Vak 101
li-.---:quot; ■ gt; ■ : ^
i: ■ ■ ■■.■■■■■■ ' : : ■■■••- ■
Ifc : ^ : ; quot; : y : ■
■ . - ; . ■ • - .1
' ~ r i 1 '' ' P ■■ : - '■ ■ . '
Wamp;'ïi' ' ■ ; ' v • ' 1 ~'v. ' '
k*gt;*99jlt; ■- - ' . n» '
^ ; - ■ -.....
p: ;. _ ■ ' ■,» - : 1
fc ■ ■ ■ , - ■ . - , - -
'i. ■ ■ : ■ ■ : . -
fi- ■ , ■
ï- ■; - - quot; ■■■■■■■ , , . ■ „ _
I, - - ■ . ■ ■: ^ ■ .
MS'ÊA 'i/
WÊÊÊk
^ gt; - - , ^WÊamp;SÊ ' ■ ' • v
• - • ■ • ■. . . quot;• • ^
'Mm
•• . -• •••quot; •-ïwl
t ^ . • ■ 'SJÉ
s ,_. ' : ' .' — • 'c
'WBsÈ...........
V' • . ■■quot; v 'a.'
. v;-r-:
' - ■• ■ ■■ • —■ - - ■. - /gt; - - ■ ■ i
, • ■ ■■ -■•■ I
■ - • ' , - r-• ••. -. / -■' -■.■• - I
1 ,* j'S .quot; quot; v fcr- , ■' , ■ ■ ' I
V vgt;.; ■ ■ . -'-k: , f - I
■ ■ .^:-V ';V ■ ■ ' ■■ ■• -.'■gt;• ' ■ • . . ■ - ■ ; '
Ia; - '■ - ': •' , . ■■' •.-
k - -■ Krsl
' ■ ■ v - quot; ~. -.- ■ • -' -2
■ r/^x^: ^ ^ V ;'■■ gt;V,:;-- ■ : - -■ ■ ■ ■
s ' quot; : - ^ - . -. '., ' - ,. ': ...
- ; ' ; '■ ■quot; ^ ■ '■ . . '
■ :V .-f ■ ', ----- •. : ,-■■ ■■ ■ ■■• ■ ^:,,v
:■■■ .-- ■ ■ ■- V- - ■ ■-•:■:■
- ■ • -■ ; - - ■• ' 'gt; : -•-• -• * ', gt; .■gt; quot; - '' ■ by
•: . ^ •: :■ .: : - ^ ' vy
. -- : ' - - ^ . /■ ■ 1 ; .■ ; , ;; ^
' V' : ' , •;
; gt; ■■amp;
Sim
'f
^oi J 3/. BEKNOPT LEERBOEK
AARDRIJKSKUNDE,
T). J^lTT O R,
Oud-leeraar a/h Gymnasium Ic 's-Gravenhage.
P, NOOKDHOFF. — 1898. — GRONINGEN.
VIERDE. VERMEERDERDE DRUK.
MET PLATEN, KAARTJES EN GRAFISCHE FIGUREN
VOOEBERIOHT VAN DEN EERSTEN DRUK.
Dit leerboek houdt het midden tusschen de nieuwe opvatting, waarbij aan het natuurkundig element een-e alles beheerschende plaats wordt ingeruimd, en de oudere methode, waarbij eene namengeographie hoofdzaak was.
Voorts zijn niet alle landen of werelddeelen op een zelfden maatstaf behandeld , maar de voor Nederland belangrijke zijn wat uitvoerig besproken; vele andere echter slechts even aangestipt. Nederland en zijne bezittingen en koloniën zijn niet behandeld; het gebruik van een afzonderlijk leerboek is volgens de meening van den ondergeteekende daarvoor noodig.
De tusschen dm tekst geplaatste vragen dienen:
1' om den leerling hij zijne voorbereiding te noodzaken den atlas te gebruiken;
2' om hem, te oefenen in het raadplegen van kaarten, iets, dat volgens onze meening veel te wenschen overlaat.
Door grafische voorstellingen hopen wij den leerling een juisten indruk van grootte-verhoudingen te geven en, zonder veel van zijn geheugen te vergen, hem, enkele belangrijke verhoudingen in te prenten.
Ik heb mij voor het ontwerpen van deze figuren verzekerd van de medewerking van den lieer Jaeger, leeraar aan het Gymnasium te Den Haag.
1885. A.
VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Bij de bewerking van dezen tweeden druk werd van dezelfde gedachten uitgegaan , als ten grondslag lagen aan de eerste uitgave.
Het aantal wagen in den tekst kon worden vermeerderd; de ondervinding leerde, dat 't voorgestelde doel werd bereikt.
Enkele grafische voorstellingen moesten worden vernieuwd.
Verder zijn, op gelijke wijze als in de „Aardrijkshinde van Nederlandquot; en in die van „Nederlandsch Oost- en West-Indië — beide
herdrukt - hier en daar aanhalingen gedmn uit reisbeschrijvingen
of uitvoerige schetsen.
Met erkentelijkheid werd gelruik gemaakt van verschillende opmerkingen. Ook verder houdt zich daarvoor de Schrijver aanhevohn. 1890. A-
VOOR DEN DERDEN DRUK.
Verschillende grafische voorstellingen werden naar jongere gegevens vernieuwd en eenige andere aan de bestaande toegevoegd. Ook werd het aantal geografische schetsen uitgebreid; niet altijd zijn daarbij de grenzen van het „vakquot; streng in 't oog gehouden: door b v. nu en dan te treden op 't gebied der land-en volkenkunde, kan de stof voor den leerling zooveel aantrekkelijker worden gemaakt en dat mag—ja, moet veel meer dan tot heden veeltijds 't geval is-het streven zijn: waar belangstelling wordt gewekt, is de kans groot, dat het onderwijs vruchtbaar is.
1894.
VOOR DEN VIERDEN DRUK.
Voor deze nieuwe uitgave is het werk met groote zorg herzien : niet alleen de tekst, ook grafische voorstellingen zijn, waar noodig, volgens jongere gegevens hernieuwd.
1898.
Geheel in overeenstemming met dit werk is de 2 duik bui a kt tan R. Bos' Atlas der geheele Aarde In Kaart en Beeld , mede bij den Uitgever dezes verschenen.
EERSTE HOOFDSTUK
GRONDBEGRIPPEN UIT DE WISKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE.
§ 1. De aarde als hemellichaam. De aarde is eene planeet. Er zijn nog 7 andere aanzienlijke planeten. (Zie fig. 1.) De planeten zijn wel te onderscheiden van de sterren.
lc. De planeten zijn donkere bollen, die van onze zon licht en warmte ontvangen; de sterren daarentegen zijn lichtende bollen.
2e. De sterren staan zóó ontzaglijk ver van de aarde, dat ze zelfs bij de sterkste vergrooting zich als een lichtend punt voordoen. De naast-bijzijnde ster staat 222 000-maal verder van de aarde dan de zon. Het licht van de zon bereikt de aarde in 8 mm. 13 sec.; dat van de naastbljzijnde ster echter in bijna 4'/2 jaar!
3e. De sterren veranderen ten opzichte van elkaar niet van plaats („vaste sterrenquot;), en dit is met de planeten wel het geval. De planeten bewegen zich om de zon; zij vormen met de zon ons zonne- of planeten-Fig. i. De planeten in verhouding tot Stelsel. De zon is hierin het hoofd-hare grootte. lichaam. Zij houdt door hare aan
trekkingskracht orde en regel in het stelsel.
Van dit zonnestelsel hadden de volken der oudheid eene verkeerde voorstelling. In de latere tijden kwam men tot juiste inzichten en zijn zelfs de wetten opgespoord, volgens welke de planeten zich om de zon bewegen. (Copernicus, Gallileï, Kepler en Newton; 16e en 17® eeuw.)
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. \
Zou men zich zoo hoog boven de aarde kunnen verheffen, als A' in deze teekening aangeeft?
2e. Als men hooge voorwerpen uit de verte nadert, ziet men eerst 't bovenste gedeelte en al naderend 't geheel. Evenzoo blijft bij zich verwijderende voorwerpen, b.v. een schip in zee, het bovenste gedeelte 't langst zichtbaar (fig. 3).
o«. De schaduw, die de aarde afwerpt, kan bij gelegenheid van eene maansverduistering worden nagegaan en vertoont altijd eene cirkelvormige grens. Dit is het meest afdoend, schoon nog geen volstrekt bewijs.
4quot;. Men heeft in verschillende richtingen reizen om de aarde gedaan, b.v. de Portugees Magelhaens van 1519—'22, de Engelschen Drake (1577—'80) en James Cook (18c eeuw1, onze landgenoot Van Noordt van 1598—1G01, enz.
Uit deze reizen volgt, dat de aarde eene in zich zelf terugkee-rende gebogen oppervlakte heeft, althans in de richting, waarin die tochten plaats hadden.
5''. De zon gaat niet voor alle plaatsen der aarde op hetzelfde oogenblik op en onder, hetgeen wel het geval zou zijn, als de aarde een plat vlak was. Uit dit feit valt dus eene ronding van 't O. naar 't W. af te leiden.
Wanneer wij van hetvZ. naar het N. reizen, zien we regelmatig nieuwe sterren in het Noorden boven den horizon verrijzen en andere in het Z. verdwijnen, terwijl de poolster steeds hooger voor ons aan den hemel komt. Ook van het Zuiden naar het Noorden is de aardoppervlakte dus regelmatig gebogen.
Nadere metingen en onderzoekingen hebben geleerd, dat de aarde niet zuiver den vorm van een bol heeft. De aarde draait namelijk met groote snelheid om eene as, welker uiteinden polen heeten. Welnu, aan de Noord- en Zuidpool is ze afgeplat en in 't midden een weinig uitgezet, waardoor ze de gedaante heeft gekregen van eene s p h e r o ï d e. De afplattingen bedragen echter zoo weinig, dat ze bij de meeste beschouwingen buiten rekening worden gelaten. Wordt b.v. de aarde voorgesteld door eene globe van 1 M middellijn, dan bedraagt de afplatting aan elke pool ruim
4
1,5 mM, dus veel te weinig, om bij zulk eene globe te worden aangebracht.
§ 3. Mathematische indeeling dep aardoppervlakte. Om zich behoorlijk te oriënteeren, om de plaats te bepnlen op de oppervlakte der aarde, denkt men zich hierover een net van cirkels getrokken. Deze cirkels zijn: de equator, de parallelcirkels en de meridianen.
De equator (EE, fig. 4\ ook linie of evenaar geheeten, is midden tusschen de beide polen N en Z getrokken. Deze cirkel verdeelt de aardoppervlakte in 2 gelijke deelen en is daarom een groote cirkel.
De parallelcirkels, b.v. PP, loopen parallel met den equator en worden naar de polen steeds kleiner. Het zijn kleine cirkels.
Meridianen zijn halve cirkels, die van Fig. 4. Equator, parallel en de eene pool naar de andere getrokken meridiaan. zijn en de parallelcirkels rechthoekig
snijden. De naam meridiaan beteekent middag lijn, omdat de plaatsen onder denzelfden meridiaan gelijktijdig middag hebben. Natuurlijk hebben die plaatsen ook te gelijk middernacht, morgen en avond. Het spreekt van zelf, dat het aantal parallellen en meridianen onbepaald is; want over elk punt der aardoppervlakte kan men die lijnen trekken. Eén meridiaan neemt men echter als den eersten, als nulmeridiaan aan, en wel die, welke getrokken wordt over de sterrenwacht van Greenwich. Vroeger gebruikte men als zoodanig veel den meridiaan over de Oostpunt van het eiland Ferro, terwijl de Franschen veelal den meridiaan over Parijs als nulmeridiaan aannemen.
•Het ligt nu voor de hand, dat elke plaats op de aardoppervlakte kan beschouwd worden als te liggen in het punt, waar haar meridiaan en haar parallel elkaar snijden. Om alzoo de ligging van eene plaats op aarde nauwkeurig aan te duiden, behoeft men slechts hare geographisehe lengte en breedte te weten. Met geographische lengte bedoelt men den afstand, in graden, minuten en seconden uitgedrukt, van den eersten meridiaan tot de plaats. Deze kan Oost- of Westwaarts van den nulmeridiaan liggen en dus O.L. of W.L. hebben. Met geographische breedte bedoelt men den afstand van den equator tot de plaats, m. a. w. hoeveel graden de plaats ten N. of ten Z. van den evenaar ligt. In fig. 4 ligt a op N.B. en b op Z.B.
O
1. Op hoeveel graden lengte en breedte liggen Petersburg, New-Orleans, Quito, Pontianak en Buenos-Aires?
2. Hoeveel graden liggen de meridianen van Parijs en Ferro beoosten of bewesten dien van Greenwich ?
8. Welke richting duiden de meridianen op de kaart aan? En de parallellen? Hoe ligt nu Alexandria ten opzichte van Petersburg ? Hoe Edinburg van Nisjnii-Novgorod ?
4. Welke plaats ligt op 30° N.B. en welke op evenveel graden Z.B.? Welke plaats ligt op 60° O.L. en welke op evenveel graden W.L. ? (Kaart van Rusland en Z. Amerika).
^ in lengte, noemt men omwoners, b.v. in
heeten teg^enwoners. Eindelijk heeten
§ 4. Afmetingen van de aarde. Zorgvuldige metingen en berekeningen hebben de grootte van de aarde doen kennen, b.v. die van Snellius in de 17c eeuw in Holland, van Condamine in de 18c eeuw in Peru, van Maupertuis in Lapland en van vele anderen. Zoodoende heeft men gevonden, dat de aard-equator eene lengte moet hebben van 40 000 000 meter. Daar nu de equator, evenals elke cirkel, 360° bevat, is de grootte van 1° ruim 111 KM. Naar de polen worden de lengtegraden langs de parallelcirkels natuurlijk steeds kleiner.
De lengte van 1° is nl. op:
|
0° breedte |
111 |
KM. |
60° breedte |
56 |
KM. |
|
108 |
66 7.° „ |
45 |
n | ||
|
23'/2° „ |
102 |
76 = |
28 |
n | |
|
34° „ |
92 |
83 3 |
14 |
jj | |
|
483 „ |
74 |
90° „ |
0 |
Met behulp van dit tafeltje kan men afstanden op de kaarten eenigszins nauwkeurig bepalen.
1. Hoe breed is de Oostzee ter hoogte van de Zuidelijke gren^der Alands-eilanden? 2. Hoeveel KM is ongeveer de rechte afstand tusschen Müu-chen en Weenen? 3. Hoeveel die tusschen Port Elisabeth en Kaapstad? 4. Hoe breed is de Straat van Gibraltar ongeveer'?
6
Bij het meten van de afstanden ojj de aardoppervlakte bedient men zich van de volgende lengtematen:
a.) uur gaans = ^ graad v. d. evenaar = SJ KM; /'.) Dultsehe of geographische myl — T 5 graad v. d. evenaar =1J uur gaans;
c.) zeemijl of Engelsche mijl = J, uur gaans;
(/.) paal (op Java) = ruim ^ uur gaans.
De volgende lengten zijn op der ware grootte voor
gesteld :
--- Geographische mijl.
- . . . . = Uur gaans.
.............= Engelsche mijl.
.............= Paal in O. Indië.
..............= Kilometer.
De grootte van de geheele aardoppervlakte bedraagt 9 261 000 □ geogr. mijl of 510 000 000 KM2.
De afmetingen der aarde zijn zóó groot, dat de hoogste bergen en de grootste diepten betrekkelijk slechts onbeduidende oneffenheden , rimpels en plooien, zijn, die men zelfs op eene globe van 1 M middellijn onmogelijk zou kunnen weergeven. (Zie fig. G.)
Eene globe, waarop de verheffingen van het land zijn aangebracht, eene reliefglobe alzoo, is dan ook altijd foutief. Men kan dat gemakkelijk nagaan, als men maar eens berekent, welke afmeting op eene globe van 1 M middellijn zou moeten worden gegeven aan eene verheffing van 10 000 M, in aanmerking genomen, dat de aardmiddellijn 12 755 KM is.
§ 5. Kaarten. Kaarten geven afbeeldingen van de aardoppervlakte of van gedeelten er van. Natuurlijk moeten die afbeeldingen sterk verkleind zijn. Op de kaarten is aangeduid, in welke mate de verkleining heeft plaats gehad. Zoo lezen we op sommige kaarten van Afrika w'' ^au zeooengt;
dat de lengte- en breedte-afmetingen op de kaart zich tot de afmetingen in werkelijkheid verhouden als 1 : 50 000 000. Die verhouding heet de schaal der kaart. Afrika is in werkelijkheid 50 000 000 X 50 000 000 maal zoo groot als het kaartbeeld.
7
De meest juiste voorstelling van de aardoppervlakte geeft de globe, wijl ze een vorm heeft, welke met dien der aarde overeenstemt. Met de kaarten in den atlas is dit anders. Om die te maken, heeft men de teekening van de oppervlakte van een bol op een plat vlak moeten overbrengen. Men noemt dit bet maken van de projectie der kaart. Volkomen juist kan dat overbrengen of projecteeren niet geschieden: het gaat slechts bij benadering. Ook wordt niet de geheele teekening geprojecteerd, maar alleen de meridianen en parallellen, het zoogenaamde geographische net, of beter gezegd: een deel van dat net. Hierop vult men dan de teekening des lands in.
Eenige geleerden hebben verschillende projecties uitgedacht , om de kaarten zoo nauwkeurig mogelijk te teekenen.
Vooreerst willen we aanstippen de projectie van Fig. 7. Geographisch net. onzen landgenoot, den be
roemden kartograaf G. Cremer, beter bekend onder zyn Latijnschen naam Mercator. Reeds in 1569 gaf hij eene projectie, die nog, vooral voor de zeelieden, van groote waarde is. In zyne verbeelding omkleedde hij de aarde met een cilindermantel, die de aardoppervlakte juist aan de linie raakt. Op dezen cilindermantel bracht hij de meridianen over. Deze werden nu alle rechte lijnen, aan de polen even ver van elkaar verwijderd als aan den equator! Dientengevolge kreeg hij een geheel verkeerd beeld van Noorwegen en andere landen op hooge breedte. Daarom ging hij de afstanden der parallellen steeds zooveel maal vergrooten als de meridianen op de overeenkomstige breedten te ver uit elkaar waren. Zoodoende kreeg hij wel een tamelijk juisten vorm der landen, maar ze werden veel te groot voorgesteld, voornamelijk op hooge breedte. Een voorbeeld van Mercators projectie geeft bijna elke atlas. Men vergelijke op deze kaart en op de planiglobe eens de grootte van Groenland met die van Zuid-Amerika en Australië! Alleen voor streken bij den evenaar kan men in deze projectie eenigszins nauwkeurige kaarten teekenen.
Voor landen op hooge re breedte past men de kegelprojectie toe. Men plaatst op de globe a. h. w. eene kegelvormige muts, die op 't verlengde van de as der globe hangt en waarvan de mantel de oppervlakte der globe raakt juist in 't midden van het land, dat men wil projecteeren. Als men dezen mantel ontrolt, krijgt men een sector, waarop de parallellen cirkelbogen en de meridianen rechte lijnen zijn. Een voorbeeld van deze projectie geeft de kaart van Noorwegen en Zweden.
8
Voor landen van eenige uitgestrektheid op gemiddelde breedte wordt veelal de projectie van Bonne toegepast. Hierbij zijn ook de meridianen, met uitzondering van de middelste, kromme lijnen. Deze gcbogene meridianen ontstaan, doordat men op alle breedten do juiste afstanden der meridianen berekent en die daarna op de verschillende parallellen afmeet. Bij deze projectie wordt de fout in de verhouding tusschen de oppervlakte van het geteekende land en de werkelijkheid heel gering. Volgens deze methode zijn de kaarten van Europa, Azië, Noord-Amerika e. a. geteekend.
Eene andere projectie, waarbij de middelste meridiaan eene rechte lijn is, is die van Flamsteed. Ook de parallellen zijn hier, alle op afstanden naar de juiste verhoudingen, rechte lijnen. Verder zijn hier de onderlinge afstanden der meridianen berekend en op de parallellen afgemeten, zoodat ze gebogene lijnen vormen. Voorbeelden dezer projectie vinden we in de kaarten van Afrika en Australië.
Om de beide halfronden te teekenen, maakt men gebruik van de stereogra-phische projectie. Denk u door de globe langs de as een vlak, dat de beide halfronden scheidt. Op dat vlak zal b.v. het Oostelijke halfrond geteekend worden. Gesteld nu, dat uw oog precies in 't midden van het Westelijk halfrond is geplaatst en dat het van daar, door het teekenvak heen, het geheele Oostelijk halfrond goed kan zien! Nu worden richtingslijnen van uw oog naar de verschillende punten op het Oostelijk halfrond getrokken, en waar deze lijnen het teekenvlak snijden, zijn de punten voor de kaart. Op die wijze krijgt men de punten voor het geographisch net op het platte vlak. Alleen de equator en de middelste meridiaan worden daarbij rechte lijnen, zooals uit de beschouwing van de planiglo be in den atlas blijkt.
§ 6. Aswenteling1. De aarde draait in 24 uur eenmaal om hare as. De bewijzen voor deze „rotatiequot; berusten meestal op natuurkundige gronden.
Indien de aarde geene aswenteling had, zou de halve bol, die naar de zon gekeerd is, altijd in het licht zijn, terwijl het van
de zon afgewende gedeelte, steeds in volslagen duisternis zou verkeeren. Tengevolge van de aswenteling hebben dus alle plaatsen eene regelmatige afwisseling: van dag1 en nacht.
De aswenteling geschiedt van 't Westen E naar 't Oosten. Daar de dampkring, die de aarde omgeeft, en al, wat zich op aarde bevindt, in die aswenteling deelt, bespeuren wij deze beweging niet rechtstreeks, maar wij kunnen haar waarnemen aan de zon en aan al de verdere hemellichamen: al die hemelden tijd van 24 uren (de duur van eene geheele wenteling van de aarde om hare as) zich om de aarde
9
te bewegen. Zij schijnen dit te doen in eene richting, tegengesteld aan de richting, in welke de aarde zich wentelt. Als wij dus op eenig oogenblik van den dag de zon aan den hemel zien staan, en wij kijken eenigen tijd later weer naar de zon, dan heeft deze zich verplaatst en wel in de richting van het Westen.
De boog, dien de zon voor ons oog aan den hemel schijnt te beschrijven, heet dagboog. Het midden van dien boog, 't hoogste punt, geeft onzen middag, twaalf uur, aan.
Als de zon 's ochtends in 't Oosten zichtbaar wordt aan den horizon, dan zeggen wij, dat zij opgaat.
Evenzoo kan men de sterren zien opgaan, zich bewegen, enz.
Daar de zon bij haar schijnbaren loop om de aarde in 24 uren een geheelen cirkel doorloopt, legt zij in 4 minuten p^n-granr] aan den hemel .af. Hieruit volgt, dat van 2 plaatsen op aarde, die 1° in lengte verschillen, de plaats, welke 't meest Oostelijk ligt, de zon 4 minuten eerder zal zien opkomen, en evenzoo 4 minuten eerder middag, 4 minuten eerder zonsondergang zal hebben. Omgekeerd zal 1 uur verschil in tijd overeenkomen met 15° verschil in lengte.
Tegenwoordig streeft men er naar, om de aardoppervlakte in strooken in te deelen tusschen de meridianen, die 15° van elkaar liggen, en voor elk dier strooken of zonen een algemeenen tijd in te voeren. Van 7lla0 W. L. tot T'/a0 O. L. zou men dus op alle plaatsen gelijken tijd hebben, n.1. die van den meridiaan van Greenwich, en bij den overgang van den meridiaan van 7 '/2 O. L. zou het in eens een uur later worden. Kwam men daarentegen in de zone, die naar 't Westen volgt, dan zou men 't in eens een uur vroeger hebben. Op de Nederlandsche spoorwegen en bij de telegraphie is de Greenwichtijd reeds ingevoerd.
1. Te berekenen, hoe laat het is in de onderstaande steden, als het in Amsterdam 12 uur 's midd. is: Berlijn, Batavia, Paramaribo, Kaapstad, New-York, San Francisco.
2. Welk tijdverschil hebben de omwoners, de tegenvvoners en de tegenvoeters van a met a zelf (fig. 5)?
3. Een zeeman heeft zijn horloge geregeld naar den tijd van Plymouth, vanwaar hij uitzeilde. Ergens op zee staat de zon om 2 uur in den meridiaan. Op hoeveel graden lengte bevindt hij zich?
§ 7. De beweging: van de aarde om de zon. De aarde heeft nog eene tweede beweging; zij loopt om de zon en wel in eene richting van het W. door het Z. naar het O. (fig. 9). De tijd, dien zij voor een geheelen omloop gebruikt, heet jaar.
Deze beweging van de aarde heeft de afwisseling van de jaar-
10
getijden ten gevolge. De jaargetijden verschillen van elkander o. a. in:
1'. de lengte van den dag en die van den nacht;
2. de hoogte, die de zon boven den horizon bereikt. Deze verschillende hoogte van de zon geeft ons de meerdere of de mindere warmte.
Daar de as der aarde schuin op het vlak van omloop staat (zij maaht met dit vlak een hoek van 66'/a0; zie fig. 9) en het geheele jaar door dienzelfden stand behoudt, schijnt de zon op 20 Juni
loodrecht op de parallel van 23'/a0 N. Br., op 22 September loodrecht op den evenaar; op 12 December loodrecht op de parallel van 23'/2° Z. Br.; op 20 Maart weer loodrecht op den evenaar. Men noemt de beide parallellen, op 23'120 breedte gelegen, Keerkringen.
De Noorderkeerkring wordt ook wel Kreeftskeerkring, de Zuiderkeerkring Steenbokskeerkring genoemd.
Van 20 Maart tot 22 Sept. vallen de zonnestralen voor het Noordelijk halfrond onder den grootsten hoek (zomerhalfjaar); van 22 Sept. tot 20 Maart staat de zon het hoogst boven 't Zuidelijk halfrond.
Welk gevolg zou een loodrechte stand van de aardas op quot;t vlak van omloop voor de aarde hebben?
§ 8. Temperatuurzonen. Het gedeelte van de aarde, dat tus-schen de keerkringen ligt; noemt men de warme of tpopische luchtstpeek. Daar schijnt de zon tweemaal 's jaars loodrecht boven. Van 23'/2° tot 66'/2° strekken zich de beide gematigde luchtstreken uit. De parallellen van 66,/20 heeten poolcirkels. Binnen de poolcirkels liggen de koude luchtstreken.
In de warme luchtstreek duurt de dag 't geheele jaar door niet veel langer of korter dan 12 uur; zoo b. v. gaat in Quito (hoofdstad van Ecuador, Z. Amerika) de zon altijd 's morgens om 6 uur op en 's avonds om 6 uur onder Deze plaats ligt juist onder den evenaar; in Batavia, dat 6° van den evenaar verwijderd is, duurt de langste dag ongeveer 12'/2 uur, de kortste 11'/2.
11
In de gematigde gewesten is 't verschil tusschen dag en nacht in den loop van 'tjaar groot; b. v. op den
52'° breedtegraad: 20 Maart dag van 12 uur;
20 Juni 22 Sept.
21 Dcc.
bijna 17 uur: 12 uur;
ruim 7 uur
In de poolgewesten is de zon in den zomer heel lang boven den horizon, in den winter heel kort. De plaatsen onder den Noordpool-cirlcel zelf hebben b. v. den 20en Juni een dag van 24 uren; plaatsen op 70° N. B. zien in den zomer gedurende 65 dagen de zon niet ondergaan. Juist op de polen heeft men afwisselend een dag en een nacht van een half jaar.
Het klimaat of de luchtsgesteldheid van een land hangt echter
niet alleen af van de breedte, op welke het land ligt. Er zijn nog vele andere omstandigheden , die op 't klimaat invloed uitoefenen, b. v. de hoogte van 't land; de meerdere of mindere nabijheid van de zee, enz. De bovengenoemde gordels noemt men daarom mathematische of wiskundige klim a a t-'gordels of zonen. Van de geheele aardoppervlakte ligt 40 »/o in de tropische zone, 52 0,o in de gematigde zonen en 8 0'o in de poolgewesten. Voor een nauwkeuriger overzicht neemt men liever nog een grooter getal van die gordels aan (zie fig. 10):
Subtropische 231/?0—34° N. en Z. Br.
Warm gematigde 34°—45° — — .
Koud gematigde 45°—58° — — .
Subarctische 58°—66l/20 — —- .
Arctische (N. halfrond).
Antarctische (Z. halfrond).
TWEEDE HOOFDSTUK.
GRONDBEGRIPPEN UIT DE NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE.
§ 9. Land en water. De oppervlakte der aarde bestaat uit water en land. Bijna het 3/4 deel der aardoppervlakte is door water bedekt; niet veel meer dan '/4 van de vaste aardkorst steekt boven water uit.
Van de vijf landmassa's of werelddeelen zijn er 2 zeer groot, 2 betrekkelijk klein, terwijl 1 tusschen die groote en kleine ongeveer 't midden houdt. De oppervlakte van Europa = 1 stellende, wordt de grootte van Azië door 4'/2, die van Amerika door ruim 4, die van Afrika door 3 on die van Australië door quot;jio voorgesteld. (Zie fig. 11.)
Men kan de aardoppervlakte op verschillende wijzen in halfronden verdoelen, b. v. door den evenaar of den 1''quot; meridiaan. Op die wijze krijgt men een Noordelijk en Zuidelijk of een Oostelijk en Westelijk halfrond. Maar ook kan men zich de aarde gescheiden denken in een Noordoostelijke en Zuidwestelijke helft. In dat geval komt op eerstgenoemd halfrond van al het land, en op het tweede 7/i2 van al het water. Europa is het centrum van het landhalfrond en Australië het geïsoleerde midden van het waterhalfrond. Van welke beteekenis is dat voor de ontwikkeling van beschaving en wTelvaart?
Europa, Azië en Afrika heeten de Oude Wereld en Amerika noemt men vaak de Nieuwe Wereld. De eerste strekt zich in parallelle, de laatste meer in de richting der meridianen uit.
Amerika, Azië—Australië en Europa—-Afrika verdeden de wateroppervlakte der aarde in drie groote stukken: den Atlantischen, den Indischen en den Grooten Oceaan. Behalve deze drie wateroppervlakten voeren ook de Noordelijke IJszee en de Zuidelijke IJszee den titel van oceaan. Met oceanen bedoelt men zelfstandige zeeën, die zich door bijzondere zeestroomingen kenmerken en eene groote oppervlakte beslaan. Dringen ze door straten in de groote landmassa's, dan heeten ze middelzeeën, of middel-
13
landsche zeeën; zijn ze door eene reeks eilanden van den oceaan gescheiden, zoodat ze zich hoofdzakelijk langs de kusten uitstrekken, dan noemt men ze pandzeeën.
Opgaven.
1. Zoek op de kaart de begrenzing van de werelddeelen; daarna die van de oceanen.
2. Zoek de wegen, langs welke men van den eenen Oceaan in den anderen zou kunnen komen.
3. Welke zijn de groote bochten of binnenzeeën, die de Atlantische Oceaan aan de kusten van Europa en Amerika vormt?
4. Welke werelddeelen worden door den evenaar gesneden ? Welk werelddeel ligt geheel op het Noordelijk halfrond en welk geheel op het Zuidelijke?
5. In welke figuur kan men den hoofdvorm van Noord- en dien van Zuid-Amerika teekenen ?
6. Met welke werelddeelen stemt de hoofdvorm van Z.-Amerika overeen? Denk hierbij Tasmanië met Nieuw-Holland verbonden!
7. Hoe is de hoofdrichting der gebergten in de Oude en in de Nieuwe Wereld; volgens de parallellen of volgens de meridianen?
8. Welke groote eilandenbrug ligt ten Z.O. van Noord-Amerika; welke ten Z.O. van Azië?
9. Welke groote binnenzeeën en welke belangrijke randzeeën ziet men op de Wereldkaart?
t :
§ 10. De Wereldzeeën. De Atlantische Oceaan is, hoewel de onstuimigste, nog altijd de belangrijkste wereldzee: de Middelland-sche zee werd al in de vroegste tijden druk bevaren door Phoe-niciërs, Grieken en Romeinen. Tal van koloniën werden langs deze zee gesticht, b.v. aan de kusten van Klein-Azië, aan den Noordrand van Afrika, in Spanje en Zuid-Frankrijk; onder die koloniën waren b.v. Byzantium, Milete en Carthago. Zoo speelt de Middell. zee eene groote rol in de geschiedenis der beschaving. Noord- en Oostzee werden onder de zeeheerschappij van het Hanzeverbond, vooral in de 13c en 14quot; eeuw, het tooneel van levendig handelsverkeer en bleven dat sedert dien tijd. Van de 15' eeuw dagtee-kent de vaart op den Atlantischen Oceaan zelf, en die vaart nam in beteekenis steeds toe, doordat, vooral in 't Noordelijke deel, de dichtst bevolkte en meest beschaafde landen der aarde hunne kusten aan dezen Oceaan hebben. Portugeezen (Hendrik de Zeevaarder f 1460) en Spanjaarden, later vooral Hollanders en Zeeu-wen, Engelschen en Franschen namen aan die vaart deel. Eene reis van Ierland naar Amerika is al wel binnen 6 dagen afgelegd geworden en van Engeland naar Zuid-Afrika in 15 dagen. Stoomvaartlijnen en telegraafkabels verbinden al de landen met elkaar.
14
De Groote Oceaan werd door Europeanen het eerst bevaren eenigen tijd na de ontdekking van Amerika bij de reis van Magel-haens. Deze gaf er den naam aan van Stillen Oceaan, een naam,
Azië.
Amerika.
Afrika.
Europa. Australië.
Groote Oceaan.
Atlantische Oceaan.
Indische Oceaan.
Zuidelijke IJszee. Noordelijke IJszee.
die nog wel gebruikt wordt (Océan pacifique). Den naam Zuidzee had de Oceaan eenige jaren vroeger gekregen van Balboa, die in 1513 de landengte van Panama overstak. Daar deze landengte eene richting van 't Oosten naar 't Westen heeft, zag hij de zee in 't Zuiden voor zich liggen. Na do ontdekking bleef de Groote Oceaan lange jaren nog weinig bevaren. De drie reizen, die James Cook tusschen 1768 en 1780 deed, gaven den stoot tot meer scheepvaart. Andere oorzaken werkten ook mee, b.v. de walvisch-vangst, de kolonisatie in Australië sinds 't begin der 19e eeuw,
15
het ontstaan van staten in Amerika in plaats van de vroegere Spaansche koloniën, het ontdekken van goud in Californië en het openstellen van de havens in China en Japan. Tegenwoordig wordt de Groote Oceaan dan ook reeds in alle richtingen bevaren, b.v. door Britsche stoombooten, die geregeld van San Francisco over Hono 1 oe 1 oe en de Samoa-eilanden naar Auckland en Sydney varen. Eene Amerikaansche maatschappij onderhoudt de gemeenschap tusschen San Francisco en Jokohama, eene Engelsehe die tusschen Vancouver en Jokohama. De overtocht duurt ongeveer 20 dagen.
De Indische Oceaan strekt zich uit tusschen Azië, Afrika en Nieuw-Holland. Verder vormen de meridianen over Kaap de Goede Hoop en de Zuidkaap van Tasmanië respectievelijk de Westelijke en de Oostelijke grens. Eenerzijds staat deze wereldzee door tal van straten met den Grooten Oceaan, anderzijds door het kanaal van Suez met de Middellandsche zee in verbinding. Vooral sedert de opening van het Suez-kanaal wordt het Noordelijke deel van den Indischen Oceaan door de stoomschepen van talrijke Europeesche maatschappijen bevaren, b.v. — voor zoo ver Nederland betreft — door die van de stoomvaart-maatsch. „N e d e r-landquot;, „Rotterdamsche Lloydquot; en „Oceaanquot;.
De IJszeeën hebben voor het verkeer weinig beteekenis; zij worden alleen bezocht door walvischvaarders en door expedities, die zich ten doel stellen wetenschappelijke waarnemingen op die hooge breedten te doen, b.v. de Barentsexpedities, Nordenskjöld en Nansen. Vroeger zocht men daar de handelswegen naar Oost-Azië (Noordoostelijke en Noordwestelijke doorvaart).
In de N. IJszee is in 1890 door Nansen eene breedte'van 86° bereikt. De Z. IJszee is veel minder toegankelijk; de vastlanden van het Zuidelijk halfrond eindigen op veel lager breedte, de ijsgrens komt veel dichter naar den evenaar. Om deze en andere redenen is de Z. IJszee veel minder bezocht geworden en is men daar nog niet zoo dicht tot de pool genaderd.
§ 11. Het land. Bij de beschouwing van de werelddeelen moet, behalve op de ligging met betrekking tot den evenaar en tot de oceanen, gelet worden op hunnen vorm. Hierbij is het van belang op te merken, of de zee meerdere of mindere diepe insnijdingen en bochten maakt en dus schiereilanden en eilanden van 't vastland afsnijdt. Die schiereilanden en eilanden noemt men leden, in tegenstelling van den romp, d. w. z. het voor de zee toegankelijke gedeelte van het land. Hoe meer eene klist ontwikkeld is (veel inhammen, veel leden), des te beter is het in 't algemeen voor de bewoners van een land of werelddeel.
16
Dezen „vorm van den omtrekquot; van een land is men in de aardrijkskunde gewoon den horizontalen vorm te noemen.
Behalve voor het verkeer is de nabijheid van de zee en de ontwikkeling van de kust ook van groot belang voor het klimaat van de werelddeelen en landen. Door de ligging aan zee zijn de winters minder koud en de zomers minder warm; de lucht is vochtiger. Men spreekt van een zeeklimaat in tegenstelling van een vastlandsklimaat. De invloed van de zee op het klimaat is vooral dan groot, als de winden van over de zee naar het land waaien en geen hooge bergen den toegang landwaarts in afsluiten.
Van de vijf werelddeelen heeft Europa den gunstigsten vorm, want de zee dringt in het Zuiden en Westen diep in dit werelddeel binnen, zoodat verscheiden volken over de zee met elkander in gemeenschap kunnen staan. Afrika en Australië hebben den meest gesloten vorm. Azië heeft eene zeer ontwikkelde Zuid- en en eene nog meer ontwikkelde Oostkust. Amerika staat door zijne langgestrekte gedaante veel met de zee in gemeenschap en heeft ook eene middellandsche zee, die Amerika eigenlijk in twee werelddeelen scheidt, welke door het smalle Middel-Amerika en door eene brug van eilanden zijn verbonden.
Er zijn verschillende methoden om de meerdere of mindere kustontwikkeling door getallen voor te stellen. De beste is misschien die, waarbij men den vlakte-inhoud van de leden berekent en dien vergelijkt met de oppervlakte van den romp. Europa b.v.
Fig. i% Betrekkelijke kustontwikkeling der verschillende werelddeelen. De verhouding van do oppervlakte van den romp en van de leden is voor elk werelddeel voorgesteld door de inhouden van een cirkel (wit) en een cirkelsector (zwart), met gelijke stralen beschreven.
heeft eene totale oppervlakte van 9 900 000 KM2; hiervan nemen de schiereilanden en eilanden ± 3 300 000 KM2 in, zoodat de romp ongeveer 6 600 000 KM2 bedraagt. De kustontwikkeling van Europa wordt nu voorgesteld door 1 : 2.
. 17
Volgens deze methode krijgt men voor Azië 1 : 4
Amerika 1 : 8 Australië 1 : 36 Afrika 1 : 47 (Zie fig. 12).
Bij de beschouwing van eene kust gaat men na, of zij steil is dan wel vlak, of zij rijk is aan inhammen en havens, dan wel weinig gebroken.
Steile kusten hebben het voordeel, dat de schepen dichter kunnen naderen; want bij vlakke kusten is de zee tot op grooten afstand van de kust ondiep, en steeds liggen er zandbanken. Dientengevolge zijn vlakke kusten beter geschikt voor 't ontstaan van badplaatsen.
Bij steile kusten zijn dikwijls klipeilanden en blinde klippen. De laatste blijven even beneden de oppervlakte van 't water en zijn diensvolgens zeer gevaarlijk. Zandbanken zijn evenwel nog gevaarlijker, omdat zij meer aan verplaatsing onderhevig zijn. Bij lage kusten is het vooral van belang, dat er riviermonden zijn; want hier trekt het verkeer zich samen. De rivieren moeten echter velerwegen door uitbaggering op behoorlijke diepte worden gehouden, b.v. aan de Nederlandsche kust, de Fransche Westkust van de P3'reneen tot Bretagne, enz. Aan lage kusten werd vroeger vaak het recht van Strandroof uitgeoefend ; klipkusten gaven door hunne goede schuilplaatsen dikwijls tot zeeroof en smokkelhandel aanleiding. Men denke slechts aan Barbarije, Dalmatië, enz.
Dikwijls wordt aan zeekusten zont gewonnen of naar koraal, spons, barnsteen en parelen gevischt. Velerwegen worden schelpen gevischt en aan kalkbranderijen geleverd.
Eindelijk heeft de zee, behalve voor de bezigheden der bewoners en voor 't klimaat, ook nog beteekenis door de veranderingen, die zij de gedaante van een land doet ondergaan. Hierbij geeft zij aanleiding tot landverlies of tot landaanwinst. Terwijl bij steile kusten de voortdurend werkende kracht van het water de rotsen ondermijnt, worden aan lage kusten bij storm dikwijls groote stukken land overstroomd, waarvan vroeger ons vaderland menig voorbeeld gaf.
§ 12. Ligging1 en Horizontale vorm van Europa.
Opgaven.
1. Noem de grenzen van Europa.
2. Bepaal het verschil in breedte van het eiland Malta en van 't Noordelgke deel van Scandinavië.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 2
18
Europa ligt grootendeels (9/io) in de gemaligde luchtstreek; slechts een klein deel (van welke landen?) ligt in den kouden gordel.
De ligging aan de Middellandsche zee was al in de oudheid belangrijk voor ons werelddeel: uit Voor-Azië namen de oudste bewoners van Zuid-Europa veel van de beschaving o ver. En door alle tijden heen bleef de Middellandsche zee een gewichtige waterweg, al waren er nu en dan ook veel zeeroovers en al onttrok de weg om Z.-Afrika, sedert de löquot; eeuw ook een groot deel van 't verkeer.
Amerika, aan de overzijde van den Atlantischen Cceaan, oefende sinds de 15e eeuw grooten invloed uit op de lotgevallen der volken van Europa; eerst op de Spanjaarden en Portugeezen, later op de Hollanders en Engelschen, terwijl in onze eeuw van stoom en steeds toenemend verkeer de ligging aan den Atlantischen Oceaan allen volken van ons werelddeel in meerdere of mindere mate ten goede komt.
Reeds is gezegd, dat door de diep insnijdende zeeboezems Europa de gunstigste kustontwikkeling heeft (door welke verhouding wordt deze voorgesteld?). Een groot deel van de Europeesche volken zocht al vroeg op zee middelen van bestaan en meer dan elders kon de zee invloed op 't klimaat der landen uitoefenen.
Aldus waren ligging en horizontale vorm mede oorzaak, dat de volken van dit werelddeel een hoogen trap van beschaving konden bereiken. Duidelijk komt dit uit, als wij Oost-Europa met Zuiden West-Europa vergelijken.
Opgaven.
1. Noem de eilanden in de Westelijke helft der Middell. zee (tusschen Spanje en Italië).
2. Tusschen welke landen is de Egeesche of Grieksche zee gelegen; welke beide eilandengroepen liggen in die zee; hoe staat zij in gemeenschap met de Zwarte zee?
3. Tusschen welke landen ligt de Oostzee? Noem van de kaart de grootste der eilanden in de Oostzee. Hoe komt men langs Kopenhagen van de Oostzee in de Noordzee?
4. Zoek van de kaart voorbeelden van steile en van lage kusten in Europa.
§ 13. Verticale Vorm. De oppervlakte der aarde is zeer oneffen; hoogere en lagere gedeelten wisselen elkaar af.
De oppervlakte van een land kan effen (vlak), of oneffen zijn. Bovendien kan het land in betrekking tot den zeespiegel hoog of laag liggen.
19
We onderscheiden dus:
1'. vlak en hoog: hoog-vlakte, plateau, tafelland.
2'. vlak en laag: laag'vlakte; lager nog dan de zee: inzinking. 3'. oneffen en hoog: bergland.
De „vorm van den bodemquot; van een land wordt in de aardrijkskunde de verticale vorm genoemd.
N.-Amerika. Z.-Amerika.
Afrika.
Europa.
Australië.
Verheft een bergland zich zóó hoog, dat in de hoogste gedeelten meer sneeuw valt, dan er in den zomer afsmelt, dan zegt men, dat het gebergte zich boven de sneeuwgrens verheft. De sneeuwgrens is dus de lijn, boven welke altijd sneeuw ligt. Het is echter gemakkelijk te begrijpen, dat de hoogte, waarop de sneeuwgrens ligt, afhangt van de luchtstreek, waarin 't gebergte zich bevindt. Aan den evenaar b.v. ligt ze op ± 5000 M, in de Alpen op 2800 M en in 't hooge Noorden van Noorwegen op 700 M.
Verheft het gebergte zich boven de sneeuwgrens, dan spreekt men van hooggebergte. Verder onderscheidt men middelgebergte , voorgebergte en heuvelland. Hoe hoog de verheffing moet zijn, om tot eene dezer groepen te behooren, laat zich voor alle gevallen niet bepalen. Zoo als uit verschillende atlassen blijkt, neemt men in 't algemeen echter wel bepaalde hoogtegetallen aan.
Na de hoogte van een gebergte is nog van belang de richting, waarin het zich uitstrekt. Liggen de hoogste punten, toppen, ongeveer in één richting, dan spreekt men van ketengebergte; groepeeren de toppen zich eenigszins om een middelpunt, dan vormen ze een berggroep. De vorm van ketengebergte komt 't meest voor; hierbij onderscheidt men wel eens, naar de richting, meridiaanketens en parallelketens.
2*
|
i
20
Opgaven.
1. Zeg met behulp van fig. 13, hoe ongeveer de verhouding tusschen hoog-en laagland is in elk werelddeel. Ga dit ook na op de kaart.
2. Geef van de kaart de laagvlakten op van Europa.
3. In te vullen:
Sierra Nevada in
„ Morena in Grampians in hoogvlakte van Castilil1 in
4. Zoek voorbeelden van parallel- en ook van meridiaanketens op de kaart van Europa.
5. Zoek op de kaart van Frankrijk een voorbeeld van een berggroep.
6. Zoek op de kaart van Amerika voorbeelden van ketengebergten en laagvlakten.
§ 14. Verticale vorm van Europa. Europa kenmerkt zieli door groot verschil in terreinvorm. Het minst van alle vormen komt echter de hoogvlakte voor, nl. hoofdzakelijk in Spanje, aan den Noordvoet der Alpen in Zwitserland en Zuid-Beieren en hier en daar in de gebergten, maar daar met kleine afmetingen. Het laagland neemt voel grooter oppervlakte in dan het hoogland (fig. 13). Het zeewater behoefde slechts weinige honderden meters te stijgen, om 2/3 deel van Europa onder water te zetten, (zie de natuurk. kaart van Europa). Er bleven dan in hoofdzaak drie berglanden over. Welke ?
Een groot voordeel is het, dat bij den romp van Europa de gebergten meer in het midden liggen: 1. de hooge Alpen, 2. daaromheen een krans van middelgebergten (Fransche, Duit-sehe en Karpatlsche) en 3. aan den voet het uitgestrekte laagland, dat tot aan de zeeën reikt. Dit uitgestrekte laagland wordt voor een groot gedeelte ingenomen door de Sarmatische vlakte, van den Oeral tot de Weichsel, de Germaansche laagvlakte , tot de Schelde, en de Fransche laagvlakte, tot de Pyreneën. Als gelukkig gevolg van dezen verticalen bouw stroomen de rivieren van het midden des werelddeels in verschillende richtingen door de laagvlakten en zijn aldus natuurlijke verkeerswegen.
•21
Opgaven.
1. Zoek Rhone, Garonne, Loire, Seine, Maas, Rijn, Wezer, Elbe. Oder, Weichsel, Donau, Po.
2. Geef van elk dezer rivieren op: a. op welk der bovengenoemde bergstelsels zij ontstaat; i. in welke zee zij uitloopt.
Als eerste gunstig gevolg van de orographische gesteldheid van Europa mag dus worden aangemerkt, dat de rivieren in het hart van het werelddeel ontspringen en zich naar alle richtingen door de laagvlakten verspreiden. Maar in de tweede plaats is het van groot belang, dat de verschillende stroomstelsels gemakkelijk door kanalen konden worden verbonden. Daardoor was het zelfs mogelijk , de Zuidelijke binnenzeeën (Middellandsche, Zwarte, Kaspische zee) rechtstreeks met de Noordelijke (Noordzee, Oostzee, Witte zee) in gemeenschap te brengen. Onder deze waterverbindingen halen wij als een paar voorbeelden aan: Rhón e-Rijn- en Do na u-Rij n kan a a I. Welke zeeën worden aldus verbonden?
Bij de schiereilanden en eilanden van Europa komt het hoogland veel meer voor dan het laagland.
§ 15. Beteekenis der g'ebergten in de natuur. De lijn, die de hoogste punten in een gebergte vereenigt, heet kam. De lage gedeelten van den kam, de zadelvormige inzinkingen tusschen de toppen , heeten passen. Soms bestaan ketengebergten uit verschillende ketens, die in eene zelfde richting loopen. De laagten, die dan de ketens van elkander scheiden, heeten lengtedalen.
De lengtedalen zijn gelijktijdig met de gebergten ontstaan; de ketens en de dalen op de aardkorst zijn naar verhouding geen grooter oneffenheden dan de rimpels en plooien op een appel in het voorjaar (fig. 6;.
Soms is eene bergketen doorbroken, b.v. door eene rivier. De rivier heeft dan een dwarsdal gevormd. Lengtedalen loopen ongeveer in de richting van het gebergte, dwarsdalen niet.
Voorheelden in de Alpen:
Lengtedalen van Rhone, Voor-Rijn, Boven-Inn of Engadin, e. a. Dwarsdalen : Ticino , Reuss , e. a.
Lengtedalen zijn gewoonlijk veel langer dan dwarsdalen.
Bij dwarsdalen zijn de rotsen in den regel veel steiler dan bij lengtedalen.
De dalen en passen zijn in de bergstreken van groote beteekenis voor het verkeer. Zoo b.v. vormen de Pyreneën veel meer eene scheiding tusschen Spanje en Frankrijk dan de Alpen tusschen
Italië en Frankrijk, Zwitserland, Duitschland en Oostenrijk, doordat de Alpen veel rijker zijn aan dalen en passen.
De gebergten spelen eene groote rol in de natuur:
1. Zij doen beken ontstaan , die zich tot rivieren vereenigen; zij bepalen de richting, het verval (verschil in hoogte tusschen 2 punten van de bedding), de stroomsnelheid, de bevaarbaarheid van de stroomen.
2. Zij hebben invloed op het klimaat, want de temperatuur of warmtegraad neemt af met de hoogte boven de zee; de winden of luchtstroomen worden door bergketens genoodzaakt op te stijgen , waardoor zij afkoelen en hun waterdamp verdichten en doen neervallen. In 't gebergte is het dus vochtig: er valt doorgaans veel regen, vooral aan de zijde, van welke de meeste winden waaien.
3. De flora en de fauna hebben in de bergstreken een bijzonder karakter (later hierover meer).
4. De gebergten vormen eene scheiding in klimatologisch opzicht, maar ook ten opzichte van menschen, planten en dieren. Op eene kleine oppervlakte verschillen de bewoners dikwijls veel van elkaar in zeden, leefwijze, zelfs in taal en gescliiedenis, doordat zij weinig met elkaar in aanraking komen. liet gebergte oefent voorts invloed uit op 't karakter der bewoners.
§16. De geologie of a a r d k u n d e bestudeert de samenstelling van de aarde. Veel geologen zijn van meening, dat er een aardkorst is en een gloeiend vloeibare kern. Die meening berust 1quot; op het toenemen van de temperatuur, als men in mijnputten afdaalt, dus zich beweegt in de richting van 't middelpunt der aarde (het diepste boorgat, in een mijnwerk tusschen Leipzig en Halle, reikt tot 1650 M; op den bodem is het gat 48 mM wijd en daar wijst de thermometer 48° C.); 2quot; op de uitbarstingen van sommige bergen, die door een kanaal met hot inwendige der aarde in verbinding staan en die men vulkanen of vuurspuwende bergen noemt. De opening, door welke de gloeiende massa's zich een weg lianen, heet krater. De meeste vulkanen hebben, behalve een hoofd krat er, verscheidene zij kraters.
De werkzaamheid van vulkanen kan zich op zeer verschillende manieren openbaren, b.v. door onderaardsch gerommel, soms gepaard met harde knallen, door damp-ontwikkeling (vooral waterdamp); door hooge kolommen van rook en vuur; door aschregen; door instorting b.v. van den kraterrand, vorming van nieuwe kegels en kraters en door 1 ava-s t r o o m e n.
Zware bewolking belet vaak de vulkanische werkzaamheid waar
23
te nemen. Dichte nevels omgeven clan den berg, terwijl hevige regens het beklimmen onmogelijk maken.
Bij aardbevingen geraakt de bodem nu eens in golvende, dan in schokkende beweging; boomen slaan tegen den grond, muren scheuren, huizen storten in; wel is waar duurt een schok
zelden langer dan eenige seconden, doch verschillende schokken volgen elkaar op. Daarbij ontstaan aan zeekusten hooge golven, gelijk b.v. geschiedde bij de uitbarsting van Krakatau in 1883.
Vulkanen in Europa: op en bij Sicilië: Etna, Stromboli, enz.;
in de vlakte v. Napels: do Vesuvius; in de Grieksche zee: Santorino; op IJsland: Hekla en andere;
in den Eifel, in Auvergne, enz.: uitgedoofde vulkanen.
Vulkanen in Azië: eene gansche rij op de eilanden langs do O.-kust en door O.-Indië.
24
Vulkanen in Amerika: eene rij langs de W.-kust, vooral in Zuiden Centraal-Amerika.
Talrijk zijn verder de zeevulkanen; b. v. de Piek van Teneriffe in den Atlantischen Oceaan, de vulkanen op de Sandwichs-eil. in den Grooten Oceaan. Ja, zelfs in de gewesten der Zuidelijke poolzeeën ontbreken ze niet: Erebus (3800 M) en Terror (3300 M) op bijna 80° Z. B.
Het aantal werkende vulkanen, dat op aarde bestaat, kan niet met juistheid worden opgegeven, daar voortdurend nieuwe vulkanen ontstaan en ontdekt worden. Ook is het dikwijls moeilijk uit te maken, of een berg als uitgedoofde of werkzame vulkaan is te beschouwen. Dit moet ook bij de volgende opgave in 't oog worden gehouden:
|
7 |
X.-Guinea -1- N.-Zeeland . . |
8 |
|
37 |
IJsland........ |
9 |
|
11 |
Jan Mayen...... |
2 |
|
13 |
Onderzeesche in den Atl. | |
|
36 |
Oceaan....... |
3 |
|
38 |
In den Indischen Oceaan . |
5 |
|
15? |
In den Grooten Oceaan . . |
26 |
|
1 |
In de Zuidel. IJszee . . . |
2 |
|
115 |
Samen..... |
328 |
Afrika met omliggende eil.
Westindische eil.....
Vereen. Staten (met Aljaska) Mejico en Centraal-Am.
Vastland van Azië .
Onderzeesche bij Pondichery Eil. langs Azië's Oostkust
Oost-Indië ....
Verder leert de kaart aangaande de verbreiding der vulkanen, dat ze gelegen zijn langs de randen der continenten, in de nabijheid der zee en in lange rijen.
§ 17. De aardkorst. Zooals we gezien hebben, stellen de geologen zich de oorspronkelijke aarde voor als eene gloeiend vloeibare massa, die langzamerhand is afgekoeld. Het afgekoelde gedeelte is de aardkorst. Door de afkoeling werd de inwendige bol kleiner en de vaste korst er om heen te ruim. Dientengevolge hadden er verzakkingen plaats, waardoor dalen ontstonden, terwijl andere gedeelten er naast zich staande hielden. Die gedeelten , welke zich staande hielden , heeten bij de Duitsche bergwerkers „horsten.quot; Zulke horsten zij n b. v. het Zwarte W o u d en de Vogezen.
Dikwijls ook had er eene same n-schuiving der aardlagen plaats, Fig. 1.gt;. Horst. waardoor vouwingsgebe rgten,
zooals de Z w i t s e r s c h e Jura en zoovele andere, ontstonden.
25
Zeer zeker hebben de vouwen de meeste bergen en dalen op aarde doen ontstaan.
Maar ook liet stroomend water heeft zijn invloed doen gelden. De uitschuring, die hierdoor ontstaat, heet erosie. Wij zien daarvan bij b e r g s t r o o m e n, rivieren, g 1 e t s c h e r s en de zee nog heden ten dage tal van voorbeelden. Bovendien werken de vulkanen, de dieren en de planten dagelijks mee aan de verandering der aardkorst: de planten, die veen en steenkool doen ontstaan , de dieren, die koraalrotsen bouwen, enz.
De aardkorst bestaat uit zeer verschillende gesteenten of steensoorten. Daartoe behooren niet alleen de vaste gesteenten of rotsen, maar evengoed het zand, de klei, enz. Van alle zijn gneis en andere kristallij ne vormingen de grondslag.
Moewei de geologen den volstrekten ouderdom van de gesteenten niet kunnen berekenen, is het wel doenlijk de volgorde vast te stellen, waarin de verschillende gesteenten moeten worden gerangschikt, en die volgorde noemt men den betrekkelijken ouderdom der gesteenten. Deze berust o. a. op de versteende plant- en diervormen of fossielen, welke in oude gesteenten sporadisch en in jongere vormen meer duidelijk herkenbaar voorkomen. Doorgaans onderscheidt men: gronden van het 1quot;, 2e, 3e en 4quot; tijdperk, of liet primaire (weekdieren), het secundaire (reptiliën*, het tertiaire ('zoogdieren! en het quartaire tydvak (de mensch). Tot elk tijdvak behooren talrijke steensoorten. Vormingen, die in betrekking staan tot het water, zoogenaamde neptunische gesteenten, bevatten geen fossielen.
De gronden van het 4e tijdvak vormen twee afdeelingen; diluvium en alluvium. De alluviale zijn de jongste van alle grondsoorten; ze worden nog heden ten dage gevormd. De kennis der grondsoorten of van de geologische gesteldheid van een land is van groot belang. Immers van de bestanddeelen van den bodem is afhankelijk: 1quot; de meerdere of mindere vruchtbaarheid, 2e de aanwezigheid van producten uit het delfstoffenrijk en 3e van minerale bronnen.
§ 18. Rivieren en meren. Opgave. Zoek op de kaart van Europa de rivieren, die uitmonden a. in de Noordzee, 0. in de Oostzee, c. in de iliddellandsehe zee, d. in den Atlantischen Oceaan.
Door de stroomlengte van eene rivier verstaan wij de geheele lengte langs de rivier gemeten; zij is grooter dan de afstand van den oorsprong tot den mond. Naarmate het verschil tusschen de stroomlengte en den laatstbedoelden afstand grooter of kleiner is, noemen wij de rivier meer of minder ontwikkeld.
De geheele landstreek, die hare afwatering heeft op eene rivier,
26
heet liet stroomgebied der rivier. Naarmate eene rivier ontwikkeld is en zijrivieren opneemt, is haar stroomgebied groot of klein.
Eene vergelijking tus-schen eenige stroomen is gegeven in fig. 16; wij zien daarin:
1'. De betrekkelijke lengte van deze, de meest belangrijke rivieren (Janye zijde van de rechthoeken);
2'. De betrekkelijke grootte van het stroomgebied, dus de onhvik-lelivg (smalle zijde).
Zoek deze rivieren op de kaart, en geef op, in welke zee ieder er van uitloopt.
De beteekenis van eene rivier is verschillend in de verschillende deelen van haren loop. Bij vele groote rivieren onderscheidt men den bovenloop, den middelloop en den benedenloop, b.v. bij den Rijn is de 1 tot Bazel, de 2quot;' tot Bonn, de 3' tot de Noordzee. De Duitschers verdeden hunnen Rijn anders: bovenloop Bazel-Bin-gen, middelloop Bin-gen-Bonn, benedenloop Bonn-Nederland. De bovenloop is in 't hooggebergte. Plier komen uit sneeuw en gletscherijs de beken en bergstroomen voort, die in wilde vaart naar beneden bruisen en talrijke watervallen vormen. Deze zoogenaamde wilde wateren vormen allengs eene rivier, wanneer nl. door erosie het stroomdal een begrensde geul is geworden, waarin het water beperkt blijft. Langzamerhand minder woest
Amazone-rivier 7 387 000 KM*.
Mississippi
Mijl
Jangtse-kiang
Congo
Ob
Wolfja
Ganges
Donau
Bijn 197 000 KM1.
Loire Oder Bhóne Maas Schelde
27
en onstuimig wordende, draagt de stroom weldra reeds houtvlotten; maar voor de scheepvaart is do bovenloop van geen beteekenis.
Men rekent, dat de middelloop begint, als de rivier het hooggebergte heeft verlaten en den weg door middelgebergten of door een heuvelland voortzet: het dal wordt breeder , het verval en dus de stroomsnelheid geringer, de bevaarbaarheid grooter en steden verrijzen aan de oevers, vooral daar, waar de rivier eene zijrivier opneemt.
Zoek van de kaart de steden aan den middelloop van den Rijn, waar deze zijrivieren opneemt.
Heeft de rivier de vlakte betroden, dan wordt zij nog breeder en kalmer ; men onderscheidt dan veeltijds eene zomer- en eene win ter bedding (verschil?), terwijl dijken noodig zijn, om het omliggende land tegen het water te beschermen (uiterwaarden, zomerkaden). Zoowel in den benedenloop als bij den mond vormt de rivier grint- en zandbanken van 't medegevoerde gruis. Het fijnste slib bezinkt vaak eerst een eind in zee, op de plaats, waar 't rivier- en zeewater elkaar ontmoeten. Dikwijls vormt dit slib eene delta, die soms is ingesloten door verschillende mon-dingsarmen, maar ook wel met het land verbonden voorkomt, b. v. bij Ebro en Arno. Soms heeft de rivier een breed en mond, waarin bij vloed bet zeew'ater ver opdringt; dan weer heeft do rivier nauwelijks kracht, om door de duinen te breken. Velerwegen vormt zij strandmeren,, lagunen, Haffen, enz. geheeten.
De Dnjestr, Boeg en Dnjepr monden uit in trechtervormige inhammen, die men in Rusland limans noemt.
1. Zoek voorbeelden van deltavorming bij Europeesche rivieren.
2. Geef 10 breede riviermonden op, en noem de havenstad aan den mond.
Aldus hebben de rivieren de volgende beteekenis:
1. Zij zijn natuurlijke verkeerswegen (ook in 't gebergte, waar het rivierdal de weg is).
2. Aan de oevers ontstaan steden.
3. Zij hebben vruchtbaarmakende kracht en werken zelfs mede aan de gedaante der aardkorst (losmaken en meevoeren van de gesteenten). De Rijn voert hier jaarlijks 2500000 M3 slib aan!
4. In sommige landen, vooral waar de zomers droog zijn, besproeien de bewoners hunne velden; b.v. de Egyptenaren, de Chineezen in hunne laagvlakte, de Javanen, de Hindoes, e. a.
. Toen in Zuid-Spanje de Mooren eenmaal hunne irrigatie-werken hadden, lagen bloeiende tuinen, ook waar nu doodsche steppen zijn en 't zelfde geldt van de plaats, waar oudtijds de Babyloniërs leefden.
28
5. Als 't verval voldoende is, wordt de beweegkracht aangewend bij watermolens en fabrieken.
De talrijke meren in Nederland zijn bijna zonder uitzondering vroegere veen plassen. Elders zien wij A1 p e n m e r e n en k r a-termeren van uitgedoofde vulkanen; andere zijn de overblijfselen van eene vroegere zee; weer andere zijn ontstaan door rivieren, die haar weg niet tot aan zee voortzetten, doordat deze meren geene afstrooming hebben.
Vele meren zijn zuiveringsbekkens voor de rivieren.
De Kaspische zee (439000 KM2) is het grootste meer der aarde.
1. Noem de Alpenmereri.
2. Ook de groote meren om de Oostzee.
3. Waar vindt men groepen van kleinere meren?
§ 19. Gletschers. Wanneer onder den invloed der voorjaars-warmte de sneeuw op het hooggebergte begint te smelten, dan ondergaat ze eene merkwaardige vervorming. Allereerst smelten de fijne naaldjes en blaadjes aan de oppervlakte, zoodat de sneeuwkristallen omgeven worden door een laagje water, dat dan ge-
29
30
men uit. Hier vormen zij een prachtig gewelf, de gletscher-poort, waaronder troebel gletscherwater („gletschermelkquot;) stroomt, dat het ontstaan geeft aan de gletscherbeek.
De gletschers bewegen zich. Het zijn ijsstroomen, die, alle kronkelingen en bochten des dals volgende, langzaam naar beneden schuiven, 's Zomers en overdag is die beweging echter sneller dan 's winters en bij nacht. De bovenste lagen bewegen zich sneller dan de onderste, en in 't midden is de beweging grooter dan aan de kanten. Verder hangt de snelheid dier beweging af van de helling van de bedding en van tal van omstandigheden. De „Mer de Glacequot; op den Mont-Blanc beweegt zich gemiddeld jaarlijks 114 M.
De gletscher is aan weerskanten ingesloten door rotswanden. Deze verweeren, zoodat er dikwijls groote en kleine stukken steen afvallen, en die worden met den gletscher naar beneden gevoerd. Op die wijze ontstaan langs de beide kanten van den ijsstroom dijken van steenblokken, gruis en slyk. Dergelijke steendijken heeten in 't algemeen moreenen. Komen zij aan de kanten voor, dan spreekt men van zij mor een en. Het gebeurt echter ook, dat twee of meer gletscherdalen ineen-loopen, zoodat de verschillende gletschers zich vereenigen tot één grooten ijsstroom. In dat geval vereenigen zich de aan elkaar grenzende zijmoreenen tot middelmoreenen.
Door de vooruitschuivende beweging van den gletscher scheurt het ijs en ontstaan er diepe kloven en spleten (lengte- en dwarsspleten). In die spleten geraakt een deel van de randen middelmoreenen en komt eindelijk tot aan den bodem. Bovendien wordt door 't schuiven van den gletscher over den bodem veel slijk en zand gevormd. Op die wijze ontstaan tusschen den gletscher en den bodem lagen van steen en slijk, die grond-moreenen heeten.
Daar, waar de gletscher naar de zijde van het dal ophoudt, blijven de steenen liggen; zij vormen daar een boogvormigen dam, met den bollen kant naar het dal gekeerd. Die dam heet eind-moreene. Men vindt hier de verschillende steensoorten vertegenwoordigd van het gebied des gletschers. Soms treft men deze steendammen aan ver beneden liet einde des gletschers, in welk geval er een tijd geweest is, waarin de gletscher dieper dalwaarts daalde, doch zich sedert heeft teruggetrokken. De grens, tot welke een gletscher zich dalwaarts uitstrekt, kan namelijk, in verband met de verhouding van de temperatuur en de hoeveelheid gevallen sneeuw, zeer verschillend zijn. Zoo heeft de beroemde Rhone-gletscher zich in de laatste 20 jaar ongeveer 600 M teruggetrokken.
31
Er is een tijd geweest, waarin een groot deel van Europa onder gletscherijs bedolven was, en die periode draagt den naam van ijstijd. Hij viel voor in het zoogenaamde diluviale tijdperk. En de onderzoekingen van den laatsten tijd hebben in het licht gesteld, dat de keien, het grint, zand en leem van ons land en Noord-Duitschland producten zijn van de moreenen dier diluviale gletschers.
Groot ook is de rol, welke de gletschers vervullen ten opzichte van de waterverdeeling. Sommige rivieren hebben haar ontstaan uitsluitend te danken aan don regen, die in haar stroomgebied valt, b.v. de Loire en de meeste Spaansche rivieren. In den regentijd hebben dergelijke stroomen overvloed van water; maar 's zomers loopen ze soms bijna droog. De rivieren echter, welke uit gletschers ontstaan, hebben in den zomer den meesten toevoer van water. De Rijn heeft den laagsten waterstand bij vorst in den winter; bij do Maas valt de uiterste laagste waterstand in den zomer. De Rijn wordt in Nederland gedurende den zomer hoofdzakelijk gevoed door gletscherwater uit Zwitserland, doch gedurende den winter door den regen, die in zijn stroomgebied valt.
§ 20. Eilanden. Al het land op aarde is door water omringd. Eilanden zijn die landen, waar de invloed van de omringende zee zich overal binnen in 't land doet gevoelen bij het klimaat en bij den plantengroei. Zoo is Ierland een eiland bij uitnemendheid, want hoewel het in den koudgematigden gordel ligt, zijn de winters er buitengewoon zacht en de weiden altijd groen. In den regel noemt men zelfs Borneo, Nieuw-Guinea, Madagascar nog eilanden, schoon zij elk wel 2-maal zoo groot zijn als de Britsche eilanden te zamen en de vorm van de oppervlakte den invloed van de zee in sommige gedeelten bepaald tegenhoudt.
De eilanden, die dicht bij de kust van een vastland liggen, heeten continentaal-eilanden.
Zij kunnen zijn;
1. Hooge rotseilanden, b. v. bij Scandinavië; in den Griekschen Archipel; voor de kust van Dalmatië, ten W. en X. van Schotland ; ten W. van Patagonië (Z.-Amerika); voor de kust van Britsch-Columbia (N.-Amerika) en andere.
2. Lage eilanden; bij lage kusten in den regel door overstrooming van het vastland losgemaakt en nog aan veelvuldige gedaanteverandering blootgesteld; b. v. aan de Noordzeekust de Friesche waddeneilanden; aan de Fransche Westkust tusschen den Girondemond en dien van de Loire en andere.
Tot de lage eilanden behooren ook de delta-eilanden, tusschen
32
de mondingsarmen van vele rivieren en eindelijk nog de rivier-eilanden , die vooral in den benedenloop van breede rivieren veelvuldig voorkomen.
De delta-eilanden zijn doorgaans van groot belang door hunne vruchtbaarheid, doch tevens zijn ze dikwijls ongezond. De riviereilanden hebben vaak groote beteekenis voor den overgang over de rivier; vele zijn de voorbeelden, dat een riviereiland 't punt werd, waar eene groote stad ontstond (Parijs, Keulen).
De continentaal-eilanden hebben over 't geheel dezelfde flora en fauna als 't vasteland, waarbij ze liggen en waartoe zij ookethnolo-gisch (naar de bewoners) en staatkundig behooren. De Britsche en de Japansche eilanden geven voorbeelden van eilandenstaten. Zulk een eilandenstaat heeft veel natuurlijke voordeelen; behalve de vroeger al genoemde (scheepvaart en handel, klimaat) behoort daartoe ook de gemakkelijke verdediging.
De oceanische eilanden hebben over 't geheel eene natuur, die in veel opzichten van die der vastlanden verschilt. Dit geldt nog het minst van de hooge of vulkanische eilanden, omdat deze doorgaans ouder zijn dan de lage of koraaleilanden. Het aantal planten diersoorten is in den regel klein; er zijn somtijds soorten, die men op 't vasteland niet aantreft.
De beteekenis van oceanische eilanden berust vooral op hare ligging; zij dienen tot havenplaats bij de zeevisscherij, vooral voor de walvischvangst. Zeilschepen doen ze soms aan voor drinkwater , stoomschepen voor steenkool. Engeland heeft in alle zeeën zulke pnnten in 't bezit genomen (Malta en Cyprus; Perim bij de Eoode Zee; St. Helena, Ascencion, Bermudas, Falklandseil. in den Atl. Oceaan; Mauritius in den Indischen Oceaan, enz.).
Vooral de Groote Oceaan is rijk aan eilanden, waarvan de meeste het werk zijn van koraaldie ren. Sommige zijn van vulkanischen oorsprong.
Daar de rif bouwende koraaldieren niet in zeewater beneden bepaalde temperatuur leven, komen de koraaleilanden niet op hooge breedten voor; de Noordelijkste vorming zijn de Bermudas.
De riften, welke de koraaldiertjes opbouwen, komen hoofdzakelijk onder drieërlei vorm voor, nl. als kustriffen, dam-of walriffen en atollen. De kustriffen ontstaan, wanneer de koraaldiertjes langs eene ondiepe kust hunne riffen bouwen en die als met franje omzoomen. De Roode zee, Ceylon, Florida, de Nicobaren en verder alle lage kusten in de tropische zeeën zijn met kustriffen omzoomd.
De damriffen zijn in de lengte uitgestrekte koraalriffen, even-
wijdig aan de kust, havendammen in zee dus. Men vindt ze langs de kust van Niemv-Holland.
De atollen zijn cirkelvormige riffen, die eene lagune van zout ■water insluiten, en slechts 2 ;i 4 M boven water uitsteken. Veeltijds is deze rifrand moerassig en niet gesloten. In den Grooten Oceaan komen er wel 300 voor.
Op de eilanden treft men in 't algemeen bij de bewoners dikwijls nog oude gebruiken aan; ook in taal, kleeding, leefwijze herinneren ze soms aan vroegere tijden. Voorbeelden: Marken, de Xor-mandische eilanden en IJsland.
§ 21. Klimaat. De dampkring of atmospheer is het gasvormig omhulsel, dat de aarde omgeeft; de dampkringsfucfti, een mengsel van gassen, is onontbeerlijk.
Hoe hoog die atmospheer zich uitstrekt is niet met zekerheid bekend; in elk geval, vergeleken met de grootte van de aarde zelf, reikt de dampkring niet hoog; men heeft wel eens de vergelijking gemaakt met het dons ten opzichte van eene perzik.
De toestand van den dampkring, voornamelijk ten opzichte van vochtigheid en temperatuur (warmtegraad), is verschillend in verband met tijd en plaats. Men drukt dit uit door te zeggen, dat in de lucht nooit volmaakt evenwicht heerscht.
De eerste en voornaamste oorzaak van dit verschijnsel is de ongelijke verwarming door de zon. Die meerdere of mindere verwarming hangt vooral af van de breedte van de plaats, omdat de breedte bepaalt, hoe lang de zon boven den horizon eener plaats blijft en hoe hoog zij er boven stijgt.
De meerdere of mindere warmte van de lucht meet men met een thermometer in graden van Celsius, Fahrenheit of Réaumur. Vriespunt en kookpunt van water liggen bij C. 100, bij F. 180, bij Ti. 80 graden van elkaar. Dus 1° C. = F. = 4/50 R. Bij 't vriespunt staat bij C. en R. 0, bij F. 32.
De lucht wordt niet rechtstreeks door de zonnestralen verwarmd: zij ontvangt do warmte door uitstraling van de aardoppervlakte. Deze wordt rechtstreeks verwarmd, zoo als men gemakkelijk kan waarnemen door met de hand voorwerpen aan te raken, die door do zon beschenen worden. Dit verklaart, hoe de lucht dicht aan de aardoppervlakte warmer is dan in de hoogere gedeelten. Als men 100 M stijgt, daalt de temperatuur ±: '/a0 C., maar die afneming geschiedt niet regelmatig.
D. Aittox, Beknopt Leerboek, 4e druk. 3
34
De dagelijksche temperatuur wordt bepaald door 't gemiddelde van 3 waarnemingen; b.v. 's ochtends om 8, 's middags om 2, 's avonds om 10 uur. Het is verder gemakkelijk te verstaan, op welke wijze de gemiddelde temperatuur-cijfers voor de maand en voor het jaar verkregen worden.
De ongelijkmatige verwarming der lucht heeft tengevolge, dat het gewicht of de drukking der lucht evenzeer ongelijk is naar tijd en plaats en dit verschil in luchtdruk veroorzaakt de winden (stroomingen in de lucht).
De winden worden genoemd naar den hoek, waaruit ze waaien. Windroos (fig. 19).
In de gematigde luchtstreken waaien veel meer winden
in de heete luchtstreken is 't omgekeerd. De Westenwinden komen in Europa over zee; zij hebben gunstigen invloed op 't klimaat: 's zomers verlagen zij de temperatuur, 's winters verhoogen ze die; ze brengen vochtigheid aan linvloed van den vorm van 't land?. Zoo hebben Ierland , Noorwegen en in mindere mate geheel West-Europa zachte winters, geen heete zomers. Op plantengroei , dierenwereld, scheepvaart oefent dit alles natuurlijk invloed uit.
Hoe verder men zich van de kust verwijdert, hoe droger over het geheel de lucht wordt, doch in vlakke landen minder dan in bergstreken. In de laatste wordt het achter de bergen gelegen land aan den invloed van de zee onttrokken. Zoo ondervindt Zweden den invloed van den Atlantischen Oceaan niet en heeft Stockholm een geheel ander klimaat dan Bergen.
Uit het bovenstaande wordt gemakkelijk verklaard:
1. Als twee plaatsen eene gelijke jaartemperatuur hebben, hebben zij daarom nog niet eene gelijke warmte in den zomer en in den winter.
2. Wanneer men den hoogsten warmtegraad voor eene plaats in den loop van een jaar maximum-temperatuur en den laagsten stand van den thermometer minimum-temperatuur noemt, dan is
uit 't W. dan uit 't O., fig. 20;
-W^
het verschil tusschen deze beide aan zeekusten doorgaans geringer dan in het binnenland.
l
Naast temperatuur en winden behoort de regen tot het klimaat. Hierbij is niet alleen de hoeveelheid rer/en van belang; van meer gewicht is dc verdeeling van den regen over de tijden van het jaar.
Er zijn: lc. Streken, waar de regen in alle jaargetijden valt. Deze liggen vooral in de gematigde gewesten en dan aan de Westelijke kusten, b.v. in West-Europa. Zulk eene verdeeling is voor den plantengroei gunstig, vooral voor weiden en wouden.
'2'. Streken, waar de regen in een bepaald jaargetijde, den regentijd, valt. Waar deze tegenstelling tusschen nat en droog scherp uitkomt, is zonder kunstmatige beproeiing geen boomgroei mogelijk en vindt men vooral steppen, d. z. vlakten, ten deele met harde, dorre grassoorten bedekt, b.v. in Zuid-Rusland, Centraal-Azië. Doorgaans echter valt in 't droge
3*
36
regen valt, woestijnen dus. De bekendste zijn in Afrika: de Sahara en de Kalahari; in Azië: do Gobi; in Z.-Amerika: de Ata-cama,
§ 22. Klimaat van
Europa. In verband met de ligging — zoo ten opzichte van den evenaar als ten opzichte van den Oceaan — heeft Europa:
1'. een g e m a-tigd klimaat; niet zulke uitersten komen er voor als in Azië en in Amerika.
2'. Do invloed van den Oceaan is groot, dus liet klimaat is Oceanisch, vooral in het Westen : Westl.-Skandi-navië, de Britsche eilanden, West-Duitschland, Nederland, België, West-Frankrijk, N.AV.-Spanje en Portugal.
|
30' C. 20 C. lO' C. 0' C. |
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
;= öc 3 3 Z Q | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Fig. '21. Gang van de normale temperatuur te Utrecht en te Batavia. Door twee kruisjes is de gemiddelde jaarlijksche temperatuur voor beide plaatsen aangewezen: voor Batavia bijna26 en voor Utrecht bijna 10.')
Naar het Oosten neemt de invloed van de zee af en -n-ordt tevens het werelddeel meer eene gesloten massa: in Oostenrijk, Duitschland en vooral in Rusland is 'tklimaat daardoor continentaal. De groote landmassa wordt 's zomers sterk verwarmd.
') De hier opgegeven temperaturen te Utrecht zijn genomen naar de uitkomsten der waarnemingen, gedaan aan het Kon. Ned. Meteorologisch Observatorium aldaar; die voor Batavia zijn de uitkomsten van de gemiddelden over 17 jaren.
37
doch op den heeten zomer volgt een strenge winter. Deze tegenstelling in de natuur wordt in de tweede plnats veroorzaakt, doordat de lucht in Oost-Europa veel minder bewolkt is dan in West-Europa, en dus de uitstraling van de warmte veel sneller plaats heeft.
Het klimaat van W.-Europa verschilt dus van dat in O.-Europa:
1. In 't Westen valt meer regen, want de zeewinden brengen vochtigheid aan.
2. De zomers zijn in 't Westen niet zoo heet; dus: de lijnen, die plaatsen verbinden met gelijke zomertemperatuur (zomer- isothermen of isotheren), stijgen in Oostelijke richting.
3. De winters zijn in 't Westen niet zoo streng: de lijnen, die plaatsen verbinden met gelijke win ter tempera tuur (isochimenen), dalen in Oostelijke richting.
Welke belangrijke gevolgen dit onderscheid in klimaat heeft voor de bewoners in 't W. en in 't O., is gemakkelijk door voorbeelden te verklaren.
De drie Zuideuropeesche schiereilanden hebben:
1'. eene Zuidelijker ligging dan Middel- en Noord-Europa.
2. in 't N. hebben zij hooge gebergten, Pyreneën, Alpen, Balkan, die de koude Noordenwinden tegenhouden.
In Zuid-Europa zijn lange, zeer warme zomers, hier en daar zelfs heet en onaangenaam, b.v. in Centraal-Spanje. Hier heer-schen korte, zachte winters, maar in 't voorjaar waait dikwijls een gure N.-wind, do Mistral. De heete Zuidenwinden, als de Sirocco op Sicilië en in Z.-Italië, de Solano in Span je, zijn over het geheel nadeelig.
Aldus hebben we reeds 3 klimatologische gebieden: 1. het Atlantische, 2. het Sarmatische, 3. dat van de Middellandsehe zee.
Het 2 biedt door zijn groote uitgestrektheid nog zooveel verschil aan, dat we goed doen met nog te onderscheiden: a. liet gebied, hetwelk onder den invloed van de Oostzee staat of het Balti-sche; b. het Caspo-Pontische.
In 't Noorden ligt het Sub-arctische gebied, dat niet groot is en naar 't Z. geleidelijk in de gematigde gewesten overgaat.
Wat de regen verdeeling over de jaargetijden betreft, merken wij nog op:
In West-Europa regent het in alle jaargetijden, doch vooral heeft men er herfstregens. In het gebied van de Middellandsehe zee komen hoofdzakelijk winterregens voor; de zomers zijn er
droog. In Oost-Europa heeft men weinig regen, het meest in den zomer.
§ 23. Plantengroei of Flora. Deze is vooral afhankelijk: 1. van de geologische gesteldheid en 2. van het klimaat der landstreek. Daar dit klimaat bepaald wordt door ligging, horizontalen vorm en oppervlakte van het land, ziet men, dat ook de meerdere of mindere rijkdom der plantenwereld van al die omstandigheden invloed ondervindt.
Men zegt daarom, dat elke plantensoort eene bepaalde geographi-sche verbreiding heeft, binnen welke de natuur de voorwaarden vervult, die voor 'tbestaan der soort noodig zijn.
Eene belangrijke omstandigheid komt er nog bij : vele plantensoorten hebben nl. eene oorspronkelijke woonplaats, maar zijn, door den mensch of op andere wijze, buiten dat gebied overgebracht en hebben aldus eene ruimere verbreiding gekregen. Dit is b. v. het geval met vele voedingsgewassen en andere nuttige plantensoorten , die oorspronkelijk meest in Azië thuis behoorden.
Heeft de mensch aldus invloed gehad op de verspreiding dei-planten , het omgekeerde is ook het geval. Verscheidene gewassen hebben door hunne waarde den mensch uit zijn vaderland naar verre gewesten gelokt. Planten gaven stellig in niet mindere mate dan dieren en delfstoffen aanleiding tot liet stichten van koloniën in de vreemde werelddeelen: de specerijen van de Oostindische eilanden ; kostbare houtsoorten van Brazilië en Centraal-Amerika; tabak en suikerriet van de Westindische eilanden; kokosolie van de kust van Opper-Guinea (Afrika), enz.
De plantengroei kan aan de landstreek een bepaald karakter geven, b.v. bosschen, weiden, bouwland of heidevelden. De laatste zijn bijzonder eigen aan de vlakten van Midden-Europa. Toendra's vindt men in 't Noorden van Rusland en Siberië, waar de bodem een groot deel van 'tjaar hard bevroren is, en als hij ontdooit, dan is hij moerassig, doordat bij de lage temperatuur weinig water verdampt. Hier groeien slechts lage plantensoorten, o. a. rendiermos. De prairiën, vooral in Amerika, vertoonen overeenkomst met de steppen van de Oude Wereld. In de woestijnen ontbreekt de plantengroei bijna geheel.
In de allereerste plaats wordt de aanwezigheid van deze hoofdvormen verklaard uit de regenverdeeling en de besproeiing in 't algemeen.
Den plantengroei in Europa wat nader beschouwende, merken wij o. a. op;
39
1. tot bijna in 't hooge N. is boomgroei, althans aan de Westelijke kusten. Hoofdzaak is in X.-Europa naaldhout; in Midden-Europa ook loofhout, vooral eiken en beuken; in Zuid-Europa, waar eigenlijke bosscben minder voorkomen, zijn altijd groene loofboomen, zooals de laurier, olijf, cypres e. a.
2. graansoorten worden tot op hooge breedten verbouwd. Het Noordelijkst komen gerst en haver voor, wat Zuidelijker rogge, boekweit, tarwe, en in Z.-Europa zelfs maïs en rijst.
3. In Noord- en Midden-Europa komt het bij den landbouw meer aan op het droogleggen van den bodem (draineeren), terwijl in Zuid-Europa veeltijds kunstmatige besproeiing (irrigatie) noodig is. In 't N. en midden is de akkerbouw, in 't Z. vooral t u i n b o u w.
4. Aan West-Europa zijn in 't bijzonder goede weilanden eigen, in 't Oosten van het werelddeel komen reeds de steppen voor, die aan Azië herinneren.
Elk dezer punten geeft iets te denken. Zoo herinnert de boom-groei in 't hooge Noorden aan de zachte winters, terwijl de aanwezigheid van de gerst op aanzienlijke breedte 't bewijs is van vrij hooge zomerwarmte, zonder welke geen graansoort rijp kan worden.
Tot welke gevolgtrekkingen geven punt 3 en punt 4 aanleiding?
Op kaarten worden de grenzen van belangrijke gewassen aangegeven; men spreekt b.v. van de poolgrens van de gerst, van den wijnstok, enz., dat wil zeggen: de grens naar de zijde van de pool.
§ 24. Plantengebieden. De klimatologische gebieden, die wij boven bij Europa onderscheidden, zijn natuurlijk ook door verschillenden plantengroei gekenmerkt. Daar echter de plantengrenzen een zeer kronkelend beloop hebben door het werelddeel heen, komen verscheidene gewassen in meer dan een dor genoemde deelen voor.
Wanneer wij nu de hoofdpunten samenvatten in verband met ligging, klimaat, enz., kunnen wij in Europa onderscheiden:
I. Het Atlantisch gebied. Onder den invloed van den Atlantischen Oceaan heeft dit gebied een vochtigen dampkring, een veeltijds bewolkten hemel. Regen komt in alle jaargetijden voor, vooral in den herfst. Aan de hooge kusten, b. v. van Noorwegen en Schotland, valt eene groote regenhoeveelheid (2000 tot 3000 mM). De winters zijn weinig streng, de zomers weinig warm. Er zijn veel weiden en, waar eene te dichte bevolking het niet verhindert , ook veel bosschen. Boomgroei en akkerbouw vindt men tot
40
op lioogc breedten. Scheepvaart kan in allo jaargetijden plaats hebben.
In dit gebied liggen de Isothermen het verst naar 't Noorden.
II. Midden-Europa: in 't bijzonder Duitschland, Polen en Oosten-rijk-Hongari je. In vochtigheid, onderscheid der jaargetijden, enz. vormen deze landen den overgang tusschen 't Atlantische en 't Sar-matische gebied; de wisselingen in de temperatuur komen meer overeen met die in 't laatstgenoemde dan met die in 't eerste gebied. Vooral voor akkerbouw is dit gebied geschikt. In tegenstelling met het 1° gebied liggen hier de landen, die meer koren voortbrengen, dan zij verbruiken. Ook zijn hier reeds enkele wijnstreken ('t Noordelijkst komt de wijnbouw voor in Silezië), vooral in de dalen en tegen de Zuidelijke berghellingen. — Bosschen zijn er nog vele, meest op de bergen. Eindelijk is dit gebied nog gekenmerkt door heidevelden en, in Hongarije, door steppen {„poesta'squot;).
III. De Baltische landen: Zweden, Finland, de Russische Oost-zee-provinciën, de Noordelijke streken van Pruisen, 't Klimaat heeft hier, evenals in no. 2, een continentaal karakter, nl. groot verschil tusschen zomer en winter; minder vochtigheid, minder regen dan in de Oceanische landen en meer zomer- dan herfstregens. Bosschen zijn kenmerkend, vooral aan de Zweedsche en Finsche zijde. Akkerbouw komt vooral voor aan den Russischen en Duitschen kant: korenschuren, evenals in no. 2, doch geen wijnbouw meer. De scheepvaart is maanden lang gestremd.
IV. Midden-Rusland, 't hoofddeel van het Sarmatisch gebied, komt veel overeen met de beide vorige gebieden, doch met nog sterker continentaal karakter. Akkerbouw is hoofdzaak: onmetelijke velden met granen, suikerbieten en vlas. 's Winters is maanden lang alles onder de sneeuw.
V. Caspo-Pontische landen. Hier heerscht het grootste verschil tusschen zomer en winter; groote droogte (altijd nog niet zoo erg als in Centraal-Azië). In plaats van bosschen en weiden vindt men hier meest steppen; doch, waar water is, ontwikkelt zich 's zomers een rijke plantengroei, b.v. in de Krimlanden. Dit gebied is geschikt voor herdersvolken, die zich met het jaargetijde verplaatsen Vooral naar de Kaspische zijde zijn weinig steden.
Terwijl 's winters de sneeuwstorm waait, rijpt 's zomers de druif.
VI. Het mediteppane gebied. Dit gebied heeft meer zonneschijn en een geringer aantal regendagen dan West-Europa. De meeste regen valt 's winters onder eene niet lage temperatuur.
41
Overigens een onveranderlijk heldere hemel en ook daardoor hooge zomer temperatuur, 't Is het gebied van de altijd groene loof-boomen, nl. van de olijven, oranjeboomen, myrten, laurieren, cypressen en oleanders.
De binnenlanden, vooral op groote afstanden van do rivieren, lijden aan droogte en zijn alleen geschikt voor veeteelt: meer schapen dan runderen. Tegen de hellingen der bergen prijken donkere kastanjewouden, althans waar de menscli ze niet heeft uitgeroeid. Hoofdmiddelen van bestaan geven de Zuidvruchten, vooral olijven en de wijnbouw.
Gelijk we vroeger hebben opgemerkt, is hier veeltijds kunstmatige besproeiing (irrigatie) noodig: is deze verzekerd, dan liggen hielde rijkste landschappen van Europa. In plaats van akkerbouw heeft men hier tuinbouw, in sommige streken reeds rijst, in enkele suikerriet en katoen. Van groote beteekenis is de z ij d e-c u 11 u u r.
VII. Geheel het tegenbeeld van 't vorige geeft het, in Europa slechts kleine, sub-arctische gebied te zien: hier is meer nevel dan zonneschijn, en de neerslag valt meest in vasten vorm. De bodem is maanden lang hard bevroren en na ontdooiing moerassig. De plantengroei is beperkt tot mossen en schrale heesters, en waar de boomgroei afneemt, beginnen de toendra's (zie boven'.
§ 25. Verticale plantengordels. Aan de tot nu toe beschouwde plantengebieden geeft men den naam van horizontale planten-gordels; in de gebergten onderscheiden wij hoogte- of verticale gordels. Wij zagen vroeger al, hoe in de hoogere deelen van den dampkring de temperatuur afneemt en de lucht vochtiger wordt. Deze beide omstandigheden zijn oorzaak, dat men in de gebergten, al stijgende, eene zich steeds wijzigende flora aanschouwt: vooral in de heete luchtstreek ziet men op de kleinste ruimte het grootst aantal plantengordels; b.v. in de Andes van Z.-Amerika (reeds in 't begin dezer eeuw beschreven door den beroemden natuuronderzoeker Alexander von Humboldt) of in den Himalaja (eerst in de laatste jaren geheel bestegen door Russische en Engelsche reizigers).
Bij het nagaan van den plantengroei in de Alpen, den Himalaja of andere gebergten, letten we op de volgende hoofdzaken, die het aantal en de soort der plantengordels bepalen:
1. In welke luchtstreek zich het gebergte verheft, dus de breedte.
2. De volstrekte hoogte (boven den zeespiegel), die 't gebergte bereikt.
3. Aan welke zijde men zich bevindt. Dit punt is vooral van belang bij parallelketem. (Waarom?)
Aan den voet der gebergten en in de lagere deelen kan 1 a n d-bouw worden uitgeoefend; vooral de dalen zijn in dat opzicht belangrijk. Hooger komen de bosschen voor. Waar de boom-groei ophoudt, zijn nog alpenweiden. Eindelijk komen alpenkruiden, alpenrozen, edelweiss tot aanzienlijke hoogte voor: ze naderen 't gebied der eeuwige sneeuw.
Opgaven.
1. Wat verstaat men door de eniatoriale grens van den wijnstok?
2. Waarom hebben de lijnen, welke eene plantengrens aanduiden , een kronkelenden loop ?
3. De Himalaja, de Zwitsersche en de Noorweegsche Alpen zijn hooggebergten. In welke van de drie is het aantal plantengor-dels 't grootst, in welke 't kleinst, en waardoor?
4. Aan welke zijde van de Alpen, N. of Z., is de plantengroei 't weelderigst en waardoor?
§ 26. Dierenwereld of Fauna. Ook de diersoorten hebben eene geographische verbreiding. Deze is o. a. afhankelijk van het klimaat en van hetgeen het dier voor zijn voedsel vereischt. Hieruit volgt dus al dadelijk, dat het aanwezig zijn van vele diersoorten nauw samenhangt met den plantengroei van eene landstreek. (Geef voorbeelden hiervan.)
Maar uit de twee genoemde zaken kan men nog niet tot het karakter van de dierenwereld in een land besluiten, omdat, evenals de planten, ook de meeste diersoorten eene oorspronkelijke woonplaats hebben, d. i. eene streek, waar zij meer bepaald thuis behooren, en vanwaar zij naar elders verbreid zijn. Zoo b.v. ivas Azië van alle werelddeelen het rijkst aan nuttige diersoorten; Australië bezat bij de eerste kolonisatie bijna uitsluitend diervormen , die nergens elders voorkwamen; de dieren van het Westelijk halfrond verschillen over 't geheel veel van die op 't Oostelijke.
Invloed van den mensch op deze verbreiding. Vooral de nuttige diersoorten zijn door den mensch overgebracht naar andere landen. Amerika had bij de ontdekking paard noch rundvee, en thans is liet ontzaglijk rijk aan die diersoorten. Australië, thans eene eerste markt voor den uitvoer van wol en vleesch, kende in 't begin dezer eeuw noch het schaap, noch het rund. Het aantal van dergelijke voorbeelden is gemakkelijk te vermeerderen.
43
Flora en Fauna op eilanden midden in de oceanen hebben hun aanzijn soms geheel aan den mensch te danken. Elders zijn zij, gelijk b.v. in Australië, op Niemv-Zeeland, enz., bijna volkomen gewijzigd, en hebben de inheemsche vormen voor de vreemde plaats moeten maken.
Voorbeelden mn het omgekeerde. Omgekeerd hebben ook de diersoorten invloed op de verbreiding der menschen uitgeoefend. De walvisch lokte naar de IJszeeën; zelfs werd door Hollanders op Spitsbergen eene vaste nederzetting gesticht (Smeeren-burg) in 1018, dus 1 jaar vóór de stichting van Batavia in 't verre Oosten. Door de verplaatsing van de weidegronden van den walvisch werd S. verlaten. De pelsdieren van Siberië, vooral sabeldier en hermelijn, veroorzaakten den verbazend snellen tocht van de Russen door dat onmetelijke gebied tot aan de Boringstraat (16e en 17c eeuw). En evenzoo in 't N. van Amerika, in de landen om de Hudsonsbaai, waar de bever waarde genoog bezat, om de jagers alle bezwaren te doen trot-seeren en forten te doen bouwen tegen de Indianen-stammen. Eerst in de laatste jaren worden die landen wat meer geregeld onderzocht en in enkele streken beginnen kolonisten den bodem te ontginnen.
Wilde dieren komen in Europa weinig meer voor: in 't Oosten de wolf, talrijk, tot in Hongarije en Duitschland; in de bergstreken van Corsica, Sardinië en Morea het wilde schaap; de gems en de steenbok in de Alpen, de Py ren een en den Kau-kasus; herten en wilde varkens in steeds geringer getal in sommige middelgebergten; de bruine beer in enkele bergstreken, b.v. de Karpaten; liet rendier in 't N. van Rusland en Skandinavië, ook als huisdier bij de Lappen; maar eene Lappen-familie dient, om van veeteelt te kunnen bestaan, minstens 100 stuks rendieren te bezitten.
Zonder bepaalde diergordels in Europa te onderscheiden, merken we op, dat het rundvee het best thuis behoort in de Noordzeelanden en op de Alpenweiden; paarden in de Noordzeelanden, Midden-Europa en Oost-Europa; in Z.-Europa meer ezels en muildieren; schapen, hoofdzakelijk om de wol — maar in sommige landen evenzeer om 'tvleesch —• in Spanje, Apulië, Midden-Duitschland, Engeland, enz.
De Europeesche zeeën zijn rijk aan visch. Bepaald van betee-kenis voor den mensch zijn: kabeljauw, langs de N.-kusten van Skandinavië (stokvisch, levertraan); haring, aan de W. en Z.-Skandinavische en aan de Schotsche kusten; tonijn in de Mid-dellandsche zee; steur in de Kaspische zee.
44
§ 27. Menschenwereld. Het geheel aantal menschen wordt tegenwoordig geschat op 1400 a 1500 millioen, waarvan meer dan de helft in Azië. Van de overblijvende kleinere helft wonen er in Europa meer dan elders te zamen.
Azië 830 millioen, N.-Amerika 87 millioen,
Europa 373 „ , Z.-Amerika 36 „ ,
Afrika •) 170 „ , Australië met Oceanië G „ ,
Uit dit overzicht volgt al dadelijk, dat de dichtheid van bevolking in de 5 werelddeelen lang niet dezelfde is.
De bewoners van de verschillende deelen der aarde zijn zoo in vele opzichten van elkaar onderscheiden, dat eene verdeeling in hoofdafdeelingen of menschenrassen uiterst moeilijk is. Verschil in de natuurlijke gesteldheid der woonplaats en, in verband hiermede, in bezigheden, middelen van bestaan, voeding, historische lotgevallen (invloeden van anderen) hebben in den loop der tijden een zeer groot onderscheid veroorzaakt.
Vroeger nam men de huidkleur als grondslag eener verdeeling, tegenwoordig meer de taal en den vorm van het haar. Deze laatste is o. a. de grondslag der verdeeling van Hi'ickel en Müller, welke thans meest wordt gevolgd Ieder haartje van ons hoofd heeft den vorm van een cilinder; snijdt men het door, dan is het vlak van doorsnede eene cirkelvormige opening. Een hoofdhaar van een neger is daarentegen meer plat, min of meer lintvormig, en de doorsnede vertoont eene langronde opening. Hi'ickel en Müller verdeelen nu op grond daarvan de menschen in 2 hoofdgroepen, nl. gladharigen (cilindervormige haren) en wol harig en (platte haren'. Bij de gladharigen nu hangt het haar of sluik neer, of het vormt min of meer krullende lokken. De gladharigen kunnen dus onderscheiden worden in sluikharigen en lokharigen. Van de wolharigen hebben sommige rassen het hoofd met eene gelijkmatige vacht of vlies bedekt, terwijl bij andere de haren meer bosjes vertoonen. Vandaar de onderscheiding der wolharigen in bundelharigen en vliesharigen.
l) De opgave voor Afrika is 'tonbetrouwbaarst.
45
Hier volgt de volledige verdeeling:
( 1. Hottmtotten. (Z.-Afrika.)
1 U.XX VI V/X X XgVXl. 1
I 2. Papoea s. (Nw.-Guinea, enz.).
Wolharig'en.
Sluikharigen.
Gladharigen,
Lokharigen.
i 1. Negers. (Afrikaj.
' 2. Kaffers (Z.-Afrika).
1. Australiërs. (Nw.-Holland).
2. Poolvolken. (Nd. van Azii1 en N.-Amerika).
3. Amerikanen of Indianen. (N.-en Z.-Amerika).
1 4. Maleiers. (Insulindc, enz.).
5. Mongolen. (Hidden en Oost-* Azië, klein deel van Europa).
SI.I. Dravida's. (Dekan en Ceylon).
2. Ha/mieten. (Sahara en Nijl-landen).
^ 3. Middellandsche zee-volken. (Europa, Voor-Azië en Nd.kust v. Afrika).
Bundelharigen. ] Vliesharigon
Onder deze 12 groepen z.ijn er drie, welke door getalsterkte zoowel als door lichamelijke en geestelijke ontwikkeling de andere in de schaduw stellen. Het zijn de Middellandsche zee-volken (600 mill.), de Mongolen (000 mill.) en de Negers (130 mill.). Dc overige 9 rassen tellen samen misschien niet meer dan 120 millioen.
Met uitzondering van de Dravida's vat men de lokharige gladharigen samen onder den naam van Middellandsche ras, en dit ras verdeelt men in 4 stammen, nl. 1. do Indo-Germanen (Ariërs), 2. de Semieten, 3. de Hamieten en 4. de Kau-k a s i ë r s.
§ 28. Bewoners van Europa. Slechts een zeer klein gedeelte van Europa's bewoners zijn Mongoolsche volken. In hoofdzaak wordt Europa bevolkt door Indo-Germanen, zoo geheeten naar de Indiërs of Hindoe's in Voor-Indië en de Germanen in West-Europa. Alle volken van dezen uitgebreidon stam behooren bijeen
40
door de verwantschap der talen, welke door hen gesproken worden. Zoo behooren tot de Indo-Germaansche of Arische talen: 1. de Perzische en een deel der Indische talen, 2. de Keltische talen, 3. de E o m a a n s c h e talen, 4. het Grieksch, 5. de G e r-maansche talen, 6. de Slavische talen.
De indeeling der bevolking van Europa blijkt nader uit het volgende overzicht.
1. Kelten. (3 mill.)
2. Romanen. (109 mill.)
3. Germanen. (110 mill.)
4. Slaven. (107 mill.)
j 5. Albaneezen. (l3ji mill.) in Albanië.
Middellandsche ras. ( 0. Grieken. (3 mill.) in Griekenl., Macedonië, Thessalië en Epirus,
7. Armeniërs. (1 mill.) in Turkije en Rusland.
8. Letten. (3'/a mill.) in Litauen, Koerland en Zuidel. Livland.
9. Semieten (Israëlieten). (6'/2 mill.)
Mongolen.
1. Finnen: a. (5 mill.) Finnen, Esten, Lappen,
Wolga-Finnen en Samojeden; h. (61/2 mill.) Magyaren of Hongaren.
2. Turken: a. (2 mill.) Turken of Osmanen;
b. (3'/a mill.) Tataren (vooral in Kazan), Kirgiezen (ten N. v. d. Kasp. zee), Basjkiren (ten O. van Kazan), enz.
3. Kalmukken (130000) (Zuidel. v. d. beneden-Wolga).
De Basken (550000), in dc West-Pyreneën, nemen eene afzonderlijke plaats in. De Zigeuners (misschien 2 mill.) zijn zwervend.
De Keltische volken bewoonden eenmaal West- en een groot deel van Midden-Europa. De voornaamste afdeelingen waren de
47
Galliërs en de Britten. In de dagen van Julius Cesar luidden zij hun bloeitijd al achter den rug. De Gallische volken werden geheel geromaniseerd, d. i. kwamen onder den invloed van de Romeinsche beschaving. De Britten werden wel door de Romeinen onderworpen, doch behielden hun taal, zeden, enz. Later, in de tijden van de volksverhuizing, kwamen Germaansche volken naar Brittannië, en zoo werden toen de Britten meerendeels gegermaniseerd. Slechts in de bergen van Wales, in West-Ierland en in Noord-Schotland bleven Keltische taal en gewoonten voortleven. Ook gaven Britsche vluchtelingen aan N.W.-Gallië den naam van Bretagne (Brittannia minor'.
De Romaansche volken {Italianen, Spanjaarden en Portugeezen, Franschen, Roemenen) bewonen landen, die eenmaal niet alleen een deel van 't Romeinsche rijk uitmaakten, maar ook in zoodanige mate zijn gekoloniseerd geworden, dat de taal der bewoners onder den invloed van het Latijn is gevormd.
De Germanen zijn: Duitschers, Oostenrijkers, Denen, Scan-dinaviërs (w. o. de IJslandcrs), Engelschen, Nederlanders, Vlamingen.
Bij de Slaven vormen de Russen eene hoofdmassa. Verder zijn er verschillende Slavische volken in Oostenrijk-Hongarije en in het Z.O.-Europeesche schiereiland.
In 't algemeen verdeelt men de Slaven in Noord- en Zuid-Slaven. De Zuid-Slaven wonen ten Zuiden van denDonau, b.v. de Boelgaren en de Serviërs. Onder de Noord-Slaven zijn de Roethenen, die in Noordelijk Hongarije en in Oost-Galicië wonen, het minst beschaafd.
Germanen.
!--1
Rornanen.
I--i
Slaven.
De anderen.
Bevolking van Europa, naar de getalsterkte voorgesteld.
De Romanen wonen dus vooral in Zuid-Europa, de Germanen in 't midden en Noorden, de Slaven in 't Oosten. Eenmaal heerschten de Slavische volken verder naar het Westen, tot de Elbe; doch sedert de 10e eeuw drongen de Germanen hen steeds meer terug, zoodat nu de Weichsel de grens aanduidt. De Ger-
48
manen zijn meestal Protestantsch, de Komanen Roomsch-Katho-liek en de Slaven Grieksch-Katlioliek.
De Slaven staan op een veel lageren trap van beschaving dan de Germanen en Romanen. Tot in onze dagen hebben zij eene veel minder belangrijke geschiedenis achter zich. Onder de Komaansche volken zijn er, wier bloei achter hen ligt, vooral b.v. de Spanjaarden. De Germanen zijn in onzen tijd in veel opzichten de belangrijkste volken. Zij doen zich gelden in Europa en daarbuiten, op de zeeën en in de vreemde wereld-deelen. Hunne koloniën in Oost en West zijn 't bewijs, hoe de Germanen onder elke natuur kunnen leven en overal geestelijk boven de andore volken staan.' En zelfs ontwikkelde een dier koloniën sedert eene eeuw zich tot een zelfstandigen staat, die op 't gebied van handel, scheepvaart, nuttige uitvindingen met de staten van Europa kan wedijveren. Die staat, de Noordameri-kaansche ünie, wordt wel eens het land der toekomst genoemd.
DERDE HOOFDSTUK.
EUROPA.
29. Overzicht.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. |
50
Vergelijkend overzicht van de bevolking der zes groote mogendheden:
| | Rusland (103 millioen.)
| | Duitsche Rijk.
| j Oost.-Hongarije.
| | Gr.-Brittannië en Ierland,
| | Frankrijk.
| '| Italië (31 millioen).
Half Europa.
Êü ü P 0 o
Portugal. Griekenland. Zwitserland. Denem. Nederl.
Fig. 24. Groepeering van Europeesche staten naar de grootte der oppervlakte.
Daar de volgorde der staten naar de grootte en naar de bevolking zeer verschillend is, moet de dichtheid der bevolking (het aantal der inwoners op 1 KM2) zeer uiteenloopen. Over het algemeen is de dichtheid het geringst in Oost- en Noord-Europa, het sterkst in Midden- en in West-Europa. Echter moet men wel in aanmerking nemen, dat in groote staten vaak uitgestrekte gebieden met bijna geen menschen tegenover tamelijk dichtbevolkte deelen staan, zoodat het gemiddelde cijfer een slecht beeld geeft van zulk een land.
De bevolkingsdichtheid geeft een denkbeeld van de meerder of minder gunstige natuurlijke gesteldheid van het land. Fig. 22 ziende, begrijpen wij, dat Europa in veel opzichten gunstiger natuur moet hebben dan de andere werelddeelen. Vooral ligging en klimaat zijn hierbij hoofdfactoren. Het lage cijfer van Amerika moet b.v. voornamelijk worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat eerst
•51
in den Nieuwen tijd de kolonisatie van dat werelddeel begon, wat een gevolg was van de afgezonderde ligging; daarom wordt het ook Nieuwe Wereld genoemd, in tegenstelling van Azië, Europa en Afrika.
Landen, die in Europa ongeveer juist de dichtheid van 't werelddeel zelf weergeven, zijn b.v. het Iberische en het Grieksche of Z O.-Eur. schiereiland. Rusland, Zweden, Noorwegen en Finland staan ver beneden dit gemiddelde. De overige landen kunnen dus in Europa weer het dichtst bevolkt heeten; b.v. Groot-Britt. en Ierland, Italië, elk ruim 3 x 't gemiddelde cijfer; Duitschland, Frankrijk, Oostenrijk-Hongarije, 21 z a 2 x idem.
De kleine staten, als Nederland, België, Denemarken, Zwitserland, zijn slechts een zóó gering deel van Europa, dat hun cijfer geen gewicht in de schaal legt.
§ 30. Toepassing. Zooals uit het tot hiertoe behandelde reeds is kunnen blijken, kan men bij de aardrijkskundige beschouwing van een land de volgende zaken nagaan:
1. Ligging, zoowel met betrekking tot den evenaar als tot de werelddeelen en zeeën.
2. Vorm en wijze van begrenzing (horizontale vorm).
3. Oppervlakte (verticale vorm) en samenstelling van den bodem (geologie).
4. Besproeiing.
•5. Klimaat.
6. Plantengroei.
7. Dierenwereld.
Bij de bespreking van elk dier onderdeelen moet het doel ziju: nagaan, welke beteekenis het voor de menschen, die in liet land wonen, heeft gehad en nog heeft. Voor een groot deel kan men dan uit de natuur van het land verklaren, wat de bewoners moesten worden, hun bestaan, den trap hunner ontwikkeling, de dichtheid van de bevolking.
Voorbeelden :
De Eskimo's en de overige bewoners der Poolgewesten; de Be-douïnen in de binnenlanden van Arabië en de Touaregs in de Sahara; de Indianen in de jachtvelden van Amerika (vóór de groote uitbreiding van de Europeanen in Amerika); de herdersvolken van de steppen van Azië of in de Hongaarsche poesta; en andere voorbeelden, die even duidelijk spreken.
.Wij zeiden voor een groot deel, want geschiedkundige gebeurtenissen kunnen dikwijls een belangrijk wijzigenden invloed uitoefenen. Dat b. v. in Spanje welvaart en bevolkingsdichtheid niet geëven-
4-
52
redigd zijn aan de natuur en de hulpbronnen van het Spaansche land, is ook te wijten aan den staatkundigen toestand, die daar sinds eeuwen heerscht. Nog veel meer is dit het geval in het Oostelijke van de Zuid-Europeesche schiereilanden, waar ouder de eeuwenlange heerrohappij van de Turken de bodem werd verwaarloosd en het volk onderdrukt. Nu de staatkundige toestand daar veranderd is en, sinds een halve eeuw, zelfstandige staten zich ontwikkelen, komen de gevolgen duidelijk aan den dag.
KONINKRIJK BELGIE. V^.
-
(29 500 KM2; 6 410 000 inwoners).
o, '• ^ ..
r-1. Geef de staten op, tusschen welke België is gelegen.
0 2. Waar zijn natuurlijke grenzen?
3. Welke provinciën grenzen aan Nederland; welke aan Pruisen; «elke aan Frankrijk?
4. Welke provincie ligt in 't midden des lands? Door hoeveel provinciën wordt ze begrensd?
Aan welke rivieren liggen de provinciehoofdsteden ?
§ 31. Ligging en horizontale vorm. De ligging van België tusschen belangrijke landen, als Engeland, Frankrijk, Duitsch-land en Nederland, is zeer voordeelig voor handel en verkeer. Belangrijke verbindingswegen tusschen de genoemde landen leiden door België. In den loop der tijden waren de Zuidelijke Nederlanden bij herhaling een oorlogsveld.
Eene zeemogendheid was België nooit; het mist natuurlijke havens en riviermonden. De kust heeft hetzelfde karakter als bij ons; men vindt er duinen, strand, zandbanken. De duinen beveiligen niet overal de lage polders van West-Vlaanderen op voldoende wijze tegen overstrooming. Vandaar, dat bij Blankenberge kostbare zeeweringen zijn aangelegd. De Scheldemond werd voor België gesloten en de pogingen in verschillende tijden gedaan, om eene goede haven te maken en den zeehandel te ontwikkelen,
leden schipbreuk. In de laatste halve eeuw ontwikkelde Antwerpen zich echter tot eene der eerste havensteden van Europa's vastland (zie beneden).
Dat over Ostende een levendig personenverkeer gaat (3 keer in 't etmaal), dankt het aan de gunstige ligging tegenover Engeland: Dover-Ostende-Gent-Brussel-Luik-Aken-Keulen en verder.
Brugge had eenmaal in Sluis eene voorhaven aan het Zwin;
♦
A
53
maar deze inham is verzand. Gent heeft een vrij belangrijk over-zeesch verkeer; het heeft kanalen naar Terneuzen en Ostende.
Nieuw poort en Blankenberge zijn visschersdorpen.' Ostende is eene levendige badplaats aan de Noordzee, waarmee Scheveningen moeielijk concurreert. Maar ook Blanke n-berge is eene drukke badplaats. Bovendien trekt Heyst tal van badgasten.
Ook als koloniale mogendheid speelde Belgiü nooit eene rol. In 1885 werd op een „Congres te Berlijnquot; de Congo-staat erkend en werden de grenzen van dien staat, in 't bijzonder met Portugal, geregeld. Tussolicit dien Congo-staat en Belgiü bestaat tot dusver alleen eene „Personeele üniequot;, d. w. z. zij hebben denzelfden Vorst. Maar 't zal wel niet lang meer duren, of de Congo-staat wordt eene Belgische Kolonie.
§ 32. Bodem en rivieren. Naar de hoogte en den vorm van den bodem bestaat België uit:
1. Een hoog en oneffen gedeelte, de Ardennen, in het Z.O.;
2. Een laagland in het Noorden en Westen.
De overgang is geleidelijk en wordt gevormd door heuvelland 02) den linkeroever van Sambre en Maas.
Het dal van de Sambre tot Namen en verder dat van de Maas geeft eene natuurlijke grens tusschen de beide doelen aan.
1. In welke provinciën is de bodem laag en vrij vlak V. ■
2. In welke hoog en oneffen?
•3. In welke vormen heuvellandschappen den overgang?
4. Welke richting beeft het dal van Sambre-Maas? Cquot;
De natuurlijke verdeeling van België is hoogst belangrijk: gelijk overal gaat met dit verschil in bodem eene tegenstelling gepaard in voortbrengselen, in bezigheden van de bewoners, in bevolkingsdichtheid, verdeeling over stad en land, enz.
De Ardennen, 't Spreekt vanzelf, dat het berg- en heuvelachtig België veel schooner natuur heeft dan het vlakke land. De Ardennen worden tegenwoordig veel bezocht, zoowel in Belgisch-Luxemburg, als in het Groothertogdom. De reiziger vindt echter nog weinig gemak, ofschoon de toegankelijkheid in de laatste jaren veel beter geworden is door den aanleg van spoor- en straatwegen, 't Algemeen karakter is woest; er zijn donkere bosschen en liefelijke dalen. Tot de meest gezochte plekjes behooren: het dal van de Our the; de omstreken van la Eoche; het romantische dal van de Lesse; de grotten van Han en Roche fort. In 't Groothertogdom worden de onbeduidende plaatsen Diekirch, Echter-nach en Vianden tegenwoordig nog al bezocht. Diekirch
54
is meest het station voor de touristen. De stad Luxemburg is door eene schoone ligging bekend.
De Ardennen verheffen zich het hoogst in de Baraque Michel (674 M). 't „Gebergtequot; draagt zijn naam in zooverre onjuist: 'tis meer eene „hoogvlaktequot;, met enkele ronde toppen en diep ingesneden dalen. Dc barre, eenzame plateau's der Ardennen bestaan uit leisteen en grijzen zandsteen, afgewisseld met strooken van kalksteen, waarin de reeds genoemde druipsteengrotten van Han en Rochefort liggen. Bijzonder arm zijn de Hautes Fagnes (= hooge venen). „Naakte rotsen steken er het hoofd op uit eentonige heidevelden, magere weiden, brem- en jeneverstruiken, terwijl in de moerassige kommen mos en rietgrassen hooge venen vormen.quot; In den laatsten tijd wordt echter veel aan boschaanplanting gedaan. Een milder natuur vindt men in le Condroz. Velerwegen is liet Ardennenland met dichte bosschen bezet. In de dalen treft men goede weiden aan, waaide schapenteelt van belang is, b.v. in 't land van Herve.
Het lage land van België is vruchtbaarder. In de Vlaanderens en in Noordelijk Henegouwen liggen de alluviale gronden. Do kleigronden zijn eene voortzetting van onze Hollandsche en Zeeuwsche gewesten, vooral in het land van Waes (= slijk), den „tuin van Vlaanderen.quot; Niet altijd was de bodem hier vruchtbaar: eens waren ook hier groote moerassen en wouden.
Deze alluviale gronden gaan naar 'tOosten over in diluviale zandgronden: de Kempen of la Campine (Conscience), eene golvende vlakte, de voortzetting van onze Nederlandsclie Kempen in N.-Brabant. 't Zijn onvruchtbare gronden, maar hier en daar al uitstekend ontgonnen. In geen land wordt meer voor de ontginning en vruchtbaarmaking van den bodem gedaan dan in België. Dc landbouw staat op zeer hoogen trap en is in de Vlaanderens voor een groot deel in tuinbouw overgegaan.
Vruchtbaar is ook het Hersbaysche land, met zijne diluviale klei (löss). Dit is eene voortzetting van gelijke formatie als in ons Zuidelijk Limburg. Tarwe, suikerbieten en ooft zijn hier hoofdvoortbrengselen. Daar de diluviale klei rust op lagen van kalk- en zandsteen, vindt men in hot lössgebied tal van steengroeven.
§ 33. Ten aanzien van de beide rivieren van België, de Schelde en de Maas, en haar stroomgebied, merken wij op:
1. De Schelde is de rivier van de vlakte, de Maas van het berg- en heuvelland; de eerste is als zoodanig beter bevaarbaar dan de tweede.
2. Van de Schelde ligt het mondingsgebied vlak bij België en al bezit België den mond niet, toch heeft Antwerpen in verschillende tijden als eene Noordzeehaven kunnen gelden; de Maas heeft den benedenloop, dus 't belangrijkste deel, in Nederland.
3. Beide rivieren zijn door kanalen met het Seinegebied in Noord-Frankrijk verbonden; de Maas staat bovendien met het Moezelgebied in verbinding.
4. Elk van de twee neemt in België eene vrij belangrijke linker-zijrivier op: de 1« bij Gent dede 2quot; bij Namen de.
5. Het Maasgebied heeft meer delfstoffen en daardoor berg-bouw en metaal-industrie; in 't Scheldegebied bloeit de textiel-n ij verheid.
6. Het Scheldegebied is vruchtbaarder dan 't Maasgebied, doch 't laatste is veel rijker aan natuurschoon.
7. Het Scheldegebied is in hoofdzaak Vlaamsch (uitgezonderd de provincie . . /.'7het Maasgebied Waalsch.
Talrijke kleine rivieren besproeien het land, dat bovendien nog door vele kanalen doorsneden wordt; in 't alluvium zijn deze even veelvuldig als bij ons in Nederland, tot afwatering en tot gemeenschap tusschen de dorpen. Onder de grootere kanalen merken wij de Z.-Wi 11 ems vaart op, die door Limburg is gegraven en waarin een kanaal uitkomt, dat de Belgische Kempen doorsnijdt en bij Antwerpen in do Schelde leidt (Kempenkanaal).
Verder zijn van belang;
het kanaal Maast rich t-L u i k;
„ „ C harleroi-Brussel;
„ „ van Leuven (tot de vereeniging van Dyle en Senne);
„ „ van Willebroek (Brussel tot de Rupel);
„ „ Ge n t—T er neuzen;
„ „ Ge n t—B r u g g o—O s t e n d e.
§ 34. Bewoners en middelen van bestaan. België geeft het voorbeeld van een jrtlmologisch gemengden staat; hier raken elkaar twee volken: 1. de Walen; 2. do Vlamingen. De eersten spreken Fransch, en naderen in karakter de Franschen; de Vlamingen zijn Germanen, hunne taal is een dialect van het Neder-duitsch, doch in den laatsten tijd verheft dat dialect zich tot eene taal, die ijverig wordt beoefend en waarin zich eene letterkunde ontwikkelt (emancipatie van het Vlaamsch; Concience e. a.).
De taalgrens loopt in eene West-Oostelijke richting een paar uur ten Z. van Brussel, zoodat wij 4 Vlaamsche, 4 Waalsche en 1 gemengde provincie zien. Brussel zelf, schoon in 't Vlaamsche België, is meer Fransch.
56
Bovendien spreekt in -Luxemburg en Luik een groot deel der bevolking Daitsch: Arlon kan een Duitsch stadje heeten.
In den godsdienst bestaat deze scheiding niet: België is een Katholiek land; Mechelen is eene belangrijke stad voor de geestelijkheid, Leuven door zijne Katholieke Universiteit.
57
België is, evenals ons land, eene constitutioneele monarchie. Er zijn ook twee kamers, nl. het Huis der Senatoren en het Huis der Afgevaardigden. Ieder burger, die 25 jaar is, heeft het kiesrecht en jpQgt er gebruik van maken. Sommige groepen van personen brengenquot; 2 of 3 stemmen uit: men heeft er het meervoudig kiesrecht.
De landbouw wordt overal sterk gedreven en is hoofdzaak op 't platteland van Vlaanderen en in Hesbaye. De voornaamste producten zijn over 't geheel dezelfde als in onze Zuidelijke provinciën; nl. haver, tarwe, rogge, aardappelen, spelt, gerst, vlas, meekryi, suikerbieten, koolzaad. Voedingsgewassen brengt de bodem niet voldoende op, in verband met de dichte bevolking, zoodat veel moet worden ingevoerd. In een groot deel van Vlaanderen is de landbouw in tuinbouw overgegaan. In het Maasdal wordt aan wijnbouw gedaan.
De veeteelt staat niet zoo hoog als in ons land. In de Vlaan-d e r e n s en H e n e g o u w e n is 't meeste en beste rundvee. Ook in het land van Herve bloeit de rundveeteelt. In de Kempen vindt men veel schapenteelt De wol der schapen is hoofdzakelijk alleen voor grovere lakens. De paarden der Ardennen zijn klein, doch sterk. Varkens zijn overal in grooten getale, vooral in Luxemburg.
| | Bouwland en tuingrond (41),'! 0 „).
j | Groenland (20 u/().
| | Bosehland (16,G %)•
| | Woeste grond (8,7 %).
Het mijnwezen levert, vooral in het dal van Sambre en Maas, eene aanzienlijke hoeveelheid stefinknlen en jjzer op. StoenkooP vooral in Henegouwen. Namen en Luik. België behoort nief~ Engeland, Frankrijk en Duitsehland tot de eerste steen koollanden. Ijzererts, 't meest in Luxemburg. Lood, koper, zink.
Talrijke steensoorten: in Luxemburg, Namen, Z.-Henegouwen en Z.-Brabant; b. v. marmer, kalk, zandsteen, lei.
Veel meer dan bij ons, is — o. a. ten gevolge van den steenkolen-rijkdom — in België industrie eene hoofdzaak: bij de Vlamingen bloeit de fabricatie van wollen, katoenen en linnen stoffen, bij de Walen bergbouw en metaalindustrie. Bij Mons wisselen tal van steenkolengroeven en ijzerhutten elkaar af. De Sambre stroomt door eene streek van kolenmijnen. iizermiinen en glasblazerijen: bet, dal van de Maas geeft de richting aan, waarin dit alles eene voortzetting vindt.
58
België is kleiner dan Nederland, maar België heeft meer inwoners. België is dus dichter bevolkt: 't is het dichtst bevolkte land van Europa.
Vergelijking van de bevolkingsdichtheid op 1 KM1 in de Belgische en een paar van de Nederlandsche provinciën:
Brabant....... 340. Geheel België. . . 217.
Z.-Holland......315. „ Nederland . 145.
Oost-Vlaanderen .... 318. Limburg.......93.
Henegouwen..... 284. Namen.......93.
Luik........ 236. Drente........49.
West-Vlaanderen .... 218. Luxemburg......49.
§ 35. PlaatsbesehPiiving'. België heeft veel steden en veel welvarende dorpen, in welk opzicht het bv. met Saksen en Lombar-dije overeenstemt; er zijn 4 steden, die meer dan 100000 inwoners hebben, nl. Brussel, Antwerpen, Gent en Luik.
Brussel (508)') bestaat uit de bovenstad (het Zuidelijk deel, Fransch) en de benedenstad, waar meer Vlaamsch wordt gesproken. De bovenstad is de zetel van het hof, de regeering, de aristocratie; eene mooie stad met vele nieuwe gebouwen, w. o. vooral het Paleis van Justitie. Brussel mag in veel opzichten Klein-Parijs heeten. De benedenstad is meer de zetel van het nijvere gedeelte der bevolking; allerlei takken van industrie, vooral op 't gebied van luxe, moeten daar worden gezocht; rijtuigen en meubels, machines, kanten, tapijten, linnen en katoenen stoffen.
In 't midden van deze eeuw werden de vestingwerken van Brussel geslecht. Daardoor werden de voorsteden, o. a. Schaer-beek, meer direct met de stad verbonden, zoodat sinds dien tijd 't bevolkingscijfer voor Brussel over 300000 klom.
In plaats van de wallen zijn breede boulevards gekomen. Bij de stad ligt het schoone Bois de Cambre, een park, en voorts het koninklijk lustslot La eken.
Aan de Zuidzijde van de hoofdstad begint het Soniën-bosch, dat tot Waterloo reikt. De vlakte bestaat daar verder uit golvend terrein, meest heide of bosch met hier en daar eene hoeve. Herinneringen aan den grooten slag zijn er bijna geene; op een der heuvels staat de Leeuw van \V a t e r 1 o o, gegoten uit het brons der veroverde kanonnen.
i
tallen aan.
59
De hoofdwegen van Brussel uit zijn:
1. Brussel — Meehelen — Antwerpen — Essehen — Rozendaal —
Moerdijk — Rotterdam — Den Haag — Amsterdam.
2. Brussel — Parijs.
3. „ — Gent — Brugge — Ostende.
4. „ — Leuven — Luik — Verviers — Aken — Keulen.
5. „ — Namen — Luxemburg — Metz.
Antwerpen (313) is eene der eerste koophavens van het vasteland van Europa, schoon België zelf bijna geen handelsvloot bezit en de handel bijna geheel onder Engelsche vlag gedreven wordt.
De Schelde is bij Antwerpen bijna 700 M breed, en eb en vloed zijn daar nog merkbaar, zoodat de grootste zeeschepen kunnen binnenkomen.
Onder de invoerartikelen is ruwe katoen (boomwol) van belang, niet alleen voor de Belgische industrie, maar ook voor de fabrieken van de Pruisische Rijnprovincie; verder veel petroleum, granen, huiden en koloniale waren. Al die artikelen worden te Antwerpen gelost en verder naar verschillende Euro-peesche steden verzonden. Antwerpen is a. h. w. een groot entrepot. Vele landverhuizers naar Amerika vertrekken van Antwerpen.
Bij weinig steden was de beteekenis in onderscheiden tijdvakken der geschiedenis zoo verschillend als bij Antwerpen. In den graventijd kwam het langzamerhand op, tot liet in de 1° helft der 16« eeuw het toppunt van zijn bloei bereikte. Toen was 't de grootste koopstad van Noord-Europa, gelijk Venetië van 't Zuiden. Doch in den aanvang van den SO-jarigen oorlog ging zijne beteekenis over op Amsterdam, en het zou lang duren, eer Antwerpen weder eene groote koopstad werd. Toen de Zuid-Nederlanden in de 18c eeuw onder Oostenrijksche heerschappij waren, zijn tot twee malen toe pogingen gedaan, om Antwerpens handel en scheepvaart op te heffen, o. a. door Jozef II; doch eerst in onze dagen, nadat België vrij geworden was, begon Antwerpen opnieuw te bloeien.
Ofschoon door Europa's groote mogendheden bij de zelfstandigheidsverklaring van België is vastgesteld, dat het grondgebied van België in volgende oorlogen steeds als onzijdig zou worden geëerbiedigd, heeft de Regeering toch terecht begrepen zelf ook verdedigingsmaatregelen te moeten nemen. Antwerpen is in militairen zin België's reduit (laatste bolwerk, hechtste steunpunt voor de verdediging) en aan de bevestiging is veel ten koste gelegd.
Napoleon I beschouwde Antwerpen als eene haven van groot gewicht; door hem zijn belangrijke havenwerken en versterkingen aangelegd.
60
Gent (192) was reeds in de 14quot;, 15c en 16° eeuw eene zeer belangrijke industriestad (Bourgondisch tijdvak). Vooral de lakenweverijen bloeiden. Het kanaal, dat Gent met den Scheldemond verbond, gaf aan zeeschepen gelegenheid de stad te bereiken. Daarop volgde een tijd van verval, doch tegenwoordig is Gent weer eene drukke stad met veel industrie (katoen en linnen); het middelpunt van de Vlaamsche beweging.
In 't land van Vlaanderen, zoo goed bebouwd, geeft Gent uitstekende opleiding voor alles, wat op tuinbouw betrekking heeft. De bloemkweekeryen, die de stad omkransen, beslaan eenige honderden bunders.
Luik (163) is een middelpunt van belangrijke metaal-industrie; de stad ligt als 't ware op steenkoolbeddingcn; ijzererts wordt er in groote hoeveelheden aangevoerd. Vlak bij Luik (Z.W.) ligt Seraing1 (58), één en al ijzerfabriek (stichtingen van John Cocquerill en Koning Willem I), in welk opzicht het dus met Essen (Rijnprovincie) overeenkomt. — Verviers (74) is de hoofdzetel van de wolindustrie.
Luik ligt in eene mooie streek, waar de badplaats S p a (minerale bronnen) druk bezocht wordt.'
De hoofdwegen van Luik uit zijn:
1. Die naar Duitschland, door 't dal van de.....
2. Luik — Brussel — Ostende.
3. „ door 'tMaas- en Sambredal naar Parijs.
4. „ — Maastricht — Venlo — Nijmegen — Arnhem.
6. „ — Hasselt — Eindhoven — Boxtel.
De steden van den 2''quot; rang in België zijn liet talrijkst in de Vlaanderens, Henegouwen en Brabant; veel minder talrijk in de overige provinciën, terwijl ze in Luxemburg geheel ontbreken. En dit is verklaarbaar, want 't gebied der Ardennen is minder bevolkt en de schrale natuur dwingt tot meer verspreid wonen.
In West-Vlaanderen liggen Brugge (50). Kortrijk (31) en Ostende (26); in Henegouwen Mons of Bergen (25), Tournai of Doornik (34), en Charleroi (22). Al die steden hebben eene beroemde geschiedenis, dagen van grooten bloei, achter zich ; uit dien tijd dagteekenen groote gebouwen, meest stadhuizen en kerken. De Vlaamsche steden behooren tot de oudste van Europa. In de laatste jaren is, gelijk reeds werd gezegd, de herinnering aan vroegere grootheid levendig geworden en voor vele is ook nieuwe bedrijvigheid aangebroken (linnenweverijen en bleekerijen, katoen-fabrieken, kantklopperij).
61
In Oost-Vlaanderen zijn moest welvarende plattelandsgemeenten met een groot aantal inwoners, h.v. S t.-N i c o 1 a a s (28) met k a-toenfabrieken.
Hons is omringd door ijzerhutten, steenkolenmijnen en y steengroeven. Charleroi evenzoo; dit heeft ook nog veel glas- /,•
blaze rij en. De geheele streek van Mons tot Charleroi vertoont berg bouw en industrie, evenals 't gebied om Luik.
Antwerpen, Brabant en Limburg hebben verder stadjes, die aan spoorwegen liggen en waar een druk verkeer is, zonder dat ze overigens belangrijkheid bezitten. Van meer beteekenis zijn Mechelen ^
(53) en Leuven (41). Evenals in Brugge behoort ook in Mechelen^ / het V3 bevolking tot de bedeelden. Leuven, eens be
roemd door zijn laken, is dat nu door zijn bier.
Van de plaatsen in Namen en Luxemburg valt voor ons weinig meer op te merken, dan dat zij de punten zijn, van waar de Ardennen worden bezocht.
Aan de Oostelijke grens van België ligt Moresnet met rijke ziuk-groeven, die door de maatschappij „Vieille Montaguequot; ge-exploiteerd worden. Bij de grensregeling tusschen Nederland en Pruisen in 1815 kon men het over dit kleine grondgebied (5 Va KM2)
niet eens worden, en het is daarom een onzijdig gebied gebleven.
HET DUITSCHE KEIZERRIJK.
(540 590 KM2; 52 280 000 inwoners.),
Opgaven.
Welke parallel loopt door Zuid-Beleren; welke volgt ongeveer de kust?
Hoeveel urengaans bedraagt dus de afstand van de Noordzee tot de Alpen V / ^ o Bepaal het lengte- en het tijdsverschil van Berlijn met Amsterdam. J r ■
Aan welke staten grenst het Duitsche Rijk?
Welke Uetengebergten vormen aan de zijde van Oostenrijk de natuurlijke grenzen?
§ 36. Ligging en grenzen. De landen, die door Duitschers worden bewoond, strekken zich uit van de Alpen tot aan de Noorden de Oostzee. Zij liggen tusschen West-Europa en de vlakten van het Oosten, die door Slavische volken worden bewoond.
De ligging van West-Duitschland is gunstiger dan die van Oost-Duitschland, want le: W.-D. ligt dichter bij de meest beschaafde landen, de zoogenaamde wereld-zone; het kan deel-
62
nemen aan 'toverzeesche wereldverkeer, enz., 2': het klimaat van W.-D. staat meer onder den invloed van de zee dan dat van O.-D.
Tegen Frankrijk zijn de Vogezen eene natuurlijke grens. De Rijn is niet langer eene grens; hij is thans Duitschlands rivier. De Moezel heeft voor een deel de taak van den Rijn overgenomen. Sterke vestingen tegen Frankrijk zijn o. a. Straatsburg, Metz, Diedenhofen. Aan de zijde van Oostenrijk vormen verschillende ketengebergten natuurlijke grenzen; bij de verschillende wegen, die daarover leiden, liggen ook vestingen, b.v. Glatz.
Aan de Noordzee is Wilhelmshaven het station voor de Duitsche oorlogsvloot; aan de Oostzee Kiel; er zijn belangrijke maritieme inrichtingen en werken, al staat Duitschlands oorlogsmarine ver beneden die van Engeland en Frankrijk. Vooral ook met 't oog op de verdediging der kusten werd de belangrijke verbinding tusschen Noord- en Oostzee tot stand gebracht: het Kaisep-Wilhelm-Kanaal_, uit den Elbe-mond naar Kiel, een kanaal, Üat schepen vanTdén grootsten diepgang doorlaat.
§ 37. Politieke indeeling. Het Duitsche keizerrijk is naar de grootte de B'- en naar de bevolking de 2e staat van Europa. Het bestaat uit 22 monarchale staten en staatjes, 3 steden-republieken en het-rij ksland Elzas-Lotharingen. Vele van de 22 monarchale staten zijn zeer klein en onbeduidend. Hier volgen alleen de voornaamste.
het koninkrijk Pruisen, ruim 10 X Nederl. Hoofdst. Berlijn.
München. Stuttgart. Dresden. ~ Karlsruhe. Darmstadt. Oldenburg. Schwerin. NeuStrelitz Brunswijk. Dessau. Arolsen. Detmold.
Met laatstgenoemde staten bedoelt men een tiental staatjes, die bij elkaar liggen in het schoone landschap Thüringen. Sommige dezer staatjes zijn nog weer verbrokkeld, en daarbij zijn
„ „ Beieren, „ 2 X „
„ „ Württemberg, „ '/a x „
„ „ Saksen, bijna '/o x „
quot; „ groothertogdom Baden, „ V» x ,,
„ „ Hessen
„ „ Oldenburg
„ „ Mecklenburg-Schwerin
„ „ Mecklenburg-Strelitz
„ hertogdom Brunswijk
„ „ Anhalt
„ vorstendom Waldeck
„ „ Lippe-Detmold
de Thüringsche staten.
63
er, waarvan de bevolking niet meer bedraagt dan die van eene Duit-sche stad van den tweeden rang.
De 3 stedenrepublieken zijn Hamburg, Bremen en Lübeck.
Fig. 26. Vergelijkend overzicht van de Duitsche staten naar hun bevolkingscijfer.
De in den oorlog van 1870—'71 op Frankrijk veroverde landen Elzas en Lotharingen vormen een Ryksland. Van Lotharingen behield Frankrijk ± de helft; van Elzas alleen de vesting Belfort. Grootte en bevolking van het Rijksland stemmen overeen met b.v. die van Baden., Namens den Keizer bestuurt een stadhouder het Rijksland; deze resideert te Straatsburg.
De natuur verdeelde Duitschland in een aantal zeer verschillende streken en deze omstandigheid werkte de staatkundige verdeeldheid in de.hanfl. Het aantal der Duitsche Staten, thans 25, was vroeger veel grooter, bedroeg eenmaal zelfs niet minder dan 300 (laatst der middel-eeuwen en begin van den nieuwen tijd).
Door de Kerkhervorming zijn vele geestelijke staatjes in wereldlijk gebied veranderd en daarna langzamerhand door de grootere staten ingepakt, o. a. bij 't eind van den Dertigjarigen oorlog. Het Westfaalsche Congres (1643—'48) bracht vele veranderingen in de kaart van Duitschland.
Nog grooter zijn die, welke dagteekenen uit den Napoleontischen tijd: toen zijn vele kleine staten geschonken aan die groote Duitsche staten, welke zich voegden naar de politiek van den Pranschen keizer. Bij die gelegenheid werden tevens vele der Duitsche vorsten in rang verhoogd, b.v. de keurvorsten van Beieren en Saksen, die een koningstitel kregen.
Na den val van Napoleon werd het oude Duitsche Rijk niet hersteld, doch een Duitsche Bond opgericht van 39 staten. Deze bezweek in 1866, toen tevens Oostenrijk, dat eeuwenlang aan de spits der Duitsche staten had gestaan, ophield tot die staten te behooren (vrede van Wcenen).
In 1867 werd een Xoordduitsche Bond opgericht onder voorzitterschap van Pruisen, dat door de gebeurtenissen vau '66 de eerste der Duitsche staten was geworden. Die ten Zuiden van den Main, de Znichluitovhe Staten, traden niet toe, waren zelfs Pruisen vijandig gezind, maar de gezamenlijke overwinningen op Frankrijk hadden den 18cn Januari 1871 de aanbieding van het keizerschap aan den Pruisischen koning ten gevolge. Die aanbieding geschiedde in de beroemde spiegelgalerij van het Fransche keizerlijke slot te Versailles door vertegenwoordigers van alle Duitsche regeeringen.
64
Ecnige maanden later is te Frankfort de eerste grondwet van dit nieuwe Duitsche Rijk gemaakt. Zif bepaalt, dat de staten één geheel vormen ten aanzien van:
1. het krijgswezen,
2. 3c bnitenlandsche aangelegenheden,
3. het binnenlandsch verkeer, nl. geen in- en uitvoerrechten van den eenen staat in den anderen (quot;Zoll verem).
In de regeling der binnenlandsche aangelegenheden is elke staat vrij; de Rijkswetten gaan echter voor.
I De keizerlijke waardigheid is erfelijk verbonden aan de kvoon van Pruisen ifhuis Hohenzollern).
De Rijkswetten moeten worden behandeld en goedgekeurd door een Bondsraad en een Rijksdag. De eerste bestaat uit 58 vertegenwoordigers der ver-quot;scEillende stoten. Pruisen heeft er 17 stemmen. Beieren 6, Saksen en Württemberg ieder 4, Baden en Hessen elk 3, Mecklenburg-Schwerin en Brunswijk elk 2 en de overige staten ieder 1 stem. De Rijkskanselier, door den Keizer benoemd, is voorzitter. De tweede is de eigenlijke vertegenwoordiging van het volk; 1 lid op 100 000 inwoners, gekozen met algemeen stemrecht. De leden hebben zitting voor 3 jaar.
Voor het krijgswezen is in Duitschland veel gedaan. In Pruisen was het reeds vóór den grooten oorlog van 1870 uitstekend ingericht; na dien oorlog is het nog veel. verbeterd.
Den hoogen rang als militaire mogendheid kon Duitschland natuurlijk niet verkrijgen, zonder dat de dienst drukkend werd voor het volk, vooral op het platteland. Vandaar reeds een paar maal een conflict tusschen Regeering en quot;ijksdag.
Provinciën van Pruisen.
1. Oost-Pruisen. Hoofdstad Koningsbergen, aan de .
2. West-Pruisen. tv.v.,;™ r?' ' . «
3. Posen.
4. Silezië.
5. Brandenburg.
6. Pommeren.
7. Saksen.
8. Hannover.
9. Sleeswijk-Holstein.
10. Westfalen.
11. Rijn-Provincie.
12. Hessen-Nassau.
De provinciën zijn onderverdeeld in Kreitien; dezen naam dragen
Posen, Breslau, Berlijn, Stettin, Maagdenburg, Hannover, Sleeswijk, Munster, Keulen, Kassei,
. t lt;
amp;r-'. i 07? ./ CO
'Ó^c-L'
èè-ï'-l
ook de deeleu van de andere Duitsche-staten.
§ 38. De Kusten. De kust aan de Noordzee gelijkt op de onze bij Friesland en Groningen: dijken, wadden-eilanden (Oost-Friesdie,
65
w. o. bad Norderney, en Noord-Friesche). Maar aan de Duitsche kust zijn de belangrijke riviermonden van Elbe en Wezer en de niet onbelangrijke van de Eems.
Hamburg is de eerste handelshaven van 't vastland vair Europa en de eerste koffiemarkt van de geheele aarde. Het heeft stoomvaartlijnen op alle landen der aarde; het is de in- en uitvoer li aven voor de fabrieksdistricten in Midden-Duitschland, tot zelfs voor Bohemen toe. Voorts is de stad belangrijk voor landverhuizers. Er zijn 626000 inw. (met gebied). De voorhaven Cuxhaven is een loodsenstation en een zeebad. Altona is met Hamburg één stad.
Bremen (142) heeft grooten invoer van tabak, ruwe katoen en petroleum; veel overeenkomst met H., maar op kleiner schaal. De voorhavens zijn Bremer haven en Geestemünde.
Heeft bij Hamburg de „vrachtvaartquot; het overwicht, bij Bremen treedt het „passagiersvervoerquot; op den voorgrond. In 1858 ging de eerste stoomboot uit Bremen naar New-York met één passagier aan boord, en tegenwoordig vervoert de „Noordduitsche Lloydquot; wekelijks gemiddeld 2 a 3000 landverhuizers; tweemaal 'sweeks varen hare booten over Southampton naar New-York. Daarnaast bestaat een wekelijksche dienst op Baltimore, zonder tusschenhavens. Verder bestaan geregelde diensten op La Plata (om de 14 dagen), op Brazilië (om de 4 weken), en eindelijk lijnen op Oost-Azië en Australië.
Tegenover den Elbemond ligt het gedeeltelijk rotsachtige Helgoland, dat ten tijde van het continentaal stelsel groote beteekenis had als stapelplaats voor den smokkelhandel. Thans is het een geliefkoosd zeebad, doch heeft als handelshaven geene beteekenis.
Betrekkelijk jong, niet lang van 't vasteland gescheiden, verschilt het in flora en fauna niet van het tegenoverliggende land.
Emden (14) is van veel lageren rang dan de beide andere havens, maar heeft toch ook drukke scheepvaart (o. a. de haringvangst).
De Duitsche Oostzeekust heeft een ander karakter dan de kusten der Noordzee. Vooral in 't Westen is de kust op verschillende plaatsen hoog en gebroken en worden goede baaien gevormd. Meer Oostwaarts, aan de Pruisische kust, zijn de haffen, strandmeren, bijna geheel van de zee gescheiden door smalle landtongen, nehrungen.
Geef de haffen en riviermonden op van de kaart.
Stettin (141), Danzig (126), Koningsbergen (172), zijn de belangrijkste en levendigste havens; hoofdzakelijk uitvoer van producten van landbouw en veeteelt: koren, lijnzaad, vlas, hout, paarden.
Stettin is de haven van Berlijn. Het voert koren uit, vooral naar Engeland, spiritus en hout.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 5
66
Danzig:, in het vruchtbare mondingsgebied van den Weichsel, had vooral in de 17e eeuw een levendigen handel met Nederland en werd de korenschuur der Oostzee genoemd. Het is tegenwoordig Pruisens tweede zeehandelsstad, nl. voor den uitvoer van hout en koren uit West-Pruisen, Polen, Galicië en Hongarije. De haven is Neufahrwasser.
Koningsbergen , de oude kroningstad van Pruisen, is eene sterke vesting tegen Kusland, aan den weg Berlijn—St. Petersburg. Uitvoer van hout, rogge, enz. uit Kusland.
Lübeck (70) was van de 131'—16e eeuw de hoofdplaats van de Hanze, het machtige stedenverbond, dat heêricliappii voerde over Oostzee en waartoe van Danzig tot Keulen een 90-tal belangrijke steden behoorden (ook verscheidene van ons land). Toen Nederland en Engeland de Hanze gingen overvleugelen, verviel ook Lübeck. Thans staat het in scheepvaart-beweging reeds achter bij Kiel (86), de belangrijke oorlogshaven, die nu door het S'/a M diepe Kaiser-Wilhelm-kanaal met Wilhelmshaven (17) in verbinding staat.
Memel (23) en een aantal kleinere plaatsen aan de Oostzee bestaan van scheepsbouw (veel hout) en vischva ngst. Hier en daar zoeken duikers barnsteen uit de zee, b.v. aan de Westkust van Samland.
Ook aan de Oostzee liggen talrijke grootere en kleinere zeebaden, doch zij missen den krachtigen golfslag, de afwisseling van eb en vloed (laag en hoog water) en het aanzienlijk zoutgehalte van dè Noordzee. Daarentegen zijn de kusten schooner begroeid en vormen hier en daar zelfs trotsche rotspartijen.
Vergelijking tusscheu de Oostzeekust en de Noordzeekust:
1. Afwisseling van de getijden (eb en vloed) doet zich bij de le bijna niet gevoelen.
2. Achter de le ligt geen rijke gordel van marschlanden (zeeklei), zooals bij de 2e.
3. Ook daardoor zijn de streken achter de le over 't algemeen minder bevolkt.
4. De le heeft mooier natuur dan de 2e en is op sommige plaatsen hooger. Een der mooiste punten is bij R ü g e n, waar hooge krijtrotsen zich uit de zee verheffen, begroeid met beukenwouden, b.v. de Stubbenkammer.
5. De Noordzeekusten liggen meer in 't centrum van het wereldverkeer; daardoor zijn de Noordzeehavens veel levendiger.
Opgaven.
1. Geef van de kaart de voorhavens op van Stettin ,Id anzig en Koningsbergen.
67
2. Welke kanaalverbindingen bestaan tusscben den Weicbsel en de Oder en tusschen de Oder en de Elbeï (van de kaart).
3. Langs welken weg kan een schip binnendoor van Hamburg naar Danzig worden gebracht?
§ 39. Duitschlands bodem. Een hoofdkenmerk van den bodem is de groote afwisseling in vorm en in samenstelling. Op betrekkelijk kleine ruimte zien we landstreken met geheel verschillenden bodemvorm, geheel onderscheiden natuur. Duitschland vormt geen geographische eenheid; de invloed hiervan op de geschiedenis der Duitschers was groot.
Het land kan verdeeld worden in twee hoofddeelen; 1. de streek dep Duitsehe middelg-ebergten: 2. de laagvlakte. Er is echter geen scherpe grens: over 't geheel langzame overgang, veel heuvelland. Het Maindal kan nog tot verdeeling iu Zuiden Midden-Duitschland dienen.
Opgave.
Geef van de kaart op: waar zich bevinden : ^
1. Sudetengebergte ; op de grens van ^ en C*pLr'^~
4. Elbe-zandsteengebergte;
6. Fichtel- „
7. Thüringerwoud.
9. Beiersche „
11. Zwabische „
12. Zwartewoud.
14. Odenvvoud.
15. Haardt-gebergte.
16. Eijnsche Schiefer of leisteenplateau (Hunsrück, Eifel, Tannus, Wes-terwald, Sauerlandj.
17. Teutoburgerwoud.
18. Harz.
19. De Zwabisch-Beiersche hoogvlakte in ......
20. De Boven-Rijnsche laagvlakte ,, ......
§ 40. I. In de Noordduitsche laagvlakte zijn schrale zandstreken en heidevelden met hunne zwerfblokken en grint (Skandinavisch diluvium), b. v. in Westfalen, Hannover (Lüneburger heide), Brandenburg (Flaming); er zijn meergebieden in Mecklenburg, Pommeren, Pruisen; moerassen vooral in 'tgebied van Havel en Spree; venen vooral in 0.-
. .
68
Friesland. Al deze streken behooren tot de minst bevolkte van geheel Duitschland.
Ook zijn er zeer vruchtbare kleigronden: rivier polders langs de breede rivieren en zee polders als „marschlandquot; achter de Noordzeekust.
In het algemeen verlangt de bodem der Noordduitsche laagvlakte eene zorgvuldige bebouwing, voortdurenden arbeid. In vele streken is de opbrengst dan zelfs nog maar middelmatig. Al vroeg hebben verschillende vorsten, vooral van Brandenburg, moerassen drooggelegd, zandgronden ontgonnen. Hiertoe lieten ze ook goede landbouwers uit den vreemde komen, waaraan nog namen herinneren; b. v. Flaming.
II. In Midden- en Zuid-Duitschland met hunne menigte van terreinvormen zijn de tegenstellingen nog veel scherper geteekend. Zeer vruchtbaar zijn over 't algemeen de overgangsstreken naar de vlakte, b.v. de Goldne Aue ten Z.O. van den Harz tot in Thüringen. Uitstekend vruchtbaar en met een heerlijk klimaat zijn ook de dalen van Main en Neckar en de Bo ven-Rij nsche laagvlakte. De laatste strekt zich, ter breedte van -t- q uur gaans, van den voet van t Schwarzwald tot dien ~\an de Vogezen uit. Door de lage ligging is deze vlakte op enkele
plaatsen moerassig.
Beroemd zijn de Rheingau, de Maingau en de Berg-strasse. De eerste ligt op de Zuidelijke helling van den Taunus tot aan den rechter-Eijnoever; de tweedein 't beneden-Maindal en de derde van Darmstadt tot Heidelberg langs de Westelijke helling van 't Odenwoud. Ooft- en w ij n b o u w zijn daar algemeen.
Er zijn meer bosschen dan in eenig land van West- ot Zuid-Europa. Skandinavië en Eusland zijn met Duitschland de eerste houtlanden. Aan de houtcultuur wordt veel zorg besteed. De Nederlandsche Regeering laat de voor Indië bestemde houtvesters in Duitschland opleiden. Houthandel, ko 1 enbran-d e ii, houtsnijwerk zijn in veel bergstreken bestaansmiddelen.
Eene ongunstige natuur hebben in de eerste plaats de hoogere streken in de gebergten en dan verder de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte met veel moerassen en veen, turfgraverij; veel riet; zij is onvruchtbaar en weinig bevolkt. De ligging van München is dan ook niet gunstig te noemen. Augsburg, reeds uit den Romeinschen tijd (genoemd naar Augustus) en in de 14u en 15e eeuw eene der belangrijkste markten van Europa, zou die betee-kenis niet gekregen hebben, als hier niet 2 groote wegen uit Midden-Duitschland naar Italië samenkwamen: de Splügen- en de Brenner baan [Genua en Venetië]. In 't Z. gaat de hoog-
öU
vlakte over in de Voor-Alpen. Hier zijn goede weiden. Het Z.O., naar de zijde van Salzburg, is bekend door zijne schoonheid (Rosenheim, Königsee, Chiem-meer, enz.) en door steenzout, b.v. bij Reich en hall.
§ 41. Do Duitsche hergen zijn belangrijk:
1. door hun rijkdom aan ertsen en steensoorten,
2. door de minerale bronnen,
3. door hun houtrijkdom en schoonheid.
Tot de schoonste streken behooren:
'tSchwarzwald met zijne donkere dennenbosschen, sombere en liefelijke dalen. De Schwarzwaldbaan is de meest trotsche spoorbaan uit Duitschland. Van de dalen in 't Schwarzwald is dat van de Dreisam, het Höllenthal, bij Freiburg, van historisch en militair belang.
Thüringen, het park van D., wordt veel bezocht. Het bezit tal van vorstelijke kasteelen en goed onderhouden bosschen. Vele kunstwegen maken het zeer toegankelijk.
Het Elbe-zandsteengebergte of Saksisch Zwitserland is vooral door grillige rotsvormen bekend.
De Harz is een op zichzelf staand gebergte. De Oberharz met den Broeken is liet hoogste, wildste gedeelte in 'tN.W., veler-wegen bedekt met naaldhout. Zilverbergwerk bij Goslar. De
70
liefelijke Unterharz is bedekt met loofhout en heeft heerlijke dalen, b.v. dat van de Bode. Hier is Thale het uitgangspunt van duizenden Harzreizigers.
Het Rijndal van Bingen tot Bonn is van alle streken misschien het meest bezocht. Het hoogland aan weerszijden is een plateau met enkele toppen, schraal en eentonig over 't geheel, maar er zijn veel rivierdalen met schilderachtige plekjes: Rijn, Ahr, Brohl, Lahn (Nassau, Dillenburg), Moezel. Er liggen tal van plaatsen met historische herinneringen, vooral burchten en ruïnes. Tegenover B o n n verheft zich het Zevengebergte, met Königswinter aan zijn voet; tandradspoorweg naar den Dra-chenfels. Tegenover Bingen vindt men het Niederwald met bet prachtige gedenkteeken aan den oorlog van 1870—'71 en het nieuwe Duitsche Keizerrijk. Uit Rüdesheim tandrad-spoorweg.
Aken, Ems, Wiesbaden, Homburg, Selters, Baden-Baden, Kissingen en Lippspringe zijn bekende badplaatsen.
§ 42. Gebruik van den Duitschen bodem. Van den Duitschen bodem ligt een betrekkelijk klein gedeelte woest en improductief, nl. 7 0/o. Dit gedeelte bepaalt zich in hoofdzaak tot de boven als onvruchtbaar opgegeven streken en in de hooge gedeelten van de gebergten. Verder is er bijna 50 0,o voor akkerbouw , w. o. ook de wijnbergen zijn gerekend, geen 20 0/o weiland en bijna 25 0/o wouden.
Granen, hoeveel ook verbouwd, moeten nog jaarlijks worden ingevoerd. De opbrengst van a a r d a p p e 1 e n bedraagt wel '/s van de productie van geheel Europa. In Noord-Duitschland is de teelt van beetwortelen zoo algemeen, dat bijna geen rietsuiker meer wordt gebruikt. In Zuid-Duitschland wordt veel gerst en hop verbouwd voor de bierbrouwerijen. Spelt is het broodkoren in Württemberg en Baden. Wijnbouw vooral in de dalen (Moezel, Eijn^Main, Neckar). Ondanks eenige goede soorten, vooral uit Eheingau, staat Duitschland ver achter in wijnproductie bij Frankrijk, Italië, Spanje en Oostenrijk-Hongarije.
Voortreffelijk paarden komen uit Oost-Pruisen (Trakehnen), Mecklenburg; ^olstein en Oldenburg; 't beste rundvee uit Z.-D. (vooral in d(^Boor-Alpen) en uit Sleeswijk-Holstein; schapen vooral uit ojBinstige streken van N.-D.; varkens uit Westfalen.
Nauwelijl«pï jaar geleden kon Duitschland met recht een akker-bomvskmt h^Ben. Thans zou die naam maar half juist zijn. De in d namelijk eene verbazende vlucht. Na Engeland
en N.-AïfflIKa staat Duitschland hierin met Frankrijk bovenaan. Een direct gevolg van de Duitsche grootindustrie is de snelle aan-
Fig. quot;28. Vergelijkend overzicht van het gebruik, dat in Duitschland en in Nederland van den bodem wordt gemaakt.
ander gevolg was de toeneming A7an liet overzeesch verkeer en de aanleg van een dicht spoorwegnet.
§ 43. De industrie-districten vallen grootendeels samen met de steenkoolbekkens: steenkool en ijzer bij de Ruhr,
„ „ „ in Lotharing-en, „ „ „ „ Silezië,
„ „ het Saksisch-Ertsgeb.
Het voornaamste steenkool-gebied, het/Ruhr-bekken, strekt zich rechts van den Rijn als een smalle strook Oostwaarts door de Rijn-provincie en Westfalen uit, 3 a 4 uren gaans breed en over eene lengte van een tiental uren gaans. Ruhrort is de haven, waar de zwarte klompen worden verscheept, terwijl tallooze spoorwagens van de mijnen uit in alle richtingen de kostbare ^and-stof afvoeren. In honderden mijnputten werken meer dan 100 000 arbeiders. Alles ziet zwart: de grond, de wegen, de straten, de huizen, de menschen; zwart zijn de talrijke kanalen en spoorwegen, die een net vormen, dichter dan misschien ergens elders; zwart is het uitspansel, door^^cnkool- en ijzer-stof. Want naast do steenkoolwerken staan hier de ori^fcare reusachtige schoorsteenen der ijzersmelterijen en hamerwerken van het ^■dand. West-faalsche kolen en Sieglandsch ijzer vormen den gron^Bg van de reusachtige industrie dezer landstreek; naast de 100 000 mijnarbeio^fctaan 100 000 ijzer werkers. d ^
Na het Ruhr-bekken is hel) Saar-bekken 't belangrijkst stee^Hta^Hjed van Duitschland. 't Is grootemWls pas in den oorlog van 'TO^^^HHgen; de mijnen van dit gebied behooren bijna alle aan den staat.
was van de stadsbevolking, vaak ten koste van 't platteland. Een
72
Het 3e gvoote Duitsche steenkoolgebied .ligt in 't Oosten des rijks, nabij de Enssische en Oostenrijksche grenzen: dpiSilezischebekkens met Waldenburg en Beuthen als middelpunten. J
Ook in de laatstgenoemde districten liggen naast de steenkoolwerken de ontelbare hoogovens voor 't ijzererts.
In de 4e plaats komt bet Saksische kolenbekken met Zwickau als middelpunt. Ook hier treft n|en verscheidene niet onbeduidende mijnen voor steenkool en meer nog voor bruinkool aan.
1. Metaal-industrie, vooral in 't Ruhr-district: Essen (Krupp), Dortmund, Solingen;
in Silezië, het Z.-O., Beuthen, Königshütte en andere plaatsen;
in Berlijn.
2. Textiel-industrie:
katoen in Saksen (Chemnitz) en in 't Wuppergebied (Elberfeld-Barmen);
wol, zyde, fluweel in de Rijnprovincie;
linnen in den Elzas (Mühlhausen) en Silezië.
Zilver, koper, zink en lood heeft Duitschland meer dan eenig ander Europeesch land (lood meer in Spanje ; in de lc plaats in het Saksische Ertsgeb. en in de 2quot; plaats in den Harz.
Voor de industrie worden verder ingevoerd: vooral ruwe katoen, wol, ijzererts.
Belangrijke steengroeven: leisteen aan den Rijn; bouwsteen en por celeinaa rde in Saksen; pottebakkersaarde, o. a. in Nassau voor de minerale wateren; lithographische steen in Beieren, nl. in het dal der Altmühl, bij het dorp Sol n hof en.
§ 44. Dichtheid van bevolking; aanzienlijke steden. Het
cijfer voor de bevolkingsdichtheid in Duitschland is 96 per KM3. Er zijn echter streken, waar dit cijfer veel hooger, en andere, waar het veel lager is. Zoo is het voor Mecklenburg-Strelitz 35, voor Beieren 76, voor Württemberg 107 en voor Saksen 252. Dit kan worden verklaard uit hetgeen wij over de natuurlijke gesteldheid hebben medegedeeld. Als wij op de drie hoofddeelen letten: i Noord-, 2 Midden- en 3 Zuid-Duitschland, is het lquot; 'tminst, het 2« het sterkst bevolkt. Hier liggen de vruchtbaarste streken; hier zijn delfstoffen en minerale bronnen, en hier ontwikkelde zich de groot-industrie. In deze overgangsstreken van Zuid naar Noord is ook het toenemen der bevolking in deze eeuw het sterkst.
De oorzaken van deze vermeerdering zijn voor oen groot deel in de opkomst van de Duitsche groot-industrie te zoeken; verder voor sommige deelen van Pruisen ook in den loop der
73
staatkundige gebeurtenissen. Pruisen werd in 1866 bij de uittreding van Oostenrijk het hoofd van den toen opgerichten Noord-duitschen Bond en in 1871 hoofd van de vereenigde Duitsclic landen.
Dat Zuid-Duitschland een lager cijfer van toeneming toont, komt bovendien ten deele daaruit voort, dat de bevolking over 't geheel daar reeds veel dichter was.
Al vroeger is gezegd, hoe vooral de stadsbevolking aanwies: in 1871 telde Duitschland 8 steden met meer dan 100 000 inwoners; thans 28. In deze snelle toeneming ligt het nadeel, dat op den duur de krachten niet toereikend zouden kunnen zijn, welke zich op de ontwikkeling van landbouw en veeteelt toeleggen; en ook, de opeenhooping van 't ontzettend groot aantal werklieden in kleine districten en groote steden heeft vaak ten gevolge, dat ontevredenheid en woelingen in die klasse van de maatschappij soms een grooten omvang dreigen te nemen.
Opgaven.
1. Noem eenigu landstreken in Duitschland met ongunstige natuur en dus niet dichte bevolking.
2. Evenzoo eenige landstreken met gunstige natuur en dus dichte bevolking.
§ 45. Steden met meer dan 100 000 inwoners:
1. Berlyn, 1 677 000; 't bevolkingscijfer werd in deze
eeuw bijna vertienvoudigd. Toch biedt de ligging geen ander groot natuurlijk voordeel aan, dan dat de stad het centrum van de vlakte is.
De snelle uitbreiding is in de eerste plaats het gevolg van politieke en historische gebeurtenissen.
|
2. Hamburg, 3. München 4. Breslau . 5. Leipzig . 6. Dresden . 7. Keulen . 406 398 334 321 |
Alle takken van industrie zijn er thans gevestigd. 373 300 a 400 000. 62G000; wereldverkeer (zie boven). |
74
8. Frankfort a.M
9. Maagdenburg
10. Hannover .
11. Dusseldorf .
12. Koningsbergen
13. Neurenberg.
14. Chemnitz
15. Stuttgart
16. Altona . .
17. Bremen . .
18. Stettin . .
19. Elberfeld
20. Straatsburg.
21. Charlottenburg
22. Barmen . .
23. Aken . . .
24. Danzig . .
25. Halle a/S .
26. Brunswijk .
27. Dortmund .
28. Krefeld . .
229 214 210 176 172 161 160 158 149 142 141 139 135 132 127 126 126 116 115 111 107,
200 a 300 000
150 a 200 000.
100 a 150 000.
Geef van elk dezer steden op, in welken staat of welke Pruisische provincie zij is gelegen. Deel verder mede, wat gij van de ligging en van 't karakter der stad kunt zeggen.
§ 46. Taal, godsdienst, onderwijs. De verschillende dialecten (spraak in eene bepaalde streek), die zich altijd in de Duitsche landen hebben gehandhaafd, behooren tot de beide hoofdafdeelin-gen van: het Hoogduitsch en het Nederduitseh.
Als schrijftaal werd sedert de 15e eeuw de Hoogduitsche de alge-meene; voor de ontwikkeling en verheffing dier taal boven de dialecten was de bijbelvertaling door Luther van groot belang.
De voornaamste Hoogduitsche dialecten zijn: het Zwabisch in 'tNeckarland en in 't gebied van den boven-Donau; de Lech vormt de grens met 't gebied van het Beiersch, dat de spreektaal is in Z.0 -Beieren en in de Oostenrijksche Alpenlanden. Een 3e dialect, het Frankisch, behoort vooral in het Maingebied.
Tot de Nederduitsche dialecten behoort het Fr ie sch, in de middeleeuwen verbreid van West-Friesland (Holland) tot in Jutland, thans alleen nog gesproken in onze provincie Friesland. Dit Friesch is nauw verwant aan het Engelsch.
Het Nederlandsch, oorspronkelijk ook een dialect van het Neder-
75
Duitseh, heeft zich al vroeg door eene rijke litteratuur als zelfstandige taal afgescheiden en ontwikkeld.
Overigens wordt in N.-Duitschland zoogenaamd Plat-Duitsch gesproken, dat door germaniseering uit de Slavische volkstalen is voortgekomen. Immers Slavische volken bewoonden oudtijds de Duitsche vlakte en zijn eerst langzamerhand grootendeels terugge-/ drongen door de Germanen en voor een kleiner deel in deze laat-
sten opgegaan. In de Oostelijke provinciën van 't koninkrijk Pruisen bespeurt men, vooral op 't platteland, in de taal nog duidelijk het Slavisch.
In Noord- of Neder-Duitschland drong de Hervorming meer door dan in Zuid-Duitschland. In landen van Z.-D. — AVürttem-berg uitgezonderd — heeft ook nu het Katholicisme de meerderheid , terwijl in het Noorden de Evangelische Kerk (volgens de leer van Luther) het meest algemeen is. In 1885 bedroeg het aantal protestanten 29'Is millioen en dat der katholieken 163/4 millioen.
Het onderwijs staat in Duitschland op hoogen trap. De volksklasse is over 't geheel meer ontwikkeld dan b. v. in Engeland of Frankrijk. Dit is misschien een der voordeelen van de staatkundige verbrokkeling der Duitsche landen, want de vorsten in grootere en kleinere staten hebben dikwijls veel voor 't onderwijs gedaan.
Men meet de volksontwikkeling wel eens af door na te gaan, hoeveel perc. der in dienst tredende recruten niet kan lezen of schrijven (analphabeten). Bij gebrek aan een beteren maatstaf geven deze cijfers ook wel eenig denkbeeld daarvan. Terwijl zij voor Groot-Brittannië 8 0/o, voor Frankrijk 20 0/o, voor Oostenrijk-Hongarije 22 0/o en voor Rusland zelfs 70 % bedragen, is het voor het Duitsche Rijk reeds tot 0,8 quot;jo gedaald. De Oostelijke prov. van Pruisen staan in Duitschland 't laagst in dit opzicht; Saksen, Thüringen, Baden en Württemberg 't hoogst.
Duitschland heeft uitstekende vakscholen (Gewerbeschulen) op 't gebied van machinerie, mijnbouw, textiel-industrie, houtcultuur, ooftbouw e. a. Ook het Hoog er onderwijs bloeit. Er zijn 20 belangrijke universiteiten. Een goeden naam hebben vooral die i van Berlijn, Leipzig, Göttingen, Heidelberg en Halle. Daaren
boven vindt men in Duitschland tal van academies voor schoone kunsten, vooral voor muziek en schilderkunst.
A , Ö ).
[mamxv , Lf *yquot;-s, . ■ .-tflc - 'r-''lt;quot;S-
i (
76
F R A N K R IJ K.
(536 400 KM2; 38 230 000 inw.)
Opgaven:
1. Geef van de kaart op, aan welke staten Frankrijk grenst en waar natuur-lijke grenzen zijn. ^
2. Welke parallel loopt door Noord-, welke door Zuid-Frankrijk? Hoeveel bedraagt de afstand in uren gaans van Duinkerken naar Barcelona?
3. Welke beide schiereilanden heeft Frankrijk in 't N.W.? Welke eilanden liggen voor de Fransehe kusten?
§ 47. Ligging: en omtrek. Door do ligging aan den Atlantischen Oceaan behoort Frankrijk tot West-Europa; in zijn gebied aan de Middellandsche zee behoort het tot Zuid-Europa en door eene lange landgrens tot Midden-Europa, waarmee het 't meest in betrekking heeft gestaan.
Deze ligging gaf in verschillende opzichten belangrijke voordeelen: in 't Zuiden konden in de oudheid volkplantingen ontstaan van de volken, die toen handel, scheepvaart, beschaving vertegemvoor-digden (Massilia, Grieksche kolonie, 8e eeuw v. C.; Provence, met zijn talrijke Romeinsche kolonies, enz.\ In onze dagen heeft Zuid-Frankrijk verbinding met Afrika en het Oosten (voordeelige ligging ten opzicnte van het Suez-Kanaal). De Oceaan brengt Frankrijk met Engeland, de Noordzeelanden en Amerika in verkeer. Aan de Oostelijke, de landzijde, staat het in gemeenschap met Midden-Europa, in de eerste plaats met Duitschland.
De kustontwikkeling is gering, want er zijn weinig leden (schiereilanden en eilanden); Frankrijk is gesloten. Van de eilanden behooren nog de belangrijkste (de Normandische) aan Engeland. Bovendien zijn de Fransehe kusten over 't geheel arm aan goede, natuurlijke havens; twee gedeelten, de Provencaalsche kust en die van Bretagne, bezitten die, maar hier maken bergen 'tverkeer met het binnenland moeilijk.
Aan de lange kust is dan ook overal 't verkeer meest bepaald tot de riviermonden.
De Franschen zijn in veel mindere mate zeemogendheid dan de Engelschen en ook op koloniaal gebied staan zij bij dezen achter. In de ISquot; eeuw heeft Frankrijk groote zee-oorlogen, hardnekkigen strijd om 't koloniaal bezit, zoo in Voor-Indië als in Noord-Amerika, tegen Engeland gevoerd. Toen is het overvleugeld, doch niet zonder roem. — In onze dagen geldt de Fransehe marine als uit-
77
nemend georganiseerd en in vier vreemde werelddeelen heeft Frankrijk bezittingen.
§ 48. Kusten. 1. De kust aan de Middellandsche zee.
2. De kust aan den Oceaan.
3. De kust aan 't Kanaal en aan de Noordzee.
De kust aan de Middellandsche zee bestaat uit 2 deelen, nl. die van Provence en die van Languedoe.
De kust van Provence (Riviera) is van Nizza tot Marseille steil en van vele inhammen voorzien; maar toch zijn er ten O. van Marseille geene groote koopsteden ontstaan, doordat eene natuurlijke verbinding tusschen het achterland en de kust ontbreekt.
Marseille ligt aan eene goede, natuurlijke haven en juist op de plaats, waar de Rhónevlakte het binnenland met de Middellandsche zee verbindt. Deze beide natuurlijke voordeelen maakten , dat al in de oudheid hier eene bloeiende koopstad ontstond; niet aan de Rhone zelf, omdat de monden van de rivier sterk verzanden. Dit is ook zoo bij andere rivieren met delta's, b.v. Nij 1, Po en Ebro, waar groote havensteden niet aan een dei-riviermonden ontstonden, wel op eenigen afstand.
Een oude handelsweg leidt van Marseille Noordwaarts naar Lyon en van hier door 't Saónedal en 't dal van de Douhs naar de Bourgondische Poort — de opening tusschen Jura en Vogezen — en zoo naar de Rijn-vlakte. Deze verkeersrichting werd reeds door de Clrieksche kooplieden gevolgd. Men spreekt wel van „barnsteenwegquot;, omdat het barnsteen als kostbaar handelsartikel van de kusten der Oostzee door Duitschland aan den Rijn gebracht werd en dan langs den bedoelden weg de Middell. zee bereikte.
Thans is Marseille de grootste koopstad van Frankrijk (de 3e stad des lands; 442 000 inw.)^ Wootdzaak is de tirrmle! opquot;Algerië quot;en den Levant. Verder gaan stoombooten naar alle havens aan de Middellandsche zee; door 'tSuez-kanaal naar Oost-Indië, China, Japan, Australië; eindelijk naar de Westkust van Afrika (Sene-gambië en Opper-Guinea). Het verkeer met Amerika moet Marseille overlaten aan de havens der Westelijke kusten. De Franseh-Indische mail heet „ Mesmgeries maritimes.quot;
De voornaamste artikelen van invoer zijn; zuidvruchten, wijnen, ruwe zijde, thee, koloniale waren, wol, kokosolie en koren uit de landen aan de Zwarte zee. Marseille heeft belangrijke zeep-industrie. ,
Van eene andere der natuurlijke havens heeft de Fransche
78
regeering.- gebruik gemaakt voor hare oorlogsvloot en al, wat daarbij' behoort: Toulon (95)r zeer sterk, reeds door de ligging: bovendien door belangrijke werken. De militaire beteekenis nam '-^eer toe door de verovering van Algerië (1830—'47).
Verder liggen aan de kust van Provence verscheidene plaatsjes, die druk bezocht worden wegens de heerlijke natuur. Het klimaat is hier subtropisch, d. w. z. met droge, heete zomers en vochtige, zachte winters. Duizenden komen hier genieten van den aangenamen nawinter. Nizza heeft zich daardoor tot eene stad van 94 000 inw. weten te verheffen; 't is eene luxebadplaats. Monaco (onafhankelijk vorstendommetje, beruchte speelbank); Mentone, Monte-Carlo en Cannes, door de Franschen niet ten onrechte villes d'hiver geheeten. Al die plaatsjes zijn verbonden door den spoorweg Mar se il 1 e-Gen ua, welke weg langs den voet der / e e-A 1 p e n en de blauwe wateren der Middellandsche zee door verbazend veel kleine tunnels gaat.
Ten Noorden van Provence liggen Dauphiné en Savoye in het woeste bergland der West-Alpen. In het eerste verrijst de Mont Pelvoux (4000 M\ met groote gletschers bepantserd; in het tweede verheffen zich de hoogste Alpentoppen, o.a. de Mont-Blanc. De natuur noopt de bewoners, elders den kost te verdienen. Door een doolhof van bergen loopt hier de M o n t-Cenisbaan, de hoofdverbinding tusschen Lyon en Turijn. De hoofdtunnel door den Mont Fréjus is 13 KM lang en werd geboord van 1857—'71.
De Rhöne-delta is vruchtbaar, doch te vroeg bedijkt en dientengevolge moerassig. Tusschen de hoofdarmen ligt het eiland la Camargue. In de drassige weilanden grazen half-wilde buffels. Stierengevechten in Z.-Frankrijk, evenals in Spanje. Ten O. van deze delta strekt zich eene woeste vlakte uit, la Crau geheeten, die met rotspuin, afkomstig van de Alpen, overdekt is.
De kustvlakte van Languedoc verkeert niet in zulke gunstige omstandigheden als de Riviera van Provence. Achter de lage kust liggen vischrijke, maar zeer ongezonde plassen, étangs genoemd, door zandige landtongen van de zee gescheiden. Deze vorming vertoont overeenkomst met de haffen en nehrungen van de Oostzeekust en met de lagunen en lidi van de kust der Povlakte.
In de Middeleeuwen lagen hier bloeiende havensteden. Oette staat nog met de zee in gemeenschap en heeft veel uitvoer van Bordeaux-wijnen. Uit de haven van Cette leidt een kanaal naar de Khóne; naar de andere zijde een kanaal naar de Garonne. De Ehóne-vlakte wordt aldus verbonden met het gebied van de
79
Garonne, de Middell. zee met de kust van den Atlantischen Oceaan, Marseille met Bordeaux.
§ 49. De Westkust bestaat uit 3 deelen, die een verschillend karakter hebben:
1. van de Pyreneën tot den mond der Gironde;
2. van hier tot voorbij den Loiremond;
3. de kust van Bretagne.
1. Het kustgedeelte tot de Gironde is laag. De Westenwinden hebben er hooge duinen gevormd, die door de zorg der regeering in den laatsten tijd met dennenbosch zijn beplant, om de snelle verplaatsing en overstuiving tegen te gaan. Achter de duinen vindt men het onvruchtbaarste gedeelte van Frankrijk, de Landes, bestaande uit moerassige heiden, waar eene arme bevolking hoofdzakelijk van schapenteelt bestaat. Op eenige diepte bevat de bodem harde lagen ijzeroer, die het wegzakken van 't water beletten. Worden die oerlagen verwijderd , dan is het land geschikt voor landbouw. Kustriviertjes, die niet door de duinen konden breken, hebben groote waterplassen doen ontstaan. De onbelangrijke riviertjes, die van de Pyreneën komen, heeten in 't algemeen gaves. De grootste is de Adour, aan welkér mond de vesting Bayonne ligt.
Het vlakke zeestrand heeft badplaatsen doen ontstaan, nl. A reach on bij Bordeaux en Biarritz bij Bayonne, aan den voet der P3rreneën.
Het kon niet anders, of bij zulk eene ongunstige kust moest al het verkeer zich op den breeden Girondemond samentrekken. Bordeaux is dan ook de derde handelsstad van Frankrijk, (257 000 inw.) en de 4®~^tad~lïaar~de bevótking. Boiflea-ux ± 10 uur van zee gelegen, maar nog door zeeschepen bereikbaar bij de afwisseling der getijden. De belangrijkste voorhaven is Pauillac, de haven van de transatlantische stoomschepen (vooral naar Brazilië en Argentina). Alles is hier wijnhandel; de wijnbergen zijn aan de oevers der Garonne en op de heuvels naar de zijde van 't binnenland.
Dit gedeelte van Frankrijk bevat do vroegere provinciën Guyenne en Gascogne, gedeeltelijk bestaande uit de genoemde Landes, gedeeltelijk uit de uitloopers van de Pyreneën, gedeeltelijk uit die van de Fransche middelgebergten.
Van Parijs leidt eene hoofd-verkeersrichting langs Orleans, Tours en Poitiers naar Bordeaux.
80
2. De kuststreek tusschen Gironde en Loire doet aan Nederland denken. De duinen zijn hier stuk geslagen, en er liggen eenige eilandjes, die we kunnen vergelijken met de Wadden-eilanden langs de Friesche kusten. De zee is ondiep en goede havens ontbreken. Het land achter de kust bestaat uit zware klei in de Vendée een deel van de vroegere provincie Poitou. De bewoners zijn welvarende boeren.
De mond van de Loire is weer zeer belangrijk, maar de rivier verzandt erg. Nantes (124) is de 4° koophaven van Frankrijk, doch is achteruitgegaan^ terwijl vooral de voorhaven St.-Nazaire belangrijk is door den stoombootdienst op Midden- en Zuid-Amerika (West-Indië, Guyana, Centraal-Amerika).
De Charente, is in tegenstelling met de 4 hoofdrivieren eene kustrivier, die door sluizen bevaarbaar gehouden wordt. Ze heeft beteekenis, doordat ze door het wijngebied stroomt, waar de most tot cognac wordt verstookt. Cognac en Rochefort zijnde havens. Vrij belangrijk is nog la Roebelle, oorlogshaven, achter 't eilandje . . . .; eens in de Hugenotenoorlogen zeer bekend.
3. De kust van Bretagne is steil en gebroken, met talrijke goede havens, door klippen en rotseilanden afgesloten, moeilijk toegankelijk, maar daardoor sterk. Handelshavens hebben zich aan deze kust niet ontwikkeld , misschien doordat het land arm is en geen goede wegen 't binnenland met de kust verbinden.
Eene uitstekende oorlogshaven is Brest (75), waarvoor de Fransche
marme belangrijke uitrustingen plaats vinden. |
De natuur van Bretagne behoort tot de minder gunstige; de bevolking woont vooral langs den kustrand.
§ 50. De kust aan het Kanaal is in de Normandische golf zeer steil. Er zijn klippen en rotseilanden. De Normandische eilanden liggen zeer geschikt voor den smokkelhandel, omdat zij Engelsch zijn en vlak bij de Fransche kust liggen, terwijl ze goede havens en veilige schuilplaatsen aanbieden. Deze streek was vroeger berucht door zeerooverij, vooral St. Malo.
De Fransche regeering heeft met groote kosten eenp belimgtijke oorlogshaven aangclegcTT^nl Cherbourg r401. Wat Toulon is '
quot;quot;voor de Middell. zee, dat is Cherbourg voor 'tKanaal. ~
Daar er geen enkele goede natuurlijke haven is — wel zijn er veel klippen, o.a. de Calvados — is het ook hier weer de mond van de groote rivier, die al het handelsverkeer tot zich trekt.
Havre (119) is met Marseille de eerste Fransche zeehaven. Havre quot;heeft vooral druk verkeer met Amerika; het is eene van de belang-
81
rijkste havens voor de landverhuizers (met Hamburg, Bremen, Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen en de Engelsche havens.) De hoofdinvoer is ruwe katoen voor de katoenindustrie van Noord-Frankrijk. Hiivre is bovendien de haven van Parijs, wat vroeger Rouen was; zeeschepen gaan nu niet meer zoo ver opwaarts. Daarbij is het Seinegebied (Champagne, Isle de France, Normandië) het belangrijkste deel van geheel Frankrijk, zoodat de beteekenis van Havre duidelijk uitkomt.
De havens voorbij den Seinemond zijn uitstekend gelegen voor 't verkeer met Engeland. De kust bestaat uit kalk- en krijtrotsen zonder eenigen inham. Zulke kusten heeten hier fa la is es. Door 'tgeweld van de zee worden zij ondermijnd, en de havens, gelijk ook de mond van de Somme, verzanden. Dieppe en Amiens beteekenden vroeger meer dan tegenwoordig; maar door de gunstige ligging hebben ze toch altijd beteekenis voor den handel met Engeland en de Noordzeelanden. Calais (57) heeft het drukst personenverkeer met Engeland. De overtocht naar Dover duurt ongeveer een uur, en het geheele traject tusschen Londen en Parijs wordt tegenwoordig al in 9 uren afgelegd. Boulogne heeft meer het goederenvervoer; Duinkerken (40) heeft nog al verkeer op de Noordzeelanden.
Trouville, ten Z. van Havre, en Boulogne zijn veel bezochte badplaatsen.
Bij Calais begint reeds het karakter van de Noordzeekust: lage landen, door duinen tegen de zee beveiligd.
Opmerkelijk is in 't Kanaal de sterke afwisseling der getijden; vloedgolven van verbazende hoogte (wel 10 M) volgen op elkaar; dit ook verklaart de vernielende werking van de zee aan deze kusten, zoowel bij Bretagne en Normandië als bij de falaises.
§ 51. Het Binnenland. Eene lijn van Bayonne naar Luxemburg scheidt in hoofdzaak het hooge deel des lands van de Fran-sche vlakte; eene Zuidoostelijke en eene Noordwestelijke helft.
De natuurlijke hoofddeel en, die men kan onderscheiden, zijn;
I. Twee hooggebergten en drie middelgebergten op de grenzen:
a. de Pyreneën,
b. de West-Alpen,
c. de Jura,
• d. de Vogezen,
e. de Ardennen.
6
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk.
II. De vlakte van Languecloc en van de Rhone.
III. Het Centraal Plateau en de Fransche middelgebergten.
IV. De Fransche vlakte.
I. De Pyreneën vormen een over 't geheel weinig toegankelijk gebergte. De hoofdketens bestaan nit steile granietmassa's, en de toppen zijn met sneeuw en ijs bedekt. Als de sneeuw smelt, worden watervallen van honderden meters hoogte gevormd. Velenvegen vormt het gebergte pieken, spitse toppen. De naam „Pyreneënquot;, welke van Keitischen oorsprong is, beteekent trouwens ook „spitsenquot;.
De vóór-ketens bestaan uit kalk- en krijtgesteenten. Ze zijn rijk aan holen, natuurlijke tunnels, schilderachtige dalen, enz.
De Noordzijde is hier en daar vulkanisch, met heete bronnen. Badplaatsen zijn Pau, Bagnères, Lour des, enz. Hier is de natuur niet woest en grootsch als in de midden-Pyreneën: met hare weiden en bosschen herinnert zij aan de Duitsche middelgebergten.
De hoogste toppen — Maladetta („monts mauditsquot;), Mont-Perdu, enz. — bereiken 3 000 a 3 500 meter. De meeste passen zijn boven 2 500 M. Aldus is 't gebergte moeilijk over te trekken en vormt het veel meer eene Scheiding dan b.v. de Alpen.
Langs de uiteinden verbinden tegenwoordig spoorwegen Spanje met Frankrijk:
1. Bordeaux—Bayonne—San Sebastian, enz.
2. N a rb o n n e—P e r p i g n a n—B arcelona.
In aanleg is eene hoofdverbinding; Toulouse—Zaragoza.
De West-Alpen beslaan een gebied, ten deele in Frankrijk, ten deele in Italië, ter grootte van bijna tweemaal Nederland. De hoogte neemt naar 't Noorden toe.
Reeds in de Oudheid en de Middel-eeuwen hadden belangrijke tochten plaats over deze bergen: Hannibal, Julius Cesar, Karei de Groote, de pelgrims naar Rome, Napoleon.
De voornaamste wegen, welke thans door en over de West-Alpen leiden, zijn:
Over den Col di Tenda; een rijweg van Nizza naar Turijn. „ „ Mont-Cenis.
„ „ Kleinen St.-Bernhard.
Spoorwegen voeren langs de kust: Marseille—Genua; en door den Mont-Fréjus: Lyon—Turijn.
De hoogste top, de Mont-Blanc, werd in 17S6 voor de eerste maal bestegen.
83
Met de Pyreneën vergeleken hebben de Alpen:
1. Grooter top-, geringer pashoogte.
2. Meer dalen.
3. Rijker sneeuw- en gletsohervorming.
4. Meer weiden en veeteelt.
II en III. De beide hooggebergten zijn door smalle laagvlakten van de Fransche middelgebergten gescheiden:
Welke zijn die laagvlakten?
Welke wegen leiden er door f
§ 52. De Fransche middelgebergten rijzen, van uit de Ehóne-vlakte gezien, steil op als een hooge muur. Eene lange keten loopt, onder verschillende namen, van de Cevennes tot de Vogezen. Op verschillende plaatsen breken lagere gedeelten de keten af, en van die lagere gedeelten werd al in vroege tijden gebruik gemaakt voor den aanleg van verbindingswegen tusschen de rivier-gebieden :
1. Rhone—Rijn. |
2. „ —Seine. I T, ,
T t Kanalen en spoorwegen.
3. „ —Loire. \ . i i i
/ Aan deze wegen — en aan de kus-
r, Taionnc. I — liggen de meeste steden.
o. Seme—Loire. 1 00
6. „ —Rijn.
De weg van Parijs naar de Middellandsche zee gaat door het Sein e-d a 1, vervolgens tusschen de C o t e d' O r en quot;t P1 a t e a u van Langres door, voorbij de oude hertogelijke stad Dij on (68) naar het Saóne-dal, en verder langs Chili ons s. S. naar Lyon.
De streek tusschen de Vogezen en de Jura, de Bourgondische poort, vormt een overgang van Duitschland naar Z.O.-Frankrijk. Door deze poort leidt thans een Rhóne-Rijnkanaal en een spoorweg. Aan de Fransche zijde ligt de sterke vesting Belfort (1870). Het Rhóne-Rijnkanaal is van Straatsburg door den Elzas gegraven (de Rijn is hier niet goed bevaarbaar, vormt stroomsplitsingen, zandbanken, eilandjes) naar Mühlhausen; van hier door de poort naar de Doubs, langs Be sa no on (58), hoofdstad van Franchecmnté, en zoo naar do Saóne.
Door het Marnedal leidt een hoofdweg, door C h a m p ague langs Chalons s. M., door Lotharingen langs Toul en de oude hoofdstad Nancy (90), over de Vogezen naar den Rijn bij Straatsburg.
Aan de Zuidzijde van de Cóte d'Or verbindt het Canal d u centre Saóne en Loire.
Het Canal du midi verbindt het gebied van de Garonne en dat van de Rhone, liet loopt door de laagvlakte tusschen de
6*
84
voorbergen van de Pyreneën en de Cevennes (Aquitaansche poort1.
Opgaven;
1. Langs welke belangrijke plaatsen komt men in Frankrijk, als men van Havre naar Marseille gaat?
2. Langs welke van Bordeaux naar Straatsburg?
3. „ „ „ Calais „ Turijn?
§ 53. Het Centraal Plateau, voornamelijk Auvergne, vormt eene hoogvlakte (± 1200 M) van oude graniet-gesteenten, hielen daar door vulkanische uitbarstingen doorbvoken, waaraan nog de kegelvormige toppen herinneren, zoo mede de heete bronnen, die badplaatsen deden ontstaan, b.v. Vichy. De Cantal (1856 M) vormt eene aanzienlijke berggroep. De Mont Dore (1886 M) is de hoogste berg.
Over 't geheel is Auvergne arm, met heidevelden bedekt; de bewoners trekken veel naar de groote steden.
Naar quot;t Noorden en Westen vormen terras- en heuvellanden den overgang naar de vlakte.
IV. De golvende Fpansche vlakte, door heuvelrijen afgebroken, is rijk aan afwisseling evenals b.v. Zuid-Oost-Engeland.
Die heuvellandschappen, soms 3 a 400 M hoog, vormen de waterscheidingen tusschen de riviergebieden, zoodat men kan onderscheiden ;
1. De vlakte van de Seine, of het Seine-bekken, waarin de belangrijkste streken van heel Frankrijk, als Isle de France, Normandië, enz. Deze vlakte is vruchtbaar, heeft veel industrie en een dicht net van wegen, maar was vroeger ook dikwijls het tooneel des oorlogs.
2. De vlakte van de Loire, ook met vele vruchtbare streken, als Beauce (tusschen Orleans en Parijs) is de korenschuur; Touraine, de tuin van Frankrijk; enz.
De Sologne, ten Z. van de groote Loire-bocht, heeft een dorren , onvruchtbaren bodem.
3. De vlakte van de Garonne bestaat uit de onvruchtbare Landes, de heuvellandschappen en de Yóór-Pyreneën.
Opgaven:
Vergelijk Oost-Frankrijk met West-Frankrijk ten opzichte van;
a. De ligging en begrenzing.
b. Den bodem.
c. De rivieren.
(Bij elk van deze vergelijkingen is hoofdzaak: de beteekenis voor de bewoners te doen zien.)
§ 54. Gebruik van den bodem; middelen van bestaan.
|--1 Bouw- en tuingrond (50,2 %)•
|-1 Boschland (15,8 %).
|-1 Groenland (13,9 %).
|-1 Wijnbergen (4,9 %).
|-] Woeste grond (15,4 %).
Een eigenlijk zee-klimaat, als dat van Groot-Brittannië en Ierland, heeft Frankrijk alleen in 't Noordwesten; want de kuststreken van Bretagne en Nor mandie hebben eene gemiddelde quot;winter-temperatuur, welke gelijk staat met die in de subtropische gewesten der aarde. Yersey (een der Normandische eilanden) staat b.v. gelijk met Fiume (aan de Adriatische zee). In deze, de voehtigste deelen des lands, is dan ook nog al veeteelt, terwijl over 't geheel de akkerbouw hoofdmiddel van bestaan is.
De vruchtbare en onvruchtbare streken zijn al genoemd. Vooral de wijnbouw neemt — dank zij den warmen zomer — eene eerste plaats in. Eigenlijke wijnstreken zijn: Champagne, Bourgondië en de heuvellandschappen in de street ten O. van Bord eanx. langs de Dordogne en andere zijrivieren der Garonne.
Langs de Middell. zee en in de Rhóne-vlakte is 't klimaat warm, doorgaans droog. Hier bloeit de cultuur van zuidvruchten en zyde.
In de bergstreken is, gelijk elders, veeteelt hoofdzaak.
In tegenstelling met de zorgvuldige houtcultuur in Duitschland zijn in Frankrijk veel bosschen uitgeroeid.
Delfstoffen; edele metalen ontbreken geheel, en daar de Fransche (Parijsche) industrie die juist in groote hoeveelheid gebruikt , moeten zij worden ingevoerd; evenzoo k o p e r.
IJzer en steenkool komen in vrij groote hoeveelheid voor, t. w.:
X De streek om St.-Etienne, „la terre noire,quot; ijzererts en steenkool beide.
2. Steenkool in de streek om Valenciennes, voortzetting van cte~quot;Biïlgisehe -mijnen. —
3. Ijzererts in Lotharingen.
4. Steenkolenmijnen bij leTTreuspt (aan den verbindingsweg tusschen Loire en Süone).
De nyverheid is in eenige deelen van het land hoofdmiddel van bestaan ; in die deelen nam de stadsbevolking toe:
1. Parijs en omstreken. In dit gebied overtreft de huis-
86
industrie de fabrieksnijverheid, wat zeker wel mede te verklaren is uit 't karakter van de Parijsche industrie.
2. Belgisch-Frankrijk: textiel-industrie; middelpunt: Lille of Rysel (216).
3. Lyonnais: zijde en metaal. De zijdeweverij is voor een aanzienlijk deel huis-industrie. St. Etienne (136) is 't middelpunt der metaal-industrie.
4. Lotharingen: ijzer. —
Frankrijks bevolkingsdichtheid staat beneden die van Duitsch-land: de grootte van de beide landen verschilt weinig. De dichtbevolkte deelen zijn in Frankrijk kleine districten, over 't geheel de bovengenoemde. N.-Frankrijk is 't grootste gebied.
Frankrijk als staat.
§ 55. De staatkundige indeeling van Frankrijk is in 87 departementen. Deze dragen over 't geheel namen, aan de natuurlijke gesteldheid van het land ontleend (naar gebergten, rivieren, enz.; b. v. Dép. des Ardennes, des Calvados, du Nord). De grootte der departementen kan men zich voorstellen als gemiddeld 2 van onze Neder), provincies. Corsica vormt ook een departement met Ajaccio als hoofdstad.
Belangrijker is de historische indeeling, want de namen van deze worden meer algemeen gebruikt en komen steeds voor in de geschiedenis. De meeste van deze oud-provincies (vóór 1790) zijn bij de beschrijving van de Fransche kusten en van het binnenland al genoemd, zoodat nu eene herhaling gemakkelijk is.
In te vullen: Vroegere provinciën in: . ■ Tm T c
a. X.W.- en N.-Frankrijk: ^. -f-r-t- •• j
b. N.O.-Frankrijk: *0^quot;» t ' ''iOCi /cttts,' «
c. Z.O.- „ : ^ .-A:
d. z.w.- „
e. Centraal- „ irt' . ei-i. (^(w-
Frankrijk is sedert Sept. 187p eene republiek. De regeerings- • vorm is in den loop dezer eeuw vaak gewijzigd geworden, '©e wetgevende macht berust bij 2 Kamers: Senaat en Kamer der' \V Afgevaardigden; de uitvoerende macht bij een President,1 en diens ministers. De president staat ook aan het hoofd van dA betrekkingen met het buitenland en komt in deze en andere verrichtingen met het gekroonde hoofd in andere staten overeen.
De heerschende godsdienst is de Katholieke. De Fransche taal werd hoofdzakelijk onder den invloed van het Latijn gevormd:
v
87
volgens afstamming is de bevolking Keltisch (Gallisch), maar in Gallië drong de Romeinsche invloed met de verovering door; vooral Zuid-Gallië werd toen Romeinsch en in Provence en Lan-guedoc zijn de betrekkelijk goed bewaard gebleven overblijfselen nog veelvuldig (o. a. te Nimes, Aries, Narbonne e. a.): fondamenten van groote gebouwen, puinhoopen van allerlei aard; reuzenwerken , als de waterleidingen, die ter lengte van uren gaans uit hardsteen werden gemaakt.
In de dagen der volksverhuizing (5' eeuw) overstroomden van de Germanen 3 volksstammen Gallië: Franken, Bourgondiërs en AVest-Gothen, maar zij hebben op karakter en taal der bewoners weinig invloed uitgeoefend, althans niet in de Zuidelijke deelen. De Franken gaven aan het land den naam. Belangrijker is misschien de invloed geweest, uitgeoefend door de nederzettingen der Noormannen in de 10' eeuw.
Het is uit het bovenstaande verklaarbaar, dat tusschen de bewoners van de verschillende deelen des lands veel verschil bestaat; dit is bovendien het gevolg van de natuur, die in Zuid- en Noord-, in West- en Oost-Frankrijk nog zeer verschilt.
De bewoners van Bretagne heeten Bretons of Breyzards. Zij zijn afstammelingen van Britsche vluchtelingen uit de 5quot; eeuw, dus Keltisch. Hunne taal, gewoonten en kleeding verschillen dan ook nog al van die in andere deelen van Frankrijk, maar door de spoorwegen wordt dit verschil gaandeweg geringer.
In een anderen uithoek des lands, 't Zuidwesten, in de uitloo-pers der Pyreneën, leven Basken. Ook zij zijn een overblijfsel van eene vroegere, oorspronkelijke bevolking, — die ook in de aangrenzende streken van Spanje is staande gebleven.
§ 56. Parys. De Seine strooniFquot;midden door de stad. In de rivier ligt een drietal eilandjes, waarop het oudste gedeelte van Parijs gebouwd is, eenmaal Lntetia (in de dagen van Julius Caesar). In dit gedeelte van de reusachtige stad, de „cité,quot; verheft zich de merkwaardige, in Gothischen stijl gebouwde Notre-Dame.
Op den rechter-oever is het mooiste gedeelte van Parijs, laville, terwijl op den linkeroever vooral ook inrichtingen van ondenvijs en van militairen aard gevestigd zijn.
Tot de bekendste gebouwen van Parijs behooren: het Louvre, met prachtige museums; de heerlijke Tuileriën (in 1871 gedeeltelijk verbrand); het Palais Royal en het gebouw dei-Opera.
♦
88
Op den linkeroever vindt men o. a. de J a r d i n des p 1 a n t e s; de Universiteit (Sorbonne, in de middeleeuwen de beroemdste hoogesehool voor de studie der godgeleerdheid); het Hotel des Invalides en het Champ de Mars.
Onder Napoleon III is Parijs bijzonder verfraaid; oude gedeelten van de stad zijn weggebroken en door nieuwe, ruime wijken vervangen. De vestingwerken zijn veranderd in prachtige, met dubbele rijen boomen versierde wegen, boulevards geheeten, waar het bonte Parijsche volksleven zich in al zijne eigenaardigheden ontplooit. Op grooten afstand is de stad door een kring van forten omgeven.
Het aantal inwoners van Parijs bedraagt tegenwoordig 2^ millioen; in 't begin van deze eeuw slechts 1U millioen. Deze snelle toeneming is 't gevolg van de groote aantrekkingskracht, door Parijs op iederen Franschman uitgeoefend. „Paris c'est la Francequot;, en bij geen ander land is inderdaad de hoofdstad zoo bepaald het geestelijk middelpunt als hier. In den loop der geschiedenis kreeg Parijs een overwicht op het gansche rijk.
Sterk is de stroom uit alle deelen van Frankrijk naar Parijs; het aantal Duitschers is ook bepaald van beteekenis.
Op de plaats, waar het oude Lutetia lag, komen natuurlijke hoofdwegen samen: de groote wegen uit het Zuiden, de een van de Middellandsclie zee over Lyon; de andere van Bordeaux over Poitiers, Tours, Orleans. De Marne wijst de verbindingsrichting met den Rijn en Duitschland aan; de breede Seine met het Kanaal. Door Noord-Frankrijk kan over Calais het drukke verkeer plaats hebben met Engeland. De streek om Parijs is bezaaid met stadjes en dorpen, en de oevers van de Seine zijn bekend door hunne schoonheid. Enkele grootere steden hebben zich ontwikkeld. Versailles (55), sedert de dagen van Lodewijk XIV residentie, heeft zijne opkomst geheel aan dezen vorst te danken: prachtige paleizen, parken, waterwerken (Trianon). Tusschen Parijs en Versailles ligt Sèvres met de beroemde porcelein-fabrieken. Bij Versailles ligt St.-Cyr met de vermaarde militaire scholen; St.-Denis (54), met de begraafplaats der Fransche koningen; St.-Cloud, oude residentie, met groote paleizen, waarvan echter veel in 1871 is verwoest; Boulogne (Bois de Boulogne), Vin-cennes, St.-Germain, ook dikwijls residentie van de Fransche koningen en beroemd door zijne kasteelen en parken.
Wat verder, doch met het spoor gemakkelijk bereikbaar, ligt Fontainebleau, mede eenmaal koninklijke verblijfplaats en met een uitgestrekt park.
Parijs vormt met het Dep. du Seine een der industriedistric-
89
ten van Frankrijk. De nijverheid beweegt zich vooral op 't gebied van weelde en smaak, waarin Parijs nog altijd den toon aangeeft. De zoogenaamde „articles de Parisquot; geven aanleiding tot een belangrijken uitvoerhandel, waarvoor o. a. de groote magazijnen (Printemps e. a.) zorgen.
Eene hoofdzaak vormen ook de meubelfabrieken, vooral in de voorstad St.-Antoine. In dit opzicht staat Parijs nog ver boven Weenen, en Londen. Doch ook op ander gebied staan de Franschen hoog. Zoo hebben Parijs, Versailles en St.-Germain. talrijke fabrieken voor wapens, geweven stoffen, enz.
§ 57. De steden van Frankrijk met meer dan 100 000 inwoners zijn verder: »
Lyon (466), in de 1' plaats industriestad: voor de zij de-we ver ij en staat het in Europa bovenaan. In de 2' plaats heeft het door de belangrijke wegen, die hier samenkomen, een druk verkeer en is eene sterke vesting.
St.-Etienne (136), middelpunt van de metaalindustrie, groote fabrieken voor wapens en machinerieën (het Fransche Birmingham). Het ligt in het rijke steenkolenbekken der Loire, „la terre noirequot;, en kwam in deze eeuw snel op. Met Lyon maakt St.-Etienne dit gebied, Lyonnais, tot een der dichtst bevolkte van Frankrijk.
Marseille (442), Bordeaux (257), Le Havre (119) en Nantes (124) zijn de vier groote havensteden des lands.
Rljsel (Lille; 216) is het middelpunt van spinnerijen en weverijen (textiel-industrie) van Belgisch-Frankrijk. Deze nijverheid is ook oorzaak van de snelle opkomst van andere steden in Noord-Frankrijk, als Roubaix (125). Waar men om zich heen ziet, overal aan den horizont rijzen hooge schoorsteenen, zwart van den rook evenals de daken der gebouwen, waarboven zij uitsteken. Het stof der groote wegen is gruis van steenkool: met steenkoolgruis zijn ook de binnenwegen overdekt, slingerend tus-schen de beetwortel- en graanvelden. Bijna nergens ziet men boomen, aan alle zijden golvende vlakten; en de mijnwerkers wonen niet verspreid in dorpen van oude dagteekening of schilderachtig van uitzicht, maar bijeen in lange rijen kale huisjes onder 't zelfde dak, gebouwd voor rekening eener maatschappij.
De stoomvaart, de spoorwegen, de spinnerijen, de weverijen en duizend andere inrichtingen hebben zulk eene vraag naar steenkolen doen ontstaan, dat het aantal ontginningen steeds is toegenomen. Het dep. du Nord, vroeger een landbouwdistrict, is een nijverheidsdistrict geworden. Het krioelt er van mijnondernemingen en een groot gedeelte der bevolking heeft geen ander middel van bestaan.
90
*
)
De grondstof voor de linnenfabrieken (vlas) kan in de vruchtbare streken zelf worden verbouwd. De invoer van ruwe katoen en andere grondstoffen kan gemakkelijk plaats hebben door de nabijheid van de havensteden en het dichte net van spoor- en waterwegen.
Aan beide zijden van de beneden-Seine ligt een der rijkste en i
dichtst bevolkte streken van Frankrijk, in 't midden waarvan Rouen (113), de oude Normandische hoofdstad, door zijne historische herinneringen en oude gebouwen eene der belangwekkendste steden van Frankrijk. Vroeger, vóór Havre, meer zeehaven voor Parijs en Noord-Frankrijk, thans, evenals Rijsel en St.-Etienne,
eene industriestad. Rouen is het middelpunt van katoen- en lak en spinner ij en weverij. Elbeuf is een tweede centrum.
In 't Noordoosten des lands ligt Reims (108), evenzeer met historische beteekenis (oude kroningstad); middelpunt der champagne-fabricatie; spinnerijen en beetsuikerfabrieken.
In 't Zuiden heeft Toulouse (150) eene belangrijke ligging (welke verbinding loopt langs T. ?). Daarom was het ook al in vroegen tijd van gewicht als verkeersmiddelpunt en vesting (als ïolosa,
hoofdstad van een West-Gothisch rijk'. Toulouse is eene belangrijke industriestad, het middelpunt van den binnenhandel in Zuid-Frankrijk.
GROOT-BRITTANNIE EN IERLAND.
(315 000 KM2; 39 282 000 inwoners).
Ligging' en kusten.
§ 58. Engeland vormt met Schotland en Ierland een eilandenstaat. De ligging is oceanisch, eene omstandigheid, die zoowel op de natuur des lands als op 't karakter der bewoners, op hunne geschiedenis, enz. grooten invloed heeft uitgeoefend. Maar de afstand tot Europa is slechts kort, die tot Amerika veel grooter. De zeediepten aan West- en Noordzijde zijn veel aanzienlijker dan die aan Oost- en Zuidkant. De best toegankelijke zijde is naar Europa gekeerd en de grootste, bevaarbare rivieren monden aan die kust. Engeland behoort dus tot Europa en kreeg van dit vastland in verschillende tijden zijne bewoners (in de eeuwen van de volksverhuizing de Angelen en Saksers van de overzijde der Noordzee; in de 11' eeuw de Normandiërs van over 't Kanaal).
91
4
)
Ten gevolge van de ligging der Britsche eilanden was de loop der geschiedenis hier in veel opzichten anders dan in 't overige Europa. En vooral gal' die ligging sedert de 15quot; en 10' eeuw aanleiding tot de vaart op den Oceaan. Tochten naar Amerika werden ondernomen, vooral naar de Noordelijke zeeën (waarom)?; een begin werd gemaakt met eene kolonisatie, die in volgende 6 eeuwen aan Engeland de heerschappij over alle wereldzeeën zou
verschaffen.
De kustontwikkeling is aanzienlijk; de zee dringt op verscheiden plaatsen diep landwaarts in, van 'tOosten en Westen tegelijk, en vormt aldus, wat men noemt, isthmische versmallingen. Er zijn punten in Engeland, vanwaar men tegelijk de lersche en de Noordzee kan zien.
Eilandenvorming is vooral in het W. en het X., alle rotseilanden. Lage eilanden heeft Engeland niet, kleine riviereilanden, b. v. in de Theems, uitgezonderd.
Opgaven.
1. Op welke breedte ligt Londen? Bepaal in Amerika en in Azië eene plaats op dezelfde breedte.
2. Welk eiland ligt voor het midden van Engelands Zuidkust? Welke beide eilanden liggen in de lersche zee? Welke beide eilandengroepen liggen voor de Schotsche N.- en W.-kusten?
3. Hoe heet het Zuidwestelijke schiereiland van Engeland? In welke beide kapen of rotspunten eindigt het ? Welke eilandjes liggen vóór die kapen ?
§ 59. Do Oostkust is laag; hier is dus het verkeer samengetrokken op de riviermonden: Theems, Humber, Tyne, breede riviermonden, gelijk zeeboezems, waar de vloedgolven ver opdringen en den toegang aan de diepgaande zeeschepen mogelijk maken.
Londen- is de eerste koophaven der wereld. East-End, het Oostelijke deel van do reusachtige stad, is de zeehaven. Hier liggen langs de Theems, een paar uren gaans, de dokken, werven en andere groote inrichtingen, die op het zeewezen betrekking hebben. Vooral de dokken, omgeven door kolossale pakhuizen, f zijn wereldberoemd. Ze bergen honderden schepen. Als voor
havens van Londen golden Deptford, Greenwich, met zijne beroemde sterrenwacht, Woolwich, bekend door zijne artillerie-inrichtingen, Graves end. Op bet rivier-eiland Sheppey liggen Sheer ness, eene vesting, en Que ensbo rough , station voor stoomschepen, o. a. van de maatschappij „Zeelandquot; te Vlissingen. Voor 't personen- en brievenvervoer moeten verder als voorhavens van Londen beschouwd worden: Dover, eenige malen daags (en
lt;
92
's nachts) verbinding met Calais en O s t e n cl e; Harwich, geregelde dienst naar den Hoek van Holland en Antwerpen; Southampton, stoomvaartlijnen naar alle deelen der wereld.
Tal van steden en dorpen zijn langzamerhand met Londen ver-eenigd geworden. De City, het ouderwetsche middelpunt, bestaat thans voornamelijk uit kantoren en handelsinstellingen. Van de weinige overgebleven oude gebouwen (brand in 1666) is merkwaardig de Towrer, aan de Theems, de beruchte staatsgevangenis, de „Engelsche Bastille.quot;
Vooral naar de Oost- en Zuidzijde, liggen de fabriekssteden, die deel van Londen uitmaken, o. a. Southwark. Elke tak van industrie is er vertegenwoordigd; daar zijn de brouwerijen, de suikerraffinaderijen, de chemische fabrieken; de zijdewevers, de touwslagers, de zeilmakers; de lucifers- en sigarenmakers en zoo vele anderen, die in een tak van nijverheid een bestaan vinden.
De zetel van regeering en liet hof is Westminster, eens ook eene afzonderlijke stad. Merkwaardig zijn hier de beroemde abdij, de St.-Paul-kathedraal, het reusachtige Parlementsgebouw.— Ook op wetenschappelijk gebied is Londen eene hoofdstad van de wereld: de verzamelingen, die op de oudheid betrekking hebben, de Ass3'rische, de Egyptische, de Grieksche kunst, zij zijn nergens rijker vertegenwoordigd dan in het Britsch Museum. En even rijk, op elk gebied, zijn andere musea, als die van Kensington, Chrystal Palace enz.
Vooral naar de Westzijde ontstonden onmetelijke buitenwijken, boven en onder den grond door spoorwegen met de City verbonden, gelijk de beide oevers der Theems vereenigd zijn door bruggen over en tunnels onder de rivier.
De Medway mondt aan de Zuidzijde van den Theemsboezem; hier ligt het sterke Chatham, eene oorlogshaven.
Onder de talrijke badplaatsen aan Engelands Oostkust is Margate 't bekendst, gelijk onder de visschershavens Y f ^ 11
groote haven voor het verkeer
mei iMoora-Jiuropa en cle uostzee; onder de havens, waarmee het verbonden is, zijn Rotterdam, Amsterdam, Harlingen en Vlissingen. Invoer vooral van koren, vee en hout; voorhaven Grimsby. .
Newcastle (186), aan devi1!^ ., is de belangrijkste uitvoerhaven voor steenkool; voorhavens N.- en Z.-Shields.
-y// Sunderland (131) staat boven aan onder de kleinere havensteden. Deze hebben alle veel scheepsbouw en eene aanzienlijke vis-schersvloot.
93
§ 60. De Zuidkust is op vele plaatsen steil, met verscheiden flauwe bochten. Groote rivieren loopen er niet uit; dit verklaart ten deele, waarom zicli aan deze kust geen groote koophaven heeft ontwikkeld.
Maar aan de Zuidkust liggen:
1. De oorlogshavens, waartoe de baaien zeer geschikt zijn:
PoFtsmouth (159), het hoofdstation van de Eng. marine, met de groote
reede van Spithead, talrijke arsenalen, tuighuizen, enz. Portsmouth ligt tegenover Cherbourg. Plymouth, Engelands 2' krijgshaven. Hier gingen de schepen uit, die de „onoverwinnelijke vlootquot; 7 dagen lang bestreden.
2. De havens voor het verkeer met het vasteland, over Frankrijk; Daver (50), levendigste haven voor het personenverkeer; in ruim één uur overtocht naar Calais; Folkestone, drukke verbinding met Boulogne; Newhaven, verbinding met Dieppe.
3. Southampton, Loudens haven aan de Zuidkust, uitgangspunt voor mailbooton naar alle landen buiten Europa.
Onder de kleinere havenplaatsen is Falmouth van beteekenis (aanlegplaats voor de van verre komende schepen).
Als badplaatsen aan de Zuidkust staan bovenaan: Brighton (115) en Wight. Het eiland Wight heeft door de beschutte ligging een uitstekend klimaat en een schier Italiaanschen plantengroei. Hastings ('tjaar 1066), Torbay (1688); enz.
De Westkust is steil en zeer gebroken. De havens zijn er voor den handel op Europa minder gunstig gelegen dan die van de O.- en Z.-kust, doch voor de vaart op Amerika gunstiger. Toen in de 16' eeuw Engelands grootheid ter zee begon, was dan ook Bristol het uitgangspunt voor ontdekkingsreizen naar N.-Amerika; Bristol was toen Engelands eerste haven.
Engelands twi ode haven , T.ivacpoftHfi l S), ligt alweer aan den bree-den moncl eeyër rivier; Bristol aan der^k'V, Liverpool aande^f^ voorhavenlt;V-®-vlt;*W Bristols beteekenis is grootendeels op Liverpool overgegaan, dat Londen als koophaven nabij komt. Hoofdinvoer is ruwe katoen (de groote katoenmarkten zijn Amerika en Britsch-Indië). Liverpool is de eerste haven voor landverhuizers naar Amerika; voor Amerika staat Liverpool bepaald boven Londen.
Bristol en Liverpool hebben beide druk verkeer met Ierland; het personen- en brievenvervoer gaat per spoor over Anghsea-JJohjhead en dan per boot naar Kivgstovm, de voorhaven van Dublin.
De uitstekende, natuurlijke havens van Wales hebben geen groote
i
94
koophavensteden doen ontstaan, doordat gemeenschapswegen naar het binnenland ontbreken. Eerst in onze eeuw kwamen die havens op door den uitvoer der mijnproducten van Wales: Cardiff en Swansea, vooral uitvoer van steenkolen.
Engelands gunstige ligging en de goede havens gaven al vroeg aanleiding tot visscherij, zeevaart en handel. De opbrengst der Britsche zeevisscherij bedraagt tegenwoordig 60 è 70 millioen gulden 's jaars. Waren dit aanvankelijk de oorzaken, dat Engeland
Gr. Britt. en lerl.
handelsmogendheid werd, de koloniën, de rijke mijnen, de grootindustrie maakten het tot den eersten zeestaat. De Engelsche handelsvloot staat nog altijd ver boven de Amerikaansche en andere (zie fig. 21).
Belangrijk is liet hierbij op te merken, hoe Engeland en Amerika
05
veel stoomschepen hebben, terwijl Noorwegen bijna alleen zeilschepen bezit.
Binnenland.
§ 61. Zuid-Oost-Engeland is heuvelachtig laagland; Noorden West-Engeland zijn bergachtig. Eene lijn van den Severn-naar den Humbermond kan ongeveer de scheiding tusschen de beide deelen aangeven. Maar de Engelsche laagvlakte is rijk aan afwisseling. Op verscheidene plaatsen treden de rotsgronden aan de oppervlakte of zijn slechts weinig door jonge gronden bedekt en geven aanleiding tot mooie heuvelrijen, de Downs. Zoo langs de Zuidkust, waar de krijtrotsen aan Engeland den dichterlijken naam Albion bezorgden (de afleiding van „Alba-in,quot; d. i. „berg-eiland,quot; uit het Keltisch, wordt tegenwoordig als meer juist beschouwd); zoo langs de oevers van de Theems, waar zij tot de schoonste en gezochtste deelen van het land behooren. En de Engelsche vlakte is zorgvuldig bebouwd; landbouw en veeteelt beide staan op hoogen trap; parken en buitenverblijven zijn als gezaaid.
Een laag en ongunstig deel ligt om de Wash-baai; het „Engelsche Hollandquot; met moerassen en venen. Ongunstig is ook de bodem ten N. van de beneden-Ilumber. Hier zijn heidevelden, alleen voor de schapenkudden geschikt, en uitgestrekte venen en moerassen (Yorkshire).
Daar de bergen aan de Westzijde liggen, hebben de rivieren, die naar het O. stroomen, den langsten loop en zijn het belangrijkst de Theems, Trent, N.-Ouse, Tyne en andere.
De gebergten vormen geen aaneengesloten geheel: het geb. van Cornwallis, het bergl. van Wales en het Peak-gebergte zijn door lagere deelen van elkaar gescheiden en daartusschen stroomen bevaarbare rivieren: 1. do Severn (met de Wye), die in een grooten boog om het gebergte van Wales stroomt en met breeden mond in het kanaal van Bristol uitloopt; 2. de Mersey, met korten loop van het Peak-gebergte naar de Westkust, doch met breeden, prachtigen mond, waaraan
Gemakkelijk konden al die rivieren door kanalen worden verbonden , zoodat de scheepvaart in Engeland van kust tot kust door het land heen mogelijk is. Vooreerst zijn aldus de groote zeehavens Londen, Liverpool, Hull en Bristol verbonden; ten tweede staan de groote fabriekssteden op die wijze ook te water in gemeenschap mot de havens, die de ruwe stoffen invoeren en de afgewerkte producten naar alle werelddeelen verzenden.
Het bergland van Cornwallis bestaat uit kale graniet en leisteen-
96
bergen, die rijke metaalschatten inhouden, b.v. koper en tin. Het bergland van Wales is een boomloos rotsgebied met rijke steenkool- en ijzerlagen. De Snow don (d. i. sneeuwtop) bereikt eene hoogte van 1094 M. Het Noordengelsehe bergland (Peak- en Penninisch gebergte) vertoont breede ruggen met dichte bosschen. Het dal der Eden scheidt het Penninische bergland van het graphietrijko Cumbrisch gebergte, dat wegens zijne schoone bergmeren en romantische dalen „Engelsch Zwitserlandquot; heet. Aan weerszijden van het Peakgeb. en ten O. van liet Penninisch geb. vindt men veel steenkool. Vóór de 19quot; eeuw stond het Noordengelsehe bergland altijd ver achter bij het Zuidoosten, het landbouwende en handeldrijvende Engeland. Maar de toepassing van den stoom heeft daarin groote verandering gebracht: de fabrieksnijverheid nam eene liooge vlucht, vooral in het midden en het Noordwesten van het land. De mijnen werden op groote schaal ontgonnen, en uit kleine plaatsen ontwikkelden zich steden als Manchester, Birmingham, Sheffield en Leeds. Als zeehaven voor dit, industriëole Eiiwliinil nam Liverpool spoedig een reusachtigen omvang aan en streefde opzichi Londen op zijdë^
Groot-Brittannië produceert ongeveer evenveel steenkool als al de andere landen der wereld samen. Men heeft berekend, dat de opbrengst van één jaar voldoende zou zijn, oni geheel Engeland en Wales langs al de kusten en de landgrens te omgeven met een muur van steenkool, hoog 4 M en dik 1 M.
De ligging der kolenbekkens biedt de volgende voordeelen aan:
le. De nabijheid van de zee; dus gemakkelijke uitvoer.
2e. „ „ „ „ ijzermijnen; dus voordeelig voor de
industrie.
Ook in de productie van ijzererts staat Engeland bovenaan.
Er zijn vier groote kolengebieden:
1quot;. Dat van Zuid-Wales, gewichtig voor de smelterijen van ijzer, koper erTtin en vqor den uitvoer (Cardiff).
2°. Dat van Midden-Engeland, uit verschillende deelen bestaande en dat de industrie voedt van Birmingham, Manchester, Sheffield, Leeds, enz., terwijl het ook van belang is voor de stoomvaart van Liverpool.
3e. Het Noordengelsehe steenkolenbekken, het dichtst bevolkte industriegebied van geheel Europa. Het brengt alleen meer steenkool op dan Frankrijk en België samen. Zelfs tot onder de zee loopen de kolenmijnen door (bij Newcastle). Hoofdzaak is hier de uitvoer. Noord- en Zuid-Shields zijn kolenhayens.
4°. Dat van Schotland . tusschen de golven van Clyde en Forth; onmisbaar voor quot;Re ontzaglijke ijzer-industrie van Glasgow, enz.
97
§ 62. Oe Engelsche nijverheid heeft in hooge mate den rijkdom der Engelsche natie vermeerderd; zoowel rechtstreeks, doordat zij tal van menschen een middel van bestaan verschafte en de bevolking deed toenemen, als indirect door de groote uitbreiding, die de Eng. handel er door kreeg. Het meest was dit het gevolg van de katoen; was zij tot in de 2' helft der 18' eeuw in Europa onbekend, thans neemt misschien geen product een hoogeren rang op de wereldmarkt in: de uitvinding der stoommachine heeft der katoen een gebruik over de gansche aarde verzekerd, terwijl vroeger alleen de inboorlingen van sommige landen van Azië en Amerika er een beperkt gebruik van maakten. Geen andere gebeurtenis heeft misschien eene zoo groote revolutie ten gevolge gehad: plaatsen in 't begin dezer eeuw onbekend, zijn thans steden met gt;/2 millioen inwoners. De geweven stof komt gebleekt of ongebleekt, geverfd en gedrukt in den handel, zoodat naast de spinnerijen en weverijen ook nog andere inrichtingen aan duizenden een middel van bestaan geven. De hoofdmarkten voor katoen zijn de Zuidelijke staten van de Amerikaansche Unie, waar vóór 't uitbreken van den slaven-oorlog de oogst vijf millioen balen of 1000 000 000 KG bedroeg; verder Britsch-Indië, Egypte, enz.
Van 300 groote en kleine plaatsen is Manchester (505) het middelpunt. Het is de eerste fabrieksstad der aarde. De opkomst van deze tcxtiehndusme-sireek gmg samen met die van Liverpool als reusachtige haven.
Leeds (368) en Bradford (216) zijn middelpunten voor de fabricatie van laken en andere wollen stoffen. Engeland, Schotlanden Ierland leveren veel wol. Verder zijn de eerste markten: Australië (Sydney) en Kaapland (Kaapstad en Pt. Elisabeth).
Birmingham (429) met alle soorten van metaalwerk, van de zwaarste machinerieën tot het fijnste werk. Sheffield (325). het tweede middelpunt voor m ctaa 1 i n lt;1 uatrifu-veoral sAnra.1, de uitstekende Eng, messen, enz.
Nog zien wij in Engeland verschillende andere hoofdafdeelingen der nijverheid vertegenwoordigd, als b. v. de papier-f a bricatie. Talrijk zijn tegenwoordig de verschillende takken van deze industrie, van 't grove pak- en 't gewone drukpapier tot de fijne papiersoorten. En schier even talrijk zijn de grondstoffen, voornamelijk planten-vezels, waarvan de fabrikant zich bedient. Zoo wordt jaarlijks, uit Spanje en Algerië, ter waarde van ± ƒ 13 000 000 esparto (of alfa) ingevoerd, eene grassoort veel op onze helm gelijkende.
Het graniet van Cornwallis levert porceleinaarde voor de bekende potteries van Stoke.
Engeland is het land der groote steden: meer dan 20 steden tellen over 100 000 inw. Als wij letten op de beschouwde verdeeling in een landbouwend en een industriëel Engeland (grenslijn bovengenoemd), dan liggen de meeste groote steden iii D. Aitton. Beknopt Leerboek, 4e druk. 7
98
dit laatste. In het landbouwend gedeelte zijn het alleen de zeehavens, die zich tot groote steden hebben ontwikkeld.
Van het verbazend aantal steden, dat Engeland verder heeft, noemen wij alleen: Oxford en Cambridge, de beide beroemde Universiteiten, en York, oud bisdom (6' eeuw), thans eene der belangrijkste steden voor de Engelsche (Anglicaansehe) geestelijkheid.
Wales bestaat voor een groot deel uit woeste bergen en heidevelden en herinnert in dit opzicht aan Schotland. Groote kudden schapen geven hier een hoofdmiddel van bestaan. De rijke steenkolenmijnen liggen in het Zuiden, waar Merthyp-Tydvill als mijnstad en Swansea en Cardiff als havenplaatsen dan ook snel zijn vooruitgegaan. Zware steenkool, rijk aan koolstof (anthraciet), levert Wales, en daarnaast ijzererts. Zuid-Wales heeft dan ook tal van ijzersmelterijen.
§ 63. Ierland is in 't midden grootendeels laagland. Uitgestrekte moerassen en venen nemen een deel van den bodem in. De natuur van Ierland is bij uitstek oceanisch. Men spreekt van het „altijd groene Erin.quot; Hoe schoon het echter moge klinken, een altijd groen land te bewonen, toch is de oorzaak, waaraan die altijd frissche bekleeding is toe te schrijven, verre van benijdenswaardig, daar zij ontstaat uit de vochtigheid van het klimaat.
Het binnenland van Ierland is één reusachtige, groene weide, slechts hier en daar afgebroken door eenige tusschenliggende akkerlanden en bruinvale turfvelden. Met tragen loop winden zich de rivieren door de vlakten, vaak zich verbreedend tot poelen en meren, terwijl de donkere kleur van 't water zich o. a. verraadt uit den vaak voorkomenden naam „Blackwater.quot; Op de weiden van Midden-Ierland grazen talrijke kudden rundvee en schapen; doch de grond is in handen van Engelsche heeren; de Ier is maar pachter in zijn eigen land, en daardoor is de bodem in verscheiden streken niet goed verzorgd en brengt lang niet op, wat hij zou kunnen doen.
Aan de lersche kusten verheffen zich gebergten. Deze zijn van nauwelijks middelbare hoogte. Het schoonste gedeelte van het land ligt in het Z.W., het „lersche Zwitserland,quot; de Kerry-mountains, met mooie dalen en Alpenmeren.
De kusten zijn rijk aan diep in het land dringende insnijdingen en natuurlijke havens. De eerste havenstad is Dublin (352), met de voorhaven Kingstown. Dublin heeft veel katoen-industrie en handel op Engeland. Het lersch-Engelsch verkeer gaat over Dublin—Holyhead—Anglesea—hoofdspoorweg Londen.
99
Aan den mond van de getijrivier de Shannon heeft zich geene aanzienlijke havenstad ontwikkeld; daar ligt slechts eene stad van minderen rang, nl. Limmerick (40) met uitvoer van vee en spek.
Belfast (256) is de eerste handels- en fabrieksstad van Ierland. Het is de hoofdmarkt der aarde voor .linnen. Het lersche vlas, de grondstof, is zeer glanzend en zacht als zijde.
Valentia, het eilandje vóór de Z.W.-kust, is het station voor de telegraafkabels naar Amerika.
Hoofdmiddelen van bestaan in Ierland zijn landbouw en veeteelt.
Aardappelen zijn een hoofdproduct; het mislukken van den oogst heeft al meermalen hongersnood ten gevolge gehad. V a r-kens en schapen zijn voornamelijk het lersche vee.
Cork (75), de derde lersche stad, is uitvoerhaven van producten van landbouw en veeteelt. Het heeft den bijnaam van „het lersche slachthuis.quot; Queenstown is de voorhaven.
§ 64. In Schotland is bijna alles bergland, doch het kleine laagland, hoe klein ook in oppervlakte, is het belangrijkste deel. Dit laagland strekt zicli uit van de Noordzee tot de Westkust , dwars door het land. Het wordt doorstroomd door het Forth-Clyde-kanaal, dat in breede golven (Firth) uitloopt. Dit kanaal heeft wegens de geringe diepte voor het internationaal verkeer weinig beteekenis. Als het verbeterd wordt, zal het een nieuwen weg openen tusschen de Oostzee en Amerika. Dit kanaal telt een veertigtal sluizen, om de stijging van 50 M te overwinnen.
De vruchtbare Schotsche laaglanden bevatten tegelijk eene groote en rijke steenkoolstreek. Op de kleine, smalle streek, die aldus tusschen Noord- en Zuid-Schotland ligt, wonen 2 millioen menschen, d. i. meer dan de helft van de geheele bevolking.
Schotland bestaat dus uit 2 deelen, die in bodemvorm en daardoor in andere opzichten zeer verschillen: de Schotsche Hooglanden en de Laaglanden. Men rekent het woeste, improductieve gedeelte op niet minder dan 75 pet. van de geheele oppervlakte, terwijl in Ierland en Engeland juist omgekeerd wel 3/4 van den bodem zéér geschikt is voor landbouw en veeteelt.
In de laaglanden liggen ook de groote steden.
Glasgow (566) is eene groote fabrieks- en handelsstad en de eerste ij z e r m a r k t der aard e. Er is allerlei soort industrie; metaalwerk en scheepsbouw zijn hoofdzaken. In de nabijheid lig-
7*
100
gen rijke steenkolenmijnen. Verder liggen aan de Clyde het nijvere Paisley (66) en de voorhaven Greenock (63).
Edinburg- (261), de schilderachtig gelegen hoofdstad, heeft veel textiel-industrie en belangrijken uitvoer naar Amerika en de Oostzee. Leith (70) is de voorhaven. Perth (30) aan den mond der Tay is de oude hoofdstad, de poort naar de Schotsche Hooglanden.
Dundee (156), aan de Taygolf (Firth of Tay), heeft belangrijke linnen-, jute- en wol-industrie. Aberdeen (122) en alle plaatsen van beteekenis in Nd.-Schotland liggen aan de Oostkust en bestaan van vischvangst en sch e epsbo u nquot;. Alleen Aberdeen is eene aanzienlijke stad en heeft industrie; ook eene academie.
De Hooglanden komen in natuur meer overeen met Skandinavië dan met Brittannië. Ofschoon van zeer middelmatige hoogte — de hoogste toppen, als de Ben-Nevis, reiken tot ± 1300 M—, zijn zij voor een groot deel bedekt met heidevelden en venen. Zij missen over 't geheel de afwisseling in wouden en weiden, die b.v. de Alpen kenmerkt en hebben een meer somber karakter, gevolg van 't meer gure klimaat. Daarentegen zijn zij trotsch in hunne rotspartijen, hunne diepe en donkere kloven, hunne schuimende en bruisende wateren. Talrijk zijn de meren („lochsquot;), waarvan dat van Lomond 'tgrootst is. Aan Noorwegen herinneren eindelijk ook de fjorden („firthsquot;) en de tallooze rotseilanden, die de Schotsche kusten vergezellen en op welke laatste de eenzame en woeste Hooglanden nog eene voortzetting vinden. Zoo is het kleine eiland Staffa beroemd door de Fingalsgrot, een merkwaardig bazalt-gevaarte.
Wordt in de laatste jaren Schotland veel bezocht, talrijk zijn ook de adellijke kasteelen met hunne schoone parken. Eene zomerresidentie van de koningin is Balmoral, in het hartje van de bergen.
Tusschen de Grampians en de Caledonische bergen is door rotskloven („Glen More,quot; d. i. „groote kloofquot;) een kanaal aangelegd, dat echter geen groote scheepvaartbeteekenis heeft.
Peterhead en Wiek zijn onder de talrijke visschershavens de drukste.
De meeste eilanden zijn onbewoond. Op sommige wonen echter arme visschers; de oude zeden en kleederdracht zijn hier bewaard. De Hooglanders leven van hunne schapenkudden, en het hoofdproduct voor de voeding is haver. Deze Hooglanders maken een uitstekend bestanddeel van de Engelsche krijgsmacht uit.
101
Bevolking, enz.
§ 65. In oppervlakte en in bevolkingscijfer overtreffen de Brit-sche landen 9 a 10 maal ons vaderland.
De dichtheid der bevolking is natuurlijk het aanzienlijkst in Engeland, het minst in Schotland. „Natuurlijkquot;, want Engeland bestaat (Wales uitgezonderd) grootendeels uit goed bebouwde gronden, het heeft den aanzienlijksten handel der wereld en ook in-dustriëel staat het bovenaan, alle redenen, die een hoog bevolkingscijfer verklaren. Schotland daarentegen bestaat voor 3/4 uit woeste gronden.
[---1 Engeland (30 mill.).
I-1 Schotland (4 J mill.).
|--1 Ierland (ruim 4^ mill.).
De bevolking van Ierland is afnemende (zie fig. 30). De oorzaken zijn niet in de natuur van het land, maar in de maatschappelijke
Millioen.
omstandigheden te zoeken. Ligging en kusten zijn uitstekend; het klimaat is gunstig; de bodem is bijna geheel voor bebouwing en
102
veeteelt geschikt. Maar de kwaal zit in het agrarische vraagstuk, d. i. het vraagstuk van het grondbezit.
Gelijk de afstamming van Engelschman en Ier eene verschillende is, openbaart zich ook nu nog een groot onderscheid: terwijl de Engelschman zich kenmerkt door eene deftigheid en afgemetenheid, die spreekwoordelijk zijn geworden, heeft de Ier 't meest kwikzilverachtige en levendige karakter, dat men zich kan voorstellen.
Ook in den godsdienst zijn Engelschen en Ieren gescheiden: Engeland heeft eene staatskerk, Protestantsch in de leer. Katholiek in den eeredienst; de Ieren zijn meerendeels Roomsch-Katholiek.
De oud-historische namen der Angelsaksische koninkrijken (in S27 vereenigd) worden nog wel gebruikfr, schoon steeds minder: Kent, Essex, Sussex, Wessex, Oost-Angeln, Mercia, Northumberland. Naast deze Angelsaksische landen bestond het Keltische Wales, dat eeuwenlang zijne onafhankelijkheid bewaarde en ook nu, in zijne bergen althans, nog ver van Engelsch is.
De historische indeeling van Ierland en Schotland is nog onbeduidender.
De tegenwoordige indeeling is in graafschappen, shires, voorde drie landen samen 126, dus te veel om op te noemen. De grootte komt gemiddeld met die van de kleinere Nederlandsche provinciën overeen.
De wetgevende macht berust bij het Parlement. Dit bestaat uit het Hoogerhuis of dat der Lords en het Lagerhuis of dat van de afgevaardigden der Gemeenten. Gelijk bij alle staatsinrichtingen van den nieuweren tijd, is het laatstgenoemde huis het belangrijkst en vormt de eigenlijke volksvertegenwoordiging.
Koloniën.
§ 06. Engeland bezit drie uitgestrekte koloniale gebieden in de gematigde luchtstreek, waar landbouw en veeteelt bloeien: Canada, Australië en Zuid-Afrika. Deze landbouwkoloniën bezitten eene groote mate van zelfstandigheid, doch hebben met het moederland een belangrijk handelsverkeer en verschaffen menigen Engelschman eene goede positie als ambtenaar, officier, enz.
Verder zijn in de tropische gewesten talrijke „plantagekoloniënquot; gesticht: in de Antillen, Guyana, Mauritius, enz.; terwijl mede in de heete luchtstreek het groote „Britsch-Indisch keizerpflkquot; is gelegen.
Eindelijk heeft Groot-Brittannië in alle zeeën belangrijke punten in bezit genomen en ingericht tot marine-stations als steunpunten voor den handel. Zoo heeft het in Europa: de Nor ma n-disehe eilanden, voor de Fransche kust; Gibraltar sedert
103
1704), rotsvesting, waarop de Spanjaarden bij verschillende gelegenheden tevergeefs hun kracht beproefden om het te hernemen;
de Malta-eilandjes, belangrijk station in het midden van de Middell. zee; Cyprus, eigenlijk volgens de natuur tot Azië behoorend, hier genoemd als station in de Oostelijke Middell. zee. Verder heeft het Aden en Perim, bij de Roode zee; de Straits-Settlements (Singapore), aan de Straat van Malakka; Hongkong, vóór de Zuid-Chineescbe kust; L a b o e a n, ..... . bii Britsch-Borneo; St. Helena en As-
Fig. 31. Vergelijking van de ^ . ----------'rj 'A A-P quot;V 1
grootte van Gr. Brittannië cenSlOll op Wög .najU—gt; Ci© (zwarte cirkel), met die van Jtermuda's op weg naar Amerika, en
Europa (gestippeldecirkel)en de Falklands-eilanden in Tiet gebied van het Engelsen koloniaal _ - — , . . , ..
gebied (getrokken cirkel). dGr anuirctlSCnG WüiviSSCnGllJ.
SKANDINAVIÊ.
iGrootte: ISJ x Nederland. '.Bevolking: 4,8 millioen inwoners.
Zweden
{Grootte: 10 x Nederland.
1 ooi wegen i Bevolking: 2 millioen inwoners.'
Samen 776 000 KM2 en ö 862 000 inw.
Ligging en horizontale vorm.'
§ 67. Dit land, na Rusland 't grootst in oppervlakte in Europa, behoort door de ligging tot Noord- en West-Europa, tot de koude en tot de koudgematigde luchtstreken.
Daar de Skandinavische gebergten als hoofdrichting van het N.O. naar het Z.W. loopen, is het land lang gestrekt (wel over .... breedtegraden) en smal van vorm. De Noord kaap, op Magerö, .... N.B., is eene mooie rotspartij van 300 M hoogte. De langste dag duurt hier ruim twee maanden. Lindesnas is op . . . .0 N.B.
De kustontwikkeling is de rijkste ter wereld door de ontelbare, diep indringende baaien, fjorden. Onder deze dringen enkele 30 a 40 uur gaans ver het land in, met steile wanden tot honderden meter hoogte: diepe zee, goed vaarwater en eene mooie natuur.
En nog talrijker zijn de rotseilandjes, skeeren, voortzetting van de Skandinavische bergen in den Oceaan. Hier, bij de fjorden en skeeren, woont een koen visschersvolk. Haring en kabeljauw maken een deel van Noorwegens rijkdom uit.
104
De volgende schildering der Noorweegsche fjorden is ontleend aan „Keiler, Een zomer in het Noordenquot;:
„Ik geloof niet, dat in eenige streek van Europa de natuur zoo grootsch en schoon is, als op de fjorden tusschen de Lofoden-eilanden. Er is geen
schouwspel, dat vergeleken kan worden met die drie- en vierduizend voet hooge klippen, die hier maanden lang in nacht zijn gehuld, maar thans door een onafgebroken daglicht beschenen worden. Tachtig of honderd rotsen tee-
105
kenen zich tegen de heldere lucht, met vormen zóó sehei-p en hoekig, dat men de geijkte vergelijking met de tanden eener haai begrijpen kan, ofschoon slechts de uitstekende punten dezer eilanden die vergelijking rechtvaardigen, terwijl bovendien niet daarin juist hunne indrukwekkende schoonheid is gelegen. Het zijn niet die hoeken en spitsen, die loodrecht afgehouwen wanden alleen, maar vooral de uitgestrekte hoogvlakten, die het karakter der bergen in Noorwegen vormen; die onafzienbare sneeuwvelden, tegen en tusschen de hellingen, die diepe kloven, waarin het oog zich verliest, die glinsterende wanden, waarlangs de waterval zich nederstort en verstuift vóór hij den bodem bereikt heeft. Hier en daar strekt zich eene zwarte rotsplaat in de zee uit en het schrale gras, dat er, onder beschutting der hooge bergen, ontsproten is, strekt tot voedsel van eenige geiten of schapen. Op enkele punten, maar slechts zelden, ziet men op die platen of tusschen de kloven een schamel gebouw, dat thans onbewoond is, maar gedurende den winter soms tot verblijf dient van de visschers op de Noorlandsche kusten.
Thans echter, gedurende de laatste zomermaanden, is hier geen spoor van vischvangst te ontdekken. Alles is stil op de Lofoden en langs de kusten,
op de fjorden en de rotsplaten..... Toch zijn zij niet zonder bewoners.
Neen, het wemelt er; duizenden, millioenen eidereenden zweven en zwemmen tusschen de klippen. Soms was onze boot door honderden dezer vogels omringd, die statig voor ons uitdreven, tot zij alle tegelijk oprezen en zich op eene rotsplaat nederzetten.
Maar dan vooral zijn de Lofoden schoon, als de nachtzon boven de kimmen staat; als de sneeuwvelden met een rossen gloed zijn overtogen: als de blauwe gletscher, die zich uitstrekt tot den waterspiegel, waarin hij zich verliest — een onbekend schouwspel in elke andere luchtstreek —, de purperen stralen opvangt en met de groene velden, die hem omzoomen, aan eene andere wereldorde doet denken, waar de zomer zich huwt aan den winter; als de stuivende watervallen regenbogen vormen tegen de rotswanden, terwijl op het kalme fjord de eidereend voortdrijft en de meeuw in pijlsnelle vlucht over de klippen scheert; dan vooral zijn zij schoon, als in een afgelegen baai de wal-visch zijn reuzenkop verheft, die hier, bij de onmetelijke rotsen, een nietig puntje vormt, en zijne waterstralen opzendt, die geen honderdste deel bereiken van de hoogte der watervallen nevens hem.quot;
Bodem, klimaat enz.
§ 68. Van het Westen naar liet Oosten neemt het land in hoogte af en bestaat uit: hooggebergte, middelgebergte, heuvelland, laagland; het eerste in Noorwegen, de drie laatste meer in Zweden. Dit verklaart, hoe men de scherpe tegenstelling in de natuur in Skandinavië evenzeer opmerkt bij eene reis van de Atlantische kust door Noorwegen en Zweden naaide Oostzee, als wanneer men zich beweegt in de richting van de breedtegraden.
Over 't geheel bestaat Noorwegen uit eene golvende hoogvlakte
106
met diep ingesneden dalen. Er is slechts weinig bouwland, doch in sommige dalen is 's zomers een weelderige plantengroei. In de
| | Bosschen (24 0/o).
j—| Weiden (2,8 0/o).
|-| Bouwland (2,1 0/o).
|--1 Woest (71,1 0/o).
Gebruik van den grond in Noorwegen.
Westelijke dalen van Noorwegen komt boomgroei i'oor tot op hooge breedte, en het koren — in 't bijzonder gerst, rijpt tot over den poolcirkel. Toch vormt graan een hoofdartikel van invoer.
De onmetelijke woeste gronden worden ingenomen door rotsige bergruggen, fjelden, schrale grasstreken met veel rendiermos; verder moerassen en hooge venen; eindelijk uitgestrekte gletschers en sneeuwvlakten.
Groot is de invloed van de zee op het klimaat aan de W e s t z ij d e. De heerschende winden waaien uit het Westen, maken den dampkring in Noorwegen vochtig en verhoogen 's winters de temperatuur aanmerkelijk. Bovendien verhoogen warme stroomingen in den Oceaan dien gunstigen invloed, al doet de invloed van den warmen Golfstroom zich niet zoo sterk gevoelen, als men dat vroeger wel voorstelde. De havens aan de Westzijde vriezen dan ook niet dicht, zelfs Hammerfest niet, en in 't Zuiden kan het vee 's winters buiten blijven.
Terwijl de -regenhoeveelheid, die gemiddeld jaarlijks b.v. bij Bergen valt, meer dan 2000 mM bedraagt, is zulks voor Stockholm slechts 500. Een oud spreekwoord zegt: „Als het nergens regent, regent het in Bergenquot;. Langdurige zonneschijn is daar zoo buitengewoon als elders eene zonsverduistering. De winter-temperatuur is bij Bergen 0°, bij Stockholm —5°; 's zomers daarentegen is het in Zweden veel warmer.
De richting der heerschende winden laat de Oostzee bijkans buiten invloed op 't klimaat van Skandinavië. Noorwegens natuur is dus veel meer oceanisch dan die van Zweden. Zuid-Zweden heeft een milder klimaat, vooral de landschappen Schonen („Zwe-dens korenschuurquot;) en Blekinge („Zwedens lusthofquot;).
De vochtigheid aan de Noorweegsche zijde begunstigt ook de gletschervorming. Uitgestrekte ijsvelden kenmerken Skandinavië. De Jostedals brae (28 uur lang) is het grootste glet-scherveld van geheel Europa. Talrijke bergstroomen met groot verval storten zich aan de Westzijde onmiddellijk in den Oceaan. Aan de Oostzijde kunnen zij zich meer ontwikkelen, vormen talrijke bergmeren en hooge watervallen („fossquot;). Voor de scheepvaart zijn
107
zij van weinig beteekenis, als beweegkracht te meer en ook voor den houtafvoer uit 't hoogland.
Kenmerkend is het gemis aan lengtedalen, waaraan de Alpen juist zoo rijk zijn; hierdoor is de bewoonbaarheid van de Skandi-navische gebergten nog geringer.
De Zuidwaarts loopende stroomen hebben een grooteren loop, o. a. de Glommen en Got ha-elf. De Gotha-elf is de waterrijkste rivier van Zweden. Dat dankt ze aan het groote Wener-meer, dat 70 M boven den zeespiegel ligt. Om de beroemde Trolhatta-watervallen heeft men hier het ïrolhatta-kanaal gegraven. Behalve de Wener liggen in de richting van het Skagerrak naaide Finsche golf drie andere groote meren, nl. het Wetter-meer, het Hjelmar-meer en het Mfilar-meer. Een kanaalstelsel tusschen deze meren verbindt de Noordzee met de Oostzee.
Landbouw is van beteekenis in Zuid-Zweden.
|-1 Bosschen (44,4 0/o\
j--1 Bouwland (8,2 0/o)-
H Weiden (4,1 0/o).
|-1 Woest (43,3 0io).
Gebruik van den grond in Zweden.
Niettegenstaande ook in Zweden de oppervlakte voor den landbouw zeer gering is, produceert het toch nog koren voor den uitvoer. Veel haver wordt uitgevoerd naar Engeland en veel gerst naar Engeland, Nederland en Noorwegen. Bij Malmö verbouwt men suikerbieten op groote schaal.
De veeteelt is een hoofdbestaansmiddel: de natuur van het land brengt dit mee. Men heeft er goed rundvee en sterke paarden. In het Noorden is het vee tot rendieren bepaald.
Van grooten omvang is het woudgebied. Ongeveer 1/ö der wouden behoort aan den Staat en het 4/6 aan particulieren. Jemte-land en Noord-Zweden zijn a. h. w. één groot naaldwoud. De uitvoer verplaatst zich naar 't Noorden, naarmate de bosschen in Zuidelijke streken geveld zijn. Vroeger was Gefle de voornaamste houthaven; later Sundsval; tegenwoordig Hernösand. Deze havens zijn lang gesloten. Tegenwoordig kan echter het hout per spoor van Sundsval naar Drontheim verzonden worden over Ostersund.
Zeer belangrijk is de bergbouw in Skandinavië, vooral in Zweden. De bergwerken leveren:
1. yzer: Dannemora, Philipstad en Gellivare (spoor
weg van Gellivare naar de Bothnische golf).
2. koper: Falun en Röraas.
3. zilver: Kongsberg en Sala.
108
De smelterijen gebruiken hout als brandstof, omdat de bodem van Skandinavië geen steenkool bevat. Vandaar, dat de industrie er geen booger vlucht neemt. Deze bepaalt zich tot hout- en ijzer-industrie. Zeer bekend zijn o. a. de lucifersfabrieken van Jönköping.
Bevolking.
§ 69. De bevolking van Skandinavië bestaat uit Zweden, Noren, Lappen en Finnen.
De Lappen en Finnen, de oudste bewoners, volgens sommige ethnologen van Mongoolsch ras, werden door de Zweden en Noren steeds meer naar de woeste streken van het Noorden teruggedrongen en leven nu nog van vischvangst of van hunne rendierkudden. Zij zijn echter Christenen.
De taal van de Noren en Zweden verschilt; de eerste behoort tot het Deensch en het Uslandsch. De godsdienst is uitsluitend de Luthersche. Eerst sedert 1845 is in Noorwegen vrije openbare godsdienstoefening voor niet-Lutheranen. De volksontwikkeling is goed, wat te meer opmerkelijk is, daar de bevolking verspreid woont en het verkeer dikwijls zoo moeilijk is. Eene zeer bekende academie heeft Up sal a.
Tusschen Zweden en Noorwegen bestaat alleen eene personeele unie, d. i. eene vereeniging onder één vorst. Noorwegen behoorde tot 1814 bij Denemarken, kwam toen bij Zweden, doch behield zijne grondwet en andere rechten gewaarborgd. In Noorwegen is de geest van de bevolking zeer dei nocra^^ctT, in Zweden aristocratisch.
De Noren waren en zijn uitstekende zeevaarders; de Noorsche handelsvloot is aanzienlijk (zie fig. 21»). De belangrijkste havens zijn: Bergen, Drontheim, Gothenburg, Christiania, Stockholm. Uitvoer: ijzer, hout, koper, leder, pelzen, visch, levertraan, ijs, lucifers.
Stockholm (265); prachtige ligging aan het'w.t/Wneer (Noorsch-Venetië), maar de haven is doorgaans 5 maanden 's jaars dichtgevroren.
Gothenburg (lil), aan den mond van de .... -elf en aan het....; met Stockholm de eerste industrie- en handelsstad van Zweden.
Malmö (52), belangrijk voor het verkeer met Kopenhagen, Lubeck en Stettin. Norfköping, Jönköping, Upsala, Karlskrona, Kalmar en de reeds genoemde stadjes bij de Zweedsche mijnwerken.
Gefle (26), met uitvoer van ertsen, is de derde handelsstad van Zweden.
109
Op Gothland ligt Wisby, eens eene bloeiende Hanze-stad, thans onbeduidend.
Christiania (148), hoofdstad en koophaven; Bergen (53), het Noorweegsche Hamburg; vooral hout- en vischhandel en reederij; Drontheim (oude kroningstad), ook levendige handel en scheepvaart Christian sand, St a vanger en verscheiden kleinere havens aan de Zuidelijke kusten van Noorwegen; vooral scheepsbouw en uitvoer van hout; Laurvig ook van zilver (Kongsberg).
De voornaamste spoorweg door Noorwegen loopt van Christiania naar Drontheim, o. a. door het dal van de Glommen.
Tromsö, Hammerfest, Vardö, havenplaatsjes nog binnen den poolcirkel; uitgangspunten voor expedities naar de IJszee.
DENEMARKEN.
(38 300 KM2; 2172 000 inw.)
I. Jutland. II. Deensehe eilanden.
§ 70. De Westkust van Jutland is zonder goede havens: dar.i zijn de duinen en de N.-Friesche wadden-eilanden. In verschillende tijden zijn, evenals aan onze kusten, bij N.W. stormen de duinen doorgebroken en is de zee over liet land gestuwd.
Naar 't Noorden eindigt de kust in kaajp^v^quot;^. (eigenlijk meer eene landtong „«fan eene kaap). (
De zee is voor deze kust, de „ijzeren kustquot; geheeten, nog ge-gevaarlijker dan bij ons
De Oostkust heeft uitstekende havens, eene mooie natuur, en achter de kust liggen vruchtbare gronden, heuvelachtig en hier en daar met beuken woud en begroeid. Overigens bestaat Jutland grootendeels uit heidegronden en venen, 'tHoogste punt is de Hemelsberg (140
De eilanden zijn hier en daar heuvelachtig (krijtrotsen), maar bestaan over 't algemeen uit vruchtbare alluviale gronden, behalve Bomholm, dat rotsachtig is. Seeland is het belangrijkst: 'tis de korenschuur van Denemarken.
Landbouw en veeteelt zijn voor de Denen de eigenlijke middelen van bestaan en Woeien zeer; rundvee op de eilanden, schapen in Jutland. Delfstoffen bezit Denemarken bijna niet; Jutland levert veel turf; verder alleen kalk, krijt, gips.
110
I I Bouwland en tuingrond (42,5 0/o).
I-1 Weiden (28,2 0/o).
I Bosschen (4,6 0/u).
I-1 Woeste grond (24,7 0/o).
De bevolking is lang niet zoo dicht als in Nederland: Denemarken is iets grooter en heeft half zooveel inwoners. De eilanden zijn veel beter bevolkt dan Jutland; Seeland staat bovenaan.
De hoofdstad Kopenhagen (40S), na St.-Petersburg de eerste stad van het Noorsch-Europa (rijk Noorsch museum), eene der mooiste residentiën van het geheele werelddeel; door de ligging eene belangrijke koophaven. De Sondtol is in 185.8 door de handeldrijvende mogendheden voor 42 mill, gulden afgekocht. Wel 40 000 schepen gingen vóór de opening van het Kaiser-Wilhelm-kanaal gemiddeld jaarlijks door de Sond. Amager, de tuin van Kopenhagen, wordt door afstammelingen van de Plollandsche boeren , die zich daar in do 16e eeuw vestigden, uitstekend bebouwd. Seeland is bekend door zijne vruchtbaarheid, zijne heerlijke wouden en een paar levendige badplaatsen.
Kopenhagen is de eenige groote stad van Denemarken. Zelfs heeft dit land geene enkele stad van den tweeden rang, slechts eenige kleine steden, bijna alle met minder dan 20 000 inw. De meeste dier plaatsen zijn zeehavens; sommige waren vroeger van meer belang, toen Denemarken de eerste Xoorsche mogendheid was.
Aarhuus (33) is nog het belangrijkst. Het heeft koren- en veemarkten. Dan volgt Aalborg (20), dat eene spoorwegverbinding heeft met Fredericia. Van militaire beteekenis was vroeger Elseneur (Helsingör), nl. voor de afsluiting van de Sond enden overtocht naar Zweden. Merkwaardig is in de Deensche geschiedenis, o. a. als begraafplaats der koningen, Roeslcilde.
Op Fünen is Odense (30) het middelpunt van landbouw en handel.
Aan den hoofdverkeersweg van Hamburg naar Kopenhagen: Fredericia, Odense, Nijhorg, Korsör, liet eerste in]ni£lt;w^aan de Kleine Belt, de beide volgende opïi*vgt;tri. bij de Groote Belt.
§ 71. Aan Denemarkens vroegere grootheid en uitbreiding als Noorsche mogendheid, waartoe Skandinavië en zelfs een korten tijd Engeland behoorde (ll0 eeuw), herinnert nog het bezit van IJsland en de Faröep.
IJsland is ruim 3 x Nederland in grootte. De bodem bestaat bijna geheel uit vulkanische gesteenten en vele bergen zijn nog werkzaam, b.v. de Hek la (1500 M), terwijl ook talrijke heete bronnen, geysirs, d.i. „kokendequot;, van dit vulkanisme getuigen.
Ill
Een groot deel van het land is met gletsohers en sneeuwvelden bedekt, en ook voor 't overige is de natuur er arm: wat heide of mos, soms wat schrale weiden. En even somber is de zee, die 'tland omgeeft; nevels, ijsbergen, drijfijs; het laatste blokkeert de kusten soms maandenlang. Toch zijn juist alleen de kusten bewoond, voornamelijk in 'tZuidwesten; de zeestroomen voeren soms wat drijfhout aan, en de fjorden vormen goede havenplaatsen; in den zomer is 't er zelfs betrekkelijk levendig met schepen van vreemde natiën. Het vangen en drogen van visch, het koken van traan, enz. geeft velen werk. Overigens is veeteelt hoofdmiddel van bestaan, voornamelijk schapenteelt. Het kleine, sterke paard, de poney, is onmisbaar: het is voor den IJslander, wat het rendier voor den Laplander en de hond voor den Eskimo is.
De IJslanders zijn zuivere Noren, Luthersch, goed ontwikkeld; IJsland was in de middeleeuwen voor de Noorsche hoven, tot Engeland en Rusland toe, wat Provence voor Z.-Europa was: „het land, van waar de dichters („skaldenquot;) kwamenquot;.
In de laatste jaren hoort men veel van landverhuizing onder hen, vooral naar Britsch Noord-Amerika ; de natuur op IJsland schijnt bepaald nog ongunstiger te worden. Hoofdpunt aan de kust: Reykjavik (= rookbocht).
De Far-öer [d. i. schapen-eilanden-, want faer = schaap en öe = eiland] zijn eveneens van vulkanische natuur. Ze bestaan uit 25 ojl'TTTrijpg ' ^-nnrvjiii 17 Vipn-nnml -/.ijn . Het klimaat is er zeer oceanisch. De grootste koude komt er soms niet voor Maart. De bewoners leven van schapenteelt, visch vangst en vogelvangst. Veel werk wordt er gemaakt van het verzamelen van het kostbare dons van de eiderganzen.
In Amerika bezit Denemarken een paar van de kleine Antillen, benevens Groenland.
RUSLAND.
(ö 298 000 KM2; 103 mill, inw.)
Opgaven.
Welke zjin de natuurlijke grcuzen van Rusland? Aan welke provinciën n — van Pruisen en aan welke doelen van Oostenrijk-Hongarije grenst het?
2. Bepaal het verschil in breedte tusschen Archangel (aan de Witte , tlsCr^yA^ ^ eD Sebastopol (aan de Zwarte zee); dus ongeveer den afstand in Rusland
van Noord tot Zuid. Geef dien afstand ook op in uren gaans.
3. Het verschil in lengte en in tijd tusschen Warschau en Orenburg en van die beide plaatsen met Amsterdam.
lt;/V- //M./y-'
quot; /
112
Ligging en Horizontale vorm.
§ 72. Het keizerrijk Rusland, het Czarenrijk, strekt zich van de Zwarte- en de Oostzee door Oost-Europa en geheel Noord-Azië uit naar den Grooten Oceaan en wordt in grootte-verhouding alleen door het Britsche rijk (met inbegrip der koloniën) geëvenaard. Wanneer wij hier nu spreken over Rusland, dan bedoelen we daarmee alleen Europeesch Rusland, en wel de personeele unie van het keizerrijk Rusland en het grootvorstendom Finland.
Rusland neemt Oost-Europa in en is ten opzichte van West-Europa afgelegen. Daar West-Europa sedert eeuwen de beschaafde wereld vertegenwoordigt, is dus de ligging van Rusland in dit opzicht nadeelig voor de ontwikkeling van het Russische volk.
In de laatste jaren hebben de spoorwegen wat meer verbinding gebracht, en dit verklaart het belang van Warschau (516), de groote stad, die in velerlei opzichten den overgang vormt van het Westen tot het Oosten.
Het „Czarenrijkquot; is in eenige opzichten meer Aziatisch dan Europeesch: vooreerst door de reeds genoemde afgezonderde ligging in het Oosten van Europa en verder door het groote verschil in den trap van ontwikkeling tusschen het Slavische ras en de Germanen en Romanen. De Slaven staan over liet geheel veel lager en komen in dit opzicht meer met de Aziaten overeen, al is 't een feit, dat onder de Slavische volken reeds menig man van beteekenis is opgestaan, vooral op 'tgebied van letteren en muziek. Eindelijk heeft Rusland door kolonisatie zijne grenzen Oostwaarts over geheel Noord-Azië tot aan den anderen Oceaan uitgebreid.
Hoewel aan vier zeeën gelegen, is het land door zijne groote oppervlakte toch gesloten of continentaal. Alweer een punt van tegenstelling met West-Europa: hier een veelvuldig gebroken vorm, eene rijke geleding; ginds éóne gesloten massa.
Het continentale karakter van Rusland wordt verscherpt dooiden grooten afstand van Europa's Westelijke kusten, waardoor de Atlantische Oceaan op het klimaat van Rusland geen invloed uitoefent. Voorts vermindert ook de beteekenis der zeeën voor Rusland, doordat: le. de havens zoovele maanden bevroren zijn: voor de Witte zee wel 10, voor de Oostzee 6, voor de Zwarte en Kaspische zee een paar maanden; 2e. de Russische zeeën staan niet of weinig met den open Oceaan in verbinding; Kaspische en Zwarte zee vooral zijn binnenzeeën. Toch hebben zich belangrijke havens ontwikkeld, opdat een zoo groot land als Rusland een deel zijner bodemproducten kon uitvoeren en daarvoor voorwerpen van West-Europa terug ontvangen.
113
De belangrijkste uitvoerhavens zijn; «.
1. St. Petersburg, aan den mond der
2. Riga, „ „ „
3. Odessa.
4. Archangel, aan den mond der'. . .
5. Astrakan, „ „ „ „ . r^fvoor het verkeer met Centraal-Azië en Perzië).
De havens van het Noorden voeren vooral uit: hout en pelzen; die aan de Oostzee: lijnzaad, vlas en graan; die aan de Zwarte zee: graan, huiden, leder; petroleum en zout.
Bodem, enz.
§73. Rusland heeft op de grenzen twee hooggebergten (Oeral en Kaukasus) en bestaat overigens uit de Oost-Europeesche of Sarmatische laagvlakte, die van den Oeral tot Noord-Duitschland reikt.
I. Do Oeral is een meridiaangebergte; de naam beduidt trouwens „gordelquot; of „keten.quot; Van dubbele lengte als de Alpen, vormt de Oeral eene natuurlijke grens met Siberië, slechts ten deele eene politieke, want de Russische gouvernementen reiken over den Oeral heen tot in Azië.
Men onderscheidt:
1. den Woesten Oeral, van de IJszee tot ± 53° N.B.;
2. den Ertsryken of Midden-Oeral, het belangrijkste gedeelte, waar rijke bergwerken liggen: goud, platina en vooral allerlei edelgesteenten, ontgonnen sedert de dagen van Katharinall, aan wie de mijnstad Jekatarlnenburg herinnert;
3. den Woudryken Oeral, die in de Kirgiezensteppen uitloopt.
De hoofdwegen tusschen Europa en Siberië zijn:
a. de spoorwegen van Perm over Jekatarinenburg naaide grensstad Tj o e m e n ;
b. die van Moskou over Samara naar Orenburg; van hier verder door de eindelooze steppen der Kirgiezen een karavaanweg ;
c. die van M o s k o u—S a m a r a—O e f a—O m s k door Siberië naar Wladiwostok. Dit is de groote Transsiberische spoorweg, die echter nog niet voltooid is.
II. De Kaukasus is ook een ketengebergte, dat tusschen de Zwarte en de Kaspische zee de natuurlijke begrenzing van Europa aan deze zijde uitmaakt. Staatkundig reikt het gouvernemen t Kaukasië ook over het gebied, dat de Russen aan gene zijde van den Kaukasus bezitten, en hetwelk Transkaukasië heet.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 8
114
Deze landen zijn rijk aan Alpenweiden. De bewoners zijn vrijheidlievende bergvolken, die zich in deze eeuw lang tegen de Russen hebben verdedigd. Zij behooren tot verschillende stammen en worden samengevat als Kaukasische volken; o. a. Tscher-kessen, Georgiërs, Armeniërs e. a., allen ook bekend door hunne lichamelijke schoonheid.
De bekendste Alpenweg, thans grootendeels spoorweg, leidt van Stavropol langs de bergvesting Wladikawkas i „heer van den Kaukasusquot;) naar Tiflis (14G). Een andere spoorweg verbindt de beide zeeën: van de petro 1 eumstad Bakoe (103), aan de Kaspische zee, naar Poti, aan de . . . ; zee.
III. De groote Russische laagvlakte. Een derde punt van tegenstelling niet West-Europa merken wij op, als wij zien, hoe één bodemvorm in Rusland op den voorgrond treedt. Al ontbreekt het niet aan afwisseling in de onmetelijke Russische vlakte, vergeleken met de eindelooze verscheidenheid, die ook de verticale vorm van West-Europa aanbiedt, moet ook in dit opzicht Rusland eentonig heeten.
De aanzienlijkste hoogten van de geheele Russische vlakte liggen in het boven-Wolga-gebied, de Wolga- of Waldaï-hoogten $00 a 400 M), het bronnenland van Wolga, Duna, Dnjepr e. a.
Het grootste deel des lands ligt 100 tot 200 M boven de zee. Tusschen Dnjepr en Wolga is de vlakte nog hooger en daalt steil naar den midden-Wolga af („Berg-oeverquot;). Ook bij Dnjepr en Dnjestr zijn de rivierbeddingen op vele plaatsen diep ingesneden en vertoonen de oevers rotsformaties, die men bij eene rivier in eene laagvlakte gewoonlijk niet verwacht (ook „stroomversnellingenquot;).
Het laagste deel des lands ligt aan de Noordzijde der Kaspische zee en daalt tot beneden den zeespiegel.
§ 74. Daar parallelgebergten in Rusland niet voorkomen, gaan de tegenstellingen in de natuur van het Noorden naar het Zuiden langzaam, niet scherp geteekend, in elkaar over. Toch kunnen wij onderscheiden:
1. De streek der Toendra's. Hier is de bodem een groot deel van het jaar hard bevroren en uren Ver, onafzienbaar, met wit rendiermos begroeid; slechts hier en daar afgebroken door enkele lage heesters, enkele roode beziën. Gedurende de zomermaanden, als de zon haar hoogsten stand bereikt, verandert het karakter: de grond ontdooit enkele voeten diep, maar is dan moerassig, want het water verdampt in die streken weinig, zoodat de bodem eigenlijk van water verzadigd is.
115
Deze toendra's komen ook voor op Nova-Zembla (dubbel-eiland, ter grootte van 2,l-z X Nederland) en worden 's zomers door jagers en visschers bezocht. Niet alleen van de natuur van Nova-Zembla, maar van die der Pool-gewesten in 't algemeen, krijgen wij een denkbeeld door de volgende schets (van de hand van Dr. .1. Mar. Ruys. Album der Natuur, 1888):
jgt;.........En toch, hoe verbaasd zouden zij, die zoo donken, zijn,
wanneer bun verzekerd werd, dat ook Nova-Zembla zijn zomer beeft; kort wel is waar, maar toch een zomer in de volste beteekenis van het woord; een zomer, waarin niet alleen de thermometer zich in de scbadu.v meer dan 15° C. boven het vriespunt kan verheffen, maar waarin ook onweders kunnen woeden van eene hevigheid, die men eerder in de tropen dan op zulk eene hooge breedte zou verwachten; een zomer eindelijk, waarin zich wel niet overal, maar dan toch op sommige plaatsen een zoo ongemeen weelderige vegetatie kan ontwikkelen, dat het den verbaasden reiziger voorkomt, als betrad hij een tuin, prjikend met duizenden blauwe vergeet-mij-nieten. gele boterbloemenen papavers, witte Cruciferen en Saxifraga's en tallooze andere bloemen, die afwisselen met ontelbare Lichenen en met het groen van grassen en mossen.
Ja. hij is schoon, die arctische zomer; wonderschoon, althans hij kan het zijn. want niet overal en niet altijd zijn bet van die lieilijke, vriendelijke indrukken, die ons oog boeien: er zijn ook plaatsen op Nova-Zembla. waar langs de bershellinjyen de sneeuw nimmer weerdooit en waar de geheele flora
O O O O O
zich beperkt tot spaarzame Lichenen en enkele dunne grashalmen, die zich bier en daar op de rotsen en den ternauwernood ontdooiden bodem vertoonen; maar, beschenen door de eigenaardige tinten van eene middernachtszon, kan de omgeving zelfs daar schoon zijn en de indruk, dien onder die omstandigheden het landschap met zyn doodsche, door niets gestoorde stilte, die het tot een beeld van eenzaamheid en verlatenheid doet worden, op ons maakt, is grootsch en overweldigend. Maar soms — wanneer de zon, al staat zij ook onafgebroken boven den horizon, dagen lang aan het oog onttrokken blijft, wanneer de temporatuur tot bij of zelfs tot onder het vriespunt daalt, wanneer koude, vochtige nevels ons omringen en de kille adem van de over het kustijs waaiende, met waterdamp bezwangerde winden den mist dichter en dichter maken, dan, ja dan is Nova-Zembla eene troostelooze woestenij, dan huivert men, trekt de kleeren dichter om de lenden en doet niets liever dan een warm plekje opzoeken, dat dan voor 't oogenblik nergens anders te vinden is dan aan boord van het schip, dat ons op Nova-Zembla's kust heeft gebracht en ons vandaar weer naar het ver verwijderd vaderland zal terugvoeren.
...............Als gemiddelde jaarlijksche temperatuur werd op
het Russische overwinteringsstation te Karmakuly —60.C2 C. gevonden. De koudste maand was Januari, —21°.48; de warmste Juli, -}-50.71.quot; (Zie blz. 36.)
De Samojeden, die de Toendra's bewonen, bestaan grooten-deels van vischvangst langs IJszee en Witte zee. Op het schiereiland Kola wonen Lappen.
8*
116
2. De streek der naaldwouden. Noord-Rusland, tot ±. 58° N.Br. toe, wordt nog bijna geheel door uitgestrekte dennenbosschen ingenomen. Steden behoeft men daar niet te zoeken. Hier en daar wordt gerst verbouwd en in het Zuidelijkste gedeelte bij de streek van den landrug ook reeds rogge. Overigens moeten de bewoners van Noord-Rusland leven van de jacht op allerlei pelsdieren (o. a. veel wolven).
Archangfel (25) 's zomers maar 5 maand open. Uitvoer van vlas, hout, pelterijen en traan. Het heeft walvisch- en robbenvangst. W o logda (18).
§ 75. 3. Het zoogenaamde Centraal-bekken, d.i. de landstreek om Moskou.
Dit gebied is in de laatste 25 jaar snel vooruitgegaan en is een der belangrijkste deelen van het rijk. Eene groote nijverheid heeft zich ontwikkeld, die de massa's voortbrengselen, welke Rusland levert, verwerken kan. Moskou (822), Toe la (66) en lijasan zijn de belangrijkste middelpunten, Nisj ni-X ogorod (73 , Kazan (138), en Saratow (123) de voornaamste handelssteden.
Bij Twer begint de scheepvaart op de Wolga.
Spoorwegen zijn aangelegd, die Moskou en de andere fabriekssteden verbinden met: 1. Warschau en West-Europa; 2. de havens aan de Oostzee; 3. met Zuid-Rusland en de Zwarte zee; 4 met Orenburg; 5. met Nisj ni-X ogorod; 6. met Siberië (§ 73).
4. De uitgestrekte moerassen in West-Rusland bij de P rip et (R o k i t n o- m o e r a s s e n), de Berezina en andere rivieren in het Dnjepr-gebied. Groote steden liggen hier niet. Er komen nog groote, dichte wouden voor, waar nog altijd oerossen en elanden verblijf houden. Het zijn de jachtgebieden van de Poolsche grooten, terwijl de boeren een armoedig bestaan lijden.
5. De streek der Zwarte aarde, een van de belangrijkste deelen van geheel Rusland, de korenschuur, die door de havens aan de Zwarte zee West-Europa kan voorzien. Evenals in Centraal-Rusland heeft zich hier de industrie gevestigd: suikerfabrieken (beetwortel), brandewijnstokerijen (graan), leerlooierijen (vee uit de steppen), ge we erfa brieken.
Kiew (193), Charkow (106), e.a.
6. De Zuid-Russische of Pontische steppen — en naar het Z. O. de Kaspische — vormen een land, boomloos en alleen voor veeteelt geschikt. Het is rijk aan paarden en schapen. Rusland heeft een grooteren rijkdom aan paarden dan eenig ander land: men kan
117
Astrakan: op 100 inw. zijn 55 paarden; nog bestaan er geheele paarden-kudden. De Kozakken, Kalmukken, Kirgiezen leven
IIS
te paard; alleen in de Kirgiezen-steppen zijn wel 4 mill, paarden: klein, snel, onvermoeid, en weinig behoeften kennend.
't Klimaat in Zuid-Oost-Rusland is streng continentaal: heete zomers, waarin bij Astrakan de wijndruif rijpt; strenge winters, waarin de sneeuwstorm waait.
De bodem is hier rijk aan zout; vroeger was de vlakte ten Noorden van de Kaspische zee tot op grooten afstand zee, waaraan nog zoute meren en moerassen herinneren.
Verkeerswegen; gebruik van den bodem.
§ 76. De vorm van den bodem brengt mee, dat bij de rivieren het karakter van den bovenloop weinig of niet ontwikkeld is. Zoo wordt de hoofdrivier, de Wolga, de „moeder van Ruslandquot;, al bij Twer bevaarbaar. Zij is de natuurlijke weg, die van het N.W. naar 't Z.O. het land doorsnijdt en waar belangrijke zijwegen op uitkomen: bij Nisj ni-Nogorod de . . . ., de weg van Centraal-Rusland ; beneden Kazan de . . . ., van de zijde van den Eits-rijken Oeral.
De Newa, kort maar zeer belangrijk, is alleen de afwatering van de groote Russische meren, vooral van Ilmen, Onega en Ladoga. Het gebied van de Newa en dat van de Wolga, vlak bij elkaar, zijn door kanalen verbonden.
De rivieren van de Noordelijke en van de Oostzee-kusten zijn een groot deel des jaars dicht. Verder lijden zij , en vooral ook die in het Zuiden, veel aan stroomversnellingen en watervallen, waar ze door de handruggen breken.
Toch zijn over het geheel de Russische rivieren bevaarbaar en van groot belang, daar zij in het onmetelijke rijk de natuurlijke wegen vormen. Belangrijke kanaalverbindingen zijn tot stand gebracht, o. a. door Peter I en Katharina II, b.v. Newa—Wolga, Weichsel—Boeg—Pripetz—Dnjepr, enz. .
Verbazend is de uitbreiding van het Russische spoorwegnet in de laatste 25 jaar, waarvoor vooral de regeering van Czar Alexander II veel heeft gedaan. De totale spoorweglengte in Rusland bedraagt 15-maal zooveel als in Nederland. Toch blijven op zijde van de hoofdwegen, die Rusland doorsnijden, de verkeersmiddelen nog erg gebrekkig en zijn langs ongebaande wegen de sleden de gewone vervoermiddelen.
De woeste streken zijn hoofdzakelijk de toendra's en de moerassen ;
de wouden zijn vooral in het Noorden;
de weiden en steppen vooral in het Zuiden en Zuid-Oosten;
119
het bouwland vooral in 't midden, 't Zuid-Westen en bij de
Oostzee.
De middelen van bestaan en de verdeeling der bevolking over het Russische land houden met deze bodemverdeeling gelijken tred.
Van grootc beteekenis is ook, misschien meer dan in eenig ander land, de vischvacgst. De arctische zeeën hebben buitengewoon rijke visebgronden. De Wolga geldt, bij eene lengte van meer dan 600 uren gaans, als de vischrijkste rivier van Europa. Behalve de reuzenstroomen heeft Rusland honderden rivieren, die met Moezel of Schelde in lengte overeenkomen; dan de meren, in grootte afwisselend van Saima en Ladoga, elk ruim zoo groot als de helft van Nederland, tot de tallooze kleine, die met onze vaderlandsche plassen misschien in grootte zijn te vergelijken, zeker niet in diepte; deze toch bedraagt honderden meters. En is al dit zoetwater onuitputtelijk in verschillende vischsoorten, dan komt daarbij de Kaspische zee, de grootste zoutwater-binnenzee der aarde, zoo groot als Frankrijk; geregelde vischoogsten hebben hier plaats, waarbij elke denkbare vischvvijze wordt toegepast, van de speer en harpoen tot het haakje, van het sleepnet tot de fuik. Astrakan betaalt aan 't gouvernement jaarlijks meer dan ƒ10 000 000 voor 't vergunningsrecht op de visscherij.
Blijkens het meegedeelde brengt Rusland voornamelijk voort;
granen, lijnzaad, vlas, beetwortelen;
hout, pelzen;
wol, paarden, huiden;
petroleum ;
ertsen en edelgesteenten;
zout;
visch.
Dichtheid van bevolking, enz.
§ 77. De dichtheid van bevolking in Rusland bedraagt 19 per KM2. Uit het over de natuur medegedeelde volgt, dat in het onmetelijke Russische gebied aanzienlijke verschillen voorkomen. Het minst zijn bevolkt de streken, genoemd onder 1, 2, 4 en 6; de meeste, menschen en steden zijn in de Oostzee-provinciën, in Centraal-Rusland en in het gebied der Zwarte aarde.
120
De meeste steden boven 100 000 inwoners zijn ook daar te zoeken:
l St.-Petersburg . . . .1035 duizend.
r Charkow......196 „
«Kazan.......13.8 „
Evenals Zuidwest-Europa door den invloed der Romeinen geromaniseerd werd, zoo hebben de Slaven op bijna geheel Rusland den stempel hunner nationaliteit gedrukt. Naar de taal bestaat de bevolking voornamelijk uit:
(a.a. Groot-Russen, handelaars en industriëelen; hoofdbevolking;
o.. . b. Klein-Russen, echte landbouwers, tusscheu
| Don en Karpaten;
' c. Wit-Rus sen, in 't brongebied van de Dnjepr.
2. Polen, in 't Weichsel-gebied;
3. Letten, in Littauen en Koerland, met de Slaven het naast verwant;
4. Duitsohers, vooral in de Oostzee-provinciën;
5. Zweden, vooral in de Finsche steden;
6. 7, 8. Finnen, Lappen, Samojeden in het Noorden. 9. Israëlieten, vooral in Polen, West-, Klein- en Zuid-Rusland.
10. Afdeelingen van Aziatische volken in het Oosten en Zuiden, vooral van Tataarse hen stam. Deze behooren tot het Mongoolsche ras.
Rusland is, ondanks de bonte bevolking, in ethnologischen zin een eenheidsstaat, evenals ook in godsdienstig opzicht. Het panslavisme, met Moskou als centrum, beoogt de vereenigmg van alle Slavische stammen, met den czaar als hoofd. De godsdienst is voor de Russen de Grieksch-Katholieke; eene staatskerk, waarvan de Czaar zelf het hoofd is. Roomsch-Katholieken zijn het meest in Polen; Protestanten in de Oostzee-provinciën en
121
Finland; Israëlieten,; zie boven; Mohammedanen zijn de meeste Kaukasische en Tataarsche stammen; heidenen zijn o. a. de Samojeden.
De staatsinrichting is onbeperkt monarchaal. In den Czaar, den „Zelfbeheerscher aller Russenquot;, vereenigt zich de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van staat en kerk. De Czaar wordt door drie raadgevende lichamen bijgestaan. Zijne bevelen heeten u kas en. Hij de wet is het volk ingedeeld iu 4 standen: adel, geestelijkheid, burgei's, boeren (quot;/7 deel des volks).
In de laatste jaren zijn wel eens hervormingen ingevoerd, vooral in de dagen van Alexander II; maar van eene grondwet, die aan Rusland eene volksvertegenwoordiging zou geven, schijnt het nog ver af te zijn. Trouwens de grootc massa van het Russische volk, op het platteland, staat nog op te lagen trap, om veel belang in de politiek te stellen.
Onder de maatschappelijke hervormingen van den laatsten tijd was de afschaffing dor lijfeigenschap de groote zaak.
Plaatsbeschrijving.
§ 78. Rusland is staatkundig in 62 gouvernementen vordocld. Belangrijker is de historische indeeling, welke hier volgt
-. _ ^ „ 1 j 1 Noord-Rusland.
1. Groot-Rusland ' . , , ,
1 (Jentraal-Rusland.
Hier ligt het oudste deel van den Russischen Staat met de oude hoofdstad Moskou (822). Boven St.-Petersburg heeft Moskou de centrale ligging voor, waardoor het beter tot hoofdstad geschikt was In veel opzichten is het dan ook de echt-Russische hoofdstad gebleven, waar de Russische maatschappelijke toestanden veel zuiverder bewaard zijn tegen Westersche invloeden dan in St.-Peters-burg. Moskou vereenigt het Aziatisch karakter met het Europeesche; men ziet er, evenals in Nisj ni-Nogorod, de groote marktplaats, allerlei Aziaten; het is 't middelpunt, waar de groote wegen op uitloopen: 1. van St.-Petersburg; 2. van Warschau; 3. van den Ertsrijken Oeral over Kazan en N.-Nogorod; 4. van Siberië en Centraal-Azië over Oefa en over Orenburg; 5. van liet Z. uit de industrie- en graanstreken der Zwarte aarde.
Moskou is na Londen de uitgestvektste stad van Europa: de omtrek bedraagt 50 wersten1). De stad is op zeven heuvelen yebouwd, 100 a 200 meter boven den zeespiegel; zij wordt door de.....doorsneden. Het oudste deel
1 Werst = ruim 1000 M.
122
is het Kremlin (d. i. „vestingquot;), aangelegd in de 12' en 13' eeuw en versterkt met het oog op de steeds terngkeerende 'aanvallen van de Tataren. Het heeft een omtrek van 1 '/a uur gaans en is door een muur van de omliggende wijken gescheiden. Het bestaat uit paleizen, kerken en pleinen. Het bevat monumenten uit alle perioden der Russische geschiedenis, in Byzantijnschen, Gotischen en Oosterschen stijl, een rijkdom van historische herinneringen, waarvan als 't merkwaardigst de keizerlijke schatkamer geldt, als misschien nergens elders ter wereld.
Voor den Rus is Moskou nog altijd de „heilige stadquot;, de „moeder des Rijks.quot; Dit geestlijk overwicht dagteekent uit de 14e en 15e eeuw.
Bovendien is Moskou 'tgrootste industriëele middelpunt van Rusland en 't centrum van de verkeerswegen. Uit de verte gezien, maakt de stad een treffenden indruk met de honderden vergulde koepels en de verscheidenheid van kleuren. Maar als men doordringt in de eigenlijke stad, nauw, slechl geplaveid, vuil, dan gaat de illusie verloren.
Geheele wijken van de stad zijn van hout gebouwd, zoodat niet zelden brand een groot deel verwoestte.
De jaartemperatuur bedraagt 4^° C.; Januari — 10° C, Juli 19|° C.
Op de belangrijke ligging van T \v e r en N.-Nogorod is al gewezen. Op de jaarmarkten van laatstgenoemde stad komen tienduizenden menschen, van den meest verschillenden landaard, samen eh worden al de producten van 't onmetelijke rijk — tot van de Chineesche, de Indische, de Perzische en de Turksche grenzen toe — verhandeld.
Levendige fabriekssteden, alle in het ijzerrijke, industriëele Okagebied, zijn: Toela met machine- en geweerfabrieken, Kaloega, Orel e. a. Die nijverheid omvat elk onderdeel, en ook in deze opzichten is Rusland vrij onafhankelijk van 't overige Europa. Het brengt immers zelf de grondstoffen voort; b.v. vlas voor de linnens en wol voor de lakens; de Kaukasus levert zeer goede z ij d e, en de k a t o e n t e e 11 daar en aan den Amoe neemt toe; beetwortelen, aardappelen, graan zijn andere grondstoften, en in de overblijfselen van de naphta op Apsjeron vindt Rusland eene goedkoope inlandsche brandstof.
In Noord-Rusland is alleen aan den Dwina-mond eene stad van eenig belang ontstaan, nl. AFChang'el, boven reeds genoemd.
2. De Oostzee-provinciën (Koerland, Livland, Estland, Inger-mannland), hoofdzakelijk in den tijd van Peter den Groote (f 1720) bij Rusland gekomen, met de nieuwe hoofdstad St.-Petersburg' (1 mill.), in 1703 door Peter gesticht en tot hoofdstad gemaakt, vooral met het doel de gemeenschap met het Westen te openen en den handel op te wekken. St.-Petersburg is dus, in tegenstelling met Moskou, de jonge, de moderne hoofdstad , regelmatig en
123
ruim gebouwd, eene der mooiste steden van Europa. Het is de eerste handels- en de tweede fabrieksstad van het rijk.
In de nabijheid der keizerlijke residenties: Oraniënbaum, Peterhof, het Russische Versailles, en GaUchina; verder tallooze landgoederen en zomerverblijven, want 's zomers gaat alles naar buiten: St.-Petersburg is dan als uitgestorven. Een drietal uren gaans van de hoofdstad verwijderd (15 wersten), staat op een heuvel de beroemde sterrenwacht van Pulkawa.
In de Finsche golf vóór St.-P., het sterke Kroonstad (in 1855 door Engelschen en Franschen tevergeefs beschoten). In 't voor- en najaar ankeren de schepen te Baltischport.
Riga (180) is de tweede havenstad van het rijk; uitvoer van ruwe producten; vlas, lijnzaad, graan, hout, hennep en hui d e n. De voorhaven is D u n a m ü n d e.
E e v a 1 (52) is handelshaven van lageren rang; X a r w a , eens eene sterke Zweedsche vesting (in 1700), is na de stichting van St.-P. achteruitgegaan.
Ten opzichte van do bevolking zijn de Oostzee-provinciën zeer gemengd: St.-Petersburg is voor 1/io Russisch, verder zijn in de steden veel Duitschcrs. De eigenlijke bevolking, die op het platteland, bestaat echter uit Esten en Liven of Letten; ook zijn er naast de Duitsche talrijke Joodsche elementen. In de laatste jaren hoort men dan ook hier, evenals in Z. W-Rusland, herhaaldelijk van agrarische moeilijkheden en van rassenhaat.
§ 79. 3. West-Rusland: de vroeger Poolsche landen Littauen, Volhynië en Podolic. Ten deele zijn hier uitgestrekte wouden en moerassen zonder meuschen; ten deele is er evenals in de Oostzee-provinciën belangrijke koren- en vlasbouw. Het belangrijkste middelpunt is Wilna (110), de hoofdmarkt voor de landbouwproducten ; vele branderijen.
Lodz (150), in de nabijheid van het kolenbekken van Tar-
124
nowitz, is het centrum van de katoen-, wol- en linnenindustrie.
•5. Klein-Rusland of Ukraine heeft groote graan productie; hier ontwikkelde zich eene levendige industrie, als in C'entraal-Eusland, vooral in Kiew (193), Charkow (196), Berditsjew (99) (bijna geheel Joodscli) e. a.
6. Zuid- of Nieuw-Rusland, hoofdzakelijk in de dagen van Ka-tharina de Groote op de Turken veroverd. In 1878 is Bessarabië uitgebreid tot aan de Proeth, de grens met Roemenië.
In dit deel des lands liggen de Pontische, de Donsche en de Taurische steppen, maar ook de belangrijke steden Odessa (325) en Kisjenew (123). Odessa is de tweede zeehavenstad. Het voert thee en andere koloniale waren uit. Ook voert het koren uit en is voor een en ander de groote stapelplaats aan de Zwarte zee. Kisjenew is industriestad. Sebastopol, als vesting en oorlogshaven na den Krimoorlog (1850) sterk achteruitgegaan, is thans weder belangrijk als oorlogs- en handelshaven beide. N i kola j ew (77) is het belangrijkste maritiem station voor de Zwarte zee.
7. Oost-Rusland, bevattende de gouvernementen Kazan en vls-trakan.
Oost-Rusland is in ethnologischen zin nog het meest gemengd van het geheele Russische rijk: hier wonen, tusschen de Russen in, talrijke afdeelingen van Aziatische volken. Sedert 't laatst dei-vorige eeuw werden bovendien koloniën van Duitschers en van Russen gesticht, ten deele om de Oeralische bergwerken te gaan ontginnen, ten deele om in dit nomadengebied den landbouw te brengen; liet eerste meer in de landen van Kazan, het tweede meer in die van Astrakan, b. v. Saratow (123), Samara (100), Sa rept a (Hernhutters).
Kazan (138) is eene wat oudere stad (16quot; eeuw); de universiteit is belangrijk voor de studie van Noord-Aziatische talen. Perm en Jekatarinenburg zijn de mij nsteden.
In 't onmetelijke Kaspische steppenland, waar Kalmukken en Kirgiezen rondzwerven, is Astrakan (105) de eenige vrij aanzienlijke stad, oorlogshaven voor de Kaspische zee en middelpunt van de rijke s teur viss ch er ij op den beneden-Wolga. De uitvoer van kaviaar (gezouten steurkuit) is dan ook belangrijk. Als oorlogshaven is Astrakan vooral na de verovering van Toeran zeer belangrijk.
Eindelijk loopen door deze beide gouvernementen de belangrijke verbindingswegen tusschen Rusland en Azië.
125
8. Finland, in 't begin dezer eeuw door Zweden afgestaan, is staatkundig niet geheel met Rusland vereenigd, want het heeft eene afzonderlijke regeering. Het bestaat in het binnenland, gemiddeld 150 M hoog, grootendeels uit woeste hoogvlakten en moerassen, samengevat onder den naam van Finsche meer- en rotsplateaux. De rivierbeddingen in de granietrotsen hebben veel stroomsnelten en watervallen en geven aan het landschap met zijne onmetelijke dennenwouden eene zeldzame schoonheid.
De kusten zijn wat beter bevolkt. De steden zijn nog grootendeels Zweedsch: Heisingfors (65), academiestad; Abo (21); Tornea, op den poolcirkel, een klein maar veel bezocht plaatsje (21 Juni, dag van 2-t uun.
9. Kaukasië, bestaande uit Cis- en Trans-Kaukasië. De voornaamste stad is Tiflis (146), waarlangs de handelsweg naar Perzië loopt.
Kars, sterke vesting, tijdens den Krim-oorlog op de Turken veroverd. Verder Bakoe (103), dat zijn snelle opkomst te danken heeft aan de rijke petroleum en naphta-bronnen van Apsjeron, aan de Kaspische zee.
Vóór een twintigtal jaren was Bakoe nog eon onbeduidend Perzisch plaatsje, en thans overtreft het in scheepvaart en levendigheid zelfs Odessa. Honderden stoombooten voeren de petroleum, waarmede ook de machines worden gestookt, over de Kaspische zee naar de Wolga-landen, terwijl eene buizenleiding enorme hoeveelheden naar de havenplaatsen aan de Zwarte zee brengt. Het aantal boorgaten en bronnen bedraagt 500; de olie spuit bij sommige tot eene hoogte van 60 M en vormt bij 't neervallen uitgestrekte zeeën; van uitputting schijnt geen sprake te zijn.
Reeds Marco Polo, een beroemd Venetiaansch reiziger der 18e eeuw, spreekt in zijne reisberichten over „'t eeuwige vuurquot; en de bedevaarten der Parsi's, die toen echter reeds zeldzaam waren geworden.
00STENR1JK-H0NGARIJE.
(625 600 KM2; 42 857 000 inw.)
[met Bosnië en Herzegowina 676 600 KM2 en 44 448 000 inw.].
§ 80. Staatkundig' is deze monarchie uit 2 hoofddoelen samengesteld :
126
a. fie Oostenryksche landen of die van de Oostenrijksclie keizerskroon.
b. de Hongaarsehe landen of die van de Hongaarsche koningskroon.
Tot elk der beide deelen behooren verschillende landen. Voor elk land heeft de vorst een afzonderlijken titel (koning, aartshertog, hertog, graaf e. a.), op gelijke wijze als eenmaal de Bourgondische en de Oostenrijksche heeren in de Nederlandsche gewesten; voor alle te zamen heet de vorst Keizer en Koning.
Door den loop der geschiedenis zijn al deze landen onder één vorstenhuis vereenigd geworden, het Habsburgsche, oorspronkelijk in Zwitserland tehuisbehoorend, waar de ruïne van het stamslot in 't kanton Aargau ligt.
Opgaven.
1. Noem de staten, aan welke O.-H. grenst.
2. Geef de natuurlijke grenzen op.
Oostenrijk en Hongarije vormen eene personeele unie. Ieder heeft zijne volksvertegenwoordiging, nl. den Rijksraad te Weenen en den Rijksdag te Budapest. De eerste bestaat uit het Heerenhuis en het Huis der Afgevaardigden; de tweede is samengesteld uit de Magnatentafel en de Tafel van Afgevaardigden. Gemeenschappelijk hebben de beide landen: a. den keizer-koning, b. 3 ministers (Buitenl. Zaken, Oorlog en Financiën). De behandeling van alle gemeenschappelijke rijkszaken geschiedt door 60 afgevaardigden uit den Rijksraad en evenveel uit den Rijksdag; ze heeten Delegaties en komen bij afwisseling te Weenen en Boedapest jaarlijks bijeen.
Staatkundige deelen: Hoofdsteden (belangrijkste):
U- i i ■ • i (Neder-Oostenrijk . . Weenen.
L 00SteArijk lOpper-Oostenrijk . . Linz. ^
%iro 2. Bohemen.........Praag. ^
I0O ■ Moravië..........Brünn.
4. Silezië. Dj^o- ■ ficUsT.
5. Galicië........... Leniberg. ^
6. Boekowina. (Zfcfa/ïiiJ'yrtA*. o. /ftgt; 7. Stiermarken . . . ... Graz.
pa 8. Salzburg.........Salzburg.
Urf 9. Tirol..........Innsbruck- ^
10. Karinthië.
11- Krain.
127
/7^ li. Kustenland........Triest/^—
/ 13. Dalmatië.
i'f-c, h. 1. Hongarije.........Boedapest.
2. Zevenburgen........Kroonstad.
3. Kroatië en Slavonië.....Agram. ^ ^ -gt;
Het ïurksche Bosnië met Herzegowina is tijdelijk?) door Oostenrijk bezet.
Opgaven.
1. Van de hier genoemde hoofdsteden de ligging nagaan en trachten van
die ligging iets mee te doelen.
2. Teeken de bergstelsels van Oostenrijk-Hongarije. Dnid de ketens door
lijnen aan en de toppen door kruisjes. Geef ook de voornaamste rivieren op.
Natuurlijke g-esteldheid.
§ 81. Wel quot;It van het land is bergachtig. De bodemvorm loopt in de verschillende deelen zeer uiteen
Eene even groote verscheidenheid biedt het klimaat aan. Eene algemeene eigenschap voor de meeste gedeelten is het meer continentaal karakter dan in West-Europa en in Duitschland; hierin,
evenals in andere opzichten., gelijken de Hongaarsche landen reeds meer op Oost- dan op West-Europa.
Vormt Oostenrijk-Hongarije in staatkundigen zin geene eenheid,
naar de natuur of in aardrijkskundigen zin doet het dat dus evenmin. 't Begrip van do natuurlijke deelen, die in bodemvorm, klimaat, middelen van bestaan der bewoners, in de dichtheid van bevolking, enz. verschillen, heeft meer waarde dan het onderscheiden van de staatkundige deelen.
Het aanduiden van die natuurlijke deelen is echter veel moeilijker, doordat Oostenrijk-Hongarije zoo groot is, de bodem zooveel verschilt, 't getal dier deelen aanzienlijk is.
Voorbeelden:
2. De Hongaarsche vlakten.
.. ■ ' ij -
3. De Terrasla nden bij Elbe en Mold au. h
4. De ketengebergten, die laatstgenoemde insluiten.
5. 't Karpatisch woudgebergte.
(3. De Karpatische bergstelsels in 't Noorden van
H o n g a r ij e.
7. Het kustgebied van de Adriatische zee.
Het aantal dezer landschappen is met behulp der kaart niet moeilijk uit te breiden.
i
128
De vruchtbaarste landstreken liggen in Bohemen, in de Hon-gaarsche vlakten en in Galicië. Hier bloeit de landbouw, die koren en wijn levert, maar ook veel aardappelen, vlas, bennep, hop, tabak en suikerbieten Vooral in Bohemen en Moravië is de suikerindustrie en suikeruitvoer zeer aanzienlijk. Het eiland Schütt is „de gouden tuin van Hongarijequot;^
De beste weiden vindt men vooral in de Alpen, b.v. in Tirol, Stiermarken en Oostenrijk. Die strekën leveren uitstekend rundvee. In dc vlakten van Hongarije liggen de uitgestrekte, boomlooze grasvlakten, flip pnowt.n's heeten. 'tZijn steppen, waar in den voorzomer, wanneer er volop gras is, groote kudden paarden, runderen en schapen rondtrekken, die door halfwilde, bereden herders bijeengehouden worden, 's Zomers is de hitte in deze streken ondraaglijk, en de winter kenmerkt er zich door geweldige sneeuwstormen en buitengewone koude.
In de bergstreken komen uitgestrekte wouden voor. Vandaar veel houtuitvoer. Slavonië bezit groote eikenbosschen In verband daarmee staat het groot aantal varkens
De Kleine en Groote Hongaarsche vlakte, gescheiden door het houtrijke Bakonywoud, hebben ieder een groot meer: het ondiepe Neusiedler, dat soms droog loopt, en het Platten-meer, te midden eener belangrijke wijnstreek.
Moerassen liggen op tal van plaatsen langs Donau en Theiss, waar ook vaak overstroomingen plaats hebben Door de talrijke kronkelingen van de rivieren is de waterafvoer onvoldoende, doch door het corrigceren van de rivierbedding afgraven van bochten o. a.) tracht men dit te verbeteren. De ware correctie bestaat in het uitdiepen en verbreeden van de IJ z e r e n Pd o r t gt;
een grootsch werk, dat in 1896 tot stand is gekomen.
Woeste streken, waar slechts weinig middelen van bestaan zyngt; liggen vooreerst in de hooge gedeelten van de Alpen; verder in verscheidene streken van de Karpatische en andere middelgebergten, 't Rijkst aan natuurschoon zijn vooral Tirol, Salzkammergut (in Salzburg en Opper-Oostenrijk) en Stier-marken. 'IVilrijke mooie streken in andere gedeelten zijn meer afgelegen en minder bekend. Belangrijke badplaatsen liggen in Bohemen, b.v. Karlsbad, Mariënbad, Teplitz; in Salzburg, als Gastein e. a.
! ] Bouwland (37,3 0/o).
[-1 Bosschen (30,6 0/o).
1-1 Weiden (25 0/o).
H Wijnbergen (1,1 0/o).
1-] Woeste grond (6 0/o}.
120
Aan delfstoffen is Oostenrijk-Hongarije rijk: Steenkool wordt gevonden in Bohemen (bij Praag en bij Pils en), in Stiermarken en in Hongarije (bij Fünfkirchen).
Bruinkool, zeer veel, in Bohemen aan den voet van liet Ertsgeb. en in Stiermarken.
Uzer vooral in Stiermarken, in Bohemen, in Oostenrijk.
Goud en zilver in de Hongaarsche en Zé ven bu rgsc he Ertsgebergten.
Lood, koper, tin, voornamelijk in de Hongaarsche landen.
Petroleum in Oost-Galicië.
De totale waarde van al de genoemde producten wordt nog overtroffen door die van het zout, waarvan de jaarlijksche opbrengst 40 a 50 millioen gulden vertegenwoordigt. Vooral in Salzburg en Galicië zijn zoutlanden. Beide namen hebben dan ook betrekking op den zout-rijkdom.
De Karst bestaat uit kalkrotsen. Hier vindt men onderaardsche rivieren, grotten, intermitteerende bronnen en nieren. Het plateau draagt zijn naam naar de roode aarde (in 't Slavisch kras), waarmee de spleten in den grond gevuld zijn. Idria levert hier veel kwikzilver.
Bewoners.
§ 82. Ook ten opzichte van de bevolking is Oostenrijk-Hongarije geen eenheidsstaat, ja kan zelfs meer gemengd heeten dan eenige staat ter wereld.
Behalve eene staatkundige en eene natuurkundige, kan dus eene ethnologische indeeling (naar de volken) worden gemaakt:
1. Duitschers (10,5 mill.): Oostenrijkers, Stiermarkers, Salz-burgers, Tirolers; Saksers, als kolonisten in de dagen van Maria Theresia (-{- 1780). hier en daar in Zevenburgen.
2. Slaven (19,2 mill.): Czechen, Koethenen, Polen, Kroaten, Slovenen, Serben.
3. Magyaren of Hongaren (7,4 mill.)
4. Romanen (3,5 mill.): Roemenen in Zevenburgen, Italianen in de Z Alpendalen en in Triëst.
In 't geheel worden wel 10 talen gesproken. Ten opzichte van den godsdienst is de It.-K. overwegend (ruim quot;ja); voorts Grieksch-Katholiek ('m); Protestanten in Oostenrijk haast niet, in Hongarije nog al in aanmerkelijk getal.
Dikwijls was er woeling en strijd, doordat tusschen de verschillende volken, die hier staatkundig zijn vereenigd, volstrekt geen natuurlijke band bestaat en de meesten elkander haten.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 0
130
De Duitschers zijn eerst genoemd, omdat zij heerscliers zijn en de meeste beschaving bezitten. De Slaven zijn numeriek (naar 't aantal) verreweg de eersten^ nl. bijna de helft van 't geheel. Zie hier een vergelijkend overzicht:
De regeering' over zoo onderscheiden nationaliteiten heeft met groote moeilijkheden te kampen. De naam Oostenrijk—Hongarije duidt aan, dat de Hongaren eene zekere zelfstandigheid en gelijkheid met de Duitschers hebben verworven. Dikwijls hebben zij daarvoor gevochten; eerst van 1807 dagteekent die zelfstandigheid.
Dat de Slaven 't zoo ver niet brachten, is verklaarbaar: 1. de Slaven — uitgezonderd de Czech en — staan over 't geheel nog op lagen trap van ontwikkeling; 2. tusschen de verschillende Slavische volken in O.-H. bestaat groot onderscheid, zij zijn niet één; er zijn er twee groepen: Noord-Slaven (14,7 mill.) en Zuid-Slaven (4,5 mill.); 3. de Slaven staan nog scherper tegenover de Hongaren dan tegenover de Duitschers.
Behalve deze volken zijn in O.-H. nog Israëlieten (1,9 mill.), vooral in Galicië. Ook zijn er, meest in Zevenburgen en Hongarije, Zigeuners (150,000), die geene vaste woonplaats hebben.
§ 83. Bestaansmiddelen. De middelen van bestaan en de dichtheid van bevolking hangen nauw samen met de natuur des lands: bergbouw en industrie in de O o s t e n r ij k s c h e landen veel meer dan in de Hongaarsche; textiel-industrie, vooral van katoen en wol, in Bohemen, Moravië (Brünn) en Silezië; jjzer-en staalfabrieken in Bohemen, Oostenrijk (Steyer, het „Oosten-rijksclie Birminghamquot;) en Stiermarken; glas, waarvoor Bohemen de grondstof (kwarts) en de brandstof (bruinkool) aanwezig heeft en dientengevolge een der eerste glas-industrielanden van Europa is; artikelen van weelde en smaak, waarin Weenen in eenige opzichten mot Parijs wedijvert.
De hoofdproducten van den landbouw zijn in Hongarije; koren (o. a. maïs), beetwortelen, tabak en wijn (o. a. Tokajer). Veel kan nog worden gedaan voor de ontginning van gronden, liet droogleggen van moerassen, enz.; geheele streken worden gebruikt voor veeteelt, vooral paarden en schapen.
•| Slaven (19,2 millioen).
131
In verband met de middelen van bestaan is liet duidelijk, dat in Hongarije de bevolking meer verspreid woont en zich weinig groote steden hebben ontwikkeld; w-el aanzienlijke vlekken, marktplaatsen, waar de ruwe producten worden aangebracht. De eenige stad van den eersten rang is dan ook Boedapest. Onder die van lageren rang is Szeged in het belangrijkst.
De handel heeft meest plaats over de landgrenzen, 't Hand^k verkeer is vooral gericht op Duitschland, Groot-BrittanniëH Italië. Dit laatste ontvangt steenkool en levert vruchten, ol^i en rijst terug. De Oostenrijksche zeehaven is Triëst, de Hon-gaarsche Fiume.
Aanzienlijkste-steden:
Weenen, aan den . .* rf; 1 365 000 inw.: in bevolkingscijfer de 4'' stad van Europa , en eene der mooiste hoofdsteden, ook in omgeving; belangrijke industrie, vooral kunstnijverheid; centrum van wegen: door Bohemen langs de Elbe naar Berlijn; de Sem-meringbaan naar Triëst; Westwaarts naar Parijs en, in verband met laatstgenoemden weg, de „Orient-Expressquot; naar Konstantinopel.
Verder in „Eigenlijk Oostenrijkquot;:
Baden, belangrijke badplaats;
Linz en Steyer, fabriekssteden.
Boedapest, tweelingstad met 506 000 inw. Het Duitsche Boeda of Ofen, op den hoogen rechteroever, is de zetel der regeering voor de Hongaarsche landen en heeft warme zwavelbronnen — waaraan de plaats don naam ontleent — en wijnbouw (continentaal klimaat: warme zomersquot;!. Boedapest is het centrum van handel en verkeer.
Verder in Hongarije:
Presburg (52), aan den......bij de Hongaarsche Poort,
heeft industrie van laken en leder en handel in vee en wijn.
Szegedin (■H-?/''quot; j
Maria Thereslopol (73) marktplaatsen.
Debreczin (57) I
Praag, aan de met de voorsteden 314 000 inw., middel
punt van Bohemen, eerste handels- en fabrieksstad des lands; schoone ligging; oud-slavisch middelpunt; scheepvaart tot naar Hamburg.
Verder in Bohemen:
Pi Is en (54), bierbrouwerijen en kolenhandel.
Reichenberg (32), tweede handels- en industriestad van Bohemen, vooral voor wolnijverheid.
Eger; aan hoofdwegen.
132
Triëst (157), het „Oostenrijksche Hamburgquot;; druk stoomboot-verkeer, vooral met de Oostelijke-Middell. zeehavens.
Pol a (32) en Fiume (30), met uitvoer van koren en hout.
Lemberg1 (128), hoofdstad van Galicië; handelswegen naar Rusland. Deze stad heeft groote wolmarkten en veel industrie.
Krakau (74), eens de hoofdstad van Polen, hoeft belangrijke laken- en ledernijverheid; bovendien handel in koren, w ij n en varkens.
Wieliczka, zoutbergwerken.
Graz (112); fioofdstad van Stiermarken, aan de 'f1 ^ X; middelpunt van metaal-industrie. Het ligt in eene schoone omgeving, aan de Semmeringbaan.
Briinn (94), hoofdstad van Moravië; wol-fabricatie (het Oostenrijksche „Leedsquot;).
Austerlitz, slagveld (1805).
|
A. Semmering-pas. F. Arlberg. K. Grosz-Glockner. B. J^i'ehübel-pjw. (i. Reschen-Scheideck. L. Grosz-Venediger. C. quot;u linl»1!1 |iii ^ H. Toblacher-veld. JV1. Drieheeren-spits. D. .GarUii-pas. I. Pontebba-pas. E. Brenner-pas. J. F'redil-pas. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
]33
Hoofdwegen.
§ 84. De Donau is een hoofdweg, die van het Westen naar het Oosten door de monarchie leidt en aldus eene natuurlijke verbinding tusschen de verschillende deelen vormt. Op dien hoofdweg loo-pen de meeste groote en kleine wegen uit. De zijrivieren, die van verschillende zijden den Donau toestrocmen, bepalen de richting dier wegen.
De Donau zelf is hier geheel bevaarbaar, behalve bij de zoogenaamde Donau-poorten. Dit zijn vernauwingen van de rivier, doordien de bergen de oevers naderen. De bedding is hier rotsachtig en de stroom snel en onstuimig. Bij do meeste van deze vernauwingen zijn echter de rotsen zoodanig opgeruimd, dat de scheepvaart er niet meer door lijdt.
Die rotspoorten zijn 5 in getal. De eerste is boven L i n z, de 2° boven We en en, de 3e boven Presburg, de 4e boven Wait-zen en de öc bij Orsowa, de zoogenaamde IJzeren Poort, welke sedert Sept. 1896 voor de stoomvaart geopend is. Daardoor heeft de Donau-scheepvaart-commissie een belangrijken handelsweg op de Zwarte zee ontzaglijk verbeterd.
De Donau is dus van groot, natuurlijk belang voor Oostenrijk-Hongarije, dat met recht den naam van „Donau-staatquot; draagt.
Vragen 1. Welk koninkrijk ligt in 't gebied van den beneden-Donau en kan dus ook een Donau-staat heeten?
2. Welke drie koninkrijken grenzen bij de IJzeren Poort aan elkaar?
8. Waar komt de Donau op Oostenrijksch, waar op Hon-gaarsch en waar op Roeniee'asch gebied?
4. Welke rechtorzijrivier neemt de Donau op bij Passau; welke linkerzijrivier even boven Presburg?
5. Welk riviereiland vormen de Donau-armen beneden Presburg? De kleine Hongaarsche laagvlakte is eene binnenlandse he delta!
6. Welke is de hoofdrichting van Donau en Theiss in de Hongaarsche vlakte?
Belangryke verbindingen:
1. Tusschen het Donau-gebied en Noord-Duitschland: van
Weenen langs de March over 't zoogenaamde Marchfeld en verder door 't dal van de bo ven-O der. Deze weg is in de geschiedenis bekend. Eene andere hoofdverbinding leidt door 't dal
134
van de Moldau en verder door dat van de Elbe naar Saksen en B e r 1 ij n.
2. Donaugebied—Adriatlsche zee: van Weenen gaat deze weg door verschillende Alpendalen langs Graz naar Triëst. Naar een pas, over welken de spoorweg is aangelegd, heet hij Semmemeringbaan. (Zie fig. 30.)
3. Donaug-ebied met het boven-Rijngebied : een Alpenspoorweg, de Arlbergbaan, verbindt het Inn dal, van Innsbruck uit langs Landeck, met het B o d e n m e e r. (Zie fig. 35 en 40.) Innsbruck was al vroeger door een spoorweg met Weenen verbonden.
4. De Brennerbaan. Uit het Inndal bij Innsbruck leidt een beroemde Alpenweg over den Brennerpas naar het dal van de Etsch en dus naar Italië. Thans is hier een spoorweg (Brennerbaan). Deze weg heeft zijne hoofdbeteekenis als êéne van de verbindingen tusschen Duitschland eu Italië (als handelsweg reeds belangrijk in den bloeitijd van Venetië). (Zie fig. 35 en 40;.
Behalve dit viertal hoofdwegen, waarlangs het meeste verkeer plaats heeft, zijn er nog eenige, welke evenwel op de kaart meer van zeiven in 'toog vallen. Het spreekt, dat b v. het Elbedal
eene voorname verbinding aanwijst met.....(invullen;; evenzoo
is bij Eger (N.W.-Bohemen) een belangrijke weg naar.......; enz.
Eene zeemogendheid is Oostenrijk-Hongarije natuurlijk volstrekt
niet. Triest is door stoomvaartlijnen vooral verbonden met de Oostl. helft der Middell zee; de mededinging met Venetië is moeilijk. Verder liggen aan de kust Fiume, Po la enz., waar veel aan vi ss oh er ij wordt gedaan, b. v. op tonijnen.
ZWITSERLAND.
(41300 KM2; 2 974 000 irnv.)
Natuurlyke gesteldheid.
§ 85. Van do Europeesohe landen, die oen deel van het Alpengebied innemen, is Zwitserland hot Alpenland bij uitnemendheid, want van de 3 hoofddoelen, die men bij de Alpen kan onderscheiden, kenmerkt hot middelste, de Centraal-Alpen, zich in 't bijzonder door zijne Alponnatuur (hoogte, gletschervorming, Alpenflora, enz.). Do Oost-Alpen zijn ook bekend door hun natuurschoon, gelijk wij reeds bij Oostenrijk opmerkten: Tirol, Salzburg, enz. Maar de Oost-Alpen zijn voel lager en vertoonen minder het karakter van hoogr/ebergte. Daarentegen worden do Alpen in Oostelijke richting steeds breeder, beslaan grootor gebied en loopen, door talrijke dalen gescheiden, waaiersgewijze uit in de Hongaarsche vlakte.
Het centrum van de Alpen wordt gevormd door den bergknoop van den St.-Gothard,
Opgaven.
1. ïceken de Alpenketens in flinke lijnen, niet aanduiding van de voornaamste toppen, passen, rivieren en meren.
2. Welke meren liggen op de grenzen van de Zwitsersche hoogvlakte'?
Zwitserland bestaat dus in de 1' plaats uit een Alpengebied; in de 2C plaats heeft het de Zwitsersche hoogvlakte, aan den N. voet der Centraal-Alpen en 3'' do Zwitsersche Jura, op de Fransche grenzen.
Deze natuurlijke doelen verschillen aanzienlijk. De kleinere hoogvlakte is goed bebouwd en beter bevolkt dan het grootere Alpenland. Op de hoogvlakte liggen de steden en bloeit de industrie.
In de Zwitsersche Alpen met hunne uitstekende weiden is v e e-teelt hoofdmiddel van bestaan; daarnaast houtsnijwerk en j a c h t.
Van het geheele land rekent men wel '/a tot de weiden. Het
136
'/a kan woest, d. i. improductief, heeten; dit gedeelte ligt inde hooge Alpenstreken en in 't gebied der eeuwige sneeuw. De r- -X bestaat uit wouden en bouwland.
Koren moet worden ingevoerd; producten van veeteelt kunnen worden uitgevoerd. In de Zuidelijke Alpendalen is zelfs zijdeteelt en wijubouw.
Nuttige delfstoffen bevat de bodem zeer weinig. In den Jura komt hier en daar wat ijzer, zout en asphalt voor. Steenkolen ontbreken geheel.
|-1 Weide (35,8 0/o).
[-1 Bosschen (18,7 0/o).
|-1 Bouwland (16,4 0/o).
|-| Wijnbergen (0,7 o/o).
|--1 Woeste grond (28,4 o/o).
Tot de streken, die het meest bezocht worden, behooren;
I. Het Berner-Oberland, een trotsch Alpenland met hooge toppen, b. v. de Jungfrau, Mönch en Finsteraarhorn. Hier zijn de uitgestrektste sneeuw- en ijsvelden (groote Aletsch-gletschcr voor de Rhone) en indrukwekkende watervallen, als de Staubbach, Giessbach, enz. Interlaken, bij de meren van Briënz en Thun, is het voorname station voor dit gebied.
II. De omstreken van het meer van Genève, met zacht klimaat en heerlijke natuur. Hier liggen Lausanne (36), Vevey, Montreux en andere bekoorlijke plaatsen.
III. Het Vierwaldstatter-meer, met Luzern (22), de Rigi, de Pilatus, enz Ook in een historisch opzicht is dit gedeelte van Zwitserland bekend; in de Woudkantons (Uri, Schwyz, Unterwalden, Luzern) begon in de 14° eeuw de vrijheidsoorlog tegen de Oostenrijkers (Habsburgers).
IV. Het aan wonderen der Alpenwereld overrijke kanton Gpauw-bunderland, vanwaar Noordwaarts Europa's schoonste rivier naar Duitschland den weg neemt, terwijl 't Zuiden de bekoorlijkheden der Italiaansche natuur vertoont.
Hoog boven en in de wolken verheffen zich de met eeuwige sneeuw bedekte toppen van het hooggebergte. Lager liggen de groene weiden, waar de herder zijn eenzaam leven leidt. En daar beneden strekken zich de donkere bosschen uit. In 't dichte oerwoud leeft nog de beer, en in 't gebied van sneeuw en ijs wordt nog de gemsbok gejaagd. Van de verschrikkingen der Alpennatuur getuigen de donderende sneeuwstortingen of lawines, die in snelle vaart boomen, huizen, rotsblokken en al, wat in den weg ligt, met zich voeren tot ze in een dal neerstorten of, in eene bergkloof vallend, zich zelf verpletteren.
Duizenden en no^ eens duizenden trekken jaarlijks op naar de Alpen. In Juli en Augustus zijn sommige plekken in Zwitserland, Tirol en Noord-Italië schier onbereikbaar door een leger van touristen van alle natiën; te voet en te paard, in een draagstoel, per spoor of op een twee- of driewieler worden de schoonste plekjes opgezocht; maar alleen de voetreiziger is volkomen vrij in de keus van den te volgen weg en alleen hij geniet van al de grootschhcid van 't bergland; voor wie goede beenen en goede longen bezit, is dat de ware manier. Ook kan hij 't gemakkelijkst de plaatsen vermijden, waaide dichte menschenzwermen gonzen, bij Interlaken en Zurich, bij Vevey en Genève, enz.
Over eene lengte van 18 uren doorstroomt de Inn een der hoogste dalen van Europa: gemiddeld ligt Engadin op gelijke hoogte met den Rigi en heeft in tal van dorpen eene welvarende bevolking. Door de beschutte ligging reiken de korenvelden hier hooger dan elders in Zwitserland, terwijl op sommige plaatsen de gletschers bijna tot aan de heerbaan afdalen. Boomgroei reikt tot 2000 M, en als in de lente de sneeuw gesmolten is en 't hooggebergte de verschrikkingen van den winter vergeet, is 't, alsof de plantenwereld haar kortstondig leven in zonneschijn en warmte dubbel gebruikt door snelleren groei, door grootere afwisseling en door rijkdom van kleuren; de Skandinavische en de Italiaansche flora reiken hier elkaar de band. Voortreffelijke wijn wordt in de Zuidelijke dalen verbouwd, terwijl hier de heerlijke lucht en ook minerale baden tot menig gezondheidsoord aanleiding gaven, b.v. het dal van Davos (1600 M), waarheen door het dal der Landquart, Prattigau, een bergspoor leidt, de hoogste adhesie-baan in Europa.
In Lugano komen in den herfst duizenden runderen uit alle deelen der Zwitsersche Alpen ter markt.
Het klimaat.
§ .S6. In Zwitserland lieerscht veel verschil in klimaat. Het verschil in verticale verheffing, de richting der bergketens, de zijde der berghellingen, enz. brengen dat mede. Zoo heeft het kanton Tessino, dat onder de beschutting ligt van de Lepon-tische Alpen, bijna een subtropisch klimaat; maar de streek ten Noorden van de Zuidelijke hoofdkam der Alpen behoort tot het klimaatgebied van Midden-Europa.
Van grooten invloed is ook de Föhn, een droge, heete luchtstroom , die van het gebergte waait. In 't voorjaar doet hij veel sneeuw smelten en is dan een lentebode, die de aarde plotseling met groen tooit. Maar ook doet hij zich gelden als een alles uitdrogende storm, die boomen ontwortelt, rotsblokken naar beneden slingert en de bergstroomen met wilde kracht buiten hunne oevers doet treden.
Velerwegen ook merkt men borg- en dalwinden op, vooral
138
ten Z. van den St. Gothard. Des namiddags strijkt de wind tegen de bergen op en waait des nachts er bij neer.
De hooge Alpenketens stuiten den geregelden voortgang der luehtstroomingen, en hunne koele toppen doen den meegevoerden waterdamp verdichten tot wolken en regen. Vandaar, dat vele streken in Zwitserland zoo rijk zijn aan regen.
] CZ1
2000—2500; boven 2500 niM.
1500—2000,
500—1000, 1000—1500,
De gemiddelde wolkenstreek van het gebergte ligt tot ongeveer 1500 M. Sommige dalen, b. v. Da vos en Engadin, liggen boven die streek en hebben daardoor 's winters een veel meer helderen hemel dan lagere streken.
Bewoners, bezigheden , steden,
§87. Zwitserland heeft 3 nationaliteiten; Duitschers, Franschen en Italianen. Do eersten hebben de meerderheid.
Van de 22 Zwitsersche kantons zijn er 3 Fransch: Genève, Waadtland {Pays de Vaud) en Neuchatel (Neuenburg\ Aan de zijde van Italië liggen de 3 Italiaansohe of gemengde kantons: Wallis (le Valais), T e s s i n o en Grauwb under laud. Wel 16 kantons zijn dus Duitsch.
De 22 kantons vormen een Bond De Bondsregeering is gevestigd in Bern. De zelfstandigheid der kantons is zeer groot.
139
De bewoners van het Alpenland zijn Katholiek; die van de hoogvlakte meerendeels Protestant.
De geheele bevolking bedraagt 3 millioen; de betrekkelijke bevolking is veel aanzienlijker (72 per KM2) dan de natuur zou doen venvachten Zeer groote tegenstellingen komen voor, gelijk uit het over de natuur medegedeelde verklaard wordt.
Belangrijk is de industrie, die zicli ontwikkeld heeft ondanks de bezwaren, die in Zwitserland moesten worden overwonnen, nl. invoer van steenkool en van grondstof.
Textiel-industrie (katoen, zijde en linnen) is in 't gebied van Zürich en bij hot Boden-meer; ook ka n t k lo pp c r ij en.
Horloge-industrie: Genève en in de Jura (Chaux de Fonds e. a.).
De middelen van bestaan volgen verder uit de natuur van het land: veeteelt, als hoofdzaak, en andere Alpenbedrij ven.
Een hoofdmiddel van bestaan brengt voor de Zwitsers het vreem-denbezoek jaarlijks mee In den zomer is alles levendig: de herders gaan naar de Alpenweiden, de gidsen en jagers naar het gebied van sneeuw en ijs.
Evenals de Tirolers en andere Alpenbewoners, kenmerken de Zwitsers zich door hun vrijheidsgevoel, liefde voor hun land, godsdienstzin en andere goede eigenschappen. De volksontwikkeling is gunstig. Een staand leger kennen de Zwitsers bijna niet, zoodat het krijgswezen niet jaarlijks aanzienlijke uitgaven vordert ; toch is de weerbaarheid van het volk uitstekend.
Zürich rïfê), Genève (80i en Bazel (79) zijn de 3 grootste steden van Zwitserland. Genève is het middelpunt van het Fransche Zwitserland en heeft eene heerlijke ligging en belangrijke verkeerswegen. Zürich vormt het middelpunt van het Duitsche Zwitserland. Het is eene belangrijke fabrieksstad (textiel- en metaal-industrie) en heeft al het Duitsch-Italiaansche verkeer; Genève en Zürich hebben beide bekende hoogescholen. Bazel is het middelpunt van groote wegen tusschen Duitschland, Frankrijk en Zwitserland.
Bern (48), aan delXtorc-., zetel van de bondsregeering; aanzienlijkste stad van de hoogvlakte; middelpunt van verkeer.
Dan telt Zwitserland eenige stadjes met tusschen 10 en 20 000 inw., meest gelegen in de nabijheid van de schoonste deelen des lands en in het industriëele gebied bij het Boden-meer.
In liet Alpengebied liggen de aanzienlijkste plaatsjes in de lengte-dalen en aan de wegen naar Italië. Verder zijn daar talrijke Alpendorpjes, met weinig bevolking, vooral 's zomers.
-0
^ !
140
Voornaamste wegen door de Alpen/
§ 88. De dalen en passen zijn door de natuur aangewezen voor het verkeer. Geen gebergte is er rijker aan dan de Alpen: lengtedalen als van Rhóne, Rijn en Inn; dwarsdalen als van Reuss, e. a.
In onze dagen letten wij bij het verkeer, ook in de Alpen, in de eerste plaats op de hoofd spoorwegen. Deze dragen den naam naar den langsten van de vele tunnels, die bij den aanleg moesten worden geboord, of naar den bergpas, waarover zij voeren.
Bij het beschouwen van de vijf aanzienlijkste Alpenspoorwegen kan ons in 't oog vallen, dat er 4 in tegenstelling van den 5™ eene hoofdrichting gemeen hebben: „zij verbinden Midden-Europa met Italië en het gebied der Middellandsche zeequot;.
De Mont Cenis-baan wordt gebruikt voor de Eng. mail (London-Dover-Calais-Parijs-Lyon-Brindisi); de St. Gothard-baan is door de natuur aangewezen als de verbinding van Italië met het Rijngebied en Noord-Duitschland. Ook heeft de St.-Gothardbaan veel beteekenis voor Parijs en Nd.-Frankrijk. De Brenner-baan leidt uit de Po-vlakte door het Etsch-dal naar Tirol en Zuid-Duitschland, terwijl de Semmerlng-baan op gelijke wijze de verbinding vormt tusschen de Adriatische zee en het Donau-gebied. De beide laatstgenoemde groote wegen zijn genoemd naar passen. waarover zij leiden.
141
De Arlbergbaan, de jongste, is aangelegd om den handel van Oostenrijk met het Rijngebied op te wekken. Deze weg is de kortste verbinding tusschen Weenen en Parijs.
Het aantal wegen is verder groot in de Alpen. Breede kunstwegen en smalle voetpaden zijn er. Tot de hoofdwegen behooren zeker die over den Sitnplon en die over den Splügen, beide ook in de Centr.-Alpen. Over dén eerstgenoemdén pas legde Napoleon een breeden straatweg aan, waaraan zijne soldaten 5 zomers arbeidden (1801—'05).
De Simplonweg uit het Rhonedal, van Brieg naar het Lago M a g i o r e.
De Splügen uit het Rijndal naar Lago di Como.
ITALIË.
(286 600 KM2; 31 mill, inwoners.)
§ 89. Ligging en Kusten. Het koninkrijk Italië komt in grootte vrij wel overeen met Groot-Brittannië en Ierland (zie fig. 24), d i. bijna 9 x Nederland, terwijl het aantal inwoners ruim 6 X dat van Nederland bedraagt.
Door zijne ligging behoort het tot Zuid-Europa en heeft dus een gunstig klimaat; 46J0—36a0 N.-B. Venetië, Rome en West-Sieilië liggen onder één meridiaan.
De Middellandsche zee schonk in de Oudheid den invloed van de Grieksehe wereld, daarna de heerschappij over 'tgansche Middell. zee-gebied en in de Middel-eeuwen den handel op 't Oosten, die in onze dagen herleefde, tengevolge van de doorgraving der landengte van Suez.
De kusten, ofschoon van groote lengte, zijn op vele plaatsen ongunstig, nl. laag en moerassig, zooals aan de Po-vlakte, in Toscane en Latium. Ilooger en gunstiger zijn die van de Riviera, Oampanië en Sicilië.
De kustontwikkeling is 't gunstigst aan de Westzijde; Italië is als 't ware met het gezicht Westwaarts gekeerd, gelijk Griekenland hoofdzakelijk Oostwaarts ziet. Zoo ontwikkelden zich dan ook de aanzienlijkste steden van het Italiaansche schiereiland aan de Westzijde, en de invloed van Italië — meer bepaald in de dagen van Rome's wereldheerschappij — was hoofdzakelijk Westwaarts gericht. Gelijk de Grieksehe taal de heerschende werd in 't Oosten, zoo de Romaansche in 't Westen.
0 I (T - JU
De beide 'schiereilanden — Apu 1 ië en Calabrië, — waarin 7Italië zich in 't Z. splitst, en ook Sicilië waren echter in de vroegste oudheid voor een goed deel onder Grieksche kolonisatie.
Naar ligging en gesteldheid kunnen wij verder onderscheiden:
X Noord-Italië, het continentale gedeelte j (Je quot;v u'
quot; t 2. de Po-vlakte.
j 3. de A p e n n ij n e n.
4. de A r n o-v lakte.
5. de kustvlakten van Toscane, van I R o m e en van Napels.
6. Sicilië.
/
III. De Eilanden
7. Sardinië.
8. de kleinere eilanden.
§ 90. Noopd-ltalie. Het Alpengebied bevat de Oostelijke gedeelten der West-Alpen en de Zuidelijke gedeelten der Centraalen der Oost-Alpen.
De Zuidelijke Alpendalen zijn bekend door natuurschoon, evenals de Italiaansche meren met daarin gelegen eilandjes. Bekend ook is het zachte klimaat, dat wijnbouw en zij de cult uur toelaat. Vergelijkt men b.v. 'tklimaat van Bellinzona (staatkundig tot Zwitserland, naar de natuur tot Italië behoorend), in het dal van de j . . . D, met dat van Milaan, dan zijn de winters in B. veel minder streng, de zomers veel minder drukkend.
Opgaven.
1. Zoek op de kaart de grootste meren in de Zuidelijke Alpendalen en geef op, welke rivier door elk, dier meren stroomt. lt;577,
2. Door, - welke dalen loopen de Mt-Oenis-baan, de St.-Gothard-baan en de Brennerbaan, aan de Italiaansche zijde ¥7. , ___
3. Welke spoorweg voert uit Italië naar Weenen, welke naar Parijs en Londen, welke naar bet Rijngebied? j. r
4. Welke spoorweg verbindt langs de Riviera Italië en Frankrijk';1 '-C '
De Povlakte. een voormalige inham van de Adriatische zee, ^TOnooor aanslibbing van de Po en vele kleinere rivieren van Alpen en Apennijnen. De bodem bestaat daardoor uit alluviale en diluviale gronden en is zeer vruchtbaar (de „tuin van Europaquot;). Lombardüe is met Sicilië eene korenschuur voor Italië: tarwe, maïs, op enkele plaatsen zelfs rij at. Wijnhouw en zijdeteelt zijn verder van groote beteekenis.
II. Het Schiereiland
143
io
Naarmate men echtei- dichter hij den voet der Alpen komt, wordt de grond minder vruchtbaar, meer steenachtig. Het midden der vlakte heeft dus den besten grond. (Tracht dit te verklaren.)
Voor de besproeiing der velden is een groot aantal kanalen aangelegd.
Er zijn soms geweldige overstroomingen en vooral in Oostelijk Lom-bardije zijn, niet minder dan in Nederland, kostbare dijken noodig.
Het klimaat in Noord-Italië is zacht; maar de winters kunnen erg koud zijn en de zomers erg warm.
De kust neemt in uitgebreidheid snel toe: Ravenna in'dpi Hom. keizertijd eene oorlogshaven, is thans door een groot bosph van de zee gescheiden. I
De lagunen zijn binnenzeeën, door eene strook zandgrond van de zee gescheiden. Die zandbanken en eilanden heeten lidi. Sommige lagunen zijn vischrijke, zoute meren en ongezonde poelen; andere, die met kanalen zijn doorsneden, dienen voor de Scheepvaart, b. v. bij Venetië, en staan door openingen met de zee in gemeenschap (Porti).
§ 91. Het Schiereiland. De Apennijnen zijn over 't geheel dichter bij de Oost-, dan bij de West-kust, zoodat de grootere rivieren naar deze stroomen en de grootere vlakten met hare dichte bevolking aan de Westzijde liggen.
De belangrijkste wegen over de Apennijnen zijn:
1. de lijn Genua—Milaan.
2. „ „ Florence—Bologna.
3. „ „ R o m e—A n 40 n a.
4. „ Napels—Foggia.
-quot;Het hoaaate en meest woeste gedeelte van de_Apennijnen zijn de Abruzzen (üran Sasso, 2900 M), steil, moeilijk toegankelijk, vol holen en laters. Dit was het gebied der een
krachtig volk van herders en boeren, zoo moeilijk door de Romeinen bedwongen. Nog heden behoort deze streek tot de minst bekend^ van Itaiië. Toch schijnt de Regeering er in geslaagd aan het bandietenwezen een einde te maken.
Tusschen de hoofdketens der Apennijnen en de W.-kust liggen talrijke lagere ketens, Sub-Apennynen geheeten. Terwijl de hoofdketens hoofdzakelijk uit kalkgesteenten bestaan, wat de aanwezigheid der vele grotten en holen en den rijkdom aan marmer — tegenover eene armoede aan ertsen en steenkolen—verklaart, zijn de Sub-Apennijnen vooral vulkanisch. Al zijn thans alleen de Vesuvius, Etna en Stromboli meer werkzaam, op vele plaat-
144
sen bestaan k ra te rm e ren, heete bronnen en gasopstij-gingen, b.v. op de Phlegraeïsche velden bij Napels.
De Arnovlakte is een der vruchtbaarste en best bebouwde deelen van Italië, een Lombardije in het klein, maar met nog meer Italiaansch klimaat. Het hoofdproduct bestaat dan ook in olyven. Livomo (104) is hier de uitvoerhaven.
Bij Pisa reeds beginnen de om hare moeraskoortsen (malaria) gevreesde maremmen, die de West-kust vergezellen. In't koele jaargetijde zijn in de eentonige grasvlakten talrijke kudden, vooral halfwilde buffels met bereden herders. In den zomer keeren deze naar de bergen terug en zijn de maremmen geheel verlaten. Dat in de oudheid de kustvlakten in beteren toestand verkeerden, bewijzen talrijke bouwvallen. De hooge duinen maken, dat de riviertjes onvoldoende afwatering hebben.
De Campag'na feliee, ± 15 uur gaans lang en ± 5 uur breed, was al in de Oudheid en is nog eene prachtige, vruchtbare streek, de tuin van Italië, zorgvuldig bebouwd en met stadjes en villa's bezaaid. Hier groeien vooral,de zuidvruchten en de kostbare wijnsoorten (Falerner, Lacrimafe Christi). In de laatste jaren is er kat oen bouw. Op de hellingen der bergen zijn dichte kastanje wouden; in de vlakte cypress en en reeds eenige palmensoorten.
De Vesuvius (1301 M), thans de eenige werkzame vulkaan van Europa's vastland, staat geïsoleerd. Zijn groote krater, de Somma, was oudtijds met dichte bosschen begroeid en Spartaeus had eenmaal daar zijn legerkamp (73). Toen gold de vulkaan als rustend; de tegenwoordige eruptie-kegel ontstond in 79 n. C.
Sedert zijn weder eeuwen van rust gevolgd, afgebroken door kleinere en grootere uitbarstingen.
In de Phlegraeïsche velden had nog in 1538 eene groote uitbarsting plaats en ontstond binnen enkele dagen de Monte Nuovo.
§ 92. De Eilanden. Sicilië heeft in lateren tijd veel verloren van 'tbelang, dat het in de Oudheid bezat, toen aan de kusten levendige handel bloeide en van den bodem beter partij werd getrokken. Vooral Sicilië heeft veel geleden door de kwaal van Italië: de aanhoudende wisseling in de heerschappij en de voortdurende oorlogen. De bosschen zijn er verdwenen en dit had nadeeligen invloed op de besproeiing. Het vruchtbaarst en best bebouwd is de vlakte van Catania, aan den voet van den Etna. Deze vlakte levert tarwe en zuidvruchten.
145
Aan de kust zijn de uitstekende havens Palermo en Messina) en in de oudheid vooral Syracuse. Dit is thans echter eene vuile, onbeduidende stad.
De Liparische eilanden zijn ook vulkanisch (Stromholi). Daarentegen bestaan de Egadische eilanden en de Malta-groep uit kalkgesteenten.
De sneeuwrijke Etna (3310 meter) is niet een enkele vulkaan, maar een berggroep. Hoog boven de talrijke kleine eruptie-kegels verheft zich de boofdtop. De werkzaamheid is zeer onregelmatig. In zoo verre vormt de Etna eene groote tegenstelling met den Stromboli (± 500 M), die — gadegeslagen gedurende meer dan 20 eeuwen — nooit een kwartier uurs rust, zóó dat zgn arbeid vergeleken is met de ademhaling van een dier (Von Humboldt). De Etna vertoont duidelijker dan eenige andere berg de verschillende hoogtezenen van den plantengroei: tot 1550 M vruchtbare velden, verder tot 2000 M wouden (eerst eiken en dan beuken), vervolgens tot 2700 M bergweiden en eindelijk kale toppen en sneeuwvelden.
De aanzienlijke zwave 1 groeven van Sicilifi liggen aan de Zuidzijde; zij brengen jaarlijks l'/s a 2 millioen centenaars op. Girgenti voert zwavel uit.
Sardinië is in de binnenlanden woest en weinig bekend; de bewoners zijn cr nog natuurmenschen. In den laatsten tijd brengen de mijnwerken, vooral in 't Zuiden, verandering in de toestanden. De bodem bevat veel zink en lood, vooral bij Iglesias. De uitvoerhaven is Oagliari (42).
Corsica werd in 176S door de republiek Genua aan Frankrijk afgestaan.
Onder de kleinere eilanden: Elba (zoo groot als Texel), rijk aan ij z e r e r t s; havenplaats: Port o-F e r r a j o ; C a p r e r a, bekend als woonplaats van Garribaldi; de Napolitaansche eilandjes, w.o. Gapri.
Middelen van bestaan, enz.
§ 93. Italië is in de eerste plaats akker- en wijnbouwstaat.
Van de vroegste tijden af bestonden de bewoners, van het Apennijnsche schiereiland uit boerenvolken: de landbouw was geheiligd, de oudste wetten waren akkerwetten. Zoolang groote grondbezitters ontbraken, heerschte welvaart; de bodem werd goed besproeid en schonk, dank zij't heerlijk klimaat, koren, ooft, wijn aan eiken bewoner. In lateren tijd lagen groote streken woest en verlaten, en ook tegenwoordig nog toont Italics bodem op vele plaatsen't beeld van verval, gelijk men dat waarneemt in de tallooze overblijfselen van ver-D. Aitton Beknopt Leerboek, 4o druk -10
14(5
woeste steden, heerbanen, waterleidingen, die bewijzen, dat Italië eens — als thans Engeland — uitnemend was gecultiveerd.
De Tolken, die Ttaliü bewoonden, toonden in veel opzichten het tegenbeeld . van de Hellenen; bij hen was allermeest de practische zijde ontwikkeld; zij zijn 'tmeest bewonderd in hun talent van wetgeving, zoo op maatschappelijk gebied , als in 't staats- en 't volkenrecht. Zij misten den oorspronkeliiken aanleg voor beeldende kunsten en waren op dit gebied, evenals in de litteratuur, navolgers der Grieken.
Niet zoo belangrijk als de akkerbouw is de veeteelt. Rundvee is er veel in de Zuidelijke Alpendalen en hier en daar in de Povlakte, b. v. in de Emilia. De schapenteelt is belangrijker, vooral in Apulië.
|---J Bouwland (40 %).
|--1 Weiden (25 %).
|--] Bosschen (15,6 %■)
I-1 Wijnbergen (6,3 %).
|--1 Woeste grond (13,1 0/o).
Voor den handel zijn hoofdzaak: zuidvruchten, w\jnen, zyde, ryst, maïs, tarwe en wol.
Uit het d elf stoffen r ij k levert de bodem : zwavel op Sicilië (2/3 van al de Europeesche zwavel); zink en lood op Sardinië; ijzer op Elba; marmer van Carrara (Toscane).
Fabrieksnijverheid is in Italië nog geene hoofdzaak; de armoede aan steenkolen staat de ontwikkeling in den weg. Het belangrijkst is de zijde-industrie, voornamelijk in Lombard ije. Van beteckcnis zijn verder de stroo-vlechterijen in Toscane. Hoog stond altijd de kunstn ij verheid; b.v. de glas-industrie van Venetië; beroemde vazen en bronzen (Etruscen); beeldhouwkunst in marmer; terra-cotta en fayence.
Ondanks de ongelukkige geschiedenis behoort Italië tot de dichtstbevolkte landen van Europa en vormt dus ook in dit opzicht eene scherpe tegenstelling met de beide andere Zuid-Europeesche schiereilanden, welke schraal bevolkt zijn.
De tegenwoordige indeeling in provinciën (CO) is van weinig belang; gewoonlijk gebruikt men do namen der historische deelen.
Eerst in 1801 zijn de verschillende deelen van Italië opnieuw tot één rijk vereenigd geworden. Eeuwen lang was het land verbrokkeld en grootendeels onder heerschappij van vreemden.
Onmiddellijk vóór 1801 waren in Italië de volgende staten:
1. Het koninkrijk Sardinië, bestaande uit: het eiland Sardinië, Piëmont, Ligurië, Savoye en Nizza.
147
2. Het Lombardisch-l'emtiaansch koninkrijk onder Oostenrijksch bestuur.
3 en 4. De hertogdommen Parma en Modena, te zamen vormende het landschap Emilia, ten zuiden van de Po.
5. Het groothertogdom Toscane, liet gebied van den Arno.
6. De Kerkelijke Staat, waartoe behoorden: Latium (Patrimonium Petri), de Marken, Umbrië en Romagna.
7. Het koninkrijk der beide Sicilicn.
Savoye en Nizza moesten in 18(31 aan Frankrijk worden, afgestaan voor de hulp van Napoleon III. Venetie is eerst in 1866, Rome in 1870 aan den jongen staat gekomen.
De koning deelt de wetgevende macht met een Senaat en eene Kamer van Afgevaardigd en.
Het Italiaansch taalgebied omvat verder nog Corsica (Fransch), de Maltagroep (Eng.), Triest (Oostenrijksch), de Z. Alpendalen (gedeeltelijk Zwitsersch en Oostenrijksch grondgebied).
In 1861 werd Turij n de hoofdstad, in '66 Florence, in '70 Rome.
De gevolgen van de vroegere geschiedenis zijn nog duidelijk zichtbaar, o. a. in de verwaarloozing van de hulpbronnen van het land, den grooten schuldenlast en daardoor de hooge belastingen, den verschillenden trap van ontwikkeling en de weinige gehechtheid tusschen de bewoners van de verschillende deelen.
Plaatsbeschrijving-.
§ 94. Napels (523), de grootste stad van Italië, ligt in eene prachtige natuur en gunstig voor den handel. Het heeft stoombootvaart op alle havens aan de Middell. zee en is een station voor do stoomschepen op Indië. Vóór de overschoone Golf van Napels liggen de eilandjes Capri, Ischia en Procida. Op den achtergrond der golf verrijst de indrukwekkende Vesuvius, en dicht daarbij liggen de aan den dag gebrachte overblijfselen van Herculanum en Pompeji.
Aan de tweede mooie bocht ligt Salerno, eene handelsstad van den 2™ rang, en aan de 31' bocht Gaëta, hot Italiaansche Gibraltar.
Rome (474), de „Eeuwige Stadquot;, is merkwaardig voor geschiedenis en kunst en nog altijd het geestelijk middelpunt voor de Roomsch-Katholieke Christenheid. De museums bevatten schatten, uit Griekenland geroofd, in den Rom. Keizertijd geschapen en van de Italiaansche kunst van de 15« en 16° eeuw (Renaissance). • Nog altijd zijn er veel kloosters en geestelijke inrichtingen. Het volk in Romr doet weinig en leeft grootendeels van de vreemden.
10*
]48
De St.-Pieterskerk met omgeving, w. o. liet Vaticaau, is alleen onder het bestuur van den Paus gebleven.
Rome heeft geen haven meer aan den ïibermond; Civita Vecchia kan als haven gelden. De omgeving der hoofdstad is de thans doodsche Campagna, bezaaid met ruïnen uit de oudheid, welke getuigen van do bloeiende cultuur, die eens hier bestond.
Rome ligt op de plaats, waar de Teverone (Anio) in de Tiber valt en zich aan beide zijden der rivier de laatste heuvels verheffen; oorspronkelijk was 't eene havenplaats, wel voor kleine zeeschepen bereikbaar, 't Werd de plaats, waar de groote heerbanen samenkwamen; o. a. de via Appia, de drukste van alle, die Zuidwaarts leidde, waar nu de Pontijnsche moerassen zijn, vervolgens naar Capua en vandaar naar Tarente en Brundisium.
Twee mijlen ten Z.O._ van Rome verheifen zich de schoone Albane/- bergen, eene groep uitgedoofde vulkanen, misschien één groote krater, waarvan de bodem thans wordt ingenomen door talrijke meertjes en jongere eruptie-kegels. Hier lag eens Alba Longa; thans zijn er talrijke dorpen, bosschen, villa's, waar de Romeinen 't kwade jaargetijde (malaria) doorbrengen.
„Do groote aantrekkingskracht, door Rome op de gansche beschaafde wereld uitgeoefend, bestaat in zijne monumenten en bouwvallen; de triumfbogen, de gebroken zuilen, de puinhoopen van paleizen, het Colosseum, zij zijn wonderwerken van bouw- en beeldhouwkunst en spreken van antieke grootheid. De opgravingen brengen steeds meer aan 't licht, doch veel van 't oude is vernield of verminkt: steen en metaal zijn gebruikt voor den bouw van Christenkerken en andere middel-eeuwsche gebouwen, totdat verlichte Pausen de voortzetting van dat Vandalenwerk hebben belet.
En ook het moderne Rome dankt veel, schier alles, aan het Pausdom; de hooge Italiaansche geslachten, waaruit de pausen der laatste 300 jaren zijn voortgekomen, hebben niet alleen paleizen gebouwd voor zich zeiven, maar ook waterleidingen voor het volk. Aan pausen komt de eer toe, terwijl zij met de eene hand museums stichtten en de kunst aanmoedigden, met de andere de stad gezond gemaakt en het leven van hare bewoners tegen de pest der moeraskoortsen beschermd te hebben.
Het Pauselijk Rome met zijne paleizen, museums, zijn tuinen en villa's, zijne St.-Pieterskerk, wier koepeldak misschien het grootste van alle wonderen der menschelijke bouwkunst is, vormt echter een scherp contrast met Rome als wereldstad, met nauwe en kromme straten, .onregelmatige pleinen, onooglijke huizen, verwaarloosde openbare gebouwen.quot; (Büsken Huet.)
Florence, la Belle (206); gunstige ligging in de Arnovlakte. Prachtige kunstverzamelingen; sedert do 15'' eeuw middelpunt van de Italiaansche beschaving.
Livorno (104) is de haven; Piza (62), in de dagen der kruistochten mededingster van Venetië en Genua, is vervallen. Livorno is betrekkelijk jong, opgekomen in den tijd der Medici (loquot; en 16c eeuw); 't is minder Italiaansch dan eenige andere stad van Italië (er vestigden zich kolonisten uit alle landen).
149
Genua, la Superba (224), is ampliitheatersgewijze gebouwd inde heerlijke kuststreek der Riviera. Tegenwoordig is Genua*de eerste handelsstad van Italië. Weg over de Apennijnen en-St.-Gothardbaan.
Aan de Riviera gezondheidsoorden, als San Remo (20). Oorlogshaven Spezzia (20).
Turyn (348), aan do samenvloeiing van......en......;
middelpunt van het Fransch-Italiaansch verkeer ; eerste hoofdstad van het jong koninkrijk Italië. Ofschoon ook van zeer oude dag-teekening, onderscheidt het zich in bouworde van de meeste Italiaansche steden, als meer modern, (de Ital. steden zijn over het geheel vuil en oud, met nauwe bochtige straten).
Milaan, la Grande (452), middelpunt van liet Duitsch-Italiaansch verkeer; St.-Gothardspoorweg en Simplonstraatweg; grootste fabrieksstad van Italië, vooral zijde-industrie.
Verder: Pavia (40), aan de......; zijde-fabrieken.
Cremona (40), aan de........; bekend door zijne
m u z i e k-i n s t r u m e n t e n (violen).
Fog'gia (40), het centrum van de Apulische vlakte.
Brindisi (15), prachtige haven, aanlegplaats van stoombooten naar Indië.
Venetië (155), lang niet moer zoo belangrijk als vroeger, maar toch nog eene aanzienlijke koopstad. In plaats van straten doorsnijden kanalen de „eilanden-stadquot;, die rijk is aan beroemde paleizen en kerken, uit don tijd, toen de stad bekend stond als „koningin der Adriatische zee.quot;
Sterke vestingen lagen aan do moerassige rivier-oevers van Lombardije en Venetië, als:
Mantua, aan de........;
Verona (70), aan de.......;
de militaire beteekenis is thans, nu Italië één is, veel minder dan b. v. in den Napoleontischen tijd; de natuurlijke sterkte — door het water — herinnert ons aan het verdedigingsstelsel in ons vaderland.
Bologna (14lt;S), beroemde academiestad en eene van de steden, waar de hoofdverkeerswegen samenkomen.
Verder in Emilia:
Parma (51), Piacenza (40), Modena (65), e.a. alle met zijdeindustrie en aan de „Via Emiliaquot;, thans den grooten weg, waarlangs de Eng.-Ind. mail gaat naar Brindisi.
Ravenna (66), in den Rom. Keizertijd eene zeehaven, nu 9 KM van de kust verwijderd.
150
Palermo (283), bijna Oostersehe stad, eene der eerste koophavens van de Middell. zee; tegenwoordig veel levendiger dan Venetië, door uitvoer van zuidvruchten en belangrijke industrie, vooral van zijde, katoen en edele metalen.
Messina (156), levendige handelsstad met veel uitvoer van zuidvruchten , olijfolie en koraal. De ligging was altijd gunstig voor het verkeer tusschen Italië en Sicilië. De stoomschepen van Genua, Napels, enz. naar den Levant, Suez e. a. gaan door de Straat van Messina.
Catania (123), in de vruchtbare vlakte aan den voet van den Etna.
Aanzienlijk is het aantal steden in Italië van den 2™ en lageren rang. Meer dan 20 zijn er, die boven 50 000 inw. tellen. De meeste steden zijn van ouden oorsprong. Vooral Lombardije en Sicilië zijn er rijk aan. Sommige zijn reeds genoemd en de andere hebben geen algemeen belang.
Z.O.-EUROPA OF HET BALKANSCHIEREILAND.
Staatkundig-e indeeling. Hoofdsteden.
§ 95. In geen deel van Europa heeft do staatkundige kaart in de laatste eeuw zoo herhaalde en zoo groote veranderingen ondergaan, wat ons duidelijk zal zijn, als wij straks letten op do verschillende nationaliteiten, die hier wonen en die allen sedert meer dan 4 eeuwen onder de Turken waren. In 't begin van deze eeuw begonnen de pogingen, om aan dat juk een eind te maken: de Grieksche vrijheidsoorlog en opstanden in alle deelen verzwakten den Turkschen staat. Deze heeft thans niet meer in Europa, doch in zijn Aziatisch gebied zijn zwaartepunt.
De tegenwoordige politieke indeeling van het Zuidoost-Europee-sche schiereiland dagteekent van hot Congres te Berlijn (1878), waar de vertegenwoordigers van de voornaamste Europeesche mogendheden de zaken in dit gedeelte van het werelddeel hebben geregeld na den Russisch-Turkschen oorlog van 1877.
Staten: Hoofdsteden:
1. 't Sultanaat Turkije.......Konstantinopel (874).
2. 't Koninkrijk Roemenië.....Boekarest (250).
3. „ Griekenland. . . . Athene (108t.
4. „ Servië......Belgrado (54).
5. 'tVorstendom Boelgarije.....Sofia (47).
6. „ Montenegro .... Cettinje (1,2).
7. De autonome provincie Oost-Roemelië Philippopel (36).
151
Verder liggen op het Schiereiland;
a. Bosnië en Herzegowina, sedert 1879 — zooals het heet — door Oostenrijk bezet. Feitelijk worden deze landen thans door Oostenrijk bestuurd, op gelijke wijze als Elzas-Lotharingen door Duitschland en vroeger de Generaliteitslanden door Nederland. Novi-bazar wordt echter door Turkije bestuurd; Oostenrijk heeft er alleen het recht van bezetting.
b. Dalmatië, met de hoofdstad Zara, is een der landen van de Oostenrijksche kroon.
c. Oost-Eoemelië is, evenals Boelgarije, schatplichtig aan Turkije, maar het is eene autonome, d. i. zelfstandige provincie, die zich in 1885 feitelijk met Boelgarije heeft vereenigd.
Ligging en horizontale vorm.
§ 96. Van de Z.-Eur. schiereilanden kenmerkt het Westelijke of Iberische zich door zijn gesloten vorm, waardoor het, gelijk in andere opzichten, met Afrika overeenkomt; het Oostelijke daarentegen door zijne rijke geleding: schiereilanden en eilanden, gunstige kusten.
De natuurlijke begrenzing wordt aan drie zijden gevormd door de zee. Aan de 4quot;, de Europeesche zijde, is zij minder scherp geteekend dan dit b.v. door de Pyreneën en de Alpen bij Spanje en Italië het geval is. (jewoonlijk neemt men de dalen van Save enDonau als natuurlijke grens, waarbij Roemenië dan buiten valt.
Bij Italië zijn de Westelijke kusten het belangrijkst; bij de Balkan-landen daarentegen de Oostelijke: deze toch zijn't meest geleed; talrijke baaien dringen landwaarts in, en eene schier ontelbare eilandenmenigte ligt er voor. De scheepvaart ontwikkelde zich van zelf, waar land en zee zoo veelvuldig met elkaar in aanraking zijn, dat de zeevaarder de kust nooit aan den horizont verliest: Griekenlands kustontwikkeling doet niet onder voor die van Noorwegen of Schotland en de stormen en nevelen, welke ginds den zeeman dreigen, ontbreken hier.
In de meerdere kustontwikkeling aan de Oostzijde ligt de verklaring , dat de Grieken vooral met Klein-Azië, Phoenicië en Egypte in betrekking stonden. Het verkeer van de Romeinen was meer gericht op het Westen.
Eilandengroepen; 1. Euboea en de Cycladen, d. z. die, welke meer in een kring liggen: o.a. Syra, Paros, Delos, San-torino.
2. De Sporaden, meer verspreid {meerendeels nog Turksch); o.a. Chios en Rhodos.
152
3. De Jonische eilanden, o.a. Corfoe, Kephalonia, Zante en
Thiaki (Ithaka.)
4. Kreta (nog Turksch).
Zoowel de kusten van het vasteland als deze eilanden zijn rijk aan uitstekende havens. Scheepvaart was dan ook altijd in de Egeesche en Jonische zeeën hoofdmiddel van bestaan. Deze beide zeeën waren, tot op zekere hoogte, in de oudheid Griek-sche binnenzeeën, want aan de Oostelijke zijde der Egeesche en aan de Westelijke der Jonische zee lagen juist de talrijke en bloeiende koloniën (Klein-Azie en Groot-Griekenland). Toch stonden, gelijk boven reeds is opgemerkt, de Grieken meer met het Oosten dan met het Westen in betrekking: uit het Oosten kreeg Griekenland eerst zijne bewoners, daarna zijne beschaving; naar het Oosten vooral zond het later zijne kolonisten uit, die der Helleensche cultuur tot ver in Azië den weg baanden.
Bij de Adriatische zee bestond tusschen de West-kust van het Balkanschiereiland en de Oostkust van Italië niet zulk een druk verkeer , evenmin als dat tegenwoordig het geval is. (Durazzo-Brindisi).
Bodem, rivieren enz.
§ 97. Groote afwisseling kenmerkt ook den vorm van den bodem. De gebergte-vorm komt het meest voor. Hierbij kunnen we de volgende natuurlijke doelen onderscheiden:
1. Het Dalmatisch bergland (o.a. Dinarische Alpen*.
3. „ Boelgaarsch „ (o.a. Balkan).
5. „ Al bane esc h „ (o.a. Pindus).
Twee richtingen zijn kenmerkend: 1. in het Westen van N.W. naar Z.O. en 2. in het Oosten van W. naar O. De dalen van de Mor awa en de Vardar geven eene natuurlijke scheiding aan tusschen deze Westelijke en Oostelijke bergstelsels. Door deze dalen voert een der hoofdwegen des lands, nl. de spoorweg B e 1 g r a d o—N i s j—S kopij e—S a 1 o n i k i.
Eene andere hoofdlijn gaat door de dalen van de Morawa en de boven-Maritza, nl. de lijn Belgrado—Nisj—Sofia— Adrianope 1—K onstantinopel.
De Westelijke bergstelsels vormen eene Zuid-Oostelijke voortzetting van de Alpen en doen zich verder voor als parallel-ketens van de Apennijnen tot zij in Peloponnesus met Kaap Matapan eindigen.
153
Een algemeene naam bestaat voor deze bergstelsels niet (A1 b a-neesche Alpen, Sjar Dagh — 't hoogste deel des lands, — Bora Dagh, Pindus, enz.). Kenmerkend zijn de woeste natuur der meest kale ketens, de talrijke kratervormingen, de kalkge-steenten met hunne holen en grotten en verdwijnende rivieren; hier en daar zien wij meren: Skoetari, Ochrida, enz., welke, hetzij zichtbaar of onderaardsch, eene afwatering hebben in berg-stroomen. In enkele van deze ontoegankelijke landstreken zijn overblijfsels van oude, oorspronkelijke (?) volken bewaard gebleven, die zelfs tegen de Turken hunne vrijheid hebben weten te handhaven.
Terwijl deze berglandschappen hoofdzakelijk alleen geschikt zijn voor veeteelt — schapen en geiten, — zien wij hier en daar een rijkere ontwikkeling van 't plantenleven; groene weiden en donkere bosschen van loofboomen of naaldhout. Deze tegenstelling tusschen eene woeste natuur en vriendelijke oasen vertoonen b.v. Bosnië, Montenegro {Czernagora, d. i. „Zwarte Bergenquot;, in den zin van donker, woest), Albanië, Epirus, enz.
Ten Oosten van de genoemde scheidingslijn — Morawa, Var-dar — verheft zich het Balkan-stelsel. De eigenlijke Balkan loopt van het Westen naar het Oosten tot bij Kaap Emineh, aan de Zwarte zee. Een groot aantal wegen leidt over dit gebergte, dat daardoor minder eene „volkenscheidingquot; vormt dan wel eene grens voor „klimaat en plantenwereld.quot; Over 't geheel is de Zuidelijke helling steil, terwijl de Noordelijke, in Boelgarije, zich in lagere berglandschappen voortzet.
In het Zuiden verheffen zich op zichzelf staande berggroepen: Oeta, Parnassus, enz.
Het laagland bestaat vooreerst uit de beneden-Donauvlakte en verder uit de belangrijke dalen van de Maritza, de Toendsja, de Var dar, de Salambria en andere.
Deze dalen onderscheiden zich door hunne gunstige natuur: ze hebben een heerlijk, warm gematigd klimaat, geschikt voor zuidvruchten en wijn, tabak, maïs en zelfs voor rijst en katoen; zijderupsen.
Gelijk alle warm-gematigde en sub-tropische landen lijd en vele streken aan gebrek aan water en kan zonder kunstmatige besproeiing de bodem weinig opbrengen. Veeteelt (van schapen) is in zulke landen hoofdzaak (overeenkomst met Spanje, sommige streken van Italië, Klein-Azië, e. a.).
De eilanden zijn alle bergachtig. De meeste zijn oud-vulkanisch, en dat vulkanische werkingen in die streken nu nog mogelijk zijn, bewezen in deze eeuw de uitbarstingen van Santorino en de aardbevingen op Chios en Zante. De natuur der meeste eilan-
154
den is uiterst gunstig; zij zijn dan ook over 'tgeheel dichter bevolkt dan het vastland. Zuidvpuchten (olijven, rozijnen, krenten) en wijnen zijn de uitvoer-artikelen. Goede, natuurlijke havens bezitten de meeste dezer eilanden.
Onder al de eilanden van den Griekschen Archipel is Kreta of Kandia 't belangrijkste, zoo door grootte cn bevolking als door historische beteekenis.
Den naam Kandia droeg 't eiland in den tijd van de heerschappij der Venetianen, die echter al meer dan 2 eeuwen geleden hier voör de Turken moesten wijken.
Op eene oppervlakte van ruim 8618 KM2 — zoo groot als b.v. Gelderland en Noord-Brabant samen — leven ± 280 000 menschen. Het land ishoofd-zakeljik bergachtig, hier en daar woest en ontoegankelijk als in 't Westen, waar de Dorische stam der Sphakioten lang de vrijheid heeft gehandhaafd. In 't midden verheft zich de oude „Godenbergquot;, de Ida (2500 M).
De vlakten en beste deelen des lands zijn in handen van de Mohammedanen. 't Bergland is meest in bezit van Grieksche Ohristenen. De laatsten zijn numeriek ongeveer 6 maal sterker dan de eerstgenoemden, en hevige opstanden hebben dan ook herhaaldelijk plaats gehad. Nog versch ligt de bloedige strijd in 't geheugen, welke hier in de jongste dagen (1897) opnieuw woedde. De zelfstandigheid van 'teiland schijnt thans verzekerd, schoon de vvensch — aanhechting bij Griekenland — voorloopig ijdel blijkt.
Olijven, wijn, zijde zijn de voornaamste voortbrengselen. In de bergstreken is veeteelt met schapen, geiten en paarden hoofdzaak.
Kandia is de hoofdplaats, maar Kanea is de voornaamste handelsplaats.
Bevolking1.
§ 98. Het Balkan-schiereiland beslaat, met inbegrip van Roemenië, eene oppervlakte van 598 Ö00 KM2 en telt 20,4 mill, inwoners, dus nog geen 35 per KM2.
Aan de orographische gesteldheid van het land, dat een labyrinth is van afgezonderde dalen, moeilijk te genaken gebergten en plateaux , is hot vooral toe te schrijven, dat de bevolking eene bonte mengeling is van zoo verschillende stammen. We onderscheiden hier;
1. Roemenen (5,4 mill.) in Roemenië. Zij zijn het talrijkst.
2. Slaven (3 mill.) in Servië, Bosnië, Herzegowina en Boelgarije.
3. Albaneezen (l'/s mill.) ten Westen van Pindus, Bora-Dagh en
Sjar-Dagh.
4. Grieken (1 '/2 mill.) in Griekenland, Epirus, de geheele Noord
kust der Egeesche zee, het Maritza-dal ten Zuiden en Oosten van Adrianopel, de schiereilanden van Galli-poli en Konstantinopel, den kustzoom der Zwarte zee tot kaap Emineh, benevens op de eilanden.
155
5. Turken of Osmanen, slechts 2 mill. Ze wonen verspreid
tusschen de andere volken, vooral in de steden. Gedurende 4 eeuwen waren zij het heerschcnde volk. Wegens hun betrekkelijk gering aantal, moesten zij zich er toe bepalen, de voornaamste punten des lands te bezetten, en vandaar, dat ze tusschen andere volken verspreid wonen. Sedert 1878 heeft hunne heerschappij ten Noorden van den Balkan geheel opgehouden, en ook in Zuid-Boelgarije is hunne macht geducht gekortwiekt.
6. Zigeuners (500 000v.
7. Armeniërs (200 000), vooral in Konstantinopel en andere groote
handelssteden. Zij zijn sluwe handelaren met veel ondernemingsgeest.
8. Israëlieten (150 000), die vooral in Walachijo den handels
stand vormen, waar ze de kooplieden en de geldschieters der arme bevolking zijn.
Zooals men ziet, vallen de staatkundu/e grenzen in dit deel van Europa nog lang niet samen met de ethnologische. Vooral de Grieken hebben een groot ethnologisch gebied, en vandaar hel, streven naar vergrooting van hunnen staat. (Oorlog met de Turken in 1897). De toestanden in deze landen zijn nog niet duurzaam geregeld, en rassenhaat kenmerkt de verhouding van al deze volken.
De Serviërs namen een tijdlang eeue plaats van gewicht in onder de Slaven; hun czaremijk strekte zich behalve over het tegenwoordige Servië ook uit over Bosnië, Boelgarije, Macedonië, Epirus en Albanië. Maar zij bezweken voor de Turken: hun land werd bezet en 't volk onder zware lasten verdrukt en vernederd. Doch in heldenzangen leefde hun vrijheidsgeest voort, totdat in de 19quot; eeuw de diep gewortelde Turkenhaat in opstand en vrijheidskrijg losbarstte.
De Albaneezen zijn dapper en vrijheidlievend; ze storen zich in hunne bergen weinig om den sultan. Gedeeltelijk zijn zij Muzelman en vormen dan een der beste bestanddeelen van het Turksche leger.
Do Turken zijn Mohammedanen, de overigen meest Grieksch-Katholiek.
Middelen van bestaan.
§ 99. Landbouw en veeteelt zijn hoofdzaak, doch de bodem brengt in de verste verte niet op, wat hij bij betere verzorging zou kunnen doen.
De Roemenen en Boelgaren verbouwen vooral koren (Turksche tarwe) en tabak; de Turken; zuidvruchten, reukwerken (vooral rozenolie), tabak, maïs; verder is er zijdeteelt; bij de Serviërs, Bosniërs, Montenegrynen en Albaneezen is veeteelt hoofdzaak, vooral houden zij schapen, en, waar eiken-bosschen zij n, varkens.
156
De Grieken aan de kusten en op de eilanden zoeken voor 't meerendeel hun bestaan op zee. Ze zijn goede matrozen (vroeger zeeroovers), duikers, sponsvisschers.
De Gvieksche sponsvisschers hebben in de Oostelijke helft der Middell. zee een monopolie; vooral die van de Egina en Hydra zijn sedert de oudste tijden bekend als goede duikers; eerst in de laatste jaren maken zij bij hun gevaarlijk bedrijf van toestellen gebruik. De visseherij heeft plaats van Mei tot September, gewoonlijk in volzee, eenige mijlen buiten de kust en bij voorkeur op een rotsbodem, waar op eene diepte van 30 a 40 M de schoonste sponsen groeien. Als de spons gevischt is, ziet zo er vuilzwart uit; de eenige bereiding bestaat in het trappen met de voeten in water, dat herhaaldelijk verfrischt wordt; vaak wordt ze daarna kunstmatig gebleekt, doch dit is soms ten nadeele van de kwaliteit. Bij weinig takken van handel heerscht zooveel bedrog. De fijnste sponsen komen uit de wateren bij den Levant en Syrië, de meeste uit die bij Barbarije.
Griekenland is op de meeste plaatsen weinig vruchtbaar. Rotsen, veelal van graniet, geven aan de natuur het karakter van schoonheid , doch zij zijn vaak alleen met eene dunne laag zand bedekt. Slechts 'e van den bodem is werkelijk bebouwd; water-armoede is eene der voornaamste oorzaken van dit ongunstig verschijnsel. De hellingen der bergen zijn niet met bosschen begroeid, wat een groot nadeel is voor 't ontstaan — en vooral voor eene regelmatige voeding — van de rivieren.
In 't binnenland is de bodem dan ook haast alleen voor veeteelt geschikt. In de dalen is landbouw: wijnbouw, olijven, moerbezieboomen, en men houdt er veel bijen, ook op 't vastland van Griekenland. De eilanden zijn echter vooral 't gebied der oljjven, wijnen, rozynen en krenten. Bijna ieder boer heeft er een wijngaard, groot genoeg om hem den wijn te verschaffen, dien hij elk jaar noodig heeft, en zelfs de armste man heeft een olijfboom, ten einde in de behoefte aan olijven en olie voor zich en zijn gezin te voorzien. Wie op den harden rotsgrond geen tarwe kan verbouwen, om zijn eigen brood te bakken, gaat op zee en vangt visch voor de tafels der rijken.
Fabrieksnijverheid is in deze landen weinig; maar de Turken staan hoog als handwerkslieden. In den handel komen: tapijten en andere kostbare geweven stoffen, wapens, leder, reukwerken, p ij p e n, enz.
De overzeesche handel is zeer belangrijk: Konstantinopel behoort tot de eerste koophavens der wereld. Verder zijn belangrijk: Saloniki, Varna, Hcrviopolis, Piraeus, Patras, Korinthe, Zante en Corfoe. Na het meegedeelde is het duidelijk, dat uitgevoerd worden: olijven, rozijnen, krenten, Grieksche wijnen.
157
amandels, koren (dat in nog grooter hoeveelheden zou kunnen worden verbouwd), tabak, reukwerken, zijde; verder producten van de Turksche industrie en sponsen.
Plaatsbeschrijving-.
§ 100. Turkye (Thracië, Macedonië, Albanië en gedeeltelijk Thes-salië en Epirus).
Konstantinopel (Istamboel of Stumbuel), wat ligging aangaat eene der mooiste hoofdsteden der wereld, auiphitheatersgewijze gebouwd aan den Gouden Hooïn, een inham van den Bosporus. Op deze plaats lag, hoe dikwijls ook verwoest, altijd eene aanzienlijke koopstad (Byzantium)-, aan den weg van de Zwarte zee naar de Middell., tegenover Kl.-Azië, waar Skoetari eene voorstad is.
't Aantal inwoners van Konstantinopel bedraagt misschien wel een millioen, doch 't grootste deel der stad bestaat uit ellendige houten hutten, vooral in de Turksche gedeelten: Starnbod en Skoetari. Naast deze kleine huizen verheften zich de tallooze, slanke minarets, de hooge kazevnes, de keizerlijke paleizen, door prachtige tuinen omgeven, en de fraaie huizen van rijke bankiers, diplomaten, enz. Op eene hoogte ligt het Serail, het paleis van den Sultan. Beroemd ook is de Aya Sophia, de hoofdruoskee. Zoo rijk en prachtig als dit gedeelte, zoo vuil en arm is 'tgrootste deel van de Turksche stad, waar in de straten duizenden honden, door niemand beheerd, rondloopen.
Geheel onderscheiden gedeelten zijn Phanar, de wijk der Grieken, meest rijke bankiers en handelaars; Pera, de voorstad, waar aanzienlijke Franken (Westerlingen) en Europeesche gezanten wonen; Galata, waar de Frankische matrozen zijn. Ten Westen der stad verheften zich de sciioorsteenen van de fabrieken der „Frankenquot;. Kostbare weefsels (tapijten vooral), parfumerieën en wapenen zijn de hoofdproducten der industrie.
Stoomvaartlijnen verbinden Konstantinopel niet alle havens aan ■de Middeliandsche en Zwarte zee.
De hoofdverbinding met West-Europa is de zoogenaamde „Orient-Expressquot;: Konstantinopel—Adrianopel, door het Maritzadal naar Philippopel, door de Porta ïrajana naar Sofia—Belgrado-—Boedapest—Weenen—Parijs.
De tweede handelshaven is Soloniki, met veel textielindustrie. De hoofdweg, die hier aankomt, loopt, gelijk vroeger gezegd is, door de dalen van Vardor en Morawa.
De derde stad is Adrianopel (Edirneh), met gunstige ligging aan de samenkomst der groote wegen door het Maritza-dal endoor het ïoendsj a-dal. Deze laatste leidt over een der bekendste Balkanpassen (Sjipka) naar den beneden-Donau. De streek om Adrianopel is misschien de gunstigste van het land: klimaat en
158
bodem zijn in de Maritza-vlakte uitstekend. De industrie bloeit; tapijten en parfumerieën.
Gallipoli (25), belangrijke ligging tegenover Klein-Azië, aan den Helles pont (Xerxes, Alexander, de Turken); de naam Dardanellen is ontleend aan de forten aan iveerskanten van de straat.
Zoowel deze straat als de Bosporus is in vóór-historische tijden gevormd door de kracht van het water.
2. Roemenië heeft bij eene oppervlakte, die 4-maal zoo groot is als Nederland, slechts 5,4 millioen inwoners. Toch is het een rijk land met vruchtbaar bouwland, goede weiden, rijke wijnbergen en ooftboomen. Op den duur kan het met Z.-Rusland op de korenmarkt wedijveren. Groote kudden van runderen en schapen trekken rond over de uitgestrekte velden. Een deel des lands is echter nog met dichte bosschen bedekt. Veel profiteert men van den vischrijkdom van den Donau en van de talrijke andere rivieren en meren.
Men kan dit land in 3 natuurlijke landschappen verdeelen: a. Walach\je, b. Moldavië en c. Dobroedsja.
Aan den Zuidvoet der steile Transsylvanische Alpen strekt zich de Walachysche laagvlakte uit, welke naar het Zuiden afbelt in de moerassige Donau-oevers. Deze uiterst vruchtbare laagvlakte is een korenschuur (tarwe en maïs), maar zeer pentonig en in den regenarmen nazomer velerwegen het karakter van eene steppe vertoonende. Ze is, evenals de Povlakte, een gewezen zeeboezem, niet het puin der bergen gevuld. De zijrivieren van den Donau zijn voor de besproeiing van weinig belang, omdat ze door diep uitgespoelde beddingen met hooge oevers stroomen. Dit geldt ook voor de meeste rivieren van Molda vië en Bessarabië.
Boekarest is het middelpunt van handel en verkeer, het „Parijs van het Oostenquot; 't Is eene echt Oostersche stad: de straten zijn krom, nauw en vuil; groote pleinen zijn er, maar vol onreinheid en stof; hutten staan er naast paleizen , en tal van kerken siekcn met haar blinkende koepels en slanke minarets boven de andere gebouwen uit.
Braïla (47) en Galatz (54) zijn de beide korenhavens, de eerste voor Walachije, de 2quot; voor Moldavië.
Moldavië wordt door de Sereth, welks dal dikwijls overstroomt, door midden gedeeld. Ten Westen dezer rivier vindt men bosch-rijke voorbergen der Karpaten, gescheiden door schoone, vruchtbare dalen. Tusschen de Sereth en de Proeth strekt zich een vruchtbaar löss-plateau uit. Jassy (90), Moldavia's hoofdstad, is
159
voor '/a door Israëlieten bevolkt. De stad heeft veel handel en druk bezochte markten (missen).
De Dobroedsja is een heuvelachtig plateau, dat met eene dikke laag zand en löss bedekt is. Over 't algemeen is dit landschap arm aan water, maar heeft goede weiden.
Constanza of Kostend sje is eene uitvoerhaven voor tarwe, maïs, huiden, vee, tabak en wijn.
De Donau-seheepvaart wordt steeds belangrijker. Van de 3 hoofdmonden van den Donau voert de Kil ia het meeste water (it 2/3) weg, en de Soeline slechts het '/ia- Toch is deze laatste voor de scheepvaart van 't meeste belang, omdat deze op behoorlijke diepte wordt gehouden door de Donau-commissie, die in 1857 door de groote mogendheden is aangesteld. De Donau-delta is grootendeels met biezen en riet bedekt; in het geheele beneden-gebied zijn uitgestrekte moerassen, en de bodem bestaat overal uit fijne slibgronden. Een Nederlandsch-Engelsche maatschappij beproeft thans het eiland tusschen Soeline en St.-Georg in te polderen.
3. Servië. De Westelijke helft van dit koninkrijk wordt ingenomen door een kalkachtig bergland, bedekt met eikebosschen. Varkensteelt is daarvan een gevolg. De andere helft, het dal der Morawa, is bouw- en weiland of ligt woest. Naast koren vormen pruimen het hoofd-product. De bergbouw is, gelijk in al deze landen, nog onbeduidend en evenzoo is 't met het fabriekswezen.
Belgrado (60), aan de samenvloeiing van .... en....; belangrijke ligging (Orient-Express, enz.).
Nisj, spoorwegen naar Konstantinopel en Saloniki.
4. Montenegro. In 't Zuiden vertoont dit landschap eene dorre kalkbergwoestenij. In 't Noorden daarentegen vindt men schoone wouden en weiden. In dit vorstendom ligt geen enkele stad. De hoofdplaats Cettinje (1200 inw.l is niet meer dan een dorp.
5. Boelgarije en Oost-Roemelië. Dit zijn de Balkan-landen, in 't Noorden afdalende naar den Donau: de rechter of Boelgaarsche oever is, in tegenstelling met den Roemeenschen of linkeroever, hoog en bewoond. In Boelgarije ontmoetten Russen en Turken elkaar in hunne oorlogen: eerst bij de overgangen van den Donau, dan bij de wegen over den Balkan. Plewna (maandenlange strijd, 1877 -'78, de Turken onder Osman Pacha, de Russen onder Gurko en Todtleben); Sj o e m 1 a, hoofdvesting; T i r n o v a (oude Boelgaarsche koningstad , Sjipka-pas. De Donau-vestingen, N i k o-poli e. a., hebben hare militaire beteekenis in 1878 verloren.
160
Op eene oppervlakte, welke ruim 3-maal zoo groot is als Nederland, tellen Boelgarije en Oost-Roemelië ruim 3 mill, inwoners;
de dichtheid van bevolking is ginds.....maal geringer dan bij
ons. Toch is 't land zeer geschikt voor akkerbouw en veeteelt. Varna (28) is de voornaamste nitvoerhaven van maïs en tarwe.
Geen enkele stad heeft 100000 inwoners; de middelen van bestaan brengen trouwens in de meeste dezer landen mee, dat de groote massa van het volk op het platte land woont. De aanzienlijkste plaatsen zijn Sofia (47), Phi lip po pel (36), Roest-sjoek (30) en Varna (28).
§101. Griekenland: a. Thessalië met een deel van Epirus.
h. L i v a d i ë (Hellas).
c. M o r e a (Peloponnesus).
d. De eilanden.
Griekenland heeft maar ééne groote stad; op eene oppervlakte van ongeveer 2 x Nederland is het geheele aantal inwoners slechts 2S millioen.
Tusschen het vastland en de eilanden bestaat groot verschil; het onderscheid komt uit, als wij letten op de volgende cijfers:
Livadië en Morea hebben ongeveer 21 inw. op 1 KM2,
de Cycladen „ „ 49 „ „ „ „
Corfoe en Kephalonia „ „ 100 „ „ „ „
a. Thessalië is het landschap, bver welks bezit Turken en Grieken nog lang na 1878 twistten en waar in 1897 opnieuw de oorlog
is gevoerd. De hoofdstad is Larissa (14), aan de..... De
stad ligt in eene gunstige streek en is het centrum van handel en industrie (katoen en zijde). Voor do Grieken is dit land vooral veel waard, omdat er veel koren kan verbouwd worden.
b. In Livadië ligt Athene (108), dat in de laatste tijden snel is vooruitgegaan. Bij het begin van den Griekschen vrijheidsoorlog was het maar een ellendig dorp, en thans is het eene levendige stad, het middelpunt voor de Grieksche wereld, zoo in geestelijk opzicht (de Hoogeschool te Athene telt ruim 3000 studenten), als voor den handel. De in 1869 geopende spoorweg Athene-Piraeus bleef jarenlang de eenige; thans zijn er verscheidene lijnen, ter gezamenlijke lengte van 1000 KM (in Nederland 3000).
De havenstad Piraeus is in den snellen bloei van Athene begrepen en thans in druk verkeer met de meeste havens aan de O. Middell. zee (Levant, Konstantinopel, Alexandrië). Door de doorgraving van de landengte van Corinthe is het verkeer zeer toegenomen.
161
Van Athene's vroegere grootheid zijn nog het best bewaard de bouwvallen van don Acropolis. Ook heden ten dage is Griekenland rijk aan marmergroeven; o. a. in de Pentelikon. Op de wereldtentoonstelling te Parijs waren niet minder dan 54 soorten van marmer door Griekenland bijeengebracht: in steen was hier een bouquet van de schoonste kleuren tentoongesteld. En, gelijk een dichter het eenmaal uitsprak, „de geschiedenis van den Griekschen geest is in marmer geschreven.quot; (Pierson).
Onder de landstadjes in Livadië is er geen enkel, dat uit een oogpunt van handel of geestelijk leven iets beteekent; geen enkele heeft meer dan enkele duizenden inwoners.
c. M o r e a wordt in 't midden ingenomen door het plateau van Arkadië, dat door herders bewoond wordt. Arkadië is een wolland. Patras, Nauplia, Navarino en Argos zijn havenplaatsjes met uitvoer van wol, olijven, wijnen en krenten.
Alleen Patras (34) kan eene stad heeten; hier worden vooral krenten uitgevoerd, maar ook veel wijn, katoen en olijfolie. Nauplia beteekende gedurende den vrijheidsoorlog meer dan tegenwoordig en was zelfs de eerste hoofdstad van het jonge koninkrijk.
In 't binnenland is geen enkel plaatsje met meer dan 5 d 6000 inwoners.
d. Van de eilanden is Euboea het grootste.
De hoofdstad Chalkis is door eene brug met het vastland verbonden.
De Cycladen zijn, hoewel boomloos, vruchtbaar en in handel en zeevaart het vastland vooruit. Hier ligt Hermopolis (22), Griekenlands tweede handelsstad. Paros levert veel marmer.
De Jonische eilanden zijn goed bebouwd en drijven veel handel. Vooral Corfoe, Kephalonia en Zante voeren krenten, wijn en boomolie uit.
De volgende schets, ontleend aan eene reisbeschrijving1), herinnert ons èn Italië èn Griekenland:
„Kadat wij per spoor in 32 uren van Boedapest naar Florence waren gestoomd, daarna Rome en Napels hadden bezocht, gingen we van uit laatstgenoemde plaats naar Brindisi, om ons daar naar Korinthe in te schepen. Om 11 uren 's ochtends zette zich te Napels de trein in beweging en gaf ons weldra gelegenheid de heerlijke omgeving volop te genieten, 'tland, waar de wijndruiven zich tegen de hoogste hoornen winden en waar oranje en citroen met bloem en vrucht prijken: daartusschen tuin aan tuin, met zorg onder-
') Das Ausland, 1885.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. \\
*
162
houden. Bij Maddaloni rijdt de trein onder eene waterleiding door, ter hoogte van 65 meter, een werk, gelijk alleen 'toude Italië ze even trotsch kon aanwijzen, en bereikt weldra 'tbreede en schoone dal van de Volturno; 't landschap wordt steeds bergachtiger, 'tdal vernauwt zich en talrijke tunnels sporen we door.
Onder de weinig talrijke, maar vaak door schoone ligging uitmuntende plaatsjes langs dezen weg, merken we 'toude Beneventum op. Nog eene woeste bergstreek doorgespoord en wij komen in de vlakte van Foggia, die tot aan de Adriatische zee zich uitstrekt, boomloos en aan de Hongaarsche poesta herinnerend. Reeds zien we in de verte enkele, zeilen en na den Offranto te zijn overgegaan, waar in de nabijheid bouwvallen van Cannae aan lang vervlogen dagen herinneren, bereiken wij de kust bij Baretta: 4 uren zijn voldoende geweest om Italië van kust tot kust door te sporen. Afwisselend langs wijngaarden, tuinen met olijven, amandelboomen en perziken en langs verscheiden aardige plaatsjes komen wij te 11 uren's avonds te Brindisi, waar in de haven de „Saturnusquot; van de Oostenrijk sche Lloyd reeds onder stoom gereed ligt.
Als in een mierenhoop krioelde 't weldra op het ruime schip, tot spoedig ieder zich zoo gemakkelijk mogelijk had ingericht. De gebruikelijke signalen worden gegeven en als „alle man aan boordquot; is, worden de ankers gelicht, de machine begint te werken en in zuiver Oostelijke richting ploegt weldra ons schip bij helderen maneschijn de wateren der schoone Adriatische zee. Eerst de koelte van den nacht doet ons de hut opzoeken, om den volgenden ochtend al vroeg te trachten den zonsopgang te genieten. Een prachtige ochtend, 't gezicht op de bergen van Albanië, leidt ons naar't wonderschoone Corfoe. Aan den voet harer beide rotsvestingen doemt de stad, rondom eene donkerblauwe bocht gelegen, plotseling voor 't oog op. De drukte op de boot wordt door een aanval van de landzijde gevolgd: een zwerm bootjes omsingelt onze Saturnus en vóór nog 't anker is neergelaten, klautert een bende schippers langs touwen en kettingen naar boven. De fez of de gelapte muts op 't ravenzwarte haar; met broeken, voor de eene helft uit gaten en voor de andere uit lappen bestaande en de bloote, bruine voeten in schoenen, waarvan niemand zou gelooven, dat ze eens heel zijn geweest — zoo verschijnt de geheele bende op het dek, alsof wij door een' troep zeeroovers worden aangevallen.
Een bezoek van drie uren geeft ons gelegenheid kennis te maken met de stad, die een Oostersch karakter vertoont.
In den nacht varen we langs Paxos, Ithaka en Kephalonia. Bij 't aanbreken van den dag zijn wij ter hoogte van Zante en volgen dan de kusten van Arkadië, doorgaans eentonig kaal door 't ontbreken van bosschen, nu en dan 't gezicht op met sneeuw bedekte bergen in 't binnenland; vóór de kust talrijke rotseilanden en bij 't schip troepen begeerige dolfijnen, die ons vergezellen. De Zuidelijkste punt, kaap Matapan, voorbij, langs de Oostzijde van den Peloponnesus, bereiken wij den volgenden ochtend vroeg het doel der reis: de werken bij de doorgraving der landengte van Korinthe. Deze doorgraving was in de oudheid reeds herhaaldelijk een plan, o. a. onder Nero, die op verschillende plaatsen grondboringen liet doen, maar eerst onze tjjd zag de verwezen-
163
lijking. Onder leiding van den Hongaarschen generaal Türr is het kanaal thans voltooid. Het heeft eene diepte van 8 M en is ongeveer 5 kwartier gaans lang. Het geheele werk kostte 33 millioen gulden.
Het n ion we Korinthe ligt eenige KM ten Noorden vau het oude, dat in 146 v. C. door de Romeinen werd verwoest. Sedert leed de streek herhaaldelijk door aardbevingen; slechts enkele overblijfselen wijzen de plaats aan, waar eenmaal de beroemde isthmische spelen werden gehouden, doch waar thans alles eenzaam is.quot;
HET IBERISCHE SCHIEREILAND.
(581 000 KM2; 21'/a mill, inw.)
Ligging en omtrek.
§ 102. Van de 3 Z.-Eur. schiereilanden heeft dit den ongun-stigsten vorm: het is gesloten, continentaal en komt in dit opzicht meer overeen met het werelddeel, waar tegenover het ligt, dan met dat, waartoe het behoort.
De ligging van Spanje en Portugal was altijd voor de bewoners zeer voordeelig. Al vroeg ondervonden deze landen den invloed van de beschaafde volken van Zuid-Europa. Ze konden gemakkelijk deelnemen aan de scheepvaart op de Middellandsche zee en op den Atlantischen Oceaan. De reizen om Kaap de Goede Hoop naar Indië en over den Oceaan naar Amerika gingen van de Spanjaarden en Portugeezen uit, en daaraan is het toe te schrijven, dat zij een tijdlang de eerste koloniale mogendheden waren.
Spanje is van Europa meer gescheiden dan van Afrika ; over de Pyreneën is het verkeer niet zoo gemakkelijk als over de straat van Gibraltar, welke slechts 2,/2 uur gaans breed is.
De Noordelijke rand is op dezelfde breedte (43°) als de Apennijnen en de Balkan; de Zuidpunt, Kaap . . . ., is op . . . . N.B., zoodat het schiereiland van 't N. naar 't Z. zich over .... uren gaans uitstrekt.
De kusten zijn over 't geheel steil; het meest gebroken zijn die aan de golf van Biscaje en in het Noordwesten ; de talrijke fjordachtige inhammen, ria's, hebben levendige havenplaatsjes doen ontstaan, zonder dat deze echter groote koophavens zijn geworden; 'misschien niet, doordat juist in dit gedeelte van het land de gemeenschap met de kust het moeilijkst en de scheepvaart in de zee
11*
164
ten N. van Spanje gevaarlijk is. Co run a (37) en Ferrol (21) zijn oorlogshavens. Bilbao (51) is de belangrijkste uitvoerhaven voor Noord-Spanje, vooral van ertsen, uit de nijvere Baskische provinciën. Hier heeft Krupp rijke ijzermijnen. Steenkolen-beddingen vindt men ten Zuiden van Gijon. IJzeren zinkmijnen liggen o. a. in de buurt van Santander (42), de haven van Oud-Kastilië, waar veel wol wordt uitgevoerd.
Aan de Westkust zijn de belangrijkste havensteden aan de riviermonden gelegen: Lissabon aan den . . . .; Oporto aan den . . . .;
beide Portugeesch.
In het Z.W. liggen de oude havensteden, vanwaar de groote ontdekkingsreizen der 15' en 16' eeuw uitgingen: Palos , e. a., thans onbeduidend. Huelva is sedert 1860 eene belangrijke uitvoerhaven geworden door de exploitatie der mijnen in die provincie: koper en tin bij de Rio Tinto; Eng. maatschappij.
De groote koopstad, die zich in Spanje's 1 aeitijd ontwikkelde,
was echter Sevilla (143), aan den breeden benedenloop der.....;
hier was de Kamer van Koophandel gevestigd, die, gelijk in Nederland de O.-I. Comp., al het verkeer en den handel op de koloniën in handen had. Sedert is Sevilla echter zeer achtei uitgegaan , hoewel het nog tot de groote Spaansche steden behoort. De kusten zijn hier laag en ongezond; marisma's, moerassen.
Cadiz (60) had eenmaal met Sevilla het monopolie van den handel op de Amerikaansche koloniën; het is nog Spanje's belangrijkste haven voor de trans-atlantische verbindingen, in 't bijzonder met de Spaansche koloniën (Cuba).
Jerez (63), niet ver van de kust, aanzienlijk door wijnhandel („sherryquot;), die in handen van Engelschen is.
quot;Gibraltar (zie blz. 102) is een Engelsch marinestation.
Middellandsche zee-kust: Aan de Middell. zee heeft Spanje evenals aan de N.- en de W.-kust goede en belangrijke havens; niet aan den slechten mond van de eenige groote rivier aan deze kust, den Ebro, maar meerendeels aan natuurlijke inhammen. Bij sommige havens zijn, om verzanding te voorkomen, kostbare werken noodig, moto's, havendammen, die met de kribben aan onze zeegaten overeenkomen.
Barcelona (272), Spanje's eerste zeehaven en handelsstad, in het nijvere Catalonië, een der welvarendste deelen van het land, heeft uitvoer van ertsen, producten van de industrie, ruwe zijde, wijnen, brandewijn, vruchten, oliën, zeep.
Valencia (171) is de 2' handelshaven van Spanje en heeft belangrijken uitvoer van zuidvruchten en Spaansche wijnen, evenals Malaga (134) en Murcia (99).
165
Ook de havensteden van den 2 quot; rang voeren deze artikelen uit: Alicante, Carthagena en Almerla; de beide laatste zijn bovendien de uitvoerhavens voor de belangrijke mijnen van Z. O.Spanje: lood, zilver en ijzer.
Carthagena is Spanje's voornaamste oorlogshaven aan de Mid-dell. zee.
Tarragona, 2' haven van Catalonië, was in den Romeinschen tijd eene hoofdstad met misschien quot;/2 millioen inwoners. Het is echter door het in bloei toenemende R 6 u s, dat de tweede fabrieksstad des rijks is, overvleugeld.
Verticale vorm, enz.
§ 103. In het Noorden, Zuiden en Oosten strekken zich belangrijke randgebergten uit, nl. het Cantabrisch-Asturisch gebergte, de Sierra Morena en het Iberisch bronnenland.
Het binnenland wordt ingenomen door de Spaansche hoogvlakte, welke door het Kastiliaansch scheidingsgebergte in twee groote deelen verdeeld wordt, waarvan het Noordelijke gemiddeld 800 en het Zuidelijke 650 M hoog is. De hoogvlakte is voor een groot deel vlak. Deze omstandigheid, gevoegd bij den gesloten vorm van het land, maakt het klimaat, de geheele natuur continentaal. Door de regenarmoede en de groote hitte ontstaat overal veel fijn stof, dat dikwijls door den Solano, een heeten wind, opwaait. De meeste streken zijn alleen geschikt voor den teelt van schapen, geiten, ezels en muildieren, die zich met heide, brem en aromatische struiken tevreden stellen. Vooral het Zuidelijke deel der hoogvlakte, la Mancha, bestaat uit onafgebroken doodsche steppen.
De beide Kastiliön zijn woestenijen; een Spaansch spreekwoord zegt; „als de leeuwrik over de vlakten van Kastilië komt, moet zij onder hare vleugels haar graankorreltjes medebrengen.quot; Eentonige, zandige vlakten heeft Spanje, en in zijne kale bergen eene woeste, wilde natuur. Somber is het Spaansche landschap, maar dikwijls grootseh in die woestheid.
De bosschen zijn verdwenen en de waterarmoede is daardoor nog erger geworden ; de Spaansche rivieren zoeken , als magere spranken, den weg over een rotsig bed, langs steile, naakte, stoffige oevers. De Taag stroomt door 't wildste en armste gedeelte van Spanje. De Duero, die in Portugal Douro heet, wordt pas belangrijk, als zij Spanje verlaat. De Ebro gelijkt de Rhóne: zij stroomt snel over haar rotsig bed en laat schier geene scheepvaart van beteekenis toe. De Guadiana, die door schier onbewoonde streken haren weg langs La Mancha zoekt, begraaft zich voor een goed deel in heuvelachtige zandwoestijnen. De Guadalquivir is nog de beste, een zegen voor de land-
166
streek tusschen Cordova en Sevilla, waar honderden dorpen aan zijn water hunne welvaart danken.
Aan den Oost-rand der Spaansche hoogvlakte verheffen zich gebergten, doorgaans samengevat als het Iberische bronnenland.
I
Uit dezen bouw van het land volgt, dat de rivieren, die naar den Atlantischen Oceaan stroomen, langeren loop, grootere ontwikkeling hebben dan die van het gebied der Middellandsche zee. Dit geldt vooral voor Duero, Taag, Guadiana en Guadalquivir.
èM
167
Dat de Ebro (Iberus), de eenige groote rivier aan de Oostkust, zulk een langen loop heeft, komt doordat zijne bronnen, reeds bij de Cantabrische bergen, aan de buitenzijde van het Iberische bronnenland liggen; verder krijgt de Ebro een groot deel van zijn water van de Pyreneën. De zijrivieren, die dit aanbrengen, hebben een onstuimigen loop (korten afstand van de Pyreneën), vormen grintbanken en zijn, gelijk de hoofdrivier, voor de scheepvaart van weinig waarde. Reeds onder Karei V werd langs en in de bedding van den Ebro een flink kanaal gegraven, nl. het Keizerskanaal. Dit zou tot de zee gaan, maar is nog niet klaar. De Ebromonden zijn verzand.
Laagvlakten heeft Spanje weinig: 1. de Andalusische; 2. de Arrag'onische; en kustvlakten als die van 3. Valencia en 4. die van Murcia.
§ 104. Klimaat en Voortbrengselen. De hoogvlakte heeft lange en heete, droge zomers met koude winters. Ook de nachten zijn zeer koel. Wij zagen reeds welke dieren op de uitgestrekte, woeste heidevelden kunnen leven. In den zomer gaan kudden van 10 000 merinos naar de bergstreken. Aan 't hoofd staat een opperherder en onder hem dienen een vijftigtal gewone herders, ieder met een hond. 's Winters gaan ze naar de lagere streken van Estramadura en Andalusië
De Noordelijke kustlanden hebben het klimaat van Zuid-Enge-land. Wanneer in den zomer de groote hitte der hoogvlakte een lagen luchtdruk doet ontstaan en de wind van den zeekant toestroomt , dan vangt het Noordelijke randgebergte groote massa's regen op. Het Westelijk kustgebied (Portugal) is ook zeer vochtig; Alpenweiden in 't Spaansche Zwitserland (Asturië en Gallicië). In 't algemeen is in de provincies bij de Golf van Biscaye dan ook 't meeste en beste rundvee.
Paarden zijn het talrijkst in Andalusië; verder zijn, gelijk in al deze Zuidelijke landen, muildieren en ezels van meer belang.
In de Z. en O. kuststreken is een heerlijk, zacht klimaat met bijna altijddurende lente; de vega's („vlaktenquot;) van Granada en Murcia, de huerta's („tuinenquot;) in Valencia munten uit door vruchtbaarheid, mits kunstmatig besproeid: wijnbouw, zuidvruchten, rijst, kastanjes, maïs, tarwe; op enkele plaatsen katoen en suikerriet; velerwegen zijdeteelt.
In de dagen van de Mooren, toen voor kunstmatige besproeiing zorg werd gedragen, heerschte hier groote welvaart. Wat door inspanning van het land is te maken, bewijzen hier sommige landstreken : met bergen omkranste velden, door een net van kanalen
168
en waterleidingen gesneden, bloeien door eene heerlijke cultuur, alles het werk van de Mooren. In de Andalusische vlakte zijn tegenwoordig echter ook uitgestrekte steppen, waar het esparto-gras groeit, waarvan sterk touw gevlochten wordt en dat als grondstof voor de papier-fabricatie van belang is (bl. 97). In die steppen zwerven kudden verwilderde paarden en runderen.
Naast de overstroomingen, veroorzaakt door den ongeregelden waterafvoer der Spaansche rivieren, teisterden ook aardbevingen in de laatste jaren opnieuw Zuid-Spanje, in 't bijzonder in de Alpujarras en in de Squot;-Nevada.
Van Spanje's metaal-rijkdom werd reeds door de Phoeniciërs, Romeinen en Arabieren partij getrokken. Na de ontdekking van Amerika werd de bergbouw verwaarloosd. Eerst in de IQ' eeuw herleefde het mijnwezen. Zilver en lood in de kustgebergten van Almëria tot Carthagena; kwikzilver bij Almadèn, (d. i. „de mijnquot; in de Sa-Morena).
Over het ij z e r in het Cantabrisch-Asturisch gebergte en over koper en tin in de provincie Huelva spraken we reeds.
Fabrieks- en handwerksnijverheid zijn het aanzienlijkst in Cata-lonië en de Baskische provinciën; verder in Andalusië en Valencia. Hoofdzakelijk worden alleen de grondstoffen, welke Spanje zelf opbrengt, verwerkt.
In de laatste jaren neemt Spanje's handelsbeteekenis zeer toe en. is veel gedaan voor den aanleg van een spoorwegnet, voor havenwerken en mijnbouw.
Indeeling1 en Bewoners.
§ 105. Spanje en Portugal zijn tegenwoordig in provinciën verdeeld, Spanje in 49 en Portugal in zes. De historische deelen van Spanje zijn:
Kastilié (Oud-K., Nieuw-K., Leon), Arragon, Catalonië, Navarre, Baskische provinciën, Astwrül, Gallicië. Deze waren Christenrijken, die in den strijd tegen de Mooren ontstonden.
Andalusië, Granada, Murcia en Valencia zijn de namen der deelen van het vroeger Moorscbe Spanje.
De Balearen en de Canarische-eilandengroep vormen elk eene provincie.
De oudste bewoners waren de Iheren (Iberiaquot;1, waarvan men de afstamming niet nauwkeurig kent; misschien waren zij Kelten. Aan de kusten werden al vroeg koloniën gesticht, vooral van
169
Phoenioischen oorsprong, b.v. Carthagena, Cadiz e. a. Later werd het land eene Rorneinsche provincie.
In de dagen van de volksverhuizing werd een West-Gotisch rijk gesticht met de hoofdstad Toledo; de Vandalen trokken door Spanje, waaraan de naam Andalusië herinnert.
De Arabieren veroverden het land in de 8' eeuw (Gibraltar 711); de Christenen hielden zich staande in de bergen van het Noorden, vanwaar uit zij later voet voor voet het land heroverden.
Het hoofdvolk waren dus achtereenvolgens: de Iberen, de Romeinen cn de Arabieren of Mooren.
De Kastilianen en Array mieezen zijn de „geromaniseerde Iberiërsquot; (de invloed van de Germaansche Gothen was gering). Van hen verschillen de Portugeezen, ook in taal, weinig, hoewel zij elkander haten. Van 1580—1640 was Portugal aan de Spaansche kroon onderworpen. In het Zuiden overweegt meer het Moorsche bloed: het hoofdvolk zijn hier de Andalusiërs.
Behalve de nu genoemde Arragoneezen, Kastilianen, Andalusiërs, Portugeezen, onderscheiden wij nog de Cataloniërs en de Baslcen, beiden volken, die op het punt van werkzaamheid als de beste bewoners van het land gelden, zoodat hunne provinciën het welvarendst zijn. Volgens sommige ethnologen zijn de Basken onvermengde afstammelingen van de Iberen.
De Katholieke godsdienst is algemeen. Joden zijn in Spanje en Portugal weinig, daar zij er vroeger zijn verdreven.
Spanje heeft in deze eeuw meermalen van staatsinrichting verwisseld , dikwijls met eene revolutie gepaard. Thans is het weer een constitutioneel koninkrijk; de volksvertegenwoordiging draagt den naam Cortez.
Portugal is eveneens een constitutioneel koninkrijk.
Tusschen de verschillende nationaliteiten heerscht weinig sympathie ; in verschillende tijden stonden zij vijandig tegenover elkaar. Deze omstandigheid is eene der oorzaken, dat de Spaansche landen lang niet zoo bloeiend en dichtbevolkt zijn, als de natuur in vele streken zou mogelijk maken.
De Spanjaard gevoelt eene superioriteit boven al het geschapene; hij heeft een natuurlijken trots, eene aangeboren fierheid. Er was een tijd, datSpanje's legers en vloten de wereld behcerschten, dat Spanje's taal, mode en etiquette den toon der beschaving aangaven, toen het Spaansche zwaard in 't Oosten de macht der Turken stuitte, in 't Westen nieuwe werelden veroverde en groote dichters in roemrijke feiten de stof vonden voor nationale heldenzangen.
Door zijne ligging tussoben de beide drukst bevaren zeeën, werd't Iberische land de stapelplaats van den handel; do bodem bevatte de rijkste verscheidenheid in delfstoffen, de hemel rijpte schatten van ooft en wijn.
170
Doch in de 17' eeuw verflauwde de volksgeest en tot op 't midden der 19° eeuw bleven de Spanjaarden staan op de hoogte der beschaving, die zij hadden bereikt. De hulpbronnen des lands werden verwaarloosd en thans kan men bij iederen stap, dien men in Spanje doet, zich verbazen over de achterlijkheid der dingen. Het volksonderwijs ontbreekt niet geheel, er zijn eenigen onder de lagere klassen, die wat lezen en schrijven kunnen; maar 't is er toch slecht mede gesteld, het staat uitsluitend ondey de leiding der geestelijkheid, die op 'tpunt van verdraagzaamheid nog vrij wel tot de middeleeuwen behoort. De fraaiste zaken in Spanje vindt men in de kerken.
Voor geheel het schiereiland is het cijfer der betrekkelijke bevolking ruim 37 per KM2; dat van geheel Europa bedraagt 39.
Beneden dit getal staan: in 't algemeen geheel Centraal-Spanje, dus de hoogvlakte van Oud- en Nieuw-Kastilië, Leon en vooral Estramadura, landstreken, die niet veel beter bevolkt zijn dan b. v. Rusland; verder Arragon.
Boven het gemiddelde cijfer, dus voor Spanje dichtbevolkt, zijn in 't algemeen de kvstlanden, dus: Noord-Spanje (Gallicië, Astu-rië, Baskische prov.); Catalonië; Valencia; Granada; de Balearen. Ook in deze streken echter worden maar zelden bevolkingscijfers bereikt, zooals wij ze in Midden-en West-Europa kennen. De best bevolkte provincie is Barcelona; de minst bevolkte Cu en 9 a (bovenloop v. d. Jucar).
Steden.
§ 106. Dezelfde tegenstelling tusschen binnenland en kusten, die wij bij de verdeeling der bevolking opmerken, zien wij ook bij de steden:
Madrid op de centrale hoogvlakte; Barcelona, Valencia, Murcia, Malaga, Sevilla, alle in 'tgebied der kusten.
Steden boven 100 000 inwoners:
Madrid (483), aan de ..., is van al de Eur. hoofdsteden misschien het ongunstigst gelegen. Door Philips II tot hoofdstad van het toen vereenigd Spanje gemaakt, heeft de stad in tegenstelling met de meeste Spaansche steden een modern aanzien met mooie, groote gebouwen, maar het ligt als eene oase in de woeste omgeving. Als geographisch middelpunt van Spanje, werd Madrid in onze eeuw door den aanleg der hoofdverkeerslijnen ook in com-merciëel en geestelijk opzicht het middelpunt.
171
Hoofdwegen:
1. Madrid—Valladolid—Burgos—door de kloof van Pan-
c o r b o—Bayonne.
2. „ —Zaragoza (door het dal der Jalon).
3. „ —Valencia.
4. „ —Sevilla—Cadiz (door Despena perros).
5. „ —Portugal.
Aranjuez (j = ch), de voorjaarsresidentie, is heerlijk aangelegd. El Escoriaal is een somber klooster-paleis met eene begraafplaats der Spaansche koningen.
Toledo (21), oude hoofdstad, rotsvesting met belangwekkende herinneringen aan den West-Gothischen en oud-Spaanschen tijd; het is nog een geestelijk middelpunt voor Spanje en heeft grootsche kerken, 't Is verder bekend door zijn wapensmeden (Toledo-klingen).
Valladolid (67) en Burgos (31), ook hoofdsteden in de oud-Spaanscbe Christenstaten (V. van Leon, B. van Oud-Kast.). Valladolid heeft laken- en papierindustrie. Burgos wolmarkten.
Palencia (15), in de vruchtbare Campos, heeft belangrijke koren- en wolmarkten.
Salamanca, eveneens in het Gothische tijdperk eene bloeiende stad, met eene der beroemdste Europeesche hoogescholen.
De meeste dezer plaatsen zijn zoogenaamde „villes mortesquot;.
Niet alleen de groots steden, maar ook die beneden 100 000 inwoners zijn in de kustlandschappen talrijker, aanzienlijker en levendiger.
Havenplaatsen in Noord-Spanje zijn: Bilbao (51), middelpunt van den ijzer-bergbouw; San Sebastian (30), badplaats, veel verkeer met Frankrijk; Santander (42), met wol- en ijzerindustrie en woluitvoer; Ferrol (21), voornaamste oorlogshaven, en Co-run a (37), de hoofdhandelshaven van Gallicië.
Aanzienlijk zijn de havensteden aan de Middellandsche zee , boven reeds besproken.
In 't binnenland zijn voorts nog merkwaardig:
Zaragoza (92), oude hoofdstad van Arragon, in de geschiedenis zeer bekend (o. a. door de dappere verdediging tegen de Fran-schen in 1809); belangrijke en bloeiende stad, middelpunt van het Ebro-gebied.
Cordova (56), aan de . . . ., eens, als hoofdstad van het kalifaat, bloeiend en met meer dan 1k millioen inwoners, middelpunt der Moorsche beschaving; thans met goud-, zilver- en zijde-indus-
172
trie. Granada (75), met een grootsch'verleden, als hoofdstad en laatste steunpunt der Mooren (in 1492 genomen). Nog verheffen zich daar de wondervolle overblijfselen van het Moorsche koningspaleis (Alhambra).
Op de Midde11.-zee-eilanden: Palma (61), uitvoerhaven: wijn, olijven, oranjeappelen, enz.; Port Mahon, eene versterkte haven.
Tegenover Gibraltar heeft Spanje aan de kust van Marokko eenige versterkte punten, de 4 Presidio's; het minst onbelangrijke is C é u t a.
De Can arische eilanden, voor de Sahara-kust, worden als Eur. provincie gerekend. Zij zijn vulkanisch; de hoogste top is de piek van Teneriffe of Pic de Teyde; bekend is Ferro.
Belangrijkste steden in Portugal: Lissabon (250), met Barcelona de aanzienlijkste handelshaven van het schiereiland; belangrijke stoombootvaart vooral op Z.-Amerika (Brazilië). In schoonheid van ligging wedijvert Lissabon met Napels en Konstantinopel; de Taag is hier bijna 3 uur gaans breed en vernauwt zich dan weder tot eene gewone riviermonding. De omstreken zijn mooi; Cintra, de schoone uitspanningsplaats in 't gebergte, is zomerresidentie. Oporto of Porto (110), 2' handelshaven en 2' stad van Portugal; hoofduitvoer: wijnen. Setubal (St.-Ubes; , bekend door den groo-ten uitvoer van zeezout.
De Portugeesche handel is in de eerste plaats op Engeland, voorts op Z.-Amerika (Brazilië) en Afrika gericht.
De Azoren en de Madera-groep worden niet als kolonie, doch als provincie van het rijk in Europa beschouwd; zij zijn bekend door hun gunstig klimaat; de natuur is vulkanisch.
KOLONIALE MOGENDHEDEN VAN EUROPA.
§ 107. Hoewel de koloniën bij de vreemde werelddeelen worden behandeld, waar zij behooren tot goed begrip harer natuurlijke gesteldheid, worden zij hier als overzicht gegeven.
Eng'elands koloniën zijn reeds vermeld op blz. 102. De Engel-schen hebben den besten naam op het gebied van organisatie van koloniën, nl. in zake inrichting van het bestuur, ontginning van de hulpbronnen, enz. In de Engelsche koloniën (niet te verwarren met bezittingen) bestaat het stelsel van zelf regeering: N w. Z u i d-Wales, enz.; Kaapland; Canada.
De koloniën van Rusland liggen uitsluitend in Azië: Siberië, Centraal-Azië, Kaukasië met Armenië. In 1897 legde Rusland de hand op de ijsvrije haven Port-Arthur, in China.
173
Die van Nederland liggen in Oost- en West-Indië.
Frankrijk heeft bezittingen in 4 werelddeelen; nl.
1. in Afrika: Algerië, Tunis (protectoraat), Senegambië,
Dahonie, Gaboen, Reunion, Madagaskar en O bok (a. d. G. v. Aden);
2. in Azië: a. in Voor-Indië: Malie, Carical. Pondichery,
Janaon en Chan de magere; b. in Achter-Indie: Cohin-China, Kambodja, A n n a m en Tonkin;
3. in Australië: Nienw-Caledonië, de Marquesas-eil., de
Lage-eil. en de Gezelschaps-eil.
4. in Amerika; a. in Noord-Amerika: de visscherseil. Miquelon
en St -Pierre (bij New-Foundland);
b. in West-Indië: Noordel. St. Martin, St. Bar-
thélemy, Martinique en Guadeloupe (kleine Antillen);
c. in Zuid-Amerika: Fransch Guyana.
Spanje heeft van zijne vroegere uitgestrekte koloniën betrekkelijk weinig behouden. Hot bezit
1. in Afrika: de Presidio's (in Marokko), de Can arische
eil. (provincie van Spanje), Fernando Po en A n n o b o n (Guineesche eilanden);
2. in Amerika: Cuba en Portorico;
3. in Azië: de Philip pijnen;
4. in Australië: de Carolinen, de MarianenofLadronen
en de Pelew-eilanden.
Veel grooter is, als herinnering aan Spanje's vroegere betee-kenis, het taalgebied van het Spaansch: in Z - en Midden-Amerika wordt het nog algemeen gesproken.
Portugal zag eveneens zijne bezittingen grootendeels overgaan (meer bijzonder in Azië). Het heeft nog behouden:
1. in Afrika: de Kaapver disc he eil., een paar nederzettingen
in Senegambië, de Guinea-eilandjes S. Thomé en Principe, op de Westkust Angola en Ben-guela en op de Oostkust Mozambique en Sofala.
(De Azoren en Madera vormen Portugeesche provineiiin).
2. in Azië: Diu en Goa (Voor-Indië), Macao (China) en Noor
delijk T i m o r.
Turkjje is hier niet als kolon. mogendheid voorgesteld, omdat, gelijk reeds vroeger is gezegd, de Turksche staat zelf moer Aziatisch dan Europeesch is.
De Duitschers streven in onze dagen naar koloniën, ter uitbreiding van hunne handelsbetrekkingen. De Rijksregeering moedigt
174
dat streven aan, verleent de bescherming van het rijk en heeft daartoe al verscheiden punten in bezit genomen aan Afrika's kusten en in de Australische eilanden-wereld. Het heeft:
1. in Afrika: „Duitsch Oost-Afrikaquot;, „Duitsch Zuid-
west-Afrikaquot;, Kameroen en Togo.
2. in Australië: Kaiser-Wilhelmsland (Westel. Nw. Guinea),
de Bismarcksarchipel, 3 Salomonseilanden en de Marshall-eilanden.
3. in China: de haven Kiao-tsjou, aan de Gele zee, (sedert
1897).
Denemarken bezit:
1. de Westkust van Groenland;
2. de Westindische eilanden: St. Thomas, St. Jean en St. Croix.
Ook Italië streeft als zeemogendheid naar het bezit van koloniën. Het kreeg van Engeland eenige kuststreken in Oost-Afrika.
|
VERGELIJKEND OVERZICHT. Aantal inwoners | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
VIERDE HOOFDSTUK.
AFRIKA.
(29 818 000 KM2; 170 000 000 imv.)
LIGGING EN ONTDEKKINGS-GESCH1EDENIS.
1. Geef van de kaart: Afrika's Noord-, Zuid-, Oost- en Westpunt.
2. Zeg, waar de Evenaar en de beide Keerkringen Afrika snijden.
3. Bepaal Afrika's grootste Noorder- en Zuiderbreedte.
§ 108. De Noordeiyke landen liggen aan de Middellandsche zee en komen het vroegst in de geschiedenis voor. De volken van Noord-Afrika staan reeds in de oudheid met die van de andere Middellandsche zee-kusten in betrekking. Daar liggen koloniën van Grieken en Phoeniciërs (Cyrene, Carthago, e. a.); daar treden de Romeinen als veroveraars op en daar ontstaan in de Middeleeuwen Mohammedaansche staten.
Het Middellandsche zee-gebied van Afrika behoort eigenlijk niet tot het werelddeel: zoowel in zijne natuurlijke gesteldheid als in historische lotgevallen vormt het een afzonderlijk deel en bovendien; de scheiding van het overige Afrika door de onmetelijke woestijn der Sahara is meer volkomen dan die door de zee van Z.-Europa.
De Oostelijke kusten behooren tot het gebied van den Indischen Oceaan; zij bleven voor de Europeanen het langst onbekend en stonden altijd meer onder Arabische en Maleische invloeden. Wij zien dit o. m. in de tegenwoordige bewoners van Madagascar: de hoofdbevolking is van Maleischen stam.
Afrika's 3' zijde, de Atlantische, bleef evenzoo eeuwen lang onbekend, tot de groote reizen, die de Portugeezen in de 15' eeuw ondernamen, de Westelijke kustlanden inde bekende wereld opnamen. Dat die reizen elkander zoo langzaam opvolgden en de geheele eeuw verliep eer Bartholomeo Diaz in 1486 de Zuidelijke
176
kapen bereikte, moet o. a. worden toegeschreven aan 't nog altijd heerschende bijgeloof aangaande den toestand van den dampkring binnen de keerkringen (waar alles zou verschroeien) en ten aan-' zien van de aarde (plat). De ziel van alle ontdekkingsreizen was hier Prins Hendrik van Portugal (de Zeevaarder, 1460), die den goeden uitslag niet beleefde.
De Nieuwe Tijd begint voor Afrika bij den tocht van Bonaparte naar Egypte (1798); de oprichting van Afrikaansche genootschappen en musea was daarvan 't gevolg. Voorts ook door den ijver der Zending-genootschappen: naar alle deelen van het „Zwarte Werelddeelquot; gingen de predikers van het Christendom om het Evangelie aan de inboorlingen te verkondigen, en zij hebben veel gedaan voor de uitbreiding der kennis van Afrika's binnenlanden.
In 1806 werd een Schotsch reiziger, Munrjo Park, bij den Niger vermoord; in 1823 werd voor 'teerst door een Europeaan de Sahara doorkruist: Clap-perton, die van Tripolis uit het Tsad-ineer bereikte. Vijf jaren later slaagde een Eranscbman, Caillie, erin van Senegambig over Timboektoe naar Marokko te komen.
Na 1850 zijn alle deelen van Afrika met ijver doorzocht geworden, voornamelijk door Duitschers en Engelschen. Onze kennis van 't gebied der Sahara berust vooral op de reizen van Barth, die ook Soedan bezocht, in 'l bijzonder in 't Westen. In geen deel van Afrika vonden meer reizigers hun graf dan in O.-Soedan; zoo o. a. Vogel, wel eens de „Afrikaansche Franklinquot; genoemd, in 1856 in Wadai vermoord. Eindelijk gelukte het aan Nachtigal, 1870—'74, van 'tTsad-meer uit door Wadai en Darfoe den Nijl te bereiken.
Van de Oostkust uit werd het bestaan bevestigd van reusachtige sneeuwbergen even ten Zuiden van den evenaar (het „Maan-gebergte der Griekenquot;) en daarachter groote meren, 'tbrongebied van den Nijl. Terwijl een Hanno-veraansch officier, V. cl. Denken, bij het onderzoek van deze streken in 1865 aan de Djoeba was vermoord, hebben Engelschen, Speke en Burton, daarna Baker en Grant, hunne namen verbonden aan bet vraagstuk der Nijlbronnen. Zij bevoeren voor 't eerst de groote wateren en toonden den ouderlingen samenhang aan.
In Zuid- en Centraal-Afrika, in 't gebied van Zambezi en Congo, was Livingstone de baanbreker; 28 jaren bracht hij er als zendeling door en toen men jaren lang over zijn lot in 'tonzekere was, werd hij opgespoord door den man, die weldra de bekendste aller Afrika-reizigers zou zijn, Stanley. Diens eerste groote reis — ondernomen voor rekening van een paar groote dagbladen en door hem zelf beschreven, „Hoe ik Livingstone vondquot; — werd gevolgd door jarenlange tochten, voornamelijk in de bosschen en prairiën van 't Congo-gebied. In dienst van den koning van België en den „Congo-staatquot;, sloot hij tractaten met Neger-vorsten en vestigde hij stations, gewapende posten tot in 't hart van 't werelddeel; die posten, waarvan vele namen aan Stanley en anderen herinneren, kregen de bestemming den slavenhandel tegen te gaan en den handel met de kust te bevorderen.
Talrijke reizigers, hier niet genoemd, doorkruisten verder het zwarte werelddeel; ook Nederland schonk zijn aandeel: eene freule Tinne werd vermoord
177
door Toearegs in 't landschap Fezzan, een Schnver door Galla-negers in 't gebied van den Blauwen Nijl, terwijl tropische koortsen een einde maakten aan het leven van onzen laatsten Afrika-reiziger, Daniül Veth.
Horizontale vorm.
§ 109. Afrika beslaat eene oppervlakte van Vs van het land der aarde (zie fig. 11); het staat tusschen de beide grootere en de kleinere werelddeelen in.
Maar Afrika staat bij de andere ■«•erelddeelen achter, doordat het zoo gesloten is (fig. 12); er zijn geen binnenzeeën, bijna geen diep indringende baaien; aan de N.-kusten de golf van de heide Syrten, aan de W.-knst de golf van Guinea. Azië heeft ten minste sterk ontwikkelde kusten in het Oosten en Zuiden; Amerika staat in zijn geheel meer met de zee in gemeenschap, door zijne langgestrekte gedaante en door de Amerikaansche Middellandsche zee.
Bovendien is Afrika's geslotenheid liet gevolg van de armoede aan groote rivieren, die van uit zee naar de binnenlanden natuurlijke wegen zouden kunnen zijn, en bij de groote rivieren, die Afrika bezit, is de vorm van den bodem oorzaak, dat prachtige doch gevaarlijke watervallen worden aangetroffen: Nijl, Kongo, Niger, Zambezi, de groote rivieren lijden alle aan dat gebrek. En met de rivieren van den tweeden rang is dat eveneens het geval: bovendien lijden deze een gedeelte van liet jaar aan water-armoede, de kleinere drogen zelfs somtijds geheel op, vooral in N.- en in Z.-Afrika. In het N. noemt men zulke rivierbeddingen wadi's. Zij vertoonen eenige overeenkomst met de kreeken in Australië en ook, naast punten van verschil, met de steppen-rimeren in sommige deelen van Azië.
Kenmerkend zijn derhalve:
1. Afrika's geringe kustontwikkeling of geslotenheid;
2. de armoede aan aanzienlijke, goed bevaarbare rivieren en het bijzonder karakter van Afrika's stroomen.
In de 3' plaats heeft Afrika tegen zich, met de andere werelddeelen vergeleken: de ligging ten opzichte van den evenaar : 4/6 van Afrika behoort tot de heete luchtstreek; Amerika strekt zich over alle zones uit, alleen niet over de Zuidelijke koude; Azië ligt voor 3U in de gematigde, '/s in de arctische en '/s in de tropische; van Europa, dat ook in dit opzicht 't gezegendste van alle werelddeelen is, behoort 9/io tot de gematigde en slechts i/io tot de koude luchtstreek.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 12
178
Aldus stond ook het klimaat de ontdekkingsgesclnedenis van Afrika's binnenlanden in den weg.
Behalve de hinderpalen, door de natuur gesteld, hadden de reizigers te kampen met de wilde volken, die wellicht vooral daardoor den vreemdeling zoo vijandig tegentraden, dat zij hem van zoo ongunstige zijde hadden leeren kennen in de Arabische en Europeesche slavenhandelaars, die de negerdorpen verwoestten en de bewoners wegvoerden.
Toch, of misschien juist tengevolge van dit alles, heeft geen werelddeel of oceaan belangwekkender ontdekkingsreizen te vermelden.
Verticale vorm en pivieren.
§ 110. De kusten van Afrika tusschen de keerkringen bestaan meestal uit een smalle, lage streek, met een ongezond klimaat; de bodem stijgt terrasvormig naar de binnenlanden, waardoor 't verkeer hoogst moeilijk is. Deze beide omstandigheden zijn oorzaak, dat de Europeesche koloniën aan die kusten zooveel zorgen eischen en tot voor enkele jaren bijna geen andere uitvoerproduc-ten hadden dan die, welke uit de binnenlanden door de inboorlingen worden aangebracht (ivoor, goud, struisvogelveeren, katoen, copalhars); in de laatste jaren neemt de aanbouw vooral van katoen en suikerriet toe.
Afrika's binnenlanden liggen over 't algemeen hoog (zie fig. 13) ; het laagland neemt waarschijnlijk niet meer dan ± '/e van de oppervlakte in.
Ten deele bestaat dit laagland uit de reeds aangehaalde smalle kustvlalctm; ten deele neemt het enkele gedeelten in van de Sahara, in 't bijzonder in het Westen en aan den N.-rand. Hier, aan den Noordelijken woestijnrand, liggen zelfs streken beneden den spiegel der Middell. zee. Eindelijk vinden wij nog laagland in 't midden van Soedan: de streek om het meer Tsad.
Bij Afrika's hoogland overweegt de vorm van hoogvlakte of plateau. De aanzienlijkste bergstelsels zijn: in het X.-W. de Atlas; in het Nijlgebied het Alpenland van Abessinië; in Opper-Guinea het Kong (in een der Negertalen „gebergtequot;). Hooge randgebergten vindt men in O.-Afrika, o. a. bij de Nijlmeren de Kenia (5000 M) en de Kilima-Ndsjaro (6000 M). Verder heeft men de randgebergten van Kaapland en Zuid-Afrika.
Kenmerkend zijn dus, vooral voor Afrika ten Z. van de Sahara: 1. de smalle kustvlakten; 2. de hooge vlakten in de binnenlanden en 3. de terrassen en randgebergten.
170
De rivieren en meren zijn niet gelijkmatig over Let werelddeel verspreid. Over 't algemeen zijn zelfs de grootste rivieren en hare zijstroomen slechts voor kleine gedeelten bevaarbaar. De middelloop kenmerkt zich nl. veelal door stroomversnellingen en watervallen, terwijl de benedenloop kort is. Bovendien treft men aan de mondingen dikwijls zandbanken aan.
I. In de Middellandsche zee mondt uit;
de Nyl, na de Mississippi-Missouri de grootste stroom der gan-sche aarde. Het brongebied ligt onder den evenaar. Hier vindt men de lang gezochte en onderzochte N ij 1 m eren, die hun waterovervloed danken aan de tropische regens. Ze zijn het Victoria-meer (1190 M hoog) en het Albert-meer (732 M). De stroom, welke uit het Albert Nianza (= meer) komt, heet Bahr el-Dzjebel en krijgt na zijne vereeniging met de Bahr el-Ghazal (= gazellenstroom) den naam van Bahr el-Abjad of Witten (= helderen) Njjl, die een uitgebreid steppengebied doorstroomt. Bij X h a r t o e m vereenigt hij zich met de Bahr e 1 - A s r a k of Blauwen (= troebelen) Njjl, welke uit het Ta na-meer ontstaat en met de Atbara het water afvoert van het Abessinische Alpenland. Zonder verderen toevoer door zijrivieren doorstroomt de Nijl nu in 2000 KM langen loop de brandende zandwoestijnen van Nubië en vormt daar zes belangrijke cataracten. Na den laatsten waterval bij Assoean begint zijn benedenloop. Wel is hier in Egypte liet dal nog niet breed, maar de rivier is nu goed bevaarbaar. Tegen het eind van September zwelt liet water door de tropische zomerregens dermate, dat men de bouwlanden onder water kan laten loopen. Het achterblijvende slib schenkt aan het land eene zeldzame vruchtbaarheid. Bij Kaïro verbreedt het dal zich aanmerkelijk. Hier begint de groote Nyl-delta (1'/» x Nedl.), waardoor de rivier met 2 hoofdarmen — vroeger waren er zeven — naar de Middellandsche zee stroomt. De eene mond is bij Rosette en de andere bij Damiëtte.
II. In den Atlantisch en Oceaan monden uit:
a. de Senegal en de Gambia, waarnaar Senegambië genoemd is. De Senegal is in den benedenloop bevaarbaar.
h. de Niger, die evenals de Senegal en de Gambia het water ontvangt van het taf eiland, dat Kong heet. Het brongebied heet de Dzjoliba. In een grooten boog stroomt de rivier om het bergland van Hoog-Soedan voorbij Timboektoe, vormt tal van stroomversnellingen, neemt bij den benedenloop de bevaarbare Binoeé, een belangrijken handelsweg voor Midden-Soedan, op en stroomt door een groote, moerassige, ongezonde delta in de Golf van Guinea uit.
12*
180
c. de Kongo komt als Loeapoela uit het Bang-sveolomeer (1120 M hoog), vormt dan het Moeromeer en neemt de Loea-laba op, die het -water uit liet ïanga Njika afvoert. Na de zeven Stan ley-water vallen overschrijdt de machtige stroomden evenaar en wendt zich in een grooten boog naar 't Zuidwesten. Op dezen weg neemt hij rechts de groote Welle en links de Sankoeroe met de Kassai op, vormt bij Leopoldville eene verbreeding, Stanley-pool (poel) geheeten, breekt later met verschillende vallen — o. a. de Livingstone-vallen — door het randgebergte en vormt van Boma tot Banana een reusachtigen mond. Tot op 300 KM afstands van dezen mond is het grijze Kongowater in den oceaan merkbaar. In waterrijkdom wordt de Kongo alleen door den Amazonenstroom overtroffen.
d. do Oranje-rivier of Gariep, die van het Drakengebergte komt met 2 bronrivieren, nl. de Vaal (grens tusschen Oranje-Vrijstaat en Zuid-Afrikaansche Republiek) en de Oranje (Noordgrens van Kaapland), 't Is eeue waterarme rivier met eene nauwe, diepe bedding en eene verzande monding.
III. Naar den Indisch en Oceaan stroomen:
a. de Limpopo of Krokodillen-rivier, de Noordgrens van Transvaal, breekt met vele stroomsnelten door het Drakengebergte.
b. de Zambezi, bijna zoo lang als de Donau, heeft voor 'tverkeer weinig beteekenis. Stroomversnellingen en hooge watervallen wisselen elkaar af. In den bovenloop bruist en dampt de prachtige Victoria-water val, die in grootschheid met den Niagara wedijvert. Het water stort 120 M naar beneden, en dikke zuilen waterdamp, waarin de zon regenbogen toovert, stijgen op, zoodat de inboorlingen aan deze vallen een naam gaven, die be-teekent: „rook raast hier.quot;
Even onstuimig is de Sjire, die het water uit het groote Nyassa-meer naar de Zambezi voert.
Eindelijk heeft men in Afrika gebieden zonder bepaalde afvloeiing naar zee. Hiertoe behooren o. a. in Soedan het met zwermen muskieten bedekte T s a d meer en in de Kalahari-woestijn het Ngami meer. Beide zijn het centrum van rivieren, die in den regentijd aanzwellen tot beduidende stroomen en voor 't overige dikwijls uitdrogen. Zoo stijgt in den regentijd het Tsad meer dermate, dat het water door de Sjari op de Bahr el-Ghazal afstroomt.
Klimaat, enz.
§ 111. Afrika ligt voor quot;Vö in de heete, voor '/s in de subtropische en warm gematigde gewesten.
181
Het Middellaudsehe zeegebied en Zuid-Afrika heb-ben winterregens. Zij lijden over 't geheel aan waterarmoede: in het Nijldal valt bijna nooit regen.
Regenloos zijn de Sahara en de Kalahari, de woestijn van Z.-Ai'rika.
In het tropische Afrika valt over het geheel reei regen, vooral in de landen, welke om den evenaar liggen. De meeste regens vallen in den tijd, dat de zon den hoogsten stand bereikt, dus ten N. van den evenaar (tot IS3 NB) in ons zomerhalfjaar en ten Z. van den evenaar (tot 20:, ZB) in ons winterhalfjaar, terwijl sommige streken twee regentijden kennen.
Vooral aan de kusten, waar de zeewinden tegen de randgebergten opstijgen, vallen zware regens.
In nauw verband met deze regenverdeeling staat de p 1 a n t e n-groei en, tot op zekere hoogte, ook het dierlijk leven.
Zoo kunnen wij dus in Afrika de volgende natuurlij Ice hoofddee-len onderscheiden:
1. De woestijn-gebieden, Sahara en Kalahari, arm aan planten. De grenzen van deze groote woestijngebieden verschillen met de tijden van het jaar. Als Zuidrand van de Sahara kan ongeveer IS0 N.B. worden aangegeven.
2. De subtropische gewesten van Afrika's Noordrand met uitgestrekte steppen van alfa, die in den regentijd in goede weidegronden veranderen. Verder komen deze gewesten overeen met het Middellandsche zeegebied van Z.-Europa: altijd groene boo-m e n, zuidvruchten, enz.
3. De subtropische gewesten van het Zuidelijk deel met winterregens. Ook hier komen uitgestrekte steppen voor, als de Karroo-vlakte in Kaapland, welke steppen een deel van het jaar goede weiden zijn. In Z.-Afrika zijn talrijke Europeesche en Indische plantensoorten ingevoerd
4. Het gebied der tropische zomerregens, Soedan en Centraal-Afrika, met een even weelderigen plantengroei als in Indië en en Z.-Amerika. Palmen, bananen, rijst, suikerriet, koffie, katoen kunnen bij de tropische warmte en den aanzienlijken neerslag hier voortreffelijk groeien. Dichte wouden nemen nog een groot deel van het werelddeel in, terwijl de cultuur van den bodem nog veel te wenschen overlaat. Op per-Guinea en Afrika's Oosthoek hebben een Zuidwestmoesson in onzen zomer.
Ook me± betrekking tot de dierenwereld sluiten de landen ten N. van de Sahara zich geheel bij Z.-Europa aan, al zijn de roofdieren, als de Barbarij sche leeuw en de hyena thans uit Z.-Europa verdwenen; de jakhals en liet wilde schaap komen
182
in Morea, op Sardinië en Corsica trouwens nog voor. Kenmerkend zijn in den Atlas twee soorten van gieren in zeer groot getal, die evenals talrijke halfwilde honden tot in de straten der steden aas zoeken. De nuttigste diersoorten van Noord-Afrika zijn: kamee-len, schapen, paarden en ezels, alle in uitstekende soorten.
De Sahara vormt weer eene wereld op zich zelf; zij is gekenmerkt door armoede, al ontbreekt het dierlijk leven volstrekt niet. Men vindt er leeuwen, gazellen, hazen, gestreepte hyena's, fenneks (met de kleur van 't woestijnzand), struisen, woestijnmuizen en zandhoenders.
In geheel Afrika ten Z. van de Sahara behoort de Afrikaan-sche olifant thuis. Vooral in Centr.-Afrika is hij nog talrijk, tot aan de Zambezi, doch in Zuid-Afrika is hij bijna verdwenen. In de rivier- en meergebieden leeft de rhinoceros, het rivier-paard en de krokodil.
Groote apensoorten, o. a. gorilla, sjimpansee, baviaan, gibbon, vooral in Opper- en Neder-Guinea. Talrijk zijn de slangen.
De struisvogel is in Zuid-Afrika huisdier. Antilopen, zebra's, giraffen leven vooral in de steppen van Z.-Afrika. De 1 e e u w, de h y e n a en de jakhals houden zich het meest op in de overgangsstreken der woestijnen.
Voor het Z. bestaat de bezitting der boeren meest in schapen, rundvee, paarden, en in sommige streken in struisvogels.
Afrika wemelt van kwaadaardige vliegen; van sommige schijnt de steek voor tamme dieren doodelijk te zijn; vooral van de tsetse-vlieg wordt dit gezegd.
Een groot bezwaar is in Centraal-Afrika het ontbreken van eenig lastdier, zoodat alle lasten op de hoofden der negers moeten worden vervoerd. Voor het N. zijn de kameelen de lastdieren, terwijl in Zuid-Afrika de ossenwagen het gewone middel van transport is.
Bewoners van Afrika.
§ 112. Deze behooren grootendeels tot het Negerras („Zwarte werelddeelquot;). Een klein gedeelte, in 't Noorden, is verwant met de bewoners van Europa en Voor-Azië, doch zij zijn sterk onder Semietischen (Arabischen) invloed.
Gelijk uit de opgave aan 't begin van dit hoofdstuk blijkt, bedraagt de dichtheid van bevolking 6 op 1 KM2. In Opper-Guinea en Soedan stijgt dat cijfer tot 13, in Tunis tot 15, in Marokko
183
tot 10 en in Egypte tot 7, terwijl het dichtheidscijfer voor Algerië slechts 5, voor Kaapland 3 en voor Tripolis 1 bedraagt.
Overzicht der volkengroepen:
|
Egyptcnaren. Berbervolken. |
Neger-ras. Soedan- Bantoenegers. negers. |
Zuid-Afrikaansche ras. Hotten- Bosclijes-totten. mannen. |
De eerste groep bewoont den Noordrand van Afrika en is doorgedrongen in de oasen der Sahara. In taal en godsdienst overweegt het Arabisch element in geheel N.-Afrika, niet echter in het bloed.
De oude Egyptenaren leven voort in de Kopten en Fellahin (meervoud van Fellah), die de landelijke bevolking van Egypte uitmaken.
De Berbers wonen in de Atlaslandeu. Tot deze volken behoo-
ren ook dc Toearegs, in 't Westen der Sahara, en de Tibbo's, de Oostelijke woestijnbewoners. De Mooren in 't W. zijn ontstaan uit de vermenging van Arabieren en Berbers.
Ten Z. en Z.O. van Abessinië wonen de Galla's en Somali. De Fellata's of Foela's zijn in den geheelen Soedan als veroveraars onder de negers opgetreden en hebben er verschillende staten opgericht.
Al deze volken behooreu tot de Hamieten.
De eigenlijke negers bewonen den Soedan. Het meest ontwikkelde negervolk is de Mandingo's van Sene-gambië.
Verder naar 't Zuiden wonen de Bantoenegers, waartoe ook de krijgshaftige Kaffers, in 't Zuidoosten, behooren.
De verachte Hottentotten en de Boschjesmannen vormen een bijzonder ras. De eersten bewonen Zuidwest-Afrika. Ook de „Boesmensquot;, die sterk verminderd zijn, zwerven hier nog in enkele streken rond.
De Hova's van Madagaskar zijn Maleiers. Ze zijn verwant met de Bataks op Soematra.
De Europeanen zijn nog meest beperkt tot Noord- en Zuid-Afrika en, binnen de tropen, tot de nederzettingen aan de kusten.
184
De godsdienst is of de Mohammedaansche of de Heiden-sche. De Islam drong in de 7* eeuw in Noord-Afrika door, en van Egypte tot Marokko was spoedig alles onderworpen. De Arabieren hebben in lateren tijd ook bij de negervolken talrijke bekeeringen gemaakt. De Arabische koopman, de slavenhandelaar en de zendeling trokken gelijktijdig door het werelddeel, vooral van de Oostelijke kusten uit {Zanzibar). Thans kunnen Noord-Afrika tot en met Soedan als Mohammedaansch worden beschouwd.
De Heidensche godsdiensten bij de negervolken behooren tot den laagsten trap en zijn gekenmerkt door ruw bijgeloof, angst, menschenoffers, grooten invloed van de priesters (slangenbezweerders) ; men vat sommige samen onder den naam van fetisjisme.
Onder de inboorlingen van Zuid-Afrika heeft het Christendom veel voortgang gemaakt.
Staatkundige indeeling.
§ 113. De staatkundige toestanden in de grootste deelen van Afrika zijn nog onzeker: er zijn wel negerkoninkrijken, zelfs zeer groote en machtige, maar van bepaalde grenzen kan geen sprake zijn en in verscheiden streken voeren de negers voortdurend oorlogen en doen invallen op elkanders gebied.
Op de maatschappelijke toestanden heeft de slavenhandel den verderfelijksten invloed uitgeoefend ; niet alleen, dat er landstreken door ontvolkt zijn, maar vooral ook doordat aldus bij de bewoners een geest van haat en wantrouwen tegen de vreemden ontstond, die nu do vreedzame ontwikkeling en het verkeer soms bemoeilijkt.
Van eene bepaalde politieke indeeling kan eigenlijk alleen sprake zijn bij; 1. Noord-Afrika; 2. Zuid-Afrika; 3. de tropische kusten en de eilanden.
Noord-Afrika:
1. Egypte, in naam een Turksche vazalstaat, doch sedert 1882 door Engeland bezet.
2. Tripolis, een Turksche provincie, waarvan Barka en Fezzan onderdeelen zijn.
8. Tunis, sedert 1881 onder Fransch protectoraat.
4. Algerië, Fransch.
5. Marokko, een onafhankelijk sultanaat; enkele punten aan de kust zijn Spaansch.
Oost-Afpika;
1. Abessinië, niet aan de kust grenzend, staat onder een koning („negusquot;).
2. Een Italiaansch gebied (Erythraea).
185
3. Brit sch Oost-A frik a.
4. Het Duitse he gebied.
5. Zanzibar, onder Engelsch protectoraat.
6. Het Portugeesehe gebied.
Zuid-Afrika:
1. Britse he bezittingen (Kaapland. Natal en een deel der Kafferlanden).
2. Oranje-Vr ij staat, niet aan de kust grenzend.
3. Z.-Afrikaansche Republiek (Transvaal;, niet aan de kust grenzend.
West-Afrika:
1. Senegambië: Fransehe, Portugeesehe en Britsehe nederzettingen.
2. Opper-Guinea (Ivoor-, Goud- en Oliekust;, bijna geheel Engelsch.
3. Neder-Guinea: a. Duitseh Kameroen, h. Fransch Kongo, c. het Kongo-gebied, d. Portugeeseh West-Afrika.
4. Duitscli-Zuid west-Af rik a.
Eilanden:
1. Azoren en Madera-groep: Portugeeseh.
2. Kaap-Verdische eilanden: „
3. Canarische eilanden en de daarachter liggende kust: Spaanseh.
4. Guinea-eilanden: Spaanseh en Portugeeseh.
ó. St. Helena en Ascension: Engelsch.
6. Mauritius: ,,
7. Reunion en eenige eilandjes bij Madagaskar: Fransch.
8. Op Madagaskar bestond tot voor korten tijd een onafhankelijk rijk van Hova's (Maleiers); thans is het Fransch.
De Barbarijsche landen.
§ 114. Marokko, Algerië en Tunis zijn de Barbarijsche landen.
De natuur is in deze drie deelen over het geheel dezelfde, zoodat Barbarije een natuurlijk geheel vormt met een klimaat, eene flora, eene fauna, geheel verschillend van die in 't overige Afrika en meer overeenkomst vertoonende met de natuur in Z.-Spanje, op Sicilië en in Morea.
Den naam „Barbarijequot; dragen de landen naar de oorspronkelijke bevolking, „Berbersquot;, die behooren tot de Hamieten.
Meermalen zijn deze landen gekoloniseerd of veroverd geworden: Phoeniciërs, Romeinen, Arabieren, Turken en in onze dagen de Franschen,
186
Geen invloed is blijvender geweest dan die van den Islam; de Berbers moesten wijken naar de bergen en naar de woestijn. In de bergstreken hebben zich nog krachtige stammen zuiver gehouden, b.v. de K n by leu. In de woestijnen zijn zij vermengd met het negerras en met Arabieren.
De taal is in de steden algemeen de Arabische, naast Fransch en, vooral in Tunis, Italiaansch. De godsdienst is in deze landen meer dan ergens elders een scheidsmuur tusschen de dweepzieke Muzelmannen en de gehate Christenen en Joden.
Het Atlasg'ebled bestaat uit verscheidene ketens en plateau's. De hoofdketen, in Marokko Hooge Atlas geheeten, komt in hoogte overeen met de S'-Nevada. Doorgaans onderscheidt men de volgende streken;
1. Het Rif, het steile en rotsige kustgebied.
2. Het Teil (van „tellusquot; = aarde), 't beste deel des lands, vormt vruchtbare, goed besproeide landstreken, die misschien 1 i van de geheele oppervlakte beslaan en 't meest bewoond en gekoloniseerd zijn.
3. De hoogvlakten, tusschen den Kleinen en den Groo-ten Atlas, vormen een steppenland, zoodat veeteelt al weder het hoofdmiddel van bestaan is: schapen, geiten, kameelen en paarden. Hier en daar liggen in de lagere deelen zout-moerassen of sjots; vandaar dat men deze hoogvlakten wel plateau der sjots noemt. Naar het hal fa-gras der hoogere streken, spreekt men ook veel van h alfa-plat eau.
Het gebergte bevat vele mineralen.
De overgangsstreken naar de woestijn vertoonen al spoedig het karakter van deze laatste; in den Kalifentijd waren zij in beteren toestand, besproeid en bebouwd; men geeft er den algemeenen naam aan van „dadellandquot;.
Gebrek aan water is een algemeen verschijnsel; de rivieren drogen in de meeste maanden op (wadi's). De Fransche regeering tracht, al op verscheidene plaatsen, door het boren van artesische putten de landstreek tot welvaart te brengen. Bosch-cultuur en zijdeteelt, graan-, wijn- en olijvenbouw worden door haar krachtig bevorderd. Vooral kurkeiken worden geplant. Maar tabak en katoen worden er steeds meer verbouwd. Marmer komt er voor in kostbare roode soorten. Aan de kusten vischt men spons en koraal.
Kurk en alfagras zijn de hoofdproducten.
De bewoners in de steden zijn uitstekende handwerkslieden: broderieën, geweven stoffen, wapens.
Tunis (136), met de haven la Goletta, heeft veel handel in
187
zuidvruchten en zijde. In de nabijheid liggen de ruïnen van het oude Karthago.
Algiers (83), met prachtige ligging en heerlijk klimaat, is de zetel van den Franschen gouverneur en de eerste uitvoerhaven van Algerië. Het heeft kustspoorwegen naar het Oosten en Westen. Een telegraafkabel en een geregelde stoombootdienst verbinden Algiers met Marseille; de overtocht duurt it 3G uur.
Andere havens, handelsstadjes, zijn Oran, Philippeville, enz., vroeger de uitgangspunten der Barbarijsche zeeroovers. Thans is Philippeville door een spoorweg over Constantine met Biskra, aan den rand der woestijn, verbonden.
Algerië gaat wel vooruit (de spoorweglengte bedraagt reeds 2500 KM). De kolonie wordt echter nog grootendeels op militaire wijze bestuurd, wat de vrije kolonisatie tegenhoudt. Het land is eene oefenschool voor het Fransche leger (Zouaven, Turco's, Spahise. a.).
Marokko (50), hoofdstad van het slecht bestuurde keizerrijk; de naam is overgegaan op het land, dat eigenlijk il/a^r/ireè e//1 te, d. i. „het uiterste Westenquot;, heet.
Fez (140), heeft veel industrie. De naam dezer stad is gegeven aan het bekende hoofddeksel der Muzelmannen. Fez is een zetel van Mohammedaansche geleerdheid en als zoodanig het „Kaïro van het Westen.quot; Eene mooie residentie, niet ver van Fez, is M e k i n e s.
Tang er, de haven tegenover Gibraltar, aan den Westelijken ingang der straat. Het is, evenals Tripolis, Khartoem, Zanzibar, en de Kongo-mond, een der hoofduitgangspunten bij de ontdekkingsreizen in Afrika. Het is eene levendige handelsstad, waar talrijke karavanen aankomen en vertrekken; hier resideeren ook de Europeesche consuls.
Céuta is een van de Spaansche presidio's (strafgevangenissen voor gedeporteerden).
EGYPTE EN DE OMRINGENDE LANDEN.
§ 115. Bij Egypte onderscheiden wij:
1. Eigenlijk Egypte.
2. Nubië.
3. Egyptisch Soedan.
Eigenlijk Egypte bestaat uit het Nyldal, ter lengte van ± 150 uren gaans, van de laatste cataracten bij Assoean af, langza-
188
nierhand zieh verbreedend tot eene vlakte, aan weerszijden door woestijnen ingesloten en overgaande in de delta..
De historische deelen Opper-, Midden- en Neder-Egypte worden nog vaak onderscheiden.
Neder-Egypte of het Delta-gebied, maar weinig boven den spiegel der Middellandsche zee, is geheel door Nijlslib gevormd. Het wordt door talrijke besproeiingskanalen doorsneden en is buitengewoon vruchtbaar. Vooral katoen, suikerriet, rijst en andere korensoorten groeien er uitmuntend.
Ook het verdere Nijldal gelijkt één akker met koren, katoen, suikerriet en dadelpalmen. Scherp is de tegenstelling tus-schen dit gebied en de rest, alles woestijn en rotsplateau's, en die tegenstelling verklaart den ouden naam van Eigenlijk Egypte: Chemi, d. i. „Zwart land.quot;
Bij de Egypte naren was ecne verdeeling des jaars in 3 jaargetijden ia gebruik. Deze eigenaardige wijze van verdeeling had haren oorsprong in de omstandigheid, dat de Nijl met zijne regelmatige overstroomingen de werkzaamheden van den landbouwer regelde. De 3 jaargetijden waren: 1. dat der overstrooming, beginnende als de zon in den Noorderkeerkring is gekomen; 2. dat van den (/roei en wasdom; 3. dat van den ooc/st.
In de 2« maand van de overstrooming bereikt de Nijl de grootste hoogte; geheel het Nijldal is dan als 't ware één groot meer, waaruit slechts enkele hoogere gedeelten met steden en dorpen zieh verheffen.
In de 3® maand begint het water te dalen en laat in de lagere gedeelten des lands meren en vijvers achter, welke gaandeweg kleiner worden en van visschen wemelen, die in massa worden gevangen.
Akkerbouw is het groote middel van bestaan. Ten gevolge van den slaven-oorlog in Amerika (1861—'65) en door de opening van het Suez-kanaal (1869) nam de katoen-cultuur zeer in omvang toe en kreeg ook de handel meer beteekenis.
De bewoners — 7 millioen — zijn voor het meerendeel of Arabieren of afstammelingen van de oude Egyptenaren; deze laatsten zijn: 1. de Kopten (Christelijke stadsbevolking); 2. de Pellahin (Mohammedaansche plattelandsbewoners).
Naast de Arabieren en Kopten wonen in de steden; Turken, Europeanen en Joden.
Sedert 1517 is Egypte Turksch en ook hier is de heerschappij der Turken een vloek voor het land geworden. De arme Fellahs vooral hebben een bard lot, daar de grond niet de hunne is en zij zware lasten moeten opbrengen.
In 't midden dezer eeuw had Egypte een energieken onderkoning (khedive), Mehemed Ali, die het Turksche juk wüde afschudden en een vrijen.
189
bloeienden staat stichten. Veel is door hem tot stand gebracht, al is het hoofddoel mislukt.
Het gezag van den Sultan beduidt in Egypte weinig meer. In 1882 brak een opstand uit, die tengevolge had, dat de Europeesche uiogendheden, in 't bijzonder Engeland en Frankrijk, tussehenbeiden kwamen. Sedert heeft Engeland, naar 't heet tijdelijk, de gansehe regeling van zaken in handen genomen en Egypte is daarbij wel gevaren : land en volk zijn ontzaglijk vooruitgegaan, in de eerste plaats door de zorg voor besproeiing; deze is 't eerst noodige om Egypte welvarend te maken : het water moet, bij wijze van spreken, tot voor de deur van den Fellah gebracht en deze aldus genoopt worden het voor zijn akker te gebruiken.
Voorts is veel gedaan op 't gebied van spoorwegen, post en telegraaf, leger en politie, en vooral rechtspleging, die onder 't Turksch bestuur zoo goed als niet bestond.
Steden : Kaïro (375), de grootste stad van Afrika, heeft een geheel Oostersch aanzien. De plaats, waar Kaïro ligt, was altijd belangrijk : bij het begin van de splitsing van den Nijl lag het oude Memphis en liggen nog bouwvallen, waaronder de drie hoogste der nog bestaande pyramid en, bij het dorp Gizeh, op den rand der woestijn.
Van Kaïro leidt de spoorweg opwaarts in het Nijldal; de totale spoorweg-lengte in Egypte bedraagt reeds 1750 KM; die in Nederland 3100 KM.
In Opper-Egypto liggen de bouwvallen van de groote stad Thebe, „de honderdpoortige stad.quot;
Alexandrië (230), is de hoofdhaven van Egypte en belangrijk voor het verkeer tusschen Europa en Indië. Er is belangrijke uitvoer van katoen, suiker en koren. Vóór de opening van het Suez-kanaal bestond hier de overlandweg naar Suez en de Roode zee. In tegenstelling met Kaïro is Alexandrië meer Westersch.
Port Saïd (17) is eene jonge stad, waar aan een Arabisch kamp groote Europeesche en Amerikaansche hotels grenzen. Prins Hendrik der Nederlanden stichtte hier grootsche inrichtingen ten behoeve van handel en verkeer. Suez (11) aan 't andere uiteinde van het bijna 30 uur gaans lange Suez-kanaal. Dit kanaal werd met groote moeite gegraven door het woeste, zandige schiereiland van Sinaï (herhaalde verzanding en gebrek aan drinkwater). Aan het Zoetwaterka naai heeft Ismaïlia zijn ontstaan te danken. Dit kanaal voorziet ook Suez van drinkwater. Het getal schepen, dat door het Suez-kanaal stoomt, bedroeg in de laatste jaren gemiddeld 3 a 4000; de reis duurt gemiddeld een •etmaal; de totale opbrengst was 60 a 70 millioen francs 'sjaars.
190
Merkwaardig is de invloed, dien het kanaal op het klimaat
uitoefent. Van 1854—1870 regende het in de streken, waardoor het kanaal gegraven is, hoogst zelden, en thans regent het er minstens twee keer per maand.
De Egyptische havens aan de Roode zee zijn weinig belangrijk; alleen is het vervoer van pelgrims naar de heilige steden in Arabië in de heilige maanden aanzienlijk: Kosseïr, Soe-akin.
§ 116. Nubië is het land van den Midden-Nijl, of van de Nijl-cataracten, tusschen Khartoem en Assoean. Door geheel Nubië is het bed van den Xij 1 een paar honderd voet diep in de golvende rotswoestijn ingesneden, zoodat het schijnt, alsof de rivier tusschen eene dubbele rij van rotsheuvelen stroomt. De karige strookjes land langs het water zijn beplant met welige palmbosschen, afgewisseld door groene velden. De dorpjes zijn op steenachtige, dorre plekken gebouwd, om toch geen grond te verliezen. Nu eens vertoont zich de Nijl als eene breede, statige rivier, dan weder schuimt de kronkelende stroom tusschen steile rotswanden door; altijd wisselen liefelijke oasen met woeste rotsplateau's af.
Khartoem (40), hoofdstad en belangrijk station voor de karavanen; aan de samenvloeiing van Blauwen en Witten Nijl. Het werd vooral gewichtig sedert den tijd, dat de Egyptenaren hun gebied in de richting der Nijlmeren trachtten uit te breiden. In 't gebied van den Midden-Nijl hebben in de laatste jaren belangrijke expedities van de Engelschen plaats gehad in den strijd tegen den Mahdi — een zoogenaamd Profeet — die er in geslaagd is, het genoemde gebied onder zijne heerschappij te brengen.
Sedert 1885 is Khartoem (dappere verdediging onder Gordon) dan ook in handen van den Mahdi, doch op dit oogenblik (1897) zendt Engeland weder zijne militaire expedities Nijl-opwaarts. Dongola is weer genomen en de spoedige herovering van Khartoem waarschijnlijk.
Berber is het belangrijkste station tusschen Assoean en Khartoem; Soeakin is de haven.
191
Egyptisch Soedan omvnt de landen in het stroomgebied van den Witten Nijl, grootendeels bewoond door Negerstammen, maar waar de invloed der Arabieren zeer aanzienlijk is. De strijd, in de laatste jaren hier gevoerd, draagt een karakter, dat tegelijk godsdienstig is (haat van de Muzelmannen tegen de Christenen), politiek (poging om den vreemdeling, Egyptenaar of Europeaan, te verdrijven) en maatschappelijk (het behoud van den slavenhandel.)
Tripolis met Bark a en Fezzan. Deze landen staan in naam nog onder Turksche heerschappij.
Zij beslaan eene oppervlakte van 2 X geheel Duitsohland, doch bestaan grootendeels uit woestijnen. Barka was in de oudheid gekoloniseerd door de Grieken (Cyrene), waaraan nog talrijke bouwvallen herinneren; wijn en olijven werden er toen uitgevoerd. Thans ligt er eene onbeduidende havenstad, nl. Bengasi.
Enkele gedeelten van Tripolis zijn vruchtbaar land; dadels vormen daar het hoofdproduct. In het Z. liggen rotswoestijnen, Ham mad a's. Eene groote oase — naar een Egyptisch woord dat „woningquot; beteekent — vormt het landschap Fezzan met de stad Moerzoek; Negers en Arabieren maken de bevolking uit.
Een drukke karavaanweg leidt van Tripolis over Moerzoek naar Koeka (aan het Tsad-meer).
De Sahara.
§ 117. De oppervlakte van deze woestijn is ruim 2ia van die van Europa. Het vroeger denkbeeld, dat de geheele woestijn de bodem van eene vóórhistorische zee zou zijn, moest worden opgegeven, nadat het wetenschappelijk onderzoek was begonnen.
In deze eeuw hebben moedige en bekwame reizigers licht verspreid over den vorm van den bodem en de geologische samenstelling, de temperatuur, de winden en andere atmospherische verschijnselen (b.v. luchtspiegeling: fata morgana); over de ligging-der oasen en dus de richting der karavaanwegen; over de Hora en de fauna, voor zoover die in sommige streken aanwezig zijn en ten slotte over de volksstammen, die op de groote oppervlakte leven.
De bekendste reizigers zijn: Barth, Rohlfs, Nachtigall, Vogel. Eene Nederlandsche reizigster, freule Tinne, die na hare reizen aan den Nijl eene woestijnreis begon, werd spoedig door Toearegs vermoord.
Het is gebleken, dat de woestijn slechts gedeeltelijk lager dan de zeespiegel of er weinig boven ligt; er is ook veel hoogland
192
(steenachtige plateau's, als de boven reeds genoemde Hammada's) en berglandschappen.
Niet overal voert het zand heerschappij; rotswoestijnen komen ook voor, o. a. bij den Nijl en langs de Roode zee, in de Nubische en Arabische streken.
Het eigenlijke stuifzand, eene van de verschrikkingen der woestijn, behoort vooral thuis in het Westelijke deel: El Dj oef, d. i. het lijf der Tvoestijn. Ook is zeer woest juist het gedeelte aan de tegenovergestelde zijde, dus bij het Nijklal, nl. de Lybi-sche woestijn.
Bij den Atlantischen Oceaan verheft het woestijnzand zich tot zeer hooge duinen (wel tot 200 M), die zich uren ver in zee als gevaarlijke banken voortzetten, waar de bewoners in strandroof hun bestaan vinden.
Oasen worden steeds daar aangetroffen, waar op natuurlijke of kunstmatige wijze water opborrelt; doorgaans ligt dan ook de oase laag en ten opzichte van de omstreken komvormig. De grootte van de oasen is zeer verschillend, evenals de afstand, waarop zij van elkaar verwijderd zijn ; er zijn oasen, die b. v. de oppervlakte beslaan van eene Nederlandsche provincie, maar er zijn er ook zeer kleine. Sommige liggen een paar dagreizen van eene volgende, andere zijn zoover van de naastbijzijnde verwijderd, dat de karavanen een paar weken of langer noodig hebben. Wanneer door eene of andere omstandigheid het water in eene oase gaat ontbreken of onbruikbaar wordt, ontstaat voor de karavanen groot gevaar; zoo is in 1805 in het AVestelijke gedeelte eene karavaan van meer dan 3000 menschen en kameelen omgekomen onder zulke omstandigheden.
In den regel waait de N.O. -passaat. Velen schrijven juist daaraan de aanwezigheid toe van deze onmetelijke woestgn, die deel uitmaakt van den grooten woestijngordel, welke bij 't Alpenland van Mantsjoerije begint en waartoe de G o b i, de steppen en woestijnen van Iran en do droge landen van A r a b i ë behooren. Toch is bet uitgemaakt, dat ook winden van de zijde der Middellandsche zee waaien, doch deze komen aldus in streken van hooger temperatuur en brengen dus geene vochtigheid aan.
De heete winden in Z.-Europa, b.v. de Sirocco op Sicilië en in Z.-ltalië, de Solano in Spanje en de Föhn in de Alpendalen, werden vroeger verklaard als Zuidenwinden , droog en heet, doordat zij van over de woestijn kwamen. Eene volkomen zekerheid bestaat ten aanzien der beide eerste niet. De Föhn echter is stellig geen woestijnwind ; bij is een plaatselijk verschijnsel, dat vooral in bergstreken thuis behoort, waar b.v. een vochtige wind aan de eene zijde van 't gebergte opstijgt, zijn waterdamp verdicht en afgeeft, om vervolgens als droge wind aan de andere zijde neer te dalen. (§ 86).
193
In Afrika beeten de Samoem, de Charasin en de Harmattan „vergiftige winden.quot; De eerste is stellig een woestijnwind en vormt met het stuifzand de grootste verschrikking voor de kai-avanen; de 2' waait in Egypte en ontleent den naam aan 't oud-Egyptisch woord voor 't getal 50 (omstreeks Juli); de 3' komt voor naar de zijde van Opper-Guinea.
De temperatuur in de ^voestijn kan verbazend hoog zijn, gelijk trouwens overal in Afrika ten N. van den evenaar, vooral naar de zijde der Roode zee, waar de hoogste temperaturen gemeten zijn, die men kent. In de nachten is het soms zeer koud tengevolge van de verbazend snelle uitstraling (de lucht is bijna altijd zonder wolken); daardoor is 't verklaarbaar, hoe 's nachts een sterke dauw kan neerslaan.
De grenzen der Sahara naar de zijde van Barbarije en van Soedan zijn niet scherp geteekend; er zijn overgangsstreken, in het Noorden b.v. de Algerijnsche Sahara. In de overgangsstreken zijn de „wadi'squot;, boven bedoeld. Ook liggen hier eenige zoute meren, de lage sjotts (niet te verwarren met de hooge sjotts, op de plateau's van den Atlas). Daar de spiegel dezer meren beneden dien van de Middell. zee ligt, is door de Franschen wel eens het plan geopperd , de landengte tusschen de sjotts en de golf van Gabes door te steken en zoo eene binnenzee te vormen, in de verwachting, dat hierdoor een gunstige invloed op het klimaat der verdere Algerijnsche Sahal-a zou worden uitgeoefend, in welke verwachting echter lang niet algemeen gedeeld wordt.
Ook aan den Zuidrand der woestijn vormen steppenlandschappen den overgang, ongeveer tusschen 18° en 15° N.B. Deze breedte verschilt, in verband met den regentijd in Soedan (zie boven).
In sommige deelen van de woestijn groeien hard gras, doornstruiken en veel a ca si a's. Eenige beteekenis heeft de Arabische gomboom en ook de zoogenaamde mannastruik, eene soort van tamarinde, wier sap verzameld wordt en voedende eigenschappen bezit.
In de oase wordt elk plekje bebouwd; de dorpen liggen daarom niet in de oase, maar op den rand. Er wordt katoen verbouwd, verder eene soort van koren, do err ha of kaffergierst genoemd; zelfs worden perziken en abrikozen gekweekt, maar het voornaamste is de eigenlijke boomsoort van N.-Afrika, de dadelpalm. Op het water is men zuinig, het wordt door kanaaltjes verdeeld; het groen der oase vormt eene scherpe tegenstelling met de woestijn.
De dierenwereld is mogelijk nog armer dan die der planten. De kam eel, die als rij- en lastdier voorkomt, werd door de Arabieren ■ in de 7C eeuw in Afrika gebracht en doet in beteekenis voor N.Afrika niet onder voor de spoorwegen in Europa. De versprei-
D. Aitton, Beknopt Leerbeek, 4e druk. 13
194
dingsgordel van deze kameelensoort strekt zich uit van Marokko tot Dekan. Verder zijn er enkele struisvogels en op de randen de l«euw en de antilope en hier en daar de hyena.
De bewoners bestaan van het begeleiden en van het plunderen der karavanen; van het inzamelen van zout, van ruilhandel en roof. In 't midden wonen de krijgshaftige en sluwe Toearegs, in 't O. de Tibboe's; in de Lyb. woestijn en naar de zijde van Egyptisch Soedan treedt het Arabische element op den voorgrond; in het Westen van de Sahara zijn Moorsche stammen. Het is zeker, dat de genoemde volken geen zuiver bloed bezitten, maar door vermenging zijn ontstaan, waarbij het neger-element een groote rol heeft gespeeld; de Toearegs zijn nog 't zuiverste aan de oude Berbers verwant gebleven (Hamieten,; de Mooren naderen meer tot de Arabieren, de Tibboe's meer tot het negerras.
Soedan.
§ 118. Door Soedan verstaat men in 't algemeen het groote gebied ten Z. van de Sahara en Nubie en ten N. van Gentraal-Afrika of het Kongo-gebied. In het Westen gaat het over in Senegambië en Opper-Guinea, in 'tOosten omvat het nog het Nijlgebied boven Khartoem.
Die landen vormen even als de beide vorige deelen, die wij bij Afrika onderscheidden — „de Noordrandquot; en „de Saharaquot; —, weer eene wereld op zich zelf. De naam „Soedanquot; is ontleend aan de bewoners: Beled es Soedan = „land der Zwartenquot; of N i g r i t i ë.
In het gebied van den Niger ligt Hoog-Soedan en in het midden, om het Tsad-meer, Laag- of Midden-Soedan. De Oostelijke landen, die in het Nijl-gebied, heeten Egyptisch-Soedan, sedert zij in deze eeuw door de regeering van Egypte werden veroverd (expeditie van 1839—'42, onder Mehemed Ali).
Gelijk boven reeds gezegd is, hebben deze landen een heet klimaat. Overvloedige regens en talrijke rivieren maken den bodem zeer vruchtbaar. Maïs, tarwe, kaffergierst, katoen, koffie en palmen groeien er uitstekend. Groote diersoorten zijn er talrijk. In de dichte wouden jagen de negers op de olifanten; bij het Tsad-meer (in grootte ruim 2la van Nederland) en de rivieroevers zijn krokodillen en rivier paard en. Het vee der negervolken bestaat uit runderen.
In 't gebied van den Boven- en den Midden-Niger liggen de belangrijke Fellatah-staten. De Fellatahs of Foelbe's zijn begaafde volken, ze staan onder al de oorspronkelijke Afrikaansche
195
stammen wel het hoogst, en ze beoefenen uitstekend den landbouw en de handwerksnijverheid (ijzer smeden, katoen weven en verven). Veel hebben ze gedaan voor de verbreiding van den Islam. Of het eigenlijk Negers zijn, is niet uitgemaakt; zij zijn wat lichter van kleur en over 't geheel mooie menschen. Hunne grootste steden zijn Sokoto, Jacob a (50) en Kano, hoofdsteden van staten, wier grenzen echter in bloedige oorlogen gedurig veranderen.
Om het Tsad-meer liggen de negerstaten Bornoe, Wadai, e. a. Eene der belangrijkste steden van aankomst is Koeka; maar er zijn ook nog andere steden, alle met een groot aantal inwoners en die een levendigen karavaanhandel drijven met de landen aan gene zijde van de Sahara. Ook hier zijn vrij ontwikkelde negervolken. Hunne middelen van bestaan zijn landbouw en veeteelt (rundvee), terwijl zij ook handwerken verstaan. Een groot bezwaar voor de geregelde toestanden zijn echter de oorlogen en de invallen, die de volken op elkanders gebied doen en waarbij de talrijke gevangenen gedood of tot slaven gemaakt worden.
De landen van Midden-Soedan zijn meermalen door belangrijle reizen onder de aandacht gebracht. De omvang van het Tsad-meer (250 II hoog) verschilt aanmerkelijk met den tijd van het jaar, zoodat de berichten van de reizigers aanvankelijk vaak met elkander in strijd waren, en, waar de één een meer meende gezien te hebben, beschreef' de ander soms plantenqrne! en menschen (op gelijke wijze wordt b.v. het vroeger betwijfelde moeras-meer „Kina Baloequot; in N.-Borneo verklaard). Men noemt het land om 't meer wel eens het „Afrikaansche Nederland.quot; Wadai is het meest genoemd, o. a. door het tragisch uiteinde van Voffel.
Voor den Eur. reiziger is de dweepzucht gevaarlijk, die al deze volken van Soedan (Muzelmannen) evengoed als die van N.-Afrika kenmerkt; een aanbevelingsbrief van den Sultan uit Konstantinopel kan zelfs hier in deze verre landen soms van veel dienst zijn.
Do karavaanwegen verbinden in 't algemeen de havens aan de Middell. zee met de negersteden van Soedan; belangrijke wegen zijn:
1. Van Tanger en van Mogador over Marokko naar Toeat, waar ook een weg uit Algerië aankomt; en van hier uit door de woestijn naar Timboektoe. Deze laatste plaats heeft voor den handel eene zeer gunstige ligging: op den rand der woestijn en bij den Niger; maar de ligging gaf ook aanleiding, dat de stad meer dan eens verwoest werd in do oorlogen, die Mooren, Toea-regs en Fellatah-negers hier voerden (de stad is reeds in 1213 gesticht). Evenals bij de meeste steden in N.-Afrika en in Voor-
196
Azië verschilt het aantal inwoners nog al in verband met de maanden, waarin de meeste karavanen komen. ïimboektoe was ook altijd eene slavenmarkt, want slaven vormden hier en elders het voornaamste handelsartikel, en het verval van den slavenhandel heeft voor vele streken in dit gedeelte van Afrika kwijning ten gevolge had. Men moet ook niet gelooven, dat slaven en slavenhandel in Soedan geheel zijn verdwenen.
2. Van de stad Algiers gaat een hoofdweg over de oase W a r g 1 a (Alg. Sahara) en van hier naar T i m h o e k t o e. Andere hoofdwegen leiden naar Midden-Soedan.
3. Uit Tripolis naar Moerzoek, eene der belangrijkste steden op den rand van of in de woestijn, groote slavenmarkt; ook een uitgangspunt voor de ontdekkingsreizigers.
De tot hiertoe bedoelde wegen zijn in 't W. en vooral in het midden der Sahara; maar ook de Oostelijke woestijn, de Lybische, heeft hare oasen. Deze behooren echter èn staatkundig èn naar het verkeer tot Egypte. Eene belangrijke oasenrij begint bij As-soean, dus op de Egyptisch-Nubische grens, loopt van het Nijldal in N.W. richting op Barka en Tripolis aan. De bekendste oase aan dezen weg is die van Siwah (Jupiter Ammon).
De handel, die langs de beschreven karavaanroutes gedreven wordt, draagt nog het karakter van ruilhandel. Voor allerlei snuisterijen, spiegeltjes, glazen kralen, maar vooral gekleurde katoentjes, krijgen de Arabische kooplieden ivoor, stofgoud, struis-
197
vogelveeren, was, gom, katoen. De negers zijn in de laatste jaren evenwel reeds meer doordrongen van de waarde hunner artikelen, en bovendien blijven aan den handel door de woestijnen altijd vele gevaren verbonden.
Senegambië en Opper-Guinea.
§ 119. In 't mondingsgebied van drie rivieren — Senegal, Gambia en Rio Grande — liggen nederzettingen van Europeanen: Frankrijk, Engeland en Portugal oefenen er gezag uit. In 't bijzonder die aan den Senegal zijn belangrijk: de Franschen — de regeering en vooral ook de zending — hebben hier veel tot stand gebracht en de handelsbeteekenis van S t.-L o u i s is niet onaan-zienlijk. Langs de rivier zijn de Fransche zendingsposten tot ver in 't binnenland vooruitgeschoven. Meermalen reeds is het plan ter sprake gebracht, Fransch-Senegambië door een spoorweg te verbinden met Algerië. De gunstige resultaten, die de Franschen ondervinden van de uitgebreide putboringen in de Algerijnsche Sahara, verhoogen den kans op verwezenlijking van dit plan.
Onder den naam Opper-Guinea wordt het geheele kustgebied samengevat, ter lengte van ruim 400 uur gaans, van Sierra Leona-kust (= „leeuwengebergtequot;, naar 't geloei der golven tegen de steile rotsen) tot aan de Nigerdelta. 't Zijn meestal lage kustlanden met talrijke kustri viertjes, die van een uitgestrekt taf eiland stroomen. De tropische regens, die door den Zuidwest-moesson ontstaan, en de hooge temperatuur voeren wel de vruchtbaarheid van den bodem tot ongekende hoogte en geven het aanzijn aan prachtige oerwouden, maar maken tevens het klimaat voor den Europeaan hoogst ongezond. De Engelsche kolonie Sierra Leo na met de hoofdplaats Freetown (= vrijhaven), wordt dan ook wel eens „het kerkhof der blankenquot; genoemd.
Verder onderscheidt men, naar de hoofdartikelen van uitvoer:
1. De Peperkust. Hier ligt eene negerrepubliek Liberia, in 1820 door vrijgelaten Noordamerikaansche Negerslaven gesticht. Monrovia, genaamd naar den Unie-president Monroe, heeft belangrijken uitvoer van koffie (Liheria-koffle), palmolie, suiker en ivoor.
2. De Tand- of I v o o r-k u s t en de G o u d k u s t. Hier had in de 17e eeuw de Nederl. Westindische Compagnie hare nederzettingen ; hier was het tooneel der oudste koloniale ondernemingen van Duitschland (in den tijd van den Grooten Keurvorst). . De Nederlanders hadden er tot 1871 nederzettingen; toen zijn deze verkocht aan Engeland, dat thans bijna deze geheele kust heeft.
198
3. De Goudkust. Deze kust behoort met het daarachter liggende Asjanti aan Engeland.
4. De Slavenkust, waarvoor Oliekust in onzen tijd een betere naam is. De ]gt;almolie gaat o. a. veel naar Marseille. Lagos is de voornaamste haven en een station voor de Britsche oorlogsmarine.
Aan en achter deze kusten liggen negerrijken, o. a. van de Man din go's en Asbantijnen, krachtige volken, maar met wreede natuur en door despotische koningen geregeerd. Engeland en Frankrijk hebben hier reeds herhaaldelijk militaire expedities ondernomen (1873—'74: Generaal Wolseley tegen de Asbantijnen; 1893: de Franschen tegen Dahome; 1896: de Engel-schen opnieuw tegen de Ashantijnsche hoofdstad Koemassi — bij deze expeditie verloor een schoonzoon van Koningin Victoria 't leven —).
In 't gebied van beneden-Niger en Binoewe heeft de Engelsche handelmaatschappij „Royal Niger Companyquot; een uitgestrekt palmoliegebied onder haar beheer.
Neder-Guinea is het kustland van het Kameroen-geb. tot kaap Frio. Hiertoe behooren de kustgebieden van:
ft. het Duitsche Kameroen-gebied, waar eenige nederzettingen van Europeanen zijn, die er handel drijven en koffie en cacao planten;
h. Fransch Kongo, dat het stroomgebied van de Ogowe, de G a b o e n en in het binnenland het vrij onbekende O e b a n g i-gebied aan den benedenloop van de Welle omvat;
c. het Kongo-gebled;
lt;1. Portugeesch West-Afrika.
Over laatstgenoemde twee gebieden spreken we nader.
Centraal-Afrika of het Kong-o-gebied.
§ 120. De Kongo (vroeger Zaire) behoort tot de grootste rivieren der aarde (fig. 16). Bij eene stroomlengte van ze 4 maal den Rijn heeft zij met haar uitgebreid stelsel van zijrivieren een stroomgebied wellicht zoo groot als Europa. Dit stroomgebied wordt doorgaans onder den naam van „Centraal-Afrikaquot; samengevat; tusschen Soedan in het N. en Z-Afrika in het Z.; Neder-Guinea is het Westelijke kustgebied, met den breeden riviermond.
Geen deel van Afrika bleef langer onbekend, maar ook geen deel wordt juist in de laatste jaren meer besproken. Er bestaat nog wel verschil van gevoelen over de natuur en de mogelijke handelsbeteekenis van het Kongo-gebied, maar volgens Stanley zijn hier rijke en dichtbevolkte landen. Hij heeft er herhaaldelijk
199
gedurende jaren gereisd; zijne beschrijving van de groote Afri-kaansche wouden komt in hoofdzaak geheel overeen met die, welke men kent van de tropische wouden in Midden- en Zuid-Amerika:
„Ook hier ontmoet de reiziger de verscbvikkingeD van den schier ondoor-dringbaren plantengroei, de zonlooze somberheid, de vochtigheid en ongezondheid der huiveringwekkende wildernis. De rijkdom der insectenwereld, zoowel in hare schoonste als in hare afschuwelijkste vormen (doch in de laatste wel het meest) bleek onbeschrijfelijk. Telkens moesten diepe poelen cn geulen doortrokken worden; daarbij schier aanhoudend regen of zwaar bewolkte hemel, overal klamheid en vocht, giftige of kwellende gedierten, eene dooiwind noch zonneschijn gezuiverde lucht, zwaar van de walmen der verrotting, en telkens van achter een boomstam een snorrende pijl, die, zelfs na eene lichte verwonding, den getroffene aan bloedvergiftiging of aan mondklem smartelijk deed bezwijken.quot;
Verscheidene stations zijn door Stanley aan en bij de rivier opgericht, als Standley-pool e. a. De koning van België (Leopold II) is hoofdpersoon bij de bemoeiingen om den handel tusschen Europa en de onmetelijke binnenlanden van Afrika te verlevendigen. In 1885 werd op een Congres te Berlijn door verschillende Mogendheden de Kong'o-staat erkend. Krachtens onderscheidene verdragen heet het gebied van dien staat eene oppervlakte te beslaan van zt: 4 x Duitschland, met wellicht 14 ü 15 millioen inwoners. De hoofdstad is Boma. Eene kuststrook heeft de Staat aan den Noordelijken Kongo-oever.
De voornaamste artikelen van uitvoer zijn tot nu toe: palm-pitten en palmolie, ivoor, caoutchouc, verfhout en aardnoten, waarvan b.v. de Delftsche slaolie afkomstig is. In mindere mate levert het land struisvogelveeren, gom en hars. Voor de toekomst verwacht men de cultuur van koffie en katoen. Vóór alles zijn noodig; wegen en vervoermiddelen en nu wordt thans wel van af den Kongomond naar Leopoldville de Kongo-spoorweg aangelegd, maar voor 't overige zijn de menschen de lastdragers, en volgens Stanley zijn zij daarin onovertroffen. Paarden en ezels schijnen hier niet te kunnen leven, en de Afrikaansche olifant is niet getemd.
Gelijk bijna overal in Noord- en Oost-Afrika zijn ook hier de Arabieren verreweg de eerste handelaars. Slaven vormden altijd 't meest gewilde handelsartikel en in de binnenlanden is de slavenhandel nog lang niet overal uitgeroeid. Eerst wanneer de Arabische koopman voor goed het veld heeft geruimd voor den Europeeschen handelaar, zal de slavenhandel tot het verleden gaan behooren.
200
Eene zaak van groot belang is verder het verkrijgen van goede verbindingswegen tusschen de binnenlanden en de kust: de Kongo-stroom is over groote lengten uitstekend bevaarbaar: van de monding af kunnen zelfs diepgaande schepen varen tot aan de J e 11 a 1 a - stroomsnelten, dicht bij 't station Vi vy, over eene lengte dus van 36 uren gaans. Daarna is de rivier onbevaarbaar en ook verder wisselen bevaarbare gedeelten af met andere, waar 't bergachtig terrein den stroom woest en ongeschikt maakt.
Ten Zuiden van den Kongomond strekt zich Portugeesch West-Afrika uit, met het schoon gelegen Loando en Benguela. De uitvoer van katoen en suiker wordt hier steeds belangrijker. In de binnenlanden doen vele Portugeesche kolonisten zich kennen als gewetenlooze slavenjagers, niettegenstaande de slavenhandel verboden is.
In 1885 vertrok uit Nederland eene expeditie onder leiding van den Soematra-reiziger Veth. Van Mossamedes uit zou men trachten eene reis door de binnenlanden naar Zanzibar te maken, maar reeds in 't begin stierf Veth aan tropische koortsen.
Handelskantoren zijn aan deze kusten van Neder-Guinea nog gevestigd; o. a. van de Nieuwe Afrikaanse he Handelsvennootschap te Botterdam, wier nederzettingen B a n a n a tot middelpunt hebben. Verder zijn er kantoren van eenige Ham-burgsche firma's.
De handelsartikelen, die door de negers aan de kustplaatsen worden gebracht, zijn dezelfde als boven werden genoemd; de inboorlingen krijgen daarvoor van de Europeanen katoenen stoffen, snuisterijen, sterke dranken, oude geweren, enz.
De eenige grootere muntstukken, in Afrika geldig, zijn eene Spaansohe munt en de Oostenrijksche Maria Theresia-daalder; de laatste vooral, ter waarde van plm. ƒ2.50 , geldt in Marokko zoowel als in Egypte, in Zanzibar gelijk aan de Westkust, en evenzeer ook in 'thart van Soedan, b.v. op de markten van Bornoe. Als belangrijkste pasmunt geldt in ganscb Afrika bij den handel de „Kaurischelpquot;, die vooral in de zeeën bij de Maladiven wordt gevisebt en eene geringe waarde heeft, doch in groote hoeveelheden wordt vervoerd. De Duitsche reiziger Barth verhaalt, dat hij eens zijne drie paarden verkocht voor 190 000 mosselen, eene som, waaraan 5 menschen een halven dag moesten tellen.
Op den duur kan Centraal-Afrika voor den handel grooter be-teekenis krijgen, wanneer, gelijk boven werd gezegd, plantageproducten zullen worden aangekweekt.
Ten Z. van het Portugeesche gebied heeft in den laatsten tijd de Duitsche regeering van eenige kustplaatsen bezit genomen tot bescherming van bestaande handelsbelangen in die streken en tot
201
het aanknoopen van nieuwe. Het achterland — Da ma ra en Groot Namaqua — vormt Duitsch Zuidwest-Afrika. Het voornaamste punt aan de zandige kust, Walvisch-baai, is echter in handen van de Engelschen. Een ander punt is Angra-Pequena (20:' Z.-B.), d. i. „Kleine Baaiquot;.
Zuid-Afpika.
§ 121. Politieke indeeling:
1. het Kaapland.
2. de kolonie Natal.
T _ . 1 y a / ^- het Betsjoeanenland (Protectoraat).
n g e s c i ^ 4. Rhodesia (Matabele- en M a s h o n a-
1 a n d\
5. Basoetoland, Zoeloeland, enz.
Tt t-, t, iii ( 1. de Zuidafrikaansche Republiek.
II. De Boerenrepublieken!,, _ „ ...... ^ r
2. de Oranje-Vrystaat.
Niet overal zijn de Afrikaansche kusten laag; zoo rijst b.v. in Zuid-Afrika op vele plaatsen het land trotsch en steil uit de zee op, vormt kapen als die van de Goede Hoop, Agulhas („Naaldquot;-kaap), enz.; menig schip verging op de blinde klippen, hier en daar voor de kust.
Ook in Zuid-Afrika is de gemeenschap van het binnenland met de kust uiterst moeilijk; de bodem stijgt terrasvormig; er zijn 3 terrassen, die door bergketens van elkaar worden gescheiden.
De groote zeehavens, die de toegangen tot het land vormen en als 't ware de deuren zijn, door welke 't verkeer met de buitenwereld plaats vindt, zijn:
1. Kaapstad aan de Tafelbaai.
2. Pt. Elisabeth „ „ Algoa-baai.
3. Oost-Londen „ „ Buffalo-monding.
4. Durban „ „ Baai van Natal.
ó. Delagoa-baai.
Het Zuidelijkste of het kustterras is, hoewel smal, het belangrijkste ; 't heeft de bestequot; ligging, de gunstigste natuur, de dichtste bevolking. De Zwarte Bergen scheiden dit terras van het hoogere, de Karroo-vlakte, een steppenland, de meeste maanden droog, maar in de regenmaanden welig weideland.
Deze Karroo-vlakte is, evenals het kustgebied, nog smal in vergelijking van het 3% het groote terras: „de vlakte tot aan de Oranje-rivier.quot; Hier is het nog droger en woester; de rivieren zijn den meesten tijd slechts beddingen. Vrij hooge bergen (tot
1 S 0-1^/£~^ c/l L£^^
T;. -Ar^
Qamp;C lt;-k-w 0lt; ei
rv CU,CM -r-uv
202
2000 M) scheiden deze steppen van de vorige terrassen en van de Westelijke en Oostelijke kusten, b.v. de Nieuweveldsbergen, de Stormbergen en het Drakengebergte.
Het klimaat in Kaapland is warm gematigd en gezond, het herinnert aan Italië.
Uit Indië, China en Europa heeft Z.-Afrika planten en diersoorten gekregen; de inheemsche soorten waren niet rijk.
De runderen zijn er thans van alle diersoorten verreweg 't belangrijkst: voor blanken en inboorlingen is de veestapel de waardemeter van hun vermogen; op de lange reizen, den „trekquot;, wordt 'tvee bij tienduizenden stuks meegevoerd; vleesch is hoofdvoedsel.
De inheemsche schapen hebben lange, dunne haren en worden alleen gefokt tot voedsel. Veel belangrijker en talrijker zijn de ingevoerde soorten, vooral merino's uit Spanje (1773).
De paarden zijn eerst van Java en Perzië en later uit Amerika Ingevoerd; zij lijden veel aan de zoogenaamde „ziektequot;; hebben ze die doorstaan — ze heeten dan „gezoutenquot; —, dan zijn ze duur.
De Angora-geiten, met lang zijde-achtig haar, zijn uit Klein-Azië ingevoerd.
Van de in 'twild levende dieren dienen opgemerkt; zebra's, antilopen en verschillende andere geitensoorten. Van de antilopen leven geheele kudden in de Karroo-vlakte. Verder leven hier tijgers en jakhalzen, en de slangenwereld is talrijk.
Struisvogels komen in 't wild weinig meer voor en ook de groote diersoorten, waaraan Centraal-Afrika zoo rijk is, o. a. olifanten en neushoorndieren, zijn in Zuid-Afrika nu al zeldzaam.
Veeboerderij, schapenfokkerij, struisvogelteelt zijn hoofdmiddelen van bestaan. Landbouw is in Zuid-Afrika nog geene hoofdzaak; maar toch neemt de korenbouw en de cultuur van wijn zeer toe. Tabak teelt bijna ieder neger, die zich met den landbouw afgeeft; want die plant geeft hem een zijner meest gewaardeerde genoegens; rooken en snuiven zijn hartstochten.
De inboorlingen leven bijna uitsluitend van kafferkoren, eene soort van maïs. In de vlakte van de Oranje-rivier zwerven nog enkele Boesmans of Bosch j es mannen, wilden, die van jagen en stelen leven. Verder zijn alle zwarten of in dienst van de blanken, öf onder hunne hoofden. Dit laatste is meer 't geval in de Oostelijke deelen van Z.-Afrika, b.v. Kaffraria, Zoeloe-land, B a s o e t o 1 a n d, enz. In deze streken zijn minstens 10 maal zooveel zwarten als blanken.
De tallooze stammen van 't Zuidoosten worden samengevat onder den naam /ta^er-volken („ongeloovigenquot;). Deze naam is, reeds in
203
de middel-eeuwen door de Arabieren aan al de volken van Oost-Afrika, voorzoover zij den Islam niet aannamen, gegeven.
Het verkeer moet in Z.-Afrika nog veel plaats hebben met den ossenwagen en te paard. De wegen zijn vaak niet meer dan eene kloof in 't gebergte, en er worden maar kleine afstanden afgelegd. Doch reeds heeft de Kaap-kolonie een aanzienlijk spoorwegnet; de hoofdlijnen leiden van de zeehavens naar de goud- en diamantvelden, in 't gebied van de Vaal en van de Oranje-rivier; deze zijn rijk en trekken in de laatste jaren veel kolonisten.
De belangrijkste uitvoerartikelen van Z.-Afrika zijn: goud en diamanten, wol en struisvogelveeren: de uitvoer van 't laatste artikel vertegenwoordigt eene jaarlijksche waarde van ± ƒ 15.000.000. Hadden vroeger, om de kostbare veeren machtig te worden, verwoestende jachten plaats, thans bestaat eene teelt op groote schaal: in 1865 waren in de Kaapkolonie 80 tamme vogels, nu zijn er meer dan tienduizend, al behoudt ook de veer van den wilden vogel grooter handelswaarde.
De cultuur van vruchten neemt toe, doch 't zal nog lang duren eer Zuid-Afrika in dit opzicht met Californië zal kunnen wedijveren. Ook de wijnbouw neemt toe in beteekenis; beide, wijn- en ooftbouw , zijn voornamelijk gevestigd in de buurt van Kaapstad.
Natal, met zijn warmer, hall-tropisch klimaat, heeft talrijke suiker- en theeplantages en allerlei soorten van vruchten. Dit land is de „tuin van Zuid-Afrikaquot; en, wat de natuur betreft, zeker een der beste Engelsche kolonies.
§ 122. Plaatsbeschrijving. Kaapstad (100) is gebouwd in eene vlakte aan den voet van den Tafelberg. De ligging doet in schoonheid niet onder voor die van Napels, hetzij men van uit zee 't panorama aanschouwt, hetzij van den top des Tafelbergs (± 1100 M). — De bevolking is van den meest verschillenden landaard : Engelschen en Hollanders zijn de heerschende elementen ; Kaffers fungeeren vooral als bedienden.
Ondanks de opening van het Suez-kanaal nemen zeilschepen nog in den regel hun weg om de Kaap, en Kaapland zelf krijgt steeds meer belangrijke verbindingen en wint in beteekenis voor den handel (geregeld stoombootverkeer met Southampton en Plymouth).
Van de 17' eeuw, den tijd, toen Engelschen en Hollanders ook in de zeeën van 't Zuidelijk halfrond met de Spanjaarden en de Portugeezen gingen wedijveren, dagteekent ook het Engelsch bezit van St.-Helena (1673;. Zijne beteekenis voor de scheepvaart is niet groot meer en 't eiland kost Engeland -betrekkelijk veel; doch het wordt om strategisch belang, als „citadel van den Zuidl. Atl. Oceaanquot; gehouden. Het aantal bewoners is 5 a 6000.
204
De omstreken van Kaapstad zijn schilderachtig, met talrijke villa's en kleine dorpjes (Zeepunt, Wijnberg, enz.). Wat verder, doch met den spoortrein gemakkelijk bereikbaar, liggen aanzienlijke dorpen, als Stellenbosch, de Paarl, enz.
Kaapstad is verder de zetel der Regeering: hier woont de Gouverneur, die door de Kroon wordt benoemd, en hier vergadert het Kaapsche Parlement („Zelfregeeringquot;), in welke vergaderingen het Hollandsch gelijke rechten heeft met het Engelsch (evenals ook voor de rechtbanken en in de regeeringsstukken\
Pt.-Elisabeth (25) (genoemd naar de gemalin van een der Gouverneurs) is de tweede haven en heeft eene belangrijke markt, vooral voor wol en struisveeren.
Oost-Londen is ook een drukke havenplaats, terwijl verder Grahamstown en King Williamstown in dit deel der kolonie de aanzienlijkste plaatsen zijn.
Merkwaardig is het, dat, terwijl in 't district om Kaapstad heen het Hollandsch element overweegt, hier, in 'tZuidoosten der kolonie, alles Engelsch is; de geschiedenis der Kaap-kolonie geeft de verklaring: toen het land Engelsch werd (1806). lag 't Zuidoosten nog nagenoeg geheel braak, en daar bracht de Engelsche regeering landverhuizers heen, eenmaal zelfs 5000 tegelijk (1820).
Kimberley is na Kaapstad de grootste stad, het middelpunt der diamantvelden.
Andere plaatsen, als Beaufort, Gjaaf Reinet enz., zijn dorpen, die meerendeels hun naam dragen naar Hollandsche en Fransche families, die door er zich neder te zetten tot de stichting aanleiding gaven.
Natal; grootte ±11 X Nederland; bevolking ± i millioen. Deze kolonie, ingelijfd in 1843 en thans geheel Engelsch, ligt in het gebied der Kafferstammen, welke geheel Z.O.-Afrika bewonen. De naam Natal herinnert aan het eerste bezoek van Europeanen. (Vasco da Gama, Kerstmis 1497'.
^ Vóór de 19' eeuw werd dit van nature rijk gezegende land niet gekoloniseerd. Toen de „Groote Trekquot; der Boeren uit de Kaap-kolonie plaats had (1835—'38). zagen al spoedig „voortrekkersquot;, als Pieter Ketief, de voordeelen, die deze landstreek aanboden. Dat de machtige Kaffer-koning Dingaun hier heerschte, schrikte niet af: Eetief wist zelfs eene koop-acte van een bepaald gebied te krijgen, doch viel toen niet een 60-tal tochtgenooten als offer van een verraderlijken moord. En die moord was Dingaan niet genoeg; zijne benden overvielen de in aantocht zijnde Boeren-afdeelingen en op de plaats, waar nu het dorpje Weenen ligt, vonden talrijke huisgezinnen in enkele dagen een bloedigen dood. Wraak op Dingaan werd genomen in den slag aan de
205
Bloed-rivier. De herinnering aan dit feit wordt nog altijd in de meeste kerken „van Zuid-Afrika op den 16en December, „Dingaansdagquot;, gevierd.
De stichting van de vrije Bóeren-republiek Natalia volgde, doch de regeering der Kaapkolonie trad al spoedig op met de verklaring, dat zij de uitgetrokken Boeren bleef beschouwen als onderdanen der Britsehe kroon en, hoezeer daartegen ook werd geprotesteerd, Natalia kreeg eene Britsehe bezetting en Britsehe ambtenaren f1843). Weldra besloten de Boeren andermaal te trekken ! De onder bloed en tranen verkregen woonplaatsen werden prijs gegeven ; op nieuw bet Drakengebergte over, de wildernis in, eene onzekere toekomst tegemoet, dat alles liever dan geregeerd te worden door den toen zeer gehaten Engelschman !
Deze nieuwe uittocht verhaastte de stichting der Republieken in 't gebied der Oranje-rivier.
Gelijk reeds gezegd is, heeft Natal eene bijzonder gunstige natuur. De Kaffers (Zoeloe's) maken 't hoofddeel der bevolking uit (d. i. naar de getalsterkte). Verder zijn er veel Indiërs (ongeveer evenveel als blanken, 40 tl 50 duizend); zij werken op de plantages of leven in de steden van kleinhandel, enz.
Durban (26) is in bevolkingscijfer de 4e stad van Zuid-Afrika; de haven is levendig en de plaats zelf eene der fraaiste en aangenaamste in dit deel der wereld, vooral 's winters. In den zomer is het er te heet.
Maritzburg- — eigenlijk Pieter Maritzburg, naar 2 voortrekkers. Piet Retief en Gert Maritz — is de hoofdstad, zetel van den Gouverneur en het Parlement; niet zoo levendig als Durban, meer eene ambtenarenstad en marktplaats voor de boeren. — De spoorweg leidt van Port Natal langs de hoofdstad en verder naar Vrijstaat en Transvaal.
De Zuid-Afrikaansche Republieken.
§ 123. In 1652 stichtten de Hollanders voor het eerst in Zuid-Afrika een vast station en legden aldus den grond tot de Kaap-koloniën. Toen de Engelschen in 't begin dezer eeuw meester werden in Kaapland, trokken vele Hollandsche boeren al spoedig met al hunne bezittingen Noordwaarts en uit dezen trek ontstonden in 't gebied der Oranje-rivier 2 republieken, nl. de Oranje-Vrijstaat (naar de rivier) en de Transvaal (= aan gene zijde van de Vaat). Deze laatste draagt thans den naam van Zuid-Afrikaansche Republiek.
Dikwijls rezen er verwikkelingen tusschen de Engelsche regeering en de Boeren, tot in 1852 en '54 de later zoo veel besproken verdragen gesloten werden, waarbij de Eng. regeering de onafhankelijkheid der republieken waarborgde.
Naast deze eerste moeilijkheid in Zuid-Afrika, „de verhouding van bet Engelsche en het oud-Hollandsche elementquot;, staal een tweede: de Boeren
206
kwamen meermalen in botsing met de stammen, die in de buurt wonen, nl. de Kaffers, de Hottentotten en de Boschj esmannen. Deze stammen leefden vaak van veeroof en dan zochten de Boeren weerwraak door expedities tegen die lieden.
In 1877 lijfde Engeland de Transvaal in, doch de Transvalers toonden hun afkeer van het Engelsche bestuur en hun ernst tot verzet, waarna het kabinet Gladstone de inlijving ongedaan maakte. De vrijheidskrijg openbaarde , hoe in de gesloten natuur van den Afrikaanschen boer de geest der Geuzen-vaderen niet is uitgedoofd en terwijl de geweerschoten knalden, schreef de pen een Volkslied, dat wel waard is — ook om een denkbeeld te geven van de taal, door onze stem gen ooten gesproken — hier een plaatsje te vinden :
TRANSVAALSCH VOLKSLIED.
1880.
1. Di vierkleur van ons dierbaar land,
Di waai weer o'er Transvaal;
En wee di Godvergeten hand.
Wat dit weer neer wil haal!
Waai hoog nou in ons helder lug,
Transvaalse vrijheidsvlag!
Ons vijande is weggevlug.
Nou blink 'n blijer dag.
2. Veul storme het jij deurgestaan ,
Mar ons was jou getrou;
En nou die storm is o'ergegaan,
Wijk ons nooit weer van jou.
Bestormd deur Kaffer, Leeuw en Brit,
Waai jij steeds o'er hul kop,
En tot hul spijt anskou hul dit,
Ons hijs jou hoger op!
3. Met lage lis haal Albion
Ods vlag verraadlik neer,
En doet toen net al wat hul kon
Dat ons hul vlag moes eer,
„Ons sou dan alles daarbij wen,
„'n Telegraaf en spoor,
„Als ons di Rooivlag wil erkenquot; —
Mar dit wou ons ni hoor.
4. Vier jaar lank het ons mooi gepraat,
Om weer ons land te krij;
„Ons vraag jou, Brit, geen goed of kwaad,
„Gaat weg, en laat ons blij!quot;
207
Jlar toen di Brit ons nog vererg,
Toen vat ons di geweer;
Ons was al lank genoeg geterg;
Nou kan ons toch ni meer.
5. En met Gods hulp het ons di juk
Van England afgegooi;
Ons is weer vrij, geluk, geluk!
Nou waait ons vlag weer mooi!
Dit het ons heldebloed gekos.
Mar England nog veul meer;
So het di Heer ons weer verlos;
Ons geef Hem al di eer.
6. Waai hoog nou in ons heldre lug,
Transvaalse vrijheidsvlag!
Ons vijande is weggevlug,
Ons blink 'n blijer dag.
Waai hoog nou o'er ons dierbaar land.
Waai. Vierkleur van Transvaal!
En wee di Godvergeten hand,
Wat jou ooit neer wil haal!
§ 124. Eene gewichtige zaak is in Zuid-Afrika de sjioorweg-aanleg: in vele streken, vooral in de Transvaal, is de reiziger vooralsnog aan de ongenade van de ossenkarren overgeleverd. Het is waar, dat de wegen soms mijlen ver over zacht golvende velden loopen, met een vrij glad oppervlak; maar nu en dan staat men plotseling voor een „spruit,quot; een bergstroom, die met woeste vaart tusschen hooge oevers spoelt en somtijds een 10- of 20-tal wagens dagen lang ophoudt, omdat men wachten moet, tot hij minder gezwollen en doorwaadbaar is.
üelijk boven reeds gezegd is, leiden de Kaapsche spoorwegen van de 3 Kaapsche zeehavens (welke?) naar de diamant- en goudvelden. De Natalsche spoorweg verbindt den Vrijstaat en de Transvaal met Durban. Dit is een der mooiste spoorwegen van Zuid-Afrika en geeft op vele plaatsen natuurtooneelen te zien, welke niet onderdoen voor die van de Zwitsersche s23oorwegen of de Schwarzwaldbaan. De weg leidt door Natal en daarna over het Draken- of Kath 1 amba-gebergte, dat bekend is door de gevechten van de Boeren tegen de Engelschen, o. a. bij Spitskop.
De spoorweg van Lor en 50 Marquez aan de Delagoa-baai naar Pretoria is in 1895 voltooid, waardoor 't aantal concur-reerende zeehavens in Zuid-Afrika thans tot 5 is gestegen.
Veeteelt is ook in dit deel van Afrika hoofdzaak; de natuur is
208
voor schapenfokkerij dan ook zeer geschikt. Wol, huiden, struisvog-elveeren zijn — naast het goud en de diamanten — de
artikelen van uitvoer.
Er zijn uitstekende paarden; de groote afstanden tusschen de bewoonde plaatsen worden dan ook steeds te paard afgelegd, evenals de jacht te paard geschiedt. Men jaagt er allerlei soorten van geiten en kleiner wild.
Waterarmoede is voor vele streken het ongeluk. Het klimaat is anders over 't geheel zeer gezond en bij voldoende besproeiing zouden vele producten kunnen worden verbouwd, die nu moeten worden ingevoerd. Gemis aan voldoende bevolking en 't ontbreken van verkeerswegen staan echter de ontwikkeling dezer landen nog in den weg. In den Vrijstaat is het, door de hooge ligging des lands, voor Europeanen zeer geschikt; in Transvaal is het op het „Hooge Veldquot;, d. i. de hoogvlakte, die de waterscheiding tusschen de hoofdrivieren des lands uitmaakt, even goed. Komt men Noordelijker, dan heeft men soms last van de hitte en, evenals in onze Oost, van koortsziekten, gelijk aan de kusten van het tropische Afrika.
In het Transvaalsche woont men doorgaans nog ver uiteen; niet weinigen leiden daar voorgoed of bij wijlen een jagersleven; in 't algemeen is hier meer dan in Vrijstaat nog neiging tot „verwilderingquot;.
Eene groote verandering in de Zuid-Afrikaansche toestanden is echter ontstaan voornamelijk ten gevolge van de ontdekking der goudvelden. Het aantal landverhuizers nam in de laatste jaren sterk toe en , evenals in 't midden dezer eeuw sommige streken van Oalifornië en Australië, werden verscheiden gedeelten van Transvaal in korten tijd betrekkelijk dicht bevolkt. Er ontstonden levendige stadjes, van welke er een thans reeds de aanzienlijkste plaats in Zuid-Afrika is. Waar in 1886 niets was te zien dan een woest en eenzaam veld, ligt thans Johannesburg, met meer dan 100 000 inwoners; hier is het centrum van de goudmijnen van Witwatersrand. Een paar uur sporens van hier ligt Pretoria, de zetel der Regeering. De plotselinge vooruitgang van de Republiek heeft Pretoria van een onbeduidend dorp tot eene aanzienlijke plaats gemaakt, doch natuurlijk met een geheel ander karakter dan Johannesburg.
Een ander middelpunt van goudvelden is Barber ton; hier is alles echter op veel kleiner schaal dan „aan den Randquot;.
De aanzienlijkste plaatsen in de Transvaal liggen verder bijna alle in 't Zuiden des lands, meer of minder dicht bij de Vaal-Het zijn groote dorpen, meest met wat mijnbouw en verder de
209
marktplaatsen voor de talrijke boerenbevolking, zooals Potchef-stroom, Klerksdorp, Krugersdorp en Heidelberg.
De hoofdplaats van den Vrijstaat, Bloemfontein., is een „Pretoria in 't kleinquot;. Verder liggen ook in deze Republieken eenige grootere en kleinere dorpen op aanzienlijke afstanden van elkaar en voornamelijk bestaande als marktplaatsen voor de boeren in 't rond , b.v. Kroonstadt en Harry smith.
§ 126. De grootte van de politieke deelen van Z.-Afrika wordt nog zeer uiteenloopend voorgesteld. Transvaal, vergroot door de aanhechting van Zwaziland (1893), is stellig wel 10 x Nederland (dus b.v. als Italië), Oranje-Vrijstaat is ongeveer half zoo groot als Transvaal; Kaapland overtreft beide te zamen.
Het aantal inwoners is aan die grootte lang niet geëvenredigd:
1. Europeanen, in Oranje Vrijstaat it 90000, meest van Hollandsche afkomst, de „Boerenquot;; in de Z.-A. Eepubliek ± 1ji millioen, tendeele de „Boerenquot;, de oude bevolking, ten deele de „Uitlandersquot;, vreemden van allerlei nationaliteit.
In de Kaapkolonie is 't aantal blanken ± 1/2 millioen, voor de helft Engelschen, verder meest afstammelingen van Hollandsche en Fransche kolonisten; in Natal ± 50 000, bijna uitsluitend van Engelsche afkomst.
2. Kaffers, 2 a 2'/a millioen; zij vormen naar de getalsterkte het hoofdelement der bevolking in Z -Afrika, vooral in het Z.-O. In sommige deelen van Z.-A. zijn zij Christenen en meest in dienst bij de blanken, in andere streken staan zij nog onder eigen hoofden.
De hoofdstammen zijn; de Zoeloe's, in Zoeloeland, ten N. en de Basoeto's, ten W. van Natal.
3. Hottentotten, ten W. van de Kaffervolken. Zij leven in dienst van de blanken, zoowel op de boerenplaatsen als op de dorpen.
De Boschjesmannen, echte wilden, zijn bijna verdwenen.
De groote woestijn van Z.-Afrika ten N. van de Oranje-rivier, de Kalihari, wordt door enkele Hottentot-stammen bewoond, de Nama's en de Damara's.
Wat de dichtheid van bevolking betreft, staat Z.-Afrika ongeveer op eene lijn met den Noordrand van het werelddeel; beide deelen zijn zeer schraal bevolkt.
14
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk.
210
Oost-Afrika.
§ 127. I. Poptugeesch gedeelte. Van de bovengenoemde Dela-goabaai tot Kaap Belg ado, 10° Z. B., is de kust onder Portu-geesche heerschappij.
De lage kustlanden zijn ongezond, moerassig, nog minder bewoond dan het tropische Afrika aan de Westzijde.
Er zijn enkele nederzettingen, meest op koraal-eilandjes vóór de kust. Mozambique is het hoofdpunt, de zetel van den Portu-geeschen gouverneur en onder de handelsstadjes 't aanzienlijkst. De handelsartikelen moeten ook hier door negers uit de binnenlanden worden aangebracht: ivoop, kopal, was, gom, stofgoud.
Aan de Beneden-Zambezi zijn enkele forten gebouwd, o. a. bij de marktplaats Te te, tot waar stoombooten de rivier kunnen opvaren. Andere wegen zijn er in de binnenlanden niet.
De grootte van deze Portugeesche bezitting kan niet worden opgegeven; evenmin is het juiste bevolkingscijfer bekend, doch men krijgt een denkbeeld van een en ander, als men weet, dat er op eene oppervlakte van ongeveer tweemaal het Duitsche rijk wellicht nog geen 2 millioen menschen wonen. Van het Euro-peesch element krijgt men een idee door op te merken, dat in Mozambique, de hoofdstad, ± 750 Europeanen wonen.
De bevolking is dus uiterst schraal; zij bestaat uit negers van S o f a 1 a en van Mozambique. Dikwijls worden deze negerstammen met die, welke meer Noordwaarts wonen, samengevat onder den naam Soeaheli, d. i. „kustmenschenquot;; zij zijn sterk met Arabieren vermengd en belijden den Islam. Verschrikkelijke slavenjachten hebben hier de binnenlanden ontvolkt.
De Kolonie heeft eene kleine militaire bezetting: negers onder Portugeesche officieren. Eenige oorlogsschepen bewaken de kust.
Westwaarts grenst dit Portugeesche gebied aan het Noordelijke gedeelte van Britsch Gentraal-Afrika.
II. Duitsch Oost-Afpika strekt zich langs de kust uit van de Rovoema tot dicht bij M o m b a s, raakt in het binnenland aan de drie groote meren Njassa, Tanga-Njika en Victoria-Nyanza en heeft op zijne Noordgrens den Kilima-Ndzj aro. Het staat onder een gouverneur, die te D a r-e s-S a 1 a m (= land des vredes) resideert. Een spoorweg van Tanga naar de Victoria-Nyanza is in aanleg. Tot heden is Bagamojo het uitgangspunt van de draagkaravanen.
Onder de handelsartikelen is het ivoor het meest gezocht. Nog is gansch Centraal-Afrika , van de Sahara tot in 't Zambezi-gebied , rijk aan olifanten, vooral in de streken bij de groote rivieren en meren , in de Oostelijke stre-
211
ken meer dan in de Westelijke. Toch vermindert het getal dezer dieren: naar berekening worden jaarlijks 60 ii 70 000 olifanten gedood. De tanden wegen gemiddeld 50 KG, enkele zelfs meer dan 100 KG. De Arabieren, Perzen en Indiërs zijn de handelaars.
Duitsch Oost-Afrika bestaat uit eene lage kuststreek en een hoogland. Hoewel in de kuststreek de kokospalm welig tiert en de inboorling er met succes katoen en maïs verbouwt, is het klimaat er zoo ongezond (koortsen!), dat het oprichten van landbouwkoloniën er onmogelijk is. Het hoogland bereikt in den Kilima-Ndzjaro, een oude vulkaan, welks top in eeuwige sneeuw gehuld is, eene hoogte van 6000 M. Velerwegen is dat hoogland door de natuur rijk gezegend: de inboorlingen planten b a n a n e n, en onderscheidene maatschappijen hebben er uitmuntende koffie-en tabaks-plantage's.
Voor de kust liggen talrijke koraaleilandjes. Natuurlijke havens zijn er zeer weinig. Groote schepen moeten haast overal op vrij grooten afstand van de kust blijven. Vele plaatsen liggen op eilanden voor de kust. Dit is o. a. het geval met Zanzibar (70), de belangrijkste handelsstad van de geheele Oostkust van Afrika. In den N. O. moesson wemelt het in de groote haven dezer stad van Aziatische, Europeesche en Afrikaansche schepen. De Euro-peesche schepen voeren vooral Engelsche en Duitsche fabrikaten in. Uit Arabië en Indië komen jaarlijks wel 30 a 40 000 kooplieden, om ivoor, koren en specerijen te koopen.
HI. Zanzibar was vroeger een machtig sultanaat. Thans echter is het beperkt tot de eilanden Zanzibar en Pemba. De sultan is niet meer dan een machteloos vazal van Engeland (sedert 1891, ruil met Helgoland).
TV. Britseh Oost-Afrika strekt zich langs de kust tot aan de Dzjoeba uit en binnenwaarts tot den 10™ parallel N.B. Verder ligt aan de Noordkust der Somali-landen een gebied met de niet onbelangrijke uitvoerhaven Berbera (struisveeren, koffie en huiden), 's Winters is deze plaats goed bevolkt (50), doch in den zomer bijna verlaten.
In het midden van Britseh Oost-Afrika verheft zich de hooge Kenia. De hoofdplaats is Mom bas, van waar uit de Engelschen een spoorweg aanleggen naar de Victoria-Nyanza en naar Oeganda.
Zoo wordt het gebied van de groote meren vooral door den invloed van de Engelschen en de Duitschers gaandeweg voor .den handel van meer beteekenis. Stoombooten bevaren reeds deze meren.
14*
212
Ook zendelingen zijn in deze streken werkzaam, doch onder de grootste moeilijkheden van den kant der Mohammedanen. Her
haaldelijk, o. a. in 1892, gaf godsdienstig fanatisme aanleiding tot aanvallen op de blanken en tot tooneelen van moord.
213
De volken in dit gedeelte van Afrika zijn in een groot aantal afzonderlijke stammen verdeeld ; de meeste leiden eene nomadische levenswijze. Waar zij water en gras vinden, legeren zij zich dikwijls maanden lang en bouwen groote steden van hutten , die met ossenhuiden of gras bedekt en met eene heg van doornen en groeven omgeven worden, teneinde tegen een overval beveiligd te zijn. Zij leven doorgaans van melk, boter, honig en vleesch; van den akkerbouw hebben sommige dezer volken een grooten afkeer, dewijl zij meenen, dat het gebruik van granen den mensch verzwakt en slechts voor verachte volksstammen past. Wanneer het hun aan vee ontbreekt, dan ondernemen zij rooftochten, waarbij zij alles verdelgen, wat hun in handen komt. Hunne wapens zijn spietsen, groote, lange schilden en knotsen, waarmede zij met de grootste zekerheid werpen. Van tabak houden zij hartstochtelijk , doch gebruiken dien meer tot snuiven dan tot rooken; als drank is het honigwater algemeen.
In deze landen is het leven van een mensch van geringe waarde; jaarlijks voeren, ook nu nog, slavenschepen honderden weg naar de markten van Arabië. De negerdorpen worden door slavenjagers overvallen; den gevangenen wordt een stuk hout, in den vorm van eene vork, om den hals gedaan en met gebonden handen worden zij aan elkaar geketend ten getale van zes tot tien, waarbij ze nog zware lasten op het hoofd moeten dragen. Wel tracht vooral Engeland, en in den laatsten tijd ook Dnitschland, den uitvoer van slaven te bemoeilijken, doch deze taak schijnt tot nu toe onuitvoerbaar.
V. De Somali-landen strekken zich uit van den evenaar tot de Golf van Aden en worden bewoond door de Somali, een herdersvolk. Het land is rijk aan groote dieren, waarop jacht gemaakt wordt ten behoeve van menagerieën. Verder Westelijk wonen de strijdlustige Gal la-stammen, die landbouw en veeteelt uitoefenen. Hun gebied is een overgang tot Abessinië.
Vooral op de Oostkust der Somali-landen en op de Zuidwestkust der Roode zee (E r y t h r a e a) hebben de Italianen invloed gekregen. Hunne hoofdplaats is daar het ongezonde Massaoea, op een koraaleiland. Massaoea is de haven van Abessinië, waarmee het eerlang door een spoorweg zal zijn verbonden. Toch hebben de Italianen mot hunne kolonisatieondernemingen in Oost-Afrika niet veel succes. In 1896 werd er een Italiaansch leger bijna geheel vernietigd.
§ 128. VI. Abessinië is een oud rijk, dat zich eenmaal zelfs tot over Zuid-Arabië uitstrekte; thans is het van de zee zoo goed als afgesloten. Het is een trotsch Alpenland; de hoogste toppen reiken tot x 5000 M. De natuur geeft duidelijk verschillende gordels aan:
1. De tropische wouden, jachtgebieden der reusachtige diersoorten. Hier vallen zware regens: een deel van het water, dat den Nijl later in Eigenlijk-Eg3rpte doet overstroomen. Katoen, suikerriet
214
en koffie kunnen in dit en het volgend terras worden verbouwd.
2. Het volgend gebied komt in klimaat met Z.-Spanje en Italië overeen. Van dichte bevolking of groote steden is echter geen sprake bij de slechte politieke toestanden, de onvoldoende verkeerswegen, enz.
3. In de hoogere landen zijn uitgestrekte weiden; de veeteelt is er het hoofdmiddel van bestaan.
Op eene oppervlakte zoo groot als die van Frankrijk wonen nauwelijks zooveel menschen als in Parijs, 't Is echter een krachig volk, in naam sedert oude tijden Christenen.
In 186S heeft Engeland oorlog gevoerd niet Abessinië, en gelijk militaire expeditiën in de vreemde werelddeelen zoo dikwijls de aardrijkskundige kennis uitbreidden, is bij die gelegenheid de bekendheid met het land veel vermeerderd. In dien oorlog kwam de „Negusquot;, d. i. Keizer, om.
Daarna zijn er burgeroorlogen geweest; strijd met de naburige, krijgshaftige Galla-stammen en tweemaal oorlog met Egypte. In de langdurige verwikkelingen der laatste jaren in Egypte en Soedan heeft Abessinië zich echter niet gemengd.
Gondar was doorgaans de hoofdstad; tegenwoordig is het Debra Tabor, niet ver van het Tana-meer; maar meestal hebben zich de deelen van het groote Alpenland als zelfstandige rijken beschouwd, nl. Tigré, Amhara en Sjoa. Als haven voor Abessinië kan M a s s a o e a gelden, zooals straks reeds gezegd is.
VIL De havens aan de Roode zee hebben geene groote han-delsbeteekenis; aan de kusten zijn koraalklippen en achter de kusten beginnen dadelijk de woestijnen. Uitgevoerd worden o. a. wilde dieren voor de menagerieën in Europa; Arabische g'om is een hoofdartikel; verder koraal.
De Noordelijke havens Soeakim en Kosseïr zijn belangrijk als de plaatsen, waar de Mekka-gangers zich inschepen.
Van de rotseilandjes in en bij Bab-el-Madeb (= Poort der Tranen) heeft Engeland Perim bezet en versterkt. De Franschen hebben aan deze straat ook een punt bezet, O bok, thans eene strafkolonie, in de eerste plaats voor Arabische gedeporteerden.
Sokotora is niet belangrijk; Engeland heeft het in bezit genomen als een „sleutel in de Golf van Adenquot;.
VIII. Madagaskar, nu eene Fransche bezitting, behoort met Borneo en Nieuw-Guinea tot de grootste eilanden der aarde. De oppervlakte overtreft die van geheel Duitschland, Nederland en België samen.
215
Slechts schijnbaar behoort Madagaskar tot Oost-Afrika: het vertoont daarmede in zijne planten, dieren en menschen weinig overeenkomst. In waarheid is het Oceanisch ; het behoort meer tot den Maleischen Archipel van Zuidoost-Azië. Dikwijls is beweerd, dat Madagaskar en Oostwaarts daarvan gelegen eilandjes de overblijfselen zouden zijn van een verzonken vastland, waartoe ook Ceylon zou hebben behoord. Men gaf aan dat verdwenen werelddeel den naam „Lemuriaquot;, naar een dierengeslacht, de Lemuriden, half-apen. Met zekerheid is dienaangaande echter niets te zeggen.
In de bergachtige binnenlanden zijn tropische, dus dichte wouden. Een deel van het eiland echter bestaat uit dorre steppen, als gevolg van den verticalen vorm des lands in verband met de heerschende windrichting.
In het Westen wonen Negerstammen, de Sakalaven; in de grootere en belangrijke Oostelijke helft wonen Maleiers, w. o. de Hova's, dappere en krijgshaftige volken, die in de laatste jaren zich tegen de Franschen hebben verzet, doch ten slotte gedwongen werden de Fransche heerschappij over hun land te erkennen.
De hoofdstad is Antananarivo, de havenplaats Tamatave.
De talrijke eilandjes om Madagaskar heen zijn deels vulkanisch, deels koraal-rotsen. Mauritius (Eng.) en Réunion (Fr.) zijn belangrijke landen voor rietsuiker; de plantages worden tegenwoordig door Indische koelie's bebouwd.
De Engelsche kolonie bloeit veel meer dan de Fransche, waarschijnlijk het gevolg van de groote energie, die de Engelschen aan den dag leggen overal, waar ze gaan koloniseeren.
Deze op de kaart zoo onbeduidende eilandjes hebben nog de grootte van eene Nederlandsche provincie, als Zeeland of Limburg. Ze zijn veel dichter bevolkt; het bevolkingscijfer voor Mauritius doet zelfs niet onder voor dat der Europeesche industrie-districten. Beide eilanden zijn bergachtig, waterrijk, vruchtbaar en gezond. De taal is meest Fransch. Port Louis (60) en St. Denis (40) zijn de hoofdsteden.
VIJFDE HOOFDSTUK.
AZIË.
LIGGING EN HORIZONTALE VORM.
Opgaven:
1. Geef van de kaart de grenzen van Azië op. In welke opzichten verschilt aan de zijde van Europa de natuurlijke begrenzing van de staatkundige?
2. Op welk halfrond ligt Azië ten opzichte van den evenaar, op welk ten opzichte van den len meridiaan? Welke is de Noordelijke parallel, die door Azië loopt?
3. Welke 5 binnenzeeën vormt de Groote Oceaan aan de Oostzijde, welke 4 de Indische Oceaan aan de Zuidzijde van Azië?
4. Hoe heeten de 3 Zuid-Aziatische schiereilanden; welke zijn de eilandengroepen, die de Oost-Aziatische binnenzeeën van den Grooten Oceaan afsnijden?
§ 129. Azië is het grootste der vaste landen en overtreft Europa bijna 5 maal in oppervlakte (fig. 11).
Geschiedenis en overlevering zoeken in Azië de wieg der menschheid , de oudste beschaving, waarvan wij weten. Van Azië gingen de volkenbewegin-gen uit, die aan Europa de eerste beschaving brachten; doch ook uit Azië kwamen later die woeste stammen, welke zoolang de schrik van Europa waren : Hunnen , Mongolen , Turken.
En gelijk Europa's volken en talen uit Azië afkomstig zijn, zoo hebben ook de meeste nuttige plantensoorten en huisdieren ginds hun vaderland: akkerbouw en veeteelt waren 't oudst in 't gebied van Euphraat en Tigris, Oxus en Jaxartes en bij de groote Indische en Chineesche stroomen.
De drie belangrijkste heidensche godsdiensten — die van Zoroaster, van Brahma en van Boeddha — ontstonden op Aziatischen bodem, gelijk ook de drie monotheïstische : de leer van Mozes , van Christus en van Mohammed.
Aldus is in elk opzicht Azië 't vaderland der beschaving; doch het heeft zich niet gehandhaafd op dit hooge standpunt; naarmate de volken van Europa zich meer ontwikkelden, totdat dit kleine werelddeel in stoffelijk en in geestelijk opzicht 't centrum der wereld werd, naar diezelfde mate ver-
217
zonken de oude cultuurstaten van Azië in een staat van sluimering of van barbaarsehheid, tot eerst in onze dagen sommige van ben tot een nieuw leven ontwaken.
De naam „Aziëquot; beteekent waarschijnlijk „Oostenquot;, is dus synoniem met „Oriëntquot;, „Levantquot; en bad aanvankelijk alleen betrekking op de Westkust van Klein-Azië, spoedig —- reeds in de dagen van Herodotus — op dit gan-scbe schiereiland en dan, naarmate de geographische kennis zich Oostwaarts uitbreidde, op steeds grooter gedeelten van 't werelddeel. Dit was vooral het gevolg van den tocht van Alexander den Grooten, welke tocht — met de Grieksche handelsverbintenissen, die er op volgden — den gezichtskring uitbreidde tot aan 't Indus-gebied.
Venetiaansche kooplieden waren 't vooral, die 'teerst, in de Middeleeuwen, den sluier oplichtten, welke voor de volken van Europa de landen van Centraal- en Oost-Azië bedekten, b.v. Marco Polo, wiens beschrijving van de wonderen , die bij in de machtige rijken van het Oosten had aanschouwd , door zijne tijdgenooten nauwlijks werd geloofd.
Ook monniken, zoo van het Christendom als van den Islam, drongen als „Apostelen des Geloofsquot; door in de woestijnen van Centr.-Azië en tot aan de hoven van het „Morgenlandquot;, en aldus werden inderdaad reeds betrekkingen aangeknoopt tusschen Europa en gindsche verre landen.
Toch was 'taan den Nieuwen Tijd voorbehouden, om de kennis van Azië te vestigen. De ontdekkings- en handelsreizen van de Portugeezen, en vervolgens die van de Engelschen en Hollanders, openden Indië en, in mindere mate China en Japan, terwijl de IS' en 19' eeuw getuige zijn geweest en nog zijn van tallooze reizigers, die de verschillende deelen van Azië's onmetelijke binnenlanden hebben doorzocht.
Van de lange kustlijnen, die Azië heeft, zijn de Oostelijke en Zuidelijke zeer gebroken; de drie groote schiereilanden aan de Zuidzijde, de gordel van eilanden aan den Oostkant hebben groote binnenzeeën gevormd. Toch is het werelddeel in zijn geheel beschouwd eene gesloten massa en veel minder gunstig ontwikkeld dan Europa (fig. 12). Dit is een gevolg van de groote oppervlakte, die het beslaat.
De betrekkelijk korte Aziatische kust langs de Middellandsche zee was reeds in de oudheid zeer belangrijk: in dat gedeelte van Azië woonden reeds vroeg beschaafde volken, en deze hebben over de zee hunne beschaving aan Z.O.-Europa meegedeeld. Omgekeerd ontstonden later talrijke koloniën aan de Aziatische kust en drong de Grieksche invloed in Voor-Azië door (later ook die van de Romeinen, doch in veel mindere mate).
Aldus hadden de landen en volken in dit gedeelte van Azië eene geheel andere geschiedenis dan die in het grootere Achter-Azië. De verdeeling in Voor- en Achter-Azië berust dan ook op dit verschil in ligging ten opzichte van Europa en Afrika, met al de
218
gevolgen, die er voor de volken uit voortvloeiden. Toen Voor-Azië reeds lang geheel bij de Europeanen bekend was, had men tot in de Middeleeuwen, ja tot in den Nieuwen Tijd geheel onbepaalde ideeën van de landen en volken aan de andere zijde van het werelddeel.
De grens tusschen Voor- en Ach ter-Azië kan men het best aannemen bij het Indus-gebied, waar zelfs de tochten van Alexander den Grooten een einde namen.
De volken in de Oostelijke en Zuidelijke landen konden van de ligging aan zee voordeden trekken; die in het groote midden bleven daarvan geheel afgesloten. In het Oosten van het werelddeel ontwikkelden zich beschaafde staten (China en Japan), terwijl in het midden de volken moesten blijven nomadiseeren.
De lange kust aan de Noordelijke IJszee heeft door de hooge breedte lang niet zooveel beteekenis als de drie overige kusten; ze is door ijs bijna altijd afgesloten. Al heeft de beroemde Zweed Nordenskjöld op zijne reis met de Vega de mogelijkheid aangetoond om (volgens het oude plan van Heemskerck, Barentz. en zoovele anderen na hen) van uit Europa door de IJszee Oost-Azië te bereiken, kan men thans niet meer in ernst meenen, dat deze weg ooit een handelsweg naar den Grooten Oceaan zal worden. Gesteld zelfs, dat alle omstandigheden zeer gunstig zijn en ook het toeval volgende reizigers behulpzaam is, dan nog heeft eene reis langs Noord-Azië te groote bezwaren. Nordenskjöld zelf moest overwinteren, toen hij zijn doel, de Beringstraat, tot op enkele mijlen genaderd was en hij grond had te hopen, zijne reis in één jaargetijde te kunnen volbrengen. Door zijne vroegere reizen (naar den Jenisseimond) had hij eene groote kennis verzameld van de ijstoestanden, de stroomingen, de windrichtingen in de Kara-zee; hij was ook meer dan iemand anders op de hoogte van de kansen om door eene der Karapoorten toegang tot de Kara-zee te verkrijgen (om Nova-Zembla heen, tusschen de beide eilanden door, of tusschen Nova-Zembla en Waigat of Waigat en het vastland).
Maar de weg naar Noord-Siberië kan wellicht beteekenis krijgen voor den handel met Siberië zelf en den uitvoer van de massa's ruwe producten, die Siberië in staat is te leveren: Siberië is grooter dan geheel Europa en naast de onmetelijke wToeste streken, die bijna onbewroond zijn, heeft het ook wouden, bebouwbaar land en rijke bergwerken. Het zal noodig zijn, dat de schepen, die naar Ob of Jenissei stoomen, de handelswaren daar gereed vinden, ten einde in éênen zomer de uit- en thuisreis te kunnen volbrengen.
Zijn Azië's Noordelijke kusten ontoegankelijk door 't ijs, ook die van 't Oosten zijn niet zonder gevaren: de Chineesche en Indische
219
zeeën worden gekenmerkt door zware stormen, „typ bon enquot;, d. i. „groote windenquot; (sommigen leiden den naam af van den Chineeschen naam voor Formosa, waar deze wind vaak waait); evenals de orkanen in de Westindische zeeën bewegen zij zich kringvormig voort („kringstormenquot; ot' cyclonen).
Natuurlijke landschappen.
§ 130. Terwijl in Amerika de vormen van ketengebergte en laagvlakte voornamelijk voorkomen en terwijl Afrika vooral door hoogvlakten wordt gekenmerkt, biedt Azië even menigvuldig afwisselende terreinvormen aan als Europa, maar alles op veel grooter schaal: de geweldigste hooggebergten, over duizenden voeten bedekt met eeuwige sneeuw; laagvlakten van buitengewone uitgestrektheid, besproeid door reuzenstroomen en bewoond door eene dichte, nijvere, akkerbouwende bevolking; plateau's, hooger boven den zeespiegel dan Europa's hoogste Alpentoppen en ingenomen door steppen en woestijnen met rondzwervende stammen — dat alles zien wij in Azië vereenigd.
In tegenstelling echter met Europa overweegt in Azië het hoogland (fig. 13). Bijna 2/3 van het werelddeel ligt hoog (boven den zeespiegel); ruim ■/a bestaat uit verschillende groote laagvlakten.
Een tweede punt van vergelijking leert: Europa heeft weinig hoogvlakten of plateau's, die ongunstige, continentale en doorgaans schrale landstreken zijn; bij Azië's hoogland neemt de plateauvorm de grootste afmetingen aan.
Azië heeft dus lang niet zulk een ongunstigen bodemvorm als Afrika, maar staat bij Europa toch ver achter.
Met het oog op de groote tegenstellingen, welke Azië aanbiedt ten opzichte van bodemvorm, klimaat en daardoor planten- en dierenleven en toestand der bewoners, is 't goed een centraal gedeelte te onderscheiden met 4 gebieden, welke zich daaromheen groepeeren:
I. Centraal- of Hoog'-Azië, tusschen Him a la ja in 't Zuiden en
A11 a i-gebergten in 't Noorden, T i ë n-S j a u in 't Westen en C h i n e e s c h e gebergten in 't Oosten.
II. Oost-Azië, of het Oostelijk „moesson-gebied.quot; (Met den naam
„moessonquot; worden de halfjaarlijks afwisselende winden aangeduid, die 't klimaat voor een groot deel bepalen).
220
Tot dit gebied behooren: Eigenlijk China, Mantsjoerije, Korea en de Japansche eilanden.
III. Zuid-Azië, of het tropische moesson- gebied, nl. Voor- en
Achter-Indië en de Maleische Archipel.
IV. West- of Voop-Azië: de landen ten Westen van Indië, ten
Zuiden van Hindoe Koh, Kaspische zee en Zwarte zee. Een gebied, dat in klimaat en voortbrengselen aansluit bij het Middellandsche zeegebied. V. Noord-Azië: van de boorden der IJszee tot aan de gebergten,
welke Centraal-Azië in 't Noorden begrenzen.
De groote Aziatische laagvlakten zijn;
1. De Sibepisehe; in het Noorden toendra's; daarna onmetelijke naaldwouden en hier en daar landbouwstreken; eindelijk uitgestrekte steppen (Kirgiezen).
2. Die van Toeran; grootendeels steppe en woestijn; in enkele streken is echter kunstmatige besproeiing en rijke cultuur.
3. De Chineesche. | Zeer vruchtbaar en dicht
4. Die van den Ganges of Hindostan. i bevolkt.
5. Die van den Indus.
6. Het laagland van Euphpaat en Tigris.
7. De laagvlakten van de Achterindische rivieren.
Het Hoogland van Centpaal- en Achtep-Azië.
§ 131. Wij willen het hoogland van Azië onderscheiden in 1. het Hoogland van Centraal- en Achter-Azië en 2. dat van V oor-Azië.
Deze verdeeling in twee hoofddeelen stemt overeen met de verdeeling , die bij de ligging der Aziatische landen kon gemaakt worden. Wij zagen toen, dat Voor- en Achter-Azië bij het Indus-gebied aan elkaar grenzen; door de Hindoe Koh (d. i. „het Indisch gebergtequot;) hangt ook het Westelijke Hoogland met het Oostelijke Hoogland samen.
I. De groote bergstelsels van Azië verheffen zich als randgebergten op de hoogvlakten; dit blijkt bij het nagaan van de volgende hoofddeelen :
1. De hoogvlakte van de Gobi, d. i. „woestijnquot;, of Sjamo, d. i. „zandzee.quot;
221
2. De hoogvlakte van Turkestan of het Tarim-bekken.
De Gobi en het Tarim-bekken heeten bij de Chineezen te zamen „Han-haiquot;, d. i. „opgedroogde zeequot;. De bedoeling van deze uitdrukking is duidelijk en ook waar ; want de bodem is nog op de meeste plaatsen geheel met zout doortrokken en bestaat op veel plaatsen uit fijn zeezand met overblijfselen van zeeschelpen, enz.
De Gobi is overigens lang niet overal eene woestijn. Er zijn streken, die meer het karakter van steppe vertoonen, en waar de Mongoolsche nomaden genoeg voedsel voor hun vee vinden. Wij wijzen er hier reeds dadelijk op, dat in ethnologischen en staatkundigen zin de Gobi Mongolië heet.
Het Tarim-bekken ligt gemiddeld 1200 M boven den zeespiegel. Het laagste gedeelte, de omstreken van het Lob-nor, liggen nog op 750 M. Alleen de randen van het Tarim-bekken zijn vruchtbaar en goed bevolkt.
3. De hoogvlakte van Tibet, kleiner, maar wel driemaal zoo hoog als het Tarim-bekken is woest en in de meeste streken bijna niet bewoond; er liggen groote zoutmeren.
4. De Kuen-Lun, een ketengebergte met misschien nog grooter kamhoogte dan de Himalaja; 't is het Noordelijke randgebergte van Tibet en het Zuidelijke van Oost-Turkestan.
5. Tiën-Sjan, d. i. „Hemelsch gebergtequot;, ten N. van Oost-Turkestan. Na den Himalaja is dit het machtigste bergstelsel van Azië. Op ge1'.jke parallel met de Pyreneën en den Kaukasus, strekt het zich van 't W. naar 't O. uit, over meer dan 400 uren gaans en is l'/a maal zoo breed als de Alpen: de laatste zouden van de Lombardijsche vlakte tot Kegensburg en Karlsruhe moeten reiken, om in dit opzicht met het Hemelsch gebergte gelijk te staan.
Aan de Noordzijde van den Tiën-Sjan ligt Dzoengarye, aan de Zuidzijde Turkestan. Door deze ligging waren deze beide landen de gewichtige passagelanden, door welke in de dagen der volksverhuizing en later in de Middeleeuwen de Mongoolsche volken Westwaarts trokken; hier loopen ook de groote verkeerswegen van China naar Voor-Azië en Z.O.-Europa (Theestraat, Zijdestraat). Sinds de openstelling der Chineesche havens hebben echter deze karavaanwegen hunne grootste beteekenis verloren.
6. De talrijke bergstelsels, die den Noordrand van Achter-Azië vergezellen, verheffen zich meerendeels in Z - en Z.O.-Siberië. Het belangrijkste gedeelte is de ertsrijke Altai, d. i. het „Goud-gebergtequot;. Verder o. a. het Sajanisch geb. en het Daoerische Alpenland, mede met rijke mijnen.
Hier aan dezen Noordrand liggen talrijke meren, w. o. het
222
Baikal en Balkasj de grootste zijn. Hier ook ontstaan de bron-rivieren van de drie groote Siberische stroomstelsels.
7. De Oostelijke randgebergten. Hierbij onderscheiden wij; het Alpenland van Mantsjoerye en het Chineesehe bergland. Voor de talrijke bergstelsels, die zich in China verheffen, bestaan geen algemeen erkende namen.
Daar deze randgebergten het eigenlijke China nog niet voldoende beveiligden tegen de volken uit Centraal-Azië, werd de Chineesehe muur gebouwd. De bouwvallen liggen nog in het Hoangho-gebied. De muur verloor in de 17' eeuw hare beteekenis, toen China door de Mantsjoes (Tataren) werd veroverd.
8. De Himalaja, d. i. „woonplaats der sneeuwquot;, vormt als een ontzaglijke muur den Zuidrand van het groote Aziatische hoogland en scheidt de Indische landen en volken van het overige werelddeel.
Tusschen den scherp geteekenden Indus-doorbraak en dien van den Brahmapoetra heeft dit ketengebergte eene lengte van meer dan 400 uur gaans. Maar het is minder deze lengte, die het kenmerkt , want daarin staat het nog ver achter bij de Amerikannsche ketengebergten; doch door de aanzienlijke kamhoogte onderscheidt het zich vooral: geen pas ligt lager dan de Mt. Blanc (4900 M). Zijne talrijke hooge toppen zijn de hoogste der wereld: de Gau-risankar of Mt. Everest (8840 M), de Dhawalagiri, d. i. „witte bergquot; (8180 M) enz.; 50 toppen reiken tot meer dan 6000 M. De hellingen zijn bijna dubbel zoo steil als bij de Zwitsersche Alpen. Maar bovenal de scheiding, die de Himalaja teweegbrengt, maakt dit gebergte zoo belangrijk.
De indruk is van de Zuidzijde veel trotscher dan van den Noordkant; aan den Zuidkant rust het op de Indische laagvlakte, aan de Noordkant op de zelf reeds ontzaglijk hooge vlakte van Tibet.
De gletschervorming is verbazend, vooral aan den Zuidkant, waar de vochtige winden, die over den Indischen Oceaan zijn gekomen, opstijgen en aanleiding tot aanzienlijken neerslag geven. Aan de zijde van Tibet, waar het klimaat droog is, maakt ook in dit opzicht het gebergte een geheel anderen indruk. De ligging der sneeuwgrens levert dan ook een opmerkelijk, doch gemakkelijk verklaarbaar verschijnsel op; het gebied der eeuwige sneeuw begint aan de Zuidzijde reeds 800 M lager dan aan den Noordkant.
Reeds in § 25 werd opgemerkt, van welke beide factoren het aantal der plantengordels afhankelijk is, die wij op de hellingen der gebergten kunnen onderscheiden. De Himalaja vereenigt alles in zich voor een groot aantal gordels en voor de scherpste tegenstellingen van de tropische wouden tot aan de eeuwige sneeuw.
223
Doorgaans onderscheidt men hier de gordels van; a. palmen en bananen; b. boomvarens, vijgeboomen, palmen; c. myr-then, laurieren en altijd groene boomen; (Z. wisselende loofboomen en Alpenweiden; e. naaldwouden; ƒ. Alpenrozen en Alpenstruiken; g. enkele Alpenkruiden en lage plantensoorten; h. de eeuwige sneeuw.
Na de hoofddeelen van Centraal- en Achter-Azië te hebben opgemerkt, valt het op, hoe de bodemvorm in Azië in de hoogste mate hinderlijk was bij het verkeer der volken : de Indische landen in het Zuiden, de Chineesche landen in het Oosten, de Mon-goolsohe in het midden, de Siberische in het Noorden, zij waren altijd geheel afzonderlijke deelen. In geen werelddeel meer dan in Azië ontwikkelden dan ook de volken zich meer op zich zeiven, bleven zij meer buiten elkanders invloed. Dit is een groot nadeel van Azië's physische gesteldheid, terwijl de vroeger opgemerkte geslotenheid deze strenge scheiding in de hand werkte.
Het Hoogland van Voor-Azië.
§ 181. Ook bij het Hoogland voor Voor-Azië vinden wij talrijke plateau's of hoogvlakten en op de randen hooge ketengebergten. Dit Hoogland strekt zich uit van de Egeesche zee tot de Indus-vlakte. De Perzische Golf en de vlakte van Mesopo-tamië dringen er diep in op. We kunnen hier vier groote plateau's onderscheiden.
1. Hoogvlakte van Iran (o.a. Perzië); randgebergten: de Soli-man-keten; de voortzetting van de Hindoe Koh; de Elboers met de doode vulkaan Demawend (5600 M), e. a. Het binnenland van deze hoogvlakte is voor een aanzienlijk deel steppe en woestijn. Daarentegen hebben soms de randgebergten een weel-derigen plantengroei, vooral de terraslanden, die kunstmatig worden besproeid, b.v. bij Kaboel en Sjiras. Waar Perzië, Afghanistan en Beloedsjistan aan elkaar raken, ligt het moeras H a m o e n.
2. Armenisch Hoogland, bij de bronnen van Euphraat, Tigris en de kleinere Koer. Hier verheft zich de tweetoppige Ararat (5200 M), een doode vulkaan, welks toppen in eeuwige sneeuw zijn gehuld.
8. Het Hoogland van Klein-Azië, dat van het Armenisch hoogland gescheiden is door den Anti-Taurus. Verder naar de kust der Middellandsche zee loopt de Taurus, van welk gebergte het eiland Cyprus eene voortzetting is. Een groot deel van deze
224
golvende hoogvlakte is kalk- of zoutsteppe. Alleen de steile hellingen naar de Middellandsche en Zwarte zee hebben een weelde-rigen plantengroei.
4. De Syrische hoog'vlakte met den Libanon en den Anti-Libanon.
Aldus loopt van de Middellandsche zee tot aan de Japansche zee door geheel Azië een gordel van hoogland, die het N. en het Z. van het werelddeel bijna onoverkomelijk van elkander scheidt; veel sterker dan zulks in Europa het geval is.
Het smalste gedeelte van dien hoogen gordel vormt de Hindoe Koh en op deze omstandigheid berust de groote beteekenis van dit deel van Azië en van den Bami an-weg, die over dit gebergte leidt. Deze Bamian-weg en de Kaboel-weg zijn het, die Toeran (en dus Rusland) met Indië verbinden; langs dezen weg was het, dat in de Oudheid de Ariërs, in de Middeleeuwen de Mongolen naar de vruchtbare vlakte van den Ganges trokken, en hier staan in de laatste jaren de Russen en de Engelschen reeds op korten afstand van elkaar.
Bovendien zijn er op zich zelf staande hooglanden, die geen deel uitmaken van het tot nu toe beschouwde hoogland, al hangen zij er ten deele ook onmiddellijk mede samen. Ze zijn:
1. De ketengebergten van Achter-Indië, die onmiddellijk uit het Chineesche bergland voortkomen.
2. De hoog'vlakte van Dekan met de randgebergten.
3. Het Arabische woestijn-plateau, hier en daar met woeste randgebergten.
De talrijke groote en kleine eilanden aan de O.- en Z.O.-zijde zijn ook bergachtig, evenals de schiereilanden Kamtsjatka en Korea. Deze geheele O.-rand is vulkanisch.
Bij de centrale ligging van het groote Aziatische hoogland is het duidelijk, dat naar alle zijden zich aanzienlijke stroomstelsels kunnen ontwikkelen: alle groote Aziatische rivieren, met uitzondering alleen van Euphraat en Tigris, hebben 'tbrongebied inde randgebergten, welke Centraal-Azië omsluiten. En Azië is rijk aan reuzenstroomen. In fig. 16 zijn onder de voorgestelde rivieren drie Aziatische opgenomen. Even groote en nog grootere heeft het werelddeel er vele; maar deze drie zijn gekozen, omdat ze ook in beteekenis bovenaan staan.
Opmerkelijk is het, dat in Azië verscheiden zoogenaamde twee-
225
ling-rivieren voorkomen: deze hebben hare bronnen dicht bij elkaar, volgen dezelfde hoofdrichting en behooren tot één mon-dingsgebied.
Verder zijn aan Azië in het bijzonder ook step pen-rivier en eigen, wat het continentaal karakter van het werelddeel medebrengt.
Opgaven.
1. Zoek voorbeelden van tweeling-rivieren.
2. Welke soort van monding hebben de groote Siberische rivieren; welke de Chineesche; welke de Indische?
3. Welke zijn de Achterindische rivieren, die in de lengtedalen tusschen de meridiaanketens stroomen?
4. Geef 3 voorbeelden van steppenrivieren met vermelding van het meer, waarin zij eindigen.
Klimaat, planten- en dierenwereld.
§ 132. Azië ligt voor 3I4 in de gematigde luchtstreek en slechts voor '/s in de heete en voor '/'s in de koude. Maar toch hebben het Noorden en het groote midden een veel kouder klimaat, dan in Europa op dezelfde breedten voorkomt: de zee kan lang niet dien matigenden invloed uitoefenen als bij het zooveel kleinere en zooveel meer ontwikkelde Europa; Azië is gesloten, en in de binnenlanden zijn onmetelijke hoogvlakten; eindelijk heeft Europa eene Westkust, Azië eene Oostkust.
I. Noord-Azië. Voor het grootste deel van Azië is dus het karakter van het klimaat continentaal; dit neemt nog toe in de richting van het W. naar het O., zoodat de jaartemperatuur b.v. in West-Siberië nog niet zoo laag is als in Oost-Siberië; de natuur in het gebied van Ob en Jenissei is nog wat gunstiger dan in dat der Lena. Bij de laatste is de grootste koude gemeten, die men kent; men gaf aan de streek der waarneming den naam van „Siberische koudepoolquot; (Jakoetsk heeft eene Januari-temperatuur van — 40° C.).
Evenals in Europa volgen in Noord-Azië de gordels van toendra's, wouden en steppen elkaar op; in den gordel der bosschen is ook de landbouw.
Van de fauna zijn de rendieren en de pelsdieren merkwaardig; belangrijk ook is voor de bewoners de rijkdom aan visschen, zoo zelfs, dat men van „visch-oogstenquot; spreekt.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 15
226
II. Centraal-Azië. Een hoofdkenmerk is hier de groote droogte: de winden, welke over den Grooten of den Indischen Oceaan komen, hebben reeds lang hunne vochtigheid bij de Chineesche of de Indische bergen afgegeven, vóór zij als droge winden over de vlakten van den Gobi enz. strijken.
De beroemde Russische reiziger Prshewalski, die in den winter reisde van Kalgan (bij den Chineeschen muur) over Oerga , zag nergens de sneeuw hooger dan een voet; op vele plaatsen was de bodem zelfs geheel vrij, op andere plaatsen nauwelijks bedekt met eene sneeuw zoo droog als zand. De temperatuur bedroeg — 20° a 40 ^ O., en daarbij waaiden onafgebroken gure N.W.-winden.
Hier liggen dus vooral stoppenlanden; alleen langs de oevers der rivieren ontwikkelt zich in Toeran eene rijke flora, sub-tropisch van karakter. Bij het meer Aral en bij de Kaspische zee sluiten deze streken zich aan bij de Z.-Siberische en de Russische steppen. De Gobi, de Perzische en de Arabische woestijnen hebben aan de andere zijde der Roode zee onmiddellijk eene voortzetting in de woestijnen van Afrika. Alleen de oasen hebben hier eene minder armoedige, soms zelfs eene rijke flora.
Bij de hier nog altijd nomadiseerende volken bestaat de veeteelt uit paarden, schapen en kam eel en. De tweebultige kameel (Bactrianus) bewijst onschatbare diensten voor 't verkeer ook in de met sneeuw bedekte gebergten , gelijk zijn eenbultige naamgenoot in de woestijnen van Voor-Azië en Afrika. Ook in 't wild zwerven hier nog verscheidene van deze en andere diersoorten.
III. Zuid-Azië en Zuid-Oost-Azië. De Indische landen, China en Japan vormen samen het Aziatisch moessou-gebied: een half jaar talrijke regens in den natten moesson , in de andere maanden veel minder. Groot onderscheid bestaat hierbij echter nog tusschen het eene land en het andere.
Het Chineesch-Japansch gebied is zeer vruchtbaar; het karakter van den plantengroei is hier over 't geheel tropisch en in sommige streken sub-tropisch, gelijk in Zuid-Europa.
Bij China en Japan treedt de dierenwereld in beteekenis ver achter bij de plantenwereld. Vooral is dit het geval in de dicht bevolkte vlakten: de bewoners dezer landen leven hoofdzakelijk van plantaardig voedsel. Kenmerkend zijn: de groote vischrijk-dom in rivieren en kanalen (visch is met de rijst hoofdvoedsel), de zijderups, waaraan in China het bestaan van millioenen is verbonden, goud visschen, fazanten en pauwen. Van de wilde dieren komt de t ij g e r in geheel Oost-Azië voor.
IV. De Indische plantenwereld is buitengewoon rijk: rijst, sago;
227
talrijke palmsoorten, w.o. de zoo nuttige kokospalm; specerijen; koffie, suiker, katoen en nuttige houtsoorten
Indië's dierenwereld (Voor-Indië, Achter-Indië, Westl. Insulinde) is in verscheidenheid en talrijkheid waarschijnlijk de rijkste der aarde (niet in heteekenis voor den mensch). In insecten en vogels alleen schijnt ze nog onder te moeten doen voor die van Brazilië.
De olifant is in Indië sedert overoude tijden getemd en bij de Hindoes de koning der dieren, in de dichtkunst verheerlijkt. Op Ceylon leven nog olifanten in kudden.
Onder de talrijke roofdieren treden panter en tijger op den voorgrond. Het verbreidingscentrum ligt in Dekan, maar de tijger komt zelfs voor tot in den Altai.
Apen komen hier niet alleen in verschillende soorten, maar ook in groote troepen voor; sommige worden godsdienstig vereerd.
De vogels munten uit door kleurenpracht, meer dan door stemgeluid. Talrijk en belangrijk zijn de hoendersoorten.
De Indische dierenwereld in haren rijkdom gaat Westwaarts tot Iran, Oostwaarts ongeveer tot het eiland Timor; daar begint het armoedige karakter van Australië.
Bevolking1 en Staten.
§ 133. Azië heeft meer menschen dan de 4 andere werelddeelen samen. In bevolkingsdichtheid volgt het op Europa (fig. 22).
De volken van Azië hebben altijd den grootsten invloed uitgeoefend op den gang der beschaving en den loop der geschiedenis; met het volste recht heet vooral Vóór-Azië, met Z.-Europa en N.-Afrika, in dit opzicht de „oude wereldquot;.
De Chineesche en Indische volken waren wel in even vroegen of' nog vroegeren tijd tot op zekeren trap van ontwikkeling gekomen , maar zij stonden meer op zich zeiven, oefenden minder invloed naar buiten uit.
I. Het Mongoolsche ras bewoont het grootste deel van Azië: het Oosten, Midden en Noorden.
II. De Arische volken wonen in Vóór-Azië en in 't grootste deel van Voor-Indië.
Hl. De Semietische volken (Arabieren en Joden) zijn verspreid over Voor-Azië.
IV. Het Maleisehe ras bewoont Zuid-Oost-Azië, d. i. den Archipel, voor zoover deze physisch tot Azië behoort (de Oostelijke eilanden zijn meer Australisch); voorts Achter-Indië, maar hier steeds meer verdrongen door en vermengd met de Chineezen.
V. De Dravida's, inheemsche bewoners van Dekan en Ceylon.
15*
228
I. Belangrijkste Mongoolsche volken: Chineezen; de met de Ohineezen verwante Amiamieten, Siameezen, Birmanen, Tibetanen ; Japaneezen; Mongolen (volksnaam in engeren zin); Turksche volken, als Osmanen, Turkmenen, Kirgiezen e.a.; Noord-Aziaten, als Toengoezen, e. a.
II. Belangrijkste Arische volken: Hindoes; Perzen; Armeniërs e.a.
III. Belangrijkste Semietische volken: Arabieren en Israëlieten.
IV. Belangrijkste Maleische volken: Javanen; Soendaneezen; Maleiers (volksnaam in engeren zin), die verspreid zijn over den ge-heelen Archipel, liefst levende van visscherij, zeeroof en zeehandel en tot wien o. a. de Atchineezen behooren; Boegineezen, e. a.; de min of meer volken Dajaks (Borneo) en Bataks (Soematra).
Hoewel Azië het vaderland is van de monotheïstische godsdiensten , zijn nog ruim 4/5 van de bewoners, dus meer dan 650 millioen. Heidenen. De zoogenaamd „ontwikkeldequot; heidensche godsdiensten zijn die van Brahma en van Boeddha; de le bij de Hindoes, de 2e bij de meeste Mongoolsche volken.
Veel lager staan de heidensche godsdiensten van de Noordaziati-sche volken, in 'talgemeen „sjamanendienstquot; genoemd; die volken zijn sjamanisten.
De Mohammedaansohe leer heeft in Azië veel meer aanhang gevonden dan het Christendom: de volken van Voor-Azië, Toeran, den Indischen Archipel en een deel van Br.-Indië belijden den Islam.
Vergelijkend overzicht van de voornaamste Staten in Azië naar de volstrekte bevolking in millioen tallen.
Chineesche Rijk 357 millioen.
Britsch-Indië (waaronder de onafhankelijke Indische rijken). (291).
- Japan. (44).
- Staten van Achter-Indië (Annam; Siam; Eng. en Fransch
- Ned. Oost-Indië. (33). gebied). (35)
- Aziatisch-Rusland. (19).
— Aziatisch-Turkije. (15).
— Perzië. (9).
— Korea. (8).
— Spaansche bezittingen. (7).
— Afghanistan. (5).
Onafh. gedeelte van den O.-I. Archipel (3). Onafhankelijk Arable. (2.)
229
Tursch-Azië.
§ 134. Het zwaartepunt der Turksche monarchie ligt in deze eeuw niet meer in Europa, maar in Azië. De natuurlijke verdeeling — in dit geval naar de ligging —, die wij bij het Turksch-Aziatisch gebied kunnen volgen, is:
I. Klein-Azië (Anadolië).
II. Turksch-Armenië en Koerdistan.
III. Syrië met Palestina.
IV. De vlakte van Eu ph raat en Tigris.
V. Turksch-Ara bië.
Voor het bestuur is Turksch-Azië verdeeld in vilajets. De regeering is slecht: al die landen verkeerden vroeger in bloeienden toestand en hadden talrijke belangrijke steden, en nu liggen vele streken woest en zijn de meeste plaatsen vervallen.
I. Klein-Azië (Anadolië, Levant) heeft de grootte van een land als Frankrijk, terwijl de bevolking nauwelijks V-» van die van Frankrijk bedraagt. Het dichtst zijn bevolkt de West- en de Noordkust. Deze kusten zijn steil en hebben uitstekende havens, maar van de vele bloeiende steden uit het Grieksche tijdperk is weinig meer over.
Smyrna (220) is de eenige groote handelshaven. Het heeft uitvoer van Perzische waren; producten van Turksche industrie, vooralge-weven stoffen, wol, zuidvruchten (vijgen, die op Sa mos worden gekweekt), boomolie en wijnen, opium en tabak, spons en koraal. Het verkeer is vooral bij de Oostenrijksche Lloyd.
Aan de Zwarte zee is de aanzienlijkste haven Trebizonde, eene stapelplaats voor belangrijken Perzisch-Europeeschen handel. Trebizonde heeft veel uitvoer van hazelnoten en tabak. De textiel-industrie levert kostbare tapijten.
Broessa (60), vóór Stamboel de hoofdstad van het sultanaat Turkije, was toen veel grooter dan nu, maar is nog altijd belangrijk. Het heeft een spoorweg naar de kust en bloeit door z ij d e-industrie. In de nabijheid der stad zijn meerschuim-groeven. Skoetari (100) is de groote Aziatische voorstad van Konstantinopel.
In het N.W., niet ver van den Hellespont, liggen de ruïnen van Troje (Schliemann).
Het hoofdbestanddeel der bevolking aan deze kusten en op de eilanden zijn de Turken en de Grieken. Onder de belangrijkste eilanden behoort Cyprus. De kopermijnen, waarnaar het eiland reeds in de oudheid werd genoemd, zijn geheel verwaarloosd.
230
Onder Engelsch bestuur (sedert 1S7S) gaat het land reeds wat vooruit. Het levert Cyperwijnen. De sprinkhanen zijn er een groote plaag. Rhodos Tras eens zeer bloeiend; maar de gevolgen van het Turksche bestuur zijn ook hier niet uitgebleven. Chios is in de laatste jaren geheel door aardbevingen verwoest.
De binnenlanden herinneren aan de hoogvlakten in Spanje. Hoofdmiddel van bestaan is de veeteelt: schapen, Angora-geiten, (uit het haar maakt men te Angora de bekende Turksche sjaals), kameelen. De besproeiing laat in de meeste streken veel te wenschen over; er zijn uitgestrekte steppen. De rivierdalen zijn gunstig; daar zijn in de laatste jaren ook de spoorwegen aangelegd, die de producten van het binnenland naar de havenplaatsen zouden vervoeren, maar zij zijn nog te kort. Wat ondernomen wordt, blijft in deze landen meest half voltooid liggen. De belangrijkste rivier is de Halys, thans Kisil Ir mak of Roode rivier, zoo geheeten naar het roode slib, dat er in zweeft.
De bodem is op verscheiden plaatsen vulkanisch, en aardbevingen zijn een gewoon verschijnsel.
H. Turksch-Armenië is in deze eeuw aanmerkelijk verkleind door de veroveringen der Russen, die o. a. in den Krim-oorlog de sterke vesting Kars innamen. Epzepoem (60) bleef nog Turksch en is de hoofdstad des lands.
Armenië en Koerdistan zijn berglanden, bet brongebied van Euphraat en Tigris. Op de grens van Russisch, Turksch en Perzisch Armenië verheft zich de Ararat.
De Armeniërs zijn ten deele herdersvolken. Christenen, die herhaaldelijk, nog weder in de laatste jaren, veel hebben te lijden van de Mahommedanen. Gelijk de Israëlieten leven ook de Armeniërs te midden van verschillende natiën. Waar handel gedreven wordt, zijn zij op hunne plaats, vooral in de landen van Voor-Azië en Z.O.-Europa; te Konstantinopel o. a. zijn vele handels-en bankinstellingen in hunne handen.
De Koerden zijn berucht door hunne roof benden, o. a. op Perzisch gebied, waar de bewoners in den Sjütisoh-Mohammedaan-schen godsdienst van hen verschillen.
De Turken vormen het derde bestanddeel der bevolking; tot hen behooren de ambtenaren, enz.
Diarbekr, aan den....., is met Erzeroem de belangrijkste
plaats, waarover druk karavanenverkeer met Perzië plaats heeft.
III. Syrië is een langgestrekt, hoog kustland; het heeft in het Westen de zee, in het Oosten de groote Syrisch-Arabische woestijn.
231
Evenwijdig aan de kust verheffen zich de ketens van den Libanon en den Anti-Li ban on. De in de oudheid beroemde cederwouden van den Libanon zijn bijna geheel verdwenen.
In het lengtedal tusschen de ketens stroomt de Or on t es.
Een smal kustgebied ten W. van den Libanon is het oude Phoenicië; de zeestroomen van de Afrikaansche kust hebben het Nijlslib medegevoerd en de havens van Phoenicië verzand.
Bij deze natuurlijke gesteldheid van het land heeft het verkeer hoofdzakelijk plaats in de richting Noord-Zuid. Noordwaarts voert de weg naar Klein-Azië door de belangrijke Cilicische bergpassen (Alexander de Groote, de Kruisvaarders).
De in de oudheid zoo belangrijke Syrische havens zijn bijna alle vervallen. De eenige levendige zeestad is thans Beiroet (Be-rytus) (110), dat geregelde stoombootverbinding heeft met Marseille, Triëst, Odessa en Engeland en dat door een spoorweg is verbonden met de hoofdstad Damaskus (180). Deze stad heeft hare betee-kenis, ten minste gedeeltelijk, door alle eeuwen heen bewaard. Plet is met Smyrna de grootste stad van Turksch-Azië en 't middelpunt van de karavaanwegen naar 't N., Z en O. Noordwaarts leiden zij naar Klein-Azië en Stamboel, Zuidwaarts naar Mekka en Oostwaarts naar Bagdad.
De zoogenaamde „Syrische Hadsjquot; (pelgrimswegen) komen in Damaskus samen. De woestijnreis van daar naar Mekka duurt 80 dagen. De „heilige maandenquot; der Mohammedanen maken, dat langs dezen weg een druk verkeer plaats heeft en de steden hebben dan soms 3 a 4 maal zooveel inwoners als in de andere maanden van het jaar.
Al dikwijls heeft de Turksche regeering beloofd, tusschen Damaskus en Bagdad een geregelden postdienst te zullen openen, maar men bespeurt er weinig van. Eene der bekendste oasen in de Syrische woestijn was Tadmor (Palmyra), de palmen-oase, eens met prachtige paleizen en wereldberoemd, thans verlaten. Van deze oase bereikte men den Euphraat bii Circesium, langs een weg in de geschiedenis ook zeer bekend (Nebucadnezar).
Haleb of Aleppo (110) is de derde groote stad in Syrië; 't verkeer tusschen de Syrische kust en Mesopotamië gaat hier langs,
Palestina, het Z. gedeelte van Syrië, heeft eene oppervlakte van 2;3 van die van Nederland. De kust was hier reeds in de dagen van het oude Israël vlak en zandig, waardoor de Israëlieten van de zee waren afgesloten.
Het land is bergachtig, zonder hooge toppen. In het midden strekt zich van het N. naar 't Z. een lengtedal, eene diepe kloof, el Ghor, uit. Door dit dal stroomt de J or daan over eene lengte van omstreeks 60 uren gaans. De bodem van het dal daalt
232
terrasvormig en daardoor ontstaan in de wijdste gedeelten de meren, die de rivier achtereenvolgens doorloopt: Merom, Geneza-reth of meer van Tiberias en Doode zee.
De spiegel van de Doode zee ligt bijna 400 M beneden dien der Middellandsehe zee. El Ghor vormt dus eene inzinking.
De volgende schets is ontleend aan 't verhaal eener reis in Syrië '): „Te paard van Jeruzalem vertrokken, vroeg in den ochtend, kwamen wij tegen twee uur in den namiddag bij den mond van den Jordaan aan. Een oogen-blik later namen wij een bad in de Doode zee, 400 M onder den spiegel der Middellandsehe zee. Ondanks al ons pogen konden wij er niet in slagen ons eens flink onder te dompelen: de dichtheid van bet water is hier grooter dan in eenige andere bekende zee. Drijvende stukken aardpek (asphalt) konden wij verzamelen , en toen wij uit het water kwamen, was ons heele lichaam met een zoutachtig vernis als besmeerd. De temperatum- van het water was aan de oppervlakte 22° C.; die van den Jordaan, een paar uren later en opwaarts gemeten, bedroeg slechts 17°. Inderdaad is de Doode zee niets dan een groot zoutmeer, door de Arabieren zeer eigenaardig Babr-Louth, d. i. „zee van Lothquot;, genoemd. De gansche streek, waardoor wij gekomen waren, heeft een treurig, doodsch aanzien; op enkele schrale weidegronden na is van cultuur geen sprake. Onze weg leidde langs Nebi Mou^a, het graf van Jlozes. Daar Jeruzalem 779 M boven den spiegel der Middell. zee ligt, waren wij bijna 1200 M gedaald, waarbij wij verscheidene keeren duidelijk 't bestaan van vroegere meren konden waarnemen, zoo aan den bodemvorm als aan nog aanwezige poelen. Het groote hoogteverschil is voor 't eerst aangetoond in 1838 en wel door barometrische waarnemingen.quot;
Judea, Samaria, Galilea, Peraea zijn de historische namen van de deelen van het Heilige Land.
Jeruzalem ligt in eene ongunstige streek, eene woeste en rotsachtige omgeving. Onder de heuvels is die in het Z., S i o n, het meest bekend. De stad heeft een oud en vuil aanzien. Het aantal inwoners bedraagt 43 000, waarvan '/b Christenen. Jaarlijks komen nog altijd veel pelgrims: Christenen (kerk van het H. Graf en andere heilige plaatsen), Muzelmannen (beroemde moskee van Omar), Joden. Sedert 1892 is de stad door een spoorweg met de haven Jaffa of Joppe verbonden.
Tiberias, Nazareth, e. a. zijn uit een aardrijkskundig oogpunt onbeduidende dorpjes.
Syrië en Palestina hebben als middelen van bestaan voor de bewoners eigenlijk alleen veeteelt; de korenaanbouw is gering, doch de wijndruif, olijf, vijgen en dadelpalm tieren uitstekend. De taal, die in S^Tie gesproken wordt, is algemeen de Arabische.
') La Nature, 1887.
233
§ 135. IV. Het vilajet Bagdad, het oude Mesopotamië, is tegenwoordig grootendeels eene boomlooze, dorre steppe. Het klimaat wisselt af tusschen gloeiende hitte over dag en koude in den nacht.
Bij voldoende besproeiing, zooals in den tijd der Babyloniërs, toen talrijke besproeiingskanalen het water van Euphraat en Tigris overal brachten, vormt de vlakte een vruchtbaar, heerlijk cultuurland, vooral geschikt voor koren. De eenige boomsoort is de dadelpalm.
De bevolking bestaat uit Arabieren, Koerden en Turken.
Baghdad (100;, aan den ...., die hier voor stoomschepen bevaarbaar is, mag eene der warmste steden der wereld worden genoemd. Het is eene belangrijke plaats voor den karavaanhandel tusschen Indië en Perzic aan de eene zijde en de havens aan de Zwarte- en Middell. zee aan den anderen kant. In den bloeitijd van het Kalifaat der Arabieren was het eene stad met misschien 2 mill, inwoners, middelpunt van de Arabische beschaving („stad des vredesquot;; 9e eeuw n. C.).
Niet ver van Bagdad, doch aan den Euphraat, liggen de bouwvallen van Babyion.
Mosoel aan den Boven-Tigris was eens beroemd door zijne iijngeweven stoffen (moesseline). In de nabijheid liggen de bouwvallen van Ninivé.
Aan den mond van den Shat-el-Arab, „Stroom der Arabierenquot;, ligt Bassora of Basra, lang zoo belangrijk niet, als het met eene zoo uitstekende ligging kon zijn, doch met aanzienlijken handel met Indië.
Al deze landen zouden misschien nieuwe beteekenis krijgen, als nog eens het denkbeeld werd verwezenlijkt van wat men den „Euphraat-spoorwegquot; noemt: deze zou, in verbinding met een Klein-Aziatischen spoorweg, aansluiten aan den grooten weg, die door Europa naar Konstantinopel leidt, en aldus zou de wensch van eene overlandreis naar Indië de vervulling nabij zijn.
V. Tupkseh-Arabië (Hedsjas en Jemen) bevat de beste landschappen van het groote schiereiland: Gelukkig Arabië, zoo ongelukkig, doordat het sinds eeuwen Turksch is.
Voor den handel levert het kostbare producten: reukwerken, fijne koffiesoorten, gom, myrrhe, wierook, dadels, struisveeren en uit de binnenlanden de Arabische paarden en kameel en.
Dzjidda is onder de havens de levendigste, vooral in de heilige maanden; duizenden pelgrims komen hier over zee aan uit Indië en van geheel Noord-Afrika. 't Is een broeinest voor de cholera.
234
Mekka en Medina, de heilige steden (de laatste naam is eigenlijk „Medinet en nabiquot; = „stad van den profeetquot;). Daar aan niet-Moliammedanen 't bezoeken dezer plaatsen verboden is, wist men er tot voor korten tijd weinig zekers van. Enkele, met Arabische taal en wetenschap goed vertrouwde personen zijn er in geslaagd, korter of langer te Mekka te vertoeven, b.v. onze landgenoot Dr. Snouck Hurgronje, die zijne belangrijke bevindingen heeft medegedeeld in een groot werk, getiteld „Mekkaquot;.
Andere belangrijke plaatsjes zijn nog: Mokka en Hodeida.
In het Z.W. liggen de Britsche punten Aden (onbelangrijk als handelshaven, maar steenkolenstation) en Perim, een sterk bevestigd rots-eiland.
De onmetelijke binnenlanden (geheel Arabië = '/s van Europa) vormen het onafhankelijk Arabië, bestaande uit woestijnen steppe, alleen bewoond door Bedouïnen, roovers of karavaanbegeleiders. De machtigste stam is die der fanatieke en krijgszuchtige Wahabieten, in het landschap Nedsjed; hoofdoase Riad.
Van deze binnenlanden is zoo goed als niets bekend; de reizen, daar in de laatste jaren ondernomen, eindigden meest ongelukkig.
In het Zuidoostelijk kustgebied ligt het onafhankelijke Arabische rijk van Oman, met de handelsstad Mas ka te. Deze stad heeft belangrijk verkeer op Indië, Zanzibar, enz.
Iran.
§ 136. Van Basra tot den Indus-mond, d. i. over eene lengte van meer dan 400 uur gaans, strekt zich eene woeste, zandige kust uit, mot slechts enkele kleine havenplaatsen, geene groote zeestad. De smalle kust wordt door een hoog en steil gebergte, door geen enkel dwarsdal doorsneden, van het binnenland gescheiden.
Dit binnenland bestaat uit Perzië, Afghanistan [„stanquot; = land] en Beloedsj istan. De bewoners dezer landen hebben nooit veel aan zeevaart gedaan; misschien komt dit ook, doordat in Iran geen hout is voor het timmeren van schepen. De voornaamste haven aan de Perzische golf is Aboegehr, die aan de Kaspische zee Barfoeroesj.
Heeds in de Oudheid — Romeinsehe schrijvers maken er melding vau — was aan de Perzische Golf eene levendige /gt;arelvisscherij; en nog heden houden , tusschen Juni en Sept., een 30 000 menschen zich hier met het visschen naar pareloesters bezig. De Perzische parels gelden als de beste; zij zijn harder dan die van Ceylon en de Westersche parels; de laatste, hoewel groo-ter dan die van 't Oosten, schilferen spoedig af, zijn niet zeer rond en eenigs-zins loodkleurig.
235
Perzië vormt den overgang van de Turksohe naar de Indische ■srereld. In dit groote land (3 x Duitsehland), komen uitgestrekte steppen en woestijnen voor, tegenover landschappen met de heerlijkste natuur. Dadels, druiven en zuidvruchten, katoen en koren, rozenolie (rozenvelden te Sjiras en Isfahan), opium en tabak zijn de voortbrengselen. De beste provincies liggen vooral in het W. en het N., op de hellingen en aan den voet der bergen aldaar. Die streken heeten „de tuin van Perziëquot;: de winden zijn genoodzaakt tegen de bergen op te stijgen, waardoor deze landen besproeid worden, terwijl het groote binnenland aan dorheid lijdt. De rivieren loopen dood in de steppen en vormen moerassen en meren. Zoo eindigt de H i 1 m e n d in een zout-moeras.
Schapen en geiten vormen de voornaamste huisdieren; het rund is trekdier, de tweebultige kameel lastdier, het paard rijdier; doch wegen ontbreken in Perzië bijna geheel en voertuigen kent men in deze landen nauwlijks.
Even groot onderscheid als de natuur vertoont in klimaat en flora, bestaat er ook tusschen de bewoners. De Bedouïnen verkeeren nog geheel in denzelfden toestand als vóór 1000 jaren: zij nomadi-seeren, zijn roofziek en lastig voor de naburen. De stadsbewoners leven vooral van handwerksnijverheid en zijn ook goede kooplieden. De Perzen zijn orthodoxe Mohammedanen (Sjiïten); de oude vuurdienst bestaat nog slechts bij een gering aantal personen, die Parsi's heeten. De Parsi's komen ook wel voor in de groote steden van Eng.-Indië, b.v. Bombay, waar zij tot de rijkste families behooren. Het graf van den stichter der Sjiïtische leer bevindt zich in Mesjed.
Teheran (200), aan den rand der zoutsteppen, is de tegenwoordige hoofdstad. De straten zijn hier, evenals in andere steden, slecht, de huizen van leem en met platte daken; rondom de meeste steden is een muur gebouwd, 's Zomers is de stad half ontvolkt; velen gaan naar den Elboers. Tebris is de aanzienlijkste koopstad; de handelsweg voor het Perzisch-Europeesch verkeer loopt van Teheran langs Tebris en zoo of naar den Kaukasischen spoorweg of over Diarbekr naar Klein-Azië. Een aanzienlijk deel des verkeers gaat tegenwoordig over de Kaspische zee (Barfoeroesj).
Eene der belangrijkste steden van het binnenland is nog Isfahan (90), vóór Teheran de residentie van den sjah (= koning).
Een der mooiste gedeelten van het land is het gebied van Sjiras, vermaard door zijn rozenolie; daar liggen ook de ■bouwvallen van Persepolis.
236
Mesjecl (70), is eene belangrijke marktplaats, ook voor turkooizen, welke in den omtrek gevonden worden.
Afghanistan, liet overgangsland tusschen Indië en Toeran. Dit land is in de laatste jaren tengevolge van deze ligging belangrijk geworden; 'tis het eenige gebied, dat de Eussen en Engelschen hier nog van elkander scheidt.
De groote verkeersweg voor den karavaanhand el, tevens de heerbaan der veroveraars, leidt langs den bergpas van Bamian over den Hindoe Koh langs Kaboel over den engen Kaiber-pas naar Indië. Bij den Kaiber-pas ligt de gewichtige Engelsche vesting Pesjawer, de ;,sleutel van Indiëquot;.
De hoofdstad Kaboel (60), het centrum van de karavaanwegen, ligt te midden van wijngaarden en oofttuinen. De emir van Kaboel is het hoofd van den staat.
Herat, de tweede stad, heeft een levendigen karavaanhandel langs Kaboel en Herat tusschen Perzië en Indië. Met Herat is ook Kandahar een gewichtig militair punt.
Beloedsjistan is veel minder belangrijk dan de beide andere landen: de woestijnen nemen hier nog grooter gedeelte van den bodem in. De bewoners zijn grootendeels roofzieke nomaden, die den khan van Kelat (14) in naam als heerscher erkennen.
Het land staat sedert enkele jaren geheel onder Britsch protectoraat.
Aziatisch Rusland.
§ 187. Wij willen Aziatisch Rusland verdeelen in I. Russisch Centraal-Azië en H. Siberië.
I. Russisch Centraal-Azië bestaat uit: a. het Westelijke deel van Turkestan of Toeran (voornamelijk het gebied van de Amoe en Syr en de hoogvlakte Pamir); b. Transkaspië (tusschen Kapische zee en Aral meerj; c. het khanaat Khiwa en het emiraat Boekhara (beide in naam onafhankelijk, doch feitelijk Russisch) en d. het Kirgiezenlaud of het generaal-gouvernement van Omsk.
Dit land vormt een groote laagvlakte tusschen het Pamir-plateau en de Kaspische zee, den Hindoe Koh en de Kirgiezen steppe, 't Is eene vlakte met eindelooze steppen, woestijnen en oasen (langs de rivieren). De groote tweelingstroomen (Amoe-Darja [„darjaquot; = rivier] en Syr-Darja zenden hun water naar het ondiepe, stormachtige zoutwatermeer Aral, dat 2-maal zoo groot is als Nederland. Veel rivierwater wordt gebruikt voor kunst-
237
matige besproeiing, een maatregel, welke door het strenge vaste-landsklimaat in deze landen onvermijdelijk is. Hier zijn de voorwaarden voor de vorming van steppen alle aanwezig, nl. een zeer droog vastelandsklimaat en groot verschil tusschen zomeren wintertemperatuur.
De Kirgiezen steppe wordt bewoond door de ïurksche Kirgiezen, het talrijkste nomadenvolk der aarde. Zij houden vooral paarden, die gemolken worden, en verder schapen, geiten en kam eel en Verder naar het Zuiden wonen de roofzuchtige Turkomanen, die thans echter, gedwongen dooide Russische regeering, een meer eerlijk bestaan vinden in de veeteelt en den landbouw
De Russen hebben in hun Centraal-Azië enorme verbeteringen tot stand gebracht. Vroeger vormden de Turkomanen hier tal van roofzuchtige khanaten, die alle door Rusland zijn bevochten en veroverd. Sedert zijn deze landen veilig geworden; nieuwe bronnen van bestaan zijn geopend en tal van verkeerswegen aangelegd. Zoo is van de Oostkust der Kaspische zee tot S a m a r-kand de Transkaspische spoorweg ter lengte van 1433 KM aangelegd, overal bewaakt door militaire detachementen. Over de Amoe werd daartoe eene brug gelegd van 2000 M. Het militaire doel van dezen weg is de verbinding van Rusland en Herat. Katoen, wol, huiden, rijst vervoert deze lijn naar Rusland, en brengt petroleum, hout, bewerkt katoen en suiker naar Azië terug.
Tasjkend (125) en Kok and zijn belangrijke steden. De groote handelswegen van China komen hier samen. Katoen en zijde zijn de handelsartikelen.
Samarkand (33) is het centrum van eene vruchtbare streek.
Het emiraat Boekhara moest in 1865 en het khanaat Khiwa in 1873 het gezag van Rusland erkennen. Beide hebben nog slechts een schijn van onafhankelijkheid behouden.
De stad Boekhara (70) is een geestelijk middelpunt voor den Islam in deze landen en heeft groote bazars, markten, voor Perzische, Russische, Engelsche en inlandsche (Turksche) waren.
II. Sibepië is genoemd naar eene stad Sibir, die waarschijnlijk even ten Z. van Tobolsk aan den Irtisj heeft gelegen. In 't laatst der 16® eeuw kwamen de Russen het eerst in Siberië, ten tijde van de regeering van Iwan den Verschrikkelijken, onder een Kozakken-hoofdman Jermak. En gelijquot;k in de Xieuwe Wereld goud en zilver de Spaansche veroveraars, avonturiers, naar Mejico en Peru lokten, gaf in Siberië het sabeldier aanleiding, dat in enkele jaren
238
groote gedeelten werden afgejaagd en voor de regeering in bezit genomen, waarbij de inboorlingen even schandelijk werden behandeld als ginds de Indianen. Binnen 70 jaren was Siberië van den Oeral tot den Grooten Oceaan — een afstand van 1300 uren gaans — doorkruist; zelfs staken de Russen (18° eeuw) de Bering-straat over en jaagden in Aljaska, dat in 1867 aan de Ameri-kaansche Unie is verkocht.
Tot de oudste teekeningen van Azië's Noordkust behooren die van Tschelioeskin in het midden der 1SC eeuw; uit denzelfden tijd zijn ook de opmetingen van den scheepskapitein Bering. De reis van Nordenskjöld heeft vele verbeteringen in de kaart van N.-Azië aangebracht. Opmerkelijk is het, hoe rijke Russische particulieren, b.v. Sibiriakoff, groote sommen besteden voor gelijk doel.
Op grond van de ervaring, bij zijne vroegere reizen opgedaan en van eene ijverige studie van alle tot dusver naar die streken ondernomen reizen, had zich bij Nordenskjöld het geloof gevestigd aan de mogelijkheid langs't Noorden der Oude Wereld heen het Oosten te bereiken. Hij was van meening, dat op eenigen afstand van de kust eene ijsvrije strook moet zijn en, evenals een Columbus, vast overtuigd van zijn succes, zag hij uit naar de middelen om zijn plan ten uitvoer te leggen.
Die middelen werden hem verschaft door Koning Oskar van Zweden , den Russischen koopman Sibiriakoff en den Zweedschen handelaar Dickson.
Een stoomschip, de Ver/a, werd aangekocht eu op alle mogelijke wijzen voor de ijsvaart toegerust. Eene kleine stoomboot, de Lena, werd gebouwd, die als transportschip — voor levensmiddelen en steenkolen — den halven weg mede zou afleggen en daarna de rivier de Lena zou opvaren. Bovendien gingen voor rekening van Sibiriakoff nog twee schepen mede naar den Jenis-seïmond.
Den 25c,1 Juli 1878 verliet deze vloot, uitnemend bemand, eene kleine haven nabij de Noordkaap, passeerde zonder noemenswaardig oponthoud de straat, die het eiland Waigatsj van Rusland scheidt, doorsneed in zes dagen de zoo beruchte Kam-zee en wierp het anker uit in Dicksonshaven, aan den mond der Jenisseï. De schepen van Sibiriakoff laadden hier een deel van hun voorraad in de Vega en de Lena over en voeren daarna met hunne verdere lading, uit een aantal tonnen spijkers, hoefijzers, staafijzer, tabak, zout en petroleum bestaande, de Jenisseï verder op. Eene maand later voeren zy weer stroom-afwaarts en brachten eene retour-vracht van koren en talk behouden naar Europa over.
Intusschen hadden de Vega en de Lena onder gunstige voorteekenen hunne reis naar het Oosten voortgezet. Zoo ver het oog reikte, vertoonde zich geen spoor van ijs en de temperatuur van 10° C., zoowel van lucht als van water, voorspelde eene ongestoorde vaart. Nu eens langs de kust zeilende, dan weer stoomende werd de reis voortgezet, dikwijls in een dichten nevel, zoodat de
239
schepen om in eikaars nabijheid te blijven telkens met de stoomfluit signalen moesten geven, terwijl van de kust weinig te zien was. De zee was gewoonlijk glad als een spiegel.
Negen dagen na 't vertrek uit Dicksonsnaven werd de Noordelijkste punt der Oude Wereld bereikt: kaap . . . ., welke heuglijke gebeurtenis gevierd werd door 't hijschen der vlaggen, het lossen van saluutschoten en een bezoek aan land. Een groote ijsbeer was de eenige inheemsche getuige van dit bezoek.
Van deze kaap werd de koers Oostwaarts gehouden. Herhaaldelijk bleek, dat de bestaande kaarten van de kust onbetrouwbaar waren: fouten van wel 5 lengtegraden — 15 ^ uur gaans — werden geconstateerd.
Achttien dagen na 't vertrek van Dicksonshaven waren de schepen voor den Lena-mond. Hier scheidde de stoomboot Lena en voer de rivier op, bereikte na een paar dagen de eerste dorpen van de Jakoeten en na eenige weken de hoofdstad van O.-Siberië, Jakoetsk, waar de winterkwartieren werden betrokken. Intusschen stoomde de Vega, sedert den 28enAugustus onverzeld, verder. Na weinige dagen vertoonden zich de eerste voorboden van het einde van den zomer: nu en dan viel er sneeuw; het ijs werd dikker, zonder nog hinderlijk te zijn; de dagen werden korter. Toch werden nog van tijd tot tyd sommige gedeelten van de kust en eenige eilanden opgenomen, terwijl ook herhaalde ontmoetingen met de inboorlingen niet bevorderlijk waren aan den zoo noodigen spoed. In booten, van huiden vervaardigd, kwamen de Tjoektsjen aan boord; lichamelijk flinke menschen, geheel in pelzen gekleed en met broeken van rendierleer; de vrouwen op 't gelaat met donkere lijnen getatoeëerd. Dicht bij 't strand lagen hunne dorpen, bestaande uit tenten, voornamelijk van rendierhuiden gemaakt. Met de vischvangst gaven de rendieren de noodige bestaansmiddelen; gebrek scheen er niet te zijn.
Langzamerhand werd de vaart moeilijker, vooral bij stil weder: dan vroren des nachts de ijsvelden vast aaneen. Eindelijk, den 28en September, sloot het ijs zich voor goed om de Vega, en op een afstand van 36 uren gaans van de Beringstraat was men verplicht te overwinteren. Nu en dan greep zulk eene geweldige beweging in de ijsmassa's plaats, dat het schip kraakte; 't werd dus raadzaam geoordeeld aan land een depót van levensmiddelen, geweren en ammunitie op te richten, dat voor 30 man gedurende 100 dagen voldoende zou zijn.
De sneeuw liet men op het dek van het schip liggen, tot zij eene 30 cM dikke, stijf samengeperste laag vormde, die er niet weinig toe bijdroeg het weerstandsvermogen tegen de koude te verhoogen. Ook rondom het schip werden sneeuwdammen opgeworpen. Eene trap werd van het ys naar boord gebouwd; eene groote tent werd over het voorste gedeelte van het dek opgeslagen; zij diende als voorportaal, als smidse en als receptie-zaal, wanneer inboorlingen op bezoek kwamen.
De winter, hoe streng ook, bleek toch niet zóó koud te zijn, als op het vaste land van Siberië en op andere Poolreizen wel geconstateerd was. De laagste temperatuur, die werd waargenomen, op den 25cn Januari 1879, was — 45° C., den 15en April daalde de thermometer nog eens tot — 38° C. Soms maakte het stormachtige weer de koude zeer gevaarlijk; terwijl bij stil weder eene temperatuur van — 40° C. zelfs niet bijzonder hinderlijk bleek,
240
was een geringe wind soms oorzaak, dat bij gebrek aan voorzorg, blootgestelde gedeelten van 't lichaam bevroren.
In de kajuiten teekende de thermometer gewoonlijk 12 a 17° C., daalde 's nachts slechts tot. 5°. Zelfs in het ruim, waar niet gestookt werd, maar dat onder de waterlijn lag, was de warmtegraad gewoonlijk een paar graden boven nul.
De gezondheidstoestand bleef goed. Bij den terugkeer van het zonnelicht, waarvan men eenige weken lang verstoken was gebleven, was 't dragen van gekleurde brillen noodzakeljjk tegen sneeuwblindheid.
De nabijgelegen kust behoorde tot de eentonigste en onherbergzaamste, die zich laten denken; toch was zij niet onbewoond.
Herhaaldelijk kwamen Tjoektsjen , zelfs uit veraf gelegen dorpen, naar boord, liet 'toog op hunne onzindelijkheid, werden zij niet tusschendeks toegelaten; maar zij kregen wat soep en andere spijzen, toen zij, na 't midden van den winter, groot gebrek hadden. In ruil voor wat snuisterijen kreeg Nordenskjöld langzamerhand eene verzameling van kleederen, wapens en werktuigen van deze inlanders; 't waren goedaardige lieden, waarvan er een 't gezag uitoefende voor de Russische regeering, zonder dat hij echter van 't bestaan van den Czar iets wist.
Hoewel 't leven aan boord eentonig was, ging de tijd betrekkelijk snel voorbjj; de matrozen hielden 't schip schoon en verrichtten ander scheepswerk; de officieren deden meteorologische en magnetische waarnemingen — waartoe een observatoi-ium van ijs was gebouwd —, jaagden, enz.
Eindelijk, na eene gevangenschap van 294 dagen, werd de Vega den 18™ Juli 1879 vlot; de reis kon worden voortgezet en 10 dagen later werd de Beringstraat gepasseerd. Na nog een zwaren storm te hebben doorstaan, liep de Vega den 2cn September eene Japansche haven binnen — eenige eilanden waren eerst nog onderzocht — en keerde daarna door de Chineesche zeeën, den Indischen Archipel en het Suez-kanaal naar Europa terug.
§ 138. Natuurkundig onderscheiden we in Siberië drie zonen:
1. de toendra-zone (tot ± den poolcirkel).
2. de woud-zone (tot 60° N.B.)
3. de landbouw-zone (tot 55° N.B.)
De streek der Toendra's is eene onafgebroken, boomlooze woestenij, eene meestal effene of eenigszins golvende vlakte, hier en daar door lagere moerassige dalgronden afgewisseld. ïallooze in 't zand begraven schelpen bewijzen, dat hier eenmaal de zee was. De ruwe winden van de IJszee, door niets weerhouden, verhinderen schier allen boomgroei. Dennen en pijnboomen komen alleen in enkele beschutte dalen voor en dan nog slechts in wonderlijk verdraaide vormen; dwergberken bedekken uitgestrekte, drogere plekken, terwijl op de lagere vochtige plaatsen de wilg 't meest op den voorgrond treedt, doch maar zelden tot eene manshoogte. Doorgaans is de grond verscheiden voet diep
241
bevroren en maanden lang eene harde steenmassa gelijk. Zoodra de zonnewarmte in de korte zomermaanden den bovengrond ontdooit, ontwikkelt zich overal een kortstondige, maar snelle plantengroei en in de onafzienbare moerassen vertoonen zich zwermen van trekvogels.
Dit gebied wordt alleen door enkele nomaden van de Noord-aziatische volkengroep bewoond.
Zuidwaarts volgt een breede gordel naaldwouden, het gebied der pelsdie ren, hier en daar voor den 1 a n d b o u w ontgonnen. Dit is het belangrijkste gedeelte van Siberië, waar de Russische kolonisten wonen, en waardoor de handelswegen loopen van China over Siberië naar Rusland.
Eindelijk beginnen de steppen, welke in die van Centraal-Azië overgaan.
De Ob en de Jenisseï, die tot de grootste rivieren der aarde behooren (Fig. 16), vormen in de onmetelijke vlakten, ook als zij bevroren zijn, natuurlijke wegen. Beide nemen een geheel stelsel van zijrivieren op. Bij de Ob zijn de Irtysj en de Ihbol het belangrijkst; bij de Jenisseï do verschillende Toengoeslca's (naar den stam der Toengoezen), van w7elke de Boven-Toengoeskade afwatering van het Baikal, het grootste Alpenmeer, vormt. Dit meer, de „heilige zeequot; der Mongolen, is iets grooter dan Nederland, heeft helder, zoet water en is omringd door trotsche bergen.
De Siberische vlakte gaat in 't Zuiden over in de groote berglanden, die den Noordrand der Achteraziatische hoogvlakte vormen en die belangrijk zijn door hun rijkdom aan ertsen, hunne schoone Alpenmeren, talrijke gletschers en rivieren.
De mijnen van Siberië, die nog grootendeels door staats-misdadigers worden ontgonnen, wedijveren in goud-rijkdom met die van Amerika, Australië en Transvaal. Verder leveren zij ijzer, steenkool, graphiet, zilver, lood, platina en zout. De voornaamste bergwerken zijn bij Barnaul en Krasnoj arsk.
Zoowel uit die van Oost-Siberii? als uit die van het gouv. Irkoetsk gaan de goudtransporten naar de keizerlijke munt in de Peter-Paul-vesting. Eerst worden de goudstaven in kleine kisten gepakt en deze kistjes in grootere gelegd, die met sterke ijzeren banden beslagen zijn. De kisten worden op de tot het transporteeren bestemde wagens vastgesmeed. Tot het eseorteeren worden de meest vertrouwde officieren en manschappen der Sib. kozakkenregi-menten gekozen. De reis van Irkoetsk naar St.-Petersburg wordt in 40 dagen afgelegd; jaarlijks gaan 4 a 6 dergelijke transporten, soms ter waarde van meer dan 10 millioen roebels.
■16
D. Aitton, Ri'knn/H Leerhnek, 4e druk.
242
De landbouw kan groote hoeveelheden graan leveren, als de wouden nog meer ontgonnen worden. Timmerhout is er in overvloed. Het wordt niet uitgevoerd, wijl Rusland en Skandinavië houtlanden zijn.
De woudzone is rijk aan pelsdie ren, en daarom hebben de Russen Siberië veroverd. De voornaamste van dio dieren zijn: sabeldieren, marters, hermelijnen, vossen in allerlei kleur, eekhoorns, elanden, rendieren, lynxen en blauwe wolven (in Kamtsjatka).
Eindelijk graaft men er voorwereldlijk ivoor van de mam-mouths, die in de toendra-zone en op de Nieuw-Siberische eilanden in sneeuw en ijs begraven liggen. Jagers gaan naar deze eilanden in bet voorjaar als de ijsbrug nog sterk genoeg is en keeren in 't najaar over het nieuwe ijs terug.
De bevolking is zeer gering: op eene oppervlakte, grooter dan die van Europa (Siberië = I'm x Europa), wonen nog geen 5 millioen menschen. Onder deze zijn reeds meer dan 3 millioen Russen, ten deele vrijwillige kolonisten, ten deele bannelingen. Onder de laatsteu komen zoowel erge misdadigers uit de laagste klassen der maatschappij voor, als personen, die om politieke redenen werden verbannen; deze laatsten mogen somtijds als gunst hunne familie medcnemen, eene gunst tevens van groot belang voor de kolonisatie van Siberië. Het lot van een groot deel dei-misdadigers moet verschrikkelijk zijn. Ze werken in de bergwerken on goudwasscherijen onder streng toezicht en houden verblijf in gevangenissen , die veel te klein zijn en daardoor aanleiding geven tot allerlei ziekten. Een ander deel der ballingen geniet betrekkelijk veel vrijheid.
Tot de oorspronkelijke bewoners {Noord-Aziaten) behooren nog verschillende volken: Samojeden, Ostiaken, Jakoeten, Toengoezen, Joekagiren, Korjaken, Kamtsjadalen e. a. De meesten leven van vischvangst en jacht; sommigen zijn rendiernomaden. Velen geven zich over aan dronkenschap en leiden een dierlijk leven Zij nemen in aantal af en zullen op den duur wel uitsterven. Het hoogst staan de Jakoeten, die vaste woonplaatsen hebben aangenomen en zich op landbouw en veeteelt toeleggen.
Vermenging van Russen met Noord-Aziaten komt veelvuldig voor.
De steden liggen in Midden-Siberië, niet in het hooge Noorden, ook niet in het Zuiden , waar de steppe- en weidegronden zijn.
In West-Siberië: Tobolsk (middelpunt van den pelshandel), Tomsk, Tj o e m e n (drukke missen ; hoofdstation aan den Euro-
243
peesch-Sibei-ischen spoorweg) en Barnaul (18), het centrum der bergwerken van het Altaï-gebied.
In Oost-Siberië: Irkoetsk (50), grootste en levendigste stad van Noord-Azië, het „Siberische Parijsquot;; voornaamste handelsplaats met China; Kjachta, Jakoetsk, in een gebied van eindelooze woestenijen, middelpunt van de grootste, koudste en minst bevolkte provincie van het Russische rijk; de Lena is hier ruim 200 dagen in 'tjaar bevroren; aanzienlijke handel in pelzen en ivoor.
In de Kustprovincie of het beneden-Amoer-gebied: Wladiwostok, „heer van het Oostenquot;, een vrij belangrijk oorlogsstation van de Russische marine.
Sachalin, het Tataren-eiland, heeft bergwerken (steenkool). Naar dit eiland worden de zwaarste misdadigers verbannen.
JAPAN.
(417 000 KM2; 44 000 000 inw.)
§ 139. Vijf groote eilanden (Jeso, Nipon, Sikok, Kloesioe en
Formosa) en talrijke kleinere eilanden, waaronder de Lioekioe-eil.
en de Koerilen de voornaamste zijn, vormen het keizerrijk Japan.
Van de groote eilanden kan Jeso, gewoonlijk de Hokkaido genoemd, wel buiten beschouwing blijven, omdat de bewoners van dit eiland eigenlijk geen J a p a n n e r s zijn , maar verachte Aino's, die veel lager staan en langzamerhand uitsterven. Japan heeft op dit eiland alleen maar de kolonie Hakodate. Op het geheele eiland Jeso, dat ruim 2-maal zoo groot is als Nederland, wonen trouwens nauwelijks 150 000 menschen.
De Koerilen ruilde Japan van Rusland tegen Sachalin. Formosa verwierf het in 1895 in den oorlog met China.
Dc Portugeezcn waven de eerste Europeanen, die aanraking hadden met Japan (1543). Ze werden iu 1600 door de Hollanders verdrongen en lang bleef het land alleen toegankelijk voor dezen en de Cbineezen. Eerst in 1854 begon Japan, door de Vereenigdo Staten daartoe niet geweld gedwongen, zich open te stellen voor den handel met de Westerlingen. De toelating der vreemdelingen gaf aanleiding tot ernstige binnenlandsche onlusten, die 10 jaar voortduurden en eindigden met de overwinning der vooruitstrevende richting in Japan; de Mikado, de geestelijke keizer, die sedert eeuwen vergeten leefde in dc oude hoofdstad Kioto, werd door de vooruitstrevenden
16*
244
in zijn volle macht hersteld, welke hem stuk voor stuk was ontnomen dooiden te Jedo zetelenden sjoyoen of wereldlijken keizer met diens vazallen, en Jedo werd onder den naam van Tokio tot hoofdstad verklaard. De overige zeemogendheden volgden weldra het voorbeeld van Amerika en in 1868 stond Japan voor den wereldhandel open. De tegenwoordige keizer besteeg den troon, en onderlinge veeten werden vergeten. In het land volgde nu een staatkundige en maatschappelijke ommekeer, waarvan de geschiedenis geen tweede voorbeeld kent. Men nam vreemde zeeofficieren in dienst, ingenieurs, gencesheeren en andere wetenschappelijke mannen; leger en vloot werden op Europeesche wijze ingericht, leerplicht en dienstplicht ingevoerd, telegrafen en spoorwegen aangelegd, een grondwet naar Pruisisch model aangenomen; kortom, als met een tooverslag werd J apan hervormd tot een beschaafden Europeeschen staat. En dat met dezen staat rekening moet worden gehouden, leerde het jaar 1895, toen Japan een oorlog met China uitlokte. Het koninkrijk Korea was sedert onheuglijke tijden schatplichtig aan China. Japan wilde Korea van deze suzereiniteit verlossen en het schiereiland openstellen voor de Westersche beschaving. Toen de Japansche troepen Korea binnentrokken , was de oorlog met China onvermijdelijk geworden. In dezen oorlog heeft China met zijn slecht georganiseerd leger het onderspit moeten delven. De buit van Japan bestond in eene flinke oorlogsschatting en 't eil. Formosa.
Als eilandenrijk wordt Japan vergeleken met Groot-Brittanuië en Ierland, waarmee het in grootte (zonder Jeso) ongeveer overeenkomt. Maar de ligging der Japansche eilanden in den Grooten Oceaan was altijd veel minder gunstig dan die van Engeland in den Atlantischen en ten tweede ligt Japan bij eene Oostkust, Engeland bij eene Westkust, wat voor het klimaat een groot verschil maakt. Japan ligt bovendien aanmerkelijk dichter bij den evenaar. Terwijl dus Groot-Brittannië een Oceanisch en gematigd klimaat heeft, is dat van de Japansche eilanden over het geheel warmer; het toont grooter verschil in de maximum- en minimumtemperatuur (zie blz. 34) en heeft dus een meer continentaal karakter.
De maximum-jaartemperatuur van Japan is 35,1° C. „ minimum „ „ „ „ — 5,8° C.
Het klimaat van Japan kan over 't geheel gematigd en goed worden genoemd (gemiddelde jaartemp. 15° C.). Natuurlijk verschilt de temperatuur zeer naar de breedte. Sneeuw en ijs zijn echter nergens onbekend, en in 't Noorden is de winter zelfs zeer streng. De Foedsjijama (3800 M), op 120 KM afstands van Jokohama, is alleen in Juli en Augustus geheel van sneeuw bevrijd. In den zomer is de hitte door het heele land vrij groot en tengevolge van de vochtigheid der lucht zeer afmattend. De Westkust is aanmerkelijk kouder dan de Oostkust, daar er een poolstroom langs loopt.
245
„ „Het klimaat in Japan is even wispelturig als zijne bewoners. Het kan er bar koud zijn, en op Kioesioe vriest het dikwijls op Kerstmis, niettegenstaande dit eiland op dezelfde breedte ligt als de monden van den Nijl. De subtropische ligging en de nabijheid van Siberiü geven aan het klimaat een tweeslachtig karakter. De koude en warme luchtstreek schijnen elkiar hier te ontmoeten zonder een „stootkussenstaat.quot; In April en October bloeien perziken , azalea's en chrysanthemums , als ware men in Italië. In Juli en Augustus gelijkt het land met zijn bamboes en palmen opllejico, in December met zijne kale boomen en dennen op Kamtsjatka. En het regent in dit eilandenrijk bij alle winden.quot; quot;
(Van Wickevoort CrommelinJ.
Opgaven:
1. Bepaal het verschil in breedte tusschen de hoofdsteden Lon
den en Tokio.
2. Evenzoo het lengte- en tijd-verschil.
3. Vergelijk Gr. Brittannië en Japan ten opzichte van bevol
kingsdichtheid.
De bergen van Japan zijn vulkanisch; zij maken deel uit van den grooten vulkaangordel van Azië's Oostkust. Bij de smalle gedaante van Nipon zijn de bergachtige binnenlanden ver uit zee zichtbaar. Nog in de laatste jaren werden verschillende deelen van 't land door geweldige aardbevingen geteisterd.
Groote rivieren heeft Japan niet; wel storten talrijke berg-stroomen zich na een onstuimigen loop in zee.
De plantengroei is rijk, vooral ook aan siergewassen; camelia's b.v. groeien in het wild, bamboe en palmen herinneren aan Indië , gelijk altijd groene boomen aan de landen langs de Middellandsche zee. Hoofdproducten van Japan voor den handel zijn: z ij d e, k a t o e n, thee, kamfer, bamboe, soja en, als voedsel voor de bevolking, rijst.
De dierenwereld is evenals bij China lang niet zoo belangrijk voor de bewoners als de plantenwereld. Gelijk in alle landen van Oost-Azië is er een groot aantal varkens Verder zijn er veel vogelsoorten en wemelen de wateren van visch, die met de rijst het hoofdvoedsel der bevolking uitmaakt Wilde dieren komen er weinig voor, wel verbazend veel slangen. Bekend is de Japansche reuzensalamander.
De paarden in Japan zijn slecht, zoodat men zoowel in als buiten de steden veel gebruik maakt van draagstoelen en van karretjes, door menschen getrokken (djinriksa's). Het verkeer in de binnenlanden is trouwens heel moeilijk , wat voor de kennis Van het land een groot nadeel is.
24Ö
Uit het delfstoffenrijk is koper 't belangrijkst; de oude roep van goud- en zilver-rijkdom heeft zich niet bewaarheid. Ook bevat de bodem ijzererts en petroleum; maar aan de exploitatie -wordt nog niet heel veel gedaan.
De Japanners worden, wat hun aanleg betreft, door velen nog boven de Chineezen gesteld. Zij zijn de beste handwerkslieden onder alle Aziaten: lakwerk, porselein, papier, zijden stoffen, brons enz. De Japansche handwerksman oefent zijn bedrijf meestal uit in het aan de straat gelegen vertrek, dat de geheele breedte van het huis beslaat. De houten voorwand wordt overdag geheel weggenomen, zoodat hij als 't ware tegelijk in huis en op straat is. Zoodoende heeft hij eene gezellige en tevens gezonde werkplaats.
Veel heeft de Japansche kunstnijverheid van Amerikanen en Europeanen overgenomen; maar de kwaliteit der producten laat dikwijls te wenschen over.
De zetel der Regeering is Tokio, „hoofdstad van het Oostenquot;. De stad telde op 1 Jan. '95 niet minder dan 1 242 224 inw., heeft eene prachtige ligging, welke met die van Napels wordt vergeleken ; in de vlakte, aan eene ruime baai , in het gezicht van den hoogen Foedsjijama. De haven is slecht, zoodat do schepen meestal liggen in eene der beide voorhavens, en wel meest in Jokohama (160) — 1 uur sporens van de hoofdstad, — waar ook de Amerikanen en Europeanen bij voorkeur verblijf houden. In Tokio zelf wonen zeer weinig vreemdelingen; er zijn verbazend smerige wijken in de hoofdstad, gelijk in alle groote Aziatische steden , die in vuilheid de groote Europeesche steden achter zich laten. Een deel van Tokio is echter zeer mooi en rijk; de huizen zijn meest van hout en hebben slechts êéne verdieping; maar voor 't overige zijn er alle gemakken van eene moderne stad, zooals gas, electrisch licht, trams, enz.
De mail van Jokohama gaat over Sjanghai naar Hongkong; een andere naar San-Erancisco. Het personen- en handelsverkeer met Europa en met de Vereenigde Staten neemt snel toe.
Kioto (328), d. i. „hoofdstad van het Westenquot;, is nog het geestelijk middelpunt van de Japansche wereld; er zijn prachtige tempels. Ook is het de eerste industrie-stad des lands: zijdewerk, porselein, lak- en bronswerk, enz.
Osaka (489) heeft den aanzienlijksten hinnenlandschen handel.
Verder zijn er nog meer belangrijke havens, die voor Jokohama weinig onderdoen, b.v. Kobe (159;.
Al die plaatsen liggen op Nipon , dat het hoofdland is.
Op Kioesioe merken wij de haven op van Nagasaki (63), lie-
247
langrijk voor den handel. In deze haven ligt het voor de Hollanders merkwaardige eilandje Desima, dat wij in 1859 hebben verlaten.
De groepen van de Lioe-Kioe en van de Koerllen bestaan uit honderden eilandjes, te zamen een vulkanengordel vormende. De Koerilen zijn evenals Jeso weinig belangrijk; zij worden door walvischvaarders aangedaan. De Lioe-Kioe zijn dicht bevolkt door nijvere menschen.
Formosa was een verleidelijke aanwinst voor een land, dat er van droomt, zijn invloed naar het Zuiden uit te breiden. Voor China daarentegen was het verlies van een stuk grondgebied buiten zijn eigenlijke kern gelegen, van geen groot gewicht. De oproerige, wilde stammen in de binnenlanden van Formosa hadden aan de Chineesche Regeering steeds veel zorg gegeven en de verwijderde ligging maakte het moeilijk verdedigbaar. Japan heeft Jeso met goed gevolg gekoloniseerd en bij zijn rijk getrokken; maar daar was de oorspronkelijke bevolking, de Aino's, een goedaardig volk, dat met behulp van geweer en sterken drank gemakkelijk tot rede was te brengen. De uitroeiing der Aino's, wier aantal thans nog slechts 10 000 bedraagt, is dan ook maar eene quaestie van tijd. Maar geheel anders is het op Formosa, waar 3 millioen menschen wonen, voor 't grootste deel oorlogzuchtig, wild en onbeschaafd. Opstanden zijn dan ook onder het nieuw beheer van Japan reeds voorgekomen.
Formosa is l'/o x Nederland en zonder twijfel een rijk eiland, waar de cultuur van allerlei tropische en subtropische gewassen waarschijnlijk met goed gevolg zou kunnen worden gedreven. Tot dusver zijn thee en kamfer in het Noorden en zeer inferieure suiker in het Zuiden de hoofdproducten. De cultures en de handel zijn hoofdzakelijk in handen van Chineezen. Het moet echter gezegd worden, dat de Japansche Regeering met groote energie zich de belangen van 't eiland aantrekt. De emigratie naar het eiland wordt aangemoedigd; een telegraafkabel zal binnen kort in werking komen; eene geregelde stoomvaartdienst naar het eiland wordt gesubsidieerd, en 't spoorwegnet wordt uitgebreid. Jammer, dat de Japanners het klimaat van Formosa niet schijnen te kunnen verdragen; althans het sterftecijfer is bij de troepen, de burgerlijke ambtenaren en particulieren bijzonder groot.
248
Het koninkrijk KOREA.
(219 000 KM2; 8 millioen inwoners).
Dit land, dat wel eens vergeleken wordt met Italië, had tot voor enkele jaren voor Europa geen beteekenis. Het was sedert eeuwen schatplichtig aan China; maar in 1895 heeft de Regeering van dit Rijk Korea als een onafhankelijk koninkrijk erkend. Sedert heeft het land zijne havens opengesteld voor Japan en andere landen, en verschillende handelstractaten werden gesloten. Duitschland in 't bijzonder tracht hier invloed te verkrijgen , om aldus — waar Engeland in Hongkong, Frankrijk in Annam, Rusland in Wladiwostok en Port Arthur hunne stations bezitten — mede te dingen in deze Oostelijke zeeën en landen.
De ligging tusschen China en Japan had voor Korea o.a. ten gevolge, dat die beide staten hier elkander bestreden. De bodem bevat kolen, ijzer en goud. De hoofdstad is Seoel (200j.
Van land en volk in Korea weet men nog weinig. De natuurlijke gesteldheid herinnert aan die van Italië: langgestrekt en door eene bergketen van 't N. naar 't Z. doorsneden. De Westzijde is ook hier veel belangrijker dan de Oostzijde: van de havenrijke kust der Gele zee, waarin een tiental aanzienlijke rivieren monden, loopt 't land geleidelijk op. Klimaat, planten-en dierenwereld zijn sub-tropisch; ook de producten komen overeen met die van Japan.
Het keizerpyk CHINA.
(11 081 000 KM2; 357 000 000 inw.)
§ 140. Bij China onderscheiden wij:
I. Eigenlijk China.
II. De Nevenlanden of onderworpen landen, waarvan de voornaamste zijn: Mantsjoerye, Mongolië, Oost-Turkestan en Tibet.
Het geheele keizerrijk is ongeveer l'/i maal zoo groot als Europa. Eigenlijk China is iets kleiner dan Europeesch Rusland. De bevolking van het geheel wordt berekend op 357 millioen.
249
I. Eigenlijk China is dus verreweg het belangrijkst, daar het uit rijke en dichtbevolkte landen bestaat, terwijl de Nevenlanden arm en weinig bevolkt zijn.
In den tijd der eerste Romeinsche keizers had reeds een bloeiende karavaan-handel plaats door Centraal-Azië naar het „Zijdelandquot; (Serica); maar toch wist men in Europa zoo goed als niets van dat machtige rijk, waar de vorsten over millioenen menschen regeerden, fabelachtige schatten bezaten en waar de volken op het gebied van nuttige wetenschap en kunst Europa zoo ver vooruit waren.
Dit bleef zoo tot op de dagen van Marco Polo. In een tijdvak van 23 jaren is deze stoutmoedige en bekwame koopman eerst van de kusten der Zwarte zee tot in China doorgedrongen, heeft toen hooge ambten bekleed aan het Mongoolsche hof en reizen gedaan in verschillende deelen van China en is daarna over Achter-Indië en Perzië in zijn vaderland teruggekeerd. Zijn werk (Mirabilia mundi) is nog heden in veel opzichten eene bron voor vele streken in Azië. Maar door zijne tijdgenooten werd hij niet geloofd.
Bij hem wordt ook Japan voor het eerst genoemd („Zipangoequot;), en hij gaf prachtige schilderingen o. a. van den goudrijkdom, die daar zou heerschen.
Alleen een beroemd Arabier, Ibn Batoeta, uit de 14e eeuw, kan in zijne groote en langdurige reizen voor de kennis van Azië met Marco Polo op één lijn worden gesteld: van Tanger uit drong ook hy in een dertigjarig tijdvak tot in Oost-Azië door. Van hem bestaan evenzeer uitvoerige reisbeschrijvingen.
Aldus had de machtige handelsrepubliek in haar bloeitijdperk gedurende en na de kruistochten groote reizigers gekweekt en evenzoo had de Islam door het voorschrijven der bedevaarten naar Mekka, waarmee de handel gepaard ging, den ouden reislust der Arabieren opgewekt.
De door de kruistochten eenmaal opgewekte zin voor reizen en handelen heeft den stoot gegeven tot de groote reizen en ontdekkingen, die wij kort daarna in alle zeeën en landen zien, en waarvan in Azië de betrekkingen met Indië, China, Japan het gevolg waren. Van veroveren kon voor de Europe-
dus ongeveer 1/4 van de geheele menschheid; op de Nevenlanden komen hiervan nauwelijks 25 millioen.
250
anen bij China en Japan geen sprake zijn, slechts van handelsverdragen. Maar overdreven bekeeringsijver van zendelingen, onedele handelingen van de kooplieden maakten, dat de regeeringen èn van China èn van Japan in de 17' eeuw hunne landen afsloten.
Sinds het optreden der Europeesche mogendheden in 't midden dezer eeuw is de kennis van de binnenlanden van China wel veel vermeerderd door beroemde reizigers, waaronder in de eerste plaats von Richthofen, boven reeds genoemd; maar van verscheidene provincies is de kennis nog geheel onvolkomen.
De Chineesche laagvlakte, het beneden-gebied van de Chineesehe reuzenstroomen, Iloangho en Jang-tse-kiang of „Gelequot; en „Blauwequot; rivier, is vruchtbaar, uitstekend bebouwd en waarschijnlijk het dichtstbevolkte land der aarde. Hier zijn de mensohen opeengehoopt (381 op 1 KM2 in 't mondingsgebied van de Jang-tse-kiang) en een mislukte rijstoogst heeft dikwijls hongersnood en den dood van millioenen menschen ten gevolge gehad; ook burgeroorlogen hadden meermalen hetzelfde gevolg.
De Chinees is in de eerste plaats landbouwer; geen plekje is onbebouwd, voor besproeiing is uitstekend zorg gedragen, zoowel in de vlakten als op de hellingen der bergen. In de steden is hij uitstekend handwerksman; aan de kusten visscheren gevaarlijk zeeroover; alleen de mijnbouw laat in China nog veel te wensehen over, en de bodem is juist zoo rijk vooral aan groote steenkoolbeddingen, misschien grooter dan die van eenig ander land ter wereld. Verder is er ook vooral ijzer.
Hoofdproducten van den uitvoer zijn in China: thee, zijde, suiker, voorwerpen van de Chineesche nijverheid, als papier, lakwerk, porselein, geweven stoffen, broderieën, inkt en reukwerken.
Ingevoerd worden vooral: rijst, opium, katoen, wollen stoffen, metalen, steenkolen, petroleum. Opium wordt tegenwoordig op groote schaal ook in China zelf verbouwd.
Van de talrijke havens aan de Chineesche kusten werden er na den „opiumoorlogquot; tussehen China en Engeland d839—'42) een vijftal, de zoogenaamde „verdragshavensquot;, opengesteld. Na een tweeden oorlog in 1860 met Engeland en Frankrijk, waarbij zelfs Peking werd ingenomen, werd bij den vrede van Tientsin het reizen in de binnenlanden toegestaan en de toegang dus eigenlijk eerst goed ontsloten. De bevolking is den Europeaan niet bepaald ongenegen; meer is zulks het geval met de mandarijnen, de Chineesche grooten. Deze zijn van het nieuwe afkeerig en wilden aanvankelijk allen vreemden invloed weren. Geweldige burgeroorlogen zijn toen in China uitgebroken; de provincies van het Zuiden dreigden zich van het hof van Peking los te scheuren, daar de Zuid-Chineezen altijd met onwil het Tataarsch juk hadden ge-
251
dragen. Eerst met Engelsche en Fransche hulp zijn de opstandelingen (de Taipings) bedwongen (Generaal Gordon; zie blz. 190). Zelden is ergens ter wereld een burgeroorlog met grooter wreedheid gevoerd; niet alleen door het zwaard, maar vooral door hongersnood zijn geheele streken ontvolkt, entoen ook nog opstanden uitbraken in de verste provincies, als Üost-Toeran, scheen het een oogenblik, alsof de oude Chineesche monarchie zou opgelost worden.
§ 141. De groote Chineesche steden zijn veeltijds langs eene rivier gebouwd; de stroom ligt vol drijvende woningen en handelsschepen. Wat de Wolga is voor Rusland en de Mississippi voor de Vereenigde Staten, is voor China de Jang-tse-kiang, de „middel-landsche zee van Chinaquot;, die over eene lengte van ruim 500 uren gaans bevaren wordt en meer dan 1000 steden aan hare oevers telt. Bij Hankou (800), 150 uren van den mond, is de rivier 4 KM breed en dikwijls met meer dan 10000 schepen en onmetelijke houtvlotten bedekt; uit alle streken van 't rijk komen hier de kooplui samen en worden de massa's thee, zijde, katoen, papier, rijst, graan, aangevoerd, en in de levendige stad heeft elk product zijn kwartier of zijn straat met magazijnen en winkels. Slechts weinige Europeanen wonen 't geheele jaar door in Hankou; 't grootste deel des jaars wonen zij in de groote havenstad Sjanghai, 20 KM van zee aan eene zijrivier. Hier is een Europeesch kwartier met breede, schoone straten, gasverliching, clubs, couranten, enz.; de eigenlijke Chineesche stad, met 400000 inw., bestaat grooten-deels uit morsige, nauwe straatjes en heeft zelfs onder de Chineesche steden den naam van onzindelijk
De Hoangho wordt wegens zijne vreeselijke overstroomingen wel eens het „ongeluk van Chinaquot; genoemd; hij heeft een woesten loop en ondanks zijne lengte, voor de scheepvaart slechts geringe beteekenis. Zijn waterstand wisselt te veel af: in boven- en middenloop is 't verval te sterk, en in den benedenloop vormt 't medegevoerde slib („lössquot;) vele ondiepten. Maar in zijn gebied ligt 't belangrijke „löss-gebied van Noord-Chinaquot;. Dit beslaat eene oppervlakte zoo groot als het Duitsche Rijk, is uiterst vruchtbaar en vormt het land van de oudste Chineesche cultuur. Van de laagvlakte tot 2000 M hoog op de berghellingen komt deze vruchtbare grond voor, en hij veroorzaakt de gele kleur, die aan rivier en zee den naam gaven.
Evenals de Egyptenaren voor hunne Pharao's, moesten ook de Chineezen reeds in de oudste tijden voor hunne onbeperkte vorsten reuzenarbeid uitvoeren: met den Chineeschen muur aan de N.-W. grens behoorde hiertoe het Keizerskanaal in de laagvlakte; een breed en diep kanaal, ±1100 KM lang, als b.v. de Rijn; oorspronkelijk gegraven om de rijstbelasting te
252
vervoeren, is het in later tijd verwaarloosd en thans grootendeels onbruikbaar.
Langs den rug van 't grensgebergte van eigenlijk China loopt de binnenste Chineesche rijksmuur, hoog ongeveer 10 M, dik 7 M, uit graniet gebouwd en op hoog gelegen punten versterkt door vierkante torens; deze muur is veel sterker dan de buitenste bij Kalgan, d. i. „poortquot;. Deze laatste heeft eene lengte van ± 3000 KM — een afstand als van Londen tot Moskou —. Een Russisch reiziger zegt van deze muren; „zij maken een grootscheu indruk, vooral wanneer men let op de steilheid der bergwanden, de plotseling dalende rotsen, de gapende afgronden over welke zij loopen; bij deze kolossale bouwwerken vergeleken, schijnt de aanleg van den Pacific-spoorweg der Amerikanen ons kinderspel.quot;
Tiëntsin (950) ligt aan den mond van den Pei-ho, d. i. „witte rivierquot;; het is de haven van Peking, dat zelf' geen handelsstad is. Peking (l.G mill, imv.) bestaat uit twee deelen : de Mantsjoe-stad en de Chineezen-stad De eerste is de zetel der regeering; hier zijn de paleizen en andere groote gebouwen; de dynastie in China is sinds de 17c eeuw van de Mantsjoes, die toen China veroverden, maar spoedig geheel in de Chineezen opgingen.
Kaifoeng1 (1 mill.) ligt aan den grooten handelsweg over Sing'an (1 mill.) en Lan naar het Westen.
Wat Peking en Tiëntsin voor Noord-China zijn, zijn Nanking1 (500) en Sjanghai (400) voor het groote Midden. Nanking betee-kent „Zuidelijkequot;, gelijk Peking „Noordelijkequot; hoofdstad.
Voor Zuid-China is Kanton de grootste haven. Aan den mond van de ...., eene der grootste en belangrijkste Chineesche steden met 2 millioen inwoners, geldt het voor het type van eene echt Chineesche stad: geheele wijken zijn op het water gebouwd; de bewoners zijn onvermengd, terwijl Peking en het Noorden toch altijd eenigen invloed van de Mantsjoes hebben ondervonden. Voor de Chineesche industrie staat Kanton bovenaan.
Vóór den breeden riviermond ligt het rotseilandje Hongkong (200), in 1S42 door de Engelschen bezet, spoedig de belangrijkste stapelplaats voor den Chineeschen handel en thans de drukste haven van geheel Oost-Azië. De groote Europeesche handelshuizen zijn of hier of in Sjanghai gevestigd. Geregelde mailverbinding van Hongkong met Singapore, Rangoen, Calcutta: naar de andere zijde met Sjanghai, Jokohama, San-Francisco.
Eigenlijk heet de stad op Hongkong „Victoriaquot;, maar men gebruikt dezen naam weinig.
De opkomst van Hongkong had het verval tengevolge van het eens zoo bloeiende Macao (30), sedert ruim 3 eeuwen Portugeesch.
Uit Macao werden, evenals uit Amoy, in de laatste jaren veel Chineezen als koelie's verscheept, vooral naar Oost-en West-Indië.
253
Dat aanwerven en verschepen ging vaak gepaard met evenveel bedrog en ellende als bij den Afrikaanschen slavenhandel. Tegenwoordig neemt de aanvoer van koelie's af; de vrijwillige Chi-neesche emigratie is nog sterk, doch bepaalt zich hoofdzakelijk tot arme Chineezen en ook deze behouden het idee om eenmaal terug te keeren, zoo niet levend dan toch om in hun land te worden begraven. China is een overbevolkt land, waarvan het grootste deel der inwoners zeer arm is en zeer onkundig, doch begaafd met ijver, ondernemingsgeest en scherpzinnigheid. Emigratie is hier zeer gewenscht, vandaar dat uit China de landverhuizers bij stroomen naar andere landen trekken en daar soms veel goeds, soms veel kwaads, meestal goed en kwaad beide doen. Sommige natiën verzetten zich tegenwoordig tegen die immigratie. In den vreemde kenmerkt de Chinees zich door zijn vasthouden aan nationale kleeding en gebruiken; zooveel mogelijk wonen zij bij elkaar; elk bedrijf wordt door hen ter hand genomen en doorgaans met veel succes.
Het aantal steden, ook in de binnenlanden, is verder verbazend groot. Dit is verklaarbaar, want eigenlijk China is zoo dicht bevolkt, en de Chinees is gezellig van aard. Over de bevolkingscijfers der Chineesche steden had men tot voor enkele jaren een overdreven denkbeeld; de juiste cijfers kent men nog volstrekt niet. Zoo loopen de opgaven voor Peking uiteen van Va tot l'/s millioen. Zeker is het, dat vele steden het getal van '/a millioen nog te boven gaan, maar men moet vooral niet vergeten, dat zulk een groot bevolkingscijfer nog volstrekt niet het groote belang der Chineesche stad bewijst. Dat de opgaven zoo uiteen-loopen, komt zeker niet het minst door het feit, dat de Chineesche mandarijnen de onderzoekingen van vreemden op alle manieren tegenwerken.
Ten aanzien van de namen der groote Chineesche steden kan nog opgemerkt worden, dat 't aanhangsel /be bij den naam te kennen geeft, dat de stad regeeringszetel is van den ]en rang; evenzoo duidt tsjou een regeeringszetel van den 2quot;' rang aan.
Een der belangrijkste provincies van het binnenland is 't ertsrijke J u n n a n , het brongebied van de Si-Kiang. Misschien zal deze provincie, tengevolge van het optreden der Franschen in Tonkin, weldra een door de natuur aangewezen handelsweg — door het dal van de Songka — naar de golf van Tonkin krijgen.
§ 142. II. De Nevenlanden.
Mantsjoerye is grootendeels door Chineezen gekoloniseerd en wordt reeds ten deele tot Eigenlijk-China gerekend; het heeft dus
254
in tegenstelling met de andere Nevenlanden eene Chineesche bevolking.
Moekden (170), de hoofdstad, heeft voor ons geen beteekonis.
In Mong'olië zijn onmetelijke streken, waar geen mensch woont; hier en daar zijn voor den landbouw geschikte streken, maar daarvan hebben zich Chineesche kolonisten meester gemaakt ten koste van de Mongoolsche bewoners van Centraal-Azië.
Hier, in de steppen van Midden-Azië, vinden wij nog de aartsvaderlijke toestanden en verhoudingen bij de als nomaden levende stammen, 't Zijn meest uit vier geslachten bestaande familiën, welke, bestuurd door en onvoorwaardelijk gehoorzaam aan haar oudste lid, haren patriarch, rondtrekken met de tenten, die tot woonplaats strekken, om de kudden paarden, kameelen, schapen en runderen te weiden op de onafzienbare grasvelden, welke, zonder ooit bewerkt te worden, meer dan voldoende in 't onderhoud dezer kudden voorzien, terwijl deze op hare beurt weder schier alles leveren, wat hare eigenaren behoeven: het voedsel der patriarchale familie wordt verstrekt door de melk en het vleesch der vier soorten van zoogdieren, de kleeding door de huiden en de wol, de tenten evenzeer door de tot vilt bereide huiden, de brandstof door de gedroogde en samengeperste mest, de verlichting door schapenvet. Het paard is het middel tot personenvervoer, de kameel tot goederenvervoer. Ossenkarren worden gebruikt in die steppen. die door bosschen worden begrensd. Deze karren zijn geheel van hout; men vindt er geen spoor van ijzer aan. Slechts enkele voorwerpen tot godsdienstig, huiselijk en jachtge-bruik worden meegebracht door de bedevaartgangers, die af en toe uit de steppen naar de heilige plaatsen worden gezonden, naar Mekka (bij de Mohammedaansche nomaden) en naar Groot-Kouren of Oerga (40) (bij de Boeddhistische nomaden l
De oude handelsweg van China over Siberië naar Rusland loopt over laatstgenoemde plaats, eene „heilige stadquot; met 10 000 hama's, d. z. priesters en monniken; verder langs Maimaisjin, d. i. ,,handelsplaatsquot; op de grens, met uitsluitend Chineesche bevolking; naar de Siberische grensplaats Kjachta.
Tibet, bijna geheel onafhankelijk van China, is een priester-staat cn maar weinig bekend. De hoofdstad Lasa, d. i. de „zetel Godsquot;, is eene heilige stad, waarvan de toegang den vreemden streng verboden is. In eene kloostervesting woont de „Dalaï Lamaquot;, de Boeddhistische paus, omringd door duizenden monniken. — Het land is door zijne hooge ligging bijna uitsluitend geschikt voor veeteelt.
In Oost-Turkestan liggen Kasjgar (SO) en Jar kan d (40i. Hier
255
waren reeds in vroege tijden de groote karavaanwegen tusschen Europa en China. Deze groote handelswegen hebben veel van hunne beteekenis verloren sedert de openstelling van China.
De volgende bijzonderheden ten aanzien van China's handel, enz. zijn ontleend aan een Duitsch tijdschrift (van het Aardrijksk. Genootschap te Koningsbergen):
„Terwijl tot vóór dertig jaren de thee uitsluitend over land werd vervoerd, neemt thans — eerst door de openstelling van China's havens, dan ook door de voltooiing van het Suezkanaal — 9/io van de thee den weg over zee, naaide markt van Londen en die van Koningsbergen, dat van alle havens van Europa's vastland de meeste thee invoert; dan volgt Odessa, dat ook eene geregelde stoombootverbinding met China heeft.
De Engelschen staan in thee-verbruik bovenaan, overtreffen de op hen volgende Russen 3-maal en de Duitschers niet minder dan 60-maal. Maar terwijl de Engelschman zijne thee zoo sterk als porter drinkt, giet de Rus er zoolang water bij, als zij maar even kleur houdt en beiden drinken dus ten slotte evenveel. Van de 400 millioen Chineezen drinken, volgens von Richthoven, alleen de rijken werkelijke thee; de middelklasse drinkt een aftreksel van gedroogde bladeren van verschillende inheemsche plantensoorten; voor de groote massa is thee eene weelde: zij slurpt warm water, volgens een eeuwen-oud gebruik, dat waarschijnlijk ontstaan is, doordat in 9 van de 10 gevallen geen ander water te krijgen is, dan dat, hetwelk over rijstvelden gevloeid heeft en door opname van rottende stoffen ongezond is geworden. Hierin ligt zeker ook de oorsprong van het drinken van thee; uit verschillende soorten van getrokken bladeren voldeden die van de theeplant 't best.
In China worden de bladeren van de theestruik driemaal geplukt: de le maal in April, als zij nog klein zijn en den fijnsten geur hebben; verder in Juni en in Augustus; qualiteit en prijs zijn bij den 3rn pluk't laagst. De theeplantages liggen voornamelijk in Midden-China, in 't stroomgebied der Jangfse, waar Hankou 't middelpunt is. Jaar op jaar echter wordt de aanbouw van thee-plantages in Indië grooter, vooral ook op Ceylon; reeds krijgt Engeland van zijne thee uit zijne bezittingen, terwijl alle in Rusland gebruikte thee van Chineesche afkomst is.
Merkwaardig is de verklaring van Koningsbergens aanzienlijken thee-handel: tot 1862 had Rusland allen thee-invoer streng verboden «anders dan over den landweg langs Kjachta, aan de Chineesche grens; daarbij was tevens bepaald, dat de thee slechts in ruil tegen RussUche voortbrengselen mocht worden ingevoerd. In genoemd jaar werd ook de invoer langs de Westelijke, de Europeesche grens toegestaan, maar met verschillend invoerrecht, hooger aan de zee-dan aan de landgrens, zoodat het, na den aanleg der Russische spoorwegen, 't voordeeligst was, de thee per schip naar Koningsbergen en vandaar per spoor naar de markten van Petersburg, Moskou en Nowgorod te vervoeren.
Sedert nam de invoer der „karavanen-theequot; af, nog meer na 1869: de pas geoogste thee, die China in Mei verlaat, was op de groote mis van Nowgorod in 't begin van Augustus aanwezig, een vol jaar vroeger dan eertijds. Hoofdzakelijk zijn 't mindere soorten, die langs den ouden weg worden aangebracht
256
en daarbij eene zeer eigenaardige soort, de „tegel-theequot;. Deze wordt gemaakt, ook in Hankou, uit stengels, takjes, stof van de theestruik, onder warmen damp geperst in den vorm van baksteenen, tegels van 3 a 4 pond. Als zij droog zijn wordt elke tegel in papier gewikkeld; 36 tegels worden samen, met droge, geurige bladeren, in matten tot eene „korfquot; verbonden.
Bij de nomadische volken van Centraal-Azië wordt deze thee gekookt met merrie- of ezelinnemelk, onder toevoeging van stukjes schapenvet en als eene soep gegeten.
De weg, dien de karavanen-thee volgt, is weinig of niet gewijzigd sedert het Bussisch-Chineesch handelsverdrag van 1728: van Hankou in stoomschepen naar Tientsin, in 8 a 10 dagen; van hier den /'«Vio op, in door ossen gesleepte booten, waarbij een afstand van nauwlijks 50 uren gaans, verscheiden dagen, soms een paar weken vordert. Daarna begint het steppen-transport; over het Achteraziatisch gebergte, door de woestijn Gobi, langs Oerga naar Maimatsjin en Kjachta, dragen onvermoeide kameelen 2 maanden langde thee op hun rug, alleen op de nachtelijke kampplaats van hun last bevrijd. Leidt de weg eerst nog langs talrijke Chineesche steden, dan door nog tamelijk bevolkte streken, eindelijk begint het eenzaam gebied der Chalka-Mon-golen. Door de dorre woestijn voert soms alleen 't kameelpad. Water- en boomloos is het land, door de zom erzon geblakerd en door den wintervorst geteisterd. Geheel plantenloos is de bodem, die in de eigenlijke Gobi uit grof rood zand bestaat, zelden; hier groeit gras, ginder de erica, die met de gedroogde koe- en paardenmest aan de sporadische bevolking brandstof levert. Onafzienbare vlakten, geel gekleurd door verdroogd gras, wisselen af met donkere, grillig gekloofde rotspartijen en heuvels, op wier top zich soms de vorm eener snelvoetige antilope afteek^pt. Is na den eentonigen dag de zon ondergegaan, dan legeren zich de vermoeide lastdieren om de tenten der drijvers, die hun onsmakelijk maal bereiden, en weldra heerscht rondom eene doodsche stilte.
De Gobi maakt plaats voor de steppen; wij naderen Oerga, de tentenstad en residentie van den paus der Noordelijke Boeddhisten en van het Chineesche bestuur. Nog 2 weken, — en 't voorloopige doel der reis is bereikt. Moeilijk zal men ergens elders grooter tegenstelling tusschen twee vlak bij elkander gelegen plaatsen kunnen vinden dan in Maimatsjin en Kjachta. 't Eerste is uiterlijk eene voorstad van Peking door zijn Chineeschen, haast kinderach-tigen opschik, zijne poorten met beeldhouwwerk, zijne vergulde vlaggestokken, zijne opgeschikte tempeltjes; klokjes, die door den wind geluid worden; in alle woningen zingende vogels. Een breed portaal met zuilen, waarboven de Russische adelaar, voert direct van de grens Kjachta binnen, welks 60 of 70 huizen het sombere, eentonige Russische type vertoonen. De hoofdkerk is eene der rijkste van Siberië. Tusschen de beide plaatsen hebben de Chineezen groote planken in waaiervorm opgericht, om hunne huizen voor de onheilbrengende Russische atmosfeer te beschutten.
In Kjachta worden de houten kisten in schapenvachten genaaid; want nu begint het maandenlange transport op sleden of wagens. De weg tot Nisjni-Nowgorod is nog 5 a 6000 KM lang; zooveel mogelijk wordt daarbij van 't water gebruik gemaakt, 's zomers in stoombooten, 's winters in sleden, o. a.
257
over 't meer Baikal, de grootste zoetwater-zee van Azië, honderden meters diep en omgeven door hooge bergen, met pijnbossehen bedekt. Over Irkoetsk en Tomsk gaat bet naar de grensplaats Tjoemen, vanwaar een deel juist op tijd komt voor de groote Siberische jaarmarkt, die in Februari te Irbit, op de Russische grens tusschen Tjoemen en Jekaterinenburg, wordt gehouden, 't Grootste deel gaat verder per spoor over Jekaterinenburg naar Perm, om dan per boot de Kama af, eindelijk zijne bestemming te bereiken, na eene reis van ± 6 maanden.quot;
Achter-lndië.
§ 143. Natuurkundig bestaat Achter-lndië uit een aantal met dichte wouden bezette ketengebergten, wier hoofdrichting van het N. naar het Z. is. Tusschen die meridiaanketens stroomen 4 hoofd-rivieren (de Mekong of Kambodja, de Menam, de Saloeèn en de Irawadi),
welke buitengewoon vruchtbare alluviale vlakten hebben gevormd. In het mondingsgebied der rivieren liggen ongezonde, moerassige delta-eilanden, met dichte tropische bosschen bedekt. De plantengroei is trouwens in geheel Achter-lndië zeer weelderig en het reizen ook daardoor uiterst moeilijk^ zoodat de reizigers nog niet dikwijls overal zijn doorgedrongen. Bgelsche en Fransche legers —-voor een groot deel uit inlandsche troepen bestaande — zien wij reeds jarenlang in deze streken optreden.
Voor den handel kan Achter-lndië eene massa producten leveren. De hoofdzaak is tot nog toe rijst, waarvoor de moerassige vlakten zoo geschikt zijn. Vooral de Westkust, welke door den Zuidwestmoesson de regenrijkste der geheele aarde is, is de kust voor den rijstuitvoer (Akyab en Rangoen). Ook is deze kust bijzonder rijk aan het nuttige teak-hout, dat niet door den paalworm wordt aangetast. De rijst gaat vooral naar China en naar Engelsch-Indië. Verder worden thee, zijde, katoen, suiker, tabak, indigo, peper en huiden in den handel gebracht. De olifant is huisdier.
De bewoners, de Siameezen zoowel als de Birmanen en Annamieten, worden samengevat onder den naam van Maleio-Chi neezen, omdat zij ontstaan zijn uit de gemengde huwelijken van Maleischen en van Chineeschen stam. De Maleiers toch, oorspronkelijk in de bovenlanden van Soematra thuis behoorende, hebben zich van daar ook over Achter-lndië verbreid. De godsdienst is die van Boeddha.
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 17
258
Staatkundig bestaat Achter-Indië uit:
I. Fransch Aehter-Indie of Franseh Indo-China, nl.
a. Tonkin, b. Ahnam, c. Cochin-China, d. Kam-bodja;
II. het koninkrijk Siam ;
III. Britsch Achter-Indië, hl.
a. Birma, b. de Straits-Settlements (= straat-koloniën) op Malakka.
I. Indo-China (705000 KM2; 23 mill, inw.) is niet dan na jarenlange en zeer moeilijke oorlogen in 't bezit van Frankrijk gekomen. En toch is op handelsgebied in deze landen de invloed van de Engelschen nog overheerschend.
Tonkin ligt in het stroomgebied van de S o n g k a, die in de G. v. Tonkin uitmondt. Aan die rivier ligt de hoofdplaats Hanoi (150). Het geheele gewest is dicht bevolkt.
An nam heeft tot hoofdplaats Hué (30).
Kambodja en. Cochin-China liggen in de rijstrijke, doch ongezonde Mekong-delta. Saig'on (60) is eene rijsthaven.
H. Siam (630 000 KM2; 5 mill, inw.) is een vooruitstrevend koninkrijk. De belangrijkste stad is Bangkok (200), dat ten deele ■ op vlotten en eilandjes in de Me nam is gebouwd en het „Aziatisch Venetiëquot; heet. Verschillende spoorlijntjes voeren naar het binnenland. De uitvoer bepaalt zich voornamelijk tot rijst, oliën, suiker, teak-hout, sandelhout, ebbenhout en andere houtsoorten. De koning van Siam bezocht in 1897 verschillende staten van Europa. In ons land trokken de waterbouwkundige werken vooral de belangstelling van dezen vorst.
Hl. Britsch Achter-Indië.
Birma werd in 1886,veroverd door Engeland. Dit land had echter reeds vóór dien tijd veel van zijne beteekenis verloren, doordat het geen enkel gedeelte van de kust meer bezat. De regeering was, gelijk nog in de meeste Aziatische rijken, Oostersch despotisch en herhaaldelijk kwamen juist uit Birma berichten van willekeur en wreedheid van den koning. De residentie was al eenige malen verlegd naar plaatsen hooger aan de rivier, om de komst van vreemdelingen tegen te houden; 't laatst was zij gevestigd te Mandale (190), tot waar de Irawadi voor stoomschepen bevaarbaar is. Ten N.O. van deze plaats liggen beroemde rob ij n-steengroe ven.
In Birma liggen de voortreffelijkste rijstlanden der aarde. Langs de golf van Bengalen liggen dan ook verscheiden „rysthavensquot;, waarvan de voornaamste zijn Akyab en Rangoen (180).
Verder wordt uitgevoerd teak-hout, tin en steenkolen.
259
Ook is de parelvisscherij velerwegen van belang.
Malakka wordt gedeeltelijk door woeste Maleische stammen bewoond en gedeeltelijk behoort het tot het Engelsche gebied der belangrijke Straits-Settlements, waaronder men de Britsche nederzettingen aan de Straat van Malakka verstaat.
Daartoe behooren: het eilandje Pinang (met eene goede haven en een dok); andere kleine streken, die tin uitvoeren; het weinig beduidende Malakka en het eilandje Singapore, waarop de vrijhaven Singapore (185) ligt. Deze stad, eerst in 1819 gesticht, is het centrum van den handel tusschen China, Japan, Indië en Australië. De bevolking bestaat grooten-deels uit Chineezen; maar men ontmoet er van allerlei natiën en tongen. Singapore is eene wereldstad geworden.
Voor-Indië.
(Met Ceylon i 4 000 000 KM2; 285 mill, inw.)
§ 144. Het Britsch-Indische Keizerrijk beslaat eene oppervlakte van ± 13-maal die van de Britsche eilanden in Europa, maar slechts een deel is rechtstreeks onderworpen, terwijl verder een 600-tal meer of minder onafhankelijke Indische rijken bestaan.
De heerschappij dev Britsche kroon dagteekent van 1858. Voor dien tijd behoorden de bezittingen aan de Eng. O.-I. Comp. (opgericht in 1600). Deze had natnurlijk hoofdzakelijk gedacht aan hare handelsbelangen en weinig gedaan voor de organisatie in het uitgestrekte gebied. Hoewel zij reeds in de 17c eeuw bezittingen had, dagteekent hare groote uitbreiding toch van de 2e helft der 18e eeuw, dus van den tijd, toen Engeland èn in Amerika èn in Azië de Eransche koloniale macht aantastte.
Reeds omstreeks het jaar 1000 waren Mohammedaansche volken uit het ïfoorden in Voor-Indië gevallen, en in de 16e eeuw vestigde een Mongoolsch vorst een Mohammedaansch rijk, dat hij onder den titel van G r o o ten Mogol bestuurde, en dat zich tot 1803 staande hield.
De geweldige opstanden, die in 1857 en 1858 in verschillende deelen van Hindostan tegelijkertijd uitbarstten en een oogenblik het verblijf der Engel-schen in Indië onzeker maakten, werd de naaste aanleiding, nadat de opstand was onderdrukt, dat de Comp. werd opgeheven en Engeland de bezittingen overnam. De tegenwoordige inrichting, waarbij Victoria keizerin is, dagteekent van 1877.
Frankrijk en Portugal hebben nog enkele punten in Voor-Indië; Nederland stond de zijne af.
De algemeene naam „Indiëquot; is misleidend: van 't Himalaja-gebergte tot
17*
260
aan de Zuidspits van Voor-Indië is niets te zien, dat op eenheid gelijkt; in ras, in taal, in godsdienst, in geschiedenis zijn al de volken, die hier onder Britsche heerschappij zijn vereenigd, verschillend. Eén voorbeeld van deze verscheidenheid: 5 a 600 nieuwsbladen zijn in Eng.-Indië in omloop en deze vertegenwoordigen 16 verschillende talen !
Tegenover de ontzaglijke inlandsche bevolking ( '/s der geheele menschen-wereldj staat een betrekkelijk klein aantal Engelsche soldaten en ambtenaren; daarnaast staat een talrijker leger van inlanders, Sipoy's. Dit feit staat eenig in de geheele geschiedenis: een zoo groot volk geregeerd door een vreemde, die nog wel zoo ver af woont. De verhouding is ongeveer: op 2000 Hindoes 1 Engelschman.
Een deel der inboorlingen van Britsch-Indiü staat op een vrij hoogen trap van ontwikkeling; industrie en handel zijn in hunne handen, in ondernemingsgeest en uitgebreidheid hunner zaken wedijveren zij met de Europ. ingezetenen; groote winkels, zelfs in de drie grootste steden, zijn veeltijds in handen van inboorlingen; zij drijven zaken, waarin tonnen gouds omgaan. En in Nedl.-lndiigt;?
Grooter contrast — trouwens uit 't verschil in ras licht verklaarbaar — is nauwelijks denkbaar. Immers bij ons zijn alle neringen en bedrijven, die eenige ontwikkeling of kapitaal vereischcn, in handen van niet-inlanders. Kleine warongs, ambulante winkeltjes, neringen op openbare wegen en pleinen, een enkel handwerk, dat weinig kennis en luttel kapitaal vordert, ziedaar wat in handen van de inlanders is! Op Java komen onder hen niet anders voor dan kleine landbouwers, koelies en bedienden.
De oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië waren de Dravida's (bladz. 45), donkerbruine menschen, die al vroeg door de Hindoes of Indiërs (Arabische volken, die door de Kaboelpoort liet land binnendrongen) naar 't Zuiden werden gedreven en thans nog alleen De kan en Ceylon bewonen ten getale van 50 millioen. De Hindoes in de Ganges-vlakte namen den godsdienst aan van Brahma, met zijne scherp afgescheiden kastenindeeling. In de 6e eeuw v. Chr. trad Boeddha als hervormer op en kreeg vele aanhangers, vooral in 't Zuiden en buiten Voor-Indië. Zoo is op Ceylon de bevolking Boeddhistisch.
Het aantal Brahmanen in Voor-Indië bedraagt tegenwoordig ruim 200 millioen, dat der Mohammedanen ± 60 mill., dat der Boeddhisten ± 7 mill., terwijl het Christendom er slechts 2 millioen belijders telt.
In het Noorden wordt Voor-Indië afgesloten door den reusach-tigen bergmuur van den Himalaja, welks Noordelijke voet omstreeks 4000 M hooger staat dan de Zuidelijke. Steil rijst het gebergte aan den Zuidkant op uit een laagland, dat door 3 groote stroomen (welke?) wordt doorsneden. De natte moessons, die hier tegen het gebergte stuiten, brengen er veel vocht. Deze omstan-
261
digheid, gevoegd bij de tropische temperatuur en de vruchtbaarheid des bodems veroorzaakt een zeldzaam weelderigen plantengroei.
De vruchtbare, maar ongezonde Ganges-vlakte, is door de schier onbewoonde woestijn Thar of Thur, van het Indus-gebied gescheiden. In het Noorden heet het Indus-gebied Pendsjab (= vijfstroomenland), tusschen Sedletsj en Indus. De rivier vormt, evenals de Ganges, eene groote delta. Velerwegen is de bodem van het Indus-gebied zouthoudend. Do Thar-woestijn gaat naar 't Z.O. over in een zoutmoeras, het Ran, ten Oosten waarvan zich het boschrijke plateau van Mal va uitstrekt. Dit plateau heeft opiumcultuur.
Het eigenlijke schiereiland bestaat uit hot goed bebouwde, kunstmatig besproeide hoogland van Dekan, dat in 't N. door 'tVin-dhya geb., in 't W. door de West-Ghats en in 't O. door de Oost-Ghats afgesloten is. De West-Ghats vormen een onafge-
broken bergmuur, die des zomers uit den Zuidwest-moesson veel water opvangt. De Oost-Ghats zijn lager en minder gesloten en geven doorgangen aan rivieren. In deze streken heerscht soms groote water-armoede en dientengevolge hongersnood.
De Oost- en West-Ghats vormen een samenhangend gebergte, dat in 't Zuiden door eene laagte, the Gap (= de opening) gehee-ten, gescheiden is van de Ali-giri, welke zich in de
eilandjes der Adamsbrug voortzet op Ceylon en zich hier in de Adams-piek tot eene hoogte van 2500 M verheft.
262
De producten van Voor-Indie zijn vele en velerlei. De tropische landbouw levert rijst in enorme hoeveelheid, en verder tarwe en gierst, als voedselgewassen. De beide laatste komen vooral op het hoogland , rijst en gierst meer in de kuststreken voor. Vau de handelsgewassen komen de vezelstoffen het eerst in aanmerking en wel jute (in Bengalen) en katoen (vooral in Dekan). Dan volgen koffie (Malabar, Koromandel en Ceylon), thee (Gangesvlakte, Dekan, Ceylon), opium, kokosnoten, indigo, suiker, teakhout, kina (in de Ali-giri), cacao (Ceylon), enz. Verder wordt veel wol uitgevoerd en ook schellak, paarlen en zijde.
De mineraal-rijkdom van den bodem is nog weinig onderzocht. Bij Calcutta zijn steenkolenmijnen in exploitatie. Deze steenkool is echter slecht en wordt verbruikt bij de inlandsche spoorwegen.
Geographisch onderscheiden wij:
I. Het Beneden-Gangesgebied of Bengalen.
II. De Oanges-vlakte of Eigenlijk Hindostan.
III. Het Vijfstroomenland (Indus, Sedletsj e. a.) of Pendsjab.
IV. Het Beneden-Indus-gebied met de Thar-woestijn.
V. Dekan.
VI. Ceylon.
I. Bengalen is één onafzienbaar rijstveld, waar meer dan 200 menschen op 1 KMJ wonen. Toch wordt nog veel rijst uitgevoerd. De delta zelf is grootendeels ontoegankelijk, een moerassig woudgebied, het verblijf van tijgers, luipaarden, krokodillen en vergiftige slangen. Tengevolge van slangenbeten verliezen in Britsch-Indië jaarlijks gemiddeld 15 000 menschen het leven, terwijl er gem. 8000 menschen door tijgers worden verscheurd. Voor het dooden van vergiftige slangen betaalt het Gouvernement premie. Vooral het Zuidelijkste of jongste gedeelte der delta, deSunderbunds, vormt eene ontoegankelijke, hoogst ongezonde wildernis.
Bengalen levert voor den uitvoer in hoofdzaak jute, rijst en indigo.
Calcutta (900) heeft eene ongezonde ligging aan den Hoegli, den eenigen Gangesarm, die voor groote schepen bevaarbaar is. Het is de zetel van den onderkoning en van de hooge regeerings-lichamen. De stad bestaat uit twee gedeelten: het eene heeft grootendeels nauwe, morsige straten en onaanzienlijke huizen, terwijl het andere op Europeesche wijze is aangelegd en schittert van weelde.
263
' Calcutta is na Bombay de voornaamste handelsstad van Voor-Indië, het „Indische Londen.quot; Het is de uitvoerhaven van de ontzaglijke productie der Ganges-vlakte, vooral van jute, thee, opium, rijst, indigo, huiden; tarwe en katoen. Voor indigo is Calcutta de eerste markt der aarde. Patna (168) is de hoofdmarkt voor opium.
II. De Ganges-vlakte is evenals Bengalen dicht bebouwd en dicht bevolkt; de plantengroei is er weelderig, zooals misschien in geen ander tropisch land. In Hindostan en Bengalen hebben jaarlijks overstroomingen plaats.
Een aantal groote steden ligt in Hindostan; Britsch-Indië telt een 60-tal steden met meer dan 50 000 inwoners en daaronder zijn er 23 met meer dan 100 000; de grootste liggen aan den Ganges-spoorweg. Een der oudste en grootste is Delhi (194), tot in het begin dezer eeuw residentie van den Grooten Mogol en toen met 2 millioen inwoners; 't is het Rome van Indië en heeft nog tal van groote gebouwen. Eene heilige stad is ook Benares (200), met beroemde Indische tempels of pagoden. — Aan de samenvloeiing van Ganges en Dzjoemna, de aanzienlijkste zijrivier, ligt Allahabad (177). — Onder de vestingen en militaire punten in Hindostan is Laknau of Lucknow (223) belangrijk.
Aan den voet van den Himalaja ligt eene ondoordringbare woudstreek, moerassig door de zware tropische regens ; deze streek heet ïaraï. De moessons, zeewinden, over de golf van Bengalen komende, moeten tegen het hooge gebergte opstijgen , waarbij de wind afkoelt, de waterdamp zich verdicht en een groote regenval wordt veroorzaakt, op sommige plaatsen dien in Nederland 20-maal overtreffende.
Het Himalaja-gebied omvat ook nog de twee staten Nipal en Boetan. In Nipal bestaat het hoofddeel der bevolking uit de Gurkha's, een der beste bestanddeelen van 't Britsch-Ind. leger, nog onlangs (1897) zich onderscheidend in den N. W. grensoorlog.
Boe tan is van minder beteekenis.
Een der mooiste gedeelten in den Himalaja is Kasjmir, een Alpenland met prachtige dalen, donkere bosschen en talrijke watervallen. De fijnste wol en béroemd geitenhaar komen uit Kasjmir; verder is er aanzienlijke land- en ooftbouw; men kweekt er al onze vruchten.
De hoofdstad van dit Protectoraat is Sr in agar te midden van vruchtbare landouwen tusschen de hooge Alpen.
Een Engelsch resident is thans gevestigd in eene plaats ten N.
264
van Srinagar, zoodat thans de Hindoe-Koh feitelijk de Engelseh-Russische grens aanduidt.
§ 145. Pendsjab is een belangrijken dichtbevolkt gebied, maar heeft door zijne meer Noordelijke ligging andere gewassen en diersoorten dan Indië: in plaats van den olifant is de kameel hier lastdier; in plaats van de kokospalm groeit de dadel. Voor den Bengaalschen tijger is hier de leeuw. Meer dan aan Indië herinnert Pendsjab aan de natuur van Iran.
Een belangrijke weg gaat naar Afghanistan , belangrijk , omdat Afghanistan het eenige gebied is, dat de Russen en de Engelschen hier nog van elkander scheidt (blz. 236). Langs de vesting Pesjawer gaat de weg door het Kaboel-dal naar Kaboel. Een bekende pas is de K a i b e r, waar in den laatsten oorlog het meest gestreden werd.
Lahore (177) is in Pendsjab het belangrijkste middelpunt voor handel en verkeer.
IV. Het Beneden-Indusgebied bestaat grootendeels uit einde-looze steppen. Naar het Oosten strekt zich de woestijn T h a r of Thur uit. Hier en daar zijn uitgestrekte zoutmoerassen, het Ran, die periodiek opdrogen en dan door hunne miasmen de omgeving onbewoonbaar maken.
De beteekenis van Ganges („Gangaquot; = rivier) en Indus is geheel verschillend: het Ganges-gebied is zeer vochtig, dat van den Indus (Pendsjab of Vijfstroomenland uitgezonderd) zeer droog; het eerste heeft een tropischen plantengroei en is dicht bevolkt, het laatste heeft eene armoedige flora en weinig menschen. Het Ganges-gebied is in de geschiedenis altijd het beloofde land , de Beneden-Indusvlakte speelt in de geschiedenis geene rol.
Niet alleen behoort Pendsjab physisch meer tot Hindostan dan tot het Indus-gebied , 't was ook altijd het land, waar veroveraars en volken door moesten trekken, om in de Ganges-vlakte te komen (de Hindoes of Ariërs en in lateren tijd de Mongolen).
Ligt in het Beneden-Gangesgebied eene wereldstad, de marktplaats voor de producten van de rijke vlakte , aan de Indus-monden heeft zich eerst in den laatsten tijd eene groote plaats ontwikkeld, nl. Karatsji (107) met een druk verkeer tengevolge van den aanleg van het Suez-kanaal en de groote Indische spoorwegen naar Pendsjab en Centraal-Azië. Karatsji heeft reeds belangrijken uitvoer van katoen en tarwe.
V. Dékan (Zuidland) ligt hoog. Langs de kusten verheffen zich nog randgebergten, de Ghats, zoo genoemd naar de passen, waarvan gebruik gemaakt is voor de andere hoofdlijnen van het Indische spoorwegnet: Bombay—Allahabad—Calcutta en Bombay—
265
Madras. De reis van Bombay naar Calcutta duurt 3 dagen.
De Ghats laten slechts smalle kuststreken over: de kust van Malabar in 't Westen en die van Coromandel in 'tOosten. Deze laatste is arm aan havens en velerwegen met duinen bezet.
Bombay (822) ligt op een eilandje, waarachter het een prachtige haven heeft. Ingevolge haar ligging tegenover den mond van de golf van Aden kreeg deze stad na de opening van het Suez-kanaal groote beteekenis en staat sedert als handelshaven boven Calcutta. De uitvoer bepaalt zich vooral tot katoen, tarwe, lijnzaad en teakhout. Bombay is met New-Orleans (in de Vereenigde Staten van Amerika) de eerste katoenmarkt.
Hoewel de fabrieksnijverheid van katoenen stoffen in Indiö met reuzenschreden vooruitgaat, wordt toch nog 'tgrootste deel der katoenen stoffen uit Europa ingevoerd, wat gelukkig is voor de Engelsche nijverheid. Het is reeds voorgekomen, dat binnen 3 maanden de boomwol uit Dekan als gedrukte katoen in Engelsch-Indie terug was, zoodat de fabrikant het groote voordeel heeft van de grondstof te kunnen betalen met een gedeelte van het fabrikaat.
De grootste stad van Dekan en een druk spoorweg-middelpunt is Heiderabad (400), met een kenmerkend Mohammedaansch karakter.
Sedert overouden tijd heeft Dekan ook veel diamanten in den handel gebracht. Eene bekende diamantmarkt is te Golkouda. Groote diamanten als de Koh-i-nor, de Prins Regent e. a. zijn tegenwoordig niet meer zoo zeldzaam; bovendien bestaat voor sommige de waarde meer in de kunst van het slijpen dan in de grootte. De rijkdom van de Indische landen aan goud was reeds in de oudste tijden bekend (gelijk uit de Veda's blijkt). Over 't geheel beteekent echter de ontginning der delfstoffen nog weinig.
Madras (453) is door een spoorweg, dwars door Dekan, met Bombay verbonden. Bij de Noordoostenwinden is de havenlooze stad van October tot Januari voor de schepen niet te genaken. Desondanks heeft de stad veel handel.
Van de Portugeesche punten is G o a het belangrijkst. Fransch zijn: Pondichery, Chandernagore, e. a. (Zie bladz. 173).
VI. Ceylon (2-maal Nederland in grootte; ruim half zooveel inw.) wordt het mooiste land der wereld genoemd. Het schijnt althans voor Soematra's en Java's binnenlanden niet onder te doen.
In de binnenlanden zijn dichte wouden met nog kudden van olif a n t e n.
Langs de kusten, vruchtbaar door den regenaanvoer van den Z.W.moesson, strekken zich groote kokoswouden uit. Verder naar binnen verbouwt men rijst, gierst, koffie, kina en in
'266
den laatsten tijd ook veel thee en cacao. Het eiland is onuitputtelijk in edelgesteenten, en aan de N W.kust wordt jaarlijks in het voorjaar eene levendige parelvisscherij uitgeoefend in de Golf van Manaar.
Point de Galle (33) is een kolen-^ation, dat in de Indische zeeën algemeen door stoomschepen wordt aangedaan. Colombo (127) is hoofdstad en uitvoerhaven.
De Lacadiven en Maladiven zijn groepen van koraal eilandjes, meest atollen of laguneriffen, over welke eilanden bij de behandeling van Australië nader wordt gesproken.
Oost-Indische Archipel ').
§ 146. Aan weerszijden van den evenaar ligt deze krans van groote en van ontelbare kleine eilanden, als eene brug tusschen Azië en Australië, met welke werelddeelen zij in een vroeger geologisch tijdperk ook waarschijnlijk verbonden waren. Flora en fauna getuigen daar nog voor, en de zeediepten zijn er over 't geheel minder aanzienlijk dan in de groote oceanen.
Philippynen en Groote Soenda-eilanden, Molukken en Kleine Soenda-eilanden zijn de hoofdgroepen, die wij kunnen onderscheiden. De Oostelijke komen in natuur meer met Nieuw-Guinea en Australië overeen dan met Z.O.-Azië.
De hooge temperatuur, de groote vochtigheid en de vruchtbare, meest vulkanische bodem riepen een weelderigen, heerlijken plantengroei in 't leven. Tropische wouden bedekken zelfs de hooge gebergten. Een rijkdom van voortbrengselen, koffie, rietsuiker, tabak, katoen, specerijen, verfstoffen (w. o. vooral indigo), kostbare hout- en bamboesoorten, thee en kina, maken deze landen van het grootste belang als koloniën en voor de Europeesche markt in 't algemeen. Rijst, sago en allerlei vruchten (w. o. vooral kokosnoot en pisang) kunnen eene dichte bevolking voeden.
') Eene afzonderlijke behandeling van deze eilanden wereld is gegeven in Neder-landsch Oost- en West-Indië,quot; waarvan de 4e, belangrijk gewijzigde druk thans verschenen is.
267
Deze bestaat in de grootere Westelijke helft uit Maleische volken, waaronder in de eerste plaats de Javanen, Soendaneezen, Madoereezen. Boegineezen en Makassaren. In de kleinere Oostelijke helft, behooren zij tot het ras der Papoea's; maar op vele eilanden is vermenging duidelijk aangetoond.
Op eene oppervlakte van ±. 2 mill. KM2 tellen de gezamenlijke eilanden ± 41 mill, menschen, waarvan Java meer dan de helft.
De Philippünen, eene verzameling van ± 400 eilanden, waaronder 40 grootere, met ± 6 mill. inw., zijn Spaansch. Deze eilanden leveren voornamelijk tabak en suiker. Manilla (270), de hoofdstad , op een eiland bijna even groot als Java en met de heerlijkste tropische natuur, heeft veel industrie van sigaren.
Overigens is de Archipel eene Nederlandsche bezitting, afgezien van de enkele streken, die Engelsch, Portugeesch of onafhankelijk zijn.
ZESDE HOOFDSTUK.
AMERIKA.
(38 354 000 KM2; 132 700 000 inw.)
Ligging en ontdekkingsgeschiedenis.
1. Welke is de meest Noordelijke, welke de meest Zuidelijke parallel, die Amerika snijdt; welke parallel gaat over de landengte van Panama; welke landen van Amerika liggen onder den evenaar ?
2. Bereken de uitgestrektheid, die Amerika dus van het Noorden naar het Zuiden heeft, in uren gaans.
3. Welke zijn de eilandengroepen, die bij de Amerikaansche kusten liggen ? Welke schiereilanden worden bij Amerika gevormd ?
4. Waar komen de Oude en Nieuwe Wereld 't dichtst bij elkamp;ar, waar zijn zij 't verst verwijderd? Tracht van eene wereldkaart den afstand in KM en in uren gaans te berekenen tusschen Noorwegen en Groelüand en van Ierland tot New-Foundland.
5. Bepaal het verschil in lengte en in tijd tusschen New-York en Londen.
6. Zoek bekende plaatsen in andere werelddeelen, die op gelijke breedte liggen met N e w-Y o r k, daarna met den Mississippi-mond, eindelijk met Panama.
§ 147. De eerste ontdekkingsgeschiedenis van Amerika valt in de 10C eeuw, toen de Noormannen, na eerst op IJsland volkplantingen te hebben gesticht, door overbevolking en twist weldra ook Groenland bezochten. Van uit de nederzettingen aan Groenlands Westkust werden de N.O.-kusten van Amerika bezocht tot aan New-Foundland toe, door hen Winland genoemd, omdat zij er den wijnstok in het wild aantroffen.
Zoowel de nederzettingen in Groenland als die op Amerika's vastland bezweken spoedig, door de zwarte pest en den strijd tegen de Eskimo's, en de resultaten van de eerste ontdekkingsgeschiedenis van Amerika gingen verloren (Columbus is nog op IJsland geweest met het doel daar berichten en inlichtingen in te winnen).
269
Tot de tweede ontdekking, die van Columbus, gaf aanleiding de dubbele dwaling ten aanzien van den afstand in graden tusschen Europa's Westkust en Azië's Oostkust en de grootte van die graden; Columbus e. a. meenden, dat de landen van Azië's Oostkust veel verder Oostwaarts reikten dan 't geval is. Maar bovendien: de tijd, waarin Columbus leefde, was die der groote reizen en ontdekkingen, waartoe èn de kruistochten èn de uitvindingen, die op het zeewezen betrekking hadden, zeker ook den stoot hadden gegeven, terwijl de heerschappij der Turken in Voor-Azië en Zuidoost-Europa het vinden van nieuwe handelswegen noodzakelijk maakte.
Verrassend snel volgde in Amerika de eene ontdekking op de andere; meestal werden de reizigers slechts door het toeval geleid: zoo ontdekte de Portugees Cabral, op eene reis naar Indië, de kust van Brazilië (1500). Anderen, als Cortez en Pizaro, gingen af op inlichtingen van Indiaansche bewoners. Nauwelijks 60 jaren na de ontdekking had Spanje het belangrijkste deel van het werelddeel in bezit genomen (West-Indië, Mejico, Cen-traal-Amerika, Peru, Chili) en begon de Spaansche invloed, die zich in deze landen nu nog zoozeer in taal, ontwikkeling en m.iatschappelijke toestanden doet gevoelen. Alleen Brazilië was Portugeesch.
In de 17e eeuw traden naast de Romanen de Germaansche kolonisten op en uit de geschiedenis van de koloniën door de laatsten gesticht, blijkt duidelijk de verderfelijke invloed van de Romaansche veroveraars tegenover den hoogen bloei van de streken, waar de Germanen de meerderheid vormen en waar zich een staat ontwikkelde, die schier op elk gebied het beschaafde Europa ter zijde streeft.
Tot in de Amerikaansche IJszeeën drong de ondernemingsgeest door. De namen van Hudson, Davis, Baffin, die men op de kaart leest, zijn die van Engelsche reizigers uit het laatst der 16° en begin der 17e eeuw.
Een meer nauwkeurig onderzoek in deze streken volgt eerst in 't laatst der 18e eeuw als de reizen van James Cook den stoot geven tot ontdekkingen en nasporingen in alle zeeën (zie bl. 14). In de 19e eeuw werd de groote arctische eilanden-zee ten Noorden van Amerika een gebied van expedities te water en te land. In 't gebied der ijsschotsen en onstuimige golven ontmoeten elkander in den maandenlangen dag, tusschen Eskimo's, ijsberen en zeehonden , zeelieden der meest verschillende natiën, bouwen er winter-stations, observatoria, magazijnen, bespieden de geheimen der poolwereld en de natuurkrachten, die daar werken, 'tBekendst zijn de reizen van Ross („magnetische poolquot;). Franklin (N.W. doorvaart) en de op dezen laatste gevolgde Franklin-expedities. Eene van deze heeft inderdaad aangetoond , dat eene N.W. doorvaart bestaat, maar voor de scheepvaart geheel onbruikbaar; zij heeft evenmin practisch nut als de weg langs het N. van Azië. Al deze eilanden ten N. van Amerika vormen een gebied van sneeuw en ijs met een doolhof van straten; het vaarwater is er moeilijk te vinden en dikwijls gesloten; het is zelfs moeilijk land en zee te onderscheiden.
Amerika vertoont den vorm van twee driehoeken, die beide met de spits naar 't Zuiden zijn gericht. Het verschil in flora en fauna wijst er op, dat deze beide deelen eens gescheiden zijn
270
geweest. In den Tertiairen tijd hebben vulkanische uitbarstingen eene verbinding doen ontstaan in de landengte van Panama.
Het werelddeel is alzoo in de lengte uitgestrekt tusschen de beide grootste oceanen. De ligging aan den Atlantischen Oceaan is echter van veel grooter beteekenis dan die aan den Grooten Oceaan. Amerika heeft naar den kant van den Atlantischen Oceaan le de grootste kustontwikkeling (groote golven, aanzienlijke schiereilanden en eilanden), 2e liggen aan die zijde de onmetelijke laagvlakten, 3quot; monden daar de groote rivieren, 4e bemoeilijken daar geen hooge, samenhangende gebergten het verkeer met het binnenland. De Pacifique kust daarentegen is gesloten; bovendien vormen de steile en trotsche Andes, het uitgestrektste ketengebergte der aarde, een onafgebroken muur langs de kust; eindelijk stroomen er geen groote rivieren naar de zee.
Amerika ligt dus open naar de zijde van Europa. De Atlantische Oceaan is dan ook de drukke verkeersweg. Tal van geregelde stoombootverbindingen onderhouden het verkeer tusschen Europa en Amerika's Oostkust. In 1865 werd de 1° trans-Atlan-tische kabel gelegd; thans liggen er verscheidene van Valentia naar New-Foundland, van Brest naar St.-Pierre (bij New-Foundlandj, van Lissabon naar Pernambuco (Brazilië).
Eerst in de 19° eeuw kreeg de Pacifique kust, o. a. door de volgende redenen, meer beteekenis:
1. De algemeene toeneming van de scheepvaart op den Grooten Oceaan sedert de reizen van Cook en de walvischvangst in dien Oceaan. Later de openstelling van China en Japan en de toenemende handelsbeteekenis dier landen, ir'i.
2. De snelle opkomst der Engelsche Koloniën in Zuidoost-Australië. ^
3. De ontdekking van goudmijnen in Califormë en de snelle opkomst van dezen staat; San Francisco is de aanzienlijkste haven van Amerika's geheele W.-kust.
4. De vooruitgang in de republieken van Centraal- en Zuid-Amerika. Nadat deze vrij waren geworden van Spanje, waren zij steeds aan politieke woelingen, zelfs revolutiën. ten prooi. Langzamerhand kwamen er geregelde toestanden, en thans komen deze landen. Chili, Peru, Columbia, reeds met hunne producten op de wereldmarkt: zilver, salpeter, guano, kina.
5. De aanleg van den spoorweg op de landengte van Panama, later gevolgd door meerdere Pacific-spoorwegen.
Door al deze oorzaken bestaan thans ook in den Grooten Oceaan talrijke stoomvaartlijnen en de beteekenis van de havens aan
271
Amerika's Westkust zal ongetwijfeld nog zeer toenemen, wanneer een kanaal door Centraal-Amerika de beide Oceanen zal verbinden.
Verticale vorm en rivieren.
§ 148. In geen der werelddeelen treedt meer dan in Amerika de vorm van ketengebergte en van laagvlakte ojj den voorgrond, zoodat in dit opzicht Amerika de scherpste tegenstelling vormt met het werelddeel
Maar terwijl in de Oude Wereld de hoofdrichting der bodemverheffing van West naar Oost is— Pyreneën, Alpen, Kaukasus, Himalaja, enz. — zien wij in de Nieuwe Wereld de grootste verheffing zich uitstrekken van 't Noorden naar 't Zuiden.
Het laagland overtreft in uitgestrektheid het hoogland (zie fig. 13); in 't midden van het werelddeel liggen groote laagvlakten, van de boorden der IJszee tot de heete kusten der Golf van Mejico en dan weer in Zuid-Amerika.
Deze vlakten worden door kleine bergstelsels van het Atlantisch Kustgebied gescheiden.
Een onmiddellijk gevolg van dezen bodemvorm in Amerika is de ontwikkeling van groote rivieren , want in de hooge gebergten valt veel neerslag (sneeuw, regen), en in de laagvlakten kunnen de kleinere rivieren zich tot groote stroomstelsels vereenigen.
Heeft vooral Zuid-Amerika een weinig ontwikkelden vorm, eene geringe kustontwikkeling (geene diep het werelddeel binnendringende zeeën, geene eilandenvorming), en komt het hierin overeen met Afrika en Australië, toch is het veel rijker dan deze twee werelddeelen in bodemvorm. In verband daarmede bezit het rivierstelsels, die even goed de binnenlanden toegankelijk maken als eene betere kustontwikkeling 't zou kunnen doen.
Een tweede gevolg van Amerika's bodemvorm is , dat de rivieren vooral twee gedeelten van haren loop bijzonder ontwikkeld hebben.
Welke zijn dat, en van welk werelddeel verschillen dus de rivieren zeer met deze?
De algemeene naam voor het hoofdbergland is Cordilleras de los Andes. Voor Noord- en Midden-Amerika is de naam Cordilleras, voor Zuid-Amerika meer die van Andes in gebruik. In geheel Britsch Noord-Amerika en de Unie is de algemeene naam voor de hoofdketen Rocky Mountains of Rotsgebergte. Dit Kotsgebergte wordt vergezeld door talrijke ketens, meest als kust-gebergten, en deze sluiten met de hoofdketen plateau's in, b. v. het plateau van Utah. Hetzelfde is het geval in Mejico,
272
waar, tusschen verschillende sierra's (ketens), liet plateau van Mejico ligt.
De afzonderlijke namen voor de Andes van Z.-Amerika zijn ontleend aan de landen, waar zij zich verheffen: Andes van Chili, van Bolivia, enz. Ook hier bestaat het gebergte op verscheiden plaatsen uit meerdere ketens; deze sluiten lengtedalen of smalle plateau's in. In tegenstelling met de plateau's op hoo-gere breedten, zooals die in Britsch Noord-Amerika en in de Unie, zijn de plateau's binnen de keerkringen gezegend met eene heerlijke natuur, en het waren dan ook juist deze gedeelten van het werelddeel, waar de ontdekkers van de 16quot; eeuw beschaafde staten aantroffen, b. v. op de plateau's in Peru en in Mejico
Afzonderlijke bergstelsels aan de Atlantische zijde zijn: 1. de Alleghanies, 2. het bergland van Guyana, 3. het Brazillaansche bergland.
§ 149. Reeds is boven gewezen op de gevolgen van de omstandigheid , dat het lange en hooge ketengebergte geheel in het Westen van het werelddeel zich verheft. Welke zijn de bedoelde gevolgen: a. voor de havens aan den Grooten Oceaan; b. voor de landen ten O van de Andes; c. voor de groote rivieren in Amerika?
1. Zoek op de kaart de volgende rivieren: Mississippi, Missouri, St.-Laurens, Mackenzie, Amazone, Rio de la Plata, Orinoco; Colorado, Columbia.
2. Welke van deze rivieren loopeii in den Grooten Oceaan uit, en waarom zijn ze voor de scheepvaart minder geschikt dan de andere ?
3. Geef van den St.-Laurens op, van welke 5 groote meren hij de afwatering vormt. Van welk dier meren ligt de waterspiegel het laagst, van welk het hoogst?
4. Welke is de hoofdrichting van de Mississippi, welke van de Amazone? Tracht na te gaan, welke dier richtingen het belangrijkst is, en zoek de oorzaken voor het verschil in beteekenis op te geven.
5. Teeken deze twee groote stroomstelsels in eene eenvoudige schets.
De groote Amerikaansche laagvlakten dragen den naam naar de groote rivierstelsels. ïen deele worden zij ingenomen door dichte wouden, ten deele zijn zij met lang gras bedekt en vertoon en het karakter van steppen, met een weelderigen plantengroei in het eene halfjaar en dorheid in het andere.
De Hudsonsbaal-vlakte komt, wat klimaat en plantengroei aangaat, overeen met de Siberische vlakte ; maar hier, in de Nieuwe Wereld, is de overgang naar het Zuiden geleidelijker; want het
273
laagland loopt onafgebroken door, in het midden van het werelddeel , „van de IJszee tot aan de gloeiende Westindische zeeën.quot;
De Mississippi-vlakte heeft ten deele uitgestrekte prairiën, ten deele wouden en landbouwstreken. In hoofdzaak liggen de eerste ten Westen en de laatste ten O. van de groote rivier.
Zuid-Amerika heeft zijne Llano's van den Orinoco, vlakten in het eene halfjaar doodsch en dor, zonder eenigen regen en daardoor zonder plantengroei, in 't andere halfjaar door aanhoudende , zware regens, in verband met de hooge temperatuur, in welige grasvlakten met groote kudden veranderd.
Tot het gebied van den Amazonenstroom en zijne groote zijrivieren behooren de Selva's. Dit zijn ondoordringbare wouden, die in den regentijd, althans langs de rivieren, in 't water staan. Ze zijn weinig bekend en alleen bewoond door zwervende Indianen; hier en daar honderden mijlen in 't rond geene stad of vaste nederzetting.
De Pampas zijn grasvlakten en steppen van de La PI ata-rivieren. Hier zwerven groote kudden runderen en paarden onder toezicht van half-wilde bereden herders; in andere gedeelten zijn schapen hoofdzaak, terwijl ook struisvogels meer en meer van beteekenis zijn geworden. Verder liggen hier uitgestrekte jachtvelden.
Bewoners.
§ 150. Zoowel in volstrekte bevolking als in bevolkingsdichtheid staat Amerika nog altijd ver beneden Azië en Europa en zelfs nog niet op ééne lijn met Afrika (fig. 22), al is ook de toevloed van de Oude naar de Nieuwe Wereld vooral gedurende deze eeuw zeer aanzienlijk geweest.
De geheele bevolking wordt gesteld op ruim 132 millioen, nl. 87 mill, in Noord-Amerika (met Mejico), 3'ia millioen in Middel-Amerika, 5,8 mill, in West-Indië en ruim 86 mill, in Zuid-Amerika. Volkomen zekerheid heeft men niet ten aanzien van de sterkte -van sommige Indianenstammen, maar dit legt niet veel gewicht in de schaal, want men rekent, dat nauwlijks '/io van Amerika's TDewoners nog zuivere Indianen zijn.
Opmerkelijk is het, dat Amerika bij zijne ontdekking geen her-■dersvolken had; de onbeschaafde volken waren of jagersvolken of visschers. Maar naast deze wilden troffen de Spanjaarden ook volken aan, die zich door een hoogen trap van ontwikkeling onderscheidden, al hadden zij daarbij tevens barbaarsche instellingen. Hiertoe behooren in de le plaats: de Azteken, in Mejico en de
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. IS
274
Inca's (eigenlijk de naam der vorsten) in Peru. Deze volken leefden van landbouw, mijnbouw en handel. Zij hadden vaste woonplaatsen en vormden staten, waarin groote steden lagen. Uitstekende kunstwegen waren aangelegd, ook over de hoogste bergen. De vorsten regeerden heel despotisch, evenals in de Oostersche Tijken van de oude wereld ; bloedige oorlogen werden gevoerd, in welke de gevangenen als menschenoffers aan de krijgsgoden werden gewijd, en waarbij ook hét eten van menschenvleesch voorkwam.
Tegen de Spanjaarden waren ook deze volken niet opgewassen. In de landen, door hen bewoond, vormen de Indianen echter nog een hoofdbestanddeel der bevolking.
Onder de wilde Indianen stonden en staan vooral die van Zuid-Amerika zeer laag; in 't bijzonder die, welke in de onmetelijke vlakten van de Amazone zwerven. Elke stam heeft eene taal, die geheel van die der anderen is onderscheiden; nauwlijks 100 men-schen vormen soms reeds zulk een stam. In Guyana zijn de talrijkste stammen de Cariben en de Arowaken. Wat hooger stonden de jagersvolken van de Andes, waaronder b v. de dappere Araucaniërs (thans ook nog in Chili). Eene derde groep vormen de Pampa-volken, waartoe ook de Patagoniërs en Vuurlanders worden gerekend.
In Noord-Amerika zijn in het uiterste Noorden de Eskimo's. Zij zijn zwervende visschers en jagers en verschillen zeer èn van de Mongoolsche volken in het N. der Oude wereld èn van de Indianenstammen, waaraan zij in de Hudsonsbaai-landen onmiddellijk grenzen.
Talrijk en nog zeer onderscheiden waren eindelijk de jagersvolken in de tegenwoordige Unie en in Britsch-Amerika; hun aantal verminderde sneller dan dat van de Indianen in Z.-Amerika; verscheiden stammen zijn reeds uitgestorven.
De volgende bijzonderheden zijn van de hand van een wetenschappelijk onderzoeker '):
„Ev is wellicht geen Indiaansche stam in geheel Amerika, die — ook in het beschaafde Europa — meer algemeen bekend is dan die der Apaches. Werkelijk behooren zij dan ook tot een der merkwaardigste volken van het Westelijk halfrond. Voor zoover de overlevering teruggaat tot op den hui-digen dag hebben ze zich gekenmerkt door een ontembaren aard, door strijd en plunderzin. Hun aantal bedraagt thans nog enkele duizenden, verdeeld over verschillende reservations (= een aan hen afgestane gebieden) van de Unie en Mejico.
') Dr. H. E. C. Ten Kate. Reizen en Onderzoekingen in Noord-Amerika.
275
Ik kan niet nalaten eene zekere bewondering te gevoelen voor die handvol wilden, die van uit het ijzige Noorden zich een weg hebben gebaand tot de heete woestijnen van Mejico, altijd strijdend en in beweging, vallend en opstaand, steeds volhardend tot het einde toe. Ontegenzeggelijk hebben de Apaches eene belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Mejico en van de Vereenigde Staten, en hun naam zal blijven voortleven, lang nadat de laatste hunner krijgers naar de „gelukzalige jachtveldenquot; zal zijn gegaan.
In niet geringe mate hebben de Apaches hunne populariteit te danken aan de romanlitteratuur, waarvan zij, meer dan andere hunner rasgenooten, de helden zijn; het romantisme der Amerikaansche wildernis, zooals wij dat kennen door werken van Cooper, Aimard, Ferry, Mayne Eeid en anderen. De tijd van dat romantisme in het Westen is voorbij; de ongerepte wildernis van weleer is ingekrompen tot een gebied, zóó gering, dat het niet eens genoeg wild bezit, om aan de jagende, zwervende stammen het levensonderhoud te verzekeren. De fiere moed, de kracht der eens machtige stammen is gebroken, en bijna overal heeft reeds de „beschavingquot; post gevat en, tot het uiterste gedreven, schoot er voor de „zonen der wildernisquot; niets over dan zich te onderwerpen en genadebrood te eten, of te strijden en te verhongeren. Lang hielden vele stammen den ongelijken strijd vol, volhardend met den moed der vertwijfeling; doch hunne rijen dunden van jaar tot jaar, hun gebied kromp meer en meer in en zoo werd gaandeweg de toestand in het leven geroepen, die wij thans onder de Indianen in het Westen vinden: het meeren-deel zijn door het gouvernement bedeelden.
De hutten der Apaches zijn slechts ellendige afdaken van boomstammen, waarover een deken of een stuk zeildoek van boven is uitgespreid. Ze zijn in 'tmidden zoo laag, dat men er nauwelijks rechtop in kan staan; om den ingang binnen te komen, moet men zich diep bukken. Verhuist een gezin, dan wordt de hut in elkaar getrapt en gedeeltelijk verbrand. Het weinigje huisraad, dat voornamelijk uit een paar maalsteenen en kruiken van mandwerk bestaat, wordt op de paarden geladen of door de vrouwen gedragen.
Een gedeelte der Apaches bebouwt den grond; voornamelijk worden maïs en watermeloenen aangekweekt. Voorts zijn zij verzot op vleesch, en velen zijn dan ook met veeteelt begonnen, waartoe het gouvernement hun schapen heeft verstrekt. Deze Apaches zijn, gelijk ook sommige andere Indianenstammen, langzaam vooruitgaande op den weg der beschavingquot;.
§ 15J. Een tweede bestanddeel van Amerika's tegenwoordige bevolking vormen de Negers. In 1517 werden op voorstel van den Spaansohen priester Las Ca sas voor het eerst negers van de Afrikaansche kusten in West-Indië ingevoerd, om in plaats van de minder geschikte Indianen in de mijnen, goudwasscherijen en plantages te arbeiden. De slavenhandel nam steeds toe, bereikte zijn hoogsten bloei in de 18e eeuw, toen ten gevolge van verdragen (assiento's) Engeland het monopolie van den slaven-invoer kreeg. — Bijzonder sterk is het negerelement in de landstreken, waar plantages zijn: in 't Zuiden van de Unie, op de
18*
276
quot;Westindische eilanden, in Brazilië. Daarentegen komen de zwarten aan de Westzijde van Amerika, in de Andes, veel minder voor.
Gedurende den langen tijd hunner slavernij kwamen de negers tot het ongelukkige begrip, dat vrijheid beteekent: niet werken! Hunne invrijheidstelling is in de meeste deelen van Amerika te snel, te onvoorbereid geschied en heeft daardoor kwade gevolgen na zich gesleept.
Meer dan de helft van de tegenwoordige bevolking van Amerika vormen de sedert de dagen van Columbus geïmmigreerde Euro-
peanen en hunne afstammelingen. Als wij hierbij letten op den Germaanschen stam en dien der Romanen, merken wij punten van verschil op:
1. Ten aanzien van de plaats ■, want de Romanen kwamen vooral in Zuid- en Midden-Amerika, de Germanen in Noord-Amerika.
277
2. Ten aanzien van den tijd: de Komaansche volken stichtten groote koloniën in de 16e en 17' eeuw. Daarentegen dagteekent de groote stroom van Germaansche landverhuizers uit onze eeuw. Maar reeds in de 16e en 17e eeuw verrezen, vooral door godsdienstige en staatkundige redenen, de eerste Germaansche volkplantingen.
3. In het Germaansehe-Amerika is het Engelsch de meest gebruikelijke taal, in het Romaansche-Amerika wordt meest Spaansch gesproken, maar daar wint het Engelsch toch ook veld. Brazilië maakt hierin, gelijk in meer opzichten, op het Romaansche Amerika eene uitzondering: hier wordt de Portugeesohe taal gesproken.
De afstammelingen van de blanken in het Romaansche-Amerika heeten Creolen; die van de Engelschen in de Unie Yankee's.
Naast de tot nu toe beschouwde, drie verschillende rassen — de inboorlingen, de negers, de blanken — heeft Amerika verder eene talrijke bevolking van gemengd ras: de afstammelingen van Europeanen en Indianen worden Mestiezen genoemd; die van Europeanen en Negers heeten Mulatten.
Eindelijk stroomde in deze eeuw nog een nieuw bevolkingselement toe, nl. de Chineezen. Deze zijn als koelie's ingevoerd, o.a. op de plantages van W.-Indië en Guyana, terwijl talrijke Chineezen zich gevestigd hebben bij de goudmijnen in Californië, op de Guano-eilanden ten Westen van Peru, enz.
Staatkundige indeeling.
A. Onafhankelijke Staten.
§ 152. Alle Staten van de nieuwe wereld zijn republieken, de meeste van een „federatiefquot; karakter, d.i. zij vormen „bondsstaten.quot;
Deze staten zijn:
1. De Vereenigde Staten met de hoofdstad Washington.
2. Mejieo „ „ „ Mejieo.
3. De republieken van Centraal-Amerika (Guatemala,
S.-Salvador, Honduras, Nicaragua, ^ Costarica).Jft__
4. Columbia met de hoofdstad Bogota.
5. Venezuela „ „ „ Caracas.
6. Brazilië „ „ „ Rio de Janeiro.
7. Ecuador „ „ „ Quito.
278
|
9. Bolivia 11. Argentina of La Plata 12. Uruguay 13. Paraguay |
Id. Dominica met de hoofdstad Lima. La Paz. Santiago. Buenos Aires. Montevideo. Asuncion. Port au Prince. S. Domingo. |
B. Koloniën en bezittingen
Britsch:
1. Britsch Noord-Amerika
j 1. Dominion of Canada.
( 2. New-Foundland.
1. Bermudas.
o t w t t j • ; 2- Jamaica.
11 68 n' 1 e 3. Eenige Kleine Antillen.
4. Bahama-eilanden.
■. t rw i ., 1 1. Guyana.
In Z.-Amerika | 2_ Falkland.archipei.
Aotosav Kaa Yi 14-,
1. Cuba.
2. Portorico.
Fransch:
1. Een paar eilandjes bij New-Foundland.
2. Guyana.
3. Eenige Kleine Antillen.
NederlandsUi:
1. Gouvernement van Suriname.
2. Gouvernement van Curajao en onderhoorigheden.
Deensch:
1. Groenland.
2. Eenige Kleine Antillen.
Tusschen de grootte van deze staten of bezittingen en het aantal der inwoners moet eene ongunstige verhouding bestaan, indien wij letten op het meegedeelde aangaande grootte en bevolking van het geheele werelddeel.
279
Om een denkbeeld te geven van de ontzaglijke uitgebreidheid der meeste staten, merken wij op;
a. De Vereen. Staten van N.-A., b. Britsch N.-A. en c. Brazilië zijn ongeveer zoo groot als Europa (6. en c. ieder 6/6 X Europa).
d. Argentina is grooter dan geheel West- en Midden-Europa (Skandinavië, Britsche eil., Duitschland, Frankrijk en 't Iberisch schiereil.).
e. Mejico = Oostenr.-Hong. Duitschland 4- Frankrijk.
ƒ. De Z.-Amer. republieken, als Venezuela, Columbia, Peru, Bolivia, Ecuador cn Chili kunnen wij ons voorstellen als verschillende van 2 tot l'/a en 1 maal het Duitsche rijk.
En in welke mate de grootte der bevolking hiermee in contrast is, leert de onderstaande voorstelling, waaruit wij o. a. kunnen zien, dat slechts één staat eene „groote mogendheidquot; kan heeten in den zin, dien wij gewoon zijn in Europa daaraan te hechten.
Vereenigde Staten van N.-Amerika: 70,5.
--Brazilië 15.
--Mejico 12.
--Engelsche bezittingen 7.
--Vereen. St. v. Columbia 4.
— Argentina 4.
— Chili 3.
— Peru 3.
— Bolivia 2.
— Venezuela 2.
— Spaansche bezittingen 2.
— Ecuador 1.
— Guatemala 1.
Vergelijkend overzicht van de bevolking der staten en der voornaamste Europeesche bezittingen in Amerika, voor zoover zij meer dan één rnillioen inwoners hebben. De getallen duiden millioenen aan.
De VEREENIGDE STATEN van NOORD-AMER1KA.
(9 212 000 KM2; 70,5 mill, inw.)
§ 153. Deze Unie telt thans 44 staten, 6 gebieden of ter-ritoriën en 1 bondsdistrict. Het verschil tusschen een staat en een gebied is gelegen in de staatkundige rechten: de „gebie-
280
denquot; — Aljaska, Indianen-gebied, Arizona, Nieuw-Mejico en Oklahoma — zijn nog te weinig bevolkt, om als „statenquot; te worden aangenomen.
Bij het uitbreken van den vrijheidsoorlog (1774j waren er 13 koloniën, ten deele gesticht in de 17e eeuw door Engelscheïi, die om godsdienstige of politieke redenen hun land hadden verlaten; deze koloniën verklaarden zich in Juli 1776 op een congres te Philadelphia plechtig vrij. In 1783 erkende Engeland bij den vrede van Versailles die onafhankelijkheid.
Eerst in 1788 stelde men den regeeringsvorm vast voor de Unie der 13 staten. De Wetgevende macht berust bij het Congres, dat uit 2 Kamers bestaat, den Senaat en de Kamer der Volksvertegenwoordigers.
In den Senaat zendt elke staat 2 afgevaardigden. De Kamer der Volksvertegenwoordigers wordt gekozen volgens algemeen stemrecht zonder census of onderscheid van kleur. De uitvoerende macht berust bij den President, die voor 4 jaren door kiezers — niet door het Congres r-4 wordt gekozen. De rechten en de werkkring van den President komen in hoofdzaak met die van een constitutioneel vorst overeen.
De presidentsverkiezing heeft altijd plaats in November, en het bewind wordt aanvaard in Maart d. a. v. Voor de verkiezing worden in eiken staat „kiezersquot; gekozen en wel zooveel, als de staat afgevaardigden in het Congres heeft. In het 4-jarig tijdperk van eiken President is zoo noodig als opvolger
281
aangewezen de Voorzitter van den Senaat, vice-president der Unie. In Nov. 1896 is Mc Kinley tot President gekozen.
De afzonderlijke staten genieten de grootst mogelijke vrijheid in de regeling hunner regeering; alleen de algemeene belangen, als de bnitenlandsche aangelegenheden , handel en verkeer in de Unie, marine en krijgswezen, worden door de Eegeering te Washington behandeld.
Langen tijd ging het kabinet van Washington uit van het beginsel, zich niet te bemoeien met politieke vraagstukken in Europa; maar aan den anderen kant eischte de Unie dan ook, dat geene Europeesche mogendheid zich in Amerikaansche zaken zon mengen. Dit beginsel is nader uitgewerkt in de „leer van Monroequot;. Monroe was een der Presidenten, die op het groote belang van die leer uitdrukkelijk wees. Slechts eenmaal heeft dan ook de Unie oorlog tegen eene Europeesche mogendheid gevoerd, nl. tegen Engeland van 1812-'14.
Blanken.
Kleurlingen (Negers en Mulatten\
Indianen.
Aziaten (bijna 9 uitsluitend Chineezen).
Bestanddeelen van de bevolking der Vereenigde Staten.
Fig. 49.
Het aantal staten is zoo snel toegenomen, doordat de pioniers der Unie steeds verder naar het Westen doortrokken, geheele landstreken koloniseerden, die eerst tot territoriën, dan tot staten %
werden. Bovendien breidden de Staten zich uit naar het Zuiden,
282
waarbij oorlog moest gevoerd worden met Mejico, en tengevolge waarvan Tejas en Californië aan de Unie werden toegevoegd.
De verbazend snelle ontwikkeling der Unie blijkt het duidelijkst uit de sterke toeneming barer bevolking.
Uit de voorstelling in fig. 47 zien wij, dat binnen eene eeuw de bevolking toenam van 5 millioen tot 67 millioen. Thans is ze geklommen tot 70 millioen.
Die toeneming was vooreerst het gevolg van de sterke immigratie: jaren van '/2 millioen landverhuizers zijn niet zeldzaam. Verder kunnen wij uit de fig. ook zien, dat de toeneming lang niet altijd gelijken tred hield; hoe sterk ze b.v. vooral was na 1840 en nog meer na 1850; dit staat in verband met bijzondere gebeurtenissen, als b.v. het vinden van het eerste goud in Californië, het mislukken van den oogst in Ierland, e. m.
Uit de geschiedenis der Unie is ook de tegenwoordige samenstelling van hare bevolking — zie fig. 48 — te verklaren:
De blanken bestaan voornamelijk uit de afstammelingen van Engelschen, Ieren en Duitschers; zij zijn de zoogenaamde „Yankee'squot;. De Engelsche taal is de heerschende.
De zwarte bevolking, in getalsterkte de tweede, bevond zich vroeger bijna uitsluitend in de plantagestaten, dus in de Zuidelijke helft der Unie; maar tegenwoordig ziet men de Negers ook al veel in de groote steden, waar de meesten niet veel uitvoeren. Veel zal nog gedaan moeten worden voor de ontwikkeling van de zwarten , vóór zij zich vrijwillig aan geregeld werk zetten. De Zuidelijke Staten der Unie zijn dan ook na den oorlog niet weer tot den vroegeren bloei gekomen; een groot aantal plantages bleef verlaten, maar nu in de laatste jaren komt er eenige verbetering.
Dan leven er in de Unie natuurlijk veel menschen met gemengd bloed; in de eerste plaats Mulatten. Daar deze lichamelijk en geestelijk meer Neger dan Europeaan zijn, behooren ze met de eersten in dezelfde rubriek.
De Chineezen wonen vooral in het W., in Californië; maar tegenwoordig 'toch ook reeds in de groote steden van het Oosten. De Regeering der Unie heeft om den toevloed van Chineezen te stuiten, een hoofdgeld op deze landverhuizers ingesteld.
De Indianen, wier aantal afnemende is (rt 200 000), zijn teruggedrongen tot enkele voor h^n gereserveerde gewesten {„reservationsquot;). Ze leven nog slechts gedeeltelijk van jacht en visch-vangst; eenigen zijn thans gevestigd als veeboeren, anderen als landbouwers, of ook wel als handwerkers en kleinhandelaars; zelfs ziet men wel eens een gevederden Roodhuid in de steden.
283
De naam Roodhuid is maar in zooverre juist, dat slechts eenige stammen rood zijn , terwijl die kleur misschien nog meer aangebracht, dan natuurlijk is. Het aantal Indianen is in deze eeuw steeds afgenomen , vaak ook door onredelijke vervolging. daar bij de geringste aanleiding de regeering der Unie een expeditie tegen hen afzond, maar bovendien, waar de blanke doordringt en zich nederzet, schijnt de oorspronkelijke bewoner te moeten uitsterven , niet bestand te zijn tegen het nieuwe. De voornaamste stammen in 't gebied der Unie zijn: Hurcms, Irókezen, Dahotahs of Sioux, Algmikinen,
§ 154. Voor een geregeld overzicht van de verschillende deelen der Unie en van de grootste steden, kunnen de staten en territo-riën in groepen worden samengevat. Die groepen kenmerken zich dan door hunne ligging, hunne natuurlijke gesteldheid en de middelen van bestaan voor de bewoners.
I. De Noord-Atlantische staten (het zoogenaamde „N ie u w-En gelandquot;).
II. De Midden-Atlantische staten en het Alle-ghanie-gebied.
III. De staten om de Canadasche meren en bij den Boven-Mississippi.
IV. De Zuid-Atlantische staten en die aan de golf van M ej i c o.
V. De prairiegebieden ten O. van het Rotsgebergte.
VI. De staten in het Rotsgebergte en op de Hoogvlakten.
VII. De staten aan den Grooten Oceaan.
I. De zes Noord-Atlantische staten of Nieuw-Engeland zijn: Ma ine (meenj, New-Hampshire fnjou-hcmsjerj, Vermont (vürr-monrt), Massachusetts (messetyoêzets), Rhode-Is 1 and frood-aUendj en Connecticut fkmaiktikoetj.
Deze staten zijn nog rijk aan wouden in Maine (uitvoer van hout) en aan weiden in Vermont. Maar ook ligt in Nieuw-Engeland een der belangrijkste industrie-districten (vooral katoen) van de Nieuwe Wereld, met name Massachusetts en Rhode-Island. In het eerste ligt Boston (500), „de wieg der Uniequot;, met katoen-, ijzer-, petroleum- en suiker-industrie en uitvoer van ij s naar Oost-Indië en andere tropische streken. Verder ligt er Lowell (80), het „Amerikaansche Manchesterquot;. Massachusetts heeft 104 inw. per KM2, doch Rhode-Island 1061 Dit laatste is wel de kleinste der staten van de Unie, maar ook de dichtst bevolkte. Hier is Providence (132) de hoofdstad. .
Verder zijn Newhaven (81) in Connecticut, en Portland, in Maine, belangrijke havens, zoowel voor den handel als voor de
284
Amerikaansche ze evisscherij. De Amerikaansche walvisch-vangst is uitgegaan van het eilandje Nantuchet.
II. De vijf Midden-Atlantische Staten zijn: New-York (nujörk), Ne w-Jersey hjne-dzjursi), Pennsylvanië, Delaware CdeViveerj, Maryland (mcrilend) en de territorie Columbia.
Hiervan zijn New-York en Pennsylvanië van 't grootste belang. Industrie en handel hebben er een reusachtigen omvang bereikt. Oorzaken: goede, natuurlijke havens; hoofdwegen uitliet Westen; rijke steenkoolbeddingen; ligging tegenover Europa.
285
New-York (l'/z mill, imv.), de eerste en belangrijkste stad van Amerika, met eene prachtige haven aan den breeden Hndson-mond.
De rivier is in 1610 door Hudson ontdekt. De stad is enkele jaren latei-gesticht, als Nieuw-Amsterdam op het eilandje Manhattan, dat voor ƒ 60 van de Indianen was gekocht. Bij den vrede van 1667 bleef bet aan de En-gelschen.
Hier komen de hoofdwegen uit de binnenlanden samen, en dit verklaart met het zeeverkeer de verbazende opkomst in deze eeuw. Minstens 2la van alle landverhuizers komen er aan; meer dan 100 stoomschepen zijn in de geregelde vaart op Europa (Liverpool, Londen, Hamburg, Antwerpen, Rotterdam, e. a.).
Hoofdwegen zijn: 1. De weg naar het bovengebied van
den Mississippi en naar het Verre Westen: New-York—Cleve-1 a n d—Ch i c a g o—O m a h a.
2. Naar het Alleghanie-gebied en naar den Ohio; van New-York naar Pittsburg, het middelpunt van de enorme steenkool-en ij z er bed dingen; verder langs den Ohio; naar St.-Louis en het Verre Westen (Denver).
3. Door het Hudson-dal langs Albany, naar den St.-Laurens.
T
286
Met New-York is Brooklyn (broeklin) (806), op Long-Island (ai-lend), door eene bewonderenswaardige kettingbrug verbonden. Verder is de wereldstad door een krans van steden omgeven: Newark, Yersey City, enz. Zoo kan de Hudson-mond in dit, gelijk in meer opzichten, met den Theems-mond worden vergeleken.
Philadelphia ÏIIOO), de tweede stad der Unie, is het centrum van den Amerikaanschen boekhandel en der metaalnijverheid. Het vijfde deel der bevolking bestaat uit Duitschers. Philadelphia heeft met Boston de belangrijkste inrichtingen op het gebied van wetenschap en kunst („Amerikaansch Athenequot;). Het is de hoofdstad en uitvoerhaven van Pennsylvanië, den staat bij uitnemendheid voor bergbouw en industrie: steenkool, ijzer en petroleum. Het centrum van het belangrijkste steenkolenbekken is de ijzerstad Pittsburg (239, waarvan V* Duitschers), tevens de groote petroleummarkt. Overal zijn hier gasbronnen.
New-Jersey, Delaware en Maryland zijn kleinere staten. Ook hier zijn aan de kust riviermonden, breed als zeeboezems. Met Maryland begint langzamerhand het gebied van het Zuiden: de bevolking bestaat wel voor 1li uit kleurlingen. Tabak is het hoofdproduct. Maryland was in den slavenoorlog aan de zijde der Zuidelijken. Baltimore (434, waarvan '/é Duitschers) is lang de derde stad der Unie geweest, maar wordt thans door Chicago en Boston in aantal inwoners overtroffen. Het drijft vooral handel met Bremen. De hoofduitvoer is meel en tabak. Ook is Baltimore de eerste oestermarkt der wereld.
In het bondsdistrict Columbia ligt de zetel van de bonds-regeering: Washington (230), aan de I . . i-t? Het is eene ambtenaren-stad , geene groote koopstad.
§ 155. HL De staten om de Canadasehe meren en bü den Boven-Mississlppi vormen een gebied, waarop tegenwoordig reeds bijna het zwaartepunt der Unie rust. Hierheen was sedert 40 jaren de hoofdstroom der landverhuizers gericht, zoodat de bevolking verbazend snel toenam. In deze landen vinden de Europeanen, in 't bijzonder ook Duitschers en Nederlanders, veel van hun vaderland terug.
Akkerbouw en veeteelt, op reusachtige schaal, zijn hoofdzaak. Hier ligt de grootste korenschuur der wereld. Vooral tarwe en maïs groeien uitstekend. De onmetelijke eikenwouden geven voedsel aan de varkens. De talrijke waterwegen maken den uitvoer gemakkelijk. Chicago (in Illinois), de derde stad der Unie, aan het meer...... is het groote middelpunt;
287
17 spoorweglijnen voeren het koren aan; zeeschepen gaan van hier direct naar Londen.
Chicago is nauwlijks '/a eeuw oud, had in 1880 503 000 imv. en telt er thans 1 100 000, waarvan lla Duitschers. Het heeft de grootste slachterijen der wereld en volgt in handelsbeteekenis op New-York (koren, meel en hout).
Ook Milwaukee (204, meerendeels Duitschers), Buffalo (256), Detroit (206) eu Cleveland (261) zijn groote marktplaatsen aan de meren en door tal van wegen met de Atlantische havens en met Canada verbonden. Het derde deel der bevolking van Detroit en Cleveland bestaat uit Duitschers.
Behalve Cleveland ligt in Ohio fohaioj de groote handels- en fabrieksstad Cincinnati (337, waarvan de helft Duitschers). Deze stad heet naar de kolossale varkensslagerijen Porcopolis = „varkensstad.quot;
In geen land ter wereld zijn meer spoorbanen gelegd, kanalen gegraven, havenwerken gemaakt dan in de Unie; vooral deze statengroep heeft een dicht net van wegen. Mississippi, Missouri, Ohio en Illinois zijn de 4 natuurlijke hoofdrichtingen. De spoorwegen der Unie hebben eene grootere lengte dan die van 't geheele Europeesche' net; zes malen overtreffen *1 zij den omtrek der aarde in lengte, en terwijl in West-Europa de spoorwegen werden aangelegd door bevolkte streken, moesten zij in Amerika in de wildernissen worden gebouwd, om deze bewoonbaar te maken.
In 't Bo v en-Missis sip pi-ge bied vormen St.-Paul (133) en Minneapolis (165) de „Amerikaansche Tweelingstadquot;. St. Paul-Minneapolis is de grootste meelmar^t van de wereld. De honderden korenmolens worden gedreven met het water van de St. Anthonie-watervallen.
Reeds bij St.-Paul bevaren de stoombooten den Mississippi (= „vader der waterenquot;). Over eene lengte van honderden uren is de rivier bevaarbaar en leidt door zooveel verschillende, alle belangrijke streken. En ook de Missouri („vuile stroomquot;) is over een gedeelte bevaarbaar. St.-Louis (452, waarvan '/a Duitschers) is in deze streken het belangrijke kruispunt der hoofdverkeerswegen. De handel bepaalt zich in hoofdzaak tot koren, tabak, katoen, vee en metalen.
Opgaven:
1. Bepaal het verschil in breedte tusschen St.-Paul en de Mississippi-monden.
2. Zoek plaatsen in de Oude Wereld, op de breedte van St.-Paul, van St.-Louis en van New-Orleans.
3. Welke hoofdwegen komen in St.-Louis samen ?
3
289
IV. Gelijk gezegd is, ligt Baltimore aan dat gedeelte der kust, waar het Noorden in het Zuiden overgaat. De Zuid-Atlantische Staten hebben niet zulke groote steden: terwijl in de Midden-Atlantische Staten 't cijfer der stadsbevolking 50 0I0 van de geheele bevolking bedraagt, is 't in dit Zuidelijke gebied slechts 10 0/0. Doch van groote beteekenis zijn de uitvoerhavens. De plantageproducten zijn (van Noord naar Zuid): tabak, boomwol, suiker, rijst.
Maryland, Virginië en Kentucky zijn bekende tabak-
staten. Louisville (193), aan den......, is de grootste
tabaksmarkt van de wereld. Richmond (80), aan de James, is eene der eerste uitvoerhavens. Laatstgenoemde plaats was de hoofdstad der Zuidelijken in den oorlog.
Zuid-Carolina, Georgië, Alabama en Mississippi zijn de kato en sta ten. Charleston, Savannah e. a. zijn de uitvoerhavens.
In de moerassige streken is belangrijke rijstbouw (Carolina-rijst); in de heete vlakten aan de golf van Mejico groeit vooral suikerriet.
Deze groep bevat dus de echte plantagestaten en in verband daarmee veel Negers en Mulatten. Niet alleen de natuur, ook de toestanden zijn in deze staten geheel anders dan in die van het Noorden.
New-Orleans (242), de groote haven van het Mississippi-gebied, is de eerste katoenmarkt van Amerika. Verder heeft het grooten uitvoer van maïs, suiker, rijst, tabak, enz. De stad ligt in de delta onder den hoogwater-spiegel en wordt daarom beschermd door kolossale dijken. Deze streek is zeer ongezond: berucht door de gele koorts. (Plan tot doorgraving van Florida, welks kusten door koraalvorming zeer gevaarlijk zijn. Florida's Westkust heeft hooge duinen.)
Galveston voert ook veel katoen en koren uit; voorts wol en huiden.
§ 156. V en VI. De prairie-gebieden ten Oosten van het Rotsgebergte en de staten in dit gebergte en op de hoogvlakten
vormen het schraalst bevolkte gedeelte der Unie.
Langs de Rocky Mountains strekken zich de hooge plains uit, die in 'tZ. Llano Estacado heeten. Ze gaan naar 'tOosten over in de eigenlijke prairiën op eene hoogte van 500 tot 1000 M. Het wilde prairiegebied wordt echter steeds kleiner. De spoorwegen hebben ook hier landverhuizers gebracht, en velerwegen is de k o r e n b o u w en de ontginning van m ij n e n reeds aan-
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 19
290
zienlijk. Vooral Colorado (kol'realo) is rijk aan kolen, aan goud, zilver en andere metalen. In geen der staten wordt zooveel zilver gevonden. Maïs en tarwe, huiden en horens vormen den uitvoer.
De bizons. Noord-Amerika's merkwaardigste oorspronkelijke diersoort, zijn bijna uitgeroeid; ten einde 't uitsterven te voorkomen worden de laatste exemplaren door de Eegeering beschermd (evenals b.v. de olifant in enkele streken van de Kaapkolonie).
De grootste stad, die zich tot dusver hier ontwikkeld heeft, is Denver (110), het Amerikaansche Davos.
In het Rotsgebergte liggen de mooiste streken van Amerika. Zoo ligt in 't N.W. van Wyoming {waiomieng) een uitgestrekt gebied, dat in 1871 werd ontdekt en door de Regeering tot domein van den staat is verklaard onder den naam van Nationaal Park, eene streek, wellicht half zoo groot als Nederland en voor immigranten gesloten. Hier worden talrijke watervallen en berg-stroomen aangetroffen naast heete springbronnen of geisers en versteende lavabeddingen.
De heete bronnen van IJsland zijn slechts een flauwe afdruk van die in 't gebied der Yellowstone. Zoowel in aantal, menigvuldigheid der uitbarstingen , hoeveelheid opgespoten water, duur der werking, breedte en hoogte der waterkolom, hoeveelheid en schoonheid der daaruit achtergebleven stoffen. Toch is bij beiden het karakter hetzelfde: geisers mogen als vulkanen worden beschouwd, die water in plaats van gesmolten gesteenten uitwerpen. Immers ook hier worden de uitbarstingen door gassen, voornamelijk door waterdamp, veroorzaakt. Zoowel in Amerika als op IJsland neemt de werkzaamheid der geisers af. — De groote hoeveelheden waterdamp, die de uitbarstingen veroorzaken, ontwikkelen zich beneden in de buis door 't verschil in warmtegraad boven en beneden.
Parks worden gevormd, wanneer twee parallelle bergruggen door dwarsjukken zijn verbonden. Wyoming en Colorado bezitten er vele.
De hoogvlakten tusschen de ketens van het Rotsgebergte zijn doodsch en woest; groote zoutsteppen bedekken o. a. het plateau van Utah (joeta). Hier wonen slechts enkele Indianen, naast de Mormonen. De Mormonen zijn eene godsdienstige secte, die zich beschouwt als „Heiligen van den jongsten dagquot;. Hunne hoofdstad noemen zij „Nieuw-Jeruzalemquot;; maar de gewone naam is Groote Zoutmeerstad of Salt Lake City (50;. Het is een station aan den Pacific-spoorweg.
De weg in het Mormonenland en naar de Mormonenstad is buitengewoon woest en vervelend: niets dan naakte, steile rotswanden en dorre hoogvlakten met het, loodkleurig „brushquot; begroeid en gedurende honderden en honderden
291
mijlen ziet men slechts een wolkenloozen, blauwen heinel; eene woestenij van de treurigste soort; gedurende den zomer brandt er eene gloeiend heete zoo,
's winters waaien er ijzig koude winden.
Juist in zulke woestijnen echter traden van oudsher profeten en heiligen op.
Heeft men de groote woestijn tusschen Denver en 'tZoutmeer achter zich,
dan komt men in eene streek, die doo? hare weelderige vruchtbaarheid een waar paradijs is; eene oase, in het middeb van het Rotsgebergte; de dorpen en steden omringd door boschjes van vruchtboomen, perzik en abrikoos, appel en peer; tarwevelden, wier groen een treffend contrast vormt met de besneeuwde bergtoppen, die den horizon begrenzen en met het blauwe meer, waaraan .,Great-Salt-Lake-cityquot; ligt, dat zeker tot de schoonste Amer. steden behoort.
VII. Onder de Paeifle-staten bekleedt Californië eene eerste plaats. Deze staat vormt sedert eene halve eeuw eene scherpe tegenstelling met vele andere streken van het Verre Westen. De Spanjaarden beschouwden dit land als waardeloos en de Russen hadden er een korten tijd eene nederzetting, maar deze werd weder verlaten. In 1848 werd het eerste goud gevonden, en dit had eene snelle toestrooming van landverhuizers van de meest verschillende naties ten gevolge. ïooverachtig snel ontstonden talrijke steden. San-Francisco, in 1845 eene nederzetting van 30 blanken, thans de grootste en rijkste stad van het Amerikaansche Westen; gebouwd aan eene baai, die door the Golden Gate (= „de gouden poortquot;) met den Oceaan is verbonden. Levendig stoombootverkeer heeft het met Oost-Azië (Jokohama, Sjanghai, Hongkong). Thans telt de stad 300 000 inwoners, welke een mengelmoes van verschillende nationaliteiten, kleur en_taal_vormen.^^»»-lt;y^i^_ De hoofdproducten van den staat vormen nog wel goud, zilver ^ en kwikzilver; maar daarnaast hebben ooftbouw en wyncul-tuup, veeteelt en landbouw een verbazenden omvang aangenomen.
Goud en zilver, vruchten en wijn, wol en koren zijn de hoofdartikelen van uitvoer.
Het klimaat in Californië is heerlijk, de natuur in sommige streken prachtig. Bekend zijn de Californische reuzen boomen,
waaronder er gevonden zijn van 31 M middellijn en minstens 19 eeuwen oud. Tot de mooiste streken behoort het dal van de Sacramento. In 't Zuiden is Los Angeles het middelpunt van eene belangrijke streek geworden, vooral door den snel toene-menden wijnbouw en de groote aanplantingen van kurkeiken.
De voltooiing van den eersten Pacific-spoorweg (Pacific =
Stille Zuidzee) was mede een factor voor de snelle opkomst. Vijf dagen duurt thans de reis dwars door het geheele werelddeel,
door de sneeuwstreken van het Rotsgebergte, over hooge passen,
door uitgestrekte prairiën, naar Omaha aan de Missouri. In
293
1869 — 't jaar, waarin het Suez-kanaal werd geopend — is de Union-Pacific voltooid; de geheele weg heeft eene lengte van ruim 5000 KM ; New-York—Pittsburg—Chicago—Omaha—Virginia City—San-Francisco.
Thans zijn in de Unie reeds verscheiden trans-continentale spoorwegen, die alle den Grooten Oceaan met 't Mississippi-gebied verbinden. De voornaamste hoofdlijnen zijn:
1. de genoemde weg van Omaha—San-Francisco (de Central-Union-Pacific;.
2. de Atlantic-Pacific, d. i. de weg van St.-Louis door 't Indianen-gebied, over de hoogvlakten van Niouw-Mejico en Arizona, door den Colorado-canon (een honderden M diep dal, waar de Colorado-rivier tusschen steile wanden den weg neemt) en door eene groote woestijn tot zr 100 KM benoorden Los Angeles, waar de lijn aansluit bij de Zuid-Pacific en zoo naar San-Francisco voert.
3. de Zuid-Pacific, van Nieuw-Orleans eerst door 't land van den katoenbouw, dan door 't golvend prairieland met zijn veerijkdom, eindelijk door zoutsteppen en woestijnen, naar Los Angeles en San-Francisco; zijwegen leiden naar Mejico.
4. de Noord-Pacific, van St.-Paul, door 't land van den korenbouw en 't gebied der naaldwouden, naar de prairiën; dan door 't dal van de Yellowstone, op korten afstand langs 't Nationaal Park, over de hoofdketens van 't Rotsgebergte , naar de N.W. Staten, — rijk aan edele metalen, kolen, ijzer, uitgestrekte bos-schen en waar landbouw en veeteelt snel vooruit zijn gegaan, — en zoo naar het eindpunt Olympia, de hoofdstad van Washington.
Aljaska is in de laatste jaren meer onder de aandacht gekomen door de ontdekking der Klondike-goudvelden, in 't Joekon-gebied. De Klondike (klondaik) is eene rechter-zijrivier van de Joekon. De goudrijkdom is hier aanzienlijk, doch de toegang is moeilijk en 't klimaat zeer koud. De stroom van goudzoekers, zoo uit de Unie als uit Canada, is sterk sedert 1897.
Men gaal per stoomboot van Vancouver naar den Joekon-mond, om dan met kleine schepen de l'/j a 15 KM breede, maar door een chaos van eilanden en zandbanken moeilijk te bevaren rivier op te varen. Eene andere route gaat van Vancouver over Sitka, de voornaamste handelsplaats, en vervolgens, ongeveer ter hoogte van het Noordelijkste der Thlinkieteneilanden, over het gebergte landwaarts in.
Niet alleen in de Klondike, maar ook in zoovele andere zijrivieren van de Joekon liggen groote massa's goud opgehoopt. De hoofdstroom zelf bevat weinig van het edele metaal.
294
Onder de talrijke mijnwerkerskampen wordt Dawson City tegenwoordig het meest genoemd.
Behalve mineralen levert Aljaska pelswerk, visch (in '97 wel 24 mill. KG zalm) en houtsoorten.
De bodem levert geen voedsel, en gewoonlijk kunnen de proviandschepen het binnenland niet voor Juli bereikeu De levensmiddelen zijn er dan ook schromelijk duur.
BRITSCH NOORD-AMERIKA.
(8 412 000 KM2; ö'U mill, inw.)
§ 157. ^llet Dominion of Canada, bijna zoo groot als Europa, reikt van Oceaan tot Oceaan en Zuidwaarts tot 42°, Noordwaarts tot 703 N.B. of van eene breedte als Zuid-Frankrijk tot aan de boorden der IJszee.
Staatkundig vormt het een Bond, van de volgende gouvernementen :
I. Opper-Canada (Ontario).
II. Neder-Canada (Quebec).
III. Nieuw-Brunswijk.
IV. Nieuw-Schotland.
V. M a n i t o b a.
VI. De Hudsonsbaailanden.
VII. Britsch-Columbia.
Het geheele gebied staat onder een Gouverneur, door de Kroon benoemd. De wetgevende macht berust in hoofdzaak bij het Parlement te Ottawa. Bovendien heeft elk der opgenoemde deelen een eigen parlement (op gelijke wijze als in de Vereenigde Staten).
New-Foundland, met Labrador, behoort tot dusver niet tot het verbond.
Canada (de naam is Indiaansch — gelijk de meeste hier voorkomende namen — en beteekent „verzameling van huttenquot;). Dit gedeelte, het gebied van den St-Laurens, is verreweg het belangrijkst van geheel Br. N.-Amerika, doordat het sedert de 17« eeuw gekoloniseerd is, eerst door Franschen, later door En-gelschen.
Het land bevat nog groote wouden en prairiën, maar waar de bodem door de landverhuizers (settlers) is ontgonnen, is hij uiterst vruchtbaar en levert groote hoeveelheden graan. Vooral Opper-
295
Canada, naar de zijden der meren, is door zijne Zuidelijke ligging voor den akkerbouw uitstekend geschikt. Neder-Canada is veel ruwer en leent zich beter tot veeteelt. De onmetelijke Canadasche wouden zijn echter op zich zeiven reeds een rijkdom. In den winter vellen de houthakkers de woudreuzen, en als 't voorjaar komt, voeren zij de stammen af langs de talrijke waterwegen naar de zaagmolens en verder naar de uitvoerplaatsen. Een ander kostbaar uitvoerartikel vormen de pelsdieren ook nu nog.
De streek om de Canadasche meren is, zoowel in de Unie als in Canada, wat de natuur betreft, het best te vergelijken met het Germaansch-Europa en trok daardoor in deze eeuw bijzonder veel kolonisten. De groote stroom was daarbij gericht naar het gunstiger en juist nog minder gekoloniseerde Opper-Canada. Dit verklaart, hoe hier de bevolking bijna geheel Engelsch is, terwijl in Neder-Canada het Fransche element nog het hoofdbestanddeel vormt. In den godsdienst openbaart zich hetzelfde verschil: ginds Protestantsch, hier Katholiek.
Naast de Engelschen en Franschen heeft Canada veel Ieren; deze hebben al een paar malen getracht de Engelsche regeering omver te werpen. Hunne geheime genootschappen, in 't bijzonder de Fenians, woelen en stoken, en, ofschoon zij meer dan eens een opstand bewerkt hebben, is de Regeering tegen hen opgewassen.
Heeft de blanke bevolking reeds het aanzienlijke cijfer van 5 millioen overschreden, dat der Indianen bedraagt slechts 125000, dus nog niet het 1lio van de geheele bevolking, ten deele thans gezeten boeren (door de zorg en met hulp van de Regeering), ten deele nog zwervend in de wouden en prairiën. In den regel drijven zij vreedzaam handelsverkeer en komen op gezette tijden aan de forten, die de Britsche Regeering overal ter bescherming der kolonisten heeft, hunne pelzen inruilen. Van tijd tot tijd echter doen zij hier of daar een aanval.
Montreal (217), de grootste stad van Britsch-Amerika, op een eilandje in den St.-Laurens, waar deze de ^TCcM-^Vpneemt. Hier komen tal van spoorwegen samen, o. a. van New-York, van Halifax en van den Grooten Oceaan (Canadian Pacific).
De grootste zeeschepen kunnen tot Montreal varen, schoon dit meer dan J25 uren van de monding af ligt. Langs de oevers van de breede rivier zijn talrijke scheepstimmerwerven , en hout is nog een hoofdartikel van uitvoer.
Toponto (181) is eene marktplaats voor granen. Deze stad is het wetenschappelijk middelpunt van Britsch-Amerika.
298
Ottawa (50), aan de .€.\ is de zetel van Regeering en
Parlement en derhalve liet „Canadasche Washingtonquot;.
Quebec (63) is beroemd door zijne verrukkelijk schoone ligging, met geheel Noordsch karakter (hoffeesten in ijspaleizen). Voor het verkeer met Europa ligt het gunstiger dan Montreal, schoon ook in Quebec de haven van November tot April gesloten is. Bovendien is het de sterkste vesting van de Engelschen in Amerika.
Opper-Canada levert massa's granen, huiden en pelzen, waarvoor Montreal de stapelplaats is.
Nieuw-Brunswyk en Nieuw-Sehotland waren bij de Franschen Arcadië, om welks bezit in den zevenjarigen-oorlog zoo verwoed is gestreden.
Deze landen, rijk aan wouden en weilanden, waren in de 17quot; eeuw reeds vrij belangrijke koloniën. Ze hebben ijzer-en steenkolenmijnen, die goed ontgonnen worden.
Halifax (50) is de haven voor de Atlantische stoomschepen en 't uitgangspunt van den Canadaschen Paciflc-spoorweg.
St. John (26) heeft veel scheepsbouw, visscherij en uitvoer van visch.
§ 158. ^ New-Foundland werd als „Terre neuvequot;' het eerst door de Franschen bezet, en in 1713 werd het Engelsch.
Van de grootte dezer landen krijgt men een denkbeeld, door op te merken, dat New-Foundland ruim 3 x Nederlands oppervlakte heeft (New-F. = l'/a x Ierland); daarbij telt het zt 200000 inwoners.
De kusten zijn hier overal rotsachtig en veel gebroken, fjord-vormig. Ook de binnenlanden zijn meest steenachtig, met veel zwerfblokken, 't Klimaat is vochtig, land en zee zijn soms voor vele maanden in nevels gehuld. Toch is ook New-Foundland, waarvan de binnenlanden pas in de laatste jaren doorzocht zijn, op eenige plaatsen rijk aan wouden en weiden. Er zijn tallooze meren, terwijl de rivieren in lengte overeenkomen met Theems of Schelde.
De bevolking is geheel eene kustbevolking, samengedrongen in het Z.O. De levendigste haven is St.-John, boven reeds genoemd.
De visscherij op de banken van New-Foundland is even levendig als die bij de Noorsche en Schotsche kusten; jaarlijks komen meer dan 10 000 schepen voor de kabeljauw- en robbenvangst. Alleen om deze reden hebben de Fransehen, toen zij hun gebied in Canada bij de vredesverdragen van 1713 en 1768 (Utrecht en Parijs) aan Engeland moesten afstaan, een paar eilandjes, St. Pierre en Mit/uelon, in deze buurt behouden.
299
Aan een Engelsch tijdschrift zijn de volgende bijzonderheden ontleend:
„In Maart worden de schepen voor de vangst der zeehonden uitgerust; stoombooteu hebben ook hierbij de plaats der zeilschepen ingenomen, omdat zij meer onafhankelijk zijn van weer en wind. Van St.-John vertrekken jaarlijks 6 of 7 stoombooten, elk uitgerust met 2 a 300robbenvangers, mannen, gewoon de ruwheden te trotseeren van een klimaat, dat in zijn kouden mist eene treurige vermaardheid bezit. De robben zijn te vinden op de groote velden van drijfijs, die zonder deze dieren eene eentonige woestenij vormen, van elk teeken van leven ontbloot. Door het dunne ijs rammen de schepen zich een weg; de robbenvangers op het dek en boven in den mast, in 't „kraaiennestquot;, een man op den uitkijk. In tallooze troepen komen de robben voor in de zeeën tusschen New-Foundland en Groenland. Elke rob krabt en bijt voor zich zelf een gat in 'tijs, waardoor zij van 't water op het ijs kan komen en naar goedvinden weer onderduiken en in den koudsten winter slagen de dieren er in deze gaten open te houden. De jonge robben, naar hun dik, wit bont ,,witjassenquot; genoemd, liggen de eerste zes weken hulpeloos op het ijs; de dikke laag spek, die hun lichaam omgeeft, houdt hen warm en belet, dat zij in hunne wieg van ijs doodvriezen; over dag zwemt de moeder heen en weer om visch te vangen eu 'tis aardig te zien, dat, hoewel zij soms mijlen ver wegzwemt, elke rob tot haar eigen plekje in deze eentonige ijs-wereld terugkeert. Zoodra het schip te midden van zulk eene kudde stil ligt, begint eene afschuwelijke slachting, afschuwelijk, want 't groot aantal robben maakt, dat de jagers niet altijd den tijd nemen de dieren te dooden, alvorens hen van huid en vet te ontdoen. In één jaargetijde zijn wel eens 500 000 robbenhuiden thuisgebracht; in 1888 bracht één schip er -12 000. Het voornaamste gevaar, waaraan de robbenvanger blootstaat, is, dat de schots, waarop hij zich bevindt, door plotseling opkomenden wind naar zee wordt gedreven; de ervaren robbenjager moet dan eene klomp ijs gebruiken als een vlot, dat hij stuurt met zijn met ijzer beslagen en van een baak voorzienen stok; die stok is ook zijn wapen en is hem verder behulpzaam bij 't springen van de eene schots op de andere. Is hij te ver van 't schip verwijderd, zijn geene ijsschotsen binnen zijn bereik, dan worden de medegenomen zakken, die ieder vijf of zes robbenvellen met het vet bevatten, te water geworpen, de jager stapt er op en roeit naar het schip.quot;
Labrador is slechts op enkele punten van de lange fjordenrijke kust duurznam bewoond. De geheele bevolking van dit groote land bedraagt slechts ± 4 000 menschen, waarvan de helft Eskimo's, onder wien Moravische zendelingen werkzaam zijn.
De uitgestrekte Hudsonsbaal-landen of de „Noord-Westelijke Provinciënquot; behoorden tot voor enkele jaren aan de Hudsonsbaai-Compagnie en gingen toen over aan den Staat. De Compagnie had hier en daar forten doen bouwen, die de be ver vangers (trappers) beschermden tegen de Indianen. De Indianen kwamen overigens geregeld pelzen ruilen tegen wapens, enz. Verder zijn
300
in deze landen geene nederzettingen. De natuur is er niet gunstig en 't klimaat nog ruwer dan de breedte alleen zou veroorzaken, (streng continentaal door den massieven vorm van het land, den geringen invloed der zee, het openliggen voor de winden uit de IJszee). De rivieren vormen in deze streken uitgebreide stroom- en meer-stelsels, die bijna altijd met elkaar in natuurlijke verbinding staan, of met slechts lage waterscheidingen (draagplaatsen, portages).
Manitoba, de „Centrale Provincie van Canadaquot;, is tegenwoordig veel het doel voor landverhuizers. Het wedijvert in snelle ontwikkeling met vele streken van de Unie. Ten deele bestaat het nog uit prairieland, ten deele uit wouden, maar de ontginning neemt snel toe; landbouw is hoofdmiddel van bestaan en levert vooral granen. De Canadian-Pacific-spoorweg is voor deze kolonie eene hoofdzaak. De hoofdstad is Winipeg (32).
Bpitsch-Columbia is de bergachtige en waterrijke Westelijke provincie. Het is een gebied, dat zich over eene lengte van meer dan 100 uren gaans langs de kust van den Grooten Oceaan en tot in het Rotsgebergte uitstrekt. Zoowel in het N. als in het Z. grenst het dus aan de Unie. Deze kolonie dagteekent eerst uit het midden van deze eeuw en dankt haar ontstaan aan twee omstandigheden: a. het vinden van goudvelden aan de Fraser-rivier en b. het belang, dat Engeland er in begon te stellen, een deel der Pacifieke kust te beheerschen. Spoedig werd toen ook het plan opgevat voor een reusachtig werk, de verbinding van Columbia met Eigenlijk Canada door een Pacific-spoorweg, nog zooveel moeilijker aan te leggen dan de groote wegen dei-Unie, en toch werd het plan werkelijkheid.
Het klimaat is aan deze Westelijke kusten Oceanisch, evenals en door dezelfde oorzaken als bij Europa's Westelijke kusten. Boomgroei is er uitstekend. Columbia heeft rijke wouden met de beroemde reusachtige naaldboomen.
Het aantal Europeanen in de kolome bedraagt reeds omstreeks 20 000. Op de goudvelden zijn natuurlijk ook Chineezen. Verder zwerven ook hier Indianenstammen
Evenals in het uiterste Zuiden van Amerika is hier het Kust-gebergte in talrijke rotseilanden verbrokkeld : de Vancouver-en de tot Aljaska behoorende Thlinkieten-eilanden.
Groenland, Deensch Noord-Amerika. In de 14' eeuw waren de Noorsche koloniën in Groenland ten onder gegaan, doch in de 18' eeuw werden nieuwe volkplantingen gesticht door de Deensche regeering. Ook zendelingen van Hernhutters begaven zich derwaarts , om onder de Eskimo's te prediken, en zij deden zulks met goeden uitslag.
301
Het aantal Eskimo's bedraagt ruim 10 000, over ongeveer 200 plaatsen verdeeld. Ze wonen uitsluitend bij de fjorden der Westkust, 't Getal Europeanen is 3 è, 400.
De natuur aan de Oostkust is nog ongunstiger dan die der Westkust; koude poolstroomen maken, dat daar het ijs zelfs 's zomers niet wegsmelt. De grootte van Groenland kent men niet; het is een arctisch hoogland, in de binnenlanden met sneeuw en ijs bedekt. De gletschers reiken tot in zee en doen daar de reusachtige drijvende ijsbergen ontstaan. In de laatste jaren is Groenland ook bezocht geweest door Nordenslcjöld, Nansen en andere natuur-onderzoekers.
Walvisch- en robbenvangst, visscherij en jacht op rendieren zijn de middelen van bestaan. De hond is het huisdier.
Onder de talrijke havenplaatsjes merken we op: Upernivik met 900 inw., het Noordelijkste punt in Amerika, dat blijvend door Europeanen wordt bewoond.
De republiek MEJICO gt;).
(444 000 KM2; 3,2 mill, inw.)
§ 159. Slechts weinige landen hebben gunstiger natuurlijke gesteldheid dan Mejico: de ligging tusschen de beide Oceanen; de bodem, die door zijn verticalen vorm, verschillende hoogte, in verband met de breedte van het land, de voortbrengselen van alle klimaatgordels kan leveren; de rijkdom aan delfstoffen; ziedaar omstandigheden, die eene dichte bevolking en eene groote welvaart mogelijk maken. Mejico is een mooi en door de natuur rijk gezegend land.
Treurig zijn echter de politieke en maatschappelijke toestanden; hoofdzakelijk als gevolg van de ongelukkige geschiedenis, die het land achter zich heeft: eerst is bet drie eeuwen als Spaansche kolonie verkeerd bestuurd; daarna, toen in 't begin dezer eeuw de Creolen het Spaansche juk hadden afgeschud, werd de jonge republiek door talrijke revoluties geschokt. De schuldenlast was ontzettend hoog; de regeering kon hare financiëele verplichtingen tegenover de Europeesche fondsenhouders niet nakomen, vandaar
gt;) Na 1815 schrijft men deze Spaansche namen, die vroeger met x werden geschreven, met eene j, welke wordt uitgesproken als g.
302
het optreden der Engelschen en Franschen in Mejico met de ongelukkige gevolgen. (Keizerrijk onder Franschen invloed; keizer Maximiliaan door de republikeinen na 't vertrek der Fransche legers gevangen genomen en doodgeschoten.) In de laatste jaren zijn de toestanden wat gunstiger.
Naar de natuur onderscheiden wij drie hoofddeelen:
1. Het lage, moerassige en ongezonde kustgebied, het vaderland der gele koortsen. In de taal des lands (Spaansch) heet dit gebied tierras calientes, het „warme landquot;. Aan de Atlantische zijde is het uitgestrekter dan aan de Westelijke kusten. De plantengroei is hier tropisch, weelderig; er zijn plantages van koffie, cacao, katoen, enz. Bovendien groeien er vele verf-houtsoorten.
2. De hoogere landen, die achter het kustgebied volgen, met een heerlijk gematigd klimaat. Deze gordel, die 2/3 van het land inneemt, is de belangrijkste: hier woont bijna de geheele bevolking, hier liggen de groote steden en hier, in de tierras tem-pladas, hebben landbouw en veeteelt een grooten omvang. Ook de mijn-districten liggen in dit gedeelte.
3. De hoogste gedeelten van de hoogvlakte en van de bergen. Hier groeien eiken en andere boomsoorten der koudere luchtstreken. Ook zijn er weiden. Toch zijn het schier onbewoonde landstreken, de tierras frias, waar enkele Indianen-stammen rondzwerven als jagers.
Op eene oppervlakte, die ruim 3-maal zoo groot is als die van geheel Duitschland, wonen nauwlijks 12 millioen menschen (zie pag. 279). Deze bevolking bestaat uit: 1. Spaansche Creolen en Europeanen; 2. Indianen; 3. Mestiezen. De blanke bevolking maakt nauwlijks '/« gedeelte der natie uit; nog heden vormen de Indianen — gezeten, als landbouwers, veeboeren, enz. — de hoofd-bevolking.
Mejico (340', ligt een paar duizend M hoog, op het beroemde plateau van Anahuac, tusschen twee meren en in de nabijheid van reusachtige vulkanen.
Vera Cruz (21), de haven van Mejico — reeds door Cortez daarvoor uitgekozen — is de belangrijkste handelsstad des lands, maar met een akelig, ongezond klimaat. Voor den uitvoer levert Mejico; zilver (jaarlijks gemiddeld ter waarde van ± ƒ90 000 000); koffie, vanille, cochenille, mahonie-hout en huiden.
Een spoorweg leidt van Vera Cruz door de bergen naar de hoogvlakte en zoo naar de hoofdstad, die ook door spoorwegen is verbonden met New-Orleans en San-Francisco (de totale spoorweg-
303
lengte in Mejico is ruim 4-maal die in Nederland, doch... Mejico is meer dan 50-maal zoo groot als ons land).
Puebla (92) en de meeste andere steden van beteekenis liggen evenals de hoofdstad op de hoogvlakte.
Po tos i (60) en talrijke andere mijnwerkplaatsen, alle in de Sierra Madre. Zilverbergbouw is de hoofdzaak; Mejico is nog altijd het tweede zilverland van de wereld (de Westelijke landen van de Unie zijn no. 1; Z.-Amerika is no. 3).
Campêche is de uitvoerhaven van het bekende hout.
Opgravingen in Yucatan hebben bewezen, dat ook hier, evenals op het plateau van Anahuac en op dat van Titicaca (Peru) reeds beschaafde Indianen hebben gewoond; bouwvallen van steden zijn o. a. ontdekt. Men noemt het volk, dat hier woonde, de Maya's.
In 't gebied van den Grooten Oceaan ligt Guadalajara (84), Me-jico's derde stad. Havenplaatsen zijn Mazattan en Acapulco.
CENTRAAL-AMERIKA.
(548 000 KM2; 3,5 millioen inwoners).
§ 160. In den regel verstaat men in een natuurkundigen zin door Centraal-Amerika het gebied, dat den overgang tusschen Noord- en Zuid-Amerika vormt en rekent het dan van de landengte van Panama tot de landengte van Tehuantepec.
Staatkundig behoort dan het N. gedeelte tot Mejico (Yucatan), het Z. gedeelte tot Columbia (Panama), terwijl het grootste gedeelte wordt ingenomen door 5 republieken en het Britsche gedeelte van Honduras.
Welke zijn deze 5 republieken?
Deze landen hebben met uitzondering van het Atlantisch kustgebied een heerlijk klimaat, een vruchtbaren bodem en een weel-derigen plantengroei; maar zij zijn zeer dun bevolkt en werden geteisterd door talrijke revoluties. Deze toestanden zijn het gevolg van de vroegere geschiedenis als koloniën van Spanje en van de rassenverhoudingen in deze landen.
Midden-Amerika bestaat uit drie hoogvlakten, nl. het plateau van Costarica, dat van Honduras en dat van Guatemala.
De bewoners zijn voor de helft Indianen, gezeten en met geregelde bestaansmiddelen; verder grootendeels kleurlingen
804
en slechts een betrekkelijk klein getal blanken. Het aantal dezer laatsten neemt in de laatste jaren toe: veel Duitsehers o. a., vooral in Costarica en Guatemala. De Spaansche taal wordt er gesproken.
Geene streek van Amerika heeft meer geleden van vulkanische uitbarstingen en verschrikkelijke aardbevingen. Van den gordel van vuurspuwende bergen, die langs de gansche kust van den Grooten Oceaan loopt, verheffen zich alleen in Centraal-Amerika wel vijftien.
Midden-Amerika is rijk aan mooie houtsoorten voor meubels, vooral mahonie- en campêche-hout. Verder levert het in de eerste plaats koffie (vooral in Costarica) en dan: cacao, indigo, cochenille, vanille, katoen en suiker.
Guatemala (72) is de eenige belangrijke stad. Meermalen werd deze stad door vulkanische uitbarstingen verschrikkelijk geteisterd.
Britsch-Honduras, ongeveer zoo groot als een paar Neder-landsche provincies, is evenmin van veel belang. Voor den handel levert het mahonie-hout. De hoofdplaats is Belize.
Centraal-Amerika trok altijd de aandacht met het oog op eene verbinding tusschen de kusten van de beide Oceanen. Een interoceaniscbe spoorweg verbindt Colon (naar Columbus) met Panama, doch wat men verlangt, is een waterweg.
Herhaaldelijk zijn proeven genomen, om een scheepsspoorweg te maken en evenzoo werd dikwijls onderhandeld over een kanaal (reeds in de dagen van Karei V). Eerst eenige jaren geleden werd de uitvoering van de doorgraving der landengte van Panama met kracht ter hand genomen, doch de maatschappij had al spoedig met groote financiëele moeilijkheden te kampen en staakte ten slotte het werk. De aangenomen richting van 't kanaal volgde in hoofdzaak den spoorweg. Dat de bezwaren, bij de uitvoering der Panama-
305
kanaalwerken, in, aard verschillen van die, welke bij Suez moesten worden overwonnen, is eigenaardig om op to merken; de verklaring is niet moeilijk.
Veel kans heeft thans het tot stand komen van eene andere interoceanische verbinding in Centraal-Amerika; het Nicaragua-kanaal, waarbij van de S a n-Juan-rivier en het Nicaragua-meer zal worden partij getrokken. Van San Juan del Norte of Greytown wordt een kanaal gegraven; vervolgens gebruikt men de rivier, daarna het Nicaragua-meer en eindelijk wordt weer een kanaal gegraven naar Brito. Van de 6 geprojecteerde sluizen zullen er 3 ieder eene afmeting hebben van 203 M lengte en 25 M breedte en dus de grootste der wereld worden. De kosten van het kanaal worden geraamd op 500 mill, gulden.
XWEST-INDIË.
(244 000 KM2; 5 810 000 inw.)
§ 161. Vier Groote Antillen, een groot aantal Kleine Antillen
en de groep der Bahama-eilanden vormen West-Indië.
Cuba, Spaansoh., is bijna even groot als Java en een prachtig land, wel eens genoemd de „parel der Antillenquot;. Maar het heeft verschrikkelijk geleden; gedurende deze geheele eeuw is het eigenlijk in toestand van oorlog of omwenteling geweest; de Spaansche Regeering kon meermalen slechts met moeite haar gezag tegen de opstandelingen handhaven, en op dit oogenblik (1898) schijnt, dat, zoo niet geheele afscheiding van Spanje, dan toch zelfbestuur zeer nabij zal zijn.
De uitgestrekte wouden van vroeger zijn voor een groot deel uitgeroeid; de bodem ligt op verschillende plaatsen braak; de mijnen zijn verwaarloosd.
De geheele bevolking bedraagt slechts 2 millioen; de Indianen verdwenen hier reeds grootendeels in den eersten tijd der Spaansche kolonisatie. De verhouding van het blanke en het zwarte element is op Cuba als van 2 tot 1; ook zijn er ± 50 000 Chineezen, meest koelies.
Cuba is het eerste land der aarde voor suiker. Het tweede hoofdproduct is tabak; verder koffie, katoen, cacao, rijst, indigo en houtsoorten. De mijnen zijn grootendeels verwaarloosd; wat kopererts wordt nog uitgevoerd. Verkeerswegen ontbreken in de binnenlanden schier geheel (de geheele spoorweglengte is nauwelijks 'k van die in Nederland).
Havana (250) is de eerste stad van geheel West-Indië. Het heeft geregelde stoombootverbinding met Cadiz , Pauillac, Sout-
D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 20
306
hampton, New-York. De stad heeft wel 700,-sigarenfabrieken en is de eerste suikerhaven der wereld;.«üïquot; mu
Van de havensteden zijn quot;t belangrijkst: Santiago (60) en Ma-tanzas (66). Van laatstgenoemde haven gingen vroeger de zilvervloten naar Europa.
Portorico, Spaahsch, is het gezondste der Antillen. Het levert veel tabak. Hoofdplaats is San-Juan (26).
Jamaica is reeds sedert de dagen van Cromwell Engelsch. De hoofdstad is Kingston (45). Hoofdproducten van uitvopr zijn rietsuiker, rum en koffie. Onder den gouverneur van Kingston behooren de overige Engelsche bezittingen in West-Indië.
Haïti (eertijds Hispaniola) is in deze eeuw aan velerlei politieke lotswisselingen blootgesteld geweest. Op dit oogenblik bestaat het uit 2 onafhankelijke republieken: Haïti en S. Domingo. Negers en mulatten vormen bijna de geheele bevolking.
De hoofdsteden zijn Port-au-Prince (60) en S.-Domingo. De natuur is uitstekend, maar de maatschappelijke toestanden zijn ellendig; de productie van het eens zoo rijke eiland is gering.
Ten Noorden van deze 4 groote eilanden liggen de talrijke lage Bahama-eilanden — meer dan 600 —, door koraalvorming ontstaan, en sommige thans begroeid, voornamelijk met palmen.
De zee is hier echter vol riffen en klippen. Vroeger waren deze moeielijk toegankelijke eilanden de schuilplaats van beruchte zee-roovers. Engeland bezit ze thans; 't belangrijkste eilandje is New-Providence met Nassau. Op Watlings-eiland landde Columbus.
De Kleine Antillen behooren aan Engeland, Frankrijk, Nederland en Denemarken.
Eng'elseh zijn: Barbados, Dominica en verscheidene andere.
Nederlandsch: St.-Eustatius , Saba en de helft van St.-Martin. -.i.. w \ .
Fransch, o. a. Guadeloupe, Martinique, de helft van St.-Martin.
Deensch, o. a. St-Thomas. -
Zij zijn óf hoog en dan vulkanisch öf laag en kalkachtig; sommige zijn zóó klein, dat zij slechts uit den top van een uitge-branden vulkaan bestaan. Saba heeft zwavellagen en St.-Martin wint zeezout.
Vele dezer eilandjes hebben een heerlijk klimaat en zijn vruchtbaar. Vruchtbaar is vooral de verweerde lavabodem. Het hoofdproduct is suiker; verder wat koffie, katoen, indigo, cacao, arrowroot Sommige eilanden echter lijden aan droogte en hebben daardoor eene vrij armoedige natuur.
307
Voor 't verkeer is o. a. belangrijk St.-Thomas, als het vaste station voor de stoombooten uit Europa (Southampton, St.-Nazaire, Hamburg) met bestemming naar West-Indië of Midden-Amerika, (Havana, New-Orleans, Mejico, Colon, La Guayra).
Al deze eilanden hebben veel te lijden van gevaarlijke kring-stormen of cyclonen. Deze komen in aard overeen met die van de Chineesche zeeën en met de kringstormen van den Indischen Oceaan in de buurt van Mauritius.
In de tweede plaats lijden zij veel van aardbevingen.
Wat verder naar 't Noorden, meer in den open Oceaan, in eene heerlijke luchtstreek, liggen de Bermudas, een 400-tal koraaleilanden, waarvan slechts een twintigtal bewoond Daar de bodem zich maar weinig boven den zeespiegel verheft, is langdurige droogte hier, gelijk op vele Westindische eilanden, een groot bezwaar. De uitvoer van arrowroot is belangrijk.
§ 162. Eindelijk liggen vóór de kust van Venezuela nog eenige eilanden, die gewoonlijk tot de KI. Antillen worden gerekend, nl. Trinidad, dat Engelsch is, en de Curacaosche eilanden (Curacao, Bonaire, Aruba en eenige nog kleinere), welke aan Nederland behooren. Alle zijn rotsachtig; vooral kalkgesteenten komen veel voor. Trinidad is bekend door een asphalt-meer. De Curajaosche eilanden leveren guano.
Door de afschaffing der slavernij hebben ook deze eilanden schade geleden, maar door den koelie-invoer is de bloei weer toenemende.
Geen deel der aarde brengt meer suiker voort dan het tropische Amerika, in 't bijzonder West-Indië, zoodat de volgende schets, van eene suiker-plantage op Trinidad, ons een denkbeeld kan geven van leven en bedrijf in die streken in 't algemeen '):
„Aanplant en verwerking van suikerriet zien wij in de du eens vlakke dan heuvelachtige landen in 't gebied van de Carmi, de eenige rivier van't eiland, welke dien naam verdient. Eene wijk van arbeiderswoningen treft bij een bezoek het eerst ons oog; éénvormige huisjes, van die in Europa alleen onderscheiden door waranda's en tuintjes. In deze „kazernequot; — aldus wordt de wijk genoemd — leven honderden arbeiders met hun gezin; groote plantages tellen tot een paar duizend inwoners; veldarbeiders, handwerkers, kuipers, timmerlieden, smeden, stokers, enz. De wat grootere woningen zijn van de opzichters.
Een groot, zijwaarts in een fraaien tuin gelegen gebouw wordt ons gewezen als het „hospitaalquot;. Het is door breede, overdekte galerijen omringd, waar herstellenden, ondanks de tropische warmte, van de vrije lucht in de schaduw kunnen genieten.
l) Uit „Das Ausland.quot;
20*
308
Mede door een goed onderhouden tuin omringd en door eene laan van kokospalmen met de kazerne verbonden, staat daar het huis van den Directeur, 'tls een flink gebouw, maar toch ook van slechts ééne verdieping (met 'toog op de aardbevingen).
In de stallen staan een honderdtal flinke muildieren, meest uit Tejas afkomstig. Daarbij nog eenige tientallen trekossen, die doorgaans in de naburige savanne weiden.
De dag begint, om 4 a 5 uur, met 't voederen der dieren; zij krijgen haver en ook stroop, waarop zij verzot zgn; zelfs hun drinkwater wordt er mee verzoet. Dit werk is spoedig gedaan, en ieder haast zich weg, want hier wemelt het van muskieten, waarvan de arme dieren zeer lijden; soms is 't noodig de stallen te berooken, om hun rust te bezorgen.
Een ontbijt van koffie en brood volgt om 5 uur, waarna wij alles in beweging zien: vrouwen zoowel als mannen, op bloote voeten en met breedgerande hoeden op; meest zien wij Oostindische koelies, hier en daar een Chinees; negers werken na de afschaffing der slavernij liefst niet, en zij hebben weinig behoeften; onder de handwerkers zijn zij talrijker. Voor den aanvoer dei-koelies zorgt de koloniale Kegeering. De koelies verbinden zich tegen bepaald loon en arbeidsdag voor den tijd van 5 jaren.
De fabriek werkt alleen in 't droge seizoen, dat met den Europeeschen winter samenvalt. In het andere jaargetijde worden de velden verzorgd; geploegd en gegreppeld, 't laatste voor den afvoer van't water; in rijen worden de riet-stekken geplant, op afstanden van een paar meter. Vier maal 'sjaars moeten de velden worden gewied; het onkruid, hier zoo welig, wordt in de zon gedroogd en dan verbrand. Een schoon gezicht is 't, als, reeds na eenige
309
maanden, in October en November, het riet hoog op 't veld staat en de pluimen als struisveeren door den wind worden bewogen.
Een gansch ander beeld vertoont de plantage, als de „maal-tijdquot;, die doorgaans van Januari tot Mei duurt, is aangebroken. Dit is de drukste tijd van 'tjaar: in talrijke ploegen staan de arbeiders in de velden; met een scherp mes wordt 't riet afgesneden, kort aan den grond; dan met één houw de top er af, ter lengte van '/4, die geen sap bevat, doch waarvan wandelstokken worden gemaakt en die bovendien nieuwe stekken levert; snel wordt daarna door 1 of 2 houwen de stengel in gelijke stukken van 1 M verdeeld, terwijl anderen die stukken tot bossen binden. Aldus worden duizenden stengels behandeld, terwijl in dien zelfden tijd de karren in vluggen draf heen en weer rijden tusschen de velden en de fabriek : in de zon toch zou het sap bederven , zoodat onmiddellijk achter de rietsnijders de karren volgen onder 't toezicht van bereden opzichters; soms ook worden groote wagens gebruikt met 4 ossen bespannen.
In den molen wordt onder zware metalen cilinders het riet geperst , en terwijl het sap vuilbruin en vol onreinheden in vaten loopt, valt het gekneusde riet in karren en wordt langs rails afgevoerd naar een terrein, waar het droogt, om later als brandstof te dienen. Vroeger bleef wel '/s van 't sap in het riet, doch de Europeesche beetwortel-suiker heeft gemaakt, dat verschillende uitvindingen de fabricatie verbeterden. In groote ijzeren ketels , die 1000 of meer liters kunnen bevatten, wordt vervolgens het sap verwarmd onder toevoeging van wat kalk , die tot ontleding dient, zoodat straks op 't kooksel eene dikke laag ontstaat, die verwijderd wordt. Herhaaldelijk wordt het aldus afgekookt, tot eindelijk eene geelachtige massa is verkregen, die -door andere bewerkingen moet kristalliseeren. Hierbij blijft eene stroop achter, melasse, die vooral gebruikt wordt om er rum uit te bereiden en tot veevoeder.
De koloniale suiker, in Europa aangevoerd, moet hier in de raffinaderijen nog zuiveringen ondergaan, vóór zij in voorkomen en kleur met de beetwortelsuiker kan wedijveren.quot;
BRAZILIË.
(8 361000 KM2; 14 670 000 inw.)
§ 163. Brazilië is sedert 1889, toen keizer Dom Pedro onttroond werd, eene republiek.
Van de oppervlakte wordt het '/s deel ingenomen door het Braziliaansche bergland; 'ja van het land is laag. Hiertoe behoort in de eerste plaats de groote Amazone-vlakte, wier stroomgebied grooter is dan dat van eenige andere rivier der wereld.
311
De Amazone is met hare zijrivieren eene Zuidamerikaansche Middellandsche zee,' hoewel niet enkel voor Brazilië; want hare grooté bronrivieren liggen in de staten van den Grooten Oceaan (welke?). Onder de rechter-zijrivieren zijn het belangrijkst de Madeira {= „hout-rivierquot;), de Tapajoz en de Tocantins. Links stroomt de Eio-Negro, welke door de bifurcatie der Casiquiare verbonden is met den Orinoco. Voor den mond ligt het eiland Marajo.
Als wij de Amazone vergelijken met den Mississippi, letten :wij vooreerst op het verschil in richting en al de gevolgen daarvan; ten tweede op de omstandigheid, dat het Amazonegebied nog grootéhdeels door ondoordringbare wouden wordt ingenomen, terwijl in de Mississippi-vlakte reeds aanzienlijke streken zijn ontgonnen; in de Braziliaansche wouden zwerven nog alleen wilde Indianenstammen rond, aan en bij den Mississippi liggen groote steden en neemt de kolonisatie van het land steeds toe.
Onder de rivieren van het Braz. bergland is de San-Franeisco (2-maal zoo lang als de Rijn) de aanzienlijkste. In haar bovenloop stroomt deze rivier door de vruchtbare, metaalrijke provincie Minas Geraes. Van het Plat. v. Matto Grosso komt verder de Paraguay , terwijl de Parana in de omstreken van de Itatiaya (2700 M) ontspringt. In de Serra do Mar, welk gebergte op korten afstand de kust nadert, ligt ook het bron-gebied van de Uragüay.
Brazilië heeft een weelderigen plantengroei. Als wij letten op de ligging van het land, zien wij, dat de evenaar door de Ama-zone-vlakte loopt, terwijl de hoofdstad van het land nagenoeg op den Zuiderkeerkring ligt. Bij de hoog-e temperatuur, die dus heerschende is, komt de rijke besproeiing door de tropische regens, die talrijke rivieren in de hooge Andes doen ontstaan. Zelfs Indië doet onder voor de groote en ondoordringbare Braziliaansche wouden, de Selva's van de Amazone, met de talrijke palmsoorten, lianen en woekerplanten.
Ook de fauna is rijk; in 't bijzonder die der vogels, insecten en visschen. In den Amazone-stroom b.v. zijn even veel vischsoorten geclassificeerd als in den geheelen Atlantischen Oceaan (sidderaal). Over 't geheel zijn in het tropisch Amerika niet zulke reusachtige diervormen als in de Oude Wereld; verwante vormen, maar van kleiner afmeting, minder ontwikkeling, heeft de Nieuwe Wereld (vicariëerende diersoorten).
Het hoofdproduct, dat Brazilië voor den uitvoer levert, iskoffle, waarvan Rio en Santos (naar de beide uitvoerhavens) de belangrijkste merken zijn. Brazilië brengt zooveel koffie
312
voort als alle andere koffielanden samen. Verder levert dit land katoen, suiker, tabak (Bahia), rijst en kostbare houtsoorten, b.v. palissanderhout en fernambukhout, aan welk verfhout het land zijn naam ontleent (brazil = vuurgloed). Als belangrijke boschproducten mogen worden genoemd caoutchouc, vanille en vooral Paraguay-thee. De veeteelt levert tot nu toe voor den handel hoofdzakelijk huiden. In 't Zuiden zijn echter thans ook groote slachterijen voor rundvee en varkens. Daar vindt men Duitsche landbouwkoloniën met zt 200 000 welvarende inwoners. De hoofdstad is daar Porto Alegre, door een spoorweg verbonden met San Pedro de Rio Grande.
In het zand der stroomende wateren vindt men diamanten, vooral in Minas Ge ra es (= „de algemeene mijnenquot;) bij Dia-mantia enz.
De bevolking is in dit rijke land echter dun gezaaid; slechts 1,7 inw. op 1 KM2. De bevolking woont bijna geheel in de kustprovincies: in de binnenlanden, in 't bijzonder in de onmetelijke Amazone-vlakte, wonen bijna geen menschen.
In geen deel van Amerika overweegt zoo sterk als in Brazilië het n e g e r-element: 2Ih der bevolking bestaat uit negers of mulatten. De slavernij is geleidelijk afgeschaft (definitief in 1888). De plantagebouw wordt nog bijna geheel met negers gedreven.
Verder zijn er talrijke Indianen-stammen, allen zoogenaamde „wildequot; Indianen, waarvan sommigen op den allerlaagsten trap staan, b.v. de wilde Botokoeden; hunne geheele sterkte wordt op 600 000 geschat.
De blanken zijn meest van Portugeesche afkomst, dus Creolen. Belangrijk zijn vooral, gelijk we reeds opmerkten, de Duitsche landbouwkoloniën, die in betrekkelijk korten tijd een grooten omvang aannamen en wier bloei in 'tbijzonder op veeteelt en koffiecultuur berust. In de laatste jaren is er — gelijk in geheel Zuid-Amerika — een groote toestroom van Italiaansche landverhuizers.
Rio de Janeiro (800) is beroemd door zijn prachtige ligging aan de binnenzijde van eene groote baai en aan den voet van het grootsche en steile kustgebergte.
Als handelshaven heeft Rio een druk verkeer met Lissabon, Pauillac, Southampton, New-York enz., maar de handel zou een verbazenden omvang kunnen aannemen, als het binnenland geregeld met de kust in verkeer stond. De uitvoer, die zeer aanzienlijk is, bepaalt zich tot koffie en diamanten.
313
Bahia (200), de tweede handelsstad des rijks, heeft uitvoer van suiker en (baai-) tabak.
Pernambuco (190), bijzonder gunstig gelegen voor het verkeer met Europa, voert suiker, verfhout en katoen uit.
Para (70) of Belem, in het mondingsgebied van de Amazone, is de stapelplaats voor de producten uit het woudgebied icaout-chouc) en heeft op den duur misschien eene groote toekomst. Onder de kleine havenplaatsen, die zich beginnen te ontwikkelen in het reusachtig gebied, noemen wij Manaos (7), dat de grootste plaats is binnen een omtrek van bijna half Europa.
Columbia, Venezuela en Guyana.
§ 164. Deze landen nemen het Noorden van Zuid-Amerika in. Ze liggen ongeveer tusschen den evenaar en de parallel van 10; N.B.
Columbia heeft het voordeel van de ligging aan de beide Oceanen v en van het bezit der landengte van Panama. ^7
Naar den verticalen vorm bestaat het land uit een drietal lang-gestrekte ketens van de Andes, waartusschen de dalen van Mag-dalena en Cauca. Daar deze dalen naar het Noorden geopend zijn, breeder worden en in tropische laagvlakten overgaan, zijn voor het verkeer de havens der Atlantische zijde van Columbia belangrijker dan die van den Grooten Oceaan. De bevolking echter woont wel voor 5/6 in de hoogste gedeelten van de genoemde dalen en in de hoogvlakten van de Andes, omdat de mondingsgebieden zeer ongezond zijn. In het O. heeft Columbia reeds de grasvlakten. Llanos, die bijzonder aan Venezuela eigen zijn.
De voortbrengselen voor den uitvoer bestaan in: goud; koffie en tabak; huiden (van het vee der llanos); kina, caoutchouc en andere boschproducten; fijne stroohoeden, waarvan de industrie vrij belangrijk is („Panama'squot;;.
Ook andere producten, als katoen, indigo, suiker, cacao zouden veel meer kunnen worden verbouwd, terwijl de minerale rijkdom nog meer ontwikkeld kan worden.
De hoofdstad is Bogota (110) en de belangrijkste haven Carthage n a.
Een der staten van Columbia is el Isthmo of Panama, met den spoorweg Galon (Aspinwall)—Panama.
[Deze laatste stad werd door de Spanjaarden gesticht (1521), kovtna hunne komst in Amerika, en bloeide spoedig zeer. In later tijd verloor zij de beteekenis, totdat in het midden van deze eeuw de Groote
314
Oceaan belangrijk werd. Panama is station voor stoomvaartljinen naar San-Francisco, Valparaiso en Callao; de Pacifie-spoorwegen der Unie hebben het echter veel kwaad gedaan,
Venezuela bestaat uit een hoog kustgebergte en uit de breede vlakte van den Orinoco. Deze vlakte is met lang gras begroeid en bevat goede weidegronden, Llano's, voor runderen, paarden, muilezels. Enkele maanden in het jaar echter verschroeit het gras en lijdt alles onder ontzettende dorheid ; alleen bij de rivieren is dan het dierlijk leven mogelijk, de steppe is dan doodsch.
De onmetelijke vlakte — grooter dan 't Duitsche rijk —■ kent geen andere menschen dan de Llanero's, de bereden, verwilderde herders.
Rijker is het kustgebied; daar is heerlijke plantengroei, en kunnen belangrijke cultuurgewassen worden gekweekt. Het hoofdproduct is verreweg koffie, in de hoogere gezonde streken (tierra templada); dan cacao in 't heete, ongezonde gebied; de aanbouw van katoen en tabak (Varinas) is van minder belang.
Verder worden nog uitgevoerd: huiden, goud en koper.
Hoofdstad is Caracas (75), in 1812 geheel door eene aardbeving verwoest. Belangrijkste handelshaven is La Guayra, volgens de kaart schijnbaar vlak bjj de hoofdstad gelegen, doch inderdaad daarvan door eene bergketen gescheiden; de weg tusschen de havenstad en Caracas leidt nog over een pas van ruim 1000 M hoogte.
Valencia, in de nabijheid van een schoon meer van gelijken naam, is eene drukke marktplaats; Po rto-Cab ello, havenplaats, ligt evenals andere kustplaatsen in eene heete, ongezonde omgeving.
Ook Venezuela vormt op dit oogenblik een bondsstaat; maar gelijk reeds meer opgemerkt is, de politieke toestanden zijn in Mejico, Centraal-Amerika en Zuid-Amerika niet duurzaam; de strijd tusschen federalisten en unitaristen breekt steeds opnieuw los; ja, zelfs de presidentskeuzen gaan veelal met omwentelingen gepaard.
Guyana. Hier is bij den vorm van den bodem juist het omgekeerde waar te nemen van wat wij bij Venezuela zien; in Guyana vinden we langs den Oceaan een laag, moerassig en ongezond kustgebied , dat naar het binnenland langzaam oploopt; op eene vlakte van 15 tot 20 uur gaans breedte volgen de heuvels, dan de blauwe, met dichte bosschen bedekte, nog weinig bekende bergen.
Deze mooie berglanden. El Dorado van de Spanjaarden, scheiden Zuid-Guyana van Brazilië; zij vormen de waterscheiding van de Amazone-landen met het gebied van den Orinoco en van de rivieren van Guyana. Deze (w. o. de Suriname, de Co ran tij n en de Marowijne) kunnen geen langen loop hebben, doch vertoonen in 't mondingsgebied het karakter van machtige stroomen.
315
Indianen van de stammen der Cariben en der A row a leken (= „meelmenschenquot;, naar het maniokmeel) zwerven in de groote bosschen van Guyana; daar zijn ook talrijke afstammelingen van weggeloopen Negerslaven, doorgaans Marons genoemd.
Engeland, Nederland en Frankrijk hebben sedert de 17' eeuw in Guyana gekoloniseerd. Engeland bezit thans de helft, de kolonie Berbioe; de Nederlandsche kolonie Suriname en de Fransche Cayenne nemen samen de andere helft in.
Deze koloniën bestaan bijna uitsluitend van den plantagebouw. Uit den aard der zaak zijn de plantages in het ongezonde , heete gedeelte van het land (waarom ?j. De afschaffing der slavernij had gebrek aan werkkrachten ten gevolge, waarin men tracht te voorzien door den aanvoer van Britsch-Indische koelies.
Britsch-Guyana verkeert verreweg in den gunstigsten toestand, Fransch-Guyana in den ongunstigsten. Suriname gaat gelukkig vooruit; aanmoediging van de immigratie, bijzonder die van Indische koelies, schijnt hierbij de groote zaak.
Hoofdproduct van uitvoer is de suiker, daarnaast de cacao; zeer goed kunnen katoen en koffie worden aangebouwd , wat vroeger echter meer dan tegenwoordig gebeurde.
De rijke wouden en de mineralen kunnen nog veel meer worden geëxploiteerd dan 't geval is. Berbice heeft goudwasscherijen, welke eene bepaald vrij aanzienlijke hoeveelheid goud aan de markt brengen; die in Suriname en Cayenne zijn mede niet zonder beteekenis. In 1892 voerde Suriname voor ƒ 1,5 mill, goud uit.
De hoofdsteden zijn Georgetown (53), Paramaribo (29) en Cayenne (10). Gelukkig is ook Paramaribo door een recht-streekschen stoombootdienst met het moederland verbonden (Kon. Westindische Maildienst te Amsterdam; dienst tweemaal per maand).
Engelsch Guyana is 230 000 KM2 en heeft 288 000 inw.
Nederl. „ „ 129 000 „ „ „ 71 000 „
Fransch „ „ 79 000 „ „ ., 30 000 „
In tegenstelling met Oost-Indië , waar de bevolking grootendeels uit inlanders en vreemde oosterlingen bestaat, die geen invloed op het bestuur uitoefenen, is in Suriname het Europeesch element sterk vertegenwoordigd en hebben allen, die van Europeesche afkomst zijn , staatsburgerlijke rechten. Suriname is dus in waarheid eene kolonie.
Negers vormen echter het talrijkste bestanddeel met de reeds genoemde koelies , de Indianen en de Marons.
Het Engelsch is de gebruikelijke taal.
316
Ecuador, Peru, Bolivia, Chili.
§ 165. Deze republieken nemen met Columbia het And es-gebied van Zuid-Amerika in. De bodem bestaat vooreerst uit de hooge, trotsche Andes, waar zich talrijke nog werkende vulkanen verheffen, b.v. de Chimborazo. Uitbarstingen en aardbevingen richten dikwijls hunne verwoestingen aan. Verder zijn er de hoogvlakten, waar vooral de steden liggen en eindelijk de lengtedalen, in 'tbijzonder in Peru, door welke de lange bronrivieren der Amazone stroomen. Dikwijls zijn de randgebergten door dwarsjukken verbonden, b.v. bij Pas to, Loja, P a s c o en ten Z. van C u z c o
Bij dezen verticalen vorm en in verband met de breedte, waarop deze landen liggen, is het duidelijk, dat wij er elk klimaat en de voortbrengselen van elke luchtstreek kunnen verwachten: van de tropische kusten en de dichte wouden op de hellingen der Andes, tot de gematigde hoogvlakten en de met sneeuw bedekte toppen.
Over eene lengte van meer dan 1000 uren gaans liggen deze staten aan de Pacifleke zijde van het werelddeel, hebben daar hunne havens, doch zouden voor de ontwikkeling van het handelsverkeer bijzonder gebaat zijn door goede verbindingswegen met de landen aan de Oostzijde der Andes en dus met de Atlantische kust. Voor den aanleg van zulke wegen wordt trouwens veel gedaan, in 't bijzonder in Chili Zoo is een spoorweg in aanleg over de hooge Cumbre pas, ten Z. van den Aconcagua, tusschen de Westkust en de Pampas. Door dezen spoorweg de Trans-Andesbaan, zal Valparaiso met Buenos-Aires verbonden zijn. Verder leidt een beroemde spoorweg, de Anto-fagasta-Oruro-baan, van Antofagasta over Caraeoles naar het hart van de hoogvlakte van Bolivia. Bovendien zijn scheepvaart en uitvoer van deze landen over den Grooten Oceaan niet onaanzienlijk en zouden bij geregelde politieke toestanden en behoorlijke ontwikkeling der rijke hulpbronnen, die de natuur hier aanbiedt, stellig nog veel belangrijker zijn. Chili staat in deze opzichten verre bovenaan.
Ook in ethnologischen zin vormt dit Westelijk Zuid-Amerika een gebied, dat van het Oostelijke zeer verschilt: zagen wij bij Brazilië, Guyana, Venezuela , dat daar het zwarte element in de bevolking zeer overweegt, hier ontbreekt het bijna geheel; daarentegen zijn hier de Indianen en Mestiezen numeriek verreweg de hoofdbevolking; de blanken zijn de Spaansche Creolen en verder Europeanen en Noordamerikaansche kolonisten , vooral in Chili.
317
Die Indianen en kleurlingen zijn wel grootendeels gezeten, maar zij zijn traag en bezitten weinig geestkracht, hetgeen mede voor deze landen eene groote ramp is.
De Chilenen zijn krachtiger dan de andere Spaansch-Ameri-kaansche volken, en dit, in verband met de bovengenoemde talrijke kolonisatie , geeft dan ook al weder eene van de verklaringen, waardoor, gelijk boven gezegd, deze staat zich 't meest in vooruitgang mag verheugen.
Ecuador is de kleinste, minst bevolkte en minst belangrijke onder de Westelijke vrijstaten.
De handel kan zich moeilijk ontwikkelen, daar de plateau's in de Andes slechts weinig in gemeenschap staan zoowel met het Amazone-gebied als met de kust.
De hoofdstad is Quito (40), de beste haven Guajaquil. Quito ligt 2850 M hoog op een plateau, aan den voet van den hoogen, viertoppigen vulkaan Piehincha.
Geen deel van Amerika heeft, gelijk Ecuador, zulke hooge bergtoppen en in zoo groot getal; nergens hebben de Andes schooner natuur dan juist hier onder den evenaar. De Chimbopazo (6430 M) gold lang voor de hoogste berg der aarde en, moet hij in dit opzicht ook onderdoen voor de Himalaja-toppen, hij is zeker een der mooiste kegelbergen, die door natuuronderzoekers ooit zijn aangetroffen. In de eerste jaren van deze eeuw, toen de tijd van wetenschappelijke ontdekkingsreizen eerst pas was aangebroken, deed hier in het tropische Amerika de later zoo beroemde Alexander von Humboldt zijne onderzoekingen. De Pinchincha is 4800 M en de vuurberg Cotopaji 0000 M.
Ecuador is het vaderland van den kinaboom, die van hier o. a. naar Engelsch en Nedl. Oost-Indië werd overgebracht. Thans komt uit Ecuador bijna geen kina meer in den handel; cacao is het hoofdproduct des lands en verreweg 't belangrijkst uitvoerartikel.
Peru. Voor geen der Amerikaansche landen is wellicht de tegenstelling tusschen de geschiedenis en den hedendaagschen maatschappelijken en politieken toestand grooter dan voor Peru. Toen Pizarro er kwam, vond hij een bloeiend rijk . later was het de goudmijn voor de Spaansche kroon; in de 19' eeuw getuigt alles er van verval.
Zilver, goud, kwik, koper zijn nog uitvoerartikelen. De uitvoer van guano, die op de Chincha en andere eilanden voor de
318
kust werd gevonden, hfeeft opgehouden. Daarentegen zijn in 'tN. des lands meer dan 600 petroleumputten geboord.
Van groote beteekenis is in de Andes van Z -Amerika in 't algemeen, maar in Peru in 't bijzonder, de lama. Met het muildier is hij een onmisbaar lastdier in de bergstreken en wordt als huisdier gefokt. Hij levert eene bijzonder fijne wol, evenals de in 't wild levende alpaca's en vicuna's (vigogne-wol). Vooral de al pa ca-wol is een kostbaar uitvoerartikel.
Een deel van de kustprovinciën is volkomen geschikt voor den aanplant van suikerriet, koffie, katoen en rijst, en deze worden dan ook gekweekt, doch niet genoeg, om uitvoer mogelijk temaken. Eene der hoofdredenen is, gelijk op zooveel plaatsen in Zuid-Amerika, 't ontbreken van werkkrachten
Zuidwaarts wordt het kustgebied hoe langer hoe droger; de bos-schen maken plaats voor steppen, die ten slotte in eene doodsche woestijn overgaan: de Atacama. In 't gezicht van den Oceaan, de grootste watermassa der aarde, valt hier over eene uitgestrektheid (Noord-Zuid) van een paar honderd uren gaans, zelden eene regenbui ; de windrichting is uit 't Oosten, zoodat de Oostelijke hellingen der Andes alles krijgen en hier de bergstroomen ontstaan, die in de vlakten zich tot groote stroomstelsels ontwikkelen.
De oude hoofdstad der Inca's (= „Zonen van de Zonquot;) was Cuzco. Kunstwegen van bewonderenswaardigen aanleg verbonden reeds in dien vroegeren tijd de hoogvlakte met de kust. Die wegen waren aangelegd over eene veel grootere hoogte dan de trotsche Alpenwegen in Europa.
Thans verbinden eenige spoorwegen, meesterstukken van bouwkunst, de steden van de hoogvlakte met de havens. Van de kust leidt over Arequipa een trotsche spoorbaan naar het Titicaca meer (Arequipa-Punobaan). Verder eene lijn van Callao over Lima in de richting van Pas co (Oroya-ba an). Ter vergelijking volgt hier een lijstje van de hoogste punten der hoogste spoorwegen;
Aan de ontwikkeling van Peru zou zeker de uitbreiding van de stoombootvaart op de groote bovenrivieren van het Amazone-gebied ook zeer ten bate komen.
319
Lima (105), reeds door Pizarro gesticht', heeft vele Duitsche handelshuizen en behoort tot de schoonst gelegene en gezondste steden van Z.-Amerika. De haven is Ca 11 a o (kaljan). (26). Are-quipa, in een schilderachtig hoogdal (2300 Ml, is van belang voor den handel naar de binnenlanden. Pasco heeft de voornaamste zilvermijnen.
Bolivia. Bolivia verloor zijn kustgebied aan Peru en Chili, een verlies dubbel groot, nu deze kuststreken in de laatste jaren zeer belangrijk zijn geworden door zilvermijnen en salpeterbeddingen.
In de productie van zilver staat Bolivia bovenaan onder de staten van Zuid-Amerika. De toestanden in Bolivia zijn echter treurig: revolutie is er op revolutie gevolgd.
Potosi, (12) de hoogst gelegen stad der aarde (4000 M boven den zeespiegel).
La Paz (40), zuidwaarts van het Titicacameer en aan den voet van den Illimani, is de tegenwoordige hoofdstad. Een ander middelpunt voor den handel is Sucre.
Akkerbouw en veeteelt worden in Bolivia verwaarloosd, hoewel de natuur geschikt is voor allerlei producten, 't Belangrijkst voor den handel zijn nog — na de mijn-producten— kina en cacao.
De veeteelt op den Andes is niet eens genoeg voor de behoeften des lands: vee wordt ingevoerd uit Argentina.
Chili. Geene der Z.-Amerikaansche republieken heeft zich sedert de vrijverklaring beter ontwikkeld en heeft van meer geregelden politieken toestand genoten dan Chili. Toch werd ook dit land in 1891 door een hardnekkigen burgeroorlog geteisterd.
De kolonisatie in Chili is aanzienlijk. Het land bezit een rijkdom van producten uit de drie natuurrijken. In de eerste plaats vormt de waarde aan salpeter, zilver, goud en koper 5/6 van Chili's ganschen uitvoer. Maar daarnaast bloeien, geholpen door een gunstig klimaat, land- ooft- en wijnbouw, zoodat granen, wijn en vruchten in den handel worden gebracht. Eindelijk nog is ook de veeteelt, vooral van schapen, van belang.
In de Zuidelijke provinciën wonen nog de krachtige Arauca-niërs, die onder de wilde Indiaansche stammen van Zuid-Amerika het hoogst staan.
De handelsbetrekkingen van Chili met Europa nemen steeds toe; de aanzienlijkste havenstad is Valparaiso (150), met San Francisco de belangrijkste haven aan de Westzijde van Amerika;*
320
geregelde stoombpotverbinding o. a. met Liverpool. Eerlang rechtstreeksche spoorwegverbinding met Buenos-Aires.
Santiago (250) is de bloeiende hoofdstad en behoort tot de schoonste en welvarendste steden van Amerika.
In de woestijn At a cam a wisselen de zanden velerwegen af met witte salpeterkorsten. De uitvoerrechten op deze delfstof maken bijna de helft van Chili's staatsinkomsten uit. Antofagasta en Iquique zijn de voornaamste salpeterhavens. Ook bevat de bodem van Atacama belangrijke hoeveelheden zilver, kolen en borax.
In de omstreken van het bekoorlijke Valdivia zijn belangrijke Duitsche landbouwkoloniën.
Aan Str. Magelhaens ligt Punta Arénas, waar steenkolenmijnen zijn ten behoeve van verschillende stoomvaartlijnen.
De La Plata-Staten.
§ 166. Deze landen bestaan vooreerst uit de groote vlakten van de Paraguay en van de Parana; verder uit heuvellanden en voorgebergten van de Andes. In de onmetelijke Pampas is veeteelt het groote middel van bestaan. Onafzienbare kudden van paarden, runderen en schapen weiden hier. Deze diersoorten werden eerst in de 16' eeuw ingevoerd , maar zijn in deze onbewoonde streken snel vermenigvuldigd.
De veehoeders der steppen, de ruwe Gauchos (güoetsjo's), zijn afstammelingen van Indianen en Spanjaarden. Gelijk de Llanero's in Venezuela brengen zij hun leven door te paard , gewapend met den lasso, en houden in de eindelooze grasvlakten opzicht over de daar zwervende kudden ; hun voedsel is vleesch , hun drank Paraguay-thee. De Gran Chaco, „het groote jachtveldquot;, is gedeeltelijk moeras, gedeeltelijk zoutsteppe.
Eene merkwaardige tegenstelling in bevolking vormen Argentina en de beide kleinere la Plata-staten — Uruguay en Paraguay — met de boven behandelde Andes-landen: slechts ongeveer 30/o der bewoners zijn Indianen, 28 0/o zijn van gemengd bloed en bijna 70 0/o zijn blanken (Creolen en kolonisten).
Voor den handel op Europa hebben deze landen beteekenis door den overvloed van ruwe producten, die zij kunnen uitvoeren; wol en huiden zijn hoofdzaak, maar ook vleesch in verschillenden vorm. Vroeger werden alleen de beste deelen van het vleesch gekookt, en in bussen verzonden,, doch tegenwoordig tracht men 't vleesch door bevriezing versch te houden en in dien toestand in opzettelijk daartoe ingerichte schepen naar Europa over
321
te brengen. Zoo werden in 1894 niet minder dan 9 mill, bevroren schapen naar Londen getransporteerd.
Fijne wol levert de inheemsclie alpaca, terwijl eindelijk ook de struisvogel tegenwoordig in Argentina op groote schaal wordt geteeld.
De landbouw staat bij de veeteelt in belang ver achter; toch liggen aan den Oostvoet der Cordillera's zeer vruchtbare gronden en deze worden in de laatste jaren veel in cultuur gebracht. Dat deze juist hier liggen , staat in verband met de regenverdeeling (verticale vorm en windrichting).
Het klimaat in Argentina is — in verband met de uitgestrektheid , van Vuurland tot Bolivia — zeer verschillend ; vooral echter is de warmgematigde luchtstreek heerschend. Is het Noorden geschikt voor suikerriet, het Zuiden kan tarwe, maïs, suikerbieten leveren; alle wijn- en ooftsoorten gedijen uitstekend.
De minerale rijkdom des lands — goud, zilver, koper, steenkolen — wacht op ontginning; doch overal wordt gebrek aan werkkrachten gevoeld. De immigratie is in de laatste jaren aanzienlijk; over het algemeen is de landverhuizing naar Argentina uit Zuid-Europa, in 't bijzonder uit Italië, veel sterker dan uit Noord-Europa.
Buenos Aires (690) is de tweede stad van Zuid-Ame-rika. Het heeft verschillende spoorlijnen naar het binnenland en zal eerlang een spoorweg hebben naar Valparaiso. Aan deze en aan gene zijde van de Cordillera's is deze weg reeds in exploitatie. Stoomvaartlijnen verbinden het met Liverpool, Antwerpen , St.-Nazaire , Bordeaux , Hamburg , enz. Cordova heeft eene universiteit en is de tweede belangrijke stad van Argentina.
De Argentijnsche Regeering heeft in de laatste jaren veel gedaan op het gebied van havenwerken, spoorwegaanleg, onderwijs , enz.
Montevideo (259), aan den ingang van den breeden La Plata-mond, is de hoofdstad van Uraguay. Het heeft gunstiger ligging dan Bueuos Aires en is dan ook het hoofdstation van de transatlantische stoomschepen. Ook hier bestaat de bevolking vooral uit blanken (Creolen, Italianen, enz.).
Te Fray Ben tos zijn o. a. de groote inrichtingen van Liebig tot bereiding van vleeschextract en andere vleeschartikelen.
Paraguay. Deze republiek — met Bolivia de eenige Zuid-Ame-rikaansche staat, die niet aan zee grenst — is de ongelukkigste van alle Zuidamerikaansche staten, ofschoon de bodem door vruchtbaarheid uitmunt. Het land werd door de Regeering altijd in de D. Aitton, Beknopt Leerboek, 4e druk. 21
322
strengste afgeslotenheid gehouden, en later werd een langdurige oorlog gevoerd tegen Brazilië en Argentina.
Op eene oppervlakte eenige malen zoo groot als Nederland ■wonen nauwlijks half zooveel menschen als in Amsterdam.
In de laatste jaren zijn tengevolge van immigratie de toestanden wat beter geworden. Hoofdstad is Asuncion (asoentsjoon) (24), aan de Paraguay, het middelpunt van den handel in Pa rag uay-thee (de puntige bladeren van eene soort hulst) en run.
Tot Argentina woidt ook gerekend Patagonië ten 0. der Andes, een land bijna zoo groot als geheel Skandinaviii, doch grootendeels uit kale rotswoestijnen bestaande en bewoond door enkele rondzwervende Indianen en eenige Amerikaansche struisvogels. Den naam „Patagoniërsquot;, d. i. „grootvoetenquot;, kregen de bewoners van de zeelieden van Magelhaens, die 'teerst kennis met hen maakten. Zij wikkelen in vellen van wilde dieren beenen en voeten, die in 't zand geweldige voetstappen achterlaten.
De eilanden-groepen, waarin 't Zuidelijk uiteinde van Amerika overgaat, waren mede geen gunstig oord voor de ontwikkeling van volken, hoe groot ook in sommige punten de overeenkomst met de Skandinavische wereld van Europa moge zijn. Ondanks de lage breedte vertoonen zij meer 't karakter der poolwereld: ze vertoonen geen bosschen of weiden als in Skandinaviii, maar zijn slechts met mossen bedekt. De talrijke zeestraten zijn rijk aan klippen, bedrieglijke inhammen, vooral gevaarlijk voor zeilschepen, een wonderlijke doolhof van diepe rotskloven, waar 't peillood geen grond vindt en waar groote zeevaartkennis en veel zeemar ^hap vereischt worden, om den weg te vinden. Hier was het, dat Magelhaens den 27 Nov. 1519, na langer dan eene maand in 't gevaarlijke vaarwater te hebben doorgebracht, aan een der uitgangen den onmetelijken Oceaan vóór zich zag liggen. Bewoners had hij in deze streken niet gezien; alleen had men aan de linkerzijde 's nachts vuren zien branden, waaraan het land den naam van Vuurland („Tierra del Fuegoquot;) dankt.
323
O O o o o
340 337 299 356 242
Mejico. Cincinnati. San-Francisco. Buffalo. N.-Orleans.
O O ©
317 Montreal.
20i 200 Milwaukee. Havana. Fig. 57. Vergelijkend overzicht (naar 't bevolkingscijfer) van eenige Amerikaansche steden naast Londen, Nederland en Berlijn.
21*
ZEVENDE HOOFDSTUK.
AUSTRALIË.
LIGGING EN QNTDEKKINGSGESCHIEDENIS.
1. Geef van de kaart de grènzen op van Australia's vastland.
2. Bepaal de breedte van / het Noordelijke fK. York) en het Zuidelijke punt (K. Wilson), zoo mede den afstand in uren gaans.
3. Welke golven vormt de kust?
4. Door welke straat is het vastland gescheiden van Nieuw-Guinea en door welke van Tasmanië?
§167. Het werelddeel Australië bestaat uit een vastland, (Australië) en eilanden (Oceanië).
Natuurkundig behooren Nieuw-Guinea en Tasmanië bij het vastland, wijl ze er slechts door ondiepe wateren van zijn gescheiden. Dit vastland heet bij ons nog al eens Nieuw-Hol-land; maar meer gangbaar is tegenwoordig de naam Australië. De Engelschen bestem pelen het vastland, Tasmanië en Nieuw-Zeeland in 't algemeen met den naam van Australasia.
Oceanië (d. i. Melanesië, Micronesië en Polynesië) bestaat uit twee groote eilandengordels. De binnengordel loopt van Nieuw-Zeeland af in een boog om de Oostelijke, kust van Australië. De buitengordel loopt van de Marianen in een boog naar den Fidsji-Archipel en dan in de richting van Zuid-Amerika. Buiten1 dezen gordel vallen Amerikaansch Polynesië en de Sandwich-eilanden.
Welke 'eilandengroepen behooren tot den „binnen-gordelquot; ?
325
gelschen wedijverden in hunne verre tochten, werden ook eenige eilandengroepen -van het 5e werelddeel voor het eerst gezien.
Doch eerst toen de Hollanders zich op Java hadden gevestigd, begon de ontdekkings-geschiedenis van het vasteland, dat dan ook den naam kreeg van Nieuw-HoHand. Het bleef echter bij eene kennismaking met den omtrek: was Amerika 60 jaar na de ontdekking reeds in verscheidene deelen bekend, met Australië ging het geheel anders. Wel hebben Portugeezen en Spanjaarden eene menigte eilanden in den Grooten Oceaan ontdekt, wel hebben de Hollanders in den bloeitijd der O.-I. Compagnie den omtrek van Nieuw-Holland gezien, waaraan namen als Tasmansland, Nieuw-Zeeland, Van Die-mensland Chet tegenwoordige Tasmanië), enz. herinneren , maar van kolonisatie was geen sprake: Amerika en Indië waren toen alles, Australië beschouwde men als zonder waarde, zonder goud of andere schatten.
Eerst 2 eeuwen later, toen de Groote Oceaan zelf wat meer werd bevaren, maakte men ook beter kennis met Nieuw-Holland. De stoot hiertoe werd gegeven door de le reis van James Cook, in 1768 (op last van de Engelsche regeering, ter waarneming van een voorbijgang van de planeet Venus langs de zon, welk verschijnsel zich van tijd tot tijd herhaalt en geschikte gelegenheid aanbiedt tot het doen van astronomische metingen en berekeningen).
Ongeveer in dienzelfden tijd verplaatste zich ook de walvischvangst van de kanten van Groenland en Spitsbergen naar de zijde der Zuidelijke IJszeeën.
Niet lang duurde het, of de eerste Europeanen zetten voor goed den voet op den bodem van Australië, aanvankelijk ('teerst in 1787) alleen gedeporteerden, spoedig ook vrije kolonisten.
De ontdekking der uitgestrekte weidegronden, daarna die van de rijke goudmijnen (1851), waren hoofdgebeurtenissen in de geschiedenis van Australië en geven de verklaring van de verbazend snelle opkomst van de Zuidoostelijke landen van dit werelddeel.
De ontdekking der binnenlanden vorderde niet snel. Er bestond langen tijd verschil van gevoelen over de natuur van het land; volgens velen zou het één uitgestrekte woestenij zijn, wat men reeds daaruit afleidde, dat de uit het binnenland komende winden overal droog en warm zyn. Voor een deel heeft zich dit gevoelen bevestigd. De Australische woestijnen worden gekenmerkt door dicht, doornachtig struikgewas, dat de kolonisten scrub noemen, en eindelooze vlakten met harde, stekelige grassoorten, spinifex geheeten. Jongere ontdekkingen spreken dit ten minste voor vele streken tegen.
De eerste reis dwars door Australië was die van Stuart in 1862, van het Z. naar het N. Langs den door hem gevolgden weg, de Stuart-route, ligt thans eene telegraaflijn van Adelaide naar Port-Darwin en een spoorweg is in aanleg. (Adelaïde sluit aan bij het telegraafnet van Z.O.-Australië en Nieuw-Zeeland, terwijl Port-Darwin door een kabel is verbonden met Oost-Java en aldus met Batavia, Singapore e. v.)
Stuart is door eenige reizigers, vooral Engelschen en Duitschers. voorafgegaan en gevolgd: Eyre, Leichhardt, Giles, Forrest e. a.; enkele namen op de kaart van Australië herinneren aan hen. Maar de reizigers in Australië hebben met groote gevaren te worstelen èn van de zijde der inboorlingen èn door het bijna volslagen gebrek aan water.
326
Natuurlijke gesteldheid.
§ 168. Australië heeft, evenals Afrika, eene uiterst geringe kustontwikkeling (fig. 12i ; geene of weinige diep indringende zeeboezems.
De Oostkust is de belangrijkste en van deze weer de Zuidelijke helft; hier liggen talrijke goede havens, van de Botany-baai (bij Sydney), waar James Cook landde , tot aan Port-Adelaïde. Langs de N. helft der Oostkust en overal in de ïorres-straat is de zee vol koraalrotsen en de kust moeilijk te naderen (Groot-Barrière-rif). Vroeger was de scheepvaart in die streek gevaarlijk, maar tegenwoordig is deze kustzee overal goed onderzocht. De groote golven, nl. die van Carpentaria en de Austraal Golf zijn voor handel en verkeer van weinig betee-kenis. Veel belangrijker zijn de golven: Spencer, St.- Vincent en Port-Philip. In Noord-Australië is Port-Darwin de belangrijkste haven.
De gebergten van Australië bereiken geene groote hoogte. Zij verheffen zich vooral in het Z.0., hetgeen een groot voordeel voor de daar liggende landen oplevert, omd' 'e zeewinden aldus tot opstijgen worden gedwongen en dit deel van liet werelddeel dus voldoende regens heeft, wat met de andere deelen niet het geval is.
De hoogste verheffingen zijn in de Australische Alpen en in de Blauwe Bergen, maar ook deze reiken niet boven de grens dei-eeuwige sneeuw en zijn, met uitzondering van enkele toppen, als de Mount Townsend (2240 M) tot boven begroeid.
Als Nieuw - Engeland-ke tens zetten deze gebergten zich langs de Oostkust voort en aldus heeft het werelddeel een groot scheidingsgebergte tusschen het betrekkelijk kleine gekoloniseerde kustgebied en het groote overige gedeelte. Juist deze kustlanden met hunne goede havens en hun heerlijk klimaat, deze bergen met hun rijkdom aan delfstoffen en hunne goede weiden zijn het gedeelte, dat de Europeanen tot zich heeft getrokken, terwijl nog heden ten dage in de binnenlanden slechts de weinige inboorlingen rondzwerven.
Het klimaat is in het Noorden tropisch. Zoo is bij Kaap York de gemiddelde jaartemperatuur gemeten als 25° C. Voor Z.O.-Australië bedraagt ze slechts 11a 12° (Batavia 26°; Utrecht 10°).
De natuur in N.-Australië is dus Indisch. Het Z.O. kan met Italië, het Kaapland, Californië of Chili worden vergeleken.
De regenhoeveelheid is in Australië over het algemeen gering. De meeste regen valt aan de Noord- en Oostkust.
327
Z.O.-Australië heeft, gelijk boven reeds is gezegd, voldoende besproeiing; er valt regen in alle vier jaargetijden, vooral echter in den zomer en den herfst. In 't Noorden zijn maar twee jaargetijden, nl. het droge met den Z.0-moesson van April—October en het natte met den N.W.-moesson van October tot April.
Het groote binnenland van Australië is regenarm; de zeewinden, in 't bijzonder de Z.O.-passaat, die het meest waait, hebben hunne vochtigheid reeds afgegeven, vóór zij de binnenlanden bereiken.
In verband met het karakter der natuur van Australië is het werelddeel arm aan groote rivieren. De aanzienlijkste is de Muppay en zelfs deze is niet gedurende het gansche jaar voor stoomschepen bevaarbaar; onder de zijrivieren is de Darling1 langer dan de Murray zelf.
Aan de Oostelijke kust zijn, wat gemakkelijk verklaarbaar is, talrijke kleine, waterrijke rivieren.
De meeste rivieren van de binnenlanden hebben liet karakter van k r e e k e n , rivierbeddingen, die soms tot geweldige stroomen aanleiding geven, doch op andere tijden geheel droog of niet meer dan eene aaneenschakeling van verspreid liggende plassen zijn. Vele loopen dood in groote poelen en meren.
Van de groote meren (welke?) zijn vele rijk aan zout, en ook is in de streek, waar zij liggen, de bodem met zout doortrokken.
Toen de Europeanen in Australië kwamen, waren 'J/io van de plantensoorten hun vreemd. Behalve door dit oorspronkelijk karakter was de flora ook gekenmerkt door armoede en eenvormigheid. Voedingsgewassen waren er bijna niet.
Australische typen zijn: acasia's, eucalypten of gomboomen en easuarinen. In het groote Westen zijn de steppen deels begroeid met dicht scrub (kreupelhout en acacia-soorteni, deels met spi-nifex of stekelvarkengras, zoo geheeten naar de harde, stekelige halmen. Verder vindt men zoogenaamde woud-sa va n n es, waar de boomen verspreid groeien, terwijl de bodem met gras is bedekt, streken dus, die goede weidegronden aanbieden en den kolonisten het voorttrekken gemakkelijk maakten, in dezelfde mate als het spinifex en scrub hunne grootste vijanden waren. Eigenaardig zijn de Australische grasboom en met grasvormige bladeren. Over 't algemeen zijn de bladeren der boomen droog en lederachtig, en ze hebben hunne punten of scherpe kanten naar de zon gekeerd, zoodat ze weinig schaduw geven.
Ook de fauna is door haar bijzonder karakter gekenmerkt. In Australië vindt men 118 soorten van buideldieren, w.o. de eetbare ken goeroe, die in kudden voorkomt en voor de jacht van belang is. Het eenige groote roofdier (zoo groot als een kleine
328
wolf) is de dingo, een Australische wilde hond, lastig voor de schapenkudden. Ook leeft er een struisachtige vogel met haren, nl. de emeu. Verder zijn hier inheemsch : zwarte zwanen, paradijsvogels, papegaaien en liervogels.
Een geheele omkeer is echter ingetreden: schapen, rundvee en paarden waren nauwelijks ingevoerd, of ze vormden in hun nieuw vaderland spoedig den rijkdom der kolonisten. Veeteelt is in Australië het hoofdmiddel van bestaan geworden. Schapen vormen de hoofdzaak. Ze leveren uitmuntende wol. Wol is het hoofdproduct voor den uitvoer. Maar ook de talk is een product der schapenfokkerijen. Het v 1 e e s c h van schapen en runderen wordt in enorme hoeveelheden in bevroren toestand verzonden. De zuivelbereiding neemt gaandeweg hooger vlucht. Boter en kaas zijn reeds belangrijke artikelen voor den uitvoer. Midden in den winter krijgt Londen grasboter uit Melbourne.
Koren- en ooftsoorten, zuidvruchten, wijnen zijn met uitstekend gevolg ingevoerd. In Queensland legt men zich toe op den aanbouw van suikerriet.
Uit het delfstoff'enrijk bevat Australië groote schatten. Van alle metalen, die er gevonden worden, komt er geen zoo algemeen en in zoo groote hoeveelheid voor als het goud. Ook zilver en koper worden in alle districten aangetroffen. IJzer is over 't geheele land verspreid; maar aan de exploitatie wordt weinig gedaan. Steenkool vormt een der belangrijkste minerale voortbrengselen van Nieu w-Zuid-Wales; doch ook in andere streken zijn belangrijke kolen-districten. Verder heeft men op onderscheiden plaatsen verschillende soorten van kostbare steensoorten gevonden ; maar liet systematisch onderzoek heeft zich vooralsnog hoofdzakelijk tot diamanten bepaald (Nieuw-Zuid-Wales, Victoria en Queensland).
Staatkundige indeeling.
§ 169. De zes Australische staten zijn Britsch, doch de Regeering in het moederland benoemt alleen Je Gouverneurs en houdt toezicht op de wetgeving, die overigens bij de koloniën zelf berust. In elk gouvernement is een zelfgekozen parlement. Slechts in enkele gevallen, b.v. in de betrekkingen tot het buitenland, treedt de Regeering van het moederland wetgevend op. De zes staten zijn: ')
') Cijfers volgens Consul. Verslagen, 24 Febr. 1808.
329
I. Victoria...... 1174 944 inw., hoofdstad Melbourne (451).
II. Nieuw-Zuid-Wales 1 297 640 „ „ Sydney (410).
III. Queensland.... 472179 , „ Brisbane (101).
IV. Zuid-Australië . . 360 220 „ „ Adelaide (145). V. West-Australië. . 137 946 „ „ Perth (34).
VI. Tasmanië..... 166113 „ „ Hobart (38).
De eerste vier staten zijn verreweg het belangrijkst: daar liggen de weidegronden en de goudvelden, daar zijn de steenkool-en me taal mij nen, en daarheen was sedert omstreeks 1850 de groote stroom der landverhuizers gericht. Zij hebben ontelbare kudden van schapen, runderen en paarden.
Victoria is 7-maal zoo groot als Nederland, Nieuw-Zuid-Wales is nog veel grooter. Victoria overtreft Nw.-Zuid-Wales in akkerbouw: korenuitvoer; in wijnbouw staat het vooraan in de rij der Australische koloniën. Nw.-Zuid-Wales staat vooraan in veerijkdom; schapen en runderen. Wat den goudrijkdom aangaat, volgen de staten in belangrijkheid aldus op elkaar: 1. Victoria, 2. Queensland, 3. Nieuw-Zuid-Wales, 4. West-Australië, 5. Tasmanië en 6. Zuid-Australië.
Melbourne en Sydney zijn wereldmarkten voor wol en goud. Ze zijn de middelpunten van de talrijke stoomvaartlijnen, die Australië thans reeds met Engeland, Marseille, Indië, China, Japan en Amerika verbinden; ze hebben geheel het karakter en de inrichting van onze groote Europeesche steden en zagen reeds eene wereldtentoonstelling.
Newcastle (50) is de belangrijkste haven voor steenkolen; het ligt in het mijngebied. Ballarat, Geelong en Sandhurst zijn de voornaamste goudsteden in Victoria, evenals Bathurst en Goul-burn in Nw.-Z.-Wales. Ze liggen bij de goudvelden en hebben de belangrijkste bergwerken en wasscherijen. Spoorwegen verbinden de woldistricten en de mijngebieden met de kust.
Queensland, 3-maal zoo groot als heel Duitschland, heeft eene meer tropische natuur en meer regen dan de andere Australische koloniën. De plantagebouw van suiker neemt toe, en veel Chi-neezen en Polynesiërs komen hier aan als koelies. Toch is veeteelt — runderen en schapen — nog hoofdzaak. Queensland bezit de helft van alle Australische runderen.
Ook de mijnbouw is belangrijk, en hierbij staat goud alweer vooraan. De bosschen bevatten o. a. het harde jar ra-hout, geschikt voor waterbouwwerken.
330
Van uit Queensland zijn pogingen gedaan, om Nieuw-Guinea te koloniseeren, doch zonder gevolg.
De hoofdstad Brisbane is belangrijk voor den handel.
In de kolonie Z.-Australië zijn landbouw, ooffr en wijnbouw hoofdmiddel van bestaan, naast schapenfokkerij. Voorts heeft deze kolonie kopermijnen; die op het schiereiland Yorke (tusschen de golven Spencer en St. Vincent) zijn misschien de rijkste der wereld. De hoofdstad, Adelaide, heeft eene uitstekende haven. In deze kolonie wonen betrekkelijk vee! Duitschers. Van de haven Port-Augusta gaat de overland telegraaf naar Port-Darwin. Langs deze lijn is een spoorweg in aanleg. (Zie bl. 325.)
Noord-Australië is nog bijna geheel zonder menschen; er zijn enkele nederzettingen, w. o. Port-Darwin en Palmers ton.
Het gouvernement West-Australië neemt de geheele, kleinere Westelijke helft van het vasteland in. Slechts enkele streken zijn in dit onmetelijk gebied gekoloniseerd. De inwoners zijn bijna uitsluitend van Britsche afkomst. Er wordt wol, paarlemoer en sandelhout uitgevoerd. De goudontginning is in haar opkomst. De hoofdstad is Perth aan de Zwanenrivier, en F r e e-mantle is de hoofdhaven. Het fraai gelegen Albany is een kolen-station der mailstoombooten.
Tasmanië, vroeger Van Diemensland, beslaat eene oppervlakte van 2 X Nederland en heeft 166 000 inw. (verg. Drente). Deze kolonie is 't meest van alle strafkolonie geweest.
In een vroeger geologisch tijdperk was het met het vastland verbonden; planten, dieren en menschen had het met Australië zelf gemeen, menschen nu niet meer, want hier zijn de inboorlingen reeds geheel uitgestorven, of liever voor de vervolging bezweken. De Bass-straat is ondiep en vol eilandjes en klippen.
't Klimaat is veel vochtiger dan op 't vastland. Het eiland is bergachtig, en heeft veel rivieren met altijd stroomend water. Ooft- en akkerbouw zijn met schapenteelt hoofdzaak. Delfstoffen zijn van beteekenis , vooral tin en g o u d.
Onder de havenplaatsjes van Tasmanië, die hun ontstaan aan de walvischvaarders danken, is Hobart of Hobarttown (38) het belangrijkst. Het heeft een prachtige haven en is een station voor de walvischvaarders.
§ 170. Australië's binnenlanden zijn nog volstrekt niet gekoloniseerd; daar zwerven nog de laatste Australiërs, bijna volkomen zonder middelen van bestaan.
331
Zij staan op veel lageren trap clan Papoea's, Maleiers of Afri-kaansche negers, zijn met bijzondere snelheid in aantal afgenomen en vertoonen zich maar zelden meer in de buurt der door Europeanen bewoonde districten.
De tegenwoordige bevolking van 't werelddeel, naar hare sterkteverhouding , blijkt uit de onderstaande figuren;
Chineezen. Australiërs.
O
31/2 millioen.
Fig. 58. Bevolking van het Austr. Vastland (met Tasmanië).
Fig. 59. Bevolking van Niemv-Zeeland.
Fig. 61. Polynesië.
Al deze figuren zijn op dezelfde schaal genomen.
Nieuw-Zeeland, bijna antipodiscb met en bijna even groot als Groot-Brittannië en Ierland, is eene kolonie van 714 000 inwoners.
332
De beide groote eilanden worden onderscheiden als Noordeiland en Zuid-eiland: een derde, veel kleiner, is het Stewart-eiland.
Tasman gaf het den naam, Cook was de eerste, die er landde.
De vorm van den bodem herinnert aan de Alpen in Europa. Vooral het Zuid-eiland is rijk aan gletschers, Alpenmeren, berg-stroomen en uitstekende weiden. De Mt.-Cook (3800 M) is de hoogste top. Het Noord-eiland is van vulkanische natuur: het heeft hooge vuurspuwende bergen, warme springbronnen (geisers), evenals op IJsland.
Het klimaat is gematigd en vochtig, even oceanisch als in Brittannië, maar met iets hooger temperatuur.
De flora is ook hier zeer oorspronkelijk; er zijn b.v. 120 inheem-sche woudboomen. Hout is dan ook een belangrijk uitvoer-artikel; maar meer nog wordt Nieuwzeelandsch vlas, eigenlijk eene hennepsoort, uitgevoerd. Van alle Australische koloniën staat Nw-Zeeland bovenaan in den uitvoer van koren. En nog hooger staat de veeteelt: schapen en runderen. Bij dat alles komt eene groote minerale rijkdom , vooral van g'oud.
De eerste kolonisatie is evenals bij Tasmanië het gevolg geweest van de walvischvangst; spoedig ontstonden aan de goede havens van het Zuid-eiland nederzettingen ; zendelingen volgden om onder de vatbare, krachtige inboorlingen werkzaam te zijn, en niet zonder goed gevolg.
De groote stroom der landverhuizers dagteekent echter eerst uit den laatsten tijd (1873); jaarlijks nam de bevolking wel met 40 000 toe, vooral op het Zuid-eiland (ook Chineezen, doch uitsluitend in de gouddistricten).
De inboorlingen, Maori's geheeten, zijn niet uitgestorven, doordat hun land bergachtig is en zij bovendien een zooveel beter ontwikkeld volk zijn dan de Australiërs. Zij behooren waarschijnlijk tot het zoo verbreide ras'der Maleiers, wonen in kleine, meest versterkte dorpen en waren op groote schaal menscheneters. Hun aantal bedraagt nog slechts 40 000.
De aanzienlijkste stad van Nieuw-Zeeland is Auckland (51). De belangrijke haven Dunedin (46) ligt in de nabijheid der gouddistricten. Wellington (33), aan de Cook-straat, is als zetel van het gouvernement, de hoofdstad. Christchurch (48) is eene belangrijke uitvoerhaven op het Zuid-eiland.
333
Melanesië.
§ 171. De eilanden, die van Nieuw-Guinea in het N. tot en met Nieuw-Zeeland in het Z. in een wijden boog het Australisch vastland omgeven als de binnen-Australische gordel, worden met uitzondering van Nieuw-Zeeland Melanesië (= land der zwarten) genoemd. De inboorlingen verschillen in ras van die der overige eilanden in den Grooten Oceaan. Men rekent hen tegenwoordig doorgaans tot het ras der Papoea's, dus ethnologisch tot Nieuw-Guinea.
De belangrijkste groep er onder zijn de Fidsji-eilanden, 255 in getal, samen ruim half zoo groot als Nederland. De bevolking — 80 eilandjes zijn bewoond, samen met 125 000 inw. — wordt als bijzonder begaafd geschilderd; Engelsche zendelingen zijn er werkzaam, en de eilanden zijn in naam Engelsch. Er wordt suiker en kokos uitgevoerd.
1) .,De handel der Fidsji-eilanden neemt snel toe; immigranten komen van alle kanten; meer dan zestig zeil- of stoomschepen worden gebruikt voor de kustvaart langs of tusschen de eilanden; rietsuiker is het hoofdproduct. Eene maandelijksche pakketvaart verbindt den Archipel met Australië en Nieuw-Zeeland, en dank zij den onderzeeschen telegraafkabel zijn de nieuwstijdingen uit Europa, die in de Fklsji-Times worden opgenomen, niet meer dan 8 dagen oud. Een vluchtig verblyf op deze eilanden is voldoende, om ons opnieuw te overtuigen van bet zeldzaam talent, waarmede het Anglo-Stiksische ras in weinige jaren ook zelfs volstrekt onbeschaafde landen weet te koloniseeren en te exploiteeren.
Viti-Levoe is het voornaamste eiland. Het midden van dit eiland wordt geheel ingenomen door bergen, wier indrukwekkende massa oprijst boven de omringende wouden en de met zoogenaamde brush overdekte vlakten. Men zou zich eene geheel verkeerde voorstelling vormen van de wouden van Oceanië, indien men ze vergeleek met die van Amerika of Afrika, welke zich kenmerken door ondoordringbare wildernissen van hoog en laag geboomte, van kreupelhout en struikgewas, door verscheurende of giftige dieren bewoond en bezaaid met poelen en moerassen, die doodelijke uitwasemingen verspreiden. Op de eilanden-groepen van den Stillen Oceaan vertoont de natuur een geheel ander karakter: zij mist dat geweldige, dien overstelpenden rijkdom van altijd nieuw leven, die voor onze verbeelding haast iets pijnlijks heeft. Op de Fidsji-eilanden herinneren de bosschen aan die van Europa: zij bevatten prachtige boomen, maar daar is ruimte tusschen de stammen. Jn het bosch vindt ge open plekken; heldere beekjes kronkelen er tusschen het groen ; de heerlijke geuren van oranje- en citroenboomen doorademen de lucht; bevallige lianen slingeren zich om stammen en takken.
i) Aarde en haar Volken, 18S8.
334
De zoogenaamde brmh levert daarentegen een ernstig beletsel op, niet alleen voor de reizigers, die 't binnenland willen bezoeken, maar ook voor de planters, die den grond moeten ontginnen. Zij vormt eene schier ondoordringbare massa van doornige struiken, van kreupelhout, van doode stammen, van gras en hoog opgeschoten kruiden, van wortels, die zich om uw beenen slingeren en waarvan ge u slechts met behulp van uw bijl of uw jachtmes kunt bevrijden.
De inboorlingen van de Fidsji-eilanden behooren tot het ras der Papoea's; zij zijn van slanke, rijzige gestalte. Ze tatoeëeren zich, of, omdat de figuren op de zwamp;rie huid minder goed uitkomen, branden zich verschillende figuren in. De krijgslieden hebben daarbij de gewoonte, zich voorhoofd en wangen met roet te besmeren, om er toch maar schrikwekkend uit te zien. Zij zijn gewapend met den onmisbaren knots van ijzer-hout. De kleeding is zoo eenvoudig mogelijk, geweven uit vezels van boomschors. Jongelieden tooien zich bovendien met een gordel van gedroogd zeegras en met een witten tulband met lange franje omzoomd. Een hoofdbestanddeel van de voeding is eene soort brij van de vruchten van den broodboom, vermengd met kokosmelk. Bovendien gebruikt men er veel varkensvleesch en vooral ook visch, die in overvloed langs de kusten wordt aangetroffen.quot;
Nieuw-Caledonië is half zoo groot als Nederland en telt ±. 60 000 inw., waarvan '/a blanken Deze eilanden zijn Fransch en werden in 1871 gebruikt als verbanningsoord voor de communards , maar de Regeering in Frankrijk heeft hen , na verleende amnestie , in de laatste jaren geleidelijk teruggehaald.
De hoofdplaats is N o u m é a, tevens voornaamste haven.
De Nieuwe Hebriden bestaan uit vulkanen en koraaleilanden.
Nieuw-Guinea, grooter nog dan Borneo en Madagaskar, heeft eene oppervlakte van l'/a X Duitsehland en is het grootste eiland der aarde.
Vóór de kusten liggen talrijke groepen van kleine eilanden, deels vulkanisch, meer aan de Indische zijde, deels koraalvormig, vooral in het Oosten en Zuiden.
In 't begin der 17' eeuw door Hollanders ontdekt, wordt de Westelijke helft nog altijd als Nederlandsch gebied beschouwd. Vóór de 19' eeuw zijn nooit ernstige pogingen gedaan tot onderzoek , veel minder tot kolonisatie. In de eerste helft dezer eeuw werd door de zorg der Indische Regeering een fort gebouwd , Bu Bus (naar den toenmaligen bewindhebber), en ontstond eene nederzetting; maar reeds in 1836 moest deze poging tot kolonisatie worden opgegeven, daar het klimaat aan de lage, moerassige kust in de hoogste mate ongezond is. Nu, in onze dagen, komt Nw.-Guinea dikwijls ter sprake. Herhaalde reizen zijn gedaan, om in de zoo gebrekkige kennis van het groote land te voorzien,
335
maar de reizigers leeren in de binnenlanden de inboorlingen als zeer gevaarlijk kennen , en de rivieren zijn slechts over een kort gedeelte , van de monding af, bevaarbaar.
Die binnenlanden hebben in tegenstelling van Australië's vastland, een weelderigen plantengroei, dichte wouden van rhizo-phoren, palmen (sago, areca, e. a.). pandanen en andere tropische boomsoorten. De natuur zou den kolonisten vooral aanplant van suikerriet en katoen mogelijk maken; de handelsbetrekkingen , die nu reeds bestaan tusschen onze Moluksche eilanden en enkele kustpunten , zijn alleen voor nootmuskaat van belang.
De dierenwereld is arm aan nuttige soorten; kenmerkend zijn de p a r a d ij s v o g e 1 s en papegaaien in vele soorten en de buideldieren, echter in soort weer verschillende met die van Australië.
De Papoea's worden, o a. door Wallace, den bekenden En-gelschen natuur-onderzoeker in Nederlandsch Oost-Indië, beoordeeld als met gunstigen aanleg, maar zij zijn veel minder dan de volken van Maleisch ras met vreemden in aanraking gekomen en staan daardoor thans bij dezen ver achter. Zij verbouwen wat suikerriet en tabak , hebben sago- en kokospalmen, jagen met pijl en boog, visschen, ook voor paarlen en tripang , en leiden een zeer onafhankelijk leven; bijna elk dorp staat op zich zelf, ja, heeft een eigen dialect. Dit maakt het reizen voor den onderzoeker , zendeling of handelaar nog moeilijker. Bovendien is de Papoea zeer ruw, en van invloed van 't Christendom valt nog niet veel te bespeuren. De woningen zijn meest op palen gebouwd.
Gelijk gezegd is, behoort de Westelijke helft aan Nederland, 'tZuidoosten is Engelsch en in 1885 is 'tNoordoostelijke deel door Duitschland in bezit genomen als „Keizer-Wilhelms-land.quot; Evenzoo de voor de Oost-kust liggende eilandengroepen van Nieuw-Brittannië als „Bismapck-apehipel.quot;
Micronesië en Polynesië.
§ 172. Micronesië — d. i. „kleine eilandenquot; — omvat eenige groepen ten O. van de Philippijnen en ten N. van Nieuw-Guinea. Noch in ligging , noch in natuur, noch in oorspronkelijke bewoners behooren deze eilandengroepen tot Australië.
Het klimaat is heet en vochtig, doch niet ongezond ; de plantengroei is weelderig , de dierenwereld arm — niet in de omringende zeeën: daar wordt de cachelot, de „walvisch der tropenquot; gevischt, de tripang, de pareloester, enz.
336
Voor den handel leveren deze eilanden vooral: kokos-olie, schildpad en tripang.
De belangrijkste groepen zijn de Carolinen en de Marianen, beide Spaansch en onder 't Kapitein-Generaalschap van de Philip-pijnen.
Onder den naam Polynesië vat men de menigte eilandengroepen samen, die over eenè ontzaglijk groote ruimte verspreid zijn, tns-sohen Amerika-aan de eene zijde en Melanesië en Micronesië aan den anderen kant. Zij liggen hoofdzakelijk tusschen de keerkringen.
Deels zijn ze van vulkanische natuur, deels het werk van koraaldieren. De eerste hebben door hf.re aanzienlijker hoogte het voordeel van meer wind te vangen, worden daardoor beter met regen bedeeld en zijn van weelderiger plantengroei voorzien. De hooge temperatuur wordt door de lieerschende passaten en den invloed der zee gematigd, en aldus verheugen vele eilanden zich niet alleen in een eeuwigen zomer, maar is deze tevens altijd aangenaam, niet drukkend.
De koraaleilanden zijn de bouwwerken van koraaldiertjes of
polypeu, die met de afgestorven individuen een gemeenschappe-lijken stok vormen, welke uit kalk bestaat, die de levende diertjes afscheiden. Millioenen en nog eens millioenen polypenstokken vormen in de zee geheele ruggen, die riffen heeten. Een vaste zeebodem, helder zoutwater, versche golfslag of zeestroomingén en eene temperatuur, die niet beneden 20° C. daalt, zijn de noodzakelijke voorwaarden voor het leven der koraaldiertjes. Daardoor
337
zijn ze beperkt tot de tropische zeeën. Soms zijn de koraalriffen op eenigen afstand van de kust en evenwijdig met het land, waarvan ze door een kanaal zijn gescheiden, zooals het Groot Barrière Rif. Zulke riften heeten dam- of walriffen. Hebben de riffen eene kringvormige gedaante, waardoor ze eene zoutwaterlagune insluiten, dan noemt men ze atollen of lagune-riffen. De atollen vormen dus zelfstandige eilanden, die-echter steeds laag zijn, omdat de koralen niet boven water kunnen leven. Slechts een smal strand trotseert eene eeuwigdurende branding, en de naaste omtrek is onveilig door een doolhof van klippen. De meeste zijn onbewoond , en de zeeman vermijdt de nabijheid zooveel mogelijk. Eentonig is de natuur op deze eilanden: een ring van koraalrotsen omgeeft eene lagune; soms bedraagt de omtrek verscheidene uren gaans, bij eene breedte van slechts enkele meters , althans zelden is deze meer dan 200 M. De kokospalm is de voornaamste, zoo niet de eenige boomsoort. Over alle eilanden verbreid, is hij voor de bewoners van het grootste nut.quot; Op de hoogere en grootere eilanden zijn vreemde cultuurgewassen ingevoerd.
Opvallend is het, dat zoowel bij de planten- als bij de dierenwereld het aantal soorten in deze eilandenwereld afneemt in de richting van het Westen naar het Oosten. Maar in onze dagen worden de voor den mensch nuttige dieren en planten met groote snelheid overal overgebracht; zoo komen paarden en rundvee tegenwoordig reeds op vele eilanden voor.
De bewoners zijn nog weer onderscheiden van Australiërs, zoowel als van Papoea's. Vrij algemeen rekent men hen tot het Maleische ras en duidt hen aan met den naam van M a 1 e y o-Po 1 ynesi ërs. Wel bestaat er nog groot onderscheid, vooral in lichaamsbouw, tusschen de bewoners van de eene groep en die van de andere, maar èn in taal èn in zeden toonen zij toch overeenkomst met elkaar en met do Maleische volken van Z.-O -Azië, ja zelfs met die van Madagaskar. Hoe dit ras zoo ver verbreid werd, is tot nu toe een ethnologisch raadsel.
Bij allen werd een groot aantal goden aangetroffen, zeker als gevolg van de gewoonte, afgestorvenen onder de goden op te nemen. Aan allen gemeen is het verderfelijke taboe, een godsdienstige instelling, waardoor voorwerpen, waarop het taboe door den priester is toegepast, aan het algemeen gebruik werden onttrokken. Dit gebruik moest natuurlijk tot erge misbruiken aanleiding geven.
Ook menschenoffers kwamen veelvuldig voor. Maar reeds sedert het begin dezer eeuw, zijn zendelingen opgetreden, en verrassend snel is op vele der eilanden het Christendom aangenomen niet
22
338
alleen, doch ook is de bevolking zich gaan toeleggen op verschillende cultures. Zoo krijgen ook sommige dezer „Zuidzee-eilandenquot; meer en meer handelsbeteekenis.
Zoowel in den bouw van woningen als gereedschappen toonen de Polynesiërs groote kunstvaardigheid, maar vooral komt deze uit bij hunne vaartuigen.
Reeds zijn vele der eilandengroepen in bezit genomen door de Engelschen, Franschen, Amerikanen, terwijl ook de Duitschers in den Grooten Oceaan beginnen op te treden. Toch is het aantal blanken, die zich tot nu hebben nedergezet, gering.
De sterkte der Polynesische bevolking berust op schatting van de zijde van de zendelingen en schijnt ± '/a millioen te bedragen. Fig. 61 stelt de bevolking voor op dezelfde schaal als zulks met die van Melanesië, Nw.-Zeeland en Australië gedaan is.
Vele der eilandengroepen zijn geheel onbewoond en hebben slechts als voorraadschuren van guano eenige beteekenis.
De belangrijkste groep van geheel Polynesië is die der Sandwicheilanden. Hier heeft de inheemsche bevolking zich tot een staat geconstitueerd, die naar Europeesch model is ingericht. De ligging der groep is bijzonder belangrijk: in het midden van den Oceaan, als een station voor de vaart tusschen de groote havensteden van Oost-Azië, Amerika's Westkust en Z.O.-Australië.
Op welke breedte liggen deze eilanden?
Lang was het twijfelachtig, welke der zeevarende mogendheden, altijd zoo naijverig op elkaar, deze belangrijke groep in bezit zou nemen. Ten slotte is een Protectoraat van de Vereenigde Staten uitgesproken.
De naam Sandwich-archipel is in 1778 door Cook gegeven ter eere van Lord Sandwich van de Britsche admiraliteit; „Archipel van Hawaïquot; is de officiëele en inheemsche naam. Er zijn 11 eilandjes, waarvan Hawaï 't grootst is. Drie bergreuzen , waarvan de Mauna Loa en de Ma una Kea bijna zoo hoog als de Mt.-Blanc en met eeuwige sneeuw,, verheffen zich hier; zij zijn vulkanisch en nog in 1868 bouwde de Mauna Loa met zijne lava-zee , Kilauea, bij eene uitbarsting door zijne lavastroomen een voorgebergte in zee ter lengte van 1 uur gaans en ter hoogte van ruim 150 meter. Eene andere geweldige uitbarsting van denzelfden berg volgde in 1880.
Wouden en vooral weiden bedekken de bergen, en in de dalen
339
zijn suikerplantages. Kokos, pandaan, oranje en andere boomen der warme luchtstreken tieren er uitmuntend.
De gezamenlijke grootte der eilandjes bedraagt ruim de helft van Nederland. De bevolking , ± 100000 zielen, bestaat voor de helft uit inboorlingen van Maleisch-Polynesischen oorsprong; deze noemen zich Kanaken (= „menschenquot;). Zij zijn zeer vatbaar voor ontwikkeling De hoofdstad Honoloeloe (25) is eene levendige haven, station van talrijke stoomschepen, eene stad op Euro-peesche wijze ingericht en waar talrijke Amerikaansche en Europee-sche handelshuizen zijn gevestigd.
Onder de vele groepen bezuiden de linie noemen wij verder nog den Gezelschaps-archipel, die Fransch is, met Tahiti; de Samoa-of„ Schippersquot;-eilanden en de Tonga- of „Vpiendschapsquot;-eilanden, welke onafhankelijk zijn.
INHOUD
Pag.
Hoofdstuk I. Grondbegrippen uit de Wiskundige Aardrijkskunde ......................1—12
„ II. Grondbegrippen uit de Natuurkundige
Aardrijkskunde.........12 — 49
III. Europa...........49 — 175
IV. Afrika............175 — 216
„ V. Azië............216 — 268
„ VI. Amerika......................268 — 824
VII. Australië......................324— 389
EERAT A:
Op bladz. 49, No. 6. staat Republiek Italië, lees: Koninkrijk. „ „ 58, reg. 17 v. b. staat (508); lees: (812). „ „ 174, reg 6. v. b. staat Westel., lees: N.-Oostel. „ „ 283, reg. 16.v. o. staat njou; lees: njoe.