1--1-----

hun

8. hun

9. hun 10. hun

En gij Moe - der der ge - na - de

hun

12. hun

m

:—

-c=i-

7. Sla hun smart'-lijk

8. Sla hun smart'-lijk

9. Sla hun smart'-lijk

10. Sla hun smart'-lijk

11. Sla hun smart'-lijk

12. Sla hun smart'-lijk

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de, zuch-ten ga - de,

zuch-ten ga - de.

Ach, uil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten

Ach, wil hun ten


7. toe - vlucht zijn,

8. toe - vlucht zijn,

9. toe • vlucht zijn,

10. toe - vlucht zijn,

11. toe - vlucht zijn,

12. toe - vlucht zijn,

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on - uit - spreek-b're pijn:

In hun on • uit - spreek-b're pijn:

In hun on • uit - spreek-b're pijn:


i

i

_c=?'

a! a! a! a! a! a 1

Ma Ma Ma Ma Ma Ma

9.

10.

11.

12.

Bid voor hen, Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen. Bid voor hen.

ocr page 97

»5

48. LOF, DANK EN OPDRACHT AAN MARIA'S MOEDERHART.

W. P. H. Jansen, Pr.

Een toon lager, in bes.

—1—_4-—•—

f . -it --=1

[=3 d=j

-O-

hr • M

1. O Maagd, o schoon-heid nooit vol - pre - zen! O

2. Wij der - ven in het aard - sche duis - ter 't Ge-

3. Ach, kon - den on - ze kin - der - klan - ken ü

4. Zie, Moe - der, al - tijd goed en tee - der I O

5. Dan spann' de we - reld vrij haar strik - ken, Dan

6. Met u dan zul - len wij ver - win - nen, Wij

ï. Moe-der van't on - ein - dig We - zen ! Wat luis - ter

2. not nog van uw he - mei - luis - ter, Maar sma - ken

3. voor de^on - tel • b're ga - ven dan - ken. Ons toe - ge-

4. zie met wel - be - ha - gen ne - der Op 't of - fer

5. dreig' de hel ons met haar schrik - ken. Wat vij - and

6. blij - ven eeu- wig u be - min - nen, En zien u

T. schit - tert van uw troon; De Se - raf, aan zich zelf ont-

2. toch uw lief - de - gloed ; De Se - raf zin-gVuw heer- lijk-

3. vloeid door u - we hand: Ont-vang voor al die ze - ge-

4. van ons kin - der - hart; Omoog'het im-mer 't u - we

5. on - ze ziel be - strijd': Wij we-ten, wij, op wie wij

6. op uw glo - rie - troon ; Dan zul - len met de he - mei-

1.

to -

gen,

Juicht,

voor uw

glo- rie

neêr

ge

bo

gen

O

2.

he -

den.

Wij

dan.

wij

jui-chen

hier -

he

ne -

:len

O

3.

nin -

gen.

Ma -

ri

a!

van uw

gun -

ste

lin -

gen,

Kun

4.

we -

zen.

Geen

on-

heil

is ons

dan

te

vree

zen :

Wij

5.

ho -

pen,

Uw

moe

der

hart staat

voor

ons

0 -

pen.

O

6.

krin -

gen,

Ook

wij,

0

Moe-der!

eeu -

wig

zin

gen

; Wat

ocr page 98

86

li

1. Ko - ning - in ! wat

2. Moe - der • maagd! wat

3. hart ten eeu - wig

4. zijn ge - troost in

5. gij, die on - ze

6. zijt gij goed, wat

zijt gij schoon, Tusschenspel, zijt gij goed.

lief - de - pand.

al - le smart.

toe - vlucht zijt!

zijt gij schoon I


49. GEZANG NA DE OPDRACHT.

Zangwijze als no. 3.

(-a-

he - mei - lin - gen! \Vij

2.

3-

4-

5-6.

Juicht, juicht met ons,

Zij heeft ons Je - sus, on - zen Broe- der, Uit

Zij is 't, die thans met wa • ken- de~oo - gen Ons

Zij is het, die in ziels - ge - va - ren Ons

Haar naam dan le - ve in al - Ier har - te, En

O gij, om wie wij hier ver - gé - ren, O

i

1

1. zijn Ma - ri - a toe - ge - wijd; Haar al • taar blij-ven

2. maag • de - lij - ken schoot ge - baard ; Zij, als Gods Dochter,

3. ga -slaat van haar glo - rie - troon; Wat zou haar be - de

4. hoedt met moe - der - lij - ke hand ; De Zee - ster, die op

5. al - Ier hart zij haar ge - wijd; Het blaak' van liefde~in

6. leid ons op het pad der deugd, Tot-dat wij met de

i

ï. wij om - rin - gen: Zij zal ons ster - ken in den

2. Bruid en Moe - der. Van al - le zon - de - smet be-

3. niet ver - mo - gen Bij Je - sus, ha - ren God en

4. 's le - vens ba - ren Ons wenkt naar 't he- melsch va - der-

5. vreugd en smar • te: Ze^is on - ze Moe - der voor al-

6. zaal' - ge scha - ren U zien in ein - de - loo - ze

ocr page 99

87

rJ» {ijl

[—1—u—y

■ » 1 ■■

---«—

I.

strijd. O

za

hg

uur

vol

ze

- g? -

nin

- gen!

Wij

2.

waard!. O

za

''g

uur

vol

ze

- ge -

run

- g™!

Wij

3-

Zoon ? O

za

'ig

uur

vol

ze

- ge -

nin

- gen I

Wij

4.

land. O

za

üg

uur

vol

ze

- ge -

nm

- gen !

Wij

5-

tijd! O

za

lig

uur

vol

ze

- ge -

nin

- gen !

Wij

6.

vreugd! O

za

hg

uur

vol

ze

- ge -

nin

- gen !

Wij

1.

zijn

Ma

ri

a

toe

- ge

- wijd

Laat

ons

ver-

2.

zijn

Ma

ri -

a

toe

- ge

- wijd

Laat

ons

ver-

3-

zijn

Ma

ri -

a

toe

- ge

- wijd

Laat

ons

ver-

4.

zijn

Ma

ri -

a

toe

- ge

- wijd

Laat

ons

ver-

5-

zijn

Ma

ri -

a

toe

- ge

- wijd

Laat

ons

ver-

6.

zijn

Ma

ri -

a

toe

• ge

- wijd

Laat

ons

ver-

—^--

P L r

L—1----

—0—*-•

i=3

1.

eend

Ma

- ri

a

zin

- gen

Ze^is

on

- ze

Moe -

der

2.

eend

Ma

- n

a

zm

- gen

Ze^is

on

- ze

Moe -

der

3.

eend

Ma

- n

a

zin

- gen

Ze^is

on

- ze

Moe -

der

4.

eend

Ma

- n

a

zm

- gen:

Ze^is

on

- ze

Moe -

der

s.

eend

Ma

- n

a

zin

- gen

Zeis

on

- ze

Moe -

der

6.

eend

Ma

- n -

a

zm

- gen:

Ze is

on

- ze

Moe -

der

i

tij d I TusscJunspel. tijd!

tijd!

tijd!

tijd!

tijd!

1. voor al

2. voor al

3. voor al

4. voor al

5. voor al

6. voor al

ocr page 100

88

50. DANKLIED.

W. P. H. Jansen, Pr.

Een toon hoóger, in d.

35=

1. Weêr dan is de Mei-maand he - nen En haar laat - ste

2. Met de blij - de he - mel-krin - gen Moch- ten wij haar

3. Bij de lich ten, die er glo - ren, Bij de ko - ren,

4. U dan eer en dank ge - ge - ven, U dan zij ons

5. Zóó dan, Moe-der, nooit vol-pre-zen! Zul - len we^eeu-wig

Â¥

~i v 1 . ^

H

—1---ï—^-j

1. licht ver - sche - nen : Laat ons, trou - we kin - der-schaar!

2. lief - de zin - gen, Eén van hart en één van min,

3. die we hoo - ren O - ver heel de jui - chen-de~aard',

4. gan - sche le - ven En ons ster - ven toe - ge - wijd,

5. de^u- wen we - zen. Zien we^uw Zoon in 't eeu - wig licht,

1=$

1. Om Ma - ri - a's feest - al - taar,

2. Als één en - kei huis - ge - zin

3. Waar de he - mei zich aan paart;

4. U, die on - ze Toe-vlucht zijt! 5 Aan - ge - zicht aan aan - ge - zicht;

Laat ons met ver-Als van zóó - veel Bij de bloe - men Zóó dan, lief - de-Zien wij al zijn


1. een - de klan-ken, On - ze teed'-re Moe-der dan-ken;

2. kin - der - le - den, Klom-men on - ze smeek-ge - be - den

3. die hier gen - ren, Bij de ze - ven - vou - de kleu - ren

4. rijk- ste Moe ■ der ! Voe-re~uw Je - sus, on - ze Broe- der,

5. glo - rie - stra - len O - ver u daar ne - der - da - len;

ocr page 101

8Q

m 1 *

—•-d—

•—*'

X-

r • ' « * J l

1. Maar geen dui-zend - stem-mig lied Meldt het heil aan

2. Tot de Moe - der van den Heer; En zijn gun - sten

3. Aan den heil'-gen he - mei-boog, Klimme~ook on • ze

4. 't Hem en u g6 - wijd ge - zin 't Ein - de - loo - ze

5. Jui - chen we~eeu\vig: „Dank en eer Aan de Moe - der

=|3=P=p|i|gi|======

1. ons ge - schied ! Tussc/ienspel,

2. stroom-den neêr.

3. dank om - hoog!

4. dank - feest in !

5. van den Heer Iquot;

Zangwijze als no. 46.

51. TOEWIJDING AAN MARIA OP DEN DAG DER H. COMMUNIE.

Een kleine terts hooger, in es.

Moe - der Gods! zie op ons rieêr: He - dén,

Gij die u met ons ver - blijdt, Help ons

Wij nu op deez' groo-ten dag, Dat uw

Maar zoo zwak is on - ze deugd, 't Le - ven

U dan wijdt zich quot;t dank-baar kind, U voor

Toon, dat ge~on-ze Moe-der zijt! 0

ü

2. 3.

4-

s.

:±=r|z

PP

'4

m

naar ons ziels - ver - lan - gen, Moch-ten wij uw

u - wen Je - sus dan - ken: Ach, te zwak zijn

Zoon zich ons kwam ge - ven, Schen-ken Hem ge-

is zoo vol ge - va - ren; Wil dan, Moe - der!

al zijn le - vens - da-gen: Neem ons aan in

blijf, als wij u smee-ken, Blijf voor ons bij

ocr page 102

9°

i

I.

Zoon

ont -

van

gen,

On -

zen

God

en

on -

zen

2.

kin -

der -

klan-

ken !

Help

ons

die

zijn

Moe -

der

3-

heel

ons

le -

ven,

Schen-

ken

wat

ons

hart

ver-

4-

ons

be -

wa -

ren,

Wat

ons

wach

quot; te,

smart

of

s.

wel

be -

ha -

gen,

Gij

die

ons

zoo

teèr

be

6.

Je -

sus

spre-

ken.

He -

den

en

ten

al -

ien

l—0-J—

■ s .

1—r-j--

Moe - der Gods ! 2ie

neêr.

op

Gij die u met ons ver - blijdt.

Moe - der! op deez' groo - ten dag.

Want zoo zwak is on - ze deugd,

U dan wijdt zich 't dank - baar kind,

Toon, dat ge on - ze Moe - der zijt!

Tusschensptl,

ii

1. Moe • der Gods! zie op ons neêr.

2. Gij die u met ons ver • blijdt.

3. Moe • der op deez' groo - ten dag.

4. Want zoo zwak is on - ze deugd.

5. U dan wijdt zich't dank - baar kind.

6. Toon, dat ge quot;on • ze Moe - der zijt!

1. Heer:

2. zijt: 3- mag,

4.vreugd,

5. mint,

6. tijd,

ocr page 103

9

52. DE ONBEVLEKTE MAAGD.

(naar een syriesch dichter.)

Naar het oude „Pner nobis nascitur,quot;

F#i:

1. De~uit-ver - ko - ren Moe - der ■ maagd, In ons

2. Zij ge • viel Hem, toen Hij kwam Om met

3. 't Hoog • ste top - punt van ge - nd Is wel

4. Ned' - rig, recht van zin en geest, Zui - ver

5. Was er rei - ner maagd wel - eer Op deezgt;

6. Had de Heer één vlek ■ je maar Op haar

7. Maagd en Moe - der, vrij van smet! Door uw

i

1. lied ver - he -

2. ons te we -

3. God te ba -

4. bo - ven al -

5. aard' ge - von ■

6. ziel zien kle -

7. God ver - ko -

f—» g

-| —

- ven. Heeft het hoogst aan God be-

- zen; Moe - der werd zij van het

- ren : Zij dan, zon - der we ■ der-

- len, Is Ma • ri - a 't Huis ge-

- den: Aan Ma - ri - a had de

- ven: Een dan zon - der smet voor-

- ren, Wil het lof - en dank- ge-


m

I hangd. Om haar hei - lig le - ven.

2. Lam, Moe - der. nooit vol - pre - zen.

3. gé., Is niet te~e - ve - na - ren.

4. weest Naar Gods wel - ge - val - len.

5. Heer D' En-gel niet ge • zon - den.

6. waar Had Hij zoo ver - he • ven.

7. bed Van uw kind'- ren hoo - ren.

Tusschens]gt;el.

ocr page 104

92

53. LOFPEIJZING VAN MARIA, ONBEVLEKTE MAAGD EN MOEDER GODS.

(van den kardinaal-aartsbisschop j. von geissel.)

Corner's geistl. Nachtigall 1676.

Voe - dend be-Min - lij- ke^en

1=1=3;

i. Won - der van glo - rie - pracht! Won - der van

2 Schuld'-loos ge - bo • re - ne, Ee - nig • ver-

3. Gij trouw - ge - ble - ve - ne, En hoog - ver-

4. Gij, uw God ba - ren - d^

5. Al - tijd zacht - moe - di

:Jr-:

1. moe-der-macht! Liefd'-rij-keraan-min - ni - ge, he - mei - sche

2. ko - re - ne, Gij, tot Gods Doch - ter en Moe - der en

3. he - ve - ne, Gij, on - ze Leid-Ster! gij licht op ons

4. wa - ren • de, Moe- der in vreug- den en smar- ten zoo

5. goe - di - ge Moe- der van God, van ge - na - de ver-

=*3

üüü

I. Vrouw! Wie ik Bruid! In al

3. neêr; Glo - ries

4. rijk, Was er

5. vuld; Wil ach

ten

eeuw'-

ger.

tijd

Uit

heel

mijn

de

maag-

den -

nj»

Blonk

niet

de

om

- we -

me -

len

Hoog

in

de

ooit

schul •

■ di -

ge

U,

zoo

ge

ons,

zon -

di -

gen,

Wil

ons

ver-

1. hart mij wijd; Wie ik en

2. rein-ste^als gij ; Zelf koos de

3. he - me - len U als het

4. dul - di - ge Schuld'-loo - ze

illiraipiiiiipil

:t=

li-chaam en ziel toe - ver-

Heer u ten tem - pel zich

naast bij den troon van uw

Moe-der! in lij - den ge-

5. kon - di - gen, Na - mens uw Zoon, de ver - ge - ving der


I

ocr page 105

93

t

-•—•—

tp_t—

. U 1- ''p-

c . r ^

—1

1. trouw: Goed, bloed en le - ven Wil ik u ge - ven;

2. uit; Gij vlek - ke loo - ze Le - lie en Ro - ze.

3. Heer; Gij, door uw zoet - heid. Toon-beeld van goed - heid,

4. lijk ? Gij, uit - ge • le - zen, Za • lig ge - pre - zen

5. schuld; VVil bij 't ver - schei - den. Wil ons ge - lei - den;

8

m

1.'k Geef het vol vreug-de. Ma - ri - a! aan u. Tusschenspel.

2. He-mei en aard'biên u hul-de^op uw troon.

3. Zóó groet u dequot;aar-dequot;en het he - mei - sche hof.

4. Gij zijt de Moe - der, die zon - da - ren redt.

a-

5. Pleit voor ons, Moe - der! bij Je-sus, uw Zoon.

54. ANGELUS DOMINI. blt;C

(DE ENGEL DES HEEREN.)

Eenigen. Naar Hsndel.

-^-5—3----

----1_—-—

-1—

JL —' ,

VU fi }

I.

Ge

- zant aan

Ma

- n

a is

de En

-gel

ge-

2.

Zij

sprak: „Zie

de

dienst-

maagd des

Hee-

ren.

Zl)

3-

En

vleesch is

Re

wor

- den het

Woord

God

de

4.

Wil

gij voor

ons

bid

- den, die

God

hebt

ge-

ocr page 106

94

::—

—f1----1

—0-j—

En zij heeft ont - van - gen van den Heil*-gen

Het mo - ge ge - schie-den aan mij naar uw

En nam in ons mid - den zijn blij • ven - de

Zoo wor - den wij Chris - tus7 be • lof - ten eens

Allen.

-r-t-

1. Geest. Ge - groet, ge - groet, Ma - ri-a! ge - groet; Ge-

2, woord.quot; Ge - groet, ge - groet, Ma - ri-a! ge - groet; Ge-3 woon. Ge - groet, ge • groet. Ma - ri-a! ge - groet; Ge-4. waard. Ge - groet, ge - groet. Ma - ri-a! ge-groet; Ge-

l§%=fi=3=ia=Ei=l=is£l

P-

1.

groet,

ge

- groet,

Ma

ri -

a!

ge

- groet

2.

groet,

ge

- groet.

Ma

n -

a!

ge

- groet

3-

groet,

ge

- g'oet,

Ma

n -

a!

ge

- groet

4.

groet.

ge

- groet.

Ma

n -

a!

ge

- groet

55. HET WEES GEGROET.

Zangwijze als no. 1.

Een kleine terts hoog er, in es.

1. weest;

2. hoort;

3. Zoon,

4. baard,

—1--*—#—

1,

Wees

ge -

groet op

kin -

der

toon, God,

Wees ge-

2.

Al -

le

gunst vondt

SM

bij

Al - le

3-

Mét

u

is uw

God

en

Heer!

Wie zou

4-

Wie

zal

ons uw

heil'

- ge

jeugd.

Wie ge-

S-

la,

dat

mij uw

God

en

Zoon,

A1 - Ier

6.

Lie -

ve

M oe - der!

0

mijn

vreugd!

Bid voor

ocr page 107

95

m

-j*

groet, Ma - ri - a! Moe-der Van Gods Eén - ge - bo - ren vol - heid van ge - na-den; Ach, zij ook zijn gunst- geil geen glo - rie ge - ven ? O mocht ik ook Hem ter ze - gend- ste^al-ler vrou-wen ! Vol ge - na - de~en vol van Za - lig - ma - ker, ze- gen'! Stroom zijn lief- dequot;en gunst-be-mij, en bid voor al - len. Die door gods-vrucht, rei - ne

1. Zoon, On - zen mensch - ge

2. not Mij ten troost op

3. eer, Al - tijd in zijn

4. deugd, Al uw heer - lijk

5. toon Op uw smeek - ge •

6. deugd, Stre - ven naar uw

f#—F-H

._!-4-i ^ -

Êi—si]

—S-!- • i|

wor - den Broe - der;

's le - vens pa - den,

lief - de le - ven!

• heid ont - vou • wen ?

-bed mij te - gen! wel - ge - val • len;


U Dat Dat Dat Dat En

zijt, mij, mij, mij, mij, nood.

zij ik dit ook uw in 't

U die on - ze

Moe - der Gods! o

Bid, Ma - ri - a!

Bid, Ma - ri • a!

Moe - der Gods! o

Bid voor ons in

Moe - der bid voor bid voor bid voor bid voor al - len

8

1. ook mijn lied ge - wijd!

2. Hem ge - val - lig zij.

3. al mijn stre • ven zij.

4. ik ge - ze - gend zij.

5. Zoon mijn Je - sus zij.

6. uur van on - zen dóód.

Q---

Jt. -J-J. ^

V'—^-•—

1-—1—•—

,—!.- ■

TusschensJgt;el,

ocr page 108

96

56, ZIE, IK KOM!

(meilied.)

C. Jaspers.

Een kleine terts lager, in a.

éis

1. Moe-der! waar mijn blik - ken zwe - ven,'k Zie in

2. Is 't uw stem, o lie - - ve Moe- der! Of van

3. Zou dan ddar de Zoon niet we - zen Waar zijn

4. Is Ma - ri - a zoö ver - he - ven Door de

5. Zien wij haar thans tot ons tre - den In zoo

i

le - ven, 'k Zie nw beel - te - nis

broe-der, Toen Hij, da - lend van

ne - zen,'t Licht weêr zijn in duiS

ge - ven Aan de zij - de van

be - den, Brengt uw hul - de van

al - om Van veel zijn troon, 's Le- vens ter • nis, Dat wij, zijn troon; Ons te al - om : Je - sus*


I.

keur

- ge -

bloem

te om

-ge -

ven, 't Is

als

suist

er:

2.

Oor-

sprong

en

Be -

hoe -

der, Hier

door

u

eens

3-

uit

ons

graf

ver -

re -

zen, 't Le

ven

vin -

den^

4-

hel

- pen

al

ons

le -

ven, Is

haar

zoet -

ste

5.

stem

dan

suist

nog

he -

den : „Zie,

uw

Moe -

der!

ocr page 109

97

m

1. „Zie, Ik kom!quot; Tusschenspel.

2. nam zijn woon.

3. aan zijn Disch ?

4. moe - der - loon.

5. zie, Ik kom!quot;

57. NIEUW MEI-LIED.

I.

Hulde aan Maria.

Zangwijze als no. 54,

Eenigen.

:i3=

I.

**-a—

Wat

zon - ni -

Se

dre

- ven

wat

lief' -

lijk

a-

2.

Wat

licht- gloed

en

kleu

- ren

ver -

ruk -

ken

ons

3.

Die

bloe - men, lof - lied

die

luis

- ter,

en

wat

er

hier

4.

Uw

zal

rij

- zen,

't zal^

Moe -

der!

uw

5.

De

Heer toch

der

hee

- ren.

uw

God

en

uw

tfci-

1. zuur!

2. oog!

3. prijkt, Het keert in het

4. macht En za - lig u

5. Zoon, Wil eeu - wig u

heel de geu - ren

Wat bloei-end her - le - ven van Als wie- rook gaan zan - gen en

na-om-be-

Sequot;

ten

duis ter; 't gaat op en prij- zen door al - le ee - ren, uw lief - de


ocr page 110

98

Allen.

1. tuur!'t Roept, Moe-der! nu, het roept uw Ge - zin, Tot

2. hoog. Uw kin - der - schaar, die feest - ge - tij viert. Heeft

3. zwijkt. O Maagd! uw kroon, uw glo - rie en eer, 't Blijft

4. slacht. Als de~aar - de zwijgt, de he-mei toch niet: Daar

5. loon. Hoor, Moe - der 1 hoor, daar ge~ons zoo be ■ mint, Uit

I.

u,

tot

u,

2.

uw

al

taar

als

de

troon

4-

stijgt,

daar

stijgt

S-

's he -

mels

koor,

voor ons zoo vol min. en beelt' - nis ge - sierd.

en 't woord var den Heer.

u 't ein - de - loos lied.

't u smee • ken - de kind.


II.

Bede aan HCaria.

Wij bid - den

Bid Je - sus,

Zoo wil dan

Voor ons die te ga - der, Be - scherm -ster der

6

7

8

9 10

o Moe-der! dat Hij zich ont-

de Ko - ren, van he - mei en

hier strij - den, ach, bid in dit

en vrucht- baar in

Zij nieuw heel ons le - ven


6.

Kerk!

Dat

God

on -

zen

Va

- der,

Paus

Le

- O

ver-

7.

ferm'.

Als

Her-

der

en

Hoe

- der,

de

zij

- nen

be-

8.

aard',

En

óns

ook

nu

hoo

- ren,

hier

om

u

ver-

9-

uur,

En

al

wie

nog

lij.

den

in

't lou

- te -

rend

10.

deugd;

't Zij

Je -

sus

ge -

ge-

ven,

in

lij

- den

en

ocr page 111

99

amp;

6. sterk'. Paus Le - o lev'! God steu - ne zijn troon! Aan

7. scherm'. O zoet ge - not! dat ge al- tijd, o Maagd! Voor

8. gadrd. Tot u, tot u gaan be - den en lied, Dat

9. vuur. O Moe - der - maagd! o dat uw ge - bed. Dat 10. vreugd. Bid voor ons nu, in al on - zen nood;Roep

1=

i

35É

6.

Pi -

US gev'

Hij

't za - lig -

ste

loon!

7-

ons

bij God

ver

- krijgt wat

S1!

vraagt.

8.

g'J

toch nu

vol

lief-de' op

ons

ziet.

9-

God

be - haagt,

de

zon - da -

ren

redd'.

10.

ons

tot u,

in

't uur van

den

dood.

58. OUD LIED VAN HET EOZENKRANSJE.

Een toon lager in bes. Zangwijze als no. 17.

—

4

• -* - H

—y-*-P—

—^--1/-1—

L——v—1—J

1. Ro - zen - krans jen! u zij lof, Uit den hof

2. E - del kroon - tje, dat er staat Voor sie - raad

3. Al - Ier - lief - ste roos - plant- soen, Al - tijd groen.

4. Krans - je dat u zoo be - haagt, Moe - der maagd!

5. Psal - ter - tje ! gij maakt be - vreesd 'sBoo-zen geest,

6. Kos - te - lijk - ste ke - ten - tjen, Dat ik ken,

Allen.

1

Van den he - mei neêr - ge - zon - den, Van ver-schei-den

ocr page 112

IOO

n

^---

be-kroont be-kwaam ge - bed, te taal and fel

bloemp - jes schoon.

die zeer Gods zoe -vij -

Als een kroon, Wel En ver-schoont 's Hoo • Staat de naam Van Won - der - net, Ziet Me - nig- maal Van Van de hel Krach ge - vloch - ten gen he - mels Ma - ri - a uw fris- sche 'tA - ve Ma-• te - loos en


ÜÜ

1. en ge - bon - den. Tusschenspel.

2. Ko - ning - in - - ne.

3 uit - ver - ko - zen.

4. roos - jes schij - nen ').

5. ri - a zin - gen.

6. vast te bin - den.

1) Ue vijf Ouze Vaders eu de tieu Wees gegroeten.

7. Krans-jen! als ik zon - der-ling voor een ring

8. Gij ver- zelt mij waar ik ga, Waar ik sta;

9. Als ik in mijn ka - mer - tjen Met u ben,

10. Al - tijd ik u me - de • voer Aan mijn snoer,

11. Dat dit lie - ve krans - je zij 't Snoer, dat mij

i=i

ocr page 113

lOI

m

7. vaar - dig vat Go - li - ath Zijt gij mij een

8. weg en tijd, Die Tc ver - slijt Met te le - jen

9. al - te - met Ten ge - bed, Of voor een god-

10. zoe - ten schoot In den dood, Daar ik nim-mer

11. ik nu dien, Mo - ge zien, In het eeu-wig

i|=

iültüüi

7. Da - vids - slin - ger. Tusschensjtel.

8. en te pei - zen.

9. vruch - tig boek - je.

10. van moet schei - den.

11. le - ven. A - men.

W. P. H. Jansen, Pr.

59. KIND'REN VAN MAEIA.

Een kleine terts lager, in a.

m

1. Kind'- ren van Ma - ri - a!

2. Kind' - ren van Ma - ri - a !

3. Kind' - ren van Ma - ri - a!

4. Kind' - ren van Ma - ri - a!

5. Kind' - ren van Ma - ri - al

Op uw pel - grims-

Op uw pel - grims-

Op uw pel - grims-

Op uw pel - grims-

Op uw pel - grims-


i

Eï

Heft nu 't Al - le - !u -

Heft nu 't Al - le - lu -

Heft nu 't Al - le - lu -

Heft nu 't Al - Ie - lu -

Heft nu 't Al - le - lu -

1. baan,

2. baan,

3. baan,

4. baan,

5. baan,

- ja, quot; ja.

- ia. quot; ja.

- ja.

ocr page 114

102

amp; 1

ÏH

m ^ ^

—eaV j A—

1. Heft uw

2. Heft uw

3. Heft uw

4. Heft uw

5. Heft uw

lof - lied aan.

lof - lied aan.

lof - lied aan.

lof - lied aan.

lof - lied aan.

Op haar moe - der-

's Vij - ands le - ger-

Haar zijn wij ge-

Roept op al uw

Moe - derl blijf ons

m

-C—t-

i.

be

de

Tot

haar

Zoon

en

Heer,

2.

scha

ren

Vhe -

den

vol

van

schrik;

3-

ge *

ven.

Toen

haar

Je

sus

stierf,

4.

we

gequot;.

Roept

uw

Moe

- der

in :

5-

lei -

den.

Naar

de

he -

mei

- woon;

1. Daalt zijn lief - de~en vre -

2. Ons blijft zij be - wa -

3. En ons 't eeu - wig le

4. Nooit, neen, zon - der ze

5. Breng ons, bij 't ver - schei -

In de har - ten

Met haar moe - der-

Door zijn dood ver-

Laat zij haar ge-

Tot uw God en


4

m

1. neer.

2. blik.

3. wierf,

4. zin.

5. Zoon.

Tusschenspel.

ocr page 115

io3

60. MEIMAAND-BEDE OM EEN ZALIG STERVEN.

Zangwijze als no. 10.

1. Als van doods-ge-waad om - to - gen, Lag heel de^aar-de

2. * Is de wet, aan denaard'ge - ge - ven: Uit den dood brengt

3. Slaat uw dank-baar oog dit ga - de, Zie in 'trijk ook

4. Zie slechts'ttoon-beeld ons ge - ge - ven Op den berg, waar

5. Ging ook, Moe-der!'t zwaard der smar - te U niet ze-ven-

6. Daar, Ma - ri - a! Kruis hel - din - ne! Werdt gij 'she-mels

7. O wil ons, die dag aan da - gen Vol ver-trou-wen

Ko-ning - in van u vra

voor on - ze^oo - gen Tn den lan • gen win - ter - nacht; zij het le - - ven, Uit den nacht den mor-gen voort;

der ge - na - - de, Hoe een zelf - de won • d re wet dood en le - - ven Stre - den om de ze - ge - kroon:

werf door't har - te. Toen gij bij zijn kruis-hout stondt?

ne. Werd die glo - rie u ver - leend,

gen, Dat gebons helpt in al - len nood,

—S--1-^ ----'--•—4~*-----•-a—I

1. 'tWas of al - le licht en luis- ter Weg-zonk in een

2. Hoort nu dui - zend stem-men rij - zen, Die 't ver-jeug-digd

3. Ons, ge - val - len ster - ve - lin - gen, Weêr voor'she-mels

4. Hij ver - won, wiens smaad en lij - den Ons van d'eeuw' gen

5. Toen gij ddar wat Hij ge - le - den En in 't ster - ven

6. Die u, voor uw moe-der- lij - den, Nu in'thoog-ste

7. Moe-der! wil in 't uur van't ster - ven 'tZa-lig le - ven

Een toon hooger, in d.

ocr page 116

1. eind'-loos duis-ter, Dat geen blij - den mor-gen bracht. Tus-

2. Ie - ven prij - zen In ver - ruk-kend lof - ak-koord. schen-

3. glo- rie - krin - gen Uit den dood ten le - ven redt. sjiel

4. dood be-vrijd-de, Gods in 'tgraf ge - slo - ten Zoon!

5. heeft door-stre-den, Met Hem voel - det en ver-wont?

6. ziels-ver - blij - den Met uw God en Zoon ver - eent.

7. ons ver - wer - ven, Dat er op- gaat uit den dood.

61. SMEEKLIED OM DE BEKEERING VAN ONS VADERLAND.

W. P, H. Jansen, Pr.

1. O Moe - der - maagd! wat is 't ons zoet. Te

2. Ge - denk niet, Moe - der I wat al smaad U

3. O Moe - der van barm - har - tig - heid! Ge-

4. Ge - denk, hoe Je - sus' dier - b're Bruid, Zijn

5. Gij, die zoo ve - len hebt ge - red, Voer,

1. zin • gen tot uw lof;

2. hier is toe - ge-bracht :

3. denk het bij den Heer,

4. Kerk, door u be - mind,

5. om uw moe - der - naam,

Wat vreugd voor 'tkin - der-Is toch niet veel bij Wat glo - rie hier u U toe - zingt, dat ge~eeuw Voer al - len hier, door


ocr page 117

los

1. lijk ge - moed, En voor des he - mels hof.

2. ve • Ier kwaad, Wat hun - ne schuld ver-zacht?

3. werd be - reid, En op - rijst meer en meer;

4. in, eeuw uit. De ket - te - rij ver - wint;

5. uw ge - bed, Tot éé - ne kud - de saam;

W-

=t-

m'7*-

-=tr;

~~rcz:

Ach! Is Klonk O O

1. hoe ver - langt de lief - de - brand, Die on - ze

2. door uw Zoon, ook hun ten zoen, De smeek - beê

3. niet wel - eer uw naam al - om Door al - le

4. vraag dan, dat wie hier ook dwaal*, Door Gods ge-

5. geef aan al - len, zoo - als wij, Te zin - gen

1. ziel ver - slindt, Dat ge^in ons dier-baar Va - der-

2. niet ge - schied: „Ver - geef hun, Va - der!-wat zij

3. stad en veld? Wordt nu in huis en hei - lig-

4. nd ver - licht, Zich bij dien zach - ten lief - de-

5. tot uw lof, Hier, Moe - der! op uw feest - ge-

ocr page 118

lo6

62. DANKLIED AAN MARIA.!

Thüodotus' Paradijs 1621.

Een kleine terts hoog er, in es.

f

y~~ir

--

------1 -■ -

1 T 1

T -

, 1

i l1 I

h

I.

Zie,

Moe -

der!

ons

hier

saam

ver -

gadrd En

2.

Gij,

on -

ze

hoop

en

toe -

ver -

laat! Gij

3.

O

Moe -

der

Gods

en

al -

toos Maagd! Gij

4.

Gij

zijt

de

tent,

waar

God

in

rust! Mijn

O

Ko -

nmg

- in

van

's he -

mels

hof! Gods

6.

Laat

Che -

ru

bijn

en

Se -

ra -

fijn De

7.

Maar

toch,

gÜ

hoort

ons

kin -

der

lied, En

vriend'-lijk beeld ge - schaard: Wij bren - gen

al - le kwaad; Gij bidt bij Hem be • haagd; Ver - bor - gen

zie - le - lust; In u, die

lof, En wij te

zijn : Wij, zon - daars,

dank - ge - sta - mei niet, Ver - toon ons

hoedt ons trouw voor hebt van

eeu - wig hoop en zin ■ gen daar uw on - zer lief - de

zoe - te Eng' - len tol - ken smaadt ons

--1---

.$5—, 4

—öl

I. voor uw troon ge - knield. Den dank, die al - Ier

2. u - wen

3. Roos! der

4. al - Ier

5. de - zer

6. val - len

7. aan uw lie - ven Zoon, Dat

maag-den bloem, Gij

toe-vlucht zijt, Is

heil' - ge steê. Wij

voor u neêr, O

lie - ven Zoon: Gij

Hij ons zijn ge-'swe-relds vreugd en ook uw kin - der-

zm - gen Moe - der zijt zoo

met hun van den dicht toch


1

----=i-

ocr page 119

io7

ry-

T

rmT

--1---

—1—Iquot;

IW-

—s—

—t

i.

hart

be

2.

nd

be -

3-

Js he -

mels

4.

schaar

ver -

s.

Ko -

ren

6.

Op -

per -

7-

bij

zijn

blijd. meê. heer!.. troon,

—z=i-

zielt. Tusschensjpel.

ocr page 120

io8

AANHANGSEL.

ADOKO TE DEVOTE.

Een kleine terts hooger, in es.

fc/ l——1 - f *» ——-T

1. Ad - ó - ro te, Je - vó - te la - tens Dé - - i - tas,

2. V£ - sus, ta - c ais, gu - stus in te fal - - li - tur,

3. In cru - ce ia - té - bat so - la Dé - - 1 - tas:

4. Pla - gas, sic - ut Tho - mas, non in - tii - - e - or,

5. O me - mo - ri - a - Ie mor - tis Dó - mi - ni,

6. Pi - e Pel - li - ci - ne. Je - su Dó - mi - ne,

7. Je - su, quem ve - 14 - tum nunc ad - spi - - ci - o,

/

1

j

1

rm

,

V V

}

-O 1

I.

quae

sub

his

fi

gu -

ris

ve - re

ld -

- ti

- tas;

2.

sed

au

- di

tu

so

lo

tu - to

ere -

- di

- tur;

3-

at

hic

la -

tet

SI -

mul

et hu

- md -

- ni

tas:

4-

De -

um

ta -

men

me -

um

te con

- fi -

- te

or:

s.

pa -

nis

VI -

vus

VI -

tam

prae-stans

hó -

- mi

- m:

6.

me

im -

mun -

dum

mun -

da

tu - 0

sdn -

• SU1

- ne;

7.

0 -

ro

fi -

at

11 -

lud

quod tam

si -

- ti

- 0;

V 1 1 1 1

/ - 11

rM —! —! —1 0 —! II ! 1

; m

1.

ti -

bi

se

cor

me -

um

to - tum

sub -

li

cit;

2.

ere -

do

quid -

quid

di -

xit

De - i

Fi

li

us;

3.

am -

bo

ta -

men

ere -

dens

at - que

con

h -

tens.

4-

fac

me

ti -

bi

sem -

per

ma - gis

ere -

de

re,

5, prde -

sta

me -

ae

men -

ti

de te

vi -

ve

re,

6.

cu -

JUS

u -

na

stil -

la

sal - vum

fd -

ce

- re.

7.

ut

te

re -

ve -

ld -

ta

cer-nens

fd -

Cl

e,

ocr page 121

log

m

1. qui - a te con - tém plans to- turn dé - fi - cit.

2. nil hoc ver-bo ve - ri - ta-tis vé - ri - us.

3. pe- to quod pe - ti - vit la - tro poé - ni- tens.I

4. in te spem ha - bé • re te di - li - ge - re.

5. et te il - li sem- per dul - ce sa - pe - re.

6. to-tum mundum quit ab o - mni scé - le - re.

7. vi- su sim be - 4 - tus tu - ae gló - ri - ae.

A - ve

Je

ad - - au ■ ge

Pa - stor

-ö—«—egt;-dé - li - um.

— -s- ^-lt;3- -g- -g- — -cr-

fi - dem ó-mni- um in te ere - dén - ti- um. A - men.

ocr page 122

no

CANTICUM

To

(S— =a

i

I. Ma-gnl - fi - cat* anima me - a Do - mi - num.

=sJ:

2. Et ex - sultdvit spiritus.......

3. Qui - a respéxit | humilitdtem ancfllae . .

4. Qui - a fecit mihi magna qui potens

5. Et mi - sericórdia ejus | a progénie in pro-

6. Fe - cit poténtiam | in brdchio.....

7. De - p6 - suit I poténtes de.......

8. E - su - riéntes | implévit.......

9. Sus - cé - pit Israel püerum......

10. Sic - ut locütus est | ad patres . . . , .

11. Gló - ri - a Patri, et.........

12. Sic-ut erat in principio, | et nnnc et . .

ns'

ae :*

es*

o :* de,*

nis:* um,* stros, *

o,* per,*

me-su-Est :♦ géni-su-se-bo-su-no-Ffli-sem-

PS. 116. LAUDATE DOMI

i

Lau-da -

te Dóminum, omnes........

gen-

tes; *

2.

Quóniam confirmdta est super nos | misericórdia

e-

jus :*

3-

Glória Patri, et..........

Fili-

0*

4.

Sicut erat in prindpio, | et nunc, et . . .

sem-

per,*

ocr page 123

111

MAGNIFICAT. NÜ8 V.

UM

To

2. in Deo salu- - -- -- -- -- -

3. ecce enim ex hoc j beitam me dicent omnes gene-

4. et sanctum............

5-ti...............

6. dispérsit supérbos | mente.......

7. et exal -----------

8. et dfvites | dim! - -- -.....

9. recorddtus | miseri .........

10. Abraham, | et sémini é-------

11. et Spi- - -- -- -.....-

12. et in saécula saecu - -- -- -- -

td-

ri

me-

0.

ra-

ti

0-

nes.

no-

men

e-

JUS.

mén-

tibus

e-

um.

cor-

dis

su-

1.

td-

vit

hu-

miles.

sit

in-

d-

nes.

cór-

diae

su-

ae.

jus

in

saé-

cula.

rl-

tui

San-

cto.

ló-

rum.

A-

men.


lMI NUM OMNES GENTES. tTnds V.

i.

0-

mnes

pó-

puli.

2.

et véritas Dómini | manet

, ,

m

ae-

tér-

num.

3.

et Spi

- -

rf-

tui

San-

cto.

4.

et in saécula saecu - - -

10-

rum.

A-

men.

ocr page 124

CANTICUM To

kIA( itrs

3=

-t-

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

us' ae :*

me-su-Est :♦ géni-su-se-bo-su-no-Fili-sem-

pro

de,* nis :* um,*

stros,* o,* per,quot;

2. Et ex - sultdvit spiritus.....

3. Qui - a respéxit | humilitdtem andllae

4. Qui - a fecit mihi magna, qui potens

5. Et mi • sericórdia ejus | a progénie in

6. Fe - cit poténtiam | in brachio

7. De - pó - suit I poténtes de . . S. E-su-riéntes | implévit. . . 9. Sus-cé-pit Israel püerum . .

lo. Sic-ut locütus est | ad patres n.Gló-ri - a Patri, et ... . 12. Sic-ut erat in principio, | et nunc, et

li

frui

Ps. 116. LAUDATE DOMI1

kus

I. Lau - dd - te Dóminum, omnes........Igen-jtes:*

2. Quóniam confirmata est super noslmisericórdia. { e- ljus:*

3. Gloria Patri et..........Fili-i o,*

4. Sicut erat in principio, | et nunc et ... , sem-lper,*

ocr page 125

MAGNIFICAT, us VIII.

ÜM To

2. in Deo salu - -.........

ta-

ri

me-

0.

3, ecce enira ex hoc |bedtam me dicent omnes gene-

ra-

ti

ó-

nes.

no-

men

e-

JUS.

5. timén - -- -- --......

ti-

bus

e-

um.

6. dispérsit supérbos | mente.......

cor-

dis

su-

1.

7. et exal - -- -- -- -- -- -

td-

vit

humi-

les.

8. et divites dimi - -- -- -- -- -

sit

m-

a-

nes.

9. recorddtus | misericór -------

ae

su-

ne.

10. Abraham, | et sémini e- - - - • - - -

jus

in

saecu-

la.

11. et Spiri- ------------

tu-

1

San-

cto.

12. et in saécula saecu - -- -- -- --

ló-

rum.

A-

men

KUM OMNES GENTES. MI!

kus VIII.

T amp;»

1. lauddte eum ....

2. et véritas Dómini | manet .

3. et Spiri.......

4. et in saécula saecu - - .

0-

mnes

pópu-

li.

in

ae-

ter-

num.

tu-

i

San-

cto.

ló-

rum.

A-

men.


ocr page 126

114

LITANIAE B. M. V.

Een toon hooger, in g.

ippiiigii

Ky - ri - e e • léi-son. Chri-ste e - léi- son. Ky - ri - e e - léi-son.

au - di - nos Chri • ste ex - du - di - nos.

m

Chri - ste

Pater de .... coe - lis De - us, mi- se - ré - re no - bis.

Fill, Redémptor mun - di De - us, mi- se - ré - re no - bis.

Spiritus.....san - cte De - us^ mi- se • ré - re no - bis.

Sancta Trinitas . . u - nus De - us, mi- se - ré - re no - bis.

$1

Sancta Ma

ri - •

a,

Sancta Dei

Géni •

trix,

Sancta Virgo .

virgi •

num,

Mater . . .

Chri •

sti,

Mater divinae

grdti -

ae,

Mater pu -

rissi -

ma,

Mater ca - -

stissi -

ma,

Mater invio -

- li -

ta,

Mater inteme -

- rd -

ta,

Mater a- - -

mdbi -

lis,

Mater admi -

rdbi -

lis, ris,

Mater Crea -

-tó -

Mater Sal va ■

-tó -

ris,

Virgo pruden-

tlssi -

ma,

Virgo vene -

- rin -

da,

Virgo praedi -

- cdn -

da,

Virgo . . ,

. po -

tens.

Virgo

. cle -

mens.

Virgo fi - -

- de -

lis,

O - ra pro no - bis.

ocr page 127

I IS

-ti--------r---

---i---111

y, n-M---ts--

---1—en—rrfTl

_.d. w. rjj

Spéculum ju ------ sti - tiae, O - ra pro no - bis.

Sedes sapi - - - - - . - én - tiae,

Causa nostrae lae- - - - - tl - tiae,

Vas spiritu --- - .. - a - le,

Vas hono - -- -- --ra- bile,

Vas insigne devoti - - - - ó - nis,

Rosa.........my - stica,

Turris Da ------- vi - dica,

Turris e- - -- -- -- biir- nea,

Domus.........aii- rea,

Foéderis........ar - ca,

Jdnua.........coe - li,

Stella matu- ------ ti - na,

Salus infir ------- mó - rum,

Refiigium pecca ----- tó - rum,

Consoldtrix affli ----- ctó - rum,

Auxllium Christia ----- nó - rum,

Regina Ange ------ 16 - rum,

Regfna Patriar ------ cha - rum,

Regina Prophe- ----- ta - rum,

Regina Aposto ----- ló - rum,

Regina........Mdr - tyrum,

Regina Confes- ----- so - rum,

Regina........Vir-ginum,

Regina Sanctórum.....ó - mnium,

Regina sine labe originili con- cé - pta,

Regina sacratissimi Ro - • - si - rii,

1. A - gnus De - i,

2. A - gnus De - i,

3. A - gnus De - i,

qui tol - lis pee - cd • ta mun - di, qui tol - lis pee - cd - ta mun - di, qui tol - lis pee - cd - ta mun - di,


1. par - ce no - bis Dó • •i-ne.

2. ex - aii - di nos Dó - mi-ne.

3. mi • se - ré - re no - • bis.

ocr page 128

116

P

i

Chri - ste au - di nos. Chri - sle ex - au - di nos.

—*—o—Ö—®—w

Ky- - ri - e e - léi - son. Chri - ste e - léi - son.

Ky

ri-e e--lé----i - son.

VOOR DEN ZEGEN MET HET ALLERHEILIGSTE.

1. Tan-tum er-go Sa - era-mén - tum ve - ne-ré-mur cér-nu - i:

2. Ge - ni - tó - ri, Ge - ni - to - que laus et ju - bi - ld - ti - o :

3i

2.

et an • tf-quum do - cu - mén-tum no - vo ce-dat rf - tu - i: sa-lus, ho- nor, vir- tus quo-que slt, et be - ne- di- cti - o :

m

praé - stet fi - des sup - pie - mén - tum Pro - ce - dén ti ab u - tro - que

IP

----- -C5-—Öquot;

1. sén - su - um de - fé - ctu - i.

2. com- par sit lau - dd - ti - o.

m

A - men.

tr

ocr page 129

f ' i

■A

ocr page 130