ÉiiiÉiiiii
^ v' ^ •
l'illlSI ï:
si^^-
* B
vX^ ^ '
' fVT
,quot;H.. ^\.,',
i\ »
'SlSsliilif '
-■ ■; . i -
W':
V. .V. quot;■' V ? • \ Sslt;5i:
V
- ——
coRii pus i im
EEH VERHAAL
uit
DEN EERSTEN TIJD DER CHRISTENHEID.
NAAR HET OORSPRONKELIJKE BEWERKT
door
Di-. A. SMITS.
^KSUNIVS^SifEIT UTRECHT
COU_ THOMAAÈSe
UTRECHT
s • b o s c h , Gr. MOSMANS Senior.
RIJKSUNIVERSITEIT TE
2724 626 7
I.
De geloovigen van Rome.
ene schoone lentezon verhief zich boven de heuvels van het schilderachtig gelegen Tihur (Tivoli) en bracht weêr nieuw leven en vernieuwden levenslust in de vallei der Anio en op de bekoorliike glooiingen van ïusculura {Frascati); zij drong in het midden vanquot; Rome's heerlijkheden door en verlichtte de aloude Patricische wijk, aan den voet van den heuvel, waarop thans de Sta.-Maria-Maggiore ten hemel wgst. Daar stonden in lang vervlogen dagen, ten tijde van koning Servius Tullius, de landelijke woningen der Romeinsche patriciërs; maar onder keizer Nero ademde niet slechts de kleine patricische straat, maar geheel het district, dat het Esquili-nische heette, grootheid, pracht en weelde. Daar verhieven zich de woelige verblijven der vreemdelingen.
4
waar de provinciebewoners, die niet in hunne families waren uitgenoodigd, gewoonlijk afstapten ; zij grensden aan de paleizen, de paleizen aan de témpels, de tempels aan de badinrichtingen, aan deze de gerechtshoven, waarop de marktpleinen volgden, en de waterleidingen, en de vleeschhallen, en de tuinen van Maecenas, welke op de oude grafsteden van het plebs of de volksklasse waren aangelegd, zonder nog te spreken van andere genotrijke plaatsen, toebehoo-rende aan verklikkers, die door de Caesars verrijkt waren, of aan vrijgelatenen, die van niet tot iet waren gekomen, 't Was het uur van den morgengroet, waarop men de talrijke cliënten zag rondzwerven, die bij de voorpleinen der rijke stedelingen bijeenkwamen en zich dringend achter elkander plaatsten om aan de beurt te komen. De galerijen der prachtigste heerenhuizen waren als versperd door dit slag bedelaars in plechtgewaad, onder welke men eenige huisbedienden zoo statig als een pauw zag aantreden, die de meer of min versletene toga's onderzochten en de cliënten in verschillende afdeelingen splitsten, alzoo in vrienden van de eerste, de tweede en de derde ontvangst. Intusschen bracht men in de triclinia of eetzalen de sportulae of korfjes met eetwaren en andere geschenken in orde, welke naar de klas, waartoe de cliënten behoorden, grooter of kleiner waren, en de rgke patroon, die er niet erg op gesteld was reeds zoo vroeg in den morgen van die leegloopers bezoek te ontvangen in het atrium of de voorzaal,
ronkte nog en sliep na de nachtelijke slemperij zijn roes uit.
Zoo was het niet in het paleis van den senator Cornelius Pndens, hoewel zijn atrium door tal van cliënten bezocht werd. Hier was de janitor of de slaaf-portier niet met een keten aan den muur vastgeklonken ; hij dreigde de aankomenden niet met een knobbelige knots; aan zijn zijde zag men geen waakhond, den gewonen gezel der ostiarii. Daarom traden er de mindere cliënten, hoe armoedig ook gekleed, zonder vrees binnen ; zij werden allen hupsch en vriendelijk ontvangen, en het was geen zeldzaamheid arme meuschen uit het volk in hun werkpak een sportula te zien ontvangen, welke rijker gevuld was dan die der gedienstige vleiers van andere rijke patronen. Dit geschiedde telkens als de twee liefdadige dochters van den senator de korfjes van eetwaren of iets anders hielpen voorzien. Praxedes en Pudentiana maakten met hare ouders, Pudens en Claudia, deel uit vau de welriekendste bloemen van Rome's christenheid, door de zorgen van den Apostel Petrus aangekweekt.
Terwijl de senator het atrium doorliep, zijne cli-enten hartelijk groette en hun de hand drukte, niet met de trotsche stijfheid der Romeinsche patronen, maar veeleer met de lieftallige welwillendheid eens broeders, verscheen een tabellarius of brievenbesteller vóór het vestibulum of voorplein, waar zich het standbeeld van Pudens verhief.
6
»Ia uw heer, de senator, thuis ?quot; riep hij tot den portier.
»Ja,quot; klonk het antwoord van den slaaf; »inijn heer bevindt zich onder vrienden; zie, daar is hij.quot;
De brievenbesteller naderde op eerbiedigen afstand, en den senator met alle blijken van groeten eerbied aansprekende, zeide hij hem:
»Voortreffelijke Cornelius Pudens, ziehier brieven uit Azië.quot;
Hij bood hem het verzegeld pakket aan. De senator onderzocht het zegel; het stelde een herder voor met een lam op zijne schouders. Padens zeide niets aan den briefdrager; maar met den wijsvinger op den schouder tikkende van den vrijgelatene, die aan zijne rechterzijde stond, fluisterde hij hem in 't oor: »'t Is een van de onzen; roep Claudia, hg moet goed onthaald worden.quot;
Dan gaf hij hem het pakket en wees hun beiden de deur aan van het tablinum, een vertrek achter het atrium, waar hetfamilie-archief bewaard werd, en dat tevens tot kantoor en studiekamer van den heer des huizes diende. De senator liet er zich niet lang wachten; na zich zoo spoedig mogelijk van zijne plichten als patronus te hebben gekweten, ijlde hij naar het tablinum, waar de briefdrager, aan een marmeren tafel gezeten, zich aan een heerlijk ontbijt verkwikte en zich onderhield met Claudia, die spoedig gekomen was om als vrouw des huizes te bedienen. Geheel de familie van den christelijken senator was
7
altoos oprecht blijde, als zij gastvrijheid kon bewijzen aan een broeder. Toen de vrome matrone haren echtgenoot zag binnentreden, vraagde zij hem vol vreugde:
»Weet gij, Pudens, dat deze waardige man een afgevaardigde is van de Kerk van Seleucia? Wij zullen tijdingen ontvangen van de heiligen van Azië.quot;
De senator glimlachte, en, een blik slaande op den tabellarius, herkende hij in hem een voortvluchtigen slaaf, die door Paulus te Rome bekeerd en daarom door zijnen heer Philemon vrijgelaten was: hij heette Onesimus. Pudens drukte hem met teederheid aan zijn hart, kuste hem op het voorhoofd en sprak:
»Dat de genade van Jesus-Christus en zijn vrede met u zijn! gij zijt de vriend van Paulus, dus ook de onze.quot;
«Hartelijk dank: ik ben de slaaf van Philemon...quot;
»Hier zijt gij vrij door de vrijheid, welke de Heiland heeft aangebracht. Ik heb den brief gelezen, waardoor u Paulus aan uwen heer aanbeval; wat gij voor Paulus gedaan hebt, maakt u dierbaar aan de geheele Kerk van Rome.quot;
Terwijl Pudens deze woorden uitte, sneed hg den draad van het pakket stuk en zeide, een voor een de adressen vluchtig overziende:
»Deze brief is voor Petrus, deze zijn voor Paulus, voor Lucas, voor Clemens, voor Linus, en deze hier ...quot;
Bij deze laatste woorden zag men, dat hij zijn blik met plotselinge verbazing op het adres vestigde.
»Ea deze hier,quot; ging hij voort, »voor Praxedes en Pudentiana, dochters van Cornelius Pudens! ... Wat zou dat beteekenen ? ... Lees, Claudia: Aan Praxedes. en Pudentiana, dochters van Cornelius Pudens. Wat zullen onze kinderen zich verheugen, wanneer zij vernemen, dat de heiligen van Seleucia ook aan haar schrijven! Laat haar dus onmiddellijk door eene slavin roepen en zeg haar, dat ik ze wacht in het tahlinumquot;
Voorts wendde hij zich tot Onesimus:
»Broeder,quot; zeide hij, »terwijl ik deze brieven zal laten bestellen en de antwoorden daarop afwachten zal, zult gij onze gast wezen: geef mij de hand.quot;
En zij drukten elkander de hand ten teeken van gastvrijheid.
gt; Petrus en Paulus zijn niet te Rome; hunne bezorgdheid voor alle Kerken roept hen ter hulpe van de opkomende christenheid: maar ik zal weldra weten waar zij zich bevinden en hun deze letteren alsmede die, welke ik dagelijks voor hen ontvang, doen toekomen. Clemens is in de stad, Linus bij ons; deze heeft vannacht in onze vergadering het brood gebroken. Let er wel op, mijn vriend, vannacht. Dat u dit tot richtsnoer verstrekke: 't zijn de tijden niet meer van Burrhus en van Seneca. Wij hebben Tigel-linus tot prefect. Moge het Gode behagen dat ook hij met den Keizer naar Achaia vertrekke en de Kerk een weinig adem kunne scheppen! Gij weet, hoeveel bloed men op het Vaticaan heeft vergoten
en hoeveel men nog dagelijks vergiet sedert de afkondiging van vogelvrijverklaring! Wij leven te midden van de folteringen en den dood, gelijk onze Panlus zich pleegt uit te drukken.quot;
Op dat oogenblik trad de jeugdige Pudentiana met hare zuster Praxedes binnen; zij huppelden op het grasperk van den binnenhof.
«Vader,quot; zeide zij bij het binnentreden, »wij hebben u te lang laten wachten; wat verlangt gij ? Wij waren nog in de huiskapel om onze gebeden te voleindigen.'
Hetgeen zij zeide werd genoegzaam bewezen door de kleederdracht der beide zusters. Zij droegen de gewone tunica, wier lengte zich niet verder dan tot den enkel uitstrekte, en hare schouders waren bedekt met een lichten mantel; zij hadden paarlen noch juweelen in de haren, welke aan de achterzijde van het hoofd door een eenvoudig wollen koordje werden saamgehouden, dat bedekt was door een zijden lint. Een witte sluier hing over hoofd en schouders volgens de voorschriften der apostelen, door wie zij in de christelijke leering onderwezen waren.
Pudens omhelsde zijne dochters en zeide tot de jongste: »Gij komt laat, maar nog op tijd. Ziehier letteren, welke tot u gericht zijn. Ik wist niet dat giji nog zoo klein, reeds briefwisseling voerdet met zoo verre gewesten. Dat is heel aardig! De man, dien gij hier ziet, komt van Seleucia en is drager van een brief voor mijne kleine Pudentiana, en ik weet niet vrie dezen tot haar richt.quot;
10
Met deze woorden reikte hg haar het verzegeld perkament toe. Het meisje trok verlegen de hand terug en werd rood van schaamte.
»Ik weet niet,quot; antwoordde zg met bevende stem, »wie mij aan gene zgde der zeeën kan kennen. Vader, doe gij den brief m^ar voor mij open.quot;
»Neen, neen; gg moogt hem eigenhandig openen, mijn hartje,quot; viel Claudia in de rede, terwgl zij haar dochtertje op de knieën nam en teederlgk omhelsde: »begrijpt gij niet, dat uw vader maar schertst ? Deze brief is met verscheidene andere gekomen van de heiligen van Azië.quot;
Pudentiana herademde, vervolgens blikte zij met verbaasdheid rond.
gt;Is het mogelgk?quot; zeide zij.
Zij brak bet zegel en las luide voor:
»Thecla groet Praxedes en Pudentiana, zeer geliefde zusters!quot;
»Maar wie is toch die Thecla?quot; vroeg Pudens aan Onesimus. »Is het de martelares?quot;
»Niemand anders.quot;
De dochters van den senator waren nog meer verwonderd dan tevoren, en Pudentiana ging voort met lezen:
«Duidt het niet ten kwade, zeer geliefde zusters, dat eene onbekende zuster u schrijft. Indien ik in mijne afzondering te Seleucia door de menschen niet gekend word, zoo heeft de zoete geur uwer deugden zich verspreid door alle Kerken van het Oosten.
s
11
Zegenen wij den Heer, dat het huis van Cornelius Pudens het toevluchtsoord ia geworden der Apostelen van Jesus-Christns en onzer broeders van Kome, ea dat zijne dochters beschouwd worden als de lof van het Evangelie. Mijne uitnemende zusters, ik bid u mij tijdingen te zenden omtrent Paulus, die den Heiligen Geest over mij heeft doen afdalen. Zoo gij wist, met welk eene zorg hij den Christus in mij gevormd heeft, door mij eerst de melk, vervolgens het voedsel des geestes aan te bieden, zoudt gij me ongetwijfeld mijne vrijmoedigheid vergeven. Ik was verdwaald in het midden van de duisternissen der dwaling en verleid door de liefde tot het aardsche; hij verkondigde mij de waarheid en deed mij de hemelweelde kennen van wie zich als kuische maagden den Heer toewijden. Ik ben zwak en vreesach-tig; hij verzekerde mij, dat God niet zou toelaten dat ik boven mijne krachten bekoord werd, en dat de bekoring zelve voor mij veeleer een gewin dan een verlies zou zijn. Ik verzocht hem de gunst hem te mogen volgen, teneinde zijne prediking te kunnen aanhooren, maar hij stond het mij niet toe. Wat zijt gij gelukkig, gij broeders en zusters van Rome, die zijne woorden kunt opvangen en overwegen! Iedereen hier bemint hem teederlijk en is bedroefd over zijne verwijdering. De laatste maal, dat ik hem zag, te Milete, kondigde hij ons aan, dat de Geest Gods hem naar Jerusalem riep, hem banden en verdrukkingen voorspellende, en dat wij zijn aangezicht
12
niet meer zien zouden. Na van ons dit droevig afscheid te hebben genomen, knielde hij neder en bad hij met ons allen. Wij geleidden hem naar het schip; allen weenden en omhelsden hem, het meest bedroefd zijnde over het woord, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. Gedurende de geheele reis hernieuwden hem de profeten der Kerken hunne dreigende voorspellingen en rieden hem de broeders, niet verder te gaan. Doch in stede van zijne reis te staken, spoedde zich de edelmoedige Apostel voort en zeide hij overal, dat hij niet alleen bereid was om gebonden te worden, maar ook te sterven in Jerusalem, voor den naam van den Heere Jesus. Wat had hij niet te verduren te Jerusalem en overal elders, te land en ter zeel De heiligen van Italië weten het, want zij zagen hem daar geboeid aankomen en als gevangene leven gedurende twee lange jaren.
Maar eindelijk brak de Engel, die Petrus bevrijdde, ook Paulus' boeien: en de Kerken van Griekenland en van Azië mochten hem wederzien. Echter werd hij ons veeleer getoond dan weergegeven. Ik mocht niet nederknielen aan de voeten van mijn goeden meester, en tot toppunt van ongeluk (als men, wat God wil, zoo mag heeten) heb ik in onze vergaderingen een vreeselijk nieuws zich hooren verspreiden, dat ons aankondigt, dat de Geest Paulus naar Rome terugriep om er zijn loop te volbrengen en er de kroon der gerechtigheid te ontvangen. Ach! wellicht
13
is hij er reeds aangekomen! Wellicht is hij reeds in ketenen geklonken! wellicht reeds ter prooi gegeven aan de leeuwen! o Padentiana, o Praxedes, mijne zusters, ondersteunt mijne zwakheid door eenig goed nieuws en verzoet de bitterheid mijner tranen. Jïn zoo God u niet toestaat iets anders te doen, omhelst dan voor mij Paulus' ketenen en beveelt mij in zijne gebeden aan. Gedenkt de matelooze liefde van Christus, die ons uit de duisternissen getrokken heeft tot zijn licht; gedenkt, dat de Apostelen des Heeren nooit mijn harteleed versmaad hebben; de Moeder van Jesus-Christus zelve beeft dit niet gedaan, want menig-werf ontving Zjj mij, in hare moederlijke bezorgdheid, te Ephese. Versmaadt ook gjj, dienaressen des Heeren, de tranen niet van zijne dienares. Dat zijne genade met u en met al de uwen zij. Amen.quot;
»Maar wie ben ik dan toch,quot; riep Praxedes uit, »dat Thecla, de groote Thecla, mijner indachtig is?quot;
Padentiana was op de knieën gezonken en drukte hare lippen op den brief; het vernemen, dat haar naam gekend werd door de beroemde martelares, en dat deze haar tijdingen vroeg over een Apostel, vervulde haar met schaamte. Pudens richtte haar op, zijne ziel jubelde van vreugde over de edele ootmoedigheid zijner dochters. Dan wendde hjj zich tot Onesimus:
»Waarom,quot; zeide hij, »hebt gij me niets van Thecla gezegd? welaan, spreek ons over haar heilig leven.quot;
»Wat zou ik u kunnen zeggen hetgeen gij nog
14
niet weet? Zg is de spiegel der christelijke maagden, en iedereen zegt, dat Paulas haar, bij hare bekeering, zijn geest van apostolaat heeft medegedeeld. Zg dient de Kerk en de armen; zij wascht de voeten der heiligen en gaat, van huis tot huis, Christus' wet verkondigen aan de personen van haar geslacht, juist gelijk dat hier de waardige Claudia Sabinilla en deze jonge dochters met hare gezellinnen doen.quot;
»Maar wg,quot; viel Pudentiana in de rede, »wij hebben voor Jesus-Christus het ijzer en het vuur niet doorstaan, wg werden den leeuwen niet voorgeworpen in den circus, gelijk Thecla.quot;
Terwgl zij nog sprak, zag men den bisschop Linus, die, na het vertrek, dat hij by Pudens tgdens de vervolging bewoonde, verlaten te hebben, langzaam door de galerijen van het atrium naar het voorplein ging. De senator verzocht hem een oogenblik binnen te komen om er den brief in ontvangst te nemen en den tabellanus te zien. De bisschop trad in het iablinum en gaf Onesimus een broederlijken kus. Vervolgens las hij den brief, welke tot hem gericht was, vluchtig door; hij fronste zijne wenkbrauwen en sprak:
«Mijne broeders, bidt God, dat Hij zich ge waardige medelijden te hebben met onze kommeraissen ! Paulus' leerling, Timotheus, bericht mg de onheilen, welke daar worden voortgebracht door de leerstellingen van Simon den Too venaar. Hij vraagt den Apostelen om raad, die arme Bisschop van Ephese!
15
hij weet niet, dat Petrus en Paulus ver van Rome zijn, dat dezelfde storm, die hen daar slingert, ook ons ontroert, en dat wij niet weten of wg hun moeten smeeken ons ter hulpe te komen of hen behooren te beschutten tegen het gevaar en voor de Kerk te behouden.quot;
Nadat zijn gelaat een weinig was opgehelderd, sprak men hem over den brief van Thecla aan de dochters van den senator.
»Wat vreest gij, mijne kinderen?quot; zeide hij, toen hg hare ontsteltenis bemerkte. gt;Weet gij niet, dat wij allen broeders zijn in Jesus-Christus? Wat wonders, dat Thecla u schrgft en u berichten vraagt over de Kerk van Rome? Dat eene van u-beiden zich aan het schrijven zette en mededeele wat zij van onze zaken weet, even eenvoudig, alsof gg aan uwe waardige moeder Claudia, thans hier tegenwoordig, schreeft, zoo zij zich in uwe villa te Baiae bevond. Bericht, dat de Kerk te Rome vreeselijk veel te lijden heeft, dat er dagelijks christenbloed vergoten wordt op het Vaticaan en buiten alle poorten; dat ons gelijke tijdingen geworden van de kerken van Italië; dat Petrus en Paulus...quot;
Bij deze laatste woorden wendde Linas het gelaat af; nog een poosje bleef hij staan en verwijderde zich vervolgens in allerijl, om de twee groote tranen niet te doen zien, welke over zijne wangen vloeiden.
Hij zeide slechts aan Pudens, die hem volgde:
»Petrus en Paulus berichten aan de Kerken, dat
16
het oogenblik van hun mai'telaarschap nadert. Helaas! wat een slag wacht de Kerk van Rome, in het midden dezer woedende vervolgingen en van zoo vele ergernissen, verwekt door Simon den Toovenaar en zoo vele geloofsverzakingen ? Dat Jesus-Christus zich gewaardige, het scheepje van Petras ter hulpe te snellen!quot;
Dan toog Linus naar het aan gene zijde van den Tiber gelegene gedeelte van Rome, waar onderscheidene nieuw-bekeerd en op hem wachtten om door zgne hand gedoopt te worden; vervolgens begaf hij zich naar het Tullianum, waar vele christenen gekerkerd waren en de kroon van het martelaarschap verbeidden.
11.
De heidenen van Rome.
oe pijnlijk ook aangedaan door de woorden van Linus, toog Cornelius Pudens echter, met geheel zijn stoet van cliënten, door de Carinae, eene der schoonste wijken van Eome, over de Sacra Via of den heiligen weg, naar het Forum, waar hg den voormiddag moest doorbrengen. Daar heerschte als naar gewoonte eene woelige drukte: luidruchtig drong het volk om de sella curulis of den ivoren vouwstoel, vanwaar de praelor recht sprak, luid of liever schreeuwend deden de advocaten zich hoo-ren, krijschend klonken de stemmen der goochelaars, levendig was de bedrijvigheid aan de tafels der wisselaars, onder de zuilengangen der hasilicae of gerechtshoven en de galerijen, waar in bonte mengeling menschen uit allerlei stand zich bewogen;
CORNELIUS PUDENS. 2
18
maar niets van dit alles vermocht den senator Pudens te ontrukken aan de droevige gedachten, welke zijn geest rusteloos bezig hielden. Voortdurend dacht hij aan de gevaren, die den apostel Petrus bedreigden, aan de ongelukken, wélke de Kerk van Rome boven het hoofd hingen. Elk uur dat de clepsydra of het wateruurwerk van het Capitolium aangaf om den middag te bereiken, scheen hem een eeuw toe. Eindelijk kon hij, na zijne zaken op het* Forum te hebben afgewerkt, naar zijne haardstede terugkeeren om in de eenzaamheid na te denken, te zuchten en te bidden.
Hij had reeds zijn leclica of draagstoel laten komen, en niet zonder moeite zich van zijne vrienden losrukkende, steeg hij er in, terwijl hij de dragers toeriep :
»Naar huis!quot;
Doch aanstonds viel hem eene gedachte in:
»Petrus is op het punt van terug te komen. Van alle kanten pakken zich nieuwe wolken tegen hem samen; trachten wij ten minste het terrein te verkennen en de plannen der hovelingen te ontdekken.quot;
Hij bracht dan het hoofd buiten het portier en zeide:
j) Draagt mij naar de bibliotheca Octaviana.quot;
De straten van Rome waren stil en verlaten. Ieder deed zijn middagslaapje, maar de zooeven genoemde bibliotheek was nooit zonder bezoekers ; de met spreuken rondventende philosofen, de zoutelooze spraakkunstenaars, de verwaande redekunstenaars begaven er zich heen onder voorwendsel van nasporingen,
19
doch inderdaad, omdat zij geen betere plaats hadden om een uiltje te vangen. Pudens hoopte er een of ander gewoon bezoeker aan te treffen, die hem nuttige inlichtingen had kannen geven aangaande de listen, welke men aan het hof verzon. Zijne ontmoeting was echter veel gunstiger dan hy had kunnen verhopen. Nauwelgks toch was hij onder de galerij uitgestapt, of hij bevond zich recht tegenover Demetrius, een cynisch wijsgeer van beroep, zonder echter onbeschaamd te wezen, een heimelijken vijand van Nero, wien hjj de diepste verachting toedroeg. Hij kende den senator zeer goed, dikwerf had hij hem aangetroffen bij ïhrasea Paetus, ook senator en vijand van den vorst.
2. Wees gegroet, Cornelius Pudens,quot; zeide de cynicus onder een beleefden groet; »welke nieuwe besluiten maakt gij ons daar ginds op het Forum ?quot;
»Gg weet er zooveel van als elke senator,quot; antwoordde Pudens,
»Sa! Sa! De Caesar is wel goed; hij wil u niet onder arbeid verpletteren: welk een aangenaam en vroolijk leventje, geen enkel zweetdroppeltje van het voorhoofd te kunnen wisschen! geen enkelen kom mei-te hebben dan den kandelaar vast te houden van Tigellinus, van Polycletus, van Aelius, van Nymphi-dius en van al die schoone personnages, die ons aile mogelijk geluk toedeelen !quot;
»Zachtjes ! stil wat! de verklikkers ..
»Ik ken mijn luidjes!quot; antwoordde Demetrius..
20
»Voor anderen, ben ik nog stommer dan Harpo-crates, die met den vinger op den mond wordt afgebeeld. Men zal met den cynicus niet gaan lachen. Ik ontvlucht het hof nog meer dan ik het de poorten van den Tartarus doen zou.quot;
»Dat is maar scherts, enkel eene wijze van spreken. Overigens vischt gij in de grachten van het paleisr en gij cynici zijt het allen eens als dieven.quot;
gt;Van harte, ja ; met den mond, neen: kortom, om alles te zeggen, er zgn er, die schoon praten, maar leelijk krabben.quot;
»Wat jaagt u vrees aan?quot;
»Ik vrees een ieder.quot;
»Wie regeert tegenwoordig in het paleis?
»Altijd nog Tigellinus, en, onder zijne bevelen, goochelaars, fluitspelers, al het gespuis van Baiae en zijn nasleep. Sedert eenige weken echter, is de schep-ter in handen gekomen van een besnedene.quot;
sWat is dat voor iemand?quot;
gt;Een philosoof, een twistredekundige, een toove-naar, een hiërophant, een waarzegger, een god. Onze Caesar aanbidt hem, want de schurk heeft beloofd hem geheimen te openbaren, welke in staat zijn Jupiter zeiven, met al de goden van den Olympus, ontzag in te boezemen.quot;
»En die man heet.. ?quot;
»De Joden noemen hem Simon; maar aan het hof laat hij zich doorgaan voor Icarus.quot;
»Wat! zou hij in het luchtruim willen vliegen?quot;
21
ȟf hg het wil! hij heeft het beloofd aan Lucius Domitius Nero Claudius Augustus Germanicus, enz ; hij heeft het bij herhaling gezworen.quot;
»En als het hem niet gelukt?quot;
gt;Wie dan leeft die dan zorgt! Intusschen heeft hg een leventje als een prins, strijkt zich met voldoening langs den baard en steekt met volle schepels goud in zijn zak. Om den Caesar aan wondere zaken te gewennen, verricht hij er dagelijks in zijne tegenwoordigheid en wel zóó dat zij hem telkens meer verbazen. De philosofen houden hem de banden boven het hoofd, om ook wat van Midas' gaven te profiteeren.quot;
»Aan welken kant hebt gij u geplaatst?quot;
»Aan den meest verwijderden; want indien Nero eens, tusschen twee geeuwingen, zich zekere aardigheden van mijn maaksel herinnerde, zou zijne eetste liefkoozing zijn, mjjne huid op eene nieuwe manier te laten looien en mij in zjjne tuinen te planten om ze 's nachts te verlichten.quot;
Pudens kon zich niet weerhouden een diepen zucht te loozen; daar hij echter begeerig was, om, het mocht kosten wat het wilde, achter de plannen van den Caesar te komen, ging hjj op vrijen toon aldus voort:
gt;Zou u die glans, wat gij dok zeggen moogt, niet een weinig verlokken ? Waarom wordt gij niet een der aanhangers van den Jood Simon? Hij zou u beschermen..
22
gt;Dan werd ik het nog liever van de drie Fuiriae of wraakgodinnen. Ja zelfs zou ik haar dienaar en vriend willen worden, zoo zg mg een zekeren dienst wilden bewijzen ... Kortom, ik weet wat ik in mijne gebeden de Maangodin verzoek lquot;
»Ha! kleine guit van een cynicus\ Wij leven niet meer in de schoone tijden van Diogenes en Alexander ...quot;
»Kom, kom ! deze tijd is beter voor ons dan ooit! Het kwaad steekt echter hierin, dat gij, ledepoppen van senatoren, niets anders weet te doen dan neergevlijd te blijven op uwe ivoren vouwstoelen: ik ben vreeselijk boos op dien sukkelaar Montanus. Bij Pluto! hij had zijn spel kunnen uitspelen, en ... maar basta!quot;
gt;Wat wilt ge zeggen
»He! houdt gij u dom? Weet gij niet, dat in de vorige week, hier, te Rome, een senator den Caesar vermomd, in het midden zijner gewone nachtelijke slemperijen, betrapt heeft? Weet gij niet dat hg hem flink wat stokslagen heeft toegediend, zoodat hg onderscheidene dagen in zijne vertrekken is gebleven om, naar hij zeide, zich te oefenen in het gitaarspel, maar, gelgk wg zeiden, eens ernstig na te denken over zijne wonden ? Wat een domme streek heeft die Montanus begaan! Waarom stelde hg zich tevreden met eene kastijding? De sul! Hij had hem met het hoofd in een riool moeten werpen.quot;
»En wat zouden er de Acta diurna, de dagbladen, van gezegd hebben?quot;
23
»De dagbladen? Gij moest zeggen de geschiedenis. Wel! de wingewesten en het leger zouden Montanus een schitterenden triomf hebben toegekend. De Joden zeiven zouden in één week tweemaal hun sabbat gevierd hebben.quot;
»Gij zeidet me echter zoo even, dat de Joden in Nero's paleis heerschen.quot;
»Waar blijft uw geheugen, senator? 't Is de partij van Simon-Icarus, die er heerscht, maar de groote hoop der Jodenwijk is woedend over de gunst waarin hij staat. De christenen verachten hem en dreigen de bekwaamste too venaars, die zij in Judaea hebben, tegen hem op te hitsen.quot;
»Bij voorbeeld?quot;
»Wat, weet ik het? er zijn er zooveel: Cephas, Simon-Bar-Iona, Petrus, Paulus, Saulus en nog zooveel anderen.quot;
»En wat zegt Simon-Icarus ?''
»Dat hij in tegenwoordigheid des keizers alle toove-naars der christenen uitdagen, verslaan, beschamen en vervolgens naar den beul zenden zal.quot;
»Zal hij er in slagen? wat denkt gij ervan?quot;
»Ik drijf den spot met hen allen: hetzij die van Simon, of die van Christus het winnen, daarmee is de strijd tusschen dat Oostersche gespuis niet uit. Overigens houden Tigellinus en zijn aanhang het met Simon, ook Nero is voor Simon. Gij weet hoe Tigellinus de kunst verstaat, zijn haan koning te doen kraaien, hij zendt een centurio (honderdman) met
24
vier soldaten van de lijfwacht des keizers; eeue aderlating, zie je, en alles is in orde.quot;
Pudens wist nu genoeg; uit de duistere en afgeknotte woorden van den heidenschen wijsgeer, die op de hoogte was van hetgeen de christenen betrof, zag hij duidelijk, wat Simon de toovenaar in het schild voerde. Hij nam dan afscheid van Demetrius, die hem tot de pui der galerij wilde vergezellen. Pudens steeg weer in zijn draagstoel, op hetoogen-blik, dat men de jongelieden en de overige leeg-loopers de straten weer zag bevolken en naar het Kamp van Mars gaan. Intusschen was het nog geen drie uur na den middag, dat de Romeinen het negende uur noemden. Pudens ging dan bezoek afleggen bij eenige voorname christenen, behoorende tot de edelste familiën, o. a. bij de aanzienlijke Pomponia Graecina, aan wie de geloovigen den bijnaam gaven van Lucina, en bij Plautilla, uit de familie der Flaviussen, welke weldra aan Rome keizers en consuls geven zou, en tot dien tijd toe aan de kerk heiligen gegeven had en haar martelaars bereidde.
Pudens kende deze geheimen niet der Voorzienigheid, en de andere christenen evenmin. Vandaar het geween, de angsten en de ontsteltenis, waardoor zich hun onderhoud kenmerkte. Deels waren zij in rouw gedompeld over hunne verbannen vrienden, deels over hunne onthoofde bloedverwanten; allen waren innig aangedaan over het lot hunner broeders in Christus, die men te Rome en in geheel Italië om het
25
leven bracht. En toen de christenen uit den mond des senators bet verbaal hoorden van de strikken, welke men Petrus spande, barstten zij in snikken los, terwijl zij de handen ten hemel hieven en Gods barmhartigheid afsmeekten.
Na een lang onderhoud stapte Pudens weer in zijn draagstoel. Op zijn terugkeer naar huis, werd hem, bij den aanblik van het heidensche Rome, het hart verscheurd. Van alle kanten dartelde en stoeide het volk, slechts denkend aan zingenot en zich niet bekommerend om Nero's bijl, welke overigens slechts de grooten, de rijken of de vervloekte christenen trof. Op den Campus Martins, niet gestoord door de zuchten der Kerk, zag het er even bloeiend uit als weleer. Daar wemelde het van worstelaars, van ruiters, van hen, die zich bezig hielden met schijf- en balspel: de zuilengangen, de bibliotheken, de lanen, de badinrichtingen weêrklonken van de luide en levendige gesprekken der wandelaars en bezoekers; op de driesprongen en in de vleeschhallen sloegen de Ooryban-ten van Cybele op de trom en wondden zij zich met hunne messen, om een obolus, wij zouden zeggen een aalmoes, te krijgen; het mindere volk luisterde naaide verhandelingen der cynische wijsgeeren; de praatzieke volgelingen van Isis en van Anubis verkochten hunne geheimen, en, naast hen, bazuinden de kwakzalvers hunne behoedmiddelen tegen een slangenbeet uit. Dat luie, domme en wreede volk bracht aldus de dagen en de jaren door, ten laste der wereld.
26
welke door belastingen zijne dwaasheden moest betalen.
»Wat is dat voor een leven der Romeinen van onzen tijd!quot; zeide Pudens al zuchtende, terwijl hij bet schelle geluid der metalen platen hoorde, waardoor men de bevolking tot de badinrichtingen riep. »Na de weelde komt de slemperij en na de slemperij de ongebondenheid tot het einde van den nacht! Morgen zullen zij opnieuw beginnen zonder eenige andere afwisseling dan deze: zij, die heden hun dag hebben doorgebracht in het stof van het Kamp van Mars, zullen hem morgen doorbrengen in het bloed van den Circus, en zij die heden gebaad hebben in de menschelijke slachthuizen, zullen morgen in den Tiber tegenover het Kamp van Mars zwemmen!quot;
Dusdanig was inderdaad het weleer zoo fiere en heldhaftige Rome, dat door de Caesars verlaagd en onder den laatsten dezer Caesars in de diepste verachting was neergestort. Meer dan in vroegere tjjden plunderde men onder Nero de wingewesten, om nieuwen voorraad te verschaffen aan Romes vorst en volk, die, schoon altoos overstroomd van goud, altoos bedelden, schoon altoos verzadigd, altoos hongerden. De vorst zond nooit een overheidspersoon naar eene provincie zonder hem te zeggen:
»Denk er aan, dat ik geld noodig heb; neem alles.quot;
Weliswaar, dagelijks verhieven zich grootsche en raime gedenkstukken en gebouwen, welke aau de hoofdstad van het rijk indrukwekkender luister en
27
heerlijkheid bijzetten; allerwege tempels, paleizen, pleinen, badinrichtingen, zuilen, standbeelden, markten, schouwburgen; allerwege overvloed van metaal, marmer en kostbare steenen. Het gulden paleis van Nero, dat men in die dagen voltooide, strekte zich uit over drie heuvels, den Palalinus, den Caelius, en den Quirinalis. Het bevatte meer meesterstukken dan tegenwoordig al de Musea van Europa. Nochtans waren de bewoners van Rome onder Nero het armzaligste volk der wereld. Het negen tiende gedeelte van dat volk bestond uit slaven, die men aanzag als roerende goederen, als zaken, niet als menschen. Zij waren zonder vaderland, zonder familie, zonder recht op eer, op deugd, op leven. De overigen waren burgers, maar voor een groot gedeelte cliënten, wier toestand niet ver boven dien der slaven stond. De rijken waren in kleinen getale; zg waren slaven van hunne eigene slaven, slaven van hunne cliënten, van hunne vrijgelatenen, van hun vorst, en vooral slaven van hunne hartstochten.
Kon nog een verwyderde hoop op redding, kon nog een schemering van maatschappelijke verbetering glinsteren ? Neen. De menigte, wel verre vaa op betere tijden te hopen, kon ze zeKs niet drpomen en zelfs zoo zg ze had kunnen droomen, zou zij er schrikbeelden in gezien hebben. Zij zou den man hebben gehaat die het waagde aldus te spreken:
»Morgen zullen die menschelijke slachthuizen gesloten worden: volk, vergeet den Circus!quot;
28
Eveneens hem, die dorst aan te kondigen:
»Morgen zullen die plaatsen van zedeloosheid, welke zich in het volle daglicht openen, toegespijkerd worden; volk, ban den schouwburg uit uwe gedachten !quot;
De misdaden van Nero maakten de verlustiging uit der menigte: dat volk was Nero, en Nero dat volk waardig. De senatoren mochten zooveel als zij wilden Nero veroordeelen als vijand des vaderlands; het volk, dat geloofde, nimmermeer zoo vreeselijke afschuwelijkheden als die van Nero te zullen beleven, beweende hem langen tgd, legde kransen op zijne grafstede neder en droeg zijne borstbeelden in triomf rond; om zijn opvolger toe te juichen, vond dat volk geen meer vleienden titel dan dien van nieuwen Nero.
Men hoorde wel, hier en daar, eenige schorre kreten van stoïcijnen en cynische wijsgeeren, uitvarende tegen de altoos aangroeiende onmensche-lijkheid; maar dat was niets anders dan eene stijloefening of een tijdverdrijf in de avondstonden. Het bijgeloof eindelijk verdierlijkte zijne aanhangers door middel van gevaarlijke of schandelijke mysteriën, en doofde de laatste spranken uit van natuurlijke vroomheid en rechtvaardigheid. Welke menschelijke hervorming kon men aan de romeinsche wijsbegeerte en godsdienst vragen, als, een weinig te voren. Nero in de stad terugkeerde, de handen besproeid met het bloed zijner moeder Agrippina; als Seneca en Burrhus, de eerlijkste mannen van het rijk, hem
29
begroetten •wegens deze gelukkige misdaad; als de senatoren en het volk hem geestdriftig te gemoet snelden, hem eerebogen oprichtten en luide vivats aanhieven hem ter eere; als aide tempels zich openden en met misdadigen wierookgeur vervuld werden en de snoodaard het Capitolium beklom, de goden bedankende, het bloed zijner moeder te hebben vergoten ?
Te midden van zooveel duisternissen, door men-schen en duivels opeengestapeld, vertoonde zich een enkel lichtend punt: 't was het evangelische mosterdzaadje, door Petrus in de nabijheid van het Capito'ium gezaaid. Het zaad ontkiemde en schoot op als een sterke en flinke plant, zonder andere tegenstelling dan die der menschelijke ondeugden.
Pudens had de Apostelen tal van Joden en heidenen zien doopen: hij had vele kerken zien bouwen tegenover heidensche tempels; hij had het Evangelie zien doordringen in de paleizen der Caesars, waar een christen den Falernischen wijn inschonk voor Nero. Pudens zelf had het christendom den Senaat doen binnentreden. Zeker was dit een gelukkig begin : 't was als een vriendeljjke ster in een stormigen nacht. Maar de brand van Rome kwam deze ster verduisteren, en de hooggeplaatste brandstichter wilde zijne schande uitdooven in het bloed der christenen; ein-delijk trad, om de verdelging van het geloof te Rome te voltooien, een sluwer vijand, Simon de Toovenaar, op.
30
»Wie zal Simon in het tenuitvoerleggen zgner vreeselijke plannen tegenhouden?quot; dacht Pudens: »hij is de persoonlijke vijand van Petrus, hij kent onze geheimen en heeft misschien op dit uur den dood der Apostelen vastgesteld. Hij heeft Nero en Tigellinus op zijne zijde, hij bezit goud, gunst, medeplichtigen, kortom alles. Dat God de Kerk van Rome redde 1quot;
De senator, van droefheid vervuld, kon ternauwernood eenig voedsel gebruiken; bijna onmiddellijk van tafel opstaande, zeide hij aan Praxedes en Puden-tiana:
»Mijne dochters, 't is thans het uur van bidden!''
Zij begrepen, dat den christenen een nieuw onheil boven het hoofd hing en verwijderden zich in droevige stemming met hare moeder, om de hulp des Hemels af te smeeken.
Zij wisten niet, dat haar vader dien dag de gezag-hebbenden der Kerk geraadpleegd had over de maatregelen, die genomen moesten worden om Petrus en Paulus aan de woedende vervolging te onttrekken. Men was eindelijk overeengekomen, dat men den eerstvolgenden nacht by Pudens raad zou houden, in het lokaal, dat bestemd was voor de bijeenkomsten der geloovigen. 't Was eene ruime en heerlijke zaal, gelegen in het meest afgelegen gedeelte van het paleis, waarheen men toegang had door eene verborgene deur, bg dewelke eenige zeer getrouwe christenslaven wacht hielden.
31
Op het vastgestelde uur waren er, behalve Linus, die de gast des huizes was, de bisschoppen Cletus en Clemens, de evangelist Lucas, Acilius Glabrio, die later consul werd en den marteldood stierf, Flavius Clemens, aanzienlijk ia de wereld, bloedverwant van keizers, maar nog beroemder in de Kerk, want hij was te gelijker tjjd broeder, echtgenoot en oom van heiligen, en martelaar van Jesus-Uhristus. Men zag er eveneens Torpes, die een ambt bekleedde aan het hof van den Caesar, en talrijke christenen, priesters en leeken.
De beraadslaging duurde niet lang, want allen zagen, op grond der ingewonnen berichten, duidelijk in, dat Simon de ïoovenaar zijne listige plannen met zooveel trouweloosheid gesmeed had, dat Petrus en Paulus aan zijne strikken niet konden ontsnappen. Sedert het bezoek van Tiridates, koning van Armenië, was Nero dermate overgegeven aan tooverg, dat hij dagen en nachten doorbracht met het onthoofden van mannen, vrouwen en kinderen, terwijl hij ze met altoos aangroeiende wreedheid in stukken sneed en fijn hakte, om in de geheimen der kunst door te dringen.
Toen Simon onverwachts aan het hof verscheen met zgne vertooningen, die werkelijk verbazend mochten heeten, was Nero niet meer te houden en zag de waanzinnige niet meer dau door de oogen van den toovenaar.
Ook Tigellinus was met hem als vereenzelvigd, en
32
de arme Nero werd beider werktuig. Men kon niet twijfelen aan den doodelijken haat, welken Simon den Apostel toedroeg, want in Samaria, in Phoenicië en in geheel Azië hadden Petrus en Simon elkander onophoudelijk bestreden. Welk ander besluit kon men nemen, dan dat om zich in veiligheid te stellen tegen een zoo dreigend onheil ?
Linus, die gedurende Petrus' afwezigheid de Kerk van Rome bestuurde, besloot aldus:
»Welnu! ik ga een diaken afvaardigen, om, zoo mogelijk. Petrus en Paulus ver van ons te houden; want mijn hart zegt me dat zij, terwijl wij hier beraadslagen, Achaia verlaten hebben om zich naar Rome te begeven. Ja, zoo de wind hun voorspoedig is geweest, zjjn zij wellicht reeds in Italië aangekomen.quot;
»Ik zal koeriers naar Brundisium zenden,quot; zeide Pudens,
»En ik over den Appischen weg tot Puteoli,quot; voegde er Flavins Clemens bij.
»Men moet hen redden, het moge kosten wat het wil,quot; zeide ïorpes, sen alle Kerken van Italië waarschuwen, opdat, van welken kant zij ook komen, zij ingelicht mogen worden van den toestand, waarin vrij te Rome verkeeren. Ongetwijfeld zou de tegenwoordigheid der Apostelen aan de Kerk eene bovenmate groote hulp aanbrengen; maar gelooft mij, want ik zie de zaken van nabij, 't is zonneklaar, dat Petrus slechts hier zou komen om reeds, daags
33
na zijne aankomst, te vallen onder de bijl van een centurio. Meer dan ooit is het onze plicht, het woord des Heilands indachtig te wezen : Weesl voorzichtig als de slang. In naam dan ook van onze broeders die in het paleis des Caesars zijn, smeek ik u, die onze vaders en meesters zijt in Jesus-Christns, al uwe pogingen aan te wenden om Petrus en Paulus verwijderd te houden, ten minste tot het oogenblik waarop de gunst van Simon bij den Caesar zal verflauwd zijn ...quot;
Nauwelijks had Torpes deze woorden geuit, of de slaaf-portier snelde midden in de zaal, terwijl hij als buiten zichzelven uitriep:
»Petrus en Paulus!quot;
quot;Weldra verschenen de twee Apostelen in de vergadering. Zij waren bij het vallen van den avond te Rome aangekomen, zonder er het minste bericht van te geven, en dadelijk, onder beschutting der duisternis, naar hun gewoon toevluchtsoord, de gastvrije woning van Pudens, gegaan.
8
CORNELIUS PUDENS.
III.
De godsvrucht te Rome ten tijde van Petrus en Paulus.
e onverwachte verschijning van Petrus en Paulus in de vergadering, welke ten huize van Pudens gehouden werd, had op haar de uitwerking van een zonnestraal en een bliksemflits, welke zich gelijktijdig bij een onweer vertoonen. Men wierp zich dooreen aan hunne voeten, met eene mengeling van onuitsprekelijke vreugde en smart; men drukte hunne handen en bracht ze aan het hart, terwijl men tegelijkertijd hoopte en beefde. De heilige reizigers omhelsden hunne broeders en gaven hun den kus des Heeren, met de gebruikelijke groetenis: *Pax tecum. De vrede (zij) met u.quot;
Zij stortten eenige vreugdetranen, bij de gedachte dat zij zich wederom te midden van hunne zoo getrouwe en liefdevolle zonen bevonden. Na de eerste
35
uitstortingen van toegenegenheid zette Linus in korte bewoordingen den toestand der Kerk te Eome en den wensch der vergaderden uiteen: hij voegde er bij, dat de tegenwoordigheid van Petrus en Paulus hoogs verkwikkend en opbeurend was voor het hart der broeders van Rome, maar dat hij desniettemin meende, dat het voorzichtig zijn zou, een weinig quot;te wijken voor het overweldigend geluk der vijanden Gods; dat de beide Apostelen het voorstel niet moesten verwerpen om medelijden te hebben met zichzelven en met hunne broeders, door zich te bewaren voor de liefde en den voorspoed der geheele Kerk.
Petrus liet zich dit voorstel doen; vervolgens antwoordde hij, met eene zachte en kalme majesteit:
»Gezegend zij God, de Vader van Onzen Heer Jesus-Christus, die, door eene uitwerking zijner groote barmhartigheid, ons in uw midden heeft teruggevoerd !
»,t Is u niet onbekend, mijne broeders, welk een langdurigen en hardnekkigen oorlog Simon de Toove-naar tegen de Kerk, de Bruid des Heeren, voert, en hoe hij, sedert den dag, dat ik hem te Samaria buiten de gemeenschap der Kerk heb gesloten, valsche profeten en leeraars van leugentaal door Syrië en geheel Azië verspreid heeft, allerwege heillooze secten invoerende. Hij heeft een groot aantal leerlingen verleid, die de wegen der ondeugd bewandelen en de waarheid lasteren. Het kan u niet ontgaan op welke wijze hij, hier zelfs, aanhangers en volgelingen zoekt
36
r
te werven, door dagelijks van de eene plaats naar de andere te gaan, om, door het vleien der hartstochten, onze broeders, die pas de duisternissen des heidendoms verlaten hebben, aan te lokken en op het dwaalspoor te brengen. Hij belooft hun de vrijheid, terwijl hij-zelf en de zijnen slaven zijn der zedeloosheid ; reeds meer dan één ongelukkige, den weg verlatende welken hij begon te bewandelen, en terugkomende op zijne schreden, is in een toestand hervallen, erger dan die waaruit hij pas geraakt was, aldus in zich vervullende het zoo ware spreekwoord : Be hond is teruggekomen tot zijn uitwerpsel en het zwijn tot zijn slijk. Hoe zal ik langer kunnen dulden, dat Simon hier zonder belemmering handelt? Wie zou mij troosten, als het hem gelukte, de Kerk van Rome te bezoedelen, welke tot nog toe aan Christus zoo dierbaar is, welke zich vlekkeloos en zonder rimpel houdt, en wier geloof, de geheele wereld door, roem-rgk bekend staat? Ik weet wel, dat gij u, door de kracht des Heeren, hebt staande gehouden in het geloof, maar ik weet ook, dat het uur van den strijd is aangekomen en dat uw geloof beproefd zal worden door het vuur, gelijk het goud gelouterd wordt in den smeltkroes. Ik weet, dat het u niet ontbreekt aan kloekmoedige aanvoerders om u te versterken in den strijd, ik ken Linus, Cletus en Clemens; maar er staat geschreven: Hoed mijne lammeren; en God heeft gezegd aan de Apostelen: Wee u, als gij het Evangelie niet verkondigt. Wat mij betreft.
37
ik ben verzekerd, dat ik binnen korten tijd mijn aardsche woontent verlaten zal: ik moet mij dns voorbereiden om door mijn woord dezen steen des aanstoots te treffen teneinde hem te verbrijzelen. Indien bet den Heere bebaagt, dat ik hem vinde; die mij hier moet omringen, gelijk onze meester Jesus-Chris-tus het gezegd heeft, en mij tot het einde brengen vanwaar het zwakke vleesch mij verwijdert, dat dan zijn wil geschiede! En gij, zonen der gehoorzaamheid, geeft u niet over aan vleeschelijke begeerten, gelijk gij deedt toen gij in onwetendheid gedompeld waart, maar blijft onderworpen aan den Bisschop, den Herder uwer zielen. Overigens, niemand zal ons kunnen schaden, als wij gehecht blijven aan hetgeen rechtvaardig en goed is; denkt er aan, dat de oogen des Heeren op de rechtvaardigen rusten en dat zijne ooren zich gretig openen voor hunne gebeden; de trouweloozen daarentegen zijn blootgesteld aan de goddelijke gramschap, welke hen niet uit het oog verliest. Ziet alzoo vooruit en waakt in het gebed. Dat de genade van onzen Heer Jesus-Christus steeds met n zij!quot;
Zoo sprak Petrus. Paulus, die aan zijne zijde gezeten was, beaamde het met bescheidenheid door eene hoofdbuiging. Toen de Apostel zijne toespraak had geëindigd, vroeg zijn gezel op zijne beurt het woord, terwijl hg met de hand stilte verzocht. Hij s prak niet lang, hij zeide, dat de Heilige Geest hem bevolen bad, naar Rome terug te keeren, omdat het
38
uur was aangebroken, den Heiland te verkondigen in tegenwoordigheid des Keizers, en de kroon der gerechtigheid te ontvangen. Hij verzocht dientengevolge hem niet te verhinderen te blijven; want hij was reeds een slachtoffer bestemd ter slachting, en verlangde weldra bevrijd te worden van de sterfelijke boeien om voor altijd bij Jesus-Christus te zijn.
Bij het vernemen van deze woorden, welke nog duidelijker waren dan die van Petrus, was het alsof een voorhangsel scheurde en den marteldood deed zien der veelbeminde Apostelen. De geheele vergadering slaakte een diepen zucht en wel een des te dieperen, omdat niemand den moed gevoelde zich tegen Gods plannen te verzetten. Zij konden niets anders doen dan het hoofd buigen en de toekomst laten berusten in de handen des Heeren.
Toen nu Claudia en hare twee dochters Praxedes en Pudentiana, gevolgd door de andere Christenen van Pudens' huis, eindelijk bij de Apostelen waren toegelaten die zij wilden groeten, ondervonden die teedere en godvruchtige zielen, hoe onderworpen ook aan Gods wil, eene onbeschrijfelijke droefheid. De goede en zachtzinnige grijsaard werd door medelijden bewogen en hare wonde zooveel mogelijk willende verzachten, schikte hy zich eenigermate naar heure zwakheid, door te beloven, zich eenige dagen verborgen te houden bij den senator.
Linus, Cletus en Clemens, alsmede den priesters, werd opgedragen, den geest der genade bij de geloo-
39
vigen te hernieuwen, dooi* hen aan te sporen hunne gebeden en verstervingen te verdubbelen.
De apostel Paulus, hij, de groote redenaar, de meester van het woord, bekommerde zich geenszins om Simons hinderlagen en begon, met gloeienden ijver, de talrijke kerken te bezoeken welke hij gesticht had, die welke Petrus had doen ontkiemen en nog andere welke zich, als even zooveel pasgeboren kinderen, om strijd in elke wijk van Rome verhieven.
Bijwijlen vierde hij de heilige geheimen in het huis van Aquila en Priseilla, op den Aventijnschen heuvel, bij de fontein der Fauni; hg troostte deze heilige familie waar hij de liefderijkste gastvrijheid genoot, aan welke bij het behoud des levens te danken had, en welke alleen eene kerk vormde, die tot model kon dienen aan de andere christen gemeen-ten. Dan weer hield hij bijeenkomst in het huis der edelmoedige matrone Sabina, gelegen op de Via Lata ; daar doopte Paulus, bijgestaan door Lucas, de nieuw bekeerden in de miraculeuse fontein, welke op zijne bede ontsprong, toen hij daar als gevangene was. 't Was geene zeldzaamheid, Paulus in de Jodenwijk te zien, waar hij de nederige en toch zoo dierbare woninkjes der christenen wist terug te vinden. Vandaar beklom hij, bij het naderen van den nacht, den top van den Janiculus, om vervolgens door de Porta Aurelia tot de Vaticaansche vallei af te dalen. Daar vierde hij in de door Petrus gestichte kapel, te midden van de goede ovenhouders, wijngaardeniers, pot-
40
tenbakkers en steenbakkers, de heilige geheimen; daar vernam hij met tranen in de oogen de namen der christenen, die in de omstreken den marteldood hadden ondergaan en begraven waren op het Vati-kaansche Kerkhof of in de steengroeven, toebehoorende aan de vrome Lucina, op de Yia Aurelia, 't Was hem een hemelzoete taak, de nachten door te brengen met zich in 't geheim met de geloovigen te onderhouden, met de broeders die door de helsche geesten gekweld werden daarvan te bevrijden, met de zieken te bemoedigen en te verzorgen, met den balsem der aalmoes te gieten in de talrijke wonden der armen en der vervolgden. Hij verzuimde nooit, op deze gevaarlijke tochten de boetvaardigheid te prediken als een zeer krachtdadig middel om den triomf der Kerk, welke zoo vervolgd werd, te bespoedigen.
Terzelfder tijd vereenigde Petrus in 't geheim de bloem der Kerk van Rome op den doodenakker, gelegen buiten de Porta Collina, waar de godsvrucht van eenige voorname families en de onschendbaarheid der graven hem toestonden, te prediken en het doopsel toe te dienen. Pudens zelf had de eigendommen, welke hij op de Via Nomentana bezat, ter beschikking van Petrus gesteld. Meestal echter verbleef deze in het paleis van den senator.
De zeer talrijke menigte cliënten, welke het altoos openstaande atrium bezochten, bedekte als met een gemeenschappelijken mantel den vrijen toegang der
41
geloovigen. Het schouwspel, dat bij Da elk uur van den dag de afgelegene huiskapel aanbood, was waarlijk bewonderenswaardig, 's Nachts kwamen er de geloovigen van alle standen door de verborgene deur ter bijwoning der heilige geheimen; de dag was voorbehouden om gehoor te verleenen aan al degenen, die met den Apostel eenige zaak te bespreken hadden en bijzonder tot de ontvangst der christen vrouwen. De eerste die zich aanbood, was de eerbiedwaardige Claudia Sabinilla met hare twee dochters, Praxedes en Pudentiana, die zich reeds voor altoos aan den maagdelijken staat gewijd hadden. Zij werden gevolgd door het vrouwelijk personeel van Pudens'huis, zoowel vrijgelatenen als slavinnen, die den christelijken godsdienst beleden. Petrus, door de verlichting van den Heiligen Geest wetende, dat het de laatste blijken van hulde waren, welke hij van dit heilige huis van Pudens ontvangen moest, ontving elk zijner leden met de grootste welwillendheid en vriendschap. Al zijne woorden ademden een hemelschen gloed, üe goede grijsaard scheen zich niet te vermoeien in het onderhoud met de jeugdige maagd Pudentiana, want. hij ontdekte in haar, schoon nog geen vijftien jaren oud, tal van verdiensten, welke haar reeds rijp maakten voor den hemel en gereed om hare vleugels te ontplooien en opwaarts te vliegen tot haren god-delijken Bruidegom.
Zjj en hare zuster Praxedes brachten zeer dikwijls den dag door met afschriften te maken van het
PPIAM
L
42
Evangelie, dat Marcus geschreven had voor de Romeinen : nooit schreven die vrome maagden de regels over, waardoor de val van Petrus verhaald wordt, zonder zich diep ontroerd te gevoelen en de nederigheid te bewonderen van den prins der Apostelen, die deze regels zelf gedicteerd had. En als zg een afschrift voltooid hadden, legden zij het ter zijde om het Petrus aan te bieden, die het aan de bisschoppen gaf bij hunne wijding. De jeugdige maagden genoten eene hemelsche vreugde bij het zien, dat haar arbeid niet alleen aan Rome maar aan de geheele Kerk nuttig werd; want de Apostel wijdde in Pudens' huis Apollinaris, bisschop van Ravenna, Romulus, bisschop van Faesulae, Eutropius, bisschop van Verona, Cyrus, bisschop van Pavia, en vele anderen om op Sicilië, in Gallië, Hispanië, Britannië en het Oosten het Evangelie te verkondigen. Somwijlen ook maakten Praxedes en Pudentiana afschriften van de brieven van Paulus en gaven ze aan de familiën der nienw-bekeerden, die ver van de stad wonende er moeilijk de voorlezing van konden komen hooren in de bijeenkomsten der geloovigen.
De taak van afschrijving was voor Pudens' ijverige dochters zeer vermoeiend geworden, daar ze in de twee laatste jaren aanmerkelijk vergroot was wegens de toenemende vervolging. Dikwijls kwamen, onder schijn van beleefdheidsbezoeken, de matronen in de vertrekken van Claudia Sabinilla bijeen, om onder-ling te beraadslagen over de werken van christelijke
43
liefde, welke zij te vervullen hadden. Zij verdeelden onder elkander de zorg der begrafenissen, en ieder barer belastte zich biermede voor de overledenen barer buurt en voor de martelaars die in de nabg-beid barer woning onder beulsbanden waren omgekomen. Harerzijds zond Claudia verschillende afdeelingen van christen slaven, aan wier hoofd zich de edelaardige vrijgelatene Eubulus bevond, over de \ia Solaria en de Via Nomentana, om de uitvoeringen der doodvonnissen tegen de martelaars welke dagelijks plaats hadden, te bespieden. Zii droegen lakens en dekens om er de heilige overblijfselen in te verzamelen, met vaten om er het vergoten bloed in op te vangen en sponsen om er niet den minsten druppel van verloren te laten gaan. De jonge dochters hadden zich, op 't voorbeeld van Praxedes en Pudentiana, met de taak belast, om op elk uur, de vasen om de lichamen te reinigen, de windsels, de zalven en de reukwerken in gereedheid te houden. Dikwerf brachten zij den nacht door zonder een oog te sluiten, als de baren onverwachts kwamen, beladen met de overblijfselen van hen, die bun leven blijbartig' voor Jesus-Christus gegeven hadden. De zoetste rust van Praxedes en Pudentiana, van hare moeder Claudia en hare grootmoeder Priscilla, bestond in het verzamelen dezer relikwieën, in het onder tranen afwasscben dier glorierijke overblijfselen, in bet een voor een kussen dier nog warme wonden. Priscilla liet ze vervolgeus in de haar toebehoorende
44
steengroeven dragen, welke sedert den naam kregen van kerkhof van Priscilla. Wanneer de lichamen der martelaars te talrijk waren, gaven Padens' liefdevolle dochters hun voorloopig een rustoord in de onderaardsche plaatsen van zijn paleis. Vandaar dat de vrome Padentiana, ondanks de zoo groote menigte van martelaars, aan vele duizenden heiligen de laatste eer kon bewijzen.
Te midden dezer bezigheden verspreidden deze liefelijke bloemen van maagdelijke liefdadigheid den zoeten geur van het goede voorbeeld tot verre gewesten. Men moet dus niet verwonderd zijn dat zij aldaar door de kerken met eere vermeld werden, en dat de zoo edele Apostelin (gelijk men de heilige Thecla noemde) haar om berichten verzocht aangaande de Apostelen.
Nadat Pudentiana gedurende verscheiden dagen de onderrichtingen van Petrus en Paulas genoten had, meende zij op den brief der heilige Thecla te moeten antwoorden, en deed zij het, met de teederste ontboezeming des harten, in de volgende bewoordingen: ' 3gt; Pudentiana, dochter van Cornelius Pudens, groet Thecla, dienaresse Gods.
»Dat de vrede van Jesus-Ghristus eu zijne genade altoos aangroeien in uw hart, o Thecla, onze zuster! Ik antwoord u in den naam van mijne zuster Pra-xedes en van onze geheele familie, welke gjj hebt willen eeren door het zenden uwer zoo dierbare letteren. Petrus en Paulus bevinden zich te Rome:
45
verheug u in den Heer, zjj zijn rr gezond en wel aangekomen, maar niet zonder groote vrees onzer-zgds, ter oorzake der klimmende bekommernissen onzer broeders. Maar over dit punt zullen zij zeiven schrijven aan de Kerken van Azië, en onze broeder Onesimus, die ons uwen brief ter hand gesteld heeft, zal eenigen tijd bij ons moeten blijven om aan de Apostelen tijd te geven van te antwoorden. Ik haast mij het te doen door middel van den geheimschrijver mijns vaders, om u niet te lang te laten verzuchten naar het zoo vurig gewenschte bericht dat Paulus, uw meester en de onze in het geloof, u toestaat hem te kunnen weêrzien.
Hij beveelt u slechts aan, opdat gij u niet bloot-stellet aan de gevaren der huidige vervolging, uwe inscheping uit te stellen tot de benoeming der nieuwe consuls. Dusdanig is zijn verlangen. Intusschen draagt me mijn vader Cornelius Pudens op, u van stonde af gastvrijheid in onze woning aan te bieden. Welk geluk voor ons allen onder één dak te wonen met Thecla, de martelares van Jesus-Christus! Kom dus dierbare zuster, kom en stel mij in staat mijne lippen te kunnen drukken op uwe litteekens, opdat ik mij meer en meer schame, nog niet waardig te zijn geweest om iets te lijden voor onzen goddelijken Heiland ! Gij zult hier in het vlammend woord van Paulus, in de vurige toespraken van Petrus den troost en de hulp vinden, waarnaar gij verlangt. Luister en verneem ons tegenwoordig geluk. De twee geluk-
46
zalige Apostelen kwamen, gedurende den nacht, onverwachts ten onzent: eenige uren daarna braken zij ons het Brood des levens. Verbeeld n ons geluk! De volgende dagen begon Paulus de kerken te bezoeken van dit Babyion, gelijk Petrus onze stad noemt. Petrus houdt zich in onze woning verborgen, en wijdt zich aan de belangen der over de wereld verspreide christenen. Maar de broeders van Rome ondervinden meer dan alle anderen de weldaad zijner aanwezigheid. Zoo gij den toeloop eens zaagt tot den Opperherder der geheele Kerk 1 Elk uur komen mannen aan, onder den schjjn van cliënten mijns vaders of van boden onzer landhuizen om over zaken te komen spreken. De matronen en de jonkvrouwen doen alsof zij bezoek afleggen bij mijne moeder of bij mijne grootmoeder Priscilla, en zoo worden zij in de binnenvertrekken toegelaten. Wij ontvangen ze daar met groot genoegen, totdat zij ten getale van vijftien of twintig, met haar gevolg, vereenigd zijn. Dan berichten wij het onzen gelukzaligen Apostel, die zich aanstonds naar de huiskapel begeeft om ze daar te ontvangen, en wij vergezellen ze daarheen. De heilige grijsaard toont zich nimmer vermoeid. Hij zet zich op zjjn stoel neder en heft zijn oogen ten hemel; wij naderen, met gebogen hoofd, de banden in onze mouwen geborgen, en wij kussen hem de hand, welke hij bjjna altijd onder den linnen doek houdt, waarmede hij zijne tranen afdroogt. Gij weet, dat zijn gelaat, ook al zweeft hem een glim-
47
lach om de lippen, den indruk vertoont zjjner tranen. Zij, die hem iets in 't geheim te zeggen heeft, plaatst zich rechts van hem ; intusschen bidden wij voor onze zuster, totdat zij neerknielt voor de oplegging der handen; als dit afgeloopen is, scharen wij ons om onzen Vader en ontvangen wij van hem vermaningen. Meestal vraagt hij of eenige tweedracht tusschen ons ontstaan is en beveelt hij ons de liefde aan; eindelijk laat hij ons heengaan met den vrede van Jesus-Christus. Ik heb den apostel Paulus hoo-ren zeggen, dat hij nooit zulk een toeloop van broeders gezien heeft. Dagelijks komen zij, die zich door de kuastgrepen van Simon hadden laten verleiden bij de Apostelen hunne schuld belijden en erkennen. Verscheidenen van hen, die in de strikken van Simon den Toovenaar waren gevallen en die zijne boeken hadden overgeschreven, brengen ze bij ons en verbranden ze onder de oogen onzer broeders. Kortom, men ziet hier geschieden, wat in alle kerken gebeurt, wanneer God ze door middel zijner dienaren bezoekt.
»Wat Petrus bij ons doet, dat doen Paulus,-Lucas, Linus, Cletus, Clemens en de overige uitdeelers van Gods geheimen in elke kerk van Rome.
»Gij weet dat wij er, Gode zij dank, vele hebben in de wijk der Via Lata, op den Aventinus, den Esquilinus, den Caelius, in de wijk Trans Tiberirn, op den Vaticanus en elders. De Apostelen sporen ons aan tot bidden en vasten en om ons te onthechten van den geest der wereld. Maar, helaas!
48
ik vrees u te bedroeven, door u te spreken van onze zoo groote vreugden! Welnu 1 weet, dat deze rozen ook hare doornen hebben; een der wreedste is, de Apostelen in hunne opwekkingen tot vroomheid dik-wgls te hoorcn aanduiden dat hun loopbaan volbracht is; men zou somtijds zelfs zeggen, dat zij afscheid nemen om ten hemel te gaan.
»Heden heeft Clemens, in Petrus' tegenwoordigheid, tot ons het woord gericht: » gt;Mijne zusters, zeide hij ons, het bezit des hemels wordt niet verkregen door welsprekendheid, door adeldom, door schoonheid of door moed, maar door met Gods genade te leven volgens het geloof, dus het kwade te laten en het goede te doen. Wie bijgevolg naar het heerlijk en welzalig verblijf des hemels streeft, moet aan de wereld sterven en er zich van verwgderd houden, teneinde een hemelsch en goddelijk leven te leiden, gelijk de Engelen, met een zuiver en vlekkeloos geweten; hij moet, met de genade des Heiligen Gees-tes, den Almachtige dienen, met de hoop den hemel te verkregen door de verdiensten van Jesus-Christus. Indien gij dan het leven verlangt en dit doel wilt bereiken, bestrijdt dan uw lichaam, bedwingt de vleeschelijke begeerten en overwint de wereld, met de hulp des Heeren!quot;quot;
»Bij deze woorden van den gewijden redenaar drongen woelige kreten en wanordelijk geschreeuw tot ons heiligdom door : 't was een hoop onzer ongelukkige medeburgers, welke toesnelde tot den nabu-
49
rigen circus van.... ik dnrf dien duivelschen naam niet neêrschrijven. De vrome Clemens verhief zijne stem op schier grammen toon en ging aldus voort: gt;Geeft u niet over aan de vergankelijke en afschuwelijke gdelheden der wereld. Maar om den draak, den leeuw, het aloude serpent, om satan te overwinnen, moet gij u hechten aan Jesus-Christus, uwen geest voeden met zijne hemelsche leer en uwe ziel versterken door het lichaam en bloed des Heeren.quot;
»Voorts weidde hjj uit over de wijze om zieken, weezen, arme weduwen, bezetenen en ongeloovigen te bezoeken. Eindelijk sloot hij zijne toespraak met deze woorden:
»Moed dan, mijne zusters ! Handelen wij als goede schapen van Jesus-Christus, de rechtvaardigheid onderhoudende en door onze zuivere en heilige zeden de oprechtheid van ons geloof bewijzende. Richt u naar wie bloemen zijn van zuiverheid, van zedigheid, van godsvrucht, en betoont aan dezen den verscbul-digden eerbied : eert eveneens in den Heer al degenen, die met ons medearbeiden aan het werk der zaligheid. Zoo gij aldus in Jesus-Christus blijft, zoo gij, met zijne hulp, getrouw voortgaat op den rechten weg, zult gi:} onze vreugde, onze hoop en ons leven zijn! Amen!quot;quot;
»Bij het aanhooren van zijn getrouwen dienaar gaf de goede Petrus door gebaren zijne goedkeuring te kennen. Wij schenen herboren te worden, en de Heilige Geest wekte in ons de genade op, welke wij CORNELIUS PUDENS. 4
50
bij het doopsel ontvingen. Welk een hemelsch genot zou het voor mg zijn, dierbare Thecla, dusdanige woorden aan uwe zijde te hooren en mijn koud hart te verwarmen aan de vurigheid uws geloofs! Doch zoo het u niet wordt toegestaan, oogenblikkelgk naar Rome te varen, kan ik ten minste op de vleugels der gedachte mij tot u spoeden. Ik omhels u liefdevol in Onzen-Heer; mijne zuster Praxedes, alsmede de andere zusters, die in ons heiligdom samenkomen, doen het eveneens. Aurelia Petronilla, zeer geliefde dochter van Petrus volgens den geest, groet u insgelijks. Dat de genade van Jesus-Christus aan-groeie in uw hart.quot;
Pudentiana had haren brief gevouwen, maar vooraleer hem te zegelen, begaf zij zich met hare zuster tot hare moeder, om hem aan haar voor te lezen. Na er met aandacht naar geluisterd te hebben, zeide Claudia:
»Mijne lieve kinderen, ik zou met de verzending nog wat wachten, want ik vrees, dat er een droevig naschrift bijgevoegd zal moeten worden.quot;
gt;Welk, dierbare moeder?quot;
gt;Dat zou ik niet juist kunnen zeggen: maar ik zie onzen Petrus meer dan ooit in gedachten verzonken; hij spreekt steeds over de groote rampen der Kerk en over de gevaren, welke Paulus dreigen. De slaaf-portier heeft mij gezegd, dat heden talrijke boden, wier uiterlijk ontsteltenis verried, voor Petrus zijn aangekomen en dat de een onmiddellijk op den ander volgde, 'k Heb een voorgevoel, dat er slecht
51
nieuws is, te meer daar Petrus bevolen heeft, dezen avond het getal zitplaatsen, voor de vergadering bestemd, te verdubbelen.quot;
gt;Wat zeker is,quot; zeide Praxedes, »is, dat men sedert verscheidene dagen Paulus niet meer ziet; zou hij vertrokken zijn?quot;
»Dat is mijn vurigste verlangen,quot; hernam Claudia, De beide dochters durfden geen verdere vragen te stellen en bleven, aan de voeten harer moeder, op schabellen gezeten, zonder er een woord bij te voegen, Pudentiana hield haren brief in de hand en liet nu eens het hoofd zinken en zag dan eens op naar hare moeder, als iemand, die verlangt, maar te gelijker tijd vreest, zijn twijfel te zien opgelost. Dan zeide Claudia, die aan hare dochters eene afleiding wilde bezorgen van een zoo pijnlijk voorgevoel: •
»Komaan, moed! mijne kinderen; brengt de zaal in orde; zorgt, dat het brood versch zg en denkt er wel aan, dat een dubbele hoeveelheid noodig is.quot;
Praxedes ging het meel kneden en Pudentiana begaf zich naar het heiligdom, waar zij alles in gereedheid bracht voor de nachtelijke bijeenkomst der christenen. Zij spreidde een doek van witte zijde over de houten tafel uit en plaatste, zonder hulp van slaven, banken voor de mannen en de vrouwen. Dan begon zij den stoel, waarop Petras gezeten was als hij het woord tot de geloovigen richtte, met alle zorg schoon te maken. En als hadde zij een voorgevoel, dat deze stoel eens de glorie van Rome en
V
52
een voorwerp van vereering voor de geheele wereld zijn zou, knielde zij, na volbrachten arbeid, neder, vouwde hare banden, knste bet hout en stortte haar vroom hart in deze bede uit:
»Gezegend zij de goede God, die aan Petrus heeft toegestaan in deze woning te verblijven en neer te zitten op dezen stoel om ons de waarheid te leeren!quot;
Op dat oogenblik verscheen eene slavin, die Puden-tiana kwam berichten, dat Claudia haar aan tafel wachtte, zoo zij althans met haar werk klaar was. Toen het goed nacht was geworden, kwamen de christenen, in veel grooter getale dan naar gewoonte, ter vergadering; zij zagen er verschrikt, beklemd en ontsteld uit; vreeselijke tijdingen liepen van mond tot mond. Nadat Petrus was gaan zitten om eene toespraak te honden, drukt? hij zich in deze bewoordingen^uit: »Mijne broeders, de dagen van ontzettenden druk zijn aangebroken ! Paulus zit geboeid in den Mamer-tjjnscben kerker, op last van den Caesar ,.
Men hoorde alsdan een algemeen gezucht, gevolgd door geween en gesnik,
gt;l}idt God,quot; voegde er Petrus bij, »dat Hij de ketenen gelieve te verbreken van den Apostel, onzen broeder, en dat Hij ons kracht genoeg verleene om de ergernissen tegen te gaan van den vijand der Kerk, die thans heerscht en zegeviert. Gaat in vrede.quot;
Meer kon de Apostel niet zeggen. Zijn hart liep over van droefheid, en toch was de gevangenneming van Paulus slechts het begin van den storm.
IV.
De worsteling.
e dag, welke zich na de inhechtenisneming van Paulus aan de kimmen verhief, bracht den talrijken aanhangers van Simon den Toovenaar eene wreede vreugde aan. Joden en volgelingen uit alle standen togen in menigte naar zijne prachtige woning aan gene zijde van den Tiber en begroetten hem, als hadde hij eene luisterrijke overwinning behaald. Vele vrouwen, die zgne leerlingen waren, kwamen, in plechtgewaad gedost, in hare draagstoelen aan, gevolgd door een grooten stoet, om Helena, Simons vrouw, bare gelukwenschen aan te bieden. Zij verzochten als eene gunst, de huiskapel te worden binnengeleid, teneinde eenige wierookkorrels te branden voor de afbeeldingen van Simon en Helena, welke zich boven het altaar verhieven, in de hoedanigheid van Jupiter en Minerva. Deze eerbetooning voerde de trotschheid der beruchte Helena ten top
54
en gaf haar het denkbeeld in, haren man er toe aan te zetten om op een goeden keer Petrus uit den weg te ruimen, teneinde zonder hindernis dien hoop aanbidders te beheerschen. Simon behoefde niet te worden aangehitst tegen den Apostel; maar hij wilde vooraf in eene plechtige worsteling Petrus beschamen en zoo het aanzien vernietigen van Christus, dien Petrus gepredikt had. Intusschen stelde hi] alles in het werk om nieuwe volgelingen aan te werven en zijn aanhang te vermeerderen. H.ij had eene volstrekte en onweêrstaanbare macht over zijne leerlingen, want hij had ze vastgeketend door middel van twee boeien, waarvan de eene al duivelscher was dan de andere. Eerst verblindde hij hen door zijne begoochelingen, waarmede hij dagelijks paradeerde; vervolgens betoo-verde hij hen door hen te werpen in den modder der schandelijkste en afschuwelijkste ondeugden.
Onder de geloovigen daarentegen heerschten rouw, geween en ontsteltenis. Zg jammerden over het lot van Paulus en vreesden voor Petrus het ergste. Alle toegangen van het paleis stonden voor den toovenaar open. Nero's gunst was hem verzekerd voor de grootste snoodheden, en de hovelingen verhieven hem tot de wolken als den boezemvriend des vorsten en den handlanger zijner vermaken. Tot den dood van Petrus was een enkel verlangen van Simon voldoende, die, vermoeid van den ongelijken strijd tegen den Apostel, zijn invloed zou misbruiken om Nero het bloed van zijn tegenstander te vragen.
55
»En hoe zou hij het niet vragen,quot; zeiden de christenen onderling, gt;hg, die Petrus dagelijks zijne kunstgrepen ziet verijdelen? Ontneemt hem Petrus niet zijne pas ingewijde volgelingen? Verdonkert hg zijn roem niet door dagelijkache wonderen ? Beoorloogt Petrus hem niet zelfs in het paleis van den Caesar ?quot;
Eenigen, die vreesachtig waren, voegden er bij:
gt;0! als Petrus maar een weinig week voor de omstandigheden! Zoo hg zich maar terugtrok bij de geloovigen van Ferentinum of naar eenige ver-wgderde kerk van Campanië!quot;
Maar wel verre van toegankelijk te zijn voor dusdanige gevoelens, besloot Petrus den oorlog te hernieuwen of, liever gezegd, den voortaan onafgebroken strijd, en met open vizier al het gewicht van zijn vijand op zich te nemen. Hg wist zeer goed van welke hand de slag kwam, waardoor Paulus was getroffen; 't was hem bekend hoe de Apostel, zgn broeder, zelfs uit het paleis des keizers, aan Simon vele vrienden en vriendinnen had durven ontrukken, door ze met Gods genade te bewegen, voortaan christelijk te leven; hij wist, dat Simon dit voorwendsel had aangegrepen om Paulus bg den vorst te beschuldigen ; hij wist, dat geheel het paleis van Nero woedend op hem was: desniettegenstaande zocht Petrus, in stede van zich terug te trekken, slechts terrein te winnen en vermenigvuldigde hij zgne overwinningen.
56
Intusschen verkeerde Simon, trotsch over zijn welslagen en de stem van Paulus niet meer hoerende, in de waanzinnigheid eener helsche vreugde; hij vleide er zich mede, een grooten slag te hebben geslagen en eindelijk zijn groot fortuin op hechte grondslagen te kunnen vestigen. Met vurige schranderheid had hij de leer van Christus bestudeerd; hg wilde het zoo gelukkige werk van Jesus van Nazareth herdoen, door de profetieën op zich toe te passen, door de handelingen en wonderen des Heilands na te bootsen en zich zijne leerstellingen toe te eigenen. Maar, volleerd als hij was in kunstgrepen, maakte hij al de wegen voor zijne leerlingen gemakkelijk, hield hij rekening met hetgeen zij geloofden, vleide hij al hunne hartstochten; kortom, met welke personen hg ook te doen kreeg, voor allen wist hg aangename woorden te vinden in overeenstemming met hunne verlangens.
Hg sloop de huizen der nieuwbekeerden binnen en betuigde hun, onder den schijn van godsvrucht, grooten eerbied voor hun kuisch en streng leven en zeide hun op innemenden toon: dat God herhaalde malen medelijden met deze wereld gehad en haar met zijn bezoeken gezegend had, telkens zijne weldoende hand verwijdende en alzoo deernis betoonende met de menschelgke zwakheid. De persoon van den hemelschen Vader, zeide hij, was verschenen aan de Samaritanen, wier wet moeielijk en streng was, maar de wet der christenen was blijkbaar zachter, omdat
57
zij den Joden was aangebracht door den Zoon, die mensch was geworden om hen te verlossen; eindelijk was de goddelijke Vertrooster uit den hemel gedaald, om de wereld te troosten. Hij voegde er bij, dat hij voor zich geene andere eer vroeg dan die van God; want allen moesten, hoe men hem ook wilde noemen, wel weten, dat van alle menschwordingen der goddelijke personen, hij degene was, die de kracht Gods is, welke de groote heet, aan de wereld onder verschillende vormen verschenen, in één woord het Wezen zonder begin noch einde. Zijne wet was zoet: zij zouden God beminnen en zich in den geest met het eerste Wezen vereenigen; al de andere voorschriften zouden afgeschaft kunnen worden ten gunste van wie in waarheid geloofden aan den Heiligen Geest, gelijk de Mozaïsche voorschriften buiten werking waren gesteld ten gunste der geloovigen des Zoons. Echter moesten zij in Jesus-Christus geloo-ven als een heilig man en profeet; maar men moest ook in hem zeiven gelooven, die de beloofde Geest was en de drager eener volledige openbaring.
»'t Is daarom,quot; besloot hij, »dat ik mijne apostelen heb gezonden, niet in beperkten getale van twaalf, maar een goed dertigtal ten teeken eener groote barmhartigheid. Dat de stervelingen weten, dat de tijden der strenge wet verstreken zijn; dat de ziel niets te vreezen heeft van het laatste oordeel en, mits het geloof behouden zij, alle voldoening eener natuurlijke neiging geoorloofd is. Geen vasten meer,
58
geen ijdele vrees voor het vleesch der offerdieren, geen kuischheid, maar eene zeer zuivere liefde en de vrijheid der kinderen Gods. Zelfs afgoderij, waarin men zooveel nuttelooze offers brengt, is niet verboden voor wie in zijn hart een levendig geloof weet te behouden. Gaat naar mijne Helena, opperste apostelin, een gansch hemaisch wezen, dochter Gods, tot reiniging der ^ ereld gezonden, en, onder de leiding van haar apostolaat, zult gij li?t ware licht erkennen. Ik heb haar aan cu oneer ontrukt en door mijne hand geheiligd, want haar goddelijke oorsprong was mij bekend geworden; eerbiedigt haar, en welzalig zullen zij zgn, die in haar gelooven.quot;
Listig vorschte hij na, of de personen, bij wie hij was, eenige van die perkamenten bezaten, welke Marcus onder de Eomeinsche ridders had uitgedeeld (hij bedoelde het Evangelie volgens den heiligen Marcus), en zich nog listiger deze geschriften ter hand latende stellen, gaf hij daarvoor in ruil een, naar zgn zeggen, kostbaar boek, waarin alle godde-lijke geschriften in 't kort vervat waren en dat elke andere wet afschafte.
gt;Leest de Groote Verklaring,quot; riep hij uit, »ziehier het nieuwe Evangelie, ziehier de hoogste Onthulling, ziehier het woord Gods !quot;
Zoo sprak de toovenaar tot de christenen, maar met de Joden plooide hg zich nog meer naar hunne overleveringen. Waren zij Samaritanen, dan verheer-]ijkte hij de aanbidding op den berg Garizim, terwijl
59
hij herinnerde aan de wonderbare dingen, welke hij te Samaria verricht had, aan het ongeloofelijk aantal leerlingen, dat hij daar had achtergelaten, aan de tempels en de altaren, aan zijnen naam gewijd. Om hun de heillooze herinnering der nederlagen, welke de Apostelen hem in die streken hadden doen ondergaan, te doen vergeten en deze geheel uit hun geest te wisschen, voegde hij er bij, dat hij slechts daarom tot Petrus was toegetreden om zijne tooverijen te vernietigen en zijne boosheid te beschamen. Had hij met een eenvoudig Israëliet te doen, die weinig verstand bezat en niet dubbelhartig was, dan speldde hij hem eene menigte dwaasheden van eigen vinding op den mouw aangaande de aloude Kachel, wier zoon hij beweerde te zijn, niet op menschelijke wijze, maar door goddelijken oorsprong. Eier trad hij ia de bijzonderheden zijner eerste kindsheid, welke hij had doorgebracht onder de tenten van Jacob, en verhaalde hij de wonderwerken, door hem verricht in zijne aloude jeugd: altemaal dingen, ongemeen wonderbaar en onbegrijpelijk, ver boven alle menschelijk geloof. Hij grondde al zijne beweringen op plaatsen uit de heilige Schriften, welke hij in de hand had en waarmede hij omsprong alsof hij ze letterlijk kende, van het begin tot het einde.
Hoewel Simons zorgen inzonderheid op zijne land-genooten gericht waren, verwaarloosde hij echter de heidenen niet. Te hunnen opzichte sloeg hij een geheel anderen weg in. Hij vertoonde zich aan
Hoveengebsd.
Heilige Judas Thadeus, Apostel en quot;bloedvarwant van Jesus, God heeft ü de genade geschonken om de menHchen in de oeest moeiiyke omstigheden, waarin aen als het ware geen uitkomst meer ziet, met Uwe machtige voorspraak by te staan. Eet vertrouwen op Uw voorspraak is dikwyir op wonderbare w^zo beloond. Ook ik neem met vertrouwen myn toevlucht tot TJ,
Kom my te hulp In raijn grooten nood en ik za3 Gods barcünartigheid loven
Ik zal U dankbaar z\1n en Uw trouwe vereerder blyven en—-zooals het gebed van de Kerk op üw feosfc van 28 October ons leert— God bidden om de genade,voortgang te mogen maken in het goede tot verheerlijking van God en tot s^jn eigen zaligheid.Amen
60
hen, evenals een wijsgeer, in een donkeren en sta-tigen mantel gehuld, en praalde er mede, het attische dialect en de taal van Plato te spreken. Hij richtte zijne academie op in de stille schaduw van een of andere villa op den heuvel van Cinna of langs den Nomen-taanschen weg. Daar, neergevlijd onder een plataan, verloor hij zich in bovenzinnelijke bespiegelingen, welke hjj omwond met de meest alledaagsche beuzelingen, en verhief hij zich tot de gewesten van het onbegrijpelijk wezen. Na een tijd lang in die ongenaakbare wolken te hebben rondgedwaald, begon hij van zichzelven te spreken en beleed hij, van den hemel te zijn gedaald om den verblinden mensche-1 ijken geest te verlichten. Om dit werk te volbrengen, had hij, zeide hij, de wijsheid ter hulpe geroepen; die verborgene wijsheid was Helena, die men onder den naam van Minerva had aangebeden, die meermalen op de wereld verschenen, maar altoos door de arme stervelingen miskend was.
»Zij verscheen,quot; zeide hij. gt;in aloude tijden en was die Helena, welke de oorlogsfakkel ontstak tus-schen de Grieken en de Trojanen; de stervelingen wisten onder hare schoonheden den goddelijken straal niet te ontdekken. Homerus had haar bezongen onder de zinnebeeldige gedaante van het paard, dat over Troje zegevierde, en verborg onder dien dekmantel den oorlog, welken de onwetenden tegen de Wijsheid voeren. Helena was de moeder van een oneindig aantal verstandige geesten, die haar als eene koningin
61
hadden moeten huldigen, maar integendeel haar bejegenden als eene stiefmoeder, 't Was een geluk voor Helena, dat mijn oog haar ontdekt heeft op het oogenblik dat haar fortuin in verval geraakte. Ik trok dat kostbare gesteente uit het slijk, ik plaatste haar op het altaar, dat zij verdiende, door haar tot echt-genoote te nemen. Geeft haar dus den verschuldigden wierook; wat mij betreft, deze wierook is mij reeds geboden in Syrië, in Palestina, in lonië, waar allen reeds aan Simon geofferd hebben.quot;
Men zou het getal der aanhangers niet kunnen opgeven, die hij zich door deze beschouwingen verwierf onder hen, die de ware wetenschap niet kenden, die, tot hun ongeluk, gewoon waren aan de monsterachtige godenleer van Hesiodus en van Homerus, en die, ten laatste, zich met de nog onzinniger fabels gevoed hadden van Caïus J alius Hyginus, den groo-ten gunsteling van Octavius Augustus. Gelukkig dat men meestal, door eene beschikking der Voorzienigheid, Simon Petrus zag verschijuen, als Simon de Toovenaar zich nauwelijks verwijderd had. Ook Petrus wist rekening te houden met de meerdere of mindere ontwikkeling der menschen. Ook hij wist eene ernstige houding aan te nemen, maar had niets van den toon eener sibylle of van een orakel. Hij verzocht, dat men naar hem zou luisteren en bestreed en vernietigde door levendige redeneeringen eener bovennatuurlijke wijsbegeerte de door Simon voorgestelde leugens, wier ongeloofelijke ongerijmdheid
62
hij als met de baud deed tasten. Vervolgens veranderde hij van lieverlede de redekundige bewijsvoering in evangelische prediking; dan verkondigde hij Jesus-Christus, den gekruisigde, en deed hij de gebiedende trompet weerklinken van het verschrikkelijk oordeel, dat door God gesteld is als een grenspaal tusschen den tijd en de eeuwigheid, als een teugel en gebit aan de kortstondige wanordelijkheden, als het begin en de vestiging eener altoosdurende orde.
De toehoorders voelden zich door diepe bewondering aangegrepen; zij vergeleken de ijdele woorden der schoon sprekende philosofen met de redevoeringen van den Hebreeuwschen wijsgeer; zij zagen elkander aan en zeiden, volgens den geest waarmede zij bezield waren:
gt;Die cynicus is geslepen.quot;
Om de waarheid te zeggen, ontbrak het niet aan lichtzinnigen, die het uitschreeuwden :
gt;Ba ! gij zoudt van ons allen honden willen tuaken gelijk gij zijt!quot;
gt;Neen, 't is geen hondswijsgeer, maar een vertrouweling van Christus, die aan de galg ontsnapt is: pakt den brandstichter aan!quot;
ïBij Hercules, gij kunt van uw woorden afkomen, maar uwe groote letterkunde heeft uw hoofd in de war gebracht.quot;
»Wisjewasjes en beuzelpraat van Joden!quot; »Verteer de pil, zoo gij kunt! Wat opgeschoven, eer het te laat is!.. .'£
63
»Luister eens, gij die zoo schoon kunt redeneeren,quot; zeide een jonge kwast; gt;weet gjj waarom de mieren zes pootjes hebben en vier vleugels, terwijl de groote olifanten slechts over vier pooten te beschikken hebben ?quot; En iedereen lachte en had pleizier. Petrus verloor moed noch waardigheid. Hij zette zijne rede-neering voort, met altoos hoogere bezieling, en bijna altijd werd hij, als hg zich verwijderde, door een nieuwen leerling gevolgd, die, met een berouwvol hart, hem in 't geheim kwam spreken en zeide :
gt;Wijsgeer, wat moet ik doen?quot;
Vernam de Apostel dat Simon, gelijk hg dikwijls deed, zich in de synagoge had ingedrongen, dan liet hij niet na er zelf in de volgende vergadering te verschijnen. Hij nam het boek der W et in handen, en na het te hebben opengeslagen ter plaatse welke hij zoo goed kende, vernietigde hij met eenige korte, maar verpletterende woorden de ketterijen van den Toovenaar en toonde hij zonneklaar aan, dat die man de beloofde Christus niet zijn kon; dat Simon niets was dan een misleide zwerver, een lage handlanger des satans, van wien zijne tooverijen kwamen. Vervolgens doorliep hij de beloften van de patriarchen en de profeten en toonde hij in weinige trekken de vervulling daarvan aan in Jesus van Nazareth.
»Zonen der profeten, erfgenamen van het Testament,quot; zoo klonk dan zijn besluit, »welaan, doet boetvaardigheid en ontvangt het. doopsel van Jesus
64
Christus: er is geen andere naam in den hemel of op de aarde, die u de zaligheid kan doen verhopen.quot;
Bij wijlen ook verhief Petrus, verrukt door den Geest van voorspelling, zgne stem en voegde hg er op dreigenden toon bij:
»Broeders, bedriegt n niet ten aanzien van den tempel; weldra zal hij in puin storten; ik zie het reeds. Een machtig wezen keert zijne wrekende banieren tegen de muren van Sion: de honger, de slavernij, de verdelging en verwoesting volgen het. Jeruzalem, gij zult weenen, gelijk gij u verblijd hebt bij het zien der smarten van Gods Zoon 1...quot;
Op het hooren dezer vreeselijke veropenbaring, stond de vergadering in wanorde op; woedend schoten de rabbijnen, de vaders en de moeders der synagoge, op hem los, alsof hij God gelasterd hadde; wis hadden zij hem op de wreedste wijze bejegend, waren zij niet tegengehouden door de vrees voor de wetten en de nog versche herinnering aan de strenge maatregelen van Claudius Caesar. Maar het geraas was nog heviger als de Toovenaar, in het felste zijner toespraak, zijn geduchten tegenstander in de synagoge zag verschijnen.
Dan beefde hij, te gelijker tijd ontsteld en woedend, van het hoofd tot de voeten; dan kwam hem het schuim op de lippen en overlaadde hij den Apostel met woedende schimpwoorden en zocht hij hem te klemmen in de kronkels zijner helsche redekunde. Petrus liet hem op zijne wijze hevig uitvaren, zich
65
weren, zich krommen, al zijn venijn uitstorten; dan ontwarde hij, in weinige woorden en zonder moeite, zijne bedrieglijke drogredenen, de eene na de andere, en sloeg hij hem onverbiddelijk door onwraakbare bewijzen. De rampzalige toovenaar voelde het woord op zijne lippen sterven en verslond als een vertrapte slang zijn eigen venijn, in eene sidderende en rade-looze stilte. De persoon van den Apostel was met zooveel geheimzinnige majesteit omgeven en op zijn gelaat schitterde zooveel hemelsche macht, dat de toovenaar, ondanks al zijne pogingen om de worsteling voort te zetten, zijne redeneering moest staken en niets meer wist te doen dan Petrus hoonend uit te dagen tot het verrichten van wonderen.
Vaker nog keerde hij hem den rug toe, onder het slaken van een somber gebrul.
»Oude kaalkop,quot; zeide hij, »bij de eerste gelegenheid zal u geen slavenkruis ontbreken.quot;
Hoewel zoo dikwerf overwonnen en verslagen,
O '
bleef hij echter het grootste gezag genieten bij zijne leerlingen, betooverd en begoocheld als zij waren door zijne duivelsche werken. Nero zelf hing aan zijne lippen, en zijne bewondering voor den toovenaar was zoover gegaan, dat hij niet vreesde hem een standbeeld op te richten met dit opschrift: d Aan Simon, den heiligen God:'' Ja hij ging met de gedachte om, hem een tempel toe te wijden en offeranden op te dragen, zooals men reeds op andere plaatsen gedaan had. De toovenaar bediende zich, bij zijne tooverijen,
CORNELIUS PUDENS. K
66
van het portret eens kinds. Hij zwoer, dat hij in zijne hoogere macht het uit zeer zuivere lucht geschapen en vervolgens krachtens zijn eenig en vol gezag
•3
gedood, maar zijne beeltenis bewaard had tot zyne eigene glorie. Waar is het dat hij, met dit portret in de hand, de geesten bezwoer en naar zijn wil in de duistere vergaderingen zijner getrouwste leerlingen en vooral in Nero's tegenwoordigheid deed verschijnen.
Andere keeren, als hij den Caesar door de voorzalen van het Palatium vergezelde en hem met de vrienden volgde langs de eindelooze galerijen van het Gulden Huis, gaf hij, door een duivelsche werking, beweging aan de omringende standbeelden, welke zich op hunne voetstukken bewogen en voor den Meester begonnen te buigen, tot groote verbazing van Nero. Door eene uitnoodiging vereerd om deel te nemen aan een keizerlijken maaltijd, verwekte hij, als de anderen hieraan het minst dachten, een on-stuimigen wind, welke het keizerlijke eeretafeltje schokte en in wanorde bracht, zoodat het gouden vaatwerk, de kristallen bekers, de kleinoodiën, de gerechten, zonder dat eenige hand ze aanraakte, in de hoogte gingen en van zelf aan de dischgenooten zich aanboden. Vervolgens vloog eensklaps een met een sleutel gesloten deur met hare twee vleugels open en zag men eene menigte bevallige en bekoorlijke figuren, die het tafelgerief kwamen nemen om het weer op het tafeltje te zetten; op een gegeven teeken echter van den toovenaar verbleekten deze
67
figuren, verhieven zij zich in de lucht en verdwenen.
Bij het zien van dergelijke verschijnselen, stelde Nero geen paal of perk meer aan zijn eerbied voor den god, die aan zijne eigene tafel gezeten was, en vleide hij hem, door de bede tot hem te richten om toegelaten te worden tot de studie en de kennis van die wonderbare theürgische wijsbegeerte.
»Zeg me, goddelijke hiërophant, wat gij van mij verlangt. Ik ben bereid op uw minsten wenk te gehoorzamen; wilt gij goud? mijne schatkist staat voor u open. Wilt gij menschelijke slachtoffers, kinderen of maagden? weldra zullen zij onder het mes vallen; als het my slechts geoorloofd is, de geheimen te doordringen van hen, die mij strikken spannen, het toekomende te voorzien en den goden geweld aan te doen; ziedaar waarnaar ik streef en smacht!quot;
»lk zal u dit alles leeren,quot; zeide de toovenaar glimlachend, »en beter nog, o goddeljjke Caesar, als gij de lagere graden op dat gebied van kennis zult doorloopen hebben. Vooraf behoort het, dat ik u al de macht van mijn arm doe kennen.quot;
En midden in de eetzaal springende, strekte hg, geheel door eene helsche schemering omgeven, de hand uit.
»Ik kan, ja, ik kan,quot; riep hij alsdan zegevierend uit, »als ik wil, mij onzichtbaar maken voor hen voor wie ik mij wil verbergen; indien ik wil vluchten, zullen de bergen zich openen om mij doortocht te geven; zoo ik mjj boven van den hoogsten toren
68
wierp, zouden de hemelsche beschermgeesten mij zonder het minste letsel op den grond doen neêrkomen; het vuur heeft voor mij geen hitte als ik midden door de vlammen ga; op mjjn wenk verheffen zich nieuwe bosschen uit den grond; de natuur versiert mgn weg met nieawe bloemen en planten; ik bezit het vermogen om vorm en gedaante naar mijn welbehagen te veranderen; de weg des hemels is mg bekend, gelijk die der aarde. Zij, die mg standbeelden oprichten, handelen wel, zij, die mij aanbidden, nog beter.quot;
Terwijl het geluk den duivelscheu toovenaar zoo toelachte, gevoelde hij nochtans eene pijnlijke wonde aan het hart steken en folterde hem allerwegen en alom een puntige priem; 't was de herinnering aan de triomfen der Apostelen van Christus. Wel is waar werd die felle inwendige smart een weinig gestild, wanneer hij aan Paulus dacht, want hij wist, dat deze gekerkerd en voor de bijl bestemd was. Maar hg was troosteloos, als hem de gedachte aan Petrus 'bezig hield, die zich verhonderdvoudigde, alom zich vertoonde, allerwegen streed en overal zegepraalde, zonder dat er eenige mogelijkheid bestond, het verborgene schuilhoekje, dat hem tot woning diende, te ontdekken. De vrienden van Simon deelden hem in hunne geheime bijeenkomsten mede, dat zg Petrus hadden zien zwerven bij de Sepia Julia op de Via Lata; anderen zeiden hem te hebben ontmoet op de hoogten van den Avenlinus, vanwaar men den Circus Maximus overziet.
69
»Dit is maar al te waar,quot; antwoordde de toovenaar, »daar bevindt zich een oud nest van onze vijanden en van afvallige Joden.quot;
Hij bedoelde hiermede het huis van Aquila en Priscilla.
gt;En ikquot;,— zeide een ander — »heb hem bemerkt, terwijl hij in eene schuit over den Tiber stak inde nabijheid van Augustus' praalgraf, om zich verder, over onbekende voetpaden, in de weilanden van Gincinnatus te begeven.quot;
»Ik,quot; voegde een ander er bij, sik heb hem op een verloren uur als een schim achter den ringmuur van Nero's circus zien waren; ik beproefde hem te volgen zonder dat hij me zag; hij richtte zich naar de Cestische brug; van daar spoedde hij zich door de straatjes van de wijk Trans Tiberim en verdween uit mijn oogen.quot;
Eindelijk zeide een der ijverigste Joodsche matronen, die den titel droeg van moeder der synagoge, terwijl zjj schier van droefheid weende:
»Als het met de zaken zoo voortgaat, zal men weldra onze synagoge kunnen sluiten. Reeds is die van den Esquilinus bijna verlaten, die van de Porta Capena ledig en ,..quot;
»En waarom ? En hoe ?quot;
»Cephas is hiervan de schuld.quot;
Nu kon Simon zich niet langer inhouden; tot zijne vrienden gekeerd, riep hij met bitterheid uit;
gt;Misdadigers! misdadigers al degenen die hem in
70
de synagoge ontvangen! Wie naar hem luisteren zijn ijlhoofdige goddeloozen! Men moest hem boeien en levend of dood bg me brengen ... Maar neen ! eerst moet ik hem op alle mogelijke wijzen beschamen en met schande overladen. Wat n betreft, is het voldoende, dat gij uwe ooren sluit voor zijne valsche betooveringen.quot;
»Hoe is dit mogelijk?quot; antwoordde de vrouw. igt;Die man betoovert u door zgn blik, door zijne houding, door zgn gebaren: zgn oog is als de bliksem, zijn stem als de donder! Men biedt hem geen weerstand. Heb ik hem niet dikwerf onze straten zien doorloo-pen, aan den voet van den Janiculus ? Iedereen kende hem, doch niemand durfde hem aan te raken.quot;
»Welke misdadige lafheid !quot;
gt;Wat meer is, vele lieden verzochten hem binnen te komen en brachten hem bij de bedden hunner zieken. De moeders boden hem hare kleine kinderen, die een gebrek hadden, ter betoovering aan ...quot;
»En hg?quot;
»Hg trad stout binnen, teekende elk hunner met zgne tooverteekens en maakte hen gezond en vervloekt. Arm huis van Jacob, zoo de kracht Gods (zoo noemden zg Simon den Toovenaar) het niet komt helpen!quot;
»Ja zeker, zal ik het ter hulpe komen!quot; antwoordde de Toovenaar, »en wel zoo goed, dat ik de ondergang der christenen zgn zal. Wat verhoopt dan Petrus in dit Rome dat aan mg is ? Hier zijn stand
71
beelden mij ter eere opgericht; hier luistert de Caesar naar mijne bevelen; hier zal ik binnenkort tempels en altaren hebben, dan zal ik voldaan zijn en mijne sterfelijke loopbaan volbracht hebben. Maar vooraf ben ik besloten dezen Galileër in lompen te vernederen, en na hem te hebben vernederd, te vernietigen; zoo zal ik handelen met hem die mij den wierook betwist, welke mij in alle deelen der wereld verschuldigd is. Zijn laatste nederlaag zal te Rome plaats hebben. Ik kan niet begrijpen, waarom men hem niet uit elk huis jaagt, als een razenden hond. Wat kan hij den Komeinen beloven? Aan de rijken zegt hij: wordt arm ; aan de armen: kust uwe lompen ; aan hen die door tirannen onderdrukt worden : gehoorzaamt; aan de slaven: omsluit uwe boeien; aan de vrouwen : werpt uwe sieraden af; aan allen: vast, waakt, sterft de wereldsche genoegens af. En hiermede heeft de onnoozele de verwaandheid, mij, den Trooster te weerstaan, die der wereld jubel en vrijheid aanbreng! Ik zal hem uit zijn schuilhoekjes jagen, al ware hij ook in de ingewanden der aarde verborgen. Ik weet reeds, dat hij de verbljjven der grooten heeft verlaten en zijn leven doorbrengt onder de bedelaars van het Vaticaan ; maar voor mijne oogen zijn duisternissen daglicht, en gelijk ik Paulus heb gevonden, zal ik ook Cephas vinden. Hun bloed is mij niet genoeg meer; neen, ik wil vóór hun dood genot hebben van hunne schande, aan hunne nederlaag mijn hart ophalen.
72
met lange 'teugen de wraak drinken: hierna zal ik naar den hemel, welke mij verbeidt, terugkeeren.
De aanwezigen stonden op, aanbaden den toove-naar en riepen uit:
gt;Dood aan Cephas!quot;
»Weor met hem!quot;
O
sgt;Cephas aan het kruis !quot;
V.
De beschuldiging voor Nero.
e voormiddag was reeds ver gevorderd, toen de vorst, die den nacht in slemperij had doorgebracht, onder een regen van bloemen, te midden eener dampige wolk van aangename geuren, het Gulden Huis verliet. Naar afwisseling in genoegens hunkerende, begaf hij zich naar het Vaticaan-sche paleis, vanwaar hij, na eenige rust te hebben genomen, in den Circus placht te treden om er zijn dag te voleindigen.
Op het oogenblik, dat de stoet van de Via Sacra op het Forum, een weinig boven den kleinen tempel van Janus, kwam, zag Nero eene menigte volks, grootendeels uit joden bestaande, in 't midden waarvan zich Simon bevond, hem te gemoet trekken.
»Doorluchtige Keizer,quot; zoo sprak de Toove-
74
naar, »ik vraag uwe beslissing in eene halszaak.quot;
't Was de tijd niet meer, waarop Nero, in navolging zijner voorgangers, onder den blooten hemel, bij den verwelfden boog van Fabius, op de sella curulis gezeten, lange uren doorbracht met recht te te spreken en het volk de rijpheid zijner vonnissen te doen bewonderen. Hij gaf nochtans toe aan de dringende beden van Tigellinus, van Aelius en van de kliek der vrijgelatenen, waartoe Simon behoorde, en verzoende zich met de gril, die hierdoor bij hem opkwam, om zgn rechterstoel te beklimmen en gehoor te verleenen aan zijn vriend, die met zooveel plechtigheid den Keizer om rechtspraak verzocht. Hij steeg dan uit zijn draagstoel, ging de trappen op van het comilium bij de Ficus Ruminalis, trad langzaam en statig door de zijdelingsche zuilengang der Juliaansche baziliek, tot den hoek waar de zuilengang een kromming maakt, en vertoonde zich aan de groote poort, tegenover den tempel van Ops, aan den voet van den Capitolijnsehen heuvel.
't Behoeft niet gezegd dat de menigte, bij de verschoning des Keizers, in gedrang kwam aangesneld.
't Was juist het uur, waarop de zaken van het Forum in vollen gang waren en alles zich daar druk bewoog: burgerlijke rechtsgedingen, processen, contracten, accoorden, overlegging van rekeningen, betalingen enz. De zuilengangen der bazilieken, de vereenigingspunten der burgerij, de kantoren dei-bankiers zagen telkens legio van menschen komen
75
en gaan, ongerekend nog het groote aantal rijke lediggangers, die de gewoonte hadden, hunne voormiddagen op het Forum door te brengen. Nauwelijks was Nero uitgestapt, of de verwarring werd algemeen, en wel in die mate, dat de praetorianen slechts met veel moeite een doortocht konden banen. De getuigen lieten de rechters en de pleitbezorgers staan; de nieuwsgierigen, die de Acta diurna lazen, terwijl zij tred voor tred den Capitolijnschen heuvel opgingen, rolden het perkament op en daalden weder af; zij die op nieuws aasden en zich in de schaduw verkwikten, onder den Eereboog van Tiberius, de afschrijvers van de school van Xanthus, de tempelbewaarders, allen kwamen in wanorde aanijlen. De kooplieden van den Ficus Jugarius sloegen in allerijl hun toga over hun bruine tunica en spoedden zich in de richting der baziliek voort; de straatjongens die om de Rostra speelden, verzamelden haastig hunne bikkels en volgden met de gauwdieven, die daar rondzwierven, de strooming der menigte; de vrouwen eindelijk, die bezig waren met water te putten aan de fontein Servilia, lieten hare kruik aan de bewaking der Hydra over, welke Agrippa daar had laten beeldhouwen, en wierpen zich, na tunica en haar wat in orde te hebben gebracht, onder de voortsnellende groepen.
Doch de bewakers der baziliek hadden, vooraleer deze kon worden binnengestormd, bliksemsnel post gevat aan alle ingangen om de aanspoedende drom-
76
men tegen te houden. De griffiers openden haastig de balustrade van het praetorium, de soldaten die er wacht hielden, sloegen de draperieën op, welke de tribune omgaven, legden de tapijten over de trappen van het tribunal, plaatsten er de sella curulis op en brachten den inktkoker en de notitieboekjes in orde; wederom anderen namen zorgvuldig het stof af van de zetels en gingen haastig alles in het secre-tarium of de deliberatiekamer regelen.
Gedurende dien tijd i-ukte de keizerlijke lijfwacht binnen, bezette het middenschip en omgaf het praetorium met eene dichte rij van pieken, terwijl hare purperen wimpels boven de balustraden golfden.
Nero, door zijnen stoet gevolgd, overschreed den drempel, toog tuschen twee rijen praetorianen voort, trad plechtstatig de afgeslotene ruimte in, beklom het tribunal en zette zich neder. Zijne vrienden en schildknapen namen van weerszijden plaats aan de randen van het hemicyclium, terwijl Tigellinus en Aelius op het tribunal aan de zijden van hun meester bleven.
Toen liet men het volk vrij binnenstroomen. In een oogenblik was alle ruimte in de schepen bezet; de trappen waren niet voldoende voor de menigte, welke naar de hoogere galerijen wilde klimmen. Mannen, vrouwen, kinderen, drongen om strijd. De gordel van den minderen man schuurde tegen de breede purperen streep eens senators of tegen de smalle eens ridders; de stola of het lang afhangend
77
kleedi met mouwen, door deftige vrouwen gedraceu, kwam in aanraking met de kleine, uitgerafelde toga's van vrouwen uit den laagsten stand; de sluiers werden gekreukt, ja in flarden losgerukt; zoo begeerig was men de galerijen te bezetten om het schouwsnel te genieten, dat het schip der baziliek te zien gaf. Nieuw aankomenden drongen van alle kanten in zoo grooten getale, dat niet slechts alle schepen der baziliek er van wemelden, maar bovendien het chal-cidicum (gewelfde zuilengang) en de atria krioelden van nieuwsgierigen.
Bij het praetoriurn, trok een man de aandacht, die een pallium of grieksch overkleed droeg en omringd was door eene menigte van lieden. Deze man en die groep waren den keizerlijken stoet gevolgd en hadden plaats genomen aan het traliewerk van het praetoriurn. Iedereen verwachtte dat die lieden daar iets ongewoons zouden te zien geven ; want men wist, dat de ware bloedige gerichten, waarbij Nero voorzat, gewoonlijk met gesloten deuren in de zalen van het paleis plaats hadden. Men zeide dan tot elkander:
»'tls de vriend van den Caesar!quot;
»Een joodscbe toovenaar!quot;
gt;Simon! Simon!quot;
gt;Tcarus! Icarus!quot;
De heraut maakte een einde aan dit gemompel, dooide trompetten tweemalen te doen schallen; bij riep Icarus op om zijn verzoekschrift aan te bieden. Men
78
opende het traliewerk en Simon trad zoo statig moge-lijk raidden in het praetorium, gevolgd door zijne aanhangers, met de noodige getuigen. Hij groette den Keizer en de vergadering; hierop gaf hij een teeken, dat hij ging spreken. Maar Nero, die geen lust gevoelde tot eene lange zitting, deed hem door een gerechtsdienaar influisteren, dat hij zich moest haasteu.
Dat was aan geen doove gezegd, Simon vatte zijne acte van beschuldiging tegen Petrus en de christenen aldus kort samen:
gt;'t Is voor mij, joodschen wijsgeer, een gelukkig verschijnsel, mijne zaak te mogen uiteenzetten in tegenwoordigheid van een zeer uitmuntend Keizer, die de joodsche natie ten allen tijde begunstigd en hare onschuld beschut heeft tegen de partij van Christus, die eeuwige stoorster der openbare rust. Hierin heeft Nero Augustus zich zijnen goddelijken voorgangers, den goddelijken J ulius, den goddelijken Octavius, den goddelijken Claudius, zeer goedertierene beschermers dezer natie, waardig betoond. De joden willen hunne eigene godsdienstoefeningen houden zonder de goden van het groote Rome te hoonen; zij voeren niets nieuws in, wat door de keizerlijke edicten is veroordeeld en blijven binnen de voorschriften der wet. De christenen daarentegen zijn onverbeterlijke stichters van aanstoot. Die lieden hadden reeds den toorn van den goddelijken Tiberius verwekt; zij zijn opgestaan onder den goddelijken
79
Claudius, en eindelijk, hebben zij de afschuwelijkste van alle misdaden durven plegen, door de hoofdstad der geheele wereld in brand te zetten. De opgestapelde puinhoopen van zooveel bloeiende wijken, welke, zonder de nooit volprezene zorg van den goddelijken Nero, onder hare asch zouden begraven zijn, roepen altoos wraak tegen den ijselijken aanslag. De wettige straffen zijn niet voldoende om de driestheid dezer ellendelingen te beteugelen. Paulus, Romeinsch burger, blaast den opstand in de synagogen der joden van Rome aan, door te beweren dat een mensen, die door Pontius Pilatus, stadhouder van Judaea, ter dood veroordeeld werd, van den dood verrezen is en daarom den wierook moet hebben, welke aan J upiter Optimus Maximus en aan al de andere godheden verschuldigd is. Deze Paulus is reeds eenmaal geboeid naar Rome gezonden, maar hem werd door de goedertierenheid des Keizers genade geschonken. Thans erkent hg deze weldaad, door alom de Romeinen van den eere-dienst der goddelijke Poppaea te gaan afschrikken. De gevangenis is derhalve slechts een lichte straf voor Paulus; men behoort hem uit den weg te ruimen, dien zijn heiligschennis en de Julische wet ter dood veroordeelen. Wat Cephas betreft, dien bedelaar van Galilea in lompen gehuld, die zich onder den naam vau Petrus verbergt en door de straf van Paulus niet wordt afgeschrikt, bij verergert de tweedracht, welke deze laatste verwekt heeft, door de mensohen aan te hitsen tegen alle goddelijke en
80
menschelijke zaken. De goddelijke Poppaea, die reeds tusschen Juno en Minerva zetelt, wordt door hem met de diepste verachting bejegend; hg wil alle goden vernietigen en stelt tegenover hen een boosdoener, die door de Romeinsche wetten gestraft is. Zoo hij er de macht toe had, zou Jupiter Capitolinus van zijn voetstuk worden neêrgestort. Om zijn slechte daden te volvoeren, bedient zich Petrus van de misdadigste kunstgrepen. In zijne handen bevinden zich boosheid en vergift. Wellicht ontsteekt hij reeds in zijne verborgene schuilhoeken toortsen tot een nieuwen brand. Ondanks zijne afwezigheid, is dit alles door zijne eigen bekentenis overtuigend bewezen ; want in stede van zich bij volle daglicht in de stad te vertoonen, gelijk een fatsoenljjk burger, gaat hij slechts bij duisternis en leidt hij een zwervend leven als een wild dier in het woud, zonder dak, zonder vaste woning. Als een boosaardige schim verschijnt hij eensklaps in de godsdienstige vergaderingen der joden ; hij verspreidt er het vuur, de vlam der woede, en verdwijnt. Om deze redenen roep ik dringend de bescherming in der heilige wetten en de rechtvaardigheid van den zeer goedertieren Keizer.quot;
Nero schudde het hoofd, en zijn gelaat in eene ernstigejplooi zettende, zeide hij aan zijne assessoren :
»Er is niets aan te doen; Paulus is gekerkerd, niet waar Tigellinus?quot;
Tigellinus gaf door een teeken een bevestigend antwoord.
81
»Petrus is een vogel in 't veld, gaat hem dus maar halen Iquot;
slntusschen,quot; zoo fluisterde Tigellinus hem in, »kan men de namen der schuldigen opteebenen en bevelen uitvaardigen tot inhechtenisneming van Cephas: ik belast mij met de taak, hem te betrappen en dan zal men hem op den bepaalden dag dagen.quot;
Deze raad beviel den Keizer, en hij liet afkondigen dat men de acte van beschuldiging moest opmaken.
Simon had deze reeds opgesteld bij zich ; zij luidde aldus:
»Ik, Simon Icarus, verklaar dat Paulus, Romeinsch burger, geboren te Tarsus, en Cephas, bijgenaamd Petrus, een Galileër, gesproken en gehandeld hebben tegen de goden, tegen de godheid der goddelijke Poppaea, tegen de majesteit des Caesars, tegen de veiligheid en het leven der burgers; dat zij nieuwe en verbodene bijgeloovigheden gepredikt hebben; ik eisch, voor deze misdaden, de gestrengheid der wetten tegen Paulus en Cephas.quot;
De acte van beschuldiging werd onderteekend door Simon en door de subscriptores, een zekeren Menander van Samarië, zijn landgenoot den wijsgeer Annubi-anus, Cleobis, een dwepend leerling van den Toove-naar, en vele anderen. De schriftelijke beschuldiging werd vervolgens aan een gerechtsschrijver overhandigd. Toen schreef de Keizer, nadat op zijn bevel de gordijnen neêrgelaten waren, eenige regelen op en overhandigde ze aan den heraut. Vervolgens
CORNELIUS PUDENS. 6
82
werden de gordijnen weêr opgetrokken en las de heraut, onder het heerschen der diepste stilte, met luide stem voor:
»De Caesar heeft goedgevonden dat de praefectus praetorio Tigellinus belast worde met het instellen van onderzoek en het dagvaarden der schuldigen, met kennis te nemen van de zaak en te handelen volgens het recht. Gaat!quot;
Het eerste gedeelte van het rechtsgeding was afge-loopen; de menigte begon den mond weêr te roeren; en het ontbrak niet aan lieden, die de zaak in het bespottelijke trokken.
»Zie! de lust tot rechtspraak bekruipt hem weêr!quot;
»Voorwaar een schoone zaak! iemand in zijne afwezigheid schuldig verklaren op het woord van een Griekschen kwakzalver!quot;
»Hii üioge doorgaan voor een jood! Maar waarom laat men den andere, die Romeinsch burger is, niet verschijnen, wijl hij toch gevangen zit.quot;
Men hoorde een groot gemompel in geheel de baziliek. Andere personen, die zich niet méér bekommerden om de beschuldigden dan om de aanklagers, zochten zich te plaatsen op den doortocht des Vorsten. Nadat deze zich op zijn gemak uitgerekt, langs zijn kin gestreken en zijne handen over zijn twee dunne beenen op en neêr had laten gaan, daalde hij de trappen van het tribunaal af en begon hij, na Simon een vertrouwelijk teeken te hebben gegeven, met hem voort te treden.
83
3gt;'k Heb immers naar je genoegen gehandeld ?quot; zeide hij hem.
»Jupiter hadde niet beter recht gesproken,quot; antwoordde Simon. »Gij hebt nog slechts den bliksem te grijpen, waarmede hg de goddeloozen treft!quot;
»Vulcanus is er mede bezig hem te doen gloeien. Denk aan Jupiters arend, die mij ontbreekt. Herinnert gij u uwe beloften ?quot;
»Of ik ze mij herinner! wat ik beloof, leg ik ten uitvoer.quot;
» Wanneer ?quot;
»Op den eersten dag der Neroniaansche spelen.quot;
s-Goed!quot; zeide Tigellinus; »wij hebben tijd van heden tot de Neroniaansche spelen... Gij weet, dat de Keizer ondertusschen naar Achaia vertrekt...quot;
»Neen, neen,quot; viel Nero in de rede. »Ik wil zoo lang niet wachten. Mijn besluit is genomen om deze spelen vóór mijn vertrek uit Rome te doen plaats hebben. Den eersten dag der spelen zal er gevlogen worden.quot;
Al sprekende waren zij op het voorplein gekomen, en was de keizerlgke stoet op het punt de trap af te stijgen, aan de zijde van het Forum, bijna onder de tribunen.
Simon bleef op de eerste trede staan, en, zijne stem verheffende, opdat het volk hem zou verstaan, zeide hij:
»Bewonder, o Caesar, het gekroonde hoofd van Jupiter Capitolinus; ziedaar den god, die ons ziet en
84
hoort. Daar, aan zijne voeten, zal ik eenen stier offeren, op het derde nnr van den eersten dag der Neroniaansche spelen, en vervolgens, na afscheid te hebben genomen van mijne Minerva, zal ik den weg ten hemel inslaan. Ik zal boven dit Forum Romanum, dat gij ziet, het luchtruim doorklieven en, mij boven de bazilieken verheffende, uw reuzenbeeld, dat daar beneden op den grond straalt en een waardige tegenstander is van Jupiter Capitolinus, van de lucht uit groeten. Ik zal de huisgoden van uvr Gulden Huis vaarwel toeroepen en, van wolk tot wolk stijgende, mijn rust gaan zoeken in den hemel.quot;
VI. Angsten.
e leeraar der volken, de vurige prediker J de groote Paulus was in boeien geklonken. Men hoorde in de synagogen der joden, in de woningen, op de pleinen, die machtige stem niet meer, welke de scharen trof en dagelijks nieuwe geloovigen in 's Heeren schaapstal voerde. Maar Petrus zette met steeds klimmenden ijver het goddelijk werk voort. Sedert de eerste dagen, na Gods gramschap door bidden en vasten te hebben gestild, besloot hij, de veilige en rustige woning van den Viminalis te verlaten, vanwaar hij zich als pelgrim naar de verschillende kerken begaf, vast besloten zijn hoofdkwartier naar het centrum van het oorlogsterrein over te breDgen. Simon de Toovenaar mocht dus wel zeggen, dat zijn onverzoenlijke tegenstander geen vaste schuilplaats had. Inderdaad, nu eens legerde hij op den
86
Vaticamis, dan eens in het district Trans Tiberim, dan weer elders; hg was overal waar zich christenen bevonden; hg verscheen 'tzij op klaarlichten dag, 'tzij gedureade den duisteren nacht, in de particuliere woningen en in de bazilieken van de Via Sacra en van het Forum, in de volkrijkste kwartieren zoowel als in de minst bewoonde, zelfs in Nero's paleis, waar hij de geloovigen van het huis des Caesars ging bemoedigen: intusschen, niemand zou hebben kunnen zeggen, waar Petrus gastvrgheid ontving. Hartver-teederend was het afscheid hg het verlaten der gastvrije woning van Pudens. Op zekeren avond, bg het ondergaan der zon, terwgl de Apostel bad en zich op de innigste wijze met zgnen Schepper onderhield, kwam Claudia Sabinilla op de deur kloppen van de kleine verborgene cel, welke hg bewoonde, en hem waarschuwen, dat het uur van den maaltijd daar was. Zg kweet zich altoos in persoon van deze taak om zoo dikwijls mogelijk aan den Opperherder der Kerk hulde van eerbied te doen. In den regel werd zij vergezeld door Pudens en meestal gevolgd door de christinnen der familie of door andere christenen, die om deze gunst verzochten.
Dien avond was zjj alleen met hare dochters: zij droeg verscheidene broodjes in een hagelwit tafellaken, Praxedes eene karaf water, in een koelbak gedompeld, en een zilveren beker, Pudentiana een schotel met vijgeboonen. Dit was de gewone maaltijd van den boetvaardigen Apostel.
87
»Dat de Heer Jesus u zegene, mijne goede zusters!quot; zeide hij op minzameu toon, toen zij het aangebrachte op tafel neerzetten.
Zij bogen om de hand van den Apostel te kussen. Dan zeide Claudia:
»Vader, 't valt mij pijnlijk, u elk ander voedsel te zien weigeren, en toch ,..
»0! kwel u daarover niet, mijne zuster; elk ander voedsel zou mij schadelijk zijn. Wij leven in een tijd van bedruktheid en tranen en de tijd van het bloed zal weldra komen. Met dit voedsel snelt men vaardiger ten strijd.quot;
De vrouwen begonnen te weenen en Pudentiana verborg haar aangezicht in hare beide handen.
»Waarom bedroeft gij u?quot; zeide haar Petrus. »Dat is eene belofte van onzen Verlosser; 't zal mij en der Kerk tot welzijn strekken. Zoudt gij willen, dat ik hun niet te gemoet ging, die mij moeten boeien ? Ik heb de vijanden genoeg gevlucht, nu moet ik den goddelijken Meester navolgen.quot;
»Ja!quot; antwoordde de jeugdige maagd terwijl zij beefde, »maar de goddelijke Meester heeft den tijd niet bepaald, en gij bespoedigt hem.quot;
»Niet ik, maar de Heer bespoedigt hem. Hij heeft toegelaten, dat de kolom der Kerk, onze Paulus, verbrijzeld werd . ...quot;
Terwijl Petrus dit zeide, ontviel een groote traan aan zijne oogen.
»Ik kan mij niet meer verbergen,quot; ging hg voort;
88
»'t Is volstrekt noodig, dat ik deze schuilplaats verlaat om Israël in puin ter hulpe te snellen.quot;
»Doet gij dit niet dagelijks ?quot; riep Claudia uit. »Gaat gij niet eiken dag prediken ? Zoo u onze gast-vrijheid in iets mishaagd heeft, welaan, beveel dan slechts, en men zal u gehoorzamen! Gij weet wel, mijn vader, dat gij hier de eenige meester des huizes zijt. Pudens zou niet te troosten zijn, als gij ons verliet om elders uw verblijf te gaan vestigen.quot;
»Neen,quot; antwoordde Petras, »ik verlaat uwe familie niet; ik draag haar in mijn hart; van tijd tot tijd zal ik naar deze kleine cel terugkeeren. Maar geheel Rome moet voortaan mijne woning zijn.quot;
Ook aan Pudens, die er inmiddels bij gekomen was, gelakte het niet, den Apostel in zijn besluit te doen wankelen. En toen hij hem verhaalde, dat hg juist dien dag van Demetrius nieuwe inlichtingen bekomen had betreffende de door Simon den Toovenaar beraamde listen en inzonderheid aangaande zijn voornemen om Petrus voor Nero te beschuldigen, antwoordde de Apostel:
»Reden te meer om zoo spoedig mogelijk deze woning te verlaten. Ik zou niet willen gevangengenomen worden in het huis van iemand van uwen stand, 'tis u bekend, in hoe hooge mate de Keizer vergramd is op de senatoren.quot;
»lk weet het, hg bestemt ze, den een na den ander, ten dood. Ik weet het: doch zoo gg om deze beweeg-
89
reden mijne woning verliet, zoudt gij uw zoon het grootste onrecht aandoen.quot;
En hg legde zijn hand op zijn hart en zag den Apostel met een smeekenden blik aan.
»Gij weet wel, dat ik niet veel uit dit leven maak.quot;
»Gg zijt niet alleen,quot; antwoordde Petrus, zinspelende op het gevaar voor de geheele familie.
Bij deze woorden wierpen Claudia en hare dochters zich aan de voeten des heiligen.
»Helaas! heilige Vader,quot; zeide Claudia, »moge nimmer gezegd worden, dat ons gevaar, zoo er gevaar bestaat, u uit ons huis verwijdert! Moge het Gode behagen, dat ik waardig bevonden worde evenals onze broeders voor Jesus Christus te lijden!quot;
Praxedes herhaalde dezelfde woorden. Pudentiana, die wegens haren jeugdigen leeftijd geen deel durfde te nemen aan het onderhoud, bleef neergeknield, met uitgestrekte armen den heiligen Vader recht kinderlijk aanziende. De tranen harer oogen spraken luide voor haar.
»Laten wij zien,quot; zeide Petrus, »bedroeft u niet te zeer. Ik weet wel, dat gij allen hier het als een gewin beschouwt, voor Onzen Heer te mogen lijden. Maar ik moet alle gelegenheid van nutteloos lijden voor mijne kinderen schuwen. Indien ik op straat of in de woning van arme lieden in hechtenis word genomen, stel ik niemand in gevaar; maar zoo dit hier geschiedde, zou dit ernstige gevolgen kunnen hebben voor de Kerk te Rome. Laten wij dus voor-
90
zichtig zijn als de slang! Vervolgens, gij hebt het begrepen, is dat niet mijne eenige reden. In alle geval, troost u; ik zal u dikwijls bezoek komen brengen, inzonderheid op het uur dat de geloovigen hier samenkomen.quot;
Door deze belofte werden zij een weinig opgebeurd, slntusschen,quot; ging de heilige grijsaard voort, slaat ik u de zorg over om over Paulus te waken en hem in zijne boeien te troosten.quot;
»o Vader!quot; riep Pudentiana uit, die zich niet langer meer kon inhouden, »wij hebben zoo gebeden, wij hebben zooveel personen gezonden, wij hebben alles beproefd... en toch wil zich die gevangenis niet openen!quot;
»Dit is maar al te waar,quot; voegde er Claudia bij; »wij hebben middel op middel beproefd om hem eenige hulp te doen geworden. De bewakers zijn onverbiddelijk. Tigellinus heeft hem aan den centurio der wacht aangewezen als schuldig aan majesteitsschennis, en in de volstrekste afzondering laten stellen. O! mocht het de arme Thecla weten!quot;
»Juist, schrijf het haar,quot; zeide Petrus met kalmte; »schrijf haar in mijnen naam en zeg haar, dat zij zich zoo spoedig mogelijk naar Rome begeve. Dit zal voor haar een troost zgn.quot;
Praxedes en Pudentiana gevoelden zich door deze schemering van hoop verkwikt. Petrus maakte over de tafel het teeken des kruises en begon te eten; toch ging hij voort, op minzame wijze met Pudens
91
en de zijnen te spreken. Maar het was voor den laatsten keer. Toen het geheel nacht was geworden, voleindigde Petrus zijne gebeden, verzamelde rondom zich de welwillende familie des senators en gaf aan elk der leden een afzonderlijken zegen, terwijl allen de tranen uit de oogen vloeiden. Dan sloeg hij den weg in der valleien van het Vaticaan.
»Waar is Petrus?quot; werd op de volgende dagen door de geloovigen gevraagd.
»Dat weet men niet,quot; antwoordde iemand.
»Men weet slechts,quot; zeide een ander, »dat hij den laatsten nacht in de kerk van den Aventinus den dienst gedaan heeft.quot;
«Onlangs heeft hij op het kerkhof Ostrianus vergadering gehouden en gedoopt.quot;
»Men heeft hem in de renbanen van Lucina, op de Via Aurelia, gezien, terwijl hij bezig was met de nieuwbekeerden te onderrichten. Men zeide, dat hij den dag zou doorbrengen op den Viminalis, in het huis van Pudens.quot;
»Welnu! neen: dezen morgen doorliep hij, bij het krieken van den dag reeds, de straten van het Vaticaan, op de kruiswegen waar de ovenstokers wonen.quot;
»Op het zesde uur heb ik hem vrgmoedig zien wandelen in de straten van het district Trans Tiberim.quot;
»En viel hem niemand lastig?quot;
»Kom, kom! hij gaat overal binnen, alle huizen staan voor hem open. Men heeft mij gezegd dat de Joden zeiven hem omringen en eerbiedigen. Zij
92
stellen hem zieken, blinden, dooven, lammen voor ; Petrus zegent hen allen en het regent wonderen..., Zij die niet tot hem kunnen komen, trachten ten minste den boord van zijn mantel aan te raken, en wederom geschieden er wonderen. Wanneer hij voorbijgaat, geneest zijn schaduw zelfs de zieken.quot;
»Wel meer dan de zieken! Laatst heeft zjj een doode verwekt!quot;
»Wat zegt er Simon de Too venaar van?quot;
»Hjj knarsetandt en droogt uit van afgunst. Te meer nog omdat de doode een heel jong mensch was, wiens familienaam mij op het oogenblik niet wil invallen, maar die een verre nabestaande is van den Keizer.quot;
»In één woord, Rome is allervrege getuige van Petrus' wonderen; overal spreekt men er van: dat is heel wat anders dan Simon Icarus!quot;
»Vele lieden dan ook beven van gramschap.quot;
gt;Ja, de Keizer, de duivel en hunne vertrouwelingen. Wat mij betreft, leve Petrus! Beve wie wil, als Jesus Christus maar zegeviere!quot;
Zoo waren de geloovigen vol vreugde en hoop wegens de verheerlijking des Apostels. Maar toen het gerucht zich begon te verspreiden, dat Simon de Toovenaar in de Juliaansche baziliek eene beschuldiging tegen hem had ingebracht, en men er bijvoegde dat Tigellinus er mede belast was, den heilige in hechtenis te nemen, veranderde de teedere kinderlijke liefde der nieuw bekeerden voor hunnen dierbaren
93
vader in eenige oogenblikken al hunne gedachten. Petrus kon zich bij geene familie, en nog minder in de kerkelijke vergaderingen vertoonen, zonder bestormd te worden door duizend liefdevolle smeekingen om zich toch aan het dreigende gevaar te onttrekken! Paulus was reeds gekerkerd. Wat zou er van de kudde worden, als men er in slaagde, haar ook heur oppersten Herder te ontrukken ? Welk voordeel zou er aan zijn, zich op goed geluk te werpen in de handen van wreede, trouwelooze, woeste en vermetele vijanden ? Men smeekte hem, zich eenige maanden te verwijderen. Gedurende dien tijd zou Simon de Toovenaar vanzelf in ongenade vallen. Wispelturig als hg was, zou de Caesar, te midden van de dolzinnige vertooningen en tooneelen van Griekenland, wellicht van gezindheid en plan veranderen. Dan zou Petrus terugkeeren en het veld vrij hebben voor de prediking.
De heilige Apostel ving met vaderlijke zachtheid en welwillendheid de angsten zijner kinderen op en antwoordde bijna altoos door een glimlach, welke scheen te zeggen: »'t Is de tijd niet meer, waarin Petrus beefde voor de vijanden van Jesus Christus.quot;
Intusschen naderde het gunstige jaargetijde voor de reis naar Griekenland. Vooraf echter zouden de Neroniaansche spelen plaats hebben en moest Simon zijne grootsche belofte, dat hij ten hemel zou vliegen, gestand doen. Iedereen begreep zeer goed, dat, ingeval de Toovenaar, door welk middel dan ook, er in
94
slaagde, zoo iets aan Nero's begeerige blikken te vertoonen, hij ook in zijne uitzinnigste verlangens vrije baan zou hebben, en geen macht ter wereld Petras uit de wreede klauwen van den kwakzalver zou kunnen trekken. Simons joodsche aanhangers, die op dat oogenblik beschaamd waren door de vermaardheid van Petrus, zouden weer stoutmoedig worden en niet meer vreezen hem, levend of dood, in Simons handen te leveren. Helena, die venijnige en onverzoenlijke toovenares, hield reeds honderd speurhonden aan den band, die alleszins gereed waren om op den verfoeiden vijand van haren waardigen echtgenoot aan te vallen, 't Was daarom, dat de christenen sidderden. Men verdubbelde derhalve zijne gebeden tot God en meer dan ooit drong men bij den veelbeminden Apostel er op aan om zich in acht te nemen voor den vreeselijken storm. Maar Petrus kon er niet toe besluiten, een duim gronds te wijken in den strijd, welken hij leverde voorden naam en de verheerlijking van Jesus Christus. Hy verdedigde zich dan met klem, nam geene reden aan en bemoedigde zijne ziel tot standvastigheid. De martelaarskroon, welke hem beloofd was, straalde liefelijk voor zijne oogen.
Gedurende de dagen welke de Neroniaansche spelen voorafgingen, was Rome gejaagd en ter prooi aan onuitsprekelijke onrust. In de schouwburgen weerklonken de repetities der choren en gitaarspelers, men beproefde de instrumenten voor de tooneelen; de
95
zangers oefenden hunne stem in de toonvallen en het nabootsen van verschillende geluiden en trillers; men versierde de wagens voor de wedrennen, men dresseerde de rossen welke bestemd waren tot het schouwspel; in de scholen en de gymnasiën hoorde men het gedruisch der worsteloefeningen, en, midden onder dit geraas, het gefluit der zweep van de Eumolpen; in de bibliotheken sloofden zich de redenaars en de dichters af om weidsche lofredenen en lofzangen op den Keizer te vervaardigen; en ieder burger wachtte onrustig de onzuivere dagen en nachten der Nero-niaansche slemperij af. Verscheidenen verschaften zich mantels en sandalen naar Grieksche mode, ofchla-mydes en kransen, opdat hunne kleeding in overeenstemming zou zijn met de Grieksche losbandigheid, welke naar Rome was overgebracht. In golvend gedrang stormde de volksmenigte voort om de trot-sche kunstgewrochten, welke in de schouwburgen waren opgericht, te gaan zien, maar de praatzucht en de geestdrift van het volk vertoonden zich inzonderheid ten aanzien der opstijging van den nieuwen Icarus, welke algemeene verbazing verwekte.
Pudens, zijne waardigheid van senator verbergende, hetgeen toen noodzakelijk was om zijn leven te behouden, vernam de volksgeruchten, hetzij door op de markt onder de groepen der plebejers van lagen stand en de steenzuilen van taveernen te sluipen, hetzij door de mededeeling van getrouwe onderzoekers, heidenen of christenen, die hij op verkenning uitzond
96
naar de badinrichtingen en de winkels. De cynicus Demetrius hield hem vooral op de hoogte; dikwerf kwam hij hem mededeelen wat hij gehoord had, want hg wist, dat hij dan plaats mocht nemen aan de tafel des senators, iets wat, zelfs voor een deugdverkon-diger van de fijnste soort, waarvoor de Cynici zich uitgaven, niet te versmaden was.
gt;Wel!quot; vroeg Pudens toen hij hem in het atrium van zijn paleis zag zwerven; »wat valt er zoo al voor in de stad?quot;
»Niets dan comedies en vertooningen.quot;
sMaar toch zeker nieuwe vertooningen?quot;
»Neen; oude, aloude gelijk de baard van den Tibergod.quot;
gt;'k Weet het wel; uwe tong zal niet goed losraken, voordat uw keel wat bevochtigd is.quot;
Pudens wendde zich tot een tricliniarius of tafeldienaar, die uit eene aangrenzende eetzaal kwam:
»Maurus, zorg voor eene plaats aan tafel tegenover de mijne voor onzen Diogenes.quot;
Vervolgens kwam hij bij Demetrius terug en zeide hij, terwijl hij hem zachtjes aan het oor trok: •
»Koniaan, zeg eens vriendje, waar vandaan je komt.quot;
»Van hoeveel plaatsen al niet? Van het Kamp van Mars, van den zuilengang van Octavia, van het theater van Pompeius, van de baden van Agrippa, van den circus van Maximus, van het Forum, van de kruisstraten, van de Jodenwijk, van de Septa Julia..
gt;Genoeg! genoeg! hartelijk dank! 't Is gelukkig,
97
dat gij niet in eenen tocht van Armenië en Indië terugkeert. Komaan, wat smakelijks brengt gij ons?quot;
»Van u verwacht ik het lekkere en smakelijke; is het niet het uur van het middagmaal?quot;
»Ja, maar niet het uur van gratis te tafelen,quot; zeide de senator; »hier heeft men slechts brood en een mes, zoo men bet nieuws van den dag niet aanbrengt.quot;
gt; Wel! dat is een zet, die raak slaat! Maar ziet gij niet met uwe eigene oogen welke toebereidselen men maakt tot de viering der spelen ? Hoort gij het geloei niet der ossen in de Septa Julia? Hoort gij de Pindarussen, de Homerussen niet, die zich bevlijtigen om den Jupiter van het riool te konfijten? Zijt gij niet doof genoeg geworden door dat getier van mannen, vrouwen, beesten en halfgoden, die zich gereed maken en opsmukken om elkander in het strijdperk den prijs te betwisten? Gij heeren senatoren, zacht neergevlijd in uwe draagstoelen, gij raakt de aarde niet aan, gij weet niet, wat de geringe stervelingen hier beneden beuzelen. Maar ik weet het, ik, die mijn scheenbeen tegen het hondennest van het Forum gestooten heb. Moge Jupiter hen, die het daar geplaatst hebben, neêrbliksemen!quot;
»Oef! oef! schep dan een weinig adem! Dat is heel wat, zoo'n kneuzing aan het scheenbeen. Intus-schen heeft dit u niet verhinderd het heerlijke gezicht van het Gulden Huis te genieten ...quot;
»Moge het instorten 1quot; zeide de cynicus op decla-
GOENEUUS PDDENS. 7
98
meerenden toon. »Rome wordt een huis van Nero; pakje boeltje maar bgeen, ga naar Veji, Maar neen: ook Veji is in dat huis vervat!quot;
»Dat zijn weer van die aardigheden, welke gij op het Forum hebt opgevangen! Gij hadt beter gedaan wat nieuws te vertellen omtrent den vogel van morgen. Wat zegt men ten paleize van den Too-venaar ?quot;
gt;Ik weet niets, dan dat hij morgen vliegen of zijn nek breken zal. Iedereen zegt het.quot;
»Maar gelooft gg het? Zoudt gij ook een nieuwe vogel zijn?quot;
»Bij de goden!quot; antwoordde Demetrius terwijl bij luidruchtig ademde, »ik geloof het en ben er van overtuigd. Moge öimon-Icarus op zijn mg zijn beschermheer met zich nemen!quot;
»En waarheen?quot;
»Ten hemel, naar het hoogste van den Olympus, op de knieën van Jupiter... mits zij, om er heen te gaan, den weg nemen van de Tarpejische rots of van de Gemoniae, die arme onnoozele kleinen!quot;
»Daar is geen gevaar voor!quot; zeide Pudens. »Morgenvroeg zal men Simon zoeken, maar hem nergens vinden. En gij, die met den neus in de lucht daar op het Forum staat met zooveel anderen, zult door een heraut met stentorsstem hooren afkondigen: »Gaat heen, burgers. De vogel is vannacht weggevlogen : gij hebt u in uwe onnoozelheid schoon door hem laten beetnemen.quot;quot;
99
gt;Wat dat aangaat, neen! . .. duizendmaal neen I Ik verwed er mijn hoofd onder. Of ten hemel vliegen of neêrzinken in de onderwereld: of de wagen van Phaëton, of het bootje van Charon! Gg kent heer Nero. Als hij gezegd heeft; Grijp de maan met de tanden ! — dan valt er niets aan te doen, dan moet men ze grijpen.quot;
»Maar als de vogel vannacht zijn vlucht neemt, wie zal hem dan morgen zout op den staart leggen?quot;
»Alles is mogelijk, maar dit niet. 't Is hier een zaak tusschen dief en gauwdief. Denk er wel aan dat sedert den dag, waarop Icarus zijne grootspraak op het Forum heeft uitgebazuind, zwerende en nogmaals zwerende, dat hij ten hemel zou vliegen, Nero zich ijzervast aan dit woord heeft vastgeklampt. Nu moet Simon of den deegklomp inslikken of door het venster springen !quot;
»VVat! houdt hij hem aan de keten vast?quot;
»0! neen, hij houdt hem op het altaar, als eene godheid : maar de deur van het heiligdom blijft goed gesloten. Om kort te gaan, hij heeft den vogel netjes in de kooi zitten. Deze heeft een eetbakje van goud, een rekje van gond, goud voor voedsel, overal goud, maar wee! driedubbel wee, als hij uit de kooi wil vliegen. Dan zou zijn meester hem onmiddellijk den nek omdraaien of hem kennis laten maken met de leeuwen in den circus.quot;
»Hoe schikt Simon zich in die gouden gevangenis ?quot;
»Met de grootste hoffelijkheid laat hij zich goed
100
doen en toont zich even dankkaar jegens Nero als de erkentelijkste vogel. Den geheelen dag zit hg opgesloten met zijn keizerlijken vriend, dien hij les geeft.quot;
»Les? Maar waarin dan?quot;
gt;In alles; want hij snoeft er op, bedreven te zijn in de spraakkunst, de welsprekendheidsleer, de meetkunde, de schilderkunst; hij wil zijn kennis toonen als zalver en wichelaar; hij laat zich doorgaan voor koordedanser en geneesheer en vooral zich machtig veel voorstaan op zijne tooverijen; onophoudelijk zweert hij, te zullen vliegen.quot;
»Goed! wij zullen zien wat er van gebeuren zal,quot;
Vervolgens begaf Pudens zich, na het nemen van een bad, met zijn dischgenoot naar het triclinium, waar de maaltijd gereed stond.
In het algemeen waren de geloovigen, die zoo menigmaal getuigen waren geweest van de duivel-sche tooverijen van Simon, niet vrij van zware bekommering; want als de proef gelukte, zou dit tot groot nadeel zijn van het geloof. Hunne vrees verdubbelde en deed hun het hart kloppen, toen zij, bij de godsdienstplechtigheden van den zesden werkdag, in alle kerken hoorden voorlezen, dat de geloovigen hunne gebeden en hun vasten moesten verdubbelen. De apostel Petrus verscheen onverwachts in de kerk ten huize van Pudens, en schreef er persoonlijk de boetedoening voor, inzonderheid voor den Zaterdag, welke de opening der spelen voorafging.
101
Maar zoo hij al zijne kinderen bereidvaardig vond om met eerbied hieraan gehoor te geven, op een ander punt vond hij hen niet volgzaam. Na afloop der godsdienstplechtigheden werd hjj, op het oogen-blik, dat hij aan Pudens zijn voornemen te kennen gaf om, zoolang de spelen duurden, te zijnent te blijven, door de voornaamste christenen van Rome omringd, die zich aan zijne voeten wierpen en hem smeekten de stad te verlaten. Vooral de vrouwen smolten in tranen en haar gekerm zou het marmer verteederd hebben. Priesters en leeken schaarden zich om strijd rondom den Apostel, met eene zoo aandoenlijke droefheid, dat Petrus zich bijna overwonnen gevoelde.
»Wat wilt gij dan van mij, mijne kinderen?quot; antwoordde Petrus; »dat ik voor den dood op de vlucht ga? Maar hoe zou ik kunnen tegenspreken wat ik zoo menig werf herhaald heb: dat het zeer zoet is, voor Jesus-Uhristus te lijden ? Gij weet het,
de verrijzenis is beter dan de dood____Kan ik de
folteringen weigeren, na mijne broeders door mijne opwekkingen te hebben aangemoedigd, deze te doorstaan? Waartoe zou het mij dienen te vluchten, daar de goddelijke Meester mij een lijden gelijk aan het zijne heeft toegezegd?quot;
Doch die bedrukte zielen, beangst als zij waren voor hun dierbaren vader, namen deze redenen niet aan en begonnen, bij gebrek aan bewijsgronden, weer tranen te storten, en wel dermate, dat in de
102
geheele vergadering niets dan smartelijk snikken en zuchten gehoord werd,
In het midden van dit geween riepen eindelijk eenige stemmen uit:
»Zoo dan, Vader, wilt gij, om ons niet gedurende eenige dagen te verlaten, voor altoos van ons heengaan? Wie zal ons tegen zoo vele hinderlagen beschermen, als gij ons ontrukt zijt? Heb deernis met ons, Vader, als gij geen medelijden hebt met u zeiven!quot;
Een lang uur verliep te midden van deze troosteloosheid. Den volgenden dag had er een nieuwe reeks van aanvallen plaats. Toen de laatste avond welke Nero's spelen voorafging, was aangebroken, gevoelde Petrus zich verwonnen, niet door de woorden, maar door de tranen der geloovigen.
Hij kwam in de nachtelijke vergadering en kondigde aan, dat hg toegaf aan het algemeen verlangen van geestelijkheid en volk. Bij deze woorden openbaarde zich eene levendige vreugde en loofde men den Heer met bigden jubel des harten. Elk meende door zijne eigene gebeden den Opperherder der Kerk te hebben gered.
De Apostel maakte een einde aan de uitingen van blijdschap door met de heilige plechtigheden van het onbloedig Offer der nieuwe Wet te beginnen. Na het Brood der Engelen aan de geloovigen te hebben uitgedeeld, bleef hg nog een tijd lang in gebeden verzonken. Vervolgens stond hg op en richtte hij deze woorden tot de vergaderden:
103 ©
»Broeders, ik ga vertrekken. Dat Onze Heer Jesus-Christus u in zgne genade beware en dat de Heilige Geest met u zg !quot;
»En met uwen geest,quot; antwoordden al de aanwezigen.
gaan met u, Vader;quot; zoo deden zich verscheidene stemmen hooren.
gt;Neen, mijne broeders : ik moet alleen vertrekken, en het oord waarheen ik mij begeef moet onbekend blijven. Gij zult volharden in het gebed, opdat God de vermetelheid zijner vijanden beschame.quot;
Dan verliet hij de kerk.
Aan de buitendeur vond hij Pudens met zijne echtgenoote en zgne dochters neêrgeknield.
Pudentiana, die den apostolischen pelgrimsstaf was gaan halen, stelde dezen aan Petrus ter hand.
De Apostel gaf haar, alsmede aan de geheele gastvrge familie des senators, met vaderlijke teeder-heid zijn zegen en verwijderde zich haastig.
VII.
De opstijging;.
e vurig gewenschte dageraad, welke de opening der Neroniaansche spelen aankondigde, verhief zich eindelijk aan de kimmen, en het Eomeinsche volk herinnerde zich, evenals zijn Keizer, de belofte van Simon Icarus.
Hoewel de aankondiging luidde, dat de opstijging eerst 's middags zou plaats hebben, begon het volk reeds van 9 ure af naar het Forum te stroomen. De Caesar had zijn mollig bed reeds verlaten.
Eenvoudig in een tunica gehuld, met een doek achteloos om den hals geknoopt, zonder gordel, zonder schoeisel, wandelde hij in de overwelfde gangen van het Palatium. Hg keuvelde vertrouwelijk met Simon en verscheen van tijd tot tijd op de balkons, welke uitzicht gaven op de Via Sacra en het Forum, om
105
zgn oog te verlustigen in den altoos aangroeienden volksstroom. Bijwijlen bleef hij eensklaps stilstaan en zeide hij tot zijnen vriend, terwijl hij hem naar het Capitolium wees:
»Let eens op! 't is tamelijk hoog ..
»Ik heb het gemeten,'' antwoordde Simon. »Ik zal nog hooger stijgen. Ziet gij, Caesar, die wolk welke daar hoog, boven uw reuzenbeeld, drijft? Zij wacht mij. Maar denk er aan, op aarde mijne lasteraars te straffen. Wij zullen elkander wederzien, als gij mij het minst zult verwachten. Aarde en hemel zijn beurtelings mijn verblijf.quot;
Zoo sprak de Toovenaar, wiens gelaat eene onwrikbare beslistheid verried, terwijl aan zijn hart bitter leed knaagde, ter oorzake van het kwalijk verborgen mistrouwen des Keizers. Zijne hooghartige en trot-sche ziel gevoelde eene niet minder wreede wonde, bij de gedachte aan de dagelijks aangroeiende vermaardheid, waarin hij Petrus liet. Honderd maal nam hij in overweging of hij niet, vooraleer op het Capitolium te stijgen, aan Nero het bloed zijns vijands zou vragen; honderdmaal besloot hij het te doen, maar ook even zooveel malen weerhield hij de uitdrukking van dit verlangen op zijne lippen. Het hinderde hem, bang te schijnen voor dien man nit het volk.
gt;Bovendieri,quot; dacht hij bij zich zeiven, »is Petrus verborgen; zou hij al niet ver van Rome zijn ? Laten wij met eer geraken uit de onderneming van dezen
106
dag, en later zal het voor mg een spel zijn, dien ellendeling te verpletturen.quot;
Het was reeds laat. Het Forum vrerd als een oceaan van menschen en nog altoos hield de toevloed aan. Behalve de Via Sacm, waarover zich een stroom van volk voortbewoog, stroomden de straatjes Turaria, Jugaria, Tusca en Mamertina, kortom zelfs alle steegjes, van menschen over, De zuilengangen der bazilieken, de stoepen der Capito-lijnsche tempels waren vol toeschouwers; de dakvensters, de koepels en de daken tot aan gene zijde des Forums van Caesar en Augustus wemelden van nieuwsgierigen, die met luide kreten de verschijning van Icarus eischten. Dan richtte zich Simon, door den Caesar gevolgd, naar den zuilengang welke den Palatinus met het Capitolium verbond, langs een der zijden van de Jaliaansche baziliek. Daar aangekomen, voerde hij, van de hoogte, het woord tot de tallooze menigte, -onder het maken van prachtige gebaren, en nam hij, vooraleer ten Olympus te stijgen, in snorkende bewoordingen afscheid. Zjjne gezellen en getrouwste leerlingen wachtten hem onder aan den trap af en ontvingen hem met uitbundige toejuichingen, welke door de scharen van het Forum herhaald werden. Intusschen zag hij de Tarpejische rots, als om zijn verwaandheid te breidelen, recht vóór hem staan; eene ijskoude rilling voer hem door de leden, doch hij bevestigde zich in zijne goddelooze vermetelheid, door zich over te geven aan den duivel,
107
met wien hij helsche overeenkomsten bezworen had. Langzaam ging hij de glooiingen op van den Capi-tolinus en de Via Sacra, Hij droeg een grooten philosofischen mantel, zoo wit als sneeuw; zijne slapen waren omwonden met een laurierkrans en een talrijke 'stoet van leerlingen en offeraars omringde hem. Hooghartig trad hij voort, bijwjjlen stilstaande vóór de menigte om haar het schouwspel zijner tegenwoordigheid te doen genieten. En als hij onder de schare geloovige joden opmerkte, zeide hij hun: »Ik ga naar den Vader: hljjft mij getrouw, en ik zal u een zetel bereiden aan den voet van mijn troon. Vandaar zal ik over mijn uitverkorenen in den hemel en op de aarde mijne goddelijke rijkdommen uitstorten.quot;
Nu en dan voegde hij met een dreigenden blik er bij: gt;Wee, eeuwig wee aan de verwaten christenen! Ik laat hun mijne vervloeking!quot;
Aan de meest dweepzieken zwoer hij: gt;In waarheid, ik zeg het u: die in mij gelooft, zal den ouderdom niet zien en nimmer den dood smaken; in mij is de bron van het eeuwig leven.quot; Met trotschheid herhaalde hij voor een ieder: »Denkt er wel aan, dat gij het Woord Gods ziet,'' en hij legde de hand op zijne borst: sik ben de wonderbaar schoone, ik ben de Trooster, ik ben de Almachtige.quot;
De menigte, altoos blind, wierp zich aan zijne voeten en kuste den boord van zijn mantel.
è
108
Alzoo zijn Schepper en zijn Verlosser lasterende, het joden- en het heidendom verzakende, apostaat en aartsketter, ja mededinger van Lucifer, begon de vervloekte zijn hemeltergend werk. Hij trad in het Capitolium door de Porta Saturnia, ging onder den boog van Scipio en dien vau Nero door en vertoonde zich op het portaal van de trap van Jupiter Capitolinus. Daar offerde Simon, terwyl het volk, dat hem van alle kanten bewonderde het diepste stilzwijgen in acht nam, een witten stier aan Jupiter. Hierna liet hij zijne gezellen heengaan, behalve eenigen op wie hij het meest kon rekenen en die in de werken der duisternis het meest ingewijd waren, en zich in het bosch van het Asylum verwijderende, ving hij het werk zijner afschuwelijke bezweringen aan.
Helder schitterde de zon aan den hoogen hemel; bijna was zij op de helft van hare loopbaan gekomen. Maar van den top des bergs begon zich een donkere en dichte wolk te verheffen, omringd door rook en gescheurd door bliksems van een heilloos licht. Dwars door deze kunstmatige wolk zag men een vierspan van vuur, voortgetrokken door vier glinsterende gevleugelde rossen, tot den uitersten rand der Tar-pejische rots voortrijden.
Zegevierend steeg er Simon in, en hield er zich in staande houding, het hoofd omgeven met een lichtkrans. In zyne linkerhand rustten de teugels, zijne rechter wees ten hemel. Onder zijne oksels waren eensklaps twee groote vleugels geschoten, fonkelende
109
van duizend kleuren en duizend kostbare steenen, terwijl op hunne vederen al de rijkdommen schitterden van den regenboog.
Op het Forum heerschte eene ademlooze stilte, ternauwernood durfde men elkander met den vinger op het wonderwerk wijzen. Nero zelf op het meest uitspringende balkon der Palatijnsche gaanderij staande, hield zijne hand beschuttend boven zijne oogen en vestigde zijn blik op den god zonder het ooglid te bewegen. Icarus had zijn wagen op de uiterste punt der rots geplaatst; toen werd hij in een wolk gewikkeld, en, uit die wolk, zag men het vlammend vierspan in het luchtruim rennen en stijgen en de paarden onstuimig door den vloeibaren gezichteinder loopen en zonder hinderpalen in hun eigen element drijven. Alsdan hieven alle aanwezigen een oorverdoovend geschreeuw aan, en die menigte, bedwelmd door hetgeen zij zag, juichte razend toe en deed uitroepen hooren welke tot de sterren stegen. Velen wierpen zich ter aarde neder, als waren zij in tegenwoordigheid eener godheid, en, als zij weer opstonden, brachten zij den top hunner vingers aan de lippen en stierden zij, onder den vorm van kussen, de hulde hunner aanbidding in het luchtruim. De moeders hieven hunne kleine kinderen in de hoogte, opdat zij de laatste inwerkingen van den god, die heenvloog, zouden kunnen opnemen. De leerlingen van den Toovenaar mengden hunne luidruchtige vreugde met die, welke van alle kanten zich lucht gaf.
110
Te midden van eene zoo groote begeestering, onder zoo geestdriftvolle kreten en gebaren, schonk niemand zijne aandacht aan een grijsaard met witte haren, met een streng gelaat en een vreeselijken blik, die op twee knieën gebogen neergeknield lag op een grooten steen, welke tegenover het voorplein van het Palatijnsche paleis geplaatst was. Deze grijsaard liet de gevouwen handen op een pelgrimsstaf rusten en bleef onbeweeglijk; maar van tijd tot tijd hief hij de oogen ten hemel en murmelde hij een woord. Simon zweefde in de hooge lucht en hield zich in evenwicht, boven het hoofd van Nero. De grijsaard — 't was Petrus — richtte zich op en strekte zijne armen smeekend uit; onmiddellijk hierop veranderde het schouwtooneel geheel en al. De vlam, welke het wonderbare verschijnsel omgaf, doofde uit. Men hoorde een geraas gelijk aan een donderslag, en aller oogen, naar den hemel gericht, zagen den wagen en zijne paarden in rook verdwijnen. Terstond stortte hij die in de lucht zweefde, in duizelige vaart neder, bonste al vallende tegen een uitstekend punt van het balkon waar de Caesar zich bevond, rolde op de steenen aan de voeten des grijsaards en bleef op den grond uitgestrekt, half bedekt door zijn mantel en door zijn eigen bloed.
»Hij is dood!quot;
»Neen, hij beweegt zich nog.quot;
gt;Hij leeft!quot;
»Hij is dood!quot;
Ill
Zoo schreeuwden alle toeschouwers die hem omringden, en van mond tot mond plantten zich deze kreten voort, maar met verschillende stemming aangeheven. Eenigen beklaagden den Toovenaar, anderen verheugden zich, wederom anderen dreven den spot met hem. Deze laatsten waren weldra het talrijkst: de fabel van Icarus en die van Apses waren op aller lippen. Zonder verdere inlichtingen te willen nemen, zonder zelfs een laatsten blik te werpen op den ontpluimden god, keerde Nero hem den rug en vroeg hij andere kleederen, want die welke hij droeg waren bevlekt met het bloed van Simon. Iedereen verwijderde zich stil en ontgoocheld; op de straten waarover de heengaande menigte zich bewoog, hoorde men slechts een somber en verward gemompel; allen schaamden zich over hunne lichtgeloovigheid.
Zij, die den grijsaard op zijne knieën hadden zien bidden, vervolgens eensklaps opstaan, en op hetzelfde oogenblik Icarus aan zijne voeten vallen, begonnen, na van hunne eerste verbazing te zijn teruggekomen, elkander te zeggen:
» Wat deed daar toch die zoo aandachtige grijsaard?quot;
»Hebt gij opgemerkt, dat hij zich weder oprichtte als een wild dier?quot;
»Zou hij niet een toovenaar, een vijand van Icarus zijn?quot;
»Zeker, zijn somber gelaat zou het mij doen geloor en.quot;
»Komaan, laten wij terugkeeren en gaan zien!quot;
112
Zij kwamen werkelijk terug, zochten de plaats en gaven nauwkeurig acht op het terrein: de grijsaard was onder de menigte verdwenen.
»Ha! ziedaar den steen waarop bij zich bevond,quot; riep een hunner uit; »ik stond in zijn nabijheid: ziehier het bloed van Icarus!quot;
»Hei! ziet deze gaten eens, welke de knieën des grijsaards in den steen groeven.quot;
Iemand uit de menigte plaatste er zijne knieën in en riep uit:
»Welk een wonder! de twee knieën zijn in het graniet geprent. Maar, bij Hercules! deze steen is toch gelijk aan al de andere van den weg... Alle zijn effen en glad, alleen deze niet!quot;
gt;'t Is een toovenaar! Op, tot hem!quot;
Petrus was reeds veraf. Lang vóór het daglicht had hij Pudens' huis verlaten en goed voortstappend, zich naar de Porta Capena gericht, zoodat hij, de Via Appia volgende, bij het opkomen van den dageraad de beek Almo voorbij was. Al voortgaande was hij dermate in gedachten verzonken, dat hij niets zag van hetgeen hem omgaf. Zijn geest was geheel gericht op de keuze van zijn toevluchtsoord. Nu eens viel deze op de Hernici, dan eens op Latium, dan weer op de bloeiende christelijke koloniën van Campanië, in het midden zijner kinderen van Neapo-lis en Puteoli. Maar eensklaps gevoelde hij zich als aangegrepen door de goddelijke tegenwoordigheid, en zijne oogen verheffende over de uitgestrektheid van
113
den weg, zag hij zijn goddelijken Verlosser hem tegemoetsnellen, terwijl op zgn gelaat die uitdrukking van welwillende gemeenzaamheid lag, waarmede Hij tijdens zijne sterfelijke loopbaan met zijne leerlingen omging.
»Heer!quot; riep Petrus door dit gezicht vertroost uit; gt;waar gaat Gij heen ?quot;
Bij het uiten dezer woorden zonk hij op zijne knieën aan de voeten zijns Meesters, die antwoordde :
»lk ga naar Rome, om opnieuw gekruisigd te worden.quot;
Jesus verdween. Op deze woorden verlichtte een hemelsch licht den geest van Petrus. Hij begreep dat zijne inschikkelijkheid om Rome te verlaten, den Hemel niet aangenaam was. Na op den weg, waar de voeten des Heilands hun afdruksel hadden achtergelaten, langen tijd gebeden en geweend te hebben, wendde hij zich om en keerde hij naar de stad terug, meer dan ooit verlangende naar het martelaarschap, dat hem was toegezegd. Hij kwam terug om te sterven en zijn tred was vast en vlug; hij bleef eerst staan toen hij midden op het Forum gekomen was. Daar wachtte hij, vol vertrouwen op het woord zijns Meesters, den vijand af, dien hij reeds zoo veelmalen overwonnen had, en overwon hij hem voor den laatsten keer.
Op den avond van dien dag, welke een Zondag was, verhaalde men in Romes kerken op verschillende wijzen wat geschied was.
CORNELIUS PDDENS. 8
114
De doodelijke val van Simon den Too venaar werd algemeen aan Petrus' en Paulus' gebeden toegeschreven. Maar hoe lieten zich de zoo uiteenloopende berichten, welke door eenige geloovigen aangebracht waren, vereenigen ? Eenigen verzekerden, dat zij den Apostel de Via Appia hadden zien inslaan, op weg naar Neapolis; anderen, dat zij hem op de Via Appia hadden aangetroffen, op het oogenblik dat hg Rome ging binnentreden.
Een verward en onzeker gerucht verspreidde zich onder de joden en liep van mond tot mond: Petrus, zeide men, had zich op de Via Sacra tegenover den Caesar bevonden: de leerlingen van Simon beweerden, dat zij hem in de menigte hadden zien verdwijnen, juist toen zij het lichaam huns meesters opnamen. Men zeide zelfs, dat Petrus op last van Nero aangehouden en, evenals Paulus, in den Mamer-tgnschen kerker geworpen was. Niemand wist wat er werkelijk geschied was. Petrus vertoonde zich niet en liet ook niets van zich weten. Nero, die zijn vriend Simon of Icarus reeds vergeten was, verhaastte de toebereidselen tot zijn vertrek naar Griekenland.
VIII.
Het testanieiit in de Mamertijnsclie gevangenis.
en gebouw zonder versiering, in vierkante steenen opgetrokken en op zijne driehoekige ingangskap een streng opschrift dragende, verhief zich aan den voet van het Capitolium ter plaatse waar het Forum aanving op de Via Mamertina. Het opschrift luidde aldus: »C. Vibius. C. F. Rujinus. M. Cocceiua. Nerva. Coss. Ex. S. C. Hierdoor werd aangeduid, dat het gebouw door do consuls Caius Vibius Rufinus, zoon van Caius, en Marcus Cocceius Nerva, volgens senaatsbesluit, hersteld werd.
Geen venster vervroolijkte dezen grooten kalen muur, welke dreigend scheen neer te zien op de boosdoeners en door zijne tegenwoordigheid het Forum en het Comitium in ontzag scheen te houden. De nacht, welke achter dezen somberen muur heerschte, werd
116
slechts verlicht door een klein eng poortje, van boven voorzien met ijzeren traliewerk. De linkerzijde rustte op de Gemonische. trappen; een lang onder-aardsch terrein, met ruwe wanden, uitgehouwen ih de rotsen van den Capitolijnschen heuvel, vormde het gewelf en de muren van het gebouw; in den bodem opende zich een soort regenbak, waardoor men de diepten zag van het Rohur, of, zoo men wil, van het Tuïlianum. Dit vunzig kerkerkot was een diep graf, uitgegraven in de ingewanden der aarde, omgeven door ruwe rotsblokken en zonder eenige andere opening dan het luchtgat van 't gewelf.
In de Tulliaansche gevangenis stierf Jugurtha den hongerdood, werden de gevangengenomen hoofden der samenzwering van Catilina gewurgd en kwamen, ten tijde van Tiberius, Sejanus en andere schuldigen om. Onder Nero verduurden er de schuldeloozen en heiligen van Jesus-Christus lange en gruwelijke folteringen.
Wie, met een fakkel in de hand, tot deze verborgene steengroef doorgedrongen ware, had er twee eerbiedwaardige grijsaards kunnen zien. Zij waren op den vloersteen gezeten, met de schouders tegen een stuk kolom leunend, waaraan hunne ketenen hingen. Zij onderhielden zich kalm over hun aanstaanden marteldood en verheerlijkten hun godde-Igken Verlosser. Beiden waren mager en hadden witte haren. De een, van vrij hooge gestalte, met een beenachtig en vierkantig gelaat, met strenge
117
trekken, droeg ©een korten en kroezeligen baard; geheel zijn persoon kenmerkte zich door eenvoudige statigheid. De ander, van minder dan middelmatige lengte, een weinig gebogen, met een ovaal en zacht gelaat, met een uitspringenden arendsneus, had wangen en kin bedekt met een langen gekrulden baard; zijne trekken waren sprekend, doch aangenaam en zacht; zijn breed en kaal voorhoofd had geen rimpels en onder zijne dichte wenkbrauwen schitterden twee oogen, waaruit een zachte glans straalde.
Deze was Paulus, gene Petrus.
De eerste was sedert bijna een jaar, de tweede sinds negen maanden in de gevangenis. Gedurende dien tijd hadden zij dit besmette hol veranderd in een lichtvollen tempel, vervuld van de wonderen Gods. Een handvol soldaten, te weten Processus, Martinianus en hunne gezellen, waren de getuigen van de goddelijke macht, welke met de Apostelen in dit kot gedaald was. Zij hadden Simon Petrus, op den dag zeiven van den dood van Simon den Toovenaar, geketend: Nero had hiertoe bevel gegeven, toen hij vernomen had, dat Petrus dezen dood veroorzaakt had. Den soldaten kostte het niet veel moeite, den Apostel gevangen te nemen: op wonderbare wijze verwittigd van het kruis dat God hem bereid had, ging hij, wel verre van zijne aanwezigheid aan de geloovigen te verbergen, zijnen vervolgers tegemoet. Maar weldra bevonden zich de vervolgers zeiven in de macht van hun gevangene. Zij
118
begonnen met hem te bewonderen, vegvolgens werden zg zijne leerlingen en vertrouwelingen. Eindelijk, geheel door de genade overwonnen, vielen zij aan zijne voeten en verzochten zjj al smeekend, dat hij hun het heilig doopsel zou toedienen.
Petrus willigde hun verzoek in.
»Welnu!quot; zeiden de nieuwbekeerden ; »danzullen wij maar water gaan halen.quot;
»Dat is niet noodig,quot; antwoordde de Apostel; »als God u zijn doopsel waardig vindt, zal Hg in alles voorzien.quot;
Zoo sprak hij, en ter aarde buigend maakte hij met den duim het teelten des kruises op de harde rots. En ziel er ontstond in de rots eene hcdte, in den vorm van een breed en diep bekken. Men zag onder de rots een waterader vlieten, welke, levendig en helder borrelend, weldra de kom tot de randen vulde. Bg het zien van dit wonder slaakten de soldaten in hunne verbazing een kreet, waarop hunne wapenbroeders kwamen toegeschoten om het bekken. Het water kwam uit de aarde en de genade daalde uit den hemel. Het Tuüianum werd eene kerk van Rome, gesticht in de ingewanden van het Capitolium, als eene bedreiging tegen den duivel, dien men op zijn top aanbad. Petrus en Paulus waren de priesters en predikers van dit verborgen heiligdom ; de soldaten van Nero waren er de getrouwe kudde van.
Zoo werden de geheimen der goddelijke barmhartigheid vervuld in een kot, dat vroeger de bergplaats
119
was geweest van de wanhoop en de misdaden der menschen.
Sedert dat Petrus door eene zoo sehoone vereeni-ging van vrienden des Heeren omgeven was, hield de eenzaamheid der gevangenis op en mochten de Apostelen de nieuwbekeerden ontvangen, die begeerig waren, het woord Gods uit hunnen mond te vernemen en hunne hemelsche raadgevingen te aanhooren.
Vaak zag men Linus, die reeds aangewezen was als toekomstig Stedehouder van Christus, Lucas, Clemens en Cornelius Pudens, benevens andere heiligen van Rome, aan de voeten van Petrus en Paulus snellen. Zij kwamen om opwekkingen te ontvangen, om hunne twijfelingen als nevelen te zien verdwijnen voor het apostolisch licht, dat verborgen maar niet uitgedoofd was. In 't midden van den nacht werden zij door de bewakers, die getrouwer waren aan de voorschriften Gods dan aan de tirannie des Caesars, binnengelaten. Zij daalden in het kerkerhol door middel eener kleine ladder, welke de bewakers zeiven verschaften, die hen keer op keer volgden, teneinde ook de godsdienstplechtigheden bij te wonen. Ongetwijfeld was het voor den hemel een hoogst aangenaam schouwspel, tien, soms ineer broeders zich te zien scharen langs de zwarte en sombere wanden van het Tullianum bij het spaarzame licht eener afhangende lantaarn, Petrus en Paulus zich te zien oprichten van hunne ellendige legerstede, aan den voet der kolom, en de geboeide handen uitstrekken boven
120
de hoofden der nieuwe geloovigen, terwijl zij voor hen van den troon der allerheiligste Drievuldigheid het licht des H. Geestes afsmeekten, hen vaak op eene houten schabel de heilige geheimen te zien vieren, hen het Brood des Levens aan alle vergaderde geloovigen te zien uitdeelen.
Bijwijlen kwam een vrome dame, partg trekkende van het stille middaguur, in de kleedij eener dienstbare, op den rand der opening van het hok neêr-knielen en bracht zij den Apostelen eenige uitgezochte spijzen om de hardheid hunner gevangenschap wat te verzachten, terwijl zij zich gelukkig rekende, in ruil daarvan een vaderlijke vermaning of eenige verlichting voor de zieken en den Apostolischen zegen te ontvangen. O eerbiedige Claudia! o edelmoedige Lucina! o Priscilla, zoo liefdadig jegens de dooden! o Petronella, o Praxedes, o Pudentiana, beminde bruiden van Jesus-Christus 1 o gij allen, zusters van Romes eerste christenheid! Met welke bittere tranen hebt gij den rand bevochtigd van dat afgrijselijk graf, hetwelk uwe vaders in Christus levend bevatte! Hoe menigwerf hebt gij, over dien gapenden kuil gebogen, u beijverd Petrus en Paulus te zien, die u zooveel naderden als hunne ketenen het gedoogden en u door hemelsche woorden troostten ! Dan schreiden de bewakers, die ook Petrus' kinderen waren, heete tranen met de heilige vrouwen en daalden zij in het hok af, om namens de bezoeksters de boeien en de wonden der Apostelen te kussen
121
en brachten zij han een beker mede, gevuld met het wonderbare water. Hoe dikwerf zeiden die teeder-hartige zoons aan Petrus en Paulus:
»Vader, sta ons toe, uwe boeien te slaken,quot;
gt;Neen,quot; antwoordden de heiligen ; «neen, 't is Gods wil niet.quot;
Uit de Mamertijnsche gevangenis stroomden de Apostolische opwekkingen en onderrichtingen, en de soldaten des Keizers waren er de boden van geworden. Van daar uit versterkte Paulus de slachtoffers welke hij aan Nero's bedorvenheid ontrukt had, op het pad der deugd. Van daar uit zegende Petrus voor het martelaarschap tallooze keurbenden van nieuwbekeerden. Daar bemoedigde hg tot den laatsten strijd degenen die reeds niet meer zijne bewakers, maar zijne gezellen in de gevangenschap, zijne broeders in het martelaarschap waren. Zoover was het echter nog niet gekomen; intusschen drong het woelige leven van het heidensche Rome niet tot het kerkerhol door; slechts die tijdingen kwamen er aan, welke noodig waren voor de belangen der Kerk.
De zomer was ingetreden: Nero bezocht druk de Gymnasia of lichaamsoefenscholen van Griekenland, altoos overwinnaar, altoos toegejuicht, altoos zegepralend. Maar gedurende dien tijd smeedde men te Rome heimelijke samenzweringen en werden er op groote schaal in stilte samenspanningen op touw gezet. Waarlijk, de keizerlijke regeering, te Rome
. 122
achtergelaten, had er met kwistige hand de zaden van uitgestrooid. Helius en Polyeles, die namens Nero de teugels voerden van het bewind, vermenigvuldigden keer op keer de onrechtvaardige lijfstraffen en verbeurdverklaringen en bedreven allerlei onduldbare afschuwelijkheden, deels uit schuldige behendigheidr deels omdat zij anders niet konden voorzien in de buitensporige uitgaven van hun meester.
Daar zij bemerkten, dat hunne macht wankelde en de teugels van het bestuur hun uit de handen gleden, drongen zij er bij Nero op aan, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, teneinde met eigen oogen zich van den toestand van zaken te komen vergewissen. De Caesar gevoelde eindelijk, dat hij keizer was en gaf, om de Romeinsche keizerskroon niet te verliezen, de kronen prijs, die hem in de Grieksche spelen nog wachtten; hij gaf last, de honderd galeien te bereiden, welke hem naar de beminde kusten van Italië moesten terugvoeren. Deze tgding werd te Rome met schrik vernomen.
v Terwijl deze angst heerschte, kwam de cynicus Demetrius bijna dagelijks bij Cornelius Pudens. Deze, den wreeden kommer zijns harten verbergende, putte zich uit in hoffelijkheden ten zgnen opzichte, begeerig als hij was, het nieuws van Rome te vernemen, om het aan de heilige Apostelen in den kerker mede te deelen.
gt;Ik verbeidde u met ongeduld,quot; zeide Pudens eens aan den wijsgeer: »als ik zonder u eet, maakt
123
het triclinium op mg den indruk eener eenzaamheid: ik vind niets goed, niets genoegzaam gaar.''
»Gij doet den knapzak van een cynicus te veel eer aan! Maar heden verdien ik het, en meer nog!quot;
»Is er nieuws?quot;
»Ja, zeker. Gij moogt mij wel een bewijs op zegel geven dat gjj me dagelijks, tot de nieuwe consuls in functie treden, aan uwe tafel zult toelaten, en deze gunst zal nog niet geljjk staan met hetgeen ik verdien.quot;
»Laten wij eens zien! open je nieuwsprotocollen.... Wat voor gewichtig nieuws is er?quot;
»De Caesar,quot; zeide Demetrius, terwijl hij de lettergrepen uitsprak als bij het verdeelen van een vers, »de Caesar is wellicht, op het oogenblik dat wij spreken, in den muil van de heeren visschen.quot;
»Spreekt gij waarheid, aartsleugenaar ?quot;
»Oeh, of ik het vermocht! In alle geval ia de zaak waarschijnlijk.quot;
«Vanwaar weet gij dit ?quot;
»Van alle kusten der Middellandsche zee komen tijdingen aan, welke inhouden, dat men nooit zulk een storm gezien heeft. Het strand is bedekt met zeegras, met planken, hoornen, verbrijzelde masten, roeren, scheepswanten en allerlei getuig. Zoo vriend Census zich heeft ingescheept, zal hij nu het anker wel geworpen hebben in het paleis van Nep-tunus.quot;
124
»Maar hebben Helius en Polycles berichten ontvangen ?quot;
»Waarachtig ! daar is geen twijfel aan, maar zij houden zich stom.quot;
;»Luister,quot; zeide Pudens, »'tls boven allen twijfel verheven dat hij vertrokken is, wij hebben het in de Acta diurna gelezen.quot;
»Het geheel komt hier op neer, dat hij in zee gestoken is op een geschikt tijdstip om den storm te kunnen vangen. Ik zie in de Acta van heden, dat onze doorluchtige meesters zich overschreeuwen om een herdersdicht te zingen: dat de zee kalm was als olie, dat de goden den voorsteven richtten, dat de Tritons den achtersteven bestuurden, dat de Nereïden langs de zijden van het schip huppelden, tnsschen de banken der roeiers kwamen gesprongen en den goddelijke^ Augustus met bewondering aanschouwden ; dit alles geeft mij hoop, want ik neem altijd het tegenovergestelde aan van hetgeen die heeren zeggen.quot;
»Zoo is hg dan, volgens u, omgekomen?quot;
»Als men dat kleine tooneel van den Senaat in aanmerking neemt, mag men er nog niet te veel geloof aan hechten.quot;
gt;Van welk tooneel spreekt gij ?quot;
»Hoe is het mogelijk, dat een senator mij dit vraagt! Moet ik het uit mijn knapzak halen, om het in uw tunica met breeden purperen rand te werpen?quot;
125
»Wat wilt gij ? ik woon de senaatszittingen niet bij en blijf maar stilletjes thuis,quot;
»Wat er van zijn moge, gy zult wel weten dat men er een woord gezegd heeft over het gevaar dat het hoofd van den zeevarenden god zou kunnen bedreigen.quot;
»Dat heb ik gehoord.quot;
»Gij hebt dan ook gehoord en gezien, dat op dit woord de senatoren van hunne sellae curules vlogen onder het slaken van de wanhopige kreten : — Alleen de gedachte hieraan doet mijn bloed in azijn veranderen. — Als de Caesar in gevaar verkeert, wil ik hem niet overleven! — Ik ben verloren, dood, vernietigd, als dit zoo is. — Wat ongeluk voor den Staat, indien de Keizer welk leed dan ook te lijden heeft! — In één woord, zij jammerden om strijd en wilden zich aan de honden prijsgeven. Daaruit nam ik het besluit, dat zij die tijding voor valsch hielden en geloofden, dat alle gevaar verdwenen was.quot;
»Guit van een cynicus!quot;
»Gij behoeft u waarlijk zoo onnoozel niet te houden. Als zij die tijding voor zeker hadden gehouden, zouden zij Helius, Polycles en alle anderen, wier zolen zij likken, onmiddellijk naar de galg hebben gezonden: ik geloof zelfs, dat zij hen levend in de vergaderzaal zelve verslonden hadden. Alleen dat woord van mogelijke schipbreuk doet mij vreezen, dat onze man reeds voet aan wal gezet heeft. Niemand zal mij uit het hoofd praten, dat deze geschie-
126
denis een slimme streek is van den Caesar, om te weten wie onverschillig voor hem zijn, wie met hem dwepen.quot;
»Waarom vraagt gij me dan om eene bijzondere belooning ?quot;
gt;Wat zegt ge? Is de hoop alleen .van hem zoo spoedig mogelijk onder het getal der goden te zien opgenomen, wel te verachten? Er is, zoo gij wilt, iets voor en iets tegen, maar 't is altijd een troost voor mijne godsvrucht.quot;
Op een anderen dag kwam de cynicus in het atrium des senators, met gezwollen en somber gelaat en hijgend als een paard.
»Vervloekt alle goden en godinnen der zee !quot; riep hij uit; »zij willen geen plaats inruimen voor anderen! Weet gij wat er geschiedt? Van de schipbreuk ia geen jota waar! Hij heeft te Brundisium voet aan wal gezet en, naar men zegt, is hij nu op weg naar Neapolis. Men ziet. dat de zeehonden hem zelfs niet gewild hebben.quot;
gt;Wat zachter!quot;
»Ja ! Ja! dat de onderaardsche goden de zeehonden halen! Zij hadden het stuk in den mond en hebben er niets van gewild! Dat- Proteus ze ia de pan hakke !quot;
gt;Wind u niet zoo op, mijn Cerberus: gij zoudt het best doen, met hem gelijk de overigen te gemoet te gaan en door diepe buigingen en andere plichtplegingen ...quot;
127
»Ha!quot; riep Demetrius brullend uit; »ik ken de kleine plichtplegingen wel, die ik hem zou willen doen! Doch 't is niet noodig hem te gaan zoeken, hij gaat zelf mij tegemoet. Te Antium, te Albanum bereidt men hem goddelijke eerbetooningen,zegebogen, hier en daar langs den weg opgerichte altaren, slachtoffers, wolken van bloemen, muziekuitvoeringen, wierook. Hier spreekt men slechts van offeranden, geloften en spelen, welke men vieren zal om aan de goden dank te betuigen. Men heeft de magazijnen van saffraan als het ware uitgeplunderd, om den weg op zijn doortocht te vergulden.quot;
»Vindt ge, dat dit te veel is'?quot;
jgt; Waarachtig, neen! ik zou zijn weg met goudstof willen vergulden, als hij zich onder zijne schreden kon openen.quot;
»Ba! welke verzotheid om hem te zien sterven! Zou ons dan niets ergers kunnen overkomen ?quot;
alk geloof het niet.quot;
ïlntusschen leeft gij hier met al de snakerijen, welke gij ten koste van hem voordraagt. Wie trekt u een enkel haarspier uit?quot;
»Dit komt omdat ik als de kikvorschen in de vijvers kwaak, en hij me niet hoort schreeuwen. Indien ik soms mijne stem verhef om mij te doen verstaan, weet ik wie mij hoort.quot;
»Gij hebt alleszins ongelijk. Als gij om zijn dood zoo luidruchtig roept, wat zouden zij moeten doen die gekerkerd zijn en boven wier hoofd de bijl hangt?quot;
128
gt;Gedurende deze dagen kunnen zij vrij ademen. Wees er verzekerd van, dat de bijl niet om de Maraertijnsche gevangenis zweeft. Hij heeft geen tgd om er aan te denken, zijn hoofd is nog altijd vol van Griekenlands gedrnisch: hoogstens zal men aan eenige vette kapoenen den nek omdraaien ter viering van het feest.quot;
gt;Bedoelt gij hiermede senatoren?quot;
»Wie weet? Helius geeft geen acht op het geve-derte, hij houdt zich slechts bezig met de vraag of het een vet hapje is. Hij zal zich tot de oud-consuls wenden, die zich in het bestuur der provinciën hebben verrijkt.quot;
gt;Laten wij over aangenamere zaken spreken,quot; zeide Pudens om aan het gesprek eene wending te geven.
Juist den tijd welken Nero had uitgekozen om zijn zegetocht te Rome te houden, koos Pudens uit om met Petrus en Paulus te spreken. Moeielijk zou hij een tijdstip hebben kunnen vinden dat hiertoe geschikter was en minder in staat om vermoedens op te wekken. Geheel Rome spoedde zich met koortsachtige gejaagdheid voort om zijn welbeminden Augustus het welkom toe te roepen. Niemand dacht op dat oogenblik aan de gevangenis of aan hen, die er van lieverlede uitteerden. De onmetelijke en eindelooze stoet hield stil, een weinig voorbij de beek Almo, om den verderen tocht te regelen.
Intusschen hadden de krijgslieden van de voorhoede de Porta Capena omvergehaald en braken andere
——
129
soldaten met belegeringswerktuigen een der overwelfde gangen van den Circus Maximus af, om voor Nero, die den prijs had behaald in de Olympische, Pythische, Isthmische en Nemeïsche spelen, benevens honderd andere prijzen van lagere orde, als voor de aloude heroes iselastici, een doortocht te banen.
Ue stoet werd geopend door verscheidene duizenden Augustani, jonge losbollen, gewone trawanten van Nero,'{die^in dienst genomen waren om hem allerwege toe te juichen. Op gouden schalen droegen zij bij de 1800 kransen, welke de Keizer, naar men zeide, in de wedstrijden van geheel Griekenland behaald had. Naast _elken krans zag men aan het einde eener spies een opschrift, dat de soort der overwinning aanduidde: »Nero, de eerste der Romeinen, bekroond in den wedstrijd van het springen, van het loopen, van het werpen met den diseys en met de werpspies, van het worstelen en het vuistgevecht; in den wedren met een twee- en met een vierspan; in het treurspel, in de welsprekendheid, in den zang, in het citer- en het fluitspel, in het dansen.quot; Kortom, er was geen Grieksche krans welken hij niet gewonnen had, daaronder begrepen, die van uit zijn wagen gerold en onzacht op zgn rug te zijn gevallen in de Olympische renbaan, in het stof rollend als een balletje in geraspt brood. In weerwil hiervan ontbrak hem de krans niet van onvergelijkelijk overwinnaar in de Olympische spelen, en droeg hij dien olijfkrans op het hoofd, terwijl hij in zijne rechterhand den Pythi-CORNELIÜS PUDENS. 9
—-
130
scheu laurierkrans hield. Hij stelde zich. trots aan onder zijn gulden chlamys, waarover hij een purperen mantel droeg, welke bezaaid was met sterren. De zegekar, waarop hij had plaats genomen, was dezelfde die weleer bij de triomftochten van Octavianus Augustus gediend had.
Op zijn weg ontmoette hij eerebogen, met pralende en meer dan bewonderende opschriften en op bepaalde punten altaren van graszoden, waarop rookende offerdieren waren uitgestrekt, welke aan zijne godheid werden opgedragen. Op een weg, waarover een god trok, was het gewone strooisel voor sterfelijke zegepralers niet meer voldoende; zulk een weg moest met meer dan ontbladerde rozen bestrooid worden. Zoo wierpen knapen en jonge dochters uit de aanzienlijkste families met volle handen kostbaar saffraan-stof over den weg, zoodat het terrein er geheel mee bedekt werd. Alle huizen, van de Porta Capena af tot het Velabrum en het Forum, waren met loofwerk, bloeiende takken en bloemenkransen versierd. Op de balkons en de vensters brandden de uitgezochtste reukwerken en op de triomfsoldaten, zooals Nero zijne Augustani heette, regende het suikeramandels en bloemen, in het midden waarvan men honderden vogeltjes zag fladderen wier pootjes omwonden waren met purperen linten, terwijl in hunne vleugels wimpeltjes golfden.
De toeschouwers drongen zich samen en vormden eene dicht opeengepakte menigte; de Romeinsche
131
ridders en senatoren riepen veel luider dan het overig volk, ja schreeuwden met een soort van doldriftigheid:
»Leve de Olympische Nerolquot;
»Leve de Nemeïsche!quot;
»Leve de Pythische Augustus!quot;
»Eere aan den Isthmischen!quot;
»Leve Augustus!quot;
»Heil aan Nero, den nieuwen Hercules!quot;
ï Aan Nero Apollo !quot;
«Augustus, Augustus!quot;
sGoddelgke stem!quot;
«Gelukkig die haar mochten hooren!quot;
De Augustani, die vóór en achter den stoet gingen, herhaalden deze dolle kreten met nog meer kracht.
Een Grieksch citerspeler zong luide den lof des overwinnaars, naast wien hij had plaats genomen. Bijwijlen echter knielde hij neder en aanschouwde hij hem met bezield gelaat, alsof hij door de stralen der godheid, naar welke hij blikte, bevangen ware.
Aldus ging hij, over den heiligen Heuvel, naar den Capitolynschen Jupiter op. Zoo trok hij, onder den boog van Nero door, van de hellingen des Asylums ; zoo toog hij langs den muur van de Mamer-tijnsche gevangenis, vooraleer op het Forum te komen, om vandaar zich te richten naar den Palatgnschen Apollo. Op het gezicht van dien somberen kerker, ternauwernood met eenige guirlanden versierd, herinnerde zich Nero, onder de toejuichingen van hen
432
die boven van de daken der gevangenis naar hem afdaalden, dat zij, die een triomftocht hielden, gewoon waren, de hoofden der overwonnen vijanden aldaar te doen omkomen. Zich tot Tigellinns wendend, zeide hg hem;
gt;Heden heb ik geen vijanden; zorg er voor, dat wij er tegen morgen vinden !quot;
Hij vergat, dat, terwijl hij als een dolle op zijn zegekar voortreed, de heilige apostelen Petras en Paulas in zgne onmiddellijke nabijheid, ingevolge zijne bevelen, in een vanzig kerkerhol zuchtten. Eene aarden lamp, aan een koordje hangend, waarvan het uiteinde gewonden was om een steen, welke op den rand van het luchtgat geplaatst was, verspreidde een zwak lieht in het onderaardsche hok van het Tullianum. Dit dampend licht was toereikend voor Padens, die, aan eene kleine tafel tegenover de Apostelen gezeten, opschreef wat Petrus dicteerde, nl. zgn laatsten brief aan de opkomende christenheid. Verzekerd dat, te midden der algemeene woeling, welke op het Forum en het Capitolium heerschte, geen nieuwe beweging hem zou komen storen, wendde hij zijn geest naar de geheele Kerk en riep hij haar zijn laatst vaarwel toe, een duurzaam testament, eene onwederlegbare voorspelling. Overeind aan den voet der kolom, terwijl hjj Paulus aan zgne zijda had, dicteerde hij:
»Simon Petras, dienaar en apostel van Jesus Christus, aan hen, die hetzelfde geloof hebben als wg in
133
de rechtvaardigheid van God en van onzen Zaligmaker Jesus-Christus.quot;
Vervolgens de handen op zijne borst kruisend, vatte hij, terwijl hij opwaarts blikte en zijn voorhoofd glinsterde, alsof hij de geheimen des Hemels las, de verschillende punten der Evangelische wet samen. Hij herinnerde er aan dat, indien de mensch deze wet onderhoudt, hij in de goddelijke genade volhardt en steeds meer tot de godheid nadert; hij voegde er bij, dat men zijne hoop niet moet stellen op een dood geloof, maar zijn eeuwig heil door goede werken behoort te verzekeren.
gt;o Vader,'' viel hier met angst en bescheidenheid de brave nieuwbekeerde Pudens in de rede, »'k heb dikwijls deze mneielykheid hooren opwerpen door verscheidenen onzer broeders, die beefden voor hunne eeuwige zaligheid. En zoo wij eens niet bestemd waren ten hemel? Zoo wij eens moesten hervallen in de zonde, als Simon de Toovenaar, na het doopsel te hebben ontvangen ? Waartoe zou ons dan de roeping tot de genade des geloofs dienen ?quot;
Petrus antwoordde met een zoeten glimlach:
»Voeg er tot uwen troost en ter verdrijving dezer ijdele schrikbeelden bij: — »Broeders, beijvert u altoos uwe roeping en uwe uitverkiezing door goede werken te verzekeren: want aldus handelende zult gü nimmer zondigen. Cp die wijze zal de ingang van het eeuwig rijk van Onzen Heer en Zaligmaker
134
Jesus-Christus u wijd opengesteld worden. — Zijt gB nu voldaan, mi]'n zoon ?quot;
»¥»(16^ ik bedank n,quot; hernam Pudens. »Dit enkele woord, van uwe lippen gevloeid, doet mij het uur zegenen, waarop ik in dezen kerker ben afgedaald. Dit vroord zal ik aan allen herhalen, die door zulke ijdele schrikbeelden gekweld worden.quot;
Petrus ging voort. Hij zeide, dat zijn dood aanstaande was, maar dat hij tot zijn laatsten zucht de herinnering moest vernieuwen aan de waarheden, welke hg uit den mond van Jesus-Christus, dien hij in zijne verheerlijking op Thabor aanschouwde, vernomen had. Hij voegde er bij dat hij, van den hoogen hemel uit, zou voortgaan, de geloovigen aan deze waarheden te herinneren. Vervolgens zeide hij van de Schriftuur, dat zij door den Heiligen Geest is ingegeven en aan de Kerk verstrekt als eene door het ongeschapen licht aangestokene lamp, te midden van 's werelds duisternissen, maar dat het noodzake-lijk is, vooral dit goed te weten, dat de verklaring der schriftuur niet door eigen uitlegging geschiedt. Na alzoo de goddelgke openbaring in het kort te hebben herhaald, door haar dubbele bron, de overlevering en de Schriftuur, aan te duiden, begon hij zijn laatsten slag te slaan tegen heü, die de geloofsleer des Heilands hebben vervalscht, d. i. tegen de ketters.
Nooit had men tegen de wederspannigen aan het woord Gods zoo vele en zoo krachtige anathema's
135
geslingerd als die, welke vervat zijn in het korte testament van Petrus, Hij brandmerkte hun schande-lijken oorsprong, hun slechten aard, hunne afschuwelijke zeden, en kondigde hun zekeren ondergang, hunne naderende veroordeeling, hunne eeuwige straf aan. De veder beefde tusschen Pudens' vingeren. Paulus wachtte, met het gelaat in zijne beide handen, op het einde. Eensklaps hoorde men de luidruchtige nadering van den zegepralenden Nero, die van het Capitolium kwam. De verwarde en dolle kreten stegen hoog in de lucht, en het geraas van de raderen der wagens weerklonk tot in de diepten der Mamertijn-sche gevangenis. Pudens had juist deze woorden opgeschreven: »De hemel en de aarde, in de schatten van hetzelfde Woord geplaatst, zijn bestemd ten vure op den dag van hst oordeel en van de verdelging der goddeloozen.quot;
De senator legde de pen neder, en het verschrikte gelaat, waarmede hij Petrus aanzag, scheen te willen zeggen:
»Maar intusschen zegepralen die goddeloozen daar en lijden wij; God komt zijne zaak niet ter hulpe.quot;
Alsdan zeide hem Petrus:
»Waarom verwondert gij u? Ergert u het oogen-blikkelijke geluk van een goddelooze? Schrijf op:
— Mijne welbeminden, ik wil niet, dat gij niet •wetet dat voor God één dag zooveel is als duizend jaren, en dat duizend jaren niet meer zijn dan één dag. De Heer stelt zjjne belofte niet uit, zooals velen
136
meenen. Hg gebruikt geduld, uit inschikkelijkheid voor u, want Hg wil, dat niemand verloren ga en dat iedereen tot leedwezen gerake. De dag des Heeren zal komen als een dief; op dien dag zullen de hemelen in puin storten, en zal de gloed des vuurs de elementen ontbinden; de aarde met hare werken zal door de vlam verbrand worden. Hoe noodzakelijk derhalve is het niet, daar al deze zaken moeten vernield worden, dat gij heilig en godvruchtig zijt en afwachtet en verlanget den dag van 's Heeren komst, den dag waarop de hemelen al brandend zullen ontbonden worden, en de elementen door de kracht van het vuur zullen verdwijnen? Volgens de belofte verwachten wij nieuwe hemelen en eeue nieuwe aarde, in welke de rechtvaardigheid haar verblijf zal hebben.quot;
»Vader,quot; zeide Pudens eindelijk, sdoor deze woorden hebt gjj een doorn uit mijn hart getrokken, en ik zal hem ook uit het hart van vele anderen trekken. Ik begrijp, dat een onvermijdelijke en eeuwige straf nimmer te laat komt.quot;
»Had onze Paulus dit al niet in verscheidene brieven geschreven, en zelfs in een brief, gericht tot de Romeinen?quot;
»Ik herinner het mij,quot; antwoordde Pudens, »maar repetita juvant, de herhaling daarvan doet goed en thans zie ik het veel beter in.quot;
Paulus zeide alsdan glimlachend:
»Gij weet reeds, Petrus, dat allen mijne brieven niet bij de eerste lezing verstaan. Men moet zich dus
137
niet verwonderen, dat onze Pudens ze niet geheel begrepen heeft. Helaas! zoo het daar slechts bij bleef... Zekere menschen verdraaien er den zin van en verbasteren hem, zoodat zjj volstrekt het tegendeel zeggen van hetgeen wij leeren.quot;
»Ja,quot; antwoordde Petrus; »ik ken die menschen. Maar nu zal onze Pudens de noodige oogzalf kunnen aanwenden om hen van hunne blindheid te genezen.quot;
En hij ging voort met dicteeren:
»Beijvert u hierom, mijne zeer geliefden, in afwachting dezer zaken, opdat gij bij die gebeurtenissen onbevlekt, zuiver en in den vrede bevonden wordet. Dat de lankmoedigheid des Heeren tot uwe zaligheid strekke. In dien zelfden zin heeft u onze welbeminde broeder Paulus geschreven, met die wijsheid, welke hem eigen is en die in dien brief schittert evenals in alle welke hij tot u gericht heeft. Er komen eenige plaatsen in voor, welke moeilijk te verstaan zijn en door onwetende en lichtzinnige menschen verbasterd worden, gelijk zij dit doen met andere Scbriftuur-plaatsen, en dit wel tot hun eigen verderf. Weest derhalve, na vermaand te zijn, op uwe hoede, dat gij niet dolet op het pad der onwetenden en uwe standvastigheid latet verminderen. Groeit veeleer aan in de genade en de kennis van den Heer, onzen Zaligmaker Jesus-Christus. Hem zij glorie nu en op den dag der eeuwigheid. Amen.quot;
gt;Gezegend zij God,quot; riep Paulus uit, »die u ingeeft de geloovigen te waarschuwen tegen de vervalschers
138
der heilige woorden, welke niet van ons komen, maar van den Heiligen Geest. Gij kunt niet geloo-ven hoezeer ik er onder leed, te zien hoe die nieuwe leeraars, met de heilige boeken in de hand, voor zoo velen een steen van aanstoot werden.quot;
»De onzinnigen!quot; zeide Padens. »Gg hebt,quot; voegde hij, die bijna alle brieven van Paulus van buiten kende, er bij, gt;over die lieden geschreven, toen gij zeidet; — Zij hebben gedoold en zijn' verdwaald in ijdel gesnap, willende doorgaan voor leeraars der wet, zonder te begrijpen, wat zij zeggen of hetgeen zij als zeker opgeven. De wet is goed, maar voor hen die er een behoorlijk gebruik van maken. —quot;
»Herinner u,quot; zeide Petrus aan Pudens, »herinner u dat het niet aan ieder toekomt, de Schriftuur te verklaren. De Schriftuur is een tweesnijdend zwaard, en men moet een zwaard niet stellen in ongeoefende handen. Brood en wijn zijn goed, maar het is de taak der moeder een en ander toe te dienen aan hare kinderen.quot;
»Ik hoop uwe vaderlijke wenken nimmer te vergeten.quot;
»Dat is goed, mijn zoon. Breng nu dit perkament aan mijne broeders Linus, Cletus en Clemens. Zoo uwe vrome dochters er de afschriften van willen vermenigvuldigen, zal God haar beloonen en zullen zij zich verdienstelijk maken bij de kerken.quot;
»En bij u en Paulus, mijne hooggeachte meesters,quot; zeide Pudens.
139
Dan wierp hij zich aan hunne voeten en kuste hij de ketenen der twee Apostelen, die hem met innigheid omhelsden en hem even als geheel zijne heilige familie zegenden.
De senator verliet den Mamertijnschen kerker en verdween in de menigte, welke op dat oogenblik van het Forum kwam. In het paleis op den Pala-tijnschen heuvel teruggekeerd, begon Nero aan de noodige verbeurdverklaringen en gevangennemingen te denken, om de onkosten zijner dwaasheden en verkwistingen te voldoen.
IX.
De laatste dagen van Petrns en Paulus.
eheel Rome, zoowel in de lagere als iu de hoogere kringen, sprak slechts over den schitterenden, zegepralenden intocht van Nero. De Augustani, de keizerlijke tooneelspelers en het uitschot van het hof versterkten de loopende nieuwstgdingen, door de heldenfeiten van Nero in Griekenland te verheerlijken. Hercules, zoo beroemd en gevierd wegens zijne twaalf werken, kon de vergelijking met den Caesar in geenen deele doorstaan. Het wonderbaarste was, dat de manhaftige keizer in nauwelijks eenige maanden zooveel wonderen had gewrocht. Voortaan kon hij niet meer onder de stervelingen gerekend worden; hg was evenzeer God als Jupiter Optimus Maximus, ja meer nog dan deze.
De Olympus had hem erkend, Rome zou zich desnoods hieraan moeten herinneren. Bij al dat
141
gepoch barstten de weinige rechtschapen lieden, wien de Romeinsche naam nog ter harte ging, van verdriet en schaamte in toorn uit. De rijken dachten in ernst aan de ledige schatkist en aan hunne eigene beurzen, welke haar weer zouden moeten vullen. De aanzienlijke burgers sidderden elk uur zoowel van den nacht als van den dag, uit vrees dat een keizerlijke bode hun het bevel des Caesars tot ziekte of dood zou brengen: deze last ging dikwijls vergezeld van keizerljjke geneesheeren, die de dralenden aanstonds door eene flinke aderlating moesten helpen.
De christenen daarentegen, ferm als zij waren en voorbereid op alles wat gebeuren kon, trachtten met onderwerping hunne eigene ongelukken en die der maatschappij te verhelpen. Zij vormden een nieuw volk, eene hemelsche keur, welke van dag tot dag aangroeide, te midden van een aardsch en wellustig volk; zuiver en onbesmet wandelend, trots het algemeene zedebederf, ondervonden zij noch de ongeoorloofde genoegens noch de nuttelooze smarten der heidenen. De troon der keizers hadde zich wellicht staande gehouden, indien het afgeleefde volk van Quirinus zich had laten vernieuwen en verjongen en zijne zaak vereenigd had met die van het maagdelijk volk, dat binnen Komes muren begon te bloeien. De zegetocht van Nero was voor de christenen alsof hij niet hadde plaats gehad; velen hunner hadden hem gezien. Zij verdroegen den Keizer zeiven, gelijk men de pest verdraagt, betere tijden van de Voor-
142
zienigheid verhopende. Zij leefden getrouw aan het wereldsche vaderland, maar vreemd aan zijne schande, en als pelgrims, wier ziel zich richtte naar een beter vaderland.
Alle gesprekken der christenen in hunne eigene woningen hadden geen ander onderwerp dan het ijden en de heerlij kheid der dierbare Apostelen, die gevangen zaten. Zij schepten er behagen in, over den goeden uitslag te spreken van hunne predikaties in de diepten der gevangenis en de woorden te herhalen, welke zij van hen hadden kunnen opvangen. Was het aan een geloovige gelakt, hun in het Tul-lianum een bezoek te brengen, dan beijverden zich de broeders en de zusters, van hem te vernemen wat elk der Apostelen gezegd had en bewaarden zij die woorden als een kostbaren schat. Op die wijze deed zich de apostolische stem, die schijnbaar zweeg, voortdurend hoorea in de families der nieuwbekeer-den en in de vergaderingen der kerken te Rome. Zoo vernamen de christenen de minste bijzonderheden van den val van Simon den Toovenaar. Paulus had zgne gebeden vereenigd met die van Petrus; op hetzelfde oogenblik hadden de beide Apostelen, in den geest vereenigd, hun hart ten Hemel verheven, de een op de Via Sacra, de ander in het Tullianum, om van God de vernedering des goddeloozen af te smeeken.
»0! wat zou ik gaarne het gebed kennen dat Petrus op dat oogenblik tot den Heer richtte!quot; zeide
143
Pudentiana, toen zij dit verhaal uit den mond haars vaders hoorde.
»Welnu, luister dan slechts, mijn kind. Petrus zelf heeft het mij medegedeeld; gij zoadt ook zoo gebeden hebben, als gij den Toovenaar zich in de lucht hadt zien verheffen. — gt;Ach! Heer Jesus, zeide hij, laat dien mensch de ijdelheid zijner kunstgrepen inzien, opdat het volk, reeds gewoon aan het geloof, in die begoochelingen geen reden van ergernis vinde. Sta toe. Heer, dat hij neêratorte, maar zijn val overleve en zijne onmacht kunne erkennen.quot;
»En heett Petrus door een zoo kort gebed hem ter aarde doen vallen?quot; riep Pudentiana verbaasd uit.
» Wat!quot; zeide hare zuster Praxedes. »Was alleen de naam Jesus, door den mond van Petrus uitgesproken, hiertoe al niet reeds voldoende? Wat mij verwondert is, dat Petras hem in de lucht heeft laten stijgen.quot;
» Dat was juist het beste en het schoonste,quot; antwoordde Pudens, »zijn vijand, of liever gezegd Gods vijand, eerst hoog, zeer hoog te laten stijgen en vervolgens door een enkel gebedje op de keien te doen vallen!quot;
»Simon moest Petrus bedanken,quot; voegde Claudia er bij, »dat deze hem het leven gered had; want van de hoogte, waar hij van gevallen is, moest hij eer tweemaal dan eens den hals breken en op de keien geheel vergruisd worden.quot;
»Wat zegt gij?quot; vroeg Pudentiana: »zou hij nog leven ?quot;
.......
144
»NeeDJquot; antwoordde Pudens; »maar hij overleefde zijn val toch eenige dagen. Zijne leerlingen vervoerden hem naar Aricia om er zijne verbrijzelde handen en voeten en zijne ontwrichte dij te verbinden.'quot;
»Na zulk eene les zal hij zeker tot inkeer zijn gekomen ?quot;
, »Tot inkeer ? Jneen! hij was zoo trotsch, dat hij eene tweede opstijging beproefde. Hij heeft zich boven van een balkon zijner kleine villa Brunda geworpen, waardoor zijn geheel lichaam, nog meer dan de eerste maal, verbrijzeld werd.quot;
»Ea is hg er van gestorven?quot;
gt; Ditmaal stierf hij, maar niet onmiddellijk, en zjjn dood werd niet door zijn val veroorzaakt.quot;
»Zie! zie ! welke hardnekkigheid ! Doch welke goedheid van Gods zijde, die hem den tijd tot boetvaardigheid gaf!quot;
gt;Dit diende hem tot niets. Toen hij zich tot een zoo deerlijken toestand zag gebracht, deed kg, het leven hatende en wanhopende ooit beroemd te zullen worden, zijne leerlingen roepen en zeide hij hun: — »Ziet in welk een toestand mijn lichaam zich bevindt! welnu ! ik heb het door mijn eigen wil hiertoe gebracht, teneinde u in mijne leer te bevestigen. Zooals gij me nu ziet, zal ik weldra sterven, om den derden dag vol leven te verrgzen.—quot;
3gt;En geloofden zij het?quot; vroegen tegelijkertijd Prasedes en Pudentiana.
.1 11.
145
»0f zij het geloofden! zij groeven een kuil en hebben hem levend begraven!quot;
»Hoe is 't mogelijk? die wreedaards Iquot;
gt;Wel! het was zijn eigen wil en hij beval het hun.quot; «Hoezeer verblinden zich de hoovaardigen! Hij, die ten hemel wilde vliegen, laat zich een weinig daarna schandelijk onder de aarde verbergen!quot;
Zoodanig waren de gesprekken der geloovigen, zoolang hun nog een schemering van hoop restte om de gelukzalige Apostelen te bevrijden. Zij verheugden zich van ganscher harte, als zij onderling spraken over de vruchten van zaligheid, waarmede de Heer den apostolischen ijver der gevangenen dagelijks bekroonde. Hunne grootste blijdschap werd voorzeker hierdoor teweeggebracht, dat de soldaten, met de gevangenneming van Petrus en de bewaking der beide Apostelen in hunne gevangenis belast, den christelijken godsdienst omhelsden. Want behalve de zaligheid hunner ziel, zagen zij zich door middel van die soldaten in staat gesteld, met de Apostelen te verkeeren en beschouwden zij hen als de beste boden tusschen de Apostelen en de christenen. Doch men kwam tot de ontdekking, dat deze soldaten het nieuwe bijgeloof (zoo noemden de heidenen alsdan den christeljjken godsdienst) hadden aangenomen. Zoo verwisselden zij de taak van bewakers der Apostelen met de eer, hunne gezellen in de ketenen, hunne broeders in het martelaarschap te worden.
Sinds dien tijd werd alle verkeer met de geluk-CORNELIÜS PÜDEXS. 10
146
zalige gevangenen bijna onmogelijk, vooral sedert dat Nero in zijn paleis was teruggekeerd, vol onrust en gejaagdheid tengevolge van blinden schrik voor samenzweringen. Men vreesde, dat het gerucht van de bekeering der gevangenbewaarders het bloeddorstige monster verbitteren en er toe brengen zou om een doodvonnis tegen al de gevangenen uit te spreken. Allengs begon alle hoop te verdwijnen. Jesus-Chrfs-tus had aan zijn apostel Petrus voorspeld, welk soort van gewelddadigen dood hij moest ondergaan. De laatste brief van Petrus, uit zijn kerker gedagtee-kend, geleek op een testament, waarin men openlijk de aankondiging las vaa een aanstaanden dood. Door geen woorden laten zich de overvloedige zuchten en tranen uitdrukken der geloovigan, toen zij in de kerken van Rome dien brief hoorden voorlezen. De broeders sidderden elk oogenblik, en 't was waarlijk niet zonder reden. Hoe zou de herinnering aan Petrus en Paulus zich niet aanbieden aan Nero's geest, die in het openbaar de lezing gehoord had der akte van beschuldiging? En indien hg hen had kunnen vergeten, zou dan het groote aantal bekeeringen, door hunne bediening tijdens zjjn verblijf in Griekenland bewerkt, hen niet in zijn geheugen terugroepen ? Zouden de wonderen, waar Rome 'vol van was, hem niet ter oore komen? Zouden de joden, vol woede tegen de afvalligen der synagoge, zich de hun aangebodene gelegenheid niet benuttigen ? En zouden de leerlingen van Simon, zoo talrijk en zoo verbit-
147
terd tegen de christenen, het geschikte tijdstip niet aangrijpen om zich te wreken?
Praxedes en Padentiana hadden niet slechts te drinken uit den algemeenen lijdenskelk, maar ondervonden bovendien bitter hartzeer bij de gedachte aan hare dierbare zuster Thecla, welke zij, namens Petrus, hadden uitgenoodigd, naar Rome te komen. Zij huiverden bij het denkbeeld, dat zij of te laat kon komen om haren dierbaren meester Paulus nog in leven te vinden, of tijdig genoeg om hem, met eigen oogen, den marteldood te zien sterven en hem voor altijd te verliezen. De drie bisschoppen Linus, Cletus en Clemens, de plaatsvervangers van den heiligen Petrus te itome en bewaarders der innige apostolische geheimen, spraken slechts over het middel om op waardige wijze de laatste zegepraal hunner gelukzalige Vaders plechtig te vieren. Zij leenden intusschen, het oor aan de minste inlichtingen, om niet onverwachts te worden getroffen en te maken dat de christenen, van alles wat de Apostelen betrof onderricht, hen desnoods in hunne laatste oogenblikken door gebeden zouden kunnen bijstaan. Dikwerf hielden zij hierover raad met den evangelist Lucas en Titus en Timotheus, twee vurige leerlingen van Paulus, die, van hunne bisschoppelijke zetels van Creta en van Ephesus, op de eerste tijding van het gevaar, dat de Apostelen liepen, naar Rome waren gesneld.
Eindelijk verspreidde zich het gerucht, dat de Caesar bevolen had, de Capitolijusche gevangenissen te ledi-
148
gen, en men kende al te wel de middelen, welke in dergelijk geval werden aangewend. Het gelukte Pudens, die deze droevige zaak ter harte nam, door zijn goud en aanzien uit ontwjjfelbare bron het tijdstip en den inhoud te kennen van het doodvonnis, dat Nero tegen Petrus en Paulus had uitgesproken. Hij wist ook, met den dag en het uur, welke plaats bestemd was ter voltrekking van het vonnis. Bliksemsnel verspreidde zich de tijding in alle kerken van Eome.
De vierde dag vóór de Catemiae van Juli (28 Juni) was aangebroken. Tal van de voornaamste broeders, in rouw gedompeld, vereenigden zich in het paleis des senators. De priesters, alsmede de aanzienlijkste burgers, onder welke zich Acilius Glabrio en Flavins Clemens, toekomstige consuls, benevens de vrijgelatene Eubulus bevonden, waren zich bij de vergadering komen voegen. Ook bevond er zich de keur der zusters, die, volgens een erkend recht, de gewoonte hadden aanspraak te maken op de eereplaats onder de christinnen, die de martelaars verzorgden. Deze bijeenkomst was nog droeviger dan al de vorige; eene diepe stilte heerschte er. Ternauwernood durfde men elkander aanzien en zachtjes eenige woorden wisselen, welke door diepe zuchten werden afgebroken. Linus gaf te kennen dat men, als naar gewoonte, aan de matronen de zorg moest overlaten om de Apostelen te volgen en te dienèn. Dezen liepen minder gevaar. De andere geloovigen moesten zich zóó onder de menigte der
149
toescliouwers zien te mengen, dat zij niet herkend werden. Slechts eenige priesters moesten de christenen volgen en er zich mede belasten, alles zóó te schikken als door de omstandigheden vereischt werd.
Wat Linus goedvond, werd eenstemmig aangenomen, want men wist, dat Petrus hem als zijn opvolger had aangewezen op den apostolischen stoel. Men moest nu nog slechts de dienaressen der martelaars kiezen. Aller blikken waren gericht naar Plautilla, eene eerbiedwaardige matrone uit het huis der Fla-viussen, en naar Pomponia Graecina, welke ieder voor dit eervolle voorrecht scheen aan te wgzen. Op baar viel inderdaad de keus. Alleszins verdienden zij deze onderscheiding, omdat zij aan eene ontelbare menigte martelaren de begrafenis bezorgd hadden. Men voegde haar twee andere edele vrouwen, Anas-tasia en Basilissa, als medehelpsters toe, alsmede Claudia Sabinilla, die, zonder te spreken van de andere diensten welke zij de Kerk reeds bewezen had, deze eer als gastvrouw der Apostelen verdiende. Deze vrome vrouwen bedankten Linus en de andere broeders met innigheid, dat zij haar eene zoo vurig gewenschte taak hadden opgedragen; zij' stortten tranen van erkentelijkheid en smart, en hare dankbaarheid gaf zich nog meer door gebaren dan door woorden lucht.
Terwijl zij nu de plichten, aan hare taak verbonden, onderling verdeelden, trad de jeugdige Puden-tiana opgewonden de zaal binnen en ging, zonder rond te zien, tot hare moeder.
150
iThecla is aangekomen,quot; fluisterde zij haar toe. »Waar is zg?quot;
»In het tablmum van het atrium. Zij heeft naar n gevraagd.quot;
Claudia was hare ontroering niet meester en zeide op luiden toon:
»Thecla van Iconium is zoo even in ons huis aangekomen.quot;
Linus, die haar zeer goed kende (wie kende Thecla niet in de Kerke Gods ?), voegde er bi]:
»Dat men haar hier doe komen, leid gij met uwe zuster Praxedes haar binnen, Padentiana.quot;
Pudens en Claudia gingen haar tegemoet. Eenige oogenblikken later opende de kleine hand van Puden-tiana het deurgordijn, en trad Claudia binnen, met eene bejaarde dame aan de hand, van een indrukwekkend voorkomen, doch vermagerd, rimpelig, zwak en schier krachteloos. Zij droeg een bruin kleed, en haar hoofd was bedekt met een maagdeljjken sluier. Pudens en Praxedes volgden haar. Geheel de vergadering stond eerbiedig op, en Thecla, eene diepe buiging makende, zeide:
gt;De vrede zg met u!quot;
»En met uwen geest,quot; klonk het antwoord. Thecla durfde het onderhoud niet te beginnen; de anderen ondervonden dezelfde, ja nog grootere vrees. Niemand vond woorden, toen zg, als eene verschijning, die roemrgke maagd, omgeven door een zoo luistervollen lichtkrans van heiligheid en
151
wonderen, in hun midden zagen. Wat te zeggen in zoo verschrikkelijke omstandigheden ? Men wist, dat zij over zee gekomen was met de zoete hoop in het hart, de ketenen te mogen kussen van Petrus en van haren dierbaren meester Paulus; hoe dan aanstonds en als welkomstgroet haar aan te kondigen dat de bijl, om zoo te zeggen, boven de hoofden der beide Apostelen hing? Op aller gelaat stond bittere droefheid te lezen, aller oogen vulden zich met tranen, allen moesten zich geweld aandoen om niet luide te snikken; men zou gezegd hebben, dat men een lijkdienst bijwoonde. Thecla merkte het en zeide:
»Mijne meesters en mijne broeders in Jesus Christus, ik zie wel dat mijne aankomst ongelegenheid verwekt te midden uwer kwellingen. Wat er van zij, wilt de groeten aanvaarden van uwe broeders van Seleucia, vanwaar ik gekomen ben.quot;
gt;Dat Jesus Christus zich gewaardige onze broeders van Seleucia te helpen en te troosten!quot; antwoordde Linus; swat u betreft, dienares des Heeren, gij kunt niet ongelegen komen, want gij zijt altoos hoogst welkom aan de broeders van Rome, die u zegenen.quot;
gt;Hartelijke dank zij u betuigd voor uwe liefde! Allen zijn dan hier in onrust gedompeld uit liefde tot Petrus en Paulus ? ...quot;
Bij het uitspreken dezer namen barstten allen gelijktijdig in geween en gesnik uit, zoodat Thecla onmiddellijk begreep, dat Petrus en Paulus het voorwerp waren van de algemeene bedruktheid.
152
»Vader,quot; zeide ze verschrikt en hijgend; »verberg mij niets! Wat is er van onze Apostelen geworden ? Leven zij nog ?quot;
»Zg zullen op aarde leven tot morgen; daarna zullen zij leven in den hemel!quot; antwoordde Linus.
Thecla liet het hoofd op de borst zinken, alsof een scherpe pijl haar hart had getroffen. Maar deze zwakheid duurde slechts een oogenblik. Zij beurde het hoofd weder op, hief hare oogen ten hemel, vouwde de handen en weende niet. Na eenige oogen-blikken roerloos te hebben gestaan als een steenen standbeeld, hernam zy :
gt;Dat Gods wil geschiede ! Ik zal mijn vader onder mijne oogen zien sterven!.... Maar zou ik heden de Apostelen niet kunnen zien?quot;
»Weleer hebt gjj, mijne zuster,, Paulus kunnen bezoeken door zijnen bewakers al uwe kleinoodiën aan te bieden; maar zij die hem thans bewaken, zijn onverbiddelijk. Gij zult zijn glorievol stoffelijk overschot zien, als de goede God ons de gunst verleent het te mogen afkoopen.quot;
»o Vader,quot; zeide Thecla, terwijl zij zich nederwierp en de beide handen uitstrekte, gt;ik zal hem dan niet dan na zijn dood kunnen zien? Verwijder van mg dezen kelk!quot;
Diep bewogen door zooveel smart, gaf Linus haar ten antwoord :
«Dienares des Heeren, ik wil uwe groote droefheid niet vermeerderen. De jonge dochters zullen de mar-
153
telaars niet vergezellen. Maar uw gevorderden leeftijd in aanmerking nemende, sta ijik u toe. onze Apostelen in hun lijden, zooals de Heer het u ingeeft, te volgen. Gg zult hen in hun zegepraal kunnen zien en hun laatsten zegen ontvangen.quot;
Bij deze woorden richtte zich Thecla weder op, en, een zoo verhelderd gelaat vertoonend als de droevige omstandigheden van het oogenblik het kónden veroorloven, liet zij zich tot in de minste bijzonderheden inlichten omtrent al het lijden door de Apostelen verduurd, aangaande hunne veroordeeling, de plaats waar zjj den marteldood zouden ondergaan en alles wat betrekking had op de droevige gebeurtenissen dier dagen. Nadat zjj zich nog een poos onderhouden had met de audere vrouwen, die de Apostelen mochten volgen, ging de vergadering onder algemeen gesnik uiteen. Den volgenden nacht bracht men in alle kerken van Home in gebed en geween door.
Nero wist niet, wat al tranen en gebeden het christelijk Home stortte; in zjjne gewone dwaasheid dacht hij er slechts aan, de overwinningen welke hjj in Griekenland had behaald, plechtig te vieren. Hij deed alle kransen, die hij verkregen had, op den obeliscus van den Circus Maximus en op den oheliscus van zijn eigen Circus, op het Vatikaan, ten toon stellen, teneinde het volk ze zou kunnen zien; vervolgens liet hij ze wegnemen en in de atria van zijn paleis, in de onmiddellijke nabijheid daarvan, of
154
in het Palatgnsche paleis of ia het Gulden Huis plaatsen.
Terwijl de gepurperde dwaas, op wiens hoofd den keizerljjken diadeem wankelde, slechts aan de Grieksche kransen dacht, waarvan Rome vol was, hunkerden de twee gekerkerde Apostelen naar de kroon der gerechtigheid, welke zy weldra uit de hand van hun hemelschen Meester zouden ontvangen.
De dageraad van den 29. Juni gloorde reeds aan den gezichteinder. Die dag, hij was reeds zoo lang, zoo vurig verbeid door de Apostelen, rijk aan tranen zou hij zijn voor de strijdende Kerk, maar schitterend van glorie voor de gelukzalige Belijders, onbelangrijk voor Nero, maar van alle eeuwigheid voorbeschikt door den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest, om het verledene te sluiten van hetongeloo-vige Rome en de toekomst te beginnen, welke het geloovige Rome was voorbehouden. Sedert de eerste schemering van den dageraad bewogen zich de geloovigen stil en droevig om de muren der Mamer-tijnsche gevangenis. Eenigen gingen met langzame schreden de helling van het Asylum op en af, anderen zag men op de Mamertijnsche straat, wederom anderen onderhielden zich op het Forum, anderen eindelijk hadden den weg genomen van het Velabrum tot de porta Trigemina, Door de goede zorgen van den senator Pudens was hun in 't geheim geboodschapt, dat de twee gevangenen ter gewone plaats, d. i. bij de aquae Salvianae, op den weg van Ostia,
155
den dood zouden ondergaan. Het talrijkst waren de joden, waarbij zich vele heidenen gevoegd hadden. Dezen werden door nieviwsgierigheid gedreven om de veroordeelden te zien voorbijtrekken, genen klopte het hart van wreede blijdschap en zij smaakten reeds het helsche genot der wraak. Ieder hunner gaf op zijn gelaat de gevoelens zijns harten te lezen, toen men eindelijk het knarsend geluid der grendels hoorde en de gevangenen zag verschijnen.
De gelukzalige Apostelen zagen dan, na zoo lang in de duisternis als begraven te zijn geweest, het licht weder, en hun eerste blik, hoewel met groote moeite, keerde zich naar den hemel, welke zich reeds boven hunne hoofden opende. Na vervolgens een vluggen oogslag te hebben geworpen op hunne onder de menigte staande leerlingen, groetten zij hen en werden weder-keerig door hen gegroet. Maar zij, die hen begeleiden, stonden hun den tijd niet toe om elkander door gevoelvolle blikken te bemoedigen.
Op ruwe wyze verhaastten zij den gang van den lijkstoet over het Forum, de Tuscische straat en die welke van het Velabrum naar de Aemilische brug leidde. Reeds had zich het gerucht van de terechtstelling der Apostelen door het district Trans Tihe-rim verspreid. Het joodsche volk, dat daar in zeer grooten getale woonde, kwam uit elk straatje en steegje en richtte zich naar de groote straat, welke van de Aemilische brug tot den Janiculus en de porta Aurelia opliep. Het veronderstelde, dat Petrus
156
ten minste, als hun landgenoot, over dien weg ter dood zou gevoerd worden. Om beter van het schouwspel te kannen genieten, spoedden de meesten zich over de brug naar het Forum Boarium, om zich in massa's te scharen bij den tempel der Fori una virilis en op de trapbanken van den aan Vesta toegewijden tempel.
Maar wie schetst hunne verontwaardiging, toen zij zich in hunne verwachting bedrogen zagen! De honderdman, die het geleide aanvoerde, zette, in stede van zich naar de Aemilische brug te richten, zijn weg ter linkerzijde voort, trok langs den Tiber, voorts over het Forum Boarium en wendde zich naar de porta Trigemina. Als een wild dier waaraan men zijn prooi ging ontrukken, sidderde de menigte van woede, luidruchtig ijlde men den centurio na om hem tegen te houden.
De magistri vicorum (wijkmeesters), die op de brug stonden, besloten de rechten hunner onderhoorigen te doen eerbiedigen en, hetzij door overreding, hetzij door gunst of geld, hunne wreede verlangens te voldoen.
Terwijl men op de Aemilische brug woedend raad hield, waren de Apostelen, altoos omgeven door de soldaten, de Porta Trigemina reeds voorbij. Langs de helling van den Aventijnschen heuvel hadden zij eene menigte christen vrouwen en jonge dochters ontmoet, die in groepjes uit de op de helling des heuvels gelegene villa's kwamen en als eene gunst
157
den laatsten zegen van Petrus en Paulus verzochten. De ontmoeting der Apostelen met Plautilla was vol teederheid. Vertrouwende op den eerbied aan haren rang verschuldigd, en de ziel versterkt door het verlof dat zij bekomen had om den marteldood dei-Apostelen bij te wonen, aarzelde zij niet al weenend vooruit te treden om den martelaars hare diensten aan te bieden. Paulus, haar willende voldoen, zeide haar :
»Mijne zuster, in onze streken zijn zjj, die gaan sterven, geblinddoekt, hebt gij geen sluier voor mij?quot;
De heilige matrone zag om zich heen en ter zijde; doch hoe een sluier te vinden?
»Geef mij den uwe,quot; hernam Paulus, »en ik zal hem spoedig aan u weergeven.quot;
De soldaten begonnen bij het hooren dezer belofte van een ter dood veroordeelde, met minachting te lachen; doch Plautilla maakte haastig den sluier los welke haar hoofd bedekte en reikte hem Paulus toe, terwijl zij de keten kuste, welke zijne handen weêrhield. Vervolgens nam zij afscheid van den Apostel, verwijderde zich en volgde hem van verre.
Nauwelijks was men voorbij de grafpyramide van Caïus Cestiusj of men zag de aanzienlijken van het jodenkwartier aankomen, die, met stof bedekt en buiten adem, den honderdman omringden en met hem begonnen te onderhandelen. Zjj zeiden hem, dat een der boosdoeners die men ter dood voerde van hunne natie was, dat hij door den Keizer was ver-
158
oordeeld wegens het verlaten der instellingen van zijn vaderland, wegens het schenden van de heiligheid der Romeinsche godsdienstplechtigheden en wegens het beleedigen van de majesteit des Keizers; dat het gezond verstand vergde, dat men het heilzame voorbeeld zijner straf niet onttrok aan de bewoners van het Trans Tiberim, te meer daar het verontwaardigde volk hem daar verwachtte. De honderdman verzette zich hiertegen en haalde tot verschooning aan, dat het vonnis de plaats niet bepaalde, waar de straf moest voltrokken worden; bovendien had hij volstrekt geen lust voor hun pleizier, onder de brandende stralen der zon, op zijne baan terug te treden: hij voegde er bij dat, indien zij het schouwspel wilden genieten, zij hem slechts tot de aquae Salvianae moesten vergezellen, waar zjj hun verlangen zouden kunnen bevredigen. Maar de bloeddorstige hoop liet zich door een zoo zwakken tegenstand niet uit het veld slaan. Hoe meer hij ia aantal toenam, des te meer groeide zijne stoutmoedigheid aan. Van alle kanten schreeuwde men:
gt;Naar het Trans Tiberim met hem!quot;
gt;Caesar heeft hem aan ons gegeven!quot;
gt;Wij willen hem aan 't kruis zien!quot;
Eenige soldaten naderden hunnen aanvoerder en zeiden heip heel zachtjes:
»Stel hen tevreden, geef hun dengene, die gekruisigd moet worden. Wat maakt u dit ? Zij zullen uwe beleefdheid met klinkende munt vergelden!quot;
159
gt;Gij zult de verantwoording dragen van 't geen tegen de wet zou kannen geschiedenhervatte de centurio; »neemt hem en kruisigt hem waar het die lieden zullen goed vinden.quot;
Paulua hoorde deze woorden. Hij keerde zich tot Petrus, sloeg zijne met ketenen beladen armen om zijn hals, drukte den laatsten broederlijken kus op zijn voorhoofd en zeide tot hem:
gt;Dat de vrede met u zij, o Steenrots der Kerk, o Herder der kudde van Jesus-Christus!quot;
gt;Ga in vrede,quot; antwoordde Petrus, »o Prediker der goeHen en leidsman der rechtvaardigen!quot;
En zonder een woord er bij te voegen, maar elkander met oogen en hart nog veel zeggend, scheidden zij.
Paulus zette zijn weg voort en Petrus kwam naar Rome terug, terwijl hij zich als het zachtste dei-lammeren aan zjjne beulen onderwierp. Hjj werd op een vreeselijken stortvloed van woest geschreeuw onthaald. De joden, de volgelingen van Simon den Toovenaar, de ongeloovigen van allerlei soort wierpen hem tal van beleedigingen toe, toonden hem de kruin van den Janiculus en gaven zich lucht in deze kreten:
»Het kruis is reeds opgericht!quot;
»Daar hebben wij voor gezorgd!quot;
»De galg wacht u om u te verheerlijken!quot;
»Voort, oude toovenaar!quot;.
gt;Gods rechtvaardigheid heeft u getroffen!quot;
160
»Grijpt de roeden!quot;
Petrus zweeg, en geheel in God verslonden, herinnerde hij zich deze woorden van zijn Goddelijken Meester: »Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: toen gij jonger waart, gorddet gjj u en wandeldet waar gij wil-det: maar als gij oud zijt geworden, zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en geleiden waar gij niet wilt.quot;
En bij deze zoete belofte lachte hij zijn Heiland toe, die hem van den hoogen hemel toelachte, en hij groette^het kruis'op den berg Janiculus,
X.
De triomf der Apostelen.
eeds was Petrus door de Porta Trigernina weêr ingetreden, reeds naderde hij de Aemi-lische brug, de ziel altoos vervuld met vreugde over het aanstaande offer, toen eensklaps een hoop volks, uit soldaten, tooneelspelers en Auyustani bestaande, luidruchtig van het Velabrum op den weg van Ostia kwam aangestormd en den Apostel uit zijn beschouwing trok. 't Was de Keizer, die zich naar de haven begaf, om volgens gewoonte het genot te smaken van een rijtoertje, teneinde zich te onttrekken aan de stikkende hitte, welke te Rome heerschte. Hij stak het hoofd door de gordijnen zijner draagbaar en zag de brug versperd door eene tallooze menigte volks. Hij vroeg naar de reden hiervan. Men gaf hem ten antwoord:
»Men geleidt een jood naar de galg.quot;
CORNELIUS PÜDENS. . 11
162
»Welken jood?quot;
s,Een zekeren Simon ... Gij kent hem wel, Caesar, dien tooveraar, die altijd in twist was met dien armen Simon Icarus..
»Ha, gij bedoelt Simon Petrus! Ik herinner mij dien dolzinnigen ijver aar voor zijn Christus.... Ja, ja, hij moge nu bij Cerberus den helhond gaan prediken! Ik heb hem onlangs veroordeeld, ik herinner het mij.quot;
Hij had deze woorden nog niet geheel uitgesproken, toen hij zich weêr machteloos op zijne zachte rustplaats liet vallen.
Petrus, die met een enkelen oogopslag den Caesar gezien had, ging aanstonds met zijn geleide op zijde om hem te laten doorgaan, terwijl hij in zijn hart voor zijne veelgeliefde kudde bad.
»Heer,quot; zeide hij, »bevrijd uw volk van de Caesars, uwe vyanden!quot;
De heilige aartsengel Michaël gaf hem inwendig ten antwoord:
»Gij zijt verhoord! God beveelt mij het vlammend zwaard, waarmede ik den hemel van de oproerlingen zuiverde, uit de scheede te trekken. Nero's dagen zijn geteld: zijne navolgers in de misdaad zullen hem volgen in de straf.quot;
De Stedehouder van Jesus Christus bedankte den goeden God voor zijne liefdeplannen, ten aanzien van de toekomst der Kerk en blijvol ging hij de Aemi-lische brug over.
163
't Was een bewonderenswaardig schouwspel, de toenemende verandering te zien in de stemming en houding der menigte. Bijna alleen de Simonianen volhai-dden in hun sectewoede; de overigen, joden of heidenen, gevoelden, bij het zien van den grijsaard, die zoo kalm en bedaard, zoo eerbiedwaardig, de strafplaats naderde, als door een geheime kracht bemeesterd, hun hart week worden en kregen medelijden met hem. De bewoners van het Trans Tiberim riepen zich de nog versche wonderen, welke Petrus daar gedaan had, te binnen ; zij waren zijn minzamen omgang niet vergeten, noch de liefde, waarmede hij tot de zieken snelde oin hun verlichting aan te brengen.
»Arme grijsaard!quot; zeiden velen onder hen. »Wat kwaads heeft hij gedaan? O ! welke tijden beleven wij!quot;
De soldaten zeiven schenen minder onverschillig en meer gestemd tot medelijden dan tot wreedheid.
De Apostel lette op dit alles niet. Hij was geheel bezig met de geloovigen te groeten, die hij in de menigte onderscheidde en zegende, door zijne oogen ten Hemel te slaan en het hoofd te buigen. Zoo had hij den apostolischen zegen gelaten aan de geloovigen, die vereenigd waren bij de kerk der Oliebron, terwijl hij vol moed de straat opging van den Janiculus. Petrus' vijanden hadden het kruishout op een steil punt der rots geplant, en de beulen, wier gedienstigheid voor geld was gekocht, dreven den heilige naar dien kant.
Diep boog zich Petrus, bij het zienvan het kruis;
164
v
vervolgens keerde hij zich tot de geloovigen, die voortaan niets meer te duchten hebbende van den kant des volks, zich dicht om hem schaarden.
» Broeders,quot; zeide hij hun, »zegent met mij de plannen des Heeren. Dat hout, — en hij aanschouwde het kruis, — is mij sinds lang reeds door onzen Heer veropenbaard en beloofd. De leerling is niet meer dan de meester, noch de dienaar dan de heer. Jammert dus niet, dat men mij van dit vleesch berooft hetwelk mij van den Heer scheidt. De ure van het offer heeft geslagen. Vaar twel! Herinnert u hetgeen ik u gezegd heb. Ik laat u achter, terwijl ik u aan Onzen Heer aanbeveel.quot;
Zoo sprak Petras. Dan verhaastte hij zijne schreden naar den lijdenspaal, waaraan hij ging sterven. Eu zijne armen uitstrekkend, alsof hij het kruis wilde omhelzen, riep hij uit:
so Kruis! o kruis! zoo rijk aan geheimen! Gij hebt den mensch hereenigd met God, door hem te verlossen uit de slavernij zijns vijands, o Vredeher-steller tusschen de hemelsche geesten en de menschen, o uitdeeler van vergiffenis ! naar u verzucht ik, voor u brand ik van verterenden gloed.quot;
Nauwelijks was hem deze verzuchting van de lippèn gevloeid, of de beulen grepen hem aan, trokken hem zijn schamele tunica uit en bonden hem aan een kolom, welke in den grond geplant was. In een oogenblik was geheel zijn lichaam verscheurd en met bloed bedekt. De Apostel-Martelaar, zich
165
zijaen Goddelijken Meester herinnerend, gaf geen
«
enkel teeken van smart, alsof zijne ziel reeds in God rustte en geheel vreemd was aan de pijnen des lichaams.
Slechts toen de beul hem van den geeselpaal kwam losmaken, om hem op het kruis te slepen, opende hij den mond en zeide met een smeekenden glimlach:
»Zoudt gij er iets op tegen hebben, mij met het hoofd naar beneden te kruisigen?quot;
»Volstrekt niet,quot; antwoordde de beul, terwijl hij een onweerstaanbaar gevoel van medelijden verborg; »indien gij meent, dat hierdoor de kruisdood minder pijnlijk zal zijn, is het mij goed.quot;
Hij gaf aan zijne helpers een teeken tot omkeering van het kruis, hing er voorts den Apostel met koorden aan, waarmede hij tevens zijn lichaam er op vast hechtte, spijkerde in alle haast zijne handen aan het dwarshout, wierp de ketenen aan een slaaf toe en verwijderde zich in allerijl, de bewaking des gekruisigde aan de soldaten overlatende.
Al heengaande, zeide hij bij zich-zelven:
sBij Jupiter! dat is zonde! dat gelaat verraadt geen boosdoener. Moge hij niet te lang lijden!quot;
De geloovigen, die op den top van den berg gebleven waren, hadden in hun hart, een voor een, al de' folteringen van hun welbeminden Vader gevoeld. Zij streden zijn doodsstrijd mede. Zij alleen, en niet de ongeloovigen, begrepen waarom hij verzocht had,
166
met het hoofd naar beneden gekruisigd te worden. Eenigen schreven dit verzoek aan eene diepe ootmoedigheid toe, als willende Petrus niet op dezelfde wijze den kruisdood ondergaan als de Heiland; anderen zagen er een onverzadelijken dorst naar lijden in ; wederom anderen kenden hem deze beide beweegredenen toe.
Dan, terwijl de broeders in onbeschrijfelijke droefheid verkeerden en hunne gebeden en tranen mengden, deed Petrus' stem eensklaps opnieuw zich duidelijk en krachtig hooren:
»fleer Jesus Christus,quot; zeide hij, »heb medelijden met mijne kinderen en doe aan uwe dienaars, die zich om mij bedroeven, mijne vreugde kennen!quot;
Aller oogen vestigden zich met meer oplettendheid dan ooit op Petrus, en de geloovigen zagen, daar God hun het geheim onthulde, een koor van hemel-sche geesten in menschslijke gedaante, die, boven den stervenden Apostel in de lucht zwevend, gloriekronen en kransen van bloemen, in het paradijs des hemels geplukt, vertoonden. Van hun gelaat straalde een zoo groote luister en zooveel licht schitterde in dezen hemelschen triomf, dat men er met moeite den glans van verdragen kon. Terwijl dit hemelsche visioen allen met bewondering vervulde, en zij zich verheugden over den troost van hun veelgeliefden Vader, groeide hunne verbazing nog aan. Te midden van dien hemelschen triomf zagen zij Petrus zeiven in verblindenden glans en luister opwaarts stijgen,
167
met zij a goddelijken Meester aan zijne zijde, die zich met zijn Apostel scheen te onderhouden. Op dat oogenblik weerklonk de stem des stervenden.
»Eeuwige Herder,quot; zoo sprak hij, »wave Zoon Gods, ik beveel u de schapen aan, welke Gij mij hebt toevertrouwd ; houd ze vereenigd, behoed ze, Gij die de poort en de schaapstal, de hoeder en de weide zijt in den tijd en in de eeuwigheid. Eere aan ü, met den Vader en den Heiligen Geest, nu en alle eeuwen!quot;
En het volk, buiten zich-zelf van ontroering, antwoordde :
«Het zij zoo \quot;
Petrus had den laatsten snik gegeven. De zon ging onder. De soldaten verwgderden zich en de ongeloovigen waren met verbazing geslagen. Zonder vrees en vol vertrouwen schaarden de christenen zich in menigte om het kruis. God verheerlijkende. De heilige matronen Anastasia en Basilissa spreidden aan den voet van het kruis een kostbaar weefsel uit. Marcellus en de andere priesters begonnen het lijk van den verheerlijkten Apostel onder blijken van den diepsten eerbied van het kruis af te nemen, Claudia Sabinilla wischte met een spons het geronnen bloed af, dat op den grond gestort was, en hare godvruchtige gezellinnen namen met de grootste zorg er alle sporen van weg, welke op den grond en aan het kruis er van over konden blijven. Deze relikwieën werden door de zorgvuldige dienaressen
168
der martelaars, die aan alles gedacht hadden, in een naburig huis op een daartoe voorbereide plaats neergelegd. Na het stoffelijk overschot van den Paus-Martelaar eerbiedige hulde te hebben betoond, gingen zij heen. Op een teeken van Linus verspreidden zich de broeders; de heidenen hadden zich reeds lang verwijderd.
Zoo trokken op een vergevorderd en stil uur, terwijl het heidensche Rome zich aan zwelgerij en dronkenschap overgaf, de zeer getrouwe leerlingen van Petrus, met zijn dierbaar lijk op de schouders, door de poort van den Janiculus. Zij kozen zijwegen uit en droegen het even als een gewoon lijk naar hunne gewone schuilplaats van het Vatikaan over. Deze, geheiligd door den eersten Stedehouder van Jesus-Christus, was verscholen op de westelijke helling van een bergje. Mom Aureus geheeten, dat aan den voet van den Vatikaanschen heuvel gelegen en in den vorm eener halve maan arebogen, dezen
o o '
als een natuurlijk bolwerk omgaf. Dit bergje, in het vervolg van tijd geslecht, heeft plaats gemaakt voor het grootste gedenkstuk, dat christenhanden ooit hebben opgericht. Maar in Nero's tijd droeg deze verhevenheid op haar top een tempel van Apollo. Hare noordelijke helling vertoonde een lustpaleis van Nero en, in den omtrek daarvan, eene plaats, waar zeegevechten konden nagebootst worden. Aan den voet van den heuvel, in de oostelijke richting, zag men den circus van Nero, schier in de vallei inge-
169
sloten, behalve aan de zijde van zijn hoofdpoort, welke uitzicht gaf op de tuinen van Agrip-pina, die toen Nero toebehoorden. Deze tuinen waren bezaaid met beemden, dreven, bloemperken en lustboschjes en strekten zich uit tot de boorden van den Tiber, waar zich de brug van Caligula bevond. De Romeinen, die zich dikwijls op de wandelplaatsen en in den circus des Keizers gingen verlustigen, vermoedden niet, dat de kleine schuilplaats der verafschuwde christenen, achter Nero's prachtwerken verscholen, eens de woning van Augustus en de herinneringen aan Romulus op den Pala-tijnschen en den Capitolijnschen heuvel zou doen tanen. Zij kenden zelfs die schuilplaats niet eens. In de oogen der heidenen was het een eenvoudig huisje, dat onder eene menigte andere dergelijke woninkjes als verdween. Er hoorde een terrein bg, bestemd tot eigen begraafplaats, welke zich op den heuvel uitstrekte, tot onder de muren van Apollo's tempel. Veel minder nog kenden de heidenen de onderaardsche plaatsen, welke dienden om de lichamen der martelaars en der overledene broeders op te nemen, om ze te onttrekken aan de blikken der ongeloovigen. Dusdanig was de oorspronkelijke kerk van het Vatikaan, waar Petrus onderricht kwam geven aan de bekeerden, de neophyten doopte, de leerlingen vormde en de heilige wijdingen toediende.
Reeds hadden de matronen, die aangewezen waren om de laatste eer te bewijzen aan het stoffelijk over-
170
schot van Christus' eersten Stedehouder, zich daar ter plaatse vereenigd, met eene groote menigte welriekende kruiden, zalven en kostbare mengsels.
De priester Marcellas, een volijverig man, die ^zijn genoegen vond in werken van barmhartigheid te verrichten, wilde zich, geholpen door Anastasia en Basilissa, van dezen plicht kwijten. Hij begon het eerbiedwaardige lichaam met melk en wijn te was-schen en zalfde het vervolgens met balsem en kostbare reukwerken. Hij had een nieuw praalgraf in gereedheid laten brengen, gevuld met fijnen Atti-schen honing, om er het lichaam in neêr te leggen, volgens het gebruik der Oostersche koningen. Maaide leerlingen konden er niet toe besluiten, zich van het eerbiedwaardig stoffelijk overschot te scheiden, vooraleer de andere broeders het voor het laatst hadden kunnen beschouwen, vooral zij die deze gunst zoozeer verdienden, wijl zij Paulus gevolgd en hem een gelijken dienst bewezen hadden. Bovendien was de bisschop Linus nog niet aanwezig. Nadat deze den laatsten snik zijns meesters had opgevangen, was hij ter plaatse gesneld, waar de apostel Paulus den marteldood onderging.
Intusschen was de geheele hemel reeds met sterren bezaaid en vereenigden de zusters zich, begunstigd door de nachtelijke duisternis, om de laatste tranen te komen storten op het lijk van hun veelgeliefden vader. Ook Praxedes en Pudentiana waren, op de roepstem harer moeder, toegesneld. Zij waren
171
deels gezeten, deels stonden zij met uitgestrekte armen, deels waren zij op de knieën gezonken bij het lijk. Allen baden den Heer en wachtten op de heilige lijkplechtigheden, welke gedurende den nacht moesten plaats hebben. Men zag alsdan Plautilla binnentreden, gevolgd door Thecla. De vergaderden stonden op, omringden de vrome dienaressen van Paulus en vroegen naar de bi.jzonderheden van zijn marteldood. Plautilla, vermoeid, afgemat en uitgeput door de smart, kon slechts antwoorden :
»Er valt te veel te zeggen... Ziehier de welbeminde leerling van Paul us (zij wees naar Thecla); dat zij spreke, want mijne krachteu laten het niet toe.quot;
Thecla lag reeds bij het lijk geknield ; met den sluier neêrgelaten, was zij in gebed verzonken. Niemand durfde haar hierin storen; zij scheen als door een lichtkrans door de algemeene hoogachting omgeven. Pudentiana waagde het, na hare moeder te hebben geraadpleegd, vooruit te treden, en, naast Thecla neêrknielend, lichtte zij een hoek van haar sluier op en fluisterde haar heel zachtjes toe:
»Vergeef het mij, dienares Gods; de broeders verlangen met ongeduld te vernemen, wat u onze Paulus in zijn laatste uur gezegd heeft.quot;
Toen de eerbiedwaardige maagd den naam hoorde van haren dierbaren meester, ontvlamde zij in geestdrift ; zij stond op, keerde zich tot de broeders en riep uit:
»Paulus? Paulus? hebt gij hem niet gezien? Ik
172
ik zie hem nog... Hij treedt voort tusschen zijne beulen op den weg van Ostia ... Ik zie hem en vlieg naar hem toe. Lucina (dat was de christennaam van Pomponia Graecina) is met mij en geeft me de hand. Paulus ziet mij aan: welk een blik! Wat al ver-borgenlieden onthulde mij die blik van den grooten Paulus! Wat is mijne reis over zee, welke mij dien blik bezorgd heeft, gelukkig voor mij! Maar hij aanziet mij reeds niet meer, hij is onder de geeselroe-den; zijn lichaam is slechts ééne wonde. Hij gaat rechtop staan, hij wendt zich naar het Oosten, hjj strekt zijne handen uit!.. . Hoort gij het gebed niet dat hij in het hebreeuwsch, zijne moedertaal, uitspreekt ? Hoort gij in uw hart het laatst vaarwel niet weerklinken, dat hij zijnen broeders toeriep ? . . . Hij bedekt zijn gelaat met den witten sluier onzer zuster en biedt aan de bijl zijn hals aan ... Er stroomt melk en bloed uit... Zijn heilig hoofd is reeds driemaal teruggesprongen op deze ondankbare aarde, onder het uitspreken van den naam Jesus.... en drie bronnen zijn bij die heilige aanraking uit haren boezem geschoten... De legioensoldaten belijden den Christus, Morgen zullen zjj aan diezelfde bronnen den doop vragen ... Welk een glans! De hemel is geopend, de geest van Paulus is reeds ver van de aarde; reeds vaart hjj door de afgronden van het licht... Wie kan de oogen vestigen op die heerlijkheden ? De Engelen des Heeren omringen hem ... De Heiland kroont hem ... o Paulus ! roep heden tot u
173
terug, outvang eindelijk uwe in ballingschap zuchtende dienares... Gij hebt mij in 't geloof onderwezen en de christelijke maagdeljjkheid geleerd ... Ik ben uwe dochter in Christus, o Paulus, mijn veelgeliefde Vader, hoor naar mijne bedel o Paulus, bid voor mij!quot;
Bij deze woorden barstte zij uit in een vloed van tranen; zjj liet haar sluier neêr en zonk wederom op de knieën bij de lijkbaar: niemand durfde haar vragen om nog verder te spreken.
Plautilla voegde er alsdan eenige bijzonderheden bij en bevestigde het verhaal van Thecla. Zij zeide dat Pomponia Graecina, Thecla en de andere zusters op de Apostelen hadden gewacht ten huize van Pomponia, dat juist op den weg van Ostia, ter plaatse Aquae Salviae geheeten, gelegen was. Zij meenden dat zij beiden daar den marteldood moesten ondergaan ; maar God had haar alleen de gunst verleend Paulus bij te staan, gelijk Thecla had verhaald. Eindelijk hadden Lucas, Titus en Timotheus het lichaam van den Leeraar der volken in het huis van Pomponia gedragen en daar in het graf gelegd.
»Maar wie heeft u gezegd,quot; vroeg een der broeders, »dat wij de begraafplaats op het Vatikaan hebben uitgekozen om Petrus te begraven ?quot;
»Wij hebben het vermoed,quot; antwoordde Plautilla, »en — voegde zg er zachter bij op Thecla wijzend — onze zuster zag alles in den geest. Zij zag hen beiden door de porta Trigemina gaan en zeide ons alles
174
wat er gebeurde. Zij zag hen elkander omhelzen en van elkaar scheiden; zij zag de broeders zich in twee groepen verdeelen; in één woord, zij heeft alles gezien. Terwijl Paulos den marteldood onderging, stortte zij geen enkelen traan, maar hield het cog onafgewend op hem gericht, als in geestvervoering; zij zuchtte en verzonk van smart in stilte. Maar vooraleer het lichaam des Martelaars in het graf werd gesloten, nam zij eene zijner handen legde ze op haar hoofd en zeide:
»»Deze hand heeft mij gedoopt en mij den weg getoond der maagdelijkheid, van het martelaarschap en van den hemel 1quot;quot;
»Zij kuste deze, en eerst toen weende zij. Na eene vrij lange stilte, hervatte zij eensklaps:
»»Petrus vaart ten hemel. Paulus snelt hem tegemoet!quot; quot; r Een oogenblik daarna voegde zij er bij: »»De broeders dragen hem naar het Vatikaan.quot; quot; » Wij legden toen de laatste hand aan de begrafenis en begaven ons vervolgens hierheen.quot;
»Maar, ik bid n, brengt gij ons geen aandenken van hem?quot; vroeg Pudentiana in hare kinderlijke openhartigheid.
sgt; Welk aandenken konden wij krijgen ?quot; antwoordde Plautilla. »Pomponia Graecina heeft alle voorwerpen van den martelaar in het graf doen plaatsen. Zij heeft beloofd, alles in het werk te stellen om ook de kolom te koopen, waaraan Paulus gehecht werd.quot;
175
gt;En den sluier dan, welken gij hem geleend hadt?quot;
»Hoe weet gij dat?quot; vroeg de heilige matrone met verbazing.
»De broeders hebben het ons gezegd; zij die met Petrus zijn teruggekomen, toen de Apostelen op den weg van Ostia scheidden.quot;
De goede Plautilla, zich verraden ziende, bekende met nederige schaamte, dat zij volgens Paulus' belofte den sluier ontvangen had. Nu werd zij met zooveel vragen bestormd, dat zij de minste bijzonderheden desaangaande moest mededeelen: hoe de beulen den sluier vergeefs gezocht hadden op het afgehouwen hoofd des Martelaars, en hoe deze voor hunne oogen verdwenen was; hoe, op het oogenblik dat zij in de stad terugkeerde, op de plaats zelve waar zij er zich van ontdaan had om hem aan Paulus te geven, de gelukzalige Apostel haar geheel schitterend van glorie verschenen was en den sluier gansch doorweekt van zijn bloed had weêrgegeven.
»o Dierbare zuster,quot; riep Padentiana uit, »sta ons toch toe hem te zien! laat ons het eerbiedwaardig bloed van Paulus vereeren!quot;
»Ja het zien en Gode opdragen!quot; zeide Thecla, die door den uitroep van Pudentiana uit haar overpeinzingen gewekt was : »het bloed van Paulus!quot;
Plautilla spoedde zich om aan zoo vrome verlangens te voldoen, en eenige broeders den wensch hoorende uiten, om ook hetzelfde genot te kunnen smaken, zeide zij:
176
»Mijne broeders, Paulus heeft dezen kostbaren schat aan de onwaardigste zijner dienaressen geschonken : van stonde af schenk ik hem aan de Kerk. Morgen zal ik hem aan onze zuster Lucina ter hand stellen, opdat zij hem in het graf aeêrlegge.quot;
XI.
Het glorievolle Graf.
oo troostten zich de geloovigen van Rome, die vereenigd waren om de zegepralende uitvaart van den apostel Petrus bij te wonen. De vergaderden waren talrijk geworden en de kleine kerk van het Vatikaan kon ze ternauwernood bevatten. Om ruimte te maken voor wie nog mochten komen, hadden de broeders zich in de onderaardsche plaatsen der graven teruggetrokken, en, na het kostbare pand in de laatste cel, bijna onder de grondvesten van Apollo's tempel, te hebben gedragen, brachten zij de nachtelijke uren in vroom waken door. De bisschoppen Gletus en Clemens, de priesters en de overige geestelijkheid wachtten Linus in de zaal af, waar de godsdienstige bijeenkomsten plaats hadden. De vrome Linus was vrij lang in het huis van CORNELIUS PU DENS 12
178
Pomponia Graecina gebleven om zijne zorgen aan de eerbiedwaardige overblijfselen van Paulus te wijden. Toen alles in orde was, vertrouwde hij er de bewaking van toe aan de godvruchtige meesteres des huizes en richtte hij zijne schreden naar het Vati-kaan, vergezeld van den evangelist Lucas en de bisschoppen Titus en Timothens. Bij zijne aankomst had het uur van middernacht geslagen.
De geestelijkheid ontving hem bij den ingang der zaal met groote blijken van eerbied. De bisschoppen en de priesters waren de eersten om zich aan zjjne voeten te werpen en hem allen te zamen hun Herder en Vader te noemen. Clemens en Cletus, reeds plaatsvervangers van Petrus voor de stad Rome, verklaarden dat zij niet zouden dulden, dat het verlangen van den gelukzaligen apostel Petrus, die Linus als zijn opvolger had aangewezen, aan het minste onderzoek werd onderworpen, 't Was van algemeene bekendheid dat de kerken van Rome hem met vreugde hadden ontvangen : derhalve moest hij zich voortaan beschouwen als den opvolger van Petrus in de waardigheid van Stedehouder van Jesus-Christus.
»En het lichaam van den gelukzaligen Petrus?quot; vroeg Linus, wiens hart en geest slechts van deze gedachte vervuld waren.
»Het is gelijkt, en de broeders zijn reeds hier onder de aarde vereenigd om tot de begrafenis over te gaan, doch u komt de leiding dezer plechtigheid toe.quot;
Linus durfde niet weigeren, deze bediening te ver-
179
vullen, welke hem door den Heiligen Geest was voorgeschreven, en een diepen zucht loozende, riep hij uit:
»o Petrus, o mijn gelukzalige Vader, gij vermeerdert het gewicht mijner smart! Sta me bij, geleid en ondersteun mij!quot;
Bij het uitspreken dezer woorden liet hij zich op een zetel vallen, als neêrgestort onder het gewicht der ontzagwekkende waardigheid welke hij zoo even had aanvaard. Doch Cletus en Clêmens omgaven hem en leidden hem, na in korte woorden hem te hebben bemoedigd, de galerijen der graven binnen tot de plaats waar het lijk was neêrgelegd. De broeders kwamen hun nieuwen herder te gemoet en maakten voor hem een diepe buiging. Linus knielde bij het lijk neder en bad geruimen tjjd ; vervolgans ging hij in de nabgheid daarvan op een kleinen zetel zitten en zegende hij met de rechterhand het volk, dat daar ter plaatse vereenigd was.
Het vergevorderde en stille uur, die grafkelder, uitgekozen voor eene zoo talrijke vergadering van christenen, de gebeurtenissen van den vorigen dag, het dof geruisch der vervolging welke begon te woeden, het geëerbiedigde lichaam van den eersten Stedehouder van Jesus-Christus, dat voor aller blikken lag uitgestrekt en schitterde van dien lichtkrans, welken de Heer hem beloofd had: dit alles werkte samen om deze laatste plechtigheid in die mate verhevener te doen zijn, als zjj meer in het geheim plaats greep. De geloovigen wachtten met de grootste
180
gretigheid naar het eerste woord van Christus' nieuwen Stedehouder, Maar Linus bleef zwijgen, totdat Clemens, die zich aan zijne zijde bevond, eindelijk besloot hem te kennen te geven, dat de vergadering uit zjjn mond eenige troostwoorden verwachtte. De opvolger van Petrus scheen, als hadde de stem van Clemens hem schielijk gewekt, uit een diepen slaap te geraken. Hjj richtte zich op, strekte de hand uit en opende zijne bezielde lippen.
»Wie kan m3t Petras vergeleken worden?quot; riep hij uit. gt;o Apostel van Jesus-Christus, waarom toont gij uwe glorie aan den minsten uwer broeders? Waarom word ik overladen door visioen op visioen, door wonder op wonder, door geheim op geheim? Waarom legt gij aan mijne zwakke lippen de taak op, dingen te veropenbaren, welke de menschelijke gedachte te boven gaan?... Mijne broeders, ik beef en ben in bewondering gedompeld. Toen onze veelgeliefde Vader aan het kruis hing, terwijl de zon zich verborg achter de heuvels van het Vatikaan, heb ik de schaduw van den berg zien dalen op de aan zijn voeten gelegene stad, en, naarmate de schaduw zich uitstrekte, schreef een cherubijn op den uitersten rand: Tot hier het rijk van Petrus! Ik zag hem zoo den weg volgen naar het Capitoiium, vervolgens naaiden Palatijnschen heuvel, tot het uiterste Oosten ... Toen Petrus den geest gaf, scheen het mij toe, dat de schaduw van dit rijk naar het Vatikaan terugkwam uit het Westen. Geheel de aarde is hem als
181
erfdeel geschonken. Zijne regeering zal de jaren tellen bij de gewesten toegevoegd aan zijn gebied, en zoo de westelijke oceaan uit zijn boezem een nieuw land ziet verschijnen, zal dit land aan Petrus toe-behooren! Dit rijk zal een beeld zijn van het rijk Gods ; het zal slechts twee grenzen hebben, de wereld en de eeuwigheid. Ja, het zal zelfs de^e kunnen overschrijden; het rijk van Petrus hangt innig samen met de eeuwigheid. Het enge graf, dat de overbljjf-selen van Petrus zal bergen, zal als het koninklijk paleis en de troon wezen van zijn onsterfelijken geest. Ik heb hem in zijne volle lengte zich zien verheffen en rondom zich een dreigenden blik werpen. Op dien blik zag ik Apollo's tempel vallen, alsmede het paleis en den circus. Hij strekte de hand tot des Caesars hoofd uit, rukte er het diadeem af en wierp het in 't sljjk. Andere Caesars namen het op en omkransten er hunne slapen mede, maar Petrus, hunne handen met bloed bevlekt ziende, trof hen met een bliksemslag. Eindelijk kwam een laatste Caesar, voorzichtiger en wijzer, de knie buigen vóór Petrus' graf en schetste om dit graf den omtrek eens tempels, den waren God ter eere. Deze tempel werd opgetrokken en duurde duizend jaren voort, vervolgens scheen hij te klein en de volkeren der aarde herbouwden hem in grootere afmetingen. De zon, in haar loop aan den hemel, bescheen nooit een bewonderenswaardiger werk. o Graf van Petrus i uw schaduw zal groot zijn als de schaduw van een berg,
182
als de gedenkstukken der Caesars zelfs geen nederig bloempje met hun schaduw zullen kunnen bedekken!
»lk heb, om Petrus' graf, het Rome van Romulus, van Augustus, van Nero, steen voor steen 'zien vallen, en van al deze gevallen steenen zag ik een nieuw Rome gebouwd worden. De circussen, de schouwburgen, de heidensche tempels zijn neergestort in het stof. Hunne kolommen dragen tempels der christenen. Het Capitolium zal zijn overspeligen Jupiter omverhalen en op zijn tropeeën zal een verhevener tropee prijken, het Kruis! In de tuinen van Agrip-pina en Poppaea zullen zich christelijke maagden vestigen. En als het zwaard en het vuur de aan den Heer wederspannige stad van al hare vlekken zullen gezuiverd hebben, zal er slechts overblijven de stad van Petrus, en Petrus zal er, met den priesterleken stool, het vorstelijk purper uitspreiden.
»0 Rome van Petrus 1 o moederstad der geloovige steden! de pelgrim, die uw poorten zal binnentreden, hij zal de schandelijke bronzen beelden der Thermae niet meer zien, noch de luidruchtige praalvertoonin-gen der Keizers. Hij zal het gewijde brons de geloo-vigen hooren uitnoodigen tot het gebed, hij zal het psalmgezang hooren der rechtvaardigen, binnen de gewijde wanden en de stem opvangen der God toegewijde maagden, terwijl zij hymnen zingen, haren hemelschen Bruidegom ter eere. Alom, waar zijn blik zich zal heen wenden, zal de pelgrim öf 's Hee-ren altaar zien, öf het graf waar de beenderen der
183
Heiligen in rusten, of het verblijf des gebeds, öf de kweekschool der deugd, öf het heiligdom der ware wetenschap, öf het huis van den wees, öf het toevluchtsoord der maagden, öf de schuilplaats van den arme en den zieke. En de pelgrim, het Symbolum der Apostelen biddend, zal een vriendelijke stem hooren welke hem zoet toefluistert: Gij zijt in uw vaderland! Hij zal naar de voetsporen van Petrus zoeken en bevinden, dat er geen van deze sporen is hetwelk niet bekroond is met een heerlijk gedenkstuk, bedekt met goud en kostbare steenen, geëerbiedigd door de eeuwen. Geheel Rome zal een tempel van Petrus zgn.
»Maar hier, op dezen berg, bij dit graf, zal zich eene onoverwinnelijke vesting vertoonen. Bij deze beenderen zal zich onwrikbaar verheffen de kolom der waarheid, de lichtbaak, het orakel der wereld, de zetel van het gebied zonder grenzen! Hier, waar de tuinen des Caesars zich zoo trotsch uitstrekken, met ons eigen bloed besproeid, hier zal, in de dagen van Gods barmhartigheid, het volk, van de vier hoofdstreken toegesneld, zich in het stof neerwerpen, om den zegen van Petrus' Opvolger af te smeeken, en de koningen zullen zich met het volk vernederen. De stem van Petrus, welke altoos voortleeft in zijne opvolgers, zal ombelemmerd, over bergen en zeeën heen, allerwege weerklinken. Hem, die door Petrus' opvolgers gezegend wordt, hem zal zegen toevloeien, hg die zijn zegen niet ontvangt, zal geen
184
anderen Ter werven. Het volk, dat in ongenade bij hem valt, zal dood zijn naar den geest, en de bestuurder van dat volk zal de kroon op zijne slapen voelen wankelen ; zijn schepter zal in riet veranderen, en zijn troon zal geschud worden gelijk een bootje in het midden van den storm.
»In den loop der eeuwen zal een tijd komen dat, op dezen zetel, een Opperpriester tronen zal met name Pius. De blikken en harten van alle rechtvaardigen zullen zich tot hem keeren, en nochtans zal hij de slechten onder zijne oogen het rijke onderkleed van Petrus zien verscheuren, en de machtigen, trouweloos ten opzichte van hun Vader, handel zien drijven in deszelfs stukken, o Schande! o oneer voor gedoopte volken! Deze Pius, de oogen ten Hemel gewend, roept ter hulpe van de vervolgde christenheid de nieuwe heiligen des Heeren, na reeds aan de gloriekroon der Moeder Gods een nieuwe parel te hebben gehecht; hij herinnert hen, die regeeren, aan de goddelijke wraak, hij spoort de verdwaalden aan om terug te keeren tot den weg der rechtvaardigheid, hij treft de dwaling door de kracht van Petrus' levend woord.
gt;Wat zie ik? Hier, ter plaatse waar ik spreek, en waar gij mij aanhoort, hier verheft zich Pius' troon... en wel op dezen zelfden dag, teruggekeerd na achttien eeuwen! Achttien eeuwen, over dit graf voorbijgegaan, hebben er de glorie van verjongd ... Wij weenen bij dit graf, zij besproeien het met
185
vreugdetranen... Zijne Medehelpers in het bestuur der geheele Kerk, in purper getooid, omgeven hem, verscheidene honderden Bisschoppen der Kerken van het Oosten en het Westen, van het Zuiden en het Noorden, zingen rondom Petrus' overblijfselen, en Pius heft dezen zang aan: — Gelooft met mij! — En zij antwoorden: — Het zij zoo! — — Hoopt met mij! — En zij antwoorden : — Het zij zoo! — — Bemint met mij! — En zij antwoorden: — Het zij zool — »Wat zal het een bigde, een heldere, een heerljjke dag zijn, als ik hen bij dit graf weêr zal vereenigd zien, in het algemeen Concilie der leerende Kerk! Met hem zingen duizenden priesters en levieten in koor, en volken, honderd verschillende talen sprekend, maar één van hart, vergezellen hen. Zij zijn gekomen, zij zijn toegesneld, die liefdevolle kinderen van Petrus, eene groote ontelbare natie. De rijken dragen zijn graf goud aan, de armen vereeren het met hunne spaarpenningen ; de matrone legt er haar trouwring, de jonge dochter haar halsketen neder.... En gij, o dapperen van Rome en Italië, gij dapperen van Gallie, Hispanië, en Brittannië, welke hulde brengt gij aan Petrus' graf! Ja ! ik zie het: voor Petrus gordt gij het zwaard aan, voor hem snelt gij ten oorlog. De weduwe zendt haar eenigen zoon, de jeugdige echt-genoote haar jeugdigen echtvriend. Welke gedachte voert u bijeen? Het geloof en de liefde. Wat hoopt gij ? Te sterven voor Petrus ! ... Dat men niet weene
186
over de dapperen, die voor Petrus sneven op het gebergte: zij zijn martelaars van het vaderland der christenen! Petrus opent hun den schitterenden weg der hemelsche glorie, zij zullen met Christus regeeren in eeuwigheid... o Petrus, machtig op aarde en in den hemel, Jesus-Christus heeft u bekleed met een weerschijn van zijn priester- en zijn koningschap.... Gij leeft en regeert in uwe opvolgers, onder de wisselvalligheden der stervelingen en de heerlijkheid der heiligen...quot;
Na aldus gesproken te hebben, zvreeg Linus, terwijl zijne oogen ten Hemel blikten. De vergadering verheerlijkte den Heiland en zijn eersten Stedehouder.
Men vierde vervolgens de hoogheilige geheimen. Bij de eerste schemeringen van den dageraad verlieten de broeders de kleine kerk van het Vatikaan en omhelsden elkander vol heiligenjubel.Thecla drukte de jeugdige Pudentiana aan haar hart.
»Ik dank u,quot; zeide zij, »dat gij mij tijdig ontboden hebt, om tegenwoordig te kunnen zijn bij deze wonderen des Heeren.quot;
»Niet ik heb u ontboden, zuster, maar Petrus en Paulus. Dat zjj gezegend zijn in eeuwigheid !quot;
De geloovigen zeiden onderling:
»Dat is eene groote profetie 1quot;
»Gelukkig zij, die haar zullen vervuld zien!quot;
Deze voorspelling is in latere eeuwen letterlijk in vervulling gegaan, en de overheerlijke St. Pieter staat
187
daar, als een eeuwen tartend monument, den geloo-vigen wijzend ten hemel, de eeuwige verblijfplaats van de twee roemrijke martelaars Petrus en Paulus, de eerste en hechtste steunpilaren der Kerk, gesticht door Christus, wien eer en glorie zij in alle eeuwigheid.
EINDE.
BLADWIJZER.
Bladz.
I. De geloovigen van Rome......3
11. De heidenen van Rome......17
III. De godsveücht te Rome ten tijde van
V. De beschuldiging voor Nero .... 73
VII. De opstijging..........104
VIII. Het testament in de Mamertijnsche gevangenis ...........115
IX. De laatste dagen van Petrus en Paülüs 140
X. De triomf der Apostelen......161
XI. Het glorievolle graf.......177
Bij denzelfden Uitgever:
DE MIRAKÜLEÜSE GEBEURTENISSEN
VAN LOURDES.
HET Fli^aSTSCH
H. L.ASSERRE.
Op getint papier met een houtgravure ƒ 1.25. In gekleurd linnen prachtband/2.—.
LEVEN
VAN DEN
H, ALOYSITJS VAN GONZAGA.
Met Portret ingenaaid ƒ 0.40.
Per 12 Ex. in gekleurd linnen prachtband a ƒ 0.70.
F 1. O R
OP
EENE MAETELAAESBLOEM
OP ROME'S BODEM GEPLUKT.'
VRIJ NAAR HET OORSPRONKELIJKE
DOOR
X3r. S 1 T S.
1 Deel in royaal 8* formaat op gesatineerd papier met drie gravures.
Ingenaaid /1.75. In linnen prachtband ƒ 2.50.
Een prachtig geschenk voor de eerste H. Communie.
HET L E V E IST
VAN ONZEN
GLORIEVOLLEN PAUS-KONING Leo zm.
Naap de beste bronnen bewerkt en aan het Neder-landsohe Volk verhaald
DOOR
Jos. A. C. M. SMITS Azn.
1 Deel groot 8' op getint papier met 3 platen.
1. Het Portret. 2. De St. Pieterskerk. 3. De tuiuen van het Vatikaan.
Ingenaaid ƒ1.60. In linnen prachtband /2.20
OBOILIA
ITALIË EN GRIEKENLAND.
1 Deel in royaal 8° formaat op fraai papier met 3 platen.
1. Een slavenmarkt te Rome. 2. Gezicht op Athene. 3. Nero bij den brand van Rome.
Ingenaaid ƒ 1.75. In linnen prachtband f 2.50. Een prachtig geschenk voor de eerste H. Communie.
DE VURIGE VEREERDER
VAN DEN
H.ANTONIUSVANPADUA.
KORTE LEVENSBESCHRIJVING, Grebeden onder de H. ]VIis,
J^OVENE, JjITANIE,
KLEIHE GETIJDEI Y1I LEK E. AITOIIÜS
EN HET
WOiSiliMl ElSFiiSOEIfl
De negen Dinsdagen en 31 overwegingen voor eiken dag der Maand,
Met een mirakel achter eiken dag der Noveen, der negen Dinsdagen en na elke overweging.
EENEVENS
EEN AANHANGSEL VAN VELE ZIJNER WONDERWERKEN
DOOK
A. M. ID. Gr.
Derde druk.
MET VERSCHILLENDE GEBEDEN VERMEERDERD.
De St. Janslterk van VHertogenboscfi en hare geschiedenis,
door J. C. HE ZEN MANS.
Met 3 Platen en een Photographle, Op gesatineerd papier. 1 deel in groot 8° / 2.25, in linnen /3,—.
DE STICHTING VAN DEN BOSCH IN 1185,
door J. C. HEZENMANS.
ƒ 0.60.
FEENAKD VAN PORTUGAL,
GRAAF YAK YLAAHDEREK,
door M. G.
256 bladz. in groot 8° formaat /I.—.
BIJBELSCHE GESCHIEDENIS
VOOR DE KATHOLIEKE JEUGD.
Door E. BUSINGER, vertaald door A. H. P., E. C. Pr. KERKELIJK GOEDGEKEURE). NIEUWE DEUK.
Oud Testament met 46 plaatjes half linnen.......f 0.30
Nieuw „ „46 „ „ „ .......„ 0.30
Oud en Nieuw bijeen in half linnen..........„ 0.50
„ „ ,, „ „ heel „ met gouden titel . . „ 0.90
per 12 Ex. a f 0.80.
Men zie de gunstige recensie in de Studiën op godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig gebied. 21° jaar. 32e deel.
HET LEVEN VAN JESUS
VOOR DE JEUGD.
kerkelijk g oe d g eketthd. Met 25 plaatjes. Op fraai gesatineerd papier.
Prijs in fraaien omslag slechts.............ƒ0.35
per 12 Ex. a.......„ 0.30
In chromo carton bandje met fraaie teekening op den
omslag, per 12 Ex. a.................„ 0.35
In gekleurd linnen band met gouden titel.......„ 0.70
Men zie de gunstige beoordeeling in de Studiën, 22e jaarg 33e deel.