-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

18

BOXJiDEWunsr

I

I

jam

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Vu

Qoudeuiijn J4apken,

TREURSPEL IN 5 BEDRIJVEN,

X

DOOR

ISIDOOR ALBERT,

Muziek van RICHARD BOÜAERT. |

Bekroond met den driejaar lij kschen prijs der Neder-landsche 1 ooneelletterkunde, ingesteld door het Belgisch Staatsbestuur voor het i^dc tijdvak) (1892-1894).

O-ENT,

Drukkerij F. amp; R. BUYCK, gebroeders. Uitgevers, Stecndam, 45.

1895.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

£2L Weamp;l Samp;er 'jlü.r

/7 C7)

uótaa/; ^ / Uooye,

c)te- bf nu/ /iel cïeti/beelc) cïeaJ rypetv ae/v yej c/ue^/ciiaJiy Jra/mi le- ócJu'ij(gt;e/v, en- me- lgt;ij nujiieti arbeid /nent^en. ruithpen, weti/ (jf-iif, »'o/ •cU (ht treurdpel iiit chin/bciar/eicl en wienthc/uif)-ojx^edrayeu,

ISIDOOR ALBERT.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

PERSOJSTEN :

BOUDEWIJN HAP KEN, Graaf van Vlaanderen.

JOLENDE VAN BABENBERG, zijne echtgcnoolc.

ARNOLD, pleegzoon van Graaf Boudcwijn.

RIDDER WOLFARD.

CLOT1LDIS, dochter van Ridder Wolfard.

EEN EREMIJT (later Robrecht van Ooslcnbiircht). EEN BALJUW.

GEERTRUIDE, ecne vrouw uit het volk.

EEN MINNEZANGER.

EEN EDELMAN.

EEN AFGEZANT VAN GRAAF BOUDEWIJN.

EEN CIPIER.

LINA, dienstmaagd van Clotildis.

EEN MAN UIT HET VOLK.

Ridders, knechten, edellieden, hofjonkers, schildknapen, poorters, poorters vrouwen, maagden, kinderen en landlieden.

Tijd en handeling : Te Brugge, begin der 12l' eeuw.

-ocr page 12-
-ocr page 13-
-ocr page 14-
-ocr page 15-

EEK/STE BEDK,IJE.

Eene gerechtszaal,

Ticee bazuinblazers, een vaandrig, de Graaf Boudewijn, gecolyd door zijne rechters.

(Terwijl Boudewijn en dc Baljuw zich naar den rechterstoel begeven, gevolgd door den vaandrig, blazen de bazuiners aan de deur. De wacht wandelt heen en weer in dc zaal. De rechters houdoi stil aan den voet van 7 gestoelte. De bazuiners eindigen. Thans op de ledige zaal wijzende, begint de Graaf het gesprek).

Eerste Tooneel.

GRAAF BOUDEWIJN, DE BALJUW.

Graaf Boudewijn.

Nogmaals komt niet één klager voor den wetstoel.

-ocr page 16-

De Baljuw.

Gelukkige rechters ! Sedert maanden hebben wij niet meer moeten vonnissen.

Graaf Boudewijn.

Gelijk de landman een nutteloos geworden werktuig verwaarloost, zóó zal ik ook welhaast mijne bijl mogen afleggen en laten roesten. O blinkende en getrouwe bijl ! Ik heb u, bij mijne troonbeklimming, aan mijnen gordel gegespt, om er mij en mijn volk onophoudend aan te herinneren, dat ik het vast besluit genomen had alle bedrog en geweld in Vlaanderen uit te roeien ! Bereikt schijnt me het doel. De Hemel hebbe dank !

De Baljuw.

Ja, edele graaf Boudewijn, als geurige wierookwalmen stijge onze dankbede tot aan den troon van den Allerhoogste.

[Beiden onlhlooten het hoofd en nemen eene eerbiedige houding aan).

De Heer heeft waarlijk met milde hand uw streven gezegend. Vóór uwe kroning was list hier deugd ; woeste kracht was recht en wet. Onder den priem van den haat en van den lust naar genoegens en naar goud, vielen honderden en honderden slachtoffers. Menigvuldige machtige rooversbenden doorkruisten onze streek. En thans ? Peis en ware broedermin heerschen met weelde over gansch het land. Tusschen voorheen en nu, is het verschil grooter dan tusschen eenen duisteren-, akeligen onweersnacht en eenen helderen, blijden zomerochtend !

[Een gerucht in de verte laat zich hoor en).

-ocr page 17-

Graaf Boudewijn.

Eh ! wat hoor ik in de verte ?

De Baljuw {begec/ï zich naar den achtergrond).

Weledele graaf, ginds op de markt heerscht niet het minste volksgewoel. Alles is hier plechtig stil, terwijl de ochtendzon hare gouden speer werpt in liet hart der bloem, die glanst en schittert als uwe zoo roemvolle levensbaan.

Graaf Boudewijn.

Ik hoor niets meer. Was het eene hersenschim Ik weet niet, waarom mij heden het hart rasser en feller klopt.... Ik heb een voorgevoel van onheil.

De Baljuw.

Onheil ? Spreek liever van geluk ! Onheil ? Bij het sluiten van 't verlovingsfeest! Onheil! Wanneer morgen uw Arnold, die eens als een der roemrijkste ridders van den Vlaamschen adel zal schitteren aan uwe zijde, wanneer uw kind de bruidegom wordt van de engel-schoone en deugdzame Clotildis, de eenige erfgename van den rijksten Vlaamschen kasteelheer ? Oh, wat geluk in het verschiet! Wat hoop ! [Gerucht].

Graaf Boudewijn.

Luister, 't gerucht vermeerdert.... Wat het ook moge zijn, wij hebben hier geen werk te verrichten. Kom, begeven wij ons naar het slot, om het verlovingsfeest bij te wonen.

-ocr page 18-

(Allen maken zich bereid om te vertrekken. Het gerucht neemt toe).

't Is volksgewoel.... getier ! Mannen, vrouwen, kinderstemmen !... Men schreeuwt: moord ! wraak ! ... De menigte nadert het gerechtshof....

Tweede Tooneel.

GRAAF BOUDEWIJN, VOLK.

(Eenigc personen dringen in wanorde binnen en huilen : Wraak over moord, over dubbele moord !

7 Volk groeit aan, hernieuwt nogmaals de kreten : Wraak over moord ! over dubbele moord ! en vervult eindelijk de zaal.

Intusschen hebben de rechters het gestoelte bestegen. De vaandrig houdt zich met de vlag achter hen. Eenigc wachtlieden plaatsen zich langs weerszijden).

Graaf Boudewijn.

Getrouwe onderdanen, gij verzoekt wraak ? Wraak kent de rechter niet, recht zal gepleegd worden. Het betaamt slechts een oordeel te vellen, na kalm onderzoek. Wat is er gebeurd ? Waar zijn de getuigen ?

Volk.

De eremijt!

Graaf Boudewijn.

(Rondziende). Welke eremijt ?

(Eenieder zoekt in Y rond).

Eene Stem.

Hij is buiten gebleven.

-ocr page 19-

— 13 —

{Benige personen dringen de deur uit, steken loeer het hoofd binnen en roepen : Daar is hij, op de markt. Hij vertrekt).

Graaf Boudewijn.

Wachten ! Die eremijt verschijne aanstonds.

(Wachten af. — Eenigc nieuwsgierigen verlaten mede de zaal).

Derde Tooneel.

DE VORIGEN, min de WACHTEN.

Graaf Boudewijn.

Sedert zeer lang, gij weet het allen, is euveldaad of diefstal ongehoord in Vlaanderen. Onze wetten zijn niet veranderd; even streng zijn zij gebleven. Gij weet ook hoe zij luiden : - Al wie iets ontvreemdt, 't zij door list, 't zij door geweld, zal ten minste een jaar gekerkerd zitten. Al wie heeft gedood of heeft willen dooden, zal sterven. « Gij meent dat er moord is gepleegd ?

Volk .

Ja,... dubbele moord !

Graaf Boudewijn.

Indien het feit bewezen wordt, zal, zooals het vroeger immer gebeurde, nu nog en zoolang ik zal leven, de straf onverbiddelijk wezen en ongenadig toegepast worden.

-ocr page 20-

— 12 —

{Allen maken zich bereid om te vertrekken. Het gerucht neemt toe).

't Is volksgewoel.... getier ! Mannen, vrouwen, kinderstemmen !... Men schreeuwt; moord ! wraak !... De menigte nadert het gerechtshof....

Tweede Tooneel.

GRAAF BOUDRWIJN, VOLK.

(Eenige personen dringen in wanorde binnen en huilen: Wraak over moord, over dubbele moord !

7 Volk groeit aan, hernieuwt nogmaals de kreten : Wraak over moord ! over dubbele moord! en vervult eindelijk de zaal.

Intusschen hébhen de rechters het gestoelte bestegen. De vaandrig houdt zich met de vlag achter hen. Eenige wachtlieden plaatsen zich langs weerszijden).

Graaf Boudewijn.

Getrouwe onderdanen, gij verzoekt wraak ? Wraak kent de rechter niet, recht zal gepleegd worden. Het betaamt slechts een oordeel te vellen, na kalm onderzoek. Wat is er gebeurd ? Waar zijn de getuigen ?

Volk.

De eremijt!

Graaf Boudbwun.

{Rondziende). Welke eremijt ?

(Eenieder zoekt in 7 rond).

Eene Stem.

Hij is buiten gebleven.

-ocr page 21-

— 13 —

(Eenige personen dringen de deur uit, steken weer het hoofd binnen en roepen : Daar is hij, op de markt. Hij vertrekt).

Graaf Boude wijn.

Wachten ! Die eremijt verschijne aanstonds.

[Wachten af. — Eenige nieuwsgierigen verlaten mede de zaal).

Derde Tooneel.

DE VORIGEN, min de WACHTEN.

Graaf Boudewijn.

Sedert zeer lang, gij weet het allen, is euveldaad of diefstal ongehoord in Vlaanderen. Onze wetten zijn niet veranderd ; even streng zijn zij gebleven. Gij weet ook hoe zij luiden : « Al wie iets ontvreemdt, 't zij door list, 't zij door geweld, zal ten minste een jaar gekerkerd zitten. Al wie heeft gedood of heeft willen dooden, zal sterven. » Gij meent dat er moord is gepleegd ?

Volk .

Ja,... dubbele moord !

Graaf Boudewijn.

Indien het feit bewezen wordt, zal, zooals het vroeger immer gebeurde, nu nog en zoolang ik zal leven, de straf onverbiddelijk wezen en ongenadig toegepast worden.

-ocr page 22-

— 14 —

Vierde Tooneel.

DE VORIG EN, DE HOOFDMAN DER WACHT, DE EREMIJT, EEN1GE NIEUWSGIERIGEN.

(7 Buiten zijnde volle hoort men tieren. Ja! gij moet ! Ja !.. Be wachten komen binnen mei den eremijt, gevolgd door de nieuwsgierigen, die nog roepen : Ja, ja !)

Graaf Boudewijn.

(Tot de wachten) Wat bedoelde daar straks dat volksgeschreeuw ?

De hoofdman der wacht.

Weledele graaf, de getuige wilde heen, 'k zou haast zeggen dat hij zocht te ontsnappen. Wij waren genoodzaakt dwang te gebruiken.

Graaf Boudewijn.

(Tot den eremijt). Hoe vreemd is toch uwe handelwijze! Gij, getuige, zoekt te vluchten alsof gij zelf schuldig waart, of ten minste belang haddet in het gepleegde wanbedrijf... Gij beeft!... Waarom ?...

(7 Volk mompelt.)

Graaf Boudewijn.

Wat beteekent dit gemompel ?

-ocr page 23-

Eene Stem.

Voor eenige oogenblikken nog doorliep de eremijt Brugge, ons opwekkend door zijn krachtig en medeslepend woord, om wraak te eischen over eene gepleegde dubbele moord ; en hier is hij met vrees bevangen, hier siddert hij !

Volk.

't Is zoo.

Graaf Boudewijn.

{Tot den eremijt). Neem in de rechter hand het kruisbeeld, leg uwe linker op het Heilig Evangelieboek, en zweer dat uw mond volle waarheid spreken zal.

De Eremijt.

Ik zweer het. Een vader en zijn klein kind zijn gedood geworden.

Graaf Boudewijn.

Door wie ?

De Eremijt.

Er is slechts één schuldige, doch ik ken hem niet.

[Gerucht onder 't volk).

Eene Stem.

Getuige sprak vroeger anders. Hij verzekerde ons, dat de moorder een man van edel bloed is.

Volk.

Ja !... ja !

-ocr page 24-

— 16 —

Graaf Boudewijn.

[Tot den eremijt). Nog eens, waarom schromen ? Richt uw gebogen hoofd op; herinner u den pas gezworen heiligen eed. Wees oprecht: anders wachten u kerkerboeien.

De Eremijt.

De man, die ver van 't gewoel der wereld den Heer bidt, voelt zich hier verlegen en als bedwelmd. Mijn schedel hangt gebukt onder de looden hand der jaren en der verstervingen... De dader maakte deel van den vorstelijken stoet, welke gisteren jachtpartij hield, ter viering van het nakend bruiloftsfeest van uwen pleegzoon, en bijgevolg behoort hij volgens alle waarschijnlijkheid tot de grooten van het graafschap. Maar zijn' naam ken ik niet. Dus, hoogedele graaf, heeft mijne tong geene onwaarheid gesprolcen, alhoewel het daareven anders scheen aan u en aan het volk.

Graaf Boudewijn.

Hoe verheven ook de dader zij, de strengste straf wacht hem. En zelfs, hoe hooger de schuldige geplaatst is, hoe meer straf hij verdient.

De Eremijt.

Mijn oprechte getuigenis is nu afgelegd. Heilige godsdienstplichten roepen mij naar stillere plaatsen. Zal het mij geoorloofd zijn, weledele graaf, deze zaal voor eenen korten tijd te verlaten ?

Graaf Boudewijn.

Eremijt, uwe houding en uwe taal boezemen mij meer en meer argwaan in. Wie schonken u het leven ?

-ocr page 25-

— IT —

De Eremijt.

Ik ben een vondeling. Een kluizenaar heeft me later als zoon aangenomen, opgevoed, onderwezen en mij Deodaat genoemd, dat is : Gode toegewijd.

Graaf Boüdewijn.

Ontwijkend zijn uwe woorden, ontwijkend zijn uwe oogen. Deze plaats en mijn blik schijnen zwaar op u te drukken. Gij buigt gaarne het hoofd, soms verbleekt ge en beeft uwe tong. Vreemde getuige ! Buiten, in de straten der stad hitst gij de menigte aan om recht, of liever om wraak te vergen over een gepleegd schelmstuk, dat gij zegt gezien te hebben ; en u zeiven moet men met geweld dwingen om hier, vóór het gerecht, inlichtingen te komen geven. Gij ademt naar het vrije pad, alsof gij hier in het eng gebracht waret. En uw laatste antwoord : « Deodaat de vondeling » — het is geschikt om te bewegen, maar is het soms geen kunstig floers dat gij over uwen echten naam hangt ? Nader... (üe eremijt doet ééri stap). Nader nog meer. Deodaat gelijkt nog al wel aan zekeren flinken Vlaamschen ridder, dien wij voor jaren kenden.... Oh, Deodaat! hoe verbleekt gij toch ! Hoe wankelen nu uwe beenen !., 's Ridders naam was.... Robrecht van Oosten burcht.

De Baljuw.

Groote God ! Robrecht, vroeger het opperhoofd der nu uitgeroeide Vlaamsche rooversbenden !

[Verbazing onder de menigte.)

Graaf Boüdewijn.

Ja ! die Robrecht schitterde in de ridderlijke kampgevechten ; hij toonde tevens moed, behendigheid en

-ocr page 26-

kracht. Eens toch werd hij nog al erg gewond aan de hefspier van den linker bovenarm. Dit kenteeken kan de tijd niet uitgewischt hebben. Toon, Deodaat!.. Gij aarzelt ?...

De Eremijt.

Genoeg geveinsd !... Te lang vermomd ! [hij werpt zijnen mantel af.) Ja ! ik ben Kobrecht !

Volk.

[Woedend.) Robrecht de roover !

De Baljuw.

Hoe geheimnisvol is dit alles !

Graaf Boudewijn.

Gij voorziet welk lot u wacht.

De Eremijt.

Zeker, de dood!

Graaf Boudewijn.

Aan de galg te sterven.

De Eremijt.

't Zij zoo.

Graaf Boudewijn

Gij zijt onwaardig dat Gods milde zon uwen jongsten stond begroete.

-ocr page 27-

De Eremijt.

Daar aanstonds trilde ik alseene verschrikte maagd ; maarthans, alhoewel mijn lot beslist is, voel ik weder kalmte en mannelijken moed opkomen. Den dood vrees ik niet. Des levens beker houdt voor mij geene aangename teugen meer in.

Graaf Boudewijn.

Ik begrijp nu. Het verhaal eener moord, 't ophitsen van de volksmenigte, dit alles was gewaand spel, om tot een zeker doel te geraken.

De Eremijt.

Neen, neen ! De moorden zijn gepleegd.

Graaf Boudewijn.

Waar ?

De Eremijt.

Binnen korten tijd zult gij de lijken zien.... Eens verdween Ridder Robrecht; men dacht dat hij was gaan kruisvaren. Hij was roover geworden. Hij werd, na jaren, opperhoofd gekozen. Machtig waren de benden; meester waren zij in Vlaanderen. Uwe strenge wetten overwonnen eindelijk. Met weinig overgeblevene makkers trok ik naar Frankrijk. De laatste gezel stierf voor eenige weken. Ik had het ontworpen huwelijk vernomen. De aantrekkingskracht van den vaderland-schen grond, 't wederzien van die pracht en dien adel waartusschen ik vroeger had geleefd, eindelijk een gevoel, eene stem uit het hart, 't geheim mijns levens, in één woord, lokten mij weder naar Vlaanderen. Vermomd als eremijt, zag ik gisteren het jachtfeest. Ik zag eenen man en een kind dooden.

-ocr page 28-

— 20 —

Graaf Boudewijn.

Waarom werd de moord begaan? Wie deed ze? [Kreten in de verte.)

De Eremijt.

Reeds hoor ik in de verte het samengestroomde volk, dat den schrikwekkend en stoet vergezelt. Welhaast zult ge allen eene stoffelijke bevestiging hebben van de moorderij.

(Hij doet weer zijn' mantel aan.)

Graaf Boudewijn.

Wanneer gij gelogen hebt zal men u, vooraleer gij levend gehangen wordt, de oogen uitbranden en de tong uitrukken.

De Eremijt.

Veinzen of liegen kan mij tot geen nut meer strekken : uw vonnis is uitgesproken en ik weet dat het onweder-roepelijk is.

Volk {buiten).

Geene genade ! Dood !

De Eremijt.

Verstaat gij wat buiten wordt geroepen ? « Moord! Dood!»

Volk [huiten).

Geene genade ! Dood !

-ocr page 29-

— 21 —

De Eremijt.

Hoort gij daarbuiten, daarbuiten als een weerklank; « Geene genade ! Dood ! ? « O zachte weerklank !

Vijfde Tooneel.

DE VORIGEN, VOLK, GEERTRUIDE.

[Eene menigte komt binnen de zaal gestroomd, zij schreeuwt: Dubbele moord!... Recht!... Geene genade! Doodstraf! Eene herrie met de lijken van een' man en van een hind volgt.)

Geertruide (verwilderd en beschreid).

Geene genade ! ... 't Bloed mijner geliefden roept : « Leven voor leven ! ... »

Volk.

't Is de wet!

Graaf Boudewijn.

Bedaar, vrouw. Geef op uwe ziel en voor God oprecht getuigenis. Verhaal uw ongeluk.

Geertruide.

Zeggen deze twee lijken niet genoeg? Die eremijt heeft zeker reeds alles toegelicht.

Graaf Boudewijn.

Wij kennen den grond der zaak nog niet.

-ocr page 30-

Geertruide.

Aan den gevel van ons hutje hing- een laatste druiventros. Hij zou dienen voor mijn ziekelijk kind. Een ruiter kwam aangesneld. Om zijnen dorst te koelen, zocht hij de druiven af te koopen. Mijn man weigerde. De ruiter sprong verwilderd vooruit naar den wijngaard. Mijn ongelukkige man, met ons kleintje op den arm, versperde den weg naar de druiven. Het aangespoorde paard wierp man en kind omver, trappelde toe. Man en kind bleven dood! Daar liggen ze nu, de geliefde en levenlooze slachtoffers van willekeur, van onrecht en geweld ! De ruiter nam de vlucht. De eremijt en ik hadden van ver het gebeurde gezien. Ik ken den ruiter, riep hij. De heilige man nam mijne dooden op en droeg ze in mijne hut. Morgen, zeide hij, zullen wij de lijken naar Brugge voeren. Wij zullen ze den strengen Graaf in zijne wetzaal voor oogen leggen. Alzoo, ging hij voort, zal de schuldige, die van edelen bloede is, de verdiende straf niet ontgaan... Veel volk vergezelde langs de baan den droeven stoet. De eremijt predikte als een wraakengel. Wanneer wij nabij de stad gekomen waren, ijlde de goede man Gods vooruit, zeggende dat hij voorop het schelmstuk zou kenbaar maken.

Graaf Boudewijn.

Vrouw, weet nu, dat die eremijt zelf een moordenaar is, het opperhoofd der tallooze rooversbenden, welke Vlaanderen vroeger hebben geteisterd.

Geertruide.

O Hemel! zou hij, die mij troostte, die mij aanspoorde om streng recht te eischen, ook schuld hebben in de euveldaad ?

-ocr page 31-

Graaf Boudewijn.

Wie weet ?

De Ekemijt.

Neen, armzalige moeder en echtgenoote ! De eenige schuldige is een edelman. Hij nam deel aan liet vorstelijk jachtfeest. Gij zult binnen korten lijd de gelegenheid hebben hem te ontmoeten.

Geertruide.

Edele Graaf, ik eisch volle recht ; doodstraf !

Graaf Boudewijn.

Gemakkelijk zal het zijn om den dader op te zoeken. Zij, die deel genomen hebben aan de jacht, zijn op dit oogenblik in het slot vergaderd. Wij zullen gaan zien, en wie ook de schuldige zij, ik zweer het voor God, hij zal de door u gevraagde rechtvaardige straf niet ontsnappen.

Volk.

Hij sterve!

Geertruide.

Hij sterve !

De Eremijt.

Hij sterve met mij !

Graaf Boudewijn.

Hij zal morgen met u, roover Robrecht, de straf ondergaan.

-ocr page 32-

— 24 —

De Baljuw.

Ik zal in den nabijzijnden tempel, met het volk, God gaan bidden voor den armen gedooden man, en tevens den Heer smeeken dat Hij den dader late kennen.

Geertruide.

Heilig is uwe gedachte!

Graaf Boudewijn.

Wachten, waakt over den roover. Brengt hem, na de lijkplechtiglieid, met de ongelukkige vrouw naar het slot. [kf met zijn gevolg).

De Eremijt (die weggeleid wordt).

O volk, stort maar vele vurige gebeden ; elders zullen welhaast nog meer bittere tranen vloeien, dan gij nu gebeden zult storten !

Volk [zich verwijderend).

Ter dood ! ter dood !

GORDIJN.

-ocr page 33-

T-WEEDB BEDRIJF.

•r

Eene prachtige zaal voor het verlovingsfeest opgeschikt in het grafelijk slot.

Eerste Tooneel.

DE MINNEZANGER, ARNOLD, CLOTILÜIS, JOLENDE

VAN BABENBERG, RIDDER WOLFARD, EDELLIEDEN, HOFJONKERS, EEN MAN UIT HET VOLK, VOORNAME POORTERS, POORTERSVROUWEN, MAAGDEN EN KINDEREN.

Een Minnezanger.

O geest van 't zoet g-eluid ! O geest der zoete zangen ! O Muze, heilig schoon, met rooderoze wangen ! Als voorden starrentroon van d'eeuw'gen Opperheer, Gevlerkte, witte stoeten eng'len, knie ter neer. Aanbiddend, geurgewolken, wierookkronen slingren, — Op gouden harp, verrukkend, tokklen uwe vingren De zilvren snaren, zingt uwe stem 't Cherubenkoor Het heilig, heilig, driemaal heilig plechtig voor !

-ocr page 34-

— 26 —

O Filomeel derHeemlen, toovervol accoord ! ...

0 Liefde streelend zacht, die in het harte gloort!

Blijf eeuwig met uw gloed hun minnend hart beschijnen! Gestreeld door uwen straal zal vrede niet verdwijnen, Doch gloeien als een vuur van zaligzoet genot;

0 liefde, zegen hen, bestraal hun roemvol lot !

[Maagden strooien bloemen en zingen].

Maagden, wier boezem voor 't edele gloeit,

Laat ons het pad der geliefden bestrooien.

Thans door den band van verknochtheid geboeid !

Laat ons met kransen en bloemen hen tooien,

Bloemen, die geurig haar kelken ontplooien.

Als de bloem — vol zoete aromen —

Spreidt haar geur'ge balsemstroomen,

Dan klinkt plechtig 't hymnisch lied...

Schoon, als duizend bloemenkransen,

Mag de liefde u tegenglansen !

Eedle harten, mint...... geniet!

[Thans bieden de adeldom, het magistraat en de burgerij hel vorstelijk echtpaar hulde en geschenken a-m).

Een Hofjonker.

Heil u, prins Arnold en Mejonkvrouw Clotildis ! De adeldom ziet zijn schoonsten droom verwezenlijkt! Aanvaardt dit geschenk ; 't is de spiegel van de eeuwige trouw, van de onverlambare verkleefdheid aan den pleegzoon van graaf Boudewijn. Dat de glinsterende zon des vredes over uwe harten schijne, dat de oprechte liefde u nooit verlate, dat is onze vurigste wensch.

-ocr page 35-

Edellieden en Volk.

Leve de prins ! Leve de prinses Clotildis !

[Arnold en Clotildis buigen ; de edellieden trekken zich terug).

Een Man uit het Volk.

Het volk van Vlaanderen juicht en jubelt. Heden is 't voor ons een dag van geluk, een dag van vrede. In u, pleegzoon van onzen heer, ziet het volk niet het grootste vertrouwen zijne toekomst te gemoet ! Zooals de Graaf handelt, zult gij later zijn voorbeeld volgen : het goede naar verdienste beloonen, het kwade onmeedoogend te keer gaan ; de heilige rechten uws volks zult ge eerbiedigen en streven tot zijne verheffing, tot zijn hemelschen vrede.

Prins Arnold.

Heb dank, volk van Vlaanderen, heb dank voor dit bewijs uwer verkleefdheid aan mij, den pleegzoon van graaf Boudewijn, aan wien ik gansch mijn leven, mijn roemvol bestaan te danken heb. Hier zweer ik op het hoofd van mijnen vader, [eerbiedige buiging) dat ik 's lands wetten getrouw zal naleven en den vrede, den roem van Vlaanderen zal beoogen.

Het Volk.

Leve de prins ! Leve de prinses Clotildis!

Prins Arnold.

Dank! Innigen dank voor de hulde, die ge aan de dierbare mijns harten brengt.

-ocr page 36-

— 28 —

Clotildis.

Ja, volk, prins Arnold schonk ik mijn hart, .. hem schonk ik mijn leven. God strooie het zaad der reine liefde eeuwig in zijn hart, opdat ik dit hart mijn hoofd zacht mag neervielen. {TotArnold.) De engelen besturen mijne lippen, ze drukken op uwen mond den kus des vredes voor het volk!

Het Volk.

Leve de prins Arnold ! Leve de prinses Clotildis !

Tweede Tooneel.

DE V0R1GEN, GRAAF BOUDEWIJN, JOLENDE, WACHTEN.

[De graaf en de gravin doen hunne intrede, vergezeld van hofjonkers en loachlers ; zij nemen plaats op den troon.)

Het Volk.

Leve graaf Boudewijn ! Leve de gravin !

Graaf Boudewijn.

[Clotildis en Arnold knielen aan den voet des troons.)

Gezegend, lieve Arnold en gij ook, dierbare Clotildis! Hoe machtig de vaderliefde mijn hart doet kloppen, mijn1 plicht van vorst mag ik hier niet vergeten. Wie weet, zoo het lot mij niet toelaat mijn wettigen troonopvolger aan te duiden, zult ge niet geroepen zijn om Vlaanderen's hoofd te wezen! Mijne gift zij daarom

-ocr page 37-

— 29 —

deze gouden bijl, die u dan nimmer de strengheid van uwen plicht zal doen vergeten. {Tot Arnold.) Bedenk het wel, het kwaad vernielde allengs in Vlaanderen raenschenllefde en meer : de liefde voor den God, dien elk moet dienen.

Prins Arnold.

Heb dank, vader ; uw woord is mij oen zegen.

Graaf Boudewijn.

Dank dat ik u zoo mag hooren spreken. Toon u den waardigen zoon van ridder Arnold, uwen diep-betreurden, heldhaftigen vader... Hij had u lief, zoo innig lief, en hij beschouwde zijnen zoon als 't edelste, zijn beste deel! De wees bleef mij en ik beloofde dien edelman, bij zijn laatsten snik, voor u te zorgen. Ik heb geleerd om stipt en zonder dralen eiken last, mij opgedragen, te volvoeren, en God weet hoe leeg het mij is in het hart sinds uw vader me zoo wreedaardig werd ontrukt! Gij werdt mijn troost... Aan u, goed-heil !

Het Volk.

Leve graaf Boudewijn, leve de gravin, leve Arnold, leve zijne bruid !

Graaf Boudewijn.

Waak er op, dat niemand tijdens den nacht de woningen aanrande, dat niemand daarin brand stichte, zoo niet zal de schuldige met den dood gestraft worden. Wie moord pleegt of zijn land verraadt, dien wacht de gaigendood !

-ocr page 38-

— 30 —

Het Volk.

Leve graaf Boudewijn, leve de gravin, leve prins Arnold, leve zijne bruid !

[MiddelericijL hebben Clotildis en prins Arnold zich opgericht. Prins Arnold is bij de laatste gezegden van zijnen pleegvader doodsbleek geworden.]

Clotildis.

[Bewogen.) Wat deert u, lieve beminde? Uwe hand is brandend heet! Uwe lippen trillen zoo zenuwachtig !

Prins Arnold.

O, mij deert niets, mijn schat,... niets ! Het denkbeeld u te bezitten heeft me zoo gelukkig gemaakt, dit verlovingsfeest mij zoo bedwelmd...

(Graaf Boudewijn treedt van zijnen troon.)

Jolende.

Waarom, mijn echtgenoot, (usschen bloemenkleuren geur, tusschen welluidende gezangen, gouden ju weelen, schitterende gesteenten, waarom tusschen vreugde en wit bruidgewaad, altijd de woorden uwer strenge gerechtigheid ? De gedachte aan bloed in zulke oogen-blikken heeft ons allen waarlijk verschrikt.

(Wachten treden in de zaal).

-ocr page 39-

— 31 —

Derde Tooneel.

DE VOR1GEN, WACHTEN.

Graaf Boüdewijn.

{Begeeft zich naar den achtergrond.)

Vernietigd en met drooggekreten oogen, liet hart vol wanhoop, wacht daar eene vrouw, die recht eischt. Hier is moord, is dubbele moord gepleegd. Den dader wacht de dood.

Het Volk,

Hem wacht de dood !

Jolende en Clotildis.

(Verschrikkend.) Ge zegt, er is hier moord gepleegd !..

Graaf Boüdewijn.

Ja, dubbele moord. Gevloekt de dag, die deze wreede daad bescheen! Gevloekt het monster, wiens dood thans gemaakt!

Clotildis.

(Tot haren vader.) Welke hartverscheurende tijding !

Het Volk.

Hij sterve !

Graaf Boüdewijn {Tot de wachten.)

Men brengc de klaagster binnen.

[Wachten verwijderen zich.)

-ocr page 40-

— 32 —

Vierde Tooneel.

DE VORIGEN, min de WACHTEN.

De Minnezanger.

O Graaf, wiens machtig woord gevreesd is allerwegen, Wiens wet aan 't Vlaamsche land den vrede wedergaf. Uw streng en grootsch bevel, het snijdt den leiddraad af Van onrecht! O! uw naam heeft eeuw'gen roem verkre-

[gen ;

O rechter, machtig groot, geheiligd zij uw woord ! Uw hart is goed, uw wil is groot, uw ziel verheven... Ge schijnt van Vlaandrens grond naar 't hemelrijk te

[zweven.

Dewijl uw zon van recht voor aller welvaart gloort! [Be klaagster treedt binnen.)

Vijfde Tooneel.

DE VORIGEN, GEERTRUIDE.

Graaf Boudewijn.

Treed nader, vrouw, diepbedroefde moeder. Wijs zonder schroom den dader.

Geertruide (terneergeslagen).

Heb dank, o edele Graaf ! Doch ik vrees dat mijne roodgekreten oogen, die, sinds het noodlottig uur, verdoofd en als met een floers omhangen zijn, den snoodaard niet erkennen zullen. Nu heb ik niemand meer op aarde ! Mijn echtgenoot ligt in het koude graf, en naast hem werd ook mijn kind begraven...

-ocr page 41-

— 33 —

Clotildis (deelnemend).

Hoe kwam zulks, arme moeder ? Maak uwe geschiedenis den Graaf bekend : er zal u recht geschieden.

Graaf Boudewijn.

Ik weet wat is gebeurd. Haar eenigkind was ziek. In hunnen wijngaard hing een enkele druiventros, die door het kindje met opgeheven handjes werd verlangd. Haar echtgenoot, de brave man, wilde zijn ziekelijk kind de druiven laten plukken ; doch nauwelijks was hij den druivelaar genaderd, of een ruiter snelde toe en wilde kost wat kost den vader het gewenscht voorwerp ontnemen. De man bood weerstand, doch paard en ruiter sprongen toe en doodden man en kind.

Geertruide.

Zoo is 't geschied ! Nu zal niemand meer mijne tranen drogen, mijne ellende verzachten, balsem gieten in mijn hart!

Jolende.

Arme moeder '

Clotildis.

Arme vader, arm kind ! God ! o God ! erbarming voor die rampzalige vrouw!

Graaf Boudewijn.

En volgens wordt beweerd is de dader van edelen bloede.

3

-ocr page 42-

— 34 —

De Edellieden [verontwaardigd).

Dat is onwaar!

Graaf Boudewun.

Genoeg', treedt allen nader, die gisteren deel maaktet van de grafelijke jachtpartij. [Tot de vrouw). Zie toe, verlos de wereld van dit monster.

[De edellieden naderen, uitgezonderd Arnold, die zich zooveel mogelijk verbergt en met Clotildis spreekt).

De Minnezanger.

O, moorder, denk er aan, wil voor de toekomst schromen, Uw straffe blij ft niet uit. Het heil, door u ontnomen. Door uwe schuld geknakt, dat kokend menschenbloed, — Het schuimt en wast nu tot een breeden reuzenvloed, Waarin gij zelf, o snoodaard, zult verzwelgen...

Weg, gij die'tzoet bestaan der onschuld dorst verdelgen! Gedoemd door al wat aamt op Vlaanderens vrijen grond! Ter dood ! dat woord, het klinkt uit 's Graven wijzen

[mond !

Geertruide.

Hij is niet in de rangen.

Graaf Boudewun.

Goddank !

Geertruide.

O Heer, heb medelijden met mijn droevig lot, geef me de kracht om den schuldige te ontdekken !

-ocr page 43-

— 35 —

Cloïildis [geeft een' geldbeugel en een sieraad).

Ziedaar, arm schepsel, en mocht de dader aan het licht komen.

Jolende.

God geve het !

Geertruide.

Vergeef me dat ik het verlovingsfeest ben komen storen, doch 't was de eremijt die mij verklaarde, dat de moordenaar een edelman was.

Graaf Boudewijn [tot de vrouio).

Blijf... De eremijt is anders niet dan een vuige bandiet. Ja, mijn volk, gruw bij het vernemen, dat de eremijt niemand is dan Kobrecht van Oostenburcht.

Het Volk.

Robrecht, de verrader !

Graaf Boudewijn.

Zooals ge zegt, Robrecht de verrader, die zich schuil hield onder het heilig kleed. Voor den rechterstoel genaderd trad hij op als medeaanklager van de begane euveldaad. Hij verklaarde, zooals gij daar gehoord hebt, dat de moorder van edelen bloede is.

De Edellieden.

Men brenge hem ter dood !

Graaf Boudewijn {tot de wachter).

Laat hem hier verschijnen. (Wachten af.)

-ocr page 44-

— 36 —

Zesde Tooneel.

DE VORIGEN, later ROBRECHT.

Geertruide.

Hij eerbiedigde de mijnen en verzachtte hunnen dood.

Graaf Boudewijn.

Om u des te beter te kunnen misleiden.

Geertruide.

O neen, heer Graaf, dat is onmogelijk. De troostende woorden die hij me toesprak, vol deelneming, vol medelijden, waren oprecht; ze kwamen uit het hart, dat verzeker ik u !

Graaf Boudewijn.

Robrecht's vertelsel behelst volgens mij iets sluws.....

Zijn lot is beslist; morgen ondergaat hij de schandelijkste straf.

(De wachten brengen Robrecht binnen).

Booswicht, gij hebt gelogen. De weduwe herkent geen dader. Gij (spottend) zult hem zeker ook niet ontdekken ?

Robrecht.

Toch wel ; zijnen naam, na 't geheim van mijn leven, zult ge welhaast hooren. Vooreerst mijn leven. — Uit al deze pracht wierp gekrenkte liefde en haat mij onder de roovers. Een man, hier tegenwoordig, ontrukte mij met geweld mijne geliefde : zijne macht was krachtiger dan

-ocr page 45-

— 37 —

de stille geheime eed, welken wij, verkozenen des harten, aan elkander gezworen hadden. Dikwijls heb ik getracht dien man te vellen en stelde mij telkens aan het hoofd mijner makkers om mijnen haatte kunnen koelen. Eilaas, mijne pogingen, hoe sluw ook, bleven vruchteloos ! Te sterven zonder wraak, die gedachte folterde mij. Ten koste van mijne vrijheid, of liever van mijn leven, heb ik de huwelijksfeesten willen bijwonen, met het denkbeeld mijnen vijand onvoorziens te treffen en dan tevreden te sterven. Daar staat de vernietiger van gansch mijn leven ; daar [wijst op Wolfard) is hij die aan alles schuld heeft.... Toch zal ik hem treffen....

Ridder Wolfart.

Ellendeling ! (Hij trekt zijn zwaard). Zoudt gij mij durven van die moord beschuldigen ?

Clotildis.

O vader !

Graaf Roudewijn (tot Robrecht).

Genoeg, ellendeling!

Robrecht [schertsend tot Bidder Wolfard).

Ik, ten minste, voel nog op dezen oogenblik den wind niet der zeis van den dood.

[Hij neemt een' priem van onder zijne kleederen en wil hem naar Wolfard roerpen, doch wordt er door verhinderd door Prins Arnold, die vooruit is gesprongen en hem het schelmstuk belet).

-ocr page 46-

— 38 —

Prins Arnold.

In tijds, Goddank ! Die prooi wordt u ontstolen !

Het \ olk [verwoed).

Hij moet ter dood !

Graaf Boudewijn.

Ware uw bloed, booswicht, waardig deze zaal te bevlekken, waret gij zulken dood waardig, ik kloof u aanstonds het hoofd met mijne bijl.

Geertruide,

{die Arnold nog niet aandachtig in oogenschomo genomen heeft).

Doorluchtige Rechter, wees hem genadig.

Robrecht.

De dood verschrikt mij niet. [Zich tot Wolfard loendendé). Mijn geoefend rooversoog heeft uw kloppend hart gemikt. Aandoening, de zoete voorsmaak der welhaast volbrachte wraak, heeft juistheid aan mijnen arm ontnomen. Toch zal ik dit gemiste hart verbrijzelen. Ja, ik zie den dader !

Geertruide [bedroefd).

Hij is niet hier.

Robrecht.

Maar hebt ge dan geene oogen ? 't Is hij die mij daar straks belette mijne wraak te koelen. (Tol Wolfard). 't Is.... Arnold, uw aanstaande schoonzoon....

-ocr page 47-

— 39 —

Prins Arnold {op de knieën).

Geen moord... een ongeluk. Genade!

Graaf Boudewijn [verschrikt).

Gij, mijn zoon!

Jolende.

Mijn kind !

Clotildis.

Mijn bruidegom !

Geertruide (lot den Graaf).

Ja, hij is 't! {Tot Arnold). Ah, vermetele, gij verschoolt u tusschen de rangen ! Ge dacht dat niet één van ons allen uwe schanddaad zou ontdekt hebben. Ge achttet u groot,gewildet u als een roemrijke held laten doorgaan; ge wildet u verheugen in het gejuich van het volk, dat u als den verdediger zijns vaders aanziet, en gij waart het die niet terugdeinsdet voor het gruwelijkste feit, dat zich ooit voor de oogen der menschheid voordeed ! Gij waart het die een onnoodig iets wildet veroveren en dit hooger schattet dan het leven van twee geliefde wezens, het eene mijn cenige steun, het andere, het eenig geluk, dat ge mij ontstolen hebt ! Gij waart het die vader en kind vermoorddet, zonder dat een enkel gevoel van afgrijzen in uw binnenste drong ; niets dan eerzucht, niets dan de zucht naar wellust en vernieling ! Gij zijt het die u durft vereenigen met eene edele riddersdochter, onbewust van de snoodheden waartoe gij bekwaam zijt. Ik eisch uw bloed, zooals gij

-ocr page 48-

— 40 —

dat der mijnen hebt vergoten. Weg, raenschenbeul, gevloekt gedrocht! Gij zijt een bloedvergieter, vernietiger van mijn zoet bestaan !.... Geef me mijn kind, geef me mijn' echtgenoot!....

Prins Arnold (op de knieën).

Genade, vrouw, genade ! Geloof, ik zocht niemand te dooden. Mijn paard verschrikte en wierp man en kind ten gronde.

Geertruide [als uitzinnig).

Zij worden vertrappeld door het paard,... Het bloed-schuim spat uit hun' mond.... De doodskleur bedekt hunne wangen !.... Een laatste flauwe gil stijgt uit

hunne gebroken borst!..... Een zucht, een nauw

hoorbare zucht.... en dan, het is gedaan ! Ik bengeene echtgenoote, ik ben geene moeder meer !.... O ijselijk tooneel, dat gedurig voor mijnen geschokten geest staat! [Tot het volk). En heeft er niemand hier een woord van afkeer voor dien hartelooze ?

Graaf boudewijn.

Er zal u recht geschieden !

jolende.

Heb medelijden met mijn' zoon !

Clotildis.

Goede, diepbetreurde moeder, o medelij met mijnen teerbeminde. Genade .. ik zal u rijk.... u zeer gelukkig maken.

-ocr page 49-

— 41 —

Geertruide [verwilderd).

Wie smeekt mij om genade ? Zijne moeder.... zijne bruid? .... Weg, o weg, die valsche droomen ! Weg, o weg ! Geen medelijden voor dit monster.... Geef me mijn kind!.... Geef me mijn' echtgenoot! Geld!.... ge biedt me geld !... Geen geld wil ik, o neen ! Aan dit góud kleeft bloed, het bloed van mijne dierbaren !

[Zij werpt hel goud en het sieraad, dat zij kreeg, ten gronde^.

Graaf Boudewun.

Het zij zoo ! Men werpe hem in den kerker. Hij is mijn zoon niet meer !

Jolende.

Zoo handelt niet een vader.... zoo handelt de echte beul.

Geertruide.

Is hij geen beul, die mijn kind, mijn' echtgenoot vermoordde ? Hij die zegevierend wegreed zonder zich te bekommeren om de wanhoop, waarin hij eene ontroostbare weduwe heeft gestort ? 0 de hemel is groot, maar mijne wraak zal verschrikkelijk zijn. Heer Graaf, breng dien man, dat ondier weg, opdat ik zijn lijk op mijne beurt zegevierend door de straten der stad sleepen kunne!

Graaf Boudewun.

Vrouwe, hetgeen gij mij vraagt is een verschrikkelijk offer!

-ocr page 50-

— 42 —

Geertruide.

Niet zoo verschrikkelijk als het offer dat ik aan den dood heb gebracht.....

Graaf Boüdewijn.

Gij weet wie Arnold is : hij is mijn pleegzoon....

Geertruide.

Maar mijn kind, was het niet mijn eigen bloed ?

Graaf Boüdewijn.

Nochtans, ik aarzel niet. Het zou de eerste maal zijn dat Graaf Boüdewijn terugwijkt als de plicht, de almachtige plicht gebiedt. De geschiedenis mag op geene enkele zwakheid in mijn leven kunnen wijzen....

Geertruide.

Spreek dan één woord nog....

Clotildis {smeekend).

Een woord van vergiffenis ?

Geertruide Neen, een woord van straf!

Jolende (biddend).

Wees genadig!

-ocr page 51-

— 43 —

-J

Clotildis.

Wees goed !

Geertruide.

Wees rechtvaardig !

Graaf Boudewijn.

Het is de wet die spreekt, niet ik : men voere Robrecht en Arnold weg....

Cloïildis (uitzinnig).

Groote God, naar don kerker !

Jolende.

Daar waar slechts twee lijken waren zal uwe wet verscheidene menschenlevens vergen.....

Graaf Boudewijn.

't Is te laat!

Clotildis [vol vuur].

't Is te laat! .... Ga, ga dan, Arnold, mijn vriend, mijn bruidegom ; ik denk aan u, ik ben aan u ; mijn geest, mijn hart zal u niet verlaten ; ik zal op u waken, voor u bidden, ik zal smeeken om uwe vrijheid te bekomen, uwe onschuld voor de rechters bewijzen, u redden uit de handen var. den beul. De liefde zal mij sterken, de liefde zal mij doen overwinnen. Want ik heb u lief, ik bemin

-ocr page 52-

— 44 —

u, en nu ik uw duurbaar leven in gevaar zie, voel ik in mij de krachten der leeuwin, aan wie men hare prooi ontrukt.... Arnold, mijn geliefde bruidegom !

[Arnold en Robrecht worden weggeleid. — Zij valt in de armen haars vaders).

Robrecht.

Mijne wraak is zoet ! Aan mij, na bitter lijden, de zoete genoegens van de wraak!

GORDIJN.

-ocr page 53-

DER, DE BEDRIJF

Zaal ten huize van Eidder Wolfard.

[Op eene tafel, ter zijde van het tooneel staande, liggen de geschenken, welke Clolildis op den verlovingsdag ontving ; juweelen, bloemen, met goud gestikte doeken, enz.)

Eerste Tooneel.

Clotildis [ontwaakt uit eenen droom).

Arnold, lieve Arnold ! O nare droom ! Ik zie dien zwarten geest weer voor mijne moegekreten oogen.... Me dunkt, ik hoor den graaf dreigen met dezelfde donderende stem : men voere hem weg.... hij is mijn zoon niet meer !.... Zoo is de hoop te niet, waarop ik bouwen dorst... Och, Arnold, mijn beminde, u willen verrechtvaardigen ware voor mijn hart overbodig !.... (Wijst op haar hart). Maar uwe onschuld is daar in bloedige

lettertaal gegrift..... Neen, neen, alleen zal hij niet

sterven : eeuwig, eeuwig moet onze liefde zijn.... Daar voor den troon van God zullen we samen leven, elkander trouw beminnen, in 't bijzijn mijner moeder. [Aanroepend). O moeder, moeder, gij hebt mij verlaten, doch ge zult Clotildis wel behulpzaam zijn.... Wees gij mijn engel der vertroosting, kom, o kom !

-ocr page 54-

— 46 —

(IJlend) Ha, moeder, moeder ! de vloek des hemels rust op ons!.... Ik mag hem niet beminnen.... Strooi uit den hemel rouwviolen, want als wij dood zullen zijn en middernacht zal slaan, dan bersten muur en witte marmersteen.... dan gaan wij hand aan hand naar 't hoogaltaar en zetten ons in 't koor bij 't helle licht, en laten zoo de zilverblanke maan op onze bleeke lijken schijnen, en denken nog op de aarde voort televen, waar wij elkander zoo trouw beminnen.... O weg, diedooden-droom!... In 't zelfde graf zullen we toch niet rusten ! {Zij weent).

Tweede Tooneel.

DE VORIGE, WOLFARD.

Wolfard [komt tot haar ca vat have hand).

Clotildis... mijne lieve dochter... stil toch ! Uw vader lijdt met u; doet zijne stem geen goed aan uw hart ?

Clotildis.

O, wat was hei daar ijselijk naar in mijne ziel!

Wolfard.

Stil de kloppingen van uw' boezem.... Laat nog de hoop als zoete balsem in uw harte dalen...

Clotildis.

Neen, zeg dit niet... Reeds zie ik voor mijn minnend oog wat zal geschieden. De Graaf zal onverbiddelijk wezen... zijn hart en ziel zijn koud. .. Laat mij, ik wil met Arnold sterven, in 't eeuwig leven zal men ons toch niet scheiden...

-ocr page 55-

— 47 —

wolfard.

C'lotildis, er is nog- ééne toevlucht: het is God ; laat onze bede tot hem opstijgen... De Graaf is streng-, 't is waar, maar het volk heeft Arnold lief en 't vraagt ook zijne genade. Misschien is er nog hoop, kind....

Clotildis.

Kind.... Ja juist, nog gisteren was ik een kind, doch nu ben ik eene vrouw geworden. 0 mijn jongste droom! — Onbewust van 't onheil, dat mij boven 't hoofd hing, sliep ik rustig en in mijn'droom verscheen een engel met blanke vleugelen, schitterend van licht en gesteenten. En schoon, o vader, hemelsch schoon ! Kom, volg me. fluisterde hij. En hij bracht mij in eene donkere grot, waar gouden en zilveren vonken vlogen als een sterrenregen... Daar zat eene bleeke maagd, in diep gepeins gezonken. Schromend vroeg ik: quot; Wie zijt ge ?« En haar antwoord klonk : « Ik heet Liefde. Nooit heeft een voet dit heiligdom betreden. Dies twijfelen velen aan mijn alvermogen n ... Ze zweeg en staarde me aan met donkere, strakke blikken... Toen sprak ze weer; Gewiekt is uwe liefde ! ... Ga heen van mij, en wil vertroosting zoeken.... üwe liefdeboot — zoo broos — ligt zeilrêe op den vloed » Toen schrikte ik : de vrees had 't hert omvangen en gloeiend voelde ik mijne wangen branden. Ik stak in zee... doch eer ik landde, daar stootte 't bootje aan stuk op eene rots, en ik zou in de peillooze diepte zinken. Maar de ijzige koude van 't water beklemde mij de borst zóó, dat ik griezelend ontwaakte. Ik had gedroomd. Eilaas! de ijzige baren der naderende rampen hadden een deel van mijn hart, hadden de hoop, het vertrouwen, mijn levensheil weggespoeld.

-ocr page 56-

— 48 —

wolfard.

Maar dat 's een droom, eene hersenschim....

Clotildis (als uitzinnig.)

Neen, 't is geen droom, geene hersenschim... De koude werkelijkheid is daar : geene redding voor ons, maar een versch gedolven graf voor beider lijken ! [Zij valt als uitgeput in eenen leunstoel).

Wolfard (aan hare zijde).

Clotildis.... geliefd kind.... spreek die vreeselijke woorden niet uit, die als dolksteken het hart van uwen vader trelfen... Denk aan mij, dien boven alles liefheb... denk aan u zelve... Weet dat uw lijden mijn lijden is, en dat in mijn' geest, evenals in den uwe, op dit oogenblik slechts één denkbeeld zich opwerpt; Arnold redden, den beul het bloedige moordtuig uit de hand rukken... Eene gedachte schiet op dezen stond als een zonnestraal door mijn brein....

Clotildis.

Spreek! O vader, spreek !... Zoo gij Arnold redt, zult gij mij niet slechts eens, maar voor de tweede maal het leven geschonken hebben....

Wolfard.

Welnu,... om de redding van Arnold beter te kunnen bewerken, zal ik diegene van Robrecht insgelijks af-smeeken...

Clotildis.

Is het mogelijk, groote God 1

-ocr page 57-

— 49 —

wolfard.

't Is mogelijk. En zie, op dit oogenblik komen de dagen mijner jeugd mij weer helder voor den geest... Ik zal den Graaf herinneren dat Robrecht niet altoos de ellendeling is geweest, die de toekomst van hem gemaakt heeft... Ook hij eens streed, als jongeling, aan onze zijde. Ik zal de diensten herinneren die hij ais jong edelman bewees... Het geheugen zal mij ter hulp komen bij deze taak van menschenliefde, die God mij toevertrouwt...

Clotildis.

O dank, vader... Eene nieuwe zoete hoop daalt in mijn hart... Zoek, zoek in uwen geest... tracht den Graaf te overreden... en ik zal u zegenen tot mijn jongsten snik !

Wolpard.

Wat ik doen zal, zoo ik slaag in mijne pogingen, is niets dan mijn plicht. Arnold redde mij eens het leven, dit vergeet ik nooit. Welnu, het zal eene daad van vergelding zijn... Zijn leven moet mij voortaan zoo dierbaar zijn als het mijne... Begrijpt gij dan, geliefd kind, hoezeer uwe wanhoop de wanhoop in mijn eigen hart stort ?.. O, ik voel het, slaag ik er niet in de genade van Arnold te bekomen, het leven in Vlaanderen, waar alles mij de sombere gebeurtenis herinnert, zou voor mij onmogelijk worden. En verre, verre van ons land zouden wij de vergetelheid gaan zoeken....

Clotildis.

Neen ! neen, liever te sterven, dan het land te verlaten en in treurige afzondering te leven, te lijden, en langzaam door de hertpijn te vergaan... Het ware schoon te

4

-ocr page 58-

sterven, hier, waar Arnold zelf gestorven is... hier waar hij leed en streed, waar zijn graf zou zijn... Deengel des doods, bloemen strooiend op onze graven, zou onze ver-eeniging in den dood zegenen...

Wolpard

O zeg dat niet, kind, de bloem van uw jeugdig leven is nog niet uitgebloeid... en de hoop heeft zich van ons nog niet afgewend....

Derde Tooneel.

DE VORIGEN, KNECHT, LATER EEN GEZANT.

Knecht.

Heer Ridder, een gezant van den dooriuchtigen graaf.

[Knecht nf.)

Wolpard.

Gij wenscht ?

De Gezant.

(lleihl hem cenen brief-) Tn naam van den dooriuchtigen Graaf.

Wolpard.

Geef. Het grootste belang is misschien aan dit schrijven gehecht. [Hij leest; tot ülotildis) Moed, kind ; de Graaf wacht mij : wellicht breng ik u het leven van uw' hartvriend weer.

-ocr page 59-

— 51 —

Clotildis {nadat Wol far d haar omhelsd heeft.)

Gave 't de Almachtige !

WoLPARD.

Wanneer ik terug hierheen kom. breng ik u wellicht de genade van Arnold !

Clotildis.

Ga! ga, wees welsprekend, tref met uw woord het hart van den Graaf,... herinner hem de taak van pleegvader, de verantwoordelijkheid die de Hemel zelf hem oplegde... schets hem mijn lijden, en verlaat hem niet, eer het woord der vergiffenis van zijne lippen is gevloeid!

Wolfard.

God helpe me in deze moeilijke zending, Clotildis !

Clotildis.

Vader! {Lange omhelzing. — Wolfard rukt zich los en volgt den gezant.)

Vierde Tooneel.

Clotildis.

O twijfel die mijn hart verscheurt! O bange verwachting ! Zal de zon breken door de wolken die ik aan den hemel zie ? {.Gerucht buiten) Wat hoor ik ? Dit gerucht, die kreten?.. Mijn God, wellicht het volk dat naar de vierschaar henensnelt.... God! Ik voel mijn harte kloppen als ware mijn eigen laatste stond gekomen...

-ocr page 60-

Dat de engel der liefde mij steune ! Ik wil zien, ik wil hoorcn !

[Zij loopt verwilderd over het iooneel. Lina komt toegesneld.)

Vijfde Tooneel,

DE VORIGE, LINA.

Lina.

Genadige Jonkvrouw, nieuwe klachten, nieuwe tranen !.. .

Clotildis.

Maar zie dan toch... maar hoor dan toch... die beulen, zij gaan aan 't werk.... zie... zie !... [Zij leidt haar voor het venster, rukt het open en strekt den arm uit.) Ziedaar... de vierschaar.... Zie, die rechters ; hun hart is koud als het marmer van de zuilen der zaal... hunne hand omvat het wetboek... Die hand, ze heft zich slechts op om te kastijden, nooit om vergiffenis te schenken. En die wet! die wet is hardvochtig als degenen die haar toepassen... In die wet staat Arnold's vonnis wellicht te lezen..... maar hier in mijn hart, kon ik het openrijten, zoudt gij zijne onschuld kunnen lezen... Welnu, mocht ik die wet verscheuren, ik verscheurde daarvoor gaarne mijn hart meteen....

Lina.

Maar bedaar, wees kalm....

-ocr page 61-

— 53 —

Clotildis.

Kalm zijn op het oogenblik dat men mijn verloofde gaat veroordeelen! Zie.... {zij wijst op de geschenken) dit gaf men ons op ons verlovingsfeest Dit zijn de geschenken van de vrienden en van het volk. (Als in een' droom) 0, wij zouden zoo gelukkig zijn! Eene toekomst, rozig als de morgenstond, opende zich voor ons... Het was al zonneschijn, het waren al bloemen op onze wegen... Hij zou de dappere, door het volk geliefde edelman zijn; ik, zijne beminde gade, de engel van zijn paradijs... De vrede zou daar op gouden wieken ommezweven ; en waar hare vlerken zouden aanraken, zouden bloemen van geluk en weelde ontspruiten... Maar ach, de hemel verduisterde, de zon verdween achter de dreigende onweerswolken, het orkaan brak los en... ons geluk lag vernietigd voor onze voeten. Het noodlot gaf ons dien harden slag... Wij zijn verloren, verloren voor altijd!...

Lina.

Voor altijd ? Neen, genadige Jonkvrouw; als de nood het hoogst is, dan is de redding 't dichtst nabij. U zal het ook zoo gaan, zoo wij op God betrouwen, zoo wij geduldig lijden, waken en bidden.....

Clotildis.

Lieve, schoone geschenken ! Ik zal u bewaren als het pand onzer heilige liefde... en als Arnold in het graf zal rusten, zal ik met eerbied mijne lippen op u drukken, want zijne hand, de hand van den geliefde, heeft u aangeraakt... Die bloemen zullen verwelken, maar wat niet verwelken, niet vergaan kan, dat is de liefde die mij aan hem verbindt...

-ocr page 62-

— 54 —

Lina.

Wel heeft de kerker hem thans, maar ttjy hebben zijne ziel. En wie weet,misscliienbinnen enkele oogenblikken vieren we zijne terugkomst. Dan zal het lied der vreugd als eene lofhymme dankend tot den Heer opstijgen....

Cloïildis.

Toover mij geene bedrieglijke hoop voor: niets zou vreeselijker zijn dan de ontgoocheling... De ontgooche-ing is als de vernielende storm die de teedere bloem terneer werpt.....

Lina.

Op dit oogenblik moeten de rechters het beslissend woord hebben gesproken.. Ween niet, lijd niet,wanhoop niet... Nog kan de toekomst schoon worden, nog kan het de redding zijn die men ons straks zal aanbrengen.

Clotildis.

{Zij kust eene bloem en werpt ze met bitterheid ioeg.)

Maar neen,... waarom u te bewaren? Het is alsof gij mij aan de lippen kwetst.... iZij ijlt) Weg, bloemen, uwe kleuren en geuren bevangen mij nu met angst en schrik. Weg, edelgesteenten en juweelen, uw verblindende glans overlaadt me met afkeer! Daar, daar wordt Arnold veroordeeld, gevonnist en valt in de vreeselijke klauwen der tijgers, die zijn bloed eischen en zich verheugen in de wanhopige smartkreten die hy uit, in de laatste stuiptrekkingen die zijn gemarteld lichaam nog

weerstaan kan.....Ach, daar zijn ze, de moordenaars!...

Het vonnis is uitgesproken, hunne wraak is gekoeld !

-ocr page 63-

— 55 —

Hij is wellicht verloren ! Daar komt de gravin aan ; ze ijlt naar hier ! O God, misschien ! misschien is hij vrij ! Mijn arme Arnold zou vrij zijn, vrij !

Zesde Tooneel.

DE VORIGEN, JOLENDE.

Glotildis.

(Snelt lol haat-) Gravin, welke tijding brengt gij ? Is 't de vreugd, het geluk dat gij weer brengt.... of de smart en de wanhoop ? Heeft de vierschaar gesproken ?

Jolende.

Zij heeft gesproken.....

Glotildis.

O neen, spreek nog nietr... Mijn harte slaat... Mijn geest zou u niet begrijpen. . Uw toon... uwe stem... God ! zou het 't vonnis zijn !... Ik vrees !... ik lees in uwen blik !... Spreek, spreek... ik ben bereid.

Jolende.

God heeft aan de rechters de macht gegeven over het leven hunner medetnenschen te beschikken ; maar niet altijd dringt de blik der rechters door het floers van valschheid en bedrog.....

Glotildis.

Wat hoor ik ?.. Die gezegden!.. 0 somber voorgevoel dat in mijne ziel dringt als een gloeiende priem !... Wat zegde de vierschaar ?

-ocr page 64-

— 56 —

Jolende.

Haar uitspraak was... de veroordeeling van Arnold...,

Lina.

O Groote God, wat zal hier gebeuren ! iZij verwijdert zich in stilte.)

Zevende Tooneel.

DE VORIGEN, min LINA.

Cr.OTlLDIS.

God ! Hij moet sterven !

Jolende.

Ter dood veroordeeld ! De bijl zal het edel hoofd van mijn geliefd pleegkind treffen.

Clotildis.

(Staart verwilderd in 7 rond) De bijl ! schrikkelijk woord, dat als een wanhoopskreet in mijn oor snydt! O God van goedheid, God van medelyden, hebt gij uw oog van ons afgewend ?....

Jolende.

Ik zag het... ik hoorde liet... De baljuw las het doodvonnis en geen spier van zijn gelaat vertrok ! Die man, zooals hij daar voor mij stond, als het beeld der gerechtigheid, scheen mij wreeder toe dan de beul, die zijn vonnis zal uitvoeren.....

-ocr page 65-

— 57 —

Clotildis.

En.., Arnold ?... spreek !,...

Jolende.

Arnold hoorde de uitspraak aan met dien moed, die zijne fierheid en zijne grootheid is. Moedig zal hij ter dood stappen als een martelaar... Op dit oogenblik leidt men hem naar den kerker terug... de kerker, dat levende graf! ...

Clotildis.

(Wil weg) Ik wil hem zien, hem spreken... Mijn hart jaagt mij naar hem, ik wil hem uit de handen der beulen halen.... Hij moet leven !....

Jolende.

't Is te laat! De menigte omringt hem als een golvende stroom, dien gij niet doorwaden zoudt.... Blijf... de aandoening zou u dooden....

Clotildis {wil weg.)

Laat mij, want is het geen tweemaal sterven, hem veroordeeld te weten en hem niet te mogen zien ? (Zij vall in de armen van Jolende.)

Jolende.

Arm kind.. . bijna vergeet ik mijne eigen smart, als ik uw lijden zie. ..

Clotildis.

Zij dooden ons beiden. . als zij hem dooden, want hij is immers ons leven....

-ocr page 66-

— 58 —

Jolende.

Dit vonnis vergalt ons leven, gelijk een doodelijk gift.. Geen smeeken kon baten; mijne tranen vielon op het hart der rechters, als regen druppelen op den kouden steen : zij konden in die koude zielen niet dringen... En voor de rechterschaar stond de klaagster wreed, onverbiddelijk ! Tevergeefs sprak ik haar toe en bad... En nochtans, die vrouw is moeder geweest, en moet weten wat eene moeder lijdt, die haar kind ter slachtbank ziet sleepen....

Clotildis,

Gevloekt zij het woord der wet dat gesproken werd ! Gevloekt de geest, der geleerden, in die meedoogenlooze wet neergelegd !

Jolende.

En toch, we moéten 'thoofd ootmoedig bukken... Mijn gemaal en graaf, de machtige, de geduchte, hoeft zelf het hoofd moeten buigen voor die vorstin, die over allen en alles heerscht en die Wet heet. Hoe zouden wij dan, tweezwakke vrouwen, opstaan tegen die macht!... Laat ons op God betrouwen; van boven kan nog redding komen ; niet meer van hier beneden....

Achtste Tooneel.

DE VOKIGEN, WOLFARD.

wolfard.

(Snell lot Clotildis) Clotildis !

-ocr page 67-

Clotildis {Lange omhelzing)

Vader ! Hoezeer heeft de hoop ons bedrogen

Wolfard.

't Is de wil van God !

Clotildis.

't Is zijne en mijne veroordeeling-!

Wolfard.

Gij kent liet vonnis; het is als een donderslag1 op mijne ziel gevallen.

Clotildis.

O vader, kondet gij in mijn harte lezen!

Wolfard.

Ik zag den Graaf... ik smeekte hem de genade van Arnold... Hij kon niets. Hij vloekte zijne macht als de gevangene, die de ijzeren boeien met zich sleept... Toen kwam het vonnis.

Jolende.

En gij hebt niets, niets, verkregen ?

Wolfard.

Ja toch, eene laatste gunst voor u, Clotildis...

Clotildis.

Eene laatste gunst ? Spreek: een laatste zonnestraal in de duisternis van den akeligen nacht...

-ocr page 68-

— 60 —

wolfard.

Ja, maar ontstel u niet te zeer...

Clotildis.

Kan er nog eene aandoening zijn, treffender dan diegene die mij reeds getroffen hebben?... Ik heb alles gevoeld, alles geleden... Spreek...

Jolende.

Spreek !...

Wolfard.

Ik heb al verkregen wat de Graaf, uw genadige gemaal, kon schenken. De rechters mogen de schuldigen veroordeelen, de klaagster mag met de wreedheid eener tijgerin de toepassing van het vonnis vragen, de beulen mogen hunne onedele hand aan een edel hoofd slaan, maar de Graaf mag voor enkele oogenblikken den kerker ontsluiten voor de geliefde van den ter dood veroordeelde....

Clotildis.

Wat!... Is 't eeno nieuwe zinsbegoocheling?.. Ik mag hem zien ?...

Wolfard.

Gij moogt hem zien en spreken...

Jolende.

Ga dan tot hem, lief kind, en leg in uw' kus mijn' kus, in uwe streeling mijne streeling... Zie hem voor het laatst... fluister hem mijn laatsten groet toe... draag hem mijn woord van moederliefde, als op de vlerken eener engelin...

-ocr page 69-

— 61 —

wolfard.

Spreek hem geen moed in, want moed verliet hem geen stond... Zoo hij lijdt, dan lijdt hij door de gedachte aan u, aan ons. Omhels hem ook voor mij, hem die mijn geliefde zoon zou zijn.

Clotildis.

Ha! ik mag hem zien, ik mag hem spreken! Weg, booze geest van den dood! Kom tot mij weder, liefde ! 0 Arnold, laat mij uwe wrange tranen drogen. Kora, laat mij leven brengen in uw oog. Nu ga ik, gravin, nu ga ik, vader (omhelzing) en als men weder deze deur zal openen, dan is hij vrij ! Zoo niet, dan brengen de dienaars onze lijken!

Jolende (.terwijl Wolf ar d haar ondersteunt).

Arnold!

Wolpard.

Arme Clotildis!

GORDIJN.

-ocr page 70-

■VIEjR/DB BEDRUB1.

(Bene gevangenis met twee cellen. De cel van Robrecht van Oostenburcht bevindt zich rechts, diegene van Arnold links.)

Eerste Tooneel.

Robrecht.

Morgen aan de galg! Ja, doch niet ongewroken... Maar bijwijlen komt een somber denkbeeld in mijnen geest op, nog somberder dan de gedachte aan mijnen dood... Zullen edellieden niet samenzweren om den jongen prins te doen ontvluchten, dezen nacht?... Dan zou ik alleen den dood ondergaan... Met hem te sterven ware zoet, maar alleen... 't ware den kelk van gal en edik tot op den bodem ledigen... Ik zal op mijne hoede zijn: slapen de wachten, ik toch zal waken, waarschuwen, 't plan verijdelen... [gerucht] Ik hoor eenen wachter... Ja, eene nog betere gedachte dringt in mijnen geest,... eene gedachte die de hel mij ingeeft... Om het even, ik klamp er mij aan vast als de tijger, die zijne prooi grijpt... Aan ontvluchting kan hij niet meer denken... Deze kerker zal zijn

-ocr page 71-

— 63 —

graf zijn... En sterf ik met hem, mijn laatste kreet zal een triomfkreet zijn, want de duivel der wraak zal zijn werk hebben volbracht! De jonge graaf moet dezen nacht in mijne macht zijn!...

Tweede Tooneel.

DE VORIGE, EEN CIPIER.

De Cipier.

Hier hebt ge brood en water... Het is uw laatste eetmaal vóór gij dit leven met het eeuwige verwisselt... Morgen hebt gij dezen kerker verlaten... ook het leven...

Robrecht.

Eten noch drinken lust ik! Iets zou ik nog wenschen: ik wil dezen nacht rustig slapen, om dan morgen des te kloekmoediger den eindeloozen slaap des doods in te gaan. Weiger de laatste bede niet van hem, die morgen niet meer zal smeeken... {Neemt iets van zijn hart). Hier is eene gouden, kostbare amulet. De uwe wordt ze voor een weinig strooi.

De CiriER.

En denkt ge dan gerust te kunnen slapen ? De slaap der ter dood veroordeelden wordt steeds door sombere, bloedige droomen gestoord...

Robrecht.

Neen, neen, hier op deze plank zijn mijne ledematen bijna gebroken...

-ocr page 72-

— 64 —

De Cipier.

Het zij zoo dan. Bij het aanbreken van uw laatsten nacht xal ik u het gevraagde bezorgen.

Robrecht.

O heb dank, goede man! [kust zijne hand en geeft hem water en brood terug). Daar, dit lichaam is genoeg gevoed; de geest alleen moet hier verzadigd worden door wat rust!...

De Cipier.

Zooals ik zegde, met het aanbreken van den nacht. (ter zijde) Welke schat voor een armzalig bed ! (Af.)

Derde Tooneel.

DE VORIGE, min de CIPIER.

Robrecht.

Ongelukkige, verblind door den glans van het goud ! Gij bemerkt niet dat gij uw eigen doodvonnis bezegelt!.. Zoo brengt het goud het menschdom ten val, zooals de hoovaardigheid de engelen Gods in het verderf stortte. Ge ziet achter het strooi het vuur niet, de vlammende gevangenis en twee verkoolde lijken. O kleinood, wie u zal koopen, zal u schatten volgens uw gewicht; hij zal de duurzame herinneringen niet betalen die aan u verbonden zijn. Kleinood, geschenk mijner moeder, mijner zieke moeder! Zij wilde door dit teeken mij altoos doen denken hoe vast ik haar aan het harte lag... Ik sidder... Mijne moeder! mijne

-ocr page 73-

moeder!... Hoe lang reeds heb ik. aan u niet meer gedacht! aan uwe goedheid, aan uwe deugden ! Deze amulet, uw geschenk, moest mij als een zegen geluk bijbrengen. Het noodlot, het onverbiddelijke noodlot, dat geschreven staat op het boek der toekomst, heeft er anders over beslist... Uw geschenk leidt mij naar eenen vuurkolk, naar eenen laatsten moord, eenen moord op den boord van 'fc graf en dan... naar eenen zelfmoord. Ik sidder... moeder !... Hoe levendig zweeft uw beeld thans voor mijnen geest! Is er in mij niets goeds meer overgebleven ? Heeft de brandende adem van den haat de teedere bloem der menschelijkheid in mijn hart voor altijd doen verwelken ?

(Zinkt moedeloos en in gedachten verdiept op een

rustblok).

Vierde Tooneel.

DE VORIGE, ARNOLD.

[Arnold wordt door wachters in de cel gebracht, die zich terugtrekken).

Prins Arnold.

Ter dood veroordeeld ! Ter dood ! Moest dit dan 't einde zijn van mijne oprechte liefde!... Mijn leven, mijne liefde geleken eenen weelderigen vruchtboom, gestreeld door de zoete zonne, die zijne talrijke knoppen ontplooit en prijkt als een overgroote bloemruiker, doch, eilaas, door een ijskouden nacht verwelkt!... Zoo ook is mijne liefde geknakt... Zoo ook is mijn jeugdig leven vernietigd ! [Werpt zich op de knieën). Geen smeeken is in staat den sterken arm te

-ocr page 74-

— 6(3 —

keeren der gerechtigheid! Ik deed geen gruweldaad, o neen !... Clotildis, arme geliefde, -svat zal uw lot zijn, nu ge weet dat ons huwelijksaltaar een grafheuvel is geworden?... In plaats van zoete wierook, zal de geur der bloemen aldaar opstijgen, in plaats van stemmen uit het koor, zullen de vogelen daar onze vereeniging in den dood bezingen...

(Een cipier leidt Clotildis binnen).

Vijfde Tooneel.

DE VORIGEN, CLOTILDIS.

Prins Arnold.

O Clotildis, mijne verloofde !

Clotildis {in zijne armen.)

Verloofde aan een graf!... En in den voorgaanden nacht droomde ik nog dat een glanzende engel uit 't Paradijs, mijn geluk benijdende, geknield voor mijn bed, mij smeekte of ik wilde mijne heilvolle plaats op aarde verruilen tegen de zijne, in Godes schoone woon ! En ik weigerde....

Prins Arnold.

O Clotildis, uw droom brengt een akelig tafereel voor mijne oo^en; aan den voet der leliewitte, geurige huwelijksponde, zwart rouwtapijt, rookend bloed, een loodkleurig lijk !....

Clotildis.

O zwijg, dat is ijselijk !

L

-ocr page 75-

— 07 —

Prins Arnold.

Verschrikkelijk is de kamp dien ik heb door te staan, Clotildis.

Clotildis.

Arnold, uw lijden zal kort zijn, mijne marteling lanp'. lederen nacht zal ik over dat bloed en dat lijk moeten stappen voor mijn eenzaam leger. Er rusten ? Neen. zuchten, weenen, wanhopen ! En als de trage dag zal aanbreken voor mijne beschreide oogen, zal alles wat mij omringen moge, mij niet mijn droevig lot herinneren? Sappige druiven, heerlijke wijn.... voor mij bitterheid...; een moedig, prachtig ros, voor mij een moordtuig... Vreugde, smart, jeugd of sterven, liefde of haat, de stemmen der menschen en de stemmen der natuur zullen mij onophoudend toeroepen: Ongelukkige, ongelukkige !

Prins Arnold.

Vervlogen is de hoop. De muren van de gevangenis geven alleen weerklank van onze klachten. [Hij zakt neer.]

Clotildis.

Genoeg geweend. Werken wij, wen het nu nog tijd is. Zoek, o zoek, Arnold, in uwen geest eene redplank, voor ons, arme schipbreukelingen ; wij zullen er ons aan vastklampen, ons redden, of samen vergaan.....

Prins Arnold.

Het noodlot heeft als een storm mijne wilskracht vernietigd. [Rij zinkt wederom neer.)

-ocr page 76-

— G8 —

Cloïildis.

Ah ! üaar ligt mijn beminde reeds als levenloos ! Wat kan ik, zwakke, moegeschreide maagd?... Laat ons samen vluchten!.... Ik zal de wachten omkoopen, met milde hand goud en juweelen uitdeelen..,.

Prins Arnold.

De wachten zullen weigeren ! Mijne vlucht ware hun eigen doodvonnis.....

Clotildis.

Eene keuze blijft ons nog : u dezen nacht met geweld aan de wachten ontrukken. Ja, 't zij zoo... 'k doe de gevangenis bestormen door onze mannen... onze trouwe dienaars.... Morgen, ja morgen, zijn wij reeds ver van hier. Reismiddelen zullen ons niet ontbreken. Wij bereiken Jeruzalem en strijden als boetvaardigen onder de vaan van het Heilig Kruis.

Prins Arnold.

O zwijg, zwijg ! Ieder medehelper ware een slachtoffer te meer ! De wet zegt; Opstand, doodstraf.

Clotildis.

quot;Weg dat woord ! O neen, gij moogt, gij zult niet sterven, neen ! Uwe moeder, de adel, 't volk, ik, Vlaanderen in een woord, zullen met ééne stem om uitstel smeeken bij den Graaf.

Prins Arnold.

De wetten van den Graaf staan vaster dan eene rots.

-ocr page 77-

— 69 —

Clotildis.

Nog één middel. De ongelukkige vrouw, die uw leven geëischt heeft, door onze bede bewegen....

Prins Arnold.

Zij zoude 't vonnis kunnen heffen, vergiffenis schenken... O ja ! Maar kunt gij u verbeelden de woedende leeuwin die terugdeinst om te verscheuren den machteloos geworden vijand, die hare welpen gedood heeft?... Bij die gedachte wordt het nacht, stikdonkere, afgrijselijke nacht in mijnen geest. (IJlt) Daar staat een huis... ver afgelegen... eene vrouw ontvlucht in 't donker.... Wraakademend, schuimbekkend vliegt zij herwaarts... hoe snel drijft de angst haar voort! Zie, zij treedt den langen, smallen gang des kerkers binnen... Daar stuit ze op mij, haren beul... Hoor toe... ze kermt en huilt: Mijn kind, mijn echtgenoot! [Snikt) O schim, zink in het duister Niet.... uw kind, uw' man heb ik met inzicht niet gedood!....

Clotildis.

Uw lichaam is nog niet geofferd aan de wrake. De boezen kennen geene liefde, en zij die liefde kennen zijn de boosheid onbewust... Ik moet, ik zal u redden !... (kust Arnold) Dat is geen afscheidkus, mij lieve !

Prins Arnold.

Geen afscheidskus ?

Clotildis.

Neen, 't is de kus uwer dierbare pleegmoeder.

-ocr page 78-

Prins Arnold.

(Als in eenen droom] De Gravin ! Heilig beeld, dat ge voor mijnen geest doet opdagen, het hoofd omstraald met eene gloriekroon, in den vollen luister harer goedheid, harer zachtheid, harer deugd ! O dank, Clotildis, dat gij dit schoon tafereel voor mij hebt opgehangen. Mijne pleegmoeder ! zij die de plaats van moeder voor mij heeft ingenoinenn.... Zij was a!s een engel door God op aarde gezonden... zij heefc over mij gewaakt als over een' schat... En ziedaar hare belooning !... Breng haar mijn' kus, aan haar en aan den Graaf, die handelde, niet door zichzelven, maar door de Wet die boven hem is.... Breng hem mijn' kus en leg in dezen al mijne liefde, al mijnen eerbied, al mijne dankbaarheid.... (kitst haar.)

Clotildis.

Ook mijn geliefde vader denkt aan u.....

Prins Arnold.

Ah, de goede, de vrome man ! Het beeld der ridderlijkheid, der manhaftigheid!.... Hoe dikwijls was zijn woord een gulden raad voor mij, hoe dikwijls zijne hand eene aanmoediging in den strijd!... Omhels hem, duurbare Clotildis, voor de laatste maal....

Cloïildis.

Voor de laatste maal?.... Dat zal niet!....

Prins Arnold.

Kiet, zegt ge ? Watbeteekent ?....

-ocr page 79-

— 71 —

Cloïildis.

Dit beteekent dat op dit oogenblik een nieuw denkbeeld als een bliksemschicht in mijnen geest is gedrongen. Dit beteekent dat ik niet wil u aan de beulen prijs geven, als het ongelukkig kind dat door den adelaar wordt opgenomen en verscheurd. Dit beteekent dat de slag der bijl, die uw hoofd zou treffen, meteen mijn minnend hart zou doorklieven. Eindelijk, dit beteekent dat ik u vrij wil zien, vrij als de vogel in het luchtruim, vrij voor onze liefde, vrij voor ons leven....

Prins Arnold.

Maar hoe zult ge doen om ?....

Clotildis

Het plan dat ik opvatte staat nog niet in goed getee-kende lijnen voor mijnen geest... maar daar rijst het op in mijn brein, uit de nevelen van de onzekerheid... het glanst in 't verschiet als de zon der redding... Laat me... laat me... uwe beulen zullen u niet hebben... dat bezweer ik u.....

Prins Arnold.

Geliefde Clotildis, wees kalm. ..

Clotildis.

Neen, neen, geen stond meer gerust.... geen stond meer verloren... bid, hoop, want ik zal u de redding-brengen.... Een laatste kus nu.... die mij sterken zal in mijne onderneming... Arnold !

Prins Arnold.

Clotildis ! [Lange omhelzing. Zij rukt zich los.)

-ocr page 80-

— 72 —

Clotildis.

Tot later... tot later... wacht en betrouw op mij ! (Zij verlaat hevig het tooneel.)

Zesde Tooneel.

PRINS ARNOLD {alleen.)

Arme Clotildis, arme beminde ! Mijne ziel wordt bang en banger. Wanneer het lieve kroost niet meer ademt, reeds dood is, zegt de liefde tot de moeder dat het kind sluimert... leeft, uit de bezwijming zal opstaan, haar weder toelachen en haar ^moedern noemen zal. Zoo ook vergist gij u, Clotildis;... misschien zult gij na teveel krachtinspanning neerzinken, ook moedeloos en als aan den grond gespijkerd.... Misschien heb ik u voor de laatste maal gezien... voor de laatste maal omhelsd... Ik heb geen tranen meer ! O Clotildis, engelin, ik heb uw hart door onbezonnenheid gedood ! Mijne straf daarvoor is wreed !... Zooals de zondaar door het vlammend zwaard uit het Paradijs werd gejaagd, zoo

ben ik gejaagd uit het Paradijs der Liefde..... [zinkt

moedeloos op de rustplank.)

Zevende Tooneel.

DE VORIGEN, CLOTILDIS [door eenen cipier binnengeleid.)

[Clotildis treedt in de cel van Robrecht, diebeweeglooszit.)

Clotildis.

't Onmogelijke zelfs wil ik beproeven... Ben ik uitzinnig ? Ik denk dat Robrecht, de sluwe roover, raad zal vinden. Maar gaf de muil van den wolf 't lam ooit weder,

-ocr page 81-

— 73 —

dat hij met zooveel sluwheid veroverde ? O neen, ik vrees zijne woede niet. Zou de Voorzienigheid geen steenen hart kunnen raken, verzachten.-., tot edele gevoelens brengen ? (gaat lot Robrecht. — Robrecht ontwaakt.)

Robrecht.

Wat goed was, sterft in mij, o moeder ! Het slechtste blijft. Ik ga, want ik benijd aan allen het geluk op aarde... [ziet Clotildis en schrikt) Gij hier ?

Cloïildis.

Ik kom...

Robrecht.

Om mij te vervloeken?...

Cloth,dis.

Om u te smeeken... om raad!...

Robrecht.

Bij mij ?!

Clotildis.

Bij u, die mijn geluk hebt helpen vernietigen. Bij u in naam mijner moeder, die bij den Heer op mij nog waakt...

Robrecht.

Uwe moeder ?... O ! ik had ze zoo innig lief, ze schijnt voor mij te herleven... Ge zijt haar evenbeeld: hare wezenstrekken, hare gestalte, hare stem, dat alles herinnert mij aan haar...

-ocr page 82-

Cloïildis.

Gij vergeet hare ziel, die geheel goedheid, geheel edelmoedigheid was, eene ziel die nooit wraak, nooit haat kende... Het schijnt u dat ge de taal dier vrouw nog hoort... Zij spreekt ook tot mijn gemoed. Robrecht, hoort ge niet slechts ééne smeekende, maar twee samensmeltende stemmen, van uit de verte tot u gericht? Ja, uwe moeder in den hemel, die gij straks met angstvolle kreten aanriept, en mijne moeder, die bij God op mij, misschien op u ook, nog waakt! Zij roepen u toe: Robrecht, te veel misdaden hebt gij reeds bedreven, sta eindelijk stil op den verderfelijken weg der wraak! Trappel met uwe jongste stappen niet meer op twee slachtoffers: op het gebroken hart van Clotildis, op den bloedenden schedel van Arnold.

Robrecht

(den blik vestigend op de amulet, die hij in de hand heeft genomen).

De gedachtenis mijner moeder heeft reeds mijn geweten gescliokt. O zwijg...

Clotildis.

Zwijgen, waarom ? Een voorgevoel, gewis van hooger mij ingegeven, doet mij vreezen dat gij eene hinderpaal zoudet kunnen leggen in de redding van mijnen verloofde...

Robrecht {minachtend, terzijde).

Zou zij het plan kunnen vermoeden? [tot Clotildis). IJdele droom! Wie zou nog deze verlossing kunnen bewerken ?

-ocr page 83-

Clotildis.

Ik!

Robrecht.

Gij, zwakke maagd!

Clotildis.

Ja, en ik voorzie liet oogenblik, waarop gij zelf zoudt kunnen meehelpen ..

Robrecht.

Uwe liopelooze liefde verbeeldt u den arm mijner wraak verlamd. Wat zeg ik ! Opgeheven om deze wraak zelve te verijdelen?

Clotildis.

Ja! De omkeering in uwe gedachten en in uwe daden zal gemakkelijk geschieden, als gij de Robrecht uwer jeugd wilt herworden: Christen! Ridder! Als christen zult gij geen kwaad berokkenen aan uwen evenmensch, als ridder zult ge met taal en staal ten dienste staan der troosteloozen !...

Robrecht [spottend].

't Is zeer schoon wat ge zegt, maar cene begoocho-ling... Kan ik, de roover, de ellendeling, u goed doen in den laatsten stond mijns levens? Vraag, ik zal geven... alles wil ik geven... uitgezonderd: mijne wraak. Die is te koop voor niets ter wereld.

-ocr page 84-

— 76 —

Clotildis.

En 't is juist die waarop ik aanspraak maak...

Robrecht.

Wat, ge durft?.,.

Clotildis.

O, ik weet wel dat ik niet slagen zal bij het eerste woord... Ik weet wel dat uw gemoed eene sterke vesting is, welke men niet inneemt bij de eerste poging... Maar ik weet ook dat alle menschelijke gevoelens in u niet zijn uitgedoofd. Men verraadt zijn land, men staat aan liet hoofd der geduchte rooversbenden, men toont zich reddeloos verloren... maar men blijft toch altoos mensch... en in het diepste van dat harde gemoed schuilt nog altoos een gevoel, dat ontkiemen kan ten gepasten stond, en de mensch weer mensch doet worden! Dit gevoel, gij bezit het; zooeven gaaft gij daarvan zelf het bewijs, toen gij u verteederen liet door de gedachte aan uwe moeder...

Robrecht.

Wederom zij !...

Clotildis.

Ja, wederom zij! haar geest is hier en beschermt u... beschermt u tegen het begaan eener nieuwe laagheid... En morgen, op den stond dat gij met Arnold de straf uwer euveldaden zult moeten ondergaan, zult gij het hoofd verheffen en opstaan uit den modderpoel der ondeugd, waarin uwe ziel gedompeld ligt. Gij

-ocr page 85-

zult den arm van den beul tegenhouden en genade vragen voor Arnold...

Robrecht.

Wat hoor ik? Maar dit woord treft mij als de donder!... Maar vrouw, dwaalt uw geest of ben ik krankzinnig geworden ?

Clotildis.

Gij hebt het tooneel gezien ; gij zult de onschuld van Arnold aan de rechters blootleggen... Ook aan de klaagster zal ik genade afsmeeken... en Arnold zal gered zijn !...

Robrecht.

Wat, ik zou afstand doen van mijne wraak, mijne zoo zoete wraak, die mij als eene laatste verbleekende sterre toeglanst aan den horizont?... Ik zou mijn' vijand redden uit de handen der beulen, mijn' vijand, dien ik haat uit al de krachten mijner ziel?... Ik zou moeten heengaan met het denkbeeld dat uw vader, die mij mijne bruid ontnam, zich zou verheugen in uw geluk, nadat mijne wraak hem zóó gefolterd had? En ik alleen zou sterven?...

Clotildis.

Gij ondergaat eene rechtvaardige straf; maar Arnold's hart is rein als de vlekkelooze zomerhemel...

Robrecht.

Ik zou hem gelukkig zien, vrij, en ik zou niet meer daar zijn om mijne wraak te koelen?...

-ocr page 86-

— 78 —

Cl-otildis.

Aldus zult gij, door eene goede daad, de misdaden afkoopen die drukken op uue ziel, als do hand des doods reeds drukt op uw lichaam...

Robrecht.

Ik wil niet!...

Clotildis.

Denk aan uwe moeder! denk aan mijne moeder!

Robrecht.

Ik wil niet!

Clotildis.

Denk aan uwe eerste kinderjaren... uwe eerste gelukkige jeugd... 't Was al zonneschijn, al lielde, al weelde rondom u... Uwe moeder, als een engel goed en teeder, leidde uwe eerste stappen... Gij bewandeldet het pad der deugd... gij hoordet het zoete woord uwer moeder, die over u waakte als een schutsgeest... Alzoo gingt gij op een pad, bestrooid met rozenbladeren... alzoo groeidet gij op, en kendet zelfs de afschuwelijkheid der misdaad niet...

Robrecht (zich geweld aandoende).

Ik wil niet! Ik wil niet!...

Clotildis.

Doe het om harentwille... ga met den geest terug naar het rozige verleden... vlieg op engelenwieken

-ocr page 87-

— 79

naar het rijk der verbeelding-, waar lofhymnen opstijgen naar onze heilige moeders, die daar tronen als vorstinnen...

Kobrecht.

O zwijg... zwijg!...

Cloïildis.

Word weder goed, weder rechtvaardig, weder deugdzaam... Een zacht blauw oog, het oog van diegene die u het leven schonk, dringt van uit den hemel tot dezen somberen kerker door... Aarzel, aarzel, ja en geef toe...

Robrecht.

God! Ik voel dat ik... bezwijke... Zou voor mij niet alles reddeloos verloren zijn ?

Clotildis.

Luister naar uw hart. leder uwer hartkloppen is een woord dat u tot genade aanspoort... Het is immers zoo bovenmenschelijk wreed de onschuld te treffen... Als gij door de traliën dezer sombere gevangenis heenstaart naar het zonnige veld, ziet gij dan de blanke duive heen en weder vliegen, en de bloedgierige valk, die neerstort op het onschuldige dier... Zoo ook met Arnold, den onschuldige, dien gij treffen zult. v

Robrecht.

Houd op, in Godsnaam!

-ocr page 88-

— 80 —

Cloïildis.

't Is de stem uwer moeder die door mijn' mond spreekt... Wat antwoordt gij aan haar, aan haar, die u met de melk harer borst, met het leven van haar leven heeft gevoed Spreek! spreek!... Wat antwoordt gij aan mijne moeder, die u toeroept: Genade voor mijn kind, mijne dochter... Zoo gij haar beul wordt, dan kunnen wij, evenmin als we in 't leven waren, in den dood vereenigd zijn... Gij eischt wraak, niets dan wraak... Weet gij dan niekongelukkige, dat ook mijn vader zich voor u vernederd heeft?...

Robrecht (getroffen).

Wat, hij! mijn vijand!... Neen, gij spot, gij wilt mij met hersenschimmen doen bezwijken...

Clotildis.

Ik zweer het... mijn vader zelf heeft afstand gedaan van den haat, die hem bezielde... Tot den Graaf is hij gegaan... en heeft hem het verleden voor den geest gebracht... uwe jeugd, uwe eerste roemrijke daden! Welnu, gij die dit alles hoort, koel nu uwe wraak... sla ons met onmeedoogende hand... verniel onze toekomst, wasch u de handen in onschuldig bloed en zink neder in uwen kerker, wreed en voldaan als de bloedgierige tijger, die zijne prooi in de roodgeverfde klauwen verscheurt...

Robrecht {eensklaps besloten).

Welnu!... Arnold zal...

Clotildis [vol angst.)

O spreek... spreek!...

-ocr page 89-

— 81 —

Robrecht.

Het zij dan zoo! Arnold zal leven.

Clotildis.

Mijn God !

Robrecht.

Hij zal leven, zoo ten minste mijn woord hem het leven kan schenken... en zoo de klaagster zelve niet weigert... Gij hebt mijn hart geroerd... De beeltenis mijner geliefde moeder is voor mijn oog verschenen, stralend van licht en van glans. Ik weet niet wat op dit oogenblik in mijne ziel omgaat... Een zonderling gevoel, datgene van het berouw, overstelpt mijn gemoed...

Clotildis.

Het is de redding die opdaagt in 't verschiet... Bid, bid, de genade van den Heer heeft u getroffen! Gij zult sterven op de aarde, maar misschien leven in het eeuwig rijk ! En immer zult gij leven in het harte van de dankbaren, die gij door uw woord zult verplichten...

Robrecht.

Ik ben het zelf die u dankt, met tranen van berouw en van geluk... En gij, moeder, lieve moeder (hij richt den blik omhoog) vergeef uw' zoon die eens een misdadiger was, en dien gij hebt gered!... Dank, dank, voor het licht dat gij in mijne duistere ziel hebt doen dalen !. . Tot mijn laatsten snik zal ik uwen naam zegenen... en ik zal naar den dood gaan met een dankgebed op de lippen...

(Men hoort gerucht.)

6

-ocr page 90-

Clotildis.

Men komt... Ik wacht u morgen op de strafplaats. Ons lot ligt in uwe hand...

Robrecht.

Eene laatste gunst! (grijpt hare hand en kust zé) Deze kus bezegele de heilige belofte... Bid voor mij en hoop... hoop!

Clotildis.

O dank, dank! Eene eerste zegepraal heeft God ons verleend... Vaarwel... tot morgen... tot morgen... en weze God u genadig!

[Spoedig af.)

Achtste Tooneel.

Robrecht (alleen.)

En ik, rampzalige,... die deze gevangenis in de vlammen zou doen opgaan!... Neen, deze kerker zal mijn graf niet worden, hij zal integendeel de tempel zijn waaruit mijne ziel tot den Heer zal opstijgen!...

Negende Tooneel.

DE VORIGE, DE CIPIER.

(De wachter komt met twee bundels stroo.)

Robrecht (neemt de amulet!)

Laatste kleinood mijner moeder, ik kus u voor de laatste maal... gij hebt mij gered !

-ocr page 91-

— 83 —

De Cipier [het stroo ten gronde werpend.)

Hier is 't gevraagde... herinner u uwe belofte...

Robrecht.

Neem, neem,... en wees 'gij ook er gelukkig mede.

De Cipier.

God zal u zegenen. Gij houdt uw woord. {Af.)

Tiende Tooneel.

Robrecht [alleen, wijzend op het stroo.)

Geschikt werktuig voor een afgrijselijken nacht!... Weg, o weg, boosaardig plan!... Gij zult dienen om een laatsten slaap te geven aan eenen ellendeling, 't is waar, maar aan een berouwhebbenden zoon en ik zal hier droomen... eene laatste maal droomen aan haar, wier herinnering herboren is in mijne ziel... Ik zal eene laatste maal gelukkig zijn, zooals ik het sinds jaren niet was. . In het rijk der verbeelding zal mijn geest ommezweven en de zaligheid vinden, die de koude werkelijkheid mij niet geven kon... O nietig stroo! Zooals Clotildis zegde, zult gij dienen tot den zachten slaap van een' christen... van een ridder!

(Hij zinkt moedeloos neder.)

-ocr page 92-

— 84 —

Elfde Tooneel.

Arnold [als ontwakende uit een hangen droom).

Weg! weg!... akelige droom!... Clotildis!... neen, ik wil niet sterven!... ik zal en kan niet sterven!... verwijder van mij het afgrijselijk spook van den dood!...

[Hij zinkt neder).

GORDIJN.

-ocr page 93-

VIJFDE BEUDK/UF1-

Eene kleine zaal in het slot van Graaf Koude wijn.

Eerste Tooneel.

Graaf Boudewijn

{alleen op het achterplan, de hand uitgestrekt in de richting der kerk.)

De laatste mis!. . De laatste bede!... Nog enkele oogenblikken, en de twee ter dood veroordeelden verschijnen voor Gods rechterstoel ! Plechtig uur, waarop mijne ziel beangst en bekommerd is, als ware ik zelf een der twee schuldigen !... {Hij treedt naar voren.) Schuldig!... Arnold schuldig!... Ik zelf heb het gezegd, en mijn woord is wet! Ja, wet is mijn woord, zelfs voor diegenen, die mij het meest aan 't harte liggen... O! vreeselijke verantwoordelijkheid, die weegt op de grooten der aarde ! Op hen rekent het volk, van hen verwacht het volk gerechtigheid, niets dan gerechtigheid ; en niemand weet hoe zwaar, hoe verpletterend zwaar die taak soms op hunne schouderen weegt!... Arnold, mijn goed, mijn duur-

-ocr page 94-

baar kind; ik, die voor u een vader was, ik ben thans uw beul geworden! .. Somber denkbeeld, dat mij vervolgt, dat mij dag noch nacht ruste laat, dat als eene slang knaagt aan mijne hersenen ! Heb ik goed, heb ik slecht geoordeeld?... Te vergeefs zoek ik mijn geweten te stillen, te vergeefs tracht ik mij zeiven te verzekeren, en gewapend met de wet der rechtvaardigheid, het hoofd met zekerheid op te heffen... Ik word heen en weer geslingerd op den oceaan van den Twijfel, den vreeselijken Twijfel!... {Men hoort eene klok luiden.) Het uur der gerechtigheid is geslagen; iedere slag bonst in mijn hart!... En nochtans, ik ben de moedige, de fiere Graaf Boudewijn, de geduchte, wiens naam het volk uitspreekt met evenveel vrees als eerbied... (Men hoort de tonen van het orgel in de kerk.) Hoor, daar binnen knielen zij neder voor de laatste maal, Robrecht, de ellendeling, en nevens hem, Arnold... Arnold en Robrecht! Is het mogelijk, mijn God, dat zooveel goedheid, zooveel deugd, ter slachtbank worde geleid met en nevens zooveel arglist, zooveel boosheid !... O, waarom heeft de Opperheer mij zoo machtig, zoo groot gemaakt en tevens zoo onverbiddelijk, ja, zoo wreed ?...

Tweede Tooneel.

DE VORIGE, JOLENDE.

Jolende.

Mijn echtgenoot en Graaf, reeds beproefde ik alles wat de liefde eener gemalin en moeder kan ingeven... Welhaast zal het laat zijn! Blijft de mensch, de echtgenoot, de vader, ongevoelig ?...

-ocr page 95-

— 87 —

Graaf Boude wijn.

Wat wilt ge zeggen ?

Jolende,

Daarbinnen, in de kerk, wacht Arnold op den stond der terechtstelling...

Graaf Boudewijn.

Ik weet het, ik weet het...

Jolende.

Heeft nog geen gevoel van menschelijkheid, van medelijden, uw hart getroffen?...

Graaf Boudewijn.

Gravin, ik zegde 't u reeds, en dit te herhalen verscheurt mijne ziel, ik heb Arnold bemind, verpleegd als mijn eigen zoon. Mijn leven hadde ik voor hem veil gehad. Hij is het kind van een' edelman, een' mijner oude strijdmakkers. Ik zelf heb zijne eerste stappen geleid op den weg der deugd en des roems. O, ik hadde hem willen zien in den vollen glans der mannelijke jaren, zijn' Graaf en zijn vaderland dienend met die gehechtheid, die eerlijkheid, welke zijn vader zelf schonk aan Graaf en land .. Ik hadde hem een gelukkig gemaal, een bemind landheer, een dapper krijgsman willen zien; ik hadde willen kunnen zeggen: Dat is mijn werk, zulke zonen heb ik aan het vaderland geschonken... [met doffe stem) Hij is gevallen : de straf moet hem treffen, de dood wacht hem !...

-ocr page 96-

Jolende.

En gij zelf richt de hand van den beul! O Graaf, wees genadig-... voor hem en voor u !... Voor u, ja, want gij bemint hem, en gij weet dat zijne misdaad geene misdaad is, dat Arnold niet kan gelijk gesteld worden, niet kan gestraft worden als een gemeene ellendeling... gelijk Robrecht.

Graaf Boudewijn.

Robrecht wacht de galg... En Arnold's hoofd zal vallen onder de bijl... Ziedaar het onderscheid dat ik gemachtigd ben te maken... Robrecht sterft als een moordenaar, Arnold geniet het voorrecht der edellieden...

Jolende.

Het is eene spotternij !

Graaf Boudewijn.

Als Vorst ben ik door het volk geroepen om de rechtvaardigheid te doen heerschen... De Vorst zwoer op de H. Schrift en zal zijnen eed getrouw blijven ! Eenen Abraham gelijk, zalik gehoorzamen... [hij legt de hand op zijn hijlken) aan 't bovennatuurlijk bevel!

Jolende.

Maar God heeft het slachtoffer aan de handen van den aartsvader ontrukt, vergeet het niet!.. (Verwilderd) Ik vervloek uwe te strenge wetten ! 'k Vervloek den stijfhoofdigen rechter die ze doet uitvoeren. Hij straft alleen de stoffelijkheid der daad, zonder rekening te houden met het bewust inzicht, dat alleen schuldig kan maken. Wilt gij, Graaf, dat een afgrond, een

-ocr page 97-

— 89 —

roode afgrond ons voortaan van elkander scheide? Wilt gij dat onze liefde na dezen dag ophoude te bestaan ? Dat, als mijn blik den uwe ontmoet, ik in u den beul mijns kinds zie ? Spreek, wilt gij voor altijd de banden verbreken waarmede de echtelijke liefde ons aan elkander had geklonken?... Staat de wet boven de Liefde, boven alle menschelijk gevoel ?

Graaf Boudewijn.

Zwijg! Uw woord pijnigt mij als een dolksteek !

Jolende.

Maar gij die de harten breekt, gij die aan de beuls-handen overlevert het kind, dat u door de vriendschap werd toevertrouwd, pijnigt gij niet meer mijn hart, dat vol liefde was voor uw onschuldig slachtoffer?... Graaf, denk aan dien vader, dien dapperen edelman, die aan uwe zijde zijn bloed voor Vlaanderen vergoot... Voortaan geene rust meer voor u... geen nacht zonder schrikwekkende droomen... droomen die de schim des dooden voor uw oog zullen doen opstaan, u toeroepend : « Graaf, wat hebt gij met mijn kind gedaan ? »

Graaf Boudewijn.

Stil, ongelukkige., stil, men komt.

Derde Tooneel.

DE VORIGEN, CLOTILDIS.

Cloïildis

{komt voor Graaf Boudewijn neder knielen.)

Genade! Barmhartige Graaf, genade ! Kan de bede eener liefderijke pleegmoeder u niet treffen, dat de

-ocr page 98-

— 90 —

smeekingen eener geliefde bruid uw harte roeren. Geef Arnold weder aan het leven, aan mij en aan u zei ven.

Jolende.

Graaf Boudewijn, zal de wanhoop eener onschuldige maagd u onverschillig laten ?

Graaf Boudewijn.

Kon ik terugkomen op de genomen beslissing, uwe tranen zouden lang reeds mijne ziel getroffen hebben. Ik kan niet, ik mag niet...

Clotildis (staat recht).

Ik zeg dan : uwe wet is de rechtvaardigheid niet. Want de rechtvaardigheid maakt onderscheid tusschen den gemeenen moordenaar en den ongelukkigen edelman, dien alleen de onvoorzichtigheid in het verderf stortte.

Jolende.

Spreek, Graaf, wat besluit gij?

Graaf Boudewijn.

Ik ben Vorst en nochtans machteloos. Slechts één mensch ter wereld kan een woord spreken, dat hooger klinke dan het mijne.

Clotildis.

Wie, wie ? Spreek !

-ocr page 99-

— 91 —

Graaf Boudewijn.

Het is de moeder van het ongelukkige kind. Zij, als klaagster, kan vergeven; ik, als Vorst, kan slechts bidden...

Clotildis.

Zij, de klaagster ! O, ik heb reeds aan haar gedacht... Mijn eerste denkbeeld vloog ais een bliksemschicht tot haar. . Zij zou hoop, genade en redding schenken... Dit dacht ik, en reeds had ik dezen droom voor de werkelijkheid gehouden. Eilaas, hoe wreed ben ik bedrogen geweest!. . Ik ben tot haar gegaan, ik heb haar gesproken en gebeden...

Jolende.

En... wat was het antwoord?

Clotildis.

Een woord zoo wreed, zoo onverbiddelijk als de wet zelve... Haar hart is koud... of het voelt slechts de warmte van het wraakgevoel...

Graaf Boudewijn.

Zij weigert dus ?

Clotildis.

Zij heeft mij eene eerste maal geweigerd..

Jolende.

Maar ik zal eene tweede maal met u gaan... Zij was ook moeder... Welnu, eene moeder zal tot eene moeder spreken. Een moederhert zal zich in een moederhert uit-

-ocr page 100-

storten... Ik zal haar spreken over haren echtg-enoot... ik zal haar den lach en den kus van haar kind herinneren... niet om wraak te eischen... maar om het zoete woord der vergiffenis te spreken in den naam harer duurbaren. O, zij zal mij aanhooren, de stem mijns harten roept het mij toe... Wat eene zwakke maagd alleen niet vermag, dat vermag de moeder, die op de wang nog den kus van haar geliefd kind voelt drukken...

Clotildis.

Geen stond is te verliezen. Ik wil haar zien, haar spreken... haar verteederen...

Jolende.

Kom, kind, gaan wij haar opzoeken... Ik zal met u gaan...

Graaf Boudewijn.

Gij, Gravin! tot eene vrouw uit het volk gaan?

Jolende.

O, wat geeft mij het menschelijk aanzien ? Staat de liefde van mijn' Arnold, mijn duurbaar pleegkind, niet zooveel hooger?

Clotildis.

En zouden wij niet liever alles verduren, allo vernedering onderstaan, dan hein voor onze oogen te zien sterven, dien wij allen lief hebben als ons leven zeiven?...

-ocr page 101-

— 93 —

Graaf Boudewijn.

Geve God dat het hart dier vrouw niet ongevoelig blijve! Doch ik vrees. Wat zal doorslaan in de weegschaal : het wraakgevoel of uwe bede ?

Jolende,

God zal ons sterken. Wie op Hem betrouwt, verliest nooit.

Clotildis.

O, het denkbeeld dat Arnold, mijn eenige, duurbare Arnold, mij zoude kunnen ontvallen, maakt mij als uitzinnig!... Ik zie voor mijne oogen den bloedrooden beul met de blinkende bijl... Een ruk !... een slag... het bloed stroomt! O 't is ijselijk !... Neen, neen ! ik wil niet! neem mijn leven, maar niet het zijne...

Jolende.

Bedaar, kind...

Clotildis.

Liever met hem vereenigd te zijn in den dood, dan hem alleen te zien sterven... Liever de bovenmensche-lijkste pogingen aangewend... De ruwste harten moeten gebroken, do wreedste gemoederen verteederd... Ik wil hem vrij zien, vrij, vrij !... Want aan zijne vrijheid hangt mijn leven, mijn geluk !... Arnold, dierbare Ai^nold, ik zal u redden, of ik daal met u in het graf!...

Graaf Boudewijn.

Heb moed, de laatste poging is wellicht de gunstige...

-ocr page 102-

— 94 —

Clotildis {als uitzinnig.)

Kom, kom, de tijd zal stilstaan om hem te redden... Kom! Maar wat aarzelt ge toch ? Voelt ge niet dat iedere stond mij eene eeuw toeschijnt ? Kom, werpen wij ons aan hare voeten... En zoo zij ons zijn leven niet geefo, dan neemt zij het mijne ! Kom...

Graaf Boüdewijn.

En waarheen ?

Clotildis.

God zal ons ook leiden. Wij zullen haar vinden, ons hart zal ons zeggen waar...

Jolende.

Kom, eer de noodlottige stond daar is.

(Zij legt den arm om Clotildis en verlaat met haar het tooneel.

Vijfde Tooneel.

Graaf Boüdewijn (alleen.)

[De hand naar de twee vrouwen uitstrekkend.)

Gaat, en vraagt aan eene volksvrouw wat uw machtige Graaf niet geven kan... Gaat, spreekt en wint haar hart!.... {Naar voren komend.) Binnen enkele oogenblikken zal de beul het zwaard grijpen en ik zelf zal het hem niet kunnen uit de hand slaan.... O vreeselijke dag, de vreeselijkste mijns levens!... Ik stond op het slagveld, het bloedige zwaard in de hand... En toch voelde ik niet het hart

-ocr page 103-

— 9o —

zoo bang als op dezen stond... Wat heb ik gedaan, wat ga ik doen?... Het kind van mijnen vriend ter slachtbank brengen... Het edele kind van eenen edelen vriend!. . 0, zware taak, die de Hemel op mijne schouderen doet wegen !.... En welk schrikkelijk tooneel doet zich op dit oogenblik voor mijnen geest voor!... Daar... ddar... (als in eenquot; droom) in den bloedrooden schijn van het verschiet... verschijnt de schim van den rampzaligen vader... Spreek, wat wilt ge van mij, wreede gestalte?... Waarom houdt ge uw wrekend oog zoo strak op mij gericht, waarom die hand zoo dreigend opgeheven?... Uw kind !... uw kind !... wat ik met uw kind gedaan heb?... Groote God! ... genade ! [knielend.) Vergiffenis, vriend 1 ongelukkige vader! vergiffenis!... De plicht, de onverbiddelijke plicht heeft mij bevolen! Het noodlot heeft mij geleid... Vergiffenis ! [Springt recht) Verdwenen ! verdwenen is die schim, met een somberen grijnslach op 't gelaat... Hemel, was het eene vreeselijke zinsbegoocheling, of was het de akelige werkelijkheid? (Gerucht) Wie nadert?... Wie stoort mij op den stond dat ik alleen wil zijn, alleen met mijn geweten?... Wat zie ik?... Zij !

Zesde Tooneel.

DE VORIGEN, GEERTRUIDE.

Geertruide [komt langzaam vooruit.)

Genadige Graaf... .

Graaf Boüdewijn [schrikkend.)

Wederom gij ! Wederom met dien somberen blik, die dreigende houding...

-ocr page 104-

— 06 —

Geertrüide.

Graaf, het lijden heeft mijn lichaam diep gemarteld...

Graaf Boudewijn.

Brengt de Gravin, brengt jonkvrouw Clotildis u hierheen ?

Geertrüide.

De Gravin... jonkvrouw Clotildis?

Graaf Boudewijn.

Zij zochten u.

Geertrüide.

Mij, de rampzalige moeder?

Graaf Boudewijn.

Zij zouden vragen... u smeeken...

Geertrüide

[doet eene schrede voorwaarts, het hoofd opheffend.)

Ik begrijp!... Men wil van mij de genade van prins Arnold, deti moordenaar van mijn kind en mijn echtgenoot... Van mij !... Genadige Graaf, ik ken uwe gerechtigheid... En indien ik het waag tot hier te komen, dan is het juist om u te vragen, het gevelde vonnis te doen uitvoeren in al zijne strengheid... bij hebt haar gezegd, niet waar, aan de Gravin en aan de bruid des moordenaars, dat geen haarbreed van de wet, de strenge, maar toch rechtvaardige wet zal

-ocr page 105-

worden afgeweken? Gij hebt haar gezegd, is het niet zoo, dat de moordenaar van mijn kind de straf zijner euveldaad zal ondergaan?... Gij zwijgt?

Graaf Boudewijn.

Gij alleen hebt het recht genade te schenken, dit zegde, ik. Het lot van mijnen pleegzoon is in uwe handen.

Geertruide.

Ik wil gewroken zijn. De wraak is de vergoeding voor diegenen die onverdiend lijden, zooals ik... Ik wil zijn bleek gelaat zien, op het oogenblik dat hij naar de slachtbank gaat.... Ik wil zijn smeekenden blik op mij, zijn slachoffer, gericht zien... Ik wil met een gebaar van afkeer zijne laatste bede tot genade afslaan... Ik wil zijne laatste klacht hooren, die mij zoet in de ooren zal klinken... Binnen enkele oogenblikken, als zijn hoofd rolt, zal de eerste lach over mijne lippen komen, sedert den dag van smart en wanhoop...

Graaf Boudewijn [zich geweld aandoende.)

't Is uw recht. Mijne wet waarborgt u dat recht. Maar rechtvaardig zijn, wil dit zeggen wreed ?

Geertruide.

Hoe, Graaf, gij ook?... gij aarzelt?...

Graaf Boudewijn.

Ik zal geen stap wijken van den voorgeschreven weg. Wilt gij dat hij valle, hij zal vallen... En toch...

-ocr page 106-

— 98 —

Geertruide.

En toch... spreek... ik sidder...

Graaf Boudewijn.

Vrouwe, wilt gij de genade vorkoopen voor geld?... Wilt gij rijk zijn ?...

Geertruide [bitter.)

Rijk zijn ?... Ik ben rijk geweest: de liefde van mijn' echtgenoot was mijn alles... Met hem was ik gelukkig en machtig; zonder hem is 't de ellende, de zedelijke en de stoffelijke ellende... Kijk zijn?... Maar ik ben het jaren aan zijne zijde geweest... In onze nederige hut heerschte meer gelukkige weelde dan in uw grafelijk slot... Geld!., aan mij?... Voor mijn kind!... Voor mijnen echtgenoot!... Maar zeg mij toch, op hoeveel schat gij den kus van mijnen echtgenoot?... Hoeveel geeft men voor iedere streeling, voor iederen zoeten blik?... Hoeveel kost eene omhelzing?... Mijn arm kind, het was zoo goed, zoo lief, zoo schoon!.. In zijn oog lag voor mij de gansche wereld; in zijn'stamelend woord hoorde ik de heerlijkste muziek ; in zijn' kus lag al mijn geluk, al mijne weelde... En nu, 't is gedaan !... gedaan voor eeuwig! Neen, Graaf, dat is voor geen geld te koopen!...

Graaf Boudewijn.

Straks zult gij de Gravin zien en jonkvrouw Clotildis.

Geertruide.

Neen, neen... ik wil haar niet zien !... ik wil niet! Ik wil mij gansch overgeven aan de vreugd van dezen

-ocr page 107-

— 99 —

laatsten dag... de vreugd welke de wraak mij in 't harte legt!... Ik wil geen woord van vergiffenis hooren noch spreken !... De beul gaat zijne prooi hebben, en ik zal juichen als het hoofd van den moordenaar van mijn' echtgenoot en van mijn kind zal vallen...

Graaf Boudewijn.

Uw laatste woord ?

Geertruide.

Het was mijn laatste woord.

Graaf Boudewijn.

Zelfs als ik u vraag... u smeek...

Geertruide.

Zelfs dan. God alleen kan mijn besluit doen veranderen.

Graaf Boudewijn.

Geve God dan, dat hij, op 't uiterste oogenblik, eene gedachte van medelijden in uwen opgewonden geest late dalen !...

Geertruide.

Neen, neen, ik wil niet!... Ik vraag de wraak, ik wil zijn bloed, ik eisch gerechtigheid !

(Verwilderd aj).

-ocr page 108-

— 100 —

Graaf Boudewijn.

Gods gerechtigheid hebbe dan haren loop!

(Hij verwijdert zich rechts).

(Het achterdoek gaat open. — Het tafereel verbeeldt de gerechtsplaats. De Baljuw en de andere rechters hebben plaats genomen op een verhoog. — Arnold en Robrecht zijn omringd door beulen en krijgslieden. — Volk).

Zevende Tooneel.

ARNOLD, ROBRECHT, DE MINNEZANGER, DE BALJUW, RECHTERS, WACHTEN, BEULEN, VOLK.

De Minnezanger [komt op den voorgrond.)

Gods gerechtigheid gaat geschieden !... Het stond in brandende letterteekens op het boek der Toekomst : de bloem der onschuld zou door den storm van onrecht en bedrog worden terneergeslagen !... Ween nu. Muze, tokkel heden de gouden snaren niet, ween en bid, het is heden een dag van rouw... Een lijkkleed ligt over de aarde gespreid... en in de verte tampen de klagende klokken haar wegstervend klaaglied... Gerechtigheid gaat geschieden ! Verheug u, o mensch, want de wet, die het menschelijk genie schiep, treft heden twee levens, die uwe rechters hebben veroordeeld !... De beulen staan gereed ; hun bloedig kleed werpt eene bloedige vlek in het verschiet... Onverbiddelijk staat de rechter, levend beeld van Gods gebod op aarde ! De Graaf komt, het vreeselijk pleit is aangevangen!... Ween nu. Muze, tokkel heden de gouden snaren niet; ween en bid, het is heden een dag van rouw !...

-ocr page 109-

— 101 —

Achtste Tooneel.

DE \ORIGEN, DE GRAAF, RIDDER WOLFARD.

(Dc Graaf verschijnt met zijn gevolg, vergezeld van Ridder Wol far d Hij gaat plaats nemen op ecri troon).

Ridder Wolpard.

Weledele Graaf, wees genadig, denk aan uwen pleegzoon, mijnen redder; denk aan mijne dierbare Clotildis, wier hart gij breekt, wier geest gij doodt.

Graaf Boudewun.

O ridder, zwijg, breng mij in dit pijnlijk oogenblik geene akelige hersenschimmen voor den geest. Ontneem mij den weinigen moed niet die mij bezielt. Zoo ik voor de oogen van mijn volk schijn te aarzelen, dan is mijne gerechtigheid in Vlaanderen uitgestorven...

De Baljuw (tot den Graaf.)

De vierschaar groet u door mijnen mond, genadige Graaf. De stond nadert waarop uwe wet wordt uitgevoerd.

Graaf Boudewun.

Het zij zoo. Uw Vorst heeft voor God zijn' plicht gedaan, gij deedt den uwe.

[Verwarde stemmen in de verte.)

-ocr page 110-

— 102 —

Negende Tooneel.

DE V0R1GEN, JOLENDE.

Jolende (verwilderd.)

Genade! genade!... Menschen, moeders, vaders, kinderen, genade! Laat mij sterven, in plaats van hem!

Graaf Boudewijn.

De Gravin !... hier!... bij dit tooneel!

Prins Arnold.

Moeder!... moeder! (wil tot haar.)

(De wachten houden hem tegen.)

Jolende.

Beulen, draagt gij dan geen hart in den boezem ?... Moordenaars !. .

Het Volk

[knielt en wendt de handen smechend naar den Baljuw.) Erbarming!

De Baljuw.

Ik ben onmachtig!... De wet heeft gesproken !... Jolende.

De eenparige stem van 't volk spreekt den wil van God uit, en Gods wil staat boven de wet!

-ocr page 111-

— 103 —

De Baljuw.

Te laat!

[Men hoort, de doodsklok luiden.^

jolende.

De doodsklok luidt!... Hare laatste slagen gaan versterven... Heer Baljuw! Eene laatste bede!

De Baljuw.

Genadige Gravin, het voegt u niet te smeeken... Beveel, en zoo de wet liet toelaat, zal het geschieden...

Jolende.

Laat mij voor de laatste maal mijn' pleegzoon omhelzen.

De Baljuw.

Het zij zoo!

[Hij geeft een teeken aan de wachten. Arnold snelt vooruit.)

Prins Arnold.

Geliefde moeder!

Jolende.

Duurbaar kind ! {Omhelzing.) 0, hoe brandend drukt uw mond op mijne wang!

-ocr page 112-

— 104 —

Prins Arnold,

Ik heb u lief en uwe aanwezigheid hier verblijdt mijne laatste stonde... Clotildis, zij die ik boven alles lief had, is op dit noodlottig uur niet hier... Verlaten, vergeten op het uiterste oogenblik !

Jolende.

O spreek niet zoo... Zoo iemand voor uwe redding heeft gestreden, dan is het wel Clotildis... Met haar heb ik de klaagster opgezocht... Nog op ditoogenblik ligt zij geknield aan hare voeten... ginds, op het kerkhof, waar de echtgenoot en het kind der klaagster rusten... Ik ben vooruitgesneld .. om bij u te wezen, u eene laatste maal moed in te spreken, mijn duurbare zoon !

Prins Arnold.

Geen oogenblik heeft de moed mij verlaten .. Zeg aan Clotildis, dat ik haar bemin, dat mijne laatste gedachte een dankgebed is voor hetgeen zij voor mij deed... Breng haar dezen uitersten kus: zoo ik haar niet meer zie — want de noodlottige stond nadert — dat zij aan mij denke en voor mij bidde... Hierboven zullen we eikander weerzien...

De Baljuw.

Genadige Gravin... Gij vroegt slechts een oogenblik, en de wet verleent niet meer...

[Hij geeft een nieuw teeken aan de wachten.)

Jolende.

Nog een kus!

-ocr page 113-

— 105 ~

Prins Arnold.

Vaarwel!... Voor eeuwig!...

Jolende.

Misschien!

{Men scheidt hen.)

Groote God, wat zal er g-ebeuren!

{Stemmen uit het volk).

Ginds... ginds in de verte !... zij komt!... zij vliegt! .. het is Clotildis!

Prins Arnold.

Zij 1... genadige hemel!.,.

Tiende Tooneel.

DE VORIG EN, CLOTILDIS.

Clotildis {adem loos).

Arnold!... Graaf!... Rechters!... Houdt op! houdt op!... Bijna te laat!... Misschien gered!

{Zij wil naar Arnold. — De wachten houden haar tegen).

Graaf Boudewijn.

Wat is er ? Spreek !

Clotildis.

De klaagster volgt mij op den voet .. Ik heb met haar gebeden op het kerkhof... Dit heeft hare ziel

-ocr page 114-

— 106 —

verfceederd .. Misschien heeft de Heer in haar hart een nieuw gevoel nedergelegd; misschien schenkt zij vergiffenis...

Het Volk.

Zij komt! ..

Clotildis.

Zij, als klaagster, kan vergiffenis schenken volgens de wetten... Vereenigen wij allen onze smeekingen .. Allen ! (sïc/i wendende naar Robrecht) Robrecht, vroeger christen en ridder, gij ook !...

Elfde Tooneel.

DE VORIGEN, GEERTRUIDB.

Het Volk {haar omringend.)

Genade! Barmhartigheid!

Clotildis.

Op 't kerkhof baden wij den eindeloos barmhartigen Christus... Aan het kruis schonk hij kwijtschelding aan eenen schuldigen moordenaar. . Wilt gij het leven eischen van iemand, die het inzicht niet had tedooden?

Jolende {valt nevens Clotildis op de knieën.)

Ontferming, gij moeder, voor een moederhert! Uwe vorstin kruipt en buigt tot in het zand, aan uwe voeten...

Clotildis.

Mededoogen, gij echtgenoote, voor mijne liefde!

-ocr page 115-

— 107 —

Prins Arnold

[wijzend op Clotildis en de Gravin.)

Voor haar beiden, zoowel als voor mij, mijne jeugd, mijne onbewuste daad!

Geertruide.

Neen, neen... nog- is mijn wraakgevoel te sterk. . nog bezwijk ik niet.,.

Robrecht.

Hoor mij dan aan, ongelukkige vrouw...

Allen.

Robrecht!... Robrecht de roover!...

Robrecht.

Ja, de roover... die den eindeloozen weg der eeuwigheid gaat inslaan... Hoor mij aan, want ik, die den dood voor de oogen zie, ik voeg de smeekende stem bij de hunne, en ik bid u om vergiffenis ! Is de wraak zoet, o zooveel zoeter is de barmhartigheid, die een menschen-leven redt! Ik was ook wraakgierig, ik ook eischte bloed, maar tot mijne ziel heeft de engel der vergiffenis gesproken, en hier sta ik nu, het woord der genade en het gebed op de lippen... Ja, ik zelf die genade schenk, op mijne beurt smeek ik u om genade !

Clotildis.

O heb dank. Robrecht! Van hierboven spreekt uwe moeder door uw' mond...

-ocr page 116-

— 108 —

Geertruide.

Spreek... wat wilt ge... gij die mijne duurbaren hebt zien sterven ? Eischt gij dan zijn' dood niet zooals ik ?... Zijt gij zelf liet niet, die mijne wraak hebt aangevuurd ? Spreek,... naar u luister ik met eerbied, gij die de koude lijken van mijn kind en mijn' echtgenoot in de armen hebt gedragen, gij die hunne laatste stuiptrekkingen hebt gezien.

Robrecht.

Ik was getuige van het tooneel... ik zweer het... en deze eed moge weerklinken voor den rechterstoel van God, ik zweer het, Arnold is onschuldig!

Allen.

Onschuldig!

Robrecht.

Als de beek die daar ruischt, als de duif die ginds vliegt, is zijne ziel onbevlekt. . En zoo hij doodde, hij doodde uit onvoorzichtigheid, niet uit boosheid... Ik heb het zelf gezien, zelf gehoord... Op de nagedachtenis mijner moeder verklaar ik het plechtig in het aanschijn van den dood... Vrouw, klaagster, schenk genade aan den boord van 't graf... en op het boek van Gods gerechtigheid zal uw woord van vergiffenis in gouden letteren worden neergeschreven...

Allen.

Genade! .. genade!...

-ocr page 117-

— 109 —

Geertrüide.

Gij ook, gij de getuige van het schrikkelijke tooneel!.. Zoo gij zelf die vergiffenis afsmeekt... welnu... dat God het mijne dierbare afgestorvenen vergelde, mijn hart heeft gesproken... Arnold leve!...

Allen.

Dank! dank!

Graaf Boudewijn.

Hij leve!

De Baljuw.

Hij leve!

Prins Arnold.

{Dc wachten laten hem los; hij ijlt naar het voorplan).

Gered!., gered! door u en voor u! Clotildis! Moeder! Vader! Ridder Wolfard ! [Algemeene omhelzing).

Prins Arnold.

En gij, vrouw, nooit zal mijn hart u vergeten... Geertrüide.

Wees gelukkig, ik kan het niet meer zijn... Alleen, verlaten, wacht mij de bitterste eenzaamheid...

Clotildis.

Neen, neen! Gij zult met ons zijn... de banden der heiligste vriendschap zullen ons verbinden. . samen zullen wij leven en bidden voor uwe duurbaren...

-ocr page 118-

Geertruide.

Dank, o dank, gij hebt hen niet vergeten... Wat ik deed, ik besloot het op hun graf, waar hunne stem door mijne stem heeft gesproken... Eén is er die mij tot het uiterste besluit heeft aangezet: (allen wenden zich om hij, de eremijt!...

Clotildis.

Robrecht... op dit laatste oogenblik, ontvang den zegen van eene gelukkige bruid...

Robrecht.

Met uwen zegen verschijn ik voor Gods rechterstoel!

[De doodsklok luidt opnieuw. De Baljuw geeft met een teeken hevel de straf uit te voeren. Arnold, Jolende en Clotildis omringen smeekend den Graaf. Robrecht wordt naar de strafplaats geleid. Allen ontbloot en het hoofd.)

einde.

-ocr page 119-
-ocr page 120-
-ocr page 121-
-ocr page 122-
-ocr page 123-
-ocr page 124-