£?*'. .m, 2.5
SO ir\c ü
Critiek en Traditie
OF
De Bijbel voor de Roomschen
DOOR
Dr H. A. POELS.
1899
|
Drukker: H. P. M. VERLINDEN, Bergen op Zoom. |
Uitgever: F. DUPU1S, Antwerpen, '[cchels ;he steenweg 37. |
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1409 1981
IM P R1 M A T IJ R.
MECHLINIAE, 20 Martii 1899.
J. THYS, can., lib. eens.
Criliek en Tradiüe.
Voorrede.
„Ons eerstvolgend opstelquot; — schreven wij in D e Katholiek — „zal cene studie ziju over het boek •losuaquot;. Wijl het een zuiver critisch vraagstuk geldt, achten wij echter een woord vooraf niet slechts dienstig, maar zelfs noodzakelijk. Moge het strekken om onze broeders gerust te stellen, die de beginselen der Vaders onvereenigbaar achten met het oordeel der critici over den letterkundigen oorsprong en het geschiedkundig karakter van den llexateuch. Wij hopen hen te overtuigen, dat wij onder de vlag varen van de koningen der katholieke exegesis. Dit is hier ons eenig doel.
Ons standpunt hebben wij reeds voldoende toegelicht. (') De klachten der scholastieke godgeleerden over de critische school, die meer en meer veld wint, zijn ons volstrekt geen geheim. „On entend dans toutes ces plaimes l'expression d'un désir general : celui de donner aux recherches positives une char pen te
(I) J)e Katholiek J-Sf»», hl. 221—2:«, 365—WO.
(loginatique plus assurée.quot; (') Aan dit rechtmatig verlangen zijn wij te gemoet gekomen in ons opstel over het goed recht der critiek. Het gemis eener „charpente dogmatiquequot; legge men ons dus niet ten laste. Wij hebben evenwel uitdrukkelijk bedongen — men houde dit wel in 't oog — dat de critici telkens hunne zienswijze moeten wettigen, wanneer zij een onderscheid maken tusschen de voorstelling des Bijbels en zijne bevestiging ot leer. (s)
Op het gebied van geloof en zedeleer, hielden wij theoretisch het gezag der Vaders hoog. Hun gezag is volstrekt beslissend „quotiescumquetestimonium aliquod biblicum, ut ad fid ei pertin ens mo rumve doctrinam, uno eodemque mode explicant omnesquot;. (1)
Doch beantwoordde onze p r a c t ij k wel aan de theorie? Hielden wij, bij het optrekken van ons „dogmatisch getimmertequot;, wel voldoende rekening met de leeringen der ouden ? 11 ieromtrent willen wij elk verwijt onmogelijk maken.
Alvorens de regels der critiek op het boek Josua toe te passen, zullen wij daarom de groote Kerkleeraren raadplegen over de theologische vraagstukken, welke in dit debat betrokken worden. Aan hunne be-
Enc.yclica Providentissimus Deus. Clr. Lettres apostolinnes ■lo S.S. Léon XIII. tora IIF i\ t-li.
— 5 —
ginselen zullen wij de onze toetsen. „In Aegyp-tum desceudeutes sunt muudi ainatores, (jui superbi in his quae dicnnt, non interrogant os Domini, duiu con trad ic u ut dictus sanctorum Patnuu . .., qui omne.s sunt os Domini.quot; (') (*}
Over de tegen ons gerichte opstellen van den Zeer-eerw. Pater van Kasteren, hier slechts een enkel woord.
Wij schatten dezen uiterst verdienstelijken -Te-zuïet zeer hoog. Aan zijne uitgebreide kennis, zijn ijver en toewijding brengen wij ouze oprechte hulde. Waar wij ons vergissen, zullen wij zijne terechtwijzingen dankbaar aanvaarden. Doch onze gods die n'stige beginselen laten wij door niemand in verdenking brengen, noch wat onze theorie, noch wat onze wetenschappelijke p r a c t ij k aangaat. D at nu had de Zeereerw. Pater van Kasteren
(1) De Assuniptione heatae Mariae et de Seqnentin exmltn exalt at a 10. Cfr. Dreves, Hymnol. Reitnlge 1 102.
(') Deze verhandeling zal wemelen van aanhalingen. Alleen de vertalingen geven gaat natuurlijk niet aan : dit verbiedt ons een van de grondregels der critische methode; ook verliest de oude wijn hij het overgieten van zijn «bouquet». Van eenige citaten schijnt ons daarenboven de vertaling minder wenschelijk. Wie geen Latijn kent, menge zich lielst in geen debat over scripturistische vraagstukken. Tekst en vertaling, beide, zouden overigens aan onze brochure eene ongowenschte uitbreiding geven. Om deze geheel bizondere redenen zal men ons niet. euvel duiden, dat wij de Latijnsche teksten hier onvertaald laten. Waar Grieksche Vaders aan het woord komen, geven wij de Latijnsche vertaling uit Migne. Wie verifieeren wil, kan dns den oorspronkelijk en tekst naslaan in deze algemeen verspreide uitgave der Vaders. Voor de werken van Origenes beschikten wij echter alleen over de uitgave van Caillau.
feitelijk gedaan, al lag het buiten zijne bedoeling. Sprak van Kasteren niet de autoriteit van een erkend deskundige, dan was onze methode van bijbelverklaring onverantwoordelijk voor een Katholiek. Dat oordeel heeft ieder lezer gevormd en m o e s t hij vormen. Daarom zijn wij terstond met zooveel kracht en klem opgekomen voor het goed recht en de beginselen der critiek. Daarom ook hebben wij hier en daar gesproken met eene vrijmoedigheid, die slechts in de noodzakelijkheid hare verontschuldiging vindt. Wij moesten onzen tegenstander openlijk de bevoegdheid in dezen ontzeggen, wijl het onze eer gold van trouw zoon der Moederkerk. (') De Zeereerw. Pater van Kasteren liet ons „de duidelijke teksten door de duistere verklarenquot; en „tegen de erkende opvatting van den gewijden schrijver in, eene andere verdedigen.quot; „Wie eenmaal besloten heeft, dat in den Bijbel geen waarheid mag staanquot; — schreef hij o. a bl. IC5, waar de samenhang duidelijk ook op ons wijst — „kan natuurlijk hier als elders, de schouders ophalen en iets over Münchhausen mompelenquot;. Zoolang de geleerde schrijver der Studiën als een bevoegd rechter gold, moesten de lezers ons voor een licht-zinnigen exegeet houden, die zich door de ongeloovige critici op sleeptouw had laten nemen en hunne theo-
(1) Men kan zeer goed «op de liongle zijnn van de gescbiedonit des Kanons, maar tevens niettemin bewijzen, dat men volstrekt niet op de hoogte is van de nienwere critische studiën der bijbelverhalen zelf — door bv. het karakter dei' Hebreeuwsche liistoriografie geheel en al te miskennen.
rieënin practijk bracht. Van Kasteren verklaart dit zelts in ronde woorden. (') Wij konden en mochten dit niet gedoogen. Duidelijk spreken was hier plicht.
Wi] hopen spoedig, in een echt ridderlijk toernooi, onzen degen met dien van onzen tegenstander te kruisen. Hier echter nemen wij voorloopig afscheid en laten wij het boek Josua rusten om ons te bepalen tot eene nadere toelichting onzer beginselen. Ook tegenover van Kasteren achten wij dit hoofdzaak. De reden van zijn optreden lag immers hierin — gelijk hij zelf getuigt — dat onze verklaring der bijbel-schc historie afweek van die der Vaders en oude godgeleerden. Dat het hier een waarlijk principieel vraagstuk geldt, behoeft dus geen betoog. De kennis van de beginselen der Vaders is daarom, in dit geding, van uiterst groot gewicht. Al hebben de ouden zich minder op de geschiedenis dan wel op de godgeleerdheid toegelegd, het ware vermetel, ook in historische studiën, van hunne theologische beginselen af te wijken.
(1) Hoe hemelsbreed van Kasteren's tweede artikel — dat na een mondeling onderhoud melons geschreven werd — ook moge verschillen van het eerste, toch kon het den indruk van het eerste niet uitwisschen. Ons opstel in De Katholiek was overigens geschreven, eer het tweede van van Kasteren uitkwam.
1. DE CRITIEK EN DE GEEST DER TRADITIE.
DE ROEPING DER KATHOLIEKE WETENSCHAP.
Hoofdzaak is hier voorzeker de leer der oude godgeleerden.
Eer wij echter de leer der Traditie bespreken, quot;willen wij een woord zeggen over haren geest. Vooruitstrevende richtingen, immers, worden vaak met den geest eener zoogenaamde „traditiequot; in strijd geacht. Dat wij de leer der Vaders getrouw volgen, zal blijken uit het tweede deel dezer verhandelingen wordt hier verondersteld. Vaneen kinderlijkgeloovigen Katholiek mag men niet anders verwachten.
Wij willen eerst de oude, groote godgeleerden raadplegen omtrent de meer algemeene opvatting, welke zij hadden van de Katholieke wetenschap en hare roeping Door onze tijdsomstandigheden te vergelijken met die, waarin onze vaderen verkeerden, en onze opvattingen aan de hunne te toetsen, zullen wij trachten te bepalen, welke hedendaagsche richting inderdaad de traditioneele is.
Ts het waar, wat men somstijds hoort beweren, dat de critische richting gevaarlijk is ? Is het waar, dat de criticus en de man der traditie tegenvoeters zijn ? Ueze vragen dienen opgelost. Denken wij daarom de Vaders levend in onzen tijd en vragen wij ons dan af; zouden de Vaders de critische richting bestrijden of zouden zij deze verdedigen? Een onderzoek naar
9 —
liurme zienswijze eu een beknopt overzicht van de geschiedenis der Roomsche „Traditiequot; zullen het antwoord gemakkelijk maken.
„Und da sich die nenen Tage Aus dem Schntt der alten banen,
Kann ein ungetrübtes Ange
Rückwarts blickend vorwarts schauen.quot; (')
*
Sr *
Nergens is de Katholiek zoo op zijn hoede als waar gevaren dreigen voor zijn onveranderbaar, echt Roomsch geloof. Waar het inderdaad heen zou, als wij hier niet uiterst omzichtig waren en onwrikbaar vasthielden aan het kerkeli jk leergezag, toont ons de chaos van het Protestantisme. ,.Roma locuta, causa iinitaquot; is ons aller wapenleus. „Viri catholici, multo vero magis ecclesias-tici, id muneris habent ut decretis S. Scdis plene, perfecte absoluteque sese subjiciant, e medio sublatis con-tentionibus, quae sinceritati assensus otticerent.quot; (') Doch moeten wij, uit liefde voor ons heilig geloot, de wetenschap aan banden leggen? Mogen wij meeningen, die zijdelings onze dogmata raken, aanstonds verketteren of als verdacht voorstellen, zoodra wij zelt geen verband zien tusschen deze meeningen en de leeringen der H. Kerk? Of spoort welbegrepen lietde voor het dierbaarst kleinood, dat God ons schonk, den Katholiek veeleer tot breedheid van opvatting aan? Daar vooral, waar wi j het terrein betreden van weten-
el) Weber.
('2) Kpistola Card. Patrizi die HO Aug. ISfifj scripta ad Arc.h. Mech-liniensem.
— 10 —
schappen, die ons nog vreemd zijn, is voorzichtigheid een dure plicht. Onze grootste godgeleerden verheffen hier diep ernstig hunne stem tegen onbekookten ijver. Zij waarschuwen ons tegen het niet denkbeeldige gevaar van vrije meeningen voor anti-katholieke en ongeloovige stellingen te doen doorgaan.
„M u 11 u m a u t e m n o c e tquot; — getuigt de H. Thomas — „talia quae ad pietatis doctrinam non pertinent velassererevel negare quasi pertinent!a ad sac ram doctrinam.quot;^)
„Cum andio Christiauum aliquem ista nescientemquot; — zegt de H. Angustinus, sprekende over profane wetenschappen — „et aliud pro alio sentientem, pa-tienter intueor opinantem hominem: nee illi obesse video, cum de te, Domine creator omnium nostrum, non credat indigna, si forte situs et habitus creatures corporalis ignoret; obest au tem, sihaec ad ipsam pietatis doctrinam pert ine re ar-bitretur et pertinacius af fir mare au d eat quod i g n o r a t.quot; (1)
„Turpe est autem nimis et perniciosum ac maxime c a v e n d u m, ut Christianum de his rebus quasi secundum Christianas Litter as 1 o q u e n-tem ita delirare quilibet infidelis audiat, ut, queraad-modum dicitur, toto coelo errare conspiciens, risum tenere vix possit. Et non tam molestum est quod
{'!) Confess, lib. V cap. V.
— 11 —
errans lioino deridetur, sed quod auctor es nostri ab eis qui for is sunt tali a seusisse cre-d u n t u r . . . Cum euim queraquam de numero Chris-tianorum in ea .'.-e quarn optime norunt, errare depre-heuderint. . . quo pacto illis libris credituri sunt de resurrectione mortuorum, de spe vite aeteraae regnoque ccelorum, q u a n d o d e his rebus... f a 11 a citer putaverint esse con scrip tos? Quid enim molestise tristitiaeque ingerant prndentibus fratri-bustemerarii prssumptores satis dici uon potest.quot; (')
,,In hujusmodi qusestionibusquot; — verklaart S. Thomas — „duo sunt observanda- Priraum quidem ut Veritas Scripturse inconcusse teneatur. Secundum, cum Scriptura multipliciter ex po n i possit, quod nidli ex posit ion i ita praici.se inhfereat, ut, si certa ratione constiterit hoc esse falsum quod sensum Scrip-tui'EE esse censebat, id nihilominus asserere prsesumat; Tie Scriptura ex hoc ab intidelibus derideatur.quot; (5)
„Unde mihi videtur tutius esse ut haec quae phi-losophi communiter senserunt et nostrac fidei non repugnant, neque sic esse asserenda ut dogmata fidei, licet aliquando sub nomine philosophorum introdu-nantur, neque sic esse neganda tamquam fidei contraria, ne sapientihus hujus raundi contemnendi doctrinam fidei occasio pracbcatur.1' (')
De Genesi fid litt. Lib. I n. 39 P. T^. XXXÏY p. 2fgt;l,
— 12 —
Grooter koningen dan Thomas en Augustinushebben in het rijk der godgeleerdheid nooit geheerscht. Niet zonder opzet, schuiven wij hier deze, hunne waarschuwingen O]) den voorgrond. Vrome priesters, immers, die meer tijd aan de cura animarum moeten besteden dan aan de bijbelstudie, schijnen soms het verschil tusschen den Bijbel zelf en de gangbare kommentaren of handboeken uit het oog te verliezen. Wat men altijd als waar heeft aangenomen, geldt zoo licht als zeker en bewezen! Wat men eerst in de aanteekeningeu las, meent men later zoo licht in den tekst zelf te vinden ! De opvattingen onzer vroegere studiejaren schijnen samen te groeien met ons eigen gezond verstand. Als iemand eene stelling verdedigt, die tegen eene ten onzent algemeene zienswijze indruischt, wordt zijne leer zoo licht als minder goed Roomsch voorgesteld. Wachten wij ons echter voor het gevaar, waarop Augustinus wijst: „non pro sententia divinarum Scriptuarum sed pro nostra ita dimicantes, uteam velimus esse Scripturarum; cum potius earn quae Scrip-turarum est, nostram esse veile dehemus,quot; (')
Hoe klaar en eenvoudig de voorstellingen vaii den Bijbel ook mogen wezen, zijne historische leer is niet overal even duidelijk. „Qni attentius legeritquot; — zegt, Origenes — „in nonnullis ambiget, utrum haec quae putatur historia, secundum litter am accident necne.quot; (1) „Attendamus igitur an non id quod
Be Principiis, lil). IV n. XIX. — Opera Origenis, torn. I p. 2H7 Purisiis 1S,!54. Kd. Cuillaii.
— IS —
obviura est, quod oculis cernitur in Scriptura, quodque illius veluti superficies est, bit .. . ager plenus plantis cujuslibet generis; quae autem recondita sunt, nec omnibus conspicabila, sed veluti sub iilis quae cernunter plantis defossa, thesauri sint sapieutiae et scieutiae abscouditiquot;. (') En om hier slechts een enkel getuigenis van den H. Hieronymus aan te halen, die ons in het vervolg dezer verhandeling nog vele gelijksoortige teksten zal leveren: „Q u a s i non multa in Scripturis Sanctis dicau-tur juxta opinionem illius temporis quo gesta referuntur, et non juxta quod rei veritas continebat!quot;^) Dat de groote Kerkvader, op deze „velequot; plaatsen, overal ouderscheid maakte tusschen voorstelling en l e e r, zal straks duidelijk blijken.
Het critisch onderzoek is dus noodzakelijk.
Gewis, wij allen moeten den Bijbel lezen tot eigen onderricht, tot persoonlijke heiliging en stichting. Doch niet allen kunnen hier met eene eenvoudige lezing of vroom gebed volstaan. „Sancta quippe rusticitasquot; - verzekert ons de H Hieronymus — „solum sibi prodest et quanturn aediticat ex vitae merito Ecclesiam Christi, tantum nocet, si destruentibusnonre-s i s t i t.quot; (') „Nonnulli autemquot; — zegt Clemens Alexan-
(1) Loc. cit. n XXI11 p. 292.
(2) lu Jeremiam rrophetam. Caii. XXV11 vv. 10, 11. P. L. XXXI . |p 855.
^Ü) lip. 5o n. 3 P. L. XXU p. 542.
— 14 —
drinus — „qui se putant esse ingemosos, nee phi-losophiain attingere voluut, nee dialeetieam, nee contemplation em rerum naturalium, sed solam et nudam üdem requirunt; periude ae si nullam vitis euram gesserint, velint. . . botros accipere.quot; (')
Behartigen wij wel deze lessen der Vaders. De ongeloovige critici van Nederland hebben eene wereldkundige vermaardheid verworven. De geleerdheid van mannen als Kuenen dwingt aller eerbied at. Wij vooral, Roomsche priesters van Nederland, moeten dus het woord van Malachias indachtig blijven: „Labia sacerdotis custodient scientiam et legem requirent ex ore ejus.quot; (1) „Vae vobis iegisperitis,quot; sprak de Zaligmaker tot de priesters van Jerusalem, „quia tulistis clavem scientiae, ipsi nou introistis et cos qui introibant prohibuistis.quot; (2)
Wat debijbelsche geloofsleer betreft, die ten slotte toch alles is, loopen wij, Roomschen, natuurlijk geen gevaar. Wij hebben Petrus. Maar ook op het gebied der wetenschappelijke, historische bijbeleri-tick mag de Katholiek niet achterblijven. Al bepaalt de critick zich tot den letterkundigen en historischen vorm, waarin de Openbaring tot ons kAvam, wordt de criticus niet tevens theoloog, wanneer hij de waarheid
Mal II. 7.
Luc. Xl, 5-.
wil beoordeelen of verklaren, ons door de bijbelsche historie geleerd?
Üf *
Velen die zich tegen eene nieuwe richting kanten, befocpen zich gaarne op de H. Vaders en „d e t r a d i-tiequot;. En inderdaad, wanneer men, in plaats van de werken der Vaders te lezen, de opvattingen zijner omgeving voor die der oude Kerkleeraren doet doorgaan, is zulk beroep uiterst gemakkelijk.
Vergeten wij echter niet, dat ook de Schriftgeleerden van Christus' tijd, zich overal en altoos op de Overlevering en de Wet van Moses beriepen! Zij vereenzelvigden de breed aangelegde Mosaïsche Wet en profetische leeringen met hun eigen kleingeestige uitleggingen en bloot menschelijke traditiën. Eedenken wij tevens, dat Christus de profetieën niet vervuld heeft volgens de destijds „traditioneelequot; verklaring. Waarom, immers, konden de Schrifgeleerden het Jood-sche volk bewegen om zijn Messias, onzen goddelijken Zaligmaker, aan het kruishout te nagelen ? „Nihil horum in ejus quem Christum credimus adventu sensibiliter cernentes factum, dominum nostrum Jesum Christum nedum susceperint, eum, tamquam sese contra jus Christum pvaedicaretjcruciaffixerunt.'x')
Dat de historische bijbelcritiek eene „nieuwigheidquot;
cl) Oi-igenes. De principiis. lil). IV n. Ylll p. 275. — Werpt deze piooteiuleels zeer juiste opmerking geen kostbaar licht op den zinder profetische boeken 9
— ie
ls, schijnt voor sommige Katholieken voldoende te ziiri, om in haar eene vijandin te zien der eeuwenoude Openbaring en der Traditie. En gewis, op dogmatisch gebied zijn alle „nieuwighedenquot; te duchten. „Licet nos aut angelus de coelo evangelizet vobis praeterquam quod evangelizavimus vobis, anathema sit.quot; (') Doch mogen of moeten wij ons verzetten tegen elke nieuwe wetenschap, wanneer hare resultaten niet schijnen te strooken met onze persoonlijke opvattingen van het het gewijd karakter der onfeilbare bijbelboeken?
De ondervinding vermaant ons hier tot groote omzichtigheid. Onwillekeurig denken wij aan de grondleggers der natuurwetenschappen. Werden Copernicus en Galileï niet van „ketterijquot; beschuldigd, omdat hunne „leer valsch en onvereenigbaar was met dc heilige en goddelijke Schriftenquot; ? r)
En hoe verging het den H, Hieronymus zelf, het toonbeeld aller katholieke exegeten, toen hij cenigo regels der letterkundige critiek op den Bijbel toepaste?
„Cogor per singulos Scripturae divinae librosquot; —-klaagt herhaaldelijk de even geleerde als heilige Kerk -vader — „adversariorum respondere maledictis: qui interprétationem meam reprehensionem Septuaginta Interpretum arbitranturquot; (3)
(quot;1) Ad Galalas 1 S.
(2gt; Vgl, De Smedt. Principes decritique historique. p. 30. Paris'!88'i.
(3) Prael'atio in librum Job. P. L. XXVIII p. 1084. De bellende label over het ontstaan der (jrieksche vertaling werd destijds algemeen aangenomen. De vertaling zelf heette geïnspireerd- De Ilebreeuwscho bijbel, dien bijna niemand kon !e/,pn. Iieette daarentegen door de Joden
- 17 —
Op welke moeilijkheden stieten de Alexandrijn-sche Kerkvaders niet, die de Grieksche wijsbegeerte aan de Kerk schatplichtig maakten, toen zij voor de leer, welke in de historie der Openbaring lag opgesloten, een wetenschappelijk stelsel bouwden ? „Non me autem latent ea etiamquot; — schrijft Clemens van Alexandrië — „quae ab aliquibus imperite omnia metuen-tibus jactantur, qui dicunt oportere in iis versari quae sunt maxime nccessaria et quae tidem continent externa autem et quae sunt supervacanea transilire, quae nos frustra conterunt et detinent in iis, quae ad lidem nihil conferunt. Alii autem philosophiam etiam cum inaximo malo et ad hominum perniciem venisse in vitam existimant, ut quae profecta sit a maligno quo dam inventor e. Ego autem ... in iiis totis ostendam libris . .. quod d i v i u a e q u o d a ui m o d o p r o v i d e n t i a e opus sit philosophia.quot;(1) „ï'idem autem tacit ejusmodi oblectatio, per quam a vulgo vituperatam studiosi recipiunt veritatem, quod n e ([ u e ipsa philophia v i t a e perniciem afrerat, quam ac si esset rem m falsa rum et ma lorum operum ar tit ex, quidam falso calumniati sunt, cum sit evidens veritatis imago, donum Graecis datum divinitus; neque aos per ipsam ta uiquam a q uibusdam decepti
bedorven en vervalscht. Nochtans verstoutte Hieronymus zich om den tektst der Joden boven den ollicieelen, kerkelijken tekst te verkiezen! hide irae. Men viel zelfs over één enkel woord I
Stioaata, lib. 1 cap. 1 P. 0. Mil p. 707.
18 —
praestagiis a fide abducemur: seel potius m a j ore m u in i in o n t o t ec t i, excroitatiouem . . . (| u a fides pleniorcm d emo n st ratio u e m accipiet, lucrati sumus.quot; (')
Zijn de bezwaren, die men destijds tegen de wijsbegeerte aanvoerde, niet letterlijk dezelfde, welke men thans tegen de critiek doet gelden?
In het Westen werd de wijsbegeerte ook later nog met wantrouwen gadegeslagen. Do grondleggers der niiddelecnwsche Scliolastiek ineenden in de werken van Aristotcles en andere Grieksclie denkers een machtigen stenn te vinden voor de apologie der ge-openbaarde waarheid. Groote mannen zagen echter een gevaar in deze richting. De strenge vermaning van Gregorius IX was inderdaad niet bi-zonder geschikt om de Vaders der Scholastiek moed in te spreken : „contenti terminis a patribus institutis.. . quoniam fides non habet merituin, cui humana ratio praebet experiinentum quot; (5)
De klachten van Hieronymus en andere Kerkvaders zijn even troostvol als leerrijk voor de geloovige critici der negentiende eeuw. Wie de Vaders wil eeren, volge h u n voorbeeld na, niet dat hunner tegensta n-d e r s. De geest der Traditie is niet die van een stokstijf „conservatismequot;.
Deschoonste woorden wordenvaakhet meest misbruikt.
(1) Op. cit. lib. I Cap. II. p. 710.
(2) Kp. ad tlieolog. Paris. 1^23. Oenziiiger, Kncliir, n. 379.
— 19 —
Wie eene oude, monumentale kerk wil „conserveerenquot;, moet haar tijdig herstellen- Om oude gevels recht te houden zijn dikwerf nieuwe ankers en contreforten noodig. Dralen wij somtijds niet om de veranderingen aan te brengen, die door de tijdsomstandigheden gevorderd worden, onkel en alleen omdat wij tegen de moeilijkheden opzien? Ons, jongeren, voegt eerbied voor de meening der ouderen, wier verstand door de jaren gerijpt, door de ondervinding gestaafd is — een eerbied, die roekelooze voortvarendheid in toom houdt, maar allerminst den denkenden geest tot slaafsgedweeë volgzaamheid dwingt. De deugdelijkheid hunner bewijsgronden onderzoeken, hunne uitspraken toetsen aan de uitkomsten der nieuwere wetenschap, hunne nasporingen voortzetten met behulp van nieuwe gegevens en de door ernstige studie verkregen overtuiging bescheiden, doch vrijmoedig uitspreken en verdedigen, dat is ons recht en onze plicht
Waar het dogmata of zedeleer geldt — hetzij herhaald •— blijven wij ons geheel leven op de bankjes zitten der christelijke leering. Eerst en vóór alles moeten wij steeds bewijzen, dat elk beginsel van ons heilig geloof, in de nieuwere richting tot zijn volle recht komt. Maar dan ook mogen wij niet aarzelen een stap vooruit te gaan, wanneer wij overtuigd zijn, dat de eer der H. Kerk er in betrokken is. Wij moeten ons niet minder wachten voor de gevaren van den ouderdom dan voor die der jeugd. De vrees voor moeilijkheden mag ons nooit weerhouden waar plichtgevoel
— 20 —
spreekt Integendeel, „in cruce robnr mentis.quot;(') Op wetenschappelijk, niet op dogmatisch terrein moet vrijheid onze lenze zijn. Voor haar zijn de groote Roomsche geleerden ten allen tijde in de bres gesprongen.
„Die Wissenschaftquot; — zoo sprak prof. Grauert op den voor ons onvergetelijken Katholiekendag te Krefeld — „bederf der Freiheit; d i e s e Er ei heit i s t i h r Lebenselement; nicht die wilde, zügel-lose Freiheit des Anarchismus. . sondern die edlc,. voile, echte Freiheit des besonnenen (iuistea, welcher der bewahrten Autoritat die Anerkenmmg nicht versagt, aber auch ubweichende Meinnngen nicht gleich lieblos verdammt.quot; (2) „U n 1) e f a n g e n e F o r s c h u n g und sibstlose Hingebvmg an das hohe Ziel der rein en VV u h r h e i t soil die Parole unserer katholischen Ge-l dirten sein quot; (3)
Wie bij voorkeur rustig de platgetreden wegen der bijbelstudie volgt, worde niet wrevelig wanneer hij andere geloofsbroeders het hobbelig pad der critici ziet opgaan. „Habeant qui voluut veteres librosquot; — roept S. Hieronyinus uit — „vel in membranis purpureis auro argentoque descriptos, vel uncialibus,
ut aiunt, litteris..... dummodo mlhi meisque
perraittant pauperes habere schedulas, et non tam pulchros codices quam emendatop.quot; (l) „Nee iis licet G r a e c o s [sen c r i t i c o s] c o n d e m n a r e,
(I gt; De imitatione Cliristi. lib, Jt. Cap. XII.
Verhandlungen. s 13quot;gt;. Krefeld 1898.
(3) Ibidem.
('h Proëmium in libruin .loli 1'. L. XXV11I p. 1085.
- 21 -
quibus in eorum decretis nil ultra voces perspectuni est, priusquam ea sigillatim atque in time expiorata at que cognita ha buerin t.quot; (')
Met hoeveel wantrouwen vele Katholieken de critiek ook mogen bejegenen, wij zien in haar de voorbode van een grooten, anders wellicht onmogelijken triomf der II. Kerk De critiek moet ten slotte; de apologie worden der Roomsche traditioneele leer en van het Christendom, dat op ware, historische feiten berust. Oe slang der dwaling is eindelijk losgekronkeld en de krocht der ongeloovige wijsbegeerte uitgekropen. Ja, wij weten het, in den zwijmelmoes eener schijnbare overwinning, heeft het Ongeloof zelf de Critiek opge-roepen! Het wilde de geopenbaarde waarheid door de histori-che werkelijkheid logenstraffen. Doch, gelijk de toovenares van Endor verschrikt terugweek, toen, in plaats van eene spookgestalte, Samuël zelf inderdaad verscheen: zoo zal het Ongeloof ontzet afdeinzen, wanneer de Critiek zijn ijdelen waan beschamen er. de waarheid der Openbaring zal doen schitteren in het volle licht der historische werkelijkheid. „Deos vidi ascendentes de terra.quot; (')
„For seventy years and morequot;, schrijft met volle recht prof. Gwatkin — nog een dier meer vinnig clan innig geloovige Protestanten, van wier orthodoxie papenhaat de zuurdeesem schijnt te wezen — „the keenest of intellects have been fighting round the
(1) Cletnens Alex. Stromata. lib, I, cap, II. P. (», Mil p. ~10,
{*) I Sam. XXVIU 13.
— 2-2 —
Bible, and sifting every word of it, as never book was sifted yet: and their labour has not been thrown away. Though much has come to light, and many of our old ideas are for ever shattered, Christ or our Saviour's Person stands exactly where it stood before, but rooted in history and nature far more deeply than our lathers knew. We see the Son of Man with a vivid clearness never vouchsafed in past ages; yet He is none the less the Son of God adored by them of oldquot;. (')
Toen de bijbelcritiek alom begon te bloeien, had, in Dnitschland en elders, de Kantiaansche en He-geliaansche wijsbegonto het geloof reeds verstikt in de harten van vele geleerden. In Engeland was dit echter niet het geval, of althans in veel geringere mate. Hier heelt het critisch onderzoek van bijbel en kerkgeschiedenis eene strooming doen ontstaan, waarop de ontredderde scheepjes niet naar het Ysland van het Ongeloof, doch naar „Italië's gouden kustenquot; drijven.
En niet in Engeland alleen ontwaart men deze strooming, al is zij elders minder sterk. „Jeder Kenner der Verhiilltnisse weiss, class die Zugestand-nisse der Gelehrten zu Gunsten der katholischen Kirche in den letzten Jahrzehnten nicht dürftiser
O '
soudern stets zahlreicher geworden sindquot; (1)
Den stroom der ideën houden geen „Grenswachtersquot;
Prof. Mansbach. Verhaiullungen «!?!■ 45. Ccneriil-Vcrsaminluii-gt;kgt;r Kallioliken Deutsclilands, s. 139.
tegen, Hoe langzaam dan ook, op dien stroom maalt ook in Holland de molen der Heeren. De eeuw van halfslachtigheid, van onverschillig heenleven spoedt ten einde. De waarheid zoekt men en het recht. Aan de poort der twintigste eenw is „vóór of tegen Christusquot; reeds het wachtwoord geworden. „Er is, wat men ook zeggen moge, aan het einde dezer eeuw meer vragen naar (!od en naar zijn woord dan in het beo-in.quot; C) „Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!
O \ / quot;
De ebbe van het godsdienstig leven wordt gevolgd door den terngkeerenden vloed. Wie verneemt niet de machtige stem der onmetelijke zee, diep als het gemoed van den mensch, getuigende van krachten, die niet vergaan doch slechts tijdelijk of schijnbaar sluimeren?quot; (1)
„Populus qni creabitur, laudabit Doniimnn.quot; ( )
In ons voorgaand opstel wezen wij reeds op de behoefte aan een nieuwen bijbelkomineutaar. Naast de dogmatische verklaring der Kerkvaders en oude godgeleerden wordt thans de oplossing der critische vraagstukken gevorderd. Vergissen wij ons niet, dan hebben wij slechts het verlangen vertolkt van onzen grooten Pans Leo.
In zijn Encycliek i'rovidentissimus Deus, evenals in zijn zendbrief aan de zonen van Franciscus,
Prol'. de Louter, Teekenen Jes Tijils ISO'.), All. 1. M li.
(,;!) I's. 101. v. 19,
— 34 —
spoort de H. Vader ons tot groote omzichtigheid aan, doch tevens vermaant hij de katholieke apologeten om zich niet te bepalen tot het oude. De wetenschappen onzer eeuw hebben nieuwe vragen aan de orde gesteld.
„Sacrarnm Litterarum studium..zcirt onze roemrijk regeerende Paus, „ad temporum necessitates con-gruentius dirigere, jaradiu apud nos cogi-tamus/'C) „Ttaque ea sit prima cura, ut. . . . sic omnino tradantnr divinaeTiitterae,queinadiiioduiii et ipsius gravitas disciplinae et tempo rum ueces sitates admonent quot; (2) „Ad hoe plurimum sane con-ducet, si plures sint e sacro ordine paratiores, qui hac etiam in parte pro tide diinicant et impetus hostiles propnlsant, induti praecipue armatura Dei quam suadet Apostolus, ncqu e vero ad nova hos-tiuin ar ma et praelia in su eti.quot; (') „Jam quibus praesidiis ad defensioncm nitendum, commoneamus. Est primum in studio lingua rum veterum si-mulque in arte quara vocant criticam.quot; (4) Uit zijn zendbrief aan de Franciscanen zoekc men niets op te diepen, wat onzen grooten Paus in tegenspraak zou brengen met zich zeiven. Dat „hac iliac'quot; een katholieke criticus te ver is gegaan of nog gaat (')
(!) Lettres apostoliqnes de S. S. !-ó!m XIII, torn. Ill p. 202.
(2) p. 226.
(3) p. 228.
(4) p. 230.
(5) Waarop de H, Vader doelt, mag men oer — al is het met ver! yrond — vermoeden, dan openlijk zeggen. Do kenner der toestandrn vindt hier volstrekt geen raadsel.
— 25
bewijst aiets tegen de rritiek zelve. Tn zijne Encycliek wil en eischt de Paus uitdrukkelijk critische bijbelstudie, die aan de behoeften van oir/,en tijd beantwoordt. Zijn brief aan den Generaal der Franciscanen is geenszins bestemd om de Encycliek te doen vergeten. Integendeel! „TVec silebiinus, Nos ipsos per Litteras Provid entissimus Deus, quid hac de re sentiat quid velit Ecclesia, dedita opera docuisse. Praecepta vero et documenta Pontificis maximi negligere, catholico homini licet nemini.quot; (')
Verliezen wij onzen tijd niet met kibbelarijen, dierbare vrienden. Slaan wij liever de handen aan het werk. Klagen en jammeren over het veldwinnend ongeloof kan hier niet baten. „Ora et labora.quot; (') Onze beste bidstoel is vaak onze werkstoel, al is hij niet de gemakkelijkste. Naast de werken der \ aders behooren wij thans die der critici te bestudeeren.
Wij moeten dus de geloovige critici eeren, die aan de roepstem des Pausen gehoor gaven. Indien men de misslagen van enkele Rooinsche oreleerden, die hunne dogmatiek niet machtig zijn, aan alle geleerden van hetzelfde vak zou verwijten, bleef er voor den Katholiek geene enkele wetenschap meer ter beoefening over.
„Habenda ratio et diligentia est in re tanti ino-menti, ne quid, non modo snperbia, sed ne levi-
(1) Litterae S. D. N. Leonis Papae XIII ad Ministrum generalem Ordines Fratrum Minorum. (25 Novembris 1898.)
(2) «11 l'aut agir comme si tout dépendait de nous, et prior comme pi lout dépendait de Dieu.» M(jr. Ireland Voir Elliott Le Tére llecker. Introduction p. LVIII. 1'ai'is 1S98.
— 26 -
tate quideni animi imprudentiave peccetur: in pri-misque ne plus aequo tribuatur sententiis qui-busclam no vis, quas metuere satius est, non quia novae sunt, sed quia plenunque fallunt specie quadam et situulatione veri. Adainari hac illac coeptum est, vei a quibus miniine debuerat, genus interpre-tandi audax atque immodice libemm: interdmu favetur etiam interpretibus oatholico nomine alienis, quorum intemperantia ingenii non tam declarantur sacrae litterae, quam corrumpuntur. Cujusmodi in-commoda in malum aliquod opinione majus evasura simt, nisi celeriter occurratur. Omnino postulant elo-quia Dei a cultoribus suis judicium sanum et, prudens: quod nullo modo poterit esse tale, nL-i adjuiiftam liabeat verecandiam modestiainque animi debitam ld intelligant ac serio considerant quicumque pertractant divinos libros. iidemquememmerint,utique habere se quod in his studiis tuto sequantur si modo audiant Ecclesiam ut debent. (')
Na deze vermaning verwijst ons Paus Leo naar zijn Encycliek, die ons leert „quid de hac re sentiat, quid velit Kcclesia.quot; I n de Encycliek hebben wij dus den waren raaatstat. (ieloovige critici, die de leeringen en raadgevingen van het opperhoofd der Kerk in den wind slaan, hebben hun vertrouwen bij de Katholieken verbeurd. Maar niemand trekke partij van de misslagen van eenigen om ook de andere Roomsclic critici verdacht te maken, die elke raadgeving der
' O O
Encycliek getrouw opvolgen.
(I) Ibidem.
■21 -
Rijbeschouwingen worden soms zoo breed uitgemeten, dat men de hoofdstelling zelt uit het oog-verliest en . .. feitelijk althans, loochent. Eéne zaak is zeker: niemand raag of kan ontkennen, dat de katholieke geleerden niet aan den Paus gehoorzamen, wanneer zij zich eenvoudig tot het oude blijven bepalen. üe werken der lloomsche critici, die de Kerk tegen de aanvallen der huidige ongeloovigen trachten te verdedigen, verdienen geen verdachtmaking, maar waardeering. (')
;!i alf
Hoe moeten wij echter dc werken beoordeelen der ongeloovige critici? Welk nut kunnen wij uit hunne geschriften trekken, wanneer wij het voorbeeld volgen der Vaders? Wat leert ons hier de geest dei-Traditie?
Waar een ongeloovige over zaken spreekt, die het geloof raken, staat de lloomsche geleerde tegenover een vijand. Dit gevoel mag hem nooit verlaten
De ongeloovigen hebben, helaas, de groote lessen der H. Schrift in den wind geslagen. Zij honden zich uitsluitend bezig met de letterkundige en historische vormen van het woord Gods: „verac tidei expertes, Scripturae non inednllam attingnnt, sed corticein rodunt.quot; (') „Animalis autem homo non percipit ea quae sunt Spiritus Dei: stultitia enim est ei et non
(.1) Theoretisch liot goed reclit der critiel; erkennen baat echter niet, wanneer men praktisch zich verzet tegen elke toepassing der critiek, ja zelfs legen liel slaan eener brng Insschen de critiek en de dogmatiek.
(2) F.ncyclica Providentissiums Deus. 0|i. eit. p. 226.
— 28 —
potest intelligere.quot; (') „Hi sunt qui segregant seraet-ipsos, animales, Spiritum non habentesquot; (1) „Nos au em sensuin Christi habemusquot; (s) De ongeloovigen treden den tempel der openbaring niet binnen. Zij werken buiten.
Hier echter hebben zij ontzettend veel wetenschappelijk materiaal verzameld. Dit is volstrekt onloochenbaar Wie de bewijsgronden onderzoekt, waarop hunne godlasterende stellingen steunen, onderscheide nochtans wel de propositiones m a j o r e s van de in in o r e s. De major is gewoonlijk aan het stelsel hunner ongeloovige wijsbegeerte ontleend. Meestal wordt de major echter verzwegen, wijl de onwetenschappe lijke vernienging van wijsgeerig apriorisme en historische critiek alsdan duidelijk aan het licht zou treden. De minor, daarentegen, is niet zelden het resultaat van een scherpzinnig criti.sch onderzoek. Ook voor ons valt hier zeer dikwijls veel te leeren.
Het spreekt evenwel van zelf, dat schrijvers niet overal alles kruinen herhalen, wat elders bewezen is. Wie de stelsels der critici niet kent, kan daarom veelal de waarde hunner bewijsvoeringen onmogelijk beoordeelen Meermalen wordt iets als zeker en vaststaand verondersteld, waaraan de niet-criticus misschien nog nooit gedacht heeft. De apologeet wachte zich in zulke gevallen voor uitroepingsteekens, die somwijlen aan opstekende ezelsooren doen denken!!
Ep. Judae v. 19.
- 29 —
De apologeet stelle zich ook niet tevreden met het ontzenuwen der argumenten van zijn tegenstander. Alleen opwerpingen maken heeft te veel van tegen-spartelen. Verwijten wij niet dikwijls aan de onge-loovige critici, dat zij alles afbreken, maar niets opbouwen? Zorgen wij dat dit verwijt ons zelf niet treffe!
Hier is natuurlijk weer geen sprake van geloofsof zedeleer. Naast den machtigen bouw, door Kerkvaders en Scholastieken opgetrokken, verzinken alle torens van Babel in het niet. Wij doelen enkel en alleen op de letterkundige en historische bijbelcritiek.
Op dit gebied, immers, heeft de ongeloovige wijsbegeerte een harer grootste en meest bezochte tempels gebouwd. Maar schijnen vele Katholieken niet om breekijzers alleen te denken, wanneer zij eveneens zich op het terrein der critiek begeven? Nochtans dient hier ook, en vooral, de troffel ter hand genomen! Niet afbreken, maar opbouwen moet hier oiw hoofddoel zijn. Wij, Katholieken, moeten ook hier eigene, wetenschappelijke stelsels bou wen. Wie de werken kent der kinderen van Belial over de instellingen der Israëlieten en de ontwikkeling hunner letterkunde, weet wat dit zeggen wil.
Weerleggingen van vijandelijke stelsels behooren slechts corollaria te zijn van onze eigene stelsels. Anders blijven onze beweringen in de lucht zweven. Dragen wij hierom allen daar ons steentje bij, waar gewerkt wordt aan den wetenschappelijken bouw. waarvan Leo Xlll de groote lijnen heeft getrokken.
— 30 —
Dun eerst, wanneer het zonnelicht der goddelijke genade op de daken zal spelen van dezen nieuwen Roomschen tempel, durven wij hopen, dat de oogen van veler ongeloovige critici zullen open gaan.
Wij weten allen, dat het geloof in de Katholieke Kerk motiva credibilitatis veronderstelt. De historische werkelijkheid der openbaring moet boven twijfel veiheven zijn. „Non enim crederet (üdelis) nisi videret ea esse credenda vel propter evidentiam signorum vel propter aliquid hnjiismodi.quot; (') Doch vergeten wij niet, dat onze verkl ring en onze toelichting dezer beweegredenen dienen gewijzigd te worden volgen* de vragen, welke de wetensch ppen van den dag on stellen. Weerleggingen van moeielijkheden uit vroegere dagen laten den huidigen criticus koud; hij oppert andere bezwaren.
Naast den tempel van het Ongeloof moet daarom, ook op het gebied der historische bijbelcritiek, een tempel verrijzen van den drie-éénen waren God! 01' liever nog, het Pantheon zelf der Hegelianen moet in eene kerk herschapen worden van den God der Openbaring.
De ongeloovige critici — wij herhalen dit, wijl liet. eene onzer heiligste overtuigingen is — hebben onzeggelijk veel en kostbaar materiaal voor de apologeten der toekomst verzameld. Prof. Kosters verkondigde o. i. eene veel diepere waarheid dan hij zeil vermoerlde, toen hij, bij de aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Rijksuniversiteit te Leiden,
(1) S, Thomas II -2, q. I a. 4 ad
— 31 —
zijne geleerde toehoorders op het feit wees, dat „menig beoefenaar van het O. T. den werkman gelijk is, die dag aan dag voorwerpen vervaardigt, welke alleen waarde hebben als onderdeelen van een geheel, dat hij niet kent en waaraan hij bij zijn werk niet denkt.quot;('j Waren de heerlijke kunstgewrochten van Salomon's tempel niet het werk van heidensche Sidoniers?
„Divinae enim sapientiae et virtutis et potentiae est officium non solum beuefacore (haec est enirn, ut ita dicam, Dei natura, ut ignis calefacere et lucis illu-minare), sed illud quoque maxime, ut id, quod per malos aliquos excogitatum est, ad bonum aliquem finem et utilem deducat et commode iis, quae videntur mala, utatur . . . Est ergo etiam in philosophia .. . vestigium aliquod sapientiae ct motio a Deo orta.quot;(2)
„Ego te te omnibus bonae tuae indolis viribus iucumbere velimquot; — schrijft Origenes aan den H. Gregorius Thaumaturgus, die weleer zijn leerling was — „in Christianam doctrinam ut finem, ad hunc vero assequendum a te optarim quasi auxi-lium e Graecorum philosophia adhiberi. .. Et forsitan tale quid tacite indicat quod in Exodo scriptum est ex persona Dei, ut jubeantur tilü Israël petere a vicinis et contubernalibus vasa argentea et aurea, ut spoliatis Aegyptiis inateriam habeant ad ea apparanda quae ad di v in u m c u 11u m per-
(1) Hel godsdienslig karakter van Israel's hisloriografie bl. fi Leiden 1892.
(2) Clemens Alex. Slrom. lib. I cap. XVII I'. G. Mil p. 80quot;2.
— 32 —
tinent. Ex his enim quae filii Israël Aegyptiis sub-traxerunt constructa sunt quae in Sanctis Sanctorum erant.quot; (')
„All die Riesen sind nur Zwerge,
All die Herr'n nur arme Knechte;
Ob sie gleich den Frevel wollen,
Fördern müssen sie das Rechtequot;. (s)
De uitkomst heeft het oordeel der Vaders over de wijsbegeerte niet beschaamd. Sedert Aristoteles door S. Thomas gekerstend is, ml het aanvankelijk verzet der Katholieken tegen de beoefening der wijsbegeerte wellicht aan velen een raadsel schijnen. Zonder wijs-geerigc verklaringen en uitleggingen, schijnt thans de H. Schrift zelf, in sommige theologische handboeken, nauwelijks apologetische waarde meer te hebben. (3) Wat anders zijn de middeleeuwsche Scholastieken dan Christen geworden wijsgeer en? En toch! Zonden wij thans niet, met meer recht misschien, van de cdtiek kunnen getuigen wat Clemens Alexandrinus, in zijn tijd, van de wijsbegeerte zeide: „sublata phi-losophia, videtur fabula Servatoris oeconomiaquot; ? (1) Met het oog op de ongeloovigen onzer dagen is thans een critische kommentaar op den Bijbel even onontbeerlijk als destijds een wijsgeerige of dog-
(1) Kpistola ad Gregorium, Origenis Opera 1 p. 4739 Ed. Caillau,
(2) Weber.
(3) Kardinaal Manning beweerde, dat de Katholieken de studie der H. Schrift te zeer op den achtergrond schuiven. Hij verklaarde dit uii. eene reactie togen het Protestantisme, dat in het andere uiterste verviel. De waarlijk moderne kardinaal meende hier een dei' groote hinderpalen te zien voor den vooruitgang der Kerk in onze eeuw. Ct'r. Purcill. Life of Card. Manning. London LS9G.
. Strom, lib. I cap. XI l'.G. VIII p. 750.
— 33 —
inatischc. Zoolang de criticus het terrein niet heeft voorbereid, zijn thans de pogingen van den godgeleerden om den ongeloovigen geleerde te overreden, gewoonlijk vergeefsch.
Wie nooit de talloo/.e werken der andersdenkende critici inzag, zal de zaak natuurlijk nhnnier van dezen kant hebben beschouwd en ons allicht van schromelijke overdrijving beschuldigen. Wij meenen nochtans der waarheid getrouw te blijven.
Trachten wij dus het voorbeeld der Vaders te volgen door de wetenschap onzer dagen te kerstenen. Dat, op wetenschappelijk gebied, de critische richting de ware moderne en daarom juist dc ware traditioneele is — die steeds met haar tijd meegaat — duldt o. i. geen tegenspraak meer.
„Perpetua quidem sunt humanae cogitationis itinera, augeturque accessionibus fere quotidianis scientia rerum ac doctrina: quis autum nolit his rebus sapienter uti, (pias recentiorum pariat eruditio et labor? Quinimo adsciscantur hinc libenter quae recta sunt, quae utilia, quae veritati divinitus traditae non repuguantiaquot; (')
Vragen wij ons thans af, hoe wij in die richting moeten werken. Werpen wij een blik op het verleden der katholieke wetenschap: moge het voorbeeld der vaderen ons begeesteren on, ook in onzen tijd. aan hare verhevene roeping getrouw te blij-
(I) Litterae S. Igt;. X. Leonis Papae Xlü atl Ministrmn ^eneialem Ordinis Fratrum Minoium. L25 N'ovembris 1898.
3
— 34 —
ven. Zonder ijver en zonder geestdrift kwamen nooit groote zaken tot stand. Vooral het begin is moeielijk waar men nieuwe wegen opent. Maar vergeten wij het schoone en zoo dikwijls aangehaalde vers van Dr. Schaepinan niet:
„Eene groote zaak beminnen,
Gelooven en beginnen,
Volharden kloek van zinnen,
't Verwint het al.quot;
De Roomsche geleerde moet natuurlijk vaak zijn oog ten hemel richten ; al het aardsche, ook de wetenschap, heelt voor ons slechts waarde als middel, niet als einddoel. Doch moet daarom ons onmiddellijk doelwit de bekeering der ongeloovige geleerden zijn? Moeten wij overal en altoos de leeringen der katholieke kerk op den voorgrond schuiven, ook daar. waar wij ons tot de andersdenkenden richten P Neen, ons on in i d d e 11 ij k doel moet veeleer wezen
— de lezer zie in deze vrijmoedige uiting van persoonlijk gevoelen, geene aanmatiging van tien schrijver, die het gebrekkige van zijn eigen arbeid kent
— echt wetenschappelijke en critische werken te scheppen. De beste katholieke apologie wordt door hen geschreven, die, waar het wetenschap geldt, zeil' over de Kerk en hare leeringen zwijgen, maar hunne werken des te luider laten spreken. Of kunnen wij de uitspraken der Kerk als argiimc-iiten bezigen tegenover Protestanten en ongeloovigen, die het leergezag der Kerk niet erkennen ?
_ 35 —
Wij moeten o. i. zooveel mogelijk ook den schijn vermijden van partijdigheid. De ongeloovigen moeten ons leeren kennen als trouwe vrienden der zuivere waarheid. Geleerde Katholieken zijn wandelende apologieën.
Vooral in de studie van het Oud Testament, spoort ons dienaangaande dikwijls nog eene andere, geheel bizondere reden tot stilzwijgen aan.
„De hoe primo admonere te voloquot; — zegt de M. Thomas — „qnod in disputationibns contrn infidel es de artienlis tidei, non ad hoe conari debes ut t'idem ratio nibns neeessariis pro-bes. Hoe enim sublimitati tidei derogaret, eujus Veritas non solum hnmanas meutes sed etiam ange-lorum excedit; a nobis autem crednntur quasi a Deo revelatii. Quia tarnen quod a summa veritate procedit, falsum esse non potest, nee neeessaria ratione im-pugnari valet qnod t'alsum non est; tides nostra, neeessariis rationibus sieut probari non ])otest, ([ilia hnmanani menteni exeedit, ita improbari non ])otest propter sui veritatem. Ad hoe igitur debet ten-dere disputatoris iutentio in artieulis tidei, non ut tidem probet, sed ut tidem defendat: unde et beatus Petrus non dieit: „Parati semperquot; ad pro-bationeni, sed „ad satisfaetionem'', ut scilicet rationabiliter ostendatur non esse fa!sum qnod tides catholica contiteturquot;. (')
Zij die wensehen mede te werken aan den nieuwen, (•ritischcn bijbelkommentaar, dienen deze vermaning
(,1) S. Thomas Opusculnm 111 Ciip. II.
— 36 —
van S. Thomas wel te behartigen. Meer nog wellicht dan de wijsgeeren raakt zij de critici. Afgezien immers van het kerkelijk leergezag, valt het vaak uiterst moeielijk, meermalen onmogelijk, de waarheid van een bijbelverhaal positive te bewijzen. Zeer dikwijls moeten wij ons daarom bepalen tot een argumentum n e ga t i v um; de o n waarheid der bijbelsche leer, waar dan ook, zal door de ongeloovigen nooit of nimmer, worden aangetoond. (1)
Waartoe zou het echter dienen, hier telkens te doen uitkomen, dat het geloof ons gebiedt, ook zonder voldoende positieve, wetenschappelijke argumenten, de waarheid dier verhalen aan te nemen? In plaats van de ongeloovigen te overtuigen, zouden wij hen slechts in den waan brengen, dat ons geloof op geen hechte grondslagen rust.
Gewis, indirecte bewijzen wij de waarheid ;iller bijbelverhalen; doch wij behoeven dit niet bij olke gelegenheid te herhalen. Het is genoeg, dat wij nu en dan, als onze beginselen ter tafel komen, den
y O
andersdenkende hieraan herinneren.
De Katholiek bewijst, dat Christus zelf geene boeken heeft geschreven, die vaak duister zijn, maar dat Hij eene Kerk heeft gesticht niet leergezag. De Godheid van Christus, de waarlijk goddelijke instelling en onfeilbaarheid (2) Zijner leerende Kerk neemt hij aan op gronden, die de geloofwaardigheid dezer
(1) Mits men natuurlijk den auteur geene bedoeling loeschrijlt, die hein vreemd is.
(2) Wanneer nl. over gelool's- olquot; zedeleer de geheele Kerk of haar opperhoofd inderdaad een eindvonnis velt.
— 37
feiten — ten eeuwigen dage door geen wetenschap omver te stooten duidelijk doen uitkomen, beholpen door de gennde van God, heeft de Katholiek hieromtrent niet alleen eeue bloot nienschelijke overtuiging, maar eeue bovennataurlijke zekerhe'd. Welnu, deze onfeilhni'e Kerk leert den Katholiek, dat- -wat hij anders niet kon weten - de bijbelboeken, die onze vaderen in den Kanon liehben opgenomen, geïnspireerd zijn. Zij verklaart hem de natnnr der ingeving en getuigt, dat (-Joel zelf borg blijft voor de Maarheid eiker bevestiging of leer der II. Schrift.
Wij, Roomschen, geven gaarne toe en leeren reeds in onzen kleinen Katechismus, dat het geloof in de ware. Katholieke Kerk ten slotte eeue gave is des I leeren. Studie, zonder gebed, zal andersdenkenden nooit die volle zekerheid geven, welke vereischt is in eeue zoo gewichtige zaak. ,.Non quia cognoverunt, crediderunt, sed ut cognoscerent credidernutquot; ('). Maar dit belet niet, dat de mensch steeds de wet van het verstand moet volgen en geeue waarheid voor zeker mag houden, waarvan hij de zekerheid niet kent, hetzij door eigen onderzoek, hetzij door de getuigenis van iemand die volstrekt geloofwaardig is. Overal en altoos moeten wij van onze gedragslijn rekenschap kunnen geven, zoowel in het geloof als in de wetenschap. Van menig bi jbelverhaal kunnen wi j onmogeli jk wetenschappelijk de waarheid bewijzen. Maar wij weten, dat God natuurlijk niet falen kan. En dat God zelt hier werkelijk spreekt, gelooven wij op gezag der
^ I^ S- Auyusthnis. In Joh. tr. XL n. 9 Cfr. Bouiquill wi Institn-liones tlieol. moralis specialis. p, 39 Hrugis 1890.
— .38 -
onfeilbaar leerende Kerk van Ohristus. Waar de zin of bedoeling der II. Schrift duister is, berust de eindbeslissing bij bet door Christus ingestelde leergezag.
„Contradicunt linguae multae; diversae haereses, diversa schismata personant; linguae multae contradicunt veraci doctrinae: tu cnrre ad tabernaculmn Dei, E c c 1 e s i a in c a t h o I i ca in tene, a r e g n I a veritatis noli discedere et protcgeris in taber-naculo a contradictione linguarum.quot; (')
„Foterani omnes propositionum (adversariornm) rivulos ii n o K cel e s i ae s o I e siccare.quot; ('*)
„Ego ver o Evangelio non c red ere mquot; — zegt de groote Augustinus „ui si me C a-th o I i c ae E c c 1 e s i ae co m m o v e r e t a u c t o-r i t a s.quot; (:i)
Afgezien van andere, historische bewijzen uit het trac-taat de Ecclesia, draagt de Uoomsche Kerk de kenteekenen der ware bruid van Christus. „Per se ipsa, ob suam neiupe admirabilem pi'opagationem, eximiam sanctitatam et inexhaustam in omnibus boiüs tecunditatem, ob catliolicam nnita-tem invictamque stabilitatem, magnum (|iioddam et perpetuum est motivum credibilitatis et divinae suae legatiouis te-lt;-timonium irrefragabile. (4) [®]
(1) S. Augustinus. In lJs. XXX no. 8 Clr. Hurter. Theologia generalis I p. 280. Oeniponte 1880.
(2) 6'. Hieronymus. l'ial. adv. lucil'. n. 28. Clr. Huiler 1. e.
(3) S. Augustinus. Contra epislolam Manichaei quam vocant Fundntnenli. liber unns, cap.V. 1'. L XLU p. I7(i.
(•« Cone,. Vatic. Sess. Ill, c. Ill De fide.
(*) Hoe logiscli de Uoomsche leer liier is, waarde Protestantsche lezer, getuigt Max Heisclile van Halle zelf.
- 30
Waar verhalen van liet Oude Testament worden onderzocht, kmmen wij dus niet altijd directe hnnne waarheid aantoonen. lu zuiver wetenschappelijke werken, waar wij oih op lt;)-eeii leergezag mogen beroepen, moeten wij oas daarom vnak tevreden stellen met te bewijzen, dat hunne valschheid volstrekt niet blijkt : „rationabiliter ostendatur non esse fa I sn m quod tides catholica contitetiir.quot;
Dit vooropgezet, vragen wij verder aan de \ aders, hoe wij de wetenschap moeten beoordeelen, wanneer wij voor het heil en de eer der kerk werkzaam willen zijn.
De N aders hadden eene zeer hreede opvatting van de wetenschap. Dit blijkt voldoende uit de wijze, waarop de studenten in de godgeleerdheid destijds werden opgeleid.
Prol', liernoulli heelt, onzes erachtens, zeer wel ingezien, dat de l'i o-testant met zijn Bijbel alleen, vooral heden ten da^e, dikwijls geen rekenschap kan geven van zijn geloof. Daarom moet, volgens hem. de dominee ten slotte zijne toevlucht nemen tot de bijbelverklaring der Kerk, waardoor hij «sich der Verantwortung des eigenen, unsicheren Urteils überhoben fiihlt.» {Die missemcliafflichigt;, unci die kirciiliclie Methode in der Theologie. V. 209. Freibury 1898.) Bernoulli geelt •/.elf toe, dat de IVotestanten hierdoor zullen terugkeeren tot «eine Katholisirung des Kirchen und AmtsbegriU's.» Doch Jieischle merkt zeer juist op, dat de Kei k grootendeels nutleloos zou zijn zonder onfeilbaar leergezag : «Aber sie winde, solange sie sich aul' keiu unl'ehlbares Lehramt berulen kann, doch vergebens mil ein (Jesetz .lt;einer kirchlich zensiertcn Schriltauslegung» die Gewissen zu binden versuchen . ..» (Theol. Rundschau 1898 December S. (125). Al werpt lieischlc «die Uesetzlichkeit» der Kerk verre van zich al', hij zeil getuigt niettemin, dat, zonder onteilbaar leergezag. Christus vergeels eene Kerk zou hebben gesticht.
Bewijzen voor de onfeilbaarheid kan üe lezer in de Roomsche tractaten De Eccleda en De Romano Pontifice vinden. Moge de critiek, die de ongenoegzaamheid van den Bijbel alleen zoo duidelijk doet uitkomen, onze verbroedering voorbereiden, geloovige Protestant-sche lezer.
— 40 —
Waar hij den lof verkondigt van zijn vroegeren leermeester, Origenes, vergunt de li. Gregorins Thanma-tnrgns ons een blik in de vermaarde school der Alexan-drijnsche Kerk ('): „]Jhiiosophari ergonos itajnbebatnt omnia qnotquot tnm philosophornm tnni poëtarinn seri]jta colligentes, nihil omnino rejiceremus, nihilqne repndiaremns (necdnm enim vim habere jndicandi po-tnerinins) praeter ea ((iiae atheornm essent, qni, a com-muni hominum sensn discedentes, Denm ant Providen-tiain esse negant (haec enim nee digna epiidem esse (piae legantnr...); reliqna vero seripta evolvi legiqne sic oportere, ut n c c g e n n s u I I n m nee I i b e r a ut se r m o e r u d i t n s p r ae t' e r a t n r, neqnc contra rejiciantnr, sive Graecus sive barbarns, sed o m n es audi a n t n r. S a p i e n ter i d p r o r-s ii s et apposite, ue scilicet u n a qnaepiam hornm illorumve sententia audita et in pretio habita, qnamvis vera non sit, t a m q n a m vera s o 1 a es set, si semel in animnm nostrum irrepserit, deci-piat, sibique nos vindicans sic afficiat, ut nee ab ea discedere, nee illam . . . elnere possimns. quot; (1)
„Nullus porro est neque labyrinthus adeo ad e\-plicandum ditticilis et vu rins, neque silva tamqnam densa et varia, neque campus ant palus quae illapsos atque ingressos sic retineat, ut oratio, si qua nos occupet, aliquorum istiusmodi philosophornm. Nobis
(1) De scliolen van Home schijnen een meer privaat karakter te liebben gedragen. I e Alexandrië echter had de Kerk van Egypte hare eigene offh-.iëeli! school : Vgl. Battifol. La lilt. giecque. p. 1(16. — Hamnck Rnaleiieyklopftdie liïr pret. Theologie und Kirche, art. Alexan-drinifche Katechetenschule. Leipzig 18!I0.
In Origenera oratio panegyrics, n. Xlll P. G. V p, 1087.
— 41 —
e r g o ii e i d i p s 11 m quo d i m p e r i t ae m vi 1-t i t n (1 i n i e Ar e n i r e t, ad imicnin nos philoso-phornni genus non admovehat nee in eo consistere sinebat; sed per omnia dncebat, nul li us nos (1 r a,e c a ii i do g m a t i s r u d e s a u t i g n a r o s esse per m i 11 e n s.quot; (')
Het oordeel van den Bollandist, pater J)eSraedt S. J.. stemt volkomen overeen met dat van den 11. Gre-gorins. „ün ne saura.it trop se garder —schrijft hij „de ces vagnes préjugés acceptés aveuglement sous 1quot;empire des influences d'éducat.ion, de parti on d entonrage. lis frappent de stérilité vine toule de tra-
vaux lustoriqnes péniblement éclos......l'esprit
hnmain nest que trop porté a regarder com-me prouvé ce qui! a déja a dm is com me certain. („) Les moindres probabilités lui semblent alors des arguments irrefutables, et 1 'hesitation a reconnaitre leur valeur demonstrative est prise pour ime marque évidente de mauvaise foi ou de faiblesse d'intelligence.quot; (1)
Neen, onze horizon mag niet beperkt zijn tot den kring onzer omgeving; vooral niet op het gebied der critiek.
Wat l)r. Schaepman van S. Thomas getuigt, mag voor alle groote Kerkleeraars gelden. „Ook bij hen,
(8) Principes de critique historique p. B8. Paris 1888.
— 42 —
die hij bestreed en bestrijden moest, heeft Thomas de Godskracht geëerbiedigd, tel als bij het misbruik van die kracht heeft gewraakt en gebrandmerkt. Het was hem geen schande bij Joden en Arabieren te leeren, bij Maimonides vernuft en scherp doorzicht te huldigen, van nlle goede gaven is de gever de Heer.quot; (')
Waar het zuivere critiek geldt, hebben inderdaad ook andersdenkenden gezag. Al was Knenen een rationalist, hij heett niettemin geleerde werken geschreven. Zooals wij zagen, vinden wij bij de ongeloovigen veel kostbaar materiaal.
Nemen wij een voorbeeld aan den H. Hieronymus, die overal ter schole ging waar iets te leeren viel. „übjiciat mihi quispiam cur hominem Judaeum ha-buerim praeceptorem? Et audet quis proferre litteras meas ad Didymum quasi ad Magistrum ? Grande crimen, si hominem ernditnin et senem magistrum dixerim!quot; (1)
„Satis miror te voluisse ürigenis mihi objicere dogmataquot; schrijft hij aan Vigilantins, die hem een verwijt maakte van zijn grooten eerbied voor den Alexandrijnschen denker „cujns in plerisque errorem nscjue ad banc aetatem penitus ignoras.quot; (2) „Laudavi hominem, non dogmatisteu; ingeninm non tideni; philosophnm, non apostolum.quot; (3)
Kp. 84 ii. 3 P. L. XXT1 p. 745.
Ep. 01 n. 1. p. 603.
Ep. Si n. '2 p. 7H.
— 43 —
„Quitt operis mei est et studii muitos legere, ut ex ])lui'imis diversos tl ores carpam, uou tam jirohaturus omnia qunm (|Uiie l)ona sunt electurus, assumo muitos in manus meas, ut a multis multa cognoscam, secundum illud quod scriptam est; Omnia legentes, quae bona sunt retinentes (I Thess. V 31).quot; (')
Wie isoleering zoekt en noodig heeft, geeft blijk van achterlijkheid. Ook de scherpzinnigste distinctio kan deze waarheid niet wegcijferen. Neen, Pausen, die de deuren der bibliotheken en archieven van het Vatikaan voor alle geleerden der wereld openzetten, duchten, voorwaar, uit de wrijving der ijsschotsen van het ongeloof, geen averij voor het schip van Petrus, den grooten ijsbreker aller eeuwen! „Und wenn uns schliesslich das Wissen und der hohe ( jeis-testlug einen Tertullian entfremden, nun, so werden sie uns einen Augustinus wiedergeben.quot; (2)
De katholieke geleerde, die het voorbeeld der \ aders wil volgen, werpe zich in het volle leven zijner eeuw. Wie zich de Kerkvaders slechts kan voorstellen als grijsaards, op eene bidbank neergekmeld, raadplege nog eerst de historie. Mannen van gebed, waren de Kerkvaders tevens mannen der daad. „Etenim qui non satiatur a more erga Jesum, is nee unquam satiabitur pugna adversus eos qui eum oderent.quot; (') Het vuur van den Apostel, die onverschrokken in den Areopagus van Athene optrad, gloeide in de harten aller
(1) Ep. 61 n. I p. 602.
(2) Prolquot;. Mausbach, Verhandlungen der 45 General-Versamrnlung der Katholiken Deutschlands zu Krefeld 1898. S. 148.
(H) S. Chyrsostomus, Adversus .Tudaeos n. Vil P. G. XXX p. 915.
_ 44 —
groote apologeten. Wie de Vaders wil vinden in de wereld der eerste eeuwen, vrage slechts waar het krijgsgewoel het hevigst was. Steeds dieper en dieper zijn zij het land der heidensche wijsgeeren binnengedrongen ; op elke nieuw veroverde schans hebben zij het vaandel van Christus geheschen.
Orkanen zijn loeiend over de wereld der Vaders heengevaren. Doch het schip van Petrus vreesde de stormen niet I Neen het lag in geen stille baaien ot' vluchthavens ten anker! Met volle zeilen voer het de wereldzee rond en liet de kruisbanier tot vóór de bolwerken der ongeloovigen wapperen. Bloote zelfverdediging hebben ook de Hollanders eerst tot hun ideaal verheven, toen de bezem van Tromp in een bescheiden binnenkamer dienst moest doen.
Een kort overzicht van de latere geschiedenis dei-godgeleerdheid kan ons, slechts dieper nog, van dezen geest der Roomsche Traditie doordringen.
De Scholastieken kenden nauwelijks meer de vijanden der openbaring, door de Vaders zoo aanhoudend bekampt. „Non ita sunt nobis nota singu-lorum errantium dicta sacrilega, ut ex iis quae dicunt, possimus rationes assumere ad eorum errores destrn-endos. Hoc enim modo usi sunt antiqui doctores in destructione errorum Gentilium, quorum positiones [i. e. theses] scire poterant; quia et ipsi gentiles fuerant
— 45 —
vel saltern inter Gentiles conversati et in eorum doctrinis eruditi.quot; (')
Kan de geest der Traditie dus hier niets leercn iian den huidigen katholieken geleerde, die vooral tegen het Ongeloof moet strijden?
ü ! de middeleeuwen zeggen den Katholiek zooveel!
Gedragen op de vleugelen des geloofs, heeft de menschelijke geest in de middeleeuwen eene vlucht genomen, die gewone stervelingen doet duizelen. Zoo hoog is Thomas opgestegen in het verblindend licht van de Zon der Openbaring, dat de godgeleerden van onzen tijd, - zoodra het bespiegelende vraagstukken geldt - gewoonlijk hun toevlucht moeten nemen tot de list van het winterkoninkje, dat zich tusschen de veeren van den adelaar verborgen hield. Wie thans nog van domperige middeleeuwen durft spreken, moet zelf een duisterling zijn. Ook hier heeft de critiek de nevelen weggevaagd van vóóroordeel en bedrog. Wie zou thans nog durven loochenen, dat de wetenschap bloeide in die dagen? „De Wetenschapquot; was echter katholiek I De ó^ue ware God werd, ook als koning der wetenschap, door alle beschaafde volken aanbeden; de Engel der School deed de mannen van Mohammed beven, gelijk weleer de Engel van Balak de krijgers van Sisara.
Op het werk der Vaders hadden de Scholastieken de kroon gezet. Het Geloof had, ook op het gebied der wetenschap, het Ongeloof geslagen. Hoogleeraars van Universiteiten droegen haren pijen; als zij het
(1) S. Thomas. Summa contra Genlis, lib. I cap. 11.
— 46 —
leergestoelte beklommen, rammelde de rozenkrans. Ja, wij bekennen het, wanneer wij thans onzen blik laten gaan over Europa, denken wij met weemoed terug aan dien schoonen tijd, toen datzelfde Europa nog wemelde van Roomsche hoogescholen 1
Toen Napoleon 1 in de Notre-Dame te Parijs tot keizer werd gekroond zoo verhaalt men —- fluisterde hij zijn broeder in het oor; „Si maintenant notre père nous voyait!quot; .Moge de katholieke schriftuurgeleerde nooit of nimmer behoeven te blozen bij de gedachte: „Si maintenant nos pères nous voyaient!quot; Moge de herinnering aan onze vaderen de geest der traditie — de katholieke geleerden der negentiende eeuw steeds bezielen! liet vaandel der wetenschap, door onze vaderen veroverd, mag in geenc vreemde handen komen. Wie den wereldkamp vreest, verloochent den geest tier Roomsche Traditie.
Kortzichtigeu alleen zouden den denker der middeleeuwen een verwijt kunnen maken van zijn gemis aan critische ontwikkeling. Met evenveel recht zou men Thomas kunnen verwijten, dat hij nog geen automobiel had! In onze eeuw hebben tallooze uitvindingen het aanschijn der aarde veranderd; indien onze vaderen wederkeerden, zouden zij eene andere planeet meenen te zien! Wie echter Gods voorzienigheid en wereldbestuur niet wil ontkennen, zal in dien plotselingen bloei der natuurwetenschappen een werk moeten zien van Zijne hand. De huidige bloei der historische critiek zal eveneens onverklaarbaar blijven, zoo lang wij, bij het ontluiken van de
— 47 —
bloemen der wetenschap, niet aan den „hovenierquot; van Magdalena denken. (') Om kunstenaars of geleerden te beoordcelen, verplaatse men zich in hun tijd en omgeving. Wie zegt ons, dat er geen Phidias onder de beeldhouwers der oude Sumeriërs was ?
Dat wij de wetenschap der negentiende eeuw hoogschatten, is onzen lezers geen geheim. Maar toch zouden
' O O
wij niet durven tegenspreken, wanneer men beweerde, dat het geslacht der reuzen uitsterft. Grooter reus dan Thomas heeft zeker nooit op het veld der wetenschap gewerkt, liet menschelijk geslacht heeft veel door ondervinding geleerd en ziet zijn vermogen tot oordeelen hij het klimmen der jaren vermeerderen. Dezelfde wet regeert menschdom en individu. (2) Vraagstukken, die raadsels waren voor de genieën der oudheid, kunnen later kinderspel worden voor gewone stervelingen. Maar, hoe hoog de boom der kennis zijn top ook moge verheffen, toch schijnt, in de loten, de stuwende kracht van het levenssap te verminderen.
Ook ten tijde van Luther en Calvijn, hielden de Katholieken het vaandel tier wetenschap hoog. Groote misbruiken waren tie Kerk van Christus binnengeslopen en een groot gedeelte van de kudde ties 1 leeren dwaalde af van den Pastor ovium. De machtige 8akser van Witteraberg tartte de strijders van het
(1) Joan. XX 15.
(2) Vgl. De Smedt. IVincipes lie critique Instoi-iqne. pp. 43—15.
_ 48 —
oude Rome. Maar de klok, wier klank Karei de Groote, te Aken, zoo vurig en zoo lang vergeefs verbeidde, bleef te Rome nooit stom. Onverschrokken daalden de ridders der Roomsche kloosterorden in het strijdperk af. De drukpersen der universiteit van Leuven en andere katholieke hoogescholen stonden niet stil. Allerwegen openbaarde zich een nieuw leven. Neen, hier geen „vent du soir qui me souffle au visage!quot; (') De boom, die zoovele takken had verloren, bleek slechts gesnoeid, wijl een nieuwe lente naderde, l iet concilie van Trente was een nieuwe Pinksterdag.
Rome had vele strijdbare mannen verloren, doch wie het slagveld der wetenschap overzag, moest toch met Bileam uitroepen: „Quam pulchra tabernacula tua, Jacob, et tentoria tua, Israël!quot;^)
Waar de vijand vóór ons stond, heeft het ons Roomschen, nooit aan moed ontbroken. Wee den aanrander van Christus' Bruid, als hij openlijk oorlog voert! Men kappe onze beide handen af en wij zullen nog slaan met de stompen onzer armen!
Op het gebied der bijbelstudie duchten wij slechts één gevaar, de rust nl. van dien vrede, waarin de vijand geen rekening meer met ons houdt.
Thans is onze groote vijand het Ongeloof. De Openbaring, weleer ook dooi- onze tegenstanders erkend, wordt heden door velen geloochend. Belegeren wij
(1) Bornier. La lille de Roland.
(2) Num. XXIV 25.
10 —
niet langer eene stad, waaruit de vijand i.s vertrokken ! De achterblijvers, van de gemeenschap afgesloten, zullen wel den hongerdood sterven.
„De vroeger alles beheerschende twistvraag omtrent den Bijbel is van een overwegend theologische een historische en letterkundige geworden.quot; (')
„Laten wij ons hiervan toch wel overtuigen: de gewichtigste vraagstukken worden thans uitgevochten op het terrein der geschiedkundige critiek en der letterkundige critiek, vooral dat, wat den Bijbel tot voorwerp heeft. Geheel vreemd willen blijven aan deze kampstrijden, de oogen en de ooren sluiten om ze niet te zien en niet te hooren, is halsstarrigheid om goede godgeleerden te willen zijn voor den verleden, maar niet voor den tegenwoordigen tijd.quot; (2)
„La hitte est sur le terrain des faits; et done, eest Iti qu'il faut aller pour joindre nos adversaires ; c'est lil qu'on trouvera des armes pour fortifier les croyants et convaincre ceux qni doutent.quot; (3)
Maandelijks komen tallooze wetenschappelijke bijbelstudiën uit. Zelden of nooit laten wij den aankondiger, die haar verschijnen rondbazuint, voorbijgaan, zonder even het raam van ons studeervertrek .op te
(1) Va» Cooth. De teekenen des Tijds. bl. 5. De Katholiek i88(i.
(2) «Pereuadiamocene: le pin gravi qnestioni religiose oggi si com-liattono nel campo della critica stoi'ica et della critica letteraria, sopra-tutto quella che ha pei' oggetto la Bibbia. II voler ritnanerecomplela-mente estranei a (|neste lotte, cilinder gli occhi e lu orecchi per non vederle e non udirle, è un ostinarsi a voler essere teolosi bnoni per il passato, ma non per il presente». Fracassini. Hivista bibliogrolica ilaliana, 5 Febr. 18HS,
(3) L, de Grandmaison S. ,T. Ktmles. ISflS p. .'{1.
— 50 —
schuiven. Maar is het niet treurig, dat deze wellicht nog minder katholieke werken veilt dan de venter onzer stations katholieke dagbladen biedt, wanneer hij zijn hangmandje omhoog beurt vóór het portier van ons coupe ?
„Protestantes studiis suis philologicis et historicus catholicos interpretes ultimo hoe saeculo superasse negari nequit; lingua, quae studio sacrorum librorum inservit, nulla est, quam maxima cum diligentia non excoluerint, res historica nulla, in quam non soler-tissime et sagacissime investigarint. Cum nostro dedecore fateamur oportet, res hodie eo pervenisse, ut si libris sacris nostris accurntius studium impendere volumus, philologicis historicisque Protestantium operibus carere nequeamus.quot; (')
„The enthusiasm for biblical studies in both the Old World and the New, amounts, we might say to a passion.quot; (J) Doch ongelukkigerwijze gaat deze edele passie somwijlen van andere driften vergezeld; ook onder hen, die zich nog Christenen heeten, vinden wij mannen, die de dochter van Sion verguizen. Vooral onder de geleerden van minderen rang. Waar zij iets onder de hoogere goden hebben hooren mompelen, schreeuwen de lagere goden om het hardst en spotten zelfs met eene Kerk, waarvoor zoovele genieën eerbiedig het hoofd hebben gebogen! Doch hoogmoed, die langs heg en steg de stroohalmen voor zijn schamel
(1 Comely. S. J. Intioductio in U. T. libros sacros i. 726. Pmisiis 1885.
(2') Bouquillon. The Calliolic University Bulletin iHyö üi.
— 51 —
nest moet stelen, is geen wetenschap: is niet Bollandist wie wil!
„Quum vero tam impie de Deo, de Christo, de Evangelio et reliqua Sci'ij)tiira sentiant et praedicent , non desunt ex iis qui theologi et christiani et evangelici haberi velint, et honestissimo nomine obtendunt insolentis ingenii temeritatem. His addunt aese consiliorum participes adjutoresqne e ceteris disciplinis non pauci, quos eadeiu r^velatarnm reruni intolerantia ad oppngnationem Biblionun similiter trahit. Satis anteni deplorare non possumus, lt;|U!ini latins in dies acriusqne haec oppngnatio geratur.... Libris, libellis, diariis exitiale virus infundunt; id concionibus, id sermonibas insinuant; omnia jam pervasere et multas teneut, abstractas ab Ecclesiae tutela, adolescentium scholas, ubi credulas mol-lesque meutes ad contemptionem Scripturae, per ludibrium etiam et scurriles jocos, depravant misere. Ista sunt, Venerabiles Eratres, q u ae com m u n e pastorale studium p e r in o v e a n t, i n c e n-d a n t; ita ut huic novae falsi n o m i n i s s c i e n-ti ne (i Tim. VI. 10) antiqua illa et vera opponatur, quam a Chi'isto per Apustolos accepit Ecclesia, atque in dimicatione tanta idonei defensores
S c r i p t u r ae s a c r ae e x u r g a n t.quot; (')
*
* *
Wij kennen thans de verhouding tusschcn den gc jst der traditie en de critiek. Wij weten nu hoe
Eucyclica Prnvid. Deux. Op. cit. p. 217.
wij, Roomschen, om aan onze traditie getrouw te blijven, op wetenschappelijk gebied behooren op te treden. De Vaders zelf hebben tot ons gesproken.
Dat in de bijbelcritiek de eer der Kerk betrokken is, valt niet te ontkennen. Toch oppert de lezer wellicht nog eene bedenking, waarop wij een antwoord schuldig zijn.
Hoe, zalmen zeggen, zou de geest der Traditie ons kunnen opwekken tot de studie der 1) ij b e 1-c r i t i e k ! Zijn de uitkomsten dier hooggeprezen wetenschap dan zoo gunstig voor de leer onzer Traditie en den geopenbaarden godsdienst?
Neen, helaas, dikwerf niet. Maar welke Roomschen dragen hiervan de meeste schuld? Zij, die den spot schenen te drijven met de bijbelcritiek en deze bijna uitsluitend aan de ongeloovigen en andersdenkenden overlieten, of zij, die zelf den weg der critici opgingen ?
Hoe voer de wijsbegeerte buiten de Roomsche Kerk?
Wie het leergezag der Kerk loochent, ondermijnt het gezag van den Bijbel, wiens inspiratie ten slotte slechts door de Kerk gewaarborgd is. Waar de werke-
C? O
lijkheid der Openbaring wordt aangetoond, bewijzen echter onze eigene godgeleerden, dat deze voor vele groote, ook natuurlijke waarheden noodzakelijk is.
Js het te verwonderen, dat critici, die geen leergezag erkennen en den Bijbel als een zuiver nien-schelijk boek beschouwen, vaak het spoor der waarheid zijn bijster geworden, wanneer zij als godgeleerden de waarheid wilden beoordeelen der bijbelsche leer?
Neen, het bevreemdt ons niet, dat zij, die zonder gids het wondervolle land der geschiedenis van Gods Voor-zienigheid binnendringen, vaak verdwalen. Wie eene valsche wijsbegeerte tot leiddraad neemt en zijn valsch wijsgeerig stelsel in de geschiedenis wil verwezenlijkt zien, m o e t zelfs verdolen.
Ook in de wetenschap doet zich de macht van het vooroordeel gevoelen. Indien het hart geen kwade parten speelde aan het denkende hootd, zouden gewis dc beoefenaars van Israel's geschiedenis vaak tot andere resultaten zijn gekomen. Over den invloed der lagere driften willen wij hier zwijgen ; de groote zonde der geleerden is de hoogmoed. Ware geleerdheid maakt nederig. Maar hoevele geleerden zijn er niet, die het woord des Zaligmakers vergeten: „Amen dico vobis, nisi conversi fueritis et etficiamini sicut parvuli, non intrabitis in regnum coelorum.quot; (')
Hij Kant en llegel hebben vele modernen het geloof hunner kinderjaren verloren; zij lezen de II. Schrift door den zwarten bril van het ongeloof.
Wanneer wij het zondenregister van Kneuen en Wellhausen moesten opmaken, zouden wij eerst hunne wijsbegeerte onderzoeken. De erfzonde der ongeloovige critiek is in den hof der philosofen bedreven. Ons, Roomschen, dicht men gaarne allerhande vooroordeelen toe; de ongeloovigen moesten echter eerst in eigen boezem tasten. „Wie de verhalen des Bijbels,' uit godsdienst geboren, verstaan wi I, zi j met zi jn hart geen vreemdeling in die
(1) Alatth. win :i.
— 34 —
wereld van vrome aandoeningen, waarin de Bijbel-schrijvers hebben geleefd.quot; (')
V\rie de critiek wil veroordeelen om wille van de dwalingen der geleerden, moet alle wetenschappen ten vure doemen. 1 lij vonnisse de wijsbegeerte op de eerste plaats.
Maar toch, indien de critische methode inderdaad echt wetenschappelijk is, zooals wij beweren, waarom zijn de critici dan tot zoovele valsche jre-volgtrekkingen gekomen ?
Men schrijve de zonden der wijsbegeerte —• het zij herhaald — niet op rekening van de critiek. In ons opstel over het goed recht der critiek merkten wij reeds op, dat onder de critici vele verkapte I le-gelianen schuilen. Stelsels eener ongeloovige wijsbegeerte worden in de bijbelstudie binnengesmokkeld onder den valschen geleibrief van „critiekquot;. l)c katholieke criticus —- zoo schreven wi j — zal den I lege-liaan zijne papieren vragen, wanneer hij de poort der Historie wil doortrekken. Spoedig zal blijken, dat hij wijsgeer, geen criticus is. Wie de critische methode op de geschiedenis toepast, moet ten slotte tot de waarheid komen, in zooverre deze achterhaalbaar is. Maar hij, die op de bijbelsche geschiedenis de aprioristische, wijsgeerige methode toepast, zondigt tegen de regels der wetenschap. Hier ligt de diepe klove, die de geloovige en onpartijdige critici van de ongeloovige scheidt.
(1) Kosters. liet, godsdienstig karakter van Israel's historiogralie, bl. 20. Leiden •1892.
00 —
Onze groote denker, Cornelius Broere, heeft liier-omtrent een diepzinnig woord gesproken. In het allereerste artikel van De Katholiek, stelt Broere de drievoudige tegenstrijdigheid der dwaling tegenover de drievoudige overeenstemming der waarheid. „De dwaalleer zelvequot; — zoo schrijft hij —- „bevat eene tegenstrijdigheid; en daar men, met eene goede leerwijs te volgen, aldra uit de dwaling geraken zou, is het niet mogelijk in dezelve te volharden, zonder het volgen en invoeren ecner nieuwe en verkeerde leerwijs, die alzoo eene tweede tegenstrijdigheid moet bevatten. Doch daar de dwaling, zich tot een geheel vormend, niettemin eene tegenspraak is en blijft, en men juist doordat men meer eenheid in haar zoekt, in groot-er tegenstrijdigheid vervalt, is het noodwendig, dat de groote deelen van dit geheel nog het meest in strijd zijn, en dat de leer en de leerwijze tegenover elkander een uiterste en derde tegen-st rij dighetd u itmake n.quot;
liet peillood van Broere is zelden dieper gedaald.
Wanneer wij de critiek aanbevelen, doen wij dit natuurlijk in denzelfden zin, waarin Clemens Alexan-drinus de wijsbegeerte aanprees: „Philosophiam autem non dico Stoïcam, nee Platonicam, aut Epicuream, aut Aristotelicam, sed quaecumque ab his sectis recte dicta sunt . .. hoc totum selectum dico philosophiam;
— 56 —
caetera autem, quae ex humanis ratiocinationibus praesecta sunt, ea uunquam divina dixerim.quot; (')
Niet vereering van mannen als Kuenen drijft ons tot de bijbelcritiek, voorwaar! Neen, als erfvijanden van het Ongeloof omgorden de Roomsche geleerden zich thans met de wapenen der critiek, om als kampioenen der geopenbaarde Waarheid voor Christus' Bruid in het strijdperk te treden. Ook op het gebied der bijbelcritiek, willen /ij den schoonen lofzang der li. Kerk doen weerschallen:
„Vexilla Regis prodeunt,
Fulget Crucis mysterium,
Qua vita mortem pertulit Et morte vitam protulit.quot;
(.1) Stromata. lib. 1 cap. VII. 1'. (J. VIII p. 731.
II. DE CRITJEK EN DE LEER DER TRADITIE.
A. De ingeving en de menschelijke oorsprong der hijbelhoeken.
De geheele Hij bel is geïnspireerd. Hij is het woord van God zelf en bevat geen enkelen error forma lis. Dit leert ons heilig geloof. Maar de Bijbel is tevens het werk van menschen. Over het men-schelijk auteurschap en het letterkundig karakter der bijbelboeken Iaat de geloofsleer ons echter meestal in het duister. In menig opzicht behoort daarom ook de Bijbel tot die wereld van raadselen, welke God „aan het onderzoek van den mensch heeft overgegeven, ofschoon de mensch nooit ten volle zal achterhalen, wat God gedaan heeft.quot; (')
De bijbelsche leer is waarlijk goddelijk. Eene leer zoo verheven en zoo hemelsch is elders „nooit door menschenoor gehoord en in geen menschenhart ooit opgekomen.„(s) Doch niemand zou het karakter der H. Schrift meer miskenuen dan wie in den Bijbel de wetenschappelijke ontwikkeling wilde zoeken van een theologisch stelsel. De Bijbel is een boek, of liever eene bibliotheek, van schrijvers vut het volk. De waarheid wordt ons door deze schrijvers geil) Eed. in, i i.
(2) 1 Cor. 11. 9.
— 58 —
leerd in zeer verschillende vormen. De geest des lieeren heeft herders en hofschrijvers, priesters en profeten, dichters, wetgevers en volkspredikers bezield. De Bijbel wemelt van didaktische, epische, ja zelfs dramatische gedichten; hij bevat boetpredikingen en toespraken, naar aanleiding van nationale rampen ; wij treffen cr eene verzameling van spreuken aan, die op waarnemingen uit het dagelijksch leven berusten; wij vinden er wetbundels, die zoowel het burgerlijk als het godsdienstige leven van Israël regelden; wij lezen er geschiedverhalen, nu eens over het tijdvak der schrijvers zelf, dan weer over een verleden, dat schuil gaat in de nevelen der eeuwen; wij lezen er ook brieven voor bizoudere kerken of personen bestemd ; wij vinden er parabels, symbolische schilderingen, ja zelfs fabels (') ; in één woord, er is waarschijnlijk geen enkel letterkundig quot;genrequot;, den Israëlieten bekend, dat in den Bijbel niet vertegenwoordigd is. „Op velerhande, menigvuldige wijzen heeft God weleer tot de vaderen gesproken. (2)
Het letterkundig karakter van een bijbelboek kan men dus niet vaststellen a priori. Niets zou beletten, dat een boek in den trant van Wiseman's Fabiola ware opgenomen in de H. Schrift. Het oordeel van Scholz en andere katholieks geleerden over het boek Judith wordt door geen enkel theologisch beginsel a priori gewraakt. Eer de beginselen der godgc-geleerdheid kunnen toegepast worden, dienen de
(1) Cfr. BicM. IX:, 7—20.
(2) Ad. Hebr. I, 1.
— 59 —
letterkundige vraagstukken opgelost; en om het letterkundig karakter te oepalen, gelden natuurlijk dezelfde regels voor de gewijde boeken als voor de profane.
De ingeving doet hier niets ter zake. Voorzeker de gewijde schrijvers vellen hunne oordeelen met onfeilbare, goddelijke zekerheid: geheel hun arbeidsveld wordt bestraald door een bovennatuurlijk licht. Maar bij de keuze van hun bouwstoffen en van den letterkundigen vorm, genieten zij, wier keuze tevens de keuze is van God zelf, niet minder vrijheid dan profane schrijvers.
De bovennatuurlijke verlichting des geestes maakt de keuze waarlijk goddelijk, maar God, die ook ongemerkt den wil des menschen leidt, belemmert de vrijheid niet. Of is God zelf niet vrij in Zijne keuze? En kan Hij niet, zonder 's meuschen vrijheid te krenken, des schrijvers pen bestieren? De keuze van God is die des schrijvers, de keuze des schrijvers is die van God, in één woord : de keuze geschiedt door een bovennatuurlijk verlicht verstand, maar blijft volkomen vrij. (') Zou Christus zelf, indien Hij had willen schrijven, niet vrij zijn geweest in dc keuze van een letterkundig genre en zou 11 i j geen profane bronnen hebben mogen benutten ?
Elk woord van den Bijbel is ingegeven, maar niet alles is door God geopenbaard. Zeer dikwijls immers, wordt uit eigen kennis geput; vaak ook
(1) Vgl. i)e Katholiek 1808 bl. 408 en 409. Wij spreken hier alleen van den invloed der verlichting van het verstand, wijl de godgeleerden Gods invloed op den wil des menschen zeer verschillend beoordeelen.
— 60 —
wordt gebruik gemaakt van mondelinge traditie en geschreven bronnen.
Bewust of onbewust, werkt de bijbelschrijver met een bovennatuurlijk verlicht verstand, wanneer hij zijne bouwstotten kiest of ordent en hieruit zijne lessen trekt; maar de bouwstoflen veranderen hierdoor niet van letterkundig karakter. Om dit karakter te bepalen, kunnen wij dus voor de bijbelverhalen geene andere regels volgen dan voor de profane geschiedenis.
liet samengesteld boek is van het begin tot het einde een geïnspireerd en goddelijk werk. Dit belet echter geenszins, dat de verhalen volstrekt niet altoos van goddelijken oorsprong zijn. Een niet gering gedeelte der bijbelsche geschiedboeken, is, zonder twijfel, van profane herkomst en aan oudere bronnen ontleend.
Doch ook daar, waar de gewijde schrijvers eigen en geheel oorspronkelijken arbeid leveren, volgen zij natuurlijk den schrijftrant hunner dagen. Hunne geschriften dragen den stempel van eigen vorming, persoonlijk talent en karakter. De verschillende soorten van letterkunde, waarop wij zoo even wezen, bewijzen voldoende, dat de keuze van schrijftrant geheel vrij was. De ingeving, het zij herhaald, waarborgt hier alleen tegen dwaling.
„Nolooffendarisin Scripturis sanctis simplicitate et quasi vilitate verborum, quae... vel de iudustria sic pro-lata sunt, ut rusticam concionem facilius instruerent: et in una eademque sententia aiiter doctus, aliter
— ()1
andiret indoctus.quot; (') „IS on enim Deus, pront in se est, enarrari pofuit; sed ut nos andire poteramns, qni carne eramus illigati, ita nobis lociiti sunt pro-phetae, Domino se salubriter accommodante ac demit-tente ad liominum imbecillitatem. (s)
Bij het samenstellen der bijbelboeken werkten twee factoren samen. De menschelijke factor werd door den goddel ijken gesterkt en geleid; geneutraliseerd of vernietigd werd hij geenszins.
Tot hoever strekt zich de invloed dezer menschelijke medewerking uit?
Wie deleer der H. Kerkniet eigenmachtig meteenige nieuwe canones aanvult, zal zich wel wachten hier a priori scherp afbakenende lijnen te trekken. Hij zal trachten eerst de feiten te leeren kennen, welke vóór ons liggen in den Bijbel. Alvorens eene stad te hebben bezocht, make niemand een plan van hare straten; alvorens de bijbelboeken critisch te hebben bestudeerd, trachte niemand hun menschelijk element met juistheid te bepalen. De leer der Conciliën over de inspiratie der H. Schrift raakt vooral het goddelijk element; zij laat vele vragen open, die beantwoord moeten worden door de critiek.
„Criticismquot; — zoo zeggen wij zonder schroom Driver na—„in the hands of Christian scholars does not banish
(,1) S. Hieronymus. Ep. 53 P. I.. XXII p. 549.
(2) Clemens Alexandrinus, Stromata lib. II Cap. XVI, 1'. (gt;. VIII p. 1011.
— 62 —
or destroy the inspiration of the Old Testament; it presupposes it; it seeks only to determine the conditions under which it operates, and the literary forms through which it manifests itself; and it thus helps us to frame truer conceptions of the met li o d s which it has pleased God to e in p 1 o y in revealing Himself to bis ancient people of Israel, and in preparing the way tor the fuller manifestation of Himself in Christ Jesus.quot; (')
Het beste scripturistisch tijdschrift der Katholieken, de Revue b i h 1 i q u e, beaamt ten volle het oordeel van T h e Guard i a n over Hastings' onlangs verschenen Dictionary of the Bible: „Le travail de la critique n'a aucunement ébranlé les bases de la croyance chrétienne: il a servi a mieux taire connaitre le mode de l'inspira-tion divine dans le V. T. — Cette reflexion du Guardian nous parait extrêmement juste et par-ticulièrement heureuse et exacte après una lecture des articles saillants du nouveau dictionnaire.quot; (!)
« quot;quot; -s-
Men zou kunnen meenen, dat althans een Katholiek den invloed der inspiratie op deu menschelijken medewerker nauwkeurig a priori kon omschrijven. Mogen wij. Katholieken, niet eenvoudig uitgaan van het beginsel: Deus est auctor lihrorum sa-
(1) Introduction, p. XIII Edinburgh 1897.
(2) H. ]{. 1898 Octobre, p. 634.
— 63 —
crorum? En kuimeu wij dus geen volledig antwoord op de vraag in de ontwikkeling van dit dogma zoeken?
Neen! De kennis van de natuur der inspiratie zelf moet ons uitgangspunt zijn. Dat de kanonieke boeken geschreven waren „Spiritu Sancto in-spirantequot;, was reeds lang een geloofspunt, toen het Vatikaansch Concilie het dogma nader omschreef: „inspirante Spiritu Sancto conscripti, Deum habent auctorem.quot; God zelf wordt met recht de auctor der bijbelboeken geheetcn, omdat zij geschreven zijn „inspirante Spiritu Sancto.'-' Het Goddelijk auteurschap is èn chronologisch èn logisch een consequens uit de natuur der ingeving. l)c verklaring van dit consequens moet dus gezocht worden in het antecedens. Het consequens mag niet breeder zijn dan het antecedens.
Dit consequens is echter door de Kerk zelfgetrokken; dat het antecedens dit werkelijk bevat, is dus eveneens dogma. Dit dogma verstrekt ons althans eenige zekere gegevens omtrent de natuur der ingeving. De Kerk heeft ons zoodoende tegen sommige dwaalbegrippen hieromtrent behoed. Wij weten, dat, welke overigens ook de natuur der inspiratie zij. God zijne schrijvers zóó heeft geïnspireerd, dat Hij zelf inderdaad de auctor is der H. Schrift. De vereischten voor het goddelijk auteurschap zijn door Paus Leo nader omschreven in zijne Encycliek Providentissimus Deus.
Wie de inspiratie eenvoudig a p r i o r i uit het
— (54 —
goddelijk auteurschap wil verklaren, loopt groot gevaar het menschelijk element in den Bij hel over het hoofd te zien. Zouden, in het stelsel van Kardinaal Franzelin, niet minstens alle gedachten door God hetzij geopenbaard, hetzij opgewekt moeten zijn? Doch hoe zullen wij, in dit geval, het bloote overnemen van profane bronnen verklaren, een feit, dat toch volstrekt onloochenbaar is?
De ingeving zelf van den geheelen Bijbel en al zijne deelen zij dus ons uilgangspunt Om een juister begrip te vormen van de natuur der ingeving en de grenzen te leeren kennen der menscbelijke medewerking, is h e t c r i t i s c h onderzoek het eenige middel, zoolang het onfeilbaar leergezag geene nadere uitspraak doet. Bij het onderzoek der feiten, waaruit wij ons oordeel opmaken, moet echter het dogma van het g o d d d e 1 ij k auteurschap een baken zijn, dat de katholieke criticus nooit of nimmer uit het oog mag verliezen. Overal en altoos moet de onfeilbare uitspraak van het kerkelijk leergezag waarheid blijven, volle waarheid.
De leer der inspiratie raakt dus het letterkundig en historisch karakter der bijbelverhalen niet. Al weten wij uit ons Geloof, dat elke bevestiging van den Bijbel waar is, en al houden wij zelfs de woordelijke inspiratie — gelijk wij deze vroeger verklaarden (') — over de bedoeling der schrijvers en hunne wijze van opstellen moet de critiek beslissen. Wie
(1) C.lr. P. Zanecchia. O. P. Divina inspiratio sacrannn Sc.iip-turarum ad mentem S. Thomae Aquinatis. Uomae 1899.
— 65 —
de historiografie van een bepaald boek, bv. Josua, wil beoordeelen, vorme echter eerst een critisch begrip van de geschiedboekcu des Ouden V erbonds in het algemeen.
Deze splitsen zich in twee reeksen, die gedeeltelijk parallel loopen. üe écne reeks bevat de hoeken Genesis-Ko ningen. Hierin wordt de geschiedenis verhaald van de schepping der wereld tot aan de verwoesting van Jeruzalem en Joachi ns verlossing uit den kerker. Kronieken, E s d r a s en N ehemias vormen de andere reeks. Hier loopt de treschiedenis van Adam tot aan Nehemias en Esdras. (') Wij hebben dus eene oudere en eene jongere geschiedenis, waarin, voor een niet gering gedeelte, dezelfde tijdvakken worden behandeld.
Wat de studie dezer geschiedi)oekeu ons leert over hun meer ot' minder streng historisch karakter, zullen wij in het vervolg dezer verhandeling zien. Hier willen wij slechts wijzen op ééne enkele groote les en belangrijk f e i t.
De Hebreeuwsche geschiedschrijver is een c o m-pilator. l)e moderne historici bestudeeren en onderzoeken hunne bronnen; doch wat zij schrijven mag toch oorspronkelijk heeten. De gevonden bouwstoffen zijn verwerkt en geheel en al van gedaante veranderd. De geschiedschrijvers der Hebreërs en van
(1) Tot David bepaalt de Kroniekschrijver zich ecliter meestal tot geslachtslijsten.
5
— 66 —
andere Oostersche volken, daarentegen, evenals vele Westersche historici in het begin der middeleeuwen, compileerden dikwijls de bronnen, welke tot hunne beschikking stonden. Zij s c h r e v e n meermalen eenvoudig de verhalen over, die zij voor de toekomst wilden bewaren en geschikt achtten voor hun doel. (')
ITet behoeft geen betoog, dat de eene schrijver of compilator zijne bronnen met grootere vrijheid behandelde dan de andere en meer eigen werk leverde. Meermalen evenwel bepaalde zich de persoonlijke arbeid tot zekere wijzigingen en inlasschingen, die noodig bleken om de brokstukken der verschillende bronnen onderling tot één geheel te verbinden.
Hieromtrent sluit het critisch onderzoek der bijbelboeken allen twijfel uit. Voor hen, die den Bijbel steeds uitsluitend onder theologisch oogpunt beschouwen, hopen wij later dit algemeen gevoelen der critici te wettigen in een afzonderlijk opstel over de He-breeuwsche historiografie. Hier, waar de inspiratie wordt besproken, zij het voldoende een enkel voorbeeld aan te halen.
Bevat de Bijbel één verhaal van profane herkomst, dan kan natuurlijk ook voor andere dergelijke verhalen de leer der ingeving geene moeielijkheid meer haren.
In het eerste boek der Machabeën vinden wij brieven aan en van den koning van Sparta (XII). In het tweede lezen wij brieven der Joden van
(1) Van letterknechterij hadden de ouden echter nog geen begrip. Hierover waar de redact'e der bijbelverhalen ter sprake komt.
Jeruzalem aan hunne broeders in Egypte (I, 1—9, 10—11, 1U). De opsteller van het boek schrijft deze brieven letterlijk over. Daarna verhaalt hij ons, hoe hij verder bij het samenstellen van zijn boek te werk is gegaan, wijl hij niet alles in extenso kon overnemen (vv. 20—33). Dat hij zich zijner ingeving volstrekt niet bewust is, dat hij op dezelfde wijze arbeidde en met dezelfde moeielijkheden had te kampen als profane schrijvers, dat hij geeft wat zijne bronnen hern bieden, zonder elk verhaal critisch te onderzoeken, dat alles getuigt de gewijde Schrijver zelf.
Vernielde brieven zijn, zonder eenigen twijfel, van profanen oorsprong. Toch is de geheele Bijbel, en zijn ook zij dus geïnspireerd. De critici, die de gewijde schrijvers voor compilators houden, zijn daarom geenszins in strijd met de leer der inspiratie.
Al zijn Koningen en Kronieken groo-tendeels uit de Rijksaimalen geput, toch zijn deze boeken waarlijk goddelijke werken.
Het ligt voor de hand, dat de geschiedboeken door hun gecompileerd karakter, onder apologetisch oogpunt veel grootere wetenschappelijke waarde krijgen. Wij hebben niet slechts de getuigenissen meer van de schrijvers onzer gewijde boeken, die wellicht op verren afstand der verhaalde feiten staan, maar hooren tevens de schrijvers dei-oude bronnen zelf. Zoo zal prof. Van Hoonacker weldra bewijzen, dat de geschiedenis van den Kroniekschrijver, dooi' de Gratianen zoozeer miskend, in zuiver wetenschappelijk opzicht niet minder dient ge-
— 68 —
waardeerrl te worden dan die van het boek Koningen. De Kroniekschrijver heeft zijne boeken gecompileerd uit bronnen van vóór de Hallingschap, en geeft deze oude bronnen, op meer dan ééne plaats, veel nauwgezetter weer dan de schrijver van Koningen.
Wanneer niet bleek, dat de latere schrijver den ouderen slaafs volgde, zouden wij onmogelijk kunnen nagaan, wat aan hem, wat aan zijn bronnen toebehoort. Over gebeurtenissen uit een ver verleden zouden wij dus ten slotte slechts de getuigenis hebben van een schrijver na de Ballingschap. Door het gecompileerd karakter aan te toonen, krijgen wij echter niet zelden getuigenissen van tijdgenoot en.
Zoo meent bv. Hommel bewezen te hebben, dat Gen. XIV lang vóór Moses op schrift is gebracht. Zou de leer der ingeving ons, Koomschen, verplichten dergelijk vonnis over den oorsprong van Gen. XIV a priori uit te sluiten, ondanks het groote apologetisch nut? Neen, ingeving en compilatie kunnen zeer wel samengaan.
Doch hoe zullen wij het g o d d e 1 ij k a u te u r-schap van den Bijbel verklaren, en van al zijne deelen, indien daarin ook profane bronnen zijn opgenomen ?
Men gelieve wel op te merken, dat het hier geen postulatum geldt van de theorie eener bijzondere school. Het samengesteld karakter van den Bijbel
— 69 —
is e e n feit, waaraan niet valt te tornen. Herinneren wij slechts aan de brieven uit de Machabeër-boeken. Hoe moeten wij de ingeving verklaren in de brieven aan en van den koning van Sparta, die door den gew ij den Schrijver eenvoudig zijn overgenomen? Hoe knnnen de verhalen geïnspireerd heeten, welke de schrijvers van Koningen en Kronieken, volgens hunne uitdrukkelijke verklaring, aan oudere bronnen, bv. de Rijksannalen, ontleenen ?
Waar het geloofs- of zedeleer geldt, is liet gezag der Vaders beslissend; het Vatikaansch Concilie heeft de Roomsche leer hieromtrent duidelijk uiteengezet. Elke verklaring der inspiratie, die tegen de leeringen der Vaders imlruischt, dient dus verworpen. Nochtans bedenke men wel, dat de Vaders weinig werk maakten van letterkundige en historische studiën. Het is daarom niet te verwonderen, dat het gemeenschappelijk terrein der godgeleerdheid en der letterkunde nog niet ten einde is geploegd. Wij mogen ook hier het ploegkouter niet laten verroesten.
„Qua plena snpientiae legequot; — zegt de Paus, sprekende over het gezag der Vaders — „nequaquam Ecclesia pervestigationem scientiae biblicae retardat aut coërcet... Nam privato doctori magnus patet campus, in quo tutis vestigiis, sua interpretandi industria praeclare certet Ecclesiaeque utiliter.quot; (') „Neque ideo tamen viam sibi putet obstructain, quominus ubi justa causa adfuerit, inquirendo et exponendo, vei ultra procedat.quot; (s)
(1) Knc. Pi-oi'. Deus op. rit p. 222. (2) p. 244.
— 70 -
Iedereen is vrij om te beweren, dat liet goddelijk auteurschap veel schitterender zou uitkomen, wanneer alles door God geopenbaard was, of minstens alle gedachten door God waren opgewekt. In verhalen, uit vreemde bronnen samengesteld, neemt het menschelijk element voorzeker groote verhoudingen aan. VVenschen dat het anders ware, kan niemand ons verbieden. Doch God heeft zijne schrijvers ge-inspireerd zonder voorafgaande raadpleging der men-schelijke wijsgeeren. Wij moeten de inspiratie nemen zooals God haar nu eenmaal gewild en gegeven heeft. Wij moeten haar verklaren volgens de feiten, die voor ons liggen.
Mits men onderscheid make tusschen openbaring (acceptio cognitorum) en ingeving (judicium de acceptis), komt echter ook voor de samengestelde bijbelboeken het goddelijk auteurschap tot zijn volle recht. Het is hier de plaats niet om over de leer der inspiratie in bijzonderheden te treden; wij moeten ons tot eenige meer alge-meene opmerkingen bepalen. Wijl het vraagstuk van zeer teederen aard is, geven wij weer het woord aan gezaghebbende mannen.
„Juxta S. Thomae sententiam, inspiratio biblica ita magis breviter deiiniri potest: Est supernaturalis elevatio ac motio facultatum ho minis q ui-bus scripto consignantur Ecclesiae ea quae Deus vult, et modo quo vult. Agendo enim de prophetia, quatenus cognitionem importat, Angelicas dicit: Ad prophetia in requiritur
71 —
inspiratio quantum ad me lit. is elevatio-nem. (')
Dat openbaring en ingeving niet zelden samengaan, wordt hier verondersteld. Doch waarin bestaat eigenlijk de ingeving, op zich zelve beschouwd?
„Inspiratio cum judicio [de acceptis] — leert kardinaal Zigliara — „sed sine acceptione [cognitorum] est proprie et vere inspiratio divina. (s)
„Hagiographae autem dicuntur c[iii supernaturaliter solum visiones intellectuales habuerunt sive quantum ad judicium tantum, sive quantum ad judicium et acceptionem si mul.quot; (•1)
„Juxta Augelicum, visio quae est supernaturalis quantum ad acceptionem speciei, praesertim iraagina-riae, rei cognoscendae, pertinet ap intimam naturam prophetae, et accidit prorsus hagiographo, si in eo invenitur. Et quoniam dum habetur prae-dicta acceptio specierum, habetur divina revelatio proprie dicta, quae semper est alicujus veritatis absolute vel relative supernaturalis; ideo scripto consig-nare Ecclesiae ea quae supernaturalia sunt quantum ad substantiam rerum consignandarum, est proprium munus hagiographi prophetae, et accidit ha-giographo. ITuic vero ex intima sua natura com-petit visio (juae est supernaturalis s o 1 um m o do secundum judicium. Et quoniam ea quae hoc modo sunt
(1) Zanecchia. Op. cit. p. lOU.
(2) Propaedentica. p. 121. Homae 1884.
(3) S. Thomas. De Veritate, q. X.n, a. 12.
— 72 —
supernaturalia non sunt talia ab intrinseco, sen quantum ad eoruni snbstantiam, sed sola denominatione extrinseca, per ordinem ad judicantem, (( u a t e n u s n e m p e a b i j) s o s u p e r n a t u r a 1 i t e r a p -p r e h e n d u n t n r a c a e s t i m a n t u r u t i 1 i a f' i d e 1 i b u s ; ideo scripto consignare Ecclesiae ea quae supernaturalia sunt quantumquot; ad modum quo judicantur et Ecclesiae consignantur, est proprium munus hagiographi. Simplex proinde hagio-graphus inferior est hagiographo propheta, quantum ad res scripto consignandus Ecclesiae ; est vero prorsus ei aequalis quantum ad modum vel medium consignationis, ut satis patet ex dictis relate ad su-pernaturale j u d i c i u m(')
„11 n'est done pas nécessaire,quot; zegt Lagrange, nog een der vele zonen van Dominicus, die den ouden theologischen roem der Predikheerenorde zoo waardig handhaven op het gebied der H. Schrift, „n i que Dien a i t r e v e 1 e , f o u r n i, s u g-géréune seule idee, ni que l'écrivain sache que c'est Lui qui parle et donne a lobjet une certitude divine; mais d'autre part cette certitude divine existe en fait dans son j u g e m e n t, et tont ce qu'il affirmera en vertu de cette lutnière prendra son infaillibilité dans la vérité divine elle-inême; c'est Dien qui est Ia cause de tont ju ge ment certaine-ment vrai; c'est done lui qui l'a enseigné, c'est lui qui parle et qui ens eigne.quot; (s)
(l) Zaneccbia, Op. cit. p. 137 sq. (2) lievue biblique IS9G p. 210.
— 73 -
„Et talis forte fuit inspiratie Salomon isquot;quot; — getuigt de H.quot; Thomas — „inquantum de moribus hominum et de naturis rerum, quae naturaliter a c c i p i m u s, divino instinctu ceteris c e r t i u s j u d i c a v i t.quot; (')
„Licet hagiographi ((uamplurimii. in sanctis Bibliis consignaverint divinitns non accepta, nihil tarnen in illis conscripserunt divinitns non judi-catnin, vel tamquam verum quantum ad intimam ejus naturam, v e 1 tamquam utile ut insereretur in in libro divino, et divinitns non exaratum. Semper euiin Deus influxu inspirativo biblico .... intendit consignare aliquid quod aliquo modo cou-ferret bono ac utilitati fidelium, alias non adfuisset tinis rationalis inspirationis biblieae.quot; (1)
Dezelfde leer ligt opgesloten in de besclionwingen van den H. Augustinns over de natuur der „pro-fetiaquot;. Men leze o. a. De genesi ad litter a m, lib. XIT, cap. IX, u. 20.
„En deux mots, par la simple inspiration 1'Esprit-Saiut ne fournit pas les iilées que 1 écrivain sacré rendra connne il l'entendra, mais il éclaire les idees et le travail de 1 écrivain plus ou moins préparé par son action antérieure, et le guide pour enseigner ce qu'il vent.quot; (3)
„Attenta rationc scriptionis in libro divino, omnia et singula in Scripturis consignata aequaliter sunt
Lagrange, e. c., p. 215.
— 74 —
verbum Dei. Nam licet maxima pars eorum quae h agio grap hi in Hibliis conscripserunt originem ex inspiratione divina non habnerunt, sed praeexiste-bant vel in libris non inspiratis, vel in traditione populorum, vel in cognitione ipsorum hagiographo-rum; tamen ex hoc quod Dens sua efficacia inspi-rativa eft'ecit ut ab hagiographis scriberentur in libro divino, extitit principalis consignator vel scriptor eorum: consequenter ratione scriptionis in Bibliis, reddita omnia fuerunt verbum ejus. Sic, si consignata in libro authentico humano considerentnr quatenus sunt in illo inserta, cum praeter voluntatem et scriptionem auctoris non adsit alia causa cur ea in suo libro habeantur, ipse est unicus auctor prae-sentiae eorum in libro; et ideo, attenta sola ratione scriptionis vel insertion is, aestimantur verba ejus, etiamsi primitivam originem non habuerunt ab eo. Ab ipso tamen provenit quod in-veniantur in suo libro, ubi ipse loquitur sive per seipsum, sive per alios.quot; (')
Kardinaal Zigliara gaat van de onderstelling uit, dat Moses werkelijk de compilator of schrijver is van den geheelen Pentateuch in zijn huidigen vorm. „In hypothesi praeëxistentium documentorumquot;— zegt hij — „haec raaterialiter solummodo considerari ])ossunt | ut praeëxistentia] sed f o r m a-liter sunt Mosaïca [i. e. auctoris inspirati], quia, licet humano more a c c e p t a, non tamen humano more, sed ex divina inspiratione sunt a Moyse [i. e.
(1) Zanecchia, pp. s((.
— 75 —
ab auctore inspirato] judicata et i n s e r t a m libris. Praeterea, ([iiia judicium et i n s e r t i o sunt ex inspiratione divina, ut dictum est, tamquam divinitus inamp;pirata suscipienda sunt tam i n s e r t a ex d o c u m e n t i s q u a m s c r i p t a a M o y s e.quot; (')
De geleerde Kardinaal brengt de theorie der critici terecht in verband met het oordeel van S. Thomas over de ingeving van Salomon. De gewijde schrijver immers nam hier o. a. spreuken op, die gangbaar waren onder het volk. Zijne ingeving bestond hierin, volgens den Engel der School, dat hij zijne o o r-d e e 1 e n velde met een bovennatuurlijk verlicht verstand en waarlijk goddelijke zekerheid.
Dat de I I. Thomas en de oude godgeleerden niet uitweiden over de ingeving der „documenta prae-existentiaquot;, mag niemand bevreemden. Met letterkundige critiek hielden zij zich weinig bezig; het samengesteld karakter der bijbelboeken werd daarom uit het oog verloren. De beginselen der oude godgeleerden worden echter door alle katholieke cri tici gehand h aafd.
Door het critisch onderzoek is het oordeel slechts onder een letterkundig, niet dogmatisch oogpunt gewijzigd. Wij kennen thans feiten, welke de ouden niet vermoedden.
quot; Omni a et singula, nempe res, sententiae, expressiones, verba, in autographis hagiographorum contenta, quia inspirativa Dei efficacia fuerunt in (I) Op. cit. p. 232.
— 76 -
illis consignata, sunt rerta, infallibilia, clivina et fide credenda : d i v e r s i m o d e tarnen : nam q a a e d a m talia sunt ex omni parte, id est turn ratione intrin-seca, quatenus immediate vel mediate ah ipso Deo supernatnraliter agente provenerunt, quam ratione insertionis eornm in Scriptura divina ; alia vero, quamvis ab intrinseco humana, utpote provenientia ah hominibus non inspiratis, reddita sunt divina ratione praesentiae in libro Dei, quatenrs nempe luinine ac efficacia divina et supernaturali fuerunt ab bagio-graphis consignata in Libris, in quibus Deus loquitur sive per seipsum sive per alias personas.quot; (')
„En consequencequot; — besluit Lagrange — „Dien est 1' a u t e u r d u 1 i v r e, parce qu'il a suscité un homme pour I'ecrire, parce qu'il garantit la verité de tout ce qu'il contient, non par une approbation postérieure, ni parce qu'il en revèle le contenu, mais parce qu'il cause, grace au secours d' u n e 1 u m i è r e divine, lejugementde l'écrivain sacré; il se peut qu'il n'ait pas f o u r n i une s e u 1 e idee, m a i s i 1 a v o u 1 u t o u s les j u g e m e n t s. 11 est encore 1'auteur du livre, parce que l'écrivain sacré s'est décidé constamment soit dans le choix de ses pensees, soit dans celui des ter mes par l'opportunité objective que la lumière de Dien répandait sur les pensées qui se présentaient a lui.quot; (*) „Ex his luculenter patet quod, juxta ra turn modum
(1) Zanecchia, p. 2H0.
(2) p. 220.
— 17 —
quo Ecclesia cum Ss. Patribus inspirationem biblicam intellexit, opus Spiritus Saucti in inspiratione non se restrinxit ad formandos conceptus eosque commuuicandos hagiographis, sed se quoque protendit ad ipsam scription em, id est ad verba, ad ex-pressiones, ad stylum; breviter, ad omnia quae ab hagiographis scripta fuerunt et ad siugulos modos quibus ea scripto expressemnt. Similiter in inspiratione opus h agio grap hi non se limitavit ad susci-piendos conceptus divinitus sibi communicatos, ct ad quaerendas vocos structurasque grammaticas et retho-ricas, quibus illos exprimerent; sed se extendit ad recte concipiendas res et sententias scribeudas, ad velle illas tideliter conscribere et ad apte illas expri-mendas infallibili veritate.quot; (')
In het bovennatuurlijk licht, dat zijn geest bestraalt, velt de gewijde schrijver niet alleen j u die ia s p e c u 1 a t i v a, maar tevens judicia practica. Hij doorschouwt de waarheden, welke hij leeren wil, niet slechts in se, maar ook ut scribeudas; hij ziet hare belangrijkheid voor zijne lezers en het doel, dat hij zich voorstelt. Dat alles en dat alleen wordt neergeschreven, wat nuttig wordt geoordeeld door den God-Mensch — indien het geoorloofd is den gewijden schrijver aan te duiden door dezen naam, die alles zegt, mits men hem goed versta.
„Nam supernaturali ipse virtu te ita eos ad scri-bendum excitavit et movit, ita scribentibus adstitit.
(1) Zanecchia, p. 175,
— 78 —
ut ea omnia eaque sola quae ipse juberet, et veete mente conciperent, et tideliter conscribere vclient et apte iufallibili veritate exprimerent: secus non ipse esset auctor sacrae Scripturae universae.quot; (')
Door den brief van den koning van Sparta in zijn boek op te nemen, maakte de bijbelsche geschiedschrijver van dien brief zelf een deel van zijn eigen werk. En wijl zijn werk een werk is van God zelf, behoort ook die brief f o r m a 1 i t e r tot het ge-inspireerde boek, waarvan God de auctor is: wat de schrijver door het opnemen van dien brief wil leeren, leert God zelf.
De profane herkomst der bronnen doet dus geen afbreuk aan het geïnspireerd karakter van een bijbelboek. üe eenige, die moet geïnspireerd zijn, is de schrijver of compilato r. Dat deze somwijlen zijne bouwstoffen aan reeds geïnspireerde bronnen ontleent, lijdt geen twijfel. Zoo put bv. de Kroniekschrijver meermalen uit Samuel en Koningen. Doch zeer dikwijls maakt hij ook gebruik van profane bronnen, zooals de schrijvers der Machabeërboeken.
Na den auctor of compilator komt echter nog de r e d a c t o r. Of de redactie als het werk van één persoon moet worden opgevat, zullen wij elders onderzoeken. Het feit, dat de redactie van verschillende boeken gedurende langen tijd is voortgezet, is zeer gemakkelijk te bewijzen ; van boeken en van (1) Kncyclica Providentissimiv IJew. Op. cit p. 2;!6.
— 7!) —
letterkundig eigendom hadden de Israëlieten een heel ander begrip dan wij. De vrije opvattingen der oude Israëlieten, waarop de H. Hieronymus reeds herhaaldelijk wijst, vormen inderdaad een zoo scherp mogelijk contrast met de latere letterknechterij der Talmudisten ; de werken der compilatoren hebben bij de redactie vaak groote wijzigingen ondergaan. Wij mogen daarom bij de redactie de ingeving niet buitensluiten. Is hier echter het onderwerp der inspiratie een collectivum of wel de laatste redactor alleen? Kan men, in sommige gevallen, dezen wellicht tevens als den auctor beschouwen? Hierover in een ander opstel. Voor het oogenblik is dit voor ons van geen belang.
Men bedenke wel, dat men eene moeieUjkheid niet schept door er op te wijzen. Dat de redactie somtijds langen tijd heeft voortgeduurd, is een algemeen bekend f e i t. De Conciliën maken geen onderscheid tusschen eigen werk, compilatie en redactie om de eenvoudige reden, dat zij den Bijbel alleen ouder theologisch oogpunt beschouwen. Zij laten zich niet in met de letterkundige wording der bijbelboeken en spreken slechts over den Bijbel, die voor hen ligt.
B. De maarheid in de hijhelsche geschiedenis.
Wij weten dus reeds, dat het materiaal, waaruit cle gewijde boeken zijn samengesteld, van profanen oorsprong kan zijn. De inspiratie der overgenomen
— 80 —
bronnen ot traditiën waarborgt enkel het j u d i c i u m intallibile de acceptis.
Dat dit oordeel niet noodzakelijk op de geschiedkundige werkelijkheid moet slaan van het verhaalde, leeren ons voldoende de parabels van het Nieuwe Testament. Wat het Oude Testament betreft, waarschuwt ons reeds de allereerste bladzijde, om niet a priori alles tot strenge historie te verklaren, wat den v o r in cener historie heelt. Hoe men het eerste hoofdstuk van Genesis ook draaie of keere, de schrijver verhaalt ol beschrijlt ons hier de schepping der wereld in zes dagen van 24 nren. (')
Wilde de schrijver van Genesis het streng historisch karakter zijner voorstelling bevestigen, dan zon hij voorzeker dwalen. Er dient dus onderscheid gemaakt tusschen voorstelling en leer.
Dit was de kern van onze pleitrede voor het goed recht der critiek.
Dat meermalen alleen de dogmatische of moreelc les bevestigd wordt, welke somtijds in zuiver symbolische voorstellingen ligt opgesloten, getuigen ook de boeken der profeten op menige plaats. Tegen de onderscheiding tusschen voorstelling cu leer. als beginsel, valt dus niet te redetwisten. Ook door uiet-historische voorstellingen kan de Bijbel groote waarheden leeren. Uit het dogma der inircvin^
o o o
volgt alleen, dat datgene w aar is, wat de Bijbel wil bevestigen.
(o) Na Layianye en von liuminelauer valt o. i. hierover niet meer te discussieeren. Wij achten de verklaring van Lagrange, welke ten slotte slechts de gewijzigde opvatting van S. Augustinys en van den H. Thomas is, voor de eenig aannemelijke.
— Sl
ot' en waar dit beginsel f e i t e 1 ij k toegepast moet worden, wanneer wij de verhalen onderzoeken der Hebreeuwsche geschied boeken, is echter eene andere vraag.
Wellicht zullen eenige tegenstanders dit bv. toestaan voor de geschiedenis van de schepping der wereld. Maar welke blijft de waarde der geschiedenis van het Israëlietische volk — zoo redeneeren zij — wanneer wij hier de toepassing van genoemd beginsel niet a priori buitensluiten?
Tusschen voorstelling en leer mag natuurlijk nooit onderscheid worden gemaakt, tenzij hiertoe bizoudere redenen bestaan. De gewoonte van ieder mensch om de beteekenis zijner woorden te bevestigen in hun strengen zin, is de grondslag van elke redelijke tekstverklaring. „A litterali et velnti obvio sensu minime discedendum, nisi qua eum vel ratio tenere probibeat vel necessitas cogat dimittere.'quot; (')
Jn sommige gevallen kunnen evenwel tegen dit argumentum a priori andere argumenten worden aangevoerd, waaruit blijkt, dat hic et nunc van die gewoonte wordt afgeweken. Geschiedt dit op eene plaats, dan volgt daaruit nog volstrekt niet, dat dit ook op eene andere plaats het geval is. Zoolang niet bewezen is, dat een schrijver gewoon-1 ij k niet verstaan wil worden in den streng histo-rischen zin, moeten telkens, in elk bepaald geval, degelijke gronden worden aangehaald, waar-
(1) Knc. Prov. Deus op. cit. |) 224 Cfr. St. Augustinus de Oen. ad litt. I. VIII c. 7, 13.
6
— 82 —
om men hem hie et nunc eene andere bedoeling toeschrijft. (')
Doch welke bewijzen zijn hier gevorderd ? Wordt hier niet veel speelruimte gelaten aan ieders geheel persoonlijk oordeel? Gewis, het gezond verstand speelt hier eene groote rol. Wie echter uit de bijbelstudie alles wil weren wat subjectief of persoonlijk is, moet op dit gebied vaarwel zeggen aan de wetenschap en zich tot de dogmata bepalen. Wie hier den geest aan banden legt en van geen vrijheid hooren wil, verzake aan de critiek. Wij raeenen echter aan den geest der traditie en de ware Roomsche beginselen getrouw te blijven, wanneer wij alle leeringen der H. Kerk met echt kinderlijk geloof aanvaarden, maar overigens ook op de bijbelstudie het beginsel van S. Augustinus toepassen : i n d u b i i s 1 i b e r t a s.
De vraag, welke bewijzen gevorderd zijn om den streng historischen zin te mogen verwerpen, is eigenlijk te algemeen om vatbaar te zijn voor een kort en duidelijk antwoord. Zij moeten — om nochtans op de algemeene vraag een algemeen antwoord te geven — het a r g u m e n t u m a priori van het gewoone spraakgebruik ontzenuwen. Naarmate de schrijftrant van een auteur strenger historisch is, zullen dus de bewijzen voor den niet- of minder streng historischen zin ook zwaarder moeten wegen. Somwijlen zullen zij niet voldoende zijn om des schrijvers bedoeling te
(2) De aanhaling uit de pauselijke Encycliek doelt nochtans meer op de verklaring van afzonderlijke teksten, dan wel op de studie van het karakter zeil' der boeken.
— 83 —
mogen loochenen van zuivere geschiedenis te boeken. Elders zal deze bedoeling wellicht twijfelachtig worden; in andere gevallen minus probabilis. Maar Somtijds ook zal het critisch onderzoek ons tot de overtuiging brengen, dat de schrijver niet de historische voorstelling, maar enkel de daarin opgesloten les bevestigt. Dat groote voorzichtigheid hier raadzaam en geboden is, behoeft wel niet gezegd.
Buiten dé geheel algemeene regels, zooeven aangeduid, zijn hier onmogelijk vaste wetten aan te geven. In menig geval moet het gezond verstand beslissen. Zoolang ieder mensch met zijn eigen hoofd moet denken, zal de wetenschap een droombeeld blijven, wanneer men geen speelruimte laat aan ieders persoonlijk denkvermogen. Wie alleen van objectieve wetenschap weten wil, bewijst enkel, dat zijne s u b j e c t i e'v e d e n k k ra c ht aan de wetenschap der objectieve w a a r h e i d niet zal ten goede komen.
Onderstellen wij echter eens, dat de historische leer van sommige bijbelverhalen inderdaad door het critisch onderzoek twijfelachtig werd. Zou daarom noodzakelijk de leer over g e 1 o o f e n zede n ook duister worden ?
Neen, deze is niet minder duidelijk in eene parabel dan in de meest strenge historie. Hevat het boek Job eene ware geschiedenis P Meerderen betwijfelen dit. Maar hangt, bij Job, de duidelijkheid zijnér godsdienstige leer van de bevestiging of ontkenning dezer vraag af?
— 84 —
Waar het duidelijk is, dat de Bijbel de historie inderdaad bevestigt, staat het natuurlijk vast, dat geen Katholiek aan hare waarheid mag tornen. Waaide geloofsleer, die e x p 1 i c i t e door den gevvijden schrijver wordt bevestigd, de historische werkelijkheid van het verhaalde vordert of veronderstelt, wordt ook deze noodzakelij k minstens i m p 1 i-c i t e bevestigd en is dus eveneens onfeilbaar zeker.
Maar niet zelden is de godsdienstige of theologische leer geheel en al onafhankelijk van de historische waarheid.
Zou het nu echter den {jelooviye moeten ont-
O o
stellen, wanneer, in zulke gevallen, de historische leer van den Bijbel soms twijfelachtig was ? Zou de li. Schrift daardoor, onder zuiver godsdienstig oogpunt, ook maar het m i n s t e van hare waarde verliezen? Zoo wordt bv. door velen de historische zin des verbaals van Osee's huwelijk geloochend. Maar is daarom dit verhaal in den Bijbel misplaatst ? Wat God ons door zijne heilige boeken heeft willen leeren, is vóór alles de kennis van die waarheden, welke ons den weg wijzen naar Zijnen schoonen Hemel. Indien dus hier of daar ook inderdaad de historische leer des Bijbels duister of twijfelachtig mocht worden, zou de H. Schrift, wat hare godsdienstleer betreft, toch nog voor de geloovigen volstrekt dezelfde waarde behouden als tevoren.
Het spreekt vanzelf, dat ieder mensch met gezond verstand niet zonder gewichtige redenen den histo
— 85 —
rischen zin zal prijsgeven. Wij hebben dit herhaaldelijk en duidelijk genoeg gezegd en willen hierover verder geene woorden verspillen. Onze beginselen trachten wij zoo breed mogelijk aan te leggen ; doch breede beginselen vooral vorderen groote voorzichtigheid bij hunne toepassing. Wij komen openhartig genoeg voor onze overtuigingen uit; men leze dus niets tusschen de regels en schrijve ons geene beweringen toe, welke ons vreemd zijn. Waar een Katholiek getrouw de leeringen volgt der H. Kerk, kunnen somwijlen aanmaningen tot voorzichtigheid slechts dienen om hem verdacht te maken bij zijne geloofs-genooten.
„Maarquot; — zoo hoor ik een tegenstander zeggen — „volgens uwe bewering moet elke bevestiging van et-n geïnspireerden schrijver onfeilbaar waar zijn; waarom dan over den historischen zin geredetwist, waar het Israel's geschiedboeken geldt? Is de bedoeling der schrijvers om den historischen zin te bevestigen hier niet overduidelijk?quot;
Zijn wij hier vooral „voorzichtigquot;, vrienden. De oude Hebreenwsche schrijvers vatten gewis de roe ping der geschiedenis op, gelijk deze algemeen werd opgevat in hun eigen tijd. Wij mogen hun geen bedoelingen toeschrijven en geene eischen stellen, welke alleen voor de moderne historici gelden. Zooals wij reeds zeiden, hopen wij elders de Hebreeuwsche
— 86 —
historiografie breedvoeriger te bespreken; hier sléchts enkele beschouwingen.
Wie de geschiedschrijvers der oudheid wil beoor-deelen, geve zich eerst wel rekenschap van het verschil der tijdsomstandigheden. (') De oude historici beschikten voorwaar niet over zoo menigvuldige groote bibliotheken en archieven als de moderne; zij ontvingen nog geen maaudelijksehe catalogen der tallooze, pas verschenen boeken; zij kenden onze tijdschriften en dagbladen nog niet ! De schrijver der vorige eeuwen leefde in een tijd, toen, wegens gebrek, aan verkeersmiddelen, de wereld nog niet, gelijk thans, één dorp mocht heeten, maar des schrijvers dorp en omgeving niet zelden zijne geheele wereld was.
Meestal ontbrak hem een voldoend bronnen-mate-riaai. liet bestaan zelf der bronnen, die misschien in eene of andere bibliotheek berustten, was elders dikwerf onbekend.
Moeste n dus de oude historici, die de geschiedenis van lang vervlogen eeuwen wilden schrijven, zich niet dikwijls bepalen tot het opteekenen van overleveringen, voor wier historisch karakter zij persoonlijk onmogelijk konden instaan? Ontbraken hun niet de meest noodzakelijke middelen van toezicht of controle? Zeer dikwijls immers stonden hun geen berichten van tijdgenooten ten dienste. Dikwijls ook beschikten zij uiet over geschriften van verschillende personen over of uit
(1) Wij spreken voorloopij; :illeeii van de profane schrijvers.
— —
denzelfden tijd, maar bezaten zij slechts een enkel handschrift, waarvan zij de betrouwbaarheid niet konden nagaan. Welk soort van historiografie ni o e s t daarom in den ouden tijd noodzakelijk ontstaan, wanneer hetbv. de geschiedenis gold der oorsprongen van een volk ?
Nemen wij een schrijver uit de middeleeuwen of uit het tijdvak der Vaders. Zoo verhaalt ons bijv. Clemens Alexandrinus. dat de tempel van den Vrede, te Rome, door Numa gebouwd was. Ligt nu in het feit, dat Clemens deze overlevering v e r m e 1 d t, noodzakelijk opgesloten, dat hij p e r s o o n 1 ij k het streng geschiedkundig karakter dier overlevering bevestigt? Of bevestigt hij misschien eenvoudig het bestaan der overlevering, die destijds gangbaar was? Kon een verstandige schrijver, die de onbetrouwbaarheid der latere overleveringen kende, op haar gezag alleen, de historische werkelijkheid van het verhaalde bevestigen? Of werd bij zijn verhaal, waarin hij alles zelf scheen te bevestigen, deze restrictio m e n t a 1 i s, uit den aard dei-zaak, verondersteld? De ouden konden voor-= zeker aan hunne historici geen zeer hooge eischen stellen. Geen rechtspraak zonder getuigen: geene strenge historie zonder bronnen. Wisten alle verstandige lezers, hoe de geschiedboeken hunner tijd-genooten verstaan moesten worden ? Bracht de plicht des schrijvers wellicht niet mee, dat hij persoonlijk voor de waarheid van al het verhaalde moest instaan en wilde hij misschien eenvoudig de tolk zijn van /,ijii zegsman?
— 88 —
Vragen wekken vaak gedachten. Zij brengen ons op den weg der waarheid, waarop wij straks, aan de hand der Vaders, onbevreesd zullen voortschrijden. De leeringen dei' Vaders zullen echter voor den lezer beter verstaanbaar worden, wanneer hij nog even over de volgende vragen wil nadenken.
Welke was, naar de zienswijze onzer vaderen, de roeping der historiografie? Welke waarde hechtten de ouden aan sommige geschiedenissen, afgezien van de daarin vervatte, nuttige leeringen op ander, meer praktisch gebied? Welk doel beoogden zij, waar zij ons het verleden verhaalden van hun volk of stad? Was de strenge en bloote historische werkelijkheid steeds het doelwit van hun streven en trachtten zij dus alle bestaande gegevens op te sporen, om de juiste waarheid te achterhalen? Mochten zij geene verhalen eenvoudig overnemen, al waren deze niet historisch zeker, wanneer de overlevering bv. heilzame lessen bevatte van vaderlandsliefde of godsdienstzin? Kon eene legende somwijlen geene schoonere leer bevatten, dan het koud verslag der werkelijkheid?
Indien het hun ten slotte somwijlen alleen om deze leer te doen was, dwaalden zij dan, wanneer zij verhalen overnamen, waarin de werkelijkheid minder trouw was weergegeven? Moesten zij tevens critiek leeren aan hunne tijdgenooten? Mochten zij nooit eenvoudig uitgaan van de heerschende meeningen en hieraan, zoo niet wijsgeerige ('), althans oratorische
(1) Argumenta ad hominem.
— 89 —
bewijzen ontleenen? De vorm van argument is immei-s niet zelden slechts eene oratorische wending. (')
Wie thans geschiedenis schrijft, bevestigt voorzeker ook p e r s o o n 1 ij k het geschrevene. De middelen om de waarheid te achterhalen en de vertrouwbaarheid van vroegere schrijvers na te gaan, zijn thans zoo menigvuldig; in deze eeuw zijn zoo tallooze bronnen opgespoord; de nieuwere werken leeren ens deze zoo gemakkelijk vinden en raadplegen; aan bibliotheken, archieven, boeken en tijdschriften is zoo groote overvloed, dat inderdaad een geheel andere trant van historiografie is ontstaan.
De zuivere waarheid, en deze alleen, is het doel der moderne wetenschappelijke geschiedvorsching. De moderne historicus haalt getrouw zijne bronnen aan ; hij vergelijkt de vele getuigenissen, die hern ten dienste staan. De geschiedvorschers beschikken thans over voldoende gegevens, om, in vele gevallen althans, een eigen vonnis te vellen over de gedaagden uit het verre verleden.
Wanneer onze huidige historici verhalen opteekenen, die slechts op twijfelachtige gegevens berusten, zijn zij verplicht dit uitdrukkelijk te vermelden. Hunne lezers verwachten en veronderstellen dit met recht. In den ouden tijd, evenwel, kwam het gemis aan toereikende gegevens zóó menigvuldig voor, dat het dikwijls, uit den aard der zaak, geene vermelding behoefde. Het sprak vanzelf. Menige schrijver zou
(1) Hierop komen wij elders terug. De brieven van l'uulus bijv. leveren hiervan menig voorbeeld op.
— 90 —
anders bijna op elke bladzijde zijne waarschuwingen hebben moeten herhalen!
„Ce n'est guère que depuis trois sièclesquot;' — zegt Pater de Sinedt S. J. — „que les savants ont pris la louable habitude de ne jamais avancer un fait sans citer leurs sources d'information. Les anciens écrivaius, ecclésiastiques on profanes, ne se croyaient pas obliges a taut de precaution. lis parient de faits, dont plusieurs generations les séparent, comme s'ils en étaient les témoins . . . aux détails receuillis dans les monuments historiques, ces écrivains en mêlent d'autres puisés dans une tradition orale d'origine incertaine.quot; (')
Tegen blind geloof aan hunne verhalen waarschuwen ons, nu en dan, de oude schrijvers zelf. Meent niet, zoo zeggen zij ons, dat wij persoonlijk alles bevestigen, wat wij verhalen. Het leerzaam opstel van J)r. Brom over St. N i c o 1 a a s, z ij n feest en gebruike n (') geeft hiervan een treffend voorbeeld. Dr. Brom haalt hier nl. eene opmerking aan van ,ür. Graesser over Jacobus de Voragine. „Onze Jacobusquot;, zoo getuigt Graesser, „vertelt menigmaal fabelachtige historieën; maar als wi j nauwkeuriger acht geven op zijn woorden, dan wil h ij lang niet alles, wat hij v e r h a a 1 t, v o o r waar g e h o u d e n hebben; neen, herhaaldelijk vermaant hij met ronde woorden, dat hij slechts
(t) Principes de critique historique. p. 177. Knseliins mankl tiipr eene loffelijke uitzondering. Waai- hij geen bronnen vindt, doet liij dit opmerken door «men zegt» ol' «men vertelt».
(2) De Katholiek, Jrg. 1898, bl. 02 vv. en 139 vv.
— 91 —
oververtelt wat hem werd medegedeeld, en dat hij niet kan getuigen o f d e zake n zich w er k e 1 ij k z o o h e b b e n toegedrage n.quot; (')
Iets dergelijks vinden wij bij den 11. Hieronymns. „Ün ne doit pas lui attribuer tout ce qui se trouve ilans ses Commentaires et ses Remarques sur FEcriture; car il y rapporte quelquefois des explications ({id ne sont pas orthodoxes, lesquelles il avait lues dans les livres des Juifs ou des Héretiques, conune il Favoue hii-mêrae, ayant donné des régies pour distinguer dans ses Ecrits ce qui était véritableinent de luid'avecce qui n'en était point. 11 justitie par ce moyen le reproche qu'on lui faisait de sou inconstance et de la diversité de ses sentiments.quot; f) „Eu ett'et, la coutume de ce savant Père dans ses Commentaires est plutot de rapporter ce qu'il a lu dans les autres commentateurs que d'établir ses sentiments. C'est pourquoi il u'cst pas surprenant d'y trouver quelquefois des opinions opposées.quot; (3)
Waar de oude geschiedschrijvers, iets verhalen, is het dus niet altijd en per se duidelijk, dat zij het streng historisch karakter der voorstelling persoonlijk bevestigen.
Wij spraken tot hiertoe van de profane geschiede-(1) bl. 11R.
Ci) li. Simon. Hist. (hi V. T., I.iv. Jllj Chap. IX. p. 394. 1 lotterdaiii irgt;8rgt;.
li. Simon. Hist, ('.rit du N. 1. (lliap. XXII p. 265. Ilotterdarn
1081).
— 92 —
nis. Doch mochten ook de gewijde schrijvers de opvatting hunner tijdgenooten betreffende de geschiedenis en hare roeping niet deelen ? Mocht God hen geene geschiedenis laten schrijven volgens den bestaanden trant van historiogratie ? Moesten zij steeds echt wetenschappelijke, critische geschiedenis hoeken, zooals deze thans wordt opgevat ?
„Men vergete nietquot;, zegt prof. Wildebroer, „dat het Israel's geschiedschrijvers volstrekt niet te doen is om in onzen zin historie te geven, d. w z. een critisch onderzocht bericht van gebeurde dingen.quot; (') De even geloovige als geleerde hoogleeraar van Groningen geeft hier slechts het algemeen gevoelen der critici aan.
Om de katholieke lezers te overtuigen, voor wie deze studie bestemd is, doen wij echter bij voorkeur een beroep op de Kerkvaders. Eer wij de Vaders aan het woord laten komen, meenen wij nochtans op een tekst uit den Bijbel zelf te moeten wijzen.
Gelijk wij weten, is het tweede boek der Macha-beën eene compilatie uit profane bronnen. Welnu, de schrijver getuigt uitdrukkelijk, dat hij zijn werk heeft geschreven „ohne Grimden, Zeugen nachzu-forschen.quot; («) De verantwoordelijkheid voor de streng historische waarheid zijner verhalen verschuift hij op de schrijvers zijner bronnen: „V e r i t a t e m q u i d e m de singulis concedentes auctoribus
(ro /, h hxy.pificvy Ttf ] iy.xïTUV rü o w/ypxQsl irxpxxu, qTwru;)
(1) Jahvedienst en volksreligie, bi. 11. Groningen 1898.
(2) Allioli i. h. 1.
— 5)3 —
ipse autem secundum datam formam brevitati studentes.quot; (') De vertaling der Vulgaat is vrij, maar daarom niet minder juist.
Wanneer wij de verhalen van den Bijbel naar waarde willen schatten, dienen wij wel te bedenken, dat het volk wars is van dorre wijsgeerige bespiegelingen. Het volk houdt van verhalen. Eene parabel of leerrijke geschiedenis zegt gewonen menschen meer dan het meest scherpzinnige syllogisme. Zij verstaan de leer der erfzonde beter in Genesis dan bij Paulus. Nochtans ook bij Paulus zelf vinden wij dikwijls den echten volksleertrant. Niemand, zeiden wij eenige bladzijden hooger, zou het karakter der H. Schrift meer miskennen, dan wie daarin de wijsgeerige ontwikkeling zocht van een theologisch stelsel.
„C o n v e n i t Sacrae Scripturaequot; — zoo leert de H. Thomas — „q u ae c o m m u n i t e r o m n i b u s proponitur, secundum illud (Rom. 1, J4): Sapientibus et insipientibus debitor sum, ut spiritualia sub similitudinibus corporalium proponantur; u t s a 11 e m vel sic r u d e s e a m c a p i a n t, qui ad intelligibilia secundum se capienda non sunt idonei.quot; (*)
Voor de bijbelsche geschiedenis is deze opmerking van groot belang, „c u m m u 11 ae p a r a b o 1 ae e t allegoriae sint dictae (in lege et pro-fetis).quot; (')
(1) II Mach. II. 29 (Sept. v. 28) C(r. v 31. (2) 1, Quaestio 1 a. q. in c. (3) S Irenaem, Contra Haereses, lib. I, cap. III. P. G. VII, p. 478.
— 94 —
Geen enkele Kerkvader heeft hier voorzeker meer gezag dan de M. 1 Tieronymus. „Hieronymus . ; . a singula]-! Bibliorum scientia magnisqne ad eorum usum laboribus nomine doctoris maximi praeconio Ecclesiae est honestatus.quot; (') „Deusquot; —- zoo bidt iedere Roomsche priester op den feestdag van dezen grooten heilige — „qui Ecclesiae tnae in exponendis sacris Scripturis beatum Hieronymum, Confessorem tunm3 Doctorem maximum providere dignatus es, praesta qnaesumus; ut ejus suffragaritibus meritis, quod ore simnl et opere docnit, te adjuvante, exer-cere valeamus.quot; (s)
Zou de Doctor Maximus, indien hij thans leefde, de beginselen der moderne, katholieke critici gevaarlijk achten voor de leeringen der Kerk?
Hoe hij over de bijbelverhalen denkt, laat de H. Hieronymus misschien nergens duidelijker uitkomen, dan in zijn brief aan Pammachins „de optimo genere interpre tandiquot;. (3)
De gezaghebbende Kerkvader wijst eerst op de groote vrijheid, waarmede de Grieksche Vertalers en de schrijvers van het Nieuwe Verbond den tekst van het Oud Testament behandelen. Na aangetoond te hebben, hoe zij wars van alle Talmudische letter-knechterij, zelfs niet opzien tegen veranderingen en inlasschingen van betrekkelijk grooten omvang, bespreek de H. Hieronymus, al is het per accidens, het vraagstuk, dat ons thans bezig houdt.
(1) Ene. Providentissimus Deus, 0|i. cit. p. 211,
(2) Missale Bomamim.
(rii Kp. 57. P. L. XXII. pp. 568—579.
— 95 —
Hi j vestigt de aandacht van Pammachius op het feit, dat de bijbelsche schrijvers veel minder gewicht hechten aan de streng historische nauwkeurigheid van het ver-haaide dan wel aan de godsdienstige les, die in het verhaalde ligt opgesloten. In geval van onnauwkeurigheid, zegt de heilige Kerkvader, zou het echter volstrekte onkunde der H. Schrift verraden, indien men daarom de gewijde schrijvers van dwaling beschuldigde. Wij hebben hier eenvoudig error es mate rial es. die in werkelijkheid geen dwalingen zijn; zij worden alleen zoo genoemd door den wijsgeer, die, om wille der duidelijkheid, eene onderscheiding boven de bloote ontkenning der dwaling verkiest. Dwaling, immers, kan enkel in het oordeel liggen. En wat de Bijbel hier wil bevestigen, zegt Hieronymus, is alleen de godsdienstige zin of les.
. Zoo schrijft de Evangelist Mattheus. weliswaar, eene profetie van Zacharias aan Jerémias toe ('); maar daarom leert hij nog volstrekt geene dwaling! ,,Accusent Apostolum falsitatis, quod nee cum Hebraico nee cum Septuaginta congruat translatoribus, et quod his majus est, er ret in nomine, pro Zacharia quid cm Jerc-miam posuit. Sed absit hoe de pedissequo Christi dicere, c u i c u r ae f u i t n o n v e r b a e t s y 1-1 a b a s a u c u p a r i sed sententias do g-m a t u m p o n e r e.quot; (5) (*)
„Marcus inducit ad Pharisaeos Salvatorem loquen-
(1) Matth, XXVII, 9.
(2) Loc. cit. p. 572 sq.
(*gt; Hieronymus ontkent hier en elders yeenszins Je inspiratie verbalis, gelijk wij deze hier boven verklaarden.Clr. Zauecchia„pp- 167 399.
— 96
tem ; „Nunquatn legistis quid fecerit David, quando necessitatem habuit et esurivit ipse et socii ejus; (juomodo ingressus domutn Üei sub Abiathar Pontifice et panes propositionis comedit, quibus non licebat vesci nisi solis sacerdotibus?quot; (Marc. II. 35, 36 et L u c. VI. 3, 4). Legamus Samuelem, sive, ut in communi tituio habetur, Regnorum li bros, ibique reperiemus non A b i a t h a r scriptuni esse, sed A b i m e 1 e c h [Achiraelech] Pontificem, qui postea a Doeg cum caeteris sacerdotibus, Saul jubente, per-cussus est.quot; (')
„Kt quomodo Marcus statiin in principio volumi-nis sui posuit; „Sicut scriptuni est in Isaia propheta * Ecce ego mitto angelurn meumquot;, quod non dicitur in Isaia, ut diximus, sed in Ma lach ia, novis-simo duodecini Prophetarum !J S o 1 v a t h a n c (| u ae s t i u n c u 1 a m i m p e r i t a p r a,e s u m p t i o et ego erroris veniani deprecabor.quot; (*)
„Lucas vir apostolicus et Evangeiista scribit Stephanum primum Christi martyrem in Judaica concione (contentione) narrantem: „In Septuaginta quinque animabus descendit Jacob in Aegyptum; et defunctus est ipse, et patres nostri translati sunt in Sychem et positi sunt in sepuicro quod emit Abraham ]jretio argenti a fii s Emor patris Sychemquot; (Act. VII 15, 16 et Gen. XXIII). Hie locus in Genesi multo aliter invenitur, quod scilicet Abrahamemerit ab Ephron Hethaeo, filio Seor juxta Hebron,
(1) p. 575.
(2) Ibidem.
— 97 —
quadrmgeiitis drachniis argenti, speluncam clupliceni et agnim circa earn, sepelieritquc in ea 8aram uxorem suam. Atque in eodem legiiniis libro, postea rever-tentem de .Mesopotamia. Jacol) cuiu uxoribus et liliis suis, posuisse tabernaculnra ante Salem urbem Sy-chiraorum, quae est in teri'a C'hanaan, et habitasse ibi, et einissc partem agri in quo habebat tentoria al) Emor patre Sychem centum agnis (') : et statuisse ibi altare et iuvocasse ibi Deurn Israel (Ibidem XXXIII). Abraham non emitspecumab Ei.ior patre Sychem, sed ab Ephron iilio Seor: nee sepultiis est in Sychem, sed in Hebron, quae corrupte dicitur Arboch. Duodecim autein Patriarchae nou sunt sepulti in Arboch sed in Sychem, quiager non est emptus ab Abraham sed a Jacob (.los XXIV 32). Differo solutionem et istius q u a e s ti uu cu I a e, ut obtrectores mei (|uae-rant et intelligant nou verba in Scripturis c o us i d e ra n da sed s e n s u s.quot; (2)
De II. Hierouvrnus, die vluchtig alle boeken van het Nieuwe Testament doorloopt, verwijst hier nog naai' verscheidene andere teksten van demeltden aard. Het besluit van den heiligen Kerkvader luidt: „Ex qnihus universis perspicuum est, Apostolos et Evan-gelistas in iuterpretatione veterum Scripturarum sen-sum quaesisse, nou verba, nee magnopere de ordine sermonibusque curasse, dum intellect ui res patere t.quot; (')
(1) Ol' de onnauwkeurigheid werk el ij li is of scliijnbaar, is hier van geen helang Wij vragen enkel naar Jict oordeel van 8. Hieronymiis. (2) pp. 576 sq. (3) p. 575.
I
— 98 —
Wat (k1 Doctor Maximus hier door „verbaquot;, „ordoquot; ou- „sermonesquot; bedoelt, blijkt overvloedig uit onze nanliali naren.
O
W ie staat dns wel het dichtste bij den II. lliero-nymns, do criticus of zijn tegenstander? Kn wie verdedigt de ware Roomsche traditie, de volgeling van S. Ilieronyinus of zijn bestrijder?
Nochtans merke men wel op, dat het verschil van zienswijze hier niet de leer der inspiratie raakt; het afwijkend oordeel betreft alleen liet 1 i 1 e r a r i s c li-h i s t o r i s c li k a rak ter der bijbelboeken, d. w. z. de bedoeling hunner schrijvers. Met geldt een letterkundig, geen dogmatisch vraagstuk. I hvalinü; kan hier evenwel aanleiding geven tot ver-
o V %
kettering van groote waarheden; hoe noodzakelijk somwijlen de onderscheiding is tusschen voorstelling en 1 e e r, blijkt reeds voldoende nit de voorafgaande aanhalingen, „llacc replico, non ut Evan-gelistas argnani falsitatis (hoe qnippe hnpioniin est, Celsi, Porphyrii, Jnliani) sed nt reprchensores nioos argnani iniperitiae.quot; (')
„Quasi non mult a in Scriptnris sauctis d i c a n t u r j u x t a o ]) i n i o n e m i 11 i u s t em-j) oris quo g e s t a r e f e r n n t u r, et no ii j n x t a quod rei Veritas c o n t i n e b a t!quot; ('quot;) Dezen uitroep van den II. Ilieronymns vinden wij zóó veelbeteekenend, dat wij niet kunnen nalaten dezen tekst hier noü te herhalen.
O
R. Hieronymns loc. cit. fi. ^gt;7;quot;).
(2gt; hi Jerenudm Prophet am. cap. XWIII vv. 10.11. 1'. I.. X.\IX. |i, 8ö5.
— 99 —
„H i s t o r i a e Veritas et ordo servatur, sicut praediximus, u o n juxta q u o d e r a t, sed j u x t a I) ii o d i I 1 o t e id p o r e p u t a b a t u rquot;. (')
„Relege onmes et veteris et novi Testamenti libros, et t a n t a m aimorum reperies dissou a 111 i a in et nurnemm inter Judam et Israel, id est inter regnumutrnmqiie, coufusum, ut hu j uscemodi haerere q u a e s t i o n i b n s u o 11 tain studiosi q u a in o t i o s i h o m i 11 i s esse vide a-t u r . . . Q ii i d e n i m p r o d e s t li a e r e r e i u I i 11 e r a e t v e 1 s or i p t o r i s e r r o r e in v e ! a n no rum seriem calumniari, cmn iiiani-festissime seribatur (11 Cor. Ill): Litter a occidit, spiritus antem vivificat?quot; (2)
Och, waren er toch nooit zulke „otiosi hoiniues1' opgestaan !
Aan paus Damasus, wiens vraagbaak de J1. Hiero-nymus was, verzekert de groote Kerkvader, dat de Bijbel wemelt van „spiritualiaquot;, die, iu den streng historischen zin opgevat, volstrekt „iudissolubiliaquot; moeten heeten. Onder de „multa hujusmodiquot; haalt hij o. a. de volgende voorbeelden aan: „Mathuse-lem q u a t u o r d e c i m annos post diluvium vixisse dicitur, nee tarnen ingressus est arcani cum Moe . . quot; Agar quoqiie Ismaëlem, quasi lactantein et tenerem portat in huineris, cum decern et octo ferme et amplius reperiatur annorum: et ridicu-1 u m sit t a m g r a n d e m j u v e n e m ui a t r i s
(1) Ibidem, pp. STiC) s(|.
(2) Ep. 72, ii. 5. I'. I.. XXII, p.
100
s e (I i s s e c e v v i c i h u s. Roboani vero tilius Sa-lomonis ((iiadragesimo primo aetatis suae anno regui smupsit exordium et regnavit in Jerusalem an nis sexrlecim; cum ntique pater ejus duodecimo anno regnare incipiens , an nis ([uadraginta r e-g n a v e r i t et u n d e c i m o f i li u m g e n e-r a r e n o n q u i v e r i t.quot; (')
Toen de danseres aan 11 erodes het hoofd van Joannes den Dooper vroeg, zooiezen wij bij Alatthaeus, „contristatus est rex1-'. De II. Hieronviaus gelooft dit evenwel niet. „Consuetudiuis Scriptura-rum estquot;, zegt hij, „opinionem multorum sic narret historicus, quomodo eo tempore ah omnibus credebatur.quot; (!)
I leeft de lezer ooit vermoed, dat de Doctor Maxinms, wat zijne beginselen betreft, zóó dicht bij de moderne critici stond r Zou niet menigeen zijn hart hebben vastgehouden als wij, op eigen gezag, zoo boud gesproken hadden? W ij bekennen gulweg, dat, toen wij voor eenige jaren nader kennis maakten met de patrologie, vooral de werken van 1 lieronvnusons menige zoete verrassing hebben bereid.
Het grondbeginsel van Hierom nius' bijbelverklaring ligt voorzeker in de onderscheiding tiisschen voorstelling en leer; wie dit beginsel verwerpt kan onmogelijk den Hijbei overal van dwaling vrij pleiten.
Dat dwaling of tegenspraak slechts schijnbaar is,
(i) Kp. :•!(■) n. 10. !gt;. I.. Wil, p. AM ?(|,
rgt;) hl Matth. cap. XIV, V. 1).
— 101 —
bewijst fle apologeet echter veel gemakkelijker, Wiiu-neer deze niet bij een en denzelt'den sclmjver voorkomt, maar uit de gezegden wordt opgemaakt vun verschillende schrijvers, die de zaken van een verschillend standpunt beoordeelen. (') Ook wordt de tnoeielijkheid tegen de inspiratie veel geringer, wanneer men weet, dat de gewijde schrijver eene oudere bron citeert, voor wier historische nauwkeurigheid hij misschien niet borg wil blijven.
Zou daarom de 11. Hierom mus, die aldus over het geschiedkundig karakter van den Bijbel oordeelde, de studie der bronnenontleding niet met beide handen hebben aangegrepen, indien hij geleefd had in onze eeuw van critickr Lange jaren reeds zijn de bijbelverhalen onderworpen aan een scherpzinnig, critisch onderzoek. Wij weten thans beter, dat veel materiaal van profanen oorsprong is; ook de aard van de historiographie der oude Semieten is thans beter gekend. Sprak dus de 11.1 lieromus reeds in zijn tijd mei zoo groote vrijheid over de geschiedenis der bijbelboeken, zou hij thans meer bevreesd zijn voor de voorstanders der zoogenaamde „traditiequot;, tegen wier vaderen de Paleslijnsche kluizenaar zijn geheel leven heeft gekampt ?
Wij hebben de geschiedenis van het Protestantisme niet genoeg van nabij onderzocht; maar toch vermoeden wij, dat de eeuw van Luther Aan grooten invloed is geweest op zekere „traditioneelequot; bijbelverklaring;
(1) «Sonveiit pom- liiire disparaitre tonte opposition entrc los rócits. 11 sulfit d'observer ((ue les circonstances (|iii paraissent contiadictoiies se rapportent a dilVérents temps. . De Smeedt 8. J. Ouvr. cité, p. 13i).
— 102 —
ook hi j de Katholieken, tlie natuurli jk voor niemaiid wenschten onder te doen in eerbied voorde H. Schrift. Iedereen oordeele hier zelf; wat ons betreft, wij verdedigen in alle geval eene echt Roomsche „traditiequot;-. ü]) den naam van „conservatiefquot; hebben wij minstens evenveel recht als uu/i; geloofsbroeders, die eene andere richting zijn toegedaan.
üe Protestantsche lezer versta ons hier echter wel. Naar onze nieening is door de verwerping van het kerkelijk leergezag, in den beginne, het goddelijk karakter der 11. Schrift zóó zeer op den voorgrond geschoven, dat het rnenschelijk element des Bijbels meer dan vroeger uit het oog werd verloren. Wanneer men zich niet streng aan de letter hield, kon immers een boek, zoo duister als dc Bijbel op vele plaatsen is, zonder gezaghebbende verklaring onmogelijk de noodige- éénheid der gemeente bewaren. Dat zonder leergezag de Kerk van Christus wagenwijd openstond voor scheuringen en ketterijen, moest meer en meer blijken. I lieruit moest dan ook bij dc ge-loovige gemeente de neiging ontstaan, om hen te verketteren, die afweken — niet meer van dc uitspraken van het kerkelijk leergezag, dat vroeger de gedingen beslechtte — maar van de doode letter van het bijbelboek. (')
(1) Wij redeneeren hior — men veigele het niet — a priori. Wij kunnen moeilijk gelooven, dat de geschiedenis ons hier zal logen-strallen ; om volle zekerheid te hebben, ware echter een nader ondci-zoek vereischt. Mocht iemand ons van dwaling overtuigen, dan geven wij onze meening gaarne voor eene betere.
— 103
Wij beweren echter geenszins, dat het toenmalige gemis aan critischen geest te wijten zou zijn aan het Protestantisme: veeleer heett het Protestantisme de geleerden tot eigen onderzoek aangespoord, toen het geloot' op gezag der Kerk te loor ging.
Dat de Roomsche geleerden gedurende de middeleeuwen zoo weinig gezien werden op den weg, waarop o. a. Hieronymushen was voorgegaan, dient uit dezelfde oorzaak verklaard te worden, welke den Moei der natuurwetenschappen in de middeleeuwen belette: andere wetenschappen hielden destijds de heianLrstellinquot;- der geleerden gaande. (') „Wie kommt es aber, wird mancher fragen, dass von AU)erts Xaeh-iblsjeru diese Llichtuniï aut'die Naturtbrschung keiner
O O
aufnahm und weiter führte ? Aut' diese Frage giebt einerseits die so ausgedehnte Heschattigung init der iSpekulatiou die Antvvort ; anderseits war es vor nllem die Vernachlassigung der selbstandigeu Heol)aeh-tung der wirklichen Welt, was nun statt der s(ei-genden Hntwicklung einen allmiiidigen abcnualigcu Vei'tal 1 herbeifiUirte.quot; (2)
De H. Hieronymus alleen heett voor ons, Hoorn-schen, op het gebied der H. Schritt zóó groot gezag, dat de Jvatholiek, die zijne voetsporen drukt, gerust mag zijn.
(1) Men herle/.e wat wij bi. M! over het gemis van critisclio onl-wikkeling bij de middeleeuwsche denkers zeiden.
(2) Joseph Lallinger, Albert der Grosse und seine Hedeutnng lïir die NaturCorschuns. Natnr unci Glauhe. 110, Jhrg. I89S.
— 104 —
Raadplegen wij nochtans ook rlc andere groote vertegenwoordigers der kerkelijke traditie. Dat S. Ilieronymus alleen zon hebben gestaan in zijne beoordeeling van liet historisch karakter der bijbelboeken, is reeds a priori uiterst onwaarschijnlijk.
Een andere reus der oude exegese is voorzeker Ürigenes. Wie ons hier op sommige dwaallee-ringen van den Alexandrijnschcn denker zon willen wijzen, leze eerst nog even Hieronvnms. „Origenem post Apostolos Kcclesiarum magistmm nemo nisi im-peritus negat.quot; (') „Quod si quis Judas zelotes oppo-suerit nobis errores ejus, audiat libere:
......Interdum magnus dormitat Homerus,
Verum operi longo fas est obrepere somnum.
Didymus van Alexandria, de H. Gregorius Thau-maturgus en de H. Gregorius van Nyssa vereerden ürigenes in de hoogste mate; de H. .Martelaar Pam-philins schreef zijne apologie. Afgezien van enkele d waalleeringen, die zijne grootendeels verloren werken aankleefden, is, naar ons oordeel, ürigenes voor de Hoonisclie critici de meest gezaghebbende exegeet der oudheid, na den H. Ilieronymus. „ürigène est tout la science de son temps.quot; (3) „Comme commen tat eur des Eer it ures, ürigène passé to us ses devanciers. Avec Theodore de Mopsueste
(1) Prtofatio lt;le Nom. Mebr.
(2) Ep. 84. 1gt;. I,. XXII. p. 750.
(3) P. Battifol, La littérature yrecque, p. 167. Paris •I8lJ7.
et Saint Angus tin il rcprésentc rinterprétiition ccclé-siastujuc, ct pei'soinicllement le parti pris de I interpretation allégoriqne, coiume Theodore celui de I interpretation littérale, et August in nne sorte de via media entre les denx systèmes.quot; (')
Hooien wij daarom, hoe de groote Alexandrijn over liet geschiedkundig karakter der bijbelverhalen oordeelde. Zi jn oordeel werpt voor/eker groot gew icht in dc schaal, al achten wij zijne allegorische verkla-riiiii' der teksten over het algemeen ongeschikt om de inoeielijkheden op te lossen, waarop hij wijst.
„Scripturaquot; —zoo leert Origenes— „sn Imex ui t historiae ((nod factum lujn est; imo (pianihupie quod fieri non pote rat, (piando(|Uc autcm, (piod poterat (piidcin fieri, sed ta in en 1 actum non est.quot;( )
.,(4uis igitnr sanae mentis e.xistiinavcrit primani et secundain et tertiain diem, et verspcrum et mane sine sole, luna ct stellis, et cam quae veluti prima crat, diem sine coelo fuisse? (4uis adeo stolidns ut putet Dcuni more hominis agricolae plantasse hortuui in Mden ad ürientem, ulii lignnin vitae posucrit (piod snli oen los et sensns caderet, nt (pd cor])oreis dentibus fructum gustasset vitam inde reciperet ? (:i) . ■ . . ^cd (|uid attinet plnra die ere, cum in nu me ra cjnsmodi seripta quidem tamquani gesta sint, non gesta vero ut littcra sonat, qnivis,
(1) Ihiclim, p. 170.
(2) De priiicipiis. lil). !V u. \V. ClV. Oriycuia Opera I. p. 2S2. Kd. Caillau, Paris ISÜ.
(8) Or dit ook in den strengen zin kan verklaard worden, doet hier niets ter zake. Wij vragen slechts hoe Origenes over den l»ijbel dacht.
— 106 —
modo non plane stipes, colligevc possit... mule colli get iis ([luie secunduui litteram gesta sunt, iilia attexta esse quae non contigeruLt.quot; (')
,,gt;»eque eiiim ullo modf) eonvenit ea quae in Mnechiele de Pharaone Aegypti rege habentur, de liomine aliquo dici (pii Aegypto imperavit vel sit iiupei-aturus, ut planum eiit ohservantibus: sic lt;|iiae •Ie principe 'i'yri scripta sunt, de liomine quopiam ([ui'l yri principatuiu gesserit, intelligi non possunt.quot;(!)
Hoe ver Origenes ging, moge blijken uit dezen enkelen vol/in: „Mul to eniin plu ra sunt secundum historiam vera, quani (jiiae mere s |) i rit ii al ia illis attexta sunt.quot; (:1) Wie dit zcide, moest onzeggelijk veel voor niet streng liistorisch houden !
Al verwerpen wij het stelsel der Alexaudrijnsclie allegoristen, lum oordeel over lu^t geschiedkundig karakter der hijbelhoekcn blijft toch, gelijk wij zeiden, in dit geding van groot belang. Dat de oplossing eener moeilijkheid valsch is, bewijst geenszins, dat die moeilijkheid niet bestaat. De Alexandrijnsclie School blijft dus getuigen, dat de gewijde geschied boeken met overal een even streng historisch karakter dragen.
Als tegenvoeter van Origenes, hoorden wij Battifol zooeven, ouder de groote vertegenwoordigers der
(I) Lil». IV u. XVI, pi». ;28ri S(|.
(2/ Ibidem, n. XNII. p. 21)0.
(o) liïidein, u. XIX. p. 2^7.
— 107 —
oude kerkelijke bijbelverklaring, Theodoras Mop-suestenus noemen. De Vaders der School van Antiochië schuwden, zooals men weet, de allegorische verklaringen der Alexandrijnen en vielen niet zelden in het andere uiterste, nl. de letterknechterij. Zoo beweerden sommigen bv., dat Adam en Eva vóór den zondeval niet konden zien, wijl toen eerst huune oogen opengingen: „aperti sunt oculi amborum.quot; (Gen. Ui 7). Maar ontkenden zij daarom volstrekt, dat het streng historisch karakter van sommige bijhel-verhalen of voorstellingen onhoudbaar isr Neen, zij stelden slechts eene andere o[)lossing der moeilijkheid voor: wat eertijds feitelijk niet waar was in den strengen zin, werd waar gemaakt in Christus. Si edits in zooverre als liet oude vaak „typequot; was van liet nieuwe, werd de waarheid van menige beschrijving uit van het oude Testament in de School van Antiochië erkend.
„lies veteris Testa inentiquot; — leert 'i'hco-dorus — „a enig m a t i s locum tenent, v e r i ta 1 i s autem rerum sub Chris to actarum magnitudo. Sic beatns David de populo dicit, qnod derelid a non fuerit anima ejus in inferno, neque caro ejus viderit corruptionem (I's. X\ 10), ((aod in rerum natura cogitari nou possit; scd m e t a p h o r i c e et hyperbolice dicit ereptum t'uisse pericido corruptionis. Attain en diet arum rerum Veritas in Christo Domino apparuit. . . Cum vero m u 11 a h u j usm o di in divinaScriptura terantur...(1)
Comment, in Joül, cap. 11'. F. 1.- lAVI, p. 231.
— 108 —
„M ii i t a li ti j ii s 111 o (I i comperirc lirct, quae in praescnti [lerccnsere longuiu essct, quae dicta lucre hyperbolice, (|uoiiiaiii d i c t ae rei v c r i t a-tem n o li continent; sed taineu it a reapse se habent i n C h r i s t o Do in i n o.quot; (')
Met niet streng historisch karakter sonuniger voorstellingen van den Bijbel erkennend, leerde Theodorus dus „vetera esse typum quamdam posterioruni. In deze waarheid vond hij de oplossing der niet geloochende moeilijkheid.
De lezer slelt echter inisschien ineer helang in hel oordeel van I-] u s e b i u s, den geselliedvorscher (3), die, zooals men weet, bizondcr veel werk heeft gemaakt van de bi jbelsche ti jdrekening. Welke was de slotsom van zijn onderzoek? Deze geeft hij ons in de Inleiding van zijn Kronieken:
„Deinde et noster hic serino vehenienti tes-
(J) C.onimciil. in Zacharmm, cap. IX. p. 008. Cl', p. 062.
('2) Cororacnl, in Joannem, p. 810.
(•i) Gewis, ile oudheid heelt nog andere geschiedsclirijvers geketnl. .Maar ook voor de besten onder hen verdient Lallinger's beschonwins; over Alhertus .Magnus, als natuurkundige, onze aandacht. Na Al-hertus mot lol' to hebben overladen, vervolgt Lallinger : «Dassenber cin Naturl'orscliei' in dem Sinne, in welcbern wir heutzutage mis (Jes Namens bedienen, nicht war, wird auch dor begeisterte Lobredner Alberts /.ugeslehen mussen, in die lieiho dei Manner, tieren l'olgen-reiche l^ntdeckungen und Aul'stellungen lür die Gescbicbte der Wissen-schal't epoebemachend geworden sind. gehort er nicht. Wenn dabei' hervorragende Naturl'orscber der neuern Zeit wie Cuvier, Alex v. Ilinn-boldt ihm und seinen Schril'ten ihre Aul'merksamkeit zugekebrt und mil Achtung, ja Verehrung von ihm gesprochen haben, so bestiinmten sio olmo Zweil'el weit weniger die einzelnen Kenntnisse oder Krkennt-nisse, die sie in den letzteren gefunden halten .... als vieltnehr der allgemeino ümstand, dass in einer Zeit, welche iiberwegend ahslrakten I jiMleiungen zugewendet war, Albert l'ür die einzelnen Gebilde und die mannigfachen Vorgange der Natur ein eil'riges und verstandnis-volles Interesse bewahrte.» Natur und Glaube, Jbrg. 1898, S. I0!l.
— 109 —
tiin ouio eamdem Magistri sententiam (') probabileiu faciet; videlicet ueque Graecoruui iieqne Barbarovum neque aliarum quarumvis gentium, neque ipsonitii Hebraeorum universalein rhronologlam nos posse evidenter addiscere. Porro antein coutenti erimvis, si praesens noster tractatns ad duo statuenda nos ad-juvet, neinpe primo, ut nemo sibi persu adcat (quod hactenus a qnibusdam factitatum est) lieri posse ut accurata scientia ratio temporum compreliendatui-, quod protecto li a 11 u c i n a t i o est . . (s)
„Ab obitu Mosis ad Salomonem tetupliquc aedi-ticium liber quidem Judicum (quocum ctiam... Apostolus P a u 1 u s in apostolicis Aetis consentit) doctrinam tempoi'um a ] i t e r tradit ac K e g n o-r u tn bistoria et IT e b r a e o r u m t r a d i t i o d i s-c r e p a n s.quot; (')
„Porro praeco Apostolus h a u d m i b i v i d e-t u r a I i (J u a m c li r o n o I o g i a m v o 1 u i s s e p r o p o n e r e . . . . varum c o m m u n i vide t u r ii s ii s lections •! u d i c u in.quot; (')
Zoo leert ook de H. Chr\sostoiuus: „Paulum m n I t a ex cominuni audientium sensu pro-ferre neque ubique pbilosophari. (5)
Het o-roote beginsel der onderscheiding tiisschcn voorstelling en leer keert telkens weer.
l l) gt;. Non est vestnim nosse tempora.» Act. I
(2) Chronicorurn liber 1. Proömium. I'. O. XIX. p. 10;!.
(.•!) Lib. I, Cap. XVI p. 161. CIV. pp. Uil—170.
( I) Ibidem p. IfiC). , „ .........
(0) III Kpist. ad I'hilipp. Cap. 11. Uornel. IX. P. .X XXIU, p. ;)i-S
— 110 —
Onder de drie groote vertegcmvoordigers van de kerkelijke bijbelverklarmg dier dagen, noemde Battiibl te reclit, naast Origenes en 'I'lieodorus, den grooten bisscho]) van Hippone, S. A u gu s ti n n s; geen enkele Kerkvader heeft meer invloed nitgeoefend op de nnddeleenwsolie Scholastiek. Naast S. Anfj'iistinns zullen wij daarom hier S. Thomas plaatsen.
De H. Angnstinns liet zich voorzeker A'eel luinder niet historische vraagstukken in dan de 11. Iliero-nymns; zijn gezag, op critisch terrein, is dan nok veel geringer Zijn theologische beginselen op schi ittnnrgebied mag nochtans geen katholiek criticus „over het over het hoofd zien. I loc; heftig do pen nestri jd tusschen Angnstinns en iliero-n\inns ook was ('), op dogintaisch gebied stonden de twee kerkvaders t(!n slotte toch dezelfde; beginselen voor.
Al legde de groote voorlooper der Scholastiek zich dns minder toe op de letterkunde en historie der 11. Schrift, dan op hare godsdienstige leer; al liet hij daarom de onderscheiding tusschen zegswijze en bedoeling minder tot haar recht komen dan de H. I lieronvnuis, toch wist ook hij in de gewijde verhalen de voorstelling van de leer te scheiden.
-Angnstinns oordeel over de bijbelsche gegevens, welke de natuurwetenschappen raken, leert ons paus Leo zelf. De Afrikaansche Kerkvader stelt her-
(,I) Men leze hunne brieven bij Migne P. I. X\1I pp 505—508 01. 651,_ S2il S37, «.107-931. 935-953. De II. Ilieionvmns liet S. Aiijruslirius eerst •ïennineu lijd vergeefs uitzien naar een briel uit l'.ethleliein en verwaardiisde zich niet te antwoorden.
haaldelijlv in het licht, „sci iptores sacros, scu veiius „Spivitmu Dei, (|ui per ipsos lo(|uebatm-, nolviisse is tn (videlicet iutiinaTii adspectabiliuin vertiin con-stitutioiicm) doeerc homines, nulli saiuti pro-i'ut ura ; (|uare eos, potius (piam explorutioiicm natunu' recte proseciuantur, res ipsas alilt;|uan(h) des-cribere et tractare aut (piodam translationis modo, a ut si cut communis sermo per ca fcrcbat tempora C2)
De voorstelling wordt dus aan het gewone spraakgebruik ontleend, dat op de toenmalige opvattingen berustte (3), maar de/.e voorstelling wordt niet door den Hijhei bevestigd ; de schrijver stelt hierin geen belang. „Ha sec\itus estcpiaeseusibiliter apparent.quot; (')
„Movsesquot;, soo leia't inderdaad S. Thomas, naar het voorbeeld van S. Chrvsostomus, (5) „ 1 o(| n eba t n r r u d i p o p u I o, q u i n i h i I nisi c o r p o ra 1 i a pot e rat ca)) ere... et rudi populo eondescen-dens s e ([ u u t u s est q u ae s e n s i h i 1 i t e r a p-p a r e n t. (quot;)
„Non semper ergo hagiographi scripscrunt secundum r e r ii in veritatem, sed noiinniiKiam s e c u u d u m a p ]) a r e n t i a m r e r u in. (liia-propter ille (pii Srcripturain secundum reruin veritatem exponit iu illis particulis in quibus hagiograplii locuti
(M ) Dp Gen. ad lift. II. i). k2().
(2) Knc. Prov. Deus, Op. eit. p. 232.
(li) Zoo spreekt .lob bv. van de poorten der onderwereld, welkt* iiij onder* de zee plaatst.
(4) S. Thomas. I (\. I.XX a. 1 ad
(5) Cli. ('.hi ysoslornus in C.ap. I. (ieni's. Ilnnicl. ll.i'. ('«. X X I \. ji.'J'.'.
((j) Sum. theol. I i\. LX\ 11 :i. i in c. lt;ilr. I lt;1. I.XX ad
112
sunt secundum reruiii apparentias, iiequaquam h a-lt;r i i) g r a phis erromn attrihuere debet, sed si bi-me tip si. Si omues hoe Augustiiii mouituiii (') „Caveant ue a liquid temerc et iucognitum pro cog-uito asseraut' prae oculis ha herent, siuiilia inconve-nientia hand darentur.quot; (2)
.Mag ditzelfde beginsel temet ook niet op de geschiedenis worden toegepast? „llaec ipsaquot;— zegt paus Leo — „deinde ad cognatas disciplinas, ad historiain praesertim, pivabit transferri.'quot; (•■') Hu inderdaad, de koning der godgeleerden, de H. Thomas, zet ook voor de bijbeische geschie-d e n i s dit grondbeginsel oj) : „sec u n d n m o p i-n i. o n e m p o p n 1 i 1 o q u i t u r Sc r i p t u r a.quot; (') Bij zijne verklaring van Jud. v. 7 voegt Cal met de volgende opmerking: „Quamobrem putandiun est, •Indam ita usum esse hac sententia, ut ipse non t e n ii e r i t (( n i d e m , sed adversus eos qui tene-bant a d h o m i n e in torserit . . . Ubi dixero usum hac ratiocinatione Judam, (pnnnquain fundameuto hand vero freta, nihil absurdius dicere mihi videor, (|uam ubi tu asserueris Scriptores sacros a lt;1 v ii I g i o ]gt; i n i o n e m, sibi minime probatam, esse locutos, cum de tart a r o, abysso, cha o, regno P I u t o n i s, vine u I i s d ae m o n u in, d aem o n e A s m o d ae o i u culls c o e r c i t o i u s u p e-r i o r i s Ae g y p t i s o 1 i t u d i n e, ge in en t i I) n
(1) S. Augustinus. In (lenes. op. impfil. IX. .'iO,
(2) Zanecchia. p. ITiO.
(H) p. 2U.
(i) I. II q. XCVIH a. S ad 2.
s u b a q u i s g i g a n t i b n s verba facerent .... Veritas ([iiue demonstrauda suscipitur, minime iufirmatur ox eo, quod falsae sint hujusmodi vulgi o pinion es, quae ad rem ipsam antnihil aut levissüne pertinent.quot; (')
Om ons geheel en al te overtuigen, dat S. Augustinus en S. Thomas inderdaad p r i n e i p i ë e 1 hetzelfde standpunt innamen als S. Hieronymus, moge een eukel voorbeeld volstaan.
De II. Schrift beschrijft de schepping der wereld in /es dagen en stelt ons o. a. het scheppen van Adam, en Eva zeer levendig voor. Ook de andere voorstellingen zijn uiterst duidelijk.
In zijn werk De Genesi contra Manichaeos houdt de H. Augustinus nog de vroeger alge-nieene, streng historische verklaring, volgens welke de wereld dus in zes dagen van 24 uren geschapen was. De perioden- en visioenen-theorieën werden inderdaad eerst mogelijk, toen men het onderscheid te veel uit het oog verloor tusschen voorstelling en leer, en, van den anderen kant, de natuurwetenschappen de onhoudbaarheid eener letterlijke, streng historische opvatting (!) hadden aangetoond
(1) Comment, litteralis in Epistolam B. Judae Apostoli, v. 7. — Cfr. Zanecchia, p. 162.
(2) Ook heden ten dage wordt zij echter nog door enkele geleerden verdedigd.
8
— 114 —
In zijne latere werken De Genesi ad litteram en De Civitate Dei, evenwel, leert Augnstmns dat God feitelijk de wereld in één enkel oogenblik had geschapen. Vóór hein hielden dit reeds Clemens Alexandrinns, Origenes en S. Athanasius; na hein vinden wij nog dezelfde leer bij Cassiodorus en Isi-dorus Hispalensis. De meeste lezers kennen deze, hunne verklaring van het scheppingsverhaal; maar hebben zij wel ooit nagedacht over de vrijheid en breedheid van opvatting, waarvan dergelijke verklaring getuigt?
Ondanks de levendige voorstelling der 1 F. Schrift, beweert Augustinus dus, dat de Almachtige de wereld in ééns uit het niet te voorschijn heeft geroepen.
Door de wereld bedoelt de Kerkvader hier de vier elementen, waaruit, volgens de opvattingen van dien tijd, alles was samengesteld. Deze oorspronkelijk vormlooze massa ontwikkelde zich tot den huidigen kosmos, niet door nieuwe scheppingen, maar door de stage werking der natuurkrachten zelf, welke God in de geschapeu elementen had neergelegd. Van de levende wezens bestonden, bij de schepping der elementen, alleen de kiemen; deze ontwikkelden zich eerst naderhand en geleidelijk eu brachten de planten en dieren voort.
Welk verschil tusschen deze leer van Augustinus
o
en de voorstelling van den Bijbel!
„Quid ergo opus erafquot;—zoo vraagt Augustinus—-„sex dies tam distincte dispositeque n a r-r a r i ? Quia scilicet ii, qui non possunt videre
— 115 —
quod dictum est: „Creavit omnia sinuil, nisi (■ u in c i s s e r in o t a r d i u s i n c g d a t, a d i d, (I uo eos ducit, pervenire non possn nt.quot; (')
In zijne S u in m a theologie a, (quot;') spreekt de II. Thomas zich noch ten gunste der ééne verklaring noch ten gunste der andere uit. Klders nochtans schrijft de Engel der School: „Augustinus vult in ipso creationis principio quasdam res per species suas distinctas t'uisse in natura propria, ut elementa, corpora coelestia et substantias s])irituales: alia vero i n r a t i o n i 1) us se m i n a 1 i bus t a n t n m, ut animalia. plantas, homines, quae omnia post-modum in naturis propriis pi-oducta sunt in illo operc, quo, post senarium illorum dicrurn, Deus naturam prius con dit am administrat, de quo oi)ere dicitur : Pater mens usque modo operatur (Joan. \); nee in d i s t i n c t i o n e re r u in a 11 e n d e n d u m esse o r d i ii e m te m p o r i s s c d n a t u r ae et doctrinae. (') S. Ambrosius vero et alii sancti ponunt ordinem temporis in distinctione rerum ser-vatum, et haec positio (i. e. thesis) est communior et m a g i s c o n s o n a v i d e t u r litter ae qua u-tumad super ficiem, sed prior est ra-t i o n a b i l i o r et luagis ab i r r i s i « n e intide-lium Scripturam de tendens.quot; ('') „Kt sic distinguitur
(1) De Gen. ail litt. lili IV, cap. NXXIII. u. 52.
(2) I q. LXXIV, i\. 2.
(3) Hadde men dit toch nooit vergeten! Niet de wordende, maar de bestaande wereld heelt de gewijde Schrijver voor oogen: geheel die bestaande wereld, met al hare onderdeden, is het werk van God
(4) ('.Ir. Mgr. l.arny. Comment, in librum Geneseos, I. p. 99. Hier wordt verwezen naar IV Sent- Dist. 12 a. 2 — waar de lekst echter niet te vinden is.
- 116 —
dies s e c u n d u m n a t u r a 1 e in o r dine in r e r u m c o g n i t a r u iu; non secundum s u c-cessionem cognitionis aut secundum s u c-cessionem p r o d u c t i o ni s.quot; (')
Wie met de schilderachtige voorstellingen van deu Bijbel de beschouwingen dezer Doctores Ecclesiae vergelijkt, zal wel niet meer betwijfelen, dat ook zij het beginsel van Hieronynms aannamen en wisten toe te passen.
Laten wij de breede opvattingen onzer oude, groote godgeleerden in eere houden. Voorzeker, om critiek te leeren, moeten wij niet bij de ouden ter schole gaan; op letterkundig en historisch gebied spant onze eigene eeuw de kroon. Maar gaan wij tot hen om de beginselen der echte Roomse he traditie te leeren kennen, die den waren „con-servatieiquot; eeuwig dierbaar blijven. Gaan wij tot hen, om alle kleinzieligheid te verbannen, welke het zwijgen oplegt aan het gezond verstand.
De voorstelling van de schepping der vrouw staat ons allen levendig voor den geest. Doch mag een Katholiek zich niet eens afvragen, of de schrijver ook de bedoeling heeft om het historisch karakter zijner voorstelling te bevestigen ?
„Cogor ex ipso textu et contextuquot; — zoo spreekt
(1) 1 q. LXXIV a. 2 in c.
kardinaal Cajetamis — „intelligerc hanc mulieiis pro-ductionem non ut sonat littera, sed secundmn niysteriuin, non allegoriae, sed parabolae.quot; (') „Nee obstat quod productio mulieris ex costa viri a Scriptam narratur p e r m o d n m h i s t o r i ae rei g c s t ae; tuin quia non minus narrantur ])er moduni historiae sex dies natnrales cnm vespere et inane et tarnen non oportet intelligere opera illa t'uisse facta per hujus-cemodi naturales dies; turn quia poena serpen tis inferius per modum quoque histoiiae describitur, et tarnen puerile esse constat intelligere illam corporaliter ut sonat.quot; (2)
Over de groote kennis van Adam, die het wezen der dieren moest doorschouwen, om aan elk dier zi jn eigen naam te geven, hebben godgeleerden diepzinnige en — suppositis supponendis — ware beschouwingen geleverd. (3) Ziehier evenwel, hoe Cajetanus over de bijbelsche voorstelling dacht. „Addnccre animalia coram Adam et non invenire inter ea adjutorium correspondens ei, si secundum litteram intelli-gatur, ridiculam inquisitionem signiticat: in cujus enim mente verti poterat in dubium an inter aves inveniretur adjutor correspondens Adae?quot; (')
Ondanks von Hiunmelauer's kort bescheid aan
(!) In (Jen. II. '22. ('.Ir. Lagrange. Revue biblique 1897. p.
(2) Von Huminelauer. i. li. 1. üe opmerking behoudt hare waaide, al stelt, deze geleerde Jezuïet zelf eene andere verklaring voor.
(;)) Welke taal Adam sprak, wordt echter niet vermeld. Ol paard, eyiins, horse olquot; wel cavallo het innerlijk wezen van dit dier beduidt, evenmin.
(4) 1. h. 1. Clr. Lagrange l. c.
— 118 --
kfirdiuaal ('ajetanus ('), onderschrijven wij zonder schroom het oordeel van Pater Lagrange: „Ceux qni prennent tont n la lettre se donnent encore la peine, après cette mordante ironie, dquot;expli(|ner l'absence des poissons. On a bean nous dire qn il ne fant pas se représenter Dien coninie un rabatteur a la chasse, qne tont a pn se passer dignement; il est impossible de se tignrer ce détilé on cette presentation en réalitc, sans en voir ie ridicule. C o in m e s y m b o 1 e, cela exprime trés bien la snpériorité intellectuelle (rAdam sur les animaux. Les littéralistes font done de ranteur un naif, mais il ne parait pas du tont l'être; il s'est servi d'nn ingénieux procédé pour faire ap])récier le iol(! de la feiume.quot; (!)
Dat de slang, die als „het slimste der dierenquot; de vrouw verleidt, het s y m h o o 1 en niet het w e r k t u i g der booze macht is ('), heeft Lagrange des te duidelijker doen uitkomen door op het niet-historisch karakter tc wijzen van menige andere voorstelling in dit bijbelverhaal.
De Encycliek leert met recht, dat wij den „sensus litteralis et veluti obviusquot; niet moeten loslaten, ,,nisi ([ua eum vel ratio tenere prohibeat vel necessitas cogat dimittere.quot; Maar wie euxel van syllogismen wil hooren, die bewijzen, dat iets physice on-
(1gt; «Fulilis onmino ohjectio.» In Genesim, |». I i(.gt;. Purisiis 189;').
rgt;) K. b. 1S97, p. 'MVt.
(;5) Van et*iie andere lioo/c muclil, builen tie slang, worill niet yespioken ook niet l»ij tie aanUomli^in^ tier stral'.
1
— 119 --
mogelijk is, wie met historisciie wjiarschijnlijk-hekl en zwnre Ije^veegreclenen om de bedoeling fles schrijvers anders op te vatten, volstrekt geen rekening houdt, zou liet gezond verstand niet meetellen, waar de Paus zegt: ,,n i s i qua enm r a t i o t e n e r e p r o li i h e a t.u De zin die „velnti obviusquot; schijnt aan geleerden, die aan den schrijftrant en de werken van Saarez of Lugo gewoon zijn, is somwijlen verre van ,.ohvinsu voor iemand, die meer met den schrijftrant en de hoeken der ouden is vertrouwd.
Is bv. de letterlijke en sehijnhaar voorde hand liggende zin niet duidelijk (ien. 111 i I, waar detwee ('lierubim den weg bewaken, die naar den boom des levens leidt.J Wie zal bewijzen, dat dit niet waar kan zijn in den streng historischen zin? Om zulk bewijs te leveren, zou men zelf ter plaatse moeten geweest zijn. Kn toch, hooren wij hoe bv. de II. Thomas over deze voorstelling oordeelde. „Dicendum, quod, salvis spiri-tualis sensns mvsterüs, ille locus praecipue videtnr inaccessibilis propter vehementiam aestus in locis intermediis ex propinquitate solis('); et hoe signiticatur per f 1 :i m m e u m g I a d i u m, ([ui v e r-s a t i 1 i s dicitnr ])ro])tev proprietatem motus circularis liujusmodi aestnm causantis. lit quia motus corporalis creaturae disponitur miuisterio angelorum . . . con-venienter etiam simul cum gladio versatili Cherubim adjungitur ad custodiendum viam ligni vitae.quot; {-)
(1) CIV, I, (|. lOi, a. ■gt; iul 3.
(2) U, 2, «i. 104, a. 2 :ul f).
— 120 —
Feitelijk waren er dus, volgens Thomas, geen Cherubim en geen vlammend zwaard. Maar hoe kon I honias dit h e w ij zen? Hoe onvoorzichtig toch ! Als men op ééne plaats den bijbeltekst zoo vrij verklaart, w aarom kan men dan niet, overal elders ook, den letterlijken zin verwerpen? Thomas rekent op het gezond verstand, vrienden ; omdat de letterlijke zin op ééne plaats niet de ware schijnt of is, mag men voorzeker nog geenszins besluiten, dat dit ook elders het geval is. .Maar omgekeerd ook, omdat wij over het algemeen den letterlijken zin moeten houden, behoeven wij nog volstrekt niet aan te nemen, dat-op dezen regel geen uitzonderingen zijn.
De li. Augustinus is al even onvoorzichtig! „Iloc per coelestes utique potestates etiam in paradiso visi-bili factum esse credendum est, ut per angelorum ministerium esset illic cpiaedam ignea custo-dia.quot; (')
Oordeelden Thomas en Augustinus aldus over de scheppingsverhalen, hetzelfde beginsel der onderscheiding tnsschen voorstelling en leer geldt natuurlijk voor alle bijbelboeken. Wij hebben overigens gehoord, dat Augustinus dit uitdrukkelijk leert, voor de verhalen, die de natuurwetenschappen raken, en dat Thomas voor de bijbelsche geschiedenis in het algemeen liet beginsel huldigt: „secundum opinionem populi loquitur Scriptura.quot;
(1) 7)b (ieu. ad lilt., lib. NI, cap. XI.. n. ■10.
— 131 —
Al besteedden de Scholastieken, die Augustiiius en Tlioinas zoo hoog in eere hielden, weinig of geen ti jd aan historisehe stndi(in, toch gaven zij de icer van 1 lieronymus nooit prijs, w a a r li et begins e I e n lt;i- o 1 d.
O
Wij hebben niet alle Kerkvaders kunnen raadplegen; voor ons doel achten wij de aangehaalde getuigenissen voorloopig voldoende. W ij meenen aan-aetoond te hebben, dat de beginselen der
O '
Vaders in de nieuwe, critische richting tot hun volle recht komen. Tot hen, die in deze richting een gevaar zien, zeggen wij met den [I. I lierom nms; „Si igitur me reprehendis errantem, [)atere me, ([uaeso, errare curn talibns.quot; (0
Mocht de een ot' andere lezer door deze studie aangespoord worden, om een vollediger onderzoek in te stellen naar de leer der Vaders over de beginselen der moderne, katholieke critici I Hunne werken bevatten meer dan de overal rondreizende citaten!
Wij willen bier sluiten met eene aanhaling uit hel bekende werk van den Zeereerw. Pater Largent. In zijne geschiedenis van den II. I lierom mus oordeell deze geleerde Oratoriaan als volgt over dc leen1 van den Doctor Maximus betreffende bet historisch karakter der II. Schrift.
(3) Ep. 112. Ad Augustinuiu. 1'. I.. XXII, p. UI'.'.
— 1:22 —
„Dans réiiuucc des i'.iits d'ordre physi(|uc,quot; zoo zegt Liirgciit, „récrivaiii sacrc ficconmiodc souvent sou language aux appnreuces sensibles ; e'est ce ([ii'en-seignent Sainr August in et Saint Thomas, et, avec une autorité souveraine, le Pa[)e Léon XII] ; est-il intcrdit de [KMiser que, dans l énoncé de faits se rapportant a rhistoire, l'écvivaiu sacré parle de temps en temps d'aprus eertaiues appurenees, équivalentes a des ap-pareuces sensihles? Les t'aits de Fhistoire, transmis (pielquefois par une tradition erronée qui se fondait sur des apparences t'autives, revêtent alors une a])-parcnce qui ne répond pas a la réalité; inais le peuplc ([ni n'a ni Ie loisir, ui la foree d'esprit néees-saires pour aller au fond des elioses, s'en tient a ee qui le frappe, preiul les faits et les ehoses par Ie do-hors, et forme sur ces dehors, sur ces apparenees des faits et des choses, son opinion et son language, (Jr, rapporter I histoire a Ia inanière de la foule, dans uu ouvrage destine, non a 1 instruction histo-rique du penple, nuds a son instruction religieuse et morale... e est, disent des apologistes et des exé-gètes ([ui se réclament de Saint •léroine, n'encour'r aucLin reproehe d erreur. On ne se trompe pas, on ne trompe personne quand, en rapportant ropiuion courante, on rapporte seulement ce (pie l'on voulait rapporter; et une telle faeon d'eerire, n'a rien (pd répugne a eette iid'aillilnlité et a cettc inspiration plénière des écritures solennel lenient proclamée dans rEncyclique du 18 novembre 1893.quot; (M.
(1) Saint JiTÓmc, p. 17(). 1'aris 1898.
E R R A ï A
|
regel |
4 |
dictus voor |
dietis. | ||
|
22, |
gt; |
26 |
soudern |
» |
sondern |
|
30, |
» |
4 |
veler |
» |
vele. |
|
43, |
25 |
oderent |
» |
oderunt. | |
|
65, |
» |
9 |
Joachi'ns |
» |
Joachin's. |
|
72, |
gt; |
11 |
consignandus |
igt; |
consignandas. |
|
94, |
26 |
bespreek |
» |
bespreekt. | |
|
96, |
» |
26 |
fii s |
filiis. | |
|
* * * | |||||
In ons opstel over den huldigen stand der Pentateuch-quaestie (De Katholiek 1898, hl. 387), noemden wij den Zeereerw. Pater Lukas S.J. onder de katholieke geleerden, die den streng Mosaïsehen oorsprong der vijf eerste bijbelboeken loochenen. Onze vergissing berust op eene misvatting der volgende aanmerking van von Hagel: «On the question of orthodoxy, see Abbé Loisy's «Les Études Bibliques» , Amiens 1894; the articles by Fr. Herbert Lukas and Dr Robert Clarke in the Tablet, Oct. 9, 16; Nov. 0, 27; Dee. 11, 18, 1897; and Père Lagrange's Freiburg paper, summarized in our last number» (The Catholic University Bulletin 1808 p. 198).
Noemen wij in plaats van Lukas onzen, in Engeland welbekenden. landgenoot, prof, van den Biesen, die ons op vermelde vergissing gewezen heeft.