/o-gt; ./lt;?ylt;s, ZZT 3j/
WETTIG GEKROOND.
T GESPRAAK
ter gedachtenis van
Prof. J. G. DE HOOP SCHEPPER,
gehouden op 7 Januari 1894,
in de Vereemgde doopsgezinde QemeenteteAmsterdam
door
P. FEENSTRA Jr.
Amsterdam. â J. H. de BUSSY. â [894.
^ ct/
WETTIG GEKROOND.
toespraak
TER GEDACHTENIS VAN
Prof. J. G. DE HOOP SCHEPPER,
g-ehouden op 7 Januari 1894,
in de Vereeni§de Doopsgezinde Qemeente te Amsterdam.
DOOR . ' ...... :
P FEENSTRA JR. irquot;i
.;7
Voorgelezen werd Hebreen 13 : 7, 8.
Voorzang: Psalm 103 : 8, 9,
dTÃjm Jfioorders !
Op den Oudejaarsavond zaten wij hier bijeen. Uit velerlei droefheid, waarmede zich onze ziel in herinnering had nedergebogen, poogde zij zich op te richten; van velerlei onrust beproefde zij weder te keeren tot hare ruste, de rust in God, die de menigvuldige verlossing ook van ons aangezicht en onze God wil zijn; toen de stroom onzer ernstige en stichtelijke gedachten een oogenblik, vele oogenblikken misschien, werd afgebroken door de tijding, dat onze oud-leeraar en oud-hoogleeraar Jakob Gijsbert de Hoop Scheffer van deze wereld was heengegaan. Een kortstondige ziekte had onverwacht, nog even vóór het einde des jaars, een einde gemaakt aan zijn leven.
Hoe smartelijk waren toen velen onzer opnieuw bewogen ! Ik denk aan den engeren kring van des ontslapenen vrienden en vereerders; aan hen die zijne lessen als leeraar of hoogleeraar ontvingen; aan zoovelen die met hem mochten samenwerken tot eenig doopsgezind belang; aan allen die zijn geestelijken of stoffelijken bijstand hadden ondervonden Nogf menigf ander, durf ik
O O '
4
zco-crem, bleef toen niet onbewogen. Wel was 't reeds vier-en-dertig jaren geleden, dat deze leeraar van onze gemeente afscheid nam, na tienjarigen arbeid in haar midden, doch hij was immers onder haar, met haar, voor haar blijven leven. En wie van buiten af in onzen kring waren opgenomen, hadden toch allicht in hun vroegere omgeving den naam van professor Scheffer, populair als geen anderen hedendaagschen in onze vaderlandsche Broederschap, met onderscheiding hooren noemen.
Ik houd het er voor, M. Vr , dat in ditzelfde uur van nagenoeg alle doopsgezinde kansels in Nederland die naam met weemoedige eerbied en dankbaarheid wordt vermeld. Geen wonder dan, dat wij, in wier midden de ontslapene leefde en werkte, op dezen eersten Zondag na zijn verscheiden zijn saamgekomen, om zijner o p-z ettelijk te gedenken. Schreef ook een loffelijk gebruik mij zulks niet voor, ik zou toch vrijmoedigheid hebben gehad en de vrijheid genomen, om in deze samenkomst voor zulk eene gedachtenis uwe aandacht in te roepen. Zeker, onze godsdienstoefeningen zijn aan de verheerlijking Gods en de stichting der Gemeente gewijd; doch wordt door de gedachtenis van uitnemende menschen God ook niet verheerlijkt en de Gemeente gesticht? Hoe dwaas ook, die uitnemenden
5
enkel in 't ver verleden te zoeken. Alsof, sinds den apostolischen tijd of de dagen der Kerkvaders of de eeuw der Hervorming, de Heilige Geest gestorven ware, althans niets degelijks meer wrochtte Alsof de glans van 't Ongeschapen Licht niet meer viel in negentiende-eeuwsche menschenzielen, om daar nog telkens nieuwe en opmerkelijke straalbrekingen te ontmoeten ! En alsof ook het beeld van een die uitblonk in kleinen kring en in bescheidene mate, geschetst voor hen die dat beeld zagen leven, op dezen geen eigenaardig-zegenvolle werking zou kunnen oefenen: eene werking, misschien wel krachtiger, dan daar uitgaat van oneindig veel grootscher, doch voorlang geschilderde helde nge-stalten ?
't Komt er maar op aan, of de tijdgenoot, wiens beeld aldus voor de Gemeente geteekend wordt, zulk eene eere verdient, en â of de prediker, die aldus aan gewijde kunst zich waagt, voor deze taak is berekend. Wat nu het eerste betreft, dèarvoor staat mijn oprechte piëteit â en die van zeer velen â mij wel borg. En wat het laatste aangaat, mag ik immers alle verantwoordelijkheid werpen op het lot, 't welk mij voor deze taak heeft aangewezen? Zoo goed dan als mijne krachten, mijn inzicht en deze beperkte tijd het toelaten, wil ik trachten het levensbeeld van dezen uwen en mijnen
6
voorganger voor u op te roepen; niet als de wijsgeer, die onbewogen de roerselen van een menschenhart ontleedt, koel en voorzichtisf het vóór en testen, het gfoede
' O O 7 ö
en het kwade, 't sterke en 't zwakke van elkander scheidend en tegen elkander afwegend ; niet ook als de geschiedvorscher, die na zorgvuldig wikken en wegen, aan menschen, dingen en gebeurtenissen hun juiste plaats aanwijst in een grooter of kleiner onderdeel van 't beschavingsproces der menschheid; maar eenigermate zooals de profeet van den ouden dag de Godsmannen van weleer deed verrijzen, te weten: naar de behoefte van Gods volk, tot stichting der Gemeente. Wat daar ontbreken moge aan mijne teekening, niet waar? gij wilt het aanvullen, en wat ik verkeerd zal zesrsren, uw
o o '
beter weten herstelt het wel, zonder onwil, â- Bedrieg ik mij niet, dan zie ik de geestelijke gestalte des ontslapenen heenschemeren door de woorden van den apostel Paulus, i Cor. 9: 24â27.
,,Weet gij niet, dat die in de renbaan loopeu, alle /,wel loopen, doch dat maar één den prijs ontvangt? âLoopt dan zóó, dat gij dien verkrijgt. Ieder nu, âdie kampt, onthoudt zich in alles; zij dan voor âeene vergankelijke, wij om eene onvergankelijke âkroon te ontvangen. Ik loop derhalve zóó, als âniet op het onzekere; ik vecht met de vuist, als âniet in de lucht slaande; maar ik beuk mijn lichaam âen neem het gevangen, opdat ik niet, terwijl ik âanderen predik, misschien zelf verwerpelijk worde.quot;
I.
Van prijzen en kronen spreekt onze tekst. Bepalen wij daarbij voorshands onze opmerkzaamheid. Want een eerste indruk, dien wij, dunkt mij, van 't leven des ontslapenen wel moeten ontvangen, is deze; wat al prijzen zijn hem tebeurtgevallen, wat al kronen toebedeeld! Zijn leven was een veelszins gekroond leven.
Heeft de Spreukendichter recht en is âde g r ij s h e i d een sierlijke kroonquot; P1) De ontslapene heeft haar gedragen. De bede â door hem ten grondslag gelegd aan de eenige leerrede, welke hij, voorzoover ik weet, in 't licht heeft sreeeven â de bede van den Psalmist: âHeer,
O ö
neem mij niet weg in het midden mijner dagen!quot; 2) is wel aan hem vervuld geworden. De Heer heeft hem âmet langheid van dagen verzadigd quot;3) Totvier-en-zeventig waren de jaren zijns levens geklommen, toen zijn tijd vervuld was.
En in die jaren, wat al âheilquot; heeft hem de Heer âdoen zienquot;! 4) Bleven moeite en verdriet ook zijn huis niet gespaard; moest hij herhaalde malen â om iets zeer smartelijks te noemen âeen kind, hem geschonken, weder afstaan aan het graf: 't is nu de dankbare gedachte zijner trouwe gade, dat zij tot het laatste toe zijne
s) en 4) Psalm 91 : 16.
2) Psalm 102 : 25
!) Spreuken 16 ; 31.
8
hulpe heeft mogen zijn; dat hij vóór haar, niet zij vóór hem door God werd opgeroepen, 't Is nu zijn gespaarden kinderen een schoone erfenis, dat zij allen onder zijne leiding groot mochten worden; en een liefelijke herinnering, dat zij immer met eerbied tot hem hebben opgezien, in vrede met hem saamgewoond, met genegenheid en zorg hem omringd. Zegt ook de Spreukendichter weer: âde kroon der ouders zijn de kindskinderenquot; welnu, de kindskinderen hebben gespeeld aan zijne voeten.
Niet minder met voorspoed gezegend voorwaar was zijns levens arbeid. In de loopbaan die hij liep van den aanvang af gelukkig, bereikte hij spoedig de eerste plaatsen. Na een zestal jaren in andere gemeenten werkzaam te zijn geweest, viel reeds op dertigjarigen leeftijd hem het ernstig voorrecht te beurt, deze gemeente als leeraar te mogen dienen; nam hij, veertig jaren oud zijnde, een der hoogleeraarszetels aan ons Seminarium in. In beide betrekkingen zag hij zich de kracht en het talent verleend, om te doen en goed, veel malen uitnemend te doen het vele dat zijn hand vond om te doen. Maar overeenkomstig zijne verdiensten, zag hij ook steeds zijn invloed en aanzien hooger klimmen, verder reiken. Vooral in het laatstgenoemde ambt, als
!) Spreuken 17 ; 6.
9
leider van onze Broederschap, als leeraar harer leeraren, namen de invloed dien hij oefende en de waardeering hem geschonken, gaandeweg zoo zeer toe, dat zij ook in den rusttijd, toen die, vier jaren geleden, gekomen was, hem niet meer konden afgenomen worden ; en velen, die met de verzorging van der Broederschap belangen belast zijn, thans nog, nu hij de eeuwige rust is ingegaan, hem zullen nastaren met iets van het woord in het hart, waarmee, naar luid der overlevering, de profeet Eliza zijnen meester Elia zag heengaan van de aarde: âMijn Vader, mijn Vader, wagen Israels en zijne ruiters!quot;1)
Zijn ze niet reeds schoon om aan te zien, deze kronen van den voorspoedig en ouderdom, van invloed en aanzien? â Laat ons elkander wèl verstaan ! Zeker nemen wij niet meer, als vele vromen en wijzen van oud-Israël, voorspoed en uiterlijk wélslagen, op welk gebied ook, voor onbedriegelijke teekenen van ware verdienste en van Gods gunst. Sinds de heerlijke Menschenzoon in den bloei zijns levens stierf aan een kruis, is ons de vrijmoedigheid ontvallen om te zeggen: âde man dien 't wélgaat, is Gods kind.quot; Dit neemt echter niet weg, zou ik meenen, dat wij, zinnelijk-geestelijke wezens als wij zijn en op aarde blijven moeten, wel gaarne 't zinlijke en geestelijke zien samenvallen in een !) 2 Kon. 2 ; 12
10
menschenleven, en onwillekeurig voldoening smaken, zoo ons een goede getoond wordt, dien 't goed gaat in de wereld, een vrome, wiens einde âvredequot; is. Niet onmogelijk neemt ons hart dit als een profetie van schooner tijden, welke wij immers niet kunnen noch willen nalaten te verwachten, waarin meer overeenstemming zal gevonden worden tusschen verdienste en geluk, en 't dus ook ten dezen aanzien meer zal zijn : âvrede op aarde.quot;
Evenwel, wij verloren 't geen oogenblik uit het oog: al die levenskronen, waarvan ik sprak, zijn maar â om de onderscheiding hier op te nemen, die de apostel maakt in onzen tekst â¢â vergankelijke kronen. Klimopkransen, zoo gij wilt; geen kronen van hecht metaal, allerminst van dat nog ongevonden metaal, 't welk alle eeuwen verduurt. Die ze dragen, mogen er zich een tijd in verlustigen; die ze aanschouwen, haar een wijle bewonderen: straks verwelken ze en vallen af. Wat zongen wij ook weer op den Oudejaarsavond?
âHij weene die op aard zijn hoogst geluk ziet groeien.
âVergeefs wacht hij den oogst op d' akker van den tijd.
«De bloem die heden bloeit, zal morgen niet meer bloeien.
âHet aardrijk kweekt geen vrucht, die eeuwig 'thart verblijdt.quot;
Goed dan, dat ik u ook van andere kronen nog spreken mag; van o n v e r ga n k e 1 ij k e kronen, ten deele in die vergankelijke vervlochten, daaraan een hoogeren, on-
11
vergankelijken glans verleenend. Van de kroon dei-braafheid allereerst.
Wederom, verstaat mij niet verkeerd ! Over het zedelijk leven van den ontslapene zou ik niet wagen, niet weten hoe, tot u te spreken. Het zedelijk leven van den Christen is een innerlijk, veelszins verborgen leven. Een streven naar het volmaakte ; een zich uitstrekken naar het hooge en heilige beeld der gerechtigheid, waarbij het aankomt op de gezindheden des harten, op hetver-borsfen cremoedsbestaan. Hoever uw leeraar het hierin gebracht mag hebben, wie zal het zeggen ? 't Is almeê het wichtigste der vele geheimen, die hij meegenomen heeft in het graf. God, de kenner der harten. Die zal 't beoordeelen. Doch de buitenzijde van dat zedelijk leven, naar de wereld toegekeerd; was zij niet goed en deed zij niet vermoeden, dat ook het innerlijke wel goed zou zijn? En zullen wij dit zonder eerbied erkennen ? Onverschillig spreken van oud-vaderlandsche âdeugdquot;, van 't oud-doopsgezinde âzonder vlek of rimper? 't Zegt misschien weinig, steeds aan een ieder het zijne te geven ; immer trouw bevonden te worden in zijn woord; liever te zwijgen dan onwaarheid te spreken ; en in deze wereld vol ergernissen zich-zelven onbevlekt te bewaren van de wereld ? â Maar gij meent het niet. Niemand van u meent het. Zoomin als iemand onder u 't een ^erinee
O O
12
zaak zal achten : âweezen en weduwen te bezoeken in hun druk.quot;
âWeezen en weduwen bezoeken in hunnen druk; zich-zelven onbevlekt bewaren van de wereldquot;: dat staat daar in den brief van Jacobus ') zoo kalm bijeen, alsof deze dingen onafscheidelijk bij elkander behoorden. En toch, hoe menig; braaf mensch is niet liefderijk ; hoe menig liefderijk mensch niet braaf! Men zegt zelfs wel eens, dat in de praktijk dit samengaan zeldzaam is. Opmerkelijk dan, dat de ontslapene gedragen heeft beide, de kroon der braafheid en die der goedheid. Gij, die hem nader gekend hebt, hebt ook reeds lang verwacht, dat ik u van deze laatste spreken zou. Wat stond ze hem goed, deze kroon, en hoe sierde zij hem allerwegen! In den aanvang herinnerde ik, dat dezeleeraar, toen hij van onze gemeente als leeraar afscheid genomen had, onder haar, met haar, voor haar bleef leven. Ik dacht toen ook en vooral aan zijn, haast tot de laatste ure, voortgezetten arbeid der barmhartigheid in ons midden. Ook professor Scheffer bleef, ja werd meer en meer, vader Scheffer. Een vader onzer weezen. Een vaderlijk verzorsfer voor onze ouden van dag-en. Was niet een zijner laatste volbrachte plichten, haar toe te spreken in het huis der vereeniging ? Een vaderlijk vriend was hij
i) ]ac. 1 : 27.
13
ook voor zijne leerlingen; wilde hij voor velen hunner blijven, toen zij zeiven leeraren geworden waren. Een vaderlijk raadsman voor gemeenten en gemeenteleden. Een vaderlijk weldoener eindelijk voor hoevelen
in stad en land ? En welk een weldoener ! Het oreheim
ö
van wèl te doen op de rechte wijze: hoffelijk, vriendelijk, beminnelijk ; met beleid, kieschheid en takt ; zóó, dat de beweldadigde zich niet neergedrukt, maar opgeheven voelde ; zóó, dat geen klove ontstond tusschen gever en ontvangende, maar integendeel een band van zedelijke gemeenschap werd geknoopt tusschen beiden en de laatste meer gewonnen voor het Koninkrijk Gods : dat geheim bezat hij zooals weinig anderen. God zij dank, dat hij dat geheim niet heeft kunnen medenemen in het graf!
Immers wordt dit geheim, zij het aan een iegelijk naar zijnen aard, aan allen getoond, die waarachtig-christelijk liefhebben, hun naasten beminnen als kinderen Gods? Laat ons er dan ook zeker van zijn, dat de goedheid van dezen menschenvriend wortelde in zijne christelijke vroomheid ; dat hij dus ook dezen besten schat droeg in 't âaarden vatquot; zijns harten. Wel is waar weer een schat, omtrent welks rijkdom en gehalte wij slechts eerbiedige vermoedens kunnen koesteren Wèl haalde hij toch, voor zoover mij bekend is, in het dagelijksch verkeer uit dien schat weinig opzettelijk te
14
voorschijn; wèl sprak hij in 't gemeen niet veel, buiten den kansel en de collegekamer, van bepaald-godsdien-stige dingen. Blijkbaar was zijne sympathie met diegenen onder de doopsgezinde vaderen, die hunne godsvrucht gaarne hielden voor zich-zelf; die slechts door 't schijnsel der rechtschapenheid, dat hen omgaf, en door de warmte der liefde, die van hen uitstraalde, lieten onderstellen, dat in den binnensten haard het heilig vuur der liefde tot en der gemeenschap met God ontstoken was. Toch, wie die de ingenomenheid gevoeld had, waarmee hij in zijn geschriften juist zulke vaderen tee-kende; of wie die telkens weer in het schijnsel van zijne deugd en de warmte van zijne liefde mocht toeven, kon twijfelen of ook de kroon der vroomheid de zijne was?
En nu, al deze onvergankelijke kronen heeft God den ontslapene geschonken, hèm voorzeker tot eere, â doch immers ook öns ten zegen? Zouden wij God niet dankbaar zijn, dat Hij haar heeft doen blinken voor onze oogen en voor die van zoovele broeders en zusters, om veler edelste eerzucht te ontvlammen ? Hem niet danken voor al het goede, 'twelk dit met braafheid en goedheid en vroomheid gekroonde leven in zijn langen duur en wijden invloed heeft gewerkt in onze gemeente, in kleine en groote doopsgezinde kringen, en daardoor en daar-
15
buiten gewis ook wel aan andere plaatsen? Verzuimen wij slechts niet, aan dit leven â naar Gods heiligen liefdewil â nog grooter en ruimer invloed te verzekeren èn op ons zeiven èn op anderen, door het beeld ervan te bewaren en telkens te verlevendigen in ons hart! â M. Vr.! beschouwen wij de zaak zoo: God wil ons, door een trouwe gedachtenis van dezen leeraar, zijn onvergankelijke kronen ten onvergankelijken zegen laten; hem-zelven echter heeft Hij een nog heerlijker kroon gegeven, de kroon der hemelsche heerlijkheid, waarvan wij niet spreken kunnen, â- waarvan wij slechts kunnen stamelen met heilig ontzag:
Tusschenzang:
2e B. Gez. 64 : 2.
//Zalig zijn de ontslapen vromen,
Voor ons te vroeg aan de aard ontnomen,
Maar die door God te goeder uur,
Aan het einde van hun dagen.
Het Vaderhuis zijn ingedragen.
Als rijpe schoven in de schuur.
Zij leven bij den Heer,
En zondigen niet meer;
Halleluja!
Daar is geen nacht,
Geen rouw, geen klacht.
Daar heeft geen zonde of dood meer macht!quot;
16 II.
Wie is het, die aan de kinderen der menschen de prijzen toebedeelt, de kronen wegschenkt? Is het niet God, de Heer, de barmhartige en genadige Vader van allen, Die het doet naar zijn welbehagen? Te goeder ure herinnerden wij 'tons dan ook reeds, M. Vr, dat het God was, die aan onzen voorganger diens levens-kronen heeft geschonken, beide, vergankelijke en onvergankelijke. Zou hij dit zelf hebben vergeten in zijn leven? Maar welk een dienaar des Evangelies, welk een discipel van Christus zou hij geweest zijn, indien de kronen van den deemoed en den ootmoed hem hadden ontstaan; indien het niet ook en telkens weer in zijn binnenste geklonken hadde; â'k ben alles, God, door Uw genadequot;, en wederom: âik ben geringer dan al deze weldadigheid en al deze trouw.quot; ^
Deemoed en ootmoed echter, die een mensch betamen, kunnen gepaard gaan met een gevoel van eigenwaarde, 't welk een mensch niet minder voegt. Ik bedoel dat rechtmatig gevoel van eigenwaarde, dat ontspringt aan het besef, Gods mede-arbeider aan zich-zelven en anderen te zijn en geweest te zijn. Wel mocht ook de ontslapene voor zich-zelven aan zulk een gevoel toegeven! Want uitnemende gaven waren hem zeker verleend bij
i) Gen. 32 : 10.
17
zijn geboorte; goede verzorgers hielden op hem het oog in zijne jeugd; en voortreffelijke leermeesters waren voor en na zijn leidslieden op de banen van godsdienst en wetenschap ; maar â wat God aldus door anderen met hem had aangevangen, dat heeft hij zelf ook met den meest nauwgezetten ernst aangegrepen en voortgezet en, zoo goed hij 't vermocht, voltooid.
In de perikoop van onzen tekst, â thans nader door ons te beschouwen â vergelijkt Paulus het christelijk leven eerst bij een wedloop, dan bij een worsteling om prijs. Door zulke vergelijkingen tracht hij indruk te maken op zijn corinthische lezers, die immers vertrouwd zijn met de vermaarde isthmische spelen, in de nabijheid hunner stad, tweemaal in de vijf jaren, voor half Griekenland gegeven. Doch zulke vergelijkingen, niet waar? zijn ook nog wel geschikt, om indruk te maken op ons. Ook wij, in onzen tijd en aan onze plaats, worden wel eens van dergelijke spelen getuigen gemaakt, en ware 't ook zoo niet, dan nog is de bedoeling van den apostel niet moeielijk te vatten en moeten wij hem bijvallen.
Het christelijk leven een wedloop, een worsteling om prijs gelijk? Ja wel, zóó is het! Althans; de beste, de onvergankelijke kronen, als daar zijn van braafheid en goedheid en vroomheid, vallen iemand ook niet in den schoot; zij willen, en nog wel telkens opnieuw.
18
verworven en veroverd worden. Wantrouwt dezulke, waarvan gij meent, dat ze u of anderen in den schoot gevallen zijn ! Bij nader toezien zullen ze u misschien blijken, zeer brooze namaakselen van kronen te zijn. Allicht is het dan â- om iets te noemen â de duurzaamste braafheid of goedheid of vroomheid niet. Wel staat daar geschreven, dat God âhet Zijn beminden als in den slaap geeftquot; *), doch de draagkracht van zulke woorden is gemeten: zij worde vooral niet overschat! Luistere een christen liever naar zijn Ãénigen Meester, die zeker het Koninkrijk Gods â een ander woord soms voor de onvergankelijke levenskronen â ook heeft vergeleken met een gevonden schat, een als toevallig ontdekte parel, doch, voorzoover ik weet, nergens heeft gezegd, dat het daarom zonder moeite of offer zou te bereiken zijn. Moest niet de vinder nog alles ver-koopen wat hij had om dien schat te bezitten? Had niet de begunstigde ontdekker al zijne paarlen prijs te geven, wilde hij de kostbaarste de zijne heeten? âGaat in door de enge poort!quot;2) â âStrijdt, om in te gaan !quot; 8) â zoo luiden immers elders des Meesters volzinnige verklaringen.
Ik vraag u; kunnen wij ons dan ook het gekroonde leven van dezen onzen geringeren meester anders denken dan
!) Psaim 127 : 2. 2) Matth. 7 : 13. 3) Lukas 13 ; 24.
19
als een kampend en worstelend, een strijdend leven?
Doch de toepasselijkheid van onze tekstgedachten houdt hier niet op. Maar evenals in de grieksche â en alle ordelijke â â kampspelen slimheid slechts weinig, ijdel vertoon volstrekt niets baat; zoo wordt ook -â meent de apostel â in de renbanen en worstelperken des christelijken levens niemand gekroond dan die wettig heeft gekampt. De wetten nu van den prijskamp, ook van dien des christelijken levens, heeten ? Onthouding en tucht. Uitdrukkelijk worden zij door den apostel genoemd : âIeder nu die kampt, onthoudt zich in allesquot;; en dan, met gepast gevoel van eigenwaarde op eigen voorbeeld wijzende: âIk loop derhalve zóó, als niet op het onzekere; ik vecht met de vuist als niet in de lucht slaande; maar ik beuk mijn lichaam en neem het gevangen, opdat ik niet, terwijl ik anderen predik, misschien zelf verwerpelijk worde.quot;
Zoo stelt u ten laatste den ontslapen leeraar voor niet slechts als een gekroond strijder, maar ook als een wettig eekroonde; als een die ofestreden heeft volofens alle
O 7 lt;-gt; lt;-gt;
wetten en regelen van het kampspel des christelijken levens!
M. Vr. Wanneer gij heden zijt uitgegaan, om een uitnemenden voorganger te gedenken, wien zijt gij wel uitgegaan om te zien? Een die zich zijne uitnemendheid niets wilde laten kosten? Neen immers: maar een die
20
âzich onthield in allesquot;; een die inderdaad onthouding geoefend heeft in alle stukken des levens. Onthouding in zijn lichamelijk leven, dat, zonder ziekelijke zelfkastijding te zijn, sober, matig en ingetogen was: nog eens naar den trant der doopsgezinde vaderen. Onthouding in zijn huiselijk leven, voor vriendschap en gezelligen kout geopend, voor 't rumoer der ij dele wereld gesloten. Onthouding in zijn studiën, tot z ij n e vakken van wetenschap, dèn tot slechts enkele letterkundige verpoozingen zich bepalend Onthouding in het stellen en geven van geschriften, die dan ook, eenmaal door hem gesteld en openbaar gemaakt, den stempel van het afgewerkte droegen. Onthouding tot in zijn taal, van alle vreemde woorden, â en in zijn stijl, van elke nevelachtige zegswijze vrij. Doch onthouding immers evenzeer in zijn godsdienstig leven, 't welk nimmer vreemde modellen zich zocht aan te passen, noch zich waagde op wateren, hoe heerlijk-lokkend ook, die het niet kende of vertrouwde.
En wederom: wien zijt gij uitgegaan, om in deze ure te zien, of nog eens te zien, in den geest? Een die in de renbaan des christelijken levens als op het onzekere liep; die bij de worsteling om de hoogste prijzen in de lucht heeft geslagen? Neen, herinner ik u; maar een die â zij het in verre navolging van het verheven
21
toonbeeld in onzen tekst â zijn lichaam â en niet minder zijnen geest â beukte en gevangen nam, opdat hij, anderen predikende, niet zelf verwerpelijk mocht worden. Wat sommigen des ontslapenen eenvoud, anderen zijne wijsheid hebben genoemd, dat acht ik geweest te zijn de strenge zedelijke tucht waaronder hij geheel zijn uitwendig en innerlijk bestaan had gebracht. Geen nieuwe kroon dus, doch de strijd-zelf om de beste kronen. Tucht, in 't algemeen: dat, zoo niet ideale, dan toch immer zeer prijzens- en benijdenswaardige evenwicht tusschen lichaam en geest, en wederom, tusschen de verschillende gaven en krachten van zijnen geest. Tucht, in 't bizonder: dat niet-sterke lichaam, door orde en regel sterk, tot het laatste, waar 't noodig was, zijn diensten niet weigerend. Tucht: dat krachtige voelen, nu en dan slechts zich toonend, als om zijn aanwezigheid te bewijzen, doorgaans gehouden binnen de maat. Tucht: dat rijke weten, als van een leeraar in Israël, âeen welge-pleisterde bron waaruit niets verloren gingquot; : waaruit hier echter ook niets te onpas werd geput. Tucht: die dartele scherts, die nimmer sprong uit den band; die humor, welke geen sarcasme werd. Tucht; die fijne smaak, aan het kleed en de taal der schare niet geërgerd. Tucht: die neiging voor 't rustige studeervertrek, opgewogen door plichtmatig gemeenschapsgevoel. Maar tucht even-
22
zeer: die band des vredes, gewonden om braafheid en goedheid, en wederom om goedheid en scherpe men-schenkennis ; die enge zelfstandigheid bij ruime verdraagzaamheid ; dat onophoudelijk ijveren, doch altijd met verstand gepaard. Tucht: al dat spreken en â zwijgen op zijn tijd. Tucht: al dat geduldig vijlen en polijsten aan de studiën, waarmee hij de wetenschap verrijkte, de leerreden waardoor hij de gemeente stichtte. Tucht: al die brieven om der barmhartigheid wil, die dae aan
lt;_gt; 'O
dag zijn schrijftafel verlieten, om wijd en zijd een zending des vredes te volbrengen. Tucht: al die dagelijksche aanloop, doorstaan â en al die zorg, gedragen voor zijn geliefde gemeenten Tucht: in één woord: heel zijn godsdienstig leven, 't welk geen rust zich gunde, voordat het in praktische beddingen was geleid. En nog eens tucht: voor een g-oed deel het ofeheim van 't groot ver-
O O
trouwen, door den ontslapene genoten en van den machtigen invloed, door hem geoefend!
Wordt zoo zijn beeld, van verre bezielend, niet, van nabij gezien, beschamend voor een iegelijk onzer, wie wij zijn, hoe en waar Avij werken : op kleine of groote schaal, 'tzij op de markt des wereld of in het stille huisgezin?
Sta aan het eind uw gansche beeld ons noe een-
O O
maal voor oogen, vereerde en beminde leermeester en
23
vriend ! Dat wij de verspreide trekken nog samenvoegen, om ze ons te vaster te griffen in het geheugen en in het hart! Ook willen wij plechtiglijk afscheid van u nemen aan deze plaats, waar van uwe lippen zoo welsprekende woorden vloeiden, uw oor zoo scherp geluisterd, uw hart zoo warm geslagen heeft. Gij hebt dan de kroon der grijsheid verkregen op den weg der gerechtigheid. Gij zijt een goed echtgenoot en vader; een nuttig burger; een verdienstelijk geleerde geweest. Op de groote akkers, u toevertrouwd,, zijt gij een trouw, volijverig arbeider bevonden. Gij hebt âgewandeld, het evangelie van Christus waardig.quot; ^ âZie, gij hebt velen onderwezen ; gij hebt slappe handen gesterkt; uwe woorden hebben den struikelende opgericht en de gebogen knieën vastgesteld.quot; 2) Gij hebt u verblijd met de blijden, en geweend met de weenenden.quot;3) Ook hebben wij reden te vermoeden, dat uw leven was een leven voor en met God. Daartoe hebt gij geen moeite te veel of te groot geacht, en in dagelijksche zelfbeheersching en zelfverloochening u geoefend. Wat zouden wij nog meer van u te vorderen hebben? Wat God nog meer van u te vorderen heeft, dat schelde Zijn genade u kwijt! Onzent-wege, ga heen in vrede I
Doch gij, vrienden van den ontslapene, niet waar? gij zult ') Phil. 1 : 27. -) Job 4 ; 3, 4. *) Rom. 12 : 15.
24
dezen vriend vooral niet vergeten! Gij, zijn vereerders, brengt hem telkens weer hulde in den geest: gij zult er telkens meer wèl bij varen ! Leerlingen, blijft van hem leeren! Weezen, vergeet uwen vader, ook zijn voorbeeld, niet! Ouden van dagen, gedenkt aan de laatste woorden, die uw verzorger tot u gesproken heeft! Leert, als het noodig is, nog van hem te leven; of zoo het daartoe geen tijd meer mocht zijn, leert straks van hem te sterven! En allen die zijn weldadigheid hebt ervaren, o wilt u eenmaal verrijken met den schat zijns harten!
Gemeente! âGedenk uwen voorganger, die u het Woord Gods verkondigd heeft, en volg zijn geloof na, beschouwende den uitgang van zijnen wandel!quot; âWeet gij niet, dat die in de renbaan loopen, allen wel loopen, doch dat maar één den prijs ontvangt ?quot; In de renbanen des christelijken levens echter kunnen wij allen den prijs verkrijgen. âLoopt dan zóó, dat gij dien verkrijgt!quot; Br. en Z., te plechtiger ure brengen wij u de bede te binnen, waarmede eens uw ontslapen leeraar van de Gemeente afscheid nam: âHet woord van Christus wone rijkelijk onder u, en leert en vermaant elkander in alle wijsheid!quot; ^ Amen.
Nazang :
2e B. Gez. 63 : 1, 2, 7.
i) Col. 3:16.